Asbest.

http://141.84.51.10/palmuc/sammlung_geologie/seiten/museum/geoforum/industrie/Asbest.jpg

Asbest: Fluch und Segen

 

 Asbest is een wit, fijn vezelig mineraal dat een zijdeglans bezit. Er is een aantal verschillende asbestmineralen. Asbestvezels zijn onder te verdelen in twee hoofdgroepen: de spiraalvormige of serpentijnachtige, waaronder chrysotiel (ofwel witte asbest), de rechte of amfiboolachtige, waaronder crocodoliet (blauwe asbest), amosiet (bruine asbest), anthophylliet, tremoliet en actinoliet. Alleen aan de kleur van het ruwe asbest kan men zien tot welke soort het asbest behoort. Wanneer het materiaal verwerkt is, kan dat niet meer. Alleen laboratoriumanalyse kan dan nog uitsluitsel geven. Asbestvezels kunnen zo fijn zijn dat zij niet met het blote oog waar te nemen zijn. De vezels laten zich gemakkelijk tot een grove draad spinnen waarvan vuurvaste kledingstukken, waterfilters en andere dingen vervaardigd worden. Omdat het niet door logen wordt aangetast gebruikt men het ook om te filteren. Vooral na de tweede wereldoorlog werd het veel gebruikt in gebouwen en woningen vanwege de goede eigenschappen: het is sterk, slijtvast, isolerend en bovendien goedkoop. Als gevolg van blootstelling aan asbest, kunnen verschillende asbestziekten ontstaan. Het wordt in Zwitserland en Tirol gevonden, meestal in de gangen van serpentijnrotsen, de stad Asbest in Rusland heeft er zijn naam van waar het veel gewonnen wordt.

 

Naam.

De naam asbestos was al bij de ouden in gebruik en zinspeelt op het feit dat een lamp voorzien van een pit van asbest, zoals de gouden lamp van Pallas te Athene mits behoorlijk bijgevuld, nooit ophield te branden, dus onuitblusbaar was.

Het asbest kan ooit naar de salamander genoemd zijn of andersom. Toen de Grieken het asbest vonden dachten ze dat het haar of het wol van een soort salamander was omdat het vuurvast was. Grieks asbestos: ‘onblusbaar’, het onverbrandbare, de lapissteen, een groenwitte steen, het steenvlas of amiant uit wiens vezels men al in de oudheid het asbestirum, het onverbrandbare linnen bereidde. Dat gebruikte de Romeinen vooral tot het weven van kostbare lijkgewaden waarin de doden werden gehuld voor ze op de brandstapel werden gelegd zodat de overblijfselen onvermengd met de as van het hout bewaard zou blijven.

Vondel, Jephta of Offerbelofte, 4de bedrijf;

‘Na mijn dood, en, eer men ’t lijk verbrand

Dat zij ’t in pluimaluin met hare kant

Bewimpelen, geen mans eer verkorten

Zij zullen de as in de doodbus storten’.(pluimaluin of amianth)

 

Karel de Grote had een tafelkleed van asbest dat hij tot verbijstering van zijn gasten in het vuur wierp na de maaltijd. Van het amianth of bergvlas vervaardigden de ouden, volgens Plinius, een soort van onbrandbaar lijnwaad. (asbestinium) Tot het groot priesterlijk ornaat behoorde de hemelsblauwe mantel des efods. Het hoofdgat daarvan moest in het midden zijn en dit gat moet een boord rondom hebben van geweven werk: als het gat een pantsier zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd wordt. Ex. 28 vers 31 en 31, 39:22 en 23. Pantsers van linnen, hier voor vreedzame priesters voorgeschreven, zullen later voorkomen als behorende tot de uitrusting van krijgslieden. De Lokriers, een Aziatisch volk, namen deel aan de strijd om Troje. Hun hoofd was Ajax, de zoon van Oileus, doch kleiner en korter van gestalte dan zijn naamgenoot en enkel in het pantser van linnen gekleed. Adrastus en Ampias voerden ze aan in het pantser van lijnwaad. Zo ook bij Homerus, Ilias II vs. 529 en 830. Amasis, koning van Egypte zond aan Athene te Lindus in Griekenland twee stenen standbeelden en een borstpantser van linnen. Plinius hist. XIX 2, verhaalt dat de draden samengesteld waren uit 365 enkele draden. Zo werden er meer linnen pantsers vermeld in de Griekse oudheid. In de kunstverzameling van keizer Rudolf II te Praag bevinden zich dergelijke hemden.

 

Beschrijving: encyclopediaVuursalamander.

De vuursalamander is sinds de oudheid het onderwerp van vele fabels, men hield hem voor een uiterst giftig dier die het vuur bluste. Hij bestrijdt het vuur zoals ijs dat doet. Aristoteles meldt dat de salamander bij contact vuur uitblust. Hij zegt: ‘Dit schepsel, zo het verhaal gaat, wandelt niet alleen door het vuur maar maakt het daardoor ook uit’. Nicander vermeldt dat het ongedeerd door het vuur gaat. Antigonus zegt ook dat het vuur uit kan maken. Dioscorides schrijft dat de vuursalamander niet verbrand kan worden. Plinius vertelt ook over de fabel van onbrandbaarheid omdat dit beest zo koud is dat het vuur als ijs uitgaat. Ook dat het de meest venijnige creatuur ter wereld is. Aelianus verzekert dat deze dieren jacht maken op het vuur van de smidse, dat de werkers daar eerst geen notitie van nemen maar als het vuur uit gaat nemen ze wraak op hen en het vuur brandt weer.

Aan de andere kant ontkent Galenus de legende en zegt dat de salamander verbrand wordt in heet vuur.

De Physiologus sloot bij de salamander als een van zijn symbolen die van het uitdoven van vuur, waarschijnlijk werden er in die tijd de andere ideeën over het dier ontwikkeld. De eerste toevoeging was dat het in vuur leefde. Dit verscheen in een Latijnse epigram van Bisschop Aldhelm, ca. 700, die de eerste Engelsman was die Latijn kon schrijven. Ruig vertaald wordt het zo:

Te midden van de vlammen leef ik en voel geen vuur’.

En in de diepte hoon ik de groeiende vlammen’.

Geen krakend geblaas of gloeiende sintels worden om mij geboren’.

Maar blazende branden van heet naar koud zal ik veranderen”.

Een volgende aanpassing aan de legende verschijnt in de literatuur waar verzekerd wordt dat de salamander gevoed wordt door vuur. Vier schepselen hebben hun leven van een van de pure elementen, de chamelon van lucht, de mol van aarde, de vis Halec (haring) van water en de salamander van vuur. Als de salamander lang genoeg in het vuur geweest is en zich gevoed heeft, komt hij er verkwikt uit. Een grillig gebruik van dit idee verschijnt in het eerste deel van Shakespeare ‘s King Henry IV, III, iii, 52 waar Falstaff zo verwijst naar Bartdolph’s neus: ‘I have maintained that salamander of yours with fire any time this two and thirty years”.

De salamander is verder het attribuut van de kuisheid en maagdelijkheid omdat deze deugden, te midden van de hartstochten en zonden die rondom hem brandde, ongerept bleef.

Ook een kachel werd salamander genoemd.

 

Marco Polo.

Op zijn reis komt hij in Yintsjintalas of Sai-jin-tala. Hij verhaalt hier het volgende van:

‘Aan de grens van deze provincie, richting noord, ligt een gebergte met rijke staaladers en ondaniek. En ge moogt weten dat zich in dit gebergte een ader bevindt waaruit men de salamander of vuurgeest haalt. Aanvaard het voor waar dat de salamander geen dier is, zoals men het in onze landen gelooft, maar dat het een erts is. Ziehier het waarom.

Niemand ontkent dat van naturen uit geen enkel beest noch dier in het vuur kan leven omdat elk dier uit de vier elementen bestaat. Welnu, ik, Marco Polo, had een Turks gezel die Soerfikar heette, een wijs man. En gezegde Turk vertelde mij hoe hij in deze streek had gewoond om voor de Groot Chan drie jaar lang salamanders te ontginnen, dat wil  zeggen asbest. Vertelt me dat in dit gebergte wordt gegraven tot men een ader vindt waaruit men draden snijdt als van wol en ze laat drogen. En als de salamander droog is stampt men hem in grote ijzeren mortieren, dan wordt hij gewassen en van aarde gezuiverd en er blijven draden over als ware ze van wol. En men spint ze om er lakens mee te maken. En als ze klaar zijn zien ze niet helemaal wit. Maar als men ze in het vuur legt en ze er dan uithaalt zijn ze blank als sneeuw. En telkens als ze vuil zijn legt men ze voor het vuur en ze herkrijgen hun witte kleur.

Aldus de waarheid over de salamander, en niet anders. En zij waren uit de streek zelf die het me vertelden, wie het anders zegt verkoopt onzin en fabels. En weet dat zich te Rome een stuk linnen bevindt uit salamander dat gezonden is door de Groot Chan naar de paus, een uiterst mooi geschenk om het heilig zweetdoek van Jezus Christus in te bergen’.

Maerlant:Albesten, dat is  in Arcadia een soort steen als van ijzerroest gedaan. Ontsteken kan men het zonder waan, maar nimmermeer en op geen manier wordt het geblust door het vuur. Dit zeggen ons de meesters al blode, maar dit is een wonder al te groot’.

Ook bij Maerlant: ‘Amantos, men vindt wel is een van de stenen van de Oriënt en is als aluin gedaan. Een zijden kleed bestrijkt men samen met deze, dat is zijn manier, dat blijft ongekwetst van het vuur en wordt helder in de vorm alsof het schoon gewassen was. Goed is het tegen betovering en tegen allerhande toverij’.

Megenberg; ‘Abeston is een steen die vindt men in het land Arcadië en is ijzerkleurig. Wanneer men de steen eenmaal ontsteekt dan mag men het nimmer meer blussen er geeft immer meer daar vlammen. Van die spreekt Isidorus. Uit de steen maakt man een kunstig ding voor een lantaarn of tot een lamp zodat die altijd brandt alzo dat geen onweer, noch geen regen het lessen mag.’

A. Magnus; ‘Als je een vuur wil maken die onmogelijk is te blussen of uit te doen. Neem de steen die Abaston genoemd is en die de kleur van ijzer heeft en daarvan wordt veel gevonden in Arabië. Als de steen aangestoken of ontstoken kan het nooit meer uitgedaan worden, bij gebruik heeft het van natuur de eerste vetten van de salamander vanwege zijn meelachtige vetheid die het vuur voedt en ontsteekt er in’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/