Lepelaar, Platalea leucorodia.

Uit Martinet.

 

Naam.

Platalea leucorodia L. (wit)

De lepelaar behoort ook tot de ibisfamilie. Wordt soms ook wel lepelgans genoemd.

Duitse Loffler, Engelse spoonbill, Frans spatule.

 

Vorm.

De lepelaar valt dus op door zijn lepel, de snavel, die is breed en plat en zwart en op het schijfvormige gedeelte geel.

Met uitzondering van een geelachtige band om de kop, is hij zuiver wit, het oog karmijnrood en de ring er omheen geelachtig groen.

Lange zwarte poten en witte kuif.

De lengte is een vijf en zeventig tot tachtig cm, de vlucht honderd veertig, lengte van de vleugel vier en veertig en van de staart dertien cm.

Zelden strekt het de hals naar voren, in tijden van rust ligt die in de vorm van een ver naar voren uitpuilende lus gekromd, zodat de kop nagenoeg tussen de schouders komt te liggen. Het slapen en rusten gebeurt soms op een poot.

 

Ze eten meestal ís avonds en dan maaien ze met de bek door het water, als de kluut, en halen daar waterinsecten en kleine visjes uit. Exemplaren van tien tot vijftien cm kan hij verzwelgen. Die worden behendig met de snavel aangepakt en omgedraaid zodat ze in de juiste positie komen en met de kop vooruit ingeslikt. Met afgemeten passen en ver voorovergebogen bovenlijf stapt hij rond zo lang hij voedsel zoekt. Hij werkt overdag, bij helder maanlicht werkt hij wel over.

 

Vliegen.

Zijn vlucht is zeer licht en fraai, hij beschrijft dikwijls ringen in de lucht en laat zich vaak op de wieken drijven. Van een vliegende reiger verschilt hij door de steeds recht vooruitgestoken hals, van de ooievaar door de snellere opeenvolgende vleugelslag. Op de trek vliegen ze meestal in een lange dwarsreeks. Ze reizen overdag, maar schijnen geen bijzondere haast te maken.

Zijn stem hoor je zelden, het is een kwakend geluid.

 

Broeden.

Ze broeden gezellig bij elkaar in streken waar ze veel voorkomen. Elke boom in de kolonie draagt zoveel nesten als er geplaatst kunnen worden. Het nest is los en slordig gebouwd van droge takjes en halmen en van binnen bekleed met droge bladen en pluimen van riet en biezen.

Het bevat een twee tot drie en zelden vier betrekkelijk grote witte eieren met roodachtig bruine vlekjes. Na drie weken komen de jongen uit.

 

Voorkomen.

Na de broedtijd zwerven ze wat rond en bezoeken dan ook andere delen van het land. Ze leven in groepen, vaak met andere vogels in ondiep en zoet water. Ze hebben de voorkeur voor strandmeren en moerassen boven de zee. Het is geen zeevogel maar bezoekt dezelfde oorden als zijn verwant, de ibis.

Dit dier komt voor langs de Donau, Midden AziŽ tot Midden IndiŽ, Canarische eilanden en de Azoren. Ze komen en vertrekken met de ooivaar in noordelijke landen. Hier is het meestal van april tot september. Graagbegeeft het zich naar slibrijke waters als de Zeeuwse stromen en het noordelijk gedeelte van Texel en Vlieland. Ze kwamen voor in het zogenaamde Schollevaarseiland, wat door bedijking van de Prins Alexander polder is drooggelegd, het Horstermeer tussen Amsterdam en Utrecht en het Zwanenwater bij Callantsoog.

Het broeden in ons land is opmerkelijk, zijn overige broedplaatsen liggen veel zuidelijker, namelijk Hongarije. In Griekenland komt het veel voor op trek, maar broedt niet. Zo ook in ItaliŽ waar hij vooral veel in de moerassen voor de kust van SardiniŽ overwintert. Ook niet in Frankrijk, noch in Spanje. (1880)

 

Voorheen werden ze met de valken gejaagd. Soms werden ze gedood vanwege hun eetbaar maar niet smakelijk vlees.

 

Bestiarium.

Maerlant, ĎMen vindt ook, dat hebben wij gehoord, in ons land in menig moeras vogels die heten lepelaars, die hun lijfsbehoud zoeken mede waar het zout smaakt van de zee, ze hebben de bek lang en breed waarom men ze lepelaars heet en dit is van reigers een soort, zij zijn de vissen onguur. Hun vlees is erger dan de grijzeí.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/