Plantennamen, Nederlands. Namen en hun betekenis.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Zie ook middeleeuwse woorden en verklaringen.

Zie ook plaatsnamen en hun betekenis.

Zie ook jongens en meisjes namen.

Zie ook dierennamen;

Klik hier voor planten soorten.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

Plantennamen en hun betekenis, etymologie of hun betekenis in Nederland.

 

Abies alba. Dodonaeus (a) ‘De eerste soort noemen we eigenlijk gewone witte dennenboom’. Zilverspar is zo genoemd naar de zilverwitte onderkant van de naalden die meestal twee rijen huidmondjes bezitten. Duitse Silber-, of Weisztanne, Engelse white spruce (zie Picea) of silver fir. Mastboom naar het gebruik om er masten van te maken.

Spar heet in Fries sparrebeam en spjer. ‘Spar’ is een woord dat waarschijnlijk verkort uit sparrenboom ontstaan is. Het is een boom die geschikt is voor het maken van sparren. Een spar was oorspronkelijk een woord voor het ge­vorkte eind van een balk waarop de vorstbalk rust. Spar komt van oud-Engels spearrian: sluiten of dragen. Het oud-Noors kent de naam sparri en het oud-Hoogduits sparro: voorzien van of verstevigen met. De Germaanse woordwortel sper schijnt vooral voor onderdelen van het dak gebruikt te zijn. Het woord is mogelijk verwant met speer, oud-Hoogduits sper, en in het Latijn sparus: jachtspriet. In het Midden-Nederlands komt sparre voor: stang, balken of dwarsbalken, zoals in wapens. Ook in Engels spar en midden-Engels sparre komen varianten voor. Sperren heeft de betekenis ‘met sparrenwerk verstopt’.

 

Abutilon staat bekend als fluweelblad of Chinese klokbloem. In China worden ze als vezelplant gecultiveerd, nauw verwant aan de katoenstruik. Is hier ook vroeger in de 18de eeuw als vezelplant ingevoerd, maar er zijn betere.

 

Doornige Acacia van Egypte. De gom die uit deze heester traant is in de apotheken Gumme Arabicum, dat is gom van ArabiĎ, genoemd, gebruikt onder andere voor de kleefstof van postzegel.

 

Acaena is afgeleid van het Griekse akanthos: een doorn of stekel, wat een verwijzing is naar de kleine doorntjes op de vrucht. Het is de stekelnoot, Engelse burweed, (zie Arctium) New Zealand bur, afkomst, Duits Stachelnusschen.

 

Acalypha komt van het Griekse akalephe: een brandnetel. Kattestaart, Engels cats tail, Frans queue de chat.

 

Acantholimon is gestekeld en vandaar egelkruid.

 

Acer. Veldesdoorn, groeiplaats. Ook wordt het wel booghout genoemd omdat het hout zeer geschikt is om er bogen van te maken en lansen. Vooral van het hout dat veel kwasten bezit maakten de Fransen schaakborden, het is ideaal draaihout. Het werd wel gebruikt om er harpen, luiten en violen van te maken waardoor dit hout ook wel luiten- of violenhout werd genoemd. In begin mei werden van deze bomen fluiten gemaakt door op de bast te kloppen die dan gemakkelijk los laat.

In het Engels komt de naam masertree voor en in midden-Nederlands was het maserijn of maeser, midden-Latijn maserinus. Dit woord hoort bij het oud-Hoogduits Masar: kwast of knoest, Angelsaksisch maser: knoest in hout en oud-Noors mosurr is verwant met Latijn macula: vlek, de knoesten in het hout. Het is de knoestenboom. In oude tijden was het hout met zulke knoesten veel waard bij de draaiers en houtartiesten.

Mazer heette ook die dunne schalen of bowl’s. Die werden gedraaid uit het hout van de esdoorn. Mooie mazers waren gemaakt van het knoestige hout en zo dun dat ze het licht door lieten. De beroemde drinknappen die zoveel geprezen werden in de middeleeuwen waren hoofdzakelijk van deze boom gemaakt.

Naar de hoekige gevleugelde vrucht, die wel ackar of eckar genoemd werd, (zie eik) werd de boom oorspronkelijk wel achar genoemd, zoals in Spaanse aak en de namen agerl, dan aharen en ahorn. Dit woord zou afkomstig kunnen zijn van het Latijnse acernum (us) Of van acer ingenium omdat er ingenieus werk van gemaakt werd.  A. Munting zegt dan ook: ‘Booghout, in Latijn Acer omdat deze door zijn deugdelijk hout het verstand van de kunstenaars verscherpt en verbeterd waarom ook de Grieken van deze boom het bewonderenswaardige paard van Troje maakten door wiens aanschouwen de Trojanen verbaasd stonden en het tot een gedenkteken in de stad haalden en zo veroverd werden.

De afkomst van de Nederlandse naam esdoorn is onbekend. Doorn is zonder twijfel een overblijfsel van ter of der: boom, wat ver­vormd werd tot doorn, zie bijvoorbeeld bij affolter (appelboom) wat vervormde tot bijvoorbeeld Apeldoorn. De naam es is wat vreemd omdat er geen verwantschap is met de es, mogelijk is de boom zo genoemd naar de overeenkomst in vruchten.

Suikeresdoorn is het symbool van Canada en staat op hun vlag. Het levert in het voorjaar veel suiker uit zijn bast .

 

De naam Aceras stamt van het Griekse a: zonder, en keras: een hoorn. De bloem mist de typische orchideeĎnspoor. Vandaar zijn naam spoorloos.

Dit is de mensorchidee ofwel Duitse Man-orchis. In het Engels is zijn naam green man orchis of man-orchis en in het Frans aceras en homme pendu: hangende man. De bloem lijkt wat op een mensenvorm, het lagere gedeelte van de bloem, de onderlip, is tweemaal zo lang dan de kelkbladen. Dit gedeelte hangt naar beneden en wordt met een lichaam vergeleken. De twee zijdelingse stukken lijken op armen, het gevorkte eind doet dienst als benen. Het algemene gezicht op het bloemhoofd is grappig en lijkt wel wat op een geelgroen poppenhoofd. Vandaar de Nederlandse naam poppenorchis.

 

 

Achillea millefolium. Mille: duizend, folium: bladeren, de plant staat beter bekend als duizendblad.

Garwa heet het bij H. Hildegard, Garbe, Gerwel, bij ons garwe, gherwe en later gerwe. Deze naam werd bij ons in de volksmond verbasterd tot garbenkraut, geruwe en gerwel. Engelse yarrow of yarrowe zou een verbastering zijn van het Angelsaksische gearwe, wat mogelijk een verwijzing is naar het feit dat de bladeren geveerd of ingesneden zijn als ye arrow. (pijl) Het is echter meer waarschijnlijk dat het woord van yare stamt (vergelijk oud-Engels gearu: klaar, en oud-Hoogduits garawen: bekleden, dat verbonden is met Deens gaar: gereed of gekleed, Germaans garwa. Yarrow en garwa betekenen dan "de klaar gemaakte, helende of herstellende", vanwege de uitgebreide verwerking als wondkruid. Garwe betekent dan zo veel als de geneesplant, vergelijk de Duitse naam Heil aller Welt! (zie ook Agrimonia) Oud Nederlands was zeiskraut vanwege zijn wond helende werking.

Een andere verklaring is dat het ‘bekleden, klaar of mooi’ betekent: de plant is met vele blaadjes bekleed. Het midden-Hoogduits Garwel kan ook afkomstig zijn van het oude woord carmen: kerven of insnijden,  naar het duizendvoudige blad. Een woordverbastering is het Nederlands geruwe.

Ganzenkervel, ook hazengras of hondeklaar.

Naar de bloemvorm witte reinevaar en riezenbrij in Groningen, rijstepapbloem en in Friesland sjukelarjeblom, skieppegerf en ook tjerkhofblom.

Achillea ageratum. Hier te lande heet het bij sommige koninginnenkruid, (zie Eupatorium) maar meest kleine kost of klein balsemkruid.

Achillea erba-rotta ssp. moschata geurt naar muskus, muskusduizendblad.

Achillea ptarmica.  Dit kruid laat niezen, nieskruid, ook tandkruid omdat het speeksel verwekt en daardoor de tandpijn verminderd wordt. Bertram betekent vuurwortel omdat het bijt op de tong. Moerasduizendblad naar zijn groeiplaats.

Achillea filipendulina of gele pannenkoeken naar zijn platte gele bloemschermen.

 

Acidanthera of Gladiolus. Abessijnse-, of stergladiool is een nieuwkomer. In Engeland kwam de eerste pas in 1930 aan vanuit Afrika, Somalia en Eritrea, vandaar de naam Abessijnse gladiool.

 

Aconitum. Wolfsdood of wolfskruid omdat het gebruikt werd om wolven te doden.

Stormhoed. Het laatste deel van een gegeven naam is bijna altijd een kap of hoed. Dit laatste gegeven bevindt zich ook in de veel oudere naam van de plant als Thorshelm die aan Thor (Donar) was gewijd. In Deens en in Noors zijn er de volgende namen, Thoralm, Thorhat, Ulveurd, Ulvebane, Ulvedod en in Zweeds stormhat. In de Noorse mythologie vertegenwoordigt de hoed van de akoniet de kap van duisterheid, wie in staat is die te dragen wordt onzichtbaar als hij of zij het wil. De kap was een deel van Odins uitrusting. Vandaar de naam Odins helm en gewoonlijk Thors hoed of helm. De helmvorm suggereert meer de twee grote vechtende goden van het Noorden dan de wijze Odin. Doordat de bloem met de kap bedekt is van de Noorse helden symboliseert de plant ridderschap. Omdat de bladeren schildvormig zijn zou de naam stormhoed, naar de tijd van de ridders, de beste naam zijn die bij deze plant past. Toen de Benedictijnen de domeinen van Thor binnenvielen werd het de monnikskap, de oude munckes capkes.

Venus wagen, onze Venuswagen, duiven trokken de kar van Venus. Deze namen vergelijken de stuifmeeldraden, die in de kromming van de helm gebogen zijn, met een paar nieuwsgierige duiven die schuchter het dek proberen te verdringen. Kinderen halen de helm er soms voorzichtig af waardoor de stuifmeeldraden als kleine duiven te voorschijn komen, vanwege het vliegen Eliaswagen.

Verder Adam en Eva in 't koetske, huwelijksbootje, paarden en karretjes, schoenen en muilen en in Fries hijnders en weintsjes.

 

Acorus calamus, dat werd tot kalmoes of kalmus. Het wordt ook wel ooievaarsbrood of zwanenbrood genoemd (moerasplant) De Friezen herkennen deze plant onder de naam earrebarrebreau, arrebarrebroodjes in Dokkum, verder breakes, kaarnwortel en snieling.

 

Actaea. St. Christoffel is de schutspatroon van de schatgravers. De plant zou toverkracht bezitten en middels deze toverkracht helpen bij het zoeken naar verborgen schatten. De oorspronkelijke benaming was Herba sancti Christophori. St. Christoffel is ook de patroon van geesten en tovenaars. Onder het kruid zou een geest liggen die de schat bewaakte. Om de geest te verdrijven moest het kruid aangeraakt worden en een bijzonder christoffelgebed opgezegd worden. Dit bezweren werd christoffelen genoemd. Tovenaars gebruikten het kruid om te christoffeln, met andere woorden: om geld verbergende geesten te bezweren.

 De Heilige Christophorus gold ook als beschermheer tegen de pest. Wie in staat was die ziekte af te wenden en een tegen middel had, die bezat een grote schat. De aanblik van een heilige had sowieso al een dood verdrijvende werking en samen met zijn plant stond je sterk.

Deze heilige wordt op tal van plaatsen afgebeeld, soms met het onderschrift; “Christum sum ferens”, “Ik draag Christus. In vele oude katholieke kerken komt hij voor.  Dan zie je vaak boven de westelijke ingang van zo’n kerk het beeld van Christoffel. Zie je Christoffel die dag, dan zal je niets gebeuren en kan je niet dood gaan. Zag je hem niet, dan was je die dag ziek en kon je de kerk niet zien. Omdat je hem niet gezien had was de kans dat je die dag dood zou gaan vrij groot. Als beschermheilige tegen plotselinge dood. (201A) (215)   Dit is de reden voor de vele afbeeldingen van de heilige in en rondom kerken en auto’s. Denk aan St. Christoffel, rij veilig, op autoprentjes. De H. Christoffel is de beschermer van reizigers.

De verering ging zo ver dat men zei: “Door U wordt helder weer verkregen, alle soorten van ziekten, de zwarte hongersnood en de pest verdreven, O’ Christophorus!”. Een blik op zijn beeld was ook een middel om bij zware arbeid niet vermoeid te worden, reden waarom de boeren hem lieten schilderen op een plank die ze bevestigden boven hun huisdeur.

St. Christoffel droeg reizigers over de ruwe rivier. Ook Christus heeft hij op deze wijze naar de overkant gebracht. Op dezelfde wijze dat St. Christoffel Hem droeg, zo draagt de plant haar bloemtrossen. Alsof de moordenaarsplant na die baptisering niet meer moordt, zo vormen de wortels van het christoffelkruid een kruis of ster.

Zwartkruid of zwarte gifbes, een gif dat het hart raakt.

 

Actinidia is afgeleid van het Griekse aktis: een krans, de gele vrouwelijke bloemen hebben kransen die als kleine zonnebloemen straalsgewijze uitstaan, vandaar straalstempel. Het nationale symbool van N. Zeeland is de kiwivogel, een bruin bolletje op poten. De kiwi is hiernaar genoemd omdat de vrucht op dat bruine balletje lijkt.

 

Adansonia. Afrikaanse olifanten eten de zachte bast van de Afrikaanse baobab. Ook bavianen en andere apen eten de vruchten waarom de bomen ook wel apenbroodboom genoemd worden.

 

Adenanthera. De vruchten zijn bekend onder de naam koraalerwten. Dit naar de fraaie scharlakenrode zaden die wel in plaats van bloedkoralen tot halskettingen voor kinderen aaneengeregen worden. Daaraan dankt de boom haar naam koraalboom.

 

Adenophora.  Bekerklokje, naar de bloemvorm

 

Adiantum capillus-veneris (Venus haar) komt van het Griekse a: niet, en diainein: bevochtigen, omdat de bladeren niet nat worden. Dit verwijst naar het haar van Venus dat niet nat was toen ze uit de golven stapte. Venushaar, maagden- of meisjeshaar.

 

Adonis, was bij de Grieken een jongeling van spreekwoordelijk geworden schoonheid. Hij was de zoon van Theias en zijn eigen dochter Myrrha. Als de vader, door zijn eigen dochter bedrogen, haar zwanger heeft gemaakt en dit bedrog ontdekt, achtervolgt hij haar met een zwaard. Myrrha wordt dan in een boom veranderd (zie Commiphora myrrha) Uit haar barstende stam wordt Adonis geboren. Adonis was de favoriet van Aphrodite /Venus. Na zijn overlijden snelde Aphrodite wenend heen en drong door de struiken en doornen heen. Die bezeerden haar en het bloed dat op de witte rozen viel gaf die een rode kleur terwijl er anemonen of adonisroosjes ontloken op de plaats waar haar tranen de aardbodem drenkten. Ze kon de jongeling niet redden van de dood omdat Persephone (van de onderwereld) verrukt was over zijn schoonheid en hem niet terug wilde geven. Ze verwierf van Zeus de gunst dat Adonis een derde jaar bij haar, een derde jaar bij Persephone en een derde jaar vakantie zou hebben. Dit gegeven komt overeen met het Mediterrane seizoen ritme. Na de oogst (vakantie) weer naar de onderwereld (Persephone) en in de lente werd de vruchtbaarheidsgod (Aphrodite) weer actief.

Adonis, bruynettekens, de bruine bloemen, zo ook duivelsoog, het donkere hart in de bloem. Zomeradonis, adonisroosje, bloeddruppels, kooltje vuur, vuurroosje.

 

Adoxa moschatellina. Uit het Griekse moskos kwam het Latijnse muscus: muskus, en zo het muskuskruid.

 

Aegilops komt van het Griekse aix: geit, en ops: oog, omdat het tegen zweren in de ogen van geiten werd gebruikt. Het wordt daarom ook wel geitenoog genoemd.

 

Aegle komt van het Latijnse Aegle, één van de Hesperiden. De Hesperiden bezaten de magische tuin met gouden vruchten die de eeuwige jeugd zouden geven. De legende verhaalt dat de drie Hesperiden, bij de invallen van de barbaren, in het geheim wegvlogen om de vruchten in veiligheid te brengen. Ze staken de zee over in een grote schelp en kwamen op de Italiaanse kust aan. Aegle liet haar cedraat appelbomen vruchten dragen aan de oevers van het Garda meer. Arethusa plantte haar citroenen in LiguriĎ en Hersperia plantte haar sinaasappels in CampaniĎ. Kwee van Bengalen of slijmappel.

 

Aegopodium, Griekse aix: een geit, podion: een klein voetje, vermoedelijk is de plant zo genoemd naar de vorm van de bladeren of omdat de geiten het eten. Het is het geitenblad, -poot. Vroeger heette het Herba Santa Gerardii en bij ons Gerardskruid. St. Gerard is de schutspatroon van jichtlijders. Zevenblad omdat er meestal zeven blaadjes te zien zijn, vaak twee maal drie bladen.

Dit kruid wordt gebruikt als middel tegen podagra. Podagra betekent ‘voetje’, omdat podagra of jichtaanvallen meestal in de grote teen beginnen. In de signatuurleer werd het zo gebruikt omdat de plant zich door middel van zijn wortelstokken zich even snel in de grond verspreidt als jicht in het lichaam. Flerecijncruyt, flerecijn is jicht. Hiervan stamt ook de naam fliervinkenkruid en andere afleidingen.

In het Vlaams heet het landsloop en wilde vliendre, dat naar de vlierachtige blaadjes.  Kruip door de tuin of krup dor de tun.

 

Aeschynanthus komt van het Griekse aischyne: schaamte, en anthos: een bloem, mogelijk naar de dieprode kleur. Vandaar de naam schaamrood.

 

Aesculus. Het paard betekent hier wel een oneetbare vrucht, net zoals mindere en oneetbare soorten met wilde of geitenplanten vergeleken werden, in Duits dan ook Foppkastanie en Saukastanie. De naam van de eetbare Castanea werd op deze gelijkende boomvorm overgedragen, hippos: Grieks voor een paard, plus castanum en zo hippocastanum. Het is alles paard wat de klok slaat. Toch draagt de paardenkastanje die naam met ere, want in de winter kan men op de plaatsen waar de bladeren afgevallen zijn de bladmerken zien die op een hoefijzer lijken. Verder zie je, als die bladmerken goed bestudeerd worden, er zelfs de hoefnagels in. De zeventallige bladeren laten elk een afdruk achter, de nagel in het hoefijzer. Hierdoor is in de winter ook goed het verschil te zien tussen de rode en de witte (wilde kastanje) kastanje, de eerste heeft vijftallige bladeren, dus 5 hoefnagels en de wilde 7.

In Vlaams galnotenboom en kastanjeleer.

 

Aethionema, steenkers groeit in steenachtige gronden en lijkt op kers.

 

Aethusa. Kleine scheerling of tuinscheerling lijkt veel op de gewone scheerling wat een zeer giftige plant is wat deze plant verdacht maakte. Maar is minderwaardig wat in de betekenis hond tot uitdrukking komt, hondseppe en hondspeterselie waar het veel op lijkt, ook kleine dolle kervel.

 

Agapanthus komt van Griekse agape: liefde of naastenliefde, bemind, dat in de botanie voor bloemenpracht gebruikt wordt, en anthos: een bloem. Liefdesbloem of blauwe tuberoos, zie Polianthes.

 

Agaricus. De naam champignon komt voor het eerst voor in 1692. De Franse champignon betekent eetbare paddenstoel. Oorspronkelijk is het uit braakliggend land (Latijn campania, hier tot Gallo-romaans campaniolus) groeiende paddenstoel gevormd. Een inlandse naam is egerling, Duits Agertling, Angerling of Egerling, dat uit oud-Bayers egert: onbebouwd land stamt.

 

Agastache. Koreaanse munt, anijsplant, dropplant naar de geurende plant.

 

Agathis. Kawari pijn, kauri, het is de kauri of kawri van de inlanders.  Soms zijn ze ook bekend als  damar. Ook hier slaat het woord damar op zijn betekenis als harsleverancier. Damar is een Maleis woord voor hars. Kopal komt van de Nahuatl taal copalli wat wierook betekent.. Langzamerhand heeft men het woord ook voor niet Amerikaanse harsen gebruikt. Kopalhars kwam vanuit N. Zeeland, later ook als kaurihars of kaurkopal in de handel en werd gebruikt voor de bereiding van vernis.

 

Agave. Deze agave wordt ook wel 100 jarige aloĎ genoemd omdat de plant bij ons gekweekt pas na 40‑60‑80 of na 100 jaar bloeit. Onder die naam, zoals die ook in Duitsland heet, is het geloof ontstaan dat de plant met zijn 100ste verjaardag pas zou bloeien. Dit zou het gewas zelf vieren door de bloem met een knal als van een pistoolschot te openen. Sommigen beweerden met een knal als van een kanon. Ze gaan echter even stil open als de meeste andere planten.

 

Ageratum is een Griekse naam, van a: niet, en geras: oud, een verwijzing naar het niet verouderen van de bloemen die altijd helder zijn. Het mexicaantje kwam in 1822 uit Mexico naar Europa.

 

Agrimonia komt van het Griekse agros: veld, en mone: woonplaats, een plant die in de velden groeit. Of de naam komt van argemon, een witte vlek op de ogen (arges: wit) die deze plant zou genezen. De fabelleer zegt dat de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat hield door deze plant, dan is Agrimonia van Argus af te leiden. Leverkruid naar zijn genezende krachten.

 

Agrostemma; is afgeleid van het Griekse agros: een veld, en stemma: een guirlande, de op het veld groeiende plant werd voor het bekransen gebruikt. Eventueel in de betekenis van kroon en daarnaar heet de plant kroon op het veld. Nagelbloem, corengnoffelen en negelbloemen en dat slaat op een anjergewas.

Dodonaeus (c) ‘In Hoogduitsland wordt het Grosz Raden, Raden of Ratten genoemd’.

Raai of rade, de naam is tot rad gevormd omdat de bloemen op een rad lijken en de lange smalle kelkbladeren lijken op spaken. De plant is als drager van het wiel gedacht, naar de bloemvorm van een anjerachtige. Raai is een naam ook voor andere akkeronkruiden.

De namen bolderik, bol of bolder en dergelijke zijn namen waar bol staat voor lastige onkruiden net zoals witbol voor Holcus. Het was oorspronkelijk een naam voor kaf, zie bolster. Het is de korenroos wiens bolle naam afkomstig is van het Keltische buldwg. Of van bol: kop, de kopachtige vrucht, de kelk steekt er met haren uit, een hanenkam.

Verder broodsblom, schaapsoren of zwijnsooren, Sint Petrusbloem. In BelgiĎ baronnen, Christusoog, Godsooge, schoonooge, ezelsbloem, steekneuskes, Het was het bekende mooi bloeiende graanonkruid, koornrozen of koornvlam.

 

Agrostis canina. Liggend peyen gras, in het Latijn Gramen Caninum supinum. Dit gras heet hondsgras, zegt men, omdat de honden dat eten en daarmee genezen, ook knoopgras zoals kweek, kruipend struisgras.

Agrostis nebulosa (nevelachtig) is het fijne nevelgras.

 

Ailanthus is zo genoemd naar zijn volksnaam in Ambon, ailanto of ay-lanit: wat een boom betekent die met zijn takken naar de hemel rijkt. Hemelboom of godenboom.

 

Aira. Zilverhaver, een mooie grasachtige.

 

Ajuga. Ze heet soms hoe langer hoe liever net zoals Solanum dulcamara, maar hier betekent het de rankende gewoonte. De naam zenegroen is afgeleid van sene: altijd, dus altijdgroen. Vroeger werd het ook wel ingroen genoemd.

 

Akebia wordt genoemd naar zijn Japanse naam, akebi. Voluit in het Japans is het fagi kadsuri akebi, het laatste woord werd door Linnaeus gebruikt voor dit geslacht. Schijnaugurk, klimbes of chocoladerank.

 

Albizzia is zo genoemd ter ere van de Italiaanse edelman Filipo del Albizzi, die in 1749 deelnam aan een reis naar Turkije.

Acacia van Constantinopel heet in Engels silk tree, bij ons zijdeboom.

 

Alcea. Stokroos is zo genoemd naar de roosachtige bloemen die altijd in voorraad, in stock gehouden werd en vanwege zijn groei ook wel stangeblom of stangeroos.

 

Alchemilla. Alchimistenmantel omdat door de poriĎn in het blad water op de bladeren komt die er als fijne dauwdruppeltjes uitzien. Een "edelsteen van het zuiverste water". Dit water kan opgezogen worden. Omdat de bladeren vrijwel altijd met die fijne druppeltjes bedekt zijn verwachtten de alchimisten dat ze met die druppels een wondermiddel bezaten om goud en de steen der wijzen te maken. Alchemilla komt van het Arabisch alkemelych, omdat de plant voor proeven van Alchimisten heeft gediend.  Alchemilla werd wel vertaald als kleine alchimist. De afleiding van chemie is onzeker. In ArabiĎ betekent al-kimija een vloeistof en het Egyptisch woord chemi betekent het land Egypte, het verborgene en zo betekent de naam oorspronkelijk de Egyptische of geheime wetenschap, dit was later geheime of zwarte kunst. Een latere uitdrukking was scientia chimiae op het eind van de 3de eeuw en later bij de Arabieren alchimie. Het is de magische plant.

Een zo krachtige plant heeft een Christelijk aureool nodig. Vrouwenmantel heet zo omstreeks 1500 naar de grote, ronde en ietwat gevouwen bladeren die met een mantel vergeleken werd die Maria op heiligenbeelden draagt.

 

Aleurites. Kandelnootboom of apetal, in oostelijk IndonesiĎ worden de oliehoudende kernen wel tot kaarsen verwerkt en wordt er een vernis van gemaakt. In Hawaē is de noot een symbool voor verlichting, bescherming en vrede. De kandelnoot zou de lichamelijke vorm van Kamapua'a zijn, de varkensgod. Een van de legenden verhaalt over een vrouw die, ondanks dat ze haar best deed om haar man te plezieren, geregeld geslagen werd. Eindelijk sloeg haar man haar dood en begroef haar onder een kukui boom. Daar gaf ze nieuw leven en haar man werd uiteindelijk gedood.

 

Alisma. Was vroeger een soort van weegbree en zo waterweegbree. Kikkerbrood, kikkers zouden de plant eten.

 

Allamanda heet naar de goudgele trompetvormige bloem gouden trompet.

 

Alliaria, Latijn allium: ui, en aria, achtig, geurend naar een ui. Ook de naam look zonder look betekent letterlijk ui zonder ui. De plant behoort niet tot familie van de ui, maar is een kruisbloemige.

 

Allium. Bieslook, het gewas lijkt op een bies.

In het Latijn komt unionem voor, dit is afgeleid van Latijn union: (em) eenheid, een grote parel, van unus: een, unio, een ui met 1 steel. In midden-Nederlands van 1284 als ajuun, in Dyetsche eywijn, ook eniuun is bekend en later ajum of ajuin.

Unio was de gewone betekenis van een parel, uniek in kleur, vorm en kwaliteit, vandaar union in Engels, zoals in de laatste scŹne van Hamlet:

"The King shal drinke to Hamlet's better breath,

And in the Cup an union shal he throw". Sjalot naar Ascalon in Palestina.

Uit midden Latijn is als kloosterwoord ook het midden-Nederlands cipel, sipel.

Zilveruitjes worden niet groter dan één tot 1,5 centimeter. Ze danken hun aanduiding zilver aan hun, vanwege de azijn, glimmende witte schil. Ze worden letterlijk omschreven als een inmaakuitje met zilverachtig vlies. Ze werden ook wel meloesuien of zilvervliesuien genoemd.

De sjalot is door de kruisvaders meegenomen en zou naar de stad Askalon genoemd zijn in het land der Filistijnen. De naam is verder verbasterd, in het Latijn werd het ascalonitica, in oud-Frans escaluigne, tot eschalotte, e'chalote en bij ons astloock of abschlag, tegen 1700 werd het charlotten en nu sjalot.

Look komt van midden-Hoogduits Lauch: sluik, of van Loch, beiden naar de vorm van de holle stengels. Knoflook is ontstaan door naamsverandering van kl tot kn knoflook. Het was eerst cluflooc, cloflooc en kloflook; splijten of gespleten look, de bollen.

Indo-Germaanse wortel prso werd over Grieks prason, parson of parron: look, de Latijnse porrum en het huidige, in Franse streken bekende poireau, Duitse Porree, De Nederlandse naam prei, in midden-Nederlands was het poret en half 13de eeuw poreye, is ook uit oud-Frans poree gevormd.

Berglook. De bollen zijn, net als bij de gladiool, door een netvormig omhulsel omgeven als een soort pantser wat de ui onwondbaar maakt. Hieraan werd een wonderbare werking toegeschreven.

Door dit omhulsel zou het mensen beschermen tegen steken en wonden. Door de vele oorlogen was er een grote vraag naar dit soort beschermmiddelen. Het werd gedragen als een amulet door krijgslieden om de nek. Ze noemden de bol allemansharnas en victori wortel. Als een echte ui behoedde het de drager gelijk tegen ongeluk en toverij.

Allium ursinum betekent letterlijk berenlook, stinkend berenlook en heeft zijn naam te danken aan het feit dat de plant in dezelfde gebieden als de beer voorkomt. Onder de bloemen waarvan de duivel zijn bloementuil maakte behoorde ook daslook. Vandaar de naam duivelsbloementuil.

 

Alnus. Zwarte els, het ‘zwarte’ element in al deze namen is te herleiden naar de donkere bast en katjes van de els. Aalst heette in 1306 Alst en is genoemd naar de plaats waar elzen staan. Zo kan ook Aalsmeer een afleiding zijn van els en meer plaatsen. Verder komen voor in duidelijker vorm: Elshof, Elshout, Elsloo, Elst, Elzen, Elzet en in Engeland Allerford, Allerwash en Aldershot. De naam Elre komt terug in de mythe van de Erlenkoning en zijn dochters die met hun grillige afwisselende vormen de oude grijze elzenstammen omzweven. De naam heeft weinig verschil met elfen of elsen, de heksen. Hierbij maakten Göethe en niet minder Schubert de fout door de muziek die hij daarbij componeerde. Erlkonig betekent elzenkoning en geen elfenkoning.

 

Alopecurus. Grieks alopex: vos, en oura: staart, naar de aarvorm en kleur die verwelkt na bestuiving. Als je het zaad van vossetaartgras op wit papier laat vallen hupt het in het rond. Symbool van sportiviteit. Musesteert, rottesteert of botkruid.

 

Alpinia is zo genoemd naar Prosper Alpinius, een Italiaans medicus en hoogleraar in de plantkunde, directeur van de botanische tuin te Padua, 1553-1616. Galgant, de aan gember verwante plant, is in China inheems en heet daar kao-leung-keung, of kao-liang-kiang: milde gember in bezit van Kao.  Al vroeg in middeleeuwen wordt de galigaan door Benedictijner monniken naar zuid Duitsland gebracht. H. Hildegard von Bingen beschrijft het kruid in 1179.

 

Alstroemeria. Een plant van de Inca's is de Peruviaanse of Incalelie.

 

Althaea betekent zoveel als heler. Deze heet hier te lande witte maluwe, witten huemst, witte hemst, heemst of witten hoemst. Het zijn de originele marshmallows. De marshmallows die gemaakt worden van meel, stroop, gelatine en suiker werden oorspronkelijk gemaakt van de wortels van deze plant dat op het Franse pČte de guimauve teruggaat. De naam tandwortel slaat op het gebruik dat moeders die geven aan kinderen waarvan de tanden doorkomen.

 

Alyssum. Alyssum komt van a: niet, en lyssa: gekte of razernij, zo genoemd omdat het kruid de kracht had om dolheid of razernij te genezen, alleen al door het aan te zien. Of, in plaats van gekte, dolle hond, omdat het een middel tegen dolle hond was. Of dat het woord komt van lidzoo: hikken, het werd tegen de hik gebruikt.

Bleek schildkruid, schildzaad, de nerf is schildvormig en omdat het goed was tegen de steen in de nieren of blaas.

 

Amanita. Vliegenzwam heeft zijn naam gekregen omdat als je deze zwam op een schoteltje legt, met wat suiker of stroop erop, het de vliegen aantrekt die met de suiker het vergif eten en zo sterven. De giftige vliegenzwam heet in Waals cape d'macrale: heksenhoed. De Hollandse paddenmuts of paddencap, in het  Latijn Caput bufonis, "Paddenbuik omdat in  het ingewand van de padden het meeste venijn is. Doch deze behoorde duivels brood te heten want zoals het gewone spreekwoord zeg, dat de duivel met grote stank verdwijnt, zo doet deze Fungi hetzelfde".

 

Amaranthus. van a: niet, en mairaino: verwelken of vervagen, een niet verwelkende bloem. A. Munting: ‘Deze bloemen werden in vorige eeuwen, in allerlei gevlochten kronen gemaakt die ter eren van een koning of prins opgehangen werden veel gebruikt. Omdat (zoals daarvan Hesichius verhaalt) ze niet verflensten of vervulden en in de winter als ze met water besprengt worden wederom verfrissende groenden. Daarom werden die ook in de kerken opgehangen om aan de goden toegeĎigend te worden zoals daarvan bij Plinius en Artemodorus gelezen kan worden. Waarom Clemens Alexandrinus de Christenen vermaande dat ze zich in geen manier met de heidense afgoderije besmetten zouden en die het wel deden een Amarante (dat is onvergankelijke ) kroon was weg gelegd. Waardoor ook Petrus deze een Hemelse kroon genoemd heeft. De lieflijke aren van deze bloemen die te boven gaan in zachtheid en schoonheid de zijde of fluweel zijn oorzaak geweest dat ze in Nederduitsland flouweelbloemen of fluweelbloemen genoemd worden

 

Amaryllis heet een herderin uit de idyllen de Griekse dichter Theocritus, zo ook bij Ovidius en een pastorale "Eclogues," van Virgilius,  van het Grieks in Latijn amarysso of amarussoo: stralen of fonkelen en zo mogelijk naar haar ogen. Het is een naam die gekozen is wegens de stralende schoonheid van de bloemen.

 

Amelanchier, Grieks a: zeer, melea: vruchtboom, agcho: ik snoer de keel dicht, de smaak van de vrucht. Een naam die overgenomen is van het Franse amelancier, wat een oude naam in Savoy was voor deze plant. Het woord `amelancheę is van Keltisch-Gallische oorsprong en betekent niets anders dan appeltje. Krentenboompje, de struik kwam in de 19de eeuw in de mode en werd veel op landgoederen aangeplant, vooral in Drenthe, de krentenbossen. Het is het Drentse krentenboompje. De struik groeit bij de Krententuin te Hoorn, vroeger een gevangenis.

 

Ammi, Grieks ammos: zand, de groeiplaats. Of het komt van amme, in het oud-Hoogduits en oud-Noors betekent amma moeder of grootmoeder. Naar de veelstralige bloemen is het de Nederlandse akkerscherm of kantbloem.

 

Ammobium is afgeleid van Grieks amos: zand, en bio: leven, het is een verwijzing naar de zandige gronden waar het plantje groeit. Zandimmortel, papierknopje en zandbloem.

 

Ammophila, Grieks ammos: zand, philos: vriend, de groeiplaats. Helm heet ook in midden-Nederlands helm, een Noord-Hollands-Friese naam en een afleiding van halm, vergelijk de hjaelme: helm, en oud-Noorse hjalmr: zandhaver. Of omdat ze het duin als een helm beschut. Zandhaver, vrouwenkoren, ijle rogge en yle tarwe, de dunne pluim.

 

Anacamptis betekent achterover buigen, vanwege de omgebogen zijdelingse bladeren van de bloemspoor of dat de stuifmeeldraden omgebogen zijn.

Piramide orchis, hondskruid of hondswortel. Wantsenorchis naar de geur die op een platgeslagen wants lijkt. Zotskulletjes, ook ragwortel genoemd. Bij Dioscorides wordt de eerste orchidee beschreven als kynosorchis: hondentestikel, of hondensteen en belangrijk in zaken als seks en vruchtbaarheid. Harlekijn, volg mij na, vanwege de eigenaardige bonte bloemen

 

Anacardium, dit woord is afgeleid van ana: gelijkend, en cardia: hart, het is een verwijzing naar de vorm van de noot. De vruchten komen wegens de bijtende en ontstekende eigenschap onder de naam van Amerikaanse olifantsluizen in de handel. Cashew noot of cashewnoten. De noten worden door het Tupivolk van oost BraziliĎ acaju genoemd; nierenboom. De vruchten zelf zijn niervormig, zwart en oneetbaar, maar de vruchtsteel zwelt op en neemt de gedaante van een nier aan en wordt sappig en eetbaar.

 

Anacyclus. Bertam, het oud-Hoogduitse Ber(c­h)tram, (bert: knol) Berethram en Berethram of Perchtram komt in midden-Hoogduits als Ber(h)tram voorkomt is tevens een mannennaam, uit Sloveens pehtran. De wortel van bertram is geweldig heet en brandend van smaak en van aard en laat het kwijl op de tong komen als men die kauwt of maar alleen in de mondt houdt want daarna heeft dit kruid zijn Latijnse naam Salivaris gekregen als of men kwijlkruid zei. Het kruid geeft eerst een sensatie van kou wat later door hitte gevolgd wordt. In het Nederlands werd het ook wel vuurwortel genoemd naar de brandende smaak.

 

Anagallis komt van het Griekse anagelao: lachen, dit naar de fabel dat het kruid de kracht zou bezitten om droefheid tegen te gaan. Guichelheil was vroeger een beroemd geneesmiddel tegen de verschillende soorten van krankzinnigheid. Een afkooksel van dit lieflijke bloempje heelt de gauch. Een woord dat sinds de 10de eeuw gebruikt werd voor geestesziekten. Gauchelheil verdrijft gauch und gespenst zegt Fuchs. Een Gauch is een simpel en dom mens en gespenst is een spook of een boze geest. De gewone vorm werd ook wel barometer der armen genoemd omdat de bloemen zo gevoelig zijn voor de minste weersverandering.

 

Ananas is zo genoemd naar de Tupis spraak in BraziliĎ, nana, anana of anassa, ook nanas komt al in 1580 voor, wat bloem of parfum betekent. Ananas is een verdubbeling van dit woord en betekent dan parfums van parfums.

 

Anastatica komt van Grieks anastasis: wederopstanding, het is een verwijzing naar zijn hygroscopische eigenschappen. Ook de Heilige Anastasia heeft haar feestdag op 25 december. Roos van Jericho, in het Latijn Rosa Hierichontina. Men zegt dat sommige bedriegers deze wortel of bloem van daar overbrengen en in water leggen als het Kerstavond is of als er enige vrouwen in zware arbeid gaan en dan gaat ze open en dan zeggen ze dat dit nooit gebeurd dan op die avond of als enige vrouwen in barensnood zijn, ja dat op het ogenblik dat deze bloem in het water open gaat die vrouw van kind verlost. Nochtans is dit maar bedrog en die roos zal altijd ontluiken en vaneen gaan als ze in water gelegd wordt, welke tijd dat het is. Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, "Er is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etc’’. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, "D'Erd grunet und bringet rossle". In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

Toen de IsraĎlieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: "Heer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal geven". En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

 

Anchusa is een naam die afgeleid is van het Griekse anchousa of agkhousa: een plant wiens wortels een rode verf leveren voor de huid en lippen, alkanet.  Kromhals naar de s bocht in de kroonbuis. Bouglossa, Latijn Lingua bovis. Het Griekse bous en glossa betekent respectievelijk os en tong, ossentong.

 

Andromeda is zo genoemd naar de Ethiopische koningsdochter Andromeda, de dochter van Cepheus en Cassiope. Het woord betekent man - beheersen, mannenbeheerser. Ze beroemde zich erop mooier te zijn dan de Nereēden en daarom zond Poseidon een vloedgolf die alles overstroomde. Omdat het orakel van Ammon bevrijding opgaf als Andromeda voor de wilde monsters gegooid zou worden liet Cepheus haar vastketenen aan een rots waar haar voeten omspoeld werden door de golven. Ze werd bedreigd door het zeemonster Medus, maar werd net op tijd gered door Perseus die het monster doodde. Na de bevrijding huwden ze met elkaar en werden na hun dood door de Goden onder de sterren van het sterrenbeeld opgenomen. Perseus en Andromeda zijn sterrengroepen aan de noordelijke hemel. Parelkruid wordt het plantje genoemd naar de parelachtige bloempjes.  Lavendelheide naar de bladkleur en vorm.

 

Andropogon komt van Grieks aner: een man, en pogon: een baard, de haren op de aartjes van sommige. Baardgras.

 

Anemone komt van Griekse anemone, anemos: wind, met een vrouwelijke suffix one: literair, dochter van de wind, en mone: een plaats. Dit woord werd aan deze plant gegeven omdat de bloemen met het minste windzuchtje al bewegen. Het Latijnse animus: soul of ziel en Gotisch us-anan: uitademen, zijn vergelijkbaar. Op een anemoon past de zinsnede: “ Brevis ets usus”. “Haar rijk is van korte duur”, een volmaakte zinspeling op de vergankelijke schoonheid.

In de herbalistentaal, herba venti: kruid van de wind.

1) Omdat het plantje op winderige terreinen zou groeien.

2) Omdat ze door de minste windbries al bewogen wordt.

3) Omdat ze de bloem bij wind opent.

4)  Omdat de bloemkroon door de wind licht ontbladerd wordt.

5)  Vanwege de bloeitijd, met Pasen, de tijd van grote winden.

Klaproosbloeiende anemoon. De drie bladen van deze plant symboliseren de drie persoonlijkheden van de godheid. Vandaar ook de naam herb trinity.

 

Anethum. Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. De naam is afgeleid van het oud-Noors dilla, wat sussen betekent, zijn uitwerking op baby’s, vergelijk het Engelse dull: verminderen of verzachten. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om baby’s in slaap te krijgen, dilwater heeft een verzachtende invloed en laat de kinderen slapen. Beschermt het kind ook tegen heksen.

 

Angelica stamt van het Latijnse angelus: engelen, het is een verwijzing naar de fabelachtige en engelachtige eigenschappen als medicijn. Angelica komt van Chaldees Anegelach wat via Grieks in Latijn Angelus werd. Men vindt bij de HebreeĎrs een kruid dat Abirgera heet, dat is Radix Angeli of engelwortel. Heilige Geest wortel kan ook van de Spiritus of geest zijn wat adem betekent en zo naar het gebruik Brustwurtzel omdat de engelen ook geesten zijn. Paracelsus heeft dit gewas, omdat het de mannelijke kracht tot bijslapen versterkt Cubiculam genoemd; wat tot de slaap kamer behoort. Archangelica komt van Grieks arkhangelos; aartsengel. Deze plant zou door een aarstengel aan Matthaeus Sylvaticus geopenbaard zijn als medicinale plant.

In katholieke tijden werden meer planten bekend als aartsengel omdat ze in mei bloeien, vroeger het feest van de verschijning van St. Michael, 8 mei, de aartsengel. Daarom is het goed tegen heksen en betovering.

 

Anigozanthos. Kangoeroepootje naar de vorm van de bloem.

 

Annona. De naam in Haēti is anon: wat jaaroogst betekent, Taíno annon. Of de plant is zo genoemd naar menona: de lokale naam in Banda. Kaneelappel, suikerappel, zoetzak, zuurzak of steenappel.

 

Antennaria is afgeleid van het Latijnse antenna: voelspriet of antenne omdat het zaadpluis of meeldraden op een voelspriet van een insect lijkt. Droogbloem. Hemelvaartsbloempje omdat ze op die tijd bloeit. Roerkruid omdat het een middel was tegen de rode loop.

 

Anthemis: komt van het Griekse anthos: bloem, hemisys: half, de bloemen hebben maar 1 stamper, het is een halve bloem.

Koedille, stinkende kamille en paddenbloem. Fries stjonkend poddekrěd.

Roomse kamille omdat het uit ItaliĎ komt of valse kamille omdat het niet de echte is. Kamille komt algemeen voor op zonnige plaatsen langs verhardingen en dergelijke. Zie Shakespeare King Henry IV, deel 1 2de akte, 4de toneel: "for though the camomile, the more it is trodden on, the faster it grows". Men had ontdekt dat het dan sneller groeide, zodat er dagelijks over de kleine kweekbedden gewandeld werd.

J. Cats kende dit verhaal ook. "Indien gij op het veld ziet met de voeten treden De groene Camomil... Gij zult merken, Dat leed en ongemak die Plant kan sterken".                                                                   

 

Anthericum. St. Bernardlelie, een naam die herinnering oproept aan de levensreddende monniken uit de Alpen. Graslelie.

 

Anthoxanthum. Uit het verwelkte gras stroomt een aangename geur waaraan de plant de naam reukgras dankt. Reukgras of ruikert.

 

Anthriscus. Columella noemt het Chaerephyllum of op het Grieks Chaerephyllon en het wordt zo genoemd, zoals men gelooft, omdat het zichzelf in de menigte van zijn bladeren verheugt of (dat me meer behaagt) omdat het de mens verheugt en blijde of vrolijk maakt

Het woord kerven heette vroeger kerfan en naar de sterk ingesne­den bladeren kan dit invloed gehad hebben op de woordvorming. Kervel zou zo kerven betekenen. Of zo genoemd naar de zwarte zaden die als een hoorntje gevormd zijn.

De onderste delen van de wilde kervel of fluitenkruid stengels kunnen gebruikt worden om er fluiten van te maken. Het dikste eind van de stengel moet je dan van onderaan afsnijden, daar waar de stengel hol is, op de knopen is het dicht. Door er nu op te blazen, net als bij de baard van een huissleutel, ontstaat er een fluitend geluid. Pipencrud en piepen heet de plant dan ook en fluiten.

Fluitenberg, betekent een heuvel die begroeid is met fluitenkruid.

 

Anthurium komt van Grieks anthos: een bloem, en oura: een staart, een verwijzing naar de bloem die een bloeikolf heeft die op een staart lijkt. Flamingo plant.

 

Antirrhinum is afgeleid van het Griekse ant: gelijkend, en rhis: (rhinos) een gezicht of neus. Leeuwenbek wordt het genoemd omdat de bloemkroon door een zijdelingse druk van duim en wijsvinger op een leeuwenbek lijkt.

 

Apera. Windhalm omdat zijn halmen of zeer uitgespreide aren van de wind als een veer aan een zijde gedreven worden.’

Struisgras, Duits Straussgras, de pluimvorm wordt in Strause gebonden.  Muggenbeen, muggenpoot, metel en meele, in Duits Midel en Meddel in Ostfriesland. De streek De Meele wijst op medel, mele of de windhalm. Milt betekent land met meelt.

 

Apium: Apium kwam als cultuurplant in de vroege middeleeuwen uit de Italiaanse naam  accio en appio en als appio in Frans aan, Engels ache en werd Ache in Duitsland. De naam verbasterde van apium: eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt tot het midden-Nederlands eppe in 1253.

De naam selleri of selderij, Duitse Sellerie en Engelse celery stamt uit het Franse celeri uit de 17de eeuw, celeri d'Italica, dit van Italiaans selleri dat meervoud is van sellero en een woord is dat gebruikt wordt op de Po vlakte, dat weer afkomstig is uit het Latijnse selinum en dit weer van een Griekse naam voor de plant namelijk selinon, een woord dat onder andere verschijnt bij Dioscorides.

Jonkfrou merck of juffrouw merk, waarschijnlijk stamt dit woord van merk: de gemerkte wortelknol of het merg in de knol ter onderscheiding van de gewone selderij. Vervolgens zal het wel juffrouw merk genoemd zijn naar het gebruik door vrouwen.

 

Aponogeton, de Griekse naam is een verwijzing naar zijn woonplaats in het water. Aponogeton zou zo genoemd zijn naar een oude naam van een stadje bij Padua, Aqua Aponi die bekend was om zijn warme bronnen, plus geiton: een buurman. Samengevat een in de buurt van Aquia Aponi groeiende plant.

Kaapse waterlelie. Madagaskar vitrage of gaasplant, skeletplant of kantblad. De bladen zijn meer een raamwerk van nerven en bezitten geen bladmoes, vandaar skeletplant, maar ondanks hun kantachtige voorkomen kunnen ze met gewone ruwheid behandeld worden. De bladeren zijn ovaal gereduceerd tot skeletten en drijven juist onder de oppervlakte.

 

Aquilaria stamt van aquila: een adelaar, in Malacca wordt de boom dan ook adelaarshout genoemd. Maar de Portugezen hebben het gewas zo genoemd omdat zijn Indische naam, agil, wel wat op aquila (adelaar) lijkt.

Vandaar dat twee soorten namen zijn, de ene is verbonden met agal of agil, namelijk adelaarshout, arendsboom en de tweede met agelhout.

 

Aquilegia behoort mogelijk tot aquila: adelaar. De opvallende en met een haak inwaarts gekromde spoor van de versierde honigbladen herinnert aan de klauwen van een adelaar. A. Magnus zegt dat het genoemd is omdat het voortkomt in de tijd dat de adelaars hun nesten bouwen. De naam kan ook afgeleid worden van Latijns aqua: water, en Latijn legere: lezen of verzamelen, een waterverzamelaar wat betrekking heeft op de bloemkroon waarin regen kan worden opgevangen.

 

Arabis komt van arabia: waarschijnlijk is dit een verwijzing naar de droge situaties waar vele soorten groeien.

Randjesbloem, honingschub of rijstebrij naar het gebruik en vorm, ook de naam begijntje komt voor.

 

Arachus. In 1812 was de pinda bekend in Europa. Pinda of piende is een naam uit Papiaments pinda wat weer stamt uit Kongolees mpinda: vruch­t. Door negerslaven is de naam naar Amerika overgebracht.

 

Aralia is een Latijnse naam, het is een versie van Aralie, een Franstalige naam uit Canada.

Japanse duivelswandelstok, de ruige stekelige stengels.

 

Araucaria bezit grote, grillige takken waarom die slangeden genoemd wordt omdat die in de verte wel wat op een slang lijken. Kandelaar kroonspar omdat de takken samen de kandelaar vormen. In Engels sprekende landen ook wel monkey puzzle: apenpuzzel. De naam zou ontstaan zijn door een opmerking van de advocaat C. Austin in de tuinen van Pencarrow, Cornwall, 1834. Hij plantte de boom voorzichtig en zei: "It would be a puzzle for a monkey".

 

Arbutus is afgeleid van arboise, ar: ruig, but: bos, Keltisch voor ruig fruit. Aardbeiboom. Plinius noemt het ook Unedo: 1 eet ik er maar, dat vanwege de niet aangename vrucht.

 

Arctium: beer. Klis of klit, klet, klever, kladde, kladderwortel, klarrebos, kladdebos, bergklit, startoffen of kles. Je kan de bollen tegen elkaar aan gooien, vandaar Jan plak an en bedelaarsluizen. In de Achterhoek is klitse een lichtekooi en een kles is ook een wollen vrouwenmuts. In Zeeland zijn de zaden bekend als prollen. Klis of klit, naar de hoofdjes die aan de kleren blijven zitten. Het is een geliefd spelletje om die klitten naar elkaar toe te gooien, waarna ze lekker blijven plakken. Het spreekwoord, als klitten aan elkaar zitten is hiervan afkomstig. De stekelzaden bezitten dan ook weerhaken. Het principe van een aantal uiterst kleine haakjes, zoals bij de klit, wordt industrieel gebruikt om er klitsluiting van te maken.

 

Arctostaphylos is gevormd uit arktu-staphyle, het Griekse staphyle betekent van een druif, en arktos: van een beer. Berendruif.

 

Arenaria, Latijn arena: zand, de groeiplaats. Zandmuur of –kruid.

 

Arenga van Frans harangue, feestelijke aanspraken, uit Germaans Heeresring; herenring, een ringvormige verzameling voor de heer om een gunst. Suikerpalm.

 

Argemone, de oude Grieken hadden een woord, argemos: wat staar van het oog betekent en de plant die dit genas noemden ze argemone. Of het woord is afgeleid van het Griekse argos: traag, vanwege de narcotische effecten. Mexicaanse papaver of stekelpapaver.  De plant bevat een geel melksap en zou een veel sterkere narcotische werking bezitten dan de papaver. Het zaad is het fico del inferno van de Spanjaarden, dat is helle vijg. Een purgerend en krachtig narcotica, speciaal als dit gerookt wordt als tabak.

 

Arisaema, van Latijn aron: een arum, en sana: een standaard, een verwijzing naar de nauwe verbintenis met Arum. Of van haema: bloed, naar de gevlekte bladeren. Het is de bloedige Arum want zijn bloemblad is purper omdat Christus bloed er op gevallen is bij de kruisiging. De bloemvorm doet denken aan een ouderwetse preekstoel met luifel, vandaar de naam Jack in the pulpit, preacher in the pulpit. Jack is de bloeikolf en de pulpit of preekstoel is de omgebogen schede.

 

Aristolochia is afgeleid van het Grieks aristos: best of uitmuntend, en locheia: geboorte, of lochos: kraamvrouw, naar zijn vermeende medische eigenschappen. Aristolochiaceae heet dan ook geboortekruidfamilie omdat het de bevalling zou bevorderen. De bloemvorm werkte hier aan mee, de doorsnede doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Deze plant helpt het krachtigst om een zwangerschap te verkrijgen. Ze heet letterlijk ‘de beste voor een wieg’. Ze zijn allen met de naam sarasine bekend omdat de bloemen van al deze soorten van Aristolochia op een omgewrongen of gedraaide sarasijnshoed schijnen te lijken. Pijpbloem, de bloem lijkt bij veel vormen op die van een pijp en wordt ook wel holwortel genoemd. Verwisseling met Corydalis.

 

Armeria, deze naam stamt van de Keltisch-Bretonse naam ar: bij, mor of mer: zee, een plant die dichtbij de oever van de zee groeit. Het is dan ook een zeeplant wat we kunnen zien aan de dikke wortel waarop de plant in de tijdingen heen en weer gespoeld wordt en met vele broeders en zusters hele vlakten bedekt. Een Keltische naam is tonn a chladaic: beach wave, en wuift aan de branding, wave is zo al een oude uitdrukking. Zeestrandkruid, Engels gras, de grasachtige bladeren en een plant die veel aan de kusten van Engeland voorkomt.

 

Armoracia is afgeleid van het Keltisch are‑mor: aan zee. Mogelijk naar Armorica een streek in Bretag­ne, het oude Armorica.

De naam mierikswortel is een verbastering van het Duitse Meerrettich waar Rettich rammenas betekent en heet zo rammenas van overzee die ook wel zeeradijs genoemd wordt. Het woord meer of groter (dan de radijs) lag voor de hand, ook als het gewas niet over het "meer" gekomen was.

 

Arnica. Het valkruid wordt zo genoemd omdat onze voorouders, als ze erg gevallen waren, het kruid innamen, in bier gekookt. Wolverlei. De eerste vermelding van onze plant is bij H. Hildegard te vinden waar ze zegt dat de plant wolfesgelegena onze Arnica is. Die plant wolfesgelegena kende ze niet als geneeskruid, maar vooral als liefdestoverij. Ze schrijft, ‘de wolfesgelegena is zeer warm, ze heeft een giftige warmte in zich. Als een man of vrouw in liefde ontvlamt dan wordt het of als iemand zijn huid met groene wolvesgelegena aanraakt dan zal het de aangeraakte in de liefde van een ander ontbranden en als het kruid gedroogd is dan wordt de man of vrouw door de liefdesvlam geheel razend zodat ze vrijwel uitzinnig worden’.

 

Arrhenatherum. Havergras, hoog langgras, havergras en Frans raaigras, omdat het in de 19de eeuw uit Frankrijk gehaald werd.

 

Artemisia. Het woord dragon is een verbastering van het Frans estragon dat in de 16de eeuw uit dragun targon afgeleid werd wat weer kwam uit esdragon, van dracunculus: een klein draakje. Dit woord was weer afgeleid van het Spaanse taragonica en dit van Arabisch tarkhun of at-tarhun wat een verwijzing is naar de slangachtige wortels of naar zijn genezende reputatie tegen de beten van reptielen dat tot Latijns dracunculus werd.

De naam alsem is genomen uit het 6deeeuws Latijnse aloxinum wat stamt uit Grieks aloĎ oxines, het kruid werd met bittere aloĎ vergeleken.

Averuit heet in het Duits Aberraute. Dit stamt uit het Latijnse abrotonum en dit weer uit het Griekse abrotonon: staf of staafkruid, vergelijk oud-Hoogduits Stabwurtz. Onder invloed van de ruit kwam Aberuthe en in Nederlands averuit.

Bijvoet werd vroeger als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of door bijvoet in de schoenen te stoppen maakte het onvermoeibaar. Volgens Plinius zal een reiziger geen vermoeidheid (artemes) voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen had. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als het met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne. Verder werkt de olie gunstig op het lichaam, heeft een opwekkende werking. Zo geeft de bijvoet een verkwikking aan de vermoeide wandelaar. Gaan we nog een stap verder zien we dat kousenbanden gemaakt van bijvoet, tussen twee riemen van hazenvel genaaid (de haas is een onvermoeibare snelloper) maakt dat de drager honderd uren lang kan gaan zonder moe te wor­den, het sterkste paard kan het tegen hem niet uithouden.

Wormkruid om de wormen te doden.

 

Artocarpus, Grieks artos betekent brood, en carpos een vrucht, broodboom.

 

Arum. De Aronstaf zou ontstaan zijn op de plaatsen waar Aron zijn staf had neergezet. Toen Joshua en Caleb in het beloofde land spioneerden namen ze de Aronstaf mee en hierop droegen ze op de terugweg de grote druiventrossen die ze plukten te Eschol en brachten ze het naar Mozes als bewijs van de rijkheid van het land. Nu, nadat ze de stok ontlast hadden van zijn lading, staken ze die in de aarde en zie! Daar sprong de Arum op. Het is het symbool gebleven van gezegende overvloed en vol met trossen vruchten bezet. De naam slaat dan vooral op de met bessen bezette vruchtenstengel die wel wat op een staf lijkt.

Kindje in het pak, omdat de bloeikolf in de schede zit als een ouderwets ingebakerde baby in het pak.  Omdat de bloem in een schede zit opgesloten als een kind in zijn bedje kwam men op het bijgeloof om ze bij kinderen in het bed te steken om ze voor onheil te behoeden.

 

Aruncus komt van Grieks eryggion: geitenbaard, de bloeiwijze.

 

Arundo. Reuzenriet. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna of cana. Dat het woord in ItaliĎ veel ouder is bewijst de afleiding canalis en ook Cannae in ApuliĎ zou van het daar groeiende riet zo genoemd zijn. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo European. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees zelf. De nieuwere Europese spraken bezitten nog verdere afleidingen van dit woord als kanne, kannengieter, canon, kanon, kanonisch recht, kaneel, het Engelse channel, Kanaal en zelfs de karamel komt van Spaans caramelo, oud-Frans calemelle, laat-Latijn calamellus, van canna mellis: zoet riet. Alles gaat op Hebreeuwse kaneh of de Phoenische vertegenwoordigers terug.

Sloot-, blad-, dek-, reuzen- of pijlriet, geeft bescherming tegen zon en wind. Het wordt gebruikt voor vishengels, manden, meetroede en schrijfpennen. Verder als afrastering en de holle en houtige halmen dienen als paal. In de oudheid was het riet in boomloze gebieden de vervanger van hout.

Schalmei, het muziekinstrument, heette in midden-Nederlands scalmeie dat uit oud-Frans chalemie en dit uit Latijn calamellus, en dit van calamus en dat van Grieks kalamos komt. Men snijdt nog als in de oudheid zijn muziekinstrumenten, de tibia, fistula, syrinx en hobo van Arundo donax. Heel bekend is de Pansfluit die samengesteld is met 7‑9 rietpijpjes van afnemende lengte die Pan zou hebben gesneden uit het riet waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx was veranderd. Chalumeau register zijn de lagere registers van een klarinet, een ander riet instrument.

 

Asarum, van Grieks a: niet, en saron: vrouwelijk, mogelijk omdat het gewas te giftig is voor zwangere vrouwen.

Dit kruid heet in het Nederduits mansoren, de bladvorm.

Omdat het plantje veel onder de hazelaar groeit werd het ook wel hazelwortel genoemd.

 

Asclepias. Latijn Aesculapius is de zoon van Apollo en de god van de geneeskunst waarvan vele voorbeelden verhalen dat hij de doden weer levend maakte. Zijn leermeester was de centaur Chiron die hem vooral in de geneeskunde onderwees. De sage geeft hem de macht om de gestorvenen in het leven terug te roepen. Volgens sommigen vermocht hij dit door het bloed van Gorgo die hij van Pallas Athene ontvangen had. Volgens anderen was hij geroepen om Glaucus te laten herleven. Bij die gelegenheid kronkelde zich een slang om zijn staf. Toen Aesculapius die slang gedood had verscheen een andere slang die enige kruiden op het hoofd van de gedode legde waarop die terstond weer levend werd. Met die kruiden heeft hij toen Glaucus uit de dood opgewekt. Hij werd door Jupiter (Zeus), die de orde van de natuur niet verstoord wilde zien, door de bliksem getroffen. De zieken bleven evenwel 's nachts in zijn tempel slapen alsof Aesculapius hun in de slaap raad zou geven. Hij wordt meestal afgebeeld met een staf door een slang omkronkeld en met een hond aan zijn voeten als symbool van waakzaamheid.

Zijn dochter is Hygiea, de godin van de gezondheid. Een andere dochter is Panaceae, een woord wat we kennen als algemeen geneesmiddel.

De Syrische werd wel Joodse wandelaar en Syrische zijdeplant genoemd omdat het door middel van de worteluitlopers door de hele tuin loopt.

 

Aspalathus linearis. Het wordt gekweekt  voor de vervaardiging van een op thee lijkende drank. De bladeren van de plant worden geplukt, gestampt en in de zon gelegd. In de laatste fase verkrijgt de rooibos haar roodbruine kleur. In tegenstelling tot de echte thee bevat rooibos geen cafeēne en bijna geen tannine die in gewone thee verantwoordelijk is voor de iets bittere smaak ervan. Er zitten wel anti-oxidanten, calcium, ijzer en vitamine C in, en de drank werkt licht ontspannend. Rooibos is dus uitstekend geschikt als avonddrank voor het slapen gaan.

Tijdens de apartheid werd rooibos onder de naam Massai-thee geĎxporteerd om economische sancties tegen Zuid-Afrika te omzeilen. De naam rooibos is Afrikaans en afgeleid van het Nederlandse rood bos, de avondrode kleur van de drank.

 

Asparagus. Asperge. Koraalkruid, de bessen.

 

Asperugo: Latijn asper: ruig, de stengel en het blad zijn door de teruggebogen gerichte stekels ruw. Scherpkruid.

 

Asphodelus. Het is de narcis van de oudere Engelse en Franse poĎten. Het is mogelijk de Narcis van Homerus die over de weiden des doods sprak, de asphodelweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren in de Hades. Homerus Odyssee, XI 539 - 540 en XXIV 12 - 14.  Omdat het ‘t favoriete voedsel van de doden was plantte de oude Grieken ze bij de graven.

 

Aspidistra. Het is de blarenplant of kwartjesbladplant, het blad werd voor een kwartje per stuk verkocht.

 

Asplenium nidus; Nestvaren, de bladeren ontspringen rondom een holte. Streepvaren is zo genoemd naar de streepvormige sporen achter op het blad. Onderscheidt zich van andere varens door de vrije nerven op het blad.

Asplenium ruta-muraria: Muurruit groeit op muren, steenruit. Of miltvaren, zijn medisch gebruik.

Asplenium trichomanes. Wederdood of tegen de dood, ook maagdenhaar daarom dat zijn stengel klein is zoals een struisveertje, de varen gelijk en van ettelijke jonkvrouwenhaar genoemd, daarom dat die blaadjes zo alleen een lens breed zijn van de stengel gestreken, de stengel gelijk het haar is. En menen ettelijke zo iemand betoverd is en droeg dit kruid bij hem aan de hals dan zal hem zijn kracht weerkomen. Item, ettelijke menen zo iemand dit kruidje aan de hals draagt samen met het lange zegekruid, Victorialis genoemd, dat hij niet verwond zal worden in oorlog en al zijn vijanden overwinnen. En daarom is het zegekruid, aller man harnas genoemd omdat ze overtrokken is zoals een harnas, in gestalte der pantser.

Asplenium scolopendrium heet hertstong naar de vorm van de bladeren.

 

Aster betekent sterrenkruid. De naam sterrenkruid is niet gekomen naar de gedaante van de bloemen, maar van de bladeren die als een ster rondom de bloem staan zoals Dioscorides van de bloem van zijn Aster Attcius ook schijnt verklaard te hebben

Aster tripolium: komt van het Griekse tripolion, tri: wat wij kennen als 3, en polein: omkeren. Een naam die door de ouden aan een Armeria soort werd gegeven omdat die 3x van kleur verwisselt, een blauwe kelk en een witte bloemkroon die uitgebloeid violet kleurt. Zeeaster, zouterik  of zulte. Zulte is een naam die afkomstig is van oud-Nederlands sulte: pekel, inzulten betekent dus inpekelen.

Aster novae-anglia betekent nieuw Engeland, de naam van de Engelse koloniĎn in N. Amerika en is zo afkomstig uit N. Amerika. De nieuwe Engelsen

Novae-belgii is Nieuw Nederland, de vroegere naam van het eiland Manhattan waar door de Nederlanders Nieuw Amsterdam, het tegenwoordige New York, werd gesticht.

 

Astilbe komt van Grieks a: niet, en stilbe: helderheid, de bloemen zijn niet glanzend.

 

Astragalus is genoemd naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie,  talus of astragalus. Homerus spreekt over bikkels, (astragales) dat men die in de handen van krijgslieden gaf die Troje belegerde, ten einde hun geest van ernstige bezigheden af te leiden. Hercules werd te Achaja met het werpen van bikkels geraadpleegd en ook werden er op die wijze de godsspraken van Geryon bij de fonteinen van Apone aan de poorten van Padua uitgesproken. Later zijn de bikkels uit de handen van koningen en veldheren, hogepriesters en profetessen in die van de kleine kinderen overgegaan.

Bij ons is dit spel bekend als bikkels of bikkelen, het zijn de kootbeentjes uit de hiel van een schapenpoot. Mogelijk is vroeger de plant gebruikt, ons kootkruid.

 

Astrantia is afgeleid van Grieks astron: een ster, en anti: in de betekenis van "als" naar de uitgespreide bloemschermen. Sterrenbloem. Zeeuws knoopje komt in de Zeeuwse natuur niet voor. Het heeft de naam omdat de bloemen van bovenaf gezien op de oude zilveren Zeeuwse knopen lijken.

 

Atalantia is de klassieke naam van Atalanta. Het is de dochter van Schoenis, koning van Scitus, waarvan verteld wordt dat ze zo moe was van de overlast van de mannen die met haar wilden trouwen en haar het hof maakten, dat ze erin toestemde om met die man te trouwen die sneller dan zij kon lopen. Dit was Hippo‑manes die er met behulp van een list in slaagde. Hij kreeg gouden appels van Venus die in de nacht voor de wedstrijd op het veld werden neergelegd, waardoor Atalanta achter kwam te liggen omdat ze de appels opraapte.

De vrucht van deze plant is dan ook goudgeel, waardoor het die naam heeft gekregen. De Atalanta als vlinder heeft een gouden stip (bal) op de vleugels. Het is de balsam-citrus.

 

Athyrium. Vrouwelijke varen of wijfjesvaren. De kleinste, sierlijkste de elegantste werd als het vrouwtje gezien en de ander van een ander geslacht, Dryopteris, die qua loof er wel wat op leek, is het mannetje. Gelukshand omdat bij het doorsnijden van de wortelstok een hand te zien is en daardoor veel geluk zou brengen. Met midzomer werd het kruid verzameld en door mensen gedragen en in het water gedaan wat door het vee gedronken werd. De bloei zou op de langste dag van het jaar om 12 uur 's avonds zijn, maar zaad zou moeilijk te bemachtigen zijn omdat de heksen het zaad verborgen. Viel het echter per ongeluk in je schoenen dan werd je onzichtbaar, geen ramp zou je meer treffen en voorspoed zou je deel zijn. Zie ook Shakespeare in Henry IV: "We have the receipt of fern seed, we walk invisible".

 

Atriplex: Melde, mel heeft dezelfde stam als meel en mogelijk is deze naar de wit/viltige en melige beharing of omdat de zaden vermalen werden. Mel betekent malen en vandaar stuiven.

 

Atropa is zo genoemd naar de Griekse Atropos, de onafwendbare. Ze was een van de drie ongeluksgodinnen, de Parzen, die de door haar zusters gesponnen levensdraad afsnijdt, dit is een verwijzing naar zijn giftigheid. Ieder mens ontvangt bij zijn geboorte een draad. De andere twee waren de godin Klotho die de draad spint en Lachesis die de draad begeleidt die Atropos vervolgens op zekere tijd doorknipt. In het Noorden zijn de spinsters bekend als de Nornen, Oerd, Werdandi en Skoeld, die bezig zijn met de levensdraden te spinnen, meten of af te knippen.

Bella donna betekent schone vrouw en het sap van deze plant werd op de ogen gedruppeld waardoor er glanzende ogen en een grotere oogappel werd verkregen. Dit kan ook bereikt worden door een deel van het blad buitenwaarts op de ogen te leggen. Of de plant is zo genoemd omdat als je dit sap in neemt het illusies geeft van mooie vrouwen. In geringe hoeveelheid veroorzaakt het ook hallucinaties en diepe slaap. 

Een ander verklaring verhaalt een drasti­scher behandeling van de vrouwelijke sekse, een Italiaanse gifmenger zou er gebruik van gemaakt hebben om de lieflijke dames naar de hemel te verwijzen.

Het is een oud bijgeloof dat op zekere tijden de plant de vorm aanneemt van een tovenares van een heerlijke schoonheid waar het gevaarlijk is om naar te kijken.

 

Aucuba is zo genoemd naar zijn Japanse naam aokiba of aoki wat groen zou betekenen, + ba;  blad, naar de altijd groene heester. Slagerspalm, naar zijn standplaats.

 

Avena. De naam haver stamt wel van oud-Noors hafr: bokken voedsel (de Angelsaksische hafer is een bok) Alle namen van de vrucht, er zijn er verscheidene, zijn van schaap of bok afgeleid. Dit waarschijnlijk omdat die dieren ermee gevoerd werden (of van een gelijkend onkruid) Toch ligt de grond hiervan waarschijnlijk elders. Goed groeiende gewassen die geen vrucht droegen maar wild en onvruchtbaar groeiden werden hiermee vergeleken. Bij de vijg is de Ficus de vruchtdragende vijg en caprificus de bok vijgenboom. Daarom werd de wilde en onvruchtbare haver bokkenkruid genoemd. Even, evenie of oot is een oud woord is voor haver. In het Angelsaksisch was het ate, midden-Engels ote, in modern Engels is het wild oat (Shakespeare Tempest iv, 1, 61) Sommige boeren in Groningen meenden dat de oot zo heet omdat het zo gehaot is.

Volghaver of wilde haver, Duits Flughafer (omdat het bij het dorsen wegwaaide met het kaf.

 

Azolla is afgeleid van het Griekse azo: te drogen, en ollo: vermoorden. Vernietiging door drogen. Kroosvaren of rood kroos.

Midden-Nederlands croos: ingewand of afval van geslachte dieren, oud-Hoogduits Chrosi en midden-Hoogduits Kroese, nieuw-Hoogduits (ge)krose: de kleine darmen. Zo laat zich nieuw Nederlands kroos of kroost, oost-Fries kroos, waterlinze of wier, uit de verwarde groei van die planten verklaren.

 

Ballota is afgeleid van het Griekse ballo: ik steek, ous: oor, bij oorziekten werd het blad in het oor gestoken. Ballota wordt door het volk wel godver­geten genoemd. Het zou oorspronkelijk een geneeskrachtig kruid zijn geweest en doordat God het vergat werd het een stinkend onkruid. Zwarte andoren, zie de witte, Marrubium Stinkende andoren of stinkende dovenetel, dat naar de bladeren

 

Bambusa, in het Nederlandse heet het bamboe. De benaming bambu: riet, die op Sumatra en Java inlands is, werd op eind 16de  eeuw in Europa bekend. Tonkinstokken kwamen uit de streek Tonkin in Vietnam.

 

Barbarea. Het kruid is naar een heilige vernoemd. Zo naar St. Barbara, omdat men het kruid nog kan plukken op de dag van St. Barbara, 4 december, winterkers. Deze heilige stierf de marteldood door de hand van haar vader in 237‑238. Ze werd door haar heidense vader in een toren opgesloten, vandaar dat metselaars en timmerlieden, architecten en ingenieurs haar tot patroon kozen.

Aan St. Barbara was in de middeleeuwen ook de wat ongewone en onvrouwelijke functie van patrones van arsenaal en kruithuizen toegedacht. De legende verhaalt dat ze op de dag van christianiseren door haar vader was overgeleverd aan de autoriteiten. Nadat ze gemarteld werd was het de taak van haar vader om haar te onthoofden. Toen hij de fatale slag toe wilde brengen legde een bliksemstraal hem dood aan haar voeten neer. Vandaar dat ze door de bijgelovige betrokken werd tegen bliksem en onverwachte dood en haar bescherming werd verwacht bij oorlogsmateriaal. Het is de beschermheilige van soldaten, de plant wordt als wondkruid gebruikt. 

 

Bauhinia had eerst witte bloemen. Toen een Brahmaan de H. Thomas met een lans doodde, sproot zijn bloed uit de wonde en viel op deze witte bloemen. Sindsdien zijn ze scharlaken rood geverfd. Men geloofde dat St. Thomas op Malabar en in Ceylon of Sri Lanka heeft gepredikt. Volgens Eusebius was de naam van de discipel eigenlijk Juda (s) en was dit een bijnaam om hem te onderscheiden van de andere van dezelfde naam. Hij was de latere ongelovige Thomas die aanvankelijk niet wilde geloven in de opstanding van Jezus, Joh. 20: 24.

 

Begonia is zo genoemd naar de Franse kruidkundige Michel Bégon, gouverneur van St. Domingo (Haēti) en later van Canada, 1638‑1710.  Intendant van de galeien van Rochefort en La Rochelle en vergezelde Charles Plumier. Scheefblad omdat het blad niet recht op de stengel zit.

 

Bellis, van Latijn bellus: mooi, lief of aangenaam, een verwijzing naar de bloemen. Bij avonturen die boze vijftig dochters van de koning Belus van Griekenland (die gehuwd waren aan zoveel mannen en elk haar eigen man de hals afstak) dit kruid de naam gegeven hebben waarna naderhand deze bloemen alzo zijn genoemd geworden omdat er veel bijeen gezien worden die aardig zijn.

Het heet in onze taal madelieven, de lieve van de made of weiland. Een oud Nederlands spreekwoord zegt: ‘mate lefte, lange lefte’: ‘liefde met mate, lange liefde’, wat ook op de lange bloeitijd van de madelief slaat. Het is ook een maat voor de liefde: hij houdt van me, niet... Het woord made dat ook in medesuete of metsutbloeme voor komt, kan een vorm zijn van maagd, te weten, megede, meyde, medde, mete en maid, dus maagd en lief. Een mogelijkheid is dat de plant genoemd is naar de heilige maagd Maria, maagdebloempje of Mariabloempje. De dubbele madelieven heten op sommige plaatsen in Zeeland karsousjes. Het woord kersouwe komt reeds in 1528 voor bij de madelief en voor vrouw en is volgens sommige verwant aan Kerst‑Christus‑heilig. Deze naam stamt uit Vlaanderen, Engeland en Frankrijk. In de middeleeuwen vindt men in Frans cassoude of consaude, wat een verbastering zou zijn van consound en dit woord is afgeleid van het Latijnse consolida en zo genoemd volgens Plinius omdat het zo goed werkt, dat het zelfs onder het braden het vlees aan elkaar plakt.

Dan meest alle kruidbeschrijvers noemen de madelieven in het Latijn Herba Margarita en margrieten, in het Frans marguerites, in het Italiaans margarite.’

Een andere naam van Chaucer is la douce Marguerite. Die naam is nog steeds de naam van de madelief in Frankrijk, petite marguerites, ook bij de Italianen margheritina en in Spaans maya. Die naam is afkomstig van het Latijnse woord voor parel: Margarita, zo ook margaritaceous wat parelachtig betekent. Van dezelfde wortel komt margariet en margaret (zie Chrysanthemum) Het Latijn en Grieks schijnt van Perzisch mervarid: parel, af te stammen, vergelijk Plinius IV.54: "Praecipue autem laudantur (margaritae) in Persico sinu maris Rubri. Nec apud barbaros quidem eius aliudquam margaritae".

 Vondel, Ter bruiloft van Joan Six en Joffer Margarite Tulp;

‘Een zuivere Tulp, het puik van allerhande bloemen

Toen het oog op haar viel die wij Parle noemen’. (parel uit ’t Grieks voor madelief)

Parels en madelief werden beiden Margaret’s genoemd.

St. Margriet zou de dochter geweest zijn van een heidense priester die tot de christelijke godsdienst overging wat haar de haat van haar vader en anderen op de hals haalde. Ze werd op allerhande manieren gefolterd en tenslotte op 20 juli 275 onthoofd. Volgens de legende zou in de kerker, waarin ze opgesloten was, een draak op haar afgekomen zijn die de vlucht nam toen ze het monster een kruis voorhield.

De reeds aangehaalde Chaucer zegt "And of a perle fine orientall, Her white croune was imaked all".

De bloem werd vroeger gebruikt bij vrouwelijke klachten en daardoor door de monniken opgedragen aan St. Margaret van Cortuna. Chaucer, foutief, verwijst als oorsprong van de naam naar St. Margaret van Hongarije die gemarteld werd in de 13de eeuw. In een oude legende wordt echter verwezen naar Margaret van Cortona. De H. Margaret die zo veel voor de aankomende moeders bad.

Meestal wordt de H. Margaret van AntiochiĎ bedoeld: "Als een vrouw geboorteweeĎn krijgt, roep me, laat haar dan het kind krijgen". St. Margaret maakte gebruik van de madelief, die soms margaret genoemd wordt, een parel. De Margaretha gordel heeft een helpende kracht. In Parijs kwamen op deze dag vrouwen en meisjes ‘met menigte in de kerke daar de Priester de riem van de H. Vrouwe haar om het lijf sloeg om vruchtbaar te zijn’. In de Margaretha kapel te Neustadt kwamen jaarlijks een groot aantal vrouwen, katholiek als protestant, om haar geloften af te leggen en gaven te offeren ‘op hoop van zegen’.

De bloem is gewijd aan alle koninginnen Margarets en heiligen Margarets. Marguerite de Valois adopteerde de madelief als haar devies. De trotse en ongeluk­kige Margaret van Anjou, vrouw van Hendrik VI, koos de bloem als embleem en stikte ze op de robes van haar kleding, de hofdames om haar heen droegen het op de kleding, de lady’s in het haar. Toen de zorgen kwamen voor de koningin werd de madelief verwijderd als zijnde ongeschikt voor dit moment. De taaie Margaret had weinig van de zachtheid waarvan de madelief het type is, haar vrouwelijk hart was gepijnigd toen ze zag dit die genegeerd werd en kende zichzelf als een helder bloem

 

Berberis. Zuurbes is zo genoemd naar zijn zure bessen, ook het blad is wat scherp.  ‘In Brabant heet het ook sauceboom of sauseboom en versilts. Dodonaeus zegt dat de bladeren voor saus dienden.

 

Bergenia of schoenlappersplant naar de grote leerachtige bladeren.

 

Beta kan zo genoemd zijn naar de letter BŹta, een verwijzing naar de vorm van het blad, dat overal de B in dubbelheid behoudt of naar de pootstok die in de oudheid de vorm van B zou hebben.

Biet is hier te lande met de naam warmoes genoeg bekend. De witte en meest gewone soort heet in het Hoogduits Weisser Mangolt, in het Frans bette blanche of jotte blanche, want de gewone Waalse en Franse naam is du jote, jote, poeree of bete, puree is bekend. Mangolt. De plantennaam kan er een zijn met een mannennaam. Het stamt uit Magan: kracht, of van Man: man, en gold of hold: houden of heil, een geneesplant die vooral door mannen als reis middel gebruikt werd.

 

Betula komt van het Latijnse batuare: slaan, de twijgen werden wel als levensroede gebruikt. Bij de Romeinen was de fasces een roede bundel met een uitstekende bijl het symbool van heerschappij over leven en dood, van lijfstraffelijke rechtspleging (fasces et secures) waarmee de lictoren voor de consuls uitgingen. Oorspronkelijk waren ze het symbool van het koninkrijk en later van het ambtelijk gezag. Blijkbaar was deze twijgenbundel van oorsprong een vegetatief symbool dat de levensorde van de aarde vertegenwoordigde en dat ook voor de mensen de wet van blijvend leven betekende. Voor de Romeinen is de bundel steeds het teken van de volstrekte geldigheid van gezag en haar handhavers gebleven. Ook de bijl had hier dezelfde betekenis, symbool van bliksem en regen waardoor de aarde leeft. Daarnaast werd hij door de Romeinen als teken van heilige orde gebruikt, tot voltrekking van de door de magistraat gevelde doodvonnissen, geseling met de roeden en daarna onthoofding met de bijl. Het fascisme ontleent zijn naam aan de fasces. Nog steeds is de bundel de geconcentreerde macht en de bijl het absolute gezag.

 Berk is oer Indo-Germaanse naam en behoort tot de oudste boomnamen. Het woord komt niet alleen voor in de Germaanse spraken maar ook in Slavische talen is het niet vreemd, in het Litouwse als berzas en Russisch bereza, (zie de naam van de rivier Beresina) Etymologische hangt de boom naam met de wortel bherag samen dat in Gotisch als bairths verschijnt en glanzend betekent, licht of wit. De berk is ook de lichte en glanzende, witte boom. Of het woord borke: oorspronkelijk berkenbast, behoort is niet zeker. Opmerkelijk is, in tegenstelling tot andere boomnamen, als den, eik en beuk, dat het overal dezelfde boom betekent. Men maakt hieruit op dat de berk in de oer woonplaats van de Indo-Germanen een karakterboom moet zijn geweest en dat de Indo-Germanen in hun tijd van Indo-Europese samenleving in het verspreidingsgebied van de witte berk gewoond moeten hebben. Daarmee zou, als oorspronkelijke woonplaats van de Indo-Germanen, dit een land geweest kunnen zijn van een gematigd of koud klimaat

 

Bidens; van Latijn bi: twee, en dens: een tand, een verwijzing naar de zaden. Tandzaad, de twee of drie kelkblaadjes van de bloem veranderen in stijve uitstekels of tanden. Het zaad lijkt op een kies met wortel. De vrucht bezit weerhaakjes en aan die weerhaakjes zitten ook weer weerhaakjes, waardoor de zaden gemakkelijk door mens en dier verspreid worden. Die naaldjes zien eruit als de harpoenen van het stenen tijdperk. Doordat deze planten meestal op vochtige gronden groeien kunnen de zaden oorzaak zijn van vissterfte. Jonge vissen eten van de zaden die zich in hun bek vastzetten en zo verhongeren.

 

Biscutella: Latijn bis: twee, dubbel, scutella: drinkschaal, de dubbele peul is rond. Brilkruid.

 

Blechnum komt van Grieks blechnon, wat zonder deugd betekent, omdat varens geen nuttige eigenschap bezitten. De plant heet ook grachtvaren en dit laatste naar zijn groeiplaats, zo ook slootvaren. Miltkruid naar zijn gebruik. Dubbelloof omdat het twee soorten blad heeft.

 

Boletus. Latijn van Grieks bolitos, bolos: een kluit of klont, naar zijn vorm. Eekhoorntjesbrood, satansboleet is een giftige vorm.

 

Bombax komt van bombax: de Griekse naam voor ruwe zijde. Dit is een verwijzing naar de wollige haren, maar het is echter ongeschikt om er mee te spinnen. Bombast betekent eigenlijk alles wat met bombax, midden-Latijns voor katoen, opgevuld is, een leren zak met vulmateriaal, en werd overdrachtelijk gebruikt voor een gezwollen rede.

 

Borago. Bernagie komt van laat Latijn burra: harig, de ruige huid van die­ren, vergelijk Frans Frans rebours: verkeerde kant, a rebours betekent zo tegen de draad in. Zo is burrus afgeleid van Indo-Germaans bhrs-os en vandaar Germaans burs-t-, zie borstel. Borage is zo de harige plant, een treffende naam. Anderen leiden het woord af van Keltisch borrach wat moed betekent. Eventueel van burdunculuswat afgeleid zou zijn van burdo: muilezel. Hiernaar heeft de plant de naam vanwege zijn grauwe en behaarde uiterlijk.

Linnaeus stelt een gewijzigde naam voor van cor: hart, en ago: bij voorkeur, als een verwijzing naar de hartversterkende kwaliteiten van de bladeren. Of naar courage: verheugen, naar de opwekkende kracht en smart werende eigenschappen.

Het Latijnse "ego borago gaudia semper ago". "Ik borage, breng altijd moed" is voor meer dan duizend jaar geciteerd. Bloemen van dit brave kruid vloeiden in de wijn van de bekers die de kruisvaarders dronken voor hun vertrek. Het zou de beroemde nepenthe van Homerus, (zie Nepenthes)  zijn geweest, de drank die vergetelheid bracht en zo werd het ook aan studenten gegeven, mogelijk pas nadat ze gezakt waren. Mogelijk is dit woord beēnvloed door Keltisch borrage: moed brengen.

De bloem heeft drie kleurschaduwen tijdens de bloei die bekend zijn als Abraham, Isaac en Jacob, rood violet en blauw.

Vanwege vorm zaad en frisheid, komkommerkruid.

 

Borassus, Grieks bora: eten.  Wijnpalm, lontar of palmyrapalm, (Palmyra is de groeiplaats, een oud-Syrische stad) De Palmyraboeken zijn zelden langer dan 60cm en 5cm breed omdat de perkamentachtige stof door het blad geen grotere omvang toestaat. Men rolt ze tezamen en kleeft ze vast met wat gom en verzendt zulke brieven soms met de post. Deze manuscripten zijn zeer duurzaam en vele auteurs nemen aan dat ze dit 4-500 jaar volhouden. De eerste Hindoeschrijver die deze manier van schrijven vermeldde was Panningrishee die ongeveer 43 eeuwen eerder in Arittuwarum, aan de bron van de Ganges leefde.

 

Boswellia. Wierook, wijrook: gewijde rook. Het is een rookmiddel dat in de R.K. en Griekse kerk als rookmiddel gebruikt wordt en zelden in de artsenij. De Katholieke kerk gebruikt de wierook om de zinnebeeldige betekenissen die daaraan verbonden zijn, bijvoorbeeld de wierook stijgt op in rookwolken, =symbool van het naar de hemel opstijgend gebed.

 

Botrychium lunaria (luna: de maan) is zo genoemd vanwege zijn magische krachten in de Walpurgisnacht. Vanwege de sikkelvorm van de bladeren werd de plant in verbinding gebracht met de maan en magie. Men geloofde dat het groeide met wassende maan en verdween of verlepte met afgaande maan. Het ene blad zou met de maan groter en kleiner worden. Ook dat het in het maanlicht blonk als een parel.

 

Brachypodium, Grieks brachys: kort, podion: voetje, vanwege de kort gesteelde aren, kortsteel.

 

Brassica. Boerenkool. Van witte kool bestaan er twee typen: het spitse type, (witte) spitskool genoemd, het ronde type is de witte kool. De naam kool is afkomstig van het Griekse kormos of kaulos en in het Latijn werd dit caulis: een stengel, de basis betekenis slaat op iets "dat hol is".  Zuurkruid, -kool komt van witte kool, in Hoogduits Sauerkraut werd vervormd tot het Franse choucroute, dit klinkt smakelijker. Naar zijn Italiaanse afkomst, naar Savoy het voormalige Italiaanse graafschap in de Alpen, savoje kool. Bloemkool, kool met bloemen. Broccoli is het meervoud van Italiaans broccolo, van brocco: uitschieten of uitspruiten.

Brusselse spruitjes worden al eeuwenlang bij die stad gekweekt.

Stekrapen en Parijse raap. Gelijker als omtrent Antwerpen het zavelachtig land voortbrengt zeer veel grote ronde rapen alzo groeien de stekrapen zeer overvloedig in slijkachtig land omtrent Parijs.

Koolzaad is ontstaan als een kruising tussen kool- en raapzaad. Er is geen oorspronkelijke vorm van bekend. Werd vooral vroeger in Groningen geteeld en nu weer als biodiesel. Er is winter en zomerkoolzaad. Raap bestaat uit enkele variĎteiten, degene met verdikte stengelbasis en wortels, de koolraap. Ook het jonge blad wordt gegeten onder de naam snijmoes of snijkool. De ander wordt als olievrucht, raapzaad, gebruikt.

Raap of graveelcruyt. Rape of rapier is zo genoemd naar de lange puntige degen die zo genoemd is naar de overeenkomst of gelijkenis ervan met onze raap,

Mosterd. Sinapi heet het gewas omdat het de tranen uit de ogen perst van hen die ze onbedacht gebruiken, de neus rood maakt en de ogen doet zwellen. In in oud-Frans moustarde en dit van mustum ardens, most: niet gefermenteerd druivensap, en ardor: een scherpe smaak. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeuēge, zurige pap nodig, de moust de vin.

 

Briza. Trilgras of bevertjes,  ze trillen aan het stengeltje en zo; liefdesgras omdat het in de handen van meisjes siddert als haar toekomstige komt.

 

Bromus: Drep of dravik: draaft door de tuin, vergelijk Duits Taverich dat verwant is met Trespe, in midden-Hoogduits Trefs wat mogelijk verwant is met Treppe: trap, Portugees trepar: klimmen, vanwege de trapvormige opgebouwde bloemaren.       

 

Brosimum. Het hout heeft fijne poriĎn, roodbruin met zwarte radiale strepen die het een slangenhuidachtig aanzien geven, slangenhout, letterhout is zo genoemd omdat het geplekt is al of er letters op geschreven waren. Het hout is zeer hard en een van de duurste houtsoorten op de wereldmarkt, draaiwerk, muziekinstrumenten als bogen voor strijkinstrumenten. Dit is de koeienboom en onze melkboom.  ‘Verschillende maanden per jaar maakt geen regenbui zijn bladeren nat, zijn takken lijken dood en droog, maar als er in de stam gesneden wordt vloeit er een zoete en voedende melk uit. Met het stijgen van de zon wordt deze groene fontein overvloedig. De negers en inlanders haasten zich van alle plaatsen, voorzien van grote schalen, om de melk te ontvangen dat zich verdikt aan zijn huid. Sommigen legen de schalen onder de boom zelf en anderen brengen ze naar huis voor hun kinderen’

 

Broussonetia. Papierboom is een boom die bedekt is met een zeer dunne witte schors of vlies daar men allerlei letters op schrijven kan net zo goed als op papier. Van diergelijke boom vermaant Pigasetta die zegt dat de vrouwen van het eiland Tidore hun schaamstreek met een doek of web bedekken die ze van de schors van een boom aldus maken, ze nemen de schors er af en weken die in water totdat ze week wordt, dan stoten of stampen ze die met een hout en trekken dat zo dun vaneen dat het op een zijde of andere lompen met dwars lopende aderen geweven schijnt te wezen.

 

Brugmansia is genoemd naar Sebald Justinus Brugmans, geboren te Franeker op 24 maart 1763 en gestorven te Leiden, 22 juli 1819, een Nederlandse arts, botanicus van hortus botanicus te Leiden en hoogleraar in meerdere natuurwetenschappen. Engeltrompetten, de grote bloemen. Uit de vruchten ervan werd een verdovende drank bereid, het Tonga, waardoor de priesters van de zonnetempels in staat gesteld werden om met de geesten van de gestorvenen in verbinding te treden. Om die reden ontstond de naam herba de huaca: grafplant. Bij de indianen werd de drank gebruikt om tot de goden te komen en vertrouwelijk met de geesten te spreken. Kort na het innemen van de drank krijgt de Indiaan hevige stuipen en zit met zijn ogen gefixeerd naar de grond, zijn mond krampachtig gesloten en zijn neusvleugels wijd uitgezet, tenslotte slaapt hij verschillende uren. Bij het wakker worden wordt hij omgeven door een kring van nieuwsgierige luisteraars en vertelt hij de belevenissen van zijn reis waarbij hij verklaart dat hij een gesprek had met de geesten van zijn voorvaders.

Nadat het Christendom dit bijgeloof onderdrukte en het geloof aan een god, tenminste schijnbaar, algemeen werd, gebruikten de indianen het tonga om zich met de goden van hun voorvaderen in verbinding te stellen en van die de plaats van de in de graven, huacas, verborgen schatten te vernemen. Vandaar ook de naam huacacacach: grafplant en yerba de huacca.

 

Bryonia. Een klimmer met blad die wat op de druif lijkt, maar wit is, daarom komt in middeleeuws Latijn ook de naam Vitis alba voor, onze wilden wijngaerd of heggenrank. In Vlaanderen heet het schijtraap, de laxerende wortel werd door mens en dier gebruikt. Sick-wortel, raesel-wortel of ros-worte. In Friesland heet het schaep-entel of schaepkeutel naar de gedaante van de bessen, in Holland quartel bezien of quaertels beyen omdat de kwartels of kwakkels deze bessen niet graag eten. Kwartelbessen bij van Beverwijck.

 

Buddleja. Vlinderstruiken zijn te vinden in vrijwel alle kleuren gepluimd in wit door alle tinten van paars en wijnrood tot vrijwel zwart en omringd door vlinders. Vlinders vlinderen van de een bloem naar de andere, zoals de kleine- en grote vos, atalanta, koolwitje, citroenvlinder en dagpauwoog.

 

Bulbocodium, het Latijnse bulbus betekent een ronde bol, kodion is wol, samengevat een wollige bol, de bolwol. Binnen de huid van de bol bevindt zich een soort wol.  Bolwol,

 

Buphthalmum. Dit kruid is vanwege zijn bloemen die groot en gemaakt zijn als een koe-ooghe, in het Grieks Buphthalmos genoemd en daarna in het Latijn Oculus Bovis, in het Nederduits runds-ooghe en koe-ooghe en vroeger bijns-ooghe of beins-ooge.

 

Bupleurum komt van het Griekse bous: een os, en pleuron: een zijkant, rib, omdat het vee dat hiervan at zou opzwellen. Of van os en zijde omdat de plant de zijde van een os laat kraken, of omdat het de os een bed verschaft, of omdat de bladeren enige gelijkenis hebben met de rib van een os, of vanwege de uitspringende zaadribben die met ossenribben vergeleken werden, of vanwege de scherpe bladranden. Ossenrib is een naam die van een oude eetbare en geneeskrachtige plant op dit geslacht is overgegaan.

 

Butomus of waterlis werd vroeger vaak verward met lissen, (Iris) rus (Juncus) en biezen (Scirpus) vanwege de gelijkenis met de bladeren. Het is de bloeiende rus. Dit gewas draagt een krans van mooi rode of vleeskleurige bloempjes die elk in zessen gesneden zijn en die zo tezamen gevoegd enige gedaante van kandelaars schijnen te hebben waarnaar ze hun naam kandelaars, kandelaartjes in het Nederduits en Candelaria in het Latijn voeren. Zwanenbloem omdat de stamper in de bloem iets heeft van een zwanenhals, mogelijk ook iets van een ooievaar, Aebersblome, Aedebarsblome, of zo genoemd als water/dijkplant. De zwanenbloem wordt wel donder- of zwaarweerbloem genoemd naar het bijgeloof dat men er driemaal boven het hoofd mee moet zwaaien om onweer te krijgen. Stoeltjesbloem omdat de kinderen de stengels gebruiken om er stoeltjes van te maken. Kloek met kuikens naar de bloemen.

 

Buxus. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxis of pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

Het palmboompje heeft zijn naam gekregen omdat het met Palmpasen gebruikt wordt om de intocht van Christus in Jeruzalem in de kerken te vieren. Dit gebruik komt omdat men de uittocht van Christus ging nabootsen en onder andere Buxus ging gebruiken. Buxus werd dan gebruikt omdat de plant altijd groen is.

 

Cactus. Hier te lande wordt dit gewas Indiaanse vijgenboom en Indiaanse vijg genoemd, in het Latijn Ficus Indica. De Indianen noemen het tune. Sommige zijn van mening dat deze Indiaanse vijg wel zou mogen wezen de Opuntia daar Plinius van vermaant in zijn 21ste boek, te weten in het 17de kapittel wanneer hij aldus zegt: ‘Omtrent de stad Opuns groeit een kruid wat daarnaar Opuntia heet en ook voor de mens aangenaam of zoet van smaak is en, dat wonder is, zo groeit dat zijn blad in een wortel verandert en dan voort opschiet en groter wordt’.

De vijgendistel of Indische vijg wordt zo genoemd vanwege de gelijkenis van zijn vruchten met die van de vijg (Ficus) Schijfcactus, of vijgencactus.

 

Caesalpinia. Pauwenboom. Maria Sybilla Merian: ‘Deze Flos Pavonis is een plant van 270cm hoog en draagt gele en rode bloemen. Het zaad wordt door de vrouwen gebruikt die in barensnood zijn om de arbeid voort te zetten. De Indianen die niet goed behandeld worden als ze bij de Hollanders in dienst zijn drijven daarmee hun kinderen af omdat ze niet willen dat hun kinderen slaven worden zoals zij. De zwarte slavinnen van Guinea en Angola moeten al heel huiselijk behandeld worden of ze begeren geen kinderen in deze slaafse staat en krijgen er ook geen. Ja, ze brengen soms zichzelf om het leven vanwege de gewoonlijke harde behandeling die men hen aandoet want ze zijn van mening dat ze in het land van hun vrienden weer in een vrije staat zullen herboren worden zoals ze me uit hun eigen mond verteld hebben’

Toen de Portugezen deze boom ontdekten aan de kust van Z. Amerika noemden ze pau-brasil en pau is Portugees voor ‘hout’, brasil zou van Portugees brasa komen; gloeiend hout, kolen, die een rode verfstof gaf. Al gauw werd de kolonie Terra do Brasil genoemd en gaf zo het land en het hout de naam.

 

Calamagrostis. Struisriet: in Strause gebonden.

 

Calamus. De naam rotan is in de 19de eeuw ontleend aan Maleis rotan, van raut: pellen.

De vruchten zijn wat groter dan kersen en zijn bij rijpheid met een rode hars bedekt. Die harslaag is het sanguis draconis: drakenbloed. Op het vuur geworpen geeft het een aangename geur. Het is zeer bros en breekt met een onregelmatige gomachtige breuk, helderrood en glanzend van binnen en donkerder door van buiten. Dunne, kleine stukjes zijn transparant. Dit drakenbloed wordt als reukwerk gebruikt. De schilders maken daar een mooie rode verfstof van die op Florentijnse lak lijkt, verder voor dranken, tandpasta, pleisters.

 

Calceolaria komt van Latijn calceolus: een pantoffel,  het is een verwijzing naar de vorm van de bloem. Pantoffelplantje.

 

Calendula: naar het Latijnse Calendae, de eerste dag van de maand omdat de bloemen op vele kalendis, dus vele maanden bloeien. Of de plant is zo genoemd naar het dagelijks openen en sluiten van de bloemen met de zonbeweging en zo als een kalender de dag aanduidt. Of van calendae, afgeleid van calara: roepen, omdat op de eerste dag van de maand het volk op het Capitool voor Curia Calabra tezamen geroepen werd. Of omdat het in bloei gevonden wordt, ergens in elke maand. Vogelklauwen, ringbloem, naar de halve cirkelvormige vrucht of omdat deze samengesteldbloemige op een gouden ring lijkt, bij onze plant is het opvallend dat het om naar binnen gebogen vruchten gaat.

 

Calla, waterslangenkruid, slangenwortel. Waterspeerwortel noemt men Dracunculus met rietachtige wortel van Plinius. Drakenwortel is zo genoemd naar de kruipende wortelstok. De venijnige wortelstok werd dan ook wel aangeprezen tegen slangenbeten. Wanneer je een blad of stukje wortel bij je draagt zal je niet door slangen gebeten worden.

 

Callicarpa, van Grieks kalos: prachtig en carpos: een vrucht. Koraalbes.

 

Callistemon, van het Griekse kalistos: schoonheid, en stemon: meeldraad, het is een verwijzing naar de sierlijke, lange meeldraden. Lampenpoetser, flesseborstelboom.

 

Callistephus komt van het Grieks woord kallistos: zeer mooi, en stephanos: een kroon.

In tuin en markthandel is het gewas nog steeds bekend als aster en soms als Duitse asters omdat er veel zaad en nieuwe soorten uit Duitsland kwamen.

 

Callitriche, Grieks kallistos: schoonheid, thrix: haar, naar de dunne vloeiende stengels en smalle bladeren, of haarachtige wortels. De callitrichon van de ouden was een haarmiddel en was de naam van een varen. De huidige callitriche is een plant wiens bladeren op groene haren lijken die in het water vloeien. De bladen drijven op het water in de vorm van stralen, vandaar sterrenkroos en kroos omdat ze in elkaar verwarren, vergelijk kroezen. Haarsteng, van haarstengel.

 

Calluna is een naam die afkomstig is van het Griekse kallyno of kallunein: reinigen of schoonmaken, omdat de takken als bezems gebruikt werden, bezemhei.

Bij de naam heide denk je onwillekeurig aan een plantengroei van Erica's en Calluna's. Deze planten zijn zo genoemd naar hun standplaats, de heide. Is het u nooit opgevallen dat het woord "heiden" zoveel lijkt op de heide? En dat het Engelse woord voor de heide, heather op de (heidense) heathen lijkt, en de Duitse Heiden vrijwel gelijk is aan der Heide? Dat zijn bewoners die heiden genoemd en op de heide wonden omdat het lang duurde voor ze bekeerd werden. Een heiden is dus gelijk aan de heide, dor en onbewerkt.

 

Calochortus wordt ook wel mormonentulp genoemd. De geschiedenis verhaalt dat de Indianen de bollen verzamelden en roosterden om ze vervolgens te eten. Met deze voedselbron konden de Mormoon pionieren in Utah de eerste harde jaren overleven toen hun oogsten mislukten in Great Salt Lake Valley. Mariposa is de Spaanse naam voor de butterfly ofwel vlinder. Waarschijnlijk kreeg Calochortus venustus, die naam omdat die voorzien is van een briljant kleurenscala met op de bloembladen de oogachtige stippen en andere opvallende markeringen als lijnen en haren die sterk doen denken aan de vleugels van een helder gekleurde vlinder.

 

Caltha. Dotterbloem is een letterlijke vertaling van het Duitse Dotterblume, het moest dooierbloem zijn want de bloemen lijken op de dooier van een ei.

 

Calystegia. Winden, de grote winde, windsel of klimop, is een naam voor meerdere klimplanten als kamperfoelie, winde en klimop. Dit stamt uit Germaans withiwindo: wat de band, touw of windende plant betekent. Uit het Angelsaksische widowinde, widubindae of wuduwinde werd het Engelse woodbine gevormd (Angelsaksisch wudu: hout, vergelijk wood) Een bindweed. Het midden-Nederlands wedewind stemt over­een en zal een Germaanse oudere vorm zijn. Wedewinde betekent zo houtslingerplant. Naar de diepe klokvorm van de openstaande diepe klokbloemen op regen loze dagen, zie onze klokjesbloem, kloksken-winde of wilde klokken, ook de naam pispotje. Achterhoek heeft piependopkes, piepen: zoenen, de bloem gaat open en sluit zich alsof ze een zoen geeft. Heggerank, heggentouwen, slingerroos, haspeltakken, duivelsnaaigaren of rankbloem, draaiwinde,  haagwinde. Blindebloem en valbloem, het heet dat als je valt met zo’n bloem dat je dan blind zou worden. Elfenklokske of hempjes en dergelijke als onze Lieve Here Hemdeke, onze Lieve Vrouwe glazeke, -kuipkens.

 

Camelina. Vlasdodder en huttentut is een verbastering van uit en tuit, wat min of meer vlasdoder betekent, vergelijk Duitse Flachsdotter, Leindotter en Saatdotter, onze deder, vanwege de gele bloemen en gele zaden en voorkomen in geteelde vlasakkers.

 

Camelina of Thea. Het woord tay zou uit het Chinese Amoy-en Swatowdialect zijn afgeleid, of genoemd naar het hoofd dialect tsch'a, tcha, cha, het hoog-Chinese tshha.

De Arabieren, die sinds de 9de eeuw handel dreven met China, beschreven de thee onder de naam sja, uitsprekend de Chinese naam tscha of tsja die in Fokien de klank heeft van tiae. De spelling met th was bedoeld om het exotische karakter van het woord te doen uitkomen. In 1610 brachten de Hollanders op Bantam van Chinese kooplieden gekochte thee op de markt. Naar verluidt zouden de Hollanders dit geruild hebben voor onze thee, de salie, en kregen een  driedubbele portie thee voor een deel salie.

 

Campanula rapunculus. De wortel heeft een overeenkomst met die van de raap, vandaar de naam rapunculus en zo rapunzel,

raponsje stamt uit het Franse raiponce dat vermoedelijk afkomstig is van radice puntia. Het eerste woord slaat op een soort radijs en het tweede woord behoort tot het Latijnse phu: een soort valeriaan. Zo wordt het ook tot repelsteeltje.

Marietten zijn genoemd van de Nederlanders die vanwege de aardigheid van de bloemen die geschonken hebben als een present aan de zeer edele hoog geboren en vrome koningin Marie van Hongarije.

Campanula van het Latijnse campana: een klok, literair een klokje of belletje. Is zo genoemd naar het landschap CampaniĎ waar de eerste klok gevonden zou zijn, Campana: klok, campanula een verkleinvorm, klokje.

 

Cannabis. In Brabant heet dit gewas kemp, uit Cannabis. Hennep heette in midden-Nederlands hannep en hennep, vergelijk Angelsaksisch haenep en henep oud-Hoogduits sinds 9de eeuw, Hanf bij Bock en Hanif bij Hildegard en Zweeds hampa. Die woorden voeren op Germaans hanapa (hanipi of hanupi) en voor-Germaans hanab terug. Dit woord is door de Germanen ontleend aan het woord kannabis bij de Scythen en de ThraciĎrs. Dat waren bewoners van de Kaspische- en Aralgebieden. De plant heet in het Arabisch haschisch: wat plant betekent en een naam is die overgegaan is op de verdovende zelfstandigheid die eruit bereid wordt. Marihuana wordt gemaakt van de gehele bloemhoofdjes en bevat minder alkaloēden en hars dan hasj. De vezels van hennep zijn beter dan die van vlas en waterafstotend. Om die reden werd het gebruikt voor nautische doeleinden. Het Franse woord canevas, in Nederlands canvas, is afgeleid van Cannabis.

 

Cantharellus. De dooierzwam naar de dooier gele kleur of hanenkam draagt vele namen en meestal zijn het verwijzingen naar zijn aan aangename scherpte die aan peper herinnert. In midden-Nederlands verscheen peperlinc en is nu peperling. Kampernoelie, cantharel, heet in 1583 bij Dodonaeus campernoellen. Dit is een Picardi­sche vorm van oud-Frans champaignuel dat afgeleid is van Gallo-Romaans campaniolus, waarbij campania een vlak veld betekent. Of van Frans la chanterelle en dit van botanisten-Latijn cantharellus: een kleine drink kop.

 

Capsella, Grieks kapsa, Latijn capsa: zakje of tasje, naar de vorm van de vrucht.

Gewoonlijk noemt men dit kruid in het Latijn Pastoria bursa of Bursa pastoris in het Nederlands borsekenskruid of teskenskruid. Bursa is een zak of beurs en pastor is een herder. De tasjes lijken enigszins een hartje of immers die beursjes die gemaakt worden met gedaante en naam van kleine hartjes.  Herderstasje,  de hauwtjes, met drie hoeken, lijken op een oude herderstas. De zaden zitten erin als geld en vormt zo de smalle beurs van de schaapherder. Beursjeskruid, verder komen voor; lepelblad, tuinlepeltje, lepeltjes, lepeltjesdief, lepels en vorken, dubbeltjesdief, leugentjes en ganzentong.

 

Capsicum. De naam paprika is een Servische woord waarvan een verbinding met het Latijnse piper en modern Grieks piperi aangenomen wordt. In de Balkan werd de plant vroeger peperke, piperke en paparka genoemd. In 1569 maakten de Hongaren daar paprika van.

 

Cardamine bulbifera. Koraalkruid omdat er bolletjes als koralen tussen de wortels staan, ook bolletjeskers

Cardamine pratensis. Koekoeksbloem,stamt van de botanistennaam flos cuculi. De koekoek heeft erop gespuugd, dat is het schuim waarin de larven van een schuimcicade, Cicada spumaria, zich bevinden. Het zou ongeluk brengen om die gespuugde bloemen te plukken. Ze verschijnt gelijk met de komst van de koekoek. Pinksterbloem

Cardamine is  ontleend van kardia: het hart, en damao: temperen de naam voor het kruid amomon die het hart: kardia, sterkt.

Nochtans meent men dat Cardamum is geheten omdat het leven en kracht van het hart bewaart en voornamelijk van de Perzen en die van LacedaemoniĎ bij die dit kruid eertijds een excellente saus is geweest want de jongeren van Sparta plegen met hun brood geen andere toespijs te eten dan kers. Maar tegenwoordig wordt ze zeer veel gebruikt in salade en in de medicijnen en is een zeer goed bekend kruid dat onder het gewone volk cresson en kers genoemd wordt dat omdat het de mogelijke zeer grote hitte van de zomer en de zeer grote koude des winters versmaadt en altijd groeit en vermenigvuldigt zodat het van de Fransen ook wordt geheten cresson d’ Alenois, ab alendo’, dat is opvoeden’.

 

Carduus. Kikkende distel heeft natuurlijk knikkende bloemhoofdjes. Kruldistel  wordt ook wel bisam- of ezeldistel genoemd omdat de bloemknoppen sterk naar bisam ruiken en alleen door ezels gegeten worden.

 

Carex. Zegge en segge was het in 1599. In het neder-Duits komt sek: snijden, voor, in Angelsaksisch komt de naam secg voor, maar dan voor riet of gladiool, (een variant van sectie en verbonden met sax of saw: zaag, de betekenis is snijgras)  Dit woord stamt uit het Indo-Germaanse woord seq: snijden en dit woord zal samenhangen met het Latijnse secare: snijden. Het zijn namen voor harde, in de hand zeer aanvoelende gewassen.

 

Carlina is zo genoemd naar Karel de Grote die met zijn dure naam Carolinus of Charlemagne heette. In een pestperiode verscheen er een engel aan Karel die hem beval een pijl af te schieten in de richting van de opkomende zon. De plant die getroffen zou worden was dan een middel tegen de pest. Dit zou dan de drie- of Karelsdistel geweest zijn en zo zijn leger gered hebben.  Daarom heeft het nog steeds splijten en wonden van de pijl in de wortel. Zilverdistel of Wetterdistel gaat open als de zon schijnt.

Carlina vulgaris. Driedistel naar de drie bloemstengels. H. Bock; ‘De vrouwen stellen naar deze distel om onze lieve vrouwe Hemelvaart dag en tellen het onder de Verbenas of kruidbos welke distel in drie delen verdeeld is, met drie kopjes zal de beste zijn, vandaar het de naam driedistel gekregen heeft en vrouwen distel, daarom dat ze op onze Vrouwen dag met andere kruiden gewijd wordt’.

 

De naam Carpinus is afgeleid van car, het Keltische voor hout, en pin: een hoofd, een verwijzing naar het gebruik van het hout om er jukken voor gehoornd vee van te maken. De oude Romeinen maakten er hun strijdwagens van. Hiernaar kan het ook afgeleid zijn van carpentum: Latijn voor wagen (wij kennen dit woord nog steeds als car of kar) Haagbeuk voor omheiningen, wielboom naar zijn gebruik om er wielen van te maken.

 

Carthamus: Het werd veel gebruikt als vervalsing van de saffraan, (Crocus)  vandaar valse saffloer/saffraan. Deze kleur wordt gebruikt voor zijde en wol, het is het hoofdingrediĎnt van de rouge die door de artiesten gebruikt wordt.

 

Carum komt van Caria, een landschap in Klein-AziĎ, waar de plant het eerst ontdekt zou zijn. Van Carum werd het geleidelijk aan karwei.

 

Caryopteris. De onderlip heeft een gewimperde rand heeft en lijkt wat op een baard. In gewoon Nederlands heet het blauwe spiraea of blauwe sering, dit naar de kleur en bloemvorm.

 

Cassia. De bloem wordt gevolgd door lange rolronde peulen, de trommelstokken, vruchten die met een zoet moes gevuld zijn,

De trommelstok wordt gebruikt als purgeermiddel, het is de purgerende cassia. Men pleegt de trommelstokken uit de hand te eten en daarna wat te eten of te drinken, op die wijze ondervind je de minste walging. Dit zou ook goed werken op de nieren. In de apotheek werd het gebruikt als een zacht laxerende likkepot. De naam oudemannetjesdrop herinnert aan het veelvuldig gebruik dat van de pijpcassia werd gemaakt om bij oude lieden de ongemakken van bezwaarlijke spijsvertering tegen te gaan.

 

Castanea. Naar de mythologie werd de nimf Nea (casta-nea) tegen haar zin door Jupiter bezocht en overweldigd, daarna pleegde ze zelfmoord en werd door Jupiter in een kastanje veranderd.  Tamme kastanje. In het Spaans is het castana en het verkleinwoord heet castaneta, dit is tevens de naam van de dans kleppers. Die zijn zo genoemd naar de uiterlijke gelijkenis met de kastanje vruchten, de castagnetten.

 

Casuarina. De lange, hangende en bladerloze takken lijken veel op de hangende veren van de vogel Cassowary. De Oost-Indische struik heet ook in het Maleis pohon kasuwari. De rode kleur van het hout gaf het de naam biefstukboom omdat het hout de kleur heeft van rauwe biefstuk.

 

Catabrosa: Grieks katabrosis: voer, een voergras.  Watergras, brongras of watervlotgras, groeit aan sloten,

 

Catananche, van Grieks katanagke: dwang. Uit de planten brouwde men een liefdesdrank die door de begeerde gedronken moest worden. Plinius schrijft dat Catanance een kruid is dat in ThessaliĎ groeit wat hem onnodig dacht om te beschrijven omdat het nergens toe nuttig is dan om bij de minnedranken te vermengen waartoe ook en tot geen ander ding zowel deze eerste als de andere of tweede Catanance van Dioscorides nuttig gehouden is geweest: ‘Beide Catanance, zegt hij, worden gezocht en veel geacht om de liefde te verwekken en er minnedranken van te maken. En men zegt dat de vrouwen van ThessaliĎ die tot dat doel zeer plegen te gebruiken’. Kruidje volg me na, minnekruid of dwingend kruid.

 

Catha. Khat, kath, kat, cafta, qat, gat, chat en miraa en in SomaliĎ Jaad, (uitgesproken als kaet) qat en ghat in Yemen, chat in EthiopiĎ, jaad in Somalia en miraa in Kenia en Tanzania. In Etruskisch betekent de naam godin van de zon.

In ArabiĎ verdrong, vol­gens Abd-Alkader-Ebn-Mohammed, de uit AbessiniĎ ingevoerde koffiedrank een andere drank die kafta genoemd werd. Die laatst genoemde drank werd bereid uit de bladeren van de cat.  Waarschijnlijk ligt hier ook de oorsprong van de naam koffie. Caffa heet de koffie in Z. AbessiniĎ en in Arabisch qahwah, dit werd in Turks quahve of kahweh en bleef in vormen als caffe en café in Z. Europa bewaard.

 

Catharanthus. Het is de roze maagdenpalm, naar de gewone maagdenpalm.

 

Caucalis, de vruchten zijn van weerhaken voorzien en blijven daardoor aan de kleren hangen, vandaar ons doornzaad.

 

Cedropia. Het lichte hout is buigbaar en werd gebruikt voor vlotten, voor blaas- en windinstrumenten, het is de trompettenboom en vandaar zijn muzikale naam.

 

Cedrus. Bij de Grieken duidde men met de naam kedros en kedris alleen welriekend hout aan. De Libanonceder heette kedros thaumaste: dat is prachtig. Van het Griekse kedros kwam het Latijnse Cedrus en onze ceder. Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. Op een dioriet die uit 2650‑2600 v. Chr. Stamt had Farao Snofroe laten aantekenen dat hij 40 scheepslaten hout van de Libanon had laten komen. Ook Thoetmozes, een van de veroveraars van Byblis, bevestigt dit officieel. De Libanon is dan ook gevallen (Jes. 10:33) "Ziet de Here der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijke". De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven. Ze staan boven de oever van de Nahr el Kadischab: de vloed van het heilige dal.

 

Celtis, Grieks kello: ik sla, of zweep, de twijgen werden gebruikt als zweepstelen. Zwepenboom heeft taaie en zwartachtige loten die gebruikt werden om de bekende Tiroler zweepstokken van te maken. Oosterse of Europese netelboom, het blad lijkt op dat van de brandnetel. De bes is voedzaam en smaakt heerlijk en wordt in sommige landen gegeten. Er zijn er die geloven dat dit het voedsel was van de lotophagi, de lotos van de ouden.

 

Centaurea calcitrapa, de laatste naam betekent voetangel wat bij ons tot kalketrip werd. Naar de bladvorm sterrendistel.

Centaurea cyanus. De korenbloem spreidt de schoonste tint van enigszins gebroken blauw ten toon, het is het korenblauw en onze blauwbloem. Dit is de kleur die men cyaanblauw noemt.

Centaurea moschata, Keizerkorenbloem, welriekende korenbloem of amberbloem, geur als amber

Centaurea jacea. Het echte knoopkruid of wammesknopen of wambuisknopen heet het in Limburg en in Salland speldenkussentjes, zie vorige, en in Zeeuws Vlaanderen bokkenstallen, in Utrecht ijzerhard .

Centaurea solstitialis,  dat is zomerdistel, genoemd omdat ze omtrent het Solstitium, dat is de eerste dag van de zomer meest staat en bloeit of ook omdat haar knopjes of bolletjes dan ruwer en stekeliger of doorniger zijn dan op andere tijden.

 

Centaurium en zo ook Centaurea is zo genoemd naar de centaur Chiron, die beroemd was om zijn medische kennis. Zoals de indianen de eerste blanken zagen, zo wordt de centaur in de mythologie afgebeeld, half mens half paard. Deze centaur was de eerste die de wond helende eigenschappen ontdekte. Hij genas de wond die hij had gekregen van een pijl die vergiftigd was met het bloed van het Pelopenese monster, de honderdkoppige Hydra.  De Hollandse naam santorie, santorije, centaurea of sentaurie is afgeleid van Centaurium. Centaurium betekent vrij vertaald naar het rekenstelsel, centum: 100 en aurum; goud. Dit werd in volksspraak duizend en ook hogere bedragen zijn gebo­den. Het gulden is geen muntteken, maar goud.’.

Duizendguldenkruid verkreeg zijn naam door zijn vele goede eigenschappen en werd vroeger dan ook met honderden ponden tegelijk ingezameld, dit voornamelijk op Ameland. Het kruid werd wel in de beurs gedaan om de eigenaar van voldoende geld te verzekeren. Ja, het was duizend gulden waard en iedere ruiter moest, die het plantje voor bij ging, afstijgen om het te plukken en de eerste dame die hij tegenkwam moest de bloem een kus geven. Het was vroeger voor alles goed en dus duizend gulden waard. Dit kruid is hier te lande bij sommige zeer goed bekend met de naam aardgal naar zijn bittere en galachtige smaak. Koortsbloem of koortskruid naar zijn koorts verdrijvende krachten.

 

Centranthus, van Grieks kentron: een spoor, en anthos: een bloem, dit is een verwijzing naar de spoorvorming aan de basis van de bloem. Spoorbloem. Jupiter baard werd het genoemd naar de verwelkte bloempluimen die harig worden. Rode valeriaan omdat het van kransen en bloemen op de echte valeriaan enigszins lijkt.

 

Cerastium komt van het Griekse keras: een hoorn, een verwijzing naar de harde en soms wat licht gekromde vruchten. Na de bloei verschijnen de doorschijnende vruchtendoosjes, de hoornbloem.

 

Ceratonia. De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam caraat of karaat van is afgeleid.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.  Lucas 15: 16 ‘En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem’. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij Moffat. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Mattheüs 3: 4 ‘Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilden honing’. De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G. voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Ceratophyllum komt van het Griekse keras: hoorn, en phyllon: een blad, een verwijzing naar het gehoornde blad.

Grof hoornblad of gedoornd hoornblad is zo genoemd naar de stijve bladslippen die stekelig getand zijn en op kleine horentjes lijken, of vanwege de met twee gekromde dorens versierde vruchten.

 

Cercis. Judasboom. Naar de tekst van Mattheus 27: 5 werd aangenomen dat Judas zich had verhangen aan een boom, wat dan deze boom zou zijn. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Judée, boom van Juda. De judasboom groeit in de Tabor eikenwouden van Judea en in Z. Europa. Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte.

 

Ceterach. Schubvaren, schaalvaren of schriftvaren heet zo vanwege de schriftachtige geordende sporangiĎn. Steenvaren naar de groeiplaats en miltkruid naar zijn medische eigenschappen.

 

Chaerophyllum. In de naam vind je het Griekse chairo: ik verheug mij, en phyllon: blad, dus vreugdeblad omdat het zo'n prettig groene kleur en aangename reuk heeft. Het blad verheugt zich te groeien met vele bladen of heeft daar aardigheid en blijdschap in. Of het woord kan komen van verblijden, en blad, omdat als de bladeren door zwaarmoedige  mensen gegeten worden het hun verheugt en opvrolijkt. Hieruit werd oud-Hoogduits Kerfulja gevormd en via Kervuela werd het Kervol of Kervol tot Kerbel, in midden-Nederlands was het kervel(e) halfweg de 13de eeuw. Het woord kerven heette indertijd kerfan en naar de sterk ingesneden bladeren kan dit invloed gehad hebben op de woordvorming. Kervel zou zo kerven betekenen.

Chaerophyllum temulum. De plant zou giftige eigenschappen bezitten, dieren die er van aten kregen verlammingen en tuimelingen, voor mensen is het gif te gering, vroegere vergiftigingen zullen dan wel van gevlekte scheerling komen, het heet dronken makende kervel of dolle kervel.

De naam nachtegaalskruid komt ook voor omdat het gewas nachtegalen zou aantrekken. Toeters werd het genoemd omdat het dijkbestuur van de Beemster een jaarlijkse schouw hield over onkruiden langs de dijk, die toeterschouw werd genoemd.

 

Chamerion. van het Griekse chamai: dwerg, en neros: vochtig. Het wordt nerion of nerine genoemd naar de roze bloemen die overeenstemmen met die van de oleander, Nerium. St. Antoniuskruid naar de eerste stichter van kloosters, gebruikt tegen tandpijn. Ook werd het wel brand- of vuurkruid genoemd omdat het gewas overal waar brand geweest is snel voorkwam, op plaatsen die verwoest waren door oorlog en vuur en zelfs in het hart van een stad als Londen.

 

Chelidonium, van Grieks chelidon: een zwaluw, een verwijzing naar de bloemen die opengaan met de komst van de zwaluwen. Of omdat zwaluwen het sap gebruiken om er de zere ogen van hun jongen mee te bestrijken, zwaluwkruid. Verder komt de naam ogenklaar en schelkruid voor, klaar makend kruid dat als oogmiddel gebruikt werd. Stinkende gouwe, (van gouden) omdat de plant bij kneuzing onaangenaam ruikt met gouden bloemen.

 

Chelone, is een nimf in de Griekse mythologie die voorkomt in een van Aesopius fabels die weigerde of was respectloos bij het huwelijk van Zeus met Hera en als resultaat werd ze in de rivier gegooid door Hermes en haar huis viel van de heuvel op haar rug en zo werd ze in een schildpad veranderd om zo voor eeuwig te zwijgen. "Khelônź" betekent schildpad in het Grieks en was een symbool van stilte in oude tijden.

De rug van de bloemhelm heeft een grappige overeenkomst met een schildpad. Of de bovenlip van de bloemen lijkt op een schildpad, schildpadbloem.

 

Chenopodium is afgeleid van het Griekse chen: een gans, en pous of podos: een voet, het is een verwijzing naar de vorm van de bladeren en zo is het ook aan zijn Hollandse naam gekomen, ganzenvoet.

Chenopodium botrys. Druivenkruid heeft zijn naam omdat zijn bloempjes, die naast bij en boven de bladeren zeer veel in getal groeien, van gedaante gelijk een eerst bloeiende druif zijn, maar bleekgeel zoals ook de gehele plant geelachtig groen is. Of het heet zo na de lieflijke reuk die zo is al of men een muskadeldruif proefde

Chenopodium foliosum. Aardbeispinazie, het blad lijkt op spinazie en de vrucht op aardbei. Geeft fraaie rode bessen waarvan de smaak niet meevalt.

Chenopodium vulvaria. Stinkende ganzenvoet wordt ook wordt het wel schaamkruid of cuttencruyt genoemd en groeit dan ook waar de honden urineren.

 

Chrysanthemum is van een Grieks woord afgeleid, chrysos: goud, anthemon: een bloem, letterlijk betekent het goudbloemen.

Chrysanthemum segetum waarvan de laatste naam betekent van de graanvelden, gele of wilde ganzenbloem.

Chrysanthemum indicum, goudaster of chrysant. Het is de bloem van het Oosten, de nationale bloem van China en komt in hun wapen voor.

De eerste chrysantenviering in China was op de negende dag van de negende maand, 2000 v Chr.. In de 5de eeuw werd de geboorteplaats van een bijzondere goede chrysantenkweker, Chu-hsien, stad van de chrysanten genoemd.

De chrysant was sier van de tempel en de bloem wordt op porselein, in stoffenmotief en dergelijke afgebeeld. De oude keizerin van China, Hsu, had zelf die bloemen voor haar paleiskamer uitgezocht en een hofdame schrijft: " Elke morgen begeleiden alle hofdames en alle hof eunuchen de keizerin naar de westoever van het meer. Onder haar aanwijzingen snijden we kleine twijgen van jonge planten en steken die in de potten. Ik verwonderde me over die methode maar de keizerin verzekerde me dat die stekken prachtige planten gaven. We begoten de planten elke dag tot ze begonnen te groeien. Tijdens heftige regenval beval de keizerin de eunuchen de chrysanten met zachte stromatten te bedekken".

De chrysant heet in het Chinees ju of hioh, het klinkt hetzelfde als het woord voor wachten of dralen en zet aan tot bezinning. Het is de bloem van de herfst en tevens het symbool voor lange tijdperken. De chrysant is in China het symbool van een nobel karakter, in Japan het teken van moed en een lang leven. Men ziet de chrysant als een geschenk van China voor de gehele wereld.

 

Chrysosplenium, van het Griekse chrysos: goud, en splen: de milt, een verwijzing naar de kleur van de bloem en de veronderstelde medische kwaliteiten. Goudveil naar de goudgele bloemen en blad als veil of viool.

 

Cicer. Het Latijnse cicera werd in oud-Hoogduits Chihhira en in midden-Hoogduits Kicher tot Kichererbse, in midden-Nederlands keker of kuikenerwt naar zijn vorm, kikkererwt is er ook een afleiding van. Sommigen van de beroemdste Romeinse families werden naar peulvruchten genoemd zoals de Lentuli: de linzen, Fabii: de bonen, en Pisones: erwten. Cicero vond het geen schande naar de keker genoemd te zijn. Plutarchus zegt dat hij zijn naam kreeg van een voorvader die een pukkel op zijn neus had. Toen zijn vrienden hem vroegen zijn naam te veranderen antwoordde hij vol overtuiging: "ik zal de naam Cicero beroemd maken".

 

Cichorium werd tot Chicory, chicoree of cichorei. De plant opent zijn bloemen bij zonsopgang en vandaar heet solsequium of de zon volgen en vandaar zonnewende. De solis sponsa komt voor bij Megenberg wat bruid van de zon betekent. Daarna is de wegwart de plant die de weg van de zon aan de hemel bekijkt, de hemelsleutel. Met het drupje lenteblauw als het blauw van de hemel staat de wegwachter met ontroostbaar verlangen te wachten op zijn bruidegom, de zon. De liefde van de bruidegom verwekt in de wegwachter de zonnekracht of vitaminen. De uitgestrekte souterrains van de botanische tuin te Brussel werden door particulie­ren voor de teelt van champignons ge­bruikt. In 1851 bestemde de hoofdtuinman, Bresiers, een gedeelte voor het bleken van cicho­rei. Op een dag ontdekte hij dat zijn cichorei kleine gedron­gen knobbels had gevormd. Het bleek dat zijn laag aarde dikker was dan anders. De nieuwe groente smaakte best en Bresiers begon Brussels lof of witlof te kweken.

Januari heet in Egyptisch tybi, dezelfde tijd als deze groente werd gegeten. In het Arabisch heet het hendibeh. Dit werd in Grieks entubion of entubon. In de keizertijd verschijnt de Griekse uitspraak (indivi) benade­rende Latijnse vorm intybum, dit werd later intiba en in volks Latijn entiba en ook endiba. Onder de uit intybus in ItaliĎ gevormde naam Endivia werd in oud-Duits eerst distelsoorten en later deze plant begrepen.

 

Conium. Waterscheerling, in tegenstelling tot Conium maculatum, wordt deze ook waterscheerling genoemd. Het groeit in watergangen en beekmondingen en overtreft gewoonlijk Conium maculatum in gifwerking, Het typische kenmerk van Cicuta is de wortelstok die bij in de lengte doorsnijden zeer veel vakjes heeft waarbij uit de kamers een stinkend geel sap komt dat aan de lucht rood wordt. Bij Conium maculatum zijn het de bruin/rode vlekken op de stengel, hoewel die niet bij alle planten aanwezig zijn. Scheerling komt wel van sceran: snijden (beschadigen) Of van Middelnederlands sceninc; drek of mest, zie Conium.  Dolwortel of dolle of dulle kervel, naar de gelijkenis met kervel. De plant kan ook verward worden met selderij.

 

Cimicifuga is afgeleid van Latijn cimex: een vlieg, fugo: wegjagen, de onaangename geur van de bloemen zou vliegen wegjagen. De plant geurt behoorlijk en zo worden de stinkende wantsen door stank verdreven. Kever- , insecten- of luizenkruid.

 

Cinchona is zo genoemd naar de Gravin del Chinchon, de vrouw van de Spaanse onderkoning van Peru, 1628-1639, die van koorts was genezen door deze plant.  De boom staat bekend in Peru, in de Quechuataal, als quinaquina, waarvan de naam kinine is afgeleid.

 

Cinnamomum. Kaneel heet in midden-Nederlands van 1200 canele en dit stamt uit Frans cannelle van de 12de eeuw, wat weer stamt uit midden-Latijn cannella en dit uit Latijnse canna: riet (stengel) en is zo genoemd naar de vorm (pijpjes) van de gedroogde schors. Kaneel is afkomstig uit de binnenbast van de scheuten en takken. Die bast pelt gemakkelijk af waarna de kaneelstrips rond een dunne stok worden gewonden en de buitenbast verwijderd wordt.

Cassia moet al wel 216 v. Chr. een belangrijke specerij zijn geweest in China. Toen werd de provincie Kleilin gesticht, wat cassia-woud betekent. De naam van de rivier de Kwei wordt vertaald met cassia rivier. De mensen van Assam zijn bekend als Khasi en tot aan deze tijd worden de bergen Khasi Hills genoemd. Waarschijnlijk gaf deze specerij aan de oude handelspost van de zijderoute, Kashgar, zijn naam en tevens aan de N. Indische stad Kasjmir.

Cinnamomum camphora, kamfer. Het heette in oud-Indisch karpura, (nu karpooram) Maleis kapur Baru: Barus kalk, vanwege zijn witte kleur, (Barus was de haven aan we westkust van Sumatra waar buitenlandse handelaars kamfer kochten) later kappura waaruit over Perzisch/Arabisch kafur ontstond dat het grondwoord werd voor alle Europese uitspraken. In laat midden-Nederlands camfer in 1256 tot kamfer.

 

De vruchten van Circaea bezitten weerhaakjes en hechten zich aan voorbijgaande dieren en mensen vast. De plant is zo genoemd omdat de vrucht van deze plant de mensen vat en hen door dit middel tot zich trekt, zoals Circe dit gewoon was te doen met haar betoveringen. Cirke, of Kirke, was de tovenares die op het eiland woonde waar Odysseus schipbreuk leed. De betoverend mooie tovenares had zoveel aantrekkingskracht op de metgezellen van Odysseus dat die met haar meegingen waarna ze hen in zwijnen veranderde. En hier staat zwijn voor lustgrage mensen die aan niets anders denken dan aan hun genot. Heksenkruid.

 

Cirsium arvense. Akkerdistel, doornstiekel, heeft stekelige bladeren. Dikkop of breedkop, de opvallende bloempjes. Levert van de jonge bladeren een prima veevoer en wordt daarom, ossenstekel en paardenstekel genoemd.

Cirsium eriophorum. De wollige distel wordt mannentrouw genoemd. In de herfst wordt de slanke, onzekere stengel van de plant dor, breekt af en zo rolt de onthoofde kop over het veld, "een spel van de wind en vluchtig" als mannentrouw.

Cirsium heterophyllum. Het is de melancholiedistel, dit naar een gedeelte van een tekst uit Dioscorides dat de plantenwortel in de beenaderen die gezwollen zijn van melancholiebloed, helpt en heelt. Hier wordt het ook wel putterdistel genoemd, omdat putters en vinken vaak op deze planten gevangen worden, die daar zaden van eten.

 

Cistus. Rotsroos omdat de bloem wel wat lijkt op een roos, of een grote uitgave van het zonneroosje, met de groeiplaats.

Dioscorides vermeldt dat de boeren bij het krieken van de dag de geiten het veld in sturen die zich te goed doen aan de gewassen, aan deze struiken eten en zo hun sikken vol krijgen met deze gom. Tegen de avond worden ze door de boeren weer opgewacht die dan de sikken borstelen met een speciale kam en zo de laudanum verzamelen.

 

Citrus wordt zo citroen.

Grapefruit, de Engelse naam grape betekent druif, omdat de vruchten vaak gevormd worden in trossen van 3‑12 stuks als een druiventros.

De limoen heet zo naar het Arabische limun, dat uit het Perzisch limu en indirect uit het Indische limu stamt en daarmee is tevens de herkomst aangegeven, vandaar limonade.

Uit de Hollands pompoen en oud Javaans limoes, geleend van Portugees limao (de citrus) ontstond de Indische naam pomplemoose. Dit werd in Frans pamplemousse. Wij kennen de vrucht nu als de pompelmoes of pompelmous.

De naam pomerans gaat op Italiaans arancia terug dat met pomo: appel, toegevoegd werd, pomme d'orange, wat midden-Latijn pomarancia gaf en omstreeks 1490 pamarantze. Pomeranze is het sinds 1539. Curaćao, een Portugese naam, levert de pomerans van waar uit de schalen een likeur gebrand werd die Curassao heet. Het eiland is naar een citrusvrucht genoemd.

Oranjeappel. De naam begint in Dravische taal van de Malabarkust van India, narayam: gevuld met parfum en vandaar naran-kaj, (narayam: vrucht) dat aangenomen werd in het Sanskriet als narangah (Hindoe naam is narangi). Men had de vrucht vanuit India naar PerziĎ gebracht waar het narenj: bittere appelsien, genoemd werd. De Arabieren noemden het narang (narandsch) en daaruit werd het Byzantijnse nerantzion gevormd.

Reeds in W. AziĎ had de vrucht veel van de zoete geur en mooie kleur verloren die het eertijds in India bezat. De kruisvaarders ontdekten deze plant in Palestina. Bij de overgang in 1002 naar Europa, SiciliĎ, verbleekte de vrucht nog meer en het werd in Spaans naranja, Portugees laranja, Italiaans arancia en meloarancia, maar niettegenstaande ontstond de Franse naam pume orenge en pomme d'orange ca 1300, orange omstreeks 1393, naar de daar inlandse naam voor or, aureum of goud. De o is gevormd onder invloed van d.e naam van de stad Orange. Uit het Frans kwam de vrucht bij ons in 1512 en heette nu appel van oraengnen. Ca 1600 werd het orange. De oudere midden-Nederlands naam van de vrucht is echter de appel van aryangen, 1398. Dit is gevormd uit Italiaans arancia of midden-Latijn arangia. Vergelijk hiermee de nog Zuid Nederlandse naam aranjeappel.

De zoete oranjeappel of appelsien, appel-sina, -china is afkomstig uit het bergland ten zuiden van de Himalaya, Z. China.

Bergamotte wordt veel geteeld in ItaliĎ bij Bergamo.

De mandarinen zijn door de Portugezen in de Europese literatuur ingevoerd. Mandarinen was de oorspronkelijke Maleise betekenis voor Chinese staatsbeambten, (in het Chinees heet een mandarijn Kwan) Dit betekent dat van alle Citrus vormen de mandarijn het hoogste staat, zoals in zijn thuisland de mandarijn tot de hoogste staatsambtenaren hoort.

 

Claviceps. Moederkoren zijn roggekorrels die door een schimmel zijn aangetast.  Ze vormen een blauwe tot donkerpurper, van binnen roodachtig, en recht opgaande of wat gebogen, tot 4cm lange en 3-4mm worstvormige verdikking.  Na het eten van brood, waar deze korrels onvoldoende waren uitgehaald, verkreeg men hallucinaties. Tegenwoordig wordt er LSD uit gewonnen.

Al 1% kan tot vergiftiging voeren en in slechte jaren kwam er soms wel 30% voor in brood. Deze aantastingen kwamen vroeger veel voor. Door onwetendheid werden de blauwe korrels vaak met het meel vermalen. Om die reden was het bijzonder schadelijk voor de volksgezondheid. Door het eten van dit brood verkreeg men waandenkbeelden. Heksen en daardoor vervolgingen worden wel eens toegeschreven aan het gebruik van moederkorenbrood. Het teveel eten is bijzonder schadelijk, er zijn daaraan verscheidene mensen gestorven. Er wordt wel eens verhaald dat er meer mensen gestorven zijn aan moederkoren dan aan menige oorlog.

Nu is bekend dat het giftig is, toen men de oorzaak nog niet kende noemde men dit verschijnsel Ignis sacer: Heilig vuur, Pestis igniaria: Vuurpest, Mal des Ardens; zieke lucht en St. Antoniusvuur. In de 9de-13de eeuw heerste er onder geheel Europa en vooral in Frankrijk de pest, de Zwarte Dood. De aangetaste lichaamsdelen werden zwart en koud, het vlees viel van de botten en verpestte de lucht.

Omstreeks 1040 leed de zoon van een deze Gaston aan die ziekte. Zijn vader ging op bedevaart naar het graf van de heilige Antonius. Terwijl hij daar knielde kreeg hij een visioen. Hij moest een klooster stichten dat zich geheel zou bezig houden met de verpleging van de lijders van het Ignis Sacer. De edelman stichtte de order van de Antoniters die op den duur 300 kloos­ters bewoonden. De behandeling bestond uit wassingen met een preparaat dat vervaardigd was uit wijwater waarmee relikwieĎn waren gewassen en waaraan wat wijn en wat afschraapsels van de stenen van het heilig graf in Jeruzalem waren toegevoegd. In veel gevallen herstelden de patiĎnten, al of niet verminkt, van hun kwaal.

Dit kwam omdat de geestelijkheid door zadenreiniging meestal van vergiftiging verschoond bleef. Na hun toevlucht in de kloosters, waar de lijders een gezond brood kregen, herstelden ze zich snel en na thuiskomst was het weer spoedig hetzelfde. Achteraf herstelden ze niet van het water maar van het zuivere brood. Daardoor duurde het zo lang voordat men achter de oorzaak van de kwaal kwam.

De naam moederkoren is al zeer oud en stamt uit de Germaanse mythologie waar korengeesten of demonen kornmutter of roggenmuhme heten.  Als de wind door de rogge gaat, dan rijdt de korenmoeder over het veld zegt het volksgeloof. De zwarte roggekorrels die men oorspronkelijk korenmoederkoorn, Kornmuhme, Mehlmutter, Kornmutter, noemde, waren heilig. Daarom ontstond de afkorting moederkoorn.

 

Claytonia.

 Het vlezige blad is schotelvormig en vandaar schotelkruid, winterpostelein, familie van postelein en blijft lang groen.

 

Clematis flammula, wat brandend betekent en vandaar vuurkruid, vlamkruid of brandkruid. Als je een blad neemt met een hete zomerse dag, het verwondt en het in je neusgaten stopt weet je waarom het vlammend genoemd wordt.

Clematis vitalba. Een andere naam voor de bosrank is lierelei en deze naam heeft iets zingend in zich. Juist door deze plant is het dan ook gekomen dat de nachtegaal 's nachts zingt. Die had vroeger eens geslapen in een boom waarin de bosrank groeide en door die snelle groei had de plant zich 's avonds om de poten van de vogel heen geslingerd zodat die tegen de morgen niet meer weg kon vliegen. Om dat in het vervolg te vermijden, zingt het 's nachts, "nie meer slape, nie meer, nie meer".  Lijnen of lijn komt van lier: binden, en dit van Latijn ligare.

Smookhout of vuurkruid. De oude holle stengel wordt in kleine stukjes gesneden door schaapherders en in pijpen gerookt.

 

Cleome. Kattensnor of spinnenbloem, bloemvorm.

 

Clerodendrum is afgeleid van het Griekse kleros: een kans of lot, en dendron: een boom. Het Grieks kleros is een stuk steen of hout waarop een naam werd aangebracht dat als lot werd gebruikt. Deze boom werd noodlotsboom genoemd omdat er twee soorten van waren, de een is goed en de ander slecht voor de mensen zodat men met ziekte geluk moest hebben of er blad van de goede boom geplukt was.

Pindakaasboom omdat de gekneusde bladeren sterk naar pindakaas ruiken.

 

Clethra komt van klethra, de Griekse naam voor de els, het is een verwijzing naar de veronderstelde gelijkenis van de bladeren. Het is de witte els, of elsbladige schijnels,

 

Cnicus benedictus. Benedictus stamt van het Latijnse bene: goed, en dicere: zeggen, de plant zegt dat hij goed is vanwege de geneeskracht, de plant is dus gezegend. De zegenrijke werking op het zenuwgestel. Daarom werd het Carduus sanctus of Carduus benedictus genoemd, de heilige of gezegende distel. Vandaar benediktenkruid.

 

Coccoloba, Grieks kokkos: bes, Latijn lobus: gelobd, een gelobde bes, een verwijzing naar het eind van de peervormige vruchtaar.  Olifantsoor, de bladeren, stranddruif, zeedruif, groeiplaats en vruchtvorm.

 

Cochlearia stamt van Grieks kochliarion: lepel, in Latijn is dit cochlea, de grondbladen zijn gewelfd als een lepel, lepelkruid.

Het blad van vele aan de kust groeiende kruisbloemige had een goede werking tegen scheurbuik  om welke reden de plant in oud Nederlands en Engels scurvy gras(s), scurby wurt en in Duits Skorbutkraut of Scharbockskraut genoemd werd. Een naam die afgeleid is van het Hollands of Fries.

In de middeleeuwen heette het Brittanica. De legioenen onder leiding van Julius Caesar, in zijn campagne om de Rein, zouden de kennis van dit kruid van de Friezen geleerd hebben toen ze gered werden van scheurbuikachtige ziekte.

Plinius verhaalt in zijn 25ste boek, 3de hoofdstuk, over een ziekte in Nederland waartegen de Friezen een plant gebruikten die ze brittanica of vibones noemden. Die ziekte is kennelijk scheurbuik. Deze plant zou de Vera antiquorum herba brittanica zijn die door de oude bewoners van BrittanniĎ aan de krijgslieden van Caesar gegeven zou zijn als middel tegen scheurbuik.

Het  antischeurbuikkruid was bekend onder de naam brittannica. Dat woord zou afgeleid zijn uit het oud Friese brit en nica. Scheurbuik is een aantasting van het tandvlees, waardoor de tanden eruit vallen. Brit: zou dan iets betekenen van wat dreigt weg te vloeien en samengehouden moet worden, tan: is een afkorting van tand en hica: is uitwerping. Brittannica, het kruid dat die uitwerping tegen zou houden en zo heet ook het eiland.  Volgens anderen was het een Inula die daarom door Linnaeus Inula brittannica gedoopt werd.

 

Cocos, Latijn, van het Portugees woord coquos, laat 15de eeuw, van coco: een grijnzend gezicht, zie Coco de clown. De Portugezen zagen een zekere gelijkenis in de basis van de kokosnoot, met de drie gaten, met de kop van een aap en noemden de boom daarom coquos.

Of dat de naam gegeven werd door Portugese zeelui die de noot, vanwege de drie kiemgaten, vergeleken met de ogen en de neus van de zeekat, Macocco. Het Griekse kokkos betekent vrucht. Kokosnoot.

Copra of kopra stamt uit het Hindoe woord khopra of khapna: drogen, de gedroogde kokosnoot. Dit woord kwam via de Portugezen naar Europa. De copra is grondstof voor olie en zeepbereiding en wordt gewonnen uit het kokosvlees. Dat is na raffinatie geschikt als grondstof voor plantenboter en margarine.

Klappernoot, een verbasterde naam van het Maleise kalapa, is een naam die op Java reeds voor 1400 in gebruik was.

 

Coffea, koffie. Ook in ArabiĎ verdrong, volgens Abd-Alkader-Ebn-Mohammed, de uit AbessiniĎ ingevoerde drank een andere drank die kafta genoemd werd. Die laatst genoemde drank werd bereid uit de bladeren van de Cat . (Catha edulis)

Waarschijnlijk ligt hier ook de oorsprong van de naam. Caffa heet de drank in Z. AbessiniĎ, kaffa in EthiopiĎ. Ottomaans kahveh, Perzisch ghahveh, Arabisch qahwah werd in Turks coava, cavé, quahve of kahweh en dit bleef in vormen als caffe en cafe in Z. Europa bewaard. Het Duitse woord café kwam uit Frans café in 1688 dat nu cafeier is. Arabica-Kaffee, Bergkaffee.

Eerst was de drank hier nog bekend als chaova en in 1598 al als coffe, in 1601 cahve, cauphe etc. In het Nederlands werd het koffie en in het Engels coffee waaruit ook het Russische kofe stamt.. Waar nu over café gesproken wordt is dit woord afkomstig uit het vroeger koffiehuis.

Uitgevoerd werd de koffie over Mocha en de Rode Zee, vandaar het Engels mocha sinds 1773 en zo mokka.

 

Coix. Lacryma‑Jobi betekent letterlijk jobs tranen, ook de naam jupiters-tranen komt voor of tranengras. Naar de glimmende zaden en Job XVI, 16 en 20. “Mijn gezicht is vol met tranen... Mijn oog vult zich met tranen voor God", Christustranen”.

Als een altijddurend zinnebeeld van Jobs droefheid hangen jaarlijks de grijze en glinsterende zaadkorrels aan deze plant met een trosje neerwaarts gebogen, als tranen.

 

Cola. Colanoten bevatten meer coffeēne dan de beste koffie. De colanoot is beroemd geworden om zijn medische eigenschappen, als zomerdrank en als lust verhogend middel. Ze werden door de slaven in BraziliĎ en andere landen geēntroduceerd. Kolanoot is nog steeds een ingrediĎnt in Coca Cola. De eigenschappen van kola zijn hetzelfde als die van cafeēne; ze veranderen enkel naar gelang de bindmiddelen die aanwezig zijn.

De zaden of noten bezaten dan ook een grote waarde. Ze worden al sinds onheuglijke tijden door de mensen gebruikt als ruil- en handelsmiddel. In begin 1800 kon men in Guinea voor 50 noten een vrouw kopen. Hier was toch ook sprake van inflatie want een 50 tal jaren later moest men al een paar zakken vol betalen. Het aanreiken van colanoten was in Afrika een verzekering van gastvrijheid en bescherming, zonder dat aanrijken was er geen handel mogelijk.

 

Colchicum, naar zijn groeiplaats Colchis in Klein‑AziĎ, ten oosten van de Zwarte Zee, GeorgiĎ.

Herfst‑tij‑de‑loos, behoort tot de tijdelozen omdat ze schijnbaar eerst bloeit en pas veel later, in het voorjaar, vrucht draagt. Het lijkt of de bloem niet aan tijd is gebonden.

De witte bloemen noemt men soms naecte vrouwen. In de herfst licht de herfsttijloos in het gras als een gloeiend vlammetje. De trotse en op Crocus gelijkende bloemen zitten laag bij de grond en gaan 's nachts en met regen dicht. Nooit was een bloem zo naakt. Ze komen zonder bedekking, zonder bladeren en paarsblauw van de kou naar buiten, reden waarom er allerhande vreemde namen aan gegeven zijn, als naakte mannetjes, vrouwtjes of juffrouwen, Franse dame sans chemise: dame zonder hemd, dame nue: naakte dame, cul tout nu: naakte achterste, veillotte: oude vrijster, naar de opvallende roze kleding of omdat ze laat bloeit.

 

Colutea komt van een oude Griekse naam, koloutea of koluo: afzetten of breken, omdat van deze plant verteld wordt dat het gewas sterft als de takken gesnoeid worden. Of het woord betekent, "ik maak gedruis" als een verwijzing naar het feit dat de peulen met kracht openschieten en dan lawaai maken. Als op de blazen gedrukt wordt geven ze een geluid, een krak, een zachte pop, het is de eerste popplant. Later worden ze rijper en meer luchtig.

Lombaardse linzen omdat ze uit Lombardije komen en een vlinderbloemige is. Seneboom naar de senneplant of Cassia.

 

Commelina is zo genoemd naar Jan (1629-1692) en Caspar (1667-1731) Commelin, Hollandse botanisten in het begin van de 18de eeuw.  Commelina heeft helder blauwe bloemen met twee duidelijk opgerichte kroonbladen en een staat naar beneden en is zo klein dat die vrijwel onzichtbaar is. Er waren drie broers Commelin, waarvan twee, Jan en Caspar bekend waren in de botanie. De derde broer stierf voordat hij iets voltooid had in de botanie. Zo noemde Linnaeus de plant naar de broers, de derde wordt vertegenwoordigt door het kleine bloemblaadje, de andere twee naar de grote kroonbladen.

 

Commiphora gileadensis. Balsem heet in midden-Nederlands van 1285 balseme, dit stamt uit Latijn balsamum en dat weer uit Grieks balsamon en dat weer vanuit een Semitisch woord, vergelijk Arabisch basam. In Latijn wordt de gom opobalsamum genoemd, de gedroogde vrucht carpobalsamum en het hout xylobalsamum. De pure en echte gom is tweemaal zijn gewicht in zilver waard. Struiken in cultivatie werden dan ook door wachters beschermd. Het was een embleem van Juda.

De gom wordt in de zomer verzameld als het bloedheet is. Met een scherp voorwerp worden er in de hogere delen van de stam insnijdingen gemaakt. De druppelende hars werd in doeken opgevangen of eraf gekrabd waarbij er zorgvuldig op gelet moet worden dat geen ijzer de bast van de heilige boom verwondde, dat zou de goden boos maken. Men snijdt de takken met een scherpe steen of scherp been. Die het met ijzer snijdt, versnijdt gelijk zijn krachten en zijn natuur. Ook moet de balm altijd getild worden door een christen, anders zou het niet werken.

 

Conium is afgeleid van Grieks kanao, konos of koneisthai voor wat in een kring ronddraaien betekent, een verwijzing naar de duizeligheid die optreedt bij het eten van deze plant.

Gevlekte scheerling, in midden-Nederlands was het sc(h)eerlinc en scarn in 1456 behoort tot het grondwoord skarn, in het Angelsaksisch scearn, wat mest of drek betekent. Dit is te vergelijken met Griekse woord skor, het Latijnse muscerda: muizendrek, de plant groeit graag op mesthopen of op de gemeste delen van de akker.

Dolle kervel, lijkt op peterselie of kervel maar heeft rode vlekken op de stengels, vandaar gevlekte scheerling, een kenmerk, herderspipen, de holle stengels.

 

Consolida. Riddersporen naar de uitstekende horentjes van de bloem die op de sporen van een ridder lijken.

Het is het St. Ottilia kruid.  De plant was gewijd aan de heilige Ottilie, beschermster van alle lijders aan oogkwalen. Haar beeld heeft 2 ogen op een boek die ze vanwege haar vader uitgehuild heeft.. Ze was de dochter van de graaf van Hohenburg en kwam blind ter wereld, maar kreeg het zicht op haar 14de levensjaar. Ze wil van een aardse bruidegom niets weten en wordt zo door haar vader vervloekt. Ze verlaat het slot, als de vader en de bruidegom naderen en zinkt ze in de aarde. Op die plaats ontstaat een bron. Balletjes werden van de bloemen gemaakt die om de hals gedragen als een voorbehoedmiddel tegen oogziektes dienden.

 

Convallaria, van het Latijnse convallis: vallei, en rica: mantel, aria: behorend bij, dit is een verwijzing naar de dichte bedekking die door de bladeren gevormd worden. Het lelietje der dalen is zo genoemd naar zijn oude Latijnse naam Lilium convallium. "Ego sum flos campi et lilium convallium" zingt het Hooglied van Salomon: "Ik ben een lelie der dalen". meibloempje

Men ziet de bloempjes veel in bruidsboeketten naar het volksgeloof dat het plantje geluk brengt in de liefde. Geliefden dragen het bloempje als corsage of in het knoopsgat mee. Zoals men elkaar hier met Valentijnsdag een bloempje schenkt zo geeft men in Frankrijk vrienden en bekenden op 1 mei een tuiltje van de muguets. Op het fete des muguets of la journee du muguet is dit een bloemrijk middel om de vriendschapsbanden aan te halen. Door dit algemene gebruik trekken hele gezinnen naar buiten om de bloempjes te plukken, weg te geven of te verkopen. Velen geloven dat de meisjes die op deze dag een bloempje kopen het hele jaar geluk zullen hebben.  

 

Convolvulus, winde, slingeroos, pispotjes, de bloemvorm. Bijgeloof, blindebloem, omdat men bij het afvallen van zo'n bloem blind wordt. Klockcruyt, of spuke (spook) bloem, pluk ze niet af, want dan zal er dezelfde avond een spook voor je bed zitten,

 

Corchorus, Grieks koreo: betekent purgeren en kore: een oog, de naam verwijst naar een beroemde kracht als oogheler, zo werd het gebruikt in de tropen.

Een kruidachtige die met zijn sterk gewelfde wortel in oud-Indisch jata heet, in Hindoestaans is het jhuta: kruis en in Sanskriet is het gat: een kruid met gewelfde wortels. Door bemiddeling van een Engels koopman in Calcutta, waar de Engelsen het jute noemden, kwam de vezel in Engeland, waarin 1832 de eerste jutespinnerij ontstond. In Duitsland, waar het later ingevoerd werd, sprak men eerst over Sdchute en nu Jute.

 

Cordia. In ItaliĎ heet dit gewas sebesteno en de vruchten sebesten, in het Latijn ook Sebestae die daar van Egypte droog gebracht worden net zoals hier te lande. Ook wordt er een soort van vogellijm van gemaakt.

De boom draagt een eivormige en oranjerode eetbare vrucht die gedroogd zwart zijn. De zaden kwamen gedroogd wel naar Europa en werden gebruikt bij hoesten en heesheid en werden bekend als zwarte borstbessen. Uit het hout, rozenhout, zouden mummiekisten van de oude Egyptenaren gemaakt zijn. Cyprushout of rhodoshout. Het hout is een van de beste om vuur door wrijving te maken.

 

Coreopsis is afgeleid van het Griekse koris: wandluis of teek, en opsis: gelijkend, het is een verwijzing naar de vorm van de zaden, vandaar de Engelse naam tickseed, onze wantsenbloem of luizenbloem.

Waarschijnlijker van het Griekse koris: een meisje, opsis: ogen, onze meisjesogen.. Als Linnaeus het van koris had afgeleid dan had de naam wel Coriopsis moeten zijn.

 

Coriandrum: Hier te lande wordt dit gewas meestal coliander, hieruit kwam het midden-Latijn Coliandrum. De vorm Coriander verscheen in Duitsland eerst na 1450 en is nu koriander. Terwijl een tweede vorm in het oud-Hoogduits Kullan­tar en in midden-Hoogduits Kullander, Kalanner, Goliander, Kaliander, Klanner en zo het midden-Nederlands kalader gaf.

Het bekendst zijn ze wel als geboortemuisjes, waar de aromatische zaden bedekt zijn met een suikerlaagje die daardoor eirond worden. Bij de meisjes zijn ze meer kogelrond gevormd omdat die komen van de ronde zaden van de anijs, bij een jongens worden korianderzaden, die een staartje hebben gebruikt.

 

Cornus is afgeleid van het Latijnse cornus: een hoorn, omdat het hout even hard en duurzaam is als hoorn. Kornoelje.

 

Coronilla, Latijn corona: kroon of krans, naar de kransachtige bloemenstand. Kroonkruid of kroonwikke. In de middeleeuwen heette het Securidaca of Pelucinos: bijlkruid.

 

Coronopus van Grieks korone: kraai, pous: voet, de bladvorm. Ravenvoet of kraaienvoet, varkenskers heeft wat de smaak van kers.

 

Cortaderia is een naam die afgeleid is van Cortadero, de inlandse naam in ArgentiniĎ. Of van het Spaanse woord voor snijden omdat de bladranden in sommige soorten pijnlijk gezaagd zijn.

Pampa gras, van Spaans pampa, meervoud pampas, van Quechataal pampa: een vlakte, een plant die groeit in de pampa’s.

 

Corydalis: van het Griekse korydalis: een leeuwe­rik. De spoor van de plant lijkt op die van de kuifleeuwerik. Bijna alle namen zijn aan vogels ontleend, onder andere haantjes, kippetjes en duifjes. De bloemetjes staan horizontaal op een dun steeltje en hebben de vorm van een vogeltje vandaar dat ook de naam vogeltje op een kruk nog wel eens voorkomt.

Holwortel wordt zo genoemd omdat de knolvormige wortelstokken in de bloeitijd komvormig zijn uitgehold.

 

Corylus. Turkse hazelaar, afkomst. De hazelaar, oud-Hoogduits Hasala, midden-Hoogduits Hassel, Hasle of Hasel, midden-Nederlands hasel, Angelsaksisch haesel of hesel en het Engelse hazel voeren op Germaans haslaz terug dat uit de Indo-Germaanse wortel qos(e)lo: hazelaar gevormd is. De naamverklaring dat dit een bosje vormt waaronder hazen legeren is niet juist, mogelijk omdat de manlijke bloeikatjes met de haas vergeleken werden. Of van Angelsaksische haes, wat bevelen betekent. De hazelaarstaf was daar een teken van gezag.

Corylus maxima komt uit Lombardije en vandaar uit foutief onze lambertnoot of lammertjesnoot, ook wel Italiaanse-, Roomse-, Lyoner- of Barcelonanoot.

 

Corynephorus. Buntgras of bentgras. De naam komt voor in de plaatsnamen Bentley, Bensted en Bentham, bij ons Bentveld wat stamt uit benetfelda, vergelijk oud-Saksisch Binitin: biezen, oud-Hoogduits Binuz, nieuw-Hoogduits Binse, oud-Engels beonet: riet. Zo is ook de streek Benderse genoemd naar een weide met buntgras en verder De Bente, Bentelo, Benthuizen, en mogelijk Buntschoten.

 

Corypha: Schaduwpalm, parasolwaaierpalm, de grote bladeren worden gewoven over mensen van stand. Tallipotboom, talipot is aan de Hindoe spraak ontleend, Sanskriet, en betekent ‘blad van de dadelboom’.

 

Cotoneaster komt van Cotoneum: Plinius naam voor de kwee, en aster: een verbastering van ad instar, gewoonlijk wordt dit gebruikt om een gelijkenis aan te duiden, literair, kweegelijkend. Dwergmispel, naaste verwant van mispel.

 

Cotyledon: een ronde schaal of navel, naar de holach­tige delen van het lichaam. Navelkruid naar de ingedrukte navelvorm van het blad.

 

Crassula is afgeleid van het Latijnse crassus: wat dik of vlezig betekent. Vetplant of dikblad.

 

Crataegus.

Crataegus crus-galli, Hanendoorn, -spoor, dit naar de mooie dorens.

Crataegus azarolus. Mispel met drie stenen.

Haghedoren of haagdoorn, meibloem, de bloem van mei.

 

Crepis in de betekenis van halfschoen, zool of sandaal, dit naar de vorm van het wortelblad. Mogelijk werd deze plant om bepaalde redenen, bijvoorbeeld onschendbaarheid of voetziekten, onder de voetzolen gedragen. Of in de betekenis oever, omdat paludosa en virens daar voorkomen. Pippau, naar de rietachtige bloemstengel,  pipa: riet, (vergelijk pijp) ippau komt uit het Slavische (Pools pepewa) en geldt vooral voor de verwante paardenbloem.

Streepzaad, naar de zaden of lange bladeren?

 

Crinum. In het Nederlands wordt het gewas meestal aangeduid als haaklelie. Die naam is afgeleid van het Griekse krinon: dat ook lelie betekent. De verwijzing naar dit bolgewas komt onder meer door de bloemvorm, die wel iets van een lelie heeft. Toch zijn ze niet aan elkaar verwant, lelie behoort tot de Liliaceae en Crinum tot de Amaryllidaceae.

 

Crithmum. Lobel noemt het ook zeevenkel en niet zeepostelein zoals sommige doen, in het Latijn Foeniculum marinum.

 

Crocus, ook het Griekse krokos betekent saffraan. Waarschijnlijk is dit afgeleid van kroke: een draad, naar de winning van saffraanstempels. Of naar zijn afkomst, de stad Coricus in Klein-AziĎ. De saffraan Crocus kan natuurlijk niet buiten de krokodil. Crocodil betekent crocus-vrezer, het creatuur vreest de plant omdat het een antimiddel bevat tegen zijn gif, wordt de krokodil naar een plaats gebracht waar saffraan groeit, dan zijn zijn krokodillentranen oprecht. In het Arabisch betekent het woord asfar: geel, en za'faran: met geel verven, Perzisch zaafer. In de Semitische taal is het een attribuut van en de morgen- en de avondzon. Van die taal is het Engelse saffron, het Frans safran en het Hollandse saffraan afgeleid.

Crocus vormen, grootbloemige tuinkrokussen, ideaal crocus of Hollandse crocus hybriden, heten in Engels Dutch crocus.

 

Crozophora betekent verf drager. Tournesol betekent zonnewende. Deze tournesol of tournesolsche lappen (tournefol en drapeaux) was een handelsartikel waarvoor we een paar eeuwen geleden nog voor een 100- 200 000, - gulden aan invoerden. Dit werd gebruikt voor het rood verven of smeren van de wereldberoemde kleine kaassoort die de naam had van Edammer roodkorsten. Het gaf de kaas de rode kleur en bewaarde die voor uitdroging omdat de kleurstof niet door de korst heendrong.

 

Cucumis is Latijn voor komkommer. Het woord is afgeleid van curvatura: omkromming, omdat de ranken zeer krom zijn.

Het Slavi­sche woord gurken of pluzern drong op verscheidene plaatsen het oosten van Duitsland binnen. In 1362 wordt al over de Kurke verhaald, later Gurke, Augurken. In 1582 verschijnt het Nederlandse augurk(je) In het zuiden en westen zijn, sinds de 13de eeuw, naamvormen ontstaan vanuit het Latijnse cucu­mer-eris als Kummerling, Kukummer, Kumkummer, Kummer, Kummern, Umurke, in de 14de eeuw cocumer dat in de 15de eeuw veranderde in het Franse concombre (onder cornichons verstaat men de augurken, van corne: hoorn, vruchtvorm) In het Nederlandse werd het couworde, cucumeren of couworde en tenslotte komkommer.

 

Cucurbita. Reuzenkalebas komt van Frans calebasse en dat van Spaans calabaza en dat stamt van Arabisch qar: pompoen, en aibas: droog. Pompoen, Engelse pumpkin is een verouderde vorm van het eerdere pompion in de 16de eeuw en dit van de in ongebruik geraakte Franse pompon, in de 15de eeuw pepon en dit van Latijn pepo (peponum) en dat van Grieks pepon: gekookt door de zon of rijp, dat gekort is van sikyos pepon, de rijpe sikyos, de naam van een meloen die gegeten werd als ze volkomen rijp waren.

 

Cuminum betekent voortbrengen omdat het kruid zeer krachtig zou zijn tegen onvruchtbaarheid. Volk etymologie verbindt het woord met de Perzische stad Kerman waar, zoals het verhaal gaat, de meeste van de oude Perzische komijn vandaan kwam. De Perzische uitdrukking "komijn naar Kerman brengen" is hetzelfde als water naar zee brengen. Van Kerman, plaatselijk "Kermun", zou "Kumun" en eindelijk "cumin" komijn gekomen zijn.

Vergelijk Carum, de karwij, wordt er veel mee verwisseld. Carum is inlands in tegenstelling met deze plant die gekweekt wordt in de hof wiens namen ze wel gekregen heeft, maar is dan veldkummel of witte kummel.

 

Cuphea komt van Grieks kuphos: gedraaid of bochel, het is een verwijzing naar de vorm van de zaadpeulen, of omdat de kelk een bochelachtige uitzakking vertoont. Lucifersplantje omdat de lichtrode kelkbuis eindigt op een donkere vlek, er zijn alleen kelkbladen en geen kroonbladen,

 

Cupressocyparis. In 1888 kwam op Haggerston Castle, Northumberland, het stuifmeel van de Cupressus macrocarpa op de vrouwelijke bloeiwijze van Chamaecyparis nootkatensis terecht. Dit leek volkomen normaal, ze behoorden toen tot 1 geslacht. Later bleek pas dat dit dus bastaarden waren. In 1911 ontstond op Leighton Hall, Welshpool, de kruising in omgekeerde volgorde. Hieruit ontstond x Cupressocyparis leylandii, Dall. Die werden gekweekt door C.J. Leyland, een zeekapitein die ze op zijn landgoed kweekte, Haggerston Castle, in Northumbria, 1888. De nootka cypres heet nu Xanthocyparis. Waar de Nootka cypres behandeld wordt als een Chamaecyparis wordt de naam van de hybride x Cupressocypas lelylandii en waar de Nootka cipres gezet wordt in Xanthocyparis, wordt het x Cuprocyparis leylandii. Leyland cipres

 

Cupressus. De naam cipres is ontleend aan oud-Frans cipres en dit van Italiaans cipresso dat uit Latijn cyparissus (ouder cupressus) stamt. De naam is net als het Griekse kyparissos of kuparissos, maar onafhankelijk daarvan uit een klein-Aziatische spraak overgenomen uit de gelijke Hebreeuwse betekenis gofer. Dat de cipres door Semitische landen naar Griekenland ingevoerd werd lezen we in de Griekse naam, kupros, cupar of cuper, in oud Hebreeuws gofer, (koper) Genesis 6: 14, zonder twijfel uitgedrukt. "Maak u een ark van goferhout". (Vergelijk Cyperus, van het Hebreeuwse kophur: hars)

 

Cuscuta. Schorfte, het is als schurft, dotter betekent tezamen gedraaid, vlasdoder. Vlaswarkruid, viltkruid, zijde op het vlas omdat het andere planten omspint als zijdehaar. Duivelsnaaigaren, het is duivelswerk..

 

Cyclamen. De namen varkensbrood is een vertaling van middeleeuws Latijn panis porcinus: varkensbrood,  omdat die dieren het eten. Is giftig, 10 gram zou voor de mens dodelijk zijn, voor zwijnen niet, wel weer voor vissen. H. Bock; ‘De naam van net gedachte aardrapen zijn al in tweede deel boven onder dat 19de kapittel der aardnoten beschreven, alleen wil ik hier iedereen waarschuwen dat ze deze ruwe bittere appel of raap niet voor zeugenbrood houden, dan geen zeug of ander dier of mens zal deze wortel graag als spijs gebruiken zoals ettelijke vals daarvan leren, daarom willen we zulke kruidmeesters deze rapenwortel graag zelf als spijs laten zodat ze ervaren wat ze kan en hoe goed ze te eten zijn’.

 

Cydonia is genoemd naar zijn inlandse plaats Cydon, nu Canea, te Kreta.

De door Etruskische bemiddeling van de Grieken ontleende Latijnse naam cotona, volks-Latijn codonea verschijnt in de 11de eeuw in oud-Hoogduits als Kutinna. Voor Griekse leenwoorden is het Latijnse qui een gewone schrijfwijze en vandaar de oud Hoogduitse vorm, sinds + 1100, Qitina, waaruit midden-Hoogduits Kut(t)en stamt, Frankisch quidena en midden-Nederlands quede of quee. Vergelijk oud-Hollands queen en Engelse quince, (Shakespeare quince in Romeo and Juliet iv,4,2: "They call for dates and quinces")

In Amerika is quince echter een scheldnaam, zoveel als zuurpruim, en kweene of kwee is bij ons een verachtelijk woord voor wijf, bij de Engelsen een hooggeplaatste vrouw, The Queen. Rauw zijn ze niet goed te eten, maar worden tot marmelade gemaakt wat een Spaanse naam is voor klaar gemaakt kweevlees.

 

Cymbalaria betekent bekken of boot, het blad is in het midden verdiept. Of naar de beweging van de bloemsteel na de bloei, die kromt zich van het licht af en lijkt zo op een gebaar van een trommelslager. Het heet bij ons cymbalaria van ItaliĎ.

De naarstigheid van de kruidbeminnaars heeft dit kruid hier te lande zeer vermenigvuldigd en namelijk te Delft in Holland is het door de hooggeleerde D. Willem vander Meer zo algemeen gemaakt dat er nauwelijks brug of enig stadsgebouw of oude muur is of het is daar sierlijk mee bekleed. Dus zal het mettertijd voor een inlands gewas mogen gehouden worden’.

In Brussel heeft het de naam van Plantje van Sinte Gudula of Sinte Goedeles plantje gekregen omdat men het op de kerk van St. Gudula altijd vinden zal en vandaar ook muurleeuwebek.

 

Cynara.         Kardoen komt van Frans cardon uit de 16de eeuw, van carde: stekelige bloemhoofden, van Provenćaals en Italiaans cardo: distel, van Latijn Carduus.

Artisjok is zo genoemd naar het Engelse model, artichoke en in de 16de eeuw artochokes wat weer van het Franse artichaut afgeleid is, wat weer van N. Italiaans articiocco komt wat ontleend is aan Spaans alcarchofa. Dit zou, volgens de oude schrijvers, een verbastering zijn van het Arabische alcocalos of al-charschuf (charsjof) of een verwijzing zou zijn naar de top die eruit ziet als een dennenappel. Of van Arabisch ardhischoke, ardi shauki , Arabisch voor gronddoren ardhi: aarde, schoki: doren, aarddoorn, vergelijk Duitse Erdschoke.

 

Cynodon, Grieks kyon: hond, odon: tand, de tandachtige afdruk bij de knopen op de wortelstok, hondsgras. Handjesgras omdat er meer aren bijeen staan aan de halm

 

Cynoglossum is een samengesteld woord, het Griekse kyon (in Latijn canis) is de bekende hond, en glosse is een tong en zo wordt het hondstong, het ruwe blad. Hondstong, omdat het de tong van een hond vastbindt.

 

Cynosurus, het Griekse kyon (Latijn canis): is een hond, met het woord voor staart: oura, is het een verwijzing naar de lange stoppelige bloeiwijze.

Kamgras en vanwege de stekelige aren die er als een (hanen) kam uitzien of omdat elk aartje aan de voet een kamvormig ingesneden bladachtige vergroeiing heeft

 

Of Cyperus stamt van Cypris (Venus) naar zijn minnedrift verwekkende eigenschappen. Of van het Hebreeuwse kophur: hars, dit naar de wortelstok van C. longus die in de parfumindustrie gebruikt wordt (vergelijk Cupressus) Of van een oud Grieks woord voor een bies, Juncus. Wilde galigaan als vervanger voor de echte galigaan, Alpinia.

Het papyrusriet werd het symbool van het Egyptische laagland. Het woord papyrus en dus ook ons woord papier is afgeleid van het oude Egyptische woord "pa-per-aa": dat "van de farao of koninklijk materiaal" betekent. Via het Griekse papyros verscheen ons woord papier. De Egyptenaren hadden een monopolie van dit papier maar de FeniciĎrs beheersten de handel hiervan, via hun haven Byblus. Bij de Grieken kwam dit papier dan ook uit Byblus. Hun naam ervoor was dan ook byblus en vandaar kwam de uitdrukking biblion (boeken) en tenslotte onze naam voor het Boek der Boeken, de Bijbel.

 

Cypripedium: Kypris is een naam voor Afrodite of Venus, Cypres was de hoofdzetel van haar cultuur. Venusschoen, papenschoen, vrouwenschoen en Mariaschoen.

 

Cystopteris komt van Grieks kystos: een zak of blaar, pteris: een varen, naar de zak of blaarachtige bedekking van de sporen. Blaasvaren.

 

Cytisus. Brem, in midden-Nederlands bram en halfweg de 13de eeuw was het brem(me) vergelijk oud-Hoogduits Brema of Bram en oud-Engels brom, is ook verwant aan onze braam. Gram betekent in Hoogduits een priem of doren, is zo verwant aan braam. De basis lijkt een doornige of warrige struik te betekenen. Zo is het mogelijk dat plaatsnamen als Den Braam afgeleid zijn van brem of braam, zo ook Braamberg, Braambosch, Braamt, Brammelo, Brem, Brembosch en Brumholt. Bezems werden ervan gemaakt, bezembrem, bijenkorven, dakbedekking en als stro in de stallen gebruikt.

 

Daboecia is een vertaling uit de Ierse naam fraoch Da-bheog, (St.) Dabheog’s heather. Dat was een lokale naam volgens de ontdekker Edward Lhuyd. (1660-1709) St. Dabeoc was een missionaris uit Wales in Ierland. Van Lhuyd kreeg Ray te horen dat "bijgelovige jonge vrouwen twijgen van deze struik bij zich droegen tegen onkuisheid". Ierse heide of kruipheide.

 

Dactylorhiza Grieks daktylos; vinger, rhiza; wortel, verwijzing naar de vijfvingerige wortel, vandaar ook handekenskruiden, de knollen lijken op een hand met vingers. Vroeger werden ze geplaatst onder Orchis, maar die heeft twee ronde knollen. De middeleeuwse betekenis Herba quinque digitorum; kruid met vijf delen, Palma Christi; Christus palm, Pentadactilus; vijfdelig, Priapus en Satirior, zijn namen voor alle soorten met handvormige knollen, de namen zijn naar de vijfdelige knol. Adam en Eva, Kaēn en Abel naar manlijke en vrouwelijke bollen, als satyrsknollen.

 

Daphne:, de dochter van de riviergod Peneus die in een struik werd veranderd om aan Apollo te kunnen ontkomen en is daarom een teken van kuisheid. Peperboompje omdat de zaden in de mond branden als peper. Bij ons is de plant ook bekend als  blaarschors, omdat ze net als de Spaanse vlieg blaren op de huid trekt. Nederlands garouboompje, vergelijk het woord wat in Frans garoutte of garou, loup-garou bewaard is gebleven. Hieronder verstaat men een in wolf veranderde duivel in de betekenis weerwolf. De plant werd vanwege zijn giftigheid zo genoemd,

 

Datura komt uit het Sanskriet dhutra, waar het in Perzisch/Arabisch tatura werd, tatorali of tatorah is de inlandse naam in O. IndiĎ, wat samenhangt met het Turkse tat dat steken betekent. Of dat de naam via het Hindi dhatūrā  teruggaat naar het oud-Indisch woord dhattura, waarmee een plant met gestekelde vruchten werd aangeduid. Of van do of dare: geven, omdat het kruid door hoeren aan krachteloze mannen werd gegeven. Doornappel, dolappel, het gebruik en zo duivelskruid of duvelkruut, dit in Twente en omstreken. Het gebruik van Datura als magische plant was en mogelijk is er nog gewoon in de Caribben. Daar is het bekend als 'herbe aux sorciers' (herb of the sorcerers, tovenaarskruid) en 'concombre-zombi' (Zombiekomkommer). Die naam herinnert aan een sinister gebruik van de plant, literair zombificatie. Vooral misdadigers waren het slachtoffer van deze praktijk. Misdadigers die zich niet wilden verbeteren door andere middelen werden tot zombies gemaakt. Een sterk brouwsel die Datura bevatte met andere planten en de extreem sterke extracten van het puffer-fish gif (d-tubucucurine) werd aan hen gegeven. Daardoor werden ze afgestompt tot het punt van pseudo-coma om hun fysieke gevoelens te verdoven. In die staat is het voor een persoon onmogelijk om op enige stimulans te reageren, ofschoon ze zich er wel bewust van zijn. De toekomstige zombie wordt dood verklaard en in een kist geplaatst met een luchtbuis en de begrafenisceremonie wordt gehouden. Na een 3 dagen wordt hij opgegraven en krijgt weer een dosis. Dat gevolgd wordt door een ‘inwijding in het leven na de dood, waarin hij gehersenspoeld wordt volgens de regels van de nieuwe orde. Vanaf die dag krijgt hij geregeld een dosis Datura om zijn hynose staat te behouden. De geest van het slachtoffer wordt zo literair gedwongen om er uit te komen en er uit te blijven en de zombie verliest alle gevoel of zelf identiteit.

 

Daucus. Na de bloei krommen de bloemstralen zich naar binnen en vormen zo een kroon of vogelnest, kroontjeskruid. Karoton was een Griekse naam voor de gekweekte rode peen, van  het Griekse karotos: saffraankleurig. Uit het Grieks kwam de naam in het Latijn waar het carota werd. Zo kwam de naam in het Europese westen waar de lange o in zuid Nederlands karoot werd.

Peen heet het bij ons, enkelvoud pee, vroeger peeen, de grondvorm moet pede zijn geweest: wortel, stante pede?

 

Delphinium is afgeleid van het Griekse delphin: een dolfijn, een verwijzing naar de gelijkenis van de sporen met een dolfijnhoofd. Of naar Delphi waar zich het orakel van Apollo bevond, de plant was aan hem gewijd. De aan Apollo gewijde ridderspoor ontving de naam Delphinion: de bloem van de Delphische Apollo.

Ridderspoor, de blauwe kelkbladen lopen in een spoor uit.

Griekse staphys betekent een rozijn of gedroogde druif, en agria: wild, naar de gelijkenis van het blad met die van de druif. De zaden worden staverzaad en stephanskruid genoemd, die namen zijn uit staphisagria ontstaan. Luiskruid wordt gebruikt tegen luizen, giftig rattenpeper tegen ratten.

 

Derris, van Grieks derris: huid of leer, een verwijzing naar de leerachtige zaadpeulen die niet openen. Behalve als moorddadig vismiddel zijn de wortels in gebruik als uiterst doelmatig insecticide, het bekende derrispoeder. De Chinezen gebruiken het wortelpoeder al eeuwen lang voor de verdelging van ongedierte op het hoofd en kleren, tevens ter bestrijding van schadelijke insecten in de peper. Een aftreksel is een zeer werkdadig middel om aanplantingen van rupsen en andere schadelijke dieren te zuiveren. Bovendien hebben de planten er geen last van. Een dubbel zo sterk mengsel als voor de planten wordt aan honden gegeven om die te wassen als die last hebben van vlooien en teken. Alleen als de hond schurft heeft mag de derriswortel niet toegepast worden.

 

Deschampsia. Smeele, Duits heeft Rasenschmiele, Schmiele of Schmele dat van schmal is afgeleid, Middelhoogduits smelhe, waarschijnlijk naar uitstralende glans van bloeiende delen, schmelz: de glanzende. Zo heet Smilde letterlijk in smele. De plaats is gesticht midden tussen dit gras.

 

Descurainia. Sofiekruid. Sophie is afkomstig uit het Grieks, wat wijsheid betekent. Dit zou daarop slaan dat het kruid vroeger veel door heelmeesters gebruikt werd als wond helend middel en zo de titel kreeg van Sophia Chirurgorum of wijsheid der heelmeesters.

 

Dianthus. De eerste soort van dit gewas en de gewoonste wordt hier te lande keykens of tuiltjes genoemd al of men tuiltjes of bundeltjes of ook hoopjes van bloemen zei omdat deze bloemen veel bijeen plegen te groeien als in een hoopje, tuiltje of bundeltje verzameld. ‘Sweet St. Williams’, omdat ze bloeien op de feestdag van H. William van York. Het bloeit ook volop op de dag van een andere St. William, 25 juni. Dianthus barbatus kreeg zijn Latijnse naam barbatus, naar de gebaarde vorm van de bloem. De karthuizer anjer wordt niet genoemd naar zijn vindplaats, maar naar Frederik en Johan Karthauser, botanisten/kloosterlingen. De tweede soort van anjers die in Nederland pluymkens of pluimpjes heten naar hun mooie bloem die zeer gesnipperd en als pluimen of veertjes van vogels klein doorsneden zijn wordt om dezelfde oorzaak in Hoogduitsland ook Mutwillen of Hochmut genoemd en daarom ook in het Latijn van sommige Superba al of men hoogmoedige bloem zei.

Van de 7de tot de 13de eeuw werd de naam nagelkruid gebruikt voor de specerij groffelsnagels of kruidnagels naar de gedroogde bloemknoppen. Van de specerij is de naam in de 15de eeuw op de tuinanjer overgegaan vanwege gelijkheid van geur en bloemvorm, Dianthus caryophyllus, ginoffel of groffelbloemen. De naam anjelier is een uitsluitend Nederlandse naam. Het komt in oudere vormen al in laat midden-Nederlands voor als angiere of angeliere, die men van de Italiaanse plaats­naam Anghiera, thans Angera, afleidt. Het betekent zoveel als engelkruid.

 

Dicentra. Vele namen heeft deze plant gekregen door de vorm van de bloemen, bijvoorbeeld Mariahartje en Adam en Eva. In het buitenland werd het wel Volendammertje genoemd, naar de vorm van die broeken,  Dutch of Dutchman’s Breeches, gebroken hartje, Mariatranen of druipend hartje.

 

Dictamnus. Het mooiste van deze plant, waar het zijn naam aan te danken heeft, vuurwerkplant of brandend bos dat het kruid op warme dagen een vluchtige aangename olie afgeeft die brandbaar is. De plant kan dan het beste vlak voor de bloei in brand worden gestoken, onder de bloem dicht tegen de stengel aan de lucifer houden. Die brand is snel over en de plant heeft er zelf geen last van.

 

Digitalis komt van het Latijnse digitus: vinger, en achtervoegsel alis: achtig, de bloem lijkt op de vinger van een handschoen. Vingerhoedkruid. Verder komen voor: Judasbeurzen, slangenbloem, poppenschoentjes en pijpenkop.

 

Dimorphotheca. Het regenbloempje en Franse souci hygrometre. Wordt ook wel barometerbloem genoemd, in het morgenrood voorspelt ze het weer. Is de bloem 's ochtend om 7‑8uur gesloten dan komt er regen, gaat die open dan volgt er een dag met mooi weer.

 

Dionaea, de uit Dione, de moeder van Venus, geborene.

Venus vliegenvanger, ook wel Hollands vliegenvangertje genoemd omdat het telen van deze plant veel bekwaamheid vergde wat onze telers wel lukte Venusvliegenval.

 

Dioscorea. De naam yam stamt uit een Afrikaanse negerspraak, nyam. De negers brachten het gewas naar Amerika toen ze daar aan het werk gezet werden in vroegere dagen. Het woord werd gebruikt voor de echte yam of andere groot wortelende voedselplanten in Afrika. De Portugezen noemden het inhame, in het Spaans ingame, wat door een Spanjaard veranderd werd in igname in 1534, oud-Engels, 1598, iniamo. De eindvorm yam werd in 1769 bereikt. Diosgine wordt gewonnen uit de knollen van bepaalde soorten van Dioscorea als Dioscorea villosa L. (wilde yams) die voorkomen in Mexico. Diosgene vormt een uitgangsmateriaal in de gedeeltelijke synthese van geslachtshormonen en anticonceptionele medicamenten. In de 18de en 19de eeuw werd de wilde yam gebruikt bij menstruale krampen en problemen bij geboorte. Ze ontdekten vervolgens een stof die de farmaceutische wereld op zijn kop zette. De knollen of vlezige delen bevatten diosgenin die gebruikt wordt in de productie van de hormon progesteron. Diosgenin heeft een sleutelrol in het maken van hormonen en ontwikkeling van de pil  verder voor menstruele krampen, morgenziekte bij in verwachting zijn, menopauze symptomen, osteoporose en dergelijke.

 

Diospyros. Diospyros, hierin zit het woord dios: goddelijk, en pyros; peer, of puros: tarwe, letterlijk een goddelijk voedsel.

Lotusboom, Engelse date plum, uit Perzisch Khormaloo; dadelpruim naar de smaak van de vrucht die op pruim en dadels lijkt.

Deze soort zou vermeld zijn in de Odysseus die zo heerlijk was dat ze hun land vergaten, de lotus-eters. Zie Cordia.

In oud-Egyptisch, wiens klinkers we niet kennen, heet het hout hbnj, (in Arabisch en Turks is het abenos, in Hebreeuwse Eben: steen, ebenezer: steen van mijn hulp) dit woord werd tot Grieks hebenos of ebenos en dit tot Latijn (h)ebenus. Vandaar stamt laat oud-Hoogduits Ebenus, midden-Hoogduits Ebenus, het Hebbenholtz van Luther in 1532 1 Kon. 10: 11 en zo werd het Ebenholz of Ebenaster, in Nederlands ebbenhout.

 

Dipsacus is een woord dat afgeleid is van het Griekse dipsao: dorst, een verwijzing naar de holte die gevormd wordt door de bladeren, vergelijk diabetes met een symptoom waarvan men ook dorst krijgt. De bladeren verenigen zich stengelomvattend en vormen zo een dauw/regenreservoir, vandaar dat dit lijkt op een badkuip, het is de Venuswasbekken. De holte werd vergeleken met het bad van Venus. Kinderen nemen van dit water met de toppen van hun vinger en maken het kruisteken. Dit vocht heeft, naar het volksgeloof, de kracht van wijwater. Wie er zich mee het gelaat wast, wordt schoon indien hij jong en jong indien hij oud is. Aan dat Venuswater werden wonderbare werkingen toegeschreven, het zou bijvoorbeeld wratten wegwerken en vlekken, gold als cosmetica en als kuur voor ontstoken ogen. Daarmee werd het wol of katoen gekaard, kaardenbol, kaardendistel. Ons kaarde of karde kwam in midden-Nederlands als caerde voor in 1293-94. Het oud-Saksische Karda betekent kaardendistel en dit woord stamt eveneens uit volkslatijn Carduus: distel. Van de kaardendistel ging de naam over naar het nagemaakte werktuig waarmee de doekmakers de wol uitvlokken, de ijzeren wolkaarde. Kaarden heeft nu de betekenis van kammen.

 

In de Griekse mythologie betekent dodeca: twaalf, en theos: god, samengevoegd wordt dit Dodecatheon, wat de bloem van 12 goden betekent. In de oudheid was de twaalfgodenplant een beroemde plant waarbij uit een gele wortelstok zeven op sla gelijkende bladeren zouden groeien, wie deze bladeren at zou van alle kwalen genezen. Zo werd de plant het zinnebeeld van de 12 voornaamste goden en godinnen.  Linnaeus heeft het kruid de naam twaalfgodenkruid gegeven omdat deze plant op elke steel minstens 12 bloemen heeft die neerhangend een vergadering van de goden zouden voorstellen. Symbool voor "je bent mijn afgod".

Vallende ster of shooting star wordt het in de volksmond genoemd omdat de bloemen vol beweging lijken, net als de meeldraden die in 1 punt samenkomen waarbij het lijkt of ze zo weggeschoten kunnen worden, de bloembladen vallen erachter, als de staart van een komeet. Amerikaanse primula.

 

Draba. Hongerbloempje of taskruid,  het zachte plantje groeit op arme, uitgehongerde gronden, bij een talrijk optreden was het vroeger een zeker teken van hongersnood. Vroegeling omdat het zo vroeg bloeit. De bloemen kunnen zich met slecht weer zelf bestuiven, zelfs met gesloten bloemen. Armoedje, armoe, kommerbloempje, magermannetje en grutjes.

 

Dracaena is genomen van het Grieks drákaina: een vrouwelijke draak en wel hierom, als de drakenboom verwond wordt levert het een melkachtig rood sap dat na gedroogd te zijn een harde gom wordt die dezelfde samenstelling en vorm heeft als de substantie die drakenbloed genoemd wordt. Dit roodachtig sap wordt bij de verfindustrie gebruikt. De ouden geloofden dat in de vrucht een draak besloten lag die door verwonding dit rode sap zou leveren en bij oude afbeeldingen zie je dan ook een klein draakje afgebeeld op de vrucht of het blad staan.

 

Dracunculus wordt naar zijn verschrikkelijke steel die de gedaante van het vel van de adderslang heeft drakenwortel genoemd’

Slangenkruid, naar Plinius heet de plant zo omdat de wortel als een draak samengerold is en komt in de tijd als de slangen uit hun huiden kruipen, het voorjaar, en verdwijnen als ze zich terug trekken.

 

Drosera komt van het Griekse drosos, droseros: dauw of bedauwd, een verwijzing naar de glinsterende dropjes op de haren van het blad. Zonnedauw van de dauwachtige vochtigheid die men op de bladeren van dit kruidje vindt terwijl dat de zon aller heetst steekt en schijnt. Vliegenvangertje. Toen bekend werd dat ze insectenetende gave had was dit een schok voor de romantische mensen die de natuur als een onschuldig en vriendelijk schepsel hielden.

 

Dryopteris. Mannetjesvaren of varenmanneke, de tegen gestelde van varenwijfje. Bosvaren.

 

Ecballium. Ezelkomkommer, spring of spuitkomkommer,  kruidje roer me niet omdat als de komkommers maar eens aangeraakt zijn als het zaad rijp is open springen.

 

Echinacea, Griekse echinos: egel, Latijnse achtervoegsel aceus: achtig, is een verwijzing naar de bloembodem die bezet is met stekelige stroschubben.

A. Vogel ontdekte bij de Sioux-indianen deze plant die ze tegen verschillende ziektes gebruikten. Het is een echte indianenplant, zijn hoofd is getooid met een vederbos. Vogel begon er in Europa mee te kweken. Onder de naam echinaforce is het nu als geneesmiddel in de handel met een in- en uitwendige weerstand verhogend werking.

 

Echinops, dit woord is afgeleid van Grieks echinos: egel, opsis: erop gelijkend, een verwijzing naar de ronde doornige hoofdjes. Roomse distel komt uit ItaliĎ

 

Echium, de naam komt van het Griekse echis: een adder, omdat het zaad op een slangenkop lijkt. Of van viper, adder, Duits Natter, omdat de vrucht op de kop van een adder lijkt, eventueel van de gekromde wortel. De buiten de kroon uitstekende stijl doet aan een slangenkop denken vooral omdat die stijl ook uit twee stempels bestaat. Eventueel nog vanwege de gekromde wortel. Slangen of adderkruid.

 

Dioscorides naam voor de wilde olijf was elaeagnos waardoor dit geslacht de naam van Elaeagnus heeft gekregen. Dit woord valt in tweeĎn bij vertaling, Griekse elaios: olieboom, en agnos: rein of kuis, de vruchten zijn olijvenvormig en de bladeren lijken op die van de kuisboom, Vitex agnus castus. Daarom wordt de plant wel oleaster genoemd, het is geen familie van de wilg en ook niet van de olijf. Olijfwilg.

 

Elaphomyces, Grieks elaphos: hert, mykes: paddestoel, werd door herten gegeten. Hertzwammen groeien meest op plaatsen daar de herten veel komen en zijn buiten bruin, aardkleurig en zo groot als een gewone kaatsbal, wat bultig en oneffen, het vlees is witachtig en binnen vol heel bruin zwartsel. In het Latijn heten ze Tubera cervina, in het Hoogduits eigenlijk Hirtz-brunst, in onze taal ook wel hertsspongien of hirten-spongie.

Naar Theophrastus en Matthiola komt de zwam voort door het op de grond vallende zaad van herten. Deze zwam zit onder de grond. Het is de hertenzwam of hertentruffel.

 

Elodea. Waterpest werd voor het eerst gesignaleerd in County Down in 1836, Schotland, waar het zich enorm snel vermeerderde, maar waar men het ook weer graag kwijt wou. In Ierland kwam deze indringer ook in 1836. In Schotland ontdekte Dr. George Johnston of Berwick het op 3 augustus 1842 in het meer van Dunse Castle in Berwickshire. De aandacht van verschillende wetenschappelijke mensen was erop gevestigd, maar verscheidene jaren werd er niets meer van gehoord. In 1841 werd het gesignaleerd door Miss Kirby in de reservoirs bij het kanaal bij Market Harborough, Leicertershire, Engeland, verstikte daar al spoedig de kanalen en waterwegen. Vissen was onmogelijk. De Tweed zat er vol mee, gelijk kwam het in de Lene. Men verhaalt dat de rivieren, waar deze plant groeide, wel 30 cm hoger waren dan vroeger. Dat kwam doordat het de afvoer hinderde en het water niet weg kon. In 1858 was deze duivelse plant dik bezaaid in de Thames en blokkeerde hier en daar de vaarweg. Het bereikte zijn maximum in 1866 en 1874, dan begon het minder te worden.

In de Cam zou het uitgezet zijn om de groei te zien. De plaats werd gemarkeerd door een stok. Dan kon je het zo weer weghalen, maar van daaruit groeide het ontzettend snel en bedekte binnen een jaar de stok  en kon het niet in de hand gehouden worden. Zo was dat ook in Schotland het geval waar een kruidkundige meende dit te moeten laten zien en de plant naar een water bracht. De eigenaar heeft hem zelfs met het gerecht bedreigd. Dus zijn alle planten in Engeland waarschijnlijk afkomstig van 1 stukje plant die mogelijk als proef of waarneming ergens is geplant. Op vele plaatsen is het nu verdwenen en men zegt dat zwanen het eten en dit veroorzaken, mogelijk hebben die dieren het ook meegenomen.

Tegen 1850 kwam de plant in de handen van een kruidkundige uit Utrecht, die ging het herbaliseren en wierp hier en daar stukjes ervan in het water om te zien of het hier ook zo wilde groeien. Na 2 jaar waren de singels er vol van en viste men karrenvrachten op zodat het voor heel wat ellende en kosten gezorgd heeft.

Dit was nog niet genoeg, leerlingen van de voormalige landbouwschool te Haren brachten deze plant naar de sloten van Groningen, reden waarom het ook wel studentenroet genoemd werd.

 

Elytrigia. Led of lidgras, naar de knopen. Kweek werd ook wel hondsgras genoemd, Frans chiendent rampant, Duits Hundsgras, Engels dogs-grass (zie Roegneria) Culpeper verhaalt ervan als je het kruid niet kent wacht dan tot je hond ziek is, het zal naar dit gras toegaan en je er snel naar toe leiden en er zijn maag mee vol eten om zo tot braken te komen. Of het is een verachtelijke betekenis om de plant als onkruid te karakteriseren.

Het wordt van de landlieden in Brabant peen genoemd en heeft bij Lobel noch meer namen als peien of peyen. Pede: overal kruipend, verwant met Pfad (meervoud Pedi) en Padde: pad of Krote, Noord Duits Petten: treden, Pade, Padergras, Peyer, Peien, Platengras.  Kweek, quecke: levendig, kweek, vergelijk quick, midden-Hoogduits Quec: levendig, zo ook kweek. De Germaanse vorm is qiqa: levendig, fris of monter, vergelijk quicksilber, naar het taaie en moeilijk uit te roeien onkruid. Ze drukken allemaal hetzelfde uit, namelijk vlug, vief, zo vlug als kwik. Deze woorden stammen van een Indo-Germaans werk­woord giw: leven

 

Empetrum. Opvallend is de kraaiheide als de eetbare bessen verschijnen die zo zwart zijn als kraaien.

 

Epilobium. Bastaardwederik, dus niet de echte als Lysimachia. Wilgenroosje, de wilgachtige bladeren. Bliksemkroet of dondertoren, gebruikt in de kroetwusj tegen bliksem.

 

Equisetum van Latijn equis: een paard, en seta: een strong haar. Paardenstaart. De schadelijkheid wordt veroorzaakt doordat de stengels veel kiezelzuur bevatten, soms meer dan 70%, het kruid knarst bij kauwen. Om die reden werd het gewas vroeger ook gebruikt om ijzeren voorwerpen, als schoppen, schoon te maken. Ook werd het door schrijnwerkers gebruikt om te schuren. Schaafstro verkreeg om die reden dan ook zijn naam en ook schuurbies. Naaldekoker, de bladen of tanden staan bij elkaar in een kokertje en tussen de kokertjes staan de lange schachten. De namen roebol, ruigebol, ruwebolt zouden in dezelfde richting wijzen, bolt is een naam voor onkruid. De streek Roebolligehoek is ervan afgeleid. Paardenstaarten komen voor als een vrijwel onmogelijk uit te roeien onkruid, de zich vertakkende wortelstok kan wel 6m diep zitten. Op vochtige plaatsen, waar ze veel kunnen voorkomen of op slechte gronden, zijn ze schadelijk voor het vee. Ze werden dan ook wel unjer en in Duits Unger: duivel of spook  genoemd. Bij Kilian is het werkwoord ungheren Hollands en betekent toveren: ungher-hoere. Van ungher werd het tot eunjer en unjer. Er zijn dan ook unjerpaden, als vroeger in Zwaag, waar deze planten veel voorkwamen.

 

Eranthis komt van het Griekse er: wat voorjaar betekent en anthos: een bloem, dus een voorjaarsbloem. In Friesland komt de naam Aytty blomke voor. Dit omdat het vroeger groeide op de state Aytta bij Swichem in Friesland. Het is een van die mooie stinze planten. Winterakoniet is familie van de akoniet.

Erica, Latijn, is mogelijk afgeleid van het Griekse ereike of erico: breken, een verwijzing naar het breekbare hout, vergelijk oud-Iers froech, Litouws virzis: heide. De oude Grieken meenden dat dit op dorre bodem groeiend kruid de rotsen zou breken en het goud uit de diepte zou halen. Of omdat deze plant de kracht heeft de stenen in de blaas te breken. Heide, dopheide, de bloemvorm, zie Calluna.

Onder aan de stam van de boomheide ontstaat vaak een knolvormige verdikking, waarvan het hout zeer warrig gegroeid is en daardoor weinig onderhevig aan scheuren. Dit is roodbruin van kleur en zeer fijn van nerf, moeilijk ontvlambaar en laat zich mooi polijsten. Het wortelhout, racine de bruyere genoemd, Franse naam voor hei is bruyere, wordt gebruikt om er pijpenkoppen van te maken, het is het bruyere hout.

 

Erigeron van Grieks eri: vroeg, geron: grijs of grijsaard, kort na de bloei verschijnt een witte haarkroon, de vrucht. Vlokruid als middel tegen de vlooien. Grindkruid, middel tegen schurft.  Kruiskruid, de bladvorm. Fijnstraal de fijne lintbloempjes

 

Eriophorum, van Grieks erion: wol, en phoros: dragen, een verwijzing naar de zijdeachtige bedekking van de zaden. Wollegras, mattenvlas, dottergras, veenhamels, veenpluis, katoenbloem, mooren, flok, lok of vlokken.

 

Erodium. Erodium, is afgeleid van het Griekse erodios: een reiger, het is een verwijzing naar de overeenkomst van stijl en vruchten naar de bek en het hoofd van een reiger. In het oosten van ons land storksnavel naar de ooievaard, in Limburg harken of hanekam. In de folklore ook wel duvelsblom of duvelsklauwen, de naald, priem- of bekvormige vruchten deden denken aan de klauwen van de duivel.

 

Eruca.  Van Italiaans ruchetta en Frans roquette, (riquette) stamt het Nederlandse raket en rucola.

 

Eryngium is afgeleid van het Griekse eryganein: omhoog duwen, het zou winden en opgeblazenheid verdrijven, zou als boertjes verwekkend middel gebruikt zijn bij buikklachten.

Naar andere verklaringen is Eryngium met een Griekse woord voor lucht en een vogelnaam in verband te brengen, de wendehals, (Inyx) die ze naar zijn geroep zo genoemd hadden. De Inyx was de dochter van Peitho die door tovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel die als tovermiddel gebruikt wordt om liefde op te wekken. Men bond de vogel daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder het uitspreken van toverwoorden ronddraaide. Jason zou dit middel van Afrodite geleerd hebben en daarmee het hart van Medea gewonnen hebben.

Op een draaitol gebonden en omgedraaid gold die als een liefdesmiddel en vooral om ontrouwe mannen terug te voeren. Eryngium heet hiernaar zoveel als windvogel of winddraaitol naar het spel dat de wind met de afgestorven plantendelen speelt, vergelijk de naam werveldistel, Duitse laufende Distel en de Franse chardon roulant. Het is de oude mannentrouw, in het Duits Mannenstreu, hard ruw en stekelig, maar duurzaam in vorm en onveranderlijk van kleur. Door die vorm was het kruid vroeger het zinnebeeld van karaktersterkte. Vrouwen legden die in de bedde.

Wilde kruisdistel of veldkruisdistel heeft stekelige bladeren die altijd in een kruis staan, het is de kruis- of croes distel. De oude naam is croes, zodat het woord kruisdistel een verbastering is van kroesen, in de betekenis van gekroesd of ruig. Dit naar de stekels of pinnen op het blad, het is een pinnige plant. Naar zijn bladvorm wordt het gewas ook wel elandskruid genoemd. De tuimeldistel groeit op zand en langs wegen. De plant heeft de naam steppenheks steppenheks omdat de stekelige plant door de wind uit het steppenzand wordt losgerukt en met die heksachtig rond walst.

Een oud recept verhaalt dat begonnen moet worden om de wortel tenminste 2m diep uit te graven. De wortel groeit wonderlijk lang, soms 3m, en is bezet met ringen en cirkels. Het kruid wordt wel eindeloos of sonder eynde genoemd omdat de wortels schijnbaar niet eindigen.

 

Erysimum. Goudglanzende bloemen en vandaar goudlak.. Het is een echte ‘muurbloem, ontspringt uit de ruēnes en oude gebouwen, rots en klif.

 

Erythronium dens-canis. Hondstand omdat de vreemd gevormde witte wortels op de tanden van een hond of adder lijken, daarom ook wel addertong.

 

Erythroxylon. Coca is in Peru de naam voor deze plant en betekent de "plant bij uitnemendheid" omdat door het blad te kauwen alle vermoeidheid wegvalt en zware arbeid kan worden verricht.

 

Eschcholzia bedekte CaliforniĎ in zo'n overvloed dat de Spanjaarden dit land vuurland noemden of het gouden westen, het gouden westen is dus niet genoemd naar goudgravers. De Spanjaarden wijdden het gewas aan de heilige Pascuan wiens kleur geel was. De bloem komt voor in het wapen van CaliforniĎ. Chamisso bracht het plantje in 1815 mee en gaf het de naam naar de meereizende Dr. Eschscholtz. Alleen de Spanjaarden bleven bij hun mooie naam capa d'ora: goudmantel. Staatsbloem van CaliforniĎ. Slaapmutsje of knipmutsje, goudpapaver, dezelfde familie.

 

Eucalyptus. Deze geweldige bomen worden gebruikt als windbrekers.  Ook staan ze bekend als koortsboom, omdat ze aangeplant worden in de moerassen. Door hun snelle groei onttrekken ze veel water aan de grond die daardoor drooggelegd wordt en zo helpt de malariamuggen te verdrijven. Zo werden ze onder andere gebruikt bij het moerassige Campagna te Rome. Hoewel, in de eerste instantie werden ze daar geplant omdat men dacht dat hun geur de koorts of malaria zou verdrijven.

Sommigen hebben de namen van inlandse mahoniehout, pseudomahogonie. Het hout is soms zo hard en zo zwaar dat die in water zinkt.

 

Eucomis is een Griekse naam, van eu: prachtig, en coma: haar of een knotje, dus een prachtig knotje of mooi geknot. Dit slaat op de top van de bloemaar die versierd is met een knotje. Ook heeft het de naam ananasplant naar de overeenkomende vorm van de bloemaar. De ananasplant zijn vorm wordt vervolmaakt doordat de top een rozet heeft van een 20 kleine en groene bladeren.

 

Euonymus. Papenhout, is dan ook een kerkelijke plant en wordt kardinaalsmuts genoemd. De vrucht ziet eruit als het vierkante hoofddeksel die we kennen als een kardinaalsmuts. Het hout is compact en kan zo fijn als haar gespleten worden. Het werd wel pennenhout genoemd en gebruikt voor schoenpennen en tandenstokers. De struik wordt ook wel luizenboom genoemd of rupsenboom omdat van deze plant de bladeren in de zomer nog al eens opgegeten worden door een spinselmot en wel zodanig dat de plant zonder bladeren staat. De plant herstelt zich door het St. Janslot en waterlot.

 

Eupatorium naar Mithridates Eupator, koning van Pontus die ongevoelig voor gif zou zijn door op zichzelf geregeld te experimenteren, een naam die slaap op Agrimonia eupatoria. Het is dus geen echt leverkruid, hepar: lever en vandaar boelkenskruid. Fuchs onderscheidde, door de toevoeging adulterinum, (wat overspelig als ook onecht betekent) onze Eupatorium van Agrimonia eupatoria. Andere schrijvers na hem dachten dat hij overspelig bedoelde en noemden de plant boelkenscruyt of hoerenkruid. Hennepkruid naar de bladeren. Ook de naam Koninginnekruid komt wel voor. Dit is ook niets anders dan een foutieve vertaling van het Duitse Kunigundekraut naar de vrouw van keizer Hendrik II, de later heilig verklaarde Kunigunde, patrones van zieke kinderen die zoveel genezingen op haar graf verrichtte.

 

Euphorbia. Springkruid, sporiezaad en springwortel en in sommige plaatsen van Vlaanderen spuergie. De naam springkruid komt omdat de zaden die in drievoudige huisjes groeien door de hitte van de zon als ze rijp zijn er uit springen.

Alle geslachten van dit kruid worden hier te lande met een algemene naam wolfsmelk genoemd naar dat melkachtig bitter en scherp op de tong bijtende sap wat uit alle haar delen met menigte vloeit als ze gekwetst of gesneden worden. Duivelsmelk. Wrattenkruid omdat het wratten verdrijft. Kroontjeskruid is een eenjarige die ook wel, omdat de bloemen naar de zon draaien, zon draaiende of zonnewende wolfsmelk genoemd werd. Daarom kreeg het de naam helioscopia, zonnekijker, van helioskopion, de zonstaarder van Dioscorides.

 

Euphrasia komt van Grieks voor verlichten, naar de fabel dat het blindheid kon genezen. De genezende eigenschap zou door zwaluwen ontdekt zijn die er hun jongen mee voerden als die last hadden van zere ogen. Dit werd door de mensen gezien en nagevolgd. Dit vooral omdat de donkere vlek midden in de bloem op de menselijke pupil leek, ogentroost. Het kruid werd melkdief genoemd. Het is een half parasiet die de grassen in zijn omgeving uitzuigt zodat op plaatsen, waar het voorkomt, de beweiding minder is en daardoor de melkopbrengst.

 

Fagopyrum, van Fagus: de beuk, en puros: tarwe, naar de overeenkomst met beukenzaden die ook wel boekenoten genoemd werden.

Boek of bok en Buckenweide, midden-Nederlands boecweit en Engelse buck-wheat dankt het aan de vorm van de zaden die aan beukenoten herinneren en weit, wheat: tarweachtige smaak van de korrels. De naam bok is omdat het graan inferieur is aan tarwe. De streek Weite bij Vlagtwedde is ernaar genoemd en zo ook Weiteveen. Het woord grutten komt via het Duitse Grucken van het Russische greca, grecucha: in de betekenis van Grieks koren, dat is een vreemd koren.

 

Fagus. De naam beuk is in alle Germaanse spraken terug te vinden. De oud-Germaanse boom naam zit ook duidelijk in de betekenis silva Bacenis (=beukenbos, spreek uit Bakenis) zoals Caesar het uitgebreide woudgebied van GermaniĎ noemde dat de Cherusken en Sueven scheidde (mogelijk de Harz) De overeenstemming van de Germaanse bok en het Latijnse Fagus verklaart zich het eenvoudigst als men buche van de grondafleiding van het Indo-Germaanse bhaug aanneemt. Dit woord werd door de Germanen en Romeinen, het verspreidingsgebied van de beuk, behouden. Uit deze taalgrond besluit men dat de oermat van de Indo-Germanen, een omstreden vraag, westelijk aan de linie Konigsberg-Warna (bekend als de oostgrens van onze beuk) in Midden Europa te zoeken is en dat de Blaten, Slawen en Indo-Iraniers bij het overschrijden van die grens de naam van deze boom op andere boomsoorten overdroegen.

De Latijnse naam van boek, liber, betekent boombast die de Romeinen voor de schrijfstof van de oudste en nog ongecultiveerde tijd hielden. Dit is nog te zien aan het Franse woord voor boek: livre.

We spreken nog over de bladen van een boek als bladeren van een boom. Het woord folio is afkomstig van latijn foli­um: een blad. Draai de bladen om, snij de bladen in etc. Die tafels werden buche genoemd. Door het samenbinden van meerdere tafels ontstane schriftstuk werd dan ook buchen genoemd en de naam buch bleef behouden als in de plaats van de houttafels het perkament optrad. Het hout van de beuk of boek werd gebruikt om de bladeren samen te binden tot een boek. De boekdrukkunst zou door Laurens Jsz. Koster te Haarlem uitgevonden zijn omdat hij op de stam van de beuk, (boek) letters kerfde, de letters van de stam haalde en ontdekte dat die een afdruk vormden op de grond en zo op de gedachte kwam om die letters als zetmateriaal te gebruiken.

Ook de fagot is uit Latijn Fagus ontstaan. Het houtblaasinstrument kwam via Italiaans fagotte, Frans fagot tot Duits Fagott.

 

Ferula assafoetida, de laatste naam betekent stinkend, duivelsdrek.

 

Ficus. De naam vijg zou afgeleid zijn van Ficus, die weer afgeleid zou zijn van de Hebreeuwse naam fag en heeft in vrijwel alle Europese talen dezelfde naam.

 

Filago. Viltkruid, het wol op de bladeren. Roerkruid geneest de rode loop, Duits Rure.

 

Filipendula: Reynette, Roynette of Regina prati in het Latijn genoemd, dat is koningin van de weiden, omdat ze zo fraai en sierlijk in de velden en weiden staat. Geitenbaard omdat zijn takjes met veel bloempjes bekleed zijn en vast bijeen gedrongen, van gedaante gemaakt als een lange geitenbaard en van kleur sneeuwwit met wat mooi rood gemengd. Moerasspiraea is nauw verwant met Spiraea. Knolspiraea naar de vele kleine knolletjes die aan draden hangen.

 

Foeniculum komt uit een Latijns woord voor hooi, dit vanwege zijn geur. Onafhankelijk van het eerste woord kwam het via de latere Latijnse vorm feniclum tot ons en gaf in oud-Hoogduits Fenih­hal of Fenich tot Fenchel, in het midden-Hoogduits werd het Ven(i)chel en in midden-Nederlands verscheen venekel, venecal was het halfweg de 13de eeuw. Bij Dioscorides heette het marathon, naar het slachtveld waar de Grieken, 490 v. Chr. een overwinning behaalden op de Perzen, dus een slachtveld op het venkelveld. Het Griekse marathon komt van maraino: dun groeien, venkel zou vermageringskwaliteiten hebben. De Griekse atleten gebruikten venkel als voedsel bij hun olympische spelen omdat het sterk maakt zonder dik te worden.

 

Fragaria. Ons woord aardbei is oud. In 1597 komt het, naast de oude aardbezie en midden-Nederlands erdbeire, voor omstreeks halfweg de 13de eeuw omdat de plant dicht bij de grond groeit. Het woord bei komt echter uit het Franse baie wat uit Latijn baca, bacca stamt: bes, dus aardbes.

 

Fraxinus. Het is onze es. Dit woord verschijnt al in midden-Nederlands als esce en esch, in het Angelsaksisch als aesc, IJslands askr, Zweeds en Deens ask, Keltisch aesc: speer, waaruit het Engelse ash ontstond. In de 12-13de eeuw werd bij ons en Duitsland de a tot e en zodat het van ask, asc, asch tot Esch werd. Asc heet niet alleen de boom maar ook alles wat uit zijn hout gemaakt is zoals we zien bij de essenspeer. Dit wapen uit het Hildebrandslied heette askim skritan. Gebruiksvoorwerpen van alle dag werden zo genoemd. Noors ask: speer en schip, die hieruit gemaakt werden, de Vikin­gen werden naar hun gebruik wel esmensen genoemd. Bij Tacticus komt de naam Aciburgium voor en in het Oudhoogduits ‘Asckim’: "met de speren" in het Hildebrandslied 63. Dit zijn woorden die met het oud-Noors askr namen zijn die wijzen op een oer Germaans askiz. Het Germaanse woord askiz stamt uit Indo-Germaanse osk of osis. Het Latijnse ornus stamt uit osinos: wat wilde berges en speer betekent. Oer Keltisch komt onna voor. Deze naam is mogelijk een afleiding van de Indo-Germaanse naam voor de berk. Omdat de witte berk in Z. Europa niet thuis is verklaart dit het verdwijnen van de oude betekenis en de overdraging van de naam op die van de es in ItaliĎ, Fraxinus ornus, mannaes. Essleutels of vogelbekzaden, de vruchtvorm.

 

Fritillaria betekent dobbelbeker. Het woord is mogelijk verwant met Latijn fritinnire: sjilpen, en verwijst naar het gerammel van de dobbelstenen. Kievitsbloem heet zo omdat de bloei begint met de komst van de kievit en de gesloten bloem wel wat op een kievitsei lijkt, lichte vlekken op een donkere ondergrond. Slangenhoofd naar de bloemvorm.

Naar die kroon van bloemen is het de corona imperialis en onze keizerskroon. Ze wordt ook wel paasklok genoemd, de bloemen zijn als hangende klokken met bloei in de Paastijd.

 

Fumaria, van fumos: rook. Volgens Plinius heet het gewas zo omdat het waterachtige sap zo'n vloed van tranen brengt dat het gezicht verduisterd wordt, net als bij rook, aardrook. Soms wordt de plant zoals bij Dodonaeus en Dyetsche grisecom: genoemd, midden-Nederlands grijnzen of wenen, in BelgiĎ grijzekom, grijzekol, grijzende ogen en grijzorie, gebruikt bij oogziekten. Duivenkervel omdat het graag door duiven gegeten zou worden, in Drenthe duivelskervel, waarschijnlijk een vervorming van duivenkervel, zo vind je ook duwelskropf naast duivenkrop.

 

Gaillardia. Kokardebloem dankt zijn naam aan de kokarde. Dit is een onderscheidingsteken die gewoonlijk in de vorm van een strik, rozet of knoop in de nationale- of partijkleur wordt gedragen. Je ziet ze opgespeld aan de revers of hoofddeksels. Kokarde stamt van Frans bonnet a la cocarde waarin oud-Frans cocard, (coq: haan) ijdel betekent.

 

Galanthus van het Griekse gala: melk, en anthos: een bloem. Komt naakt uit de sneeuw, naakte wijfjes, sneeuwdruppel. In Vlaanderen komen we met de gewone naam ook enige vreemde tegen, onder andere juffrouwkens te Killaar en lichtmisbloem. Te Assche snottebel, te Exaerde spytsche duyvelkens, te Kortrijk vastenavondzotje, naakt mannetje en naakt naarsje, Spijtse duvelkens. Bij ons winterliedertjes, vroegopjes, morgensterretjes, februarigekjes en hanghoofdjes spreken voor zich.

De sporkelbloem van Kiliaen, van sporkelle, een letteroverzetting van sprokkelmaand, februari. Dit is in oud-Saksisch sprout-kele, van sprout: spruiten, en kele: kool, wat moes betekent omdat die in deze maand begint te groeien. Vastenavondzotje, naakte mannetjes, naakte wijfjes, maakte eerstjes, naakte naarsjes of nakende aarsjes die ongeveer in de vasten avond verschijnen als stille getuigen van het ieder jaar weer ontroerende: ‘es ist ein geist erwacht, der sich in Bluten nun will offenbaren’.

 

Galega, geitenruit, ruit omdat ze zo goed is tegen de pest als ruit en geit omdat die het graag eten.

 

Galinsoga. Knopkruid dit naar de kleine, witte bloemen met een geel hart. uitskruid, breidde zich vooral uit tijdens de oorlog 1940-1945, moffenkruid. Fransosenkruid stamt uit het Andesgebergte van Peru. Het heeft zich sinds 1812 uit de Botanische tuin van Berlijn over geheel Europa verspreid. In Kew was het in 1796 en in 1863 signaleerde men het kruid overal rondom Kew en Richmond. Vandaar werd het een lastig onkruid te Surrey in het begin van deze eeuw. Volgens anderen was de eerste plant in een Parijse plantentuin van 1794. Op een of andere manier kwam het in Duitsland, eerst in Karlsruhe waar het in 1805 werd opgemerkt  In 1807 was het al tot Oost Pruisen doorgedrongen en in de jaren 1890 - 1900 was geheel Midden Europa er mee geēnfecteerd. Het was in bepaalde Duitse streken nodig dat er wettelijke voorschriften in het leven werden geroepen om het plantje te bestrijden.

 

Galium. De namen klissen, kleef, kleefkruid, klet, kladders, klift, Jan plakan, Jan kleefan, kleverkassen, zijn een paar van de vele namen. Tongenkruid, voor dit laatste moet je eens een stukje stengel dwars over de tong halen.

Galium odoratum of woudmeester. De Duitse naam Waldmeister proclameert haar tot houtvester omdat ze daar te vinden is, hoewel, zonder iets van zijn werk over te nemen. Beweerd wordt dat een vrome middeleeuwse monnik zich ergerde aan de heidense naam vrouwe bedstro en dat hij er zich niet mee verzoenen kon dat de Christenheid, door de toevoeging Lieve, het profane probeerde te verbergen en zou de naam Waldmeister hebben ingevoerd. Die naam was de naam van tijm, meister betekent dan een geneeskrachtig kruid.

Lieve vrouwe bedstro is zo genoemd naar de legende dat Maria op een mengsel van deze plant en varens gerust zou hebben. De varens erkenden het kind niet toen het geboren was en verloren daardoor hun bloemen. Het bedstro verwelkomde het kind en bloeide daar en bevond dat zijn bloemen, ter eren van Christus, veranderd waren van wit naar geel.

 

Gaultheria. Bergthee, heeft zijn naam te danken naar zijn bladeren die gebruikt werden om er een thee van te bereiden, vooral na de beroemde Boston Tea party. Die thee is zeer aromatisch.

 

Genista tinctoria. De bloemen bevatten een gele stof die gebruikt werd om linnen geel te verven. Samen met de jonge takken werd een groene kleur verkregen, het zogenaamde kendall green, dat diende om het schijtgeel van de schilders te bereiden, verfbrem.

Brem, in midden-Nederlands bram en halfweg de 13de eeuw was het brem(me) vergelijk oud-Hoogduits Brema of Brimma en oud-Engels brom. Dit woord is ook verwant aan onze braam.

De basis lijkt een doornige of warrige struik te betekenen. Zo is het mogelijk dat plaatsnamen als Den Braam afgeleid zijn van brem of braam, zo ook Braamberg, Braambosch, Braamt, Brammelo, Brem, Brembosch en Brumholt.

 

Gentiana pneumonanthe. Herfstklokje of blauw lelietje, klokjesgentiaan, spade klokskens, de late bloei.

 

Gentiana cruciata. Kruisgentiaan heet zo omdat zijn bladeren kruisgewijs staan. De wortel is vingerdik en witachtig en tussen de wortels als met een speer, kruisgewijze doorstoken. De kruisgewijze doorstoken wortel was voor de mensen een groot raadsel. Men geloofde dat die door een vierzijdige speer ontstaan zou zijn die de Heer door de plant heen stootte. Madel- of modelger. De oud-Hoogduitse naam Madalger is van huis uit een aanname met Germaans mapla: verzameling, dat in Gotische mathl is, wat in het eerste lid voorkomt. Het tweede deel, de oud-Germaanse ger, betekent werpspies, zodat het woord de verzamelingsspeer betekent. Dit was oorspronkelijk een mannennaam die meerdere half godische helden gevoerd hebben. Mogelijk dacht het volk in heidense tijden aan een steek van een spies die op deze plaats gevoeld werd, wat in Christelijke tijd aan Petrus werd toegeschreven, Petersblume-wurz. Ze helpt tegen gif, tegen pest en liefdesverdriet.

 

Geranium. De gewoonste soort is in het volksgeloof aan de heilige Ruprecht, de schutgod van het huis gewijd. Robertskruid of brechtscruyt Deze plant wordt Roberts-, Ruprechtskruid genoemd naar de Heilige Ruprecht, dit vanwege zijn geneeskracht, jicht kruid. Een andere mogelijkheid is dat dit woord afgeleid is van ruber: rood, de roodglanzende, naar de kleur van de bloem of rode stengel en bladeren in de herfst, herba ruberta of herba rubra: rood kruid, wat verbasterde tot Robert. De naam zou ook afgeleid kunnen zijn van het oud-Hoogduits Hruotperath of Ruodpertht, hruod: roemglanzende, vanwege de roem als geneesplant waaruit later Ruprecht, de beschermgod, tevoorschijn kwam en zo de Heilige Ruprecht.

In Engeland is de afleiding anders dan de Duitse en Hollandse naam en naar andere Roberts genoemd.

1) Robert, hertog van NormandiĎ.

2) St. Robert, stichter van de Cistersche orde wiens feest is op 29 april als de bloem begint te bloeien. Is dit St of Saint Robertus, Franse geestelijke en stichter va de Karthuizers die stierf in 1067?

3) Of dat het een ziekte geneest die ruprechtsplaag genoemd wordt, dit naar de eerst genoemde

                                                                   

Geum.

Het woord Geum kan ook afgeleid zijn van het Griekse geuo: ik proef of geur, naar de aromatisch anjerachtige smaak van de wortel. Vandaar de in de Renaissance en glossaria van de middeleeuwen gebruikte naam Caryophyllata (anjer of kruidnagel). Hiervan stammen ook vele andere namen af als anjerkruid, gariofilaet, gariofelcruyt of gariofilata omdat ze ruikt naar groffels (kruidnagels) Ook de naam nagelkruid heeft het gekregen omdat de wortels naar kruidnagels ruiken of omdat de vruchten op nagels lijken.

 

Mos, midden-Nederlands mosse  is ontleend aan Frans mousse: mos, het Angelsaksisch mos en Engelse moss komt overeen met het Germaanse meusa of musa. Oer verwant zijn oud-Slavisch muchu: mos, Litouws musai: schimmel en Latijn muscus: mos. Dit woord komt veel voor in de betekenis met moeras. De woorden stammen van een Indo-Germaanse betekenis meus, van een basis meu: damp.

 

Glaux. Melkkruid of moederkruid. De naam zou gegeven zijn door de eigenschap van de plant om de afscheiding van melk bij zogende vrouwen aan te zetten.  De naam zemel‑kruid  is mogelijk een verbastering van zee‑melkkruid.  Zoutkruid,

 

Glechoma. Aardveil, veil is de naam voor klimop en datzelfde zal ook wel onderhave betekenen. Hondsdraf want het draaft door de tuin.

 

Glyceria betekent zoet. De plant levert dan ook een soort manna, wat in Polen veel verzameld werd op de moerassige en drassige gronden, het wordt daar mannagrutzen genoemd. Dat manna wordt verzameld door met een zeef tegen de rijpe pluimen te slaan waardoor de zaden vanzelf in de zeef vallen. Hierna wordt het opgeslagen in manden en op droge plaatsen neergezet omdat vocht het manna spoedig bederft. Mannagras.

Zwenkgras of wel vlotgras, ze drijven in het water.

 

Glycyrrhiza, van het Grieks glykys: zoet, en rhiza: wortel, een verwijzing naar het zoete sap van de wortels, zoethout. Het woord likeur zou afgeleid zijn van Glycyrrhiza, beēnvloed door liquere: vloeibaar, vandaar liquiritia en kwam onze likeur. Uit een aftreksel van de wortel drupt een drop, onze drop.

 

Gossypium. Katoen, midden-Nederlands cotoen in 1272, dit stamt uit het oud-Franse coton, wat weer stamt uit Italiaanse cottone en dit van Arabisch qutun, (of katom, koton: boomwol), dat uit het Egyptisch of voor-Indisch stamt. Een legende ontstond naar de beschrijving van de Griek Herodotus in de 5de eeuw v. Chr. in zijn boek dat eenvoudig historiĎn genoemd wordt beschrijft hij de streken buiten de onbekende Griekse grenzen. Hij schreef: "zekere bomen...brengen hun vruchtenvlokken voort die beter zijn dan die van schapen in schoonheid en pracht, de inboorlingen kleden zich met kleren die daarvan gemaakt zijn."

Plinius schreef over de katoenplant als (arbor) lanigera, de woldragende boom, ook als Gossypinus van Bahrein, vandaar kwam de fabel dat de wol groeide aan plantaardige schapen, zie barometz bij dieren.

 

Gratiola, van Latijn gracia, gratie: genade, een verwijzing naar zijn medische eigenschappen. Frans gratiole. Of van Gratia Dei: Gods Genade Genadekruid, Godsgenade,  zou door Gods genade aan de mensen zijn geschonken en werd dus gebruikt als een geneesmiddel. De reukloze bladeren smaken bitter en later aanhoudend scherp. Het kruid werd vroeger bij geestesziektes gebruikt en nog lang als volksmiddel.

 

Guaiacum. Het gewone pokhout groeit in West-IndiĎ in verschillende eilanden en ook in het vaste land, maar meest in het eiland San Domingo en is vandaar eerst hier te lande gebracht om de pokken te genezen (die in het voor vermelde eiland zo algemeen zijn als hier te lande de kleine of kinder pokjes) die ze ons het eerst gebracht hebben in het jaar ons Heren 1493 wanneer Christophorus Columbus dat eiland eerst ontdekt heeft en er vele vrouwen en andere slaven van meegebracht heeft die met deze plaag besmet waren, (daarom Spaanse pokken genoemd) zoals Monardus en andere aantonen, dan het gebruik van deze wortel is lang daarna eerst in Europa gekomen. En is uit Spanje zo verder gegaan die ze ook in  het jaar 1496 door prinses Johanna, bruid van Philips, aartshertog van Oostenrijk overbracht en de Zeeuwen toen ze lange tijd voor Vlissingen lagen mee deelde. In het begin had het verschillende namen, de Spanjaarden dachten dat ze het gekregen hadden van de Fransen en noemden het de Franse ziekte. De Fransen dachten dat van Napels en noemden het de Napelse ziekte. De Duitsers zagen dat het kwam na conversatie met de Spanjaarden noemde het in Spaans Skabbe. Een andere noemde het de mazelen van de Indianen die zagen dat die ziekte in het begin daarvan kwam.

 

Gymnocladus komt van het Griekse gymnos: naakt, en klados een tak, een verwijzing naar het jonge hout dat verstoken is van knoppen. Doodsbeenderenboom, de plant is zo genoemd naar de afdruk, de knekels van de gevallen bladeren op het hout. 

Wordt ook wel geweiboom genoemd omdat het takkenstelsel in bladloze toestand het aanzien heeft van een hertengewei.

 

Hebe, Grieks hebe: jeugd of kracht van jeugd. In de Griekse mythologie personificatie van de jeugd als godin.

Hebe was de godin van de eeuwige jeugd, de tafeldienares van de goden die de verjongende nectar inschonk op hun feesten. Zo schenkt ze ook vreugde in de tuin, door ze te snoeien behouden ze hun frisse jeugdvorm.

Hebe, de dochter van Zeus en Hera (Romeinse Jupiter en Juno) Sommigen zeggen dat ze alleen maar de dochter van Hera was, het verhaal gaat dat Hera het kind ontving nadat ze sla had gegeten. Hebe, de altijd mooie, de altijd jonge, werd tot de godin van jeugd en tafeldienares van de goden. Arme Hebe. De eer vloeide al gauw weg. Het gebeurde dat ze nectar inschonk tijdens een groot festival. Tussen de regels lees je dat  het angstige meisje van de nectar proefde voordat ze die schonk aan Jupiter, ongewoon aan de sterke hemelse drank van de Olympus viel ze neer in een onwelvoeglijke houding, Ze werd direct ontslagen. De goden waren niet lang zonder drank. De baan werd aangeboden aan  Ganymedes. Juno herstelde haar in haar eer, ze mocht de pauwen van haar wagen inspannen. Een nederige taak, maar in haar omstandigheden welkom. Het verhaal eindigt gelukkig, Hebe trouwt met Hercules en krijgt twee zoons. Ze wordt evenwel nog steeds afgebeeld als jonge maagd, bekroond met bloemen en diverse versierselen. Haar plant, zoals we mogen verwachten, is een zachte struik waaraan de bladeren en bloemen stevig zijn bevestigd. Nieuw Zeelandse ereprijs was vroeger gesteld onder Veronica.

 

Hedera. In de middeleeuwen was het ive, ifte, iewe, weluwe of weghe in Dyetsche, ieve of yf, in de 16de eeuw ook ieft, iloof, eiloof, eyckloof en heylloo, in Herbarius in Dyetsche velouwe. De eerste letters betekenen eeuwig, omdat het altijd groen is, iwa, iwe of ewig, eiloof: eeuwig loof, vergelijk Immergrun en Wintergrun. Boomveil, verwisseld met de viool. Klimop is de tegenwoordige naam, (te) simpel en duidelijk, grote klim, klimmerblad, klimmerkruid, angelklim, klijf, wederklim of wederwind.

 

Hedysarum komt van Grieks hedys: zoet en reuk, een plant met zoete geur. Mannaklaver of Spaanse zoete klaver. Rode hanekop naar de rond bloemhoofdjes.

 

Helianthemum, is afgeleid van het Griekse helios: zon, en anthemon: een bloem, de gele bloem, of omdat die maar 1 zonnige dag bloeit of omdat ze naar de zon draaien. Groot of geel zonneroosje,

 

Helianthus, van Grieks helios: de zon, en anthos: een bloem, is een verwijzing naar de mening dat de bloemen naar de zon draaien. Dat doet alleen de eenjarige zonnebloem.

Helianthus tuberosus. Aardpeer of aardamandel, werd eerder gekweekt dan de aardappel. De knollen lijken wel wat op een aardappel en kunnen als aardappels gegeten worden.

Het heet in onze taal artisjokappels van Terneuzen of knoesten of knoeffelen of honderd hoofden om dat de beschrijver van Nieuw Frankrijk het voor Asphodelus Plinius hield, die heette wel honderd hoofden.  De nieuwe groente werd vermeld als een zonnebloem met eetbare knollen die soms groeien als de eetbare artichoke, in Italiaanse girasole, (girare: ronddraaien en sole: de zon) wat werd vertaald als Jeruzalem en zo werd het de Jerusalem artichoke. De naam Jeruzalem suggereerde later de plaats waar het gewas zou groeien. 

 

Helichrysum. Dit kruid wordt in Hoogduitsland omdat het zo veel aan de kant van de Rijn en in de omliggende landen plag te groeien gewoonlijk Rheinblumen genoemd en daarvan heeft het in Nederland de naam ook gekregen, te weten Rhijnbloemen of Reyn-bloemen. Mottenkruid omdat het de motten uit de kleerkasten weghield. Roerkruid die werkte tegen de roer of rode loop. Strobloem, blijft lang goed.

 

Helleborus. Nieskruid. De verpoederde wortel van Helleborus en Veratrum album dienden sinds de middeleeuwen als middel om te niezen. Een stukje ervan in de neus gestoken geeft al aanleiding om te niezen. Dit wordt nog versterkt als de wortel eerst in brandewijn heeft gestaan. Omdat het kruid met niet vriezend weer met Kerstmis al kan bloeien werd het in de 13de eeuw in kerstroos, in Vlaams Kerstelic.

De legende vertelt ons dat toen de wijzen kwamen met hun goud, wierook en mirre, dat er een schaapsherderinnetje op enige afstand stond toe te kijken. Ze had niets om te geven en huilde zachtjes. Ze was arm, het weer was koud, er was niets, zelfs niet de kleinste bloem. Een passerende engel zag haar zorgen, stopte en wierp wat sneeuw weg zodat ze ontdekte dat er bij haar voeten bloemen groeiden. Dat was de eerste kerstroos.

Wrangwortel, wrankkrut of veewortel. Als de dieren ziek waren dan werd een stukje wortel onder de huid gebracht. Dit noemde men wrangen of etterdrachten zetten. Wrang is het droogstaan van de koeien. Dit wordt veroorzaakt door een bacterie die een ontsteking veroorzaakt in de uier die daardoor geen melk meer geeft. Vroeger was het middel om deze ontsteking door een andere ontsteking te laten overgaan.

 

Heracleum, waarschijnlijk zo genoemd naar Herakles, in Latijn Hercules, omdat die deze de plant als medicijn gebruikt zou hebben, dit naar Plinius. Vele oude krijgers waren bekend met heilplanten om de wonden te genezen. Of naar zijn forse verschijning is de plant zo genoemd naar Hercules, de zoon van Zeus en Alcmene, die twaalf opdrachten moest uitvoeren, bij de dood van Centaur Nessus werd hij zo door hem vergiftigd dat hij overleed. Na zijn dood werd hij onder de Goden opgenomen en huwde in de hemel met Thebe, hij verkreeg een plaats onder de sterrenhemel.  Duitse berenklauw dit in tegenstelling tot Acanthus. Het blad werd wel gebruikt als veevoer, Pastinaca sylvestris, en vandaar de naam varkenskool, konijneneten en varkenspastinakel.

 

Herniaria, komt van de Latijnse hernia: een breuk, die deze plant zou genezen. Breukkruid,

 

Hesperis, is afgeleid van Grieks hesperos: avond, het is een verwijzing naar de heerlijke geur die je tegen de avond het beste ruikt. (de naam heeft dezelfde wortel als vesper: avond). Mastbloemen, damasbloemen, damastbloemen en jonckvrouw-violieren, andere willen dat noch van verder halen en zeggen dat ze Damasch-bloemen genoemd zijn omdat ze eerst van Damascus gekomen zijn, in het Latijn Viola Damascena, maar ze zijn bedrogen zoals Lobel vermaant. Sommige houden het er op dat dit kruid Viola matronalis genoemd is als vrouwenkruid omdat het voor de baarmoeder zeer goed is en behulpzaam in alle gebreken er van en daardoor wordt dat van de vrouwen van ItaliĎ en Frankrijk zeer gezocht en in de hoven onderhouden. Viola matronalis. Deze laatste naam heeft betrekking op een matron of dame omdat dames ze in potten in hun boudoirs plaatsten.

Damastbloem, naar de purperen of lila kleur, of dat dit woord een verbastering is van de naam van zijn vaderland DalmatiĎ.

Winterviolen. Bij de Grieken en Romeinen werd een gans aantal van welriekende bloemen ion of viola genoemd. Het Griekse ion leukon werd in Grieks-Romeinse omzetting Leucojum. Dit woord betekent eigenlijk wit viooltje. Tot in de 16de eeuw en nog later heette het viooltje, het bolgewas Leucojum en de muurbloem, Matthiola annua in alle kruidboeken viola en werden alleen door bijwoorden onderscheiden. Het viooltje werd zwarte of purperen viool genoemd, de leukoje de witte of de bleke, de muurbloem de gele. Verder heette de nachtviool viola matronalis en zo waren er wel meer "viooltjes”.

                        

Hibiscus. De Chinese roos wordt wel schoenpoetsplant genoemd omdat de bladeren, wortels en bloemen, net als andere malva’s in Europa, dienen om de schoenen te zwarten en haren, wenkbrauwen zwart te verven.

Chinese roos, afkomst. Nationale bloem van MaleisiĎ, Maleise vrouwen steken graag zo’n bloem in het haar en in MaleisiĎ wordt het bunga raya genoemd wat zoveel als grote bloem of feestelijke bloem betekent. Met de ‘bloem van de mooie dromen’ sieren de Zuidzee dames zich bij de dans.

 

Hieracium, van het Griekse hierax: een havik. Plinius geloofde dat de haviken het gebruikten om hun zicht te scherpen. Het is een soortgelijk verhaal als bij Chelidonium. Of omdat het aan rotswanden hangt waar alleen de havik kan komen. Havikskruid.

Nagelkruid wordt het wel genoemd omdat de vorm van de bloem op een oude (ijzeren) nagel lijkt. Muizenoor naar de vorm van de bladeren.

 

Himantoglossum, Grieks himas: riem, anthos: bloem, glossa: tong, bloemlip is lijnvormig en de middelste is zeer lang, riemtong, bokkenorchis, de geur.

 

 

Hippocrepis komt van het Grieks hippos: een paard, en crepis: een schoen, het is een verwijzing naar de vorm van de zaadpeulen.

De hauw van dit gewas heeft de gevers van namen zich verwonderd, (zegt Lobel) die dat sferro cavallo (of beter sferra cavallo) hebben genoemd, dat is te zeggen weer een hoefijzer uittrekken of liever kruid dat de paarden vernagelt of vernagelkruid of ook ontnagelkruid. Want men zegt dat de paarden die er op treden hun hoefijzers laten vallen. Waarschijnlijk is dit te verklaren omdat de peul gebogen is als een hoefijzer en op steenachtige en berg­achtige gronden groeit, plaatsen waar die dieren hun hoefij­zers kunnen verliezen. Bij het hoefijzerklaver lijkt de eigenaardige peulvrucht op een rozenkrans van hoefijzers waarvan de laatste eindigt in een geselkoord. Deze heen en weer gebogen vrucht valt bij rijpheid uiteen in hoefijzervormige delen.

 

Hippophae, schijtbessen, de purgerende kracht. Duindoorn, zeeduindoorn of duinbessen.

 

Hippuris, het Griekse hippos betekent een paard en oura: een staart, paardenstaart, dit naar de vorm van de plant, kattenstaart. Lidsteng, de stengels staan in leden of kransen als een den.

 

Holosteum, van het Griekse holos: geheel, en osteon: been, dus benen helend. Heelbeen. De namen bossterretje en ogenklaar zijn wel typerend. Het volksgeloof verbindt de naam met iets dat angst aanjoeg.

 

Hordeum. Gerst, in midden-Nederlands heette het gherste of gartse omstreeks 1266-1268 wat terugvoert op voor Germaanse gherzda, uit het Indo-Germaanse ghrzdeiom: graangewas. Gerst betekent oorspronkelijk de stekelige of afschrikwekkende, vanwege de lange kafnaalden ziet ze er afschrikwekkend uit, horrere, dit zien we in het Angelsaksische woord gorst, de naam voor de gaspeldoorn.

Muizen-, muur- of bastaardgerst, muizenkoren.  Ook heet deze grassoort wel kruipertje of kwispelgerst. Als speelgoed wordt de plant wel gebruikt door de kinderen die de aren in de mouwen steken, waarbij de aren dan zo naar boven kruipen door de warmte.

 

Humulus. Wanneer de naam hop voor het eerste gebruikt is moeten we in de naam zoeken, hoewel dit zeer moeilijk is, halve overeenstemmingen, overgangen en andere problemen. De eenvoudigste vorm is de Nederduitse en Nederlandse naam hoppe of hop. Dit komt al in de glossaria van Junius voor, 8-9de eeuw, hoppe timalus (een verschrijving of verlezing, in plaats van humalus?) Vermoedelijk is dit meer een verlatisering van het Hollandse woord. Mogelijk kan het gevonden worden in het werkwoord hoppen of huppen, maar een van tak tot tak springende twijg, in plaats van rankend, hoewel dit vrij onwaarschijnlijk lijkt. In ieder geval ontstond uit deze hoppe het Franse huoblon zodat het midden-Latijn hubalus verklaard wordt. Verder in ItaliĎ, waar het niet gekweekt werd, vervreemdde dit woord tot lupolo of luppolo, waaruit later de lupulus ontstond. De lupus van Plinius is zo vrijwel zeker geen hop geweest. Hieruit ontwikkelde zich later de humlo en humulus. Humulus moet een verlatijnst woord voor een noordelijke naam geweest zijn, van Slavisch, Duits chmeli.

 

Hydrangea, is afgeleid van het Griekse hydor: water, en aggeion: een vat, het is een verwijzing naar de kopvorm van het zaadvat, opengesprongen vruchtjes lijken op een watervaatje. Waterstruik. In 1768 maakte Louis Antoine de Bougainville, de beroemde botanist, in opdracht van Lodewijk XV als eerste Fransman een reis om de wereld. Hij nam de oude botanist Commerson en zijn assistent Baret mee. In Rio de Janeiro vond Commerson een van de mooiste bloemen ter wereld en noemde die Bougainville. Terwijl Commerson en zijn assistent in Tahiti botaniseerden naderde er plotseling een inlander die van de jongen de baret greep en daarmee wilde verdwijnen. Hierbij werd ontdekt dat Baret een meisje was. Ze heette Hortense. De oude Commerson wilde na die ontdekking niet meer terug naar Frankrijk maar bleef met Hortense in Mauritius waarna hij al gauw stierf. Hortense keerde terug naar Frankrijk en trouwde. Ze was de eerste blanke vrouw die om de wereld gereisd was en naar haar werd de nieuwe Japanse bloem genoemd. De bloem was eerst roze. In de tuin van keizerin Joséphine de Beauharnais werd ijzersulfaat bijgemengd en de bloemen werden blauw, haar dochter heette Hortense de Beauharnas.

 

Hydrocharis. Kikkerbeet of vorschenbeet, groeit in de thuisplaatsen van kikkers die volgens de ouden een stuk uit het blad gebeten hebben waardoor het blad hartvormig geworden is. Zo verstaat men het Latijnse morsus rana: een beet, en rana: een kikvors, een naam die dateert van Dodonaeus. Het heeft ronde drijvende bladeren met een hartvormige voet die in een rozet drijven, waarom het vroeger wel cleyne plompen genoemd werden.

Verder duitblad, naar de ronde muntachtige bladeren.

 

Hyoscyamus: Het woord bilzen zou afgeleid kunnen zijn van de Keltische God Belenos, Bel of Biel, die ook vergeleken werd met de oud-Germaanse dodengod Henne. Hoenderdood werd het genoemd, in het Engels henbane, Frans hennebane, in middeleeuws Latijn van de 7de eeuw gallinaria herba, omdat het dodelijk zou zijn voor kippen. Mogelijk en meer waarschijnlijker is dat het woord henne, dood betekent. In de Achterhoek is het hennekleed, het doodskleed, vergelijk Duitse Todtenblumenkraut, Mogelijk is hennebane een Scandinavisch en door de Noormannen geēmporteerde betekenis. Dolkruid, het maakt dol.

 

Hypericum. Het eerste woord zou afgeleid zijn van yper: wat bij, en ereike: heide, betekent, naar zijn groei op arme en heideachtige plaatsen. Een andere afleiding is van huper: bij, en eikon: een verbeelding, verbeelding naar zijn veronderstelde kracht tegen geesten. Sint Janskruid. Het Johannesfeest valt in de tijd van de zonneomloop. In de voorchristelijke tijd was dit de datum van het zonshoogtefeest. Die nacht heet nu St. Johannesnacht, omdat die heilige Balder de Goede geheel en al vervangen heeft.

Hertshooi, naar de naam te luisteren zou dit gewas door herten gegeten worden, een verkeerde vertaling van het Duitse Hartheu, het laatste deel is zo genoemd vanwege de harde stengels. Er zijn vele verklaringen van dit hart. Hart: woud, maar waarschijnlijk is het simpeler, Harts-hoy, dus een naar hars ruikende plant, een geur waar deze planten bekend om waren.

 

Hypochaeris van Griekse hypo: voer, choiros: big of zwijn, zwijnen eten de wortels, biggenkruid,

 

Iberis, Dioscorides had de scheefbloem de naam Iberis gegeven omdat hij aannam dat het gewas uit Iberia stamde wat de Romeinse naam voor Spanje was, de Spaanse bloem. Opvallend aan de bloemen zijn de vier bloembladen waarvan er twee groter zijn dan de anderen zodat de bloem scheef lijkt te zijn, vandaar scheefbloem.

 

Ilex. Hulst heette in oud-Hoogduits Hulis, Huliso, Huliz of Hulus. Het Hulis berust op een onzekere afleiding, marginaal heeft het iets te maken met het Latijnse visco: kleverig. Met hulsttakken werd de rechter­lijke straf uitgevoerd. Het woord berust waarschijnlijk op de Indo-Germaanse bron qel: steken, naar de bladeren. De Germaanse namen zouden verwant zijn met de Keltische namen voor de bomen, Welsh celyn en Iers cuilleann.

 

Impatiens. van het Latijnse impatiens: ongeduldig of haastig, een verwijzing naar de elasticiteit van de klepperende zaadpeulen die uit elkaar springen bij rijpheid als ze aangeraakt worden.  Kruidje roer me niet, raak me niet aan, het zijn woorden die geleend zijn van woorden die Christus sprak tegen Maria Magdalena na de opstanding, Joh. 20: 17.

Balsamine werd als een soort balsem gezien net zoals Momordica.

Het vlijtige Liesje, dit naar de vingernagel grote en roze bloemen.

 

Indigofera. Het woord indigo stamt uit Spaans indico wat afkomstig is van het Latijnse indicum: het Indische blauw, ferre: dragen of voortbrengen. Reeds de Grieken noemden de uit Oost-IndiĎ afkomstige blauwe verfstof indikon maar de Spanjaarden hebben het gewas opnieuw in Europa bekendgemaakt.

 

Inula, mogelijk een afleiding van Helenium. Een uit het westen komend woord iluna werd omgevormd tot oud midden-Hoogduits Alant wat mogelijk tegen het Gotische Alan aanleunt en groeien betekent, zodat de alant als de groeiende op te vatten is. Dat als een verklaring van de krachtige en hoge groei. In Spaans en Portugees is het ala en de aalbes zou ernaar genoemd zijn vanwege de gelijke geur van bes en alantwortel waar een alantwijn uit gemaakt werd.

 

Ipomoea. Bataten heet in Z. Amerikaanse Arawa spraak batatas en door bemiddeling van Spaans patata verschijnt de naam batata in 1534 bij de Duitsers. Door verandering van naam werd het woord gebruikt voor de knollen van de aardappel en werden die knollen pataken genoemd, met een verschuiving werd dit in het Engels potato (patat).

 

In de mythologie was Iris degene die door haar vroege wijsheid en schoonheid de snelvoetige boodschapper van Juno was geworden en de zielen van de gestorven vrouwen naar de hemel mocht brengen. (Hermes bracht de manlijke zielen weg) Omdat Iris voornamelijk maagden en vrouwenzielen naar de hemel vervoerde, zo was men gewoon om de Duitse lis op de graven te planten. Iris is zo een symbool van licht en hoop. Dat ze als dochter van de zeegod Thaumas aangeduid wordt, vindt zijn verklaring in het feit dat de regenboog schijnbaar uit zee opstijgt. Gelijk de boog zich van het ene einde der aarde tot het andere uitstrekt, zo snelt zij ook met de vlugheid van een vogel door het heelal en daalt zelfs af in de onderwereld om ook daar bevelen te brengen. Op haar tochten naar de aarde liet ze een veelkleurige sjerp achter die de mensen regenboog noemden. Die sjerp had ze van Juno gekregen omdat ze de verleiding van Jupiter en Mars weerstaan had. Uit verering voor haar schiep Jupiter een bloem uit ambrozijn die gedrenkt was in Iris zo zoete adem.

Baardiris of knoliris wordt wel Duitse zwaardiris genoemd, omdat die vooral door de Duitsers gecultiveerd werd.

Lis of gele lischbloem. In middeleeuws Nederlands lies(ch) Duits Lesch, in het oud-Hoogduits Lisca, in het Keltisch betekent lis: water. De naam heeft mogelijk een Indo-Germaans wortel, lei: wat slijkerige grond betekent.

 

Isatis. Van vitrum komt zowel glas (van de ramen) als de wede, vitrum is van zijn kant verwant met viridis: groen, omdat het glas van de ouden sterk ijzerhoudend was en daarom groen zag, de verfkleur kleurde ook groenblauw. Bij Plinius heet het glastum en vandaar stamt de naam Glastonbury. De Wells naam glas betekent blauw, Keltisch glas betekent grijs/groen, het is een verwijzing naar de kleur van de velden rondom Glastonbury. De plant en verf dragen dezelfde naam. Vergelijk de naam Douglas, het eerste lid betekent stroom en met het glas: blauw, is dus een donker water, een riviernaam. Caesar vermeldt in "De Bello Gallico" dat de schrikwekkende Britten zich ermee verfden en Plinius dat Britse vrouwen hun lichamen verfden met glastum en naakt paradeerden in zekere religieuze ceremonies. Bij de komst van de Romeinen zagen die dat de ouden Britten of Britons zich er mee verfden om hen schrik aan te jagen. Het woord Brittain zou dan afgeleid zijn van het oude Keltisch woord brith of brit: dat verven betekent, vandaar stamt de naam Britons en Britten. Dat woord was te ruw voor de Romeinen, dus noemden ze de stam met de meer welluidende naam Britannia.

De overwinnende Saxons zagen dit en gebruikten hetzelfde sap voor het verven van hun kleren.

Wede is een belangrijke verfplant die we tot de oertijd kunnen terug volgen. Wede komt in midden-Nederlands van 1338 voor als weet en als weed in 1428, vergelijk oud-Engels wad (nu woad) oud-Fries wed, oud-Frans guesde, (g voor w) (nu guede, Italiaans guado) of de helderheid van het blauw gaf het bij de Kelten de naam gwed, een naam die nog in Frankrijk in gebruik is, gwesde. In Gotisch wizdila wat stamt uit het west-Germaans waida: blauwe verf. Het Germaans waizda is voor oer verwant met het Latijnse vitrum: blauwe verf, mogelijk ook met het Griekse Isatis (van wis) omdat de plant in verscheidene delen van Europa inheems is.

 

Jasione. Schaapskruid is een plant die op barre gronden groeit, in plaats van korenvelden, en daarom gegeten wordt door schapen. Zandblauwtje.

 

Juglans. De naam heeft een lange geschiedenis. Het oud-Hoogduits Wahl was de oorspronkelijke naam voor de Kelten. De Angelsaksen bestempelden de voor hen uit vliegende Kelten als Wells. Dit woord werd later na verdrijving van de Kelten voor verromeinste Kelten, Romeinse volkeren en Italianen gebruikt. De naam wal, waal, welsch, walsch of waalsch staat zo voor buitenlander. Nog staat de naam Welschen in Duitsland bekend voor onverstandig praten, zie Rotwelsch: dieventaal of bargoens, Kauderwelsch betekent koeterwaals en hier vinden we hetzelfde woord terug in onze taal. Zie verder de waal in WalloniĎ, Waalwijk, Wales en Cornwall, maar ook in de zegswijze: "wat wals is, vals is", wat door de Vlamingen in de tijd van de guldensporenslag ge­bruikt werd.

In Vlaanderen is de naam okkernoot of nokkernoot ontstaan. Dit is afgeleid van het Latijnse nucarius: notenboom, waarvan het via nogarius, nogerius, noguier, noyer en noker op oker kwam. Deze naam is al in middeleeuws Nederlands algemeen en betekent dus letterlijk notenboom‑noot. De boom behoort dan nu ook tot de okkernootfamilie.

Klein Oekel heette in 1363 Cleen Okel, met een oog op zuid Nederlands oekelaar is het de notenboom, zie ook Oekel.

 

Juncus, de oude naam Juncus is verbonden met het Latijnse jungere: verenigen of binden. In primitieve tijden werd het woord Juncus gebruikt, het is een verwijzing naar het gebruik als bind- en vlechtmateriaal en als touw of kabels. Zo is ook het Duitse woord Binse (of Simse) en onze bies verbonden met binden en is verwant met Gotische siman: binden, vergelijk Sammeln. Of van Keltisch binz: kleine beek, de standplaats. Rus, veldrus, Engels rush, rush, oud-Engels risc en in NormandiĎ reuche. Dit woord komt van Keltisch ru: Frans ruisseau: beek, de groeiplaats, of is verwant met riet.

De oorspronkelijke betekenis van het woord fiscus is; een uit biezen gevlochten mand of korf. Het schijnt dat de Romeinen zulke manden gebruikten om geld in te bewaren, vandaar dat fiscus gaat betekenen, geldmand.

 

Juniperus. Nog steeds worden de bessen vanwege hun gezondheid en kruidige krachten gebruikt in de keuken en huis, apotheek, bierbrouwerij en likeuren. Ze zouden naar oud volksgeloof een plas drijvende werking bezitten. Een tak van jenever dient tot teken dat men drank verkoopt.

De jeneverbes is waarschijnlijk al in de oertijd als geneeskrachtige plant gebruikt. Dit blijkt uit de voor-Indo-Germaanse, misschien Ligurische naam genipi. Overeenstemmend hiermee is de naam van de alsem die in Franse dialecten dzenepi in West-Zwitsers schenepi genoemd wordt. De bessen van de jeneverbes komen in handschriften van de 9de eeuw voor als bacas giniperi en bagas geniperi en dit werd in het Italiaans ginepro en vormden het bestanddeel van het Franse juniperus genevre, (zie Geneve) de Engelse geneva en gin. Uit deze oude vormen ontstond de Hollandse naam genever. De bestanddelen van de "gengenever galigaen", dat vermoedelijk identiek is met de jeneverbes, gold als een onfeilbaar middel tegen zeeziekte.

Juniperus sabina heeft verschillende namen die afgeleid zijn van het Latijnse sabina. De sabijnse boom, naar de Sabijnse volksstam, was bij hen veel gebruikt, onder andere bij de roof van de Sabijnse maagden in ItaliĎ. Sabina wordt dan ook wel hoerenboom genoemd omdat de medewerksters van het oudste beroep ter wereld er een papje van maakten dat gebruikt werd om abortus op te wekken. In het Engels wordt de plant dan ook wel bastard-killer genoemd.

De bladpunten leveren bij destillatie met water een weerzinwekkend verdovend ruikend bitter, een sterk kamferachtig smakende, verfloze en vluchtige olie. Die olie werkt stevig in op de huid en werd gebruikt bij reuma en als cosmetica. Innerlijk gebruikt werkt het sterk giftig en werd gebruikt voor abortus. 

 

Kochia scoparia. Zomercipres, omdat deze snel groeiende eenjarige wel wat op de cipres lijkt. Wordt net als de cipres gebruikt om er hagen van te maken en soms om er bezems van te maken, zie de soortnaam. Studentenkruid omdat studenten zich eraan mogen wagen tot wat voor geslacht deze plant behoort.

Het zachtgroene bosje wordt wel gebruikt als knuffelplant.

 

Laburnum, zwart ebbenhout naar het hout dat als vervanger van ebbenhout gebruikt werd. Gouden regen of kettingboom.

 

Lactuca, van Latijn lac: melk, een verwijzing naar het melkachtige sap, sla. Lattouwe, lattuwe of lattich, in Hoogduitsland Lattich, in Engels lettuce zijn woorden die uit het Latijnse lactuca stammen. In de late middeleeuwen heette sla bij ons ook sla, dit is een samentrekking van de Franse salade wat weer stamt uit het Italiaans waar het insalata heet. Dit stamt van het werkwoord insalare: inzouten, ingezouten salat. De kern van het woord is dus het zelfstandige naamwoord sal: zout. Dit lijkt nu vreemd, gezouten sla, Duits. Zalath. Vroeger werd sla met zout, olie, azijn en wat kaneel of peterselie aangemaakt. Men meende dat sla slecht verteerbaar was, maar aldus klaargemaakt wel goed verteerd zou worden. Het eetgebruik was anders dan nu en er werd vooral veel minder groente gegeten. Veel werd de groente gekookt, vandaar de warmoezerijen, (kwekerijen) van warme moes, die tot warmoes gekookt werden.

 

Lamium. Waarschijnlijk is het woord verbonden met Lamia: de koningin van LibiĎ, wiens naam door de Grieken werd gebruikt om kinderen af te schrikken die ze zou verslinden. Lamia was de mooie Libische koningin die door Zeus bemind werd. Uit jaloersheid roofde Hera al haar kinderen en sinds die tijd rooft Lamia de kinderen van anderen om ze te doden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.

De LamiĎn waren vrouwelijke spoken wier geschiedenis, net als elk andere spookgeschiedenis, duister en verward is. Men verhaalt dat zij zeer begerig waren naar mensenvlees en vooral naar het bloed van kinderen. De verbeelding stelde zich deze wezens voor als lelijke vrouwen met ezelspoten die de bakers van de kinderen verschrikten en zich in allerhande gedaantes hervormden en vertonen konden. Ook reizigers ontmoetten die wezens dikwijls en die konden hen alleen door schelden en schreeu­wen verjagen. Men verhaalt dat ze afstamden van Lamia, die eerst zeer schoon was, maar door Juno lelijk en razend gemaakt werd zodat ze alle kinderen doodde.

Dove of dode netel, een niet brandende netel, het was een medesoort van Urtica, de brandnetel. Omdat de bijen honig zuigen heeft ze de naam van zuigjes, zuiglammetjes, zuigman, zoetnetel, zuugbloem, pappezoegers, suikernetel, engeltjeseten hommelwortel, goudhaansvoer, goudhaantjeseten. In BelgiĎ mammaluiten, dus ook zuigen. De bloemen bezitten veel honig. Om dit te proeven moet je er in de morgen vroeg bij zijn, anders zijn de bijen je voor. Die zijn met hommels de enige insecten die de honig eruit kunnen halen omdat een scheef opgerichte haarring de toegang voor kleinere insecten afsluit.

Adam en Eva, draai de bloem om dan zie je de twee meeldraden naast elkaar liggen als man en vrouw, daarom heeft ze liefdeskrachten. Of omdat als je de bloem naar beneden houdt de zwarte en gouden meeldraden zijde bij zijde ziet liggen als twee slapende mensen in een doorzichtige zijden tent.

Hoenderbeet is zo genoemd omdat het vocht van de plant fataal zou zijn voor hoenders die er bedwelmd van zouden raken.

 

Larix. In Oostenrijk gold de lork als schutboom van het huis en staat daar dichtbij in de buurt. Larix heet in Hoogduits Lierbaum, het gezegde: "branden als een lier" kan hier vandaan stammen of heeft er verbinding mee.

Hiernaar heeft de larix zijn naam van de "lares", de huisgoden gekregen omdat ze als schutboom bij de huizen geplant werd.(88, (1930)

(Dodonaeus) (a) ‘Hier te lande heet deze boom lorcken-boom. Het woord lork is een leenwoord dat op het midden-Hoogduitse Lerche of Lärche, oud-Hoogduits Larhha, een woord uit Gallische Alpenbevolking en vandaar naar het Latijnse Larix terug. Larix werd met zijn Griekse naam ook wel als welriekend vertaald, vanwege de harsgeur.  Mogelijk is het woord genomen van het Keltische woord voor vet: lar, naar de dikke hars die deze boom levert., levert de terpentijn van VenetiĎ.

 

Lathyrus tuberosus. Aardaker, de naam is van aarde en aker, aarde en eikel, naar de vorm en kleur van de kleine knollen die in de grond aan uitlopers en aan de wortelstok worden gevormd. Soms wordt het ook muysen met steerten genoemd omdat de bruine of zwarte knobbelachtige ronde langwerpige eikels of wortels met hun aanhangend snoertje of vezeltje op een klein muisje met zijn staartje schijnt te lijken.

 

Laurus, laurier. Van een tak maakte Apollo zijn kroon. Zo'n kroon is sindsdien het zinnebeeld van roem en eer. Hoofden van overwinnaars werden met ere: Laude, dat is met de lauro of lauwerboom bevlochten. Studenten die dan ook een graad behaald hadden werden met de besdragende laurier onderscheiden, Bacci Lauri, vandaar het woord Baccalaureaat, Duits Bakkalaureus. Die studenten was het niet toegestaan te trouwen, hun taken als echtgenoot en vader zou hen weghouden van hun literaire overpeinzingen en zo werden in de loop der tijden vrijgezellen jongens bachelors genoemd. Verder zijn nog een aantal uitdrukkingen op laurier gebaseerd, bijvoorbeeld "op zijn lauweren rusten", "gelauwerd zijn", "lauweren oogsten".

 Bakvis:  een vis groot genoeg om te bakken. In de betekenis van een jong meisje. Gebakken jonge vissen zijn lekkerder dan volwassen vissen. Vanwege de gelijkheid van klank met baccalaureus heten onrijpe studenten bakvissen.

 

Lavandula, van lavare: wassen, lavendel. In de oudheid baden de mooie vrouwen daarin en ze zouden daarna zo bekorend geroken hebben dat de latere Europese dames hun gelijke wilden worden en ook gebaad wilden worden in lavendelwater.

De reuk van lavendel wordt geassocieerd met frisheid en schoonheid, nog gebruikt om linnen en de planken te laten geuren waarop linnen bewaard wordt.

 

Legousia. Spiegelklokje, Venusspiegel en Venus kijkglas, de specularia. De naam speculum‑veneris is een verwijzing naar de vorm van de vrucht die overeenkomt met een medisch instrument, de Speculum Uteri of baarmoederspiegel.

 

Lemna. Eendenkroos, die het eten. Kroos, eerder croost of croest.

De streek/plaats Crooswijk en Krooswijk zijn er naar genoemd.

 

Lens valt in twee delen uiteen waarvan de een fijn en doorzichtig is. De lens van de astronomen heeft er zijn naam van.

 

Leontopodium. De naam edelweiss, Edel betekent nobel en weiß: is wit. De uit het Zillertal stammende naam Edelweiß, in Tirol spreekt men van Irlweiß en in Graubunden van Alv-etern: eeuwig wit, is zo pas sinds 1785 bekend geraakt en in de 19de eeuw in andere talen.

Edelweiss werd geleidelijk aan het teken van de bergvereniging en zo in 1862 ook van Duitse en Oostenrijkse alpenvereniging, bergpensions, jagers en het souvenir. Het werd het symbool van zuiverheid.

De meeste legendes en liederen stammen zo pas uit de laatste honderd jaar. Vanaf 1880 werd het plantje beschermd wat binnen enkele tientallen jaren weer werd opgeheven. In 1959 vond men bij een herder 80 000 edelweissbloemen.

 

Leonurus. Hartgespan naar de vorm der bladeren omdat ze het sidderen en kloppen van het hart beteugelt, het mentale gedeelte.

 

Lepidium. Peperkers of -kruid, de wortels en de bladeren werden gebruikt in plaats van peper. Zo werd het kruid gebruikt door arme mensen die geen geld hadden voor de echte peper, vandaar armenpeper. Ze worden nog wel gegeten, maar de scherpte is wat teveel om aangenaam te zijn.

Kers is een verkeerde naam, het moest kres zijn. In het midden-Hoogduits komt Kresse voor, wat voert op een west Germaanse woord terug dat in het noorden aan Romaans ontleend is, volks Latijn cresco, midden-Latijn cresso, waaruit Frans cresson. Keltisch cres: beek, de groeiplaats. Als Germaanse stam wordt krasjo opgevoerd dat tot Indo-Germaanse gres of gros: eten of knabbelen behoort. Het oud-Noorse kras betekent lekkernij. De plant schijnt zo te heten omdat het zonder verdere bereiding zo gegeten kan worden.

 

Leucanthemum betekent wit. Margariet komt van Latijn margarita: parel, waarmee de mooie bloem vergeleken werd. Het Latijn en Grieks schijnen van Perzisch mervarid: parel, af te stammen, zie Bellis. Ganzenbloem, staat op 1 been. Vorm, wambuisknopen. Margriet is een orakelbloem die bestemd over het huwelijk, non worden of naar de hemel of hel gaan. Pluk een bloemblaadje, en spreek, zeg me de waarheid, Ik trouw wel, trouw niet etc. het laatste blaadje geeft aan of het wel of niet lukt, zo ook met non worden, naar de hemel of hel gaan. In de taal van de bloemen betekent de plant: verlaat me niet. Men neemt de gele buisbloempjes en werpt ze in de lucht en laat ze vallen op de omgekeerde hand, ieder bloempje dat er op blijft liggen telt voor 10 jaar. (wachten voor je gaat trouwen en dergelijke)

 

Leucojum, komt van Grieks, leukos: glimmend wit, en, ion: viool, wit viooltje, februari viool.

 

Levisticum. Maggiplant is zo genoemd naar een fabriek die het als specerij gebruikte, de fabriek van Julius Maggi die bouillonpreparaten, vooral van soepen maakte. Een plant die genoemd is naar een fabriek, heel opmerkelijk.

Er ontwikkelden zich midden Latijnse nevenvormen als luv-lub-, lev-, livisticum en libestica. Een omvorming tot het oud-Hoogduits stecco: steken, werd Lubestecco. In midden-Hoogduits verscheen zo het woord Lubestecco en (met de gedachte aan lief) Liebstuckel. Zo verbasterde het verder en komt ook in andere namen voor als Luststock en Manskracht. Een gelijk uitgangspunt heeft het Angelsaksische woord, lufu: liefde, en werd zo lufestice, of met love: liefde, ontstond het woord lovage. Bij ons lavas, lubbestok en manskracht.

 

Ligustrum. Tegen mondziektes, mondhout, keelkruid als middel tegen spruw, vanwege het harde hout. Door het blad te koken in schoon water en dat als gorgelwater te gebruiken gaf het tegen ontstekingen, zwellingen en tandpijn. Dat zou ook helpen tegen scheurbuik. De wilgachtige struik groeit veel op rainen: akkergrenzen, de laatste naam heeft een verbinding met wilg, net als onze oude naam Rhynwilge en Rhyn naar de Rein, de groeiplaats.

 

Lilium. Latijn Lilium en Rosa Juonis, dat is roos van de Godin Juno welke naam haar gegeven is omdat men plag te geloven dat deze lelie van het melk van Juno dat op de aarde gestort is gekomen is, want de poĎten versieren dat Hercules, de zoon van Jupiter en Alchmena, ‘s nachts bij Juno gebracht is om haar borsten te zuigen terwijl ze sliep en toen hij dat deed is er uit haar borsten een grote menigte van melk gevloeid en heeft daar een deel de hemel mee besproeid waarvan de melkweg of Via Lactea in de hemel zijn oorsprong zou hebben en het ander deel is op de aarde gestort en daarvan is de lelie gesproten die daarna zijn naam bij de heidenen voert. Witte lelie, kerklelie.

 

Limonium komt van het Grieks voor een natte weide, dus een plant die aan de natte weide groeit en vandaar lemoen of limoenkruid. Lamsoor, schapenoor naar de bladvorm.

 

Linaria komt van het Latijnse linum, vlas, arius: achtig, dit is een verwijzing naar de overeenkomst in bladvorm. Wild of vals vlas. Het kruid werkt urinedrijvend en werd purgeervlas genoemd. In de middeleeuwen was het een beroemde heilplant gezien de vele namen Zeker behoort het Mariavlas, onze lieve vrouwen vlas en vrouwenhaarvlas, vrouwenhaar tot de christelijke mythologie. Vlasbekje omdat het gele bloempje voor de bloei op vlas lijkt en in bloei op een leeuwenbek, dit is te zien door de bloem tussen de vingers samen te drukken, vlasleeuwenbek. Naar de kleur wordt het wel boter en eieren genoemd.

 

Linum catharticum of purgeervlas, geelhartje vanwege het gele hart.

Linum is de Latijnse naam voor vlas. Het woord stamt van het Griekse linon of lenea, een naam voor draad of lijn. Dit woord is mogelijk weer afgeleid van het Keltisch lini (draden of lijn) dat wel verbonden is met het Latijn linea, streep of lijn. Dat dit woord door alle Germaanse stammen is aangenomen ziet men aan de taal, men spreekt niet van vlasgewaad of vlaszaad maar van lijnwaad, lijnzaad en lijnolie. Ons lijn komt in midden-Nederlands voor als line in 1262 en betekent eigenlijk van vlas gemaakt touw.

Vlas of vlaes, in midden-Nederlands was het vlas in 1280-87. In de vorm fleax kwam het met de invallende Saksers naar Engeland (nu flax) Dit van de Germaanse basis flex: vlechten of wuiven vergelijk Gotisch flah-ta: vlechten van haar. Het Germaanse vlechten is verbonden met Grieks plekein en Latijns plectere: vlechten of wuiven, Latijn plicare: vouwen. Een van de wortels van dit woord is vlechten en een ander betekent afstrijken in de zin van villen, de plant wordt gestript ter wille van de vezels. Het woord behoort tot de Indo-Germaanse vorm plek: weven of vlechten, de plantnaam kan dus betekenen: wat uitgerukt wordt of waarmee gevlochten wordt.

Vaassen heette in 1170 in Villa Fasna, het kan op een soort ruw gras slaan, maar ook op vlas, zo ook Vasse en Veessen. Bij de streek Vlas, Vlashoek en Vlasmeer is dit duidelijker.

Een lijnbaan, soms ook Baan,  komt in vele plaatsen voor, een plaats waar men de lijn in elkaar vlocht tot een touw, de touwslagerij.

De kunst was om een zo gelijk en lang mogelijke draad te maken. In de oudheid kan die draad ook bezien worden als de "levensdraad" die gesponnen wordt door de Noorse Nornen, de Romeinse Parcen en Griekse Moiren, die op elk moment af kan breken. Klotho's spindel wordt gesponnen (begin van leven) die door Lachesis wordt afgemeten (leeftijd) en door Atropa wordt afgeknipt (dood) Op de spindel werden de draden getrokken die verschenen in de religieuze beelden van het levenslot.

 

Liquidambar, is afgeleid van Latijns liquidus: vloeibaar, en Arabisch ambar: amber, vloeibare amber. De echte amber is een afscheidingsproduct van een potvis dat in klompen aanspoelt aan de kusten van de Indische oceaan. De vinder hiervan is gelijk binnen. De geur en kleur van de amber komen overeen met de gom van de boom.  Amberboom.

 

Liriodendron is afgeleid van het Griekse lirion: een lelie, en dendron: een boom. Tulpenboom naar de bloemvorm of bladvorm.

Door zijn snelle groei en gele bloemen, gele populier.

 

Lithospermum komt van het Griekse lithos: een steen, en sperma: zaad, omdat de zaden op kleine stenen lijken. Of omdat de zaden in wijn gedronken de stenen verdrijven. Steenzaad, steenbreek, parelkruid naar de vruchtjes die zich als vier glanzende witte pareltjes onder in de kelk vertonen.

 

Lolium. Dit geslacht omvat een groep die we raaigrassen noemen wat eigenlijk een foute benaming is. De meerjarige raaigrassen zijn waarschijnlijk de eerste cultuurweidegrassen van Engeland geweest. De vroegste teelt van graszaad vond reeds plaats begin 1600 in Oxfordshire in Engeland en werd op het vasteland onder de naam Engels raaigras in de handel gebracht. Het Engelse raaigras is een grotere vorm dan het gewone raaigras, wat dan genoemd zou zijn naar de Engelse kruidkundige Ray, of ontstaan uit Gray, die dit gewas roemde als zijnde het beste voor paarden. Maar raygras komt van ryegrass: roggegras, een gras dat op de rogge lijkt.

Lolium temulentum. Dolik is dol, plus achtervoegsel ik (als in stommerik) dat betekent dus dolkruid dat verdovend en bedwelmend werkt. Ook hondsdravik waarbij hond als minderwaardig bedoeld wordt.

 

Lonicera xylosteum komt van het Griekse xylos; hout, osteon; knekels: beenhout of knekelhout. Dit soort heeft houtachtige stengels die in het merg een holte vormen. Het is de heksenkers, Duits Rote Heckenkirsche, waar Heck een haag is.

Zielenhout en ook wel duivelsmartelhout, men geloofde dat de duivel er heiligen mee kastijdde.

De naam kamperfoelie is of naar zijn heerlijke geur, foelie, of een verbastering zijn van caprifolium wat een herbaristen naam is voor een plant die klimt als een geit. Waarschijnlijker heeft het zijn naam van geitenblad omdat de bovenste bladparen paarsgewijs aan de voet zijn samengegroeid zodat de bladeren zich spreiden als een hoef.

Het heet hier te lande ook mammekens-cruydt of suygemammekens-bloem, naar de vruchtvorm of gebruik.

 

Lotus, Grieks lo: ik wil of verlang, een plant waar de huisdieren verlangen naar hebben, of wensen, dus de gewenste. Steenklaver, rolklaver of schaapsklaver. Vrouwenschoentje wordt het genoemd, ook kousjes en schoentjes, (laarsjes) muiltjes, juffers-, schoenen, schoentjes en laarsjes, dit naar de bloemen.

 

Lunaria. Deze bloemen worden bij de gewone man en sommige apothekers bulbonac of bolbonac genoemd. Lobel meent dat het bolbonac heet naar zijn dikke grote wortels die eetbaar zijn en ver uitgespreid en bolachtig die enigszins op die van de affodil of pioen lijken, maar niet zo dik.

Judaspenning, die ontstaan zouden zijn nadat Judas als loon voor zijn verraad de zilverlingen weggooide, op die plaatsen waar ze op de grond kwamen ontstonden deze planten die alle jaren weer de zilverlingen laten zien als een herinnering aan het verraad van Judas. Het ‘geld van de paus’, heet de plant hier en daar in Brabant, dit naar het Franse monnaie de Pape, omdat de tussenschotten van de hauwtjes op zilveren muntstukjes gelijken.

 

Lupinus. Het zou ook naar de wolf genoemd kunnen zijn om de grijsachtige wollen bekleding van de peulen. De bladeren van lupinen lijken op de vijgenbladeren en daarom heten ze vijgbonen.

 

Luzula. De zoet smakende bloemknoppen en zaden werden door de kinderen onder de naam hazenbrood gegeten.

 

Lycoperdon. De balachtige kampernoelies zouden om hun gedaante niet slecht ronde kampernoelies, naar het Latijnse Fungus orbicularis mogen heten, dan ze zijn genoeg bekend met de naam Lupi crepitus, dat is wolfsveest, soms ook wolfsblaas. In de holtes er van schuilt een roze of gele vochtigheid die van ver een vuile stank van zich geeft zodat ze van kleur en stank op dun mensenmest lijkt. Daarom is ze ook wolfsveest genoemd. De zittende en platte zwammen werden wel buikzwam genoemd, vlobal, heksenstof of stoffakkel en met de buikwinden van verscheidene dieren vergeleken. In de 15de eeuw treedt Vohenfist (van midden-Hoogduits Vohe: vrouwelijke vos) op als naam van de paddenstoel waaruit in Nederlands en Duits bovist ontstond.

 

Lycopus komt van Griekse lykos: een wolf, en pous: een voet. Het blad is als door een wolf verscheurd, een verwijzing naar de diep ingesneden bladeren. Wolfspoot. Zigeunerkruid ontving de oude naam van Egyptisch kruid omdat schuinsmarcheerders en oplichters, die zichzelf Egyptenaren noemden, zich zwart kleurden met dit kruid.

 

Lysimachia. Penningkruid naar de vorm van de bladeren. Sommige nieuwe kruidbeschrijvers noemen het Salicaria om de gelijkenis die het van bladeren met die van de wilg heeft’.

Wilde wilg, wilde wene, vederik of wederik, een naam van meerdere planten wiens bladeren op die van de wilg lijken, zo ook voor Lythrum en Epilobium. Of wordt wede‑rik genoemd naar de wede, de verfstofplant, omdat van deze plant verscheidene kleuren te bereiden zijn.

 

Lythrum is afgeleid van het Griekse lythron: geronnen bloed, de hoofdkleur van de bloemen. Of van lytron: met bloed bevlekt, of omdat ze gebruikt werd om bloed te stelpen. De alchimisten plegen deze soorten van wederik in hun distillaten en andere bereiding van geneesmengsels al zowel te gebruiken als de echte gele wederik en vooral in het stelpen van bloedlopen en andere vloeden en in de gebreken die aan de keel of aan de hals komen.  Partijke, om bij enige partij te leggen,  in W. Friesland en Utrecht, in Z. Holland bastaardwederik, in Salland paardenstaart, in Gelderland ijzerhard en op Walcheren rattenstaart.

Bloemvorm, kattenstaart.

 

Magnolia. De Amerikaanse vormen worden beverbomen genoemd omdat de bevers de schors van de bast vreten en het hout gebruiken voor hun bouwwerken. 

 

Malus betekent vrucht. In de Griekse mythologie was echter de appel niet de appel van nu. In alle talen die de invloed van de Romeinen hebben ondergaan dragen vruchtbomen namen die aan het Latijn zijn ontleend. Alleen met de appel was dit niet het geval. De appel werd als enigste vrucht hier al gekweekt voor de komst van de Romeinen en kreeg zijn naam door de Germanen.

De appel heette in oud-Keltisch aball, in oud-Hoogduits Apful en in midden-Hoogduits komt Apfel of Epfel voor en is verwant met Obst, in oud-Engels aeppel, vergelijk Keltisch eppilow: spruiten, waarnaar de appel mogelijk een ‘gewas’ betekent in het algemeen. Die woorden stammen van Germaans aplu. Nu is het in appel, zie ook dennenappel en aardappel.

Bij de Kelten vinden we ook het verhaal over het appeleiland, Ynys yr Avalon, waar Arthur na de slag van Camlan heenging om zich door de fee Morgan te laten verzorgen. Hier werden de 3 gouden appelen van Merlin (Keltisch Merddhin) aan koning Arthur geschonken. Die werden aan het koninklijk hof bewaard en door een ridder gestolen. Vergelijk de gouden appelen die door Paris aan Minerva werden toegekend en de door Hercules geroofde gouden Hesperiden appels, verder met de appelen van Iduna.

In de Griekse mythologie komt als een plaats in de onderwereld het Elyson voor. Elysion schijnt appeleiland te betekenen. Zo ook alisier, een voor-Gallische woord voor de lijsterbes. Hetzelfde geldt voor het Arthuriaanse avalon en het Latijnse avernus of avolnus. De woorden zijn gevormd uit de Indo/Europese wortel ahol: wat appel betekent. Ook het woord Apollo is wellicht afgeleid van de wortel abol: appel, en niet van apollunai: vernietigen, zoals men gewoonlijk meent.

Als de zon zich 's nachts onder de horizon bevindt, geeft de enigszins verlichte hemel daar de nachtelijke zonneomloop aan. De hemel licht op achter de horizon alsof daar fakkels aangestoken worden om feest te vieren. Dit is vooral in het Noorden goed te zien. De zon bevindt zich dus in het westen in een onderwereld, de twilight, het Avalon.

De zon die door de horizon als een bloedrode appel in tweeĎn wordt gesneden vindt in de golven in het westen een dramatische dood. Als de zon verdwenen is verschijnt de ster Hesperos.

Ook als een appel horizontaal in twee helften gesneden wordt zie je in het middelpunt van iedere helft de vijfpuntige ster. Deze ster was aan de liefdesgodin Aphrodite gewijd en de appel was de schenking waarmee de priesteressen de koning, de vertegenwoordiger van de zon, onder het zingen van liefdesliederen naar zijn dood lokten. De tuin van de Hesperiden was gevestigd in het verre westen, (de plaats van de ondergaande zon) omdat de zonsondergang een symbool was van de dood van de heilige koning.

Door een "appel" aan te nemen werd men onsterfelijk, het was de toegang tot de in het westen gelegen appeleiland, het gelukkige land waar men eeuwig leeft. Zo zou men ook Adam en Eva in een "Elysion" kunnen zien.

 

Malva. Sigmaartskruid of sygmaartskruid wordt zo genoemd naar Simeon die de Heer had gezien, vandaar dat de plant goed is tegen oogzeer. Nauwelijks is Christus op aarde verschenen of Simeon noemt Hem het Licht tot verlichting van de heidenen. (Lucas 2: 32) Brandpappel wordt het gewas genoemd, de donkere bloemen bevatten een slijmstof die verkoelend op brandwonden werkt.

Kaasjeskruid of keeskenskruid omdat de vruchten op kaasjes lijken of op shirtknopen, kasekenskruid, kattenkaasjes, hemden knoopjes.

Broodjes, Franse broodjes, in BelgiĎ mastellenkenskruid, mastel: rond koekje, keeskruid, paternosterkruid. Dit omdat Jezus ze aangeraakt had, waarna ze in goudklompjes veranderden zodat zijn moeder geld had om brood te kopen. Van die tijd af aan kunnen de vruchten als broodjes gegeten worden, kerkbloem, pastellekens.

De Franse naam is la mauve, ook voor de kleur, (mauve ook in Engels voor de kleur) waaruit het midden-Nederlands malu(w)e.

Het zijn de originele marshmallows. Oude Engelse namen zijn mersmalewse en mershe mallowe. De marshmallows die gemaakt worden van meel, stroop, gelatine en suiker werden oorspronkelijk gemaakt van de wortels van deze plant. Die plant groeide in moerassen, de marshes van de Thames.

 

Mandragora. Een van de interessantste plantennamen is de naam alruin voor de Mandragora. De plant heet in midden-Nederlands alrune en in hoog-Duits Alraun. Mogelijk slaat het eerste deel op adel of edel, het tweede deel is runa: geheim. Het kan waarzegster of tovergeest betekenen. Het Gotische haliuruna schijnt de oudste Germaanse afleiding te zijn. Verder zijn er een serie oude namen als alraune, aldrunen, alraunwurzel, alltrunen en hellerunen, vergelijk Gotisch ahls, alts, ala: tempel, ruinen: geheim of fluisteren, allrauntollkirsche en allrunke. De meeste schrijvers handelen bij deze plant meer over het bijgeloof door de vorm van de wortels.

De wortel heeft de vorm van een naakte mens, de vier worteltakken waren de twee armen en benen. De manlijke vormen bezitten een baard en zouden de mannelijkheid stimuleren, de vrouwelijke, die zeldzamer waren, werden met lange haren afgebeeld en zouden de vruchtbaarheid bevorderen. (De haren kwamen er wel bij doordat men gerst- of haverkorrels in de wortel drukte en kiemen liet)

Door de vorm van de wortels werd het in de loop der eeuwen met allerhande mythen omgeven.

 

Mangifera. In Noord India is de naam am of amba en deze vormen verschijnen al in zeer oude literatuur. In het Sanskriet is het amra. "Amraoti, in het Engels oomrawuttie, van het Sanskriet amravati: van mangoboom voorzien, is de naam van een district in O. Indische landschap Berar. Amritsar, Amritsir, Amrita Saras of Bron der Onsterfelijkheid is een kleine plaats met het beroemde heiligdom  van de “bron der onsterfelijkheid” die gewijd is aan de heilige goeroe Gowind Singh, de grondlegger van de godsdienst van de Sikhs. De gelovigen baden zich in het water om van alle zonden bevrijd te worden.  

De Indische naam van de boom betekent dus onsterfelijk.

Het amrta of amra ofwel de goddelijke nectar kan ook van een hemelse vrucht komen. Ambrosia, Grieks van ambrotos: onsterfelijk, van a: niet, en brotos: sterfelijk, van mbrotos: wat staat voor mrotos en verbonden is met Latijn mort-em: vergelijk Sanskriet amrtas: onsterfelijk.

 

Manihot. De Amerikaanse en ook de algemene naam is cassave, dit van Portugees cassave en dat van casavi, het woord van de Taino mensen van Haēti. Het meel heet in de Tupis praak van BraziliĎ typy, tapi, tipioca of typioca: sap dat uit de vezels is gegaan. Bij de Duitsers kwam dit als Tipioka in 1673, het Engelse tipioca eerst in 1707, en Frans tapioca pas in 1802, ons tapiocameel.  Via dezelfde uitspraak tipioca, manioca, kwam de naam maniok of manioc, dit in vele plaatsen van Z. Amerika en Engels.

 

Marrubium. Andoorn, oorspronkelijk een ziekte, het uitteren of magerte van kinderen, de plant was een middel daartegen, of van Duitse Andorn: ohne dorn: zonder doorn, lijkt veel op netel, maar zonder dorens. De oud-Hoogduitse naam Antorn werd (met ontlening dorn) het midden-Hoogduits Andorn, het Nederlandse andoorn.

 

Matricaria, een naam die afgeleid is van de Latijnse matrix: moeder, matricis is de baarmoeder, een verwijzing naar zijn gebruik en de holle bloembodem, carus: dierbaar, dus tot de zorg van de moeder behorende. Moederkruid.

Het midden Latijnse camomilla, mogelijk uit Grieks/Latijn chamaemelon (kleine appel naar de geur), werd tot camilla verkort onder invloed van de vrouwennaam Camilla, kleine kamille, veldkamille

 

Matteuccia. Bekervaren, de bladeren zijn zo geplaatst dat ze met z’n allen een beker vormen.  Struisvaren, omdat de sporen houdende bladen op enige afstand wel wat op struisveren lijken. Oorspronkelijk zou het afkomstig zijn uit Oostenrijk en werd wel Oostenrijkse- of Duitse varen genoemd.

 

Matthiola is een van de violen of violier. Ook wordt het wel leukoje genoemd. Dit woord komt van het Grieks leuko‑ion: wit-viooltje, winterviolier.

 

Medicago lupulina. Hopklaver of gele keien. De bloemen hebben een overeenkomst met die van hop, hopklaver of hoppige rupsclaver.

Medicago falcata. De plant wordt alfalafa genoemd en nog zo in Spanje. De peul beschrijft twee en een halve cirkel en vormt als het ware een dubbele Griekse a, alpha. Het Spaanse alfafa kan afgeleid zijn uit Arabisch al-fakfakah: het beste voer. Tijdens de Arabische overheersing kwam het opnieuw in Spanje en door de Spaanse overheersing in de rest van Europa, vandaar de naam Spaanse klaver. Van Spanje uit kwam het gewas in de 16de eeuw naar Frankrijk en in 1565 naar BelgiĎ, Franse klaver. De Provencalen haalden het uit ItaliĎ en noemden het naar een Italiaans oord, Clauserne of Lauzerne, waaruit luzerne ontstaan is. In BourgondiĎ groeit het zo overvloedig dat het daarom in Frankrijk overal foin de Bourgoigne, dat is in onze taal Bourgondisch hooi.

 

Melampyrum, van het Griekse woord melas: zwart, pyros: tarwe, een verwijzing naar de zwarte zaden of omdat de zaden met graan gemengd werden het brood de neiging had om zwart te worden, zwartkoren. De zwarte zaden lijken op die van de tarwe (weit is tarwe) wilde weit. Peertsbloem of paardenbloem, goed voer voor vee.

Hengel heeft zijn naam naar de boogvormig staande zijtakken die ook een iets voorovergebogen top bezitten.

 

Melia. Bidboom of paternosterboom. In ItaliĎ gebruikt men de 5 hoekige vruchtsteen tot paternosters uit de stenen van de vrucht worden rozenkransen gemaakt.

 

Melilotus. Het zijn lengtegroeiers die zoet ruiken, honigklaver. Het wordt vergeleken met klaver, akkerhonigklaver of bisamklaver.

 

Mentha. De schitterende nymp Mentha was de dochter van de rivier Cocytus en geliefd door Hades, de god van de onderwereld. Persephone, jaloers, vertrapte haar en veranderde haar in een onaanzienlijk kruid dat langs haar wateren groeit. Daar geniet ze de eeuwige bescherming van Hades. Hoewel ze nu zoveel van haar schoonheid en vorm verloor ontving de nimf een nieuwe charme, die van de geur, die zelfs die delen van haar lichaam overdekt die verborgen zijn in het rijk van haar koninklijke geliefde.

De zoet geurende oliĎn worden bewaard in haar ondergrondse delen als wel in de groene stengels en bladen die blootgesteld of tentoongesteld worden aan lucht en licht. Ze voert haar geur over de golven en mengt het in de kabbelende stroom, gekleed in groen en lila. Mint geurt in de akker alsof er een wind door de kamer waait, een frisse zuivere jonge wind.

Pepermunt is niet eerder ontdekt dan in de 17de eeuw, eerst in Hertfordshire door een Dr. Eales, dan in Essex bij de geneesheer en botanist S. Dale. De nieuwe plant werd vermeld door J. Ray in "Stirpium Britannicarum", 1696, als een munt: "Sapore fervido piperis", met de fiere smaak van peper, vandaar pepermunt. Een merkwaardige omschrijving.

Mentha aquatica. Knipluis, bruine munt of bruyn-heyligh, naar de bruine stengels, ook brune berend en bruine griet. Bruyn-heyligh heet bij Herbarius in Dyetsche heilige van het huis, mogelijk zo genoemd naar de genezing bij vrouwenziektes en geneeskracht.

 

Menyanthes. Waterklaver, boksbonen als minderwaardig voer, water drieblad of driebladige ruigbloem, driebladig, daarbij dachten de ouden aan een soort klaver.

 

Mercurialis. Bingelkruid, bingel: luiden, binge is bij bergbewoners een ketelvormige verdieping, naar de ronde klokvormige vrucht. Of midden-Nederlands bungelcruut: knol, een plant met knolachtige wortels die in tijden van nood gegeten werd mogelijk. Of van bingeln: wateren of urineren omdat de plant mogelijk als plas drijvend middel werd gebruikt. Theophrastus onderscheidt ook twee soorten van Linozostis, (Mercurialis) die hij arrhenogonon noemt, mannetjesverwekker en thelygonon, wijfjesverwekker, omdat de vrucht van de manlijke plant op een geslachtsorgaan lijkt, die is bij ons nu bekend als de vrouwelijke vorm.

 

Mespilus werd tot mispel. De open vrucht, apen: open en aars of gat, Aapenersken, Apene-ars, Apenarseken, Apene-ersken, Apenihrschen of Apenirschen.

 

Molinia. Pijpestrootje, of pijpdoorstekers, is zo genoemd omdat alleen aan de halmen onderaan knopen zitten waardoor de dunne en lange halmen overal even dik zijn en geschikt waren om de Goudse pijpen mee door te steken, eenknoop.

 

Molucella. Schelp-bloem wordt zo genoemd naar de schelpachtige bloembodem waarin de zaden zich nestelen als eieren.

 

Monarda. Bergamotplant is zo genoemd vanwege de gelijkenis in geur met de bergamot sinaasappelen, Citrus bergamia, deze sinaasappel wordt gebruikt om er een eau de cologne van te maken.

 

Monotropa. Stofzaad heet zo omdat het zaad heeft dat op stof lijkt. 1 zaadje weegt 0,000 003 gram. Het zaadje wordt door de wind verspreid.

 

Morchella. Morielje of morel heet in het midden-Hoogduits Mor(c)hel, in het midden-Nederlands is het morke dat later morilhe werd en daaruit is in de 16de eeuw ontleend Franse morille dat in Nederlands terug ontleend is. De morel is naar zijn gelijkheid met de Mohre: peen, zo genoemd. Voorjaarskluifzwam, moet eerst wel gekookt worden want die is wat harder en het sap weg te gooien en wordt de mogelijk giftige stof weg gegooid, helvellazuur, dat verdwijnt ook bij drogen. Zo gegeten zijn ze dodelijk. Het kan ook afgeleid zijn van Frans morille, en dit mogelijk van middeleeuws Latijn mauricula, van maurus, een moor: een verwijzing naar zijn geelbruine kap.

 

Morus. Moerbei van de naam Morus en een bes.

In midden-Nederlands heette zijde, omstreeks 1260-80, side, wat uit Romaans seda stamt wat weer afkomstig is uit Latijn seta of saeta: dierenhaar. De eigenaardige betekenisovergang is waarschijnlijk te verklaren door een overgangsvorm seta of serica "serisch dierenhaar", waarin het 2de lid Grieks is voor zijde: serikon, dat vanwege de aanvoer uit China uit een Aziatische taal zal stammen, seres, de oude naam voor China

 

Musa. Vruchten hiervan worden banaan genoemd. Voor het eerst geeft Garcia de Orta in 1563 het woord banana weer dat uit de gelijke betekenis banam: vinger, dat van de Kongospraak omgevormd is. De Creoolse naam voor meelbananen is bana. Of van Arabisch banan: vinger, naar de vorm van de vrucht. Bacove in Suriname die gebakken worden.

 

Vrouwen in Turkije staken deze troshyacint in hun haren als een teken dat ze het jawoord gaven. Het heette muschi-rumi waaruit via het Griekse moschos: de Griekse naam voor muskus naar de geur van de bloemen, Muscari ontstond. Blauwe druifjes of druifhyacint.

 

Myosotis. Vergeet me niet. De verliefden zagen in de bloemen het lichte blauw de kleur van trouw, de afbeelding van de ogen van de vriend(in) met daarin de donkere pupil. De verliefde schonk ze aan het meisje waardoor zij zich hem steeds herinnerde. De zoete vergeet me niet groeit voor gelukkige geliefden.

Bloemen worden gebruikt voor het kleuren van waswater, vandaar stijfselbloemetje, blauwstijfseltje, blauwblompje en vanwege de blauwe kleur Lieve vrouwe bloemkens en Maria bloemekes.

 

Myrica. Gale is een oude naam die waarschijnlijk stamt van gagel, de Angelsaksisch term voor deze struik, of mogelijk van het Keltische gal: balsem. Of van Grieks voor wezel, vanwege de reuk van de planten. Het Engelse gale, oud-Engelse gagol komt nog in vele plaatsen voor, als Gailey, Galsworthy, Frans gale, Spaans galo, Duits Gagelstrauch, onze gagel.

‘Sommige noemen het op het Latijn Myrtus Brabantica, dat is Brabantse Myrtus. Het groeit veel in Brabant waarnaar Dodonaeus het de naam geeft, maar ook zeer veel in de venen of moerasachtige landen van Holland daar men turf uit haalt.

Hollandse mirt, Brabantse mirt, groei- of kweekplaats. Verder komt de naam apostelhout voor of zoals in Twente posselbos en vlooienkruid. Zoals alle welriekende planten werd ze gebruikt om het ongedierte weg te houden. Een vlovrij bed werd er van gagel gemaakt waaromheen een linnenkleed gedaan werd.

 

Myristica. Notenmuskaat, muskatnootboom. Het woord muskat stamt uit midden-Latijn muscatum: muskusgeur, en nux: noot, wat over oud-Frans (noiz) muscate of muscade het Portugese noz‑moscada ontstaat en Latijn nux muscata.

Foelie heette in midden-Nederlands folie en in 1286 foelie of foelge wat stamt uit het Latijnse folium: blad.

 

Myrtus is gewijd aan Aphrodite/ Venus, de godin van liefde. Het is een Venusplant, de reden is duidelijk. Ze wordt en werd veel in bruidskransen verwerkt. De bruidskrans was oorspronkelijk een anticonceptioneel middel tegen verhindering van zwangerschap. Hiervoor werden vooral planten gebruikt die etherische oliĎn bevatten. Het gebruik in volksleven was levendig. Het schijnt dat de olie inwerkt op het uiterst zachte eiwit van het bij de ovulatie lozende ei. Dit gaat enkele weken na de geslachtsdaad over. Om zeker te zijn drinken de meisjes dit soort thee veel in de menstruatie tijd.

Dit gebruik schijnt zeer oud en zeer verbreid geweest te zijn. De verwerking van vele kruiden stamt van dit gebruik, als peterselie, majoraan, tijm en lavendel. Anderen als rosma­rijn en mirt hebben nog een symbolisch gebruik. De rosmarijn werd door bruidslieden op de borst gedragen. De mirt werd als krans gebruikt. Beide gebruiken zouden symbolisch zeggen dat de bruid op de trouwdag voor de nakomelingen een betrouwbare behoeder gevonden had. Ze heeft het daarom niet meer nodig om in menstruatietijd rosmarijn en mirtenthee te drinken.

De op huwelijksdag van de bruid geplukte en gebruikte rosmarijn en mirtenstruiken werden op deze dag afgesneden en uitgetrokken. De bruidsgasten werden met de overbodige takken bestrooid. Diegene van de bruidsmeisjes die de krans opving zou nu spoedig gaan trouwen. De reden is hetzelfde, zij is nu in staat om een voorbehoedmiddel te nemen en zo vrijer met een vriend om te gaan zodat een huwelijk meestal snel volgt.

 

Zo kwam Narcissus op een dag aan bij een heilige vijver, waarvan het water kristalhelder was, waar de herders nooit langskwamen met hun kuddes, waar geen berggeit of ander dier zich vertoonde. Zelfs bladeren en takken van de bomen durfden er niet in te vallen. Overal rondom groeide het gras mooier dan elders en de rotsen beschutten het tegen de zonnestralen. Moe van het jagen besloot Narcissus om daar even tot rust te komen en zijn dorst te lessen met het water. Toen hij zich voorover boog zag hij zijn weerspiegeling in het wateroppervlak, maar hij dacht dat het een mooie geest was die in de vijver leefde. Zo bleef hij daar zitten, in bewondering starend naar de heldere ogen, het krullend haar, de ronde kaken, de ivoren hals, licht gescheiden lippen, en de blakende gezondheid en conditie in het algemeen van deze verschijning. Hij werd verliefd op zichzelf.

Hij bracht zijn lippen naar het water in een poging om de verschijning te kussen, hij stak zijn armen uit om het beeld te omhelzen. Zijn geliefde vluchtte weg maar kwam terug toen het water weer kalm was en trok opnieuw zijn aandacht. Hij kon zichzelf er niet meer toe brengen om van het water weg te kijken, hij dacht niet meer aan eten en drinken, of aan rust, enkel aan de verschijning in het water. Hij probeerde ermee te spreken, maar kreeg geen antwoord. Hij begon te huilen maar zijn tranen verstoorden het beeld, waarop hij begon te schreeuwen en vroeg of de verschijning wou stoppen met hem steeds te verlaten. Zo ging het een hele tijd verder, en Narcissus takelde af. Hij verloor zijn kleur, zijn levenskracht en zijn schoonheid die eens zo betoverend was voor de nimf Echo. Die bleef echter dicht bij hem en bleef zijn verdrietige kreten herhalen. Uiteindelijk kwijnde Narcissus helemaal weg en stierf. De nimfen rouwden om hem, vooral de waternimfen, en bereidden zijn lijkverbranding voor, maar het lichaam was nergens te vinden. Het enige wat van hem overbleef was een bloem (volgens sommigen was dit door toedoen van Aphrodite, die hem uit medelijden toch nog liet voortleven, zij het als bloem), paars van binnen, en omringd met witte blaadjes, die nu nog steeds herinnert aan Narcissus. Tot op de dag van vandaag vinden we restanten van dit verhaal in de bloem narcis die als je goed kijkt en hoeveel er ook staan elk kijkt naar beneden en niet naar een ander. Ook in het woord narcisme dat gebruikt wordt om iemand te benoemen die vervuld is van eigenliefde of een ziekelijke interesse voor zichzelf vertoont, een narcist.

Die fabel zou op de dichtersnarcis slaan, Narcissus poeticus, L.  (van de poĎten) Die werd door Homerus, 860 v. Chr. en andere Griekse dichters bezongen, vandaar de naam poeticus of dichtersnarcis.

Sporkelbloemen naar de bloeitijd, februari.

 

Narthecium. Wateraffodil, naar de mooie gele bloemen, of moeras‑asphodel en wilde gerst, naar zijn vorm na de bloei. De naam moeras asphodel is een vertaling van 16deeeuwse botanistenlatijn Asphodelus (luteus) palustris, alsof de plant een gele asphodel van het moeras was. Cipelgras of siepelgras, naar de uienachtige bladeren.

De Nederlandse naam beenbreek zou deze plant gekregen hebben omdat het vee op plaatsen waar het gewasje groeit zwakke beenderen kreeg. Deze plant werd als de schuldige aangewezen, ook omdat het giftig zou zijn. De ware oorzaak is wel dat de plant voorkomt op heide en veenachtige gronden, dus zuur en kalkarm, waardoor de dieren een tekort aan kalk binnenkregen en vatbaarder werden voor beenbreuken. Ook is de grond op die vochtige plaatsen lang niet vlak. De grasheuveltjes staan midden in het water. Het vee dat hier weidde kon gemakkelijk een poot breken.

Aan de andere kant bezit het een kruipende wortelstok die een lijm bevat en mogelijk gediend zou kunnen hebben om beenbreuken te genezen.

 

Nelumbo. De curieuze zaaddozen zijn waarschijnlijk de oorspronkelijke hoorn des overvloed van de ouden. De hoorns des overvloed, de cornucopia van Ceres in Griekse en Romeinse afbeeldingen, zal wel ontleend zijn aan de zaadvormen van Nelumbo in de hand van Isis. De Grieken verwisselden die zaadbol wel met een papaverhoofd met zijn overvloedige zaden. Theophrastus beschreef de lotus in de groep cyanus of kyamos, een naam die ook aan een soort boon in Griekenland gegeven werd, mogelijk naar de overeenkomst in zaad, net als wij onze namen van appels en peren overbrachten op tropische vruchten tijdens onze ontdekkingsreizen. De Grieken en Romeinen noemden deze plant Egyptisch boon. Het was een belangrijke voedselbron voor de armen. De zaden zijn een lekkernij en vers, gedroogd en gebakken werden ze gegeten. Herodotus beschreef het lang daarvoor als een roze gekleurde lelie.

 

Nepeta. Deze planten bezitten een typische geur die katten aantrekt, het graag eten en er in gaan liggen. Ze kunnen er zo in te keer gaan dat er van de plant weinig over blijft. Een oud spreekwoord zegt dan ook "t uitgezaaide kattenkruid wordt de katten nooit tot buit, hoe anders het ook wordt geplant, wordt het door hen aangerand". Het groeit ook gewoon in de hagen waar katten het vrijwel niet lijken op te merken, maar in huis of de tuin gebracht lijken ze er wel verdoofd door te worden.

 

Nerine. Rondom de mythe van de aangespoelde bollen doen meer verhalen de ronde. John Bryan vermeldt in zijn boek "Bulbs" dat in 1659 een schip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie uit O. AziĎ zeilde naar Europa. In de Kaap laadde men kisten met Zuid Afrikaanse bollen in. Op thuisreis naar Nederland werd het schip door de storm op het strand geworpen. De golfstroom wierp de bollen aan het land, het zand dekte ze toe en in het milde klimaat van de golfstroom voelde ze zich goed en groeiden. Ze bloeiden daar zo mooi dat ze als snijbloem populair werden en men noemde ze guernseylelies, de bloem van dit eiland. De zoon van de toenmalige gouverneur van het eiland, C. Hatton, was een groot plantenliefhebber en bracht de bollen tot bloei. Later zond hij de bollen naar diverse botanische tuinen van Engeland.

 

Nicotiana. Monardus is de eerste die het beschrijft en zegt dat de Indianen het Picielt noemen en de naam Tabaco is door de Spanjaarden er aan geven vanwege een eiland met de naam van Tabaco, mogelijk Tobago of Tobasco een landschap in Mexico. In de beginjaren werd als geneesmiddel hoog geschat en daarom werd het wel Herba Sancti genoemd, Sanasancta. Tabak was bij de Indianen een bekend geneesmiddel voor vele ziekten en zo werd het eerst in Europa ook gebruikt.

 

Nigella. Omdat zijn bloeiwijze zich uitspreidt als de spaken van een wiel werd het St. Katharina bloem genoemd,

Juffertje in 't groen, Friese jiffeke ijn 't grien, jongvrouw in haren. Al die namen zijn zo genoemd omdat de bloem aan de buitenkant groen is en omgeven door fijne groene omwindselblaadjes. Een liefelijke naam, de helblauwe bloemen worden door groene vezels omgeven als het hoofd van een maagdelijke bruid met een weelderige haardos. Alleen maagden mochten in oude tijden hun haren los laten hangen. De grote blauwige bloemen zijn alleen aan de binnenkant blauw en worden juffertje genoemd omdat de stamper in het midden van de bloem troont en zich niet vervaardigt naar de stuifmeeldraden om te kijken. Zo kan het daar dagen blijven staan, de stuifmeeldraden die hun vrachtje wel kwijt willen zijn tegen het eind van de bloeitijd dan ook wel genoodzaakt zich naar de stamper toe te buigen die als een trotse juffer blijft staan en zich niet verroert. Na die beweging keren de stuifmeeldraden vol trots weer in hun fiere en rechte houding terug.

Zwarte kummel, zwart komijnzaad genoemd omdat de zaden voor hetzelfde doel gebruikt worden als komijnzaden.

 

Nuphar. Plomp, waarschijnlijk zijn de planten zo genoemd naar het dialect plomp: stok, waarmee in het water geslagen werd om de vissen in het net te jagen. In midden-Nederlands aplompe is a: (aa, ee) het woord voor water en daaruit is de naam pompebledden in het Fries ontstaan. De cirkelvormige bladeren bezitten een hartvormige voet. Het zijn zwaanvormige bladeren. Ze staan als versiering afgebeeld op de Friese vlag, de 7 waterleliebladeren. De Friezen namen 7 waterrozenbladeren als zinnebeeld van hun 7 eilanden in hun wapen op. In dit waterrijke gebied konden zij slechts winnen onder dit teken.

Ook kruikebladeren of boterkarn genoemd naar de vorm van het vruchtbeginsel.

 

Nymphaea. Witte waterlelie, waterroos, meerbladen, pannenkoeken, witte waterkruik, waterroos of kankerbloemen en kankerbladen. In Friesland spreekt men van flesjes, in Z. Holland van boterkarn.

 

Ocimum. De Grieken die onlangs geschreven hebben noemen het Basilicon en dat is in het Latijn Regium en in onze taal koninklijk kruid. Daarvan zijn de namen gekomen die in de apotheken gebruikt worden, te weten Basilicum en de Nederduitse basilicum. In Latijn werd het basilisca, maar ofschoon dit woord geassocieerd was met het Grieks, kreeg het woord een heel andere richting om zijn oorsprong te achterhalen.

De verbeelding van de ouden gaf geboorte aan een opmerkelijk reptiel dat zijn kwalijke geest over de geesten van de mensen uitoefende tot ver in de middeleeuwen. Dit was de gevreesde basilisk, de mythische koning van serpenten. De Grieken noemden dit beest basiliskos, een andere afleiding van hun woord voor koninklijk. Plinius begreep daaronder, vanwege zekere opmerkingen, dat het op een kroon lijkt die het reptielenhoofd sierde. Daarom wordt in sommige middeleeuwse tekeningen op het hoofd van het monster zorgvuldig een diadeem afgebeeld. Mogelijk is er ergens een overeenkomst gevonden met de basiliek. Geen mens weet het. De Romeinen, door een warboel in etymologie, werden door de Grie­ken geholpen die het kruid als antimiddel tegen de steek van schor­pioenen gebruikten. De oorsprong van de Griekse planten­naam. Het kruid was bekend als het tegengif tegen de Basilisk, het fabeldier dat afgebeeld wordt als een gele Afrikaanse slang met een witte vlek en 3 stekels op de spitse kop. Zijn steek brengt een zekere dood en zijn gifhuid verzengt kruiden en struiken en laat zelfs stenen springen. Hij is de koning, basileus, van alle gifdieren waar alle gifslangen voor vluchten. Hij bezoedelt, vergiftigt de lucht vanuit de uithollingen waarin hij leeft.

Naar middeleeuwse beschrijvingen is de Basilisk uit een dooierloze hanenei, basiliskenei, door een pad in de mest uitgebroed. Hieruit kwam een dier met een hanenkop en 8 hanenvoeten, met een kroon op zijn kop en fonkelende ogen dat door zijn blik doodt, via een spiegel doodt hij uiteindelijk zichzelf. De basilisk verduistert het licht der ogen. Als het beest in de zon verrot, worden er wormen uit haar geboren.

 

Oenanthe. Waterkervel of watervenkel, bothol, kikkerstoelen lijkt op venkel en maggiplant. Pijptorkruid of watertorkruid, tor: kever, vruchtvorm en holle stengels.

Wordt dodemansvingers en in Engels dead tongue genoemd, naar het verlammende effect van het kruid zodat je er geen geluid meer uit krijgt.

 

Oenothera. Tuinrapunzel, de wortel verkleurt bij het koken naar rood en is te eten.

Zevenslaper, vier uur begint de bloei en duurt zeven uur.

Nachtkaars, avond-uilen, nachtlampke, vier en twintig uursbloeme, eendagsblomme.

Teunisbloem zo naar St. Antonius, de kluizenaar die vaak afgebeeld wordt met vlammen in zijn handen, die zouden lijken op de felle kleur van de bloemen.

 

Onobrychis. Hanenkammetjes, de rode bloemstand. Een uitweiding over de waarde van deze plant werd gepubliceerd omstreeks 1671 waar de naam gespeld was saint foine: gezond hooi, wat ontleend zou zijn aan Latijn sanum foenum. De plant zou gevonden zijn tussen de kruiden en grassen in de stal waar onze Heer zou zijn geboren. Het plantje opende plotseling zijn bloemen om een krans te vormen rond zijn hoofd. Vandaar het Latijnse sanctum en foenum bij oude schrijvers. Het is nu het heilige hooi, gespeld sainct-foin en zelfs saint foin.

Eperklee, Espar, Esparsette, Esparzette, Esper Esper, Espassel, of Sparsette, van Spaans esparcilla, esparcir: uitbreiden, geeft vele stengels. Of van epars: verstrooid, wat afgeleid is van het Latijnse sparsus.

 

Ononis. Hauwhechel, in midden-Hoogduits betekent houwe: hakken, het wortelt zo diep dat men het er uit hakken moet en tussen zijn bladeren dorens heeft die een vlashekel, hechel, gelijk zijn, het werd tot Hackeln, vanwege de dorens of omdat het hooi aan het kruid bleef hangen, onze woerthaak, heidoorn, gedoornd stalkruid en kattedoorn, heeft dorens als de nagels van een kat. Stalkruid, stal is een oud Duits woord voor urineren en werd om die reden gegeven aan vee, een goed plaskruid, onze heetegaal, van hete gal. Ossenbreke omdat het de ploeg stopt, een ossenbreker.

 

Orchis. Standelkruid betekent van stand. De plant groeit met een stijve stengel een span hoog en werd vergeleken met het manlijke deel. Knapenkruid genoemd, men kon met die knol knapen of jongetjes verwekken. Alle twee knollen tezamen Adam en Eva. Dit is het volk niet ontgaan en dacht daarbij aan Lucas XXII: 21: “Doch zie, de hand degenen die mij verraadt, is met mij aan de tafel”. Dat was de hand van Judas. De andere hand is die van de brave discipel Johannes. Het werd als een aanwijzing gevonden voor een Godsoordeel en het verwondert ons dan ook niet dat we in middeleeuwse rechtspraken meer dan eens horen van beschuldigden die tussen de beide knolletjes hadden te kiezen. Werden ze daarna beiden te water gegooid dan zag men de Johanneshand steeds blijven drijven, de Judashand echter zinken. En daarmee was in de hoogste instantie recht gedaan. Legt men beide in het water dan zinkt de laatste, het is satanshand, de eerste blijft drijven dat is Maria's handje of O.L. Vrouwenhandje.

Mensorchidee. De bloem lijkt wat op een mensenvorm, het lagere gedeelte van de bloem, de onderlip, is tweemaal zo lang dan de kelkbladen. Dit gedeelte hangt naar beneden en wordt met een lichaam vergeleken. De twee zijdelingse stukken lijken op armen, het gevorkte eind doet dienst als benen. Het algemene gezicht op het bloemhoofd is grappig en lijkt wel wat op een geelgroen poppenhoofd. Vandaar de Nederlandse naam poppenorchis.

Soldaatje naar de helmvormige bloem.

 

Origanum betekent vreugde van de bergen. Afrodite, godin van de liefde, plukte deze vreugde van de bergen voor de aardse stervelingen om hen wat meer plezier en geluk in hun leven te brengen. Zo'n bloem die door de godin van de liefde geplukt werd is een  gelukkige bloem, in Duits heet het daarom Wohlgemuth en in Engelse joy of the mountain.

Majorana, mageleyn. Dit komt doordat het Griekse mezurana (de naam van de plant bij Dioscorides) ontstaan zou zijn uit amara: bitter. Hieruit ontstaat het Latijnse amaracus en (met aanname van maior) werd zo midden-Latijn majoracus of majorana gevormd. Marjoraan wordt meestal aangeduid als de wilde majorana.

 

Ornithogalum komt van het Griekse woord voor vogel: ornus, en gala: melk, sommige soorten hebben melkwitte bloemen, vogelmelk. Aar van Maria, morgenster of ster van Bethlehem. De bloemen suggereren de gepunte ster van Bethlehem die over de geboorteplaats van Christus zou hangen. Want nadat ze de wijzen naar het kind heeft geleid barstte ze uit elkaar zodat de grote velden bedekt werden met deze bloem. De naam zevenslaper en slaapmuts hangt met de eigenschap van de bloemen tezamen die met zonneschijn pas tegen de middag openen en tegen de avond weer sluiten.

 

Oryza. Het bronwoord is oud-Indisch, Sanskriet, vrihi arunya of war-vrihi. Dit werd ging over Afghaans vrize in Perzisch wrizey, modern Perzisch birinj, biring of brizi, dat in het Grieks oruza en over Latijn oriza werd. Hieruit kwam het Italiaanse riso, oud-Frans ris, nu riz, het Engelse rice, (Shakespeare in Winter's Tale, iv, 3,11) in midden-Hoogduits Ris, nu Reis, ons reisz en ries tot rijst.

 

Osmunda. Osmund the water-man, de wortel is groot en dik en bedekt met vele schubben. In de harde wortels  zie je in het midden een groot en hard houten deel met wat klein en witachtigs, dat is het hart van Osmund the waterman. Gerard, die de stengel van de plant beschrijft die doorgesneden een wit centrum laat zien, noemt dat gedeelte het ‘heart of Osmund the Waterman’. Een waterman van deze naam heeft, volgens de traditie, geleefd bij Loch Tyne. Toen deze brave man eens zijn familie verdedigde tegen de brute Denen schuilde hij onder de grote takken van deze geweldige plant die meer een struik is dan een varen. Koninklijke varen, koningsvaren, grote varen. St. Christoffel heeft zijn naam aan deze varen gegeven,  het is de Engelse herb Christopher. Ook het Duits heeft St. Christoffelskraut, mogelijk heeft het die naam gekregen omdat het kruid langs rivierstromen groeit zoals Christoffel gewoon was om mensen over de stroom te dragen.

 

Oxalis. Koekoeksbrood naar een oud geloof dat de vogel zijn stem verbetert bij zijn tegenwoordigheid. Klaverzuring, de klaverachtige bladeren die scherp smaken. Alleluja omdat dit kruid net uit de aarde begint te spruiten of tenminste dan begint te bloeien als men in de kerken meest en gewoonlijk het Alleluja plag te zingen. Hallelujah, naar de legende van St. Patrick die dit blad zag. De monnikennaam Hallelujah verscheen maar het was geen geluid van victorie bij de bekeerde heidenen. (dat was de shamrog)

 

Paeonia. Paeon, de heelmeester van de hemel en leerling van Aesculapius, stilt de pijn en heelt de wond. Volgens sommige verhalen was de plant een geschenk aan hem. Doordat hij er de goden mee genas wekte dit de afgunst op van zijn leermeester die het plan opvatte om hem te doden. Pluto redde hem op tijd door Paeon te veranderen in een pioenroos. De pioenroos opent zijn knoppen als een roos, pioenroos.

Bloeitijd, ze staat met Pinksteren in volle bloei en zou, naar de sage, met Pinksteren in het donker oplichten. Daarom heet deze wonderbare plant bij de ouden Aglaopnotis, dit is de licht blinkende. Omdat de pioen zijn pracht in mei ontvouwt, de maand van Maria, siert het in die tijd ook de kerken onder de naam Mariaroos of altaarbloem en vaak de weg van de processies. De Pinksterroos is een symbool van Maria want de volheid van haar bloemen kan vergeleken worden bij de volheid van de genade van de H. Maagd. In Duitsland wordt het Pfingstrose genoemd vanwege de bloeitijd met Pinksteren en bloeivorm. In West-Vlaanderen is de naam van de pioen kerkeroos,. Op Sinksendag (Pinksteren) liet men langs gaten in het beukgewelf de vuurrode bladeren van de bloemen in de kerk over de gelovigen vallen. Ze verbeeldden de vurige tongen die nederdaalden over het volk. Dit gebruik bestond nog te Nieuwpoort in 1840. Daarom heet de plant ook Schinksenroos. Wordt ook wel koralenpioen genoemd omdat de vruchten in de herfst op koralen lijken.

 

 Panax is afgeleid van de Griekse pan: alles en voedsel, en akos: genezing, een panacee, een verwijzing naar zijn stimulerende krachten. Latijn panacee stamt van Grieks panakeia: een plant die alle ziektes geneest, een universele remedie met genezing voor het lichaam, mentale- en sociale ziektes.

Het gewas levert de ginsengwortel die qua vorm op een mens lijkt. "Ginseng wil zeggen, "semblable a' l'homme": gelijk als de mens, dit naar de gevorkte gedaante van de wortels.

 

Pandanus. De zwaardvormige bladeren zijn schroefvormig geplaatst, vandaar schroefpalm.

 

Panicum. Onze heerse, oud-Hoogduits Hirso of Hirsi en in Angelsaksisch komt herse voor, (Engels hirse), een toevoeging van de t, net als bij rijst, zodat het hierst of gierst werd, in dialect zijn er allerhande vormen als gierze en girse naast heerse of herse, gheers in Brabant.

 

Papaver. In BelgiĎ heet het kollebloem, Fuchs sprak van collebloemen, zo ook Dodonaeus. Van kol: heks? Of van Frans col: kraag, Duits Kol: schedel, naar de vorm van de zaadbol. De naam heks zie je ook in spokebloem. Wie komt te vallen met de plant in de mond zal sterven. Iemand die hem in de hand heeft en hem breekt krijgt de vallende ziekte. Brunfels beschrijft het waarom het waarschijnlijk later een duistere naam gekregen heeft; ‘Met deze rozen hebben de heidenen ook hun goochelwerk gedreven en de vorst der hel, Dis of Orcus genoemd, in zijn tempel en schouwspelen een rok daaruit gemaakt. Daarom het ook genoemd Orci tunica. En hebben ook de oude Egyptenaren zo ettelijke bijzondere tekens van dieren en gewassen in plaats der letters gebruikt, deze bloem getekend zo vaak ze hebben aan willen duiden willen menselijke ziektes.

 Klaprozen omdat de bloemen kunnen klappen als de bloemblaadjes bovenaan vastgepakt worden tussen duim en wijsvinger waardoor eronder een ruimte ontstaat, door er dan hard op slaan scheurt die met een knal middendoor. De bloembladen geven een knal, een test voor geliefden, dit werd al gedaan door jonge Griekse meisjes. Knalde het met stevig geluid was het een goed teken, zonder geluid of gescheurd, betekende zonder vertrouwen. De klaproos heeft een zittende stempel, de stijl is niet aanwezig. De stempel zit als een ster bovenop het vruchtbeginsel. Bij de zaaddozen zie je de ster er duidelijk bovenop zitten. Kinderen doopten de zaadbol in inkt en drukten dan dit op hun voorhoofd. Zo ontstond het kruisje, gelijk als het askruisje dat op Aswoensdag in katholieke streken op het voorhoofd wordt gedaan, BelgiĎ ink-, enkbloem, kruiskensbloem.

Man of maenkopsaet is met het Griekse woord mekon verwant, vandaar macopsaet, mancop of maancop. Mankop werd het genoemd naar zijn gedaante van een hoofd en zo gebruikt in de signatuurleer tegen hoofdpijnen, het blauwmaanzaad.

Witte heul komt uit oele dat uit Latijn oleum; olie, is ontstaan. Slaapbol, symbool van slaap.

 

Parietaria. glaskruid, vanwege de ruigheid op de bladeren dat gebruikt werd om glas te schonen.

 

Paris. Op de bruiloft van Peleus en Thetis wierp Eris, de godin van de tweedracht, een appel met het opschrift "voor de mooiste" tussen de feestvierders. Paris was de man die de twistappel of Erisappel moest toekennen aan de schoonste der godinnen, dit waren Hera, Aphrodite of Athene. (of de Romeinse Juno, Minerva en Venus) Hij gaf de appel aan Afrodite omdat zij hem de mooiste vrouw ter wereld beloofde. Hierop schaakte hij Helena, wat de aanleiding werd tot de Trojaanse oorlog. Paris wist de hiel van Achilles te treffen maar werd zelf door Philoctetes gedood.

Dit verhaal komen we tegen in deze plant. De rijpe bes van deze plant zou de twistappel zijn, de vier bladeren zijn de drie godinnen en Paris zelf. De vier bladen staan direct tegenoverelkaar op de manier van een Bourgondisch kruis of liefdesknot, waarom de ouden het truelove noemden. Daarom zou paris niet van par, gelijk, afgeleid zijn, maar van het zelfstandig naamwoord par: een paar, de naam betekent daarom liefdesplant, vergelijk Duitse Venussiegel, Engelse true love.

Eenbes, er komt maar 1 bes op voor.

 

Passiflora. In de oude Spaanse traditie was het een passiebloem die het kruis beklom en zich vast hield aan de splinters van het hout die door de nagels veroorzaakt waren. De vroege vaders zagen in zijn knoppen de eucharist en in zijn half open bloem de ster in het oosten. In de volle bloem de vijf wonden, de nagels, de hamer, de speer en doornenkroon en de dertig zilverlingen. Dit groeien aan het kruis werd niet herinnerd door de mensen uit Jeruzalem maar was geopenbaard aan St. Franciscus van Assisi in een van zijn visioenen.

Op het einde van de 16de eeuw werd de plant in ItaliĎ gecultiveerd en toen hadden ook de priesters in de bloem de betekenis en het leven van Jezus Christus ontdekt. De priesters zagen daarin een aanwijzing tot het lijden (passie) van Christus. Passiflora, in dit woord zit het Latijnse passus: lijden, en flos: een bloem, literair de bloem van het lijden. (zie Arum)

De passiebloem is een wild bloeiende plant van de Zuid Amerikaanse bossen. Er wordt verhaald dat de Spanjaarden, toen ze voor het eerst de lieflijke bloem zagen zoals die aan rijke trossen van de woudbomen hing, een aanwijzing of teken zagen dat de Indianen tot het Christendom bekeerd moesten worden.

 

Pastinaca, van het Latijnse pastinum: de tuinvork, pootijzer of ploeg, pastinare: uitgraven, het is een verwijzing naar de vorm van de wortel. Hieruit zijn de namen pastinaak, pasternak, pinksternakel en balsternak gevormd.

 

Pedicularis komt van het Latijn pediculus: een luis, naar het verondersteld effect als schapen het eten. Luiskruid, omdat er zoveel luizen op zitten. Rode schartelen, rode horde, vanwege de rode of rood getekende bloemkroon. Kartelblad, heet zo omdat het blad gekroesd is.

 

Penstemon. Schildpadbloem, slangenkop naar de vorm van de bloemrug.

 

Pericallis.  Askruid heet het naar de grijze kleur van de bladeren. Luizenplant, als het even op de tocht staat zit het gewas vol met luizen. Het is de moederdagplant omdat het met die dag volop in bloei staat en verkocht wordt.

 

Persea. De boom is afkomstig uit Mexico, waar de Azteekse (Nahuatl-taal) naam ahuacat of ahuacatl was, wat boter uit het bos betekent, Advocado is een aanpassing door de Engels sprekende landen.

Historisch is er lang een stempel op gedrukt als seksuele stimulans en werden niet door personen gebruikt die kuis wilden leven. Kwekers moesten dan ook een campagne starten om zijn onzuivere reputatie weg te halen voordat ze populair werden. Ze waren bij de Azteken bekend als ‘het vruchtbare voedsel’. De Creolen noemen het moesachtige gedeelte advocaat en de onbruikbare pit procureur, vandaar het niet vriendelijke spreekwoord dat men de advocaat opeet en de procureur het venster uit werpt.

 

Persicaria. Waterpeper moet je eens geproefd hebben. Het werd ook wel armenpeper genoemd omdat het door de mindere klasse wel gebruikt werd als vervanger van peper. Muggenkruid omdat het vliegen en muggen verdrijft. Gebruikt bij maagkwalen, bittertong of –plant, bitterbled in Friesland. Zo ook vlokruid. De rode stengels, roodbeen, roodpoot, roowilg, roodbeen, roode rister en dergelijke.

 

Petasites. Het was een van de pestkruiden waarvan de mensen redding verwachten tegen de zwarte dood, pestwortel.

 

Petroselinum werd tot peterselie. Een aanleuning aan de naam peter werd in Nederland pieterselie.

 

Peucedanum. Zwijnenvenkel, een verachtelijke naam of omdat zwijnen het eten. Haarstrang, de stengel is strengvormig met blad dat op haren lijkt, mogelijk eerder naar de zachte wortel die van vele haren voorzien is of beter van harn; urineren. Melkeppe, eppe is een vanouds bekende naam die ook aan andere planten werd gegeven. (watereppe lijkt op eppe: peterselie)

Het meesterkruid is een vertaling van middeleeuws Latijn magistrantia; meester, omdat aan de plant meesterlijke heilkrachten toegeschreven werden zodat het menselijke lijf niet alleen door zijn deugd die verhoedt maar ook die aangevangen zijn weg neemt, is zo meester over verschillende ziektes.

 

Phalaris. Rietgras, eenhalm of bandgras, de strepen op het gras. Kanariegras is afkomstig van de Canarische eilanden.

 

Phaseolus. Piet Hein zou de eerste bonen naar Europa gebracht hebben. De Piet Hein boon is nu bekend als Turkse boon of pronkerwt. Slabonen heten ze omdat men ze koud opdient als sla. Sperziebonen omdat ze oudtijds geserveerd werden als asperges. De dubbele zonder draad zou door een Andijker kweker ontdekt zijn tijdens het schonen van bonen, hij ging zijn hele veldje af om de boon zonder draad terug te vinden. Hij vond ze. Daarom worden de bonen doormidden gesneden, dan kan je de draad er gemakkelijk uithalen. Nog steeds worden ze gebroken hoewel er geen draad meer in zit.

 

Philadelphus. Grieks philo: houden van, adelphos: broer, uit de basis komen vele scheuten die onvertakt dicht naast elkaar groeien en samen een familie vormen. Het is de Griekse naam voor broeder en zuster minnend, dit was de bijnaam van Koning Ptolemeus II van Egypte, die deze naam kreeg omdat hij zijn zuster tot vrouw nam, 285-247 v. Chr. Jasmijn, boerenjasmijn omdat het gewas bij vele boerderijen aangeplant werd, is vanwege zijn heerlijke geur genoemd naar de winterjasmijn, Jasminum.

 

Phoenix. Bij de Egyptenaren diende de palmboom als symbool van de zonnegod om de daarmee de steeds hernieuwende tijd uit te drukken. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40-60 donkergroene en ongeveer 3 m lange bladeren. Elk jaar vallen enkele van de onderste bladeren af en worden er ongeveer 12 nieuwe bladeren gevormd. Voor de oude Egyptenaren was de palmboom het symbool om zo het jaar in 12 maanden in te delen. Job 29,18 “Ik zegde bij mijn zelven; in mijn woonplaats zal ik den geest geven, nadat ik mijne dagen zal vermenigvuldigd hebben als een palmboom.’

De palm geeft 360 nuttige zaken, zo naar Babylonische en Perzische hymnes, een mythisch astrologisch getal dat al bij de Egyptenaren werd gevonden.

Het begin van een grote tijdrekening heette bij de Semieten chol of chul die door de Grieken Phonix (vergelijk PhoeniciĎrs) genoemd werd.

De vogel kwam alle 500 of 1461 jaren uit IndiĎ naar ArabiĎ, vlak bij een koele bron. Elke morgen baadt het in uit water en zingt een prachtig lied zodat de zonnegod zijn wagen stopt om te luisteren. Er bestond maar 1 Phoenix per tijdvak.

Als hij voelde dat zijn stervensuur gekomen was, elke 500 of 1461 jaar, bouwde hij een nest van aromatische kruiden en stak die in brand waar hij en het nest verteerd werd door de vlammen.

Uit de as ontstond hij dan verjongd weer op om weer 500 of 1461 jaar te leven. Het balsemde de as van zijn voorganger in een ei van mirre en vloog er mee naar Heliopolis (zonnestad) Daar legde het ei op het altaar van de zonnegod.

Ook de vogel was, als de palm, een symbool van onsterfelijkheid daarom betekenen.

Naar de wiegende beweging in de woestijnwind gaf men het ook de Aramese en Hebreeuwse namen dekhle en dikhla waaruit de Arabieren dakhl maakten. Daaruit ontstond het Griekse en Latijnse daktylos of dactylus en W. Europese afleidingen hiervan als dadel.

Voorts zo is dit de echte palmboom daar de palmenzondag zijn naam naar heeft.

 

Phragmites. Riet, Keltisch riet: veld of vochtig land, de groeiplaats. Het Germaanse hreu en hreupa stammen van de Indo-Germaanse wortel qreut: schudden of swingen. De naam riet betekent dus de schuddende of zwenkende.

Dekriet, wordt gebruikt op oude boerderijen. Riet was bij de Grieken het zinnebeeld van muziek. De legende zegt dat Pan de schone Syrinx achtervolgde tot aan de rivier Ladon waar de nimf de hulp van de stroom inriep om aan de bosgod te ontkomen en op haar verzoek in riet veranderd werd. Pan sneed toen verscheidene rietstengels af tot aandenken en bracht ze aan zijn lippen en ontdekte zo de beroemde herdersfluit. Athene zou de fluit hebben verworpen omdat die het gezicht van de musicus misvormt. Het is geen zinnebeeld van de hogere toonkunst. De lier, waarbij je gelijk de stem kan gebruiken, was het hogere instrument van de god Apollo.

 

Physalis. Krieken over zee, komt van over zee, winterkersen omdat de vrucht niet voor de winter rijp wordt in de Noordelijke landen. Krieken, de kersachtige vrucht. Jodenkers, omdat de rode kelk een gelijkenis heeft met het hoofddeksel dat in de middeleeuwen door IsraĎlitische vrouwen werd gedragen. Boberelle, de bobbelachtige vrucht, lampionsplant.

 

Physostegia. Draaibloem, of scharnierbloem is zo genoemd omdat de bloemen met de hand in een andere stand gedraaid kunnen worden waarna de bloem in die stand blijft staan. Het lijkt alsof de bloemen met een scharnier aan de plant zijn verbonden.

 

Phyteuma soorten worden, net als sommige Campanula-soorten, rapunculus: raapje, genoemd waaruit de naam rapunzel is ontstaan. Hier werden de vlezige wortels mee bedoeld.

 

Picea komt van pix, picis of pic: pek of hars, een verwijzing naar het hars dat overal op hout, naalden en kegels zit. In de rode den boort men gaten waaruit gouden droppels parelen die zich harden, de hars. Dit wordt in een ketel op zwak vuur gesmolten en daaruit wint men teer en hieruit maakt men pek. Harsboom of pekboom. Vurenhout in oud Hollands vuerenhout of vuyrenhout als of men vuurhout zei omdat het door zijn vettigheid zo goed is om het vuur te ontsteken en daarom als ze in vochtigheid vergaan zijn worden ze pijntoorts genoemd.

 

Pilea. Kanonplantje of vuurwerkplantje naar de plotselinge samentrekking van de helmdraden die het stuifmeel in wolkjes naar buiten schieten. Die wolkjes doen denken aan het barsten van miniatuur granaten. Dit komt vooral voor op een zonnige dag als de bloemen nat gemaakt worden. Is de plant in volle bloei, dompel de meeldraden even onder water, dan springen op zichtbare wijze de knoppen open en de veldslag begint. Pif, paf, poef, in alle richtingen wordt er geschoten en wordt de omgeving met kruitdamp of stuifmeel gevuld.

 

Pimpinella. De algemene naam The Scarlet Pimpernel is wijd verspreid. Dit naar de boekjes van Barones Orczy die in 1905 een toneelstuk ‘The Scarlet Pimpernel’ schreef waarin een Engelsman, Sir Percey Blakeney, ten tijde van de Franse revolutie Franse edelen hielp om uit hun land te ontvluchten. Elke keer als hij iemand meenam liet hij een visitekaartje achter waarop het bloemetje gedrukt stond.

 

Pinus pinea wordt naar de vorm van de kroon wel parasolden of tafelden genoemd.

Pinus strobus. Weimutden, Weymouthden is in 1705 in Europa bekend geworden door Lord Weymouth die de boom introduceerde in Engeland en geweldig promoveerde.

De den zucht en weent, kraakt en steunt. De den heeft het moeilijk. De pijn in zijn lendenen is ondraaglijk en uit zijn wonden druppelen harstranen. Pijnboom genoemd naar de harsdruppels die als tranen uit de stam vloeien, ook wel pijn.

Het woord green komt bij ons in 1658 voor en grenenhout in 1646. Het hout wordt grenenhout genoemd wat zijn naam te danken heeft aan de Scandinavische benaming grane, oud-Noorse grond: den, en zo genoemd naar de stekelige naalden, vergelijk graat.

 

Pisum. Erwt is door de Zuid Germanen in voorhistorische tijd hier bekend geworden. Dit woord zou afgeleid zijn van erwt, wat in Keltisch bewerkt land betekent. Capucijners zijn zo genoemd naar de monniken, de Capuziners die alleen sandalen dragen zonder kousen een grote wollen bruine pij waaraan zich een kap bevindt, deze kap keert in gelijke vorm terug in de bloemvorm.

 

Plantago. Hertshoornweegbree heeft verdeelde bladen als een hert.

Plantago is zo genoemd naar zijn oude Latijnse naam, planta pedis: plant en voetzool, naar de gewone stand op vastgelopen paden, of naar de bladvorm. Of van planta: plant, om Plantago als een zeer algemeen en heilzaam kruid te betitelen. De plant is als een voetindruk op de grond, het volgt de weg als de beste scout. Weegbree werd wel onderscheiden in twee soorten, de grote werd bij ons de manlijke plantein genoemd en de kleine de vrouwelijke plantein. De manlijke werd door de mannen en de vrouwelijke als heelmiddel bij de vrouwen gebruikt.

 

Polemonium. De plant was vroeger een geneesmiddel tegen vele ziektes en bekend onder de naam herba Valerianae Graeca: Griekse valeriaan. Jakobsladder omdat de stengel niet recht is, maar als een ladder bij de knopen verspringt en naar de hemelsblauwe bloemen voeren. De naam Jakobsladder zou in verband worden gebracht met Gen. 28: 10 "Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daar neder". Speerkruid naar de speervormige bladen of van sperricht: uit elkaar gespreid, de dichte bos grondbladen, ook spierkruid.

 

Polianthes. De naam tuberoos is ontleend van tuberosa, deze plant is de tuber, de knoldragende hyacint om die te onderscheiden van de bol dragende hyacint.

 

Polycnemum komt uit Griekse polys: betekent veel, wat slaat op de vele geledingen. Akkerveellid en knarkruid heet het plantje naar het geluid dat het maakt als erop wordt gelopen.

 

Polygala, van het Griekse polygalon, polys: veel, en gala: melk, de plant zou melk vermeerderen bij koeien, melkkruid. Kruisbloem omdat de plant in de kruisweek het meest ontwikkeld is. In de passietijd wordt het kruis gedragen, ook het melkkruid wordt gedragen in deze tijd en vandaar kruisbloem. Volgens Bock maakten de kruisjonkvrouwen hiervan hun kransen. Hemelvaartsbloem. Dodonaeus zegt dat de boerinnen daar hun kransen van maken en de tuiltjes in veel landerijen plegen te vlechten. Dan worden de velden gewijd. Bellen klonken in die processietijd zodat de duivels verdwenen. Deze processies stopten bij de hervormers. Maar een van deze rites gaat terug op het Romeinse ambarvalia. Het melkkruid werd wel ambervalis genoemd, van ambiendis arvis: de velden bezoeken, omdat de ouden gewoon waren maagden met de bloemen van deze plant te kronen wanneer ze de velden doorwandelden om er vruchtbaarheid over af te wensen.

Vleugeltjesbloem is zo genoemd omdat van deze planten de twee binnenste van de vijf kelkbladen vleugelvormig gevormd zijn.

 

Polygonatum. Salomonszegel, naar  de zegelachtige indrukken in de kruipende wortelstok, een vertaling van middeleeuws Latijn Radix Sigilli Salamonis of sigillum salomonis. De zegel kan ook op een van de bloemen slaan die als een zegel aan een document hangt. Dioscorides schrijft dat de wortels uitmuntend zijn om groene wonden te sluiten en te verzegelen, vandaar de naam. Voor het bouwen van de tempel gebruikte Salomon geen gereedschappen. 1 Kon. 6: 7, ‘en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis.’. Het werd dus op magische wijze gebouwd.

Een Rabbijnse sage verhaalt: "Salomon moest de Schamir hebben om de rotsen, die hij tot het bouwen van zijn tempel nodig had, te laten springen. Hij liet dus het nest van een auerhoen opzoeken en met kristal bedekken. Omdat de auerhoen nu niet meer bij zijn jongen kon komen vloog hij weg en haalde de Schamir en wou die op het kristal leggen. Maar nu begonnen Salomon 's knechten zo hard te roepen dat de vogel verschrikt werd en de Schamir (dat is springwortel) liet vallen. Dit zou de wortelstok van de salomonszegel geweest zijn.

Als dank voor de springkracht van de wortel, wat vooral handig was tijdens de tempelbouw, drukte Salomon zijn stempel hierop. Het werd een soort toverstaf en de springwortel van de sprookjes. Mogelijk is de oorsprong van de naam bij Dioscorides geweest dat ze als een zegel, sigillum, de wond afsluit.

De zegel van Salomon was een magische pentagram van 5 punten, zo ook de ster van David. Het had een grote kracht als fuga daemonum voor het verdrijven van duivelse krachten. De ware pentagram van 5 punten zou de 5 wonden van Christus raken en die zie je in deze plant, sindsdien heeft het zijn naam springkruid behouden. Wie de magische tekens van de zegels verstaat wordt gevoerd naar verborgen schatten en voor hem springen gesloten deuren.

 

Polygonum. Vanwege zijn geneeskrachtige eigenschappen een voer voor zieke varkens, varkensgras en swienegras.

Kreupelgras. Er werden knopen in gelegd zodat men onverwacht kon vallen en kreupel worden. Opvallend is dat dit kruid remmend werkt op de groei van andere planten. In de 17de eeuw dacht men dat het ook de groei zou remmen in het lichaam zodat kinderen klein bleven. Gekookt varkensgras zou iemands groei kunnen belemmeren. Shakespeare beschreef dit geloof in zijn Midsummer Nights Dream, derde akte, tweede toneel:

"Get you gone, you dwarf. You minimus, of hindering knot-grass made".

 

Polypodium. Engelzoet is naar het volksgeloof als middel tegen beroerte door engelen naar de aarde gebracht. Eikenbladerig, gewone eikvaren, het blad lijkt wel wat op een eikenblad, bij ons vroeger boomvaren.

 

Polyporus. Tonderzwam of rookzwam waaruit de bekende tondel als een licht vuur vattende stof werd bereid. de gedroogde zwam werd wel gebruikt als console voor de heiligenbeeldjes, zelfs als hoofddeksels. De naam bovist stamt van bof, pof of puf: uitblazen, en fist: moeilijk, het zijn de Engelse puffballs.

 

Populus., door de klank van de o wordt de boom onderscheiden van populus: het volk. De arbor populi: boom van het volk, werd bij de Fransen als bevrijdingsboom het embleem van populaire vrijheid net als de linde.

Uit Latijn alba kwam Frans albel wat bij ons tot abeel werd. Ratelaar naar het geluid dat de bladeren van zich geven als ze tegen elkaar gedreven worden. Klaterpeppel, vrouwentongen of ratel populier. Trillen of sidderen als een espenblad is een bekende uitdrukking.

 

Portulaca. Populair werd het vertaald naar Latijn porcus: een zwijn, tot porcilaca en onze portulak.

De oud-Hoogduitse vorm Porcelaine is met midden-Nederlands porceleine of porselein een omvorming van Plinius porcilacca.

 

 

Potamogeton. Fonteinkruid, de bloemen zitten in aren en steken boven de waterspiegel uit.

 

Potentilla anserina. Ganzerik of genzenrik, genkte en gente heet de plant in Twente, ganzeblad, het woord ganzerik komt voor naast genserik,. Waarschijnlijk is dit te verbinden met het midden-Hoogduits Grans: bek of snavel. Dit woord leunt duidelijk tegen gans aan omdat de plant het lievelingsvoer van de gans is.  En inderdaad groeit het veel op ganzenvelden, men meende dat het uit ganzenmest groeide. Zilverkruid heeft zijn naam te danken aan de zilverwitte onderkant van de bladeren. Dit is nog beter te zien als die omgekeerd in een glas water gelegd wordt waardoor er fijne zilveren luchtbelletjes op het blad komen en de kleur duidelijker uitkomt. Belgisch vleujekruid, kan insecten verjagen.

Potentilla erecta. Tormentil is afgeleid van Frans tormentille, van middeleeuws Latijn tormentilla, van tormentum: kwaal, foltering, smart of kwelling, een plant gebruikt tegen menstruatie, overvloedige bloedwateren, buikpijn, tandpijn of krampen. Vanwege de samentrekkende werking is het de schijtwortel omdat het bij doorloop van het vee gebruikt werd, weewortel of meerwortel, meer en wee: ziekte van het vee dat gepaard gaat met bloedwateren.

Potentilla reptans.  Vijfvingerkruid, bladvorm

 

Primula betekent kleine eersteling

De naam Auricula Ursi of berenoor komt omdat de bladeren ‘s winters of als ze net uitkomen op de oren van beren lijken.

Sleutelbloemen, lijken op oude sleutels. St. Petrus:  Grieks petra: rots, als symbool van vastheid en betrouwbaarheid. De discipel Sim(e)on, de zoon van Jona, ontving deze naam van Christus: Matth. 16: 18: “En ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen..”. Op grond van deze laatste woorden wordt Petrus vaak afgebeeld met sleutels in de hand en als wachter van de hemelpoort.

St. Pieterskruid.

 

Protea. Wordt ook wel tulpboom genoemd naar de bloemvorm.

De echte honey-pot van Z. Afrika bedekt vaak in roze hele zandige plaatsen. Dit is het bekende suikerbossie van de Kaapstreken, bezongen in een populair liedje. De bloemhoofdjes bevatten veel nectar en omdat de kolonisten er vroeger suikerbosstroop van maakten heet het nu suikerbossie.

 

Prunella is verbastering van brunella, het is een verlatinisering van de Nederlandse naam bruynelle, dit naar de bruine schutbladen en bruine kelk. Die naam kan ook afgeleid zijn van het Duitse die Braune: een kaakziekte, die deze plant zou genezen. Ook wel bijenkorfje omdat de bloemvorm op die van een bijenkorf lijkt en ook omdat er zoveel bijen op af komen..

 

Prunus domestica, van Grieks prounon wat tot pruim werd. Quatsch, Quetsche of Zwetsche  is een Slavische klank die toch in de Slavische spraak niet voorkomt, zou uit het Griekse damaskenon ontstaan zijn en langs eeuwenlange weg werd het damaskin, dwaskin, zwaskin, Zwetsche en Quetsche, onze zwets of kwets. Men verklaart het woord wel omdat men de kern eruit quetschen kan. ‘Reine Claude’ heeft zijn naam gekregen van Claude, de vrouw van Frans I, gestorven 1524. Origineel was het "prune de la reine Claude". Als de vrucht geēntroduceerd zou zijn vanuit ItaliĎ in Frankrijk veronderstelt men dat de naam Reine Claude een item geweest zou zijn van de Franse renaissance in het koepelvormige plezierkasteel van Chambord en de lange, slanke naakten van de artiest Primaticcio.

Prunus cerasifera. Kroosjespruim of kriek heette in midden-Nederlands cri(e)ke. Trochus, 1517, verklaart het woord als prunum grecum: Griekse pruim. Het is echter geen midden Latijnse naam zodat omvorming van een Germaans woord mogelijk is.

De kleine geelrode vruchten heten kerspruimen, die dubbel zo groot zijn heten myrobalanen of mirabel en dat meestal voor de gele vorm, mirabelle, Frans mirabell: geelachtige pruim, sinds de 17de eeuw. Dit is ontleend aan Italiaans mirabella, een omvorming van mirabolano wat ontleend was uit het Grieks dat zelf oorspronkelijk een Indisch woord was wat een tot bereiding van een zalf dienende vrucht betekende en op een inheemse soort met gele pruimen overgezet werd. (dit was de vrucht van Terminalia) In Groningen werden ze wel druipertjes genoemd omdat de vruchten bij rijpheid van de boom vallen zodat onder een zwaar beladen boom het voortdurend druppelt of druipt.

Prunus armeniaca. Omdat de abrikoos vroeger rijpt dan de perzik behield het de Latijnse naam praecoquum, de Grieken namen dit over en noemden het praikokion. Via het Syrisch werd het barquqja waar de Arabieren al‑barquq; pruim, (Al-Berkuk) maakten, in Catalaans abercoc waaruit het Spaanse albaricoque of albercocca ontstond, Portugees albricoque, van waaruit de Italianen albicocco (in VenetiĎ baricoccolo en in Brescia brognaga) maakten en de Fransen abricot, de Hollanders abrikoos, Of simpelweg van uit het Latijnse in aprico: aan de zon blootgesteld, wat geen goede afleiding is. 

Prunus spinosa. De slee heet in midden-Nederlands sleuuwe en in het Duits Schlehe of Slehe. Het is een algemeen Germaanse betekenis. Vroeger stelde men het woord met het Nederlandse slee: stomp, (sleeuw: zuur) samen zodat de Schlehe de tanden stomp makende vrucht betekent, in West-Fries sloef. Die woorden voeren terug op het Germaanse slaihon (alleen voor de vrucht) Het Indo-Germaans heeft slei-qo, slei: blauwachtig, dichtbij staat het oud-Slawische sliva: pruim, (sliwowitz: pruimenschnaps) en Latijn lividus: blauw, het zou dan een blauwe vrucht betekenen. De plaats Sleen is naar slee genoemd, zo ook Sleeuwijk. Sleedoorn omdat het gewas gedoornd is, in doornen uitgegroeide twijgen.

Prunus amygdalus. Amandel heet in het Duits Mandel, Frans amandier, wat uit oud-Frans amande en dit uit laat Latijns amandula stamt en dit van Latijn amygdala, van Grieks, amygdale, van Hebreeuws megedh el: gewijd fruit of heilige vrucht. Marsepein komt van de amandel, ei en suiker. Het woord komt uit marci panis: markusbrood of van de Venetiaanse munt: marzapane. Ook de kistjesvormen van de marsepein heetten marzapane en later werd deze naam op de inhoud van die vormen overgedragen. De mandoline, het muziekinstrument, heet zo naar zijn amandelvorm.

Persica om Perseus te eren of naar zijn vaderland PerziĎ wat tot perzik werd.

Prunus mahaleb. In Duitsland behield het de naam waaronder Clusius het gewas gevonden had, Steinweichsel. Het eerste gedeelte raakte in de loop der tijden in onbruik en het bij tabak rokers zeer goed bekende woord Weichsel bleef over. In de 16de eeuw vond het gewas in Frankrijk een snelle verbreiding vanwege het zeer geurende hout en bast, een cumarinegeur. Vooral was dit voornamelijk in de Vogezen en later in Lotharingen. Uit de bast werden specerijen vervaardigd en uit het hout, dat geschikt was voor fijn meubelwerk, lekker ruikende pijpen en ook snuiftabaksdozen. Dit gebeurde in de nabijheid van het dorp Michel waar een minnebroeder klooster van de H. Lucia was, vlak bij Commerey, vandaar vaak bois de Commerey genoemd. De Arabische naam verdween en werd vervangen door die van een der meest geĎerde heiligen van de Roomse kerk, Luciakers, St. Luciahout, Frans bois de Ste Lucie werd door heel Europa geldig.

Prunus cerasus. De Grieken noemden het kerasos, wat tot kers werd. Zure kers of waal. (betekent buitenlands) In de middeleeuwen heette de kers Amarella, uit middeleeuws Italiaans amarella, naast amarasca, wat teruggaat op Latijn amarus: bitter, naar de bittere smaak van de oervorm. In BelgiĎ heet het kriek en is bekend van het kriekenbier, krieklambiek. Morelle: kleine moerbei, (Morus) vanwege de onderscheiding van deze groep door het kleurloze sap en gele of rode vruchten kan het woord ook afgeleid zijn van Italiaans morello: zwart, oorspronkelijk was het wel een naam voor kersen met donker rood sap.

Prunus avium is inlands, vogelkers die het eten.

             

Pteridium.

Adelaarsvaren, omdat bij het doorsnijden van de grote bladstelen onder aan de voet, door een rangschikking van de vaatbundels, een gelijkenis met een dubbele X of adelaar te zien is, vandaar de naam aquilina.

Anderen zeggen dat die vorm op de letters J. C., Jezus Christus lijkt. De varen wordt daarom in Oostenrijk en Zwitserland wel Jezus Christuswurz genoemd. Vandaar dat de heksen er bang van zijn. In Ierland zien ze er de G in, een O en een D, vandaar de varen van GOD. Adderkruid, die eronder leven.

 

Pulicaria, van pulex: een vlo, de reuk is als een vlo, of dat de plant gebruikt werd om vlooien te verdrijven. Vlooienkruid of vlooienvloek.

 

Pulmonaria, het Latijnse pulmo: long, achtervoegsel arius: vormig, pulmonarius betekent zieke longen, dit is een verwijzing naar zijn gevlekte bladeren en veronderstelde werkzame krachten. Vanwege dezelfde plakken heet het ook onze vrouwen melkkruid genoemd, onze vrouwen spin genoemd omdat de bladeren met hun witte plakjes met melk bedropen schijnen te wezen. Druppels tranen van de Maagd zouden op deze plant gevallen zijn. Door haar uitbundige huilen werden haar blauwe ogen rood omrand, dit wordt vertegenwoordigd door de twee kleuren van de bloem.

 

Pulsatilla. Keukenbel en ook wel cueckenschelle naar de hangende en donkerpaarse bloemen die op een klokje lijken. De naam keuken, Duits Kuchenschelle, heeft vermoedelijk niets met de keuken te maken. In de keuken wordt het gewas niet gebruikt, de plant is giftig, Vermoede­lijk was de oorspronkelijke naam Kuhschelle: koeienbel, naar de vorm van de bloem. Paasbloem, de bloeitijd.

 

Punica was de naam van Phoenisch Carthago, (een Phoenische nederzetting), vandaar heet de vrucht Malum punicum: appel van Carthago. Granum betekent een zaad en ponum granatum is een vrucht met zaden, het Latijnse granatum werd in laat Latijn granata tot grenadier.

 

Pyrus. De peer heeft zijn naam van het Griekse woord Puur, dat een vlam beduid, alzo de meeste peren boven spits zijn en van onderen breed, gelijk een vlam. In Duitsland werd er wel een perenmoes van gemaakt die latwege werd genoemd en door de kinderen of dienstboden in plaats van boter op het brood werd gesmeerd. De Franse beurre: boter, is een Franse naam voor een peer.

 

Quercus. Het heet in onze taal eycke, eycken-boom. Sommige zeggen dat de vrucht aker heet, maar meest eeckel naar het Hebreeuwse akel of eeckel dat eten betekent omdat ze een van de eerste spijzen van de mensen plag te wezen.

De eigenlijke Germaanse naam voor deze boom is eiche.. De oer Germaanse naam is aiks, dit werd in Angelsaksisch ac, oud-Noors eik en in het Engels oak, (ac-corn of acorn: koren, van blijkbaar eetbare eik. Eik is een gewoon oud Germaans woord dat boom betekent en verwant is met oud-Indisch igja: verering, dat wil zeggen de boom die van oudsher als godenboom de hoogste verering genoot. Ook de Griekse boom naam aegilops, Quercus aegilops, (eerder aegsculus) behoort tot dezelfde stam als Eiche. De Agis of Aegis, het schild van Zeus en een teken van zijn macht, stelde men als eikenhout voor. Hetzelfde hout werd eerst gebruikt voor werpspiesen die in het Grieks aiganeai heten. De wortel hiervan is aik die we in het oud-Noorse eikinn: geweldig, nog bewaren.  De Nederlandse naam is in de loop der eeuwen licht gewijzigd, van aker, (op het gemeentewapen van Akersloot komen drie eikels voor) aecker, naar eic, ec, eek, een naam die we ook tegenkomen bij eekhoorn, eec, eyck, eik.....

Wintereik, omdat zijn blad er in de winter aan blijft.

Kurkeik. Het woord kurk komt van Latijn Quercus, via Spaans-Arabisch alqurq kwam het Spaanse alcorque: een woord dat zool betekent die van kurk gemaakt was, pantoffelhout.

 

Ranunculus ficaria. Kleine gouwe, de grote is Chelidonium, zie daar. Klein speenkruid als middel tegen de spenen of aambeien, dat naar de vorm van de knolletjes.

Ranunculus flammula. Egelkolen zijn niet alleen de mens schadelijk en dodelijk van binnen het lichaam gebruikt, maar ook de beesten. Want de schapen die er van weiden en eten worden met grote hitte bevangen en sterven omdat hun lever en het ganse ingewand ontsteekt en doorknaagt of met zweren bedorven wordt welke zweren of verhitting in onze taal de egel genoemd wordt en daarvan heeft dit gewas zijn naam bij de gewone man gekregen. Vuurkruid, brandkruid omdat ze zeer heet is en als een vlam brandt in de mond.

Ranunculus sceleratus. Sceleratus betekent misdadig omdat de plant blaartrekkend is en door bedelaars en landlopers gebruikt werd om er zichzelf en hun kinderen mee in te smeren en zo blaren te veroorzaken om medelijden op te wekken. Zo werden ze ook gebruikt door de mannen die voor militaire dienst opgeroepen werden om door de blaren afgekeurd te worden. Het is een ongelukkig gebruik, het veroorzaakt een wond die niet gemakkelijk heelt Gebruik, gichtkruud,  jeukkruid, kankerbloempje. Op Walcheren kikkerbloempje, ook jeukbloem of kankerbloem. De bloem lijkt op botergeel, boterbloem, en zou de boter die in het voorjaar die kleur geven. Hanenvoet, bladvorm.

Ranunculus bulbosus. St. Anthonie raap.Het zou een wonder zijn als een heremiet voldoende voedsel uit die kleine knollen kan halen. Ze zijn zo klein en rauw zijn ze zeer scherp zelfs gekookt zijn ze niet voedzaam. Moeten eerst gedroogd worden om de scherpte te verwijderen. Die naam heeft het gekregen omdat het gebruikt wordt tegen pestachtige ziekte en St. Anthonie is de heilige die aangeroepen wordt tegen deze ziekte. Knolboterbloem heette in zeer oude tijden truswortel, torswortel, drus- of droeswortel en een droes is een klier of gezwel, dit naar de dikke wortel. Deze plant is aan de voet knolvormig verdikt. Het knolletje werd gebruikt tegen kwaadaardige gezwellen om blaren te trekken.

 

Raphanus raphanistrum. Hederich: het stro verwarrende en met Heede, verhaddern: in enkele delen uiteenvallende peul of haveloos. De naam komt wel uit midden-Hoogduits Hederich wat in Nederlands he(de)rik werd. Het zijn namen van verschillende onkruiden als voor de gele Sinapis arvensis, ook voor Glechoma en andere planten. Als oorspronkelijk rankende onkruiden bedoeld zijn zou men aan een omvorming van Latijns hederaceus kunnen denken, klimopachtig.

Raphanus sativus. Radijs stamt uit de vorm radicula, van radix; wortel. Rammenas wordt wel gegeten bij een biertje of in plakken op het brood. De knol bevat net als radijs veel vit. C. Rammenas met het Picardische ramolas stamt dit uit het Italiaanse ramolaccia wat weer uit Latijnse armoracea en dit weer uit het Griekse armorakia stamt: mierikswortel.

 

Reseda. De Nederlanders noemen dit kruid gewoonlijk wouw, in het Waals heet het waude. De naam woude komt met die van wede of weede overeen.

 

Rhamnus cathartica. Rijnbezie, komt van de Rijn. Kruisdoorn, dit naar de zijtwijgen die niet tot ontwikkeling komen en uitgroeien tot puntige zijtakjes en zo met de hoofdtwijg een kruis vormen. Bessen worden gebruikt als afvoermiddel, onze schijtbezie of purgeerwegedoorn. Nertpruim vergelijk Frans nerprun purgatif: van noir: zwart en prunum: pruim, vruchtvorm. Sapgroenboom, naar de zwarte bessen die een groene kleurstof opleveren. Die kleur komt niet veel voor in de natuur en werd wel door schilders gebruikt onder de naam sapgroen, een waterverf. Het sap uit de onrijpe bes is geel en wordt gebruikt om kaarten te verven. Uit de overrijpe  bes werd echter een rode verf verkregen. Groeiplaats, duinbessen, duindoorn of wegedoorn.

Rhamnus frangula. De Brabanders noemen deze heester sporken-hout en soms pijlhout of pielhout, Het hout zelf wordt in Brabant pijlhout genoemd omdat de kinderen aldaar hun pijltjes er van maken. Gebruik van het hout, ons sprakel, sprokkelhout, sporkenhout, sprokken, omdat het gewas snel uitloopt op afgehakte stammen of breekbaar hout of geschikt als pijlhout. Vuilboom of hondsboom, stank van het hout,  Folbaum bij Hildegard, Faulbaum, Fulholt of Stinkbaum, naar de fauligen reuk van de bast, onze vuilboom of stinkhout, wordt ook wel honnemigershout genoemd (hondenpissershout) onze hondebezien, hondsboom, hondjeshout of hondsknopperen, uitdrukking hond is minderwaardig.  Het zeer lichte hout wordt gebruikt voor buskruit, buskruithout.

 

Rheum. De plant van Plinius zou gekomen zijn uit de landen rondom de Zwarte Zee en heet daarom Rha ponticum. De rabarber die door het Indus gebied en Rode zee, over de oude haven Barbarika, aangevoerd werden heet Rha Barbarum.

Gemakshalve vertaalt men dit als ra: wortel, en barbarum: barbaren, dus een wortel uit het land der Barbaren.

 

Rhinanthus. Als de doosvrucht, waarin de zaden zich bevinden, geschud wordt geeft die een ratelend of rammelend geluid, een teken dat het seizoen gekomen is om hooi te verzamelen, de ratelaar, ratelen en raat. Het heeft vele gekartelde schutbladeren als hanenkammen. Ook komen de namen vinkies of kanarievogeltjes voor naar de gele bloemen die op een takje zitten, verder schortelen, horde, gele horde, reutel, op Terschelling heten ze rinkelbellen. In de duinstreek speelde vooral de meisjes met de aardige bloempjes die ze "kippetjes" noemden. Ze bewaarden ze met wat groen in een hokje, meestal een gesloten sigarenkistje of iets dergelijks. De moeder legde er dan stiekem een suikerei bij. Wie zich met een afkooksel van ratelaars wast kan niet betoverd worden.

 

Rhus van rhous: de Griekse naam van de soort wat vloeien betekent omdat het de rode loop en de stonden van de vrouwen stopt. Sumak, van Grieks sommaca, van Arabisch summaq: de struik, (sommaq, summak of sumaki) een afleiding van het Aramese samaka: heestersoort, Syrische summaq: rood. Levert een rode specerij uit de vruchten.

Azijnpruikenboom, in de OriĎnt kookt men azijn uit de vruchten. De haren om de vruchten smaken naar azijn. Fluweelboom naar het harige uiterlijk.

 

Ribes rubrum. Aalbes. Het eerste lid is het midden-Nederlands ale (1288), in oud-Engels was dit ealu (nu ale)en in oud-Noors betekent alo of ol: bier. Was dit oorspronke­lijk een bedwelmende drank? Nog wordt de bes en vooral de zwarte aalbes (Hoogduits Aalbeere) gebruikt bij de bereiding van een sterke likeur. Een andere verklaring is een verwijzing naar het nieuw Hoogduitse Alantbeere of Ahlbeere. Dit naar de Alant wiens wortel met de bes in smaak overeenkomt.

Ribes uva-crispa. Kruisbes komt uit grossularia: knisperende druif.

 

Ricinus. Wonderboom omdat de plant hier als eenjarige zulke geweldige afmetingen kan bereiken. Christus palmboom, Palma Christi,  kruisboom naar de handlobbige bladeren die als de hand van Christus open en uitgestrekt zijn voor zegening.

 

Rorippa. Waterkers, bronkers. Het oud Hoogduitse woord brunno betekent geen bron, maar een kwel, net zoals het Engelse bourn de beek betekent. Burn met een omvorming van de r tot bron. Het wordt gekweekt in stromende bronnen. Bevat ijzer en moet in de schaduw gekweekt worden om groen te blijven, in de zon veranderen de bladeren in een bruine kleur.

De naam kres is een verzamelnaam voor verscheidene scherp smakende kruisbloemigen. De naam kres komt van het Latijn voor groeien: crescere, of van het Duitse Kresse wat stamt uit kras: scherpe spijs, Deze Germaanse namen stammen van een Indo-Europees woord dat knabbelen of eten betekent. Kers is een foutieve naam, het moet kres zijn.

 

Rosa. Theehybriden omdat de eerste soorten naar thee geurden. Egelantier, van oud Frans aiglant,  van Latijn aculeatus; doornig.

Rosa canina. Canina is Latijns voor hond, een soort scheldwoord in de betekenis van: geen roos voor de tuin, een rotroos. Hondsroos. Wildgroeiende rozen heetten niet rozen maar hagedorn, hagebot en handorn. Diep in de voortijd is deze naam gevormd. Het tweede deel dorn: is doorn. Het eerste deel vinden we terug in het oud-Saksisch hiope: wat stekelige bos of braam betekent, het midden-Nederlands joop of joopen. Bottelroos omdat de vruchten als een bottel, fles, gevormd zijn. De van boven open vrucht of vruchtkelk, heet hanenpootjen.

 

Rosmarinus wordt Roos van Maria genoemd omdat die op haar vlucht naar Egypte haar blauwe mantel had laten liggen op de tot dan toe wit bloeiende struik en hierna bleef het blauw. Dat vanwege de naamovereenkomst, roos en marie.

 

Rubia, van Latijn ruber; rood. Dit kruid wordt in het Nederduits meest mee of crappe genoemd Van het kleven komt krappe, van Krapf: haken, of verwant met Engels crop: afsnijden, omdat de wortel van de plant voor gebruik afgesneden moet worden.

Mede of mee wordt vergeleken met oud-Noors madhra, Zweeds madra en verbonden met San­skriet madhura: zoet of zacht.

 

Rubus. Hinnebesien. De betekenis van een bes die de herten graag eten bevredigt niet omdat dit niet voor de framboos alleen geld. Mogelijk heet het zo omdat het hert er zich met zijn jongen onder verbergt. De sterk doornige braam heet dan Hirschbeere en werd met het geweidragende hert vergeleken en de vrijwel dorenloze himbeerstruik met de hinde, een verdeling van mannelijke en vrouwelijke planten.

Nederlandse framboos zien we in 1554 als frambesie bij Dodonaeus wat stamt uit het Franse framboise van de 12de eeuw wat zelf komt uit Frankisch brambasi, nu in Frans framboisier. Nederlandse framboos betekent dus eigenlijk braam.

Bram, braam, in midden-Hoogduits Brame wat algemeen een doornstruik betekent en via midden Noord Duits Bram, oud-Engels brom (nieuw Engels broom: bezem) staat het woord in verbinding met brem, zie Cytisus. Ten grondslag hieraan ligt een Germaanse wortel bhrem of bhrom dat van Indo-Germaanse bher: uitsteken, komt, ook van slaan en stoten, maar ook omhoogsteken, zo ook de berm in de betekenis afsnijden. In het tweede geval betekent het een opstekende rand. Op dezelfde stam bram gaat het Franse framboise terug en de Hollandse framboos. 

 

Rumex. Surkel van zuring of zuur. Amper, van het oud-Hoogduits Ampharo: zuur of scherp, in Nederlands, Zweeds en Noors betekent amper bitter en in oud-Noors apr en Deense mondspraak aber: scherp. Het Germaanse ampra voert terug op Indo-Germaans ambro, met oudere am-ro: bitter. Beide vormen keren terug in oud-Indisch am(b)la: zuur. Oer verwant is ook Latijns amarus: bitter. Deze oude taalovereenkomst en het vroegere gebruik als voedsel voor de mens, de zeer oude conserverings- en bereidingsmethode door gisting bewijst al een vroege verspreiding van de monnikenrabarber die waarschijnlijk al op legerstede van zoogdieren uit de ijstijd groeide. Mogelijk is het de oudste moesplant van de alpenbewoners geweest.

Het Friese dok heeft de betekenis van bal of bundel. Deze naam werd eerst aan de klit gegeven, Arctium, omdat diens klitten in wol gedraaid waren. (zie Petasites)

Rhabarbarum monachorum, monnikenrabarber. Het wordt ook vaak bij oude kloosters en monnikenhuizen gevonden en is mogelijk van daaruit ontsnapt.

Van het Griekse lapathon stamt lapazein: afvoeren of purgeren. Hiervan kwam het Latijnse lapathum en het Italiaans lapazio. Dit woord werd gezien als La Passio: passie (lijden) van onze Heer, de plant kreeg de naam patientia: geduld. Sommige schrijvers beschreven dan ook hoe lang het duurde voor de ziekte genezen was, men had geduld nodig, patich, patik, peerdic.

Tuingroente, spinaziezuring of Franse spinazie.

 

Ruscus. Heette myacanthus, myos: muis, acanthus: dorens, muizendoren omdat de van scherpe bladtwijgen voorziene takken die gebruikt werden om de muizen bij het eten weg te houden door ze eromheen te leggen, vandaar ook de naam slagersbrem. Nog worden met Kerstmis de vleeswaren, ook om kaas met de muizendoorn of hulst versierd waarvan het oorspronkelijke doel, de muizen weg houden, vergeten is.

Tongenblad, keel-cruydt en tapkens-cruydt. In ItaliĎ hangt men dit kruid aan de hals van de kinderen als ze de huig hebben en daarom, zegt men, is het keelkruid genoemd en de bladeren en wortels gepoederd en met gorgelwater vermengt genezen alle koude gezwellen er van en daarom noemen sommige het tapkenskruid. Hetzelfde is ook zeer goed gebruikt van diegene die bekommert van spraak zijn.

 

Ruta. Ruit, uit Latijn rute: scherp. Of van een Grieks woord uit de Peloponesos, hrute: (in plaats van de gewone Griekse naam peganon, zie Peganum harmala) bitter kruid, literair typeert dit kruid zorgen en berouw.

 

Sagittaria, naar de bladvorm, haasoren, serpentstongen, slangentong, in Groningen adderkruid, snoekenblad,  ezelsoren. In BelgiĎ Kempische kappen, het blad lijkt op de streekdracht.

 

Salicornia. Groeit op de natte, vochtige gronden voor de Noordzee, kwelplaatsen, Sulte of Sultje, Queller, Quennel of Quelder, zie Aster.

Groeit op de vangplaats van krabben, onze krabbenstruik of krabbenkwaad, krabbequel noemen omdat het de krabben de gang verhindert zodat ze eerder gevangen worden. Vorm, zeekraal, is vaak rood gekleurd, kraalkruid, hanenpoot. De plant is rijk aan soda, werd dan ook verbrand met ruw zand en zo voor de fabricage van ruw glas gebruikt.

 

Salix. Wilg, een afleiding van het Germaanse welag. Stellig is de boom genoemd naar de buigzame twijgen die voor vlechtwerk bruikbaar waren en dus behoren bij de Indo-Germaanse wortel uel: winden of draaien. Dit woord is verbonden met Grieks helike en Sanskriet valsas: scheut of buigzame twijg, van de basis wel: (wellen of wave) wol of draaien. Volgens sommigen omdat die zo ge‑willig wortel schiet en de ergste mishandelingen kan doorstaan zonder het leven erbij in te schieten, schietwilgFluitjesboom, sapsiepbesholt, de kinderen maakten er fluitjes van (beter is dit waarschijnlijk te doen van lijsterbestwijgen, die hebben minder knoppen en zo minder problemen bij het vervaardigen)

Katwilg, naar de katjes. Bindwilg, teenwilg of rijswaard omdat de twijgen grof en zeer taai zijn en zo geschikt voor mandenwerk.

                   

Salsola. Loogkruid, omdat zijn as gebruikt werd om er loog van te maken.

 

Salvia komt van salvo: wat genezen of redden betekent, het is een verwijzing naar zijn medicinaal gebruik om het geheugen te versterken. Zie ook het Engelse woord voor salie, dat is sage: wat wijs betekent. Het woord werd tot salie.

Salvia sclarea. Het zaad zwelt op in water en deze zachte spanen werden in de ogen gedruppeld die dan gaan tranen en zo werd het gezicht geschoond of werd een vervelende irritatie verwijderd, zo werd clarie tot clear-eye, en zelfs tot Oculus Christi. Scarleia en later Scharleya stamt van middeleeuws Latijn sclarea; helder.

 

Sambucus. Het onrustig heen en weer fladderen van de bladeren gaven de plant in Noord Duitsland de naam Flieder van waaruit onze naam vlier stamt.

Kruidvlier. De Nederlanders plegen dit kruid veel wilde vlier te noemen, maar meest hadick, hadich, haddijck of adick naar het Hoogduits Attich. Dit is een leenwoord uit het Griekse (chamai; klein) akte: vlier, een naam die meestal op de vlier slaat. Peterselievlier naar de bladeren.

 

Sanguisorba komt van het Latijn sanguis: bloed, en sorbeo: adsorberen, het zou een actief middel zijn voor wonden, mogelijk vanwege de rode bloemen. Waarschijnlijk wel door de aanwezigheid van looizuur in de wortelstok. Bloedkruid.

De bloemhoofden van de burnet zijn donker roodbruin of burnet, de bekende brunette of bruinette,

 

Sansevieria. Vrouwentongen, is zo genoemd naar de spitse tongen van deze onverwoestbare plant. Vrouwentongen, omdat ze zo taai zijn, de Engelse zeggen schoonmoedertongen omdat ze zo lang en scherp zijn.

 

Santolina, Sanctolina, van het woord sanctus: heilig, en linum: vlas, het is een verwijzing naar de veronderstelde geneeskracht, als zei men sancta herba: heilig kruid. Heiligenbloem.

 

Saponaria komt van het Latijnse sapo: zeep, achtervoegsel arius: achtig, de gekneusde bladeren van Saponaria officinalis geven een zeepsop als de gewone zeep Zeepkruid. Zeep heette in midden-Nederlands zepe en in 1288 sepe, vergelijk het oud-Hoogduits Seifa (nu Seife) oud-Engels sape, (nu soap). Het stamt uit Germaans saipo(n) dat reeds in de Romeinse tijd in het Latijn werd overgenomen als sapo, een middel om de haren hoogblond te kleuren. Omdat de betekenis in oud-Engels en oud-Hoogduits ook hars is, zal de zeep oorspronkelijk een vloeibaar harsmiddel geweest zijn met de grondbetekenis "het druppelende.

 

Saturea wordt zo genoemd omdat gezegd wordt dat het een satyriasmus of opstijving der roede te veroorzaakt want het zet sterk aan tot bijslapen en maakt warmte in het mannelijk lid. Met basilicum, peterselie, selderij en lavas behoort het tot de afrodisiaca. Vroeger was het kruid bekend als keule, Angelsaksisch cunele: ruit, van Latijn cunila. Deze naam is opmerkelijk gelijk met die van Thymus die wel kwendel genoemd werd. Naar de daarmee gekruide spijzen, peperkruid. Bonekruid.

Keule van Sinte Juliaan groeit op de ruwe plaatsen aan de zee van Toscane omtrent Sint.e Juliaan.

 

Saxifraga: van Latijn saxum: een steen of rots, en frango: breken, naar de veronderstelde kracht in ziektes, steenbreek. Haarlems klokkenspel, een vorm met gevulde bloemen is in de omstreken van Haarlem te vinden. Te Wassenaar staan een groot aantal planten onder de beuken achter het prachtige Wassenaarse Gemeentehuis, vroeger het paleis der Prinsen van Wied en bekend als Huize "De Paauw". Men beweert dat ze wel verwilderde exemplaren zullen zijn, ontsnapt uit de tuinen.

Vele bloemrijke namen zijn er bekend als omdat je het wat roze getinte plantje hoe langer hoe liever in de perken ziet en het liever in ons oog wordt, vandaar de naam hoe langer hoe liever.

 De naam schildersverdriet stamt van het Franse le desespoir des peintres, dit omdat het bloempje zo moeilijk te schilderen was.

Menistenzusjes, zo genoemd naar de Menisten of doopsgezinden die zich onderscheidden door opvallende eenvoudige kleding. Ze droegen japonnen die zedig van kleur en vorm waren met een patroon van deze kleine bonte bloemen. De naam mennist is afkomstig van Menno Simons.  Porceleinbloempje naar de gelijkenis met Portulaca..

Hoe langer hoe liever en jehovah bloempje. Dit laatste vooral voor Saxifraga punctata, de gestippelde steenbreek. Die is aan God gewijd omdat sommigen op de rood gestippelde bloembladen de naam van Jehova ontdekt menen te hebben met Hebreeuwse letters.

 

Scabiosa, van Latijn scabies: schurft. Het plantje wordt schurftkruid genoemd omdat de kelk, bij rijpheid, schubbetjes vertoont net als bij schurft.

Scabiosa columbaria: duifkruid, is, met de naam columbaria wat duifkleurig betekent, een verwijzing naar de bloemkleur, blauwpaars in stralende hoofdjes. Of omdat de duiven er graag bij zitten en vliegen. Het duivelskruid dient met zijn wortels tot uitbannen van de duivel.

 

Scandix, Naaldenkervel, de vorm en gelijkenis met kervel.

 

Scilla of Hyacinthoides non-scripta. Scylla was een van de twee draaikolken in de straat van Messina, de ander was Charybdis, die in de Odyssee als ver­slindende monsters werden voorgesteld. In het hedendaagse spraakgebruik komt de uitdrukking van Scilla in Charibdys raken nog voor, dat betekent: van de regen in de drup raken.

Belgische hyacint omdat het gewas daar verwildert voorkomt.

Siberische hyacint of sterhyacint omdat de bloembladen vanuit het midden horizontaal uiteen wijken zodat ze een zuivere ster vormen, de bloem heeft dus geen klokvorm als een hyacint, Oosterse sterhyacint.

 

Schoenoplectus lacustris. Bies is verwant met binden. Mattenbies of stoelenbies naar het gebruik. Deze allergrootste biezen heten ook mergbiezen, bobbel, bobbert en ook poper en daarom noemt men de plaatsen daar ze veel groeien in Nederland en vooral op het Vlaams poperinghen.  Poperingen is een plaats in Vlaanderen. Bobeldijk zou genoemd zijn naar bobel, deze bies.

 

Scleranthus komt van Latijn van Grieks skleros: hard of droog, dor, anthos: bloem, omdat ze op dorre gronden groeit, of omdat de verdroogde bloemen met de zaden afvallen en lang dor staan, hardbloem, bloem blijft lang goed. Tragus, die professor te Leipzig was, vroeg, toen hij de plant een naam moest geven aan een Zweeds student, die geen botanicus was, welke naam hij de plant zou geven. Deze antwoordde: Knavelen ved! (de duivel mag het weten) wat de professor goed vond en het plantje knävel noemde. De Hollanders die dit moesten drukken, lieten de stipjes boven de a weg en zo werd het knavel, tot knawel

 

Scorzonera komt van Spaans escorzon: slang, slangen- of adderkruid. Bij het schillen komt kleverig sap vrij, keukenmeidenverdriet of huisvrouwenleed, winterasperge.

 

Scrophularia is zo genoemd omdat het de scrofula: kropgezwel, zou genezen, hemorroēden. Het Latijnse woord scrofa betekent een zeug (Sus scrofa) een dier dat geacht werd aan een zwelling en ontaarding van de hals lymfeklieren te lijden, dat is een kliergezwel aan de hals. De plant werd als geneesmiddel tegen zulke kliergezwellen gebruikt, vandaar sogewortele, bij Dodonaeus zoeghenwortele. Hiertoe werd het kruid om de hals gehangen zodat het de harde gezwellen of scrofulen zou genezen. In BelgiĎ Sinte Markoenskruid, deze heilige wordt aangeroepen bij kliergezwellen. Sinte Renellekruid omdat die heilige aangeroepen wordt bij huidziekten.

Scrophularia auriculata. Door zijn voorkomen langs sloten en vaarten wordt het wel beekschuim genoemd. Waterhelmkruid, helmkruid, de bloemvorm.  Schrofelkruid, van de soortnaam.

Scrophularia nodosa. Groot speenkruid in tegenstelling tot de kleine, Ranunculus ficaria. Het Latijnse nodus betekent knoop, dit naar de knopige bloeiwijze, knopig helmkruid. Helmvormige bloemen en zaden, stormhoedkruid en helmmutsje.

 

Scutellaria komt van Latijn scutella: schotel of schildje, uitgang arius: vormig, naar de schild of schotelvorm op de bovenlip, helmkruid.

 

Secale. In tegenstelling tot de namen van haver, gierst en spelt is de jongste graansoort voor alle Germanen met uitzondering van de Goten gelijk. Rogge is gevormd uit een grondvorm ruggn. Met de invoering van de plant werd ook het woord overgenomen en waarschijnlijk vanuit het Balto/Slavisch zodat wij in Kerkslavisch nog het woord ruzi vinden, Litaus rugy: roggekorrel, meervoud rugiai: rogge. Men neemt als uitgangspunt Thracisch briza aan en stelt als grondvorm wrugia voor. Dit kan samenhangen met Samojeeds aris, Wogulisch oros, en Tsjeremissisch arsa. Daarmee tekent zich de weg af die de rogge gevolgd is, uit de Kaspische vlakte over Rusland naar het Balticum.

Of rogge betekent roodkoorn en is van de Slaven naar ons land gekomen met woorden die rood, roosteren en dergelijke betekenen.

 

Sedum acre.  Muurpeper naar zijn peperachtige smaak. Bladeloose of bladloos omdat het vrijwel zonder bladeren is.

Sedum album. Witte tripmadam, Dodonaeus noemt al triquemadame als een Franse volksnaam. Een trique is een knuppel of stok en de bloemen staan op rechte stengels. Als trique-madame werd de plant in Frankrijk gegeven als afrodisiacum. Naar een andere verklaring betekent tripe ingewand, tripe de velours is een fluweelachtige stof van linnen en wol en bij een 17deeeuwse schrijver komt voor: "un pourpoint de tripe‑madame, een wambuis van velours de laine".  Zien we om naar de muurpeper, die is met een prachtige, min of meer fluwelige groene deken omfloerst. Het heet in Nederduits ook papekullekens.   Wit vetkruid, ook wel schotkruid, werd gebruikt bij sommige veeziektes en werd aan koeien gegeven als er schot in het melk zat, de boter scheidt zich dan te vroeg van de melk af.

Sedum telephium of Hylotelephium. Smeerwortel dat ook naar zijn kracht wondkruid genoemd wordt heelt alle onzuivere wonden en zeren. De wortel werd wel door het landvolk mee naar huis genomen en dan met de wortel naar boven gericht aan de zolder gehangen. De knoppen blijven groen en groeien gewoon door, de neerhangende toppen buigen zich naar zolder toe en gaan bloeien met de dag van St. Jan, 24 juni, hemelsleutel, Sint Janskruid. De stengel van deze plant werd in de spleten van de huizen gestoken en diende als orakel voor geluk en levensduur van jonge echtparen. Naar de draaiingen die de plant maakte zou het de sleutel zijn op de toekomstige echtelijke belevenissen van ongetrouwde.

Sedum rhodiola of Rhodiola. Rozenkruid, rozenwortel of gouden wortel, de wortel geeft een heerlijke geur als Damascus rozen.

 

Sempervivum komt van het Latijnse semper: altijd, en vivus: leven, omdat ze steeds levenskrachtig zijn.

Huislook, wordt op het huis gezet. De Romeinen noemden het Jovis Caulis, gevallen van Jupiter, een kruid om de huizen te beschermen, een altijd levend en altijdgroen badge van vuurverzekering. Een plant gegeven door Zeus om het huis te beschermen als hij bezig was. Bij ons was de plant hoofdzakelijk gewijd aan Thor of Donar en zo donderbaard genoemd. De hele top van de oude boerderij was bedekt met Sempervivum. Die was wel een halve meter tot meter breed, afhankelijk van de ouderdom van het huis. Dit is ongeveer een levende berg vol met water. Komt er ooit brand zal die top toch het vuur tegengaan of vertragen, dit in tegenstelling tot een rieten top of een top van Juncus en andere gewassen die droog zijn en aan de top het vuur zullen bespoedigen. Zo biedt het bescherming.

 

Senecio fluviatilis. Saraceens kruid, heidens wondkruid, waarschijnlijk is het kruid hier in de middeleeuwen, door de kruisvaarders, en naar de kloostertuinen gebracht zijn. Het zou door de Saracenen, (Arabieren) als wond helend kruid gebruikt zijn.

Senecio vulgaris. Grindkruid, gebruikt tegen schurft, grind. Kruiskruid is of een verbastering van het Duitse Grieskraut of naar de kruisvormig staande bladeren. Schaapssteentjes en munnikenbladen op Texel wijst erop dat de plant door monniken gebruikt werd. Vogeltjeskruid en kanariekruid wijzen op zijn gebruik.

Senecio jacobaea of Jacobaea heet zo naar Sint Jacob omdat gezegd wordt dat het kruid groeit bij de kapel van St. Jacob in Spanje.

 

Setaria. Naaldaar, de borstelharen aan de aren zijn met weerhaakjes bezet, die haren blijven eraan nadat de zaden eraf zijn gevallen en zo de aar het aanzien van een tandenborstel geven, paniek koren komt van Latijn Panicum.

 

Silene armeria. Vliegennet, vliegenvanger, lijmkruid, pekbloem, is onder de knopen kleverig.

Silene vulgaris.     De buikig opgezwollen kelk, blaassilene.

Silene chalcedonica. Brandende liefde van Constantinopel, Maltezer kruis of Jeruzalemkruis, naar zijn kruisvormige en briljante bloedrode bloemen en afkomst. Het plantje heeft een bloemvorm die gelijk is als het Malthezer kruis of Johannieterorde. Vier kroonbladen die aan de top tweespletig zijn en zo 8 spitsen geeft. Dit kruis zou dan ook naar deze plant gemaakt zijn. In de middeleeuwen duidde in de symboliek de 8 spitsen op de 8 ridderlijke deugden.

Lichtanjer en dit slaat op zijn briljant opflakkerende, rode bloemen.

Silene coronaria. Toen Christus in het olijven hof zijn Vader smeekte om de bittere kelk van hem weg te nemen, viel een traan uit zijn oog. De drop werd een lieve tuinbloem die nu Christusoog heet. Prikneus heeft een stijf tongetje in de bloem waardoor als je aan de bloem ruikt onverwacht in de neus geprikt wordt.

Silene dioica. Bloemvorm, rode molentjes, boksenpiepen: broekspijpen in Groningen.

Silene flos-cuculi. Kraaienbloempjes, de vorm. De bloem is arm, rafelig en doet armoedig aan, vandaar de namen armoedsbloem, molentjes, rode sterrekes,  roodsteerntje.

Op deze plant vindt men vaak een soort schuim, koekoeksspuug, waarin zich de larve van de schuimcicade leeft (Aphrophora spumaria) Die cicade zuigt sap uit de stengels wat gemengd met lucht een soort uitscheiding geeft die zeepachtig is en met die lucht een schuimmassa vormt, koekoeksspeeksel, koekoeksbloem. Mariaroosje of Pinksterbloem, de bloeitijd.

 

Silphium. Kompasplant is een van de gewassen die zijn bladeren naar de meridianen uitbreiden, zo dat hun randen naar het Noorden en Zuiden wijzen. De brede zijden zijn naar het Oosten en Westen gekeerd. Deze eigenschap werd het eerst gevonden bij deze N. Amerikaanse plant. Later werd dit ook gevonden in de kompassla. Het blad is verticaal gesteld, de ene kant wijst naar boven en de ander naar beneden. Dit treedt het duidelijkst op bij arm gegroeide planten op zandgronden. De reden hiervoor is de geringere waterafgifte van het blad.

 

Silybum. Bij vrouwenziekten gebruikt, Venusdistel, vandaar Mariadistel, Onze Vrouwen distel, Maria’s distel, kreeg zijn naam doordat Maria op haar weg naar Egypte haar zoon in de woestijn voedde en een paar druppels melk op de plant morste die sindsdien gevlekt gebleven is, melkdistel. 

 

Sium latifolium. Waterpastinaak, watermerk, suikermerk, watereppe, zie Apium

Sium sisarum. Suikerworteltje. En dit gewas is het Siser dat keizer Tiberius te Rome ontbood van het slot Gelduba aan de Rijn gelegen, als Plinius betuigt in het 5de kapittel van zijn 19de boek en zegt aldus: ‘Onder de medicijnkruiden of wortels moet het Siser ook gerekend worden wat keizer Tiberius bekend gemaakt heeft en van grote waarde heeft laten worden die dat elk jaar uit Duitsland bij hem te Rome of elders daar hij zich ophield liet brengen. In Nederlands en Engels skirret of skirwurte, in de 14de eeuw skirwhitte zoals in oud-Noors skirr: helder schoon, van Spaans chirivia, van Arabisch karawaia, zie karwij.

 

Solanum tuberosum. Deze wortel die vers is wordt eigenlijk papas in Amerika genoemd en met die naam is ze hier te lande genoegd bekend.  Er is mogelijke wat verwarring gezaaid doordat sommigen dachten dat ze met de al eerder ingevoerde zoete aardappelen van doen hadden, Ipomoea batatas, de batatten uit Nieuw Granada waren de potatoes van Shakespeare. De in de Z. Amerikaanse Arawaspraak voorkomende naam bata­tas, door verandering van naam werd het soms wel pataken en met een verschuiving in de naam werd het in het Engels potato en verder patat. In de 17de eeuw werd met de naam aardappel gewoonlijk de knol van een cyclaam bedoeld. Nadat de aardappel algemeen in gebruik kwam werd deze naam algemeen voor dit gewas.

Solanum nigrum. Zwarte nachtschade is zo genoemd naar de groene en later zwarte bes. In de middeleeuwen noemde men de plant nachtschaduwe wat uit het oud-Hoogduitse Nahtscato, noord-Hoogduits Nachtschatten, schwarzer Schaden stamt. Dit woord stamt uit de Indo-Germaanse wortel sketh: wat beschadigen of schade betekent. Nachtschaden is de uitrijdende heks en de door haar veroorzaakte hagelslag. De Noorse godin Skadi (schade) gaat bewapend naar de plaats Asgadr om haar vader te wreken. Nachtschaduw is een woord dat een gevaarlijk demonische macht aanduidt. Het oud-Hoogduits nahtscata gold voor de nachtelijke duisternis en werd daar­door op geheimzinnige nachtelijke dieren overgedragen. Ze verbergen een "schaduw" zijde in zich, een zwarte schade, de vijand in zich. Wild zoethout, willewrang, bittertak en paardenzoethout, dolkruid en dollebessen, oudemannetjeshout, kersthout, walschot, seringhout, stinkhout, kwalsterhout.

Solanum melongena. Aubergine is de eiplant, de schijnvrucht zwelt op tot een soort van eivorm, de oudere vormen waren wit tot geel en leken op eieren.

Solanum dulcamara. Alfranken, Alpranken, onze elfrank. Lobel zegt dat het een Circaea is gelijk als de Mandragora, dus een toverkruid en vandaar wel de naam alfsrank, vergelijk de naam alraun bij Mandragora.

Hoe langer hoe liever, de bitterheid vergaat geleidelijk aan en verandert in enige zoetigheid, bitterzoet. Na het zuigen wordt er gespuugd en vandaar kwalsterholt, kwanselhout, kwalster: rochel. De volksnamen zijn legio, rekop, schotholt  of walschot, schot: scheut, groeit op tussen struiken,  walshout, dolkruid en dolle bessen omdat die giftig zijn. Verder onduidelijke namen als oudemannetjeshout, purgerend?

Solanum lycopersicum. De naam lycopersicum is bepaald geen eretitel. Het was de naam van een plant of sap dat een hopman of overste van honderd wapendragers uit het Barbaarse land bij Egypte gelegen met hem meegebracht had wat zo sterk en zwaar van reuk was en zo onlieflijk dat Galenus dat niet durfde te smaken of proeven, maar dat hij het een dodelijk ding achtte te wezen.

Gulden of gouden appel. Ze werden wel liefdesappelen genoemd, die naam dankt de tomaat aan het feit dat men geloofde dat ze zachte gevoelens opwekt. De tomaat is hier ingevoerd van uit Z. Amerika in 1557 en wel uit Peru, heeft zelfs zijn inheemse naam tumatle behouden. De tomaat heet in Mexico tomatl (tot tomana: zwellen, tecomate heet het in de Nahuatle taal, de Tecomatl was een kogelrond vaatwerk type met een nauwe mond) Daaruit werd Spaans tomate geboren waaruit het Engels tomato, de Franse en Hollandse tomaat ontstond.

 

Sonchus. Het troebele sap blijkt de oorzaak te zijn van een hele rist namen. De Friezen noemen het kruid molkstikel of stikeltiksel en in Zuid Limburg spreekt men van zure melk terwijl in Twente van melkdiesel gesproken wordt en in Groningen van doorndiesel. Roggedistel, groeiplaats, doorndistel, motdissel, mellewijt of motijzel. Zeugdistel, zoogdistel, wordt door hen gegeten, ganzendistel, melkdistel, hazenkool, hazenlatuwe, als een haas er van eet als die moe is, die zo weer hersteld zal zijn, of zo genoemd omdat de haas eronder rust.

 

Sophora of nu Styphnolobium. Het is de honigboom naar de honingrijke bloemen. (bijenboom) Snoerboom naar de ingesnoerde vruchten. Japanse Pagodeboom omdat het in China veel bij tempels werd aangeplant. Het is de boom die bij de graven geplant werd van hoge beambten zoals de pijn voor koningen, de levensboom voor prinsen en de populier voor het gewone volk.

 

Sorbus aucuparia. Het Latijnse deel van de naam "aucuparia" houdt verband met auceps: vogelvanger. De reden hiervoor is het oude geloof dat de niet aangenaam smakende bessen de vogels vergiftigden, waardoor ze gemakkelijker te vangen waren. Vooral lijsters werden ermee gevangen. Lijsterbes, spreeuwbezieboom of vogelbessenboom. Kraalboom, de bessen, saphout, siepenhout.

Averesch, esch naar de es, Fraxinus, werd als een soort es gezien en aber betekent dan geen echte es.

Kwetsenbeienboom of kwalster, qualster of kwalsterboom. Hierin is het woord queck terug te vinden, hetgeen zoveel betekent als levendig of fris omdat ze zelfs op arme gronden groeit of omdat de bladeren altijd in beweging zijn (vergelijk ook kwikzilver, verkwikken) Oud-Engels cwicen en in 14de eeuw quiken heeft verband met oud-Engels cwicu: possessing life, een levensbezitter. De boom werd ook gebruikt tot het verkwikken van kalveren.

Sorbus domestica. Sorbenboom van Sorbus.

Sorbus torminalis, laatste naam betekent lijder van de rode loop en vandaar darmboom.

Sorbus aria. Meelboom, de vruchten werden wel tot meel vermalen. Sorbepeer, de vorm.

 

Sparganium. Egelskop, de vruchtvorm, rietgras, waterlis, de bladeren. Vruchten worden als spelletje in het water gegooid en vandaar duikers, dukers, duul en duil.

 

Spergula. Spurrie, West Fries sparje. De naam spurrie heeft het omdat op de stengels op verschillende afstanden knopen zitten waaraan de smalle bladeren aangekleefd zijn. Die wuiven en zwaaien als een ster of spoor in een rij van vele punten, zie het Engels spur: spoor. Of van middeleeuws Latijn aspergula, naar de gelijkenis met Asparagus, de asperge of Spargel.

 

Spinacia. van Latijnse spi­na: doorn, de zaden zijn gedoornd tot spinazie. De zaden kunnen evenwel rond zijn of met stekels bedekt, scherpzaad.  Of van de oude naam van Spanje Hispanic, plaats van invoer en vandaaruit spinazie.

 

Sprekelia. Jacobslelie. De vorm en kleur van de rode bloemen werd met het rode kruis van de ridderorde van St. Jacob van Calatrava in verbinding gebracht.

 

Stachys officinalis. Bottonie of betonie. Volgens Plinius stamt de naam van bettonica, (bētōnica) van de Bettones: een Spaans volk. Latere auteurs verwierpen deze theorie en namen aan dat het woord stamt van de Keltische vorm bewton, bew: hoofd, en ton: goed, omdat het vooral goed was tegen hoofdpijnen.

Stachys byzantina. Midasoren worden ze genoemd naar Koning Midas van PhyrgiĎ wiens aanraking alle voorwerpen in goud veranderde. Hij was berucht om zijn grote rijkdom en kleine verstand. Volgens de fabelhistorie kreeg hij die oren omdat hij in een muziekwedstrijd de prijs aan de sater Pan had gegeven, waardoor Apollo hem met deze oren beloonde.

De kapper van Midas raadde zijn geheim, maar kreeg een verbod om dit te vertellen. Dat was een moeilijke opgave. Hij groef daarom een gat aan de oever van de rivier en riep daarin: "Koning Midas heeft ezelsoren". Toen gooide hij het gat dicht en ging heen. Dit duurde totdat een plant langs de oever opkwam en iedereen het geheim toefluisterde.

Andoorn; zonder dorens of brandharen.

 

Staphylea. Pimpernoot, in de vrucht zitten kleine nootjes die er als hazelnoten uitzien en smaken als pistache. St. Anthony's nut. De zeer harde zaden werden vroeger gebruikt om er rozenkransen van te maken van­daar de Vlaamse naam paternosterbollekestruik.

 

Stellaria. Vogeltong, vogelmuur of morsgeline is een naam die bewaard is uit de middeleeuwse botanie, morsus gallinae of hennenbeet. Vermoedelijk stammen alle namen hiervan af. Kippen- of vogelmuur, hoenderbeet, hoendererf of vogelkruid. Mier, murik en zo genoemd omdat de zaden van dit onkruid met een zeef, zogenaamde mierenzeef, verwijderd werden uit andere zaden. De naam mier is waarschijnlijk afkomstig van de Duitse naam Miere, waarvan de stam ma of mei is wat klein betekent.

 

Stratiotes komt van het Griekse stratiotes: een soldaat, een verwijzing naar de zwaardachtige bladeren. Waterruiterskruid. Naar de krabscheervormige bloeischede krabbenscheer, krabbenklauw, stekelkruid, scheren. Naar de gelijkenis met aloĎ of yucca, wateryucca, moerasaloĎ.

 

Suaeda, Schorrekruid, groeiplaats, zoutmelde, witte kali, bevat kali en soda.

 

Succisa. Duivelsbeet, van de Latijnse naam morsus diaboli en het Latijnse succise praemorse (van suc-caedere: afhouwen, premorse is abrupt afgehouwen) zijn het woorden die verwijzen naar de kort afgebeten dikke en bruine wortelstok, het gedeelte dat de duivel heeft achtergelaten. Waarom de duivel dat deed, vragen de mensen zich af, want hij was toch niet ziek?

Blauwe knoop, is zo genoemd naar de donkerblauwe knoop die op een lange stengel staat. 

 

Symphytum van symphuo: tezamen groeien.  Plinius verhaalt dat de wortel zulke sterke bindmiddelen bezit dat, als het in een pot gedaan en gekookt met stukken vlees, dit vlees zal verenigen en weer heel maken. Dit zal zonder meer slaan op de helende eigenschapen van Symphytum om vleeswonden te genezen. Waalwortel, Wallen wordt in verband gebracht met golven, plooien of zwellen dat bij het genezen optreedt. Of het woord wordt in verband gebracht met walstatt: slagveld, bloed stelpen. Het grondwoord behoort tot wallen, de wonde wallt: groeit toe, welt heel. De gelijke betekenis Beinwell, (wall) is naar de helende krachten bij brekingen als in klassieke oudheid. De wortel bevat veel slijm en was eens zeer geprezen voor omslagen bij beenbreuken, onze vetwortel en spekwortel. Soms wordt ze Abraham, Isaac en Jacob genoemd vanwege de verschillend gekleurde bloemen, hommelwortel naar het vele bijenbezoek, hangende bloemen.

 

Syringa. Lila, Lilak of Leilak, een naam van Indische oorsprong en Perzische bemiddeling, agem-lilak en in het Arabisch lilak wat op de blauwe kleur van de bloem slaat. Het woord is een vorm van nilak: blauwachtig, zie nil, de indigoplant, of van lilag: bloem. Een naam die ook aan Philadelphus werd gegeven en met  de pit te verwijderen uit de stengels meer de naam verdient van pijpenstruik dan ook beter op slaat, de Pansfluit.

 

Syzygium. De kruidnagel is de gedroogde en niet uitgelopen, spijker- of nagelvormige bloemknop. Goede nagelen moeten bij het indrukken van de nagel een olie laten zien. Ze zijn in verse toestand rood van kleur.

 

Tagetes. Na de succesvolle veldtocht van Karel de V tegen de Moorse vesting in Tunis in 1596 werd het Flos Africanus genoemd. In Engeland dacht men dat het plantje daar vandaan kwam. Zo werd het Africanus Flos, Africaanse bloem of Tunis bloem, het afrikaantje. De bloem van de kleine soort van Tunisbloemen zijn van kleur gemengd tussen de gouden en de purperen en hebben de bladeren zo dik en stevig en ook blinkend dat ze eigenlijk van fluweel schijnen gemaakt te wezen waarom ze hier te lande ook fluweelbloemen van vele genoemd wordt. In Engeland is deze bekend als Franse fluweelbloem, naar de overlevering dat ze met de Hugenoten in de Bartholomeus nacht in 1572 uit Frankrijk naar Engeland zou zijn gekomen.

 

Tanacetum. Reinvaarn, de plant groeit op rainen: kanten van de akkers. Fan betekent een vaan, dus als een vaan of vlag. Samengevat staat het gewas als een vaan in een verhoging van de berm. Wormkruid, schijtkoekens worden op Vastenavond gebakken rond Vlaanderen, vandaar pannenkoekkruid. Gouden knoopjes, naar de bloemknopen.

 

Taraxacum. Papen-cruydt, monnikenhoofd. In de middeleeuws monnikentijd, al voor de 14de eeuw, werd de plant wel caput monachi genoemd ofwel monnikenhoofd, dat is wat er overblijft nadat het pluis eraf is gewaaid, papenkruid. Door de hielafdruk van de zaden lijkt de ronde kop geheel bedekt te zijn met putten, zodat de ronde kop de vorm heeft van een ouderwetse speldenkussen. Heelt ziektes, kankerbloem.

Paardenbloem, Friese hijnstebloem, omdat het graag door paarden wordt gegeten waardoor Hypochaeris, het biggenkruid, wel veulenbloem genoemd wordt omdat die gaat bloeien als de paardenbloem is uitgebloeid. Het bezit een bladrozet die dieper of minder diep ingesneden kan zijn, al naar gelang zijn standplaats. De bladeren zijn scherp en ver ingesneden zodat de slippen aan de scheurkies van de leeuw doen denken, vandaar leeuwentand.

In Vlaanderen paarde- pissebloem. Ook de naam pissebed heeft hiermee verband.  De pissebed zou zo heten omdat die in een nat geplast bed zou voorkomen. Vooral als we bedenken dat de ma­trassen van vroeger uit plantaardig materiaal bestonden.

De naam stamt echter uit het medische gebruik. "Pissebed (1596): 'bed waterend kind' en 'schaaldier,'" het is waarschijnlijk een vertaling van het Franse pissenlit. Als naam voor de paarde­nbloem zien we het verschijnen bij Plantijn in 1573. In de volksgeneeskunde golden dier en paardenbloem als pisafdrijvend middel.

 

Taxus kan komen van toxon: giftig, naar het gebruikt als pijlgift. Hierna is de naam overgebracht op andere vergiften in het algemeen, het woord toxin en het tegenmiddel anti-toxin zijn zeer gewoon geworden voor al de ver-gif-vormen. Het vergif van taxus houdt, net zo als Digitalis, de werking van het hart tegen.

In oud-Nederlands was het ijf, yfboom, iebenboom of ieve, eibe: eeuwig, naar het altijdgroene loof. De eibennamen hebben de Germanen alleen met de Kelten gemeen. Het Gallische ivos, dat in Frans if en Spaans en Portugees iva voortleeft, het Ierse eo, Kymrisch yw(en) en het Bretonse ivin voeren terug op het oer Keltisch iu-os. Oer verwant is de Griekse naam voor de lijsterbes dat gevormd is uit oiua en Latijn uva: tros, in het Armeens is aigi de naam voor de wijnstok. Daarna betekenen Indo-Germaanse oiua, eiua en iua namen van gewassen die door hun bessen opvielen.  Naar de bessen, snottebellen.

Booghout omdat er zulke goede bogen van gemaakt werden.

 

Teucrium chamaedrys. Uit de Griekse naam stammen midden-Latijnse vormen als chamandros. De gedachte aan midden-Hoogduits Gamen: vreugde, gaf aanleiding tot een omvorming naar gamander.

 

Theobroma. Cacao, het Mexicaanse cacauatl, cacauare is de vrucht en cacahoaquahuitl is de boom. Het woord chocolatl schijnt afkomstig te zijn van een Mayo taal, een taal van stammen die in Yucatan en Guatemala woonden waar men de oorsprong van het woord zoekt. Het werd in 16de door de Spanjaarden chocolate genoemd en hieruit ontstond via het Portugese het Franse woord chocolat en Engels chocolate het Duitse Schokolade wat in het Nederlands chocolate werd. Dit woord werd in 1605 in het nieuw Hoogduits, onder invloed van limonade tot chocolade.

 

Thlaspi. Boerenkers. Het hauwtje is gevleugeld, bijna rond en aan de bovenkant een insnijding. Hiermee in verband staat de naam penningkruid of tasjeskruid, daarin zitten ter weerszijde van het tussenschot de kleine zwart gestreepte zaden. Krodde is een naam voor een onkruid, mogelijk is dit afgeleid van een oud woord krode: last, een lastig onkruid

 

Thuja. De levensboom stamt uit het paradijs. Het is de boom die in het midden staat, de boom des levens. Die van zijn vruchten eet, kan niet sterven. Openbaringen 22: 1-2 “En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de volkeren.” Zie ook EzechiĎl 47,12.

Volgens een heel, heel oud verhaal was de boom der kennis een zeer grote boom en zijn wortels drongen door tot in de hel, zijn takken waren in de hemel en boven in zijn kruin rustte het kindeke Jezus.

De volgende generaties die van de wonderboom vernamen vermeldden dat de boom door Gods genade ergens op de wereld geplant was. Wie hem vond was de gelukkigste der mensen, hij hoefde voor de dood dan ook niet bang te zijn. Vergeefs zocht men de boom, hoeveel werk men er ook in stak om de boom te vinden, geslacht na geslacht zonder dat hun verlangen vervuld werd. Het steeds mislukken van die zoektochten maakten velen met de gedachte vertrouwd dat God in zijn toorn de boom in de zondvloed had laten omkomen. Velen leefden verder met de vrome gedachte dat tegen de dood geen kruid is gewassen. Een niet onbetekenend deel gaf echter de hoop niet op om eens in het bezit van de wonderboom te komen. In de loop der tijden zijn er zo vele sagen in omloop gekomen die over het lot van de boom schreven en zo de herinnering levendig hield.

Zulke sagen (zie Thuja) gingen van land tot land, zodat men honderden jaren van de levensboom droomde. Toen kwam de tijding door geheel Europa dat de levensboom ontdekt was. Men kan zich nauwelijks voorstellen welke vreugde dit de gelovigen gaf. De arbor vitae, Latijn voor. De naam zou aan deze boom gegeven zijn door een Franse koning in de slot tuin van Fontainebleau waar deze boom geplant was in het begin van de 16de eeuw. Clusius hoorde deze boom zo noemen, omdat de boom een symbool van onsterfelijkheid is en een goed symbool van wedergeboorte omdat het in de koude winters lijdt, dan verliest ze haar elegante groen en de twijgen en bladen nemen een donkere kleur aan en krijgen een bruin en bijna verwelkt loof dat zich in het voorjaar weer fris vergroent alsof het zich weer verjongt met de glans van het vorige jaar. Zo is het op goede grond een boom des levens geworden. 

 

Thymus naar tijm. De naam quendel stamt uit het Latijnse cunila of conila dat zelf uit het Grieks/Latijn cunila of conila stamt als naam voor een lipbloemige bij Dioscorides en Plinius. De vormen met een qu, als bijvoorbeeld in Quenele en Quenel komen sinds de 12de eeuw in het midden-Hoogduits voor en, in het Nederlands als quendel, sinds de 16de eeuw verschijnt de naam kwendel. In het Angelsaksisch is het cunel(l)e. De naam quendel betekent vrouwenkruid. De gelijkbetekenende Poolse naam macierzanka: betekent moederlijke ziel, de geest van de grote moeder. Het is de Moeder der Kruiden. Een Lieve Vrouwe bedstro.

 

Tilia. Het ligt voor de hand om de naam linde, in het oud-Hoogduits Linta met het bijvoeglijke naamwoord lind: wat mild, zacht, vriendelijk of week betekent, in verbinding te brengen. Men kan aan het zachte loof denken of aan het weke hout. De naam Linde zou in het Duits nog steeds gebruikt worden voor zacht­heid of luw. Het werkwoord lindern betekent verzachten of verlichten. Maar doordat het Duitse woord lind in de spraaktaal verwant is met het Latijnse lentus: buigzaam of taai, is het mogelijk dat de boom naam op de taaie lindebast duidt. Dat zijn slechts vermoedens die niet geheel opgehelderd zijn. Ook het woord subtiel komt van de linden; sub tilia.

Het is de oeroude Duitse Bast- en kledingboom, Bast of Bastholz, Engels basswood, van bast. Zeker is dat de naam linde algemeen Germaans is. In de oertijd werd de bast van de bomen gebruikt voor gordels, klederen en schilden. Volgens Strabo kleedden de Massageten zich in bast evenals de Germanen en droegen schilden van ruwe boombast. Voor zulke bast was vooral de linde geschikt die waarschijnlijk in al die talen naar die eigenschap genoemd is. Dan betekent de Griekse naam voor linde ook bast en is het grondwoord voor de naam. In oud-Noors heet lindi de gordel en tilia de bast. Op grond van verwante vormen in het Slavisch vermoedt men een oorspronkelijke betekenis bastboom. Oud-Noors lind is te vergelijken met Litouws lenta: plank, Russisch lutjo: jong lindenbos geschikt om van de schors ontdaan te worden, Klein-Russisch lutje: lindenschors. In de Fins-Oegrische talen is de naam van de linde identiek of samengesteld met een woord voor schors, zoals bijvoorbeeld het Hongaars hars: linde, in dialect is dit ook de schors van de boom.

 

Tolmiea. Aan de bladvoet ontwikkelen zich jonge plantjes. Het is het kindje op moeders schoot, kinderplantje naar de kleine planten die gevormd en gedragen worden op de rug van de ouders. Die groeien weer uit, en uit…

 

Tragopogon stamt van het Griekse tragos, een bok, en pogon, een baard, een verwijzing naar de lange, zijdeachtige zaadbaarden, boksbaard, en vandaar ook barba seni(i)s genoemd: grijsbaard. Jozef bloem omdat Jozef altijd afgebeeld wordt met een baard. Morgenster gaat ’s morgens open en met de middag sluit die weer. Haverwortel, naar de smaak.

 

Trapa komt van Latijn calcitrapa, wat hetzelfde is als caltrops: een oud 4tandig instrument dat in oorlogstijd gebruikt werd om bergkrijgers tegen te houden. Het wapen had vier spinachtige punten net als deze vrucht die gewapend is met vier hoorns.

Heet naar de kastanjeachtige smakende vruchtkern, waterkastanje. Jezuēetennoot, wel naar de vorm genoemd.

 

Trientalis is afgeleid van het Latijnse triens: eenderde van een voet, de hoogte van de plant.

Sterbloem, zevenster, heet zo omdat de bloemkroon en kelk zevendelig zijn, ook (of 6) zeven bladeren heeft.

Wintergroen, naar de wintergroene plant die met lancetvormige bladeren in een rozet staan

 

Trifolium arvense. Hazenpootje naar de bloemvorm.

Klaver, oud-Hoogduits Clie, opengespleten, van chliopan, Noord Duits klowen: splijten, vergelijk ons kloven en Engels cleave: splijten, de gespleten bladeren. De naam klaver stamt een Germaanse grondvorm klaib-ron, oud-Germaanse klaib-r(i)on-klaiwa.  Paarden of zaaiklaver. De nectar uit de bloemen, suikerbloem of zuigen

 

Trigonella caerulea.. Zevengetijdenklaver, de reuk die met elke weersverandering verschilt, zijn reuk zou zevenmaal per dag veranderen

Kaasklaver, gebruik, blauwe honingklaver.

Trigonella foenum_graecum betekent Grieks hooi en vervormde tot fenegriek. Naar de lange hoornvormige gebogen peul, koehoornklaver of bokshoornklaver, of ruikt als een bok

 

Triticum dicoccum. Amelkoren. In de middeleeuwse Duitse tijden werd het Amylon of Amylum genoemd, Amar, = fijn en in een Hag gekweekte koren, van Ham: omzoomd veld, het woord is later op Amylum: fijn meel, gezet, zetmeel (Latijn amylum: zetmeel, uit Grieks wat op een molen gemalen meel en oorspronkelijk eten, brei of krachtige voeding betekende, werd volks etymologisch tot amoliri: afwenden, gebruikt en zo tot amulet) Het woord emmer is gevonden in oude uitleggingen van 8‑13de eeuw, als amar of amer en is mogelijk een Keltische afleiding.

Triticum spelta. Spelt, uit Latijn Spelta, heeft betrekking op de van het koren af te scheiden schaal, Spelzen genoemd.

Triticum aestivum. In midden-Nederlands van 1253 komt wei, weite of weet voor, vergelijk oud-Saksisch Hweti en oud-Engels hwaete (nieuw Engels wheat, zie Shakespeare in Tempest iv, 1,61) Duits Weizen, oud-Hoogduits Hweizi en in het midden-Hoogduits Weize, oud-Noors hveiti, vergelijk Weiss: wit,  in Gotisch betekent Hvaiteis: wit koren of wittebrood, het is een latere vorm waaraan we kunnen ontlenen dat een vroegere graansoort donkerder brood gaf. In Keltische spraken gaan de woorden wit en weizen op dezelfde wortel terug. Deze woordafleidingen vinden we niet bij de Slaven zodat hieruit volgt dat het koren zijn weg van GalliĎ naar ons land vond en in Duitsland kwam en vandaar naar Litouwen waar de laatste naam kwetys was.

Tarwe, van vroeg Germaans tarwo (vandaar Engels tare) van vroeg Indo-Europees drHua (vandaar in Wales drewg; of darnel, in Litouwen dirva; veld, oud Grieks daratos: brood, Sanskriet durva; panik.)

Het brood, midden-Hoogduits Brot, Angelsaksisch bread, oud-Fries brad, oud-Saksisch Brod, oud-Hoogduits Brot van braud en oud-Noors brauo zijn namen die de uit de betekenis laib: leven, uit de tijd van ongezuurde broden stammen.

Vroeg ver­schijnt de naam brood in het Angelsaksisch als beobread en Engels beebread, midden-Hoogduits Biebrot en nieuw Hoogduits Bienenbrot: honigschijf. De basis van alle woorden is afgeleid van Indo-Germaans bh(e)reu: bubbelen of koken, het basisidee is het bubbelen van water. (Vergelijk voor de zin hiervan dezelfde betekenis in het Latijnse de-frutum: nieuwe wijn of most, wat verbonden is met fervere: koken, fermenteren: gloeien en zie fervent of ferment) Bienenbrood is zo genoemd naar de fermentatie en rijzen wat veroorzaakt wordt door gist en betekent literair: gefermenteerde substantie. Niet de vorm heeft de naam gegeven maar de gisting. Het Germaanse brauoa: met zuurdeeg klaargemaakt, is gegist brood en hiervan stamt ook het woord brouwen of Engelse brew.

 

Tropoaelum komt van het Latijnse tropaeum, het Griekse tropaion: een trofee. De plant was een symbool voor de Azteken, een zegeteken. De bladeren zijn de schilden en de bloemhelmen zijn met bloed gekleurd en van een lans doorstoken. Oost-Indische kers. Vroeger werd het wel Nasturtium indicum genoemd en omdat men dacht dat deze plant tot dezelfde familie behoorde als de waterkers, Nasturtium, het heeft dezelfde scherpe smaak en werd ook gebruikt als salade.

 

Tsuga. Oostelijke hemlockspar, Canadese hemlock. Naar de overeenkomst van de reuk van de gekneusde bladeren met de grote scheerling- hemlockbladeren (Conium) wordt de boom hemlock genoemd. Zou het niet beter genoemd zijn naar Richard Spruce, Engelse plantenverzamelaar en botanicus, 1817-1893?

 

Tuber betekent een bol. Truffel, Frans truffe van Perigordiaans trufa dat via laat Latijn tufera teruggaat naar een dialect van Latijn tuber: literair, een zwelling.

 

Tussilago. Hoefbladeren, de bladvorm. Het kleine hoefblad wordt ook wel geitenblad genoemd, omdat geiten het eten en koeien niet.

 

Typha. Veel namen zijn er voor deze opmerkelijke en opvallende plan