Korund, soorten.

Korund,  Duits Korund, Corundum, Frans corindon, Engels corundum, komt van een Sanskriet of Hindoestaanse naam kurand of van Sanskriet kuruvinda, robijn, van Tamil woord kuruntam of kuruvindam.

 

Uit zuivere aluinaarde, aluminiumoxide met als formule α-Al2O3., bestaat het mineraal korund. Na de diamant is de korund met saffier het hardste gesteente, hardheid 9, als korund onzuiverder wordt gaat het naar 8,  S. G.is gemiddeld 4.

Heeft of een glasglans of is parelmoerachtig, doorzichtig of troebel en in vele kleuren. De gewone korund is meestal onaanzienlijk, grijs tot blauwachtig, troebel. Door zijn hardheid wordt het vaak gebruikt als slijpmiddel, van slijpschijven tot schuurpapier.

 

 Klik hier voor inleiding, Bijbel, hardheid, echtheid, zetten.

 

De edele zijn saffier, robijn en leukosaffier die dan ook geslepen worden. Deze kristallen tonen soms verschillende vlekken. Witte vlekken kan je krijgen door het voorzichtig te gloeien. Vele robijnen en vooral de blauwe en licht rode worden bij hoge temperatuur groen en bij verkoelen weer rood. Blauwe saffier kan door sterke verhitting ontkleurd worden en staat dan in glans het dichts bij de diamant maar heeft een veel kleiner brekingsvermogen en veel minder kleurenspel.

In slijpbare toestand wordt korund in enkele streken van Birma (Mogeoek) gevonden, in Thailand, (Siam) in de provincies Krat, Nawang en Tschana en op Sri Lanka. (Dus pas na de middeleeuwen!)

 

De steentjes, waarin de asjes draaien van horloges en andere fijne instrumenten, worden dikwijls robijntjes genoemd, daar komen ook allerlei andere steentjes in voor. Volkomen kleurloze stenen worden gebruikt om er microscooplenzen van te slijpen, troebele als taplagers in horloges, voor het draadtrekken etc.

Bladerig korund of diamantspaat en onzuivere korund of amaril wordt als slijpmiddel voor andere, zachtere edelgesteente gebruikt. Dat slijppoeder was in de oudheid al bekend. Plinius vermeldt het wanneer hij over ‘naxium’ schrijft, ‘waarmee men stenen slijpt’.

 

Overig korund.

 

Uit www.engelen-levensvreugde.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vele doorschijnende saffieren en robijnen tekenen vooral als men ze en cabochon geslepen heeft (Frans cab: spijker, dus met gewelfde kop) en de hoofdas van het kristal loodrecht op de grondvlak van de gesneden steen staat in opvallend licht een zesstralig lichtvenster, dan heten ze stersaffier, sterrobijn, stersteen, opaliserende saffier of robijn, asterie en dan nog robijn-, saffier- of topaasasterie naar de kleur.

De hoogte van de welving wordt gekozen in verband met de steensoort. In ronde vormen worden ze meestal allen ondoorzichtig. De Oosterse girafol, (saffier- of robijnkattenogen) bezitten blauwachtige, roodachtig of violet tot geelachtige, ook groenachtige lichtschitteringen op de ronde bovenkant.

Ze worden op zeer verschillende wijze geslepen, maar nooit in de vorm van briljant, roosje of roset omdat ze daarvoor niet doorschijnend genoeg zijn. Meestal geeft men hun een trapvormige snede. De invatting geschiedt in goud, gedeeltelijk met een foelie van glanzend goud. Men omringt ze gewoonlijk met kleine diamanten.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/