Kiekendief, Circus.

Uit www.europeana.eu

 

Naam.

Circus, het Latijnse woord betekent een kring, maar hier moet je aan wat anders denken, zoals Homerus in zijn vergelijkingen al van circos spreekt, het hangt samen met zijn geroep waarvan je ki, kli, of kri kan horen als bij meer roofvogels, dus cirkelende roofvogel. Toch zou je menen dat het woord gegeven werd naar zijn mooie baltsvlucht die al cirkelend omhoog geschroefd wordt.

Circos was in de oude tijden de beste augurie (voorspeller) bij trouwerijen en voor vee.

 

Kiekendief of bruine kuikendief, klem, wouw, glee, koop, wordt op Texel schor, in Noord Brabant koop en elsepuist, in Groningen blauwschild, in Friesland hanebijter, haneschrobber, muizenbijter, hanenmosk, hoanskrobber en in Gelderland elsebusch en blauwe stootvogel genoemd.

Hij maakt een sterke en fiere indruk, is veel fierder dan de wouw. Hij wordt wel verwisseld met de buizerd zoals ook de Franse naam busard harpaya zegt, ook busard des roseaux. Ook heet hij wel rietwouw en bij de Duitsers Rohrweihe: rietkiekendief. In waterstreken, midden in het land, heet hij klem, waar meer soorten met een kromme snavel zo heten. Het is de Engelse marsh harrier, duckhawk, dove-hawk, blue-hawk, moor-buzzard en soms ring-tali vanwege de strepen op de staart, de Franse busard harpaye of busard des roseaux.

 

Algemeen.

De kuikendieven zijn middelmatig grote en slank gebouwde valkvogels. Met een kleine romp en een fijne, zwakke en sterk gekromde snavel met een lange haak en stompe tand. Zeer lange en slanke voeten met korte tenen. Grote en lange, maar tamelijk smalle vleugels, een middelmatige lange en brede staart en een zacht als zijde glinsterend verenkleed. De veren van het aangezicht vormen een sluier.

 

Vorm.

Circus aeruginosus, L. (koperroestkleurig) wat bij dit dier met alle schakeringen van bruin goed past. Vooral zijn bruine broek past hem goed. Veel lichter van kleur zijn de overige delen van de kop. De kleur van het kleed loopt niet alleen bij mannetjes en vrouwtjes en bij de jongen en volwassenen sterk uiteen, maar ook in de verschillende tijden van het jaar. Oudere vogels krijgen een bonter gewaad. Bij het oude mannetje hebben de veren aan het voorhoofd en de kruin bruingele randen, overigens zijn de bovendelen koffiebruin. De veren van de voorhals en voorborst zijn geelbruin gevlekt en die van de overige delen roestrood, aan de top lichter en de handpennen zwartbruin tot asgrauw. De vrouwtjes zijn meestal meer grijsbruin.

Het oog is bij de ouden geel en bij de jongen bruin. De poten en washuid zijn geel. Totale lengte vijf en vijftig cm, vlucht is honderd zes en dertig cm, vleugel is drie en veertig cm met een staartlengte van vier en twintig cm. Het wijfje is een drie a vier cm langer en heeft zeven a negen cm meer vlucht.

Ze leiden een verborgen leven in moerasachtige streken en komen alleen in het voorjaar te voorschijn om allerlei vreemdsoortige capriolen in de lucht uit te voeren. Tijdens de baltsvlucht laat het mannetje een klagend ‘kwie je’ horen of een ijl en fluitend ‘hieeeh’.

 

Voorkomen.

Beneden de zeven en vijftigste breedtegraad zie je de bruine kiekendief in geheel Europa. Bovendien zie je hem in heel West Azië in noordelijke richting tot op ongeveer de breedte van het Altai gebergte. Op de trek doorreist hij het vaste land van Zuid Azië en ook een groot deel van Afrika. Meer dan enig andere kiekendief is hij aan de lage landen gebonden, moeras en water zijn volstrekt nodig voor zijn bestaan, je mag gerust stellen dat hij beiden nooit uit het oog verliest. In ons land zie je hem van maart tot september in moerassige en met riet begroeide streken. In vele van deze gewesten is, was, hij de meest talrijke van alle roofvogels. Soms overwintert hier een enkel exemplaar.

 

Vliegen.

Alleen in de paartijd verloochenen deze roofvogels hun trage aard, hun als het ware kruipende leven en dan alleen verlaten ze het moeras en rietveld om onder allerlei vreemdsoortige capriolen hoog in de lucht rond te stoeien alsof ze willen tonen wat ze van de vliegkunst verstaan. Een paar van deze vogels, die je het hele jaar vrijwel niet ziet, kunnen in april een hele streek verlevendigen.

 

Nest.

Het nest wordt op moerassige plaatsen, tussen riethalmen, struiken of andere waterplanten gebouwd. Het rust veelal onmiddellijk op het water. Op zijn vroegst op de laatste dagen van april, maar meestal pas begin mei vind je er de eieren in, vier of vijf, zelden zes. De eieren hebben een oneffen of althans doffe, glansloze schaal van groenachtig witte of blauwgroene kleur.

 

Jagen.

Door levenswijze en aard is de bruine kiekendief een onedele roofvogel. Vanwege zijn zwakke lichaamsbouw kan hij niet ander dan zwak wild jagen dat hij op de grond of in het moeras overvalt en in de echte zin van het woord vermoordt. Angstvallig ontwijkt hij de mens en behendig weet hij zich in veiligheid te stellen door in het riet of ontoegankelijke delen van het moeras te vluchten. Op deze wijze ontkomt hij, zonder echt schuw te zijn, aan de meeste van zijn vervolgers.

Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit water- en moerasvogels en hun kroost, in het ei of later.  Kan hij niet stoten in de lucht dan vermoordt hij het wel op de grond. Alleen wanneer hij geen vogels kan krijgen behelpt hij zich met amfibieën, insecten en vissen. Dat hij een even behendig als kwaadaardig nestzoeker is weten de oude vogels zeer goed, ze trachten hem daarom op allerhande wijzen van hun nesten weg te houden en vervolgen hem met jammerlijk geschreeuw en woedende snavelhouwen. De wilde ganzen, eenden en andere zwemvogels bedekken hun eieren wanneer ze die voor een tijdje moeten verlaten met nestmateriaal en proberen ze hierdoor voor de ogen van de bruine kiekendief te verbergen.

De kiekendief is een vogel die wel geen kuikens neemt omdat hij zijn kost bij het water zoekt. Voor eendenkuikens kan hij dus wel gevaarlijk zijn. Toch noemt men hem hanebijter of haneschrobber. Dat zal zijn omdat de haan zo ontzettend zenuwachtig wordt bij zijn verschijnen, wat hij overigens ook bij andere roofvogels doet. Ook andere vogels winden zich op bij zijn komst want het is een echte eierenrover en nog liever heeft hij een mals jong, maar ook een oudere vogel versmaadt hij niet. Daarom vliegen de kraaien te hoop en de zwarte stern en de meeuwtjes doen eender. Zijn nadering brengt drukte in alle vogelkolonies

Vliegen doet hij bij voorkeur laag, langs de toppen van het riet. Daar tussen kan hij ook best sluipen. Hoe dieper het riet is, waar zijn schuilplaats ligt, hoe liever het hem is. In een omgeving vol waterleven kan hij naar hartelust slachten en eten, mits zijn slachtoffers zich niet aaneensluiten en teveel leven maken. Graag zit hij op een paaltje om de omgeving te verkennen. Gluiperig nadert hij zijn prooi, waarbij hij soms een heel eind te voet gaat.

Het paartje leeft alleen met de jongen, de rest van de wereld wantrouwen ze.

 

Bestiarium.

Shakespeare, ‘Macbeth’ IV, 2,3, ‘harper cries’, de rietwouw roept, ‘t is tijd, ‘t is tijd’. De heks hoort de vogel roepen en zegt daarop tot de twee andere heksen dat het tijd is. Is dit een echte harpij? Mogelijk is, naast de kat en de egel, een werkelijk dier genoemd en kan het de naam zijn van de bruine kiekendief die in Frans toch ook harpaye heet.

 

Moraal.

De kiekendief lustte ook wel eens een duifje. Maar dat viel niet mee, de duiven waren voor hem te snel. Toen bedacht hij een list. Hij riep de duiven bij elkaar en vertelde van zijn zwakke hart. ‘Laat ons in dit geval, er het mooiste van maken en stichten we een rijk waar het eeuwig vrede is. Ik wordt koning en jullie onderdanen. De duiven geloofden hem op zijn woord en werden al gauw vermoord. De moraal van dit verhaal; ‘vertrouw nooit de woorden van een schurk, het zal je slecht vergaan.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  LXX;.

Kuycken-dief en Koekoeck;

‘De schampere  Kuikendief, die dagelijks met zijn kluiven

De kuikens verscheurt en de arme tortelduiven

Heeft de Koekoek beschimpt om dat die voor zijn kost

Dagelijks zijn buik met piertjes vullen most

Vermits hij, veel te bloode om iemand aan te randen

Zijn zenuwen nimmer op een voortreffelijke manier inspande

De Vogel, die altijd zingt op dezelfde maat

Getroosten dat hij veracht werd en versmaad

Getroosten dat hij zich met wormkes moest erneren

Tot hij weldra bespeurde en kende aan zijn veren

De Kuikendief, door een list van de vogelaars geva’en

Die hing aan de torens top tot spiegel voor de kwa’en

O, sprak de Koekoek toen, indien gij goedertieren

U sober had vergenoegt met wormkes en met pieren

Had gij uw vrijheid noch, en was ontweken net als ik

Frank en vrij de vogelaars strik

Wie zich met een sobere dis vergenoegt en zich houdt tevreden

Ontgaat het perk al gauw van veel gevaarlijkheden

Maar wie behagen schept in weelde en overdaad

Zich lichtelijk brengt in een droeve staat.’

 

Uit eo.wikipedia.org

Asgrauwe kiekendief.

Circus pygargus, L.: (Grieks, met een blinkend witte stuit) de grauwe kiekendief of beul  heeft wat donkerder dwarsbanden op de staart en onder de vleugels. Daarom noemt men hem in Duitsland wel de Bandweihe. Ook wel Wiesenweihe en Kornweihe omdat hij langs de met rogge of met heide begroeide velden strijkt. Het is de Engelse montagu’s harrier en Franse busard cendre of busard de montagu. Hij is goed tegen de muizen in het graan, zodat de boeren hem graag boven de stuivende rogge zien zweven.

Ook heeft ze nog een andere, niet officiële naam: Strigiceps, wat betekent dat het een hoofd heeft als een strix, dit zijn uilen. De oogsluier heeft iets dat op een uil gelijkt.

 

Vorm.

Totale lengte is vier en veertig cm, vlucht honderd vijf en twintig cm, de staart is drie en twintig en de vleugels zijn acht en veertig cm lang. Het oude mannetje is de fraaiste van onze kuikendieven. Hij heeft de kop en bovenborst blauwachtig asgrauw wat op de nek en rug in donker asgrauw overgaat. De buik en verlengde schenkelveren zijn wit, maar zeer fraai met smalle roestrode schaftstrepen getekend.

De iris is bij oudere vogels hoog geel en bij jongen bruin.

De snavel is blauwzwart en de zeer hoge en dunne voet waskleurig geel.

 

Nest.

Hij nestelt in open bossen en duinranden, waddeneilanden.

In het nest komen een vier tot zes groenwitte eieren, soms met roodachtig en lichtbruine krasjes en vlekjes. De broedtijd is twintig dagen.

Hij houdt van uitgestrekte weiden en moerassen, vooral bij rivieren.

De roep is ‘gegegegegeg’.

 

Uit Martinet.

Circus cyaneus, L (blauw) is de blauwe kiekendief of noordse valk die in Gelderland elsebusch of blauw stootvogel genoemd wordt, in N. Brabant elsepuist of elsebus, in Groningen blauw schild en in Friesland blauwe valk, hanemosk of blauwe haneschrobber. Het is de Duitse Kornweihe, de Franse busard Saint Martin en Engelse hen harrier, vanwege hun jagen op alles wat vliegt

 

Vorm.

Dit is een der fraaiste valkvogels van ons werelddeel. Net als alle roofvogels is het uiterlijk nogal uiteenlopend. De gehele bovenzijde van het oude mannetje, met uitzondering van de bruin en wit overlangs gestreepte nek, heeft een licht askleurige bruine kleur, de onderzijde is wit. Bij het oude wijfje is de bovenzijde vaalbruin en de veren van de achterkop, achterhals en bovenvleugel hebben roestgele randen. De onderzijde heeft op roestgeelachtige ondergrond bruine, overlangse vlekken. De staart is met bruine en roest gele banden getekend.

Totale lengte is acht en veertig cm, de vlucht honderd dertien cm, de vleugel zes en dertig cm en de staart is een en twintig cm lang.

Haar zie je nauwelijks omdat ze in lichtbruin gekleed is. Ze zit thuis op het nest. Hij moet voedsel verzamelen door onderweg wat eieren op te halen. Ze zijn wel gezellig en leven met anderen en buren op goede voet. Ooms en neven komen eraan om een bedreigd nest te beschermen. Moeder zorgt voor de kinderen. Vader zorgt voor moeder en voor hen.

Alleen tijdens de baltsvlucht hoor je hem roepen,’ eh gri gegegege’.

 

Voorkomen.

Het verspreidingsgebied van de blauwe kiekendief is tamelijk uitgestrekt. Hij bewoont geheel Midden Europa en bovendien een groot deel van Midden Azië. Hij bezoekt op de trek alle landen van  Noord Afrika tot aan de evenaar en eveneens geheel Zuid Azië. In noordelijke richting komt hij tot aan de vijf en vijftigste breedtegraag als de grens van zijn verbreidingsgebied.

Hij is een kenmerkende vogel voor de vlakten, vooral die met afwisselende velden, weiden en waterplassen.

In Nederland is hij van maart tot oktober. Enkele exemplaren blijven in de winter over.

In Zuid Rusland en de Donau laaglanden, Turkije en Griekenland, zuiden van Midden Azië en N. Afrika ontmoet je ook de steppekiekendief. Circus macrourus. Duitse Steppenweihe, Engelse pallid harrier en Franse busard pale.

 

Vliegen.

Als de blauwe kiekendief in de laatste dagen van maart weer bij ons terugkeert en zich in zijn broedgebied gevestigd heeft leidt hij een zo geregelde levenswijze dat je hem hier vrijwel niet voorbij zal zien gaan. Hij heeft zijn dagelijkse en vaste gang. Je kan je horloge er op af stellen. Hij zoekt rustig en systematisch de heide af. In schommelende vlucht, wankelend en schijnbaar onvast van beweging, dicht bij de bodem voortijlend en zweeft nu eens met boven het lichaam opgeheven vleugels dan gaat hij door flauwe vleugelslagen zijn vaart versnellend en volgt zijn gewone wegen. Bij voorkeur gaat hij langs bosjes, een beek of sloot, ook wel langs een reeks van struiken en laat zich herhaaldelijk op de bodem vallen, alsof hij bij iedere neerdaling een slachtoffer grijpt maar rijst echter meestal zonder iets gevangen te hebben weer omhoog en zet zijn vlucht als vroeger voort en keert eindelijk langs een wijde boog naar het uitgangspunt van zijn zwerftocht terug.

 

Nest.

Ze houden niet van bomen, vliegen en nestelen gebeurt dan ook laag bij de grond. De blauwe kuikendief bouwt zijn horst op slordige wijze. Dit gebeurt steeds op de grond en soms op een lage doornstruik, op jonge houtkap of in het jonge koren, in het hoge gras van moerassige weiden en zelfs tussen riet en andere moerasplanten maar dan altijd wel op een droge en met biezen begroeide plek. Eigenlijk is het nest een hoop verwarde droge rijsjes, gras- en riethalmen en dergelijke stoffen die eerst met de poten opgenomen worden en op de plaats gelegd en vervolgens wat samengevoegd en van binnen met mos, haren van dieren, veren en zachte materialen slordig bekleed.

Drie tot vijf eieren worden gelegd, ze zijn groenachtig wit van kleur en meestal zonder enige tekening, als die wel aanwezig zijn bestaan ze uit enkele roodachtige of grijze stippen.

De jongen zien er allerliefst uit in hun dicht en grijsachtig getint jeugdkleed. In het nest zitten ze met de koppen bij elkaar en drukken zich bij de komst van een vreemd wezen plat op de bodem en blijven in deze houding alsof ze dood zijn. Later zwerven ze aanvankelijk in gezelschap van hun ouders door het broedgebied en krijgen van hen opleiding en onderricht voor de jacht. Weldra wordt de lust om hun eigen gang te gaan in hen aanwezig en voordat er drie weken voor bij zijn, leiden ze het leven van hun ouders.

 

Eten.

Deze lichtblauwe vogel is een sier voor de akkers als hij in het voorjaar boven de velden zweeft. Door het verslinden van muizen en insecten en vooral sprinkhanen bewijst hij zijn grote verdienste. In weerwil van zijn schijnbare zwakheid is hij een even drieste als gevaarlijke vijand van alle dieren die hij overmeesteren kan. Vele kleine zoogdieren, voor zover als ze niet groter zijn dan een jonge haas, alle nog weerloze vogels, die in een nest op de bodem geboren zijn, halfvolwassen fazanten en patrijzen als de boszangers, hebben zijn roofgierige klauwen te vrezen. Vooral vanwege zijn jacht op hazen en fazanten is hij gehaat.

 

Strijd.

Met kraaien leeft hij in voortdurende strijd. Van moedige kleine vogels, vooral van zwaluwen en kwikstaarten heeft hij veel te verduren. Bovendien wordt hij lastig gevallen door parasieten die op zijn lichaam leven.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/