Bot, Platichthys flesus, Hippoglossus, heilbot.

Grieks pleura; zijde, rib, en vis.

 

Uit www.jgaul.de

 

Platichthys flesus, (Pleuronectes flesus)

 

Naam.

Bot heette in midden-Nederlands bot(te) of but(te) in midden-Noord Duits but  en is waarschijnlijk zo genoemd naar de stompe kop, zie botter, een Urkse boot met ronde boeg.

De namen IJbot, Amsterdamse bot en rivierschol doelen op de plaatsen waar de bot gevangen werd.

 

Vorm.

De bot wordt twee en dertig cm lang en een drie kg zwaar. Soms wel tot ruim 4 meter bij een gewicht van meer dan 300kg.

De bot komt veel met de schol overeen, maar de vlekken van de bot zijn echter groenachtig geel en zwart en de oppervlakte is ruw om aan te voelen. Is ronder dan de gewone schol.

De bot leeft in de zee en aan de monden van de rivieren en voedt zich met vergaand vlees en vis. Haar ogen liggen meestal rechts, maar ook wel eens links. De kaken zijn scherp.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant, ‘Bote, waan ik dat is de bot. Al het water waan ik is hem nuttig of het nu vers is of zo zout omdat hij van alle houdt, maar in verse rivieren hoor ik ze voor gezond vertellen. In landen waar men er veel vangt noemt men het ongans en kwaad, maar als men verder van af is dan heeft het de meeste lof.  Op de grond neemt hij zijn aard, hij wordt vet als de wind zuidwaarts is.’

Vondel, Byschriften op de twalef maenden

Lentemaent’; (maart)

‘De stoere lentemaand beteugeld het vlees met vissen

En leeft bij schelvis, zalm en krab en kabeljauw

Met zeehaan, oester, schol en mossel, en wordt flauw’.

Megenberg; ‘Bocha heet in Latijn ook piscis pluvialis, dat heet in Duits regenvis, daarom dat de vis bijzonder toeneemt in de regen. Die vis zwemt maar naar de breedte want het zijn erg dunne vissen en erg breed. Ze hebben ook vliezen om en om naar de breedte. Zo de vissers de vis willen vangen zo zinkt het zich aan de grond en vertroebelt dat water boven hem. Daarom dat men hen niet zien mag want zo het zich naar de breedte aan dat aardrijk smukt zo is het boven op de rug aardkleurig. ‘

 

Hippoglossus.

 

Uit fishforthefutureeu.wordpress.com

Hippoglossus hippoglossus, (Grieks hippos; paard, glossus; tong, de vorm van de vis) heilbot,  mogelijk de heilige bot, misschien vanwege het gebruik als vastenspijs. Engels halibut. Duitse Heilbutt.

 

Vorm.

De heilbot groeit tot een ontzettende grootte en is soms wel honderd kg zwaar gevangen. Er zijn vermeldingen van drie meter zestig met een gewicht van meer dan drie honderd kg.

Zijn lijf is langwerpig, glad en slijmig, maar heeft hij harde schubben en is lederbruin.

Hij heeft sterke tanden met openingen, van boven in twee rijen en van onder in een rij.

De ogen staan ter rechterzijde.

Hij leeft van kleine visjes die hij vanaf de bodem vangt, door de schutkleur wordt hij vrijwel niet gezien. 

Hij behoort in de Noordzee en vooral bij de Faeröer eilanden, IJsland, Groenland en Newfoundland thuis. 

In Duitsland geldt de kop bij voorname lieden als lekkernij.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/