Conger, zeepaling.

Conger conger.

 

Naam.

Konger is de zeepaling, kongeraal, Engels conger stamt van Frans congre of van Latijn conger en dit van Grieks goggros: zeeaal.

 

Uit www.darvillsrareprints.com

 

De zeepaling komt aan onze kust voor, meestal toch aan rotsige kusten. Komt in Europa voor, vooral bij St. Helena.

Is geen familie van de paling, maar wel er mee verwant.

Kan een anderhalve tot twee meter lengte halen, soms drie bij een gewicht van vijftig kg of meer. In 1770 verkocht men een zeepaling op de markt van Alkmaar en een van bijna twintig kg die gevangen was tussen Petten en Callantsoog. Bij Boxenisse werd er een gevangen op 1 mei 1816 die honderd drie en tachtig cm was en zeven en twintig  kg woog. 

Het is bruin-leiachtig, met een lichtere onderkant, afhankelijk van de ondergrond, en glad.

De bek heeft een aantal zeer scherpe tanden, steek je vinger er niet in die ben je kwijt. Het is vooral een vleeseter.

Het dier heeft een zeer lange rugvin en geen buikvinnen.

Hij zwemt zoals we het monster van Loch Ness voorstellen, als een serpentine.

De paaiplaats is ook in de Saragossa Zee, dan sterft de zeepaling na die daad.

 

Zeepaling.

In Shakespeare, ‘Henry IV’, II, ,4,229 beschrijft Falstaff Poins, een van zijn wilde begeleiders als etende conger and fennel, een oude maaltijd van zeepaling en kruiden die hij graag gebruikte met Prince Hal.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant; ‘Borbacha, is de lompe naam. Een vis van vormen onbekwaam, een huid en glad als de paling, te eten is het een zoet ding, maar de lever is best tevoren en boven andere vissen uitverkoren. Zijn hoofd is groot en de mond wijd, leeft hij van twaalf jaren die tijd, dan wordt hij groot en onbekwaam en solaris is dan zijn naam waar men hierna van vindt meer. Rivieren bemint hij en zee.’

 

En; ‘Congrus, is een vis van de zee, wel min of meer geschapen naar de aal of naar de paling,  voorwaar zeg ik dit ding, doch is hij veel meer harder. Plinius zegt in zijn spel dat hij bekwaam is ter spijs en gezond in alle wijze, nochtans geeft hij zware doorgang. De saus is sterk en stevig ,in grote stormen, in grote vloed wordt hij vet en goed’.

Conger is een zeevis, even lang als de lamprei maar veel groter van lichaam. Als de wind sterk blaast groeit het vet en zijn vlees is zeer zoet te eten.

Het is een vijand van lamprei en andere vissen en het is sterk zo dat het een poliep kan dragen door de kracht van zijn tanden. De conger en de lamprei haten elkaar en bijten elkaar in elkaar staarten. De conger heeft vele slimme streken en weet slim aan vlees te komen. Als hij het vlees aan de haak ziet is hij bang van de haak en bijt niet het aas maar houdt de haak met zijn vinnen vast en laat het niet eerder gaan dan dat hij het vlees eraf heeft gegeten.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/