Sperwer, Accipiter nisus.

Accipiter; scherpvleugeligen.

 

De sperwers kenmerken zich door een slanke romp en een kleine kop met een slanke snavel die in een zeer scherpe haak eindigt.

Een lange en recht afgesneden staart en een zeer lange en zwakke loop met dunne en lange tenen die met uiterst scherpe klauwen gewapend zijn.

De kleur en tekening van het verenkleed van ouden en jongen maakt weinig verschil.

De sperwers munten uit door hun vermetelheid en behendigheid bij het uitoefenen van het roversbedrijf. Ze behoren tot de meest begaafde leden van deze familie. Het is al gebeurd dat een sperwer zich door de ruiten stortte om een aanval te doen op een zangvogel die in een kooi voor het raam stond.

De onverteerbare delen van het voedsel worden als ‘haarballen’ terug gegeven. 

 

Accipiter nisus, L. (aanstormen, Koning Nisos is volgens de sage in een sperwer veranderd)

De sperwer is een van de kleinste soorten van zijn geslacht. Zijn lengte bedraagt twee en dertig cm en heeft een vlucht van vier en zestig cm, de vleugellengte is twintig cm en de staartlengte vijftien cm. Het wijfje is een acht a negen cm langer en heeft twaalf tot vijftien cm meer vlucht.

Bij de volwassen vogels is de hele bovenzijde zwartachtig asgrauw en de onderzijde wit met roestrode golflijnen en schaftstrepen. Dat is bij het mannetje gewoonlijk helderder dan bij het vrouwtje. De staart heeft vijf of zes zwarte dwarsstrepen en een witte zoom aan de spits.

De snavel is blauw, de washuid geel, de iris goudgeel en de voet lichtgeel.

De sperwer komt in allerlei bossen voor en die door akkers omgeven zijn hebben de voorkeur en vooral die in bergstreken.

 

Naam.

Sperwer heet in Zuid Holland vinkenvalk, vinkendief of vinkensperwer, bij Nijmegen stervalk, in Haarlem koekoeksveren, in N. Brabant schietvogel en in Limburg spelver. Ook de namen stootvogel, schietvogel, blauwvalk, sparwer en vinkenvalk komen voor. Hij volgt de trek van de vinken zodat hij te vinden is in de beukenwouden. Maar hij lust ook duiven, tortels, muizen en insecten. Het is de Duitse Sperber, Engels sparrow hawk of sparhawk, dus eet ook sparrows of mussen en Franse epervier d’Europa.

Koekoeksveren wordt de sperwer genoemd omdat het landvolk meent dat de koekoek tegen de winter niet naar het zuiden gaat maar zich in een sperwer verandert. De koekoek heeft niet alleen de kleur en tekening maar ook het boze oog van deze rover. Het best is hij dan ook te herkennen, als hij ergens zit, aan zijn koekoeksveren op de borst wat hij ook met de havik gemeen heeft.

 

Geluid.

De sperwer laat slechts zelden en meestal alleen bij zijn horst zijn stem horen. Dit bestaat uit snel opeenvolgende klanken, ‘ki ki ki’, die, naar het schijnt, tot waarschuwing dienen, of uit het langzamere geroep, ‘kek kek’.

 

Broeden.

De horst staat in het kreupelhout of in bossen met opgaande bomen en zit zelden hoog boven de grond. Het nest is wel steeds goed verborgen en zie je meestal op naaldbomen en dicht bij de stam. Tussen 10 mei en 20 juni vind je in het nest drie a vijf middelgrote eieren die gewoonlijk op een krijtwitte, meer of minder grijsachtige of roodachtige ondergrond met leemrode en grijsblauwe grote en kleine vlekken en stippels bezaaid zijn. de broedtijd is achttien dagen. De beide ouders brengen een overvloed aan voedsel naar de jongen die door de moeder klaargemaakt worden. Men heeft wel eens gezien dat als de moeder er niet meer is de jongen van de honger sterven omdat de vader dat niet kan.

 

Bestiarium.

Uit Maerlant; ‘Nisus, dat is de sperwer, onder de edele vogels een geliefde vogel omdat hij zich voedt met prooien, hij pleegt of begeert geen gezel aan zijn zijde (Sommige wanen dat is van nijd en zulks dat hij dat doet uit hovaardigheid omdat hij de zege alleen begeert) en het is te geloven wat ik vertel want hij wil geen gezel hebben dan zijn eigen bejaag, gezelschap vliedt hij nacht en dag’. Het is een roofvogel die geen gezel aan zijn zijde duldt. Uit afgunst, zeggen sommigen, maar anderen beweren dat het voorkomt uit hoogmoed, omdat de sperwer de eer van iedere overwinning voor zichzelf wil opeisen.

 

Maerlant; ‘Nochtans is dit voor waar gezet dat de sperwer zijn vrouwtje vangt. En dit spreekt Aristoteles dat dit tegen de algemene natuur is van alle vogels die groot of klein prooien en die zich voeden met dat ze vangen en dat ze hun eigen geslacht slaan, maar de sperwer is van deze onschuldig van deze edelheden, want hij prooit op zijn echtgenoot. Schaam je, mens, van schande groot dat elke vogel en elk dier, is het wreed of onguur en al is het dat het van prooien leeft dat het de zijne vrede geeft, maar u en die sperwer hebben deze edelheid niet. De wilde sperwer pleegt in de wintertijd, zoals men zegt, dat hij ‘s avonds een vogeltje vangt en onder zich houdt waar hij staat om zijn voeten te verwarmen , ‘s morgens met goede moed laat hij het gaan varen en vrij. Een schoon voorbeeld denk ik en hoofs en zeer goed en elk denk dat men hem zo doet en elk zijn waarde verdraagt’. De wilde sperwer vangt in de winter iedere avond een vogeltje en houdt dat 's nachts in zijn klauwen om zijn poten warm te houden, 's Ochtends laat ze het vriendelijk weer vliegen. Een behartigenswaardig verhaal, wees altijd dankbaar en schik u naar uw gastheer.

 

Maerlant; ‘De edele sperwer broedt in de hagen van de dorpen, die luttel gedogen, hij broedt op de bomen hoog. Maar elk mens wees er op bedacht, hoe edeler gebroed, hoe meer ootmoed’. De edelste soort sperwer nestelt in struiken, de gewone sperwer die weinig waard is broedt in hoge bomen. Onthoudt deze wijze les: hoe edeler gebroed, hoe meer ootmoed.

 

Jagen.

‘Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt zij haar vleugelen uit na ‘t zuiden’ , Job 39;29. De naam ‘neets’ in het Hebreeuws zou op de sperwer slaan

Aan moed en roofzucht ontbreekt het hem niet omdat hij jacht maakt op ieder dier die hij denkt te kunnen overmeesteren. De gaai is zeer bang van hem en heeft veel van hem te lijden.

De sperwer is een vijand voor kleine kinderen, maar zelf is hij zeer bang van een pauw en zo gebeurt het dat al zijn moed een tijdje van hem afgenomen wordt door het zien van een pauw.

De driestheid gaat bij de sperwer gepaard met een merkwaardige tegenwoordigheid van geest, list en geveinsdheid. Hij is het type van een zwervende gauwdief of struikrover. Beter dan andere roofvogels verstaat hij de kunst om zijn boze bedoelingen te verbergen. Om kleine vogels te bedriegen vliegt hij dan soms als een gaai. Hij is dan ook de meest gevreesde vijand van kleine vogels en soms ook grotere. Waar hij eens geroofd heeft komt hij terug. Hij stoot graag van een boomtak schuin naar beneden in een troep mussen en ziet dan geen gevaar. Alle vogels die kleiner dan een patrijs zijn hebben van zijn aanvallen te lijden en kleine zoogdieren worden evenmin gespaard. Soms werpt hij zich op de rug en pakt de niets vermoedende vogel van onderen.

Het is de wilde ridder, zeer temperamentvol, brutaal, handig, slim en schuw als het nodig is. ‘Zijn lichaam is klein, maar zijn hart is groot’. Ze handelen in de vlugste reactie naar omstandigheden. Ze halen de kuikens weg onder de klokhen.

Hij wordt zelf door de edelvalk en havik gegeten en de kleine vogels tonen hun haat door hem te vervolgen. Toch is het bij vele volken van Azië een hooggeschatte roofvogel. Vooral het wijfje werd afgericht voor de vlucht op kwartels en andere kleine vogels.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/