Salamander.
Uit Gessner.
Vuursalamander. In midden-Nederlands was het ook salamander, in Duits heet het Salamander of Salamandrina, in het Engelse is het fire salamander. Dit stamt van het Latijnse salamandra, dat van Grieks salamandra en dit heeft mogelijk een Perzische oorsprong, samander of samandel.
Het Duitse Molch in Leviticus 11: 30 is als Luthers vorm in Duitsland gekomen. In midden-Hoogduits was het Mol en Molle, in midden-Engels molle waarbij men Armeens molez vergelijkt wat hagedis betekent. Mol is ook een Nederlandse naam die nog bij Kiliaan voorkomt. Zie de naam voor de bergduivel, Moloch horridus.
De aard- of vuursalamander wordt hier zelden aangetroffen, komt meer in bergachtige streken voor. Door de oranjegeel en zwart gevlekte huid heeft hij een zodanig zonderling voorkomen dat vele sprookjes van hem in omloop zijn.
Kan een lengte van een twintig cm bereiken waarvan de helft voor rekening van de staart komt.
Het is een nachtdier die vooral te voorschijn komt na regen om wormen, slakken en dergelijke te zoeken. Het dier is meestal traag van aard en verbergt zich onder stenen, spleten in vochtige bossen, zelden bij het water waar ze ook maar enkele minuten in kunnen verblijven.
Ze houden een winterslaap onder stenen of in boomstronken, spleten.
De bevruchting is in de zomer op het land. De eitjes blijven in haar lichaam tot het moment van uitkomen. In het volgende voorjaar zoekt het wijfje het water op en dompelt haar achterlichaam er in en brengt daar levende jongen voort met uitwendige kieuwen en poten. Die blijven daar tot ze een gedaanteverwisseling hebben ondergaan wat eerst na een tien tot vijftien weken het geval is. Tegen oktober begeven ze zich naar het land en leiden hier een nachtelijk leven.
Hun voedsel bestaat uit kleine insecten en jonge slakjes.
Wordt de salamander boos dan neemt hij wel een dreigende houding aan met wijd geopende muil, maar bijten kan hij niet. Daarentegen scheidt hij uit de klieren in de nek een wit schuimend vocht uit dat op hagedissen en dergelijke kleine diertjes een vergiftigde uitwerking heeft en dat ook slangen, ooievaars en andere grote dieren afschrikt. De mens deert dit vocht slechts als het met tere huid in aanraking komt, bijvoorbeeld bij de ogen of lippen. Een hond die een salamander (of een pad die dezelfde werking heeft) bijt spuwt hem onmiddellijk uit en kwijlt om die onaangename stof kwijt te raken.
Nederrijns
moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘En de mol die leeft nergens anders
van dan van de aarde. En de haring niets anders dan van water en de kameleon
van de lucht en de salamander van vuur, dat is een witte vogel en voedt zich in
het vuur. En van zijn pluimen maakt men die lakens die men schoon maakt in
brandend vuur.’
Uit Maerlant, ‘Salamandra is een soort van
serpent die in het vuur leeft en daar in gaat en het vuur er ook mede verslaat.
Plinius, Jacob en Adelijn, Aristoteles en Solijn zeggen en doen verstaan dat
het naar de hagedis is gedaan. Isidorius spreekt op zijn manier, het gaat voor
alle giftige dieren. Plinius zegt, men ziet ze niet, behalve als het zeer
regent. Zijn spuwen is uitermate kwaad en is het dat er een mens in gaat dan
ontvalt hem al zijn haar. Op bomen klimt het en daar vergiftigt het de vruchten
en die er van bijten blijven dood in korte tijd, valt hij in het water, hij
blijft dood die er van eet, klein of groot. Men vindt een soort van salamander
die leven in vuur en wol en haar hebben waarvan men voor waar zegt dat men er
gordels en kleden van maakt die nimmermeer in brand raken. Men leest van de
Paus Alexander dat hij had van een salamander een kleed en als het lelijk was
wierp men het in het vuur en, zoals ik het las, dan kwam het er schoon en
zuiver uit. Broeder Albrecht spreekt voor waar dat hij hiervan een gordel zag
en het voor hem in het vuur lag en als het gloeide deed men het er onbeschadigd
met haar en huid uit. Solinus zegt er toe, onze salamander hier zo heeft dit
niet. Alle dragen, zoals wij het kennen, en leggen eieren gelijk hennen’.
De vuursalamander is als de hagedis in vorm. Hij wordt bij heftige regenbuien gezien en is afwezig met mooi weer. Zijn geluid is huilend. Hij leeft in vuur en is bedekt is met een soort wol of haar waar onbrandbare gordels en kledingstukken van worden gemaakt. De gordel kan zonder problemen in het vuur geworpen worden waaruit ze als het ware vernieuwd uitgehaald worden. Van de huid worden lampenpitten gemaakt die nooit brandend zullen oplichten. Hij wordt niet uitgebroed door het vuur zoals krekels. Solinus voegt hieraan toe dat salamanders geen onderscheid kennen tussen mannetjes en vrouwtjes. Ze worden allemaal drachtig en leggen eieren net als kippen.
Mulder: Paus Alexander III - 1159-1181.
De onbrandbare minerale substantie die bekend staat als amianthus moest ooit zijn verondersteld salamanderhuid. In Les Proprietes des Bestes wordt verteld dat de keizer van India een volledig pak van kleren had gemaakt van duizend huiden van salamanders, die hij droeg als maliënkolder in de strijd. Er is geen reden om deze verhalen als louter uitvindingen te beschouwen, behalve met betrekking tot de aard en oorsprong van het materiaal, aangezien deze methode om asbestkledingstukken te reinigen door ze roodgloeiend te verhitten nog steeds wordt toegepast door sommige stammen in West-China.
Augustinus wijst in De stad van God op de salamander om ongelovigen ervan te overtuigen dat lichamen in de hel branden zonder te verteren: wie zou daaraan durven twijfelen als hij bedenkt dat ook een onaanzienlijk, sterfelijk wezen als de salamander in het vuur in leven blijft, en zelfs zonder pijn te lijden, wat nog ongeloofwaardiger is dan de hellestraf? De salamander van de bestiaristen leeft nog voort als kachelmerk (opschrift: ‘Je brűle tout l’hiver’) en in de naam van de vuursalamander, een glanzend zwarte, geel gevlekte amfibie, die een brandend, maar vrij onschuldig gif af kan scheiden.
Vuursalamander is gemengd met Stellio, Tarentula mauritanica, de muurgekko bij Maerlant;
‘Stella is een worm mede, want het licht op
naar de sterren zede, men ziet het tegenwoordig overal dan na regen als het
opklaren zal. Plinius spreekt, het is zijn manier, komt deze worm in het vuur
dat hem een venijn uitgaat en dat het vuur al uit slaat. En komt er iets aan
een huid, alle haren vallen uit en die plaatsen waar het op rent die blijft
groen voorwaarts dan’.
P. de Beauvais: ‘Dit beest duidt op de rechtvaardige en de mannen Gods. Zoals Ananias en Azaria en Misael in de vurige oven verbleven en niet door het vuur verbrand werden, maar er ongedeerd uitkwamen zonder brandwonden zoals de profeet Daniel uitlegt en de heilige Paulus de apostel: Alle heiligen doofden het vuur door hun geloof, ze snoerden de muil van de leeuwen, dat wil zeggen zij overwonnen de wreedheden van de beulen, zo ook zal hij die trouw in God gelooft en volhardt in goede werken door het laaiende vuur gaan zonder dat de vlam hem zal raken, zoals de profeet Jesaja zegt: ‘Jij, goede mens van God, ga door het vuur, de vlam zal je niet raken’.
Deze fabelachtige en formidabele hagedis is door nauwkeuriger observatie gereduceerd tot een klein kikkerachtig reptiel met rijen knobbeltjes aan zijn zijkanten, die een melkachtige giftige vloeistof afscheiden in voldoende hoeveelheden om een levende kool te doven en enigszins om de werking van vuur te vertragen. Italiaanse erotische dichters verwijzen graag naar de salamander als typisch voor de minnaar die zich ofwel verheugt in het amoureuze vuur (“il fuoco amoroso”) als zijn aangeboren element of spijt heeft dat hij niet de aard van dit reptiel bezit om dat te voorkomen, hij wordt misschien niet helemaal verteerd door zijn passie.
Shakespeare,
‘1 King Henry; iv, iii, 3, 53;
“Thou
hast saved me a thousand marks in links and torches, walkin with thee in the
night betwixt tavern and tavern: but the sack that thou hast drunk me would
have bought me light as good cheap as the dearest chandler’s in Europe. I have
maintained that salamander of yours with fire any time this two-and thirty
years; God rewarded me for it!’
‘Je
hebt me een duizend marken aan toortsen en kaarsen uitgehaald, als ik ‘s nachts
met je wandelde, de ene herberg uit, de andere in; maar voor de sec die je bij
mij hebt opgedronken had ik bij de duurste kaarsenmaker in Europa even zo
goedkoop kaarsen kunnen hebben. Ik heb die salamander van je nu al twee en
dertig jaren van vuur voorzien, God lone ‘t mij”
De vuursalamander is sinds de oudheid het onderwerp van vele fabels, men hield hem voor een uiterst giftig dier die het vuur bluste. Hij bestrijdt het vuur zoals ijs dat doet, het is de dochter van het vuur. Aristoteles zegt: ‘Dit schepsel, zo het verhaal gaat, wandelt niet alleen door het vuur maar maakt het daardoor ook uit’. Nicander vermeldt dat het ongedeerd door het vuur gaat. Antigonus zegt ook dat het vuur uit kan maken. Dioscorides schrijft dat de vuursalamander niet verbrand kan worden. Plinius vertelt ook over de fabel van onbrandbaarheid omdat dit beest zo koud is dat het vuur als ijs uitgaat. Ook dat het de meest venijnige creatuur ter wereld is. Aelianus verzekert dat deze dieren jacht maken op het vuur van de smidse, dat de werkers daar eerst geen notitie van nemen maar als het vuur uit gaat nemen ze wraak op hen en het vuur brandt weer.
Aan de andere kant ontkent Galenus de legende en zegt dat de salamander verbrand wordt in heet vuur.
De Physiologus sloot de symbolen van de salamander die van het uitdoven van het vuur in. Waarschijnlijk werd in die tijd andere ideeën over het dier ontwikkeld. De eerste toevoeging was dat het in vuur leefde. Dit verscheen in een Latijnse epigram van Bisschop Aldhelm, ca. 700, die de eerste Engelsman was die Latijn kon schrijven. Ruig vertaald wordt het zo:
“Te midden van de vlammen leef ik en voel geen vuur.
En in de diepte hoon ik de groeiende vlammen.
Geen krakend geblaas of gloeiende sintels worden om mij geboren.
Maar blazende branden van heet naar koud zal ik veranderen”.
Een volgende aanpassing aan de legende verschijnt in de
literatuur waar verzekerd wordt dat de salamander gevoed wordt door vuur.
Vier schepselen hebben hun leven elk van een van de pure elementen, de chamelon
van lucht, de mol van aarde, de vis Halec (haring) van water en de salamander
van vuur. Als de salamander lang genoeg in het vuur geweest is en zich gevoed
heeft komt hij er verkwikt uit. Een grillig gebruik van dit idee verschijnt in
het eerste deel van Shakespeare’ s ‘King Henry IV’, III, iii, 52 waar Falstaff
zo verwijst naar Bartdolph’s neus: ‘Ik heb
die salamander van je nu al twee en dertig jaren van vuur voorzien, God lone ’t
mij’.
Het embleem van Frans I van Frankrijk, een salamander in
vlammen, was eveneens een symbool van rechtvaardigheid omdat die volgens de
opvatting der ouden in het vuur leefde en het slechte vuur uitdoofde en het
goede onderhield. Vandaar ook zijn wapenspreuk: “Nutrisco et extinguo” “Ik voed en doof uit”.
De salamander is verder het attribuut van de kuisheid en maagdelijkheid omdat deze deugden te midden van de hartstochten en zonden die rondom hen branden ongerept blijven.
Ook
een kachel werd salamander genoemd.
Naar middeleeuws geloof leeft de vuurrode salamander in het vuur. Bij Paracelsus is het een van de elementen van het vuur. Vandaar werd de salamander tot een gemurmeld toverwoord van de Duitse studenten, een Drink-ritus, waarbij de schnaps brandend aan de mond gebracht werd. Waarschijnlijk dachten de studenten daarbij aan Theocritus pharmakeutrien waarmee de verliefde hun schat betoverden, ‘Hij is als de salamander en leeft in de vlammen van liefde’. “Morgen verpoeder ik de Molch en breng ik je een stevig drankje”. In een drinklied van 1829 treedt de schnapsgot Salamander op.
Het Engelse ‘to rub a salamander’, het voor het drinken gesproken woord, ook is er een biersalamander.
De vuursalamander is sinds de oudheid het onderwerp van vele fabels, men hield hem voor uiterst giftig dier dat die het vuur bluste.
Wanneer men ze, vooral de
landsalamander, tergt dan perst die uit de huid een wit, stinkend en scherp
vocht. Het gehele lichaam wordt er soms mee bedekt. Dat vocht zorgt er voor dat
het in die toestand in het vuur geworpen niet dadelijk verbrandt. Dat vocht is
ook nadelig voor de ingewanden. De vuursalamander trekt zich in de winter terug
in een vochtige boomstam, die wordt op het vuur gelegd en gaat door het vocht
uit. Het heeft het echter genoeg warmte gemaakt om de vuursalamander te wekken.
Die komt dan te voorschijn waarbij het lijkt alsof de salamander het vuur
gedoofd heeft.
Van paus Alexander III wordt
verteld dat hij een mantel bezat van salamanderwol die men als hij vuil was in
het vuur gooide waar hij vervolgens weer schoon en helder van kleur uitkwam.
Albertus Magnus verklaart dat hij met eigen ogen een gordel van dit materiaal
in het vuur heeft zien liggen. Toen de gordel begon te gloeien nam men hem er
volledig ongeschonden weer uit.
Op zijn reis komt hij in Yintsjintalas of Sai-jin-tala. Toen hij in Azië reisde had hij dit idee in zijn hoofd, maar hij zegt: “Van de salamander onder de vorm van een serpent die in vuur zou overleven kon ik niets vinden in de oosterse regio’s’. Hij verhaalt hier het volgende van:
‘Aan de grens van deze provincie, richting noord, ligt een gebergte met rijke staaladers en ondaniek. En je mag weten dat zich in dit gebergte een ader bevindt waaruit men de salamander of vuurgeest haalt. Aanvaard het voor waar dat de salamander geen dier is zoals men het in onze landen gelooft, maar dat hij een erts is. Ziehier het waarom.
Niemand ontkent dat van naturen geen enkel beest noch dier in het vuur kan leven omdat elk dier uit de vier elementen bestaat. Welnu, ik, Marco Polo, had een Turks gezel die Soerfikar heette, een wijs man. En gezegde Turk vertelde mij hoe hij in deze streek had gewoond om voor de Groot Khan drie jaar lang salamanders te ontginnen, dat wil zeggen asbest. Hij vertelt me dat in dit gebergte wordt gegraven tot men een ader vindt waaruit men draden snijdt als van wol en ze laat drogen. En als de salamander droog is stampt men hem in grote ijzeren mortieren, dan wordt hij gewassen en van aarde gezuiverd, en er blijven draden over als ware ze van wol. En men spint ze om er ammelakens mee te maken. En als ze klaar zijn zien ze niet helemaal wit. Maar als men ze in het vuur legt en ze er dan uithaalt zijn ze blank als sneeuw. En telkens als ze vuil zijn legt men ze voor het vuur en ze herkrijgen hun witte kleur.
Aldus de waarheid over de salamander en niet anders. En zij waren uit de streek zelf die het me vertelden; wie het anders zegt verkoopt onzin en fabels. En weet dat zich te Rome een stuk linnen bevindt uit salamander, gezonden door de Groot Khan naar de paus, een uiterst mooi geschenk om het heilig zweetdoek van Jezus Christus in te bergen’.
Het asbest kan ooit naar het dier genoemd zijn of andersom. Toen de Grieken het asbest vonden dachten ze dat het haar of wol van een soort salamander was omdat het vuurvast was.
De naam asbestos, al bij de Ouden in gebruik, zinspeelt op
het feit dat een lamp voorzien van een pit van asbest zoals de gouden lamp van
Pallas te Athene, mits behoorlijk bijgevuld, nooit ophield te branden,
dus onuitblusbaar was. Grieks asbestos betekent onblusbaar, het onverbrandbare.
De lapissteen is een groenwitte steen, het steenvlas of amiant uit wiens vezels
men al in de oudheid het asbestirum het onverbrandbare linnen bereidde. Dat
gebruikte de Romeinen vooral tot het weven van kostbare lijkwaden waarin de
doden werden gehuld voor ze op de brandstapel werden gelegd opdat de
overblijfselen onvermengd met de as van het hout bewaard zou blijven.
Lissotriton
vulgaris (Triturus vulgaris, (gewoon) is
de gewone salamander
of watersalamander.
Dit zijn dieren die de meeste tijd op het land leven en naar het water gaan om zich voort te planten.
De
gewone salamander kan een tien cm lang worden.
Het
is meestal bruinachtig met donkere stipjes. De buik is meer rood- oranjeachtig.
Ze
leven van wormen en insecten, in het water van kleine kreeftjes.
De winterslaap begint al vroeg, augustus, dan kruipen ze weg in spleten en kieren of onder boomstammen. Na de winterslaap zoeken de salamanders de stilstaande poelen op.
In de paartijd krijgt het mannetje een golvende kam op rug en staart die later op het droge weer inkrimpt. Door met zijn staart te trillen wordt het vrouwtje geprikkeld. Het mannetje zendt zijn sperma naar de bodem waarop het vrouwtje dit opneemt door zich er op te drukken. Het eitje, van de paar honderd, wordt stuk voor stuk op de bladeren van waterplanten afgezet door middel van slijm. Na een drie weken komen er larven uit die nog geen pootjes bezitten. Tegen het einde van de zomer komen ze uit het water
Ook deze vormen produceren vaak een afscheiding uit de klieren op de rug, waarschijnlijk is het een voorbehoedmiddel tegen allerlei dieren die hen willen eten.
Shakespeare,
‘Midsummer Night’ s Dream’, iii, 2, 11;
de ‘newt’, een watersalamander.
Salamandereieren zijn als serpentseieren, minder in hoeveelheid en beter glimmend, ze zijn venijnig maar minder venijnig dan serpentseieren.
Het herstellingsvermogen van weggenomen ledematen is zeer groot. Hun leven is zeer taai, ze kunnen wel een paar jaar in een glazen stolp overleven.
Dit is een klein soort waterhagedis en zwart van kleur. Het gif hiervan is als het gif van slangen. Dit serpent wordt in dikke wateren en gronden uitgebroed en soms in de ruďnes van oude muren. Wordt dit dier kwaad gemaakt dan staat die op zijn achterpoten en kijkt diegene die hem verstoort rechtstreeks in het gezicht. Dit gaat zo door totdat zijn lichaam helemaal wit is door een vochtigheid of een soort gif die aan de buitenkant groeit om de persoon te beschadigen, (als dat mogelijk is) die hem stoort. Ze hebben een venijnige natuur maar door hun verblijf in het water is dit zachter.
Hij houdt van melk en daarom zoekt hij in de wouden of bij heggen een koe die ligt en hierna is de koe zijn uier opgedroogd en geeft nooit meer melk.
Uit zijn mond komt een wit iets en
als dit op je huid komt zal je haar uitvallen. Wat de salamander aanraakt
bederft en infecteert en krijgt een vuile kleur. Als hij in een boom kruipt
infecteert hij alle appels en doodt diegene die ervan eten. Het is een
pestachtig dier en zeer venijnig want de salamander infecteert de vruchten van
de bomen en verrot het water zodat ieder die ervan drinkt daaraan sterft. Als
een salamander in het water is gevallen, doodt zijn gif iedereen die ervan
drinkt. (zie Maerlant hierboven)
En als zijn speeksel een voet raakt infecteert hij je hele lichaam.
De salamander is giftig en heeft een gifangel als een
wesp. Al vroeg stond de salamander voor dodelijk “Als een salamander u bijt, bestel dan maar een doodkist en lijkwade”.
Er zijn apothekers die deze salamander gebruiken in plaats van stinkdieren of krokodillen maar ze zijn verdeeld over het gebruik en bezit van de krachten. Doe ze in een pot met vochtige aarde waarin gevijld koper is gedaan, dit wordt door de excrementen van het dier in goud veranderd.
Op een plaats verhaalt Plinius dat de salamander zeer giftig is en als die op de buik kruipt worden alle vruchten, poma, vergiftigd, als het in een bron valt wordt het water vergiftigd. Hij geeft het dier niet de krachten om dit met zijn gezicht te doen. (als de basilisk) Naar Romeins bevel werd diegene die een ander een deel van de salamander ingaf als gifmenger verklaard en de dood schuldig bevonden. Noch op het eind van de 18de eeuw probeerde een vrouw haar man middels een salamander wiens vlees ze bij het eten bijgemengd had te vergiftigen.
Martialis verhaalt dat het speeksel van salamanders het haar laat uitvallen, zo zegt hij van een kaalhoofdige vrouw; ‘hoc salamandra caput aut saeva novacula nudet’.
Triturus
cristatus: (kam) de kamsalamander of watersalamander
heeft een duidelijke kam op zijn voorhoofd die via de rug over gaat in de
staart van het mannetje.
Is groter dan vorige, een vijftien cm.
Hij is donkergrijs met wratjes.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/