Slak, slakken, Arion, soorten, heraldiek, Bijbel.

Uit diertjevandedag.classy.be

 

Arion; Griekse citerspeler Arion die in zee geworpen werd en door dolfijnen gered werd.

 

Arion rufus (roodbruin) (Arion empiricorum; empiricus betekent hier kwakzalver naar het gebruik dat van het dier gemaakt wordt als geneesmiddel.

 

 

 

 

 

Uit idtools.org

Arion ater: zwart, is de zwarte slak die veel in N. Europa voorkomt.

Kan tot twaalf cm lang worden. Het is roodbruin, zelden zwart gekleurd en komt als haar verwanten liefst op vochtige, beschaduwde plaatsen voor die met planten begroeid zijn.

De aardslakken worden meerdere jaren oud en overwinteren in de grond. Bij droog warm weer verschuilen ze zich onder stenen of planken of rollen zich op en wachten geduldig tot het weer vochtig wordt. Laat dit te lang op zich wachten, dan drogen ze uit.

 

Slak,  in midden-Nederlands was het slacke en slecke, het is de Duitse Schnecke. Een mogelijke grondvorm is slikko en dan behoort het woord bij slijk. De bijvorm slak kan men vertalen door invloed van het  bijvoeglijk naamwoord slak: traag of slap. In Engels heet het snail, in oud-Egels snaegil of snegel, dit komt van snaca: een slang, vergelijk oud-Noors snegil: slang, het oud-Hoogduits Snecko is hetzelfde woord zonder de il eindiging.

 

Vorm.

De slakken of buikpotigen bewegen zich voornamelijk langzaam kruipend voort.

De voet vormt aan de buikzijde van het lichaam een brede zool waarop zij rusten.

De meeste slakken bezitten een huisje of horen dat uit een hoornachtige stof en koolzure kalk bestaat. Ze zijn daarmee vergroeid en kunnen het dus niet verlaten, het bestaat in de regel uit een stuk. De mantel ligt aan de rugzijde van het dier en scheidt het horen af. De binnenste laag van dit horen is kleurloos maar weerkaatst het licht in talrijke kleurschakeringen, dat vormt het paarlemoer. De verdikking geschiedt dikwijls zeer ongelijkmatig, vandaar de knobbels, zelfs stekels die men aan de oppervlakte aantreft.

De kop met voelers en ogen is duidelijk te onderscheiden.

In de mond bevindt zich een zeer beweeglijke tong die met tal van hoornachtige, fijne tandjes bezet is. Vorm en rangschikking van deze tandjes zijn voor de verschillende geslachten kenmerkend.

’t Verdient opmerking dat twee van deze beesten zich op zekere tijd van het jaar tegenover elkaar op een kleine afstand plaatsen en dan elkaar met veel drift kleine pijltjes van een hoornachtige stof toewerpen. Nadat zij elkaar een poos met die liefdeswapens hebben begroet worden ze vrienden en leggen vervolgens hun eieren die de grootte van een erwt hebben. Met behulp van een vergrootglas kan men in het ei de jonge slak zien met haar huisje op de rug. In het begin heeft de schelp maar een omkronkeling, maar de kringen vermeerderen in getal naarmate het dier groter wordt hoewel ze bij de tuinslak nooit boven de vier en een half gaan.

Bij het naderen van de winter verbergt de slak zich in de grond of neemt de wijk in een of andere holte en blijft daar in een staat van verdoving tot de lente. Ze sluit ook de opening van haar schelp met een witte zelfstandigheid die poreus genoeg is om lucht door te laten.

 

Uit en.wikipedia.org

Tectarius pagodus, (pagode vormig) bij de pagodeslak, Duits Pagodenschnecken, Engels pagoda shells, heeft de tong de zevenvoudige lengte van het overige lichaam. Die wordt in rust spiraalvormig opgerold. Het dier is in staat met de tandjes aan de punt van de tong de harde huisjes van andere slakken te doorboren en er dieren uit te halen. Onder de mantel op de rug bevindt zich bij alle slakken de mantelholte die door een of twee openingen met de buitenwereld in gemeenschap staat. In deze holte mondt de anale opening uit en daarin komen de ademhalingswerktuigen voor.

 

Tot de longslakken behoren de naaktslakken wiens mantel zeer klein en met de gewone huid vergroeid is, op een opening na.

 

Horenslakken.

De van eenkleurige of gestreepte horens voorziene tuinslakken, Helix, zijn ook planteneters.

Aan de kop bezitten ze twee korte voelers en daarachter twee langere die de ogen dragen, ogen op steeltjes.

De zeer talrijke soorten van dit geslacht sluiten bij aanhoudende droogte de monding van hun horen met een kalkachtige afscheiding van de voet af en zo is het voor sommigen mogelijk in de regenarme Sahara te leven.

 

Uit en.wikipedia.org

Helix pomatia, (poma: deksel, geen vrucht, het woord is Grieks) de grote, roodbruine bolvormige wijngaardslak wordt op sommige plaatsen in Frankrijk wel in slakkentuinen gekweekt en gemest om ze op verschillende wijze toebereid te eten.

Komt veel voor in de druiventuinen, het liefst op kalkhoudende grond.

De schaal telt vijf windingen, daar zie je ook dunne ringen op, groeiringen.

De voet is het gedeelte dat je buiten de schelp ziet en die is bedekt met wratachtige knobbeltjes.

Op het eind zie je de mond en twee paar tentakels die ze kunnen intrekken.

Op de top hiervan zitten de ogen, vier dus in totaal.

In de herfst trekt het zich terug op een beschutte plaats, onder bladeren of onder de grond in een holletje en sluit zijn schelp af met een plaatje, de pomatia. Dan komt het tegen mei weer te voorschijn, de paartijd. Dat slakken het langzaam doen is wel bekend, de wijngaardslak heeft een voorspel van wel een dag lang. Ze drukken de voeten tegen elkaar en gaan rechtop staan en liefkozen elkaar met de tentakels en wiegen wat heen en weer. Hoewel ze beiden mannelijke en vrouwelijke organen bezitten wisselen ze beide zaadcellen uit. Dat doen ze door vlak achter de kop een punt van een centimeter lengte naar buiten te steken en die in de voet van de tegenpartij te steken. De vijftig eieren, met een kalkachtige schaal, worden een zes weken later gelegd in een holletje die het met de voet uitgraaft en later weer bedekt, een vijf tot zeven cm diep. De jonge slakken komen dan na een vijf en twintig dagen uit.

 

Uit en.wikipedia.org

Cornu aspersum, (gespikkeld) is de tuinslak of segrijnslak.

De tuinslak heeft een grote schelp van vier cm in doorsnede met vier tot vijf windingen, geelbruin en wat gestreept of gespikkeld. Het dier heeft veel kalk nodig voor zijn schaal en komt voor waar veel kalk aanwezig is.

Ook houden ze van vocht, eten bladeren hoewel ze niet tegen de venijnboom en kardinaalsmuts zouden kunnen.

Zelf worden ze gegeten door egels, muizen kippen, lijsters en de mens.

 

Zeeslakken.

Tot de waterlongslakken behoren de meeste zoetwaterslakken.

Ze zeeslakken ademen door kieuwen.

Ze bezitten allen horens vooral die van de tropische gewesten die door hun mooie vormen en hun prachtige kleuren de aandacht trekken.

 

Uit en.wikipedia.org

Van oudsher werden ze door de liefhebbers verzameld en soms zeer duur betaald. Zo werd het huisje van een echte wenteltrap, Scalaria pretiosa, in Engeland voor f 350 verkocht, (rond 1900). De schelp van de rondmondslak, Turbo, die een zeer dikke paarlemoerlaag bezit wordt door afslijpen ontdaan van de onooglijke buitenste laag en glinstert dan met de prachtigste groene, blauwe en zilveren glans. Ook de horens van de tolhoornslak, perspectiefslak, torenslak en kegelslak zijn even sierlijk van vorm als van kleur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit collections.delcampe.net

Mitra episcopalis, de bisschopsmuts, leeft in de Indische oceaan en heeft een langwerpige ronde schelp die wit en oranje gekleurd is. Het dier spuit bij vervolging een stinkende bruine vloeistof uit die zwart kleurt.

 

 

 

 

 

 

 

Uit commons.wikimedia.org

 Strombus gigas, (groot) (Tricornis gigas) de schelp van de gewone vleugelslak of roze vleugelhoorn wordt soms in de tuinen gebruikt om er de perken mee te omzomen.

 

Van de porseleinhorenslakken, Cypraea, kent men buitengewoon talrijke en fraaie soorten. Hun schelpen zijn mooi rond van vorm en laten zich fraai polijsten, zijn zeer hard en vertonen grote verscheidenheid van kleuren. De ene soort is getijgerd, de andere als een landkaart getekend, de derde soort lijkt in vorm en tekening op een kleine mol etc.

Het meest bekend zijn de Kauri’s. Men vist ze op in de Indische Oceaan en de kust van W. Afrika. Daar gebruikt men ze als munten en versiersel. Ze worden hier als zogenaamde slangenkopjes als versiering op riemen en dergelijke gebruikt

 

 

 

Uit www.malakos.org

Purper.

Bolinus brandaris  die door de Romeinen murex werd genoemd, (Purpurea patula) (openstaand) In de oudheid was de purperslak van de M. Zee zeer beroemd. Haar lichaam bevat een klier waaruit zich een kleurloze vloeistof afscheidt die zich in een blaas verzameld. Deze vloeistof wordt als het aan zonnestralen blootgesteld wordt eerste citroengeel, dan groen en tenslotte purperviolet, Tyrisch purper naar de stad Tyre, (Tyrus) dure verf dus voor edelen of zeer hoge mensen. Purper is phoinx in Grieks, van de Phoeniciërs die er hun naam van hebben en waar de stad Tyrus toe behoorde. Dat werd door de oude volkeren als kostbare verfstof voor het verven van wol gebruikt. Naar gelang de verver de vloeistof van verschillende purperslakken of stekelhorens, (Murex) met elkaar vermengt of ze in mindere of grotere aantallen gebruikt, het goed eens of tweemaal behandelt, het korter of lange tijd aan het zonlicht blootstelt krijgt hij ook verschillende purpertinten. De prijzen van deze kleuren zijn zeer aan de mode onderhevig, in begin 1900 was het 350 gulden per pond. Later kwam het cochenille van de schildluis die op de cactus leeft en tenslotte werd het chemisch nagemaakt.

De precieze beschrijving van de oude kleur is vrijwel onmogelijk. In de oude talen werden kleuren vaag beschreven en helderheid heeft wel meer geteld dan tinten. Zo vinden we dat de Heer zijn kleed was als purper, porphurous, wat we zien bij Johannes, maar Mattheüs noemt het rood, kokkinos of coccineus.

De Phoeniciërs haalden uit Middellandse zeemossels het bekende purper. De omvang van die handel wordt ook verondersteld door de enorme berg van verwerkte schalen die nog gevonden worden bij Tyrus. Alexander de Grote vond bij de verovering van Susa onder de schatten van Darius zo veel purperen stoffen dat hun waarde op vijf duizend talenten werd geschat en die, hoe lang ook bewaard, niets van hun oorspronkelijke kleur verloren. Aanvankelijk was de purperen stof het gewaad van de heersers en langzamerhand werd het meer algemeen zodat Caesar en Augustus het gebruik van dit weeldeartikel door wetten beperkten. In het Byzantijnse rijk werd het opnieuw het teken van het hoogste gezag en nog in de 15de eeuw vind je purperen hoeden vermeld. Het scharlaken van de kardinalen dat ook wel purper heet herinnert aan die oude gewoonte.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant; ‘Murices, zegt Plinius mede, is een vis naar mossels zede er liggen er twee in de schelp die men vindt in de Oost zee. Deze hebben een soort bloed wat verf is, duur en goed, waarmee men zijde verft. Dan moet men hem een ader snijden waar dat dure ding uit rent als men ze levend wint, want als ze sterven spuwen ze mede stervende op hem die duurheid’.

 

 

 

 

Uit Maerlant;Purpuree, horen wij vertellen, zijn vissen die in schelpen liggen en diegene die ze veel eten de wulpsheid doen vergeten. Purperen verf vindt men in deze die ze spuwen, zoals wij het lezen, voor ze genieten tezamen, anders is er om geen ramen. Deze verf is zeer duur en is gedaan naar die manier zal men spreken in het algemeen als een rode, roze en bruin. In de Oriënt, dat is waar, waar de lucht aardig helder is, vindt men deze, maar nimmer vindt men ze in andere zee’.

Purpurea is een geschelpte vis wiens sap als purperen kleur gebruikt wordt. Dat hij bijzonder graag eet en eetachtig is en een tong van een vinger lang heeft en van die hardigheid en scherpte is dat ze er allerhande schelpen mee kan doorboren. Die tong brengt haar ook tot verderf. De vissers weten dat een zeker slag van visjes, Turbo genoemd, dat de Purpurea hierop verlekkert is. Die doen ze in hun net, de Purpurea begeeft zich naar het net en steekt zijn ganse tong uit. Likt en slikt het visje net zolang de tong zwelt dat hij het niet terug kan halen. Dan haalt de visser het net op.

 

Bijbel.

Van de verschillende Hebreeuwse woorden die als slak vertaald werden, zijn er twee overgebleven waarvan men nu denkt dat dit goed is. De ene, chomet, wordt alleen in Leviticus 11:30 gevonden.

Psalm 58:9 spreekt over de slak, shablul: ’laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt’.

Sommige zeeschelpen werden voor sier gebruikt, in Hebreeuws argaman.

 

Heraldiek.

Zowel de gewone naakte slak als de huisjesslak komt in de wapens voor. De slak herinnert eraan de verworven erfgoederen en bezittingen volgens de traditie piëteitsvol in stand te houden en zo mogelijk te vermeerderen. Dit omdat bij alle volkeren huis en haard steeds onaantastbare rechten van oudsher hadden. Immers het huis beschut ook voor ruw weer en wind, het is als het ware een toevluchtsoord waaruit men slechts kan worden verjaagd wanneer het bouwwerk zou worden verwoest en wordt daarom in ere gehouden. Daarbij is het huis de grondslag van alle vestiging. Vergelijk Shakespeare, ‘King Lear’ 1, 5: ‘..waarom de slak een huis heeft? Wel, om haar kop daarin terug te trekken en niet om het aan haar dochter cadeau te doen en zodoende haar voelhorens zonder bescherming te laten’. De slak is zo het symbool van het bezit.

‘As You Like It’, iv, 1, 54; “Nay, an you be so tardy, come no moere in my sight: I had as lief be wooed of a snail’. Neen, als gij zo nalatig zijt, kom mij dan nooit meer onder de ogen; het was mij al zo lief, dat een slak mij het hof maakte’.

Orlando: Een slak?’

Rosalinde: Ja, een slak, want al komt die traag, hij draagt zijn huis op zijn rug mede, een beter bruidsgift, denk ik, dan gij aan een vrouw kunt geven. Bovendien brengt hij zijn noodlot al mede’.

Orlando: En dat is?’

Rosalinde: Wel, horens! Die dezulken als gij het liefst aan uw vrouwen te danken hebben, maar hij komt met zijn lot al reeds toegerust aan en voorkomt dus de kwade naam van zijn vrouw’.

Orlando: De deugd zet geen horens op, en mijne Rosalinde is deugdzaam’.

De ‘slug’, een naakte slak, ‘Comedy of Errors’ ii, 2, 196 : ‘Domio, thou drone, thou snail, thou slug, thou sot!’ Domio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!’

 

Uit Megenberg.

Uit Maerlant, ‘Limax is een soort van slakken die wij zichzelf zien bedekken en traag heen gaan. Experimentator doet verstaan dat ze te winter is verloren en in de lente komen ze te voorschijn. Men zegt dat dat bloed van hen, trekt men uit een mensenhaar, dat gaatje zo vast sluit dat er geen haar meer uitgaat. En daar puisten groeien in wonden, men wrijft ze zacht zodat het direct geneest. Van deze worm weet men goed, deze ligt in geen schelp, maar ze kruipt in haar eigen vel’.

En de tuinslak;‘Testudo, is de naam van de slak die zich wel in zijn huis kan bedekken en dat schijnt alsof het ware marmer en dat verhard in de zonneschijn van haar lijm en maakt het hard. Soms zijn ze rood, soms bont en soms zwart en is het dat men zout op haar werpt, dan bederft ze met geweld zodat er aardigs klein van overblijft zonder een luttel bloed en dat is goed ter medicijnen, aldus doet ze dat zout verdwijnen’.

Levende slakken lossen op als je ze met zout bestrooit. Dit geloofde Cats ook:

Als de slecke komt gekropen

Hier en ginder door het huys

‘s Is al met haar slijm bedropen

Niet een kamer blijft er kuys

Maar de middel is te vinden

Om het vuyl, het leelick ding

Op te schorsen, in te binden

Dat het niet te verr’ en ging

Men behoeft maar zout te krijgen

Dat men op zijn leden strooit

Stracx soo sal het nedersijgen

Als het ys, wanneer het dooit”.

Gezegde: ‘Je moet niet op alle slakken zout leggen’

 

Vorm.

De ‘Trage’ is een slijmerige worm die gebroed is uit slijm en is daarom altijd vuil en onrein. Er is een soort slak en er is een gehoornde worm. Zulke slakken komen voort uit verrotte lucht en regen.

 

Gebruik.

Op 1 april worden de onnozele om slakkenbloed gestuurd.

Aan het bestaan en de geneeskracht van dat bloed werd vroeger geloofd.

Hoewel de wratten vaak vanzelf weggaan kan je dat ook met slakken doen. Wijf die in met het slijm van de slak. Bestrooi die dan eerst met zout zodat er zoveel mogelijk slijm van af komt en spiets de slak dan aan de sleedoorn. Gelijk met het verdorren van de slak verdwijnt de wrat.

De slakkenpekel was ook goed tegen de eksterogen. De slakkenpekel is zout wat op de slak gestrooid wordt, dan schrompelen ze weg tot er bijna niets meer over is dan een beetje bloed. Dat slakkenbloed kan gebruikt worden als geneesmiddel.

Slakken zonder schelpen of soms met de gestampte schelpen wat gemengd wordt met stremsel trekken dorens uit of andere dingen uit het vlees die niet zo diep zitten als het op die plaats gelegd wordt.

Als de twee horens van een slak op een man gelegd wordt trekt het al zijn vleselijke lusten weg.

Een bekend middel is slakkenstroop dat meestal gemaakt wordt van syropus Althaeae, maar wat vervaardigd moet of behoort te worden uit naakte slakken die je met suiker bestrooit. Het zo ontstane vocht, slakkenstroop, wordt met theelepels gebruikt en is goed tegen kinkhoest.

Sommigen geloven, hoewel niet iedereen, dat een schip langzamer gaat als iemand op zijn rechtervoet een slak draagt.

Als je slakken tegen de wand op gooit, dan veranderen die in geld, wie echter de voelhorens beschadigt of het dier plaagt wordt ziek.

 

Vondel, Joannes de boetgezant;

Recht naar die toren toe, de koperen deur knarst open

Hij treedt de kerker in, daar slak en pad kropen

En slechts een biezenmat de naakte leden, gestrekt

Op een bundel stro, voor kou beschut en bedekt

De kerker wordt bewaakt door gruwlijke honden’.

 

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  LXIX;

Sleck en Adelaer;

‘De Slak met haren staat misgenoegd en gans ontevreden.

Vermist zij kruipen moest, en werd van elk vertreden

Bad de Arend dat hij haarde ten hemel voerde en omhoog

Op dat zij werelds kloot met een doorzichtig oog

Eens overgapen mocht, en alle rivieren

Die vochtig hier en daar gekronkeld henen zwieren

Zij wilde hem voor die dienst vereren met de schat

Een parel, die ze kort tevoren op ’t veld gevonden had

De Arend, haast verbaast, nam haar op met zijn klauwen

En deed haar de omloop des aardrijks naakt aanschouwen

Ten leste verzocht hij haar om ’t beloofde pand

Maar als hij de Slak noch kleinood noch parel vond

Hij haar de nek brak en deerlijk bracht om ’t leven

Wie niet tevreden is met wat de natuur hem heeft gegeven

Maar steeds naar hoogheid tracht, perijkel loopt voor al

Dat hem genakende is een ijselijke val’.

 

Spreekwoorden.

Men moet op alle slakken geen zout leggen.

Als de slakken en padden kruipen, zal het zeker spoedig druipen.

Als de slakken kruipen gaan, dan is het met het mooie weer gedaan.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/