Geitenmelker, Caprimulgus, nachtzwaluw.

Beschrijving: zwartCaprimulgus europaeus L (Capra; geit, mulgere: melken en uit Europa.

 

Naam.

De nachtzwaluw, geitenmelker, dagslaper, schapenmelker, nachtratel, ratelaar, dwaaske, nachtsweal, vliegend pad, boomkikker, schapemelker of  geitenmelker, Duitse Nachtschwalbe en Ziegenmelker, Engelse nightjar, fern-owl, goat-sucker, moth-eater of night-hawk en Franse engoulevent d’Europe. Duitse. Ze behoort tot de schreeuw- en  klimvogels waaronder men de spechten het beste kent.

Caprimulgus betekent letterlijk geitemelker. Bij zijn nachtelijk bedrijf wordt hij namelijk beschuldigd van allerlei ongeregeldheden. Als je naar zijn bek kijkt weet je al dat hij schuldig is, een geweldig grote en rode spleet die omlijst is door een harige snor. Met die bek zou hij in de nacht geiten melken zodat de boer ‘s morgens niets had. Als ze zo’n geit hebben gevonden en gezogen dan wordt die direct blind.

Die bek is er echter alleen voor om ‘s nachts met een flinke hap insecten te pakken, de poten en dekschilden worden hierbij gelijk afgeklapt zodat die buiten de snavel vallen.

 

De nachtzwaluw is geen zwaluw, maar is verwant met de uilenfamilie.

Geluid.

Stel je voor dat je op een donkere avond, vroeger was er geen licht, buiten op de heide bij een jeneverbosje staat, die heeft al wat geheimzinnigs, ze heeft de vorm van een rover. Dan hoor je een raadselachtig snorren alsof een dode spinster haar wiel laat draaien alsof de wilde heir langs de hemel vliegt waar de meute gefloten wordt en de lange jagerszweep klapt. Dat alles komt op rekening van deze vogel al roept hij nog zo nadrukkelijk: ‘erreur !’.  Het klinkt als een ratelaar.

Het ratelen is niet het enige geluid van deze zwaluw. Hij ontvlucht je soms met de groet ‘dag’ en dat midden in de nacht. Ook heeft hij klanken die iets op dat van een steenuiltje lijken en daarom al een angstige stemming teweeg brengt. Door zijn kleur zal je hem overdag al vrijwel niet zien en ‘s nachts helemaal niet. Dan vliegt hij geruisloos langs de bomen op zwaluwmanier, geleid door zijn sterk gehoor en gevoel, wat hem de takken laat ontwijken, maar wel de insecten weet te pakken. Hij zit vaak onder een jeneverbesstruik of varenbos en niet dwars maar in de lengterichting van de tak. Hij zit dan dicht bij de stam en is zo vrijwel niet te herkennen. Alleen als je er bij toeval te dicht bij komt laat hij zich vallen en is meteen weg.

 

Vorm.

De romp is slank en de hals zeer kort, de kop groot en breed.

De door grote haarborstels omgeven snavel is klein en kort maar wel breed en aan de spits, voor de neusgaten, afgebogen. Hoewel de snavel zeer kort is zijn de kaken zeer lang zodat ze de bek verder kunnen openen dan enig andere vogel.

De vleugels zijn lang, smal en spits, de staart is recht afgesneden. De voeten zijn klein en kort, de middelste teen steekt ver voor de anderen uit. De bovenste helft van de poot is met kleine veertjes en de onderste helft met schildvormige hoornplaten bedekt. Het dier heeft een zeer wijduitstaand en buitengewoon zacht verenkleed dat uit grote zeer los in de huid bevestigde veren is samengesteld. Het verenkleed herinnert aan dat van de uilen en is meestal ‘boomschorsachtig’. Ze hebben ook een geruisloze vlucht en grote nachtogen. De bovendelen zijn asgrauw met bruinzwarte en roest gele vlekken, strepen, stippels en golflijnen. De onderdelen lichtgrijs met zwarte en donkerbruine streepjes en vlekken. Een streep boven het oog en een ander langs de mondspleet zijn witachtig. Het mannetje heeft een grote witte vlek op het einde van de buitenste staartpennen. Totale lengte is zes en twintig cm, de vlucht is vijf en vijftig cm, de vleugellengte negentien cm. en de staartlengte is twaalf cm. Het is een zomervogel die hier is van mei tot september. Komt alleen ’s nachts voor.

 

Uit M. Catesby.

 

Eten.

Het is een trekvogel en komt bij ons in mei en vertrekt weer in september. De nachtzwaluw komt voor op open plekken in naaldhoutbossen. Door de mens wordt de vogel dan ook zelden gezien. Ze voeden zich met insecten en kleine gewervelde dieren. De vogel is zeer vraatzuchtig en vandaar nuttig voor de bossen. Met de behendigheid van een valk of zwaluw zwerven ze nu eens op geringe en dan weer op grote hoogte boven struiken en bomen en omzweven de bomen dikwijls met zeer bevallige zwenkingen en vangen in de lucht de daar voorkomende insecten. Door de wijde bek kunnen ze zeer grote kevers verslinden en juist die soorten die door andere vogels gemeden worden. De jacht begint in de regel met het aanbreken van de nacht en wordt na enige uren afgebroken en wordt voor de morgenschemering hervat, maar houdt op voor de zon geheel aan de hemel is verschenen. Dan rusten ze en zitten laag of liggen languit uitgestrekt op een of ander voorwerp en drukken ze zich zo dicht tegen hun rustplaats aan dat ze eerder breder lijken dan hoog. Ze lopen slecht, maar vliegen licht en sierlijk, behendig en bevallig.

Als ze stil zitten laten ze een spinnend geluid horen.

 

Broeden.

Het nest zit meestal op de grond. Een nest bouwen ze vrijwel niet, ze krabben niet eens een holte in de grond uit. Meest wordt er op een paar eieren gebroed, soms maar een die na zestien dagen uitkomen. De eieren zijn van verschillende kleur, vuilwit met askleurige tekening en donkerbruine krasjes. Waarschijnlijk broedt alleen het vrouwtje. In tijd van nood wordt het ei in de mond geborgen en naar een veiliger plaats gebracht. De ouders verzorgen hun kroost goed. Dreigt er onraad dan draagt ze de eieren of jongen in haar brede bek weg.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant; ‘Agotile dat is bekend, is een vogel van de Oriënt of in Arabië, zoals men zegt, die twee eieren of drie pleegt te brengen en is ook groot mede. Deze pleegt een vreemde zede, hij  zuigt de geiten in de gebaren alsof het een geitje is en het is wonder dat men er van getuigt dat de geit er gelijk van verdroogt, alzo zuigt de Agotile. Plinius die zegt nog meer, dat het beproefd is en bekend dat de geiten ervan blind worden’.

 

 

 

 

 

 

 

 

strix uit Megenberg.

 

Uit Maerlant; ‘Scrio is een verdoemde vogel, gevederd is hij aan de vleugel alsof het een scherpe doren is. Zijn jongen is hij dierbaar en pleegt alleen ‘s nachts te vliegen tegen andere vogels algemeen. Dan geeft hij zijn jongen elk een soort melk te zuigen’.

Scrio: schreeuwen, een negatief geladen woord. De sluieruil, kerkuil wordt wel genoemd, behoort tot familie van Strigiformes.

Het zijn nuttige vogels, maar vele volkeren beschouwen ze echter als geheimzinnige wezens wiens dood noodlottige gevolgen kan hebben. Onze boeren beschouwen deze onschadelijke dieren met wantrouwen omdat ze van oordeel zijn dat de nachtzwaluwen met geen ander doel zo’n wijde bek heeft dan om de geiten te melken.

Er zijn zekere vogels die geitenzuigers genoemd worden vanwege hun zuigen aan geiten en dan is de melk verspild en verloren en als ze zo’n geit hebben gevonden en gezogen dan wordt die direct blind. De speen verdroogt en sterft. De geitenmelker die in Duits Ziegenmelker heet is zo genoemd omdat ze het liggende melkvee lijkt te melken als ze de vliegen van de uier wegpikt.

Dat zijn de onderdrukkers der armen die met zo grote en onverzadigbare begeerlijkheid de ellendige uitmelken en de levende rompen niet eerder kunnen verlaten dan nadat ze er alle vocht hebben uitgetrokken.

Stel je voor dat je op zo’n donkere avond, vroeger was er geen kunstlicht, buiten op de heide bij een jeneverbosje staat die al wat geheimzinnigs heeft want ze hebben de vorm van rovers. Dan hoor je een raadselachtig snorren alsof een dode spinster haar wiel laat draaien, alsof de wilde heir langs de hemel vliegt waar de meute gefloten wordt en de lange jagerszweep klapt. Dat alles komt op rekening van deze vogel al roept hij nog zo nadrukkelijk: ‘erreur !’. Het ratelen is niet het enige geluid van deze zwaluw. Hij ontvlucht je soms met de groet ‘dag’ en dat midden in de nacht. Ook heeft hij klanken die iets op dat van een steenuiltje lijken en daarom al een angstige stemming teweeg brengt. Door zijn kleur zal je hem overdag al vrijwel niet zien en ‘s nachts helemaal niet. Dan vliegt hij geruisloos langs de bomen op de zwaluwmanier en wordt geleid door zijn sterk gehoor en gevoel wat hem de takken laat ontwijken, maar wel de insecten weet te pakken. Hij zit vaak onder een jeneverbesstruik en niet dwars maar in de lengterichting van de tak. Hij zit dan dicht bij de stam en is zo vrijwel niet te herkennen. Alleen als je er toevallig te dicht bij komt dan laat hij zich vallen en is meteen weg.

 

Amerika.

Verschillende nachtzwaluwen van Tropisch Amerika brengen luide en klagende tonen voort die de daar levende Engelse bevolking met kleine zinnen vergelijkt. Een soort roept ‘Who are you?, wie ben je? andere roepen ‘Work away’, ‘werk ga weg’, of ‘Willy come go’. ‘Willem kom, ga’. ‘Whip poor will,’ ‘slaag, arme Willem’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/