Meerkoet, Fulica, waterhoentje, Gallinula, waterral.

 

Gallinula: hoentje.

 

Uit Martinet.

 

Naam.

De gang van het waterhoentje heeft wat parmantigs wat lijkt op een kwieke kip en vandaar de Latijnse naam en zo ook heet het in alle andere talen.

 

Gallinula chloropus, L. (met groene poten, een duidelijk kenmerk).

Waterhoentje heet in Friesland riethennetje, reithoantje en reithintje, verder kipje, riethoen, reidhin, ook wel weideloper, kleine wachtelkoning en water rail. In Engels water hen ook gray, moor of water pullet. De Duitsers noemen het waterhoentje Grunfussiges Teichhuhn, Frans poule dáeu.

 

Shakespeare, ‘Venus and Adonis’ 85;

‘Bij dit woord heft hij ‘t hoofd omhoog, zo ras’.

Als ’t waterhoen, dat door de golven breekt’.

Maar, aangeblikt, terug duikt in de plas’.

 

Vorm.

Beiden, meerkoet en waterhoentje, dragen een zwart pak wat ‘s winters wat verschiet.

De waterhoen wordt een dertig cm met een staart van zes cm. De meerkoet is groter en zijn houding is plomper dan het elegant stappende waterhoentje dat bij het stappen ook opgewekt het staartje laat meewippen.

Bij het waterhoentje is de bles op het voorhoofd helder rood, bij de meerkoet wit en veel groter.

De grote poten zijn zeer doelmatig, er zijn geen zwemvliezen zodat het lopen gemakkelijker gaat en vooral op natte plaatsen zijn die lange tenen gemakkelijk. Ook zwemmen en duiken gaat goed. De vleugels worden meestal ‘s nachts gebruikt zodat je dat zelden ziet.

Ook trekken sommige vogels wel naar andere gebieden. Waarschijnlijk doen ze dit met paren en wel ‘te voet’. In de lente komen mannetje en vrouwtje weer op hetzelfde nest terug. Het liefst is dit een waterplas dat met kroos en drijvende waterplanten begroeid is. Elk paartje heeft het liefst een plas voor zijn eigen maar grotere watervlakken hebben verscheidene paartjes. Ieder heeft zijn eigen gebied en duldt geen overschrijding van de grenzen. Strijdlustige mannetjes brengen elkaar soms een bezoek en de uitslag hiervan is steeds gelijk omdat het vrouwtje het mannetje gaat helpen.

Als het waterhoentje opgeschrikt wordt loopt het fladderend over de drijvende waterplanten of duikt onder zodat je ze niet meer ziet. Het kan zich bijzonder goed verbergen en zelfs op plaatsen waar je maar een paar langstelige waterplanten ziet. Als je dan goed toekijkt zie je voorzichtig onder een blad van een waterlelie dat wat oprijst, het zwarte oog van de waterhoen verschijnen. Het is een toonbeeld van lieftallige bedrijvigheid.

 

Broeden.

De waterhoen wordt door de meerkoet verwezen naar de hogere plekken. De meerkoet legt zijn nest op het water. Het waterhoentje legt zijn nest op een iets droger gedeelte van het rietveld, tussen het riet, biezen en waterplanten. Meestal worden er wat stengels van biezen omgebogen en met de snavel bijgeknipt. Daar worden wat planten opgestapeld en soms versierd met bloemen waarna er wat bladeren overheen gebogen worden om het te bedekken. De acht tot twaalf geelwitte eieren met grijze en roodbruine vlekken komen in april. Beide ouders broeden beurtelings een drie weken.

De donzige kuikentjes hebben zwarte pootjes met een helderrode bles en oranje snavel. Al gauw volgen ze hun ouders het water in waar ze bij gevaar onder duiken. De jongen zwemmen naast en achter de ouders en zien uit naar insecten, wormen en bessen en klimmen op diverse planten, biezen en kroos. Na enige dagen hebben ze geleerd hun voedsel zelf te zoeken, hoewel de ouders hun dan ook nog begeleiden. Bij het eerste waarschuwende geluid verbergen ze zich onmiddellijk. Na een paar weken redden ze zichzelf zodat de ouders tijd hebben voor een tweede broedsel. Na een zeven weken kunnen ze vliegen. Na enige tijd is dit een zeer aantrekkelijk gezicht, de meer dan halfvolwassen broers en zusters om de kleine jongen die hen voorzien met voedsel en het in de bek stoppen of voor hen neerleggen.

 

Zingen.

In de paartijd zijn de mannetjes vechtlustig. Dan kraaien ze ‘knakworst’ alsof ze uit Frankfurt komen. Zijn stem is luid en krachtig. Zijn loktoon klinkt als ‘terr terr’ en het waarschuwende als ‘kerr tet tet’, voor de jongen als ‘koerr, koerr’. Bovendien laat het een sterk gekras horen of een sterk, als ‘kuurk’ klinkend geluid dat vrees schijnt uit te drukken. Tijdens het trekken hoor je een helder en ver schallend ‘kek kek’.

 

Bijbel.

Tinshemeth’ komt alleen in Leviticus 11:8 en Deuteronium 14:16 voor als onreine vogel. Onduidelijk, soms wordt dit vertaald als zwaan, hoewel die in de woestijn niet voorkomt en zo’n plantenetende vogel zou niet onrein zijn. Hoewel, het waterhoen heeft een verbinding gehad met de Egyptische goden en broedt in de modder.

 

Fulica.

Software: Microsoft OfficeFulica atra, L. (donker zwart) de meerkoet , meerkoot of meerkol wordt koet of koot genoemd naar het keffende geluidje dat het maakt. Het Latijnse Fulica; zwemvogel,  bleef in Frans foulque. De Duitsers noemen het Moorhuhn, in Engels moorhen, moor: moeras, en pond hens. Het is onze meerkoet die in het Fries markol of markel, bij Oirschot meerkoot en in Cadzand marolle genoemd wordt.

 

Vorm.

Ze zijn zwart op het lijf en loodkleurig op de borst en buik. De meerkoet zie je vrijwel altijd zwemmend en ze heeft dan ook uitstekende zwemvoeten. Meestal komt ze tegen de middag aan land om uit te rusten en het kleed in orde te brengen. In het duiken is ze ook erg goed en ze roeit met haar vleugels een groot eind onder water verder. Ze vliegt beter dan het waterhoentje, maar toch nog tamelijk slecht. Ze loopt dan eerst ook een stuk over het water en slaat dan met kracht op het water zodat het geplas op grote afstand hoorbaar is. Worden ze gejaagd dan slaan ze met hun vleugels en lopen zeer fraai over het water naar de rietplekken om zich te verstoppen.

Totale lengte is zeven en veertig cm en een staartlengte van acht cm.

Ze verschijnen hier in de lente, meestal maart of april, en blijven in de zomer in dezelfde streek en beginnen in de herfst te zwerven en verenigen zich, in tegenstelling met de waterhoen, tot talrijke zwermen en trekken dan naar het zuiden.

 

Zingen.

Hun stem is een doordringend ‘kow’, of ‘kuuw’ geluid dat bij drift snel enige malen herhaald wordt en wel enigszins op het geluid van een hondje lijkt. Bovendien hoort men een korte, harde, op ‘piets’ gelijkende toon en soms een dof geknetter.

 

Broeden.

Ze maken hun nesten met bladeren van gras en riet die ze in de rivieren, waar de stroom door gaat, tussen het riet vastmaken zodat die niet door het water weg gevoerd worden. Omstreeks midden mei bevat zo’n nest zeven a vijftien grote eieren met een stevige en fijn glanzende schaal op een licht leemkleurige gele grond. Ze zijn getekend met zeer fijne, asgrauwe vlekken en stippeltjes. Broedtijd is een en twintig dagen.

In de broedtijd bewoont ieder paar een apart gebied, waar het geen anderen duldt. Onmiddellijk na het broeden verenigen ze zich weer tot gezelschappen die langzamerhand aangroeien tot ontelbare zwermen.

 

Bestiarium.

Maerlant; ‘Fulica spreekt Isidorus, is een vogel die heet aldus. Zijn vlees smaakt als ware het een haas. Op moerassen neemt het zijn aas en immer maakt hij zijn nest waar het met water is bevestigd. Dit heet de broedste vogel en uit zijn land vliegt er geen, maar in het landschap daar hij broedt leest men dat hij zichzelf voedt en vliegt het niet hier en daar. Krengen heeft hij onmin. Ambrosius spreekt er van te waren dat men vindt een soort arend die zijn jongen weigert te voeden en werpt ze zijn broedsel uit, dan komt fulica daar en voedt de arends kinderen met zijn jongen in zijn nest. Dit voorbeeld was goed geweest voor elke mens die goed doen wou en merkt dat zich te ontfermen zou de armen en hun het goede gunnen die zich niet helpen kunnen’. (zie bastaardarend)

 

P. de Beauvais: ‘Er is een vogel die fulica genoemd wordt. Deze vogel is meer dan alle andere intelligent en wijs. Hij eet geen lijken en vliegt nergens heen, maar blijft van begin tot einde op een enkele plaats en daar vindt hij zijn voedsel.

Zo is het ook met de goeden die de wil van God naleven en op een plek verblijven en niet her en der dwalen zoals zij die tegen het geloof in gaan, zij voeden zich niet met wereldse verlangens, zoals de vogel die van geen vlees eet en op een plaats blijft, dat wil zeggen in de heilige Kerk en daar blijven ze tot het einde. Over hen zegt God in het Evangelie: ‘Wie van nu tot aan het einde in Mij blijft, zal gered worden’, en zij die in de heilige Kerk het brood des levens ontvangen zullen met heilig voedsel gevoede worden, dat wil zeggen met de zoete woorden van God, waarover de Schrift zegt:’ Van brood alleen leeft de mens niet, maar van het woord Gods’. ‘

 

Porzana. Uit Martinet.

 

Porzana porzana, L, (porselein, porzana oude Italiaanse naam, mogelijk naar zijn als porselein glanzende buikveren) porceleinhoen, Friese bunte reidhin, Duitse Tupfelsumpfhuhn, Engelse spotted crake en chick pintoja en Franse marouette ponctuee.

Klein vogeltje ter grootte van een spreeuw. Bovendelen zijn bruin met groene kleur en met zwarte en witte strepen en vlekken. De buik is grauw/wit, slag- en staartpennen zijn donker grauw/bruin, groene snavel en poten.

Het nest met vele eieren is in ondiep water en goed verborgen. Broedt drie weken, soms wel twee keer per jaar, vele eieren worden geplunderd. De zwarte donzige jongen verlaten meteen het nest.

Een nachtvogel, is alleen te herkennen aan het kwiet of kiep van de vader.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

uit www.sioc.cat

 Porzana parva, Scop. (klein) kleine waterhoen, Friese lytse reidhin, Duitse kleines Sumpfhuhn, Engelse little crake.

19cm groot. Licht groene snavel met rode basis, rode ogen en groenachtige poten. Het mannetje is van boven bruin en wat zwart gevlekt, onderzijde blauwgrijs. Achter de poten veel donkerder met dwars banden. Het vrouwtje heeft een witte kin die in de hals overgaat in licht geel.

Nest is aan het water met veel plantengroei. Een zes geelachtige eieren die donkerder gevlekt zijn. broedtijd drie weken, soms twee maal per jaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit Martinet.

Porzana pusilla, Herm. (klein of nietig) kleinste waterhoen, Duitse Zwergsumpfhuhn, Engelse Baillon’s crake, (Franse ornitholoog L. A. Baillon, 1778-1855) Franse marouette de Baillon.

(Rallus, Gallinula, Crex of Ortygometra , Grieks krex een vogel ter grootte van de ibis, zie kwartelkoning)

17cm groot. Grijsgroene snavel, meer vlekken dan de vorige op de bovendelen met witte vlekken. Nest is gelijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rallus.

Uit Martinet.

Rallus aquaticus, L (Rallus is gevormd van ral, water beminnend)  waterral, zijde- of fluweelhoentje, fluitje, wetterhintsje, Duitse Wasserralle, Franse rale d’aeu, Engelse water rail.

Zo groot als een lijster. Rode snavel die naar de punt toe bruin wordt. Van boven bruin, olijfkleurig met zwarte vlekken, onderkant is donker grijs, zwarte flanken met witte dwarsbanden.

Nest is verborgen onder pollen in moerasgronden. Een twaalf roomkleurige eieren met wat vlekjes, soms twee maal per jaar.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/