Bijbelse planten, dieren, edelstenen.

Botanie.

De oudste overleveringen van planten zijn te vinden in spijkerschriften van de SumeriĎrs, 5000 v. Chr.,  verder bij  Meden, Perzen, IndiĎrs en Chinezen. In de Eberspapyrus werden een tachtigtal planten beschreven naar hun gebruik en aangevuld met hun dosering.

In een van de oudste historische boeken, de Bijbel, zijn meer dan honderd verschillende planten opgenomen en vaak met hun gebruiken omschreven. Met behulp van andere verwijzingen is het mogelijk ze voor ongeveer de helft te identificeren terwijl anderen twijfelachtig blijven.

Vele eeuwen na het sluiten van de bijbelhistorie bestond de ‘aarde’ uit de landen rondom M. Zee, W. AziĎ en Egypte. Meer dan deze landen was niet bekend bij de geciviliseerde volkeren. Op het einde van de 14de eeuw werden de landen van AziĎ, Zuid Afrika, Amerika en de vele eilanden van de Oceaan ontdekt en duizenden nieuwe planten kwamen erbij. Het aantal soorten steeg geweldig.

Theophrastus beschreef 700 soorten in 340 v. Chr. In de tijd dat Linnaeus stierf waren het er 8.000, in 1821 waren er al 39.684 soorten en in 1841 al 87.005. In dat laatste jaar schatte men het aantal plantensoorten op 400 000, waarvan 66.500 tot de lagere planten zouden behoren. De hoger ontwikkelden zouden dan 333 500 soorten bevatten. Nu is bekend dat er ongeveer 600.000 planten zijn op de aarde.

Volgens de Bijbel gaf Adam namen aan de dieren en Eva aan de bloemen. (Genesis 2:)

De tuinen van Salomo in het dal Tyropon waren ook zeer bekend, dezen waren vermoedelijk naar Perzisch/Egyptisch voorbeeld aangelegd. Bij hen was de tuinaanleg al belangrijk, er werden bij de woonhuizen al vruchtbomen gezet en bloemperken in de zogenaamde paradijzen waarin wild en zomerhuisjes voorkwamen. Onze West-Europese paradijsnamen zijn afgeleid uit bijbels kerkelijk paradisus, dat weer zijn oorsprong had in een Perzisch woord voor veranda, vergelijk Zendavestisch pairidaeza, omheining.

 

Bijbelse Vruchtbomen.

Aan hun vruchten zult gij ze kennen. (Mattheüs) De vruchten en opbrengsten van het veld in het Beloofde Land mochten door elke passerende reiziger gebruikt worden om er zich mee te verfrissen en te versterken. Voor de verdere reis mocht er niets mee genomen worden. (Deuteronum23: 24) De Heer at dan ook wat de natuur hem aanbood. (Mattheüs 12:1, 21:19) Vruchtbomen werden zeer gewaardeerd en bij de wet van Mozes beschermd. Bij een belegering mochten de IsraĎlieten dan ook geen vruchtbomen omhouwen om die bij de aanval te gebruiken. Wat in zo’n tijd in een paar uur geveld werd moest later met node gemist worden. (Deuteronium 20:20) Die beschermende hand van deze wet is de laatste eeuwen in dit land met node gemist. Door de vele veroveraars is er gehakt, geroofd, meest zonder herbouw, wat tot veel onvruchtbaar land geleid heeft. Op sommige plaatsen wordt er echter gesproken over de "Bijl aan de wortels van de vruchtbomen te leggen ". (Lucas 3:9) Mogelijk meer gebruikt in de betekenis van: "We geven je nog een kans".  De 3 edele vruchten: Druiven, Vijgen en Olijven.

 

 

Vitis vinifera, L. (wijn producerend)

Beschrijving: 1Vitis is een naam die afgeleid is van het Keltische woord gwyd, uitgesproken vid: beste van heesters. Vitis is verwant met vis: kracht, omdat de scheut krachtig groeit, of dat de stekken snel wortelen. Of omdat uit zijn druiven gewonnen drank veel kracht verleent. Ook wordt het woord vitis met vincere: binden, in verband gebracht omdat ze zich om palen of andere gewassen wikkelt of gebonden wordt of naar de buigzaamheid van zijn twijgen. Vitis heeft als basis vi: draaien, twisten, zie Viscum.

Voor de oorsprong van het woord wijn moeten we uitkijken naar talen buiten de Indo-Germaanse talen, waarschijnlijk naar de bron van de druif en naar een Kaukasische taal in de regionen van ArmeniĎ en het oude Khaldiasche koninkrijk Urartu. Bij uitbreiding van die stammen naar de beneden Eufraat en woestijnen en paradijzen van het zuidwesten is de plant meegekomen. 4000 v. Chr. teelde men de druif in BabyloniĎ, SyriĎ en Palestina en 2700 v. Chr. in Egypte. Via het Hebreeuwse woord jain of jajin,  Ethiopisch en Arabisch wain en verwante Semitische woorden, kwam over Grieks woinom dat verbonden is met oine: de druif en oinos: wijn, Germaans winam en zo werd het Engelse win geboren en gevormd tot wine, onze wijn en Duits Wein.

Volgens de mythologie kwam de wijn met Dionysos, die ook wel Bacchus werd genoemd, mee die ontdekt was op de Indische berg Nyza.

In Egypte zou Osiris de mensen de teelt geleerd hebben en was daar al in de tijd van de piramidebouw, men onderscheidde vele soorten naar smaak en kleur en gebruikten wijn bij alle gelegenheden. In de Bijbel wordt Noach als de eerste mens aangewezen die een wijngaard plantte. In Kreta was dit Saturnus.

 

Uit Bock. Noach met zijn zoons.

 

Lentefeesten.

Ook werden er te Delphi en Attica lentefeesten gevierd waarbij dansende, zingende en fluit spelende priesters Semele, een van de vele belichamingen van de oermoeder, aanriepen. Ze smeekten haar de jonge Dionysos uit een aardheuvel voor de dag te laten komen.

Het feest had zijn oorsprong in een oud Kanaanitische rite, waarbij adoranten moesten huppelen en hinken. Het woord daarvoor was Pesach. De Joden noemen een van hun feesten nog bij die naam. (Pesach of Pashah, beter Pessach en volledig Chag Happessach, het Hebreeuwse woord voor verschoningsfeest)

Of er ook een oud voorjaarsfeest aan ten grondslag ligt? De Pentateuch beveelt dat het feest met de eerste volle maan van het voorjaar, zeven dagen lang van de avond van de 14de tot aan de avond van de 21ste  Abib (naar de Babylonische uittocht Nissan genoemd) gevierd wordt.

 

Bijbel.

In de Bijbel zijn er meer dan 200 vermeldingen naar de wijnstok. Wijn alleen al wordt een 140 maal vermeld.

In dit waterarme land was wijn dan ook een algemene drank en de oogst dan ook een tijd van vreugde en feesten. (Richteren 21: 20) Iedereen leefde dan ook onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom. (Deuteronium 8: 8, 1 Koningen 4: 25 en Zacharias 2: 10) De wijnstok werd dan ook met alle zorgen omgeven. De voornaamste zorg was de rank die niet als de vijgenboom vrucht geeft van het oude hout, maar van de nieuwe loten. Voor een goede vruchtzetting en een oogst gespreid over een groot deel van het jaar moet dit weelderig groeiend gewas dan ook goed gesnoeid worden, naar het goede vruchthout. (Johannes 15: 1) De waterloten of dieven worden uitgeworpen of weggesnoeid en hebben alleen nog maar nut om in de oven te worden geworpen. Door het snoeien wordt de oogstmaand bepaald. Nu is die in de maanden september/oktober. Volgens Concordantie was Thammoez, juni/juli, de maand van de vroege wijnoogst en Boel, oktober/november de maand van de late wijnoogst. Brochard vermeldt de manieren van snoeien, zodat vanaf de dag van St. Johan de Doper tot aan St. Maarten druiven in het Heilige Land te koop werden aangeboden.

Voor het snoeien gebruikten ze snoeimessen. (Jesaja 2: 4) Het klimaat en de grond van IsraĎl waren dan ook uitermate geschikt voor deze teelt en het land was beroemd om zijn rijke opbrengsten. De trossen van Egypte waren dan ook blijkbaar kleiner, Numeri 13: 23, als we de verbazing van de verspieders hierover lezen. Om zulke grote trossen aan een stok te moeten dragen lijkt wat overdreven. Toch zijn er soorten die enorme trossen kunnen produceren. Anderson: "Er is een vorm die bekend staat als de Syrische witte. Deze varieteit zou zeer oud zijn en heeft de reputatie om normaal al trossen te produceren van 10 pond en van 20 zijn er gezien op de tuinbouwshows te Londen. Loudon bericht dat ze trossen produceert van 40 pond in goed bewaterd land van SyriĎ". Een tros van meer dan 10 pond zou bijna een el lang zijn, 68, 8cm. (J. Eadie)

De ware wijnstok, Johannes 1: 6, groeide blijkbaar niet alleen in de wijngaard, maar ook als op zichzelf staande bomen. (EzechiĎl 17: 1/6, Psalm 80: 9) Vermoedelijk is in deze vergelijking het beeld IsraĎl genomen naar een wijnstok die al klimmend een boom heeft overwonnen, hem overleefde om daarna als zelfstandige boom verder te groeien. J. Eadie vermeldt dat er toch vrij groeiende wijnstokken gevonden zijn en er zou er een gevonden zijn aan de voet van de zuidelijke helling van de Libanon die 9m hoog was met een stamdoorsnede van 40cm en schaduw gaf van 15m in de lengte en breedte.

Ook de reusachtige gouden wijnstok die de ingang van het heiligdom in Jezus tijd overschaduwde, was een beeld van een vrij groeiende wijnstok. Wanneer er iemand goud aan de tempel schonk, werd er een blad, tros of druif van gemaakt. Op die  manier werd die wijnstok van onschatbare waarde. (O. Dapper) De wijnstok was ook zeer belangrijk voor de economie van het land en werd dan ook geregeld op oude munten afgebeeld.

Wijn maken is een van de oudste kunsten van de mensheid. In de bijbel wordt dit het eerst vermeld door Noach, rond 2347 v. Chr. en aan hem wordt de uitvinding toegeschreven. De meeste wijn komt van druiven, in Hooglied 8: 2 lezen we dat er een wijn van de granaatappel gemaakt was. De sterke drank, Hebreeuws shaychar, die genoemd wordt met of in contrast met wijn zou het product kunnen zijn van de palmboom, Phoenix dactylifera. De oogst had plaats in september en ging vergezeld van grote blijdschap en festiviteiten. De grote manden vol sappige druiven werden naar speciale wijnpersen gebracht, yekev en gitot, Jeremia 5: 2, Mattheüs 21: 33. De verse druiven werden in het bovenste vat gestort, Hebreeuws voor wijnvat is begat. Een zekere hoeveelheid sap loopt van naturen uit in het lagere vat vanwege het gewicht van de druiven op elkaar. Dit was het sap van de rijpste en zachtste druiven, dit werd verzameld en afzonderlijk gehouden van het later uitgeperste sap. Het is de zoete wijn, tirosh, de nieuwe wijn, ahsis of eerste wijn van Hosea 4: 11, Amos 9: 13 en Handelingen 2: 13. Daarna begon het persen door treden van meerdere personen met de blote voeten op de druiven. Ze moedigden elkaar luid aan, Jesaja 16: 9-10, Jeremia 25: 30 en 48: 33. Bij dit proces worden de voeten en onderste kleren rood geverfd, dat zien we al in Genesis 49: 11 en Jesaja 63: 2-3. Het uitgeperste sap vloeit in het laagste vat waarna het in verschillende vaten wordt verzameld. Soms werd het in ongefermenteerde staat bewaard en gedronken als most, druivensap, meestal gefermenteerd door het wijnferment, Saccharomyces ellipsoideus. Wijn die een tijdje gestaan heeft krijgt bezinksel, Jesaja 25: 6 waarvan het gezuiverd moet worden, Jesaja 25: 6.

Ongefermenteerde wijn of most werd in bottels opgeslagen en in de aarde begraven.

Wijn was een gewoon en dagelijkse gastvrijheid, Genesis 14: 8, als op huwelijksfeesten, Johannes 2: 1-11. De eerste veldvruchten van het land, Leviticus 23: 13 en vele tempeloffers, Numeri 15: 5 Het behoorde tot de tienden die aan de Heer geofferd werden met alle andere eerste vruchten, Deuteronomium 18: 4 en Exodus 22: 29.

Veel wordt er in de Bijbel gesproken over wijn en most, wijn was ook gewoon in die tijd, Genesis 11: 2. Ze gebruikten verschillende soorten waarvan de rode het meest gebruikt werd, Spreuken 23: 31, Jesaja 27: 2, Openbaringen 14: 20. Wijn die gemengd was met verschillende specerijen werd op grote feesten gebruikt, Spreuken 9: 2 en verwijzend naar Jesaja 65: 11, zullen de drinkoffers bedoeld zijn als een wijn die scherper is door toevoeging van mirre of harsen of  met veel alcohol. De dronkaard is dan ook beschreven als een die gemengde wijn zoekt, Spreuken 23: 30.

Azijn wordt het als er lucht bij wijn in het vat komt waardoor de alcohol in azijnzuur omgezet wordt, wijnazijn. Azijn wordt ook wel vertaald als wijn.

Ruth 2: 14 ‘ zei Boaz tot haar: Kom hierheen en eet van het brood en doop uw brood in de azijn’.

Psalm 69: 22 ‘en  lieten mij in mijn dorst azijn drinken’.

Spreuken 10: 26 ‘Wat azijn is voor de tanden en wat rook is voor de ogen, dat is de luiaard voor wie hem zenden’.

Spreuken 25: 20 ‘Als iemand die een kleed uittrekt, op een koude dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hart’.

Mattheüs 27: 34 en 48 ‘en zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinken…En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken’.

Marcus 15: 36 ‘En iemand liep toe, drenkte een spons met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.

Lucas 23: 36 ‘Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zurn wijn’.

Johannes 19: 29-30 ‘Er stond een kruik vol zuren wijn, zij staken dan een spons, gedrenkt met zuren wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond….Toen Jezus dan de zuren wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht!

Het woord dat als azijn vertaald wordt in het O. T. is het Hebreeuwse woord chomets. Deze drank bevatte wijn of een andere sterke drank die zuur geworden was. Dat werd soms kunstmatig gedaan door wat gerst bij de wijn te voegen zodat het geschikt bleef voor fermentatie. Dat het vrij zuur was blijkt uit de aangehaalde passages en dat het een verdovende drank blijkt kan je halen uit de Psalm. Het werd toch ook gebruikt door arbeiders als we zien bij Ruth.

Vrij gelijk met de chomets of ch’metz van de Joden was de acetum of posca van de Romeinen. Dit was een dunne, zure wijn die populair was bij de soldaten en dat werd Jezus aangeboden aan het kruis.

 

De namen van de wijnstok in de Bijbel:

1)    De wijnstok, gephen of gefen. (Micha 4:3, Numeri 13:23)

2)    De tros, enav of a'navim.

3)    De wijn, yayin. (Genesis 11:2)

4)    De wijngaard, kerem. Zo ook in plaatsnamen als Abel‑Keramim. (Abel is Veld)

5)    De druivenverzamelaar, mashkeh.

6)    De bloem van de wijn, naar de overvloed in die streek, sorek, soreh of shoreh, (Richteren 16: 4) (Moldenke, Concordantie)

 

Wilde druif .

Jeremia 2: 21 "Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad, toch hoe zijt gij veranderd in wilde ranken van een vreemde wingerd. "Mogelijk werd hier gedoeld op de =Vitis orientalis, Boiss. (Oosters) Dit is een meer struikvormige en soms klimmende, maar geen hechtranken bezittende wijnstok. De bladeren zijn veel dieper ingesneden dan de gekweekte en meest in aantallen van 3 op een stengel. De kleine, zwarte bessen zijn niet eetbaar.

De naam hier gebruikt is Gefen nachriyah. (Waeker) De rebelse IsraĎliet, de degeneratie van de wijnstok IsraĎl, zou de degeneratie van de wijnstok zijn. Ook vergeleken met Genesis 40: 10 "Aan de wijnstok waren 3 ranken", EzechiĎl 15: 6 "Onder het geboomte van het woud, het hout van de wijnstok".

 

Christelijk.

Naar de vele verwijzingen, parabels en als zinnebeeld van het hele volk werd de wijnstok als zodanig door de Christelijke kerk aangenomen. In de christelijke iconografie is een tros druiven het symbool van het Laatste Avondmaal en daarmee van het bloed van Jezus Christus.

Soms is de wijngaard een zinnebeeld van Christus, de wijnranken en ook de wijngaard zijn een zinnebeeld van het volk. Kruis en levensboom worden vaak als wijnstok voorgesteld. De wijn is een symbool van droefheid en gramschap Gods, Apocriefe 14;10, 19;15.

 

Ficus carica, L. (uit CariĎ, west AnatoliĎ. Turkije waar veel vijgen geteeld werden) De naam vijg zou afgeleid zijn van Ficus, die weer afgeleid zou zijn van de Hebreeuwse naam fag en heeft in vrijwel alle Europese talen dezelfde naam.

 

Vijg in de Bijbel:

In de Bijbel komt de vijg een 57 maal voor. Het beeld van de goede en slechte vijgen in Jeremia 8: 13, 29: 17, zou kunnen bewijzen dat de vijg, net als de druif en de olijf, tot de edele vruchten gerekend mag worden en daarom als zinnebeeld van ware godsvrucht gebruikt werd. Het bederven van de vijgenbomen is dan ook een van de eerste oordelen waar God mee dreigt. In Lucas 13: 6 lezen we dat een zeker man een vijgenboom in de wijngaard plantte. Dit planten is zeker een vergissing, volgens Deuteronomium 22: 9 is het verboden de wijngaard met tweeĎrlei te bezaaien.

En het was al het derde jaar en geen vijg werd er gezien’. Ook bij deze tekst kan de wet van Mozes aangehaald worden die de eerste drie jaren als onrein beschouwde en dus mocht er niet geplukt worden. Het vierde jaar was pas het jaar van de eerste oogst. Het is een gebod die ingesteld werd voor de eerste beplantingen in het land Kanaän en volgende jaren gebruikelijk. Vermoedelijk een soort cultuurmaatregel die de bomen zo sterker maakt zodat ze in de toekomst meer en betere vruchten zou leveren. Mogelijk wordt hier gedoeld op de jaren na de eerste drie jaren.

Het is een kleine en stijve boom met een typische parapluachtige vorm. De Hebreeuwse naam teenah of t'aynah betekent dan ook uitspreiden, een verwijzing naar zijn vorm als schaduwboom. Zo werd NathanaĎl gezien al zittende in de schaduw van de vijgenboom wat het Joodse idee was van vrede en rust, het symbool van voorspoed, 1 Koningen 4: 25.

De vijg draagt een groot gedeelte van het jaar vrucht. In tijd van 10 maanden plukt men driemaal een oogst. Eerst de grote vijgen die op de bladeren vooruitlopen, dan in de zomer de eigenlijke oogst, waarvan de vruchten wel tot vijgenkoeken samengeperst worden, vervolgens nog een napluk. De vrucht is niet zoals bij onze fruitsoorten gemakkelijk te zien, de vruchten groeien op de jonge takken en worden bedekt door de grote bladeren. Vooral bij de tweede of grote oogst moeten ze gezocht worden, Lucas 13: 6.

Genesis 3: 7, Numeri 13: 23, Deuteronium 13: 23, Richteren 1: 10-11, 1 SamuĎl 25: 18, 30: 12, 1 Koningen 4: 25,  2 Koningen 18: 31, 20: 7, 1 Kronieken 12: 40, Psalm 105: 33, Spreuken 27: 18, Hooglied 2: 13, Jesaja 28: 4, 36: 16, 38: 21, Jeremia 5: 17, 8: 13, 24: 1-8, Hosea 2: 12, 9: 10, Joel 1: 7 en 12,  Amos 4: 9, 8: 1-2, Micha 4: 4, Nahum 3: 12, Habakuk 3: 17, Haggai 2: 19, Zacharias 3: 10, Mattheüs 21: 1 en 19-21, 24: 32, Marcus 11: 13 3n 20, Lucas, 6: 44, 13: 6-9, 19: 29, Johannes 1: 48 en 50, Jacobus 3: 12, Openbaringen 6: 13.

 

Namen van de vijg in de Bijbel:

1) Pag, Fag of Pageha, de groene vijg die 's winters aan de boom blijft zitten. (Hooglied 2: 13) De Bethpage die in het N. T genoemd wordt is waarschijnlijk een naam voor een zonloos ravijn bij Jeruzalem.

2) Teenah, teenim, t'aynah, meervoud van teenah,  is de naam van vijg als vrucht. (Deuteronium 8: 8, Jeremia 8:  13) Volgens Moldenke ook zo genoemd in Genesis 3:7 ) De Arabische naam is Tin. (De Griekse vertaling betekent een beveiligde plaats in Syracusa in SiciliĎ, en zo zonder twijfel genoemd omdat de vijg daar groeit)

3) Bikkoerah, Bikkurah of Bikurah, literair, ‘een die wacht’ de vroege vijg. (Hosea 1: 10)

4) Debelah, d'velet of d'velim, een koek van gedroogde vijgen. (1 Samuel 25: 18, 2 Koningen 20: 7)

 

Vijgenblad: Bijbel.

Het vijgenblad zou voorkomen in Genesis 3: 7. Het blad komt dan in een periode van 2500 jaar echter niet meer voor. De Geneva Bible (1500) maakt de vers; “Ze naaiden vijgenbladen tezamen en maakten er van breeches van’ (broeken) en zo is het bekend geworden als Breeches Bible. (Broeken Bijbel)  Vele autoriteiten nemen aan dat de vijg en vooral Ficus sycomore (moerbei-vijg) gebruikt werd om de schaamte te bedekken omdat het bladeren heeft die daar groot genoeg voor zijn. De vijg werd wel gelijkgesteld met de boom des levens en ook wel paradijsappel genoemd.

van Beverwijck:" Onder al het ooft zijn de vijgen altijd in grote achting geweest en dat om haar liefelijke smaak als omdat zij van beter sap zijn als andere vruchten..... En Bacon, kanselier van Engeland stelt die in 4 Hist. nat. 11 boven alle vruchten die de natuur voortbrengt zodat hijgemakkelijk de mening van de oudvaders Irenaeus en Tertullianus zou kunnen toestaan die de vijg gehouden hebben voor de vrucht die onze eerste voorouders in de lusthof verboden was. En daarom zouden de Indiaanse vijgen die van Brochard genoemd wel paradijs‑appelen mogen heten... (zie Musa) Ik weet niet (zegt Bacon) of hun mening gegrond was op enige plaatsen van de oude rabbijnen of dat zij naar de dubbele betekenis van het Griek woord Sycos keken waarmee niet alleen de vrucht, maar ook de vrouwelijkheid genoemd wordt en willen zeggen dat het de vrouw was geweest die tot het overtreden van Gods gebod haar man gebracht had".

Dus was de vijg volgens de ouden, onder de vruchten die ze kenden, het meest in aanmerking komend als een verleidelijke vrucht.

Zie Ficus religiosa (geheiligd), de Indische vijgenboom, die door sommigen Upasthapatra geheten is: dat is blad van het teellid, een zinspeling op het gebruik dat Adam en Eva er van maakten.

De vijg voldoet echter lang niet aan de tekst zoals we via diverse passages in de Bijbel mogen veronderstellen dat ze er ongeveer uit zal zien. Vijg als naam is mogelijk, net als de appel, een meer algemene omschrijving van een vrucht geweest. De Egyptische vijg bijvoorbeeld is de vrucht van Ceraotonia siliqua. Zie verder Malus en Musa.

 

Ficus sycomorus L. (vijg en moerbei) de sycomore of Egyptische vijgenboom.

 

Uit nl.123rf.com

Vorm: Bijbel.

Als boom wordt die groter dan de vijg, 12‑15m, met soms een zeer dikke stam en een grote, wijde en slappe kroon. De dikke grote stam verdeelt zich meestal niet ver boven de grond in 5‑6 dikke takken, een ideale plaats voor Zacheüs. Geeft goed schaduw en is geschikt als laanboom en langs de wegen.

De sycomore geeft 2‑3cm grote en geelachtige vruchten die in grote overvloed en in een groot gedeelte van het jaar aan de boom komen. De zoete vrucht is traditioneel meer een vrucht voor de armen geweest, een vergelijking die Amos ook gebruikte.

 

Het gewas werd in IsraĎl al vroeg geteeld, 1 Koningen 10: 27. De boom groeit meer in vlaktes als die van Jericho, dan in het heuvelland, (2 Kronieken 1: 15) vermoedelijk de reden dat deze boom in IsraĎl niet zo bekend is geweest.

De dikke hartvormige bladeren lijken echter weer meer op die van de moerbei. In koude tijden laat het soms het blad vallen en kan dan ook minder tegen de vorst dan de vijg. (Psalm 48: 47)

1 Koningen 10: 27 ‘’En de koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen, en de ceders als moerbeivijgen die in menigte in de Laagte groeien’.

1 Kronieken 27: 28 ‘Over de olijfbomen en de moerbeivijgenbomen’‘.

2 Kronieken 9: 27 ‘de ceders als moerbeivijgen’.

Psalm 78: 47 ‘Hij verdierf hun wijnstok door dn hagel, en hun moerbeivijgenbomen door de ijzel’. Dus een belangrijke vrucht als men bang is voor ijzel.

Jesaja 9: 10 ‘wilde vijgenbomen zijn geveld, maar ceders zetten wij daarvoor in plaats’.

Amos 7: 14 ‘ik ben een veehouder en kweker van moerbeivijgen’. Het is een gebruik voor de kwekers van de moerbeivijg dat drie of vier dagen voor het plukken, als de vrucht een 3cm lang is, om een deel van het centrum af te schrapen of een gaatje in te maken met de vingernagel of een scherp instrument. Zonder deze verwonding geeft de vrucht een hoeveelheid waterig sap en zal niet rijpen. Amos was wel bekend met dit gebruik en zo was hij meer een ‘bewerker’ van de moerbeivijg en geen verzamelaar of plukker.

Lucas 19: 4 ‘En hij liep hard vooruit en klom in een wilden vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar langs komen’. De sycomore’ s komen ook elders bij Shakespeare voor als bomen wiens schaduw door droefgeestige verliefden gezocht worden. In Engeland komt zo de naam wilde vijgenboom voor Acer pseudoplatanus, sycamore. Volgens de traditie klom Zacheüs in de wilde vijgenboom (Ficus sycamorus) om de Heer te zien. Bij de mystieke spelen van de middeleeuwen ontbrak ten ene male die boom in Engeland waardoor de esdoorn als vervanger optrad. Vandaar dat de boom nu algemeen bekend is als sycamore.

 

Boom des levens.

Het hout van deze boom is licht en poreus, maar toch zeer duurzaam en in Egypte werd het gebruikt om er mummiekisten van te maken.

In de Bijbel verwijst Amos 7:14 naar de vrucht van de sycamore in meer bedenkelijke termen. Zo ook Jeremia 24:2, waar gealludeerd wordt naar het oude gebruik in de Kanaänietische religie om een tak van de sycamore in de tempels van de Godinnen door te geven als een soort communie, opdat de aanwezigen het vlees en het levenssap van de Godin zouden delen. De vrucht zou een licht hallucinogeen effect hebben en tevens een afrodisiacum zijn. Blijkbaar volgden daarop seksuele rituelen. "Kennis van Goed en Kwaad", zoals in de latere Hebreeuwse mythe van de 'zondeval' werd aangegeven, zou erdoor worden verscherpt, en de 'appel' van deze boom der kennis die door de slang aan Eva werd aangewezen, zou een sycomorevrucht zijn. En de 'heilige tak' die in de tempel werd rondgegeven, zoals door EzechiĎl werd beschreven, bevatte mogelijk dezelfde vrucht. ttp://nl.wikipedia.org/wiki/Ficus_sycomorusI

 

Olea europaea L. “Sativa’ (Europees en gekweekt) De vruchtboom werd in het Grieks elaia of elaa en in Latijn olea genoemd waaruit olijf en andere Europese namen stammen, ook olie. Als stamvorm van de gekweekte wordt Olea oleaster Hoffmgg. (olieachtig) (Olea europaea var. oleaster’, DC. Olea europaea L. subsp. europaea var. sylvestris (Mill.) Lehr.)  (van het bos) genoemd, wiens cultivar "Olivastro" gebruikt wordt als onderstam voor Olea europaea. Deze heeft doornige en min of meer vierkan­te takken en langwerpige bladeren met kleine vlezige en niet eetbare vruchten.

 

Het land van oorsprong was waarschijnlijk Klein AziĎ. Archeologische vondsten wijzen er op dat het al 4000 v. Chr. in Kreta en SyriĎ geteeld werd. (Eerste archeologische vondst van olijvenpitten zijn meer dan 9000 jaar oud waarbij het gaat om door mensen verzamelde olijven van wilde bomen) Ook naar de vele vermeldingen van de olijf in de Bijbel wijst op zijn overvloed in dat land en de belangrijke plaats die het in SyriĎ had laat vermoeden dat het daar zijn oorsprong had. Mogelijk lukte het enige stammen om de boom te cultiveren waarna ze die dan verder gaven. De oudste berichten van het kweken van olijfbomen komen uit SyriĎ. De oude olijfaanplantingen aan de westelijke hellingen van de Libanon en in het land der Filistijnen zullen hun oorsprong wel te danken hebben gehad aan de PhoeniciĎrs, Deuteronium 6:11: "Olijfbomen die gij niet geplant hebt". Dit vooral voor hun uitvoer naar Egypte en andere landen. In Egyptische graven en gedenktekens kan men dan ook opmaken dat de olijf al vroeg vanuit SyriĎ was ingevoerd, bladeren en takken komen voor in koningsgraven van de 20ste dynastie.

Het is een van de belangrijkste bomen van de oudheid, mislukken van de oogst stond voor armoe, hongersnood, en geen medicijn. Waar de olijfboom beschut en verzorgd werd, daar heerste rijkdom en als gevolg daarvan vrede. Als er oorlog en moord woedde kwam de boom in verval en vergetelheid. Het hout werd gebruikt door ruwe bendes voor oorlogsmateriaal en zo kwam de boom aan een roemloos einde. Op deze grond is de olijf sinds de oudste tijden het symbool van vrede en symbool van verzoening het door Genesis 8,11.

 

Bijbel.

Ook in de Bijbel is de olijf een symbool van vrede. De duif die bij Noach met, volgens sommige vertalingen een olijftak, twijg of blad, terugkeert kan gezien worden als een symbool van Gods vrede en verzoening met de mensen. Het is een zeer opmerkelijke passage gezien het feit dat van een duif niet verwacht mag worden dat die bladen van bomen aftrekt of takken, maar eerder zou terugkomen met een strootje of een graankorrel. Sommige schrijvers maken uit die tekst dan ook op dat de zondvloed snel gestegen en gedaald moet zijn omdat de bomen bewaard zijn gebleven. Ook dat de olijf al goed bekend moet zijn geweest, omdat bij het zien van een enkel blad het gewas al herkend werd. Zie Jesaja 52: 7. 

Op de grafstenen van oude Christenen wordt dit symbool van vrede, duif met olijventak, wel gebruikt.

Sinds de duif een olijftakje bracht is dit het symbool van vrede.

De tamme olijf is een altijdgroene boom (Psalm 52:10) met lancetvormige en dikke, maar kleine bladeren die om de ongeveer 3 jaar afvallen. De bloei valt in mei met korte trossen witte bloempjes die spoedig vrucht zetten. Vele bloemen vallen vaak af zonder vruchtzetting en in sommige jaren vallen alle bloemen af. (Job 15:33)

De 7‑10m groot wordende boom heeft meestal een niet zo omvangrijke stam met een grijze bast. De boom is vaak krom en gespleten en gescheurd en bij ouderdom hol met naar alle kanten uitstekende takken en van onderen gezien grijsachtig/witte bladeren. Rondom de olijf ontstaan door wortelscheuten nieuwe loten die groen en fris zijn. (Psalm 128) Opmerkelijk is wel Hosea 14:6: "Zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom". Mogelijk is het gewas mooi voor de oosterlingen wegens zijn nut of omdat de boom altijd groen is. Zijn schoonheid moeten we mogelijk zoeken naar zijn welgevormde vrucht en naar zijn hemels gelijkende blauwheid. Zo komt het ook in de Islam voor, Lichtvers Koran XXIV: 45: "...Ontstoken als een gezegende boom, een olijfboom."

Olijf heet in het Arabisch is zetun (Dalman) of zeitum. (v. Emdre) De Hebreeuwse naam is zaith of zayit en naar het gebruik van deze plant in de Bijbel lijdt het geen twijfel dat met deze woorden de olijf bedoeld is. Turks zeytun.

Genesis 8: 11, 28: 18, Exodus 23: 11, 27: 20, Leviticus 2: 1-7 en 15, 5: 11, 6: 21, Deuteronomium 6: 11, 7: 13, 8: 8, 24: 20, 28: 40, 32: 13, 33: 24, Jozua 24: 13, Richteren 9: 8-9, 15: 5, 1 SamuĎl 8: 14, 10: 1, 2 SamuĎl 12: 3 en 5, 15: 30, 1 Koningen 5: 11, 1 Kronieken 27: 28, 2 Kronieken 27: 28, Nehemia 5: 11, 9: 25, Job 15: 33, 29: 6, Psalm 23: 5, 52: 8, 128: 3, Spreuken 27: 9, Ecclesiasticus 10: 1, Jesaja 1: 6, 17: 6, 24: 13, EzechiĎl 27: 17, Hosea 2: 5 en 8, 12: 1, 14: 6, Joel 1: 10, 2: 24, Amos 4: 9, Micha 6: 15, Habakuk 3: 17, Zacharia 4: 3 en 11-14, 14: 4, 2 Esdras 16: 29, Mattheüs 6: 17, 25: 3-4 en 8, Marcus 6: 13, Lucas 10: 34, 19: 29, 21: 37, Handelingen 1: 12, Romeinen 11: 17 en 24, Jacobus 3: 12, 5: 14, Openbaringen 11: 4, 18: 13.

In Hebreeuws zayit als olijf, de olijventuin is zaytim, olie is shemen, zalf is shemen, Gethsemane, van gat shemanim; oliepers. Ook de zalf, m’shoach, wordt hier inbegrepen omdat de meeste zalf van de olijf komt.

De wilde olijf van Nehemia 8: 15 en 1 Koningen 6: 23 en 31:33 zou van Elaeagnus zijn, of van de wilde olijf, of er moeten veel stukken hout samengevoegd zijn, naar 1 Koningen moesten die beelden tegen 6m hoog met vleugels van 3m breed zijn.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: floraBijbelse olie.

Als basis voor cosmetische preparaten komt het voor (Ruth 3:3), in gezondheidszalven (Jesaja 1: 6) en bij de Barmhartige Samaritaan.

In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat Jezus de zieken zalfde om ze gezond te maken. Naar dit voorbeeld zalft de katholieke kerk de doodzieke de handen en voeten, het heilig oliesel. De Griekse kerk zalft niet alleen de zwaar zieken maar ook de lijders van allerlei soort en gebruikt het tot herstelling en voor vergeving van de zonden.

 

Olie, als basis voor de Heilige Olie, werd gebruikt om Koningen te zalven (1 Samuel 10: 1) Van zalven met olijvenolie wordt men krachtig en fris, “als nieuw geborenen”. De hogepriesters, koningen en profeten werden zo bij intrede in hun nieuwe ambt met olie gezalfd. Zo werd Aaron door Mozes gezalfd, SamuĎl door Saul en zo David. Bij Saul staat er: “Ziehier, de Heer heeft u tot koning over uw volkeren gezalfd".

Sinds Saul door SamuĎl met olie gezalfd werd en Bisschop Remigius de Frankische Koning Clovis in de Kerstnacht van het jaar 496 tot Christenkoning zalfde, is de olijfolie de zalfolie van de heersers geweest. Clovis was de eerste heidense Frankenkoning die gezalfd werd. Volgens de legende werd de zalving voorgenomen en bereikte de olie, door de opeengehoopte massa niet de koning. Daar kwam door gebed van de bisschop een witte duif uit de hemel en bracht in zijn snavel een flesje gewijde olie. Dit flesje werd voortaan in de kerk als een heiligdom bewaard. Het flesje zou voortaan bij alle Franse kroningen gebruikt worden.

Tegenwoordig dient de olie niet zo meer als lichaamsverzorging. Het wordt alleen nog gebruikt in de vorm van zeep. Alleen de zalving van koningen en keizers zijn nog een laatste echo van de oude tijden.

 

Als lamplicht wordt de olie gebruikt (EzechiĎl 40: 25), het Joodse feest van het licht of Chanukah. (1 MakkabeeĎr 4: 54)

Feest van vernieuwing des tempels (Johannes 10: 22) Dit feest zou ontstaan zijn bij het reinigen van de tempel door Judas de MakkabeeĎr toen hij een kruikje luchterolie vond dat zwaar genoeg leek om de kandelaar een dag te laten branden, toch bleef de lamp er wonderbaarlijk genoeg 8 dagen van branden, lang genoeg om nieuwe olie op te halen die van ver moest komen.

Zoals eenmaal de lampen van de kandelaar in het Taberna­kel ontstoken waren om te branden met de olie van het heiligdom, zo dient nog de olijfolie als brandstof voor de eeuwige lamp in de St. Pieter te Rome.

De tuin van Gethsemane is nu nog zoals in Bijbelse dagen met een paar kleine veranderingen. Velen denken dat de olijfbomen hun wortels nog hebben vanuit het begin van de Christelijke jaartelling, wat niet helemaal onmogelijk lijkt, maar 2000 jaar is lang. De originele bomen zouden volgens Josephus geveld zijn door Titus die ze gebruikte bij de bestorming van de stad. Mogelijk zijn de bomen, net als die van Athene, weer uitgesproten vanuit de stam of via worteluitlopers.

 

Elaeagnus angustifolia L. (smalbladig) Dioscorides naam voor de wilde olijf was elaeagnos waardoor dit geslacht de naam van Elaeagnus heeft gekregen. Dit woord valt in tweeĎn bij vertaling, Griekse elaios: olieboom, en agnos: rein of kuis, de vruchten zijn olijvenvormig en de bladeren lijken op die van de kuisboom, Vitex agnus-castus. Daarom wordt de plant wel oleaster genoemd, olijfwilg, het is geen familie van de wilg en ook niet van de olijf.

 

Bijbel.

Op enkele plaatsen in de Bijbel komt de oleaster voor. Ze groeit nu volgens Moldenke in geheel IsraĎl, behalve in de Jordaanvallei en verder in de Levant, SyriĎ, PerziĎ en SiberiĎ. Bruijl vermoedt dat haar voorkomen in de oude tijden nog lang niet zeker is.

1 Koningen 6: 23 ‘Voorts maakte hij in de achterzaal twee cherubs van oleasterhout’, 31-33 ‘Evenzo maakte hij voor de toegang naar de Hoofdzaal posten van oleasterhout’.

1 Kronieken 27: 28 ‘ Over de olijfbomen en moerbeivijgenbomen’.

Nehemia 8: 16 ‘ Trekt uit naar het gebergte en brengt loof van den olijfboom, van den olijfwilg, van den mirt, van palmen, van loofbomen, om loofhutten te maken’.

Jesaja 41: 19 ‘ Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten’’

Micha 6: 7 ‘Zal de Heer welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken?’

De naam Etz Shemen of Atazai‑Shemen lijkt op de naam van de olijf: zaith of zayit. Shemen betekent olie, naar de olieproductie van de plant. De olieproductie van de oleaster is echter te verwaarlozen. Als olieproducent zou Balanites aegyptiaca gebruikt kunnen zijn, die de zukkum of zackum van de Arabieren is, maar die groeit alleen maar in de Jordaanvallei. (Moldenke)

Het hout van de olijfwilg is wel hard, maar niet dik genoeg voor het gebruik als in 1 Koningen 6: 23 en 31: 33. De Arabische naam voor de wilde olijf, Olea europaea ‘Oleaster’, DC., is Zetun berri. (Dalman) Mogelijk wordt in de tekst gedoeld op die wilde olijf die wel hout levert van voldoende hardheid, dikte en afmetingen en zo ook gebruikt in Nehemia 8: 16, Jesaja 41: 19 en 1 Koningen.

De vruchten worden gebruikt om er rozenkransen van te maken. Ze zijn bekend als Trebizond dates, worden gedroogd en vermalen tot een soort brood door de Arabieren.

 

Acacia.

Acacia is de naam van meerdere stekelige bomen en struiken. In de oudheid werd echter voornamelijk gedoeld op Acacia nilotica (L.) Delile subsp. nilotica (van de Nijl) (Acacia vera) (de echte).  Het is Dioscorides akakia en Plinius acacia. Het woord is afgeleid van het Grieks voor stekel: axe (Latijn acer, acus en acutus) waarbij in het Grieks een verdubbeling van het woord optreedt om het begrip te versterken.

De Arabische naam voor deze boom is sant of sunt, evenals voor Acacia laeta R.Br. (vrolijk van kleur, of Laeta, of de  tweede echtgenoot van keizer Gratianus van het W. Romeinse rijk) Deze laatste is meer een struik die 4-10m hoog wordt. Zijn bloemen zijn geel tot cream wit en komen op het eind van de regentijd in Afrika en Midden Oosten.

Deze doornachtige Acacia van het Arabische schiereiland, de sunt van Egypte, is verwant aan de suttumboom (sittim) en de senna. Prosper Alpinus betuigt dat de Acacia in Egypte zeer ver van de zee groeit en daar sant genoemd wordt.

 

Bijbel

Exodus 25: 5, 10, 13, 23, 28, shittim hout, ‘Zij moeten dan een ark van shittimhout maken’. Exodus 26: 15-16, 26, 32 en 37,  Gij zult de planken voor het tabernakel maken van shittimhout’. Exodus 27: 1 en 6, ‘Gij zult het altaar van shittimhout maken, vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is, en drie el hoog…. Gij zult draagstokken voor het altaar maken, draagstokken van shittimhout en die met koper overtrekken’ .

Exodus 30: 1 en 5.  Gij zult een altaar, een offerplaats voor reukwerk, maken; van shittimhout zult gij het maken….Gij zult dan de draagstokken van shittimhout maken en ze overtrekken met goud’.

Exodus 35: 7 en 24. ‘rood geverfde ramsvellen, tachasvellen, shittimhout….en ieder die shittimhout voor al het werk ten behoeve van dn dienst in zijn bezit had, bracht dit’.

Exodus 37: 1, 4, 10, 15, 25, en 28. Bezaleel maakte de ark van shittimhout, …Hij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok die met goud. Hij maakte de tafel van shittimhout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. hij overtrok die met louter goud… Hij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goud…..Hij maakte een reukofferaltaar van shittimhout…..En hij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goud’.

Exodus 38: 1 en 6, ‘Hij maakte het brandofferaltaar van shittimhout…Hij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met koper’.

Numeri 25: 1; Terwijl IsraĎl in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab’.

Numeri 33: 49;  zij legerden zich langs den Jordaan van Beth-Jesimoth af tot Abel-Sittim toe in de velden van Moab’’.

Deuteronium 10: 3; ‘ En ik maakte een ark van shittimhout’.

Jozua 2: 1, ‘Jozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uit’.

Jozua 3: 1, ‘Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de IsraĎlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan den Jordaan’.

Jesaja 41: 19, ‘Ik zal in de woestijn ceder, shittim, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom planten’

Joel 3: 18 ’Te dien dage zal het geschieden, dat de bergen van jongen wijn zullen druipen en de heuvelen van melk zullen vloeien en alle beken van Juda van water zullen stromen; een bron zal ontspringen uit het huis des Heren en zal het dal van Sittim drenken, Egypte zal tot een woestenij worden’.

Micha 6:5 ‘Mijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde – van Sittim tot Gilgal’.

Maerlant, ‘Setim, is voorwaar bekend als een boom van de OriĎnt die hoog wordt en hard groeit en niet licht en door geen nood het hout laat bederven, ook is het van zulk geweld dat het niet verrotten mag, deze vindt men nog tot op deze dag. De ark die zoveel dieren en van zoveel soorten in de luwte hield en nog staat in haar geweld op de bergen van ArmeniĎ was gemaakt, horen wij van luiden, van sittim, aldus is het gedicht. Zijn hout is wit en licht. Mozes ark, zoals wij lezen, was ook gemaakt van deze en in Salomons tempel vooral waren hiervan vele dingen’.

 

De Arabische naam voor alle twee soorten is seijal. De soortnaam van Acacia seyal is ontleend van het Arabische woord seyal wat een stortvloed betekent, naar zijn vorm in de wadies waar de gestadige stromen vloeien in het regenseizoen. Het Griekse woord voor shittah betekent hout dat niet gemakkelijk rot. De Egyptische naam is sant of santh. Mogelijk is dit woord afgeleid van Egyptisch sh-n-s-t. Velen denken dat de Hebreeuwse naam van dit Egyptische woord is afgeleid. Naar het voorkomen van meervoudsvorm zijn er velen van mening dat het gebruikt wordt omdat de boom zelden alleen groeit. De Hebreeuwse naam is shittim, wat meervoud is van shittah of sjittah. In enkelvoud komt het woord maar eenmaal voor in de Bijbel. (Jesaja 41:19) de meervoud vorm shittim, als hout, een twintig keer, altijd in verband met de ark. Shittim is zonder twijfel een Acacia soort waarvan er drie gevonden worden in de Bijbelse landen. De meeste autoriteiten zijn van mening dat Acacia seyal en Acacia tortilis de meest waarschijnlijke soorten zijn die in deze verwijzingen het enige hout van die lengte konden leveren. Ze kunnen bloeien in zeer droge situaties waar geen andere boom het uithoudt. Acacia tortilis is de grootste en gewoonste vorm in de Arabische desert waar de IsraĎlieten veertig jaar verbleven. Het is vooral gewoon op de Sinaē. De tegenwoordige Arabische nomaden verzamelen zijn  hout die ze voor vuur gebruiken, verzamelen het blad en bloem als veevoer. Het hout is zeer hard, dichte nerven en duurzaam, oranje/bruin van kleur en wordt nog zeer gewaardeerd om er meubels van te maken. In gunstige omstandigheden bereikt de boom een hoogte van 6m tot 8m, in de desert meestal struikachtig en dooreen groeiend. Zijn takken zijn gewapend met sterke witte dorens die in paren staan. De bast wordt gebruikt om leer te looien.

 

Abel-(=veld)‑shittim of abel‑has ahittim (Numeri 33:49) is dan een weide (of vochtige plaats) van Acacia' s.

Ze groeien niet in noordelijk IsraĎl en komen dan ook vrijwel alleen voor in de oudere boeken, wat erop wijst dat ze vanuit Egypte, het verblijf in de Sinaē bekend waren. Er is een vallei aan de westzijde van de Dode Zee, de wadi van Seyal, waarvan gezegd wordt dat die zijn naam te danken heeft aan de aanwezigheid van een paar acacia's daar. Zuidwaarts van de Dode Zee groeien ze in overvloed.

 

Jesaja 41:19 "Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom planten".

In dit bijbeldeel is er sprake van enige verwarring, want de Acacia is op zich al een plant van de woestijn en hoeft dan ook niet geplant te worden. Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen. De eerste serie kan gezien worden als planten van de woeste gronden, waarbij met de naam Ceder wel een jeneverbes bedoeld wordt, een plant van de barre rotsgronden. De olijfwilg is een plant van de zoute gronden, de mirt groeit in de maquis op woeste gronden. De anderen zijn planten van bergbossen. De plataan is dan de enige die niet past, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op Libanon groeit.

 

Sin betekent woestijn.

Sin is een woestijn, Numeri 13:21, Exodus 16:1, Tsin of Sinaē, verkort tot Sina, Jozua15: 3 en de berg Sina wordt voor Sinaē gelijkgesteld, Judith 5:14.

Hieruit zouden we kunnen opmaken dat de steenrots ‘sin of sina’ genoemd en de woestijn naar die rots Sinaē’ genoemd is, waar de Acacia groeit, de sun van Egypte, de sant of sunt van de Arabieren. Dus zou de boom ook hiernaar genoemd kunnen zijn.

Sin stond ook bekend als godheid (Rosengarten):

 "BabyloniĎ was het middelpunt geworden van een religieuze cultus van gesystematiseerde toverij, gebaseerd op kosmische magie, waarin de godheid Sin vereerd werd, de aloude genezer‑god van de maan, waarvan men geloofde dat hij de groei van geneeskrachtige planten bestuurde. Deze plantendelen werden in het maanlicht geoogst. Dan werden ook de magisch genezende dranken klaargemaakt" . (Zie Amanita, de soma)

Opvallend is ook de tekst in Richteren 9:8-15 waar de bomen een koning over hen willen aanstellen. Tenslotte besluiten ze dat dit een ‘doornbos’ moet zijn. De doornbos stemt toe en nodigt alle bomen onder zijn schaduw uit. Een nog al vreemde passage waar een olijf en vijg, zeer nuttige planten, in de schaduw van de doren willen staan.

 

Brandend Braambos.

Exodus 3, 2, ‘Daar verscheen hem de Engel des Heer als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht; Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. Toen de Heer zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de bramenstruik toe, Mozes, Mozes! En hij antwoordde; Hier ben ik. Daarop zei Hij, Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond’.

Er is veel verdeeldheid over deze regels. Er zijn er natuurlijk die geloven dat het om een bovennatuurlijk geval gaat en daarom een echt wonder is.

Andere die denken dat er een natuurlijke verklaring voor moet zijn denken dat de bos die brandde en niet verteerde de gasplant of fraxinella moet zijn, Dictamnus albus. Dit is een sterk groeiende plant van een meter hoog met geveerde bladeren en trossen met purperen bloemen. De hele plant is bedekt met oliepuntjes, een olie die zo vluchtig is dat het verdampt bij de plant en een klein vonkje zal de plant al in vuur zetten. Dat duurt maar even. Andere menen dat de bedoelde plant Acacia seyal is.

De Hebreeuwse naam voor die plant is seneh of s'neh. (Grieks Baros, wat een prikkelige struik betekent) Een naam die maar eenmaal gebruikt wordt en als prikkelende struik vertaald is. Deze prikkelende struik groeit in de wildernis van Sin of Seneh. Het is waarschijnlijk dat die daar algemeen is en zijn naam dankt aan die wildernis of omgekeerd.

De meest logische verklaring schijnt die van Smith te zijn die veronderstelt dat de ‘’vuurvlam’’ de rood bloeiende mistletoe is, Loranthus acacia, die veel op deze bomen, vooral op Acacia farnesiana en Acacia seyal, parasiteren. Als de mistletoe volop in bloei staat geeft de struik het idee van een vlam vanwege zijn helder rode kleur die zeer opvalt tegen het groene blad en de gele bloemen van de gastplant. Het was dan niet de bos dat brandde; de vlam werd vertegenwoordigd door de mistletoe die de struik bedekte. De rode bloem is gloeiend en had alleen het licht van Jehova nodig om die het aanzien van echt vuur te geven. Die heldere kleuren kunnen in de zon oplichten en zouden zo de plant een vlammende aanblik verschaffen, een effect dat verstevigd wordt door de brandende zon en de droge gronden die voor een gunstige achtergrond zorgen.

 

Acorus calamus, L. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo Europeaan. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees zelf. De herbaristen noemen het Acorus calamus, L. Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijt verwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging.

Deze algemeen voorkomende plant is in Nederland niet inheems. Volgens Dioscorides, Theophrastus en Plinius groeit άχορον (akoron) Kalamos aromaticus in India’.

Maerlant, waar hij over specerijen schrijft, ‘Calamus aromaticus, als ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van IndiĎ ziet’. Zo ook van Ravelingen.

‘Uit deze beschrijvingen blijkt dat het om de echte gaat. De wortel was verwarmend en had plas drijvende eigenschappen en zou ziektes van de borst, longen, lever en milt, als buikpijn, breuk en kramp helen, haar sap de troebele ogen verbeteren en ook als tegengift gebruikt zijn. Bekend was dat het wild in Klein-AziĎ groeide.

In Midden Europa zou de kalmoes tot het midden 16de eeuw als levende plant onbekend zijn, tot dan toe kende men alleen de gedroogde wortel als farmaceutisch product. Jacob van Maerlant, 1225-1291 noemt in de ‘Nature Bloeme’ de echte kalmoes: ‘Calamus aromaticus, zoals ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van IndiĎ ziet. Goed ruikende en van zoete zaken en een deel taai van smaken. Platearius die zegt het dat het de maag van koude doen te genezen pleegt en het geneest de krampen in de maag en tegen de darmenwind’. In dezelfde groep van binnenlandse planten zit bij Herbarius in Dyetsche ook de kalmoes, Acorus,Wild riet of calamus aromaticus silvestris of calamus silvestris’ en vervolgens komt bij de buitenlandse drogen ‘is van welriekend riet wat men  calamus aromaticus noemt’.  Hij kent dus de gewone kalmoes en die van Theophrastus.

Ook (met afbeelding ut de Gart der Gesundheit) De Gart der Gesundheit beschrijft kalmoes, Acorus.

P. Matthiola beschreef in 1565 voor het eerst een levende plant die hij gekregen had van Ghislain Busbequius, keizerlijk gezant aan het Turkse hof onder Soliman II. Die had ze samen met zijn arts W. Quackelbeen aan de oevers van een meer bij NicodemiĎ in BithyiĎ verzameld. Eerst in de uitgave van 1586 is een bloeiende plant afgebeeld. Die zie je in de afbeelding van Matthiola. De Nürnberg arts Joachim Camerarius zegt in zijn in 1588 verschenen ‘Hortus medicus et philosophicus, pagina 5, dat de kalmoes enkele jaren geleden in de binnenlandse tuinen gekomen is, ‘in nostros hortos ante aliquot annos translate.’ Reeds in die tijd was de plant in Polen verwilderd, waar het als Tartaars kruid bekend was, en in de 17de eeuw was de plant al in vele gebieden van midden Europa verwildert. In het begin van de achttiende eeuw was het vrijwel over geheel Europa ingeburgerd. In de Slavische spraken heet het ‘tatarck’ en dergelijk omdat het door de Tartaren ingevoerd zou zijn.’ Matthiola; Acorum of kalmoes groeit in Pontus, GalatiĎ en Colchis, ook bij de Tartaren, vandaar noemt men het in Litouwen Taterste zelij, dat is Tartaars kruid’. Het zal dat ooit door de Tartaren meegenomen zijn en door de landbewerkers niet herkend zijn omdat het zoveel op de lis (Iris pseudo-acorus) lijkt en niet bloeit, alleen werd het opgemerkt door de apothekers vanwege zijn geurende wortel.

 

Heilige zalfolie.

Het kruid is nu zo algemeen dat er maar weinig mensen zijn die geloven dat het ooit ingevoerd werd. Als we zijn veelvuldige voorkomen en snelle verspreiding vergelijken met het schaarse en kostbare karakter dat aan de kalmoesplant van de Bijbel en de ouden wordt toegeschreven, is dit gegeven tegenstrijdig met elkaar. Immers eenmaal ingevoerd zou het daar toch al snel gemeengoed zijn geworden, of omdat het zo snel groeit kan het toch geen dure specerij zijn. Koning Salomon plantte toch kruiden in zijn hof. (Hooglied 5:1/13 en 6:2) Het Hooglied is waarschijnlijk enkele eeuwen later geschreven dan Jeremia, die een verwijzing geeft van Kalmoes in een ver land. Jesaja vermeldt dat ze nog steeds duur is.

Onze kalmoes is hier in een tijdsbestek van een paar honderd jaar gemeengoed geworden.

 

Wat kan de bijbel ons nog meer vertellen over de oude kalmoes?

De naam kalmoes is in het Hebreeuws keneh, of meer volledig keneh-bosem: wat kruidig of zoet riet betekent. Deze naam komt op een aantal plaatsen in de bijbel voor. In Exodus 30: 23 wordt over de kalmoes gesproken als een ingrediĎnt voor de heilige zalfolie.

In Salomons Hooglied 4: 14 wordt het bezongen als een kostelijke vrucht. Vermoedelijk was dit ook een van de kostbare specerijen die de Koningin van Sheba aan Salomon gaf (1 Koningen 10: 10) gelet op de tekst in Jeremia 6: 20 "Waarom zou dan voor mij wierook uit Sheba komen en Kalmus uit een ver land ?"

Dat het een dure specerij was blijkt wel uit Jesaja 43: 24:" Gij hebt mij voor zilver geen Kalmus gekocht". Uit deze teksten blijkt wel dat de kalmoes in het land IsraĎl niet of nauwelijks voorkwam. Ze moest van verre gehaald worden. De hieruit onttrokken ingrediĎnten zijn kostbaar en worden slechts bij speciale gelegenheden gebruikt. Tenslotte kan nog gewezen worden op de tekst van EzechiĎl 27: 19: "Kassie en Kalmus behoorden tot uw koopwaar".

 

Calamus.

We zijn nu nog maar weinig wijzer. Welke plant was nu de "kalmoes" van de ouden?

Mogelijk is de naam kalmoes in gebruik is geweest voor bepaalde geurende plantaardige stoffen met voor vermelde kwaliteiten en de naam een meer algemene naam is geweest.

Van de naam Acorus hebben we vastgesteld dat die voor de lis geldt. Mogelijk is er een overeenkomst in (geurende) wortelstok.

Zo kunnen we ook kijken naar het tweede deel van de naam Acorus calamus, L.

Calamus is afgeleid van het Arabische kalom, een woord voor een rietplant. Deze naam lijken we terug te vinden in wat vroeger de calmusplant heette. Van Beverwijck schrijft hierover: "Calmus te weten de echte (anders wordt in zijn plaats Acorus genomen) is een Indiaans sterk ruikend riet".

Blijkbaar werd de Acorus als vervanger gebruikt voor de "echte". Deze groeide hier te lande en was daarom gemakkelijk en goedkoop te leveren. Beide planten hadden vermoedelijk dezelfde kwaliteiten. Hieruit is af te leiden dat in die tijd de echte calmus vervangen is door de nu bekende kalmoes. (de Acorus) De wortel is wel verstuurd in een mandje gemaakt van Calamus of riet, zie bij Styrax die in riet vervoerd werd en daarom Styrax calamites heette.

Calamus, het plantengeslacht waar de tweede naam naar verwijzen zou, behoort tot de palmachtige. Het zijn meestal snel groeiende en klimmende planten die zeer lang kunnen worden. Het blad lijkt veel op riet. Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze zo weelderig en in zo grote overvloed groeiende palmen de leveranciers zijn van de kostbare specerij.

(Dodonaeus) ‘Sommige willen voor de Calamus het Schoenanthus  (ook wel Cymbopogon) gebruiken en misschien omdat men tussen de halmen van Schoenanthus de voor vermelde kleine rietjes vindt die Lobel voor de echte Calamus aromaticus houdt’.

 

Chirata-tikta.

Volgens Roxburgh in zijn Flora Indica is de Calamus aromaticus geen palm, maar een oude naam voor Gentiana cheyrata Roxb. en de kalmoes van de oudheid.

De Gentiana cheyrata is een kruidachtige plant met recht opgaande bladeren die stengelomvattend zijn, lancetvormige en met drie/vijf nerven. De plant wordt ongeveer een meter groot.

Deze beroemde plant zou gevonden zijn op de bergen van Nepal en de Morungs. De Sanskrietnaam is chirata‑tikta en de Bengalese naam chirata. (Johnson: Cheryta is Hindoestaans voor een Gentiaanplant) Roxburgh geeft de volgende beschrijving: "Als ik deze plant verwijs naar het geslacht Gentiana ga ik af op de capsule: anders zou ik die geplaatst hebben bij de Exacum (ook van de Gentiaanfamilie).” De jichtgentiaan Gentiana chirayata wordt onder de naam Herba et Radix Chirette sive Chiraytae in de handel gebracht.

Roxburgh vermeldt ook dat het bij de Bengalezen als opwekkend middel gebruikt wordt. Zijn koorts stillende krachten zijn in hoge achting bij de inlanders en Europeanen, de plant wordt gebruikt als vervanger van kinine".

 

Door verwisseling van de geslachten heeft het nu de naam Swertia, namelijk Swertia chirata (synoniem Henricea pharmacearcha, Lemaire of Gentiana chirayta, Roxb.)

De stengels zijn zeer bitter en worden onder de naam van stipites chirayta in de handel gebracht. Het komt in werking overeen met de gele gentiaan. Velen zijn van mening dat de Arabische artsen, als zij van Calamus aromaticus spreken, dit gewas bedoelden.

 

Bijbelse kalmoes.

Dan zou een lid van de Gentiaanfamilie de kalmoesplant van de ouden zijn. Dit is een reĎle mogelijkheid vooral als we eens omzien naar de werking van deze familie. Duizendguldenkruid, van de Gentiaanfamilie, verkreeg zijn naam niet voor niets. Een gentiaan laat zich bovendien slechts met moeite verplanten en is meestal plaats- of streekgebonden. Daarom kon het ook niet naar de tuinen van Salomon gebracht worden. Het kruid moest uit een ver land komen, waardoor de prijs hoog bleef. Het voldoet qua afkomst, eigenschappen en beperkte verspreidingsmogelijkheden aan de gewenste karakteristieken en dient derhalve aangemerkt te worden als de Bijbelse kalmoes.

 

Moldenke, Anderson en Waeker stellen als Bijbelse kalmoes voor; Andropogon aromaticus, nu Cymbopogon nardus. Die groeit in India en is daar een gewoon gras. Moldenke: "Het blad is bij kneuzen zeer geurend en smaakt naar ginger, levert olie bekend als gingerolie. Dit gras wordt gegeten door de koeien". Veel leden van deze familie leveren geurende olies. Dit zou gebruikt kunnen zijn bij de bereiding van de heilige zalfolie. (Exodus) Doch er was al olijfolie aanwezig, olie van een grasachtige was dus niet absoluut noodzakelijk. Bovendien wordt er in andere teksten toch meer over een specerij of vrucht gesproken. Dit is dan ook een gewoon gras, groeit overal in warme streken. Soorten hiervan groeien dan ook in IsraĎl. Invoer van zaden was dan ook geen probleem geweest en had de plant gecultiveerd kunnen worden in Salomons tuin.

 

Allium. Bij de Romeinen heette de knoflook Allium en Linnaeus voerde die naam als geslachtsnaam in. De naam Allium is genomen van het Keltisch all: wat heet of brandend betekent. Of misschien van het Latijnse olere: rieken, naar de penetrante geur.

Verse look bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger, en nog niet zo lang geleden, dacht men dat ziektes door boze geesten en demonen werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte ze met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het aan de lucht zwart en men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals gedragen of tegen de deur gespijkerd.

 

Bijbel.

Er zijn een 67 uiensoorten in IsraĎl.

De ui of sjalot komt mogelijk voor in Numeri 11: 5 ‘Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en meloenen, het look, de uien en het knoflook’.

De Hebreeuwse naam voor ui is betsalim, betsel of belsal. De Arabische naam is volgens Dalman basal.

Mogelijk moesten ze in de woestijn ook kracht hebben. Het woord dat gebruikt wordt voor knoflook is sjoom, shoomim of sjoemim. (het kan ook zijn ui en sjalot, hoewel men aanneemt dat de knoflook meer in Egypte gebruikt werd) Men verlangde naar knoflook en ui en de vleespotten van Egypte na het lange eten van manna. Men moet ook niet vergeten dat het genot van  beide uiensoorten oorspronkelijk ook een gezondheidsgebod was. Mozes zou de ui al zo aanbevolen hebben om de inwendige mens te zuiveren.

In Numeri komt naast ui (of sjalot) en knoflook het woord chatzir voor, wat op de 20 andere plaatsen vertaald wordt als gras (1 Koningen 18:15, Job 40: 15, Psalm 37: 2, 90: 15, 103: 15, 104: 14, 129: 6, Jesaja 37: 27, 40: 6-8, 51: 12, soms Job 8: 12 soms kruiden in Spreuken 27: 25 en als hooi in Jesaja 15: 6 en in Jesaja 34: 13 wordt het een hof) het woord betekent literair gras en is ontleend van een wortel die groen betekent. Het zou dus van alles kunnen zijn, sla of andijvie bijvoorbeeld. Maar omdat het in Numeri staat met andere uiens zou men aannemen dat het een soort uien is.

Naar oud Egyptisch gebruik werd de prei dicht opeen gezet en sneed men telkens de jonge bladeren eraf, snijprei, net als bij ons het bieslook. Deze grasgroene en dicht gezaaide prei zou de chatzir kunnen zijn. (Bruijel) Dit vooral omdat ze in de tekst met andere lookachtige samenkomt.

Anderen denken aan Trigonella foenum-graecum. Jonge planten hiervan werden wel gegeten, in november wordt de kreet gehoord ’ groene halbeh te koop’,  het is een eten voor de arme man.

 

AloĎ.

Bijbel.

Al in de bijbel wordt AloĎ vermeld, in die tijd werd het als rookwerk en ook als parfum en als toevoeging bij lijkenbalseming gebruikt, Johannes 19, 39. Het werd door de Egyptenaren gebruikt bij het balsemen. Naar het gebruik van balseming zou dit de AloĎ kunnen zijn van Johannes 19: 39, ‘en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloĎ, ongeveer honderd pond’. Purgerend, geen aangename geur en smaakt zeer bitter.

 

Numeri 24: 6, ‘als valleien breiden zij zich uit; als tuinen aan een rivier, als aloĎ’s die de Heer plantte’.

Psalm 45: 9, ‘ mirre, aloĎ en cassia zijn al uw klederen’.

Spreuken 7: 17 ‘Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloĎ en kaneel.

Hooglied 4: 14 ‘nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, mirre en aloĎ’

De aloĎ’s van het Oude Testament worden door de meeste autoriteiten als verschillend gezien dan die van het N. T.

In de Bijbel, Numeri 24: 6, komt het woord ahalim of ahaloth voor dat door Bileam met de cederen genoemd werd als een beeld van een uitnemende woonplaats die een heerlijk land in bezitting zou hebben.

Naar de tuinen aan de rivierzijde wordt hier mogelijk een land bedoeld in W. AziĎ. Mogelijk naar Numeri wordt aangenomen dat de Heer hier wel een zeer bijzondere AloĎ plantte en mogelijk Aquilaria malaccensis Lam. (uit Malacca) (Aquilaria agallocha) Hetzelfde woord komt voor in de andere teksten en met vreugdeolie wordt hier ook wel op de zoet ruikende Aquilaria gedoeld en niet op de bittere en medisch gebruikte AloĎ.

Deze boom groeit niet in SyriĎ of Palestina, maar in India en verder. Het woord agallocha komt in oud-Engels voor als aluwe in de tweede helft 14de eeuw, dit van Latijn aloĎ en dat van Grieks aloĎ en dat van Hebreeuws ahaloth wat ook voorkomt in Sanskriet agaru: het hout. Aquilaria stamt van aquila: een adelaar, in Malacca wordt de boom dan ook adelaarshout genoemd. Maar de Portugezen hebben het gewas zo genoemd omdat zijn Indische naam, agil, wel wat op aquila (adelaar) lijkt. Dioscorides noemt het ook XyloaloĎ en in het Latijn Lignum XyloaloĎ. Ook wordt de boom wel paradijshout genoemd of scheut van het paradijs omdat dit de enigste boom zou zijn geweest die Adam uit het Paradijs had meegenomen. Volgens een andere legende zou het adelaarshout op aarde gekomen zijn door middel van een van de drie grote stromen die door het Paradijs voerden, de boom ontworteld zou hebben en meegevoerd op zijn tocht naar de aarde.

Moffat noemt een eik en is mogelijk het meest correcte woord omdat deze plaats een bladige en stevige boom suggereert die inlands was en beter bekend dan een onbekende die ze alleen kenden vanwege import. Door andere wordt verondersteld dat het sandaalhout is, Santalum album die uit India komt.

 

Anastatica, roos van Jericho, opstandingsplant.

Een zeer merkwaardig verschijnsel vormen de ‘rolplanten. Die zie je op de steppen, de vlakke en ongebouwde streken. Zodra de wind opsteekt en wervelend over het vlakke land giert en stof en stoppels opjaagt, ziet men grote ronde ballen die al rollend met grote snelheid zich over de velden voortbewegen of hoog de lucht in gejaagd worden. Vooral in de vlakke velden van het Over-Jordaanse ziet men ze bij honderden gaan. Ze hebben soms een doorsnede van 80cm.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: marilaun1

Anastatica hierochuntica, L. Val van Jericho.

Anastatica komt van Grieks anastasis: wederopstanding, het is een verwijzing naar zijn hygroscopische eigenschappen. Ook de Heilige Anastasia heeft haar feestdag op 25 december.

(Dodonaeus)  ‘Roos van Jericho, in het Latijn Rosa Hierichontina of Rosa Hiericontea of Ponum Hiericonticum. Bellonius vermaant hier ook van en zegt dat sommige bedriegers deze wortel of bloem herwaarts overbrengen en in water leggen als het Kerstavond is of als er enige vrouwen in zware arbeid gaan en dan gaat ze open en dan zeggen ze dat dit nooit gebeurt dan op die avond of als enige vrouwen in barensnood zijn, ja dat op het ogenblik dat deze bloem in het water open gaat die vrouw van kind verlost. Nochtans is dit maar bedrog en die roos zal altijd ontluiken en vaneen gaan als ze in water gelegd wordt, welke tijd dat het is. Maar hij verzekert dat ze niet in Jericho groeit en alleen in de wildernis van ArabiĎ en aan de dorre oever van de Rode Zee.

Toen de IsraĎlieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: "Heer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal geven". En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

Het is geen ‘roos’ en groeit niet bij Jericho. Oorspronkelijk werd met de ‘roos van Jericho’ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jesu Sirach, 39:17, ‘Hoort naar mij, gij, heilige kinderen ! en groeit op als de rozen aan de beekjes geplant. Boek der wijsheid 2:8, “Laat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelken’. Deze ‘rozen’ bloeien in de lente, Jesu Sirach 50: 8, en zijn struiken die in Jericho gekweekt worden, Jeus Sirach: "24:14 Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadel­boom te Engadi en gelijk een rozenboom te Jericho. Waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Die bloemen lijken wat op een roos.

(c) Terwijl Maria naar Egypte vluchtte, spreidde zij de luiers van Jezus op de grond waar Jericho rozen groeiden. Toen ze die oppakte raakte haar handpalm de bloemen en Jezus sprak, ‘De bloem die door Maria aangeraakt is, zal niet sterven en zal onsterfelijk zijn’ Deze kleine plant was opgedragen aan Maria, patrones van getrouwde vrouwen en ter hare eren rosa Mariae genoemd, Mariaroos en in Egypte naar de Arabische naam Kaf Maryam, Mamiran, Kaff Mariyem of Kaf Marzan: Maria's hand, omdat men geloofde dat de bloem openging op het moment dat onze redder werd geboren.

De roos van Jericho wordt van Mekka meegebracht als een bloem van Eva’s graf. De Arabieren noemen het garbba phula, het eerste woord betekent een baarmoeder, omdat het zou helpen bij de bevalling.

Psalm 83: 14, ‘Mijn God, maak hen toch als een werveldistel, als kaf voor den wind’ .

Jesaja 17: 13 ‘dan vluchten zij ver weg en worden opgejaagd als kaf op de bergen voor de wind uit en als een werveldistel voor de storm uit’.’

In Psalm 83:14 en Jesaja 17:13, komt de werveldistel voor. In het Hebreeuws staat daar gulgal wat in de Moffat versie vertaald is als stof of een rollend ding, het zou een verwijzing kunnen zijn naar een plant en een bijzondere.

Asaf roept Gods hulp in tegen zijn overmoedig opdringende vijanden en vraagt. "Mijn God, maak hen als gulgal, (galgal) als kaf voor de wind’. Het woord galgal, gulgal komt van het werkwoord g.l.l. dat rollen of wentelen betekent, op andere plaatsen is het dan ook een rad als bij Jesaja 5:28 en EzechiĎl 10: 2, 13, als hemel in sommige versies in Psalm 73: 18. Het beeld dat de dichter voor ogen heeft gestaan is wel een rolplant en dat hij zijn vijanden voor hem uit gedreven wilde hebben door Gods kracht zoals de herfstwind het kaf en de stoppels met daartussen de rollende plantenballen voortjaagt, zonder dat die veel weerstand kunnen bieden.

Jesaja gebruikt hetzelfde beeld. De Assyrische wereldmacht wordt door God bedreigd en opgejaagd ‘als kaf op de bergen (van de hooggelegen dorsvloeren) en als galgal voor de wind. Een zeer treffende voortzetting van het beeld dat de goddeloze onmachtig zijn om zich tegen God verzetten, evenmin als kaf tegen de wind, een beeld dat we telkens tegen komen, Psalm 1: 4, 35: 5 en Job 21: 8 Het is merkwaardig dat we deze gedachtegang nog vinden bij de Arabische bevolking van Gilead en Basan. Als zij zo’n rollende bal zien gaan, vragen ze vaak schertsend: “Akkoeb, waar ga je vandaag naar toe’, om hem dan te laten antwoorden, ‘Waarheen de wind wil’ waaruit de onmacht blijkt. Diegene die ze niet veel goeds toewenden, voegen ze er bij, ‘Dat ge als de akkoeb door de wind gepakt moge worden, tot ge aan de doornen blijft hangen of in een afgrond begraven wordt’.

 

Christelijke folklore.

Wonderbare nevelen spreidden zich als een zilveren waas van geheimzinnigheid om de stengel en knop. De berichten over dit kruid klimmen op tot het begin van de 17de  eeuw. De hygroskopiciteit, het sluiten en vrij plotseling heropen van de bladeren bij bevochtiging, haar vluchtig herleven werd steeds weer als iets wonderbaarlijks beschouwd. Zo kreeg ze een ereplaats tussen de toverplanten en speelde ze een voorname rol in de waarzeggerij en vooral in de droomverklaring. Er worden profetisch vermogens aan de plant toegeschreven. Men noemt ze ‘Voetstappen van de Jonkvrouw’, omdat ze daar groeien waar Maria op haar vlucht naar Egypte de bodem heeft aangeraakt. Het eerst wordt van deze legende verhaald door Ludolph van Suchem, +1350.

Toen, na het bevel van Herodes om de kinderen te vermoorden, Jozef uit het Heilige Land trok stak hij de vlakte bij Jericho over en rozen ontsprongen uit Maria's voetstappen als begroeting van het kind in haar armen. Tijdens Zijn leven spreidde deze plant zijn bloemen en toen Hij stierf aan het kruis, stierf de bloem ook. Maar bij Zijn opstanding, met Pasen, opende ze zich weer en groeide en bloeide op de vlakte.

Als het in (wij) water gezet wordt, op het moment dat een vrouw haar eerste geboorteweeĎn krijgt, bloeit ze op het moment dat het kind geboren wordt. Als een zwangere vrouw weten wil of de bevalling goed of slecht verloopt plant ze een Jerichoroos in het water, de bevalling gaat goed als de roos zijn takjes opent, wat bijna altijd het geval zal zijn, zo niet zal het een slecht kraambed worden.

Volgens de transmigratieleer bezit dit voorwerp een openende kracht zodat bij moeilijke verlossingen een stukje daarvan geweekt wordt in water, dat aan barende te drinken wordt gegeven.

Men verhaalde dat de plant in de Kerstnacht ontplooide als een zinnebeeld van de opstanding. Door zijn kracht om weer te bloeien, na eerst dood te lijken, wordt het opstandingsbloem genoemd. Die eigenschap werd in de middeleeuwen als iets wonderbaarlijks gezien, de kruisridders en pelgrims brachten zulke rozen mee als een heilig relikwie. In vroeger eeuwen was dit een talisman en zo'n roos die meegebracht was door een kruisvaarder vrijwaarde de bezitter tegen besmettelijke ziektes, het werd in die dagen tegen goud opgewogen.

(349) De Roos van Jericho zou, naar het bijgeloof, eenmaal in het jaar en wel met kerstmis bloeien. Het is een gewoonte in menig gezin van Duitsland en vroeger nog in Limburg om een Jericho takje in water te zetten. Richten alle takjes zich op dan mag men een goed jaar verwachten, blijft die daarentegen gesloten dan ziet het er niet best uit. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid Zwitserse Val di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooiing van de bloemen wacht worden er kerstliederen gezongen of brengt men de tijd met gebed en overweging door.

Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, "Er is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etc.’’. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, "D'Erd grunet und bringet rossle". In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

Men verhaalt in Zwaben dat op St. Jozef dag de Jerichoroos ieder jaar bloeit. Dat ze het doosje, waarin ze bewaard wordt, open drukt als men vergeet het open te doen.

 

Anethum graveolens L. Dille. De naam is afgeleid van het Griekse aemi: ik blaas uit, of adem uit en dit vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam van de plant, graveolens, van gravis: zwaar, en olere: rieken. Het Griekse woord anethum kan ook afgeleid zijn van ano: opgaand, en theo: rennen, een verwijzing naar zijn snelle groei.

 

Bijbel.

In Semitische talen is dille bekend als shubit. De Talmoed zegt dat er tienden betaald moeten worden van zaden, bladeren en stengels van dille. Mattheüs 23:23 ‘Wee u, Schriftgeleerden en FarizeeĎn, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd, het oordeel en de barmhartigheid en de trouw’. Daar komt in sommige vertalingen anijs voor. Mogelijk is dit een verkeerde vertaling vanuit het Grieks. De oude naam voor dille, Anethum graveolens, was Anethon anise. Anijs was dan ook zeldzaam in de Bijbelse dagen van Palestina.

 

Artemisia.

Artemisia genoemd naar de gemalin van koning Mausoleus, 377‑353 v. Chr. te Halicarnassus in Klein AziĎ, die na zijn dood een grafmonument liet oprichten, het mausoleum. Dit grafteken was een van de 7 wereldwonderen. Alsem.

 

Bijbel.

Onder de naam la anah, la’ana, kan een zeer bittere plant verstaan worden, mogelijk de alsem. Bittere kruiden als alsem (ook Conium maculatum, de gal) is het symbool van bittere ellende en zorgen.

Deuteronium 29: 18 ‘laat er onder u geen wortel zijn, die gif of alsem voortbrengt’.

Job 30: 4 ‘zij plukken de melde bij het struikgewas af’.

Spreuken 5: 4 ‘maar op het laatst is zij bitter als alsem’.

Jeremia 9: 15, 23: 15.  "Zie, ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken, Ik drenk hen met gifsap", 23: 15 ‘Zie, ik spijzig hen met alsem, Ik drenk hen met gif", Klaagliederen 3: 15 ‘Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd en mij met alsem gedrenkt’ 19. "Gedenk toch dat ik zo ellendig en verlaten ben, met alsem en gal gedrenkt"

Hosea 10: 4 ‘En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van den akker’.

Amos 5: 7 ‘O, zij die het recht in alsem verkeren’ 6:12 ‘ dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsem’.

Openbaringen 8 : 10-11 of Apocalyps “Als de derde engel de trompet blies, viel er van de hemel een grote ster, brandende als een fakkel en zij viel op het derde deel der rivieren en op de fonteinen. De naam van die ster was alsem, en het derde deel der wateren werd als alsem en vele mensen stierven van de wateren omdat zij bitter geworden was.” .

Oosterlingen typeren zorgen, kwaadaardigheden en bitterheid van elke soort met planten van giftige of bittere naturen. Deze ellende typeert Shakespeare ook als Hamlet zegt: "Wormwood, wormwood", in Hamlet III, 2,191.

Mogelijk dat in de Bijbel Artemisia herba‑alba, Asso (wit kruid) of Artemisia judaica, L. (Joods) bedoeld is. Moldenke veronderstelt dat met bittere planten de Citrullus colycinthus bedoeld is. Toch mag men aannemen dat Amos, zelf cultivator van moerbeivijgen en dus vertrouwd met het boerenbedrijf, bewust verschil maakte tussen de kolokwint en alsem (Amos 1:7) en mogelijk het Hebreeuwse woord ook zo in andere passages is bedoeld.

 

Arundo, reuzenriet.

Arundo stamt mogelijk van Latijn wat riet betekent, of van arende, verdrogen, naar de korte bloei. Al in Homerisch tijd gebruikten de PhoeniciĎrs veel materialen hieruit. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna of cana.

 

Bijbel.

2 Koningen 18: 21 ‘ Nu dan, zie, gij vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte, die, als iemand daarop steunt, hem in de hand dringt’.

Job 8: 11, ‘Schiet de bies op, waar geen moeras is?’ 40: 16 ‘in de schuilplaats van riet en moeras’.

Jesaja 19: 6, de Nijlarmen van Egypte leeg lopen en droog worden, riet en biezen verwelken,’ 35: 7, waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen bedekt zijn’, 42: 3 ‘Het geknakte riet zal hij niet verbreken’.

Jeremia 51: 32 ‘en dat zij de burchten (reeds) met vuur verbrand hebben’

EzechiĎl 29: 6-7, ‘want zij zijn voor het huis IsraĎl een rietstaf, grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open, leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelen’, 40: 3 ‘daar bevond zich een man die eruit zag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn hand’.

Mattheüs 11: 7 ‘Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?’

Er wordt gedacht dat de meeste riet van de Bijbel vertegenwoordigd worden door de Hebreeuwse woorden agmon, agam en agamim en naar deze plant verwijzen. (soms Scirpus of Cyperus)

Er werden wandelstokken, hengels, meetstokken en muziekinstrumenten van gemaakt. Het is daarom mogelijk dat de meetstok van Mattheus 27: 48 en Marcus 15: 36 een rietstok was of meetstok en geen stengel van Sorghum.

Naar 2 Koningen doorsteekt een gebroken riet de hand als hij erop leunt, dat is heel goed mogelijk, ze werden wel als speren gebruikt. Plinius in Lib. XVI.32 "Dat velen riet in plaats van spiesen gebruikt hebben". Virgilius in IV.B der Eneade, "dodelijke riet blijft steken in de zijde".

 

Opvallend is de vertaling van het woord kaneh als halm of riet: "De naam kaneh, (Genesis 41:5/22 en andere plaatsen) vertaald als halm of riet, komt dikwijls in het O.T. voor als een algemene benaming voor een stengel, hetzij de stengel van een tarweplant, de arm van een kandelaar, (Exodus 25:31), een meetroede, of zelfs heel opvallend de humerus (armbeen) in Job 31:32.

Riet werd gebruikt om er fluiten van te maken. Ook de Highland bagpipes zijn ervan gemaakt, de pan pijp bestaat uit 10 stengels.

Een opvallende overeenkomst, riet voor fluiten en beenderen voor fluiten. Mogelijk dat de naam van een muziekinstrument die van een riet gemaakt is hier bedoeld wordt of dat men van de beenderen ook een soort fluit maakte. Fluiten komen reeds in het neolithisch tijdperk voor. De vorm is die van een gesneden riet, stuk boombast of hout of uitgehold been, waarop men  via verstelbare proppen verschillende tonen kon voortbrengen.

 

Sanskriet kalamos of kalama is een rietpen en een rijstsoort. In Semitisch en Assyrisch heet de schrijfstift kanu, in Grieks kana en in Latijn canna (nog is de naam van een schrijfstift bij vele volkeren in de oost bekend als kalČm.

Van riet werden pennen gemaakt om op perkament te schrijven. (3 MakkabeeĎn 4:20) “Mijn tong is als de pen van een snelle schrijver”, Psalm 44, ook in 3 Johannes 13.

Pennen werden gemaakt door het harde einde van de stengel te slijpen. Linnaeus noemde een vorm dan ook Arundo scriptorius, van dit materiaal rept dan ook Persius en Martialis.

Pennen om te schrijven op perkament of huiden waren gewoonlijk van Phragmites of van deze plant. De oudste bekende schrift van schrijven van een Semitisch ras zijn waarschijnlijk de stenen van NinevĎ en Babylon. De oudste vermelding van schrijven in de bijbel is waarschijnlijk Numeri 17: 3 (rond 1471 v. Chr.) waar we zien dat het schrijven gedaan werd met hout. In 2 Esdras 14: 24 worden schrijftabletten van bukshout genoemd. In Job 19: 24 wordt een methode van schrijven van woorden in rots genoemd die dan gevuld wordt met gesmolten lood. In 2 Johannes 12 en 3 MakkabeeĎn 4: 20 wordt papier of papyrus vermeld. Voor gewoon gebruik worden houten tabletten bedekt met was, Lucas 1: 63. Om hierop te schrijven was een gepunte stift ontwikkeld die vaak van ijzer was. Voor hardere materialen was een graveerstift ontwikkeld. Alleen voor het schrijven op perkament en huiden waren rietpennen nuttig. De inkt was lampzwart die opgelost was in galsap. Het werd in een koker gedragen aan de gordel, EzechiĎl 9: 2-3. De ambachtelijke schrijvers vinden we in Psalm 45: 1, Ezra 7: 6 en 2 Esdras 14: 24.

Herodotus vermeldt dat de IoniĎrs de kunst van schrijven leerden van de PhoeniciĎrs en dat hun boeken huiden genoemd werden omdat ze schapen en geitenhuiden gebruikten als er tekort aan papyrus was. In Josephus dagen werd perkament gebruikt voor het manuscript van de Pentateuch. De perkamenten van 2 Timotheüs 4: 13 waren perkamenten huiden. De Talmoed zegt dat de Wet alleen op huiden van zuivere dieren of vogels geschreven mag worden. Deze huiden werden opgerold op een of twee staven en met een draad bevestigd, de einden werden verzegeld, Psalm 40: 7-8, Jesaja 29: 11, 34: 4, Jeremia 36: 14, EzechiĎl 2: 9-10, Daniel 12: 4, Zacharias 5: 11, Openbaringen 5: 1. De rollen werden meestal aan een kant beschreven, zelden aan twee kanten, EzechiĎl 2: 9-10, Openbaringen 5: 11..

In Openbaringen 21:15 leest men van een gouden riet. Volgens Tackholm is deze echter, gezien zijn afkomst, niet dit riet maar wordt op Phragmites gedoeld die daar al in de Neolithische tijden voorkwam.

 

Christelijk.

Het riet dat zich bij het geringste briesje zo sierlijk beweegt is het zinnebeeld van de menselijke zwakheid.Ja, God zal ook IsraĎl slaan en beroeren gelijk een riet in het water’, 3 Richteren 14: 15 zie ook Mattheus 11: 7 en 12: 20, ook 28: 28, 29 waar ze hem een riet in de hand gaven. Zo kroon, zo scepter: een doornenkroon als zinnebeeld van de zonden, een riet als zinnebeeld van de menselijke zwakheid, een zinnebeeld van het heen en weer slingeren der mensen, tussen geloof en ongeloof, tussen ijdelheid en ernst, tussen het ware vertrouwen en het valse zelfvertrouwen evenals het riet bij het minste windje.

De rietstok die hol is van binnen en niet tot steun kan strekken, is ook een symbool van het geloof zonder de werken, maar in de hand van de Verlosser wordt het een symbool van kracht. Het zwakke riet trotseerde de krachtige eik die door de stormen werd losgerukt en verbrijzeld. In La Fontaine's beroemde fabel (Le chźne et le roseau) vertelt het riet tegen de trotse eik: "Ik buig, maar breek niet" ("Je plie, et ne romps pas"), voordat de boom valt. (Waarschijnlijk komt dit riet van Arundo donax)

Er worden enkele overblijfsels van dit riet dat ze Hem in de hand gaven bewaard. In Florence is de helft van een rietknoest die 27mm diameter heeft en 15-18mm lang is. De helft van een rietstok wordt bewaard in het klooster van Andechs, in Beieren en is 110mm lang. In het klooster Watoped, op de berg Athos, bewaart men twee rietstokken, de ene is 180mm lang, de ander is gevat in een kruis van gewoon hout.

 

Bijbel.

Er zijn 6 Hebreeuwse woorden voor riet of rietachtige gewassen en ze zijn op verschillende wijze vertaald.

Jesaja 9: 13, 19: 15, anmoon, vertaald als biezen. Die komen tweemaal voor in een spreekwoord: ‘kop en staart, tak en biezen’, dat wil zeggen het bovenste en benedenste gedeelte, zo bij Jesaja in de woorden ‘zijn hoofd krommen als een bies’. Hieruit blijkt dat ze een lange stengel hadden en van boven met een pluim. Waarschijnlijk is dit het gewone rietgras van Egypte en Palestina. Een lange slanke plant die door de wind neergebogen werd en weer oprees. (Mattheus 11: 7)

Keneh, keneh hattov of kaneh hattov of kaneh. (Jozua 16:8, 19:28, Jesaja 43: 24 en andere) De naam kanah staat voor een beek en de overeenkomst keneh dat deze zeer overvloedig was. Deze naam wordt meestal vertaald voor riet.

Volgens reisbeschrijvingen is Kanaän de zoon van Cham, maar het woord wordt ook vertaald als koopman, mogelijk een Phoenische. Deze Hebreeuwse naam komt vooral voor in de boeken van Mozes en Jozua en wordt door de 70 overzetters voor PhoeniciĎ vertaald. Volgens Strabo heette elke Fenicische stad eerst Kanaän. Deze PhoeniciĎrs vestigden zich aan de kust, dus op gronden met rietgrassen die duiden op zoet water.

Smith bij Moldenke vermeldt dan ook dat het een algemene naam zou kunnen zijn voor riet en rietachtige en mogelijk suiker. Suiker moest dan bij hen bekend zijn via de suikersorghums. In de oudheid werd zoetheid vaak van honig gehaald. Als keneh suikerriet zou zijn en veel voorkomend, dan zou het gebruik van suiker/honing dan ook veel meer moeten voorkomen of in verband gebracht kunnen worden.

 

Saccharum officinarum, L. (geneeskrachtig) suikerriet. De naam saccharum, door Linnaeus gegeven, kan teruggevoerd worden op het Sanskriet karkara, sarkura: hagel, grind, tot kristallen verstarrende vloeistof. In de Praktik taal, dat aan het Sanskriet vooraf ging, werd het woord sakkara geschreven. De Arabieren introduceerden het uit India via Perzisch schakar en werd het sakkar of sukkar, dat met zijn lidwoord nog in het Spaans en Portugees als azucar is blijven bestaan. De Grieken namen het zo aan vanuit Klein-AziĎ en in oud-Grieks werd het sakchar of sakcharon. De Romeinen namen het aan van de Griekse schrijvers en het werd saccharum. Vanuit SiciliĎ dringt het Italiaanse zucchero noordwaarts en gaf het midden Latijns zuccarum of zuccara. Over de Alpen kwam het woord en de waar in 12de eeuw naar Duitsland en verschijnt als Cuccer, Zuccer of Zuker tot Zucker. Over het Franse cucre of sucre ontstaat het Nederlandse suker, zuiker en suker, het midden-Engels sucre en tegenwoordige sugar.

 

Aspalathus,

Aspalathus, van Grieks a: niet, en spao: winnen, het is een verwijzing naar de moeilijkheid om de dorens uit de wond te verwijderen.

 

Bijbel.

Jesu Sirach 24:15 "Ik geef een geur als kaneel en aspalathus".

Er is veel onzekerheid over de Aspalathus in deze tekst. Het is de enigste plaats waar het woord verschijnt en lijkt een Griekse naam te zijn van een zoet geurende plant.

Theophrastus noemde een Aspalathus, samen met Cinnamomum en cassia als een plant van Indiase afkomst. Hiernaar is het mogelijk Myrica nagi Thunb. (Myrica sapida, Wall), een struik uit Nepal.  Net als andere soorten van Myrica kunnen er kaarsen en zeep van gemaakt worden en is een geurende plant. Dioscorides zegt dat Aspalathus in zijn tijd gebruikt werd om zalven de verdikken.

Moderne botanisten houden het op Convolvulus floridus of Convolvulus scoparius uit de Canarische eilanden. Dat lijkt in de oude Bijbelse tijden toch niet waarschijnlijk, toen waren die eilanden nog niet ontdekt. Mogelijk zijn het verwante soorten geweest uit Z. Europa die dezelfde kwaliteiten hadden. Plinius schrijft over een Aspalathus dat in Spanje groeide en op het eiland Cyprus als een witte, doornige struik met de hoogte van een gemiddelde boom en gebruikt werd als een ingrediĎnt van parfum en zalven.  Anderen dat het van de kameeldoorn, Alhagi camelorum var. turcorum Boiss.(kameel, wordt door hen gegeten en Turks)  afkomstig is. Het is een veel vertakte struik die dicht bezet is met okselstandige, scherpe dorens. De bladeren zijn ovaal. Zie bij manna.

Ook was er een Aspalathus indica, die heet nu Indigofera aspalathoides.  Ook Calicotome villosa, Genista acanthoclada, Capparis spinosa.

Het geslacht Aspalathus komt voor in Z. Afrika en levert rooibos. De Aspalathus van de oudheid is het dan zeker niet.

 

Astragalus.

Astragalus stamt van het Griekse astragalos, naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie,  talus of astragalus, de bikkels of bikkelen.

 

Bijbel.

Genesis 37: 25, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen’, 43: 11, ‘neemt van het fijnste van het land in uw zakken en breng die man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars’.

2 Koningen 20: 13 ‘En Hizkia hoorde naar hen en hij liet hun zijn gehele schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olie’.

Hooglied 5: 1 ‘hoeveel heerlijker uw liefde dan de wijn, en de geur van uw oliĎn dan alle specerijen’, 13, ‘mirre en aloĎ, met al de kostbaarste specerijen’ 6: 2, ‘Mijn geliefde is afgedaald naar zijn hof, naar de balsembedden’,  8: 2 ‘van geurige wijn zou ik u te drinken geven’, 14 ‘ Haast u, mijn geliefde, en doe als de gazel, of als een hertenjong op bergen vol balsemkruid’.

Jesaja 39: 2 ‘En Hizkia verheugde zich over hun komst en hij liet hun zijn schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en hun kostbare olie.

 

De Hebreeuwse woorden  nacoth, necoth, n’chot  of nkad worden vertaald als specerijen schathuis, gom en balsembedden. Het zou verwijzen naar deze plant als een product van een bijzonder soort inlandse plant. Het Hebreeuwse woord is zo gelijk aan het Arabische woord voor de Astragalus, nec'at, zodat het mogelijk dezelfde specerij is.

In Grieks betekent het ‘dat wat verbrand wordt als wierook’.

Behalve in Hooglied 5: 1 waar het woord roshay besamim staat wat betekent hoofd van specerijen, (zie Commiphora opobalsamum) in Hooglied 8: 14 harehkach wat specerijachtig betekent en in 2 Koningen 20: 13, bosem of basam wat specerijen of kostbare dingen betekent. Er is veel twijfel over de hier bedoelde planten. Hooglied 8:14 "op bergen vol balsemkruid", komt overeen met de groeiplaats van Astragalus gummifer die inlands is in droge subalpine regionen. (Moldenke) In Hooglied 5 en 14 lijkt de term op samengestelde specerijen te duiden, allen die toen dus bekend waren, hoewel er in de andere passages het woord necoth voor de gom tragacant gebruikt wordt, kan je aannemen dat het in andere plaatsen ook zo bedoeld wordt. Sommigen denken dat de specerij uit Genesis de balsemachtige gom is die door Styrax geleverd wordt wat niet waarschijnlijk lijkt.

In het Hooglied 5:13, 6:2 wordt gesproken over specerijbedden, dus geen boomachtige kruiden, mogelijk de tragacanth.

 

Atriplex, melde.

Atriplex is afgeleid van Grieks atraphaxis: spinazie. Of van ater: zwart, en plexus: samen vlechten, naar de donkere kleur en vorm van sommige soorten. De jonge meldebladeren hebben een driekantige vorm, daarop kan ook het woord Atriplex slaan. Dat woord is dan samengesteld uit a: zeer, en triplex: drievoudig. Of van a: niet, en trephein: voeding, een nutteloos onkruid.

 

Bijbel.

Job 30: 4 ‘zij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedsel’.

Het Hebreeuwse woord dat voorkomt in Job 30:4, malluach of malloeach, zou op een zout smakende plant duiden of naar een plaats waar die groeit aan de oevers van de Dode Zee. Mogelijk wordt hier op Atriplex halimus, L. gedoeld. In tijden van nood werden de zuur/zout smakende bladeren wel door de armen en uitgestotenen gegeten. De Talmoed vermeldt dat de Joden werkende aan de reconstructie van de tempel, deze plant als voedsel gebruikten. Anderen hebben er de maluweplant, Malva, van gemaakt.

 

Retama raetam, Webb. & Berth. (plaats van bremplanten, Numeri 33: 18, Rithma) Retama is zo genoemd naar zijn Arabische naam retem. In het Hebreeuws is het rothem: soort brem.

Virgilius schreef al over deze plant: "Zelfs de nederige brem heeft zijn nut, zijn schaduw voor slaap in de woestijn en voer voor vee". De schaduwstruik waaronder Elia wilde sterven, de rothem in 1 Koningen 19: 4-5 ‘Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zei: Het is genoeg! Neem nu, Heer, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik’.

Het was een van de haltes van de IsraĎlieten in de woestijn, de plaats van de bremplanten, Numeri 33: 18; en legerden zich te Rithma’.

(Luther zette in 1 Koningen 19: 4,5 een op de Horeb groeiende bremsoort over met jeneverbes, omdat je onder de jeneverbes zo gemakkelijk in slaap valt. Elias zette zich en sliep onder een jeneverbes)

 

De plant maakt de beste houtskool dat er is, dat met een intensieve hitte brandt. De Arabieren zeggen dat het vuur voor een heel jaar houdt. Daarom worden de smidsvuren voor het harden van staal reeds vanouds met Retama kolen gestookt.

Gloeiende kolen r'tamin, rotem, rothem en r’tamim en ritmah of ritmah, Psalm 120: 4, Jesaja 54: 16. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en die op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat die de meeste geschikt straf is voor bedrieglijke tongen, Psalm 120: 4 ‘’ benevens gloeiende kolen van de brem’.

 

Wortel van de brem.

De wortel van de brem is hard, houtig en smaakt misselijk, mogelijk giftig. Niet geschikt om als voedsel te dienen.

In Job 30: 4 ‘zij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedsel’ wordt mogelijk gedoeld op een parasiet van deze brem, Cymorium coccineum L. Deze parasiet wortelt meestal in zoute gronden of zeestranden waar de Retama ook groeit, ook op Spartium monospermum.. In oude tijden werd die gegeten met voedselschaarste. Dit werd hoog geprezen als een middel tegen dysenterie en de waarde ervan was zo hoog dat er militaire bewaking was op de plaatsen waar het gewas voorkwam. In het Hebreeuws komt de naam r'tamin sho'resh voor: wat literair betekent, de wortels van de brem, wat mogelijk op deze parasiet slaat.

 

Brassica.

Brassica nigra L. (zwart), mosterd. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeuēge, zurige pap nodig, de moust de vin, ongefermenteerd druivensap.

De naam Brassica is van grote oudheid. Dit lijkt op een Keltische leenwoord, zodat het Keltische bresic ouder is dan brassica. Het Latijnse brassica betekent knisteren omdat zijn bladen bij afbreken knisperen. De naam werd gebruikt door Plinius. Grieks brassoo betekent koken.

 

Bijbel:

Mattheüs 13: 31-32 ‘Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen’. Mattheüs 17: 20 ’Want voorwaar Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zal gij tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsen’.

Marcus 4: 31-32 ’Het is als een mosterdzaadje, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden op de aarde, en toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogelen des hemels kunnen nestelen.

Lucas 13: 19 ‘, 17: 6 ‘Waaraan is het koninkrijk Gods gelijk en waarmede zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterdzaadje dat iemand nam en in zijn tuin zaaide, en het groeide en werd een boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken’.

Ook hier is weer veel discussie over wat de mosterdplant van Jezus parabel werkelijk was. Het Griekse woord in de originele tekst is sinapi. Dat zou de gewone zwarte mosterd zijn. Sinapi was al in de oudheid de naam voor mosterd. Plinius noemt 3 soorten en men neemt aan dat de in M. Zeegebied inheemse daarbij was.

Het zou de mosterdboom uit de Bijbel kunnen zijn. Uit de tekst kan men opmaken dat het een plant is van grote hoogte. De mosterdplant kan in warme gebieden zo hoog worden dat een paard er niet in terug te vinden is, 5m en meer, met hoofdstengels als een mannenarm. Als kleinste van de zaden, (Lucas) het werd gezaaid en er kunnen vogels des hemels onder legeren. Het zaad van de zwarte is kleiner dan de witte en zou zo in aanmerking komen.

Plinius rekent mosterd ook onder de moeskruiden.

De Griekse tekst beantwoordt aan het Latijnse Olus (groente) wat op kruiden duidt. Dit is een woord dat nog tweemaal in het N.T. voorkomt en wel Lukas 11:42 en Rom. 14:2.  Koning: "Olus komt van alere wat voeden betekent. De ouden schreven en spraken het woord uit door Holus, wat men vanouds plag te eten. Anderen willen olus af leiden van Olendo of Olescendo, waarvan adolescere, omdat ze groeien uit de aarde en opwaarts schieten".

Als alternatief komt de mosterdboom, =Salvadore persica, L.(uit PerziĎ)  in aanmerking, die echter een steenvrucht heeft en meestal niet gezaaid wordt.

Het is een struik of kleine, zacht houtige boom van 100 tot 300cm hoog met ovaal/lijnvormige bladeren. Het draagt wat vlezige bessen in trossen die wat op gewone bessen lijken maar met een pruimenkleur. Het heeft een aangename, maar sterke aromatische smaak die wat op mosterd lijkt en met grote hoeveelheden ingenomen geeft het dezelfde irritatie aan de ogen en neus

Dit gewas draagt wel dezelfde naam als de mosterdplant in het Hebreeuws, namelijk chardal. Chardal (Dalman) of khardal (Moldenke) en chara betekent hitte, brand of steking en Dal droging of uitdroging. (Koning)

 

Boswellia, wierook.

Boswellia is zo genoemd naar Dr. Boswell van Edinburgh.

De Griekse naam frank‑incense: betekent vrij brandend, free‑lighting. Het woord frank komt wel van de Franse kruisvaarders die het meebrachten naar Europa.

Het melkachtige sap wordt olibanum genoemd, vergelijk het Hebreeuws levonah of lebonah: melk, luban betekent melk van Arabieren en zo ook libanotis en labanum, de Libanon, oli of Lebanon omdat de Libanon de plaats was waar het verkocht werd een aan de Europeanen. Arabisch lubban. Vergelijk Exodus 30:34, waar het duidelijk levonah genoemd wordt; wit of Libanees in Hebreeuws. De witte melk was mogelijk een mix van gom Pinus halepensis, Sabina phoenicia, Juniperus oxcycedrus en andere bomen die inlands zijn in de Libanon en vandaar stamt mogelijk de oorsprong van de naam en handelsplaats.

 

Bijbel.

Historisch komt het gebruik van wierook bij de Christenen uit de cultuur van de IsraĎlieten in wiens tempel wierook verbrand werd. Oorspronkelijk komt het uit de Kanaanitische cultuur werd wierook geleidelijk aan als ‚vernieuwing’ gebruikt, later in de tempel godsdienst. In de tweede tempel, rond 540 v. Chr., bevond zich bij een voorhang van het Allerheiligste een reukofferaltaar waar s morgens en met de avond een reukoffer gebrand werd.

Het wordt 22 maal vermeld in de bijbel en 16 maal in verband met godsdienst, 2 maal als eer, eens als handelsartikel en 3 maal als een product van de koninklijke tuin van Salomon. Het werd waarschijnlijk exclusief voor de tempeldienst gebruikt in Salomons tijd.

Dat zou de wierook zijn van Genesis. Op de meeste plaatsen komt het woord miktar, kitter of koter en kitteroth of ketoret in de bijbel voor. De geschriften van Theophrastus en andere oude schrijvers komen met de bijbel tot de conclusie dat de HebreeĎrs al hun wierook importeerden uit ArabiĎ en vooral uit de regionen van Sheba. (Saba) 

Dit zou de echte wierookboom van de ouden zijn en is inlands in ArabiĎ en vooral rond Sheba. Vergelijk Jesaja 60: 6, Jeremia 6:20, langs de kust van Hadramaut en SomaliĎ en nooit in SyriĎ of India. Deze wierook is echter inferieur aan die van India die dan met de opkomst van de handel deze mogelijk verdrongen kan hebben.

Wierook is er in verschillende kleuren. De beste soort is bros, glinsterend en bitter van smaak en ruikt aromatisch, vooral bij opwarmen Exodus 30: 1, 7-9 en 34/36, Leviticus 2: 1-2 en 15-16, 5: 11, 6: 15, 10: 1, 16: 12-13, 24: 7, Numeri 5: 15, 7: 14, 20, 26, 32, 38, 44, 50, 56, 68, 74, 80 en 86, 16: 46,  2 Koningen 17: 10-11, 18: 4,, 23: 5, 1 Kronieken 9: 29, 2 Kronieken 28: 4, 34: 25, Nehemia 13: 5 en 9, Hooglied 3: 6, 4: 6, Jesaja 43: 23,  60: 6, 65: 3, Jeremia 11: 12 en 17, 17: 26, 41: 5, 48: 35, 48: 35, Mattheüs 2: 11, Lucas 1: 9-10, Openbaringen 5: 8, 8: 3-4, 18: 13.

De Arabieren, vooral de oasebewoners, doen een stukje ervan in een komfoor die van hand tot hand gaat met het koffiedrinken op zondag. Als de kom weer terug komt wordt die een moment onder de mantel gehouden om die te laten geuren, hierna ruikt hij er een of twee maal aan en geeft hem dan aan zijn buurman. Dit oude gebruik is mogelijk al vermeld in Psalm 45: 9 "Mirre, aloĎ en cassia zijn al uw klederen".

Wierook kon vroeger alleen door koningen en rijke mensen betaald worden. Wilde men iemand een koninklijk geschenk geven dan gaf men wierook.

Mattheus 2:11: "Zij gaven hun giften, goud, wierook en mirre". Goud voor het koningschap, wierook voor heiligheid en mirre (zie Commiphora) om het lijden te symboliseren.

Een van de drie koningen is wit, de ander zwart en de derde bruin. De witte offert goud, symbool van leven en licht, de zwarte mirre, zinnebeeld van dood en nacht en de bruine wie­rook, zinnebeeld van het goddelijk dogma. In de Apocalyps 5,8 is de wierook in gouden schalen een zinnebeeld van de gebeden van de heiligen: “Phialas aureas plenas odoramentorum quae sunt orationes sanctorum’.

 

Per funum.

Parfums, de Romeinen gaven hun gaven "per funum", (parfum) via rook, naar de goden. Ze zijn en waren in het Oosten in gebruik om te getuigen van respect voor de bezoekers. (DaniĎl 2: 46) De HebreeĎrs hadden twee gewijde parfums, een van wierook en de ander van olie. (Exodus 30: 23/38, Spreuken 7: 17, Psalm 45: 8, Hooglied 3: 6) Zo lag Asa (2 Kronieken 16: 4) in een bed van specerijen en een gedeelte hiervan werd verbrand ter eren van de begravene. Mogelijk naar dit gebruik zien we de mirre en aloĎ bij de Heer. Wierook werd een symbool van gebed en zijn opstijgende rook werd vergeleken met de gebeden die aan God werden opgedragen. (Psalm141: 2) Wierook werd aan de mensen geofferd als een gift van grote eer. Het was vaak een element van afgoderij. (2 Kronieken 34: 25, Jereremia11: 12/17, 48: 35.)

Wierook had een ontsmettende werking in de tempels tijdens offeranden van dieren, zie hysop. Geurende kruiden, de bestrijding van stank, de stank van het kwaad. Het roken en zuiveren van kleren, gebouwen en dergelijke heeft misschien oorspronkelijk een functioneel doel gehad en is door de priesters tot een geestelijke zuivering verheven. De meeste oude rites zijn naar hun oorspronkelijke doel of iets dergelijks af te leiden.

 

Buxus.

Buxus sempervirens L. (altijd groen) palmboompje.

Buxus werd in het Grieks Pyxos, Pyxis, Puknos of Phoinix genoemd. De Griekse naam Phoinix verwijst, althans naar de ogen der Hellenen, naar het land of de bewoners, de PhoeniciĎrs, die de boom bekend maakten bij de ouden.

Het Griekse woord betekent dicht, vast, ineengedrongen, en is een verwijzing naar het dichte en harde hout en bladstand. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. (213) Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxis of pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

 

Bijbel.

Jesaja 41: 19 ‘Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom planten’, 60: 13 ‘De heerlijkheid van den Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisteren’.

EzechiĎl 27: 6, ‘uw dek maakten zij (de Ashurites) van ivoor, gevat in dennenhout’.

Schrijftabletten werden ook van bukshout gemaakt, zie II Esdras 14:24 waar ze gemaakt moesten worden.

Het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als buxus is teasshur of t’ashur. EzechiĎl maakte gebruik van de juiste naam Asshur dat Ashurites wordt in de Authorized Version. Sommige denken dat deze uitdrukking van de profeet, die de handel beschrijft met Tyrus, een verbastering is van teasshur en zo een simpele bedoeling heeft. Zij vervangen dan de tekst in ‘de banken van de roeiers waren van bukshout die ingelegd waren met ivoor’.

Buxus longifolia, Boiss groeit in het noordelijke gedeelte van Palestina, heuvels van Galilea en gewoon in de Libanon. Die groeit 6m hoog op met een naar verhouding steeds dunne stam die zelden meer dan 15-20cm in diameter is.

De Buxus is ook geen boom voor de warme Semitische landstreken, waar dadelpalmen groeien. De in Jesaja 41: 19 en 60: 13 vermelde teasshur of t'ashur kan op die gronden geen Buxus zijn. De Talmoed en Joodse schrijvers menen dat de buksboom in Jesaja en EzechiĎl gebruikt is, terwijl de Syrische schrijvers en de Arabische versie van de Saadias de ceder, (Sabina phoenicia) in Jesaja 41: 19 insluiten. De genoemde planten daar zijn allen van rijke gronden. De Acacia (shittah) is normaal al een plant van de desert zodat de Septuagint dit dan ook vertaalde als buksboom. De plataan is in ieder geval geen heerlijkheid van de Libanon, want die groeit in waterrijke gebieden.

Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen: "Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis ipres naast plataan en (the fir tree, and the pine, and box tree together, teasshur) dennenboom planten". De eerste serie kan gezien worden als planten van rijke en vruchtbare gronden die zullen groeien in woeste gronden. De Acacia is al een plant van droge gronden zo dat deze niet past bij de bedoeling van de profeet. De schrijvers van de Septuagint vertaalden die als buks wat dan logisch lijkt.

De plataan past niet als boom van waterrijke gronden, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op de Libanon groeit, de den.

 

Calluna.

Calluna vulgaris L. (gewoon) struikheide. Calluna is een naam die afkomstig is van het Griekse kallyno of kallunein: reinigen of schoonmaken, omdat de takken als bezems gebruikt werden.

 

Bijbel.

In de bloementaal is het kruid van de eenzaamheid, zie Statenvertaling, Jeremia 17: 6: "hij zal zijn als de heide in de wildernis", in 48: 6 vlucht, redt uw ziel, en wordt als heide in de woestijn .(soms wordt dit woord wel vertaald als een kale struik)

Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6 is ar‑ar of aro‑er. In Jereremia 48: 6 komt aro'air voor. Naar zijn afgelegen en geēsoleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar, in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxcycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel, Myrica.

 

Capparis.

Capparis spinosa L. (doornig) Het nieuw Perzische woord kabar werd, via Arabisch al-kabar, over Grieks kápparis in Latijn capparis. Dit woord was voor eind 15de eeuw bij ons als capper. Over oud-Frans cČpres (nu caprier) kwam het in het Engelse van de 15de eeuw als capres en werd zo caper. In vroeg-Hoogduits verscheen het woord als Gappern en heet nu Kappren of Kapernstrauch, wel steeds meervoud. Kappertje.

 

Bijbel.

De zachte wit violette bloemen openen maar een korte tijd van ‘s morgens tot ‘s middags. Dat is de grond waarom koning Salomon deze kapper als beeld van de vergankelijkheid van de wereld gebruikt.

Prediker 12:5/7. ". op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt; want de mens gaat naar zijn eeuwige huis en de rouwklagers gaan rond. “Hier wordt gesproken over de realiteit van ouder worden en het verloren gaan van de lust dat in de jeugd zo gewoon was. Smaak en appetijt zijn een van de eersten die de ouder wordende mens verlaten. Een stimulans tot het herkrijgen hiervan was de kapper. In de King James versie staat desire shall fail. In origineel Hebreeuws staat dat de kapperbes teleur zal stellen. Het verband van de ouderdom en de plant ligt hem in de afrodische werking van de vrucht.

Het zou de vrucht zijn van Prediker 12:5, waar het woord tapher gebruikt wordt dat vertaald wordt als lust of verlangen. In de King James versie en door Gesenius, de Talmoedisten en oudere vertalingen wordt deze naam als kappertjes vertaald. In latere geschriften, zoals de Talmoed, staat avionah voor de vruchten van de kapperstruik.

De Miznah noemt deze plant met zijn huidige Hebreeuwse naam, tzalaf.

 

Cedrus.

Cedrus libani Link. (van de Libanon) De naam van de Ceder of Cedrus, zou afkomstig kunnen zijn van de beek Kedron of Kidron in Judea. Kedron zou mogelijk vertaald kunnen zijn naar een Hebreeuws woord wat duisterheid of donker betekent. Mogelijk zo genoemd naar de duisterheid van het dal Kedron. Of zo genoemd naar zijn smerige en drabbige water dat al vroeg als riool gebruikt werd (2 Kronieken 29: 16) De Kedron als beek ligt in een dal en op een plaats waar vermoedelijk nooit een ceder gegroeid is, die komen meestal voor op hoogtes van 13‑2100m.

De naam Cedrus zou ook afkomstig kunnen zijn van het Arabische kedron of kedree: wat kracht betekent.

De Arabische naam voor de ceder is evenals het Egyptische arz‑libnan of shagar‑el‑arz, wat stevig in de grond betekent. De Hebreeuwse naam is erez of ahrahzim, wat genomen is van een oude Arabische afleiding en een stevig wortelende sterke boom betekent die lang leeft en langzaam groeit.

Wat waren de PhoeniciĎrs geweest, wat was hun vloot en daarmee hun handels- en wereldverkeer zonder de ceders van de Libanon? Het was de eerste cultuur die de ceders mee geschapen en meegeleefd hebben, de scheepvaart en handelscultuur van de PhoeniciĎrs wiens rijk de Libanese kust uitmaakte. Maar ook hun koninklijke gebouwen en tempels en alles wat ze voor bouw en kunsthout nodig hadden leverde hun achterland. Zo ook de voor Tripoli, Byblis, Beiroet, Baalbek, NinevĎ en Persopolis, ook van Babylon en Jeruzalem en zelfs aan de oevers van de Nijl werden de tempels te Memphis gebouwd met cederhout van de Libanon, zo ook Karnak en Thebe, ook de kisten van menig dodengraf van de farao’s en zijn beambten. De gehele oudheid, van de PhoeniciĎ, AssyriĎ, BabyloniĎ. Egyptenaren, Perzen, Joden, tot de Grieken en Seleukiden, Romeinen en Arabieren, van 3000 v. Chr. tot 700 na Chr., zij allen gebruikten het hout voor hun schepen en vloten, voor hun paleizen en tempels, voor standbeelden en doodskisten.

Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. Op een dioriet die uit 2650‑2600 v. Chr. Stamt had Farao Snofroe laten aantekenen dat hij 40 scheepslaten hout van de Libanon had laten komen. Ook Thoetmozes, een van de veroveraars van Byblis, bevestigt dit officieel: "Elk jaar worden er voor mij echte ceders van de Libanon omgehakt en naar mijn hof gebracht, ik heb er de Aziaat niets van gelaten, want het is een materiaal dat hij begeert". De ceder is in Egypte dan ook al in de pre‑dynastic periode gevonden en in het oude en het middenrijk. De immense sarcofaag van Tuth‑Ankh‑Amen was van dit hout en christusdoorn (Zizyphus spina‑Christi) gemaakt.

Ook door andere landen werd er roofbouw gepleegd. Assurnasirpal II, 1350 v. Chr. kreeg ceders, bukshout en ebbenhout.

Sennacherib veroverde 700 v. Chr. de Libanon en zie: Ik kom op de toppen van de bergen, naar de Libanon en ik zal alle ceders daarop omhakken’.

Het gebruik van ceder zie je bij Homerus in de Ilias, Boek 24 waar verwezen wordt naar het cederdak van de opslagkamer waar Priamus naar toe gaat om het losgeld te halen voor zijn zoon Hector van Achilles. Plinius vermeldt dat er 40m grote bomen zijn.

Salomon zond al 30 000 IsraĎlieten naar de Libanon en dat alleen maar om koning Hiram en zijn slaven te helpen. Hij zond ook 150 000 arbeiders, gevangen slaven van vorige oorlogen, een 33oo officieren die uitgingen naar de bomen van God. Koning Hiram had ook een 1000 van zijn eigen mensen gestuurd om te helpen. Een 400 jaar stond de prachtige met cederhout beklede tempel tot Nabukadnezar het huis van Jehova liet verbranden en de Joden wegvoerde. Maar een nieuwe tempel ontstond na hun terugkeer en weer waren het de broeders van de thans nog levende bomen die de tweede tempel zo'n pracht verleende zodat die onder de profeet Zacharia zonder verdere verklaring met ‘’Libanon’’ bestempeld werd. Het was die tempel waarin Alexander de Grote de ware God offers bracht. Pompejus bezocht dezelfde tempel die Herodotus in zijn strijd met de tegenpartij gedeeltelijk liet verwoesten en dan nog mooier liet herstellen. Het was dezelfde tempel waarin Jezus kwam, waar de Schriftgeleerden hem op de proef stelden, waaruit hij de woekeraars en kooplieden wegjoeg. 70 na Chr. maakten de Romeinen zijn ondergang.

Amos vergeleek de machtige zonen van Anak met de ceders van de Libanon.

 

Uit F. Antoine.

De Libanon is gevallen.

De Libanon is dan ook gevallen (Jesaja 10:33) "Ziet de Heer der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijke". De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven. Ze staan boven de oever van de Nahr el Kadischab: de vloed van het heilige dal. Op de uitlopers van de 3000m hoge berg de Kar el Kadihb staan de laatste bomen. Ze zijn door een simpele stenen muur omgeven. 500 tot 1000 jarige stammen ordenen zich als de jongeren om de oudsten, die nog in Bijbelse tijd en uit de tijd van Salomon zouden stammen. Salomons ceders, Gods ceders, of ceder van de patriarchen worden ze door het volk genoemd. (164) Op de sneeuwbergen groeien de cederbomen veel, namelijk in SyriĎ op de berg Libanon daar men ze tegenwoordig noch sommige van deze bomen toont, als Bellonius schrijft, waarvan, zo men zegt, door koning Salomon met zijn eigen handen daar gezet zijn geweest. De cederboom, zegt Theophrastus, groeit in SyriĎ en wordt gewoonlijk gebruikt van diegene die in de omliggende landen wonen om hun galeien daarmee te timmeren omdat ze geen pijnbomen hebben. Dan zijn hout heeft dat eigens, te weten dat de beelden of andere werken die daarvan gemaakt of gesneden zijn gewoonlijk als het vochtig weer is zweten en tranen al of ze met water besproeid waren net zoals alle andere bomen ook doen die vet en olieachtig van binnen zijn, als Theophrastus schrijft.’

In totaal zouden er nog 250 staan. De geweldigste is de Cedre de Dieu. Zijn omvang over de wortelstok bedraagt 14m en zijn scherm bedraagt ongeveer 50m in de rondte. De hoofdstam telt meerdere zijstammen, die elk voor zich evenveel nieuwe en zeer aanzienlijke bomen vormen. De hoogte is amper 25m. Op de top van de heuvel is onder de takken van de boom een kapel gebouwd en het altaar bestaat uit cederhout. Jaar na jaar vieren hier de Maronieten op de dag van de openbaring het feest van de ceders. De patriarch met meerdere bisschoppen en vele gelovigen, draagt de mis op als bescherming van de berg en het geluk van zijn volk.

In de geest van het volk is er een soort heilige eerbied voor deze oeroude boom behouden gebleven. Dit vooral door toedoen van kerkelijke orden. Tot voor kort pleegde de daar levende patriarch elke christen die de bomen beschadigde met geestelijke straffen te vervolgen, zelfs met uitsluiting uit de kerkgemeenschap. Het was een oeroud geloof dat de eerwaardige boom onder bescherming van God stonden.

Nieuwe aangroei is vrijwel onmogelijk doordat regen en wind voor erosie zorgen en geiten en schapen jonge aanwas opvreten.

Numeri 24: 6, Richteren 9: 15, 2 SamuĎl 5: 11, 7: 2, 1 Koningen 5: 6-10, 6: 9, 15-16, 18 en 36, 7: 2-3, 7 3n 11-12, 9: 11,. 2 Koningen 9: 11, 10: 27, 14: 9, 19: 23, 1 Kronieken 14: 1, 17: 1, 22: 3-4, 2 Kronieken 1: 5, 2: 3 en 8, 9 : 27, 25: 18,, Ezra 3: 7,, 6: 4, Nehemia 2: 8, Job 40: 17, Psalm 29: 5, 80: 10, 92: 12, 104: 16, 148: 9, Hooglied 1: 17, 3: 9, 5: 15, 8: 9, Jesaja 2: 13, 9: 10, 14: 8 37: 24, 41: 19 44: 14, Jeremia 22: 7, 14-15 en 23, EzechiĎl 17: 3 en 22-24, 27: 24, 31: 3-18, Amos 2: 9, Zefanja 2: 14, Zacharias 11: 1-2.

Met een paar uitzonderingen is er geen twijfel over de identiteit van het Hebreeuwse woord erez of ahrahzim die vertaald wordt als ceder. Het woord is ontleend van een oude Arabische wortel die een stevig wortelende en sterke boom betekent. Er is enige twijfel over de ceder van Numeri 24: 6 waar het woord mogelijk een verbastering is en mogelijk op een andere boom slaat, net als in Leviticus 14: 4, 6-8 en 49-52, ook Numeri 19: 6 (zie Sabina phoenicia) EzechiĎl 27: 5 en 31: 8. (zie Pinus halepensis)

Nu worden ze weer aangeplant in het M. Zeegebied en vooral in Turkije waar jaarlijks  meer dan 50 miljoen jonge ceders geplant worden. De Libanese populatie wordt ook weer hersteld door herplanten en beschermen tegen geiten.

 

Juniperus.

Jeneverbes is een woord dat afgeleid is van Juniperus, wat weer stamt van het Keltische jeneprus: stekelig of ruw.

Isidorus geloofde dat in de Juniperus het begrip perum: vuur, besloten lag omdat het vuur er lang goed in blijft, of naar zijn piramidevormige groei zodat die er als een vlam uitziet, dat die zich ook naar boven toe verjongt.

Het is de vuurboom, Duits Feuerbaum, afgezien van het voorgaande gebruik is het mogelijk naar het rode kernhout. Vanouds is het vuur van Psalm 120: 4 de jeneverbes.

Matthiola; ‘Onder deze boom heeft gelegen de profeet Elias toen hij de toorn van Jesabel in de woestijn ontweek daar hem de engel de volgende keer opwekte, 3 Koningen 19’.

Het geloof aan het vuur rust mogelijk op oudere overleveringen. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en deze op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat het duurzaam is als vuur van jeneverbes, Psalm 120:4.

(Dit hout was evenwel niet van een jeneverbes, maar van een brem, Retama)

Dodonaeus (m) ‘De eerste soort (Juniperus ocycedrus) wordt in Languedoc cade genoemd, zegt Clusius, en de olie die er uit verzameld wordt noemen ze daar huile dé cade. Engels cade van Frans genévrier cade.

Kaddig is wel van dezelfde betekenis, Kaddick, Kaddig of Kadig, in Bohemen Kaditi, Pools kadzuc, bij de Esten kadakas, kaddie of kadagys en daarvan is de oost Pruisische naam Kaddik en Kaddikstrauch af te leiden. In Finland noemt men de struik kataju of katachu,  (411) vergelijk Engelse cade oil en vergelijk de basis van de Griekse ceder of kedros, ked- of kod: roosteren, oud-Slavisch cadu: rook, caditi: roken of branden. In deze betekenis betekent ceder (Juniperus) origineel hout voor roken. Bij de Grieken duidde men met de naam kedros en kedris alleen welriekend hout aan. De Libanonceder heette kedros thaumaste: dat is prachtig. Van Grieks kedros kwam het Latijnse Cedrus. Wat de ouden onder de jeneverbes stelden, in Grieks άρχενύος of arkeuthos, χέδρος of kedros, όζύχεδρος of oxykedros en in Latijn Juniperus noemden zal wel gedeeltelijk op M. Zee planten slaan en wel Juniperus oxycedrus, Juniperus phoenica en Juniperus excelsa.

De ceder is ook zeer bekend geworden door de stroperige lichtbruine balsemachtige olie die uit het hout wordt getrokken door het bij een vuur te leggen. Met deze cederolie werden kostbare boeken en boekrollen ingewreven teneinde ze te beschermen tegen wormvraat. De boeken die de tweede koning van Rome, Numa, naliet zouden met dit sap ingestreken zo'n 535 jaren goed zijn gebleven. Ook zou deze olie bij het balsemen gebruikt zijn en werd het linnen erin gedrenkt. Tackholm vermeldt echter dat de cederolie, als vermeldt door Herodotus en Diodorus en vertaald als olie van ceder, waarschijnlijk geen cederproduct was, maar afkomstig van een Juniperus soort. Het cedersap van Plinius was ook niet afkomstig van een ceder, maar vermoedelijk ook van een Juniperus. Met de ceders werden dan ook vermoedelijk andere bomen van de Libanon geveld, die duurzamer waren en als cederhout gebruikt werden. De verwarring zou dan in de naamgeving zitten, sommige Juniperus soorten werden vroeger kleine ceders genoemd. In Spanje geeft men de naam cedro aan 2 jeneverbessoorten, Juniperus oxycedrus en Juniperus thurifera.

 

Bijbel.

(Mogelijk zijn deze en volgende de ceders als gebruikt in Bijbelse zuiveringsrites. (Leviticus 14: 4-6 en 49-52) Niet alleen vanwege de zuiverende werking, maar ook omdat er in de Sinaē geen ceder voorhanden is.

Numeri 19: 6 ‘En de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen’. Het woord ceder wordt vertegenwoordigd door het Hebreeuwse erez en verschijnt 51 maal in de Bijbel. Meestal verwijst het naar de ceders van de Libanon. Maar in de Sinaē is geen ceder, of in ieder geval niet bereikbaar. Waarschijnlijk hebben ze een ‘ceder’ uit de woestijn gehaald.

2 Kronieken 2: 8 ‘ Zend mij ook ceder-, cipressen- en algummimhout van den Libanon’. In Hebreeuws algomim, misschien was hetzelfde hout als in 1 Koningen 10: 11-12. Maar het woord is anders en ook de afkomst, niet uit Ophir maar van de Libanon. In dat geval zou het Juniperus excelsa kunnen zijn.

 

Jeremia 48: 6 en 17: 6. ‘Weest als de gagelkruid (heide) in de woestijn’.  De Arabische naam van deze twee is ar'ar (Dalman) Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6, aldaar ar‑ar of aro‑er genoemd. In Jeremia 48: 6 komt aro-er of aro'air voor. Naar zijn afgelegen en geēsoleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel. Een zinnebeeld van dorheid en verlatenheid.

 

Ceratonia.

Ceratonia siliqua L. (hauw dragend). Ceratonia is afgeleid van het Griekse keratio, van keras,  wat hoorn betekent, naar de spitse hoornachtige gekromde huls. Het Griekse keration is afgeleid van kerat, de stam van keras: horen, dat komt overeen met Sanskriet siras: hoofd, Latijn cornu: horen.  Zo wordt hard materiaal bedoeld. De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam caraat of karaat van is afgeleid.

Arabisch voor karaat is kirat, qirat of kharoub en Hebreeuws charuv, in Portugees werd dit quilate: gedroogd zaad. Over het Franse carat werd het omstreeks 1270 in het midden-Hoogduits Garat. In de 15de eeuw gaf het vormen met k, Karaat zoals het midden-Nederlands (k)caraet.

In het Grieks is dit het keration waarmee men in Afrika goud en in O. IndiĎ diamanten weegt. In late Romeinse en vroeg Byzantijnse tijden wogen de puur gouden munten die bekend waren als solidus 24 karaatzaden (ongeveer 4.5 gram). Als een resultaat werd de karaat een gewicht van zuiver goud. Zo betekent 24 karaat goud 100% puur, 12 carat goud betekent dat het 50% goud bevat, etc.

Sint Johannesbroodboom.

 

Bijbel.

Carob peulen waren de belangrijkste bron van suiker voordat suiker of suikerbieten bekend waren. De peulen worden na een jaar rijp en kunnen maanden aan de boom hangen blijven. Het vruchtvlees is eerst week en aromatisch zoet, later hard en is dan lang houdbaar.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.

Lucas 15: 16 ‘En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem’. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij Moffat. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Mattheüs 3: 4 ‘Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wildn honing’.

De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G. voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Cercis.

Cercis siliquastrum L. (hauwachtig) Judasboom. Cercis komt van Grieks kerkis: een pluimbal, slag of schietspoel zoals bij het weven gebruikt wordt, het is een naam die gegeven is door Theophrastus waar de peulen op zouden lijken.

 

Bijbel.

Mattheüs 27: 5 ’En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich, daarop ging hij heen en verhing zich’. Welke boom staat er niet bij, maar volgens oude legende is het deze boom. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Judée, boom van Juda.

Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte.

De vermelding van de Judasboom is voor het eerst gebruikt door Gerard in zijn Herball in 1597, naar voornoemde legende. Daarvoor was het de zwarte vlier, zie Sambucus, waaraan Judasoren kunnen voorkomen, waar Judas zich aan verhangen had. Andere legende vertellen dat het een vijg was, Ficus, de populier of terebint. Toch moet in dit verband nog gemeld dat worden dat in verband met Handelingen 1: 25  er duidelijk op gewezen wordt dat Judas niet stierf aan ophanging.

 

Chamaerops.

Chamaerops humilis L. (nederig) Europese dwergpalm. Chamaerops komt van Grieks chamai: klein of nederig, en rhops: een twijg, het is een samengestelde naam die van de Z. Europese palm een lage twijg maakt in vergelijking tot de hoge en geweldige palmen van de tropen.

 

Bijbel.

Van verre lijken de bladeren van deze vorm op opgestoken handen die door de wind bewogen op elkaar slaan. Jesaja 55: 12: "Alle bomen des velds zullen de handen tezamen klappen". Mogelijk doelde Jesaja hier op deze palmboom.

 

Cichorium endivia en intybus. Januari heet in Egyptisch tybi, dezelfde tijd als deze groente werd gegeten. In het Arabisch heet het hendibeh. Dit werd in Grieks entubion of entubon. In de keizertijd verschijnt de Griekse uitspraak (indivi) benade­rende Latijnse vorm intybum, dit werd later intiba en in volks Latijn entiba en ook endiba. Onder de uit intybus in ItaliĎ gevormde naam Endivia werd in oud-Duits eerst distelsoorten en later deze plant begrepen. Andijvie en cichorei.

 

Bijbel.

Het gewas zou al voorkomen op de Eberspapyrus. Door Dioscorides werd het vermeld als maag versterkend middel.

Exodus 12: 8 ‘Het vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruiden’.

Numeri 9: 11 ‘In de tweede maand, op de veertienden dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het eten’.

In Exodus 12:8 worden bittere kruiden genoemd. Hier wordt echter geen specifieke plant vermeld. Alleen in het N.T. zijn de kruiden met naam genoemd. Ook in  Numeri 9: 11 komt het woord Merorim of M'rorim voor wat op bittere kruiden zou kunnen slaan. De traditie noemt sla, andijvie en cichorei en munt, later kwamen daar waterkers, peterselie en dergelijke bij. (N. Peelman) De meeste autoriteiten denken dat de andijvie uit India stamt en het is twijfelachtig wanneer het in Egypte bekend was. De oude Egyptenaren gebruikten verschillende groene kruiden die ze met mosterd mengden en duwden dan stukjes brood in die miz terwijl ze aten. Het is mogelijk dat ze dit gebruik leerden van de Egyptenaren. Ofschoon de kruiden varieerden met de tijd en plaats, bleef de reden voor het eten ervan gelijk, een herinnering aan de bittere tijd in slavernij van Egypte. De tafel staat gedekt voor de seder, het opnieuw vertellen van het Paasverhaal. Het ongedesemde brood op de tafel plus het gebraden beentje als een herinnering aan het geslachte lam. Verder de bittere kruiden en de charoset, een appel en notenpasta, als herinnering aan de stenen voor de bouw van de piramides.

 

Saussurea.

Saussurea costus Lipsch.(wortel voor parfum) Plinius Latijnse costum van Grieks kostos (een Indische plant wiens geurende wortel gebruikt werd voor parfums) van Hebreeuws qosht, van Sanskriet kusthah.

Dit gewas is afkomstig uit de Himalaya en de valleien van Kasjmir waar het groeit op 2400-4000m hoogte.

De geurende wortel wordt in de omgeving van Bombay in grote hoeveelheden verzameld, richting China en de Perzische golf getransporteerd.

Wat is de costus van de ouden? Of is de costus Costus speciosus, Sm. van de Zingiberfamilie die uit O. IndiĎ stamt? Of van Costus nepalensis, Rosc. uit Nepal die bij de ouden gebruikt werd als maagmiddel?

 

Bijbel.

In Psalm 45: 8 ‘daarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, aloĎ en cassia zijn al uw klederen’. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of k’tziot (Cassia heet kiddah) wat vertaald werd als cassia of als Indische orris, mogelijk deze plant. Sommige vertalers veronderstellen dat dit woord slaat op de zoet ruikende Europese orris wortel, Iris florentina. Zie Cinnamomum cassia.

 

Cinnamomum.

De naam kin-(n)-amomon kan als volgt verklaard worden: vanuit het Griekse kinein: in rollen, a: zonder, momon: feil of fout, bijgevolg; een plant zonder fout, een edel gewas dat zich heeft ineengerold, waarmee op de bastrolletjes zou zijn gedoeld. In Chinees betekent quilin of guangxi een kaneelbomenwoud, dit is een stad aan de rivier de Lijiang. Uit Maleis kayu: hout, en manis: zoet, komt kayu-manis dat over Hebreeuws (Phoenisch, Exodus 30: 23 en andere teksten) qinnamon werd en via Grieks tot Latijn cinnamum, midden-Latijn cinnamomum kwam, via Frans werd het cinnamome en Engelse cinnamon. Uit midden-Latijn cinnamomum ontstond oud-Hoogduits Cincimen, Cimment en Sinamin en het midden-Hoogduits Zinemin zodat het nu Zimt of Zimmt is. Kaneel.

 

Cinnamomum aromaticum Nees. (geurend) Cassia.

Hoewel sommigen beweren dat misschien kaneel bedoeld is, is zulks niet waarschijnlijk omdat de Arabische en Perzische naam darachine, dara is hout en chini is Chinees, duidelijk op de afkomst van Cassia wijst. De naam cassia is nogal verwarrend. De echte cassia‑ligna is afkomstig van Cinnamomum. Maar cassia is ook wel een geparfumeerde olie die wordt verkregen van Acacia farnesia. Die soorten werden vroeger tot 1 geslacht gerekend.

 

Bijbel.

In Exodus krijgt Mozes opdracht om zoet geurende kaneel (kinnamon) en kassia (qəṣĒ`Č)  te nemen met mirre, welkrieken (qənź-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om er een heilige zalf van te maken die geschikt was voor de Ark des Verbond. Exodus 30: 23-24 ‘De Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneel, en twee honderd en vijftig sikkels welriekende kalmoes, en vijf honderd sikkels cassie, naar den heiligen sikkel, en een hin olijfolie’.

EzechiĎl 27: 19 ‘kassie en kalmoes behoorden tot uw koopwaar’.

In de bijbel komt het woord kiddah of kidad voor wat afschilferende bast betekent. In Job 42: 14 komt het woord kezia of ketziah voor. (In Grieks is het vertaald als Iris en is daardoor fout vertaald vanuit origineel Hebreeuws.) In Psalm 45: 8 ‘daarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, aloĎ en cassia zijn al uw klederen’. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of k’tziot, (zie Saussurea)

De Septuagint interpreteerde de cassia als een Iris, de orris root. De Revised Version denkt aan de aromatische wortel van de kost of Costus van ArabiĎ, Saussurea lappa. Men denkt nu dat de cassia van Palm 45: 8 deze Indische of Arabische orris of costus is.

 

Cinnamomum verum L.

Bijbel.

In klassieke tijden waren er vier typen van kaneel bekend en vaak onder elkaar verward.

1.     Cassia (Hebreeuws qəṣi`Č), de bast va, Cinnamomum aromaticum Nees (aromatisch) (of Cinnamomum iners Reinw. (zwak of niet actief) die uit ArabiĎ en EthiopiĎ komt.

2.     Echte kaneel, kinnamon, (Hebreeuws qinnamon), de bast van Cinnamomum verum van Sri Lanka en eerder India.

3.     Malabathrum of Malobathrum. Cinnamomum malabathrum uit N. India (uit Malabar).

4.     Serichatum, Cinnamomum aromaticum, uit Seres, dat is China.

 

Kaneel is waarschijnlijk een van de vroegst bekende specerijen die in gebruik is genomen. Het wordt al in een Chinees kruidboek van 2700 v. Chr. vermeld, bij de Chinees Tsang King die het gebruikte bij aandoeningen van de ademhalingswegen. In Egypte al 2000 v. Chr. is het gebruikt en kwam uit China.

De Phoenix bouwt zijn nest van cinnamon en cassia. Egyptische recepten voor kyphi, een aromatische stof, bevatten cinnamon en cassia vanaf Hellenistische tijden. De gift van Hellenische heersers aan tempels bevatte soms cassia en cinnamon en wierook, mirre en Indische wierook (kostos) zodat men concludeert dat de Grieken het ook zo gebruikten.

Malobrathum van Egypte (Dioscorides I, 63) was gebaseerd op veevet en bevatte ook cinnamon, een pond kostte 300 denars.

In Exodus 30:23-4, beveel Mozes om cinnamon en cassia, qinnāmôn, te nemen met mirre, zoete kalmoes (qənź-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om een heilige olie te maken om er de Ark van het Verbond mee te zalven. Psalm 45, 8, verhaalt de kleren van Torah scholieren die gezalfd zijn met mirre, aloĎ’s en cassia. In Bijbelse tijden werd het gebruikt voor de bereiding van wierook, heilige olie, medicijnen en parfum (Spreuken 7: 17) In de zinnebeeldige woning der wijsheid is het de liefelijke kaneel die haar vervult, Ecclesiasticus 24: 20 In de Apocalyps is de kostbare kaneel een voorwerp van weelde bij de verwoesting van Babylon. Vanwege zijn welriekendheid werd kaneel gebruikt als een soort parfum om lichaamsgeurtjes weg te werken.

Exodus 30: 23 ‘De Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneel’.

Spreuken 7: 17 ‘Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloĎ en kaneel’.

Hooglied 4: 14 ‘nardus en saffraan, kalmoes en kaneel’.

Openbaringen 18: 13 ‘kaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarwe’

Kaneel komt in de Bijbel telkens samen voor met cassia en kalmoes. Deze producten stammen allen uit China/India en kwamen naar die streken via de zijderoute. In Hooglied 4:14 wordt kaneel met kalmoes verenigd en in EzechiĎl 27: 19 cassia met kalmoes. Bailey vermeldt dat kaneel dan ook afkomstig is uit India en MaleisiĎ. Kaneel en cassia zouden al in het tweede millennium v. Chr. al aangevoerd zijn vanuit China en zuidoost AziĎ en vanuit IndonesiĎ naar Madagaskar gebracht zijn in primitieve kano's via een oeroude route over zee die bekend stond als de kaneelroute. Ze werden dan langs de Afrikaanse kust naar het Noorden vervoerd, maar het Nijldal en het land Poent.

De kinamon, kinnemon of qinnemoon verwijst zonder meer naar kaneel, het is een van de ingrediĎnten van de ‘heilige olie’’.

 

Cistus.

Cistus ladanifer L. (laudanum dragend) Cistus is afgeleid van Grieks ciste: een doos, een verwijzing naar de vorm van de zaaddozen

 

Bijbel.

Genesis 37: 25 ‘daar zagen zij een karavaan van IsmaĎliten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, om dat naar Egypte te brengen’, 43: 11 ‘neemt van het fijnste des lands in uw zakken en brengt dien man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelen’.

Deze plant is waarschijnlijk de mirreplant van de ouden.

De rotsroos, Cistus creticus, Cistus salvifolius en Cistus villosus, is ook bekend als lotplant en komt bij de HebreeĎrs overeen met het woord lot in Genesis 37: 25, 43: 11. Lot moet een inlands product zijn. Lot komt ook als eigennaam voor in Genesis, de broer van Abraham. Lot zou door een verkeerde vertaling als mirre bestempeld zijn, de naam van mirre is mor en die is niet inlands (Commiphora myrrha) zoals de context laat zien.

 

Bijbel.

Onycha, in het Hebreeuws shecheleth of sjecheleth, zou voorkomen in Ecclesiasticus 24: 15, Exodus 30: 34. De bloem is wit aan de basis van elk bloemblad. Onycha betekent in het Grieks vingernagel, de markeringen op de bloembladen van Cistus zouden de reden geweest zijn voor die naam.

De naam wordt tweemaal vermeld als een bestanddeel van het heilig reukwerk en een andermaal in de Apocriefe boeken als een zelfstandigheid die een lieflijke geur verspreidt.

De naam onyx betekent klauw of nagel, (310) "daaraan ontleent de kleine schelp op de voet van vele weekdieren, die door de grote schelp gesloten wordt, zijn naam. Uit deze kleinere schelpen of klep verkreeg men enkele bestanddelen die de wierook samenstelden. In de Rode Zee vindt men er veel soorten van".

Mogelijk is het een tweeĎrlei begrip, de steen onyx in Exodus 28: 20. De andere onyx is mogelijk een plant/dierlijk product, Exodus 30: 43, Ecclesiasticus 24: 15.

Onyx zou op Murex kunnen slaan die in heel IndiĎ als een zogenaamd geneeskrachtig rookmiddel gebruikt wordt. Koning noemt een vis die Conchylium genoemd wordt en haalt Dioscorides aan: "Een schulpje of deksel van het visje Conchylium genoemd, gelijk ons Dioscorides zegt II, 8:1, welk in de meren van IndiĎ die Nardus voortbrengen gevonden wordt. Het ademt een aangename reuk uit omdat het door den Nardus gevoed wordt’’. Waarschijnlijk zijn er nog wel meer moge­lijkheden.

 

Citrus.

Citrus medica L. var. etrog Eng. (uit MediĎ) is de gewijde Citrus of Etrog van de Joden. (Citrus medica ‘Ethrog’)

Deze vorm was in Z. BabyloniĎ al 4000 jaar v. Chr. bekend, maar de IsraĎlieten vereerden die pas 458 v. Chr. Josephus maakte melding van een voorval in de oudheid waarbij Alexander de Grote met de Joodse hogepriesters op het altaar stond en er een  oproer uitbrak onder de bevolking die naar hem met citroenen gegooid zou hebben. Dit zou de verboden vrucht van de Joden zijn en komt zo voor in Leviticus 23:40/44, takken of vruchten van schoon geboomte. De citroen wordt al genoemd in de Torah voor ritueel gebruik tijdens het feest van het Tabernakel, Leviticus 23:40. Het gewas wordt nog steeds volgens het gebod gebruikt op het Loofhuttenfeest en soms bij de eredienst in de synagoge als een toonbeeld van de vruchten die God aan de mensen gaf. Zou het gewas reeds in IsraĎl bekend zijn geweest, dan had Alexander de Citrus niet in MediĎ "ontdekt" maar in IsraĎl en dan was de vrucht zeker ook al eerder beschreven zijn geweest vanwege het drukke handelsverkeer met de M. Zee. Volgens anderen kwam de plant daar al in oude tijden voor omdat het ook in Egypte schijnt voor te komen waar archeologische bewijzen zijn dat ze daar was sinds de tijd van Thutmosis III. Er wordt verondersteld dat de Joden het  meenamen uit Egypte. Weer anderen menen dat het om een vrucht van Pinus of Cedrus handelde. (vergelijk de afkomst van de naam).

De naam die gebruikt is in Leviticus 23: 40 is Peri es Hadar, dat wil zeggen ‘’een vrucht van een prachtige boom’’. Het woord hadar betekent letterlijk pracht of pronk en slaat niet op de soortnaam. De naam kwam al eerder voor als een van Ismahel’ s zonen. (zie Musa)

Deze Etrog groeide veel op Korfu en na de anti‑Joodse demonstraties in 1891 aldaar werd de vrucht meestal uit gehaald Palestina, waar de inwoners ze

gebruikten om er salades van te maken.

 

Uit Matthiola.

Citrus ponum, ‘Adamii’ (mogelijk een vorm van Citrus media) (vrucht en Adam, Adamsappel) de vrucht hiervan is eivormig met een goudgele schaal. Dit zou, volgens de Talmoed, de Adamsappel zijn.

Maerlant spreekt over de Adamsboom;, Arbor ade, dat is bekend, is een boom in de OriĎnt die Adams boom heet zoals ons zegt Jacob van Vitri. Omdat ze vele mooie  appelen dragen die van kleur geel zijn en elke appel is gebeten zodat men zien mag en weten dat God in het aardrijk van Adams zonden duidelijk getuigt’.

(Dodonaeus)  ‘Dit geslacht is van sommige Malus Assyria genoemd, dat is appelboom van AssyriĎ, en de vrucht Pomum Assyrium, dat is appel van AssyriĎ, dan de Italianen noemen het gewoonlijk lomio of ook pomum Adami, dat is Adamsappel, omdat het onervaren gewone volk gelooft dat dit de appel is daar onze aller vader Adam in het Paradijs eerst van at tegen het gebod van God en daarom zeggen ze dat de kloven die in de schillen van deze appels gezien worden de tekens zijn van de beten die hij daarin gaf. Maar andere willen zeggen dat de echte appel daar Adam in beet niet deze tegenwoordige appel is, maar die soort van appels die in het Arabisch Musa of Mosa genoemd wordt daar Avicenna in het 395ste kapittel van vermaant. Immers, zoals Andreas Thevenetus betuigt, die Musa wordt van sommige Joden gehouden voor de appel die Adam eerst proefde en tegen God gezondigd heeft’.

De Adamsappelboom wordt in ItaliĎ pomo di paradiso,  pomi Adamo of pomi d’Adamo genoemd.

Forbidden fruit. In de dikke schil zie je een spleet die op een beet lijkt. Van de slang? De slang met de appel in de bek is het symbool van het kwaad.

 

Bijbel.

Deze balsem wordt door de Arabieren lukkum genoemd en verkocht als de balsem van Gilead. Deze balsem was tot de 17de eeuw een ingrediĎnt van vele medicijnen. Anders dan de meeste gommen wordt het gauw zachter bij hitte.

Genesis 37: 25 ‘wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen’.

Jeremia 8: 22 ‘Is er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?’ 46: 11, ‘Trek op naar Gilead en haal balsem, o jonkvrouw, dochter van Egypte, tevergeefs neemt gij veel geneesmiddelen, voor u is er geen genezing’. 51: 8 ‘Haalt balsem voor zijn pijn, misschien is het te genezen’.

Het woord tzori, tzeri of tzari is als inlands product mogelijk Balanites, in Grieks wordt het vertaald als resin of gom, als een verwijzing of naar Balanites of Pistacia lentiscus. Beiden zijn overvloedig in IsraĎl. (zie Commiphora) Reisbeschrijvingen noemt de stad Tyrus, Tsor of Tzor bij de HebreeĎrs, van welk Hebreeuws woord Zor ook de naam van SyriĎ of Sourie gesmeed is. Zou hier een overeenkomst zijn in namen? Handel uit PhoeniciĎ, of balsem uit SyriĎ.

Men kan zich evenwel afvragen, als de plant ook in Egypte groeit, of het daar naar toe gebracht moest worden. Mogelijk aldus Smit bij Moldenke dat hier sprake is van Pistacia lentiscus.

Maar de mogelijkheid dat de echte balsem van Gilead in Salomons tijd aanwezig was, zou die voorkomen in 2 Koningen 20: 13, Hooglied 3: 6, Jesaja 39: 2 en EzechiĎl. 27: 17.  Dan wel beter voor Commiphora gileadensis.

 

 

Commiphora: Grieks kommi, van Egyptisch kami: gom (oud-Egyptisch kmj.t) phora: dragen. Een geslacht van bloeiende planten. Het omvat een 250 moeilijk van elkaar te scheiden soorten.

Bomen en struiken, vaak gewapend of gedoornd en inlands in ArabiĎ, Afrika en India.

 

Commiphora africana Engl. (uit Afrika) De inwoners van Afrika zeggen hiervan dat de boom zeven levens heeft, omdat als die gesneden wordt niet sterft, daarom wordt het ook als haagplant gebruikt. Bij de Toearegs wordt het gewas aanbeden, die vereren het als een symbool van onsterfelijkheid en plaatsen de plant op de graven.

Bdellium verschijnt in een aantal oude bronnen. In Akkadisch was het bekend als budulhu. Theophrastus is de eerste klassieke auteur die het vermeldt en Plautus is de tweede in zijn Curculio. Plinius de oudere beschrijft het als "een boom met en zwarte kleur en de grootte van een olijf, zijn bladeren lijken op die van een eik en zijn vrucht op de wilde vijg" (N.H. 12.19). het was en ingrediĎnt van oude geneesmeesters, van Galenus tot Paulus Aegineta.

Hebreeuws bedolach was een aromatische gom die op mirre leek en dat uit en boom vloeide. Het zou kunnen komen van Commiphora wrightii, die nu gugul genoemd wordt of Commiphora roxburghii, Engl. die de bdellium van India levert, het is een plant die uit India komt en daar bekend is als mukul of gugul of Commiphora stocksiana, maar bdellium werd ook voor een Afrikaanse soort gebruikt, Commiphora africana.

Bdellium was een vervanger van de kostbare mirre en guggul wordt nog steeds als binder gebruikt in parfums. Het woord verschijnt tweemaal in de Hebreeuwse bijbel. 

 

De vraag is of dit de Afrikaanse bdellium, bedoloch of b'dolach van de Bijbel is die gebruikt wordt in Genesis 2:12 en een paar duizend jaar later weer verschijnt in Numeri 11:6/7.

Genesis 2: 12; ‘De naam van het eerste is Pison, deze stroomt om het gehele land Havila, waar het goud is, en het goud van dat land is goed, daar is balsemhars (bdellium) en de steen chrysopraas. De naam van de tweede rivier is Gihon, deze stroomt om het gehele land EthiopiĎ’. Door sommigen wordt het dan ook vergeleken met een edelgesteente.

Numeri 11: 7 ‘Het maman nu leek op korianderzaad en het zag eruit als balsemhars (bedolach, bedellium)’.

Het is mogelijk dat dit woord ook op een kostbaar gesteente slaat, een hars of volgens sommigen op of Borassus flabellifer, L. deze laatste is een palm die in India groeit en lijkt onwaarschijnlijk.

 

De vraag is alleen, waar lag Eden, richting Afrika of India? Plinius noemde het afkomstig van Arabische Felix, ook noteerde hij dat het gezonden werd van Bactria in India, van Beverwijck noemt ook twee plaatsen van afkomst.

 

Commiphora gileadensis (L.) C. Chr. (uit Gilead) Balsam van Gilead of Jericho. De pure en echte gom is tweemaal zijn gewicht in zilver waard. Struiken in cultivatie werden dan ook door wachters beschermd. Het was een embleem van Juda.

De gom wordt in de zomer verzameld als het bloedheet is. Met een scherp voorwerp worden er in de hogere delen van de stam insnijdingen gemaakt. De druppelende hars werd in doeken opgevangen of eraf gekrabd waarbij er zorgvuldig op gelet moet worden dat geen ijzer de bast van de heilige boom verwondde, dat zou de goden boos maken. Men snijdt de takken met een scherpe steen of scherp been. Die het met ijzer snijdt, versnijdt gelijk zijn krachten en zijn natuur. Ook moet de balsem altijd getild worden door een christen, anders zou het niet werken.

De balsem werd in wollen zakken verzameld en op kamelen gepakt die met andere geurstoffen over de wierookstraat naar de handelsplaatsen aan de oost- en zuidkust van M. Zeegebied gevoerd werden.

Met de hars werden gestorven heersers en waardigheidsdragers gebalsemd om hen de toegang tot het dodenrijk te verzekeren.

 

Bijbel.

Genesis 37: 25 ‘wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen’.

Jeremia 8: 22 ‘Is er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?’ 46: 11, ‘Trek op naar Gilead en haal balsem, o jonkvrouw, dochter van Egypte, tevergeefs neemt gij veel geneesmiddelen, voor u is er geen genezing’. 51: 8 ‘Haalt balsem voor zijn pijn, misschien is het te genezen’.

Het woord tzori, tzeri of tzari is als inlands product mogelijk deze gom, zie Balanites, in Grieks wordt het vertaald als resin of gom.

Men geloofde dat deze balsem zo krachtig was, dat als je er een vinger mee insmeerde hij door vuur kon gaan zonder pijn te lijden. Vandaar het gezegde: “Is er geen balsem in Gilead?" in de betekenis dat er geen heling voor de zieken is.

1 Koningen 10: 10 ‘Zij gaf de koning honderd twintig talenten goud, zeer veel specerijen en edelgesteenten, zulke specerij, als de koningin van Sheba aan koning Salomon gaf, is nooit meer aangekomen’.

2 Koningen 20: 13 ‘En Hizkia hoorde naar hem en hij liet hem zijn gehele schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen, en de kostbare olie’.’

Hooglied 3: 6 ‘ Wat trekt daar op uit de woestijn, als zuilen van rook, omgeurt van mirre en wierook en allerlei reukwerk van den koopman?

Jesaja 39: 2 ‘En Hizkia verheugde zich over hun komst en hij liet hun zijn schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olie’.

EzechiĎl 27: 17 ‘Juda en het land IsraĎl dreven handel met u; tarwe van Minnith, mirre, honig, olie en balsem leverden zij voor uw koopwaar’.’

Ecclesiasticus 50: 8 ‘als de takken van de wierookboom in de zomertijd’.

De balsem van EzechiĎl is hetzelfde Hebreeuwse woord tzo’ri of tzari als in Genesis 43: 11.

In Hooglied 1: 5 wordt het woord basam of bosem gebruikt wat verwijst naar de balsem van Gilead, wiens Arabische naam basham of balasan is, zelfs tegenwoordig nog. Zie Astragalus. De varianten van deze of hetzelfde woord, besem en bosem, verschijnen geregeld in het O.T. en staan voor specerijen of zoete geuren. De context van Ecclesiasticus vraagt om een boom met wiens groei en verschijning de IsraĎlieten bekend was en toch een zeldzame specerij was. Het lijkt daarom logisch dat het woord wierookboom of frankincense tree in die passage fout is, mogelijk was het de balm of Gilead.

Hooglied 3: 6 wordt wel vertaald als ‘all the powders of the perfumer’’. (Hebreeuws avkat rochel)

De soortnaam was gileadense en wordt beschouwd als inlands in Gilead, maar is inlands in ArabiĎ, vooral de berggebieden rond Yemen. Zo kan het nooit de balsem zijn die Jacob naar Egypte stuurde. Maar Josephus (die het myrobalanum noemde) zegt dat het gecultiveerd werd in Palestina in de tijd van Salomon, vooral rond Jericho. Met hem en vele andere schrijvers zijn van mening dat deze plant via zaad door de koningin van Sheba meegebracht is als een deel van haar gift van specerijen. Maar het is wel opvallend dat er geen vermelding is van de tijd van Salomon af tot Josephus tijd, een periode van 1000 jaar. De bomen waren nog in de vlakte van Jericho toen de Romeinen kwamen.

 

Embleem van Juda.

De boom is afkomstig uit Z. ArabiĎ, EthiopiĎ en Jemen. De Joden geloven dat de struik geplant was door Salomon. Naar deze historie zouden de eerste planten gebracht zijn door de Koningin van Sheba. Jonge plantjes zouden geplant zijn op de vlakte van Jericho, waar het een van de schatten van het land werden. De balsem groeit alleen daar op 1 plaats.

Er is in ieder geval geen twijfel aan dat er lang geleden balsembomen te Jericho gegroeid zijn. Het gewas zou mogelijk al in Alexander de Groottes tijd al in Palestina en het Jordaan dal gecultiveerd zijn geweest. "De echte Balsem komt uit gelukkig ArabiĎ, gelijk de Griekse historieschrijvers Pausanius, en Diodorus Siculus getuigen, en van daar is hij in Joden‑land".

De vraag is alleen of ze geplant waren in Salomons tijd. Theophrastus wist vaag dat ze groeiden in een vallei te SyriĎ en vertelde dat er maar twee parken waren waar ze voorkwamen.

Bij de verovering van Juda werden ze bij de eerste de beste gelegenheid naar Rome gebracht door Pompeē, waar ze in de straten van Rome voor het publiek tentoongesteld werden. Toen Titus Vespasianus Jeruzalem vernietigde, 70 na Chr., was deze struik ook onder zijn buit als een teken van de overwinning op de Joden. Een keizerlijke garde werd er bij gezet om ze voor vernieling te vrijwaren. Zij zijn daar gebleven tot de Moslimoverheersing in de 7de eeuw na Chr. Waar ze verwaarloosd werden en geen spoor was er meer te zien in de tijd dat de kruisvaarders kwamen, 1099-1244 na Chr..

 

Egypte.

Boven de Dode Zee, bij de berg Engaddi lag de Hortus Balsami. In de tijd van Herodotus de Grote bracht Cleopatra uit jaloersheid tegen Herodotus deze tuin over naar het Egyptische Babylon met toestemming van Antonius. Zo'n bosje zou het tot de 17de eeuw overleven, bij de bron van Matarya, niet ver van Caēro. Deze bron is beroemd om zijn oude Sycomore waaronder de heilige familie geschuild zou hebben. De echter mekka balsam schijnt uitgeroeid te zijn. Maar Engelse botanisten dachten dat ze onder deze oude Sycomore bij Materea noch enkele gezien hadden.

 

Commiphora myrrha, Engl. (mirre of myrrhe) De klassieke schrijvers noemen ArabiĎ als het land waar de gom uit afkomstig is, die zij murr noemen. In de Bijbel heet de gom mor, in Arabisch murr en dit werd in Latijn myrrha, in Frans myrrhe, in oud-Frans was het mirre, Engels myrrh, het Duitse Myrrhe verschijnt bij Luther. De Arabische naam betekent bitter en het Hebreeuwse woord voor bitter lijkt er veel op, mar is bitter .(Mara) Enige twijfel is er over Hooglied 1: 13 omdat hier gesproken wordt over een bundeltje mirre. Mogelijk wordt hier gedoeld op Myrrhis odorata, Scop, een 60‑90 cm grote en aangenaam geurende plant die in bundels verzameld wordt.

Het Griekse woord voor myrrhe, μύρον, kan als een synoniem gezien worden voor parfum.  De term myrrhophoro; mirre dragend, wordt gegeven aan vrouwen, vooral de Maria’s, die de specerijen droegen naar het graf van Jezus. Ze worden meestal afgebeeld al dragende een vaas mirre. Het was een onderdeel van de heilige olie, David bezingt het en Salomon verheerlijkt het. In oud Rome was mirre 5 maal duurder dan wierook. Het werd gebrand bij begrafenissen om de geur te verdrijven.

 

Bijbel.

Exodus 30: 23 ‘Gij nu, neem u zeer fijne specerijen ; vijfhonderd sikkel vanzelf gevloeide mirre’’.

Esther 2: 12 ‘ Wanneer nu een meisje aan de beurt was om bij koning Ahasverus te komen, nadat zij gedurende twaalf maanden aan de voor de vrouwen geldende bepalingen onderworpen was geweest – want de tijd voor het gebruik van schoonheidsmiddelen werd aldus ingedeeld ; zes maanden met mirreolie en zes maanden met balsem en schoonheidsmiddelen der vrouwen’’.

Psalm 45: 8 ‘mirre, aloĎ en cassia zijn al uw klederen’.

Spreuken 7: 17 ‘Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloĎ en kaneel.’

Hooglied 1: 13 ‘Mijn geliefde is mij een bundeltje mirre, 3: 6 ‘omgeurt van mirre en wierook’.

Mattheüs 2: 11 ‘en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre’.

Marcus 15: 23 ‘En zij gaven hem wijn, met mirre gemengd’’

Openbaringen 18: 13 ‘kaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn’.

In het Oude- en Nieuwe Testament wordt het vermeld en gebruikt bij de reiniging van de vrouwen en het balsemen Zie Johannes 19: 39. In het Oude Testament wacht een minnares haar geliefde op al geurend naar mirre. Jonge Joodse vrouwen gebruiken ter verhoging van hun schoonheid een huidbehandeling met mirreolie.

Mirre zet uit bij verwarming, zonder te smelten en geeft dan een aangename geur. Mirre is naast wierook een van de oudst gebruikte middelen bij het roken. De oude Egyptenaren gebruikten mirre in tempels en voor inbalsemen van de doden.  Hier heet ze “anti su”: droge mirre. Wierook rookten ze voor de zonnegod te Heliopolis driemaal per dag, mirre werd gekozen voor de morgen offers en een ander bij het aanbreken van de dag en een mengsel voor de avond. 1600 v. Chr. werd op de wanden van Karnak geschreven, "de welriekende geuren verheugen het hart" waar op mirre gedoeld werd.

Rosengarten: "Omdat de mirreboom in Egypte niet voorkwam, besloot de vrouwelijke Farao Hatsjepsoet in 1485 v. Chr. ze te halen. Ze moesten dan geplant worden voor een steile rotswand ten westen van Thebe, bij de tempel Dei‑el‑bahri, als een begin van een schitterende mirretuin, ter eren van de god Amon. De expeditie bestond uit 5 zeilschepen die vanaf Thebe de Nijl afvoer naar de Delta, door het kanaal van de Rode Zee en vandaar langs de Afrikaanse kust naar Poent. Ze kwamen terug met 31 mirrebomen, ebbenhout, goud zilver, kaneel, oog make-up, panterhuiden, apen, bavianen, honden en een grote hoeveelheid mirrehars." Cleopatra gebruikte een haarolie van mirre. Op de Eberspapyrus werd het door de heelmeesters in- en uitwendig gebruikt.

Er waren oudtijds twee soorten. Myrrha electa was de beste soort en vloeide vanzelf uit de boom. Die wordt bij Plinius stacte genoemd.

 

Conium maculatum, L. (gevlekt) gevlekte scheerling. Conium is afgeleid van Grieks kanao, konos of koneisthai voor wat in een kring ronddraaien betekent, een verwijzing naar de duizeligheid die optreedt bij het eten van deze plant. Theophrastus en Dioscorides beschreven onder Koneion een plant die waarschijnlijk de gevlekte scheerling was. Conium en Cicuta waren synoniemen, Cicuta groeit niet in zuidelijke gebieden. Conium kan ook uitgelegd worden van het woord kone, dat moord betekent. In het oude Griekenland werden vroeger misdadigers, filosofen (andersdenkenden) met het sap van deze plant uit de weg geruimd.

 

Bijbel.

Gal is de vertegenwoordiger van de Hebreeuwse termen Mererah of Merorah en Rosh of Rosj. De eerste twee duiden aan, dat is bitter .(Job 13: 26) Deze term is ook gebruikt bij de doordringendheid van gal wegens zijn intense bitterheid. (Job 16: 13, 20: 25) Ook gebruikt als vergif van serpenten. (Job 20: 14)

Verder verwijst het woord rosh naar een plantaardig product. Rosh, gewoonlijk vertaald als gal, is in Hosea 10: 4 een verwijzing naar de scheerling, in Job 20: 26 wijst ze op het gif of venijn van slangen. In Deuteronium 29: 18 en Klaaglied 3:19, vergeleken met Hosea 10: 4, is het een teken dat het Hebreeuwse woord duidt op een bittere, waarschijnlijk giftige plant. (Holy Bible) Als bittere plant kan dit ook als alsem vertaald worden, maar kan ook voor elk bitter kruid genomen worden.

 

Citrullus.

Citrullus colocynthis Schrad. (kauwoerde) Citrullus heeft zijn naam van de Griekse kitron, de citroen. De vruchten lijken op een sinaasappel of op andere Citrus soorten.

’Onze voorvaders noemden het ook Fel terrae en Nex plantarum of Mors in olla, als of men zei aardgal, dood van alle kruiden of dood in de pot omdat dit gewas zo bitter en schadelijk is dat het de naaste kruiden laat sterven’.

1 Koningen 6:18 ‘En cederhout was aan het huis van binnen, beeldwerk van kolokwinten en open bloemknoppen’, 7: 24 ‘Beneden de rand waren  kolokwinten, die haar geheel omgaven, tien in een el, geheel rondom de zee, in twee rijen zaten de kolokwinten in een gietsel met haar gegoten’.

De vertaling van de mysterieuze bloemknoppen lijkt logisch naar het vervolg dat het een kolokwint is. Het Hebreeuwse woord is k’la’at p’kaim wat literair betekent een uitkomende bloem.

2 Koningen 4: 39-40 ‘Toen Elias naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het land. Terwijl de profeten voor hem gezeten waren, zei hij tot zijn knecht: Zet de grootste pot op en kook moes voor de profeten. Daarop ging er een naar het veld om groenten te plukken; en hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan wilde kolokwinten, zijn kleed vol. Toen hij teruggekomen was, sneed hij die in stukjes in de moespot; want zij kenden ze niet. Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit: De dood is in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten. Doch hij zei, Haal dan meel. En hij wierp het in den pot en zei: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets kwaads meer in de pot’.

De vergiftigde vrucht van een wilde klimplant werd door de jonge profeten bij vergissing voor eetbare meloenen gehouden. Waeker vermeldt dat het woord dat daar gebruikt wordt pakknoth'sadeh is, wat openbarsten betekent. K’la’at pkaim of pakknoth-sadeh, In Grieks werd het vertaald als een rond soort wilde kauwoerde.

Naar het vroegere gebruik om het met meel te mengen is het eetbaar, maar blijft bitter. Naar de tekst te oordelen kende Elisa deze vrucht en handelde dienovereenkomstig. Vreemd blijft evenwel dat dit Sunamitische natuurvolk de vruchten niet kent die vlak bij hen groeien. Momenteel wordt de kolokwint geteeld om zijn eigenschappen, die had het vroeger ook.

Linnaeus geloofde dat Cucumis prophetarum, L. de profetenplant was van Elias, zijn vruchten zijn maar een paar cm in diameter en ofschoon ze bitter zijn, niet giftig. Ook zijn er die denken dat het Ecballium elaterium is. Die is daar gewoon, maar zijn vruchten zijn  bedekt met stekels en dorens zodat het moeilijk is om als voedsel te verzamelen zoals Elisa beschrijft. Ook zullen de rijpe vruchten openbarsten als ze aangeraakt worden. De etymologie van het Hebreeuwse woord paka betekent dan ook splijten of open barsten, maar dat doet de droge vrucht van de kolokwint ook als erop gestapt wordt, eigenlijk alle komkommerachtige. Alleen de kolokwint zou men per vergissing kunnen aanzien voor een meloen. Op de top van de berg Karmel is een veld met smalle, ronde stenen waarvan gezegd wordt dat het de meloenen zijn geweest die door Elia’ s woede in stenen veranderd werden.

Het Hebreeuwse originele woord voor de wilde druif is gefen sadeh. Moldenke gelooft dat de gal van Deuteronium 29: 18, 32: 32, Psalm 69: 21, Jeremia 9: 15, 23: 15 Klaagliederen 3: 5 en 9, Amos 6: 12, Mattheüs 27: 34 en Handelingen 8: 23 voor deze plant geldt.

In Job 20: 14 wordt het Hebreeuwse woord m’reeroot of merorah vertaald als gal en slaat duidelijk op venijn van serpenten, meer dat van een plant. Waar m’reeroot of merorah verschijnt wordt dit meestal vertaald als gal, het gal van mensen en dieren, Job 13: 26, 16: 13 en 20: 25.

 

 

Coriandrum sativum, L. (gekweekt) Coriandrum komt van het Griekse koriannon (ook korion) mogelijk van koris: een wandluis, en annon: anijsachtig, de bladeren ruiken naar wantsen en de vruchten naar anijs, Duitse Wantlusenkraut, Wanzendill  of Wanzenkraut. Bij volle rijpheid worden ze aromatisch en hoe langer je ze bewaart hoe meer de geur verbetert. Koriander.

 

Bijbel.

Exodus 16: 31 ‘Het huis IsraĎls noemde het manna, en het was wit als korianderzaad’.

Numeri 11: 7 ‘Het man leek op korianderzaad en het zag eruit als balsemhars’’

Het Hebreeuwse woord gad, dat koriander werd in alle vertalingen, lijkt duidelijk te wijzen op korianderzaad. Het wordt geregeld vermeld in de Talmoed.

Het manna werd vergeleken met het witte korianderzaad, Numeri 11: 7 en zag eruit als balsamhars, (Commiphora africana) een hars dat er uit ziet als parels. Hieruit zou je afleiden dat het zaad wit is en van een parelachtige vorm.

Koriander heeft echter ronde, bolvormige en grijs/bruine zaden.

De enigste plant die qua kleur en vorm overeenkomt met de tekst is Sesamum indicum, die als belangrijke olievrucht al vermeld wordt door Herodotus in zijn Babylonische reis.

 

Sesamum indicum, DC. (Indisch) Sesamum, het woord sesamum is genomen van sēsámon of sesame, een oude Griekse naam, dit is een Semitisch leenwoord die door Hippocrates uit het Arabisch is aangenomen, Arabische semsen of simsim, Aramees shūmshĕmā, laat Babylonisch shawash-shammu, dat van Assyrisch shamash-shammū, van shaman shammī; plantolie en dit uiteindelijk van Akkadisch samassammu.

Palestina kweekt de fijnste sesam en het is daar, net als in Egypte, meer dan een broodvrucht, gebruikt voor gebak, dagelijkse gerechten en specerijen. Gepeld sesamzaad wordt verwerkt in de Joodse lekkernij halvah.

Sesamzaad is momenteel een van de belangrijkste olieleveranciers. De zaden bevatten 44‑45% olie, 18‑22% eiwitten en 15% koolhydraten. Sesam levert een olie die bekend is onder de naam gingilic-olie of benne-olie. De olie wordt gebruikt als slaolie, bakolie en in cholesterolarme diĎten, het is een van de bronnen van meervoudig en onverzadigde vetzuren. In India wordt de olie ook gebruikt als een lichaamsolie. In de geneeskunde wordt het gebruikt als laxerend middel en tonicum. Sesam olie wordt niet ranzig, droogt niet op en kan de olijvenolie vervangen. Het zou vroeger wel eens als valse olijfolie verkocht zijn. Met de olijfolie zou het tot de oudste consumptieolies behoren. Sesam zou al duizenden jaren gecultiveerd zijn. Het kruid wordt vermeld in de Eberspapyrus en daar als sesemt 1550 v. Chr., en in Sanskritische geschriften. In een 4000 jaar oud Egyptisch graf is er een afbeelding waar een bakker sesam in deeg roert, in het graf van Toetanchamon werden er zaden van gevonden.

 

Bijbel.

In Exodus en Numeri komt het woord gad voor. Gath is de koningsstad in het land van de Filistijnen. De Hebreeuwse naam betekent persbak, vergelijk Geth-semane: olie-persbak.

Gad komt ook voor in Jesaja 65: 11 waar Gad een Aramese god is die samen met Meni een godenmaaltijd gebruikt. Baal‑Gad zien we in Jozua 11: 17. Gad is ook een persoonsnaam, de zoon van Jacob, een ziener in de tijd van David, verder komt Gaddi en Azgad voor. De stad Gadera lag aan de overzijde van de Jordaan, wat bij Josephus en andere vroegere schrijvers vermeld wordt. Bij Markus 5: 1 en Lukas 8: 26 staat in het Grieks Gadarenen (in plaats van Cerasenen) een plaats die Plinius Gaddara en Strabo Gadaris noemt. Verder is Gadda een stam in Juda tegen het O. van de Dode Zee, Gadda of Engaddi. Gaddi komt voor in 2 Koningen 10: 33, Gader de toren waar Ruben zijn vaders bed schond, Genesis 35: 21, Gaderoth of Gederoth 2 Kronieken 28: 18, Gadgad Numeri 33: 32, een berg Gador, 1 Kronieken 4: 39, een koning van Gader 12: 13 etc.

Gadeira, Gadir of Gades heet nu Cadiz en is een oude Phoenische havenplaats die van 1100 v. Chr. stamt. Naar Parthenius was dit de oude Sesamus die 300 v. Chr. een naamsverandering kreeg.

 

Naar het vele voorkomen van Gad en zelfs als afgod moet die naam, als het op een plant slaat, wel een zeer belangrijke plant zijn. Volgens Meyers betekent Gad geluk.

 

De meeste schrijvers verwijzen in Exodus en Numeri met het woord Gad naar de koriander en zou zo genoemd zijn de in de Talmoed.

Naar de persbak en als olievrucht, een zeer belangrijke handelswaar, kan ook aan de sesam gedacht worden, temeer omdat de olijf landinwaarts geen vruchten levert en sesam dan een goede en gemakkelijke vervanger zou zijn.

Sesam met zijn witte kleur en parelvormige zaden beantwoordt dan ook meer aan de gestelde normen van Exodus en Numeri dan de koriander. Bovendien groeit de olijf, de andere olieproducent, alleen aan de M. Zeekusten zodat meer landinwaarts alleen olie verkregen kon worden door dit te importeren, of door het zelf te kweken, maar dan van de Sesam.

 

Corylus.

Corylus avellana L. Oerverwant zijn uit oud-Iers, oud-Kymrisch coll (uit coslo), wat verwant is met het Latijnse corulus, jonger corylus. Dit woord is gevormd naar het Griekse korus: hetgeen hoed of helm betekent en een verwijzing is naar de bloemkelk die de noot bedekt. Avellana", kreeg het vermoedelijk van de stad Abella (Abellinum) uit het oude CampaniĎ of van de stad Abellare uit Turkije, beide centra van de hazelnotenteelt. De Romeinse schrijver Cato vermeldde al de Pontische of Abellana noot. Hazelaar.

 

Bijbel.

In de Bijbel nam Jacob roeden van groen populierenhout en van hazelaar en van kastanje Genesis 30; 37,38.  Meestal wordt er amandelhout vermeld, zie daar.

 

Crocus sativus, L. (gekweekt, tam) Griekse krokos betekent saffraan. Waarschijnlijk is dit afgeleid van kroke: een draad, naar de winning van saffraan stempels. Of naar zijn afkomst, de stad Coricus in Klein-AziĎ.

In het Arabisch betekent het woord asfar: geel, en za'faran: met geel verven, Perzisch zaafer. In de Semitische taal is het een attribuut van en de morgen- en de avondzon. Van die taal is het Engelse saffron, het Frans safran en het Hollandse saffraan afgeleid.

 

Bijbel.

Hooglied 4: 14 ‘nardus en saffraan, kalmoes en kaneel’.

In Hooglied 4: 13,14 komt het woord karkom voor of (k)carcon, wat als saffraan vertaald wordt. (Zohary) Dalman geeft als Arabisch woord voor Crocus sativus za'faran en kurkum op, dezelfde woorden worden echter ook gebruikt voor Carthamus en de naam za'faran geldt ook voor Colchicum die ook voor geelverven gebruikt werd.

Saffraan was hier in gebruik als kleur en smaakstof, gelijk als de Curcuma of geelwortel bij de oosterlingen.

In Sanskriet heet saffraan kurkuma en het Aramees heeft kurkema.

 

Curcuma.

Curcuma is de naam van de geelwortel, kurkuma en in enkelvoud kurkum. In oud-MesopotamiĎ is het met de Akkadische naam sam kurkanu gevonden: wat curcuma van de bergen betekent. Het kruid Curcuma groeit dan ook in India op de bergen. Volgens Roxburgh is Curcuma longa, L. de Curcuma van Avicenna en wordt in het Hebreeuws kurkum genoemd.

Dit kruid is mogelijk de karkom of de Arabische kurkum.

Als we naar het Hooglied omzien zien we nardus, kalmoes, kaneel, samen met de karkom. Dit zijn allemaal uitheemse kruiden, afkomstig richting India, mogelijk via de zijderoute.

De saffraan krokus ging in vroegere tijden van west naar oost en kurkum van oost naar west. Als aromatische stof staat de geelwortel ver boven de vrijwel reukloze saffraan en komt dichter bij de in het Hooglied gebruikte kruiden. Saffraan komt dan als inlands gewas ook te kort voor in de Bijbel.

 

Bijbel.

Crocus cancellatus, ‘Damascenus’ G. Maw. (met een rooster, getekend patroon) is grijs/blauw. Crocus hyemalis, Boiss. (behorende tot de winter) De winterkrokus is witachtig  met lila banden van binnen en een gele bodem. Crocus vitellinus, Wahlenb. (dooier van een ei, de kleur) Is oranje/geel en Crocus zonatus, J. Gay (met zones)  in licht lila, komen in IsraĎl voor.

Hooglied 6: 4 ‘Schoon zijt gij, mijn liefste, als Tirza, lieflijk als Jeruzalem’.

Door Moldenke wordt aangenomen dat met het woord Tirzah in Hooglied een bloem bedoeld wordt. Omdat de vers begint met een speech van een man aan zijn meisje wordt aangenomen dat er geen stad bedoeld wordt, maar een bloem en noemt de Moffatversie: "Schoon zijt gij, mijn liefste als een krokus, liefelijk als een lelie der dalen".

Dan niet de saffraan, de karkom, maar een voor vermelde soort.

 

Cucumis melo, L. (vrucht) Cucumis is Latijn voor komkommer. Het woord is afgeleid van curvatura: omkromming, omdat de ranken zeer krom zijn. Varro zegt dat het van  curvor komt, Cucummeres, zegt hij, quasi curvimeres, een afleiding die niets zegt, het betekent zoveel als kromkommer.

We vinden in de historie nergens iets terug van de meloen, van de opvallende vrucht wordt het sap nu nog als vervanger van suiker gebruikt. Een vrucht als een kostelijke boomvrucht die op de tong smelt met een goudgele of zacht witte kleur. Een vrucht die met zijn geur de markt vervult, een vrucht met zijn geur vergeven. Zo'n vrucht moet wel meerdere malen beschreven zijn.

Eerst onder de latere Romeinse keizers herkennen we in een schrift een als Melo genoemde vrucht die, net als de perzik, tot de delicatessen gerekend werd. Plinius bericht dat in CampaniĎ toevallig een nieuw soort komkommer ontstaan was, "mali cotonei effigie", ofwel "ingesloten met de goudgele kleur van de kwee". Het wonderbare van deze melopepones was, buiten de ronde vorm, de geur. De naam werd later afgekort in oud-Frans tot melon, van laat Latijn melo en dit van melonis. Meloen, Duits Melaun of Melun, Melone of Zuckermelone, Engels melon en Franse melone sucre.

 

Bijbel.

Numeri 11: 5 ‘’Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen’.

In Numeri 11:5 komt het woord avatiach, avatichim of abattichim voor, als een van de dingen die ze vanuit Egypte misten. Volgens Moldenke slaat dit op de meloen. Er is twijfel of dit de muskusmeloen of de watermeloen is, Citrullus vulgaris, beiden waren aanwezig in Egypte en Palestina. Volgens Dalman is het Arabische woord battich, wat wel wat lijkt op a‑battich‑im.

 

Cucumis sativus, L. (gekweekt) komkommer. De komkommer van de oudheid was een grote en nu niet meer gekweekte soort die voor verfrissing werd gegeten, in stadium van rijpheid werd de vrucht gekookt of gebakken. De komkommer werd wel gebruikt als een soort beulingen, men stopte ze vol met vlees en kruiden, waarna ze gekookt werden en zo opgediend.

 

Bijbel.

Numeri 11: 5 ‘Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en meloenen’

Jesaja 1: 8 ‘En de dochter van Sion is achtergebleven als ene hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld’.

Het woord dat in de bijbel gebruikt wordt en vertaald als komkommer is kishuim of kisjoeim, een komkommerhof is echter miksjah.

Soorten van Cucurbitaceae komen voor in Numeri 11: 5, als een van de vruchten waar de Joden naar verlangden en ze misten vanuit Egypte.

Met het woord kischuim en abattichim worden komkommers en meloenen aangeduid. Het zijn woorden die tot op de huidige dag nog bij Semitische volkeren bestaan. De komkommer is wel een meloenvorm geweest met kleine vruchten, niet groter dan een kippenei, die in de tijd dat het gehele Nijldal nog niet voor akkerbouw gebruikt werd, daar overvloedig in het wild werd aangetroffen. Bij de komkommer wordt aan Cucumis chate, L. gedacht, de stamvorm van de komkommer, een grote lange vrucht die nog onder deze naam in de Levant gebruikt wordt.

Bij Homerus en Hesiodus vinden we voor deze vruchten later gebruikelijke benamingen, een aanduiding, die op de kennis hiervan zou kunnen slaan. Zo’n naam komt met de naam van de stad Sicyon: de komkommerstad, overeen hoewel er twijfels kunnen zijn over de datum van invoering in de Ilias. De stad Sicyon heette bij Hesiodus nog Mekone. Waarschijnlijk kwam zo de eerste komkommer in de 5de eeuw v. Chr. naar Griekenland en mogelijk terzelfder tijd naar ItaliĎ.

 

Cuminum cyminum, L. (komijn) De voor Aziatische plant heet in Sumerisch gamun, in het Assyrisch kamunu: muizenkruid, in het Arabisch kammun of kamuwn en in het Hebreeuws chamonach en vandaar kammon, in EthiopiĎ kemun. Uit het Semitische woord kammon: specerij, is over het Griekse κύμινον, kuminon of kyminon, het Latijnse cuminum afgeleid en dit betekent voortbrengen omdat het kruid zeer krachtig zou zijn tegen onvruchtbaarheid. Volk etymologie verbindt het woord met de Perzische stad Kerman waar, zoals het verhaal gaat, de meeste van de oude Perzische komijn vandaan kwam.

 

Bijbel.

Jesaja 28: 25 en 27 ‘Immers, als hij de oppervlakte gelijk gemaakt heeft, dan strooit hij dille en werpt komijn uit, en tarwe zaait hij op rijen, gerst in vakken en spelt langs den rand. En zijn God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem. Dille toch wordt niet met een dorsslede gedorst en over komijn rolt men geen wagenrad, maar dille wordt met een stok uitgeklopt en komijn met een roede’.

Mattheüs 23: 23 ‘want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn’.

In Jesaja 28:25/27 wordt verhaald hoe het geoogst wordt, een manier die nog steeds gedaan wordt. Op een andere manier zouden de zachte zaden verwoest worden.

In het Hebreeuws heet het cammon, cammoin of kammon. Een plaats wordt zo genoemd bij Acre, Kammon, die zijn naam aan het kruid heeft te danken.

 

 

Butomus.

Butomus umbellatus L. (scherm vormend) zwanenbloem. Butomus komt van het Griekse boutemos, bous: een os, en temno: snijden, een verwijzing naar zijn scherpe sap dat in de mond bloeding veroorzaakt. Of van ossen snijden omdat de ossen ze graag eten en afsnijden. Een naam van Theophrastus, 4de eeuw v. Chr.

 

Bijbel.

De zwanenbloem zou volgens sommigen de plant van de Nijl zijn in de Bijbel, waar de koeien na de zeven jaren zich te goed deden aan het oevergras.

Genesis 41: 2 ‘En zie uit den Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en zij weidden in het oevergras’.

Job 8: 11 ‘Groeit het oevergras, waar geen water is?

Er is onzekerheid over dit woord. Mogelijk dat het woord achu in Job 8:11 slaat op zo'n soort, soorten die niet zo nuttig zijn als Cyperus esculentus. Achu is een woord van Egyptisch origine, dat op een groen en arm kruid slaat die in vochtige plaatsen groeit.

groeit. In de Job passage groeit het samen met papyrus zodat het wel een bijzonder soort plant moet zijn, geen algemeen voorkomend gras. Het groeit langs het water en is geen papyrus, dan zou het Butomus kunnen zijn die daar voor komt. Zie Cyperus esculentus, maar die houdt meer van zandige, drogere gronden.

 

Scirpoides holoschoenus (L.) Soják (Scirpus-achtig) (volkomen knopbies)Kogelbies,

Scirpus zou afgeleid zijn van een Keltisch woord, cirs, wat touw betekent. Of van Latijn scirpo: ik bind, gebruik .

 

Bijbel.

Genesis 41: 2 ‘En ziet uit den Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en zij weidden in het oevergras’. Dat een van deze planten voedend zou zijn lijkt twijfelachtig, zie Butomus.

Job 8: 11 ‘ Schiet de bie op, waar geen moeras is? Groeit het oevergras, waar geen water is?’

Jesaja 9: 14, Toen sneed de Heer op een dag van IsraĎl kop en staart, palmtak en riet af’,19: 6 en 15 ‘ zodat de rivieren stinken, de Nijlarmen van Egypte droog lopen, riet en biezen verwelken…En Egypte zal geen werk hebben, dat door kop of staart, palmtak of riet, zou kunnen gedaan worden’’.

In IsraĎl zijn er een 15 Scirpus en 21 Juncus soorten. Zij groeien op vochtige gronden, moerasgronden. Mogelijk dat het woord achuin of achu in Job 8: 11 slaat op zo'n soort, soorten die niet zo nuttig zijn als Cyperus esculentus, de bies is wel Cyperus. Achu komt ook voor in Genesis, het is een woord dat van Egyptische origine is.

In Jesaja is het woord agmon of aghmon. De context lijkt te wijzen op een laag groeiend (symbolische nederige) plant als contrast tot de hoog groeiende (trotse), de hoge zou dan een palm zijn.

Ze bezitten een wortelstok en kunnen zo vele uitlopers maken en zijn daardoor grond bindend. Juncus maritimus, Juncus effusus, Scirpus holoschoenus var. linnaei, Scirpus lacustris, en Scirpus maritimus groeien daar.

 

Cyperus.

Of Cyperus stamt van Cypris (Venus) naar zijn minnedrift verwekkende eigenschappen. Of van het Hebreeuwse kophur: hars, dit naar de wortelstok van Cyperus longus die in de parfumindustrie gebruikt wordt. (vergelijk Cupressus)

 

Cyperus esculentus, L. (eetbaar) Knolcyperus, aardamandel en koffiewortel.

Door de Arabieren wordt de rietplant babeer genoemd. Biezen worden vertaald uit aroth of arot wat soms vertaald wordt als weiden. Onzekerheid heerst er echter over deze vertalingen.

 

Bijbel.

Dit gewas, zou naar zijn voorkomen, het welriekende oevergras, achu (kophur ?), kunnen zijn van Genesis 41:2. zie Butomus. Het woord vertaald als oevergras is achoe of achu. Dit is volgens Concordantie een Egyptisch woord en zou dus op een bepaalde plant kunnen slaan. Om te weiden moet de grond dan wel stevig zijn, het gras niet te hoog en eetbaar. Door Moldenke wordt Butomus voorgesteld, Concordantie noemt ook Cyperus esculentus.

 

Cyperus papyrus, L. (papier leverend) Het woord papyrus en dus ook ons woord papier is afgeleid van het oude Egyptische woord "pa-per-aa": dat "van de farao of koninklijk materiaal" betekent. Via het Griekse papyros verscheen ons woord papier. De Egyptenaren hadden een monopolie van dit papier maar de FeniciĎrs beheersten de handel hiervan, via hun haven Byblus. Bij de Grieken kwam dit papier dan ook uit Byblus. Hun naam ervoor was dan ook byblus en vandaar kwam de uitdrukking biblion (boeken) en tenslotte onze naam voor het Boek der Boeken, de Bijbel.

 

Bijbel.

Van dit materiaal zouden in AbessiniĎ nog boten gemaakt worden. Dit gebruik stamt uit de oude Egyptische tijd. Naar dit voorbeeld probeerde Thor Heyerdal te bewijzen dat met een boot van dit materiaal de oceaan overgestoken kon worden. De boot noemde hij Ra II.

Zo'n boot komt ook in de Bijbel voor: Job 9:26 "Zij glijden voorbij gelijk biezen boten" en zo ook in Jesaja 18:2.

Jesaja 19: 6-7, 35: 7, 58: 5: "De Nijlarmen van Egypte leeglopen en droog worden, riet en biezen verwelken". Riet hier, gomeh of gome duidt vermoedelijk op Cyperus papyrus. Het Hebreeuwse woord voor papierplant zou gome, gomeh of gome zijn. Het biezen kistje van Mozes zou ervan gemaakt zijn, Exodus 2:3 ’daarom nam zij voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en pek, legde het kind er in en zette het in het riet aan den oever van den Nijl’.

:Het zou ook het oevergras van Job 8: 11 zijn,  "Schiet de bieze op, waar geen moeras is? Groeit het oevergras waar geen water is?" In Job is het eerste woord gome. (mogelijk Cyperus papyrus)

 

Schrijven.

3 MakkabeeĎn 4: 20 komt de schrijfpen voor, ook in 3 Johannes 13, zie Arundo. Pennen om te schrijven op perkament of huiden waren gewoonlijk van riet. De oudste bekende schrift van schrijven van een Semitisch ras zijn waarschijnlijk de stenen van NinevĎ en Babylon. De oudste vermelding van schrijven in de bijbel is waarschijnlijk Numeri 17: 3 (rond 1471 v. Chr.) waar we zien dat het schrijven gedaan werd met hout. In 2 Esdras 14: 24 worden schrijftabletten van bukshout genoemd. In Job 19: 24 is een methode van schrijven van woorden in rots genoemd die dan gevuld wordt met gesmolten lood. In 2 Johannes 12 en 3 MakkabeeĎn 4: 20 wordt papier of papyrus vermeld. Voor gewoon gebruik worden houten tabletten bedekt met was, Lucas 1: 63. om hierop te schrijven was een gepunte stift ontwikkeld die vaak van ijzer was. Voor hardere materialen was een graveerstift ontwikkeld. Alleen voor het schrijven op perkament en huiden waren rietpennen nuttig. De inkt was lampzwart die opgelost was in galsap. Het werd in een koker gedragen aan de gordel, EzechiĎl 9: 2-3. De ambachtelijke schrijvers vinden we in Psalm 45: 1, Ezra 7: 6 en 2 Esdras 14: 24.

Herodotus vermeldt dat de IoniĎrs de kunst van schrijven leerden van de FeniciĎrs en dat hun boeken huiden genoemd werden omdat ze schapen en geitenhuiden gebruikten als er tekort papyrus was. In Josephus dagen werd perkament gebruikt voor het manuscript van de Pentateuch. De perkamenten van 2 Timotheüs 4: 13 waren perkamenten huiden. De Talmoed zegt dat de Wet alleen op huiden van zuivere dieren of vogels geschreven mag worden. Deze huiden werden opgerold op een of twee staven en met een draad bevestigd, de einden werden verzegeld, Psalm 40: 7-8, Jesaja 29: 11, 34: 4, Jeremia 36: 14, EzechiĎl 2: 9-10, DaniĎl 12: 4, Zacharias 5: 11, Openbaringen 5: 1. de rollen werden meestal aan een kant beschreven, zelden aan twee kanten, EzechiĎl 2: 9-10, Openbaringen 5: 11.

 

Diospyros ebenum. In oud-Egyptisch, wiens klinkers we niet kennen, heet het hout hbnj, (in Arabisch en Turks is het abenos, in Hebreeuwse Eben: steen, ebenezer: steen van mijn hulp) dit woord werd tot Grieks hebenos of ebenos en dit tot Latijn (h)ebenus. Vandaar stamt ebbenhout.

Diospyros, hierin zit het woord dios: goddelijk, en pyros; peer, of puros: tarwe, letterlijk een goddelijk voedsel.

 

Bijbel.

EzechiĎl 27: 15 ‘ivoor en ebbenhout brachten zij u als schatting’.

In EzechiĎl 27: 15 wordt het woord hobnim of havnim dan ook voor ebbenhout vertaald. Het is mogelijk dat dit door de PhoeniciĎrs van ver gehaald werd, uit India of van Ceylon. (Sri Lanka) Hoewel ze dit hout ook uit Afrika of Madagaskar konden halen als van Diospyros dendo, Diospyros haplostylis en Diospyros mespiliformis.

Van Dalbergia melanoxylon Guill stamt het ebbenhout van Senegal. Ebenoxylum verum levert het ebbenhout dat al in de  piramidebouw gebruikt en later uit SomaliĎ gehaald werd.

Het hout werd gebracht naar hun haven Tyrus en over land getransporteerd met kamelen. Ebbenhout en ivoor werden gebracht, mogelijk omdat ze samen gebruikt werden, of dat ze uit hetzelfde land gehaald werden. In Afrika is het ivoor van de olifanten groter en komt ebbenhout voor, dus. Nog wordt het witte ivoor ingelegd in het zwarte ebbenhout voor de contrastwerking.

 

Dorens.

Onder doornen verstaan wij een doornbos, distels of netelige gewassen. Deze drie door ons gebruikte termen zijn afgeleid van 18‑22 Hebreeuwse en 4 Griekse woorden die op prikkelende en doornige struiken slaan. Een enkele naam zou op een botanische naam duiden die dan voor ons nog vaak onbekend is. De meeste verwijzingen zijn dan ook nog vaak in figuurlijke zin gebruikt. Een doornig struikgewas, dit kan al op veel soorten slaan, de hoge struiketages van de Maquis, of de bedekking van de woeste gronden met lage doornige planten, de Batha. Deze doornige struiken zijn vaak door menselijke activiteit ontstaan. Sommige struiken hebben zich in de loop der eeuwen aangepast aan de vraat van de schapen en geiten, ezels en kamelen. Door menselijke activiteiten en het grazen van dieren is er een selectie ontstaan waarin vele stekelige planten gaan overheersen, omdat die planten tot het laatste toe gespaard zijn gebleven wegens hun doornen.

De meeste dorens zijn schadelijk voor de landbouw en slechts een enkel soort brengt vruchten voort die geschikt zijn voor consumptie. De meeste zijn echter alleen maar geschikt om als brandhout te dienen.

Het uitroeien van de doornstruiken om de akkers zaaiklaar te maken, behoorde tot de zwaarste werkzaamheden. In de zomer, tijdens de grote hitte en droogte, vatten ze gemakkelijk vlam en werden wel in brand gestoken. Verschillende malen wordt er dan ook gesproken over het branden van de doornstruiken. Wanneer die aangestoken branden de oogst of goederen van anderen aantastte bepaalde de wet van Mozes dat hij die de brand had aangestoken die moest vergoeden. (Exodus 22:6) Dat die doornen toch moeilijk te zuiveren waren zien we in Jeremia 4: 3. Vooral tijdens de oogst werden er ook doornen geoogst. (Richteren 8:7/16) De dorens en distels waren ook het symbool van zonde en ongerief, het is de straf die Adam kreeg opgelegd. (Genesis 3: 18) Het symbool van kwaaddoeners. (2 Samuel 23:6) Voor de vijanden van IsraĎl. (Numeri 33: 55) Zelfs is er sprake van verwoesting door doornen. (Jesaja 34:13) De akkers van de luiaards was dan ook gans opgeschoten met distels en netelen. (Spreuken 24:30)

De akkerbouwer ziet de distel dan ook als straffe Gods, Genesis 2.

Als straf voor de zondeval, Genesis 3:17-19, distels en doornen zult gij eten. Ontstaan door een woordbreuk, Job 31: 40. In de bijbel betekent de distel verval Jesaja 5:6, 7:23, 34:13 en Spreuken 24; 13.

 

Acanthus is afgeleid van het Griekse akanthos, ake: een doorn, anthos: een bloem.

In warmere streken zijn er Acanthus soorten die wel als onkruid kunnen voorkomen als Acanthus syriacus, Boiss. (uit SyriĎ) Ze zijn zeer lastig vanwege hun gedoornde bladeren.

Job 30: 7, ‘Tussen de struiken balken zij,

Onder de netelen hokken zij samen’.

Zefanja 2: 9 ‘Maob zal aan Sodom gelijk worden, en de Ammonieten aan Gomorra, een veld van distels en een zoutgroeve en een woestenij tot in de eeuwigheid’.

Het zou de netel, charul, kunnen zijn die volgens sommige toch echte brandnetels zijn, Urtica. Maar  ‘onder de netels hokken ze samen’ slaat wel op een hogere plant. En deze planten steken net zo goed als een brandnetel. Bovendien wordt hier het woord charul gebruikt in plaats van het woord kimmosh dat in Jesaja en Hosea verwijzingen zijn naar echte netels en het lijkt er op te wijzen dat hier een andere plant bedoeld wordt. Ook in Zefanja wordt in de originele tekst charul gebruikt. Het zou ook om doornige struiken kunnen gaan zodat het woord als struik, dorens, netels en als onkruiden vertaald wordt.

Acanthus wordt door Josephus gebruikt als de plaats waar Titus zijn leger vestigde, Akanthon, Vallis spinarum. De Arabische naam voor de plant is mar'awila. (Moldenke)

 

Centaurea.

Centaurea, het Griekse kentaureion is een klassieke naam van een plant naar de fabel van Ovidius dat die plant de wond genezen zou hebben van de voet Chiron of Chiron. Deze centaur was de eerste die de wond helende eigenschappen ontdekte. Hij genas de wond die hij had gekregen van een pijl die vergiftigd was met het bloed van het Pelopenese monster, de honderd koppige Hydra.

De meeste soorten van "korenbloem" zijn echte distels en zo stekelig dat ze het lopen op plaatsen met die planten bezet vrijwel onmogelijk maken.

 

Bijbel.

Genesis 3: 17-18 ‘En tot de mens zei Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft en doornen en distels zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas van het veld eten, in het zweet van  uw aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt’.

2 Koningen 14: 9 ‘De distel op de Libanon zond tot de ceder op de Libanon’.

2 Kronieken 25: 18 ‘Maar de dieren van het veld op den Libanon kwamen voorbij en vertrapten den distel’.

Hosea 10: 8 ‘Doornen en distels zullen uw altaren overwoekeren’.

HebreeĎrs 6: 8 ‘doch als hij doornen en distels draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking’.

Mattheüs 7: 16 ‘Aan hun vruchten zult gij ze kennen, men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels?’ 13: 7 ‘Een ander deel viel op de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het’.

Mogelijk zijn het een van de stekelige onkruiden onder de naam Dardar in de H. Schrift. Dardar betekent tranen. (Genesis 3:17)) In Grieks betekent het een prikkelige plant dat gebruikt wordt in het N. T. en verwijzen naar distels. Dit zou ook op een artisjok kunnen slaan, naar de tekst "Ik zal het naar je toebrengen". De kardoen en artisjok, Cynara cardunculus en Cynara scolymus, zijn inlands in Palestina. In oud Egypte was dit een geliefde groente. Een Egyptische koning beschreef dat hij bij een veldtocht in LibiĎ de wilde distel, kinara, verzamelde. Handeldrijvende Grieken noemden de plant skolymus. Op afbeeldingen in Egyptische grafkamers is de kardoen of artisjok te zien. In de 8ste eeuw v. Chr. kwam het naar Griekenland, 2de tot 4de eeuw na Chr. naar Z. ItaliĎ en pas in de 15de eeuw naar boven ItaliĎ en Frankrijk.

Scolymus maculatus L. (gevlekt) Scolymus, Grieks skolos: doorn, de bladpunten. Gouddistel. Is vrijwel gelijk met de Mariadistel, Silybum marianum Gaertn. en de minder of niet gevlekte Notobasis syriaca. (uit SyriĎ)

Job 31: 40 ‘en dan mogen dorens voor tarwe opschieten’.

Jesaja 34: 13 ‘In zijn burchten schieten dorens op’. De naam in Job is choach, wat in Grieks vertaald werd als net als dardar in tribulus. Velen denken dat het Notobasis syriaca als een plant die gewoon is in Jobs land.

Maar er groeien 125 distelsoorten in het Heilige Land. Een van de gewoonste en degene die meestal geciteerd wordt is de echte sterdistel, Centaurea calcitrapa, L., Centaurea iberica, Trev. Centaurea verutum, L. en Silybum marianum Gaertn, ook Notobasis syriaca. Mogelijk is de naam Dardar de naam voor de sterdistel, Mattheüs 13: 7 en HebreeĎrs 6: 8, Centaurea calcitrapa, en de naam choach een algemene naam voor alle stekelige onkruiden.

De Arabische naam voor Centaurea calcitrapo, L. is schaub‑ed‑dardar, Scolymus pallescens, Del. (verblekend) en heet in N. ArabiĎ durdar.

Sommige schrijvers zijn misleid door het Griekse woord en veronderstellen de land caltrops, aardangels, Tribulus terrestris, L., nu Pedalium murex. Het woord tribulus in de Septuagint komt voor een deel van de vertaling van het woord dardar. Maar het zou niet deze plant zijn die pas later de naam kreeg van Tournefort.

 

Xanthium strumarium, L. (kropachtig) (Dodonaeus) (a) ‘De Grieken noemen dit kruid Xanthion en die naam wordt door de Latijnse schrijvers ook gebruikt. Het wordt Xanthium genoemd omdat het haar rood kan maken, want Xanthos in het Grieks betekent rood of roze van kleur’. Dodonaeus (b) “Men noemt het ook Strumaria omdat het de kropzweren, dat zijn de zwellen die in het Latijn Strumae heten, geneest’. Het kruid komt op vele plaatsen voor. Op de meeste plaatsen is de afkomst te wijten aan het transport van de vruchten op Spaanse- of Hongaarse wol, waarin de vruchten zich vastgehecht hadden. Die wol werd op andere plaatsen verwerkt en zo werd het een wereldplant.

Het zou de dorens kunnen zijn van Jesaja 34: 13  en Hosea 9: 6, in Hebreeuws kimosh of kimmesonim. De plant is pijnlijk prikkelend en daarom logisch voor de Hosea passage.

 

Lycium barbarum, L. (vreemd, buitenlands, van de barbaren) Linnaeus heeft deze plant de naam Lycium gegeven omdat hij dacht aan de bij Dioscorides met Lykion aangeduide doornige struik. (dat Lycium was de naam van Rhamnus saxatiles) Boksdoorn.

 

Bijbel.

Als doornstruik (braam) zou ze kunnen voorkomen in Richteren 9: 14-15. De Hebreeuwse naam die daar gebruikt wordt is atab of atad, dit naar zijn schaduw gevende en neerbuigende gestalte. Ongetwijfeld is het ‘plein van de doornbos’, Genesis 50: 10, waar een rouwplechtigheid voor de overleden Jacob gehouden werd niet anders dan zoals de Hebreeuwse naam goren ha-atad trouwens uitdrukt, een dorsvloer omgeven  door een haag van atad, de boksdoorn.

Op andere plaatsen, waar distels en dorens van de woestijn voorkomen, zijn mogelijk species van de braam bedoeld.

 

Rubus.

Rubus is afgeleid van het Keltische rub:  Latijn ruber: rood, naar de kleur van de vruchten van sommige soorten. Of van Keltisch reub: scheuren of trekken. Of van het Griekse raptoo: naaien, de gespleten stengels werden gebruikt voor allerlei vlechtwerk. Rubus was in Latijn een verzamelnaam voor allerhande struiken.

 

Rubus ulmifolius, Schott. (met blad als iep)  (Rubus sanctus, Schreb. )(gewijd, heilig) Heilig, omdat de Joden denken dat dit de plant is van het brandende bos in de woestijn.

Deze soort, met op iep gelijkende bladeren, is een altijdgroene en krachtig groeiende en zeer brede struik van 4-6m hoog  met sterk afstaande twijgen. Die zijn scherp gekant en gegroefd en wortelen aan de top. Ze is overvloedig op de Libanon en Palestina.

Op plaatsen, waar distels en dorens van de woestijn voorkomen, zijn mogelijk species van de braam bedoeld.

In Numeri 33: 55, Richteren 8: 7 en 16, Jesaja 7: 23-25, 9: 18, Lucas 6: 44 komen dorens voor, bramen. Wat bramen werd staat voor atab of atad. In Numeri 33: 35 is het woord sikim tot dorens geworden. De meeste denken dat met deze woorden echte bramen bedoeld worden.

 

Urtica.

Urtica is afgeleid van Latijn uro: branden. Alle groene delen van deze planten zijn bedekt met korte, prikkelende haren en met brandharen.

 

Bijbel.

Netelplanten zijn al sinds de oudheid gebruikt ter genezing van reuma en stimulerend bij verlammingen. In Griekenland worden ze door jonge vrouwen gebruikt met Pasen, als een herinnering aan Christus lijden.

De naam kimoosh of kimmosj zou deze of andere species van de brandnetel kunnen zijn. (Jesaja 34: 13, Hosea 9: 6) als planten van verstoorde milieus en menselijke activiteiten. De Arabische naam is kurres (Dalman).

 

Ruscus aculeatus, L. (stekelig) De naam (b)Ruscus is ontleend aan het Keltische brus: box (Buxus) en kelen: heilig, het heilige palmboompje. Zo is de plant in modern ItaliĎ bekend onder twee namen of vormen, rusco en brusco.

 

Bijbel.

In EzechiĎl 2: 6 en 28:4, wordt het woord sillon of silonim vertaald als doorn, van uit het Grieks vertaald betekent het een stekelige plant die pijnlijk is. Dit is waarschijnlijk dezelfde plant als de drager van de tegenwoordige Arabische naam voor de muizendoorn, sullaon of shallum. Zie Rubus.

 

Solanum incanum, L. (grauw, grijs)  (Solanum sanctum, L. )(geheiligd) De gele vrucht heeft de grootte van een smalle onrijpe tomaat, is bitter en giftig.

De vrucht wordt soms geēnfecteerd door een insect die het vruchtvlees en de zaden opeet. Van buiten lijkt de vrucht dan nog wel intact, van binnen is die dan echter gevuld met stof en as en werd om die reden dan ook Sodomsappel genoemd.

De Palestijnse nachtschade is een 1‑1,5m hoge plant met korte, scherpe dorens en om die reden wordt het gewas dan ook wel als haagplant gebruikt.

Volgens Polunin & Huxley is echter Solanum incanum, L. inlands in IsraĎl en niet Solanum sodomeum, L. (Sodom-achtig) Een dwaling in de vertaling zou hiervan de oorzaak zijn.

Solanum incanum L., de Palestijnse nachtschade is overvloedig in de Jordaanvallei en Dode Zee. De Hebreeuwse naam chedek in Micha 7: 4 en Spreuken 15: 19 is opvallend gelijk met de tegenwoordige Arabische naam khadak en hedek. De Griekse vertaling voor de laatste twee betekent een stekelige plant die pijnlijk kan zijn.

 

Sinapis arvensis, L. (van de akkers) Sinapis heet het gewas omdat het de tranen uit de ogen perst van hen die ze onbedacht gebruiken, de neus rood maakt en de ogen doet zwellen. Of verwant met rapus: raap, naar de sterke wortel.

 

Bijbel.

Herik of krodde is een zeer lastig onkruid en valt vooral op in de graanvelden met haar heldergele bloemen. De Arabische naam voor deze plant is chardal of khardul. (Volgens Dalman Barrisin). Mogelijk is het de herik die bedoeld wordt in Job 30: 7 en Zefanja 2: 9.

De Hebreeuwse naam die daar gebruikt wordt is charul of chaulim. Volgens Concordantie komt dit woord ook voor in Spreuken 24: 31. Mogelijk zijn ook andere netelen of distels bedoeld en is charul meer een algemene naam.

 

Het woord dat als haag vertaald wordt in Ecclesiasticus 10: 8 is m’soochah. Maar de haag van EzechiĎl wordt vertegenwoordigd door het woord gader.

 

 

Doornenkroon.

Paliurus spina-christi, Mill. (dorens van Christus) Paliurus is genomen van de oude Griekse naam voor de plant, Paliouros. Van belang bij de soortenkennis is of de plant bladverliezend of niet want er is en was verwarring en waarschijnlijk met Zizyphus spina-Christi; ‘Paliurus verliest zijn bladeren ‘s winters en verschilt daarin van de Rhamnus (Zizyphus spina-Christi) die altijd groen blijft, dan in het begin van de lente brengt het jonge scheutjes of knoppen voort, als Plinius betuigt.

 

Bijbel.

In Jesaja 7: 7: 19 en 55: 13 wordt het woord shait voor doornen vertaald en sjamir voor distels. De Arabische naam samur zou duiden op een gewone en geen vruchtdragende boom, dit zou dezelfde zijn als de naam thamoer die in sommige streken aan de wegedoorn, (Rhamnus) wordt gegeven, maar in de Jordaandal aan de Christusdoorn. Mogelijk zijn de verwijzingen in Jesaja voor deze plant bedoeld.

Volgens Dalman is de Arabische naam voor de Christusdoorn samur.

Mattheüs 27: 29 ‘ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd’,

Johannes 19: 2 ‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd’.

 

Rhamnus stamt van het Griekse rhamnos: naaien of steken, de dorens. Of van staf, vanwege de stafvormige twijgen. Grieks Ραμνоυς, Ramnous, is een archeologische plaats in Griekenland, noordoost van Attica. Hier overwonnen de Grieken de Perzen in 490 v. Chr., de slag van Rhamnus is genomen naar de Rhamnus bosjes die daar in overvloed groeiden. Wegedoorn.

Rhamnus palaestina, Post. (uit Palestina) Bloeit met kleine witte bloemen.

In oktober/november ziet de struik er aantrekkelijk uit vanwege de donkerblauwe vruchten.

De jonge takken worden in de zomer houtig en eindigen in stekelige punten. De struik is dan ook heel geschikt om er hagen van te maken. Sinds eeuwen wordt de plant gebruikt om er omheiningen rondom wijngaarden van te maken.

De Palestijnse boksdoorn is een altijdgroene struik of kleine boom, van 2m.

 

Bijbel.

Genesis 3: 18, Exodus 22: 6, Job 41: 2, Psalm 58: 9, Spreuken 15: 19, Ecclesiasticus 10: 8, Jesaja 5: 5, 33: 12, EzechiĎl 2: 6, 13: 5, 22: 30, Hosea 2: 6, Nahum 3: 17, Marcus 12: 1, Lucas 14: 23.

In de Bijbel is het mogelijk de plant die als haag gebruikt wordt. In de bijbel worden 22 woorden gebruikt om dorens of doornige hagen aan te duiden. Drie ervan zijn dorens geworden, doornachtige struiken, chadek, ketz en kimmeshonim. Net als bij ons met bramen, frambozen, dorens, netels, distels is er veel verschil over de betekenis van welke dorens voorkomen. De dorens van Mattheüs 27: 29 en Johannes 19: 2 Palirius spina Christi of Zizyphus spina Christi.

Het woord dat als haag vertaald wordt in Ecclesiasticus 10: 8 is m’soochah. Maar de haag van EzechiĎl wordt vertegenwoordigd door het woord gader.

 

Zizyphus is afgeleid van zizouf, de Arabisch/Egyptische naam.

Ziziphus spina‑christi, Willd. (dorens van Christus) (Rhamnus spina‑Christi L.) is een 6‑10m groot wordende boom.

 

Bijbel.

Deze struik/boom groeit in de meer warmere gebieden als Egypte, maar ook in IsraĎl op de rotsheuvels van Huleh en in de Jordaanvallei. Opvallend is bij deze boom dat de stam meestal gedeeld is in twee of drie takken die de top van de boom een aparte verschijning geven, meestal komt ze echter voor als een lagere struik. De dorens staan in paren aan de basis van elk blad, een ervan is recht en lang en de ander kort en gedraaid. Deze plant is ook heel geschikt om er hagen van te maken, takken ervan zijn taai en buigzaam.

Dit is de nubh van de Arabieren, (Dalman zegt nebk), de nabq van de Egyptenaren. De Hebreeuwse naam voor dorens, neble, in Richteren 8: 7 verwijst dan vermoedelijk naar deze plant.

Mogelijk ook de dorens van Jesaja 7: 19, 9: 18. 55: 13 en Mattheüs 7: 16.

 

Sarcopoterium spinosum Spach. (doornig) Linnaeus naam Poterium is Grieks, poterion betekent een drinkkop en zo wijst het op de bekervormige kelk. In de oudheid werd een kruid als beker met wijn gebruikt zoals Plinius verhaalt, vergelijk Duits Becherblume.

Volgens de Joden zou de doornenkroon gemaakt zijn van deze doornige pimpernel, (R. Koppel) gezien zijn kleine afmetingen lijkt het minder geschikt. Takken van deze plant zouden klaar kunnen liggen en mogen dan niet te lang hebben gelegen omdat ze door de warmte al spoedig hun buigzaamheid verliezen.

De Palestijnse boksdoorn, Lycium, zou afvallen vanwege de dorens op het uiteinde van de takken en is zo minder geschikt om te gebruiken. 

De Christusdoorn, Zizyphus spina-christi, wordt door velen aangewezen vanwege zijn ideale lengte. Nadelig is evenwel dat de takken teveel in elkander winden en daardoor moeilijker te plukken zijn.

Deze komt volgens de meeste schrijvers voor rondom Jeruzalem en de Christusdoorn niet. Ook Linnaeus noemde deze plant dan al Christusdoorn: Tornekrona. Als boomvorm is ze ook handig om er takken van te snijden. De doornenkroon kan ook gezien worden als de tegenhanger van de bonnet van de priesters. De bladeren, vooral van de Jujube, lijken veel op die van de klimop, Hedera, die sterk drienervig zijn, de oude magische tekens van het leven na de dood, de driespruit. Vanwege deze tekens werd de klimop bij de Grieken gebruikt in hun inwijdingsrituelen en veel op hun kerkhoven aangeplant. Van de klimop werden ook kransen gemaakt, die diegene die ze zou dragen zou behoeden voor dronkenschap. Een krans van de Jujube zou dan een spottende imitatie moeten voorstellen.

De Arabische namen voor deze planten, Carthamus glaucus en Poterium spinosum, zijn respectievelijk kus en durdar, wat sterk herinnert aan de ‘doornen’ (qots) en ‘distelen’ (dardar) van Genesis 3: 18, al moeten we aannemen dat qots en dardar een algemene betekenis hebben en vele soorten omvatten.

 

De biezen waarmee de doornen gevlochten waren om er een hoofddeksel van te maken waren wel Juncus maritimus of Juncus acutus.  De relikwieĎn van de biezen worden in Parijs, de kerk van de N. Dame bewaard, bij de Karmelieten, verder te Atrecht, Lyon en Chablis.

De relikwieĎn van de doornen worden op verschillende plaatsen bewaard.

 

Urginea maritima, Baker. (van de zee) Urginea heeft zijn naam van de stam Beni Urgin, die in Algerije leefde waar Steinheil in 1848 deze plant vond.

 

Bijbel.

Job 31: 40 ‘dan mogen dorens voor tarwe opschieten en onkruid voor gerst’.

Jesaja 5: 24 hun bloesem als stof opstuiven‘.

In Jesaja 5: 24 komt het meervoud van onkruid voor dat in Job 31:40 wel vertaald wordt als wilde druiven’ of onkruid, caosha, coash of boshah. De stam uit het Hebreeuws doet denken aan een of ander lastig onkruid of kwalijk welriekende plant. Het woord zelf komt van de wortel baasch: wat een stinkend ding betekent, wat verrot is als druiven die ontsteken en verrotten voordat ze rijp zijn. Dit naar de geur en de druifvormige bloemtros. Ook door de Arabische naam bosalan zal de tekst hier op deze zeeajuin slaan. Het Griekse woord is Baros en betekent een prikkelige plant.

Concordantie is een geheel andere mening toegedaan: "Stinkkruid, Bosjah komt slechts eenmaal voor in de Statenvertaling, maar hetzelfde Hebreeuwse woord in Jesaja 5: 24 wordt door stinkende druiven vertaald. De stam uit het Hebreeuws doet denken aan een of ander lastig onkruid of kwalijk riekende plant bijvoorbeeld het onkruid van het N. T. en de stinkende aronskelk van Galilea of de Uredo foetida"(schimmel in graan). In Engels wordt het vertaald als cockle, Agrostemma githago, een pest in de graanvelden. Anderen denken aan Solanum incanum wiens bessen op druiven lijken.

 

Historie.

De bol ziet van buiten donker- of helderrood en is zeer sappig en vlezig. De Grieken hangen de bollen op in hun huizen gedurende het nieuwe jaar als een vruchtbaarheidsrite. In de oudheid werd deze bol wel gegeten en Pythagoras schreef aan het gebruik daarvan zijn hoge leeftijd toe. Nog gold het lang als middel tegen tyfus en waterzucht. Het is de verkondiger van de herfst, bloemen komen met de herfst net voordat de regens vallen.

De grote en opgeploegde bollen werden wel gebruikt om veldgrenzen te markeren. Ooit werden de grenzen afgebakend met stenen. In vlakke delen was dit moeilijker en gebruikte men de zeeui. Die werd dan langs de randen van de velden geplant. Door de hoge bloemstengel en daarna grote bladeren juist in de ploeg- en zaaitijd, is het gemakkelijk te herkennen. Ook steekt de later gevormde ui enigszins boven de grond uit en is een prima vervanger voor grensstenen.

Als zodanig is ze in het Joodse recht bekend en het gebruik zou door Jozua ingesteld zijn. De Talmoed vermeldt het gebruik van de chatsoeb als grenssteen. (Bab. Talmoed BB 55a en Btsa 25b)

 

Manna.

Bijbel.

In de Bijbel komen er verschillende types manna voor.

Manna  heeft de betekenis van ‘wat?’ man hu, wat is dit? De vraag die ze stelden toen ze het (engelenvoedsel) voor het eerst zagen.

Deuteronomium 8:3 en 16, Jozua 5: 12, Nehemia 9: 20, Psalm 78: 24-25, Johannes 6 : 31, HebreeĎrs 9 : 4, Spreuken 16: 20-21, Openbaringen 2 : 17.

1) Wat gedurende de nacht opgroeit als de grond vochtig was en begon te stinken als de zon opkwam, (Exodus 16: 13/20) wat zou duiden op Nostoc subspecies. Die kan ’s nachts met ongelooflijke snelheid groeien als er overvloedig dauw gevallen is. Het is zocht en gelatineachtig, groeit in de nacht en de zon lost het op en komt de volgende nacht weer mits het weer dauwt.

2) Wat uit de hemel valt (Numeri 11: 6-9) geleek op korianderzaad en zag eruit als balsemhars. Naar de vorm zou dit op Lecanora subspecies kunnen slaan. Ze bedekken grote vlaktes in kale zandvlaktes en bergen. Na lange tijd van droogte krullen ze op en komen los van de grond en worden met de wind meegevoerd, soms heel ver tot plaatsen waar ze niet bekend zijn.

3) Manna van de handel, Tamarix of mannaes, Fraxinus ornus, Baruch 1: 10. zie Tamarix.

 

Alhagi is zo genoemd naar zijn naam in Mauritia, Arabisch voor pelgrim.

Alhagi camelorum var. turcorum, Boiss. (kameel en Turks)

Kameeldoornstruik, Engelse Alhagi manna plant en camel’s thorn.

Het gewas levert, met andere soorten, een soort van manna die Perzische- of alhagimanna genoemd wordt. Dat manna wordt verzameld door de bosjes te schudden. Dat gebeurt na de bloei en regentijd. Het zou een manna van de bijbel kunnen zijn, Numeri 11: 7.

Jesu Sirach 24:15 "Ik geef een geur als kaneel en aspalathus". Zie Aspalathus.

 

Fraxinus, Latijn van Grieks phraxism: haag, of insluiten, omdat de boom als haag of als palissade gebruikt werd. Of van breuk, vanwege de breekbaarheid van de twijgen, een zelfde afleiding als van Fragaria, hoewel het daar en hier net zo ongeloofwaardig is.

 

Fraxinus ornus, L. (berges) Manna- of pluimes. Van deze boom wordt ongeveer halfweg augustus, als het droog en warm is, manna verzameld.

 

Bijbel.

In Jesaja 44: 14 wordt het woord "oren" gebruikt’ hij plantte een pijnboom, en de regen deed die groeien…ook maakt hij er een god van en buigt zich neder, hij maakt er een gesneden beeld van en knielt daarvoor neer’’. Dit woord komt slechts eenmaal voor. In de Septuagint wordt de dennenboom genoemd die aan de kust voorkomt. Het is mogelijk dat de zee-den bedoeld wordt of de aran, (Arabische naam) Fraxinus ornus L., de pluimes of mannaes.

Naar het gebruik van het hout in Jesaja zou eerder de es in aanmerking komen dan een den. De oude naam voor de es was Oreinos (Johnson) wat wel wat lijkt op Oren die in Arabisch Aran heet.  

 

Fraxinus excelsior, L. (verheven, groter, naar boven strevend) es.

Schepping.

Op zekere dag trokken Odin, Hoenir en Lodur (of Loki) er samen op uit en wandelden langs de zeekust. Zij vonden twee bomen, Ask, met hard, taai hout (de es?) en Embla, met zachte roze aangelopen hout, de els (of de olm?) gehouwen in ruwe gelijkenis van een menselijke gestalte. De goden staarden eerst op het levenloze hout in stille verbazing en merkten toen wat ervan gemaakt kon worden gaf Odin deze blokken zielen, Hoenir verschafte beweging en zintuigen en Lodur verleende bloed en een bloeiende kleur. Zo begiftigt met taal en gedachte en met het vermogen lief te hebben en te werken, met het leven en de dood, mochten de pas geschapen man en vrouw Midgard beheersen zoals zij wilden. (De twee soorten hout betekenen dat man en vrouw uit verschillend hout gesneden zijn, verschillende eigenschappen hebben, de uitdrukking "hij is van hetzelfde houtje" komt hier vermoedelijk vandaan)

Het is een Vard-trad: een schutgeestboom. Een boom met een ziel, een verkorperde geest. Het is de schutgeest van de mens, gaat het goed met de mens zo ook met de boom, gaat het slecht met de boom, zo ook met de mens. Bij de geboorte wordt zo'n boom geplant en groeit gelijk met hem op, het is de levensboom.

Het is de stamboom van de familie, vandaar dat vele familienamen verbindingen hebben met bomen.

 

Ash is de naam van de es en je zou kunnen veronderstellen dat de ScandinaviĎrs afstammelingen zijn van de Ashkenaz uit de bijbel, Genesis X: 3. “En de zonen van Gomer waren Askenaz..’ De Joden geven nog de naam Ashkenazim aan de Duitsers in hun gemeente.

 

Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forse altijdgroene boom, (een es of Taxus?) de Yggdrasil, de boom van het heelal, van de tijd of van het leven, die de hele wereld vulde omdat hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard, bij Mimirs bron (de oceaan) en in Asgard, bij de Urdas fontein.

Een adelaar zat vastgeroest op de tak Lerad, tussen zijn ogen zat de valk Vedfolnir die zijn doordringende blikken in de hemel zond, naar de aarde en Niflheim en vertelde al wat hij zag.

Omdat de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit verdorden, diende hij als weide en niet enkel voor Odins geit Heidrun, die de hemelse mede verstrekte, maar ook van de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van wiens horens honigdauw op aarde drupten en dat water voor alle rivieren in de wereld verstrekten. Zo komt van de boom des levens alle water op de aarde, om leven aan haar te laten ontstaan en laten groeien.

Onophoudelijk de takken van de boom op- en afvliegend sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder) de typische woelwater en babbelaar, zijn tijd met aan de draak beneden de opmerkingen van de adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tussen hen te verwekken.

Door zijn drie grote wortels kreeg de boom een zo wonderbare hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal overschaduwde, terwijl de anderen zijn uitspreidende twijgen over de andere werelden staken. De eerste tak ziet naar de woningen van de mensen en de tweede naar het land van de reuzen waar de wonderbron murmelt en ze begiet en bevochtigd.

Natuurlijk moest de boom in goede staat worden gehouden. Dit was de plicht van de Nornen of schrikgodinnen die hem elke dag besprenkelden met de heilige wateren van de Urdarfontein. Als dit water naar de aarde druppelde, door de takken en de bladeren, voorzag het de bijen van honig. De drie nornen zaten aan zijn voet. Dat waren wijszeggende vrouwen, ze heten Vergankelijkheid, Heden en Toekomst. In hun schoot lag het noodlot die ze voor de mensen bereidden, hun kommer en lijden, hun vrede en geluk. Twee prachtige zwanen, wit als pasgevallen sneeuw, vermaanden de mensen om stil en ernstig hun levenstaak te vervullen.

 

Bedreiging.

Dit is de verschrikkelijke draak Nidhung die voortdurend aan de wortels knaagt. Hij wordt in zijn vernielingswerk bijgestaan door talloze wormen wiens doel het is om de boom te doden omdat zij weten dat zijn dood het teken zou zijn voor de godenval.

Het noodlot voor de boom en mens is echter onafwendbaar. Als de goden versagen of verslapt geworden zijn, dan komt het kwaad aansluipen in het donker. Dit kwaad zie je met de schemering bij de zee. Als je naar de ondergaande zon kijkt zie je het duister komen aansluipen. Zelf sta je nog in de gloed van de laatste zonnestralen, maar de wolf voel je dreigend van achter je. Aan weerszijde van de zinkende zon zie je hoe machtige kaken het licht opslokken, hopelijk heeft de zon het gered en komt morgenvroeg evengoed weer op. Maar wat als de zon eerder ingehaald wordt?

 Het lied van Grimnir in de oude Edda, strofe 39 en 12 en 51 van Gylfis uit de jongere Edda leert ons twee wolven kennen, Skoll en Hati. De eerste achtervolgt de zon om haar te grijpen waardoor de zon zo snel langs de hemel loopt om die te ontgaan. De andere wolf is haar vooruit om de maan te pakken. “Het zal geschieden dat de wolf de zon verslindt,  de mensen tot groot onheil. De andere wolf zal de maan grijpen en ook grote schade aandoen, de sterren zullen van de hemel vallen. Dan zal het ook gebeuren dat de aarde beeft, dat de bomen ontworteld worden, de bergen ineenstorten en alle ketens en banden breken. Dan breekt de wolf Fenrir los’ Het einde der dingen is gekomen “.

De plantengroei op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed alle wateren zieden en koken. De grote brand woedde verschrikkelijk, totdat alles verteerd was, tot de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven van de zee wegzonk. Ragnarok (: de omwenteling) was inderdaad gekomen, de tragedie van de wereld was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een toneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is gevallen, verwachtten de aanwezigen dat er een gunsteling zou verschijnen. Zo meende men dat uit de algemene ruēne de goedheid zou oprijzen om zijn heerschappij over de aarde te hernemen en dat sommige goden zouden terugkeren en voor eeuwig in de hemel zouden wonen.

Twee menselijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op uit de diepten van de levensboom. Vali en Vidare, typen van de onvergankelijke krachten der natuur keerden naar het Idaveld terug waar ze Modi en Magni, Thors zonen ontmoetten, de verpersoonlijking van sterkte en energie. Uit de donkere onderwereld rees de stralende Balder (zon) op.

 

Samenvatting.

De boom is zo het symbool van tijd en leven. Zoals de vijandelijke machten verstorend werken, zo knagen ze aan de levensboom van de hele mensheid, verstoring en verderf zaaiend, maar ook zij zullen, zoals de groene bladeren en knoppen op aarde vallen, eeuwig vernieuwen en geslacht op geslacht laten ontstaan.

Net als het Bijbelse verhaal van de zondvloed waardoor alles vernietigd wordt, waar Noach, zijn vrouw en kinderen gered worden om een nieuw mensengeslacht te vestigen, herinnert dit aan de Noorse dichting. Maar hier is het de levensboom zelf de stichter van het nieuwe mensenrijk. De zondvloed van de warme streken is bij de noordelijken de "riesenwinter", waarin alle leven stopt en tot dood vervalt. De boom zelf werd tot levensdrager om het enige overgebleven paar tot schut en bescherming te dienen, voedsel te geven, tot het ijs smeltende morgendauw ze tot nieuw leven wekt..

 

De es is met de lijsterbes, de enigste inheemse boom met geveerde bladeren. De levensboom heeft in Germaanse en noordelijke mythen en in het gebruik een zeer betekenisvolle rol gespeeld. Dat de mens uit de es is ontstaan in de Edda is mogelijk meer toeval, ook mogen we niet vergeten dat de Edda een verhoudingsgewijs laat ontstane kunst dichting is. Het verhaal van het ontstaan van mensen uit bomen is zeker een oeroud volksgoed. Daarmee is te vergelijken dat bij Hesiodus Zeus het mensengeslacht uit een boom laat stammen, onder deze boom is waarschijnlijk de mannaes te verstaan.

1) Yggdrasil, oud-Noors yggr: de verschrikkelijke (Wodan) drasill: een paard, de boom die Odin of Wodan droeg of waaraan hij hing als heer van de Asen.

2) De Nornen zijn schrikgodinnen die overeenkomen met de Griekse Moiren. Oerd was het verleden, Verdandi het heden en Skoeld de toekomst.

3) De vier stromen, die van de hemelboom zouden uitgaan, komt van Genesis 2:10, waar de rivier uitging van Eden om de hof te bevochtigen en zich daarna in vieren te splitsen. Zo worden ze dan afgebeeld als vier stromen, die ontspringen uit een rots, waarop een lam, het zinnebeeld van Christus, is gezeten.

 

Bijbel.

Ook in andere landen komt de levensboom voor met ongeveer dezelfde strekking. Het duidelijkst zien we dit in EzechiĎl 31: 3,18.

"Zie Assur was een ceder van de Libanon, schoon van takken met schaduwrijk loof, hoog van stam en zijn top reikte tot in de wolken. Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden, die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats, waar hij geplant was en deed zijn geulen uitgaan naar alle bomen des velds. Daardoor werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds, zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van water terwijl hij opschoot. In zijn twijgen nestelde al het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken...".

Ook op andere plaatsen in de bijbel wordt naar zo'n boom verwezen. De bekendste is uiteraard de boom uit het paradijs, die eveneens als levensboom gezien kan worden.

      Na de oorspronkelijke verering in de tijd van Abraham wordt in het Oude Testament vele malen gewaarschuwd tegen de verering van bomen. Geleidelijk zien we de weerstand daartegen toenemen. De afbraak van heilige eikenbomen of levensbomen zien we bij de profeet Hosea, die de mensen berispt voor het branden van wierook en offers onder een eik. In het boek van de profeet EzechiĎl wordt definitief de banvloek uitgesproken: "Daarom, zo zegt de Heer, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan de machtige onder de volken die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste onder de volken, velden hem en deden hem neerstorten; op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen... Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen... " (EzechiĎl 31)

In het laatste boek van de Bijbel keert de levensboom terug als het goddelijk attribuut van de herstelde goddelijke levensorde en heerschappij, na de door de zondeval teweeggebrachte verstoring. In hoofdstuk 2 van de Openbaring van Johannes staat: "Die overwint, ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is". In hoofdstuk 22 lezen wij over de rivier van het water des levens, die uit Gods troon voortkomt. Ook wordt genoemd de boom des levens met de twaalf vruchten, groeiend aan de oever van die rivier, zie verder de in IsraĎl voorkomende eikensoorten.

 

Grassen.

Gras, een naam die in alle Germaanse landen gelijk is, de naam stamt van een Germaanse basisvorm gro: groeien, hiervan stammen ook groen, gras en grazen. Griekse poa: gras of kruid, een verzamelnaam. 

 

Bijbel.

Voedsel is er voor de herder niet altijd even gemakkelijk te verkrijgen voor zijn kudde. Het beste is als de kudden: "Inweiden van jong groen". (Psalm 23:2) Dat is in de lente, de tijd na Pasen. Ook in de tijd die eraan vooraf gaat kunnen de schapen zich te goed doen aan het frisse groen dat dan te vinden is op de velden rondom de steden. Die kuddes gaan dan in de morgen naar buiten en komen tegen de avond weer terug naar de stal van de eigenaar. De hier bedoelde weiden, migrasj, vinden we in Leviticus 25:34, Numeri 35: 2, Jozua. 21:11 en EzechiĎl 48:15/17. (Statenvertaling heeft daar voorstad) Volgens Dr. Noortzij hebben wij met dit woord te denken aan een open veld of gemeente weiden, zoiets als de "meent" bij ons vroeger .(Bruijel)

Het woord gras komt een 48 maal voor, meestal gebruikt in strikt figuurlijke zin, Psalm 37:2: "Want zij verdorren snel als gras", verder Psalm 90:5, Jesaja 40: 6/8.

In Palestina zijn er vele soorten gras, Waeker vermeldt 460 soorten in 1933, hiervan zullen er wel verscheidene door reizigers zijn meegebracht. Concordantie noemt 70 soorten. Er is echter weinig weiland, meest alleen langs de kust is er hoog en weelderig gras wat op de onze gelijkt, verder het forse en snelgroeiende prairiegras van de Jordaandal.

Er zijn verscheidene woorden voor gras.

1)    Jered, Yerek of Yarok, betekent groen, (Numeri 22:4). Deze term schijnt gebruikt te zijn voor alle groenvoer, groeiend in de velden en geschikt als veevoer.

2)    Desjer, Deshe of Dehsheh, (Genesis 1: 11, ‘En God zei: Dat de aarde jong groen voortbrenge…En de aarde bracht jong groen voort’. Is waarschijnlijk het dichtstbijzijnde equivalent van ons gras, ter onderscheiding van kruiden.

3)    Chatzir, Jesaja 15: 6 en 35:7, 1 Koningen 18: 5, Job 40:15 en Psalmen 104: 14, is meer verbonden met ons woord voer, droog voer dat in Spreuken 27: 25 als hooi vertaald wordt. Hetzelfde woord komt voor in Numeri 11: 5 en wordt vertaald voor prei. (zie daar) Vermoedelijk is in vele zaken de stengels van lang gras bedoeld want er is weinig echt hooi in Palestina. Mogelijk maaiden zij het droge materiaal .(Psalm 37: 2) Gras maaien was een koninklijk recht, voor het voedsel van de paarden die in de strijd gebruikt werden (Psalm 72:6, Amos 7:1)

4)    Gez of Gayz, In Psalm 72:6 wordt dit Hebreeuwse woord gebruikt voor gemaaid gras, gewoon gras dat groeit bij de waterbronnen, 1 Koningen 18: 5.

 

Glycyrrhiza glabra, L. (glad, zonder haren) Glycyrrhiza is afgeleid van het Grieks glykys: zoet, en rhiza: wortel, een verwijzing naar het zoete sap van de wortels. Zoethout.

 

Bijbel.

Exodus 15: 25 “Mozes riep tot de Heer, die hem een hout aanwees, hetwelk hij in de in het water wierp, en de wateren werden zoet. Sommigen menen dat het met dit hout is dat het water drinkbaar wordt. Er wordt alleen gesproken over hout. De H. Vaders hebben het vergeleken met het krachtig kruishout dat de bitterheid van het leven zoet maakt.

 

Gossypium herbaceum, L. (kruidachtig) Gossypium, dit woord is afgeleid van goz: Arabische voor een zachte stof, Latijn gossum: uitpuiling, de zaaddoos opent bij rijpheid.

Midden-Nederlands cotoen in 1272, dit stamt uit het oud-Franse coton, wat weer stamt uit Italiaanse cottone en dit van Arabisch qutun, (of katom, koton: boomwol), dat uit het Egyptisch of voor-Indisch stamt.

 

Bijbel.

Het gewas was bij de Perzen al zo oud dat wij niet eens weten wanneer het voor het eerst verbouwd is. Mogelijk komt deze struik uit India, bij opgravingen die dateren 3000 v. Chr. zijn katoenen weefsels gevonden. In het dal van de Indus in Pakistan zijn katoenen weefsels uit 4500 v. Chr. gevonden.

Esther 1 :5-6 ‘Na verloop van dezen dagen richtte de koning voor al het volk dat zich in de burcht Susan bevond, van den hoogste tot den laagste, een feestmaal aan van zeven dagen, in de voorhof van den tuin van het koninklijk paleis. Linnen, wollen en blauw/purperen gordijnen waren met linnen en rood/purperen koorden vastgemaakt met zilveren knoppen aan witmarmeren zuilen’.

Tijdens hun verblijf in PerziĎ, 598 v. Chr., moeten de Joden er zeker bekend mee zijn geraakt. In Esther, 521 v. Chr., komt het woord carpas of karpas voor, waar de behangsels beschreven worden als wit, groen (carpas) en blauw. De vertaling zou moeten luiden: witte katoenen en hemelsblauwe gordijnen. De naam heeft veel overeenkomst met Sanskriet karpasa: katoen. Indische naam is karpas en kapas.

Die Babylonische stof die schitterde van vier kleuren, dit was hyacintblauw, byssus, saffraangeel en purper. De saffraankleur verbeeldde het vuur, het byssus de aarde, de hyacintkleur de lucht en de purperkleur de zee. Op het voorhangsel was een afbeelding van de hemel voorgesteld.

 

Het woord shesh van de eerdere en buts of bootz van de latere boeken van het O. T., respectievelijk wit en fijn linnen, zou slaan op het gebruik van katoen in Egypte. De kleding van de Egyptische priesters en die van de HebreeĎrs was altijd gemaakt van linnen, ofschoon Plinius verzekert dat die van de Egypte liever katoen hadden. Van Ravelingen meldt; In ArabiĎ wordt van het boomkatoen een soort van heel fijne doek geweven, sessa genoemd dat van sommige voor het byssum van de ouders gehouden wordt’.

 

Hedera.

Hedera, Latijn van Grieks hedra: zitten, zit steeds vast op zijn gastheer. Of Grieks helissein: winden. Klimop.

 

Bijbel, Lentefeesten.

Bacchus wordt ook vaak voorgesteld als met klimopbladeren omkranst. Dat zou hem tegen dronkenschap behoeden, dit werd zo ook door de mensen gebruikt. De vrouwen die zich aan Bacchus hadden overgegeven liepen recht naar de klimop om er enkele bladeren van af te scheuren en op te eten. Klimop werd dan ook wel Bacchia genoemd. Bacchus of Dionysus was dan ook voortdurend beneveld en stierf en herrees bij tijd en wijle.

Ook werden er te Delphi en Attica lentefeesten gevierd waarbij dansende, zingende en fluit spelende priesters Semele, een van de vele belichamingen van de oermoeder, aanriepen. Ze smeekten haar de jonge Dionysus uit een aardheuvel voor de dag te laten komen. Het feest had zijn oorsprong in een oud Kanaanitische rite, waarbij adoranten moesten huppelen en hinken. Het woord daarvoor was pesach. De Joden noemen een van hun feesten nog bij die naam. (Pesach of Pashah, beter Pessach, volledig Chag Happessach, het Hebreeuwse woord voor verschoningsfeest)

Of er ook een oud voorjaarsfeest aan ten grondslag ligt? De Pentateuch beveelt dat het feest met de eerste volle maan van het voorjaar, zeven dagen lang van de avond van de 14de tot aan de avond van de 21ste Abib (naar de Babylonische uittocht Nissan genoemd) gevierd wordt.

Deze plant is inheems in IsraĎl en groeit daar in de maquis van Galilea. Zelfs is er een plaats Hedera. Naar zijn omschrijving moet het dan zeker in 2 MakkabeeĎn 6:7 voorkomen waar het woord K" Soos voor klimop staat.

"En zij werden door een bittere noodzaak gedwongen om des Konings geboortedag alle maanden te houden met het eten van opgeofferde ingewanden en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen klemmerkransen (klimopkransen) te dragen en in Bacchus feest om te gaan".

 

Hordeum vulgare, L. (gewoon) Hordeum: gerst, genoemd naar de stekelige baard van de aar.  Of van horus, van oriri: ontstaan, de snelle groei. Of van horridus: ruig of behaard, de behaarde granen. Of van ordo: rij, omdat de aar in rijen staat en dergelijke afleidingen meer. Gerst.

 

Bijbel.

De Hebreeuwse naam seorah, s'orah of s'o'rim: wat lang haar betekent, is een verwijzing naar de naalden en zou slaan op gerst, Spreuken 26:1, Deuteronium 8: 8, Exodus 9: 24, 27:31. Voornamelijk voedsel voor de armen, 2 Koningen 4: 42, werd gemengd gegeten met tarwe, EzechiĎl 4: 8-12, paardenvoer, 1 Koningen 4:28, Hosea 3: 2, Richteren 7:13.

Het wordt 32 maal vermeld, als groeiende in het veld of met verwijzingen naar producten die ervan gemaakt worden, als meel, brood, cake. Het was een belangrijk graan die prima groeit in warme en droge omstandigheden, de oogst vindt daar plaats in maart/april, afhankelijk van de plaats. Het is een maand later rijp dan tarwe, net als in Bijbelse dagen toen een hagelstorm Farao’s gerst vernielde maar niet zijn tarwe. Gerst had al zaad gezet en tarwe groeide nog maar net toen het fatale weer aanbrak.

De waarde staat in Openbaringen 6: 6 ‘Een maat tarwe voor een schelling en drie maten gerst voor een schelling. Het was te gewoon, wat we ook zien in parabels, het symbool van armoede, goedkoopte en waardeloosheid, Hosea 3: 2 waar de overspelige vrouw gekocht werd voor 15 zilverstukken en anderhalve homer gerst, EzechiĎl 13: 9 ‘’ Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moesten’’. Tegenwoordig gooien de Bedoeēenen hun vijanden met koeken van gerstebrood om hen zo te honen. Dan is ook beter de droom te begrijpen van Gideon in Richteren 7: 13-15 ‘Ik heb een droom gehad; zie een gerstebroodkoek rolde de legerplaats van Midian binnen, kwam tot aan een tent, stootte die om, zodat ze neerviel, en keerde ze ondersteboven, en daar lag de tent. Gideon was een arm en nederig man van het type dat gehoond werd als gerstebrood door de hooghartige Midianites.

De offering van de eerste veldvruchten in de tempel, 2 Koningen 4: 41.

Bij de Joden was het gebruikelijk de dag na Pasen in de tempel gerst te offeren. Men benoemde drie personen om plechtig drie schoven gerst te oogsten wat op het grondgebied van Jeruzalem moest gebeuren. De afgevaardigden vroegen driemaal of de zon was ondergegaan en men antwoordde driemaal ja. Daarna vroegen ze driemaal vergunning om de gerst te snijden en men antwoordde driemaal met ja. Drie velden werden gekozen en drie sikkels werden gebruikt om de drie schoven te maaien die men op drie wagens naar de tempel voerde waar ze op het voorplein gedorst werden.

Exodus 9: 31, Leviticus 27: 16, Numeri 5: 15, Richteren 7: 13, Ruth 1: 22, 2: 17 en 23, 3: 2 en 15-17, 2 SamuĎl 14: 30, 21: 9, Job 31: 40, Ecclesiasticus 11: 1, Johannes 6: 9 en 13.

 

Hyssopus officinalis, L. (geneeskrachtig)

Hyssopus is een zeer oude naam die gebruikt werd door de Grieken. De naam hysop stamt van het Hebreeuws esob of azob, het Arabische azzof: heilig kruid. Het Hebreeuws ezob is zelf van Babylonische oorsprong en kwam over de Griekse bijbel Exodus 12: 22 en andere plaatsen in de Latijnse en andere talen.

 

Bijbel.

De Yssopus die Dioscorides noemt is in ieder geval niet de nu bekende hysop maar waarschijnlijk de wilde marjolein, Origanum syriacum L. (die wordt in het Engels ook bible hyssop genoemd) of Origanum maru, L, een lipbloemige. Het is ook niet de hysop van de Bijbel, de hysop groeit niet in Palestina.

Ex.odus12: 22, waar de Joden, vlak voor hun uittocht uit Egypte, opdracht kregen om een bundel hysop te nemen, deze in bloed in een schaal te dopen en daarmede de deurposten te besmeren.

Het zinnebeeld van het nederig en standvastig geloof dat zich onwrikbaar met zijn wortels in de rots en de R. K. kerk vasthecht. De hysop, in offerbloed gedoopt was het zinnebeeld van de reinheid der ziel. ‘Besproei mij met hysop en ik zal gezuiverd worden, was mij en ik zal witter worden dan sneeuw’, Psalm 50: 8.

Leviticus 14: 4, dat de plaag der melaatsheid genezen is, van dn melaatse is geweken, dan zal de priester gebieden voor hem die gereinigd moeten worden twee levende, reine vogels te nemen, ook cederhout, scharlaken en hysop’, 6 het scharlaken en de hysop’, 52 ‘Het cederhout, de hysop, het scharlaken’.

Numeri 19: 6 ‘En de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen en dat midden op een brandende koe werpen. Vervolgens zal de priester zal klederen wassen en zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen, maar de priester zal tot den avond onrein zijn’, 18 ‘Dan zal een rein man hysop nemen, dat in het water dopen en dit sprenkelen op de tent’.

1 Koningen 4: 33 ‘Hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon af tot de hysop toe, die aan de muur uitschiet’.

HebreeĎrs 9: 19 ‘scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk’.

Naar de Bijbelse tekst schijnt het gebruikt te zijn als bezem of borstel en zou je veronderstellen dat het een bosje kleine takjes vormt. Het zou dan ook groeien op rotsen en muren en algemeen voorkomen. De hysop wordt telkens gebruikt bij zuiveringsrites en lijkt buiten zijn instrumentale waarde een eigen symbolische functie te hebben evenals de andere reinigingsmiddelen waar het mee genoemd wordt.

Sommige leden van de lipbloemigenfamilie bezitten stoffen die ziektekiemen remmen of desinfecteren. (ook werd er ceder verbrand, mogelijk Juniperus oxcycedrus, die ook antiseptische stoffen bevat) Thijm bevat bijvoorbeeld thymol wat in ziekenhuizen gebruikt wordt om te ontsmetten. Evenals sommige Origanum soorten en Salvia triloba, de drielobbige salie, die wel gebruikt werd om verbrandt een plaats te zuiveren.

De Hebreeuwse naam ezob lijkt veel op de Arabische naam asaf of ezzof van Capparis sicula Duham, aldus Moldenke, die tevens vermeldt dat er mogelijk sprake is van meer planten die zo gebruikt zijn. Voor die 133 000 IsraĎlieten moet een veel voorkomend plantensoort gebruikt zijn.

Een bekende tekst is ook die uit Johannes 19: 29: "Er stond een kruik vol zure wijn, zij staken dan een spons gedrenkt met zure wijn op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond". “Illi autem spongiam plenam aceto, hyssopo circumponentes, obtulerant ori ejus”. Alleen bij Johannes past geen "Hysop". Mogelijk werd het daar gebruikt als een symbool, als symbool van zuiverheid werd de onreinheid van de wereld weggenomen.

Van Beverwijck geeft een andere mogelijkheid. In vroegere tijden gebruikte men het vet van ongewassen wol om de pijn te verzachten en te stillen. "Het woord hysop bij de Evangelisten daar zij schrijven hoe de krijgsknechten onze Heer bespottelijk laafden te nemen voor Oisop, wat in het Grieks ongewassen wol beteken, als hetgeen sommige goede harten aldaar mee gebracht hadden om de pijn van de veroordeelden wat te verzachten die de lieden de vuile wol met de azijnachtige spons uit schimp aan de stok gestoken hadden.

Hysop werd als Aspergill, Latijn aspergere; besproeien, gebruikt, een wijwaterkwast die in de liturgie voor het besprenkelen met wijwater gebruikt wordt. Duits Sprengel, Weihwassersprenger, Weihwasserwedel of. Sprengwedel, Psalm 51; 9. De oorsprong van deze liturgische besprenkeling komt van Exodus 12, 21-22 waar Mozes de oudsten van IsraĎl de opdracht gaf om een bos hysop met bloed te strijken. In de Gregoriaanse tekst van ‚Asperges me’ wordt nog een hysoptwijg vermeld.

 

Juglans regia. De Romeinen gaven de boom de naam Juglans, van Jovis glans: de noot van Jupiter, een voedsel dat geschikt was voor de goden en regia: koninklijk walnoot.

 

Bijbel.

Hooglied 6:11: "Naar de notenhof daalde ik af." Het woord dat hier gebruikt wordt is egoz. De Arabische naam volgens Dalman is dschoz. Volgens Josephus waren er in zijn tijd, 37‑39 na Chr., extreem oude bomen van deze soort overvloedig in Palestina, vooral rond het meer van Genesareth.

 

Juncus.

Juncus, de oude naam Juncus is verbonden met het Latijnse jungere: verenigen of binden. In primitieve tijden werd het woord Juncus gebruikt, het is een verwijzing naar het gebruik als bind- en vlechtmateriaal en als touw of kabels. Bies, rus.

 

Bijbel.

De biezen waarmee de doornen gevlochten waren van Christus doornenkroon om er een hoofddeksel van te maken waren wel Juncus maritimus of Juncus acutus.  De relikwieĎn van de biezen worden in Parijs, de kerk van de Notre Dame bewaard, bij de Karmelieten, verder te Atrecht, Lyon en Chablis, zie Scirpus.

 

Laurus nobilis, L. (edel of nobel) Laurus, de naam Laurus is mogelijk genomen van het Keltische blaur, blawr of lauer: groen. Maar het kan ook vertaald worden van laus: lof of eer. Men weet ook niet zeker of Laurus samenhangt met het Latijnse luo of lavo: ik was mij, naar de rol als reinigende zondeboom.

 

Bijbel.

Zie hiervoor ook Psalm 37: 35: "Ik zag een goddeloze, een geweldenaar die zich uitbreidde als een weelderige woekerplant". In deze vertelling van de Psalm, de vertelling van een goddeloze. Vermoedelijk werd in deze analogie gedoeld op de laurier omdat die het symbool was van welzijn en goddeloosheid. De Hebreeuwse naam die daar gebruikt werd is ezrach, wat letterlijk vertaald betekent: "Een boom groen en krachtig in zijn eigen grond". De aan een heidense god geheiligde boom en de slechte zeden waren wel voldoende om deze boom tot een goddeloze te bestempelen. Ook het gebruik van de vrucht die bakelaar genoemd wordt, als abortusmiddel, zal een negatieve klank hebben gegeven.

De naam ezrach verschijnt een 14 maal en wordt telkens vertaald als een vreemdeling of buitenlander. De ceder kan het niet zijn want die heet erez. Als het een inlandse plant is die hier verwezen wordt dan moet het een groene struik zijn of boom van behoorlijke grootte die bij de stromen groeit, zoals deze plant. Het is waarschijnlijk vanwege zijn altijd geurende, groene bladeren dat David de plant uitkoos als symbool van voorspoed. Toen David naar de geurende en altijd groene boom keek die niet beschadigd wordt in de winter of stormen, lijkt het natuurlijk dat hij de mensen in gedachten had die steeds in weelde en rijkdom leefden terwijl anderen leden van de koude winden van tegenspoed Toch is de plant niet gewoon in het H. Land, net als weelderige mensen gewoon zijn.

 

Lens culinaris, Medik. (culinair) Aan het Latijnse lens kan Linse niet ontleend zijn omdat aan leenwoorden de stamvorm ten grondslag ligt die het Hoogduits Linz gegeven heeft. Inheemse oorsprong is vrijwel niet mogelijk. Zo vermoedt men dat Linse met Latijn lens, Litouws lesis uit een gelijke en onbekende bron stamt. Het is mogelijk verwant met lentus: langzaam, of van lenis: mild of zacht, omdat ze gelijkmoedig maakt of omdat ze langzaam groeit in vergelijking met andere vlinderbloemigen en niet hoog wordt, groeit maar een 15-20cm boven de grond. Of het betekent waskuip, vanwege de peul.

 In Genesis 25: 29-34 zien we dat voor een linzengerecht Esau zijn eerstgeboorterecht verkocht aan Jacob. Dit afkooksel was roodachtig van kleur en werd Edom genoemd. De nakomelingen van Esau hebben daar hun naam Edomieten aan te danken.

2 SamuĎl, 17: 27-29 ‘ bonen, linzen,’ 1 Kronieken 11: 13, ‘er was een stuk land, waarop overvloedig gerst stond’, EzechiĎl 4: 9 ‘bonen en linzen’.

Lens heet in het Hebreeuws adashim, adasha of adasim. De Arabische naam is adas. Dit zou ook een verkeerde vertaling zijn in 2 SamuĎl 23:11, vergelijk 1 Kronieken 11:13, dezelfde plaats en gebeurtenis.

De oud Hebreeuwse naam adaschim is bij de Arabieren en door de Perzen geadopteerd.

 

Lilium.

Lilium candidum, L. (wit) Madonnalelie. De naam Lilium zou genomen zijn van het Keltische lis of li: wit of water, vergelijk lis, Indo-Germaans li: vloeien of vochtig zijn, Latijn lac: melk, naar zijn standplaats of de bloemkleur van Lilium candidum.

Maar waarschijnlijk heeft de naam lelie een oosterse oorsprong. In het Egyptisch komt het woord hrr-t voor, (een woord waarvan wij de klinkers niet kennen) dat in Koptisch als hreri en hleli gesproken wordt. Het leverde over Grieks en Latijn de naam Lilium op en zo verder in Europa.

Het is ook mogelijk dat het Griekse leiron een naam was die ze zelf ontleend hadden aan het Iraans. Dan stamt de leiron af van Arabisch lilak, dit van Perzisch lilaj, wat een variant is van nilaj: indigo.

 

Afkomst.

De afkomst is echter altijd twijfelachtig geweest. Naar het voorkomen van de lelie, de Susan, in de bijbel zou de plant in Palestina moeten groeien.

Het is de vraag of deze lelie bekend geworden is door de Grieken, Romeinen en vroege christenen dan wel door de Joden. Het verspreidingsgebied van de witte lelie zou eerst binnen de grenzen van het Romeinse rijk liggen die ze planten als basis voor hun medische verzorging. Vooral door de vermelding van Plinius dat de witte lelie in Palestina groeit werd dit gegeven algemeen aangenomen. Op de sikkel die Machabeus aan de kinderen IsraĎl gaf zie je een kelk afgebeeld met de woorden shekel IsraĎl. Aan de keerzijde zie je drie leliĎn met het devies: “Jeruzalem Kedoshah”. (Heilig Jeruzalem)

In de tijd van de eerste farao’s, 2000 v. Chr., beschrijft de Merikare tekst van de 9de en 10de dynastie Palestina als een land dat ondoordringbaar is vanwege zijn dichte bossen. Jozua 17:15 zegt:  trek dan naar het woudgebied en kap u daar een ruimte in het land der Ferezieten en Refaieten.’ Behalve oorlog vernietigingen was er altijd het gevaar van bosbranden. Vaak moet het geluid gehoord geweest zijn: JoĎl 1:19: “een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd”. Jesaja 24:3 vermeldt al dat de mensen de wetten overtraden zodat de aarde  treurt en verwelkt.

In Griekenland zijn ze op verschillende plaatsen in het wild gevonden evenals op de Libanon. Pas in 1925 ontdekte M. Naftolsky de eerste wilde en witte lelie in de bergen boven Galilea. De plant zou door decimering van het woud en daardoor het opdrogen van beken zijn ecologische plaats verloren hebben. Buiten een paar verspreide plaatsen konden ze zich niet aanpassen aan de nieuwe omstandigheid en verdwenen. Die paar verspreide overblijfsels, die hun toevlucht hadden genomen op vochtige plaatsen, zouden bewijs genoeg zijn om te stellen dat de soort eens wijdverspreid was geweest. Het gewas zou dan ook meer verwant zijn met de O. Aziatische soorten dan met de M. Zee species. De oerplaats van de witte lelie moet PerziĎ en Iran geweest zijn en van hier kwam het als gecultiveerde plant naar Meden en PhyrgiĎ en Europa.

 

Susan:

Nehemia 1: 1 ’toen ik in de burcht Susan was.’

Esther 1: 2 ‘toen koning Ahasveros op zijn koninklijke troon in den burcht Susan zetelde’.

Psalm 45, titel, ‘  Voor dn koorleider. Op de wijze van : de leliĎn, Engels To the chief musican upon Shoshannim, for the sons of Karah, maschil, A song of loves.

Psalm 60 titel, ‘ Voor den koorleider. (Shushan-eduth)  Op de wijze van: de leliĎn der getuigenis.

Toevoegingen bij Esther, 11: 3, Hij was een Jood en verbleef in de stad Susa, 16: 18 ook de poorten van Susa komen hier in voor.

Hooglied 2: 1-2 ‘Als een lelie tussen de distels, 16, die te midden de leliĎn weidt’ 4: 5 ‘Uw beide borsten zijn als tweeling-jongen van gazellen, die te midden van de leliĎn weiden’, 6: 2-4 ‘Mijn geliefde is afgedaald naar zijn hof, naar de balsembedden, om zich te vermeien in de hoven, om leliĎn te plukken’.

Hosea 14: 4 ‘Ik zal zijn als de dauw voor IsraĎl, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen, zijn pracht zal zijn als een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon’. (De Asphodelus?)

Oorspronkelijk werd met de ‘roos van Jericho’ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jezus Sirach, 39:17: ‘Hoort naar mij, gij, heilige kinderen! En wast op als de rozen aan de beekjes geplant, of, naar andere vertaling: "En spruit uit, gelijk een roos die geplant is aan vloeiend water." Boek der Wijsheid 2:8: “Laat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelken’. Deze ‘rozen’ bloeien in de lente (Jezus Sirach 50: 8, en zijn struiken die te Jericho gekweekt worden Jezus Sirach 24:18. waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Zijn bloemen lijken wel wat op een roos.)

Mattheüs 6: 28-30 ‘Let op de leliĎn des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zeg u dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.

Lucas 12; 27-28 ‘ Let op de leliĎn, hoe zij spinnen noch weven’.

De naam Susan, Shusan, Shusha of Shoshanah komt in de Bijbel geregeld voor. Als zetel van de Perzische koningen (Esther 9:18), en zou dan een Perzisch/Syrische naam kunnen zijn. Deze naam zal dan in verbinding met schoonheid staan, omdat het ook aan mensen gegeven werd als Susan, dochter van Chikie, die zeer schoon was. Ook is deze naam aan planten gegeven die dan blijkbaar ook opvielen vanwege hun schoonheid.

Toch was deze naam al eerder gebruikt en wel door de PhoeniciĎrs die het als kunstdesign gebruikten. (1 Koningen. 7:19/22/26) De Salomonstempel had kostbare zuilen met lelievormige kapittels en leliĎn bloeiden in zijn tuin.

Opvallend is het voorkomen van deze naam in de muziek, in Psalm 45,69 geeft ze de manier weer waarop de psalmen gezongen worden. De hoofdmusicus heette Shoshannim en een sjofaar is een hoorn of trompet.

De lelie van Mattheüs en Lucas is in het Grieks gesteld en betekent literair: "Een lelie van elke soort die in de velden groeit".

 

Inleiding.

Uit bovenstaande tekst kan men afleiden dat het om een mooie plant(ten) handelt in verschillende tijden en verschillende plaatsen. Om nu de juiste lelie te ontdekken, is er een mogelijkheid, gezien het gebruik van de planten in de kunst en muziek. Mogelijk is het ook in figuurlijke zin gebruikt, waarbij op de teksten van Jesaja gelet kan worden.

Vele bloemen worden leliĎn genoemd, meestal slaat die naam op leden van de leliefamilie maar soms door hun vorm, kleur ook op andere bloemen. Uit de vergelijking van de verschillende teksten blijkt evenwel dat deze plant in de valleien en tuinen groeide. Ze wordt gelijk gesteld met de "Roos van Saron" en vormde sierlijke slingers. De kleur van de bloemen was rood en ze groeide overvloedig in de vlakte van Genesareth. Tevens werd er een geurig sap uit gedestilleerd. Deze omschrijving kan maar op weinig bloemen slaan en wat de reiziger als de leliĎn des velds voor de ogen staat zijn de anemonen die als een kleed elke vlakte bedekken. Deze zienswijze zal echter maar gedeeltelijk opgaan en in volgende argumentatie zal worden aangetoond dat tussen de vele prachtige "leliĎn" vele andere kanshebbers zijn.

 

Waterlelie.

De naam Susan, Shusan is een Perzisch, Koptisch en Syrische woord voor briljant gekleurde bloemen. De naam Susan, vertaald als lelie, komt bij meerdere planten voor. Dalman geeft enige voorbeelden van Arabische namen, Asphodeline wordt Susan‑el‑barri genoemd en de hyacint heet No'mines‑Susan. Mogelijk is Susan een algemene naam voor schoonheid en de tweede naam slaat dan wel op gebruik, afkomst of iets dergelijks.

Onder invloed van Phoenitische/Egyptische culturen is mogelijk de "Susan" van 2 Kronieken 4: 5 en 1 Koningen 7: 19, 22 en 26 een Nymphaea geweest. Volgens Moldenke is het waterwerk in de vorm van rozetten afkomstig van de Egyptische waterlelie waarvan er vele sculpturen gevonden zijn in Egypte die de waterlelie voor dit doel aantonen. 2 Kronieken 4: 5.

 

Nymphaea.

Nymphaea. De Sanskriet/Perzische naam niluphar of nilotpala komt van nil: blauw, en utpala: waterlelie, voor de blauwe lotus van India, Nymphaea stellata = Nu Nymphaea nouchali Burm. Dit werd via de Arabische naam nauphar of nyloufar, gegeven aan de rood getinte witte lotus van de Nijl, Nymphaea lotus, L. De naam verschijnt bij Dioscorides als nouphar, in middeleeuws Latijn als nenufar en is als nenuphar nog in Griekenland en Engeland in gebruik voor waterlelies.

Uit het Grieks kwam het Latijnse nubo: huwen. De oorspronkelijke betekenis is bruid of maagd, de naam werd al vroeg gebruikt de betekenis voor de lagere vrouwelijke godheden. In vroegere ontlening gaf dit het Latijnse numpa, lumpa of limpa: watergodin. Ze zou groeien op plaatsen waar de nymphen of naiaden woonden. Een latere afleiding gaf Latijns nympha en gaat van hieruit verder. De sage gaat naar de in planten veranderde nimfen of omdat de nixen onder hun bladeren loeren en in de maneschijn op hun bladeren schommelen.

 

Bijbel.

1 Koningen 7: 19 ‘Voorts maakte hij twee vlechtwerken voor de kapitelen die op de top der zuilen waren; het vlechtwerk was gemaakt van gedraaide snoeren, op de wijze van slingers…22 Nadat het leliewerk op de top der zuilen was aangebracht.. en 26 Haar dikte was een handbreed en haar rand was in den vorm van een bekerrand, een leliekelk’.

2 Kronieken 4: 5 ‘Haar dikte was een handbreed en haar rand had den vorm van een bekerrand, van een leliekelk’.

Het leliewerk, in Hebreeuws shushan, zou gemaakt zijn naar de vorm van waterlelies. De versiering was mogelijk een rozet waar de Egyptische waterlelie geschikt voor is met zijn vele bloembladen. Er zijn hiervan vele afbeeldingen gevonden in Egyptische tomben die laten zien dat de waterlelie zo al vroeg gebruikt werd. Het lijkt zo waarschijnlijk dat de Phoenische architecten hiervan gebruik gemaakt hebben.

 

Anemoon.

De gelijkenis van Markus en Mattheüs is in veel latere tijd, naar de massa van voorkomen past hier Anemone coronaria in de tekst, zoals die nu nog in massa voorkomt in de vlakte van Genesareth. Ze overtreft in haar kleed die van Salomon en valt op door de heldere kleuren en kleur IsraĎl in het voorjaar, komt ook overal voor, een bekende plant. Het Griekse woord dat vertaald werd als lelie van het veld betekent literair een ‘ lelie van elke soort die in het veld groeit’.

Hoewel velen van mening zijn dat het hier ook om de rode lelie, Lilium chalcedonicum, kan gaan, dit naar het statement van Plinius "Est et rubens lilium quod Graeci".

 

Hyacint.

Over de "echtheid" van de Hyacint zijn enige twijfels, ook naar het gestelde gebruikt voldoet ze niet aan de omschrijving "lelie". De blauwe kleur en oorspronkelijk lichte bloemtros zouden onder een struik ook te kort opvallen. Wel in de weiden waar de ‘hyacint’ groeit bij het grazende vee. Het mythologische verhaal met Apollo en de rouwtekens Ai Ai gaat ook waarschijnlijk niet over de hyacint. In de tuinen van Salomon zullen mogelijk sierbloemen hebben gestaan die tevens als functie hadden, mogelijk voornaamste, om nuttig te zijn.

 

Roos.

Moldenke vermeldt dat de roos door de oudere schrijvers en rabbijnen verkeerd vertaald was. De naam voor de roos is in het enkelvoud Shoshanot en in meervoud Shoshanah, wat op Shushan lijkt. Luther heeft het Hebreeuwse woord verkeerd met rozen overgezet, de roos is pas veel later in IsraĎl gekomen. Als een van de nieuwere bloemen zou de roos wel bij Jezus Sirach 50:6/7 kunnen voorkomen. Rosa phoenicia kan voorkomen in 2 Esdras 2:19. Zoals daar de tekst weergeeft houdt deze roos van hoogte en buiten de Libanon groeien er weinig rozen.

Ook is de roos van de oudheid moeilijk te determineren, de roos is nogal veranderlijk geweest. De lelie is altijd hetzelfde gebleven zodat bij zijn afbeeldingen geen twijfels bestaan.

Rozenolie bekend als attar of athar is afkomstig van Rosa damascena. Deze naam voor een stad komt volgens Reisbeschrijvingen meerdere malen voor (Numeri 32:3/34, Jozua 16:5) Maar de wilde roos als bloem heeft 5 bloembladen.

 

Tulp, Tulipa.

Tulipa montana zou de ‘roos van Sharon’ kunnen zijn en de roos in het voorjaar, Hooglied 2: 1 en Prediker 50: 8.

 

Sternbergia.

Sternbergia lutea, Ker-Gawl. (geel) Sternbergia is genoemd naar graaf Caspar von Sternberg, een Oostenrijkse botanist en schrijver, 1761-1838.

Herfstnarcis. Volgens sommigen zou dit de Amaryllis lutea of gouden lelie, de lelie des velds zijn, lily of the field. (of Sternbergia clusiana) De kleur is wel opvallend, maar het gewas is laag. Linnaeus noemde het Amaryllis in 1753.

 

Lelie.

De "Lelie" zou dan in PerziĎ moeten groeien en in IsraĎl. Vroegere verwijzingen van voor Linnaeus van leliĎn zijn nogal twijfelachtig. De stad Susa wordt steeds als leliestad vermeld naar de hoeveelheid leliĎn die daar groeien.

Bollen werden als opstandingsymbolen gebruikt en bloemen in figuurlijke zin gebruikt als symbool van leven, glorie en schoonheid. Zo'n opzienbarende schoonheid als "Susan" zal dan vrijwel zeker gebruikt zijn. Hier is dan een overeenkomsten in Jesaja 53, Jesaja 62:3, Jesaja 11, vergelijk Jesaja 43:3 met Hosea 14:6/8 "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge. Ik zal zijn als dauw voor IsraĎl, hij zal bloeien als een lelie."

 

6.

De Hebreeuwse naam shushan is afgeleid van sjeesj, dit is 6, de bloem zou zo 6 bloembladen moeten hebben.

Lelie heeft zes bloembladen en tevens zes stuifmeeldraden. " Het Hebreeuwse woord schijnt erop te duiden dat de lelie een van de planten is waar het nummer 6 de overhand heeft, zoals de krokus, Asphodelus, narcis, lelie etc. Sommigen denken aan de Asphodelus vanwege zijn vele voorkomen, "hij weidde bij de lelie."

De Hebreeuwse naam Shushan gaf aan sommige muziekinstrumenten hun naam. Dit zal zeker niet zonder reden geweest zijn. Zien we om naar de bloemvorm van de iris en de lelie, dan valt de eerste weg. De lelie heeft trompetvormige bloemen en meeldraden die van zuiver goud lijken en als een soort ritme-instrument gebruikt zouden kunnen worden.

De lelie komt echter maar weinig voor, er zijn twijfels of het vroeger in grotere getale daar gegroeid zou hebben. Mogelijk is het gewas door de IsraĎlieten zelf uitgeroeid vanwege zijn geneeskrachtige werking, eetbare bollen en gebruik in religieuze rites.

In Jesaja 35:2 wordt dan toch gesproken over de luister van de Karmel en Saron, waarmee wel de schoonheid van de wouden bedoeld zal zijn. Vervolgens lezen we in Jesaja 33:9 "Saron is een steppe gelijk geworden". Van de bossen van Saron zijn de laatste restanten in 1914 verdwenen. In Jesaja's tijd werd zo de ecologische plaats voor de lelies minder, maar beter voor de anemoon. Lelies zijn planten die van schaduw houden, koele, vochtige plaatsen als waar Naftolsky ze vond. In de tuin van Salomon zullen ook alleen bijzondere planten gekweekt worden, geen bijzondere en dan een zomer bloeiende, niet de vele en algemene voorjaarsbloeiers als anemoon, hyacint en narcis.

Ook de inlandse naam voor de lelie en die van zijn buren is opmerkelijk gelijk, ook met het woord in de bijbel.

Lehane meldt dat de witte lelie een heilige bloem was bij de AssyriĎrs en van daaruit in de Joodse godsdienst is gekomen. (Dan is de plant uit het oosten afkomstig)

Het Spaanse en Portugese azucena voor de witte lelie stamt uit het Arabisch en is zo oorspronkelijk een met de oudtes­tamentische Susan en het woord dat aan de stad Susa ten gronde ligt.

In het Hooglied 5: 13 wordt geroepen om een bijzondere plant van bijzondere schoonheid, geen gewone plant als de roodbloeiende anemoon. Mogelijk wordt hier gedoeld op Lilium chalchedonicum, L. die daar zeldzaam is, maar wel inlands.

 

Jesus Sirach 50: 8. als een lelie, shushan, bij de rivieren van water. Hier wordt mogelijk gedoeld op Iris palaestina, een waterplant van 40cm hoog.

 

Asphodelus.

Asphodelus is een Griekse naam van onzekere afkomst. Grieks Asphodilos: een lelieachtige plant met eetbare wortel, werd in Latijn asphodilus. Het is de narcis van de oudere Engelse en Franse poĎten.

 

Bijbel.

Dit gewas groeit op de heuvels van N. Negev. In cultuurgronden komt het niet voor omdat de knollen zich vlak onder de oppervlakte bevinden en dan omgeploegd worden. Die knollen lijken wel wat op die van de Dahlia en zijn veel vertakt. Is het de ‘Susan’ van Hosea 14: 4 ‘Ik zal zijn als de dauw voor IsraĎl, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen, zijn pracht zal zijn als een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon’? Gewone affodil.

 

Iris susiana L. (stad Susan, zetel van de Perzische koningen (Esther 9:18) is van deze groep de meest bekende, de rouwiris. Het Griekse woord Iris betekent regenboog en is een verwijzing naar de uiteenlopende kleuren en de schoonheid van de bloemen, Engelse rainbow flower. Of is zo genoemd omdat de buitenste bloemdekslippen gebogen zijn als een azuren regenboog.

Deze uit PerziĎ stammende Iris heeft zeer grote donkere en vrijwel zwarte gestreepte bloemen (dame in rouw), als uit zwarte zijde gesneden, de bovenste wit met zwarte aderen en schijnen als met een droeve waas omgeven. Deze donkere dame, de treurbloem en vorstelijke weduwe, heeft grote bloemen van 10-12cm doorsnede en een hoogte van 50cm. Door Linnaeus is ze zo vermoedelijk genoemd naar zijn afkomst en de tekst van Psalm 42 en 43: "Waarom ga ik in het zwart?" en zou volgens hem de lelie, de Susan, uit de Bijbel zijn. Verder heeft deze opvallende iris een weelderige balsemgeur.

 

Linum usitatissimum, L. (usita, eventueel Latijn usitare: veel gebruikt, usitatissimum is overtreffende trap) Linum is de Latijnse naam voor vlas. Het woord stamt van het Griekse linon of lenea, een naam voor draad of lijn. Dit woord is mogelijk weer afgeleid van het Keltisch lini (draden of lijn) dat wel verbonden is met het Latijn linea, streep of lijn. Dat dit woord door alle Germaanse stammen is aangenomen ziet men aan de taal, men spreekt niet van vlasgewaad of vlaszaad maar van lijnwaad, lijnzaad en lijnolie. Ons lijn komt in midden-Nederlands voor als line in 1262 en betekent eigenlijk van vlas gemaakt touw. De kunst was om een zo gelijk en lang mogelijke draad te maken.

In de oudheid kan die draad ook bezien worden als de "levensdraad" die gesponnen wordt door de Noorse Nornen, de Romeinse Parcen en Griekse Moiren, die op elk moment af kan breken. Klotho's spindel wordt gesponnen (begin van leven) die door Lachesis wordt afgemeten (leeftijd) en door Atropa wordt afgeknipt. (dood) Op de spindel werden de draden getrokken die verschenen in de religieuze beelden van het levenslot. Achilles zal moeten dulden wat de noodlotsgodin bij zijn geboorte met de linnendraden toe gesponnen had Ilias 20,128 en 24, 209, gelijk ook Odysseus 7,198. In de Bijbel staat dan ook in Spreuken 21:6 "Of in de snaren des doods".

 

Bijbel.

Genesis 41: 42, Exodus 9: 31, 25: 4, 26: 1, 31 en 36, 27: 16 en 18, 25: 5-6, 15, 39: 3 en 42, 35: 6, 23, 25 en 35, 36: 8, 35 en 37, 38: 9, 18 en 23, 39: 9, 3,5,8, 24 en 27-29, Leviticus 6: 10, 13: 47-48, 52 en 59, 16: 4, 23 en 32, 19: 19, Deuteronium 22: 11, Jozua 2: 6, Richteren 14: 12-13, 15: 14, 1 SamuĎl 2: 18, 22: 18, 2 SamuĎl 6: 14, 1 Koningen 10: 28, 1 Kronieken 15: 27, 2 Kronieken 1: 16, 3: 14, 5: 12, Esther 1: 6, 8: 15, Spreuken 7: 16, 31: 13, 22 en 24, Jesaja 3: 23, 19: 9, 42: 3, Jeremia 13: 1, EzechiĎl 9: 2-3, 10:2 en 6-7, 16: 10 en 13, 27: 7 en 16, 40: 3, 44: 17-18, DaniĎl 10: 5, Hosea 2: 5 en 9, Ecclesiasticus 40: 4, Mattheüs 27: 59, Marcus 14: 51-52, 15: 46, Lucas 16: 19, Johannes 19: 40, Openbaringen 15: 6, 18: 12 en 16, 19: 8 en 14.

 

Vlas was een der vroegste voortbrengsels van het land en werd in Egypte en Kanaän al gekweekt voor de komst der IsraĎliĎrs, Jozua 2: 6. In Egypte is vlas al gevonden op de oudste mummies, uit de oudste dynastieĎn. Mogelijk droegen de Egyptenaren eerst klederen die van papier vervaardigd waren van Cyperus papyrus, volgens Herodotus droegen hun priesters linnen klederen. Eerst schijnt het gewas daar voor zaad gekweekt te zijn, maar een paar eeuwen later zijn er ook overblijfsels van linnen vezels gevonden zodat het toen ook gekweekt moet zijn geweest. Het behoorde tot een van hun plagen dat hun vlas verhagelde, terwijl dat van de IsraĎlieten gespaard bleef, Exodus 9:31. Volgens Plinius vormde vlas een importartikel van Egypte naar Griekenland en ItaliĎ. In Egypte stond de vlascultuur op een hoge trap. Het was een gewoon huishoudelijk gebruik, ook als doeken in Johannes 13: 4-5, zweetdoeken, Johannes 11: 44, onderkleding en overkleding, Jes. 3: 23 en Marcus 14: 51, netten, Jesaja 19: 9, meetlinten EzechiĎl 40: 3, als zeilen en vlaggen, doodskleden, Mattheüs 27: 59, Marcus 15: 46 en Lucas 23: 53 als bevestigd wordt door Homerus en Euripides. De priesters die in de tempel dienden hadden alleen zuiver witte linnen kleding aan. Een mix van wol en linnen was verboden, Leviticus, 6: 10, Deuteronium 22: 11. Drie soorten linnen waren bekend, de gewone of ruwe (Leviticus 6:10, EzechiĎl 6:10, 9: 2, DaniĎl 10: 5 en Openbaringen 15:6) een betere kwaliteit (Exodus 26:1 en 39: 27) en de fijnste, kostbaarste bij Esther 8:15, 1 Kronieken 15: 27 en Openbaringen 19: 8.

 

1) Vlas wordt pistjtah, pishtah, pista of pishtim en gristah, genoemd, betekent linnen of iets dergelijks dat van vlas gemaakt is (Exodus 9: 31, Jesaja 19:9)

2) Sjesj of shesh: fijn linnen, mogelijk een Egyptisch woord, zo ook in de Douay versie en verwijst mogelijk naar de draad, een kleed dat Jozef aan had Genesis 41: 42, en onder de offers die de Joden brachten was ook dit linnen, Exodus 25: 4 en 35: 6, het woord zou synoniem zijn met het Egyptische shesh of mag (in EzechiĎl 27:7 wordt hetzelfde woord gebruikt als artikel uit Egypte die de SyriĎrs importeerden en als zeilen gebruikten) en verwijst naar kleren van shesh (soms zijde in Exodus 28: 41).

3) Bad of bod, zou dezelfde betekenis hebben als de vorige, tenzij met het eerste garen en met het laatste weefsel bedoeld wordt, Exodus 28: 42, Leviticus 6: 10 en 16: 24, speciaal gebruikt voor linnen en religieuze gebruiken.

4) Butz, bootz of buts (fijn linnen) duidt de stof aan van het voorhangsel, de kleren van rijke personen. Het is het oorspronkelijke woord uit het N.T. De kleding van de rijke man en bruid des lams (Lucas 16:19, Openbaringen 19:8) is waarschijnlijk een Assyrisch woord en heeft betrekking op linnen dat uit het Oosten werd aangevoerd, (Esther 8: 15, (soms als zijde) 1 Kronieken 15:27, 2 Kronieken 3:14, 5:12, Lucas 19:19, 3:14 en 5:12. Openbaringen 19:8)

5) Sadin of s'deenim, een weefsel waarvan gewone kleren gemaakt werden (Richteren 14:12, Jesaja 3:23)

6) Etun, slechts eenmaal gebruikt is fijn linnen van Egypte. (Spreuken 7:16) Een soortgelijk Grieks woord is het grote laken in het gezicht dat Petrus had en ook het lijkkleed van Chr. (Johannes 19:40, Spreuken 7:16)

7) Mikven of mikvay (linnengaren, Statenvertaling) werd door Salomon uit Egypte aangevoerd. Ofschoon de Septuagint en andere vertalingen het als een eigen naam beschouwen en Gesenius het door troep en Bochart het voor belasting vertaald. De eigenlijke betekenis is zeer twijfelachtig. (1 Koningen 10:28, 2 Kronieken 1:16) Moldenke, Concordantie)

 

Volgens Exodus 27:16 werd bij het bouwen van het tabernakel een deksel van hemelsblauw en purper en scharlaken fijn getwijnd linnen gebruikt. In Leviticus 16:4 lezen we dat Aaron op de verzoendag in het heilige zal gaan, nadat hij de zonden van IsraĎl op de bok gelegd zal hebben en hij de linnen klederen zal uitdoen. Vergelijk Exodus 28:42. Deze linnen kledingstukken waren een tijdelijk teken van ootmoed.

Zelden werd het gewone lijnwaad naakt over het lichaam gedragen, Markus 14:50. Markus nam het feit blijkbaar als grote bijzonderheid op. De onderrok van Jezus was al zonder naad, van boven af geheel geweven. Johannes 19:33.

Vlas was zeer belangrijk voor kleding. Mislukken van de vlasoogst was dan ook een straf Gods, Hosea 2:8.

Linnen mocht niet gemengd worden met wol, Leviticus 19:19, Deuteronium 22:11. Egyptisch linnen, zogenaamd bysus linnen zou hagelwit zijn en beter dan de Joodse. Dit zou een vederlicht mengsel zijn van fijn linnen, zijde en elastische mosselzijde, waarin de Egyptenaren gespecialiseerd waren. Een kunst die de Joden pas in het begin van de Christelijke tijd geleerd hebben.

Vlas wordt en werd gebruikt voor kleding, lampenkousen, Jesaja 42:3, doodskleding, baldakijns en priestergewaden.

Exodus 28 vers 3 en 5 schrijft voor dat er voor Aaron en zijn zonen en de hogepriesters klederen gemaakt zouden worden tot heerlijkheid en sieraad, van goud, hemelsblauw, purper en scharlaken, fijn van kleur en stof. De priesters droegen in oude religies, in Egypte als bij de Joden, zachte witte linnen kleden, het symbool van licht en reinheid. Deze oude Egyptische/Aziatische cultusgebruiken gingen later in Europa over op de Pythagoreēsche en is bewaard gebleven in het witte koorhemd, alba sacerdotalis, dat in de christelijke kerk tot op de huidige dag gebruikt wordt.

Tot het groot priesterlijk ornaat behoorde de hemelsblauwe mantel der efod. Het hoofdgat daarvan moest in het midden zijn en dit gat moet een boord rondom hebben van geweven werk: als het gat een pantsier zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd wordt. Exodus 28 vers 31 en 31, 39:22 en 23.

 

Lolium.

Lolium temulentum, L. (verdovend, bedwelmend) Lolium, Latijn uit Grieks dolios: vals of onecht, groeit onder haver en lijkt er wat op. Of in de zin van trouweloos, de giftige eigenschappen van Lolium temulentum en zo eventueel van Grieks ollumi: doden, door een herhaling van een lettergreep ontstaan. Dolik. In vroegere tijden toen de koren nog niet zo goed gezuiverd kon worden kon dolik hier veel in voorkomen. In jong stadium is het alleen door een kenner van het koren te onderscheiden en wordt dan ook wel dolle tarwe genoemd. Pas bij de aren treedt er een verschil op, die hebben van het begin af aan een heel andere vorm.

 

Bijbel.

Mattheüs 13: 24-30 ‘Het koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. Daarna kwamen de slaven van den eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan dit onkruid? Hij zei tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zei: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zou gij tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden’.

Reeds bij Ovidius en Virgilius was het als infelix lolium bekend (ongezegend of onheilbrengende Lolium) en ook Theophrastus was met zijn giftige eigenschap bekend. Men denkt dat het gedegenereerd of behekste tarwe is die in natte situaties Lolium wordt.

Dit zou de zizaniĎn van de Bijbel zijn. Mattheus 13:24. De naam zizania is echter OriĎntaals en niet Grieks. Die naam is dan ook niet door Griekse auteurs gebruikt. Dolik wordt door de Spanjaarden zizanion of siwan genoemd. Door de Arabieren zawan of zuwan, zuwwan of zauwan. In de Talmoed vinden we zonin, wat afkomstig lijkt te zijn van sonin: hoereren. De naam wordt door de rabbijnen dan ook afgeleid, evenals zizanien met afwijken, hoereren of bederven.

Linnaeus noemde Zizania aquatica L. mogelijk zo naar zijn voorkomen in de Bijbel. Dit is de Indiaanse wilde rijst en stamt uit Amerika. De dictionaire vertaling is dolik, een onkruid dat in de tarwe groeit. (Moldenke)

 

Malus betekent vrucht en met die naam verstaan wij nu de appel. De verboden vrucht uit de Bijbel wordt ook geassocieerd met de appel. Onder de "appel" van de ouden zijn meer vruchten begrepen.

Van Latijn malum, Grieks melon, mala of malon, vergelijk meloen: vrucht. Virgilius sprak over aurea mala: gouden vrucht, (kwee) in Horace "ab ovo usque ad mala", vergelijk Mala armeniaca: abrikoos, Mala punica: granaatappel, (ook wel Malus granatus) Malus medea is de bekende citroen, de Cydonische appel en dergelijke meer. Dezelfde verzamelnaam zie je ook in het Franse pommier, pomme, van Romeinse ponum: vrucht. Het Griekse woord betekent ook schaap, de vergelijking werd in de wollige bladeren gezocht. Malus betekent ook het boze, slecht, vergelijk Frans mal-, en bonusmalus; bonus; goed, malus; slecht

 

Uit Gesner.

Bijbel, Verboden fruit;

Hebreeuws עץ החיים °ez ha-chajjĒm, Grieks τὸ ξύλον τῆς ζωῆς, Latijn lignum vitae. Als aan een willekeurige Nederlander gevraagd wordt met welke vrucht Eva Adam verleid heeft, zal het antwoord in vrijwel alle gevallen luiden: de appel. Als we de Bijbel er echter op naslaan, zien we dat in de betreffende tekst helemaal geen appel genoemd wordt. Gesproken wordt over de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. In Genesis 3: 2, 3, 6, wordt alleen over een vrucht gesproken, Peri.

Het Hebreeuwse woord tappuach, (vertaald als appel) komt diverse malen in de Bijbel voor.

Genesis 2: 9 en 17 ‘de boom der kennis van goed en kwaad’, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult hij niet eten’, 3: 6 ‘En de vrouw zag, dat de boom goed was om te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van de vrucht’.

Jozua 15: 53 ‘Beth-Tappuah’, 17: 8 ‘Het land van Tappuah behoorde aan manasse, maar Tappuah zelf, bij de grens van Manasse’.

1 Kronieken ‘De zonen van Hebron; Korach, Tappuah’.

Spreuken 25: 11 ‘Een woord, in juisten vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen’.

Hooglied 2: 3 ‘Als een appelboom onder de bomen des wouds’, 5 ‘verkwikt mij met appels’, 7: 8 ‘de geur van uw adem zij als appels’ , 8: 5 ‘Onder de appelboom wekte ik u’ .

JoĎl 1: 12 ‘De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt, granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen des velds zijn verdord’. 

Uit de context bij dit woord is niet zonder meer op te maken om welke vrucht het hier gaat; wel is het uitermate onwaarschijnlijk dat hier een appel wordt bedoeld. Uit die tekst heeft men een bepaald idee opgebouwd om de verboden vrucht. Concordantie geeft een summiere omschrijving van het soort boom waar het om gaat:

"De boom die bedoeld wordt, verspreidde een weldadige schaduw, zijn vrucht was aanlokkelijk voor het oog, had een aangename smaak en welriekende geur, was goudachtig gekleurd en hing tussen zilverachtige bladeren. Geen enkele bekende soort beantwoordt geheel aan deze vereisten, de kweepeer, de citroen en de appel worden ervoor gehouden, de laatste echter met het minste recht, daar het klimaat voor deze vrucht niet gunstig is. Waarschijnlijk wordt de abrikoos bedoeld, daar zij het meest met de beschrijving overeenkomt en in Palestina zeer overvloedig is".

De naam gebruikt in Leviticus 23: 40 is Peri es Hadar, dat wil zeggen ‘een vrucht van een prachtige boom’. Het woord Hadar betekent letterlijk pracht of pronk en slaat niet op de soortnaam. De naam komt al eerder voor als een van Ismahel’ s zonen. Zowel in Genesis als in Leviticus wordt van peri, letterlijk vrucht gesproken.

Naar Jozua lag de appelstad, Taphua, in IsraĎl, maar lag daar ook het Paradijs? Is de verboden vrucht wel dezelfde als degene die opgebouwd is uit latere teksten? 

 

Samenvatting.

De in aanmerking komende soorten overziende komt geen van de behandelde vruchten echt in aanmerking als de vrucht van het paradijs. De appel valt in ieder geval af omdat ze als vrucht niet aantrekkelijk genoeg is, vooral ten opzichte van al die heerlijke tropische vruchten. Hoewel... het Arabisch voor appel is Tufah, de Rabbijnse literatuur vermeldt bereiding van appelsap en appelcider, in de Kabbala vinden we de appel ook als verboden vrucht.

De kweepeer bezit geen aanlokkelijke smaak en is ook niet zo'n sierlijke boom. Volgens Dalman is de Arabische naam voor de kwee safardschal. De kwee komt in de Bijbel niet voor, wel in het Rabbijns Hebreeuws (Mishna en Talmoed) en wel onder drie namen, havush, parish(?) en aspargal.

De Citrus werpt qua afkomst vragen op en past ook niet in de rest van de tekst, omdat de vrucht te hard, te scherp en moeilijk verteerbaar is en de boom is ook te klein. Ook als ze de vrucht van Leviticus zou zijn is die naam daar anders dan gebruikt in de andere teksten. Hoewel, in de dikke schil zie je een spleet die op een beet lijkt. Van de slang? De slang met de appel in de bek is het symbool van het kwaad.

Blijft over de abrikoos die door de meesten wordt voorgesteld als de vrucht. De vrucht is niet geel en past niet geheel in het ideaalplaatje van de verboden vrucht. Ook Moldenke, toch de autoriteit op dit gebied, lijkt het niet helemaal waarschijnlijk dat de abrikoos bedoeld wordt. "De context van de vers schijnt te wijzen op de bladeren van zeker geboomte om gesneden te worden."

Dit is reden genoeg om nog enkele andere vruchten te bezien, waar dan vooral op de volgende tekst gelet wordt, Genesis 3: 7: "En zij bemerkten dat zij naakt waren; zij hechtten vijgenbladen aaneen en maakten zich schorten". Het vijgenblad zou voorkomen in Genesis 3: 7 en komt dan verder in een periode van 2500 jaar echter niet meer voor. En inderdaad: de vijg heeft bladeren waarmee de schaamte bedekt kan worden. Vele autoriteiten nemen dan ook aan dat de vijg, vooral de grootbladige, Ficus sycomore, gebruikt werd om de schaamte te bedekken. Waeker vermeldt dat de Ficus carica de boom des levens vertegenwoordigde bij de Egyptenaren en dat een van hun goden de vijgen aan de sterfelijke presenteerde die het waard waren het eeuwige geluk te verwerven. Mogelijk doelt hij hier ook op de Ficus sycomorus. Nancy Peelman noemt deze niet alleen de levensboom van de Egyptenaren, maar stelt deze soms gelijk met de boom der kennis die ook wel paradijsappel genoemd wordt.

van Beverwijck: "Onder al het ooft zijn de vijgen altijd in grote achting geweest en zo om haar liefelijke smaak als omdat zij van beter sap zijn dan andere vruchten. En Bacon, kanselier van Engeland stelt die in 4 Hist. nat. 11 boven alle vruchten die de natuur voortbrengt zo dat hij gemakkelijk de mening van de oudvaders Irenaeus en Tertullianus zou toestaan die de vijg gehouden hebben voor de vrucht die onze eerste voorouders in de lusthof verboden was. En daarom zouden het wellicht de Indiaanse vijgen van Brochard zijn die Paradijs‑appelen genoemd zijn... Ik weet niet (zegt Bacon) of hun mening gegrond was op enige plaatsen van de oude rabbijnen of dat zij naar de dubbele betekenis van het Griek woord Sycos keken waarmee niet alleen de vrucht, maar ook de vrouwelijkheid genoemd werd waarmee ze willen zeggen dat het de vrouw was geweest, die tot het overtreden van Gods gebod haar man gebracht had".

Dus was de vijg, volgens de ouden, onder de vruchten die ze kenden, het meest in aanmerking komend als een verleidelijke vrucht. De vijg voldoet echter lang niet aan de tekst zoals we via diverse passages in de Bijbel mogen veronderstellen dat ze er ongeveer uit zal zien. Vijg als naam is mogelijk, net als de appel, een meer algemene omschrijving van een vrucht geweest.

Brochard, hiervoor vermeldt bij van Beverwijck, een Duitse monnik die in 1300 een reisbeschrijving over het Heilig land gaf vertelt over de vijg: "Bovendien vindt men er noch andere zeer kostelijke en een wonder zeldzaam slag van appelen die van hen Paradijsappelen genoemd worden en groeien op de wijze en tot een grootte als de aller zwaarste druiventrossen in zo grote menigte bij elkaar dat zij een middelbare korf uit maken, de kernen daarvan zijn de appelen zelf zodat men vaak honderd appels en soms wel meer op een hoop vindt als een bos druiven, elk zo groot als een ei met een vaste geel kleurige huid of schors overtogen en als die er af is geeft het een zoete en lekkere vrucht. Deze boom blijft niet langer dan twee jaren in het leven, maar vergaan en verdroogt spruiten er andere takjes uit. De bladeren zijn zo lang dat ze bijna een mannen lengte te boven gaan en de breedte is zo groot dat twee bladeren gemakkelijk een mensen lichaam kunnen bedekken".

Het is duidelijk dat deze appelen bananen zijn, waar de oudvaders over spraken naar dit verslag als een soort van vijgen. Gedroogde bananen worden dan ook vijgenbananen genoemd, groen geplukt en zo gedroogd werden ze door Morstatt vijgenbananen genoemd. Zo wel in het begin van deze eeuw door de Joden, of onder de naam pisangvijgen, in Amsterdam verkocht. 

 

Musa.

Musa paradisiaca, L. (tot het paradijs behorend) Musa zou zo genoemd zijn naar Antonio Musa, geneesheer van Octavius Augustus, de eerste keizer van Rome, 63-14 v. Chr. Mogelijk was dat een oosterling want waarschijnlijk komt de naam uit die hoek, mauz, almauz of moz, de Arabische/Egyptische naam. In Turkije wordt het nog muz (moz) genoemd, Arabisch maoz, Perzisch mong, mouz en in W. Afrika maneah. (Musaeus is een dichter ouder dan Homerus, Musaeus en Orpheus zijn de oudste zangers uit de fabeltijd. De profeet Mozes heet ook Musa in het Arabisch. Linnaeus noemde deze plant Musa naar de Arabische/Perzische betekenis وز "mus", „Musa paradisiaca“ (voor de kookbanaan) en "Musa sapientium" voor de eetbanaan.

Megenberg; ‘Een soort boom groeit in het land tegen de zonsopgang, zoals Jacobus spreekt, die draagt erg schone gele appels. Aan de appels verschijnt een mensenbeet erg openbaar en herkenbaar en daarom noemt men ze Adams appels. Waarlijk dat is een groot wonder dat God de eerste mensen zonden wil tonen aan dat soort vruchten. ‘

In het volgende kapittel schrijft hij; ‘Arbor paradisi heet de paradijs boom en heet van ettelijke meesters in Latijn pulcherrima, dat spreekt: de aller schoonste, want het is zo schoon dat zijn bladeren aan de lengte een zeventig cm hebben en aan de breedte een vijf en dertig cm. De boom draagt langachtige appels en die zijn zoet en vetachtige vochten en spreken de meesters dat het van die appels meer dan honderd draagt aan een stengel. Zijn stam is hol zoals een riet en groeit graag aan vochtige plaatsen die men altijd vochtig maakt net zoals men een kauwoerde doet. Bij de boom versta ik onze vrouw, die heet wel de aller schoonste boom die onder vrouwenbeeld ooit vrucht droeg; die is zo vol genade dat ze aan elke tak der zaligheid draagt meer dan honderd deugden.’

Maerlant; ‘Arbor ade, (boom van Eden) dat is bekend, is een boom in de OriĎnt die Adams boom heet beide, als ons zegt Jacob van Vitri. Omdat ze dragen appels vele schone en van verf geel en elke appel is gebeten. Zodat men zien mag en weten dat God getuigt in het aardrijk Adams zonden duidelijk. Ja, wij zeggen het mede aldus van andere appelen van Josephus waar men die misdaad aan herkent waarom Sodom was geschonden waar God zwavel en brand van de hemel wierp gelijk en waar de Dode Zee nu ligt. Omtrent de oever, als men zegt, staan bomen die schone appelen dragen, maar van binnen, zo hoor ik gewagen, is niets dan as dat stinkt. En dit mag ons een wonder denken dat men deze tweeĎrhande misdaad in die appelen noch verstaat’. Met de laatste appel wordt Solanum incanum bedoeld.

(Dodonaeus) ‘Het vierde geslacht van Citrus is van sommige Malus Assyria, dat is appelboom van AssyriĎ, genoemd en de vrucht Pomum Assyrium, dat is appel van AssyriĎ, dan de Italianen noemen het gewoonlijk Lomio of ook Pomum Adami, dat is Adamsappel, omdat het onervaren gewone volk gelooft dat dit de appel is daar onze aller vader Adam in het Paradijs eerst van at tegen het gebod van God en daarom zeggen ze dat de kloven die in de schillen van deze appels gezien worden de tekens zijn van de beten die hij daarin gaf. Maar andere willen zeggen dat de echte appel daar Adam in beet niet deze tegenwoordige appel is, maar die soort van appels die in het Arabisch Musa of Mosa genoemd wordt daar Avicenna in het 395ste kapittel van vermaant. Immers, als Andreas Thevenetus betuigt, die Musa wordt van sommige Joden gehouden voor de appel die Adam eerst proefde en tegen God gezondigd heeft.

Thunberg zegt dat de vrucht als een vijg smaakt en deze boom dus de “boom der kennis’ zou zijn. De christenen in SyriĎ en Egypte noemen deze vrucht Ponum Paradisii of paradijsappel, berustende op de mening dat het deze vrucht geweest zou zijn die Eva tot het verboden plukken geleid zou hebben. De Fransen in Algerije bestempelen ze met de naam van bananier du paradis of figuier d'Adami, Duits Adamsapfel, Italiaans fico d’Adamo en mela di Paradiso. Linnaeus noemde een van deze dan ook Musa paradisiaca".

Volgens sommige schrijvers, naar de grote en zware trossen, zouden ze mogelijk de druiventrossen zijn geweest van de verspieders die ze meenamen aan een stok uit het Beloofde Land.

 

De bladeren waarmede zij zich kleedden na hun vlucht uit het paradijs zijn dan ook vermoedelijk niet gemaakt van vijgenbladeren, zie daar, maar van een duurzamer product. Velen van de banaansoorten leveren een hennep, zoals Musa textilis, Nee (geweven, dicht opeen gevoegd) al aangeeft. Deze soort levert de Manillahennep wat gebruikt wordt voor touwen, vezels e.d. Mogelijk zijn de eerste schorten van de oudheid van banaanvezels gemaakt.

 

De banaan waar het bij de beschrijvers van het Heilig Land om handelt als vijg van Adam is Ensete vetricosum (Welw.) Cheesman. (Musa ensete, Gmel). (een Abyssinische naam) De oude naam Musa abyssiniaca, Hort. (AbessiniĎ) duidt op zijn afkomst en verder zuidelijk. Ook komt die voor in de boven Nijldelta op moerassige plaatsen waar geen koren groeit. Abyssinian-banana, ensete, Frans bananier d'Abyssinie, ensźte.

De inlanders eten deze ensete die gekookt toch zou smaken als tarwebrood, bevat veel zetmeel.

De zaden werden daar ook als sier en als talisman gebruikt, zelfs als orakel. De zaden die de lucht ingeblazen worden geven de richting aan die men moet gaan.

De plant is heilig omdat het zich niet door zaad, maar alleen door wortelscheuten voortplant. Verder worden er touwen en matten van gemaakt.  

 

Vocht.

Deze plant produceert de langste, gaafste en onverdeelde bladeren van het plantenrijk. Dit is een van de grootst wordende, 6‑10m, en wordt ook als een van de oudste voorgesteld. De plant is beschreven in Egyptische beeldhouwwerken zodat de Joden het gewas zeker gekend moeten hebben.

Een vraag die over blijft is, of de banaan wel in IsraĎl kon groeien, als IsraĎl ook de plaats van het paradijs was. Het bladerrijke gewas heeft veel water nodig zodat het groeit in warme streken met een neerslag van 1500‑3000mm per jaar, of in vochtige gebieden met een natuurlijke bevloeiing of drassige grond.

De appelstad van Jozua lag tussen de fontein Taphua en het rietdal Vallis Arunditii, een plaats die niet zo geschikt is voor vruchtbomen van de rozenfamilie, maar wel voor de banaan. Bananen zijn in wezen jungleonkruiden van gestoorde milieus, (bij ons de brandnetel) die op overwegend natte en tropische laaglanden voorkomen.

 

Mandragora.

Mandragora officinarum, L. en Mandragora autumnalis Bertol (geneeskrachtig en herfst) en de ene was het mannetje en de ander het vrouwtje hoewel ze nu alle twee Mandragora officinarum L. heten. De eerste bloeit in mei en de tweede in de herfst.  Mandraak, alruin.

Mandragora, is een naam die gebruikt werd door Hippocrates. Grieks mandra: stal en ageiro: ik verzamel, omdat de mandragora door zijn wonderkracht de kudde bijeenhield. (349). Of naar Mandragoras, de naam van een Klein-Aziatische heilige, of naar de god Mandros, Maiandros.

(187A) De naam mandragora is niet geheel opgeklaard. Mogelijk is het oud Perzisch. Columnella noemde hominiformen en semi homo. Pythagoras noemt men deze wortel naar zijn menselijke vorm, anthropomorphos: half menselijk, wat met de Perzische benaming merdum‑giah overeenstemt. Huygens gaf er de naam ‘wortelmens’ aan. Onder de naam nam-tar-gir, namtar-ira: of vrouwelijke rampen-god, was het kruid bekend bij de AssyriĎrs.

In Egyptisch heet het aperium: sterf onmiddellijk, Osirides, naar de god Osiris, Gonos Thyphonos: zaad van Thyphon, in ArabiĎ: Jabrol, Jebora, Rabouhe of Tufa al shatan, de vrucht alleen: Lephaa of Lofah, in het Hebreeuws baraas en dudaim: wat vlammen­kruid betekent.

 

Beschrijving: Beschrijving: gilgBijbel.

Genesis 30: 14-16 ‘Toen Ruben in de dagen van de tarweoogst naar buiten ging, vond hij op het veld liefdesappelen, die hij aan zijn moeder Lea bracht. En Rachel zei tot Lea, ’Geef mij toch enige van de liefdesappelen van uw zoon. Maar zij zei tot haar: Is het niet genoeg, dat gij mijn man genomen hebt? En nu ook nog de liefdesappelen van mijn zoon nemen? Rachel zei ”Daarom mag hij vannacht bij u liggen voor de liefdesappelen van uw zoon. Toen Jacob des avonds uit het veld kwam, ging Lea hem tegemoet, en zei, Kom bij mij, want ik heb u eerlijk gehuurd voor de liefdesappelen van mijn zoon. Daarom lag hij die nacht bij haar. En God hoorde naar Lea; zij werd zwanger en baarde Jacob een vijfde zoon’. Die vreemde handel tussen 2 vrouwen had de verwachte resultaten, ze ontving en baarde een zoon, Jozef.

Hooglied 7: 13 ‘De liefdesappelen geven hun geur’.

Als liefdesappel van de oudheid lijkt het de enige echte. Ze zouden de liefdesappelen geweest zijn van Genesis 30: 14/16, die zoveel waard waren dat Rachel in ruil daarvoor haar man aan haar zuster uitleende. Sommige vertalingen van de Bijbel vertalen, דודאים (děwôdčym, dudaim; ’liefdesplant, dan ook direct als mandraak. (187A) De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, heeft voor het Hebreeuwse dudaim, mela mandragoroon, of mandragora vruchten. Dit woord zou ontleend zijn van de stam dud, wat liefkozen of liefde betekent. Het woord zou verwant zijn met het Hebreeuwse woord voor liefde bedrijven zoals in Ezechiel 16:8 voor komt. De dudaim van de HebreeĎrs zou gelijk zijn aan de jabruchin van de ChaldeeĎrs. Ofschoon niet inlands in Egypte, werden vruchten gevonden in de tomben van Tut Ankh Amun en er zijn er gevonden die op regelmatige afstand geplaatst waren, wat dat betekent is onbekend. Een Egyptisch reliĎf van Echet‑Aton, 4 eeuw v. Chr., toont een koningin die een alruinplant vasthoudt. In de Eberspapyrus vind je zeven recepten waarin de mandraak voorkomt.

De Griekse vertaling van het Oude Testament geeft het woord mela mandragoroon weer: de vrucht van mandragora. In het Hooglied 7: 13 wordt de dudaim als een sterk riekende plant vermeldt.

Toch kan je je afvragen waarom Rachel zo'n hoge prijs betaalde voor een plant die daar zo veelvuldig voorkomt? Linnaeus dacht nog dat het Cucumis dudaim, L. was.

 

Over de soort mandraak die in de Bijbel gebruikt werd zijn dan nog enige twijfels. De herfstmandraak heeft dan nog niet voldoende kracht in zijn wortels om als liefdesappel te dienen. Of heeft hier ook de bes gediend waarvan een sap getrokken wordt die wel krachtig is?

 

Libido verhogend effect.

Lehane vermeldt dat de familie van de nachtschadeachtige een vernauwing van de bloedvaten veroorzaken, wat een libido verhogend effect zou hebben. De plant veroorzaakt dan ook een korte periode van opwinding, waarin de hartslag versnelt, de temperatuur stijgt en duizeligheid optreedt. Dit zal gestimuleerd zijn door de roesverwekkende werking van deze nachtschadeachtige. Tussen de roesverwekkende en dodelijke werking liggen slechts graduele verschillen.

 

Mentha. Bij Grieken was dit een heilig kruid en men gaf de doden een bosje munt mee. Zo komt het ook voor ook in oud Egyptische graven 1200-1600 v. Chr. Hades bezat een tempel aan de voet van de berg Menthe in Elis, zijn verkrachting van Minthe is waarschijnlijk afgeleid van het gebruik van munt tijdens begrafenisriten om de geur van verrotting tegen te gaan. Mentos: poep, en menta: plant, zijn beiden woorden van een stam die aan het begrip ruiken ten grondslag liggen. Mentha wordt het ook genoemd van mens: de ziel, omdat deze plant het hart versterkt. Munt.

 

Bijbel.

De Joden strooiden ze in de synagoge zodat bij elke stap een heerlijke muntgeur opsteeg. In het N.T., Mattheus 23: 23, Lucas 11: 42 wordt munt genoemd. Verder wordt de munt ook gebruikt bij het vlees van het paaslam, zie Cichorium.

(Hebreeuws voor de munt is dandanah, becaim volgens Smith)

 

Morus.

Morus alba L. (wit)Morus nigra L. (zwart) Morus kan afgeleid zijn van mora: wat laat betekent naar het verschijnen van de bladeren. Of van Grieks moron dat verbonden wordt met Armeens mor: zwartbes, vergelijk een Moor. Moerbei. De zwarte is de vruchtdragende vorm van de historie en de witte, Morus alba is de moerbei van de zijdeteelt.

 

Bijbel.

EzechiĎl 16: 10 ‘ Ik bekleedde u met een kleurig geborduurd gewaad, schoeide u met het kostbaarste leder, wond u een fijn linnen hoofddoek om en hulde u in zijde’ en 13 ‘uw kleding was fijn linnen en zijde.

Openbaringen 18: 12 ‘fijn linnen, purper, zijde en scharlaken’.

In het N.T. was het meer bekend doch zeer apart en duur.

De eerste zijde verschijnt in EzechiĎl. Eerdere vertalingen van zijde voor EzechiĎl zouden volgens Moldenke fout zijn. Het is mogelijk pas ontdekt door de Joden in de Babylonische tijd. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt is Meshi, het komt van een wortel die uitdrijven betekent. In het N.T. was het meer bekend doch zeer apart en duur.

 

I MakkabeeĎn ‘en op het eind veroorzaakten ze de olifanten tot gevecht ze lieten hen druiven- en moerbeienbloed zien’.

Lucas 17: 6 ‘Indien gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zou tot deze moerbeiboom zeggen: Wordt ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen’.

De zwarte werd Shikmah genoemd. Het sap van de zwarte moerbei werd gebruikt om olifanten wild te maken, MakkabeeĎn. 6: 34, verder in Lucas 17:6. 34. Op de rots Ophel bij de ingang naar de vallei Hinnon, niet ver van Jeruzalem, staat een oude moerbei die de plaats zou markeren waar koning Manassah de profeet Jesaja gezien had. De moerbei van 2 SamuĎl 5: 23-24 en 1 Kronieken 14: 14-15 zouden nu populieren zijn.

 

Myrtus communis, L. (algemeen) Myrtus heeft dezelfde stam als de myrrhe, (zie Commiphora) het oud Semitische murr betekent bitter, het Akkadisch murru betekent eveneens bitter. Dit werd via Perzisch murd, over Grieks murrine of murto en in het Latijns myrtis of myrtus, oud-Frans mirre en nu myrte, mirt.

 

Bijbel.

Mirt heeft sinds de oudheid een associatie met vrede, liefde en onsterfelijkheid. In de Bijbel is ze het beeld van de heerlijkheid van het Beloofde Land in tegenstelling met de toestand in Exodus. Jesaja stelt tegenover de doornstruik dan ook de mirt. In Nehemia 8: 16 werd de mirt gebruikt bij het bouwen van loofhutten.

Op Soekot, het Loofhuttenfeest van de Joden, worden drie op de eerste dag van  het feest geplukte mirtentakjes samen met andere takken en een geurige vrucht gebruikt voor het "Loelav zwaaien", een gebruik dat op Wajiekra (Leviticus 23:40-41) is gebaseerd.

De geurige maar smakeloze mirtentakken of "hadassiem" symboliseren de Joden die de Thora niet bestuderen maar wel toepassen.

Bij het Loofhuttenfeest moeten de Joden zich van citroenen, palmtakken, mirten en wilgentakken voorzien. De vereniging van deze planten noemt men Argang minim. Ze waren het zinnebeeld van de schepping, de citroenboom vertegenwoordigde de Schepper, de palmtakken het geestelijk deel van de schepping, de mirt was de hemel en de sterren, de treurwilg de aarde met haar talrijke bewoners.

Esther 2: 7, De Hebreeuwse naam voor mirt is hadas of hadassah, dit is de originele naam van Esther, een meisje bekoorlijk van gestalte en schoonheid. Het was niet alleen een symbool van vrede, maar ook van gerechtigheid. Ze noemde haar Hadassah omdat ze rechtvaardig was en daarom werd ze vergeleken met een mirt. (Esther 2: 7) Ook is er een stad zo genoemd in Jozua 15:37.

Jesaja 41: 19 ‘Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten’, 55: 13 ‘voor een distel zal een mirt opschieten’.

Zacharias 1: 8 ‘zie een man, gezeten op een rood paard, en staande tussen de mirten in de diepte’, 10-11 ‘Hierop antwoordde de man die tussen de mirten stond’.

Deze bloeiende schoonheden wuiven over de hoofden van de wandelaars. Mirt groeit het best in de valleien waar het zijn grootste perfectie bereikt en wordt zo vaak in kalme rust en vreedzame stilte gevonden, een stilte die over de eeuwige heuvels licht, zodat de plant op natuurlijke wijze geassocieerd werd met vrede en rust. Het gaf een levende vertaling van de boodschap van de engel aan Zacharias die onder de mirt zat.

 

Narcissus. De plant is oorspronkelijk Perzisch en heette nargis. De naam kwam in het Grieks. Maar omdat de Grieken verband legden met narkao "ik wordt stijf, verdoofd" veranderden zij het woord in narkissos. Tot dit woord behoren ook narcose en narcotisch.

 

Bijbel.

Jesaja 35: 1,"De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis, zij zal welig bloeien". Het Hebreeuwse woord in Jesaja 35: 1 en Hooglied 2: 1 is Chablatzeleth, Chavatzelet of Habazzeleth. Volgens Moldenke zou die naam een samenvoegen zijn van twee woorden chablat zeleth, wat een bittere bol zou betekenen. Vermoedelijk naar die vertaling van "scherpe bol" was Gesenius ten gunste van de herfstkrokus, een Colchicum cv.

De eerste Chaldean frase van de bijbel geeft echter het woord Narkom weer en de Talmoed verwijst ook naar Narkom, wat Narcis betekent. De Perzen noemen de Polyanthus narcis Norgus, een naam die ook verder in de oost voor die plant gebruikt wordt. (Waeker)

Op de steppe waar Jesaja het heil aankondigde komen zeer vele mooi bloeiende bollen voor. Toch, zoals we bij de lelie kunnen zien, was er voor Jesaja's tijd een woud op de Saron. Dan moeten we niet zoeken naar een steppeplant, maar naar een bosplant, een voorjaarsbloeier. Als schaduw minnende plant zou Narcissus tazetta het meest in aanmerking komen. In Jesaja zal ze welig bloeien als een narcis en de tazetta heeft 8‑120 bloemen aan een stengel.

Op de vlakte van Saron worden geen rozen gevonden, wel op de Libanon.

 

Nardostachys jatamansi. Jatamansi is de inlandse naam van deze plant en is een verwijzing naar zijn harige en ruige stengels. Nardus, oud-Hoogduits Narda, midden-Hoogduits Narde, komt van middeleeuws Latijn spica nardi en  dit van Latijn spicae nardi bij Plinius, dit van bijbel Grieks nardostachus of nardoustachus, (stachus: korenaar) Dioscorides noemde het Ganges nard, en het laatste van het Hebreeuwse woord in het Hooglied, nerd, naird, nard of nerdh, met verwante woorden als het Perzische nardin, Akkadisch lardu en Sanskriet naladam; de welriekende. Oudindisch nalada: geur gevend. In Indisch zou na, in samengestelde woorden, zoveel als welriekend betekenen. Lobel: ‘Of dit kruid Nardus geheten is naar de stad Naardus van SyriĎ die gelegen is aan de rivier Eufraat waar daar ook een andere Nardus is zoals Plinius zegt is onzeker.’

Narduskruid, nardus.

 

Bijbel.

Nardus komt voor in Hooglied 1: 12, ‘ Zolang de koning aan zijn tafel is, geeft mijn nardus zijn geur’ 4:13/14,Wat uit u opspruit, is een lusthof van granaatappelbomen met kostelijke vruchten, hennabloemen en nardusplanten, nardus en saffraan, kalmoes en kaneel’.

Markus 14:3, En toen Hij te BethaniĎ was in het huis van Simon den melaatse, kwam, terwijl Hij aan tafel lag, een vrouw met een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre en zij brak de albasten kruid en goot (de mirre) over zijn hoofd’.

Johannes12: 3 ‘Maria nam een pond echte, kostbare nardusmirre, en zij zalfde de voeten van Jezus en droogden zijn voeten af met haar haren, en de geur der mirre verspreidde zich door het gehele huis’.  Een zinnebeeld van goddelijke verheerlijking.

In Lucas 7:37-50 wordt een niet genoemde zondige vrouw verhaald die zijn voeten zalfde met kostelijke parfums die uit een alabaster kruik kwam zodat dit mogelijk wel nard geweest is, dat was in die tijd zeer duur, zie Johannes 12:5.

Het Hebreeuwse nerd of naird of nard wordt in deze tekst gebruikt.

 

 

Nerium. Oleander. De naam Nerium is genomen van Grieks neros: vocht, een verwijzing naar zijn inlandse groeiplaats. Het woord oleander stamt uit het Grieks voor rose: rhodo, en boom, dendron, via Latijn werd Rhododendron gevormd en, met een blik op de laurierachtige bladeren: Laurus, werd dit woord omgevormd tot midden-Latijns lorandrum of lauriendrum. Daaruit ontstond in het Italiaans oleandro of oliandrum, Frans oleandre dat in het midden van de 16de eeuw bij ons kwam en oleander werd.

 

Bijbel.

Nog woekert het gewas in geheel Klein AziĎ aan de oevers en op de bergen. Meer naar het zuiden, in het Semitische gebied draagt het bij de Arabieren de zeker uit Grieks afgeleide namen difleh, defle of difna en om die reden is het gewas niet voor de kennismaking met de Grieken daar ingevoerd.

De oleander is de roos van de waterbeken. Het is een van de mooiste planten van de zuidelijke streken. Overal waar water is komt de roos van de waterbeken voor.

Ook in IsraĎl langs de oevers van stromen en beken, de Jordaan vallei en de wadis van de berg Karmel.

Oorspronkelijk werd met de ‘roos van Jericho’ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jesus Sirach, 39: 17: ‘Hoort naar mij, gij, heilige kinderen! En wast op als de rozen aan de beekjes geplant, of, naar andere vertaling: "En spruit uit, gelijk een roos die geplant is aan vloeiend water."

Boek der Wijsheid 2:8: “Laat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelken’. Deze ‘rozen’ bloeien in de lente.

Jesu Sirach 50: 8, en zijn struiken die te Jericho gekweekt worden, Jezus Sirach 24: 14.

Waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Zijn bloemen lijken wel wat op een roos.

In het apocriefe boek 2 Esdras 9: 26 wordt geschreven:" Dus ging ik, gelijk hij mij zond, naar het veld, dat is genaamd Ardat, en daar zat ik neer tussen de bloemen. De plaatsnaam Ardat schijnt verwant te zijn met het Hebreeuwse woord voor de oleander, ardaf.

In "De Joodse oorlogen" van Flavius Josephus wordt ook melding gemaakt van een plaatsnaam die oleander betekent, het Arabische woord difta.

 

Nigella.

Nigella sativa, L. (gekweekt of tam) Nigella, van Latijn nigellus, niger: zwart, de kleur van de zaden. Zwarte kummel, zwart komijnzaad genoemd omdat de zaden voor hetzelfde doel gebruikt worden als komijnzaden,

 

Bijbel.

Ze zijn te klein om op de gewone manier gedorst te worden, men slaat ze dus uit met een staf, Jesaja 28: 25 en 27 ‘Immers als hij de oppervlakte gelijk gemaakt heeft, dan strooit hij dille en werpt komijn uit….Dille toch wordt niet met een dorsslede gedorst en over komijn rolt men geen wagenrad, maar dille wordt met een stok uitgeklopt en komijn 27, met een roede’.

De naam die daar gebruikt wordt is ketzah, ketsach of ketyaeh. De Arabische naam is kazha of kezha, de tegenwoordige Hebreeuwse naam is ketsah. In sommige vertalingen komt daar wel venkel voor of dille. Volgens Zohary en Hopf zijn er oude bewijzen van zijn cultivatie gevonden in opgravingen te Egypte, inclusief in Tutenkhamen’s tombe.

 

Ornithogalum.

Ornithogalum nutans L. (knikkend) Ornithogalum is een naam die van het Griekse woord voor vogel komt: ornus, en gala: melk, sommige soorten hebben melkwitte bloemen, vogelmelk.. Vermoedelijk is het laatste deel naar de slijmerige stof die zich in de stengel bevindt en tot draden uitgetrokken kan worden

 

Bijbel.

Vogelmelk is een bekend bolgewas waarvan de bollen, hoewel giftig, klaargemaakt zoals schorseneren te eten zouden zijn. Zijn naam duivenmest zou al teruggaan tot in de historie en al door Dioscorides gebruikt zijn. De gedroogde bollen zouden mee genomen zijn op reizen, vooral tijdens pelgrimage naar Mekka. Het groeit er dan ook zo veelvuldig dat ze de kliffen witten, als uitval van duiven. Dioscorides vermeldt dat het wel gedroogd en aan meel toegevoegd werd. In tijden van schaarste zou het in ItaliĎ nog gegeten worden. Linnaeus noemde de plant zo omdat hij geloofde dat dit de duivenmest was als bedoeld in 2 Koningen.

 

Oryza.

Oryza sativa L. (geteeld). Het bronwoord is oud-Indisch, Sanskriet, vrihi arunya of war-vrihi. Dit werd ging over Afghaans vrize in Perzisch wrizey, modern Perzisch birinj, biring of brizi, dat in het Grieks oruza en over Latijn oriza werd. Hieruit kwam het Italiaanse riso, oud-Frans ris, nu riz, het Engelse rice, in midden-Hoogduits Ris, nu Reis, ons reisz en ries tot rijst.

De eerste enkele en onzekere sporen van rijst in onze streken vinden we in het midden van de 5de eeuw v. Chr. Naar een notitie van Athenaeus had Sophocles, 495 v. Chr. over een vrucht gesproken die later als brood of rijst uit een in EthiopiĎ inheems sesamachtige gewas duidde. Ook Hesychius stelt de EthiopiĎrs als eerste. Die oude naam vorm stemt merkwaardigerwijs in de neusklank overeen met het Armeense brinz, nieuw­ Perzisch biring overeen.

 

Bijbel.

In het Hebreeuws komt een woord voor in Jesaja 19: 7, aroth, dat vertaald werd als grasachtige en zou een overeenkomst kunnen zijn met arruz of arunya. In de Talmoed komt rijst wel voor. (van Someren‑Brand)

 

 

Phoenix.

Phoenix dactylifera, L. (dadel leverend) de dadelpalm

De waardevolste en mooiste boom moet aan de wieg van de mensheid gestaan hebben. Een boom die de mensen alles kon bieden en daardoor goddelijke verering ten deel viel en goddelijke kracht toegedeeld werd.

De oermensen zagen in hun strijd om het dagelijks leven in deze boom een godheid. Zo zagen ze, omdat ze vrijwel geen andere indrukken hadden, de hete zon die altijd in de heldere blauwe hemel staat als de lichtgod en in de palm de schenker en behouder van het leven.

De dadel als belangrijke voedselbron werd de levensboom.

De oudste naam van de plant is El: dat is "De Sterke" wat gelijk zijn godsnaam is. De boom is sterk, in grote sierlijkheid groeit ze op tot een koninklijke 40m. Zijn stam is vast en hard die zich ook op leeftijd wat kromt. Zijn bladeren zijn altijdgroen. Geen ziekte beschadigt zijn hout, blad of vruchten. Wordt de boom geveld dan schieten talloze spruiten op. De palmboom verjongt zich als nieuwgeborene en werd gelijk onsterfelijk.

Bij de opgang van de zon in het milde purperen licht van de morgenhemel en in het zonnegoud van de avondhemel doorsnijden de loodrechte lijnen van de slanke stammen en de fladderende bladerbundel de heldere hemel. Ze betekenen in het oosten het ontstaan van het leven in het paradijs, in het westen het begin van de eeuwigheid, naar het verlangde vredige land.

De Semieten zouden de palmen in Babylon gevonden hebben, de palmenhaag van Eridu gold lang als de bron voor de christelijke legende van de hof van Eden.

(b) Phoenix. Bij de Egyptenaren diende de palmboom als symbool van de zonnegod om de daarmee de steeds hernieuwende tijd uit te drukken. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40-60 donkergroene en ongeveer 3 m lange bladeren. Elk jaar vallen enkele van de onderste bladeren af en worden er ongeveer 12 nieuwe bladeren gevormd. Voor de oude Egyptenaren was de palmboom het symbool om zo het jaar in 12 maanden in te delen. Job 29,18 “Ik zegde bij mijn zelven; in mijn woonplaats zal ik den geest geven, nadat ik mijne dagen zal vermenigvuldigd hebben als een palmboom.’

De palm geeft 360 nuttige zaken, zo naar Babylonische en Perzische hymnes, een mythisch astrologisch getal dat al bij de Egyptenaren werd gevonden.

Het begin van een grote tijdrekening heette bij de Semieten chol of chul die door de Grieken Phonix (vergelijk PhoeniciĎrs) genoemd werd.

(187)  De vogel kwam alle 500 of 1461 jaren uit IndiĎ naar ArabiĎ, vlak bij een koele bron. Elke morgen baadt het in dit water en zingt een prachtig lied zodat de zonnegod zijn wagen stopt om te luisteren. Er bestond maar 1 Phoenix per tijdvak.

Als hij voelde dat zijn stervensuur gekomen was, elke 500 of 1461 jaar, bouwde hij een nest van aromatische kruiden en stak die in brand waar hij en het nest verteerd werd door de vlammen.

Uit de as ontstond hij dan verjongd weer op om weer 500 of 1461 jaar te leven. Het balsemde de as van zijn voorganger in een ei van mirre en vloog er mee naar Heliopolis (zonnestad) Daar legde het ei op het altaar van de zonnegod.

Ook de vogel was, als de palm, een symbool van onsterfelijkheid daarom betekenen de Griekse en Semitische namen beiden palm en vogel. Het is de zonnevogel en de boom de zonneboom. Zeer waarschijnlijk is het woord phonix uit phuna ontstaan zoals ook het Latijnse punis of poenus met hetzelfde woord bunni of phunnum samenhangt. In de oude Griekse en Egyptische mythologie is de Phoenix een mythische vogel en geassocieerd met de Egyptische zonnegod Re en de Griekse Phoibos.

De Grieken haalden de vruchten van de PhoeniciĎrs. Mogelijk was hier de naam Phonix: de vrucht met de bloedrode kleur, die hiertoe aanleiding gaf en werd later de naam op de boom overgedragen. Zo is de naam PhoeniciĎ niet van de boom maar van de vrucht af te leiden. Zo betekent het land PhoeniciĎ, bij de Grieken Phoenike, bij de Romeinen Phoenice: dadelland. Dioscorides noemde de palm Phoenix.

Bij de Arabieren heet de dadel als godsboom Ozza, wat aan het oude Hebreeuwse Ez hangt. Ez betekende elke boom en met El werden alleen de sterken aangeduid. Latere overzettingen en verklaringen van de bijbel verstonden onder El alle mogelijke bomen, als eiken, terebint, es, beuk en linde waardoor een onoverzienbare verwarring van namen ontstond. Zeker is uit El, Ela, Alla en Allon ontstaan. Namen waaronder men de eik rekende. Daarmee werd duidelijk de verbinding van de levensboom van het zuiden, de dadel, zichtbaar met de godenboom van de Grieken, de eik. Die is ook herkenbaar aan het latere Grieks/ Romeinse Ilax of Ilex. (Quercus ilex) Die naam is van El af te leiden dat ook als Il gesproken werd. De naam El of Ela gold ook als godsnaam.

Tamar. Met het verlies van de godsdienst en de uitbreiding van de religie van de enige god gaf men de plant naar haar vorm profane namen.

De oudst bekende is tamar, dit is de slanke en sierlijke boom. Tamar of thamar, soms thomer of thimmora genoemd. In het Arabisch is daarvan afgeleid een wortelwoord, tamara: vrucht dragen. De wortel is klein en bitter "Noem mij niet Naomi, maar Mara, want de Heer heeft mij bitterheid aangedaan." Sommigen leiden thamar af van weerspannig zijn omdat de palmboom alle zwaarte tegenstaat.

Een hele rits van plaatsen werd daarna genoemd. Tamar was een vestigingsstad in het zuiden, 1 Kronieken 9: 18. Engedi droeg ook de naam Hazezon-Tamar, Genesis 14: 7.

De naam tamar ging op vele Griekse plaatsen over. In het Arabisch tekende men de rijpe en gedroogde vrucht met tamr. (zie ook Tamarinde) Dit woord is door geheel N. Afrika, met talrijke afwijkingen, verspreid. Ook het Portugese tamara voor de vrucht en tamarera voor de boom zijn daaruit ontstaan.

Ook het woord palma moet uit het Semitische tamar of tomer ontstaan zijn. De Bijbelse stad Tadmor heet in het Grieks/Latijn Palmyra of Palmira.

Naar de wiegende beweging in de woestijnwind gaf men het ook de Aramese en Hebreeuwse namen dekhle en dikhla waaruit de Arabieren dakhl maakten. Daaruit ontstond het Griekse en Latijnse daktylos of dactylus en W. Europese afleidingen hiervan. Hieruit werd het Italiaanse dattolo en dattero gevormd, de Franse datte en dattier, de Spaanse datil en datilero, de Engelse date en date tree, Hollandse dadel en Duitse Dattel en Dattelpalme.

Jericho (betekent palmstad) was beroemd om zijn dadelpalmen, mogelijk is van hieruit de verspreiding gekomen, Deuteronium 34:3. Volgens Plinius was Jericho in een vlakte gelegen en omgeven door een palmwoud van 5 uren gaans.

Toch is de dadelpalm vermoedelijk niet inheems in Palestina en PhoeniciĎ, met uitzondering van El-Ghor en de Gaza vlakte, dit omdat in de andere gebieden de dadel niet volkomen rijpt. Mogelijk is deze plant door de handelsmensen van PhoeniciĎ verspreid. De PhoeniciĎrs vereerden Baal, en de van haar afgeleide culturen als Carthago laten vaak stenen zien waarop de verering van de palm staat, ook zijn waaiers als een geliefd grafornament. Zie Baal-Tamar, Richteren 20: 33.

 

IsraĎl.

Zo werd de palm ook gebruikt bij de Joden. De palmtwijg (Lulab) met mirt in de rechter en citroen in de linker is het drievoudige herinneringsteken van het leven in de woestijn en werd op het Loofhuttenfeest door de Joden gedragen. Het was de ziel van de natie en voor de Joden het teken van triomf en gedragen in processie, een herinnering aan de aangename bronnen van het beloofde land en de succesvolle oorlogen die ze waagden om dit te bereiken. Het waren ook palmtakken die door de menigte werd gebruikt om Jezus in te halen. Op de olijfberg groeien echter geen palmen, maar mogelijk werden ze gehaald of meegenomen vanuit Jeruzalem waar ze tot op heden in de beschutting van de huizen groeien en mogelijk opzettelijk gekweekt werden voor het gebruik op het Loofhuttenfeest.

De palm wordt een 31 maal vermeld en een vijf maal figuurlijk, Job 29. 18, Psalm 91:13, Apocalyps 7: 9. In architectonische situaties als bij de bouw van Salomons tempel, 1 Koningen 6: 29 en 32, EzechiĎl 40: 31. Bladen als symbool van blijdschap Johannes 12: 13 en Openbaringen 7: 9. De ‘sterke drank’  die in sommige verzen gebruikt wordt als apart van wijn zou van de palmboom komen, Leviticus 10: 9, Numeri 6:  3, Deuteronomium 14: 26 en 29:  6, Richteren 13:  4, Spreuken 20: 1 en 31: 4 en 6, Jesaja 5: 11, 24: 9, en 28: 7, Micha 2: 11, Lucas 1: 15. Het is ook hetzelfde wat de Joden meestal ‘honing’ noemen, in Hebreeuws d’vash, in Genesis 43: 11, 1 SamuĎl 14: 25, Psalm 19: 10, Spreuken 24: 13, 25: 16 en 27:  7, Hooglied 4: 11, Openbaringen 10: 9. Bijen worden maar vier maal vermeld terwijl honing 94 maal vermeld wordt. Dat leidt tot de conclusie dat honing niet altijd de honing was als wij die nu kennen. Herodotus sprak over de palm dat die brood, wijn en honing gaf.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: dPalm komt verder voor in Genesis 14: 7, 38: 6, Exodus 15: 27, Leviticus 23: 40, Numeri 33: 9, Deuteronium 2: 8, 34: 3, Richteren 1: 16, 4: 5, 20: 33, 2 SamuĎl 13: 1, 14: 27, 1 Koningen 6: 29 en 32,  2 Koningen 9: 26, 14: 22, 16: 6, 1 Kronieken 3: 9, 2 Kronieken 8: 4 en 17, 20: 2, 26: 2, 28: 15, 31: 5, Nehemia 8: 15, Psalm 1: 3, 92: 12-14, Hooglied 7: 7-8, Jeremia 10: 5, EzechiĎl 40: 31, 47: 19, 48: 28, 1 MakkabeeĎn 13: 51, 2 MakkabeeĎn 10: 7, 14: 4, Marcus 11: 1, Lucas 19: 29, Johannes 1: 18, 12,: 13, Handelingen 11: 19, 15: 3, 27: 17, Openbaringen 7: 9.

In Hebreeuws wordt de palmboom elot genoemd. De naam voor de dadel is tamar of temarim. Het symbool van sierlijkheid en elegantie, een naam die vaak aan vrouwen werd gegeven als bijvoorbeeld de zuster van Absalom als een verwijzing naar haar sierlijke recht opgaande gang. Nog is Tamar en Tamarah een meisjesnaam.

Het is een symbool van IsraĎl en Palestina. Vele plaatsen droegen de naam van de palm, Jericho, in Hebreeuws Y’richo, Hazazon-tamar, in Hebreeuws chatz’tzon tamar wat het vellen van de palmbomen betekent, Baal tamar, in Hebreeuws baal-tamar betekent de mannelijke palmboom en Salomons Tadmor die later bekend geworden is als Palmyra in Richteren 1: 16 en 3: 13. Bethany, Hebreeuws bet teainah, betekent het dadelhuis. Er zijn er die denken dat de naam Elim, in Hebreeuws Eh’limah, een van de halteplaatsen tussen Egypte en Sinaē zo genoemd was vanwege zijn 70 palmbomen, Exodus 15: 27, Numeri 33: 9, en de Elath, Hebreeuws eh’lit, of Eloth, in Hebreeuws e’lot, van Deuteronomium 2: 8, 1 Koningen 9: 26, 2 Koningen 14: 22, en 16: 6, 2 Kronieken 8: 17 en 26: 2, een meervoudsvorm is van hetzelfde Hebreeuwse woord elim en zo ook palmbomen betekent. De naam Phoenicia, in Hebreeuws Tzidon, was bij de Grieken en Romeinen bekend als het land van de palmen. Het is de Phenice van de King James en Douay versie van Handelingen 11: 19 en 15: 3. Na de verovering van de Romeinen en vernietiging van Jeruzalem door Titus in 70 na Chr. liet de Romeinse keizer Vespasianus een munt slaan die een wenende vrouw liet zien onder een palm, dit kenmerk is in de loop der eeuwen verdwenen.

 

Loofhuttenfeest.

In de palmoase, in het heilige oord, werd gerecht gehouden. Hierheen zochten de vervolgden een plaats. De boom des levens werd tot asiel. Hier vond ook in de herfst, op de tijd dat de dadels rijpen, een feest plaats. In die tijd verzamelden zich op verschillende plaatsen en 4-6 weken lang mensen die hutten van palmbladen oprichtten om hun tijd met feestelijkheden van allerlei soort door te brengen. Het Loofhuttenfeest van IsraĎl, oorspronkelijk het enige feest, is niet anders dan een namaking en voortzetting van het dadeloogst-feest, waarop het Hebreeuwse woord Chagha-sukkoth: inzamelingsfeest wijst.

Op de bestemde feestdag waren ook ernstige zaken gewijd en op die plaats werden feestelijkheden en luide juich en dankfeesten gehouden. Onder palmenveren trokken de mensen naar het heiligdom, de feestelijk versierde godsboom. Oorlog en bloedige familietwisten waren deze dagen ten strengste verboden. Hier vonden gymnastische spelen plaats, werden oorlogs- en sportieve wedstrijden gehouden waarbij zelfs poĎtische discussies niet ontbraken. Alles gebeurde onder leiding van de priester waaruit hij zijn macht af leidde. Hier, in die oasen, waar de levensenergie van de mens zich in elke vorm kon ontvouwen, ontstond waarschijnlijk het boekenschrift. De oudste behouden en in 1905 ontdekte teksten zijn in Phoenische geschrift beschreven. De oudste palmenstad Debir, Kirjat Sanna of Kirjat Sepher, heet ook de boekenstad.

De betekenis van de dadel voor de cultuur wordt vooral op munten achtergelaten die in PhoeniciĎ, Juda en SyriĎ gevonden worden. Een palmyrische munt laat een vruchtdragende palm zien. Op een Damascener munt zie je een stempelvorm van een vrouw die een slang een met dadels gevulde schaal voorzet.

 

Pinus. Ze groeien zelfs op rotsen. Daar heeft de boom ook zijn naam aan te danken, Pinus: een naam van Theophrastus, wat berg of rots betekent. Waarschijnlijk is het woord afgeleid van het oude Griekse peuke: pijnboom.

 

Bijbel.

Hosea 14: 9, ‘Ik ben als een altijd groene cipres, aan Mij is uw vrucht te danken’. Er is geen eenstemmigheid over de ‘green fir tree’ in Hosea, ‘berosh raanan’ in het Hebreeuws. De meeste verwijzingen in de bijbel naar dennen zijn die naar Pinus halepensis, maar hier in Hosea wordt naar zijn vruchten verwezen, dus waarschijnlijk een eetbare soort. Het zou zonder twijfel bekend zijn geweest in de tijd van Hosea.

De naam Kiefer stamt uit het midden-Hoogduits en wordt gebruikt sinds de 16de eeuw. Het woord kwam de eerste maal voor in een Bijbel overzetting van Luther waar het in Jesaja 41: 19 heet: "Ich will in der Wuste geben Zedern, Akazien, Myrten und Kiefern" (Kyfer heette het in oude tekst).

 

Pistacia, zijn vaderland is warm midden AziĎ. De naam schijnt uit Perzische peshdad, pehlwi of peshdat te stammen, (nu Peste) in Zedisch is het paradhata. Dit werd over Grieks pistake, de boom, en pistakion, de vrucht, vervolgens tot Latijn pistacium, in het Italiaans pistacchio en onder die naam werd het hier in 16de eeuw bekend, pistache.

 

Pistacia lentiscus, L. het Latijnse lentiscus is een afleiding van lentus: het taaie, naar het buigzame kleverige bestanddeel van de hars. Of zo genoemd naar de buig­zaamheid van de stengel die als rijzweep geliefd is.

 

Bijbel.

Het is waarschijnlijk de balsem van Genesis 43: 11 die in Egypte vermoedelijk onbekend was; ‘neemt van het fijnste des lands in uw zakken en brengt dien man een geschenk; een weinig balsem en een weinig honig’. Het moet dus een inlands product zijn die onbekend was in Egypte in die tijd, dus geen Commiphora opobalsamum die afkomstig is uit Z. ArabiĎ. Of van Pistacia vera, zie onder.

Het Hebreeuwse woord tzrai komt alleen voor in de apocriefe van Suzanna 54/58. De Griekse vertaling hiervan is zonder twijfel gelijk aan de beschrijvingen die Theophrastus, Dioscorides en Plinius ervan hebben gegeven.

De twee oudsten zweerden samen tegen Susanna en door toedoen van DaniĎl liepen ze in hun eigen val. Die vroeg hun elk afzonderlijk onder welke boom ze Susanna gevangen genomen hadden, waarop de een antwoordde, onder een mastboom en de ander antwoordde onder een eik.

 

Pistacia terebinthus. Aangaande de namen van deze boom, Lobel meent dat hij in het Grieks Terebinthos heet omdat de vrucht van gedaante en kleur op een Cicer lijkt die in het Grieks Erebinthos genoemd wordt. Terebint.

 

Bijbel.

Het is inlands in Gilead en vandaar de balsem van Genesis 37: 25. Wat men echter bij de Romeinen en ook nu nog onder terpentijn verstaat werd van Pinus, Picea of Larix gewonnen.

Genesis 18: 8 waar de Heer verscheen aan Abraham en drie mannen naar hem toe kwamen’ Ook nam hij boter en melk en het kalf, dat hij bereid had, en zette het hun voor, en hij stond onder de boom bij hen, terwijl zij aten’, 36: 41 ‘het stamhoofd Ela’.

1 SamuĎl 17: 2 ‘en legerden zich in het terebintendal’, 19 ‘in het terebintendal in strijd gewikkeld met de Filistijnen’.

1 Koningen 16: 8 ‘werd Ela, de zoon van Baesa, de koning over IsraĎl’’.

Jesaja 6: 13 ‘Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft’.

Hosea 4: 13 ‘ en op de heuvelen ontsteken zij die, onder eik, populier en terebint, omdat de schaduw ervan aangenaam is’.

Ecclesiasticus 24: 22, zie onder. Hebreeuws אילון.

De terebint groeit meestal in die streken die te warm en te droog zijn voor de eik, wiens plaats ze dan inneemt. Zijn knoestige en onregelmatige takbouw geven hem in de winter het voorkomen van de eik. Eik en terebint worden in verschillende vertaling wisselend gebruikt. Mogelijk ook naar Hosea, waar de eik tweemaal voorkomt en waar dan logisch de tweede maal een terebint genomen wordt. Toch kan er wel degelijk tweemaal een eik vermeld staan en wel de bladhoudende en bladverliezende eik die voor de leek totaal verschillend zijn. De bladhoudende en bladverliezende eik groeien meer in combinatie met elkaar dan met de terebint. Zie Quercus. De naam in Hosea en Jesaja is elah dat in Grieks als ptelea vertaald werd. Elah van de Bijbel, een naam ook als persoonsnaam gebruikt wordt (Genesis 36: 41 en 1 Koningen 15: 8, net als Allon de zoon van Jesaja.

Ondanks de betrekkelijk kleine afmetingen heeft de terebint toch dikke stammen en takken. De boom zou dan ook genoeg schaduw kunnen geven in de woestijnhitte en zou zo de boom kunnen zijn waaronder de engel zat die met Gideon sprak. Als zijnde de boom waaraan Absalon hing lijkt niet zo waarschijnlijk omdat ze niet zulke dichte bossen vormt als er beschreven staat. Moldenke vermeldt, dat volgens waarnemingen in de vallei van 1 Samuel, langs de oude weg tussen Jeruzalem en Gaza, de grootste terebinten staan.

 

Pistacia vera, L. (de echte)pistache.

 

Bijbel.

Toen Jozefs broeders naar Egypte kwamen namen ze kostbare ge­schenken mee en onder de landvruchten, Genesis 43: 11, staan naast amandelen ook de botoeim of botnim. Dit was, volgens verschillende vertalers, terebint vruchten. Die zijn echter, hoewel ze in vele gebieden gegeten werden, in geen geval de lekkernijen die het meenemen waard geweest waren.

Bochart zocht naar het bewijs dat hier een Pistacia bedoeld was, wat meer navolging vond.

Het Arabisch voor de noot is bata, in het Hebreeuws botoeim of bornim. De stad Beth‑Onim, Betonim, van Jozua 13: 16, zou zo genoemd zijn naar de overvloed van deze struiken.

Het enigste bezwaar is dat na die tijd de boom verdwenen bleek en pas in Theophrastus tijd door Alexander de Grote werd beschreven. Zo kan het vermoeden bestaan dat de boom door de Grieks/Syrische heerschappij in het gebied van de nieuw gevestigde stad Beroea, (nu Aleppo) gekomen is.

 

Platanus.

Platanus orientalis L. (oosters) De naam Platanus wordt afgeleid vanuit Zendisch frath: uitbreiden, peruthu: breed, van de woning, de wol­ken, de aarde. De latere Perzische namen van de boom, dulb of dulbar en tschinar, chenar of tschanal zijn ook in de nieuwere Semitische spraken overgegaan.

 

Bijbel.

De boom komt driemaal voor. De plataan groeit in waterrijke gronden en wordt dan ook nergens in grotere overvloed gevonden dan op de velden van AssyriĎ, het Heilig land, de OriĎnt, langs de oevers van stromen en rivieren.

De plataan zou voorkomen in Genesis 30: 37 ‘Toen nam Jacob zich verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarop witte strepen door het wit aan de takken te ontbloten’.

EzechiĎl 31: 8 ‘Ceders in Gods hof evenaarden hem niet, cipressen waren niet te vergelijken met zijn twijgen, en platanen haalden het niet bij zijn takken’.

Ecclesiasticus 24: 14. In het Hebreeuws komt armon voor, wat in zijn wortel ‘naakt’ betekent, dat naar zijn afschilferende schors.

Jacob nam takken van de plataan, wat zich vermoedelijk in MesopotamiĎ heeft afgespeeld, waar de plataan veel voorkomt. EzechiĎl zal zeker bekend zijn geweest met de geweldige platanen van het oosten. Vooral door Ecclesiasticus. "En gelijk de plataan ben ik uit het water verhoogd", kan het vrijwel niet anders zijn of de plataan is hier de enige mogelijkheid.

 

Polygonatum.

Polygonatum komt van het Griekse polus: veel, en gonu: een knoop, knie of verdikking, naar de vele knopen in de stengel.

Salomonszegel.

Voor het bouwen van de tempel gebruikte Salomon geen gereedschappen. 1 Koningen 6: 7, ‘en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis’. Het werd dus op magische wijze gebouwd.

Een Rabbijnse sage verhaalt: "Salomon moest de Schamir hebben om de rotsen, die hij tot het bouwen van zijn tempel nodig had, te laten springen. Hij liet dus het nest van een auerhaan opzoeken en met kristal bedekken. Omdat de auerhaan nu niet meer bij zijn jongen kon komen vloog hij weg en haalde de Schamir en wou die op het kristal leggen. Maar nu begonnen Salomon' s knechten zo hard te roepen dat de vogel verschrikt werd en de Schamir (dat is springwortel) liet vallen. Dit zou de wortelstok van de salomonszegel geweest zijn.

Als dank voor de springkracht van de wortel, wat vooral handig was tijdens de tempelbouw, drukte Salomon zijn stempel hierop. Het werd een soort toverstaf en de springwortel van de sprookjes. Mogelijk is de oorsprong van de naam bij Dioscorides geweest dat ze als een zegel, sigillum, de wond afsluit.

De zegel van Salomon was een magische pentagram van 5 punten, zo ook de ster van David. Het had een grote kracht als fuga daemonum voor het verdrijven van duivelse krachten. De ware pentagram van 5 punten zou de 5 wonden van Christus raken en die zie je in deze plant, sindsdien heeft het zijn naam, ook Siegelwurz en springkruid behouden. Wie de magische tekens van de zegels verstaat wordt gevoerd naar verborgen schatten en voor hem springen gesloten deuren.

 

Populus.

Populus, door de klank van de o wordt de boom onderscheiden van populus: het volk. Het woord geeft een verdubbeling te zien van po-pol, mogelijk heeft dit een verband met palus: moeras. Anderen vergelijken het met het Griekse paipallmaai, dat sidderen of trillen betekent, vergelijk Latijn palpitare: trillen. (Mogelijk is het woord van Aziatische oorsprong, vergelijk Indisch pipala) Populus duidt dus op de voortdurende lichte beweging van de blaadjes, populus is via paipolos ontstaan.

 

Bijbel.

Genesis 30: 37 ‘Toen nam Jacob zich verse takken van populieren’.

Jesaja 65: 3 een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen’.

Hosea 4: 13 ‘onder eik, populier en terebint’; 14: 5 ‘hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon’.

Populieren geven sterke jonge scheuten zodat ze de takken van Jacob konden leveren, zie Styrax officinalis, omdat het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt is, libneh of livenim wit betekent (in Griekse vertaling als witte populier) en de bladeren en bloemen van de storax zijn wit. Populieren zijn snelle groeiers en geven aangename schaduw zodat ze op de heuvels een plaats konden bieden voor heidense verering. Maar de meeste populieren groeien aan waterkanten en niet op heuvels, het zijn vochtverdampers, in ieder geval komen ze niet samen met een eikensoort en terebint.

In Hosea komt Hebreeuws livneh voor en niet l’vanon wat verwarring geeft met de Libanon, de populier is bekend vanwege zijn wortelende gewoonte, nieuwe scheuten komen omhoog en de straat wordt opgetild. De Arabieren noemen de witte populier haur of hor wat het woord is dat gebruikt wordt bij de Arabische vertalingen van Hosea.

Naar het bekende trillen van de bladeren zou de populier voorkomen in Leviticus 23: 40, 26:36, 2 Samuel 5: 23-24, 1 Kronieken 14: 14-15, Psalm 84: 6, de vallei van Baca, 137: 2, waar de harpen aan de wilgen worden gehangen, Jesaja 7: 2. Soms wordt dit vertaald als balsemstruiken of moerbeistruiken. In de Septuagint als perenboom, Pyrus syriaca. Deze laatste komt echter met het minste met de tekst overeen, ze vormt geen bos waarin een leger zich kan verschuilen. Bovendien maakt ze geen lawaai in de toppen. Het bewegen van de bladeren is specifiek een gewoonte van de populier, vooral de trilpopulier, Populus tremula, maar die zou alleen maar in cultivatie voorkomen, mogelijk Populus euphratica, Oliv.

Psalm 84: 6, de Hebreeuwse naam voor die struiken is Becaim, Bac of Bacha. Volgens Moldenke is dit woord vrijwel identiek met het Arabische woord Baca voor Commiphora opobalsamum. Deze levert druppels van zijn takken gelijk tranen. De literaire vertaling is treuren. Moldenke meent evenwel dat dit meer op de populier slaat dan op de balsemstruik omdat die inlands is in Jemen.

 

Styrax.

Styrax officinalis, L . (geneeskrachtig) Styrax, van Grieks sturax, van Hebreeuws tzori: de gom van terebint en mastik. Storax, een algemene naam.

 

Bijbel.

Exodus 30: 34 ‘De Heer zee tot Mozes: Neem u welriekende stoffen; druipende hars, onyx en galbanum, welriekende stoffen en reine wierook’.

In Ecclesiasticus 24:15 komt de naam nataph of nataf voor wat literair een vloeibare druppel betekent. In Job 36: 27 wordt hetzelfde woord vertaald als druppels water. Zo ook in 2 SamuĎl 5: 1 Kronieken 14, Psalm 84, het dal des geween of tranen. Soms vertaald als moerbei dal.

In Genesis 30: 37 en Hosea 4: 13 verschijnt het woord libneh, livneh of livenim: wat wit betekent. Een naam die op de zilvergrijze onderkant van populierblad zou kunnen slaan, maar ook op de storax. Wegens zijn vermeldingen met eik en terebint, als schaduwboom, wordt het meest gehouden op populier.

Als we eens omzien naar het gebruik zien we dat Jacob geschilde takken in een drinkbak legde, waarna de kudde verhit werd. Jacob paste het principe van kruising toe, wat nog maar kort geleden door Mendel ontdekt werd. Ze gebruikten de liefdesappel en kenden mogelijk meer eigenschapen en werkingen van planten. Het schillen van de takken heeft dan mogelijk tot doel om die stoffen beter in contact te brengen met het water. De populier heeft echter een averechtse werking, daar werd een zalf van gemaakt die samen met de koude kuisboom (Vitex agnus Castus) het tegenovergestelde bereikt van wat Jacob wil.

De storax echter is heet en slaapverwekkend: "Styrax bereidt tot het ontvangen". Gezien de werking zou hier meer op de storax gedoeld zijn dan op de populier. In de tekst staat dan ook niet dat de takken lang moeten zijn als die van de populier, maar vers, wat voor een goede werking logisch lijkt. Zien we om naar Hosea: "Een geest van ontucht doet hen dwalen"? stimulerende eigenschappen van de storax?

De storax wordt dan ook in het Noorden van IsraĎl libne genoemd door de Arabieren. Dalman vermeldt dat de Arabische naam libne is.

In Exodus 30: 34 en Ecclesiasticus 24: 15 komt naast stacte of druipende hars, ook onycha voor. Moldenke zegt het woord shechelet vertaald wordt als onycha, dat soms vertaald wordt als laudanum, zie Cistus, andere denken aan Styrax benzoin die dan van ver gehaald moet zijn. Stacte is een vertaling vanuit het Grieks voor een verwante boom, Liquidambar orientalis Mill. Die heette dan vroeger Storax liquida.

 

Prunus.

Pruim, midden-Nederlands prume evenals midden-Noord Duits en oud-Hoogduits Pfruma en in de 11de eeuw Phruma. Dit stamt uit het Griekse proumnon of prounon dat langs de Donau naar het Rijngebied zou zijn gekomen, vergelijk Frans le prune wat afkomstig is uit gewoon laat Latijn pruna, van Latijn prunum, wat weer stamt uit het Grieks.

 

Prunus dulcis Webb. (heerlijk, liefelijk)

De amandel bloeit met roze/witte bloemen waar de gehele struik mee overdekt is en lijkt zo in de verte op een eerbiedwaardige witharige aartsvader. De bloei is al zeer vroeg in het voorjaar, januari, een voorjaarsbrenger, een teken dat de winter over was, dat de vogels weer komen en dat het geluid van de tortelduif weer gehoord kan worden. De amandel bloeit voordat de bladeren uitkomen, vandaar het Hebreeuwse woord sjaked, wat zich haasten betekent, waakzame of wakkere. Zie de woordspeling van Jeremia op de vraag des Heren: Wat ziet gij Jeremia?’  1: 11/12: "Ik zie een roede van sjaked... want ik zal wakker zijn om dat te doen."  (ik ben waakzaam op mijn woorden om dit uit te dragen) Sjaqed is het woord voor amandel en wakker zijn, op iets bedacht zijn is van dezelfde stam sj.q.d.

Nog steeds trekken bloeiende amandelbomen vele mensen naar het zuiden waar zo’n bloemenwonder een echte openbaring is. De boom is overdekt met sneeuwwitte bloemen zodat het een onvergetelijke aanblik geeft. Dan is ook te begrijpen, dat in de beschrijving van ouderdom die onder zulke mooie beelden in Prediker 12: 6 gegeven wordt de bloeiende amandel het beeld is van het wit worden van het haar, ‘de amandelboom zal bloeien, vers 5, het beeld van de grijsheid, die een ‘sierlijke boom’ is, Spreuken 16: 31.

De Egyptenaren kenden de amandel waarschijnlijk ook nog niet omdat Jacob die er naar toe bracht. (Genesis 43: 11.)

 

De amandel bloeit na de winter, het eerste leven na de "dood", de eerste bloemen, zangvogels en dergelijke. Dan is het nog maar een stap om de plant te verbinden met het leven na de dood en als symbool van de onsterfelijke ziel te accepteren en de opstanding van de geest.

De perzik heet in het Chinees tao en is daar het zinnebeeld van leven en van de onsterfelijkheid. In de legenden kan men onsterfelijk worden door de magische perziken te eten die groeien in de tuinen van Xiwangmu. Hier leeft Xiwangmu, de koningin-moeder van het westen, een mythische figuur die in een paleis in het Kunlun-gebergte leefde en waakte over de en van onsterfelijkheid.

Zo zou ook de bloei van Aarons staf gezien kunnen worden. De dode staf die tot leven gewekt wordt. De 12 staven, waarvan de ene van amandelhout, zou meegenomen kunnen zijn uit Egypte, als die door Jacob geēntroduceerd was en daar verder gekweekt.

Nog brengen Joodse gelovigen amandeltakken in de synagoge op hun voorjaarsfeest zoals de oude palmen droegen naar de tempel.

Genesis 28: 19 ‘En hij noemde die plaats Bethel, maar tevoren was de naam der stad Luz’.

30: 37 ‘ Toen nam Jacob zich verse takken van populieren, amandelbomen (luz) en platanen’, 35: 6 ‘Toen Jacob aangekomen was te Luz, in het land Kanaän’, 43: 11 ‘en brengt dien man een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelen’.

Exodus  25: 33-36 ‘Drie bloemkelken in de vorm van een amandelbloesem aan de ene arm, met knoppen en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloemen aan den anderen arm, met knop en bloesem, aldus voor de zes armen, die uit de kandelaar uitsteken. Op de kandelaar vier bloemkelken in den vorm van amandelbloesem, met zijn knoppen en bloesems, (aldus) bij de zes armen die uit de kandelaar uitsteken. De knoppen en de armen zullen uit hem voortkomen, terwijl het geheel een gedreven werk van louter goud is.

Exodus 37: 19-20 verhaalt hetzelfde.

Numeri 17: 1-8 spreekt de Heer tot Mozes dat elke van de 12 stammen een staf neemt met de namen van hun leiders erop dan zal de man die Ik kies zijn staf bloeien. ‘Toen Mozes de volgende dag de tent der getuigenis binnen ging, zie, de staf van Aaron, voor het huis van Levi, bloeide; hij had bloesem voortgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen’.

Jozua 16: 2 en 18: 13 ‘en verder van Bethel naar Luz…Vandaar liep de grens door naar Luz

Prediker 12: 5 ‘en op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op den weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt – want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat’.

Jeremia 1: 11 ‘ En het woord des Heren kwam tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? Toen zei ik: Ik zie een amandeltwijg. Daarop zei de Heer tot mij: Gij hebt goed gezien, want Ik waak over mijn woord om dat te doen.’

De amandel was al gewoon in de tijd dat Jacob om koren zond. Zijn zending laat zien dat de amandel nog niet bekend was in Egypte. Zonder twijfel werd de vrucht daar spoedig gewoon zodat ze tijdens hun verblijf er bekend mee raakten. Dat zal de oorzaak zijn dat ze in het verlaten Sinaē deze boom als model voor hun kandelaar te dienen van de ark des verbonds (Exodus 25: 31, 33/40, 37: 19,20). De versieringen van kandelaars in glas en kristal worden nog steeds amandels genoemd door de glaswerkers.

De roede van Aaron moest zijn meegebracht uit Egypte, of de anderen ook van amandels waren staat niet vermeld. Amandeltakken  zijn  beroemd vanwege hun gemak en snelheid om in bloei getrokken te worden als je ze in een water zet op een warme plaats. Ook Virgilius verhaalt van een bloeiende staf. De staven waren de roeden, de symbolen van de stammen vandaar dat de Bijbel vaak het woord roede noemt in plaats van scepter.

In Gensis 30: 37 wordt de amandel Luz of Loez genoemd, vroeger werd het wel vertaald als hazelaar, Richteren 1: 23, waarschijnlijk naar de hoeveelheid amandels die daar voorkomen, Beth-el-luz..  Luz is ook de Arabische naam voor de amandel.

De amandel had ook aan de bekende stad Beth-el haar oorspronkelijke naam Loez gegeven, Genesis 28: 19. Deze naam is dan ook gelijk met de Arabische naam voor de amandel, luz (Concordantie). Loz. Luz verwijst dan naar de overvloed van de amandel en shaked wordt als een waakzame boom aangeduid en gebruikt als een synoniem voor Luz. In een poĎtische verbeelding betekent dan shaked een waakzame boom die zich haast om knop te zetten en te bloeien voor andere bomen, en is zo een synoniem voor luz. Ook Jacob in Haran maakte bij zijn strijd om het bezit van de kudden gebruik van loez, dat wil zeggen van de amandeltakken.

 

Punica granatum, L. (granaten of vele zaden Punica was de naam van Phoenisch Carthago, (een Phoenische nederzetting), vandaar heet de vrucht Malum punicum: appel van Carthago. De naam mala punica verkreeg het waarschijnlijk nadat de Romeinen de rijkdom aan granaatappels in de kolonies van Carthago leerden kennen.

 

Bijbel.

De eerste afbeeldingen van de granaatappelboom zijn gevonden op grafschilderingen van de Egyptenaren van 2500 voor Christus. Een wijd verspreide wortel van de granaatappel komt van oud Egyptisch rmn, waarvan Hebreeuws rimmôn en Arabisch rummČn komt. De Arabieren brachten dit ook naar andere landen, Portugees romč,  Kabyle rrumman en op Malta rummien. (Engelse wiki)

Exodus 28: 33-34, 39: 24-26, Numeri 13: 23, 20: 5, 33: 19-20 Deuteronomium 8: 8, Jozua 15: 32, 19: 7 en 13, Richteren 20: 45, 1 SamuĎl 14: 2, 2 SamuĎl 4: 2, 1 Koningen 6: 32, 7: 18 en 20, 2 Koningen 5: 18, 25: 17, 2 Kronieken 3: 16, Hooglied 4: 3 en 13, 6: 7 en 11, 7: 12, 8: 2, Joel 1: 12, Haggai 2: 19.

Onder de rijkdommen van het beloofde land rekenden de HebreeĎrs ook de granaatappel, Deuteronomium 8: 8. Numeri 13: 24. Een Chaldees schriftuitlegger beweert dat deze vrucht in het paradijs tot voedsel voor de rechtvaardigen bestemd zou zijn. De oosterse dichters bezingen de vrucht steeds in beelden en gelijkenissen. Zo lezen wij in het Hooglied 4: 3 en 13 over de schoonheid van een vrouw. "Uw lippen zijn als een scharlaken snoer en uw spraak is liefelijk, uw wangen zijn als een stuk granaatappel tussen uw vlechten. Mijn zuster, lieve bruid, gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappels met edele vruchten, cipres met nardus".

De Joden hielden de granaat ook voor het beeld der eendracht en van hier stamt waarschijnlijk de gewoonte om de vruchten af te beelden op de klederen van de priesters.

In het Hebreeuws wordt de granaatboom rimmon genoemd en in het Arabisch rumnan. Adad-Ramman: eer de granaatboom, was een stad aan deze zijde van de Jordaan die toebehoorde tot de stam Manasse. De stad werd zo genoemd omdat men daar de meeste vruchten oogstte. Rimmon en Remnon zijn steden in Numeri 33: 19-20, Jozua 15: 32, 19: 7 en Richteren 20: 45 die verwijzen naar een overvloed aan granaatappels. In 2 SamuĎl 4: 2 komt het woord voor als een persoonlijke naam. Het is een van de aangename vruchten van Egypte, Numeri 20: 5 en een van de beloofde zegeningen van Palestina, Deuteronomium 8: 8.

De granaatappelboom van Migron, 1 SamuĎl 14: 2, was beroemd.

Als belangrijke vrucht komt het dan ook voor op de zilveren shekel van Jeruzalem, 143‑135 v. Chr.

De granaatboom was in de Syrische en Phoenische godsdienst van vooraanstaande betekenis. De Rimmon van 2 Koningen 5: 18 zou geēdentificeerd zijn als de Assyrische god Ramman, de Babyloni­sche Adad, de Syrische Hadad-Rimmon, god van donder, wind en stormen. In de Christelijke symbooltaal staat de granaatappel voor de kerk als Ecclesia, de gemeenschap van gelovigen. Het is ook een symbool van de priesterstand omdat het in zijn harde schaal (ascese van de priesterstand) reine vruchten draagt.

 

Quercus.

Quercus robur L. In het Latijn heet de eik Quercus, wat op een (hypothetische) oervorm Perquus wijst. Verwant met quaerere: vragen, omdat het godsorakels zich onder eikenbomen bevonden. Quercus zou een Latijnse vervorming zijn die de Indo-Germaanse sacrale naam Perkus bevat. In Litouwen heet de eikengod Perkunas. Dit perkus betekent vuurbrand: van eikenboom, daarvan afgeleid zijn bijvoorbeeld oud-Noors fura, Angelsaksisch furh, oud-Hoogduits vorha, nieuw Duits fohre en Nederlands vuur. Het Indo-Germaanse perkus is dus van vuurbrand veranderd in eik. Hoe? Bij de Bulgaren heerst de opvatting dat bepaalde eiken gemakkelijk vuur vangen. Bovendien maakten zij vuur door het zagen van eikenhout op eikenhout. Het is hetzelfde woord dat ook in de naam Fohre (voor een dennenboom) zit. Vergelijk hiervoor ook het oud-Hoogduits Fereeih: wat eik betekende. Opvallend is verder dat in Zwitserland Ferch een betekenis voor eikenhout was.

Dan de naam Robur, dat kan robuust betekenen, maar Robur, Robus of Rubeus heet ook koren. Robur heeft dus dezelfde achtergrond als graan en vandaar zal het komen dat de ouden het woord Robur als eerste voeding van de mensen zagen zoals met het graan en de eik. Dat was de Quercus esculus, van esca; eten. Volgens Plinius is die zeldzaam in ItaliĎ. Volgens Virgilius en Ovidius groeide het alleen te Dodona en in zuidelijke streken hoewel ze niet de nux prezen maar zijn majestueuze bouw waarom het aan Zeus gewijd werd en Plinius noemde het Juglans.

 

Bijbel.

Genesis 12: 6, 13: 18, 14: 13, 18: 1, en 8, 35: 4 en 8, 38: 28 en 30, Exodus 25: 5, 26: 1, 28: 33, 34: 13, 35: 23, 39: 24, Leviticus 14: 6, 6 en 51-52, Numeri 19: 6, 24: 6, Deuteronium 11: 30, 12: 2-3, 16: 21, Jozua 24: 26, Richteren 3: 7, 6: 11, 9: 6, 2 SamuĎl 18: 9-10, 1 Koningen 13: 14, 14: 23, 18: 9, 2 Koningen 17: 10 en 16, 18: 4, 21: 7, 23: 6, 23: 14, 1 Kronieken 10: 12, 2 Kronieken 2: 7 en 14, 3: 14, Psalm 1: 3, Jesaja 1: 18 en 29-30, 2: 13, 6: 13, 27: 944: 14, 61: 3, Jeremia 4: 30, 10: 3, 17: 8, EzechiĎl 6: 13, 20: 28, 27: 6, 31: 14, DaniĎl 4: 10-12, Hosea 4: 13, Amos 2: 9, Micha 7: 14, Zacharias 11: 2, Susanna 58, HebreeĎrs 9: 19, Openbaringen 18: 12.

Reeds in het Oude Testament wordt de eik diverse malen genoemd. Door zijn geweldige grootte, omvang en ouderdom was deze boom een ideale markeringsplaats die door iedereen gekend en gezien werd. Genoemd worden de eik van Mambre, de eik van Bethel, de eik van Jabesh, de eik van Tabor en de eiken van Basan. Daar vonden plechtigheden plaats, werden feesten gevierd en koningen gekroond.

In het boek Richteren komt de eik voor als orakelboom of wichelaars-eik (187A). Abraham bouwde een altaar onder een eik, net als onder die van More. Onder zo'n eik begroef Jacob dan ook de vreemde goden en op een dergelijke plaats richtte Jozua een grote steen op. Hier werd Abimelech tot koning gekroond. Ook de door God gezonden engelen zaten rustend onder een eikenboom.

Op een gegeven moment wordt gesproken over de eik der gerechtigheid: een godsgerichtboom?

Deborah, de voedster van Rebecca, werd begraven onder de Allon-Bachuth, of de eik van geween.

Onder de eik van Jabesh werden Saul en zijn zonen begraven.

De profeet Hosea berispt de mensen voor het branden van wierook en offers onder een eik.

Niet alleen bomen zelf, maar ook wat ervan afgeleid was of ermee in verband stond, werd vereerd. Gewijde palen of zuilen zijn een voorbeeld van deze afgeleide verering. In het Oude Testament zijn er ook vele verwijzingen naar bosjes waar de afgoderij van Baal werd gehouden, Exodus 34: 13, Deuteronium 16: 21, Richteren 3: 7, 1 Koningen 14: 23 en 18: 19, 2 Koningen 17: 16, en dergelijke. Het voor deze bosjes gebruikte woord is "Asherah" of "Asherim". Dit is de vruchtbaarheidsgodin Astarte die symbolisch wordt uitgebeeld in een boom zoals we kunnen zien in de herstelde sculpturen van de stad NinevĎ in het oude AssyriĎ. 2 Koningen 21: 7 en 23: 6 waar een beeld van Asjera, dat hij gemaakt had, in het huis plaatste’. Nog worden in Palestina heilige eikenbosjes bezocht als godsdienstige centra van de bevolking, ook al is die bevolking mohammedaans of christelijk. Overigens gaat het in de tegenwoordige opvatting bij de verering niet zozeer om dat heilige bosje als wel om het zich daaronder bevindende graf van een profeet, patriarch of "heilige" (wali) Graf en eik worden gelijkelijk vereerd door Joden, Christenen en Mohammedanen: een treffende illustratie hoe trekjes uit de natuurgodsdienst door alle tijden heen onverwoestbaar aan de volksreligiositeit ten grondslag blijven liggen.

 

El.

De Hebreeuwse woorden die als eik vertaald kunnen worden zijn: elah, el, elon, ilan, allah, allo, allon of alahim. Deze woorden zijn gebaseerd op een woord dat "God" of "machtig man" betekent (El) en vormen een duidelijke verwijzing naar de houding die het volk had voor deze boom. (zie ook Phoenix) Eikenbomen -in kleine groepen of alleen staand- werden vaak objecten van afgoderij omdat het Hebreeuwse volk dacht dat er een God in leefde. De oppergod van alle goden uit het Bijbelse Kanaän werd eveneens El genoemd. Verwant met het El en Eloah van de HebreeĎrs is de samenvoeging van de Arabische woorden Al en Ilah (godheid) tot de naam voor God, Allah.

Welke eik was voor de Joden de heilige eik? De profeet Jesaja gebruikt de bladverliezende eik als zinnebeeld van verval. Om die reden wordt de heilige eik vermoedelijk gezien in een altijd groene eik, die met de woorden "allah" en "allon" werd aangeduid.

Wellicht gaat het hier om de hulsteik of steeneik, de Ilex van Plinius, Quercus ilex L, de heilige eik is herkenbaar aan het latere Grieks-Romeinse ilax of ilex wat van el is af te leiden dat ook als il gesproken werd.

Afbraak van de heilige eiken. Zie Fraxinus.

 

Quercus coccifera, L. (besrood of coccus dragend) kermes-eik. De korrels of bessen van deze boompjes heten hier te lande scharlaken greinen of scharlaken bessen, in Hoogduitsland Scharlachbeer, in Frankrijk vermillon, graine, graine escarlate. In het Grieks heten deze korrels eigenlijk Coccos baphice en in het Latijn Coccum infectorium omdat ze zo geschikt zijn om de kleren een scharlaken kleur te geven’. Kermes is afkomstig van het Franse alkermes en dit van Arabisch. De Arabische naam voor dit insect is nog steeds kermez, Perzisch qirmiz (de bron van het woord crimson: rood) dit van Sanskriet krmi-dza: gemaakt door een worm. Kermesbes, omdat men hier vroeger dacht dat het van de bessen afkomstig was. De vrouwelijke bevolking hield zich bezig met het afkrabben van deze beestjes van de takken en lieten daartoe hun nagels lang groeien.

Op het zachte dons van de jonge scheuten leeft de kermes(z)schildluis, Coccus ilicis, Fabr. Deze schildluis levert een waardevolle verfstof waaruit scharlaken en onder andere het beroemde Venetiaanse scharlaken, het ecarlate de Venise, wordt verkregen. Een verfstof met een opvallende volle kleur en blijvende werking, zie Jesaja 1:18. "Als ware uw zonden als scharlaken".

 

Bijbel.

Het scharlaken wordt in het Hebreeuws tola, karmil, tola’at, tola’ath, tola’ath shani of tola’at shani genoemd, verwijst naar het insect Coccus ilicis die op de kermes eik leeft en die kleur levert. Scharlaken draad werd vermeld in de tijd van Sarah’ s geboorte rond 1727 v. Chr. , blauw en purper worden in de tijd van Exodus genoemd rond 1491 v. Chr. Men denkt dat de HebreeĎrs niet met deze kunst bekend waren. Ze waren waarschijnlijk afhankelijk van de PhoeniciĎrs voor hun verf en voor de Egyptenaren om het toe te passen.

Het purper, argaman, van de ouden, een soort licht rode kleur kwam van de schelp van een zeeslak van het geslacht Purpurea, vooral van Murex trunculus, L., de verf kwam voornamelijk van de haven Tyrus en werd zo bekend als Tyrisch purper. Er wordt verteld dat zij alleen de kunst verstonden om het te maken en het verloren ging bij de vernietiging van Tyrus.

Sommige van de blauwe verf, teceleth of t’chaylet, een soort violet kwam van een ander schelpdier, Helix ianthina die langs de Phoenische kust gevonden wordt. Een andere blauwe kleur kwam van de lichen Roccella tinctoria. Vermillioen, shahar, was een kleurstof die van het mineraal cinnaber verkregen werd. Gele verf kwam van Lawsonia inermis.

 

Quercus coccifera var. pseudo‑coccifera, Desf. de valse kermeseik lijkt op voorgaande, maar is groter. Het zou de eik zijn van Jozua 24: 26 en 1 Koningen 13: 14. Sommige denken dat het blauw ook kwam van Indigofera tinctoria en Isatis tinctoria, rood van Rubia tinctoria.

 

Abrahams eik.

Hiervan groeit er een op de plaats waarvan men veronderstelde dat daar Abraham onder zat en waar de 3 engelen aan hem zouden zijn verschenen. Men gelooft dat als iemand de boom beschadigt, dat hij dan zijn eerstgeboren zoon zou verliezen.

Deze boom heeft een omvang van 7m en zijn takken spreiden zich 18m. In de winter van 1856-57 verloor het een grote tak die afgevallen was door een hevige sneeuwbui. Anderson meldt dat waarnemers in de voorgaande eeuw deze boom vermeldden als de eik van Abraham te Mamre.

De boom zou er nog gezond uitzien met takken die 90 voet spreidden en een stamomvang had van 6,60m.

Eusebius en HiĎronymus vermelden in Reisbeschrijvingen: "De eik te Manbre, bij Kedron, die werd daar nog ten tijde mijner kindsheid en het rijk van Constantius aangewezen, zijnde een zeer oude Terpentijnboom aan wiens jaren door zijne grofheid niet gewraakt werd, daar zou Abraham zijn verblijf gehad hebben. Met bewonderenswaardige bijgelovigheid wordt hij van de Heidenen gehouden, als onder zekere grote naam geheiligd."

Maerlant, ‘Quercus is de eiken naam, een schone boom en geschikt die beide groot groeit en lang,  zijn natuur die is sterk en dat hij zeer lang mag duren want wij vinden in schrifturen dat een eik van Abrahams tijden al zolang daar staat dat Constantijn mogelijk regeerde in het Roomse rijk en dit was meer dan drie duizend jaar, die stond te Mambre, dat was waar’.

 

Uit saints.sqpn.com

Abraham leefde enige duizenden jaren voor Christus, het was toen al een markeringsboom of opvallende boom en moet dus toen al enige honderden jaren oud zijn geweest, plus dan nog de tijd na Chr. Die boom moet dan al meer dan 4000 jaar oud zijn.

Jan van Mandeville; ‘Bij Hebron is de berg van Mambre van wie het dal heeft zijn naam. Daar is een teken boom die de Sarasijnen Drijp noemen die daar nog staat van Abrahams tijden en hem noemde zeg boom en men zegt dat deze boom daar heeft gestaan van het begin van de wereld en was altijd groen en bebladerd tot de tijd dat onze Heer stierf aan het kruis en toen begon hij te verdrogen en alle bomen die toen in de wereld waren, ze verdroogden geheel of het hart verrotte van binnen zodat hij droog gebleven is of geheel hol van binnen, alzo men er heden te dag genoeg vindt in de wereld. En enige profeten zeggen dat een prins van occident, dat is van het westen, nog zal winnen het land van beloften met de hulp van de christenen en zal onder deze boom mis doen en dan zal deze boom opnieuw groeien en uitwerpen twijgen en bladeren en dragen vrucht, vanwege welke mirakel menige Jood en Sarasijnen zich zullen bekeren tot het christelijke geloof en daarom behoedt men deze boom met grote eer en met grote kosten. En al is het dat hij droog is en ook zijn twijgen droog zijn, nochtans heeft hij in zich grote kracht. Want die het een luttel over hem draagt, hij geneest van de vallende ziekte en zijn paard mag niet vermoeien en vele andere krachten heeft hij; daarom houdt men het in waardigheid’

 

Meer geloof kunnen we hechten aan Moldenke, die vermeldt dat de boom, als terebint beschreven bij Josephus, volgens de legenden daar gestaan had sinds de schepping der wereld, in 330 na Chr. is doodgegaan. De boom werd dan vervangen door een eik. Mogelijk was dit de voor vermelde eik die dan voor de gelovigen indrukwekkend genoeg was.

 

Quercus ithaburensis Decne. subsp. macrolepis (Kotschy) Hedge & Yalt. (ithaburensis, =Tabor, Richteren 10: 3; ‘je zal komen tot de eik van Tabor’, grote schubben)

Deze lijkt qua vorm, blad en hoogte op de bij ons bekende zomereik.

Deze imposante eiken groeien, samen met andere soorten, in de wouden van Basan (wat rijk en vruchtbaar betekent) en is gewoon in de hogere bergzones.

 

Quercus calliprinos Webb (mooie steeneik) is een altijdgroene en gewone boom in IsraĎl. Hiervan bestaan nog zeer oude exemplaren naar het Oosterse gebruik om bomen te behouden die bij begraafplaatsen of graftomben staan. Zo staan de bomen van 40 of Sejereth el Arba boven op de berg Karmel. Boven de Nesher cementfabriek is een woud van die naam met grote majestueuze eiken met dikke stammen en brede toppen. (J. Eadie)

Vlak naast zulke grote bomen kunnen vormloze en prikkelige struiken groeien die vreemd genoeg dezelfde soort blijken te zijn. Het verschil is echter zo groot dat men vrijwel niet geloven kan met een en dezelfde boom van doen te hebben. Deze lager groeiende struiken zijn het resultaat van het grazen en snoeien van de geiten, vijand nummer 1 van de vegetatie. De bladeren worden harder en de struik wordt stekeliger, een bescherming tegen die vraat. Het zou de eik zijn van Jesaja 2: 13 en 44: 14.

Palestine oak.

 

Retama raetam, Webb. & Berth. (plaats van bremplanten, Numeri 33: 18, Rithma) Retama is zo genoemd naar zijn Arabische naam retem. In het Hebreeuws is het rothem: soort brem.

Virgilius schreef al over deze plant: "Zelfs de nederige brem heeft zijn nut, zijn schaduw voor slaap in de woestijn en voer voor vee". De schaduwstruik waaronder Elia wilde sterven, de rothem in 1 Koningen 19: 4-5 ‘Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zei: Het is genoeg! Neem nu, Heer, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik’.

Het was een van de haltes van de IsraĎlieten in de woestijn, de plaats van de bremplanten, Numeri 33: 18; en legerden zich te Rithma’.

(Luther zette in 1 Koningen 19: 4,5 een op de Horeb groeiende bremsoort over met jeneverbes, omdat je onder de jeneverbes zo gemakkelijk in slaap valt. Elias zette zich en sliep onder een jeneverbes)

 

De plant maakt de beste houtskool dat er is, dat met een intensieve hitte brandt. De Arabieren zeggen dat het vuur voor een heel jaar houdt. Daarom worden de smidsvuren voor het harden van staal reeds vanouds met Retama kolen gestookt.

Gloeiende kolen r'tamin, rotem, rothem en r’tamim en ritmah of ritmah, Psalm 120: 4, Jesaja 54: 16. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en die op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat die de meeste geschikt straf is voor bedrieglijke tongen, Psalm 120: 4 ‘’ benevens gloeiende kolen van de brem’.

 

Wortel van de brem.

De wortel van de brem is hard, houtig en smaakt misselijk, mogelijk giftig. Niet geschikt om als voedsel te dienen.

In Job 30: 4 ‘zij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedsel’ wordt mogelijk gedoeld op een parasiet van deze brem, Cymorium coccineum L. Deze parasiet wortelt meestal in zoute gronden of zeestranden waar de Retama ook groeit, ook op Spartium monospermum.. In oude tijden werd die gegeten met voedselschaarste. Dit werd hoog geprezen als een middel tegen dysenterie en de waarde ervan was zo hoog dat er militaire bewaking was op de plaatsen waar het gewas voorkwam. In het Hebreeuws komt de naam r'tamin sho'resh voor: wat literair betekent, de wortels van de brem, wat mogelijk op deze parasiet slaat.

 

Ricinus communis, L. (algemeen) Ricinus heeft zijn naam van het Latijnse ricinus: een teek, de zaden lijken op door bloed gezwollen teken. Mogelijk is het een oude Egyptische naam. Wonderboom.

 

Bijbel.

Jona 4: 6-9 ‘En de Heer God beschikte een wonderboom, die boven Jona opschoot om tot schaduw te zijn boven zijn hoofd, ten einde hem van zijn misnoegdheid af te brengen. En Jona verheugde zich zeer over de wonderboom. Maar den volgende dag, bij het aanbreken van den morgenstond, beschikte God een worm, die den wonderboom stak, zodat deze verdorde’ . De wonderboom die in een nacht ontstond zou kunnen wijzen op deze plant. In sommige vertalingen wordt de kalebas aangewezen, Lagenaria leucantha (wit bloeiend) omdat die in het Oosten gebruikt wordt voor schaduw prielen. De struikvorm zou dan mogelijk ook niet met de tekst overeenkomen.

De wonderboom is echter heel gevoelig voor beschadigingen. Het is een voorbeeld van het kleine en korte geloof van Jona die maar 1 nacht duurde. De naam die in Jona gebruikt werd is kikajon of kikayon. Sommigen vertalen het voor de kissos: klimop. Dodonaeus meent dat het dit kruid is of de kuisboom (Vitex agnus castus) die in Egypte bekend is onder de naam kiki. Celsius verklaart dat de wonderboom gelijkgesteld is met het Arabische el‑keroa, wat woord afgeleid zou zijn van Egyptische kike of kibil. De Arabische naam is khurwa volgens Post. Herodotus meldt "De in de moerassen wonende Egyptenaren gebruiken een olie die afkomstig is van de vrucht van de sillikypria, de Egyptenaren noemen die olie kiki." Wij gebruiken die olie nog steeds als wonderolie. Het Hebreeuwse woord qiqajon is de Ricinus volgens de H. HiĎronymus. Deze geleerde kerkvader merkt daarbij aan dat die plant snel groeit, zijn natuur heeft gevolgd en tevens de goddelijke tussenkomst heeft bewezen.

De olie ervan werd gebruikt in de ceremoniĎle rites en wordt genoemd onder de vijf soorten uit Rabbijnen tradities.

 

Roccella tinctoria DC. (verf leverend) Spaans rocca: rots, groeit op rotsen in de Azorische en Canarische eilanden.

 

Lakmoes.

Orchil wordt gevonden in de gehele wereld en zelfs op de droge rotsen van Aden. Het werd verzameld voor de verfindustrie, maar later vervangen door andere verven die verkregen werden uit koolteer.

Het wier als exportartikel is afkomstig van de Canarische en Azorische eilanden en Middellandse Zee. De Canarische eilanden leverden in het begin van deze eeuw jaarlijks 130 000 kg. Dit werd gebruikt bij de bereiding van orseille en lakmoes.

Door ammoniakgisting wordt het lakmoes bereid die door toevoeging van alkaliĎn dadelijk blauw wordt. Lakmoes wordt rood bij aanraking van een zuur.

 

Bijbel.

Exodus 25: 4, 26: 1, 35: 28: 33, 35: 23, 39: 1 en 24, 2 Kronieken 3: 14, Esther 8: 15, EzechiĎl 27: 7, levert het blauw van de bijbel, in Hebreeuws t’chaylet, zie verder Quercus.

 

Ruta graveolens, L. (het Griekse gravis betekent scherp en olere: ruiken) In Ruta wil men het Griekse ryesthai: remmen, redden, terug houden, stoppen of helpen zien, dit vanwege de geneeskracht. Of rhyein: vlieden of stromen, misschien vanwege de uit de plant stromende geur. Wijnruit.

 

Bijbel.

In Lucas 11: 42 wordt het Griekse woord peganon gebruikt, wat sterk ruiken betekent. Voor de tienden moest het wel een gekweekt kruid zijn, dus een gecultiveerde ruit en zo een dure plant.

Dit is wat vreemd omdat tijdens het instellen van dit gebod de gekweekte mogelijk nog niet bekend was en dus niet onder deze wet viel. Mogelijk was dit Pegamum harmala.

 

 

Salix.

Salix is de Latijnse naam van het Keltische sal: bij, en lis: water, naar zijn groeiplaats. Of van Latijn salire: ontspringen, vanwege de snelle groei.

 

Bijbelse wilg.

Zelfs in de bijbel is het een ongeluksboom. Ter herinnering aan hun gevangenschap in Babylon zongen de Joden en werd aan de wilg de harp opgehangen. 

Vijfmaal wordt  er in de Bijbel van de wilgenboom gesproken. De wilg groeit nog liever langs het water dan de populier en zou zo bedoeld kunnen zijn in Jesaja.44: 4 "Zij zullen uitspruiten tussen het gras, als populieren langs de beken".

Job 40: 7 ‘de wilgen der beek omgeven hem’.

Naar zijn gewillig wortel schieten gebruikt in EzechiĎl 17: 5. Dit woord dat hier gebruikt wordt lijkt vrij identiek met Amos 6: 8, arab, aravah, aravim of arabim. De wady van Arabah, meervoud Arabim, is de Hebreeuwse naam voor de wilg. (Moldenke)

Een ander woord voor de wilg is tzaphtzaphah, dit woord verwijst mogelijk naar de groenblijvende wilg, Salix safsaf, Forsk. De tegenwoordige inlandse naam tsaftsafah of safsaf lijken op dit woord en zou volgens Moldenke het meest gebruikt zijn.

Ook de koorden in Richteren 16: 7 zouden duiden op plantaardige koorden, in Hebreeuws yether lach en y'tarim lachim. Mogelijk ook manden die gemaakt zijn van twijgen, sal genaamd, die speciaal gemaakt zijn voor brood, Genesis 40: 16.

Andere wilgen die mogelijk gebruikt zijn: Salix alba, L., Salix acmophylla, Boiss en Salix fragilis.

Leviticus 23:40: "En op de eerste dag zult gij U nemen takken van schoon geboomte/palmtakken en twijgen van dichte bomen: en gij zult voor het aangezicht des heren uw God zeven dagen vrolijk zijn". De zevende dag van het Loofhuttenfeest is de "wilgendag". Op Soekot, het Loofhuttenfeest van de Joden, worden drie op de eerste dag van het feest geplukte wilgentakjes samen met andere takken en een geurige vrucht gebruikt voor het "Loelav zwaaien", een gebruik dat op Leviticus 23:40-41 is gebaseerd. In Rusland heet Palmzondag "wilgenzondag".

De geur- en smaakloze beekwilgentakken of "arawot" symboliseren de Joden die de Thora bestuderen noch toepassen.

 

Bijbel.

Salix babylonica, L. (uit Babylon) Deze boom is afkomstig uit China, de wilg van de Joden is vermoedelijk een populier geweest, Populus euphratica.

De treurwilgen zijn allemaal afkomstig van een takje uit een vijgenmandje die afkomstig was uit Babylon. Dit takje vertoonde nog sporen van leven en werd door de dichter Byron in zijn tuin te Twickenham geplant. Om die reden zijn er alleen vrouwelijke exemplaren. Dit verhaal kwam Linnaeus ter horen die dacht dat dit de plant was van Psalm 137:2, waar de IsraĎlieten hun harpen aan de wilgen, gharab, hingen en noemde het gewas alzo. (zie Populus euphratica) Bij ons ontstond naar die tekst de uitdrukking: de lier aan de wilgen hangen.

 

Salsola kali, L. (kali, van Arabisch qali of algali, er is een beroemd gebied in Saoedi ArabiĎ dat Rub al kali of Rub al Khali heet: het lege kwartier)

Soda werd oorspronkelijk uit as van strandplanten gewonnen, vooral uit Salsola. Die gold als hoofdpijnmiddel en heet naar Arabisch sudae: hoofdpijn. Of van Arabische swayda, souad of swayda: zwart, dit naar de kleur van Salsola asphaltica, de asphaltzeedauw die bij de Dode Zee en de Negev groeit.

Salsola is afgeleid van Latijn salsus: zoutig, een verwijzing naar zijn groeiplaats. Zeep werd gemaakt door as te mengen, die rijk is in potas, van deze planten met olijvenolie, in plaats van dierlijk vet. Het gebruik van potas is zeer oud en aan zijn ontdekking aan de Belus danken de uitvinding van het glas maken door de PhoeniciĎrs.

 

Bijbel.

Ze leveren samen met andere strandplanten bij verbranding de onzuivere ruwe soda. De beste soort, baril soda, is afkomstig van de Spaanse kust van de daar in het groot gekweekte Salsola sativa (gekweekt) Ook worden ze gebrand met zand om er ruw glas van te verkrijgen.

Door het verbranden van deze planten wordt potas verkregen of alkali. De Arabische naam voor zoutkruiden is dan ook el‑kali: houtskool of as, de oorsprong van ons woord alkali. Het woord borith of bori, vertaald als loog, (vanuit het Grieks vertaald betekent het gras) is een algemene term voor een substantie met reinigende kwaliteiten, maar, als we zien in Jeremia, het werd gebruikt met nether wat zonder twijfel natron of minerale kali betekent. Dan zou borith verwijzen naar alkali of potas.

Job 9: 30 ‘Al zou ik mij met sneeuw gewassen en mijn handen met loog gereinigd hebben’,

Jeremia 2: 22 ’Ja, al zou gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken’.

Maleachi 3: 2 ‘Want hij zal zijn als het vuur van den smelter en als het loog van de blekers’.

Susanna 17 ‘Breng olie en wasballen, en sluit de tuindeuren zodat ik me kan wassen’.

Natron, oud-Egyptisch ntr. Via Grieks en Latijn werd (sal) nitrum gegeven, later een chemische uitdrukking voor nitrogen: stikstof en door bemiddeling van het Arabisch natrun kwam Spaans, Frans, Engels, Duits en ons natron. Luther zette het Hebreeuwse woord nether, Jeremia 2: 22, over met loog, tot 1530 twijfelde men tussen zeep, salpeter, aluin of krijt.

 

Salvia.

Salvia is een naam die gebruikt werd door Plinius en is genomen van salvo: wat genezen of redden betekent, het is een verwijzing naar zijn medicinaal gebruik om het geheugen te versterken. In droeve tijden werd het op de graven gestrooid, als een teken van remembrance.

 

Salvia judaica, Boiss (uit Juda) Bladen staan in paren en zijn bobbelig, getand/gelobd.

de Joodse salie wordt een meter hoog met stijve en ruige, vierkante  stengels.

De rood/violette bloemen staan in afzonderlijke van 6-12 stuks.

De plant zou door zijn bloemvorm model gestaan hebben voor de zevenarmige kandelaar van de Bijbel, Exodus 37: 17-18 ‘Hij maakte dn kandelaar (Hebreeuws menorah) van louter goud, van gedreven werk maakte hij den kandelaar, het voetstuk zowel als de schacht, de bloemkelken, met knoppen en bloesems, vormden een geheel daarmee. Zes armen staken uit zijn zijden uit, drie armen van den kandelaar uit de ene zijde en drie armen van den kandelaar uit de andere zijde’. Plat gedrukt heeft het vrijwel dezelfde vorm met centrale aar en 3 paren van afstaande takken die elk opgaan. Op elke tak zijn kransen van knoppen die de knoppen en bloesems voorstellen.

 

Sorghum.

Sorghum komt van de Indiaanse naam sorghi. Of uit middeleeuws surgum of suricum wat een variant kan zijn van syricum; uit SyriĎ, mogelijk een aanwijzing naar zijn herkomst. Kafferkoren.

Men onderscheidt vier klassen van sorghums.

1)    De graansorghum, als meelvrucht, (sorgo, kafferkoren) worden gebruikt als een soort rijst of gemalen tot meel

2)    De suikersorghum voor suiker- en stroopwinning, Sorghum saccharatum Moench. (suikerachtig) ("Guinea corn") voor de productie van siropen en suiker. Zoete sorghum kan tot 10% suiker bevatten.

3)    Die voor technische doeleinden, bezems, vlechtwerk en voor de winning van een rode verfstof, de bezemsorghum.

4)    De voedersorghum voor beweiding en hooiwinning. Soedan gras,  Sudan grass, Sorghum x drummondii Millsp. & Chase. Een hybride van bicolor x arundinaceum, F1 hybriden.

De variatie in vorm is echter zeer groot, allen zijn echter 1 jarig en maken geen ondergrondse uitlopers.

 

Bijbel.

De vondsten van Sorghum dura in de tomben van Nib‑Ari zijn nog niet zeker van dit soort, zeker zijn vondsten gevonden in de Romeins/Byzantische tijd.

De Hebreeuwse naam voor gierst is dochan. Deze naam en dukh worden door de Arabieren voor twee soorten van gierst gebruikt. "De Filistijnen hadden een Hebreeuwse naam gesmeed van Degan, dat is koren, want hij wordt zoals Philo uit Sanchonation verhaald, voor de vinder van 't koren gehouden. (1 SamuĎl 5: 3‑4)". Dagon, de hoofdgod van de Filistijnen werd lang als een visgod beschouwd, hoewel men er nu aan begint te twijfelen.. Het verband komt van Hebreeuws dag: vis en dagon. Meer verwant is hij waarschijnlijk met Hebreeuws dagan: koren of graan.

Dochan komt voor in EzechiĎl 4: 9, En gij, neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt, doe ze in een pot en maak er brood van’. 27: 17, de tarwe van Minnith, een plaats aan de overzijde van de Jordaan. (Richteren 11: 33) Als tarwe van Minnith staat het speciaal vermeld en moet wel op bijzonder graan duiden.

 

Samenvatting.

1)    Dagan, Numeri 18:27, gebruikt voor tarwe.

2)    Dochan, Arabisch voor gierst.

3)    Degan, Dagon, Dagan. De god van het koren, de overeenkomst met Sorghum Dochna lijkt treffend.

Men kan dan veronderstellen dat deze graansoort al lang bekend was. Volgende overeenkomst, in EzechiĎl wordt het ook gemixt gegeten.

In EzechiĎl 27:17 wordt het Hebreeuwse woord pannag ook vertaald als tarwe van Minnith. (Pannag, een Hebreeuws woord, mogelijk een verband met Grieks panaxeia: een algemeen medicijn?) Buiten de verschillende benaming is er veel discussie over deze waar omdat er teveel soorten van kleine waren verpakt waren in de manden op de ruggen van de rijdieren zodat hier vermoedelijk geen graansoort wordt bedoeld. Pannak zou bij de SyriĎrs lekker eten betekenen en pannak vertalen de 70 overzetters als cassia, HiĎronymus voor balsam en anderen als opobalsam. "Bochart wil liever het aloude boek Zohares volgen in welke Pannag een zekere lekkernye heet. Waarom de Chaldesche vertaling voor Pannag in het Grieks het woord Kolia heeft, dat Esychius als lekkernye, of banket van honig uitlegt".

Dit zou ook kunnen duiden op voor vermelde suikersorghum, wat een lekkernye is, of vroeger een specerij, die samen met andere kleine waar goed is te vervoeren.

 

Tamarix.

Tot het Arabische tamr: dadel, Hebreeuws tamar: palmboom, behoort tamr hindi: Indische dadel, dat als naam in Europa kwam. Een afleiding uit tamr is het Latijnse tamariscus dat bij Pallidius in 4de eeuw voorkomt, dat de struik Tamarix (zo al in de 1ste eeuw na Chr.) betekent en als midden-Hoogduits Tamris al in 1210 voorkomt.

Gewoonlijk wordt het geslacht zo genoemd naar de rivier Tamaris, nu Tambro, aan de rand van de PyreneeĎn, waar deze struik veel voorkomt.

 

Ook wordt er een manna van gewonnen. Dit komt onder andere van de mannatamarisk, de tarsaboom, Tamarix nilotica Bunge. (van de Nijl) (Tamarix mannifera, Ehrenb.) (manna) Die groeit in de Egypte/Arabische woestijn tot Afghanistan. In de Sinaē zijn er grote wouden van, de struik leeft daar in de meest barre condities. De plant zweet door middel van de steek van een schildluis, Coccus mannaiparus, een taaie en zoete suiker en slijm bevattende substantie af. Dit wordt door de monniken van de Sinaē verzameld en uitgegeven als de manna van IsraĎl. Door de bedoeēen wordt dit manna verzameld, schoongemaakt van blad en vuil, gekookt en in leren zakken bewaard waarin het een jaar goed blijft of op de markt gebracht wordt. Ze gebruiken het als een honig op ongerezen brood en dippen hun brood erin. Deze manna wordt in kleine hoeveelheden gevonden en niet in zulke hoeveelheden dat er een leger mee gevoed kan worden.

Baruch 1: 10. Deze manna van het Apocryfische boek van Baruch verwijst naar iets dat gebeurde lang nadat de manna in de wildernis viel en als brood gegeten werd door de IsraĎlieten. Hier was het verkregen door geld te betalen zodat er weinig twijfel is over een gomachtige stof die van bomen verkregen werd uit de Levant. Zulke gom of manna is het gestolde sap dat uit de bast of van de bladeren komt van de Sinaē manna, Alhagi maurorum (Hedysarum alhagi, L of Alhagi mannifera, Desf.)  of van de manna tamarisk, Tamarix mannifera en de bloemes, Fraxinus ornus.

(De Arabieren noemen die substantie mann wat lijkt op de beschrijving in de heilige schrift.

 

Bijbel.

Tamarix jordanis Boiss. (uit de Jordaan) is ‘de pronk van de Jordaan’ zoals Jeremia die telkens noemt, 12: 5, 49: 9, 50: 44, ook Zacharia 11: 3.

Genesis 21: 15 ‘Toen het water uit den zak op was, wierp zij het kind onder een der struiken’. 33 ‘En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk’. De struiken van Genesis 21: 15 worden vermeld als seechim.

1 Samuel 22: 6 ‘Saul zat nu te Gibea onder de tamarisk op de hoogte met een speer in zijn hand’, 31: 13 ‘Zij namen hun gebeente en begroeven het onder de tamarisk te Jabes’. Saul zat op een heuvel in Gibeah, onder een boom in Ramah. Hier zouden de lichamen van Saul en Jonathan begraven kunnen zijn, hoewel het woord daar gebruikt, eshel, geen tamarisk betekent. Evenals in Seechem Beersheba, een streek die veel geplaagd wordt door droogte en hier zou het woord ashera, vertaald als bosje of eik, ook op tamarisk kunnen slaan en wel op Tamarix aphylla Karst (zonder blad) of Tamarix ramosissima Ledeb. (zeer vertakt) (Tamarix pentandra, Ehrenb.) (vijf meeldraden)

Tamarix kan als boom zeer oud worden en was geschikt om de herinnering levendig te houden in latere geslachten, net als bij ons de eik of linde. De krijgsraad waarin door Saul tot de dood van de priester Abimelech en de zijnen besloten werd, was onder een Tamarix te Rama, 1 SamuĎl 22: 6. het graf van Saul en zijn zonen wordt overschaduw door een Tamarix, 1 SamuĎl 31: 13 hoewel in 1 Kronieken 10: 12 van een eik wordt gesproken.

Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6 is ar‑ar of aro‑er. In Jeremia 48:  komt aro'air voor. Naar zijn afgelegen en geēsoleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. In die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxycedrus en Tamarix nilotica (Ehrenb.) Bunge (Tamarix mannifera) Sommigen denken aan de gagel, Myrica, dit wel naar de oude naam afleiding. Een zinnebeeld van dorheid en verlatenheid. Weest als de gagelkruid in de woestijn Jeremia 48: 6, 17,6.

Drie malen wordt in de grondtekst het woord eshel of esjel gebruikt, naar Luthers voorbeeld steeds door ‘bos’ of ‘geboomte’ weergeven. Alle deskundigen zijn het er over eens dat de vertaling Tamarix moet zijn.

 

Cupressus sempervirens, L. (altijd levend, blijft altijd groen en kan 2000 jaar oud worden) De naam cipres, in het Duits Zypresse, midden-Hoogduits cipres(se) Engels cypress en Frans cypres  is ontleend aan oud-Frans cipres en dit van Italiaans cipresso dat uit Latijn cyparissus (ouder Cupressus) stamt. De naam is net als het Griekse kyparissos of kuparissos, maar onafhankelijk daarvan uit een klein-Aziatische spraak overgenomen uit de gelijke Hebreeuwse betekenis gofer. (Vergelijk Cyperus, van het Hebreeuwse kophur: hars)

 

Bijbel.

Genesis 6: 14: "Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en buiten met pek bestrijken." Het verhaal van de zondvloed, door vele volkeren gekend en doorgegeven, laat Noach het gofer of gopherhout gebruiken. Veel reizigers naar het H. Land maken expedities naar de berg Ararat in het geloof dat het schip daar nog steeds ligt. Vanouds gebruikten de zeevaarders van die tijd, de FeniciĎrs, het hout van de cipres voor hun schepen. (Pol.& Huxley)

Volgens Herodotus zegt Hiram tot Salomon: "Ik zal het bevel geven om de mooiste ceders en cipressen te exporteren’. Reden om in de Moffat versie, de Algummimboom te verwijzen als een cipres, 1 Koningen 10: 11-12 ‘Bovendien bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir aanvoerde, uit Ofir zeer veel almuggimhout en edelgesteente mee’, 2 Kronieken 2: 8 ‘Zend mij ook ceder-, cipressen- en algummimhout van den Libanon’. (Moldenke) Meestal wordt verwezen naar sandelhout, maar naar de twee verschillende plaatsen van afkomst kan ook cipreshout van de Libanon bedoeld zijn’.

Jesaja 41:19, ‘Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom planten’, 60:13 ‘De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen’’.

Dioscorides schrijft dat de Libanon overdekt was met de prachtigste ceders en cipressen. (Anderson)

De boom is wijdverspreid op de Libanon en het is de enigste boom op het hoogste punt van de Hermon. (Ecclesiasticus. 24:13, 50:10)

Verscheidene Hebreeuwse worden vertaald als cipres.

De Hebreeuwse naam Tirzah of Tizzah is maar eenmaal vermeld als bouwstof voor een afgodsbeeld, Jesaja 44:14. Volgens sommigen is dit cipreshout en volgens anderen van hulst, de laatste groeit daar niet, dan Quercus ilex of Quercus aegilops, een ander als plataan.

 

Tetraclinis articulata Masters. (geleed)  Tetraclinis; tetra; vier, Grieks kline; bank, vier banken. Ara, ararboom, sanderach of citroenboom, Engelse Arartree, jointed arbor-vitae, juniper of sanderach gum tree, citron wood, Duits Sanderakzypresse, Gliederzypresse, Frans thuya d'Algérie, thuya de Barbarie, bois de titre, sabina de cartagena of sabina mora.

 

 (Dodonaeus) ; ‘Van Thya (Thuja) of wilde cipres uit Theophrastus en andere’

 

Gedaante.

Thya, zegt Theophrastus, is een hoge en altijd groene boom die zoveel van gedaante op de cipresboom lijkt dat het van stam, takken, bladeren en vruchten met die zo overeen komt dat hij voor een wild geslacht er van te houden schijnt te wezen. Zijn hout is vast en hard, welriekend als cederhout wat niet gauw bederft, verrot of vermolmt. De wortel er van is zo gekronkeld van gedaante en kleur dat er onder alle ander bomen niets dergelijks bekend is en daarom wordt die veel geacht en gebruikt om er kostbare en mooie werken van te maken en te draaien

 

Plaats.

Thya groeit meest in Afrika omtrent de kerk of tempel van de afgod Ammon en voorts het hele landschap omtrent Cyrene door, te weten op de toppen van de bergen en in koude plaatsen.

 

Tijd.

Thya is een traag groeiend gewas, immers zijn spruiten komen zeer laat voort.

 

Naam.

Wij noemen deze boom wilde cipresboom net zoals Bellonius de zijne Cypressus sylvestris noemt, dan Theophrastus en Plinius noemen hem in het Grieks Theion of Thya of ook Thyon. Plinius schrijft daarvan in het 16de kapittel van zijn 13de boek en zegt: ‘Thya was bij de poĎet Homerus goed bekend want hij schrijft dat ze ter eren van Circe gebrand werd als van een godin’, maar diegene met die naam alle soorten van berokingen omvatten zijn ver verdoold en zeer bedrogen omdat hij ze in hetzelfde gedicht van Cedrus en Thya vermaant waaruit duidelijk blijken kan dat Homerus daar alleen van welriekende bomen en niet van allerhande beroking heeft willen spreken. Voorts, zo is die plaats daar Plinius van spreekt, in het vijfde boek van Odyssea Homeri daar hij zegt dat Mercurius door bevel of gebod van Jupiter in het hol of spelonk van Calypso ging en de rook van Thya en Cedrus van ver gewaar werd die ze in dat hol brandde om er een goede reuk en waasdom te maken.

 

Aard, kracht en werking.

De oude schrijvers vermanen niets van de krachten die deze boom in het genezen zou mogen hebben, dan Theophrastus alleen betoont dat hij in grote waarde gehouden werd als zeer geschikt en gebruikelijk om de mooiste en kostbaarste daken en ander timmerwerk in de kerken met zijn hout in oude tijden te maken die zo onbederfelijk, ja onvergankelijk waren dat hetgeen er van gemaakt was bijna eeuwig goed blees zonder aan enige verrotting, vermolmen of andere bederf onderhevig te wezen’.

Maerlant, ‘Thymus, is in de OriĎnt een edele boom en ons onbekend. Het boek der Koningen maakt er gewag van en zegt dat op een dag de koningin van Saba naar Salomon kwam want ze vernam van zijn grote wijsheid en zo bracht ze met haar daar presenten van grote duurte en tijm hout mee. De glossaria zegt dat dit hout niet rot al is het oud en dat het van witheid keert in het heldere gelijk of het een zuil (of kool) is’.

 

Uit; http://upload.wikimedia.org/wikipedia/en/c/cf/Araar-root-burl-cup.jpg

Beschrijving: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/en/c/cf/Araar-root-burl-cup.jpgHistorie.

In de oudheid was er sprake van een bijzonder dure en geurende houtsoort, de Citrea en Thya.

Het wortelhout had donkere nervenarrangementen zodat er dieren in leken te zitten. Die nerven werden brusca en mollusca genoemd en in zulke ornamenten gemaakt als de grootte van het hout toestond. In de mollusca waren de nerven ver van elkaar verwijderd. De bruscum was dan waardevol als de nerven op die van een dier leken en gaven het hout een donkere kleur. De laatste werd gebruikt om tafels te maken. Geaderde en schuin uit de stam gesneden schijven van dikwijls 1,5m middellijn werden wel op ivoren zuilen geplaatst en waren een voorbeeld van de pronkliefde van de Romeinen. (213) Orbes, tafelplaten uit hout, werden betaald met fabelachtige prijzen en de hoogste prijzen lagen tussen 500 000 en 1 400 000 sestertii. Dit zal dan ook zo'n tafel geweest zijn als Cicero noemt in zijn pleidooi tegen de roofgouverneur Verres: "maxima et pulcherrima mensa citrea". Cicero had een tafel die een equivalent gekost had van 45.000 dollar, 10 000 sestertiĎn. Plinius stelt dat er zelfs nog hogere prijzen werden betaald voor artikelen die van dit hout waren gemaakt. Dit waren de beroemde panter- en tijgertafels die niet zo genoemd waren omdat die dieren erin gegraveerd waren, maar door hun vlekken en vormen. Zo’n gevlekte tafel had Cicero, en zo een had Asinius Gallus. Die van de Mauretaanse Ptolemaeus, die 135cm in diameter was, zou verkocht zijn voor zijn gewicht in goud. Die van koning Juba werd verkocht voor 15 000 en een ander zou zelfs 150 000 sestertiĎn opgebracht hebben. 

Het hout werd gebruikt voor op- en inlegwerk en als zetting voor goud. Als inlegwerk werd het gebruikt op deuren zoals Athenaios ons meedeelt met betrekking tot het pronkschip van Ptolemaeus Philopator.

Vanwege zijn heerlijke geur werd het ook gebruikt als een wierook. Theophrastus en Plinius beschrijven het als Theion of Thya. (zie Thuja en Thymus) Homerus vermeldt dat het ter eren van Circe gebrand werd. Ercurius, die in de grot van Calypso kwam, rook al van verre de geur van Thya en Cedrus.

De Turken geloofden dat het hout onverwoestbaar was en gebruikten het voor vloeren en plafonds van hun moskee' s. Zo werd het ook in de 9de eeuw gebruikt voor de moskee van Cordoba, nu een kathedraal.

 

Citrushout.

Dit was het cederhout dat ook bekend was als citroenhout vanwege zijn heerlijke geur. Waarschijnlijk werd de citroen genoemd naar dit vanouds bekende hout dat gebruikt werd vanwege zijn insecten werende eigenschappen.

De import van dit hout gebeurde vooral door de PhoeniciĎrs. Die haalden het uit hun zusterstad Carthago en vandaar transporteerden ze het naar hun haven Tyrus waar het over land gebracht werd. Door de verwoesting van de Phoenische zeehaven Tyrus door Alexander de Grote was het hout voor een tijd lang niet meer in de handel. Vervolgens werd de Citrus door Alexander de Grote ingevoerd en als vervanger gebruikt, dit vanwege zijn insecten werende eigenschappen.

 

Bijbel.

Het is waarschijnlijk dit hout geweest dat door de PhoeniciĎrs gebruikt werd bij de tempelbouw en zou zo het algummim van de bijbel kunnen zijn. Het algummim is een omstreden woord. Het wordt gehouden voor sandelhout.

Volgens Waeker zou het citroenhout of welriekend hout voorkomen in Openbaringen 18: 12 en de Hebreeuwse naam zou volgens hem etz avot zijn. Maar dit is in het Grieks geschreven van na Alexanders tijd zodat we aan dat woord niets hebben.

In het Mesopotamische spijkerschrift komt het woord elamakku voor, wat verwant zou zijn met algummim. Elam is een Semitisch woord wat hoogland betekent, waaruit men zou kunnen opmaken dat de bomen van een gebergte komen. Bomen van een gebergte zijn vaak coniferen. Sandelhout wordt zo uitgesloten. De algummim kwam via de Libanon, dus door of via de PhoeniciĎrs. Het citroenhout werd ook in latere tijden in tempels gebruikt. Dit hout was ook duur genoeg voor Salomon zijn tempel en beter te leveren dan sandelhout, wat van ver komt en over land getransporteerd moest worden. Bovendien zou je je kunnen afvragen waarom hout van zover te halen als je zelf van dat bijzondere en dure hout in huis hebt zoals de PhoeniciĎrs?

Volgens de tekst zou Algummim van 2 Kronieken mogelijk uit de Libanon komen en de Almuggim van 1 Koningen uit Ofir. De mogelijkheid van twee soorten hout is dan aanwezig. De handelaren zijn echter wel dezelfde, de PhoeniciĎrs. Moldenke oppert dan ook de veronderstelling dat het om een en dezelfde soort hout gaat en er in de oorsprong een taalfout gemaakt kan zijn. Ook zou er dan een taalfout gemaakt zijn in de koningsnamen, Hiram en Huram.

 

Waar lag Ofir?

De naam Ofir is het probleem waar het hier om draait. Als plaats, streek, is het nu onbekend en dus ook de houtsoort. Meestal wordt aangenomen dat die aan de uitgang van de Rode Zee ligt, Jemen, Arabisch Felix of de Afrikaanse kust. Vast staat dat het een land moet zijn geweest dat van de golf van Akeba uit te bereiken is. De scheepjes van de PhoeniciĎrs voeren alleen overdag van haven tot haven waardoor de afstand tot zuidoost India wel erg lang gaat duren. (In India groeit het rijk geurende sandelhout, hoewel sandelhout ook in Afrika voorkomt) Ook omdat er dan nog hout gehaald wordt, met specerijen zou het meer waarschijnlijk lijken. Mogelijk vervoerden ze het hout dan ook in vlotten. (1 Koningen 5: 9) Tevens zijn er geen aanwijzingen dat de PhoeniciĎrs volksplantingen (dus havens) in het Oosten hadden. Bovendien dreven de daar meer beschaafde volkeren zelf handel.

Het is dan ook mogelijk dat de naam Ofir meer een mythologische naam is geweest, of in een andere richting lag, bijvoorbeeld Afrika. Ze namen uit Ofir dan ook goud, zilver, apen, ivoor en ‘pauwen’ mee. Door de pauwen nam men aan dat Ofir in India lag.

 

Sandrak / Vernis.

Tegenwoordig heeft de boom een bijzondere betekenis als leverancier van sandrak, Grieks sandarakinos; oranjegeel. Het is een hars dat gedeeltelijk vrijwillig en gedeeltelijk na insnijdingen van de takken en stam loopt en in de lucht verhardt. Deze hars was vermoedelijk al in de oudheid bekend, ofschoon onder de naam sandrak soms ook andere substanties zijn te verstaan. Bij Dioscorides was sandrak zeker al bekend. Sandarac, Latijn sandaraca, van Grieks sandarake, de naam is mogelijk van Perzische oorsprong. Bij Juniperus vermeldt Dodonaeus er van; (164) ‘De gom of traan die uit het hout en schors vloeit heet in het Latijn Lacryma Juniperi, dat is jenevertraan, dan in de apotheken is ze bekend met de naam Vernix waarvan de Nederduitse naam vernis komt, Serapio noemt het Sandarax en Sandaracha.’ In de middeleeuwen heette dit vernix of bernix en werd in de artsenij en als vernis gebruikt. Het woord vernis stamt van vernix of bernix. De afstamming van sandrak werd pas in de 18de eeuw vastgesteld.

Deze hars werd gebruikt voor de preparatie van perkament, maar ook voor de bereiding van vernis. In de middeleeuwen werd sandrak in de artsenij gebruikt.

Dit smaakt balsemachtig en wat bitter en is in alcohol oplosbaar. De hars werd hoofdzakelijk vanuit Mogador verscheept. Men gebruikte dit om te politoeren en te kitten als in de fotografie, als overtrek van glazen tafels en dergelijke.

 

Levensboom.

(88, 1942, 349, 419)  De levensboom stamt uit het paradijs. Het is de boom die in het midden staat, de boom des levens. Die van zijn vruchten eet, kan niet sterven. Openbaringen 22: 1-2 “En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de volkeren.” Zie ook EzechiĎl 47,12. 

 

Volgens een heel, heel oud verhaal was de boom der kennis een zeer grote boom en zijn wortels drongen door tot in de hel, zijn takken waren in de hemel en boven in zijn kruin rustte het kindeke Jezus.

De volgende generaties die van de wonderboom vernamen vermeldden dat de boom door Gods genade ergens op de wereld geplant was. Wie hem vond was de gelukkigste der mensen, hij hoefde voor de dood dan ook niet bang te zijn. Vergeefs zocht men de boom, hoeveel werk men er ook in stak om de boom te vinden, geslacht na geslacht zonder dat hun verlangen vervuld werd. Het steeds mislukken van die zoektochten maakten velen met de gedachte vertrouwd dat God in zijn toorn de boom in de zondvloed had laten omkomen. Velen leefden verder met de vrome gedachte dat tegen de dood geen kruid is gewassen. Een niet onbetekenend deel gaf echter de hoop niet op om eens in het bezit van de wonderboom te komen. In de loop der tijden zijn er zo vele sagen in omloop gekomen die over het lot van de boom schreven en zo de herinnering levendig hield.

 

Adam werd uit het paradijs gejaagd, zodat wij met de dood opgescheept zitten. Adam, hij werd dan wel 930 jaar, maar toen hij zijn einde voelde naderen ontbood hij Seth en vroeg hem naar het Paradijs te gaan om daar van een engel de vrucht van deze boom en om de beloofde olie van dankbaarheid te halen. Hoewel honderden jaren verstreken waren sinds hun vertrek was het pad van Adam door de velden en bossen gemerkt alsof het gisteren pas was gebeurd want geen gras zal groeien waar voeten lopen die God vervloekt heeft. Seth wandelde door tot hij tenslotte een wonderlijk grote en mooie boom zag die op een open plaats stond waar vier grote rivieren ontsprongen uit een enkele fontein. Hoewel het geen blad droeg was de boom geweldig groot en sierlijk. Een serpent draaide rond zijn stam (zie Yggdrasil, Fraxinus) en in de bovenste top zat een kind in de schijnende zon, het kind was door de hemel gezonden om de olie te geven als de tijd van vergiffenis gekomen zou zijn. Met zijn wortel kwam hij in de hel, waar Seth de geest van zijn broer Abel zag.

Seth keek omhoog en verheerlijkte zich in de schoonheid van het landschap, een engel kwam van de boom en bracht drie zaden mee van de verboden vrucht mee. Seth moet zijn vaders lichaam begraven in het dal ‘dat Ebroen heet’ en de drie zaden moet hij onder Adams tong leggen. Zo gebeurde het en uit de drie zaden groeien drie dunne twijgen die altijd zomers en winters groen blijven.  Hieruit ontsprongen drie verschillende bomen, een cipres, (de Zoon), een ceder, (de Vader) en een olijf, palm of pijn. (de H. Geest)

Of, toen hij terugkwam was zijn vader echter gestorven en Seth gaf de zaden mee in het graf. Al gauw groeide er een statige boom, de levensboom. Vrolijk groeide de boom door en stond duizend en duizend jaren en stierf niet, het was toch de levensboom. Hij zag Noach gaan, Abraham en groeide nog toen Mozes en koning David voorbijgingen. Hij groeide nog toen de verlosser werd geboren en de schuld van Adam in het kruis voeren zou. De soldaten velden hem en timmerden uit zijn stam het kruis. Zo werd de levensboom de echte levensboom. De vrucht die nu aan hem hing gaf de mensen het eeuwige leven.

Naar een andere sage ging Seth naar het paradijs en vroeg een cherub om een vrucht van de boom. In plaats van een vrucht kreeg Seth een twijg overgereikt en de engel zei: "breng die naar je vader als zijn laatste wil, het eeuwige leven woont niet op aarde en zijn uur is gekomen." De vader stierf en Seth plantte de twijg op het graf waar die tot een hoge boom werd. Daaruit ontstonden drie stammen. Die twijgen stonden daar een 3200 jaar en dan vindt Mozes ze. De bomen stonden dan in het brandend braambos waar Mozes met God sprak. Na een droom neemt hij de drie takken mee en doet er vele wonderen mee. Toen Mozes ze afsneed steeg er een heerlijke geur op. Hij omwond ze in een zeer rein laken en droeg die twee en dertig jaar in de woestijn. Al wie door serpenten was gebeten en de roeden kuste, werd genezen. Van hiervan stamde de staf die Mozes gebruikte bij het bittere water van de woestijn zodat die zoet en drinkbaar werd, Exodus 15, 25. Er wordt alleen gesproken over hout. De H. Vaders hebben het vergeleken met het krachtig kruishout dat de bitterheid van het leven zoet maakt. Toen Mozes op weg ging door de wildernis nam hij scheuten mee naar de vallei der vertroosting, de tranen en het bloed van de vertroosten hielden de scheuten levend.

Later werd de wonderstaf van Mozes in het land Kanaän geplant waar die tot een machtige boom werd. Onder zo’n boom huilde David om zijn zonden. Het was koning David die een visioen kreeg waarin hem bevolen werd om de drie takken binnen de poorten van Jeruzalem te planten. David gehoorzaamde, vond ze en keerde naar Jeruzalem terug en zette de roeden in een waterput om ze er gedurende de nacht in te laten. Toen hij ‘s morgens ging om ze een waardige plaats te geven vond hij ze diep ingeworteld en tot een enkele plant verenigd. Hij liet ze daar en als steun bouwde hij er een muur omheen. Velen genazen door de boom aan te raken.

Volgens een andere lezing werd Jeruzalem bij de bomen gebouwd op de heuvel en bouwde koning David zijn paleis er bij om zich in de prachtige bomen te verlustigen waar vreemde vruchten aan groeiden. Die zijn niet te eten en toen de koning er een open maakte bevatte de ene aarde, de tweede het woord liefde (Choschebak(a)) en de derde het lijden van Christus die koning David vele malen voorspeld werd. Nu begonnen ze te groeien en werden drie dicht tegen elkaar gegroeide bomen die zo vast geworteld dat ze niet meer verwijderd konden worden. Toen ze er een jaar stonden liet David er een zilveren ring om leggen, dat deed hij ieder jaar zodat er tenslotte 30 ringen om de boom waren, de latere zilverlingen van Judas. Jacob van Maerlant:

Dat waren die 30 ringhe

Die vele lieden heten penninghe

Want Judas vercochter omme

Den Gods sone Jhesumme”.

Onder deze boom had David de gewoonte te bidden en psalmen te zingen en onder hem beraamde hij ook de dood van Urias. Om voor deze zonde te boeten legde hij zich de bouw van de tempel op, maar in een visioen kondigde God aan dat dit niet zijn werk, maar voor zijn zoon bestemd was. Salomon, meer filosofisch en praktisch zag zijn schoonheid in het gebruik en, als een moderne ondernemer, hakte hij die om, om te kijken waar het timmerhout geschikt voor zou zijn. Hij had een balk nodig van zulke geweldige afmeting, dat geen boom groot genoeg was. Het zou die enorme boom zijn. Het hout leek gezond maar vreemd genoeg er kon niets van gevormd of gemaakt worden en zo kwam het in de Tempel van Jeruzalem. Men hing de 30 ringen in de tempel op.

Omdat het gezegend was met onzekere kwaliteiten bewaarde hij het als een heilig relict in de grond van het tabernakel zelf. Hier was het dat op een dag een Romeinse vrouw, ene Maximilia, er argeloos tegen leunde en bang opsprong en uitriep: “Jezus Christus, zoon van God, help me”. Want vlammen waren er af gesprongen en op haar kleren gekomen. Allen die het vuur zagen waren verbaasd, maar de Joden, die het zagen en hoorden, zeiden dat ze een heks was. “Om te zeggen dat God een zoon heeft is een blasfemie” “We zullen die vrouw uit de stad jagen”. Dit deden ze dan ook. Jaren daarna werd dit incident weer opgehaald want dit was de eerste keer dat de woorden Jezus Christus gesproken werden.

Eindelijk werd het hout in een moeras gegooid waar de koningin van Sheba over heen trok. Toen haar voeten er op rustten ontstond er een visioen en zag ze Christus op de top van een heuvel aan het kruis. De koningin schonk goud en zilver en daarmee besloeg men de boom die door Salomon in de tempel werd gelegd.

Na Salomon kwamen vele koningen. De boom werd uit de tempel verwijderd en men nam al het goud en edelstenen er af. Waar de boom lag groef men een put waar het geofferde vlees in werd gedaan. De boom kwam onder de aarde, maar de aarde dreef hem omhoog en het hout dreef in het water. Iedere dag, voor middernacht, kwam er een engel en roerde in het water en iedereen die erin baadde werd weer gezond.

Maerlant zegt ervan in de rijmbijbel: Daarna schrijft Johannes van hem. 

Ging hij te Jeruzalem.

Tot een feest die er was.

23745 In die stede zoals ik het las. 

Was een water dat in Latijn. 

Heet probatica piscina. (te Bethesda)