Dierennamen.

Dierennamen en hun betekenis, etymologie, naam betekenis.

Zie ook de betekenis van Hollandse namen.

Zie ook de betekenis van plaatsnamen.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Klik hier voor middeleeuwse woorden en verklaringen.

Klik hier voor jongens en meisjes namen.

Klik hier voor dieren.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

Griekse namen zijn toegevoegd door Gilles Duchene.

 

Aalscholver.

Phalacrocorax carbo: Grieks phalakros: ヤkaalkopユ, corax: ヤraaf of kraaiユ, jalakroV : kaal - o korax : raaf, carbo: ヤkoolzwartユ.

De aalscholver vist op aal en heette in midden-Noord Duits scalvaron: ヤwaterduikerユ. Waarschijnlijk is dit uit ouder schorver ontstaan, vergelijk oud-Hoogduits Scarba, oud-Engels scraeb en oud-Noors skarf. Het dier is zo genoemd naar zijn hees geschreeuw. In Noord Brabant wordt het waterraaf genoemd, in Fries kurganzen en cormorant in Engels en in Duits Kormoran, het is de Franse cormoran moyen of grand cormoran wat afgeleid is van Corvus marinus: ヤzeeraafユ. Ook botkol, schollevaar, waterraaf, moddergans, rotgans, ielgans. Het zijn duistere vogels, sinister, met lange nekken en met een ongunstig aanzicht.

 

Apen.

In Grieks heten ze pithekos en in Latijn simia: gelijkendユ. Midden-Nederlands ape, in midden-Hoogduits was het affe, oud-Hoogduits affo, in Angelsaksisch apa en Engels ape, oud-Noors api, dit stamt van een Gotisch apa.

Gorilla gorilla: gorilla stamt uit een West Afrikaanse taal. Het is een mens die met lang bruin haar bekleed is, een bosmens. Orang: ヤmensユ, oetan: ヤbosユ.

Cercopithecus: Latijn van Grieks kerkopithekos, kerk- cerc + pithekos: ヤaapユ, grote staartaap.

Meerkatjes, de naam katjes zou komen omdat ze op katten zouden lijken. Of zou van de Sanskriet naam markata stammen wat aap betekent. Grieks h kerkoV : staart - o piJhkoV : aap.

Cynocephalus babuin: Cynos: ヤhondユ, cephalus: ヤgehoofdユ.  Engels baboon, van oud Frans babuin: ヤaap, dwaasユ, baboue:ユ lip, van dierenユ, zie gebabbel. o kunoV - h kejalh.

Hylobates: ヤboombewonerユ. Langarmapen. Ook de gibbon behoort hiertoe. Gibbon: een woord dat uit de Frans Afrikaanse kolonies zou stammen. De grootste is de siamang, een naam uit Indonesi. Die heeft witte handen en ヤtwee vingers van de voet aan elkaarユ geplakt, vandaar de naam Symphalangus en Syndactylus. h ulh : bos - bainw : zich bewegen, gaan.

Lemur. Lemuren noemden de oude Romeinen de afgestorven zielen die rusteloos bleven ronddolen. Zo heeft men ook een groep apen genoemd die tot de halfapen behoren. Het zijn dieren die zich in de schemering thuis voelen en dan met grote, wijd geopende ogen spookachtig rondscharrelen.

Lemur macao: Portugees woord, zie Macao in China.

Macaca: in Kongo is het woord voor deze aap macac of macaque.

Macaca nemestrinus: de Romeinse god van het bos.

Macaca mulatta: mulat is iemand met gemengde ouders, mogelijk afgeleid van Latijn mulus: ヤmuilezelユ. Ook het rhesusaapje behoort hiertoe, genoemd naar Rhesos, een koning uit Thraci die in Troje vocht.

Macaca sylvana: ヤvan het bosユ, die wordt ook wel ecaudatus genoemd: ヤstaartloosユ.  Magot: een spottende naam naar Magog, naam in de Bijbel van Satan.

Mandrillus sphinx: sphinx is een oude demon, Grieks h sjigx. Mandrillus is een Engels woord dat wel uit Spaans stamt en dat uit W. Afrika dat oorspronkelijk de chimpansee betekende. De mandril heet in Duits Mandrill, dit komt van Frans en Engels drill, mandrill. De gebukte en tam voorkomende aap werd sinds 1553 bij de aan de Afrikaanse goudkust voorkomende Engelsen als legerdriller, exercitie meester vertoont.

Pan troglodytes, Pan is een satyr. (synoniem Troglodytes niger: ヤgrot bewonerユ, niger: ヤzwartユ) zwarte chimpansee: uit Frans chimpanze, ouder quimpeze, uit Bantoetaal kimpenzi: ヤmensaapユ, Grieks o trwgloduthV.

Papio: van Pavia, van oud Frans babine: ヤlipユ.

Papio cynocephalus: cynos: ヤhondユ cephalus: ヤhoofdユ, hondenhoofd.  Baviaan, in midden-Nederlands was het baubijn of bobijn, in Engels baboon wat uit het Franse babouin stamt en verwant is met het Franse babine: ヤlipユ. Italiaans babbuino: ヤdomoorユ.

Papio hamadryas: ヤbosnimfユ. amadruaV, pugmaioV: dwerg, klein.

Pongo pygmaeus: ヤklein, pygmeeユ. Pongo is in Kongo de naam voor mensaap. (synoniem Pithecus satyrus, Grieks pithekos: ヤaapユ, Simia satyrus, Simia betekent ヤgelijkend of mensachtigユ, satyrus is de ヤsatyrユ.) Het is een staartloze aap die op Borneo en Sumatra woont.

Semnopithecus: ヤeerbiedwaardig of eervolユ is de naam van slankapen. semnoV : vereerd - piJhkoV.

Semnopithecus entellus of Presbytis entellus: ヤoude vrouwユ en een ヤTrojaanse of Siciliaanse held Entellaユ.

 

Adelaar.

Rond 1500 was het adeler, dit stamt uit Hoogduits Adelar wat ヤedele aarユ betekent.

Arend. In noord-Duits was het Arend, in deftige taal Aar, in 1285 Arn, vergelijk oud-Saksisch, oud-Hoogduits Arn, oud-Engels earn en oud-Noors orn. Dit woord komt van een Germaans arnu en behoort bij Grieks ornis: vogel, vergelijk Litouws erelis: ヤarendユ.

In Duits is het Adler, in Engels eagle, in midden-Engels was het egle, dat komt van oud-Frans aigle, en dit van Latijn aquila: ヤadelaarユ. Het woord verwijst naar de donkere kleur, Latijn aquilus betekent ヤdonker gekleurdユ.

Aquila chrysaetos: ヤgoudkleurigユ.  o crusoV - o aetoV : arend. Goudarend of steenarend. Duitse Steinadler, Engelse golden eagle en Franse aigle royal of aigle fauve. Hij heeft een goudgele tint op de kop en nek.

Aquila clanga: ヤklinkenユ, het geluid. h klaggh : geschreeuw, gekrijs, gezang, geblaf. Duitse grosser Schreiaredler, En gelse spotted eagle en Franse aigle criard. Zijn stem lijkt op het blaffen van een hond.

Aquila heliaca: Grieks helios: ヤzonユ, kan in de zon kijken.  o hlioV : zon – hliakoV : zonne-, keizerarend, Duitse Kaiseradler, Engelse Imperial eagle en Franse aigle imperial. Zal zijn naam wel te danken hebben aan het voorkomen op wapenschilden van Duitsland en Oostenrijk.

Aquila pomarina: ヤappelachtigユ naar de vlekken op de bovenvleugels die vooral bij jongere gezien kan worden. Schreeuwarend, Duitse Schreiadler, Engelse lesser spotted aegle en Franse aigle pomarin of petit aigle criard. Hij dankt zijn naam aan het ver klinkende geschreeuw dat op de lettergrepen メJefjefユ lijkt.

In Grieks is het aetos, een naam die in de bijbel voorkomt als Priscillaユs echtgenoot. Het is een naam die meer voorkomt.

De Circaetos of slangenarend wordt blijkbaar beschouwd als een schakel tussen de kiekendief en arend. Latijn circus: ヤbuizerdユ en Grieks aetos: ヤarendユ, o kirkoV : havik - o aetoV.

Circaetus gallicusuit Galli of Frankrijkユ. De slangenarend heet in Duits Schlangenadler, in Engels short toed eagle en in Frans circaete Jean le Blanc, is eigenlijk geen arend. Hij zit ergens tussen. Maar hij lijkt nog meer op een buizerd. Vandaar het verhaal dat de buizerd zoユn ontzettend goede slangenverdelger is. De Engelsen noemen hem short toed eagle omdat een van zijn tenen veel korter is en daardoor beschermd wordt tegen de beet van adders, waarvoor hij niet immuun is. Ook hij is van boven donkerder en van onder lichter zodat de Fransman hem Jean le Blanc noemt.

De steenarend is Chrysaetos, wat ヤgouden arendユ betekent.

Gypaetus: van gyps: ヤgierユ, aetos: ヤadelaarユ, is de naam van de lammergier of gierarend.

De zeearend, Haliaeetus, heeft dezelfde betekenis, hali: ヤzonユ, aetos: ヤadelaarユ.

Haliaeetus albicilla: ヤwitte staartユ.  to alaV : zout    of:   h alV : zee + o aetoV. Zeearend of visgier, witkoparend, witstaart, ganzenarend, geelkop, kobi, earngoes, seearn, heet in Duitse Seeadler, in Engelse white tailed eagle, ook erne en in Franse pygargus a queue blanche of aigle pygargue. De naam witstaart, naar de zuiver witte staart, komt overeen met het Franse pygargue wat we in het Grieks terugvinden bij de grauwe kiekendief met zijn witte stuit. Bij Haarlem heet hij geelkop, in Brabant ganzen-arend waaruit blijkt dat hij niet alleen vissen eet. Zelfs een wilde zwaan valt hij aan, ook een hond. Het meest houdt hij thuis onder kippen en fazanten. Daardoor wordt hij achtervolgd door de jagers.

Haliaeetus leucocephalus: ヤwithoofdigユ, leukoV : blank - kejalh, witkoparend, Amerikaans symbool.

Hieraaetus: Grieks voor ヤvalk,ユ Hierax en aetos voor adelaarユ.o ierax : havik.

Hieraaetus pennatus: ヤgeveerdユ.  Is nog kleiner is de dwergarend, een vijftig cm. Het is de Duitse Zwergadler, de Engelse booted eagle en Franse aigle botte.

Pandion haliatus: Pandiwn, Pandion is een oude ヤAtheense koning, grootvader van Theseus die in een adelaar veranderdeユ, halis: ヤzeeユ en aitos: ヤadelaarユ, dat is de Duitse Fischadler, Engelse osprey en Franse balbuzard pecheur of balbuzard fluviatile.

 

Albatros.

Diomedea exulans. Diomedea verwijst naar Diomedes wiens begeleiders in vogels veranderden, exulans betekent een ヤverbannene of zwerver ヤnaar zijn alleen gaande vlucht. Door Engelse zeelieden Cape sheep genoemd, Kaaps schaap.

 

Ansjovis.

Engraulis encrasicolus: Grieks eggraulhV; eggraulis: ansjovis, encrasicolus, wordt zo in het Grieks genoemd omdat het een bijl in zijn hoofd heeft ingegraveerd. De bij de ouden onbekende vis werd in ingelegde of gezouten toestand via de Baskische visnaam anchu over ons ansjovis of anchovis in Duits Anschovis in de handel gebracht. Het heet ingezouten sardelle. Engels anchovy.

 

Antiloop.

Antilope, deze naam stamt uit Grieks antholops, voor een fantastisch dier, to anJoV - h wy, anthos: ヤbloemユ, opsis: ヤnaar de lange wimpers van deze dierenユ, bloemenoog. Uit het Grieks komt midden-Latijn antalopus en vandaar werd het in Engels antelope en in Frans antilope waaruit onze antilope komt.

Antilope dorcas: Grieks h dorkaV: gems, gazelle. Daartegen stamt het woord gazelle uit het Arabische ghazala wat via zijn Noord Afrikaanse uitspraak ghazel het Italiaanse gazzella heeft gegeven dat in Duits Gazelle en in Engels gazelle werd. Gazella dorcas.

Antilope cervicapra: ヤhertgeitユ.

Antilope nasomaculatus: ヤgevlekte neusユ.

 

Auerhoen of auerhaan.

Tetrao: oud Grieks tetaros voor ヤfazant, tetrawn : korhoen.

Tetrao urogallus: gallus:ユ haanユ. Auer komt van Ur: ヤstotige stierユ. Het lijkt onder de vogels de rol te vervullen die de oeros bij de viervoeters doet. Auerhoen, Duits Auerhuhn, in Engels capercaillie of heath cock en in Frans grand tetras of coq de bruyere.

(Kruisingen tussen korhoen en auerhoen komen in de natuur voor en worden rakkelhoenderen genoemd).

 

Baars.

Perca: van Frans perche, van Latijn perca, van oud Grieks perke, perknoV : gevlekt, verbonden met perknos: ヤdonker gevlektユ.

Perca fluviatilis: in de rivieren groeiend. Baars, in midden-Nederlands was het baers, in oud-Saksisch en midden-Hoogduits Bars, (nu Barsch) oud-Engels heeft bears (nu barse en bass). Frans bar, eerder bars uit Nederlands. Het dier is genoemd naar de stekelige vinnen want de naam is verwant met borstel.

Stizostedion: ヤprikユ en een ヤkleine borstユ, naam van Rafinesque wat bedoelt de scherpe keel naar de borstschalen.

Stizostedion lucioperca: lucius is de naam van de ヤsnoekユ, met perca: ヤbaars, of Sander lucioperca, Hoogduits Zander, wel uit een West Slavische taal, wordt geassocieerd met zand.

Dicentrarchus: naar de twee rugvinnen. Grieks di: ヤtweeユ, kentron: ヤsporenユ, archus: ヤvinユ.  to kentron : prikkel, knots / o arcoV : aanvoerder. (Morone van Grieks moros: ヤdom, onzinnigユ)

Dicentrarchus labrax: o labrax : zeebaars. Labrax: ヤAtheense vrouw, dochter van Daemones en Daedalis. Met de leeftijd van drie jaar werd ze door zeerovers meegenomen en aan de koppelaar Labrax verkochtユ. Zeebaars, Duitse Seebarsch of Meerbarsch.

Lates: De krijgszuchtige en ook scheppende godin Neith werd speciaal met deze vis geassocieerd in Esneh. De Grieken noemden die stad dan ook Latopolis: de stad van de Lates vis: stad van de Nijlbaars.

Lates niloticus: ヤvan de Nijlユ.

 

Barbeel.

Barbus barbus: barbeel die ook wel berm of barm genoemd wordt, in Duits Rotbarbe of Streifenbarbe, Engels red mullets naar de rode kleur en in Frans barbeau. In oud-Frans was het barbel wat stamt van Latijn barbellus: ヤvisnaamユ. Deze vis is zo genoemd naar zijn vier baardachtige voeldraden wat in Latijn barba heet.

Gobio gobio:ユ naar de op de bodem geori創teerde levenswijzeユ. o kwbioV : grondel. Riviergrondel, Duits Gr殤dling, van de grond, Groppe en Koppe, mogelijk van kop of omdat ze meer dan andere vissen op het land kiemdekselbewegingen maakt, Muhlkoppe omdat ze graag in molenbeken en kanalen leeft. Engels bullhead, Frans t腎ard: hoofd.

Mullus: van Latijn mollis: ヤzacht, mildユ. Of van Grieks myllos, verwant aan melos: ヤzwartユ.

Mullus surmuletus: van oud Frans sormulet, ヤroodachtig bruinユ. Zeebarbeel.

 

Basilisk. basilikoV.

Basilisk, het fabeldier dat afgebeeld wordt als een gele Afrikaanse slang met een witte vlek en drie stekels op de spitse kop. Hij is de ヤkoning,ユ basileus, van alle gifdieren waar alle gifslangen voor vluchten.

 

Beren.

Ursus: ヤbeerユ, in Midden-Nederlands was het bere, in oud-Hoogduits bero, (nu Bar) in oud-Engels was het bera, (nu bear) dit stamt uit Germaans beran of bernu, in oud-Noors was het bjorn. Men vergelijkt Litouws beras: bruin en Lets bers: bruin. Dan zou het Germaanse woord het bruine dier betekent hebben, bruintje, Duitse Braun en in Frans ours brun en de Engels bruin. Dit om het eigenlijke woord dat in Latijn ursus (vergelijk Ursula) en Griekse arktos en midden-Iers art (vergelijk Arthur) voortleeft te vermijden als gevolg van een jachttaboe, een angstig bijgeloof of godsdienstig taboe.

Bij de Germanen is het de ヤkoning van de dieren bij gebrek aan de leeuw, vandaar metaforisch Beorn: ヤdappere man, held, strijder, prins, koning.

In oude namen speelt de beer een grote rol, Bernhard, Berbold, Berengar en Bernswind. Ook als wapendier in de heraldiek en komt voor in het wapen van Berlijn, Bern en Bernburg.

Helarctos malayanus: o hlioV : zon / h arktoV : beer,  Grieks Hela: ヤzonユ, en arcto: ヤbeerユ, en ヤuit Maleisi戴.  Bruan, honingbeer of Maleise beer beer, in Engels Malay bear, Duitse Malayenbar en Franse ours malais.

Melurusus ursinus: to meli : honing, mel: ヤhoningユ en Ursus. (Prochilus labiatus, Prochilus: Grieks voor ヤlange lippenユ en lippig. Lippenbeer of bahloe Engels labiated bear, sloth bear, heeft zijn naam naar de gewoonte om de lippen ver vooruit te steken en het eten daarmee te grijpen.

Procyon lotor: ヤkleine hondensterユ, loton: ヤwassendeユ.  Wasbeer is de Engelse raccoon, rond 1600 arocoun, van Algonquian arahkun, ヤhij krabt met de handenユ, Duitse Waschbar en Franse raton laveur of ositos lavadores, de laatste namen betekenen dan ook allen wasbeer.

Usus arctos: Latijn ursus, Grieks arctos:ユ beerユ, van Grieks arctisch; Noordpool.

Ursus americanus: ヤuit Amerikaユ, woonplaats. Zwarte beer of baribal.

Ursus ferox: ヤwild, woest uitziendeユ.  Grijze of grizzlybeer, grizzly: van grizzle, ヤgriezelenユ, die door de Amerikanen wel schertsenderwijze Old Ephraim (die twee zonen had die gedood werden door veedieven, 1 Kronieken 7) en soms als Moccasin Joe genoemd wordt.

Ursus isabellinus: ヤmatgeel of vaalgeelユ.  Geelwitte of Syrische beer leeft in Syri.

Ursus maritimus: ヤvan de zeeユ. (of Thalarctos polaris: thalarctos: Grieks thalassa: ヤde zeeユ en arctos:ユ beerユ, en uit de poolstreken) Witte ijsbeer, Engelse polar bear, Duitse Eisbar en Franse ours blanc.

 

Bever.

Castor fiber: van Grieks o kastwr, kastor: ヤbeverユ. Castor was eigenlijk een stof, castoreum, die afgescheiden werd door de bever en gebruikt werd als middel tegen kwalen. Of van castreren, de bever werd gecastreerd om zijn castoreum te verkrijgen. De naam hangt slechts indirect met de dierennaam samen, de eigenlijke betekenis is, ヤhij die schittertユ, dit stamt van de Indo-Germaanse wortel kad.

Midden-Nederlands bever, vergelijk het oud-Saksisch bibar en oud-Engels beofor, (nu beaver) oud-Hoogduits bibar (nu Biber) oud-Noors bifa en oud-Frans bievre: gal, dit stamt van Gallisch bebros en dit van Latijn fiber dat met Litouws bebrus en Russisch bobr vergeleken wordt dat men vergelijkt met oud-Indisch babhru: roodbruin.

 

Bijen.

Apis: ヤnaar de Egyptische heilige stier als symbool van vruchtbaarheid?ユ

Apis mellifera: to meli - jerw : dragen, meenemen, ヤhoning dragendユ.  Bijen. In midden-Nederlands was het bie, in midden-Noord Duits Bie, (nu Bienen) in oud-Engels bio (nu bee). Mogelijk komt het woord van de basis bhi: trillen of angst, vergelijk het oud-Engels beofian: schudden of trillen, het oud-Hoogduits biben en Sanskriet bibheti: hij is bang. Dit betekent dat de bij oorspronkelijk gezien werd als een trillend en fladderend schepsel. Aan de andere kant kan het zo genoemd zijn naar zijn gewoonte om nesten te maken van de basis bheu: verblijven, maak een nest, in de zin van bouwen zoals in het Duits bauen, dan is de bij de bouwer.

Dar is de mannetjes bij. In midden-Nederlands en midden-Noord Duits was het dorne, en in Engels is het drone. Dit komt van Indo-Germaans dhren, vergelijk dreunen, het dier is zo naar zijn gegons genoemd.

Honing, in midden-Nederlands was het honech en honich, in oud-Frans honog, oud-Hoogduits honag en in oud-Engels hunig. Het betekent het gele en is verwant met het Griekse knakos: geelachtig en oud-Indisch kancana: goud.

Zeem, honingzeem, midden-Nederlands zeem of seem, in oud-Saksisch sem, en in oud-Hoogduits seim. Mogelijk betekent het de taaie vochtigheid of een honingraat in de betekenis van vlechtwerk.

Was, in midden-Nederlands was het wasch, in oud-Hoogduits wahs, (nu Wachs). Het oud –Engelse wax wordt meestal met wassen verbonden of met weven en betekent dan het weefsel van bijen.

Bombus subterraneus: uit oud Grieks o bomboV : gerommel, gebrom, gedreun, bombos: ヤnaar zijn geluidユ, en ヤwat onderaards, (Bombus terrestris, ヤvan de aardeユ)

Hommel, de Engelse bumble bees.

 

Muskusrat.

Ondatra zibethicus: van Frans ondatra: ヤbisamratユ, en ヤcivet leverendユ of de geur die het heeft van civet of muskus.

Muskusrat, bisamrat, beverrat of ondatra heet in Duitse Bisamratte, Frans le rat musque, Engels muskrat. Hij heeft twee klieren bij de staart die muskus afgeven. De naam is een verbastering en aangepast aan muskus en stamt van het Algonquin woord muscascus: ヤhet is roodユ en zo genoemd naar zijn kleur, of van de Abenaki taal moskwas wat we terug zien in de Engelse naam musquash.

 

Blauwborstje:

Cyanosylvia: kuaneoV : donkerblauw en sylva: ヤuit het bosユ.

Cyanosylvia svecica: ヤZweedsユ. Nu Luscinia svecica: Luscinia van clus-cinia, Sanskriet cru: ヤhorenユ en Latijn clueo: ヤberoemdユ, beroemde zanger, meestal als naam voor de nachtegaal.

Wit gesterde blauwborstje, witvlek blauwborstje of mastvogeltje zoals het in Gelderland heet, de stakemus in Groningen en het pauwstaartje in Noord Brabant. Het is de Zweedse- of toendra blauwborstje, het Duitse Blaukelchen of Schwedisch Blaukelchen. Engels bluethroat, Duits Blaukehlchen.

Het witvlek blauwborstje, Erithacus cyaneculus: eruJroV : rood, bloedkleur , en ヤblauwe keelユ, heeft een witte kol.

 

Bloedzuiger.

Hirudo: mogelijk van ヤhoer, zich te houden aanユ.

Hirudo medicinalis: ヤgebruik als medicijnユ.  Bloedzuiger wordt in Duits Blutegel maar ook wel Blutigel genoemd wat geen goede naam is, het dier heeft niets met een egel van doen. Bij van Beverwijck heet het ook egel rond in 1640. Het is de Engelse blood-sucker of leech, in oud-Engels betekent laece een geneesheer, in oud-Hoogduits was het lahhi, in Gotisch lekeis wat ook geneesheer of heler betekent, origineel een magister, exorcist of wel uitdrijver.

Distomum hepaticum: di-  to stoma  - to hpar:  ヤtwee mondenユ en ヤleverユ. Leveregel die in de lever van herkauwers parasiteert.

 

Boomkruipers.

Certhia: uit Grieks kertohV : spotvogel, kertois: ヤkleine op de bomen verblijvende vogelユ.

Certhia familiaris: ヤbekende, behorende tot de familieユ. Boomkruiper, klampvogeltje of houtspechtje, ook taigaboomkruiper, dat omdat er vele ondersoorten zijn. Het wordt kleddermenneke en in Cadzand duimpje genoemd. Het is de Duitse Baumlaufer, Baum rutscher, Baumsteiger of Kruper. Het is de Engelse tree creeper en Franse grimperean.

Sitta: Sitta is een vorm van Sittah, van de Arabische naam Sitt-as-Sam: ヤkoningin van Syri戴 of Sittakh : stad in Assyri.

Sitta europaea: ヤuit Europaユ. Boomklever die in Groningen blauwspechtje en in Gelderland Brabandertje genoemd wordt, ook wel plakmees. Engelse nuthatch, Duitse Kleiber.

 

Bot.

Platichthys: Grieks platys, ヤplatユ en ichthys: ヤvis, h platuV : plat vlak  -  o icJuV: vis. Nu Pleuronectus, Grieks pleura: ヤzijde, ribユ, nekton: ヤzwemmerユ.

Platichthys flesus: ヤvlezigユ.  Bot heette in midden-Nederlands bot(te) of but(te) in midden-Noord Duits but en is waarschijnlijk zo genoemd naar de stompe kop, zie botter, een Urkse boot met ronde boeg. De namen IJbot, Amsterdamse bot en rivierschol doelen op de plaatsen waar de bot gevangen werd. Engels flounder, verwant met Deens flynder, Duits Flunder en Zweeds flundra: van Nederlands flodderen, waden.

Hippoglossus hippoglossus. Grieks o ippoV - h glwssa,  hippos: ヤpaardユ, glossus:ユ tongユ, de vorm van de vis. Heilbot, mogelijk de heilige bot, misschien vanwege het gebruik als vastenspijs. Engels halibut. Duitse Heilbutt.

 

Brasem.

Abramis brama: In midden-Nederlands was het brasem, in oud-Hoogduits Brahsema (nu Brasse en Brachsen en Zweeds braxen). Dit woord komt van Germaans brahsano en is naar zijn witte kleur genoemd. Het Indo-Germaanse bherek of bhrek betekent glanzen of schitteren.

Zijn jongen worden gewoonlijk blie of bliek genoemd en dikwijls met de kolblei verward. Of van Frans br塾e, Engels bream, Midden Engels breme, Germaans brahsima bream: koperkleurig, Midden Hoogduits brehen: van Nederlands brem: stekelig of door het gebruik van brem te branden door het te verhitten en af te schrapen.

Abramis blicca, bliek, blei of kolbliek. In midden-Nederlands bliec, in oud-Hoogduits Blieka, (nu Blei en Brachsen) oud-Noors bleikja en is zo blinkend genoemd naar de lichte kleur evenals bleek, blei of lood. De visser onderscheidt die met de vorige voornamelijk door de ogen en wordt vanwege zijn grote ogen ook puitogen, koloog, kolfoog en kalfoog genoemd en in Groningen platter. De kolblei heeft aan het begin van zijn gepaarde vinnen een rode vlek wat de brasem niet heeft, ook heeft de brasem een sterke geur en veel slijm, de kolblei ruik je niet zo.

Aspius: Latijn van Grieks aspis, asp, ヤeen kleine giftige slangユ.

Aspius rapax: Grieks h aspiV : adder;ヤmuizenbijterユ, roofvis.

Sparus aurata: Latijn sparus: ヤkorte speer ヤen aurata: ヤgoudgeelユ.

Goudbrasem en de orata of dourada (goud in Portugees) van de Portugezen en dorada van de Spanjaarden, aurata van de ouden.

 

Buizerd.

Buteo buteo, buizerd, in Duits is het Bussard en Mausebussard. Het heet in oud-Hoogduits Musari, in Angelsaksisch musere, oud-Frans heeft busan (nu buse) waaruit het Engelse buzzard en onze buizerd ontstond dat op gelijk betekende Latijnse buteo berust. De naam is een samenstelling van de woorden ヤbuseユ (spreek uit: boese): ヤkatユ, en aar:ユ arendユ, wat dus katarend betekent. Zijn geluid ヤmi-ee!ユ lijkt op het miauwen van een kat.

De gewone buizerd, muizerd, haneschop, blotsert of muizenbuizerd wordt in Limburg muizenvalk of blotsert genoemd.

Buteo lagopus: o lagwV : haas / o pouV : pootユ,  hazenpootユ.  Ruigpootbuizerd of ruigpotige muizenvalk, ruchpoatfalk, Duitse Rauhfussbussard, Engelse rough legged buzzard, Franse buse pattue.

Buteo ferox: ヤwoest of felユ. Arendbuizerd, Duitse Adler bussard en Franse buse feroce.

 

Bunzing.

Putorius putorius: van Latijn putor: ヤstinkend, rottendユ. (Putorius foetidus: ヤstinkendユ.)

De bunzing, bontsem of bonzing heette in midden-Nederlands fitsau,vissau, in oud-Frans fissel of ficheux, het is de Engelse fitchew, het bestemmingswoord behoort tot midden-Hoogduits el, elwer: geel, lichtbruin, het dier is naar zijn kleur genoemd.

In Holland wordt het ook wel eierendief genoemd, in Drenthe, Gelderland en Overijssel ulk, in Groningen meert of meerten, in Limburg vis en in Friesland mud en pietoor.

 

Chimara.

Chimara, chimera, chimaira of chimaera was in de Griekse mythologie een vuurspuwend beest op de gelijknamige, nog steeds brandend gas uitstromende berg (nu Yanar) in Lyci. Van die naam is het Franse woord chimere afkomstig dat de betekenis heeft van hersenschim. Het is de Engelse chimney: schoorsteen. Grieks h cimaira, chimaira: geit, had het lichaam van een geit.

 

Cirlgors.

Emberiza cirlus: verlatijnst woord van Duits Embritz, Ammertiz, Ammer en mogelijk van Italiaans zirlare: ヤfluitenユ, cirlgors, Engels cirl bunting, Duitse Zaunammer.

 

Civet.

Civettictis: ヤbijna gelijk civetユ.

Civettictis civetta. Afrikaanse civet.

Viverra: fretje, uit een Noorse spraak ontleend.

Viverra zibetha, Aziatische civetkat. Civet, Duits Zibet, Engels civet, Frans civette, van Arabisch zabad: ヤschuimユ, omdat ze een sterk riekende schuimachtige stof afzondert.

Muscuskat, muskuskat, moschuskat, civetkat, Zibetkatze. Van Frans civette: schuimachtige afscheiding van de civetkat, van Italiaans zibetto, van Middeleeuws Latijn zibethum, van Middel Grieks zapetion, van Arabisch zabad: schuim, verkorte vorm van qatt az-zabad: civetkat of letterlijk schuimkat.

Genetta genetta: van oud Frans genette, van Arabisch jarnayt tot oud Frans genet van Catalaans gine: ヤpaard gebruikt door Zeneteユ, van Arabisch Zanatah, de Zenete een Moors volk bekend vanwege de ruiterij. Civetkat, Engels European genet of small spotted genet.

 

Conger.

Conger conger: Konger of zeepaling, kongeraal, Engels conger van Frans congre of van Latijn conger: ヤzeeaalユ. goggroV : zeepaling, kongel.

 

Damhert.

Dama dama: heet in Fries deim, eerder dein of deyn, in oud-Fries dain. Het is een oude naam die nog voorkomt in plaatsnamen als Debrunnen, Deschwandi, Dewald en Dewangen. In het hoofdgebied vroeg uitgestorven naam werd het door het Latijnse dama: ヤhertユ, vervangen. Dit stamt van het Libische (a) damu: ヤgazelleユ.

In oud-Hoogduits heet het Tam, in midden-Hoogduits Tame, in midden-Nederlands dame of damma en Angelsaksisch da, vandaar ontleend is het Deense daa, vergelijk hierbij ook het oud-Ierse dam: os, en dam allaid: hert. (eigenlijk een wild hoorndier)

Plathoorn is de letterlijke vertaling van zijn oude naam platyceros.

Het damhert, de Duits Dambock of –hirsch, in Engels fallow deer en in Frans daim.

 

Das.

Meles meles: van Latijn maeles: ヤfamilie?ユ Of zoon van Meles of geboren aan de rivier Meles. (Meles taxus: ヤbouwerユ)

Das, heette in midden-Nederlands das, in oud-Hoogduits was het dahs (nu Dachs) en dit woord stamt uit het Germaans baxsa: eigenlijk bouwer, vergelijk dassenburcht.

Uit het Germaanse baxsa (Engels badger) stamt het midden-Latijn taxus of taxo, (texere: ヤbouwenユ) of van Frans becheur: graver, het Italiaanse tasso en Franse taisson.

Grimbert wordt het dier wel in de volksmond genoemd, in Duits Grimbart of Grawink. Het is de Grimbaert die bekend is van de ヤVos Reinaerdeユ, de grimmige.

De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door de namen メhondsdassenモ en メvarkensdassenモ naar de vorm van de snuit.

In het Engels ook wel brock: oud Engels brocc uit Keltisch broc: grijs.

 

Dodo.

Dodo: in Duits is het Dronte en in Engels dodo, doudou of dado, het leek op de dodaars vanwege de pluimen op zijn achterste.

Dodo ineptus: ヤniet gepast, op zijn plaats, dwaasheidユ (synoniem Raphus cucullatus) Dodo, dudu, dodaars of bastaardstruis.

 

Dolfijn. o deljiV : dolfijn.

Delphinus delphis: Delphinus: van ヤDelphiユ, ze houden van muziek.

Het Latijnse delphinus is afgeleid van het Griekse delphin: het kan van delphax, Griekse naam voor een ヤzwijn of varkenユ. ( o deljax : varken) Over midden-Hoogduits komt Delfin, Telfin of Talfin dat de oude naam meriswin, (meer: van zee) in midden-Hoogduits Merswin, in Nederlands meerswijn, in Angelsaksisch mere-swine, in Frans marsouin, in Latijn maris-sus en Italiaans porco marino, dat het dier vanwege zijn spek voert, vervangt. Het was een meerzwijn, (Porcus) Porci marini.

Dit woord werd verdrongen door dolfijn, bij Maerlant delfine, in Engels dolphin, in Frans daulphin en dauphin, de Duits Delphin en ook Schnabelfisch, Springer of Tummler.

In het Frans komt ook de vorm delphin voor wat zo wel genoemd is naar de heilige Delphinus, bisschop van Bordeaux van ca. 380 ca. 404.

Delphinapterus leucas: van Grieks o deljiV - apteron - leukoV, delphis: ヤdolfijnユ en apterus: ヤzonder vleugel of vinユ, en ヤwitユ. Beluga of beloega is van Russisch beluga: ヤgrote witteユ, van belo: wit, met suffix uga. Witvis.

Delphinus tursia: Latijn tursia van Grieks opsis: ヤzicht, showユ.

Tuimelaar, Engelse bottle nosed dolphin, de nesarnak van de Groenlanders.

Globicephala melas: h kejalh - melaV; ヤrondhoofdigユ en ヤzwartユ.  Zwarte dolfijn of griend: van Farao naam grind, grindahvalur, Duits Grindwal en ook Pilotwal.

Lagenorhynchus albirostris: Grieks lageno: ヤflesユ, rhynchus: ヤsnuitユ, flessenneus, albirostis: ヤwitte snavelユ. Witsnuitdolfijn, o lagunoV  -  h riV (-rinoV) Engels white beaked dolphin.

Phocoena phocoena: ヤvarken, zwijnユ, piscis: ヤvisユ en ヤgewoon, algemeenユ. Bruivis, kleine tuimelaar of zeevarken heet in Duits Meerschwein, in Frans marsouin en in Engels sea hog, porpoise of seapig. In Denemarken heet het bruskop, in Noorwegen niser en in IJsland, waar het gegeten wordt, suinhual.

Steno bredanensis: Steno van Grieks ヤgereduceerdユ, naar de korte snuit en naar doctor ヤJacob Gisbertus Samuel van Bredaユ, 1788-186, uit Gent, Belgi die de eerste tekening ervan maakte. (Delphinus rostratus, ヤsnavelachtigユ.  stenoV: nauw, smal, bergpas) Snaveldolfijn, Engels narrow snout of rough teeth dolphin.

 

Doodskloppertje.

Anobium: ana-   +   bioV,audio of geluid voortbrengendユ.  Doodskloppertje, kleine houtwormkever of meubelkever, Duits klopkafer.

Ammobium punctatum: ヤmet vele rijen kleine putjesユ. Stijfkop.

Of Anobium pertinax, Pertinax en ook de Duitse naam Trotzkopf dankt het aan zijn hardnekkige natuur. Raakt men het aan of ruikt het onraad dan trekt het de voelers, kop en poten in. Het houdt zich dood. Je kan hem de poten uittrekken of de voelers met water en vuur bewerken, het geeft niets, het blijft de dodenrol spelen. Deze kevers houden zich dood en laten alles met zich doen zonder hun gewone stand aan te nemen vandaar ook de naam ヤstijfkopユ. Het is de kloptor, klopkever, horlogie tor, het doodkloppertje, Engelse death-tick (-watch) Duitse Todtenuhr en Franse horloge de la mort.

 

Doornhaai.

Squalus: van Latijn squalidas: ヤlicht of weekユ of van Grieks squalus: ヤhaaiユ.

Squalus acanthias: h akanqa : doorn, stekel, distel, ヤgedoorndユ.  Doornhaai die ook wel gewone haai of speerhaai genoemd wordt. Engels spiny dogfish.

 

Draaihals.

Jynx: Jynx was de dochter van Peitho en Pan, de dienares van Io, die door tovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel die als tovermiddel gebruikt werd om liefde op te wekken. Men meende dat die vogel met bovennatuurlijke krachten begiftigd was en men die daarom gebruikte om iemand verliefd te maken door de vogel met poten en vleugels aan een rad met vier spaken vast te hechten en dat onder het uitspreken van een toverformulier te draaien. Jason zou dit middel van Aphrodite geleerd hebben en daarmee het hart van Medea gewonnen hebben. Op een draaitol gebonden en omgedraaid gold die als een liefdesmiddel, vooral om ontrouwe mannen terug te voeren. Dit jynx werd zo ook door anderen gebruikt met de hoop van hetzelfde gebruik. De naam Jynx betekent ook zoveel als liefdestoverij.

Jynx torquilla: ヤgedraaidユ.  De wendehals, draaihals, draainekke of mierenjager heet in Duits Wendehals, in Engels wryneck en in Frans torcol fourmillier. De draaihals sist soms als een slang, daarom heet het op vele plaatsen in Duitsland wel Natterwendel. De Spanjaarden noemen de vogel ヤformiguero: dat is mierenvogel, zijn voedsel. Hij komt wat eerder dan de koekoek en heet zo cuckooユs mate of cuckooユs messenger. Ze hebben een apart en schril geluid dat als ヤpeel, peel,ユ klinkt wat misschien de aanleiding heeft gegeven tot de naam peel-bird.

 

Draak. o drakwn : slang, draak,  derkomai (edrakon) : zien, kijken.

De naam draak komt van Latijn draco en dit van Grieks drakon wat eigenlijk de ヤscherp ziende betekentユ, vergelijk het woord derkomai: kijken, van de Indo-Germaanse basis derk: ヤzienユ. Drakon wil dus zeggen de ziende, maar niet in de manier van zien, maar met de ogen gebiologeerd zoals een slang een muis door zijn ogen kan laten stilstaan.

Draak, Engelse dragon en Duits Drache. In oud-Hoogduits was het Trahho, in midden-Hoogduits Dracco, Angelsaksisch heeft draca.

Ook de naam lind komt in de betekenis van slang voor in namen met symbolische betekenis van het ヤkennen der geheimenユ, vergelijk onze lintworm, een tautologische samenstelling. In midden-Nederlands was het lindeworm in de betekenis van reuzenslang, draak of linddrake: draak of krokodil, in oud-Hoogduits betekent Lint een slang, in midden-Hoogduits is de Linttrache een draak, in oud-Noors is lint een slang, mogelijk is dit woord verwant met Latijn lentus wat buigzaam of lenig betekent.

 

Duiven.

Duif. kelainoV.In midden-Nederlands was het duve, in oud-Saksisch duva, in midden-Engels douve (nu dove) oud-Hoogduits had Tuba (nu Taube) in oud-Noors dufa en in Gotisch was het dubo dat van Germaans oubon stamt. Gewoonlijk verklaart men het woord van ヤduikenユ, to dive, naar de vlucht van de vogel.

Doffer, in midden-Nederlands was het duveri dat met midden-Noord Duits duverich van hetzelfde woord is afgeleid.

Pigeon betekende eerst ヤeen jongユ uit deze groep maar werd al gauw de gewone naam.

Engels columbine en Frans colombine zijn afgeleid van Latijns columbia. Mogelijk is het zo genoemd naar zijn kleur, vergelijk het Griekse kelainos: ヤzwart of donkerユ en Sanskriet kalankas: ヤvlekユ.

In oud-Iers was het colum en Wells heft colom, in Bretons is het koulm.

Columba livia: ヤloodkleurigユ.  Rotsduif , Duitse Felsentaube, Engelse rock pigeon of dove en Franse pigeon biset.

Columba migratoria: ヤreizenユ is de Amerikaanse trekduif.

Columba oenas: oinos is Grieks voor ヤwijn, van geelachtige kleurユ. Holduif, holenduif, steenduif of kleine woudduif, in Fries blaudouke of lytse houtdou, Duitse Hohltaube, Engelse stock dove en Franse pigeon colombin.

Columba palumbus: Latijn columba: ヤduifユ, palumbus: ヤduifユ.  Grote hout- of ringduif, koolduif, bosduif of woudduif, Engelse wood pigeon of ring dove, Duitse Ringeltaube en Franse pigeon ramier.

Streptopelia: Grieks streptos: ヤkraagユ, peleia: ヤduifユ.

Streptopelia turtur, (strejw) streptoV, gedraaid, halsband - h peleia, tortel, zomer- of bostortel, in Fries toarteldouw, Engels turtle dove, in Duits Turteltaube en in Frans tourterelle des bois, dit naar zijn geluid, het rustgevende ヤturturユ.

Streptopelia decaocto: Grieks streptos: ヤkraag,ユ peleia: ヤduifユ, deca ヤtienユ, octo: ヤachtユ, naar de Griekse mythologie een dienstmeisje die klaagde over haar miserabele salaris van 18 munten per jaar. Het meisje bad tot de goden om die geringschatting te vergelden. Zeus hoorde haar vragen en schiep de Turkse tortel die deca octo roept wat achttien betekent, die steeds haar verdrietig gejammer herhaalt.  Het is de Turkse tortel, Duitse Turkentaube, Engelse collared turtle dove en Franse tourterelle turque.

 

Duizendpoot.

Myriapoda: Grieks h muriaV - o pouV (podoV),  murios: ヤtien duizendユ, poda: ヤpotenユ. Multipes: veel voeten.

 

Eekhoorn:

Sciurus: Grieks skia: ヤschaduwユ, oura: ヤstaartユ, die zich met de staart overschaduwt.

Sciurus vulgaris: ヤgewoonユ.  Eekhoorn. In midden-Nederlands heette het dier ee(n)coren, in midden-Hoogduits eichhorn (nu Eichhorn) in midden-Noord Duits ekhorn en in oud-Engels acweorna, in oud-Noors ikorni en in Zweeds ekorre. Gaat men uit van een Germaans aikwerna dan mag het 1ste lid wel met de eik vergeleken worden. De ヤhorenユ komt pas in de 11de eeuw voor. Naar die naam heeft het hele geslacht de naam van Sciuridae: ヤgehoorndeユ.

In het Engels is het de squirrel, in midden-Engels was het squirel, in oud-Frans escurel (Frans sciurus) wat stamt van Latijn scurellus dat van Grieks skiouros, van skia: ヤschaduwユ, en ourd: ヤstaartユ.

 

Eenden.

Anas: Latijn voor ヤeendユ. In midden-Nederlands was het ent of eent, in oud-Hoogduits Enita, (nu Ente) Angelsaksisch heeft ened. Het woord komt van Germaans anio en dat van Indo-Germaans anes. Het Sanskriet ato betekent een watervogel. Het is de Litouws antis en Russische utka.

Duck was in oud-Engels duce, literair betekent het de duikende vogel, vergelijk duiken.

Woerd. Ruiende eenden heten ruwerds. Wilde eend, ringeend, spiegeleend, erk, week, waker, Duitse Stockente, Engels mallard, Frans canard colvert. De donzige jongen worden wel pielen of puulen genoemd.

Alca torda:straal lichtユ of van Zweeds alka, auk en naar Zweedse naam tord, ヤgewone alkユ. Alk, Duits Tordalk, Engels razorbill, Frans pingouin macroptere.

Anas acuta: ヤscherp of pijlvormigユ. Pijlstaart of gaffelstaart die in Amsterdam wel langhals genoemd wordt, Duitse Spiesente, Engelse pintail, Franse canard pilet.

Anas clypeata: ヤlepelachtigユ. Slobeend, slobbereend, naar het slobberig eten, breedbek, lepelbek of slobein, Duitse Loffelente, Engelse shoveler, Franse canard souchet, dit naar de grote gewelfde, lepelvormige bek.

Anas crecca: ヤklanknabootsend woordユ. Wintertaling, krekeend, krikken, krikje of teeling en in Fries pieptsjilling, in Duits Krickente, de Engels teal en Franse sarcelle dユhiver.

Anas querquedula: Grieks kerkithalis: ヤsoort eendユ, ook klanknabootsend. Zomertaling, schijftaling, stareend, schuimeendje, tsjilling of schiertsjilling, Duitse Knackente, Engelse garganey, Franse sarcelle dユete.

Anas penelope: platuV : plat - to rugcoV: snavel, snuit,Penelope, vrouw van Odysseus, was door haar ouders na een orakelspreuk in zee geworpen en door eenden geredユ. Fluiteend naar zijn geluid of smient die in Groningen smeenk of smink, in Friesland smunt en in Limburg maaseend genoemd wordt. Smient van Oud Hoogduits smahi: klein, kleine eend. In Duits is het Pfeifente, het Engels heeft wigeon en Frans canard siffleur.

Anas platyrhynchos: ヤmet een brede of platte snavelユ.  De wilde eend wordt blokeend in Limburg genoemd, in het Fries is het mannetje een ein of einefoegel, en het wijfje erk, de woerd heet in Duits Erpel en in Engels drake.

Anas strepera: ヤschetterenユ.  Krakeend staat tussen de talingen en eenden die daarom door Amsterdamse poeliers wel halve eendvogel genoemd wordt. Het heet ook wel krak, krust, kreets of kreest en in Groningen noemt men haar roepereend, in Friesland grijpvogel, grypfugel, en in Limburg kraakeend. In het Duits is het Schnatterente of Mittelente, in Engels gadwall en Frans heeft canard chipeau. Krakeend, naar de voorjaarsroep van het mannetje die kenners met krlik weergeven. In Deens heet het krikand en Zweeds heeft krickand.

Aix: Frans uit Latijn ヤwaterユ, zie Aken in Frans Aix la Capelle.

Aix galericulata: ヤh aix : geit, gems, wilde geit. Mandarijneend komt uit China, Duitse Mandarinente, Engelse mandarin en Franse canard mandarin.

Aythya: van Grieks aithyia, h aiquia: meeuw.

Aythya ferina:wild of ongetemdユ. Tafeleend, is beter te eten dan andere duiker eenden, of roodkop, rosse eend, valinger, bareend, boreend, Duitse Tafelente, Engelse common pochard, Franse fuligule morillon.

Aythya fuligula: ヤroetkleurigユ. Kuifeend, kamduiker, toppereend, rouwband of jolling, Duitse Reiherente, Engelse tufted duck, Franse fuligule morillon.

Aythya marila: Grieks voor ヤstof van houtskoolユ. Toppereend, of kareend, veldduiker, jolling, Duitse Bergente, Engelse scaup duck, Franse fuligule milouinan.

Aythya nyroca: naar een Russisch woord voor ヤduikerユ. Witoogeend, bruine duiker, rouwdrager, Duitse Moorente, Engelse ferruginous duck, Franse fuligule nyroca.

Bucephala clangula: Latijn clangere: ヤklinkenユ, zijn geluid, (BoukejalaV, Bucephala was het briesende paard van Alexander de Grote)  Brilduiker, belduiker, kwakereend, brileend, bruinkop, knob, bolder of bonte duiker, Duitse Schellente, naar zijn geluid alsof er schellen, bellen, voorbij gaan, Engelse goldeneye, Franse canard garrot of garrot a oeil d羊.

Cairina: ヤuit Cairoユ waar men meenden dat ze vandaan kwam.

Cairina moschata: ヤmuskusachtigユ.  Turkse eend of muskuseend, Engels Muscovy duck.

Clangula: Latijn clangere: ヤklinkenユ, zijn geluid.

Clangula hyemalis: ヤvan de winterユ. IJseend, wintereend, iisein, Duitse Eisente, Engelse long tailed duck, Franse canard de misquelon, harelde de miquelon.

Cepphus grylle: Grieks kepphos: ヤwatervogelユ, grylle, van Griek sgruzw: knorren, kikken, grulidzoユ : ヤknorrenユ.  Zwarte zeekoet, of Groenlandse duif, Duitse Gryll Lumme, Engelse black guillemont, Franse guillemont a miroir blanc.

Fratercula arctica: Fratercula: een vrouwelijke vorm, betekent zo ヤkleine (vrouwelijke) broerユ, Grieks arctos: ヤbeer, noordelijk sterrenbeeld, dus arctisch of noordelijkユ. Papegaaiduiker of zeepapegaai, zo genoemd naar de kleuren, Duitse Papageitaucher, Engelse puffin.

Gavia: Latijn voor ヤzeeschuim of meeuwユ.

Gavia arctica: Grieks h arktoV, arctos: ヤbeer, noordelijk sterrenbeeldユ, dus arctisch of noordelijk. Parelduiker, Duitse Polartaucher, Prachttaucher, Engelse black throated diver, Franse plongeon a gorge noire of plongeon lumme.

Gavia immer: immer mogelijk van IJslands, oud Noors woord in Groenland is himbrimi, ヤijsduikerユ. IJsduiker, Duitse Schwarzschnabliger Eisseetaucher, Engelse great Northern diver, Franse plongeon imbrin.

Gavia stellatus: Latijn stella: ヤsterユ: sterrenkijker.  Roodkeelduiker, Duitse Nord Seetaucher of Rothkehligertaucher, Engelse red throated diver, Franse plongeon catmarin of plongeon a gorge rousse.

Netta rufina: Netta is van Grieks h nhtta, h nhssa voor ヤeendユ, enroodbruin, rossigユ. Krooneend die in Frans nette a huppe rousse heet, Engels readkop, Duitse Kolbenente.

Melanitta: van Grieks inelas zwart, en netta: eend.

Melanitta fusca: leer of donkerbruin. Bruine zee-eend, grote zee-eend of zwarte Noordse duiker, fluweeleend, bruine eend of zwarte knobbe. Duitse Sammetente, Engelse velvet scoter, Franse macreuse brune.

Melanitta nigra: zwart. melaV / melanoV / melaina, Zwarte zee-eend of wigstaart, zwarte knob, Duitse Trauerente, Engelse common scoter: schiet weg, Franse macreuse noire.

Mergullus albellus: als Mergus en wit. Nonnetje, weeuwtje, kleine zaagbek, scherft, scheft, schelft, skarpien of scherphoek, Duitse kleiner Sager of Zwergsager, Engelse smew, Franse harle petite.

Mergus: Latijn mergus: duiker.

Mergus merganser: met anser of gans. Grote zaagbek, zaageend, rosewaard, korporaal, boterbuik of duikergans, Duitse grosser Sager, Engelse goosander, Franse harle bievre.

Mergus serrator: gezaagd. Middelste zaagbek, kleine duikergans of pinduiker, in Duits Mitteler Sager, Engelse red breasted merganser, Franse harle huppee.

Tadorna tadorna: naar de lokroep tatata en o orniV, orniqoV:vogel, haan, kip, ornis: vogel. Bergeend die in Duits Brandgans of Brandente heet en in Engels shelduck, het is de Frans tadorne de Belon.

Somateria: Grieks soma: lichaam, erion: wol, to svma, to erion: lichaam, wol

Somateria mollissima: zeer zacht of to swmation ; opvulling voor kleding. Eidereend, eider, eidervogel, eidergoes, Duits Eiderente, in Engels eider en in Frans eider a duvet.

Uria: Uria, van Grieks ouriaa: watervogel,

Uria aalge, Noorse naam. Zeekoet en koet naar zijn geluid, zeehen of skut, Duitse Dumme Lumme, Engelse auk en Northern guillemot.

Uria lomvia: van IJslandse naam lomvie, waarschijnlijk van Zweeds loma: met plompe stappen gaan, vie: jagen of vissen. Grote zeekoet, dikbekzeekoet of kortbekzeekoet, Duitse Dichschnabellumme, Engelse Brunnickユs guillemont, (Frans woord dat Willem betekent) Franse guillemont de Brunnich.

 

Eenhoorn.

De naam is gebaseerd op het Hebreeuwse woord reユem, in Assyrisch is het rimu wat in het Grieks vertaald wordt als "monokeros" wat ヤeen hoornユ betekent, mono: ヤ1ユ, keros: ヤhoornユ. Dat werd in Latijn unicornis en in Angelsaksisch anhorn wat unicorn werd in Engels en in ouder Frans unicorne wat we ook zien in het midden-Hoogduits einhorn of -hurne wat de Duitse Einhorn werd en onze eenhoorn. Bij de Fransen heet het licorne, bij de Italianen alicorno en bij de Spanjaarden bara wat een naam is waarmee ze ook de Rinoceros aanduiden, monokerwV, -wn: met 試n hoorn.

 

Egel.

Erinaceus, van Latijn echinus, Grieks o ecinoV, egel, zee組el - h akiV : punt, pijlpunt, ekhinos: ヤzeestekel, origineel egel, via Frans eres, heres en vandaar erinus als Marinus en zo erinaceus.

Erinaceus europaeus: ヤuit Europaユ. Egel heette in midden-Nederlands eg(h)el, in oud-Saksisch, oud-Engels en oud-Hoogduits was igil (nu Igel) dat met het Griekse ekhinos van Indo-Germaans egh afstamt wat steken betekent.

In het Engels komt ook het woord urchin voor, dit stamt van Frans en dat van Latijn voor de egel, ericius. In het Vlaams ヤheertsユ.

Zijn lichaam lijkt op een speenvarken. Ook komt de naam stekelvarken voor, in Overijssel is het scherperhaas, echel en eggel, in Friesland stiekelbaarch en igel, in Groningen swienigel en in Drenthe egelkaar. Op sommige plaatsen onderscheidt men twee soorten, de ヤhondsegelユ, zou een stompere snuit hebben en een donkerder kleur en is kleiner dan de ヤzwijnegelユ.

De Engelse hedge-hog, hedge is een soort boom die als haag gebruikt werd, hog: varken. In Frans heet het herisson.

 

Ekster.

Pica pica: Ekster, bonte ekster of aekster. In midden-Nederlands was het aecster of (a)exter, in Duits Alster, Elster, Gartenrabe, Azel, Heister en in de 16de eeuw Agalaster en in oud-Hoogduits Agalstra of Egilistra. Dit stamt uit een West Germaans woord ago, vergelijk het oud-Saksisch agastria, oud-Engels agu en Friese akke of aakster, mogelijk is het dier genoemd naar zijn spitse staart of snavel.

Engels magpie, origineel magot pie, komt van Frans mag wat een afkorting is van Margaret en van pie bavarde en dat eerste deel van het Latijnse pica, vergelijk picus: woodpecker, houtpikker of specht, het is Margarets pie of kraai, mogelijk naar zijn geluid ユchatterpieユ. Het betekent ook kletskous in het Engels, Frans pie.

 

Eland.

Alces alces, o elloV: ree    o, h elajoV: hert, hinde. (Alces palmatum: ヤhandvormig of palmachtigユ, het gewei) Elk of eland heette in midden-Nederlands elen en elant, in Duits is het Elen en Elch, in midden-Hoogduits was het Elen, in oud-Hoogduits Elho of Elaho, in oud-Noors elgr, in Angelsaksisch eohl of elh wat het Engelse elk en Frans elan geeft, in Zweeds is het elg en Litouws elnis betekent hert, Letlands alnis betekent eland, vergelijk ook het Griekse woord ellos: jong hert. Caesar in Bell. Gall. 6,27 noemt het dier alces, dit is meervoud en geeft daarmee een Germaans woord elch weer dat van Indo-Germaans elk stamt. In Amerika wordt het moose genoemd wat van Indiaans musee stamt dat boometer betekent, het wintervoer.

 

Elft, fint.

Alosa alosa: van oud Frans alose, van laat Latijn Alausa: ヤelftユ. Elft, ook wel meivis, in die tijd wordt het in de rivieren gevonden.

Alosa fallax: ヤmisleidenユ, Fint, van schijnbeweging of list, uit Italiaans finta, van Latijn fingere, veinzen, doen alsof. Naar de stippen op de flanken wordt het ook wel gestipte reuzenharing genoemd. Engels shad.

 

Ezel, Paard. ippikoV - o, h ippoV.

Equus: in Latijn equis dat van van ヤakユ komt en ヤsnellenユ betekent, dat in tegenstelling tot de os.

Equus asinus: uit Azi. De ezel heette in midden-Nederlands esel, in oud-Saksisch was het esil en in oud-Hoogduits esil (nu Esel) in oud-Engels esol (nu ass, in Frans asil) in Gotisch asilus wat stamt uit het Latijnse asinus, dit is een woord wat al voorkomt bij Plautus, 184 v. Chr., dit stamt weer uit het Grieks dat door Thrakisch / Illyrisch bemiddeling uit een Klein Aziatisch gebied in het zuiden van de Zwarte Zee ontleend is, in Armeens heet het es wat ヤezelユ betekent.

Langoor en de Duitse naam Langohr komen ook voor met de sprookjesnaam Grauschimmel.

In Engels is het donkey, maar dit woord is niet bekend voor de 18de eeuw. De oorsprong van het woord is onzeker, het rijmde met monkey en kan afgeleid zijn van het woord ヤdunユ, wat vuil bruin betekent.

Veulen, in het Engels heet die foal.

Equis hinnus. Als de vader een ezelhengst is en de moeder een paardenmerrie dan heet de bastaard muildier. Is de vader een paard en de moeder een ezelin dan heet de bastaard muilezel. Die lijkt vrijwel geheel op een ezel. Het zijn dus twee dieren, muildier en muilezel, in Duits Maultier en Maulesel, in Engels mule en hinny. Mulus is in het Latijn de muilezel, Hinnus het muildier. De verbinding met de Muhle (of molen), in Engels mule en Frans mule bij de muilezel komt omdat die net als de ezel de molensteen draait. In Gotisch heet het asilu-qairnus, in Angelsaksisch esul-cweorn.

Equus caballus: ヤpaardユ, zie cavalerie. In Sanskriet heet het paard acva, in Zendisch en oud-Perzisch acpa, in Litouws aszva en Pruisisch asvinan betekent ヤpaardenmelkユ, in oud-Saksisch was het ehuscalc, in Angelsaksisch eoh, in oud-Noors ior, in Gotisch mogelijk aihvs, in oud-Iers ech, in Gallisch ep. (bijvoorbeeld in Epona de paardengodin)

Paard. In midden-Nederlands was het paert of peert, in oud-Hoogduits parafrid of pferfrit. (nu Pferd en in Engels palfrey. In Frans is het palefroi) Dit woord stamt uit midden-Latijn en Keltisch paraveredus: handpaard. Het Griekse para betekent erbij en Keltisch veredus: ヤpostpaardユ. (in de Romaanse spraken is dit als palafredus bewaard gebleven)

Het werd veredus genoemd omdat het de rheda: ヤwagenユ, trok. Verudus veranderde geleidelijk aan in verd, ferd, pherd, paerd, paard.

Andere paardennamen zijn:

Gaul, het grote werkpaard.

Ros, een po奏ische betekenis, ヤhet edele rosユ, terwijl het Franse une rosse zoveel als een nachtmerrie betekent.

Merrie, ヤvrouwelijk paardユ, Mahre had oorspronkelijk niets van doen met nachtmerrie, het is een oeroude betekenis. Zoals de van mare afgeleide woorden getuigen als marschall, dit was eerst mar-schalk, de paardenwachter en hoefsmid. De Franse marechal wordt dan een stalmeester.

Bayard is een Franse naam, afgeleid van bay, bal: ヤroodbruinユ. Bayard, Beijaert was de naam van het krachtige paard uit de roman der Vier Heemskinderen .

Stute. De paardenkudde die half wild in de wouden leeft heet in oud-Hoogduits stuot, in Angelsaksisch stod en in Engels stud. De grondbetekenis is ヤstaandユ. Het woord is ontwikkeld tot het geslacht in de betekenis van vrouwelijk paard.

Klepper. Dit is een mager maar ook een nog slecht getraind paard.

Hengst, mannelijk paard. In midden-Nederlands was het henxt, in oud-Hoogduits hengist (nu Hengst) in oud-Engels hengest, dit stamt uit Indo-Germaans kaq: ヤontspringenユ, het betekent een paard dat in een omheining wordt gehouden. Het woord is ontstaan in de tijd dat het paard een huisdier werd.

Appelschimmel, in Duits heet die Apfelschimmel, in Latijn equis pomelatus. Daarvoor heette het in oud-Hoogduits apfulgra ros, in Angelsaksisch appulgre, in Engels werd dit omgevormd tot dapple-grey: ヤdubbel gevlektユ.

Dekhengst, paard om mee te ヤfokkenユ.

Ruin is een gecastreerd mannelijk paard, Duitse rei betekent castreren en komt van rune, vergelijk ruin, een besneden paard.

Veulen is een paard tot een jaar oud.

Jaarling is een paard tussen een en twee jaar oud.

Twenter is een paard tussen twee en drie jaar oud.

Ridderlijkheid blijft iets te maken hebben met de ruiter (Ritter) en zijn paard. Ridder, ヤruiterユ, is een afleiding van het werkwoord rijden en is net als rijder gevormd met behulp van –er, dus diegene die rijdt. Ruiter, oorspronkelijk ruiter te paard, komt van midden-Nederlands ruter dat soldaat en daarmee ヤvrijbuiter of roverユ betekende. Het woord komt van het Latijnse ruptarius, een op het platteland geronselde soldaat die vaak in zijn eigen onderhoud moest voorzien.

Equus ferus przewalskii: Latijn ferus: ヤwildユ. Die werd vermoedelijk in 1811 door Pallas beschreven en in 1879 door de Russische generaal Nikolai Przewalskij herontdekt in het hart van Azi, het grensgebied van Siberi en het Chinese rijk.

Equus ferus ferus: tarpan (Equus caballus gmelini naar de Duitser ヤSamuel Gottlieb Gmelinユ die het in 1769 heeft beschreven. De half wilde IJslandse paardjes, Icelandic horse, is ontwikkeld in IJsland. Die komen van ponyユs die door Scandinavische mensen meegenomen zijn in de 9de en 10de eeuw. De Shetland ponyユs, de ヤhittenユ die zo genoemd zijn naar de Hitlandeilanden en de Shetlandeilanden.

Equus hemihippus: ヤhalf paardユ, koelan.

Equus onager: Dit is de meest bekende wilde ezel die bij de Griekse en Latijnse schrijvers geregeld vermeld wordt. Zijn naam onager is dan ook samengesteld uit Grieks onos agrios: ヤwilde ezelユ.

Equus zebra: Caracalla meldt in 211 na Chr. dat in de arena van Rome behalve tijgers, olifanten en neushoorndieren ook een Hippotigris: ヤtijgerpaardユ, (eigenlijk paardtijger) optraden en dat hij dit dier eigenhandig doodde. Dit zal wel een zebra geweest zijn, Equus zebra.

Het woord zebra stamt uit Portugees zebra van 1578 en dat uit Spaans cebra. Dat was daarvoor de naam van de wilde ezel die rond de 16de eeuw uitstierf. Het Spaans van 1091 heeft ezebra dat uit gewoon Latijn eciferus en dit uit Latijn equiferus, equus: ヤpaardユ en ferus: ヤwildユ, ontleend is.

Equus quagga: (Hippotigris quagga). De naam quagga hebben ze gekregen van de Hottentotten vanwege hun blaffend stemgeluid dat als ヤ hoaユ of ヤkwa haユ klinkt. Het is de steppenzebra, in Engels common zebra, Duitse Steppenzebra en Franse zebre.

Equus quagga burchelii: naar de Engelse botanist en onderzoeker van Afrika, ヤWilliam John Burchell,ユ 1781-. Dauw of douw.

 

Fazant.

Phasianus colchicus: De fazant stamt uit de kustlanden van de Kaspische Zee en werd door de Argonauten van de stroom ヤPhasisユ in ヤColchisユ meegebracht. Georgi, nu Poti en de rivier Rioni.

Fazant. In midden-Nederlands was het fassane, in Duits Fasan en Engels pheasant, in oud-Engels was het fesant, (Frans geant) in oud-Frans fesant of faisan. Dat woord stamt uit het Latijnse phasianus en dit van Grieks phasianos: vogel uit Phasis.

Een ander oud woord voor de fazant is tetrao. In Perzisch heet het tedzrev en in oud-Slavisch tetrevi en betekent daar waar de fazant niet aanwezig is een andere grote inheemse vogel, de trap.

Chrysolophus pictus: crusoV - h lojia : kuif, ヤgouden kamユ en ヤbeschilderdユ.

 

Flamingo. joinikopteroV: met rode vleugels    joinix, -ikoV: rossig.

Phoenicopterus roseus:ユrozeユ. De Griekse naam van de flamingo is op de kleur van de vleugeldekveren gegrond. De bij Aristoteles voorkomende naam ヤphoinikopteros betekent ヤpurpervleugelユ. De Romeinen namen deze naam over en de Fransen werden door dezelfde beweegreden geleid toen zij de vogel flamant rose noemden, (oorspronkelijk flammant) wat in Duits Flamingo, Flaming en Flamant werd en in Engels en bij ons flamingo.

 

Fret.

Mustela: ヤwezelユ, waarschijnlijk van mus: ヤmuisユ, lange muis.

Mustela putorius furo: fret, in midden-Nederlands was het foret, in Duits heet het Frett of Frettchen, in Engels ferret, in Deens fritte, dit woord stamt van oud-Frans furet, dat uit vulgair Latijn furittus: kleine dief, (Latijn fur: dief) Uit laat-Latijn furo komt Iltis en furetus, de fret. Het tweede woord verspreidde zich met de Romeinse kunst om het dier voor rattenjacht, konijnen en vogels in te zetten. In Spaans heet het huron en in Italiaans furett.

Mustela lutreola: van Latijn lutra: ヤotterユ, nerts, ouder norz, nurz, van opper Sorbisch norcbunzing, kerkslavisch norici:ユ duiken, wegsluipenユ, het zijn goede zwemmers, in Duits is het Norz, Nerz, Kleiner Fisch-, Sumpf-, Krebsotter, Steinhund, Wassewiesel of Menk, Engels mink, Minx, Zweeds menk: ヤeen stinkend dierユ in Finland.

Neovison: Neo: ヤnieuwユ, vison, mogelijk van Zweeds vison: ヤsoort wezelユ, of van Latijn visor: ヤschout, verkennerユ. Mink, Duitse Mink of Menk.

Mustela erminea: de wezel wordt vaak verwisseld met het hermelijntje. In zijn zomerkleed wordt het hermelijntje vaak ヤwezelユ genoemd terwijl hij in het witte winterkleed hermelijntje en witte wezel heet. Andere namen zijn dan van hermelijn met een a en dan harmpje, harmel en harmken (in Gelderland en Overijssel)

Het woord hermelijn betekent min of meer de pels van de Siberische wezel. In midden-Nederlands was het ermelijn, dit stamt uit midden-Latijn hermelinus, in laat Latijn betekent armelinus hermelijn bont. Het is een woord dat uit het Germaans stamt, in oud-Saksisch en oud-Hoogduits was het harmo of harmili, in oud-Engels hearma (nu ermine) in oud-Frans is het ermine (nu hermine)

Een mogelijk andere betekenis is de ヤArmeense muisユ.

Mustela nivalis: ヤsneeuwwitユ. Wezel. In midden-Nederlands was het wesel, in oud-Hoogduits Wisula, (nu Wiesel) in oud-Engels weosule, (nu weasel) oud-Zweeds heeft visla. Dit woord komt van een Germaans wisulo. Het dier heeft zijn naam naar zijn stank gekregen, men verbindt het met Indo-Germaanse uiso: ヤstankユ. Dezelfde herkomst heeft ook de wisent. (Putorius)

In Friesland wordt het wezeling genoemd, in Duits ook Hermannchen of Hermchen, dat naar de hermelijn.

 

Fuut.

Podiceps: ヤaarspotigeユ, het achterlijf en poten zitten dicht bij elkaar zodat ze gemakkelijk onder water zwemmen.

Podiceps cristatus: ヤvan een kam voorzienユ. Fuut, mogelijk van aarsvoet, omdat de poten ver naar achteren zijn geplaatst, heet ook wel zandreiger, lumme, zanddrijver, pronkvogel, certijnduiker, satijnduiker , aalduiker, en kuifduiker, in Noord Brabant keizer en in Friesland kroonduiker en grote aalduiker en wordt in het Fries haerringslynder of ielsyuder genoemd. Het heet ook wel zorch en ruch.

Het is de Duitse Haubentaucher of Haubensteissfuss, de Engelse great crested grebe en de Franse grebe huppe of grand grebe.

Podiceps ruficollis: ヤroodbruine kraagユ. Dodaars, ook een aarsvoet zoals de fuut, kleine fuut, hagelzakje, aalduiker, kleine duiker, earsfuttel of hagelzakje, Duitse Zwergsteissfuss, Engelse little grebe, Franse grebe castagneux.

Podiceps nigricollis: ヤzwarte kraagユ. Geoorde fuut, Duitse Schwarzhalssteisfuss, Schwartthalstaucher, Engelse black necked grebe, Franse grebe oreillard, grebe esclavon of grebe a cou noir.

Podiceps auritus: ヤgeoordユ. Kuifduiker of kleine zanddrijver, tufduker, Duitse Ohrensteissfuss, Ohrentaucher, Engelse Slavonian grebe, horned grebe, Franse grebe cornu of oreillard.

Podiceps grisegena: ヤgrijswitte wangenユ. Roodhalsfuut, roodgehalsde duiker, Duitse Rothalssteissfuss, Rothalstaucher, Engelse red necked grebe, Franse grebe jougris

 

Gans.

Anser anser: In midden-Nederlands was het gans, oud-Hoogduits Gans, (nu Grau Gans) en Ganter, in oud-Engels gos (nu gander, meest voor het mannetje, grey lag goose, meervoud geese) en oud-Noors heeft gas. Het woord wordt vergeleken met het Latijnse anser (voor hanser) Grieks chen of khen, Sanskriet hans of hasas: watervogel en oud-Iers geiss: zwaan. In Frans heet het oie cendree.

De wilde gans of grauwe gans die in Groningen schierling, in het land van Kuik koenekraan en in Friesland grote schiere goes of grote witgat genoemd wordt. Het mannetje heet gent of ganzerik, in Fries garre, het wijfje gans, in Fries goes met het meervoud giesen.

Anser albifrons: ヤwit frontユ: kolgans, roodpoot, blesgoes of kolgoes, Duitse Blassgans, Engelse white fronted goose, Franse oie rieuse: lachgans, naar het geluid dat een groepje maakt.

Anser fabalis: Latijn faba: ヤboonユ. Rietgans, zaadgans, schiergans, weenk, zxwartkop, grasgans, Duitse Saatgans, Engelse bean goose, Franse oie des moissons.

Anser erythropus: eruJroV - pouV; ヤrode voetユ.

Anser brachyrhynchus, bracuV - to rugcoV; ヤkorte snavelユ is de rietgans.

Branta leucopsis: van ヤbrantaユ en brent goose, Engelse naam en  leukoV - h wy;wit gelijkendユ, is de brandgans, dondergans, pauwgans, bontje, nonnetje, nongans, het is de tongergoeze in Friesland, Duitse Weisswangengans, Engelse barnacle goose, Franse bernache nonnette.

Branta berniclakal, naar barnacle, het verhaal dat ze uit schelpen gebroed worden, daar heeft ook de eendenmossel, Lepas anatifera, to lepaV : kale berg, rots + anas + jerw, van anas: eens en fera: dragen zijn naam van. Zie brandgansboom. Rotgans en is zo genoemd naar zijn roepen, ヤrot rotユ. Ook pauwgans, ringelgans of rotgoes, Duitse Ringelgans, Engelse brent goose, Franse cravant. Kleine gans.

Branta ruficollis: ヤroestbruine kraagユ, roodhalsgans of Russische gans, Duitse Rothalsgans, Engelse red breasted goose, Franse bernache a cou roux.

Chen caerulescens, Chen: ヤgansユ en ヤgrijsachtigユ is de sneeuwgans, Engelse snow goose of blue goose.

 

Garnaal. o karkinoV: kreeft, door Linnaeus Cancer crangon genoemd.

Crangon crangon: ヤkreeft. Garnaal, Duits Garnat, oud Frans guemette, nu crevette, Engelse shrimp.

 

Geep. h belonh.

Belone belone: Grieks belone: ヤnaaldユ. Geep, heet het dier bij ons en in Noord Duitsland. Mogelijk komt het woord van gijpen, naar adem snakken. In Frans is het orphie, in Duits Hornhecht en Engels garpike.

 

Geit.

Capra. h cimaira: geit  /  o, h aix, -goV: wilde geit, gems. De Grieks chimaira werd in Latijn capra: ヤgeitユ. Varro zegt dat ze capra of carpa heten omdat ze alles afeten. Of vanwege het gekraak van de knieschijven en kootgewrichten die door de ouden crepea genoemd werden. Isidorus zegt dat ze caprae en capri zijn genoemd omdat ze hoge en ruwe plaatsen beminnen en er zich naar toe wenden.

In midden-Nederlands was het gheet of gheit, in oud-Saksisch was het get, in oud-Engels gat, (nu goat) oud-Hoogduits heeft Geiz (nu Geiss en Ziege). Mogelijk stamt dit woord van de Indo-Germaanse basis ghai(d): springen. Of van Germaans gait-z en mogelijk verwant met Latijn haedus: jonge geit.

Griekse tragos is de ヤbokユ. Midden-Nederlands heeft buc of boc, in oud-Hoogduits was het Bock, (nu Bock) oud-Noors heeft bukkr en bokkr, in midden-Iers is het bocc, oud-Engels komt met bucca (nu buck) Mogelijk stamt dit van Indo-Germaans bhugno: gebogen, dus een dier met gekromde horens. Bouc, Bouquetin, Buc, Capra, Caprea, Chevre, Chievre.

Capra aegagrus: Grieks aigagros, h, o aix - agrioV, Frans aig-, aix: geit en agrios: ヤwildユ is de bezoar geit of geit van Kreta.

Capra caucasica: ヤuit de Kaukasusユ, is de toer. Engelse West Caucasian tur, Frans la chevre du Caucase.

Capra ibex: Ibhr; van ヤIberi of Aquitaineユ, vergelijk Oud Spaans bezerro: stier, nu becerro: jaarling, is de steenbok, Duitse Steinbok, Engelse mountain goat.

Capra falconeri: naar de Schotse paleontoloog en botanist ヤHugh Falconerユ is de schroefhoorngeit of markhoor, Duits Schraubenziege of Markhor, Engels markhor. Markhor stamt uit Perzi en betekent slangenvreter.

Capra hircus: bok.

Capra hircus angorensis is de Angorageit. De naam van dit dier is ontleend aan de kleine stad ヤAngoraユ in het Turkse rijk Anatoli in Klein Azi. Het vroegere Ankyra.

Capra hircus laniger: ヤwol dragendユ, is de Kasjmirgeit, Engelse cashmere goat.

Capra nubiana:ユ uit Nubi戴, is de Nubische ibex en Engelse Nubian ibex.

Capra prisca: ヤde schone, eerbiedwaardigeユ. Europese wilde geit.

 

Schaapsbrasem.

Sargus ovis: Spaans van Latijn sargus, Grieks o sargoV : zeebrasem, Grieks sargos: ヤband,ユ ovis: ヤschaapユ. Engelse sheepshead.

 

 

Geitenmelker.

Caprimulgus europaeus: Capra: ヤgeitユ, mulgere: ヤmelkenユ en ヤuit Europaユ.

De nachtzwaluw, geitenmelker, dagslaper, schapenmelker, nachtratel, ratelaar, dwaaske, nachtsweal, vliegend pad, boomkikker, schapenmelker of geitenmelker, Duitse Nachtschwalbe en Ziegenmelker, Engelse nightjar, fern-owl, goat-sucker, moth-eater of night-hawk en Franse engoulevent dユEurope. Met die bek zou hij in de nacht geiten melken zodat de boer ヤs morgens niets had. Als ze zoユn geit hebben gevonden en gezogen dan wordt die direct blind. Die bek is er echter alleen voor om ヤs nachts met een flinke hap insecten te pakken, de poten en dekschilden worden hierbij gelijk afgeklapt zodat die buiten de snavel vallen.

 

Gekko.

Tarentola: Italiaans dialect tarantola: ヤsalamanderユ, Frans tarantula, naar ヤTarantoユ een zeehaven in Zuid Itali.

Tarentola mauritanica: ヤuit Mauritani.ユ Muurgekko, gekko naar zijn geluid, Engels geco, die in Itali tarantula: salamander, in Spanje carapata, door de oude Grieken Ascalobotes en door de Romeinen Stellio genoemd wordt.

 

Gems.

Rupricarpa rupricarpa: Latijn rupes: ヤrotsユ, capra: ヤvrouwelijke geitユ. Gems, dit woord is afgeleid van gamiza dat uit een voor Romaanse alpentaal stamt, vergelijk de Gallo-Latijnse naam camox, 448 na Chr., daaruit stamt het Italiaanse camozza, Franse chamois en Engelse chamois.

In Duits is het Gemse, Gams of Gambs, in midden-Hoogduits was het gam(e)z of gemz. Mogelijk komt dit van een voor-Indo-Germaanse naam, kam: steen, vergelijk steenbok.

 

Gier.

Vultur: ヤgezichtユ: naar de uitdrukking van de ogen.

In het Engels is het vulture, in midden-Engels vultur dat van oud-Frans voltur komt en dit van Latijn voltur, de naam van de vogel dat verbonden is met vellere: plukken.

Gier heette in midden-Nederlands ghier, in oud-Hoogduits was het Gire (nu Geier) eigenlijk de naar aas begerige vogel, zie gierig: begerig of hebzucht. In het Engels heet het ook gier, als geir en geier werd het vermeld in 1567. De naam gier zie je nu in combinaties als in de Engelse naam gyr falcon en Duitse lammergeier in 1615. Ook de naam griffon komt voor.

Vultur gryphus: ヤgriffioenユ. Condor: van Amerikaans Spaans, van Quechua cuntur, naam voor de vogel.

Aegypius monachus, Grieks aietos: ヤadelaarユ en gyps voor ヤgierユ met ヤmonnikユ, monniksgier: of koningsgier, Duitse Monchsgeier of Kuttengeier, Engelse black vulture en Franse vautour moine.

Gypaetus: Gyps, Grieks voorユgierユ en aietos, Grieks voor ヤadelaarユ, baardig naar het sikje dat hij onder zijn snavel draagt, is de baardgier of lammergier, Duitse Bartgeier, Bartadler, Geieradler, Lammer- of Gemsengeier, de Engelse bearded vulture en Franse gypaete barbu.

Gyps: Grieks gypos: gier. h guy, -upoV    /   o aetoV.

Gyps fulvus: ヤtaankleurig, bruinroodユ. Vale gier, kaalkopgier of ganzengier, Duitse Gansegeier, Engelse griffon vulture en Franse vautour griffon of gyps fauve.

Neophron percnopteros: neophron betekent ヤiemand die op zeldzaam bescheiden wijze tot de jongeren behoort, die zich jong voelt en nederig afwacht wat de oudere wijzere goedvindenユ. h jronhsiV : begrip, plan, verstand: begrip, plan, verstand -perknoV - to pteron. De bijnaam percnopteros slaat op de vleugels die ヤzwartblauw gevlektユ zijn. Aasgier of witte krenggier, Duitse Aasgeier of Schmutzgeier, Engelse Egyptian vulture en Franse percnoptere dモ Egypte, vautour dモ Egypte of poule des pharaons wat de kip van de Farao betekent.

 

Gierzwaluw.

Apus apus: a: ヤnietユ, pus: ヤvoetユ, zonder voeten of poten. Gierzwaluw wordt zo genoemd naar het geluid dat ze maken, steen-, muur-, kerk-, of torenzwaluw naar hun verblijfplaats, verder komt de namen scheer, haker toersweal, krijter, steenkrijter of pypsweal voor. In Duits heet het Mauersegler. Het heet haker in het land van Kuik omdat ze soms in de haren en kleren van mensen verward raken en hechten zich daarin zo vast dat men ze moeilijk weer los kan maken, om welke reden ze door de vrouwen evenzeer gevreesd wordt als de vleermuizen. In Fries is het de toerswjel. In het Engels is het swift naar de vliegvorm en martlet, martinets of martins. Deze vogels zijn zo genoemd omdat ze op het eind van maart uit warme gebieden komen en vertrekken voor het feest van St. Martin. In het Frans is het martinet noir.

Collocalia: Latijn coll- plus Grieks kalia-; ヤlijm +  h kalia : nest, hut, schuur.

Collocalia esculenta: ヤeetbaarユ. Eetbare zwaluwnesten.

 

Giraf.

Giraffa. Het is de zorafeh, zurafa, seraphe of el serafe: deユlieflijke ヤvan de Arabieren. Dit woord werd bij ons tot ons giraf, in Duits en Engels Giraffe en in Frans girafe.

Giraffa camelopardalis, o  kameloV  /  h pardaliV: De cameleopardalis heeft een eigenaardige bouw. Het beest zou een zonderlinge vereniging zijn van de eigenschappen van de ヤpanter (pardalis) met die van de kameel. (camelus)ユ Ze geeft de indruk dat het uit lichaamsdelen van verschillende dieren samengesteld is. Het is alsof ze de kop en de romp van het paard, de hals en schouders van een kameel, de oren van een rund, de staart van een ezel en de poten aan de antiloop heeft ontleend terwijl de kleur en de tekening van het gladde vel aan een panter, pardalis, doet denken. Linnaeus noemde het Cervus camelopardalis en cervus, hert, naar de korte horentjes die hem aan de rozenstokken van een jong hert deden denken.

 

Glimworm.

Lampyris noctiluca: van Latijn ヤglimwormユ van Grieks lampein, lampw / to pur / h nux -nuktoV; ヤschijnen, lampユ en ヤヤs nachts lichtendユ. (Pyrophorus, pyro: ヤhet brandendeユ) Vuurvlieg, Johanneskeber, lichtkever, glimworm of gloeiworm, Engelse glow-worm en in Duits Gluhworm, Feuerfliege, Leuchtkafer of Johanniswurmchen, -kafer, begint te vliegen op de dag van St. Johannes, 24 juni.

De strenge boetprofeet Johannes toonde zijn zachte hart toen hij een kevertje opnam en op een bloem zette zodat het niet vertrapt zou worden. Door de aanraking van zijn hand ontving het beestje lichtend vermogen. Of, toen Johannes eens verdwaald was gaf God hem het licht afstralende diertje zodat hij de weg naar huis weer kon vinden. St. Jan is de plaatsvervanger van de heldere Balder, de zonnegod.

 

Gnoe.

Catoblepas gnoe of Connochaetes taurinus: Latijn van Grieks konnos, o konnoV baard ,  h caith: loshangend haar, Latijn chaetes: ヤgeslacht van herkauwersユ en taurinus: ヤstierユ. Bij de Zuid Afrikaanse boeren is het bekend als ヤswart wildebeestユ, vanwege zijn uitgelaten bokkensprongen en woest op hol slaan waarbij opeens een ヤhaakユ gezet kan worden. Gnu is het in Engels en Duits, in Frans gnou. Van de Hottentotten is de naam ヤgnoeユ afkomstig. Het woord is ontleend aan het bulkende geluid dat dit dier laat horen. Grieks catoblepas betekent hij die naar beneden kijkt.

 

Goudhaantje.

Regulus: ヤkleine koningユ.

Regulus regulus: goudhaantje, goudsbloemvogeltje, St. Maartensvogeltje en bergsijsje in Haarlem, tommelid in Schiermonnikoog waar tomme duim betekent, en lid: klein. In het Fries is het fugelkeninkje en goudtufke en in Frans roitelet, Duits Wintergoldhahnchen, Engels goldcrest.

Regulus ignicapillus: ヤmet gloeiende kuifユ is het vuurgoudhaantje en Engelse firecrest.

 

Griel.

Burhinus oedicnemus: Grieks bous, o bouV - h riV (rinoV): ヤosユ, en rhis: ヤneusユ, oidos: ヤgezwelユ, aan de neus, kneme:ユ scheenbeenユ, dat naar de grote neusgaten en zwaar gebouwde poten. Engelse thick-knee. Griel en scharluup zijn klanknabootsingen, wat gegiechel, dorensluiper of doornslijper: slijpen is sluipen, of in Fries tjokpoat: dikke poten, Duitse Triel, Engelse stone curlew, Franse oedicneme criard.

Het geluid is een scherp kar liepユ waarvan de naam griel zou zijn afgeleid.

 

Griffioen,  o gruy: grijpvogel, gier.

Griffioen is een naam met de uitgang van schorpioen. In midden-Nederlands was het grifoen (in Frans griffon en Engels griffin) in oud-Frans was het grifoun dat van Latijn gryphus stamt.

De Hollandse benaming is vogel grijp, in midden-Nederlands was het vogelgripe, in Duits Greif en in oud-Hoogduits Grifo en dat van het Latijnse gryphus wat van het Griekse gryps: gedraaid of haakbek stamt. Een fabelvogel.

Volks etymologisch zocht men verband tussen de naam grijp en ons woord grijpen, reden waarom er van grijpvogel gesproken wordt.

Garoyles werden vertegenwoordigers van religieuze gebeurtenissen en gecre粗rd voor de ongeletterde bevolking als vermaning om te メlezenモ. Op de manier van: ヤdrink van het geestelijk vocht dat van de torens komt en wordt zuiver van geestユ. Vandaar dat ze veel afgebeeld worden bij drukkerijen, zie John Enschede.

Vanwege het feit dat de Gargoyles zulke duistere creaturen zijn stamt het geloof dat ze gecre粗rd werden om duivels tegen te houden. Zo werden ze geplaatst aan de buitenkant van gebouwen om de duivel buiten houden. In latere tijden werden de meeste van hen meer ornamenteel en waren alleen maar nuttig als decoratie.

 

Grutto.

Limosa limosa: vユan de zeeweideユ. Grutto die in N. Holland ook wel marel en op Terschelling griet heet, in Limburg komt de naam oeversnip voor en in Friesland schries, schrier of grieto, naar zijn geluid. Ook marel, slijktreder of tjust. Duitse Schwarzschwanzige Uferschepfe, Engelse black tailed godwit, Franse barge a quene noire.

Hij roept voortdurend ヤgrietto, griettoユ, in alle verschillende toonaarden en tempo. Als er gevaar dreigt hoor je de klacht ヤo, Grietユ en dat vaak herhaald. De Fransen noemen hem barge: ヤeen platboomvaartuigユ.

Limosa lapponica: ヤuit Laplandユ is de roze grutto, de rosse griet en in Fries de reade skries, Duitse Rostrote Uferschnepfe, Engelse bar tailed godwit, Franse barge rousse.

 

Haai.

Carcharodon. Grieks karcharos, karcaroV : scherp , o odwn: tand: ヤscherp of getandユ en odous: ヤhoekig tandユ. Haai heet in Duits Hai. In midden-Nederlands was het haey, een woord dat ontleend is aan Noorse en Zweeds vormen ha en in IJsland betekent hakarl een roerklamp. Het dier werd zo genoemd naar zijn rugvin die op dezelfde manier boven water uit stak als het oude roer boven de rand van een boot. Het is de Engelse shark.

Carcharodon carcharias, van Grieks karcharios: wat naar ヤmenseneter haai ヤverwijst. Witte haai of mensenhaai, Engels great white shark, white pointer of white death,

Carcharias lamia: van Grieks karcharios: ヤwat naar menseneter haaiユ verwijst en lamia: ヤkinderschrikユ, zie Lamium. Jonas haai, Duitse Jonashai.

Cetorhinus maximus: Grieks ketos, to khtoV : groot zeedier, dolfijn, walvisユ en rhinos: ヤneusユ, en de ヤzeer groteユ, is de walvishaai, reuzenhaai, basking shark of whale shark van de Engelsen.

Prionace glauca: Grieks glaukoV / akiV / priwn, prion: ヤzaagユ, akis: ヤpuntユ en zeegroen blauwユ is de blauwe haai.

Sphyrna zygaena: Grieks sphyra, h sjura: hamer, skulla / riV: en Grieks skylla:ユ haaiユ en rhinos: ヤneusユ, hamervis, Engelse hammerhead.

Scyliorhinus: Grieks skylla: ヤsoort haaiユ en rhinos: ヤneusユ.

Scyliorhinus canicula: van canis: ヤhondユ, kleine hond, is de hondshaai, asschelhaai, haschhaai, aschhaai of bonte haai, Engels small spotted catshark, Duits Kleingefleckter Katzenhai, behoort tot de groep der kathaaien, dogfish.

Scyliorhinus stellaris: Grieks skylla:ユ haaiユ en rhinos: ヤneusユ, met ヤsterrenkijkerユ is de kathaai, ook wel kondshaai, Engelse nurse hound.

 

Haan.

Gallus: Latijn van ヤhaanユ.

Gallus domesticus: ヤtam, gedomesticeerdユ. In midden-Nederlands was het hane, in oud-Saksisch en oud-Hoogduits Hano (nu Hahn (vergelijk hen en hoen, Huhn) oud-Engels heeft hona, Gotisch hana en Angelsaksisch hani wat uit Germaans xanan gevormd is en zo genoemd naar zijn gekraai, vergelijk het Latijnse cano en oud-Iers canim: ik zing.

De Engelse naam rooster is mogelijk van het woord ヤroostユ: een slaapplaats of te rusten gaan.

In Frans en Baskisch is het coq, in Fins kukko, Engels cock, mogelijk is het zo genoemd naar zijn gekraai.

Kuiken heet in het Engels chicken en wordt afgekort tot chick en voor een jonge vogel van elke soort gebruikt.

Kapoen: in Duits Kapaun, in midden-Nederlands was het capun en dit van Piccardisch capon, uit Frans chapon en dit uit Latijn capo en dat van Grieks kapon en dat weer van Hebreeuws kapporeth dat eigenlijk een zoenoffer was, een hoen die op de vooravond van de verzoendag gedood werd en waarop de zonden werden overgedragen. (Hij is kapoeres: hij is dood) Een gecastreerde haan, to kaponi: kapoen (modern  Grieks) eunoucismenoV kokoraV.

Kip, vergelijk het midden-Nederlands kippen: uitbroeden, men kan denken aan het open pikken van de schaal, of de lokroep.

Kloekhen of klokhen is zo genoemd naar haar geluid, in Duits Henne en Engels hen wat uit hanena stamt en mogelijk tot de haan behorend betekent.

 

Haas, o lagwV: haas,  - lagaroV : week, zacht, krachteloos, ingevallen -  to wtion: oor.

Lepus. Het Latijnse woord Lepus komt van Grieks lagos: ヤdier met flapperende orenユ, Grieks lagaros: ヤslap of holユ en Latijn ヤzwakユ, met Grieks ous: of otos, ヤoorユ.

Lepus europaeus: ヤuit Europaユ, haas heet in midden-Nederlands hase, in oud-Hoogduits was het haso (nu Hase). Dit woord komt voor naast een vorm met een r in, in oud-Engels was het zo hara (nu hare) Daarnaast staat oud-Hoogduits hasan: grijs grauw, vergelijk het Latijnse woord canus wat ヤgrijsユ betekent, de haas is zo naar zijn kleur genoemd.

De Duitse jagers zeggen Kromme, ook het woord Springerle komt voor.

Lampe zou het genoemd zijn naar de oplichtende achterkant.

Omdat hun achterpoten veel langer dan de voorste zijn kunnen ze niet lopen maar slechts springen. Daarom noemt men de haas in Duits Lampe, het Keltische lam betekent sprong, be of pe betekent klein, zodat Lampe de kleine springer betekent.

Lepus timidus: ヤangstig ヤis de sneeuwhaas of Alpenhaas.

 

Hagedis.

Lacerta: Latijn voor ヤhagedisユ. o sauroV  -  h saura. Hagedis, Hagedisse was het in 1567 waarnaast aechdisch en midden-Nederlands haghetisse ontstaat onder invloed van haag, verder eghedisse en zo ook het oud-Saksisch githassa, oud-Hoogduits Egidehsa (nu Eidechse) en oud-Engels aoexe tot ask.

Het Engelse lizard komt van oud-Frans lesard en dit van Latijn lacertus.

Het Griekse saura betekent een hagedis. In Nederlandse dialecten zijn er talloze bijvormen wat erop kan wijzen dat het dier een zekere vrees inboezemde zodat er taboeverschijnselen ten opzichte van het woord bestonden.

In Noord-Germaanse gebieden vinden we weer een ander woord. In oud-Noors is het eola of eyola terwijl daarnaast namen als in Deens fireben, Zweeds fyrfota en oost-Frans catrepis (uit Latijn quadrupedia, ヤvier voetenユ) heel duidelijk op taboe omschrijvingen wijzen. Dat betekent dat de overgeleverde woorden daar de invloed van hebben ondergaan en een verklaring ervan vrijwel onmogelijk wordt. In het eerste deel, egi, zou men verwantschap met het oud-Indisch ahi, Grieks ophis: slang, vermoeden

Lacerta agilis:ユvlug of lenig, slangachtigユ, zandhagedis die in de duinen eidas, in Gelderland en Overijssel everdas en in het land van Kuik egetis genoemd wordt.

Scincus, Latijn van Grieks skinkos: ヤschenken of serveren als drankユ, oud Engels scencan, ヤdrank uithalenユ, van Nederlands skink: ヤschenkenユ.

Scincus officinalis: h lakiV : lap, lomp, flard, het verscheuren en ヤgeneeskrachtig.ユ de gewone skink, Engelse skink die soms slangenhagedis genoemd wordt en in Duits Glanzschleiche en Skink vanwege zijn gladde, gestroomlijnde bouw.

Zootoca vivipara: Grieks zoon, to zwon - toxeuw : afschieten, met de boog schieten + toxikon: een ヤgiftige substantie van een dierユ, en ヤlevend barendユ, Engels viviparous lizard, Duits Waldeidechse.

 

Hamster.

Cricetus cricetus. Uit Tsjechisch krekeck: hamster. Hamster in Duits Hamster of Kornferkel. Engels hamster, uit Oud Hoogduits hamustro, wat waarschijnlijk verwant is met oud Russisch chomestru, de wortel van Russisch khomiak: hamster.

 

Haring.

Clupea: Latijn clupea: ヤsardienユ, van Clupeus: ヤschildユ, naar de schalen die het lichaam bedekken. kaluptw : omhullen, bedekken.

Clupea harengus: In midden-Hoogduits was het Haerinc, oud-Hoogduits en midden-Nederlands hebben harinc, Angelsaksisch haering (nu herring) Het is een west Germaans woord (in oud-Noors sild, verwant met zeelt) Uit het Germaans is in de zesde eeuw het Latijnse Haringa ontleend en daaruit stamt het Franse hareng.

Haring heeft zijn naam misschien van het Grieks woord Tarichos o taricoV : gezouten of gerookte vis of vlees omdat hij gezouten werd waarom we hem ook pekelharing noemen.

Een eerstejaars heet bliek en een jaar later wordt het een toter. Na drie jaar is de ideale grootte bereikt en heet het de maatjes. Dan wordt die aangevoerd als Hollandse Nieuwe. Die werd vroeger vlak voor de terugkeer naar de haven gevangen, licht gezouten en direct verkocht en is bekend als de groene haring. Dat wordt de laatste jaren niet meer gedaan omdat er een parasitaire haringworm in kan blijven leven die de haringwormziekte bij de mens kan veroorzaken.

De maatjesharing heet alleen zo als die gevangen is vlak voor dat die kuit of hom ontwikkelt, dan is die lekker vet. Vandaar dat het woord afkomstig is van maagdekensharing. Dit vet kan wel tot 20% oplopen.

Maatjesharing komt uit uit maeghdekens haerink, dus een zeer jonge haring, het was de Duitse Madchen of Jungfernhering en heet nu Matjeshering.

Een volle haring heeft de geslachtsdelen goed ontwikkeld. Die wordt gekaakt en ingezouten. Kaken is een insnijding onder de linker kieuw waar die ontdaan wordt van een deel ingewanden en kieuw

Die wordt meestal warm gerookt en gestoomd en heet dan bokking, strobokking of Harderwijker. Zeer licht gerookt heet die bakbokking. Bokking. In midden-Nederlands was het bockingh, boksharing of buckem, in midden-Noordduits buckink en nu Bucking. Het woord is een afleiding van bok, naar de onaangename geur, met een eindiging ing zoals in wijting en haring.

Het is een gezouten en daarna gerookte haring.

Opengesneden en licht gerookt is het een kipper.

Koud gerookt en sterk gezouten is het een spekbokking, bij de Engelsen heet het dan kipper.

Na het paaien wordt het een ijle haring. Die heeft weinig vet, 1 %, en is geschikt om in te maken en dan is het de zure haring of, opgerold met een augurk, de rolmops. Rolmops, van oprollen en de hondensoort mops, vanwege de gelijkenis tussen de opgerolde haring en de vorm van de hond.

Ga je zelf iets maken met die volle haring dan spreek je van panharing.

Exocoetus volitans: ex- ek-  /  h koith : legerstede, bed, rustplaats, en beweeglijk, fladderen, zwaluwvis, Hierundo is de zwaluw. Ze komen met de haring overeen, vandaar vliegende haring. Blue flying fish.

 

Harpijen, in het Engels heet het harpy, in Frans harpie wat stamt van Latijns harpyia en dit van Grieks harpuiai wat verbonden is met harpazein: ヤsnappen of pakkenユ.

 

Hartenbeest.

Alcephalus buselaphus. Alce van de ヤelandユ, Alces, en laphus: ヤgehoofdユ. In Deuteronium 14:5 komt ヤyachmurユ voor, het is een van de moeilijkste namen van reine dieren. De 70 overzetters gebruikten het Griekse woord bubalos er voor, dit heeft dezelfde wortel als waar buffel van af stamt, bubale is er een vertaling van, h kejalh  - o bouV - o elajoV : hert, hinde.

Buba of bubal, hartenbeest, in het Engels heet het hartebeest, van Afrikaans hertebeest, de boeren dachten dat het op een hert geleek. Niet naar de hartvormige spiegel, Duitse Hartebeest en Franse bubale.

 

Havik.

Accipiter: ヤscherpvleugeligeユ, akiV - to pteron: vleugel, vlucht.

Accipiter gentilis: ヤsierlijkユ. Havik, In midden-Nederlands was het havec of havic, in oud-Saksisch habuc, oud-Hoogduits heeft Habuh en Hapuh (nu Habicht) in oud-Engels is het heafochawk, in Fries hauk en oud-Fries hauck, midden-Engels hauk (nu hawk en goshawk) en oud-Noors heeft hakr en haukr. Mogelijk stamt het woord van Indo-Germaans qap: pakken.

Oude naam is Astur palumbarius ヤvan de rivier Asturiaユ, nu Leon in Spanje, en ヤvan de duivenユ. Frans heeft autour des palombes. (duif)

De havik, duivenvalk, grote sperwervalk of patrijzenvalk, Duitse geflugelter Teufel of Stoter.

Accipiter nisus: ヤaanstormenユ, Koning Nisos is volgens de sage in een sperwer veranderd, sperwer, heet in Zuid Holland vinkenvalk, vinkendief of vinkensperwer, bij Nijmegen stervalk, in Haarlem koekoeksveren, in N. Brabant schietvogel en in Limburg spelver. Ook de namen stootvogel, schietvogel, blauwvalk, sparwer en vinkenvalk komen voor. Hij volgt de trek van de vinken zodat hij te vinden is in de beukenwouden. Maar hij lust ook duiven, tortels, muizen en insecten. Het is de Duitse Sperber, Engels sparrow hawk of sparhawk, dus eet ook sparrows of mussen en Franse epervier dユ Europa.

 

Hazelworm.

Anguis fragilis: ヤbreekbaar, broos, zwakユ, anguis, Proto Indo-Europees hengis: ヤslangユ, oud Pruisisch angis. Hazelworm, heet zo omdat ze onder de hazelaars voorkomt. Sloe-worm wordt het genoemd omdat ze kruipt en leeft onder de sloe of de slee, Prunus spinosa.

Blindslang heette in midden-Hoogduits Blintsliche en nu Blindschleiche, in Engels blind-worm. Oorspronkelijk was het de blinde sluiper. Het dier werd vanwege zijn kleine ogen valselijk voor blind gehouden. Ook is een hagedissoort die Caecilia heet waar het woord van caecus: blind, is afgeleid.

 

Hert.

Cervus elaphus: hert, edelhert, heette in midden-Nederlands hert of hart, in oud-Frans was het hirot, in oud-Hoogduits hiruz, (Duits Hirsch) oud-Engels heeft heorot en heort (nu hart) in oud-Noors is het hjotr. Het is een woord dat uit het Germaanse heruta stamt wat een gehoornd dier betekent. Dezelfde betekenis heeft het Latijnse Cervus dat afgeleid is van het Griekse keraos wat ook gehoornd betekent, o elajoV : hert   to keraV : runderhoren. De Griekse naam voor het hert is elaphos. Die naam lijkt veel op die van de olifant, elphas. Van Beverwijck: ヤZo weinig als de horens van de olifant en het hert van krachten verschillen, zo weinig verschil heeft de Griekse taal in haar naamgeving gemaakt. Want waar de olifant Elphas genoemd wordt daar heet het hert Elaphosユ.

Het mannetje heet in het Latijn cervus, vandaar de Franse naam cerf, Engels cervine en in het Italiaans cervo, in Spaans ciervo, maar bij de Engelsen heet het hirde zoals bij ons hert en de Hoogduitsers in Hoogduits Hirts. Het wijfje noemen ze in de vermelde spraken cerva, biche, cerva, cierve, Hinde en sommige Duitsers ook Wilprecht.

Hert of hart wordt naar zijn zomerkleur wel roodhert en roodwild genoemd, in het Duits is dat ook Rothwild en in Engels red deer.

Het wijfje heet hinde, in het Engels hind en in Duits Hinde. De Angelsaksische en oud-Noorse naam hind voert terug op Germaans hindo wat ongehoornd betekent.

Het jonge kalf heet naar het geslacht hertkalf of hindenkalf. Hinnulus heet op Latijn het zoontje van het hert.

 

Honden.

Canis. Hond heet in Duits Hund en in Engels hound. Dit woord komt ook voor in oudere talen, het is afgeleid van het Germaanse hunda, dit van Indo-Germaans kuon, vergelijk het Griekse kyon, o kuwn, kunoV: hond , en Latijn canis wat allemaal hond betekent. Het Griekse woord betekent zoveel als ヤbijzonder liefhebbenユ, wat de honden bij hun meesters veel doen, of van ヤik beminユ, omdat ze sterk tot vermenging overhellen.

Het Latijnse woord zou kunnen komen van a canendo: zingen, vanwege zijn geroep of geschreeuw, of van catus: de scherp oordelende.

Kanaille of canaille komt ook van Latijn canis: gemene kerel.

Het oudste hondenras is waarschijnlijk de Arabische saluki geweest, een soort windhond, wiens naam de ヤedele ヤbetekent.

Wachthond of slagershond, de matin der Fransen wat huishond zou betekenen. Volgens Linnaeus zou hieruit in het noorden de Deense hond en in het zuiden de hazewindhond zich ontwikkeld hebben.

Door kruising hiervan werd de Duitse dog verkregen. Het is de Duitse ヤRijkshondユ die ook wel Ulmer dog wordt genoemd. In Engeland wordt het de great Dane en in Frankrijk grand Danois genoemd.

Een bullenbijter is een voor stierengevechten (bull) afgerichte hond, het is de bulhond, de Engels bulldog, bullhond of boxer.

De dashonden, Duits Dachshund, om op dassen te jagen, worden in Engeland terri喪 genoemd.

De otterhond die naar zijn vaderland Skije-terrier heet. Het wordt wel spithond genoemd omdat het in Engeland en Frankrijk gebruikt wordt voor het draaien van het braadspit dat men hiervoor net als bij ons de karnhond in een tonvormig treerad laat lopen. Vroeger deed het ook wel bij de hazenjacht dienst en heet daarom ook Welsh-harrier.

De namen waaronder verschillende jachthonden hier bekend zijn worden wel eens verwisseld of in ruimere zin gebruikt. Zo wordt de naam ヤstaande hondユ soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid, terwijl de naam ヤpatrijshondユ meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en ruigharige rassen dient. Bij de Engelse is dit duidelijker. Hun gladharige staande hond heet ヤpointerユ, dit dier ヤtekentユ (het wijst de jager het wild) door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbeweeglijk te blijven staan. Het heeft de neus naar het doelwit van de jacht gericht, in Frans chien dユarret.

De langharige Engelse staande hond heet ヤsetterユ omdat hij gewoon was te tekenen door te gaan zitten of liggen bij de plaats waar het wild verborgen was, in Frans chien couchant.

De speurhond is de Duits Schweisshund en de Engelse bloodhound of talbot.

Bij de parforce-jacht wordt het wild door honden, vaak in koppels van zes a veertig stuks, zo lang nagejaagd dat het wild door vermoeienis uitgeput blijft staan en vaak door de honden gegrepen of door de jager die te paard volgt afgemaakt. Het wild wordt dus par-force (door krachtsinspanning) verkregen en niet van af de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende hondenrassen die daarom parforce honden of brakken, in Frans chiens courants, heten. Van Beverwijck, ヤzeer misselijk worden en de maag zich zeer tot walgen stelt wat we zeeziek noemen waardoor ze ook aan het braken komen wat zo genoemd is naar de brakken omdat die honden zeer braakachtig zijnユ.

Voshond om op vossen te jagen. Veel kleiner dan de vijf en vijftig a zestig cm hoge voshond is de spion, Duitse Stoberhund, Franse choupille en Engelse beagle, wiens schouderhoogte maar vijf en dertig cm bedraagt. Het zou een bastaard zijn van de voshond en de dashond.

Zijdehonden hebben lange zijdeachtige haren. Ze heten ook Spaanse honden, in Frans epagneul en in Engels spaniel, een naam die van het eiland Hispanolia (Ha付i) ontleend is waar het van afkomstig is. Een zijdehond is ook de poedel en die wordt ook wel waterhond genoemd omdat hij zoveel van water houdt.

De Newfoundlander werd het eerst uit Newfoundland aangevoerd, daar werd hij door de planters gebruikt om hout uit het binnenland naar de kust te brengen.

De St. Bernards- of Bernhardinerhond werd gebruikt het klooster Sint Bernard om verdwaalde en verongelukte reizigers op te sporen.

De rattenvanger, Pintscher van de Duitsers wordt gebruikt om ratten te vangen. Pintscher komt dan ook van het Engelse pinch: knijpen omdat de staart en oren af gesneden worden de gelijke betekenis in Frans is pincer, vandaar pince-nez: neusklemmer en pincette.

Herdershond om de herder te helpen. Wat de herdershond is voor het vee is de keeshond voor het huis, het is de Spitz of Pommer van de Duitsers.

Maltezer, Malta leverde, naar Plinius, zulke honden, maltezer hondjes.

Canis aurea: goudkleurig, Goudjakhals, jakhals heet in het Engels jackal, in Duits Schakal en in Frans chacal. In Hebreeuws heet het shuユal wat de wortel is van het Arabische jakal, dit stamt uit Turks tschakal wat weer uit Perzisch sayal stamt, dat op oud-Indisch srgala teruggaat.

Canis lupus: o lukoV : wolf. In midden-Nederlands was het wolf en wulf, in oud-Saksisch en oud-Engels wulf, (nu wolf) in oud-Hoogduits Wolf, (nu Wolf) in oud-Noors ulfr. Dit stamt van het Gotische wulfs wat beantwoordt aan Latijn lupus en Grieks lukos, mogelijk stamt het van de wortel welq: ヤsluipenユ. In Frans heet het dier loup, van lupus.

 

Hop.

Upupa epos: Latijn upupa is net zoals het Griekse epops een ヤklanknabootsingユ. Hop is zo genoemd naar het geluid dat hij maakt, hop of meer hoep, slijkhaan, vlaszaaier, huppe in Gelderland heet hij schijthop, in N. Brabant stinkhaan en vlaszaaier en in Groningen drekhaan, schiethoepe en stronthaan. Het is de Duitse Stink-, Kotvogel, Stinkhahn, Puvogel, Kuckucksknecht, Wiedehopf, Hoppevogel en Bubbelhahn

In Engels is het hoopoe. Laat midden-Hoogduits heeft huppupp dat van oud-Frans pupu komt vanwege zijn geluid, en dat van Latijn upupa, vergelijk Grieks epop-s.

 

Horzel.

Gasterophilus: Gaster: h gasthr, ヤopgeblazen, maagユ, philus: ヤhouden vanユ of o oistroV : horzel, razernij.

Gasterophilis intestinalis: ヤvan binnenユ en ヤin het darmkanaalユ. Paardenvlieg, paardenwesp of horzelwesp, in Overijssel heet het horp, in Gelderland horentje of hoornaar, in Engels hornets.

Hypoderma bovis: to derma : huid, leer ヤonder de huidユ en ヤrundユ, runderhorzel.

 

Hyena.

Hyena, Latijn, komt van Grieks huaina, h uaina : hyena, verscheurend dier uit Libi en   o, h uV: zwijn (hus: zwijn) vanwege de borstelige rug. Hyena, in oud-Hoogduits was het ijena en hienna. Het Duits heeft nu Hyane, in Engels is het hyena en Frans heeft hyene.  (reeds in het Grieks bij Homerus)

 

Ibis. h Jrhskeia : eredienst, cultus   /  o orniV : vogel, haan, kip.

Threskiornis aethiopicus: ヤuit Ethiopi戴. Threskiornis waar ornis een ヤvogelユ is, Theskia: van ヤhandelingen?(Ibis religiosa, ヤgeheiligd) o ibiV : ibis.

Ibis of nijlreiger, de slangen verslindende vogel van Thoth, de god van wijsheid en schrijfkunst die met een ibiskop afgebeeld wordt heet in oud-Egyptisch hbj, in Grieks en Latijn Ibis: ヤjij zal gaanユ. (tot het einde der aarde) In Duits, Engels en Frans Ibis. Ibis sacre. Het draagt in Egypte de naam van Aboe-Hannes: Vader Johannes.

 

Mangoeste. erpw : kruipen /  o icneumwn : spoorzoeker, ichneumon, spinnenetende wesp.

Herpestes ichneumon: Herpestes van oud Grieks herpestes: ヤkruipendユ, en van Grieks ikhneumon ヤdoorsnuffelen, zoeken, ik speur na, ik volg het spoorユ omdat het een opspeurder is van een krokodil en zijn eieren vermits hij met zijn langwerpige snuit alles doorsnuffelt en doorwroet en weet het goede van het kwade en het gezonde van het vergiftige te scheiden. Het wordt wel farao-rat, vanwege zijn afbeelding op de tempelmuren, Egyptische muis, -rat of otter genoemd. In het Engels ook wel mongoose, bij ons ook mungo en mangoest en in Frans mangouste, dat van Marathi naam mungus en dat van Dravisch mungeesa en aangepaast aan goose: gans waar het geen verbinding mee heeft. Ook Melon of Meloncillo.

 

IJsvogel.

Alcedo atthis: van Oud Grieks h alkuwn.alkuon:ユ koningsvisserユ, atthis: ヤvan Attticaユ.

Alcyone, dochter van Aeolus (de wind) en Enarete, was getrouwd met Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden ze zich Zeus en Hera, tot straf hiervoor werd hij veranderd in een zeemeeuw en zij in een ijsvogel. Elke winter draagt ze nu haar gemaal in het graf. Daarna bouwt ze een nest die ze op de golven drijven laar. Hierin legt ze een ei en broedt het uit. Wanneer ze dan broeden, omstreeks een week voor en een week na de kortste dag, laat Aeolus alle winden rusten, vandaar heten die dagen Alcyonii dies, de dagen van de ijsvogels wat overdrachtelijk gegeven werd aan een rustige en gelukkige tijd. Ze zeven windloze dagen voor en na de winterzonnewende.

IJsvogel. In vroegere, oude tijd toen het blauwglanzende ijzer diende om er sieraden van te maken is de blauwglanzende vogel daarnaar genoemd. Naast oud-Hoogduits Isarnovogal en Isarno, komt Angelsaksisch isern: ijzeren, naast amarvogal en amero voor. Toen de kleur bij het ijzer verdween werd isarno, onder invloed van het geleerde bericht dat de alcedo in de winter broedt, omgevormd tot is-aro: ijsaar (arend) waarbij op de roofvogelachtige wijze waarop de vogel vissen vangt een vergelijk gezocht.

Het midden-Hoogduits Isvogel werd tot voorbeeld van onze ijsvogel in Duits Eisvogel, in Deens isfugl en in Zweedse isfagel.

Het is de Engelse king-fisher, van Saksisch cyning wat koning of chef betekent of halcyon. Halcedo, Alcyon of Halycyon. Het is een echte visser, de Martin pecheur van de Fransen. Ook waterspecht of iisfugel.

 

Inktvissen. arcwn: aanvoeren, leiden heersen  / h teuqiV : inktvis,  dus: superinktvis.

Architeuthis dux: Latijn van Grieks archi: voor ヤnegenユ en teuthis: ヤinktvis, dux van duces: ヤleiderユ, reuzenpijlinktvis, Duitse Riesentintenfische.

Argonauta argo: h Argw : het schip van Jason  / o nauthV : schipper, zeeman, matroos. Grieks nautilos: ヤvan een schip, zeemanユ, vergelijk nautisch. Argonauten, de zeevaarders van de Argo, 50 Griekse helden die onder aanvoering van Jason naar Colchis voeren om het Gulden Vlies te halen. Papiernautilus, Engels greater argonaut, Duitse groszer Papierboot, Frans argonaute.

Loligo vulgaris: Latijn loligo: ユlaster en venijnユ, hun naam voor de inktvis, Engels common squid, Duits Kalmar, Frans encornet en calmar, Calmar, van calamarius:ユ schrijfrietユ en ヤgewoonユ, pijlinktvis.

Nautilus pompilius: ヤzeemanユ en ヤpronkendユ, paarlemoer nautilus, parelboot, Duitse Nautilusschnecken of Perlboote.

Men verdeelt ze wel naar de armen in Tetrabranchaiata: vier armen. Dibranchiata: twee armen of vertakt. Octopoda: acht armen of voeten en Decapoda: tien armen.

De oude Grieken en Romeinen noemden de hen bekende koppotige ヤveelvoetenユ, polypus of polypous, dit werd polpo in Itali en poulpe in Frans, in Engels polyp en poliepen bij ons. Mogelijk is de voorstelling van de Gorgone Medea, die een hoofd had met slangen, een vorm geweest van de octopus.

Octopus vulgaris: oktwpouV  / oktapouV = to ctapodi in modern Grieks, ヤgewoonユ, gewone achtarm, kraak of zeepoliep, inktvis, kan een inktwolk uitspuiten om zijn achtervolgers te laten verdwalen.

Sepia officinalis: van Latijn sepia: ヤinktvisユ en ヤgeneeskrachtigユ, inktvis. h shpia : inktvis (wegens zijn stank) shpw : verrotten, stinken, vergaan.

 

Jan van Gent.

Sula bassana. Sula: solan: chandel: ヤgansユ. Bazaangans, bassaangans, Duitse Basstolpel, Franse fou de bassan, door Linnaeus zo genoemd naar het eiland Bass Rock bij Berwick, Edinburgh, waar er duizenden zijn.

Ook Jan van Gent, dat van gander: ヤmannetjesgansユ, Engels gannet.

 

Jewar.

Ceriorinis melanocephala: to keraV: horen / o orniV / melaV / h kejalh,Ceras: ヤgehoorndユ, ornis: ヤvogelユ, en Grieks melas: zwart en cephala: hoofd, zwart hoofd. Jewar naar een plaats in India.

 

Kabeljauw.

Gadus: Grieks gados: ヤplatte visユ. o gadoV : kabeljauw.

Gadus morhua: ヤdood of gestorvenユ. De kleurverscheidenheid heeft de vis vele namen bezorgd.

Kabeljauw, eerder kabelow, in midden-Nederlands cabellau en cablau in de twaalfde eeuw, in Duits Kabeljau. Hoog Duits Kablen, waaruit Pools kablion en kibbeling, mogelijk Slavische oorsprong, mogelijk van Russisch voor stokvis die met de naam naar Nederland kwam als handelsartikel. Russisch kobel, kobl: staak en paal. De Basken, die ze vroeg aan de kusten van New Foundland vingen noemden ze naar het Hollandse woord en noemden het bakallao, door Nederlandse Groenlandvaarders werd het weer overgenomen als bakkeljauw. In Spaans is het bacallao en in Portugees bacalhao wat tot Latijns baculum: stok werd, zie onze stokvis, in Frans cabillaud en Engels cabiliau.

Koolvis is een soort kabeljauw met donkere rug en zwarte mondholte, daarom heet het ook in Engels coalfish, in hoog-Duits Kohlfisch dat van Latijn carbonarius stamt. Engels codfish.

Kolvis heten de exemplaren die ver van de kust gevangen worden. De kolvaart werd zo genoemd omdat men de kabeljauw aan lijnen vangt die van de Hollandse ヤkolユ, een soort hennep zijn gemaakt.

De kabeljauwvisserij is nog veel belangrijker dan de haringvisserij.

Die voert als hij vers is en ingezouten de naam van zoute vis of abberdaen, labberdaan, dat naar een deel van het Baskenland dat Labourd heet of van Labrador waar het vroeger veel werd gevangen. Ingezouten en gedroogd heet het klipvis. Wordt dan verkocht als bacalhau, in Suriname bakkeljouw.

Vijftig of zestig van onze schepen gaan naar de zogenaamde Doggersbanken om te vissen waar ze er duizenden vangen. Dogge is een verouderde naam naar de Doggersbanken waar hij gevist werd.

Terwijl de vissers van Noorwegen op en kleiner soort jagen die ze dorsch noemen, Duits Dorsch. De jongen heten wel dorsch en in Noorwegen spreekt men van grauwtorsch, zwarttorsch, bergtorsch etc. Gul heet ook de nog niet geslachtsrijpe vis, ook de vis met een lengte tot 90cm.

Die vissers van Noorwegen drogen ze dan en dan dragen ze van rond- of stokvis. Stokvis was in midden-Nederlands stockvisch en in midden-Noord Duits stocvisch, in Zweeds stockfish. Hij wordt in de open lucht of onder een afdak gedroogd en wordt zo hard als een stok waardoor voor hij gekookt wordt met hamers geklopt en in water geweekt moet worden.

De zogenaamde wangen die gevormd zijn door de sluitspier en de uitwendige laag van de kauwspier worden afzonderlijk ingezouten en onder de naam ヤkibbelenユ of kibbelingユ gefrituurd in de handel gebracht.

Jonge kabeljauw wordt gul genoemd. Skrei heet het in december en april wanneer hij vanuit de Barentszzee naar Noorwegen gaat om te paaien. Skrei van Vikingwoord skrida: reizen.

 

Kalkoen. MeleagroV: Meleagris; zijn zusters werden veranderd in parelhoenders.

Meleagris gallapavo: meleagris betekent ヤgestippeldユ en gallus: ヤkipユ. Pavo: ヤpauwユ, kippauw. Kalkoen, Engels turkey, Duitse Truthuhn of Puter en Franse dindon, dit komt van dユInde, de Indische hoenders. Calicoetse hoenderen heette in vroeg-Hoogduits Indianisch han en sinds 1553 Kalekutisch hun, vandaar ons woord kalkoen, ook het Franse turkey coq en in Duits Turkisch Hahn. Truthahn heet ze naar het geluid dat ze maakt als ze haar jongen roept, truth kan ook afgeleid zijn van drohen: bedreigen of opzwellen.

De naam turkey en kalkoen kreeg de nieuwe huisvogel waarschijnlijk ten gevolge van de veronderstelling dat ze uit Calcutta (Kalikat en in Engels Calicut, Calcutta, de haven aan de Malabarkust waar de Portugezen hun Oost-Indische rijk stichtten) of Turkije afkomstig zouden zijn. Men dacht dat de kalkoenen afstamden van de meleagerse hoenderen van de oudheid vanwaar men geloofde dat die uit Oost Indi kwamen.

 

Kameel, dromedaris.

Camelus bactrianus: ヤuit Bactriaユ, Uzbekistan, Bokhora. Kameel, midden-Nederlands was het cameel of kemel, in Duits is het Kamel of Trampeltier, het is de Engelse camel en Franse chameau. Dit woord komt van het Latijnse camelus, dit uit het Griekse kamelos, o kamhloV / dromoV: snelle loop / daroV: lange tijd, en dit van Hebreeuws gamal, vergelijk het Arabische jamala wat dragen betekent. De vorm kemel uit de 13de eeuw kwam tijdens de kruistochten waarschijnlijk rechtstreeks van het Arabische gemel. Uit Baktra : hoofdstad der Baktri喪s tussen de Paropamisus en Oxus.

Sommigen zeggen dat hij geleden kwaad lang kan verbergen maar omdat hij zeer wraakzuchtig is zijn slag slaat als zijn tijd daar is, vandaar zou de naam betekenen, ヤde kwaad heugendeユ.

Camelus dromedaris: Dromedaris, zo was het ook in midden-Nederlands of dromedarijs, in midden-Hoogduits was het dromedar, nu Dromedar, in Engels dromedary, (one humped camel) in Frans dromadaire. Dit stamt van laat-Latijn dromedarius, dit van Grieks dromados of dromedarius wat ヤlopenユ betekent omdat ze op een dag meer dan 100 mijl loopt, een dromos is een ヤrennerユ wat we terug zien in het Engelse hippodrome, een plaats voor paardenrennen. Sinds het voorstel van Nemnich in 1793 wordt de naam nu gebruikt voor een kameel met een bult.

 

Kameleon. o camailewn / camai: op de grond, ter aarde, bescheiden / o, h lewn : leeuw, leeuwin.

Chamaeleo chamaeleo: chamae is ヤkleinユ, en leo, ヤleeuwユ, het is de kleine leeuw. De zonderlinge gestalte en het ernstige voorkomen van de kameleon die langzaam en op hoge poten komt aanstappen en plotseling met zijn vreemdsoortig werptuig een prooi overmeestert zijn wel geschikt om de aandacht te trekken. Ze hebben waarschijnlijk aanleiding tot de naam gegeven.

Kameleon, in midden-Nederlands was het cameleon, in Duits Chamaleon en in Engels chameleon, vergelijk het Franse cameleon uit de 12de eeuw dat uit Latijns c(h)amaeleon stamt en dit uit Grieks khamai-leon, letterlijk leeuw op aarde, dat is een dwergleeuw, dat is al een stuk dat op sagenvorming duidt. De naamvormen wijzen op een Afrikaans gamalion. Z. Afrikanen noemen het verkleurmannetje.

 

Kanarie.

Serinus, Latijn van Frans serin: ヤals een sijsje.ユ

Serinus hortulanus: ヤvan de tuinenユ. Europese kanarievogel, het gele sijsje, de gewone geelvink die in de vorige eeuw enkele malen in ons land werd gevangen. Duits Girlitz, naar zijn geluid, Engelse serin en Franse serin cini.

Serinus canaria: ヤvan de Canarische eilanden, Canaria betekent hond, die ze daar veel zagenユ, is de tamme kanarie, de Duitse Kanarienvogel, deze wilde kanarie wordt door de Spanjaarden canario genoemd.

 

Karekiet. akroV /  h kejalh.

Acrocephalus arundinaeus, van Grieks akros: ヤhoogsteユ en kephale: ヤhoofdユ, het zal wel geweest moeten zijn van acutus, ヤscherp gepuntユ naar de spitse hoofd van dit soort, arundinaceus komt van Arundo: ヤrietユ. Grote karekiet of rietlijster is kaneelbruin en iets kleiner dan een merel. Duits Drosselrohrsanger, Engels great reed warble, Frans rousserole turdoide.

Acrocephalus palustris: ヤvan het moerasユ. Bosrietzanger of wilgensijsje. Duits Sumprohrsanger, Engels Marsh warbler, Frans rousserolle verderolle.

Acrocephalus schoenobaenus: Grieks .o scoinoV: bies, bainw: gaan, skhoiniklos: ヤrietユ en baino: ヤwandelenユ, rietzanger of trimrampje, Duits Schilfrohrsanger, Engels sedge warbler, Frans phragmite des joncs.

Acrocephalus scirpaceus: ヤbiesユ, bewoner van biesvelden, kleine karekiet, Duits Teichrohrsanger, Engels reed warbler, Frans rousserolle effarvatte.

Acrocephalus paludicola: ヤbewoner van moerassenユ: waterrietzanger, Duits Seggenrohrsanger, Engels aquatic warbler, Frans phragmite aquatique.

Locustella: ヤsprinkhaanachtigユ.

Locustella luscinoides: ヤnachtegaalachtigユ, snor of nachtegaalrietzanger, Duits Rohrschwirl, Engels Saviユ s warbler (naar Italiaanse natuuronderzoeker Paolo Savi, 1798-1871) Frans Locustella luscinioide.

Locustella naevia: ヤmet moedervlekkenユ. Sprinkhaanrietzanger, scharesliep, stapel of krekelzanger, Engels grasshopper warble, Frans la locustelle tachetee.

 

Karper.

Cyprinus: Latijn voor ヤkarperユ. o kuprinoV : karper.

Cyprinus carpio: Karper. In midden-Nederlands was het carper, in oud-Hoogduits Charpfo en nu Karpfen, in Engels carp. Vanwege zijn voorkomen in de rivieren van het Alpengebied denkt men aan een voor Indo-Germaanse taal, te vergelijken is Albanees karpe: rots, zie Karpaten.

Carassius: Latijn van karass, karausche, ヤkruiskarperユ.

Carassius auratus: ヤgoudleurigユ. Goudvis of goudkarper.

 

Kat.

Felis: Latijn felis naar het woord phelos: bedrieger omdat het zeer loos is of het is afgeleid van ailis wat pannenlikker betekent. o jhloV, o  jhlhthV: bedrieger / jhlow: bedriegen / aioloV : listig, beweeglijk.

Felis catus. Kat heette in midden-Nederlands catte, in oud-Engels catte naast catt (nu cat) in oud-Hoogduits chazza (nu Katze) oud-Noors heeft kottr dat vermoedelijk eveneens als Frans chat, Spaans gato, Italiaans gatto, Iers cat en Russisch kot uit het Latijnse catta van de 1ste eeuw na Chr. Stamt. Zo zou het woord afgeleid kunnen zijn van capere: ヤstelenユ, of van cautos: ヤloos, voorzichtigユ. Isidorus wil dat het woord afkomt van catat, dat is: ヤhij zietユ, of ヤzoeken te vangenユ. Het is een woord dat met het invoeren van de huiskat uit Egypte de Felis of wilde kat vervangt. Oorspronkelijk is het waarschijnlijk een Afrikaans woord, vergelijk het Nubische kadis, mogelijk heeft de Egyptische godin Bast of Pasht nog in de naam bemiddeld.

Felis maniculata: ヤlange mouwenユ. Duits Falbkatze, Kleinpfotiche Katze, Engelse Egyptian cat.

Felis maniculata angorensis: ヤlange mouwenユ en ヤuit Angora.ユ Angora kat, ook de Pers, de Maine Coon en Noorse boskat stammen hiervan af.

Felis silvestris: ヤvan het bosユ boskat.

 

Kauw.

Corvus: Corvus is Latijn voor raaf, o korax : raaf , Coronis was de dochter van een koning van Phocis. Ze werd door Neptunus achtervolgd en in een kraai veranderd.

Een andere Coronis was de moeder van Aesculapius, (de vader Apollo) die werd door de god uit jaloersheid gedood omdat hij haar van ontrouw verdacht.

Corvus corax: Raaf, in midden-Nederlands was het raven en rave, in oud-Hoogduits Hraban (nu (Rabe) oud-Engels heeft hraefn (nu raven) oud-Noors hrafn. Dit woord stamt uit Germaans hrabnaz dat in de runensteen van Jarsberg uit de zesde eeuw als eigennaam HarabanaR laat zien en verwant is met het Latijnse corvus en Griekse korax: ヤkraaiユ. Het dier zal wel naar zijn hese geluid genoemd zijn, vergelijk knarren en kraken. Van dezelfde wortel stamt ook roek. In Frans heet het grand corbeau. Naar de roep kork, kork, of kolk, kol heet die in Duits Kolkrab. Megenberg: Coredulus is alzo veel gesproken als een hartvreter, alzo spreekt Isidorus, want het is een vangende vogel en leeft van de roof en wanneer het een andere vogel vangt dan begeert het allermeest het hartユ.

Corvix cornix: de bijnaam cornix duidt op een ヤslimme kraai ヤin het Latijn. Van een handige oplichter zegt men dat hij zelfs de ogen van deze kraai te vlug af is. Virgilius noemt ze sinistram: ヤde slinkeユ, ook improham: ヤde snodeユ. Men wilde er mensen van een kwaad leven mee voor stellen. Bonte kraai of grijze kraai, winterkraai, zeekraai, schierroek, weesjongen, maaskrao. De eigenlijke kraai wisselt af met zijn naaste familielid, de bonte kraai. Waar de een is ontbreekt de ander. Bont is eigenlijk geen goede benaming. De Friezen zeggen schiere kraaien, skiere krie of buntrok. Schier is grauw, vergelijk. Schiermonnikoog waar eens de schiere (grijze) monniken huisden. Het grauw bepaalt zich tot de kop, de rest is zwart. Hij zoekt de stranden af op zoek naar schelpdieren en vandaar de naam zeekraai of buiskraai. Hij verschijnt in oktober en vertrekt weer in april, het is de winterkraai.

De Fransman noemt die weer corneille met de toevoeging mantelee: met een mantel. Het is de Engelse hooded crow, dus met een hoed of kap. Duitse Nebelkrahe naar het vage van de kleuren.

Corvus corone: corone doet denken aan het Griekse korone dat niets met het Latijn voor kroon te maken heeft. Het betekent al bij Homerus het ヤkraaienユ en slaat op hun geluid. h korwnh : (bonte) kraai / h korwnh einalih : dwergaalscholver. Naar haar is Corneille genoemd, in Frans heet de kraai corneille noire.

Kraai, boskraai, roofkrao, krie, swarte krie. In midden-Nederlands was het craie, in oud-Hoogduits Chraja of Kra (nu Krahe en Rabenkrahe) in oud-Saksisch kraja en oud-Engels crawe. (nu crow en carrion crow) Dit woord stamt uit Indo-Germaanse gra omdat het aanhoudende treurende gekras naar nabootsing leidde. Het is een klankwoord, zie kermen.

Corvus frugilegus: ヤoogstlezerユ. Roek, schurftkraai, schurftkop, schimmelkraai of zaadkraai, Duitse Saatkrahe, Engelse rook en Franse corbeau freux.

Het is mogelijk de vogel van Handelingen 17: 18 bij het woord dat Statenvertalingen door klapper weergeeft (betweter) waarbij Paulus optreden de nieuwsgierige Grieken vroegen ヤユ wat wil toch deze ヤklapperユ zeggen?ユ. Het woord klapper is in het Grieks de aanduiding van een vogel die een zaadje oppikt. Het Griekse spermologos: ヤzaadverzamelaarユ, wordt in het Latijn verklaard met frugilegus.

Wat deze vogel betreft die in het Latijn Graculus genoemd wordt zijn er verschillende mogelijkheden voor de naam. Isidorus meent dat het komt van ヤa garrulitate suaユ, ヤvan zijn gesnapユ, vooral tijdens de paring. Zijn snater staat zelden stil. Anderen willen het afgeleid hebben van a gerendo: ヤschorsen of dragenユ omdat ze het geworpen graan vervoeren en als ze naar hun nesten vliegen drie lauriertakken meenemen met iedere poot een en een met hun snavel. Anderen omdat ze met troepen en gehele scholen vliegen, bijeen zitten en gezellige vogels met hun gelijken zijn.

Corvus monedula: ヤ kraai die de centen wegpiktユ. Kauw, kerkkauw of torenkraai heet in Friesland ka en vandaar kauw, klanknabootsend woord, verder, toerka of akke, in Duits Dohle, in Engels daw of jackdaw en in Frans choucas des tours.

Wat deze vogel betreft die in het Latijn Graculus genoemd wordt zijn er verschillende mogelijkheden voor de naam. Isidorus meent dat het komt van ヤa garrulitate suaユ, ヤvan zijn gesnapユ, vooral tijdens de paring. Zijn snater staat zelden stil. Anderen willen het afgeleid hebben van ヤa gerendoユ: schorsen of dragen, omdat ze het geworpen graan vervoeren en als ze naar hun nesten vliegen drie lauriertakken meenemen met iedere poot een en een met hun snavel. Anderen omdat ze met troepen en gehele scholen vliegen, bijeen zitten en gezellige vogels met hun gelijken zijn.

Pyrrhocorax pyrrhocorax: Grieks purroV: vuurrood, rossig, roodachtig, hoogblond, pyrrho: ヤroodユ, corax: ヤraafユ steenkaai, Alpen of bergkraai, Engels alpine chough, komt voor in Eurazi, Atlas en Himalaya.

Pyrrhocorax graculus: ヤkraaiユ alpenkauw. o korax.

 

Keerkringvogel. FaiJwn / o aetoV: grote vogel / h aiJhr: lucht, stralende bovenlucht, hemelstreek.

Phaeton aetherus: aether: ヤluchtユ. De keerkringvogel heeft lange staartveren vandaar de Franse naam paille en quene. Phaeton of Faeton was de zoon van de zon en Klymene. Hij wist van zijn vader gedaan te krijgen dat hij eens in de zonnewagen macht rijden. Hij verloor de macht over de paarden die het hemelse vuur trokken zodat de aarde verschroeid werd. Zeus maakte er een einde aan door een bliksemstraal te zenden die Faeton op aarde deed tuimelen. Zoon van de zon noemde Linnaeus een vogel die voor de zeeman een kenteken is dat zijn vaartuig de hete aardgordel bereikt heeft.

 

Kemphaan.

Philomachus pugnax: heeft een Latijnse toevoeging die ヤstrijdlustigユ betekent. Ook de Griekse voorgaande uitdrukking betekent strijd, jiloV : eigen, dierbaar, geliefd, genegen / h mach : strijd, slag, krachtmeting. Het eerste deel, philo, betekent ヤminnaar vanユ en het tweede deel is ヤstrijder of oorlogsvoerderユ. Macha in Grieks is namelijk strijd of gevecht. De Franse naam chevalier combattant versterkt die indruk, een strijdende ridder. De kemphaan, kemp van kampen, heet in Duits Kampflaufer of Kampfhahn, en in Engelse ruff waarbij het vrouwtje reeve heet. De Friezen, die het echtpaar wel het vaakst te zien zullen krijgen, noemen ze haontsje en hintsje. In Groningen heet hij kappertje, op Terschelling kraagman en op Texel kragenmaker, ook kemper, hoanstje en hintsje, foddebosk, meisnip. Kemphaan is zo genoemd om zijn verwoed kempen of vechten.

 

Kevers, torren.

Agelastica alni: van Grieks agelastoV: strak, stuurs, niet lachend, afschuwelijk, agelastos: ヤniet lachendユ, envan de elsユ, elzenkever, alder beetle, Frans chrysomele de lユ aulne, Duits Erlenblattkafer.

Agriotes lineatus: van aigre: ヤzuur:ユ of agriothV : wildheid en ヤlijnvormig,ユ graankniptor met draadvormige larven.

Cetonia floricola: van Grieks o kestoV: gordel, kestos: gordelユ, en ヤbewoner van bloemenユ. (Cetonia aurata: ヤgoudachtigユ) Gouden tor, rozenkever of metaalkever, Engelse rose chafer.

Brachinus crepitans: bracuV: kort, brachys: ヤkortユ en ヤschietenユ, bombardeerkever, Engelse bombardier.

Calosoma sycophanta: kaloV - to svma - to sukon  - jainw, ヤCalos: ユmooi ヤen soma: ヤlichaamユ, sukon: ヤvijgユ en phaino: ユik laat zienユ is de poppenrover.

Geotrudes stercorarius: h gh / trudo: duwen, dringen, drijven of ヤaardwerkerユ, Latijn stercoreus: ヤdrek of vuilユ. Mesttor heet ook wel paardentor of paardenmestkever. Engelse dung beetle, dor beetle naar het dreunende geluid dat ze maken, zie tor: van turren: gonzen.

Gyrinus natator: Grieks o gurinoV: kikkervisje, donderpadje, gurinos: ヤkikkervisjeユ, natas: ヤzwemmenユ is het schrijvertje.

Hydrophilus piceus: udwr, jiloV; ヤhoudt van waterユ en ヤpikzwartユ, grote watertor.

Necrophorus vespillo: o nekroVl lijk, jorew: dragen, met zich mee dragen,  h lhssa   - h lhtta   razernij, woede; ヤdoden dragendユ en ユs nachtsユ, is het doodsgravertje, Duitse Totengraber.

Lytta vesicatoria: van Grieks lytta: ヤwoede, geestdriftユ, Latijn vesica: ヤblaasjes of blaartjes trekkendユ. Spaanse vlieg, Duitse Spainische Fliege, Engelse Spanisch blister fly.

Melolontha melolontha: uit oud Grieks  h mhlolonJh, melolonthe: ヤinsect waarmee de kinderen speeldenユ. Cockchafer, Duits maikafer of meikever.

Phyllopertha: van phyllo:ヤto jullon  -   perJw : verwoesten, vernietigen, vernielen, door plundering verwervenモ, philo; bladユ en, horticola: ヤ van de tuinenユ, Johanneskever.

Scolytus scolytus: Latijn van Grieks skwlhx: worm, made, skolyptein: ヤkort afsnijdenユ. (Scolytus destructor, ヤvernietigerユ) iepenspintkever, Duitse Ulmenspintkafer en Engelse bark beetels.

Tenebrio molitor: Skwliko-broto : door de wormen opgegeten / of:  skoloy : hinder, plaag of ヤvan tenebrion: ヤhij die zich schuil houdt in het donkerユ, molesta: ヤlastig, gevaarlijkユ, de bakkerstor of meelworm, Engelse mealworms.

 

Kiekendief.

Circis: o kirkoV : havik, het Latijnse woord betekent een kring, maar hier moet je aan wat anders denken, zoals Homerus in zijn vergelijkingen al van circos spreekt, het hangt samen met zijn geroep waarvan je ki, kli, of kri kan horen als bij meer roofvogels, dus cirkelende roofvogel. Toch zou je menen dat het woord gegeven werd naar zijn mooie baltsvlucht die al cirkelend omhoog geschroefd wordt. Circos was in de oude tijden de beste augurie (voorspeller) bij trouwerijen en voor vee.

Circus aeruginosis: ヤkoper roestkleurigユ, kiekendief of bruine kuikendief, klem, wouw, glee, koop, wordt op Texel schor, in Noord Brabant koop en elsepuist, in Groningen blauwschild, in Friesland hanebijter, haneschrobber, dat zal zijn omdat de haan zo ontzettend zenuwachtig wordt bij zijn verschijnen, wat hij overigens ook bij andere roofvogels doet, muizenbijter, hanenmosk, hoanskrobber en in Gelderland elsebusch en blauwe stootvogel genoemd.

Hij maakt een sterke en fiere indruk, is veel fierder dan de wouw. Hij wordt wel verwisseld met de buizerd zoals ook de Franse naam busard harpaya zegt, ook busard des roseaux. Ook heet hij wel rietwouw en bij de Duitsers Rohrweihe: rietkiekendief. In waterstreken, midden in het land, heet hij klem, waar meer soorten met een kromme snavel zo heten. Het is de Engelse marsh harrier, duckhawk, dove-hawk, blue-hawk, moor-buzzard en soms ring-tali vanwege de strepen op de staart, de Franse busard harpaye of busard des roseaux.

Circus cyaneus: ヤblauwユ, blauwe kiekendief noordse valk die in Gelderland elsebusch of blauw stootvogel genoemd wordt, in N. Brabant elsepuist of elsebus, in Groningen blauw schild en in Friesland blauwe valk, hanemosk of blauwe haneschrobber. Het is de Duitse Kornweihe, de Franse busard Saint Martin en Engelse hen harrier, vanwege hun jagen op alles wat vliegt.

Circus macrourus: Grieks makroV  -  h oura : staart. makroura: ヤgrote staartユ, Steppekiekendief, Duitse Steppenweihe, Engelse pallid harrier en Franse busard pale.

Circus pyrargus: Grieks, o kirkoV : havik -  to pur : vuur  -  argoV : flikkerend, snelbewegend, wit blinkend, met een ヤblinkend witte stuitユ, de grauwe kiekendief of beul heeft wat donkerder dwarsbanden op de staart en onder de vleugels. Daarom noemt men hem in Duitsland wel de Bandweihe. Ook wel Wiesenweihe en Kornweihe omdat hij langs de met rogge of met heide begroeide velden strijkt. Het is de Engelse montaguユs harrier en Franse busard cendre of busard de montagu. Hij is goed tegen de muizen in het graan, zodat de boeren hem graag boven de stuivende rogge zien zweven.

Ook heeft ze nog een andere, niet offici鼠e naam: Strigiceps, wat betekent dat het een hoofd heeft als een strix, dit zijn uilen. De oogsluier heeft iets dat op een uil gelijkt.

 

Kievit.

Vanellus vanellus: ainw : wannen, waaien. Latijn van Frans vanneau, van oud Frans vaniel, van wannen, ヤop en neer, waaierユ, de vliegvlucht.

Kievit, heette ook in midden-Nederlands kievit en in midden-Noordduits Kivit en nu Kiebitz of Kiwit. De vogel is zo naar zijn geluid genoemd. In Overijssel is het kiefte.

Het is de Engelse peewit en lapwing, vergelijk de Friese naam ljeap, in oud-Engels was het hleapewince waar lepa een sprong en wink wenken betekent, het is de snel bewegende, de waaierende naar zijn vlucht. In Frans is het vanneau huppe, Engels heeft ook green plover.

De Friese eierzoeker spreekt van de ヤald manユ, of de ヤald hijユ en het wijfje noemt hij ヤit ljipke of sij, sijkeユ. De Friese naam is ヤljeapユ dat je uitspreekt als ljup, een ongewone naam die voor een vreemdeling niet gemakkelijk uit te spreken is.

In de oude tijd diende dit woord de Friezen in de oorlog tegen de Saksers als een schibboleth. Om de landgenoot van de vreemdeling te onderscheiden moest de verdachte vreemdeling zeggen: メFjouwer lottre cleare ljeap-ayen op yen genneherme yn yen nestユ. Dat is: メ vier helder zuivere kievitseieren op de hoek van een weiland in een nestモ.

Schibboleth aan deze herkenningsroep, men herkende naar Richteren 12, 5 de vluchtende Ephraimiten die de s anders uitspraken.

 

Kikker.

Rana: is afgeleid van racsna wat de ヤkwaker of brullerユ betekent, vergelijk het Latijnse raccare: ヤbrullen als een tijgerユ en is verbonden met oud-Hoogduits ruohhon: ヤbrullenユ.

Kikker, een Fries - Hollands woord, het dier is naar zijn kwakende geluid genoemd. Een ouder woord is vors, vandaar kikvors, in midden-Hoogduits Vorsch (nu Frosch). Dit woord komt van Germaans fruska wat uit een voor-Germaans woord stamt wat ヤhuppen of springenユ betekent. Anura: a: ヤnietユ en ura: ヤstaartユ, kikvorsachtige.

Oude naam salientia: van Latijn saltere:ユ springenユ.

Rana temporia: ヤgematigdユ, groene of bruine kikker, kikvors, waterkikker of kwaker, in Zeeland heet het puje, in Friesland froask.

Het Engelse frog betekent een Fransman naar het populaire geloof dat de Fransen voornamelijk van kikkers leefden.

De Duitse naam Krote was in midden-Hoogduits Krete, Krot(t)e, Krot of Krott. (ook als goedmoedig schelden van meisjes)

Batrachus, het Griekse batrachion betekent ヤkikkerユ, batrachos is de ヤgroeiplaatsユ. o batracoV: kikker  -   o gurinoV : donderpadje, kikkervisje.

Rana esculenta: ヤeetbaarユ.

Tussen de kikker en de pad wordt de vorspad gesteld, Bombina: Latijn bombus: ヤen lage toonユ. Daartoe behoort ook een zeer kleine pad die in het water leeft maar ook aan land komt. Dat dier is met geelrode en blauw bespikkelde onderdelen, de vuurpad, Bombina variegata: ヤbontユ (Bombina igneus,vuurユ, die in Duits Unke heet.)  o bomboV : gerommel, gebrom, gedreun, gezoem.

Ze kwaken als het regenen zal en zijn onverdraaglijk in de meitijd. Dit is vooral met de loofvors die ook wel lovertje of boomkikker genoemd wordt, in Duits laubfrosche, Hyla arborea: ヤHylas was een begeleider van Hercules, na zijn verdwijnen en zoeken naar hem bereikte Hercules een heiligdom waar de priester Hyla, Hyla riepユ, enユ boomユ.

 

Klauwier.

Lanius: Latijn voor ヤvleeshouwer of slachterユ.

Lanius collurio: Grieks kollyrioon betekent ヤroofvogelユ, grauwe klauwier, grauwe ekster, schataakster, steenekster, slachtersvogel, tuinekster, mordaekster, rode tuinvalk, wirger of negendoder die in Groningen rode tuinvalk, vinkenbijter, toenekster of bruine doorndraaier genoemd wordt. Het is de Engelse redbacked shrike een woord dat van shriek komt dat een schel geluid betekent, verder butcher bird, mountain magpies en murdering pies, in Duits is het de Rotruckenwurger en Neuntoter en in Frans pie-grieche ecorcheur.

Lanius excubitor: ヤuitmoordenユ is de klapekster, de babbelende ekster, de blauwe klauwier, wachter, toenekster, vinkenbijter, tuinvalkje, negendoder tuinekster, grote klauwier, blauwe klauwier, waldheer, mordeakster, tunekster, skat ekster en dorendraaier, Duitse Groszer Wurger of Raubwurger, Engelse Northern great grey shrike, Franse pie grieche grise.

Lanius minor: ヤkleinユ kleine klauwier of kleine klauwekster, Duitse Grauer of Schwarzstirn Wurger, Engelse lesser grey shrike, Franse pie grieche a poitrine rose.

Lanius senator: ヤde Romeinse senatoren droegen een met purper versierde togaユ, is de roodkopklauwier, rode haagekster of bruinkop, Duitse Rotkopf Wurger, Engelse European woodchat shrike, Franse pie grieche rousse.

 

Knorhaan, poon.

Trigla hirundo, h trigla: zeebarbeel, Trigla: tria: ヤdrie vinnenユ: en Latijn voor ヤzwaluwユ. (Triglia lucerna: ヤoplichtenユ) Bij hun nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen stralen zij, naar men zegt, licht uit als ヤfonkelende sterrenユ zodat er lichtstrepen ontstaan die zich ver door het water uitstrekken.

Knorhaan, de Duitse Knurrhahn of Knorhane en Zweedse knorrhane. In Engels is het gurnard en Franse grondin, mogelijk stamt dit woord van Frans grogner: knorren. Het is de grote poon, grote zeehaan, knorhaan, Laurens kop en hofdiender, spoon of rode poon. Is het poon genoemd naar de weke massa? Door onze vissers op de vismarkten wordt hij bijna altijd rozet of rozette genoemd.

Eutrigla gurnardus: eu: ヤgoedユ, en Trigla, Engels gurnard, van Frans gurenard, van oud Frans grognier tot grunt, van Latijn grunnire, van zijn grommen als het gevangen wordt, gruzw : knorren van Latijn grunnio. (Trigla gurnardus), Engelse gray gurnard, is de grauwe poon, hoewel hij varieert van donkergrijs tot roze. Het is de kleine poon, kleine zeehaan, knorhaan, spoon of grauwe zeehaan.

 

Koe, stier.

Bizon. Het woord bizon komt van Frans bison uit de 15de eeuw, dit van Latijn bison dat bij Seneca, 65 na Chr., voor komt. Aristoteles noemt hem bonassus, Plinius bison, dit stamt uit Germaans, vergelijk het oud-Hoogduits wisunt, onze wisent, oud-Engels wesend en oud-Noors visundr. Het dier is zo genoemd naar de scherpe muskusreuk van bronstige mannetjes, Bonassus bison. De Amerikaanse bison lijkt veel op de wisent, zo zelfs dat velen hem voor dezelfde soort aanzien.

Bison bonasus: wisent: De bonasos van Aristoteles en de bison van Plinius, Europese bizon, oeros, urochs, urox. Wisent komt nog voor in de plaatsnaam Wisenthurs, oud Saksisch wisund, oud Hoog Duits wisunt, wisent, oud Engels wesend: ヤbuffelユ. Het Latijnse en Griekse bison zijn ontleend aan Germaans, mogelijk van wis: ヤstankユ, net zoals wezel.

Bos: Latijn, Grieks bous: rundユ. o, h bouV, booV: rund, os, o biswn: oeros.

Bos primigenius: Latijn voor ヤeerst geboreneユ. In Litouwen noemt men het dier thur en in Pools is het tur. Het is de ur van het Nibelungenlied terwijl de Duitsers de oeros en ook Auerochs noemen, Urox of Urus, Ur, mogelijk als voorvoegsel van zeer oud, oud Hoogduits Urohso met ohso als os.

Bos taurus: De Bijbelse naam ヤSjorユ wordt vertaald als os. Dit is het basiswoord voor het alleenstaande hoofd van het vee. Zijn Aramese afleiding ヤtorユ wordt alleen in Ezra en Dani鼠 gevonden. Dit woord is de basis van het Griekse taurus en Engelse steer, onze stier. o tauroV: stier (sinds Homerus).

Stieren, in midden-Nederlands was het stir, in oud-Engels steor (nu steer) oud-Hoogduits heeft stior, in noord-Hoogduits is het stier, in Gotisch stiur, een woord dat verwant is met Latijn taurus en Grieks tauros: stier, in Assyrisch is het suru, in Hebreeuws sor en Aramees tor. Het is een oeroud woord, mogelijk heeft het woord met ヤsterk, statig, grimmigユ, wild te maken vergelijk stuurs.

Bul was in midden-Nederlands bul, in midden-Noordduits bulle, het is de Engelse bull, in oud-Noors boli. Mogelijk is het gebruikt om een manlijk dier aan te duiden, dan is het woord verwant met Griekse phallos waar ook oud-Engels bealluc naar verwijst: ヤtestikelユ, en zo tot bal.

Een os is een gesneden stier, het symbool van vreedzaam dienen en kracht. Os heet in midden-Nederlands osse, in oud-Saksisch en oud-Hoogduits was het ohso (nu Ochse) in oud-Engels oxa (nu ox) oud-Noors heeft en Gotisch auhsus is te vergelijken met oud-Indisch uksan: ヤstierユ.

Ochsen is een spreekwoord, hard werken als een os, vergelijk buffelen. Os is een oude naam die nog overgeleverd is in ossentong, ossenstaart en ossenvlees, dit van de oeros.

Buffel. Latijn Bubalus, in Grieks bubulcus: ヤbuffelユ. Het de klassieke naam van de gazelle, die werd vanwege dezelfde klank als het Griekse bous: rund, op de buffel overgedragen die omstreeks 600 als geschenk van Avarenchans aan de Langobardenkoning Agilulf naar Itali kwam en voor arbeid tam gemaakt werd. In Frans is het buffle en in Duits Buffel. De hard werkende dieren (buffelerbeit bij Luther) gaven aanleiding tot het buffelen, het lievelingswoord van studenten. De buffel werd gebruikt voor ploegen en wagens trekken.

Bubalus bubalus bubalis is de wilde buffel. h boubaliV : gazel > buffel.

Bubalus caffer: ヤvan de Kaffersユ: Kaapse buffel, Engelse Cape buffalo, Duitse Kap of Kaffernbuffel,

Bubalus indicus vulgaris: uit Indieユ, en gewoonユ, Indische buffel, zebu, In het Engelse Indian buffalo, en in Duitse Wasserbuffel, het is de Franse buffle des Indes.

Vacca: Latijn voor ヤkoeユ.

Koe, in midden-Nederlands was het coe, in oud-Saksisch ko, in oud-Hoogduits chuo (nu Kuh) in oud-Engels cu, (nu cow) in oud-Fries ku en oud-Noors kyr.

Een koe is het nadat ze haar eerste kalf heeft gehad, een vaars is een jonge koe die nog niet heeft gekalfd, (de Engelse heifer) het kalf is het jonge dier van eerste jaar die ook wel hokkeling genoemd wordt. Een pink is een eenjarig kalf dat alle melktanden nog heeft.

 

Koekoek.

Cuculus canorus: ヤzingenユ. Latijn cuculus komt van Grieks kokkux, kokkuzw: kraaien als een haan, kokkux: koekoek en dit van oud-Indisch kokila.

Koekoek heette in midden-Nederlands kukuck of cockoec, in midden-Hoogduits was het Kukuk (nu Kuckuck, in Engels cuckoo en in Frans coucou), het is het geluid van de vogel. Of betekent het Latijnse woord ヤbedrogen echtgenoot?ユ Frans cocu is een hoorndrager, bedrogen echtgenoot, naar de broedgewoonte van de koekoek, het is wel een klanknabootsing. Sinds de 13de eeuw vecht de koekoek met de gouch, een woord dat verband heeft met goochelen. In oud-Hoogduits heette hij Gauh, in midden-Hoogduits Gouh, in oud-Saksisch Gok, in midden-Nederlands gooc, oud-Engels heeft geac en oud-Noors gaukr betekent ook koekoek. Het woord komt van een Germaans gauka: koekoek, het roepen. De Germanen hebben daarmee de roep van de meer gehoorde als geziene vogel nagebootst. Zijn eentonige roep gaf aanleiding om de vogel als dwaas te houden, al omstreeks 1000 wordt gouch als nar vertaald.

Indicator indicator is de ヤindicateurユ die naar de bijennesten wijst, honingkoekoek, honingwijzer.

 

Kolibri.

Toen de Fransen in 1634 het eiland La Cayenne bezetten vonden ze de kolibrie soort Lampornis gramineus: grasachtig: daar veel. In de sindsdien verdwenen Galibi spraak is ze naar het lichtende groen genoemd van het bovenste kopgedeelte col-ib(a)ri: ヤlichtende vlekユ, vandaar kwam de Engelse, Spaanse en Portugese naam colibri. In Duits en bij ons met een k Kolibries, Kolibri. lampw  / orniV

Archilochus colubris: naar de oudste bekende Griekse lierdichter Archilochus, 7de eeuw voor Christus, colubris naar ヤkolibrieユ, heet in Amerika hummingbird: brom- of hommelvogel, vanwege het snorren van zijn vleugels.

 

Konijn.

Oryctolagus cuniculatus: Uit Grieks oruktes: ヤgravendeユ, en Lagos: ヤhaasユ. orussw / lagwV.

Konijn, in midden-Nederlands was het conijn, in midden-Engels cining en conig (Engels con(e)y), in midden-Hoogduits was het Knine, het werd soms tot Kniglin en Konighase of Ken. Via de Lutherbijbel, 3 Mozes 11, 5 kwam het waar het nog driemaal elders vermeld werd via Cunykel tot Caninichen (nu heet het Kaninchen). In oud-Frans was het conin. Dat was een bijvorm van het Latijnse cuniculus: onderaardse gangen, dit komt van een Iberische taal, in Baskisch heet het unchi.

Rammelaar, van het werkwoord rammelen: bronstig zijn, vergelijk ram. Het midden-Hoogduits rammeln betekent zich paren.

In Frankrijk en Belgi is het dier bekend onder de naam lapin, dit komt van clapin, de volksuitdrukking. De ducker, de duiker?

Rabbit was de naam in de middeleeuwen voor jonge dieren, later werd het de gewone naam.

Het konijn als naam werd bekend door de bijbel en de heraldiek waar het bont gebruikt werd.

Procavia syriaca: pro, ユin plaats vanユ en ヤcaviaユ en ヤuit Syrieユ. De Phoenici喪s zagen ca. 1000 v. Chr. in het westelijk deel van de M. Zeegebied dieren die ze niet kenden. Dat waren konijnen. Ze leken op de hun bekende klipdassen. Ze noemden het gebied waar ze de op klipdassen gelijkende dieren gezien hadden, i-Sjafan-im: de kust van de klipdassen. Daar zouden de Romeinen later Hispania van gemaakt hebben, Spanje. Luther vertaalde het later omgekeerd, hij vertaalde het woord saphan als konijn. De Bijbelse naam voor de klipdas is konijn. De Hebreeuwse bijbel, Thora, noemt de Syrische klipdas ヤsaphanユ wat door Luther als konijn vertaald werd. Saphan of sjaphan komt van een wortel wat ヤverbergenユ betekent. De klipdas heet in Engels hyrace, rock rabbit of coney, in Duits is het Klippschliefer of Klippdachs, in Frans daman.

 

Korhoen.

Lyrurus tetrix: ヤkakelenユ. Grieks h lura - h oura, lyra: lier en oura: staart, lierstaart. Het geheel zwarte mannetje draagt een staart die liervormig is met witte onderdekveren.

Korhoen, korhaan, berkhaan of moerhaan, moer- of berkhoien, Friese koarhoanne, wel naar het geluid dat ze maken, de Duitsers noemen het Birkhuhn als eter van berkenblad, de Fransen petit coq de bruyere als eter van de heide, Engelse black cock of black grouse en de Franse tetras lyre.

Lagopus lagopus, O lagwV - o pouV;ユhazenvoetachtigユ, moerassneeuwhoen, Duitse Morschneehuhn, Engelse willow grouse, ptarmigan en Franse lagopede blanc.

Lagopus muta: ヤstomユ, Alpen sneeuwhoen, Duitse Alpenschneehuhn, Engelse ptarmigan en Franse lagopede muet.

Tetrastes bonasia: Bonasia is een dierennaam en zo door Albertus Magnus gebruikt, hazelhoen, Duitse Haselhuhn, Engelse hasel grouse en Franse gelinotte. Een vervanger van de auerhoen, komt vooral in W. Europa voor. tetrawn : korhoen.

 

Kraanvogel.

Grus grus: kraanvogel wordt in Limburg koenekraan genoemd. In midden-Nederlands was het crane en kraan, in oud-Hoogduits Chranuh en Krano, in midden-Hoogduits Kranech en Krane, (nu Kranich) Angelsaksisch cranoc en cran (nu crane). Dit woord stamt uit West Germaans kranuka, een vogelnaam die oer verwant is met Armeens krunk, de grondvorm betekent ヤhuilen of schreienユ, naar het geluid dat de vogel maakt, ヤgruh, kruhユ. o geranoV : kraanvogel. Het Griekse geranos werd in Latijn garrulus:ユde pratende of schetterendeユ, tot grus. In Frans heet het grue cendree. Het woord ヤcongresユ is ontleend aan Latijn congressus, ユsamen komen als kranenユ. gru : geknor >kreet.

Grus virgo: ヤmaagdユ. Numidische kraanvogel of juffer van Numidie wordt door de Fransen demoiselle geheten wegens de bevallige gelijkheid van zijn vormen, de smaakvolle schikking van zijn veren en het aangenaam contrast van zijn lichtere en donkere tinten van grijs, zwart en wit.

Grus leucogeranos, leukoV: ヤwitte ooievaarユ, is de witte kraan, Duitse weisse Kranich.

Balearica pavonina: ヤuit de Balearenユ en ヤpauwユ is de gekroonde kraanvogel of zwarte kroonkraan die ook de namen draagt van kroonreiger, koningsvogel, Balearische kraanvogel en Indische pauw, Engelse black crowned crane,

 

Kreeft.

Astacus astacus: van oud Grieks o astakoV, astakos: ヤkreeftユ. (Astacus fluviatilis: ヤaan de waterstromen groeiendユ) is de rivierkreeft, Engelse European crayfish.

Cancer pagurus: van Grieks pagouros: ヤsoort krabユ, zeekrab, Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid die door de zieke gedurende vier en twintig uur op de zieke plaats wordt gedragen. Heeft hij die tijd wakende doorgebracht dan is de kanker op de kreeft overgegaan. Dit middel is uit Duitsland overgewaaid waar kreeft en kanker beiden Krebs heten.

De Latijnse naam is cancer en Grieks karkinos, o karkinoV - o pagouroV. Daarvan stammen kanker en carcinoom. De ziekte heeft deze naam omdat de vaatvertakkingen gelijkenis vertonen met een kreeft of krab met gespreide poten.

Carcinus maenas: Latijn van Grieks karkinos: cancer: ヤkrabユ, Grieks mainas: ヤpriesteres van Bacchusユ, literair: ヤgekke vrouwユ, o karkinoV   -   h mainaV : razende vrouw, strandkrab.

Decapodia: ヤtienpotigeユ. Het verschil tussen kreeft en krab is dat bij de kreeft de staart een heel eind achteruit steekt en bij de krab niet, daar wordt de staart onder het lichaam opgerold gedragen

Krabben. In midden-Nederlands was het crabbe, in midden-Noordduits Krabbe en nu Krabbe, in oud-Engels crabba en nu crab, oud-Noors heeft crabbi: het krabbende dier, dat uit Indo-Germaans g(e)rebh stamt wat kruipen als men zich vasthoudt betekent, zie krabbelen en Engelse crawl: kruipen, naar de wijze van zwemmen wat lijkt op een krab.

De naam kreeft is verwant aan krab. In midden-Nederlands was het crevet of creeft, (van Frans ecrevisse: ヤgarnaalユ) in oud-Saksisch Krevit en in oud-Hoogduits Krebiz. (nu Krebs) In Frans is het ecrevisse waaruit het Engelse craw- of crayfish ontstond.

Homarus gammarus, onze hommer en Franse homard dat uit oud-Noors humarr komt. Dit dier bezit scharen zodat het Franse homard staat tegenover de ヤlangouste:ユ zonder scharen. Lobster stamt uit Angelsaksisch loppestre of lopustre en dit uit Latijn lopostra, het is een vorm van locusta: ヤsprinkhaanユ, literair ヤhet schepsel met de lange potenユ, Duitse Seekrebs.

Pinnotheres pisum: Grieks  o pinoV: kammossel, vetvlek  - o throV: bewaker, ヤbeschermer van Pinnaユ, en ヤnaar de vorm van een ヤerwt, Pisumユ, Engelse pea crab, mosselkrabje.

 

Krekel.

Acheta domesticus: hcetaV, acetaV : luid klinkend of zingend , envan het huisユ, huiskrekel.

Gryllus campestre: o grulloV, h tettix: krekel, en van het veld, veldkrekel. Krekel, kriekske, midden-Nederlands crekel, midden Noordduits Krekel, vergelijk. Engels to creak: kraken, een klanknabootsend woord.

Cricket, uit oud-Frans criquet, zie creak.

Grillen, oud-Hoogduits Grillo: hersenschim, zou in de oren kruipen en zo naar de hersens en daar schade aanrichten, zie grol, komt uit Latijn gryllus: ヤsprinkhaanユ, Grieks grullos: ヤsprinkhaanユ.

Heempje, in Gelderland iem, in Groningen eimke en in Friesland iemerke, hiemken, in Duits Heimchen, midden-Hoogduits Heime, oud-Hoogduits Heimo, midden-Nederlands heme, Angelsaksisch hama van Germaans haima, vergelijk huis of heim, het huisdier.

Grieks tettix, Latijn cicada.

Orator mantis: o, h manthV : profeet, profetes, voorspeller, ziener, Orator: ヤredenaarユ, mantis ヤbiddende positieユ, Engels praying mantis, wordt ook wel kameelkrekel genoemd. In zijn zittende houding steekt hij beide voorpoten, zacht gebogen, omhoog als of hij bidt.

 

Krokodil.

Crocodylus niloticus: ヤvan de Nijlユ. (Crocodylys vulgaris:ユ gewoon) (Crocodilus anthropophagus: Grieks anthropos: ヤmensユ: phagos: ヤeterユ)

Krokodil, zo ook in Duits en Engels komt van Frans crocodile, dat van Latijn crocodilus en dat weer van Grieks krokodeilos, eerder krokodilos, krokodiloV: hagedis, krokodil: ヤsoort van hagedisユ, kroke betekent ヤkiezelsteenユ en drilos is een ヤaardwormユ naar de gewoonte van hagedissen om zich op rotsen in de zon te verwarmen. De Ioniers noemen hem krokodil omdat hij zoveel lijkt op hagedissen die op de muren van hun tuin verblijf houden, aldus Herodotus. In Egypte het hij champsa of champsan.

De krokodil is een grote worm die langs de rivieren vertoeft. De krokodil van de aarde is bang voor saffraan, (Kroke) krokodil betekent dan ook krokusvrezer. Daarom gooit het landvolk om hun bijenkorven en de honing tegen de krokodil te verdedigen saffraan op die plaatsen. .krokwtaV : saffraankleurig.

Alligator komt van Frans, van Engels alligator en dat van Spaans el lagarto (de Indas) en dat van van Latijn lacerto: ヤhagedisユ.

 

Kruisbek.

Loxia curvirostris: van Grieks  loxoV: verdraaid, gekromd, schuin, afgewend,loxos: ヤgekromdユ en ヤgekromde snavelユ. Kruisbek, kruisvink, kruiskanarie of scheervink heet in Friesland dennenpapegaai, in Duits Kreuzschnabel, in Engels crosbill en in Frans bec-croise des sapins.

Loxia pytiopsittacus: ヤbijna papegaaiachtigユ is grote kruisbek. .ta Puqia : Delphische spelen,

 

Kwak.

Nyctocorax nycticorax: Grieks h nux : nacht, duisternis,  o korax : raaf, nyx: ヤnachtユ, corax: ヤraafユ. Kwak, nachtraaf of nachtreiger, Duitse Nachtreiher, Engelse black crowned night heron en Franse heron bihorau.

 

Kwartel.

Coturnix coturnix: Latijn voor ヤkwartelユ. Grieks ornix. Kwartel, kwakkel, quackels. In midden-Nederlands was het quackele, in midden-Noord Duits Kwartele en Quackele (nu Wachtel of Kwartels en in Engels quail) in oud-Frans quaille. (nu caille) In midden-Latijn was het quaccula, (Frans caille) wat voorkomt naast oud-Hoogduits Quahtila in Trier, dit is een kruising van midden-Latijn quacculla en Germaans wahtila, vergelijk de midden-Nederlands naam wachtele en oud-Engels wiehtel.

Het is de wachtel, de wak, het geluid van de vogel.

Turnix sylvatica: ヤkorte vorm van Coturnix en ヤvan het bosユ. Het is de Duitse Laufhuhnchen, de Engelse Andalusian hemipode en Franse turnix dユAndalousie. Vanwege de dreunende roep heet het in Spanje torillo: kleine stier, als het loeien van koeien.

 

Kwartelkoning.

Crex crex: heet zo naar zijn geluid in het koren dat op ヤkreksユ lijkt waardoor Linnaeus het tot de soortnaam maakte. Of Grieks krex, h krex, een vogel ter grootte van de ibis. Kwartelkoning, kwakkelkoning, wachtelkoning, hooistek, peerdsneers, teapert, kraakhintsje, sprit, spriet of schriek heet in Groningen peerdsneers, in Fries taepert en in Limburg bamptscher. Het is de Duitse Wiesenralle, een soort ral: van Frans rale: reutelaar. Wiesenschnarrer, Wiesenknarres, Tauschnarre, Schnarz, Schrecke en Wachtelkonig, de Engelse corn crake of landrail, ook daker-hen en Franse rale des genets, roi de cailles: de kwartelkoning.

Wachtelkonig is een West Germaanse naam voor deze vogel wat zich weerspiegelt in de vroeg Hoogduitse naam schrich, in midden-Noord Duits is het schrik en in Angelsaksisch betekent scric een lijster en het Engels shrike is de negendoder. De schuwe vogel die je nauwelijks ziet is naar zijn gehuil genoemd. Schriken betekent schreien. Omdat hij op de wachtel lijkt, maar groter is, gaf hem dit de vroeg Hoogduitse naam ヤder wachteln kunigユ.  De koning van de kwartels omdat hij die zou aanvoeren.

 

Kwikstaart.

Motacilla: ヤglansloze staartwipperユ. kigklizw : als een kwikstaart lopen, telkens veranderen.

Motacilla alba: ヤwitユ, witte kwikstaart, Engels white wagtail, Frans bergeronnette grise. De witte heet in Duits Haus-, Wasserstelze, blaue Bachtselze, Klosterfraulein, Wagstyrt, Quackstert, Wippsterz en Ackermannchen. Ze houden van water, vandaar in Engels polly dischwasher en in Frans lavandiere omdat ze hun staart schuddden zoals de wasvrouwen het doen met hun kleren.

De witte is bekend als zwalker in Schiermonnikoog, akkermanntje en bouwmantsje in Friesland, bouwmeestertje, ploegdrijvertje, paardenwachtertje, kluitekster en verboden zwaluw: zwaluw voorbode.

Motacilla flava: ヤgeelユ, gele kwikstaart is bekend onder de namen koevinkje in Groningen, geel bouwmannetje in Friesland, verder geel akkermannetje, geelborstje, bouwmeestertje, akkermannetje en ploegdrijvertje. In het Duits heet het Ackkermannchen omdat het graag de ploeger volgt om de naar boven gebrachte insecten en wormen op te pikken. Andere Duitse namen zijn de gelbe Bachstelze, Rinder-, Triststelze Schafstelze, in Engels wagtail en in Frans bergeronnette printaniere, in Deens vipstjert.

Motacilla cinera: ヤgrijsユ, is de grote gele kwik, Engels grey wagtail, in Frans bergeronnette jaune, Duits Kuhstelze, Gebirgstelze.

 

Lamia. h lamia : spook, vampier, lelijke vrouw.

Lamia is een vampier, vergelijk het Griekse lamos: muil, dat verbonden is met Latijn lemures wat phantoms of nachtgeesten betekent. Het is een verterend monster met hoofd en borst van een vrouw en lichaam en staart van een serpent. Het is een vampier, een heks.

Waarschijnlijk is het woord verbonden met Lamia: de koningin van Libi, wiens naam door de Grieken werd gebruikt om kinderen af te schrikken die ze zou verslinden. Lamia was de mooie Libische koningin die door Zeus bemind werd. Uit jaloersheid roofde Hera al haar kinderen, sinds die tijd rooft Lamia de kinderen van anderen om ze te doden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.

 

Lamprei.

Petromyzon: Grieks petra: ヤrotsユ, myzo: ヤzuigenユ. o petroV  -  muzew : zuigen.

Pteromyzon marinus: ヤvan de zeeユ. Zeeprik of lamprei. In midden-Nederlands was het lampreide, in midden-Noord Duits Lamprede (nu Lamprete) in oud-Engels lamprede (nu lamprey en Frans lamproie) Dit woord stamt van midden-Latijn lampreta: likken, en petra: steen, de vis hangt met zijn zuignapachtige bek aan de stenen van de grond.

Het dier heeft zijdelings staande ogen, een neusgat en zeven kiemzakjes, vandaar Neunaugen, oud-Hoogduits Niunouga en nu Neunauge, onze negenoog, Engelse seven-eyes en Fransw sept-oeil.

Petromyzon fluviatilis: ヤvan de rivierenユ, prik of rivierlamprei.

Ammocoetes branchialis: ヤGrieks h ammoV - o koitoV; bed, slaapplaats ammos: ヤzandユ, koite: ヤbed, ingebed in zand, branchialis van branchia: ヤkieuwユ, kieuwworm.

Myxine glutinosa: Grieks h muxa: slijm (neus-) myxinos: ヤslijmerigユ, glutinosa: ヤlijmユ.

 

Leeuw.

Panthera leo: leeuw, in midden-Nederlands was het leeu en leeuwe, in oud-Hoogduits Lewo of Louwe, het is Lutherユs Law of Lew, (nu Lowe) in oud-Engels was het leo (nu lion) dit komt van Latijn leo en dat van Grieks leon, h panthr - o lewn. Mogelijk is het een Semitisch woord, vergelijk het Hebreeuwse labi: ヤleeuwユ, en Egyptisch lawai: ヤleewinユ.

Leon betekent op zijn Grieks ook koning, vandaar heet het dier leo want het is de koning der dieren.

Welp wordt in Engels whelp genoemd.

Panthera once: Portugees once, Engels ounce voor de ヤsneeuwluipaardユ: Uncia uncia, komt van Latijn lyncea, de lynx, Italiaans lonze, oude Frans lユ once. De naam jaguar is aan de taal van de Guaranen ontleend die het dier jaguarette, dat is het ヤlichaam van de hondユ noemen.

Panthera pardus: Panter, zo heette het ook in 1620, in noord-Hoogduits was het panther (nu Panther) in Angelsaksisch pandher (nu panther) dit stamt van Latijn panthera en dit uit Grieks panther wat komt van oud-Indisch pundarikas: tijgerユ.

Luipaard wordt meestal genomen voor dieren uit Afrika, de naam panter voor Aziatische dieren.

Luipaard. In midden-Nederlands was het libart of lupart, meestal echter ヤleeuwユ. Het woord voor leeuw komt in Saksisch voor als luy of lunze, via Italiaans lonza werd het over Frans lユonce en ons lui-paard.

In oud-Hoogduits was het Lebarto (nu Leopard en Engels leopard) in midden Engels leoparde, leparde of libbard, dit van oud-Frans leubart, leupart en liepart (nu leopard) en dit van Latijn leopardus, leo waar leo de leeuw is en pardus de pardel. Dit laatste woord stamt van een Indo-Germaanse wortel perd: ヤgevlekt, besprenkeldユ, dit komt voor in het gevlekte roofdier die in Perzisch pars heet. (Mogelijk was dit de oorspronkelijke naam voor de cheeta) o lewn - h pardaliV.

De cheeta is de Engelse hunting leopard, Duitse Gepard en Jagdleopard en Franse guepard. Het dier wordt in Perzi youze en in Indi chetah of chatah genoemd.

Panthera tigris: tijger, in midden-Nederlands was het tigre, in Duits Tiger, in Engels tiger en in Frans tigre. Dit woord stamt uit Latijn en dat uit Grieks tigris en dat uit Iraans, vergelijk Avestisch tiyri: ヤpijl, Iraans thigra: ヤscherpユ. Jan van Mandeville: ヤDe derde rivier heet Tigris, dat is te zeggen haastig lopend want ze loopt sneller dan enige van de anderen. En daarom heet ook een beest tijger omdat ze zo snel looptユ.

 

Leeuwerik.

Alouda: Gallisch voor ヤleeuwerikユ.

Alauda arvensis: ヤvan de veldenユ, veldleeuwerik die ook wel ljuerk genoemd. Frans heeft alouette dat van Latijn alouda stamt. Oud Saksisch lewerke, oud Hoog Duits lerihha, (Engels lark, Duits Lerche), oud Frans lertze, oud Engels lawerce is al vroeg uit Germaans ontleend. Keltisch a laud, oud Frans aloue: leeuwerik, Frans alouette.

Galerita cristata: ヤvan rustieke plaatsenユ en ヤmet een kuifユ, kuifleeuwerik, Duitse Haubenlerche, Engelse crested lark en Franse cochevis huppe, lユ alouette lulu.

Lullula arborea: ヤin slaap sussenユ ofユ klanknabootsingユ, en ヤvan de bomenユ, boomleeu