Lamprei, zeeprik, Petromyzon, soorten.

Petromyzon: Grieks petra; rots, myzo; zuigen.

 

 1, petromyzon marinus, 2, planeri, 3, fluviatilis,  4 Ammocoetes branchialis uit W. Grote.

 

Naam.

Petromyzon marinus: (van de zee)

Zeeprik of lamprei. In midden-Nederlands was het lampreide, in midden-Noord Duits Lamprede (nu Lamprete) in oud-Engels lamprede (nu lamprey en Frans lamproie) Dit woord stamt  van midden-Latijn lampreta: likken, en petra: steen, de vis hangt met zijn zuignapachtige bek aan de stenen van de grond.

Het dier heeft zijdelings staande ogen, een neusgat en zeven kiemzakjes, vandaar Neunaugen, oud-Hoogduits Niunouga en nu Neunauge, onze negenoog, Engelse seven-eyes en Fransw sept-oeil.

 

Prik.

Verder is er de prik, pricke of de rivierlamprei, Petromyzon fluviatilis: van de rivieren,  die de gedaante heeft van een aal en zelden langer dan een voet wordt  met twee vinnen op de rug en zeven luchtgaatjes aan elke zijde van het hoofd of hals en zich geprikt vertoont, vandaar de naam van prikken. Op de kop hebben ze tussen de ogen een uitpuilend buisje waardoor ze water inhalen om het door de kieuwgaten weer uit te werpen.

Die kan een meter lang en drie kg zwaar worden en lijkt wat op de aal.

De prik zwemt tegen het voorjaar de Rijn op om daar kuit te schieten.

 

Parasiet.

Het zijn parasieten die zich hoofdzakelijk voeden met het bloed en vlees van andere vissen. Nadat de prik zich met de zuigmond heeft vastgezet brengt hij zijn als een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk en dringt, al borend, steeds dieper door vreet op die wijze steeds dieper, ook wanneer het dier reeds dood is.

 

Jongen.

Op de paaiplaatsen van de prik had men al lang een wormachtige vis opgemerkt die kieuwworm genoemd werd, Ammocoetes branchialis. De gangen die hij evenals een aardworm boort verlaat hij vrijwillig nooit. Ze houden zich graag op in de vlasbundels die in het water liggen en worden verzameld als op die wijze de ‘gerote’ vlasbundels op het veld uitgespreid worden om te drogen. Van deze zogenaamde vlasalen wordt op sommige plaatsen een smakelijk gerecht bereidt door ze, zonder kop, met wijn, boter en citroensap te stoven. Hendrik de Eerste, koning van Engeland was er zo dol op dat hij tegen de wil van de artsen ze op zijn ziekbed had en daaraan stierf. De mindere man versmaadt deze dieren omdat ze zoveel op wormen lijken. De vissers gebruiken ze vaak als lokaas omdat ze een buitengewoon taai leven hebben. Het bleek dat deze kieuwwormen de jongen waren van de prik.

 

De slijmprik Myxine glutinosa, (lijm) kan slijm uitscheiden en wel zo veel dat heel zijn omgeving er troebel van wordt en is daardoor zeer glibberig.

 

Bestiarium.

Men maakt enig onderscheid in de grootte. Sommigen zijn een voet of een ellenboog of  twee ellenbogen lang. De middelmatige hebben sommigen prikken en sommigen muralen genoemd. Sommigen zeggen dat het onderscheid bestaat uit ouderdom.

Slibberig zijn ze en glad als aal en paling en nauwelijks met de hand te vatten en vast te houden.

Ze zijn zonder eigenlijke graten, benen of ruggengraat en hebben slechts een kraakbenige draad van het hoofd tot de staart uitgerekt, waarvan het zeggen is, ‘dat men sterven moet zo men er een graat van in de keel krijgt’ omdat ze zonder graten zijn..

Tanden hebben ze in hun bek en ze zuigen sterk en laten zelden glippen wat ze met de tanden gevat hebben. Het hart hebben ze zo groot als een erwt en die ligt onder de kieuwen. Caussinus verhaalt dat als de lamprei met een plak of stokje geslagen wordt het als verdoofd blijft liggen en als men de slagen herhaalt dan in kwaadheid uitbarst, ten teken dat beledigde lijdzaamheid in woede uitbarst.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/