Etymologie.

 

Paleo-linguistiek.

Ik heb wel eens gelezen dat de eerste mensen als oerklank een 30-50 klanken hadden, zoals centrale klinkers en medeklinkers. (1) Hij maakte woorden naar wat hij zag en voelde. Geleidelijk aan groeide die klanken, met de daarbij horende gebaren en emoties, toen de mensen de zaken onderling verschillend zagen en door beter gebruik. Om dit verschil uit de drukken werd en wordt er meestal iets van het oorspronkelijke woord weggelaten of toegevoegd. Je wil het nieuwe woord zo uitdrukken dat het op de oude lijkt, maar toch anders is. Als voorbeeld zie je dat van vis tot walvis. Zo van vuur, het hout van de dennenboom wel vurenhout genoemd omdat die veel hars bevat en geschikt is als fakkel, toorts of om vuur te dragen. Ook zie je het bij veel reclames, vaak een vervorming uit Latijn of Grieks. Gaat de ontwikkeling verder en komt er daar weer een toevoeging of wijziging bij, met vervolgens weer een wijzing etc., op den duur lijkt het niet meer op zijn eerste woord en kan zelfs tegengesteld van zijn.

De oorsprong van een woord vinden is vrijwel onmogelijk, dat gaat terug op enkele klanken die duizenden jaren geĎvolueerd hebben. Dat was voor elke stam oorspronkelijk anders vooral die wat ver van elkaar zaten, vandaar de taalverschillen. Toch wil ik hier proberen om de oorsprong van verschillende woorden en hun opvolgers hier neer te zetten.

Toch wil ik het niet te moeilijk maken met alle verwijzingen naar al die verschillende en vaak oud talen en woorden. Ik zal dat inkorten, hoogstens in de inleiding, wie het beter wil uitzoeken kijkt op http://www.etymologiebank.nl

 

Een samenvatting.

Noord Fries wier ‘wier’ (< oud Fries *wēr); oud Engels wār ‘zeewier; strand’ (Nederlands ware); pgm. (2) < *waira-. Het moet dan om een laat-Oud Friese vorm gaan, waarin de Friese klankontwikkeling oud Fries. -ē- > -ie- (15e-16e eeuw) al heeft plaatsgevonden. Germaans ai = Angelsaksisch wČr (o.?) “wier” [wČr ook = “zand, strand” = wier: bij de wortel wei, besproken bij weeg] of uit een hiermee ablautend *wĒra- of *2ra-. Vergelijk Angelsaksisch wĒr. (oud Engels wir of wirae; drada, war, Engels wir), (Nederlands wire), Midden Noord Duits wĒre, “metaaldraad, ornament hiervan”, (vergelijk ook Gronings wierdraad ‘dun ijzerdraad’ en Wangeroog’s (4) wīr ‘ijzerdraad, breinaald’), oud Hoogduits wiara ‘gouddraad’, Oud Noors vĒra-virki”, Zweeds vira [draaien],  oud Iers femmu(i)n, Bretons gonemon (vgl. wierdeboon, wierig).

Hoogduits wiara, “fijn goud, ornament daarvan”, Germaans *2(n)-, waarschijnlijk uit Indo-Germaans *wźirČ-. Zowel de betekenis “wier” als “metaaldraad” kan uit “het gewonden” ontstaan zíjn; dan komen Germaans *waira-, *wĒra-, -ô-, *(i)ra-, -ô- evenals Iers fiar “scheef”, oud Iers fīar, Kymrisch gwȳr (< *u̯eiro) ‘krom, scheef’ van het Indo-Germaanse wt. *u̯ei ‘winden, vlechten’ (IEW 1122). Latijn (oorspronkelijk Gallisch volgens Plinius) viriae of viriolae “een soort armsieraad” van de bij weegluis besproken bwier, gelijk Noord Duits uit Fries wír + metaaldraad en met ablautende Angelsaksische wár.  Uit; http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/wier.

 

(1) Een centrale klinker of gecentraliseerde klinker, niet te verwarren met een middenklinker) is een klinker waarvan de articulatie wordt gekenmerkt door het feit dat de tong ongeveer halverwege de positie van een voorklinker en die van een achterklinker in ligt.

(2) Proto Germaans, =pgm, in het begin van de jaartelling)

(3)  ablautend wil zeggen: etymologisch verwante woorden teruggaan op een klinkerverandering)

(4) Duits eiland Wangerooge)

 

Wier.

De naam wier is dus al vanouds gebruikt. Plinius verhaalt een 60 jaar na Christus: ‘De oceaan breidt zich door gedurig verloop van dag en nacht daar zeer wijdt uit en bedekt het in een eeuwige strijd van de natuur met vertwijfeling of een gedeelte daar aarde of zee is. Daar woont een ellendig volk op hoge heuvels die met verheven hutten bezet zijn tot boven de hoogste vloed en omringt van het water net zoals de scheepslieden die schipbreuk geleden hebben. Omtrent hun woningen vangen ze vissen’. Ze hadden toen dus al wierden of terpen. De naam wier betekent dus zoiets als gewonden, winden, vlechten of draaien naar hun vorm in het water met als basis uei.

1. Van dat wier maakten de mensen hopen in het water als wierhoofden of wieren. Die uitgang wier, wierde, wird, werd, weerd, wer, ward, waard, warf, warven, waerft, weerd, werf, werth, werve, wurth, worth, word, woord, woerde en dergelijke, oud Hoogduits warid, werid; eiland in een rivier, water, oud Nederlands werith en werd, Angelsaksisch  warod, warad, werod, waerd; kust, oever, zee.  Dat zie je in veel plaatsnamen als Leeuwarden, Abbewier, Kornwerd etc.

2. De naam wier verschijnt in oud Hoogduits als Werfen wat ophogen betekent. Zo is ook de naam werf via warf ontstaan. Een werft of werf is dus een kunstmatige heuvel. Op de werf werd een kleine woning of boerderij gezet en het werd een erf. Nu heeft het de betekenis van een open ruimte bij een huis, een erf, woonerf of bij een (hoger) plein. Ook de naam van scheepswerkplaats, oud Engels hwearf; oever, dam, Nederlands wharf; kade, oud Noors hvarf; omheinde plaats. De scheepswerf is eindelijk ‘een verhoogde plaats langs een water’. (2)

3. van dit werven; draaien, komt ook het woord warf, werf; keer of krijgen als in driewerf, een woord dat vrijwel verdwenen is.

4. Het is dus ook logisch dat er op die werf, warve, warf, waerft een openbare vergadering, werd gehouden, een banne, waarop landsbelangen, bestuur, wetgeving en rechtszaken. (1). De dingvergadering, ontstond op  die van ‘plaats waar men bijeenkwam en omdat dit oudtijds op een verhoogde plaats geschiedde, die van ‘heuvel’ omdat de dingplaats met een wal omgeven placht te zijn. Dit onder een grondbetekenis van ‘rondgaande beweging’, ‘sacrale rondgang (ter wijding van de dingplaats). Deze warven of gemeenlands (algemene) vergaderingen werden reeds vroeg gehouden. Oud Fries warf, wār, wēr ‘gerecht(plaats)’, waar gerecht gehouden werd. Werven of verwerven heeft nu de betekenis; overhalen tot een dienst, lidmaatschap etc.

5.  Zo dan ook de erfwoningen naar de erven of erfgenaam, van een vererfbaar stuk grond, erfpacht, erfgoed, erfenis, erfelijk, erven, erf. Erfgenaam is letterlijk; hij die het erf neemt.

6. De betekenis „hoogte” komt ook goed uit in „werve”, de naam van een soort van kleine ronde stellen die men vroeger bouwde op de schorren en gorzen in Zeeland. Die verhogingen werden in Groningen ook weerden genoemd, (wieren en weeren). „Weer” vindt men nog in Groningen. In Utrecht heb je nog straten waar het woord weerd in voorkomt zoals de Bemuurde Weerd. (G. Van Rijn) In Gelderland en Utrecht was in de middeleeuwen de gewone vorm „weerd”; later ging die over in het jongere „waard”. Dat in de benaming uterweerd (uiterwaard), buitendijks rivierland. Zie Weert, eerder Werta, Woerd dat eerder Wrde heette.

7. Guirlande.  Engels garland; krans van bloemen, ook kroon van goud of zilver, van oud Frans garlande, waarschijnlijk van Frankische vorm van weron; versieren, bedekken, van wiara-, wara-; draaien, oud Engels wir; metaal getrokken in een fijn draad, van Proto Germaans wira-, wera-, (ook zo in oud Noors viravirka, filigraan werk, Zweeds vira; draaien, oud Hoogduits wiara; fijn goud werk) van de wortel Pie wei; draaien, twisten. Vergelijk midden Hoogduits wieren; aanbidden, bedekken (zo ook van oud Iers fiar, Welsh gwyr; gedraaid, Latijn viere; gedraaid, virae; bracelet, van Keltische oorsprong.) Wire is de Engelse naam voor telefoon draden.

(1)Halsema, Reg. Ommel. 288 en vooral blz. 291.

(2) J. de Vries Ts 53, 1934, 257-268.

(3) T. Pluim, 1911. Keur van Nederlandsche woordafleidingen.

 

Kapel.

Soms is het zeer eenvoudig. Wij kennen het St. Maartensfeest. 

Sint Maarten is geboren ca. 316, waarschijnlijk de zoon van een Romeins tribuut uit Pavia. Hij stichtte de abdij van Marmoutier, waar hij ook als bisschop van Tours, ca. 371, een zeer eenvoudig leven bleef leiden. Op de verbeelding van het volk werkt vooral het verhaal over de helft van zijn mantel die hij, toen hij nog Romeins soldaat was, aan de stadspoort van Amiens aan een bedelaar gaf.

1. Hij werd de nationale heilige van Frankrijk en werd begraven in de Sint Maartensbasiliek van Tours. Een kapel, midden-Latijn cappella, Engels chapel, betekent eigenlijk manteltje (afgeleid van cappa) en was oorspronkelijk de mantel van St. Maarten die door de Frankische vorsten bijzonder vereerd werd als relikwie en bij uitbreiding werd het een “kerkgebouw’ waarin die relikwie was die door de Merowingen en Karolingen werd bewaard en zo tot nationaal heiligdom en vandaar heet Aken in Frans Aix-la-Chapelle. Zie ook Westcapella of Westkapelle in Zeeland. De betekenis klein kerkgebouw komt omstreeks 800 in gebruik.

2. De geestelijke die belast werd met de zorg voor de heilige capella was de capellanus of de kapelaan.

3. Veel later kwam de overdracht op muzikale inrichtingen die oorspronkelijk met de kapellen en godshuizen samenvielen. In de 16de eeuw kwam van Italiaans cappella: muziekgezelschap, hoforkest, kapel, kapelmeester. A capella, van alla cappella, is een muziekterm voor het zingen meestal door een koor zonder muzikale begeleiding.  Dat was tot de 16de eeuw vooral gebruikelijk bij kerkmuziek, muziek in de kapel.

4. Dakkapel, een uitgebouwd dakvenster, werd vooral op kerkdaken geplaats.

5. Ook een kap of mantel met capuchon of hoofddeksel  die gedragen werd zoals door de Kapucijners die er ook de naam van hebben, vergelijk kapmantel.

6. Kapel was de naam vroeger voor de vlinder naar de uitgespreide vleugels die aan een mantel of capella deden denken.

 

Spar, naaldboom.

1. ‘Spar’ is een woord dat waarschijnlijk verkort uit sparrenboom ontstaan is. Het is een boom die geschikt is voor het maken van sparren.

2. Een spar was oorspronkelijk een woord voor het ge­vorkte eind van een balk waarop de vorstbalk rust. Spar komt van oud-Engels spearrian: sluiten of dragen. Het oud-Noors kent de naam sparri en het oud-Hoogduits sparro: voorzien van of verstevigen met. De Germaanse woordwortel sper schijnt vooral voor onderdelen van het dak gebruikt te zijn.

3. Sperren heeft de betekenis ‘met sparrenwerk verstopt’. Versperren.

4. Het woord is verwant met speer, oud-Hoogduits sper, en in het Latijn sparus: jachtspriet. Oud Saksisch en oud Hoogduits sper, oud Engels spere, nu  spear, oud Noors spjör; alle ‘steekwapen’, van Proto Germaans speri- ‘speer’.

http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/speer1

 

Arundo, pijlriet.

De naam Arundo of riet stamt mogelijk van Latijn wat riet betekent, of van arende, verdrogen, naar de korte bloei.

Al in Homerisch tijd gebruikten de PhoeniciĎrs veel materialen hieruit. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, Grieken maakten er kana of kanna van en de Romeinen canna of cana. Nu wordt de naam Canna gebruikt voor Indisch riet of bloemriet. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo European. (nog is de naam van een schrijfstift bij vele volkeren in de oost bekend als kalČm)

De Homerische broodmand was ervan gemaakt en de kam of spoel van het weefgetouw. Het was het materiaal waarvan het schild gemaakt was evenals de lengtemaat. De cyclopische muren van Mycena waren met de "kanon" en steenmortel gevoegd.

1. Bij Euripides was de rietdichtheid, waarin Menelaos en Odysseus de nacht doorbrachten in hun hinderlaag voor Troje, waarschijnlijk het gewone riet. Wel waren de pijlen van het Aziatische riet gemaakt waarmee Paris Eurypylus in het been trof. Dit riet kan evenwel ingevoerd zijn. Duidelijker spreekt Dioscorides over het echte Aziatische riet dat dik en hol is en aan oevers groeit en Donax genoemd wordt. Daarom heet het riet in Frans canne de Provence, Engels giant reed of cane, Italian vineyard cane of distaff cane.

2. Net als in ItaliĎ verschijnt het woord canna eerst laat en meestal dan nog als een naam voor het gewone riet, Phragmites. Ovidius onderscheidt de kleinere canna van de langere Arundo. Afleidingen zijn van canna, vanwege de riet vorm: canalis, dat van uitgietriet tot kanne werd en kannen­gieter, Duits Kannengießer. kan etc.

3. Kanaal, midden Nederlands kanel, Engelse channel,  van de Picardische variant canel; waterloop, vaargeul, van oud Frans chanel (nu chenal), uit Latijn canālis; geul, goot, waterleiding, van canna; riet.

3. Halm, (stengel) midden Nederlands halme, nu meestal als collectief; restant, stengels, stelen en dergelijke van gecultiveerde gewassen, van Proto Germaans halma; halm. Verwant met Latijn culmus; halm, Grieks kálamos; riet, waaruit door ontlening Latijn calamus; riet, rietfluit, via het Arabisch ook Sanskriet kaláma; schrijfriet. De halm is lange tijd een rechtssymbool geweest. Het overhandigen van een halm stond symbool voor het officieel afstand doen van een verkocht, geschonken of verpand goed; meestal was dit onroerend goed, maar het kon ook een erfenis zijn. In de eerste vermeldingen wordt het woord steeds op deze manier gebruikt, wat ongetwijfeld te maken heeft met de aard van deze middeleeuwse teksten: ambtelijk, en niet over het dagelijks boerenbedrijf handelend. Het wegwerpen gaat overigens altijd gepaard met een zogenaamde gifte, een overdracht van een onroerend goed in de voorgeschreven vorm; steeds wordt dan de verbinding halm en (wettelijke) gift gebruikt.

4. De nieuwere Europese spraken bezitten nog verdere afleidingen van dit woord, Grieks kanna; rietstok, kanon; een richtlat, liniaal of richtsnoer werd van dit riet gemaakt, ook regel of norm, Latijn canon; regel, richtsnoer, Canones; kerkelijke leerstellingen en voorschriften, canonicus; levend volgens de regels van een religieuze orde, canon; kerkelijke wet of regel. Canoniek recht; kerkelijk recht. In de betekenis ‘meerstemmig, zich steeds herhalend zangstuk’ is canon ontleend via het Italiaans en/of Frans; die laatste betekenis kon zich ontwikkelen uit oorspronkelijke ‘regel, richtsnoer’ door de strikte regels waaraan een canon moet voldoen om zo te heten. Canonici, Canunniken of nu Kanunniken.

5. Uit Canna; buis, rietstengel, kwam via Frans canon, Italiaans cannone, Frans canon en ons kanon. Kanonnade; beschieting met….

6. Caneel, kaneel of pijpkaneel, komt van oud Frans canele, van cane of canne; pijpje, buis, uit Latijn canna; riet.

7. Kanis, kanes, kanus; scheldwoord. Mogelijk van kanis; mand of korf, van Latijn canistrum; rieten mandje, van Grieks kanastron; van kana, riet.

8.  Karamel komt van Spaans caramelo, oud-Frans calemelle, laat-Latijn calamellus, van canna mellis: zoet riet.

9. Schalmei, Duits Schalmeienrohr, Frans Chalumeau het muziekinstrument, heette in midden-Nederlands scalmeie dat uit oud-Frans chalemie en dit uit Latijn calamellus, en dit van calamus en dat van Grieks kalamos komt. Men snijdt nog als in de oudheid zijn muziekinstrumenten, de tibia, fistula, syrinx en hobo van Arundo donax. Heel bekend is de Pansfluit die samengesteld is met 7‑9 rietpijpjes van afnemende lengte die Pan zou hebben gesneden uit het riet waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx was veranderd. Riet werd gebruikt om er fluiten van te maken. Ook de Highland bagpipes zijn ervan gemaakt, de pan pijp bestaat uit 10 stengels.

10.  Cannabis of hennep, in Frans is het canabe, canabou, chanvre en cambre, Italiaans canapa. In Arabisch, Perzisch en Keltisch is het canab en in oud-Slavisch konoplje. Die woorden zijn afgeleid van Cannabis en dat van Grieks kanna: riet,  dat net als hennep tot vlechtwerk gebruikt werd en waaruit Latijns cannabis, volks Latijn canabum of canaba en W. Europese leenvormen ontstonden. De vezels van hennep zijn beter dan die van vlas en waterafstotend. Om die reden werd het gebruikt voor nautische doeleinden. Het Franse woord canevas, in Nederlands canvas, is afgeleid van Cannabis.

11. Kanaän. Al die woorden gaan op Hebreeuwse kaneh of de Phoenische vertegenwoordigers terug. Keneh, keneh hattov of kaneh. (Jozua 16:8, 19:28, Jesaja 43: 24 en andere) De naam kanah staat voor een beek en de overeenkomst keneh dat deze zeer overvloedig was. Deze naam wordt meestal vertaald voor riet. Volgens reisbeschrijvingen is Kanaän de zoon van Cham, maar het woord wordt ook vertaald als koopman, mogelijk een Phoenische. Deze Hebreeuwse naam komt vooral voor in de boeken van Mozes en Jozua en wordt door de 70 overzetters voor PhoeniciĎ vertaald. Volgens Strabo heette elke Fenicische stad eerst Kanaän.

 

Eik, Quercus.

Dodonaeus beschrijft de tamme eik als ‘de eetbare eik’ van de ouders, ‘Deze bomen heten in het Grieks Drys. De eik die zoetere vruchten (eetbare eik van de ouders) voortbrengt is de tamme soort van eik, in het Grieks Drys hemeros, in het Latijn mag men het Quercus sativa, Quercus urbana of ook Quercus culta noemen, dat is tamme eik’.

1. Wijdverspreid in Indo-Germaans en zowel in Aziatische als in Europese talen is de boombetekenis deru of dru. Dit woord komt alleen maar voor in verzwakte vormen als -tre (secundair -dre, -der), -ter en -tar in samenstellingen voor diverse boomnamen als Appelter, Holunder, Affolder, Flieder, Ruster en Wacholder, in het oud-Hoogduits wechal-ter, oud Saksisch trio, treo; oud Fries trē; Angelsaksisch als trēo, trēow (nieuw Engels tree); Gotisch triu; ‘boom, hout’.  Ook in andere namen zoals Apeldoorn, Appeltern.

Dit vinden we ook terug in het algemeen bekende woord Druēde, Keltisch  druid, waaruit oud Iers drui, meervoud druid; tovenaar, waarzegger, oud Engels drȳ. Dat woord kende ook de Grieken en Romeinen in de woorden druidai en dryadae.. Bij de Grieken leefden de Dryaden en Hamadryaden in eiken en andere bomen. Hun naam komt van het Griekse drys: eik. In vele Indo-Europese talen betekende dru: sterk en wijs, varianten daarvan betekenen gewoonlijk kennis. In Keltisch druēde voor priester, ook de woorden deur, Duits Türe en toren, Duits Tor, hebben hun oorsprong in het Keltische duir.

2. Teer, midden Noord Duits tere, Noord Fries tarre, oud-Engels te(o)ru, teru, Engels tar, vergelijk oud-Noors tjara, tjörva of tyrr en dan tjaere: teer, Zweeds tjära. Het woord is verbon­den met tree, ter: boom. Teer werd vooral uit naaldbomen gewon­nen. Het is afgeleid van een Indo-Europees woord voor ‘boom, hout’, met de wortel deruo- een afleiding van dóru ‘boom, houten wapen’.

3. Houten trog of voederbak, midden Noord Duits trog; nieuw Fries trôch, trôge; oud Engels trog, nieuw Engels trough; een velaaruitbreiding van de grondvorm dru-, de nultrap van dreu-; boom, hout, wortel dreu-, zie teer. Grieks droítē; kuip, badkuip, doodkist, (drowitā), oud Iers droṇa trog, kuip. Waarschijnlijk van Indo-Germaans dru-qó- of dru-ḱó; houten bak. De trog is dus genoemd naar het materiaal waaruit deze oorspronkelijk werd vervaardigd. De algemene betekenis van trog in alle Germaanse talen is onveranderd gebleven. Een trog is een langwerpige bak, van boven wijder dan van onderen, oorspronkelijk van hout, en gebruikt als voederbak, waterbak, deegbak e.d. Bij uitbreiding worden ook allerlei andere trogvormige zaken trog genoemd. Bekend zijn vooral de meteorologische trog’ uitloper van een lagedrukgebied’ en de geologische trog’ smalle, diepe kloof in de oceaanbodem’ (2)

4. Maar ook het Duitse True, ons trouw, trouwen en troost en Engelse true of truthe zijn ervan afgeleid. Oud Nederlands triuwa; oprechtheid, betrouwbaarheid, 10de eeuw gitriuwi en getruuin,  rond 1200 trowen, trouwe, midden Noord Duits truwe; oud Hoogduits triuwa, nieuw Hoogduits Treue; oud Fries triūwe, triōwe, nieuw Fries trou; oud Engels trēow en triwe; geloof, trouw; alle ‘trouw’ en daarvan afgeleide betekenissen, Proto Germaans treuwa-, trūwō-.

Hiervan afgeleid is het bijvoeglijk naamwoord (gi-)treuw-ja-, waaruit: midden Noord Duits getrouwe, (ge)truwe; oud Hoogduits (gi)triuwi, nieuw Hoogduits treu; oud Fries triuwi, nieuw Fries trou; oud Engels (ge)trīewe, nieuw Engels true ‘waar; alle oorspronkelijk ‘trouw, betrouwbaar, loyaal e.d.’ Indo-Germaanse basis dru-, derewe. Deze basis dru-, derewe- is identiek met de teer besprokene: grondbetekenis “kernhout, hart van een boom. De oorspronkelijke betekenis van trouw is dan ‘standvastig als een boom’; een vergelijkbaar betekenisverband is te zien in Keltische afleidingen van dezelfde wortel: Welsh derwen;‘eik’, naast Oud Iers derb; stevig; stevig als een eik. Vergelijk ook Latijn robustus; stevig, van robus; eik.

Het werkwoord trouwen wil eigenlijk zeggen: vertrouwen geven aan, vertrouwen stellen in iemand. Dan gaat trouwen betekenen: uithuwelijken (door de vader), in de echt verbinden (door de geestelijke) en eindelijk: in het huwelijk treden. Bekend zijn uitdrukkingen als: te goeder trouw voor: zonder boos opzet en: iets op trouw leveren voor: op krediet. De trouw is een van de belangrijkste begrippen van de primitieve gemeenschapsvormen, vooral tussen koning en gevolg mannen.

Dat doet vermoeden dat de boom gezien werd als het beeld bij uitstek van stabiliteit, permanentie, duurzaamheid, onverzettelijkheid, als iets dat niet van zijn plaats te krijgen was; oude betekenissen van woorden als trouw etc. waren namelijk verbond, verdrag, belofte, betrouwbaarheid, zaken die vastigheid en permanentie impliceren. (Overigens komt het woord duur in duurzaam via Latijn durum ook van dezelfde stam voor boom; daaraan mogen we denken bij duurzaam bosbeheer!) (1)

5. In het Latijn heet de eik Quercus, wat op een (hypothetische) oervorm Perquus wijst. (Men neemt nu aan dat het woord niet meer stamt van twee Keltische delen, kaer of quez:  boom, of van kracht, sterkte, of verwant met Sanskriet karkara: hard, het harde hout. Verwant met quaerere: vragen, omdat het godsorakels zich onder eikenbomen bevonden. Quercus zou een Latijnse vervorming zijn die de Indo-Germaanse sacrale naam Perkus bevat. In Litouwen heet de eiken god Perkunas. Dit perkus betekent vuurbrand: van eikenboom, daarvan afgeleid zijn bijvoorbeeld oud-Noors fura, Angelsaksisch furh, oud-Hoogduits vorha, nieuw Duits fohre en Nederlands vuur. Het Indo-Germaanse perkus is dus van vuurbrand veranderd in eik. Hoe? Bij de Bulgaren heerst de opvatting dat bepaalde eiken gemakkelijk vuur vangen. Bovendien maakten zij vuur door het zagen van eikenhout op eikenhout. Het is hetzelfde woord dat ook in de naam Fohre (voor een dennenboom) zit.

De naam Fohre voor Pinus is veel ouder dan Kiefer. (In samenstelling met Kien werd het Kiefer) De oude Feuer-, oud-Hoogduits Fiur, oud-Noord Duits Fyr-, Farch, Fackel- Ferche en Feure bij Cordus, Fohra, Forha bij Hildegard, verwant met Feuer, in het Engels als fir, midden Engels firre, oud-Engels furh of fyrh: oud-Noor fura; vuur. Vurenhout, midden-Nederlands vuren of vuerijn, midden Noord Duits Vuren en Oost Fries Furen. Ook in de Edda komt het woord fura voor de den voor. Is het woord verwant met de vurige FuriĎn? De Engelse botanist Gerard verhaalt ons dat door zijn brandbaarheid de mensen het fire of firre woodde noemden. In oude dagen werd het firwood genoemd, omdat het de meest vlambare is van alle houtsoorten en zo vol gom dat het branden zal als een toorts. Het woord is verwant met Engels firm: hard hout, respectievelijk met Langobardisch fereha: eik. Germaans furhus brengt men samen met voor Germaans qrkus en Latijn quercus, (waarvan men een oude vorm als perquus aanneemt) dat eik betekent. Opvallend is verder dat in Zwitserland Ferch een betekenis voor eikenhout is. Bij boomnamen is zo'n betekenisverandering niet zeldzaam, zoals we meer zien. In Beieren verschijnt de naam meest als Forchen en in Zwitserland meest als Forch. Dit zou betekenen, naar verschuiving van de eikennaam naar dennennaam, dat de inwoners vanuit een eikengebied naar een dennengebied moeten zijn gekomen en de naam van de in hun thuisland belangrijkste boom in hun nieuwe land overdroegen. Daarom gingen de Germanen hun woord voor ‘eik’ toepassen op de coniferensoort.

 (1)uit;  http://edepot.wur.nl/114977.

(2) uit; http://www.etymologiebank.nl

(3) N. Van der Sijs, Geleend en uitgeleend.

 

Maal.

1. Maaltijd, tweede lid is wel duidelijk, tijd, maal, midden Nederlands mael; moment, tijdstip, oud Saksisch māl; tijdstip, nieuw Hoogduits Mahl ‘maaltijd’, (Mal ‘tijd); oud Fries mēl ‘maaltijd’, mēl ‘tijd’, nieuw Fries miel; maaltijd; melk van eenmaal melken; mel, midden Engels mel, oud Engels mĺl; maat, gelegenheid, maaltijd, nu meal, Gotisch mel ‘uur, tijd’; Germaans ma; tijd, mahl; maal, Proto Germaans mēla; ‘tijdstip’. Oud Grieks metron; meten, Latijn mensus. Waarschijnlijk verwant met Litouws (tuo)mẽl; ‘aan een stuk door’ en dan een afleiding bij de wortel Pie meh; meten.

Maal is dus iets van een telkens terugkerend tijdstip als etenstijd  van Indo-Germaans me; meten,  dus  dat in één maal genuttigd wordt: een maal bonen; ook: de hoeveelheid melk, die een koe in één keer geeft: een goed maal, vervolgens werd het de naam van het eten zelf.

2. Maar maal heeft meer betekenissen die van dezelfde bron komen. Om de uitkomst van ’t meten te onthouden werd een teken een merkteken gegeven, en zo verkreeg het zelfstandig naamwoord daarvoor – ons maal – de betekenis van teken, merkteken, punt; zo wordt hieruit verklaard: maal; vlek, bijvoorbeeld ijzermaal; ijzerroest, plek in linnengoed.

3. Maal ; punt, tijdstip; vergelijk voormaals, toenmaals; hier namaals; hieruit ontstond maal = telkens terugkerend tijdstip, waarop iets gebeurt, dus: keer: driemaal, veelmaals, zes maal acht; hierbij behoort ook maal = etenstijd, en verder: het eten.
4, Een ander woord is maal als brievenmaal, in ’t oud Saksisch malaha, midden Nederlands male, dat oorspronkelijk, tas betekent; vandaar brievenmaal. Het Germaanse woord ging in ’t Frans als male (thans malle) over, waaruit ’t Engelse mail ontstond, en dat wij weer invoerden: de Indische mail; mailboot; mailpapier. Eindelijk nog leeft in ’t Veluwse maalman, maalschap. Een maalschap is op de Veluwe de oude marke, de gemeente, het gemeenschappelijk grondbezit; de deelhebbers waren maalmannen, of ook wel de bestuurders; men kwam samen op ’t malenveld, waar de malenbank stond; de besluiten werden in ’t malenboek opgetekend; elders heet een maalschap ook buurt, bijv. Ederbuurt, of meent: de Hilversumse meent, malenveld, malenbank, enz. ’t Germaanse mahla voort, dat openbare volksvergadering, rechtspraak betekent en waaraan ook ons gemaal herinnert.

5. Gemaal, vroeg noord Nederlands gemael; echtgenoot, Hoogduits Gemahel, gemael; echtgenoot. Ontleend aan Oudhoogduits gimahalo, afleiding met het voorvoegsel ge- van het werkwoord mahalan; verloven, een afleiding van mahal; vergaderplaats, vergadering. Uit de oorspronkelijke betekenis van mahal ontwikkelde zich die van ‘openbare handeling’, en daaruit ‘verloving, huwelijksverdrag’, omdat de verloving in het openbaar verklaard en bevestigd werd. De afleiding gimahelo ontstond als benaming van de verloofde, de bruidegom, en gimahela, de bruid, en breidde zich vervolgens uit tot die van echtgenoot. Gemalin; echtgenote. Afleiding, met het achtervoegsel -in, van gemaal.
Oud Saksisch mahlian; spreken, zich verloven, oud Hoogduits mahalan; verloven, noord Hoogduits vermählen; ten huwelijk geven; oud Engels mǣlan; in de vergadering spreken. Hierbij horen midden Nederlands mael-; gerechts-, vergader-, markt-; oud Saksisch mahal; vergadering, toespraak; oud Hoogduits mahal ; vergadering, gerecht(zitting)’; oud Engels mĺðel ; vergadering, toespraak; oud Noors mál, nieuw Zweeds mĆl; rechtszaak; taal; Gotisch maþl; vergaderplaats, markt.
In het Middelnederlands bestond gemaal niet, wel het element mael- in samenstellingen als maelstat; gerechtsplaats, vergadering, en oostelijk Middelnederlands heimal; (omheinde) rechtsplaats, rechtszitting, heimael.
Uit; http://www.etymologiebank.nl

 

Made.

1. Made, hooiland, midden Nederlands maet, tot med, meet, miet, mient, met, maet, made, Engels meadow,  midden Engels medowe, medewe of medwe, oud Engels maedwe, mĺþ; oogst, van Proto Germaans mēdwō, vergelijk West Fries miede, Hollands dialect made. Dialect Duits Matte; bergweide, van Proto Indo-Europees h2met; maaien, rapen.

2. Zo is ook het maaien ervan afgeleid. Maaien, oud Engels mawan; maaien, van Proto-Germaans mĺanan (ook zo in midden of Germaans maeyen,  oud Hoogduits maen, oud Engels mĺd; weide, van PIE wortel me- ; maaien, gemaaid, gesneden gras of graan. )

3. Mede is een overoude drank waarin Scandinavische liederen de goden en helden in het Walhalla als gebruikers worden voorgesteld. Met was waarschijnlijk de oerdrank van de Indo-Germanen. In oud-Iers heette de drank mid, in oud-Cambrisch med en in Slavisch medu. Vergelijk Engels mead, Duits Met, metworst en meadow. In het Grieks komen we het woord tegen in methusos: dronken, en methuoo: zich bedrinken.

De simpelste verklaring is dat de naam van made: weiland, af zou stammen, zie meadow, vergelijk het Latijnse pratolina, Franse paturage: weide, naar de groeiplaats.

Maar in oud-Saksisch komt de naam Mat en Meti voor, oud Noors matr, oud Hoogduits maz, in oud-Fries en Angelsaksisch mete, wat eten betekent, meat. Het Gotisch mats: betekent spijs, zie Muss, Mettwurst, metworst en in mess-room waarin hetzelfde mats steekt. Proto-Germaans mati, van Pie mad-i, van de wortel mad-; vochtig, nat met een verwijzing naar voedende kwaliteit. (zo ook in Sanskriet medas-; vet, oud Iers mat; varken) Zo heeft de naam meadow ook een verbindingen met mede.

4 Zo ook mast; voedsel voor zwijnen. Germaans mast, oud Engels maest, Proto Germaans masto,  van de wortel mad-; vochtig nat, met een verwijzing naar de voedende kwaliteiten. Sanskriet medah; vet, merg, Latijn madere;  doorweekt, dronken, midden Perzisch mast;  dronk, oud Engels met; voedsel, oud Hoogduits muos; maal, Gotisch mats; voedsel. Zie maal.

 

Berg.

1. Een berg heeft een grote omvang, breedte en hoogte op een bepaalde plaats. Midden Nederlands berch, oud Fries, oud Saksisch en oud Hoogduits berg, Angelsaksisch beorg, Engels barrow; grafheuvel, terp, oud Noors bjarg; rots, Gotisch bairgahei; gebergte, Sanskriet bṛhant; hoog, Proto Germaans bergaz,  van Pie wortel bhergh; hoog, verheven. Oud Iers brigh; berg, Sanskriet b’rhant; hoog, brmhati; versterking, oud Perzisch bard-; hoog zijn, Grieks Pergamos; naam van Troje.

2. Burg, burcht, Indo-Germaanse wortel bherɡh, bhergho,  bhro; hoog zijn; wat in ons woord berg verschijnt, vergelijk Keltisch bre; heuvel. Oud Slavisch brŹgŭ komt uit het Germaanse burg, oud Hoogduits burg, 8ste eeuw, nieuw Hoogduits Burg; oud Fries burg, burug, nieuw Fries boarch; Schots burgh, Angelsaksisch byrig, oud Engels burg, burh, nieuw Engels borough; oud Noors borg; hoogte, wal, nieuw Zweeds borg; burcht; Gotisch baurgs; stad; toren, burcht; Proto Germaans burg-, later burgi.  Germaans burg werd Frans bourg, bijvoorbeeld Strasbourg.

3. In die burcht, burg of borgt wonen burgers of borgers met een beheerder, de burgemeester. Uit de betekenis ‘vrije inwoner van een stad’ ontwikkelde zich een algemener ‘bewoner of inwoner. Eerder was de naam poorter, de bewoner van een poort, iemand met burgerrechten van de stad.  Midden Nederlands port, poort waar een poort in tegenstelling tot een stad geen afzonderlijke rechtskring had. Latijn portus; haven, verwant met porta; poort.

 

Zout.

1. Zout, eerder sout , Oud Hoogduits salz, zie Salzburg,  oud Fries salt, nieuw Fries sČlt, oud Frans sal, oud Engels sealt, nieuw Engels salt, oud Noors salt , nieuw Zweeds salt; Gotisch salt; alle ‘zout’,  Proto Germaans salta, saltom, Indo-Germaans sal, sČld. Latijn sal, Grieks hals. Vergelijk ook saline; zoute moerassen.

Zout conserveert, was nodig bij het goed houden van vlees, inzouten en was slecht te krijgen dus duur.

2. Sla, salade, een woord uit Frans salade en dat uit Noord Italiaans salada, Italiaans insalata; ingemaakt, gezouten, van Latijn sal; zout. Er een slaatje uit slaan is een koud gerecht maken.

3. Salaris, Engels salary, uit Frans salaire, geld voor werkzaamheden, van sal; zout, van een genitief salis. Van Latijn salarium; salaris; origineel zoutgeld. Romeinse soldaten kregen een zoutrantsoen als ze onderweg waren. Later gold dat ook voor rondtrekkende ambtenaren. Van daaruit ontstonden de betekenissen ‘bezoldiging van officieren’ en ‘onkostenvergoeding van ambtenaren’. Vanaf ca. 150 na Chr. krijgt het de betekenis ‘jaarsalaris’ en jaarloon. Vandaar ook Engelse sale, sales, van sal; zout. Via Salaria was een belangrijke handelsweg van zout.

4. Zult, oud Hoogduits sulza; zout water, Nieuw Hoogduits Sülze, Sulze, Noors sylt; zout moeras, vergelijk zilt, van Germaanse grondvorm salta; zout. Het vlees werd in zoutwater ingelegd, ingepekeld.

 

Edel.

En een vorst komt van de voorste, de eerste man die ten strijde trok. Hertog van die voor het heir toog of voor het leger ging. De plaats waar het heir of leger overnachtte was een herberg, vergelijk het Engelse harbour; haven. Heer, Duits Heir, is baas over een aantal mannen, hij gaat voor het heir en op de heirweg,

Koning, oud Hoogduits kuning, nieuw Hoogduits König, oud Fries kining, kening, kuning, konin, oud Engels cyning, cyng, nu king; van Proto Germaans kuninga-, afleiding van kunja; ‘geslacht, familie’, met het achtervoegsel ing; behorend bij. Voor ‘koning’ zou men dan een oorspronkelijke betekenis ‘afstammeling van een bepaald (voornaam, goddelijk e.d.) geslacht’ kunnen aannemen.

 

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl