Schelvis, Melanogrammus aeglefinus.

Uit www.fischgrosshandel-ahlen.de

 

Naam.

Melonagrammus; Grieks melano; zwart, gramma; lijnen, zwarte gelijnde kanten van de vis.

Melanogrammus aeglefinus; uit Frans rond 1340 esclevis uit Nederlands schelvisch, toen resclevin en nu aigle- of aigerfin. (Gadus)

Schelvis. In midden-Nederlands was het schelvisch naar het gemakkelijk in smalle stroken uiteenvallende vlees, schel, zie schil, de Duits Schellfisch, in Angelsaksisch scel,- scilfish. Kan ook van schub, heeft relatief grote schubben.

 

Vorm.

De schelvis wordt op de kusten der Noordzee en die van Engeland in grote scholen aangetroffen.

Hij lijkt veel op de kabeljauw, maar is kleiner en meer langwerpig en een andere kleur. Heeft een grote mond, teken van vraatzucht.

Een ruime meter lang en gewoonlijk vier tot zestien kg zwaar.

Heeft drie rugvinnen en het kleine draadje aan de kin.

 

Bestiarium.

Zijn rug is bruin- of blauwachtig, de zijden zilverkleurig en de zijstrepen zwart. In het midden van de zijden, onder de streep en wat beneden de kieuwen, is een zwarte vlek op elke schouder die naar de indruk van een mensenvinger en duim lijkt. Om deze bijzonderheid draagt hij ook de naam van St. Pietersvis met een zinspeling op de gebeurtenis in die in Mattheus XVII wordt verhaald: ga heen naar de zee, werp de angel uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijnen mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hun dien voor mij en u. En, terwijl Petrus de vis met zijn voorste vinger en duim vast hield, kreeg de huid van de vis, naar de fabel, de erfelijke indruk die aan alle schelvissen nog te zien is.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/