Baars, baarzen, Nijlbaars, soorten, Perca fluviatilis.

Van Frans perche, van Latijn perca, van oud Grieks perke, verbonden met perknos; donker gevlekt.

 

Uit en.wikipedia.org

 

Perca fluviatilis, (aan de rivieren groeiend)

 

Naam.

Baars. In midden-Nederlands was het baers, in oud-Saksisch en midden-Hoogduits Bars, (nu Barsch) oud-Engels heeft bears (nu barse en bass). Frans bar, eerder bars uit Nederlands. Het dier is genoemd naar de stekelige vinnen want de naam is verwant met borstel.

 

Vorm.

Het sieraad van onze wateren. Een welgemaakte vis die helder rood van staart en buikvinnen is en wiens blanke lijf versierd is met vijf tot negen zwarte banden.

Aan de zijden met een goudglans bedekt en van onderen roodachtig. De dubbele rugvin is paarsgrauw en met bruine en harde stekels voorzien en een zwarte vlek achteraan de voorste stekels.

De meeste vissen zijn zijn vrienden niet. Hij heeft niet zulke scherpe tanden als de snoek maar hij is ook gewapend met  scherpe punten aan de rugvinnen waarom hij door de vissen zeer ontzien en gevreesd wordt. Hij behoort tot de roofvissen, ofschoon hij in zijn jonge leeftijd alleen kleine waterwormpjes en insecten eet, later jonge vissen en kuit. Een 50cm lang en tot 3kg zwaar. Komt voor in Europa en N. Azië. Een van de vissen die het eerst in nieuw aangelegde wateren voortkomt.

Hij wordt als een van de smakelijkste vissen beschouwd. De baars geeft het beste voedsel, vandaar het spreekwoord: ‘gezonder als een baars’. De besten zijn diegenen die het scherpst op de rug zijn.

 

In het voorjaar schieten de wijfjes kuit dat klompsgewijze aan stenen of andere harde voorwerpen blijft hangen en ca. drie honderd duizend eitjes bevat. Al na acht en veertig uren wordt het gebroed levendig, maar vele eieren komen intussen niet tot leven omdat er zeer veel door roofvissen en watervogels verslonden of door de storm aan land geworpen worden.

 

De baars heeft vele natuurlijke vijanden, vooral de snoek. Twee kleine vissen worden hem vaak noodlottig, het gepantserde en gladstaartige stekelbaarsje. Die leven overal waar de baars voorkomt en hebben op de rug en aan de buik, in plaats van vinnen, stekels die het visje naar believen kan opzetten. Komt nu bij de baars die naar alles hapt zo’n een visje in de mond en zet dit plotseling zijn scherpe stekels op dan kan hij het niet doorzwelgen of uitwerpen en moet met geopende mond van de honger sterven. Zijn vraatzucht maakt zijn vangst ook gemakkelijk.

 

Bestiarium.

Troebel water.

De baars houdt zich het liefst op in helder water. Het spreekwoord ‘in troebel water is het goed vissen’ is ontleend aan de wijze van visvangst waarbij stilstaand water opzettelijk troebel gemaakt wordt. De modderdeeltjes die dan tussen de kieuwen raken belemmeren de ademhaling van de vissen die hierdoor flauw worden en stikken en zo gemakkelijk uit het water gehaald kunnen worden. De voorn komt het eerste boven drijven, dan de baars en later de zeelt, de snoek houdt het lang uit. De baars heeft een taai leven waardoor het mogelijk wordt dat hij levend en in nat gras verpakt naar plaatsen verzonden kan worden waardoor hij verscheidene dagen onderweg is.

Als de bliksem in zijn nabijheid in het water slaat, dan sterft hij.

 

Gebruik.

Van zijn huid kan men een zeer goede lijm bereiden, vooral van jonge vissen. De Laplanders gebruiken dit om hun bogen meer stijfheid te geven.

De schubben van de baars zijn vanwege de vorm, glans en stijfheid zeer geschikt als materiaal ter versiering van vrouwelijke handwerken. Na zuivering in lauw water en daarna in een slappe oplossing van potas worden de schubben in pekel gelegd, met een doek afgeveegd en van drie gaatjes voorzien. Met gouddraad op fluweel gehecht maken ze een prachtige vertoning en worden door de vrouwen verwerkt tot bloemen en dergelijke.

De beide kleine beenderen aan het eind van het achterhoofd, de baarsknoken, Duitse Bersingsteine. werden in de artsenij gebruikt.

 

Vondel, Gezang, op het Latijnsche woordt: Tarhit sua quemque voluptas;

‘D’ Een trekt met de angelhoek

Nu een baars op, dan een snoek

Dan een spiering, dan een voorn

‘d Ander acht dit tijd verloren

En beloert de vogels schalk’.

 

Stizostedion.

Uit W. Grote.

Stizostedion lucioperca (lucius is de naam van de snoek, met perca; baars) of Sander lucioperca. (sander, Hoogduits Zander, wel uit een West Slavische taal, wordt geassocieerd met zand) De snoekbaars is lang gerekt en rond van vorm met een puntige kop. De kleur is afhankelijk van de ondergrond en de helderheid van het water, zilvergrijs tot goudbruin. Heeft twee rugvinnen waarvan de voorste harde stekelige stralen heeft. Kan meer dan een meter lang worden. Komt voor in open en meestal diep water. Zoekt vaak beschaduwde plekken op en jaagt ’s morgens omdat hij dan met zijn grote glazige ogen beter kan zien dan de prooi. Wordt vanwege die ogen ook wel glasoog genoemd. Komt oorspronkelijk uit Oost en Midden Europa. Is goed te eten.

 

 

 

 

 

 

 

Dicentrachus.

Uit www.agrino.org

Dicentrachus labrax (Grieks di; twee, kentron; sporen, archus; anus) (Morone labrax, (Morone van Grieks moros; dom, onzinnig, Labrax; Atheense vrouw, dochter van Daemones en Daedalis. Met de leeftijd van drie jaar werd ze door zeerovers meegenomen en aan de koppelaar Labrax verkocht) (Labrax lupus Cw.) (wolf) is de zeebaars, Duitse Seebarsch of Meerbarsch. Dit is een zwaargebouwde vis van een halve tot meter lang en tot tien kg zwaar. (Er zouden zelfs reuzenbaarzen zijn van een ruime vier honderd kg)

De zeebaars is zilvergrauw en op de rug blauwachtig en op de buik witachtig met bruine vlekken.

Een grote kop en sterke kaken en een grote bek met naar achteren staande scherpe tanden.

De dubbele rugvin kenmerkt de baars, een stekelig geval, ook de kieuwdeksels zijn van stekels voorzien. Dan de tanden die zelfs op de tong voorkomen.

De zeebaars heeft een bijzondere eigenschap, het is hermafrodiet, dus mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen op een vis. Het zou zichzelf kunnen bevruchten. Meestal zijn ze als jonge zeebaarzen vrouwelijk en na een zeven jaar worden ze mannelijk, daartussen kunnen ze van alles zijn.

De zeebaars komt voor aan de kusten van Engeland, M. Zee en Atlantische Oceaan en van juni tot oktober aan de kusten.

 

Bestiarium.

Het is een rover, een bijter is zeer vraatzuchtig. Aristoteles noemt het Labrax, Plinius lupus: wolf, vanwege zijn roofzucht.

Hij werd door de ouden om zijn vlees geschat.

 

Uit Maerlant; ‘Capitonius, zoals ik het lezen kan, mag dezelfde vis wel wezen die we hier zeehaas noemen en wanen hem mag de naam komen denk ik dat het beide is, wat men gelooft, omdat het gelijk is als een hazenhoofd dat gelegen is zonder waan, zijn hoofd is gemaakt en gedaan en goed is het in zijn eten, maar niet te verteren, wil men weten, dus komt er soms de koorts af. Zeebaars noemt men het in sommige plaatsen’.

 

Lates.

Lates niloticus. (Nijl)

De Nijlbaars of Victoriabaars, naar het Victoriameer waar het uitgezet werd, is een van de grootste baarzen ter wereld.

Die kan honderd tachtig cm lang worden met een gewicht van honderd twintig kg, soms 2 meter met een gewicht van 200 kg, maar meestal zijn ze een vijf en twintig kg, de mannetjes zijn kleiner.

De Nijlbaars komt in de Nijl voor, maar ook in andere meren en rivieren van Afrika.

Het is een stevig gebouwde vis met een hoge rug en vrij kleine kop waarop grote ogen staan.

De onderkaak steekt voorbij de bovenkaak.

Hij heeft grote donkerbruine tot grijze schubben die meer zilverkleurig worden op de zijkanten.

 

Uit news.nationalgeographic.com

 

Het is een sport zo’n vis te vangen. Hij kan een bootje uren voort trekken.

Bij de Egyptenaren stond hij dan ook in hoge aanzien en werd zelfs gemummificeerd, ingepekeld. Die bleken bij opgravingen door de droge zandbodem nog in goede staat. Ook komen ze voor op muurafbeeldingen waar ze gedragen worden door twee man die een roeispaan op de schouder dragen die door de onderkaak van de vis heen steekt, de vis komt met zijn staart vrijwel tot de grond. Dat was in Esneh waar hij zelfs vereerd werd. De krijgszuchtige en ook scheppende godin Neith werd speciaal met deze vis geassocieerd. De Grieken noemden die stad dan ook Latopolis: de stad van de Lates vis: stad van de Nijlbaars. Op Griekse munten komt het voor.

Een van de eerste koningen van de Oudegyptische eerste Dynastie werd Aha genoemd: 'De Vechter', tevens de naam voor de nijlbaars in de Oudegyptische taal.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/