Bijbelse planten, dieren.

Vogels, edelstenen.

 

Botanie.

De oudste overleveringen van planten zijn te vinden in spijkerschriften van de Sumeri喪s, 5000 v. Chr.,  verder bij  Meden, Perzen, Indi喪s en Chinezen. In de Eberspapyrus werden een tachtigtal planten beschreven naar hun gebruik en aangevuld met hun dosering.

In een van de oudste historische boeken, de Bijbel, zijn meer dan honderd verschillende planten opgenomen en vaak met hun gebruiken omschreven. Met behulp van andere verwijzingen is het mogelijk ze voor ongeveer de helft te identificeren terwijl anderen twijfelachtig blijven.

Vele eeuwen na het sluiten van de bijbelhistorie bestond de ヤaardeユ uit de landen rondom M. Zee, W. Azi en Egypte. Meer dan deze landen was niet bekend bij de geciviliseerde volkeren. Op het einde van de 14de eeuw werden de landen van Azi, Zuid Afrika, Amerika en de vele eilanden van de Oceaan ontdekt en duizenden nieuwe planten kwamen erbij. Het aantal soorten steeg geweldig.

Theophrastus beschreef 700 soorten in 340 v. Chr. In de tijd dat Linnaeus stierf waren het er 8.000, in 1821 waren er al 39.684 soorten en in 1841 al 87.005. In dat laatste jaar schatte men het aantal plantensoorten op 400 000, waarvan 66.500 tot de lagere planten zouden behoren. De hoger ontwikkelden zouden dan 333 500 soorten bevatten. Nu is bekend dat er ongeveer 600.000 planten zijn op de aarde.

Volgens de Bijbel gaf Adam namen aan de dieren en Eva aan de bloemen. (Genesis 2:)

De tuinen van Salomo in het dal Tyropon waren ook zeer bekend, dezen waren vermoedelijk naar Perzisch/Egyptisch voorbeeld aangelegd. Bij hen was de tuinaanleg al belangrijk, er werden bij de woonhuizen al vruchtbomen gezet en bloemperken in de zogenaamde paradijzen waarin wild en zomerhuisjes voorkwamen. Onze West-Europese paradijsnamen zijn afgeleid uit bijbels kerkelijk paradisus, dat weer zijn oorsprong had in een Perzisch woord voor veranda, vergelijk Zendavestisch pairidaeza, omheining.

Bijbelse Vruchtbomen.

Aan hun vruchten zult gij ze kennen. (Matthe殱) De vruchten en opbrengsten van het veld in het Beloofde Land mochten door elke passerende reiziger gebruikt worden om er zich mee te verfrissen en te versterken. Voor de verdere reis mocht er niets mee genomen worden. (Deuteronum23: 24) De Heer at dan ook wat de natuur hem aanbood. (Matthe殱 12:1, 21:19) Vruchtbomen werden zeer gewaardeerd en bij de wet van Mozes beschermd. Bij een belegering mochten de Isra鼠ieten dan ook geen vruchtbomen omhouwen om die bij de aanval te gebruiken. Wat in zoユn tijd in een paar uur geveld werd moest later met node gemist worden. (Deuteronium 20:20) Die beschermende hand van deze wet is de laatste eeuwen in dit land met node gemist. Door de vele veroveraars is er gehakt, geroofd, meest zonder herbouw, wat tot veel onvruchtbaar land geleid heeft. Op sommige plaatsen wordt er echter gesproken over de メBijl aan de wortels van de vruchtbomen te leggen メ. (Lucas 3:9) Mogelijk meer gebruikt in de betekenis van: メWe geven je nog een kansモ.  De 3 edele vruchten: Druiven, Vijgen en Olijven.

Vitis vinifera, L. (wijn producerend)

Beschrijving: 1Vitis is een naam die afgeleid is van het Keltische woord gwyd, uitgesproken vid: beste van heesters. Vitis is verwant met vis: kracht, omdat de scheut krachtig groeit, of dat de stekken snel wortelen. Of omdat uit zijn druiven gewonnen drank veel kracht verleent. Ook wordt het woord vitis met vincere: binden, in verband gebracht omdat ze zich om palen of andere gewassen wikkelt of gebonden wordt of naar de buigzaamheid van zijn twijgen. Vitis heeft als basis vi: draaien, twisten, zie Viscum.

Voor de oorsprong van het woord wijn moeten we uitkijken naar talen buiten de Indo-Germaanse talen, waarschijnlijk naar de bron van de druif en naar een Kaukasische taal in de regionen van Armeni en het oude Khaldiasche koninkrijk Urartu. Bij uitbreiding van die stammen naar de beneden Eufraat en woestijnen en paradijzen van het zuidwesten is de plant meegekomen. 4000 v. Chr. teelde men de druif in Babyloni, Syri en Palestina en 2700 v. Chr. in Egypte. Via het Hebreeuwse woord jain of jajin,  Ethiopisch en Arabisch wain en verwante Semitische woorden, kwam over Grieks woinom dat verbonden is met oine: de druif en oinos: wijn, Germaans winam en zo werd het Engelse win geboren en gevormd tot wine, onze wijn en Duits Wein.

Volgens de mythologie kwam de wijn met Dionysos, die ook wel Bacchus werd genoemd, mee die ontdekt was op de Indische berg Nyza.

In Egypte zou Osiris de mensen de teelt geleerd hebben en was daar al in de tijd van de piramidebouw, men onderscheidde vele soorten naar smaak en kleur en gebruikten wijn bij alle gelegenheden. In de Bijbel wordt Noach als de eerste mens aangewezen die een wijngaard plantte. In Kreta was dit Saturnus.

Uit Bock. Noach met zijn zoons.

Lentefeesten.

Ook werden er te Delphi en Attica lentefeesten gevierd waarbij dansende, zingende en fluit spelende priesters Semele, een van de vele belichamingen van de oermoeder, aanriepen. Ze smeekten haar de jonge Dionysos uit een aardheuvel voor de dag te laten komen.

Het feest had zijn oorsprong in een oud Kanaanitische rite, waarbij adoranten moesten huppelen en hinken. Het woord daarvoor was Pesach. De Joden noemen een van hun feesten nog bij die naam. (Pesach of Pashah, beter Pessach en volledig Chag Happessach, het Hebreeuwse woord voor verschoningsfeest)

Of er ook een oud voorjaarsfeest aan ten grondslag ligt? De Pentateuch beveelt dat het feest met de eerste volle maan van het voorjaar, zeven dagen lang van de avond van de 14de tot aan de avond van de 21ste  Abib (naar de Babylonische uittocht Nissan genoemd) gevierd wordt.

Bijbel.

In de Bijbel zijn er meer dan 200 vermeldingen naar de wijnstok. Wijn alleen al wordt een 140 maal vermeld.

In dit waterarme land was wijn dan ook een algemene drank en de oogst dan ook een tijd van vreugde en feesten. (Richteren 21: 20) Iedereen leefde dan ook onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom. (Deuteronium 8: 8, 1 Koningen 4: 25 en Zacharias 2: 10) De wijnstok werd dan ook met alle zorgen omgeven. De voornaamste zorg was de rank die niet als de vijgenboom vrucht geeft van het oude hout, maar van de nieuwe loten. Voor een goede vruchtzetting en een oogst gespreid over een groot deel van het jaar moet dit weelderig groeiend gewas dan ook goed gesnoeid worden, naar het goede vruchthout. (Johannes 15: 1) De waterloten of dieven worden uitgeworpen of weggesnoeid en hebben alleen nog maar nut om in de oven te worden geworpen. Door het snoeien wordt de oogstmaand bepaald. Nu is die in de maanden september/oktober. Volgens Concordantie was Thammoez, juni/juli, de maand van de vroege wijnoogst en Boel, oktober/november de maand van de late wijnoogst. Brochard vermeldt de manieren van snoeien, zodat vanaf de dag van St. Johan de Doper tot aan St. Maarten druiven in het Heilige Land te koop werden aangeboden.

Voor het snoeien gebruikten ze snoeimessen. (Jesaja 2: 4) Het klimaat en de grond van Isra鼠 waren dan ook uitermate geschikt voor deze teelt en het land was beroemd om zijn rijke opbrengsten. De trossen van Egypte waren dan ook blijkbaar kleiner, Numeri 13: 23, als we de verbazing van de verspieders hierover lezen. Om zulke grote trossen aan een stok te moeten dragen lijkt wat overdreven. Toch zijn er soorten die enorme trossen kunnen produceren. Anderson: メEr is een vorm die bekend staat als de Syrische witte. Deze varieteit zou zeer oud zijn en heeft de reputatie om normaal al trossen te produceren van 10 pond en van 20 zijn er gezien op de tuinbouwshows te Londen. Loudon bericht dat ze trossen produceert van 40 pond in goed bewaterd land van Syri怠. Een tros van meer dan 10 pond zou bijna een el lang zijn, 68, 8cm. (J. Eadie)

De ware wijnstok, Johannes 1: 6, groeide blijkbaar niet alleen in de wijngaard, maar ook als op zichzelf staande bomen. (Ezechi鼠 17: 1/6, Psalm 80: 9) Vermoedelijk is in deze vergelijking het beeld Isra鼠 genomen naar een wijnstok die al klimmend een boom heeft overwonnen, hem overleefde om daarna als zelfstandige boom verder te groeien. J. Eadie vermeldt dat er toch vrij groeiende wijnstokken gevonden zijn en er zou er een gevonden zijn aan de voet van de zuidelijke helling van de Libanon die 9m hoog was met een stamdoorsnede van 40cm en schaduw gaf van 15m in de lengte en breedte.

Ook de reusachtige gouden wijnstok die de ingang van het heiligdom in Jezus tijd overschaduwde, was een beeld van een vrij groeiende wijnstok. Wanneer er iemand goud aan de tempel schonk, werd er een blad, tros of druif van gemaakt. Op die  manier werd die wijnstok van onschatbare waarde. (O. Dapper) De wijnstok was ook zeer belangrijk voor de economie van het land en werd dan ook geregeld op oude munten afgebeeld.

Wijn maken is een van de oudste kunsten van de mensheid. In de bijbel wordt dit het eerst vermeld door Noach, rond 2347 v. Chr. en aan hem wordt de uitvinding toegeschreven. De meeste wijn komt van druiven, in Hooglied 8: 2 lezen we dat er een wijn van de granaatappel gemaakt was. De sterke drank, Hebreeuws shaychar, die genoemd wordt met of in contrast met wijn zou het product kunnen zijn van de palmboom, Phoenix dactylifera. De oogst had plaats in september en ging vergezeld van grote blijdschap en festiviteiten. De grote manden vol sappige druiven werden naar speciale wijnpersen gebracht, yekev en gitot, Jeremia 5: 2, Matthe殱 21: 33. De verse druiven werden in het bovenste vat gestort, Hebreeuws voor wijnvat is begat. Een zekere hoeveelheid sap loopt van naturen uit in het lagere vat vanwege het gewicht van de druiven op elkaar. Dit was het sap van de rijpste en zachtste druiven, dit werd verzameld en afzonderlijk gehouden van het later uitgeperste sap. Het is de zoete wijn, tirosh, de nieuwe wijn, ahsis of eerste wijn van Hosea 4: 11, Amos 9: 13 en Handelingen 2: 13. Daarna begon het persen door treden van meerdere personen met de blote voeten op de druiven. Ze moedigden elkaar luid aan, Jesaja 16: 9-10, Jeremia 25: 30 en 48: 33. Bij dit proces worden de voeten en onderste kleren rood geverfd, dat zien we al in Genesis 49: 11 en Jesaja 63: 2-3. Het uitgeperste sap vloeit in het laagste vat waarna het in verschillende vaten wordt verzameld. Soms werd het in ongefermenteerde staat bewaard en gedronken als most, druivensap, meestal gefermenteerd door het wijnferment, Saccharomyces ellipsoideus. Wijn die een tijdje gestaan heeft krijgt bezinksel, Jesaja 25: 6 waarvan het gezuiverd moet worden, Jesaja 25: 6.

Ongefermenteerde wijn of most werd in bottels opgeslagen en in de aarde begraven.

Wijn was een gewoon en dagelijkse gastvrijheid, Genesis 14: 8, als op huwelijksfeesten, Johannes 2: 1-11. De eerste veldvruchten van het land, Leviticus 23: 13 en vele tempeloffers, Numeri 15: 5 Het behoorde tot de tienden die aan de Heer geofferd werden met alle andere eerste vruchten, Deuteronomium 18: 4 en Exodus 22: 29.

Veel wordt er in de Bijbel gesproken over wijn en most, wijn was ook gewoon in die tijd, Genesis 11: 2. Ze gebruikten verschillende soorten waarvan de rode het meest gebruikt werd, Spreuken 23: 31, Jesaja 27: 2, Openbaringen 14: 20. Wijn die gemengd was met verschillende specerijen werd op grote feesten gebruikt, Spreuken 9: 2 en verwijzend naar Jesaja 65: 11, zullen de drinkoffers bedoeld zijn als een wijn die scherper is door toevoeging van mirre of harsen of  met veel alcohol. De dronkaard is dan ook beschreven als een die gemengde wijn zoekt, Spreuken 23: 30.

Azijn wordt het als er lucht bij wijn in het vat komt waardoor de alcohol in azijnzuur omgezet wordt, wijnazijn. Azijn wordt ook wel vertaald als wijn.

Ruth 2: 14 ヤ zei Boaz tot haar: Kom hierheen en eet van het brood en doop uw brood in de azijnユ.

Psalm 69: 22 ヤen  lieten mij in mijn dorst azijn drinkenユ.

Spreuken 10: 26 ヤWat azijn is voor de tanden en wat rook is voor de ogen, dat is de luiaard voor wie hem zendenユ.

Spreuken 25: 20 ヤAls iemand die een kleed uittrekt, op een koude dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hartユ.

Matthe殱 27: 34 en 48 ヤen zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinkenノEn terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinkenユ.

Marcus 15: 36 ヤEn iemand liep toe, drenkte een spons met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.

Lucas 23: 36 ヤOok de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zurn wijnユ.

Johannes 19: 29-30 ヤEr stond een kruik vol zuren wijn, zij staken dan een spons, gedrenkt met zuren wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mondノ.Toen Jezus dan de zuren wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht!

Het woord dat als azijn vertaald wordt in het O. T. is het Hebreeuwse woord chomets. Deze drank bevatte wijn of een andere sterke drank die zuur geworden was. Dat werd soms kunstmatig gedaan door wat gerst bij de wijn te voegen zodat het geschikt bleef voor fermentatie. Dat het vrij zuur was blijkt uit de aangehaalde passages en dat het een verdovende drank blijkt kan je halen uit de Psalm. Het werd toch ook gebruikt door arbeiders als we zien bij Ruth.

Vrij gelijk met de chomets of chユmetz van de Joden was de acetum of posca van de Romeinen. Dit was een dunne, zure wijn die populair was bij de soldaten en dat werd Jezus aangeboden aan het kruis.

De namen van de wijnstok in de Bijbel:

1)    De wijnstok, gephen of gefen. (Micha 4:3, Numeri 13:23)

2)    De tros, enav of aユnavim.

3)    De wijn, yayin. (Genesis 11:2)

4)    De wijngaard, kerem. Zo ook in plaatsnamen als Abel‑Keramim. (Abel is Veld)

5)    De druivenverzamelaar, mashkeh.

6)    De bloem van de wijn, naar de overvloed in die streek, sorek, soreh of shoreh, (Richteren 16: 4) (Moldenke, Concordantie)

 

Wilde druif .

Jeremia 2: 21 メIk echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad, toch hoe zijt gij veranderd in wilde ranken van een vreemde wingerd. メMogelijk werd hier gedoeld op de =Vitis orientalis, Boiss. (Oosters) Dit is een meer struikvormige en soms klimmende, maar geen hechtranken bezittende wijnstok. De bladeren zijn veel dieper ingesneden dan de gekweekte en meest in aantallen van 3 op een stengel. De kleine, zwarte bessen zijn niet eetbaar.

De naam hier gebruikt is Gefen nachriyah. (Waeker) De rebelse Isra鼠iet, de degeneratie van de wijnstok Isra鼠, zou de degeneratie van de wijnstok zijn. Ook vergeleken met Genesis 40: 10 メAan de wijnstok waren 3 rankenモ, Ezechi鼠 15: 6 メOnder het geboomte van het woud, het hout van de wijnstokモ.

Christelijk.

Naar de vele verwijzingen, parabels en als zinnebeeld van het hele volk werd de wijnstok als zodanig door de Christelijke kerk aangenomen. In de christelijke iconografie is een tros druiven het symbool van het Laatste Avondmaal en daarmee van het bloed van Jezus Christus.

Soms is de wijngaard een zinnebeeld van Christus, de wijnranken en ook de wijngaard zijn een zinnebeeld van het volk. Kruis en levensboom worden vaak als wijnstok voorgesteld. De wijn is een symbool van droefheid en gramschap Gods, Apocriefe 14;10, 19;15.

Ficus carica, L. (uit Cari, west Anatoli. Turkije waar veel vijgen geteeld werden) De naam vijg zou afgeleid zijn van Ficus, die weer afgeleid zou zijn van de Hebreeuwse naam fag en heeft in vrijwel alle Europese talen dezelfde naam.

Vijg in de Bijbel:

In de Bijbel komt de vijg een 57 maal voor. Het beeld van de goede en slechte vijgen in Jeremia 8: 13, 29: 17, zou kunnen bewijzen dat de vijg, net als de druif en de olijf, tot de edele vruchten gerekend mag worden en daarom als zinnebeeld van ware godsvrucht gebruikt werd. Het bederven van de vijgenbomen is dan ook een van de eerste oordelen waar God mee dreigt. In Lucas 13: 6 lezen we dat een zeker man een vijgenboom in de wijngaard plantte. Dit planten is zeker een vergissing, volgens Deuteronomium 22: 9 is het verboden de wijngaard met twee喪lei te bezaaien.

En het was al het derde jaar en geen vijg werd er gezienユ. Ook bij deze tekst kan de wet van Mozes aangehaald worden die de eerste drie jaren als onrein beschouwde en dus mocht er niet geplukt worden. Het vierde jaar was pas het jaar van de eerste oogst. Het is een gebod die ingesteld werd voor de eerste beplantingen in het land Kana穫 en volgende jaren gebruikelijk. Vermoedelijk een soort cultuurmaatregel die de bomen zo sterker maakt zodat ze in de toekomst meer en betere vruchten zou leveren. Mogelijk wordt hier gedoeld op de jaren na de eerste drie jaren.

Het is een kleine en stijve boom met een typische parapluachtige vorm. De Hebreeuwse naam teenah of tユaynah betekent dan ook uitspreiden, een verwijzing naar zijn vorm als schaduwboom. Zo werd Nathana鼠 gezien al zittende in de schaduw van de vijgenboom wat het Joodse idee was van vrede en rust, het symbool van voorspoed, 1 Koningen 4: 25.

De vijg draagt een groot gedeelte van het jaar vrucht. In tijd van 10 maanden plukt men driemaal een oogst. Eerst de grote vijgen die op de bladeren vooruitlopen, dan in de zomer de eigenlijke oogst, waarvan de vruchten wel tot vijgenkoeken samengeperst worden, vervolgens nog een napluk. De vrucht is niet zoals bij onze fruitsoorten gemakkelijk te zien, de vruchten groeien op de jonge takken en worden bedekt door de grote bladeren. Vooral bij de tweede of grote oogst moeten ze gezocht worden, Lucas 13: 6.

Genesis 3: 7, Numeri 13: 23, Deuteronium 13: 23, Richteren 1: 10-11, 1 Samu鼠 25: 18, 30: 12, 1 Koningen 4: 25,  2 Koningen 18: 31, 20: 7, 1 Kronieken 12: 40, Psalm 105: 33, Spreuken 27: 18, Hooglied 2: 13, Jesaja 28: 4, 36: 16, 38: 21, Jeremia 5: 17, 8: 13, 24: 1-8, Hosea 2: 12, 9: 10, Joel 1: 7 en 12,  Amos 4: 9, 8: 1-2, Micha 4: 4, Nahum 3: 12, Habakuk 3: 17, Haggai 2: 19, Zacharias 3: 10, Matthe殱 21: 1 en 19-21, 24: 32, Marcus 11: 13 3n 20, Lucas, 6: 44, 13: 6-9, 19: 29, Johannes 1: 48 en 50, Jacobus 3: 12, Openbaringen 6: 13.

Namen van de vijg in de Bijbel:

1) Pag, Fag of Pageha, de groene vijg die ヤs winters aan de boom blijft zitten. (Hooglied 2: 13) De Bethpage die in het N. T genoemd wordt is waarschijnlijk een naam voor een zonloos ravijn bij Jeruzalem.

2) Teenah, teenim, tユaynah, meervoud van teenah,  is de naam van vijg als vrucht. (Deuteronium 8: 8, Jeremia 8:  13) Volgens Moldenke ook zo genoemd in Genesis 3:7 ) De Arabische naam is Tin. (De Griekse vertaling betekent een beveiligde plaats in Syracusa in Sicili, en zo zonder twijfel genoemd omdat de vijg daar groeit)

3) Bikkoerah, Bikkurah of Bikurah, literair, ヤeen die wachtユ de vroege vijg. (Hosea 1: 10)

4) Debelah, dユvelet of dユvelim, een koek van gedroogde vijgen. (1 Samuel 25: 18, 2 Koningen 20: 7)

 

Vijgenblad: Bijbel.

Het vijgenblad zou voorkomen in Genesis 3: 7. Het blad komt dan in een periode van 2500 jaar echter niet meer voor. De Geneva Bible (1500) maakt de vers; メZe naaiden vijgenbladen tezamen en maakten er van breeches vanユ (broeken) en zo is het bekend geworden als Breeches Bible. (Broeken Bijbel)  Vele autoriteiten nemen aan dat de vijg en vooral Ficus sycomore (moerbei-vijg) gebruikt werd om de schaamte te bedekken omdat het bladeren heeft die daar groot genoeg voor zijn. De vijg werd wel gelijkgesteld met de boom des levens en ook wel paradijsappel genoemd.

van Beverwijck:モ Onder al het ooft zijn de vijgen altijd in grote achting geweest en dat om haar liefelijke smaak als omdat zij van beter sap zijn als andere vruchten..... En Bacon, kanselier van Engeland stelt die in 4 Hist. nat. 11 boven alle vruchten die de natuur voortbrengt zodat hijgemakkelijk de mening van de oudvaders Irenaeus en Tertullianus zou kunnen toestaan die de vijg gehouden hebben voor de vrucht die onze eerste voorouders in de lusthof verboden was. En daarom zouden de Indiaanse vijgen die van Brochard genoemd wel paradijs‑appelen mogen heten... (zie Musa) Ik weet niet (zegt Bacon) of hun mening gegrond was op enige plaatsen van de oude rabbijnen of dat zij naar de dubbele betekenis van het Griek woord Sycos keken waarmee niet alleen de vrucht, maar ook de vrouwelijkheid genoemd wordt en willen zeggen dat het de vrouw was geweest die tot het overtreden van Gods gebod haar man gebracht hadモ.

Dus was de vijg volgens de ouden, onder de vruchten die ze kenden, het meest in aanmerking komend als een verleidelijke vrucht.

Zie Ficus religiosa (geheiligd), de Indische vijgenboom, die door sommigen Upasthapatra geheten is: dat is blad van het teellid, een zinspeling op het gebruik dat Adam en Eva er van maakten.

De vijg voldoet echter lang niet aan de tekst zoals we via diverse passages in de Bijbel mogen veronderstellen dat ze er ongeveer uit zal zien. Vijg als naam is mogelijk, net als de appel, een meer algemene omschrijving van een vrucht geweest. De Egyptische vijg bijvoorbeeld is de vrucht van Ceraotonia siliqua. Zie verder Malus en Musa.

Ficus sycomorus L. (vijg en moerbei) de sycomore of Egyptische vijgenboom.

Uit nl.123rf.com

Vorm: Bijbel.

Als boom wordt die groter dan de vijg, 12‑15m, met soms een zeer dikke stam en een grote, wijde en slappe kroon. De dikke grote stam verdeelt zich meestal niet ver boven de grond in 5‑6 dikke takken, een ideale plaats voor Zache殱. Geeft goed schaduw en is geschikt als laanboom en langs de wegen.

De sycomore geeft 2‑3cm grote en geelachtige vruchten die in grote overvloed en in een groot gedeelte van het jaar aan de boom komen. De zoete vrucht is traditioneel meer een vrucht voor de armen geweest, een vergelijking die Amos ook gebruikte.

Het gewas werd in Isra鼠 al vroeg geteeld, 1 Koningen 10: 27. De boom groeit meer in vlaktes als die van Jericho, dan in het heuvelland, (2 Kronieken 1: 15) vermoedelijk de reden dat deze boom in Isra鼠 niet zo bekend is geweest.

De dikke hartvormige bladeren lijken echter weer meer op die van de moerbei. In koude tijden laat het soms het blad vallen en kan dan ook minder tegen de vorst dan de vijg. (Psalm 48: 47)

1 Koningen 10: 27 ヤユEn de koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen, en de ceders als moerbeivijgen die in menigte in de Laagte groeienユ.

1 Kronieken 27: 28 ヤOver de olijfbomen en de moerbeivijgenbomenユヤ.

2 Kronieken 9: 27 ヤde ceders als moerbeivijgenユ.

Psalm 78: 47 ヤHij verdierf hun wijnstok door dn hagel, en hun moerbeivijgenbomen door de ijzelユ. Dus een belangrijke vrucht als men bang is voor ijzel.

Jesaja 9: 10 ヤwilde vijgenbomen zijn geveld, maar ceders zetten wij daarvoor in plaatsユ.

Amos 7: 14 ヤik ben een veehouder en kweker van moerbeivijgenユ. Het is een gebruik voor de kwekers van de moerbeivijg dat drie of vier dagen voor het plukken, als de vrucht een 3cm lang is, om een deel van het centrum af te schrapen of een gaatje in te maken met de vingernagel of een scherp instrument. Zonder deze verwonding geeft de vrucht een hoeveelheid waterig sap en zal niet rijpen. Amos was wel bekend met dit gebruik en zo was hij meer een ヤbewerkerユ van de moerbeivijg en geen verzamelaar of plukker.

Lucas 19: 4 ヤEn hij liep hard vooruit en klom in een wilden vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar langs komenユ. De sycomoreユ s komen ook elders bij Shakespeare voor als bomen wiens schaduw door droefgeestige verliefden gezocht worden. In Engeland komt zo de naam wilde vijgenboom voor Acer pseudoplatanus, sycamore. Volgens de traditie klom Zache殱 in de wilde vijgenboom (Ficus sycamorus) om de Heer te zien. Bij de mystieke spelen van de middeleeuwen ontbrak ten ene male die boom in Engeland waardoor de esdoorn als vervanger optrad. Vandaar dat de boom nu algemeen bekend is als sycamore.

Boom des levens.

Het hout van deze boom is licht en poreus, maar toch zeer duurzaam en in Egypte werd het gebruikt om er mummiekisten van te maken.

In de Bijbel verwijst Amos 7:14 naar de vrucht van de sycamore in meer bedenkelijke termen. Zo ook Jeremia 24:2, waar gealludeerd wordt naar het oude gebruik in de Kana穫ietische religie om een tak van de sycamore in de tempels van de Godinnen door te geven als een soort communie, opdat de aanwezigen het vlees en het levenssap van de Godin zouden delen. De vrucht zou een licht hallucinogeen effect hebben en tevens een afrodisiacum zijn. Blijkbaar volgden daarop seksuele rituelen. メKennis van Goed en Kwaadモ, zoals in de latere Hebreeuwse mythe van de ヤzondevalユ werd aangegeven, zou erdoor worden verscherpt, en de ヤappelユ van deze boom der kennis die door de slang aan Eva werd aangewezen, zou een sycomorevrucht zijn. En de ヤheilige takユ die in de tempel werd rondgegeven, zoals door Ezechi鼠 werd beschreven, bevatte mogelijk dezelfde vrucht. ttp://nl.wikipedia.org/wiki/Ficus_sycomorusI

Olea europaea L. メSativaユ (Europees en gekweekt) De vruchtboom werd in het Grieks elaia of elaa en in Latijn olea genoemd waaruit olijf en andere Europese namen stammen, ook olie. Als stamvorm van de gekweekte wordt Olea oleaster Hoffmgg. (olieachtig) (Olea europaea var. oleasterユ, DC. Olea europaea L. subsp. europaea var. sylvestris (Mill.) Lehr.)  (van het bos) genoemd, wiens cultivar メOlivastroモ gebruikt wordt als onderstam voor Olea europaea. Deze heeft doornige en min of meer vierkan­te takken en langwerpige bladeren met kleine vlezige en niet eetbare vruchten.

Het land van oorsprong was waarschijnlijk Klein Azi. Archeologische vondsten wijzen er op dat het al 4000 v. Chr. in Kreta en Syri geteeld werd. (Eerste archeologische vondst van olijvenpitten zijn meer dan 9000 jaar oud waarbij het gaat om door mensen verzamelde olijven van wilde bomen) Ook naar de vele vermeldingen van de olijf in de Bijbel wijst op zijn overvloed in dat land en de belangrijke plaats die het in Syri had laat vermoeden dat het daar zijn oorsprong had. Mogelijk lukte het enige stammen om de boom te cultiveren waarna ze die dan verder gaven. De oudste berichten van het kweken van olijfbomen komen uit Syri. De oude olijfaanplantingen aan de westelijke hellingen van de Libanon en in het land der Filistijnen zullen hun oorsprong wel te danken hebben gehad aan de Phoenici喪s, Deuteronium 6:11: メOlijfbomen die gij niet geplant hebtモ. Dit vooral voor hun uitvoer naar Egypte en andere landen. In Egyptische graven en gedenktekens kan men dan ook opmaken dat de olijf al vroeg vanuit Syri was ingevoerd, bladeren en takken komen voor in koningsgraven van de 20ste dynastie.

Het is een van de belangrijkste bomen van de oudheid, mislukken van de oogst stond voor armoe, hongersnood, en geen medicijn. Waar de olijfboom beschut en verzorgd werd, daar heerste rijkdom en als gevolg daarvan vrede. Als er oorlog en moord woedde kwam de boom in verval en vergetelheid. Het hout werd gebruikt door ruwe bendes voor oorlogsmateriaal en zo kwam de boom aan een roemloos einde. Op deze grond is de olijf sinds de oudste tijden het symbool van vrede en symbool van verzoening het door Genesis 8,11.

Bijbel.

Ook in de Bijbel is de olijf een symbool van vrede. De duif die bij Noach met, volgens sommige vertalingen een olijftak, twijg of blad, terugkeert kan gezien worden als een symbool van Gods vrede en verzoening met de mensen. Het is een zeer opmerkelijke passage gezien het feit dat van een duif niet verwacht mag worden dat die bladen van bomen aftrekt of takken, maar eerder zou terugkomen met een strootje of een graankorrel. Sommige schrijvers maken uit die tekst dan ook op dat de zondvloed snel gestegen en gedaald moet zijn omdat de bomen bewaard zijn gebleven. Ook dat de olijf al goed bekend moet zijn geweest, omdat bij het zien van een enkel blad het gewas al herkend werd. Zie Jesaja 52: 7. 

Op de grafstenen van oude Christenen wordt dit symbool van vrede, duif met olijventak, wel gebruikt.

Sinds de duif een olijftakje bracht is dit het symbool van vrede.

De tamme olijf is een altijdgroene boom (Psalm 52:10) met lancetvormige en dikke, maar kleine bladeren die om de ongeveer 3 jaar afvallen. De bloei valt in mei met korte trossen witte bloempjes die spoedig vrucht zetten. Vele bloemen vallen vaak af zonder vruchtzetting en in sommige jaren vallen alle bloemen af. (Job 15:33)

De 7‑10m groot wordende boom heeft meestal een niet zo omvangrijke stam met een grijze bast. De boom is vaak krom en gespleten en gescheurd en bij ouderdom hol met naar alle kanten uitstekende takken en van onderen gezien grijsachtig/witte bladeren. Rondom de olijf ontstaan door wortelscheuten nieuwe loten die groen en fris zijn. (Psalm 128) Opmerkelijk is wel Hosea 14:6: メZijn pracht zal zijn als die van een olijfboomモ. Mogelijk is het gewas mooi voor de oosterlingen wegens zijn nut of omdat de boom altijd groen is. Zijn schoonheid moeten we mogelijk zoeken naar zijn welgevormde vrucht en naar zijn hemels gelijkende blauwheid. Zo komt het ook in de Islam voor, Lichtvers Koran XXIV: 45: メ...Ontstoken als een gezegende boom, een olijfboom.モ

Olijf heet in het Arabisch is zetun (Dalman) of zeitum. (v. Emdre) De Hebreeuwse naam is zaith of zayit en naar het gebruik van deze plant in de Bijbel lijdt het geen twijfel dat met deze woorden de olijf bedoeld is. Turks zeytun.

Genesis 8: 11, 28: 18, Exodus 23: 11, 27: 20, Leviticus 2: 1-7 en 15, 5: 11, 6: 21, Deuteronomium 6: 11, 7: 13, 8: 8, 24: 20, 28: 40, 32: 13, 33: 24, Jozua 24: 13, Richteren 9: 8-9, 15: 5, 1 Samu鼠 8: 14, 10: 1, 2 Samu鼠 12: 3 en 5, 15: 30, 1 Koningen 5: 11, 1 Kronieken 27: 28, 2 Kronieken 27: 28, Nehemia 5: 11, 9: 25, Job 15: 33, 29: 6, Psalm 23: 5, 52: 8, 128: 3, Spreuken 27: 9, Ecclesiasticus 10: 1, Jesaja 1: 6, 17: 6, 24: 13, Ezechi鼠 27: 17, Hosea 2: 5 en 8, 12: 1, 14: 6, Joel 1: 10, 2: 24, Amos 4: 9, Micha 6: 15, Habakuk 3: 17, Zacharia 4: 3 en 11-14, 14: 4, 2 Esdras 16: 29, Matthe殱 6: 17, 25: 3-4 en 8, Marcus 6: 13, Lucas 10: 34, 19: 29, 21: 37, Handelingen 1: 12, Romeinen 11: 17 en 24, Jacobus 3: 12, 5: 14, Openbaringen 11: 4, 18: 13.

In Hebreeuws zayit als olijf, de olijventuin is zaytim, olie is shemen, zalf is shemen, Gethsemane, van gat shemanim; oliepers. Ook de zalf, mユshoach, wordt hier inbegrepen omdat de meeste zalf van de olijf komt.

De wilde olijf van Nehemia 8: 15 en 1 Koningen 6: 23 en 31:33 zou van Elaeagnus zijn, of van de wilde olijf, of er moeten veel stukken hout samengevoegd zijn, naar 1 Koningen moesten die beelden tegen 6m hoog met vleugels van 3m breed zijn.

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: floraBijbelse olie.

Als basis voor cosmetische preparaten komt het voor (Ruth 3:3), in gezondheidszalven (Jesaja 1: 6) en bij de Barmhartige Samaritaan.

In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat Jezus de zieken zalfde om ze gezond te maken. Naar dit voorbeeld zalft de katholieke kerk de doodzieke de handen en voeten, het heilig oliesel. De Griekse kerk zalft niet alleen de zwaar zieken maar ook de lijders van allerlei soort en gebruikt het tot herstelling en voor vergeving van de zonden.

Olie, als basis voor de Heilige Olie, werd gebruikt om Koningen te zalven (1 Samuel 10: 1) Van zalven met olijvenolie wordt men krachtig en fris, メals nieuw geborenenモ. De hogepriesters, koningen en profeten werden zo bij intrede in hun nieuwe ambt met olie gezalfd. Zo werd Aaron door Mozes gezalfd, Samu鼠 door Saul en zo David. Bij Saul staat er: メZiehier, de Heer heeft u tot koning over uw volkeren gezalfdモ.

Sinds Saul door Samu鼠 met olie gezalfd werd en Bisschop Remigius de Frankische Koning Clovis in de Kerstnacht van het jaar 496 tot Christenkoning zalfde, is de olijfolie de zalfolie van de heersers geweest. Clovis was de eerste heidense Frankenkoning die gezalfd werd. Volgens de legende werd de zalving voorgenomen en bereikte de olie, door de opeengehoopte massa niet de koning. Daar kwam door gebed van de bisschop een witte duif uit de hemel en bracht in zijn snavel een flesje gewijde olie. Dit flesje werd voortaan in de kerk als een heiligdom bewaard. Het flesje zou voortaan bij alle Franse kroningen gebruikt worden.

Tegenwoordig dient de olie niet zo meer als lichaamsverzorging. Het wordt alleen nog gebruikt in de vorm van zeep. Alleen de zalving van koningen en keizers zijn nog een laatste echo van de oude tijden.

Als lamplicht wordt de olie gebruikt (Ezechi鼠 40: 25), het Joodse feest van het licht of Chanukah. (1 Makkabee喪 4: 54)

Feest van vernieuwing des tempels (Johannes 10: 22) Dit feest zou ontstaan zijn bij het reinigen van de tempel door Judas de Makkabee喪 toen hij een kruikje luchterolie vond dat zwaar genoeg leek om de kandelaar een dag te laten branden, toch bleef de lamp er wonderbaarlijk genoeg 8 dagen van branden, lang genoeg om nieuwe olie op te halen die van ver moest komen.

Zoals eenmaal de lampen van de kandelaar in het Taberna­kel ontstoken waren om te branden met de olie van het heiligdom, zo dient nog de olijfolie als brandstof voor de eeuwige lamp in de St. Pieter te Rome.

De tuin van Gethsemane is nu nog zoals in Bijbelse dagen met een paar kleine veranderingen. Velen denken dat de olijfbomen hun wortels nog hebben vanuit het begin van de Christelijke jaartelling, wat niet helemaal onmogelijk lijkt, maar 2000 jaar is lang. De originele bomen zouden volgens Josephus geveld zijn door Titus die ze gebruikte bij de bestorming van de stad. Mogelijk zijn de bomen, net als die van Athene, weer uitgesproten vanuit de stam of via worteluitlopers.

Elaeagnus angustifolia L. (smalbladig) Dioscorides naam voor de wilde olijf was elaeagnos waardoor dit geslacht de naam van Elaeagnus heeft gekregen. Dit woord valt in twee創 bij vertaling, Griekse elaios: olieboom, en agnos: rein of kuis, de vruchten zijn olijvenvormig en de bladeren lijken op die van de kuisboom, Vitex agnus-castus. Daarom wordt de plant wel oleaster genoemd, olijfwilg, het is geen familie van de wilg en ook niet van de olijf.

Bijbel.

Op enkele plaatsen in de Bijbel komt de oleaster voor. Ze groeit nu volgens Moldenke in geheel Isra鼠, behalve in de Jordaanvallei en verder in de Levant, Syri, Perzi en Siberi. Bruijl vermoedt dat haar voorkomen in de oude tijden nog lang niet zeker is.

1 Koningen 6: 23 ヤVoorts maakte hij in de achterzaal twee cherubs van oleasterhoutユ, 31-33 ヤEvenzo maakte hij voor de toegang naar de Hoofdzaal posten van oleasterhoutユ.

1 Kronieken 27: 28 ヤ Over de olijfbomen en moerbeivijgenbomenユ.

Nehemia 8: 16 ヤ Trekt uit naar het gebergte en brengt loof van den olijfboom, van den olijfwilg, van den mirt, van palmen, van loofbomen, om loofhutten te makenユ.

Jesaja 41: 19 ヤ Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zettenユユ.

Micha 6: 7 ヤZal de Heer welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken?ユ

De naam Etz Shemen of Atazai‑Shemen lijkt op de naam van de olijf: zaith of zayit. Shemen betekent olie, naar de olieproductie van de plant. De olieproductie van de oleaster is echter te verwaarlozen. Als olieproducent zou Balanites aegyptiaca gebruikt kunnen zijn, die de zukkum of zackum van de Arabieren is, maar die groeit alleen maar in de Jordaanvallei. (Moldenke)

Het hout van de olijfwilg is wel hard, maar niet dik genoeg voor het gebruik als in 1 Koningen 6: 23 en 31: 33. De Arabische naam voor de wilde olijf, Olea europaea ヤOleasterユ, DC., is Zetun berri. (Dalman) Mogelijk wordt in de tekst gedoeld op die wilde olijf die wel hout levert van voldoende hardheid, dikte en afmetingen en zo ook gebruikt in Nehemia 8: 16, Jesaja 41: 19 en 1 Koningen.

De vruchten worden gebruikt om er rozenkransen van te maken. Ze zijn bekend als Trebizond dates, worden gedroogd en vermalen tot een soort brood door de Arabieren.

 

Acacia.

Acacia is de naam van meerdere stekelige bomen en struiken. In de oudheid werd echter voornamelijk gedoeld op Acacia nilotica (L.) Delile subsp. nilotica (van de Nijl) (Acacia vera) (de echte).  Het is Dioscorides akakia en Plinius acacia. Het woord is afgeleid van het Grieks voor stekel: axe (Latijn acer, acus en acutus) waarbij in het Grieks een verdubbeling van het woord optreedt om het begrip te versterken.

De Arabische naam voor deze boom is sant of sunt, evenals voor Acacia laeta R.Br. (vrolijk van kleur, of Laeta, of de  tweede echtgenoot van keizer Gratianus van het W. Romeinse rijk) Deze laatste is meer een struik die 4-10m hoog wordt. Zijn bloemen zijn geel tot cream wit en komen op het eind van de regentijd in Afrika en Midden Oosten.

Deze doornachtige Acacia van het Arabische schiereiland, de sunt van Egypte, is verwant aan de suttumboom (sittim) en de senna. Prosper Alpinus betuigt dat de Acacia in Egypte zeer ver van de zee groeit en daar sant genoemd wordt.

Bijbel.

Exodus 25: 5, 10, 13, 23, 28, shittim hout, ヤZij moeten dan een ark van shittimhout makenユ. Exodus 26: 15-16, 26, 32 en 37,  ヤGij zult de planken voor het tabernakel maken van shittimhoutユ. Exodus 27: 1 en 6, ヤGij zult het altaar van shittimhout maken, vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is, en drie el hoogノ. Gij zult draagstokken voor het altaar maken, draagstokken van shittimhout en die met koper overtrekkenユ .

Exodus 30: 1 en 5.  Gij zult een altaar, een offerplaats voor reukwerk, maken; van shittimhout zult gij het makenノ.Gij zult dan de draagstokken van shittimhout maken en ze overtrekken met goudユ.

Exodus 35: 7 en 24. ヤrood geverfde ramsvellen, tachasvellen, shittimhoutノ.en ieder die shittimhout voor al het werk ten behoeve van dn dienst in zijn bezit had, bracht ditユ.

Exodus 37: 1, 4, 10, 15, 25, en 28. Bezaleel maakte de ark van shittimhout, ノHij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok die met goud. Hij maakte de tafel van shittimhout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. hij overtrok die met louter goudノ Hij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goudノ..Hij maakte een reukofferaltaar van shittimhoutノ..En hij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goudユ.

Exodus 38: 1 en 6, ヤHij maakte het brandofferaltaar van shittimhoutノHij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met koperユ.

Numeri 25: 1; Terwijl Isra鼠 in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moabユ.

Numeri 33: 49;  zij legerden zich langs den Jordaan van Beth-Jesimoth af tot Abel-Sittim toe in de velden van Moabユユ.

Deuteronium 10: 3; ヤ En ik maakte een ark van shittimhoutユ.

Jozua 2: 1, ヤJozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uitユ.

Jozua 3: 1, ヤToen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Isra鼠ieten braken op van Sittim en kwamen tot aan den Jordaanユ.

Jesaja 41: 19, ヤIk zal in de woestijn ceder, shittim, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom plantenユ

Joel 3: 18 ユTe dien dage zal het geschieden, dat de bergen van jongen wijn zullen druipen en de heuvelen van melk zullen vloeien en alle beken van Juda van water zullen stromen; een bron zal ontspringen uit het huis des Heren en zal het dal van Sittim drenken, Egypte zal tot een woestenij wordenユ.

Micha 6:5 ヤMijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde – van Sittim tot Gilgalユ.

Maerlant, ヤSetim, is voorwaar bekend als een boom van de Ori創t die hoog wordt en hard groeit en niet licht en door geen nood het hout laat bederven, ook is het van zulk geweld dat het niet verrotten mag, deze vindt men nog tot op deze dag. De ark die zoveel dieren en van zoveel soorten in de luwte hield en nog staat in haar geweld op de bergen van Armeni was gemaakt, horen wij van luiden, van sittim, aldus is het gedicht. Zijn hout is wit en licht. Mozes ark, zoals wij lezen, was ook gemaakt van deze en in Salomons tempel vooral waren hiervan vele dingenユ.

De Arabische naam voor alle twee soorten is seijal. De soortnaam van Acacia seyal is ontleend van het Arabische woord seyal wat een stortvloed betekent, naar zijn vorm in de wadies waar de gestadige stromen vloeien in het regenseizoen. Het Griekse woord voor shittah betekent hout dat niet gemakkelijk rot. De Egyptische naam is sant of santh. Mogelijk is dit woord afgeleid van Egyptisch sh-n-s-t. Velen denken dat de Hebreeuwse naam van dit Egyptische woord is afgeleid. Naar het voorkomen van meervoudsvorm zijn er velen van mening dat het gebruikt wordt omdat de boom zelden alleen groeit. De Hebreeuwse naam is shittim, wat meervoud is van shittah of sjittah. In enkelvoud komt het woord maar eenmaal voor in de Bijbel. (Jesaja 41:19) de meervoud vorm shittim, als hout, een twintig keer, altijd in verband met de ark. Shittim is zonder twijfel een Acacia soort waarvan er drie gevonden worden in de Bijbelse landen. De meeste autoriteiten zijn van mening dat Acacia seyal en Acacia tortilis de meest waarschijnlijke soorten zijn die in deze verwijzingen het enige hout van die lengte konden leveren. Ze kunnen bloeien in zeer droge situaties waar geen andere boom het uithoudt. Acacia tortilis is de grootste en gewoonste vorm in de Arabische desert waar de Isra鼠ieten veertig jaar verbleven. Het is vooral gewoon op de Sina. De tegenwoordige Arabische nomaden verzamelen zijn  hout die ze voor vuur gebruiken, verzamelen het blad en bloem als veevoer. Het hout is zeer hard, dichte nerven en duurzaam, oranje/bruin van kleur en wordt nog zeer gewaardeerd om er meubels van te maken. In gunstige omstandigheden bereikt de boom een hoogte van 6m tot 8m, in de desert meestal struikachtig en dooreen groeiend. Zijn takken zijn gewapend met sterke witte dorens die in paren staan. De bast wordt gebruikt om leer te looien.

Abel-(=veld)‑shittim of abel‑has ahittim (Numeri 33:49) is dan een weide (of vochtige plaats) van Acaciaユ s.

Ze groeien niet in noordelijk Isra鼠 en komen dan ook vrijwel alleen voor in de oudere boeken, wat erop wijst dat ze vanuit Egypte, het verblijf in de Sina bekend waren. Er is een vallei aan de westzijde van de Dode Zee, de wadi van Seyal, waarvan gezegd wordt dat die zijn naam te danken heeft aan de aanwezigheid van een paar acaciaユs daar. Zuidwaarts van de Dode Zee groeien ze in overvloed.

Jesaja 41:19 メIk zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom plantenモ.

In dit bijbeldeel is er sprake van enige verwarring, want de Acacia is op zich al een plant van de woestijn en hoeft dan ook niet geplant te worden. Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen. De eerste serie kan gezien worden als planten van de woeste gronden, waarbij met de naam Ceder wel een jeneverbes bedoeld wordt, een plant van de barre rotsgronden. De olijfwilg is een plant van de zoute gronden, de mirt groeit in de maquis op woeste gronden. De anderen zijn planten van bergbossen. De plataan is dan de enige die niet past, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op Libanon groeit.

Sin betekent woestijn.

Sin is een woestijn, Numeri 13:21, Exodus 16:1, Tsin of Sina, verkort tot Sina, Jozua15: 3 en de berg Sina wordt voor Sina gelijkgesteld, Judith 5:14.

Hieruit zouden we kunnen opmaken dat de steenrots ヤsin of sinaユ genoemd en de woestijn naar die rots Sina遍 genoemd is, waar de Acacia groeit, de sun van Egypte, de sant of sunt van de Arabieren. Dus zou de boom ook hiernaar genoemd kunnen zijn.

Sin stond ook bekend als godheid (Rosengarten):

メBabyloni was het middelpunt geworden van een religieuze cultus van gesystematiseerde toverij, gebaseerd op kosmische magie, waarin de godheid Sin vereerd werd, de aloude genezer‑god van de maan, waarvan men geloofde dat hij de groei van geneeskrachtige planten bestuurde. Deze plantendelen werden in het maanlicht geoogst. Dan werden ook de magisch genezende dranken klaargemaaktモ . (Zie Amanita, de soma)

Opvallend is ook de tekst in Richteren 9:8-15 waar de bomen een koning over hen willen aanstellen. Tenslotte besluiten ze dat dit een ヤdoornbosユ moet zijn. De doornbos stemt toe en nodigt alle bomen onder zijn schaduw uit. Een nog al vreemde passage waar een olijf en vijg, zeer nuttige planten, in de schaduw van de doren willen staan.

Brandend Braambos.

Exodus 3, 2, ヤDaar verscheen hem de Engel des Heer als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht; Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. Toen de Heer zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de bramenstruik toe, Mozes, Mozes! En hij antwoordde; Hier ben ik. Daarop zei Hij, Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grondユ.

Er is veel verdeeldheid over deze regels. Er zijn er natuurlijk die geloven dat het om een bovennatuurlijk geval gaat en daarom een echt wonder is.

Andere die denken dat er een natuurlijke verklaring voor moet zijn denken dat de bos die brandde en niet verteerde de gasplant of fraxinella moet zijn, Dictamnus albus. Dit is een sterk groeiende plant van een meter hoog met geveerde bladeren en trossen met purperen bloemen. De hele plant is bedekt met oliepuntjes, een olie die zo vluchtig is dat het verdampt bij de plant en een klein vonkje zal de plant al in vuur zetten. Dat duurt maar even. Andere menen dat de bedoelde plant Acacia seyal is.

De Hebreeuwse naam voor die plant is seneh of sユneh. (Grieks Baros, wat een prikkelige struik betekent) Een naam die maar eenmaal gebruikt wordt en als prikkelende struik vertaald is. Deze prikkelende struik groeit in de wildernis van Sin of Seneh. Het is waarschijnlijk dat die daar algemeen is en zijn naam dankt aan die wildernis of omgekeerd.

De meest logische verklaring schijnt die van Smith te zijn die veronderstelt dat de ヤユvuurvlamユユ de rood bloeiende mistletoe is, Loranthus acacia, die veel op deze bomen, vooral op Acacia farnesiana en Acacia seyal, parasiteren. Als de mistletoe volop in bloei staat geeft de struik het idee van een vlam vanwege zijn helder rode kleur die zeer opvalt tegen het groene blad en de gele bloemen van de gastplant. Het was dan niet de bos dat brandde; de vlam werd vertegenwoordigd door de mistletoe die de struik bedekte. De rode bloem is gloeiend en had alleen het licht van Jehova nodig om die het aanzien van echt vuur te geven. Die heldere kleuren kunnen in de zon oplichten en zouden zo de plant een vlammende aanblik verschaffen, een effect dat verstevigd wordt door de brandende zon en de droge gronden die voor een gunstige achtergrond zorgen.

 

Acorus calamus, L. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo Europeaan. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees zelf. De herbaristen noemen het Acorus calamus, L. Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijt verwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging.

Deze algemeen voorkomende plant is in Nederland niet inheems. Volgens Dioscorides, Theophrastus en Plinius groeit άχορον (akoron) Kalamos aromaticus in Indiaユ.

Maerlant, waar hij over specerijen schrijft, ヤCalamus aromaticus, als ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van Indi zietユ. Zo ook van Ravelingen.

ヤUit deze beschrijvingen blijkt dat het om de echte gaat. De wortel was verwarmend en had plas drijvende eigenschappen en zou ziektes van de borst, longen, lever en milt, als buikpijn, breuk en kramp helen, haar sap de troebele ogen verbeteren en ook als tegengift gebruikt zijn. Bekend was dat het wild in Klein-Azi groeide.

In Midden Europa zou de kalmoes tot het midden 16de eeuw als levende plant onbekend zijn, tot dan toe kende men alleen de gedroogde wortel als farmaceutisch product. Jacob van Maerlant, 1225-1291 noemt in de ヤNature Bloemeユ de echte kalmoes: ヤCalamus aromaticus, zoals ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van Indi ziet. Goed ruikende en van zoete zaken en een deel taai van smaken. Platearius die zegt het dat het de maag van koude doen te genezen pleegt en het geneest de krampen in de maag en tegen de darmenwindユ. In dezelfde groep van binnenlandse planten zit bij Herbarius in Dyetsche ook de kalmoes, Acorus,Wild riet of calamus aromaticus silvestris of calamus silvestrisユ en vervolgens komt bij de buitenlandse drogen ヤis van welriekend riet wat men  calamus aromaticus noemtユ.  Hij kent dus de gewone kalmoes en die van Theophrastus.

Ook (met afbeelding ut de Gart der Gesundheit) De Gart der Gesundheit beschrijft kalmoes, Acorus.

P. Matthiola beschreef in 1565 voor het eerst een levende plant die hij gekregen had van Ghislain Busbequius, keizerlijk gezant aan het Turkse hof onder Soliman II. Die had ze samen met zijn arts W. Quackelbeen aan de oevers van een meer bij Nicodemi in Bithyi verzameld. Eerst in de uitgave van 1586 is een bloeiende plant afgebeeld. Die zie je in de afbeelding van Matthiola. De N殲nberg arts Joachim Camerarius zegt in zijn in 1588 verschenen ヤHortus medicus et philosophicus, pagina 5, dat de kalmoes enkele jaren geleden in de binnenlandse tuinen gekomen is, ヤin nostros hortos ante aliquot annos translate.ユ Reeds in die tijd was de plant in Polen verwilderd, waar het als Tartaars kruid bekend was, en in de 17de eeuw was de plant al in vele gebieden van midden Europa verwildert. In het begin van de achttiende eeuw was het vrijwel over geheel Europa ingeburgerd. In de Slavische spraken heet het ヤtatarckユ en dergelijk omdat het door de Tartaren ingevoerd zou zijn.ユ Matthiola; Acorum of kalmoes groeit in Pontus, Galati en Colchis, ook bij de Tartaren, vandaar noemt men het in Litouwen Taterste zelij, dat is Tartaars kruidユ. Het zal dat ooit door de Tartaren meegenomen zijn en door de landbewerkers niet herkend zijn omdat het zoveel op de lis (Iris pseudo-acorus) lijkt en niet bloeit, alleen werd het opgemerkt door de apothekers vanwege zijn geurende wortel.

Heilige zalfolie.

Het kruid is nu zo algemeen dat er maar weinig mensen zijn die geloven dat het ooit ingevoerd werd. Als we zijn veelvuldige voorkomen en snelle verspreiding vergelijken met het schaarse en kostbare karakter dat aan de kalmoesplant van de Bijbel en de ouden wordt toegeschreven, is dit gegeven tegenstrijdig met elkaar. Immers eenmaal ingevoerd zou het daar toch al snel gemeengoed zijn geworden, of omdat het zo snel groeit kan het toch geen dure specerij zijn. Koning Salomon plantte toch kruiden in zijn hof. (Hooglied 5:1/13 en 6:2) Het Hooglied is waarschijnlijk enkele eeuwen later geschreven dan Jeremia, die een verwijzing geeft van Kalmoes in een ver land. Jesaja vermeldt dat ze nog steeds duur is.

Onze kalmoes is hier in een tijdsbestek van een paar honderd jaar gemeengoed geworden.

Wat kan de bijbel ons nog meer vertellen over de oude kalmoes?

De naam kalmoes is in het Hebreeuws keneh, of meer volledig keneh-bosem: wat kruidig of zoet riet betekent. Deze naam komt op een aantal plaatsen in de bijbel voor. In Exodus 30: 23 wordt over de kalmoes gesproken als een ingredi創t voor de heilige zalfolie.

In Salomons Hooglied 4: 14 wordt het bezongen als een kostelijke vrucht. Vermoedelijk was dit ook een van de kostbare specerijen die de Koningin van Sheba aan Salomon gaf (1 Koningen 10: 10) gelet op de tekst in Jeremia 6: 20 メWaarom zou dan voor mij wierook uit Sheba komen en Kalmus uit een ver land ?モ

Dat het een dure specerij was blijkt wel uit Jesaja 43: 24:モ Gij hebt mij voor zilver geen Kalmus gekochtモ. Uit deze teksten blijkt wel dat de kalmoes in het land Isra鼠 niet of nauwelijks voorkwam. Ze moest van verre gehaald worden. De hieruit onttrokken ingredi創ten zijn kostbaar en worden slechts bij speciale gelegenheden gebruikt. Tenslotte kan nog gewezen worden op de tekst van Ezechi鼠 27: 19: メKassie en Kalmus behoorden tot uw koopwaarモ.

Calamus.

We zijn nu nog maar weinig wijzer. Welke plant was nu de メkalmoesモ van de ouden?

Mogelijk is de naam kalmoes in gebruik is geweest voor bepaalde geurende plantaardige stoffen met voor vermelde kwaliteiten en de naam een meer algemene naam is geweest.

Van de naam Acorus hebben we vastgesteld dat die voor de lis geldt. Mogelijk is er een overeenkomst in (geurende) wortelstok.

Zo kunnen we ook kijken naar het tweede deel van de naam Acorus calamus, L.

Calamus is afgeleid van het Arabische kalom, een woord voor een rietplant. Deze naam lijken we terug te vinden in wat vroeger de calmusplant heette. Van Beverwijck schrijft hierover: メCalmus te weten de echte (anders wordt in zijn plaats Acorus genomen) is een Indiaans sterk ruikend rietモ.

Blijkbaar werd de Acorus als vervanger gebruikt voor de メechteモ. Deze groeide hier te lande en was daarom gemakkelijk en goedkoop te leveren. Beide planten hadden vermoedelijk dezelfde kwaliteiten. Hieruit is af te leiden dat in die tijd de echte calmus vervangen is door de nu bekende kalmoes. (de Acorus) De wortel is wel verstuurd in een mandje gemaakt van Calamus of riet, zie bij Styrax die in riet vervoerd werd en daarom Styrax calamites heette.

Calamus, het plantengeslacht waar de tweede naam naar verwijzen zou, behoort tot de palmachtige. Het zijn meestal snel groeiende en klimmende planten die zeer lang kunnen worden. Het blad lijkt veel op riet. Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze zo weelderig en in zo grote overvloed groeiende palmen de leveranciers zijn van de kostbare specerij.

(Dodonaeus) ヤSommige willen voor de Calamus het Schoenanthus  (ook wel Cymbopogon) gebruiken en misschien omdat men tussen de halmen van Schoenanthus de voor vermelde kleine rietjes vindt die Lobel voor de echte Calamus aromaticus houdtユ.

Chirata-tikta.

Volgens Roxburgh in zijn Flora Indica is de Calamus aromaticus geen palm, maar een oude naam voor Gentiana cheyrata Roxb. en de kalmoes van de oudheid.

De Gentiana cheyrata is een kruidachtige plant met recht opgaande bladeren die stengelomvattend zijn, lancetvormige en met drie/vijf nerven. De plant wordt ongeveer een meter groot.

Deze beroemde plant zou gevonden zijn op de bergen van Nepal en de Morungs. De Sanskrietnaam is chirata‑tikta en de Bengalese naam chirata. (Johnson: Cheryta is Hindoestaans voor een Gentiaanplant) Roxburgh geeft de volgende beschrijving: メAls ik deze plant verwijs naar het geslacht Gentiana ga ik af op de capsule: anders zou ik die geplaatst hebben bij de Exacum (ook van de Gentiaanfamilie).モ De jichtgentiaan Gentiana chirayata wordt onder de naam Herba et Radix Chirette sive Chiraytae in de handel gebracht.

Roxburgh vermeldt ook dat het bij de Bengalezen als opwekkend middel gebruikt wordt. Zijn koorts stillende krachten zijn in hoge achting bij de inlanders en Europeanen, de plant wordt gebruikt als vervanger van kinineモ.

Door verwisseling van de geslachten heeft het nu de naam Swertia, namelijk Swertia chirata (synoniem Henricea pharmacearcha, Lemaire of Gentiana chirayta, Roxb.)

De stengels zijn zeer bitter en worden onder de naam van stipites chirayta in de handel gebracht. Het komt in werking overeen met de gele gentiaan. Velen zijn van mening dat de Arabische artsen, als zij van Calamus aromaticus spreken, dit gewas bedoelden.

Bijbelse kalmoes.

Dan zou een lid van de Gentiaanfamilie de kalmoesplant van de ouden zijn. Dit is een re鼠e mogelijkheid vooral als we eens omzien naar de werking van deze familie. Duizendguldenkruid, van de Gentiaanfamilie, verkreeg zijn naam niet voor niets. Een gentiaan laat zich bovendien slechts met moeite verplanten en is meestal plaats- of streekgebonden. Daarom kon het ook niet naar de tuinen van Salomon gebracht worden. Het kruid moest uit een ver land komen, waardoor de prijs hoog bleef. Het voldoet qua afkomst, eigenschappen en beperkte verspreidingsmogelijkheden aan de gewenste karakteristieken en dient derhalve aangemerkt te worden als de Bijbelse kalmoes.

Moldenke, Anderson en Waeker stellen als Bijbelse kalmoes voor; Andropogon aromaticus, nu Cymbopogon nardus. Die groeit in India en is daar een gewoon gras. Moldenke: メHet blad is bij kneuzen zeer geurend en smaakt naar ginger, levert olie bekend als gingerolie. Dit gras wordt gegeten door de koeienモ. Veel leden van deze familie leveren geurende olies. Dit zou gebruikt kunnen zijn bij de bereiding van de heilige zalfolie. (Exodus) Doch er was al olijfolie aanwezig, olie van een grasachtige was dus niet absoluut noodzakelijk. Bovendien wordt er in andere teksten toch meer over een specerij of vrucht gesproken. Dit is dan ook een gewoon gras, groeit overal in warme streken. Soorten hiervan groeien dan ook in Isra鼠. Invoer van zaden was dan ook geen probleem geweest en had de plant gecultiveerd kunnen worden in Salomons tuin.

Allium. Bij de Romeinen heette de knoflook Allium en Linnaeus voerde die naam als geslachtsnaam in. De naam Allium is genomen van het Keltisch all: wat heet of brandend betekent. Of misschien van het Latijnse olere: rieken, naar de penetrante geur.

Verse look bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger, en nog niet zo lang geleden, dacht men dat ziektes door boze geesten en demonen werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte ze met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het aan de lucht zwart en men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals gedragen of tegen de deur gespijkerd.

Uien.

Er zijn een 67 uiensoorten in Isra鼠.

De ui of sjalot komt mogelijk voor in Numeri 11: 5 ヤWij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en meloenen, het look, de uien en het knoflookユ.

De Hebreeuwse naam voor ui is betsalim, betsel of belsal. De Arabische naam is volgens Dalman basal.

Mogelijk moesten ze in de woestijn ook kracht hebben. Het woord dat gebruikt wordt voor knoflook is sjoom, shoomim of sjoemim. (het kan ook zijn ui en sjalot, hoewel men aanneemt dat de knoflook meer in Egypte gebruikt werd) Men verlangde naar knoflook en ui en de vleespotten van Egypte na het lange eten van manna. Men moet ook niet vergeten dat het genot van  beide uiensoorten oorspronkelijk ook een gezondheidsgebod was. Mozes zou de ui al zo aanbevolen hebben om de inwendige mens te zuiveren.

In Numeri komt naast ui (of sjalot) en knoflook het woord chatzir voor, wat op de 20 andere plaatsen vertaald wordt als gras (1 Koningen 18:15, Job 40: 15, Psalm 37: 2, 90: 15, 103: 15, 104: 14, 129: 6, Jesaja 37: 27, 40: 6-8, 51: 12, soms Job 8: 12 soms kruiden in Spreuken 27: 25 en als hooi in Jesaja 15: 6 en in Jesaja 34: 13 wordt het een hof) het woord betekent literair gras en is ontleend van een wortel die groen betekent. Het zou dus van alles kunnen zijn, sla of andijvie bijvoorbeeld. Maar omdat het in Numeri staat met andere uiens zou men aannemen dat het een soort uien is.

Naar oud Egyptisch gebruik werd de prei dicht opeen gezet en sneed men telkens de jonge bladeren eraf, snijprei, net als bij ons het bieslook. Deze grasgroene en dicht gezaaide prei zou de chatzir kunnen zijn. (Bruijel) Dit vooral omdat ze in de tekst met andere lookachtige samenkomt.

Anderen denken aan Trigonella foenum-graecum. Jonge planten hiervan werden wel gegeten, in november wordt de kreet gehoord ユ groene halbeh te koopユ,  het is een eten voor de arme man.

Alo.

Bijbel.

Al in de bijbel wordt Alo vermeld, in die tijd werd het als rookwerk en ook als parfum en als toevoeging bij lijkenbalseming gebruikt, Johannes 19, 39. Het werd door de Egyptenaren gebruikt bij het balsemen. Naar het gebruik van balseming zou dit de Alo kunnen zijn van Johannes 19: 39, ヤen hij bracht een mengsel mede van mirre en alo, ongeveer honderd pondユ. Purgerend, geen aangename geur en smaakt zeer bitter.

Numeri 24: 6, ヤals valleien breiden zij zich uit; als tuinen aan een rivier, als alo戴s die de Heer plantteユ.

Psalm 45: 9, ヤ mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ.

Spreuken 7: 17 ヤIk heb mijn leger besprenkeld met mirre, alo en kaneel.

Aloe.

Hooglied 4: 14 ヤnardus en saffraan, kalmoes en kaneel, mirre en alo戴.

De alo戴s van het Oude Testament worden door de meeste autoriteiten als verschillend gezien dan die van het N. T.

In de Bijbel, Numeri 24: 6, komt het woord ahalim of ahaloth voor dat door Bileam met de cederen genoemd werd als een beeld van een uitnemende woonplaats die een heerlijk land in bezitting zou hebben.

Naar de tuinen aan de rivierzijde wordt hier mogelijk een land bedoeld in W. Azi. Mogelijk naar Numeri wordt aangenomen dat de Heer hier wel een zeer bijzondere Alo plantte en mogelijk Aquilaria malaccensis Lam. (uit Malacca) (Aquilaria agallocha) Hetzelfde woord komt voor in de andere teksten en met vreugdeolie wordt hier ook wel op de zoet ruikende Aquilaria gedoeld en niet op de bittere en medisch gebruikte Alo.

Deze boom groeit niet in Syri of Palestina, maar in India en verder. Het woord agallocha komt in oud-Engels voor als aluwe in de tweede helft 14de eeuw, dit van Latijn alo en dat van Grieks alo en dat van Hebreeuws ahaloth wat ook voorkomt in Sanskriet agaru: het hout. Aquilaria stamt van aquila: een adelaar, in Malacca wordt de boom dan ook adelaarshout genoemd. Maar de Portugezen hebben het gewas zo genoemd omdat zijn Indische naam, agil, wel wat op aquila (adelaar) lijkt. Dioscorides noemt het ook Xyloalo en in het Latijn Lignum Xyloalo. Ook wordt de boom wel paradijshout genoemd of scheut van het paradijs omdat dit de enigste boom zou zijn geweest die Adam uit het Paradijs had meegenomen. Volgens een andere legende zou het adelaarshout op aarde gekomen zijn door middel van een van de drie grote stromen die door het Paradijs voerden, de boom ontworteld zou hebben en meegevoerd op zijn tocht naar de aarde.

Moffat noemt een eik en is mogelijk het meest correcte woord omdat deze plaats een bladige en stevige boom suggereert die inlands was en beter bekend dan een onbekende die ze alleen kenden vanwege import. Door andere wordt verondersteld dat het sandaalhout is, Santalum album die uit India komt.

Anastatica, roos van Jericho, opstandingsplant.

Een zeer merkwaardig verschijnsel vormen de ヤrolplanten. Die zie je op de steppen, de vlakke en ongebouwde streken. Zodra de wind opsteekt en wervelend over het vlakke land giert en stof en stoppels opjaagt, ziet men grote ronde ballen die al rollend met grote snelheid zich over de velden voortbewegen of hoog de lucht in gejaagd worden. Vooral in de vlakke velden van het Over-Jordaanse ziet men ze bij honderden gaan. Ze hebben soms een doorsnede van 80cm.

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: marilaun1Anastatica hierochuntica, L. Val van Jericho.

Anastatica komt van Grieks anastasis: wederopstanding, het is een verwijzing naar zijn hygroscopische eigenschappen. Ook de Heilige Anastasia heeft haar feestdag op 25 december.

(Dodonaeus)  ヤRoos van Jericho, in het Latijn Rosa Hierichontina of Rosa Hiericontea of Ponum Hiericonticum. Bellonius vermaant hier ook van en zegt dat sommige bedriegers deze wortel of bloem herwaarts overbrengen en in water leggen als het Kerstavond is of als er enige vrouwen in zware arbeid gaan en dan gaat ze open en dan zeggen ze dat dit nooit gebeurt dan op die avond of als enige vrouwen in barensnood zijn, ja dat op het ogenblik dat deze bloem in het water open gaat die vrouw van kind verlost. Nochtans is dit maar bedrog en die roos zal altijd ontluiken en vaneen gaan als ze in water gelegd wordt, welke tijd dat het is. Maar hij verzekert dat ze niet in Jericho groeit en alleen in de wildernis van Arabi en aan de dorre oever van de Rode Zee.

Toen de Isra鼠ieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: メHeer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal gevenモ. En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

Het is geen ヤroosユ en groeit niet bij Jericho. Oorspronkelijk werd met de ヤroos van Jerichoユ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jesu Sirach, 39:17, ヤHoort naar mij, gij, heilige kinderen ! en groeit op als de rozen aan de beekjes geplant. Boek der wijsheid 2:8, メLaat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelkenユ. Deze ヤrozenユ bloeien in de lente, Jesu Sirach 50: 8, en zijn struiken die in Jericho gekweekt worden, Jeus Sirach: メ24:14 Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadel­boom te Engadi en gelijk een rozenboom te Jericho. Waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Die bloemen lijken wat op een roos.

ゥ Terwijl Maria naar Egypte vluchtte, spreidde zij de luiers van Jezus op de grond waar Jericho rozen groeiden. Toen ze die oppakte raakte haar handpalm de bloemen en Jezus sprak, ヤDe bloem die door Maria aangeraakt is, zal niet sterven en zal onsterfelijk zijnユ Deze kleine plant was opgedragen aan Maria, patrones van getrouwde vrouwen en ter hare eren rosa Mariae genoemd, Mariaroos en in Egypte naar de Arabische naam Kaf Maryam, Mamiran, Kaff Mariyem of Kaf Marzan: Mariaユs hand, omdat men geloofde dat de bloem openging op het moment dat onze redder werd geboren.

De roos van Jericho wordt van Mekka meegebracht als een bloem van Evaユs graf. De Arabieren noemen het garbba phula, het eerste woord betekent een baarmoeder, omdat het zou helpen bij de bevalling.

Psalm 83: 14, ヤMijn God, maak hen toch als een werveldistel, als kaf voor den windユ .

Jesaja 17: 13 ヤdan vluchten zij ver weg en worden opgejaagd als kaf op de bergen voor de wind uit en als een werveldistel voor de storm uitユ.ユ

In Psalm 83:14 en Jesaja 17:13, komt de werveldistel voor. In het Hebreeuws staat daar gulgal wat in de Moffat versie vertaald is als stof of een rollend ding, het zou een verwijzing kunnen zijn naar een plant en een bijzondere.

Asaf roept Gods hulp in tegen zijn overmoedig opdringende vijanden en vraagt. メMijn God, maak hen als gulgal, (galgal) als kaf voor de windユ. Het woord galgal, gulgal komt van het werkwoord g.l.l. dat rollen of wentelen betekent, op andere plaatsen is het dan ook een rad als bij Jesaja 5:28 en Ezechi鼠 10: 2, 13, als hemel in sommige versies in Psalm 73: 18. Het beeld dat de dichter voor ogen heeft gestaan is wel een rolplant en dat hij zijn vijanden voor hem uit gedreven wilde hebben door Gods kracht zoals de herfstwind het kaf en de stoppels met daartussen de rollende plantenballen voortjaagt, zonder dat die veel weerstand kunnen bieden.

Jesaja gebruikt hetzelfde beeld. De Assyrische wereldmacht wordt door God bedreigd en opgejaagd ヤals kaf op de bergen (van de hooggelegen dorsvloeren) en als galgal voor de wind. Een zeer treffende voortzetting van het beeld dat de goddeloze onmachtig zijn om zich tegen God verzetten, evenmin als kaf tegen de wind, een beeld dat we telkens tegen komen, Psalm 1: 4, 35: 5 en Job 21: 8 Het is merkwaardig dat we deze gedachtegang nog vinden bij de Arabische bevolking van Gilead en Basan. Als zij zoユn rollende bal zien gaan, vragen ze vaak schertsend: メAkkoeb, waar ga je vandaag naar toeユ, om hem dan te laten antwoorden, ヤWaarheen de wind wilユ waaruit de onmacht blijkt. Diegene die ze niet veel goeds toewenden, voegen ze er bij, ヤDat ge als de akkoeb door de wind gepakt moge worden, tot ge aan de doornen blijft hangen of in een afgrond begraven wordtユ.

Christelijke folklore.

Wonderbare nevelen spreidden zich als een zilveren waas van geheimzinnigheid om de stengel en knop. De berichten over dit kruid klimmen op tot het begin van de 17de  eeuw. De hygroskopiciteit, het sluiten en vrij plotseling heropen van de bladeren bij bevochtiging, haar vluchtig herleven werd steeds weer als iets wonderbaarlijks beschouwd. Zo kreeg ze een ereplaats tussen de toverplanten en speelde ze een voorname rol in de waarzeggerij en vooral in de droomverklaring. Er worden profetisch vermogens aan de plant toegeschreven. Men noemt ze ヤVoetstappen van de Jonkvrouwユ, omdat ze daar groeien waar Maria op haar vlucht naar Egypte de bodem heeft aangeraakt. Het eerst wordt van deze legende verhaald door Ludolph van Suchem, +1350.

Toen, na het bevel van Herodes om de kinderen te vermoorden, Jozef uit het Heilige Land trok stak hij de vlakte bij Jericho over en rozen ontsprongen uit Mariaユs voetstappen als begroeting van het kind in haar armen. Tijdens Zijn leven spreidde deze plant zijn bloemen en toen Hij stierf aan het kruis, stierf de bloem ook. Maar bij Zijn opstanding, met Pasen, opende ze zich weer en groeide en bloeide op de vlakte.

Als het in (wij) water gezet wordt, op het moment dat een vrouw haar eerste geboortewee創 krijgt, bloeit ze op het moment dat het kind geboren wordt. Als een zwangere vrouw weten wil of de bevalling goed of slecht verloopt plant ze een Jerichoroos in het water, de bevalling gaat goed als de roos zijn takjes opent, wat bijna altijd het geval zal zijn, zo niet zal het een slecht kraambed worden.

Volgens de transmigratieleer bezit dit voorwerp een openende kracht zodat bij moeilijke verlossingen een stukje daarvan geweekt wordt in water, dat aan barende te drinken wordt gegeven.

Men verhaalde dat de plant in de Kerstnacht ontplooide als een zinnebeeld van de opstanding. Door zijn kracht om weer te bloeien, na eerst dood te lijken, wordt het opstandingsbloem genoemd. Die eigenschap werd in de middeleeuwen als iets wonderbaarlijks gezien, de kruisridders en pelgrims brachten zulke rozen mee als een heilig relikwie. In vroeger eeuwen was dit een talisman en zoユn roos die meegebracht was door een kruisvaarder vrijwaarde de bezitter tegen besmettelijke ziektes, het werd in die dagen tegen goud opgewogen.

(349) De Roos van Jericho zou, naar het bijgeloof, eenmaal in het jaar en wel met kerstmis bloeien. Het is een gewoonte in menig gezin van Duitsland en vroeger nog in Limburg om een Jericho takje in water te zetten. Richten alle takjes zich op dan mag men een goed jaar verwachten, blijft die daarentegen gesloten dan ziet het er niet best uit. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid Zwitserse Val di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooiing van de bloemen wacht worden er kerstliederen gezongen of brengt men de tijd met gebed en overweging door.

Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, メEr is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etc.ユユ. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, メDユErd grunet und bringet rossleモ. In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

Men verhaalt in Zwaben dat op St. Jozef dag de Jerichoroos ieder jaar bloeit. Dat ze het doosje, waarin ze bewaard wordt, open drukt als men vergeet het open te doen.

Anethum graveolens L. Dille. De naam is afgeleid van het Griekse aemi: ik blaas uit, of adem uit en dit vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam van de plant, graveolens, van gravis: zwaar, en olere: rieken. Het Griekse woord anethum kan ook afgeleid zijn van ano: opgaand, en theo: rennen, een verwijzing naar zijn snelle groei.

Dille

In Semitische talen is dille bekend als shubit. De Talmoed zegt dat er tienden betaald moeten worden van zaden, bladeren en stengels van dille. Matthe殱 23:23 ヤWee u, Schriftgeleerden en Farizee創, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd, het oordeel en de barmhartigheid en de trouwユ. Daar komt in sommige vertalingen anijs voor. Mogelijk is dit een verkeerde vertaling vanuit het Grieks. De oude naam voor dille, Anethum graveolens, was Anethon anise. Anijs was dan ook zeldzaam in de Bijbelse dagen van Palestina.

Artemisia.

Artemisia genoemd naar de gemalin van koning Mausoleus, 377‑353 v. Chr. te Halicarnassus in Klein Azi, die na zijn dood een grafmonument liet oprichten, het mausoleum. Dit grafteken was een van de 7 wereldwonderen.

 

Alsem.

Bijbel.

Onder de naam la anah, laユana, kan een zeer bittere plant verstaan worden, mogelijk de alsem. Bittere kruiden als alsem (ook Conium maculatum, de gal) is het symbool van bittere ellende en zorgen.

Deuteronium 29: 18 ヤlaat er onder u geen wortel zijn, die gif of alsem voortbrengtユ.

Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas afユ.

Spreuken 5: 4 ヤmaar op het laatst is zij bitter als alsemユ.

Jeremia 9: 15, 23: 15.  メZie, ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken, Ik drenk hen met gifsapモ, 23: 15 ヤZie, ik spijzig hen met alsem, Ik drenk hen met gifモ, Klaagliederen 3: 15 ヤHij heeft mij met bittere kruiden verzadigd en mij met alsem gedrenktユ 19. メGedenk toch dat ik zo ellendig en verlaten ben, met alsem en gal gedrenktモ

Hosea 10: 4 ヤEn het gericht schiet op als een gifplant in de voren van den akkerユ.

Amos 5: 7 ヤO, zij die het recht in alsem verkerenユ 6:12 ヤ dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsemユ.

Openbaringen 8 : 10-11 of Apocalyps メAls de derde engel de trompet blies, viel er van de hemel een grote ster, brandende als een fakkel en zij viel op het derde deel der rivieren en op de fonteinen. De naam van die ster was alsem, en het derde deel der wateren werd als alsem en vele mensen stierven van de wateren omdat zij bitter geworden was.モ .

Oosterlingen typeren zorgen, kwaadaardigheden en bitterheid van elke soort met planten van giftige of bittere naturen. Deze ellende typeert Shakespeare ook als Hamlet zegt: メWormwood, wormwoodモ, in Hamlet III, 2,191.

Mogelijk dat in de Bijbel Artemisia herba‑alba, Asso (wit kruid) of Artemisia judaica, L. (Joods) bedoeld is. Moldenke veronderstelt dat met bittere planten de Citrullus colycinthus bedoeld is. Toch mag men aannemen dat Amos, zelf cultivator van moerbeivijgen en dus vertrouwd met het boerenbedrijf, bewust verschil maakte tussen de kolokwint en alsem (Amos 1:7) en mogelijk het Hebreeuwse woord ook zo in andere passages is bedoeld.

 

Arundo, reuzenriet.

Arundo stamt mogelijk van Latijn wat riet betekent, of van arende, verdrogen, naar de korte bloei. Al in Homerisch tijd gebruikten de Phoenici喪s veel materialen hieruit. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna of cana.

 

Bijbel.

2 Koningen 18: 21 ヤ Nu dan, zie, gij vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte, die, als iemand daarop steunt, hem in de hand dringtユ.

Job 8: 11, ヤSchiet de bies op, waar geen moeras is?ユ 40: 16 ヤin de schuilplaats van riet en moerasユ.

Jesaja 19: 6, de Nijlarmen van Egypte leeg lopen en droog worden, riet en biezen verwelken,ユ 35: 7, waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen bedekt zijnユ, 42: 3 ヤHet geknakte riet zal hij niet verbrekenユ.

Jeremia 51: 32 ヤen dat zij de burchten (reeds) met vuur verbrand hebbenユ

Ezechi鼠 29: 6-7, ヤwant zij zijn voor het huis Isra鼠 een rietstaf, grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open, leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelenユ, 40: 3 ヤdaar bevond zich een man die eruit zag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn handユ.

Matthe殱 11: 7 ヤWat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?ユ

Er wordt gedacht dat de meeste riet van de Bijbel vertegenwoordigd worden door de Hebreeuwse woorden agmon, agam en agamim en naar deze plant verwijzen. (soms Scirpus of Cyperus)

Er werden wandelstokken, hengels, meetstokken en muziekinstrumenten van gemaakt. Het is daarom mogelijk dat de meetstok van Mattheus 27: 48 en Marcus 15: 36 een rietstok was of meetstok en geen stengel van Sorghum.

Naar 2 Koningen doorsteekt een gebroken riet de hand als hij erop leunt, dat is heel goed mogelijk, ze werden wel als speren gebruikt. Plinius in Lib. XVI.32 メDat velen riet in plaats van spiesen gebruikt hebbenモ. Virgilius in IV.B der Eneade, メdodelijke riet blijft steken in de zijdeモ.

Opvallend is de vertaling van het woord kaneh als halm of riet: メDe naam kaneh, (Genesis 41:5/22 en andere plaatsen) vertaald als halm of riet, komt dikwijls in het O.T. voor als een algemene benaming voor een stengel, hetzij de stengel van een tarweplant, de arm van een kandelaar, (Exodus 25:31), een meetroede, of zelfs heel opvallend de humerus (armbeen) in Job 31:32.

Riet werd gebruikt om er fluiten van te maken. Ook de Highland bagpipes zijn ervan gemaakt, de pan pijp bestaat uit 10 stengels.

Een opvallende overeenkomst, riet voor fluiten en beenderen voor fluiten. Mogelijk dat de naam van een muziekinstrument die van een riet gemaakt is hier bedoeld wordt of dat men van de beenderen ook een soort fluit maakte. Fluiten komen reeds in het neolithisch tijdperk voor. De vorm is die van een gesneden riet, stuk boombast of hout of uitgehold been, waarop men  via verstelbare proppen verschillende tonen kon voortbrengen.

Sanskriet kalamos of kalama is een rietpen en een rijstsoort. In Semitisch en Assyrisch heet de schrijfstift kanu, in Grieks kana en in Latijn canna (nog is de naam van een schrijfstift bij vele volkeren in de oost bekend als kal盈.

Van riet werden pennen gemaakt om op perkament te schrijven. (3 Makkabee創 4:20) メMijn tong is als de pen van een snelle schrijverモ, Psalm 44, ook in 3 Johannes 13.

Pennen werden gemaakt door het harde einde van de stengel te slijpen. Linnaeus noemde een vorm dan ook Arundo scriptorius, van dit materiaal rept dan ook Persius en Martialis.

Pennen om te schrijven op perkament of huiden waren gewoonlijk van Phragmites of van deze plant. De oudste bekende schrift van schrijven van een Semitisch ras zijn waarschijnlijk de stenen van Ninev en Babylon. De oudste vermelding van schrijven in de bijbel is waarschijnlijk Numeri 17: 3 (rond 1471 v. Chr.) waar we zien dat het schrijven gedaan werd met hout. In 2 Esdras 14: 24 worden schrijftabletten van bukshout genoemd. In Job 19: 24 wordt een methode van schrijven van woorden in rots genoemd die dan gevuld wordt met gesmolten lood. In 2 Johannes 12 en 3 Makkabee創 4: 20 wordt papier of papyrus vermeld. Voor gewoon gebruik worden houten tabletten bedekt met was, Lucas 1: 63. Om hierop te schrijven was een gepunte stift ontwikkeld die vaak van ijzer was. Voor hardere materialen was een graveerstift ontwikkeld. Alleen voor het schrijven op perkament en huiden waren rietpennen nuttig. De inkt was lampzwart die opgelost was in galsap. Het werd in een koker gedragen aan de gordel, Ezechi鼠 9: 2-3. De ambachtelijke schrijvers vinden we in Psalm 45: 1, Ezra 7: 6 en 2 Esdras 14: 24.

Herodotus vermeldt dat de Ioni喪s de kunst van schrijven leerden van de Phoenici喪s en dat hun boeken huiden genoemd werden omdat ze schapen en geitenhuiden gebruikten als er tekort aan papyrus was. In Josephus dagen werd perkament gebruikt voor het manuscript van de Pentateuch. De perkamenten van 2 Timothe殱 4: 13 waren perkamenten huiden. De Talmoed zegt dat de Wet alleen op huiden van zuivere dieren of vogels geschreven mag worden. Deze huiden werden opgerold op een of twee staven en met een draad bevestigd, de einden werden verzegeld, Psalm 40: 7-8, Jesaja 29: 11, 34: 4, Jeremia 36: 14, Ezechi鼠 2: 9-10, Daniel 12: 4, Zacharias 5: 11, Openbaringen 5: 1. De rollen werden meestal aan een kant beschreven, zelden aan twee kanten, Ezechi鼠 2: 9-10, Openbaringen 5: 11..

In Openbaringen 21:15 leest men van een gouden riet. Volgens Tackholm is deze echter, gezien zijn afkomst, niet dit riet maar wordt op Phragmites gedoeld die daar al in de Neolithische tijden voorkwam.

Christelijk.

Het riet dat zich bij het geringste briesje zo sierlijk beweegt is het zinnebeeld van de menselijke zwakheid.Ja, God zal ook Isra鼠 slaan en beroeren gelijk een riet in het waterユ, 3 Richteren 14: 15 zie ook Mattheus 11: 7 en 12: 20, ook 28: 28, 29 waar ze hem een riet in de hand gaven. Zo kroon, zo scepter: een doornenkroon als zinnebeeld van de zonden, een riet als zinnebeeld van de menselijke zwakheid, een zinnebeeld van het heen en weer slingeren der mensen, tussen geloof en ongeloof, tussen ijdelheid en ernst, tussen het ware vertrouwen en het valse zelfvertrouwen evenals het riet bij het minste windje.

De rietstok die hol is van binnen en niet tot steun kan strekken, is ook een symbool van het geloof zonder de werken, maar in de hand van de Verlosser wordt het een symbool van kracht. Het zwakke riet trotseerde de krachtige eik die door de stormen werd losgerukt en verbrijzeld. In La Fontaineユs beroemde fabel (Le ch刃e et le roseau) vertelt het riet tegen de trotse eik: メIk buig, maar breek nietモ (メJe plie, et ne romps pasモ), voordat de boom valt. (Waarschijnlijk komt dit riet van Arundo donax)

Er worden enkele overblijfsels van dit riet dat ze Hem in de hand gaven bewaard. In Florence is de helft van een rietknoest die 27mm diameter heeft en 15-18mm lang is. De helft van een rietstok wordt bewaard in het klooster van Andechs, in Beieren en is 110mm lang. In het klooster Watoped, op de berg Athos, bewaart men twee rietstokken, de ene is 180mm lang, de ander is gevat in een kruis van gewoon hout.

Bijbel.

Er zijn 6 Hebreeuwse woorden voor riet of rietachtige gewassen en ze zijn op verschillende wijze vertaald.

Jesaja 9: 13, 19: 15, anmoon, vertaald als biezen. Die komen tweemaal voor in een spreekwoord: ヤkop en staart, tak en biezenユ, dat wil zeggen het bovenste en benedenste gedeelte, zo bij Jesaja in de woorden ヤzijn hoofd krommen als een biesユ. Hieruit blijkt dat ze een lange stengel hadden en van boven met een pluim. Waarschijnlijk is dit het gewone rietgras van Egypte en Palestina. Een lange slanke plant die door de wind neergebogen werd en weer oprees. (Mattheus 11: 7)

Keneh, keneh hattov of kaneh hattov of kaneh. (Jozua 16:8, 19:28, Jesaja 43: 24 en andere) De naam kanah staat voor een beek en de overeenkomst keneh dat deze zeer overvloedig was. Deze naam wordt meestal vertaald voor riet.

Volgens reisbeschrijvingen is Kana穫 de zoon van Cham, maar het woord wordt ook vertaald als koopman, mogelijk een Phoenische. Deze Hebreeuwse naam komt vooral voor in de boeken van Mozes en Jozua en wordt door de 70 overzetters voor Phoenici vertaald. Volgens Strabo heette elke Fenicische stad eerst Kana穫. Deze Phoenici喪s vestigden zich aan de kust, dus op gronden met rietgrassen die duiden op zoet water.

Smith bij Moldenke vermeldt dan ook dat het een algemene naam zou kunnen zijn voor riet en rietachtige en mogelijk suiker. Suiker moest dan bij hen bekend zijn via de suikersorghums. In de oudheid werd zoetheid vaak van honig gehaald. Als keneh suikerriet zou zijn en veel voorkomend, dan zou het gebruik van suiker/honing dan ook veel meer moeten voorkomen of in verband gebracht kunnen worden.

Saccharum officinarum, L. (geneeskrachtig) suikerriet. De naam saccharum, door Linnaeus gegeven, kan teruggevoerd worden op het Sanskriet karkara, sarkura: hagel, grind, tot kristallen verstarrende vloeistof. In de Praktik taal, dat aan het Sanskriet vooraf ging, werd het woord sakkara geschreven. De Arabieren introduceerden het uit India via Perzisch schakar en werd het sakkar of sukkar, dat met zijn lidwoord nog in het Spaans en Portugees als azucar is blijven bestaan. De Grieken namen het zo aan vanuit Klein-Azi en in oud-Grieks werd het sakchar of sakcharon. De Romeinen namen het aan van de Griekse schrijvers en het werd saccharum. Vanuit Sicili dringt het Italiaanse zucchero noordwaarts en gaf het midden Latijns zuccarum of zuccara. Over de Alpen kwam het woord en de waar in 12de eeuw naar Duitsland en verschijnt als Cuccer, Zuccer of Zuker tot Zucker. Over het Franse cucre of sucre ontstaat het Nederlandse suker, zuiker en suker, het midden-Engels sucre en tegenwoordige sugar.

 

Aspalathus,

Aspalathus, van Grieks a: niet, en spao: winnen, het is een verwijzing naar de moeilijkheid om de dorens uit de wond te verwijderen.

Bijbel.

Jesu Sirach 24:15 メIk geef een geur als kaneel en aspalathusモ.

Er is veel onzekerheid over de Aspalathus in deze tekst. Het is de enigste plaats waar het woord verschijnt en lijkt een Griekse naam te zijn van een zoet geurende plant.

Theophrastus noemde een Aspalathus, samen met Cinnamomum en cassia als een plant van Indiase afkomst. Hiernaar is het mogelijk Myrica nagi Thunb. (Myrica sapida, Wall), een struik uit Nepal.  Net als andere soorten van Myrica kunnen er kaarsen en zeep van gemaakt worden en is een geurende plant. Dioscorides zegt dat Aspalathus in zijn tijd gebruikt werd om zalven de verdikken.

Moderne botanisten houden het op Convolvulus floridus of Convolvulus scoparius uit de Canarische eilanden. Dat lijkt in de oude Bijbelse tijden toch niet waarschijnlijk, toen waren die eilanden nog niet ontdekt. Mogelijk zijn het verwante soorten geweest uit Z. Europa die dezelfde kwaliteiten hadden. Plinius schrijft over een Aspalathus dat in Spanje groeide en op het eiland Cyprus als een witte, doornige struik met de hoogte van een gemiddelde boom en gebruikt werd als een ingredi創t van parfum en zalven.  Anderen dat het van de kameeldoorn, Alhagi camelorum var. turcorum Boiss.(kameel, wordt door hen gegeten en Turks)  afkomstig is. Het is een veel vertakte struik die dicht bezet is met okselstandige, scherpe dorens. De bladeren zijn ovaal. Zie bij manna.

Ook was er een Aspalathus indica, die heet nu Indigofera aspalathoides.  Ook Calicotome villosa, Genista acanthoclada, Capparis spinosa.

Het geslacht Aspalathus komt voor in Z. Afrika en levert rooibos. De Aspalathus van de oudheid is het dan zeker niet.

 

Astragalus.

Astragalus stamt van het Griekse astragalos, naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie,  talus of astragalus, de bikkels of bikkelen.

Bijbel.

Genesis 37: 25, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengenユ, 43: 11, ヤneemt van het fijnste van het land in uw zakken en breng die man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en harsユ.

2 Koningen 20: 13 ヤEn Hizkia hoorde naar hen en hij liet hun zijn gehele schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olieユ.

Hooglied 5: 1 ヤhoeveel heerlijker uw liefde dan de wijn, en de geur van uw oli創 dan alle specerijenユ, 13, ヤmirre en alo, met al de kostbaarste specerijenユ 6: 2, ヤMijn geliefde is afgedaald naar zijn hof, naar de balsembeddenユ,  8: 2 ヤvan geurige wijn zou ik u te drinken gevenユ, 14 ヤ Haast u, mijn geliefde, en doe als de gazel, of als een hertenjong op bergen vol balsemkruidユ.

Jesaja 39: 2 ヤEn Hizkia verheugde zich over hun komst en hij liet hun zijn schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en hun kostbare olie.

De Hebreeuwse woorden  nacoth, necoth, nユchot  of nkad worden vertaald als specerijen schathuis, gom en balsembedden. Het zou verwijzen naar deze plant als een product van een bijzonder soort inlandse plant. Het Hebreeuwse woord is zo gelijk aan het Arabische woord voor de Astragalus, necユat, zodat het mogelijk dezelfde specerij is.

In Grieks betekent het ヤdat wat verbrand wordt als wierookユ.

Behalve in Hooglied 5: 1 waar het woord roshay besamim staat wat betekent hoofd van specerijen, (zie Commiphora opobalsamum) in Hooglied 8: 14 harehkach wat specerijachtig betekent en in 2 Koningen 20: 13, bosem of basam wat specerijen of kostbare dingen betekent. Er is veel twijfel over de hier bedoelde planten. Hooglied 8:14 メop bergen vol balsemkruidモ, komt overeen met de groeiplaats van Astragalus gummifer die inlands is in droge subalpine regionen. (Moldenke) In Hooglied 5 en 14 lijkt de term op samengestelde specerijen te duiden, allen die toen dus bekend waren, hoewel er in de andere passages het woord necoth voor de gom tragacant gebruikt wordt, kan je aannemen dat het in andere plaatsen ook zo bedoeld wordt. Sommigen denken dat de specerij uit Genesis de balsemachtige gom is die door Styrax geleverd wordt wat niet waarschijnlijk lijkt.

In het Hooglied 5:13, 6:2 wordt gesproken over specerijbedden, dus geen boomachtige kruiden, mogelijk de tragacanth.

 

Atriplex, melde.

Atriplex is afgeleid van Grieks atraphaxis: spinazie. Of van ater: zwart, en plexus: samen vlechten, naar de donkere kleur en vorm van sommige soorten. De jonge meldebladeren hebben een driekantige vorm, daarop kan ook het woord Atriplex slaan. Dat woord is dan samengesteld uit a: zeer, en triplex: drievoudig. Of van a: niet, en trephein: voeding, een nutteloos onkruid.

Bijbel.

Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedselユ.

Het Hebreeuwse woord dat voorkomt in Job 30:4, malluach of malloeach, zou op een zout smakende plant duiden of naar een plaats waar die groeit aan de oevers van de Dode Zee. Mogelijk wordt hier op Atriplex halimus, L. gedoeld. In tijden van nood werden de zuur/zout smakende bladeren wel door de armen en uitgestotenen gegeten. De Talmoed vermeldt dat de Joden werkende aan de reconstructie van de tempel, deze plant als voedsel gebruikten. Anderen hebben er de maluweplant, Malva, van gemaakt.

Retama raetam, Webb. & Berth. (plaats van bremplanten, Numeri 33: 18, Rithma) Retama is zo genoemd naar zijn Arabische naam retem. In het Hebreeuws is het rothem: soort brem.

Virgilius schreef al over deze plant: メZelfs de nederige brem heeft zijn nut, zijn schaduw voor slaap in de woestijn en voer voor veeモ. De schaduwstruik waaronder Elia wilde sterven, de rothem in 1 Koningen 19: 4-5 ヤZelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zei: Het is genoeg! Neem nu, Heer, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruikユ.

Het was een van de haltes van de Isra鼠ieten in de woestijn, de plaats van de bremplanten, Numeri 33: 18; en legerden zich te Rithmaユ.

(Luther zette in 1 Koningen 19: 4,5 een op de Horeb groeiende bremsoort over met jeneverbes, omdat je onder de jeneverbes zo gemakkelijk in slaap valt. Elias zette zich en sliep onder een jeneverbes)

De plant maakt de beste houtskool dat er is, dat met een intensieve hitte brandt. De Arabieren zeggen dat het vuur voor een heel jaar houdt. Daarom worden de smidsvuren voor het harden van staal reeds vanouds met Retama kolen gestookt.

Gloeiende kolen rユtamin, rotem, rothem en rユtamim en ritmah of ritmah, Psalm 120: 4, Jesaja 54: 16. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en die op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat die de meeste geschikt straf is voor bedrieglijke tongen, Psalm 120: 4 ヤユ benevens gloeiende kolen van de bremユ.

Wortel van de brem.

De wortel van de brem is hard, houtig en smaakt misselijk, mogelijk giftig. Niet geschikt om als voedsel te dienen.

In Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedselユ wordt mogelijk gedoeld op een parasiet van deze brem, Cymorium coccineum L. Deze parasiet wortelt meestal in zoute gronden of zeestranden waar de Retama ook groeit, ook op Spartium monospermum.. In oude tijden werd die gegeten met voedselschaarste. Dit werd hoog geprezen als een middel tegen dysenterie en de waarde ervan was zo hoog dat er militaire bewaking was op de plaatsen waar het gewas voorkwam. In het Hebreeuws komt de naam rユtamin shoユresh voor: wat literair betekent, de wortels van de brem, wat mogelijk op deze parasiet slaat.

Brassica.

Brassica nigra L. (zwart), mosterd. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeu蛭e, zurige pap nodig, de moust de vin, ongefermenteerd druivensap.

De naam Brassica is van grote oudheid. Dit lijkt op een Keltische leenwoord, zodat het Keltische bresic ouder is dan brassica. Het Latijnse brassica betekent knisteren omdat zijn bladen bij afbreken knisperen. De naam werd gebruikt door Plinius. Grieks brassoo betekent koken.

Bijbel:

Matthe殱 13: 31-32 ヤNog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelenユ. Matthe殱 17: 20 ユWant voorwaar Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zal gij tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsenユ.

Marcus 4: 31-32 ユHet is als een mosterdzaadje, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden op de aarde, en toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogelen des hemels kunnen nestelen.

Lucas 13: 19 ヤ, 17: 6 ヤWaaraan is het koninkrijk Gods gelijk en waarmede zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterdzaadje dat iemand nam en in zijn tuin zaaide, en het groeide en werd een boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takkenユ.

Ook hier is weer veel discussie over wat de mosterdplant van Jezus parabel werkelijk was. Het Griekse woord in de originele tekst is sinapi. Dat zou de gewone zwarte mosterd zijn. Sinapi was al in de oudheid de naam voor mosterd. Plinius noemt 3 soorten en men neemt aan dat de in M. Zeegebied inheemse daarbij was.

Het zou de mosterdboom uit de Bijbel kunnen zijn. Uit de tekst kan men opmaken dat het een plant is van grote hoogte. De mosterdplant kan in warme gebieden zo hoog worden dat een paard er niet in terug te vinden is, 5m en meer, met hoofdstengels als een mannenarm. Als kleinste van de zaden, (Lucas) het werd gezaaid en er kunnen vogels des hemels onder legeren. Het zaad van de zwarte is kleiner dan de witte en zou zo in aanmerking komen.

Plinius rekent mosterd ook onder de moeskruiden.

De Griekse tekst beantwoordt aan het Latijnse Olus (groente) wat op kruiden duidt. Dit is een woord dat nog tweemaal in het N.T. voorkomt en wel Lukas 11:42 en Rom. 14:2.  Koning: メOlus komt van alere wat voeden betekent. De ouden schreven en spraken het woord uit door Holus, wat men vanouds plag te eten. Anderen willen olus af leiden van Olendo of Olescendo, waarvan adolescere, omdat ze groeien uit de aarde en opwaarts schietenモ.

Als alternatief komt de mosterdboom, =Salvadore persica, L.(uit Perzi)  in aanmerking, die echter een steenvrucht heeft en meestal niet gezaaid wordt.

Het is een struik of kleine, zacht houtige boom van 100 tot 300cm hoog met ovaal/lijnvormige bladeren. Het draagt wat vlezige bessen in trossen die wat op gewone bessen lijken maar met een pruimenkleur. Het heeft een aangename, maar sterke aromatische smaak die wat op mosterd lijkt en met grote hoeveelheden ingenomen geeft het dezelfde irritatie aan de ogen en neus

Dit gewas draagt wel dezelfde naam als de mosterdplant in het Hebreeuws, namelijk chardal. Chardal (Dalman) of khardal (Moldenke) en chara betekent hitte, brand of steking en Dal droging of uitdroging. (Koning)

 

Boswellia, wierook.

Boswellia is zo genoemd naar Dr. Boswell van Edinburgh.

De Griekse naam frank‑incense: betekent vrij brandend, free‑lighting. Het woord frank komt wel van de Franse kruisvaarders die het meebrachten naar Europa.

Het melkachtige sap wordt olibanum genoemd, vergelijk het Hebreeuws levonah of lebonah: melk, luban betekent melk van Arabieren en zo ook libanotis en labanum, de Libanon, oli of Lebanon omdat de Libanon de plaats was waar het verkocht werd een aan de Europeanen. Arabisch lubban. Vergelijk Exodus 30:34, waar het duidelijk levonah genoemd wordt; wit of Libanees in Hebreeuws. De witte melk was mogelijk een mix van gom Pinus halepensis, Sabina phoenicia, Juniperus oxcycedrus en andere bomen die inlands zijn in de Libanon en vandaar stamt mogelijk de oorsprong van de naam en handelsplaats.

Bijbel.

Historisch komt het gebruik van wierook bij de Christenen uit de cultuur van de Isra鼠ieten in wiens tempel wierook verbrand werd. Oorspronkelijk komt het uit de Kanaanitische cultuur werd wierook geleidelijk aan als ヤvernieuwingユ gebruikt, later in de tempel godsdienst. In de tweede tempel, rond 540 v. Chr., bevond zich bij een voorhang van het Allerheiligste een reukofferaltaar waar s morgens en met de avond een reukoffer gebrand werd.

Het wordt 22 maal vermeld in de bijbel en 16 maal in verband met godsdienst, 2 maal als eer, eens als handelsartikel en 3 maal als een product van de koninklijke tuin van Salomon. Het werd waarschijnlijk exclusief voor de tempeldienst gebruikt in Salomons tijd.

Dat zou de wierook zijn van Genesis. Op de meeste plaatsen komt het woord miktar, kitter of koter en kitteroth of ketoret in de bijbel voor. De geschriften van Theophrastus en andere oude schrijvers komen met de bijbel tot de conclusie dat de Hebree喪s al hun wierook importeerden uit Arabi en vooral uit de regionen van Sheba. (Saba) 

Dit zou de echte wierookboom van de ouden zijn en is inlands in Arabi en vooral rond Sheba. Vergelijk Jesaja 60: 6, Jeremia 6:20, langs de kust van Hadramaut en Somali en nooit in Syri of India. Deze wierook is echter inferieur aan die van India die dan met de opkomst van de handel deze mogelijk verdrongen kan hebben.

Wierook is er in verschillende kleuren. De beste soort is bros, glinsterend en bitter van smaak en ruikt aromatisch, vooral bij opwarmen Exodus 30: 1, 7-9 en 34/36, Leviticus 2: 1-2 en 15-16, 5: 11, 6: 15, 10: 1, 16: 12-13, 24: 7, Numeri 5: 15, 7: 14, 20, 26, 32, 38, 44, 50, 56, 68, 74, 80 en 86, 16: 46,  2 Koningen 17: 10-11, 18: 4,, 23: 5, 1 Kronieken 9: 29, 2 Kronieken 28: 4, 34: 25, Nehemia 13: 5 en 9, Hooglied 3: 6, 4: 6, Jesaja 43: 23,  60: 6, 65: 3, Jeremia 11: 12 en 17, 17: 26, 41: 5, 48: 35, 48: 35, Matthe殱 2: 11, Lucas 1: 9-10, Openbaringen 5: 8, 8: 3-4, 18: 13.

De Arabieren, vooral de oasebewoners, doen een stukje ervan in een komfoor die van hand tot hand gaat met het koffiedrinken op zondag. Als de kom weer terug komt wordt die een moment onder de mantel gehouden om die te laten geuren, hierna ruikt hij er een of twee maal aan en geeft hem dan aan zijn buurman. Dit oude gebruik is mogelijk al vermeld in Psalm 45: 9 メMirre, alo en cassia zijn al uw klederenモ.

Wierook kon vroeger alleen door koningen en rijke mensen betaald worden. Wilde men iemand een koninklijk geschenk geven dan gaf men wierook.

Mattheus 2:11: メZij gaven hun giften, goud, wierook en mirreモ. Goud voor het koningschap, wierook voor heiligheid en mirre (zie Commiphora) om het lijden te symboliseren.

Een van de drie koningen is wit, de ander zwart en de derde bruin. De witte offert goud, symbool van leven en licht, de zwarte mirre, zinnebeeld van dood en nacht en de bruine wie­rook, zinnebeeld van het goddelijk dogma. In de Apocalyps 5,8 is de wierook in gouden schalen een zinnebeeld van de gebeden van de heiligen: メPhialas aureas plenas odoramentorum quae sunt orationes sanctorumユ.

Per funum.

Parfums, de Romeinen gaven hun gaven メper funumモ, (parfum) via rook, naar de goden. Ze zijn en waren in het Oosten in gebruik om te getuigen van respect voor de bezoekers. (Dani鼠 2: 46) De Hebree喪s hadden twee gewijde parfums, een van wierook en de ander van olie. (Exodus 30: 23/38, Spreuken 7: 17, Psalm 45: 8, Hooglied 3: 6) Zo lag Asa (2 Kronieken 16: 4) in een bed van specerijen en een gedeelte hiervan werd verbrand ter eren van de begravene. Mogelijk naar dit gebruik zien we de mirre en alo bij de Heer. Wierook werd een symbool van gebed en zijn opstijgende rook werd vergeleken met de gebeden die aan God werden opgedragen. (Psalm141: 2) Wierook werd aan de mensen geofferd als een gift van grote eer. Het was vaak een element van afgoderij. (2 Kronieken 34: 25, Jereremia11: 12/17, 48: 35.)

Wierook had een ontsmettende werking in de tempels tijdens offeranden van dieren, zie hysop. Geurende kruiden, de bestrijding van stank, de stank van het kwaad. Het roken en zuiveren van kleren, gebouwen en dergelijke heeft misschien oorspronkelijk een functioneel doel gehad en is door de priesters tot een geestelijke zuivering verheven. De meeste oude rites zijn naar hun oorspronkelijke doel of iets dergelijks af te leiden.

 

Buxus.

Buxus sempervirens L. (altijd groen) palmboompje.

Buxus werd in het Grieks Pyxos, Pyxis, Puknos of Phoinix genoemd. De Griekse naam Phoinix verwijst, althans naar de ogen der Hellenen, naar het land of de bewoners, de Phoenici喪s, die de boom bekend maakten bij de ouden.

Het Griekse woord betekent dicht, vast, ineengedrongen, en is een verwijzing naar het dichte en harde hout en bladstand. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. (213) Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxis of pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

Bijbel.

Jesaja 41: 19 ヤIk zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom plantenユ, 60: 13 ヤDe heerlijkheid van den Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisterenユ.

Ezechi鼠 27: 6, ヤuw dek maakten zij (de Ashurites) van ivoor, gevat in dennenhoutユ.

Schrijftabletten werden ook van bukshout gemaakt, zie II Esdras 14:24 waar ze gemaakt moesten worden.

Het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als buxus is teasshur of tユashur. Ezechi鼠 maakte gebruik van de juiste naam Asshur dat Ashurites wordt in de Authorized Version. Sommige denken dat deze uitdrukking van de profeet, die de handel beschrijft met Tyrus, een verbastering is van teasshur en zo een simpele bedoeling heeft. Zij vervangen dan de tekst in ヤde banken van de roeiers waren van bukshout die ingelegd waren met ivoorユ.

Buxus longifolia, Boiss groeit in het noordelijke gedeelte van Palestina, heuvels van Galilea en gewoon in de Libanon. Die groeit 6m hoog op met een naar verhouding steeds dunne stam die zelden meer dan 15-20cm in diameter is.

De Buxus is ook geen boom voor de warme Semitische landstreken, waar dadelpalmen groeien. De in Jesaja 41: 19 en 60: 13 vermelde teasshur of tユashur kan op die gronden geen Buxus zijn. De Talmoed en Joodse schrijvers menen dat de buksboom in Jesaja en Ezechi鼠 gebruikt is, terwijl de Syrische schrijvers en de Arabische versie van de Saadias de ceder, (Sabina phoenicia) in Jesaja 41: 19 insluiten. De genoemde planten daar zijn allen van rijke gronden. De Acacia (shittah) is normaal al een plant van de desert zodat de Septuagint dit dan ook vertaalde als buksboom. De plataan is in ieder geval geen heerlijkheid van de Libanon, want die groeit in waterrijke gebieden.

Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen: メIk zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis ipres naast plataan en (the fir tree, and the pine, and box tree together, teasshur) dennenboom plantenモ. De eerste serie kan gezien worden als planten van rijke en vruchtbare gronden die zullen groeien in woeste gronden. De Acacia is al een plant van droge gronden zo dat deze niet past bij de bedoeling van de profeet. De schrijvers van de Septuagint vertaalden die als buks wat dan logisch lijkt.

De plataan past niet als boom van waterrijke gronden, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op de Libanon groeit, de den.

 

Calluna.

Calluna vulgaris L. (gewoon) struikheide. Calluna is een naam die afkomstig is van het Griekse kallyno of kallunein: reinigen of schoonmaken, omdat de takken als bezems gebruikt werden.

Bijbel.

In de bloementaal is het kruid van de eenzaamheid, zie Statenvertaling, Jeremia 17: 6: メhij zal zijn als de heide in de wildernisモ, in 48: 6 vlucht, redt uw ziel, en wordt als heide in de woestijn .(soms wordt dit woord wel vertaald als een kale struik)

Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6 is ar‑ar of aro‑er. In Jereremia 48: 6 komt aroユair voor. Naar zijn afgelegen en ge不oleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar, in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxcycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel, Myrica.

 

Capparis.

Capparis spinosa L. (doornig) Het nieuw Perzische woord kabar werd, via Arabisch al-kabar, over Grieks kpparis in Latijn capparis. Dit woord was voor eind 15de eeuw bij ons als capper. Over oud-Frans c英res (nu caprier) kwam het in het Engelse van de 15de eeuw als capres en werd zo caper. In vroeg-Hoogduits verscheen het woord als Gappern en heet nu Kappren of Kapernstrauch, wel steeds meervoud. Kappertje.

Bijbel.

De zachte wit violette bloemen openen maar een korte tijd van ヤs morgens tot ヤs middags. Dat is de grond waarom koning Salomon deze kapper als beeld van de vergankelijkheid van de wereld gebruikt.

Prediker 12:5/7. メ. op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt; want de mens gaat naar zijn eeuwige huis en de rouwklagers gaan rond. メHier wordt gesproken over de realiteit van ouder worden en het verloren gaan van de lust dat in de jeugd zo gewoon was. Smaak en appetijt zijn een van de eersten die de ouder wordende mens verlaten. Een stimulans tot het herkrijgen hiervan was de kapper. In de King James versie staat desire shall fail. In origineel Hebreeuws staat dat de kapperbes teleur zal stellen. Het verband van de ouderdom en de plant ligt hem in de afrodische werking van de vrucht.

Het zou de vrucht zijn van Prediker 12:5, waar het woord tapher gebruikt wordt dat vertaald wordt als lust of verlangen. In de King James versie en door Gesenius, de Talmoedisten en oudere vertalingen wordt deze naam als kappertjes vertaald. In latere geschriften, zoals de Talmoed, staat avionah voor de vruchten van de kapperstruik.

De Miznah noemt deze plant met zijn huidige Hebreeuwse naam, tzalaf.

Cedrus.

Cedrus libani Link. (van de Libanon) De naam van de Ceder of Cedrus, zou afkomstig kunnen zijn van de beek Kedron of Kidron in Judea. Kedron zou mogelijk vertaald kunnen zijn naar een Hebreeuws woord wat duisterheid of donker betekent. Mogelijk zo genoemd naar de duisterheid van het dal Kedron. Of zo genoemd naar zijn smerige en drabbige water dat al vroeg als riool gebruikt werd (2 Kronieken 29: 16) De Kedron als beek ligt in een dal en op een plaats waar vermoedelijk nooit een ceder gegroeid is, die komen meestal voor op hoogtes van 13‑2100m.

De naam Cedrus zou ook afkomstig kunnen zijn van het Arabische kedron of kedree: wat kracht betekent.

De Arabische naam voor de ceder is evenals het Egyptische arz‑libnan of shagar‑el‑arz, wat stevig in de grond betekent. De Hebreeuwse naam is erez of ahrahzim, wat genomen is van een oude Arabische afleiding en een stevig wortelende sterke boom betekent die lang leeft en langzaam groeit.

Wat waren de Phoenici喪s geweest, wat was hun vloot en daarmee hun handels- en wereldverkeer zonder de ceders van de Libanon? Het was de eerste cultuur die de ceders mee geschapen en meegeleefd hebben, de scheepvaart en handelscultuur van de Phoenici喪s wiens rijk de Libanese kust uitmaakte. Maar ook hun koninklijke gebouwen en tempels en alles wat ze voor bouw en kunsthout nodig hadden leverde hun achterland. Zo ook de voor Tripoli, Byblis, Beiroet, Baalbek, Ninev en Persopolis, ook van Babylon en Jeruzalem en zelfs aan de oevers van de Nijl werden de tempels te Memphis gebouwd met cederhout van de Libanon, zo ook Karnak en Thebe, ook de kisten van menig dodengraf van de faraoユs en zijn beambten. De gehele oudheid, van de Phoenici, Assyri, Babyloni. Egyptenaren, Perzen, Joden, tot de Grieken en Seleukiden, Romeinen en Arabieren, van 3000 v. Chr. tot 700 na Chr., zij allen gebruikten het hout voor hun schepen en vloten, voor hun paleizen en tempels, voor standbeelden en doodskisten.

Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. Op een dioriet die uit 2650‑2600 v. Chr. Stamt had Farao Snofroe laten aantekenen dat hij 40 scheepslaten hout van de Libanon had laten komen. Ook Thoetmozes, een van de veroveraars van Byblis, bevestigt dit officieel: メElk jaar worden er voor mij echte ceders van de Libanon omgehakt en naar mijn hof gebracht, ik heb er de Aziaat niets van gelaten, want het is een materiaal dat hij begeertモ. De ceder is in Egypte dan ook al in de pre‑dynastic periode gevonden en in het oude en het middenrijk. De immense sarcofaag van Tuth‑Ankh‑Amen was van dit hout en christusdoorn (Zizyphus spina‑Christi) gemaakt.

Ook door andere landen werd er roofbouw gepleegd. Assurnasirpal II, 1350 v. Chr. kreeg ceders, bukshout en ebbenhout.

Sennacherib veroverde 700 v. Chr. de Libanon en zie: Ik kom op de toppen van de bergen, naar de Libanon en ik zal alle ceders daarop omhakkenユ.

Het gebruik van ceder zie je bij Homerus in de Ilias, Boek 24 waar verwezen wordt naar het cederdak van de opslagkamer waar Priamus naar toe gaat om het losgeld te halen voor zijn zoon Hector van Achilles. Plinius vermeldt dat er 40m grote bomen zijn.

Salomon zond al 30 000 Isra鼠ieten naar de Libanon en dat alleen maar om koning Hiram en zijn slaven te helpen. Hij zond ook 150 000 arbeiders, gevangen slaven van vorige oorlogen, een 33oo officieren die uitgingen naar de bomen van God. Koning Hiram had ook een 1000 van zijn eigen mensen gestuurd om te helpen. Een 400 jaar stond de prachtige met cederhout beklede tempel tot Nabukadnezar het huis van Jehova liet verbranden en de Joden wegvoerde. Maar een nieuwe tempel ontstond na hun terugkeer en weer waren het de broeders van de thans nog levende bomen die de tweede tempel zoユn pracht verleende zodat die onder de profeet Zacharia zonder verdere verklaring met ヤユLibanonユユ bestempeld werd. Het was die tempel waarin Alexander de Grote de ware God offers bracht. Pompejus bezocht dezelfde tempel die Herodotus in zijn strijd met de tegenpartij gedeeltelijk liet verwoesten en dan nog mooier liet herstellen. Het was dezelfde tempel waarin Jezus kwam, waar de Schriftgeleerden hem op de proef stelden, waaruit hij de woekeraars en kooplieden wegjoeg. 70 na Chr. maakten de Romeinen zijn ondergang.

Amos vergeleek de machtige zonen van Anak met de ceders van de Libanon.

Uit F. Antoine.

De Libanon is gevallen.

De Libanon is dan ook gevallen (Jesaja 10:33) メZiet de Heer der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijkeモ. De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven. Ze staan boven de oever van de Nahr el Kadischab: de vloed van het heilige dal. Op de uitlopers van de 3000m hoge berg de Kar el Kadihb staan de laatste bomen. Ze zijn door een simpele stenen muur omgeven. 500 tot 1000 jarige stammen ordenen zich als de jongeren om de oudsten, die nog in Bijbelse tijd en uit de tijd van Salomon zouden stammen. Salomons ceders, Gods ceders, of ceder van de patriarchen worden ze door het volk genoemd. (164) Op de sneeuwbergen groeien de cederbomen veel, namelijk in Syri op de berg Libanon daar men ze tegenwoordig noch sommige van deze bomen toont, als Bellonius schrijft, waarvan, zo men zegt, door koning Salomon met zijn eigen handen daar gezet zijn geweest. De cederboom, zegt Theophrastus, groeit in Syri en wordt gewoonlijk gebruikt van diegene die in de omliggende landen wonen om hun galeien daarmee te timmeren omdat ze geen pijnbomen hebben. Dan zijn hout heeft dat eigens, te weten dat de beelden of andere werken die daarvan gemaakt of gesneden zijn gewoonlijk als het vochtig weer is zweten en tranen al of ze met water besproeid waren net zoals alle andere bomen ook doen die vet en olieachtig van binnen zijn, als Theophrastus schrijft.ユ

In totaal zouden er nog 250 staan. De geweldigste is de Cedre de Dieu. Zijn omvang over de wortelstok bedraagt 14m en zijn scherm bedraagt ongeveer 50m in de rondte. De hoofdstam telt meerdere zijstammen, die elk voor zich evenveel nieuwe en zeer aanzienlijke bomen vormen. De hoogte is amper 25m. Op de top van de heuvel is onder de takken van de boom een kapel gebouwd en het altaar bestaat uit cederhout. Jaar na jaar vieren hier de Maronieten op de dag van de openbaring het feest van de ceders. De patriarch met meerdere bisschoppen en vele gelovigen, draagt de mis op als bescherming van de berg en het geluk van zijn volk.

In de geest van het volk is er een soort heilige eerbied voor deze oeroude boom behouden gebleven. Dit vooral door toedoen van kerkelijke orden. Tot voor kort pleegde de daar levende patriarch elke christen die de bomen beschadigde met geestelijke straffen te vervolgen, zelfs met uitsluiting uit de kerkgemeenschap. Het was een oeroud geloof dat de eerwaardige boom onder bescherming van God stonden.

Nieuwe aangroei is vrijwel onmogelijk doordat regen en wind voor erosie zorgen en geiten en schapen jonge aanwas opvreten.

Numeri 24: 6, Richteren 9: 15, 2 Samu鼠 5: 11, 7: 2, 1 Koningen 5: 6-10, 6: 9, 15-16, 18 en 36, 7: 2-3, 7 3n 11-12, 9: 11,. 2 Koningen 9: 11, 10: 27, 14: 9, 19: 23, 1 Kronieken 14: 1, 17: 1, 22: 3-4, 2 Kronieken 1: 5, 2: 3 en 8, 9 : 27, 25: 18,, Ezra 3: 7,, 6: 4, Nehemia 2: 8, Job 40: 17, Psalm 29: 5, 80: 10, 92: 12, 104: 16, 148: 9, Hooglied 1: 17, 3: 9, 5: 15, 8: 9, Jesaja 2: 13, 9: 10, 14: 8 37: 24, 41: 19 44: 14, Jeremia 22: 7, 14-15 en 23, Ezechi鼠 17: 3 en 22-24, 27: 24, 31: 3-18, Amos 2: 9, Zefanja 2: 14, Zacharias 11: 1-2.

Met een paar uitzonderingen is er geen twijfel over de identiteit van het Hebreeuwse woord erez of ahrahzim die vertaald wordt als ceder. Het woord is ontleend van een oude Arabische wortel die een stevig wortelende en sterke boom betekent. Er is enige twijfel over de ceder van Numeri 24: 6 waar het woord mogelijk een verbastering is en mogelijk op een andere boom slaat, net als in Leviticus 14: 4, 6-8 en 49-52, ook Numeri 19: 6 (zie Sabina phoenicia) Ezechi鼠 27: 5 en 31: 8. (zie Pinus halepensis)

Nu worden ze weer aangeplant in het M. Zeegebied en vooral in Turkije waar jaarlijks  meer dan 50 miljoen jonge ceders geplant worden. De Libanese populatie wordt ook weer hersteld door herplanten en beschermen tegen geiten.

Juniperus.

Jeneverbes is een woord dat afgeleid is van Juniperus, wat weer stamt van het Keltische jeneprus: stekelig of ruw.

Isidorus geloofde dat in de Juniperus het begrip perum: vuur, besloten lag omdat het vuur er lang goed in blijft, of naar zijn piramidevormige groei zodat die er als een vlam uitziet, dat die zich ook naar boven toe verjongt.

Het is de vuurboom, Duits Feuerbaum, afgezien van het voorgaande gebruik is het mogelijk naar het rode kernhout. Vanouds is het vuur van Psalm 120: 4 de jeneverbes.

Matthiola; ヤOnder deze boom heeft gelegen de profeet Elias toen hij de toorn van Jesabel in de woestijn ontweek daar hem de engel de volgende keer opwekte, 3 Koningen 19ユ.

Het geloof aan het vuur rust mogelijk op oudere overleveringen. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en deze op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat het duurzaam is als vuur van jeneverbes, Psalm 120:4.

(Dit hout was evenwel niet van een jeneverbes, maar van een brem, Retama)

Dodonaeus (m) ヤDe eerste soort (Juniperus ocycedrus) wordt in Languedoc cade genoemd, zegt Clusius, en de olie die er uit verzameld wordt noemen ze daar huile d cade. Engels cade van Frans gen思rier cade.

Kaddig is wel van dezelfde betekenis, Kaddick, Kaddig of Kadig, in Bohemen Kaditi, Pools kadzuc, bij de Esten kadakas, kaddie of kadagys en daarvan is de oost Pruisische naam Kaddik en Kaddikstrauch af te leiden. In Finland noemt men de struik kataju of katachu,  (411) vergelijk Engelse cade oil en vergelijk de basis van de Griekse ceder of kedros, ked- of kod: roosteren, oud-Slavisch cadu: rook, caditi: roken of branden. In deze betekenis betekent ceder (Juniperus) origineel hout voor roken. Bij de Grieken duidde men met de naam kedros en kedris alleen welriekend hout aan. De Libanonceder heette kedros thaumaste: dat is prachtig. Van Grieks kedros kwam het Latijnse Cedrus. Wat de ouden onder de jeneverbes stelden, in Grieks άρχενύος of arkeuthos, χέδρος of kedros, όζύχεδρος of oxykedros en in Latijn Juniperus noemden zal wel gedeeltelijk op M. Zee planten slaan en wel Juniperus oxycedrus, Juniperus phoenica en Juniperus excelsa.

De ceder is ook zeer bekend geworden door de stroperige lichtbruine balsemachtige olie die uit het hout wordt getrokken door het bij een vuur te leggen. Met deze cederolie werden kostbare boeken en boekrollen ingewreven teneinde ze te beschermen tegen wormvraat. De boeken die de tweede koning van Rome, Numa, naliet zouden met dit sap ingestreken zoユn 535 jaren goed zijn gebleven. Ook zou deze olie bij het balsemen gebruikt zijn en werd het linnen erin gedrenkt. Tackholm vermeldt echter dat de cederolie, als vermeldt door Herodotus en Diodorus en vertaald als olie van ceder, waarschijnlijk geen cederproduct was, maar afkomstig van een Juniperus soort. Het cedersap van Plinius was ook niet afkomstig van een ceder, maar vermoedelijk ook van een Juniperus. Met de ceders werden dan ook vermoedelijk andere bomen van de Libanon geveld, die duurzamer waren en als cederhout gebruikt werden. De verwarring zou dan in de naamgeving zitten, sommige Juniperus soorten werden vroeger kleine ceders genoemd. In Spanje geeft men de naam cedro aan 2 jeneverbessoorten, Juniperus oxycedrus en Juniperus thurifera.

Bijbel.

(Mogelijk zijn deze en volgende de ceders als gebruikt in Bijbelse zuiveringsrites. (Leviticus 14: 4-6 en 49-52) Niet alleen vanwege de zuiverende werking, maar ook omdat er in de Sina geen ceder voorhanden is.

Numeri 19: 6 ヤEn de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemenユ. Het woord ceder wordt vertegenwoordigd door het Hebreeuwse erez en verschijnt 51 maal in de Bijbel. Meestal verwijst het naar de ceders van de Libanon. Maar in de Sina is geen ceder, of in ieder geval niet bereikbaar. Waarschijnlijk hebben ze een ヤcederユ uit de woestijn gehaald.

2 Kronieken 2: 8 ヤ Zend mij ook ceder-, cipressen- en algummimhout van den Libanonユ. In Hebreeuws algomim, misschien was hetzelfde hout als in 1 Koningen 10: 11-12. Maar het woord is anders en ook de afkomst, niet uit Ophir maar van de Libanon. In dat geval zou het Juniperus excelsa kunnen zijn.

Jeremia 48: 6 en 17: 6. ヤWeest als de gagelkruid (heide) in de woestijnユ.  De Arabische naam van deze twee is arユar (Dalman) Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6, aldaar ar‑ar of aro‑er genoemd. In Jeremia 48: 6 komt aro-er of aroユair voor. Naar zijn afgelegen en ge不oleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel. Een zinnebeeld van dorheid en verlatenheid.

Ceratonia.

Ceratonia siliqua L. (hauw dragend). Ceratonia is afgeleid van het Griekse keratio, van keras,  wat hoorn betekent, naar de spitse hoornachtige gekromde huls. Het Griekse keration is afgeleid van kerat, de stam van keras: horen, dat komt overeen met Sanskriet siras: hoofd, Latijn cornu: horen.  Zo wordt hard materiaal bedoeld. De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam caraat of karaat van is afgeleid.

Arabisch voor karaat is kirat, qirat of kharoub en Hebreeuws charuv, in Portugees werd dit quilate: gedroogd zaad. Over het Franse carat werd het omstreeks 1270 in het midden-Hoogduits Garat. In de 15de eeuw gaf het vormen met k, Karaat zoals het midden-Nederlands (k)caraet.

In het Grieks is dit het keration waarmee men in Afrika goud en in O. Indi diamanten weegt. In late Romeinse en vroeg Byzantijnse tijden wogen de puur gouden munten die bekend waren als solidus 24 karaatzaden (ongeveer 4.5 gram). Als een resultaat werd de karaat een gewicht van zuiver goud. Zo betekent 24 karaat goud 100% puur, 12 carat goud betekent dat het 50% goud bevat, etc.

Sint Johannesbroodboom.

Bijbel.

Carob peulen waren de belangrijkste bron van suiker voordat suiker of suikerbieten bekend waren. De peulen worden na een jaar rijp en kunnen maanden aan de boom hangen blijven. Het vruchtvlees is eerst week en aromatisch zoet, later hard en is dan lang houdbaar.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.

Lucas 15: 16 ヤEn hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hemユ. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij Moffat. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Matthe殱 3: 4 ヤHij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wildn honingユ.

De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. メDe Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie wegモ. Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G. voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Cercis.

Cercis siliquastrum L. (hauwachtig) Judasboom. Cercis komt van Grieks kerkis: een pluimbal, slag of schietspoel zoals bij het weven gebruikt wordt, het is een naam die gegeven is door Theophrastus waar de peulen op zouden lijken.

Bijbel.

Matthe殱 27: 5 ユEn de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich, daarop ging hij heen en verhing zichユ. Welke boom staat er niet bij, maar volgens oude legende is het deze boom. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Jud仔, boom van Juda.

Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte.

De vermelding van de Judasboom is voor het eerst gebruikt door Gerard in zijn Herball in 1597, naar voornoemde legende. Daarvoor was het de zwarte vlier, zie Sambucus, waaraan Judasoren kunnen voorkomen, waar Judas zich aan verhangen had. Andere legende vertellen dat het een vijg was, Ficus, de populier of terebint. Toch moet in dit verband nog gemeld dat worden dat in verband met Handelingen 1: 25  er duidelijk op gewezen wordt dat Judas niet stierf aan ophanging.

 

Chamaerops.

Chamaerops humilis L. (nederig) Europese dwergpalm. Chamaerops komt van Grieks chamai: klein of nederig, en rhops: een twijg, het is een samengestelde naam die van de Z. Europese palm een lage twijg maakt in vergelijking tot de hoge en geweldige palmen van de tropen.

Bijbel.

Van verre lijken de bladeren van deze vorm op opgestoken handen die door de wind bewogen op elkaar slaan. Jesaja 55: 12: メAlle bomen des velds zullen de handen tezamen klappenモ. Mogelijk doelde Jesaja hier op deze palmboom.

 

Cichorium endivia en intybus. Januari heet in Egyptisch tybi, dezelfde tijd als deze groente werd gegeten. In het Arabisch heet het hendibeh. Dit werd in Grieks entubion of entubon. In de keizertijd verschijnt de Griekse uitspraak (indivi) benade­rende Latijnse vorm intybum, dit werd later intiba en in volks Latijn entiba en ook endiba. Onder de uit intybus in Itali gevormde naam Endivia werd in oud-Duits eerst distelsoorten en later deze plant begrepen. Andijvie en cichorei.

Bijbel.

Het gewas zou al voorkomen op de Eberspapyrus. Door Dioscorides werd het vermeld als maag versterkend middel.

Exodus 12: 8 ヤHet vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruidenユ.

Numeri 9: 11 ヤIn de tweede maand, op de veertienden dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het etenユ.

In Exodus 12:8 worden bittere kruiden genoemd. Hier wordt echter geen specifieke plant vermeld. Alleen in het N.T. zijn de kruiden met naam genoemd. Ook in  Numeri 9: 11 komt het woord Merorim of Mユrorim voor wat op bittere kruiden zou kunnen slaan. De traditie noemt sla, andijvie en cichorei en munt, later kwamen daar waterkers, peterselie en dergelijke bij. (N. Peelman) De meeste autoriteiten denken dat de andijvie uit India stamt en het is twijfelachtig wanneer het in Egypte bekend was. De oude Egyptenaren gebruikten verschillende groene kruiden die ze met mosterd mengden en duwden dan stukjes brood in die miz terwijl ze aten. Het is mogelijk dat ze dit gebruik leerden van de Egyptenaren. Ofschoon de kruiden varieerden met de tijd en plaats, bleef de reden voor het eten ervan gelijk, een herinnering aan de bittere tijd in slavernij van Egypte. De tafel staat gedekt voor de seder, het opnieuw vertellen van het Paasverhaal. Het ongedesemde brood op de tafel plus het gebraden beentje als een herinnering aan het geslachte lam. Verder de bittere kruiden en de charoset, een appel en notenpasta, als herinnering aan de stenen voor de bouw van de piramides.

 

Saussurea.

Saussurea costus Lipsch.(wortel voor parfum) Plinius Latijnse costum van Grieks kostos (een Indische plant wiens geurende wortel gebruikt werd voor parfums) van Hebreeuws qosht, van Sanskriet kusthah.

Dit gewas is afkomstig uit de Himalaya en de valleien van Kasjmir waar het groeit op 2400-4000m hoogte.

De geurende wortel wordt in de omgeving van Bombay in grote hoeveelheden verzameld, richting China en de Perzische golf getransporteerd.

Wat is de costus van de ouden? Of is de costus Costus speciosus, Sm. van de Zingiberfamilie die uit O. Indi stamt? Of van Costus nepalensis, Rosc. uit Nepal die bij de ouden gebruikt werd als maagmiddel?

Bijbel.

In Psalm 45: 8 ヤdaarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of kユtziot (Cassia heet kiddah) wat vertaald werd als cassia of als Indische orris, mogelijk deze plant. Sommige vertalers veronderstellen dat dit woord slaat op de zoet ruikende Europese orris wortel, Iris florentina. Zie Cinnamomum cassia.

 

Cinnamomum. Kaneel.

De naam kin-(n)-amomon kan als volgt verklaard worden: vanuit het Griekse kinein: in rollen, a: zonder, momon: feil of fout, bijgevolg; een plant zonder fout, een edel gewas dat zich heeft ineengerold, waarmee op de bastrolletjes zou zijn gedoeld. In Chinees betekent quilin of guangxi een kaneelbomenwoud, dit is een stad aan de rivier de Lijiang. Uit Maleis kayu: hout, en manis: zoet, komt kayu-manis dat over Hebreeuws (Phoenisch, Exodus 30: 23 en andere teksten) qinnamon werd en via Grieks tot Latijn cinnamum, midden-Latijn cinnamomum kwam, via Frans werd het cinnamome en Engelse cinnamon. Uit midden-Latijn cinnamomum ontstond oud-Hoogduits Cincimen, Cimment en Sinamin en het midden-Hoogduits Zinemin zodat het nu Zimt of Zimmt is.

 

Cinnamomum aromaticum Nees. (geurend) Cassia.

Hoewel sommigen beweren dat misschien kaneel bedoeld is, is zulks niet waarschijnlijk omdat de Arabische en Perzische naam darachine, dara is hout en chini is Chinees, duidelijk op de afkomst van Cassia wijst. De naam cassia is nogal verwarrend. De echte cassia‑ligna is afkomstig van Cinnamomum. Maar cassia is ook wel een geparfumeerde olie die wordt verkregen van Acacia farnesia. Die soorten werden vroeger tot 1 geslacht gerekend.

Bijbel.

In Exodus krijgt Mozes opdracht om zoet geurende kaneel (kinnamon) en kassia (qəṣ番)  te nemen met mirre, welkrieken (qən-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om er een heilige zalf van te maken die geschikt was voor de Ark des Verbond. Exodus 30: 23-24 ヤDe Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneel, en twee honderd en vijftig sikkels welriekende kalmoes, en vijf honderd sikkels cassie, naar den heiligen sikkel, en een hin olijfolieユ.

Ezechi鼠 27: 19 ヤkassie en kalmoes behoorden tot uw koopwaarユ.

In de bijbel komt het woord kiddah of kidad voor wat afschilferende bast betekent. In Job 42: 14 komt het woord kezia of ketziah voor. (In Grieks is het vertaald als Iris en is daardoor fout vertaald vanuit origineel Hebreeuws.) In Psalm 45: 8 ヤdaarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of kユtziot, (zie Saussurea)

De Septuagint interpreteerde de cassia als een Iris, de orris root. De Revised Version denkt aan de aromatische wortel van de kost of Costus van Arabi, Saussurea lappa. Men denkt nu dat de cassia van Palm 45: 8 deze Indische of Arabische orris of costus is.

 

Cinnamomum verum L.

Bijbel.

In klassieke tijden waren er vier typen van kaneel bekend en vaak onder elkaar verward.

1.     Cassia (Hebreeuws qəṣiヤ), de bast va, Cinnamomum aromaticum Nees (aromatisch) (of Cinnamomum iners Reinw. (zwak of niet actief) die uit Arabi en Ethiopi komt.

2.     Echte kaneel, kinnamon, (Hebreeuws qinnamon), de bast van Cinnamomum verum van Sri Lanka en eerder India.

3.     Malabathrum of Malobathrum. Cinnamomum malabathrum uit N. India (uit Malabar).

4.     Serichatum, Cinnamomum aromaticum, uit Seres, dat is China.

 

Kaneel is waarschijnlijk een van de vroegst bekende specerijen die in gebruik is genomen. Het wordt al in een Chinees kruidboek van 2700 v. Chr. vermeld, bij de Chinees Tsang King die het gebruikte bij aandoeningen van de ademhalingswegen. In Egypte al 2000 v. Chr. is het gebruikt en kwam uit China.

De Phoenix bouwt zijn nest van cinnamon en cassia. Egyptische recepten voor kyphi, een aromatische stof, bevatten cinnamon en cassia vanaf Hellenistische tijden. De gift van Hellenische heersers aan tempels bevatte soms cassia en cinnamon en wierook, mirre en Indische wierook (kostos) zodat men concludeert dat de Grieken het ook zo gebruikten.

Malobrathum van Egypte (Dioscorides I, 63) was gebaseerd op veevet en bevatte ook cinnamon, een pond kostte 300 denars.

In Exodus 30:23-4, beveel Mozes om cinnamon en cassia, qinnām冢, te nemen met mirre, zoete kalmoes (qən-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om een heilige olie te maken om er de Ark van het Verbond mee te zalven. Psalm 45, 8, verhaalt de kleren van Torah scholieren die gezalfd zijn met mirre, alo戴s en cassia. In Bijbelse tijden werd het gebruikt voor de bereiding van wierook, heilige olie, medicijnen en parfum (Spreuken 7: 17) In de zinnebeeldige woning der wijsheid is het de liefelijke kaneel die haar vervult, Ecclesiasticus 24: 20 In de Apocalyps is de kostbare kaneel een voorwerp van weelde bij de verwoesting van Babylon. Vanwege zijn welriekendheid werd kaneel gebruikt als een soort parfum om lichaamsgeurtjes weg te werken.

Exodus 30: 23 ヤDe Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneelユ.

Spreuken 7: 17 ヤIk heb mijn leger besprenkeld met mirre, alo en kaneelユ.

Hooglied 4: 14 ヤnardus en saffraan, kalmoes en kaneelユ.

Openbaringen 18: 13 ヤkaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarweユ

Kaneel komt in de Bijbel telkens samen voor met cassia en kalmoes. Deze producten stammen allen uit China/India en kwamen naar die streken via de zijderoute. In Hooglied 4:14 wordt kaneel met kalmoes verenigd en in Ezechi鼠 27: 19 cassia met kalmoes. Bailey vermeldt dat kaneel dan ook afkomstig is uit India en Maleisi. Kaneel en cassia zouden al in het tweede millennium v. Chr. al aangevoerd zijn vanuit China en zuidoost Azi en vanuit Indonesi naar Madagaskar gebracht zijn in primitieve kanoユs via een oeroude route over zee die bekend stond als de kaneelroute. Ze werden dan langs de Afrikaanse kust naar het Noorden vervoerd, maar het Nijldal en het land Poent.

De kinamon, kinnemon of qinnemoon verwijst zonder meer naar kaneel, het is een van de ingredi創ten van de ヤheilige olieユユ.

Cistus.

Cistus ladanifer L. (laudanum dragend) Cistus is afgeleid van Grieks ciste: een doos, een verwijzing naar de vorm van de zaaddozen.

Bijbel.

Genesis 37: 25 ヤdaar zagen zij een karavaan van Isma鼠iten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, om dat naar Egypte te brengenユ, 43: 11 ヤneemt van het fijnste des lands in uw zakken en brengt dien man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelenユ.

Deze plant is waarschijnlijk de mirreplant van de ouden.

De rotsroos, Cistus creticus, Cistus salvifolius en Cistus villosus, is ook bekend als lotplant en komt bij de Hebree喪s overeen met het woord lot in Genesis 37: 25, 43: 11. Lot moet een inlands product zijn. Lot komt ook als eigennaam voor in Genesis, de broer van Abraham. Lot zou door een verkeerde vertaling als mirre bestempeld zijn, de naam van mirre is mor en die is niet inlands (Commiphora myrrha) zoals de context laat zien.

Bijbel.

Onycha, in het Hebreeuws shecheleth of sjecheleth, zou voorkomen in Ecclesiasticus 24: 15, Exodus 30: 34. De bloem is wit aan de basis van elk bloemblad. Onycha betekent in het Grieks vingernagel, de markeringen op de bloembladen van Cistus zouden de reden geweest zijn voor die naam.

De naam wordt tweemaal vermeld als een bestanddeel van het heilig reukwerk en een andermaal in de Apocriefe boeken als een zelfstandigheid die een lieflijke geur verspreidt.

De naam onyx betekent klauw of nagel, (310) メdaaraan ontleent de kleine schelp op de voet van vele weekdieren, die door de grote schelp gesloten wordt, zijn naam. Uit deze kleinere schelpen of klep verkreeg men enkele bestanddelen die de wierook samenstelden. In de Rode Zee vindt men er veel soorten vanモ.

Mogelijk is het een twee喪lei begrip, de steen onyx in Exodus 28: 20. De andere onyx is mogelijk een plant/dierlijk product, Exodus 30: 43, Ecclesiasticus 24: 15.

Onyx zou op Murex kunnen slaan die in heel Indi als een zogenaamd geneeskrachtig rookmiddel gebruikt wordt. Koning noemt een vis die Conchylium genoemd wordt en haalt Dioscorides aan: メEen schulpje of deksel van het visje Conchylium genoemd, gelijk ons Dioscorides zegt II, 8:1, welk in de meren van Indi die Nardus voortbrengen gevonden wordt. Het ademt een aangename reuk uit omdat het door den Nardus gevoed wordtユユ. Waarschijnlijk zijn er nog wel meer moge­lijkheden.

 

Citrus.

Citrus medica L. var. etrog Eng. (uit Medi) is de gewijde Citrus of Etrog van de Joden. (Citrus medica ヤEthrogユ)

Deze vorm was in Z. Babyloni al 4000 jaar v. Chr. bekend, maar de Isra鼠ieten vereerden die pas 458 v. Chr. Josephus maakte melding van een voorval in de oudheid waarbij Alexander de Grote met de Joodse hogepriesters op het altaar stond en er een  oproer uitbrak onder de bevolking die naar hem met citroenen gegooid zou hebben. Dit zou de verboden vrucht van de Joden zijn en komt zo voor in Leviticus 23:40/44, takken of vruchten van schoon geboomte. De citroen wordt al genoemd in de Torah voor ritueel gebruik tijdens het feest van het Tabernakel, Leviticus 23:40. Het gewas wordt nog steeds volgens het gebod gebruikt op het Loofhuttenfeest en soms bij de eredienst in de synagoge als een toonbeeld van de vruchten die God aan de mensen gaf. Zou het gewas reeds in Isra鼠 bekend zijn geweest, dan had Alexander de Citrus niet in Medi メontdektモ maar in Isra鼠 en dan was de vrucht zeker ook al eerder beschreven zijn geweest vanwege het drukke handelsverkeer met de M. Zee. Volgens anderen kwam de plant daar al in oude tijden voor omdat het ook in Egypte schijnt voor te komen waar archeologische bewijzen zijn dat ze daar was sinds de tijd van Thutmosis III. Er wordt verondersteld dat de Joden het  meenamen uit Egypte. Weer anderen menen dat het om een vrucht van Pinus of Cedrus handelde. (vergelijk de afkomst van de naam).

De naam die gebruikt is in Leviticus 23: 40 is Peri es Hadar, dat wil zeggen ヤユeen vrucht van een prachtige boomユユ. Het woord hadar betekent letterlijk pracht of pronk en slaat niet op de soortnaam. De naam kwam al eerder voor als een van Ismahelユ s zonen. (zie Musa)

Deze Etrog groeide veel op Korfu en na de anti‑Joodse demonstraties in 1891 aldaar werd de vrucht meestal uit gehaald Palestina, waar de inwoners ze

gebruikten om er salades van te maken.

Uit Matthiola.

Citrus ponum, ヤAdamiiユ (mogelijk een vorm van Citrus media) (vrucht en Adam, Adamsappel) de vrucht hiervan is eivormig met een goudgele schaal. Dit zou, volgens de Talmoed, de Adamsappel zijn.

Maerlant spreekt over de Adamsboom;, Arbor ade, dat is bekend, is een boom in de Ori創t die Adams boom heet zoals ons zegt Jacob van Vitri. Omdat ze vele mooie  appelen dragen die van kleur geel zijn en elke appel is gebeten zodat men zien mag en weten dat God in het aardrijk van Adams zonden duidelijk getuigtユ.

(Dodonaeus)  ヤDit geslacht is van sommige Malus Assyria genoemd, dat is appelboom van Assyri, en de vrucht Pomum Assyrium, dat is appel van Assyri, dan de Italianen noemen het gewoonlijk lomio of ook pomum Adami, dat is Adamsappel, omdat het onervaren gewone volk gelooft dat dit de appel is daar onze aller vader Adam in het Paradijs eerst van at tegen het gebod van God en daarom zeggen ze dat de kloven die in de schillen van deze appels gezien worden de tekens zijn van de beten die hij daarin gaf. Maar andere willen zeggen dat de echte appel daar Adam in beet niet deze tegenwoordige appel is, maar die soort van appels die in het Arabisch Musa of Mosa genoemd wordt daar Avicenna in het 395ste kapittel van vermaant. Immers, zoals Andreas Thevenetus betuigt, die Musa wordt van sommige Joden gehouden voor de appel die Adam eerst proefde en tegen God gezondigd heeftユ.

De Adamsappelboom wordt in Itali pomo di paradiso,  pomi Adamo of pomi dユAdamo genoemd.

Forbidden fruit. In de dikke schil zie je een spleet die op een beet lijkt. Van de slang? De slang met de appel in de bek is het symbool van het kwaad.

Bijbel.

Deze balsem wordt door de Arabieren lukkum genoemd en verkocht als de balsem van Gilead. Deze balsem was tot de 17de eeuw een ingredi創t van vele medicijnen. Anders dan de meeste gommen wordt het gauw zachter bij hitte.

Genesis 37: 25 ヤwier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengenユ.

Jeremia 8: 22 ヤIs er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?ユ 46: 11, ヤTrek op naar Gilead en haal balsem, o jonkvrouw, dochter van Egypte, tevergeefs neemt gij veel geneesmiddelen, voor u is er geen genezingユ. 51: 8 ヤHaalt balsem voor zijn pijn, misschien is het te genezenユ.

Het woord tzori, tzeri of tzari is als inlands product mogelijk Balanites, in Grieks wordt het vertaald als resin of gom, als een verwijzing of naar Balanites of Pistacia lentiscus. Beiden zijn overvloedig in Isra鼠. (zie Commiphora) Reisbeschrijvingen noemt de stad Tyrus, Tsor of Tzor bij de Hebree喪s, van welk Hebreeuws woord Zor ook de naam van Syri of Sourie gesmeed is. Zou hier een overeenkomst zijn in namen? Handel uit Phoenici, of balsem uit Syri.

Men kan zich evenwel afvragen, als de plant ook in Egypte groeit, of het daar naar toe gebracht moest worden. Mogelijk aldus Smit bij Moldenke dat hier sprake is van Pistacia lentiscus.

Maar de mogelijkheid dat de echte balsem van Gilead in Salomons tijd aanwezig was, zou die voorkomen in 2 Koningen 20: 13, Hooglied 3: 6, Jesaja 39: 2 en Ezechi鼠. 27: 17.  Dan wel beter voor Commiphora gileadensis.

Commiphora: Grieks kommi, van Egyptisch kami: gom (oud-Egyptisch kmj.t) phora: dragen. Een geslacht van bloeiende planten. Het omvat een 250 moeilijk van elkaar te scheiden soorten.

Bomen en struiken, vaak gewapend of gedoornd en inlands in Arabi, Afrika en India.

Commiphora africana Engl. (uit Afrika) De inwoners van Afrika zeggen hiervan dat de boom zeven levens heeft, omdat als die gesneden wordt niet sterft, daarom wordt het ook als haagplant gebruikt. Bij de Toearegs wordt het gewas aanbeden, die vereren het als een symbool van onsterfelijkheid en plaatsen de plant op de graven.

Bdellium verschijnt in een aantal oude bronnen. In Akkadisch was het bekend als budulhu. Theophrastus is de eerste klassieke auteur die het vermeldt en Plautus is de tweede in zijn Curculio. Plinius de oudere beschrijft het als メeen boom met en zwarte kleur en de grootte van een olijf, zijn bladeren lijken op die van een eik en zijn vrucht op de wilde vijgモ (N.H. 12.19). het was en ingredi創t van oude geneesmeesters, van Galenus tot Paulus Aegineta.

Hebreeuws bedolach was een aromatische gom die op mirre leek en dat uit en boom vloeide. Het zou kunnen komen van Commiphora wrightii, die nu gugul genoemd wordt of Commiphora roxburghii, Engl. die de bdellium van India levert, het is een plant die uit India komt en daar bekend is als mukul of gugul of Commiphora stocksiana, maar bdellium werd ook voor een Afrikaanse soort gebruikt, Commiphora africana.

Bdellium was een vervanger van de kostbare mirre en guggul wordt nog steeds als binder gebruikt in parfums. Het woord verschijnt tweemaal in de Hebreeuwse bijbel. 

De vraag is of dit de Afrikaanse bdellium, bedoloch of bユdolach van de Bijbel is die gebruikt wordt in Genesis 2:12 en een paar duizend jaar later weer verschijnt in Numeri 11:6/7.

Genesis 2: 12; ヤDe naam van het eerste is Pison, deze stroomt om het gehele land Havila, waar het goud is, en het goud van dat land is goed, daar is balsemhars (bdellium) en de steen chrysopraas. De naam van de tweede rivier is Gihon, deze stroomt om het gehele land Ethiopi戴. Door sommigen wordt het dan ook vergeleken met een edelgesteente.

Numeri 11: 7 ヤHet maman nu leek op korianderzaad en het zag eruit als balsemhars (bedolach, bedellium)ユ.

Het is mogelijk dat dit woord ook op een kostbaar gesteente slaat, een hars of volgens sommigen op