Boomkruipers, boomklever, Certhia familiaris, Sitta europaea.

Uit Martinet.

 

Certia; waarschijnlijk van Latijn certus; zeker.

Kruipers- en kleverfamilies. Boomkruiper, boomklever.

 

’t Zijn drukke en buitengewoon behendige vogeltjes die altijd in spiraalvormige kringen om een dikke, ruwe boom lopen en aldoor hun fijne snaveltjes in ieder reetje en spleetje steken. Kijk je ernaar, dan blijven ze een tijdje achter de stam afwachten of je niet zal vertrekken. Dan zie je ze telkens ongeduldig om een hoekje kijken.

 

Certhia familiaris, L. (bekende, behorende tot de familie)

 

Naam.

De boomkruiper, klampvogeltje of houtspechtje, ook taigaboomkruiper, dat omdat er vele ondersoorten zijn. Het wordt kleddermenneke en in Cadzand duimpje genoemd. Het is de Duitse Baumlaufer, Baum rutscher, Baumsteiger of Kruper. Het is de Engelse tree creeper en Franse grimperean.

 

Vorm.

De boomkruiper is een stand- en zwerfvogel. Het is een mus-achtig vogeltje met een lange snavel. De tenen zijn lang en gebogen. Aan de bovenzijde is het donkergrijs met witachtige, afgeronde vlekken. De tengel is bruingrijs, een streep boven het oog wit, de staartwortel bruingrijs met een geelachtige roestkleurige waas. De slagpennen zijn zwart-bruin-grijs en, behalve de eerste, met een witte vlek aan de top en een geelachtige witte middenstreep getekend. De staartpennen zijn bruingrijs met aan de buitenvlag een lichtgele zoom. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel zwart, de ondersnavel roodachtig hoornglanzend, de voet is roodachtig grijs. Totale lichaamslengte is dertien cm met een staartlengte van vijf en een halve cm.

De boomklever leeft van kevers, rupsen, maden en spinnen.

Hij komt vrijwel overal voor, vooral in zand- en duinstreken. Tijdens de broedtijd leeft het in een beperkt gebied, later zwerft het dikwijls in gezelschap van mezen, goudhaantjes, boomklevers en spechten rond, steeds maakt het echter korte tochten. Evenals alle klimvogels is het voortdurend bezig en zo steeds in beweging. De boomklever loopt de boom op. Het klimt met rukken, maar zonder inspanning en is aan staat ook aan de onderkant van de takken te lopen. Op de bodem zie je het zelden is dan onbeholpen. Hij vliegt in op- en neergaande lijn en houdt er niet van ver te vliegen, maar begeeft zich liever van de top van de ene boom naar het onderste van een andere stam. Regelrecht schiet het naar beneden en scheert een poosje dicht bij de grond langs en zit een ogenblik later weer tegen een boom aangeplakt. Is niet bang voor mensen en klimt in tuinen op bomen en gebouwen, nestelt soms in de huizen.

 

Zingen.

Zijn gewone stem is zacht en klinkt als ‘siet’ het lijkt op het geluid dat mezen en goudfazanten maken. De lokstem is sterker en klinkt als ‘frie’. Een aangename gemoedstoestand geeft het te kennen door die twee klanken te verenigen, ‘siet frie’ met een korte en scherpe toon ‘tsie’. Met mooi lenteweer voegt het mannetje er nog verscheidene andere geluiden aan toe wat samen een vervelend eentonig wijsje wordt.

 

Broeden.

Het nest wordt gebouwd in een holte, spleet of barst, soms in huizen, onder daken of tussen planken. Hoe dieper het hol, hoe beter. Het nest is zo ook verschillend, dan weer groot, dan weer klein. Het bestaat uit dorre takjes, halmen, grasbladen en dergelijke zaken die met spinsels van rupsen doorvlochten zijn. Van binnen is het gevoerd met fijne bastvezels en veertjes. De eigenlijke nestholte is niet diep, de napvormige wand is altijd rond en netjes bewerkt. Het broeden gebeurt tussen april en juni. Ze zitten een dertien dagen op vier tot acht witte eieren met roestrode stipjes. Beide ouders broeden en brengen met buitengewone inspanning de vele jongen groot. Die blijven lang in het nest en verlaten het wanneer ze gestoord worden, al voordat ze vliegen kunnen, en proberen zich klimmend te redden. Ze verbergen zich met verrassende snelheid en doen dit zo goed dat het moeite kost ze te vinden. Na het uitvliegen blijven ze nog geruime tijd onder de hoede van de ouders, het gezin levert dan een aardig schouwspel op.

 

 

Sitta.

 Uit www.vulkaner.no                                                                                                                                                    

Sitta europaea, (uit Europa) (Sitta caesia, L.) is de boomklever die in Groningen blauwspechtje en in Gelderland Brabandertje genoemd wordt, ook wel plakmees. Engelse nuthatch, Duitse Kleiber.

Vroeger beschouwde men alle Europese vertegenwoordigers van dit geslacht als een soort. Nu worden de Noordse boomklever, Sitta europaea europaea, die Scandinavië en het noorden van Rusland bewoont met een witte onderbuik, Sitta europaea caesia (licht blauw) in overig Europa met bleekgele tot roestbruine onderbuik en de iets kleinere Siberische boomklever met witte onderbuik, Sitta europaea asiatica (sibirica), die ten oosten van Rusland en Siberië gevonden wordt tot Japan, als afzonderlijke soorten aangemerkt.

 

Vorm.

De boomklever is ook een stand- en zwerfvogel.

Hij is wat kleurrijker dan de vorige, is blauwgrijs van boven en lichter aan de onderkant met roodbruine zijkanten. De slagpennen zijn bruinachtig zwartgrijs met een lichtkleurige zoom. De middelste staartveren zijn as-grauwachtig blauw, de overige donkerzwart met as-blauwe tekening aan de top, de eerstgenoemde op de buitenvlag met een witachtige vlek voor de grijze spits, ook zit er een grote vierhoekige, witte vlek op de binnenvlag. Deze vogel heeft een opvallende zwarte oogstreep, de keel en wangen zijn wit. Het oog is nootbruin, de snavel van boven hoornglanzend zwart en van onderen loodkleurig grijs, de voet is vuilgeelachtig.

De boomklever heeft een gedrongen lichaam, een korte staart en grote krachtige voeten. Totale lengte is zestien cm, de staartlengte is vier cm.

Ze vormen geen grote gezelschappen, leven meestal paarsgewijze of tot kleine families verenigd of te midden van andere vogels. Het mest zie je ze in gemengde bossen met hoogstammige bomen. Hij komt ook bij de mensen voor. In de zomer kan een enkele eik hem uren boeien en volop werk verschaffen. In de herfst maakt hij wat tochten en komt buiten zijn gebied. Het zijn gezellige vogels, ze zoeken andere vogels op. Dat zijn mezen, boomkruipers en goudhaantjes, niet zo zeer hun eigen familie.

Ze eten insecten, spinnen, zaden en bessen die ze tussen het mos en spleten van de bomen vinden. Beukennoten en linden eten ze graag en verbergen de zaden voor tijden van gebrek.

 

Zang.

De loktoon bestaat uit helder gefloten klanken die op ‘tu tu tu’ gelijken. Het gewone geluid, dat je voortdurend hoort zonder dat het eigenlijk iets betekent, is een kort en niet ver hoorbaar, maar toch scherp ‘siet’. De paringsroep bestaat uit zeer zuiver en luid gefloten tonen die ver hoorbaar zijn. Hierin is ‘tu tu tu’ de hoofdzaak, de klanken ‘kwie kwie’ en ‘tierr’ worden er aan toegevoegd. Het mannetje zit in de top van een boom, draait heen en weer en roept ‘tu’. Het wijfje, dat misschien op een stam zit, antwoord hierop met de klank ‘twet’. Daarna vliegen beide gezamenlijk rond en jagen elkaar spelend na, nu eens om de boom heen fladderend, dan weer op de takken dartelend en hun vaardigheid in het klimmen tonend, altijd onder luid geroep. Dan kunnen een aantal van deze vogels het bos verlevendigen.

Ze lopen even gemakkelijk de stam op als af.

 

Nest.

Het nest is altijd in een holte en gewoonlijk in een gat van een boom, soms in spleten van muren. Vaak is dat de woning van een specht. Hij houdt er niet van om een grote deur te gebruiken en maakt die dan ook kleiner zodat hij er net door kan. Dat doet hij met leem, net als de zwaluw. Deze muur is zo stevig dat je die na het drogen niet met de hand af kan breken. Het echtpaar is, naar het schijnt, zeer verheugd als hun woning gereed is. Het mannetje zit in de buurt van het nest en laat jubelend zijn paringsroep klinken, terwijl het wijfje ijverig in- en uitgaat. Op het eind van april, begin mei vind je een zes tot acht eieren die wit zijn en met rode en bruine stipjes en vlekjes zijn getekend. Het wijfje broedt alleen. De jongen komen na een veertien dagen uit en worden door beide ouders gevoed. Ze blijven in het nest tot ze het vliegen volledig beheersen.

 

Bestiarium.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/