Lijster, merel, kramsvogel, beflijster, koperwiek, Turdus.Software: Microsoft Office

Naam. Turdus: Latijn voor lijster.

 

Turdus viscivorus, L. (van viscum: misteleter) grote lijster is de Duitse Misteldrossel en Engelse mistle thrush, de Franse grive draine. Dit is de grote lijster, dubbele lijster, veldlijster, kraker of grote oostlijster. Soms wel holm trush genoemd omdat hij ook van de hulstbessen leeft. Storm-cock omdat hij graag als het hard begint te waaien op de top van een tak zijn lied zingt tegen de elementen in want hij zingt het beste met slecht weer.

Theophrastus; "Turdus ipse sibi malum cacat",  ‘ofwel de lijster draagt zelf tot zijn ongeluk bij’ (omdat de stof van de mistel, die hij zo graag eet ook gebruikt werd om er vogellijm van te maken zodat hij er zelf door gevangen werd) deze vogel komt meestal voor in  eenzame naaldbossen.

Hij wordt ook wel storm cock genoemd omdat zijn harde noten soms een waarschuwend geluid zouden zijn bij stormende winden en vallende regens die hij daarmee zou voorspellen.

 

Turdus torquatus, L. (met een halsversiering)  is de beflijster, dominee of kraaglijster, Engels ring ouzel, Frans merle a plastron. Die is roetzwart met een witte bef.

De roep is ‘tek tek tek tjok’.

Een doortrekker uit Lapland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit Martinet.

Turdus philomelos, Brehm. (houdt van zijn gemak) (Turdus musicus, (muzikaal) Dit is de zanglijster die in Friesland bonte lijster en bij Haarlem grauwe lijster of grauwtje genoemd wordt, het is de grijze lijster of oostlijster, Duitse Singdrossel, Engelse song thrush en Franse grive musicienne. Dit is de lieveling van het publiek.

 

Deze twee komen hier het meest voor waarbij de zanglijster de kleinste is. Die is twee en twintig cm lang. Hij is van boven donkerbruin en van onderen witachtig met zwarte vlekken. Ook is er wat oranje bij de borst en zijkanten in.

Je ziet hem vaak laag op de grond en vaak in tuinen. Hij eet veel slakken die hij op een steen stukslaat, dat is het ‘aambeeld’ van de lijster.

Nestelt in struiken bij het huis of in dichte bomen. Er komen meestal vier blauw eieren in met zwarte vlekjes die na twee weken uitkomen. Kan meerdere keren per jaar broeden.

De grote is zes en twintig cm met iets grijzere rug, van onderen is die meer wit met grotere vlekken. Die komt meer voor in hogere bossen en leeft meer van vruchten. Deze vogel maakt een nest die meestal hogerop in de bomen zit. Het vrouwtje legt hier vier blauwe eieren met bruine vlekjes in die na twee weken uitkomen. In die tijd kan de dubbele of grote lijster zeer agressief zijn tegen andere vogels die het nest belagen.

 

 

 

 

 

 

 

Uit Martinet.

Turdus iliacus, L. (met een rode kleur, tijdens de vlucht goed herkenbaar aan zijn roodkoperkleurige flanken en okselveren) de koperwiek die in Groningen schatlijster of oranjelijster genoemd wordt, verder sjakker, Noorman of Laplander. Het is de Duitse Rotdrossel of Weindrossel, de Engelse redwing en Franse grive mauvis.

Die komt in de winter en eet van de bessen van de zuurbes en dergelijke wintervruchten. Zijn vlees smaakt daardoor zuur. Het is een doortrekker uit het Noorden. Het is de Noorse nachtegaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Software: Microsoft OfficeTurdus pilaris, L. is de kramsvogel, waarbij krams de jeneverbes is die ze eten. Heet ook wel veldjakker en veldlijster of schaarlijster in Friesland, dubbele lijster in Groningen en tjakker in Texel , het is de kamlijster bij Haarlem. In Duits is het de Wacholderdrossel: jeneverbeslijster omdat ze die zo graag lust. De Engelse fieldfare, soms herald wing en Franse grive litorne.

Behoort thuis in Lapland en komt in het najaar bij ons.

 

Turdus merula, L. (merel)  is de merel, de Duitse Amsel, de Engelse blackbird en Franse merle noir.

In Groningen heet die zwarte lijster of gietling,  in Friesland dubbele lijster en wordt bij Haarlem dubbele grauwe lijster genoemd. Ook wel zwarte lijster, gieteling, geelbek en maldert.

In  oud-Hoogduits was het Amusla of Amsala (nu Amsel, Frans amsal en Engels ouse of ouzel) uit Angelsaksisch osle dat uit amsle stamt en dit uit Germaans amuslon en dat van Indo-Germaans ames. Dat woord kan via een andere kant op het Latijnse merula teruggevoerd worden, via oud-Frans merle kwam Engels merle, midden-Hoogduits heeft merlin en midden-Nederlands merle wat merel werd In Frankrijk heet het ook canette en grive.

Drossel heette in oud-Hoogduits drosca en in midden-Hoogduits droschel, het is de Engelse throstle of thrush. Wel verwant aan Latijn Turdus. Ook heet het in Engels lister, onze lijster en Friese clyster dat van het Germaanse woord lihstron stamt dat dans of spel betekent.

 

Vorm.

De merel of zwarte lijster onderscheidt zich van haar verwanten door haar betrekkelijk korte en stompe vleugels en door de betrekkelijk lange, aan de spits afgeronde staart. De veren van het oude mannetje zijn zwart, de ogen bruin met hoog gele rand aan de oogleden, de snavel is oranjegeel en de voeten zijn donkerbruin.

Het vrouwtje is een lichtere uitvoering van donkerbruin tot lichter bruin van onderen.

Het is de grootste van de zes soorten. Die is zes en twintig cm lang waarvan de staart elf cm in beslag neemt.

Komt veel voor in de tuinen.

Ze lopen zeer snel als op rolletjes.

Het zingen doen ze vaak op een hoog punt van de tuin, de schoorsteen of boomtop.

Het voedsel bestaat uit insecten en wormen, ze draaien de blaadjes om en halen ze weg om te kijken of er wat onder zit. In de herfst zoeken ze de vruchten.

Die hier te lande broeden verlaten ons omstreeks het midden van oktober en komen tegen midden maart terug, voor zover als ze hier niet blijven, wat vooral de oude mannetjes doen. Oorspronkelijk is het een bosvogel die zich aangepast heeft aan menselijke nederzettingen.

 

Broeden.

Het broedsel bestaat uit vier of vijf betrekkelijk kleine eieren met gladde schaal die op een bleek zeegroene grond grovere en fijnere paarsachtige grijze stippels vertonen. Het wijfje wordt alleen in de middaguren door het mannetje afgelost. Na veertien a zestien dagen komen de eieren uit, als ze drie weken oud zijn kunnen ze vliegen. Beide ouders houden zeer veel van hun kroost en tonen veel angst als de vijand het nest nadert. Dikwijls vallen ze de vijand werkelijk aan door op hem neer te schieten of dicht bij hem langs te vliegen. Als moed niet baat nemen ze toevlucht tot list en houden zich alsof ze ziek zijn en niet voort kunnen, ze fladderen en huppelen schijnbaar met de grootste moeite over de grond en lokken hierdoor het roofdier, dat zich verschalken laat, werkelijk van het nest af en brengen die zo daar steeds verder af, na enige tijd keren ze weer vrolijk naar de jongen terug.

 

Bestiarium.

Shakespeare, ‘Midsummer Night Dream’, iii, 1, 128;

“The ousel-cock, so black of hue’. ‘De merel in zijn zwart gewaad’.

With orange-tawny bill’.  Zijn snavel geel als struif’.

The thostle with his note so true’. De lijster die zo lieflijk slaat’.

The wren with his little quill’.  Het winterkoninkje met zijn kleine staart”.

 

Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘Alzo als van de merels. Want al is het de lelijkste vogel die men in kooien houdt en al zingt ze maar twee maanden in het jaar, zo houdt men ze nochtans zeer graag vanwege de goede zang die ze heeft.

Maerlant; ‘Merula dat is de merels naam, die zoet zingt en bekwaam als de lente komen wil en in de winter zwijgt het stil. Experimentator die zegt dat de merel die men in kooien te houden pleegt dat ze tegen wil van de natuur vlees zullen eten en beter zingen. En dit zelfde ziet men wel brengen bij de leeuwerik en calander en ook sommige andere vogels. Al is ze zo zwart, graag baadt ze, haar pluimen strijk ze zo en begiet alsof ze wilde wezen wit, maar om niet zo doet ze dit want zonder haar zang alleen zo is in haar genoegen klein. In Azië is er zo een wit gevonden dat is de Morei nu ter stonden. Die merel kan niet fluiten uitgezonderd aan de bek buiten en pleegt dit zo telkens jaar dit zodat hij wordt van geel tot wit’.

A. Magnus; ‘Merula een merel of zwarte vogel is een vogel die voldoende bekend is en de krachten er van zijn wonderbaarlijk. Want als de veren van de rechter vleugel midden in een huis opgehangen worden met een rode vezel die nog nooit gebruikt is zal geen man in dat huis kunnen blijven totdat het weg wordt gedaan. En als zijn hart onder een slapende man wordt gedaan en hij gevraagd wordt zal hij alles zeggen wat hij gedaan heeft met een luide stem.’

Uit Maerlant; ‘Merelus is de merels naam. Een vogeltje schoon en bekwaam, dapper, stout en zeer snel en op kleine vogeltjes fel en waar meer dingen bestaan dan zijn macht mag begaan overwint het met snelheid en met zijn dapperheden veel ongelijke dingen. Merk hier op, edele jongeling, staat je het hart ter deugdheden waart, wees ter deugd, koen en onvervaard, wel schalks zijn de rijke vrekken die op de dure tijd mikken, dat is de arme lieden tempeest, dan wanen ze immer het meest te winnen en dan zo maken ze hun vreugde, doch worden ze noch de vijanden tot prooi, God mag je wel van hoge zaken met zijn macht overwinnaar maken’.

 

Het is de dominee onder de vogels. Als je op Valentijnsdag goed naar vogels kijkt kan je ontdekken hoe je toekomstige man eruit zal zien.

Is het een merel, dan wordt het een dominee

Een roodborst, dat is het iemand die op zee vaart

Een geelgors of goudvink, dan is het een man met geld

Een spreeuw, dan wordt een boer haar metgezel

Een koolmees, dat wordt een vrolijk man

Een kruisbek, dat wordt een man die ruzie maken kan

Een duif, dat is een heel goedhartig man.

Ziet ze een specht, dan trouwt ze niet.

 

Maerlant over de zanglijster; ‘Turdus is een klein vogeltje en groot van verscheidenheid algemeen. In holle bomen maken ze hun nest en naar hun wijs wel bevestigd waarin ze hun jongen broeden en dat in aardig korte tijd want hun eieren, die ze dragen, zijn rijp binnen tien dagen en daaruit komen op die plaats gelijk hun jongen mede’.

 

Kleurveranderingen.

De lijsters zijn de hele zomer gevlekt rondom de nek met diverse kleuren en in de winter zijn ze allen van een kleur. De merel of zwarte vogel is wit in Achaia. Hij verandert zijn kleur van zwart tot rossig en zingt in de zomer en stottert in de winter, verandert omstreeks de zonnewending zijn snavel in een ivoren als die van een jaar oude haan. De merel verandert, net als andere vogels, niet van veren maar verandert zijn snavel elk jaar in een witte kleur.

De tamme merel eet vlees tegen zijn natuur. De merel eet zijn voedsel alleen met laurierbladen. In de winter kan hij door vetheid nauwelijks vliegen.

Het is een snoepig kostje en een vanouds uitgekozen lekkerbekje. Martialis:

‘Van al ‘t gevogelte dat door de wolken zwiert

Smaakt mij de lijster ‘t best, de haas van ‘t wild gedierte’.

Horatius: ‘niets beter dan een vette lijster’. Men legde ze om de schotels, Martialis:

‘Een krans van rozen of van nardus zou uw geest.

Bekoren, mij een krans van lijsters allermeest’.

Ovidius:

‘Uw lief moet door ‘t geschenk van krans of lijster weten.

Dat ge uw genegenheid tot haar niet hebt vergeten’.

Toen men in Athene de jeugd tucht en matigheid bij bracht werd de jongelingen het eten van vis en lijsters ontzegd.

Men schrijft de lijster doofheid toe, ‘surdior turdo’, ‘zo doof als een lijster’. Zodat de lijster als een symbool van een doof mens gehouden wordt. De lijster werd gezien als een symbool van een wijs en voorzichtig man die zijn plaats weet, van een die zwijgen kan.

 

Zingen.

De stem en het gezang vertonen bij vele lijsters vele punten van overeenkomst, maar toch ook veel verschil.

De lokstem van de grote lijster klinkt als’ sjnerr’ en lijkt op het geluid dat men voortbrengen kan door een stokje over de tanden van een kam te strijken. Als de vogel opgewonden is, wordt het sjnerr geroep versterkt door tussenvoegen van ‘ra ta ta’. Zijn angstkreet is een onbeschrijfelijk getsjirp en zo ook bij de anderen.

Vondel: ‘Een ander zing,’ gelijk een lijster

Ter liefde van een schone vrijster’.

 

De lokstem van de zanglijster, Turdus philomelos,  is een hees gefluit dat niet ver hoorbaar is en op de klank ‘tsiep’ gelijkt waaraan dikwijls de syllabe ‘tak’ of ‘tok’ wordt toegevoegd.

De lokstem van de kramsvogel bestaat uit snelle opeenvolging van de scherp uitgestoten klanken ‘tsjak tsjak tsjak’ waaraan hij de naam tjakker dankt, hieraan wordt door hem het schelle ‘gri gri’ toegevoegd wanneer hij andere lijsters uitnodigt te komen.

De lokstem van de koperwiek bestaat uit hoge tonen ‘tsi’ en de daaropvolgende zware toon ‘gak’, als angstroep laat hij het ratelende ‘sjerr’ of ‘tsjerr’ horen.

De beflijster lokt door ‘tok tok tok te roepen en laat daartussen het laag geďntoneerde ‘tak’ te laten horen.

De merel eindelijk roept tremolerend ‘sri’ en ‘trenk’. Bij het zien van een verdacht verschijnsel hoort men van haar een luid klinkend gekrijs, ‘dieks dieks’ waarop, als het vluchten nodig wordt geacht, het haastige ‘gri giech giech’ volgt.

Hier zijn natuurlijk vele wijzigingen in en de klanken worden wel door alle lijsters verstaan, de een hoort de lokstem van de ander en vooral het waarschuwend signaal wordt goed ter harte genomen. De lijsters behoren tot de meest begaafde zangvogels. De zanglijster heeft de erepalm, hierna volgt de merel, dan de grote lijster en kramsvogel. Het is de nachtegaal van het noorden. Haar gezang is rijk van inhoud, welluidend en ver hoorbaar. Met de fluitende geluiden wisselen trouwens ook schrijnende, minder luide en niet zeer aangename tonen af, hierdoor wordt de lieflijkheid van de gehele compositie slechts weinig verminderd.

Het lied van de grote lijster bestaat uit een gering aantal strofen, vijf of zes die niet veel van elkaar verschillen, maar bijna zonder uitzondering uit volle gefloten tonen samengesteld zijn en daarom mag men dit gezang wel uitmuntend noemen. Hetzelfde kan gezegd worden van de koperwiek en de beflijster. Hoewel aan het gezang van deze vogels de eigenaardige gloed van de nachtegaal ontbreekt, brengt het een onuitsprekelijke vrolijk leven in de stille ernst van de grote landschappen wanneer het in juichende honderdstemmige koren uit alle hoge wouden op klinkt.

Het is alsof de lijster in haar gezang een zeker ijdelheid openbaart, want, hoe verborgen ze zich ook houdt, als ze haar lied laat horen treedt ze op de voorgrond. Ze kiest dan steeds een hoge boomtop tot zetel en zendt vandaar haar heerlijke klanken door het veld.

De merel begint al in februari. De mannetje wedijveren met elkaar en als de een begint antwoordt de ander, een goede zanger kweekt uitmuntende leerlingen, brekebenen bederven het gezang van hele generaties.

Het gezang van de merel bevat verscheidene buitengewoon fraaie strofen, het klinkt echter niet zeer vrolijk, maar plechtstatiger of droefgeestiger dan dat van haar meest begaafde verwante.

De merel zingt hoog in de bomen en zijn slag  als een klok is ver hoorbaar in de avondstilte. Luister, wat de Gelderse boer hem laat vertellen:

“Ik en mijn broer Jan Derk, kapiek !

Wij gingen te zamen naar de grote stad Brunsewiek

Daar kocht ik een broodje,

Al voor een nootje

Ieserkwartseer !!’

 

Volgens anderen roept hij:

Ma-rie-ie-tje

Mooie Ma-rie-ie-tje !

Ken je Marietje niet ?

Ken je Marietje wel ?

wat mooie Marie

Ma-rie-ie-tje !”

‘t Is dus een minnelied. Die goed luistert kan het horen.

 

Heraldiek.

Dit vogeltje wordt afgebeeld zonder bek en poten en wordt in veel wapens aangetroffen onder andere in de wapens van Cuyck en Van de Vegte. Als volwaardige vogel heet hij merel. (Sommigen houden haar voor een zwaluw) In Engeland was ze het teken van de tak die ontsproten was uit de vierde zoon. De merel als zodanig is ongeknot en het teken van list en waakzaamheid. Door haar luid en helder stemgeluid zou ze herinneren aan de goede klank van een eerbare naam. Het wapen van de martelaar Merula in de St. Catharinekerk te Brielle vertoont de merel als wapenfiguur.

 

Folklore.

Als de veren van de rechtervleugel aan een rode draad wordt gehangen die nog nooit gebruikt is en in het midden van een huis opgehangen wordt zal niet een in staat zijn om daar te slapen tot de vleugel weggenomen wordt. Als zijn hart onder een slaper wordt gelegd en ondervraagd wordt zal hij met een luide stem alles vertellen wat hij gedaan heeft. Als dit gedaan wordt in bronwater met het bloed van een hop en dit mengen en op zijn slapen legt, dan wordt hij zo zwak dat hij er dood aan gaat.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/