Edelstenen, namen, etymologie.

Zie ook de betekenis van Hollandse planten namen.

Zie ook de betekenis van plaatsnamen.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Klik hier voor middeleeuwse woorden en verklaringen.

Klik hier voor jongens en meisjes namen.

Klik hier voor dieren namen.

 

Abraxas of Abracax, een mythisch woord. Mogelijk stamt het uit Egyptisch abrak en sax: ‘heilig woord’, of ‘gezegende naam’. Het zou, net als het woord abracadabra, ontstaan zijn uit Arabisch abrakhadabir: ‘het is genezen’, of ‘zal zeker genezen’ door samenvoeging van Griekse letters die diende om getallen aan te duiden wiens som 365 is. Het zou hier uitgedrukt zijn in de Hoogste Godheid die 365 hemelen geschapen en de loop van de zon in 365 dagen verdeeld heeft. A=1, b=2, r=100, a=1, s=200, a=1, x=60, samen 365. Een getallenleer.

Er zijn verschillende theorieĎn over de bron van de toverspreuk. Een daarvan luidt dat de formule zijn oorsprong vindt in de Joodse mystiek uit de Kabbala. Het woord zou dan een verbastering zijn van twee Hebreeuwse woorden: ha-brachah (zegening, wat gezien kan worden als een verbloemende uitdrukking voor een vervloeking) en dabra, een Aramees woord voor de pest.

 

Achroiet, a: niet, chroma: kleur, is de vrijwel kleurloze toermalijn, zeer zeldzaam en duur.

 

Adular of edele veldspaat is een edelgesteente die het eerst gevonden werd door pater Pini uit Milaan vlak bij de St. Gotthard, die hij ten onrechte voor de Mons Adula van de ouden hield. Vandaar de naam.

 

Afrvedsoniet of afrwedsoniet  is genoemd naar de Zweedse scheikundige Johan August Arfwedson.

 

Agaat, midden-Nederlands achaet, acaet en achates, Duits Achat, midden-Hoogduits achates, uit Frans agate van de 13de eeuw, dit uit Latijn achates, (gemma) wat weer uit Grieks achates (akhates), de steen zou zo genoemd zijn naar de rivier Achates in SiciliĎ, (heet nu Dirillo) waar het volgens Plinius het eerst gevonden zou zijn. Het kan ook een vorm zijn van gagates: git of gagaat, die volgens Plinius en Dioscorides bij Gagas (Gagay) in LyciĎ werd gevonden.

Dendritenagaat, Grieks voor van bomen, boomsteen, boomagaat Mocha, Mokka of Mekkastenen, Duitse Mocha- of Mokkastein, naar de Arabische haven waar men ze eens uitvoerde.

 

Aktinoliet of actinoliet komt van aktis: straal, de vorm.

 

Albast, midden-Nederlands alabastre, Engels alabaster, Frans albČtre, uit Latijn alabastrum, uit Grieks alabastron: zalfflesje, van alabastos, albast. Naam van een stad in Egypte, Alabastron.

Labaster, labastre, uit alabaster, alabstre, albaestre, albaastre, alabastre vanwaar ook alabastrijn. Midden Hoogduits alabaster; hoog-Duits Alabaster, Alabast en andere verouderde vormen, midden-Noord Duits Labaster en Albaster.

 

Albiet; Latijn albus: wit, vind je voornamelijk in het Andesgebergte.

 

Alectoria gemma: hanensteen, (Grieks alektor: haan) Het wordt ook wel capoensteen genoemd, kapoensteen. Een kapoen is een gecastreerde haan. Duits Kapunenstein.

 

Alexandriet. Deze steen werd voor het eerst in 1830 in de Oeral bij de Tokowaja rivier gevonden op de verjaardag van Tsaar Alexander II. Omdat rood en groen de nationale kleuren van Rusland zijn werd de steen naar hem genoemd.

 

Allanit;  werd zo genoemd naar Thomas Allan, een Schotse mineraloog (177-1823). De verouderde naam Orthit wordt niet meer gebruikt.

 

Almandien, almandijn, almandine. De naam is ontleend aan Plinius carbunculus alabandicus, in zijn tijd werden er in Alabanda in Klein AziĎ (bij Milete, nu Hissar genoemd) granaten geslepen tot bijvoorbeeld vazen. Carbunculus; kleine vonk, Frans escarboucle, Latijn carbo; steenkool, werd tot karbonkel, oud Duits Karfunkel. Destijds was de Almandien met rood violette nuances de kostbaarste; men noemde hem de `steen met de kleur van duivenbloed`. Van alle granaatsoorten is de Almandien het langst bekend. In de Middeleeuwen verstond met onder karbonkels zeer verschillende rode edelstenen, ook de granaat.

 

Aluin, Engels alum, Duits Alaun, midden Nederlands aluun, Hoogduits alaun, Oud Hoogduits alun, Deens alun, Engels alum, oud Frans alun, Latijn Alumen. Mogelijk van Grieks ac; zout, aardzout.

Hiervan is ook het woord aluminium gevormd. Het werd vroeger uit aluinklei gemaakt. Van een wortel al of hal waarmee zout, salz, zalt, zilt verwant is. Zo is het Engelse woord 'ale' verwant met het Deense en Noorse ' l' en het IJslandse 'al'. De Vikingen gebruikten 'aul' voor een soort gerstenat (ale) en in het zogenaamde Kerkslavisch bestaat het woord 'olu' wat eveneens 'bier' betekent. Al deze woorden zouden familie zijn van het Latijnse alumen, dat 'aluin' betekent, Grieks aludoimos; bitter. Dit kan een omschrijving zijn voor een bittere smaak.

 

Aluminium is gevormd uit aluin, Latijn alumen, wat ook aluminium bezit.

 

Amaril van Frans emeril, van ouder esmerill, van Latijn smeriglum, Grieks smuris; slijppoeder. Het is de Duitse Schmirgel (smergel, smirgel) dat afgeleid is van Smyrna waar het gesteente van oudsher vandaan komt. Het heet ook wel tripel naar Tripoli in SyriĎ (terra Tripolitaan) waar vandaan het in de handel kwam.

 

Amazoniet of Amazonensteen is genoemd naar de Amazonenrivier te BraziliĎ waar men meende dat deze steen gevonden wordt, later bleek dat dit een ander groenachtig mineraal (jade) was.

 

Amethist, ametist, ametiste, ametist, amestis, amethyst, ammathyst of amastis, Duits Amethyst, Engels amethyst, oud Frans ametiste, middeleeuws Latijn amatistus. Amethist werd vanouds tegen verdoving gebruikt en als amulet gebruikt. Latijn amethystus komt uit Grieks amethustos: dronkenschap, Grieks methu: wijn, a: niet (vergelijk mede). Amethyst, violetkleurig edelgesteente; aldus (naar men zegt) genoemd van de ontkennende a en meqĚein, dronken zijn, dus nuchter zijn omdat men oudtijds aan deze steen de kracht toeschreef tegen dronkenschap te behoeden. Wijn die gedronken wordt uit een beker vervaardigd uit amethist zou men niet dronken kunnen worden.

 

Amianthus; Latijn amiantus, Grieks amiantos, a; niet, miantos, verontreinigen, steenvlas, zachte vorm van asbest. Salamander haar.

 

Amulet, de naam komt mogelijk van het Arabisch hamail: draagband (met Koran spreuken) of Latijn amuletum: afwenden, behoeden. (Hoewel amulum stijfsel of krachtmeel betekent, een voorbehoedmiddel, mogelijk werd er een verband gezocht met amoliri; afwenden)  (ook het Grieks phulakterion wordt dikwijls vereenzelvigd met een talisman) Meestal wordt een amulet gebruikt als een afwerend middel en een talisman (Gries telesma; gewijd voorwerp) als een betoveringsmiddel. Het is een mascotte.  Ze heten ook soms Alexiteria in het Grieks.

 

Analciem, Duits Analcim, komt van analkis: krachteloos of zwak, dit vanwege de geringe wrijvingselektriciteit. 

 

Andalusiet is zo genoemd naar vondsten in AndalusiĎ in Zuid Spanje waar dit mineraal het eerst aangetroffen werd in Las Granadas in 1789.

 

Andradiet is genoemd naar de Portugese mineraloog d’Andrade e Sylva die dit mineraal in de Oeral ontdekte.

 

Andromant is naar Plinius een glanzend, zilverwit mineraal dat in Egypte gevonden wordt waar amuletten, ringen en halsbanden van gemaakt worden. De oude magiĎrs schreven er de kracht aan toe om de woede van mannen te beteugelen of vast te zetten, vandaar de naam, andro: man.

 

Anorthiet; Grieks an orthos: niet recht.

 

Anthofylliet, Anthophylliet, Latijn anthopyllum; kruidnagel, naar de kleur.

 

Antimoniet, Duits Antimonglanz, Frans antimoine, Engels antimony, Hoogduits antimon, Latijn, antimonium, Grieks antimonos; niet alleen of van anthemon; bloeiend, naar de bosvormige kristallen die er als een bloem uitzien. Arabisch alithmidum.

De naam spiesglas, Duits Spiesglanz (spits glas, de glans) gebruikte eerst Basilius Valentius. Zijn ‘triumph-wagen van het antimonium’ is de oudste chemische monografie.

De naam stibium, Grieks stibnum, waarvan het symbool Sb komt, stibniet,  in Frans stibine, Engels stibnite werd oorspronkelijk aan het sulfide gegeven. De naam stibniet was al bij de ouden in gebruik en stamt vermoedelijk uit Arabisch al ithmid of Koptisch stim, Egyptisch stm. De vrouwen gebruikten het mineraal voor het verven van het haar, de wenkbrauwen etc. en het schijnbaar vergroten van de ogen, vandaar de tweede naam platyophtalmon, Grieks platys: breed, ophthalmos: oog.

In Hebreeuws en Arabische heet het ‘al-Kohl ’; zeer fijn poeder van antimoon om wimpers te bestrijken, dit woord ging als ‘alcool’ in andere spraken over en werd later op wijngeest overgedragen, vergelijk alcohol. Het was het fijne poeder dat overbleef na verdamping. In latere overzettingen van de 16de eeuw werd het antimon. Men gebruikte antimoon voor het scheiden van goud en zilver en als geneesmiddel. In bekers uit antimoon liet men wijn lang staan om dan als braakmiddel te gebruiken, ook werden er pillen van gemaakt. Omdat de monniken er misbruik van maakten werd het door Frans II verboden, anti monachon: tegen monniken, vandaar de naam, Antimon. Volgens een legende zou de monnik Valentius ontdekt hebben dat antimoniumverbindingen varkens sneller vet maakten, hij wilde dat ook bij zijn medebroeders uitproberen om dat die volgens hem te mager waren. Maar de broeders werden niet dikker en enkele overleden zelfs.

Sommige bronnen vermelden dat de naam een samentrekking is van de Griekse woorden anti en monos, wat vertaald kan worden als niet alleen voorkomend omdat het meestal in gebonden vorm gevonden wordt. Volgens andere bronnen komt de naam van de Arabische uitdrukking Antos Ammon, dat bloei van god Ammon betekent.

 

Antraciet, anthracit; versteend hout, Duits Anthrazit, Frans anthracite van Latijn anthracites; kostbare steen of karbonkel, Grieks anthrakites; houtskool. Zie anthrax, de Griekse naam van Theophrastus voor de karbonkel, is dit de naam die we nu geven aan antraciet. Anthrax was later ook de naam van zwarte blaren die je met de pest, miltvuur, kreeg

 

Apatiet komt van apatao: ik bedrieg, omdat het vroeger met schorl, beril , topaas en andere zeskantige kristalliserende mineralen verwisseld werd. Engels apatite. Het kreeg zijn naam door Gottlieb Werner in 1786.

 

Apophylliet, Apophyllit, ichthyophthalm  of visogensteen, Albin. Het wordt vanwege zijn parelmoerglans en zijn bijzondere lichtinval op de basis van zijn kristal in Duits Fischaugenstein genoemd.

 

Aquamarijn, Engels aquamarine, Frans aigue-marine, de naam aquamarijn werd voor het eerst in ItaliĎ gebruikt, aqua marina; zeewater, die in kleur met het zeewater overeenkomt. De legende zegt dat het de steen van een zeemeermin was en tot de liefde leidt en waarschuwt bij onrecht of overspel als de steen verkleurt.

 

Aragoniet is zo genoemd naar Molina de Aragon in Spanje waar mooie drielingen in rode klei voorkomen.

 

Bij Plinius horen we over de arendsteen, de aetites dat van het bekende aetos (arend) afgeleid is die lithos eutokios heet ofwel om de leg te bevorderen. In haar nest zet ze twee kostbare stenen die agaat genoemd worden, in Duits Adlerstein, de ene is de manlijke en de ander de vrouwelijke vorm. De mannelijke hiervan is hard en is wat gloeiend. En de vrouwelijke is zacht. Er wordt verteld dat ze geen jongen kunnen krijgen zonder die stenen.

 

Arsenicum, arseen of arseenkies, Duits Arsenik,  Frans arsenic, van Grieks arsenikos: mannelijk, krachtig, zo heeft Theophrastus het vanouds bekende arseenmineraal genoemd. De naam is afkomstig van het Griekse arsenikon, dat weer afstamt van het Perzische woord az-zirnikhi. Dit laatste woord is weer afgeleid van zar, dat goud betekent, aangezien de belangrijkste bron van arsenicum, zwavelarseen, auripigment of geel operment, geel- of goudkleurig is.

Het woord ‘operment’ is afgeleid van het Latijnse auripigmentum;, ‘goud en pigmentum = verf, gouden kleurstof’. Ook wel varuwgoud noemen, van varuw of varuwen = verven of kleuren.  Het pigment is ook bekend onder de namen arseengeel en koningsgeel.

 

Asbest. De naam asbestos was al bij de ouden in gebruik en zinspeelt op het feit dat een lamp voorzien van een pit van asbest, zoals de gouden lamp van Pallas te Athene mits behoorlijk bijgevuld, nooit ophield te branden, dus onuitblusbaar was. Karel de Grote had een tafelkleed van asbest dat hij tot verbijstering van zijn gasten in het vuur wierp na de maaltijd. Van het amianth of bergvlas vervaardigden de ouden, volgens Plinius, een soort van onbrandbaar lijnwaad. (asbestinium) Grieks asbestos: onblusbaar, het onverbrandbare, het steenvlas of amiant uit wiens vezels men al in de oudheid het asbestirum, het onverbrandbare linnen bereidde. Dat gebruikte de Romeinen vooral tot het weven van kostbare lijkgewaden waarin de doden werden gehuld voor ze op de brandstapel werden gelegd zodat de overblijfselen onvermengd met de as van het hout bewaard zou blijven.

 

Augiet, Duts Augit, Engels augite, komt Grieks: augites; helderheid, van auge: glans, mogelijk naar de glanzende splijtvlakken op de breuk van augiethoudend gesteente hoewel de kristallen meestal een doffe, donker groene, bruine of zwarte glans hebben. Het werd voor het eerst in 1792 van Abraham Gottlob Werner beschreven.

 

Aventurijnkwarts, avanturijn, van Franse d’aventure; bij toeval, omdat het toevallig werd ontdekt door het smelten van glas. In een atelier van een Venitiaans glasmaker werd bij toeval (in het Italiaans 'aventura') een glasmassa geproduceerd, die opviel door een bijzondere glans, ontstaan door heel fijne koperschilfertjes. Hij noemde deze glasmassa 'avanturine' en verkocht die onder deze benaming.

 

Azuriet of koperlazuur komt via Franse l’azur: blauw, Latijn lazurium, uit het Perzische lazhward voor blauw, zie lapis lazuli, met hoofdbestanddeel lazurier of lazuursteen, zie ook lazuliet.  Koperlazuur ,Duits Kupferlasur en Frans chessylite omdat prachtige kristalgroepen vroeger gevonden zijn te Chessy les mines bij Lyon. Lazuur van azuur: blauw, is een gelijke verbinding, maar blauw van kleur dat in de regel met malachiet samenkomt.

 

Barietzwaarspaat, barys: zwaar, werd zo genoemd in 1886  door de Zweedse chemicus Carl Wilhelm Scheele, de naam zwaarspaat is ouder. Spaat betekent een bladerig mineraal met zwaar, het zou gemakkelijk in stukjes breken, zie spaan, Duits Spat, Frans spath,  Latijn spathum. Ook wordt het wel in fijne vorm blanc fixe of permanentwit genoemd.

 

Barnsteen. Er zijn 4 synoniemen die door elkaar worden gebruikt.

  1. Latijn electrum: barnsteen, Grieks elektor: de zon, het zijn gestolde zonnestralen. De enigste vorm van elektriciteit die de ouden kenden was van barnsteen, electron. Door stevig met een wollen doek te wrijven wordt het elektrisch en trekt zeer lichte voorwerpen als vlierpitballetjes en papiersnippers aan en gaf aanleiding tot de naam. Ze meenden dat dit vermogen alleen aan barnsteen eigen  was. Het zijn de tranen van FaĎton, de zoon van Helius: de zon. Naar Plinius huilde de zusters van de door de bliksem geslagen FaĎton (Phaeton) zo lang tot ze tenslotte in populieren veranderd werden. Hun tranen vloeien nog steeds alle jaren bij de vloed Eridanus als barnsteen die daarom elektron heet omdat de zon de naam elektron draagt. De Griek Thales van Milete kende al de eigenschap van het ‘electron’ om na wrijving lichte voorwerpen aan te trekken. (vandaar ons elektrisch) Elektron was oorspronkelijk de naam voor een mengsel van 4 delen goud en 1 deel zilver (of messing of geel koper) Toen men later het barnsteen door de PhoeniciĎrs leerde kennen zal de gelijke kleur en aanzien de basis gegeven hebben dat het dezelfde naam kreeg dat ook orichalcum,  aurichalcum; bergkoper genoemd werd.
  2.  Barnsteen, 1516, komt voor naast ammer in 1515, midden-Nederlands ammersteen, emmer, midden-Hoogduits amber en Čmer, midden-Noord Duits ammer, Engels amber, Latijn ambra, ambar, uit Arabisch anbar, alambar: grijze amber, Perzisch ambar uit Sanskriet ambara. Amber  is eigenlijk een welriekende harsachtige stof die uit de Oosterse zeeĎn afkomstig is en vooral als grijze amber (ambre gris) bekend is. Maar in het Westen paste men de naam ook op andere stoffen toe, op het sperma ceti die ook witte amber (ambre blanc) genoemd wordt en op het succinum of het barnsteen dat gele amber (ambre jaune) heet. In het midden-Nederlands was ammer de gewone benaming voor barnsteen.  Dat komt wel omdat ze beiden aan het strand werden gevonden.
    Ambergrijs is een wasachtige substantie die drijvend op tropische zeeĎn wordt gevonden en afkomstig is van de walvis. Ambergrijs is een afscheiding van het darmkanaal dat in klompen van 30cm middellijn en soms 25 kg zwaar in de ingewanden wordt aangetroffen. Meestal drijft dit in zee dat door de potvis uitgescheiden is in klompen die soms wel een gewicht van 500 kg kunnen halen. Ambergrijs was een synoniem voor amber en werd ook gebruikt in zoetigheden, kandeel, vleesnat en dergelijke.
    Een stof die wel eer tegen goud opwoog. De echte amber bestaat uit onregelmatige, ondoorzichtige, wasachtige broze en op de breuk fijnkorrelige of bladerige stukken die bruinachtig zwart of lichtgrijs van kleur zijn. Ze zijn met lichte en donkere strepen getekend. Het heeft die aangename reuk die naar muskus zweemt, is smakeloos en bij voldoende warmte week en buigzaam, smelt bij een matige hitte, vat licht vuur en brandt met een heldere vlam. Bevat benzoĎzuur, barnsteenzuur, keukenzout, een zoet extract en een onoplosbare bruinachtige rest. Door de sterke geur wordt dit in de parfumerie gebruikt. Het is sinds onheuglijke tijd het middel tegen krampen, tegen alle mogelijke kwalen en geurstof.
    Het wordt gebruikt in welriekende tincturen en tandpoeders. Ook wel in de vorm van poeder of tinctuur ingenomen omdat het een versterkende en opwekkende werking heeft op de zenuwen. Men vermengt er de chocolade mee en de bekende ‘extrait d’ambre.
    Vondel, ‘De Heerlijckheyd van Salomon; ’Of ’t vochtige element ’t gryze Amber teelt gewis. Amber is een harde licht gele doorzichtig fossieldrop die op zekere kusten wordt gevonden’.
  3. Barnsteen, midden-Nederlands bernsteen, Duits Bernstein, Brennstein, Zweeds barnsten; brandbare hars, dus ‘de (edel) steen die brandt’ dat in Oost Pruisen wordt gevonden. Daar werd het pas in 1490 Bornstein genoemd en vandaar Pools bursztyn. Het woord bern behoort tot branden, Stein is edelsteen wat de midden-Latijnse naam lucida gemma bewijst. Sinds de aanvang van de 14de eeuw is het Bornstein in Hoogduits en in 1327 verschijnt het Hongaarse oord Borostyanko dat oorspronkelijk Barenstein heette wat de toenmalige Hongaarse naam voor barnsteen was.
  4. De oudere Hoogduitse benaming is Agstein of Augstein, ( uit Latijn achates) midden-Noord Duits glar: Angelsaksisch glaer. Dat heeft weer verband met glas wat in Angelsaksisch glaes is wat terugvoert op Germaans glasa. Daarmee komt het in klank overeen het Latijnse glesum van Tacitus, glaesum van Plinius en Glesaria: het barnsteeneiland. Angelsaksische glaer: boomhars, Oudnoors glaesa heeft met wat glanzends van doen, sieren.
    Barnsteen diende als parelsier en toen daarna het vreemde glas in de vorm van glasparels ingevoerd werd nam het de bekende namen over terwijl het electrum met ag- of aug berstein opnieuw benoemd werd.

 

Basalt, Duits en Engels basalt, Frans basalte, Latijn basanites bij Plinius, Grieks basanites; toetssteen, goud liet een spoor na op de steen,  zie toetssteen.

 

Bauxiet is genoemd naar de stad Les-Baux-de Provence in Frankrijk bij Arles waar het in 1821 werd ontdekt door de Franse geoloog Pierre Berthier. Frans bauxite, Engels bauxite, Duits Bauxit.

 

Belemniet, Grieks belemnon; werptuig als speer, belos; werpen, sive Lapis Lyncis, sive Dactylus Idaeus, Frans belemnite of pierre de Lynx, Engels belemnite, Duits Belemnit of Donnerkeil, donderbeitels, duivelskegels, duivelsvingers, vingersteen, heksensteen, heksenvinger, Teufelsfinger, Cereanius lap. Het is een inslaande bliksemschicht, ze zouden door de goden naar de aarde worden geschoten. Ze vielen uit de hemel met onweersbuien,. Het vinden van belemnieten heeft aanleiding gegeven tot bijgeloof,  dat vanwege hun sigaarvorm of pijlpunt en bij wrijven op de bovenkant een ammoniak geur. De Donnerkeile is onder de gelijke naam over de gehele wereld verspreid. Bij Grimm vind je als synoniem: Donneraxt, grote, gladde Krotenstein, Storchsteine (omdat, zoals men zegt de storch zo’n steen vast houdt om wakker te blijven) Rappensteine (zwart) Teufels- of Hexenfinger (omdat men er toverij mee bedrijft) Alpsteine (omdat die tegen de Alp behoedt), Fingersteine en Wettersteine. Engelse guard. Ovidius noemde zo’ n steen lynx steen, Luchsteine, Lynkurium, het zou de tot steen geworden urine van een lynx zijn. De naar ammoniak ruikende urine prikkelt de ogen. Zo werden ze gebruikt bij oogziektes, zo ook bij blaas en nierproblemen en tegen heksen. Ook vanwege de vorm als afrodisiaca gebruikt.

 

Beryl of beril, de naam beryllos werd reeds in de oudheid voor verschillende groene mineralen gebruikt. Beril, in Duits beril, oud-Frans berille, barille, uit Latijn beryllus, uit Grieks berullos wat verwijst naar een blauwgroene kleur van een zeewatersteen, van een woord in de volkstaal van Prakriet van Voor IndiĎ, verulijam, verulia, de naam voor deze edelsteen die mogelijk terugvoert op de Z. Indische stad Velur die nu Belur heet.

 

Bezoar komt van de Bezoar geit of Kreta geit, Capra aegagrus. Het wordt ook enteroliet (fecoliet) genoemd wat een ontlasting is die te lang in de darm blijft en harder wordt waardoor darmsteen gevormd kan worden.

De Arabische geneesmeesters noemen die steen bezoar, het is de bezoar of tranensteen. Frans bezoard, 15de eeuw bezaar, Duits bezoarstein, Spaans bezoar van Arabisch bazahr, badizahr, zahr betekent gif, pa; tegengif, van het Perzisch padzahr: wegspoeler van vergif. Of van Hebreeuws  bed; artsenij, zahard; gif. Het werd als amulet tegen ziektes gebruikt. Bezoar werd door de Spanjaarden piedra contra venenoy desinayos genoemd, ‘de steen tegen het vergif of flauwte’. Deze steen werd gevonden in de maag van zeker dier, Pazain geheten, dat voor een deel op een hert en voor een deel op een bok lijkt die op de bergen hartversterkende kruiden gebruikt. Nadat hij slangen ingeslikt heeft en een wortel die ze tegengif noemen, uit welke vermenging van slang en wortel de bezoar groeit.

Er zijn een 3 hoofdsoorten;

1.     De eerste is de bezoarsteen, lapis bezoar sive bezoardicus, die uit concentrische lagen bestaat en de grootte van een erwt tot een vuist heeft.

2.     De oosterse bezoar,  lapis bezoar orientalis, die rond of langwerpig van gedaante is en net zo groot als de vorige, terwijl die van buiten een groenachtige bruine kleur heeft die bij de bezoargeit wordt aangetroffen en antilopensoorten. Lost niet op in water, bij hoge temperatuur smelt het en wordt vluchtig. De zgn. Oosterse bezoar echte bestaat geheel uit organische stof, soms uit een eigenaardig vetzuur, soms uit een op galnoten lijkende verbinding.

3.     De westerse bezoar, lapis bezoar occidentalis, is wat kleiner dan voorgaande, komt in 2 verscheidene heden voor, is dikwijls bont gevlekt en komt voor in de maag van lama’s en vicunna’s. Het hoofdbestanddeel is een niet brandbare en niet smeltbare stof, nl. fosforzuren kalk, (Bezoar occidentalis)

4.     Verder is er de bezoar van Coromandel, die heeft een bolvormige gedaante, brandt licht en is geurig, is aanwezig in de maag van de buffel.

5.     Een ander soort is de Duitse bezoarsteen, aegropilae, de Bezoarsteen of Tranenstein, die werd ook Drusensekret genoemd dat zich in de tranenklieren van gemzen en rood hert, bevindt en tot een taaie massa samenbalt. Ook komt er bij de steenbok en bij paarden voor. Die bestaan uit plantenvezels en haar.

6.     Dan is er nog de zwijnenbezoar, lapis porcinus, hystricinus) een steenachtig voorwerp dat men in de galblaas van het stekelvarken aantreft.

7.     Voorts wordt er nog melding gemaakt van apenbezoar, (bezoar simiae) uit de ingewanden van de gewone aap, (Inuus sylvanicus )

8.     De bezoar van Goa wat een kunstmatige bezoar is.

9.     Soms, zoals bij het vee, bestaat dit grotendeels uit plantenvezels en haren die bij wijze van vilt met elkaar verenigd zijn. Zij worden gewoonlijk ‘gemsballen’ genoemd. (Bezoar germanicus).

10.  Die haar bevat wordt Trichobezoar genoemd, tricho; harig. Phytobezoar, phyto; blad, bevat plantenresten.

 

Biotiet is genoemd naar de Franse natuuronderzoeker Jean-Baptiste Biot. Frans biotite.

Bismut, Bismutum, Engels bismuth, ouder Wismut, Plumbum cinereum. De naam wismut komt al in de 13de eeuw voor bij Albertus Magnus. Basilius Valentinus bericht in 1450 het eerst wismut als metaalachtige stof. Matthesius leidt de naam af naar de vele kleuren waarmee het wismut uitslaat,’ het bloeit als een mooie weide’. Het werd gevonden in St. Georgen in de weide bij Schneeberg, Wesemut Wiesenmutung, wissemat; witte weide, de Latijnse vorm is bisemutum, mogelijk van Arabisch bisimutiyun dat van oud Grieks psimythion; loodwit, komt. Of van Arabisch itmid; antimoon.

 

Bolus Armeniaca, bolus armenicus, bolus armeniacus, terra armenia, terra armena; aarde (vette klei) uit ArmeniĎ, Engels bole armena, Duits Tonheilerde. Het is een soort marmer die vroeger hoog geschat was vanwege haar fijnheid.

 

Boraciet, is naar het element boor genoemd, Arabisch buraq; wit, van Perzisch burah, de naam die gebruikt werd bij de productie van glas, dat in het middeleeuws Latijn tot baurach en Engels boras en ook zo voor de naam van boor.

 

Borax is nu bekend als natriumboraat, boorzuur, boracium, middeleeuws Engels boras, oud Frans boras, bourras, van middeleeuws Latijn baurauch of direct van Arabisch bauraq; wit, met het Spaanse borrax en Spaanse borrace, van Perzisch bwrk; potas nitraat en nu bekend als burah, de naam die gebruikt werd bij de productie van glas, zo ook de naam van boor. 

De naam tincar, tincal, is een Arabisch woord voor een soort van nitrum en gebruikt om goud te ontbinden, vandaar goudlijm, de ruwe borax voor het gezuiverd is.

 

Borniet, CuFeS4, ook wel bont koperkies is zo genoemd naar de Oostenrijkse mineraloog Ignatius von Born, 1742-1791.

 

Bournoniet werd vroeger zwart spiesglanserts genoemd en is later naar de Franse mineraloog J. L. Comte de Bournon, 1751-1825, genoemd. Naar het gehalte is het of koper- of looderts.

 

Breunneriet het magnesiet met magnesium tot ijzer 8 tot 2.

 

Brons, brass-brazen, koper-brons, Engels, Duits en Frans bronze, Italiaans, bronzo, midden-Latijn brundium, bij Plinius aes Brundisinum; koper uit Brindisi naast aes Cyprium; koper uit Cyprus; mogelijk van Perzisch bereng, ouder pring of biring: koper.

 

Bronsiet, Bronziet; lijkt op brons.  

 

Bytwoniet; naar Bytown ofwel Ottawa in Canada.

 

Cadmium is afkomstig van het Latijnse cadmia, Grieks kadmeia; kalamijn, zinkgalmei, van Kadmeia ge; grond van Kadmos, de stichter van Thebe, broer van Europa, het werd bij Thebe gevonden.

 

Calsiet heet ook wel kalkspaat, van chalx: gebrande kalk, dat bij Theophrastus.

 

Camee, in het Frans camee, in het Italiaans cameo of cammao, uit midden-Latijn camaeus, een verbastering van gemma: steen. Een camee noemt men in het algemeen een steen waarop verheven werk is aangebracht zodat men ze wel onderscheiden moest van de ingesneden stenen die verdiept en bekend onder de naam ‘intaglien of intaglio’ zijn. Dat van Italiaans intaglio, Latijn intalliare; hakken, kerven. Latijn talea, gesneden takje, vergelijk taille.

 

Carborundum SiC: koolachtig, Latijn carbo; houtskool, wordt steeds nauw in verband met korund gebracht, het is geen mineraal, maar een gesteente met een gevarieerde samenstelling waarbij korund een belangrijke rol speelt.

 

Carnalliet, Duits Carnallit, eerst beschreven door Heinrich Rose die het noemde naar de Pruisische ingenieur Rudolf von Carnall.

 

Celidonius, Latijn chelidonius; van een zwaluw. Zwaluwsteen.

 

Cerussiet, van Latijn cerussa: loodwit of wit lood, heet ook wel wit looderts of loodcarbonaat.

 

Chalcedoon, chalcedon, calchedoon, calcedone, calcidone, Midden-Latijn chalcedonius lapis, achates chalcedonius; midden-Hoogduits calcedôn, calcidôn; noord-Duits chalcedon, Engels chalcedony, Grieks kalchedon. Het wordt gevonden te Latijn Chalcedon, Grieks Chalkedon, nu Broessa, nu Kadikioi (Skoetari) aan de voet van de Olympus en is het eerst door de bewoners van Chalcedon in de handel gebracht.

 

Chamosiet lijkt op chloriet en is genoemd naar de berg Chamoson in Wallis, Zwitserland.

 

Chastoliet of chiastoliet; Grieks chi die in de vorm van een kruis geschreven wordt. Het is andulasiet in kristalvorm met regelmatig insluitingen van klei of koolstofdeeltjes en zodanig dat op de breedtedoorsnede een zwart kruis of x te zien is. Chiastoliet houdt verband met de kruisvormige tekening en is bekend als lapis crucifer; kruissteen, wat al in de 17de eeuw bekend was en wordt doorgezaagd als amulet gedragen.

 

Chloriet, Grieks chloros: groen, de vaak groene kleur van chlorietmineralen, vergelijk chloor, Engels chlorite.

 

Chromiet of chroom, chroma: kleur, omdat chroomverbindingen vaak sterk gekleurd zijn.  Duits chromit, Frans chromite.

 

Chrysoberil, Grieks chrysos: goud, zo goudkleurige beril. De chrysoberyllon van de ouden is onze tegenwoordige topaas.

 

Chrysocolla, chrysos; goud, colla; lijm of soldeer, omdat men deze materie aan het goud met zilver toevoegde om een geschikte legering te krijgen waarmee men het goud soldeerde. Het is bekend als kopergroen, kiezelkoper, kiezelmalachiet en koperblauw.

 

Chrysoliet, midden-Nederlands crisolijt of crisout, Engels chrysolite, Duits Chrysolith, Latijn chrysolithus, Grieks khrysolithos, van khryso: goud, lithos: steen, gouden steen. In oude tijden was het bekend met de naam topazos of topaas terwijl zijn topazos de nu bekende chrysoliet is, zie daar. Het is een olijfkleurige halfedelsteen, in Frans en Engels heet het peridot. De transparante felgroene wordt olivine of olivijn en de olijfgroene vorm peridot genoemd.

 

Chrysopraas, in Duits Chrysopras, midden Nederlands crisepas (se)m,  een verbastering van crisoprasse, uit Latijn/Grieks chrysoprasus. Chrusos: goudkleurig, en prasson: groen als prei, of prasmai; schatten.

 

Cleavelandiet; naar de Amerikaanse professor Cleaveland.

 

Coelestiet, Schutz beschreef in 1791 als vezelig zwaarspaat uit Pennsylvania. Klaproth analyseerde het in 1797 als strontiumsulfaat en Wener noemde het naar de blauwe kleur coelestis: hemelsblauw. Ook coelestien of celestiet, een kleurloos tot lichtblauw mineraal.

 

Corangeline (corangelijn), cornalijn, kornalijn of carneool dat soms verbasterd wordt tot corangelijn, Hoogduits carneol, midden-Hoogduits corneol of cornĒol,  Frans cornaline, van Latijn cornu, corne: gehoornd, corneolus, steen met de kleur van kornoelje, Cornus mas, de vleeskleurige bessen. Maar Corneolus heeft een vleesrode kleur. Dan van Latijn carneus wat vleeskleurig betekent.

 

Cordieriet, was al bekend bij Abraham Gottlob Werner en kreeg de naam van lolith; Grieks iov; viool, lithos steen, viooltjessteen naar zijn zwartblauwe naar violet trekkend ekleur die hem op een viooltje leek.

De Franse mineraloog Louis Cordier gaf het de naam Dichroiet; di; twee, kroma; kleur. Het heet ook Polychriet; veelkleurig, naar de duidelijke assenkleuren. Door opname van water en afgifte van kiezelzuur ontstaat praseolith, praseolite, van Grieks prason; prei. Esmarkit, esmarkite, genoemd door Berzelius naar de mineraloog Hans Morton Thrane Esmark.

 

Crocidoliet, Grieks kroky; dutje op doek, blauw asbest.

 

Cymofaan (Cymophan of Kymophan) van de mineralogen, van kyma: golf. Het is de reflectie van de bovenste lagen die deze verschijnsels opwekken. Chatoyeren is het genoemd naar het Franse chatoyante; kattenoog, waarbij reflectie optreedt die onder bepaalde lichtinval een lichtende streep geef en vooral als het ‘en cabochon’ of bol geslepen is. Chrysoberylkatoog, de Oosterse, Ceylonse of Indische katoog die (foutief) ook wel opaliserende chrysoliet van de handel genoemd wordt.

 

Demantoiet; diamantachtig.

 

Diadochit, diadochiet, Grieks diadochus, navolger, opvolger, dat in de plaats van arsenicum in fosfor voorkomt.

 

Diamant. Adamas was een van de Trojaanse vorsten. Het was ook het mythische ‘godenstaal’, αδάμας of adamas, "onverslaanbaar", waarvan de helm van Hercules, de ketens van Prometheus, volgens Aeschylus, en dergelijke gemaakt waren. Met een sikkel van adamant ontmande de aardmoeder Geae (Uranos) Kronos omdat hij haar kinderen gedood had, Rond 800 v. Chr. Wordt door Hesiodus vermeld dat het ‘grauwe staal’ door Geae gebruikt werd om er de sikkel mee te smeden. Volgens een voorspelling zou die zijn dood worden. Ze gooide de edele delen in het water, bij Cyprus, waar ze toch wat in leven bleven en door het schuim dat er om heen ontstond werd Aphrodite geschapen (Aphros; schuim). Verder de tafels van het noodlot, de ketenen van de hellehond Cerberus, de poort van het verblijf der rampzaligen. Mogelijk was het gehard staal, de hardste materie die men toen kende.

Door de Grieken werd IndiĎ het middelpunt van een reusachtig rijk. De inval van Alexander de Grote, 327 v. Chr., bewerkte dat talloze radja’s zich aaneen sloten. Alexander stond voor Magadha en gereed zich een weg te banen naar de diamantlanden waar zijde en porselein hun oorsprong hadden toen zijn soldaten hem tot terugkeer dwongen. Ptolemaeus, de legeraanvoerder van Alexander, maakte het westen bekend met de diamantrivier. Hij noemde die adamas, de ontembare, en gaf daarmee de diamant een naam waarmee Plato alle harde stoffen en metalen had aangeduid. De diamantrivier was de Mahadani, de adamasrivier. Bij Plato en Theophrastus wordt in de 4de eeuw voor Christus voor het eerst de uit IndiĎ geēmporteerde diamanten vermeld en tegelijk met de eretitel van ‘adamas’ de onbedwingbare’. Die naam ging dan in Latijn over, bij Virgilius en Ovidius nog in de betekenis van staal en bij Plinius in de nieuwe betekenis van diamant.

Uit het gewone Latijnse (a) diamante kwam in oud Frans diamant, bij Walther de Vogelaar een diemant, bij Luther kwam het over de oud Franse nevenvorm tot Demant en pas in de 18de eeuw kwam de Italiaanse vorm diamante ook in Duitsland.

Diamant, Engels diamond, midden-Nederlands diamas, 13de eeuw, dyamant, uit Frans diamant dat weer uit Latijn diamas,  met Grieks dia; doorschijnen, wat naast adamantis: hardste ijzer of staal, ondeelbaar, onverbiddelijk  staat en dat van Grieks adamas, adamantos, a: niet en damao: ik tem, onderwerp, domitare: inbreken. Een harde ondeelbare steen als de diamant,  eigenlijk onbedwingbaar, een soort chamir of sjamir zoals Salomon die gebruikte. Salomon had zo’n kracht ook nodig bij het bouwen van de tempel, 1 Koningen. 6:7 ‘en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis’. Hij moest dus magische krachten of diamanten gebruiken.

Daarnaast ontstond in het Latijn adiamante (misschien onder invloed van het Griekse dia: doorschijnen) waaruit weer het Franse adamant, van amant: magneet, Engels adamant ontstond. Adama is Hebreeuws voor aarde, zie Adam,  toeval?

 

Diopsiet, Grieks di: twee, opsis: meningen, naar de twee verschillende opvattingen in de kristalverdeling.

 

Dioptaas. Grieks dia; door, optamai; zicht, ze zijn meestal doorzichtig.

 

Dioriet, Frans diorite, Grieks diorizein; begrenzen, omdat het gesteente uit duidelijke afgetekende lagen bestaat.

 

Distheen, van di; twee, sthenos: kracht, twee krachten, zijn elektrische eigenschappen die in twee richtingen gaan, of cyaniet of kyaniet, van kyanos: blauw.

 

Doleriet of korrelig basalt die uit kristallijne, korrels bestaat. Grieks doleros; bedrieglijk, dolos; list of bedrog, iet vanwege de overeenkomst met dioriet

 

Dolomiet heeft van  Saussure de naam gekregen naar Deodat de Dolomieu die in 1791 die dit mineraal ontdekte in de bergketen die sindsdien naar hem de Dolomieten wordt genoemd en als eerste het verschil ontdekte tussen dolomiet en kalk. Dolomiet bruist niet met zoutzuur, calsiet wel.

 

Draviet, Duits Dravit, is genoemd naar het Drave gebied, naar de rivier Drau, zijrivier van de Donau, Latijn Dravus, Karnten in Oostenrijk,  zo genoemd door Gustav Tschermak

 

Elbaiet is genoemd naar het eiland Elba, ItaliĎ, door Johan August Arfwedson

 

Enargiet, is staalgrijs tot paarszwart met een zwarte streepkleur. Grieks enarges; duidelijk.

 

Enhydros uit Grieks: water bevattend of watersteen, meervoud enhydroses, ook Hydrolith, Duits Wasserstein, Libellenstein, Engels water stone. Ze zijn ook vaak bekend als wateragaat.

 

Epidoot komt van Grieks epidosis: toegift, omdat er na een doorsnede nog iets bijgevoegd moest worden om een parallellogram te krijgen. Een mooie vorm die zwartachtig vioolblauwe tot kersrode vorm is de mangaanepidoot die naar de vindplaats in PiĎmont in ItaliĎ piemontiet genoemd wordt.

 

Fassaiet komt voor in het Fassadal van de Dolomieten. Het is een aluminiumrijke en daarom lichtere vormen van augiet en doorschijnend. Hetzelfde heet omfaciet, van Grieks omphax: groene druif, omdat het in druifvormige groene korrels in leigesteente voor komt.

 

Fayaliet, het komt vaak voor in slakken bij het smelten van koper of lood uit de ertsen en werd als eerste in slakken op het eiland Fayal van de Azoren aangetroffen.

 

Fosfor, Latijn phosphorus, morgenster, Grieks foosforos, phosphoros ; drager van licht. Witte fosfor oxideert in de lucht spontaan met uitgeven van licht.

 

Gahniet is genoemd naar de Zweede scheikundige Johan Gottlieb Gahn, donkergroen tot zwarte spinel.

 

Galeniet of loodglans komt van Latijn galena: lood.

 

Gem; edelsteen of juweel, Frans gemme, Duits Gemme: gesneden steen, midden-Engels gemme, van Latijn gemma: een knop of kostbare steen.

 

Gips, eerder gyps, ghips, Frans gypse, Latijn gypsum, Grieks gypsos, "koken’,  gypsos bij Theophrastus, gebrand gips was toen al bekend. Plinius vermeldt het verschillende malen, maar het verschil tussen heldere en doorzichtig gips met andere goed splijtende mineralen is niet altijd duidelijk zoals met calciet, zwaarspaat en glimmer. Een oude naam is seleniet, maansteen, naam voor doorschijnende gipskristallen. Lapis specularis; spiegelsteen, kalkpleister.

 

Git of gagaat, bergkool, zwarte agaat of barnsteen, (met een wollen doek kan er elektrisch opgewekt worden) gagaet heet in Duits Gagat of Gagatkohle, (=Pechkohle, Schwarzer Bernstein, Schwarzer Agtstein of Agstein; barnsteen) Frans jais, Engels jett of jet: gitzwart, van oud-Frans jaiet, van Latijn en dat van Grieks gagates lithos; steen gagaat,  waarschijnlijk is de naam afkomstig van Gagas (Gagay) in LyciĎ, een rivier in Turkije.  Dioscorides schrijft 60 jaar na Chr.; ‘Die gagaat is de beste die gemakkelijk ontbrandt en daarbij naar asfalt ruikt, het is geheel zwart en drijft op water.’

 

Glaucofaan, Frans glaucophane, Grieks glaucos; blauw, phanos; schijnen, heeft weinig ijzer en is doorschijnend, blauwgrijs tot vrijwel zwart.

 

Glimmer, Duits Glimmer; glans, Engels glimmer; zacht glanzen. Kattengoud, kattenzilver. Doorzichtig of doorschijnend wordt het muscoviet genoemd omdat het als Russisch of Moskous glas aan Europa geleverd werd. Muscoviet, Moskoviet; uit Moskou.

 

Gneis, Engels gneiss, Duits Gneis, Frans gneiss, oud Hoogduits gneisto; vonk, sprankelen, de naam is afkomstig uit Freiberg, waar de mijnwerkers het gesteente, waarin de ertsgangen besloten lagen, gneis noemden. Vaak lopen er ertsgangen doorheen of bedekt het die.

 

Goethiet werd in 1806 geēdentificeerd en is genoemd naar de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe die zich ook voor mineralogie interesseerde.

 

Goud, in Latijn Aurum of Au, verwant met aurora, morgenrood, Duits Gold, Engels gold, ook in oud en midden Engels, in oud Saksisch, oud Fries en oud Hoogduits Gulp, oud Noord gull, Gotisch gulb. vergelijk oud Slavisch zlato: geel, Russisch zoloto. Er lijken twee nauw verwante Germaanse woorden ghel en g’hel te zijn die beiden geel of geelachtig betekenen. Of de naam goud is een verbastering van de term jval uit het Sanskriet. Frans or, van aurum.

 

Grafiet heeft door Abraham Gottlob Werner zijn naam gekregen van het Griekse graphein wat schrijven betekent omdat het als potlood kon dienen, dat was eerst gemaakt van lood (in de pottenbakkerij gebruikt) waar grafiet qua kleur en glans op lijkt.  Hoogduits Graphit.

 

Granaten zijn zo genoemd naar de granaatstruik, Malum Granatum of Punica, die zelf vol granaten zit, vergelijk Granada. Granum (lapis) betekent een zaad, ponum granatum is een vrucht met zaden. Net als de granaatappel komt de steen granaat in korrels in de aarde voor. Ook de edelsteen granaat heeft een dieprode kleur, zo ook graniet.

 Granaat noemt men ook een ijzeren, holle kogel die met brandas en buskruit gevuld is, de handgranaten worden met de hand geworpen, dan door een grenadier.

 

Grossulaar is zo genoemd naar de kruisbes, grossularia, verwijzing naar de groene granaat die in SiberiĎ gevonden wordt.

 

Hedenbergiet, naar de Zweedse scheikundige M. A. Ludwig Hedenberg die het eerste ontdekte.

 

Heliotroop is ondoorzichtig, donkergroen met hier en daar rode vlekjes, punten of strepen. De rode vlekjes zijn gekomen omdat de groene heliotroop onder het kruis lag waar Jezus opgehangen werd en zijn bloeddruppels zijn op de steen gevallen.

Helios: zon, trops: keren of wenden, de rode vlekken in deze donkergroene steen zijn in zonlicht en vooral onder water doorschijnend, bloedsteen. Volgens Plinius zou hij de opvallende zonnestralen bloedrood weerkaatsen wanneer het in een glas gevuld met water ligt.  Duits Heliotrop, Silex Heliotropius, Frans heliotrope, jaspe sanguin, Engels Heliotrope.

 

Hematiet, Engels haematite, Frans hematite, uit Latijn haematites, Grieks haimatites,  haima: bloedrood, aimatitus; bloedsteen.

De bloedsteen is een vezelige rode ijzersteen of rode glaskop, in Frans fer oligiste. Het is de Duitse Glanzeisenerz en de Engels specular iron wegens de gewoonlijke hoge glans van de kristallen.

 

Hessoniet, Grieks hessoon; minder of geringer, dat naar de hardheid en soortelijk gewicht die minder is dan die van de hyacinth, een zirkoonvorm, waarmee ze veel overeenkomt. Kaneelsteen.

 

Hiddeniet is genoemd naar zijn ontdekker, de Amerikaan W. E. Hidden.

 

Hoornblende komt uit het Duits en betekent "hoorn bedriegend". Hoornblende is waarschijnlijk een oude mijnwerkersnaam naar de ertsachtige glans die bedriegt omdat je met het mineraal niets kan beginnen.

 

Hoornsteen is zo genoemd naar het hoornachtige uiterlijk, hoornkiezel. Hoornrots of ho(o)rnfels is Duits voor hoornsteen zo naar zijn taaiheid en vorm die op dierenhorens lijkt. Engels hornstone.

 

De hyaena heeft een edelsteen in zijn ogen of beter in zijn hoofd, de hyena of hyaenius, Hyaenius lapis, Hyaenia gemma, maar de ouden (Plinius) zeggen dat de oogappel in zo’n steen verandert en dat als iemand het onder zijn tong legt hij in staat is om te voorspellen en profeteren van dingen die komen.

 

Hyacinth. Over de naam hyacint is al veel gediscussieerd. Hyacint was een knappe jongeling die door Apollo per ongeluk gedood werd bij het werpen met de schijf, palet. Dit was de schuld van Zephyr die jaloers was op de liefde die Apollo aan hem gaf, zie Hyacinthus, Grieks huakinthos; jongeling, gaf, door een ademtocht van hem werd de schijf afgedreven zodat die Hyacinthus hoofd raakte, de jongeling viel op de grond. Apollo rende naar hem toe en lichtte zijn bloedende hoofd zachtjes van de grond en reinigde de fatale wond, maar niets hielp, de ademtocht bleek dodelijk. Van zijn bloed maakte Apollo de purperen bloem zodat die mocht baden in de morgendauw en de pure lucht van de hemel mocht drinken. Uit het wegstromende bloed, aldus Ovidius, ontstond de Hyacint die getekend was met de letters AI, AI. De zwarte merken op de bloemen zouden de weeklacht van Apollo weerspiegelen. Ay, Ay is een klaagtoon. Of getekend met de Y, de eerste letters van Hyacinthus naam in 't Grieks. Naar een ander inzicht zou Apollo dit AI, AI, in zijn rouw op de bloembladen van deze plant geschreven hebben. Of zou, in plaats van Y, een I geschreven hebben, de eerste naam van Apollo en Hyacinthos samen.

De kostbare steen huakinthos is rood en is mogelijk naar het neer druppelende bloed genoemd, niet naar het bolgewas die purperachtig is. Vergelijk  Openbaringen 21: de elfde edelsteen. ‘Jacincthus es een steen wel scone, blauwer dan die calerdone’, dus was de steen vroeger blauw.

Maar de hyacinthus was ook een kleurstof, zie Plinius bij Vaccinium, Linum en Gladiolus. Plinius in Nat. hist. 19,8 en Tacitus in Germanica 17 berichten van de voorkeur der Germaanse vrouwen voor linnen kleding die met helder rode zomen omzoomd waren. Dit was mogelijk een kleurstof van Rubia tinctoria zoals Plinius meedeelt dat die in GalliĎ aangeplant werd. "Hyacinthus in Gallia eximie provenit. Hoc ibi pro cocco hysginum tingitur’. ‘Ook eene stof van de kleur van den jacinth, eene fijne blauwe stof’. ‘Te spinne puerper, bis ende vlas, zide, jacinct’, Spreuken 1 (of 15) 37: 7, (Latijn sericum, iacinthum, bissum, purpura et linum). Zijde, dat is wit van kleur, jacinct, dat is blauw, de derde was purper, de vierde dat was rood. (lees geel) Toen men verschillende edelstenen uit IndiĎ wist te krijgen werd deze naam op een  blauwe doorzichtige (saffier) overgedragen.

 

Hyaliet, Grieks hualos; glas. Kleurloze glasheldere opaal met sterke glans.

 

Hyperstheen; Grieks hyper en stenos, boven en kracht. Mooie vormen worden op St. Pauls eiland gevonden aan de kust van Labrador waarom die naar de vindplaats Pauliet genoemd wordt.

 

Indigoliet, indigo: blauw, is de naam voor de blauwe vormen.

 

Juweel, midden-Nederlands jueel, Engels jewel, uit oud-Frans joel, juel, (van oud-Frans iocus) jeu: spel, Latijn jocus: spel, tijdverdrijf. Een persoonlijke sierset met kostbare stenen.

 

IJzer, Ferrum of Fe en atoomnummer 26, Middelnederlands iseren, iserna, iser, Duits Eisen, Engels iron, oud Engels iren en isen, oud Saksisch Isern, oud Hoogduits Isarn, Gotisch eisarna, oud Hoogduits Er, oud Engels ar of aer betekent hetzelfde, uit Latijn aes, koper. De basis betekent schijnt origineel of van glimmen of  van het Etruskische aisar "goden". Frans fer, van ferrum.

 

Jade is een Engelse naam die uit de tijd dateert dat men vanuit China nefriet en jadeiet begon te exporteren en de naam van de soort gebruikte die het hoogst in aanzien stond, jadeiet.

 Jade, Frans jade, 17de eeuw l’ ejade, Spaans piedra de laijade  of ljada, Grieks petra; steen; ijada; zijde, Latijn iliata; ilia; lies, lendenen, het werd gebruikt tegen koliek, niersteen, Nierenstein. Zie nefriet, Grieks nephros; nier.

 

Jadeiet is genoemd naar het Spaanse piedra de ijada ("steen van de zijkant"), omdat verondersteld werd dat het -wanneer aan de zijkant van het lichaam gedragen- nier aandoeningen zou genezen.

 

Jaspis, Duits Jaspis of Jasper, Frans jaspe, uit oud-Frans jaspre waaruit Engels jasper, uit Latijn iaspis uit Grieks iaspis gespikkelde steen’, uit Hebreeuws jasfe of yashpheh, Assyrisch ashpu,  Arabisch yasf en dat  van Akkadisch (j)aspu. De naam werd echter het meest toegepast bij groene doorschijnende stenen waartoe waarschijnlijk ook de groene agaat, serpentijn en nefriet gerekend moeten worden. Ongeveer 2000 jaar geleden werd de naam jaspis voor het eerst gebruikt voor de steen die we nu onder die naam kennen. Plinius gebruikte 'jaspis' voor een hele reeks variĎteiten van alle kleuren, die al bij volkeren in de oudheid bekend waren. De donkere tot zwarte jaspis uit India werd oorspronkelijk 'morion' genoemd, een naam die later gebruikt werd om de donkere rookkwarts aan te duiden. De groene jaspis met regelmatige rode vlekken of stippen heet nu heliotroop.

 

Kainiet, Duits Kainit, beschreven door Carl Friedrich Jacob Zincken die het naar Het Griekse kainos; (tot hier) onbekend, noemde omdat hiermee de eerste verbinding gevonden werd die sulfaat en chloride en Anion, negatief geladen ion, bevatte.

 

Kalksteen van Latijn calx; kalk, van Grieks khalix; kalksteen.  Engels chalk, Frans chaux, Italiaans calce.

 

Kalktuf, tuf, Engels tuff, Frans tuffe, Latijn tofus, is een zeer poreuze steen die ontstaan is door de vorming van korsten van kalksteen aan de oppervlakte door mossen en andere planten.

 

Karbonkel is waarschijnlijk de anthrax van Theophrastus en de Indische carbunculus van Plinius. De naam zinspeelt wel op de gelijkenis met gloeiende kool, Latijn carbo; steenkool. De naam is ontleend aan Plinius carbunculus alabandicus, almandien, in zijn tijd werden er in Alabanda in Klein AziĎ granaten geslepen tot bijvoorbeeld vazen. Carbunculus; kleine vonk, werd tot karbonkel.

Karbonkel, Duits Karbunkel of Karfunkel, Engelse carbuncle uit oud-Frans charboucle, escarboucle, en dat uit Latijn carbunculus: kleine gloeiende kool, van carbo: kool, een helderrode kostbare steen.

In oude metaforen is het de naam van de rode granaat, in geleerd Afrikaans heet die carboncle. Die of de Latijnse vorm leverde vroeg in de 13de eeuw in midden-Hoogduits Carbunkel op. De omvorming schijnt onder invloed van vonken, midden-Hoogduits Funke, gevormd te zijn.  Karvunkel. Mogelijk van Joods gorfinki, rode granaat.

Als boosaardig gezwel heeft de medici de karbonkel, grote steenpuist die qua vorm en kleur er op lijkt, als anthrax, overgenomen.

 

Karneol, Carneool of karneool komt van Latijns voor gelijk geverfd, wordt ook wel kornalijn genoemd, cornalijn of corneool dat soms verbasterd wordt tot corangelijn, Duits Karneol, Hoogduits Carneol, midden-Hoogduits Corneol of CornĒol, van midden Latijn corneolus, bij Hildegard von Bingen cornelius, Latijn cornu, corne: hoorn omdat het veel op een vingernagel lijkt. Frans cornaline, van corne; hoorn, Spaans ook zo, cornalina en in Italiaans corniole net zoals het woord voor Cornus.

Maar Corneolus heeft een vleesrode kleur. Dan is het woord afgeleid van Latijn wat vleeskleurig betekent dan naar de kornoelje, Cornus mas, die ook van cornu; hoorn, afgeleid is vanwege het harde hout, maar een vleeskleurige kers heeft.   Of het woord is tot corneolus veranderd tot carneolus, van Latijn carneus; vleeskleurig. Het Griekse woord sardios betekent carneool, met leidt het van Jesaja 44; 13 af, in Arabisch, Perzisch betekent sard vleesrood, sardoen is vleesrood als ruw vlees waarvan de naam carneool komt, van caro; vlees, Italiaans en Frans carniola, Cornaline, Cornalino. Het Syrische sumoko, van samak, betekent ook rood. In EzechiĎl is er sorduna, dus ook sardoen, samuk of samak; rood. Dus waarschijnlijk twee afleidingen.

 

Kieseriet, Duits Kieserit,  beschreven in 1861 door Eduard Reichardt die het noemde naar Dietrich Georg von Kieser.

 

Kobalt, Co, Cobalt, cobolt, cobel, kobolt of kobold is zo genoemd naar de demon van de mijnen, (goblin of aardmannetjes) de boze geesten die ervoor zorgden dat men er geen goed metaal van konden smelten en die ervoor zorgden dat het gesteente giftig arseendampen ontwikkelde. Men geloofde dus dat kobolden uit kwaadaardigheid stiekem dit metaal in de mijnen legden. Frans cobalt.

 

Koper, Cu. De naam koper, eerder coper, Duits Kupfer, Midden Noord Duits kopper, oud Hoogduits chuphar, Engels copper, oud Engels copor, Frans cuivre, Latijn cuprum, Grieks kuperion: uit Cyprus, stamt uit het Assyrische kipar, dat woord is ouder dan de naam van het eiland Cyprus waar het metaal bij de Romeinen onder de naam aes cyprium: erts uit Cyprus en later als cuprum bekend was. Koper wordt vaak geassocieerd met de godin Aphrodite vanwege de mooie glans. Om die reden werd koper vroeger onder andere gebruikt voor spiegels. Aphrodite stamde uit Cyprus.

Koperkies, CuFeS2, is messinggeel en dikwijls bont aangelopen, het bevat ijzer en zwavel. Agricola beschreef het in de 16de eeuw onder de huidige naam. Ook wordt het wel chalkopyriet of koperpyriet genoemd, Grieks chalkos; koper en pyriet, kies is wel afgeleid van kunst, het is het meest voorkomende, maar wel het armste kopererts.

 

Koraal, eerder corael, Duits Koralle, Engels coral uit oud-Frans coral (Frans corail) uit veel varianten van midden-Latijn corallum, uit Latijn corallium en dat uit Grieks korallion, ook kuralion, korallion, mogelijk van kore halos; dochter van de zee, kore; jonkvrouw, dat mogelijk van Semitische afkomst is, Hebreeuws goral: een kleine steen, vergelijk kraal. Naar Theophrastus is het steenachtig, rood en wortelvormig, groeit in de zee en heeft een zekere gelijkenis met het evrsteende Indische riet wat het zwarte koraal zou zijn. Dioscorides noemt het als een zeeplant die hard wordt in de lucht.

 

Korund,  Duits Korund, Corundum, Frans corindon, Engels corundum, komt van een Sanskriet of Hindoestaanse naam kurand of van Sanskriet kuruvinda, robijn, van Tamil woord kuruntam of kuruvindam.

 

Kraansteen. Een wakende kraan is de Egyptenaar een symbool van voorzichtigheid, maar de vliegende kraan van een wijs man die met zijn verstand hemelhoog zweeft. De waakzaamheid draagt in de rechterhand een boek en in de linker een roede en een lamp. Naast haar staat een kraanvogel met een steen in zijn opgeheven poot. Het is de Storchsteine  omdat, zoals men zegt, de storch (ooievaar) zo’n steen vast houdt om wakker te blijven. Het boek duidt op waakzaamheid van de geest en de roede op die van het lichaam. De brandende lamp is een teken dat de waakzaamheid ook op haar hoede is tijdens de nachtelijke uren.

 

Krijt, eerder crijt, Duitse Kreide, van Latijn (terra) creta; krijt, van Kreta en vooral die vorm die door de Romeinen werd gebruikt als blanketsel en om kleren wit te maken.

 

Kristal in zuivere gekristalliseerde vorm heet bergkristal. Kristal, Duitse Kristall, Engelse crystal stamt uit Frans cristal en dit uit Latijns crystallum: kristal of ijs en dat uit Grieks krystallos: ijs, extreem koud, van kryos: ijskoud, vorst. Dit is de naam voor de bergkristal omdat men die in de hoogste graad bevroren achtte dat door hemels vuur uit water gemaakt was en zo koud bevroren dat het niet meer ontdooien kan. Plinius meent dit te kunnen bewijzen omdat de crystallus meestal in de buurt van gletsjers gevonden wordt.

Men dacht dat het gedurende de loop van vele jaren van sneeuw of ijs gemaakt is. Men meende dat het op de hoogste toppen van de Alpen, waar het gevonden werd, zo sterk bevroren was dat het niet meer kon smelten. Als je deze steen in de zon zet neemt het vuur op en wel zoveel dat als er touw op geworpen wordt dat dit het touw in brand zet.  Theofratus noemde het "krystallos". Ook Plinius de Oudere maakt er melding van. De naam 'kwarts" is in 1529 ingevoerd door Georgius Agricola.

 

Kunziet is naar de mineraloog George Frederick Kunze genoemd uit New York.

 

Kwarts komt van het Duitse "Quarz", Latijn quarzum,  mogelijk een vorm van quatzerz of quader Erz, slecht erts Zwerg; dwerg, Frans en Engels quartz, van mogelijk van Slavische oorsprong tvurdu; hard, zie hiervoor ook kobalt en nikkel. Het was in de middeleeuwen een betekenis voor mijnbouw en zo voor alle kristallen. Het woord zou stammen uit Boheems TsjechiĎ,  daar is het kwarc; wrat, misschien genoemd naar de overeenkomst in gedaante.

 

Kwikzilver was ook bij de ouden bekend. De naam kwik (zie kweek, kwikstaart, verkwikken en kwiek) is afgeleid van het Oudsaksische woord quik, dat levend of levendig betekende, het Engelse quicksilver betekent dan ook van oorsprong levendig zilver, Duits Quecksilber. Een vergelijkbare Latijnse naam is argentum vivum, maar de officiĎle Latijnse aanduiding is hydrargyrus (uit Grieks hydro-, "water", met Latijn argentum, "zilver"). Het symbool Hg dankt kwik dan ook aan deze Latijnse naam. De Grieken noemden het hydrargyros: waterzilver of vloeibaar zilver omdat het bij kamertemperatuur levendig of vloeibaar wordt. Het behoort tot een van de zeven metalen van de oudheid en was bij de Romeinen aan de god Mercurius gewijd, zie de Engelse naam mercury.

 

Labrador of Labradoriet werd door de Moravische broeders, paters, in grote stukken in het N. Amerikaanse gewest van die naam gevonden, Labrador: het eerste gevonden op het eiland St. Paul voor Labrador.

 

Lava, uit Italiaans lava; stroom uit een vulkaan, in Napels lava; regenmeer, stortvloed van water die de straten overloopt, vergelijk lavare; wassen. Frans lave, zie lawine.

 

Lazuriet heeft zijn naam naar de uiterlijke overeenkomst met lapis-lazuli, van Perzisch lazward, dat blauw betekent. Het wordt ook blauwspaat en valse lapis genoemd.

 

Lazuursteen.  Perzisch lazward: lazursteen, lazuurverf, geeft Arabisch lazaward of lazuward. Omdat het azuur als artikel geschat werd kwam in midden-Latijn azura, Italiaans azzuro en Frans azur. Vandaar dringt azuurblauw: hemelsblauw naar ons en Duitsland door, in Duits Lasurstein.

Het lapis lazuli dat via de Arabieren hier kwam. Lapis: Latijn voor steen, lazuli komt van Arabisch azul: blauw, vergelijk azuur. Vooral werd het gebruikt in de wapenkunde, in het hemelsblauw of in het lazuur gekleed.

 

Ligurius. In GermaniĎ bestaat een barnsteen, ligurius, lyncurius (Isidorus) of lynxpis, blijkbaar is die zo genoemd naar het gele water van de lynx. Exodus 28;19. De urine van de Lynx wordt tot edelsteen die ligurius of lynxsteen, (Duits Luchsstein, ook Lyngurion, Lynkurer of droomsteen) heet en de kleur van hyacint heeft (het mineraal zirkoon). Het kan een fossiele hars zijn die zich naast bruinkool ontwikkelt in de tijd van 40-50 miljoen jaren geleden. Dat van de Ligurius den, Pinus succinifera.  Deze komt het beste met de tekst van Maerlant overeen.

 

Limoniet was vroeger in vele namen bekend, meestal naar de kleur. De naam komt van Limus: slijk, in de betekenis van moeras, het is het moerasijzererts.

 

Lipariet bevindt zich op de Liparische eilanden. Heet nu meer ryoliet, van Grieks rhein; stromen,  de lava, lithos; steen.

 

Litargirum of Lithargirium argenteum, Grieks lithos; steen, met zilver, Argentum, is zilversteen of zilverschuim of Argytiris en met aureum (Aurum) is het goudschuim of gloudglit, lithargirium auri, goudschuim.

Het is loodoxide dat ontstaat als het lood boven zijn smeltpunt met lucht in aanraking komt. Wordt de hitte boven zijn smeltpunt opgevoerd zoals gedaan wordt bij het afdrijven van zilver ontstaan er schubben, het loodglit, dat bij een snelle afkoeling een lichte geelachtige kleur heeft en dan zilverglit genoemd wordt of zilversteen. Bij een langzame afkoeling krijgt het meer een roodachtige kleur en heet dan goudglit of goudschuim.

 

Lithografie is afgeleid van het Griekse lithos; steen, grafein, tekenen, schrijven.

 

Lood, Plumbum, Pb, oud Engels lead, midden Engels lede: gewicht, ook bij ons als een lood, dieplood, zo ook oud Frans lad.

Lood, Engels lead, oud Engels lead, van Proto Germaans lauda, Proto Indo-Europees lAudh, verbonden met Schots leid, lede, Noord Fries lud, luad, Duits Lot (soldering) Zweeds lod, Iers luaidhe.

Duits Blei,  oud Hoogduits pli, rond 800 bliwes; de bleke, stralend, Zweeds  en oud Noors bly, Angelsaksisch bleo; kleur, vorm, van Germaans bliwa; blauw of Litouws blyvas; paars,  in ieder geval een kleur, een niet Indo-Germaanse ontlening waarop ook het Latijnse plumbum en Griekse molybdos; lood, behoren. Peristephanus geeft pleud als gemeenschappelijk uitgangspunt, (Plumbum en blei) het smeltende, vloeiende, en dan mogelijk verbonden met Proto Indo-Europees ploud; vloeien en verbonden met Plumbum.

Of Indo-Germaans bhlei; glanzen, schemeren en betekent zo iets stralend en dan is blei met blik en bleek verwant. Op fris snijvlak glanst het blauwachtig wit.

Frans plomb van plumbum, vergelijk plombe.

 

Magnesiet is al vanouds bekend, het komt van het landschap Magnesia op het Griekse eiland Eubeua.  Engels magnesite.

 

Magnetiet, magneeterts of -steen is magnetische ijzer. De Griekse schaapsherder Magnus was de eerste die een magnetisch steen vond, 900 v. Chr. op de berg Ida, lithos Magnes. Dit is de steen magnes of magnetis die ijzer aantrekt. Plinius verhaalt van de ontdekking door een herder wiens schoenspijkers en ijzeren spits van de herdersstaf als het ware aan een steen bleven kleven. Hij maakte onderscheidt tussen meer soorten, mannelijk en vrouwelijk, de mannelijke had de kracht om ijzer aan te trekken, dus het magnetiet. De vrouwelijke was mogelijk mangaanerts wat er veel op lijkt.

Meer waarschijnlijk is het genoemd naar Magnesia, ThessaliĎ, of Magnesia aan de Meander of andere steden in LydiĎ, (de Lydische steen) met dezelfde naam waar al meer dan 2500 jaar magnetische stukken ijzererts gevonden zijn. Litho magnetis; steen uit Magnesia.

Magneet, Duits Magnet, Engels magnet,  eerder magnes, oud Frans magnete, Latijn magnetum, Grieks ho Magnes lithos, Magnesia in ThessaliĎ. De lodestone, zeilsteen, Engels lode; reis of weg, zeilsteen naar het gebruik in de scheepvaart, kompas. Frans aimant, zie magneet of adamas bij diamant.

 

Malachiet, Duits Malachit, Frans malachite, oud Frans melochite, van het Griekse malache of diepgroen, (groen kaasjeskruid of Malva), vanwege de heldergroene kleur van deze plant,

van het latere Latijnse molochites waar Plinius eerst een doorzichtige, donkergroene steen, als de smaragd, en later een purperkleurige onder verstond, Grieks molochites; Malva. Door de Grieken werd malachiet als smaragdos aangegeven. Of van malakos; week of zacht.

 

Mandelstenen, amandelstenen, Duits Mandelstein, noemt men gesteenten die in een dichte grondmassa talrijke ronde, peer of amandelvormige holten bevatten. Die zijn waarschijnlijk daarin ontstaan toen het gesteente nog in gesmolten toestand verkeerde. Dikwijls zijn deze holten geheel of gedeeltelijk gevuld bijvoorbeeld met kalk, agaat etc.

 

Marcasiet, markasiet, Duits Markasit, Engels marcasite, Frans marcassite, Spaans marquesita, van het Arabische woord marqasitha of marqachita en geworden tot marchasita, de oorspronkelijke benaming voor pyriet en vergelijkbare mineralen.

 

Marmer, eerder marber, marbel, Duits Marmor, oud Hoogduits Marmul, Engels marble, oud Engels  marma, Frans marbre, Italiaans marmo, marmorio, van Latijn marmor van Grieks marmaro; steen, van maenasthai; vergruizelen, kleine balletjes gebruikt door kinderen, in volksetymologie verbonden met glanzende steen of rots, door associatie met marmairein: schijnen, glanzen.

Knikkers, Duits tribekugeln, Engels marbles waren eerst van gepolijst marmer of alabaster, later van klei en in1840 kwamen de glazen knikkers.

Er is een spreekwoord: even hard, koud als marmer.

 

Meerschuim, Duits en Engels Meerschaum; zeeschuim, Frans ecume de mer, een vertaling van de oorspronkelijke Latijnse benaming Spuma maris en Griekse halos achne, halos; zee, achne; schuim, (droge stukken kunnen namelijk drijven op water). De officiĎle naam is Sepioliet en doet wat denken aan de structuur van inktvisschelpen (Sepia), lithos; steen, vandaar de naam Sepioliet. Maar die bestaan uit kalk.

 

Melafier, Grieks melas; zwart, met porfier, Duits Porphyrit, Engels porphyry, Frans porphyre, Latijn porphyrites, Grieks porphuros; purper.

 

Melaniet bevat kalkijzertitaangranaat en is door titaan zwart gekleurd, Hoogduits Melanit, door de Duitse geoloog Abraham Gottlob Werner gevormd van Grieks melas; zwart.

 

Mergel, eerder merghel, oud Hoogduits mergil, Duits Mergel, oud Noord mergill, Engels marl, midden-Latijn margila, is een  oorspronkelijk Keltisch woord, margila, de bemesting met mergel werd het eerst door de Kelten toegepast. Het Romeinse "marga" bij Plinius die het als een Keltisch woord vermeldt. Hieronder verstonden de Romeinen alle niet verharde kalkhoudende sedimenten.

 

Messing, eerder messinc, middel Hoogduits messinc, oud Engels maesling, maeslen, mogelijk van Grieks Mossunoikos chalkos; brons van de Mossynoiken, volk in Klein AziĎ. Geelkoper, in de vorm van folie ook wel latoen, latoenmessing of latoenkoper genoemd, Engels latten; lat’ dunne plaat, van oud Frans laton, van Arabisch latun; koper, van Turks altun; goud, koper. Het is een legering van koper en zink. De naam geelkoper is afgeleid van de kleur.

 

Mica, Latijn mica, korreltje, micare; glinsteren, fonkelen,  Grieks mikros; klein, naar de gemakkelijke splijtbaarheid in zeer dunne platen.

 

Microklien; micros: klein, klino: hoek of neiging.

 

Molybdeenglans, Grieks molybdos: lood, omdat het op lood leek, vergelijk oude Duitse naam waterlood, bovendien was dit erts, evenals lood, bruikbaar als schrijfge­rei. Engels molybdenum, Frans molybdene, Duits Molybdan.

 

Natroliet, natriumsteen, Grieks natron; soda, lithos, steen.

 

Nefelien, Frans en Engels nepheline, Duits Nephelin, van Grieks nephele: nevel of wolk, heldere kristallen worden in sterke zuren troebel, zetten zich wolkachtig neer, elaion: olieachtig, dat voor de olieachtige korrels die eleoliet heten, Duits Elaolith.

 

Nephryt  of nefriet, Grieks nephros: nier, het werd als amulet tegen nierziektes gedragen, in Frans nefriet, Engels nephrite, Duits Nephryt, Beilstein en Nierenstein. De naam bijlsteen stamt van de vele bijlen en messen die men uit het prehistorische tijdperk opgegraven heeft die van deze steensoort gemaakt waren.

 

Nikkel, Ni, het lijkt veel op koper, is geen koper en het zou een grap zijn van de nikkels of berggeesten en vandaar de naam Kupfernickel (Nix) of koperduivel, duivelskoper, Engels old nick,  zie kobalt. Zo genoemd door de Zweed Axel Frederic Cronstedt.

 

Obsidiaan, Duits Obsidian, naar de Romein Obsius die als eerste obsidiaan van EthiopiĎ naar Rome bracht.

 

Oligoclas; oligos: weinig, klao: splijten.

 

Olivien heet het naar de olijfgroene kleur, Latijn oliva; olijf,  en is vermoedelijk de groene topaas in de historia naturalis van Plinius. Het wordt soms chrysoliet genoemd.

 

Onycha: Latijn onyx,  Grieks onux; vingernagel, de markeringen op de bloembladen van Cistus zouden de reden geweest zijn voor die naam.  Verwant met het Griekse woord is het Latijnse unguis; nagel. Duits Onyx, Onyxe, Nagelstein. De naam onyx betekent klauw of nagel en daaraan ontleent de kleine schelp op de voet van vele weekdieren die door de grote schelp gesloten wordt zijn naam.

Onycha, in het Hebreeuws shecheleth, zou voorkomen in Ecclesiasticus of Jezus Sirach. 24:15, Exodus 30:34. Verwijzingen naar de onyx komen op meerdere plekken in het Oude Testament van de bijbel voor, de eerste in Genesis 2, vers 12. Zie verder Leviticus 11:9 en 12. Volgens rabbijn Bahya ben Asher betekent het woord "shoham" in Exodus 28:20 onyx. Volgens hem was onyx ook de steen op de efod die stond voor de stam van Jozef. Daarnaast waren ook de schouders van de efod voorzien van twee van dergelijke "shoham"-stenen.

De naam wordt tweemaal vermeld als een bestanddeel van het heilig reukwerk, een andermaal in de Apocriefe boeken als een zelfstandigheid die een lieflijke geur verspreidt.

Mogelijk is het een tweeĎrlei begrip, de steen onyx in Exodus 28:20, ‘de edele steen die Onichinus heet die een gemengde kleur heeft, dat is wit en rood. En het is doorschijnend als een mensennagel en het groeit in IndiĎ. En hierom is het niet gelijk met de andere stenen (van het borstharnas) want die groeien in ArabiĎ. En deze uit IndiĎ hebben een vurige vorm en zijn omgeven door witte ringen.’

Onyx in Hebreeuws shotam wat verwant is met Arabisch sachma; zwart, zo ook Hebreeuws shechor (van schecheleth) betekent zwart. Laudanum wordt na rijping zwart en hard en geurend. De bloemen hebben vingerachtige markeringen en zo verbonden met het Griekse woord onyx en klauwen werden gebruikt om laudanum te verzamelen. Laudanum was al lang bekend bij de farao’s waar de HebreeĎrs het geleerd konden hebben. Uit; https://en.wikipedia.org/wiki/Onycha.

De andere onyx is mogelijk een plant‑dierlijk product (Exodus 30:43, Ecclesiasticus 24:15 , Hebreeuws shecheleth, sjecheleth, het is verwant met het Syrische shehelta wat vertaald wordt als traan of afscheiding. De Talmud zegt duidelijk dat de shecheleth niet van een boom is, het groeit bij de grond en het is een plant, Kerithoth 6b. Het werd bij de Septuagint onycha en in de Arabische versie ladana, Cistus ladanifera.

Toen de Torah in Grieks werd vertaald werd het Griekse onycha; vingernagel of klauw, vertaald voor shecheleth in Exodus 30;34.Uit deze kleinere schelpen of klep verkreeg men enkele bestanddelen die de wierook samenstelden. In de Rode zee vindt men er veel soorten van. Onyx zou op Murex anguliferuskunnen slaan die in heel IndiĎ als een zogenaamd geneeskrachtig rookmiddel gebruikt wordt. Koning noemt een vis, genaamd Conchylium en haalt Dioscorides aan: "Een schulpje of dexel van 't vischken Conchylium genoemt, zoals ons Dioscorides zegt II, 8:1, welk in de meren van IndiĎ die Nardus voortbrengen gevonden wordt. Het ademt een aangename reuk uit omdat het door den Nardus gevoed wordt’. Waarschijnlijk zijn er nog wel meer moge­lijkheden.  Dit is wel Operculum soort wat een klein lid betekent die in Latijn Conchylium heet. Het lijkt op een klauw waarvan de originele naam komt, Unguis odoratus. De naam Blatta Byzantina komt omdat het geēmporteerd werd uit het oude Byzantium. Volgens de Babylonische Talmud werd het gewreven met een alkali oplossing van de bittere wikke, Vicia ervilia, om verontreinigingen eruit te halen, geweekt in gefermenteerde sap van de kappertjes struik, Capparis, of sterke witte wijn om zijn geur te versterken.

 

Ooliet, Grieks: oon; ei; lithos; gesteente, eisteen, zo genoemd naar de kuit van vis; Engels: ooliht, oolite) is een sedimentair gesteente dat gevormd wordt door ooiden, afgeronde, uit concentrische lagen kalk of klei opgebouwde korrels van 1-5mm doorsnede.

 

Opaal, Engels opal, Duits Opal, Frans opale van Latijn opalus dat van Grieks opaillios of opalios, wat verbonden is met Sanskriet upala: steen, edelsteen. Dat is een algemene naam, terwijl volgens Allan W. Eckert de Magyaren, Hongaren opaalmijnen opalbanya noemden. Een zekere Griek met de naam Onomakritos schrijft hiervan; ‘de fijne zachte kleuren van een opaal doen mij aan een lief kind denken’.  Plnius zegt er van: in hem is het vuur eigen en fijner dan in de karbonkel, het bezit de purperen vonken van de amethist en het zeegroen van de smaragd en een ongelofelijke mengsel van licht.

Parelmoeropaal (kascholong, cacholong, van Cach, de naam van een rivier in Bokhora, cholon; steen) Duitse Perlmutteropal, Kalmuckenagat, Kalmuckenopal, Porzallanopal.

Vuuropaal, Duitse Fueropal, Frans girasol of zonne-opaal. Italiaans voor zonnebloem, zonnesteen, girare; draaien, sole; zon,

Edele opaal, (element-, firmamentstein)

Glasopaal (hyaliet, Grieks hyalos; behorend tot glas)

Houtopaal of halfopaal, Duits Halbopal, Holzopal.

Wereldoog, hydrofaan, (hydrophaan, Grieks: hydor: water, phanos: lichtend) wereldoog, oculus mundi, kameleonsteen, Lapis mutabilis, Weltauge, Milchopal.

 

Orthoclas of orthoklaas, Grieks orthos; recht, klosos; breken.

 

Paddensteen, in Waals noemt men het crapandine’. Crapaudiae, pierre de crapaux,  Engels toadstone, Latijn lapis bufonis, bufonite,  bij Albertus Magnus borax, bij Megenberg botrax.

 

Parels zijn vanouds bekend, ze werden bij de Perzische Golf gevonden, aan de kust van ArabiĎ en de kust van Coromandel. Ze zijn al lang in IndiĎ bekend, in de Bijbel komen ze voor en in Egypte na de verdrijving van de Hyksos kwamen ze in zwang. Theophrastus vermeldt ze het eerst en wel onder de Griekse naam margaros wat woord mogelijk afkomstig uit Sanskriet manjar: bloemenkrans of parel. Georgisch margali; parel.

Vandaar kwamen ze bij de Romeinen en werden in Romaanse talen margarita genoemd. Oud Saksisch merigrita, oud Hoogduits merigrioz, oud Engels meregrot, Latijn margarita, Grieks margarites: parel, oorspronkelijk is dit wel een Babylonisch woord, mar galliti: dochter van de zee, respectievelijk kind van het licht. Beide in verband met het geloof van de oude Perzen dat oesters ‘s nachts omhoog komen om de maan te aanbidden en dat zij hun schelpen openen als zij het wateroppervlakte bereiken en een druppel dauw opnemen die door de stralen van de maan in een parel verandert. Ook de naam Margriet komt hier van.

Het woord parel (peerl, perle, beerl) oud Hoogduits perala; de glanzende, helle, perula, Duits Perlen, Engels pearl, Frans perle schijnt met bes (beere, peer) in verband te staan, van een wortel die natheid betekent, peervormig bolletjes. 

Paarlemoer is de moeder van de parel, Duits Perlmutter, mother of pearl, Latijn mater perlarum, zit in sommige oesterschelpen die de parel baren.

 

Pentlandiet, (Fe,Ni)9S8. of ijzernikkelkies, is begin 1800 door de Ierse natuurhistoricus Joseph Barclay Pentland ontdekt.

 

Peridoot. Transparante olivijn wordt soms gebruikt als edelsteen, vaak peridoot genoemd, afgeleid van het Franse woord voor olivijn: peridot, van Arabisch faridat dat edelsteen betekent. De Duitse geoloog Werner gaf dit mineraal in 1790 de naam olivijn, vanwege zijn olijfgroene kleur. Of van Latijn paederos; opaal, van Grieks jongeling en liefde; opaal.

 

Periklien; periklines: rondom neigend, naar de vorm.

 

Perthiet; naar Perth in Québec te Canada.

 

Phenakiet, Phenaciet, Phenakite, Fenakiet of Fenaciet komt van Grieks phenax; bedrieger of leugenaar omdat het in veel eigenschappen, kleurloosheid en glans zeer gemakkelijk met andere edelstenen en vooral kwarts verwisseld kan worden.

 

Picotiet,  Frans picotite van Picot, Baron de la Peyrouse, Franse naturalist die het mineraal beschreef, of  chroomspinel.

 

Plagioklaas; plagios: scheef, klao: splijten.

 

Plasma: het gevormde, geknede, is zo genoemd door Werner naar de vele cameeĎn die hier vroeger uit gesneden werden.

 

Platina. Door de oorspronkelijke bewoners van Amerika werd platina al lange tijd gebruikt, voordat er omstreeks 1500 voor het eerst melding van wordt gemaakt in geschriften van onze Julius Caesar Scaliger. Die beschreef platina als een wonderlijk metaal dat werd aangetroffen in (het huidige) Panama en Mexico en onmogelijk kon worden gesmolten. In 1790 werd het als een zelfstandig metaal ontdekt en naar de Spaanse naam voor ‘zilvertje’, platino, van plata; zilver, genoemd, Frans plate, zie plaat, metaal in platen en dan plat.

 

Polyhaliet, Duits Polyhalit, Grieks polys; veel, hals; zout, de vele zoutbindende metalen. Beschreven door Friedrich Stromeyer.

 

Porfier, Duits Porphyr, Frans porphyre, Latijn porphyrites, Grieks porphyrites (lithos); purper, naar de purperslak.

 

Prasem is groen. Midden Latijn prasinus van Grieks prasinon of pratites: lookgroen geverfde steen, een lookgroene kwarts, prason; prei, vergelijk ook de steennaam chrysopraas. Het is een soort amethist. De ouden meenden dat dit het moedergesteente van de smaragd was waarom ze die smaragdus matrix noemden, smaragdmoeder.

 

Proustiet is genoemd naar de Franse scheikundige Joseph Louis Proust (1755 - 1826).

 

Psilomelaan komt van de Griekse woorden psilos; glad of kaal, melas; zwart, wat verbasterd werd tot zwarte glaskop, zie hematiet. Tegenwoordig wordt het mineraal romanechiet genoemd, Romanechit. Het werd ontdekt bij de gemeente Romaneche-Thorins in het departement Saone-et Loire en beschreven in 1900 door Antoine Lacroix.

 

Puimsteen, Latijn pumicem, van pumex, verwant met spuma; schuim. Duits Bimsstein, Engels pumice, Het is een witte of grijze, zeer poreuze lavasoort. Het is rijk aan holtes, bijna schuimachtig waardoor het op water drijft.

 

Pyriet geeft vonken af als het tegen ijzer wordt geslagen en werd als vuursteen gebruikt, Engels pyrite, Frans pyrite, Grieks pyrites (lithos; steen), pyr: vuur. Zie Engels pyre; brandstapel. Een naam gebruikt door Dioscorides.

 

Pyrolusiet komt uit Grieks pyros: vuur, luo: wassen, naar de vanouds bekende eigenschap om gesmolten glas dat door ijzer groen is gekleurd te reinigen of te wassen. Duits Pyrolusit. Van magganizein: reinigen, is ook de in de 16de eeuw ontstane naam lapis manganensis voor dit mineraal afgeleid.

 

Pyroop, piroop, Duits Pyrop, oud Frans pyrope, Latijn pyropus, van Grieks pyrus: vlamvormig, vurig, of van pyropos; met vurige of vlammende ogen, zie Pyrus. Het wordt ook rhodoliet genoemd, Grieks rhodon; roos, lithos; steen.

 

Quirin is een steen (est lapis) die in het nest van de kievit gevonden wordt. Deze steen  geeft en ontdekt in slaap raad en privé geheimen. Want deze steen die gelegd wordt onder het hoofd van iemand die slaapt laat hem vertellen wat hij denkt en vermenigvuldigt wonderlijke fantasieĎn. Daarom houden heksen van die steen want ze maker er hun heksenwerk mee. Vaak is die naam fout ontstaan omdat men de steen van de hop, bij Albertus Magnus) vertaalde als kievit steen.

 

Realgaar, Latijn Arsenicum rubrum, Engels realgar, red orpiment, King’s red, Frans rubis d’ orpipent, relagar, Spaans rejargar (operment) een Arabisch woord, rahdsch al ghar en rahg al-gar betekent zoveel als mijnpoeder of stof van de grot, ghar; grot, omdat het in zilvermijnen werd gevonden. Of van rhag al-far’ rattenpoeder, het gebruik. Plinius de oudere noemt het sandaraca of sandracca. Ook rattenkruid, rood arsenicum of robijnzwavel. Het werd door alchimisten gebruikt die het risigallo noemden. Het werd medisch gebruikt, ook voor het ontharen van vellen zo al in de oudheid.

 

Rhodoniet, ook mangaankiezel, kiezelmangaan of roodbruinsteenerts genoemd. Het is een mangaanerts waarvan de  naam afgeleid is van de roze kleur of van het Griekse woord 'rhodon' dat roos betekent, rozensteen.

 

Robijn, Duits Rubin, Engels ruby, oud-Frans rubin, van Latijn rubinus; roodachtig, rubeus of ruber: rood.  Het werd na de veroveringstochten van Alexander de Grote bekend. Een echte naam hadden ze er niet voor maar werd met andere van gelijke kleur carbunculus genoemd.

 

Rubelliet, rubra: rood, is de naam voor de rode vorm, hoewel die tot roze kan gaan. Het waardevolste is de robijnkleur.

 

Rutiel, Abraham Gottlob Werner noemde het naar rutilus: roodachtig, roodbruin, Frans rutile, Duits Rutil.

 

Saffier, eerder saphiere, Duitse Sapphirin, Engels sapphire, midden-Nederlands saphir, uit Frans saphir, uit Latijn sapphirus, uit Grieks sappheiros en dat uit Hebreeuws sappir, Aramees sampir, wat weer uit Oudindisch sanipriya stamt, waarschijnlijk een verwijzing naar de lapis lazuli, (de tegenwoordige saffier heette in Grieks hyakinthos) of is zo genoemd naar het eiland Sapphirine in de Arabische zee. 

 

Sardonyx of sard, van Grieks sardonux, van Sardeis of Sardis waar Croesus woonde, LydiĎ, met onyx.

 

Sanidien; sanis: plank, of blad naar de x vorm.

 

Sardoen, sardoon, saerdoen, sardone, sarder, sardon; ook sardonis. Naam van een edele steen dat hetzelfde is als sardonix, in Latijn-Grieks sardonyx; midden-Hoogduits sardonis, Engels sardonix, hoog-Duits sarder, sardoner en sardonier, Frans sardonyx en sardine. Daarnaast zal ook wel sardonius in gebruik geweest zijn. Sarder was vroeger een handelsplaats  in Klein-AziĎ waar het uit IndiĎ gevoerd werd om daar geslepen te worden en vandaar in de handel gebracht werd. De naam komt wel van Perzisch sard; geelrood, af en heeft zo niets met de haven te doen.

‘Sardonix heeft de naam van sardius en van onyxx  en is van drie kleuren want het is zwart in het laagste, wit in het midden en rood in het bovenste. Sardonix is een steen, hard, rood, wit en zwart alsof het van onichinus, van onyx en van sardius (var. sardiuse) samengesteld was.  De vorm met twee lagen noemt men in ItaliĎ Niccole en Nigrillo waarvan in Duits Onickel maakte, waarschijnlijk een laag obsidiaan. Het is dus een mengsel van twee stenen, sarder en onyx. In de oudheid verstond men onder Sardonyx een bruine onyx met strepen die ook naar de rode kleur carneool genoemd werd. Sarder is geel tot bruinrood.

 

Schorl, Duits Schorl, naar een oude mijnwerkersuitdrukking voor valse steen in Saksische gemeente Zschorlau.

 

Scoleciet, Grieks skolex; wormachtig,  het zwelt eerst in een vlam en wriemelt als een worm voordat het smelt.

 

Serpentijn, Frans en Engels serpentine, Duits Serpentin, Latijn serpentium, is zo genoemd, net als het gesteente serpentiniet, naar de kleur van sommige variĎteiten die op een slangenhuid (serpent, serpens) lijken met zwartgroene of donker bruine vlekken, het is de slangensteen, Schlangenstein, Lapis Serpentinus; slang of bedrieglijk.  Grieks lithos ophites. Vandaar het woord ofiet, Frans ophite, Latijn ophites; slang. De vorm waarin de mineralen gegroeid zijn in het gesteente doet denken aan de vorm van een slang. Het was een middel tegen vergif van slangenbeten.

De andere naam voor serpentiniet, clinochrysotiel, is afgeleid van de Griekse woorden clinos, chrysos en tilos (respectievelijk krom of scheef, goud en vezel). Het wordt zo genoemd door de goudkleurige vezelige structuur dat het mineraal kan aannemen.

 

Siberiet is onder andere afkomstig uit SiberiĎ, rode vorm van toermalijn.

 

Sideriet, Grieks sideros: ijzer, heet ook wel ijzerspaat of spaatijzersteen, vroeger staalsteen.

 

Sillimaniet is naar de Amerikaan B. Silliman genoemd, (1779-1824).

 

Smaragd, eerder miraude, emerald, Duits Smaragd en Emeraude, Emerald, Engels emerald, midden-Engels emeraude, van oud-Frans esmeralde, esmeraude, van Latijn smaragdum van Grieks smaragdos, maragdos; groene steen, van Hebreeuwse oorsprong, Perzisch zamarat, zabargad of zumurrund wat ‘flikkeren, glanzen’, betekent, Sanskriet marakatam. Zumurrund is een vrouwennaam uit duizend en een nacht. 

Vermoedelijk Semitische invloed, Akkadisch barraqtu, van baraqu; bliksemen of schitteren van de wortel brq; glanzen en Hebreeuws bareqet; smaragd, baraq, schitteren.

Met de Griekse naam smaragdos duidde men niet alleen smaragd aan, maar ook malachiet. Zo schrijft Theophrastus 220 v. Chr.;  De smaragd is goed voor de ogen en men draagt hem als ringsteen, ze zijn zeldzaam en klein’. Verder schrijft hij; ‘in de tempel van Jupiter staat een uit vier smaragden samengestelde obelisk, 40 ellen hoog, 40 ellen breed en 2 ellen dik.’ In het eerste geval wordt smaragd bedoeld en in de tweede malachiet. In de oudheid werd deze naam niet alleen gebruikt voor smaragd, maar waarschijnlijk voor alle toen bekende groene stenen.

Een heldergroene edelsteen, de 4de edelsteen in Openbaringen 21.

 

Speksteen, zeepsteen of saponiet; zeepsteen, omdat het zo glad is en op spek lijkt en voelt, Duits Seifenstein, Speckstein, Engelse soapstone, la pierra a savon en pierre ollaire in Frans. Steatiet is de soortnaam, Latijn steatitis, Grieks staetites, stear; gestold vet, heet steatite in Engels, marbre de carrare in Frans, ook pierre ollaire en  combarbalite  voor speciale kleuren, in Italiaans gorara stone voor Indiaas speksteen, palewa soapstone is gekleurd en daarna ingekraste zeepsteen.

 

Spessartiet werd het eerst in Spessart, Aschaffenbug, gevonden.

 

Spinel, Duits Spinell, Frans spinelle, oud Engels, 1528, spynell, Italiaans spinello, Latijn  spina; gepunt, doorn of pijl, vorm van de kristallen, Grieks spinnos wat vonk, fonkelen betekent. Spinellen worden al sinds de oudheid samen met andere stenen karbonkelstenen genoemd, carbunculus ruber. De huidige naam is later ontstaan. Zoals te zien is in talrijke sieraden was spinel vroeger zeer geliefd. Aanvankelijk werd echter, bijvoorbeeld in de Engelse kroonjuwelen, spinel beschouwd als robijn. Ook balais, balaustus genoemd van midden Latijn balascus; karbonkel of rode steen.

Rubisel,  Latijn ruber, is een oude naam voor de geelachtige, oranje of bruine variĎteit van spinel.

Balas-spinel, carbuncle balagius, van Badakhshan, of lal, lal is het Perzisch woord voor deze steen, Chinees la, is de bleekrode vorm. Pleonast, Grieks voor overvloedig vanwege zijn vele kristallen vormen, of ceyloniet; genoemd naar het eiland Ceylon, Sri Lanka,  is een ijzerhoudende, donkergroene tot zwarte vorm en ondoorzichtige spinel.

 

Spodium is Latijn voor as of roet, Grieks spodion en wordt ook gebruikt voor gebrande beenderen in de vereniging met as.

 

Spodumeen komt van Grieks spodios: askleurig, spodoumenos tot as verbrand. Dit vanwege de asgrijze verschijning van het materiaal dat ervan wordt gemaakt voor het gebruik in de industrie.

 

Stalactieten, Duits Stalaktit, Engels stalactite, Frans stalactite,  Latijn stalactites, Grieks stalaktos, straaltje, van stag; druppelen.

Stalagmiet, Duits Stalagmit, Engels stalagmite, Frans stalagmite, Latijn stalagmites, Grieks stalagma; gedruppelde, droppelvormig vallende.

 

Stauroliet, Grieks stauros; kruis, lithos; steen.  Elfenkruis.

 

Strontiumhydroxide, dat gehaald werd uit Coelestiet, werd vroeger bij de suikerbereiding gebruikt, strontiumzout wordt nog gebruikt in vuurwerk en kleurt die vlammend rood, verder in glas en glazuur. Strontium is gevormd door de Engelse chemicus sir Humphrey Davy naar de vindplaats Strontian in Argyllshire, Schotland.

 

Syeniet, Latijn Syenites, Grieks Suenites, naam voor Aswan in Egypte, Syene.

 

Sylvien, Duits Sylvin, is zo genoemd door Francois Sulpice Beudant in 1832 die het naar de Nederlandse chemicus Franciscus de Boe Sylvius noemde en het preparaat sel digestis bereidde, KCl, die kleurloos is, wit, zout en smaakt bitter.

 

Talksteen, talk, Frans talc, Duits Talk, Engels talc, Middeleeuws Latijn talcus, Spaanse talque komt van Arabisch talq, Perzisch talk. Een woord gebruikt door de Arabieren en middeleeuwse schrijvers voor verschillende doorschijnen en glimmende materialen als mica, seleniet etc. Talk bij Theophrastus is waarschijnlijk een glimmer naar de beschrijving, staetiet, stear: vet of talk

 

Tin, Duits Zinn, Zweeds  tenn, komt uit het Angelsaksisch, Duits zein; twijg, staf, van Germaans tina dat met klinkerverwisseling afstamt van teen wat een staafje betekent omdat cassiteriet (zinksteen) waaruit zink wordt gewonnen staafvormig gegoten werd of in de vorm van naalden of staven optreedt. Het tin dat Plinius noemde was een legering van tin en lood. In het Arabisch is dat iksir of al ikzir dat in Latijn elixer werd waar ook het woord tinctuur van is afgeleid. Dat word komt van tingere wat kleuren betekent wat een weinig koper kan al kleuren als het tot brons verwerkt wordt.

In Latijn stannum waarmee ooit een legering met zilver werd genoemd, de Romeinen zagen tin als een apart soort lood, plumbum candidum, wit lood, zwart of gewoon lood was plumbum nigrum. Plinius schrijft dat te Brindisi de beste spiegels werden gemaakt van een mengsel van koper en stagnum. Bij de Grieken werd het Hermes genoemd als diabolus metallorum, duivels onder de metalen vanwege de brokkelige legeringen die het vormde.

Cassiteriet, Duits Kassiterit, betekent tinsteen, van Grieks kasseritos: tin, van Sanskriet kastira, mogelijk is tin eerst uit Z. AziĎ naar het M. Zeegebied gekomen.  Stannum betekent druppelend omdat tin gemakkelijk smelt. Of van de oude naam in Cornwall stean. Of met het land Kassi bij Homerus, Cassiterides: tin eilanden, van de oudheid Cornwall is bedoeld is niet zeker, een eilandengroep waarmee mogelijk de Scilly Eilanden bedoeld werden ten westen van Cornwall, het meeste tin kwam uit Spanje en ServiĎ. Aristoteles spreekt al in 322 v. Chr. van de tinmijnen in Cornubia. (Cornwall) De Egyptische farao Pepi heeft rond 2300 v.C. een standbeeld laten maken waarin tin zat uit de tinmijnen van Cornwall. De alchimisten noemden tinoxide ook tinkalk omdat het op dezelfde wijze als kalk werd gewonnen.

 

Titaan. In 1791 ontdekte William Gregor een nog onbekend element in het mineraal ilmeniet en het de naam Menachit gegeven, naar het Menaccan dal in Schotland dat door Martin Heinrich Klaproth in 1797 titanium genoemd werd naar de titanen uit de Griekse mythologie, de zonen van Uranos en Gaja, van Titania een van de manen van Uranus die net ontdekt was door Herschel. In Duits en Engels Titan.

 

Titaniet bevat het element titanium, zo genoemd door Martin Klaproth in 1795. De naam sphene werd in 1801 genoemd door Rene Just Hauy, van Grieks sphenos; wig.

 

Toermalijn, Duits Turmalin, Frans tourmaline, Engels turmaline, tourmaline. Over de oorsprong van de naam lopen de meningen uiteen. Hoewel toermalijn al in de oudheid bekend was in het Middellandse Zeegebied, werd hij pas in 1703 vanuit door Hollanders ingevoerd in West Europa. De lezing dat Hollandse zeevaarders in het begin van de 18de eeuw verschillend gekleurde edelstenen die tot 1 groep behoorden van Sri Lanka naar Europa brachten die door de inboorlingen turmali; gekleurd, genoemd werden lijkt de best aanvaardbare. Ook wordt genoemd thuramali of thoramalli, Chrysolithus turmale.

 

Toetssteen of Lydische steen, (waar het vandaan kwam) Frans touche; test, toetsen. Het is een fijn gepolijste zwarte Lydiet die ook wel kiezellei heet, is een door koolstof gekleurde kiezel.

 

Topaas,  Latijn topazion, van Grieks topazos, van het eiland Topasos of Topazius in de Rode Zee, (nu St. John’ s Island of Zabargad) dat echter alleen in een sage wordt genoemd, topos betekent plaats of oord. Op dat eiland in de Rode Zee kwamen echter geen topaas, maar wel chrysolietkristallen van een goudgele kleur voor die daarom topazion genoemd werden. Plinius bedoelt met topazion ook chrysoliet en olivijn. Later is deze naam op deze goudgele edelsteen overgedragen.

Topaes, topase, midden-Hoogduits topČzje topČze en andere vormen; Hoogduits Topas; Engels topaz,  Frans topaze, van oud-Frans topace, midden-Latijn topasius, Latijn Topazus, Grieks topazios naar Sanskriet tapas dat vuur of lichten betekent. , Schneckentopaas; uit de berg Schneckestein in Saksen.

 

Trachiet, van Grieks trachys: ruw. Is voor het eerst door de Frans mineraloog Alexandre Brongniart in 1813 beschreven.

 

Tras is een vulkanische as die onder invloed van water verhardt. Engels tarrace, Oud Frans tierasse, Italiaans terazza; tufsteen, van terra; aarde, vergelijk terras.

 

Tremoliet (of grammatiet) dat zo genoemd is naar Val Tremola in de St. Gotthard, hoewel de oorspronkelijke vindplaats Campolungo is bij Tessino.

 

Trifaan, De kleurloze variant van spodumeen wordt trifaan genoemd, triphane, Grieks voor drievoudig verschijning, tri; drie, phane; briljant, verschijning, naar de vaak mooie drievoudige splitsing,

 

Tuchia, tutia,  tucia, thutia, tuthea, tuthia, tuzia, turchia, oud Frans tutie, Engels tutty, Spaans tutia, atutia, Latijn tutia, van Perzisch tutiya van Sanskriet tuttha.

Het zou uit de fijnste vonken van de koperovens afkomstig zijn, het is wit en heel licht en wordt in Duitsland Nichtes genoemd, vandaar het spreekwoord “ Nichtes ist die augen gut’ omdat het goed zou zijn voor de ogen. Een karakteristiek spreekwoord in Toscane zegt: ‘Nulla, fa bene agli occhi’, niets doet de ogen goed,’ de Roemenen bevelen apa de nimic (water van niets) aan. De Hongaarse boeren verstaan onder het semmi (niets) het nihil philosphorum of zinkoxide dat ze als het opgelost is in de ogen druppelen.

Zinkoxide of zinkwit is ook wel bekend als filosofische wol, wit niets en zinkbloem.

De term cadmia werd vroeger gebruikt voor het mineraal calamine, zink, of lapis calaminaris.

In de alchemie is cadmia (Latijn voor calamine of zink) een oxide van zink (tutty of Tuchia of Thucia) dat zich bij de zijden van de ovens verzamelt waar koper of brons gesmolten wordt en zink gezuiverd. De term wordt ook aan het erts kobalt gegeven. De cadmia die in de ovens geproduceerd wordt, wordt in vijf vormen verdeeld. De eerste wordt botrytis genoemd omdat het in de vorm van een druiventros gevormd wordt; de tweede ostracitis, omdat het op een zeeschelp lijkt; de derde placitis, omdat het op een korst lijkt; de vierde capnitis; en de vijfde calamitis, die rond zekere ijzeren staven hing dat gebruikt werd om het materiaal te stijven in de oven, het werd eraf geschud en leek op een schrijfpen die in het Latijn calamus genoemd werd. Cadmia botrytis werd in het midden van de oven gevonden; ostrytis op de bodem;  placitis aan de top en de capnitis aan de mond van de oven. Het werd gebruikt in vochtige blaren die geheeld werden door een litteken bedekking. Botrytis en placitis werden voor oogziektes gebruikt.

 

Turkoois, torkois of turkois, turkies of turkijesteen, Engels turquoise, midden-Hoogduits turkis, turkoys, Duits Turkis, Frans turquoise van oud-Frans turquois: Turks, mogelijk is het ontstaan in de 16de eeuw toen het van de Perzische vindplaatsen via Turkije naar Europa kwam. Turkoois kwam eerst via Turkije uit de Sinaē. Of van Latijn torquatus: ‘met een halsketting getooid’, torquis: ‘halsketting?’ Of de naam stamt van het Spaanse Turquesa. Saxo, die het eerst rond 1250 Turcois vermeldt, schrijft dat het zijn naam aan de landstreek Turcia dankt vanwaar het ingevoerd werd. Plinius noemde het callaina waarvan het Franse callaite afstamt. In het Grieks draagt turkoois de naam kallaiet of mooie steen.

 

Uranium. Het opvallend zware, maar verder waardeloze mineraal werd door de Saksische mijnwerkers in de 18de eeuw pekblende genoemd. Martin Heinrich Klaproth ontdekte in 1789 daarin een nieuw metaal dat hij uranium noemde naar de planeet Uranus, die acht jaar eerder was ontdekt. In 1841 wist men er een zuiver metaal van te maken, Becquerel ontdekte in 1896 de radioactiviteit ervan en twee jaar later ontdekte Marie en Pierre Curie het radium nadat ze een ton pekblende hadden verwerkt.

 

Uwarowiet,  naar de Russische graaf en verzamelaar Sergei Semjonowitsch Uwarow.

 

Veldspaat, Zweeds feldt: ‘akker’, omdat het veldspaat in granietgebieden in de akkers voor komt, spaat van ‘splijten’, Duitse Felsspalt; ‘splijtbare rots’.

 

Verdeliet, Duits Verdelith, Frans verde; groen, voor alle groene tinten van toermalijn.

 

Vesuviaan, vesuvianiet, is afkomstig uit de dolomietblokken van de Monte Somma bij de Vesuvius en werd als Vesuvische edelsteen beschreven, door Werner werd het als mineraal herkend. Een oudere naam is idokraas; menggestalte of gemengde vormen, naar de aanwezigheid andere mineralen. Het heet ook egeran naar Eger in het Ertsgebergte. Mooie vormen uit Rusland van de Wiljoej rivier worden wiluiet of vilyuyiet genoemd. Een andere vorm van Vesuviaan is Axiniet van axine: bijl. Prehniet, een vorm van Vesuviaan, werd in 1774 door kolonel von Prehn ontdekt.

 

Vitriool, Duits en Engels Vitriol, Frans vitriol, middeleeuws Latijnse vitriolum; klein glas, vitreolus; gemaakt van glas, van Latijn vitrum; glas, naar de glasachtige glans, oude benaming voor geconcentreerd zwavelzuur.

 

Vloeispaat, een calcium-fluoride, CaF2, of fluoriet vanwege het grote gehalte florium. De naam vloeispaat dankt zijn naam aan de eigenschap om bij verhitting verschillende mineralen te kunnen samensmelten waarom het bij verscheidene ertsverbindingen gebruikt wordt. Fluoride van Latijn fluere; ‘stromen of vloeien’, spaat is een algemene naam voor niet ertsen die een opvallende splijtbaarheid bezitten.

 

Vuursteen omdat een slag met een stuk vuursteen op een stuk ijzer of pyriet kan resulteren in vonken, waarmee, met de nodige ervaring, een droog, brandbaar materiaal (zoals een plukje los katoen of gedroogd mos, of tondelzwam) aangestoken kan worden. De vonken ontstaan door kleine ijzerdeeltjes die spontaan in de lucht oxideren waarbij veel warmte vrij komt zodat de deeltjes gaan gloeien.

Vuursteen, silicium, Latijn silex, flint ("flinterdun") of (Engels) chert, fire stones. Lapides igniferi of Caerobilim, Cheroboli, Deus perres, Douze perres, Lapides piroboli, Terrebolen, Terrobolo, Turrobolen, terebolem, terroboli,  is een steen die vlamt als je ze tegen elkaar slaat.

 

Wijnsteen, Duits Weinstein, Tartarus, Latijn tartarum, Grieks Tartaros; onderwereld, door Paracelsus zo genoemd naar het branden van wijnsteen, Frans tartre.

 

De naam wolframiet zegt veel over hoe de mens dit mineraal leerde kennen. Dat gebeurde in de mijnen uit het Ertsgebergte, waar tin werd ontgonnen. Als er bij het smelten daarvan bepaalde stoffen mee in de smeltkroes gingen kwam er geen of weinig tin te voorschijn, maar ontstond er een soort schuim, men zei dan dat het schuim (Duits room; Rahm) als een wolf het tin verslond, spuma lupi, wolfschaum. Van de weeromstuit ging men die stof wolfrahm noemen en zo kwam dit mineraal aan zijn naam.

 

Wulfeniet is genoemd naar de Oostenrijkse mineraloog pater Frantz Xaver von Wulfen die het in 1785 uitvoerig heeft beschreven uit materiaal van de Bleiberg in Oostenrijk.

 

Wurtziet, Duits Wurtzit, genoemd naar de Franse chemicus Charles A. Wurtz, ZnS, lijkt veel op zinkblende.

 

Zegesteen, Duits Siegsteine of Siegessteine is een gem van een glasvorm met ingeritste ruwe figuren die wel in Alsen, Duitsland, gemaakt werden, Alsengemmen.

 

Zeiringiet is een blauwachtige en dicht vorm van Aragoniet die als siersteen gebruikt wordt en is zo genoemd naar  (Ober)Zeiring in Stiermarken.

 

Zeoliet komt van Grieks zeo: opkoken, lithos; steen, het SiO4 bevat water dat bij voorzichtig koken verdreven kan worden zonder dat de kristallen beschadigd worden. De kristallen kunnen later weer water opnemen.

 

Zilver, Argentum of Ag.

Zilver, eerder silver, Engels silver, oud Engels seiofor, oud Saksisch silubar, oud Hoogduits Silabar of Silbar en nu Silber, oud Noors silfr, van Germaanse wortel silubra, oud Fries selover, oud Noors silfr, Gotisch silubr, vergelijk Russisch serebro, Litouws sidabras, Akkadisch sarpu, van sarapu; smelten, veredelen, vergelijk Hebreeuws saraph, Arabisch sirf; onversneden. Homerus noemt de plaats Halybe (Salub) in de Pontus als de plaats waar het vandaan komt.

Ook zijn er veel afleidingen van het  Indo-Europese woord arg; Grieks argyros, argos; wit, Latijn argentum,

Het gaf het land ArgentiniĎ zijn naam.

Zilver en geld zijn vaak hetzelfde.

Spaanse plata; zilver, vandaar ook platina.

Franse argent, van Argentum, zo ook in het Engels.

Het komt voor in het St. Joachimsthal in TsjechiĎ waarvan het woord taler van is afgeleid, deze zilveren daalder werd het eerst in St. Joachimsthal geslagen.

In Sanskriet heet het rupya, vandaar de rupie als munteenheid.

Een zilverling, het woord argyrion is door Luther letterlijk overgezet in Mattheus 26:16, mogelijk is het de Romeinse denares. Van het metaal kwik werd gedacht dat het een soort zilver was.

 

Zink. In de Westerse Wereld wordt de ontdekking van zink veelal toegeschreven aan de Duitser Andreas Marggraf in het jaar 1746. Hij gaf het metaal de huidige naam zinn naar het Latijnse stannum. Zink komt van zinke dat een tand of scherpe punt betekent naar de vorm, Latijn zincum. Het schijnt dat het als zelfstandig materiaal pas bekend was bij Paracelsus. Het woord zink kwam waarschijnlijk als zinkerts in de 15de eeuw voor bij Basilius Valentinus.

Kassiteriet, Duits Kassiterit komt van het Griekse kassiteros voor zink.

Calamine is een historische naam voor een erts of zink, variant van cadmea. Galmei werd door Plinius cadmia genoemd en voor het maken van messing gebruikt. Calamine is genoemd naar Calamus; riet;  naar de stengelachtige afzettingen en de koelere gebieden van de smeltoven. Friedrich Strohmeyer was er de ontdekker van. De Belgische stad Kelmis heeft de Franse naam La Calamine waar zich een zinkmijn bevindt.

Kalmei, kalamijn, galmei, midden Hoogduits kalmei, Frans calamine is mogelijk een verbastering van Italiaans gialla mina: geel erts, de overheersende kleur, Grieks kadmeia.

 Eind 18de eeuw werd er ontdekt dat wat men dacht een erts te zijn eigenlijk twee mineralen waren, zink carbonaat, ZnCO3 of smithsonite, en zink silicaat, Zn4Si2O7(OH)2ŠH2O, of hemimorphite. De eerste die de twee mineralen scheidde was een Britse chemicus en mineralogist, James Smithson in 1803.

 

Zirkoon, Frans en Duits zirkon, Spaans girgonca, van Arabisch zarqun; hel rood (cinnaber) en Perzisch zarqun of zargun: goud, gun: kleur. Het woord ‘jargon’, waar men lichte zirkonen mee aanduidt, is daar een afleiding van.

 

Zout, NaCl., natriumchloride, steenzout, wordt ook haliet genoemd, naar Grieks hals: zout of zoutig, lithos; steen. Zie de vele verbindingen met het woord ‘hall’ die wijzen op zout, Halle, Hallein, Hallstadt etc. In Duits Salz, zie Salzburg.

Zout, eerder sout , Oud Hoogduits salz, oost Fries salt, oud Engels sealt, nu salt, oud Frans sal, oud Noord en Zweeds salt, Latijn sal, Grieks hals. Proto Germaans saltom, Indo-Germaans sal.

Arbeiders werden met zout betaald, vandaar sale, sales en salaris, van sal; zout, sailor, naar de zoutheid van de zee, Via Salaria was een belangrijke handelsweg van zout.

 

Zwavel, eerder swevel, oud Hoogduits swebal, nu Schwefel, oud Engels sweffel, Latijn sulpur, mogelijk van een Indo-Europese taal als swelpos.

Sulfer, solfer, sulver of solver, Zweeds swafel, Engels sulfur, van Latijn sulfur, sulphur; van een wortel die branden betekent, in oud-Frans was het solfre, Frans soufre, bij Kilian was het solfer, sulphur, van Gallisch soulfre, solfer of swevel, van solfer, sulphureus, vermoedelijk afgeleid van het Indo-Europees *suel-, swelplos, van swel; branden, smeulen. Sanskriet sulbari of zulbari; vijand van koper, Arabisch sufra.

Brimstone, midden Engels brimston, bremstone, oud Engels brynstan, van branden, burn, stan; steen.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/