Loodsmannetje, loodsvis, Naucrates.

Uit de.academic.ru

 

Naucrates ductor.

 

Het loodsmannetje is een vis van een ruime halve meter lengte met een sterk gevorkte staart. Opvallend zijn de verscheidene donkere banden op een witte ondergrond, een soort gevangenispakje. Verder hebben ze een langwerpig eivormige gedaante en een stompe snuit. De plaats van de eerste rugvin wordt door een gering aantal vrije stralen ingenomen. De staart is aan weerszijde van een kiel voorzien.

De bek is met korte en fluweelachtige tanden bewapend.

De lengte is een twintig a dertig cm.

Het loodsmannetje komt altijd voor in gezelschap van grotere zeedieren als tonijn, haaien, walvissen en ook bij schepen. Het zwemt altijd achter die dieren aan, in hun kielzog varen ze mee. Het is de Engelse pilot fish.

 

Bestiarium.

De loodsvis die ook wel loodsmannetje genoemd wordt vergezelt de grote haaiensoorten. Volgens de zeelieden om de haai tot loods te dienen en die naar zijn buit te voeren of wel om hem voor een of ander komend gevaar te waarschuwen. Ook wijst het de verdwaalde zwemmers en schepen de weg naar het land en de veilige haven. Het dier begeleidt het schip en bij de nadering van de haven keert het om, richting zee.

Er zijn er die evenwel menen dat dit loodsschap niet meer dan schijn en een sprookje is en dat de loodsvis de haai om geen andere reden gezelschap houdt dan om in de uitwerpselen van deze zeetijger zijn eigen onderhoud te vinden.

De oude schrijvers maken melding van een vis die zij Pompilius noemden en waarvan Gessner zegt, ‘dat hij uitsluitend de diepe zee bewoont en de aarde schijnt te haten omdat hij nooit bij het land komt.’ Deze vissen tonen een zonderlinge gehechtheid aan de schepen die op de zee drijven en zwemmen er onophoudelijk omheen, tot ze de grond en de kust bespeuren. De zeelieden weten dit wel en het achterblijven van deze vissen, die het schip niet verder willen vergezellen, is voor hen een bewijs dat ze de kust naderen hoewel die nog niet te zien is. Even groot als hun genegenheid voor schepen is hun afschuw voor grond. De zeelieden beschouwen de begeleiding van deze vissen als een teken van goed weer, van een kalme zee en gelukkige reis. De mening dat ze als loods dienen voor haaien is van nieuwere oorsprong, de ouden spreken hier niet van.

 

Bestiarium.

Loodsmannetje.

De mossel is het mannetje van de walvis. De mossel en de walvis zijn voorbeelden van vriendschap want als de ogen van de walvis door de grote zwaarte gesloten zijn zwemt de mossel voor hem uit en wijst die dingen aan die hem zouden kunnen beschadigen, zo zijn de mossels de ogen van de walvis. Deze zeemossel die de walvis vooraf gaat heeft geen tanden maar borstels.

Een balaena was een walvis bij Plinius en wel een vrouwtje. De mannelijke heette musculus en was heel klein. Met musculus bedoelde Plinius waarschijnlijk het loodsmannetje en geen mossel.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/