Barnsteen, amber, electrum.

 http://barnsteenwinkel.nl/images/amber_001.jpg

 

Klik hier voor inleiding, Bijbel, hardheid, echtheid, zetten.

 

 Een fossiel overblijfsel dat afkomstig is uit naaldbomen, Pinus succinifer (gom of sap leverend). Die groeiden in de Oostzee duizenden jaren geleden. Dit hars vind je in oude voorhistorische dennenwouden die ondergegaan zijn en in de loop der tijd het hout lieten verrotten zodat alleen het barnsteen achterbleef. Naar Plinius zou men het succinum genoemd hebben omdat uit het sap (succus) van bomen ontstaan zou zijn, Plinius leidt het zelf van een Pinus soort af. Het is vrij zacht, de hardheid is 2, 2,5.

 

Er zijn 4 synoniemen die door elkaar worden gebruikt.

  1. Latijn electrum: barnsteen, Grieks elektor: de zon, het zijn gestolde zonnestralen. De enigste vorm van elektriciteit die de ouden kenden was van barnsteen, electron. Door stevig met een wollen doek te wrijven wordt het elektrisch en trekt zeer lichte voorwerpen als vlierpitballetjes en papiersnippers aan en gaf aanleiding tot de naam. Ze meenden dat dit vermogen alleen aan barnsteen eigen  was. Het zijn de tranen van Faëton, de zoon van Helius: de zon. Naar Plinius huilde de zusters van de door de bliksem geslagen Faëton (Faëton) zo lang tot ze tenslotte in populieren veranderd werden. Hun tranen vloeien nog steeds alle jaren bij de vloed Eridanus als barnsteen die daarom elektron heet omdat de zon de naam elektron draagt. De Griek Thales van Milete kende al de eigenschap van het ‘electron’ om na wrijving lichte voorwerpen aan te trekken. (vandaar ons elektrisch) Elektron was oorspronkelijk de naam voor een mengsel van 4 delen goud en 1 deel zilver. (of messing of geel koper) Toen men later het barnsteen door de Phoeniciërs leerde kennen zal de gelijke kleur en aanzien de basis gegeven hebben dat het dezelfde naam kreeg dat ook orichalcum,  aurichalcum, bergkoper genoemd werd.
  2. Software: Microsoft Office Barnsteen, 1516, komt voor naast ammer in 1515, midden-Nederlands ammersteen, emmer, midden-Hoogduits amber en âmer, midden-Noord Duits ammer, Engels amber, Latijn ambra, ambar, uit Arabisch anbar, alambar: grijze amber, Perzisch ambar uit Sanskriet ambara. Amber  is eigenlijk een welriekende harsachtige stof die uit de Oosterse zeeën afkomstig is en vooral als grijze amber (ambre gris) bekend is. Maar in het Westen paste men de naam ook op andere stoffen toe, op het sperma ceti die ook witte amber (ambre blanc) genoemd wordt en op het succinum of het barnsteen dat gele amber (ambre jaune) heet. In het midden-Nederlands was ammer de gewone benaming voor barnsteen.  Dat komt wel omdat ze beiden aan het strand werden gevonden.
    Ambergrijs is een wasachtige substantie die drijvend op tropische zeeën wordt gevonden en afkomstig is van de walvis. Ambergrijs is een afscheiding van het darmkanaal dat in klompen van 30cm middellijn en soms 25 kg zwaar in de ingewanden wordt aangetroffen. Meestal drijft dit in zee dat door de potvis uitgescheiden is in klompen die soms wel een gewicht van 500 kg kunnen halen. Ambergrijs was een synoniem voor amber en werd ook gebruikt in zoetigheden, kandeel, vleesnat en dergelijke.
    Een stof die wel eer tegen goud opwoog. De echte amber bestaat uit onregelmatige, ondoorzichtige, wasachtige broze en op de breuk fijnkorrelige of bladerige stukken die bruinachtig zwart of lichtgrijs van kleur zijn. Ze zijn met lichte en donkere strepen getekend. Het heeft die aangename reuk die naar muskus zweemt, is smakeloos en bij voldoende warmte week en buigzaam, smelt bij een matige hitte, vat licht vuur en brandt met een heldere vlam. Bevat benzoëzuur, barnsteenzuur, keukenzout, een zoet extract en een onoplosbare bruinachtige rest. Door de sterke geur wordt dit in de parfumerie gebruikt. Het is sinds onheuglijke tijd het middel tegen krampen, tegen alle mogelijke kwalen en geurstof.
    Het wordt gebruikt in welriekende tincturen en tandpoeders. Ook wel in de vorm van poeder of tinctuur ingenomen omdat het een versterkende en opwekkende werking heeft op de zenuwen. Men vermengt er de chocolade mee en de bekende ‘extrait d’ambre.
    Vondel, ‘De Heerlijckheyd van Salomon; ’Of ’t vochtige element ’t gryze Amber teelt gewis. Amber is een harde licht gele doorzichtig fossieldrop die op zekere kusten wordt gevonden’.
  3. Barnsteen, midden-Nederlands bernsteen, Duits Bernstein, Brennstein, Zweeds barnsten; brandbare hars, dus ‘de (edel) steen die brandt’ dat in Oost Pruisen wordt gevonden. Daar werd het pas in 1490 Bornstein genoemd en vandaar Pools bursztyn. Het woord bern behoort tot branden, Stein is edelsteen wat de midden-Latijnse naam lucida gemma bewijst. Sinds de aanvang van de 14de eeuw is het Bornstein in Hoogduits en in 1327 verschijnt het Hongaarse oord Borostyanko dat oorspronkelijk Barenstein heette wat de toenmalige Hongaarse naam voor barnsteen was.
  4. De oudere Hoogduitse benaming is Agstein of Augstein, ( uit Latijn achates) midden-Noord Duits glar: Angelsaksisch glaer. Dat heeft weer verband met glas wat in Angelsaksisch glaes is wat terugvoert op Germaans glasa. Daarmee komt het in klank overeen het Latijnse glesum van Tacitus, glaesum van Plinius en Glesaria: het barnsteeneiland. Angelsaksische glaer: boomhars, Oudnoors glaesa heeft met wat glanzends van doen, sieren.
    Barnsteen diende als parelsier en toen daarna het vreemde glas in de vorm van glasparels ingevoerd werd nam het de bekende namen over terwijl het electrum met ag- of aug berstein opnieuw benoemd werd.

Van Beverwijck ‘Abersteen, gele amer of emmer heet in oud Duits, zoals Plinius schrijft, glessum, te weten gles en zonder twijfel omdat het helder en blinkend als een gles of glas is. De oude Latijnen, zegt hij, meenden dat het een sap van een boom was en hebben het daarom succinum genoemd en de Grieken elektron waarvan de oude poëten Hesiodus en Theocritus verhalen dat toen de zusters van Faëton zijn dodelijke val aan de rivier Po in Italië zonder ophouden beschreien door barmhartigheid van de Goden in populierbomen veranderd zijn en dat de tranen die daaruit druppelden amber werden. Dit is mede bevestigd bij de Latijnse poëet Ovidius 2 Met. ‘Inde fluunt lacryma, stillat aque rigescunt. De ramis Electra novis, quae lucidus amnis. Excipis & nurribus mittit gestanda Latinus’. Waaruit als ook uit de vermelde Plinius blijkt dat het niet alleen nu in Italië zoals ook hier en elders de amber door de vrouwen om de hals en handen gedragen wordt, maar dat zulks al in tijden van de eerste keizers al gebruikelijk is geweest. Dit is wonderbaarlijk in amber dat het (net zoals de zeilsteen het ijzer) het kaf naar zich trekt. Waarvan Cardanus redenen bijbrengt die weerlegd worden door Scaliger, dan geeft hij geen andere’. Ravelingen: ‘Het emmer of amber wordt de kleine kinderen voor een beschutsel van alle vergif aan de hals gehangen’.

Maerlant: ‘‘Succinus, dat is de ambersteen. Isidorus zegt dat het sap van pijnbomen is en dat het er uit rent en daarbij wordt het een steen. Dit vindt men groot en klein. Men maakt het met wrijven zo warm en dan heft het kaf en stro op. Zijn reuk, dat is bekend, vliedt van naturen elk serpent. Voor vrouwen die in pijnen gaan is die reuk goed, zonder waan. In de zee van sommige plaatsen vindt men ze en in andere wateren mede’.

Megenberg; Succinus is een steen die noemen de Grieken electron. Die is geel gekleurd en is soms doorzichtig zoals een glas. Isidorus spreekt dat het van de Pinus sap komt en heet gewoonlijk lambra en wanneer men het met de vingers wrijft dan trekt het halmen aan zich en de klerenzoom net zoals de magneet dat ijzer aantrekt. Het brengt zijn drager kuisheid en zijn rook helpt de zwangere vrouwen in de geboorte en schuwt de slangen. De eerste gom die van de Pinus vliedt die is helder en dat is die in de zomer in de warme tijd voort vloeit. Echter die in andere tijd afvloeit die is donker en onzuiver en daarnaar is ook de steen. Die steen vinden de lieden die Gothi heten in een water daar de gom in gevallen is.’

 

In de middeleeuwen heette het in oud Latijn Glessum naar Tacitus en Plinius.

Namen zijn zo naar;

1. Glanzen als Clas en Glas, Gismelzi en Gismilzi  in oud-Hoogduits.

2. Branden, Bernsten of Bornstein.

3. Oud Hoogduits Gluth waaruit wel Agt ontstaan is met betrekking op Gagates, Glanzsteinkohl, (zie git of gagaat) Agt bij Kilian, Aydstein, Augstein.

4. Schmelzen.

5. Succinus naar het gestolde sap. Ook gelber Ambra en gheel Paternosterstein.

 

Vindplaats.

Je vindt dit bij de Oostzee, bij Koningsbergen waar het zich ophoopt in de zogenaamde blauwe aarde. Die is een 1-9m dik en bestaat verder uit zand en glimmer, verkoolde plantenresten, veel glaukoniet en barnsteen. Uit elke kubieke meter aarde kan je ander halve kilogram barnsteen wassen. Het wordt door de zee op strand geworpen en er uit geschopt met de voeten of uitgebaggerd door de blauwe grond uit te graven. Stukken van een halve kg komen maar zelden voor. Er is een stuk van 6750 gram, maar niet alles is bruikbaar. Het materiaal is geel tot roodbruin van kleur en varieert van helder tot troebel door de aanwezigheid van talloze luchtbelletjes. De hardheid is matig, 2.5, S. G.1.08.

 

Gebruik.

Dat wat snel en in grote hoeveelheid uit de bomen is gekomen en in de zon verwarmd en dan in druppels verhard is, is een massieve barnsteen geworden die helder en van gelijkmatige kleur is. De heldere is vooral in grote stukken zeer duur omdat die eens als nationale dracht bij Braunschwieger boerenmeisjes behoorde.

Hebben de zich op elkaar volgende harslagen zich niet volledig met elkaar vermengd dan heeft het een schalige structuur en barst licht en is bekend als Schlaube. Deze barnsteen is helder en bevat de meeste insluitingen.

Gele barnsteen is vaak met luchtblazen gevuld die zijn aanzien volledig verandert.

Schuimige barnsteen is steeds zeer rijk aan blaasjes en wordt ondoorschijnend, geelwit en knokenachtig, het zijn de barnsteenknoken. Die neemt een goede politoer aan en is zo voor veel zaken te gebruiken.

Het meest geschatte voor luxe werken is de bastaard, met grotere en minder talrijke blaasjes. De lichtere soorten geven het Blau van de handel, de donkere heten Kunstfarbig.

Flohmiger barsteen heeft nog mindere maar grotere blaasjes en wordt minder geschat.

Het is brandbaar en kan goed verwerkt worden. Het kan geslepen en gedraaid worden en door verhitten in olie wordt het buigzaam en week zodat het in vormen gemaakt kan worden, de Braunschweiger koralen. Het werd voor vergrotingsglazen, brillen, prisma’s en dergelijke gebruikt, verder voor bekers, bokalen, figuren, reliëfs en dergelijke wat men in roodgoud vatte. Ook voor sigaren en pijpenhouders. Kleine stukken werden tot vernis, parel en lak gemaakt.

 

Het verdrijft het boze uit je hoofd, vandaar dat het verwerkt werd in ringen en als halssieraad Vanwege zijn geheimzinnige krachten is dit het middel tegen duistere wezens. Al in de oudheid gold het als geneeskrachtig wat nog lang voor de barnsteenknoken gold. Schalen en schotels er van voorkomen vergiftigingen.

Plinius noemt een soort goudbarnsteen, chryselektron, die ’s morgens op zijn mooist en zeer brandgevaarlijk is: ‘tegenwoordig dragen de boerenvrouwen in de buurt van Padus (Eridanus) het barnsteen in snoeren om de hals, vooral als sier, maar ook als medicament want het zal tegen gezwollen amandelen en andere ziektes van de hals, die door het genot van het door hen gebruikt water gemakkelijk komt, goed zijn’….. Kinderen omgebonden dient het als amulet’. Callistratus bevalt het aan tegen geestesziekte en verder ingenomen of aangebonden tegen plasmoeilijkheden. Goudbarnsteen zou aan de hals gebonden koorts en ziektes helen en met honing en rozenolie tegen oorziektes en andere ziektes, het zou ook goed tegen troebele ogen zijn.  Tegen maagziektes neemt men verpoederde barnsteen met mastiek en water in. Bijgelovige droegen barnsteenparelsnoeren om het tanden verkrijgen bij kinderen te verlichten. Zogende vrouwen dragen het omdat de barnsteen alle ziektestoffen van haar en het kind uittrekt. Nog hangen de moeders uit de Oostzeelanden en ook in andere plaatsen hun kinderen een ketting van barnsteenparels om de hals zodat de tanden gemakkelijker komen. Een ring van barnsteen om de vinger gedragen behoedt de gelovigen nog tegen reumatiek.

 

Historie.

De oude Phoeniciërs handelden er al mee en kwamen al vanuit Byblis naar de Oostzee om handel te drijven. Om nieuwsgierigen bang te maken verzonnen ze allerhande verschrikkelijke verhalen. Zo fabelden ze dat als ze langs de zuilen van Hercules kwamen de zee zo dik als pek werd en men zich door vuurspuwende monsters moest wagen om er doorheen te komen. In de Middellandse Zeelanden werd barnsteen als kostbaarheid verhandeld. Het wonderbaarlijke doorzichtige materiaal schatte men hoger dan goud. Zoals men nu ringen met edelstenen bezet deed men het toen met barnsteen, alleen rijke mensen konden die dragen.

De koningsgraven van Mycena leverden talrijke barnsteenparels, ook in het noorden zijn er vele uit de steentijd opgravingen waarin ze voorkomen. Ruwe en bewerkte barnsteen werd in de paalwoningen van Zwitserland gevonden, in Duitsland, Pyreneeën en Hongarije, in de graven van de oudste ijzertijd en de Etruskische tijd van Italië. Barnsteen werd ook gevonden in de graven van Klein-Azië, Griekenland en Italië. Ook in Engeland en Denemarken zijn bij opgravingen stukken amber en met amber bezette juwelen gevonden.

Keizer Nero zond speciale expedities naar de Oostzee via het huidige Moravië en het oostelijke deel van Oostenrijk naar Italië. De keizer beschreef in gedichten het haar van zijn vrouw als amberkleurig, waardoor bij de hofdames grote wedijver ontstond om hun haar ook in die kleur te laten verven. In die tijd droegen de vrouwen van Lombardije en Piedmont bijna allemaal halskettingen van amber, die als versieringen dienden maar vooral als middel tegen krop, waaraan zij leden door het drinken van te hard water.

De mythe van Faëton slaat op de duidelijke kennis van barnsteen en vooral de weg hoe ze bij de oude volkeren kwam. De Eridanos van de mythe is de Aschylos of Rhone, Euripides is de Po en van de Rhône kregen de Grieken het door de Massiliers, uit de Po door de Etrusken en Venetiërs. Naar een derde mening mondde de Eridanos in het noordelijke of westelijke meer, hier schemert een prima voorstelling van het echte barnsteenland door.

Thales kende de kracht van het gewreven barnsteen. Tacitus wist dat de Astyer (Esten) van de echte barnsteenkust aan de Suevische zee het glesum noemde en dat ze het als uitwerpsel van de zee verzamelden en met de Romeinen verhandelden. Pytheas had al in de tijd van Alexander de Grote ontdekkingsreizen gemaakt om het thuisland van kaneel, barnsteen en kostbare vellen te vinden. Hij verhaalt dat barnsteen op het eiland Abalus in de Oceaan, tegenover het Germaanse volk der Guttonen, gevonden werd. Hij is waarschijnlijk niet over de Elbe of Wezer gekomen en zo is Abalus niet het oorsprong land. Plinius verlegt de barnsteeneilanden, glessarien of elektriden, in de Germaanse zee tegenover Brittannië zodat aangenomen kan worden dat de ouden barnsteen van een kust van de Noordzee ontvingen. De eerste zekere aanduiding van de Samlandkust, Oostzee kust, geeft Dionysus van Halikarnassos weer. Spraakmakend voor de barnsteenhandel was de zending van Romeinse ridders onder Nero. Waarschijnlijk werd door deze expeditie de barnsteenkust van het Oost Pruisische Samland voor de Romeinse handel geopend. Daaruit verklaart zich de grote rijkdom van de provincie Pruisen aan Romeinse fabricaten. Met het steeds meer optredende overgewicht van de Oosterse handel op het eind van het eerste duizend jaar kwamen er ook verbindingen met de Oriënt tot stand.

Mogelijk zijn de Phoeniciërs in dit gebied via zee geweest, mogelijk hebben ze al eerder handel gedreven in dit product. Zeker is dat de meeste Oostzee barnsteen over de weg via de tussenhandel van land tot land over de Oder en Weichsel zuidwaarts naar de Donau en dan enerzijds via de Po, anderzijds direct naar Griekenland ging. In nog oudere tijd werd het waarschijnlijk tegen bronzen en ijzeren waren geruild en hiervan hebben we vermoedelijk de oudste Etruskische en Griekse materialen in het noorden te danken. Nog in Plinius tijd kwam het via deze weg bij de Po monding. Deze kustplaats bij de Adriatische zee was de hoofdstapelplaats van deze handel met de gemakkelijk te bewerken sierstof en omdat barnsteenkettingen in die tijd in hoge aanzien stonden om zwellingen in de hals tegen te gaan droegen de landsmensen in die tijd algemeen die kettingen en dit, zegt Plinius, is de oorzaak geweest dat men in de oudheid de Po voor de Eridanos hield waar het barnsteen gevonden werd.

In de oudste tijden was het barnsteen zoeken algemeen veroorloofd totdat de bisschoppen in de’ Bornstein lapis ardens’ een prima belastingobject zagen, de oudste oorkonde is van 1264. In 1200 trok de Duitse Orde het monopolie tot zich. De Duitse ridders baatten het zoeken in grote mate uit. Ze verstrekten de stof aan verenigingen van barnsteenbewerkers zoals er in Brugge en Lübeck omstreeks 1300, in Stolp, Kolbergen en Dantzig omstreeks 1450 en in Koningsbergen in 1640 bestonden. Venetië, Frankfurt ad. Main, Keulen en Neurenberg waren toen de grootste handelsplaatsen.

Later werden barnsteengerechten ingesteld en de strandbewoners moesten de barnsteeneed zweren. Ze behielden als vergoeding voor het gevaarlijke werk alleen het zout voor hun visserij. Daardoor ontstond het verpachten aan kooplui uit Danzig die al gauw de handel tot in Perzië en Indië uitbouwden en in vele steden handelsposten oprichtten. Dat verlokte de regering die zaak weer zelf in de hand te nemen. In de 18de eeuw werd de barnsteen eed afgeschaft en in 1837 aan de hoogste bieder verpacht. Van 1860 tot 1899 beheerde de fa Stantien & Becker de gehele markt. In dat laatste jaar kocht de Pruisische regering de fa voor een zeer hoog bedrag, 10 000 000 mark, haar rechten af. Daarna gebeurde het verzamelen van staatswege, in een ander deel was het een monopolie van Danzig en voor de rest van het gebied was het vrij, dat wil zeggen het gevondene behoort aan de eigenaar van het gebied. Rond 1900 werd jaarlijks 400 ton gevonden.

Friedrich Wilhelm I had in zijn paleis te Charlotteburg een speciale kamer waarvan de wanden met barnsteen waren versierd. Een paar jaar later kwam Peter de Grote op bezoek met de wens om die kamer te bezitten. De verhouding van Pruisen en Rusland was dusdanig dat hij er aan moest voldoen. Daarna kwam het in het slot Zarskoje Sselo in een kamer van 34:36m. Die zeer aparte kamer is na de tweede wereldoorlog niet meer teruggevonden. Het zal nog wel ergens zijn, maar waar?

 

Gebruik.

Shakespeare in ‘A Winters Tale IV,4,224; ’Halssnoer, armband, ambergeur’, ‘bugle bracelet, necklace amber’. Armbanden van zwarte kralen, halskettingen van amber, hier zal de gele barnsteen bedoeld zijn die tot sieraad diende en een geur verspreidde in het vertrek van ene schone.

 ‘Her amber hair for foul hath amber quoted; ’Love’s Labour’s Lost 4, 3, 87’.

With amber bracelts, beads, and all this knavery’;, Taming of the Shrew, 4, 3,58.

Vondel, ‘De Heerlijckheyd van Salomon’;

‘De zoete bernkool die inwendig broeit, midden in dezen

Schiet rode vlammen door haar teder vrouwelijk wezen’.

 

Electrum is een metaal en is meer nobel dan andere metalen. En er zijn hier drie vormen van, een is er zo een die uit een boom vloeit, het is vloeibaar en een dunne gom maar na een tijdje met hitte of kou wordt het hard als een heldere steen alsof het kristal is. De andere vorm wordt metaal genoemd en wordt in de aarde gevonden en is hoog in prijs. De derde vorm is gemaakt van de drie delen goud en van een vierde zilver. Een soort electrum waarschuwt voor venijn want als je dit erin dipt maakt het een groot tsjilpend geluid en verandert vaak in verschillende kleuren als de regenboog en dat plotseling.

Het amber dat gebracht wordt van die delen (Koningsberg en Kurland) ligt in grote hoeveelheden verdeeld op het zand van de zee, toch is het zo veilig alsof het in een winkel is sinds het de dood betekent als je er een stuk van af neemt. Te Danzig zag ik twee gepolijste stukken die een zeer hoge prijs deden, de ene sloot een kikker in waarvan elk deel duidelijk te zien was en waar de koning van Polen honderd dollar voor bood, de ander sloot een salamander in, maar die was niet zo doorzichtig als de vorige.

Elk soort amber, gekookt in het vet van een zeug die jonge biggen voedt, is niet alleen helderder maar ook beter.

Ik verwonder met het meest over Sophocles, de tragische poëet, want hij is er niet van af te brengen om te getuigen dat achter India amber geproduceerd wordt van tranen die uit de ogen van vogels vallen.

Amber wordt ook gevonden in andere plaatsen dan India. Garcia denkt dat het een natuur van de grond is als kalk en dergelijke en niet het zaad van de walvis of gegeven wordt door een soort fontein uit de zee.

 

Mythologie.

Freya, onze Noorse Aphrodite, de goudharige en blauwogige godin werd soms ook als een verpersoonlijking van de aarde beschouwd. Als zodanig trouwde ze met Odur, een symbool van de zomerzon, die ze innig liefhad. Ze kreeg bij hem twee dochters, Hnoss en Gersemi. Deze meisjes waren zo mooi dat alle lieflijke en kostelijke dingen naar hen genoemd werden. Als Odur tevreden aan haar zijde vertoefde glimlachte Freya en was ze volmaakt gelukkig. Helaas, de god was een zwerver van naturen. Toen hij genoeg kreeg van vrouw gezelschap verliet hij plotseling het huis en trok de wijde wereld in. Freya, droef en verlaten, weende veel, haar tranen vielen op de harde rotsen die bij hun aanraking zacht werden. Ze sijpelden zelfs door tot diep in het hart van de stenen waar ze in goud werden veranderd. Sommige tranen vielen in zee en werden veranderd in doorschijnend barnsteen. Toen Freya genoeg had van haar weduwlijke staat en naar haar geliefde verlangde ging ze hem zoeken en kwam door vele landen. Allen die ze ontmoette werd gevraagd of ze haar man gezien hadden. Overal stortte zo zoveel tranen dat men goud kan vinden in alle delen van de aarde.

En Freya volgde met haar tranen goud

Liefste godin des hemels, hoogst geëerd

Door allen zijn, na Odins gemalin

Voorlang nam haar ten huw’lijk Odur zwerfsch

Verliet haar dan en ging de wereld door

Sinds zoekt zij hem en weent haar gouden tranen

Veel namen heeft zij Vanadis, zo noemt

Op aard men haar, doch Freya in de hemel”. (uit Balder ‘s dood)

Ver weg, in ‘t zonnige zuiden, onder de bloeiende mirten, vond Freya Odur tenslotte.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/