Marter, boommarter, Martes.

Uit Buffon.

 

Naam.

De marter heet in Duits Marder,  in oud-Hoogduits was het Mard, in oud-Fries is het merth, in Angelsaksisch mearb dat met het uit het Germaans stammende midden Latijnse martus en het Franse mart: bruid, namen zijn die voor de wezel gebruikt werden omdat men er bang van was en door dit te gebruiken zijn echte naam niet wilde  aanroepen.

De Indo-Germaanse naam van de marter is door taboe gebruiken verloren gegaan.

 

Martes martes, L. is de edel- of boommarter. Het is een middelmatige grote en slank gebouwde, in de lengte gerekt en kort potig dier.

Een naar voren smal uitlopende kop, een toegespitste snuit, afgeronde oren en middelmatige, levende ogen.

Ze dragen een middelmatig lange staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige vloeistof afgeven en een langharige, zachte vacht. Die vacht is aan de bovendelen bruin, aan de snuit vaal, het voorhoofd en wangen zijn lichtbruin, de onderzijde geelachtig, de poten zwartbruin, zo ook de staart. De keel en de onderzijde van de hals zijn fraai dooiergeel gekleurd, deze ‘bef’ is het meest kenmerkende van het dier.

Bij het vrouwtje is alles wat lichter en kleiner. De lengte is vijf en vijftig tot zeventig cm, zonder de dertig cm lange staart, bij de schoft is het vijf en twintig cm hoog, het gewicht is om en nabij de kg.

 

Jongen.

Hij bewoont de meest afgelegen en dichtste bossen. Als leger dient hem een zacht beklede holte in een boom of een verlaten roofvogel- of eekhoornnest. Begin april komende drie a vier jongen ter wereld. Na enkele weken volgen ze de ouders al door de bomen. Ze zijn met een jaar volwassen, maar het tweede jaar pas paringsrijp.

 

Jagen.

De edelmarter jaagt in bossen met breed gebladerd geboomte, maar ook in naaldbomen. Hoe eenzamer, dichter en donkerder, des te meer zie je dit dier. Hij klimt vrijwel het beste van alle dieren en springt door de takken als een eekhoorn. Tegen de avond gaat hij op jacht en jaagt op alle dieren die hij kan overmeesteren.

Levert de boomkroon hem niet genoeg op dan komt hij naar de grond. De daar broedende vogels hebben in hem de grootste vijand die hij onverhoeds overrompelt en worgt. Het reekalf en de haas tot aan de muis, geen dier is voor hem veilig, ook vogels weet hij te verschalken. Hij bijt kleine dieren de achterkop stuk, grotere verscheurt hij de hals. Sterkere dieren als hamsters en hazen grijpt hij met alle vier de poten vast en rolt zich men hen over de grond tot ze door zijn beten gedood zijn. Onze kippen zijn voor hem geen probleem, hij rooft de hen weg voordat de haan kraait. Slaagt hij erin door een kleine opening zijn kop te wurgen dan glipt zijn lijf er ook door. Dan richt hij daar een enorme verwoesting aan. Zolang hij nog iets levends gewaar wordt blijft hij aan het moorden en likt het bloed op dat uit de wonden drupt, vreet iets van de hersenen en sleept tenslotte een enkel stuk mee. Haalt de duiven uit het hok, honing uit de korven en de vruchten uit de bomen.

 

Vacht.

Hij wordt vooral vervolgd om zijn vacht. Het gemakkelijkst gaat dit als er pas sneeuw gevallen is omdat je dan ook op de takken zijn spoor kan volgen. Zijn bont is van het edelste werk, het komt in kwaliteit vrijwel naast het sabeldier. De mooiste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit Schotland, Italië, Zweden en N. Duitsland. In vele landen is de jacht het recht van de kroon, die wordt vaak uitbetaald in pelzen. Pelzen worden door de vorst van Rusland als geschenk gegeven, de kroon van de keizer is met juwelen en goud gesierde martermuts.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant; ‘Mustela is de muishond, een dier dat bij ons wel bekend is. Het leeft van prooien van dieren. Is van schalkse manieren want het draagt van plaats tot plaats zijn jongen omdat het niet graag ziet dat men ze vinden zal, in holen is hun gehele wonen. Serpenten en muizen plag het te vangen en als het serpent het pijn wil doen dan eet het van tevoren wilde ruit waarmee het venijn uitdrijft. Ook heeft het van naturen aard kennis van alle medicijnen. Vindt het zijn jong dood, men zegt dat het een kruid te vinden pleegt waar het zijn jongen mee opwekt. De muishond pleegt en merkt op om serpenten en muizen te vangen. In Pruisen, laat men verstaan, is een eiland waar er geen in leeft. Solinus die het beschreven heeft dat het de basilisk verbijt en erna in korte tijd sterft, die met zien de man en elk dier met de adem nochtans doodt, maar daarna sterven ze alle graag. Men zegt van de muishond dat de gal goed is tegen aspis venijn, echt is er aan deze medicijn. Kiramidarium boek zegt het, waar oude filosofie in ligt, dat men de muishond zal ontlijven en koken in olie van olijven zodat hij geheel verteert, die olie zal men duwen door een kleed, dit is een rijke zalf rijk de zware jicht en is voor de zenuwen goed en geneest de zere voet’. Omdat dit meer, naar het volksgeloof over een wezel gaat, wordt het daar ook vermeld.

 

De edelmarter zou vroeger een volks medisch gebruik gehad hebben. Zijn scheenbeen werd als amulet tegen ziekten gedragen. De H. Hildegard meldt: ‘de boommarter is warm en vriendelijk en leeft in koloniën. Zijn vet met wat eierenolie is een prima zalf voor nog niet uitgebroken halsklieren’.

 

Uit Buffon.

Martes foina (beuk) is de fluwijn, huis- of steenmarter.  Fluwijn van oud Frans foine, nu fouine, een aanpassing van de beuk, fou, uit Latijn fagina; beukmarter. Duits Buchmarder, onze boommarter.

Die is aanmerkelijk kleiner.

Die komt overal in de gematigde streken van Europa voor en is graag bij menselijke woningen, onder steenhopen, stallen en dergelijke.

Zijn beharing is donkerbruin met een grauwwitte ondergrond, keel en borst zijn wit.

Hij is even vlug als de boommarter en voor het gevogelte nog gevaarlijker. Soms knaagt hij door het hout heen of graaft een gat onder de muur door om zijn prooi te bereiken. Ook fruit laat hij niet liggen. Gedroogd ooft is voor hem een lekkernij waar hij gemakkelijk mee gevangen kan worden.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/