Middeleeuwse woorden, verklaringen.

 

Etymologie.

Deze woorden zijn nogal veranderlijk, zelfs bij een schrijver wisselen ze. C en ck, y of i, u of uu, s of z etc. Lees de tekst dan eerst goed of beter, schrijf het over en maak aantekeningen, dan kom je in de geest van de schrijver en heb je op het eind deze tekst niet meer nodig. De planten worden niet uitvoerig beschreven, daar zijn boeken genoeg van.

Eerst Nederlandse en dan Middeleeuwse naam. Daaronder dan het omgekeerde. Zie onderaan voor medische eigenschappen en verklaringen.

Klik hier voor Middelnederlandsch handwoorden boek. Etymologie.

I, tot 10, I, II, III, IV, V, VI, VII, VIIII, IX X, L: 50, C: 100. M is 1000.

Maanden.

Loumaand, lou maent, is januari, sporkele, sprockel, is februari, lentemaand is maart, grasmaand is april, bloeimaand is mei, braakmaand, braeckmaent is juni, hooimaand is juni, hoymaent, ook wedemaand, oogstmaand is augustus, fruitmaand is september, wijnmaand oktober, november is de slachtmaand, december wintermaand.

Lengtes.

Span is 17cm, dat wat gespannen wordt, afstand tussen pink en duim van de gespannen hand.

Palm, van Latijn palma, naar de gelijkenis van een palmblad, afstand tussen de toppen der middenvingers met strekte armen,  is ca. 8cm.

Cubites, cubitus of cubiet, van Latijn cubitus; ellenboog, is 46cm of anderhalve voet, is ca. 6 palmen.

El of (je) ellenboog is 68-70 cm, is ook vadem of zijwaarts gestrekte arm, 198cm, kon dus varieren. Vanaf de 17de eeuw werd de Egelse vadem van 183cm gebruikt.

Een pas is 74cm. Stadi創 of stadium is 148cm. Een stadia of stadium bevatte 125 schreden of passen, 1490m: 1 mijl = 1000 schreden = Romeinse mijl. (1000 x 2 x 74) De Hollandse mijl  was 5600 el; 2380cm. Engelse of geografische mijl is een 1/15 graad van de grote cirkel op aarde, 5280 voet, is 1.609344m. Mijl van Latijn milia, meervoud van mille passuum; 1000 Romeinse dubbelpassen. De mijl van 1000 schreden is de Romeinse maat, is  4860 voet, is 1.43856m.

Voet is 29,6 cm.

Duim is een 2.54 cm, je duim, is een Engelse inch waarvan 36 een yard of Engelse el maken, 91.44cm.

Lb of pond, van Latijn pondo, verwant met pendere; doen hangen. (aan de weegschaal) Van een pond zilver werden een vast aantal penningen gemaakt en zo werd het ook een munteenheid. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, is 23, 5 gram, bij dokters bestaat het uit 12 ons, is 31, 2 gram, per stad verschillend. Pond is drie drachmen, is 3,9 gram. Een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram. Een scrupel bestaat uit 20 greynen of greinen, is 0,065 gram of een gerstekorrel. 20 azen is ongeveer gelijk aan 1 gram. Pint is 5 a 6 deciliter.

I last is 27 mud. I mud is 4 schepels. 1 zak is 3 schepels.

Maar de Rijmbijbel heeft het over een mijl van 16 stadi創, dus de onze, 2000 schreden groot.

A.

Aalbes: aelbesyen, aelbessen, Ribes rubrum.

Aalmoezen: alemosen.

Aanduiden, aanwijzen: bedieden.

Aangeraakt: aengerocht.

Aambeien: spenen, fickblattern, ambeyen, vijghpuysten, hemorroide.

Aanduidend, indicatief.

Aangaan: aengaen.

Aanhoudend; persistens.

Aanpassing; adaptie.

Aan te trekken; attahieren.

Aantrekkingskracht; affiniteit.

Aanval: assault, insult.

Aanvang: aenganck.

Aanvullend; complement.

Aanwijzen; indiceren.

Aanwijzing; indicatie.

Aanzicht: aensicht, antlisz.

Aard: aert.

Aars; anus.

Aardbei: aertbesyen, Fragaria vesca.

Aardachtig: aertachtigh.

Aardrook: grisecom, Fumaria officinalis.

Aars: ers, aers, eerse.

Aas: aes.

Abdij: abdie.

Abrotani (aqua -): water gemaakt van abrotanum.: citroenkruid, averuit Artemisia abrotanum.

Abt: abbete.

Abrikoos: abricots. Prunus armeniaca.

Achteruitgang; regressie.

Adem: azem, asem, aessem.

Aderen: arterien

Aderspat; varende.

Admiraal: ammirale.

Ammoniacum, armoniaci:. armoniacum: armoniaec, armoniaec, aermoniacum, armoniakum, gomme armoniaci, ammoniacum: een gomhars, bereid uit de stengels van Dorema ammoniacum en andere umbelliferen..

Afbeelding: abmalung.

Afdrogende: afdroghende, afdroget.

Affodillen: Asphodelus ramosus.

Afgesloten: verhouwen.

Afkortingen: biediet.

Afgeschuimde: afgebloemt, afgescuymt, afghescuimt.

Afgrond: abisse.

Afleidend, revulsief.

Afnemen, declineren.

Afrika: Afrijcken, Moren landt.

Afschaven, velling: afscabling, gescaelget.

Africanus Constantinus, (1002-1087) Heeft door vertalingen van vele Arabische, oud klassieke en enige Byzantijnse geschriften aan de scholen van Salerno en Montpellier nieuw leven gegeven.

Aften, stomatitis: alcolaz, alcolam, puystkens in den mont, sonderlinghe den jonghen kinderen.

Afkooksel: afzietsel.

Afvegen, abstergeren.

Afwijkend; aberrant.

Agremonia, agrimonia, agrimonie, agrimonien, agrimoni, agrimonye, Agrimonia eupatoria.

Ajuga: senegroen, ingroen.

Akelei, akolie, akolie, akolien, acoleyem Aquilegia vulgaris.

Alant, alante:  alant, alantwortel, alants wortelen, Inula helenium.

Albarum rosarum (aqua -): water gedistilleerd uit witte rozen.

Albucasis, Arabisch geneesheer uit de 10de-11de eeuw, vooral beroemd door zijn beschrijving van chirurgische instrumenten.

Alcana: De Grieken noemden de plant cypron, de Arabieren alchanna, alcanna. Arkanette: Alcanna tinctoria.

Allemaal hetzelfde: allevenleens.

Aller: alder.

Allerlaatste, ten slotte: alderlest.

Alexandrie: ヤPetrocilium macedonicum. Dat is persiin van marcedonie of alexanderユ. Smyrnium olusatrum..

Albaras; wit morfeem die vrijwel ongeneeslijk is.

Albugiam; witheid van de ogen, wel staar.

Album grecum: dat is hondenstront.

Alchemilla: synnauw.

Alleen; alleenlick.

Allunden water: water waarin aluin werd opgelost, allunen: met aluin instrijken. Aloen: aluin, aluyn, alune van glaecse, glase aluun: aluin in kristalvorm, aluunt:  dat water: los aluin op in het water.

Aoe, aloes (epaticum): is tweerhande, die een is bruin rood van kleur als een lever, ingedikt sap van Alo perryi.

Alsem, alseme, alsen, alssen, alsenne, alsenen, alzen; absint, Artemisia absinthium .

Alopicium, alopicia: uitvallen van haar.

Altaar: autaer.

Altijd: altoes.

Amantilli (aqua -): water van valeriaan, Valeriana officinalis.

Ambrosia: ambrosia, ambrosiaen, Artemisia campestris.

Amone (witte -): anemoon, Anemone coronaria.

Amusement, batement.

Ambt: ampt.

Alzo: also.

Altijd: altijt.

Anders; el, nyeman el.

Andijvie: endivye, Cichorium endivia.

Anthimonie: antimonium, antimoniumsulfide, antantimoni, antimonium:.

Antrax: koolbuil, miltvuur.

Angst: anxt.

Animata; is die het leven hebben.

Ans, ende; eend.

Ansjovis: anchoves.

Antimoon: antimony.

Apostels 12: zwelfposten.

Apium graveolens, selderij: joffrouw, juffrouw merck, merke, eppe, apie.

Aposteem: gezwel, ontsteking- of ettergezwel, apostema, aposteme, apostemen, apostemibus.

Apostolicum:. een soort zalf.

Appollo, appolo: alchemistenterm voor goud.

Appoponac: harsachtige gom van Opoponax chironium.

Apuli: Pouglia.

Arbeid, arbeyt.

Argentum viuvm: kwikzilver.

Aristologia, astrologia, astrologie: - rotunda, aristologiam rotundam,. Longa, Aristolochia longa, gewone pijpbloem, Aristolochia clematites, sarasine, sarasyns, Aristolochia rotunda, de ronde Aristolochia.

Aristoteles, (384-323 v. Chr.) Griekse filosoof en metafysicus, schreef natuur- en geneeskundige werken.

Arm: arrem.

Arsenicum: - album, - rubeum, arseensulfide, natuurlijk a. (rubeum) en geel of wit arseensulfide (album).

Arthetike is pijn in de gewrichten of leden, artetica, artetick: gewoonlijk jicht, podagra, artetikam: artetike(l): artetiken: artetyke,  Artritis, artrose: artetike, is gewrichtsontsteking.

Artisjokken: articiocken, Cynara scolymus.

Arweten: erwten, Pisum sativum.

As: asschen. aschen van loeden: loodwit, loodglans, loodmonoxyde, litargirum, lithargyros of lithargirum. Al naar gelang het uit de goud- of zilversmeltoven kwam, noemde met het l. auri of l. argenti, goudschuim of zilverschuim, Silver Glede, Gold glede.

Asperge: spargen, sparge, spargus. Asparagus officinalis.

Astma: asma, engborstig, aem of enghborstigheyt.

Aterment: atrament, atrement, atriment, atriments; zwarte vloeistof, in het bijzonder inkt. Blijkt soms ook een mineraal in kristalvorm aan te duiden, wellicht een metaalsulfaat, koper- of ijzersulfaat.

Averone, affrut, averute, averone, auerone, auerone, Artemisia campstris subspecie campestris.

Azi: Asyen.

Azijn: eeck, edich, edick, edic, edics, edicx, edix, eeckx, acetum, asyl, aysijl, aysile, eisine, etich, eticks, etyck, aceti:  van Latijn acetum: azijn.

B.

Baard: baert.

Baarmoeder: vulva: moyer, moijer, moeder, lijfmoeder, matrices of matrix.

Babylonie; is ook in Egypte.

Baden: bayen.

Bajonet: peonjaert.

Bakkerij: backerye.

Baljuw: baliu.

Ballen: cullen, zwesers.

Ballich: ingewanden

Balneo mariae, dat het in een vat heet water staat.

Balsanum:  balsem, gom van Commiphora opobalsamum.

Balsania: olie bereid uit eppezaad en azijn.

Balustia of balaustion, bloemen van granaatappel. Granaetappelen, granaten appelen, Punica granatum..

Bang: vervaert. Niet bang: onvervaert.

Bar; beer.

Barmhartig, ontverming: ontfermhertichste.

Bast: rinden.

Bedaagd: bedaeght.

Bdellium, bedellium, bidellium, bdellium, hars van Commiphora africanum.

Bedden: te bed leggen.

Bedenk: peynst.

Bedekkingen: coverturen.

Bedenking; obiectie.

Bederven: corruptie.

Bediende: seriant.

Bedriegelijke: bedriechteghe.

Bedwingende, stoppende: bedwinginghe, dats stipticiteyt-=stipticiteit= zuurachtigheid.

Begeerlijkheid: begherlicheit: appetijt.

Behalden; behouden.

Begiftigd: vergift, begavede.

Begint: beghint.

Beide: beyde.

Beieren; wilde bessen, bosbes.

Bekend: condech, kondich.

Bekleed: behangen.

Bekwaam: bequaem.

Belijden; lien.

Beminnelijkheid: minlicheit. Beminnelijk: minlijc, minlijke.

Benaderend; approximaal.

Benedicta, Geum urbanum.

Benauwdheid: benaeutheyt.

Beproefd; bewezen: geproeft, beproeven.

Bereid; klaar, bereet.

Besluiten: besluten.

Bernagie: bornaidze, bernaidge.

Beraad: baraet.

Beroerte, Multipe sclerose: geraecktheyd, dat is over alles onder het hoofd als ruggengraad en sommige leden en popelsy over het hele lichaam. Ook Apoplexie. Hersenbloeding heet geraaktheid of geraecktheydt.

Berouw: rew.

Bertram; piretrum, Anacyclus pyrethrum.

Besproeien: bespareyen.

Beschermkap: beckeneel.

Bestrijk: bestrijct.

Bestuderen, doorzoeken: gronderen.

Beter: bat.

Betekenen: bedieden, bedien.

Betekenis; bedietselen.

Betonie; bitonie, bitonien, betoni, bottonie, betonye, bethonie, Stachys officinalis.

Betringhe; waanzin.

Beven: beefinghe.

Bevenelle, beuernelle, beurnellen, pepernelle, pimpernel, kleine steenbreek, Pimpinella saxifraga.

Bevergeil: beverscullen, beverzijn, beversijn, dyascatorium, bevergheilen, beuergheilen, Bever of castoreum, castoerie, castori, castorium; bevergeil. Beuers quaet; dek van de bever.

Bevestigen, strijken: beseghen, consolideren. Toe te stemmen, bevestigen, consenteren.

Bevrijden: deliveren.

Bewegingen van het gemoed: affectus of affectiones.

Bezig het: beseg het.

Bicomen; toekomen.

Bijen: bien, ruthele.

Biechtvader: confessor. Biechten: bychte.

Biesen; biezen.

Biest; de eerste melk van een koe na het kalven.

Bieslook; biest looc, Allium schoenoprasum.

Bijgeloof: superstitie.

Bij hem: bi hem.

Bijvoet; byuoet, byvoet, byuoet, bivoet, mucwort, Engels mugwort, Artemisia vulgaris.

Bijzondere: sonderlinghe.

Bingelkruid: mercuriael.

Biscuit: biscuyt of tweeback.

Bitterheid: bitterheit.

Bitterzuur: amperechtegher, amperechteghen, amperheyt.

Blaren, apostomien, apostonien, apstonien. Blaren in de borst: apostomen in die borst, pleuresis= pleuritis, ontsteking in het ribbenvlies die Pleura heet en in die longhene: dats periplemonia= peripneumonie. Verzameling van etter in de borst heet empyema. Blaren, gezwellen, pestbuilen: blattern, platern, bleynen, blader, bladeren.

Bladeren: blayers.

Blanket; blanketsel.

Bleec; bliek, vis.

Bleek: bleyck.

Blijven: merren.

Blindheid: blintheyt.

Bliksem: blixem. Bliksemt: vieroogt.

Bloed: bloet, bloye, bloijghen.

Bloedende of rode loop: bloyende lichaem. Bloederigheid: blodigkeit. Rotlauffen is rode huiduitslag.

Bloedzuiger: egels. Bloed laten door scherven is snijden in de huid en door koppen zetten, een warme koperen kop maakt het eronder gelegen gedeelte luchtledig waardoor er bloed uit de huid komt.

Bloed spuwen; emoptoicus.

Bloemen: blomen.

Bloem van lood, cerusa, blanketsel. Blywit; loodwit, loodglans. Wit van spaengen; loodwit, loodoxide.

Boek: boecke, boeckx, boke.

Boekweit: boeckweydt Fagopyrum esculentum.

Boete: puoz, puen, amende.

Boetedoening: penitencien.

Bok: boecx.

Bolus armenicus, bolen, bolne, bolus, bolum armenicum, boli armenici, armoniacij, dat is rode aarde uit Armenie: dats roye eerde.

Bolkeraen; soort gekleurd laken.

Boodschap, boetscap. Boodschappers: messelgieren.

Boom: boem. Boompje: boemle.

Boomgaard: bogaert.

Boomicheydt (der tanden); onzuiverheid.

Boort; plank.

Boosaardigheid: maledey.

Bostel; borstel.

Borst: amme, ammei of voedster.

Borstbeen: canebeen.

Bossen: bosschen, foreest.

Bosjes van planten; busselkens.

Boter;, botter of butrumi.

Boterbloemen: vlamkruyt of flammula, egelboterbloem of Ranunculus flammula of brandklimop, brandkruid, Clematis flammula, egelkolen, hane voet. Ranunculus.

Bokkenhoren; boxhorn; bokshorne.

Braadt: breet.

Braem; braam, Rubus fruticosus, braembeyen, brambessen, brame, braemcoppe; jonge scheuten van de braam.

Brandende, barrende.

Brandnetel: broenetelen, Urtica.

Braken: opwerpinghe.

Breekt: breect, breket.

Brei: bry.

Brein: breyn.

Breuk: scheursel.

Brieven: letteren.

Brouwt: brout.

Bruid: bruyt, bruyloft.

Buik: buyck, buyckx.

Buikwaterzucht: ascites.

Buikworm, swachtels zijn brede wormen.

Buikloop: buyckloop of loslijvigheydt, geen stoelgang is hartlijvigheyt.

Buikloop: loslijvigheid.

Buiten: buten, buyten.

Buizen: aijeren

Burger: borger.

Bussen zetten, bij bloedlaten.

 

C.

Chirurg: chirurgyn, van Grieks cheir: hand en ergia: werking of operatie.

Cholera: bort, boorts.

Christelijk: Kerstes.

Christus: Xristi. Christelijk: kersten. Christus: Kerst.

Cichorei: cicoreye, Cichorium intybus.

Citroen: citrum, orangie, oraengy, limoenen, Citrus soorten.

Civet: zivet, sivet.

 

D.

Daar: daer. Daar uit: dier uut. Daarna: dair nae. Daar het: daert. Daarom: daerom. Daarvan: daer af. Daartoe: dertoe.

Daardoor: midtsdien.

Dadel: daeyen, dalen, Phoenix.

Dadelijk; voervoets, voervoets.

Dag: daechs.

Dagelijks: dagelijcx.

Dan, want: wann.

Dank: danck. Dankbaar: danckbarich.

Dankbaar: danckbarich.

Dapperheid: vromigheyt.

Darmen: dermen, suyghaderen om de laatste overtolligheid uit te werpen, ydele der, omdat hij altijd leeg is, slopderm of blinde derm om het duister gebruik er van, kronkeldarm heet Colon waarnaar colijk, koliek, of Colicompas genoemd is, van Latijn colica passio, eindigt in endeldarm of rechte darm met een sluitspier.

Darmbreuk: carnofels.

Darmen: dermen

Datzelfde: dat self, dat selve.

De:      die, den, dye.

Deksels, bedekking, deckselen.

Deeltje: deleken.

Dennenappels: pineen.

Derdedaagse malariakoorts: terciane.

Dergelijke: derghelijke, diergeliken.

Desem: hessel.

Destilleerkolf; viole, fiole.

Deugd: duecht, duuegt, doech, doget.

Deugdelijke, waardevol, redelijk: duegdeliker, deugdelijc.

Deugden: duegden. Deugdelijke: deuchdelijke.

Deuren: dueren, dore.

Deze: desen.

Die: dye.

Diegene: der gheender, den ghenen.

Dienaren: dieners.

Dieren: ghedierten.

Diergelijke: der ghelycke, dyergeliken.

Diezelfde: die self.

Dijbeen: dyebeen.

Dilde, dun, dilder; dunner.

Dille: dyl. Anethum graveolens.

Dingen: dinghen.

Diuretica is open verstopping van de blaas: diurticiem, is laten plassen.

Dode: doy.

Doe het: doeghet, doeget, docht, douet.

Doek: doeck.

Doel: wit.

Dolle honden: verwoede honden.

Dolheid: dulligheyt, mania.

Dolk: fautsoene.

Dolke; dolik, Lolium temulentum.

Domesticum zijn geteelde of thuis groeiende, hortulana, dus heimisch, heymisch.

Donderbaard: donderbaert, donderbard, donrebarden, donreblader, donderbraet, Sempervivum tectorum..

Donderdag: donredach.

Donkerheid, blindheid: donckerheyt, duysternisse.

Doofheid: doofheyt.

Dooier: doyeren.

Door: doer.

Dorens: doerne, witte dorn, meidoorn, Crataegus oxyacantha.

Dorheid: dorricheyt.

Draagt: draegt, draeght.

Draagbaar: orsbaer.

Draalde: merret.

Drachma, drachme, dragme, is 3,9 gram.

Drachten: droechten.

Dragagantum: afscheiding van verscheidene soorten van het geslacht Astragalus, die stolt bij contact met de lucht.

Draken bloet: drakenbloed, het hars van sanguis draconis, Daemonorops draco.

Drank: dranckx.

Driakel, tiriaca, tiriacke, tiriacum,: theriak, een beroemd tegengif van een zeer ingewikkelde samenstelling en waaraan wonderlijke eigenschappen tegen velerlei kwalen werden toegeschreven. Men onderscheidde de theriaca magna en de theriaca diatesseron. Dit laatste is een vereenvoudigde theriak op basis van vier ingredi創ten, dyasesseron: dyathessarum: hetzelfde als theriaca diatesseron.

Drinten: een oogziekte.

Drenken, tunken.

Drie soorten, drierhande, dryerhande.

Drijven: driven.

Drinkt: drinckt.

Droefgeestige: melancolosen, swert humoer; melancholie: zwarte gal.

Droeg: droug.

Droep, droepe, dropich, dropighe, huidziekte, vooral jeuk en schurft, droepighe, jeukende, schurftige.

Droesem of het dikke van, bezinksel: droessem, drosem, drosse, drossicheit, troebelheid, wyndroesenen, wyndrosem.

Drogen: droeghen, droghende.

Droog: durr.

Dronk: dronckende. Dronkenschap: dronckenheit.

Droog: droeg, droeghe, droechten. Droger: droegher.

Druk: porsse.

Druppelen: trieffen, koude plas, pis, vaak met een steentje of ouderdom. Kalt Seich stamt van Frans chaude wat heet betekent.

Duidelijk: klaerlick.

Duidelijk meer; ongelijck meer.

Duisternis, blindheid: duysternis.

Duitsers: Duytschen, Duytschlandt.

Duivel: duvelie, duvels.

Duivelsdrek: duyvels dreck= Ferula asa-foetida.

Duiven: duven.

Duizend: duysent.

Duizendblad, milie: mily, geruwe, gaerwe, gerewue, gherue: gherwe: gerwe,  garwe, gerwe, millefolium, Achillea millefolium.

Duizeligheid: deuseligheyt.

Dulcedinis oculorum (aqua -): een oogwater.

Duivelsbeet, duuels beet(e): kleyne -, - dy grote. Men onderscheidde een witte, ook tremorse, tremoers of duvels bete genoemd, blauwe knoop, duivelsbeet, Scabiosa succisa en de zwarte: knoopkruid, Centaurea jacea.

E.

Ebuli (aqua -): water bereid uit ebulus, edec, kruidvlier, Sambucus ebulus.

Echtgenoot: quickgenoet.

Een: eenen. Eenmaal: enerwerven.

Eer: gome.

Es; eeschen, eschen, ask, Fraxinus excelsior.

Eerst: yerst.

Eerste: ieste: ierste.

Eet: aet, eetinghe.

Egelantier; eghenletyer, eglentyer, egelentire, egelentyer, hondsroos, Rosa canina.

Agrimonia eupatoria; eggerimone.

Ei: eye

Eigenschap: eygentheyt.

Eilaas: eylaes.

Eiland: eylant.

Einde: eynde, ende.

Eindigt: eyndt.

Eierkoeken: struyven.

Eikel: eickelen, eyckel. Eek, ek, eken, eik, Quercus robur.

Eis: eysch.

Electuarium, electuarie, electuaerie lactuarium, latuarie; likkepot.

Ellendige, katijd: kaytive, keytiven.

Elk van, ytelick.

Elkaar: malkanderen.

Elke: een yegelijker. Elke: elcx. Elke keer: telker reysen.

Emoeraides, emorroidarum: aderspat in de aarsstreek die dikwijls aanleiding geeft tot bloederige stoelgang, aambeien, Haemorrhoiden (Grieks: haem=bloed; rhoos=stroom)

Emplastrum:  pleister.

Emperiginne; een smet in de huid met grote jeuk en scherpte.

Empetigen is een kwade soort schurft.

En: ende, uund, unn.

Ende: eend.

Engelen: ingele.

Enige: eeniger.

Enkels: encklauwen, versen, ferfene.

Enkelvoudige, simpele.

Eer: eere.

Eerste, ten eerste, ten yerste.

Eik: eycke. Eikels: eekelen.

Ekster: exters.

Eksterogen: exteroogen, naar het bruine vlekje in het midden dat op het zwart van een eksteroog lijkt.

Endivie, endiiuie, andijvie, Cichorium endiva. Sonwervel, sucureie, sukarey, Cichorium intybus, cycorie (aqua -): water bereid uit cichorei, Chicorium intybus.

Enula campana; alant, Inula helenium.

Eppe, Apium graveolens.

Erg: fast, harde.

Erisipula: erysipelas, belroos, een gezwel, ook roos genoemd.

Eris ustu of vstu: es ustum messing, legering van koper en zink.

Ersatre: artsenij, geneesmiddel.

Ervaring: ervarentheyt.

Erwten: erweten, erwiten, erten, Pisum sativum.

Erysypelas: erispille, blaar van vuurachtige kleur, belroos, St. Anthonis vyer, Ignis sacer. Springend vyer, wilt vyer erisipula.

Esula, heksenmelk, Euphorbia esula.

Ethycaユ s een verterende koorts.

Etterbuil: abces.

Euvel, kwaal; oevel, ovele. Grote euvele, lanc euvele; vallende sieckte, ook Sint Valentijns ziekte; vallende ziekte

Euphorbia; Euforbium, euforbij, mogelijk Excoecaria agallocha.

Euphrasia officinalis, eufrasia, eufrasie, ogentroost.

Eupatorium. De valse is Eupatorium cannabinum, de echte Agrimonia eupatoria

Evangelist: Euangelist.

Evenveel: allevenleens.

Excoriaties= oppervlakkige defecten van de huid.

Ezelskomkommer; Momordica charantia.

 

F.

Fabarum. Van Faba; bonen, Vicia faba.

Fabels: fabulen.

Fakkels: vackelen.

Fazant: phasanen.

Fistel, festel, een diep onder de huidoppervlakte gelegen wonde die door een buisvormig kanaaltje met de oppervlakte verbonden is.

Fstum Assumptionis ... marie: feest gevierd op 15 augustus.

Festum ... nativitatis marie: de geboorte van Maria wordt gevierd op 8 september.

Feyich: in doodsgevaar verkerend.

Fijtnagels, nijnnahels, fick, fic, wick: de fijt, een pijnlijke verzwering aan de vingerwortel.

Fijner: subtijl, subtiler, subtileren, subtiliseert.

Filipendula ulmaria: geytenbaert, reynette.

Filosofen: philosphen.

Flauwekul: beuselinghen.

Flauwte: flaeute, onmacht.

Flegma; levensvocht, slijm: fleumatijck, flumen, flueme, flegma,flegmon, flegmones, een van de vier levenssappen. Pituita. Flegmatieke: fleumatiken. Pusvormende ontstekingen: flumechtighe apostonien, apstonien of puysten van heeten bloede

Flueel: fluweel, samyte, sindalen.

Foeder:  wyns: vat.

Foel: veel.

Fortis (aqua -): sterk water.

Fornuis, oven, fornays.

Foutief, bedrieglijk: bedriechlick.

Fontanellen die zo genoemd zijn omdat ze fonteingewijs hun vochtigheden uitgeven en worden in het vlees gemaakt of de huid wordt tussen de vingers opgetrokken en stijf geperst (wat het gevoel zo verdooft dat ik dikwijls gezien heb dat het werk volbracht is eer dat de zieke het gewaar werd) met een scheermes doorsnijden of door een caustiek.

Fouten: feylen.

Fraaiste: fraeyste.

Fraaie: fraeye.

Frambozen: hinnebesyen. Rubus idaeus.

Frankrijk: Vranckrijck.

Fransen: Francoysen.

Frenesim: frenesy: krankzinnigheid, waanzin, delirium.

Fundament:  bodem.

Fruit: fruyt.

 

G.

Ga doet; snelle, vlugge dood.

Gaan: gaen, varen.

Gaat, ga weg: gaet, porret.

Gal: colere, coleram, cholerisch. Licht geraakte: coloricis:

Galbanum, hars van Ferula galbaniflua.

Galigaan, galiagaen, galanga, galaga, galigan, galegaen, Alpinia officinarum.

Galle, galappelen, galnoet, galnote. Quercus.

Gallen, builen, zweren.

Gang: geer.

Gans, mannelijk: gente, gant.

Ganse; gezond, gansen; helen, genezen.

Gat: luegel.

Gaven, giften: mieden, gichte.

Gauw: haest, bald, scire, schier.

Ge: ghy, ghi.

Gebeden, gevraagd: ghebeden.

Gebrek: ghebrek, presten.

Gedaan: bestaen, ghedaen.

Gebeurt, gheschiet.

Gebreken: gebresten.

Gebruikt: besicht, besegh.

Gebruikelijk, oorboirlijk.

Gedaante, uiterlijk: ghedaenten.

Gedachte: pinsoen, pensee, peysende.

Gedeeld: gevacken.

Gedoogde: dogede.

Geheel: allenthalben.

Gedeeltelijke: deelechtige of parciale.

Gedijen: gedyen.

Gedronken: gedroncken.

Gedruppeld: ghedruupt, gedropen.

Gedurig: geduerigen.

Geduwd: gedout, ghedout.

Geef: gevet, gheft. Gegeven: gegheven.

Geel: gheel. Gele kleur: gheel veru, komt van de lever. Milt heeft bruyne sucht.

Geelziekte, icter: gheel vrou, vrow of vrouw, gheelsucht, gelb, gilb.

Geest: spiriten, zielijck.

Gedroogde: gedroechde, gedroecht.

Gegeten: gheten, gheeten, geeten, geten.

Gehoond: ghenoent.

Geliefde: amijen.

Gelijk: ghelijck.

Gehele: geheels.

Geilheid: geylicheyt.

Geit: gheyt. Geiten wei, gheyten wey.

Gekookt: gecoekct.

Gekonfijt: gheconfect.

Gekte: elsfsheyt.

Gekweekt: domestike.

Geleidelijk: allexcen.

Gelijke: gheliken, al te hant.

Gelegd: gheleet, gheleit.

Gelijk: ghelijck geluc.

Gelijkvormig: conformeren.

Geluid: geluyt, geluet.

Gemaakt: gemaeckt, gemaect.

Gemakkelijk, licht: lichtelijc.

Gemengd: ghemingt, gheminghet.

Gember: ginber, gengber, ghingebeers, gengebeer, genegeber, gengiber, genfer, ghengewaer: ghengeuer, ghengheuaer:, gynfers, gyngeber, gyngfer gember,  sisembra, sinsiber, zinziber, Zingiber officinale.

Gemoed: moet.

Genade: gratie.

Geneesbare: gheneselijcke.

Geneesheer: fisicine, fisike.

Geneigdheid: gheneychtheit, toeneighen

Genet, genest, geneste, gheinste, Cytisus scoparius.

Genezen: ghenesen. Geneest: gheneest.

Genoeg: ghenoegh, genoech, ghenoch.

Genoeglijk: ghenuchlijker

Genoemd: ghenoemt.

Genomen: ghenomen.

Geneugte: genuchte.

Genset; geneest het.

Gentiaan: ganciaen, ganciaens, ganciane, Gentiana lutea.

Geoerbert; gebruikt.

Geordend: geordineert.

Gepijns: gepeys.

Gequellet; geleden, gekweld.

Gerookt: gheroeckt.

Gerst: geerste, ghersten garste, gheersten: gersten; gheerstin, gherste: gherstine, gheeste: gerst, Hordeum vulgare.

Gerst met bronwater gekookt: ptisane, teysene.

Gerwen; looien (van huiden).

Geschenk: schenckagye.

Geschiedt: ghescye, gheschyen.

Geschikt: bequaem.

Geschofffeerd: gesconfiert.

Geschreven: ghestrijckt.

Geslagen: gesleghen.

Gesmoord: gesnerckt.

Gesproken: ordinerede.

Gesteente: ghesteynten.

Geslacht: gemacht.

Gestoken: ghesteken.

Gestold: geronnen, gelebert.

Gestoten, gestampt: ghestoten.

Gesult; ingezouten.

Getal: ghetal, ghetael.

Geteeld, gekweekt: gheoeffent. Telen is oeffeninghe.

Getemperd: ghetympertlijc.

Geuren: vaporen.

Geur: smack.

Geurende: dufteneghe.

Gevangen: gevaen.

Gevangenis: prisoen.

Gewarmd: gewermt.

Geweekt: geweckt.

Geweld: gewout.

Gewicht; wechte.

Gewijdt: gewyet.

Gewrichten: juncturen, iuncturen.

Gewrocht: ghewracht.

Gezegelde aarde, silillum lemnium, in Lemnos was het beeld van de godin Diana gedrukt.

Gezegd: gesyet.

Gezegd: geseet.

Gezette: ghesette.

Gezicht: gesichte, ghesiechte, ghesichte.

Gezocht, geplukt: gelesen.

Gezoet: suet, gesuet, ghesuet, gesoet, suetet.

Gezond: gesunde, ghesonden, ghesont.

Gezondheid: gesontheyt.

Gezuiverd: ghecleert.

Gezwellen: gheswil, gheswillen der oren dye ghandule heeten, =glandula parotis.

Gezwel aan de neus: polypus.

Gezwollen: gheswilder.

Gift: gichte.

Gij: ghi.

Gipsum: gips.

Glaasje, gleeskene: gelaeske, gheleesken.

Gloeiend: glyend.

Goed: wel, wol.

Goede: goy.

Gloed: prunst.

Goeds: goets. Goed: goet.

Goedheid: goetheit.

Goedertieren: goedertierlijc.

Gomme, gumme, arabici; arabische gom, Acacia arabica.

Gomme, gumme amigdolorum, amigdalarum, gom van amandel, Prunus dulcis, (amygdalus)

Gomorream: dats dat men teghen sinen wil sperma of sijn nature quijt wort.

Goochelaars: gokelaers.

Gorgelen: gorghelen.

Goud; golde, golt.

Gouden: gulden, guldijn.

Graag: gherne, geerne.

Graad: graet.

Graaf: graef, van graven.

Grap: jocken.

Gras; gars.

Gratie: gracie.

Grauw: graeuw.

Grieks: Griex, Greco.

Grieks pek, grecs pek, colofium, ook wel warpout of walpotte wat verwant is met Frans galipot en stamt van Arabisch al-kal-bouth.

Griffel: griffie.

Grinsing, zilverschoon, Potentilla reptans.

Groeien: wassen, wassende. Wassen is ook wast, wasschende.

Groef: frubel.

Groener; jonger, verser.

Groente; warmoes.

Grof: groffelijc, groffelijck.

Grommen: krimmen.

Gronnen; groen maken.

Grote: groote.

Grootste kracht: meester macht. Grootste en kleinste: meeste ende minste.

Gommen: gummen. Taaiheid: zaher.

Guichelheil: guychelheyl, Anagallis.

Gunnen: jonnen, ionste.

Gunstig, ionstigh.

 

H.

Haakjes, maillekens.

Haas: haese, lepus.

Haar: haers.

Haard: heert.

In haar: in hoer.

Hachelijk; periculeuse.

Halstarrigheid, obstinaetheydt.

Hand: hant.

Handgeklap: hantgeslach.

Hard: hart.

Harde; zeer.

Hard gezwel: hart geswel, scirrhus.

Hardheid: hertheit, hartheijnen.

Haring: haringcxkens, gedroogd is bockent.

Harnas: haesberg.

Hars: herst, harst, resin.

Hart, gemoed: core, cardia, hertpijn: cardialgia, hert.

Hartkramp: hert vank; Angina pectoris.

Havikskruid: havicxkruyt.

Hauwen, vrucht: haeuwen.

Haver: haber, wordt tot gort en grutten en bry gemaakt.

Hazenlip: scaertmunde.

Heb het: hebs.

Hechten: hefften.

Hedendaags: huydensdaeghs. Heden: huden.

Heeft: hevet.

Het heet: het heyt.

Heetheid: heetheyt.

Helaas: lacy.

Helen: heylen.

Heelt het: heelet.

Heilige: heilger. Heiligdom: helechdom.

Heiden: heyden.

Helder, claer.

Helderheid: claerheyt.

Heilzaam: heylsaem.

Helemaal: zemal

Helleborus niger: elleborus, nieskruyt, vyercruyt.

Hemelrijk: hemelrijc.

Hen: hoen.

Heilige: heyliger, heylige, Heilge. Heilige Geest: Heyleghen Gheest.

Heilzaam: heylsaem.

Heimelijk: hemelike.

Helm: helmvormig deksel waarmee een pot wordt afgedicht.

Hennep, hennippen: hennep, kemp, Cannabis sativa.

Herba perforata, St. Jans kruyt, herts hoey, Johans cruyt (sunte -), ypericon: hertshooi, St. Janskruid, hertshooi, Hypericum perforatum.

Herba roberti, oriuael: robertskruid, Geranium robertianum.

Herpes of hayrworm, Impetigo.

Hertstong: hertstonghe, herst tonghen, Asplenium scolopendrium.

Herders: hirten, schaffers.

Herfst: herrefst.

Herpes: Herpestiomus, herpestryanenum, is een knagende blaar.

Herstel: restoer.

Hersens: hersenen: hyrn.

Heup: hope.

Hier en daar: harentaer.

Hiernaast: hier beneffens.

Hik: hick, nock.

Hippocrates: Ypocryten.

Hitte: hette. Heyten.

Hoeken: houken.

Hoeveelheid, menigvuldigheid: menichfuldicheyt.

Hoefbladeren: houfbladeren, pestilentywortel.

Hondsdraf: onderhave, onderave,

Holdet; houd het.

Holt, holten; hout, houten.

Holwortel, haelwoertel, hoelwort, hoelwortel. Corydalis cava.

Hondsdraf: onderhave.

Honing: honich, hoenich of mel.

Hoofdstukken: partijkelen, partikelen.

Hoofd: hoefde, hope, hovet. Het hoofd: thoet.

Hoofdpijn: hoeftswer, hoeftswere, hooftzweere.

Hoofdzeer, schurft: grynt, grind.

Hoogmoed: hoeghmoet.

Hooi: hoey, hoeij.

Hoovaardige: herevaerde.

Hoop: hope.

Hoornvlies: hoornigh vlies.

Horens: hoernen.

Houdt niet op: letter nyet.

Hout aderen; houtvezels.

Huig: huge, huych.

Hulp: behelp, behulpsel.

Humeuren of vochtvermenging, levenssappen: humoren.

Huid: huyt.

Huiduitslag: aussecigkeit.

Huilen: schreyen.

Huis: huse, huys.

Huisraad: allame.

Hun: horen.

Huur: huer.

Huusmur, pigla, pigle, Middenegels pygle, vogelmuur, Stellaria media. Rode muer Anagallis arvensis.

Hydromel, honingwater: ijdromel.

Hygi創e: higiene, naar godin Hygieia.

Hypochondriaca is melancholie uit het ingewand.

Hysop: ysop, yspe, isope, isop, isope, ysope, ysopo, ysopy: hysop,  Hyssopus officinalis.

 

I.

Ictericiam; geelzucht, yctericiam, yctericia

Ieder: yder.

Iedereen: een yegelijken, een yegelick.

Iemand: yemant.

Iep: olm: ypen, Ulmus.

Iets: yet.

Ignis sacrum, heilig vuur: heylich vier.

IJdelheid: ydelheyt.

IJs: ys.

IJzer: yser.

IJzerhard,  verbene, yseraet, yserhart, yserne, Verbena officinalis.

Immer: ember.

Impetigo: huidbesmetting die ruw is en minder rood is dan serpigo (seter, ceter), impetiginem.

Ik: ic.

Indi: Indyen.

Indie van baldi: indi of nigri zijn onrijp geplukte chebuli, de vruchten van Terminalia chebula. Met van baldi wordt wellicht de plaats van herkomst aangeduid.

Infusie, vloeistof; ingieten, later gebruikt om in de aderen te brengen.

Insnijdend, inciderend, incideret.

Is het: eest.

Ichtyosis, huidafwijking, geschubde huid: ruwheid van het vel als impengo.

Ischialgie: sciaticam, sciacica: dat is pijn in de heup.

Itali: Italyen.

Ivoor: yvore, elpen, eelpen been.

 

J.

Ja: iae.

Jaar: jaer.

Jaarlijkse: jaerlicksche.

Jaagt ze: jaegste.

Jager, yeger, J拡er.

Jaloerse: nijdegaaert.

Jalouzie: jalousie, yversucht.

Jeneverbes: geneverbesyen

Jeruzalem: Hierusalem.

Jeuk: ioecksel, jocksel, jucken.

Jezus: Jhesus.

Jicht: iecht, iocht, gicht, fleerfijn, fleerzijn, fleirfijn, flerecijn, pledersijn, pledersiin,  arthritis, schiatica of ischias, gutta: druppel omdat het druppelvormig op de ledematen lekt, Franse goutte, Duitse zipperlee dat in de leden zippert. Podagra: voetgreep, is meer in de voeten.

Joodse; Joedsche.

Jonge: ionghe.

Jozef: Ioseph.

Jeugd: jonckheyt.

Judasoor, zwam. Vlieroor: Iudasoor.

Juffrouw: ioffrouwe.

 

K.

Kaakbeen: kaecxbeen.

Kaars: kaers.

Kaaswei: keeswey.

Kaas: kese of caseus.

Kabaal: samblant.

Kabeljauw: cabbeljauw, gezouten is abberdaen, gedroogd torsch of stockvisch.

Kalf: calveren, vituli.

Kalk: calck.Kalmijn of zinkerts: calmijn.

Kameelhooi: squinanti, kemels hoy, welrieckende biese.

Kameraden: cammeraets.

Kamer: kemenade.

Kamfer, canfer.

Kamperfoelie: memmekenskruyd.

Kan, vat: trifera. Drinkkan: roemer die ook sant heet.

Kanker: cancker, carcinomata.

Kanselier: cancelier.

Kapitein: capiteyn.

Kapittel: capittels, cap.

Kapoen: capoen, gecastreerde haan.

Karel de Grote: Charlemagne.

Karnen: gekaernt: kaernemelck.

Kastanje: castanyen, Castanea sativa.

Kastijden: castien.

Katoen: cottoen, boomwolle.

Kattenkruid: cattencruyt, Nepeta cataria.

Kaviaar: kaveaer.

Kauwpillen of koekjes: trochisci of kaeuw pillen.

Kauwoerden: couworden.

Keien: keyen.

Keizer: keyser.

Kennen: kinnen.

Kersen: kerssen en kriecken, kerssen kruyt; jam van kersen, Prunus cerasus.

Kers, waterkers, Rorippa nasturtium-aquaticum, Nasturtium officinale.

Kervel, keruele, Anthriscus cerefolium.

Ketting: keeten.

Kikker: vorsken.

Kin: kinnebacken.

Klaar gemaakt: gedigeert.

Klaart op, verheldert: cleert.

Klaarheid: claereyt.

Klauwen: klaeuwen, klauen; de wortels.

Klein: cleenlick, cleyn, cleijn.

Kleiner en groter, minder en meerder.

Kletsen: klappernyen.

Kleur, verf: veru, verwe, coloren. Doodskleur of bleekheid: Doy verwe

Klieren: clieren.

Klimop: veyl. Hedera helix.

Klocke; distilleerkolf.

Klompen, houten schoenen; pattijnen.

Klonten: clonte.

Kloppen: cloppinghe.

Kloven: cliefinge.

Kluizenaars: cluysenaers.

Klysma: clister, clisteer, clysteer, clisterie.

Knagen: nagent, knaging; knachting.

Kneuzen: knutsen.

Knie創: knyen.

Knieholte: hasen, haesen, vandaar loopt een ader naar de hiel, de wadenader.

Knipoog, sprietoog.

Koekoeksbrood: coecocksbroot.Knoesten, weeren.

Knoflook: knoflocks, knofloeck, driakel, drieakel.

Knoopachtig: cnoepechtich.

Knoken, ruggengraad: cnocht.

Koeienmest: koeye mis. Mest; myst, mis, misse.

Koekje, coekelkine of trochisken.

Koeldranken; heten juleb.

Koets: carine.

Koliek: colica.

Kolokwint: coloquintida, Citrullus colocynthis.

Komkommer: comcommeren, cucumeren, Cucumis sativus.

Komijn: comijn, Cuminum cyminum.

Koning: coninck.

Koorts: corts, koortsche, van koren: walgen, febris, zage Duits Feber.

Koortsaanval; acces, accesse.

Komen: comen. Komende: comende.

Komijn: cumijn.

Kooien: koyen.

Kooiker: koeyers.

Koperrod: coperroot.

Koraal: corael.

Koriander: kalander, Coriandrum.

Kornoelje: cornoelyen, Cornus mas.

Kornuit: kornuet.

Korte: corte.

Kostbaarheid: costelicheit. Kosten: cost.

Koten; bikkels gegoten in lood.

Koud gezwel: koudt geswel: oidema, oedema.

Koud vuur: kout vyer, gangrena.

Koude, couder, coude, couwe.

Kozen: koren.

Kraaien: kraeyen.

Kraakbessen: krake-besyen. Vaccinum.

Kraaienogen: egersten

Kraakbeen: geeroes.

Krabben, jeuken: krawagye.

Krachten: crachten, faculteyt, virtue.

Krachteloos: gheflaut.

Krachtiger: crachtiger.

Kracht: proprieteyt.

Kramp: spasmum of convulsie, krimpsel.

Kreeft, cancri: creeft.

Kreta, Candien.

Krijgt: criget, crijget.

Kroeske; krusken.

Kuen, kuent; kauw het.

Kroketten: koketten.

Krom: slim.

Kropzweren of koningszeer. Meliceris is een zweer met etter als honing. Steatoma is een spekzweer. Atheroma een papzweer.

Kruiden: cruiden, cruijt, cruyt, cruden, wurcz.

Kruidnagel: groffelsnagelen, garioffels, gariofilaet, gariofilate, gariofili, gariofelsnagelen, groffels nagel, galiofle, Syzygium aromaticum.

Kuch: kugh.

Kuisheidsboom: Vitex agnus-castus, cuyschboom.

Kunstmatig; artificeel.

Kreupele: crepel.

Kruipende: crupende.

Kruid: cruyt. Kruidje: crudelijn.

Kruis: cruce.

Kunnen: connen.

Kunst: conste, konste.

Kussen: peluw, hoofdpeulen.

Kussen: cussen.

Kwaalt, lijdt: queelt.

Kwade, slechte: quade, quaet, quaije.

Kwaadaardig: quaedtaerdige.

Kwaal: qual.

Kwakzalver: quacksalvers.

Kwaliteiten: qualiteyten.

Kwam: quam.

Kwansuis: quansuys.

Kwant: quant.

Kwast; quispel.

Kwartels: quackels.

Kwee: quee, queen. Cydonia.

Kweek: quecke: ledt gras. Elytrigia repens.

Kwellende: quellende, quellingen.

Kwetsing: quetsinge, quetsuren.

Kwijl: quijl.

Kwijt: quijt.

Kwikzilver: quicksilver.

Kwijlen; seeveren.

 

L.

Laat: spade.

Laars of beenbedekking; hose.

Laatste: leste: dleste.

Lachte: loech.

Lag: ghelach.

Lammeren: weeren.

Lanfranc, Lancfranc, Lanfranck van Milaan was een der beste middeleeuwse chirurgie en vooral bekend als operateur, 1295 en later.

Lang: lanc, lanck, langhe.

Lans: glansien.

Lanspunt: trinsoen.

Lapis lazuli: lapide lazuli. Lasuer, lazuur, lazuer; blauwe verfstof.

Latijn: Latin.

Lavendel: spijck, lauendula, Lavandula spica.

Laurierbes: bayen, bakelaer, loerbeen, loerberen. Lauri; laurie, laurine, Laurus nobilis.

Lauw: lau.

Lazarus, lazarien, lazaris; melaats, meestal voor allerlei huidziektes.

Leb, libbe.

Leeg: ijdel, ydel, idel.

Legge; leeg, onbedekt.

Leden: leen.

Leger: heir, heyr, heer. Legerweg is heirweg tot herenweg.

Legeraanvoerder: coningstavel.

Legt: leghet.

Leidsman: leytsluyden.

Leken: laien.

Lelie, lely, lelij, lylie, Lilium candidum.

Lelijk; onsiene.

Lenitas, zacht laxerende werking.

Leraren: leeraers.

Lethargie, slaapzucht: litargiam.

Leucolosleumancia; waterzucht van witte slijm die door het hele lichaam verspreid wordt.

Leugenachtige: logentlike. Leugen: logen.

Leuven: Loven.

Levermos: epatici.

Leverkruid: boelkenskruyt, Eupatorium cannabinum.

Lezen: lesen.

Lichaam: lighaen, lichaem, ook voor loop.

Lickent, licket; polijst het, licksteen, glazen staaf gebruikt bij het polijsten.

Lid: gleych.

Lieden: lien, lyen, luyden.

Lieflijk, liefghetal.

Lienterie, lientiria; ontlasting van onverteerde spijzen, vochtige loop is Diarrhoe en met bloed Dysenteria, los lijvicheyt.

Liesten; omlijsten.

Lijnsaet, lizaet, lynzaet, lindsade, lijnzaad, Linum usitatissimum.

Lijden: lyen, lien, lamenteren.

Lijn: linen, Linyen.

Ligplaats: legerplaets.

Liguster vulgare: keelkruydt: monthout.

Limatura; vijlsel.

Linnen: lijnen.

Lijkt me: duncket my.

Likdorens: lijckdorens, lickdorens.

Linker, lucteren: slincker, luchter.

Lipende ogen, leepogen, aegilops, een perforerend abces aan de binnenzijde van het oog.

Lispelen: lispen.

Litargiam:, lytargirum, litaergia, litargia; dats een blaar achter in de hersenen.

Litargia, litaergia: slaapzucht.

Littekens: litteyken, lickteeken, lyclaen. Littekenvorming is cicatriseren.

Lof: love.

Londen: Lonnen

Longen: longeren, longher, ook loose.

Lont: lemmet.

Lood: Plumbago, Bley, loet.

Lood, gewicht, een 7gram.

Loog: loege.

Look: loeck, loec, loock, loke, loock, huysloock, boeren theriakel. Allium sativum.

Loop: loep.

Lopende gaten als fistula: fistilen, fistelen.

Loys evel (sinte); ziekte aan de benen bij Yperman.

Luchten: lochten.

Lui: leuy.

Luik, Leodiensis.

Luizen: luysen, lusen.

Lupinen: vijghboonen.

Lusteloosheid; apathie.

 

M.

Maag: mage, maghe, maegh.

Maagd: maegt, maget.

Maag zuiverend: stomaticef.

Maak: maect, maeckt.

Maar, mair, maer, mer.

Maatje, meuken.

Maaien: maeyen.

Maal, eerste keer: eerstwerf.

Maden: maeyen.

Maag: maegh, van achteren met een vleysch: Alvlysch of schoon vleysch.

Mael; oogziekte, vlekken op het oog.

Macersucht: de ene of andere huidaandoening, melaatsheid, mazelen, enz

Maiorana, maiorane, Origanum majorana.

Maagdenwas: klaar was uit pasgebouwde raten die nog met honig nog met de eieren van de bijenkoningin in aanraking gekomen zijn en daarom als maagdelijk en bijzonder krachtig beschouwd werden.

Machtiger: machtegher.

Mag: mach, meught.

Macht; geslachtsdelen en lies.

Mager: magher.

Magneet: seylsteen.

Malum mortum, een soort van kwade schurft waarvan de leden dor of droog worden.

Mandel; amandel; Prunus dulcis.

Mandragora; Mandragori, mandragra, mandragora testiculus: de wortels van mandragora, alruin vertonen een vage gelijkenis met het menselijk lichaam. Men onderscheidde een mannelijke en een vrouwelijke vari奏eit. De toevoeging testiculus wijst erop dat hier de mannelijke vari奏eit bedoeld is, Mandragora officinarum.

Maniam; waanzin, zinsverbijstering.

Manieren of soorten van: manaer.

Mannelijke: manlike.

Manlijkheid: manlicheyt.

Marjolein: marioleyne.

Mars; alchemistenterm voor ijzer.

Marsepein: marcepynen.

Matelieven, matelyue, mateliven; madelief, Bellis perennis.

Matig: zimlich.

Materfelloen, matrifiloen; Centaurea jacea.

Matten; brij dat lijkt op geklonterde melk.

Matroos: maetroos.

Mechelen: Mechliniense.

Medelijden: compassie.

Meekrap: meekrapp, rotte, mede, meede, Rubia tinctorum.

Meer: lac: leke, lake, lek.

Medicijnen: medecijn, medecinen. Dokter: medicijn, meest met een hoofdletter.

Mei boter: meysche boter, mey boter.

Meidrank: apozema.

Meid: meyt.

Melaatsheid of huidziekte: lazerie, lazerscepe, lazarij, laserije, laser.

Melde: milde, al goede,  Tota bona of Bonus Henricus, Chenopdium bonus-henricus.

Mellicratum, wijn met water en honing gekookt.

Melloten, millelote, melliloti; Mellilotus officinalis.

Melk: melck, lac.

Meloenen: melonen, Cucumis melo.

Menen: meynen.

Meng het: minghet. Meng: mingt.

Menie; rode kleurstof.

Menisoen, menizoen, menysoen, merisoen, merysoen; buikloop, al dan niet bloederige stoelgang; in dit laatste geval wordt dikwijls rode toegevoegd.

Mening: gevoelen.

Menigmaal of vaak: menichwerven.

Menigvuldig: menechfout.

Mening, bedoeling: meneghe.

Mens: mensche.

Menstruatie: menstrua, menses, maen achter de kerck.

Merk; gewicht voor goud en zilver, een half pond tot acht ons.

Mercurium, mercurius; kwikzilver.

Merg: morg.

Merel: meerle.

Merien melck; mel van een merrie.

Merlijn: Merlyne, Merline.

Merken, op te merken: maercken.

Mes: kniven.

Met: mitsgaders.

Meteen: mttien.

Metridaat: metridatum, naar koning Mithridates die een tegengif uitvond.

Middels, middelt.

Middelste: middelder.

Mierikswortel: peperwortel, meradigh.

Migraine: emigraneam: dats pijne in deen helft van den hove. In de helft van het hoofd heet Hemicrania of schelen hooftsweer.

Milsa; wijn en honing tezamen gemengd.

Milt: milten: melten

Minnaars: minners.

Misbruiken: misbruyken.

Misdaad: mesdaet.

Miskwam: mesquame.

Misselicke; kwaadaardige.

Misselijkheid: meslicheyt.

Mits: mids.

Mistroostige: mistrostigen.

Moedervlekken, moermael, ook een gezwel op open wond aan een been.

Moeilijkheden, tribulatien.

Moerasachtig: broeckachtige, mersch.

Moerbei: moerbesyen.

Mola: klomp vlees in de baarmoeder.

Mond: mont.

Monnik: monick. Grauwe monniken of Cordeliers: grau monicken.

Moord: moert, moerdener.

Morbum caducum; vallende ziekte.

Mormael; gezwel of open wond aan de benen, soms ook een moedervlek.

Morfeem: morpheam. Morfeem albam zijn witte plekken in de huid.

Mortier; matyr.

Moskee: mosquees.

Moskou, Moscovien.

Most; gistende onge wijn.

Mosterdzaad: mostaertsaet.

Motten: schaben.

Mozes: Moyses.

Mummie: mumia, geensmiddel van dode lichamen.

Munt, ment, aelment: een soort munt, wellicht hofmunt, een soort van het geslacht Mentha.

Mus; vlezige delen, spieren.

Muscaet, muscata, muschaten, Myristica fragrans.

Muscus; muskus; afscheidingsprodukt van de geslachtsklieren van een mannelijk muskushert of muskusrat, moskeljaet.

Mussilago, het uitwringen, mussilagine; uitgeperst sap.

Muizenoor, muysoren, muijsoren. Hieracium pilosella.

Muizendoorn, vriesen wonden, vriesen wonden, vries uuonde, Ruscus aculeatus of Hylotelephium telephium.

Mussen: mosschen.

Mutsjes: mudsaerdekens.

Murw: morw, mors, moru, morwe, moruet, muruet.

Muscilago; een vetheid die niet uittrekt.

Muilezels: muylen.

Muis: muys.

Must: maetsue.

Muziek: musijck.

 

N.

Na, erna: nae.

Naakt: naeckt.

Naam: naem.

Naar: nae.

Naar beneden: neerwert.

Naarstigheid: neerstigheyt.

Na-ijver of eerzucht: eergierigheyt.

Nachtschade: nachtscayen, naschade, nascadren, nachschaden, Solanum nigrum..

Nachtmerrie: nachtmerrye, Incubi en Succubi, nacht hengsten.

Nageboorte: velleken: palgel, burden.

Narigheid: naradicheit.

Nate; maak nat, natter; maak er mee nat.

Natuer; sperma.

Natuurlijke: natuyrlicken.

Nauw: nau, naeuw.

Nauwheid: nauwycheyt.

Nauwelijks: naeulix, kaum, kum.

Navolgende: navolghende.

Nekrosis of versterving van de nieren.

Neemt: neempt, nempt, nemet.

Nekhaar: fasse, fas.

Netelen, Urtica urens, Uritca dioica en Roomse netel, Urtica pilufera.

Net verteld: voergheseyt.

Neuken: queesteden.

Nitrum; zoute salpeter.

Nolimetangere; moeilijk te genezen soort zweer. Ook wolf fistel.

Neus: nose, noese, nase.

Niemand: nyeman.

Niet: nye.

Nieren: nyeren.

Niergruis, graveel, gruys of calculosis.

Niet: nie, nyet.

Niezen: niesen.

Nieuws: niemare, nyemaer. Verhaal: mare.

Nimmermeer: nemmermeer.

Noodzakelijkheid: nootsakelickheyt.

Nodig: nootwendigh.

Noemt: nennet.

Nog: noch.

Nooit: noyt.

Nut algemeen, oirboir.

 

O.

Of: oft.

Ogen: ooghen, oghen. Witheyt van den ogen die albugo heet.

Oksel: oxelen, eghernis, eegernis.

Olie: oly, oli, Olea sativa. Olijf: oliven, olyven. Oleum of olye uit olijven.

Olifant: oliphant.

Omdat: mits.

Omdraaien: omdrayinghe in die ooghen, dats Vertigo. Schijnsel van vliegen in de ogen, schinsel der vlieggen in de ogen, dats scotomia.

Omhoog: ubersich

Omkeren: omkeringhe.

Omvangen: omvaen.

Omwindsel: scheyde.

Omzetting; transpositie.

Onbekend: onbekent.

Ongans; ongezond. Onganshede; ongezondheid, ziekte.

Onderbuikspijn: lanckevel.

Onderdanig: onderhorigh.

Onderhuidse zweren: ondercoten.

Ondertussen: ter wijlen

Onderzoek: experienci.

Ongeduld: onverdult.

Ongesteldheid: ontsteltheyen, ongedaenheyt.         

Ongewassen wol: wolle met der yecken.

Onguur: onghier.

Onkuisheid: oncuysheyt, unkueshede.

Ontelbaar: ontallick.

Ontstaet; stelpt.

Ontstelt; verkleurd.

Ooit; ye.

Orenelinge; naam van een oogziekte waarbij een vlies vanuit de ooghoek (hornine) geleidelijk een gedeelte van de pupil bedekt.

Onthouding: abstinentie.

Ontvellen: vlagen.

Onreinheid: onreynicheyt.

Ontspanning: relaxacie.

Ontvangen: ontfaen.

Onschuldig: onnosel.

Onsmakelijkehid: onsmaeckelickheyt of smettigheyt.

Ontstekingen, inflammatien.

Ontsteltenis: onstelcenisse.

Ontstellen: barenteren

Ontvangen: ontfaen.

Onveranderd: unverseret.

Onverwacht: onversiens.

Onvruchtbaarheid: onvruchtbaricheyt, unperhaft.

Onzichtbaar: onsienlicke.

Onzuiver: ompuere.

Oogzalf: colirium.

Ooghoek: werner.

Oogst: oegst.

Ooievaar: odebar: oeyvaer.

Ooft: oeft.

Ook: oec, oeck, ock.

Oordelen: ordeele.

Oorsprong, van water, conduyten.

Oorsuizen: doeselinge.

Oorzaken: oirsaken.

Opblazingen: opblasinghe.

Opeenhoping; accumulatie.

Opgeblazen: opgheblasen.

Opgelegd: opgheleit.

Ophtalmia, oogontsteking: obtalmia.

Oplossen: zerlassen, solvere, solutijf.

Oppervlakkig defect van de huid of afvallen van de nagels: excoriacie oft afvillige des nagels.

Opklimmen: opclimminghe.

Oplossen: resolveren.

Oprispingen: oprupsinghe.

Opwaarts: opwaert.

Opzwelling, fluxien.

Orchis: klootjeskruyd, satyria, standelkruyd, handekenskryd.

Orde: ordre.

Oren: ooren.

Os de Corde cervi, been uit het hart van een hert.

Oude: outs, ouwen, ou.

Oudheden: outheyets, outheyt.

Overdag: overdach.

Overeen; oer eyn, over ein.

Overeen komen: concorderen.

Overlangs; verlanse.

Overvloende; overtollig.

Overspel: kevesdom.

Overvloedigheid: overvloedicheyt, overvloedicheit, overvloedich.

Overvloeien: over vloyen.

Overzetter: oversetter. Overzetten: versetten.

Oxisacar; een samenstelling die gemaakt is uit suiker, granaatappels en azijn.

Oxymel; azijn en water tezamen gekookt waar Helleborus een nacht in geweekt heeft. Of een syroop van honing en azijn.

P.

Paard: paert, wreen, ruyn, merrye. Strijdpaarden: orse.

Paardenbloem: papenkruyt, kanckerbloemen.

Paddenstoelen als kampernoelje: fungen, dats comperlolien, fongen, campernoelyen, aertbuylen, Tubera terrae, duyvelsbroot.

Paleis: palleys.

Paling: ael, palinck.

Paleizen: palleysen.

Panaritum: scherpe blaar aan de nagel: pannoricium.

Panum, pannum of duisterheid van de ogen.

Panne; pen, veer.

Papaverzaad: oelsaet, heul, papauer, olibladen, bolsaedt, Papaver somniferum. Om te bollen, kinderen in slaap te krijgen.

Parels: perlen, paerlen.

Papuloen, popel, popelen, pople, popolioen, unguentum, populier, zalf van Populus nigra.

Paralisis, herba paralysis, is tegen M. S. en hersenbloeding, Primula veris.

Parasisim, Latijn arthritis; gewrichtsontsteking, jicht.

Paritarien, glaskruid, Parietaria officinalis.

Pasteien: pastyen.

Patella; schotel.

Patrijzen: perdrisen.

Paviljoen: paveloen, tent

Peels lappe; stuk pels.

Penis; Rode; roede, veden, wede.

Pentafilon, quinque folium,  wyffbladeren, vijfvingerkruid, Potentilla reptans.

Peen: roode peen en caroten, Daucus carota. Witte peen of pastinaken, pasternaken, Pastinaca sativa.

Pees: pistel.

Pees, navelstreng, peserick.

Pek: peck.

Pen: penne.

Penningmeester, tresorier.

Percussatiuum, percussativum; een geneesmiddel dat de huid doorboort.

Per keer: smaels.

Perzen: Perssen.

Perzik: perseken, persekers, persen, perkers, Prunus persica.

Pessaria, pessus, pesiarie.

Pest: pestilentie, morbus, Pestis, Pestilentia.

Peterselie: peterceleye, petercely, petercilie, perssine, persyn, percellen, peercel., peterceli, Petroselinum. Grote peterselie van Macedoni of Alexandri; Smyrnium olusatrum.

Peter olie; petroleum; steenolie.

Phoenici, Fenici.

Phrenitis, hersenontsteking: frenesie, frenesye, uytsinnigheydt.

Pituitam ; witte slijm

Pioen: pionie, peonye, pioen Paeonia officinalis.

Pijn: pine.

Pijnboomzaden: pingels.

Pijnen, kwellingen: tormenten.

Pinksteren: Sinxen.

Pissenbedden; seugen.

Pistache: pistacyen of fistcien, Pistachia vera.

Plaats: plaetse, plaetschen, steden, stat.

Planken, berders.

Planten: pelzen.

Plassen: pissen.

Plas: zeik: siech (mogelijk naar de plas kijken om de ziekte vast te stellen)

Plavuizen: pluyvuysen, plavuysen.

Pleister: plaester, vaak van gyps, Emplastrum.

Plekken: plecken, pleckinghe, masen.

Plinius Caius Secundus of Maior. (23-79na Chr.) Zijn beroemdste werk; Naturalis Historia, een encyclopedisch werk over de natuurwetenschappen

Plotseling: schielinck, schielick.

Pluimen: pluymen.

Pluksel; stof uit hennep, werck, wercke, werke.

Poeder: poier, poyer, bulver. Verpoederd: gebulvert.

Pokhout: pochout. Guiaicum.

Polipum; poliep, aangroei in de neus.

Poorten: poerten.

Pijlen: quarele

Poisoen; soort drankje.

Polei, poley, poleyden, polioen, poleye, Mentha pulegium.

Polen: Polacken.

Polsen: polcen.

Pond: pont. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, 23, 5 gram, bij dokters uit 12, is 31, 2 gram, per stad verschillend, pond is drie drachmen, is 3,9 gram, een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram, scrupel is 0, 433 gram.

Pooier; poytier.

Popelsie, popelsy is trillende leden, hersenbloeding, Multiple sclerose.

Portugezen: Portugysen.

Pot assche; potas, pot test, beide woorden zijn gelijk; pot.

Praktijk: practijken, practiken.

Prei: parye, poerloeck, preiloock, poreyde, poreye, Allium porrum.

Priapismus of Priapis stuipen, seksaandrang.

Prickolen; prikkelen,

Priemtijd, 6 uur, primetijt, priimtijt, tijd waarin de primen gebeden werden.

Primula veris: herba paralysis.

Prins: prince.

Proef: prouf.

Profeet: propheet.

Profijt, voordelig: proffitelicheyt, proffiteliker, profeijt.

Prognosticatie of voorspellen van de uitkomst van de ziekte.

Proloog: prologhe.

Propolis komt van de fijne gaatjes van een bijenkorf, was.

Prijzen: prisene.

Pruimen: pruymen, Prunus domestica.

Pterygium of ordeolen, dat is een lange blaar op het eind van de ogen.

Pthisicus, ptisike, tisike: ziekte waarbij de ヤleden dy werstoruen synユ phtisis, tering.

Puikje: puyckje.

Punt: pount.

Puisten als anthrax: puysten als antrax; pestkolen

Purgeert of laxeert; purgatyen, purgirt; zuivert.

Pusoen, wondendrankje.

Putrefactione; verrotting.

 

Q.

Quartaen, quartein: vierdedaagse koorts, een vorm van koorts waarbij een onderbreking optreedt elke derde dag.

R.

Raad: raet.

Raag: raegh.

Raakte: roch.

Raap: raep.

Raapzaad: dryakelen, Brassica napus. Rape crut, blad van raap, Brassica napus.

Rabarber: rebarber, rebarberen, reubarbers, rubarbarem, Rheum ponticum.

Raden, raadsel; coniecture.

Raphanus, of mieriksworte, Armoracia rusticana of radijs, Raphanus sativus.

Ranzig: garstig.

Rapuntzel: repontijck.

Rauw: rou, raeuwe.

Recht: slecht.

Rede; koorts, rede sucht; koorts ziekte. Ridinghe; aanval van de rede; koorts.

Reghers smout; vet van reiger.

Reinigt: reyniget, reynt.

Rein, zuiver: lauter.

Reinigende kracht, abstersieve, abstertijf.

Reinvaarn: reynvaen, reinvane, reyneuaen, reinewaen, reynuaen,  reyneuaen, reijnvaen, reinvaan, reinvaarn, Tanacetum vulgare.

Reis: reyse, wandert; reis, zwerft..

Repurcussie, repercussiue; geneesmiddelen die plaatselijke ongevoeligheid tot gevolg hebben.

Resolutiue, resolutoen; geneesmiddelen die zwelling doen verminderen.

Retour: restour.

Reuk: ruecke, ruec.

Rijpen: ripen. Rijp: zeytig.

Rijst: rijs.

Ring: rinc.

Roede: royen, mansruot of gezuugel.

Roegerrijn of Rogerinus of Rogerus van Parma of van Salerno leefde in de 13de eeuw; hij schreef een Methodus medendi waarin hij Albucasis plagieerde.

Roelant of Rolandinus van Parma was een leerling van Roegerrijn en schreef een supplement op het werk van zijn meester; Libellus de Cyrurgia met de beginwoorden; Post mundi fabricam.

Roeren; aanraken.

Roeren: ruerende, ruerent.

Roeit uit: royet uut

Rode: roye.

Roodheid: rootheit.

Rode bloedgang: rote Ruhr, roet merizoen, rood melisoen, uit roy mユeleeson, koning ontferm u me, gebed van oude christenen en heidenen.

Roerkruid: ruyr kruyt, Gnaphalius of verwante droogbloem.

Rond: sinbel.

Rood: roet.

Rook: roeck, roec.

Room, van melk, saene, zanen.

Rooms is Romeins: roems.

Roos van het hoofd: scellige van den hoefde.

Rottende, putrificeren.

Rozijnen: rosinen. Krenten of passule of corinthen.

Rubrica; rode verf, menie om rubrieken in handschriften aan de brengen.

Rude; verzamelnaam voor allerlei huidziekten, rudichde, rudicheit.

Ruig: ruwweg: ruy.

Ruiken: reuck: ruycken.

Ruit: ruten.

Ruiter: ruyter.

Ruggengraad; rug graet: rachis, dat is graat of doorn naar zijn uitsteeksels.

Ruptura tipharis: scheur in het ti(m)panis, dat is het trommelvlies?

Ruscus aculeatus: brusci.

Runsel, rinsel; stremsel.

Rustende: rustieren.

Rusten: ruwen, ruoen, ruot, ruowt, rasten. Rust: ghermet.

Ruta graveolens, ruit; ruten, ruttse.

Ruwweg: bottelinc.

 

S.

Saffier: saphyr.

Saffraan: soffraen, sofferaen, seffraen, sefferaen, saffrans, Crocus sativus.

Salade: salaet.

Salvia officinalis: saule, saluia, savie, saelie, sali, sagie, sailge, salye.

Sal armoniacs, salmoniach, sal armoniac(i), sal armonia(e)ck, salmiak, ammoniumchloride.

sal gemme, sal gemma: steenzout.

Salsum flegma: gezouten fleuma: het levensvocht (flegma) in een speciale toestand die de aanleiding vormt voor  ziekteverschijnselen.

Salt; zout.

Samen: sampt, saen.

Samen binden: constringeren.

Samengaat: vergeselschappende.

Samengesteld, verzameld: vergadert

Samengesteldheid: complexie.

Samenzwering: sameninge.

Sanguin; bloedrood, sanguyn, sangwyn. Sanguiineis sijn bloedighe luyden= volbloedige, dat zijn driftige lieden, sanguinisch.

Savelboom, sauenboem, sauelboem, Juniperus sabina.

Sanen; room van melk.

Sap: zap, sop.

Sarcophaag: sarck.

Sapo gallicus; witte of harde zeep.

Sarcocolla; gom van Astragalus sarcocolla, sarcorolle.

Sausen: saasen. Sausir, zaucier; sauskom. Sausicken; kleine kom.

Scabiem; scabies; schurft.

Scabiosa, scabiose, Knautia arvensis.

Scaerley, scharlei, scaerleye, Salvia sclarea.

Scheur; scare.

ユs Avonds: tsavonts.

Schademael, scotema; het komen en gaan van zwarte of troebele vlekken voor de ogen.

Scheepeel; maat voor droge waren, zoveel als men met een schop eenmaal kan scheppen.

Schaafsel: scavelinghe.

Schade: scade, scaeyen, schaet.

Schaduw: scaye, lommere.

Schalksheid: scalcheit.

Schamen: barenturen.

Schare: drochtijn.

Schat: tresoer.

Schaamdelen: scaemlechyet, heimelecheyt.

Scheen: sceen.

Scheepslui: scheepvaerders.

Scheerde: raserende.

Scheurde: scoerde.

Scheerling: scherlinx.

Scheidden: verschieden.

Schemerige ogen, cataracta al of men seyde waterval.

Scherpe: scerpen, scerper, serp. Scherpte: serpicheyt, scerpicheit.

Scheurbuik: scheurbuyck, Grieks stomacace wat mondenstront betekent naar de geur, Scelotyrh betekent scheurbeen naar de pijn die ze in hun been voelen, en buik omdat die soms vaneen scheurt, blaeuschuyt naar de blauwe vlekken,

Schijten: sciten, cacken.

Schicht; pijl.

Schelle drope; oogziekte.

Schijtwit: sciterwit.

Schil: schelp.

Sclirosis, verharding.

Schildknaap, bediende: garsoen.

Scilt veruen: verdigris, kopersubacetaat, aerugo.  Sciltvarwe, een oud geneesmiddel.

Schorpioenen: scorpionen.

Scorfde, scorftheit; schurft, soort van huiduitslag.

Schoonheid, bevalligheid; abelheit.

Schors: scorsen.

Schudden: scuddinghe.

Schuld: scout, vandaar schout.

Scrofeloen; klieren, scrophule. Scrofulen, opgezwollen lymfeklieren: serofulen= scrofulas.

Schurk: vileine.

Schuwt: schout.

Schrijven: scrijven, scriving, scriven, scrijft,

Schrijvers: scribenten.

Schudden: scuddinghe.

Schuldig: schuldig.

Schurft: scorftheit: scorftheyt, scroftheye, scorftheien of Tineam. Rappig, Rappicheit is schurftachtige uitslag.

Schuwen: scuwen, scouwen.

Scrupel, 1, 302 gram, scrupel, serupel.

Secundina; nageboorte.

Seenen; stuifsel,

Selderij: ionffrou merck, eppe, Apium gravelens.

Sems leder; zeemvel.

Senna: sene, seneth, Cassia senna.

Serpigem; ruwheid van de huid die scherp is en hier en daar kruipt.

Senep, senip, sennip, sennep, witte mosterd, Sinapis alba, zwarte Brassica nigra.

Sent; sinds.

Sichte; ziekte.

Sie; het gezichtsvermogen.

Sier: chier. Sieraad: cieraet.

Sier: opschik: pomperye.

Siler montanum: seselikruid, bergeppe, Laserpitium siler L.. silicis (aqua -): 703, 748 Latijn water bereid uit siler montanum.

Siroop: syroep, sijroep.

Sla: lattich, lachtich, latouw, Lactuca sativa.

Slagen: slaghe.

Slacht; slaet.

Slaan: slaen.

Slagagaderlijk; arterieel.

Slakken: slecken.

Slecht; klein, 2, lichtjes, 3, buiten gebruik gesteld.

Sleedoorn: slehen, sleen, sliene, leyen, sleedornen, Prunus spinosa.

Sleutelbenen; omdat ze de borst toesluiten.

Slijmerigheid: gesmyigheyt.

Slijmachtig; mucilagineuse.