Atlantis.

 

Inleiding, Plato.

Atlantis betekent in Grieks het eiland van Atlas. Het wordt als een mythisch eiland beschouwd en werd voor het eerst vermeld in PlatoÕ s dialogen, 427- 347 v. Chr. Hoe het land eruitzag, is door Plato bij monde van Critias in detail beschreven. Onder andere was er op het eiland een tempel gewijd aan de god Poseidon, de god van de zee. Het eiland Atlantis lag buiten de Middellandse Zee, dus nog verder dan de Zuilen van Hercules (de Straat van Gibraltar).Door een catastrofe zou het eiland verdwenen zijn. In zijn ÔTimaeusÕ en vooral in ÔCritiasÕ vertelt Plato uitgebreid over een eiland, "groter dan Noord-Afrika en Klein-Azi‘ bij elkaar", waarvan de bevolking in overvloed en weelde leefde, zo' n 11.000 jaar geleden. Tijdens een bezoek aan Egypte zou Solon in de stad Sa•s een priester ontmoet hebben die hem uitvoerig vertelde over de overwinning van de Grieken op "een machtig leger dat, vanuit een ver punt in de Atlantische Oceaan, oprukte om Europa te veroveren. De indringers kwamen van een eiland Atlantis, buiten de Zuilen van Hercules" (de huidige Straat van Gibraltar). Plato introduceert het verhaal over Atlantis' macht en ondergang in de dialoog ÒTimaeusÕ. Daarin vertelt het personage ÒCritiasÕ hoe dit rijk omstreeks 9500 v. Chr. door een wereldwijde catastrofe, een soort zondvloed zijn weggewist. In de onvoltooide dialoog "Critias" geeft Plato een zeer gedetailleerde beschrijving van het centrum van het machtige Atlantis-rijk: "De oude hoofdstad was rijk aan natuurlijke bronnen en er was voedsel in overvloed. Hoge bergen boden beschutting tegen de noordenwind en over de weiden zwierven dieren zoals olifanten en paarden, die dronken uit meren en rivieren. Er regeerden 10 koningen over dit paradijselijke eiland en de bewoners leefden er in volmaakte harmonie". Volgens Plato was de oude hoofdstad van Atlantis een streng geometrisch uitgebouwd systeem van concentrische cirkels met om beurten een ommuurd eiland en een kanaal, met een totale diameter van 22,5 km. Op het cirkelvormige centrale eiland waren er sportterreinen, het koninklijk paleis en een tempel, gewijd aan de zeegod Poseidon, beschermgod van de stad. Het hoofdeiland was helemaal ingesloten door een cirkelvormig, 183 meter breed kanaal. Daaromheen was opnieuw een ringvormig eiland, 365 meter breed, met een paardenrenbaan, een kazerne en een grote binnenhaven. Het was gescheiden van de derde buitenste landring door een even breed kanaal. Aan ŽŽn kant liep een kanaal rechtstreeks van de zee door dit geometrische complex tot een binnenhaven in het centrum.

 

Andere vermeldingen.

 

Als je goed zoekt zie je meer sporen van dit aardse paradijs. Heel bekend is het Elysium, de Elysese velden, Elysische velden, Eleysche velden of  Elyse•sche velden, Grieks Elysion. De etymologie van Elysion is onduidelijk. Het kan worden verbonden met het Griekse werkwoord eleus™ (eleuth™ ), "om te verlichten "of "bevrijden" (dat wil zeggen van de pijn )  en of met de stad Eleusis, plaats van de vereerde Eleusinische mysteri‘n.

In de Griekse mythologie komt als een plaats in de onderwereld het Elyson, Elysium voor. Elysion schijnt appeleiland te betekenen. Zo ook alisier, een voor-Gallische woord voor de lijsterbes. Hetzelfde geldt voor het Arthuriaanse avalon en het Latijnse avernus of avolnus. De woorden zijn gevormd uit de Indo/Europese wortel ahol: wat appel betekent. Ook het woord Apollo is wellicht afgeleid van de wortel abol: appel, en niet van apollunai: vernietigen, zoals men gewoonlijk meent. Op het appeleiland Avalon, bij Plinius Abalus, liepen de zielen van de heilige koningen rond op de begrafeniseilanden. 

Het Elysium ligt dichtbij de toegang tot de Hades, het is een gelukkig land waar het eeuwig dag is zonder koude of sneeuw, waar aan spelen, muziek en feesten nooit een einde komt. De bewoners kunnen ervoor kiezen wanneer ze maar willen op aarde te worden herboren.

Het is een zeer oud geloof dat de zielen van de afgestorvenen over een water varen dat het rijk der levenden met die van de doden scheidt. Het Harbardslied in de oude Edda wordt hiermee in verband gebracht. Een legende verhaalt dat de ziel van Dagobert, koning der Franken, tussen de jaren 628 en 638 door de H. Dionysus op een schip over zee gevoerd en aan de overkant door Engelen ontvangen werd. Waar lag die overkant?

Procopius van Caesarea, die Belisarius op zijn veldtocht in de jaren 527-547 vergezelde, spreekt over het eiland Brittia. Hij vermeldt een sage die hij van de inwoners vernomen heeft. ÔDe zielen van gestorven mensen worden naar het eiland overgevaren. Aan de kusten van het vasteland wonen onder Frankische heerschappij, maar van oudsher vrij van schatting, vissers en landbouwers die op de rij verplicht zijn dat overvaren te bezorgen. Die aan de beurt zijn leggen zich in de schemeravond te slapen. Met middernacht horen ze kloppen op de deur en geroep met doffe stem. Dadelijk staan ze op en gaan naar het strand en vinden niet hun eigen, zo menen ze, maar vreemde schuiten, stappen in en varen weg. Dan ontdekken ze dat de schuiten, hoewel er niemand te zien is, zo zwaar geladen zijn dat ze nauwelijks vingerbreed boord hebben. Na een uur varen landen ze, hoewel ze met hun eigen vaartuigen een etmaal nodig hebben om de afstand af te leggen. De schippers zien nog niets, maar horen een stem die aan iedereen, die in de schuit is, de naam vraagt. Zijn er vrouwen onder dan geven die de naam van hun mannen op. In Brittia aangekomen worden de schuiten dadelijk gelost en zijn dan zo leeg dat slechts het onderste van de kiel het water raakt.

De zielen gingen langs de Helweg naar het Noorden tot aan de zee en werden daar overgebracht naar Engelland. Dit Engelland is later verward met Engeland zodat Procopius dan ook van Brittia spreekt. De vele liedjes van Engeland varen houden hiermee misschien verband. In Oost Friesland leeft het verhaal nog dat drieduizend zielen werden overgebracht naar Ôt Witte Eiland.

Als koning of overwinnaar kreeg men een appel of appeltak aangereikt, dit was het paspoort tot het Elysion. De gouden appels waren in de Griekse en Keltische mythen paspoorten voor het paradijs. De oorspronkelijke prijs van de olympische spelen, een appel of appeltak, hield de belofte van onsterfelijkheid in wanneer hij, zoals dat behoorde, door zijn opvolger gedood werd.

 

In het verhaal van Vergilius komt Aeneas aan op de verblijfplaats van de gelukzaligen, nadat hij door de Tartarus is gereisd. Daar ziet hij lachende dreven, met hun eigen sterren en hun eigen zon. Hij ziet er oude helden die zich vermaken met kampspelen, met worstelen, met dans en zang. Bij Homerus ligt het Elysion in het heldere zonlicht, niet aan die kant waar zich de onderwereld bevindt.

 Het Elysion is een voorstelling van het hiernamaals die ontwikkeld en onderhouden werd door een aantal Griekse filosofische en religieuze sekten en culten. Aanvankelijk was het los van het rijk van Hades en werd de toelating gereserveerd voor stervelingen die verwant waren met de goden en andere helden. Later uitgebreid met die door de goden waren gekozen, de rechtvaardige en de hero•sche, waar ze na de dood zouden blijven om een gezegend en gelukkig leven te leiden en zich overgeven aan de werkgelegenheid die ze in het leven hadden genoten. De Elysese velden waren gelegen aan de westelijke rand van de Aarde bij de stroom van Okeanos. In de tijd van de Griekse mondelinge dichter Hesiodus was het Elysium ook wel bekend als de Fortuinlijke eilanden of eilanden van de Gezegende, gevestigd in de westelijke oceaan aan het einde van de aarde. De Eilanden van de Gezegende zou worden teruggebracht tot een enkel eiland door de Thebaanse dichter Pindarus die beschrijft het als het hebben van schaduwrijke parken waar de bewoners zich overgeven aan hun atletische en muzikale bezigheden. Ook figuurlijk gebruikt in plaats van een situatie van volledige geluk.

 

Homerus Odyssee 4. 56 ff "De profetische zeegod Proteus zegt tegen Menelaos: al voor jezelf, koning Menelaos, het is niet je doel om te sterven in Argos ... De Dodelijke ene zal op je wachten op het einde van de wereld, de Elysische velden (pedion Elysion) waar de geelharige Rhadamanthys is. Daar leven inderdaad mensen zonder alle dagen te werken. Sneeuw, storm en onweer komt daar nooit, maar voor de mensen verfrissing stuurt Okeanos steeds de hoog zingende winden van het westen (aetae Zephyrioi). Al deze goden hebben plaats voor u en herinner hoe je vrouw Helene daar is en haar vader Zeus zelf. "  
 
Homerus Odyssee 24. 12 ff: "Zo reisden deze spoken die tezamen klaagden terwijl Hermes hen naar beneden leidde [naar het Land van de Doden] door de wegen van donkerte. Ze passeerden de stromen van Okeanos, de Witte Rotsen (petra Leuka), de poorten van de Zon (pylai Hlioi) en het Land van Dromen (Oneiroi demo's) en ze kwamen al snel op de velden van Asphodelus waar de zielen (psykhai), de fantomen (eidola) van de doden hun woning hebben. "
 
Hesiodus Werken en Dagen 156 ff (Grieks epos 8ste of 7de eeuw voor Christus): "Zeus, de zoon van Kronos maakte nog een ander [mensenras], de vierde, op de vruchtbare aarde, die edeler en rechtvaardiger was, een god-achtige ras van heldenmannen die halfgoden (hemitheoi) worden genoemd, het ras voor ons, door de hele grenzeloze aarde. Kwaadheid, oorlog en vrees vernietigde een deel van hen, sommigen in het land van Kadmos bij de zeven openingen van Thebe waar ze vochten voor de kudden van Oedipus en sommige toen men ze had gebracht in schepen over de grote zee naar Troje voor HelenaÕs zaak, daar werd een gedeelte gedood, maar aan de andere gaf vader Zeus, de zoon van Kronos, een woning apart van de mensen en stelde hen te wonen in het einde van de aarde. En ze leven onaangetast door verdriet op de Gezegende eilanden (Nesoi makaron) langs de oever van de diep wervelende Okeanos, gelukkige helden voor wie de graan gevende aarde ​​ driemaal per jaar honingzoete vruchten draagt, ver van de onsterfelijke goden en Kronos regels over hen want de vader van de mensen en goden heeft ze vrijgelaten van hun banden. En deze laatsten hebben even eer en glorie. "

 

Arctinus van Miletus, Aethiopis fragment, Griekse epos 8ste of 7de eeuw voor Christus: "De Achae‘rs [Grieken te Troje ] begraven dan Antilokhos en het lichaam van Akhilleu terwijl Thetis ... beweent haar zoon die ze daarna weghaalt van de brandstapel en transporteert het naar de Witte Eilanden ( Nesos Leuke )."

 

Pindarus, Olympische Ode 2. 57 ff (Grieks uit 5de eeuw voor Christus): "Als ze sterven, harten die geleegd waren van barmhartigheid vanwege het doel en de zonden van deze wereld zal een rechter [ofwel Minos of Rhadamanthys] oordelen onder de aarde en recht houden en van noodzaak het woord van de ondergang verklaren. Maar de goede, door de nachten gelijk e die  door de oneindige dagen onder de heldere straal van de zon de bodem niet raken met de kracht van hun handen, noch de brede zee voor een slechte levensomstandigheden, maar genieten van een leven dat geen zware arbeid kent; met mannen die ge‘erd worden van de hemel die hun gezworen woord graag onderhouden en onderhouden een tijd vrij van alle tranen. Maar de onrechtvaardige verduren pijn die geen oog kan verdragen. Maar degenen die een goede moed hadden, drie keer aan beide kanten van de dood, om hun ongeschonden harten van alle kwaad te houden, deze reizen langs de weg van Zeus naar Kronos toren. Ze gaan langs de eilanden van de Gezegende (Nesoi Makaron), waar de winden van Okeanos spelen en gouden bloesems branden, sommige verpleegd op de wateren, anderen op het land aan de glorieuze bomen waar geweven kransen op hun handen zijn geketend en bloeiende kronen, net onder de decreten van Rhadamanthys die zijn plaats heeft aan de rechterhand van de grote vader, Rhea' s echtgenoot, de godin die de hoogste troon van alle in bezit heeft. En Peleus en Kadmos zijn van dat getal en daarheen, als hun gebeden het hart van Zeus doordringt, brengt zijn moeder Achilles, hij volgde Hector, de onoverwinnelijke Trojaan, onverzettelijke en bracht ze dood in Kyknos en de Aithiop [Memnon] zoon van Eos."

 

Aeschylus, Fragment 50 Europe (van Papyrus)(Griekse tragedie uit de 5de eeuw voor Christus) "Rhadamanthys, hij die van mijn [in Europa] zonen vrij is van de dood, maar toch, hoewel hij leeft, mijn ogen hem niet aanschouwen." [Dat wil zeggen; Rhadamanthys is getransporteerd is om leven te Elysion.]  

 

Euripides, Bacchae 1346 ff (Griekse tragedie 5de eeuw voor Christus): " Ares zal eindelijk leven en zowel u [Kadmos] en Harmonia je een onsterfelijke leven schenken onder de zalige goden [dat wil zeggen dat hij transformeert ze tot slangen en stuurt ze naar de eilanden van de Gezegende]." 

 

Pseudo-Apollodorus, Bibliotheca 3. 39 (Grieks mythograaf 3de eeuw na Christus): "Later worden hij en Harmonia omgezet in slangen en worden door Zeus naar de Elysische velden gestuurd (Pedion Elysion)."

 

Pseudo-Apollodorus, Bibliotheca E5. 5: "Het [Grieks] leger nam de dood van Achilles erg hard. Ze begroeven hem op het eiland van Leuke [het witte eiland]) met Patroclus en mengden de botten van de twee mannen bij elkaar. Er wordt gezegd dat na zijn dood Achilles ging wonen met Medeia op de eilanden van de Gezegende (nesoi makaron)." 
 
Pseudo-Apollodorus, Bibliotheca E6. 29: "En [Menelaos] kwam naar Sparta en herwon zijn eigen koninkrijk en werd onsterfelijk gemaakt door Heraen  hij ging naar de Elysische Velden met Helena."  
 
Apollonius Rhodius, Argonautica 4. 811 ff (Griekse epos 3de eeuw voor Christus): "[Hera zegt tegen Theti:] Als uw zoon [Achilles] op de Elysische vlakte komt ... Het is voorbestemd dat hij de echtgenoot van Medea, Aetes 'dochter wordt."
 
Diodorus Siculus, Bibliotheek van Geschiedenis 5. 81. 3 - 82. 4 (Griekse historicus 1ste eeuw voor Christus: [In het volgende presenteert Diodorus een nogal onwaarschijnlijke uitleg over de mythe van de eilanden van de Gezegende en beweert dat deze eigenlijk de Griekse eilanden Lesbos, Chios, Samos, Kos en Rhodos waren. Die kregen de benaming makaron "de gezegende" van een vroege koning genaamd Makar.] "Zeven generaties na de vloed van Deucalion ... [Zijn nazaat] kwam Makareus naar het eiland [Lesbos] en bewust van de schoonheid van het land maakte hij zijn huis erin ... Bovendien probeerde Makareus de naburige eilanden onder zijn controle te brengen en stuurde een kolonie in de eerste plaats naar Chios ... en na deze [Samos] ... het derde eiland waar hij zich vestigde was Kos ... en toen zond hij Leucippus, samen met veel kolonisten naar Rhodos ... De eilanden, omdat ze aan de wind werden blootgesteld en de bewoners van gezonde lucht voorzagen en aangezien ze ook genoten van een goede oogst waren ze gevuld met een steeds grotere overvloed en ze werden vanwege de afgunst snel een voorwerp van afgunst. Bijgevolg gaven ze het de naam van de Gezegende eilanden (Nesoi Makaron), ze genoten van de overvloed van de goede dingen. Maar er zijn er die zeggen dat ze de naam van de Gezegende eilanden (makarioi) kregen na Makareus, aangezien zijn zonen de heersers over waren hen. En in het algemeen, de eilanden die we hebben vermeld, hebben een gelukzaligheid die ver overtreft die van hun buren, niet alleen in de oudheid, maar ook in onze eigen tijd, want ze zijn als de beste alle in rijkdom van de bodem, de uitmuntende locatie en mildheid van het klimaat, het is met een goede reden dat ze zo worden genoemd wat in werkelijkheid zijn ze 'gezegend.' '
 
Strabo, Geopgraphy 3. 2. 13 (Griekse geograaf 1ste eeuw voor tot 1ste eeuw na Christus): [Strabo presenteert een rationele vermelding van de Elysische Velden en de eilanden van de Gezegende en identificeert ze met de vlakten van Gades (dat wil zeggen hete moderne C‡diz in Zuid-Spanje), en de eilanden voor de Atlantische kust.] "De dichter [Homerus] informeert door zijn onderzoek van zo veel expedities naar de buitenste delen van Iberia en leert van horen zeggen over de rijkdom en de andere goede eigenschappen van het land (voordat de Phoinikes [dat zijn Fenici‘rs] deze feiten maakten) Hij plaats de woonplaats van de Gezegende daar en ook de Elysische vlakte (Elysion Pedion), waarvan Proteus zegt dat Menelaos er zal gaan en zijn huis maakt, Maar de onsterfelijke goden zullen u begeleiden naar de Elysische Vlakte en de uiteinden van de aarde, waar Rhadamanthys is met het mooie haar, waar het leven is het gemakkelijkst. Geen sneeuw is er, noch grote storm, noch ooit een regen, maar altijd zend Okeanos de wind van duidelijk blazende Zephyros. Want beide, de zuivere lucht en de zachte bries van Zephyros, (de Westen Wind) behoren tot dit land, omdat het land niet alleen in het westen, maar ook warm is; en de uitdrukking 'aan de uiteinden van de aardeÕ behoren hiertoe waar Haides mythisch geplaatst is, 'zoals wij zeggen. En Homerus citeren van Rhadamanthys suggereert dat de regio in de buurt van Minos is waarvan hij zegt. `Daar was ik en zag Minos, glorieuze zoon van Zeus, die een gouden scepter droeg om te beslissen over de doden. 'Verder, de dichters die na Homerus kwamen verhalen in onze oren soortgelijke verhalen. . . noemen zelfs bij naam bepaalde eilanden van de Gezegende (Nesoi Makaron) die, zoals we weten, zijn nu nog aangewezen, niet ver van de landtongen van Maurousia dat tegenover Gades ligt. [in het zuiden van Iberia] "
 
Philostratus, Leven van Apollonius van Tyana 5. 3: " Ze zeggen dat de eilanden van de gezegende worden begrensd door de grenzen van Libi‘ en naar voren in de richting van de onbewoonde kaap [ van de Atlantische kust van Afrika ] . "

 

Pausanias legt de gezegende eilanden bij de mond van de Donau. Etc., etc.

 

 

Die omschrijvingen hebben al veel van Atlantis. Atlantis van Plato is vrijwel gelijk met Euhemerus Panchaea, 316  voor Christus, Griekse mythograaf die het als mythisch eiland noemt. Panchaea met zijn eilanden, Panara is het belangrijkste eiland, andere zijn Hyracia, Dalis en Oceanis. 
 
Diodorus Siculus, 90 voor- 30 na Chr. verhaalt over Panchaea;ÔEr zijn veel dingen waarneembaar in Panchaea die het verdienen er kennis van te nemen. De natuurlijke bewoners zijn die ze Panchaei noemen; de vreemdelingen, die in het midden van hen wonen zijn mensen van de westelijke delen, samen met de Indianen, Kretenzers en Scythen. In dit eiland is er een beroemde stad, genaamd Panara die  niet onderdoet met andere voor rijkdom en grandeur. De burgers worden genoemd de dienaars van Jupiter Triphylius en zijn de enige mensen van Panchaea, die worden bestuurd door een democratie, zonder een monarch. Zij kiezen elk jaar de presidenten of gouverneurs, die alle zaken onder hun kennis hebben, wat betreft het leven en de dood en de meest gewichtige zaken verwijzen ze naar het college van hun priesters. De tempel van Jupiter Triphylius is ongeveer zestig stadi‘n ver van de stad, in een open vlakte. Het is in grote verering vanwege de oudheid en de statigheid van de structuur en de vruchtbaarheid van de bodem.  De velden rondom de tempel zijn beplant met allerlei soorten bomen, niet alleen voor fruit, maar voor het plezier en genot; want zij hebben een overvloed van hoge cipressen, platanen, laurieren en mirt, rijk met fonteinen van stromend water want in de buurt van de tempel is er zo'n machtige bron van zoet water dat rent uit de aarde, want dat is een bevaarbare rivier : daar het zich verdeelt in verschillende stromingen en beken en wateren naar alle velden daaromtrent en produceert dikke bosjes van grote en schaduwrijke bomen; waaronder, in de zomer, een overvloed van mensen besteden hun tijd en een veelvoud aan vogels van allerlei vorm maken hun nesten die grote vreugde cre‘ren, zowel door het be•nvloeden van het oog met de verscheidenheid van hun kleuren en het met het oor met de zoetheid van hun zang. Hier zijn vele tuinen, zoete en aangename weiden uitgedost met allerlei kruiden en bloemen en zo heerlijk is het vooruitzicht dat het lijkt een paradijs waard van de goden zelf.  Er zijn hier ook grote en vruchtbare palmen en de overvloed van notenbomen die de inwoners rijkelijk voorzien van aangename noten.  Naast al deze zijn er een veelheid van wijngaarden van alle soorten, spruitend in de hoogte en dus merkwaardig verweven onder elkaar zodat ze aangenaam het uitzicht verspreiden en zeer de geneugten van de plaats. De tempel werd gebouwd van wit marmer, meest kunstmatig verbonden en gecementeerd, tweehonderd yards in de lengte en evenveel in de breedte, ondersteund met grote en dikke pilaren, mooi versierd met snijwerk. In deze tempel worden geplaatst enorme standbeelden van de goden, van bewonderenswaardige vakmanschap en een geweldige grootheid. Rond de tempel zijn appartementen gebouwd voor de priesters die de dienst van de goden, door wie alles wat in die heilige plaats wordt uitgevoerd, bij wonen. Overal langs de tempel is een gelijkmatige loop van de grond, vier stadi‘n in de lengte en honderden meters in de breedte; aan weerszijden daarvan zijn opgesteld uitgestrekte koperen beelden met vierkante voetstukken. Aan het einde van de hof komt weer de rivier van de eerder genoemde bronnen waaruit duidelijk en zoet water stroomt waarvan het drinken goed is voor de gezondheid van het lichaam. Deze rivier wordt het water van de zon genoemd.  De hele fontein is aan beide kanten omlijnd en gemarkeerd aan de onderkant met steen op een vaste basis en loopt aan beide zijden van de ruimte van vier stadi‘n. Het is niet geoorloofd voor iedereen, alleen de priesters benaderen de rand van de fontein. Al het land van ongeveer tweehonderd stadi‘n rond, is gewijd aan de goden en de opbrengst wordt geschonken bij het handhaven van de openbare offers en de dienst van de goden. Voorbij deze gewijde landen is een hoge berg, ook gewijd aan de goden, die zij noemen de troon van Coelus en Triphylius Olympus want zij melden dat Uranus, toen hij de hele wereld regeerde zichzelf aangenaam bezig hield op deze plaats en vanaf de top van de berg nam hij waar de beweging van de hemelen en de sterren en dat hij werd genoemd Triphylius Olympus omdat de bewoners werden samengesteld uit drie verschillende naties, Panchaeans, Oceanites en Doians, die later werden verdreven door Ammon, want er wordt gezegd dat hij niet alleen uitroeide deze natie, maar verbande al hun steden en maakte Doia en Asterusia gelijk met de grond. De priesters voltrekken ieder jaar een heilig festival in deze berg, met grote toewijding. Achter deze berg, in andere delen van Panchaea, zeggen dat ze is een overvloed aan wilde dieren van alle soorten, zoals olifanten, leeuwen, luipaarden, herten en vele andere prachtige wezens, zowel in kracht en proportie. In dit eiland zijn er drie belangrijkste steden, Hyracia, Dalis en Oceanis. Het hele land is zeer vruchtbaar en vooral in de productie van alle soorten wijn in grote overvloed,  De mannen zijn oorlogszuchtig en gebruiken wagens in gevechten, naar de oude manier. De hele natie is verdeeld in drie delen: de eerste klas is die van de priesters, met wie de werkmeesters zijn toegetreden. De andere stam bestaat uit de pachters; en de derde zijn de milities en de herders.  De priesters regeren alle en zijn de enige scheidsrechters in elke zaak want zij geven het oordeel in alle controverses en hebben de macht en autoriteit in alle openbare transacties van de staat. De pachters tot het land, maar de vrucht wordt in de gemeenschappelijke schatkist gebracht en wie beoordeeld wordt het meest bekwame in de veehouderij ontvangt het grootste deel van de vruchten als een beloning in de eerste plaats; en zo de tweede en de rest met het oog op de tiende, zoals iedereen verdient meer of minder, ontvangt zijn beloning in het arrest van de priesters. Op dezelfde wijze brengen de herders hun kuddes zorgvuldig in de openbare voorraad, de slachtoffers en andere dingen, zowel in aantal en gewicht, zoals de aard van de dingen; want het is niet geoorloofd om iets bijzonder geschikt voor zich te houden, met uitzondering van een huis en een tuin. Alle jonge runderen en andere dingen en alle inkomsten worden ontvangen door de priesters en verdelen ze rechtvaardig voor iedereen zoals de noodzaak ervan vereist; alleen de priesters hebben een dubbel aandeel. Ze dragen zachte en fijne kleding; wol van hun schapen is veel fijner hier dan ergens anders; zowel mannen als vrouwen dragen gouden ornamenten; want zij dragen halskettingen van goud en armbanden om hun armen en net als de Perzen hebben ze ringen knopen in hun oren. Hun schoenen zijn zoals anderen dragen, maar rijkelijk verfraaid met allerlei kleuren.  Hun soldaten verdedigen voor het gewone loon het land, versterken kampen en bolwerken; want er is een deel van het eiland vergeven van de meest gedurfde dieven en rovers die vaak slingeren en verrassen de landlieden.  Tot slot, deze priesters voor delicatesse, staat en de zuiverheid van het leven, blinken ver uit bij de rest van de bewoners: hun klederen zijn van wit linnen en soms van pure zachte wol. Ze dragen ook mijters, geborduurd met goud. Hun schoenen zijn sandalen gewrocht met uitstekende afwerking en in hun oren hangen gouden oorringen zoals bij de vrouwen.  Ze werken voornamelijk op de dienst van de goden, zingen van melodieuze liedjes in hun lof, de vaststelling van hun glorieuze daden en schenken de voordelen aan de mensen voort. De priesters zeggen dat ze oorspronkelijk uit Kreta kwamen en werden overgebracht naar Panchaea door Jupiter toen hij op aarde was en beheerste de hele wereld en nemen hun taal voor een bevestiging van deze bewering, voor zover zij hebben veel woorden van de Kreta taal onder hen. En verder zeggen ze dat de beleefdheid en vriendelijkheid afkomstig is van hun voorouders zij de Kretenzers, de roem en het verslag van hun oude bloedverwantschap dat voortdurend voortgaat in een opeenvolging om hun nageslacht te vermaken: ze tonen ook een geschreven verslag, zoals ze zeggen, door Jupiter eigenhandig gemaakt op het moment dat hij op aarde was en het fundament van de tempel legde.  Er zijn in dit eiland ook mijnen van goud, zilver, messing en ijzer, maar niet geoorloofd om  te exporteren. Neen, het is niet geoorloofd, voor een van de priesters om uit te gaan naar de rand van de gewijde grond en als er iemand dat doet is het geoorloofd om ze te doden. Ze hebben onder hun lading ontelbare grote schepen en andere geheiligde dingen, zowel van goud en zilver die daar ter eren van de goden gelegd zijn voor vele eeuwen. De poorten van de tempel zijn van bewonderenswaardige vakmanschap, verfraaid met goud, zilver, ivoor, en tijm hout. Het bed van de god is zes el lang en vier breed, van massief goud, het meeste gewrocht in elk deel ; in de buurt ervan staat de tafel zo groot en in elk opzicht van dergelijke materialen en afwerking met de andere.  In het midden van het bed wordt een grote gouden pilaar geplaatst, waarop brieven zijn ingeschreven die door de Egyptenaren heilige schrift genoemd wordt, met uiting van de beroemde acties van Uranus, Jupiter, Diana en Apollo en geschreven, zeggen ze, door Mercurius zelf. Dit kan volstaan ​​met betrekking tot de eilanden die liggen in de oceaan tegenover Arabi‘. 
 
Fragmenten uit Diodorus van Sicili‘, boek 6, 90-40 voor Christus. Euemerus, (de historicus) was een favoriet van Cassander de koning en is begonnen door zijn meester aan een aantal nuttige en ook uitgebreide ondernemingen, ontdekkingsreizen en zegt dat hij reisde zuidwaarts naar de oceaan en  zeilde van Arabia Felix, was een paar dagen op zee en vervolgde zijn weg tussen de eilanden van die zee waarvan er een veruit de rest in omvang overschreed en dit eiland werd Panchaea genoemd.  Hij merkt op dat de Panchaeans, die het bewoonden, eenvoudig waren in hun vroomheid, eerden de goden met een prachtig offers en een geweldige aanbod van zilver en goud. Hij zegt bovendien dat het eiland gewijd was aan de goden en noemt een aantal andere opmerkelijke omstandigheden ten opzichte van de oudheid en de rijkdom van de zaken in haar instellingen en diensten, waarvan we sommige hebben genoemd in het voorafgaande boek. Hij vertelt ook dat op een bepaalde zeer hoge berg er een tempel was van de Triphylaean Zeus, opgericht door hem op de tijd dat hij regeerde over de hele bewoonbare wereld in de tijd terwijl hij nog resideerde onder de mensen. In deze tempel stond een gouden kolom waarop was ingeschreven, in de Panchaean karakters, een regelmatige geschiedenis van de acties van Ouranos en Kronus, (Saturnus) en Zeus (Jupiter).  In een volgend deel van zijn werk vertelt hij dat de eerste koning Ouranos was, een man die bekend staat om rechtvaardigheid en welwillendheid en goed vertrouwd met de beweging van de sterrenen dat hij de eerste was die de hemelse goden vereerde met offers waarom hij werd genoemd Ouranos (Hemel). Hij had twee zonen bij zijn vrouw Hestia (Vesta) die Pan en Kronus werden genoemd en dochters Rhea en Demetra. En Kronus regeerde na Ouranos en hij trouwde met Rhea en had bij haar Zeus en Hera en Poseidon. En toen Zeus het koninkrijk van Kronus opvolgde trouwde hij met Hera en Demetra en Themis bij wie hij kinderen had; bij de eerste de Curetes en bij de tweede Persephone (Proserpina) en Athena (Minerva) bij de derde. Hij ging naar Babylon waar hij gastvrij door Belus werd ontvangen en daarna passeerde hij het eiland Panchaea, die ligt in de oceaan, waar hij een altaar voor Ouranos, zijn voorvader oprichte. Van daaruit ging hij naar Syri‘ om Cassius, die toen de heerser van dat land was van wie de berg Casius, (op de grens van Egypte) zijn naam kreeg. Passeerde vandaar Cilici‘ en overwon hij Cilix, de gouverneur van die delen en reisde door vele andere landen, hij werd ge‘erd door allen en algemeen erkend als een god.

 

Hesperiden.
Hesperiden is de verzamelnaam voor de nimfen van de avond en het gouden licht van de zonsondergang, die de " Dochters van de Avond" of " Nimfen van het Westen" waren. De naam betekent de afkomstig van Hesperus, de avondster Venus, wat overeenkomt met vesper. De nimfen hebben een zalige tuin in de westerse uithoek van de wereld, gelegen in de buurt van het Atlas gebergte in Noord Afrika aan de rand van de omringende Oceanus, de wereld oceaan.  Volgens de Siciliaanse Griekse dichter Stesichorus, (640-555 voor Christus) in zijn gedicht de "Lied van Geryon " en de Griekse geograaf Strabo in zijn boek Geographika (volume III) ligt de tuin van de Hesperiden in Tartessos, een locatie gelegen in het zuiden van het Iberisch schiereiland. 
Gewoonlijk zijn er drie Hesperiden, net zo als de andere Griekse triades. (de Drie Grati‘n en de Moirai). Ze worden soms afgebeeld als de avonddochters van de Nacht, Nyx, of alleen of met Donkerte, Erebus. Of ze worden vermeld als de dochters van Atlas of Zeus en ofwel Hesperis of Themis of Phorcys en Ceto. In een andere bron wordt van de nimfen gezegd dat ze de dochters van Hesperus zijn.
Niettemin is er onder de namen die hen gegeven is, hoewel niet allemaal tegelijk, dat er ook drie, vier of zeven Hesperiden waren. Hesiodus zegt dat deze Hesperiden dochters van de Nacht zijn die de gouden appels buiten Oceaan bewaken en geeft als nummer van de Hesperiden drie en hun namen als: Aigle (of Aegle; verblindend licht, Erytheia (of Erytheis) en Hesperethusa; avondrood zoals de kleur van de ondergaande zon rood, geel of goud is. Pseudo-Apollodorus geeft er vier Hesperiden, genaamd Aigle, Erytheia, Hesperia (of Hesperie) en Arethusa.
Fulgentius geeft vier Hesperiden, genaamd: Aegle, Hesperie, Medusa en Arethusa. 
Apollonius van Rhodos geeft hun namen als Aigle, Erytheis en Hespere (of Hespera). 
Hyginus in zijn voorwoord bij de Fabulae namen als Aegle, Hesperie en Aerica.
 In een andere bron zijn ze genoemd als Aegle, Arethusa en Hesperethusa, de drie dochters van Hesperus. 
Een oude vaas getuigt van de volgende vier namen als: Asterope, Chrysothemis, Hygieia en Lipara. Op een andere zeven namen als Aiopis, Antheia, Donakis, Kalypso, Mermesa, Nelisa en Tara. 
Ze worden ook wel de westerse Maagden, de Dochters van de Avond of Erythrai en de Zonsondergang Godinnen genoemd, benamingen die alle schijnbaar gebonden zijn aan hun ingebeelde locatie in het verre westen. Hesperis is op passende wijze de personificatie van de avond (als Eos is van de dageraad) en de Avond ster is Hesperus. 
Erytheia; de rode is een van de Hesperiden. De naam werd toegepast op een eiland in de buurt van de kust van Zuid Spanje, dat was de plaats van de oorspronkelijke Punische kolonie Gades. (moderne C‡diz) Plinius Natural Historie (VI.36) geeft een verslag van het eiland Gades: "aan de kant die naar Spanje kijkt, op ongeveer 100 schreden afstand, is nog een lang eiland, drie mijl breed, waarop de oorspronkelijke stad Gades stond. Bij Ephorus en Philistides heet het Erythia, bij Timaeus en Silenus Aphrodisias, en door de inwoners van het eiland Juno.Õ
De Hesperiden bezaten de magische tuin met gouden vruchten die de eeuwige jeugd zouden geven. De legende verhaalt dat de drie Hesperiden, bij de invallen van de barbaren, in het geheim wegvlogen om de vruchten in veiligheid te brengen. Ze staken de zee over in een grote schelp en kwamen op de Italiaanse kust aan. Aegle liet haar cedraat appelbomen vruchten dragen aan de oevers van het Garda meer. Arethusa plantte haar citroenen in Liguri‘ en Hesperie plantte haar sinaasappels in Campani‘.
 
Tuin van de Hesperiden.
De Tuin der Hesperiden is Hera's boomgaard in het westen, waar een enkele appel boom of een bos groeit die gouden appels produceert die onsterfelijkheid verleent als ze gegeten worden. De bomen werden geplant uit de vrucht takken die Gaia aan Hera gaf als een huwelijksgeschenk toen Hera Zeus accepteerde. De Hesperiden kregen de taak om het bos te bewaken, maar af en toe plukten ze appels voor zichzelf. Hera vertrouwde ze niet en plaatse de tuin bij een nooit slapende, honderd-koppige draak met de naam Ladon als een extra waarborg. In de mythe van het oordeel van Paris was dat in de tuin van Eris, de godin van de Onenigheid, waar hij de twistappel kreeg wat leidde tot de Trojaanse oorlog.  In latere jaren werd gedacht dat de gouden appels daadwerkelijk sinaasappels waren, een onbekende vrucht die naar Europa en het Middellandse Zeegebied voor de Middeleeuwen gekomen zou kunnen zijn. Onder deze veronderstelling is de Griekse botanische naam voor alle soorten citrusvruchten Hesperidoeidē en zelfs vandaag is het Griekse woord voor de oranje vrucht Portokali, naar het land van Portugal in Iberia in de buurt van waar de Garden der Hesperiden groeide. 
 
Werken van Hercules.
De aardmoeder Gaa laat in het verre westen gelegen tuin van de zeegod Okeanos bomen groeien die gouden appels dragen. Ze worden bewaakt door de drie Hesperiden, goddelijke nimfen, de dochters van de nacht. Ze zouden de kostbare schat behoeden, maar er niet van eten. Omdat ze zich verleiden konden stuurde Juno een verschrikkelijke draak als wachter in wiens ogen geen slaap kwam, dat was de honderdkoppige draak Ladon. Hier haalde Hercules zijn appels. Hij wist niet waar de Hesperiden lagen. 
Nadat Hercules zijn eerste tien werken voltooid waren gaf Eurystheus hem twee extra werken en beweerde dat nog de Hydra telde (omdat Iolaus Hercules hielp), nog de Augiasstal (ofwel omdat hij betaald werd voor de baan of omdat de rivier het werk deed). De eerste van deze twee extra werken was om de appels te stelen uit de tuin van de Hesperiden. Hercules ving eerst de Oude Man van de Zee om te leren waar de Tuin der Hesperiden was gevestigd. In een aantal variaties ontmoette Hercules, hetzij aan het begin of aan het einde van zijn taak, Antaeus, die onsterfelijk was zo lang als hij zijn moeder, Gaia, de aarde raakte. Hercules doodde Antaeus door hem omhoog te houden en hem later te verpletteren. Eindelijk ging hij op weg naar de Tuin der Hesperiden waar hij Atlas bedroog in het ophalen van een deel van de gouden appels voor hem, door het aanbieden om de hemel voor hem een tijdje op te houden. (Atlas is de vader of anderszins gerelateerd aan de Hesperiden) Bij zijn terugkeer besloot Atlas dat hij niet langer de hemel wilde terug nemen en in plaats daarvan bood hij aan om zelf de appels te leveren, maar Hercules bedroog hem weer door in te stemmen om zijn plaats in te nemen op voorwaarde dat Atlas hem tijdelijk draagt zodat Hercules zijn mantel comfortabel kon maken. Atlas komt overeen, maar Hercules liep weg met de appels. Het zouden dezelfde appels zijn die gebruikt werden om Atalanta te verleiden bij haar hardloopwedstrijd om ze op te pakken en ze zo verloor.
Op Attisch aardewerk, met name uit de late vijfde eeuw, wordt Hercules afgebeeld zittend in gelukzaligheid in de tuinen van de Hesperiden, bijgewoond door de maagden. 

 

Atalanta.

Een koning die graag een zoon wilde, kreeg op een dag een dochtertje. Dat wilde hij niet en liet haar achter in een gebergte vol met wilde dieren. Maar Atalanta had geluk, een berin die haar jong verloren had vond het meisje en zoogde haar. Toen de berin stierf tijdens de jacht ontfermde een jager zich over het meisje. Algauw bleek dat Atalanta een handige jaagster was en heel snel. Ze wilde zich meten met de mannen, ze moest en zou sneller zijn! Atalanta bewees zich later door centauren te doden met twee snelle pijlen. In zijn Argonautica schrijft Apollonius van Rhodos dat toen Jason mannen zocht voor de reis naar het Gulden Vlies dat Atalanta zich vrijwillig aanbood. Jason vond het beter dat ze thuisbleef. Vol verdriet en walging huilde ze, niet omdat ze niet mee mocht maar omdat ze een vrouw was! Toen de Argo terugkwam van de reis zou Atalanta wraak nemen, tijdens de begrafenisspelen bedwong ze Peleus. Men was beschaamd dat een vrouw de beste van hun mannen had verslagen. Toen aanvaardden ze haar als hun gelijke. Later ging ze mee om het zwijn van Kalydoni‘ te doden waarna ze ruzie liet ontstaan onder de jagers en ze was verantwoordelijk voor de dood van Meleager, de zoon van de Kalydonische koning. Toen Atalanta de huid van het zwijn had accepteerde haar vader dat ze zijn dochter was. Maar ze moest wel trouwen om de toekomst zeker te stellen voor de troon. Atalanta ging ermee akkoord. Rijk en beroemd was niet goed genoeg voor haar, een man die haar kon verslaan met een hardloopwedstrijd zou ze trouwen. Haar vader ging ermee akkoord: al snel kwamen er prinsen en koningen af om het meisje te huwen. Niemand won de wedstrijd en de koning wilde de moed opgeven. Tot er een jonge vorst kwam, Hippomane. Hij beweerde dat hij Atalanta kon verslaan, niet door snelheid, maar door list. Voor hij zou lopen verscheen Aphrodite voor Hippomane en gaf hem drie gouden appels, de Hesperiden appels. De godin vertelde dat hij, wanneer Atalanta te dicht kwam, een appel voor haar voeten moest gooien. Zij zou ze willen pakken en dan zou Hippomane een voorsprong krijgen. Hippomane deed wat Aphrodite zei en hij won.

Hier kan je afvragen of Atalanta niet de vrouwelijke vorm van Atlantis is. Ook de gouden appels (=Malus, =vrucht) uit de Hesperiden komen hier weer voor. Is dit de kwee, Cydonia, of banaan, Musa?t

 

In de reis van Sint Brandaan van Clonfert komt ook het aardse paradijs voor

 

Een evel stanc hem ane viel;

700 Doe keerdi danen sinen kiel

Ende si quamen an een eylant;

Daer ghinc die zorghe in hant,

Want arde doncker waest daer;

Daer en waest niewers claer,

705 Maer die gront der zee was goudijn

Daer dat slijc soude zijn.

Ooc waren daer edele steene

Om dien kiel al ghemeene:

Wel menich edel carbonckel,

710 Al waest daer arde doncker,

Hadde daer God verborghen.

|183 rb| Daer laghen si in groter zorghen

Drie nachte ende drie daghen,

So datsi niet en saghen

715 Sonne, mane no sterren licht;

Des saghen si twint nicht,

Maer al donckernesse sonder dach.

Die kiel daer al stille lach.

Doe hiet Sente Brandaen

720 Eene barke wel ghedaen

Huten kiele trecken;

Daer in spronghen die recken

Ende voeren met zinne,

Datsi quamen daer inne.

725 Doe voeren si in een eylant,

Daer die Gods wygant

Liet sinen kyel staen,

Also wij vernomen haen.

Daer ghinghen si up te hant,

730 Ende doe si quamen up dat sant,

Waren si blijde ende vroo.

Met Sente Brandane ghinghen si doe

Neven een water te dale

18 Tote eene der scoonster zale,

735 Die nye kerstin man sach

Alsic hu mach doen ghewach.

Die zale was buten ghuldijn;

Dat die stijle souden zijn

Dat was al karbonkel:

740 Daer en was gheen so doncker,

Hi en lichte alse tsonne scijn.

Voor die zale spranc een water fijn;

Daer was so vele goets in,

Dat vulprijsen mochte gheen zin;

745 Balseme ende tyroop

Dies was daer goeden coop;

Olyve honich ende zeem

Dat vloyde daer over een:

In IIII aderen het vloot;

750 Dat dochte hem wonder groot.

Om dien selven borne scone

Daer was meneghe wone;

Daer stonden vele bome scone

|183 va| Al omme als eene crone:

755 Daer stonden menich cedrus

Ende menich platanus

Ende furijn ende wijngaerde

Ende bome van meneghen aerde.

Specien stonden daer so vele,

760 Dat dat ic hu segghen wele:

Haddict ghescreven al te male,

Dat daer stont voor die zale,

Het soude eer lijden een jaer,

Eer ict ghescreve over waer,

765 In hoe menegher manieren

Daer bome stonden ende crude diere

Ende meneghe wonderlike dinc.

Ay, hoe in twifele ghinc

Alle dier moonken moet!

770 Dwesen dochte hem daer so goet,

Datsi noode keerden wedere.

Het schenen scone paeus vederen

Van der zalen boven dat dac.

Daer was alle dat ghemac,

775 Dat een keyser hebben soude,

Ende hi feeste houden woude.

Den moonken quam in haren zin,

19 Datsi alle gaen daer in,

Om te siene die scone zale;

É

Een euvele stank hem aanviel;

Toen keerde hij vandaan zijn kiel

En ze kwamen aan een eiland;

Daar ging de zorg in hand,

Want erg donker was het daar;

Daar was het nooit helder,

Maar de grond van de zee was gouden

Daar dat slijk zou zijn.

Ook waren daar edelstenen

Om die kiel algemeen:

Wel menige edele karbonkel,

Al was het daar aarde donker,

Had daar God verborgen.

Daar lagen ze in grote zorgen

 

Drie nachten en drie dagen,

Zodat ze niets zagen

Zon, maan nog sterren licht;

Dus zagen ze een twint niet,

Maar alles donkerte zonder dag.

De kiel daar geheel stil lag.

Toen liet Sint Brandaen

Een bark wel gedaan

Uit de kiel trekken;

Daarin sprongen de rakkers

En voeren met zin,

Zodat ze kwamen daarin.

Toen voeren ze in een eiland,

Daar de Gods wegen

Liet zijn kiel staan,

Alzo wij vernomen hebben.

Daar gingen ze op te hand,

En toen ze kwamen op dat zand,

Waren ze blijde en vrolijk

Met Sint Brandaen gingen ze toen

Neven een water te dal

Tot een der schoonste zalen,

Die niet een christen man zag

Als ik u mag doen gewag.

Die zaal was van buiten goud;

Dat de stijlen zouden zijn

Dat was geheel karbonkel:

Daar was geen zo donker,

Hij verlichte als de zonneschijn.

Voor de zaal sprong een water fijn;

Daar was zo veel goeds in,

Dat volprijzen mocht geen zin;

Balsem en siroop

Dat was daar goede koop;

Olie, honing en zeem

Dat vloeide daar overeen:

In 4 aderen het vloot;

Dat dacht hen wonder groot.

Om diezelfde bron schoon

Daar was menige wonen;

Daar stonden vele bomen schoon

Alom als een kroon:

Daar stonden menige ceders

En menige plataan

En vurenbomen en wijngaarden

En bomen van menige aard.

Specerijen stonden daar zo veel,

Dat ik dat u zeg wel:

Had ik het geschreven al te maal,

Dat daar stond voor die zaal,

Het zou eer lijden een jaar,

Eer ik het geschreven had voorwaar,

In hoe menige manieren

Daar bomen stonden en kruiden duur

En menig wonderlijk ding.

Ay, hoe in twijfel ging

Al hun monniken moed!

Het wezen dacht hen daar zo goed,

Dat ze node keerden weder.

Het schenen schone pauwen vederen

Van de zaal boven dat dak.

Daar was al dat gemak,

Dat een keizer hebben zou,

En hij feesten houden wou.

De monniken kwam in hun zin,

Dat ze alle gaan daar in,

Om te zien die schone zaal;

É.

 

 

É

1600 Doe quamen si saen ghevaren

Up eene der bester eerden,

38 Die oyt mochte gheweerden.

Daer sach yemen selden;

Daer wiessen up die velden

1605 Beede coren vruchten ende wijn

Ende alle vruchten, die moghen zijn,

Sonder ackeren ende graven;

Daer was lettel noot van haven:

Visch was daer ghenouch,

1610 Die daer dat water drouch,

Ende vleesch wilt ende tam,

Al dat nye herte bequam.

Dese jeghenode scone

Was altoos even groene;

1615 Dat es multum bona terre

Ende es gheleghen arde verre

Van alre meinschen conden.

En hadde God tien stonden

Dat scip daer niet ghesent,

1620 So waert ons bleven ombekent.

Doe daer quam Sente Brandaen

Entie hem waren onderdaen,

Hare moethede ende pijne al

Verghinc hem groot ende smal

1625 Mids der zoetheit menigherande,

Die si ontfinghen in dien lande.

Alse Sente Brandaen entie zine

Waren in desen lande fine,

Saghen si eenen berch so hoghe,

1630 Sine consten niet verhoghen,

Sine groote hoocheide;

Hem dochte in der waerheide,

Dat die wolken daer up zweveden;

Ne gheene dinghen, die leveden,

1635 Ne quamen daer up, si en vloghen

|188 vb| Maer teenen hanghenden woghe

Met zorghen si ane vinghen,

Datsi dier up ghinghen.

Die berch was boven scone

1640 Ende hiet Mons Syone;

Daer slouch an der zee vloet;

Nye en was berch so goet.

Daer si dien berch up gaen,

Saghen si an den berch staen

1645 Eene borch so rikelike,

39 Noint en sach meinsche der ghelike;

Daer saghen si vreeselike draken

Ende lindwormen, die gapen,

Ende hem voer tallen stonden

1650 Dat vier huten monden;

Dese wachten die poorten daer

Maer metten woorden Gods vorwaer

Beval hem Sente Brandaen,

Dat sise in lieten gaen

1655 Ter doren in die huere.

Die bouc seit, dat die muere

Alle waren kerstalijn;

Daer waren letteren steenijn

So vele daer up ghenomen,

1660 Sine consten ten hende comen;

Daer waren ghegoten inne

Bi meesterliken zinne

Van copere ende van eere

Menegherande diere

1665 In dien rinc muer al omme:

Som recht ende some cromme;

Diese eerst ghinc besien,

Hi mochte van vreesen vlien,

Want si hem hute dien muer ghebaren,

1670 Als of si alle levende waren.

Daer stonden alle die dieren,

Die ic noint horde nomen hiere:

Leeuwen, panteeren, tygheren met;

Ooc stonden daer gheset

1675 Eencorne ende lupaerde

Ende beesten van meneghen aerde:

Olifanten, herten ende hinden

|189 ra| Mochtemen daer al vinden;

Ooc stonden daer vele vormen

1680 Van vreeseliken wormen;

In midden dien borghe vloot

Een riviere wel groot,

Die al dwilt dede omme gaen,

Dat niet stille mochte staen;

1685 Si saghen al openbaren,

Die daer commen waren,

Dat die beelden bi wilen spronghen

Ende riepen ende zonghen,

Als of si wech wouden

1690 40 Ende huten muere varen souden;

Daer stonden meneghe vorme:

Daer waren sulke worme

Half ru ende alf bloot,

Noint sach man des ghenoot.

1695 Noch stont daer onder

Ghegoten menich wonder:

Daer stont die stercke liebaert,

Ic wane, nye dier ghewaert,

En stont daer ghegoten.

1700 Visschen daer ooc vloten

Harde meneghertiere;

Hoort wat dede die riviere:

Herten entie hinden

Vloen daer voor die hasewinden;

1705 Wilde zwijnen liepen daer;

Die jaghere reet hem naer

Al blasende eenen horen;

Hem liepen ooc voren

Menich wonder, so vele,

1710 In caent ghesegghen niet wele.

Daer speelden ooc in den mueren

Orssen, met convertueren,

In eenen rijnghe wijde;

Hem hilden ooc bezijden

1715 Rudders, als of si leveden

Vanen dat daer zweveden;

Daer toe mochtemen daer scauwen

Harde vele vrauwen;

Daer bliesen die wachtaren,

1720  |189 rb| Die ghene, dies onwijs waren,

Waenden, datsi leefden daer.

Ic mach hu segghen over waer:

In dese zale gheheere

Was wonders vele meere:

1725 Daer verlichten die tinnen

Beede buten ende binnen,

Ghelijc dat doet die dach sterre,

Die up rijset so verre;

VIm torren stonden tien male

1730 Up den muere omme die zale;

Die torren die blecten al

Ende muere ende zale groot ende smal,

Alse yser doet in den viere.

41 Gheen dinc en was daer diere

1735 Dan onghemac ende aermoede;

Mneghe culcte goede

Ende zijdine sporwaren

Saghen si daer te waren,

Die daer hinghen te dien male

1740 Boven die bedden in die zale.

Die vloer van der zalen was

Al gader snee wit glas,

Daer dore blecten die goud male.

Dus rikelic was die zale.

1745 In dien hove vrone

Stonden cedre scone

Ende andre bome so vele,

Dat die zonne niet wele

Schijnen mochte ter eerden;

1750 Daer en mochte niet nat werden.

Dies namen si alle gome.

Onder die ceder bome

So was die acker scone

Ende tallen steden groene;

1755 Daer hinc menich guldin vat;

Noint en was huus bat

Verchiert met dieren dinghen.

Daer mochtemen horen zinghen

Die voghele in allen tijde

1760 In dese borch wijde;

Daer stont midden in een palas:

|189 va| Ic wane, noint gheen en was

Verchiert also wele;

Ghimmen was daer so vele

1765 Met dierbaren ghesteenten,

Gheset in helps ghebeenten;

Die vloer was saphier ende glas;

Ic wane, noint dinc en was

Ghemaect boven der eerden,

1770 Dat beter mochte weerden

Of dat ghemaect was bat,

Over waer segghic hu dat.

Ghegoten was het van eere;

Het en wert nemmermeere

1775 Ghemaect so goet weerc

No so vaste no so steerc,

Als daer up dien dach

42 Sente Brandaen sach.

Die moonke besaghen besonder

1780 Dat menichfoudeghe wonder.

In die borch so spronghen

Diere watre; daer zonghen

Molenen, of si hadden tonghen,

So dat al verclonghen

1785 Beede berch ende dal

Ende dat daer bi was over al.

Die bouc seit ons dat,

Dat vloyden int ghewat

Visschen, die daer speelden,

1790 Ende alrande weelden

Waren der borch onderdaen,

Dat scrijft ons Sente Brandaen.

É

É

Toen kwamen ze samen gevaren

Op een der beste aarden,

Die ooit mocht geworden.

Daar zag iemand zelden;

Daar groeiden op de velden

Beide koren, vruchten en wijn

En alle vruchten, die er mogen zijn,

Zonder akkers en graven;

Daar was luttel nood van have:

Vis was daar genoeg,

Die daar dat water droeg,

En vlees wild en tam,

Al dat niet hard bekwam.

Dit gebied schoon

Was altijd even groen;

Dat is multum bona terre

En is gelegen erg ver

Van alle mensen konden.

En had God te die stonden

Dat schip daar niet gezonden,

Zo was het ons gebleven onbekend.

Toen daar kwam Sint Brandaen

En die hem waren onderdaan,

Hun vermoeidheid en pijn al

Verging hen groot en smal

Mits de zoetheid menigerhande,

Die ze ontvingen in dat land.

Als Sint Brandaen en de zijne

Waren in dit land fijne,

Zagen ze een berg zo hoog,

Ze konden het niet beklimmen,

Zijn grote hoogheid;

Hij dacht in de waarheid,

Dat de wolken daarop zweefden;

Nee geen dingen, die leefden,

Nee kwamen daarop, tenzij ze vlogen

 

Maar tot een hangend wagen

 

Met zorg ze aanvingen,

Dat ze daarop gingen.

De berg was boven schoon

En heet Mons Syone;

Daar sloeg aan de zeevloed;

Niet was een berg zo goed.

Daar ze die berg op gaan,

Zagen ze aan de berg staan

Een burcht zo rijkelijk,

Nooit zag mens diergelijke;

Daar zagen ze vreselijke draken

En lint wormen, die gapen,

En hen voer te alle stonden

Dat vuur uit de monden;

Deze bewaken die poorten daar

Maar met de woorden Gods voorwaar

Beval hen Sint Brandaen,

Dat ze hen in lieten gaan

Te deur in dat ure.

Dat boek zegt, dat die muren

Alle waren kristallijn;

Daar waren letters stenen

Zoveel daarop genomen,

Ze kunsten ten einde komen;

Daar waren gegoten in

Bij meesterlijke zin

Van koper en van (l)eer

Menigerhande dier

In die ringmuur al om:

Soms recht en soms krom;

Die ze eerst ging bezien,

Hij mocht van vrees vlieden,

Want ze hem uit die muur gebaren,

Alsof ze alle levend waren.

Daar stonden al die dieren,

Die ik nooit hoorde noemen hier:

Leeuwen, panters, tijgers mee;

Ook stonden daar gezet

Eenhoorn en luipaarden

En beesten van menige aard:

Olifanten, herten en hinden

Mocht men daar al vinden;

Ook stonden daar vele vormen

Van vreselijke wormen;

In midden die burcht vloot

Een rivier wel groot,

Die al het wild deed omgaan,

Dat niet stil mocht staan;

Ze zagen al openbaar,

Die daar gekomen waren,

Dat de beelden bij wijlen sprongen

En riepen en zongen,

Alsof ze weg wilden

En uit de muren varen zouden;

Daar stonden menige vormen:

Daar waren zulke wormen

Half ruw en half bloot,

Nooit zag men desgelijks.

Nog stond daaronder

Gegoten menig wonder:

Daar stond de sterke leeuw,

Ik waan, niet dier was er,

En stond daar gegoten.

Vissen daar ook vloten

Erg menigertiere;

Hoort wat deed die rivier:

Herten en de hinden

Vloden daar voor die hazewinden;

Wilde zwijnen liepen daar;

De jager reed hen naar

Al blazende een horen;

Hem liepen ook voren

Menig wonder, zo veel,

Ik kan het zeggen niet wel.

Daar speelden ook in de muren

Paarden, met bedekking,

In een ring wijd;

Hem hielden ook bezijden

Ridders, alsof ze leefden

Wanen dat daar zweefden;

Daartoe mocht men daar aanschouwen

Erg veel vrouwen;

Daar bliezen de wachters,

Diegene, die onwijs waren,

 

Waanden, dat ze leefden daar.

Ik mag u zeggen voor waar:

In deze zaal geheel

Waren wonders veel meer:

Daar verlichten de tinnen

Beide buiten en binnen,

Gelijk dat doet het de dagster,

Die oprijst zo ver;

6000 torens stonden tien maal

Op de muren om de zaal;

De torens die blinken al

En muur en zaal groot en smal,

Zoals ijzer doet in het vuur.

Geen ding was daar duur

Dan ongemak en armoe;

Menige dure goed

En zijden spoorwaren

Zagen ze daar te waren,

Die daar hingen te dien maal

Boven de bedden in de zaal.

De vloer van de zaal was

Alles tezamen sneeuwwit glas,

Daardoor blonken de goud tekening.

Dus rijkelijk was die zaal.

In dat hof vroon

Stonden ceders schoon

En andere bomen zo veel,

Zodat de zon niet wel

Schijnen mocht ter aarde;

Daar mocht niet nat worden.

Dus namen ze alle kennis.

Onder die ceder bomen

Zo was de akker schoon

En te alle steden groen;

Daar hing menig gulden vat;

Nooit was huis beter

Versierd met dieren dingen.

Daar mocht men horen zingen

De vogels in alle tijden

In deze burcht wijd

Daar stond midden in een paleis:

Ik waan, nooit geen was

Versierd alzo wel;

Glimmers was daar zo veel

Met dure gesteenten,

Gezet in olifanten gebeenten;

De vloer was saffier en glas;

Ik waan, nooit ding was

Gemaakt boven de aarde,

Dat beter mocht wezen

Of dat gemaakt was beter,

Voor waar zeg ik u dat.

Gegoten was het van eer;

Het werd nimmermeer

Gemaakt zo goed werk

Nog zo vast nog zo sterk,

Als daar op die dag

Sint Brandaen zag.

De monniken bezagen bijzonder

Dat menigvuldige wonder.

In die burcht zo sprongen

Dure waters; daar zongen

Molens, of ze hadden tongen,

Zodat alles klingelde

Beide berg en dal

En dat daarbij was overal.

Dat boek zegt ons dat,

Dat vloeide in het water

Vissen, die daar speelden,

En allerhande weelde

Waren de burcht onderdanig,

Dat schrijft ons Sint Brandaen.

 

É..

 

Ook bij Maerlant in de Spiegel historiael komt dit eiland voor

 

Vanden eylanden vander zee. XXX. 

..

Gadis leghet in dat open 

Tusscen Affrike ende Europen,

65 Daer die twee zee te gader comen, 

Diemen Nervelzee hort nomen; 

Hets dachtendeel van ere milen 

Van elken lande, sonder ghilen. 

Daer sette Hercules sine columme,

70 Want hi hadde die werelt omme 

Van India tote daer gewonnen, 

Vanden upgane der zonnen, 

Te togene, dat hijt bedwanc 

Toter zonnen onderganc.

É..

Van de eilanden van de zee. XXX. 

É

C‡diz ligt in dat open 

Tussen Afrika en Europa,

65 Daar die twee zee‘n tezamen komen, 

Die men Gibraltar, hoort noemen; 

Het is een achtste deel van een mijl 

Van elk land, zonder grap. 

Daar zette Hercules zijn kolommen,

70 Want hij had de wereld om 

Van India tot daar gewonnen,

Van de opgang der zon, 

Tot datgene, dat hij het bedwong

Tot de zon ondergang.

É..

 

 

Vanden geluckegen eylanden. XXXI. 

Het sijn eylanden indie zee, 

Die heeten Fortunatee, 

Dats gevallich in onse tale. 

Die sijn draghende altemale

5 Al des die mensce hevet noot: 

Vruchtbome cleene ende groot, 

Wijngaerde, coren ende cruut, 

Ende alrehande erdsche deduut. 

Die poeten wanen bidi,

10 Dat dat paradijs dit si. 

Vele voglen, scone wout, 

Bien ende honech menechfout, 

Ende allen wenschen vintmen daer. 

Jegen Mauritane, dats waer,

15 Liggen si alle indie zee: 

Daer sijnre vive ofte mee; 

Maer sulken tijt alsmer een vint, 

Sceetmer af, sone es geen wint, 

Die so gewayt emmermere,

20 Datter man an wederkere. 

Gorgades sijn eylande mede, 

Die van Affrike teere stede 

Twee dachseilinghe verre sijn. 

Daer sijn wijf, dats waerheit fijn,

25 Van haren lachame al ru,

[p.1,35]  Ende snelre vele, seggic u, 

Danmen gelovet min no mee. 

Daer sijn oec Esperidee 

Bat buten, buten alle lant,

30 Buten den berghe Adlant, 

Daer favelen af tellen de sake, 

Datter es die wakende drake, 

Die de goudine apple hoet. 

É

Van de gelukkige eilanden. XXXI. 

Het zijn eilanden in de zee, 

Die heten Fortunate,  (1)

Dat is aangenaam in onze taal. 

Die dragen helemaal

5 Alles dat de mens heeft nodig: 

Vruchtbomen klein en groot, 

Wijngaarden, koren en kruid, 

En allerhande aards vermaak. 

Die po‘ten wanen daarom,

10 Dat dit het paradijs is. 

Vele vogels, mooie wouden, 

Bijen en honing menigvuldig, 

En alle wensen vindt men daar. 

Tegen Mauritani‘, dat is waar,

15 Liggen ze alle in de zee: 

Daar zijn er vijf of meer; 

Maar sommige tijd als men er een vindt, 

Scheidt men er af, zo is er geen wind, 

Die zo waait immermeer,

20 Dat er een man van terug komt. 

Gorgades zijn eilanden mede,  (2)

Die van Afrika te ene stede 

Twee dag zeilen ver zijn. 

Daar zijn wijven, dat is waarheid fijn,

25 Van hun lichaam al ruw,

En snel veel, zeg ik u, 

Dan men gelooft min of meer. 

Daar zijn ook Hesperiden 

Beter buiten, buiten alle land,

30 Buiten de berg Atlas, 

Daar fabels van vertellen de zaak, 

Dat er is die wakende draak, 

Die de gouden appels behoedt. 

É

(1)  De fortunate eilanden is een verwijzing naar de Canarische eilanden aan de westkust van Marokko.

 (2) Gorgades of Kaapverdische eilanden voor de westkust van Afrika ter hoogte van Senegal.

 

Maerlant noemt het op enkele plaatsen de verloren eilanden omdat men ze niet meer kon vinden.

 

Samenvatting.

Al die verhalen over de gelukzalige eilanden zijn al heel oud en komen alle vrijwel overeen met de paradijselijke landen of Atlantis. Bij Homerus komen de Elysische velden al voor, dat is rond ca. 800-750 voor Christus. Ook de verhalen van Hercules zijn al zo oud of nog ouder. Je kan je afvragen of de Grieken er ooit geweest zijn of alleen uit verhalen hebben vernomen van een paradijselijk eiland of eilanden met een mooi klimaat, bloemen en vruchten en zonder koningen, dus geen oorlogen, meer democratisch. Het vergaan van Atlantis is wel te verklaren naar de vulkanische activiteit die op de Canarische eilanden aanwezig waren en nog steeds actief zijn.

Hoe kon Sint Brandaan en Maerlant van deze eilanden weten? Maerlant zegt dan ook dat ze bij Mauritani‘ liggen. In 1312, dus lang na de beschrijving van Maerlant rond 1270, werden ze weer ontdekt door de uit Genua komende Lancelotto Malocello. Lanzarote werd naar deze man genoemd die ook wel Lanzarotto genoemd werd.

Er worden een aantal eilanden genoemd. Mogelijk ook Madeira, het bloemeneiland dat in 1418 door de Portugezen ontdekt werd. Maar het stond al op kaarten voor  zijn ontdekking in een Spaans boek Ôde Libro del Conoscimiento; uit rond 1385. Ook troffen ze daar geiten aan die daar waarschijnlijk achtergelaten waren door andere en eerdere bezoekers. Ergens heb ik eens gelezen dat ze verwant waren met de geiten van Kreta.  Zo ook op de Canarische eilanden. Rond de tweede eeuw voor Christus werd het eiland bevolkt door de Guanchen. De Kaapverdische eilanden werden ook al genoemd door Plinius, rond 70 na Christus in zijn Historia naturalis en door Pomponius Mela, rond 40 na Christus in zijn choreographia.  Ze noemden de eilanden Gorgades naar de mythische Gorgonen die door Perseus gedood waren. Plinius citeert de Griek Xenophon van Lampsacus, 2de eeuw voor Christus, die vermeldt dat de Gorgades twee dagen varen liggen van Hesperu Ceru, huidige Kaap Verde. (in Senegal) Volgens de Portugese ontdekkingsreizigers waren deze eilanden ook onbewoond. De archipel heette eerder Ilhas de Cabo Verde; eilanden van de Groene Kaap, is zo genoemd vanwege de ligging van de Kaap Verde; groene kaap, het meest westelijke punt van het Afrikaans vasteland in Senegal.

Dus waren de eilanden al lang bekend en weer verlaten. Waarom? Vulkaanuitbarstingen of de catastrofe van Plato?

 

 

De Portugezen waren bij de ontdekking in staat op de zee te varen doordat ze zich op de sterren konden ori‘nteren of door gebruik van een kompas en zo wisten waar ze waren en thuis konden komen. Daarvoor voer men langs de kust van haven tot haven.

Vroeger waren deze eilanden dus goed bekend. Ze komen dan ook voor op een kaart van Ptolemaeus rond 100 na. Chr. Ptolemaeus gaf ze al weer als de rand van de wereld in het begin van de jaartelling. Mogelijk zijn ze ontdekt door de Phoenici‘rs. Dus als de onderzoekers van Ptolemaeus al zo ver konden komen hadden ze toch ook zoiets als een kompas. Columbus verbleef er omdat de eilanden op de juiste plek liggen om gebruik te maken van de westelijke passaatwinden en zeestromingen om zo Amerika te bereiken. Dan is het ook mogelijk dat de onderzoekers van Ptolemaeus dat gebruikt hebben om in Amerika konden komen. Je vaart niet zo maar zo ver de zee op als je niet terug kan keren. Maar terug komen is weer een ander verhaal.

Kaart van Ptolemaeus. Opmerkelijk is hoe goed die kaart, de meren van Afrika, dus het binnenland, zijn beschreven en waren dus toen al bekend. Bij Afrika zie je een paar stipjes, de Canarische eilanden.

Als je die verhalen samenvat moet Atlantis dit sprookjesachtige eiland zijn.

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/