Sardoen, sardoon, sardonyx.

http://www.acvaria.com/p_sardonix.jpg

 

Klik hier voor inleiding, Bijbel, hardheid, echtheid, zetten.

 

Sardoen, sardoon, saerdoen, sardone, sarder, sardon; ook sardonis. Naam van een edele steen dat hetzelfde is als sardonix, in Latijn-Grieks sardonyx; midden-Hoogduits sardonis, Engels sardonix, hoog-Duits sarder, sardoner en sardonier, Frans sardonyx en sardine. Daarnaast zal ook wel sardonius in gebruik geweest zijn. Sarder was vroeger een handelsplaats  in Klein-Azië waar het uit Indië gevoerd werd om daar geslepen te worden en vandaar in de handel gebracht werd. De naam komt wel van Perzisch sard; geelrood, af en heeft zo niets met de haven te doen.

Sardonix heeft de naam van sardius en van onyxx  en is van drie kleuren want het is zwart in het laagste, wit in het midden en rood in het bovenste. Sardonix is een steen, hard, rood, wit en zwart alsof het van onichinus, van onyx en van sardius (var. sardiuse) samengesteld was.  De vorm met twee lagen noemt men in Italië Niccole en Nigrillo waarvan in Duits Onickel maakte, waarschijnlijk een laag obsidiaan. Het is dus een mengsel van twee stenen, sarder en onyx. In de oudheid verstond men onder Sardonyx een bruine onyx met strepen die ook naar de rode kleur carneool genoemd werd. Sarder is geel tot bruinrood.

 

Het is een vorm van carneool, uit de chalcedoongroep, die bruin tot roodachtig is. Doorschijnend terwijl de kleur meestal egaal verdeeld is. De mooiste exemplaren zijn in door vallend licht bloedrood, in opvallend licht bruin met oranjeachtige gloed, die komt zelden voor en wordt duur betaald. Hij wordt hoofdzakelijk gebruikt voor zegelringsteen, hangers en kleine sieraden.

 

Gebruik.

Wie de steen als zegelring draagt laat zich niet door toorn  meeslepen, Aristoteles.

Het verhindert bloedingen en zweervorming op het tandvlees. Een geringe afwijkingen vinden we hiervan bij Ibn-al-Beithar die meestal op Aristoteles teruggaat. Hij geeft aan dat de steen de angst bij twisten sust. In de Bijbel en in oude schriften wordt het als helder rood of donkerrood beschreven. De H. Hildegard kent zijn gebruik tegen neusbloedingen weet dat het meer ‘warm dan koud’ is. Ze schrijft; In de herfst groeit na de middagtijd met sterke regenval de sarder. Dan is de zon zeer warm en de lucht koud. Het is daarom door de lucht en water rein en goed gemengd met de warmte. De Sarder wordt de zieken op het hoofd gebonden en er wordt gesproken’; "Zo God de eerste engel in het diepe stortte, neem zo deze waanzin van je en geef de goede geest terug’. De warmte en heilige woorden verjagen de onharmonische sappen van het hoofd. Als een doofheid door ziekte veroorzaakt is zal men sarder in niet vermengde wijn dopen, vochtig in een linnen doek leggen en dat in de dove oor steken. Zodat de warmte van de steen in het oor indringt moet er werk van vlas van buiten over de doek gedaan worden. Dat moet vaak herhaald worden. Bij gevaarlijke puisten zal sarder rond de puist gestreken worden en zeggen; "Ik strijk om je, puist, met een glans waardoor Gods wil aan de eerste engel straalde en weer op God terug straalde zodat je van de mens afvalt en wijkt net zo als door de glans van deze steen de eerste engel van zijn hoogmoed afgevallen is’, de puist zal genezen als het genoeg herhaald wordt. De steen mag niet over de puist gevoerd worden omdat die soms de gevaarlijke sappen opneemt en van die plaats naar anderen brengt. Als bij een sterke koorts ook de huid heet wordt zal in de eerste urine na de eerste slaap de sarder gelegd worden en men moet zeggen;  Ík werp je in deze urine met je glans die naar Gods wil in de eerste engel straalde en weer naar God terug straalde zodat je, koorts, van deze mens afvalt en weg gaat zoals door de glans van deze steen de eerste engel van zijn hoogmoed afgevallen is’, dat zal je drie nachten achter elkaar doen. Als je geelzucht hebt zal je in de eerste urine na de eerste slaap er deze sarder inleggen en spreken; ‘Ik werp je in deze urine met je glans die naar Gods wil in de eerste engel straalde en weer naar God terug straalde zodat je, geelzucht, van deze mens afvalt en weg gaat zoals door de glans van deze steen de eerste engel van zijn hoogmoed afgevallen is’. Dat zal men drie nachten achter elkaar doen.

Goethe schrijft:

‘Talisman ist Karneol

Glaubigen bringt er Gluck und Wohl

Steht er gar auf Onyx’ Grunde

Kuss ihn mit geweihtem Munde!

Alles ubel treibt er fort

Schuset dich und schust den ort

Wenn das eingegrabene Wordt

Allahs Namen rein verkundet

Dich zu Liebund Tat entzundet

Und besonders werden Frauen

Sich am Talisman erbauen!

In Arabisch heet het akik dat bij het vijlen en politoeren de eraf vallende stof van de akik het oog en hart versterkt en het middel tegen hartkloppingen is.

 

Bij Maerlant komt het in twee vormen voor; ’Sardanix is een harde steen, rood, wit en zwart is het alsof die van onichinus, van onix en van sardius, van deze drie afgezonderd is. Nuttig is het openbaar die misselijk is in zijn geest want hij verzamelt ze daar in. Hij laat menstruatie stelpen. Van Indië en Arabië komt het, soms zijn ze gegraveerd en die zijn meest waard om van te houden’.

Megenberg; Sardonix is ook een van de twaalf stenen en heeft het de natuur gemaakt van twee stenen, van de onyx en van de sardoen. Het is een deel rood en die roodheid heeft het van de sardoen. En is een deel wit en zwart en die twee kleuren heeft het van de onyx. Men spreekt dat de steen geen ander deugd heeft dan dat het de onyx niet beschadigen mag waar de sardoen tegenwoordig is. Daarom zal u weten dat ettelijke spreken, onyx is een andere steen dan onichinus van die we voor gezegd hebben en spreken, onyx is een edele steen die is aan een zijde wit en aan de andere zijde zwart en heeft die deugd wie het aan de hals of aan de vinger draagt die beneemt het gierigheid en beneemt hem treurige dromen in de slaap, echter het heeft die ondeugd dat het strijd en tweedracht maakt tussen de lieden en wanneer men het de kinderen aan hun hals hangt dan vermeerder het bij hen het speeksel. En tegen die ondeugd is de sardoen goed. De onyx vindt men in de twee landen, Arabië en India, en de sardoen ook. Er spreken ook de meesters dat de sardoen een schonere gestalte heeft dan de voor genoemde kleur alle tot elkaar gemengd zijn. Wie de steen draagt die betaamt het dat hij slim is en deemoedig en spreekt men dat de beste onder hen zijn die doorgraven zijn zoals men zegels graveert. De glossaria spreekt over het deugden boek in het een twintigste stuk dat de sardoen  op het laagste zwart is en in het midden wit en in het bovenste rood. Daarbij verstaat men het heilige geduld waarmee ze versmaad zijn tot het laagste, dat is in deze arme wereld. Daarom spreekt Job; ‘men spot de echte eenvoud’. De heilige zijn ook in het midden wit, dat is ze zijn in hun hart en in hun geweten rein met hun onschuld en zijn in het bovenste rood met de hitte der goddelijke liefde waardoor ze veel martelingen lijden. Daarom heb ik de steen onze vrouw gerechtigheid vergeleken. Ach heer, u weet hoe erg versmaadt ze is geweest met u in deze wereld en wat ze met u geleden heeft om de schijn van uw goddelijke werk hier op aarde. Wel, daarom spreekt ze billijk in het minnen boek van zichzelf;  ‘u dochter van Jeruzalem u zal me niet bevlekken, daarom dat ik bruin ben want de zon heeft me ontkleurd, ik ben zwart, echter ik ben erg goed gesteld’. Wee, wat een erg schone preek daaruit wordt!

 

Maerlant de tweede,;Sardius, die is zonder waan, een steen naar rode aarde gedaan. Bloed stelpt het en daar het is mede doet de onyx geen felheid. Sommige wanen dat deze steen en de corangelinen zijn een’.

Megenberg; Sardius is ook een van de twaalf stenen. Die vonden die lieden als eerste die Sardi heten. De steen is een rode kleur, echter die roodheid is bleek zoals een rode aarde. Het heeft die aard dat het de rode vloed verstelt en de onyx mag niet beschadigen wanneer de sardoen tegenwoordig is en spreekt de glossaria dat sardoen en carneool een steen is. De steen betekent de volkomen standvastigheid der heilige martelaars die hun bloed vergoten hebben in de liefde van onze heer en daarom is het de zesde onder het getal van de twaalf stenen in het deugden boek want onze heer leidt de martelaars in de zesde oudheid van deze wereld. De steen heb ik vergelijkt onze vrouwe kinderlijke vrees die een kind tot zijn vader heeft steeds hoe het al zijn werk volvoert en volbrengt en zijn leven gans daarnaar schikt zodat het zijn vader niet vertoornt, alleen maar door de ganse liefde die hij steeds tot [534] hem heeft. Er vreest vaak een mens de andere door de wil dat die nut van hem verwacht of dat hem lijden en schade daarvan komt deed hij zijn wil niet. Die vrees bedoel ik niet want diezelfde vrees is een dienares de dient het nut en niet de liefde en is een bedwongen vrees. Echter de eerste is een erfkind en is alleen gebouwd op heldere liefde en op standvastigheid. De vrees mag groot lijden dragen vanwege de liefde. Wel, die vrees heeft onze vrouw gans gehad tot God op aarde.’

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/