Das, Meles, holen, weervoorspeller.

(Meles; van Latijn maeles; familie?)

 

Uit Buffon.

 

Meles meles. (Meles taxus: bouwer)

 

Naam.

Das heette in midden-Nederlands das, in oud-Hoogduits was het dahs (nu Dachs) en dit woord stamt uit het Germaans baxsa: eigenlijk bouwer, vergelijk dassenburcht.

Uit het Germaanse baxsa (Engels badger) stamt het midden-Latijn taxus of taxo, (texere: bouwen) en het Italiaanse tasso en Franse taisson.

Grimbert wordt het dier wel in de volksmond genoemd, in Duits Grimbart of Grawink. Het is de Grimbaert die bekend is van de ‘Vos Reinaerde’, de grimmige.

De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door de namen “hondsdassen” en “varkensdassen” naar de vorm van de snuit.

In het Engels is het de badger, ook wel brock.

 

Vorm.

De das is een kort gedrongen en rondachtig dier van een vijf en zeventig cm lang zonder de vijftien cm lange staart. Is vooral ’s nachts actief.

Ze zijn licht gekleurd aan het bovenlijf maar van onderen zijn ze meestal zwart. Andere dieren zijn meestal lichter aan de onderkant. Over de oren en ogen lopen twee zwart sterk aftekenende strepen die hen als gemaskerd of met een geschilderd gelaat vertonen.

De das heeft korte en scheve benen, een sterk gebit en klauwen. De lengte is een 68-80cm met een staart van 12017cm, vrouwtjes zijn een paar cm kleiner, schouderhoogte van 30cm. Het gewicht varieert van 7 tot 14 kg bij de vrouwtjes en bij mannetjes 9017kg. In de winter zijn ze meestal zwaarder, zijn dan minder actief. Leeft van insecten, slakken, wormen, noten en bessen en planten.

De das is een beest die de grootte heeft van een vos. Zijn huid is harig en ruig. In zulke beesten is humeur en wispelturigheid. Hij heeft de kracht van een leeuw die hij plotseling toont maar wat ook weer snel verdwijnt. De das is het volmaaktste type van een zelfzuchtig, wantrouwig en slecht gehumeurd persoon die als het ware met zichzelf in strijd verkeert.

 

Holen.

Ze beminnen de eenzaamheid waar ze een onderaards verblijf maken. Dat zijn slingerende holen die soms zeer diep zijn waarin ze zelden alleen wonen en er alleen uit komen om voedsel, konijnen, ratten, insecten en aardvruchten te zoeken. Hiervan hebben ze niet veel nodig omdat ze sober zijn. Ze slapen de hele nacht en drie delen van de dag.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant, ‘Daxus, waan ik, dat is de das die zelden meer gezien wordt dan de vos. En heeft korte benen die alle vier niet overeen komen  want de kortste zijn aan de linkerzijde en daarom zoekt het zijn vlucht in de tijd dat hij hoort jagen immer in het wagenspoor, hij zet het rechter been in het spoor en de linker erbovenop’. De das heeft korte poten die niet gelijk zijn aan beide kanten maar korter aan de linkerkant zodat hij zijn poten in de rechterkant van wielsporen kan plaatsen en zo snel kan lopen en aan zijn achtervolgers kan ontsnappen.

Maerlant, ‘Het vel heeft het dik behaard en naar het grauwe geverfd. Zijn vet groeit en waant met de maan in elke maand, ja, slaat men hem als de maan er niet is dat men er dan geen vet in ziet. Men maakt zalf van zijn vet die tegen kwetsingen goed is en meer en dit is wat te verwonderen schijnt want zijn beet is venijnig en zijn vet geeft geheel mede tegen misselijke ziektes. Maar de reden die men er bij zegt is dat het van giftige wormen leeft en van slangen en daarvan moet het zijn spijs ontvangen. Aesculapius, die wijs was, die schrijft dus van de das, bestrijk diegenen die koorts hebben hun leden met zijn vet en het wordt hun beter in hun nood. Zijn hersens in olie gekookt laat alle euvel genezen dat aan mensen schamelijkheid mag wezen. Zijn bloed en zout daarmee gestreken aan mensenleden beschermt drie dagen de man zodat hem geen plaag aankomt. Daartoe mede zijn z’n ballen in honing goed gekookt en nuchter gegeten en aan de koude man gegeven zodat hij drie dagen daarna wel het vrouwenspel mag plegen’.

(773)  Het vet van de das groeit wanneer er een wassende maan is en vermindert met afnemende maan zodat als de das gedood wordt op de laatste dag van de maan er geen vet wordt gevonden. Zijn vet is goed voor zalven waarmee men nie rpijnen en spierpijnen verdrijft. Dassenvet is goed tegen jicht, zijde- en rugpijnen. Het is vreemd ondanks dat het vet van het beest als medicijn kan worden gebruikt zijn beet vaak gevaarlijk en fataal is. De reden hiervoor is dat de das van wespen en dieren leeft die over de grond kruipen en vaak giftig zijn. Daarom infecteren ze zijn tanden. Als z’n hersens gekookt worden met olie heelt het alle wonden. Gordels en schoenen uit dassenhuid beschutten tegen elke pest en ziekte van voeten en benen. Er worden ransels en dergelijke van de huid gemaakt.

 

 Dassen werken samen om hun hol uit te graven. Een ligt op de grond bij het hol met een stok in zijn mond terwijl anderen aarde op zijn buik laden zodat de andere twee de beladen das weg kunnen trekken. Uit www.tumbir.com

 

We hebben dassen in onze zanderige, lichte gronden. Vossen en dassen worden opgejaagd door heren die hier een tijdverdrijf van maken. Het is niet mogelijk om ze uit te roeien vanwege hun grote aantal. Worden ze door vijanden aangetast dan werpen ze zich aanstonds op hun rug en verweren ze zich met hun zwarte, lange en uitstekende scherpe nagels waarmee ze honden vaak zware wonden weten toe te brengen. Hij heeft bovendien een uiterst taai leven, strijdt lang en verdedigt zich moedig en tot het uiterste. Zijn vel is zo dik en ruim dat de tanden van de honden er niet veel op uitrichten kunnen. Ze rekken hun huid uit door de adem in te houden als ze worden opgejaagd door de honden van de jagers. Zo hebben ze de handigheid om uit hun huid te stappen om het bijten van de honden af te weren, op dezelfde manier weren ze de kwellingen van de jagers.

Ze leggen zich in de winter te slapen met de snuit gedraaid en gestoken in een beursje dat ze bij hun achterste hebben waarin enig vet zit waardoor deze dieren bij het slapen gevoed worden. Worden ze wakker dan is dit voedend vet verdwenen en gaan ze hun voorraad ontginnen die ze in het najaar aangelegd hebben.

Er is een soort das dat met het vrouwtje vlees verzamelt tegen de winter en dit in zijn hol legt. Als de koude winter komt ziet het mannetje dat er een tekort zal ontstaan en weigert om het vrouwtje vlees te geven, ze krijgt haar deel niet. Zo aan het zien heeft ze er vrede mee dat ze haar mans wil opvolgt. Maar als ze aan de andere kant van het hol komt opent ze haar kaken en dan eet ze het deel dat daar is verzameld zonder dat aan het mannetje te vertellen.

 

Zijn vlees is eetbaar, maar dassenvlees maakt het haar grijs. Van zijn haar worden verfkwasten gemaakt.

De das werd vroeger door gokkers in hoge eren gehouden, de gokkers werden onoverwinnelijk als ze tijdens het spel een dassentand bij zich hadden.

 

Weervoorspellers.

Die beesten weten wanneer het slecht weer wordt en maken daarom holen onder de aarde met diverse ingangen. Als de noordenwind blaast stoppen ze die door hun ruige staart op te tillen, ze laten de zuidenwind wel binnenkomen.

 

Zindelijk.

De das is een uiterst zindelijk dier. Deze beesten haten de vos en vechten vaak met hen, maar als de vos ziet dat hij niet door de taaiheid of hardheid van hun huid kan komen doet hij voor alsof hij ziek is en verdwijnt. Als de das dan uit zijn hol komt om op een prooi te jagen komt de vos in zijn hol en besmeert het hol met zijn urine en andere vuiligheid. De das is woedend over zulke vuile streken en gaat weg van zijn huis en zoekt een andere plaats.

Toch komt de das en vos vaak samen onder de grond voor, ze hebben geen hekel aan elkaar. In Reinaard de Vos is het de das Grimbard die enige invloed heeft op de vos.

 

Duran.

Uit Maerlant en die bespreekt de duran wat wel op de das zal slaan, ‘Duran, spreekt Aristoteles, dat is een wreed dier, uitermate sterk en snel. Als de jagers te fel zijn en zij het moe hebben gemaakt zodat het zijn lijf waagt denkt het dus die streek te ontgaan door zijn drek uit te werpen tegen de honden die hem vervolgen wat hen zo verbolgen maakt met zijn onreine lucht dat het ontgaat met de vlucht.’

(773)  Duran is een grimmig, onvriendelijke en zeer sterk dier. Het heeft de eigenaardigheid dat het, als de jager komt en meent dat het niet ontkomen kan zijn uitwerpselen in zijn lijf verzamelt en dan uitdrukt en de uit het lijf uitgedrukte uitwerpselen tegen de jachthonden werpt die ze door de vuile stank verdrijft.

Onder dit dier verstaan we de leken die zijn paters en predikers met geschenken vereren zodat ze niets aanbrengen en hun laster verder laten.

 

Spreekwoorden.

Zo vet als een das, namelijk in de herfst voor de winterslaap.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/