Piepers, Anthus.

Anthus; zacht.

 

Uit Martinet.

 

De piepers moeten misschien beschouwd worden als een overgangsvorm van de Zangers tot de Leeuweriken. Hun kenmerken zijn een slank lichaam en een dunne, rechte, aan de wortel smalle, priemvormige snavel met ingetrokken rand en een ondiepe inkerving voor de zeer weinig naar beneden gebogen spits van de bovensnavel. Voeten met slanke loop en zwakke tenen maar grote nagels waarvan een, de achterste, evenals bij de leeuweriken tot een spoor verlengd is. Middelmatig lange vleugels en een middelmatig lange staart. Een glad aanliggend grond-, of graskleurige verenkleed.

Ze brengen het grootste deel van hun leven op de grond door en strijken zelden op bomen neer. Ze zijn beweeglijk, opgewekt en haastig van aard. Ze lopen stappend en vlot terwijl ze ondertussen zachtjes de staart op en neer wippen. Wanneer ze een grote afstand moeten afleggen vliegen ze goed en snel, zonder inspanning en volgens boogvormige lijnen.

Wanneer het verlangen om te zingen hen naar boven drijft, vliegen ze fladderend en zwevend en laten een piepende loktoon horen en hebben een eenvoudig maar aangenaam gezang.

Ze zoeken hun eten op de grond, insecten, zaden en dergelijke.

Ze bouwen hun nest op de grond.

Piepers houden van open ruimtes, de graslanden en moerassen.

 

=Anthus pratensis, L. (van de weiden).

Graspieper, pieper, rietvink, tiet-, veld- of piepleeuwerik. Engelse meadow pipit, Duitse Wiesenpieper.

 

Vorm.

De graspieper is een zomervogel die hier is van maart tot september/november, en wel in vochtige weiden.

Is een vijftien cm lang met een staart van zes cm.

Is musachtig van kleur, met fijnere strepen, maar spitsere snavel en langere poten. Aan de bovenkant olijfbruin met een zwak olijfgroen en met donkerbruine, uitvloeiende schaftstrepen. De staartwortel is levendiger en meer effen van kleur. De onderdelen, de wangen en een streep boven de ogen zijn fijn roestgeelachtig. Een streep onder het oog en een tot aan de zijden van de hals reikende baardstreep zijn zwart, de slagpennen en staartveren donker olijfbruin. De uiteinden van de armdekveren en van de grootste vleugeldekveren hebben een lichtere rand waardoor op de vleugel twee onduidelijke dwarsbanden ontstaan. De buitenste staartveren zijn aan de buitenzijde wit met een dofgekleurde spits.

De iris is donkerbruin, de bovensnavel dofbruin, de ondersnavel licht bruin en de voet bruinachtig.

Deze vogel komt het meest voor op de grond, ook wel op hekken en soms op takken van de struiken.

Kom je hem tegen dan stoot hij plotseling met een ‘iest iest’ op. Van tijd tot tijd verneem je zijn lokstem ‘piep piep’. In het voorjaar vliegt het mannetje met tussenpozen recht omhoog en schiet daarop weer naar beneden en laat in die tijd zijn zachte gezang horen.

 

Tussen april en juni zit ze op vijf eieren die grijswit zijn met grijsbruine stipjes en krasjes.

Leeft van insecten die ze vinden in de weiden, op de knollen- en aardappelakkers.

 

Software: Microsoft OfficeAnthus trivialis, L. (alledaags of gewoon) is de boompieper, heidepieper, het piept of zingt, de Franse pipit des buissons, Duits Baumpieper, Engels tree pipit.

Deze komt meer voor op heide en wegen in de meer oostelijke provincies, niet in gras.

Is iets groter dan de vorige zeventien cm. Zijn snavel is dikker en de loop is krachtiger.

Deze vogel broedt ook een dertien dagen op een vijf geelwitte eieren die met bruine stipjes en krasjes bezaaid zijn. Dit meer in kreupelhout en begroeide delen van het bos en heidevelden. De boompieper zit meer in de bomen dan de graspieper.

Zijn gezang is fraaier en aangenamer dan van zijn verwanten. Het gezang is als bij een kanarie.

De meeste boompiepers zingen hoog in het topje van de boom. Dan stijgen ze recht omhoog en beginnen ze hun gezang waarbij ze dan weer recht naar beneden zakken. Het zingen bestaat uit op- en aflopende tonen en trillers wat meestal met een ‘djuu of tsia-tsai’ eindigt.

 

 

 

 

Uit Martinet.

 Anthus campestris, L. (van ’t veld) de duinpieper komt voor in de duinen. Is hier van april tot september. Engelse tawny pipit, Duitse Brachpieper.

De duinpieper is dan ook zandkleurig met donkere vlekken op de mantel.

De lengte is zeventien cm.

Door zijn bewegingen herinnert de duinpieper zowel aan de leeuweriken als aan de kwikstaarten. In nagenoeg horizontale houding wipt het dikwijls met de staart en verschuil zich dan zoveel mogelijk en loopt over de grond, beklimt soms een hoger gelegen voorwerp, rust weer wat en kijkt met enigszins omhoog gericht lichaam wat rond en zet daarna zijn wandeling voort.

Bij het vliegen beschrijft hij een sterk gebogen kronkellijn. Tijdens de broedtijd zie je het mannetje vaak op een vrije plaats en stijgt in scheve richting omhoog, begint op een hoogte van dertig tot vijftig meter te trillen en te schommelen, vliegt onregelmatig heen en weer en laat ondertussen zijn ‘tsierloei tsierloei’ horen.

Zijn stem is minder dan andere piepers. De loktoon is ‘diellem’ of ‘dlemm’, tedere aandoeningen geeft hij te kennen door de klanken ‘krietlien tsierloei’ en tsiuur’.

Maakt als nest een kuiltje op de grond waarin grijs- of groenachtige eieren komen met roze of groenbruine vlekjes.

 

Uit www.segaspicturegallery.co.uk

Anthus richardi, V. de grote pieper is een wintervogel. Ze broeden in Siberië. Engelse Richard’ s pipit, Frans pipit de Richard, naar de Franse naturalist Richard van Luneville..

Is wat donkerder dan andere piepers, van boven bruingeel met weinig vlekken.

De lengte is twintig cm.

Je ziet hem soms doorkomen in oktober.

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.birdguides.com

Anthus petrosus (van de rotsen, stenen) (Anthus obscurus, Lath.) (donker van kleur, onduidelijk) is de oeverpieper (Anthus rupestris) (van de rotsen) Rock pipit. Duits Bergpieper

Dit is ook een wintervogel die hier soms langs komt  in oktober/november.

De oeverpieper verschilt van de waterpieper, die hij in Scandinavië, Denemarken en Engeland vervangt, door de wat donkerder bovendelen die met een groenachtige olijfbruine waas overtrokken zijn, door de minder duidelijke vleeskleur van de onderzijde en de door de bruinwitte kleur van de vlek aan het einde van de stuurpennen.

 

 

 

 

 

 

Uit www.oiseaux.net

Anthus spinoletta, L. is de waterpieper, ook een wintervogel. (Anthus aquaticus) Water pipit, Duits Wasserpieper.

De buitenste staartpennen hebben een witte vlag.

Hij is in de bergen thuis, de Alpen van Zwitserland, Karpaten en Hartz.

Bestiarium.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/