Inleiding, serpenten, Bijbel.

 

Zie ook voor vogels,

Zie ook voor dieren,

Zie ook voor insecten.

Zie ook voor vissen.

 

Een moeilijke groep. Serpenten behoren vaak tot de reptielen. Er zijn vele soorten slangen, verschillende landen, verschillende namen in diverse uitgaven en in verschillende eeuwen. Zo ook met hagedis, salamander en dergelijke. Velen zijn klein en verbergen zich, plotseling zie je iets, je moet dan goed zijn om het dier de goede naam te kunnen geven. Het zijn enge, koudbloedige dieren. Meestal komen ze voor in de open woestijnen waar ze overdag niet te zien zijn. In noordelijker gebieden zijn ze overdag wat actiever maar nauwelijks te zien in het dichte gebladerte.

 

In de Bijbel worden ze wel ‘kruipende dingen of dieren’ genoemd. Reptiel is ook al een oud woord dat een kruipend ding betekent, deze term werd voor de 17de eeuw nauwelijks gebruikt, 1 Koningen 4:33, ‘het kruipend gedierte en de vissen’,  dus wat de gewone man meestal ziet van de reptielen. Hier wordt het woord ‘remes’ gebruikt. In Genesis 9:3 is het een bewegend iets, ‘al wat zich op de aardbodem roert,’ ‘remes  zal u tot spijze zijn. Reptielen en serpenten werden vrijwel niet gegeten. In het N.T. wordt het Griekse woord herpeton gebruikt wat altijd vertaald wordt als reptiel.

 

Slangen en hagedissen hebben afzonderlijke schalen waarvan de bovenkant zich geregeld vernieuwt. Ze zijn het symbool van verjonging, andere kunnen zich zo weer een nieuwe staart aanmeten. De krokodillen hebben harde schalen die min of meer tegen elkaar aan liggen en het dier zo bewapenen.

Sommige soorten leggen eieren, sommige zijn levendbarend, viviparous: levend barende, hoewel ze wel eieren hebben maar die blijven in het lichaam tot ze uitkomen, dus ovi-viviparous. Ze variëren van wormachtige dieren van een paar cm lengte tot een krokodil van meer dan een ton. Velen zijn alleseters en  soms gevaarlijk voor de mens.

Het is eng, het is koud, het is vies en het is gevaarlijk.

 

Bestiarium.

Maerlant, ‘Aristoteles die zegt dat serpenten geen ballen te hebben plegen en waar zijn zaad op de vissen manier gaat. Hun tong is lang, zwart en gespleten en hen ligt het hart, willen wij weten, recht naast de hals, in de vorm is het geschapen als een nier. Grote serpenten hebben alle op de lever de gal, de kleine, dat is bij hen de gewoonte, is het zo op een darm gelegen. Ook wordt het serpent weer ziende is het dat men het blind maakt, is het dat men hem de staart afslaat, het groeit weer als de tijd voort gaat. Dertig ribben heeft een serpent. En waar ze genieten, dat is bekend, zo vast kleven ze tezamen als het ware of dat daar twee hoofden uit kwamen. Vlees en gras eten ze algemeen. Niet drinken ze of weinig. Wijn hebben ze lief en daarmee vangt men ze op menige plaats. Zijn plas is niet groot of klein, want ze hebben geen blaas. Ook drukken ze uitermate klein naar dat ze groot zijn in het algemeen. Plinius doet ons kond dat als dat serpent een man verwondt dat de aarde zelf de man wreekt omdat het dit niet hebben kan en ze moeten daarna tezamen sterven, want elk serpent kan altijd maar een man tegelijk verslaan, uitgezonderd de salamander bij namen. Plinius spreekt dat van de gal het venijn komt bij hen allen. In de wintertijd kruipen ze algemeen in holle bomen en in stenen en met de lente komen ze voort. In Ierland, als men de waarheid hoort, zal er nooit een serpent zijn, nog iets dat venijn draagt. Ja, Ierse aarde vindt men hier en werpt men het op een giftig dier, of het klein is of groot, het blijft op die plaats dood. Zo leest men dat het wel geschiedde tussen de Schotse en de Ierse lieden een twist om een eiland. De Ieren eisten gelijk dat men zulke dieren daar in het land brachten en als zulke dieren leven mogen dan zou het land van de Schotten wezen en stierven ze bleef het van hen. Men deed het en de wormen stierven, dus hebben de Ieren het land verworven. Isidorus zegt het, die het weet en Jacob, dat serpenten heet zijn, beide hebben weinig geweld ‘s nachts en als de tijd koud is. Voorwaar ziet men daar als het serpent de mens naakt ziet dat het vliedt. Ambrosius zegt voor waar nu, als de mens nuchter spuwt, het de serpenten sterven doet, dus draagt elk de ander zijn dood. Ziet het serpent zich in de nood, het hele lijf werpt het voor de slag opdat het hoofd ontzien mag en is hem het hoofd gezond gebleven, het behoudt dan wel zijn leven. Als het in het water wil zijn spuwt het zijn venijn uit en als het er uit komt neemt het weer zijn venijn waar het ‘t neerlegde. Verliest het zijn venijn ook mede, het doodt zichzelf op die plaats. Lang leven mag het serpent,  want als het zich verouderd weet, vast het en wordt dan mager en dan rimpelt zijn vel dat het aanheeft en kruipt door een nauw gat waar het ‘t mag afstropen en vernieuwt zijn jeugd, hiertoe helpt hem de venkel deugd. En als bij hem het gezicht weg gaat, vernieuwt hij het door de ruit. Goede geur is hem kwaad, waarmee je zo serpenten verslaat. Hier eindigt het algemene verhaal’.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/