1 september, heiligen van de dag, weerspreuken.

Pietmaand.

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwie‘n, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

Weerspreuken.

Als in september de donder knalt, met kerstmis sneeuw in hopen valt.

In september warme regen, brengt de boeren rijke zegen.

Septemberregen komt de druiven gelegen.

Septemberregen op het zaad, komt het boerke wel te staad.

Wat augustus niet kookt, laat september ongebraden.

Vorst in september, een zachte december.

Kermismaand.

 

Uit www.allmercifulsavior.com

1 september, Sint Aegidius (Egidius, Egied, Giel, Gilles of Gillis): van Grieks aigis: ÔgeitenvelŐ, dat vereenzelvigd wordt met het schild van Zeus, vgl. aigidion: ÔgeitjeŐ. Of van de eik, aegis.

Geboren te Athene uit een koninklijk geslacht, is in de zevende eeuw in Athene geboren. Studeerde vanaf zijn jeugd de H. Schrift waarin hij geheel opging. Na de dood van zijn ouders besteedt Egidius zijn erfenis aan het helpen van de armen. Hij wil een eenvoudig, heilig leven leiden en behoeftige mensen helpen, maar dat lukt hem niet vanwege zijn komaf. Daarom vertrekt hij rond het jaar 683 op pelgrimstocht en komt terecht in het zuiden van Frankrijk. Ook daar wordt hij niet met rust gelaten en trekt zich uiteindelijk terug in een rotsholte in de Provence bij N”mes. Zo houdt hij zich, ver weg van de beschaving, in leven. Later werd hij abt in een door hem gesticht klooster. Bij het klooster ontstond later de naar hem genoemde stad Saint Gilles. 1 september 720 stierf abt Egidius in zijn klooster in de Provence.

Het klooster ligt op een van de vele pelgrimsroutes naar Santiago de Compostella en wordt spoedig bezocht door vele bedevaarders die verhoring vragen voor hun noden. Hij is ook een van de noodhelpers. Een  van de eerste bedevaartgangers was Karel Martel die zijn zonden niet durfde op te biechten. Karel Martel was een zoon van Alpa•s, de bijzit van Pepijn, die door Sint Lambertus werd  ge‘xcommuniceerd wat Lambertus zijn dood betekende. Maar hier kwam een engel Karel te hulp. Dat zie je op het schilderij terug. Op het altaar legde de engel een briefje neer met zonden van de vorst. Egidius toonde dit aan Karel met als gevolg een flinke huilbui van Karel, zijn biecht en de noodzakelijke offers.

Sint Egidius (of Sint Gilles) is ook, maar weer minder dan Sint Eustachius, bekend als patroon van de jager, hij is daarmee een tijdgenoot van Sint Hubertus die - naar men zegt - in 656 werd geboren. Hij voedde zich daar met kruiden en wortels en de melk van een hinde die steeds bij hem terug kwam. God zou die naar hem toegestuurd hebben; Ôopdat de Heilige niet van honger ende dorst soude omcomen gelijk de Here tevoren eenen raef naer Elias had gesonden met broot ende vleeschŐ. Op een dag, zo vertelt de legende, werd de hinde achtervolgd door de jagers van West Gothische koning. Het dier vluchtte naar de grot van Sint Gillis en een onzichtbare kracht verhinderde dat de jagers de hinde konden naderen. Totdat de koning persoonlijk mee op jacht ging om het hert te doden. Toen de koning bij de grot kwam, schoot hij blindelings een pijl de grot in. Daarop ging hij de spelonk binnen en zag hij de kluizenaar hevig bloedend op de bodem liggen met de hinde naast hem. Hij had Egidius geraakt in plaats van de hinde. De koning bood Egidius medische hulp aan, maar deze weigerde dit. Liever ging hij om Christus wille mank door het leven. De koning bleef hem bezoeken en hem allerlei zaken aanbieden. Slechts ŽŽn ding vraagt Egidius aan de koning: een klooster bouwen in deze eenzame omgeving. De koning vervult hem deze wens met vreugde en zo ontstaat aan het einde van de zevende eeuw in de Provence het klooster bij het huidige Saint Gilles du Gard. Een klooster dat snel wordt bevolkt door talrijke monniken.

Wamba zou hem met een hinde ontdekt hebben, vandaar dat hij in de beeldende kunst met een hinde wordt weergeven. Verder zie je hem als Benedictijner abt met een boek en abtstaf en steekt er een pijl in zijn borst of hand. Sint Egidius of Sint Gilles is patroon van de jagers, herders, paardenhandelaren, bedelaars, schipbreukelingen, boogschutters, moeders die voeden, veeverkopers en de houtvesters.

St. Egidius (Gilles) wordt in Wyck aangeroepen tegen zenuwziekten, zoals kinderstuipen, epilepsie en kreupelheid. Karel Matthijs (pseudoniem van Charles Thewissen) vertelt hoe tijdens zijn jeugd, in de eerste helft van de 20e eeuw, de kinderen op 1 september, na afloop van de eerste schooldag, vanuit het centrum van de stad over de Maasbrug naar Wyck trokken, 'waar St. Giles zitting hield', 'om ons te laten overlezen tegen de stuipen, die de school ons op het lijf gejaagd had'. Hij weet te melden dat op de dag vroeger 'een fameuze kermis' plaatsvond, waarvan hij nog het volgende liedje kent: 'Oonder den erm / is't werm / maan en vrow / Pie en Pow / Goon veer same nao St. Giles tow!' Van die kermis was in zijn jeugd nog maar ŽŽn kraampje over, waar de kinderen 'een muziekske of een toeter kregen, waarmee zij dan op hun beurt in de komende dagen de mensen de stuipen aan deden'. 'Omdat tot de attributen van alle heiligen iets van de eterij hoorde', kregen de kinderen na afloop van het bezoek aan St. Gilles een 'krollebol', een gesuikerde appelbol, gemaakt van een in deeg verpakte geschilde en met kaneel en suiker gevulde appel.

Men verhaalt ook dat toen broeder Egidius een woordentwist had over de onbevlekte ontvangenis van Maria dat hij de grond tot getuige nam en dat na er driemaal met zijn stok op geslagen te hebben er drie leli‘n uit ontsproten. Patroonheilige van schutters, herders, jagers invaliden, schipbreukelingen en paardenhandelaars. Zijn voorspraak wordt afgesmeekt tegen onvruchtbaarheid omdat hij de vrouw van Karel Martel voorspelde dat ze een zoon zou baren.

 

De bloem van zijn feestdag is het heelkruid, de hemelsleutel, Sedum telephium, St. Giles orpine.

Als Sint Giel blaast op de horen, boerkens zaait dan uw koren.

Het weder van Sint Aegidius blijft 4 weken aanhouden.

Als Ôt op Sint Gielis regent zal het lang blijven aanhouden.

Is het schoon met Sint Giel, Ôt zal zijn tot Sint Michiel. (29 sept.)

Is Ôt 1 september heerlijk weer, de herfst zal mooi zijn evenzeer.

 

1 september, H. Nivardus: Germaans in de zin van ÔjongŐ, wards: Ôbehoeder, wachter of beschermerŐ.

Nivardus was aartsbisschop van Reims rond 657-673. Hij is opgegroeid aan het hof van koning Dagobert te Metz. Zijn feestdag is in Reims op 2 september.  

 

Uit www.st-verena.ch

1 september, H. Verena van Zurzach (Warina): mogelijk in verband met Latijn vereri: Ôschuwen, eerbied hebben, ontzag hebben of schromenŐ, dus de schroomvallige.

Volgens een oude vita is Verena rond 300 in boven Egypte geboren en stamde uit een oud geslacht uit Thebe. Zu8ster van H. Mauritius. Ze kwam met in het begin van de 4de eeuw met het Thebaanse legioen van de Romeinse keizer Maximianus naar de belangrijke Alpenpas Gro§er Sankt Bernhard. Ze had haar ouders verloren waardoor haar oom, (of haar verloofde H. Victor), overste van het Thebaische legioen, haar mee nam waar zij door haar voorbeeld vele heidenen bekeerde. Door verraad werden de christelijke soldaten, vrijwel alle in het Thebaische leger, als christen erkend en zo een potenti‘le staatsvijand. Iedereen bleef standvastig in het geloof zodat ze allen stierven. Niemand merkte Verena op zodat ze veilig weg kon komen richting Bern. Bij Solothum (Solothurn) vond ze in een holte onderdak en trok zich als kluizenaarster terug. In de naar haar genoemde holte werd de heilige door zieken opgezocht en op den duur kwamen er andere vrouwen die door haar onderricht werden. Toen ze op zekere dag geen eten meer hadden vonden ze 40 zakken meel voor hun cel door haar gebed en dat verminderde niet. Sindsdien is ze de schutspatroon van molenaars. Ze wilde verder en kwam via de Aare naar Koblenz waar ze op het eiland in de Rijn zieken en lammen heelde. Later kwam ze naar Zurzach en trad bij een pater in, waste en verzorgde dagelijks de melaatsen buiten de stadsmuur en bracht ze wijn en water. Vandaar zie je haar meest met haar attributen kop en kam in de handen en vaak ook met een vis. Een kruik en kam werden bij haar graf gevonden en zo ontstond de legende dat ze het kapsel van arme kinderen en melaatsen verzorgde en zieken te drinken gaf. Als zogenaamde ingemetselde liet ze zich, net zoals de H. Wiborada en H. Ida, in een cel inmetselen, maar zette haar wonderdadigheid voort. In de 11de eeuw werd haar graf en de naast de kerk van Zurzach sprenkelende bron een bedevaartsoord.

Naar de legende zou ze op zoek naar haar begeleiders, Mauritius en Victor die de marteldood gestorven waren, in Wallis gekomen zijn. Ze wordt afgebeeld als non of kluizenares. Schutspatroon van molenaars, vissers en mensen in nood. Meisjes roepen haar aan om mooi haar te krijgen, vanwege de kam, mannen om niet kaal te worden.

 

Jozua en de verwoesting van Jericho uit wjdw.nl

1 september, Jozua: Hebreeuws ÔJahweh redt of is hulp. De Griekse vorm is Jesus (Jesoes).

Oudtestamentische figuur, zoon van Nun uit de stam Efraim. Dienaar en opvolger van Mozes, Ex 24, 13:33, legeraanvoerder die het land KanaŠn veroverde voor het volk van Isra‘l. Vooral de verwoesting en inname van Jericho spreekt tot de verbeelding. Het volk moest zich opstellen alsof het een offici‘le processie was. Priesters droegen de ark van het verbond (de kist waarin de stenen tafelen met daarop de Tien Geboden gegraveerd). Zodra zij in het water stapten van de Jordaan die daar vlak langs stroomt, bleef het water staan als een muur, juist zoals het dat had gedaan, toen zij uit Egypte waren gevlucht en droogvoets door de Rode Zee waren ontsnapt. Zes maal moesten zij zo in stilte de stad rondtrekken; bij de zevende maal mochten zij op de trompetten en bazuinen blazen. Daarop stortten de muren in, zonder dat er ook maar iemand een vinger naar had uitgestoken. Onder aanvoering van Jozua kon nu de stad eenvoudig worden veroverd. Zijn belangrijkste zorg bij dit alles was de eenheid onder de twaalf stammen van Isra‘l. Bij herhaling hield hij zijn mensen voor dat ze zich moesten houden aan de Wet die ze bij de Sina• in de woestijn via Mozes van God zelf hadden ontvangen.

Tijdens de slag bij Gibeon tegen een groep van 5 Amoritisch koningen liet God op JozuaŐs vraag de zon stil staan zodat het lang genoeg licht bleef om de vijand te verslaan. Vervolgens begon hij met de verdeling van het land onder de 12 stammen. Hij overleed in Sichem rond 1580 v. Chr.

Hij wordt afgebeeld als veldheer met boven hem de zon, ook wel als jongeman die een enorme druiventros draagt. Hij was een van de verspieders in het beloofde land.  Jozua werd veel bij schoenlappers uitgehangen met toepassing op de Ôoude en gelapte schoenenŐ waarmee de Gibeonieten hem beet namen, Jozua 9.

 

Aan het einde van het naar hem genoemde boek houdt Jozua een vergadering met de volksvertegenwoordigers. Hij roept de geschiedenis in herinnering die zij achter de rug hebben: hoe God de Heer het volk heeft beschermd en geleid vanaf de gevangenschap in Egypte tot en met het moment dat zij het Land van melk en honing bewonen. Jozua drukt de mensen op het hart aan God een voorbeeld te nemen en met medemensen te doen wat God aan henzelf gedaan heeft.

Het bijbelboek Jozua is een deel van zowel de joodse, rooms katholieke als protestantse canon. In de joodse indeling ( (1) de wet, (2) de profeten, (3) de overige geschriften of Hagiographa) vormt het boek Jozua het eerste deel van de Hagiographa.  Het boek Jozua wordt vaak bestempeld als ŽŽn van de meest oorlogszuchtige boeken uit de Bijbel.

In de Rooms-katholieke Bijbel wordt het boek ingedeeld onder de historische boeken, terwijl in de Joodse canon het boek ondergebracht is onder de profetische literatuur (Neviim). In zekere zin zijn de boeken Jozua, Richteren 1 en 2 en Koningen een commentaar op de Thora en blikken ze profetisch terug op de vraag hoe men in het land KanaŠn was terechtgekomen en wat er was misgegaan ten tijde van de Babylonische Ballingschap. Jozua is het eerste boek van deze profetische geschiedschrijving. Het mag dan ook duidelijk zijn dat de plaats van het boek Jozua in de Bijbel weloverwogen is: het boek staat tussen Deuteronomium en Richteren in en is met beide boeken verbonden. Immers, in Deuteronomium 31,1-8 duidt Mozes Jozua als zijn opvolger aan, en in Richteren 1,1-36 geeft de auteur zijn visie op de landverdeling in Jozua en vertelt hij vaak dezelfde gebeurtenissen op een andere manier. Zoals later zal blijken is voor een goed begrip van de tekst deze situering in de Bijbel belangrijk.

Het boek Jozua bestaat uit twee grote delen: in het eerste deel wordt voornamelijk 'de gave' van het land KanaŠn beschreven; in het tweede deel 'de verdeling' van het land. Beide delen zijn met elkaar verbonden en geven een wel overdachte structuur weer. Zo blijken het eerste en het laatste hoofdstuk van Jozua met elkaar verbonden. Terwijl Mozes in Jozua 1, 1 de dienaar van JHWH wordt genoemd en de nadruk voor zijn opvolger Jozua duidelijk gelegd wordt op de wet (Jozua 1,7-8) zien we in hoofdstuk 24 een soortgelijke passage, waarbij nu ook Jozua bij zijn dood dezelfde titel als Mozes krijgt (Jozua 24,29), namelijk 'dienaar van JHWH' en Jozua ook vlak voor zijn dood de nadruk op de wet legt (Joz 24, 25-26). Hoewel in het boek Jozua de verovering van het land KanaŠn een duidelijk thema is, willen we in beide passages die we in het bestek van deze fiche toelichten (Jozua 10, 1-27 en Jozua 22, 1-34) duidelijk maken dat de hoofdklemtoon van het boek Jozua ligt op het onderhouden van de Thora.

 

Uit nl.wikipedia.org

1 september, Gideon.

Oudtestamentisch figuur. Gideon is een van de rechters uit het gelijknamige Bijbelboek. Het boek maakt deel uit van de profetische boeken in het Oude Testament. Gideon wordt verreerd als een man die zijn volk verloste van de Midianieten. Dit is een woestijnvolk uit de Sina• en afstammelingen van Midian, zoon van Abraham en Ketura.

Het verhaal speelt zich af in hoofdstuk 6 tot en met 8. Gideon is de zoon van Joas, een gewone boer die het bracht tot vijfde rechter van Isra‘l.  God benoemt hem om de Isra‘lieten te bevrijden uit de hand van de Midianieten en Amalekieten. Voor hij de strijd aanging verzocht hij om een teken van God en dat kreeg hij. Precies zoals hij had gevraagd was op een morgen zijn dorsvloer droog gebleven en was alleen zijn schapenvacht met dauw bedekt, de dag erna precies omgekeerd. Eerst haalt Gideon op bevel van God het altaar en de cultuskolom van de BaŠl-cultus naar beneden. "Daarom werd Gideon van die dag af JeroebaŠl genoemd – het betekent: BaŠl mogen tegen u strijden – omdat hij het altaar naar beneden haalde" (Rechters, 6,32). Vervolgens draagt God hem op om de Midianieten aan te vallen en te verdrijven. Met zijn leger van 32.000 trok hij op tegen de 150.000 Midianieten. Maar God liet hem zijn leger terugbrengen van 32.000 tot 300 man, want het mocht de overwinning niet voor zichzelf opeisen. Daarop liet Gideon zijn mannen de een na de ander water uit de rivier drinken. Allen die geknield van het water dronken als een hond mochten blijven en hield zo 300 man over. Met dit kleine leger (beter bekend als de Gideonsbende) voerde hij een verrassingsaanval uit.

Gideon gaf een ieder een ramshoorn (sjofar), fakkel en een pot van aardewerk. Het leger omsingelde in stilte de Midianieten, en op Gideons teken brak een ieder zijn pot en blies op de ramshoorn. In de paniek die volgde gingen de Midianieten elkaar te lijf en door dit wonder won aldus het leger van Gideon van de Midianieten.

De overwinning was niet alleen te danken aan deze list, maar vooral aan God.

Gideon was de door God aangestelde leider. Na de klinkende wonderbaarlijke overwinning wilden de Isra‘lieten hem tot hun koning kronen. Gideon wees dit echter af en gaf te kennen dat alleen God hun ware leider was. Het is volgens hem niet verenigbaar met de ideale theocratie. Gedurende Gideons leven was er 40 jaar vrede in het land.

Hij werd in de middeleeuwen meestal afgebeeld als ridder en met schapenvacht, patroonheilige van het gulden vlies en dan draagt hij soms een vlies als symbool van de maagdelijke ontvangenis van Maria.

 

Uit vegancabineadventura.blogspot.com

1 september of 30 augustus, St. Fiacre van Brie (Fiacrius van Meaux, Fiachrach, Fiaker of Fevre)

Hij was volgens de legende een Schotse (Ierse) koningszoon en een zoon van Eugenius IV, koning van Schotland. Hij werd opgevoed in een Iers klooster die in de 7de eeuw een grote reputatie had van leren met het genezen door kruiden dat hij volgde. Zijn kennis en heiligheid veroorzaakte dat hij volgers kreeg wat de heilige isolatie vernietigde die hij zocht.

Een Franse heilige evenwel, een ijveraar voor het kluizenaarsleven. Hij begaf zich naar Frankrijk en ontving er van de bisschop Faro van Meaux een stuk land met grot en bron in het woud van Fordille. Hij vroeg land voor een tuin om voedsel en kruiden te kweken. De bisschop zei dat hij zoveel land kon krijgen als hij in een dag kon omlopen (of omspitten). De volgende morgen wandelde hij rond het land dat hij bezitten wou en trok zijn spa achter hem. Waar zijn spade de grond raakte vielen bomen op, struiken werden ontworteld en de grond was klaar. Een plaatselijke vrouw hoorde er van en zei dat er toverij in het spel was, de bisschop besloot dat het een wonder was. Deze tuin, die wonderlijk gekregen was, werd eeuwen lang een pelgrimsoord voor wie genezen wilden worden zodat hij voor hen een klooster bouwde waar later de stad Saint Fiacre en Brie ontstond.

Hij had de gave om te helen door zijn hand op te leggen, blinden, poliepen en koortsen worden vermeld en vooral de tumor of fistula die sindsdien Ôle fic de S. FiacreŐheet of ÔfiacresŐ.  Hij stierf op 18 augustus 670 te Brie, zijn relikwie‘n werden door verschillende kerken over geheel Europa verspreid. Te Parijs werd aan hem een kapel gewijd.

Hij had de opdracht gekregen om het woord Gods te brengen. Hij komt aan in Breuil, een woeste plek waar wel een mooie bron is. Hij kan daarmee de dorst van ongeruste zielen laven en is zelfs in staat om enkele genezinkjes te verrichten. Hij neemt een besluit, hij gaat een tuin aanleggen. De bisschop van Breui staat hem zoveel grond af als hij in 1 nacht door een gracht kan omgeven. Hij gaat naar huis, neemt zijn staf en plant die in de grond. Een mirakel! De staf doet zijn werk, de hoogste eiken vallen ontworteld neer en zoals een mes door de boter snijdt zo opent zich de grond en ontstaat er vanzelf een gracht. Hij heeft grond genoeg om een gedeelte te bewerken en een gedeelte te laten rusten. Met ongelofelijke kracht, maar zonder snoeimes, bijl of sikkel verwijdert hij rietstengels, brandnetels en bramen. Hij velt nog een paar grote bomen alsof het kruiden zijn. In die woeste struikerij van weleer kweekt hij nu tarwe en groenten tieren er welig. In het water zie je baarzen, forellen en zalmen. Overal bloeien bloemen en groeien heilzame plantenŐ.

Hij wordt afgebeeld als handwerkman, kluizenaar of kloosterling in lang zwart gewaad met kap, met een spade waarmee hij in zijn tuin werkte. Hij is de patroon van tuinlieden en kousenbreiers. Een man die een spa draagt of een mand groente omgeven door pelgrims en zegent de zieken. Zijn beeltenis diende tot uithangbord van een herberg in de straat St. Antoine te Parijs waar in de tijd van Lodewijk XIV de eerste huurrijtuigen te verkrijgen waren. Dientengevolge bestempelde men die wagens met de naam fiacre of fiaker, de naam van deze heilige.

Hij had meer talenten. Immers, wanneer hij op een steen ging zitten veranderde die in een mooie leunstoel. Een exemplaar daarvan werd nog tot de Franse revolutie in de kerk te Meaux bewaard.

Soms toont hij een bloot been met zweren zodat hij aangeroepen wordt tegen huidziekten, geslachtsziekten en echtelijke onvruchtbaarheid. Anna van Oostenrijk schonk dankzij Fiacres hemelse voorspraak het leven aan een gezonde zoon, de latere Lodewijk XIV. Schutspatroon van dermatologen, toen men hem na de dood van zijn ouders kwam halen om de bezittingen te beheren bad hij God om melaats te worden. toen de boden verschrikt weer vertrokken waren was hij weer gezond.

 

Uit mormonbible.org

1 september, Ruth van Bethlehem: een Hebreeuwse of Moabitische naam, waarschijnlijk met de betekenis Ôvriendschap of vriendinŐ Het is de hoofdpersoon van een gelijknamige oudtestamentische bijbelboek. Ze is de weduwe van een ge‘migreerde Judeeer die met haar schoonmoeder Naomi naar Bethlehem ging waar ze huwde met Boaz, familie van haar overleden echtgenoot. Ze werd stammoeder van het koningshuis Juda en van de Messias, Matth. 1:5.

Ruth is een schoondochter van Nošmi. Nošmi was oorspronkelijk afkomstig uit Bethlehem. Maar die plaats deed zijn naam 'Broodhuis' geen eer aan: er brak hongersnood uit en zij vluchtte naar het buitenland, Moab. Daar kreeg zij een man en twee zonen, die elk weer trouwden met Moabitische meisjes, Orpa en Ruth. Uiteindelijk stierven haar man en zonen en bleef zij met die vreemde schoondochters achter. Zij besloot naar huis terug te keren en raadde haar schoondochters aan hetzelfde te doen. Orpa volgde haar raad op, maar Ruth wenste niet van haar zijde te wijken. En zo kwamen daar twee straatarme vrouwen in Bethlehem aan, die moesten leven van wat de arenlezers bij het maaien van de oogst op het veld achterlieten.

Bij het aren rapen kwam Ruth ook terecht op het land van Boaz, een rijk man uit de familie van Elimelek. Toen deze zijn werklui kwam inspecteren, viel zijn oog op de jonge vrouw. Hij informeerde naar haar, hoorde van de kommervolle omstandigheden waarin zij moest leven en gaf zijn maaiers de opdracht extra veel voor haar te laten liggen. Bovendien nodigde hij haar uit mee te eten met zijn knechten. Zo kwam zij 's avonds met een overvloed aan eten bij haar schoonmoeder terug. Deze hoorde dat het Boaz was die haar had geholpen, en zij herinnerde zich dat hij in de verte familie was. Hij had dus 'familieverplichtingen' bij Ruth, want ook Nošmi's zonen stamden uit de familie van Elimelek.

Deze familieverplichtingen traden in werking zodra een getrouwde vrouw in de familie weduwe werd zonder dat haar man kinderen bij haar had verwekt. Kinderloosheid was een schande. Men geloofde dat God zo'n vrouw ergens voor strafte. Kinderen waren de oudedagsvoorziening voor de moeder. Bovendien leefde in de harten van het Joodse volk de verwachting dat ooit uit hen de Messias geboren zou worden. Wie kinderloos bleef, had geen deel aan die beloftevolle verwachting. Daarom moest de naaste mannelijke verwant - meestal een broer van de overleden man, maar als die er niet was een verder familielid - bij zo'n weduwe namens de overledene een kind verwekken. Dat waren de 'familieverplichtingen'.

Boaz had dus familieverplichtingen. Nu hij zo ge•nteresseerd bleek in Ruth, maakte Nošmi haar daarop attent. Zij gaf haar schoondochter de raad om op bescheiden en vriendelijke wijze Boaz' aandacht te trekken en hem erop te wijzen dat hij familieverplichtingen bij haar had. Boaz bleek gevoelig voor Ruths toenadering, gaf haar weer een ruime hoeveelheid voedsel mee en beloofde zijn verantwoordelijkheid op zich te nemen. En zoals wij naar de notaris zouden gaan om daar alles in offici‘le contracten vast te laten leggen, zo ging Boaz naar de stadspoort waar in die tijd door de zogeheten 'oudsten' rechtszitting werd gehouden. Hij maakte de zaak aanhangig, en toen alles beklonken en geregeld was, riepen de oudsten: "Wij zijn getuigen! Moge JHWH de vrouw die uw huis binnentreedt, net zo vruchtbaar maken als de vrouwen van onze vader Jakob, die twaalf zonen had."

En het Bijbelverhaal van Ruth besluit: 'Zo nam Boaz Ruth tot vrouw en had gemeenschap met haar. Door JHWH's gunst werd zij zwanger en baarde een zoon.' Nošmi, de oma, nam het kind op haar schoot en verzorgde het. Het kind kreeg de naam Obed (= 'dienaar'). Hij zou de vader worden van Isai (Jesse), de vader van David.

Ze wordt afgebeeld als eenvoudige volksvrouw, in de handen houdt ze een bundel aren en vaak in het gezelschap van Boaz.

 

 De braam, Rubus fruticosus, is de bloem van de dag.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/