Kraken, reuzen inktvis, soorten.

 

Vorm.

 

De inktvis met zijn in- en uittrekkende armen heeft aanleiding gegeven tot het zeemonster, de Kraken, die met zijn armen schepen omver trekt.

 

De meeste inktvissen wonen in de zee, aan de kusten en in grote dieptes.

Ze kruipen en zwemmen zeer goed en sommigen hebben zelfs zeer grote lichamelijke kracht. Van de wervelloze dieren zijn het wel de geweldigste en sterkste roofdieren  De meeste blijven klein, sommige vormen van de diepzee bereiken echter geweldige afmetingen.

Velen worden gegeten en wordt van sommige een verfstof gewonnen, sepia.

De koppotige bezitten als de hoogst ontwikkelde onder de weekdieren niet alleen een duidelijke kop met twee grote ogen en een mond die voorzien is van een krachtig, snavelvormige kaak en door vangarmen omgeven is, ze bezitten zelfs binnen de kop een kraakbenig weefsel dat als het begin van een geraamte mag worden beschouwd.

De romp is door een zakvormige mantel omgeven die er aan de rugzijde mee vergroeid is. In de mantelruimte zitten kieuwen en daarin monden ook het darmkanaal, de geslachtsorganen en de opening van de sepia zak in uit en ze staat door twee openingen in contact met het water. Die opening die zich in de kegelvormige voet, de trechter, bevindt dient om het water met uitwerpselen te verwijderen en door de andere opening dringt er water in.

De dieren ondergaan plotselinge kleurveranderingen, op geelachtige grond ontstaan in vlugge opeenvolging bruine, gele, rode of blauwe vlekken.

Als men ze uit het water haalt maken ze een geluid dat op het knorren van een zwijn lijkt.

 

=Sepia officinalis, (geneeskrachtig) is de verst verspreide en talrijkste vertegenwoordiger van de soort. Het is de gewone inktvis die aan onze kust bekend is onder de naam zeekat.

Die is een meer dan 50cm lang.

Een sepia kan verschillende kleuren aannemen als het boven een wier zwemt is het dier groen wat naar bruin kan gaan als de ondergrond die kleur heeft. De kleurveranderingen kunnen zeer snel gaan en van het ene moment van wit tot zwart overgaan. Ze zwemmen in scholen die allen tegelijk dezelfde kleurverandering ondergaan.

Het zwemmen gaat rustig maar door de trechter aan de onderkant van hun lichaam kunnen ze soms zeer snel gaan. Daar wordt water uitgestoten die het dier met kracht naar achteren, zijwaarts of naar voren drijft, afhankelijk van de stand van de trechter, het is een soort straalaandrijving. 

Verborgen in rotskloven of tussen het zeegras loert hij op naderende zeedieren. De mond is omgeven door acht kortere en twee langere vangarmen. Die armen zijn van talrijke zuignappen voorzien die zich vast hechten aan de omstrengelde prooi.

Inwendig in de mantel aan de rugzijde bevindt zich een langwerpig ronde en platte kalkschaal, het is de rugplaat die ook sepiabeen heet. Het dier bezit verder een sepia-zak die met een donkerbruine vloeistof gevuld is, de inkt, die het naar willekeur kan uitspuiten om het water ondoorzichtig te maken en zo aan zijn vervolgers kan ontkomen.

Er wordt verteld dat de vrouwtjes licht geven tijdens de paring. Ze worden dan gevangen met fakkellicht. Soms neemt men het wijfje gevangen aan een haak die door het water wordt getrokken en daar komen de mannetjes op af die het vrouwtje willen omhelzen, ze worden van elkaar afgetrokken en het vrouwtje wordt weer aan de haak door het water getrokken op weg naar de volgende omhelzing.

 

Octopus vulgaris, onder loerend en boven zwemmend, links een schelp van Nautilus pompilius.

 

Uit www.wickedmagazine.org

Octopus:  octo: acht, podus:  voet

Octopus vulgaris, (gewoon) de gewone achtarm, kraak of zeepolyp bereikt met armen waaraan honderd twintig paar zuignappen aan voorkomen, soms een lengte van een meter.

Hij kruipt tamelijk vlug op het strand en zwemt vooruit door met de vangarmen te roeien en achteruit door een waterstraal met kracht uit de trechter te spuiten. Hij kan deze waterstraal ook gebruiken om er kleinere dieren op het strand mee te treffen. Ook kan hij een inktwolk uitspuiten om zijn achtervolgers te laten verdwalen.

Zijn eieren zijn met een korte steel tot trossen aan elkaar gehecht en zijn onder de naam zeedruiven bekend.

’s Nachts straalt  hij soms, als veel van zijn verwanten, een zwak fosforescerend licht uit.

Hij voedt zich met schelpdieren, krabben en vissen die hij met zijn vangarmen grijpt.

Deze inktvis komt ook aan onze kust voor.

 

 

Uit en.wikipedia.org

Argonautus argo, (wit)de papiernautilus of schippertje.

Het wijfje bezit evenwel een schelp die teer perkamentachtig is en op een slakkenhuis lijkt.

Het dier is niet met de schelp vergroeid, die wordt vastgehouden door twee armen die aan het uiteinde schijfvormig verbreed zijn. Die armen zorgen ook voor haar groei en herstelling van beschadigde plekken, zie argonauta.

 

 

 

 

 

 

Nautilus pompilius, (zeeman en pronkend) de paarlemoer-nautilus, parelboot, Duitse Nautilusschnecken of Perlboote,  (Nautilus umbilicatus is de navelboot) bezit een vast paarlemoerachtige schelp die in een vlak spiraalvormig gewonden is. Die schelp is verdeeld in een aantal kamers waarvan de voorste en grootste door het dier bewoond wordt. Alle kamers staan door een buis met het dier in verbinding.

De mond is omgeven door talrijke en draadvormige armen zonder zuignappen.

Dit dier komt zelden aan de oppervlakte en wordt dan ook weinig gevangen.

 

Uit eolspecies.lifedesks.org

Architeuthis dux, reuzenpijlinktvis, reuzenpijlinktvis, Duits Riesentintenfische heeft tien armen waarvan de twee echte grijparmen de overige nog ver in lengte kunnen overtreffen. De armen zijn bezet met vele zuignappen die op hun beurt weer voorzien zijn met op haken lijkende tandjes waarmee ze een glibberige huid vast kunnen pakken. De zuignap trekt door een aantal spieren het middelste deel omhoog zodat dit luchtledig en vast gehouden wordt. De prooi wordt verscheurd met een paar hoornkaken als snavels. Aan weerszijde van het lichaam heeft hij een paar vinnen waarmee hij zich snel door het water beweegt. Een beweeglijke sipho of straalpijp stuwt het geweldige lichaam voor of achteruit, een soort straalaandrijving en zou zo 40km per uur kunnen halen. Aan de kust van Noorwegen is er eens aangespoeld met een lengte van 5 meter, de vangarmen waren 12 meter lang. In 1933 spoelde er een bij de kust van Cove van Newfoundland. Van de punt van de staart tot het uiteinde van de langste vangarm was het vrijwel 22m lang. Het lichaam had de omvang van een auto.

 

Uit www.fickriver.com

Enteroctopus dofleini, reuzenkraak is wel de grootste. Er is een gewogen van 71kg.

 

 

Naam.

Men verdeelt ze wel naar de armen in Tetrabranchaiata: vier armen. Dibranchiata: twee armen of vertakt. Octopoda: acht armen en Decapoda: tien armen.

De oude Grieken en Romeinen noemden de hen bekende koppotige ‘veelvoeten’, polypus of polypous, dit werd polpo in Italië en poulpe in Frans, in Engels polyp en poliepen bij ons.

Mogelijk is de voorstelling van de Gorgone Medea, die een hoofd had met slangen, een vorm geweest van de octopus.

 

Kleurverandering.

De poliep is een symbool van verandering, dit vanwege zijn kracht om van kleur te veranderen Dit is een karaktertrek van de Dibranchiata waartoe ook de Octopus, Sepia en Argonauto behoort. Die hebben kleurcellen die in staat zijn de kleur van het dier of op die van de omgeving af te stemmen. Dit wordt al vermeld bij Aristoteles en herhaald door middeleeuwse schrijvers.

 

Gebruik.

Velen inktvissen zijn volkomen naakt, anderen hebben in een huidzakje een vlak, veer- of lancetvormige plaatje dat uit chitin bestaat dat door kalkafzettingen hard wordt en vandaar dat het in gewone taal sepienknoken genoemd wordt en schelp, Os sepiae. Dit was vroeger een medicijn voor de mensen. Het zeeschuim, de inktvisschelp, werd voor allerhande doeleinde gebruikt. De dames uit het oude Rome lieten het fijnstampen en bepoederden er hun gezicht mee. Het wordt nu gebruikt in vogelkooien om de zangers in goede vorm te houden. Het is het zeeschuim dat ook als polijstmiddel gebruikt wordt. Door de zilversmeden wordt het gebruikt tot het maken van vormen en waarvan men ook een nuttig artikel bij het schrijven maakt.

Van de vloeistof wordt de bruine kleurstof vervaardigd die als sepia bruin in de handel komt.

Het vlees van oude inktvissen is slecht, dat van jonge dieren wordt vaak gegeten.

 

Bestiarium.

Shakespeare, ‘2 King Henry IV’, ii, 4, 139; “An you play the saucy cuttle with me”,

De cuttle vis is een soort zeevis met een puntige snuit waarmee ze schepen doorsteken zodat die zinken in de Atlantische Oceaan.

 

Uit Maerlant;‘ Sepia, zegt Plinius me, is een vis die in de zee ligt. Hij en zij, dat is te menige keer, ze gaan tezamen te alle stonde. Wordt ze gewond met enig ding, zoals met een harpoen, dan staat hij haar te hulp, maar wordt hij geraakt,  dan gaat ze schuiven en vliedt en zo denkt ze aan hem niet weer. Worden ze ook beide tezamen enig slecht vooruitzicht gewaar, dan spuwen ze een zwarte stof uit en maken het zo donker daar omtrent dat ze ontvlieden als het ware nacht. Die zwarte stof heeft zo’n kracht dat doet men het in een heldere lamp en ontsteekt er in een lont bij wat dat daarbij is, zoals ik hoor, wordt alzo zwart alsof het ware een Moor. Immer zijn ze in de zee in genot tezamen twee’. Zijn inkt is zo sterk dat als het op een lamp gegooid wordt de mensen Ethiopiërs lijken.

Het ontvangt door de mond als de viper.

 

Uit Maerlant; ‘Polipus, zoals Plinius zegt, is een vis die te zijn pleegt bij Venetië in dat meer. Zijn hoofd dat is groot om te weren en zijn staart is in tweeën gespleten. Twee armen heeft het zo als wij het weten, waar het met zijn kracht een man, die het niet verwacht, mee haalt overboord en eet hem dan en versmoord omdat het vlees heeft uitverkoren. Zo vast kleeft het aan de rotsen dat men kan het er niet vanaf trekken kan. Op het land gaat het als hij het gebiedt diegene die het van de rotsen wil brengen, doe hem iets aan met enige stinkende dingen, dan valt het eraf, want het haat stank.  En als het geniet, zo is zijn gang, dat het ruggelings de andere ontmoet. Zittende broedt het zijn eieren. Boven het jaar leeft er geen zeggen de meesters algemeen.’

 

 

 

Uit Maerlant; ‘Kilox, spreekt Aristoteles mede, is een vis van zulke zede dat hij vast aan rotsen kleeft. De schelp, waar hij in ligt is hard en scherp in zijn manieren. Deze vis heeft vier voeten en met de achterste twee kleeft het vast aan de steen. Met de voorste, alsof het handen waren, vaart hij waar hij wil varen. Mocht het iets overwinnen daar terstond, in het midden zijn mond van twee manieren, als ik het lees. Groot en klein, vindt men deze, de ene zout men om lang te houden, de ander is zo sterk gespikkeld en van boven wit, van venijn is wel deze. Beide zo waren ze te eten fel’.

En een weekdier, een Octopus, pijlinktvis of kalmar, Loligo vulgaris, (Latijn loligo: laster en venijn, hun naam voor de inktvis)  Duits Kalmar, Frans encornet en calmar, Engels common squid.  Calmar van calamarius; schrijfriet.

 

Uit Maerlant; ‘Lolligo, zegt Plinius, is een vis en heet dus. Zelden leeft het, voor waar, iets langer dan twee jaar. Ze vliegen opwaarts uit de zee, als schichten min of meer, twee voeten hebben ze waarmee ze in hun mond steken, dat is hun zede. De voeten zijn hard en een deel breed waarmee ze gelijk vechten, hun buik en hun hoofd is tussen de voeten, wat men gelooft. In het land van Mauritanië, in de zee, laat men verstaan, waar Lixus valt in de zee vindt men ze en nergens meer. Zoveel zie je er vliegen dat ze de schepen, zonder liegen, laten verdrinken in die zee. Kiramidarium boek zegt me, het is een vis zegt die, zonder schubben en als een storm de zee zal kwellen vliegt hij uit het water gelijk en vliedt de storm en vaart op het land, en zijn tong, laat hij weten, die is bij hem in tweeën gespleten’.

 

Uit en.wikipedia.org

Kraken.

Plinius spreekt over de poliep van Carteia die een kop had met een inhoud van 500 liter. Albertus Magnus verhaalt over de zeeslang die anderhalve mijl lang wordt en over de Kraak die zo groot is dat de zeevaarders het dier voor een eiland houden en hun anker erin uitwerpen waarop het beest met zijn lange armen het schip geheel omslingert en naar de diepte trekt. Volgens hem beweerden de vissers van de Noorse kust dat er in de rotsen en holen van de kust in de buurt van Bergen een slang schuilt die ruim zestig meter of meer lang en zes meter dik is. Hij gaat er ‘s nachts bij maanlicht op uit om kalveren, lammeren of varkens te eten. Op zee eet hij poliepen, garnalen en andere zeevissen. Zijn nek is bedekt met een haarbos van een halve meter. Hij is zwart en heeft scherpe schubben en vlammende ogen. Hij brengt groot onheil toe aan de scheepvaart omdat hij zich op de schepen stort en alles met zich mee sleurt. Hij verheft zich recht omhoog om diegenen die in het schip zijn op te eten. Het is in dat land een slecht voorteken als men hem ziet en zegt dat het de dood van een vorst zou betekenen. In het jaar dat er een zeeslang in het Mjosenmeer verscheen, 1552, werd koning Christiaan II uit Denemarken verdreven. 

Als de zeeslang de boot geheel omcirkeld had, moest je zo snel mogelijk proberen onder een van de vele kronkels door te varen. In ieder geval niet tussen twee kronkels door want als de slang zijn lichaam opheft zal de boot kapseizen. Volgens bisschop Pontoppidan namen de schippers steeds bevergeil mee. Hiervan gooien ze wat overboord als het monster nadert, de ervaring heeft hun geleerd dat die hiervoor vlucht.

Op de drie figuren ziet men hoe de schepelingen op een soort walvis met twee hoornachtige uitgangen op de kop een anker gegooid hebben. Ook hebben ze, net als Sindbad de Zeeman, een vuurtje op zijn rug gemaakt. Het monster is van een soort klauwen voorzien en van geweldige hoektanden. Het valt nu het schip aan dat blijkbaar geen bemanning meer heeft. In de tweede figuur komen dergelijke monsters op het schip af met het doel dit om te keren. Er is echter een redmiddel, op een horen blazen, zoals de man op het achterschip doet en lege vaten in zee te werpen.

Op het derde plaatje is het verschrikkelijke zee monster die Ziphius genoemd wordt, bezig een zeehond op te eten, terwijl een ander monster hem van terzijde aanvalt.

 

Historie.

Steeds kwamen onbekende monsters uit de zee.

De Kraken zijn beroemde en reusachtige zeedieren die naar de berichten van de Noorse bisschop Pontoppidan de grootte van een klein eiland hebben, schepen zouden als ankerplaats dienen. Met zijn armen trekt hij schepen om.

Software: Microsoft OfficeDe kern van deze fabels waren de buitengewoon grote inktvissen (met wat van de walvis)  die een zwartbruine vloeistof van zich geven dat op het water drijft. Een kleine hoeveelheid is voldoende om het dier met een donkere wolk te omhullen waardoor het voor zijn achtervolgers plotseling onzichtbaar is geworden. Op die eigenschap berust de onjuiste naam ‘inktvissen’. Het is het symbool van dit dier dat daardoor verbonden is met duistere machten. Dit dier komt uit de diepzee aan de oppervlakte van de zee en verschijnt soms aan stranden.

Wetenschappelijk heten ze kopvoeten of koppotige omdat men de armen die om de kop zijn aangebracht als voet van het weekdier zag of vanwege hun voortbewegen daarmee. Deze dieren komen soms voor bij Zweden, Ierland, IJsland, Japan en soms nog bij Nieuw-Zeeland.

De grootste is een zes meter lang en heeft armen van twaalf meter lengte, de armen zijn zo dik als een mensendij. Zo’n dier zou tien ton en meer kunnen wegen. De doorsnede van een zuignap aan de armen gaat tot vijftien cm.

De kraken behoren tot het Kalmar lijkende geslacht Architeuthis. Mogelijk hebben ze ook aanleiding gegeven tot de fabels van de reuzenzeeslang.

In de grote oceaan werd bij Alaska bericht van een reusachtige Onychoteuthis met een lichaamslengte van twee meter zestig.

Bij de Octopus ligt de lengte hoofdzakelijk in de armen terwijl het lichaam klein blijft.

 

Om aan de vervolging van grote vissen te ontkomen springen ze boven de waterspiegel uit en stranden hierdoor dikwijls op boten of  aan de oever. Zo’n dier zal inderdaad een gevaarlijke tegenstander zijn.

In 1873 zouden twee vissers in hun boot gegrepen zijn door ongehoorde armen van zo’n beest. Door het afhouwen van de armen konden ze gered worden. Ook in het Zuidzee-eiland St. Paul is zo’n beest van zeven meter lang gestrand. Men vindt ze soms in de maag van de potvis.

Zo trof het Franse schip Alecton in 1861 in de buurt van Teneriffe een polyp aan die de oppervlakte zwom en zonder de acht met zuignappen bezette vangarmen zes meter lang was. Hij was steenrood, zijn lichaam was spoelvormig en in het midden sterk gezwollen. Zijn gewicht werd op twee duizend kg geschat. Men streed drie uren lang met schietwapens en trachtte hem met strikken te vangen maar men kon slechts enkele delen van hem machtig worden.

Op 5 uur van de morgen juli 1874 zagen de opvarenden van het stoomschip Strathowen dat een kleine schoener van 150 ton, de pearl, door zo’n grote inktvis werd aangevallen. De kapitein James Floyd zou op het dier hebben geschoten, het dier was schoksgewijs naar de schoener toe gekomen en liet het bootje kapseizen.

De Franse natuuronderzoeker Velain trof in 1875 bij het eiland St. Paul een inktvis die van het eind van het lichaam tot aan de vangarmen zeven en een halve meter groot was. De Indianen zijn altijd bang dat deze monsters de kano’s laten zinken door er hun armen over te slaan en houden daarom altijd een bijl in gereedheid om die gevaar dreigende armen af te kappen.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/