23 april, heiligen van de dag.

 

Uit www.stgeorgebc.ca

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwieĎn, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

23 april, St. George, (Joris of Georginus, Scts. George in het Latijn, St. George in het Engels en Frans): Grieks geoorgos, ‘landbouwer’, vgl. Latijn agricola.

St. George was afkomstig uit een christelijke familie uit CappadociĎ of LydiĎ en werd op het einde van de derde eeuw geboren. Zijn vader was officier in het leger en stierf toen hij nog jong was, hij diende ook in het leger van Diocletianus. Hij verweet hem zijn christenvervolgingen waarom hij op 23 april 303 op een rad gelegd met tweesnijdende zwaarden, in een ketel met kokende olie gestopt en dronk van een beker met vergif en met ijzeren krammen was gemarteld. Hij liep desondanks geen letsel op. Onder de indruk van dit wonder liet de keizerin van Rome, Prisca, zich dopen. Omdat ze zich tot het christelijk geloof bekeerde werd ze samen met St. Joris op de toren van de stadsmuur onthoofd. Dit alles zou gebeurd zijn in het beloofde land.

Hij wordt afgebeeld als ridder te paard met maliĎn en helm. Met een lans doorboort hij de draak aan zijn voeten die hij doodde te Silene in LibiĎ om een koningsdochter te redden. De draak is wel een symbool van Satan die door de heilige met zijn geloof wordt overwonnen. Ook met martelaarspalm, zwaard en vaandel. Soms met de beker in de hand naar het gif dat hij moest drinken wat hem niet deerde. Schutspatroon van ridders, soldaten, krijgslieden, boogschutters en wapenmakers, paardenfokkers, scouts smeden en zadelmakers. Helpt tegen slangenbeten, syfilis, lepra, jicht en oorziektes, wordt aangeroepen tegen ziekten van het vee, vooral paarden en mensen en het weer.

 

Hij is een van de 14 noodhelpers.

Er zijn geen historische gegevens over Sint-Joris bekend. De enige bron waarin hij wordt genoemd is een verzameling legenden over heiligen, de Legenda Aurea. Daarin worden meerdere onderdelen uit de Griekse mythologie in aangepaste vorm herverteld waarbij een, al dan niet werkelijk bestaande, christen de rol van de Griekse held speelt.

St. Joris is als een van de 40 drakenbestrijders een van de meest representatieve vertegenwoordigers geworden als bestrijder van dit kwaad. Eigenlijk heette hij Georgius waar Joris een verbastering van is. Op zekere keer reisde hij en kwam op een plaats waar een draak, een fantastisch dier als een soort gevleugelde krokodil die onder andere door Schiller in zijn naar oude legende bewerkte “Kampf mit dem Drachen’ beschreven werd, het land onveilig maakte. Dat was in SyriĎ, waar zijn keurtroepen lagen, daar kwam hij door de stad Beiroet waar hij alles in angst en benauwdheid vond. Er was een verschrikkelijke draak verschenen die zich even buiten de stad gelegerd had en geregeld zijn ontbijt, zijn middag- en avondeten vorderde. Alle schapen uit de buurt had het monster reeds opgegeten en alle kinderen onder de 15 jaar waren al verorberd en nu moest konings dochter, de mooie Cleodelinde (soms Margaret of Aja) er aan geloven. Niet naakt, zoals wijlen Andromeda, maar in haar zondagse pak stapte ze de poort uit, niemand had lust haar uitgeleide te doen. ‘t Monster mocht aan 1 niet genoeg hebben. Daar kwam St. Joris aanrijden en vroeg wat er aan de hand was dat ze zo mooi aangekleed toch huilde. ‘Wat?’ riep hij uit, toen ze hem alles vertelde, ‘zou zo’n lelijke draak zo’n mooi meisje als diner gebruiken? Dat gaat toch te ver, laat ik maar even met je mee gaan’. Zo gezegd, zo gedaan en hij trok met haar op naar het logement van de draak. Daar werd het een geduchte vechtpartij. De uitslag is dezelfde als de andere drakenbestrijders, Kadmus, Perseus, Jason, Roeland etc. St. Joris kreeg de draak met behulp van zijn wakkere bles onder en priemde het met zijn zwaard aan de grond vast. Hij grabbelde in zijn zakken naar een eindje touw en zei tegen Cleodelinde, die tot dan toe niets gedaan had als toekijken, ‘kom eens even hier beste prinses en leen mij je mooie koordje, die zullen wij de draak om zijn hoofd binden’. Ze voldeed aan zijn verzoek, bond het koord wel stijf aan de draak vast, het ene eind hield hij zelf vast en zijn andere hand bood hij  met een beleefde buiging aan de prinses. Zo keerden ze terug naar de stad, gearmd met de draak aan een touwtje zoals een heer en juffrouw uit wandelen gaat met een hondje. Al ‘t volk liep uit en riep ‘mirakel! Mirakel!’ de draak is om zeep. Nu is het natuurlijk dat de hele stad gedoopt werd en St. Joris patroon van schutters en ridders werd. St. Georg werd natuurlijk het meisje en een hoop geld aangeboden, het eerste weigerde hij natuurlijk hoffelijk en verdeelde het geld onder de armen. Hij keerde naar Rome terug, werd hier tribuun en vriend van keizer Diocletianus. Toen de heerser een nieuwe christenvervolging beval maakte de ridder heftige tegenwerpingen. De keizer liet hem in de gevangenis werpen, gruwelijk martelen en ter door veroordelen.

Op weg naar de gerechtplaats trof Georgius een arme boer, Glycerus, die zeer treurig was omdat zijn enigste os overleden was. Georgius troostte hem en zie: ‘ga naar je huis, op het veld wacht een os om je bij de arbeid te helpen’. Hij ging heen en vond de os zoals beschreven. Dan zag hij de macht van de heilige, bekeerde zich en stierf later als martelaar.

Zijn lijden nam op de dag dat hij sterven zou geen einde, hij weerstond alle martelingen. Eindelijk bad hij om naar de tempel gevoerd te worden. Hij wilde de heidense goden waarom hij zo geplaagd werd leren kennen. Diocletianus meende dat hij zijn geloof wilde afzweren en zich tot de oude goden bekeren, hij verscheen met groot gevolg op het forum. De begeleiders voerden hem naar het Apollobeeld, de martelaar stelde hem de vraag: ‘Wil je werkelijk dat ik je als een god offers breng? Het standbeeld antwoordde: “Neen, ik ben geen God. Er is hier geen God als die, die jij aanbidt’. Diocletianus geduld was ten einde. Vol toorn over de nederlaag van zijn god beval hij Georgius te onthoofden.

 

De draak is hier de winter, de drakendoder is de zon en de geredde prinses is de aarde die door de winterkoude dood zou zijn gegaan zodat er niets meer op haar wilde groeien als de lentezon niet zou komen om zich over haar te ontfermen en haar met ontdooiende warmtestralen opnieuw tot leven wekte.

Voor het zegevierende christendom was meer en meer het verdwijnende heidendom de draak wiens overwinning aan een aantal geloofsverkondigers werd toegeschreven. De heidense monumenten waren volgens deze opvattingen de woonplaatsen van de draken, het  uitgangspunt van zedelijke en fysieke ellende waartegen men zich door processies trachtte te beschermen. Een reden waarom in de middeleeuwen deze overwinning van Christus over de boze geest door het meedragen van een draak gesymboliseerd werd.

Allerlei wonderen worden van hem verhaald, het teken van het kruis zorgt dat hij ongedeerd blijft, zelfs als hij in kokende olie wordt geworpen of een beker vergif drinkt. Zijn vervolgers, ten einde raad, hieuwen hem het hoofd af.

Van hem wordt verteld dat hij in volle uitrusting gezeten op de Olijfberg aan Richard Leeuwenhart verscheen om die in de strijd der Saracenen de overwinning te verzekeren. De kruisvaarders voerden dan ook het St. Joris banier, de draak moest de muzelmannen voorstellen, wiens bestrijding het doel was. 23 april, St. Joris, St. George, Sint Georgius, de Engelse St. George's day, een roemrijke episode uit de Eerste wereldoorlog. Richard Leeuwenhart stelde hem aan als patroon van de kruisvaarders, de nationale synode van Engeland verklaarde hem in 1222 als beschermheilige van Engeland.

St. Joris werd de christelijke ridder bij uitstek wiens wapen een rood kruis in een staand veld is. St. Joris gold algemeen als patroon van ridders en voetboogschutters. Een voorname rol speelt ook in de middeleeuwen het St. Jorishemd dat onkwetsbaar maakt. Eveneens een grote waarde werd gehecht aan de St. George of Mansfelder thalers van 1611 en 1613 waarop de woorden voorkwamen: “Sanctus Georgius Patronus Equitum” St. Joris, beschermheer der ridders”.

De wonderkracht die men aan het banier toeschreef was de oorzaak dat het grootvorstendom Moskou en later het Russische keizerrijk de ridder George met de draak in hun wapenschild opnam. Aan de verering in het Oosten herinnert nog de landstreek GeorgiĎ in Rusland. In Constantinopel waren er wel een half dozijn kerken naar hem genoemd. Eerst werd hij vooral in het oosten vereerd, door de kruistochten werd hij ook in het Westen populair.

Hij was de patroon van de ridders en kruisvaarders, vooral sinds Richard Leeuwenhart. Vele rotsen en baaien zijn naar hem genoemd, vele kerken en bedevaartplaatsen hebben hem als patroon. Ridderkerk heeft in zijn gemeentewapen St. Joris met de draak. Op de voorgevel van de Gildehof van de kruisboogschutters aan de grote markt te Antwerpen staat een ruiterstandbeeld die St. Joris voorstelt. Vele landen, Engeland, Duitsland, CataloniĎ, Sant Jordi, LiguriĎ, Aragon en Rusland stelden zich onder zijn patronaat. Zijn invloed in het Westen zie je doordat een aantal Engelse koningen zijn naam droeg. Hij is ook de schutspatroon van Engeland en als zodanig uitgeroepen door aartsbisschop Chichele in 1415. Genua vereerde hem als patroon. Eduard II nam St. George tot zijn beschermheer van de door hem in 1344 gestichte orde van de kousenband. St. Georg was de strijdleus geworden, getuige de woorden in Shakespeare’s Richard III waar Richmond zijn soldaten toeroept:

“Sound drums und trumpets, bold and cheerfully

God and Saint George, Richmond and victory”

King Henry V, I, I, 1,153: ‘Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan. Om ons Sint George’s feest met glans te vieren’. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden zullen als vreugdevuren dienen zoals in Engeland op de vooravond van Engelands beschermheilige werden aangestoken.

King Henry VI, II, ‘zie mijn Sint George’, Suffolk wijst op zijn medaille met het beeld van St. George die hij als ridder van de kousenband draagt.

King Richard III, IV,4,366 bij mijn Sint George’. Richard droeg, als koning, het beeld van de H. George op de borst. St. Georg, de schutspatroon van Engeland, prijkte ook vaak op uithangborden van herbergen, King John, II, 1,288.

Ook de moderne ridder, de padvinder, heeft hem aangenomen. Ze komen dan ook op deze dag bijeen en dan wordt om het kampvuur het verhaal van St. Joris verteld.

Hij is ook een van de 14 noodhelpers en schutspatroon van de padvinders.

In alle landen zijn van hem uithangborden van herbergen en kroegen. Zo populair was hij in de volkstaal dat als een meisje een jongen een mooie naam wou geven zij de uitdrukking bezigde als: ‘nou mijn ridder van St. Joris, nou mijn vrijer’.

In Grez-Doiceau is er een ruiterprocessie van Sint Joris. H. Joris is beschermheilige van paarden, ook patroon van de scouts. Voor CataloniĎ is het niet alleen de nationale feestdag, maar ook het feest van het boek en het gedrukte woord. Traditioneel geeft men er aan vrienden en familie op die dag een boek, een roos en een korenaar. Het is voor uitgevers dan ook een belangrijke dag en veel debuten verschijnen in die periode. Op Sint-Jorisdag 2007 verscheen zo een volledige nieuwe editie van de Gran Diccionari de l'EnciclopŹdia Catalana, te vergelijken met de grote Van Dale.

Kerken die aan hem gewijd zijn hebben vaak, in plaats van een haan, een paard als windwijzer op de toren.  Aan het beschilderde gewelf van de St. Vitus kerk te Naarden komt zijn beeltenis tweemaal voor. Als patroon der schuttersgilde stond hij in hoge aanzien bij de poorters, de dorpers. St. Joris werd in processies vaak meegedragen in vaandels, meestal in het Schuttersgilde waarvan St. Joris de patroon was. De ridder St. Joris werd hier voorafgegaan door een grote, groene draak, een omhulsel van linnen die opgevuld was met stro. St. Joris reed mee in de stoet en stak geregeld op de draak in. De draak steken met iemand is nog een bekend spreekwoord, dit omdat hij telkens deed of hij het monster bevocht.

Gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een ridder op een schimmel met witte vaan en rood kruis terwijl hij een draak bestrijdt of doorsteekt terwijl de maagd naast hem staat. Hij is het symbool van het goede die het kwaad bestrijdt. (een meer voorkomend motief)

Vroeger twijfelde niemand aan de waarheid van de vertelling, men wist zelf precies wanneer hij geleefd had. Later kwamen de twijfelaars die beweerden dat de geschiedenis van St. Joris een tweede editie van die van de aartsengel MichaĎl was die satan overwon of de oude mythe van Perseus die op christelijke bodem overgebracht werd. Ook DaniĎl versloeg een draak door hem pekballen te voeren die zijn maag verstopten. De R. K. kerk gelooft hier niet meer in en heeft de passage over DaniĎl en de draak uit de boeken verwijderd. Ook St. Joris is door paus Johannis XXII van de lijst der heiligen geschrapt.

 

Als de wezel gevangen wordt op St. Georgsdag, 23 april, en gestorven is in de hand van een mens, zo heeft het de kracht om gezwellen te genezen.

De harebell, Campanula rotundifolia, was opgedragen aan St. George als de mensen blauwe jassen droegen, dan tooiden de harebells zich ook met blauwe jassen, (hoewel die overeenstemming, naar de bloeitijd, zonder twijfel naar Scilla nutans verwijst)

Het St. Joriskruid is de grootse valeriaan, zo ook het kaalkruid, Lathraea squamaria, De St. Joriswortel is Plumbago europaea en een soort Dentaria, de St. Jorisroos is de gewone pioen, soms het meibloempje Convallaria of geiteblad Lonicera, St. Jorisviolier is de steenviolier, Cheiranthus, St. Jorisvrucht de springkomkommer, Momordica elaterium, in Klein AziĎ is de St. Jansbroodboom de geĎerde St. Jorisboom, men ziet er vele kapelletjes van hem onder.

 

Zijn feestbloem de sierlijke boshyacint, Endymion non scriptus, en Prunus mahaleb.

Sint Joris warm en schoon, heeft ruw en nat tot loon.

Valt er voor Sint Joris geen regen meer, dan komt er na hem des te meer.

 

Uit www.flickr.com

23 april, H. Adalbert van Bohemen, (Adalbertus, Aalbrecht, Albertus, ook van Praag): Germaans, adel: ‘adel’ en bert, ‘schitterend, glanzend of stralend’, met de betekenis, door adel schitterend.

Hij is geboren in Praag in 955 en werd eigenlijk Wojtech genoemd, een telg van vorstelijke stam en zoon van de Bohemische vorst Slkavnik. Bij zijn wijding nam hij de naam van Adalbertus. Hij ontving zijn opvoeding in het Mauritsklooster te Magdeburg en werd in 982 tot bisschop van Praag gewijd. Hij was adviseur van keizer Otto II en een machtig man. Door zijn strengheid had hij het ongenoegen gewekt van pasbekeerde christenen in Bohemen, zijn familie werd vermoord, zijn slot vernield daardoor begaf hij zich in 988 naar het klooster van Monte Casino en vandaar naar dat van de heilige Alexius te Rome. Hij kwam in 993 terug in Praag waar hij de Bohemers nog even onverzettelijk vond en verliet daardoor zijn bisdom en doopte te Gran in tegenwoordigheid van keizer Otto III de prins, later koning Stephanus de Heilige. In 996 begaf hij zich van Rome naar de keizer te Mainz en vertrok vandaar naar Polen, naar hertog Boleslaus, Boleslaw, om aan de heidense Pruisen het evangelie te verkondigen, zonder veel vrucht echter. Hij en zijn begeleider werden in de buurt van Konigsberg, bij Frischen Haff in het dorp Tenkitten in Samland door een priester van de Pruisen gedood met lanssteken op 23 april 997. Men dacht dat ze Poolse spionnen waren. Hertog Boleslaw liet het lichaam in goud afwegen en zijn stoffelijk overschot werd in de dom te Gnesen (Gniezno, vroegere hoofdstad van Polen) bijgezet, maar omdat hij met Otto III bevriend was volgde er een crisis op met betrekking tot het rijk en daarom werd hij in 1038 naar Praag over gebracht, hier vond men zijn gebeente in 1880 een grot in de Dom en begroef ze weer in de Domkerk.  Otto III zorgde voor zijn heiligverklaring zodat zijn beenderen een begerenswaardige relikwie werden, een belangrijke bouwsteen voor de Poolse religie en wordt beschouwd als het begin van de Poolse staat.

Hij wordt als bisschop, aartsbisschop of monnik afgebeeld met lans, een kruisbeeld naar zijn evangelisatiewerk en een arend die zijn lijk bewaakt zou hebben, een spies, na zijn dood zette men zijn hoofd op een spies.

St. Adelbert van Praag zou bij grote droogte met goed gevolg op een berg gebeden hebben en wordt aangeroepen om regen. Adalbert is de apostel van Pruisen, Bohemen en Hongarije.

 

Uit en.wikipedia.org

23 april, H. Brian: Keltische naam, er is een samenhang met Iers bre, Welsh bryn: ‘heuvel’.

Na verloop van tijd vermengden de Vikingen zich met de Ierse bevolking en waren ze even Iers als de Kelten. Ierland was op dat moment verdeeld in 7 provincies (Munster, Leinster, Connacht, Meath, Ailech, Airgialla en Ulster) en in ongeveer 100 tot 200 kleine koninkrijkjes die nogal in grootte en macht verschilden. Het land bereikte een soort van eenheid onder een hoge koning (Iers: Ard Ri) die theoretisch de macht had over de andere provinciale koningen. Er was sprake van steeds wisselende coalities tussen inheemse koningen en Vikingen. In 1002 zag koning Brian Boru, koning van Munster, zijn kans schoon om als opperkoning over bijna het hele eiland te heersen. In tegenstelling tot zijn voorgangers was hij een politiek opperhoofd die leek op de feodale koningen zoals die zich op het Europese vasteland begonnen te manifesteren. Hij bouwde scholen, wegen en bruggen en zorgde voor een rechtspraak. Brian is gestorven  in 1014 in de slag bij Clontarf tegen de Noormannen op Goede Vrijdag van het vermelde jaar. Ook door zijn tegenstanders werd hij zeer gerespecteerd.  Daardoor ontstond er echter een twist tussen de andere koningen die elkaar nu bestreden omdat ze bang waren hun macht te verliezen.

 

 

 

 

Uit www.catholic.org

23 april, H. Fortunatus: Latijn, ‘gelukkig, gezegend, voorspoedig of gelukskind’. Oorspronkelijk een naam die wel gebruikt werd door vrijgemaakte slaven.

De diakens Fortunatus en Achilleus werden met de presbyter Felix, volgens hun legendarische vita die berust op een overlevering uit de 6de eeuw, door bisschop Ireneus van Lyon naar Valence gestuurd en onder Aurelianus (Caracalla?) na vreselijke martelingen ca 274 of 212 gedood. Dat is alles wat over ze bekend is. De legende verhaalt dat ze door hun preken en wonderen vele heidenen bekeerden en werden gearresteerd. Uit de gevangenis werden ze door engelen bevrijd en uit hun bidden werden de afgoden in de tempels vernield, ze vernietigden met hamers de afgoden Mercurius en Saturnus en een marmeren beeld van Jupiter. Ze werden direct gemarteld, hun benen gebroken, gemarteld op wielen en dag en nacht leden ze van verschrikkelijke rook. Dat overleefden ze en zo werden ze onthoofd.

 

 

 

 

Uit fr.wikipedia.org

23 april, H. Gerhard: Germaans ger: ‘speer’, hard: ‘hard, sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk met de speer.

Gerhard, deze heilige is geboren in 935 te Keulen. Daar werd hij opgeleid aan de domschool en aartsbisschop Brun I van Keulen stelde hem bij Otto de Grote voor als bisschop van Toul aan in 963. Hij deed veel voor verheffing van het geestelijk leven en zorgen voor de armen. Na zijn dood op 23 april 994 rust hij in de Stephans kathedraal te Toul.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/