Bijbel zonder theologie.

 

Inleiding.

 

Bijbel zonder theologie lijkt vrijwel onmogelijk. Maar hier zal geprobeerd worden de achtergronden te verduidelijken om de betekenis van de godsdienst en zijn ontstaan beter te begrijpen.

 

Schepping.

Al in het begin van Genesis ontstaat er veel verwarring want in de Hebreeuwse bijbel staat, 26 “De goden zagen dat het goed was’. Dat is een probleem voor de christenen want er is toch maar 1 God? Daar ontstond de Drie-eenheid. De Vader, de zoon en de Heilige Geest. De Vader en de Zoon komen in het Nieuwe Testament voor en de Heilige Geest in de Oude.

Er zijn in de geschiedenis van de Kerk dan ook twee grote problemen geweest, 1 God (of meer) en de maagdelijkheid van Maria.

Zoals bijvoorbeeld het Arianisme dat begin 4de eeuw ontstaan is die maar 1 god erkent. Het concilie van Nicea, 325, veroordeelde de Arianen. Dat heeft duizenden mensen het leven gekost, vader tegen zoon etc.

Het probleem lijkt te zijn opgelost omdat er nu staat; ‘En God zag dat het goed was’, dus enkelvoud. Is daarmee ook de Drie-eenheid verdwenen?

 

Maria.

Maria is het volgende twistpunt. Het is een dogma van de Katholieke Kerk. Een dogma is een leerstelling die als onbetwistbaar wordt beschouwd in de religie.  Omdat de onbevlekte ontvangenis niet expliciet vermeld wordt in de Bijbel wordt dit leerstuk door de protestantse kerken, de Oudkatholieke Kerk en de oosters-orthodoxe kerken afgewezen waar ze dus niet vereerd wordt. Ze zou onbevlekt ontvangen zijn, dus zonder erfzonde. Ook geloven de Katholieke en de Orthodoxe Kerken dat Maria nooit een zonde heeft bedreven. Ze beroepen zich daarbij op Lucas 1,28, waar de engel GabriĎl haar aanspreekt met: "Wees gegroet, vol van genade."

Maar is er in deze mannenwereld, de Vader en de Zoon, geen moeder? Waar is die gebleven? Moet je Maria niet zien als een aardmoeder die in alle mythologieĎn voorkomt? De moedergodin of Almoeder die naar een verscheidenheid van moederlijke symbolen van schepping, creativiteit, geboorte, vruchtbaarheid, seksuele vereniging, verzorging en de levenscyclus verwijst. De godin die het leven geeft, voortbrengt, kortom de leven brengende godin.

Vrouwen hebben zo’ n aardmoeder meer nodig dan mannen een mannelijke god. Iedereen kan begrijpen dat als een meisje trouwt ze met de geboorte van een kind lichamelijk verandert. Maar ook geestelijk verandert ze. Een schuchter meisje van 20 zal een leeuwin zijn voor haar kinderen als ze 40 is. Die kinderen zijn van haar, komen uit haar, ze is er voor verantwoordelijk. Daarom werken de vrouwen in Afrika allemaal omdat ze een kind hebben om voor te zorgen. Een man staat er verder vandaan. Een man is nooit zeker dat het zijn kind is. Het komt niet uit hem. Ze heeft in haar veranderende gemoedstoestanden meer een aardmoeder nodig om haar te helpen, steun te geven.

 

Maria’s ontvangenis wordt dus negen maanden voor Kerstmis gevierd, 25 maart, zie Lucas 1; 26-35. Maria Tenhemelopneming of Hemelvaart is op 15 augustus. Vele verhalen zijn daarvan hoe dat gebeurde wat meestal door Heilige Mannen gezien werd en daarna dus als zeker aanvaard.

Ze zou volgens de overlevering in de tempel dienst gedaan hebben. Toen ze uitgehuwelijkt zou worden kwamen er veel jonge mannen om met haar te trouwen.  Moeilijk was de keuze, maar ze droegen allen een staf en die van Jozef begon te bloeien als teken dat hij de ware was. Vandaar dat veel planten Jozefs staf worden genoemd. Meestal is het een rode of witte als teken van zuiverheid. Een rozenkrans is van een krans van rozenbladeren gemaakt die zo heerlijk geuren tussen de vingers.

 

Vaak zijn de vereringen aanpassingen aan heidense gebruiken zoals;

Lichtmis (Maria) ook vrouwendag en bij de Grieken Hypopanthe, is een feestdag na de 40ste geboortedag van Christus Leviticus XII 2:4 en alzo op de 2de februari. Door de R.K. kerk is die dag gewijd aan het tempelbezoek van Maria tot het brengen van haar reinigingsoffer en de voorstelling van haar eerstgeboren zoon, Lucas II: 22-24. Het reinigen van de vrouwen werd nodig geacht om hen te zuiveren van de zonde van Eva, de voortplanting. De mis heet Lichtmis vanwege het grote aantal kaarsen die aangestoken worden als zinnebeeld van de voorspelling dat Jezus een “licht tot verlichting van de heidenen (Lucas II: 32) zou wezen. In de christelijke wereld vervulde Maria de rol van de godinnen Ceres en Proserpina als ze veertig dagen na de geboorte van Jezus de tempel bezoekt. Het is niet alleen een Engels gebruik, waarschijnlijk is dit een al zeer oud gebruik. Mogelijk is dit een overblijfsel uit Griekse traditie. Wat Alkmene van Teiresias moest aansteken was het vrouwendagvuur, dat nog steeds in veel delen van Europa op 2 februari wordt ontstoken. Het doel ervan is het oude kreupelhout weg te branden en de nieuwe loten tot groei aan te moedigen.

De fakkeloptocht van de Romeinen was het nabootsen van de gang van Ceres die met een fakkel door het duistere rijk van Pluto ging om haar dochter Proserpina te zoeken. Ofwel moeder natuur zoekt de levenskiemen die in de aarde verborgen liggen en geeft ze zonnewarmte ter ontkieming.

Dat zien we ook bij de vlierstruik, dit was de woning van de goede huisgeest, de hollermoeder, die het huis beschut tegen vuurgevaar en het vee voor ziektes. De vlier is een van de struiken die het eerst uitlopen, al in februari. Deze trouwe struik blikt in de duisternis door het venster en ziet of alles in orde is. Aan haar ontleent zich het oorspronkelijke oud heidense Lichtfeest. Een feest dat nog voort bestaat in gekerstende vorm als Maria Lichtmis op 2 februari. Op haar feest dansen de vrouwen in de steeds krachtiger warmer wordende zonnegloed die de voorjaar brengende godin bracht. Ze dragen vliertakken in de handen en slaan daarmee op de dansplaats op de naderende mannen los. In het oude IJsland liepen de vrouwen driemaal rond de hoeve om de "ontwakende zon" uit te nodigen binnen te komen. Op Terschel­ling en in West Friesland mogen de vrouwen op deze dag wensen doen, die door de mannen vervuld moeten worden. (85) In Amsterdam en sommige andere plaatsen werd 2 februari ook wel vrouwendag genoemd. Op deze dag waren de vrouwen (openlijk) de baas in huis. Het was ook de dag waarop de dienstmeiden vrij hadden.

In Duitsland was het frautrag'n vroeger op sommige plaatsen een algemeen gebruik wat al meer dan een eeuw verboden is. Het bestond daarin dat in de tijd van de winterzonnewende een vrouwentafel met een beeld van de heilige Maria 's nachts van de ene boerenplaats naar de andere, onder fakkel begelei­ding, gedragen werd. Elke boerenhof achtte zich gelukkig het beeld te ontvangen. Waar het kwam bracht het zegen voorspoed en vruchtbaarheid.

Gezien het gebruik dat op de vrouwentafel uitsluitend de zwangere moeder Gods te zien is en dat de politie en de kerk het nodig vonden tegen dit gebruik in te gaan brengt duidelijk zijn oorspronkelijk gebruik naar voren. (19)

Volgens kardinaal Baronius werd deze lichtprocessie in 701 officieel in de R.K. kerk ingesteld door Paus Sergius I. Toen heette het oude gebruik voortaan Maria Lichtmis om de "zuivering" van Maria te vieren, namelijk precies 6 weken na de geboorte van Christus. Het werd waarschijnlijk ingesteld om de christenen weg te houden van een heidens feest dat ook in het begin van februari gevierd werd en waarbij het rondgaan met fakkels een voorname plaats innam.

 

Adam en Eva.

Het ontstaan van  de mens wordt ook in vele mythologieĎn vermeld en de bekendste is wel die uit de Bijbel. Het is een mythe want er waren meer mensen, zie Genesis 4; 17 waar Kain in het land Nod ging wonen waar hij gemeenschap had met een vrouw. Lang is ook gedacht dat een man een rib minder had dan de vrouw omdat God daar de vrouw van gemaakt had.

God zond Adam en Eva uit het paradijs, dat is precies hetzelfde. Om je ergens nieuw te kunnen vestigen, te vermeerderen, moet je met tenminste honderd mensen zijn, anders overleef je niet en krijg je inteelt.

 

Paradijs.

Onze West-Europese paradijsnamen zijn afgeleid uit Bijbels kerkelijk paradisus, dat weer zijn oorsprong had in een Perzisch woord voor veranda, vergelijk Zendavestisch pairidaeza; omheining.

Wat is een paradijs? Stel je eens voor; je komt met 100 mensen aan in een nieuw en ongerept land aan vol met vruchten, voedsel en helder water in een heerlijke omgeving. Dat kan je een paradijs noemen. Maar de mens begint zich dan voort te planten, na 20 jaar en verdubbeling, 200, de volgende 20 weer, 400, die 20 weer, 800, die 20 weer, 1600, die 20 weer 3200, die 20 weer, 6400, die 20 weer, 12800, die 20 weer, 25600, die 20 weer, 51200, die 20 weer,  124000 die 20 weer 248000, die 20 weer, 496000, etc. Dus na 13 verdubbelingen, is 260 jaar, zijn er al een miljoen. Ergens komt er dan een tekort en wordt er verhaald van de goede oude paradijselijke tijden toen alles ongerept was. Dan wordt er naar naburige landen gekeken, etc.

 

Boom van kennis van goed en kwaad.

De levensbloem of het onsterfelijkheid kruid, uit sprookjes en mythen van alle werelddelen bekend, is een aan de levensboom verwante voorstelling waarin de smartelijke worsteling van de mens met het vraagstuk van leven en dood uitkomt. Zie de vrucht uit het Paradijs, waar de vrouw van de boom van kennis van goed en kwaad eet en ook de man te eten geeft. Het gevolg is, dat zij niet meer mogen eten van de boom des levens, die de onsterfelijkheid onderhoudt. Dit is de Bijbelse versie van het universele mythologische thema van de levensboom welke aan hen die van zijn vruchten eten de onsterfelijkheid verleent.

Hebreeuws עץ החיים °ez ha-chajjĒm, Grieks τὸ ξύλον τῆς ζωῆς, Latijn lignum vitae; levensboom. Als aan een willekeurige Nederlander gevraagd wordt met welke vrucht Eva Adam verleid heeft zal het antwoord in vrijwel alle gevallen luiden: de appel. Als we de Bijbel er echter op naslaan, zien we dat in de betreffende tekst helemaal geen appel genoemd wordt. Gesproken wordt over de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. In Genesis 3: 2, 3, 6, wordt alleen over een vrucht gesproken, Peri. Malus betekent ook een vrucht, vroeger werd er dan ook gesproken van Malus persica, Malus citrus, Malus cydonia etc. Wij denken nu met het woord Malus alleen aan de appel, die betekenis kreeg ze echter later.

Het Hebreeuwse woord tappuach, vertaald als appel, komt diverse malen in de Bijbel voor. Genesis 2: 9 en 17 ‘den boom der kennis van goed en kwaad’, maar van den boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult hij niet eten’, 3: 6 ‘En de vrouw zag, dat de boom goed was om te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van de vrucht’ Jozua 15: 53 ‘Beth-Tappuah’, 17: 8 ‘Het land van Tappuah behoorde aan manasse, maar Tappuah zelf, bij de grens van Manasse’ 1 Kronieken; ‘De zonen van Hebron; Korach, Tappuah’, Spreuken 25: 11 ‘Een woord, in juisten vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen’, Hooglied 2: 3 ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud,’ 5 ‘verkwikt mij met appels’, 7: 8 ‘de geur van uw adem zij als appels’ , 8: 5 ‘Onder den appelboom wekte ik u’ JoĎl 1: 12 ‘De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt, granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen van het veld zijn verdord’. 

Uit de context bij dit woord is niet zonder meer op te maken om welke vrucht het hier gaat; wel is het uitermate onwaarschijnlijk dat hier een appel wordt bedoeld. Uit die tekst heeft men een bepaald idee opgebouwd om de verboden vrucht. Concordantie geeft een summiere omschrijving van het soort boom waar het om gaat:

"De boom die bedoeld wordt, verspreidde een weldadige schaduw, zijne vrucht was aanlokkelijk voor het oog, had een aangename smaak en welriekende geur, was goudachtig gekleurd en hing tussen zilverachtige bladeren. Geen enkele bekende soort beantwoordt geheel aan deze vereisten, de kweepeer, de citroen en de appel worden ervoor gehouden, de laatste echter met het minste recht, daar het klimaat voor deze vrucht niet gunstig is. Waarschijnlijk wordt de abrikoos bedoeld, daar zij het meest met de beschrijving overeenkomt en in Palestina zeer overvloedig is".

De naam gebruikt in Leviticus 23: 40 is Peri es Hadar, dat wil zeggen ‘een vrucht van een prachtige boom’. Het woord Hadar betekent letterlijk pracht of pronk en slaat niet op de soortnaam. De naam komt al eerder voor als een van Ismahel’ s zonen. Zowel in Genesis als in Leviticus wordt van peri, letterlijk vrucht gesproken.

Naar Jozua lag de appelstad, Taphua, in IsraĎl, maar lag daar ook het Paradijs? Is de verboden vrucht wel dezelfde als degene die opgebouwd is uit latere teksten? 

 

Samenvatting.

De in aanmerking komende soorten overziende komt geen van de behandelde vruchten echt in aanmerking als de vrucht van het paradijs. De appel valt in ieder geval af omdat ze als vrucht niet aantrekkelijk genoeg is, vooral ten opzichte van al die heerlijke tropische vruchten. Hoewel... het Arabisch voor appel is Tufah, de Rabbijnse literatuur vermeldt bereiding van appelsap en appelcider, in de Kabbala vinden we de appel ook als verboden vrucht.

De kweepeer, Cydonia, bezit geen aanlokkelijke smaak en is ook niet zo'n sierlijke boom. Volgens Dalman is de Arabische naam voor de kwee safardschal. De kwee komt in de Bijbel niet voor, wel in het Rabbijns Hebreeuws (Mishna en Talmoed) en wel onder drie namen, havush, parish(?) en aspargal.

De Citrus werpt qua afkomst vragen op en past ook niet in de rest van de tekst omdat de vrucht te hard, te scherp en moeilijk verteerbaar is en de boom is ook te klein. Ook als ze de vrucht van Leviticus zou zijn is die naam daar anders dan gebruikt in de andere teksten. Hoewel, in de dikke schil zie je een spleet die op een beet lijkt. Van de slang? De slang met de appel in de bek is het symbool van het kwaad.

Blijft over de abrikoos die door de meesten wordt voorgesteld als de vrucht. De vrucht is niet geel en past niet geheel in het ideaalplaatje van de verboden vrucht. Ook Moldenke, toch de autoriteit op dit gebied, lijkt het niet helemaal waarschijnlijk dat de abrikoos bedoeld wordt. "De context van de vers schijnt te wijzen op de bladeren van zeker geboomte om gesneden te worden."

Dit is reden genoeg om nog enkele andere vruchten te bezien, waar dan vooral op de volgende tekst gelet wordt, Genesis 3: 7: "En zij bemerkten dat zij naakt waren; zij hechtten vijgenbladen aaneen en maakten zich schorten". Het blad komt dan in een periode van 2500 jaar echter niet meer voor. De Geneva Bible (1500) maakt de vers “Ze naaiden vijgenbladen tezamen en maakten er van broeken (breeches) van’ en zo is het bekend geworden als Breeches Bible (Broeken Bijbel). En inderdaad: de vijg heeft bladeren waarmee de schaamte bedekt kan worden. Vele autoriteiten nemen dan ook aan dat de vijg, vooral de grootbladige, Ficus sycomore, gebruikt werd om de schaamte te bedekken. Waeker vermeldt dat de Ficus carica de boom des levens vertegenwoordigde bij de Egyptenaren en dat een van hun goden de vijgen aan de sterfelijke presenteerde die het waard waren het eeuwige geluk te verwerven. Mogelijk doelt hij hier ook op de Ficus sycomorus. Nancy Peelman noemt deze niet alleen de levensboom van de Egyptenaren, maar stelt deze soms gelijk met de boom der kennis die ook wel paradijsappel genoemd wordt. De vijg werd wel gelijkgesteld met de boom des levens en ook wel paradijsappel genoemd.

van Beverwijck: "Onder al het ooft zijn de vijgen altijd in grote achting geweest en zo om haar liefelijke smaak als omdat zij van beter sap zijn dan andere vruchten. En Bacon, kanselier van Engeland stelt die in 4 Hist. nat. 11 boven alle vruchten die de natuur voortbrengt zo dat hij gemakkelijk de mening van de oudvaders Irenaeus en Tertullianus zou toestaan die de vijg gehouden hebben voor de vrucht die onze eerste voorouders in de lusthof verboden was. En daarom zouden het wellicht de Indiaanse vijgen van Brochard zijn die Paradijsappelen genoemd zijn... Ik weet niet (zegt Bacon) of hun mening gegrond was op enige plaatsen van de oude rabbijnen of dat zij naar de dubbele betekenis van het Griek woord Sycos keken waarmee niet alleen de vrucht, maar ook de vrouwelijkheid genoemd werd waarmee ze willen zeggen dat het de vrouw was geweest die tot het overtreden van Gods gebod haar man gebracht had".

Dus was de vijg, volgens de ouden, onder de vruchten die ze kenden, het meest in aanmerking komend als een verleidelijke vrucht. De vijg voldoet echter lang niet aan de tekst zoals we via diverse passages in de Bijbel mogen veronderstellen dat ze er ongeveer uit zal zien. Vijg als naam is mogelijk, net als de appel, een meer algemene omschrijving van een vrucht geweest. Brochard, hiervoor vermeldt bij van Beverwijck, een Duitse monnik die in 1300 een reisbeschrijving over het Heilig land gaf vertelt over de vijg: "Bovendien vindt men er noch andere zeer kostelijke en een wonder zeldzaam slag van appelen die van hen Paradijsappelen genoemd worden en groeien op de wijze en tot een grootte als de aller zwaarste druiventrossen in zo grote menigte bij elkaar dat zij een middelbare korf uit maken, de kernen daarvan zijn de appelen zelf zodat men vaak honderd appels en soms wel meer op een hoop vindt als een bos druiven, elk zo groot als een ei met een vaste geel kleurige huid of schors overtogen en als die er af is geeft het een zoete en lekkere vrucht. Deze boom blijft niet langer dan twee jaren in het leven, maar vergaan en verdroogt spruiten er andere takjes uit. De bladeren zijn zo lang dat ze bijna een mannen lengte te boven gaan en de breedte is zo groot dat twee bladeren gemakkelijk een mensen lichaam kunnen bedekken".

Het zal duidelijk zijn dat deze appelen de bananen zijn, waar de oudvaders over spraken naar dit verslag als een soort van vijgen. Gedroogde bananen worden dan ook vijgenbananen genoemd en zo wel in het begin van deze eeuw door de Joden, of onder de naam pisangvijgen, in Amsterdam verkocht. In het Duits worden ze nog paradijsvijgen genoemd.

Thunberg zegt dat de vrucht als een vijg smaakt en deze boom dus de “boom der kennis’ zou zijn. De christenen in SyriĎ en Egypte noemen deze vrucht Ponum Paradisii of paradijsappel, berustende op de mening dat het deze vrucht geweest zou zijn die Eva tot het verboden plukken geleid zou hebben. De Fransen in Algerije bestempelen ze met de naam van bananier du paradis of figuier d'Adami, Duits Adamsapfel, Italiaans fico d’Adamo en mela di Paradiso. Linnaeus noemde een van deze dan ook Musa paradisiaca".

(Dodonaeus) ‘Het vierde geslacht van Citrus is van sommige Malus Assyria, dat is appelboom van AssyriĎ, genoemd en de vrucht Pomum Assyrium, dat is appel van AssyriĎ, dan de Italianen noemen het gewoonlijk Lomio of ook Pomum Adami, dat is Adamsappel, omdat het onervaren gewone volk gelooft dat dit den appel is daar onze aller vader Adam in het Paradijs eerst van at tegen het gebod van God en daarom zeggen ze dat de kloven die in de schillen van deze appels gezien worden de tekens zijn van de beten die hij daarin gaf. Maar andere willen zeggen dat de echte appel daar Adam in beet niet deze tegenwoordige appel is, maar die soort van appels die in het Arabisch Musa of Mosa genoemd wordt daar Avicenna in het 395ste kapittel van vermaant. Immers, als Andreas Thevenetus betuigt, die Musa wordt van sommige Joden gehouden voor de appel die Adam eerst proefde en tegen God gezondigd heeft.

Megenberg; ‘Een soort boom groeit in het land tegen de zonsopgang, zoals Jacobus spreekt, die draagt erg schone gele appels. Aan de appels verschijnt een mensenbeet erg openbaar en herkenbaar en daarom noemt men ze Adams appels. Waarlijk dat is een groot wonder dat God de eerste mensen zonden wil tonen aan dat soort vruchten. ‘

In het volgende kapittel schrijft hij; ‘Arbor paradisi heet de paradijs boom en heet van ettelijke meesters in Latijn pulcherrima, dat spreekt: de aller schoonste, want het is zo schoon dat zijn bladeren aan de lengte een zeventig cm hebben en aan de breedte een vijf en dertig cm. De boom draagt langachtige appels en die zijn zoet en vetachtige vochten en spreken de meesters dat het van die appels meer dan honderd draagt aan een stengel. Zijn stam is hol zoals een riet en groeit graag aan vochtige plaatsen die men altijd vochtig maakt net zoals men een kauwoerde doet

De bladeren waarmede zij zich kleedden na hun vlucht uit het paradijs zijn dan ook vermoedelijk niet gemaakt van vijgenbladeren, maar van een duurzamer product. Velen van de banaansoorten leveren een hennep zoals Musa textilis, Nee al aangeeft. Deze soort levert de Manillahennep wat gebruikt wordt voor touwen, vezels e.d. Mogelijk zijn de eerste schorten van de oudheid van banaanvezels gemaakt.

Musa paradisiaca, L. (tot het paradijs behorend) Omvat nu een grote massa eetbare pisangs, het is meer een verzamelnaam voor een menigte sterk uiteenlopende cv. Linnaeus noemde deze plant Musa naar de Arabische/Perzische betekenis وز "mus", „Musa paradisiaca“ (voor de kookbanaan) en "Musa sapientium" voor de eetbanaan. De profeet Mozes heet ook Musa in het Arabisch. In Suriname heten ze bacove omdat ze gebakken worden.

Deze plant produceert de langste, gaafste en onverdeelde bladeren van het plantenrijk. Dit is een van de grootst wordende, 6‑10m, en wordt ook als een van de oudste voorgesteld. De plant is beschreven in Egyptische beeldhouwwerken zodat de Joden het gewas zeker gekend moeten hebben. Een vraag die over blijft is, of de banaan wel in IsraĎl kon groeien, als IsraĎl ook de plaats van het paradijs was. Het bladerrijke gewas heeft veel water nodig zodat het groeit in warme streken met een neerslag van 1500‑3000mm per jaar, of in vochtige gebieden met een natuurlijke bevloeiing of drassige grond.

De appelstad van Jozua lag tussen de fontein Taphua en het riet dal Vallis Arunditii, (Arundo; riet) een plaats die niet zo geschikt is voor vruchtbomen van de rozenfamilie, maar wel voor de banaan. Bananen zijn in wezen jungleonkruiden van gestoorde milieus, (bij ons de brandnetel) die op overwegend natte en tropische laaglanden als oase’ s voorkomen.

Berekend is eens dat een veld met bananen, vergeleken met dezelfde oppervlakte aan grond met tarwe bezaaid, staat als 133  tot 1, tot aardappelen als 44 tot 1. Voeg hierbij dat de meelrijke vrucht rauw, gebakken of gekookt gegeten kan worden al naar de soort en smaak dan kan je de waarde van dit gewas nu en vroeger voor de mensen begrijpen. Het is dan ook een van de oudste cultuurplanten. Het merg van de stengel, de bloemtop en de scheuten kunnen ook nog als groente gegeten worden.

 

Levensboom.

In het Paradijs stonden twee bovennatuurlijke bomen, de Boom van Kennis van Goed en Kwaad wiens verboden vruchten de zondeval brachten. De boom der kennis van goed en kwaad wordt maar eenmaal genoemd.

De tweede is de Boom des Levens die nog een paar maal vermeld wordt. Spreuken: "de wijsheid is als de boom des levens van degenen die haar aangrijpen". Later speelde de boom nog een rol in het hiernamaals. In het laatste boek van de Bijbel keert de levensboom terug als het goddelijk attribuut van de herstelde goddelijke levensorde en heerschappij, na de door de zondeval teweeggebrachte verstoring. In hoofdstuk 2 van de Openbaring van Johannes staat: "Die overwint, ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is". In hoofdstuk 22 lezen wij over de rivier van het water des levens, die uit Gods troon voortkomt. Ook wordt de boom des levens met de twaalf vruchten  genoemd die groeit aan de oever van die rivier. De vruchten ervan waren dus een spijs voor de gestorvenen die een rechtschapen leven hadden geleid.

EzechiĎl XXXI:18. "Zie Assur was een ceder van de Libanon, schoon van takken met schaduwrijk loof, hoog van stam en zijn top reikte tot in de wolken. Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden, die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats, waar hij geplant was en deed zijn geulen uitgaan naar alle bomen van het veld. Daardoor werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld, zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van water terwijl hij opschoot. In zijn twijgen nestelde al het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte van het veld zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken...".

Na de oorspronkelijke verering in de tijd van Abraham wordt in het Oude Testament vele malen gewaarschuwd tegen de verering van bomen. Geleidelijk zien we de weerstand daartegen toenemen. De afbraak van heilige eikenbomen of levensbomen zien we bij de profeet Hosea, die de mensen berispt voor het branden van wierook en offers onder een eik. In het boek van de profeet EzechiĎl wordt definitief de banvloek uitgesproken: "Daarom, zo zegt de Heer, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan de machtige onder de volken die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste onder de volken, velden hem en deden hem neerstorten; op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken.

‘weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen... Want zij zijn allen aan de dood overgegeven om naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen... " (EzechiĎl 31)

In de Edda werd de levensboom Yggdrasil, beschreven die een es zou zijn. De boom was de hoofdzetel van de goden waar dagelijks vergaderd werd en recht gesproken. De Levensboom als symbool van het leven wordt nog wel gezien als ornament boven de deuren in oude Saksische huizen. De betekenis is hetzelfde, de boom beslaat met zijn takken de kosmos en houdt met zijn wortels de aarde bijeen, de stam is het centrum van leven.

In Egypte is de boom des levens in het paradijs of het oord der zaligen een Sycomore. Het is de "hoge Sycomore" waarop de goden zetelen en van wiens vruchten de goden, de gestorven koningen en de zielen van de zaligen eten. Deze vrucht is in letterlijke zin hun levensbrood.

 

Welke boom was de levensboom?

Phoenix, palmboom.

De waardevolste en mooiste boom moet aan de wieg van de mensheid gestaan hebben. Een boom die de mensen alles kon bieden en daardoor goddelijke verering ten deel viel en goddelijke kracht toegedeeld werd.

De palm groeit zo slank als de mens op, zo sierlijk en gracieus en is er in manlijke en vrouwelijke vormen. Slaat men het de kop af dan sterft die, als de kop lijdt, lijdt de hele boom mee. Worden zijn bladeren afgebroken dan groeien die maar weinig weer, als de armen van mensen. Zijn vezels bedekken de stam als de haren van de mens.

De boom brandt slecht vanwege zijn saprijkheid en geeft veel rook. Dat gaf wel aanleiding tot het bijgeloof dat in de boom een onheil afwerende schuttende kracht woont. Bij grote branden verkoolden de stammen en later droegen die toch gewoon vrucht alsof er niets gebeurd was. Andere boomsoorten waren tot stof en as vergaan.

De oermensen zagen in hun strijd om het dagelijks leven in deze boom een godheid. Zo zagen ze, omdat ze vrijwel geen andere indrukken hadden, de hete zon die altijd in de heldere blauwe hemel staat als de lichtgod en in de palm de schenker en behouder van het leven. Bij de opgang van de zon in het milde purperen licht van de morgenhemel en in het zonnegoud van de avondhemel doorsnijden de loodrechte lijnen van de slanke stammen en de fladderende bladerbundel de heldere hemel. Ze betekenen in het oosten het ontstaan van het leven in het paradijs, in het westen het begin van de eeuwigheid, naar het verlangde vredige land.

De dadel als belangrijke voedselbron werd de levensboom.

De oudste naam van de plant is El: dat is "De Sterke" wat gelijk zijn godsnaam is (El Al, Alla, Allah: God) De boom is sterk, in grote sierlijkheid groeit ze op tot een koninklijke 40m. Zijn stam is vast en hard die zich ook op leeftijd wat kromt. Zijn bladeren zijn altijdgroen. Geen ziekte beschadigt zijn hout, blad of vruchten. Wordt de boom geveld dan schieten talloze spruiten op. De palmboom verjongt zich als nieuwgeborene en werd gelijk onsterfelijk.

Bij de Egyptenaren diende de palmboom als symbool van de zonnegod om de daarmee de steeds hernieuwende tijd uit te drukken. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40-60 donkergroene en ongeveer 3 m lange bladeren. Elk jaar vallen enkele van de onderste bladeren af en worden er ongeveer 12 nieuwe bladeren gevormd. Voor de oude Egyptenaren was de palmboom het symbool om zo het jaar in 12 maanden in te delen. Job 29,18 “Ik zegde bij mijn zelven; in mijn woonplaats zal ik den geest geven, nadat ik mijne dagen zal vermenigvuldigd hebben als een palmboom.’

De palm geeft 360 nuttige zaken, zo naar Babylonische en Perzische hymnes, een mythisch astrologisch getal dat al bij de Egyptenaren werd gevonden. Het begin van een grote tijdrekening heette bij de Semieten chol of chul die door de Grieken Phonix (vergelijk PhoeniciĎrs) genoemd werd.

De vogel Phoenix of Feniks kwam alle 500 of 1461 jaren uit IndiĎ naar ArabiĎ, vlak bij een koele bron. Elke morgen baadt het in dit water en zingt een prachtig lied zodat de zonnegod zijn wagen stopt om te luisteren. Er bestond maar 1 Phoenix per tijdvak. Als hij voelde dat zijn stervensuur gekomen was, elke 500 of 1461 jaar, bouwde hij een nest van aromatische kruiden en stak die in brand waar hij en het nest verteerd werd door de vlammen.

Uit de as ontstond hij dan verjongd weer op om weer 500 of 1461 jaar te leven. Het balsemde de as van zijn voorganger in een ei van mirre en vloog er mee naar Heliopolis (zonnestad). Daar legde het ei op het altaar van de zonnegod.

Ook de vogel was, als de palm, een symbool van onsterfelijkheid daarom betekenen de Griekse en Semitische namen beiden palm en vogel. Het is de zonnevogel en de boom de zonneboom. Zeer waarschijnlijk is het woord phonix uit phuna ontstaan zoals ook het Latijnse punis of poenus met hetzelfde woord bunni of phunnum samenhangt. In de oude Griekse en Egyptische mythologie is de Phoenix een mythische vogel en geassocieerd met de Egyptische zonnegod Re en de Griekse Phoibos.

Naar de wiegende beweging in de woestijnwind gaf men het ook de Aramese en Hebreeuwse namen dekhle en dikhla waaruit de Arabieren dakhl maakten. Daaruit ontstond het Griekse en Latijnse daktylos of dactylus en W. Europese afleidingen hiervan. Hieruit werd het Italiaanse dattolo en dattero gevormd, de Franse datte en dattier, de Spaanse datil en datilero, de Engelse date en date tree, Hollandse dadel en Duitse Dattel en Dattelpalme.

Deze palm kan tegen hitte, koude en soms zelfs vorst in de desert nachten. Maar moet wel volop water hebben en wordt dan ook gevonden bij rivieren, oases en meren, Exodus 15:27, maar houdt niet van vochtige lucht. De dadel moet met de kop in het vuur en met de voeten in het water staan, is een gezegde. De palm signaleert dat er een oase in de desert is en is zo'n welbekend landmerk dat de palm vermoedelijk genoemd is in Richteren 4:4, de palm van Deborah. Zonder dadel kon men vrijwel niet leven.

De palmtwijg (Lulab) met mirt in de rechter en citroen in de linker is het drievoudige herinneringsteken van het leven in de woestijn en werd op het Loofhuttenfeest door de Joden gedragen. Het Loofhuttenfeest van IsraĎl, oorspronkelijk het enige feest, is niet anders dan een namaking en voortzetting van het dadeloogst-feest, waarop het Hebreeuwse woord Chagha-sukkoth: inzamelingsfeest wijst. Het was de ziel van de natie en voor de Joden het teken van triomf en gedragen in processie, een herinnering aan de aangename bronnen van het beloofde land en de succesvolle oorlogen die ze waagden om dit te bereiken.

Op oude Egyptische muurschilderingen zie je het idee van de wereldboom en takken die in de hand tegenover elkaar worden gehouden met kegelvormige producten. Mogelijk handelt het hier om een als religieuze ceremonie verheven bevruchting van de vrouwelijke dadelpalm. Op de zogenaamde zondeval cilinder zien we een dadelpalm afgebeeld met 7 takken en aan iedere kant een man. Beiden strekken hun hand uit naar de dadels. Achter de vrouw staat een slang op het puntje van haar staart.

Als levensboom wordt de palm genoemd in het Gilgamesj epos, de boom van de zon en de boom van de maan. Het gelukt de held van het verhaal de tuin van de goden te bereiken waar die bomen staan. (zie Malus)

Naar de hof en tuin van de Goden

snelde hij toe, zodra hij die zag!

Een boom uit usrnalijnsteen draagt vruchten,

wijnranken slingeren zich daarom heen

bekoorlijk om te aanschouwen, bomen uit lazuursteen dragen bloesems

en vruchten dragen zij, een lust voor de ogen! ..’ Gilgamesj epos, negende zang v, 49-51.

Lang werd zijn dat er verhalen over de levensboom uit het paradijs bewaard gebleven, zie Thuja.

 

Vorming van steden.

In de eerste tijd leefden jagers die de dieren volgden en geen tijd bij hielden of hoogstens de maan als ‘jaar’ hielden. Met de komst van de aartsvaders kwamen de geiten en schapen. Meestal werd de geit door het schaap verdrongen omdat die in alle leeftijden beter vlees geeft en betere wol. De vrouwen verzamelden dan zaden, vruchten en groente.

Een 15 000-10 000 jaar geleden, de oudste sporen in de tombes dateren van 6000 jaar v. Chr. vond daar een grote verandering plaats met ver strekkende gevolgen. Een vrouw vond daar dat tarwe veel grote zaden gaf die ze gebruikte om er brood van te maken. Ze besloot om die te zaaien.

 Volgens de legenden van Diodorus Siculis ontdekte de Egyptische Godin Isis tarwe, gerst en andere planten in het buitenland. Dit zou het land Nysa zijn. Volgens Diodorus was dit een hoge berg van PhoeniciĎ (mogelijk de berg Hermon, waar wilde emmer nog steeds in het wild gevonden wordt). Osiris leerde de Egyptenaren de cultuur van het graan. De vruchtbaarheid van de grond werd door tarwearen gesymboliseerd. In de Griekse mythologie schonk Demeter het graangewas aan de volkeren, na het vinden van haar door Hades geroofde dochter, Persephone. Tryptolemus leerde de mens de kennis van het zaaien en ploegen.

Dat zaaien hield in dat men niet meer verder kon en ook niet hoefde trekken. Van een veld werd er nu 1000 maal meer voedsel verkregen. Toen werd de eerste nederzetting gebouwd, een keerpunt in de geschiedenis. Een nederzetting, dorp of later stad betekent dat er ambachten verschenen, bakkers, timmerlui etc. Dan moeten er ook regels komen om zo’ n plaats te besturen. Zie de 10 geboden door God aan Mozes werden gegeven. Vooral Leviticus, als in 19, staat vol wat men moet doen, van zaaien, afgoden, stelen, bedriegen, hoe te handelen tegen een dove, kinderen, weduwe etc. Dat zijn regels die door bestuurders werden gegeven. Die bestuurders noemden ze priesters.

Ook moest men de tijd weten. Daartoe zijn er in de hele wereld constructies verrezen en vooral op hoogtes om de sterren te zien want daaraan wordt de tijd bepaald. De afgod Baal had zijn tempels dan ook in hogere gebieden. Het jaar werd in 365 dagen verdeeld zodat men weten zou wanneer te zaaien, te oogsten, te vissen, wanneer er wild en vogels komen etc. Dat is dus een geheel jaar en dat in tegenstelling tot de maanjaren jagers. Methusalem werd naar deze berekening 960: 12 = 80 jaar. De priesters kregen zo kennis en dit moesten ze ergens op vermelden en zo verscheen een soort geschrift. Wie kennis heeft heeft macht. Zo kwamen de koningen bij de priesters om van hen te leren en om dingen beter te doen.  Dat is een gevaarlijk begin want die kennis en wijsheid gaan zich vermengen. Vooral ook omdat de priesters tienden kregen. En wie tienden krijgt wil steeds meer hebben. Er waren en zijn nog steeds bankiers. Zo zal de ene broer koning worden en de andere hogepriester. De koning bouwt een paleis en zijn broer de hogepriester zal dan een geweldige kerk of kathedraal bouwen, vaak met een eigen huis of kasteel ernaast.

De priesters onderzochten het heelal en al de verschrikkelijke rampen die de mensen troffen. Ze dachten dat die door een zeer grote macht, god genoemd, naar hen gestuurd werden om hen te straffen. De god van het Oude Testament is dan ook een bestraffende god in tegenstelling tot die van het Nieuwe Testament. Dan doe je er alles aan om die macht of god gunstig te stemmen. Ook van belang is de onzekerheid waar je ziel later naar toegaat waar we later op terugkomen en wat tot vele offers heeft geleid. Dat is geloof, je moet het geloven omdat je toekomst en alles onduidelijk is. Het geloof heeft zich dan ook steeds aangepast aan tijd en omstandigheid en wel met het belangrijkste doel om geld binnen te halen. Luther vond dat je wel een dienst kon doen in een schuur zonder al die heiligen die alleen dienden om geld binnen te halen. Hij had niet alleen de kerk maar ook gelijk alle edelen tegen. Ze zijn 1. Geloof is geld, macht en eer.

De vraag is of de goden van andere landen (lees bestuurders of priesters van andere landen) beter want telkens verlieten de IsraĎlieten hun God. En steeds weer moesten door profeten op het goede pad gebracht worden. Zie het verblijf van hun gevangenschap in Babylon, de Joden wilden niet weg, ze hadden het goed, in wiens belang was het dan dat ze moesten? Antwoord; de priesters. Zie Richteren.

 

Noach.

Noach was volgens de traditie in de 500 jaar oud toen hij naar Gods instructies een ark bouwde om daarmee de zondvloed te overleven en werd daarmee stamvader van alle huidige mensen omdat hij, zijn vrouw en zijn zonen Sem, Cham en Jafet met hun vrouwen als enigen de vloed overleefden.

Het verhaal van Noach en de zondvloed vertoont sterke overeenkomsten met het Gilgamesj-epos, een van de oudste bewaard gebleven literaire werken. Mythische verhalen over een zondvloed komen veelvuldig voor in oude teksten in hetzelfde gebied. Dergelijke grootschalige overstromingen zijn mogelijk gebaseerd op geologische catastrofen, zoals de mega-tsunami die veroorzaakt werd door de Burckle inslag of door extreme overstromingen van de Zwarte Zee aan het einde van een van de ijstijden.

“Toen de Heer zag dat de boosheid van de mensen groot was op de aarde en alles wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijden slechts boos was, berouwde het de Heer dat hij de mens op aarde had gemaakt, etc.,”

Maerlant rond 1200 zegt er aldus van; ‘1105 hij beschreef dat toen plegen 

de kwade lieden in die dagen 

te veranderen de naturen zeden 

want ze boven liggen deden 

de vrouwen en zelf onder lagen

1110 hierom wilde onze Heer ze plagen 

En zei Noach maken die ark .’

Ja, dat moet toch gestraft worden. Maerlant laat ook zien dat de Ark rond was en geen schip zoals nu bekend is.

Ouder is het Gilgamesj epos dat vrijwel hetzelfde vermeldt.

Het zijn mondelinge overleveringen van een grote overstroming die de hun bekende wereld vernietigde. MesopotamiĎ, Babylon, is een land van rivieren en moerassen waar zo’ n overstroming mogelijk was.

Of er delen zijn van het heldendicht die enige geschiedkundige waarheid bevatten is twijfelachtig. Het is wel interessant om op te merken dat de Bijbel en het Gilgamesj-epos beide de Zondvloed noemen. Dit is te danken aan het feit dat dit verhaal uit het Gilgamesj-epos in het gehele Midden-Oosten verteld werd. Het verhaal van de zondvloed komt ook terug in het nog oudere Atrahasis-epos. Tot in de twintigste eeuw vertelden verhalenvertellers dit verhaal door.

Waarschijnlijk is zo’ n mondelinge vertelling in de Bijbel opgenomen. Het grootste deel van de Bijbel is dan ook rond 586 v. Chr. in Babylon geschreven. Beiden zullen wel van dezelfde oerbron stammen. Een volgende overeenkomst met het Bijbelse scheppingsverhaal is de slang, het dier dat in zijn eigen staart kan bijten, en zo een ring kan vormen. De slang, die daarom als een symbool van de eeuwigheid werd opgevat: geen begin en geen eind. Het is ook hier de slang die Gilgamesj zijn kans op eeuwig leven ontneemt, gelijk de slang in het Bijbelverhaal Adam en Eva (en zo de mensheid) tot stervelingen maakt.

Maerlant zegt ook dat de Ark hoog op de bergen van ArmeniĎ kwam. Meestal wordt gezegd dat de Ark op de berg Ararat kwam. Er wordt ook verteld dat er nog steeds hout ervan ligt, maar ontzettend moeilijk te bereiken. Een enkele monnik zou er hout van gevonden hebben met gevaar van zijn leven. Er heeft zich nooit iemand afgevraagd als je er zo moeilijk bij kon komen, hoe kwam Noach en dan met zijn gezin en dieren vanaf?

 

Abraham en Lot.

Sodom en Gomorra lagen in Kanaän en waren - volgens de Bijbel en Koran - berucht vanwege de "verdorvenheid" van de inwoners. De naam Sodom heeft geleid tot de term sodomie, een uitdrukking voor 'zondige, verboden seksuele contacten. Zijn ze niet verwoest vanwege de olie en zwavel, een licht ontvlambare stof die daar gewonnen werd?

Bij die verwoesting werd Lot zijn vrouw in een zoutzuil veranderd. Met zijn twee dochters woonde Lot in een grot nabij het stadje Zoar. De dochters waren kinderloos en hadden geen man en vreesden dat na hen de wereld geen mensen zouden hebben. Daarom besloten zij hun vader dronken te voeren en hem te verleiden tot incest. Beiden werden hierop zwanger en baarden een zoon. De zoon van de oudste dochter heette Moab, de stamvader van de Moabieten. De jongste dochter noemde haar zoon Ben-ammi; hij werd de stamvader van de Ammonieten.

Ik vraag me toch af als hij dronken gevoerd werd, zodat hij zijn dochter niet eens herkende hij toch in staat was om met haar samen te gaan, lijkt me onmogelijk om die daad uit te voeren.

 

Jacob.

Genesis 30-32. naar Jacobs’ s manipulatie met Laban’ s kudde mag je verwachten dat hij wat wist van vermeerderen.

Dat duurde nog een hele tijd voordat Darwin erachter kwam.

 

Exodus.

Opmerkelijke verhalen. Al die plagen in Egypte, water in bloed veranderd, kikkers overvloed, muggenplaag, steekvliegen, veepest, zweren, hagel, sprinkhanen, duisternis, dood van de eerstgeboren Egyptenaren, de instelling van Pasen.  De uittocht waar  de Heer voor hen uitging in een  wolk of vuurkolom, de watermuur en de dood van de farao. (dat scheiden van water komt later nog een keer voor in de Jordaan, is het geen eb?) Dan het drinkbaar maken van het water Mara, manna, overwinning op Amalek, de verschijning van de Heer in aan Mozes bij de berg van de Sinaē. Dan gaan in de derde maand de IsraĎlieten het kalf aanbidden onder de rook en het vuur van de Heer.

Toch wist Aaron goud los te krijgen om er een gouden kalf van te maken. Moet je nu eens proberen bij je vrouw, blijkbaar was de nood hoog. Of waren die wonderen niet zo groot als je nu zou denken? Vooral omdat in de Egyptische overleveringen deze wonderen niet voorkomen, zo ook zo’n farao is onbekend.

 

Pasen wordt nog steeds gevierd en heeft zijn naam naar het Joodse Pascha. Het is echter een voorjaarsfeest. Na een lange winter  met gezouten vlees, kool en appels komt het Carnaval om van het laatste nog wat te vieren. Daarna komt er een vasten, het eten is vrijwel op. Dan komt Pasen, het eerste ei weer na de winter, het eerste groen komt, vitamine C. Het huis wordt schoongemaakt en gelucht, het vuil van de winter wordt verbrand, Paasvuren. Nieuwe kleren aangetrokken al is het nog zo koud, men is op zijn Paasbest. Dat is vrijwel gelijk aan de Joodse Pesach. Christenen vieren deze dag vanuit hun geloof dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging.

 

Numeri.

De aantallen in het Oude Testament zijn aan discussie onderhevig. Het aantal mensen dat in Genesis bij Jozef in Egypte komt bedraagt zeventig. Volgens de eerste telling in Numeri bedraagt het aantal ruim 600 000 mannen van 20 jaar en ouder. Uitgaande van normale gezinnen en leeftijdsverdeling komt dit al snel op drie miljoen mensen. In een periode van 400 jaar, met 25 jaar als leeftijd van een generatie, komen 12 gezinnen in 16 generaties bij een gemiddelde gezinsgrootte van 4,2 kinderen uit op 3,6 miljoen mensen.

Maar uitgaande van een periode van 120 jaar voor het verblijf in Egypte, wordt enkele miljoenen mensen een problematische zaak. Nu worden in het Hebreeuws de woorden "Eleph" en "Alluph" gebruikt. Eleph betekent 1000, maar ook familie of militaire eenheid. Alluph is dan een familiehoofd, een aanvoerder van 1000, of een beroepssoldaat. De aantallen voor Simeon werden genoteerd als:

57 gewapenden; 57 eleph,

23 honderden; (militaire eenheden; 2 eleph; 3 honderden.

In het ene geval val betekent Eleph ('lp) dus beroepssoldaat, in het andere : duizendtal. Totaal zou Simeon hiermee op ruim 2300 uitkomen.

 

Job.

Job is een rijk en gelovige man die beproefd wordt door Satan. Hij komt uit het land Uz, een land dat onbekend is. Hij is dus geen Jood. Er is ook geen sprake van de uittocht van het IsraĎlisch volk uit Egypte. Waarom staat hij dan in de Bijbel? Is het een vertaling uit een andere taal om als voorbeeld te dienen?

Er bestaat geen historisch bewijs over het werkelijke bestaan van de persoon Job zoals die wordt beschreven in het Bijbelboek. Het boek Job behoort niet tot het genre geschiedschrijving. De eerste indruk is die van poĎzie, van kunst en van wijsheidsliteratuur. EzechiĎl noemt in 14:14 drie zeer rechtvaardigen: Noach, Dan(i)Ďl en Job. Doordat Dan(i)Ďl volgens Bijbeluitleggers niet verwijst naar de Bijbelse DaniĎl, maar naar de legendarische rechtvaardige en wijze held die we kennen uit de kleitabletten die gevonden zijn bij Ugarit is het mogelijk dat het ook bij Noach en Job om legendarische personages gaat.

In de merkwaardige Faust dichting die als boek Job in het Oude Testament gekomen is vinden we een natuurafbeelding van zulke pracht in beschrijvingen dat ze door gelovigen blij verwelkomt werd. De grote bestemmingsvraag van de mens werd opgeworpen die in de wereldgeschiedenis verklaard zou worden of  ook de rechtvaardige leed zal dragen en de zondaar geluk kan hebben? In het debat over de twijfelaars en strijdende uit de gemeente grijpt tenslotte de wereldgeest in eigen persoon in. En om die kleinheid en armoede van alle directe oplossingen tegenover zo’n wereldprobleem neer te slaan legt de grote dichter (zijn naam is verscholen) hem een hymne in de mond die over ondoorgrondelijke, ongehoorde verschijningen van de werkende natuur spreekt waarin werkelijk alle huiveringwekkende wezens van de kosmos doorschemeren. De aarde verschijnt in de vorm van de oud Babylonische voorstelling, zwevend over en onder de gebonden oerwateren. Over het veld glanst de gordel van Orion en verheft zich de morgenster. Dan wordt het donker van wolken, de waterpoorten van de hemel openen zich en de bliksem wordt uitgezonden. Voor de storm uit vliegen de raven en de leeuwen brullen om voedsel terwijl de donder dreunt. Zo gaat het natuurbeeld naar de dieren der aarde en nu volgt een beschrijving waarbij de ene nog verbazender is dan de ander.  Van de wilde gemzen (antilopen) zweeft de blik naar de vrije eenhoevige van de steppe, de wilde ezel of wilde paarden. De eenzame woeste streek is hen tot huis gegeven en de woestijn tot woning waar ze vluchtig, van alle banden verlost, doorijlen. Ze lachen om het gewoel van de stad en horen het signaal van de drijvers niet. Hun element is de eindeloze groene hoog steppe waar hun weide is. Deze wilde dieren worden dan aan de zijde gesteld van de ‘reem  waarin Luther de fabelachtige eenhoorn vond, dat nu de geweldige woudos blijkt te zijn die indertijd het Babylonische stroomlandschap tot de Libanon bewoonde.  Zeer goed past op hem het woord dat die ‘niet dienen kan’ of het in de kribbe kan uithouden (als het tamme rund) dat het niet in de vruchtbare dalgrond voor de eg staat of de korenwagen naar de schuur haalt. De struis eindelijk voert ons naar de zondoorgloeiende zandstreken waar hij het uitbroeden van zijn eieren aan de ‘hete aarde’ overlaat. Hij heeft niet veel verstand onze struis, maar ‘wanneer zij fier met de vleugels klapt, verschijnt ros en ruiter’. Daarmee wordt een nieuw en wonderlijk beeld geschapen.

Ros en ruiter. Het getemde paard in mensenhand. Het dient de mens en toch heeft deze mens het niet geschapen. De natuur heeft hem zijn bijzonderheden, zijn individualiteit meegegeven, zijn trots gesnuif, zijn manen, zijn elan dat het opspringen laat als ‘een sprinkhaan’. En de tekst gaat verder in de onvergetelijke woorden; ‘verschrikkelijk is zijn trots gesnuif, het stampt met vreugde het dal, met kracht trekt het de strijd tegemoet. Het lacht om de vrees en is onvervaard en deinst niet terug voor het zwaard. Ook als rammelt boven hem de pijlkoker en lans en speer flikkeren. Het is onstuimig en doodt de bodem en laat zich niet ophouden door het geschal der horens. Zo vaak als de horen wordt geblazen hinnikt het, zit in de strijd van voren waar ze het geroep en geschreeuw van vorsten kan horen’. Zie Job 39: 22-28. Dit tekent het moedige Arabische paard tot de oorlog uitgerust.

Toch zien we bij de aartsvaders geen paarden vermeld worden terwijl ze toch bekend waren. Dat zal wel samen hangen met het gebruik van de paarden als krijgsdier. Uitdrukkelijk was het de koning die naar Gods bevel over IsraĎl zou heersen verboden om paarden te laten vermenigvuldigen of het volk te laten terug gaan naar Egypte om daar paarden te kweken, Deuteronomium 17:16. IsraĎl moet in militair opzicht niet op een lijn staan met omringende volkeren, maar vertrouwen op de Heer. Daarom is het ook een van de trekken van de Messiaanse heilstijd, die in Micha 5 beschreven wordt dat de Heer de paarden uit het midden van IsraĎl zal uitroeien en de krijgswagens vernietigen, vers 9, zie ook 1 Samuel 8:11, waar het ophopen van paarden vermeld wordt waarop Samuel hen waarschuwt dat deze ban op paarden genegeerd wordt en ze zullen lijden.

Ook waren het boeren die beter met de os en ezel konden ploegen dan met paarden. De enige plaats waar chariots konden rijden was de vlakte van Esdralon. Die vlaktes moesten eerst veroverd worden, Jozua 11.

Het paard is met de oorlog verbonden, de ezel met vrede, zie Zacharias 9:9: Zie uw koning komt tot u,… en rijdende op een ezel, op een ezelhengst, op een ezelinnenjong’…. Dan zal hij de paarden uit Jeruzalem te niet doen, ook de strijdboog wordt teniet gedaan, hij zal de volken vrede verkondigen’.

 

Salomon.

Genesis 4; 19-23, Lamech was de eerste die twee vrouwen nam en dat tegen Gods gebod die in het begin zei dat ze tot man en vrouw een vlees en een lijf waren. Hij zei niet een man neemt er twee. Later zullen alle koningen er meer dan 1 nemen. Ook was het niet toegestaan aan de Joden om een buitenlandse vrouw te nemen. Salomon trouwde met een dochter van de farao waar hij een kind van kreeg. Verder had hij honderden bijvrouwen. Je vraagt je af of hij nog tijd had om wijs te zijn. Maar hij werd door de Heer gezegend en niet gestraft. Wie zijn wij dan dat we er iets slechts van mogen denken?

 

Nieuwe Testament.

 

Jezus; redder, er waren meer ‘redders’ in IsraĎl, wie Josephus in zijn Joodse oorlog leest zal onze Jezus er nooit uithalen zoals wij die kennen. De eerste passage staat bekend als het Testimonium Flavianum en gaat over de levensloop van Jezus. De betrouwbaarheid van het Testimonium Flavianum wordt al sinds de 17de eeuw betwist en vanaf de 19de eeuw is men het er over het algemeen over eens dat het op zijn minst veranderd of zelfs volledig vervalst is door christelijke schrijvers. De tweede passage noemt wel een Jezus als broer van Jacobus.

Uit de jaren waarin Jezus leefde zijn geen bronnen bekend die melding van hem maken. De vroegste geschriften over Jezus, zijn daden, zijn prediking, lijden en dood zijn te vinden in het Nieuwe Testament. Geen enkel deel hiervan werd door Jezus zelf geschreven. Hij heeft zijn boodschap enkel mondeling doorgegeven.

Plinius de Jongere schreef in 112 na Chr. in het kader van de Christenbestraffing rond 112 na Chr. een brief aan keizer Trajanus waarin hij de christenen beschrijft en Christus noemt. Tacitus beschreef in zijn Annales, geschreven rond 116, hoe Nero de schuld voor de brand van Rome in de schoenen van de christenen schoof en dat "de man aan wie deze naam ontleend is, Christus, ... onder de regering van Tiberius door de landvoogd Pontius Pilatus ter dood [was] gebracht". Suetonius schreef in zijn Leven van Claudius dat (rond 50 n.Chr.) "de Joden voortdurend opschudding veroorzaakten op instigatie van Chrestus" en Claudius hen daarom uit Rome verbande. Het is omstreden of deze Chrestus geēdentificeerd moet worden met Christus. Lucianus van Samosata  leefde nog later in de tweede eeuw. Hij gaf in De dood van Peregrinus een sarcastische beschrijving van christenen en noemde hun "wetgever" "de man die in Palestina gekruisigd werd."

 

Of het Kind in de ‘Velden van Efratha’ geboren is onduidelijk in de H. Schrift. Er is geen nauwkeurige plaatsbepaling, Lucas 2:8, noch van de geboorte, noch van het verblijf van de herders. De traditie hierover is zeer oud. Zo moet reeds de zogenoemde Geboortegrot, onder de tegenwoordige Kerk der Geboorte, in 137 na Chr. door keizer Hadrianus met opzet ontwijd zijn waaruit blijkt dat die toen al als plaats van de geboorte van Christus erkend werd. Sinds die tijd is de traditie blijven bestaan. De spelonk zou ooit eens als stal dienst gedaan hebben.

Met de velden van Efratha is dat ook zo. HiĎronymus deelt mee dat men in 400 na Chr. naar de toren Ader ging, ‘waar de herders vervaardigd werden het Gloria in excelsis te Deo te horen’. Deze toren van Ader werd vanouds identiek gesteld met Migdal Eder, de plaats waar Jacob zijn tenten opsloeg na het overlijden van Rachel, Genesis 25:21. Het was het punt waar het algemene weideland begon en daarom geschikt voor een herdersvorst als Jacob. Van deze ‘schaapstoren’ wat de naam betekent kon het algemeen toezicht op de kudde gehouden worden. Dit is een gewoonte die ook later werd toegepast, bijvoorbeeld door koning Uzzia in de woestijn van Juda, 2 Kronieken 26:10.

Vermeldenswaard is nog dat de Joodse traditie dit Migdal-Eder aangeeft als de plaats waarin op het einde der dagen de koning Messias zich zal openbaren. Deze traditie is gegrondvest op het Migdal-Eder van Micha 4:8. ‘In de omgeving van Migdal-Eder’, dus ten Noord Oosten van Bethlehem, vindt men de ‘weiden der herders’.

Vlakbij de Kerk der Geboorte begint een smal pad dat naar dit dal leidt. In het dal is het klimaat zacht, sneeuwval en vorst zijn daar onbekend. De westenwinden worden door de heuvels tegengehouden en zo beginnen in januari de ‘bloemen des velds’ al te bloeien.

 

Het jaartal van zijn geboorte is ook onzeker, het berust ook op traditie. Het idee om de geboortedag te vieren vond de eerste eeuwen geen ingang. Zo werd de geboortedag van heiligen nooit gevierd, wel hun sterfdag. Sextus Julius Africanus stelde in 221 voor de eerste maal de 25ste december als geboortedatum vast. Ook Hippolytus deed dit in zijn Daniel commentaar. Ze kwamen tot hun berekening doordat de schepping van de wereld op 21 maart zou zijn, de schepping van maan en sterren valt zo op 25 maart. Dat is dan ook de datum van de ontvangenis van Onze Heer in het vlees. Het Kerstfeest zou voor het eerst op 354 met die datum gevierd zijn, in Constantinopel in 379 en te AntiochiĎ in 388.

De Romeinen brachten de viering van de geboorte van Christus in verband met de toeneming van het licht na de kortste dag. De geboorte van Johannes de Doper die zes maanden eerder geboren werd, Lucas 1:36, was met het afnemen van het licht na de langste dag. Dit naar de uitspraak van Johannes: ‘Hij moet wassen, maar ik minder worden’.  Johannes 3:30. Daarom wordt de geboorte van Johannes op 24 juni gevierd en het Kerstfeest op 25 december. Ook dat het feest in de winter zou vallen is niet zeker. Naar Lucas 2:8 weidden de herders de kudden dag en nacht op het vrije veld. Dat zou dan tussen april en november zijn. Ook de wijzen uit het oosten reisden bij nacht, ook dat wijst op de zomer.

Het is wel een aanpassing geweest aan heidense feesten van midzomer en midwinter, de joelfeesten.

 

28 december, Allerkinderen, Onnozele Kinderen. Childermass: kindermis, of Innocent’s day, fete des innocents, Kindeltag. De geschiedschrijver Flavius Josephus tekende de misdaden van Herodes op, een lijst van ongeveer 100 bladzijden. De moord op de Onnozele Kinderen wordt hierin niet vermeld.

De vermoording van de onnozele kinderen te Bethlehem, Mattheus II: 16. De naam 'Onnozele Kinderen' wekt soms bevreemding. 'Onnozel' komt van onnosel, de Middelnederlandse vertaling van het Latijnse woord innocens, dat 'onschuldig' en 'onschadelijk' betekent. 'Onnozel' betekende al vrij snel ook 'onwetend', 'naēef', 'dom' en 'dwaas'. Zo kwam het dat het kerkelijk feest van Onnozele Kinderen in de Middeleeuwen samenviel met het volkse Dwazenfeest dat zijn wortels had in de heidense midwinterrituelen en het Romeinse festum puerorum. In heel West-Europa stond 28 december in het teken van gekkigheid en de omkering van de maatschappelijke orde. Kinderen kregen het die dag voor het zeggen. Ook in kloosters en kerken werd het gezag overgedragen aan de geringste in rang. Zo werden er kinderabten en kinderbisschoppen aangesteld. Het gevolg van deze omkering was niet zelden anarchie met alle gewelddadige en seksuele uitspattingen van dien. In de 13de eeuw werd het gebruik van de gezag omkering verboden. Wat overbleef was een feest waarbij kinderen zich als volwassenen verkleedden en langs de deuren gingen voor lekkernijen. Het kindgerichte Sint-Nicolaasfeest heeft het folkloristische Onnozele Kinderen uiteindelijk verdrongen.

 

Ziel.

Als een mens geboren wordt krijgt hij iets ondefinieerbaars als een ziel.

De zielen van de kleine kinderen bevinden zich bij vrouw Holle in een bergholte of in een holle boom, maar meestal in de kinderbron en daar haalt de heilige vogel als er een geboorte plaats vindt, ze op. Dit naar de oud-Germaanse opvatting dat het leven uit de bronnen komt en na de dood weer in teruggaat. De ooievaar brengt de zieltjes, het is de heilige vogel die volgens zijn naam ‘met geluk komt’. Hij haalt ze met zijn snavel uit de vijver. Hij heeft contact met de wateren der schepping waaruit alle vruchtbaarheid voortkomt. Over water komen de zielen van de pasgeboren kinderen en over water gaan ze weer weg, dan ook vaak weer als watervogels. 

De geest of ziel komt er in, het lichaam is er natuurlijk al. Velen geloven dit niet, toch vernoemt men het kind vaak naar een pas gestorven dierbare in de hoop dat hij net zo zal worden, of dat zijn geest in hem/haar overgaat.

Dat zie je vanouds. Chrisma is de naam van de heilige zalfolie die bij de doop, priesterwijding en bij andere sacramenten in zwang is gekomen. Zo’n zalving komt al voor bij de kroning van de oude koningen en wijding van de priesters in het O. T. In de Christelijke kerk kwam het later in gebruik, evenals de handoplegging. Beide handelingen waren zinnebeelden van de uitstorting van de Heilige Geest en werden al vroeg als geheimzinnige middelen beschouwd om die geest van de een op de ander te laten overgaan. Het is hetzelfde als elkaar een hand geven, niet achteloos, maar een stevige handdruk, je voelt je op dat moment verbonden. Drie maal een kus geven op een wang doet dan niets.

De ooievaar brengt aan het pasgeboren kindje zijn ziel. Dat is een spannend ogenblik als het jonge kind voor de eerste keer zijn ogen opent, heeft het zijn ziel gekregen? Want gisteren had de jongen nog helemaal geen blik in zijn ogen, maar nu is het de ooievaars dag en nu is er licht in. (de ziel is er in)

Tot de dag dat de ziel er nog niet is was het kind nog niet aangenomen, was het nog geen mens voor het dorp of de gemeenschap, was nog niet erkend en had dus nog geen naam. Vergelijk de kinderen die nog geen doopsel ontvangen hadden of dood geboren ware die kwamen terecht in het ‘Voorgeborgte’. Die kinderen waren nog niet aangenomen door de Christelijke gemeenschap, hadden nog geen ziel.

Vanouds geloofde men dat de ziel voor hij in het menselijk lichaam kwam al in een ander lichaam geleefd had. Bij de Brahmanen zou de ziel na de dood door boze en goede dieren overgaan als boetedoening en loutering.

De Egyptische priesters namen aan dat de ziel na de dood door alle dieren zou gaan en na drie duizend jaar weer in een mens komt.

De latere Phytagoreers veronderstelden dat de geest die van de banden van het lichaam bevrijd is het rijk der gestorvene binnen gaat en na langere of korte tijd weer in een menselijk of dierlijk lichaam verblijft tot die gelouterd en waardig is om tot de oerbron van het leven terug te keren. Sommige menen dat ze zelfs in plantenlichamen terug keren. Plato geloofde dat de zielen voor hun verschijnen in de mens daar al geweest waren en bij hun tweede komst zich een lichaam uitzochten, dat hun eigenschappen aangemeten waren en zo gaan tirannen in wolven of gieren over en werkzame zielen in bijen of mieren. Tot een volledige terugkeer in de schoot van de godheid duurt het tienduizend jaar. De Talmoedisten geloven dat er maar een aantal Jodenzielen zijn die steeds terug keren zolang er Joden zijn en soms tot straf in dieren veranderen maar op de dag der opstanding zijn allen gereinigd en zullen in het beloofde land weer opleven.

De ziel heeft het kind aandrang om zich te vermeerderen, doelen na te streven, het is zijn karakter. Dat is het doel van het leven, seks, beroemd worden, eer behalen, overwinnen, rijk worden. Als die doelen meer of minder behaald zijn gaat de middelbare mens denken wat zijn doel hier is op aarde. Dan denkt men waar zijn ziel heengaat. Dat komt vooral door de voor besproken filosofische gedachten. De mens heeft zo’n geweldige geest en dat zal wel niet voor niets gemaakt zijn, het zal wel ergens overleven. Daar is al duizenden jaren over gesproken en zal nog duizenden jaren besproken worden en nooit bevestigd worden. Vroeger dacht men dan ook dat een koning in de hemel ook een koning zou zijn en zijn soldaten weer als soldaten zouden terugkeren.

Maar als je een definitie van de ziel geeft wat blijft er over? Geen lichaam, geen drang naar seks, eten of dergelijke. Geen doelen om meer te behalen, geen rijkdom of macht, geen slaap en dergelijke. Het s louter alleen zijn eigen gedachten, herinnering.

 

Apostels.

Het is toch wel bijzonder dat de waarschijnlijk ongeletterde apostels zo over de wereld gereisd hebben. Petrus en Paulus zijn wel de belangrijkste en vooral Paulus, hoewel die geen echte apostel is. Maar hij was Romein en waarschijnlijk met een goed zakelijk inzicht. Hij verschilde wel van de andere apostels en de Joodse gemeenschap over hun inzicht, met uitzondering van Petrus.

Het belangrijkste is wel het samen eten en drinken, rijkdom verdelen en spreken over het geloof, een gemeenschap. Dat was een gevaar onder de Romeinen die opeens een vaste gemeenschap hadden die hun keizer niet als god zagen en een eigen god en mening hadden.

 

Maria Magdalena.

1. Maria Magdalena is vrijwel onbekend, behalve dat zij Jezus is gevolgd vanuit Galilea naar Jeruzalem (na een 'bevrijdingservaring': Lucas 8:2) en dat zij bij hem is gebleven tot het laatst en dus aanwezig was bij de kruisiging, bij de kruisafneming en de graflegging, dat haar naam in alle evangeliĎn als eerste valt als het Pasen wordt. Ze spreekt de beroemde woorden; raak me niet aan, noli me tangere’. Als volgelinge van Jezus wordt zij de oergetuige van Pasen en de apostel der apostelen.

2. Een zondares die ooit tijdens een deftig diner kwam binnengestormd en Jezus' voeten kuste, met haar haren afdroogde en daarna zalfde. Lucas in hoofdstuk 7; daar valt ook de term 'zondares' .Jezus neemt haar in bescherming tegen de kritiek van de gastheer. Dat zij een prostituee was wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar de term 'zondares' en haar loshangende haren suggereren dat wel. Na een gelijkenis over schuldvergeving spreekt Jezus de van betekenis zwangere woorden: "Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde." Belangrijk nu is dat vier zinnen later de naam van Maria van Magdalena valt als één van de vrouwen die Jezus volgde en diende met al wat zij bezat. De vereenzelviging van vrouw 1 en vrouw 2 is nabij, zowel in de Oosterse als Westerse kerk.

3. Maria van BethaniĎ (die aan Jezus' voeten zat om de woorden van haar 'rabbi' te 'leren'), die de zus van Lazarus en Martha zalft in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 12, op bijna identieke wijze Jezus' voeten als de zondares in Lucas 7. Ook zij droogt ze met heur haren af.

Een identificatie van vrouw 2 en vrouw 3 (en via vrouw 2 dus ook met vrouw 1) is volgens de uiteenlopende chronologie en geografie van de evangeliĎn onmogelijk, maar literair zeer verleidelijk. De oosterse kerk heeft het nooit gedaan. Zij blijft Maria van BethaniĎ en Maria van Magdalena onderscheiden; in de Westerse kerk daarentegen heeft Gregorius de Grote in de 6de eeuw in een beroemde preek over Maria Magdalena deze identificatie zo grondig voltrokken, dat eerst in de 16de eeuw (humanisme en reformatie) deze beide weer uit elkaar gehaald konden worden op grond van historisch-kritisch Schriftonderzoek.

De bekende Franse historicus Georges Duby aarzelt niet om de fusie van deze drie vrouwengestalten een geniale vondst van de Latijnse kerkvaders te noemen. Het (imaginaire) vrouwenportret dat zo ontstaat is immers zo ongelooflijk rijk, dat zij één van de invloedrijkste vrouwspersonen van de Europese geschiedenis is geworden. Als complement van de altijd kuise moeder-maagd Maria beeldt deze complexe persoon een heel stuk van de visie van de kerk op de 'vrouw' en het 'vrouwelijke' uit.

Maria Magdalena 's (als zodanig 'samengestelde vrouw') heeft immers dit ongelooflijk sterke punt dat zij als het ware aanschouwelijk onderwijs gaf op het terrein van seksualiteit en zonde. Zij riep het 'het verbodene' op en bezweerde het tegelijk. Daar zijn haar tranen, daar zijn heur haren, daar is de geur van de kostbare nardusmirre. Zij is volkomen fysiek, zij is 100% een vrouw. Haar 'verleden' als prostituee (officieel veroordelen waardig), gecombineerd met haar grote liefde voor Jezus was reuze spannend. Zo is zij zelfs tot een genrestuk geworden met de titel: de boetvaardige Magdalena. Vanaf Titiaan is de smachtend-boetvaardig opwaarts gerichte blik, de bijna (of helemaal) ontblote borst standaard. Zij zit vaak in een grot, meestal met een vanitas-symbool erbij: minimaal een doodshoofd.

4. Op dit punt komt nog een vierde vrouw om het beeld van Maria Magdalena completeren (zie hieronder): de asceet Maria van Egypte (legende bekend sinds 7de eeuw). Deze dame zou 30 jaar lang in de woestijn in een grot hebben doorgebracht als heremiet, kluizenares, enkel gehuld in heur haren. Elke dag - zo wil de legende - kwamen engelen uit de hemel om haar te voeden met hemelse spijs en drank. De rest van de tijd was zij bezig met boetedoeningen. Zij kastijdde voortdurend haar mooie maar o zo zondige lichaam, om zich geheel van de wereld te zuiveren. Ze sloeg de schoonheid er af en de vleselijke begeerte er uit. Deze legende sluipt op kousenvoeten de legende over Maria Magdalena binnen. Zo versmelt ook deze Maria van Egypte naadloos met Maria Magdalena. Op veel schilderijen zien wij Maria Magdalena gehuld in heur haar, gezeten in een grot. Een kruikje olie heeft ze bij zich en vaak staart ze naar een 'doodshoofd', een schedel: aloud symbool van de vergankelijkheid van al het aardse ('vanitas-motief), bezit en schoonheid. Ook de eventueel verstrooide sieraden en andere attributen waarmee een vrouw zich mooi maakt, of tegen de vergankelijkheid verweert, onderlijnen ditzelfde motief. Wel: de zalfolie die de echte Maria gebruikte was tenslotte parfum. Iconografisch het meest opvallend is de invloed van de legende van Maria de Egyptische, wanneer Maria Magdalena wordt geacht ten hemel te zijn opgenomen om daar te communiceren. Eén variant van de legende weet zelfs te melden, dat na een wuft werelds leven de Egyptische Maria zichzelf heeft laten straffen door geheel en al onaantrekkelijk te worden. Dit was niet zo simpel bij zo'n mooie vrouw. De oplossing die gevonden wordt, is dat ze niet alleen weelderige haargroei op haar hoofd krijgt, maar dat zij over haar hele lichaam met haar bedekt wordt, iets wat de attractiviteit inderdaad vermindert. Zelfs dit motief is in de Magdalena-iconografie terug te vinden op één van de afbeeldingen van de ten hemelopneming en de communieontvangst.

Maria Magdalena, deze fusie van 4 vrouwen, is nu helemaal klaar om haar carriŹre te beginnen. Vreemd is nog slechts het vertrekpunt: niet Palestina, niet Efeze, maar het zuiden van Frankrijk, in de Provence, vlakbij Marseille. Daar wijst men u namelijk een grot, Sainte Baume (heilige balsem), waar Maria zou hebben vertoefd en gestorven. Hoe komt zij (volgens eerdere legenden gestorven nabij Efeze en later overgebracht naar Constantinopel) nu in vredesnaam in de Provence terecht ? Grenzeloos is het Middeleeuwse legendarisch vermogen. Zij was - zo vertelt de Legenda Aurea samen met haar broer (Lazarus), Jozef van Arimatea en haar zus (Martha) en vergezeld van een Romeinse jongeling Maximinus door de apostel Petrus op een bootje gezet. Dit scheepje is vervolgens op wonderbaarlijke wijze (zonder zeil en roer !) de hele Middellandse Zee overgestoken en gestrand in Zuid Frankrijk. In Les-Saintes-Maries-de-la-Mer zette het illustere gezelschap voet aan wal. De bedoeling van de reis was evangelisatie. Maria richtte haar apostolaat vooral op de inwoners naburige stad, Marseille. Na de tegenstand van het vorstenpaar te hebben overwonnen bekeerde zich heel Marseille en koos Lazarus tot eerste bisschop (St. Lazaire). Maximinus werd bisschop van Aix-en-Provence (St. Maximin) en Martha bekeerde Tarascon. Na zich nog in het bijzonder te hebben ingezet voor de vrijlating van gevangenen (was zij zelf ook niet bevrijd van 7 boze geesten, die haar boeiden ?!) vrijwillig terug in een grot om haar zonden nog verder uit te boeten. Zo wil de wereld verzaken en de hemel winnen, al verstervend een eeuwig leven beĎrven. Rond deze Maria ontstaat rond het midden van de 11de eeuw in Frankrijk een echte hype, als de abt van het klooster van Vézelay (in 860 gesticht ter eren van Maria Magdalena) claimt dat de beenderen van Maria in werkelijkheid dáár begraven zouden liggen onder de kerk (de Ste. Madeleine). Een monnik zou ze uit de Provence hebben gestolen (of gesmokkeld, hierover verschilt men van mening) om ze uit handen van de Saracenen te redden. In 1058 wordt door paus Stefanus IX een pelgrimsprivilege aan dit klooster geschonken en het kleine dorpje Vézelay wordt vervolgens overrompeld door talrijke pelgrims, waaronder opvallend veel vrijgelaten gevangenen (van hun boeien wordt zelfs een ketting gesmeed die het hele koorhek omspant). Een nieuwe kerk wordt gebouwd.

Als enkele eeuwen later de twijfels over de waarheid van deze beendersmokkel groot wordt, worden ze als bij toeval in 1265 'ontdekt' onder het hoogaltaar. Het is echter tevergeefs. In 1295 worden in St Maximin de Provence ook de beenderen van Maria ontdekt.

 

Jozef van Arimatea gaat verder (over land?) naar Engeland en plant in Glastonbury zijn staf die verandert in een bloeiende meidoorn.

Het anonieme metrical "Lyfe of Joseph of Arimathia" 1502, slaat op drie medorens die groeien op de heuvel Werall, of Weary-all Hill, die de pelgrims moeten beklimmen te Glastonbury waar:

"Thre hathornes also, that groweth in Werale

Do burge and bere grene leaves at Christmas

As freshes as other in May", maar verhaalt niet dat de kerstbloeiende meidoorn ontstaan is uit de staf van Jozef van Arimatea. Dit laatste komt weer van een legende die stamt van de katholieke C. Eyston, 1667-1721. In 1722 werd dit verhaal afgedrukt door Thomas Hearne in "History and Antiquities of Glastonbury". Zo verhaalt men, dat: "Een cultivar van de gewone meidoorn, die Glastonbury doorn genoemd wordt, gedurende de winter bloeit, men gelooft dat de struik bloeit op Kerstmis". De knoppen komen op de 24ste, bloeit met Kerst en de volgende dag is ze verwelkt. Deze vorm bloeit soms wel met Kerstmis, maar meestal in februari.

Opvallend detail is ook hier dat Glastonbury een oeroude, heilige plaats van de Kelten is. De hoge gronden waar de Abdij staat werd in vroegere dagen het Isle of Avelon genoemd. De Avelon van koning Arthur?

De Abdij aldaar, nu een ruēne, zou de verblijfplaats geweest zijn van Joseph van Arimatea. Volgens de legende kwam die in Engeland aan met 12 volgelingen en richtte de eerste Christelijke tempel in dat land op. Hij had de Heilige Graal bij zich, de schaal of kop die bij het laatste Avondmaal gebruikt werd. Ze reisden lang en ver en kwam met kerst te Glastonbury aan. Joseph wist dat ze het eind van hun reis bereikt hadden en als een teken stak hij zijn staf diep in de grond. Die begon onmiddellijk te bloeien, gelijk als Aarons staf. Zijn staf was dus van hem afgenomen en hij had hem niet meer nodig. Hij maakte hier zijn rustplaats en bouwde daar een kapel, die na vele veranderingen en aanpassingen de grote abdij van latere jaren werd.

 

Net zo vreemd is het verhaal van St. Jacob de Meerdere.

De zoon van Zebedeus en Maria Salome, oudere broer van de apostel Johannes. Samen met Johannes en Petrus vormde hij het bevoorrechte drietal dat onder meer aanwezig was op de berg Tabor. Hij was visser en leefde aan het meer van Genesareth.

In Handelingen 12: 1-3 wordt beschreven hoe Jacobus door toedoen van Herodes ter dood gebracht werd. Dus werd hij volgens het Nieuwe Testament in Palestina onthoofd. Hier zou de Maagd van de Zuil aan hem verschenen zijn. Met Petrus werden ze vanwege hun stormachtige ijver voor Christus Boanerges genoemd, dat is ‘zonen des donders’, Marcus 3:17. Op zijn terugkeer in Palestina werd hij door Herodes Agrippa onthoofd als eerste apostel in 44. Zijn volgelingen namen zijn lichaam via de haven Joppe naar GaliciĎ, waar ze hem aan de voet van de Libredon begroeven. Als gevolg van oorlogen en ontvolking raakte deze christelijke bedevaartsplaats vergetelheid. Tot 600 werd zijn graf in Jeruzalem vereerd. Verder is er weinig van hem bekend.

Volgens een legende uit de 7de eeuw zou hij in Spanje gepreekt hebben en daar begraven zijn of is daarna weer teruggekeerd naar het H. Land en daar de marteldood door onthoofding gestorven zijn. Er wordt verhaald dat nadat hij op last van Herodes gedood was zijn lijk te Joppe in een schip zonder stuurman en zonder riemen gezet werd wat door de engelen naar  westkust (door de straat van Gibraltar) Spanje gebracht waar hij het evangelie had verkondigd. Aldaar op een steen neergelegd zou die in was zijn veranderd en het lijk als een doodskist omsloten hebben. Later werd het lijk door een monnik gevonden en de 25ste juli overgebracht naar Santiago de Compostella. (St. Jacob van het sterrenveld)

Santiago de Compostella in het noordwesten van Spanje is samen met Jeruzalem en Rome een van de belangrijkste christelijke bedevaartsoorden.

De geschiedenis van de pelgrimage naar Compostella gaat veel verder terug. De symbolen van de Camino; de St. Jacobsschelp en het zwaardkruis, de lagarto; hagedis, duiden op een niet christelijke vruchtbaarheidsrite. Al voor onze christelijke jaartelling marcheerden Romeinse legioenen naar Finisterre, 'het einde van de wereld', (Finis Terrae of Kaap Finisterre in GaliciĎ,) aan de kust van de dood om daar de zon in de onderwereld te zien wegzakken. Ook nu nog lopen de geharde pelgrims door naar deze plaats naar de kust. En nog steeds wordt door hen bij zonsondergang het eeuwenoud Keltisch ritueel van water, vuur en aarde uitgevoerd. Nu is de schelp het symbool voor het vrouwelijk geslachtsdeel en is bekend als symbool van geboorte of wedergeboorte. Het is daarom dat Venus hieruit opstijgt in het schilderij 'De Geboorte van Venus' van Botticelli. Het is een symbool van een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite, dat net als zoveel heidense symbolen en riten door de katholieke kerk zijn overgenomen. Om dit symbool over te nemen moest Santiago, volgens de legende, iemand terug doen komen van de dood. Iets wat Santiago in de geest van zijn heidense alter-ego wel diverse malen doet. Dit keer redde hij een ruiter die verdronken was in zee. Toen deze terugkwam uit de zee was hij overdekt met de schelpen. Via deze constructie werd de schelp toch het symbool van pelgrimage naar GaliciĎ. Een pelgrimage is een tocht naar een plek van spiritueel belang met de bedoeling om inzicht te verwerven. Niet het einddoel, maar de weg ernaar toe, is hiervoor de manier. De St. Jacobsschelp, die veelvuldig aan de Spaanse kusten voorkomt, dankt zijn naam aan de overeenkomst met de schoudermantel die hij draagt. Bedevaartgangers sierden er hun hoed mee en gebruikten de schelp als drinknap. Plaatsen en kapellen in ons land met de naam van Jacobus hebben meestal een rol gespeeld in de bedevaart naar Santiago.

Ook het andere symbool van Santiago het zwaardkruis, bekend onder zijn voorchristelijke naam lagarto of hagedis, verbonden met vruchtbaarheid en van kuisheid. Uit al deze niet-christelijke symbolen en mythen is Santiago en de pelgrimage ontstaan. Hij is nog steeds de heilige beschermer die te paard zijn gelovigen beschermd. De pelgrimage is nog steeds een reis naar persoonlijke inzicht. De reis die nog steeds een metafoor is voor het leven. Santiago is nog steeds de gids, die op het eind van de reis op de pelgrim wacht. Santiago de Compostella ligt in GaliciĎ in het Noordwesten van Spanje. De inwoners zijn van Keltische komaf. En net als hun Keltische broedervolken spelen ze doedelzak en drinken ze appelcider. De stam van de naam GaliciĎ is dezelfde als van Wales(Gales) of het Iers, Gaelic.

GaliciĎ is het enige gebied in Spanje wat nooit bezet is geweest door de Moren. En het is ook vanuit hier dat de Reconquista, de herovering van Spanje door de christenen op de Moren, is begonnen. Hij is de schutspatroon tegen de Islam, de Matamoros, de Morendoder. Hij zou in de slag tegen de Moren bij Clavijo in 939 op een wit ros aan het hoofd van de Christelijke legers verschenen zijn. “Santiago’ werd de strijdkreet van de Spanjaarden. (In Latijns Amerika werd hij later Jacob de Indianendoder) Van de 10de tot de 15de eeuw was dit een van de beroemdste bedevaartplaatsen in West-Europa die aanleiding gaf tot een grote verering langs de wegen daarheen. Kerken, kloosters en kapellen werden langs die wegen gesticht en sagen en legenden ontstonden die hun invloed in de middeleeuwse literatuur hadden. Daardoor werd Jacobus zeer populair als heilige.

Etc., etc.

 

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl