Plantennamen, Nederlands.

Betekenis van een plantennaam, naam verklaring, etymologie.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Zie ook middeleeuwse woorden en verklaringen.

Zie ook plaatsnamen en hun betekenis.

Zie ook jongens en meisjes namen.

Zie ook dierennamen;

Klik hier voor planten soorten.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

Plantennamen en hun betekenis, etymologie of hun betekenis in Nederland.

 

Abies alba. Dodonaeus (a) ヤDe eerste soort noemen we eigenlijk gewone witte dennenboomユ. Zilverspar is zo genoemd naar de zilverwitte onderkant van de naalden die meestal twee rijen huidmondjes bezitten. Duitse Silber-, of Weisztanne, Engelse white spruce (zie Picea) of silver fir. Mastboom naar het gebruik om er masten van te maken.

Spar heet in Fries sparrebeam en spjer. ヤSparユ is een woord dat waarschijnlijk verkort uit sparrenboom ontstaan is. Het is een boom die geschikt is voor het maken van sparren. Een spar was oorspronkelijk een woord voor het ge­vorkte eind van een balk waarop de vorstbalk rust. Spar komt van oud-Engels spearrian: sluiten of dragen. Het oud-Noors kent de naam sparri en het oud-Hoogduits sparro: voorzien van of verstevigen met. De Germaanse woordwortel sper schijnt vooral voor onderdelen van het dak gebruikt te zijn. Het woord is mogelijk verwant met speer, oud-Hoogduits sper, en in het Latijn sparus: jachtspriet. In het Midden-Nederlands komt sparre voor: stang, balken of dwarsbalken, zoals in wapens. Ook in Engels spar en midden-Engels sparre komen varianten voor. Sperren heeft de betekenis ヤmet sparrenwerk verstoptユ.

 

Abutilon staat bekend als fluweelblad of Chinese klokbloem. In China worden ze als vezelplant gecultiveerd, nauw verwant aan de katoenstruik. Is hier ook vroeger in de 18de eeuw als vezelplant ingevoerd, maar er zijn betere.

 

Doornige Acacia van Egypte. De gom die uit deze heester traant is in de apotheken Gumme Arabicum, dat is gom van Arabi, genoemd, gebruikt onder andere voor de kleefstof van postzegel.

 

Acaena is afgeleid van het Griekse akanthos: een doorn of stekel, wat een verwijzing is naar de kleine doorntjes op de vrucht. Het is de stekelnoot, Engelse burweed, (zie Arctium) New Zealand bur, afkomst, Duits Stachelnusschen.

 

Acalypha komt van het Griekse akalephe: een brandnetel. Kattestaart, Engels cats tail, Frans queue de chat.

 

Acantholimon is gestekeld en vandaar egelkruid.

 

Acer. Veldesdoorn, groeiplaats. Ook wordt het wel booghout genoemd omdat het hout zeer geschikt is om er bogen van te maken en lansen. Vooral van het hout dat veel kwasten bezit maakten de Fransen schaakborden, het is ideaal draaihout. Het werd wel gebruikt om er harpen, luiten en violen van te maken waardoor dit hout ook wel luiten- of violenhout werd genoemd. In begin mei werden van deze bomen fluiten gemaakt door op de bast te kloppen die dan gemakkelijk los laat.

In het Engels komt de naam masertree voor en in midden-Nederlands was het maserijn of maeser, midden-Latijn maserinus. Dit woord hoort bij het oud-Hoogduits Masar: kwast of knoest, Angelsaksisch maser: knoest in hout en oud-Noors mosurr is verwant met Latijn macula: vlek, de knoesten in het hout. Het is de knoestenboom. In oude tijden was het hout met zulke knoesten veel waard bij de draaiers en houtartiesten.

Mazer heette ook die dunne schalen of bowlユs. Die werden gedraaid uit het hout van de esdoorn. Mooie mazers waren gemaakt van het knoestige hout en zo dun dat ze het licht door lieten. De beroemde drinknappen die zoveel geprezen werden in de middeleeuwen waren hoofdzakelijk van deze boom gemaakt.

Naar de hoekige gevleugelde vrucht, die wel ackar of eckar genoemd werd, (zie eik) werd de boom oorspronkelijk wel achar genoemd, zoals in Spaanse aak en de namen agerl, dan aharen en ahorn. Dit woord zou afkomstig kunnen zijn van het Latijnse acernum (us) Of van acer ingenium omdat er ingenieus werk van gemaakt werd.  A. Munting zegt dan ook: ヤBooghout, in Latijn Acer omdat deze door zijn deugdelijk hout het verstand van de kunstenaars verscherpt en verbeterd waarom ook de Grieken van deze boom het bewonderenswaardige paard van Troje maakten door wiens aanschouwen de Trojanen verbaasd stonden en het tot een gedenkteken in de stad haalden en zo veroverd werden.

De afkomst van de Nederlandse naam esdoorn is onbekend. Doorn is zonder twijfel een overblijfsel van ter of der: boom, wat ver­vormd werd tot doorn, zie bijvoorbeeld bij affolter (appelboom) wat vervormde tot bijvoorbeeld Apeldoorn. De naam es is wat vreemd omdat er geen verwantschap is met de es, mogelijk is de boom zo genoemd naar de overeenkomst in vruchten.

Suikeresdoorn is het symbool van Canada en staat op hun vlag. Het levert in het voorjaar veel suiker uit zijn bast .

 

De naam Aceras stamt van het Griekse a: zonder, en keras: een hoorn. De bloem mist de typische orchidee創spoor. Vandaar zijn naam spoorloos.

Dit is de mensorchidee ofwel Duitse Man-orchis. In het Engels is zijn naam green man orchis of man-orchis en in het Frans aceras en homme pendu: hangende man. De bloem lijkt wat op een mensenvorm, het lagere gedeelte van de bloem, de onderlip, is tweemaal zo lang dan de kelkbladen. Dit gedeelte hangt naar beneden en wordt met een lichaam vergeleken. De twee zijdelingse stukken lijken op armen, het gevorkte eind doet dienst als benen. Het algemene gezicht op het bloemhoofd is grappig en lijkt wel wat op een geelgroen poppenhoofd. Vandaar de Nederlandse naam poppenorchis.

 

 

Achillea millefolium. Mille: duizend, folium: bladeren, de plant staat beter bekend als duizendblad.

Garwa heet het bij H. Hildegard, Garbe, Gerwel, bij ons garwe, gherwe en later gerwe. Deze naam werd bij ons in de volksmond verbasterd tot garbenkraut, geruwe en gerwel. Engelse yarrow of yarrowe zou een verbastering zijn van het Angelsaksische gearwe, wat mogelijk een verwijzing is naar het feit dat de bladeren geveerd of ingesneden zijn als ye arrow. (pijl) Het is echter meer waarschijnlijk dat het woord van yare stamt (vergelijk oud-Engels gearu: klaar, en oud-Hoogduits garawen: bekleden, dat verbonden is met Deens gaar: gereed of gekleed, Germaans garwa. Yarrow en garwa betekenen dan "de klaar gemaakte, helende of herstellende", vanwege de uitgebreide verwerking als wondkruid. Garwe betekent dan zo veel als de geneesplant, vergelijk de Duitse naam Heil aller Welt! (zie ook Agrimonia) Oud Nederlands was zeiskraut vanwege zijn wond helende werking.

Een andere verklaring is dat het ヤbekleden, klaar of mooiユ betekent: de plant is met vele blaadjes bekleed. Het midden-Hoogduits Garwel kan ook afkomstig zijn van het oude woord carmen: kerven of insnijden,  naar het duizendvoudige blad. Een woordverbastering is het Nederlands geruwe.

Ganzenkervel, ook hazengras of hondeklaar.

Naar de bloemvorm witte reinevaar en riezenbrij in Groningen, rijstepapbloem en in Friesland sjukelarjeblom, skieppegerf en ook tjerkhofblom.

Achillea ageratum. Hier te lande heet het bij sommige koninginnenkruid, (zie Eupatorium) maar meest kleine kost of klein balsemkruid.

Achillea erba-rotta ssp. moschata geurt naar muskus, muskusduizendblad.

Achillea ptarmica.  Dit kruid laat niezen, nieskruid, ook tandkruid omdat het speeksel verwekt en daardoor de tandpijn verminderd wordt. Bertram betekent vuurwortel omdat het bijt op de tong. Moerasduizendblad naar zijn groeiplaats.

Achillea filipendulina of gele pannenkoeken naar zijn platte gele bloemschermen.

 

Acidanthera of Gladiolus. Abessijnse-, of stergladiool is een nieuwkomer. In Engeland kwam de eerste pas in 1930 aan vanuit Afrika, Somalia en Eritrea, vandaar de naam Abessijnse gladiool.

 

Aconitum. Wolfsdood of wolfskruid omdat het gebruikt werd om wolven te doden.

Stormhoed. Het laatste deel van een gegeven naam is bijna altijd een kap of hoed. Dit laatste gegeven bevindt zich ook in de veel oudere naam van de plant als Thorshelm die aan Thor (Donar) was gewijd. In Deens en in Noors zijn er de volgende namen, Thoralm, Thorhat, Ulveurd, Ulvebane, Ulvedod en in Zweeds stormhat. In de Noorse mythologie vertegenwoordigt de hoed van de akoniet de kap van duisterheid, wie in staat is die te dragen wordt onzichtbaar als hij of zij het wil. De kap was een deel van Odins uitrusting. Vandaar de naam Odins helm en gewoonlijk Thors hoed of helm. De helmvorm suggereert meer de twee grote vechtende goden van het Noorden dan de wijze Odin. Doordat de bloem met de kap bedekt is van de Noorse helden symboliseert de plant ridderschap. Omdat de bladeren schildvormig zijn zou de naam stormhoed, naar de tijd van de ridders, de beste naam zijn die bij deze plant past. Toen de Benedictijnen de domeinen van Thor binnenvielen werd het de monnikskap, de oude munckes capkes.

Venus wagen, onze Venuswagen, duiven trokken de kar van Venus. Deze namen vergelijken de stuifmeeldraden, die in de kromming van de helm gebogen zijn, met een paar nieuwsgierige duiven die schuchter het dek proberen te verdringen. Kinderen halen de helm er soms voorzichtig af waardoor de stuifmeeldraden als kleine duiven te voorschijn komen, vanwege het vliegen Eliaswagen.

Verder Adam en Eva in 't koetske, huwelijksbootje, paarden en karretjes, schoenen en muilen en in Fries hijnders en weintsjes.

 

Acorus calamus, dat werd tot kalmoes of kalmus. Het wordt ook wel ooievaarsbrood of zwanenbrood genoemd (moerasplant) De Friezen herkennen deze plant onder de naam earrebarrebreau, arrebarrebroodjes in Dokkum, verder breakes, kaarnwortel en snieling.

 

Actaea. St. Christoffel is de schutspatroon van de schatgravers. De plant zou toverkracht bezitten en middels deze toverkracht helpen bij het zoeken naar verborgen schatten. De oorspronkelijke benaming was Herba sancti Christophori. St. Christoffel is ook de patroon van geesten en tovenaars. Onder het kruid zou een geest liggen die de schat bewaakte. Om de geest te verdrijven moest het kruid aangeraakt worden en een bijzonder christoffelgebed opgezegd worden. Dit bezweren werd christoffelen genoemd. Tovenaars gebruikten het kruid om te christoffeln, met andere woorden: om geld verbergende geesten te bezweren.

 De Heilige Christophorus gold ook als beschermheer tegen de pest. Wie in staat was die ziekte af te wenden en een tegen middel had, die bezat een grote schat. De aanblik van een heilige had sowieso al een dood verdrijvende werking en samen met zijn plant stond je sterk.

Deze heilige wordt op tal van plaatsen afgebeeld, soms met het onderschrift; メChristum sum ferensモ, メIk draag Christus. In vele oude katholieke kerken komt hij voor.  Dan zie je vaak boven de westelijke ingang van zoユn kerk het beeld van Christoffel. Zie je Christoffel die dag, dan zal je niets gebeuren en kan je niet dood gaan. Zag je hem niet, dan was je die dag ziek en kon je de kerk niet zien. Omdat je hem niet gezien had was de kans dat je die dag dood zou gaan vrij groot. Als beschermheilige tegen plotselinge dood. (201A) (215)   Dit is de reden voor de vele afbeeldingen van de heilige in en rondom kerken en autoユs. Denk aan St. Christoffel, rij veilig, op autoprentjes. De H. Christoffel is de beschermer van reizigers.

De verering ging zo ver dat men zei: メDoor U wordt helder weer verkregen, alle soorten van ziekten, de zwarte hongersnood en de pest verdreven, Oユ Christophorus!モ. Een blik op zijn beeld was ook een middel om bij zware arbeid niet vermoeid te worden, reden waarom de boeren hem lieten schilderen op een plank die ze bevestigden boven hun huisdeur.

St. Christoffel droeg reizigers over de ruwe rivier. Ook Christus heeft hij op deze wijze naar de overkant gebracht. Op dezelfde wijze dat St. Christoffel Hem droeg, zo draagt de plant haar bloemtrossen. Alsof de moordenaarsplant na die baptisering niet meer moordt, zo vormen de wortels van het christoffelkruid een kruis of ster.

Zwartkruid of zwarte gifbes, een gif dat het hart raakt.

 

Actinidia is afgeleid van het Griekse aktis: een krans, de gele vrouwelijke bloemen hebben kransen die als kleine zonnebloemen straalsgewijze uitstaan, vandaar straalstempel. Het nationale symbool van N. Zeeland is de kiwivogel, een bruin bolletje op poten. De kiwi is hiernaar genoemd omdat de vrucht op dat bruine balletje lijkt.

 

Adansonia. Afrikaanse olifanten eten de zachte bast van de Afrikaanse baobab. Ook bavianen en andere apen eten de vruchten waarom de bomen ook wel apenbroodboom genoemd worden.

 

Adenanthera. De vruchten zijn bekend onder de naam koraalerwten. Dit naar de fraaie scharlakenrode zaden die wel in plaats van bloedkoralen tot halskettingen voor kinderen aaneengeregen worden. Daaraan dankt de boom haar naam koraalboom.

 

Adenophora.  Bekerklokje, naar de bloemvorm

 

Adiantum capillus-veneris (Venus haar) komt van het Griekse a: niet, en diainein: bevochtigen, omdat de bladeren niet nat worden. Dit verwijst naar het haar van Venus dat niet nat was toen ze uit de golven stapte. Venushaar, maagden- of meisjeshaar.

 

Adonis, was bij de Grieken een jongeling van spreekwoordelijk geworden schoonheid. Hij was de zoon van Theias en zijn eigen dochter Myrrha. Als de vader, door zijn eigen dochter bedrogen, haar zwanger heeft gemaakt en dit bedrog ontdekt, achtervolgt hij haar met een zwaard. Myrrha wordt dan in een boom veranderd (zie Commiphora myrrha) Uit haar barstende stam wordt Adonis geboren. Adonis was de favoriet van Aphrodite /Venus. Na zijn overlijden snelde Aphrodite wenend heen en drong door de struiken en doornen heen. Die bezeerden haar en het bloed dat op de witte rozen viel gaf die een rode kleur terwijl er anemonen of adonisroosjes ontloken op de plaats waar haar tranen de aardbodem drenkten. Ze kon de jongeling niet redden van de dood omdat Persephone (van de onderwereld) verrukt was over zijn schoonheid en hem niet terug wilde geven. Ze verwierf van Zeus de gunst dat Adonis een derde jaar bij haar, een derde jaar bij Persephone en een derde jaar vakantie zou hebben. Dit gegeven komt overeen met het Mediterrane seizoen ritme. Na de oogst (vakantie) weer naar de onderwereld (Persephone) en in de lente werd de vruchtbaarheidsgod (Aphrodite) weer actief.

Adonis, bruynettekens, de bruine bloemen, zo ook duivelsoog, het donkere hart in de bloem. Zomeradonis, adonisroosje, bloeddruppels, kooltje vuur, vuurroosje.

 

Adoxa moschatellina. Uit het Griekse moskos kwam het Latijnse muscus: muskus, en zo het muskuskruid.

 

Aegilops komt van het Griekse aix: geit, en ops: oog, omdat het tegen zweren in de ogen van geiten werd gebruikt. Het wordt daarom ook wel geitenoog genoemd.

 

Aegle komt van het Latijnse Aegle, 試n van de Hesperiden. De Hesperiden bezaten de magische tuin met gouden vruchten die de eeuwige jeugd zouden geven. De legende verhaalt dat de drie Hesperiden, bij de invallen van de barbaren, in het geheim wegvlogen om de vruchten in veiligheid te brengen. Ze staken de zee over in een grote schelp en kwamen op de Italiaanse kust aan. Aegle liet haar cedraat appelbomen vruchten dragen aan de oevers van het Garda meer. Arethusa plantte haar citroenen in Liguri en Hersperia plantte haar sinaasappels in Campani. Kwee van Bengalen of slijmappel.

 

Aegopodium, Griekse aix: een geit, podion: een klein voetje, vermoedelijk is de plant zo genoemd naar de vorm van de bladeren of omdat de geiten het eten. Het is het geitenblad, -poot. Vroeger heette het Herba Santa Gerardii en bij ons Gerardskruid. St. Gerard is de schutspatroon van jichtlijders. Zevenblad omdat er meestal zeven blaadjes te zien zijn, vaak twee maal drie bladen.

Dit kruid wordt gebruikt als middel tegen podagra. Podagra betekent ヤvoetjeユ, omdat podagra of jichtaanvallen meestal in de grote teen beginnen. In de signatuurleer werd het zo gebruikt omdat de plant zich door middel van zijn wortelstokken zich even snel in de grond verspreidt als jicht in het lichaam. Flerecijncruyt, flerecijn is jicht. Hiervan stamt ook de naam fliervinkenkruid en andere afleidingen.

In het Vlaams heet het landsloop en wilde vliendre, dat naar de vlierachtige blaadjes.  Kruip door de tuin of krup dor de tun.

 

Aeschynanthus komt van het Griekse aischyne: schaamte, en anthos: een bloem, mogelijk naar de dieprode kleur. Vandaar de naam schaamrood.

 

Aesculus. Het paard betekent hier wel een oneetbare vrucht, net zoals mindere en oneetbare soorten met wilde of geitenplanten vergeleken werden, in Duits dan ook Foppkastanie en Saukastanie. De naam van de eetbare Castanea werd op deze gelijkende boomvorm overgedragen, hippos: Grieks voor een paard, plus castanum en zo hippocastanum. Het is alles paard wat de klok slaat. Toch draagt de paardenkastanje die naam met ere, want in de winter kan men op de plaatsen waar de bladeren afgevallen zijn de bladmerken zien die op een hoefijzer lijken. Verder zie je, als die bladmerken goed bestudeerd worden, er zelfs de hoefnagels in. De zeventallige bladeren laten elk een afdruk achter, de nagel in het hoefijzer. Hierdoor is in de winter ook goed het verschil te zien tussen de rode en de witte (wilde kastanje) kastanje, de eerste heeft vijftallige bladeren, dus 5 hoefnagels en de wilde 7.

In Vlaams galnotenboom en kastanjeleer.

 

Aethionema, steenkers groeit in steenachtige gronden en lijkt op kers.

 

Aethusa. Kleine scheerling of tuinscheerling lijkt veel op de gewone scheerling wat een zeer giftige plant is wat deze plant verdacht maakte. Maar is minderwaardig wat in de betekenis hond tot uitdrukking komt, hondseppe en hondspeterselie waar het veel op lijkt, ook kleine dolle kervel.

 

Agapanthus komt van Griekse agape: liefde of naastenliefde, bemind, dat in de botanie voor bloemenpracht gebruikt wordt, en anthos: een bloem. Liefdesbloem of blauwe tuberoos, zie Polianthes.

 

Agaricus. De naam champignon komt voor het eerst voor in 1692. De Franse champignon betekent eetbare paddenstoel. Oorspronkelijk is het uit braakliggend land (Latijn campania, hier tot Gallo-romaans campaniolus) groeiende paddenstoel gevormd. Een inlandse naam is egerling, Duits Agertling, Angerling of Egerling, dat uit oud-Bayers egert: onbebouwd land stamt.

 

Agastache. Koreaanse munt, anijsplant, dropplant naar de geurende plant.

 

Agathis. Kawari pijn, kauri, het is de kauri of kawri van de inlanders.  Soms zijn ze ook bekend als  damar. Ook hier slaat het woord damar op zijn betekenis als harsleverancier. Damar is een Maleis woord voor hars. Kopal komt van de Nahuatl taal copalli wat wierook betekent.. Langzamerhand heeft men het woord ook voor niet Amerikaanse harsen gebruikt. Kopalhars kwam vanuit N. Zeeland, later ook als kaurihars of kaurkopal in de handel en werd gebruikt voor de bereiding van vernis.

 

Agave. Deze agave wordt ook wel 100 jarige alo genoemd omdat de plant bij ons gekweekt pas na 40‑60‑80 of na 100 jaar bloeit. Onder die naam, zoals die ook in Duitsland heet, is het geloof ontstaan dat de plant met zijn 100ste verjaardag pas zou bloeien. Dit zou het gewas zelf vieren door de bloem met een knal als van een pistoolschot te openen. Sommigen beweerden met een knal als van een kanon. Ze gaan echter even stil open als de meeste andere planten.

 

Ageratum is een Griekse naam, van a: niet, en geras: oud, een verwijzing naar het niet verouderen van de bloemen die altijd helder zijn. Het mexicaantje kwam in 1822 uit Mexico naar Europa.

 

Agrimonia komt van het Griekse agros: veld, en mone: woonplaats, een plant die in de velden groeit. Of de naam komt van argemon, een witte vlek op de ogen (arges: wit) die deze plant zou genezen. De fabelleer zegt dat de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat hield door deze plant, dan is Agrimonia van Argus af te leiden. Leverkruid naar zijn genezende krachten.

 

Agrostemma; is afgeleid van het Griekse agros: een veld, en stemma: een guirlande, de op het veld groeiende plant werd voor het bekransen gebruikt. Eventueel in de betekenis van kroon en daarnaar heet de plant kroon op het veld. Nagelbloem, corengnoffelen en negelbloemen en dat slaat op een anjergewas.

Dodonaeus (c) ヤIn Hoogduitsland wordt het Grosz Raden, Raden of Ratten genoemdユ.

Raai of rade, de naam is tot rad gevormd omdat de bloemen op een rad lijken en de lange smalle kelkbladeren lijken op spaken. De plant is als drager van het wiel gedacht, naar de bloemvorm van een anjerachtige. Raai is een naam ook voor andere akkeronkruiden.

De namen bolderik, bol of bolder en dergelijke zijn namen waar bol staat voor lastige onkruiden net zoals witbol voor Holcus. Het was oorspronkelijk een naam voor kaf, zie bolster. Het is de korenroos wiens bolle naam afkomstig is van het Keltische buldwg. Of van bol: kop, de kopachtige vrucht, de kelk steekt er met haren uit, een hanenkam.

Verder broodsblom, schaapsoren of zwijnsooren, Sint Petrusbloem. In Belgi baronnen, Christusoog, Godsooge, schoonooge, ezelsbloem, steekneuskes, Het was het bekende mooi bloeiende graanonkruid, koornrozen of koornvlam.

 

Agrostis canina. Liggend peyen gras, in het Latijn Gramen Caninum supinum. Dit gras heet hondsgras, zegt men, omdat de honden dat eten en daarmee genezen, ook knoopgras zoals kweek, kruipend struisgras.

Agrostis nebulosa (nevelachtig) is het fijne nevelgras.

 

Ailanthus is zo genoemd naar zijn volksnaam in Ambon, ailanto of ay-lanit: wat een boom betekent die met zijn takken naar de hemel rijkt. Hemelboom of godenboom.

 

Aira. Zilverhaver, een mooie grasachtige.

 

Ajuga. Ze heet soms hoe langer hoe liever net zoals Solanum dulcamara, maar hier betekent het de rankende gewoonte. De naam zenegroen is afgeleid van sene: altijd, dus altijdgroen. Vroeger werd het ook wel ingroen genoemd.

 

Akebia wordt genoemd naar zijn Japanse naam, akebi. Voluit in het Japans is het fagi kadsuri akebi, het laatste woord werd door Linnaeus gebruikt voor dit geslacht. Schijnaugurk, klimbes of chocoladerank.

 

Albizzia is zo genoemd ter ere van de Italiaanse edelman Filipo del Albizzi, die in 1749 deelnam aan een reis naar Turkije.

Acacia van Constantinopel heet in Engels silk tree, bij ons zijdeboom.

 

Alcea. Stokroos is zo genoemd naar de roosachtige bloemen die altijd in voorraad, in stock gehouden werd en vanwege zijn groei ook wel stangeblom of stangeroos.

 

Alchemilla. Alchimistenmantel omdat door de pori創 in het blad water op de bladeren komt die er als fijne dauwdruppeltjes uitzien. Een "edelsteen van het zuiverste water". Dit water kan opgezogen worden. Omdat de bladeren vrijwel altijd met die fijne druppeltjes bedekt zijn verwachtten de alchimisten dat ze met die druppels een wondermiddel bezaten om goud en de steen der wijzen te maken. Alchemilla komt van het Arabisch alkemelych, omdat de plant voor proeven van Alchimisten heeft gediend.  Alchemilla werd wel vertaald als kleine alchimist. De afleiding van chemie is onzeker. In Arabi betekent al-kimija een vloeistof en het Egyptisch woord chemi betekent het land Egypte, het verborgene en zo betekent de naam oorspronkelijk de Egyptische of geheime wetenschap, dit was later geheime of zwarte kunst. Een latere uitdrukking was scientia chimiae op het eind van de 3de eeuw en later bij de Arabieren alchimie. Het is de magische plant.

Een zo krachtige plant heeft een Christelijk aureool nodig. Vrouwenmantel heet zo omstreeks 1500 naar de grote, ronde en ietwat gevouwen bladeren die met een mantel vergeleken werd die Maria op heiligenbeelden draagt.

 

Aleurites. Kandelnootboom of apetal, in oostelijk Indonesi worden de oliehoudende kernen wel tot kaarsen verwerkt en wordt er een vernis van gemaakt. In Hawa is de noot een symbool voor verlichting, bescherming en vrede. De kandelnoot zou de lichamelijke vorm van Kamapua'a zijn, de varkensgod. Een van de legenden verhaalt over een vrouw die, ondanks dat ze haar best deed om haar man te plezieren, geregeld geslagen werd. Eindelijk sloeg haar man haar dood en begroef haar onder een kukui boom. Daar gaf ze nieuw leven en haar man werd uiteindelijk gedood.

 

Alisma. Was vroeger een soort van weegbree en zo waterweegbree. Kikkerbrood, kikkers zouden de plant eten.

 

Allamanda heet naar de goudgele trompetvormige bloem gouden trompet.

 

Alliaria, Latijn allium: ui, en aria, achtig, geurend naar een ui. Ook de naam look zonder look betekent letterlijk ui zonder ui. De plant behoort niet tot familie van de ui, maar is een kruisbloemige.

 

Allium. Bieslook, het gewas lijkt op een bies.

In het Latijn komt unionem voor, dit is afgeleid van Latijn union: (em) eenheid, een grote parel, van unus: een, unio, een ui met 1 steel. In midden-Nederlands van 1284 als ajuun, in Dyetsche eywijn, ook eniuun is bekend en later ajum of ajuin.

Unio was de gewone betekenis van een parel, uniek in kleur, vorm en kwaliteit, vandaar union in Engels, zoals in de laatste sc熟e van Hamlet:

"The King shal drinke to Hamlet's better breath,

And in the Cup an union shal he throw". Sjalot naar Ascalon in Palestina.

Uit midden Latijn is als kloosterwoord ook het midden-Nederlands cipel, sipel.

Zilveruitjes worden niet groter dan 試n tot 1,5 centimeter. Ze danken hun aanduiding zilver aan hun, vanwege de azijn, glimmende witte schil. Ze worden letterlijk omschreven als een inmaakuitje met zilverachtig vlies. Ze werden ook wel meloesuien of zilvervliesuien genoemd.

De sjalot is door de kruisvaders meegenomen en zou naar de stad Askalon genoemd zijn in het land der Filistijnen. De naam is verder verbasterd, in het Latijn werd het ascalonitica, in oud-Frans escaluigne, tot eschalotte, e'chalote en bij ons astloock of abschlag, tegen 1700 werd het charlotten en nu sjalot.

Look komt van midden-Hoogduits Lauch: sluik, of van Loch, beiden naar de vorm van de holle stengels. Knoflook is ontstaan door naamsverandering van kl tot kn knoflook. Het was eerst cluflooc, cloflooc en kloflook; splijten of gespleten look, de bollen.

Indo-Germaanse wortel prso werd over Grieks prason, parson of parron: look, de Latijnse porrum en het huidige, in Franse streken bekende poireau, Duitse Porree, De Nederlandse naam prei, in midden-Nederlands was het poret en half 13de eeuw poreye, is ook uit oud-Frans poree gevormd.

Berglook. De bollen zijn, net als bij de gladiool, door een netvormig omhulsel omgeven als een soort pantser wat de ui onwondbaar maakt. Hieraan werd een wonderbare werking toegeschreven.

Door dit omhulsel zou het mensen beschermen tegen steken en wonden. Door de vele oorlogen was er een grote vraag naar dit soort beschermmiddelen. Het werd gedragen als een amulet door krijgslieden om de nek. Ze noemden de bol allemansharnas en victori wortel. Als een echte ui behoedde het de drager gelijk tegen ongeluk en toverij.

Allium ursinum betekent letterlijk berenlook, stinkend berenlook en heeft zijn naam te danken aan het feit dat de plant in dezelfde gebieden als de beer voorkomt. Onder de bloemen waarvan de duivel zijn bloementuil maakte behoorde ook daslook. Vandaar de naam duivelsbloementuil.

 

Alnus. Zwarte els, het ヤzwarteユ element in al deze namen is te herleiden naar de donkere bast en katjes van de els. Aalst heette in 1306 Alst en is genoemd naar de plaats waar elzen staan. Zo kan ook Aalsmeer een afleiding zijn van els en meer plaatsen. Verder komen voor in duidelijker vorm: Elshof, Elshout, Elsloo, Elst, Elzen, Elzet en in Engeland Allerford, Allerwash en Aldershot. De naam Elre komt terug in de mythe van de Erlenkoning en zijn dochters die met hun grillige afwisselende vormen de oude grijze elzenstammen omzweven. De naam heeft weinig verschil met elfen of elsen, de heksen. Hierbij maakten G啼the en niet minder Schubert de fout door de muziek die hij daarbij componeerde. Erlkonig betekent elzenkoning en geen elfenkoning.

 

Alopecurus. Grieks alopex: vos, en oura: staart, naar de aarvorm en kleur die verwelkt na bestuiving. Als je het zaad van vossetaartgras op wit papier laat vallen hupt het in het rond. Symbool van sportiviteit. Musesteert, rottesteert of botkruid.

 

Alpinia is zo genoemd naar Prosper Alpinius, een Italiaans medicus en hoogleraar in de plantkunde, directeur van de botanische tuin te Padua, 1553-1616. Galgant, de aan gember verwante plant, is in China inheems en heet daar kao-leung-keung, of kao-liang-kiang: milde gember in bezit van Kao.  Al vroeg in middeleeuwen wordt de galigaan door Benedictijner monniken naar zuid Duitsland gebracht. H. Hildegard von Bingen beschrijft het kruid in 1179.

 

Alstroemeria. Een plant van de Inca's is de Peruviaanse of Incalelie.

 

Althaea betekent zoveel als heler. Deze heet hier te lande witte maluwe, witten huemst, witte hemst, heemst of witten hoemst. Het zijn de originele marshmallows. De marshmallows die gemaakt worden van meel, stroop, gelatine en suiker werden oorspronkelijk gemaakt van de wortels van deze plant dat op het Franse p液e de guimauve teruggaat. De naam tandwortel slaat op het gebruik dat moeders die geven aan kinderen waarvan de tanden doorkomen.

 

Alyssum. Alyssum komt van a: niet, en lyssa: gekte of razernij, zo genoemd omdat het kruid de kracht had om dolheid of razernij te genezen, alleen al door het aan te zien. Of, in plaats van gekte, dolle hond, omdat het een middel tegen dolle hond was. Of dat het woord komt van lidzoo: hikken, het werd tegen de hik gebruikt.

Bleek schildkruid, schildzaad, de nerf is schildvormig en omdat het goed was tegen de steen in de nieren of blaas.

 

Amanita. Vliegenzwam heeft zijn naam gekregen omdat als je deze zwam op een schoteltje legt, met wat suiker of stroop erop, het de vliegen aantrekt die met de suiker het vergif eten en zo sterven. De giftige vliegenzwam heet in Waals cape d'macrale: heksenhoed. De Hollandse paddenmuts of paddencap, in het  Latijn Caput bufonis, "Paddenbuik omdat in  het ingewand van de padden het meeste venijn is. Doch deze behoorde duivels brood te heten want zoals het gewone spreekwoord zeg, dat de duivel met grote stank verdwijnt, zo doet deze Fungi hetzelfde".

 

Amaranthus. van a: niet, en mairaino: verwelken of vervagen, een niet verwelkende bloem. A. Munting: ヤDeze bloemen werden in vorige eeuwen, in allerlei gevlochten kronen gemaakt die ter eren van een koning of prins opgehangen werden veel gebruikt. Omdat (zoals daarvan Hesichius verhaalt) ze niet verflensten of vervulden en in de winter als ze met water besprengt worden wederom verfrissende groenden. Daarom werden die ook in de kerken opgehangen om aan de goden toege訴gend te worden zoals daarvan bij Plinius en Artemodorus gelezen kan worden. Waarom Clemens Alexandrinus de Christenen vermaande dat ze zich in geen manier met de heidense afgoderije besmetten zouden en die het wel deden een Amarante (dat is onvergankelijke ) kroon was weg gelegd. Waardoor ook Petrus deze een Hemelse kroon genoemd heeft. De lieflijke aren van deze bloemen die te boven gaan in zachtheid en schoonheid de zijde of fluweel zijn oorzaak geweest dat ze in Nederduitsland flouweelbloemen of fluweelbloemen genoemd worden

 

Amaryllis heet een herderin uit de idyllen de Griekse dichter Theocritus, zo ook bij Ovidius en een pastorale "Eclogues," van Virgilius,  van het Grieks in Latijn amarysso of amarussoo: stralen of fonkelen en zo mogelijk naar haar ogen. Het is een naam die gekozen is wegens de stralende schoonheid van de bloemen.

 

Amelanchier, Grieks a: zeer, melea: vruchtboom, agcho: ik snoer de keel dicht, de smaak van de vrucht. Een naam die overgenomen is van het Franse amelancier, wat een oude naam in Savoy was voor deze plant. Het woord `amelancheォ is van Keltisch-Gallische oorsprong en betekent niets anders dan appeltje. Krentenboompje, de struik kwam in de 19de eeuw in de mode en werd veel op landgoederen aangeplant, vooral in Drenthe, de krentenbossen. Het is het Drentse krentenboompje. De struik groeit bij de Krententuin te Hoorn, vroeger een gevangenis.

 

Ammi, Grieks ammos: zand, de groeiplaats. Of het komt van amme, in het oud-Hoogduits en oud-Noors betekent amma moeder of grootmoeder. Naar de veelstralige bloemen is het de Nederlandse akkerscherm of kantbloem.

 

Ammobium is afgeleid van Grieks amos: zand, en bio: leven, het is een verwijzing naar de zandige gronden waar het plantje groeit. Zandimmortel, papierknopje en zandbloem.

 

Ammophila, Grieks ammos: zand, philos: vriend, de groeiplaats. Helm heet ook in midden-Nederlands helm, een Noord-Hollands-Friese naam en een afleiding van halm, vergelijk de hjaelme: helm, en oud-Noorse hjalmr: zandhaver. Of omdat ze het duin als een helm beschut. Zandhaver, vrouwenkoren, ijle rogge en yle tarwe, de dunne pluim.

 

Anacamptis betekent achterover buigen, vanwege de omgebogen zijdelingse bladeren van de bloemspoor of dat de stuifmeeldraden omgebogen zijn.

Piramide orchis, hondskruid of hondswortel. Wantsenorchis naar de geur die op een platgeslagen wants lijkt. Zotskulletjes, ook ragwortel genoemd. Bij Dioscorides wordt de eerste orchidee beschreven als kynosorchis: hondentestikel, of hondensteen en belangrijk in zaken als seks en vruchtbaarheid. Harlekijn, volg mij na, vanwege de eigenaardige bonte bloemen

 

Anacardium, dit woord is afgeleid van ana: gelijkend, en cardia: hart, het is een verwijzing naar de vorm van de noot. De vruchten komen wegens de bijtende en ontstekende eigenschap onder de naam van Amerikaanse olifantsluizen in de handel. Cashew noot of cashewnoten. De noten worden door het Tupivolk van oost Brazili acaju genoemd; nierenboom. De vruchten zelf zijn niervormig, zwart en oneetbaar, maar de vruchtsteel zwelt op en neemt de gedaante van een nier aan en wordt sappig en eetbaar.

 

Anacyclus. Bertam, het oud-Hoogduitse Ber(c­h)tram, (bert: knol) Berethram en Berethram of Perchtram komt in midden-Hoogduits als Ber(h)tram voorkomt is tevens een mannennaam, uit Sloveens pehtran. De wortel van bertram is geweldig heet en brandend van smaak en van aard en laat het kwijl op de tong komen als men die kauwt of maar alleen in de mondt houdt want daarna heeft dit kruid zijn Latijnse naam Salivaris gekregen als of men kwijlkruid zei. Het kruid geeft eerst een sensatie van kou wat later door hitte gevolgd wordt. In het Nederlands werd het ook wel vuurwortel genoemd naar de brandende smaak.

 

Anagallis komt van het Griekse anagelao: lachen, dit naar de fabel dat het kruid de kracht zou bezitten om droefheid tegen te gaan. Guichelheil was vroeger een beroemd geneesmiddel tegen de verschillende soorten van krankzinnigheid. Een afkooksel van dit lieflijke bloempje heelt de gauch. Een woord dat sinds de 10de eeuw gebruikt werd voor geestesziekten. Gauchelheil verdrijft gauch und gespenst zegt Fuchs. Een Gauch is een simpel en dom mens en gespenst is een spook of een boze geest. De gewone vorm werd ook wel barometer der armen genoemd omdat de bloemen zo gevoelig zijn voor de minste weersverandering.

 

Ananas is zo genoemd naar de Tupis spraak in Brazili, nana, anana of anassa, ook nanas komt al in 1580 voor, wat bloem of parfum betekent. Ananas is een verdubbeling van dit woord en betekent dan parfums van parfums.

 

Anastatica komt van Grieks anastasis: wederopstanding, het is een verwijzing naar zijn hygroscopische eigenschappen. Ook de Heilige Anastasia heeft haar feestdag op 25 december. Roos van Jericho, in het Latijn Rosa Hierichontina. Men zegt dat sommige bedriegers deze wortel of bloem van daar overbrengen en in water leggen als het Kerstavond is of als er enige vrouwen in zware arbeid gaan en dan gaat ze open en dan zeggen ze dat dit nooit gebeurd dan op die avond of als enige vrouwen in barensnood zijn, ja dat op het ogenblik dat deze bloem in het water open gaat die vrouw van kind verlost. Nochtans is dit maar bedrog en die roos zal altijd ontluiken en vaneen gaan als ze in water gelegd wordt, welke tijd dat het is. Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, "Er is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etcユユ. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, "D'Erd grunet und bringet rossle". In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

Toen de Isra鼠ieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: "Heer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal geven". En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

 

Anchusa is een naam die afgeleid is van het Griekse anchousa of agkhousa: een plant wiens wortels een rode verf leveren voor de huid en lippen, alkanet.  Kromhals naar de s bocht in de kroonbuis. Bouglossa, Latijn Lingua bovis. Het Griekse bous en glossa betekent respectievelijk os en tong, ossentong.

 

Andromeda is zo genoemd naar de Ethiopische koningsdochter Andromeda, de dochter van Cepheus en Cassiope. Het woord betekent man - beheersen, mannenbeheerser. Ze beroemde zich erop mooier te zijn dan de Nere錨en en daarom zond Poseidon een vloedgolf die alles overstroomde. Omdat het orakel van Ammon bevrijding opgaf als Andromeda voor de wilde monsters gegooid zou worden liet Cepheus haar vastketenen aan een rots waar haar voeten omspoeld werden door de golven. Ze werd bedreigd door het zeemonster Medus, maar werd net op tijd gered door Perseus die het monster doodde. Na de bevrijding huwden ze met elkaar en werden na hun dood door de Goden onder de sterren van het sterrenbeeld opgenomen. Perseus en Andromeda zijn sterrengroepen aan de noordelijke hemel. Parelkruid wordt het plantje genoemd naar de parelachtige bloempjes.  Lavendelheide naar de bladkleur en vorm.

 

Andropogon komt van Grieks aner: een man, en pogon: een baard, de haren op de aartjes van sommige. Baardgras.

 

Anemone komt van Griekse anemone, anemos: wind, met een vrouwelijke suffix one: literair, dochter van de wind, en mone: een plaats. Dit woord werd aan deze plant gegeven omdat de bloemen met het minste windzuchtje al bewegen. Het Latijnse animus: soul of ziel en Gotisch us-anan: uitademen, zijn vergelijkbaar. Op een anemoon past de zinsnede: メ Brevis ets ususモ. メHaar rijk is van korte duurモ, een volmaakte zinspeling op de vergankelijke schoonheid.

In de herbalistentaal, herba venti: kruid van de wind.

1) Omdat het plantje op winderige terreinen zou groeien.

2) Omdat ze door de minste windbries al bewogen wordt.

3) Omdat ze de bloem bij wind opent.

4)  Omdat de bloemkroon door de wind licht ontbladerd wordt.

5)  Vanwege de bloeitijd, met Pasen, de tijd van grote winden.

Klaproosbloeiende anemoon. De drie bladen van deze plant symboliseren de drie persoonlijkheden van de godheid. Vandaar ook de naam herb trinity.

 

Anethum. Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. De naam is afgeleid van het oud-Noors dilla, wat sussen betekent, zijn uitwerking op babyユs, vergelijk het Engelse dull: verminderen of verzachten. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om babyユs in slaap te krijgen, dilwater heeft een verzachtende invloed en laat de kinderen slapen. Beschermt het kind ook tegen heksen.

 

Angelica stamt van het Latijnse angelus: engelen, het is een verwijzing naar de fabelachtige en engelachtige eigenschappen als medicijn. Angelica komt van Chaldees Anegelach wat via Grieks in Latijn Angelus werd. Men vindt bij de Hebree喪s een kruid dat Abirgera heet, dat is Radix Angeli of engelwortel. Heilige Geest wortel kan ook van de Spiritus of geest zijn wat adem betekent en zo naar het gebruik Brustwurtzel omdat de engelen ook geesten zijn. Paracelsus heeft dit gewas, omdat het de mannelijke kracht tot bijslapen versterkt Cubiculam genoemd; wat tot de slaap kamer behoort. Archangelica komt van Grieks arkhangelos; aartsengel. Deze plant zou door een aarstengel aan Matthaeus Sylvaticus geopenbaard zijn als medicinale plant.

In katholieke tijden werden meer planten bekend als aartsengel omdat ze in mei bloeien, vroeger het feest van de verschijning van St. Michael, 8 mei, de aartsengel. Daarom is het goed tegen heksen en betovering.

 

Anigozanthos. Kangoeroepootje naar de vorm van de bloem.

 

Annona. De naam in Ha付i is anon: wat jaaroogst betekent, Ta地o annon. Of de plant is zo genoemd naar menona: de lokale naam in Banda. Kaneelappel, suikerappel, zoetzak, zuurzak of steenappel.

 

Antennaria is afgeleid van het Latijnse antenna: voelspriet of antenne omdat het zaadpluis of meeldraden op een voelspriet van een insect lijkt. Droogbloem. Hemelvaartsbloempje omdat ze op die tijd bloeit. Roerkruid omdat het een middel was tegen de rode loop.

 

Anthemis: komt van het Griekse anthos: bloem, hemisys: half, de bloemen hebben maar 1 stamper, het is een halve bloem.

Koedille, stinkende kamille en paddenbloem. Fries stjonkend poddekr枦.

Roomse kamille omdat het uit Itali komt of valse kamille omdat het niet de echte is. Kamille komt algemeen voor op zonnige plaatsen langs verhardingen en dergelijke. Zie Shakespeare King Henry IV, deel 1 2de akte, 4de toneel: "for though the camomile, the more it is trodden on, the faster it grows". Men had ontdekt dat het dan sneller groeide, zodat er dagelijks over de kleine kweekbedden gewandeld werd.

J. Cats kende dit verhaal ook. "Indien gij op het veld ziet met de voeten treden De groene Camomil... Gij zult merken, Dat leed en ongemak die Plant kan sterken".                                                                   

 

Anthericum. St. Bernardlelie, een naam die herinnering oproept aan de levensreddende monniken uit de Alpen. Graslelie.

 

Anthoxanthum. Uit het verwelkte gras stroomt een aangename geur waaraan de plant de naam reukgras dankt. Reukgras of ruikert.

 

Anthriscus. Columella noemt het Chaerephyllum of op het Grieks Chaerephyllon en het wordt zo genoemd, zoals men gelooft, omdat het zichzelf in de menigte van zijn bladeren verheugt of (dat me meer behaagt) omdat het de mens verheugt en blijde of vrolijk maakt

Het woord kerven heette vroeger kerfan en naar de sterk ingesne­den bladeren kan dit invloed gehad hebben op de woordvorming. Kervel zou zo kerven betekenen. Of zo genoemd naar de zwarte zaden die als een hoorntje gevormd zijn.

De onderste delen van de wilde kervel of fluitenkruid stengels kunnen gebruikt worden om er fluiten van te maken. Het dikste eind van de stengel moet je dan van onderaan afsnijden, daar waar de stengel hol is, op de knopen is het dicht. Door er nu op te blazen, net als bij de baard van een huissleutel, ontstaat er een fluitend geluid. Pipencrud en piepen heet de plant dan ook en fluiten.

Fluitenberg, betekent een heuvel die begroeid is met fluitenkruid.

 

Anthurium komt van Grieks anthos: een bloem, en oura: een staart, een verwijzing naar de bloem die een bloeikolf heeft die op een staart lijkt. Flamingo plant.

 

Antirrhinum is afgeleid van het Griekse ant: gelijkend, en rhis: (rhinos) een gezicht of neus. Leeuwenbek wordt het genoemd omdat de bloemkroon door een zijdelingse druk van duim en wijsvinger op een leeuwenbek lijkt.

 

Apera. Windhalm omdat zijn halmen of zeer uitgespreide aren van de wind als een veer aan een zijde gedreven worden.ユ

Struisgras, Duits Straussgras, de pluimvorm wordt in Strause gebonden.  Muggenbeen, muggenpoot, metel en meele, in Duits Midel en Meddel in Ostfriesland. De streek De Meele wijst op medel, mele of de windhalm. Milt betekent land met meelt.

 

Apium: Apium kwam als cultuurplant in de vroege middeleeuwen uit de Italiaanse naam  accio en appio en als appio in Frans aan, Engels ache en werd Ache in Duitsland. De naam verbasterde van apium: eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt tot het midden-Nederlands eppe in 1253.

De naam selleri of selderij, Duitse Sellerie en Engelse celery stamt uit het Franse celeri uit de 17de eeuw, celeri d'Italica, dit van Italiaans selleri dat meervoud is van sellero en een woord is dat gebruikt wordt op de Po vlakte, dat weer afkomstig is uit het Latijnse selinum en dit weer van een Griekse naam voor de plant namelijk selinon, een woord dat onder andere verschijnt bij Dioscorides.

Jonkfrou merck of juffrouw merk, waarschijnlijk stamt dit woord van merk: de gemerkte wortelknol of het merg in de knol ter onderscheiding van de gewone selderij. Vervolgens zal het wel juffrouw merk genoemd zijn naar het gebruik door vrouwen.

 

Aponogeton, de Griekse naam is een verwijzing naar zijn woonplaats in het water. Aponogeton zou zo genoemd zijn naar een oude naam van een stadje bij Padua, Aqua Aponi die bekend was om zijn warme bronnen, plus geiton: een buurman. Samengevat een in de buurt van Aquia Aponi groeiende plant.

Kaapse waterlelie. Madagaskar vitrage of gaasplant, skeletplant of kantblad. De bladen zijn meer een raamwerk van nerven en bezitten geen bladmoes, vandaar skeletplant, maar ondanks hun kantachtige voorkomen kunnen ze met gewone ruwheid behandeld worden. De bladeren zijn ovaal gereduceerd tot skeletten en drijven juist onder de oppervlakte.

 

Aquilaria stamt van aquila: een adelaar, in Malacca wordt de boom dan ook adelaarshout genoemd. Maar de Portugezen hebben het gewas zo genoemd omdat zijn Indische naam, agil, wel wat op aquila (adelaar) lijkt.

Vandaar dat twee soorten namen zijn, de ene is verbonden met agal of agil, namelijk adelaarshout, arendsboom en de tweede met agelhout.

 

Aquilegia behoort mogelijk tot aquila: adelaar. De opvallende en met een haak inwaarts gekromde spoor van de versierde honigbladen herinnert aan de klauwen van een adelaar. A. Magnus zegt dat het genoemd is omdat het voortkomt in de tijd dat de adelaars hun nesten bouwen. De naam kan ook afgeleid worden van Latijns aqua: water, en Latijn legere: lezen of verzamelen, een waterverzamelaar wat betrekking heeft op de bloemkroon waarin regen kan worden opgevangen.

 

Arabis komt van arabia: waarschijnlijk is dit een verwijzing naar de droge situaties waar vele soorten groeien.

Randjesbloem, honingschub of rijstebrij naar het gebruik en vorm, ook de naam begijntje komt voor.

 

Arachus. In 1812 was de pinda bekend in Europa. Pinda of piende is een naam uit Papiaments pinda wat weer stamt uit Kongolees mpinda: vruch­t. Door negerslaven is de naam naar Amerika overgebracht.

 

Aralia is een Latijnse naam, het is een versie van Aralie, een Franstalige naam uit Canada.

Japanse duivelswandelstok, de ruige stekelige stengels.

 

Araucaria bezit grote, grillige takken waarom die slangeden genoemd wordt omdat die in de verte wel wat op een slang lijken. Kandelaar kroonspar omdat de takken samen de kandelaar vormen. In Engels sprekende landen ook wel monkey puzzle: apenpuzzel. De naam zou ontstaan zijn door een opmerking van de advocaat C. Austin in de tuinen van Pencarrow, Cornwall, 1834. Hij plantte de boom voorzichtig en zei: "It would be a puzzle for a monkey".

 

Arbutus is afgeleid van arboise, ar: ruig, but: bos, Keltisch voor ruig fruit. Aardbeiboom. Plinius noemt het ook Unedo: 1 eet ik er maar, dat vanwege de niet aangename vrucht.

 

Arctium: beer. Klis of klit, klet, klever, kladde, kladderwortel, klarrebos, kladdebos, bergklit, startoffen of kles. Je kan de bollen tegen elkaar aan gooien, vandaar Jan plak an en bedelaarsluizen. In de Achterhoek is klitse een lichtekooi en een kles is ook een wollen vrouwenmuts. In Zeeland zijn de zaden bekend als prollen. Klis of klit, naar de hoofdjes die aan de kleren blijven zitten. Het is een geliefd spelletje om die klitten naar elkaar toe te gooien, waarna ze lekker blijven plakken. Het spreekwoord, als klitten aan elkaar zitten is hiervan afkomstig. De stekelzaden bezitten dan ook weerhaken. Het principe van een aantal uiterst kleine haakjes, zoals bij de klit, wordt industrieel gebruikt om er klitsluiting van te maken.

 

Arctostaphylos is gevormd uit arktu-staphyle, het Griekse staphyle betekent van een druif, en arktos: van een beer. Berendruif.

 

Arenaria, Latijn arena: zand, de groeiplaats. Zandmuur of –kruid.

 

Arenga van Frans harangue, feestelijke aanspraken, uit Germaans Heeresring; herenring, een ringvormige verzameling voor de heer om een gunst. Suikerpalm.

 

Argemone, de oude Grieken hadden een woord, argemos: wat staar van het oog betekent en de plant die dit genas noemden ze argemone. Of het woord is afgeleid van het Griekse argos: traag, vanwege de narcotische effecten. Mexicaanse papaver of stekelpapaver.  De plant bevat een geel melksap en zou een veel sterkere narcotische werking bezitten dan de papaver. Het zaad is het fico del inferno van de Spanjaarden, dat is helle vijg. Een purgerend en krachtig narcotica, speciaal als dit gerookt wordt als tabak.

 

Arisaema, van Latijn aron: een arum, en sana: een standaard, een verwijzing naar de nauwe verbintenis met Arum. Of van haema: bloed, naar de gevlekte bladeren. Het is de bloedige Arum want zijn bloemblad is purper omdat Christus bloed er op gevallen is bij de kruisiging. De bloemvorm doet denken aan een ouderwetse preekstoel met luifel, vandaar de naam Jack in the pulpit, preacher in the pulpit. Jack is de bloeikolf en de pulpit of preekstoel is de omgebogen schede.

 

Aristolochia is afgeleid van het Grieks aristos: best of uitmuntend, en locheia: geboorte, of lochos: kraamvrouw, naar zijn vermeende medische eigenschappen. Aristolochiaceae heet dan ook geboortekruidfamilie omdat het de bevalling zou bevorderen. De bloemvorm werkte hier aan mee, de doorsnede doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Deze plant helpt het krachtigst om een zwangerschap te verkrijgen. Ze heet letterlijk ヤde beste voor een wiegユ. Ze zijn allen met de naam sarasine bekend omdat de bloemen van al deze soorten van Aristolochia op een omgewrongen of gedraaide sarasijnshoed schijnen te lijken. Pijpbloem, de bloem lijkt bij veel vormen op die van een pijp en wordt ook wel holwortel genoemd. Verwisseling met Corydalis.

 

Armeria, deze naam stamt van de Keltisch-Bretonse naam ar: bij, mor of mer: zee, een plant die dichtbij de oever van de zee groeit. Het is dan ook een zeeplant wat we kunnen zien aan de dikke wortel waarop de plant in de tijdingen heen en weer gespoeld wordt en met vele broeders en zusters hele vlakten bedekt. Een Keltische naam is tonn a chladaic: beach wave, en wuift aan de branding, wave is zo al een oude uitdrukking. Zeestrandkruid, Engels gras, de grasachtige bladeren en een plant die veel aan de kusten van Engeland voorkomt.

 

Armoracia is afgeleid van het Keltisch are‑mor: aan zee. Mogelijk naar Armorica een streek in Bretag­ne, het oude Armorica.

De naam mierikswortel is een verbastering van het Duitse Meerrettich waar Rettich rammenas betekent en heet zo rammenas van overzee die ook wel zeeradijs genoemd wordt. Het woord meer of groter (dan de radijs) lag voor de hand, ook als het gewas niet over het "meer" gekomen was.

 

Arnica. Het valkruid wordt zo genoemd omdat onze voorouders, als ze erg gevallen waren, het kruid innamen, in bier gekookt. Wolverlei. De eerste vermelding van onze plant is bij H. Hildegard te vinden waar ze zegt dat de plant wolfesgelegena onze Arnica is. Die plant wolfesgelegena kende ze niet als geneeskruid, maar vooral als liefdestoverij. Ze schrijft, ヤde wolfesgelegena is zeer warm, ze heeft een giftige warmte in zich. Als een man of vrouw in liefde ontvlamt dan wordt het of als iemand zijn huid met groene wolvesgelegena aanraakt dan zal het de aangeraakte in de liefde van een ander ontbranden en als het kruid gedroogd is dan wordt de man of vrouw door de liefdesvlam geheel razend zodat ze vrijwel uitzinnig wordenユ.

 

Arrhenatherum. Havergras, hoog langgras, havergras en Frans raaigras, omdat het in de 19de eeuw uit Frankrijk gehaald werd.

 

Artemisia. Het woord dragon is een verbastering van het Frans estragon dat in de 16de eeuw uit dragun targon afgeleid werd wat weer kwam uit esdragon, van dracunculus: een klein draakje. Dit woord was weer afgeleid van het Spaanse taragonica en dit van Arabisch tarkhun of at-tarhun wat een verwijzing is naar de slangachtige wortels of naar zijn genezende reputatie tegen de beten van reptielen dat tot Latijns dracunculus werd.

De naam alsem is genomen uit het 6deeeuws Latijnse aloxinum wat stamt uit Grieks alo oxines, het kruid werd met bittere alo vergeleken.

Averuit heet in het Duits Aberraute. Dit stamt uit het Latijnse abrotonum en dit weer uit het Griekse abrotonon: staf of staafkruid, vergelijk oud-Hoogduits Stabwurtz. Onder invloed van de ruit kwam Aberuthe en in Nederlands averuit.

Bijvoet werd vroeger als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of door bijvoet in de schoenen te stoppen maakte het onvermoeibaar. Volgens Plinius zal een reiziger geen vermoeidheid (artemes) voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen had. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als het met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne. Verder werkt de olie gunstig op het lichaam, heeft een opwekkende werking. Zo geeft de bijvoet een verkwikking aan de vermoeide wandelaar. Gaan we nog een stap verder zien we dat kousenbanden gemaakt van bijvoet, tussen twee riemen van hazenvel genaaid (de haas is een onvermoeibare snelloper) maakt dat de drager honderd uren lang kan gaan zonder moe te wor­den, het sterkste paard kan het tegen hem niet uithouden.

Wormkruid om de wormen te doden.

 

Artocarpus, Grieks artos betekent brood, en carpos een vrucht, broodboom.

 

Arum. De Aronstaf zou ontstaan zijn op de plaatsen waar Aron zijn staf had neergezet. Toen Joshua en Caleb in het beloofde land spioneerden namen ze de Aronstaf mee en hierop droegen ze op de terugweg de grote druiventrossen die ze plukten te Eschol en brachten ze het naar Mozes als bewijs van de rijkheid van het land. Nu, nadat ze de stok ontlast hadden van zijn lading, staken ze die in de aarde en zie! Daar sprong de Arum op. Het is het symbool gebleven van gezegende overvloed en vol met trossen vruchten bezet. De naam slaat dan vooral op de met bessen bezette vruchtenstengel die wel wat op een staf lijkt.

Kindje in het pak, omdat de bloeikolf in de schede zit als een ouderwets ingebakerde baby in het pak.  Omdat de bloem in een schede zit opgesloten als een kind in zijn bedje kwam men op het bijgeloof om ze bij kinderen in het bed te steken om ze voor onheil te behoeden.

 

Aruncus komt van Grieks eryggion: geitenbaard, de bloeiwijze.

 

Arundo. Reuzenriet. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna of cana. Dat het woord in Itali veel ouder is bewijst de afleiding canalis en ook Cannae in Apuli zou van het daar groeiende riet zo genoemd zijn. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo European. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees zelf. De nieuwere Europese spraken bezitten nog verdere afleidingen van dit woord als kanne, kannengieter, canon, kanon, kanonisch recht, kaneel, het Engelse channel, Kanaal en zelfs de karamel komt van Spaans caramelo, oud-Frans calemelle, laat-Latijn calamellus, van canna mellis: zoet riet. Alles gaat op Hebreeuwse kaneh of de Phoenische vertegenwoordigers terug.

Sloot-, blad-, dek-, reuzen- of pijlriet, geeft bescherming tegen zon en wind. Het wordt gebruikt voor vishengels, manden, meetroede en schrijfpennen. Verder als afrastering en de holle en houtige halmen dienen als paal. In de oudheid was het riet in boomloze gebieden de vervanger van hout.

Schalmei, het muziekinstrument, heette in midden-Nederlands scalmeie dat uit oud-Frans chalemie en dit uit Latijn calamellus, en dit van calamus en dat van Grieks kalamos komt. Men snijdt nog als in de oudheid zijn muziekinstrumenten, de tibia, fistula, syrinx en hobo van Arundo donax. Heel bekend is de Pansfluit die samengesteld is met 7‑9 rietpijpjes van afnemende lengte die Pan zou hebben gesneden uit het riet waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx was veranderd. Chalumeau register zijn de lagere registers van een klarinet, een ander riet instrument.

 

Asarum, van Grieks a: niet, en saron: vrouwelijk, mogelijk omdat het gewas te giftig is voor zwangere vrouwen.

Dit kruid heet in het Nederduits mansoren, de bladvorm.

Omdat het plantje veel onder de hazelaar groeit werd het ook wel hazelwortel genoemd.

 

Asclepias. Latijn Aesculapius is de zoon van Apollo en de god van de geneeskunst waarvan vele voorbeelden verhalen dat hij de doden weer levend maakte. Zijn leermeester was de centaur Chiron die hem vooral in de geneeskunde onderwees. De sage geeft hem de macht om de gestorvenen in het leven terug te roepen. Volgens sommigen vermocht hij dit door het bloed van Gorgo die hij van Pallas Athene ontvangen had. Volgens anderen was hij geroepen om Glaucus te laten herleven. Bij die gelegenheid kronkelde zich een slang om zijn staf. Toen Aesculapius die slang gedood had verscheen een andere slang die enige kruiden op het hoofd van de gedode legde waarop die terstond weer levend werd. Met die kruiden heeft hij toen Glaucus uit de dood opgewekt. Hij werd door Jupiter (Zeus), die de orde van de natuur niet verstoord wilde zien, door de bliksem getroffen. De zieken bleven evenwel 's nachts in zijn tempel slapen alsof Aesculapius hun in de slaap raad zou geven. Hij wordt meestal afgebeeld met een staf door een slang omkronkeld en met een hond aan zijn voeten als symbool van waakzaamheid.

Zijn dochter is Hygiea, de godin van de gezondheid. Een andere dochter is Panaceae, een woord wat we kennen als algemeen geneesmiddel.

De Syrische werd wel Joodse wandelaar en Syrische zijdeplant genoemd omdat het door middel van de worteluitlopers door de hele tuin loopt.

 

Aspalathus linearis. Het wordt gekweekt  voor de vervaardiging van een op thee lijkende drank. De bladeren van de plant worden geplukt, gestampt en in de zon gelegd. In de laatste fase verkrijgt de rooibos haar roodbruine kleur. In tegenstelling tot de echte thee bevat rooibos geen cafe貧e en bijna geen tannine die in gewone thee verantwoordelijk is voor de iets bittere smaak ervan. Er zitten wel anti-oxidanten, calcium, ijzer en vitamine C in, en de drank werkt licht ontspannend. Rooibos is dus uitstekend geschikt als avonddrank voor het slapen gaan.

Tijdens de apartheid werd rooibos onder de naam Massai-thee ge匝porteerd om economische sancties tegen Zuid-Afrika te omzeilen. De naam rooibos is Afrikaans en afgeleid van het Nederlandse rood bos, de avondrode kleur van de drank.

 

Asparagus. Asperge. Koraalkruid, de bessen.

 

Asperugo: Latijn asper: ruig, de stengel en het blad zijn door de teruggebogen gerichte stekels ruw. Scherpkruid.

 

Asphodelus. Het is de narcis van de oudere Engelse en Franse po奏en. Het is mogelijk de Narcis van Homerus die over de weiden des doods sprak, de asphodelweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren in de Hades. Homerus Odyssee, XI 539 - 540 en XXIV 12 - 14.  Omdat het ヤt favoriete voedsel van de doden was plantte de oude Grieken ze bij de graven.

 

Aspidistra. Het is de blarenplant of kwartjesbladplant, het blad werd voor een kwartje per stuk verkocht.

 

Asplenium nidus; Nestvaren, de bladeren ontspringen rondom een holte. Streepvaren is zo genoemd naar de streepvormige sporen achter op het blad. Onderscheidt zich van andere varens door de vrije nerven op het blad.

Asplenium ruta-muraria: Muurruit groeit op muren, steenruit. Of miltvaren, zijn medisch gebruik.

Asplenium trichomanes. Wederdood of tegen de dood, ook maagdenhaar daarom dat zijn stengel klein is zoals een struisveertje, de varen gelijk en van ettelijke jonkvrouwenhaar genoemd, daarom dat die blaadjes zo alleen een lens breed zijn van de stengel gestreken, de stengel gelijk het haar is. En menen ettelijke zo iemand betoverd is en droeg dit kruid bij hem aan de hals dan zal hem zijn kracht weerkomen. Item, ettelijke menen zo iemand dit kruidje aan de hals draagt samen met het lange zegekruid, Victorialis genoemd, dat hij niet verwond zal worden in oorlog en al zijn vijanden overwinnen. En daarom is het zegekruid, aller man harnas genoemd omdat ze overtrokken is zoals een harnas, in gestalte der pantser.

Asplenium scolopendrium heet hertstong naar de vorm van de bladeren.

 

Aster betekent sterrenkruid. De naam sterrenkruid is niet gekomen naar de gedaante van de bloemen, maar van de bladeren die als een ster rondom de bloem staan zoals Dioscorides van de bloem van zijn Aster Attcius ook schijnt verklaard te hebben

Aster tripolium: komt van het Griekse tripolion, tri: wat wij kennen als 3, en polein: omkeren. Een naam die door de ouden aan een Armeria soort werd gegeven omdat die 3x van kleur verwisselt, een blauwe kelk en een witte bloemkroon die uitgebloeid violet kleurt. Zeeaster, zouterik  of zulte. Zulte is een naam die afkomstig is van oud-Nederlands sulte: pekel, inzulten betekent dus inpekelen.

Aster novae-anglia betekent nieuw Engeland, de naam van de Engelse koloni創 in N. Amerika en is zo afkomstig uit N. Amerika. De nieuwe Engelsen

Novae-belgii is Nieuw Nederland, de vroegere naam van het eiland Manhattan waar door de Nederlanders Nieuw Amsterdam, het tegenwoordige New York, werd gesticht.

 

Astilbe komt van Grieks a: niet, en stilbe: helderheid, de bloemen zijn niet glanzend.

 

Astragalus is genoemd naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie,  talus of astragalus. Homerus spreekt over bikkels, (astragales) dat men die in de handen van krijgslieden gaf die Troje belegerde, ten einde hun geest van ernstige bezigheden af te leiden. Hercules werd te Achaja met het werpen van bikkels geraadpleegd en ook werden er op die wijze de godsspraken van Geryon bij de fonteinen van Apone aan de poorten van Padua uitgesproken. Later zijn de bikkels uit de handen van koningen en veldheren, hogepriesters en profetessen in die van de kleine kinderen overgegaan.

Bij ons is dit spel bekend als bikkels of bikkelen, het zijn de kootbeentjes uit de hiel van een schapenpoot. Mogelijk is vroeger de plant gebruikt, ons kootkruid.

 

Astrantia is afgeleid van Grieks astron: een ster, en anti: in de betekenis van "als" naar de uitgespreide bloemschermen. Sterrenbloem. Zeeuws knoopje komt in de Zeeuwse natuur niet voor. Het heeft de naam omdat de bloemen van bovenaf gezien op de oude zilveren Zeeuwse knopen lijken.

 

Atalantia is de klassieke naam van Atalanta. Het is de dochter van Schoenis, koning van Scitus, waarvan verteld wordt dat ze zo moe was van de overlast van de mannen die met haar wilden trouwen en haar het hof maakten, dat ze erin toestemde om met die man te trouwen die sneller dan zij kon lopen. Dit was Hippo‑manes die er met behulp van een list in slaagde. Hij kreeg gouden appels van Venus die in de nacht voor de wedstrijd op het veld werden neergelegd, waardoor Atalanta achter kwam te liggen omdat ze de appels opraapte.

De vrucht van deze plant is dan ook goudgeel, waardoor het die naam heeft gekregen. De Atalanta als vlinder heeft een gouden stip (bal) op de vleugels. Het is de balsam-citrus.

 

Athyrium. Vrouwelijke varen of wijfjesvaren. De kleinste, sierlijkste de elegantste werd als het vrouwtje gezien en de ander van een ander geslacht, Dryopteris, die qua loof er wel wat op leek, is het mannetje. Gelukshand omdat bij het doorsnijden van de wortelstok een hand te zien is en daardoor veel geluk zou brengen. Met midzomer werd het kruid verzameld en door mensen gedragen en in het water gedaan wat door het vee gedronken werd. De bloei zou op de langste dag van het jaar om 12 uur 's avonds zijn, maar zaad zou moeilijk te bemachtigen zijn omdat de heksen het zaad verborgen. Viel het echter per ongeluk in je schoenen dan werd je onzichtbaar, geen ramp zou je meer treffen en voorspoed zou je deel zijn. Zie ook Shakespeare in Henry IV: "We have the receipt of fern seed, we walk invisible".

 

Atriplex: Melde, mel heeft dezelfde stam als meel en mogelijk is deze naar de wit/viltige en melige beharing of omdat de zaden vermalen werden. Mel betekent malen en vandaar stuiven.

 

Atropa is zo genoemd naar de Griekse Atropos, de onafwendbare. Ze was een van de drie ongeluksgodinnen, de Parzen, die de door haar zusters gesponnen levensdraad afsnijdt, dit is een verwijzing naar zijn giftigheid. Ieder mens ontvangt bij zijn geboorte een draad. De andere twee waren de godin Klotho die de draad spint en Lachesis die de draad begeleidt die Atropos vervolgens op zekere tijd doorknipt. In het Noorden zijn de spinsters bekend als de Nornen, Oerd, Werdandi en Skoeld, die bezig zijn met de levensdraden te spinnen, meten of af te knippen.

Bella donna betekent schone vrouw en het sap van deze plant werd op de ogen gedruppeld waardoor er glanzende ogen en een grotere oogappel werd verkregen. Dit kan ook bereikt worden door een deel van het blad buitenwaarts op de ogen te leggen. Of de plant is zo genoemd omdat als je dit sap in neemt het illusies geeft van mooie vrouwen. In geringe hoeveelheid veroorzaakt het ook hallucinaties en diepe slaap. 

Een ander verklaring verhaalt een drasti­scher behandeling van de vrouwelijke sekse, een Italiaanse gifmenger zou er gebruik van gemaakt hebben om de lieflijke dames naar de hemel te verwijzen.

Het is een oud bijgeloof dat op zekere tijden de plant de vorm aanneemt van een tovenares van een heerlijke schoonheid waar het gevaarlijk is om naar te kijken.

 

Aucuba is zo genoemd naar zijn Japanse naam aokiba of aoki wat groen zou betekenen, + ba;  blad, naar de altijd groene heester. Slagerspalm, naar zijn standplaats.

 

Avena. De naam haver stamt wel van oud-Noors hafr: bokken voedsel (de Angelsaksische hafer is een bok) Alle namen van de vrucht, er zijn er verscheidene, zijn van schaap of bok afgeleid. Dit waarschijnlijk omdat die dieren ermee gevoerd werden (of van een gelijkend onkruid) Toch ligt de grond hiervan waarschijnlijk elders. Goed groeiende gewassen die geen vrucht droegen maar wild en onvruchtbaar groeiden werden hiermee vergeleken. Bij de vijg is de Ficus de vruchtdragende vijg en caprificus de bok vijgenboom. Daarom werd de wilde en onvruchtbare haver bokkenkruid genoemd. Even, evenie of oot is een oud woord is voor haver. In het Angelsaksisch was het ate, midden-Engels ote, in modern Engels is het wild oat (Shakespeare Tempest iv, 1, 61) Sommige boeren in Groningen meenden dat de oot zo heet omdat het zo gehaot is.

Volghaver of wilde haver, Duits Flughafer (omdat het bij het dorsen wegwaaide met het kaf.

 

Azolla is afgeleid van het Griekse azo: te drogen, en ollo: vermoorden. Vernietiging door drogen. Kroosvaren of rood kroos.

Midden-Nederlands croos: ingewand of afval van geslachte dieren, oud-Hoogduits Chrosi en midden-Hoogduits Kroese, nieuw-Hoogduits (ge)krose: de kleine darmen. Zo laat zich nieuw Nederlands kroos of kroost, oost-Fries kroos, waterlinze of wier, uit de verwarde groei van die planten verklaren.

 

Ballota is afgeleid van het Griekse ballo: ik steek, ous: oor, bij oorziekten werd het blad in het oor gestoken. Ballota wordt door het volk wel godver­geten genoemd. Het zou oorspronkelijk een geneeskrachtig kruid zijn geweest en doordat God het vergat werd het een stinkend onkruid. Zwarte andoren, zie de witte, Marrubium Stinkende andoren of stinkende dovenetel, dat naar de bladeren

 

Bambusa, in het Nederlandse heet het bamboe. De benaming bambu: riet, die op Sumatra en Java inlands is, werd op eind 16de  eeuw in Europa bekend. Tonkinstokken kwamen uit de streek Tonkin in Vietnam.

 

Barbarea. Het kruid is naar een heilige vernoemd. Zo naar St. Barbara, omdat men het kruid nog kan plukken op de dag van St. Barbara, 4 december, winterkers. Deze heilige stierf de marteldood door de hand van haar vader in 237‑238. Ze werd door haar heidense vader in een toren opgesloten, vandaar dat metselaars en timmerlieden, architecten en ingenieurs haar tot patroon kozen.

Aan St. Barbara was in de middeleeuwen ook de wat ongewone en onvrouwelijke functie van patrones van arsenaal en kruithuizen toegedacht. De legende verhaalt dat ze op de dag van christianiseren door haar vader was overgeleverd aan de autoriteiten. Nadat ze gemarteld werd was het de taak van haar vader om haar te onthoofden. Toen hij de fatale slag toe wilde brengen legde een bliksemstraal hem dood aan haar voeten neer. Vandaar dat ze door de bijgelovige betrokken werd tegen bliksem en onverwachte dood en haar bescherming werd verwacht bij oorlogsmateriaal. Het is de beschermheilige van soldaten, de plant wordt als wondkruid gebruikt. 

 

Bauhinia had eerst witte bloemen. Toen een Brahmaan de H. Thomas met een lans doodde, sproot zijn bloed uit de wonde en viel op deze witte bloemen. Sindsdien zijn ze scharlaken rood geverfd. Men geloofde dat St. Thomas op Malabar en in Ceylon of Sri Lanka heeft gepredikt. Volgens Eusebius was de naam van de discipel eigenlijk Juda (s) en was dit een bijnaam om hem te onderscheiden van de andere van dezelfde naam. Hij was de latere ongelovige Thomas die aanvankelijk niet wilde geloven in de opstanding van Jezus, Joh. 20: 24.

 

Begonia is zo genoemd naar de Franse kruidkundige Michel B使on, gouverneur van St. Domingo (Ha付i) en later van Canada, 1638‑1710.  Intendant van de galeien van Rochefort en La Rochelle en vergezelde Charles Plumier. Scheefblad omdat het blad niet recht op de stengel zit.

 

Bellis, van Latijn bellus: mooi, lief of aangenaam, een verwijzing naar de bloemen. Bij avonturen die boze vijftig dochters van de koning Belus van Griekenland (die gehuwd waren aan zoveel mannen en elk haar eigen man de hals afstak) dit kruid de naam gegeven hebben waarna naderhand deze bloemen alzo zijn genoemd geworden omdat er veel bijeen gezien worden die aardig zijn.

Het heet in onze taal madelieven, de lieve van de made of weiland. Een oud Nederlands spreekwoord zegt: ヤmate lefte, lange lefteユ: ヤliefde met mate, lange liefdeユ, wat ook op de lange bloeitijd van de madelief slaat. Het is ook een maat voor de liefde: hij houdt van me, niet... Het woord made dat ook in medesuete of metsutbloeme voor komt, kan een vorm zijn van maagd, te weten, megede, meyde, medde, mete en maid, dus maagd en lief. Een mogelijkheid is dat de plant genoemd is naar de heilige maagd Maria, maagdebloempje of Mariabloempje. De dubbele madelieven heten op sommige plaatsen in Zeeland karsousjes. Het woord kersouwe komt reeds in 1528 voor bij de madelief en voor vrouw en is volgens sommige verwant aan Kerst‑Christus‑heilig. Deze naam stamt uit Vlaanderen, Engeland en Frankrijk. In de middeleeuwen vindt men in Frans cassoude of consaude, wat een verbastering zou zijn van consound en dit woord is afgeleid van het Latijnse consolida en zo genoemd volgens Plinius omdat het zo goed werkt, dat het zelfs onder het braden het vlees aan elkaar plakt.

Dan meest alle kruidbeschrijvers noemen de madelieven in het Latijn Herba Margarita en margrieten, in het Frans marguerites, in het Italiaans margarite.ユ

Een andere naam van Chaucer is la douce Marguerite. Die naam is nog steeds de naam van de madelief in Frankrijk, petite marguerites, ook bij de Italianen margheritina en in Spaans maya. Die naam is afkomstig van het Latijnse woord voor parel: Margarita, zo ook margaritaceous wat parelachtig betekent. Van dezelfde wortel komt margariet en margaret (zie Chrysanthemum) Het Latijn en Grieks schijnt van Perzisch mervarid: parel, af te stammen, vergelijk Plinius IV.54: "Praecipue autem laudantur (margaritae) in Persico sinu maris Rubri. Nec apud barbaros quidem eius aliudquam margaritae".

 Vondel, Ter bruiloft van Joan Six en Joffer Margarite Tulp;

ヤEen zuivere Tulp, het puik van allerhande bloemen

Toen het oog op haar viel die wij Parle noemenユ. (parel uit ユt Grieks voor madelief)

Parels en madelief werden beiden Margaretユs genoemd.

St. Margriet zou de dochter geweest zijn van een heidense priester die tot de christelijke godsdienst overging wat haar de haat van haar vader en anderen op de hals haalde. Ze werd op allerhande manieren gefolterd en tenslotte op 20 juli 275 onthoofd. Volgens de legende zou in de kerker, waarin ze opgesloten was, een draak op haar afgekomen zijn die de vlucht nam toen ze het monster een kruis voorhield.

De reeds aangehaalde Chaucer zegt "And of a perle fine orientall, Her white croune was imaked all".

De bloem werd vroeger gebruikt bij vrouwelijke klachten en daardoor door de monniken opgedragen aan St. Margaret van Cortuna. Chaucer, foutief, verwijst als oorsprong van de naam naar St. Margaret van Hongarije die gemarteld werd in de 13de eeuw. In een oude legende wordt echter verwezen naar Margaret van Cortona. De H. Margaret die zo veel voor de aankomende moeders bad.

Meestal wordt de H. Margaret van Antiochi bedoeld: "Als een vrouw geboortewee創 krijgt, roep me, laat haar dan het kind krijgen". St. Margaret maakte gebruik van de madelief, die soms margaret genoemd wordt, een parel. De Margaretha gordel heeft een helpende kracht. In Parijs kwamen op deze dag vrouwen en meisjes ヤmet menigte in de kerke daar de Priester de riem van de H. Vrouwe haar om het lijf sloeg om vruchtbaar te zijnユ. In de Margaretha kapel te Neustadt kwamen jaarlijks een groot aantal vrouwen, katholiek als protestant, om haar geloften af te leggen en gaven te offeren ヤop hoop van zegenユ.

De bloem is gewijd aan alle koninginnen Margarets en heiligen Margarets. Marguerite de Valois adopteerde de madelief als haar devies. De trotse en ongeluk­kige Margaret van Anjou, vrouw van Hendrik VI, koos de bloem als embleem en stikte ze op de robes van haar kleding, de hofdames om haar heen droegen het op de kleding, de ladyユs in het haar. Toen de zorgen kwamen voor de koningin werd de madelief verwijderd als zijnde ongeschikt voor dit moment. De taaie Margaret had weinig van de zachtheid waarvan de madelief het type is, haar vrouwelijk hart was gepijnigd toen ze zag dit die genegeerd werd en kende zichzelf als een helder bloem

 

Berberis. Zuurbes is zo genoemd naar zijn zure bessen, ook het blad is wat scherp.  ヤIn Brabant heet het ook sauceboom of sauseboom en versilts. Dodonaeus zegt dat de bladeren voor saus dienden.

 

Bergenia of schoenlappersplant naar de grote leerachtige bladeren.

 

Beta kan zo genoemd zijn naar de letter B春a, een verwijzing naar de vorm van het blad, dat overal de B in dubbelheid behoudt of naar de pootstok die in de oudheid de vorm van B zou hebben.

Biet is hier te lande met de naam warmoes genoeg bekend. De witte en meest gewone soort heet in het Hoogduits Weisser Mangolt, in het Frans bette blanche of jotte blanche, want de gewone Waalse en Franse naam is du jote, jote, poeree of bete, puree is bekend. Mangolt. De plantennaam kan er een zijn met een mannennaam. Het stamt uit Magan: kracht, of van Man: man, en gold of hold: houden of heil, een geneesplant die vooral door mannen als reis middel gebruikt werd.

 

Betula komt van het Latijnse batuare: slaan, de twijgen werden wel als levensroede gebruikt. Bij de Romeinen was de fasces een roede bundel met een uitstekende bijl het symbool van heerschappij over leven en dood, van lijfstraffelijke rechtspleging (fasces et secures) waarmee de lictoren voor de consuls uitgingen. Oorspronkelijk waren ze het symbool van het koninkrijk en later van het ambtelijk gezag. Blijkbaar was deze twijgenbundel van oorsprong een vegetatief symbool dat de levensorde van de aarde vertegenwoordigde en dat ook voor de mensen de wet van blijvend leven betekende. Voor de Romeinen is de bundel steeds het teken van de volstrekte geldigheid van gezag en haar handhavers gebleven. Ook de bijl had hier dezelfde betekenis, symbool van bliksem en regen waardoor de aarde leeft. Daarnaast werd hij door de Romeinen als teken van heilige orde gebruikt, tot voltrekking van de door de magistraat gevelde doodvonnissen, geseling met de roeden en daarna onthoofding met de bijl. Het fascisme ontleent zijn naam aan de fasces. Nog steeds is de bundel de geconcentreerde macht en de bijl het absolute gezag.

 Berk is oer Indo-Germaanse naam en behoort tot de oudste boomnamen. Het woord komt niet alleen voor in de Germaanse spraken maar ook in Slavische talen is het niet vreemd, in het Litouwse als berzas en Russisch bereza, (zie de naam van de rivier Beresina) Etymologische hangt de boom naam met de wortel bherag samen dat in Gotisch als bairths verschijnt en glanzend betekent, licht of wit. De berk is ook de lichte en glanzende, witte boom. Of het woord borke: oorspronkelijk berkenbast, behoort is niet zeker. Opmerkelijk is, in tegenstelling tot andere boomnamen, als den, eik en beuk, dat het overal dezelfde boom betekent. Men maakt hieruit op dat de berk in de oer woonplaats van de Indo-Germanen een karakterboom moet zijn geweest en dat de Indo-Germanen in hun tijd van Indo-Europese samenleving in het verspreidingsgebied van de witte berk gewoond moeten hebben. Daarmee zou, als oorspronkelijke woonplaats van de Indo-Germanen, dit een land geweest kunnen zijn van een gematigd of koud klimaat

 

Bidens; van Latijn bi: twee, en dens: een tand, een verwijzing naar de zaden. Tandzaad, de twee of drie kelkblaadjes van de bloem veranderen in stijve uitstekels of tanden. Het zaad lijkt op een kies met wortel. De vrucht bezit weerhaakjes en aan die weerhaakjes zitten ook weer weerhaakjes, waardoor de zaden gemakkelijk door mens en dier verspreid worden. Die naaldjes zien eruit als de harpoenen van het stenen tijdperk. Doordat deze planten meestal op vochtige gronden groeien kunnen de zaden oorzaak zijn van vissterfte. Jonge vissen eten van de zaden die zich in hun bek vastzetten en zo verhongeren.

 

Biscutella: Latijn bis: twee, dubbel, scutella: drinkschaal, de dubbele peul is rond. Brilkruid.

 

Blechnum komt van Grieks blechnon, wat zonder deugd betekent, omdat varens geen nuttige eigenschap bezitten. De plant heet ook grachtvaren en dit laatste naar zijn groeiplaats, zo ook slootvaren. Miltkruid naar zijn gebruik. Dubbelloof omdat het twee soorten blad heeft.

 

Boletus. Latijn van Grieks bolitos, bolos: een kluit of klont, naar zijn vorm. Eekhoorntjesbrood, satansboleet is een giftige vorm.

 

Bombax komt van bombax: de Griekse naam voor ruwe zijde. Dit is een verwijzing naar de wollige haren, maar het is echter ongeschikt om er mee te spinnen. Bombast betekent eigenlijk alles wat met bombax, midden-Latijns voor katoen, opgevuld is, een leren zak met vulmateriaal, en werd overdrachtelijk gebruikt voor een gezwollen rede.

 

Borago. Bernagie komt van laat Latijn burra: harig, de ruige huid van die­ren, vergelijk Frans Frans rebours: verkeerde kant, a rebours betekent zo tegen de draad in. Zo is burrus afgeleid van Indo-Germaans bhrs-os en vandaar Germaans burs-t-, zie borstel. Borage is zo de harige plant, een treffende naam. Anderen leiden het woord af van Keltisch borrach wat moed betekent. Eventueel van burdunculuswat afgeleid zou zijn van burdo: muilezel. Hiernaar heeft de plant de naam vanwege zijn grauwe en behaarde uiterlijk.

Linnaeus stelt een gewijzigde naam voor van cor: hart, en ago: bij voorkeur, als een verwijzing naar de hartversterkende kwaliteiten van de bladeren. Of naar courage: verheugen, naar de opwekkende kracht en smart werende eigenschappen.

Het Latijnse "ego borago gaudia semper ago". "Ik borage, breng altijd moed" is voor meer dan duizend jaar geciteerd. Bloemen van dit brave kruid vloeiden in de wijn van de bekers die de kruisvaarders dronken voor hun vertrek. Het zou de beroemde nepenthe van Homerus, (zie Nepenthes)  zijn geweest, de drank die vergetelheid bracht en zo werd het ook aan studenten gegeven, mogelijk pas nadat ze gezakt waren. Mogelijk is dit woord be貧vloed door Keltisch borrage: moed brengen.

De bloem heeft drie kleurschaduwen tijdens de bloei die bekend zijn als Abraham, Isaac en Jacob, rood violet en blauw.

Vanwege vorm zaad en frisheid, komkommerkruid.

 

Borassus, Grieks bora: eten.  Wijnpalm, lontar of palmyrapalm, (Palmyra is de groeiplaats, een oud-Syrische stad) De Palmyraboeken zijn zelden langer dan 60cm en 5cm breed omdat de perkamentachtige stof door het blad geen grotere omvang toestaat. Men rolt ze tezamen en kleeft ze vast met wat gom en verzendt zulke brieven soms met de post. Deze manuscripten zijn zeer duurzaam en vele auteurs nemen aan dat ze dit 4-500 jaar volhouden. De eerste Hindoeschrijver die deze manier van schrijven vermeldde was Panningrishee die ongeveer 43 eeuwen eerder in Arittuwarum, aan de bron van de Ganges leefde.

 

Boswellia. Wierook, wijrook: gewijde rook. Het is een rookmiddel dat in de R.K. en Griekse kerk als rookmiddel gebruikt wordt en zelden in de artsenij. De Katholieke kerk gebruikt de wierook om de zinnebeeldige betekenissen die daaraan verbonden zijn, bijvoorbeeld de wierook stijgt op in rookwolken, =symbool van het naar de hemel opstijgend gebed.

 

Botrychium lunaria (luna: de maan) is zo genoemd vanwege zijn magische krachten in de Walpurgisnacht. Vanwege de sikkelvorm van de bladeren werd de plant in verbinding gebracht met de maan en magie. Men geloofde dat het groeide met wassende maan en verdween of verlepte met afgaande maan. Het ene blad zou met de maan groter en kleiner worden. Ook dat het in het maanlicht blonk als een parel.

 

Brachypodium, Grieks brachys: kort, podion: voetje, vanwege de kort gesteelde aren, kortsteel.

 

Brassica. Boerenkool. Van witte kool bestaan er twee typen: het spitse type, (witte) spitskool genoemd, het ronde type is de witte kool. De naam kool is afkomstig van het Griekse kormos of kaulos en in het Latijn werd dit caulis: een stengel, de basis betekenis slaat op iets "dat hol is".  Zuurkruid, -kool komt van witte kool, in Hoogduits Sauerkraut werd vervormd tot het Franse choucroute, dit klinkt smakelijker. Naar zijn Italiaanse afkomst, naar Savoy het voormalige Italiaanse graafschap in de Alpen, savoje kool. Bloemkool, kool met bloemen. Broccoli is het meervoud van Italiaans broccolo, van brocco: uitschieten of uitspruiten.

Brusselse spruitjes worden al eeuwenlang bij die stad gekweekt.

Stekrapen en Parijse raap. Gelijker als omtrent Antwerpen het zavelachtig land voortbrengt zeer veel grote ronde rapen alzo groeien de stekrapen zeer overvloedig in slijkachtig land omtrent Parijs.

Koolzaad is ontstaan als een kruising tussen kool- en raapzaad. Er is geen oorspronkelijke vorm van bekend. Werd vooral vroeger in Groningen geteeld en nu weer als biodiesel. Er is winter en zomerkoolzaad. Raap bestaat uit enkele vari奏eiten, degene met verdikte stengelbasis en wortels, de koolraap. Ook het jonge blad wordt gegeten onder de naam snijmoes of snijkool. De ander wordt als olievrucht, raapzaad, gebruikt.

Raap of graveelcruyt. Rape of rapier is zo genoemd naar de lange puntige degen die zo genoemd is naar de overeenkomst of gelijkenis ervan met onze raap,

Mosterd. Sinapi heet het gewas omdat het de tranen uit de ogen perst van hen die ze onbedacht gebruiken, de neus rood maakt en de ogen doet zwellen. In in oud-Frans moustarde en dit van mustum ardens, most: niet gefermenteerd druivensap, en ardor: een scherpe smaak. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeu蛭e, zurige pap nodig, de moust de vin.

 

Briza. Trilgras of bevertjes,  ze trillen aan het stengeltje en zo; liefdesgras omdat het in de handen van meisjes siddert als haar toekomstige komt.

 

Bromus: Drep of dravik: draaft door de tuin, vergelijk Duits Taverich dat verwant is met Trespe, in midden-Hoogduits Trefs wat mogelijk verwant is met Treppe: trap, Portugees trepar: klimmen, vanwege de trapvormige opgebouwde bloemaren.       

 

Brosimum. Het hout heeft fijne pori創, roodbruin met zwarte radiale strepen die het een slangenhuidachtig aanzien geven, slangenhout, letterhout is zo genoemd omdat het geplekt is al of er letters op geschreven waren. Het hout is zeer hard en een van de duurste houtsoorten op de wereldmarkt, draaiwerk, muziekinstrumenten als bogen voor strijkinstrumenten. Dit is de koeienboom en onze melkboom.  ヤVerschillende maanden per jaar maakt geen regenbui zijn bladeren nat, zijn takken lijken dood en droog, maar als er in de stam gesneden wordt vloeit er een zoete en voedende melk uit. Met het stijgen van de zon wordt deze groene fontein overvloedig. De negers en inlanders haasten zich van alle plaatsen, voorzien van grote schalen, om de melk te ontvangen dat zich verdikt aan zijn huid. Sommigen legen de schalen onder de boom zelf en anderen brengen ze naar huis voor hun kinderenユ

 

Broussonetia. Papierboom is een boom die bedekt is met een zeer dunne witte schors of vlies daar men allerlei letters op schrijven kan net zo goed als op papier. Van diergelijke boom vermaant Pigasetta die zegt dat de vrouwen van het eiland Tidore hun schaamstreek met een doek of web bedekken die ze van de schors van een boom aldus maken, ze nemen de schors er af en weken die in water totdat ze week wordt, dan stoten of stampen ze die met een hout en trekken dat zo dun vaneen dat het op een zijde of andere lompen met dwars lopende aderen geweven schijnt te wezen.

 

Brugmansia is genoemd naar Sebald Justinus Brugmans, geboren te Franeker op 24 maart 1763 en gestorven te Leiden, 22 juli 1819, een Nederlandse arts, botanicus van hortus botanicus te Leiden en hoogleraar in meerdere natuurwetenschappen. Engeltrompetten, de grote bloemen. Uit de vruchten ervan werd een verdovende drank bereid, het Tonga, waardoor de priesters van de zonnetempels in staat gesteld werden om met de geesten van de gestorvenen in verbinding te treden. Om die reden ontstond de naam herba de huaca: grafplant. Bij de indianen werd de drank gebruikt om tot de goden te komen en vertrouwelijk met de geesten te spreken. Kort na het innemen van de drank krijgt de Indiaan hevige stuipen en zit met zijn ogen gefixeerd naar de grond, zijn mond krampachtig gesloten en zijn neusvleugels wijd uitgezet, tenslotte slaapt hij verschillende uren. Bij het wakker worden wordt hij omgeven door een kring van nieuwsgierige luisteraars en vertelt hij de belevenissen van zijn reis waarbij hij verklaart dat hij een gesprek had met de geesten van zijn voorvaders.

Nadat het Christendom dit bijgeloof onderdrukte en het geloof aan een god, tenminste schijnbaar, algemeen werd, gebruikten de indianen het tonga om zich met de goden van hun voorvaderen in verbinding te stellen en van die de plaats van de in de graven, huacas, verborgen schatten te vernemen. Vandaar ook de naam huacacacach: grafplant en yerba de huacca.

 

Bryonia. Een klimmer met blad die wat op de druif lijkt, maar wit is, daarom komt in middeleeuws Latijn ook de naam Vitis alba voor, onze wilden wijngaerd of heggenrank. In Vlaanderen heet het schijtraap, de laxerende wortel werd door mens en dier gebruikt. Sick-wortel, raesel-wortel of ros-worte. In Friesland heet het schaep-entel of schaepkeutel naar de gedaante van de bessen, in Holland quartel bezien of quaertels beyen omdat de kwartels of kwakkels deze bessen niet graag eten. Kwartelbessen bij van Beverwijck.

 

Buddleja. Vlinderstruiken zijn te vinden in vrijwel alle kleuren gepluimd in wit door alle tinten van paars en wijnrood tot vrijwel zwart en omringd door vlinders. Vlinders vlinderen van de een bloem naar de andere, zoals de kleine- en grote vos, atalanta, koolwitje, citroenvlinder en dagpauwoog.

 

Bulbocodium, het Latijnse bulbus betekent een ronde bol, kodion is wol, samengevat een wollige bol, de bolwol. Binnen de huid van de bol bevindt zich een soort wol.  Bolwol,

 

Buphthalmum. Dit kruid is vanwege zijn bloemen die groot en gemaakt zijn als een koe-ooghe, in het Grieks Buphthalmos genoemd en daarna in het Latijn Oculus Bovis, in het Nederduits runds-ooghe en koe-ooghe en vroeger bijns-ooghe of beins-ooge.

 

Bupleurum komt van het Griekse bous: een os, en pleuron: een zijkant, rib, omdat het vee dat hiervan at zou opzwellen. Of van os en zijde omdat de plant de zijde van een os laat kraken, of omdat het de os een bed verschaft, of omdat de bladeren enige gelijkenis hebben met de rib van een os, of vanwege de uitspringende zaadribben die met ossenribben vergeleken werden, of vanwege de scherpe bladranden. Ossenrib is een naam die van een oude eetbare en geneeskrachtige plant op dit geslacht is overgegaan.

 

Butomus of waterlis werd vroeger vaak verward met lissen, (Iris) rus (Juncus) en biezen (Scirpus) vanwege de gelijkenis met de bladeren. Het is de bloeiende rus. Dit gewas draagt een krans van mooi rode of vleeskleurige bloempjes die elk in zessen gesneden zijn en die zo tezamen gevoegd enige gedaante van kandelaars schijnen te hebben waarnaar ze hun naam kandelaars, kandelaartjes in het Nederduits en Candelaria in het Latijn voeren. Zwanenbloem omdat de stamper in de bloem iets heeft van een zwanenhals, mogelijk ook iets van een ooievaar, Aebersblome, Aedebarsblome, of zo genoemd als water/dijkplant. De zwanenbloem wordt wel donder- of zwaarweerbloem genoemd naar het bijgeloof dat men er driemaal boven het hoofd mee moet zwaaien om onweer te krijgen. Stoeltjesbloem omdat de kinderen de stengels gebruiken om er stoeltjes van te maken. Kloek met kuikens naar de bloemen.

 

Buxus. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxis of pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

Het palmboompje heeft zijn naam gekregen omdat het met Palmpasen gebruikt wordt om de intocht van Christus in Jeruzalem in de kerken te vieren. Dit gebruik komt omdat men de uittocht van Christus ging nabootsen en onder andere Buxus ging gebruiken. Buxus werd dan gebruikt omdat de plant altijd groen is.

 

Cactus. Hier te lande wordt dit gewas Indiaanse vijgenboom en Indiaanse vijg genoemd, in het Latijn Ficus Indica. De Indianen noemen het tune. Sommige zijn van mening dat deze Indiaanse vijg wel zou mogen wezen de Opuntia daar Plinius van vermaant in zijn 21ste boek, te weten in het 17de kapittel wanneer hij aldus zegt: ヤOmtrent de stad Opuns groeit een kruid wat daarnaar Opuntia heet en ook voor de mens aangenaam of zoet van smaak is en, dat wonder is, zo groeit dat zijn blad in een wortel verandert en dan voort opschiet en groter wordtユ.

De vijgendistel of Indische vijg wordt zo genoemd vanwege de gelijkenis van zijn vruchten met die van de vijg (Ficus) Schijfcactus, of vijgencactus.

 

Caesalpinia. Pauwenboom. Maria Sybilla Merian: ヤDeze Flos Pavonis is een plant van 270cm hoog en draagt gele en rode bloemen. Het zaad wordt door de vrouwen gebruikt die in barensnood zijn om de arbeid voort te zetten. De Indianen die niet goed behandeld worden als ze bij de Hollanders in dienst zijn drijven daarmee hun kinderen af omdat ze niet willen dat hun kinderen slaven worden zoals zij. De zwarte slavinnen van Guinea en Angola moeten al heel huiselijk behandeld worden of ze begeren geen kinderen in deze slaafse staat en krijgen er ook geen. Ja, ze brengen soms zichzelf om het leven vanwege de gewoonlijke harde behandeling die men hen aandoet want ze zijn van mening dat ze in het land van hun vrienden weer in een vrije staat zullen herboren worden zoals ze me uit hun eigen mond verteld hebbenユ

Toen de Portugezen deze boom ontdekten aan de kust van Z. Amerika noemden ze pau-brasil en pau is Portugees voor ヤhoutユ, brasil zou van Portugees brasa komen; gloeiend hout, kolen, die een rode verfstof gaf. Al gauw werd de kolonie Terra do Brasil genoemd en gaf zo het land en het hout de naam.

 

Calamagrostis. Struisriet: in Strause gebonden.

 

Calamus. De naam rotan is in de 19de eeuw ontleend aan Maleis rotan, van raut: pellen.

De vruchten zijn wat groter dan kersen en zijn bij rijpheid met een rode hars bedekt. Die harslaag is het sanguis draconis: drakenbloed. Op het vuur geworpen geeft het een aangename geur. Het is zeer bros en breekt met een onregelmatige gomachtige breuk, helderrood en glanzend van binnen en donkerder door van buiten. Dunne, kleine stukjes zijn transparant. Dit drakenbloed wordt als reukwerk gebruikt. De schilders maken daar een mooie rode verfstof van die op Florentijnse lak lijkt, verder voor dranken, tandpasta, pleisters.

 

Calceolaria komt van Latijn calceolus: een pantoffel,  het is een verwijzing naar de vorm van de bloem. Pantoffelplantje.

 

Calendula: naar het Latijnse Calendae, de eerste dag van de maand omdat de bloemen op vele kalendis, dus vele maanden bloeien. Of de plant is zo genoemd naar het dagelijks openen en sluiten van de bloemen met de zonbeweging en zo als een kalender de dag aanduidt. Of van calendae, afgeleid van calara: roepen, omdat op de eerste dag van de maand het volk op het Capitool voor Curia Calabra tezamen geroepen werd. Of omdat het in bloei gevonden wordt, ergens in elke maand. Vogelklauwen, ringbloem, naar de halve cirkelvormige vrucht of omdat deze samengesteldbloemige op een gouden ring lijkt, bij onze plant is het opvallend dat het om naar binnen gebogen vruchten gaat.

 

Calla, waterslangenkruid, slangenwortel. Waterspeerwortel noemt men Dracunculus met rietachtige wortel van Plinius. Drakenwortel is zo genoemd naar de kruipende wortelstok. De venijnige wortelstok werd dan ook wel aangeprezen tegen slangenbeten. Wanneer je een blad of stukje wortel bij je draagt zal je niet door slangen gebeten worden.

 

Callicarpa, van Grieks kalos: prachtig en carpos: een vrucht. Koraalbes.

 

Callistemon, van het Griekse kalistos: schoonheid, en stemon: meeldraad, het is een verwijzing naar de sierlijke, lange meeldraden. Lampenpoetser, flesseborstelboom.

 

Callistephus komt van het Grieks woord kallistos: zeer mooi, en stephanos: een kroon.

In tuin en markthandel is het gewas nog steeds bekend als aster en soms als Duitse asters omdat er veel zaad en nieuwe soorten uit Duitsland kwamen.

 

Callitriche, Grieks kallistos: schoonheid, thrix: haar, naar de dunne vloeiende stengels en smalle bladeren, of haarachtige wortels. De callitrichon van de ouden was een haarmiddel en was de naam van een varen. De huidige callitriche is een plant wiens bladeren op groene haren lijken die in het water vloeien. De bladen drijven op het water in de vorm van stralen, vandaar sterrenkroos en kroos omdat ze in elkaar verwarren, vergelijk kroezen. Haarsteng, van haarstengel.

 

Calluna is een naam die afkomstig is van het Griekse kallyno of kallunein: reinigen of schoonmaken, omdat de takken als bezems gebruikt werden, bezemhei.

Bij de naam heide denk je onwillekeurig aan een plantengroei van Erica's en Calluna's. Deze planten zijn zo genoemd naar hun standplaats, de heide. Is het u nooit opgevallen dat het woord "heiden" zoveel lijkt op de heide? En dat het Engelse woord voor de heide, heather op de (heidense) heathen lijkt, en de Duitse Heiden vrijwel gelijk is aan der Heide? Dat zijn bewoners die heiden genoemd en op de heide wonden omdat het lang duurde voor ze bekeerd werden. Een heiden is dus gelijk aan de heide, dor en onbewerkt.

 

Calochortus wordt ook wel mormonentulp genoemd. De geschiedenis verhaalt dat de Indianen de bollen verzamelden en roosterden om ze vervolgens te eten. Met deze voedselbron konden de Mormoon pionieren in Utah de eerste harde jaren overleven toen hun oogsten mislukten in Great Salt Lake Valley. Mariposa is de Spaanse naam voor de butterfly ofwel vlinder. Waarschijnlijk kreeg Calochortus venustus, die naam omdat die voorzien is van een briljant kleurenscala met op de bloembladen de oogachtige stippen en andere opvallende markeringen als lijnen en haren die sterk doen denken aan de vleugels van een helder gekleurde vlinder.

 

Caltha. Dotterbloem is een letterlijke vertaling van het Duitse Dotterblume, het moest dooierbloem zijn want de bloemen lijken op de dooier van een ei.

 

Calystegia. Winden, de grote winde, windsel of klimop, is een naam voor meerdere klimplanten als kamperfoelie, winde en klimop. Dit stamt uit Germaans withiwindo: wat de band, touw of windende plant betekent. Uit het Angelsaksische widowinde, widubindae of wuduwinde werd het Engelse woodbine gevormd (Angelsaksisch wudu: hout, vergelijk wood) Een bindweed. Het midden-Nederlands wedewind stemt over­een en zal een Germaanse oudere vorm zijn. Wedewinde betekent zo houtslingerplant. Naar de diepe klokvorm van de openstaande diepe klokbloemen op regen loze dagen, zie onze klokjesbloem, kloksken-winde of wilde klokken, ook de naam pispotje. Achterhoek heeft piependopkes, piepen: zoenen, de bloem gaat open en sluit zich alsof ze een zoen geeft. Heggerank, heggentouwen, slingerroos, haspeltakken, duivelsnaaigaren of rankbloem, draaiwinde,  haagwinde. Blindebloem en valbloem, het heet dat als je valt met zoユn bloem dat je dan blind zou worden. Elfenklokske of hempjes en dergelijke als onze Lieve Here Hemdeke, onze Lieve Vrouwe glazeke, -kuipkens.

 

Camelina. Vlasdodder en huttentut is een verbastering van uit en tuit, wat min of meer vlasdoder betekent, vergelijk Duitse Flachsdotter, Leindotter en Saatdotter, onze deder, vanwege de gele bloemen en gele zaden en voorkomen in geteelde vlasakkers.

 

Camelina of Thea. Het woord tay zou uit het Chinese Amoy-en Swatowdialect zijn afgeleid, of genoemd naar het hoofd dialect tsch'a, tcha, cha, het hoog-Chinese tshha.

De Arabieren, die sinds de 9de eeuw handel dreven met China, beschreven de thee onder de naam sja, uitsprekend de Chinese naam tscha of tsja die in Fokien de klank heeft van tiae. De spelling met th was bedoeld om het exotische karakter van het woord te doen uitkomen. In 1610 brachten de Hollanders op Bantam van Chinese kooplieden gekochte thee op de markt. Naar verluidt zouden de Hollanders dit geruild hebben voor onze thee, de salie, en kregen een  driedubbele portie thee voor een deel salie.

 

Campanula rapunculus. De wortel heeft een overeenkomst met die van de raap, vandaar de naam rapunculus en zo rapunzel,

raponsje stamt uit het Franse raiponce dat vermoedelijk afkomstig is van radice puntia. Het eerste woord slaat op een soort radijs en het tweede woord behoort tot het Latijnse phu: een soort valeriaan. Zo wordt het ook tot repelsteeltje.

Marietten zijn genoemd van de Nederlanders die vanwege de aardigheid van de bloemen die geschonken hebben als een present aan de zeer edele hoog geboren en vrome koningin Marie van Hongarije.

Campanula van het Latijnse campana: een klok, literair een klokje of belletje. Is zo genoemd naar het landschap Campani waar de eerste klok gevonden zou zijn, Campana: klok, campanula een verkleinvorm, klokje.

 

Cannabis. In Brabant heet dit gewas kemp, uit Cannabis. Hennep heette in midden-Nederlands hannep en hennep, vergelijk Angelsaksisch haenep en henep oud-Hoogduits sinds 9de eeuw, Hanf bij Bock en Hanif bij Hildegard en Zweeds hampa. Die woorden voeren op Germaans hanapa (hanipi of hanupi) en voor-Germaans hanab terug. Dit woord is door de Germanen ontleend aan het woord kannabis bij de Scythen en de Thraci喪s. Dat waren bewoners van de Kaspische- en Aralgebieden. De plant heet in het Arabisch haschisch: wat plant betekent en een naam is die overgegaan is op de verdovende zelfstandigheid die eruit bereid wordt. Marihuana wordt gemaakt van de gehele bloemhoofdjes en bevat minder alkalo錨en en hars dan hasj. De vezels van hennep zijn beter dan die van vlas en waterafstotend. Om die reden werd het gebruikt voor nautische doeleinden. Het Franse woord canevas, in Nederlands canvas, is afgeleid van Cannabis.

 

Cantharellus. De dooierzwam naar de dooier gele kleur of hanenkam draagt vele namen en meestal zijn het verwijzingen naar zijn aan aangename scherpte die aan peper herinnert. In midden-Nederlands verscheen peperlinc en is nu peperling. Kampernoelie, cantharel, heet in 1583 bij Dodonaeus campernoellen. Dit is een Picardi­sche vorm van oud-Frans champaignuel dat afgeleid is van Gallo-Romaans campaniolus, waarbij campania een vlak veld betekent. Of van Frans la chanterelle en dit van botanisten-Latijn cantharellus: een kleine drink kop.

 

Capsella, Grieks kapsa, Latijn capsa: zakje of tasje, naar de vorm van de vrucht.

Gewoonlijk noemt men dit kruid in het Latijn Pastoria bursa of Bursa pastoris in het Nederlands borsekenskruid of teskenskruid. Bursa is een zak of beurs en pastor is een herder. De tasjes lijken enigszins een hartje of immers die beursjes die gemaakt worden met gedaante en naam van kleine hartjes.  Herderstasje,  de hauwtjes, met drie hoeken, lijken op een oude herderstas. De zaden zitten erin als geld en vormt zo de smalle beurs van de schaapherder. Beursjeskruid, verder komen voor; lepelblad, tuinlepeltje, lepeltjes, lepeltjesdief, lepels en vorken, dubbeltjesdief, leugentjes en ganzentong.

 

Capsicum. De naam paprika is een Servische woord waarvan een verbinding met het Latijnse piper en modern Grieks piperi aangenomen wordt. In de Balkan werd de plant vroeger peperke, piperke en paparka genoemd. In 1569 maakten de Hongaren daar paprika van.

 

Cardamine bulbifera. Koraalkruid omdat er bolletjes als koralen tussen de wortels staan, ook bolletjeskers

Cardamine pratensis. Koekoeksbloem,stamt van de botanistennaam flos cuculi. De koekoek heeft erop gespuugd, dat is het schuim waarin de larven van een schuimcicade, Cicada spumaria, zich bevinden. Het zou ongeluk brengen om die gespuugde bloemen te plukken. Ze verschijnt gelijk met de komst van de koekoek. Pinksterbloem

Cardamine is  ontleend van kardia: het hart, en damao: temperen de naam voor het kruid amomon die het hart: kardia, sterkt.

Nochtans meent men dat Cardamum is geheten omdat het leven en kracht van het hart bewaart en voornamelijk van de Perzen en die van Lacedaemoni bij die dit kruid eertijds een excellente saus is geweest want de jongeren van Sparta plegen met hun brood geen andere toespijs te eten dan kers. Maar tegenwoordig wordt ze zeer veel gebruikt in salade en in de medicijnen en is een zeer goed bekend kruid dat onder het gewone volk cresson en kers genoemd wordt dat omdat het de mogelijke zeer grote hitte van de zomer en de zeer grote koude des winters versmaadt en altijd groeit en vermenigvuldigt zodat het van de Fransen ook wordt geheten cresson dユ Alenois, ab alendoユ, dat is opvoedenユ.

 

Carduus. Kikkende distel heeft natuurlijk knikkende bloemhoofdjes. Kruldistel  wordt ook wel bisam- of ezeldistel genoemd omdat de bloemknoppen sterk naar bisam ruiken en alleen door ezels gegeten worden.

 

Carex. Zegge en segge was het in 1599. In het neder-Duits komt sek: snijden, voor, in Angelsaksisch komt de naam secg voor, maar dan voor riet of gladiool, (een variant van sectie en verbonden met sax of saw: zaag, de betekenis is snijgras)  Dit woord stamt uit het Indo-Germaanse woord seq: snijden en dit woord zal samenhangen met het Latijnse secare: snijden. Het zijn namen voor harde, in de hand zeer aanvoelende gewassen.

 

Carlina is zo genoemd naar Karel de Grote die met zijn dure naam Carolinus of Charlemagne heette. In een pestperiode verscheen er een engel aan Karel die hem beval een pijl af te schieten in de richting van de opkomende zon. De plant die getroffen zou worden was dan een middel tegen de pest. Dit zou dan de drie- of Karelsdistel geweest zijn en zo zijn leger gered hebben.  Daarom heeft het nog steeds splijten en wonden van de pijl in de wortel. Zilverdistel of Wetterdistel gaat open als de zon schijnt.

Carlina vulgaris. Driedistel naar de drie bloemstengels. H. Bock; ヤDe vrouwen stellen naar deze distel om onze lieve vrouwe Hemelvaart dag en tellen het onder de Verbenas of kruidbos welke distel in drie delen verdeeld is, met drie kopjes zal de beste zijn, vandaar het de naam driedistel gekregen heeft en vrouwen distel, daarom dat ze op onze Vrouwen dag met andere kruiden gewijd wordtユ.

 

De naam Carpinus is afgeleid van car, het Keltische voor hout, en pin: een hoofd, een verwijzing naar het gebruik van het hout om er jukken voor gehoornd vee van te maken. De oude Romeinen maakten er hun strijdwagens van. Hiernaar kan het ook afgeleid zijn van carpentum: Latijn voor wagen (wij kennen dit woord nog steeds als car of kar) Haagbeuk voor omheiningen, wielboom naar zijn gebruik om er wielen van te maken.

 

Carthamus: Het werd veel gebruikt als vervalsing van de saffraan, (Crocus)  vandaar valse saffloer/saffraan. Deze kleur wordt gebruikt voor zijde en wol, het is het hoofdingredi創t van de rouge die door de artiesten gebruikt wordt.

 

Carum komt van Caria, een landschap in Klein-Azi, waar de plant het eerst ontdekt zou zijn. Van Carum werd het geleidelijk aan karwei.

 

Caryopteris. De onderlip heeft een gewimperde rand heeft en lijkt wat op een baard. In gewoon Nederlands heet het blauwe spiraea of blauwe sering, dit naar de kleur en bloemvorm.

 

Cassia. De bloem wordt gevolgd door lange rolronde peulen, de trommelstokken, vruchten die met een zoet moes gevuld zijn,

De trommelstok wordt gebruikt als purgeermiddel, het is de purgerende cassia. Men pleegt de trommelstokken uit de hand te eten en daarna wat te eten of te drinken, op die wijze ondervind je de minste walging. Dit zou ook goed werken op de nieren. In de apotheek werd het gebruikt als een zacht laxerende likkepot. De naam oudemannetjesdrop herinnert aan het veelvuldig gebruik dat van de pijpcassia werd gemaakt om bij oude lieden de ongemakken van bezwaarlijke spijsvertering tegen te gaan.

 

Castanea. Naar de mythologie werd de nimf Nea (casta-nea) tegen haar zin door Jupiter bezocht en overweldigd, daarna pleegde ze zelfmoord en werd door Jupiter in een kastanje veranderd.  Tamme kastanje. In het Spaans is het castana en het verkleinwoord heet castaneta, dit is tevens de naam van de dans kleppers. Die zijn zo genoemd naar de uiterlijke gelijkenis met de kastanje vruchten, de castagnetten.

 

Casuarina. De lange, hangende en bladerloze takken lijken veel op de hangende veren van de vogel Cassowary. De Oost-Indische struik heet ook in het Maleis pohon kasuwari. De rode kleur van het hout gaf het de naam biefstukboom omdat het hout de kleur heeft van rauwe biefstuk.

 

Catabrosa: Grieks katabrosis: voer, een voergras.  Watergras, brongras of watervlotgras, groeit aan sloten,

 

Catananche, van Grieks katanagke: dwang. Uit de planten brouwde men een liefdesdrank die door de begeerde gedronken moest worden. Plinius schrijft dat Catanance een kruid is dat in Thessali groeit wat hem onnodig dacht om te beschrijven omdat het nergens toe nuttig is dan om bij de minnedranken te vermengen waartoe ook en tot geen ander ding zowel deze eerste als de andere of tweede Catanance van Dioscorides nuttig gehouden is geweest: ヤBeide Catanance, zegt hij, worden gezocht en veel geacht om de liefde te verwekken en er minnedranken van te maken. En men zegt dat de vrouwen van Thessali die tot dat doel zeer plegen te gebruikenユ. Kruidje volg me na, minnekruid of dwingend kruid.

 

Catha. Khat, kath, kat, cafta, qat, gat, chat en miraa en in Somali Jaad, (uitgesproken als kaet) qat en ghat in Yemen, chat in Ethiopi, jaad in Somalia en miraa in Kenia en Tanzania. In Etruskisch betekent de naam godin van de zon.

In Arabi verdrong, vol­gens Abd-Alkader-Ebn-Mohammed, de uit Abessini ingevoerde koffiedrank een andere drank die kafta genoemd werd. Die laatst genoemde drank werd bereid uit de bladeren van de cat.  Waarschijnlijk ligt hier ook de oorsprong van de naam koffie. Caffa heet de koffie in Z. Abessini en in Arabisch qahwah, dit werd in Turks quahve of kahweh en bleef in vormen als caffe en caf in Z. Europa bewaard.

 

Catharanthus. Het is de roze maagdenpalm, naar de gewone maagdenpalm.

 

Caucalis, de vruchten zijn van weerhaken voorzien en blijven daardoor aan de kleren hangen, vandaar ons doornzaad.

 

Cedropia. Het lichte hout is buigbaar en werd gebruikt voor vlotten, voor blaas- en windinstrumenten, het is de trompettenboom en vandaar zijn muzikale naam.

 

Cedrus. Bij de Grieken duidde men met de naam kedros en kedris alleen welriekend hout aan. De Libanonceder heette kedros thaumaste: dat is prachtig. Van het Griekse kedros kwam het Latijnse Cedrus en onze ceder. Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. Op een dioriet die uit 2650‑2600 v. Chr. Stamt had Farao Snofroe laten aantekenen dat hij 40 scheepslaten hout van de Libanon had laten komen. Ook Thoetmozes, een van de veroveraars van Byblis, bevestigt dit officieel. De Libanon is dan ook gevallen (Jes. 10:33) "Ziet de Here der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijke". De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven. Ze staan boven de oever van de Nahr el Kadischab: de vloed van het heilige dal.

 

Celtis, Grieks kello: ik sla, of zweep, de twijgen werden gebruikt als zweepstelen. Zwepenboom heeft taaie en zwartachtige loten die gebruikt werden om de bekende Tiroler zweepstokken van te maken. Oosterse of Europese netelboom, het blad lijkt op dat van de brandnetel. De bes is voedzaam en smaakt heerlijk en wordt in sommige landen gegeten. Er zijn er die geloven dat dit het voedsel was van de lotophagi, de lotos van de ouden.

 

Centaurea calcitrapa, de laatste naam betekent voetangel wat bij ons tot kalketrip werd. Naar de bladvorm sterrendistel.

Centaurea cyanus. De korenbloem spreidt de schoonste tint van enigszins gebroken blauw ten toon, het is het korenblauw en onze blauwbloem. Dit is de kleur die men cyaanblauw noemt.

Centaurea moschata, Keizerkorenbloem, welriekende korenbloem of amberbloem, geur als amber

Centaurea jacea. Het echte knoopkruid of wammesknopen of wambuisknopen heet het in Limburg en in Salland speldenkussentjes, zie vorige, en in Zeeuws Vlaanderen bokkenstallen, in Utrecht ijzerhard .

Centaurea solstitialis,  dat is zomerdistel, genoemd omdat ze omtrent het Solstitium, dat is de eerste dag van de zomer meest staat en bloeit of ook omdat haar knopjes of bolletjes dan ruwer en stekeliger of doorniger zijn dan op andere tijden.

 

Centaurium en zo ook Centaurea is zo genoemd naar de centaur Chiron, die beroemd was om zijn medische kennis. Zoals de indianen de eerste blanken zagen, zo wordt de centaur in de mythologie afgebeeld, half mens half paard. Deze centaur was de eerste die de wond helende eigenschappen ontdekte. Hij genas de wond die hij had gekregen van een pijl die vergiftigd was met het bloed van het Pelopenese monster, de honderdkoppige Hydra.  De Hollandse naam santorie, santorije, centaurea of sentaurie is afgeleid van Centaurium. Centaurium betekent vrij vertaald naar het rekenstelsel, centum: 100 en aurum; goud. Dit werd in volksspraak duizend en ook hogere bedragen zijn gebo­den. Het gulden is geen muntteken, maar goud.ユ.

Duizendguldenkruid verkreeg zijn naam door zijn vele goede eigenschappen en werd vroeger dan ook met honderden ponden tegelijk ingezameld, dit voornamelijk op Ameland. Het kruid werd wel in de beurs gedaan om de eigenaar van voldoende geld te verzekeren. Ja, het was duizend gulden waard en iedere ruiter moest, die het plantje voor bij ging, afstijgen om het te plukken en de eerste dame die hij tegenkwam moest de bloem een kus geven. Het was vroeger voor alles goed en dus duizend gulden waard. Dit kruid is hier te lande bij sommige zeer goed bekend met de naam aardgal naar zijn bittere en galachtige smaak. Koortsbloem of koortskruid naar zijn koorts verdrijvende krachten.

 

Centranthus, van Grieks kentron: een spoor, en anthos: een bloem, dit is een verwijzing naar de spoorvorming aan de basis van de bloem. Spoorbloem. Jupiter baard werd het genoemd naar de verwelkte bloempluimen die harig worden. Rode valeriaan omdat het van kransen en bloemen op de echte valeriaan enigszins lijkt.

 

Cerastium komt van het Griekse keras: een hoorn, een verwijzing naar de harde en soms wat licht gekromde vruchten. Na de bloei verschijnen de doorschijnende vruchtendoosjes, de hoornbloem.

 

Ceratonia. De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam caraat of karaat van is afgeleid.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.  Lucas 15: 16 ヤEn hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hemユ. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij Moffat. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Matthe殱 3: 4 ヤHij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilden honingユ. De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G. voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Ceratophyllum komt van het Griekse keras: hoorn, en phyllon: een blad, een verwijzing naar het gehoornde blad.

Grof hoornblad of gedoornd hoornblad is zo genoemd naar de stijve bladslippen die stekelig getand zijn en op kleine horentjes lijken, of vanwege de met twee gekromde dorens versierde vruchten.

 

Cercis. Judasboom. Naar de tekst van Mattheus 27: 5 werd aangenomen dat Judas zich had verhangen aan een boom, wat dan deze boom zou zijn. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Jud仔, boom van Juda. De judasboom groeit in de Tabor eikenwouden van Judea en in Z. Europa. Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte.

 

Ceterach. Schubvaren, schaalvaren of schriftvaren heet zo vanwege de schriftachtige geordende sporangi創. Steenvaren naar de groeiplaats en miltkruid naar zijn medische eigenschappen.

 

Chaerophyllum. In de naam vind je het Griekse chairo: ik verheug mij, en phyllon: blad, dus vreugdeblad omdat het zo'n prettig groene kleur en aangename reuk heeft. Het blad verheugt zich te groeien met vele bladen of heeft daar aardigheid en blijdschap in. Of het woord kan komen van verblijden, en blad, omdat als de bladeren door zwaarmoedige  mensen gegeten worden het hun verheugt en opvrolijkt. Hieruit werd oud-Hoogduits Kerfulja gevormd en via Kervuela werd het Kervol of Kervol tot Kerbel, in midden-Nederlands was het kervel(e) halfweg de 13de eeuw. Het woord kerven heette indertijd kerfan en naar de sterk ingesneden bladeren kan dit invloed gehad hebben op de woordvorming. Kervel zou zo kerven betekenen.

Chaerophyllum temulum. De plant zou giftige eigenschappen bezitten, dieren die er van aten kregen verlammingen en tuimelingen, voor mensen is het gif te gering, vroegere vergiftigingen zullen dan wel van gevlekte scheerling komen, het heet dronken makende kervel of dolle kervel.

De naam nachtegaalskruid komt ook voor omdat het gewas nachtegalen zou aantrekken. Toeters werd het genoemd omdat het dijkbestuur van de Beemster een jaarlijkse schouw hield over onkruiden langs de dijk, die toeterschouw werd genoemd.

 

Chamerion. van het Griekse chamai: dwerg, en neros: vochtig. Het wordt nerion of nerine genoemd naar de roze bloemen die overeenstemmen met die van de oleander, Nerium. St. Antoniuskruid naar de eerste stichter van kloosters, gebruikt tegen tandpijn. Ook werd het wel brand- of vuurkruid genoemd omdat het gewas overal waar brand geweest is snel voorkwam, op plaatsen die verwoest waren door oorlog en vuur en zelfs in het hart van een stad als Londen.

 

Chelidonium, van Grieks chelidon: een zwaluw, een verwijzing naar de bloemen die opengaan met de komst van de zwaluwen. Of omdat zwaluwen het sap gebruiken om er de zere ogen van hun jongen mee te bestrijken, zwaluwkruid. Verder komt de naam ogenklaar en schelkruid voor, klaar makend kruid dat als oogmiddel gebruikt werd. Stinkende gouwe, (van gouden) omdat de plant bij kneuzing onaangenaam ruikt met gouden bloemen.

 

Chelone, is een nimf in de Griekse mythologie die voorkomt in een van Aesopius fabels die weigerde of was respectloos bij het huwelijk van Zeus met Hera en als resultaat werd ze in de rivier gegooid door Hermes en haar huis viel van de heuvel op haar rug en zo werd ze in een schildpad veranderd om zo voor eeuwig te zwijgen. "Khel冢" betekent schildpad in het Grieks en was een symbool van stilte in oude tijden.

De rug van de bloemhelm heeft een grappige overeenkomst met een schildpad. Of de bovenlip van de bloemen lijkt op een schildpad, schildpadbloem.

 

Chenopodium is afgeleid van het Griekse chen: een gans, en pous of podos: een voet, het is een verwijzing naar de vorm van de bladeren en zo is het ook aan zijn Hollandse naam gekomen, ganzenvoet.

Chenopodium botrys. Druivenkruid heeft zijn naam omdat zijn bloempjes, die naast bij en boven de bladeren zeer veel in getal groeien, van gedaante gelijk een eerst bloeiende druif zijn, maar bleekgeel zoals ook de gehele plant geelachtig groen is. Of het heet zo na de lieflijke reuk die zo is al of men een muskadeldruif proefde

Chenopodium foliosum. Aardbeispinazie, het blad lijkt op spinazie en de vrucht op aardbei. Geeft fraaie rode bessen waarvan de smaak niet meevalt.

Chenopodium vulvaria. Stinkende ganzenvoet wordt ook wordt het wel schaamkruid of cuttencruyt genoemd en groeit dan ook waar de honden urineren.

 

Chrysanthemum is van een Grieks woord afgeleid, chrysos: goud, anthemon: een bloem, letterlijk betekent het goudbloemen.

Chrysanthemum segetum waarvan de laatste naam betekent van de graanvelden, gele of wilde ganzenbloem.

Chrysanthemum indicum, goudaster of chrysant. Het is de bloem van het Oosten, de nationale bloem van China en komt in hun wapen voor.

De eerste chrysantenviering in China was op de negende dag van de negende maand, 2000 v Chr.. In de 5de eeuw werd de geboorteplaats van een bijzondere goede chrysantenkweker, Chu-hsien, stad van de chrysanten genoemd.

De chrysant was sier van de tempel en de bloem wordt op porselein, in stoffenmotief en dergelijke afgebeeld. De oude keizerin van China, Hsu, had zelf die bloemen voor haar paleiskamer uitgezocht en een hofdame schrijft: " Elke morgen begeleiden alle hofdames en alle hof eunuchen de keizerin naar de westoever van het meer. Onder haar aanwijzingen snijden we kleine twijgen van jonge planten en steken die in de potten. Ik verwonderde me over die methode maar de keizerin verzekerde me dat die stekken prachtige planten gaven. We begoten de planten elke dag tot ze begonnen te groeien. Tijdens heftige regenval beval de keizerin de eunuchen de chrysanten met zachte stromatten te bedekken".

De chrysant heet in het Chinees ju of hioh, het klinkt hetzelfde als het woord voor wachten of dralen en zet aan tot bezinning. Het is de bloem van de herfst en tevens het symbool voor lange tijdperken. De chrysant is in China het symbool van een nobel karakter, in Japan het teken van moed en een lang leven. Men ziet de chrysant als een geschenk van China voor de gehele wereld.

 

Chrysosplenium, van het Griekse chrysos: goud, en splen: de milt, een verwijzing naar de kleur van de bloem en de veronderstelde medische kwaliteiten. Goudveil naar de goudgele bloemen en blad als veil of viool.

 

Cicer. Het Latijnse cicera werd in oud-Hoogduits Chihhira en in midden-Hoogduits Kicher tot Kichererbse, in midden-Nederlands keker of kuikenerwt naar zijn vorm, kikkererwt is er ook een afleiding van. Sommigen van de beroemdste Romeinse families werden naar peulvruchten genoemd zoals de Lentuli: de linzen, Fabii: de bonen, en Pisones: erwten. Cicero vond het geen schande naar de keker genoemd te zijn. Plutarchus zegt dat hij zijn naam kreeg van een voorvader die een pukkel op zijn neus had. Toen zijn vrienden hem vroegen zijn naam te veranderen antwoordde hij vol overtuiging: "ik zal de naam Cicero beroemd maken".

 

Cichorium werd tot Chicory, chicoree of cichorei. De plant opent zijn bloemen bij zonsopgang en vandaar heet solsequium of de zon volgen en vandaar zonnewende. De solis sponsa komt voor bij Megenberg wat bruid van de zon betekent. Daarna is de wegwart de plant die de weg van de zon aan de hemel bekijkt, de hemelsleutel. Met het drupje lenteblauw als het blauw van de hemel staat de wegwachter met ontroostbaar verlangen te wachten op zijn bruidegom, de zon. De liefde van de bruidegom verwekt in de wegwachter de zonnekracht of vitaminen. De uitgestrekte souterrains van de botanische tuin te Brussel werden door particulie­ren voor de teelt van champignons ge­bruikt. In 1851 bestemde de hoofdtuinman, Bresiers, een gedeelte voor het bleken van cicho­rei. Op een dag ontdekte hij dat zijn cichorei kleine gedron­gen knobbels had gevormd. Het bleek dat zijn laag aarde dikker was dan anders. De nieuwe groente smaakte best en Bresiers begon Brussels lof of witlof te kweken.

Januari heet in Egyptisch tybi, dezelfde tijd als deze groente werd gegeten. In het Arabisch heet het hendibeh. Dit werd in Grieks entubion of entubon. In de keizertijd verschijnt de Griekse uitspraak (indivi) benade­rende Latijnse vorm intybum, dit werd later intiba en in volks Latijn entiba en ook endiba. Onder de uit intybus in Itali gevormde naam Endivia werd in oud-Duits eerst distelsoorten en later deze plant begrepen.

 

Conium. Waterscheerling, in tegenstelling tot Conium maculatum, wordt deze ook waterscheerling genoemd. Het groeit in watergangen en beekmondingen en overtreft gewoonlijk Conium maculatum in gifwerking, Het typische kenmerk van Cicuta is de wortelstok die bij in de lengte doorsnijden zeer veel vakjes heeft waarbij uit de kamers een stinkend geel sap komt dat aan de lucht rood wordt. Bij Conium maculatum zijn het de bruin/rode vlekken op de stengel, hoewel die niet bij alle planten aanwezig zijn. Scheerling komt wel van sceran: snijden (beschadigen) Of van Middelnederlands sceninc; drek of mest, zie Conium.  Dolwortel of dolle of dulle kervel, naar de gelijkenis met kervel. De plant kan ook verward worden met selderij.

 

Cimicifuga is afgeleid van Latijn cimex: een vlieg, fugo: wegjagen, de onaangename geur van de bloemen zou vliegen wegjagen. De plant geurt behoorlijk en zo worden de stinkende wantsen door stank verdreven. Kever- , insecten- of luizenkruid.

 

Cinchona is zo genoemd naar de Gravin del Chinchon, de vrouw van de Spaanse onderkoning van Peru, 1628-1639, die van koorts was genezen door deze plant.  De boom staat bekend in Peru, in de Quechuataal, als quinaquina, waarvan de naam kinine is afgeleid.

 

Cinnamomum. Kaneel heet in midden-Nederlands van 1200 canele en dit stamt uit Frans cannelle van de 12de eeuw, wat weer stamt uit midden-Latijn cannella en dit uit Latijnse canna: riet (stengel) en is zo genoemd naar de vorm (pijpjes) van de gedroogde schors. Kaneel is afkomstig uit de binnenbast van de scheuten en takken. Die bast pelt gemakkelijk af waarna de kaneelstrips rond een dunne stok worden gewonden en de buitenbast verwijderd wordt.

Cassia moet al wel 216 v. Chr. een belangrijke specerij zijn geweest in China. Toen werd de provincie Kleilin gesticht, wat cassia-woud betekent. De naam van de rivier de Kwei wordt vertaald met cassia rivier. De mensen van Assam zijn bekend als Khasi en tot aan deze tijd worden de bergen Khasi Hills genoemd. Waarschijnlijk gaf deze specerij aan de oude handelspost van de zijderoute, Kashgar, zijn naam en tevens aan de N. Indische stad Kasjmir.

Cinnamomum camphora, kamfer. Het heette in oud-Indisch karpura, (nu karpooram) Maleis kapur Baru: Barus kalk, vanwege zijn witte kleur, (Barus was de haven aan we westkust van Sumatra waar buitenlandse handelaars kamfer kochten) later kappura waaruit over Perzisch/Arabisch kafur ontstond dat het grondwoord werd voor alle Europese uitspraken. In laat midden-Nederlands camfer in 1256 tot kamfer.

 

De vruchten van Circaea bezitten weerhaakjes en hechten zich aan voorbijgaande dieren en mensen vast. De plant is zo genoemd omdat de vrucht van deze plant de mensen vat en hen door dit middel tot zich trekt, zoals Circe dit gewoon was te doen met haar betoveringen. Cirke, of Kirke, was de tovenares die op het eiland woonde waar Odysseus schipbreuk leed. De betoverend mooie tovenares had zoveel aantrekkingskracht op de metgezellen van Odysseus dat die met haar meegingen waarna ze hen in zwijnen veranderde. En hier staat zwijn voor lustgrage mensen die aan niets anders denken dan aan hun genot. Heksenkruid.

 

Cirsium arvense. Akkerdistel, doornstiekel, heeft stekelige bladeren. Dikkop of breedkop, de opvallende bloempjes. Levert van de jonge bladeren een prima veevoer en wordt daarom, ossenstekel en paardenstekel genoemd.

Cirsium eriophorum. De wollige distel wordt mannentrouw genoemd. In de herfst wordt de slanke, onzekere stengel van de plant dor, breekt af en zo rolt de onthoofde kop over het veld, "een spel van de wind en vluchtig" als mannentrouw.

Cirsium heterophyllum. Het is de melancholiedistel, dit naar een gedeelte van een tekst uit Dioscorides dat de plantenwortel in de beenaderen die gezwollen zijn van melancholiebloed, helpt en heelt. Hier wordt het ook wel putterdistel genoemd, omdat putters en vinken vaak op deze planten gevangen worden, die daar zaden van eten.

 

Cistus. Rotsroos omdat de bloem wel wat lijkt op een roos, of een grote uitgave van het zonneroosje, met de groeiplaats.

Dioscorides vermeldt dat de boeren bij het krieken van de dag de geiten het veld in sturen die zich te goed doen aan de gewassen, aan deze struiken eten en zo hun sikken vol krijgen met deze gom. Tegen de avond worden ze door de boeren weer opgewacht die dan de sikken borstelen met een speciale kam en zo de laudanum verzamelen.

 

Citrus wordt zo citroen.

Grapefruit, de Engelse naam grape betekent druif, omdat de vruchten vaak gevormd worden in trossen van 3‑12 stuks als een druiventros.

De limoen heet zo naar het Arabische limun, dat uit het Perzisch limu en indirect uit het Indische limu stamt en daarmee is tevens de herkomst aangegeven, vandaar limonade.

Uit de Hollands pompoen en oud Javaans limoes, geleend van Portugees limao (de citrus) ontstond de Indische naam pomplemoose. Dit werd in Frans pamplemousse. Wij kennen de vrucht nu als de pompelmoes of pompelmous.

De naam pomerans gaat op Italiaans arancia terug dat met pomo: appel, toegevoegd werd, pomme d'orange, wat midden-Latijn pomarancia gaf en omstreeks 1490 pamarantze. Pomeranze is het sinds 1539. Cura溝o, een Portugese naam, levert de pomerans van waar uit de schalen een likeur gebrand werd die Curassao heet. Het eiland is naar een citrusvrucht genoemd.

Oranjeappel. De naam begint in Dravische taal van de Malabarkust van India, narayam: gevuld met parfum en vandaar naran-kaj, (narayam: vrucht) dat aangenomen werd in het Sanskriet als narangah (Hindoe naam is narangi). Men had de vrucht vanuit India naar Perzi gebracht waar het narenj: bittere appelsien, genoemd werd. De Arabieren noemden het narang (narandsch) en daaruit werd het Byzantijnse nerantzion gevormd.

Reeds in W. Azi had de vrucht veel van de zoete geur en mooie kleur verloren die het eertijds in India bezat. De kruisvaarders ontdekten deze plant in Palestina. Bij de overgang in 1002 naar Europa, Sicili, verbleekte de vrucht nog meer en het werd in Spaans naranja, Portugees laranja, Italiaans arancia en meloarancia, maar niettegenstaande ontstond de Franse naam pume orenge en pomme d'orange ca 1300, orange omstreeks 1393, naar de daar inlandse naam voor or, aureum of goud. De o is gevormd onder invloed van d.e naam van de stad Orange. Uit het Frans kwam de vrucht bij ons in 1512 en heette nu appel van oraengnen. Ca 1600 werd het orange. De oudere midden-Nederlands naam van de vrucht is echter de appel van aryangen, 1398. Dit is gevormd uit Italiaans arancia of midden-Latijn arangia. Vergelijk hiermee de nog Zuid Nederlandse naam aranjeappel.

De zoete oranjeappel of appelsien, appel-sina, -china is afkomstig uit het bergland ten zuiden van de Himalaya, Z. China.

Bergamotte wordt veel geteeld in Itali bij Bergamo.

De mandarinen zijn door de Portugezen in de Europese literatuur ingevoerd. Mandarinen was de oorspronkelijke Maleise betekenis voor Chinese staatsbeambten, (in het Chinees heet een mandarijn Kwan) Dit betekent dat van alle Citrus vormen de mandarijn het hoogste staat, zoals in zijn thuisland de mandarijn tot de hoogste staatsambtenaren hoort.

 

Claviceps. Moederkoren zijn roggekorrels die door een schimmel zijn aangetast.  Ze vormen een blauwe tot donkerpurper, van binnen roodachtig, en recht opgaande of wat gebogen, tot 4cm lange en 3-4mm worstvormige verdikking.  Na het eten van brood, waar deze korrels onvoldoende waren uitgehaald, verkreeg men hallucinaties. Tegenwoordig wordt er LSD uit gewonnen.

Al 1% kan tot vergiftiging voeren en in slechte jaren kwam er soms wel 30% voor in brood. Deze aantastingen kwamen vroeger veel voor. Door onwetendheid werden de blauwe korrels vaak met het meel vermalen. Om die reden was het bijzonder schadelijk voor de volksgezondheid. Door het eten van dit brood verkreeg men waandenkbeelden. Heksen en daardoor vervolgingen worden wel eens toegeschreven aan het gebruik van moederkorenbrood. Het teveel eten is bijzonder schadelijk, er zijn daaraan verscheidene mensen gestorven. Er wordt wel eens verhaald dat er meer mensen gestorven zijn aan moederkoren dan aan menige oorlog.

Nu is bekend dat het giftig is, toen men de oorzaak nog niet kende noemde men dit verschijnsel Ignis sacer: Heilig vuur, Pestis igniaria: Vuurpest, Mal des Ardens; zieke lucht en St. Antoniusvuur. In de 9de-13de eeuw heerste er onder geheel Europa en vooral in Frankrijk de pest, de Zwarte Dood. De aangetaste lichaamsdelen werden zwart en koud, het vlees viel van de botten en verpestte de lucht.

Omstreeks 1040 leed de zoon van een deze Gaston aan die ziekte. Zijn vader ging op bedevaart naar het graf van de heilige Antonius. Terwijl hij daar knielde kreeg hij een visioen. Hij moest een klooster stichten dat zich geheel zou bezig houden met de verpleging van de lijders van het Ignis Sacer. De edelman stichtte de order van de Antoniters die op den duur 300 kloos­ters bewoonden. De behandeling bestond uit wassingen met een preparaat dat vervaardigd was uit wijwater waarmee relikwie創 waren gewassen en waaraan wat wijn en wat afschraapsels van de stenen van het heilig graf in Jeruzalem waren toegevoegd. In veel gevallen herstelden de pati創ten, al of niet verminkt, van hun kwaal.

Dit kwam omdat de geestelijkheid door zadenreiniging meestal van vergiftiging verschoond bleef. Na hun toevlucht in de kloosters, waar de lijders een gezond brood kregen, herstelden ze zich snel en na thuiskomst was het weer spoedig hetzelfde. Achteraf herstelden ze niet van het water maar van het zuivere brood. Daardoor duurde het zo lang voordat men achter de oorzaak van de kwaal kwam.

De naam moederkoren is al zeer oud en stamt uit de Germaanse mythologie waar korengeesten of demonen kornmutter of roggenmuhme heten.  Als de wind door de rogge gaat, dan rijdt de korenmoeder over het veld zegt het volksgeloof. De zwarte roggekorrels die men oorspronkelijk korenmoederkoorn, Kornmuhme, Mehlmutter, Kornmutter, noemde, waren heilig. Daarom ontstond de afkorting moederkoorn.

 

Claytonia.

 Het vlezige blad is schotelvormig en vandaar schotelkruid, winterpostelein, familie van postelein en blijft lang groen.

 

Clematis flammula, wat brandend betekent en vandaar vuurkruid, vlamkruid of brandkruid. Als je een blad neemt met een hete zomerse dag, het verwondt en het in je neusgaten stopt weet je waarom het vlammend genoemd wordt.

Clematis vitalba. Een andere naam voor de bosrank is lierelei en deze naam heeft iets zingend in zich. Juist door deze plant is het dan ook gekomen dat de nachtegaal 's nachts zingt. Die had vroeger eens geslapen in een boom waarin de bosrank groeide en door die snelle groei had de plant zich 's avonds om de poten van de vogel heen geslingerd zodat die tegen de morgen niet meer weg kon vliegen. Om dat in het vervolg te vermijden, zingt het 's nachts, "nie meer slape, nie meer, nie meer".  Lijnen of lijn komt van lier: binden, en dit van Latijn ligare.

Smookhout of vuurkruid. De oude holle stengel wordt in kleine stukjes gesneden door schaapherders en in pijpen gerookt.

 

Cleome. Kattensnor of spinnenbloem, bloemvorm.

 

Clerodendrum is afgeleid van het Griekse kleros: een kans of lot, en dendron: een boom. Het Grieks kleros is een stuk steen of hout waarop een naam werd aangebracht dat als lot werd gebruikt. Deze boom werd noodlotsboom genoemd omdat er twee soorten van waren, de een is goed en de ander slecht voor de mensen zodat men met ziekte geluk moest hebben of er blad van de goede boom geplukt was.

Pindakaasboom omdat de gekneusde bladeren sterk naar pindakaas ruiken.

 

Clethra komt van klethra, de Griekse naam voor de els, het is een verwijzing naar de veronderstelde gelijkenis van de bladeren. Het is de witte els, of elsbladige schijnels,

 

Cnicus benedictus. Benedictus stamt van het Latijnse bene: goed, en dicere: zeggen, de plant zegt dat hij goed is vanwege de geneeskracht, de plant is dus gezegend. De zegenrijke werking op het zenuwgestel. Daarom werd het Carduus sanctus of Carduus benedictus genoemd, de heilige of gezegende distel. Vandaar benediktenkruid.

 

Coccoloba, Grieks kokkos: bes, Latijn lobus: gelobd, een gelobde bes, een verwijzing naar het eind van de peervormige vruchtaar.  Olifantsoor, de bladeren, stranddruif, zeedruif, groeiplaats en vruchtvorm.

 

Cochlearia stamt van Grieks kochliarion: lepel, in Latijn is dit cochlea, de grondbladen zijn gewelfd als een lepel, lepelkruid.

Het blad van vele aan de kust groeiende kruisbloemige had een goede werking tegen scheurbuik  om welke reden de plant in oud Nederlands en Engels scurvy gras(s), scurby wurt en in Duits Skorbutkraut of Scharbockskraut genoemd werd. Een naam die afgeleid is van het Hollands of Fries.

In de middeleeuwen heette het Brittanica. De legioenen onder leiding van Julius Caesar, in zijn campagne om de Rein, zouden de kennis van dit kruid van de Friezen geleerd hebben toen ze gered werden van scheurbuikachtige ziekte.

Plinius verhaalt in zijn 25ste boek, 3de hoofdstuk, over een ziekte in Nederland waartegen de Friezen een plant gebruikten die ze brittanica of vibones noemden. Die ziekte is kennelijk scheurbuik. Deze plant zou de Vera antiquorum herba brittanica zijn die door de oude bewoners van Brittanni aan de krijgslieden van Caesar gegeven zou zijn als middel tegen scheurbuik.

Het  antischeurbuikkruid was bekend onder de naam brittannica. Dat woord zou afgeleid zijn uit het oud Friese brit en nica. Scheurbuik is een aantasting van het tandvlees, waardoor de tanden eruit vallen. Brit: zou dan iets betekenen van wat dreigt weg te vloeien en samengehouden moet worden, tan: is een afkorting van tand en hica: is uitwerping. Brittannica, het kruid dat die uitwerping tegen zou houden en zo heet ook het eiland.  Volgens anderen was het een Inula die daarom door Linnaeus Inula brittannica gedoopt werd.

 

Cocos, Latijn, van het Portugees woord coquos, laat 15de eeuw, van coco: een grijnzend gezicht, zie Coco de clown. De Portugezen zagen een zekere gelijkenis in de basis van de kokosnoot, met de drie gaten, met de kop van een aap en noemden de boom daarom coquos.

Of dat de naam gegeven werd door Portugese zeelui die de noot, vanwege de drie kiemgaten, vergeleken met de ogen en de neus van de zeekat, Macocco. Het Griekse kokkos betekent vrucht. Kokosnoot.

Copra of kopra stamt uit het Hindoe woord khopra of khapna: drogen, de gedroogde kokosnoot. Dit woord kwam via de Portugezen naar Europa. De copra is grondstof voor olie en zeepbereiding en wordt gewonnen uit het kokosvlees. Dat is na raffinatie geschikt als grondstof voor plantenboter en margarine.

Klappernoot, een verbasterde naam van het Maleise kalapa, is een naam die op Java reeds voor 1400 in gebruik was.

 

Coffea, koffie. Ook in Arabi verdrong, volgens Abd-Alkader-Ebn-Mohammed, de uit Abessini ingevoerde drank een andere drank die kafta genoemd werd. Die laatst genoemde drank werd bereid uit de bladeren van de Cat . (Catha edulis)

Waarschijnlijk ligt hier ook de oorsprong van de naam. Caffa heet de drank in Z. Abessini, kaffa in Ethiopi. Ottomaans kahveh, Perzisch ghahveh, Arabisch qahwah werd in Turks coava, cav, quahve of kahweh en dit bleef in vormen als caffe en cafe in Z. Europa bewaard. Het Duitse woord caf kwam uit Frans caf in 1688 dat nu cafeier is. Arabica-Kaffee, Bergkaffee.

Eerst was de drank hier nog bekend als chaova en in 1598 al als coffe, in 1601 cahve, cauphe etc. In het Nederlands werd het koffie en in het Engels coffee waaruit ook het Russische kofe stamt.. Waar nu over caf gesproken wordt is dit woord afkomstig uit het vroeger koffiehuis.

Uitgevoerd werd de koffie over Mocha en de Rode Zee, vandaar het Engels mocha sinds 1773 en zo mokka.

 

Coix. Lacryma‑Jobi betekent letterlijk jobs tranen, ook de naam jupiters-tranen komt voor of tranengras. Naar de glimmende zaden en Job XVI, 16 en 20. メMijn gezicht is vol met tranen... Mijn oog vult zich met tranen voor God", Christustranenモ.

Als een altijddurend zinnebeeld van Jobs droefheid hangen jaarlijks de grijze en glinsterende zaadkorrels aan deze plant met een trosje neerwaarts gebogen, als tranen.

 

Cola. Colanoten bevatten meer coffe貧e dan de beste koffie. De colanoot is beroemd geworden om zijn medische eigenschappen, als zomerdrank en als lust verhogend middel. Ze werden door de slaven in Brazili en andere landen ge貧troduceerd. Kolanoot is nog steeds een ingredi創t in Coca Cola. De eigenschappen van kola zijn hetzelfde als die van cafe貧e; ze veranderen enkel naar gelang de bindmiddelen die aanwezig zijn.

De zaden of noten bezaten dan ook een grote waarde. Ze worden al sinds onheuglijke tijden door de mensen gebruikt als ruil- en handelsmiddel. In begin 1800 kon men in Guinea voor 50 noten een vrouw kopen. Hier was toch ook sprake van inflatie want een 50 tal jaren later moest men al een paar zakken vol betalen. Het aanreiken van colanoten was in Afrika een verzekering van gastvrijheid en bescherming, zonder dat aanrijken was er geen handel mogelijk.

 

Colchicum, naar zijn groeiplaats Colchis in Klein‑Azi, ten oosten van de Zwarte Zee, Georgi.

Herfst‑tij‑de‑loos, behoort tot de tijdelozen omdat ze schijnbaar eerst bloeit en pas veel later, in het voorjaar, vrucht draagt. Het lijkt of de bloem niet aan tijd is gebonden.

De witte bloemen noemt men soms naecte vrouwen. In de herfst licht de herfsttijloos in het gras als een gloeiend vlammetje. De trotse en op Crocus gelijkende bloemen zitten laag bij de grond en gaan 's nachts en met regen dicht. Nooit was een bloem zo naakt. Ze komen zonder bedekking, zonder bladeren en paarsblauw van de kou naar buiten, reden waarom er allerhande vreemde namen aan gegeven zijn, als naakte mannetjes, vrouwtjes of juffrouwen, Franse dame sans chemise: dame zonder hemd, dame nue: naakte dame, cul tout nu: naakte achterste, veillotte: oude vrijster, naar de opvallende roze kleding of omdat ze laat bloeit.

 

Colutea komt van een oude Griekse naam, koloutea of koluo: afzetten of breken, omdat van deze plant verteld wordt dat het gewas sterft als de takken gesnoeid worden. Of het woord betekent, "ik maak gedruis" als een verwijzing naar het feit dat de peulen met kracht openschieten en dan lawaai maken. Als op de blazen gedrukt wordt geven ze een geluid, een krak, een zachte pop, het is de eerste popplant. Later worden ze rijper en meer luchtig.

Lombaardse linzen omdat ze uit Lombardije komen en een vlinderbloemige is. Seneboom naar de senneplant of Cassia.

 

Commelina is zo genoemd naar Jan (1629-1692) en Caspar (1667-1731) Commelin, Hollandse botanisten in het begin van de 18de eeuw.  Commelina heeft helder blauwe bloemen met twee duidelijk opgerichte kroonbladen en een staat naar beneden en is zo klein dat die vrijwel onzichtbaar is. Er waren drie broers Commelin, waarvan twee, Jan en Caspar bekend waren in de botanie. De derde broer stierf voordat hij iets voltooid had in de botanie. Zo noemde Linnaeus de plant naar de broers, de derde wordt vertegenwoordigt door het kleine bloemblaadje, de andere twee naar de grote kroonbladen.

 

Commiphora gileadensis. Balsem heet in midden-Nederlands van 1285 balseme, dit stamt uit Latijn balsamum en dat weer uit Grieks balsamon en dat weer vanuit een Semitisch woord, vergelijk Arabisch basam. In Latijn wordt de gom opobalsamum genoemd, de gedroogde vrucht carpobalsamum en het hout xylobalsamum. De pure en echte gom is tweemaal zijn gewicht in zilver waard. Struiken in cultivatie werden dan ook door wachters beschermd. Het was een embleem van Juda.

De gom wordt in de zomer verzameld als het bloedheet is. Met een scherp voorwerp worden er in de hogere delen van de stam insnijdingen gemaakt. De druppelende hars werd in doeken opgevangen of eraf gekrabd waarbij er zorgvuldig op gelet moet worden dat geen ijzer de bast van de heilige boom verwondde, dat zou de goden boos maken. Men snijdt de takken met een scherpe steen of scherp been. Die het met ijzer snijdt, versnijdt gelijk zijn krachten en zijn natuur. Ook moet de balm altijd getild worden door een christen, anders zou het niet werken.

 

Conium is afgeleid van Grieks kanao, konos of koneisthai voor wat in een kring ronddraaien betekent, een verwijzing naar de duizeligheid die optreedt bij het eten van deze plant.

Gevlekte scheerling, in midden-Nederlands was het sc(h)eerlinc en scarn in 1456 behoort tot het grondwoord skarn, in het Angelsaksisch scearn, wat mest of drek betekent. Dit is te vergelijken met Griekse woord skor, het Latijnse muscerda: muizendrek, de plant groeit graag op mesthopen of op de gemeste delen van de akker.

Dolle kervel, lijkt op peterselie of kervel maar heeft rode vlekken op de stengels, vandaar gevlekte scheerling, een kenmerk, herderspipen, de holle stengels.

 

Consolida. Riddersporen naar de uitstekende horentjes van de bloem die op de sporen van een ridder lijken.

Het is het St. Ottilia kruid.  De plant was gewijd aan de heilige Ottilie, beschermster van alle lijders aan oogkwalen. Haar beeld heeft 2 ogen op een boek die ze vanwege haar vader uitgehuild heeft.. Ze was de dochter van de graaf van Hohenburg en kwam blind ter wereld, maar kreeg het zicht op haar 14de levensjaar. Ze wil van een aardse bruidegom niets weten en wordt zo door haar vader vervloekt. Ze verlaat het slot, als de vader en de bruidegom naderen en zinkt ze in de aarde. Op die plaats ontstaat een bron. Balletjes werden van de bloemen gemaakt die om de hals gedragen als een voorbehoedmiddel tegen oogziektes dienden.

 

Convallaria, van het Latijnse convallis: vallei, en rica: mantel, aria: behorend bij, dit is een verwijzing naar de dichte bedekking die door de bladeren gevormd worden. Het lelietje der dalen is zo genoemd naar zijn oude Latijnse naam Lilium convallium. "Ego sum flos campi et lilium convallium" zingt het Hooglied van Salomon: "Ik ben een lelie der dalen". meibloempje

Men ziet de bloempjes veel in bruidsboeketten naar het volksgeloof dat het plantje geluk brengt in de liefde. Geliefden dragen het bloempje als corsage of in het knoopsgat mee. Zoals men elkaar hier met Valentijnsdag een bloempje schenkt zo geeft men in Frankrijk vrienden en bekenden op 1 mei een tuiltje van de muguets. Op het fete des muguets of la journee du muguet is dit een bloemrijk middel om de vriendschapsbanden aan te halen. Door dit algemene gebruik trekken hele gezinnen naar buiten om de bloempjes te plukken, weg te geven of te verkopen. Velen geloven dat de meisjes die op deze dag een bloempje kopen het hele jaar geluk zullen hebben.  

 

Convolvulus, winde, slingeroos, pispotjes, de bloemvorm. Bijgeloof, blindebloem, omdat men bij het afvallen van zo'n bloem blind wordt. Klockcruyt, of spuke (spook) bloem, pluk ze niet af, want dan zal er dezelfde avond een spook voor je bed zitten,

 

Corchorus, Grieks koreo: betekent purgeren en kore: een oog, de naam verwijst naar een beroemde kracht als oogheler, zo werd het gebruikt in de tropen.

Een kruidachtige die met zijn sterk gewelfde wortel in oud-Indisch jata heet, in Hindoestaans is het jhuta: kruis en in Sanskriet is het gat: een kruid met gewelfde wortels. Door bemiddeling van een Engels koopman in Calcutta, waar de Engelsen het jute noemden, kwam de vezel in Engeland, waarin 1832 de eerste jutespinnerij ontstond. In Duitsland, waar het later ingevoerd werd, sprak men eerst over Sdchute en nu Jute.

 

Cordia. In Itali heet dit gewas sebesteno en de vruchten sebesten, in het Latijn ook Sebestae die daar van Egypte droog gebracht worden net zoals hier te lande. Ook wordt er een soort van vogellijm van gemaakt.

De boom draagt een eivormige en oranjerode eetbare vrucht die gedroogd zwart zijn. De zaden kwamen gedroogd wel naar Europa en werden gebruikt bij hoesten en heesheid en werden bekend als zwarte borstbessen. Uit het hout, rozenhout, zouden mummiekisten van de oude Egyptenaren gemaakt zijn. Cyprushout of rhodoshout. Het hout is een van de beste om vuur door wrijving te maken.

 

Coreopsis is afgeleid van het Griekse koris: wandluis of teek, en opsis: gelijkend, het is een verwijzing naar de vorm van de zaden, vandaar de Engelse naam tickseed, onze wantsenbloem of luizenbloem.

Waarschijnlijker van het Griekse koris: een meisje, opsis: ogen, onze meisjesogen.. Als Linnaeus het van koris had afgeleid dan had de naam wel Coriopsis moeten zijn.

 

Coriandrum: Hier te lande wordt dit gewas meestal coliander, hieruit kwam het midden-Latijn Coliandrum. De vorm Coriander verscheen in Duitsland eerst na 1450 en is nu koriander. Terwijl een tweede vorm in het oud-Hoogduits Kullan­tar en in midden-Hoogduits Kullander, Kalanner, Goliander, Kaliander, Klanner en zo het midden-Nederlands kalader gaf.

Het bekendst zijn ze wel als geboortemuisjes, waar de aromatische zaden bedekt zijn met een suikerlaagje die daardoor eirond worden. Bij de meisjes zijn ze meer kogelrond gevormd omdat die komen van de ronde zaden van de anijs, bij een jongens worden korianderzaden, die een staartje hebben gebruikt.

 

Cornus is afgeleid van het Latijnse cornus: een hoorn, omdat het hout even hard en duurzaam is als hoorn. Kornoelje.

 

Coronilla, Latijn corona: kroon of krans, naar de kransachtige bloemenstand. Kroonkruid of kroonwikke. In de middeleeuwen heette het Securidaca of Pelucinos: bijlkruid.

 

Coronopus van Grieks korone: kraai, pous: voet, de bladvorm. Ravenvoet of kraaienvoet, varkenskers heeft wat de smaak van kers.

 

Cortaderia is een naam die afgeleid is van Cortadero, de inlandse naam in Argentini. Of van het Spaanse woord voor snijden omdat de bladranden in sommige soorten pijnlijk gezaagd zijn.

Pampa gras, van Spaans pampa, meervoud pampas, van Quechataal pampa: een vlakte, een plant die groeit in de pampaユs.

 

Corydalis: van het Griekse korydalis: een leeuwe­rik. De spoor van de plant lijkt op die van de kuifleeuwerik. Bijna alle namen zijn aan vogels ontleend, onder andere haantjes, kippetjes en duifjes. De bloemetjes staan horizontaal op een dun steeltje en hebben de vorm van een vogeltje vandaar dat ook de naam vogeltje op een kruk nog wel eens voorkomt.

Holwortel wordt zo genoemd omdat de knolvormige wortelstokken in de bloeitijd komvormig zijn uitgehold.

 

Corylus. Turkse hazelaar, afkomst. De hazelaar, oud-Hoogduits Hasala, midden-Hoogduits Hassel, Hasle of Hasel, midden-Nederlands hasel, Angelsaksisch haesel of hesel en het Engelse hazel voeren op Germaans haslaz terug dat uit de Indo-Germaanse wortel qos(e)lo: hazelaar gevormd is. De naamverklaring dat dit een bosje vormt waaronder hazen legeren is niet juist, mogelijk omdat de manlijke bloeikatjes met de haas vergeleken werden. Of van Angelsaksische haes, wat bevelen betekent. De hazelaarstaf was daar een teken van gezag.

Corylus maxima komt uit Lombardije en vandaar uit foutief onze lambertnoot of lammertjesnoot, ook wel Italiaanse-, Roomse-, Lyoner- of Barcelonanoot.

 

Corynephorus. Buntgras of bentgras. De naam komt voor in de plaatsnamen Bentley, Bensted en Bentham, bij ons Bentveld wat stamt uit benetfelda, vergelijk oud-Saksisch Binitin: biezen, oud-Hoogduits Binuz, nieuw-Hoogduits Binse, oud-Engels beonet: riet. Zo is ook de streek Benderse genoemd naar een weide met buntgras en verder De Bente, Bentelo, Benthuizen, en mogelijk Buntschoten.

 

Corypha: Schaduwpalm, parasolwaaierpalm, de grote bladeren worden gewoven over mensen van stand. Tallipotboom, talipot is aan de Hindoe spraak ontleend, Sanskriet, en betekent ヤblad van de dadelboomユ.

 

Cotoneaster komt van Cotoneum: Plinius naam voor de kwee, en aster: een verbastering van ad instar, gewoonlijk wordt dit gebruikt om een gelijkenis aan te duiden, literair, kweegelijkend. Dwergmispel, naaste verwant van mispel.

 

Cotyledon: een ronde schaal of navel, naar de holach­tige delen van het lichaam. Navelkruid naar de ingedrukte navelvorm van het blad.

 

Crassula is afgeleid van het Latijnse crassus: wat dik of vlezig betekent. Vetplant of dikblad.

 

Crataegus.

Crataegus crus-galli, Hanendoorn, -spoor, dit naar de mooie dorens.

Crataegus azarolus. Mispel met drie stenen.

Haghedoren of haagdoorn, meibloem, de bloem van mei.

 

Crepis in de betekenis van halfschoen, zool of sandaal, dit naar de vorm van het wortelblad. Mogelijk werd deze plant om bepaalde redenen, bijvoorbeeld onschendbaarheid of voetziekten, onder de voetzolen gedragen. Of in de betekenis oever, omdat paludosa en virens daar voorkomen. Pippau, naar de rietachtige bloemstengel,  pipa: riet, (vergelijk pijp) ippau komt uit het Slavische (Pools pepewa) en geldt vooral voor de verwante paardenbloem.

Streepzaad, naar de zaden of lange bladeren?

 

Crinum. In het Nederlands wordt het gewas meestal aangeduid als haaklelie. Die naam is afgeleid van het Griekse krinon: dat ook lelie betekent. De verwijzing naar dit bolgewas komt onder meer door de bloemvorm, die wel iets van een lelie heeft. Toch zijn ze niet aan elkaar verwant, lelie behoort tot de Liliaceae en Crinum tot de Amaryllidaceae.

 

Crithmum. Lobel noemt het ook zeevenkel en niet zeepostelein zoals sommige doen, in het Latijn Foeniculum marinum.

 

Crocus, ook het Griekse krokos betekent saffraan. Waarschijnlijk is dit afgeleid van kroke: een draad, naar de winning van saffraanstempels. Of naar zijn afkomst, de stad Coricus in Klein-Azi. De saffraan Crocus kan natuurlijk niet buiten de krokodil. Crocodil betekent crocus-vrezer, het creatuur vreest de plant omdat het een antimiddel bevat tegen zijn gif, wordt de krokodil naar een plaats gebracht waar saffraan groeit, dan zijn zijn krokodillentranen oprecht. In het Arabisch betekent het woord asfar: geel, en za'faran: met geel verven, Perzisch zaafer. In de Semitische taal is het een attribuut van en de morgen- en de avondzon. Van die taal is het Engelse saffron, het Frans safran en het Hollandse saffraan afgeleid.

Crocus vormen, grootbloemige tuinkrokussen, ideaal crocus of Hollandse crocus hybriden, heten in Engels Dutch crocus.

 

Crozophora betekent verf drager. Tournesol betekent zonnewende. Deze tournesol of tournesolsche lappen (tournefol en drapeaux) was een handelsartikel waarvoor we een paar eeuwen geleden nog voor een 100- 200 000, - gulden aan invoerden. Dit werd gebruikt voor het rood verven of smeren van de wereldberoemde kleine kaassoort die de naam had van Edammer roodkorsten. Het gaf de kaas de rode kleur en bewaarde die voor uitdroging omdat de kleurstof niet door de korst heendrong.

 

Cucumis is Latijn voor komkommer. Het woord is afgeleid van curvatura: omkromming, omdat de ranken zeer krom zijn.

Het Slavi­sche woord gurken of pluzern drong op verscheidene plaatsen het oosten van Duitsland binnen. In 1362 wordt al over de Kurke verhaald, later Gurke, Augurken. In 1582 verschijnt het Nederlandse augurk(je) In het zuiden en westen zijn, sinds de 13de eeuw, naamvormen ontstaan vanuit het Latijnse cucu­mer-eris als Kummerling, Kukummer, Kumkummer, Kummer, Kummern, Umurke, in de 14de eeuw cocumer dat in de 15de eeuw veranderde in het Franse concombre (onder cornichons verstaat men de augurken, van corne: hoorn, vruchtvorm) In het Nederlandse werd het couworde, cucumeren of couworde en tenslotte komkommer.

 

Cucurbita. Reuzenkalebas komt van Frans calebasse en dat van Spaans calabaza en dat stamt van Arabisch qar: pompoen, en aibas: droog. Pompoen, Engelse pumpkin is een verouderde vorm van het eerdere pompion in de 16de eeuw en dit van de in ongebruik geraakte Franse pompon, in de 15de eeuw pepon en dit van Latijn pepo (peponum) en dat van Grieks pepon: gekookt door de zon of rijp, dat gekort is van sikyos pepon, de rijpe sikyos, de naam van een meloen die gegeten werd als ze volkomen rijp waren.

 

Cuminum betekent voortbrengen omdat het kruid zeer krachtig zou zijn tegen onvruchtbaarheid. Volk etymologie verbindt het woord met de Perzische stad Kerman waar, zoals het verhaal gaat, de meeste van de oude Perzische komijn vandaan kwam. De Perzische uitdrukking "komijn naar Kerman brengen" is hetzelfde als water naar zee brengen. Van Kerman, plaatselijk "Kermun", zou "Kumun" en eindelijk "cumin" komijn gekomen zijn.

Vergelijk Carum, de karwij, wordt er veel mee verwisseld. Carum is inlands in tegenstelling met deze plant die gekweekt wordt in de hof wiens namen ze wel gekregen heeft, maar is dan veldkummel of witte kummel.

 

Cuphea komt van Grieks kuphos: gedraaid of bochel, het is een verwijzing naar de vorm van de zaadpeulen, of omdat de kelk een bochelachtige uitzakking vertoont. Lucifersplantje omdat de lichtrode kelkbuis eindigt op een donkere vlek, er zijn alleen kelkbladen en geen kroonbladen,

 

Cupressocyparis. In 1888 kwam op Haggerston Castle, Northumberland, het stuifmeel van de Cupressus macrocarpa op de vrouwelijke bloeiwijze van Chamaecyparis nootkatensis terecht. Dit leek volkomen normaal, ze behoorden toen tot 1 geslacht. Later bleek pas dat dit dus bastaarden waren. In 1911 ontstond op Leighton Hall, Welshpool, de kruising in omgekeerde volgorde. Hieruit ontstond x Cupressocyparis leylandii, Dall. Die werden gekweekt door C.J. Leyland, een zeekapitein die ze op zijn landgoed kweekte, Haggerston Castle, in Northumbria, 1888. De nootka cypres heet nu Xanthocyparis. Waar de Nootka cypres behandeld wordt als een Chamaecyparis wordt de naam van de hybride x Cupressocypas lelylandii en waar de Nootka cipres gezet wordt in Xanthocyparis, wordt het x Cuprocyparis leylandii. Leyland cipres

 

Cupressus. De naam cipres is ontleend aan oud-Frans cipres en dit van Italiaans cipresso dat uit Latijn cyparissus (ouder cupressus) stamt. De naam is net als het Griekse kyparissos of kuparissos, maar onafhankelijk daarvan uit een klein-Aziatische spraak overgenomen uit de gelijke Hebreeuwse betekenis gofer. Dat de cipres door Semitische landen naar Griekenland ingevoerd werd lezen we in de Griekse naam, kupros, cupar of cuper, in oud Hebreeuws gofer, (koper) Genesis 6: 14, zonder twijfel uitgedrukt. "Maak u een ark van goferhout". (Vergelijk Cyperus, van het Hebreeuwse kophur: hars)

 

Cuscuta. Schorfte, het is als schurft, dotter betekent tezamen gedraaid, vlasdoder. Vlaswarkruid, viltkruid, zijde op het vlas omdat het andere planten omspint als zijdehaar. Duivelsnaaigaren, het is duivelswerk..

 

Cyclamen. De namen varkensbrood is een vertaling van middeleeuws Latijn panis porcinus: varkensbrood,  omdat die dieren het eten. Is giftig, 10 gram zou voor de mens dodelijk zijn, voor zwijnen niet, wel weer voor vissen. H. Bock; ヤDe naam van net gedachte aardrapen zijn al in tweede deel boven onder dat 19de kapittel der aardnoten beschreven, alleen wil ik hier iedereen waarschuwen dat ze deze ruwe bittere appel of raap niet voor zeugenbrood houden, dan geen zeug of ander dier of mens zal deze wortel graag als spijs gebruiken zoals ettelijke vals daarvan leren, daarom willen we zulke kruidmeesters deze rapenwortel graag zelf als spijs laten zodat ze ervaren wat ze kan en hoe goed ze te eten zijnユ.

 

Cydonia is genoemd naar zijn inlandse plaats Cydon, nu Canea, te Kreta.

De door Etruskische bemiddeling van de Grieken ontleende Latijnse naam cotona, volks-Latijn codonea verschijnt in de 11de eeuw in oud-Hoogduits als Kutinna. Voor Griekse leenwoorden is het Latijnse qui een gewone schrijfwijze en vandaar de oud Hoogduitse vorm, sinds + 1100, Qitina, waaruit midden-Hoogduits Kut(t)en stamt, Frankisch quidena en midden-Nederlands quede of quee. Vergelijk oud-Hollands queen en Engelse quince, (Shakespeare quince in Romeo and Juliet iv,4,2: "They call for dates and quinces")

In Amerika is quince echter een scheldnaam, zoveel als zuurpruim, en kweene of kwee is bij ons een verachtelijk woord voor wijf, bij de Engelsen een hooggeplaatste vrouw, The Queen. Rauw zijn ze niet goed te eten, maar worden tot marmelade gemaakt wat een Spaanse naam is voor klaar gemaakt kweevlees.

 

Cymbalaria betekent bekken of boot, het blad is in het midden verdiept. Of naar de beweging van de bloemsteel na de bloei, die kromt zich van het licht af en lijkt zo op een gebaar van een trommelslager. Het heet bij ons cymbalaria van Itali.

De naarstigheid van de kruidbeminnaars heeft dit kruid hier te lande zeer vermenigvuldigd en namelijk te Delft in Holland is het door de hooggeleerde D. Willem vander Meer zo algemeen gemaakt dat er nauwelijks brug of enig stadsgebouw of oude muur is of het is daar sierlijk mee bekleed. Dus zal het mettertijd voor een inlands gewas mogen gehouden wordenユ.

In Brussel heeft het de naam van Plantje van Sinte Gudula of Sinte Goedeles plantje gekregen omdat men het op de kerk van St. Gudula altijd vinden zal en vandaar ook muurleeuwebek.

 

Cynara.         Kardoen komt van Frans cardon uit de 16de eeuw, van carde: stekelige bloemhoofden, van Proven溝als en Italiaans cardo: distel, van Latijn Carduus.

Artisjok is zo genoemd naar het Engelse model, artichoke en in de 16de eeuw artochokes wat weer van het Franse artichaut afgeleid is, wat weer van N. Italiaans articiocco komt wat ontleend is aan Spaans alcarchofa. Dit zou, volgens de oude schrijvers, een verbastering zijn van het Arabische alcocalos of al-charschuf (charsjof) of een verwijzing zou zijn naar de top die eruit ziet als een dennenappel. Of van Arabisch ardhischoke, ardi shauki , Arabisch voor gronddoren ardhi: aarde, schoki: doren, aarddoorn, vergelijk Duitse Erdschoke.

 

Cynodon, Grieks kyon: hond, odon: tand, de tandachtige afdruk bij de knopen op de wortelstok, hondsgras. Handjesgras omdat er meer aren bijeen staan aan de halm

 

Cynoglossum is een samengesteld woord, het Griekse kyon (in Latijn canis) is de bekende hond, en glosse is een tong en zo wordt het hondstong, het ruwe blad. Hondstong, omdat het de tong van een hond vastbindt.

 

Cynosurus, het Griekse kyon (Latijn canis): is een hond, met het woord voor staart: oura, is het een verwijzing naar de lange stoppelige bloeiwijze.

Kamgras en vanwege de stekelige aren die er als een (hanen) kam uitzien of omdat elk aartje aan de voet een kamvormig ingesneden bladachtige vergroeiing heeft

 

Of Cyperus stamt van Cypris (Venus) naar zijn minnedrift verwekkende eigenschappen. Of van het Hebreeuwse kophur: hars, dit naar de wortelstok van C. longus die in de parfumindustrie gebruikt wordt (vergelijk Cupressus) Of van een oud Grieks woord voor een bies, Juncus. Wilde galigaan als vervanger voor de echte galigaan, Alpinia.

Het papyrusriet werd het symbool van het Egyptische laagland. Het woord papyrus en dus ook ons woord papier is afgeleid van het oude Egyptische woord "pa-per-aa": dat "van de farao of koninklijk materiaal" betekent. Via het Griekse papyros verscheen ons woord papier. De Egyptenaren hadden een monopolie van dit papier maar de Fenici喪s beheersten de handel hiervan, via hun haven Byblus. Bij de Grieken kwam dit papier dan ook uit Byblus. Hun naam ervoor was dan ook byblus en vandaar kwam de uitdrukking biblion (boeken) en tenslotte onze naam voor het Boek der Boeken, de Bijbel.

 

Cypripedium: Kypris is een naam voor Afrodite of Venus, Cypres was de hoofdzetel van haar cultuur. Venusschoen, papenschoen, vrouwenschoen en Mariaschoen.

 

Cystopteris komt van Grieks kystos: een zak of blaar, pteris: een varen, naar de zak of blaarachtige bedekking van de sporen. Blaasvaren.

 

Cytisus. Brem, in midden-Nederlands bram en halfweg de 13de eeuw was het brem(me) vergelijk oud-Hoogduits Brema of Bram en oud-Engels brom, is ook verwant aan onze braam. Gram betekent in Hoogduits een priem of doren, is zo verwant aan braam. De basis lijkt een doornige of warrige struik te betekenen. Zo is het mogelijk dat plaatsnamen als Den Braam afgeleid zijn van brem of braam, zo ook Braamberg, Braambosch, Braamt, Brammelo, Brem, Brembosch en Brumholt. Bezems werden ervan gemaakt, bezembrem, bijenkorven, dakbedekking en als stro in de stallen gebruikt.

 

Daboecia is een vertaling uit de Ierse naam fraoch Da-bheog, (St.) Dabheogユs heather. Dat was een lokale naam volgens de ontdekker Edward Lhuyd. (1660-1709) St. Dabeoc was een missionaris uit Wales in Ierland. Van Lhuyd kreeg Ray te horen dat "bijgelovige jonge vrouwen twijgen van deze struik bij zich droegen tegen onkuisheid". Ierse heide of kruipheide.

 

Dactylorhiza Grieks daktylos; vinger, rhiza; wortel, verwijzing naar de vijfvingerige wortel, vandaar ook handekenskruiden, de knollen lijken op een hand met vingers. Vroeger werden ze geplaatst onder Orchis, maar die heeft twee ronde knollen. De middeleeuwse betekenis Herba quinque digitorum; kruid met vijf delen, Palma Christi; Christus palm, Pentadactilus; vijfdelig, Priapus en Satirior, zijn namen voor alle soorten met handvormige knollen, de namen zijn naar de vijfdelige knol. Adam en Eva, Ka貧 en Abel naar manlijke en vrouwelijke bollen, als satyrsknollen.

 

Daphne:, de dochter van de riviergod Peneus die in een struik werd veranderd om aan Apollo te kunnen ontkomen en is daarom een teken van kuisheid. Peperboompje omdat de zaden in de mond branden als peper. Bij ons is de plant ook bekend als  blaarschors, omdat ze net als de Spaanse vlieg blaren op de huid trekt. Nederlands garouboompje, vergelijk het woord wat in Frans garoutte of garou, loup-garou bewaard is gebleven. Hieronder verstaat men een in wolf veranderde duivel in de betekenis weerwolf. De plant werd vanwege zijn giftigheid zo genoemd,

 

Datura komt uit het Sanskriet dhutra, waar het in Perzisch/Arabisch tatura werd, tatorali of tatorah is de inlandse naam in O. Indi, wat samenhangt met het Turkse tat dat steken betekent. Of dat de naam via het Hindi dhatūrā  teruggaat naar het oud-Indisch woord dhattura, waarmee een plant met gestekelde vruchten werd aangeduid. Of van do of dare: geven, omdat het kruid door hoeren aan krachteloze mannen werd gegeven. Doornappel, dolappel, het gebruik en zo duivelskruid of duvelkruut, dit in Twente en omstreken. Het gebruik van Datura als magische plant was en mogelijk is er nog gewoon in de Caribben. Daar is het bekend als 'herbe aux sorciers' (herb of the sorcerers, tovenaarskruid) en 'concombre-zombi' (Zombiekomkommer). Die naam herinnert aan een sinister gebruik van de plant, literair zombificatie. Vooral misdadigers waren het slachtoffer van deze praktijk. Misdadigers die zich niet wilden verbeteren door andere middelen werden tot zombies gemaakt. Een sterk brouwsel die Datura bevatte met andere planten en de extreem sterke extracten van het puffer-fish gif (d-tubucucurine) werd aan hen gegeven. Daardoor werden ze afgestompt tot het punt van pseudo-coma om hun fysieke gevoelens te verdoven. In die staat is het voor een persoon onmogelijk om op enige stimulans te reageren, ofschoon ze zich er wel bewust van zijn. De toekomstige zombie wordt dood verklaard en in een kist geplaatst met een luchtbuis en de begrafenisceremonie wordt gehouden. Na een 3 dagen wordt hij opgegraven en krijgt weer een dosis. Dat gevolgd wordt door een ヤinwijding in het leven na de dood, waarin hij gehersenspoeld wordt volgens de regels van de nieuwe orde. Vanaf die dag krijgt hij geregeld een dosis Datura om zijn hynose staat te behouden. De geest van het slachtoffer wordt zo literair gedwongen om er uit te komen en er uit te blijven en de zombie verliest alle gevoel of zelf identiteit.

 

Daucus. Na de bloei krommen de bloemstralen zich naar binnen en vormen zo een kroon of vogelnest, kroontjeskruid. Karoton was een Griekse naam voor de gekweekte rode peen, van  het Griekse karotos: saffraankleurig. Uit het Grieks kwam de naam in het Latijn waar het carota werd. Zo kwam de naam in het Europese westen waar de lange o in zuid Nederlands karoot werd.

Peen heet het bij ons, enkelvoud pee, vroeger peeen, de grondvorm moet pede zijn geweest: wortel, stante pede?

 

Delphinium is afgeleid van het Griekse delphin: een dolfijn, een verwijzing naar de gelijkenis van de sporen met een dolfijnhoofd. Of naar Delphi waar zich het orakel van Apollo bevond, de plant was aan hem gewijd. De aan Apollo gewijde ridderspoor ontving de naam Delphinion: de bloem van de Delphische Apollo.

Ridderspoor, de blauwe kelkbladen lopen in een spoor uit.

Griekse staphys betekent een rozijn of gedroogde druif, en agria: wild, naar de gelijkenis van het blad met die van de druif. De zaden worden staverzaad en stephanskruid genoemd, die namen zijn uit staphisagria ontstaan. Luiskruid wordt gebruikt tegen luizen, giftig rattenpeper tegen ratten.

 

Derris, van Grieks derris: huid of leer, een verwijzing naar de leerachtige zaadpeulen die niet openen. Behalve als moorddadig vismiddel zijn de wortels in gebruik als uiterst doelmatig insecticide, het bekende derrispoeder. De Chinezen gebruiken het wortelpoeder al eeuwen lang voor de verdelging van ongedierte op het hoofd en kleren, tevens ter bestrijding van schadelijke insecten in de peper. Een aftreksel is een zeer werkdadig middel om aanplantingen van rupsen en andere schadelijke dieren te zuiveren. Bovendien hebben de planten er geen last van. Een dubbel zo sterk mengsel als voor de planten wordt aan honden gegeven om die te wassen als die last hebben van vlooien en teken. Alleen als de hond schurft heeft mag de derriswortel niet toegepast worden.

 

Deschampsia. Smeele, Duits heeft Rasenschmiele, Schmiele of Schmele dat van schmal is afgeleid, Middelhoogduits smelhe, waarschijnlijk naar uitstralende glans van bloeiende delen, schmelz: de glanzende. Zo heet Smilde letterlijk in smele. De plaats is gesticht midden tussen dit gras.

 

Descurainia. Sofiekruid. Sophie is afkomstig uit het Grieks, wat wijsheid betekent. Dit zou daarop slaan dat het kruid vroeger veel door heelmeesters gebruikt werd als wond helend middel en zo de titel kreeg van Sophia Chirurgorum of wijsheid der heelmeesters.

 

Dianthus. De eerste soort van dit gewas en de gewoonste wordt hier te lande keykens of tuiltjes genoemd al of men tuiltjes of bundeltjes of ook hoopjes van bloemen zei omdat deze bloemen veel bijeen plegen te groeien als in een hoopje, tuiltje of bundeltje verzameld. ヤSweet St. Williamsユ, omdat ze bloeien op de feestdag van H. William van York. Het bloeit ook volop op de dag van een andere St. William, 25 juni. Dianthus barbatus kreeg zijn Latijnse naam barbatus, naar de gebaarde vorm van de bloem. De karthuizer anjer wordt niet genoemd naar zijn vindplaats, maar naar Frederik en Johan Karthauser, botanisten/kloosterlingen. De tweede soort van anjers die in Nederland pluymkens of pluimpjes heten naar hun mooie bloem die zeer gesnipperd en als pluimen of veertjes van vogels klein doorsneden zijn wordt om dezelfde oorzaak in Hoogduitsland ook Mutwillen of Hochmut genoemd en daarom ook in het Latijn van sommige Superba al of men hoogmoedige bloem zei.

Van de 7de tot de 13de eeuw werd de naam nagelkruid gebruikt voor de specerij groffelsnagels of kruidnagels naar de gedroogde bloemknoppen. Van de specerij is de naam in de 15de eeuw op de tuinanjer overgegaan vanwege gelijkheid van geur en bloemvorm, Dianthus caryophyllus, ginoffel of groffelbloemen. De naam anjelier is een uitsluitend Nederlandse naam. Het komt in oudere vormen al in laat midden-Nederlands voor als angiere of angeliere, die men van de Italiaanse plaats­naam Anghiera, thans Angera, afleidt. Het betekent zoveel als engelkruid.

 

Dicentra. Vele namen heeft deze plant gekregen door de vorm van de bloemen, bijvoorbeeld Mariahartje en Adam en Eva. In het buitenland werd het wel Volendammertje genoemd, naar de vorm van die broeken,  Dutch of Dutchmanユs Breeches, gebroken hartje, Mariatranen of druipend hartje.

 

Dictamnus. Het mooiste van deze plant, waar het zijn naam aan te danken heeft, vuurwerkplant of brandend bos dat het kruid op warme dagen een vluchtige aangename olie afgeeft die brandbaar is. De plant kan dan het beste vlak voor de bloei in brand worden gestoken, onder de bloem dicht tegen de stengel aan de lucifer houden. Die brand is snel over en de plant heeft er zelf geen last van.

 

Digitalis komt van het Latijnse digitus: vinger, en achtervoegsel alis: achtig, de bloem lijkt op de vinger van een handschoen. Vingerhoedkruid. Verder komen voor: Judasbeurzen, slangenbloem, poppenschoentjes en pijpenkop.

 

Dimorphotheca. Het regenbloempje en Franse souci hygrometre. Wordt ook wel barometerbloem genoemd, in het morgenrood voorspelt ze het weer. Is de bloem 's ochtend om 7‑8uur gesloten dan komt er regen, gaat die open dan volgt er een dag met mooi weer.

 

Dionaea, de uit Dione, de moeder van Venus, geborene.

Venus vliegenvanger, ook wel Hollands vliegenvangertje genoemd omdat het telen van deze plant veel bekwaamheid vergde wat onze telers wel lukte Venusvliegenval.

 

Dioscorea. De naam yam stamt uit een Afrikaanse negerspraak, nyam. De negers brachten het gewas naar Amerika toen ze daar aan het werk gezet werden in vroegere dagen. Het woord werd gebruikt voor de echte yam of andere groot wortelende voedselplanten in Afrika. De Portugezen noemden het inhame, in het Spaans ingame, wat door een Spanjaard veranderd werd in igname in 1534, oud-Engels, 1598, iniamo. De eindvorm yam werd in 1769 bereikt. Diosgine wordt gewonnen uit de knollen van bepaalde soorten van Dioscorea als Dioscorea villosa L. (wilde yams) die voorkomen in Mexico. Diosgene vormt een uitgangsmateriaal in de gedeeltelijke synthese van geslachtshormonen en anticonceptionele medicamenten. In de 18de en 19de eeuw werd de wilde yam gebruikt bij menstruale krampen en problemen bij geboorte. Ze ontdekten vervolgens een stof die de farmaceutische wereld op zijn kop zette. De knollen of vlezige delen bevatten diosgenin die gebruikt wordt in de productie van de hormon progesteron. Diosgenin heeft een sleutelrol in het maken van hormonen en ontwikkeling van de pil  verder voor menstruele krampen, morgenziekte bij in verwachting zijn, menopauze symptomen, osteoporose en dergelijke.

 

Diospyros. Diospyros, hierin zit het woord dios: goddelijk, en pyros; peer, of puros: tarwe, letterlijk een goddelijk voedsel.

Lotusboom, Engelse date plum, uit Perzisch Khormaloo; dadelpruim naar de smaak van de vrucht die op pruim en dadels lijkt.

Deze soort zou vermeld zijn in de Odysseus die zo heerlijk was dat ze hun land vergaten, de lotus-eters. Zie Cordia.

In oud-Egyptisch, wiens klinkers we niet kennen, heet het hout hbnj, (in Arabisch en Turks is het abenos, in Hebreeuwse Eben: steen, ebenezer: steen van mijn hulp) dit woord werd tot Grieks hebenos of ebenos en dit tot Latijn (h)ebenus. Vandaar stamt laat oud-Hoogduits Ebenus, midden-Hoogduits Ebenus, het Hebbenholtz van Luther in 1532 1 Kon. 10: 11 en zo werd het Ebenholz of Ebenaster, in Nederlands ebbenhout.

 

Dipsacus is een woord dat afgeleid is van het Griekse dipsao: dorst, een verwijzing naar de holte die gevormd wordt door de bladeren, vergelijk diabetes met een symptoom waarvan men ook dorst krijgt. De bladeren verenigen zich stengelomvattend en vormen zo een dauw/regenreservoir, vandaar dat dit lijkt op een badkuip, het is de Venuswasbekken. De holte werd vergeleken met het bad van Venus. Kinderen nemen van dit water met de toppen van hun vinger en maken het kruisteken. Dit vocht heeft, naar het volksgeloof, de kracht van wijwater. Wie er zich mee het gelaat wast, wordt schoon indien hij jong en jong indien hij oud is. Aan dat Venuswater werden wonderbare werkingen toegeschreven, het zou bijvoorbeeld wratten wegwerken en vlekken, gold als cosmetica en als kuur voor ontstoken ogen. Daarmee werd het wol of katoen gekaard, kaardenbol, kaardendistel. Ons kaarde of karde kwam in midden-Nederlands als caerde voor in 1293-94. Het oud-Saksische Karda betekent kaardendistel en dit woord stamt eveneens uit volkslatijn Carduus: distel. Van de kaardendistel ging de naam over naar het nagemaakte werktuig waarmee de doekmakers de wol uitvlokken, de ijzeren wolkaarde. Kaarden heeft nu de betekenis van kammen.

 

In de Griekse mythologie betekent dodeca: twaalf, en theos: god, samengevoegd wordt dit Dodecatheon, wat de bloem van 12 goden betekent. In de oudheid was de twaalfgodenplant een beroemde plant waarbij uit een gele wortelstok zeven op sla gelijkende bladeren zouden groeien, wie deze bladeren at zou van alle kwalen genezen. Zo werd de plant het zinnebeeld van de 12 voornaamste goden en godinnen.  Linnaeus heeft het kruid de naam twaalfgodenkruid gegeven omdat deze plant op elke steel minstens 12 bloemen heeft die neerhangend een vergadering van de goden zouden voorstellen. Symbool voor "je bent mijn afgod".

Vallende ster of shooting star wordt het in de volksmond genoemd omdat de bloemen vol beweging lijken, net als de meeldraden die in 1 punt samenkomen waarbij het lijkt of ze zo weggeschoten kunnen worden, de bloembladen vallen erachter, als de staart van een komeet. Amerikaanse primula.

 

Draba. Hongerbloempje of taskruid,  het zachte plantje groeit op arme, uitgehongerde gronden, bij een talrijk optreden was het vroeger een zeker teken van hongersnood. Vroegeling omdat het zo vroeg bloeit. De bloemen kunnen zich met slecht weer zelf bestuiven, zelfs met gesloten bloemen. Armoedje, armoe, kommerbloempje, magermannetje en grutjes.

 

Dracaena is genomen van het Grieks drkaina: een vrouwelijke draak en wel hierom, als de drakenboom verwond wordt levert het een melkachtig rood sap dat na gedroogd te zijn een harde gom wordt die dezelfde samenstelling en vorm heeft als de substantie die drakenbloed genoemd wordt. Dit roodachtig sap wordt bij de verfindustrie gebruikt. De ouden geloofden dat in de vrucht een draak besloten lag die door verwonding dit rode sap zou leveren en bij oude afbeeldingen zie je dan ook een klein draakje afgebeeld op de vrucht of het blad staan.

 

Dracunculus wordt naar zijn verschrikkelijke steel die de gedaante van het vel van de adderslang heeft drakenwortel genoemdユ

Slangenkruid, naar Plinius heet de plant zo omdat de wortel als een draak samengerold is en komt in de tijd als de slangen uit hun huiden kruipen, het voorjaar, en verdwijnen als ze zich terug trekken.

 

Drosera komt van het Griekse drosos, droseros: dauw of bedauwd, een verwijzing naar de glinsterende dropjes op de haren van het blad. Zonnedauw van de dauwachtige vochtigheid die men op de bladeren van dit kruidje vindt terwijl dat de zon aller heetst steekt en schijnt. Vliegenvangertje. Toen bekend werd dat ze insectenetende gave had was dit een schok voor de romantische mensen die de natuur als een onschuldig en vriendelijk schepsel hielden.

 

Dryopteris. Mannetjesvaren of varenmanneke, de tegen gestelde van varenwijfje. Bosvaren.

 

Ecballium. Ezelkomkommer, spring of spuitkomkommer,  kruidje roer me niet omdat als de komkommers maar eens aangeraakt zijn als het zaad rijp is open springen.

 

Echinacea, Griekse echinos: egel, Latijnse achtervoegsel aceus: achtig, is een verwijzing naar de bloembodem die bezet is met stekelige stroschubben.

A. Vogel ontdekte bij de Sioux-indianen deze plant die ze tegen verschillende ziektes gebruikten. Het is een echte indianenplant, zijn hoofd is getooid met een vederbos. Vogel begon er in Europa mee te kweken. Onder de naam echinaforce is het nu als geneesmiddel in de handel met een in- en uitwendige weerstand verhogend werking.

 

Echinops, dit woord is afgeleid van Grieks echinos: egel, opsis: erop gelijkend, een verwijzing naar de ronde doornige hoofdjes. Roomse distel komt uit Itali

 

Echium, de naam komt van het Griekse echis: een adder, omdat het zaad op een slangenkop lijkt. Of van viper, adder, Duits Natter, omdat de vrucht op de kop van een adder lijkt, eventueel van de gekromde wortel. De buiten de kroon uitstekende stijl doet aan een slangenkop denken vooral omdat die stijl ook uit twee stempels bestaat. Eventueel nog vanwege de gekromde wortel. Slangen of adderkruid.

 

Dioscorides naam voor de wilde olijf was elaeagnos waardoor dit geslacht de naam van Elaeagnus heeft gekregen. Dit woord valt in twee創 bij vertaling, Griekse elaios: olieboom, en agnos: rein of kuis, de vruchten zijn olijvenvormig en de bladeren lijken op die van de kuisboom, Vitex agnus castus. Daarom wordt de plant wel oleaster genoemd, het is geen familie van de wilg en ook niet van de olijf. Olijfwilg.

 

Elaphomyces, Grieks elaphos: hert, mykes: paddestoel, werd door herten gegeten. Hertzwammen groeien meest op plaatsen daar de herten veel komen en zijn buiten bruin, aardkleurig en zo groot als een gewone kaatsbal, wat bultig en oneffen, het vlees is witachtig en binnen vol heel bruin zwartsel. In het Latijn heten ze Tubera cervina, in het Hoogduits eigenlijk Hirtz-brunst, in onze taal ook wel hertsspongien of hirten-spongie.

Naar Theophrastus en Matthiola komt de zwam voort door het op de grond vallende zaad van herten. Deze zwam zit onder de grond. Het is de hertenzwam of hertentruffel.

 

Elodea. Waterpest werd voor het eerst gesignaleerd in County Down in 1836, Schotland, waar het zich enorm snel vermeerderde, maar waar men het ook weer graag kwijt wou. In Ierland kwam deze indringer ook in 1836. In Schotland ontdekte Dr. George Johnston of Berwick het op 3 augustus 1842 in het meer van Dunse Castle in Berwickshire. De aandacht van verschillende wetenschappelijke mensen was erop gevestigd, maar verscheidene jaren werd er niets meer van gehoord. In 1841 werd het gesignaleerd door Miss Kirby in de reservoirs bij het kanaal bij Market Harborough, Leicertershire, Engeland, verstikte daar al spoedig de kanalen en waterwegen. Vissen was onmogelijk. De Tweed zat er vol mee, gelijk kwam het in de Lene. Men verhaalt dat de rivieren, waar deze plant groeide, wel 30 cm hoger waren dan vroeger. Dat kwam doordat het de afvoer hinderde en het water niet weg kon. In 1858 was deze duivelse plant dik bezaaid in de Thames en blokkeerde hier en daar de vaarweg. Het bereikte zijn maximum in 1866 en 1874, dan begon het minder te worden.

In de Cam zou het uitgezet zijn om de groei te zien. De plaats werd gemarkeerd door een stok. Dan kon je het zo weer weghalen, maar van daaruit groeide het ontzettend snel en bedekte binnen een jaar de stok  en kon het niet in de hand gehouden worden. Zo was dat ook in Schotland het geval waar een kruidkundige meende dit te moeten laten zien en de plant naar een water bracht. De eigenaar heeft hem zelfs met het gerecht bedreigd. Dus zijn alle planten in Engeland waarschijnlijk afkomstig van 1 stukje plant die mogelijk als proef of waarneming ergens is geplant. Op vele plaatsen is het nu verdwenen en men zegt dat zwanen het eten en dit veroorzaken, mogelijk hebben die dieren het ook meegenomen.

Tegen 1850 kwam de plant in de handen van een kruidkundige uit Utrecht, die ging het herbaliseren en wierp hier en daar stukjes ervan in het water om te zien of het hier ook zo wilde groeien. Na 2 jaar waren de singels er vol van en viste men karrenvrachten op zodat het voor heel wat ellende en kosten gezorgd heeft.

Dit was nog niet genoeg, leerlingen van de voormalige landbouwschool te Haren brachten deze plant naar de sloten van Groningen, reden waarom het ook wel studentenroet genoemd werd.

 

Elytrigia. Led of lidgras, naar de knopen. Kweek werd ook wel hondsgras genoemd, Frans chiendent rampant, Duits Hundsgras, Engels dogs-grass (zie Roegneria) Culpeper verhaalt ervan als je het kruid niet kent wacht dan tot je hond ziek is, het zal naar dit gras toegaan en je er snel naar toe leiden en er zijn maag mee vol eten om zo tot braken te komen. Of het is een verachtelijke betekenis om de plant als onkruid te karakteriseren.

Het wordt van de landlieden in Brabant peen genoemd en heeft bij Lobel noch meer namen als peien of peyen. Pede: overal kruipend, verwant met Pfad (meervoud Pedi) en Padde: pad of Krote, Noord Duits Petten: treden, Pade, Padergras, Peyer, Peien, Platengras.  Kweek, quecke: levendig, kweek, vergelijk quick, midden-Hoogduits Quec: levendig, zo ook kweek. De Germaanse vorm is qiqa: levendig, fris of monter, vergelijk quicksilber, naar het taaie en moeilijk uit te roeien onkruid. Ze drukken allemaal hetzelfde uit, namelijk vlug, vief, zo vlug als kwik. Deze woorden stammen van een Indo-Germaans werk­woord giw: leven

 

Empetrum. Opvallend is de kraaiheide als de eetbare bessen verschijnen die zo zwart zijn als kraaien.

 

Epilobium. Bastaardwederik, dus niet de echte als Lysimachia. Wilgenroosje, de wilgachtige bladeren. Bliksemkroet of dondertoren, gebruikt in de kroetwusj tegen bliksem.

 

Equisetum van Latijn equis: een paard, en seta: een strong haar. Paardenstaart. De schadelijkheid wordt veroorzaakt doordat de stengels veel kiezelzuur bevatten, soms meer dan 70%, het kruid knarst bij kauwen. Om die reden werd het gewas vroeger ook gebruikt om ijzeren voorwerpen, als schoppen, schoon te maken. Ook werd het door schrijnwerkers gebruikt om te schuren. Schaafstro verkreeg om die reden dan ook zijn naam en ook schuurbies. Naaldekoker, de bladen of tanden staan bij elkaar in een kokertje en tussen de kokertjes staan de lange schachten. De namen roebol, ruigebol, ruwebolt zouden in dezelfde richting wijzen, bolt is een naam voor onkruid. De streek Roebolligehoek is ervan afgeleid. Paardenstaarten komen voor als een vrijwel onmogelijk uit te roeien onkruid, de zich vertakkende wortelstok kan wel 6m diep zitten. Op vochtige plaatsen, waar ze veel kunnen voorkomen of op slechte gronden, zijn ze schadelijk voor het vee. Ze werden dan ook wel unjer en in Duits Unger: duivel of spook  genoemd. Bij Kilian is het werkwoord ungheren Hollands en betekent toveren: ungher-hoere. Van ungher werd het tot eunjer en unjer. Er zijn dan ook unjerpaden, als vroeger in Zwaag, waar deze planten veel voorkwamen.

 

Eranthis komt van het Griekse er: wat voorjaar betekent en anthos: een bloem, dus een voorjaarsbloem. In Friesland komt de naam Aytty blomke voor. Dit omdat het vroeger groeide op de state Aytta bij Swichem in Friesland. Het is een van die mooie stinze planten. Winterakoniet is familie van de akoniet.

Erica, Latijn, is mogelijk afgeleid van het Griekse ereike of erico: breken, een verwijzing naar het breekbare hout, vergelijk oud-Iers froech, Litouws virzis: heide. De oude Grieken meenden dat dit op dorre bodem groeiend kruid de rotsen zou breken en het goud uit de diepte zou halen. Of omdat deze plant de kracht heeft de stenen in de blaas te breken. Heide, dopheide, de bloemvorm, zie Calluna.

Onder aan de stam van de boomheide ontstaat vaak een knolvormige verdikking, waarvan het hout zeer warrig gegroeid is en daardoor weinig onderhevig aan scheuren. Dit is roodbruin van kleur en zeer fijn van nerf, moeilijk ontvlambaar en laat zich mooi polijsten. Het wortelhout, racine de bruyere genoemd, Franse naam voor hei is bruyere, wordt gebruikt om er pijpenkoppen van te maken, het is het bruyere hout.

 

Erigeron van Grieks eri: vroeg, geron: grijs of grijsaard, kort na de bloei verschijnt een witte haarkroon, de vrucht. Vlokruid als middel tegen de vlooien. Grindkruid, middel tegen schurft.  Kruiskruid, de bladvorm. Fijnstraal de fijne lintbloempjes

 

Eriophorum, van Grieks erion: wol, en phoros: dragen, een verwijzing naar de zijdeachtige bedekking van de zaden. Wollegras, mattenvlas, dottergras, veenhamels, veenpluis, katoenbloem, mooren, flok, lok of vlokken.

 

Erodium. Erodium, is afgeleid van het Griekse erodios: een reiger, het is een verwijzing naar de overeenkomst van stijl en vruchten naar de bek en het hoofd van een reiger. In het oosten van ons land storksnavel naar de ooievaard, in Limburg harken of hanekam. In de folklore ook wel duvelsblom of duvelsklauwen, de naald, priem- of bekvormige vruchten deden denken aan de klauwen van de duivel.

 

Eruca.  Van Italiaans ruchetta en Frans roquette, (riquette) stamt het Nederlandse raket en rucola.

 

Eryngium is afgeleid van het Griekse eryganein: omhoog duwen, het zou winden en opgeblazenheid verdrijven, zou als boertjes verwekkend middel gebruikt zijn bij buikklachten.

Naar andere verklaringen is Eryngium met een Griekse woord voor lucht en een vogelnaam in verband te brengen, de wendehals, (Inyx) die ze naar zijn geroep zo genoemd hadden. De Inyx was de dochter van Peitho die door tovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel die als tovermiddel gebruikt wordt om liefde op te wekken. Men bond de vogel daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder het uitspreken van toverwoorden ronddraaide. Jason zou dit middel van Afrodite geleerd hebben en daarmee het hart van Medea gewonnen hebben.

Op een draaitol gebonden en omgedraaid gold die als een liefdesmiddel en vooral om ontrouwe mannen terug te voeren. Eryngium heet hiernaar zoveel als windvogel of winddraaitol naar het spel dat de wind met de afgestorven plantendelen speelt, vergelijk de naam werveldistel, Duitse laufende Distel en de Franse chardon roulant. Het is de oude mannentrouw, in het Duits Mannenstreu, hard ruw en stekelig, maar duurzaam in vorm en onveranderlijk van kleur. Door die vorm was het kruid vroeger het zinnebeeld van karaktersterkte. Vrouwen legden die in de bedde.

Wilde kruisdistel of veldkruisdistel heeft stekelige bladeren die altijd in een kruis staan, het is de kruis- of croes distel. De oude naam is croes, zodat het woord kruisdistel een verbastering is van kroesen, in de betekenis van gekroesd of ruig. Dit naar de stekels of pinnen op het blad, het is een pinnige plant. Naar zijn bladvorm wordt het gewas ook wel elandskruid genoemd. De tuimeldistel groeit op zand en langs wegen. De plant heeft de naam steppenheks steppenheks omdat de stekelige plant door de wind uit het steppenzand wordt losgerukt en met die heksachtig rond walst.

Een oud recept verhaalt dat begonnen moet worden om de wortel tenminste 2m diep uit te graven. De wortel groeit wonderlijk lang, soms 3m, en is bezet met ringen en cirkels. Het kruid wordt wel eindeloos of sonder eynde genoemd omdat de wortels schijnbaar niet eindigen.

 

Erysimum. Goudglanzende bloemen en vandaar goudlak.. Het is een echte ヤmuurbloem, ontspringt uit de ru貧es en oude gebouwen, rots en klif.

 

Erythronium dens-canis. Hondstand omdat de vreemd gevormde witte wortels op de tanden van een hond of adder lijken, daarom ook wel addertong.

 

Erythroxylon. Coca is in Peru de naam voor deze plant en betekent de "plant bij uitnemendheid" omdat door het blad te kauwen alle vermoeidheid wegvalt en zware arbeid kan worden verricht.

 

Eschcholzia bedekte Californi in zo'n overvloed dat de Spanjaarden dit land vuurland noemden of het gouden westen, het gouden westen is dus niet genoemd naar goudgravers. De Spanjaarden wijdden het gewas aan de heilige Pascuan wiens kleur geel was. De bloem komt voor in het wapen van Californi. Chamisso bracht het plantje in 1815 mee en gaf het de naam naar de meereizende Dr. Eschscholtz. Alleen de Spanjaarden bleven bij hun mooie naam capa d'ora: goudmantel. Staatsbloem van Californi. Slaapmutsje of knipmutsje, goudpapaver, dezelfde familie.

 

Eucalyptus. Deze geweldige bomen worden gebruikt als windbrekers.  Ook staan ze bekend als koortsboom, omdat ze aangeplant worden in de moerassen. Door hun snelle groei onttrekken ze veel water aan de grond die daardoor drooggelegd wordt en zo helpt de malariamuggen te verdrijven. Zo werden ze onder andere gebruikt bij het moerassige Campagna te Rome. Hoewel, in de eerste instantie werden ze daar geplant omdat men dacht dat hun geur de koorts of malaria zou verdrijven.

Sommigen hebben de namen van inlandse mahoniehout, pseudomahogonie. Het hout is soms zo hard en zo zwaar dat die in water zinkt.

 

Eucomis is een Griekse naam, van eu: prachtig, en coma: haar of een knotje, dus een prachtig knotje of mooi geknot. Dit slaat op de top van de bloemaar die versierd is met een knotje. Ook heeft het de naam ananasplant naar de overeenkomende vorm van de bloemaar. De ananasplant zijn vorm wordt vervolmaakt doordat de top een rozet heeft van een 20 kleine en groene bladeren.

 

Euonymus. Papenhout, is dan ook een kerkelijke plant en wordt kardinaalsmuts genoemd. De vrucht ziet eruit als het vierkante hoofddeksel die we kennen als een kardinaalsmuts. Het hout is compact en kan zo fijn als haar gespleten worden. Het werd wel pennenhout genoemd en gebruikt voor schoenpennen en tandenstokers. De struik wordt ook wel luizenboom genoemd of rupsenboom omdat van deze plant de bladeren in de zomer nog al eens opgegeten worden door een spinselmot en wel zodanig dat de plant zonder bladeren staat. De plant herstelt zich door het St. Janslot en waterlot.

 

Eupatorium naar Mithridates Eupator, koning van Pontus die ongevoelig voor gif zou zijn door op zichzelf geregeld te experimenteren, een naam die slaap op Agrimonia eupatoria. Het is dus geen echt leverkruid, hepar: lever en vandaar boelkenskruid. Fuchs onderscheidde, door de toevoeging adulterinum, (wat overspelig als ook onecht betekent) onze Eupatorium van Agrimonia eupatoria. Andere schrijvers na hem dachten dat hij overspelig bedoelde en noemden de plant boelkenscruyt of hoerenkruid. Hennepkruid naar de bladeren. Ook de naam Koninginnekruid komt wel voor. Dit is ook niets anders dan een foutieve vertaling van het Duitse Kunigundekraut naar de vrouw van keizer Hendrik II, de later heilig verklaarde Kunigunde, patrones van zieke kinderen die zoveel genezingen op haar graf verrichtte.

 

Euphorbia. Springkruid, sporiezaad en springwortel en in sommige plaatsen van Vlaanderen spuergie. De naam springkruid komt omdat de zaden die in drievoudige huisjes groeien door de hitte van de zon als ze rijp zijn er uit springen.

Alle geslachten van dit kruid worden hier te lande met een algemene naam wolfsmelk genoemd naar dat melkachtig bitter en scherp op de tong bijtende sap wat uit alle haar delen met menigte vloeit als ze gekwetst of gesneden worden. Duivelsmelk. Wrattenkruid omdat het wratten verdrijft. Kroontjeskruid is een eenjarige die ook wel, omdat de bloemen naar de zon draaien, zon draaiende of zonnewende wolfsmelk genoemd werd. Daarom kreeg het de naam helioscopia, zonnekijker, van helioskopion, de zonstaarder van Dioscorides.

 

Euphrasia komt van Grieks voor verlichten, naar de fabel dat het blindheid kon genezen. De genezende eigenschap zou door zwaluwen ontdekt zijn die er hun jongen mee voerden als die last hadden van zere ogen. Dit werd door de mensen gezien en nagevolgd. Dit vooral omdat de donkere vlek midden in de bloem op de menselijke pupil leek, ogentroost. Het kruid werd melkdief genoemd. Het is een half parasiet die de grassen in zijn omgeving uitzuigt zodat op plaatsen, waar het voorkomt, de beweiding minder is en daardoor de melkopbrengst.

 

Fagopyrum, van Fagus: de beuk, en puros: tarwe, naar de overeenkomst met beukenzaden die ook wel boekenoten genoemd werden.

Boek of bok en Buckenweide, midden-Nederlands boecweit en Engelse buck-wheat dankt het aan de vorm van de zaden die aan beukenoten herinneren en weit, wheat: tarweachtige smaak van de korrels. De naam bok is omdat het graan inferieur is aan tarwe. De streek Weite bij Vlagtwedde is ernaar genoemd en zo ook Weiteveen. Het woord grutten komt via het Duitse Grucken van het Russische greca, grecucha: in de betekenis van Grieks koren, dat is een vreemd koren.

 

Fagus. De naam beuk is in alle Germaanse spraken terug te vinden. De oud-Germaanse boom naam zit ook duidelijk in de betekenis silva Bacenis (=beukenbos, spreek uit Bakenis) zoals Caesar het uitgebreide woudgebied van Germani noemde dat de Cherusken en Sueven scheidde (mogelijk de Harz) De overeenstemming van de Germaanse bok en het Latijnse Fagus verklaart zich het eenvoudigst als men buche van de grondafleiding van het Indo-Germaanse bhaug aanneemt. Dit woord werd door de Germanen en Romeinen, het verspreidingsgebied van de beuk, behouden. Uit deze taalgrond besluit men dat de oermat van de Indo-Germanen, een omstreden vraag, westelijk aan de linie Konigsberg-Warna (bekend als de oostgrens van onze beuk) in Midden Europa te zoeken is en dat de Blaten, Slawen en Indo-Iraniers bij het overschrijden van die grens de naam van deze boom op andere boomsoorten overdroegen.

De Latijnse naam van boek, liber, betekent boombast die de Romeinen voor de schrijfstof van de oudste en nog ongecultiveerde tijd hielden. Dit is nog te zien aan het Franse woord voor boek: livre.

We spreken nog over de bladen van een boek als bladeren van een boom. Het woord folio is afkomstig van latijn foli­um: een blad. Draai de bladen om, snij de bladen in etc. Die tafels werden buche genoemd. Door het samenbinden van meerdere tafels ontstane schriftstuk werd dan ook buchen genoemd en de naam buch bleef behouden als in de plaats van de houttafels het perkament optrad. Het hout van de beuk of boek werd gebruikt om de bladeren samen te binden tot een boek. De boekdrukkunst zou door Laurens Jsz. Koster te Haarlem uitgevonden zijn omdat hij op de stam van de beuk, (boek) letters kerfde, de letters van de stam haalde en ontdekte dat die een afdruk vormden op de grond en zo op de gedachte kwam om die letters als zetmateriaal te gebruiken.

Ook de fagot is uit Latijn Fagus ontstaan. Het houtblaasinstrument kwam via Italiaans fagotte, Frans fagot tot Duits Fagott.

 

Ferula assafoetida, de laatste naam betekent stinkend, duivelsdrek.

 

Ficus. De naam vijg zou afgeleid zijn van Ficus, die weer afgeleid zou zijn van de Hebreeuwse naam fag en heeft in vrijwel alle Europese talen dezelfde naam.

 

Filago. Viltkruid, het wol op de bladeren. Roerkruid geneest de rode loop, Duits Rure.

 

Filipendula: Reynette, Roynette of Regina prati in het Latijn genoemd, dat is koningin van de weiden, omdat ze zo fraai en sierlijk in de velden en weiden staat. Geitenbaard omdat zijn takjes met veel bloempjes bekleed zijn en vast bijeen gedrongen, van gedaante gemaakt als een lange geitenbaard en van kleur sneeuwwit met wat mooi rood gemengd. Moerasspiraea is nauw verwant met Spiraea. Knolspiraea naar de vele kleine knolletjes die aan draden hangen.

 

Foeniculum komt uit een Latijns woord voor hooi, dit vanwege zijn geur. Onafhankelijk van het eerste woord kwam het via de latere Latijnse vorm feniclum tot ons en gaf in oud-Hoogduits Fenih­hal of Fenich tot Fenchel, in het midden-Hoogduits werd het Ven(i)chel en in midden-Nederlands verscheen venekel, venecal was het halfweg de 13de eeuw. Bij Dioscorides heette het marathon, naar het slachtveld waar de Grieken, 490 v. Chr. een overwinning behaalden op de Perzen, dus een slachtveld op het venkelveld. Het Griekse marathon komt van maraino: dun groeien, venkel zou vermageringskwaliteiten hebben. De Griekse atleten gebruikten venkel als voedsel bij hun olympische spelen omdat het sterk maakt zonder dik te worden.

 

Fragaria. Ons woord aardbei is oud. In 1597 komt het, naast de oude aardbezie en midden-Nederlands erdbeire, voor omstreeks halfweg de 13de eeuw omdat de plant dicht bij de grond groeit. Het woord bei komt echter uit het Franse baie wat uit Latijn baca, bacca stamt: bes, dus aardbes.

 

Fraxinus. Het is onze es. Dit woord verschijnt al in midden-Nederlands als esce en esch, in het Angelsaksisch als aesc, IJslands askr, Zweeds en Deens ask, Keltisch aesc: speer, waaruit het Engelse ash ontstond. In de 12-13de eeuw werd bij ons en Duitsland de a tot e en zodat het van ask, asc, asch tot Esch werd. Asc heet niet alleen de boom maar ook alles wat uit zijn hout gemaakt is zoals we zien bij de essenspeer. Dit wapen uit het Hildebrandslied heette askim skritan. Gebruiksvoorwerpen van alle dag werden zo genoemd. Noors ask: speer en schip, die hieruit gemaakt werden, de Vikin­gen werden naar hun gebruik wel esmensen genoemd. Bij Tacticus komt de naam Aciburgium voor en in het Oudhoogduits ヤAsckimユ: "met de speren" in het Hildebrandslied 63. Dit zijn woorden die met het oud-Noors askr namen zijn die wijzen op een oer Germaans askiz. Het Germaanse woord askiz stamt uit Indo-Germaanse osk of osis. Het Latijnse ornus stamt uit osinos: wat wilde berges en speer betekent. Oer Keltisch komt onna voor. Deze naam is mogelijk een afleiding van de Indo-Germaanse naam voor de berk. Omdat de witte berk in Z. Europa niet thuis is verklaart dit het verdwijnen van de oude betekenis en de overdraging van de naam op die van de es in Itali, Fraxinus ornus, mannaes. Essleutels of vogelbekzaden, de vruchtvorm.

 

Fritillaria betekent dobbelbeker. Het woord is mogelijk verwant met Latijn fritinnire: sjilpen, en verwijst naar het gerammel van de dobbelstenen. Kievitsbloem heet zo omdat de bloei begint met de komst van de kievit en de gesloten bloem wel wat op een kievitsei lijkt, lichte vlekken op een donkere ondergrond. Slangenhoofd naar de bloemvorm.

Naar die kroon van bloemen is het de corona imperialis en onze keizerskroon. Ze wordt ook wel paasklok genoemd, de bloemen zijn als hangende klokken met bloei in de Paastijd.

 

Fumaria, van fumos: rook. Volgens Plinius heet het gewas zo omdat het waterachtige sap zo'n vloed van tranen brengt dat het gezicht verduisterd wordt, net als bij rook, aardrook. Soms wordt de plant zoals bij Dodonaeus en Dyetsche grisecom: genoemd, midden-Nederlands grijnzen of wenen, in Belgi grijzekom, grijzekol, grijzende ogen en grijzorie, gebruikt bij oogziekten. Duivenkervel omdat het graag door duiven gegeten zou worden, in Drenthe duivelskervel, waarschijnlijk een vervorming van duivenkervel, zo vind je ook duwelskropf naast duivenkrop.

 

Gaillardia. Kokardebloem dankt zijn naam aan de kokarde. Dit is een onderscheidingsteken die gewoonlijk in de vorm van een strik, rozet of knoop in de nationale- of partijkleur wordt gedragen. Je ziet ze opgespeld aan de revers of hoofddeksels. Kokarde stamt van Frans bonnet a la cocarde waarin oud-Frans cocard, (coq: haan) ijdel betekent.

 

Galanthus van het Griekse gala: melk, en anthos: een bloem. Komt naakt uit de sneeuw, naakte wijfjes, sneeuwdruppel. In Vlaanderen komen we met de gewone naam ook enige vreemde tegen, onder andere juffrouwkens te Killaar en lichtmisbloem. Te Assche snottebel, te Exaerde spytsche duyvelkens, te Kortrijk vastenavondzotje, naakt mannetje en naakt naarsje, Spijtse duvelkens. Bij ons winterliedertjes, vroegopjes, morgensterretjes, februarigekjes en hanghoofdjes spreken voor zich.

De sporkelbloem van Kiliaen, van sporkelle, een letteroverzetting van sprokkelmaand, februari. Dit is in oud-Saksisch sprout-kele, van sprout: spruiten, en kele: kool, wat moes betekent omdat die in deze maand begint te groeien. Vastenavondzotje, naakte mannetjes, naakte wijfjes, maakte eerstjes, naakte naarsjes of nakende aarsjes die ongeveer in de vasten avond verschijnen als stille getuigen van het ieder jaar weer ontroerende: ヤes ist ein geist erwacht, der sich in Bluten nun will offenbarenユ.

 

Galega, geitenruit, ruit omdat ze zo goed is tegen de pest als ruit en geit omdat die het graag eten.

 

Galinsoga. Knopkruid dit naar de kleine, witte bloemen met een geel hart. uitskruid, breidde zich vooral uit tijdens de oorlog 1940-1945, moffenkruid. Fransosenkruid stamt uit het Andesgebergte van Peru. Het heeft zich sinds 1812 uit de Botanische tuin van Berlijn over geheel Europa verspreid. In Kew was het in 1796 en in 1863 signaleerde men het kruid overal rondom Kew en Richmond. Vandaar werd het een lastig onkruid te Surrey in het begin van deze eeuw. Volgens anderen was de eerste plant in een Parijse plantentuin van 1794. Op een of andere manier kwam het in Duitsland, eerst in Karlsruhe waar het in 1805 werd opgemerkt  In 1807 was het al tot Oost Pruisen doorgedrongen en in de jaren 1890 - 1900 was geheel Midden Europa er mee ge貧fecteerd. Het was in bepaalde Duitse streken nodig dat er wettelijke voorschriften in het leven werden geroepen om het plantje te bestrijden.

 

Galium. De namen klissen, kleef, kleefkruid, klet, kladders, klift, Jan plakan, Jan kleefan, kleverkassen, zijn een paar van de vele namen. Tongenkruid, voor dit laatste moet je eens een stukje stengel dwars over de tong halen.

Galium odoratum of woudmeester. De Duitse naam Waldmeister proclameert haar tot houtvester omdat ze daar te vinden is, hoewel, zonder iets van zijn werk over te nemen. Beweerd wordt dat een vrome middeleeuwse monnik zich ergerde aan de heidense naam vrouwe bedstro en dat hij er zich niet mee verzoenen kon dat de Christenheid, door de toevoeging Lieve, het profane probeerde te verbergen en zou de naam Waldmeister hebben ingevoerd. Die naam was de naam van tijm, meister betekent dan een geneeskrachtig kruid.

Lieve vrouwe bedstro is zo genoemd naar de legende dat Maria op een mengsel van deze plant en varens gerust zou hebben. De varens erkenden het kind niet toen het geboren was en verloren daardoor hun bloemen. Het bedstro verwelkomde het kind en bloeide daar en bevond dat zijn bloemen, ter eren van Christus, veranderd waren van wit naar geel.

 

Gaultheria. Bergthee, heeft zijn naam te danken naar zijn bladeren die gebruikt werden om er een thee van te bereiden, vooral na de beroemde Boston Tea party. Die thee is zeer aromatisch.

 

Genista tinctoria. De bloemen bevatten een gele stof die gebruikt werd om linnen geel te verven. Samen met de jonge takken werd een groene kleur verkregen, het zogenaamde kendall green, dat diende om het schijtgeel van de schilders te bereiden, verfbrem.

Brem, in midden-Nederlands bram en halfweg de 13de eeuw was het brem(me) vergelijk oud-Hoogduits Brema of Brimma en oud-Engels brom. Dit woord is ook verwant aan onze braam.

De basis lijkt een doornige of warrige struik te betekenen. Zo is het mogelijk dat plaatsnamen als Den Braam afgeleid zijn van brem of braam, zo ook Braamberg, Braambosch, Braamt, Brammelo, Brem, Brembosch en Brumholt.

 

Gentiana pneumonanthe. Herfstklokje of blauw lelietje, klokjesgentiaan, spade klokskens, de late bloei.

 

Gentiana cruciata. Kruisgentiaan heet zo omdat zijn bladeren kruisgewijs staan. De wortel is vingerdik en witachtig en tussen de wortels als met een speer, kruisgewijze doorstoken. De kruisgewijze doorstoken wortel was voor de mensen een groot raadsel. Men geloofde dat die door een vierzijdige speer ontstaan zou zijn die de Heer door de plant heen stootte. Madel- of modelger. De oud-Hoogduitse naam Madalger is van huis uit een aanname met Germaans mapla: verzameling, dat in Gotische mathl is, wat in het eerste lid voorkomt. Het tweede deel, de oud-Germaanse ger, betekent werpspies, zodat het woord de verzamelingsspeer betekent. Dit was oorspronkelijk een mannennaam die meerdere half godische helden gevoerd hebben. Mogelijk dacht het volk in heidense tijden aan een steek van een spies die op deze plaats gevoeld werd, wat in Christelijke tijd aan Petrus werd toegeschreven, Petersblume-wurz. Ze helpt tegen gif, tegen pest en liefdesverdriet.

 

Geranium. De gewoonste soort is in het volksgeloof aan de heilige Ruprecht, de schutgod van het huis gewijd. Robertskruid of brechtscruyt Deze plant wordt Roberts-, Ruprechtskruid genoemd naar de Heilige Ruprecht, dit vanwege zijn geneeskracht, jicht kruid. Een andere mogelijkheid is dat dit woord afgeleid is van ruber: rood, de roodglanzende, naar de kleur van de bloem of rode stengel en bladeren in de herfst, herba ruberta of herba rubra: rood kruid, wat verbasterde tot Robert. De naam zou ook afgeleid kunnen zijn van het oud-Hoogduits Hruotperath of Ruodpertht, hruod: roemglanzende, vanwege de roem als geneesplant waaruit later Ruprecht, de beschermgod, tevoorschijn kwam en zo de Heilige Ruprecht.

In Engeland is de afleiding anders dan de Duitse en Hollandse naam en naar andere Roberts genoemd.

1) Robert, hertog van Normandi.

2) St. Robert, stichter van de Cistersche orde wiens feest is op 29 april als de bloem begint te bloeien. Is dit St of Saint Robertus, Franse geestelijke en stichter va de Karthuizers die stierf in 1067?

3) Of dat het een ziekte geneest die ruprechtsplaag genoemd wordt, dit naar de eerst genoemde

                                                                   

Geum.

Het woord Geum kan ook afgeleid zijn van het Griekse geuo: ik proef of geur, naar de aromatisch anjerachtige smaak van de wortel. Vandaar de in de Renaissance en glossaria van de middeleeuwen gebruikte naam Caryophyllata (anjer of kruidnagel). Hiervan stammen ook vele andere namen af als anjerkruid, gariofilaet, gariofelcruyt of gariofilata omdat ze ruikt naar groffels (kruidnagels) Ook de naam nagelkruid heeft het gekregen omdat de wortels naar kruidnagels ruiken of omdat de vruchten op nagels lijken.

 

Mos, midden-Nederlands mosse  is ontleend aan Frans mousse: mos, het Angelsaksisch mos en Engelse moss komt overeen met het Germaanse meusa of musa. Oer verwant zijn oud-Slavisch muchu: mos, Litouws musai: schimmel en Latijn muscus: mos. Dit woord komt veel voor in de betekenis met moeras. De woorden stammen van een Indo-Germaanse betekenis meus, van een basis meu: damp.

 

Glaux. Melkkruid of moederkruid. De naam zou gegeven zijn door de eigenschap van de plant om de afscheiding van melk bij zogende vrouwen aan te zetten.  De naam zemel‑kruid  is mogelijk een verbastering van zee‑melkkruid.  Zoutkruid,

 

Glechoma. Aardveil, veil is de naam voor klimop en datzelfde zal ook wel onderhave betekenen. Hondsdraf want het draaft door de tuin.

 

Glyceria betekent zoet. De plant levert dan ook een soort manna, wat in Polen veel verzameld werd op de moerassige en drassige gronden, het wordt daar mannagrutzen genoemd. Dat manna wordt verzameld door met een zeef tegen de rijpe pluimen te slaan waardoor de zaden vanzelf in de zeef vallen. Hierna wordt het opgeslagen in manden en op droge plaatsen neergezet omdat vocht het manna spoedig bederft. Mannagras.

Zwenkgras of wel vlotgras, ze drijven in het water.

 

Glycyrrhiza, van het Grieks glykys: zoet, en rhiza: wortel, een verwijzing naar het zoete sap van de wortels, zoethout. Het woord likeur zou afgeleid zijn van Glycyrrhiza, be貧vloed door liquere: vloeibaar, vandaar liquiritia en kwam onze likeur. Uit een aftreksel van de wortel drupt een drop, onze drop.

 

Gossypium. Katoen, midden-Nederlands cotoen in 1272, dit stamt uit het oud-Franse coton, wat weer stamt uit Italiaanse cottone en dit van Arabisch qutun, (of katom, koton: boomwol), dat uit het Egyptisch of voor-Indisch stamt. Een legende ontstond naar de beschrijving van de Griek Herodotus in de 5de eeuw v. Chr. in zijn boek dat eenvoudig histori創 genoemd wordt beschrijft hij de streken buiten de onbekende Griekse grenzen. Hij schreef: "zekere bomen...brengen hun vruchtenvlokken voort die beter zijn dan die van schapen in schoonheid en pracht, de inboorlingen kleden zich met kleren die daarvan gemaakt zijn."

Plinius schreef over de katoenplant als (arbor) lanigera, de woldragende boom, ook als Gossypinus van Bahrein, vandaar kwam de fabel dat de wol groeide aan plantaardige schapen, zie barometz bij dieren.

 

Gratiola, van Latijn gracia, gratie: genade, een verwijzing naar zijn medische eigenschappen. Frans gratiole. Of van Gratia Dei: Gods Genade Genadekruid, Godsgenade,  zou door Gods genade aan de mensen zijn geschonken en werd dus gebruikt als een geneesmiddel. De reukloze bladeren smaken bitter en later aanhoudend scherp. Het kruid werd vroeger bij geestesziektes gebruikt en nog lang als volksmiddel.

 

Guaiacum. Het gewone pokhout groeit in West-Indi in verschillende eilanden en ook in het vaste land, maar meest in het eiland San Domingo en is vandaar eerst hier te lande gebracht om de pokken te genezen (die in het voor vermelde eiland zo algemeen zijn als hier te lande de kleine of kinder pokjes) die ze ons het eerst gebracht hebben in het jaar ons Heren 1493 wanneer Christophorus Columbus dat eiland eerst ontdekt heeft en er vele vrouwen en andere slaven van meegebracht heeft die met deze plaag besmet waren, (daarom Spaanse pokken genoemd) zoals Monardus en andere aantonen, dan het gebruik van deze wortel is lang daarna eerst in Europa gekomen. En is uit Spanje zo verder gegaan die ze ook in  het jaar 1496 door prinses Johanna, bruid van Philips, aartshertog van Oostenrijk overbracht en de Zeeuwen toen ze lange tijd voor Vlissingen lagen mee deelde. In het begin had het verschillende namen, de Spanjaarden dachten dat ze het gekregen hadden van de Fransen en noemden het de Franse ziekte. De Fransen dachten dat van Napels en noemden het de Napelse ziekte. De Duitsers zagen dat het kwam na conversatie met de Spanjaarden noemde het in Spaans Skabbe. Een andere noemde het de mazelen van de Indianen die zagen dat die ziekte in het begin daarvan kwam.

 

Gymnocladus komt van het Griekse gymnos: naakt, en klados een tak, een verwijzing naar het jonge hout dat verstoken is van knoppen. Doodsbeenderenboom, de plant is zo genoemd naar de afdruk, de knekels van de gevallen bladeren op het hout. 

Wordt ook wel geweiboom genoemd omdat het takkenstelsel in bladloze toestand het aanzien heeft van een hertengewei.

 

Hebe, Grieks hebe: jeugd of kracht van jeugd. In de Griekse mythologie personificatie van de jeugd als godin.

Hebe was de godin van de eeuwige jeugd, de tafeldienares van de goden die de verjongende nectar inschonk op hun feesten. Zo schenkt ze ook vreugde in de tuin, door ze te snoeien behouden ze hun frisse jeugdvorm.

Hebe, de dochter van Zeus en Hera (Romeinse Jupiter en Juno) Sommigen zeggen dat ze alleen maar de dochter van Hera was, het verhaal gaat dat Hera het kind ontving nadat ze sla had gegeten. Hebe, de altijd mooie, de altijd jonge, werd tot de godin van jeugd en tafeldienares van de goden. Arme Hebe. De eer vloeide al gauw weg. Het gebeurde dat ze nectar inschonk tijdens een groot festival. Tussen de regels lees je dat  het angstige meisje van de nectar proefde voordat ze die schonk aan Jupiter, ongewoon aan de sterke hemelse drank van de Olympus viel ze neer in een onwelvoeglijke houding, Ze werd direct ontslagen. De goden waren niet lang zonder drank. De baan werd aangeboden aan  Ganymedes. Juno herstelde haar in haar eer, ze mocht de pauwen van haar wagen inspannen. Een nederige taak, maar in haar omstandigheden welkom. Het verhaal eindigt gelukkig, Hebe trouwt met Hercules en krijgt twee zoons. Ze wordt evenwel nog steeds afgebeeld als jonge maagd, bekroond met bloemen en diverse versierselen. Haar plant, zoals we mogen verwachten, is een zachte struik waaraan de bladeren en bloemen stevig zijn bevestigd. Nieuw Zeelandse ereprijs was vroeger gesteld onder Veronica.

 

Hedera. In de middeleeuwen was het ive, ifte, iewe, weluwe of weghe in Dyetsche, ieve of yf, in de 16de eeuw ook ieft, iloof, eiloof, eyckloof en heylloo, in Herbarius in Dyetsche velouwe. De eerste letters betekenen eeuwig, omdat het altijd groen is, iwa, iwe of ewig, eiloof: eeuwig loof, vergelijk Immergrun en Wintergrun. Boomveil, verwisseld met de viool. Klimop is de tegenwoordige naam, (te) simpel en duidelijk, grote klim, klimmerblad, klimmerkruid, angelklim, klijf, wederklim of wederwind.

 

Hedysarum komt van Grieks hedys: zoet en reuk, een plant met zoete geur. Mannaklaver of Spaanse zoete klaver. Rode hanekop naar de rond bloemhoofdjes.

 

Helianthemum, is afgeleid van het Griekse helios: zon, en anthemon: een bloem, de gele bloem, of omdat die maar 1 zonnige dag bloeit of omdat ze naar de zon draaien. Groot of geel zonneroosje,

 

Helianthus, van Grieks helios: de zon, en anthos: een bloem, is een verwijzing naar de mening dat de bloemen naar de zon draaien. Dat doet alleen de eenjarige zonnebloem.

Helianthus tuberosus. Aardpeer of aardamandel, werd eerder gekweekt dan de aardappel. De knollen lijken wel wat op een aardappel en kunnen als aardappels gegeten worden.

Het heet in onze taal artisjokappels van Terneuzen of knoesten of knoeffelen of honderd hoofden om dat de beschrijver van Nieuw Frankrijk het voor Asphodelus Plinius hield, die heette wel honderd hoofden.  De nieuwe groente werd vermeld als een zonnebloem met eetbare knollen die soms groeien als de eetbare artichoke, in Italiaanse girasole, (girare: ronddraaien en sole: de zon) wat werd vertaald als Jeruzalem en zo werd het de Jerusalem artichoke. De naam Jeruzalem suggereerde later de plaats waar het gewas zou groeien. 

 

Helichrysum. Dit kruid wordt in Hoogduitsland omdat het zo veel aan de kant van de Rijn en in de omliggende landen plag te groeien gewoonlijk Rheinblumen genoemd en daarvan heeft het in Nederland de naam ook gekregen, te weten Rhijnbloemen of Reyn-bloemen. Mottenkruid omdat het de motten uit de kleerkasten weghield. Roerkruid die werkte tegen de roer of rode loop. Strobloem, blijft lang goed.

 

Helleborus. Nieskruid. De verpoederde wortel van Helleborus en Veratrum album dienden sinds de middeleeuwen als middel om te niezen. Een stukje ervan in de neus gestoken geeft al aanleiding om te niezen. Dit wordt nog versterkt als de wortel eerst in brandewijn heeft gestaan. Omdat het kruid met niet vriezend weer met Kerstmis al kan bloeien werd het in de 13de eeuw in kerstroos, in Vlaams Kerstelic.

De legende vertelt ons dat toen de wijzen kwamen met hun goud, wierook en mirre, dat er een schaapsherderinnetje op enige afstand stond toe te kijken. Ze had niets om te geven en huilde zachtjes. Ze was arm, het weer was koud, er was niets, zelfs niet de kleinste bloem. Een passerende engel zag haar zorgen, stopte en wierp wat sneeuw weg zodat ze ontdekte dat er bij haar voeten bloemen groeiden. Dat was de eerste kerstroos.

Wrangwortel, wrankkrut of veewortel. Als de dieren ziek waren dan werd een stukje wortel onder de huid gebracht. Dit noemde men wrangen of etterdrachten zetten. Wrang is het droogstaan van de koeien. Dit wordt veroorzaakt door een bacterie die een ontsteking veroorzaakt in de uier die daardoor geen melk meer geeft. Vroeger was het middel om deze ontsteking door een andere ontsteking te laten overgaan.

 

Heracleum, waarschijnlijk zo genoemd naar Herakles, in Latijn Hercules, omdat die deze de plant als medicijn gebruikt zou hebben, dit naar Plinius. Vele oude krijgers waren bekend met heilplanten om de wonden te genezen. Of naar zijn forse verschijning is de plant zo genoemd naar Hercules, de zoon van Zeus en Alcmene, die twaalf opdrachten moest uitvoeren, bij de dood van Centaur Nessus werd hij zo door hem vergiftigd dat hij overleed. Na zijn dood werd hij onder de Goden opgenomen en huwde in de hemel met Thebe, hij verkreeg een plaats onder de sterrenhemel.  Duitse berenklauw dit in tegenstelling tot Acanthus. Het blad werd wel gebruikt als veevoer, Pastinaca sylvestris, en vandaar de naam varkenskool, konijneneten en varkenspastinakel.

 

Herniaria, komt van de Latijnse hernia: een breuk, die deze plant zou genezen. Breukkruid,

 

Hesperis, is afgeleid van Grieks hesperos: avond, het is een verwijzing naar de heerlijke geur die je tegen de avond het beste ruikt. (de naam heeft dezelfde wortel als vesper: avond). Mastbloemen, damasbloemen, damastbloemen en jonckvrouw-violieren, andere willen dat noch van verder halen en zeggen dat ze Damasch-bloemen genoemd zijn omdat ze eerst van Damascus gekomen zijn, in het Latijn Viola Damascena, maar ze zijn bedrogen zoals Lobel vermaant. Sommige houden het er op dat dit kruid Viola matronalis genoemd is als vrouwenkruid omdat het voor de baarmoeder zeer goed is en behulpzaam in alle gebreken er van en daardoor wordt dat van de vrouwen van Itali en Frankrijk zeer gezocht en in de hoven onderhouden. Viola matronalis. Deze laatste naam heeft betrekking op een matron of dame omdat dames ze in potten in hun boudoirs plaatsten.

Damastbloem, naar de purperen of lila kleur, of dat dit woord een verbastering is van de naam van zijn vaderland Dalmati.

Winterviolen. Bij de Grieken en Romeinen werd een gans aantal van welriekende bloemen ion of viola genoemd. Het Griekse ion leukon werd in Grieks-Romeinse omzetting Leucojum. Dit woord betekent eigenlijk wit viooltje. Tot in de 16de eeuw en nog later heette het viooltje, het bolgewas Leucojum en de muurbloem, Matthiola annua in alle kruidboeken viola en werden alleen door bijwoorden onderscheiden. Het viooltje werd zwarte of purperen viool genoemd, de leukoje de witte of de bleke, de muurbloem de gele. Verder heette de nachtviool viola matronalis en zo waren er wel meer "viooltjesモ.

                        

Hibiscus. De Chinese roos wordt wel schoenpoetsplant genoemd omdat de bladeren, wortels en bloemen, net als andere malvaユs in Europa, dienen om de schoenen te zwarten en haren, wenkbrauwen zwart te verven.

Chinese roos, afkomst. Nationale bloem van Maleisi, Maleise vrouwen steken graag zoユn bloem in het haar en in Maleisi wordt het bunga raya genoemd wat zoveel als grote bloem of feestelijke bloem betekent. Met de ヤbloem van de mooie dromenユ sieren de Zuidzee dames zich bij de dans.

 

Hieracium, van het Griekse hierax: een havik. Plinius geloofde dat de haviken het gebruikten om hun zicht te scherpen. Het is een soortgelijk verhaal als bij Chelidonium. Of omdat het aan rotswanden hangt waar alleen de havik kan komen. Havikskruid.

Nagelkruid wordt het wel genoemd omdat de vorm van de bloem op een oude (ijzeren) nagel lijkt. Muizenoor naar de vorm van de bladeren.

 

Himantoglossum, Grieks himas: riem, anthos: bloem, glossa: tong, bloemlip is lijnvormig en de middelste is zeer lang, riemtong, bokkenorchis, de geur.

 

 

Hippocrepis komt van het Grieks hippos: een paard, en crepis: een schoen, het is een verwijzing naar de vorm van de zaadpeulen.

De hauw van dit gewas heeft de gevers van namen zich verwonderd, (zegt Lobel) die dat sferro cavallo (of beter sferra cavallo) hebben genoemd, dat is te zeggen weer een hoefijzer uittrekken of liever kruid dat de paarden vernagelt of vernagelkruid of ook ontnagelkruid. Want men zegt dat de paarden die er op treden hun hoefijzers laten vallen. Waarschijnlijk is dit te verklaren omdat de peul gebogen is als een hoefijzer en op steenachtige en berg­achtige gronden groeit, plaatsen waar die dieren hun hoefij­zers kunnen verliezen. Bij het hoefijzerklaver lijkt de eigenaardige peulvrucht op een rozenkrans van hoefijzers waarvan de laatste eindigt in een geselkoord. Deze heen en weer gebogen vrucht valt bij rijpheid uiteen in hoefijzervormige delen.

 

Hippophae, schijtbessen, de purgerende kracht. Duindoorn, zeeduindoorn of duinbessen.

 

Hippuris, het Griekse hippos betekent een paard en oura: een staart, paardenstaart, dit naar de vorm van de plant, kattenstaart. Lidsteng, de stengels staan in leden of kransen als een den.

 

Holosteum, van het Griekse holos: geheel, en osteon: been, dus benen helend. Heelbeen. De namen bossterretje en ogenklaar zijn wel typerend. Het volksgeloof verbindt de naam met iets dat angst aanjoeg.

 

Hordeum. Gerst, in midden-Nederlands heette het gherste of gartse omstreeks 1266-1268 wat terugvoert op voor Germaanse gherzda, uit het Indo-Germaanse ghrzdeiom: graangewas. Gerst betekent oorspronkelijk de stekelige of afschrikwekkende, vanwege de lange kafnaalden ziet ze er afschrikwekkend uit, horrere, dit zien we in het Angelsaksische woord gorst, de naam voor de gaspeldoorn.

Muizen-, muur- of bastaardgerst, muizenkoren.  Ook heet deze grassoort wel kruipertje of kwispelgerst. Als speelgoed wordt de plant wel gebruikt door de kinderen die de aren in de mouwen steken, waarbij de aren dan zo naar boven kruipen door de warmte.

 

Humulus. Wanneer de naam hop voor het eerste gebruikt is moeten we in de naam zoeken, hoewel dit zeer moeilijk is, halve overeenstemmingen, overgangen en andere problemen. De eenvoudigste vorm is de Nederduitse en Nederlandse naam hoppe of hop. Dit komt al in de glossaria van Junius voor, 8-9de eeuw, hoppe timalus (een verschrijving of verlezing, in plaats van humalus?) Vermoedelijk is dit meer een verlatisering van het Hollandse woord. Mogelijk kan het gevonden worden in het werkwoord hoppen of huppen, maar een van tak tot tak springende twijg, in plaats van rankend, hoewel dit vrij onwaarschijnlijk lijkt. In ieder geval ontstond uit deze hoppe het Franse huoblon zodat het midden-Latijn hubalus verklaard wordt. Verder in Itali, waar het niet gekweekt werd, vervreemdde dit woord tot lupolo of luppolo, waaruit later de lupulus ontstond. De lupus van Plinius is zo vrijwel zeker geen hop geweest. Hieruit ontwikkelde zich later de humlo en humulus. Humulus moet een verlatijnst woord voor een noordelijke naam geweest zijn, van Slavisch, Duits chmeli.

 

Hydrangea, is afgeleid van het Griekse hydor: water, en aggeion: een vat, het is een verwijzing naar de kopvorm van het zaadvat, opengesprongen vruchtjes lijken op een watervaatje. Waterstruik. In 1768 maakte Louis Antoine de Bougainville, de beroemde botanist, in opdracht van Lodewijk XV als eerste Fransman een reis om de wereld. Hij nam de oude botanist Commerson en zijn assistent Baret mee. In Rio de Janeiro vond Commerson een van de mooiste bloemen ter wereld en noemde die Bougainville. Terwijl Commerson en zijn assistent in Tahiti botaniseerden naderde er plotseling een inlander die van de jongen de baret greep en daarmee wilde verdwijnen. Hierbij werd ontdekt dat Baret een meisje was. Ze heette Hortense. De oude Commerson wilde na die ontdekking niet meer terug naar Frankrijk maar bleef met Hortense in Mauritius waarna hij al gauw stierf. Hortense keerde terug naar Frankrijk en trouwde. Ze was de eerste blanke vrouw die om de wereld gereisd was en naar haar werd de nieuwe Japanse bloem genoemd. De bloem was eerst roze. In de tuin van keizerin Jos姿hine de Beauharnais werd ijzersulfaat bijgemengd en de bloemen werden blauw, haar dochter heette Hortense de Beauharnas.

 

Hydrocharis. Kikkerbeet of vorschenbeet, groeit in de thuisplaatsen van kikkers die volgens de ouden een stuk uit het blad gebeten hebben waardoor het blad hartvormig geworden is. Zo verstaat men het Latijnse morsus rana: een beet, en rana: een kikvors, een naam die dateert van Dodonaeus. Het heeft ronde drijvende bladeren met een hartvormige voet die in een rozet drijven, waarom het vroeger wel cleyne plompen genoemd werden.

Verder duitblad, naar de ronde muntachtige bladeren.

 

Hyoscyamus: Het woord bilzen zou afgeleid kunnen zijn van de Keltische God Belenos, Bel of Biel, die ook vergeleken werd met de oud-Germaanse dodengod Henne. Hoenderdood werd het genoemd, in het Engels henbane, Frans hennebane, in middeleeuws Latijn van de 7de eeuw gallinaria herba, omdat het dodelijk zou zijn voor kippen. Mogelijk en meer waarschijnlijker is dat het woord henne, dood betekent. In de Achterhoek is het hennekleed, het doodskleed, vergelijk Duitse Todtenblumenkraut, Mogelijk is hennebane een Scandinavisch en door de Noormannen ge瀕porteerde betekenis. Dolkruid, het maakt dol.

 

Hypericum. Het eerste woord zou afgeleid zijn van yper: wat bij, en ereike: heide, betekent, naar zijn groei op arme en heideachtige plaatsen. Een andere afleiding is van huper: bij, en eikon: een verbeelding, verbeelding naar zijn veronderstelde kracht tegen geesten. Sint Janskruid. Het Johannesfeest valt in de tijd van de zonneomloop. In de voorchristelijke tijd was dit de datum van het zonshoogtefeest. Die nacht heet nu St. Johannesnacht, omdat die heilige Balder de Goede geheel en al vervangen heeft.

Hertshooi, naar de naam te luisteren zou dit gewas door herten gegeten worden, een verkeerde vertaling van het Duitse Hartheu, het laatste deel is zo genoemd vanwege de harde stengels. Er zijn vele verklaringen van dit hart. Hart: woud, maar waarschijnlijk is het simpeler, Harts-hoy, dus een naar hars ruikende plant, een geur waar deze planten bekend om waren.

 

Hypochaeris van Griekse hypo: voer, choiros: big of zwijn, zwijnen eten de wortels, biggenkruid,

 

Iberis, Dioscorides had de scheefbloem de naam Iberis gegeven omdat hij aannam dat het gewas uit Iberia stamde wat de Romeinse naam voor Spanje was, de Spaanse bloem. Opvallend aan de bloemen zijn de vier bloembladen waarvan er twee groter zijn dan de anderen zodat de bloem scheef lijkt te zijn, vandaar scheefbloem.

 

Ilex. Hulst heette in oud-Hoogduits Hulis, Huliso, Huliz of Hulus. Het Hulis berust op een onzekere afleiding, marginaal heeft het iets te maken met het Latijnse visco: kleverig. Met hulsttakken werd de rechter­lijke straf uitgevoerd. Het woord berust waarschijnlijk op de Indo-Germaanse bron qel: steken, naar de bladeren. De Germaanse namen zouden verwant zijn met de Keltische namen voor de bomen, Welsh celyn en Iers cuilleann.

 

Impatiens. van het Latijnse impatiens: ongeduldig of haastig, een verwijzing naar de elasticiteit van de klepperende zaadpeulen die uit elkaar springen bij rijpheid als ze aangeraakt worden.  Kruidje roer me niet, raak me niet aan, het zijn woorden die geleend zijn van woorden die Christus sprak tegen Maria Magdalena na de opstanding, Joh. 20: 17.

Balsamine werd als een soort balsem gezien net zoals Momordica.

Het vlijtige Liesje, dit naar de vingernagel grote en roze bloemen.

 

Indigofera. Het woord indigo stamt uit Spaans indico wat afkomstig is van het Latijnse indicum: het Indische blauw, ferre: dragen of voortbrengen. Reeds de Grieken noemden de uit Oost-Indi afkomstige blauwe verfstof indikon maar de Spanjaarden hebben het gewas opnieuw in Europa bekendgemaakt.

 

Inula, mogelijk een afleiding van Helenium. Een uit het westen komend woord iluna werd omgevormd tot oud midden-Hoogduits Alant wat mogelijk tegen het Gotische Alan aanleunt en groeien betekent, zodat de alant als de groeiende op te vatten is. Dat als een verklaring van de krachtige en hoge groei. In Spaans en Portugees is het ala en de aalbes zou ernaar genoemd zijn vanwege de gelijke geur van bes en alantwortel waar een alantwijn uit gemaakt werd.

 

Ipomoea. Bataten heet in Z. Amerikaanse Arawa spraak batatas en door bemiddeling van Spaans patata verschijnt de naam batata in 1534 bij de Duitsers. Door verandering van naam werd het woord gebruikt voor de knollen van de aardappel en werden die knollen pataken genoemd, met een verschuiving werd dit in het Engels potato (patat).

 

In de mythologie was Iris degene die door haar vroege wijsheid en schoonheid de snelvoetige boodschapper van Juno was geworden en de zielen van de gestorven vrouwen naar de hemel mocht brengen. (Hermes bracht de manlijke zielen weg) Omdat Iris voornamelijk maagden en vrouwenzielen naar de hemel vervoerde, zo was men gewoon om de Duitse lis op de graven te planten. Iris is zo een symbool van licht en hoop. Dat ze als dochter van de zeegod Thaumas aangeduid wordt, vindt zijn verklaring in het feit dat de regenboog schijnbaar uit zee opstijgt. Gelijk de boog zich van het ene einde der aarde tot het andere uitstrekt, zo snelt zij ook met de vlugheid van een vogel door het heelal en daalt zelfs af in de onderwereld om ook daar bevelen te brengen. Op haar tochten naar de aarde liet ze een veelkleurige sjerp achter die de mensen regenboog noemden. Die sjerp had ze van Juno gekregen omdat ze de verleiding van Jupiter en Mars weerstaan had. Uit verering voor haar schiep Jupiter een bloem uit ambrozijn die gedrenkt was in Iris zo zoete adem.

Baardiris of knoliris wordt wel Duitse zwaardiris genoemd, omdat die vooral door de Duitsers gecultiveerd werd.

Lis of gele lischbloem. In middeleeuws Nederlands lies(ch) Duits Lesch, in het oud-Hoogduits Lisca, in het Keltisch betekent lis: water. De naam heeft mogelijk een Indo-Germaans wortel, lei: wat slijkerige grond betekent.

 

Isatis. Van vitrum komt zowel glas (van de ramen) als de wede, vitrum is van zijn kant verwant met viridis: groen, omdat het glas van de ouden sterk ijzerhoudend was en daarom groen zag, de verfkleur kleurde ook groenblauw. Bij Plinius heet het glastum en vandaar stamt de naam Glastonbury. De Wells naam glas betekent blauw, Keltisch glas betekent grijs/groen, het is een verwijzing naar de kleur van de velden rondom Glastonbury. De plant en verf dragen dezelfde naam. Vergelijk de naam Douglas, het eerste lid betekent stroom en met het glas: blauw, is dus een donker water, een riviernaam. Caesar vermeldt in "De Bello Gallico" dat de schrikwekkende Britten zich ermee verfden en Plinius dat Britse vrouwen hun lichamen verfden met glastum en naakt paradeerden in zekere religieuze ceremonies. Bij de komst van de Romeinen zagen die dat de ouden Britten of Britons zich er mee verfden om hen schrik aan te jagen. Het woord Brittain zou dan afgeleid zijn van het oude Keltisch woord brith of brit: dat verven betekent, vandaar stamt de naam Britons en Britten. Dat woord was te ruw voor de Romeinen, dus noemden ze de stam met de meer welluidende naam Britannia.

De overwinnende Saxons zagen dit en gebruikten hetzelfde sap voor het verven van hun kleren.

Wede is een belangrijke verfplant die we tot de oertijd kunnen terug volgen. Wede komt in midden-Nederlands van 1338 voor als weet en als weed in 1428, vergelijk oud-Engels wad (nu woad) oud-Fries wed, oud-Frans guesde, (g voor w) (nu guede, Italiaans guado) of de helderheid van het blauw gaf het bij de Kelten de naam gwed, een naam die nog in Frankrijk in gebruik is, gwesde. In Gotisch wizdila wat stamt uit het west-Germaans waida: blauwe verf. Het Germaans waizda is voor oer verwant met het Latijnse vitrum: blauwe verf, mogelijk ook met het Griekse Isatis (van wis) omdat de plant in verscheidene delen van Europa inheems is.

 

Jasione. Schaapskruid is een plant die op barre gronden groeit, in plaats van korenvelden, en daarom gegeten wordt door schapen. Zandblauwtje.

 

Juglans. De naam heeft een lange geschiedenis. Het oud-Hoogduits Wahl was de oorspronkelijke naam voor de Kelten. De Angelsaksen bestempelden de voor hen uit vliegende Kelten als Wells. Dit woord werd later na verdrijving van de Kelten voor verromeinste Kelten, Romeinse volkeren en Italianen gebruikt. De naam wal, waal, welsch, walsch of waalsch staat zo voor buitenlander. Nog staat de naam Welschen in Duitsland bekend voor onverstandig praten, zie Rotwelsch: dieventaal of bargoens, Kauderwelsch betekent koeterwaals en hier vinden we hetzelfde woord terug in onze taal. Zie verder de waal in Walloni, Waalwijk, Wales en Cornwall, maar ook in de zegswijze: "wat wals is, vals is", wat door de Vlamingen in de tijd van de guldensporenslag ge­bruikt werd.

In Vlaanderen is de naam okkernoot of nokkernoot ontstaan. Dit is afgeleid van het Latijnse nucarius: notenboom, waarvan het via nogarius, nogerius, noguier, noyer en noker op oker kwam. Deze naam is al in middeleeuws Nederlands algemeen en betekent dus letterlijk notenboom‑noot. De boom behoort dan nu ook tot de okkernootfamilie.

Klein Oekel heette in 1363 Cleen Okel, met een oog op zuid Nederlands oekelaar is het de notenboom, zie ook Oekel.

 

Juncus, de oude naam Juncus is verbonden met het Latijnse jungere: verenigen of binden. In primitieve tijden werd het woord Juncus gebruikt, het is een verwijzing naar het gebruik als bind- en vlechtmateriaal en als touw of kabels. Zo is ook het Duitse woord Binse (of Simse) en onze bies verbonden met binden en is verwant met Gotische siman: binden, vergelijk Sammeln. Of van Keltisch binz: kleine beek, de standplaats. Rus, veldrus, Engels rush, rush, oud-Engels risc en in Normandi reuche. Dit woord komt van Keltisch ru: Frans ruisseau: beek, de groeiplaats, of is verwant met riet.

De oorspronkelijke betekenis van het woord fiscus is; een uit biezen gevlochten mand of korf. Het schijnt dat de Romeinen zulke manden gebruikten om geld in te bewaren, vandaar dat fiscus gaat betekenen, geldmand.

 

Juniperus. Nog steeds worden de bessen vanwege hun gezondheid en kruidige krachten gebruikt in de keuken en huis, apotheek, bierbrouwerij en likeuren. Ze zouden naar oud volksgeloof een plas drijvende werking bezitten. Een tak van jenever dient tot teken dat men drank verkoopt.

De jeneverbes is waarschijnlijk al in de oertijd als geneeskrachtige plant gebruikt. Dit blijkt uit de voor-Indo-Germaanse, misschien Ligurische naam genipi. Overeenstemmend hiermee is de naam van de alsem die in Franse dialecten dzenepi in West-Zwitsers schenepi genoemd wordt. De bessen van de jeneverbes komen in handschriften van de 9de eeuw voor als bacas giniperi en bagas geniperi en dit werd in het Italiaans ginepro en vormden het bestanddeel van het Franse juniperus genevre, (zie Geneve) de Engelse geneva en gin. Uit deze oude vormen ontstond de Hollandse naam genever. De bestanddelen van de "gengenever galigaen", dat vermoedelijk identiek is met de jeneverbes, gold als een onfeilbaar middel tegen zeeziekte.

Juniperus sabina heeft verschillende namen die afgeleid zijn van het Latijnse sabina. De sabijnse boom, naar de Sabijnse volksstam, was bij hen veel gebruikt, onder andere bij de roof van de Sabijnse maagden in Itali. Sabina wordt dan ook wel hoerenboom genoemd omdat de medewerksters van het oudste beroep ter wereld er een papje van maakten dat gebruikt werd om abortus op te wekken. In het Engels wordt de plant dan ook wel bastard-killer genoemd.

De bladpunten leveren bij destillatie met water een weerzinwekkend verdovend ruikend bitter, een sterk kamferachtig smakende, verfloze en vluchtige olie. Die olie werkt stevig in op de huid en werd gebruikt bij reuma en als cosmetica. Innerlijk gebruikt werkt het sterk giftig en werd gebruikt voor abortus. 

 

Kochia scoparia. Zomercipres, omdat deze snel groeiende eenjarige wel wat op de cipres lijkt. Wordt net als de cipres gebruikt om er hagen van te maken en soms om er bezems van te maken, zie de soortnaam. Studentenkruid omdat studenten zich eraan mogen wagen tot wat voor geslacht deze plant behoort.

Het zachtgroene bosje wordt wel gebruikt als knuffelplant.

 

Laburnum, zwart ebbenhout naar het hout dat als vervanger van ebbenhout gebruikt werd. Gouden regen of kettingboom.

 

Lactuca, van Latijn lac: melk, een verwijzing naar het melkachtige sap, sla. Lattouwe, lattuwe of lattich, in Hoogduitsland Lattich, in Engels lettuce zijn woorden die uit het Latijnse lactuca stammen. In de late middeleeuwen heette sla bij ons ook sla, dit is een samentrekking van de Franse salade wat weer stamt uit het Italiaans waar het insalata heet. Dit stamt van het werkwoord insalare: inzouten, ingezouten salat. De kern van het woord is dus het zelfstandige naamwoord sal: zout. Dit lijkt nu vreemd, gezouten sla, Duits. Zalath. Vroeger werd sla met zout, olie, azijn en wat kaneel of peterselie aangemaakt. Men meende dat sla slecht verteerbaar was, maar aldus klaargemaakt wel goed verteerd zou worden. Het eetgebruik was anders dan nu en er werd vooral veel minder groente gegeten. Veel werd de groente gekookt, vandaar de warmoezerijen, (kwekerijen) van warme moes, die tot warmoes gekookt werden.

 

Lamium. Waarschijnlijk is het woord verbonden met Lamia: de koningin van Libi, wiens naam door de Grieken werd gebruikt om kinderen af te schrikken die ze zou verslinden. Lamia was de mooie Libische koningin die door Zeus bemind werd. Uit jaloersheid roofde Hera al haar kinderen en sinds die tijd rooft Lamia de kinderen van anderen om ze te doden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.

De Lami創 waren vrouwelijke spoken wier geschiedenis, net als elk andere spookgeschiedenis, duister en verward is. Men verhaalt dat zij zeer begerig waren naar mensenvlees en vooral naar het bloed van kinderen. De verbeelding stelde zich deze wezens voor als lelijke vrouwen met ezelspoten die de bakers van de kinderen verschrikten en zich in allerhande gedaantes hervormden en vertonen konden. Ook reizigers ontmoetten die wezens dikwijls en die konden hen alleen door schelden en schreeu­wen verjagen. Men verhaalt dat ze afstamden van Lamia, die eerst zeer schoon was, maar door Juno lelijk en razend gemaakt werd zodat ze alle kinderen doodde.

Dove of dode netel, een niet brandende netel, het was een medesoort van Urtica, de brandnetel. Omdat de bijen honig zuigen heeft ze de naam van zuigjes, zuiglammetjes, zuigman, zoetnetel, zuugbloem, pappezoegers, suikernetel, engeltjeseten hommelwortel, goudhaansvoer, goudhaantjeseten. In Belgi mammaluiten, dus ook zuigen. De bloemen bezitten veel honig. Om dit te proeven moet je er in de morgen vroeg bij zijn, anders zijn de bijen je voor. Die zijn met hommels de enige insecten die de honig eruit kunnen halen omdat een scheef opgerichte haarring de toegang voor kleinere insecten afsluit.

Adam en Eva, draai de bloem om dan zie je de twee meeldraden naast elkaar liggen als man en vrouw, daarom heeft ze liefdeskrachten. Of omdat als je de bloem naar beneden houdt de zwarte en gouden meeldraden zijde bij zijde ziet liggen als twee slapende mensen in een doorzichtige zijden tent.

Hoenderbeet is zo genoemd omdat het vocht van de plant fataal zou zijn voor hoenders die er bedwelmd van zouden raken.

 

Larix. In Oostenrijk gold de lork als schutboom van het huis en staat daar dichtbij in de buurt. Larix heet in Hoogduits Lierbaum, het gezegde: "branden als een lier" kan hier vandaan stammen of heeft er verbinding mee.

Hiernaar heeft de larix zijn naam van de "lares", de huisgoden gekregen omdat ze als schutboom bij de huizen geplant werd.(88, (1930)

(Dodonaeus) (a) ヤHier te lande heet deze boom lorcken-boom. Het woord lork is een leenwoord dat op het midden-Hoogduitse Lerche of L較che, oud-Hoogduits Larhha, een woord uit Gallische Alpenbevolking en vandaar naar het Latijnse Larix terug. Larix werd met zijn Griekse naam ook wel als welriekend vertaald, vanwege de harsgeur.  Mogelijk is het woord genomen van het Keltische woord voor vet: lar, naar de dikke hars die deze boom levert., levert de terpentijn van Veneti.

 

Lathyrus tuberosus. Aardaker, de naam is van aarde en aker, aarde en eikel, naar de vorm en kleur van de kleine knollen die in de grond aan uitlopers en aan de wortelstok worden gevormd. Soms wordt het ook muysen met steerten genoemd omdat de bruine of zwarte knobbelachtige ronde langwerpige eikels of wortels met hun aanhangend snoertje of vezeltje op een klein muisje met zijn staartje schijnt te lijken.

 

Laurus, laurier. Van een tak maakte Apollo zijn kroon. Zo'n kroon is sindsdien het zinnebeeld van roem en eer. Hoofden van overwinnaars werden met ere: Laude, dat is met de lauro of lauwerboom bevlochten. Studenten die dan ook een graad behaald hadden werden met de besdragende laurier onderscheiden, Bacci Lauri, vandaar het woord Baccalaureaat, Duits Bakkalaureus. Die studenten was het niet toegestaan te trouwen, hun taken als echtgenoot en vader zou hen weghouden van hun literaire overpeinzingen en zo werden in de loop der tijden vrijgezellen jongens bachelors genoemd. Verder zijn nog een aantal uitdrukkingen op laurier gebaseerd, bijvoorbeeld "op zijn lauweren rusten", "gelauwerd zijn", "lauweren oogsten".

 Bakvis:  een vis groot genoeg om te bakken. In de betekenis van een jong meisje. Gebakken jonge vissen zijn lekkerder dan volwassen vissen. Vanwege de gelijkheid van klank met baccalaureus heten onrijpe studenten bakvissen.

 

Lavandula, van lavare: wassen, lavendel. In de oudheid baden de mooie vrouwen daarin en ze zouden daarna zo bekorend geroken hebben dat de latere Europese dames hun gelijke wilden worden en ook gebaad wilden worden in lavendelwater.

De reuk van lavendel wordt geassocieerd met frisheid en schoonheid, nog gebruikt om linnen en de planken te laten geuren waarop linnen bewaard wordt.

 

Legousia. Spiegelklokje, Venusspiegel en Venus kijkglas, de specularia. De naam speculum‑veneris is een verwijzing naar de vorm van de vrucht die overeenkomt met een medisch instrument, de Speculum Uteri of baarmoederspiegel.

 

Lemna. Eendenkroos, die het eten. Kroos, eerder croost of croest.

De streek/plaats Crooswijk en Krooswijk zijn er naar genoemd.

 

Lens valt in twee delen uiteen waarvan de een fijn en doorzichtig is. De lens van de astronomen heeft er zijn naam van.

 

Leontopodium. De naam edelweiss, Edel betekent nobel en weiァ: is wit. De uit het Zillertal stammende naam Edelweiァ, in Tirol spreekt men van Irlweiァ en in Graubunden van Alv-etern: eeuwig wit, is zo pas sinds 1785 bekend geraakt en in de 19de eeuw in andere talen.

Edelweiss werd geleidelijk aan het teken van de bergvereniging en zo in 1862 ook van Duitse en Oostenrijkse alpenvereniging, bergpensions, jagers en het souvenir. Het werd het symbool van zuiverheid.

De meeste legendes en liederen stammen zo pas uit de laatste honderd jaar. Vanaf 1880 werd het plantje beschermd wat binnen enkele tientallen jaren weer werd opgeheven. In 1959 vond men bij een herder 80 000 edelweissbloemen.

 

Leonurus. Hartgespan naar de vorm der bladeren omdat ze het sidderen en kloppen van het hart beteugelt, het mentale gedeelte.

 

Lepidium. Peperkers of -kruid, de wortels en de bladeren werden gebruikt in plaats van peper. Zo werd het kruid gebruikt door arme mensen die geen geld hadden voor de echte peper, vandaar armenpeper. Ze worden nog wel gegeten, maar de scherpte is wat teveel om aangenaam te zijn.

Kers is een verkeerde naam, het moest kres zijn. In het midden-Hoogduits komt Kresse voor, wat voert op een west Germaanse woord terug dat in het noorden aan Romaans ontleend is, volks Latijn cresco, midden-Latijn cresso, waaruit Frans cresson. Keltisch cres: beek, de groeiplaats. Als Germaanse stam wordt krasjo opgevoerd dat tot Indo-Germaanse gres of gros: eten of knabbelen behoort. Het oud-Noorse kras betekent lekkernij. De plant schijnt zo te heten omdat het zonder verdere bereiding zo gegeten kan worden.

 

Leucanthemum betekent wit. Margariet komt van Latijn margarita: parel, waarmee de mooie bloem vergeleken werd. Het Latijn en Grieks schijnen van Perzisch mervarid: parel, af te stammen, zie Bellis. Ganzenbloem, staat op 1 been. Vorm, wambuisknopen. Margriet is een orakelbloem die bestemd over het huwelijk, non worden of naar de hemel of hel gaan. Pluk een bloemblaadje, en spreek, zeg me de waarheid, Ik trouw wel, trouw niet etc. het laatste blaadje geeft aan of het wel of niet lukt, zo ook met non worden, naar de hemel of hel gaan. In de taal van de bloemen betekent de plant: verlaat me niet. Men neemt de gele buisbloempjes en werpt ze in de lucht en laat ze vallen op de omgekeerde hand, ieder bloempje dat er op blijft liggen telt voor 10 jaar. (wachten voor je gaat trouwen en dergelijke)

 

Leucojum, komt van Grieks, leukos: glimmend wit, en, ion: viool, wit viooltje, februari viool.

 

Levisticum. Maggiplant is zo genoemd naar een fabriek die het als specerij gebruikte, de fabriek van Julius Maggi die bouillonpreparaten, vooral van soepen maakte. Een plant die genoemd is naar een fabriek, heel opmerkelijk.

Er ontwikkelden zich midden Latijnse nevenvormen als luv-lub-, lev-, livisticum en libestica. Een omvorming tot het oud-Hoogduits stecco: steken, werd Lubestecco. In midden-Hoogduits verscheen zo het woord Lubestecco en (met de gedachte aan lief) Liebstuckel. Zo verbasterde het verder en komt ook in andere namen voor als Luststock en Manskracht. Een gelijk uitgangspunt heeft het Angelsaksische woord, lufu: liefde, en werd zo lufestice, of met love: liefde, ontstond het woord lovage. Bij ons lavas, lubbestok en manskracht.