Bezoar, enteroliet, bezoargeit.

uit Monardus.

 

Klik hier voor inleiding, Bijbel, hardheid, echtheid, zetten.

 

Bezoar komt van de Bezoar geit of Kreta geit, Capra aegagrus. Het wordt ook enteroliet (fecoliet) genoemd wat een ontlasting is die te lang in de darm blijft en harder wordt waardoor darmsteen gevormd kan worden.

De Arabische geneesmeesters noemen die steen bezoar, het is de bezoar of tranensteen.

Frans bezoard, 15de eeuw bezaar, Duits bezoarstein, Spaans bezoar van Arabisch bazahr, badizahr, zahr betekent gif, pa; tegengif, van het Perzisch padzahr: wegspoeler van vergif. Of van Hebreeuws  bed; artsenij, zahard; gif. Het werd als amulet tegen ziektes gebruikt. Bezoar werd door de Spanjaarden piedra contra venenoy desinayos genoemd, ‘de steen tegen het vergif of flauwte’. Deze steen werd gevonden in de maag van zeker dier, Pazain geheten, dat voor een deel op een hert en voor een deel op een bok lijkt die op de bergen hartsterkende kruiden gebruikt. Nadat hij slangen ingeslikt heeft en een wortel die ze tegengif noemen, uit welke vermenging van slang en wortel de bezoar groeit.

Er komen zulke stenen uit het oosten en uit het westen. In de pens van vele herkauwers vindt men namelijk rondachtige lichamen, ziekelijke verhardingen die je zou kunnen vergelijken met een blaas- of galsteen. Zij hebben, al naar de diersoort waarin ze aangetroffen worden, een verschillende samenstelling.

Er zijn een 3 hoofdsoorten;

1.     De eerste is de bezoarsteen, lapis bezoar sive bezoardicus, die uit concentrische lagen bestaat en de grootte van een erwt tot een vuist heeft.

2.     De oosterse bezoar,  lapis bezoar orientalis, die rond of langwerpig van gedaante is en net zo groot als de vorige, terwijl die van buiten een groenachtige bruine kleur heeft die bij de bezoargeit wordt aangetroffen en antilopensoorten. Lost niet op in water, bij hoge temperatuur smelt het en wordt vluchtig. De zgn. Oosterse bezoar echte bestaat geheel uit organische stof, soms uit een eigenaardig vetzuur, soms uit een op galnoten lijkende verbinding.

3.     De westerse bezoar, lapis bezoar occidentalis, is wat kleiner dan voorgaande, komt in 2 verscheidene heden voor, is dikwijls bont gevlekt en komt voor in de maag van lama’s en vicunna’s. Het hoofdbestanddeel is een niet brandbare en niet smeltbare stof, nl. fosforzuren kalk, (Bezoar occidentalis)

4.     Verder is er de bezoar van Coromandel, die heeft een bolvormige gedaante, brandt licht en is geurig, is aanwezig in de maag van de buffel.

5.     Een ander soort is de Duitse bezoarsteen, aegropilae, de Bezoarsteen of Tranenstein, die werd ook Drusensekret genoemd dat zich in de tranenklieren van gemzen en rood hert, bevindt en tot een taaie massa samenbalt. Ook komt er bij de steenbok en bij paarden voor. Die bestaan uit plantenvezels en haar.

6.     Dan is er nog de zwijnenbezoar, lapis porcinus, hystricinus) een steenachtig voorwerp dat men in de galblaas van het stekelvarken aantreft.

7.     Voorts wordt er nog melding gemaakt van apenbezoar, (bezoar simiae) uit de ingewanden van de gewone aap, (Inuus sylvanicus )

8.     De bezoar van Goa wat een kunstmatige bezoar is.

9.     Soms, zoals bij het vee, bestaat dit grotendeels uit plantenvezels en haren die bij wijze van vilt met elkaar verenigd zijn. Zij worden gewoonlijk ‘gemsballen’ genoemd. (Bezoar germanicus).

10.  Die haar bevat wordt Trichobezoar genoemd, tricho; harig. Phytobezoar, phyto; blad, bevate plantenresten.

 

Uit www.wartski.com, een vroeg 17deeeuwse bezoar steen

 

Gebruik.

De bezoargeit heeft de naam dat de bezoar bij haar meer voorkomt dan bij andere herkauwers.

Aan deze voorwerpen worden belangrijke geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. De stof wordt hoog betaald waardoor er veel op deze dieren gejaagd wordt.

Het was een onfeilbaar middel tegen vergiftigingen en tegen een aantal andere kwalen. In het Oosten schrijft men er nog altijd de eigenschap aan toe dat ze vergif onschadelijk maken. Om die reden worden ze door de pasja’s en aga’s duur betaald.

De oosterse komt van de bezoargeit. Het is een gif en pest werend middel. Van de Duitse bezoar of Gambskugel handelt een handschrift uit het jaar 1649 dat waarschijnlijk in een klooster is ontstaan. Het helpt tegen;

1. Met wijn ingenomen tegen jicht.

2. Tegen de pest, als alle artsenijmiddel in de oudheid.

3. Afgang bij vrouwen.

4. Bij epilepsie.

5. Tegen vergiftiging.

6. Om waterzucht te verdrijven.

7. In oorlogstijd tegen honger en dorst.

8. Bij buikpijnen.

9. Tegen een bedorven maag.

10. Maakt een 24 uur houw- en steekvast.

11. Tegen onwel worden.

12. Om de mannelijkheid terug te krijgen.

13. Tegen gestold bloed.

14. Tegen duizeligheid.

Van zulke bezoarsteen uit Indrapura bericht F. Nix in ‘Tijdschrift voor Indië, ‘die zou in de schedel van een rinoceros gevonden zijn en was relatief licht, zwart aan de buitenkant en tegen het licht gehouden doorschijnend in lichtrood en zeer hard, het snijdt glas. Het was naar opgave van de bezitter een universeel heelmiddel, bij vergiften en bloed spuwen behoefde je hem maar in de mond te nemen en het speeksel te slikken, bij reuma, verwondingen of brandwonden hoef je er alleen maar met de steen over te wrijven, bij de beet van een giftig dier leg je hem eenvoudig op de wond, zelfs stervende hielp hij nog.

Wat Borneo betreft, schrijft H. V. Dewall in het zelfde tijdschrift, dat een vorst uit Tidung een in de mond van een grote sawah-slang gevonden bruine, doorschijnende steen gevonden had, kamala sawa genaamd, die hij als talisman droeg.

 

Monardus, 1512-1588, heeft het vooral bekend gemaakt als de steen tegen gif, eerst die van Lama’s uit Peru en later van de oosterse uit India, zie verder bij hert en Monardus; ‘This Bezaar stone hath many names: for the Arabiens doe call it Hagar, the Persians Bezaar, the Indians Bezar, the Hebrewes Belzaar, the Greekes Alexipharmacum, the Latinistis against venom, the Spaniardes the stone against venom, sounding (hartkloppingen). Conrado Gesnero in his booke that he made of beastes, speaking of the Goate of the mountaine, saith that this name Belzaar is an Hebrew name, for that (ben) in Hebrew is as much to say as Lorde, and (zaar) venom, as if ye would say, Lord of the venomes, and by good reason it is so named, seeing that this stone is Lady of the venomes, and doeth extinguish, destroy them as being Lady, and mistresse over them. And of this it commeth that all thinges that are against poison, or venomous things are called Bezaarticas, for their excellencie…. stone.

The making and fashion of the stones bee of dyvers maners for that some bee long as the stones of Dates, others bee lyke to Chestnuttes, others like to rounde pellottes, of earth, suche as are shot in Crossebowes, others like to the egges of Pigions. I have one lyke to the kidney of a Kidde, there are none that be sharpe pointed.

And as these stones bee divers in their makinges so they doo varie in their colours, some have the colour of a darke baye, others bee of an Ashe colour, commonly they bee of a Greene colour, and with blacke spottes, such spottes at the Cattes of Algallia have, of a sadde gray colour, al which are finely compounded of certeyne thynne skales, or rindes, one uppon an other. Lyke to the skales of an Onion, verye artificially set, and those rindes are so excellent and so glistering, that it seemeth as though every one of them were burnished by Arte, and so taking awaye that whiche is uppermost of all, that whiche remayneth is muche more glistering, and shyning, then that whiche was taken awaye: and heereby they are knowne to bee fine, and true, and onely for this I tooke away from that whiche I have, the uttermost shale, that was upon him, and that which remayned was as glistering and more then the first, these shales are greater or smaller according to the greatnesse of the stone, it is a light stone and easie to bee scraped or cutte, lyke to Alabaster, because it is softe: if it bee long in the water, it dissolveth. It hath no heart nor foundation in the inner parte, whereuppon hee is formed, but rather is somewhat hollowe, and the hollewenesse is full of Powder of the same substaunce that the stone is of, whiche is the best. And this is the best way to knowe whether the stone be fine and true when it hath that pouder, for they which are false, have it not, and by these twee thinges whiche are fine and true, may well bee knowne from those whiche are false and counterfayt. In them that are moste true bee these thinne skales and rindes, glistering and shining one upon another, and the inner parte hath that powder which I have spoken of: and those whiche are not true have neither the one nor the other. For I sawe one that was broken, to see if it were fine ad it had shales, and in the inner parte it had a graine of seede wherby the Indian decieved many’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/