Haas, hazen, hazenlip, hazentaal, Lepus, soorten.

Het Latijnse woord Lepus komt van een Grieks woord dat snelvoet betekent. Of het is afgeleid van een ander woord dat scherp en aanhoudend zien en toekijken betekent.

 

Lepus europaeus. (uit Europa)

 

Naam.

De haas heet in  midden-Nederlands hase, in oud-Hoogduits was het haso (nu Hase). Dit woord komt voor naast een vorm met een r in, in oud-Engels was het zo hara (nu hare) Daarnaast staat oud-Hoogduits hasan: grijs grauw, vergelijk het Latijnse woord canus wat grijs betekent, de haas is zo naar zijn kleur genoemd.

De Duitse jagers zeggen Kromme, ook het woord Springerle komt voor.

Lampe zou het genoemd zijn naar de oplichtende achterkant.

Omdat hun achterpoten veel langer dan de voorste zijn kunnen ze niet lopen maar slechts springen. Daarom noemt men de haas in Duits Lampe, het Keltische lam betekent sprong, be of pe betekent klein, zodat Lampe de kleine springer betekent.

 

Uit Buffon.

 

Vormen.

Er zijn verschillende vormen van.

Lepus capensis, ‘Aegyptius’, is de langorige Egyptische haas. Die wordt geregeld afgebeeld op muurtekeningen van het oude Egypte.

 

Lepus europaeus, ‘Connori is de Iraakse haas. Het is de haas van het Mesopotamische laagland. Die zie je vaak op Assyrische reliëfs en zegels maar ook in grotere afbeeldingen afgebeeld. Daar zie je dat die wordt gejaagd door valken of honden.

 

De haas van Palestina is een andere subspecie van de Europese haas en is bekend als Lepus europaeus, ‘Syriacus. Die is gelijk aan onze haas maar wat kleiner, met kortere oren en tamelijk licht gekleurd.

 

Uit www.vulkaner.no

Lepus timidus, (angstig) is de sneeuwhaas of Alpenhaas. Deze haas bewoont de hogere delen van de Alpen en de noordelijke koude gewesten. ’s Zomers heeft hij de gewone kleur van de haas, ’s winters wordt zijn vacht sneeuwwit, behalve aan de punten van de oren die zwart zijn. Is wat kleiner en zwaarder van bouw dan de gewone.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit Gart der Gesuntheit.

Hazentaal.

Hij vecht in de rammeltijd met andere hazen, het is de ‘rammelaar’.

Het wijfje heet ‘moerhaas’ of ‘voedster’.

‘Halfwassen’ is het jonge dier die ongeveer de helft van zijn wasdom heeft bereikt.

‘Drieling’ noemt men het haas als die voor drievierde volwassen is.

De oren heten naar de jachtmatige spreekwijze ‘lepels’, de ogen ‘spiegels’, de kop ‘bol’, de poten ‘voorlopers’ en ‘achterlopers’, de achterbouten of dijen ‘kussens’.

Het haar wordt ‘wol’, de staart ‘pluim’, de huid ‘vel’ genoemd.

Het haas is aan ‘t ‘laveien’ als het uitgegaan is om ‘lavei’ (voedsel) te zoeken.

Het ‘drukt’ zich, als het zich op de grond verbergt om niet ontdekt te worden.

Het ‘breekt uit’ naar ‘t veld om te ‘laveien’ en ‘vaart in’ het hout als het de omgekeerde richting gaat om te rusten.

Het volgt daarbij zijn ‘passen’ of ‘wissels’, het ‘vaart’ in het ‘leger’ wanneer het zich naar een ondiepe holte begeeft waar het overdag slaapt.

Het verlaten van het leger heet ‘uitvaren’.

Door de honden wordt het genoodzaakt het bos ‘te ruimen’.

De jager zal het dier ‘naogen’, nakijken.

In het veld ‘waar hij zich drukt’ wordt het door de hond ‘opgestoten’ of ‘opgedaan’, dat wil zeggen dat het ‘rijst’ bij nadering van de hond.

De haas wordt dodelijk getroffen door een ‘bladschot’, dat is ter zijde in het schouderblad, maar is dan niet onmiddellijk neergeveld door een ‘weidewond’, dat is in de onedele of onderbuik ingewanden. Men ziet het ‘zweet’ dat is het bloed.

Het dier ‘klaagt’ dat is dat het kermt, het ‘sneuvelt’ dikwijls na vooraf ‘genekt’ te zijn, dat is wanneer men een bij de achterpoten opgenomen haas doodt door een slag met de rechterhand in de nek. Het wordt ‘ontweid’, dat is van de ingewanden ontdaan. Het wordt ‘afgehaald’, dat betekent dat het gevild wordt.

 

Hazenlip.

Hazenlip is een bekend verschijnsel. Men gelooft dat dit komt omdat de moeder van diegene die het heeft naar een haas gekeken heeft of vanwege het verlangen naar zijn vlees. In Latijn heet dit labium leporinum, in Frans bec de lievre, in Duits is het de Hasenscharte en de Engels hare-lip.

Toen de mensen gemaakt waren zond de Maan hun een haas om tegen hen te zeggen: “Evenals ik sterf en opnieuw geboren wordt zult gij ook sterven en opnieuw geboren worden”. De haas deed zijn boodschap verkeerd en zei: “Daar ik sterf en niet opnieuw geboren word zult gij ook sterven en niet opnieuw geboren worden”. De Maan werd boos, sloeg met een stok naar de haas en spleet zijn lip. Daarom hebben sommige volken zo’n afgrijzen van de haas zodat ze die niet eten.

 

Historie.

De haas was goed bekend in het oude Griekenland waar het veel schade zou doen aan de groentetuinen en druiven. Ook een Palestijnse mozaïek laat zien dat de haas van druiven eet. Afbeeldingen van hazenvallen zijn te zien op een mozaïek van Beth Shan.

De haas is in Europa en Zuid West Azië een ‘sportdier’ en voedselleverancier. Dit in tegenstelling tot vele delen van Afrika. Daar wordt het nooit gedood omdat het daar de magische held van de volksverhalen is, het is broeder haas. Deze magische haas stak eeuwen geleden met de slaven de oceaan over en zo werden de verhalen van broer konijn vertaald in het Engels.

 

Software: Microsoft Office

Bestiarium.

 

Maerlant; ‘Lepus is de naam van de haas. Zijn vlees is voor vele lieden geschikt. Zeer blode is het in de vlucht. Op de dag eet hij zelden door die angst. De wezel gaat met hem spelen, maar als die hem bij zijn keel komt bijten ze hen moorddadig dood. Elk jaar, dit is een wonder groot, verandert hij, zegt de schrift, zijn beesten natuur’. Hazen zijn zeer vruchtbaar. Omdat de geslachten moeilijk te onderscheiden zijn meende men dat ze tweeslachtig waren. Plinius vermeldt dit al. Aelianus voegt een verhaal toe van een man aan wiens woord hij niet kon twijfelen die een dode haas gevonden had met in zijn lichaam drie jongen. Maar ze spreken niet over een jaarlijks veranderen van sekse. De meeste mensen denken dat hazen een jaar manlijk en het andere jaar vrouwelijk zijn en naar believen van geslacht kunnen veranderen. Hebben we nu een haas of hazin, of een mannetje dit jaar en een vrouwtje het volgende jaar?  Jagers spreken van ‘het’ haas.

Maerlant; ‘Sneeuw eten ze door de nood. Ambrosius zegt, die heer groot, dat er zulk land is, nu merkt dit, daar zijn ze in de winter wit en als de koude dan weg valt komt hem weer ander haar aan. De hazenlong, zoals men zegt, is goed om op de ogen te leggen. Tegen menige zaken die aan de voet is gedaan, wrijf die longen stuk dan geneest al zijn wee. Leb dat men vindt in zijn maag  stelpt het lichaam van zijn plaag, het mag ook lang goed zijn hem die van vochtige naturne zijn. Zijn vlees is goed en gezond’. (773)   De longen van de hazen zijn goed voor de ogen als je die op de ogen legt. Als je dit wrijft of stoot en het vochtig maakt dan verminderen ze de moede voeten die je daarmee zalft. Het stremsel van de hazenmaag zuivert het lichaam van ziekten.

Maerlant; ‘Snel is hij voor de hond klimmend en dan nederwaarts wat hem zijn vaart beneemt van voren door de korte benen’. (773)  Brede lendenspieren met korte voor- en lange achterpoten om geweldiger te zijn in het lopen. Waarom ze als ze afgemat zijn de heuvels opzoeken en weten dat de honden die de poten even lang hebben die heuvel niet zo gemakkelijk kunnen beklimmen of afdalen en dus veld moeten verliezen.

Maerlant; ‘Hij en de leeuw slapen algemeen met ogen wijd open’. (773)  De oogleden die van de wenkbrauwen komen zijn te kort om de ogen te bedekken daarom is dat gevoel erg zwak in hen, ze slapen daardoor met open ogen. De haas slaapt een hazenslaapje, is ondertussen op zijn hoede en slaat alles gade om niet verrast of overvallen te worden.

Maerlant; ‘Sint Basilius laat ons verstaan waar ze bezig zijn en zich voeden en dat men ze niet snel mag weren, want ze doen en winnen meer dan men ze kan bekennen, dit doet zijn natuurlijke geest want hij is meer een prooi dan andere beesten. Een paar jongen werpt ze nu en zo heeft het andere reeds en een ander al zonder haar en in eierstokken een ander paar’.

Een moerhaas kan in een zomer vier maal jongen voortbrengen en iedere keer twee tot vijf stuks. Ze werpt haar jongen niet in een keer, maar krijgt die enig tijd na elkaar zodat ze ze niet allen tegelijk verliest. De jonge hazen die vroeg in het jaar, al in februari, geboren zijn kunnen voor de herfst al weer jongen voortbrengen. Als het vrouwtje haar eerste paar jongen werpt bevindt zich in de baarmoeder al een ander paar. De haas is aan Venus en de liefde gewijd, dit vanwege zijn geilheid en sterke voortplantingslust. In ieder geval vind je een spreekwoord van de haas, ‘lepus tute es, pulmamentum quaeris’,’ je bent zelf een haas en zoekt het lekkere bij een ander voor wat je zelf hebt’. Het is een symbool van wellust vanwege de vruchtbaarheid.

De witte haas, aan de voeten van Maria neergelegd, betekent echter de overwinning op alle vleselijkheid. Hazenvlees zou onvruchtbare vrouwen vruchtbaar maken. Loop driemaal met een haas om een barende vrouw heen, dit helpt bij de bevalling.

Maerlant; ‘Aesculapius die zegt dat het hazenhart vers aan de mensenhals gehangen de vierde daagse malariakoorts laat vergaan en verpleegt diegenen die vallen. Noch spreekt men van zijn gal dat zo blinde ogen helder maakt. Zijn hart droog, dat is waar, en gelijk verpoederd is goed tegen de blaassteen, zo is ook met warm water zijn bloed. Zijn baarmoeder gedroogd is goed want het laat knaapjes ontvangen, gepoederd en gelijk gemengd, zo is het beschreven waar ik het vond’. De gal heeft voor oogziekten steeds een rol gespeeld waarbij de genezing van Tobias wel de oorsprong zal zijn geweest. ‘Tegen ogen, neem de gal van de haas, gemengd met honing, doe dat in een donker doekje 1 x daags dan zal je de sterren ’s middags zien, hoe ziek je tevoren ook geweest bent’.

Herbarius in Dyetsche, ‘Lepus is een haas waarvan men zegt dat er twee soorten zijn, onderscheiden als mannelijk en vrouwelijk. Er hebben veel mensen zoals Plinius gemeend dat de hazen winnen en drachtig worden zonder er mannetjes bij te doen. Hazen zijn dieren die zo drachtig zijn dat als de een geboren wordt terstond de ander ontvangen wordt, daarom is het als het jong een oorbaar dier om te eten.

De wrongel van de haas is goed tegen venijn, het stopt ook het lichaam.

Hoe ouder het wrongel is, hoe het beter is. Hazenbloed verzacht de pijn van de ogen, volgens Gillebertus Anglicus’.

Vondel, Byschriften op de twalef maenden;

Slaghtmaent

‘De moedige jager keert. Hij heeft de haas gevangen

En draagt hem op de rug, opzij het tere gebeent

Van mees en vink, en voorts wat de slachtmaand hem verleent’;

A. Magnus; ‘Lepus de haas is een beest die genoeg bekend is, door de Chaldeeën wordt het Vetercellum genoemd en door de Grieken Onollosa, de kracht wordt wonderbaarlijk getoond want Evax en Aaron zeggen dat als de voeten er van gedaan worden met het hoofd van een merel beweegt het een man tot hardheid zodat hij niet bang voor de dood is. En als het aan zijn linkerarm gebonden wordt mag hij gaan waarheen hij wil en zal veilig en zonder gevaar terugkeren en als het aan een hond te eten gegeven wordt met het hart van een wezel, daarna zal hij niet meer blaffen zelfs als hij gedood zal worden.’

 

Vorm.

De haas heeft grote uitpuilende ogen ontvangen om zowel de minste onraad van achteren als van voren te kunnen bemerken. Want weerloos en ongewapend zijnde bestaat zijn behoud uit de vlucht.

Een klein hoofd die het uitzicht begunstigt, een vermogen om met geheel of half geloken ogen te kunnen slapen en daardoor in staat is om mogelijk eerder wakker te worden.

Vreesachtig en zwak van gezicht zijnde maar is met grote oren uitgerust om veel geluid te kunnen vangen. De oren van dit beest zijn als engelenvleugels, scheepszeilen of roeiriemen die haar op de vlucht helpen. Oren die zeer beweegbaar en scherp van gehoor zijn die opgestoken worden als het dier moet luisteren maar plat neervallen als het zeer snel moet lopen.

In de loop hebben ze een galop die vergezeld gaat van verscheidene sprongen. Hun poten zijn van onderen van haar voorzien zodat ze geen geraas maken. Opgejaagd verlaten ze onbesuisd hun leger.

Ze houden ‘s avonds laat of ‘s morgens vroeg vergaderingen.

Hazen drinken nooit maar zijn tevreden met de dauw. Ze zijn zeer schuw en daarom eten ze ‘s avonds en zelden op de dag.

Hazen rennen op hun eigen risico, ook sommige mannen en anderen (voor hun plezier) maar die maken er een omheining omheen. Nog een ander spreekwoord is, ‘lepus pro carnibus periclitatur’ ‘om des vlees wille’, loopt de haas gevaar. Men jaagt hem niet uit oorzaak dat hij schade toebrengt, maar om zijn vlees. Daarom loopt de haas ook zo geweldig omdat hij weet dat het hem om zijn hals te doen is, de haas loopt om zijn vlees. Dus zegt men: het kost halzen, hij loopt alsof het halzen kost. Hij is constant in gevaar, hij heeft een hazenleven.

De haas is al vanouds een hereneten, Martialis, ‘Inter aves turdus, si quis me judice certet, Inter quadrupedes mattya prima lepus’. ‘Van al dat om de hemel zweeft, is het snepje het best dat leeft. Maar van het wildbraad uit de wouden, wordt van de haas het meest gehouden’.

 

Uit bestiary.ca

Melancholisch.

Shakespeare, Anthonius and Cleopatra’’: 4,7,10;

‘Kerft hen de ruggen’.

Pakt hen van achteren, zoals de hazen, aan.’

King John’’, 2,1,140:

‘Gij zijt de haas, wiens moed, naar ’t spreekwoord zegt’.

Een dode leeuw wel aan de baard durft trekken’.

De hazen zijn een zinnebeeld van de zotten en lafhartige, ze verschieten van het ritselen van een blad en lopen voor hun eigen schaduw. Hierom wordt iemand een hazenkop genoemd die zeer bang is en niet tegen zijn eigen vijand durft op te staan.

Melancholy hare, ‘1 King Henry IV’, i, 2, 86;

“I am as melancholy as a gib cat, or a lugged bear’.. ‘Verduiveld, ik ben zo melancholiek als een oude kater of een geneusringde beer’.

‘Or an old lion, or a lover’s lute’. ‘Of als een oude leeuw of een minnaarsluit’.

‘Yes, or the drone of a Lincolnshire bagpipe’. ‘Of als een baspijp van een Lincolner doedelzak’.

What sayest thou a hare, or the melancholy of a moor-ditch?’ou gij niet zeggen, als een naargeestige haas, of een stilstaande stadsgracht?’

Hoe hazen melancholisch zijn komt door voeding, toch zijn ze te eten met anijs, geroosterd en gekookt.

Het is meester Cuwaert (couard of coward: lafaard)

Ovidius, vertaling van Vondel:

Maar dat nog slechter luidt, oorlogs befaamde

Gij koos het hazepad. Ik zag het zelf, en schaamde

Mij uwenthalven, toen gij hem den rugge boodt’.

De haas is vreesachtig en vecht niet, het is de angsthaas. Het is duizelig van gezicht zoals andere beesten die hun ogen niet sluiten als ze slapen. Hij hoort beter dan ziet en vooral als hij de oren omhoog steekt. Zijn oren zijn lang en buigzaam, dat is nodig om de ogen te bedekken die open zijn en niet bedekt zijn door oogleden om ze te vrijwaren van muggen en vliegen, groot en klein en andere onplezierige beesten. De oogleden die van de wenkbrauwen komen zijn te kort om de ogen te bedekken daarom is dat gevoel erg zwak in hen, ze slapen daardoor met open ogen. De haas slaapt een hazenslaapje, is ondertussen op zijn hoede en slaat alles gade om niet verrast of overvallen te worden. Om die reden hebben de Egyptenaren, volgens Plinius, de haas ingevoerd als zinnebeeld van een man die wakker en op zijn hoede is. Omdat hij ook zijn oren te luisteren legt en een snel en scherp gehoor heeft wordt het gehoor bij de Egyptenaren afgebeeld door een hazenoor. Vanwege hun vrees voor honden en hun snelheid zien ze minder, als ze wachten sluiten ze hun ogen en als ze slapen openen ze die. Om goed te zien gaan ze vaak op hun achterste poten staan. Hazenvlees veroorzaakt dan ook slapeloosheid.

 

Slim.

Bij deze snelheid komt een grote vernuft en listigheid. Ofschoon ze nooit ver van hun leger aflopen die deze schrandere dieren in de zomer naar het koele noorden en in de winter naar het warme zuiden maken ze veel wendingen om de honden ervan af te leiden. Ook lopen ze om hun geur en spoor te verliezen niet tegen de wind op, maar met de wind mee. Horen ze de jachthoorn blazen verbergen ze zich in de biezen. Ook heeft men een haas die een paar uren voor de honden uit gelopen heeft een ander uit zijn leger zien opjagen en zich in die plaats ter ruste zien leggen om uit te rusten. Of als de honden aan een kant van de heg voort lopen gaan zij aan de andere kant terug. Geheel afgemat springen ze soms tegen een muur op en leggen zich daarop plat neer en laten de honden voorbij snellen. Anderen zwemmen de rivier over en verbergen zich in het gras of verschuilen zich in een kudde schapen of in een stal. Tijdens een jacht verloor men een haas uit het oog. Men vroeg aan een boerin die daar aan het knollen plukken was of ze een haas gezien had? Ze had niets gezien. Kort daarna bemerkte ze dat het zo angstige als listige dier die in hoge nood geen uitkomst weet en onder haar rokken was gekropen. Ze ving de haas en bracht hem naar de jager.

Een ooggetuige beweert dat als een haas een nieuw leger gemaakt heeft hij daar eerst stil in gaat zitten en na een poos daarna met een geweldige sprong uitspringt om te leren hoe hij zich het beste kan redden in tijden van nood. Ook om te zien of zijn leger te veel in ‘t oog valt.

Ze slaan als ze opgejaagd worden, geen geluid, maar als ze gewond of gevangen genomen worden kermen ze als een mens en wekken dus ons medelijden op. Daarom zal ook geen edelmoedig jager het beest in zijn leger schieten.

(781) De H. Anselmus had de koning al eens flink de les gelezen. Net waren ze bij een jacht in het open veld of ze kregen een haas in de gaten, de honden er op af. Anselmus riep hen met vervaarlijke stem terug, maar de honden waren al te ver weg. Plotseling kwam de haas uit het kreupelhout te voorschijn en ging tussen de poten van Anselmus paard lopen alsof hij bij hem bescherming wilde zoeken. De honden waren al snel terug en sprongen grimmig bassend om het paard heen. Hij stond stil en verbood de honden de haas enig letsel te doen, wat dan ook gebeurde. Ze kropen dichterbij en likten de haas alsof het een van hun jongen was. Daar kwamen de ruiters en zagen het wonderlijk tafereel, een ervan begon daarom luid te lachen. Toen zei Anselmus; hier valt niets te lachen, knaap. Dit dier was in doodsnood en het zocht bij ons beschutting voor zijn leven. O, broeders, dit is nu een beeld van de onsterfelijke ziel, belaagd door de boze en wordt voortgejaagd door de zonde, hij zoekt bescherming bij God.’

 

Uit Isaack van Waesberge, 1633.

 ‘Niemand heeft zo weinig goeds, gewis,

Dat die nergens nuttig noch bevorderlijk voor is.

 

Van de ezel en van de haas.

De leeuw in een vreemd land zich eenmaal heeft gevonden,

Een leger te rusten toe, hij toen begerig was,

’t Viervoetige gedierte liet tot hem komen ras,

Die over berg en dal in allerijl bestonden

Tot hem te komen en zich tezamen verbonden,

Zijn recht te houden staan, nu zijn de meeste verzameld,

Heeft zijn gezworen eed hen al tezamen verklaard,

En hen de strijd tegen de vogels gaan verkondigen.

De trotse beer toen sprak, maar wat zal ons toch baten

De hazen bange vrees en de ezels luiheid snood,

De leeuw antwoorde hem, de hazen snelheid groot,

De ezels sterke stem, verschrikkelijk boven maten:

Die komen ons noch wel in deze strijd te baten,

De een om te geven moed en de ander zal ons snel

Een rasse bode zijn, dus is in ieder wel

Iets wezen waaruit men nut, iets dienstbaar kan vatten.

 

Verklaring.

Een boze en snode ziel, door nijdigheid gedreven,

Zoekt steeds zijn naaste schande en denkt waarmee hij kan

Vernielen, te enenmale de rechte en goede man,

Waardoor hij middel zoekt en in haat hem te doen leven

Van zijn heerser, door veel valse en snode reden,

Maar vaak het gebeurt dat die men onwaardig acht

Voor grove botte dom, dat beter die betracht

Al zijn beroep dan die zich beroemt vol listigheid.’

 

 

Gebruik.

Men vindt in hazen zekere kleine blazen die gevuld zijn met een stof, tegen regen zoeken hazen hieruit een zekere humeur en zalven er hun hele lichaam mee in, zo verdedigen ze hun lichaam in de regentijd.

Van het sap van het bilzekruid dat gemengd is met hazenbloed en gekookt met de huid van een haas wordt verteld dat alle hazen tezamen komen op die plaats komen waar dit begraven is.

De studenten in Jena en Leipzig sloten vriendschap door elkaar knielend wijn toe te drinken waarin bloed uit de vinger van hun hand en van een haas gemengd was. Hazenbloed was lang in eren. Als een boer in Mecklenburg gaat zaaien besmeert hij ‘s morgens en ‘s middags zijn handen met hazenvet en zaait in Godsnaam het koren uit, de vogels zullen er niet aan komen. Het bloed van een haas dat tot poeder gedroogd is en op net geroosterd of gekookt vlees gedaan is maakt dat dit vlees bloedig wordt en bederft. Zodat iedereen die dit ziet en niet bekend is met het geheim er niet van zal eten.

Zo geeft de bijvoet een verkwikking aan de vermoeide wandelaar. Gaan we nog een stap verder zien we dat kousenbanden gemaakt van bijvoet die tussen twee riemen van hazenvel genaaid is (de haas is een onvermoeibare snelloper) maakt dat de drager honderd uren lang kan gaan zonder moe te worden, het sterkste paard kan het tegen hem niet uithouden. Doe hazenleer in je schoenen en je kan hard lopen.

De poten van een haas samen met de steen of het hoofd van een wezel geeft moed zo dat je de dood niet vreest. Als je die om je linkerarm bindt ga je waarheen je wilt en kom je zonder gevaar terug. Als dit aan een hond gegeven wordt met het hart van een wezel maakt hij geen geluid meer, ook als die gedood wordt.

De hersenen van een haas zijn goed om de zenuwen te versterken en de zaadballen en nieren gedroogd of klaar gemaakt, bevorderen het zaad, laten de steen van de nieren verminderen en stuiten de plasvloed en versterken de blaas.

Met zijn hersens wordt kindertandvlees geschoond want het heeft de kracht dat de tanden snel komen en zonder pijn. Zijn hoofd dat met berenvet verbrand wordt gebruikt men als een pleister, het helpt tegen kaalheid.

In Chersonesus hebben alle hazen gewoonlijk twee levers, worden ze naar andere landen gebracht verliezen ze er een.

Men heeft verzekerd dat er van hazen en konijnen kleren te maken zijn, in de hand zijn ze niet zo zacht en ook niet duurzaam omdat het haar te kort is en spoedig zal uitvallen. Een vest gemaakt van hazenhuid recht het lichaam van jong en oud.

Wie bij de loting voor de dienstplicht in Duitsland een hazenpoot bij zich draagt krijgt een hoog nummer. Die er in Zwitserland een bij zich draagt krijgt goede kaarten.

 

Schoonheid.

Het eten van hazen veroorzaakt slaap. Dit vermeldt Cato al. Ook dat de gewone mensen ervan overtuigd zijn dat het vlees van de haas hen het gevoel geeft dat ze er goed uitzien, lieflijk en gracieus worden en een week lang schoonheid geeft. Er moet een reden zijn voor dit vast gewortelde geloof.  Plinius noemt dit wel een ‘frivolus iocus’, maar meent dat er wel iets waar aan kan zijn omdat het geloof zo algemeen verspreid was.

Martialis schreef, epigram. V, 29:

“Als je van mij een haas gestuurd krijgt, Gellia, zeg je

“Zeven dagen maakt het je, Marcus, mooi”

Spot nu niet met mij, mijn liefste, en zeg de waarheid

Gellia, (Grietje) nooit heb je van een haas gegeten”. Waarschijnlijk stamt hiervan het spreekwoord: ‘leporum non edit’, ‘hij eet geen hazenvlees, hij heeft geen schoonheid of bevalligheid’.

Keizer Alexander Severus was gewoon gebraden hazen te eten. Daarop maakte iemand een gedicht:

“Eeuwig mooi is de keizer

Die eeuwig hazenvlees eet”.

In Bohemen gelooft men nog lang dat het eten van hazen negen dagen schoonheid geeft.

 

Ezel.

De spotnaam die Lochems inwoners dragen is koolhazen. Een boertje, die ontdekte dat zijn kool op het veld steeds verminderde ging er ‘s nachts gewapend op af maar liep ijlings naar de stad terug met de melding dat een groot beest, een wonderhaas, op zijn koolveld graasde. Enkele mannen snelden nu toe, het geweer in de arm, naar het land en zagen ook het grote beest. Ze schoten het, toen bleek het een ezel te zijn.

 

Moraal.

Het verveelde de hazen van Oldenburg dat ze steeds voor andere dieren op de vlucht moesten, ze besloten tot een landverhuizing. Hun weg liep over een brug waarop een kikker zat. Die werd bang, sprong van de brug en kroop eronder. Toen de hazen dat hoorden, verheugd en blij dat een dier voor hen vluchtte schaterden ze van de lach dat hun bek spleet. De verschrikte kikker bleef onder de brug zitten tot er een dikke boer over ging en hem de rug intrapte. Uit dit voorval ontstonden twee spreekwoorden: “zich te barsten lachen” en in Oldenburg, ‘he had ‘n rug stucken as ‘n springpogge.

De geestige Aesopus verhaalt dat de hazen, eens vergaderd zijnde, klaagden over hun ellende, dat ze de roof van de mensen waren, van vogels en wilde dieren. Het was beter eens te sterven als in blijvende vrees te leven. Daarom besloten ze om naar een zeker moeras te gaan om daar een einde aan hun ellendig leven te maken. Rondom de vijver zaten kikkers, zij sprongen bij het naderen van de hazen in het water. Waarop de bedachtzaamste en verstandigste haas uitriep; “Hola kameraden, ga niet verder. Wij zijn er nog niet zo slecht aan als we meenden, er zijn nog andere dieren die nog ellendiger zijn dan wij, die ons nog vrezen”. Zo behield de meesterhaas zijn leven en daardoor het hazengeslacht. De moraal van dit verhaal; ‘als je denkt dat je door alle tegenslag bent getroffen, ga dan eens aan een ander zijn leed vragen’.

Een sage verhaalt dat een haas door een adelaar was gepakt voor de ogen van een mus. Die riep het dier toe: ‘waarom ging je er niet als een haas vandoor?’ Nog was hij aan ‘t praten toen een valk verscheen en de mus pakte. Hoog in de lucht hoorde de angstige mus de zieltogende haas zeggen: ‘ik lach me dood’. De moraal van het verhaal is; als je je zelf nauwelijks redden kan, geef dan een ander ook geen raad’.

 

Sagen.

Een boer is aan ‘t werk bij zijn huis in Storkerhoek bij Epe. Rustig komt er een haas aan kuieren, hij loopt de hond voorbij. Dat is de boer toch al te kras en hij steekt zijn greep diep in de mestbult om te zien hoe dit afloopt. De haas gaat in een aardappelakker liggen en laat een klagend geluid horen. De boer er achter aan. Maar nu hoort hij het geluid bij een wilg, een heel eind verder. Als de boer bij de wilg is dan is het geluid weer op een andere plaats en zo wel een twintig maal achter elkaar, net altijd waar de boer niet is. Die wou zo graag weten wat het was, maar is er nooit achter gekomen.

Toen de oude hopman Vos van Diever die aan God noch gebod geloofde gestorven was en zijn lijk bewaakt werd vloog precies om middernacht een grote haas uit de kist. Op het Leeerveld van Dwingelo, wat hij eens vervloekt had omdat een haas eens ontsnapt was, verscheen sindsdien de spookhaas. Dit was een buitengewoon grote haas die niet door de honden opgejaagd kon worden en niet geraakt kon worden.

Een vrome jager zag een witte haas die rustig bleef zitten. Hij schoot er op maar de kogel was machteloos. De haas zei lachend tot hem: “tweemaal moet je nog op me schieten maar je zal me niet treffen. Houw me dan het linkeroor af, steek me het rechteroog uit en breek me de achterpoot. Maar als je leven je lief is spreek je geen woord en laat geen druppel zweet op de grond vallen”. De jager voldeed aan het verzoek en toen hij klaar was danste de haas van plezier om hem heen. Hij viel in slaap en droomde dat de haas tot hem zei: “ga middernacht in het bos en graaf onder de dikke eik, daar zal je een grote schat vinden”. Hij deed het, vond de schat, maar toen hij zich het zweet afdroogde zei hij: “sakkerloot, wat is het warm”. De schat zonk de diepte in zodat die niet meer te krijgen was. 

Er waren eens drie soldaten die afgedankt waren. Toen ze buiten op ‘t veld waren schoten ze een haas. En van hen maakte de haas schoon, de anderen keken of ze nog wat konden raken. Net toen de haas gebraden was verscheen er een aardmannetje die de haas uit de pan greep en er mee weg liep naar zijn hol. Zo ook met de tweede haas bij de tweede soldaat en de derde bij de derde soldaat. Maar die ging er achteraan en sloeg hem de baard af, kroop hem achterna in zijn hol net zo lang tot hij bij een mooie burcht kwam, diep onder de grond. Daar zat een koningsdochter. Die vroeg hem om een groot zwaard van de muur te pakken want de reus zou zo wel komen. De reus kwam en zei: “Ik ruik mensenvlees”. De soldaat stond al klaar en sloeg hem met een klap zijn hoofd af. Hij nam de lange tong eruit en deed die in een doek waar de naam van de prinses in stond. Zo ging hij naar de tweede burcht waar weer een koningsdochter was en waar ook weer een slagzwaard hing. Ook hier rolde de kop van de reus weer voor zijn voeten. Tong weer in een doek en zo naar het derde kasteel. Hier hing een zwaard die hij nauwelijks omvatten kon. Maar ook hier was de reus zijn hoofd zo weer kwijt en zijn tong kwam weer in een doek met de naam van de prinses erop. Net toen hij weg wilde gaan zag hij een fluit hangen. Hij speelde en speelde en daar kwamen de aardmannetjes aan. Ze moesten hem het gat wijzen waar hij door gekomen was en de drie prinsessen gingen natuurlijk mee.

De beide andere soldaten stonden nog bij het gat te wachten. Eerste trokken ze de prinsessen naar boven in een turfkorf. Toen moest ook de soldaat erin gaan zitten. Hij vertrouwde het niet en legde er een zware kei in. Toen de kei halverwege was lieten de beide rakkers hem vallen. Hij zat nu alleen in zijn hol, maar had nog zijn fluit. Hij beval de aardmannetjes dat ze een gang moesten graven zodat hij erdoor kon met koets en vier paarden. Zo kwam hij boven de grond en ging dadelijk naar het koninklijk paleis en kuierde wat rond. Daar zou het net bruiloft zijn met twee van de verloste prinsessen. De derde prinses kwam net naar buiten en zag wel dat hij het was, hoewel hij nu een heel ander pakje aan had. Ze herkende hem evengoed wel omdat ze goud in zijn haren had gestrooid dat blonk in de zon. De soldaat liet zijn drie doeken zien met de drie tongen van de reuzen en de namen van de prinsessen erop. Dat was duidelijk genoeg. De koning wilde de twee anderen laten ophangen, maar de derde prinses en de soldaat en waren veel te blij met elkaar, daar moet je niet te veel ellende bij hebben. Zo werd er een groot feest gevierd en iedereen was meer dan blij dat het zo goed afgelopen was.

Jaren geleden woonde er in Hellum eens een buitengewoon sterke boerenknecht. Op een keer dat hij aan het ploegen was zag hij in de voor een haas zitten. Hij dacht dat hij die wel mee kon krijgen, greep de ploegschaar en gaf de haas er een opstopper mee. Maar het haasje bleef zitten alsof er niets gebeurd was. Ik heb hem niet goed geraakt, dacht de knecht, als hij dan niet bang voor me is zal ik hem maar onderploegen. Maar de paarden wilden niet verder, hoe hij ze ook aanzette. Ineens begon de haas te groeien, te groeien en te groeien. De knecht kreeg een slag tegen het hoofd dat het hem duizelde. En toen kwam er een regen van slagen, rechts, links, aan alle kanten. Op het laatst heeft dat kleine haasje hem door de lucht gesmeten en van het land af gegooid zodat hij een heel eind aan de andere kant van de sloot terecht kwam.

Enige stropers uit Gronsveld gingen geregeld ‘s nachts aan het stropen. In het Ekkerderbosch zagen ze iedere nacht een haas, misschien hebben ze wel honderd keer op hem geschoten, maar ze konden hem niet raken. Eindelijk lukte het een van de jagers het dier te raken zo dat het een buiteling maakte en bleef liggen. Hij liep dadelijk naar de plaats waar hij de haas had zien vallen. Wie beschrijft zijn verbazing en schrik toen hij de haas wilde oprapen die tot hem zei; ‘probeer nu nog eens te schieten’. Hierna hebben ze haas nooit meer gezien.

Een man ging geregeld op zondag onder kerktijd op jacht. Op een morgen sprong een haas voor hem op. Hij legde aan en schoot, maar de haas liep naar hem toe en ging vlak voor hem zitten. Hij had een dubbelloops geweer en wou dadelijk schieten, maar de haas zette een verschrikkelijk gezicht op en werd zo groot als tien andere hazen, de hond liep weg. Toen liep de jager ook weg. Sindsdien gaat hij nooit meer zondag’ s op jacht.

Een timmerman schoot ’s avonds in de maneschijn een haas die in zijn kool op bezoek was. Hij stopte hem weg in de bedstee omdat hij bang was als stroper betrapt te worden. De volgende avond ging hij er weer op uit. Toen verschenen hem vijf hazen tegelijkertijd. Een ervan richtte zich op en wees met de voorpoot naar de timmerman en zei tot zijn kameraden; ‘dat is die akelige jager die gisteravond onze Slieske heeft dood geschoten’. Hij liep dadelijk naar huis, pakte de stijf geworden haas en ging er mee naar het veld. Hij legde het beest op de rug, klopte de haas driemaal met de laadstok op de rug en zei; ‘ ben jij de oude Slieske?’ Toen leefde de haas weer en liep weg.

In Spijkster Buitendijks heeft er vroeger een grote haas gelopen, die hebben ze nooit kunnen raken. De aller knapste schutter schoot telkens mis. Hoe vaak ze er ook achter aan gingen, ‘t hielp allemaal niks, ‘t was net of het dier hen uitlachte. Ze zouden durven zweren dat ze het dier geraakt hadden, maar hij stoorde zich nergens aan. Toen kwam er een heer jagen die alles kon raken. Maar de haas hield hem even goed voor de gek. De meneer heeft al zijn kogels op hem verschoten. Hij wou hem hebben. Toen heeft hij een zilveren kogel in het geweer gedaan en heeft hij hem dadelijk gekregen. Het was een spookhaas en die kun je alleen krijgen met zilveren kogels. In Schildwolde heeft ook zo’n haas gelopen, maar dat was een witte.

 

Hasenfrauen.

Het is een oud geloof dat vrouwen niet alleen de gedaante van een moedige kat, maar ook van de vreesachtige haas aannemen, dat zijn de Hasenfrauen. Het is een betoverend dier. Het pad dat ze maken in het hoge graan wordt nog als heksenwerk gezien en met de naam heksenpassen bestempeld.

Een lord in Ierland schoot een haas aan, hij volgde het bloedige spoor en kwam in een hut waar een vrouw een wond aan haar been aan het verbinden was.

De meesterjager van de huize Havixhorst, tussen de Wijk en Meppel, zag elke morgen een haas de laan oversteken. Natuurlijk schoot hij erop, maar hoe goed hij ook mikte, raken deed hij het beest nooit. Hij sprak met de baron over het geheimzinnige dier en die gaf hem de raad om bij zijn hagellading drie roggekorrels te doen. De volgende morgen toen het beest weer verscheen schoot hij die aan, maar het beest wist te ontkomen. De baron moest er nu meer van weten en ze gingen dus op onderzoek uit. Het bleek toen dat een buurvrouw met het hoofd in de doeken te bed lag. Ze is weer beter geworden, maar de haas heeft zich niet meer vertoond.

De kruisboogschutters van Valkenswaard gingen in optocht naar het raadhuis en zagen daar plotseling een haas die het veld in vluchtte. Ze achtervolgden hem en net toen ze hem zagen zat er een vrouw op dezelfde plek. Het was een heks die zich in een haas veranderen kon.

De abt van het beroemde Benedictijnenklooster Einsiedeln in Zwitserland hoorde eens van een haas die al vele jagers onder schot hadden gehad, maar nog nooit geraakt was. Hij besloot dadelijk op jacht te gaan. Hij laadde zijn geweer met iets dat gezegend was. Waar hij stond kwam al gauw een grote haas die hij neerschoot. Hij ging naar het dorp terug en in het eerste huis waar hij voorbij kwam was op hetzelfde moment dat het schot viel, een vrouw gestorven.

In Tirol liep een heks, toen men haar gevangen wilde nemen, vluchtte ze als een haas weg.

 

Dergelijke hazen zijn herkenbaar aan hun grotere vorm en dikkere kop. Vaak hebben ze wel een steekhoed op en staan gewoonlijk op hun achterpoten

Om die gedaanteverwisseling te bewerkstelligen is een middel nodig (zie wolven). Dit is vaak een harig halssnoer, maar meestal hazenvet. Een heksenrechter in de Jura beroemde er zich op dat hij meer dan zes honderd heksen had laten terecht stellen omdat ze in de kerker dat vet niet hadden om hazen te kunnen worden.

Bij Oldenburg leefde eens een weduwe met een jonge dochter. Ze had de dochter de kunst van het heksen nog niet bijgebracht. Toen ze eens in een aardappelveld kwamen waar jagers bezig waren zei ze tot haar dochter: “ik ga eens een grap uit halen, maar je mag niets zeggen”. Spoedig daarop sprong er een haas uit de aardappels, de honden van de jagers sprongen haar na. Het dochtertje werd angstig en riep: ‘Moder, lopt, moder lopt’ Toen was ze verraden en werd als heks verbrand. Je mag namelijk hun naam niet zeggen. Dan worden ze weer mens. Het zijn dezelfde verhalen als bij weerwolven.

 

Driepotige hazen.

In 1883 werd er in Gelderland, Ulft,  een haas geschoten met drie poten, de vierde heeft hij nooit gehad. Dit zijn spookdieren.

In het koninklijk slot te Berlijn was een driepotige haas met vurige ogen. Hij hield zich het meest op bij de wijnkelder. De wacht hoorde dat de klok van de dom twaalf uur sloeg. Toen hoorde hij een geweldig gerammel, de haas kwam aanlopen met een bos sleutels, neemt er een en opent de wijnkelder. Toen de schildwacht van zijn eerste schrik bekomen met zijn sabel wilde uithalen viel de deur in ‘t slot. Van de haas is nooit meer iets vernomen.

De abt van Echternach had eens een soldaat veroordeeld die bij de brug onthoofd zou worden. Hij hield vol onschuldig te zijn en zei dat men zijn onschuld daaraan zou herkennen dat hij als driebenige haas zou terug komen. En inderdaad, zo gauw als zijn hoofd gevallen was liep een dergelijke haas van de gerechtsplaats weg.

De driepotige hazen zijn wel eens verwenste mensen. In Saksen volgde iemand er eens een die in een groot huis de trap opliep. Hij kwam in een kleine kamer waarin een groot boek was waarin hij las dat de haas verlost zou worden door de handtekening van een man. Hij schreef zijn naam er in en de haas veranderde terstond in een edele ridder. Met een geweldige knal sprong een deur open die toegang tot vele schatten gaf.

 

Maanhaas.

(184) De Hindoes noemen de maan, ‘haasdrager’, het is de haas die op de maan gezien wordt. De Japanners en Chinezen weten te verhalen hoe de haas voor een mortier zit en met de voorpoten een stamper vast houdt waarmee het dier rijst stampt. Bij de Chinezen vertegenwoordigt de maanfiguur, Jut-ho, een haas aan haar voeten. Een vertaling uit het Sanskriet over de haas in de maan luidt als volgt:

“In Benares ziet men bij de ‘Helden Vijver’ in het bos een gedenkteken die ‘stoepa der drie dieren’ genoemd wordt. De vos, de aap en de haas leefden hier eens vredig tezamen. Op zekere dag komt de opperste der goden in de gedaante van een grijsaard tot hen en vraagt of zij iets te eten voor hem hebben. De vos haalt een zilverkarper uit de beek, de aap sappige vruchten uit de boom, de haas kon echter niets brengen. Daarom vraagt hij aan de anderen om wat dor hout en dorre bladeren. Die steekt hij in brand en werpt zichzelf in de vlammen en zegt dat hij die niets aanbieden kon zichzelf wil geven. De grijsaard raapt de beenderen samen van het verbrande dier en spreekt: ‘zijn zelfopoffering tot loon, daarom zal ik de haas in de maanschijf plaatsen opdat zijn nagedachtenis ten eeuwige dagen niet uitgewist wordt’. Volgens de legende was de grijsaard niemand minder dan de grote Buddha die in de incarnatie van de haas hier een bewijs van zijn grote menslievendheid gaf. Sakka, de oppergod, greep een palmboom en doopte die in zee en schilderde met aarde en sneeuw het beeld van de haas op de maanschijf die nooit weer uitgewist kan worden.

Het is een maandier, de donkere vlekken op de maan doen aan een springende haas denken. Bij de Scandinaviër waren het twee kinderen Bil en Hiuke die van de maanreus emmers hadden gestolen en door hem met emmer en al op de maan werden gezet. Dat werd bij de Engelsen Jack en Jill. Verder ziet men later wel een man of jongen met een takkenbos, het mannetje van de maan. Zie Shakespeare 2, 2, ‘Tempest’, waar Stefano zegt: ‘ik was indertijd de man in de maan’, waarop Caliban zegt: ‘Ik zag u daar en bid u aan, men wees mij. Er vaak uzelf, uw hond, uw takkenbos’. Zo ook Midsummer Night’s Dream 1, 5.

 

Het Aangaan.

De haas heeft bij de meeste volkeren een slechte reputatie. Elfen, heksen en allerlei kwaad sluipen in de vorm van een haas rond, vooral in driebenige hazen. Vriend lampe verschijnt meerdere keren als ongeluksbode Wie in Bosnië een haas door het dorp zag lopen zal sterven. Loopt die in Bohemen in een dorp dan brandt er daar gauw iets. Als de Letten op hun reis een haas tegenkomen of een vrouw die uit huis komt dan voorspelt dat weinig goeds voor die dag en gaan ze terug.  Wanneer je op reis iemand met een lege waterkan tegenkomt of een haas over de weg ziet springen dan zal het je op de reis slecht vergaan. De haas die je rechts tegemoet komt betekent nieuwigheden, loopt de haas van rechts naar links over de weg komt er ongeluk. Als een haas overdwars over de gewone weg loopt zijn vele ouderen hierover ontsteld. Het is slechts een waarzeggende angst volgens de aangesproken verklaring; ‘inauspicatum oblatus lepus’, dat het ontmoeten van een haas een voorspook is van een ongelukkige reis. Dat steunt wel lichtelijk op het geloof dat een angstig dier die ons voorbijgaat iets vreselijks voorspelt.

Alleen bij de oude Grieken en Romeinen was ze een goed voorteken.

 

Spreekwoorden.

Sommige wezens worden nooit vet zoals de haas en patrijs.

De harigste creatuur van allen is de haas.

Haasvreten, hij heeft haas gevreten. = Hij is bang geworden, hij is een durfniet, hij is lafhartig. De veronderstelling is dat men door het eten van een haas de eigenschappen van de haas in zich opneemt.

Het hazenpad kiezen. = Is op de vlucht gaan. Al vroeg is de haas gehouden voor een vreesachtig dier en zijn naam gegeven aan een lafaard, zie het hazenvet onder zijn schoenen smeren.

Haas op spelen. =Het hazenpad kiezen

Een haas wil altijd weer terug naar de streek waar hij geboren is. = De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.

Waar men het ‘t minst verwacht, springt de haas uit de gracht. =Er gebeuren altijd dingen waar men niet op had gerekend. Je kan een haas een paar maal voorbijgaan en opeens schiet hij uit zijn leger, waar je niet op gerekend had.

Een hazenslaapje. =Een slaap die zo licht is dat men bij ‘t minste gedruis wakker wordt.

Veel honden zijn der hazen dood. =Tegen overmacht kan niemand op.

Wie twee hazen jaagt vangt geen enkele. =Men moet geen twee dingen tegelijk doen. Het spreekwoord, ‘men vangt geen twee hazen tegelijk’, wil zeggen dat diegene die op twee winsten uit is beiden doorgaans mist.

De oude hazen kennen de stroppen. =Men zal een man van ondervinding en ervaring niet licht beetnemen. Ook;

Een oude haas kent alle slopen.(paadjes)

Die de meeste hazen schiet eet ze het minst. = Verdienste wordt niet beloond.

Hij is het haasje. =Hij is erbij, het ongeluk treft hem.

Zo gek als een haas, mad as a hare. =Zeer gek, wild.

Draagt het hazeken lang nog zijn zomerkleed, dan is de winter nog niet gereed.

 

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  LXXVIII;

De Vos, Hond en Haese;

‘’t Loos Reintje op onvoorziene wijze een Dog ontmoeten

de Dog die wilde aan hem graag zijn honger boeten

Zo is Reinaard in gevaar, hield met hem deze spraak:

Gelooft mij, jonger Dog, van wondere smaak

Is het harde Vossenvlees, en moeilijk om te verdragen

’t Bezwaard, en kookt in het geheel niet in hongerige magen

Maar als u vlees lust of enig lekker aas

Zie daar loopt met grote passen en lang geoorde Haas

Zijn vlees is delicaat en laat zich lieflijk stoven

Het is het gezochtste wild in aller Prinsen hoven

De Dog, hoerdoor bewogen, naar ’t Haaske heen met spoed

’t Welke hem vluchtig ontspringt, gelijk ook Reinaard doet

die veilig bij de Haas in de schaduw gezeten

zijn ontrouw en verraad van ’t Haaske wordt verweten

o, kortstaart, zegt de Vos, ben je kwaad nu noch?

Ik prees uw edel vlees op ’t hoogste voor de Dog

Zo handelen zulke die haar naasten noch bezwaren

Op dat ze in levensgevaar zich zelve slechts bewaren

De schalkse heeft om de brand van zijn buur geen geklaag

Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.’

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  CXI;

De Hasen en Vorsschen;

‘De hazen, eens ontvlucht van de Honden felle macht

Hier hadden, bleek van vrees, haar leger plaats gebracht

Op ’t onvoorzienst begint de noordenwind te ruisen

In ’t midden van ’t geboomte, de blode Hazen kruisen

Het boomrijk eikenbos, en komen aan de kant

Van ‘t drabbige moeras met hopen aangerand

De Vorsen, ongewoon zulke schielijke geruchten

Beginnen ook uit schrik van dit geweld te vluchten

De Hazen kapitein riep stout en onverzaakt

Spitsbroeders , wijk niet meer, na niemand en vracht

Gij ziet, wij zijn een schrik van deze vreselijke dieren

Waarom zouden wijde rappen winden vieren?

’t Gaat zo alle dag, wanneer de blode guil

Zijn mindere de baas is, hij acht hem als een uil

Hij is zo in zijn schik, hij blaast zo uit zijn darmen

Hij kapt drie mannen af met 1 houw zeven armen

Hij wijkt voor niemand niet, wanneer zijn vijand vliet

Dan is het een man in ’t veld, hij vreest noch acht hem niet

Maar als die weer zijn tanden gaat ontbloten

Dan kiest hij ’t Hazenpad, loopt voor een blaag met koten’.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  CXV;

Den Hase en de Schiltpadde;

‘Een ongeziene kans de Schildpad heeft bestaan

Als met de lichte Haas zij ging een wedspul aan

Die met zijn snelheid en rasse leden

Dit lome dier verbaasd met alle schamperheden

Wat wilt gij kruiper doen? O, luie rondasser

Een al te trage prooi, kruip, kruip, op uw manier

Ik kom nog vroeg genoeg. Schudt van de uwe de harde schelpen

Noch zo veel benen uit en laat ze de ander helpen

Ik ben toch morgen vroeg te Ronssen, voor de stad

Eer gij op ’t einde zijt van het geldeloze pad

De Schildpad zich op haar wege spoedt, gestadig zonder dralen

Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eer en prijs te halen

En vindt de Haas niet als op de avond spade

Die dan zijn daad verfoeit, meer als om schande als schade

Kom. Rappe wispeltuur, die schijnt de baars te ontgallen

Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn u ontvallen

Zie hoe gestadigheid de lauwerkroon ontvangt

En ’t wispelturige hart aan armoedes borsten hangt

De een grote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen

En de ander werpt ze neer, doet alles vervallen

De gestadige jager jaagt en wint ten leste ’t veld

Wanneer hij op de troon der ere wordt gesteld’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/