Slangen, teriakel, adder, cobra, soorten, Aesculapius, slangenkoning, Bijbel.

 

Inleiding.

 

Vele vreemde en verbazende ideeën zijn er in alle eeuwen gemaakt over serpenten, vipers of slangen.

In oude tijden werden de verschillende soorten slecht onderscheiden, dezelfde naam stond vaak voor wijd verspreide geslachten. Zo is de asp, die in Grieks en Latijn aspis heet, soms een cobra en soms een vipier,  (waarvoor het woord adder lang gebruikt is geweest) zelfs de gehoornde Cerastes. Soms worden ze tot draken of een basilisk, anders tot palingen.

 

Slangen bij Megenberg.

 

De slang als sterrenbeeld, (ook Draco) komt voor aan de Noordpool die zich tussen de Grote en Kleine Beer door slingert.

 

De slang gold als zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs van de tijd.

Bij sommige volkeren werd aan de slang goddelijke eer bewezen. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van de wijsheid. Voor andere volkeren waren valsheid, list en verleiding in haar belichaamd. Anderen beschouwden haar als vertegenwoordiger der goden. De slang Anguis (zie aal) komt als hoofdbedekking bij de Furiën voor, spreekwoordelijk als beeld van het boze van waaruit gevaar uit gaat. Omdat haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden toegedicht stelde ze soms een God en soms een duivel voor. Men dichtte ze niet slechts eigenschappen toe, die ze niet bezaten, maar ook vleugels, poten en andere ontbrekende lichaamsdelen, een kroon op de kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangsels, de fantasie hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Plinius en andere Romeinse, ook Griekse schrijvers vermelden verscheidene geneesmiddelen, toverdranken en dergelijke artsenijen waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdelen van slangen de grondstoffen leveren. Nog maar een maar een paar eeuwen geleden werden de tot het addergeslacht behorende slangen bij honderdduizenden, vooral in  Italië en Frankrijk, ingezameld voor de apotheken.

Vondel, Altaergeheimenissen;

‘En heikruit (een sterke drank uit heilkruid bereidt, een save)

Een tegenspijs, (een tegengif) en artsenij verstrekken

Voor ’t slangengif, dat zich door de aders spreidt’.

 

Teriakel.

Theriacum is een Griekse naam voor ‘van een wild beest’. Teriakel, in het Engels betekent het treacle, dat als naam door Frans van Grieks is verkregen, een tegen middel tegen venijnige creaturen. Nicander schreef een poëem, Theriaca, waarin verschillende tegengiften beschreven werden. Mithridates Eupator, koning van Pontus, 138-63 v. Chr. beschermde zich hiermee tegen eventueel aan hem toegediende vergiften. Plinius geeft de ingrediënten van een ervan, later nog het proces van het brouwen van een speciale therica uit het vlees van vipers. Omdat de viper zijn eigen tegenstof maakt geeft hij verscheidene recepten onder andere, leg het hoofd van een viper op de plaats waar die een wond heeft aangebracht, het is een goede remedie. Eet de bouillon waarin een viperlever in gekookt is en je zal daar na nooit meer gestoken of besmeten worden door serpenten. Nog maar twee eeuwen geleden werd de teriakel nog klaar gemaakt. Vooral Venetië was wegens haar teriakel beroemd. Dat het teriakel als een zo universeel tegengif voor een belangrijk deel van slangenvlees was blijkt uit de grote betekenis van de plaats waar het van afkomstig was. Ze moesten uit Italië komen (de zogenaamde Vipera Redii) die in het voorjaar zijn gevangen.

Zigeuners menen dat de beste remedie tegen een adderbeet is om die adder te doden en met de dode slang over de wond te strijken.

Uit Maerlant; Rucela, dat is een serpent dat men vindt in de Oriënt. Aristoteles weten laat dat het zeer nuttig is en goed want hij laat ons dat verstaan dat apothekers vangen en houden het in hun apotheken  met kruiden die ze er toe kunnen rekenen maken ze er specerij van in menige vorm die nuttig is op vele manier.

 

Ontstaan.

Voor we de verschillende soorten beschouwen is het goed om diverse legendes over de hele familie te bespreken en eerst hun vermeerdering.

Een oud geloof was dat de slangen gebroed werden van de spinal marrow (marrow: merg) zie aal.

Dit verschijnt al bij Antigonus van Carystus, 250 v.Chr., die zegt dat kleine slangen geboren worden uit de achterkant van sommige menselijke doden als het merg vergaan is als ze voor hun dood de geur van een dode slang hebben ingeademd. Dit idee werd in de Romeinse wereld verspreid door Plinius die het waarschijnlijk bij Ovidius heeft gelezen. Aelianus herhaalt dit en voegt toe dat alleen slechte mensen serpenten na hun dood produceren, als het tenminste niet alles mythe is.

Anderen komen tot het idee dat de serpenten gevormd worden door de adem van een geweldige olifant. Dit is een verkeerde vertaling van Plinius die zegt: ‘De adem van een olifant brengt voort, levert uit, serpenten’, hij bedoelde uit hun holen.

Serpenten komen veel voor met regen of uit mensenbloed die in oorlog vergoten is. In Egypte worden kikkers en muizen vermeerderd door regenbuien, zo ook serpenten.

De langste haren van vrouwen worden gemakkelijk veranderd in serpenten als ze in een holle plaats gelegd worden. (Gorgonen)

In Antonius en Cleopatra meldt Shakespeare over het ontstaan van slangen:

‘Veel broeit er nog, dat als een paardenhaar’.

Slecht ‘t leven heeft en niet het gif der slangen”. Volgens een oud bijgeloof werd een paardenhaar. die in water geweekt was. een slang.

Troilus and Cressida III, 1, 145; ‘wel zo zijn adders’ In zijn tijd heerste er onder het volk wonderlijke denkbeelden aangaande de voortplanting der adders. Het mannetje zou de kop in de muil van het wijfje steken om die te bevruchten. Daarna zou het wijfje hem de kop afbijten. De volgroeide jongen zouden zich door het lijf van de moeder heen bijten en haar doden.

Slangen vluchten als ze een mens naakt zien - omdat dit hen herinnert aan de tijd voor de zondeval toen de slang de mens nog niet van zijn onsterfelijkheid had beroofd. Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’ Amour, rond 1250; ‘net zoals een dier dat wiver (viper of slang) heet en die is van zo’n natuur dat als het een man naakt ziet het bang is en vliedt in een draf. En als ze gekleed zijn dan loopt ze op hem en ontziet ze niet. En dat is nu precies de manier waarop jij, mijn schone, zoete lief, met mij bent omgesprongen. Want toen ik je leerde kennen vond ik je teder in de omgang, enigszins beschroomd, zoals het hoort, net alsof je een beetje aarzelde tegenover mij omdat de kennismaking zo pril was. Maar toen je begreep dat ik verliefd op je was, was je zo ongenaakbaar als je maar wilde en ben je mij met woorden te lijf gegaan. de eerste kennismaking wordt wel vergeleken met een naakt mens terwijl bestendige liefde vergeleken wordt met een aangekleed mens. Want zoals een mens naakt geboren wordt en pas als hij volgroeid is kleren draagt, zo is een mens ook naakt en onbedekt in de liefde bij de eerste kennismaking met als gevolg dat hij voluit durft te zeggen dat hij niet meer weet hoe hij er onderuit moet komen en wordt zo gesloten dat hij in het geheel geen uiting durft te geven aan zijn gevoelens, integendeel, voortdurend bang is dat men hem terechtwijst, en dan wordt hij in de val gelokt zoals dat gebeurde met de geschoeide aap.’

 

Dubbele tong.

Dat een slang venijn spuit met zijn tong komt voort uit de 140ste Psalm waar gezegd wordt: ‘Ze hebben hun tong gescherpt als een slang’. Shakespeare drukt dit in verscheidene passages uit. ‘King Lear’, bij zijn beschuldiging van Goneril, zegt :’She hath... struck me with her tongue, most serpent like, upon the very heart”.

‘King Richard II’ beroept zich tot de aarde om tegen zijn vijanden te vechten, III, II, 21, en roept uit:

And when they from thy bosom pluck a flower’. ‘En, plukken zij van uwe borst een bloempje’.

Guard it, I pray thee, with a lurking adder’. Dat dan een loerende adder het bewaakt’.

Whose double tongue may with a mortal touch’. Die, met zijn dubb’le tong moorddadig stekend’.

Throw death upon thy sovereign’s enemies’. Dood op uws vorsten tegenstrever slingert’.

In ‘Midsummer Night’s Dream’ III, ii, 72 klaagt Hermia Demetrius aan vanwege de moord op haar geliefde:

An adder dit it; for with doubler tongue’. Een adder deed het, ja, een valser beet’.

Than thine, thou serpent, never adder stung’. Deed nooit een slang, dan dien gij, adder, deed’.

Deze dubbele tong heeft een speciaal punt in de laatste passage, het suggereert verraad wat een algemeen geloof was. Isidorus maakt een gevoelige opmerking: ‘Geen dier beweegt zijn tong zo snel als de slang zodat het wel een driedubbele tong lijkt hoewel het er maar een is.”

Een minder bekende bewering is dat de slang met haar staart steekt. Het venijn zit niet in de tong, maar in de staart.

Of dat zijn adem infecties voort brengt, dit is mogelijk een verwijzing naar de basilisk die dat met zijn adem doet.

 

Slang.

Aristoteles schrijft dat slangen geen teelballen hebben, maar hun zaad storten op dezelfde manier als vissen. Hun tong is zwart, lang en gespleten. Hun hart is niervormig en bevindt zich vlak achter de hals. Bij grote slangen ligt de gal op de lever, bij kleine op de darmen. Als een slang blind wordt gemaakt herstelt zijn gezichtsvermogen zich op den duur weer en als hem zijn staart af wordt gehakt groeit deze weer aan. Slangen hebben dertig ribben. Twee parende slangen kleven zo vast aan elkaar dat ze één dier lijken met twee koppen. Slangen eten vlees en gras. Ze drinken weinig, maar ze houden van wijn waarmee ze ook gevangen kunnen worden. Ze urineren niet, want slangen hebben geen blaas en hun uitwerpselen zijn kleiner dan men zou verwachten.

Plinius vertelt dat mensen die door een slang gebeten zijn door de aarde zelf gewroken worden. Slangen die een mens gedood hebben moeten spoedig daarna sterven omdat de aarde hun aanwezigheid niet langer duldt. Uitgezonderd de salamander kan elk serpent maar één mens doden. Het gif komt volgens Plinius uit de gal van de slang. In de winter kruipen slangen onder de grond, in bomen en onder stenen, in de lente komen ze weer te voorschijn.

 

Vipera; van vivus: levend, parere: voortbrengen.

 

Uit www.sibserpent.com

Vipera berus.

 

Naam,

Adder. In Middelnederlands was de naam voor de adder en andere slangen adder, adre en adere, door het wegvallen van de n ontstaat nadre, vergelijk het oud-Saksisch Nadra en oud-Hoogduits Natara (nu Natter) oud-Noors naor, Angelsaksisch naedre, (nu adder) Gotisch nadrs en Latijn natrix wat waterslang betekent, oud-Iers nathir betekent een slang. Het Indo-Germaanse netr komt van een woord dat draaien of buigen betekent.

In Duits komt ook de vorm Ottern voor, op het achterste gedeelte van de kop zie je twee donkere vlekken die elkaar soms in de vorm van twee halve manen of een kruis aanraken, vandaar de Duitse naam Kreuzotter.

Vaak noemt men ze ook gewoon worm, in Duits Wurme.

 

De adder is een ruime halve meter lang, het vrouwtje iets langer, soms tot tachtig cm.

De adder is met donkere tinten genuanceerd en meestal met een overlangs, zigzaglijn, getakte rugband voorzien.

De adder koestert zich graag in de zon, het is een koudbloedig dier die wel van warmte houdt, maar jaagt en ziet beter in de nacht.

Ze overwinteren vaak in groepen in holen.

De eieren blijven in het vrouwtje tot ze volledig ontwikkeld zijn, de jongen komen uit het ei in het moederlichaam. Dat is rond augustus, meestal zijn het er een tien tot vijftien. Ze blijven meestal in de buurt van de moeder maar als ze gestoord worden verdwijnen ze zo snel dat het lijkt alsof de moeder ze ingeslikt heeft.

 

Berus bij Megenberg.

Bestiarium.

Shakespeare Taming of the Shrew’, iv, 3, 179, 180;  

Is the adder better than the eel’. Wie acht de adder beter dan de aal’.

Because his painted skin contents the eye?’ Omdat zijn bonte huid het oog bekoort?”

‘Julius Caesar;  ii, 1, 15,15;

It is the bright day that brings forth the adder’. De warme dag lokt de adders uit haar hol’.

And that craves wary walking’. Dan zie de wandelaar scherp”.

‘King Lear’ v, 1, 56, 57;

Each jalous of the other, as the stung’. De een wantrouwt de ander, zoals hij die eens’.

Are of the adder’. Gestoken werd, de adder”.

 

Uit Maerlant, zie ook murene; ‘Berus, dat is een serpent. Expimentator die bekent dat het met fluiten de lamprei uit het water lokt op de heide en dat het dan met haar geniet. Dit is een wonder al te groot en veel is het alzo gedaan voor de lamprei kon ontgaan dat ze zo werd gevangen op het land. Om deze reden is het bekend, zegt dat dit waar is en Solinus, dat de lamprei draagt venijn’.

 

Een adder dwaalt in de schaduwen, glijdt en kronkelt in glijdende bewegingen in slijmige voortbrengsels. Ook de lichamen zijn vochtig zodat waar ze glijden en de weg infecteren, het merken met een slijmig merk.

De adder vliegt weg voor de hinde en slaat de leeuw.

Het eet ruit en verandert van huid.

Het houdt van holtes van bos en bomen en drinkt veel melk. En ligt in de zon onder hagen.

En hij beschadigt en bezeert met de tanden en met de staart en schudt venijn. Hij zuigt kwade zaken, eet vliegen en likt poeder. Een adder is een van de ergste en venijnigste in gif en in bijten, hij spuwt vloeiend venijn uit en spat en spettert venijn door te bijten. En er zijn vele andere adders, hun venijn is zo sterk dat als ze je slaan met hun venijn je dat kan vergelijken met een speer. Van adders zijn er vele soorten en zoveel soorten zoveel venijn, zoveel leed, zoveel zeer en droefenis als er kleuren zijn. Een adder bezeert het meest met bijten, niet door te blazen, niet door de staart, maar met steken en het kijken naar je gezicht.

Algemeen verspreid is de mening dat de adder springen kan en in haar gramschap haar tegenstander zelfs over grote afstand achtervolgt. Naar het volksgeloof hadden ze vier korte voeten en waren over het hele lichaam met ogen bedekt. Ze zijn niet voetloos maar ze verstoppen hun poten die klein en roodachtig zijn, je ziet die door het dier op een kolenvuur te leggen en toverwoorden uit te spreken.

Software: Microsoft Office

Venijn.

Laat niemand de roekeloosheid begaan om een geveld dier op te pakken. Het dier behoudt nog lang nadat de dodelijke slag gevallen is het vermogen om zich te bewegen, de gevaarlijkheid van de giftanden blijft bestaan zelfs nadat de kop van de romp geslagen is. Het hoofd dat van een serpent geslagen is leeft en daarom helpt het hele lichaam om dit hoofd te verdedigen. De afgehouwen slangenkop blijft nagenoeg even woedend om zich heen bijten als vroeger toen hij nog leefde. Zelfs een half uur na zijn onthoofding richt hij zich nog op naar de zijde waar hij zich bedreigt acht. Het venijn verliest zijn schadelijke werking volstrekt niet door de dood van het dier, zelfs het gedroogde venijn dat weer geweekt wordt is in staat om het bloed van een zoogdier te bederven. De ouden dachten dat het venijn zich in de galblaas bevond, het speeksel en zelfs in de spits van de staart.

Maar er zijn dingen te doen tegen zijn venijn. Want de adder heeft slechte ogen omdat die aan de zijkant van zijn hoofd zijn geplaatst en niet op zijn voorhoofd. Hun ogen zijn niet in hun voorhoofd maar in de slapen zodat ze beter kunnen horen dan zien. Daarom moet hij zijn tegenstander zijdelings aankijken. Op deze wijze kan hij zijn vijand met zijn gezicht niet zo goed volgen, wel kan hij dat door zijn gehoor en reuk te gebruiken. Want in deze twee eigenschappen is hij sterk en machtig.

Veel planten worden naar de adder genoemd, vaak vanwege de wortel- of bloemvorm, naar nooit vond ik een plant die de beet van de adder genas.

 

Geluk of ongeluk.

Adders brengen geluk. Dood je in het voorjaar de eerste adder die je tegenkomt dan zal je over al je vijanden zegevieren. Laat je het dier ontsnappen dan brengt dit ongeluk. Ligt er een adder bij de voordeur dan sterft er iemand. In veel bosgebieden gelooft men dat de oude huid, waaruit de adder gekropen is, geluk brengt als je die bij de kachel hangt. Op zolder of bij de schoorsteen gehangen voorkomt die brand.

 

Trouw .

Deze bijtende adder en venijnig beest is wel in staat tot liefde en affectie en bemint zijn  partner met vurige liefde. Zonder deze partner kan de adder niet goed leven. Als daarom de ene wordt gedood achtervolgt de ander diegene die de dood veroorzaakte met zo’n diepe wraak en haat dat je er in tranen van zou uitbarsten. Als hij de dader kent en wraak genomen heeft is op hem de weerwraak gekomen van andere mensen die hem willen doden. De adder passeert na zijn wraak al die moeilijkheden om hierna te vluchten via water of rivier.

Mulder; De meeste adders zijn ‘ovovivipaar’: ze baren levende jongen, die op het moment van de geboorte nog omgeven zijn door de vliezige eischaal. Andere bestiaria geven als verklaring voor de eigenaardige manier waarop de jongen van de vipera worden verwekt en ter wereld komen, dat de vrouwelijke vipera het bovenlijf heeft van een mens, maar onder de navel de gedaante van een slang of krokodil bezit; haar partner, die het lichaam had van een man, zou daardoor gedwongen zijn haar door de mond te bevruchten.

 

Software: Microsoft OfficeSoorten.

Van de adders onderscheidde men vier soorten. Die hebben allen verschillend effect in irriterende en pijnlijke dingen.

1. Uit Maerlant; ‘Dipsas spreekt Jacob van Vitri en Solinus de meester vrij, is zo’n klein serpent dat men het nauwelijks met zien herkent en als men er op treedt kan men het zien, nochtans werkt zijn venijn meteen. Solinus die zegt al blode die hij bijt, hij blijft van dorst dood. Experimentator die schrijft van hem dat die hiervan dood blijven dat men niet een teken van rouw kan aanschouwen in zijn aanschijn’.

Dipsas als die je bijt slaat hij je met dorst. De naam komt van het Griekse woord voor dorst. Het serpent Dipsas is zo klein dat die nauwelijks te zien is als je erop staat, het venijn pakt je voordat je het voelt, hij die sterft door dat venijn voelt geen pijn. Zijn beet veroorzaakt dood doordat het een onoverkomelijk dorst produceert omdat het de vochten van het lichaam opdroogt.
Alleen Nicander gaf een beschrijving. Hij gaf ook een interessante mythe. Prometheus stal het vuur van de hemel. Zeus bood als dank voor informatie een drug aan die behoeden zou tegen ouderdom. De ezel die de drug vervoerde werd overmand door dorst omdat hij in de hitte van de zomer liep. Toen hij bij een bron kwam weigerde de slangenbewaarder hem de dronk. Een handel werd gemaakt en het dier dronk zich vol terwijl de slang van de verjongende drug dronk.
Plinius vermeldde hem verschillende keren. Lucanus droeg vijf en twintig regels van zijn poëem op aan een gedetailleerde beschrijving van de dood van een jonge soldaat die gebeten was door dit reptiel. Van Beverwijck, ‘En in hete landen de beet van sommige adders en voornamelijk van een die naar de dorst zijn naam heeft in het Grieks, te weten Dipsas. Die naar Lucianus schrijft zo’ n grote dorst maakt dat als iemand die daar van gebeten is meer drinkt, hoe hij meer drinken wil. Ja, zegt hij, al dronk iemand de Nijl of de Ister uit, hij zou niet anders als meer dorst krijgen. Hiervan is dit opvallend voorbeeld bij de poëet Lucianus in zijn 9de  boek, ‘een vaandrig is in het leger van Rome uitgezonden. Heeft zich eens bij toeval in een zeker woud bevonden. Daar treedt hij op een slang die aldaar Dipsas heet. En wordt terstond geraakt eer hij het monster ziet. Het heeft zich aan hem gestoord en heeft hem fluks gestoken. En is van begin af aan in zijn kuil geweken. De man voelt nauwelijks de beet, ook rees er geen gezwel. Dus hield hij dit geval alleen voor kinderspel. Maar ziet het stille vergif dat kruipt hem door de leden. En neemt zijn aders in van boven tot beneden. Verspreidt zich door het merg en alle ingewand. Hij meent dat hem de borst en ook de lever brandt. De droogte schijnt de tong zich aan de raak te binden. En daarom is er geen zweet in het hele lijf te vinden. Er zijn geen tranen meer in zijn verdrietig oog. Alles wat eerst vochtig was dat is ten volle droog. En vermits de hete gloed in zijn buik ontsteekt. Zijn maag is enkel vuur, zijn hart schijnt te breken. Alles wat er vlezig is omtrent zijn ingewand. Dat is geheel verdord en niets anders dan enkel brand. Al mag hij in de Nijl of in de Tiber baden. Het is voor hem niet genoeg, het zou hem niet verzadigen. Hoe meer dat Aulus drinkt, hoe dat hij de dorst vermeerdert. Zo vinnig is het gif omtrent zijn dorre borst. Bij hem is geen ontzag wat Cato mag gebieden. Hij denkt aan geen bevel wat prins of vorsten rieden. Hij loopt, hij woelt, hij springt, hij stelt zich zeldzaam aan. Hij gooit zijn degen weg en slingert met de vaandel. Zijn zwaard is hem een spa, hij gaat zich kuilen graven. En spit in het dorre zand om zich te mogen laven. Hij drinkt ook modder zelfs en wat er vochtig is. Maar niets dat hem vergenoegt of zijn dorst geneest. En waarom een lang verhaal? Hij pleegt verschillende zaken. Doch treft de grond niet die hem de ziekte maken. Maar hoort doch met een woord wat hij tenslotte doet. Hij snijdt zijn aders af en drinkt zijn eigen bloed.

Dipsas is nu een geslacht van niet giftige slangen in Z. Amerika en Mexico.

 

2; Uit Maerlant, ‘Emorois, zegt Solinus, is een serpent en zijn venijn heeft zulke kracht en wie het zo slaat dat hem al zijn bloed ontgaat zodat het niet in hem blijft en dan is de mens geheel ontlijfd want daarvan is geen opstaan nimmermeer’.

Ravelingen: ‘Als iemand gebeten is van het gedierte dat Haemorrhous heet dan komt hem het bloed uit al zijn leden en delen van het lichaam gelopen’.

Hemorrhois die bloedig zweet veroorzaakt. Het gif van de haemorrhois is zo zwaar, schrijft Solinus, dat degene die er het slachtoffer van wordt een snelle dood sterft door bloedverlies Haemorrhois, slang met een hemotoxisch gif, dat bloedvaten, bloed en hartspieren aantast.

Hemorrhois is een geslacht van gladde slangen. Er zijn 4 soorten die in Z. Europa voorkomen, N. Afrika tot Azië.

 

3; Uit Maerlant, ‘Pister, spreekt Jacob van Vitri en Solinus, die meester vrij, is een serpent dat te alle stonde gapende gaat met de mond en uit de keel gaat hem rook. Wie zo dit verwondert ook, hij zwelt in de vorm alsof hij vol water ware en moet alzo dood blijven als hij geen triakel heeft in zijn nood’.

Praester is een slang die zijn kaken voortdurend wijd opengesperd houdt en stoom uitblaast. Mensen die door een praester gebeten worden, zwellen op en zien eruit alsof ze gevuld zijn met water. Alleen triakel kan de slachtoffers het leven redden. Deze vier eigenschappen komen overeen met even zovele middelen die de satan aanwendt om de mensen in het verderf te storten, de gouddorst, de vadsige luiheid, de bloeddorstige toorn en de opgeblazen eerzucht.

 

4; Uit Maerlant, ‘Ipnale is een serpent, Solinus zegt het die het wel kent, dat het is van aspis geslacht. Dit serpent laat zacht sterven en wie het zoet bijt kan het niet ontgaan, hij moet geheel in slaap vallen en niet met roepen en niet met trekken kan men hem immermeer wekken zodat hij daarna ontwaakt. Dusdanige had Cleopatra ten tijde dat Augustus overwon Anthonius, haar man, die zich doodde met venijn, want hij was overwonnen en zij de zijne en zo lagen ze in een duur graf en nam het serpent van deze soort en zette het aan haar borsten en ging liggen bij haar man en nam al slapende haar leven en zo heeft de Romeinse historie beschreven’. Hypnalis, (Ipalis) Grieks hypnos; slaap, wiens beet een diepe slaap veroorzaakt, die vanzelf wegglijdt in de dood. (cobra of brilslang, Naja naja, zie onder bij Cleopatra)

 

Megenberg; ‘Ettelijke boek in Latijn heeft een kapittel voor dat wat nu geschreven is en datzelfde kapittel zegt van een soort slang die heet emorois, dat is een emoroi of een krachtzuiger in Duits want, zoals Isidorus spreekt, welke mens van de slang gebeten wordt die zweet zijn eigen bloed uit zichzelf alzo lang dat zich al zijn aderen ontsluiten en wat leven in hem is dat gaat uit hem met dat bloed want emach in Griekse spraak heet bloed en vandaar komt de naam emorois en daarvan komt ook dat woord emoroides, dat zijn de aderen die zich in het achterste eindigen aan den mensen en uit dezelfde aderen vloeit bij de Joden de rode vloed en ook ettelijke christen naar de maanverandering. ‘

 

Serpens is Latijn, het is onze Engelse en Franse serpent, de Duitse Schlange.

 

Soorten.

Uit Maerlant; ‘Ausibena, zoals wij het horen, heeft een hoofd staande van voren en een ander in de staart, nu loopt het de ene en dan de andere kant uit al windende naar paling gewijze. Beide hoofden gebruiken spijze en beide strijden ze en vechten. Plinius hoor ik berichten dat hij ze eerst na midwinter zag omdat het wel koude gedoogt, voor de koekoek komt, dat is waar. Zijn ogen zijn als vuur helder’.

Alle serpentsoorten en adders die hun lichamen kunnen opvouwen hebben vele hoeken en krommingen in zulke opvouwen, dit gaat nooit helemaal recht.

Megenberg; ‘Ansibena of amphisibena heet een ansiben. Dat is een slang die heeft twee hoofden, een aan de echte hoofdplaats en de andere achteraan de staart of aan de staart en datzelfde hoofd maakt dat de slang cirkelwijze loopt en heen en weer trekt. Die slang noemt Solinus in zijn boek amphis, dat is in Grieks alzo veel gesproken als een twijfelaar, want het twijfelt met welk hoofd de slang voor wil gaan. Echter Aristoteles zegt van slangen in de landen tegen de zonsopgang die twee hoofden hebben en spreekt dat de twee hoofden komen van een gebrek der natuur in het moederlijf of in hun geboorte. Diezelfde slangen hebben twee hoofden en een lijf en beide hoofden eten in een lijf. Ze slingeren zich ook met beide hoofden tegen de vijanden. Meester Jorach spreekt in zijn boek van de dieren dat de slang amphisibena zo erg wakend is wanneer ze haar eieren broedt dat een hoofd altijd slaapt en de andere waakt.’

 

Sommigen hebben twee hoofden als de adder Amphisbaena, een op de gewone plaats en een op het eind van de staart. Die rent  en draait met cirkels en bochten om elk hoofd achterna te gaan alsof een hoofd te kort zou zijn om gif te werpen. Wil het serpent snel verder gaan dan steekt het zijn ene kop in de bek van de ander en rolt als een hoepeltje verder. Of het ene hoofd slaapt terwijl de ander waakt. Het serpent is bezorgd om zijn eieren en als het ene helft de wacht houdt slaapt de ander en zijn ogen schijnen als lantarens. Er is een ander die op zijn hielen loopt en op zijn staart. Hij gebruikt allebei zijn koppen om te eten en kan met beide bijten.

De naam betekent dan ook ‘gaat beide kanten op’, amfi”: beide, bainein: gaan.

Lucanus schrijft dat de gevaarlijke amphisbaena met zijn twee koppen tegelijk omhoog komt en dat zijn ogen lichten als vlammen. Het is het symbool van de duivel. In vele steden zie je de amphisbaena samen met draken en mensen etende leeuwen aan de kerkportalen terug.

Zijn geluid zou dodelijk zijn. Zwangere vrouwen die over hem gaan krijgen direct een miskraam. Het tegengif is koriander. Volgens Plinius is deze slang de eerste die zich na de winter weer vertoont omdat hij de kou goed kan verdragen, hij verschijnt nog vóór de koekoek. Als geneesmiddel beval Plinius het aan tegen koude koorts en spataderen.

 

Samenvatting.

Software: Microsoft OfficeEr is niet zo’n serpent, moderne naturalisten gebruiken de term voor een wormhagedis die overal ongeveer even dik is aan beide einden en nauwelijks een staart heeft. De wormhagedis kreeg door Linnaeus de wetenschappelijke naam Amphisbaena. Dit dier heeft de kenmerken van een hagedis, maar ook is die slangachtig. Bij gevaar kunnen ze ook omhoog komen, vooral de staart is dan in beweging. Die kan zelfs afgesnoerd worden waarbij de staart nog blijft na kronkelen. Het idee dat er dus twee zijn is mogelijk Het dier kan gemakkelijk voor- en achterwaarts buigen. Waarschijnlijk zagen ze de wormhagedis voor een slang aan en zijn venijnige vorm is wel inbeelding geweest.

Of het is een zeer zeldzaam dier geweest als de Indische zandboa, Eryx johnii. Naar het stompe aanzien van de staart is de naam tweekoppige slang ontstaan. Aan de ene kant moet je de kleine oogjes zoeken. De Hindoes schilderen wel een bek en ogen op de andere kant en zeggen dat het een slang is met twee koppen. Verder vertellen ze dat de ene kop de wacht houdt terwijl de ander slaapt om het zo tegen kwaad te beschermen.

 

Hydra.

Uit Maerlant; ‘Idros wandelt in het broekland, zegt ons Kiramidarium boek. En is een serpent, zoals men zegt, dat zich boven water op te richten pleegt. En een steen draagt het van binnen waar men het om vangt, wil men kennen, of met woorden dat men het zo duwt dat het die steen uitspuwt en met de naam mede van God dat het uitspuwt, al doet het met node. Broeder Albrecht spreekt over een dat hij zelf de steen probeerde, zoals hij zegt, bij een wijf die het lijf vol water had, hij gordde het aan haar lichaam waar ze die miskraam had en alle dagen slonk het lichaam drie vingers zonder zorgen tot het water is gedaald en haar lichaam genoeg versmalt. Tegen reuma en tranende ogen kan hij zijn macht wel getuigen en dit is wel te geloven’.

Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’ Amour, rond 1250; ‘De andere natuur van de hydrus is zo als ze een hoofd verloren heeft dan krijgt ze er weer twee, alzo verbetert ze van haar schade. En dat staat voor de man die als hij door een vrouw bedrogen is er zelf zeven zal bedriegen’.

Megenberg; ‘Er spreken ook ettelijke dat ydra een draak is die veel hoofden heeft en die was een in de poel of in het moeras Lerna in het land Arcadië. De draak heet in Latijn excedra, dat spreekt in Duits een uitgroei, daarom, zoals de sprookjesvertellers zeggen, wanneer men de draak een hoofd afslaat zo groeien hem drie aan die plaats. Echter dat is niet waar. Er was een plaats die heette Ydra en dat was een waterplaats die was uitdijend met water en deed dat zo erg dat ze de plaats daarbij gelegen woest maakte en zo men een bron dichtmaakte zo ontsprongen er drie of vier ergens anders. Dat zag de held Hercules en groef dat aardrijk af van alle dingen en droeg nieuw aarde en stenen daar en beschutte de bron helemaal en maakte de plaats droog. Alzo doet een boos mens: wanneer men hem een boosheid verbiedt en hem daarom straft zo doet hij vier boosheden voor een. ‘

Sommige serpenten hebben vele hoofden want sommigen zijn dubbel, sommigen drie- en soms zelfs vierhoofdig. Hydra is een serpent met vele hoofden, er wordt gezegd dat als er een hoofd afgesneden wordt er opnieuw weer drie aan groeien, maar dit is een fabel.

Hercules vocht tegen een slang met negen hoofden. Het was zijn tweede werk. Het monster was de schrik van de streek ten zuiden van Argos waar het in de moerassen bij Lerna huisde. Hij sloeg de eerste kop eraf waarbij ogenblikkelijk twee nieuwe koppen ontstonden, daar waar er vroeger maar een was. Ook met de overige koppen was dit zo, de negende kop was zelfs onsterfelijk. Maar doordat de wonden na het afslaan steeds dichtgeschroeid werden konden er geen nieuwe koppen bij komen. De negende kop werd onder rotsblokken bedolven. Ten slotte doopt Hercules zijn pijlen in het slangenbloed die daardoor zeer giftig worden.

De hydra komt voor in moerassen, lezen wij in het boek Koiranides en men zegt dat hij zich recht uit het water opricht. Om in het bezit te komen van de steen die zich in zijn lichaam bevindt wordt hij gevild of laat men hem rook inademen zodat hij, zeer tegen zijn zin, de steen uitspuugt. Met hetzelfde doel worden spreuken en de naam van God gebruikt.

Albertus Magnus schrijft dat hij in eigen persoon de kracht van deze steen heeft beproefd bij een waterzuchtige vrouw, hij bond hem op de aangetaste maag en zag haar lichaam iedere dag drie vingers slinken totdat het zijn normale omvang weer had aangenomen. Dezelfde steen is ook een probaat middel tegen catarre en tranende ogen.

Software: Microsoft Office

Samenvatting.

Volgens sommigen is dit een allegorisch verhaal en zou de hydra een rivier zijn geweest die zo verstopt was dat zich een delta van acht rivieren had gevormd. Hercules zou een van die rivieren gedempt hebben waarbij de rivier zich een nieuwe weg vormde. Alleen door het inperken en schoonmaken van de middelste, de onsterfelijke hoofdrivier kon het land weer vruchtbaar worden.

De geestelijkheid zag het beest als een symbool van de zonde. Was de ene zonde overwonnen dan doken er weer nieuwe op, de erfzonde was onuitroeibaar.

Mulder: In de middeleeuwen werd de hel vaak uitgebeeld als een monster met opengesperde (krokodillen)kaken waarin de verdoemde zielen verdwijnen. (Vergelijk Job 41:5.) De hydrus werd vereenzelvigd met Jezus, die in de hel afdaalde om de deugdzame zielen te verlossen die daar Zijn komst afwachtten. In andere versies van het verhaal bedekt de hydrus zich met modder om zich te pantseren, zoals ook Christus zich voor Zijn afdaling in de hel moest pantseren met een stoffelijk omhulsel. (Zie ook krokodil)

 

Vondel, Geboorteclock;

‘De prins werd vriendelijk aangekwispeld door een leeuw

De vloeken weken hem en bleke razerijen

Men zag de lucht geveegd van krom geklauwde Harpijen

Geen raadsel breiende Sphynx leide op ’t verslinden toe

Chimeren waren voorts het vonken spuwen moe

Geen Gorgonen piepte meer, geen Hydra’s nijdig bliezen

Geen Scilla blaatte meer, de Phytons staakten ’t biesen

Elk ingezetene had liefde en vrede tot zijn wit’.

 

Hydrus.

Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’ Amour, rond 1250; ‘alzo als het gebeurt van de krokodil en van een ander serpent dat hydrus heet. Dat is een serpent en heeft vele hoofden. En is van zulke natuur als men hem een van zijn hoofden afslaat, dan komen er twee. Dat serpent haat tot de dood de krokodil. En als hij ziet dat de krokodil een man gedood heeft en dat hij berouw heeft zodat hij geen man meer wil doden. Dan denkt diegene dat men het gemakkelijk verschalken kan omdat hij er niet op let wat hij eet en zo wentelt diegene in het slijk Software: Microsoft Officeen blijft liggen net alsof hij dood is. En als de krokodil de hydrus liggen vindt dan verslindt hij het geheel in. En als de hydrus zich in zijn lichaam voelt dan verscheurt hij zijn darmen en kruipt er weer zeer blij uit omdat hij de ander gedood heeft.’

P. de Beauvais: ‘ Zo worden de dood en hel gesymboliseerd door de krokodil die de hydrus haat, dat wil zeggen onze Heer, want toen onze Heer Jezus Christus mens werd in de Maagd en gepijnigd werd aan het kruis ging Hij de krokodil binnen, dat wil zeggen de hel en vernietigde hem volledig en  bevrijdde er zijn vrienden uit; daarom zegt de Evangelist; ‘Hel, ik zal je dood zijn’. ‘

 

 

Uit Maerlant, ‘Idrus, zegt Isidorus, is in de rivier de Nijl en heeft veel scherpe dorens en gaat in de krokodil zijn keel waar ligt hij en slaapt als de keel wijd gaapt. Maar eerst heeft het zich beslagen met modder, dat is zijn gewoonte, omdat het zacht wezen zal, die grote vijand verslindt alles en als het in zijn darmen ligt getuigt het de aard die het in zich heeft en steekt hem die darmen door en dan sterft het andere dier snel en de ander kruipt dan uit beneden. Van de lieden zwellen al hun leden die het verontreinigt met zijn venijn, nauwelijks is er tegenmedicijn. Zijn lever is goed, zoals wij het weten, tegen alle serpentenbeten’.

Hydrus werd door de Grieken gezien als een soort waterslang zoals de naam al aangeeft. Het is iets anders dan de Hydra. Hij leefde in de Nijl en was beroemd om de wijze waarop die een krokodil kon doden.

De krokodil eet ook vrolijk gras en kruiden, maar hiertussen verschuilt zich een klein serpent, (de hydra) Het is een vijand van de krokodil die zich met opzet in het gras verbergt en zo gauw als de krokodil gras eet verslindt hij ook dit serpent en die komt tenslotte in zijn maag en in zijn darmen en doodt hem op die manier en komt er hierna ongedeerd uit. Of, dezelfde worm ligt te wachten tot de krokodil slaapt dan wikkelt die zich in de modder en komt binnen via zijn tanden en zo in zijn lichaam. Niet lang daarna is het monster dood en kruipt de hydrus er aan de onderkant weer uit. Mensen die een giftige steek krijgen van dit dier zwellen op en kunnen alleen worden genezen met koemest. De lever van de hydrus is een goed middel tegen slangenbeten. (zie Ichneumon.)

Hetzelfde verhaal wordt ook verteld van de otter, dat komt omdat het Griekse woord voor otter en waterslang dezelfde zijn.

 

Enhydris.

Het serpent Enhydris is een wateradder. Die daardoor gestoken wordt krijgt duizelingen, ossenmest is een remedie hiertegen. Plinius noemt het een waterslang en identificeert het met de enhydris (de otter) een misstap die veel onbegrip onder latere schrijvers gaf. Milton koos het en bij Spenser was het een zeemonster.

Dit dier zwelgt een zekere steen in, de Scythen weten dat en openen de slang en nemen de steen eruit die ze tegen venijn gebruiken. Als een waterslang bij de staart met een touw gebonden en opgehangen en daar een emmer water onder gezet wordt dan komt er na een zekere tijd uit zijn mond een steen. Als die steen niet uit de emmer wordt genomen dan zal hij alle water op drinken. Laat die steen gebonden worden op de maag van hen die dwaas zijn en het water zal opgedronken worden en zal diegene geheel helpen en herstellen. Van dit serpent wordt een substantie gemaakt de triakel, een remedie tegen venijn.

 

Uit www.constellationsofwords.com

 

Samenvatting.

De enhydris als zeeslang komt doordat de otter met drie delen boven water zwemt, de kop, de gekromde rug en de staarteinde, wordt ze gevolgd door de jongen die precies achter haar aan zwemmen lijkt dit op een golvende slangbeweging

De otter en hydrus hebben dezelfde symbolische betekenis. De krokodil werd gezien als de hel en het binnendringen van de waterslang of otter gaf de afdaling van Christus naar de hel weer. Net als de hydrus moest Christus zich een stoffelijk omhulsel aanmeten voor hij zijn tocht door de onderwereld kon aanvangen.

Zie Ichneumon en krokodil.

De kapuas modderslang uit het Kapuas bassin in Borneo en heet nu Enhydris gylii, dat laatste naar Ko Ko Gy een slangenkenner.

 

Scytalis.

Uit Maerlant; ‘Situla draagt venijn, zoals ons zegt Jacob en Solinus. Een serpent is het niet zeer groot die het steekt die blijft van de dorst dood. Het is trager dan men iets anders vindt, maar het heeft zo’n schoon vel dat het de lieden stil laat staan die het zo schoon zien, zonder waan, dus houdt het hen staande met zijn gedaante die het niet achtervolgen mag met gaan. Zo heet is het dat het in de winter wel of het zomer was zijn vel af doet. Wie het zo steekt, hij kan het niet winnen. Hij verdroogt van dorst binnen’.

Het serpent Scytalis komt met diverse vlekken waar iedereen met verwondering naar kijkt omdat hij zeer langzaam kruipt vanwege die vlekken. De scytalis of scitulus, Latijn voor mooi, is een kleine gifslang lezen we bij Solinus. Geen dier is zo traag als de scitulus, maar omdat zijn huid zo mooi is blijft iedereen erbij stil staan. Zo houdt de scytalis door zijn uiterlijk mensen staande die hij door traagheid niet zou kunnen achtervolgen. Deze slang is zo heet dat hij in de winter zijn huid afwerpt alsof het zomer was. Iedereen die door een scytalis gebeten wordt gaat onherroepelijk dood doordat hij van binnen volkomen uitdroogt.

 

Ilysia scytale, koraalrode rolslang komt veel voor in Suriname. Is langzaam van beweging en komt nooit ver van haar schuilplaats. Heeft een prachtige kleur.

 

Chelydros.

Uit Maerlant; ‘Chelidrus dat is een serpent, Isidorus zegt het, het die het kent en dat zijn venijn is zo kwaad dat het land waar het over gaat ruiken laat in de manier alsof het ware van vuur, in water leeft het en op het land’.

Megenberg; ‘Cilydros heet een cilider. Dat is een slang, zoals Isidorus spreekt, de woont op het land en ook in het water en daarvan heeft ze de naam. Cilydros is in Grieks zoveel als aardwater, want citron heet aarde in Grieks en zo heet ydros water, van die twee woorden komt de verzamelde naam cilydros. Waar de slang op die aarde gaat daar maakt ze die aarde rokend en gaat altijd opgericht want stootte ze zich wanneer ze loopt zo verdeelt ze van elkaar. ‘

Sommige serpenten gaan in vuur zoals de salamander, sommige serpenten gaan omhoog en houden het lichaam vanaf de borst omhoog zoals de wateradder, Chelydros, en infecteert de plaats waar hij door glijdt en maakt het gezicht rokerig. Dit serpent draagt het hoofd recht want als hij buigt terwijl hij rent dan breekt hij in stukken.

De chelidrus is een slang waarover Isidorus van Sevilla schrijft dat zijn gif zo sterk is dat het land waar hij overheen kruipt rookt alsof het in brand staat. Hij leeft zowel in het water als op het land.

 

Chelydra serpentina is de bijtschildpad, leeft in N. en Midden Amerika.

 

Chelone zijn zeeschildpadden, Chelone mydas is de soepschildpad die zelfs soms in de M. Zee voorkomt. Het gif komt wel omdat ze met padden vergeleken worden. Zie schildpadden.

 

Jaculus.

Uit Maerlant; ‘Jaculum, zegt Solijn, dat is een klein serpentje en vliegt weg alsof het een pijl is en daarvan heeft het de naam. Deze huizen in bomen en merken op en gokken wie ze vergiftigen mogen en komen ongezien aangevlogen’.

Sommigen zijn snel en bewegen zo gemakkelijk dat het lijkt of ze vliegen zoals het serpent dat Jaculus heet Hij ligt in bomen op de loer om te kijken wie hij met zijn giftige beet kan verschalken en schiet dan vanuit zijn schuilplaats plotseling op zijn slachtoffers af. Als hij een beest tegenkomt bespringt hij die en doodt het.

 

In het Latijn betekent jaculum een speer. Jaculus jaculus zijn Amerikaanse springmuizen, Duitse Wustenspringmaus. Door hun lichaamsbouw lijken ze op hun verwanten in de oude wereld, door vorm en beharing lijkt ze ook op gewone muizen. In de zomer zijn ze zeer vlug en springen buitengewoon behendig en snel op de achterpoten rond. In het bos zou ze niet te vangen zijn. Ze springen met gemak over struiken heen die de mens niet zo gemakkelijk overschrijden kan.

Andere springmuizen komen in Azië en Z. Europa voor als Dipus aegyptinus, ringvoetspringmuis, ze worden bij de ouden al tweevoetige muizen genoemd

 

Uit www.zeno.org

Scirtetes jaculus is de paardenpoot springmuis, Duitse Pferdespringer, de alakdaga van de Mongolen. Die is zo groot als een eekhoorn, 18cm met een 26cm lange staart. Komt ook in Z.O Europa voor maar meer in de steppen van de Don en Krim. Als hij rustig graast loopt hij op alle vier poten, sneller gaan ze alleen met de achterpoten en maken nog grotere sprongen dan de woestijn springmuis en is in staat zo snel te vluchten dat een paard hem niet inhaalt. Is schuw en vreesachtig van aard. Om de gouden munt uit Cyrene te verklaren waarop aan de ene kant het beroemde kruid Silphium staat met een zandspringer eronder en aan de andere kant een ruiter schafte Haym zich een alakdaga aan en noteerde zijn voedingsgewoonte. Het bleek dat hij aan hennepzaad de voorkeur gaf.

 

 

Sirens.

Uit Maerlant; Syrenen, zijn serpenten mede van uitermate grote snelheden. Experimentator ontbindt dat men ze in Arabië vindt en ze zijn sneller dan een paard, sommige vliegen naar hun vaart. Hun venijn heeft een macht zo groot, want eer men ze voelt blijft men dood’.

In Arabië zijn er serpenten die Sirens genoemd worden, die rennen sneller dan paarden en daarom wordt er gezegd dat ze vliegen. Hun venijn is zo sterk dat de dood komt voor je weet dat je gebeten bent en de pijn ook’.

Sirenen behoren nu tot de walvisachtigen, ook de zeekoe behoort hier toe.

Herodotus heeft het over vliegende slangen in Arabië, die zouden wij nu draken of sirenen noemen. “Wanneer de Arabieren nu wierook verzamelen branden ze storax om rook te verwekken om de vliegende slangen te verdrijven’. ‘Naar mij gezegd wordt,’ verhaalt Herodotus, ‘is bij de stad Butus in Arabië een oord gelegen waar men vliegende slangen aantreft. Ik bezocht dit oord en zag er een ongelooflijke hoeveelheid beenderen en graten tot talloze grote en kleine hopen opeengestapeld. Het ligt in een door bergen ingesloten dal dat met de uitgestrekte Egyptische vlakte in gemeenschap staat. Ik vernam dat de gevleugelde slangen in de lente van Arabië naar Egypte vliegen maar bij de uitgang van het dal Ibissen ontmoeten en worden door die om het leven gebracht om welke redenen de Ibis bij de Egyptenaren in hoog aanzien staat. De gedaante van deze slangen is als die van de waterslangen, hun vleugels hebben geen veren, maar komen in maaksel met de vleermuisvleugels overeen’.

 

Uit www.wild-facts.com

Onduidelijk is het welk dier genoemd wordt maar het zou de vliegende draak kunnen zijn, Draco volans, een O. Indische boom-agamen. Ze hebben geen vleugels maar bezitten valschermen en kunnen daarmee 6-10m gaan.

 

 

 

 

 

 

Cerastes.

Uit Maerlant; Carastes, zoals Solinus zegt, is een serpent, dat te hebben pleegt achter horens als de ra. Het dekt zich in het zand neder, uitgezonderd alleen zijn horens, dan komen vogels, groot en klein en wanen daar er op te rusten gaan, dan worden ze gebeten samen. Het kruipt naar de lamprei manier. Deze horens die zijn duur, men maakt er mesheften van die ter tafel komen voor alle gerechten en brengt men er enig venijn naar dan begint die heft te zweten’. Het gehoornde serpent Cerastes verbergt zich in gravel en zand en laat zijn horens erboven uitsteken voor beesten en vogels die daardoor denken dat er voedsel ligt, die horens lijken op een ramshoorn, als ze komen en denken een ram te vinden dan komt er een venijnig serpent.

De cerastes kruipt op dezelfde manier als de lamprei. Zijn horens zijn van grote waarde, er worden mesheften van gemaakt die bij de maaltijd voor elk gerecht worden gehouden en beginnen te zweten als deze vergiftigd zijn.

Geen van de vergiftigde serpenten heeft naast de Aspis meer de aandacht van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes cerastes (Cerastes cornutus) (gehoornd) of gehoornde adder, Duitse Hornviper, die soms een stekelig hoorntje boven het oog heeft. Het beeld van de Cerastus komt in de heilige schrijftaal van de oude Egyptenaren veelvuldig voor omdat zijn oorspronkelijke naam Fi later gebruikt werd om de klank F voor ter stellen. Het is mogelijk de ‘vurige slang’ van Num. 21, het serpent van de woestijn, Joh. 3:14. Ze vangen zo snel hun slachtoffers dat het nauwelijks te zien is.

Cerastus was de naam die de Grieken gaven aan een Afrikaanse slang die hoornachtige uitsteeksels had boven zijn ogen. Herodotus beschrijft het als onschadelijk voor de mensen. Aristoteles stelt dat het woord ‘gehoornd’ in de beschrijving in de overdrachtelijke taal is gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit Maerlant; ‘Cornuti, dat zijn serpenten, zegt Solinus in de Oriënt, omdat ze horens dragen waarmee ze steken en jagen. Nochtans dragen ze venijn waar lieden van sterven of daar moet  triakel zijn en zo zal men genezen. Van hem is het dat wij lezen dat God deze liet verbieden in Egypte aan de heremieten’.

Mulder: De hoornadder (Cerastes cerastes), waarover Aristoteles reeds schreef dat de Egyptenaren deze slang slechts in overdrachtelijke zin ‘gehoornd’ noemden. Hoewel de hoornadder slechts twee hoornachtige uitsteeksels op zijn kop heeft, berust het getal van acht niet noodzakelijk louter op overdrijving. De veelhoorn pofadder (Bitis cornuta, komt voor van Zuidwest-Afrika tot Kaap de Goede Hoop) heeft tot zeven horentjes boven de ogen. De hoornadder graaft zich in om zich tegen de middaghitte en de nachtelijke kou van de woestijn te beschermen.

 

Boa.

Uit Maerlant; ‘Boa, dat is een serpent, in Calabrië is het bekend zoals Solinus zegt, dat aardig groot te groeien pleegt. Het allereerste is zijn doen, het zuigt buffels en koeien en wordt van hun melk zo vet dat het teveel groeit en wordt zo uitermate groot dat niemand daar kan leven dan in nood zodat het die landen verwoest van creaturen in vele soorten. Van een serpent gegroeid dus, schrijft ons Hiëronymus, dat die goede Sint Hilarion een hoop hout liet opstapelen en toen bij Gods macht, zonder andere manieren,  verbrandde hij ze met vuur omdat de lieden hem baden die daarmee waren verladen. Plinius schrijft al blode dat men dit vindt al zo groot en heilige geesten schrijven het mede dat ze verzwelgen in sommige plaatsen een hert of een koe in een zwelg daar toe. Dusdanig serpent was het, het als ik gok, dat wijlen Regulus van Rome in Afrika ter dood sloeg en die was zo uitermate groot dat het honderd en twintig voeten (36m) mede lang was, schrijft de waarheid. Men bracht te Rome zijn vel en zijn ribben alzo wel te zien voor wonderlijkheden. Gelijk dat men veel overwint een plaats moet men dat dier vangen voor men het mocht verslaan’.

Regulus - M. Atilius Regulus, Romeins consul. De reuzenslang zou hij hebben ontmoet tijdens een veldtocht tegen de Carthagers in de Eerste Punische Oorlog.

 

In Boa is er een groot serpent, zoals er in Italië ook zijn, die de kudde buffels volgt en zich op de uiers van die beesten zet die vol melk zijn opzuigt en doodt. Ze worden daar zo vet en groot van dat niemand deze monsterslangen durft aan te vallen en ze onbelemmerd dood en verderf kunnen zaaien. Sint Hiëronymus vertelt dat de goede Sint Hilarion louter en alleen door de kracht van God een boa dwong om een stapel hout te beklimmen en hem vervolgens verbrandde. De heilige deed dit op verzoek van de mensen die door die reuzenslang getiranniseerd werden.

Plinius en de kerkvaders schrijven over boa's die een hert of een koe met één hap kunnen verzwelgen. Een dergelijke slang moet het zijn geweest die door Regulus gedood werd in Afrika. De huid en het skelet van dit dier, dat bijna veertig meter lang was, werden als bezienswaardigheid naar Rome gebracht. Deze slang was zo groot dat hij letterlijk belegerd moest worden alsof het een stad was.

 

Uit www.florafauna.com

De boa (of bova) ontleende zijn naam aan het Latijnse bos (rund), hetzij door zijn gewoonte om koeienmelk te drinken, hetzij doordat hij een os kon verzwelgen. =Boa constrictor is de koningsslang of afgodslang die 6-10m lang kunnen worden. Ze komen voor in Brazilië.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit flickr.com

Hier zal wel de python slangen bedoeld worden, Broghammerus reticulatus (Python reticulatus) (netachtig) of netslang. Er zouden huiden gezien zijn van 11 meter. Er zijn vermeldingen dat ze mensen gepakt hebben, meestal kleine dieren als ratten en soms een geit of varkentje. Het zijn goede zwemmers.   Onder de bewoners van Indië zijn thans nog verhalen over deze slangen in omloop die aan de sprookjes van de ouden herinneren. De Z. Indische ‘draken’ lijken veel op hun Amerikaanse tegenhangers en maken jacht op kleine zoogdieren en vogels, soms zelfs zwijnsherten. Dat gaf verhalen dat ze herten aten, hoewel dat kleine dieren zijn.

 

 

 

 

 

Maerlant; ‘Spoliator colubri is een worm en heet dus beide, zoals ons Liber Rerum zegt, die serpenten te doden pleegt. Geverfd is het naar dat goud. Als een serpent in een hout ligt en slaapt in de schaduw komt het kruipende met pozen totdat hij het hoofd wint. Ten eersten dat hij met krabben begint zodat hij het vel doorbijt en als het serpent de scheur voelt, dan wil het de worm ontvlieden, maar het mag hem niet geschieden want Spoliator wil het niet vergeten voor hij hem het hoofd heeft doorbeten. Hier gaat behendigheid voor kracht die soms luttel is geacht’.

 

Uit Liber floridus:

Coluber zijn kleine slangen als de Aesculapius slang of geelachtige slang, Zamenis longissimus of Elaphe longissimus (Coluber aesculapius) Aesculapius snake. Ze kunnen een lengte van 1.5m bereiken. Leeft van muizen, hagedissen en vogels.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit Maerlant; ‘Cerilius, als ons schrijft Solinus, is een dier dat ziet fijn in het water dat men Ganges noemt en dat uit het paradijs komt. Ja, het is van verf geel en blauw en een deel gedaan naar het grauwe water. En heeft van voren twee armen sterk waarvan elk is drie voeten lang. Als sterke dieren komen grijpt ze daar in korte stond en trekt ze in de riviergrond, dus eet het die beesten dan’.

 

 

 

 

 

Uit www.cs.stedwards.edu

Ceruleus; blauw, is wel een soort slang, Bungarus caeruleus, de paragoeda of pakta-poela van de Indiërs, bereikt 1.30-1.75m.  Maakt jacht op kleine zoogdieren en reptielen, andere slangen en hagedissen. De grotere Bungarus fasciatus, 1,75cm, is blauwzwart net 25-35 gele ringen. Is na de brilslang de gevaarlijkste Indische slang, zie ook draken.

 

Verjongen.

Serpenten leven lang en zonder voedsel. En ze leven zo’n lange tijd dat ze hun oude huiden weggooien en nieuwe krijgen. De verandering van huid is wonderlijk genoeg want als ze voelt dat ze oud wordt krijgt ze kwaaltjes en vast dan vele dagen zodat zijn huid gemakkelijker van het vlees gehaald kan worden. Het eet dan een zeker bitter kruid en geeft daar van over en gooit zo zijn venijnige vochtigheid eruit dat de oorzaak van zijn ziekte is en baadt zich tenslotte en bevochtigt zich in water om zo de huid zachter te maken. Dan zoekt het een rechte steen of een rechte boom of iets dergelijks en komt in die rechte opening of gaat er met geweld door en onttrekt zo zijn huid aan zijn lichaam en legt zich in de zon en droogt zichzelf en krijgt zo een nieuwe huid op zijn vlees, krijgt macht en kracht, ziet en glijdt en kruipt en eet beter dan het deed voor de verandering van huid. De mens moet zijn oude huid ook afwerpen om verjongd de nieuwe wereld te betreden.

Je eet een slang en wordt weer jong en snel.

De serpent kan lange tijd buiten eten in een lange winter. Komt hij onder de grond, in zijn hol, dan doet hij eerst zijn venijn weg en slaapt tot het voorjaar wordt. Als de poriën van de aarde geopend worden door de hitte van de zon dan wordt het serpent wakker en komt er uit, maar zijn gezicht is verdwenen door dat lange verblijf in de duisternis en hij zoekt de wortel van venkel en wast zijn ogen met het sap ervan zodat zijn gezichtsvermogen terugkeert. 

Dioscorides vermeldt dat de slangen door het gebruik van venkel zouden verjongen. Plinius was hierin duidelijker, met het verjongen werd bedoeld dat de slangen zich van de oude huid ontdoen wat beter zou gaan door gebruik van venkel. Daarom werd het kruid nog lang als oogwassing aanbevolen.

Serpenten doen als zwaluwen want als hun ogen eruit zijn krijgen ze hun gezicht weer.

Een serpent heeft dertig ribben als de dagen van een maand. Ze bijten meestal geklede mensen en gaan weg van ongeklede mensen, daarom moet de mens ontbloot van zonde zijn.

 

Bestrijding.

Tegen zulke adders vecht een klein beestje alsof het een klein elfje is want hij loopt op het gezicht van hem die slaapt en krabt hem met de voeten om hem wakker te maken en te waarschuwen voor het serpent. Deze kleine elf wordt bij ouder worden blind en gaat dan naar een hol in het oosten en opent zijn ogen naar het oosten als de zon opgestegen is, dan genezen zijn ogen en kan hij zien.

Adders houden van wijn en worden daarom gejaagd met wijn, ze houden ook van melk en volgen de geur daarvan. Daarom als een serpent in de baarmoeder van een vrouw kruipt kan hij eruit gehaald worden door de geur van melk.

Een zekere landsman sliep met open mond in de velden en een serpent kroop in zijn mond en zo in zijn lichaam maar de man genas zichzelf door knoflook te eten maar hij infecteerde zijn vrouw met gif waaraan ze stierf wat vreemd en gek was.

De meeste serpenten drinken maar weinig en haten de geur van ruit en vlieden weg van de wezel als die ruit heeft gegeten. De wezel vecht tegen serpenten en wapent zich door ruit te eten en hij vecht tegen ze omdat ze muizen eten, net als hij.

Slangen zouden een zekere antipathie hebben voor zekere bomen en grassen als bijvoorbeeld de es. Dit naar Plinius: ‘een serpent durft niet onder of bij de schaduw van een es te komen”. Een serpent haat de es zo dat hij niet in de schaduw ervan komt en daarom gaan ze ‘s morgens en ‘s avonds ver van die es omdat ze dan de langste schaduw geeft. Daarom is het goed als een reiziger in een land waar veel slangen zijn een stok heeft die van essenhout gemaakt is. Serpenten die binnen een cirkel zitten die gemaakt is van betonie kunnen er niet uit maar sterven door zichzelf te slaan.

Ook klaver zou gemeden worden door slangen. Dit is ook van Plinius: ‘Ik ben niet onverschillig dat het volk er zeer van overtuigd is hoe dat de driebladige klaver van een grote kracht is tegen de steken van serpenten en schorpioenen….. en ook dat serpenten nooit te zien zijn onder de drie klaver’. Doordat er in Ierland veel klaver groeit zijn er geen serpenten. Als aarde uit Ierland op een giftig dier wordt geworpen blijft het op slag dood. De Ieren en Schotten betwistten elkaar ooit het recht op een bepaald eiland. De Ieren eisten toen dat er slangen gehaald zouden worden, als ze in leven bleven behoorde het eiland aan de Schotten toe; stierven ze dan was het Iers. Zo gezegd, zo gedaan. De slangen gingen dood en de Ieren verwierven het eiland.

Het speeksel van een vastende man is dodelijk voor serpenten, die sterven er aan als ze ervan proeven.

De slangen zijn in staat een vogel door hun blik te bannen en tot zich te lokken zodat ze als een willoze prooi hen ten offer vallen.

 

Aesculapius.

De meeste slangen worden als gevaarlijk gezien vanwege het gif, het duivelse dat de mens verlamt. De slangenbestrijders, adelaar, ooievaars en dergelijke zijn de helden onder de dieren.

Toch is er een andere kant, de verjonging of vernieuwing, het mysterieuze in de slang.

 

Toen in 293 v. Chr. in Rome de pest woedde en op bevel van de Sibillijnse boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren om Aesculapius vandaar te halen kwam de god in de gedaante van een slang uit eigen beweging op hun schip en ging eveneens uit eigen beweging op het land aan wal waar hij sindsdien een eigen tempel heeft. De pest, die dan in Rome woedde, zou toen verdwenen zijn.

Oeroud is de slang een volksmedicijn. De slangenarmband is een oeroud amulet. Aesculapius en zijn dochter Hygia hebben slangen als attribuut, hij neemt de helende slang, Zamenis lonissimus of Elaphe longissima, (Coluber aesculapius) mee naar de zieken. De aesculaapslang die de Romeinse dames in de zomer ter verkoeling om hun hals legden is deze slang. Die is zeer warmtebehoeftig en zoekt warme bronnen op. Omdat op zulke plaatsen vaak aesculapius heiligdommen opgericht waren en de slang als heilig dier aan de god gewijd was ontstond de sage dat de Romeinen in Duitsland, waar ze warme bronnen en heilbaden bouwden, deze slang binnen brachten.

Het is de Aesculapius slang, de Duitse Schlangenbader Schlang. Het symbool van de geneeskunst en gezondheidsleer, zie Aesculapius en het doktersteken.

 

Software: Microsoft OfficeOrakel.

De slang is een orakel, een waarzegger zoals een kopermunt van Abonoteichos laat zien. Dioscorides meldt dat men door het eten van een slang een hoge leeftijd kan bereiken. Meer als de meeste andere dieren hebben de slangen de mensen vroeger al te denken gegeven. Hun wonen in de aarde, hun voortbewegen zonder voeten, hun glibberigheid, hun ledematen, hun tong en het gehele geluidloze wezen heeft wat geheimzinnigs. De slang heeft wat raadselachtigs doordat die zich ineens kan oprichten bij de aanval en oog in oog met ons kan verschijnen, de hypnotische blik en de misschien dodelijke beet geven ons een griezelig gevoel.

Hun steeds verjongen, het afleggen van de oude huid en die vervangen voor een nieuwe riep een voorstelling op dat ze niet oud worden en geen dood kennen. Dit liet geneeskundige krachten vermoeden en mogelijk een weldadig weten die bij hen te verwachten was. Zie bijvoorbeeld de slang bij Eva bij de boom van onsterfelijkheid. Een van de eerste figuren in de belangrijkste godsdiensten is de levensboom die door een eeuwig levend serpent bewaakt wordt. In de tuin van Eden bij de vruchtboom,  bij de Scandinaviërs onder de Yggdrasil, bij de Hindoe als de soma en bij de Perzen als homa, in Cambodja is het de talok. Deze oude boom is mogelijk de druif van Bacchus, dat is de slang omwindende caduceus van Mercurius, de bohidruma van Boeddha, de vijg van Jesaja, de boom van Aesculapius met een serpent bij zijn stam.

 

Slangenstaf.

(297) Tot het opwekken van de doden uit de Hades kan men het volgende stellen. In de oudheid werd algemeen de genezing als een verrijzenis uit de dood beschouwd. Babylonische en Egyptische goden die de doden tot leven wekten waren genezingsgoden. De zieke mens bevond zich in de macht van de dood en de bevrijding daaruit was zijn terugkeer tot het leven. Ook de slaap is volgens het antieke geloof een vorm van de dood. Het ontwaken uit de slaap is in zekere zin een opstanding uit de dood zoals ook genezing opstanding betekent. Hermes/Mercurius die de zielen langs onbekende wegen geleidt is ook de god van de wegen en daardoor beschermer van de reizigers, kooplieden en kudden. Hij wordt ook de ‘goddelijke bedrieger’ genoemd en beschermer van dieven. Meestal wordt dat verklaard doordat kooplieden met bedriegerijen in verband worden gesteld. De betekenis ligt dieper. Als beschermer en weldoener van de levenden ‘besteelt’ hij keer op keer Hades door diens eigendommen uit de onderwereld naar het rijk van de levenden te brengen.

 

De slang wordt vaak met de staf uitgebeeld. De slang werpt zijn huid af en vernieuwt zich, is daardoor onsterfelijk, een levensvernieuwer.

De slang die in de grafkunst vaak voorkomt is een echte dodenslang en het geëigende symbool van de doden. De heilige slang was voor de ouden het meest kenmerkende dier van de aarde. De Egyptenaren noemden de slang reeds ‘het leven der aarde’. Volgens het boek Genesis was de slang ‘het schranderste dier van al het gedierte des velds’ 43. De slang werd door zijn nauwe verbondenheid met de aarde en levend in holen en spleten het dier bij uitstek van de onderwereld en van het rijk der doden. De aarde die zich ieder jaar vernieuwt en als het ware steeds weer levend uit de dood oprijst en daardoor ook de grote redder is werd ook geacht de nodige aanwijzing tot redding en heil te kunnen geven. Maar daarom werd ook aan het dier van de aarde, de slang, de mantiek in de meest uitgebreide zin van het woord worden beschouwd. Daarom ook kon de slang, het wezen, dat het meest volmaakte inzicht bezit, ‘het schranderste van al het gedierte des velds’ genoemd worden. Het was geen symbool van de genezer, maar de genezer zelf. De slang wordt al in Numeri 21:8,9 als tegengif tegen een slangenbeet genoemd zodat het aanschouwen van de slang al voldoende geacht werd om het gif onschadelijk te maken.

Aesculapius werd naar Rome gehaald toen daar de pest uitbrak, 295-293 v. Chr. Hij kwam in de gedaante van een slang met een gouden kam. De pest verdween uit de stad. Er werd een tempel aan hem gewijd. Opmerkelijk is de inwijdingsdatum, 1 januari. Ongeveer dezelfde tijd als het feest met de mistel, zie daar.

De slang en staf waren vaak identiek wat we zien in het oude Egypte waar de slang tot staf en staf tot slang kon worden. De in de woestijn rondzwervende Joden beklaagden zich over hun slechte voeding. Tot straf zond God hen vurige slangen, door de beet hiervan stierven vele Joden. Het volk bezon zich en Mozes maakte op bevel van God een slang van koper en plaatste die op een staak. De door de slangenbeet getroffenen werden genezen als ze naar de koperen slang keken. Omdat Christus door zijn kruisdood de gevallen mensheid verloste en de hierdoor geestelijk ziek geworden mensheid genas kon de koperen slang als type van de aan het kruis gehechte verlosser een symbool van genezing worden. Dat was vooral in de Middeleeuwen zeer bekend. Toch lijkt het wat vreemd om een slang, die een wat heidense cultus bevat, te vereren. Ook de Joden zagen dit tenslotte toch als onaanvaardbaar want Ezechias liet de koperen slang, die hij Nehustan noemde en die in de tempel te Jeruzalem werd bewaard en met wierook vereerd, vernietigen, 2 Koningen 18:4. Mogelijk is de koperen slang ontleend aan de Phoenische cultuur. Die aanbaden een god-slang-genezer Eschmun die een gelijkenis vertoont met de Griekse Aesculapius. De paradijsslang werd als aartsvijand van het menselijk geslacht vervloekt terwijl de koperen slang de redder van de mensen in nood is. Deze beide opvattingen over de slang, de een van vijand en de ander van heiland, beantwoorden ondanks hun tegenstrijdigheid aan de antieke opvatting over de aardslang, het dier dat kennis heeft over leven en dood. Men zag in de Middeleeuwen Christus als de nieuwe slang die gehecht aan zijn kruis de oude paradijsslang overwon terwijl het koper, als duurzaamste onder de metalen, de eeuwigheid van Christus rijk symboliseert.

Dan nog over de mistletoe.

Hoe kunnen nu de geneeskundige kruiden bewerken dat de zieke mens die zich in de macht van de dood bevindt tot leven terug gebracht worden of, met andere woorden, weer gezond gemaakt worden? Dit kan alleen als de kruiden een magische kracht, namelijk de levendmakende energie van de aarde bezitten. Phamakon, Grieks voor geneesmiddel, betekent dan ook tovermiddel. Aesculapius staf is een vertegenwoordiger van de gehele plantenwereld en draagt de oerkracht van de aarde in zich en is daarom een magische staf, een toverstaf. De staf werd naast de slang het meest geëigende beeld van de Griekse geneesgod omdat hij met zijn staf, die deel heeft aan het onvergankelijke leven, de zieken genas, dus naar de oude visie, er de zieken mee aan de dood ontrukte. Als magische staf is de staf van Aesculapius ook gelijk aan die van Hermes/Mercurius die er de zielen van de doden mee uit het graf redt en er de slapende mee wekt. De staf symboliseert het groeiproces van de planten en vertegenwoordigt daarom ook het geheim van het leven van de aarde die en dood en opstanding uit de dood in zich draagt en daardoor onvergankelijk is. De levenskracht van de aarde zie je in zijn knop, het vruchtbaar makende, goddelijke sperma. Dat sperma wordt geleverd in de tijd dat de aarde ‘dood’ is en op nieuwe bevruchting wacht. Dat leveren de goden door de mistletoe, hoog in de bomen. De slangenstaf is dus een verdubbeling van het teken van leven op aarde.

 

Taal der vogels.

Mythische betrekkingen op de in de aarde verdwijnende en steeds daar weer uit voortkomend en steeds verjongend leven werden als een soort symbool door de mensen gebruikt. Men kreeg een slang als levenshoeder mee. Dit in de vorm van echte slangen of in armband, amulet.

Melampus was eens als kind in slaap gevallen toen er slangen over zijn lichaam kropen en zijn oren likten. Sinds die tijd verstaat hij de taal van de vogels en kan hij de toekomst voorspellen. Hij werd door Iphicles gevangen genomen en toen hij na enige tijd om een ander huis vroeg omdat hij van de houtwormen gehoord had dat de balken van zijn oude huis helemaal doorgeknaagd waren werd zijn hoedanigheid als ziener erkend. Het huis stortte werkelijk in.

Oud is het geloof dat de mens door het eten van slangenvlees de vogels kan verstaan. Demmocritus noemt de vogels op uit wiens gemengd bloed een slang ontstond die als ze door iemand gegeten worden die iemand kennis verschaft. Al in het paradijs sprak de slang tot Eva. Bij het verdrijven van koning Tarquinius blafte er een.

Sigurd had de slang Fafnir verslagen en braadde zijn hart. Om te weten of het gaar is raakt hij met een vinger het opbruisende bloed aan en brandt zich en steekt de vinger in de mond. Nu verstaat hij de taal van de vogels en verneemt uit een gesprek van adelaars dat zijn opvoeder Regin van plan is hem te doden om zo de schat te verkrijgen die Fafnir bewaakte. Hij voorkomt dat.

In latere tijden werd de kennis van de vogeltaal verkregen door het eten van slangenvlees. Een bewijs daarvoor levert het ‘grundlos’, een diepe kolk bij Croppenstadt. Daar stond vroeger een kroeg. De meid had slangenvlees gegeten en hoorde de haan zeggen dat ‘s middags de kroeg om drie uur weg zinken zou. Dit werd aan de meester medegedeeld die het wel wijs vond om zo spoedig mogelijk te vertrekken. De knecht wilde nog terugkeren om zijn handschoenen op te halen, de kroeg was echter verdwenen en er was een grondeloze kolk ontstaan.

Het eten van een brei van witte slangen in noordelijke streken, geeft een wonderlijke wijsheid.

 

Verjongen.

Een ander geloof was dat man of vrouw vernieuwd of verjongd zou worden door slangen te eten. Daardoor ontstond een gezegde in Italië als men een vrouw van middelbare leeftijd zag die er nog goed uit zag dat ze slangen had gegeten.

 

Cohorte teken.

De slang gold in Italië als genius loci. Men vond de slang vaak op muren getekend. De slang verschijnt als wachter van graftekeningen om ze voor ontwijding te behoeden en is als zodanig de genius van de plaats der gestorvenen, ook de hoeder van de tempels en heiligdommen.

Ten tijde van keizer Trajanus werd de Anguis of Draco bij de Romeinse legers als veldteken van het cohorte ingevoerd. Dit bestond uit een nauwe lange zak die met een slangenkop en open muil en zilveren tong op een lansschacht bevestigd was. Wanneer de wind nu in de geopende muil blies maakte het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteken was naar men zegt overgenomen van de Parthen.

 

Moraal.

Een hongerige adder was een smidse binnen gekomen. Hij was op zoek naar voedsel, al was het maar weinig. Daar zag hij een vijl en zette er zijn tanden in. Iedereen weet, dat heeft geen zin. De moraal van dit verhaal; ‘zet nooit je tanden in een sterker iemand, je komt van een koude kermis thuis. Of dat dwazen menen dat ze van een gierige iets kunnen krijgen. Of bijt niet in iemand die nog hardere tanden heeft.

Een andere adder lag als verstijfd op de bevroren grond. Een arme man had medelijden, nam hem op en verwarmde het beest. De levensgeesten herstelden zich en al kronkelend werd de man gebeten. De moraal van dit verhaal” ‘vertrouw nooit een serpent’.

 

Folklore.

‘In de tuin rondom Aleppo zag ik een wonderlijk groot serpent, het mannetje en haar kinderen zouden gedood zijn door zekere jongens. De vrouwtjesserpent observeerde het water waar de jongens kwamen te drinken en vergiftigde die zodat vele jongens daaraan stierven. De stadslui kwamen dan om haar te doden maar zagen haar liggen met haar gezicht naar boven als een klacht naar de hemel dat haar wraak juist was. Ze werden geraakt door bijgelovig feiten en lieten haar alleen en het serpent leefde nog vele jaren.’

Dat het gebeurt dat je geen hoofd hebt; neem de slungelachtige houding van een slang aan, arsenicum en Grieks pek, de was van jonge bijen en ezelsbloed en doe dit alles tezamen, stop het in een ruige pot vol water en kook het op een zacht vuur en laat het afkoelen en maak er een kaars van. Iedere man die er door verlicht wordt zal lijken alsof hij zonder hoofd is.

Dat een huis geheel groen lijkt en vol zit met serpenten en andere gevaarlijke verbeeldingen, neem de huid van een serpent en het bloed van een ander manlijk serpent met het vet van een ander serpent, doe dit bij elkaar en doe dit in een waspit en maak er een nieuwe lamp van.

Noot, dat als je een serpent of worm kookt en dit vet aan een man te eten geeft zal hij begrijpen wat de vogels zingen. Dit is geprobeerd.

Als iemand zich besprenkelt met het poeder van een slangenhuid die uitgeworpen en verzameld is als de maan vol is in het eerste deel van Aries, de ram, dan zal hij verschrikkelijke en angstige dromen zien. Als hij dit doet onder zijn voet zal  hij acceptabel voor prinsen en magistraten zijn.

Snij een slang met een zilverstuk de kop af. Als je dit geldstuk tussen de tanden neemt, voor je het uitgeeft, dan komt het altijd weer terug in je zak.

 

Uit www.123rf.com

Waterslang.

Natrix natrix, (Tropidonotus natrix, Coluber natrix, L.) ring-, waterslang of heiaal, Duitse Ringelnatter, Wassernatter, Unke of Schnake, Engelse ringed snake heet naar zijn zichtbare ringen op het lijf. Ze wordt wel als voedsel gegeten.

Deze slang valt soms wel aan maar dan met gesloten bek. Hij sist wel en blaast zijn lichaam op, maar als afweer gebruikt hij een onaangename geur, vooral van zijn drek. De slang is niet giftig en kan tegen een meter lang worden, dat wel voor de vrouwtjes die groter worden dan de mannetjes. De kleur is bruinachtig tot groen en op de rug vertonen ze rijen kleine zwarte vlekjes, op de zijkanten verticale streepjes. Het best is deze slang te herkennen aan de twee witte of gele maanvlekken achter de slapen, de kroon waarvan de sprookjes gewagen,  die kenmerken haar zo duidelijk dat ze nooit met een andere slang verward kan worden.

De waterslang komt voor op vochtige plaatsen en zwemt dan ook graag en kan lang onder water blijven.

Ze overwinteren in de grond, soms met velen bijeen.

Ze eten kikkers, maar ook vogels, insecten en andere kleine dieren.

De eieren worden in warmte gelegd als mest en compost. Er liggen daar een dertig eieren die na een tijdje een doffe kleur krijgen. Die komen na zes tot tien weken uit

 

Uit Maerlant; ‘Natrix, dat is een serpent, dat Lucaen en Isidorus kent. Met zijn urine maakt het onrein de putten, beken en fonteinen waar het in loost en ligt, dergelijke zeden pleegt de natrix. De Natrix is ook een adder die met venijn steekt als je te dicht bij komt. Sommige serpenten en adders liggen te wachten tot je slaapt en vinden ze je mond open, of van andere beesten, dan kruipen ze erin’.

 

 

 

Uit Maerlant, ‘ Nadera, dat is een serpent die men in Duitsland kent, men vindt ze beide, klein en groot. Zijn venijn dat is de dood, men heeft er triakel tegen. Ze plegen een mooi vel te hebben. Hun blaas is van zulke mogelijkheden, men neme een roede, vers gesneden, en laat de adder er op blazen dan zonder bladeren zal ze worden dan, neem ook een zwarte, schoon en helder en laat ze op blazen daar, het zwarte ontverfd al gelijk, dit is de kracht van de adder Wordt een man in de voet gebeten, het venijn loopt opwaarts, als wij het weten, al omtrent de mensen leden en komt naar het hart mede, dan valt die mens dood neer, dat doet zijn grote hitte. Die hiervan gebeten waar, men hangt hem met het hoofd nederwaarts, dan moet het venijn in de voet blijven, want zijn natuur wil blijven en men zal de beet er uit snijden, dan geneest hij in korte tijden die zeker gaan wil en wezen. In plaatsen, waar men zich wil ontdoen van deze, wrijf zijn blote leden met alsem en ruit mede, dan zal voor hem deze worm vlieden’.

 

Huisslang.

Het is de soort die aanleiding heeft gegeven tot vele sprookjes en sagen. Dit is de meest voorkomende van alle inheemse slangen. Deze slang kan je gemakkelijk in gevangenschap houden omdat die alles eet. Omdat ze zelden bijten kan je ze verzorgen laten door kinderen die van dieren houden.

 

In de heidense tijd hield men aan de Oostzee in elk huis een onkwetsbare adder die aanbeden en met melk gevoerd werd. Die gold als vruchtbaar brengende huisslang en als heilgenius. Bij de Russen is het een huisdier omdat die aan de slangenkoning geloven die alle kwaad wat zijn volk toegebracht wordt met ziekte, misgeboorte en brand bestraft. Sommigen denken dat de slang de ziel van een overledene in zich draagt, geef zo’n slang wat melk te drinken.

Toen de Langobarden, al lang tot het christendom bekeerd, zich in Boven-Italië hadden gevestigd vereerden ze nog steeds een boom die niet ver van Benevent staat, maar ook een slang. Dit komt voor in de levensbeschrijving van Bisschop Barbatus die omstreeks 602 geboren en overleden is omstreeks 683. Daarin wordt vermeld dat de Langobarden voor de afbeelding van een slang het hoofd bogen. Toen de koning eens afwezig was verzocht de bisschop aan zijn vrouw of die hem het gouden beeld van de slang kon bezorgen. Ze weigerde dit eerst te doen uit vrees ter dood gebracht te worden. Nadat ze die eindelijk gegeven had liet de bisschop er een miskelk van maken. Toen hij de koning bij zijn terugkeer het Christelijk Sacrament er uit toediende en hem verteld werd waaruit die gemaakt was riep er iemand uit zijn gevolg: “Als mijn vrouw zoiets gedaan had hakte ik haar onmiddellijk het hoofd af”.

Waarschijnlijk heeft ook bij andere Germaanse volken een slangendienst bestaan. Zouden de huisslangen daar geen overblijfsel van zijn? Zo’n slang behoorde bij het huisgezin. Ze gaf geluk en behoedde tegen ziektes. Ze vertrok met de huisgenoten naar het nieuwe huis. Wordt de mannelijk slang doodgeslagen dan sterft de huisvader, zo ook bij de vrouwelijke slang of het jong.

In Hessen was eens een meisje dat iedere dag van haar moeder brood en melk kreeg en die in de hof opat. Zodra ze begon te eten kwam uit een spleet een slang gekropen die met haar at. De slang dronk alleen van de melk. Eens nam het meisje een lepeltje en sloeg daarmee op zijn kop. “Ding” zei ze, “eet ook brokken’. Dat hoorde de moeder die dacht dat ze met iemand sprak, ze zag de slang en sloeg die dood. Het meisje begon te kwijnen. Het duurde niet lang of in de nacht begon de doodsvogel te schreeuwen en het roodborstje verzamelde stukjes hout en blaadjes voor een lijkkrans.

Hand. 16:16: ‘dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam’. Een huisslang?

 

Slangenkoning.

In het Emmendal melkte een meid eens ‘s avonds de koeien toen plotseling een grote slang met een kroon op het hoofd verscheen. Ze wist dat slangen van melk houden en gaf hem wat te drinken. Ze werd zo vertrouwd met de slang dat die bij haar in bed sliep. Dat gebeurde ook de nacht voor haar huwelijk. ‘s Morgens was de slang verdwenen maar had zijn kroon achter gelaten.

Een herderin in Boven-Beieren gaf op de ‘Alm’ ook steeds een slang melk te drinken. Als ze in de herfst naar huis ging kwam de slang ook steeds mee. Toen ze trouwde was ze nieuwsgierig of de slang ook zou komen. Die verscheen inderdaad, klom tegen haar stoel op en schudde een gouden kroon van zijn hoofd op haar bord. Haar huwelijk was gelukkig en voorspoedig.

Bij Baden gaf een melkmeid elke morgen wat melk aan een grote slang die een kroon op de kop droeg. Toen ze om een of andere reden ander werk kreeg vond de nieuwe melkmeid op de melkstoel de gouden kroon liggen waarop geschreven stond: “uit dankbaarheid.’ De boer liet het aan het vertrokken meisje brengen. De slang is nooit meer gezien.

In de Spree leven vele waterslangen. Bij elk huis hoort een paar die zich pas laat zien als de huisvader of moeder gestorven zijn dan ligt er een dode slang voor het huis. Deze slangen hadden vroeger een grote slang tot koning die op de kop een prachtig, uit ivoor gesneden, kroon droeg. Die ging van de ene op de ander over als erfstuk. Uit Italië kwam de graaf van Lynar die zich in Lubbenau vestigde. Hij was als politiek vluchteling arm en probeerde de slangenkroon te bemachtigen. Hij wist dat die afgelegd wordt op iets wat wit en zindelijk is en spreidde een witte doek uit. Toen de koning met zijn familie bij elkaar was legde de koning zijn kroon op de doek en speelde met zijn familie. De graaf greep de kroon en reed er zo hard mogelijk mee weg. Hij hoorde een scherp gefluit... en alle slangen zetten hem na. Ze zouden hem zeker gekregen hebben toen hij op een muur stuitte. Zijn moedige paard sprong er overheen en hij was gered. Voor de kroon kreeg hij zoveel geld dat hij het slot te Lubbenau kon bouwen. Ter eeuwige herinnering voert het geslacht een gekroonde slang in een muur.

In een park te Wlasheim is sinds honderden jaren een slangenkoning die een kroon draagt met fonkelende stenen bezet. Die op de dag van St. Peterus en Paulus, 29 juni, voor zonsopgang naar de grote eik midden in het bos gaat kan die machtig worden. Er is wel gevaar aan verbonden. Een arm meisje waagde de kans. Ze ging ‘s nachts naar de boom en spreidde een witte doek uit en verborg zich achter de struiken. Tegen de morgen hoorde ze van alle kanten sissen en schuifelen. Een menigte slangen kwam voor de dag die zich in twee gelederen opstelden. Plotseling sissen ze zeer hard. De koning verschijnt, gedragen door zes onderdanen. Op het zien van de witte doek legt hij daar zijn kroon op en gaat naar de beek om te baden. Het meisje pakt de doek en loopt er zo snel mogelijk mee weg. Zodra de slangen echter de roof  bemerken kruipen ze zo hard mogelijk onder vreselijk gesis haar achterna. Zonder dat ze het merkt valt de kroon uit de doek en het sissen houdt op, de slangen verdwijnen. Toen opende het meisje de doek en zag dat de kroon verdwenen was. Maar er lag wel een groot juweel in. Ze dankte God dat die haar uit het gevaar gered had en de toekomst van zorgen en nood bevrijd had.

Waar de Strundbeek ontspringt leefde een slangenkoningin. Ze was zo groot en prachtig van kleur als de regenboog. Ze droeg een kroon met edelstenen. Een weduwe met kind vestigde zich bij de bron. Ze wist niets van de slang. Als ze ‘s morgens uit werken ging dan liet ze voor haar kind altijd een grote pot met pap na die ‘s avonds leeg was. Toch klaagde haar dochtertje over honger, maar wel had ze een lieve speelgenoot. De moeder ging op de loer liggen en zag tot haar ontsteltenis een grote slang verschijnen die ze met gejuich ontving. Met de steel van de lepel maakte hij een streep door de pap en zei;’ die helft is voor jou en de andere helft voor mij’. De moeder nam het kind mee maar vond later een grote diamant in het bed van haar dochter.

De koning van de adders draagt een kroon op zijn kop. Als je die kroon weet te bemachtigen en bij geld legt komt hier nooit een eind aan. Eens vonden dorpsmeisjes op een veld een bos slangen waaronder de grootste onder hen, de koning, een gouden kroon droeg. Daar trok een van hen haar schort uit en spreidde die op de grond uit. Al gauw kwam de slang met de kroon aangekropen en zette zich op de doek waarop het meisje de kroon pakte en wegliep. Toen de slangenkoning dat zag gaf hij zo’n gil dat een van hen doof werd. De kroon verkochten ze voor veel geld.

In Bremmenstein bewaakt een verwenste graaf in slanggestalte een schat. Alle zeven jaar in de zomer komt op drie opeenvolgende dagen een worm uit de bergen om zich in een vijver te baden. Hij draagt daarbij een gouden kroon op het hoofd die hij voor de gelukkige vinder achterlaat. Of dat ze eenmaal per jaar komen baden in een bron waarvan die dag geen dier nog gedronken heeft. Ze leggen dan hun kroon naast het water, op een steen en als ze de bron verlaten drukken ze hun kop op de kroon en gaan zo weer verder.

Een boer in Tubingen nam hetzelfde middel te baat om de kroon van een slangenkoning te pakken te krijgen. Hij reed op zijn vlugste paard en waar het dier zich ophield legde hij een witte doek neer. Toen de koning zijn kroon op de doek geplaatst had reed hij er snel heen en pakte die weg. De slang achtervolgde hem en zou hem zowat inhalen toen hij de poort van zijn erf kon bereiken en de deur achter hem dicht gooide. De slang stootte er zijn kop tegen aan en brak in stukken.

In Luxemburg heten slangen die kronen dragen ‘Schiesschlangen’. Ze kunnen zonder vleugels te hebben pijlsnel door de lucht vliegen wat wel de aanleiding tot de naam gegeven zal hebben.

Bij Eschet legde een boer voor zijn middagslaapje zich onder een boom. Plotseling hoorde hij geruis en geraas. Opziende zag hij een schietslang die door de lucht vloog. Hij volgde die met zijn ogen en zag dat ze geregeld goudstukken in een paardenkop bracht. Nadat hij nauwkeurig opgemerkt had hoe lang ze elke keer wegbleef, liep hij naar de kop en haalde het goud eruit en ging weer naar de boom. Toen de terugkerende slang bemerkte dat ze bestolen was stootte die zolang met zijn kop tegen een boom dat ze dood neer viel.

Als er gevaar bestaat voor een kroontjesslang dan neemt die zijn staart in de bek en hoepelt zo over het land dat geen paard er tegen lopen kan. Zo komen er in een ogenblik duizend en duizend aanrollen die de dood van hun koning op de moordenaar willen wreken. Een man had eens zo’n slang gedood. Dadelijk was hij gedwongen zijn huis te verlaten, hij kon niet eten, drinken of slapen uit vrees voor de slangen. Daarom trok hij weg uit de streek, ver weg naar een ander gewest. Daar had hij enige dagen rust, maar toen kwamen de slangen weer. Hij besloot zijn paard te bestijgen en weg te rijden naar een plaats waar geen slangen waren. Enige slangen hadden zich echter aan de staart van het paard vastgebeten en toen hij voor de eerste maal zijn paard liet stilstaan omstrengelde ze en doodden hem.

Het is altijd gevaarlijk een adder te doden want als die het kleine kroontje op zijn kop draagt, dat je met het blote oog niet kan zien dan zal die, als hij gedood wordt, zo’n geluid geven dat door alle adders in de grond gehoord wordt die dan terstond de moordenaar achtervolgen. Iemand die zo’n adder gedood had moest te paard vluchten voor de adders. Een ander wierp zijn jas weg die dagen later geheel versnipperd terug gevonden werd.

Een jager zwierf eens over de hei tussen Westerbork en Oosterhesselen toen hij op het veld iets zag dat op een hooi-opper leek. Dichterbij gekomen zag hij dat het een ineengestrengelde hoop adders was. Hij legde zijn geweer aan en schoot op de slangen en nauwelijks had hij dat gedaan of de kluwen ontwarde zich en de slangen achtervolgden hem zodat hij meer dood dan levend zijn huis bereikte.

 

Slangensteen.

In een bepaalde streek van Bohemen komen de slangen op een bepaalde dag bijeen en leggen zich om een kring om de aanzienlijkste en sissen zo lang op zijn kop dat zich daar een kleverige zelfstandigheid vormt die steenhard wordt. Deze slangensteen is doorzichtig en heeft de kleur van smaragd, de vorm van een eikel en is van onder vlak en heeft drie gaten. De slang die hem draagt is nooit alleen, maar door anderen omringd. Het is dus moeilijk om de steen machtig te worden. Wanneer men echter een levende slang onder een pot waarin gaatjes zijn in een mierennest zet komen op haar sissen alle slangen bij haar. Klim je dan op de naast bijgelegen eikenboom dan kan je de koningin doodschieten. Met een koning lukt dat niet, zijn vel is te hard, de kogel zou daarop af stuiten. Die steen maakt de drager onoverwinbaar.

Ich hoere von den steinen sagen

Die natern und kroten tragen

Daz groze tugend dar an lige

Swer si habe, der gesigne

Mochten dazSigesteine’, wese..

Op het paleis te Zürich van Karel de Grote was een kruis waaraan een klokje hing. Toen de keizer eens aan tafel zat luidde het klokje. Hem werd verteld dat een slang de klok luidde. Hij ging er heen en zag dat dit waar was. Zodra de slang de keizer zag wenkte ze hem om mee te gaan en kroop in het riet. De keizer volgde haar totdat ze hem bij haar nest bracht waar een verschrikkelijke pad op haar eieren zat. Op bevel van de keizer werd die doodgemaakt.” ..Und plotzlich fallt ein Edelstein

Hellfunelnd in den edlen Wein.”

De keizer liet de steen in een ring zetten die hij aan zijn vrouw gaf. De keizerin die de kracht van de steen ontdekte wilde niet hebben dat die na haar dood op een ander over zou gaan. Als ze haar einde voelde naderen stak ze hem in haar mond. Daardoor bleef de keizer aan haar gehecht en nam haar overal mee totdat een dienaar de oorzaak in de ring ontdekte. Hij nam die uit de mond van het lijk en verborg die in zijn kleren. Maar nu hing zijn meesters hart aan hem. Steeds moest hij bij hem zijn en werd daarom zelfs opgesloten. Eens op reis wierp hij de ring in een moeras. De keizer kreeg de plaats onmiddellijk zeer lief. Hij liet er dadelijk een lusthof bouwen, het keizerslot te Aken.

 

De steen in een slangenhoofd is een oud geloof. Plinius bijvoorbeeld vermeldt dat “Dracontites of Dracontia een steen is die gebroed wordt in de hersens van serpenten’.

 

Christelijke krachten.

De kracht van een heilige christen kan een slang doden. De inwoners van Huy, aan de Maas, hadden zeer veel last van een grote slang die het water van een bron vergiftigde. Ze riepen de hulp in van de Heilige Domicianus die haar door zijn gebeden doodde. Hij werd patroon van de stad en bekeerde velen tot het christendom. Hij stierf op 7 mei 538 als bisschop van Maastricht. Zijn lijk werd naar Huy overgebracht en in een prachtige zilveren relikwieën kast geplaatst. Zijn feest wordt in geheel Luik gevierd. Na meer dan 1000 jaar gaan de geestelijkheid en bedevaartgangers nog steeds van de kerk van de Heilige Remi te Huy in optocht naar de bron met het relikwieën kastje om het water te zegenen. Aan het heldere zuivere water wordt kracht tegen koorts toegekend.

Het mooie eiland Reichenau, in het Bodenmeer, was in het begin van de 8ste eeuw zo vol slangen, padden en ander ongedierte dat het onbewoonbaar was. De heilige Firmin plantte er een kruis waardoor ze allen de vlucht namen. Zo groot was hun aantal dat ze drie dagen en nachten het meer bedekten. Toen kon Karel Martel er een beroemd geworden benedictijner abdij, door genoemde monnik, laten stichten. Dat herinnert ons aan de legende van St. Patrick die alle slangen van het emerald eiland verdreef.

Norburga is een legendarische heilige in Zuid Duitsland. Ze zou een Schotse weduwe van koninklijke bloede zijn geweest die met haar negen kinderen gevlucht was. Haar graf wordt vereerd in Buhl bij Schaffhausen.

Ze was een koningsdochter en werd vervolgd door haar stiefmoeder. Ze ontvluchtte haar vaders paleis en verborg zich in een spelonk die nu nog Jungfernhohle heet, bij Hochhausen in Zwaben. Haar vader zocht en vond haar. Ze weigerde echter hem te volgen. Haar vader wilde haar meetrekken en greep haar linkerarm en die bleef, losgerukt, de woestaard in de hand. Daar verscheen opeens een slang en die hield in de muil een kruid en bood het aan Notberga aan. Door de kracht van dit wonderkruid werd de losgerukte arm opnieuw aan het lichaam gehecht. Men ziet haar beeld te Hochhausen. Op haar graf en naast haar ligt een kroon, de linkerarm ontbreekt, in de rechter houdt ze de slang die het helende wonderkruid in zijn muil draagt.

Op een mooie zondagmorgen komt een vrouw over de heide. Veel heeft ze daar gelopen en lange tochten gemaakt. Maar nu is het alsof het lopen moeilijk gaat. Ze gaat zitten, even slapen, dat zal haar goed doen. Hoe lang ze zo in de zon gelegen heeft weet ze niet. Opeens wordt ze wakker, een slang kronkelt om haar arm, een adder. Dodelijk verschrikt is ze. Stokstijf blijft ze zitten en dat was haar redding. Ze beloofd voor God een kerk te bouwen als ze in leven mag blijven. Ze heeft woord gehouden. Op die plek waar ze van de adder verlost is, is de eerste kerk van Wildervank gebouwd. Toen later haar tijd kwam hebben ze een slang uitgebeeld op haar grafzerk. De Veendammers wilden er ook wat van hebben, die hebben nu een slang in hun wapen.

 

Slangenmeisjes.

Het geloof is al oud.

Hercules bevond zich eens in het land dat nu Scythië heet. Wegens storm en koude had hij zijn leeuwenhuid aangetrokken, hij spande de paarden van zijn wagen en legde zich te slapen. Toen hij wakker werd waren de paarden verdwenen. Hij zocht ze in het landschap Hylaea en daar vond hij een slangenmeisje in de grot Echdna. Ze was van boven een vrouw en van onder een slang. Op zijn vraag of ze zijn paarden gezien had vertelde ze dat die in haar bezit waren. Ze zou ze hem teruggeven zo gauw ze zich met hem verbonden had. Hercules sliep bij haar, maar ze verschoof de dag van teruggave steeds weer. Eindelijk deed ze het en zei;” de paarden heb ik gered. Gij hebt mij het redding loon gegeven want ik heb drie zonen van u’. Uit hen is volgens overlevering het volk der Scythen ontstaan.

De eerste vermelding van slangenmeisjes is gevonden bij Gervatius die zijn werk in 1211 uitbracht. Daarin vertelt hij aan de keizer dat er volgens het algemeen gevoelen onder de slangen enige zijn die zich in vrouwen kunnen veranderen

 

Siberische legende.

God bepaalde dat er negen takken uitsproten en negen mensen werden aan zijn voet geboren, de vaders van de negen rassen. Vijf takken draaiden naar het oosten en gaven vruchten voor mens en dier, maar de vruchten die aan de vier westelijke takken groeiden verbood God voor de mens, hij zond een hond en slang om ze te bewaken. Terwijl de slang sliep kwam Erlik, de verleider, die in de westelijk takken klom en Edji, de vrouw, overhaalde om van de verboden vrucht te eten. Dit deelde ze met haar man Torongoi en het paar ontdekte hun schuld bedekte zich met huiden en verborg zich onder de boom.

 

Gebruik.

Enkele delen dienen tot bijzondere doeleinden.

Het vet van de wateradder helpt tegen de beten van de krokodil. Als een man de gal van een adder bij zich heeft zal de krokodil hem niet grieven of aanvallen. En dat meest gevaarlijke en angstaanjagende dier durft niet of kan iets doen op een of andere manier aan diegene die de gal van de gezegde adder bij zich heeft.

In Beieren vangt men een slang tussen Maria Hemelvaart, 15 augustus, en de Kruisverheffing, 14 september, en sluit die op in een nieuwe pot. Dan laat men haar daarin van hitte en honger sterven en legt haar dan in een mierennest. Is het vlees afgeknaagd, dan worden uit de botjes een soort van paternosters gemaakt, zogenaamde fraisbeter, die de lijders aan de frais, vallende ziekten of stuipen geneest.

Een poeder gemaakt van een op het veld gevonden vel geneest in Zwaben de gestoken, gestoten of gehouwen wonden waarop het gestrooid wordt.

Het vel van een slang dat op St. Georg, 23 april, afgetrokken wordt en negen dagen om de hals gehangen verdrijft de koorts. Dat is ook zo als je de kop van een slang  bij je draagt, op die dag afgesneden met een zilveren munt.

De kracht van een slangentong is groot. De slag van een zweep met zo’n tong maakt dat het paard de hele dag daaraan genoeg heeft. Daarom wordt de tong ook wel eens gesoldeerd in het gebit van een paard of de sporen van een ruiter.

Jagers steken de slang de ogen uit en doen er twee erwten in en de derde in de bek en begraven de slang zo in het veld zodat de erwten zullen groeien. Gieten ze kogels dan doen ze in het metaalmengsel een op die wijze verkregen erwt. Met zo’n kogel zie je alles eerder en schiet je beter.

Het zaad dat door een slangenvel als door een trechter gelopen is wordt nooit door ongedierte opgevreten of vernield.

Wanneer een slang door een schop of hak in drie stukken is gehouwen en de kop ongedeerd blijft, haal een zeker kruid en leg het tussen de wonden die dadelijk genezen. Dat dit geregeld gebeurt kan je zien aan vele slangen die meestal littekens hebben.

 

Bijbel.

Vier Hebreeuwse woorden en twee Griekse woorden zijn vertaald als serpent.

Zachal’, een maal in Deuteronium 32:34 als venijn:

Als zij uitgeput zijn van honger en verteerd van koortsgloed en dodelijke ziekte

dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten

met het venijn van wat schuifelt in het stof.’

Nachash het serpent komt meer voor dan welke andere woord voor slangen. Het is een algemeen woord en de context suggereert dat het meestal slang betekent, maar het kan ook andere kruipende reptielen betekenen. De eerste vermelding is in Genesis 3:1, bij de appel en de straf die het serpent kreeg: op uw buik zult gij gaan en stof zult ge eten, zo lang gij leeft’, Genesis 3:14. In het N.T. wordt viermaal verwezen naar de Val en wordt het Griekse woord ‘ophis’ gebruikt. Het stof eten komt nog voor in Jesaja 65:25 en Micha 7:17.

De roede van Mozes en Aaron was Gods roede, Exod. IV. De roede die door Aaron op de grond geworpen werd een slang en die werd bij de staart genomen opnieuw een roede. De magiërs van Farao, er waren er twee, Jannes en Mambres, wierpen hun roeden op de grond, het werden draken, maar de slang van Aaron verslond de draken van de magiërs. Aaron slaat het water van de vloed met zijn toverroede en het water werd vloed en van heel het land Egypte werd het water bloed. Maar de magiërs deden hetzelfde met hun toverroeden. Aaron slaat met zijn roede het stof der aarde en het stof wordt veranderd in muggen. De magiërs konden het niet nadoen. Mozes steekt zijn roede ten hemel, donder, bliksem en hagel komen over Egypte en al wat buiten is, mensen, dieren, kruiden en bomen worden vernield. Mozes steekt zijn roede uit over Egypte, een dorre wind waait een dag en een nacht en brengt 's morgens ontelbare sprinkhanen.

Tannin’, meestal vertaald als draak wordt vertaald als serpent in het incident van Aarons staf. De twee woorden ‘tannin (draak) en nachash (serpent) zijn gebruikt in verbinding met de roeden die serpenten werden in Exodus 4 en 7. Het is interessant dat Mozes roede nachash werd en die van Aaron en de Egyptische tovenaars ‘tannin’. Er wordt verondersteld dat de laatste naar de krokodil verwijst en dat dit incident een symbolische bedoeling had waar Aaron’s roede die van de Egyptenaren vernietigde.

Saraph’, is van een wortel die als vurig of brandend vertaald wordt. In Numeri 21:6 ‘zond de Heer vurige slangen onder het volk’, de nachash met saraph geeft een vurig serpent. Het staat alleen en op zich zelf zoals het vurige serpent dat Mozes moest maken in vers 8; ‘maak een vurige slang en plaats die op een staak; ieder die daarnaar ziet, wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven’. In vers 9 wordt vermeld dat het van koper gemaakt is. “Maak u een vurige slang en stel ze op een stang en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij ze aanziet, zoo zal hij leven’. Saraph wordt ook gebruikt voor de vliegende draak van Jesaja 14:29, 30:6. Van dezelfde wortel is Seraphim, dat is meervoud van saraph: een brandende en oplichtende slang, Jesaja 6. 2.6, engelengestaltes die met zes vleugels rond de troon van God staan, het aangezicht en voet met twee vleugelparen bedekken, terwijl ze het derde paar voor vliegen gebruiken.

Herpeton’ wordt vertaald als serpent, het is een normaal woord, herpetology is de studie van reptielen en amfibieën.

 

Er zijn meer dan zeventig verwijzingen naar slangen in zinnebeeldige sfeer, twee literaire verschijnen bij de roeden van Aaron. Hun vergiftigde natuur wordt een vijftig maal vermeld, vaak zijn ze afschrikwekkend. De slang wordt een beeld van kwaad en gevaar, zelfs persoonlijk als in Mattheus 3:7 waar de farizeeërs tot adders worden en in Jesaja 14:29 waar adders en vurige slangen beloofd worden als straf voor Filistea. Een diep geworteld bijgeloof.

Psalm 140:4: zij hebben hun tong gescherpt als een slang’. Vele wel opgevoede mensen gebruiken hun tong als een giftige slang, Spreuken 23:32. ‘ten slotte bijt hij als een slang

En spuwt gif als een adder.’

De enige commentaren op het gedrag van slangen komt van Salomon en der herder Amos, beide bekend vanwege hun dierenkennis. Spreuken 30:19; ‘de weg van de slang op den rots’. ‘Dit was een van de dingen die Salomon prachtig vond. Prediker 10:8 en Amos 5:19 waarschuwen om geen handen te leggen waar slangen kunnen schuilen.

Er zijn nog vijf Hebreeuwse woorden die als adder of slang vertaald kunnen worden.

Tsiph’, oni’, adder en basilisk. Dit wordt alleen gevonden in zinnebeeldige passages waar geen feiten vermeld zijn. Dit is ook zo met ‘tsepha’ wat alleen in Jesaja 14:29 voorkomt en ook vertaald wordt als basilisk of adder.

Shephiphon’, adder of viper, wordt alleen in Genesis 49:17 gevonden waar de context meer behulpzaam is. ‘Moge dan een slang op den weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt’ zodat zijn berijder achterover valt.’ De beschrijving zal passen op een van de woestijnslangen die verborgen liggen en aanvallen als ze gestoord worden.  Mogelijk zijn deze laatste woorden zo gevormd naar het sissen van slangen.

Eph’eh’, vipier, en ‘akshubh’ adder of vipier. Samen verschijnen ze een vier maal in zinnebeeldig gebruik wat weinig hulp biedt. Eph’eh lijkt het Arabisch afa’a of efa te zijn wat soms toegeschreven wordt aan de Echis, soms aan slangen in het algemeen. In al deze gevallen zijn ze venijnig, Job 20:16: een slangentong zal hem doden’. In Jesaja 30:6 komt ze voor in een lijst, 59:5’ zij broeden eieren van giftige slangen uit, .. wie van hun eieren eet, zal sterven, als er een ingedrukt wordt, berst er een adder uit’. Dit is misschien een karaktertrek van deze familie, de meeste baren levende jongen.

Akshubh wordt alleen in Psalm 140:4 gevonden: ‘addervergif is onder hun lippen.’ Een interessante waarheid.

 

Uit www.flickriver.com

Het Griekse echidna slaat mogelijk op Vipera palaestina: uit Palestina, die verwant is met onze adder, maar veel groter en gevaarlijker. Het dier wordt gevonden waar mensen leven en is zo een van de ergste soorten. Het is het ‘addergebroed’ van Mattheus 3:7. De grote adders kunnen dan ook wel vijftig jongen hebben. De slang die Paulus beet, Hand. 28:3,  is wel een gewone slang geweest.

Het Griekse ‘ophis’ wordt altijd een slang en verschijnt veertien maal in het N.T.

 

 

 

 

Uit commons.wikimedia.org

Aspis. Grieks voor vipier.

Vipera aspis, de aspisadder is een slang uit het zuidwesten van de M. Zee. Hij komt voor op droge biotopen. Het is een dagdier. Het kan een zestig tot vijf en zeventig cm groot worden. is nauw verwant met onze adder, maar gevaarlijker. Komt voor in zuid Europa en Noord West Afrika, waarschijnlijk niet in Egypte. Alle gifslangen werden vroeger gewoon aspis genoemd.

Een van de woorden die duidelijk een slang vertegenwoordigt  is het Hebreeuwse ‘pethen’, dit woord wordt traditioneel geassocieerd met de cobra. Het woord wordt zes maal gevonden wat een paar maal als adder vertaald wordt en als aspis. Engels asp, aspic, in Frans aspe, wat stamt van Latijn en dat van Grieks aspis; vipier.

Megenberg; ‘Aspis heet een asp. Dat is een slang waskleurig of geel. Die laat vergif in zijn beet en strooit zijn gif met zijn bijten en daarvan heeft ze de naam, want aspis in Grieks is alzo veel gesproken als vergif.’

 

Een zeer veelvuldig voorkomend motief is Christus die de aspis en de basilisk, slang en draak vertreedt, klaarblijkelijk gaat dit terug op Psalm 90:13 “Super aspidem et basiliscum ambulabis, conculcabis leonem et draconem”. “Gij zult wandelen op de aspis en de basilisk, Gij zult de leeuw en de draak vertreden. Honorius van Autun ziet in de aspis de zonde, in de basilisk de dood, in de leeuw de antichrist en in de draak de duivel. Deze vier zijn door Christus overwonnen. Het geheel is dus een symbool van verlossing. Christus op die vier dieren zien we onder andere afgebeeld op het ivoren snijwerk van 770-800 in Kon. Museum voor de Kunst en geschiedenis te Brussel. In de Romaanse kunst staat Christus nog maar op twee dieren, de leeuw en de draak, zie het 12deeeuws stenen reliëf in Onze Lieve Vrouwenkerk te Maastricht. De aspis is zo het symbool van het boze omdat men dit dier onder de voeten van Christus zag.

 

De ‘aspis’ is in de literatuur gebruikt voor verschillende soorten slangen en kan niet altijd geďdentificeerd worden.

Uit Maerlant; ‘Aspis is een serpent van gedaante, geel en blauw heb ik verstaan. Die hij bijt, hij is dood algemeen, maar met een handigheidje niet klein, beleest men het en zo wordt het dat zijn venijn niet schaadt’. De aspis is een geelblauwe slang. Wie erdoor gebeten wordt is ten dode opgeschreven maar het is, hoewel dat grote bekwaamheid vergt, mogelijk om de aspis te bezweren en zijn gif onschadelijk te maken waarna hij zonder enige inspanning gevangen kan worden.

Maerlant; ‘Solinus heeft beschreven dat elk met zijn echtgenoot leeft, want als men de ene dood slaat heeft de ander de rouw zo groot dat het de moordenaar na volgt, hij stond nimmer in zulke scharen, hij zal willen aanvaarden dat het dat niet laat vanwege vrees van zwaarden en men kan het hem het niet ook benemen, hij die zo bezwaard is en vliedt en zal hem willen nemen het leven. Van een aspis is beschreven dat in Egypte wel een man voor zijn tafel met voeden begon zodat niemand iets verkeerd deed en dat het tenslotte twee jongen bracht en een van zijn jongen doodde ginder een van de goede mans kinderen en als de moeder om te eten kwam en ze de misdaad vernam scheurde ze daar het kind in stukken en kwam nimmermeer’. Een huiselijke aspis had jongen. In haar afwezigheid doodde een van haar jongen een kind in het huis. Toen de ouder, zoals gewoonlijk terugkwam, werd het gedode kind aan haar voorgelegd en ze begreep het gebeurde. Toen doodde ze haar jong en verscheen niet meer in het huis. Er was ook een aspis die verliefd werd op een kleine jongen die ganzen hoedde, die liefde werd zo groot dat haar man jaloers werd. Op een dag dat de jongen sliep wou hij het kind doden, maar de vrouwelijke aspis zag het gevaar, maakte hem wakker en waarschuwde hem.

 

Maerlant; ‘Naar de manier van everzwijn ragen de tanden van hem’.

De aspis heeft slagtanden, net als het everzwijn.

 

Uit cultureru.com

 Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘het serpent is dat de balsem behoedt, dat is een serpent en heet aspis. Nu durft daar niemand de bomen genaken waar de balsem afdruipt zolang zo lang als hij waakt. En als men van de balsem wil hebben dan moet men fiedelen en harpen spelen voor hem net zolang dat men het in slaap brengt. Maar hij heeft zoveel geest van zijn natuur dat als hij hoort dat men hem in slaap wil brengen dan stopt hij zijn oor met het einde van zijn staart dicht en het andere oor wrijft hij zolang tegen de aarde dat hij ze vol aarde wrijft. En als hij doof gemaakt is dan heeft hij geen angst dat men hem in slaap kan brengen.

Maerlant, ‘En men het mag met gemak vangen, dat is om een zonderlinge zaak, want men doet hem uit het hoofd een steen duur en goed, maar nu is een natuur in deze dat het zeer schalks is in het belezen want als het de tovenaar hoort die het met zulke soorten doet dan steekt het ‘t ene oor in de staart en steekt de andere nederwaarts tegen de aarde en stopt zijn oren dicht, zodat het niet kan horen’. Er wordt jacht gemaakt op deze slang omwille van de zeldzame en kostbare steen in zijn kop, maar het beest is zo doortrapt dat het zijn ene oor dichtstopt met zijn staart en het andere stevig tegen de grond drukt zodra het de slangenbezweerder hoort naderen, zodat het niets meer kan horen.

P. de Beauvais: ‘Zo zijn en gedragen zich ook de rijken die hun oor neigen naar aardse begeerten en het andere dichtstoppen met hun zonden. De slang die aspis heet stopt slechts zijn oren dicht, maar de rijken bedekken ook hun ogen met wereldse sluiers, dat wil zegge met begeerten zodat ze geen oren hebben waarmee ze kunnen horen, ze willen ook de geboden van God niet horen, nog ogen waarmee de naar de hemel  kunnen opzien en ze denken niet aan Hem die alles geeft, goedheid en rechtvaardigheid. Maar zij die nu niet meer naar Hem willen luisteren zullen hem horen op de dag des oordeels wanneer Hij zal zeggen: ‘Vervloekten, ga weg van Mij in het eeuwig vuur dat in de hel bereid is voor de duivels en hun engelen’. ‘

 

Megenberg; ‘Jacobus de meester spreekt dat de slang van ettelijke woord kracht gebonden wordt alzo dat ze met haar gif niet beschadigen mag en wordt ook daarom met dezelfde woorden aangesproken zodat men ze des te vrediger vangt en dat man ook uit haar hersens nemen mag een edele steen die van natuur daar groeit. Echter ze heeft een handigheid tegen dat aanspreken want ze drukt een oor op de aarde en verstopt dat andere oor met de staart zodat ze de aansprekers stem niet hoort. Lucanus noemt die slang een slaapbrengster, want wie van haar verwond wordt die slaapt tot in de dood. Solinus spreekt dat de aspis zijn leven verdrijft maar met haar gelijken en daarom wanneer haar gemaal gedood wordt zo sluipt ze de doder immer meer na, daarom dat ze haar lief wreekt en waar ze hem vindt en met hoe groot volk hij is op water of op aarde, zo doodt ze haar geliefdes moordenaar, daar mag niets tegen zijn. Zoals een vorser spreekt, de aspis schaadt de lieden van het land Afrika niet, noch schaadt de lieden van Syrië en daarom leggen die lieden hun kinderen voor dat soort slangen. [335] Is dan dat de slangen ze beledigen zo houden ze die niet voor hun kind en menen die kinderen zijn onwaardig. Is echter dat ze de kinderen niet beledigen zo behandelen ze die lieden zoals hun eigen kind. ‘

 

Een slangenbezweerder kan een aspis nemen en laten bewegen. Ook drukt hij haar plotseling, zonder dat de toeschouwer er iets van merkt, op een bepaald punt in de nek. Op hetzelfde moment strekt de slang zich in haar volle lengte uit en wordt zo stijf als een plank. Door die drukking in haar nekstreek is ze in een toestand van verstijving gebracht. Verklaarbaar wordt hierdoor het verhaal uit Exodus 4:7: “En Aaron wierp zijn staf neder voor Farao’s aangezicht en voor het aangezicht zijner knechten en hij werd tot een slang. Farao riep nu ook de wijzen en tovenaars en zij deden ook zo met hun bezweringen. Ieder wierp zijn staf neder en zij werden tot slangen” Dit was de oude aspis van de Grieken en Romeinen die door de Egyptenaren ‘oera’ werd genoemd, dat betekent rechtstandige. Het was het zinnebeeld van waarheid. Tergt men de naja dan blaast zij zich op, rekt haar hals uit en richt zich fier in de hoogte en schiet ineens op haar vijand af. Omdat de oude Egyptenaren zagen dat ze zich opricht wanneer men haar nadert, verbeeldden ze zich dat deze slang de velden beschutte waarin ze haar woning koos. Ze aanbaden haar als een zinnebeeld van de wereld beschermende godheid en beeldden haar af op de deuren van al hun tempels en op beide zijden van een wereldbol.

Een nabootsing van haar gestalte was het versiersel dat de koning als teken van zijn hoge rang en oppermacht aan het voorhoofd droeg. Van haar oud-Egyptische naam oera is de nieuwe vorm “Uraeus’ afgeleid. Het is de Uraeusslang, de aspis, haje of Egyptische brilslang of cobra, Naja naja.

Het is de slang die gebruikt werd bij bezweringen en afbeeldingen laten zien dat de held dit dier bij de nek pakt wat de goede manier is om een giftige slang op te pakken, het is ook verstandig om bij zware gevallen het onderste gedeelte met de hand te ondersteunen. Ze houden de slang op die manier vast tot een soort stijfheid wordt bereikt. Cobra’s eten kleinere slangen en jonge cobra’s, het favoriete dier in dit geval, en zwelgen zo de cobra’s op van de tovenaars wat een serieuze bedreiging was van hun religie.

De aspis kan een lengte bereiken van een twee meter en komt ook voor in de drogere delen van Palestina. Jesaja 11:8 spreekt over het hol van de aspis.

 

Cleopatra.

 

Uit www.aussiepythons.com

Dit soort adder legde Cleopatra bij haar waardoor ze uit het leven stapte alsof ze sliep. De adder komt waarschijnlijk in Egypte niet voor. Maar in vroegere tijden werden alle gifslangen aspis genoemd. De beet van de adder is ook meestal niet dodelijk, wel vaak zeer pijnlijk. Cobragif is echter wel snelwerkend en verlamt de spieren en zenuwen.

Waarschijnlijk heeft ze de cobra of brilslang, Naja naja gebruikt. Deze slang komt ook op hun hoofdtooien voor. Die doodt snel, sneller dan een adder. Haar vergif is zeer fijn en scherp. Galenus bericht dat men in Alexandrië de beet van deze slang gebruikt om de pijn van de ter dood veroordeelden te verzachten. Men liet ze op de borst van de ongelukkige bijten waarop ogenblikkelijk hun ogen doofden, hun krachten verdwenen en spoedig volgde een zachte slaap.

 

Shakespeare, ‘Antony and Cleopatra’, v, 2, 243-4, 296-9;

The pretty worm of Nilus there’. Hebt gij de lieve Nijlworm meegebracht’.

That kills and pains not’. Die zonder smarten doodt?’

*            *            *            *

 Zeker heb ik hem hier, maar ik zou de man niet willen zijn, die u ried hem aan te vatten, want zijn beet is onsterfelijk; zij, die er van sterven, komen er zelden of nooit van op van op’.

Cleopatra” Staat u van iemand voor, die er van stierf?’

Boer: O, verscheidene, mannen en vrouwen ook’.

Ik hoorde er van een… hoe zij aan die beet gestorven is en hoe zij geleden heeft, wezenlijk zij getuigt heel veel goeds van de worm’.

 

 Have I the aspic in my lips? Dost fall?’ Heb ik een aspis op mijn lippen? Valt gij?’

If thou and nature can so gently part’. Was u het afscheidt van natuur zo zacht’.

The stroke o death is as a lover’s pinch’. Dan is de dood gelijk de kneep eens minnaars’.

Which hurts, and is desired’. Die smart, maar lieflijk is’.

*            *            *            *

This is an aspic’s trail, and these fig-leaves’. Dis is een aspiswond, de vijgenbladen’.

Have slime upon them, such as the aspic leaves’. Zijn ook met slijm, dit ziet men van die slangen’.

Upon the caves of Nile’. Ook is haar hol aan de Nijl’.

 

Cobra.

De naam cobra komt van de Portugezen die op Sri Lanka (Ceylon) hoorden dat die het dier met de Sanskrietnaam ‘kover kapel’ bestempelden, wat koning der slangen betekent. De bedoelde naam klonk ongeveer als cobra de capello wat slang met hoed betekent in Portugees, bij werd het bij ons dus hoedslang of koperkapel.

De brilslang die bij de Hindoes met heilig ontzag wordt bejegend en waaraan bijna een goddelijke verering ten deel valt speelt in hun godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Dat is de Naga. Hun koning was Sesha, de heilige slang van Vishnu. Zo wordt verhaald dat eens toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in de middagzon lag te slapen een cobra met haar schild het goddelijk aangezicht overschaduwde. Bij het ontwaken was de god hierover zo verheugd dat hij de slang een buitengewone genade beloofde. Hij vergat echter zijn belofte zodat de slang zich genoodzaakt zag hem eraan te herinneren in een tijd toen de wouwen een grote slachting aanrichtte onder de leden van haar geslacht. Om de cobra te beveiligen schonk Boeddha haar de bril waarvoor roofvogels bang zijn. Het is met deze slang waarmee de Indische slangenbezweerders hun kunsten vertonen.

 

Egypte.

De adder aspis zal de mannen van Afrika en de Moren niet grieven want zij nemen hun kinderen en brengen die bij de adders. En als de kinderen van hun soort zijn doet de Aspis hen niets. Als ze van een ander soort zijn worden ze meteen gedood door het venijn van de adder. Deze beesten doden vreemdelingen en mensen uit andere landen en sparen op wonderbaarlijke wijze het volk dat in hetzelfde land wordt geboren. Ook Aristoteles heeft gezegd dat in bepaalde bergketens schorpioenen vreemdelingen ongedeerd laten maar dat ze de mensen van het betreffende land steken en doden.

In het oude Egypte werden misdadigers door een slang om het leven gebracht “gelijk Athenaeus met een vreemd voorbeeld bevestig, van twee misdadigers die verwezen waren naar de wetten van Egypte om aan de Adders overgegeven te worden”.

De steek van een aspis kan niet genezen worden, alleen met het water dat van een steen gewassen wordt die uit de begraafplaats van een oude koning stamt. Ook de slangenwortel Ophiorrhiza mungos zou een tegengif leveren tegen  haar beet

In Egypte hebben ze zo’n ontzag voor de Aspis dat als iemand in de nacht op moet staan die eerst een teken geeft door met zijn vingers te knakken om de Aspis te waarschuwen zodat ze niet geprovoceerd worden. Bij het horen van dit teken gaan ze naar hun holen tot de persoon weer in zijn bed ligt.

Alle aspissen van de Nijl gaan en hun jongen dertig dagen voor de stroom opzwelt weg en trekken naar de bergen. Dit wordt minimaal een maal per jaar gedaan.

Een man die een fles wijn droeg werd gebeten door een Aspis omdat hij op het beest stapte. Zolang als hij de wijn droeg voelde hij geen pijn, maar als hij de fles neerzette om zich te ontzien werd hij gefolterd door het vergif.

 

Zo doof als een adder.

Art thou like the adder waxen deaf?’ ‘II King Henry VI’, iii, 2, 76. ‘Troilus and Cressida’ II, 2,172, :zijn dover nog dan slangen”.

Als de adder aspis onder invloed staat van een tovenaar en uit haar hol komt door zijn charme of bezweringen want ze wil er zelf niet uit, legt ze een oor op de grond en stopt de ander dicht met haar staart en zo hoort ze het betoverende geluid niet, ook komt ze er niet uit vanwege zijn charme en is onverschillig voor de bekoringen die hij fluistert. Plinius spreekt al over het bezweren van slangen.

De aspis is een slang die slechts door bezweringen onschadelijk is te maken. Om aan dit gevaar te ontkomen steekt het dier het einde van zijn staart in zijn ene oor en in de ander aarde. Dit naar Psalm. 58,4,5 “De goddelozen gedragen zich “als de dove aspis” die zijn oren dichtstopt en niet luistert naar de stem der bezweerders”. (Slangen kunnen wel horen maar bezitten geen uitwendig gehoororgaan die ze dicht kunnen stoppen)

Er is nog een verwijzing van het bezweren in Jeremia 8:17; ‘Want zie, Ik zend onder u giftige slangen waartegen geen bezwering bestaat”. Prediker10:11: ‘indien een slang bijt voor de bezwering, dan baat de bezweerder niet’.

Vondel, Koning Davids Harpzangen;

LVII;

‘Zijn dolle moedwil slacht de slang

En ’t loos serpent

Dat de oren voor de toverzang

En toon te stoppen is gewend

En met geen open oren

’s Bezweerders rijm wil horen

Het luistert naar geen tovenaar

Die zich verstaat op goochelkunst en loos gebaar’.

De steek van de aspis is ongeneesbaar, gelukkig zien ze slecht. Plinius zegt: ‘Het is onmogelijk om te zeggen waar de natuur schadelijke dingen produceert of hun remedies geeft. Op de eerste plaats heeft het de pest (de asp) slechte ogen’. Sommigen schrijvers zeggen dat hun zicht minder wordt bij ouderdom, Isidorus verzekert dat alle slangen slechte ogen hebben.

 

De eeuwigheid wordt gesymboliseerd door de Ouroboros, een slang die in haar staart bijt (geen begin en einde). De slangenring wordt voorgesteld door een slang met de staart in de bek en is het bekende symbool van de eeuwigheid. De familie Jaeren voert tot devies: ‘aeternitas: eeuwigheid.

 

 

Tekstvak:  Vipier, in Engels Viper en in Duits Vipern.

 

Overleveringen

Een serpent of vipier komt veel voor in oude boeken als overlevering die uit de kruistochten gehaald werd. Ze kregen vaak een steeds gruwzamer karakter en afschrikwekkende reputatie. Men kende de adder, men hoorde en las over serpenten en vipiers in oude boeken, die verhalen werden meest wat gecombineerd.

Een vipier is een soort slang die vol venijn zit en heet zo omdat hij zijn kroost door kracht ter wereld brengt. Want als de baarmoeder voelt dat de tijd gekomen is dan komen ze niet op de gewone manier, maar kauwen en vreten de baarmoeder weg en komen zo in deze wereld met kracht en de dood van de moeder. Het mannetje steekt  bij de paring zijn kop in die van de vrouwelijke die haar bek begerig wijd open spert. Het vrouwtje, die zeer kwaad is bijt hem de kop af en wordt daar zwanger van en de jongen worden daar kwaad over en scheuren de moeder open, zo zijn beide ouders dood. Plinius vertelt waarom de jongen de moeder openscheuren. De vipera draagt twintig jongen, maar ze werpt er iedere dag slechts één. De overgebleven jongen die in de moeder opgesloten zitten worden kwaad, scheuren met zijn allen de moeder open en komen snel naar buiten.

Zo is het idee dat de viper geboren wordt ten koste van de dood van de beide ouders een vermelding van af Herodotus en andere latere Griekse schrijvers. Herodotus meldt dat bij de paring de vrouwelijke vipier zich vasthecht op de nek van het mannetje en er doorheen eet, maar ze krijgt haar straf door haar jongen die hun weg door haar lichaam eten en haar zo doodt.

Aristoteles zegt niets over de dood van de ouders en stelt dat gewoonlijk het membraam, die het jong insluit, de derde dag barst, maar dat soms het kleine wezen zich er een weg uit eet. Deze meer aanvaardbare theorie werd vrijwel niet opgemerkt of was niet interessant genoeg. Shakespeare ‘Pericles’, i, 1, 64;

“I am no viper, yet I feed’. Ik ben geen slang, maar toch, ik voed’.

On mother’s flesh which me breed’. Mij van mijn moeder ’s vlees en bloed”.

Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’ Amour, rond 1250; ‘Want de viper is van zulke naturen dat ze niet geboren worden eer ze haar vader en moeder gedood heeft. Want ze ontvangt uit het hoofd van hem en op zo’n manier dat hij zijn hoofd steekt in haar mond en zij bijt dan het hoofd af en verslindt het en daarvan ontvangt ze, aldus blijft hij dood. En als het gebeurt dat ze jongen hebben zal dat doet ze die ter zijden uit en moet dan barsten en sterft.’

Uit Maerlant, ‘Vipera, zegt Jacob van Vitri en Isidorus daarbij is een serpent van die natuur dat als ze genieten zal deze creatuur als zij zo gaapt van grote hitte en als hij dit aanziet steekt het zijn hoofd in haar mond wat ze terstond afbijt en ze ontvangt jongen daar mede. Als ze tot rijpheid komen dan scheuren ze moeders zijden en komen uit in korte tijden. Drie soorten vindt men van deze, want hun beet is zonder genezing. Nochtans hun binnen aderen zijn fijn en is tegen allerhande serpenten venijn, doet ons Plinius weten wel. Experimentator zegt, haar vel dat ze in het seizoen af doet is gekookt in goede wijn voor de tanden en ogen goed . Haar smeer maakt blinde ogen fijn. Waarom dat ze de moeder verslijten, spreekt Plinius in zijn levensbeschrijving, hij spreekt dus in zijn taal. Een viper draagt twintig maal en werpt er nimmer meer dan een tegelijk zodat de andere daarvan kwaad worden die binnen de moeder zijn besloten en verscheuren met hun poten hun moeder en openen  de zijde en komen in korte tijd uit. Weinig serpenten vindt men zo fel nochtans is niet veel zachter tegen haar dan hij, dit zegt Sint Basilius mij, want als hij bij haar zijde is fluistert hij naar haar en wordt blij en als ze voelt bij hem te zijn dan spuwt het uit zijn venijn en ontvangt met grote minne zijn lieve giftiginne. Onzalige dorpse ellendeling, schaam u, dat u zonder reden uw wijf onwaardig heeft, leer van dit felle dier katijf, dat zijn venijn van hem spuwt als hij zijn genoot vernieuwd, laat varen jouw felle daad en wees hoofs, dat is mijn raad, wees onderscheid van jouw zin en deel haar weer jouw min’. Hoewel weinig slangen even gevaarlijk zijn als de vipera, is het mannetje teder voor het vrouwtje, zegt de Heilige Basilius. Als zij ergens anders is, sist hij naar haar en hij is blij als hij ziet dat ze weer bij hem terugkomt. Hij spuugt dan voorkomend al zijn gif uit en ontvangt liefdevol zijn beminde wijfje. ‘Luister, godvergeten, onbehouwen ellendeling!  Zou je je niet schamen omdat je je vrouw minachtend behandelt zonder dat daar een reden voor is? Schoft! Neem toch een voorbeeld aan dit kwaadaardige dier dat zijn gif uitspuwt als het zich met zijn wijfje vermaakt voor de paring. Laat die vervloekte kwaadaardigheid van je varen, slik je giftige woorden in en betuig haar je liefde’.

Vondel, Klaghte over de weerspannelingen in Groot-Britanje;

‘Van ’t slim gedrocht der vinnige serpenten

Dat met zijn bitse tand

Om ademtocht bijt door moeders ingewand’.

Of dat de vrouwelijke vipera het bovenlijf heeft van een mens, maar onder de navel de gedaante van een slang of krokodil bezit; haar partner die het lichaam heeft van een man zou daardoor gedwongen zijn haar door de mond te bevruchten.

Deze slang was aan de Romeinen het meest bekend en heeft met recht aanspraak op de naam Vipera viviparia wat levendbarend betekent. Men wist niet dat de adders reeds in het moederlichaam uit het ei komen.

 

Paring met een murene.

Uit Maerlant; ‘Tirus, spreekt Jacob van Vitri en Liber Rerum ook daar bij, is een serpent dat heet alzo dat omtrent het land van Jericho en omtrent de Jordaan graag plag te bestaan. Vogelen en ook de eieren mede, want die verteert het ter plaatse. Dit vlees hiervan is dat men brengt en met anderen specerijen mengt waarvan men triakel maakt waarmee men allerhande venijn verslaat. Sommige zeggen dat dit dier zeer fel en onguur is en allen lieden zeer  pijnigt vanwege het lijden van Onze Heer zodat men de felste vond toen Jezus aan het kruis hing en men hem hing hem ter zijden voor de ergste in alle tijden en met de kracht van Jezus bloed kwam dat venijn ons te goede. Triakel is het en medicijn tegen allerhande venijn bijzonder tegen het tyrus venijn dat tyricon heet in Latijn. Zijn vel doet het af naar zijn zede en verjongt daarmede’.

De tyrus of tirus is volgens Jacobus van Vitry en het Liber rerum te vinden in de buurt van Jericho en bij de Jordaan. Deze slang verslindt vogels en vogeleieren.

Zijn vlees wordt gemengd met specerijen om triakel te bereiden, een middel waarmee ieder gif kan worden bestreden. Er zijn mensen die zeggen dat de tirus in de tijd voor de kruisdood van Onze Lieve Heer een levensgevaarlijke slang was doordat er geen remedie bestond tegen zijn gif. Toen Jezus aan het kruis hing werd daarom een van de kwaadaardigste exemplaren gevangen en aan Zijn zijde gehangen, maar door de kracht van Jezus' bloed komt het gif ons sinds die dag ten goede. Triakel is naar men zegt het geneesmiddel tegen alle soorten gif, behalve tegen dat van de tirus zelf dat in het Latijn tiricon heet. De tirus verjongt zichzelf door te vervellen.

Tyrus is een soort serpent die ook viper heet, ofschoon hij klein is verdwijnen serpenten als ze hem zien want hij is ruig en als hij iets bijt dan rot dit helemaal. Onder de serpenten is hij de ergste. Als hij samengaat met een murene gaat hij naar een water waarin hij verwacht dat ze daar is en roept haar met sissen, dan komt de murene en als de viper ziet dat ze klaar is doet hij al zijn venijn opzij en bespringt de murene. Als de daad gedaan is drinkt en neemt hij zijn venijn in en gaat terug naar zijn hol. Ze springen in het meer om met de murene te paren, daarom is de beet van de murene zo giftig als een slang.

Als het mannetje het vrouwtje mist en haar naarstig zoekt en met een aangenaam en flatterend geluid haar roept verwacht hij dat ze komt en dan gooit hij al zijn venijn weg als eerbied voor de moederlijke waardigheid. Ze zwemt zeer goed en komt soms op de rug van zwemmende eenden voor, vandaar het bijgeloof dat ze met eenden paren.

 

Vijanden.

Ook de draak of de adder die aspis heet weet dat het hoofd van viper hem heelt hem als dit op de wond gelegd wordt

Vipers zijn ook vijanden van ossen, van kippen en ganzen en de relmuis. Als de viper bij het nest van een relmuis komt en haar jongen vindt trekt ze al hun ogen uit, voedt ze daarna zo dat ze zeer dik worden en doodt er dan elke dag een. Als een man of schepsel ondertussen zo’n relmuis vindt en die eet wordt die hierbij gedood.

Er is een soort van ongevaarlijke serpent die Parae heet die een vijand is van vipers en ze doodt.

Een viper klimt in een boom naar het nest van de ekster en die arme ekster vecht met de viper tot die haar bij de nek grijpt zodat ze niet meer kan vechten, toch roept ze nog om hulp naar haar verwanten waarop het mannetje komt en zijn vrouwtje ziet, zo gegrepen door de viper. Hij aarzelt niet en valt op het hoofd van de viper aan tot zijn hersens eruit komen en de viper dood neervalt.

De schorpioenen en de vipers zijn vijanden van elkaar.

De aardschildpad is ook een vijand en de viper tot hen waarom het marjolein, wild bonenkruid of ruit eet en is dan niet bang om tegen een viper te vechten maar als de schildpad hiervan niets kan vinden sterft die zeker door het gif van de viper.

Het is zeker en bekend dat er een grote vijandschap is tussen mens en vipers, want de een haat en vreest de ander, daarom als een man een viper bij de nek pakt en hem in zijn mond spuwt het speeksel onmiddellijk naar de maag zakt en het dier daaraan sterft.

Knoflook is gif voor de viper en als hij daarvan proeft zal hij sterven of hij moet eerst ruit gegeten hebben.

Een viper was eens geslagen met een riet, het verbaasde haar en verdoofde haar, maar de tweede keer herstelde ze zich en rende weg, dit wordt ook gemeld als je dit doet met een beukentakje. Als je vuur legt aan een kant van de viper en een stuk taxus aan de andere kant zal ze liever door het vuur gaan dan over de takken van de taxus. De viper is ook bang van mosterdzaad en als dat in haar pad gelegd wordt vliedt ze daar van, eet ze ervan dan sterft ze. Als de handen of het lichaam van een man ingesmeerd zijn met het sap van de wortel van Arum zal de viper hem niet bijten, zo ook van dragon. (Artemisia) De viper is ook tegen te houden met smaragd, zijn ogen zullen smelten en uitvallen. Het houdt veel van wikke en de sabijnse boom. (Juniperus sabina)

 

Folklore.

In Egypte eten ze vipers en andere serpenten met niet meer moeilijkheid dan wij paling. Een bergvipier sloeg een man zo hard dat die genoodzaakt was een boom te nemen en erin te klimmen, toen de viper kwam en er niet in kon klimmen om zijn venijn op de man te spuiten deed ze dit diverse keren op de boom en de man in de boom stierf door de geur en de geheime samenstelling. Als een man per ongeluk op de nerven van een viper trapt doet dit meer zeer dan welk ander venijn ook want het verspreidt zich over het gehele lichaam, ook de paddenstoelen die bij de holen en schuilplaatsen van vipers groeien zijn venijnig.

Het eten van vipers geneest van melaatsheid. Een melaatse vrouw was niet alleen genezen van haar melaatsheid, maar werd al gauw zwanger van een jongetje hoewel ze al meer dan veertig jaar onvruchtbaar was geweest. De huid van een viper die tot poeder is geslagen en op plaatsen gelegd wordt waar het haar is uitgevallen herstelt dit weer op een wonderbaarlijke manier.

 

Uit michael-ray.deviantart.com

De ratelslang, Crotalus horridus, (afschrikwekkend)  geniet in Amerika een zekere verering. De Sioux, Dacotas of Nadowessiers doden haar niet, maar roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig voorteken. Wegens deze slangenverering hebben hun erfvijanden hen de naam “Naddowessjoe” gegeven wat ratelslang betekent. De naam Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord.

Volgens de overlevering moesten de Azteken zich vestigen op een plek waar ze een koningsarend aantroffen met een ratelslang in de klauwen en die op een bloeiende Opuntia zat. Toen ze de plek bereikten wat nu het huidige Mexico City, de plaza Domingo in 1312 bereikten, zagen ze daar wat ze zochten. Ze legden daar de fundamenten van een mooiere en fijnere stad dan ze ooit gedroomd hadden. De arend met de slang in zijn bek die op een cactus rust komt nu voor in hun wapen.

 

De Yacun-mama: moeder der wateren is een mythische zeeslang die vijftig passen lang en twaalf meter in omtrek is. Ze huist in de lagunen van Zuid Amerika en de Amazone. Dit monster trekt alles in zijn muil wat binnen honderd meter van hem komt. Daarom zal geen Indiaan ooit een hem onbekende lagune binnengaan voor hij op zijn hoorn heeft geblazen waarop de yacun-mama steeds zal antwoorden als ze het hoort. Op die wijze kan men aan het gevaar ontkomen.

 

Spreekwoorden.

Een adder aan zijn borst koesteren. =Weldaden bewijzen aan iemand die je met ondank beloont, zie de fabel 97 van Aesopus, in Duits Schlange am Busen nahren, in Frans mourrir un serpent dans son sein. Een man vond een slang die helemaal koud was. Als de slang op temperatuur is gekomen kronkelt het zich om de man heen en bezorgt hem veel pijn. Ondanks de smeekbeden van de man blijft het dier hem pijnigen.

Er schuilt een adder in het gras. Onder het voorkomen van onschuld een boosaardige opzet verbergen, dit uit Latijn “latet anguis in herba” van Virgilius Of er schuilt een angel onder, de angel als tong van de slang.

Addergebroed. =Gemeen volk. Een bijbels woord. Johannes de Doper, die vele Farizeeën tot zijn doop zag komen, sprak tot hen: “Gij addergebroed” Mattheus III: 7.

Listig, vals als een slang.

Een serpent van een wijf.

 

Uit Isaack van Waesberge, 1633.

 ‘Niemand behoort van iemand iets te ontvangen of kennis eerst van de gever te verlangen.

 

Van Jupiter en ’t serpent.

Jupiter die eens door lust tot feesten was gedreven,

Veel Goden ter banket en veel Godinnen nodigt.

En om het op het hoogst te sieren hij gebood

De beesten allemaal met goede stem verheven,

Dat ieder naar zijn macht ’t gezelschap zou geven

Een waardige gift en zei dat niemand dit zou

Vergeten of fluks in gramschap ijver wou

Hij de misbruiker doen in ballingschap steeds leven.

De loze slang voor eerst kwam vlijtig zich vertonen,

Met een zeer schone roos die ze het gezelschap biedt.

Maar Jupiter wou deze gift ontvangen niet,

Want hij bekent het beest om iedereen te honen

Geneigd  en vol venijn, dus sprak hij zijn offerande

Hem niet was aangenaam, het de boze niet betaamt

Te ontvangen daar men is in eer en deugd verzameld,

Maar wel die van vroomheid houdt en haat ondeugd vol schande.

 

Verklaring.

Den superstitieus zal even dat geschieden,

Die onder vals gelaat God offerhanden doet,

En daartussen niet weet wat te vragen verstandig,

Zo veel boosheden hem het hart dwaas gebieden.

God wil een rein gemoed dat geliefd is en deugd,

Dat uit zijn ziel steeds de zonden snode verjaagt:

Aan die vernedert zijn ellende zwak beklaagt:

Maar nooit de boze zal ten Hemel in gaan in vreugde.’

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  XXI;

’t Serpent en Aenbeelt;

‘’t Scherptandige Serpent belust was te vermalen

Een aambeeld, hard van staal en ijzer ten ene malen

Maar kon niet overwinnen van zulk een ijzeren romp

En maakte ’t aambeeld niet, wel zijn tanden stomp

Als nu dit diers gebit ten leste was bedorven

Heeft het van ’t aambeeld dit antwoord verworven

Wat dolheid gaat u aan? Dat met uw scherp gebit

Gij om mijn hardheid te verbrijzelen zijt verhit

Laat af, laat af in tijds, al ware uwe tanden

Van kopen en van staal, ik maak ze te schanden

Deze fabel wil diegene aanspreken zonderlingen

Die zich aanmeten meer als Menselijke dingen

Gelijk dat zotte volk, dat met ijdele hoop

Een vaart langs ’t Noorden zoekt, spijt natures loop

Dat met een eiken plank, o stoute Zee gezellen

Drijft door ’t bergachtig ijs, gelijk als naar de hellen

En blijft er al een schip in ’t Noorden voor den tol

Gelijk een toren staan, zij varen even dol’.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  XXXVIII;.

Voghelaer en de Slanghe;

‘De vogelaar belaagde een Tortel, schoon van veren

En dacht haar in zijn net het vliegen te verleren

Zijn strikken heeft bereidt, zijn netten spant hij uit

Het Duifje wordt bewogen, aanziende zulk een buit

Van rijk en edel zaad, en daalde naar het garen

Maar och wat droefheid is de Vogelaar wedervaren

Zo fluks hij trekken wil, hij op een slangen treedt

En voelt in ’t linkerbeen een dodelijke beet

De Tortel is verheugd, zij komt tot hem gevlogen

En roept, nu moet ge zelf de bleke dood gedogen

Die onze onnozelheid bespied hebt en gejaagd

Wie anderen wil verraden, zichzelve vindt verraden

Hij jaagt tot zijn eigen schade, die anderen wil beschaden

Het kwade zijn list op iedereen heeft gemunt

Maar zulks hij anderen wenst, wordt hem zelf gegund’.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  LXXII;.

Slanghe en Boer;

‘De Landman bij toeval vond in een hagedoren

En kronkelende slang, schier dood en halfbevroren

Vermits de Noordewind en de bleke zon in ’t snee

En ijs ’t strengst van ’t jaar haar aanzicht spiegelen dee

De mans hart geroerd werd met liefde en mededogen

’t Serpent bracht in zijn hut, maar vond zich vast bedrogen

want als ’t ondankbare dier het gloeien van ’t vuur vernam

en meer en meer geheel tot zich zelve kwam

het zijn venijn terstond aan alle kanten verspreide

zo dat hij haar met een aks terstond de strijd ontzeide

en kloof haar ’t hoofd in twee, en riep O schandalig feit!

Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?

Daar is geen bozer dier als een ondankbaar mens

Die, als hem alles gaat naar zijn lust en wens

De ontvangen weldaad niet alleen ter zijde stelt

Maar de weldoener zelf met alle kwaad vergeldt’/

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  XCV;

Jupiter en de Slanghe;

‘De Bliksemdrager heeft het koor de Hemel-Goden

 Op een zeer groot banket heel vriendelijk laten noden

Neptunes fluks ter feest met zijn drietand kwam

En Mars nog vochtig van ’t bloed, en van de krijg kwam

Apollo met de glans van zijn doorluchte stralen

Met als de Water Goden en Nymphen van de dalen

Zo fluks het gedierte vernam van ’t heerlijk avondmaal

Elk zijn giften bracht naar ’s hemels opperzaal

’t Was Jupiter zeer lief, hij heeft ’t in dank ontvangen

Ten leste met een roos kwam een der Water slangen

Maar Jupiter, beducht dat enig boos venijn

Mocht onder rozenbladeren en steel gestreken zijn

Heeft dit geschenk ontzegd. Gij, die de Goden wilt eren

Met een oprecht gemoed, wilt u ten hemel keren

Want ijdel is de dienst die iemand hem bewijst

Wanneer hij uit een boos en Goddeloos hart rijst’.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  LXI;

Slanghe en Echel;

‘De egel bad de Slang met zuchten en met stenen

Dat ze haar de herberg voor een winter wou lenen

De Slinger Slang bewogen door Egels droeve beed

Om haar waardin te zijn was willig bereed

Maar als in ’t enge van ’t hol de Egel dik gezwollen

Zich kronkelde in een bal, incirkelen en rollen

De Slang misgenoegen kreeg omdat ze soms te stijf

Met scherpe borstels zich vast prikkelden in haar lijf

Wel, sprak de Slang, is dit ’t loon voor al mijn deugde?

Dat ik u hier in mijn hol ontving met lust en vreugde?

Neen, zei de Egel, zwijg, gij vuil en twistgierig dier

Sta ik u in de weg, zo pakt u fluks van hier

De Slang bad vergeefs om wat rust en verschoning

Dus, om ’t geborstelde dier te ontgaan verliet haar woning

De ondankbare mensen, die geholpen zijn in nood

Vergeten weldra licht, al is ze toch zo groot

Als ze geholpen zijn, beschadigen zij diegenen

Diens mildheid over haar heeft rijkelijk geschenen’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/