25 juli, heiligen van de dag.

 

Uit www.dhm.de

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwieĎn, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

25 juli, St. Jacob de Meerdere (Jacobus Maior)  Hebreeuws, ja aqob, van onzekere betekenis, maar in verband met de geschiedenis van Jacob en Esau, verklaard als ‘hij greep de hiel, hij verdrong (zijn broer), bedrieger’, Gen 25. De Griekse vorm werd Iakobos en van daaruit Latijn Jacobus, waarnaast ook Jacomus. Er zijn twee apostelen van deze naam die vaak onderscheiden worden in major en minor, de meerdere en mindere of ouder en jonger. (zie 1 mei) De eerste was een zoon van Zebedeus en broer van Johannes.

De zoon van Zebedeus en Maria Salome, oudere broer van de apostel Johannes. Samen met Johannes en Petrus vormde hij het bevoorrechte drietal dat onder meer aanwezig was op de berg Tabor. Hij was visser en leefde aan het meer van Genesareth.

In Hand. 12: 1-3 wordt beschreven hoe Jacobus door toedoen van Herodus ter dood gebracht werd. Dus werd hij volgens het Nieuwe Testament in Palestina onthoofd. Hier zou de Maagd van de Zuil aan hem verschenen zijn. Met Petrus werden ze vanwege hun stormachtige ijver voor Christus Boanerges genoemd, dat is ‘zonen des donders’, Marcus 3:17. Op zijn terugkeer in Palestina werd hij door Herodes Agrippa onthoofd als eerste apostel in 44. Zijn volgelingen namen zijn lichaam via de haven Joppa naar GaliciĎ, waar ze hem aan de voet van de Libredon begroeven. Als gevolg van oorlogen en ontvolking raakte deze christelijke bedevaartsplaats vergetelheid. Tot 600 werd zijn graf in Jeruzalem vereerd. Verder is er weinig van hem bekend.

Volgens een legende uit de 7de eeuw zou hij in Spanje gepreekt hebben en daar begraven zijn of is daarna weer teruggekeerd naar het H. Land en daar de marteldood door onthoofding gestorven zijn. Er wordt verhaald dat nadat hij op last van Herodes gedood was zijn lijk te Joppe in een schip zonder stuurman en zonder riemen gezet werd wat door de engelen naar Spanje gebracht waar hij het evangelie had verkondigd. Aldaar op een steen neergelegd zou die in was zijn veranderd en het lijk als een doodskist omsloten hebben. Later werd het lijk door een monnik gevonden en de 25ste juli overgebracht naar Santiago de Compostella. (St. Jacob van het sterrenveld)

Santiago de Compostella in het noordwesten van Spanje is samen met Jeruzalem en Rome een van de belangrijkste christelijke bedevaartsoorden.

De geschiedenis van de pelgrimage naar Compostella gaat veel verder terug. De symbolen van de Camino; de St. Jacobsschelp en het zwaardkruis, de lagarto, duiden op een niet christelijke vruchtbaarheidsrite. Al voor onze christelijke jaartelling marcheerden Romeinse legioenen naar Fi(ni)sterre, 'het eind van de wereld', aan de kust van de dood om daar de zon in de onderwereld te zien wegzakken. Ook nu nog lopen de geharde pelgrims door naar deze plaats aan de kust. En nog steeds wordt door hen bij zonsondergang het eeuwenoud Keltisch ritueel van water, vuur en aarde uitgevoerd. Nu is de schelp het symbool voor het vrouwelijk geslachtsdeel en is bekend als symbool van geboorte of wedergeboorte. Het is daarom dat Venus hieruit opstijgt in het schilderij 'De Geboorte van Venus' van Botticelli. Het is een symbool van een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite, dat net als zoveel heidense symbolen en riten door de katholieke kerk zijn overgenomen. Om dit symbool over te nemen moest Santiago, volgens de legende, iemand terug doen komen van de dood. Iets wat Santiago in de geest van zijn heidense alter-ego wel diverse malen doet. Dit keer redde hij een ruiter die verdronken was in zee. Toen deze terugkwam uit de zee was hij overdekt met de schelpen. Via deze constructie werd de schelp toch het symbool van pelgrimage naar GaliciĎ. Een pelgrimage is een tocht naar een plek van spiritueel belang met de bedoeling om inzicht te verwerven. Niet het einddoel, maar de weg ernaar toe, is hiervoor de manier. De St. Jacobsschelp, die veelvuldig aan de Spaanse kusten voorkomt, dankt zijn naam aan de overeenkomst met de schoudermantel die hij draagt. Bedevaartgangers sierden er hun hoed mee en gebruikten de schelp als drinknap. Plaatsen en kapellen in ons land met de naam van Jacobus hebben meestal een rol gespeeld in de bedevaart naar Santiago.

De plaats Sint Jacobi parochie in het Friesland is zo genoemd naar Jacob.

Ook het andere symbool van Santiago het zwaardkruis, bekend onder zijn voorchristelijke naam lagarto of hagedis, verbonden met vruchtbaarheid en van kuisheid. Uit al deze niet-christelijke symbolen en mythen is Santiago en de pelgrimage ontstaan. Hij is nog steeds de heilige beschermer die te paard zijn gelovigen beschermd. De pelgrimage is nog steeds een reis naar persoonlijke inzicht. De reis die nog steeds een metafoor is voor het leven. Santiago is nog steeds de gids, die op het eind van de reis op de pelgrim wacht. Santiago de Compostella ligt in GaliciĎ in het Noordwesten van Spanje. De inwoners zijn Keltische komaf. En net als hun Keltische broedervolken spelen ze doedelzak en drinken ze appelcider. De stam van de naam GaliciĎ is dezelfde als van Wales(Gales) of het Iers, Gaelic.

GaliciĎ is het enige gebied in Spanje wat nooit bezet is geweest door de Moren. En het is ook vanuit hier dat de Reconquista, de herovering van Spanje door de christenen op de Moren, is begonnen. Hij is de schutspatroon tegen de Islam, de Matamoros, de Morendoder. Hij zou in de slag tegen de Moren bij Clavijo in 939 op een wit ros aan het hoofd van de Christelijke legers verschenen zijn. “Santiago’ werd de strijdkreet van de Spanjaarden. (In Latijns Amerika werd hij later Jacob de Indianendoder) Van de 10de tot de 15de eeuw was dit een van de beroemdste bedevaartplaatsen in West-Europa die aanleiding gaf tot een grote verering langs de wegen daarheen. Kerken, kloosters en kapellen werden langs die wegen gesticht en sagen en legenden ontstonden die hun invloed in de middeleeuwse literatuur hadden. Daardoor werd Jacobus zeer populair als heilige.

Hij behoort tot de zogenaamde rijdende heiligen, net als St. Joris, St. Maarten en St. Nicolaas en wordt al zittende op een paard afgebeeld terwijl de overwonnen Sarasijnen onder de hoeven van zijn witte rijdier liggen. Op de toren van een aan hem gewijde kerk vindt men dan ook vaak een paard als windvaan, ‘Gravenhage, Leeuwarden en Vlissingen. Ook zie je hem wel als apostel op blote voeten met schriftrol, mes en zwaard, waarmee hij werd onthoofd. De afbeelding met sleutels verwijst naar de herovering van de stad Coimbra door de H. Ferdinandus die dan ook een sleutel als attribuut heeft. Hij werd patroon van de pelgrims en schutspatroon in de strijd tegen de Mohammedanen en uiteraard van Spanje. Daar komt hij in menige kerk voor, tal van beelden, schilderijen en fresco’s zijn er die de heilige voorstellen. De Spaanse orde van San Jago werd in 1175 door paus Alexander III bekrachtigd.

Hij is de enige heilige die met hoed afgebeeld wordt. Volgens een oude legende toen Jezus met zijn volgelingen aren plukkende door de velden ging kwam een ambtenaar die hen daarover aansprak. Iedereen nam zijn hoed af, behalve Jacobus omdat die beloofde voortaan het koren te zullen beschermen. Hij wordt als beschermheilige van dit gewas voorgesteld en patroon van molenaars. Hij was de patroon van de hoedenmakers omdat oudtijds de hoed werd opgezet als men op reis ging en de pelgrim met zijn grote hoed hen wel aanstond.

Jacob werd op drie manieren voorgesteld:

  1. Wandelende met zijn staf. Volgens het Bijbelse verhaal ging Jacob wel met zijn staf over de Jordaan. Hij wordt steeds als pelgrim afgebeeld naar aanleiding van de overlevering dat hij een van de eerste apostelen geweest is die naar ‘t verre westen trok en in Spanje het evangelie ging verkondigen. De zeeschelpen die je vaak op zijn manteltje ziet afgebeeld symboliseren de reis en worden naar hem St. Jacobsschelpen genoemd. Soms wordt hij zelf in een schelp geplaatst.
  2. In zijn droom, Gen 28:12.
  3. Worstelende, Gen.32:24.

De afbeelding van de Jacobs droom of de ladder van Jacob komt geregeld voor. De Amsterdamse jongens hielden spiegelgevechten op St. Pieter en op St. Jacob.

Deze dag nam in het volksgeloof een belangrijke plaats in, bijvoorbeeld als geluksdag voor het beginnen van de oogst. Hij is patroon van de landbouw.

‘Sint Jacob reikt ons, blij te moe

Den overrijpe graanhalm toe

Als weldaad uit de hoogte’ .

Met St. Jacob moet de hooiberg in top. Deze dag was het begin van de roggeoogst.

In Duitsland heet het:

‘Jacobi hell und warm

Macht zu Weihnachten den Ofen warm’. Terwijl, als op deze dag bij zonsopgang er wolkjes aan de hemel komen, het landvolk profeteert:

‘Der Schnee bluht fur den nachsten Winter’.

Bij de oogsten in sommige plaatsen van Overijssel droegen de vrouwen witte kleren, de Sint Jacobsdracht.

"Met Sint Jacob en Sint An (26 juli)

Is 't koren in de schuur of de wan

Is Sint Jacob hel en warm

Bevriest met kerstmis rijk en arm’.

Het begin van het zichten van rogge. Zienen Jaopik hebben’, een tijd van grote drukte en veel verdienste hebben, bijvoorbeeld van een dokter als er veel zieken zijn.

Drie dagen voor Sint Jacob goed, een korenoogst in overvloed.

Is het helder op Sint Jacobsdag, veel vruchten men verwachten mag.

Is Sint Jacobus hel en warm, bevriest met kerstmis rijk en arm.

Op Sint Jacob warme dagen doen van kou en armoe klagen.

Sint Jacobzonneschijn voorspelt de wintersneeuw als vrucht.

Vroege aren, een slechte Sint Jacob. =Een vroege zomer geeft geen rijke oogst.

Warme, klare Sint Jacobsdag, dan koude kerstmis.

Ook met de houtteelt staat deze heilige in verband.

‘Spreek van uw eigen bosch geen goed

Eer ge er Sint Jacob in ontmoet’.

Maerlant geeft een uitvoerige rijm beschrijving rond 1280:

Van Herodes Agrippa en Sint Jacob’ s dood. III. 

Die koning Herodes Agrippa 

Nam verlof kort daarna 

Aan Claudius. Toen nam hij hem 

Dat land van Jeruzalem.

5 En toen hij in Judea kwam, 

Lieflijk ontvingen en nam 

Dat Joodse volk; want hij hen deed 

Voordeel en grote eer mede 

Voor Gaius, de kwade zot,

10 Die immer wilde wezen god. 

Deze Herodes Agrippa, 

Want het was het feest bijna 

Van Pasen, zo zette hij hem 

Te komen in Jeruzalem;

15 Want hij wilde tonen samen 

Vriendschap de Joden, deed hij vangen 

Jacob de meerdere en deed hem mede 

Onthoofden daar buiten de stede, 

Daarvan aldus, zoals ik verhaalde,

20 Geschreven is in zijn verhaal. 

Deze Jacob was Sint Johannes broeder, 

Zebedeus wijf was zijn moeder. 

Deze door predikte ver en na 

Judea en Samaria,

25 En ging in alle synagogen 

Hem beproeven en mooi en togen, 

Dat al, dat van de profeten 

Voorsproken was en gezegd, 

Vervulde al openbaar

30 Aan onze Heer Jezus het ware. 

Nu was Hermogenes, een tovenaar, 

Die omging met duivels scharen 

En was van de FarizeeĎn zijde, 

Die zond tegen hem in strijd

35 Philetus met de  FarizeeĎn, 

Om te bewijzen overeen, 

Dat Christus Gods Zoon niet ware. 

Nee, maar niet een haar 

Nee, kon hij tegen Jacob staan;

40 Want hij keerde tot zijn meester samen 

En zei: ‘Meester Hermogenes! 

Ik zeg u wel de waarheid dis: 

Men mag de apostel God onze Heer 

Niet overwinnen nog veranderen.

45 Ik zag hem vijanden verdrijven, 

Melaatsen gezond doen blijven, 

Blinde ziende maken aldus, 

En al in de naam Jezus. 

Hij kan al de schrift

50 En daaruit beproeft hij ter kuren, 

Dat zelf is de Gods Zoon, 

Die gekruisigd was diegene. 

Kom tot hem, dat is mijn raad, 

En bid aan hem om aflaat.

55 Nee, doet u het niet, ik keer weder 

En leg alle andere dingen neder, 

En bid hem op zijn voeten, 

Dat ik zijn jongere wezen moet.’ 

Hermogenes die verbolg gelijk.

60 Philetus hij met toverij bond, 

Dat hij mocht gaan nog vlieden, 

En hij zei: ‘Nu zullen we zien, 

Of u uw Jacob zal gelijk 

Ontbinden van uw banden.’

65 Philetus die zendt zijn knecht 

Aan Jacob en deed hem bekend echt, 

En Sint Jacob zond hem gereed 

Daar met de knecht een stuk van zijn kleed, 

En zei hem dat hij nam het ginds,

70 En zei: ‘Jezus Christus ontbindt 

Diegene die gebonden zijn.’ 

Ten eerste dat hem kwam dat kleedje, 

Was hij al de banden kwijt, 

En liep tot Jacob met vlijt,

75 En ging vloeken en vermaledijen 

Allerhande duivels. 

Hierom was Hermogenes geĎrgerd, 

En maande duivels na en ver,

En zei hen dat zij gingen samen

80 En brachten hem Jacob gevangen 

En Philetus: ‘Het moet wezen, 

Laat me wreken zo aan dezen, 

Dat mijn discipels hierna 

Me nimmermeer doen zulke lachen.’

Nu kwamen die duivels te waren 

Boven in de lucht gevaren, 

Daar Jacob lag in zijn bede, 

En riepen met grote zeren:

5 ‘Apostel Gods! heb ons genade! 

Want we zijn met brand geladen 

En verbranden al voor  de tijd.’ 

Hij sprak: ‘Waarom is het dat ge gekomen bent?’ 

Ze zeiden: ‘Ons heeft Hermogenes

10 Hier gezonden en gebood ons des, 

Dat we Philetus en u mede 

Gevangen brachten in zijn stede. 

Nu zijn we alzo gebonden 

Met vurige ketens nu ten stonden

15 Van de engel, die ons bond.’ 

Sint Jacob sprak gelijk: 

‘In de name der Drievoudigheid 

Ontbindt u de engel hier ter stede, 

Opdat ge keert nu weer samen

20 En brengt Hermogenes gevangen, 

Gebonden en gekwetst niet.’ 

Ze deden dat de apostel zei, 

En brachten hem gevangen te die stonden, 

De handen op de rug gebonden.

25 - ‘Dolle man,’ sprak de apostel samen, 

‘Waarom wilt u niet verstaan, 

Wie dat u houdt voor heer?’ 

Die duivels riepen alle zeer: 

‘Laat ons deze te recht pijnen,

30 Onze lachen wreken en de uwe.’ 

Jacob zei: ‘Laat dit wezen. 

Hier is Philetus, waarom houdt u deze?’ 

Ze zeiden: ‘In die manieren, 

Dan u zelf wil versieren.’

35 Zij die er kwamen hoorden toe. 

Hij sprak aan Philetus toen: 

‘Omdat de lieden zullen leren, 

Naar de school Jezus onze Heren, 

Goed te belonen voor kwaad:

40 Hij bond u, - aldaar hij staat, 

Ga, ontbindt hem en laat hem gaan.’ 

Philetus die deed dat samen. 

Toen bleef staan Hermogenes 

Vrij, en schaamde zeer dus.

45 Jacob zei: ‘Daar u wil, keer! 

Het behoort niet tot onze leer 

Te ontvangen die ongewillig is.’ 

- ‘Neen!’ antwoorde Hermogenes, 

‘Ik ken de duivels felheid wel;

50 U leent me iets, ze zijn zo fel, 

Daar ik me mee mag beschermen, 

Ze laten me niet gaan, 

Ze kwellen en doden mij.’ 

- ‘Neem,’ zei hij, ‘mijn stok met u

55 En wees zeker, zonder waan.’ 

De stok nam hij en is gegaan 

Tot zijn jongeren en nam 

Zijn boeken, geĎrgerd en gram, 

En heeft ze samen alle verbrand.

60 Tot Jacob kwam hij gelijk, 

Bij de voeten hij hem hield 

En bad hem met geweld, 

Dat hij hem ontfermen zou 

En hij hem christen maken wou.

65 Toen sprak de apostel: ‘Heeft u helder 

Uw berouw voor waar, 

U zal dan van God ontvangen 

Volle aflaat, zonder waan. 

Ga henen daar u heeft veranderd

70 Dat volk, en zie dat wordt geleerd, 

En breek de afgod, daar u mede 

Tevoren deed uw gebeden, 

En dat geld, dat u met kwaad 

Won, verdoe in goede raad.’

75 Alles beloofde dit Hermogenes 

En geloofde te doen des, 

En werd zo goed, dat God mede 

Dor hem grote mirakels deed. 

Abyathar die bisschop zag

80 Daarna over menige dag, 

Dat veel volk aan onze Heer 

Hen hield, en al bij Jacob leer, 

Zodat hij met geld won 

Sommige pijnlijke man,

85 Zodat een van de Joodse wet, 

Een voorbarige, hem heeft gezet 

Tegen Jacob als en als, 

En wierp hem een reep om de hals 

En bracht hem te geding daarna

90 Voor Herodes Agrippa. 

Daar zei Herodes alzo samen 

Die Jacob dat hoofd afslaan. 

In de weg, daar hij weg ging, 

Daar hij de zijne ontving,

95 Een zieke hij genas, 

Die jichtig van de leden was. 

Toen dat diegene werd gewaar, 

Die hem met de banden hield daar, 

Die Josias was genaamd,

100 Viel hij hem te voeten gelijk 

En zei: ‘Van mijn misdaden, 

Jacob! zo heb me genaden. 

Maak mijn gezel en deel lam 

Van de gebenedijde naam;

105 Want ik wel geloof dis, 

Dat Jezus de Gods Zoon is.’ 

Abyathar die bisschop samen 

Deed zijn mond met vuisten slaan. 

Aan Herodes zond hij en vraagt,

110 En heeft ook aan hem bejaagd, 

Dat men die aldaar ter stede 

Met de apostel zal ontlijven mede. 

Jacob heeft binnen dezen stonden 

Die gedoopt voor zijn zonden,

115 En dus worden ze beide met eren 

Martelaren God onze Heer. 

De eerste apostel zo was deze, 

Die door God, zoals ik het lees, 

Zijn bloed stortte, en was in het jaar,

120 Toen men schreef 45, dat is waar, 

De incarnatie van onze Heer, 

Weinig minder of weinig meer.

 

Van Sint Jacob histories. V. 

Calixtus schrijft, die paus was, 

Van deze Jacob de waarheid das, 

Dat hij 12 jongeren koos, 

Voor alle de andere lief altijd.

5 In het land van Jeruzalem 

Zo trok hij er drie aan hem: 

Hermogenes de tovenaar, 

Die sinds was een bisschop bericht, 

En Philetus, die hij mede

10 Koorbisschop ook wezen deed. 

Deze waren na zijn dood 

In AntiochiĎ heren groot, 

Met mirakels bekend, 

En heilig hebben geĎindigd.

15 Die derde jongere zo was 

Zijn gezel Josias, 

Die met hem stierf aan de straat, 

En was Agrippa’ s drost. 

Nu had hij gepreekt, zoals wij het horen,

20 In GaliciĎ te voren 

Deze Jacob, eer hij kwam 

Te Jeruzalem daar hij einde nam,

Daar hij 12 jongeren koos, 

Die bij hem waren meest altijd.

25, 7 kwamen er over met hem 

In het land van Jeruzalem. 

Twee zijn er van in Santiago gebleven, 

Lerende het eeuwige leven. 

Hoor ze hierbij met namen noemen,

30 God te eren en ons te vromen: 

Tiriquatus, Indaletius, 

Tylefons en Secundus, 

Cecilius, Eufrasius mede 

En Esithius. Dit is de waarheid,

35 Dat deze 7 martelaren 

Door God in Spanje gemaakt waren. 

Van hen spreekt Sint HiĎronymus 

In zijn schrift aldus, 

Dat ze, nadien dat ze begraven

40 In Santiago hadden met hun have 

Sint Jacob, zoals men hierna 

U daarvan zal schrijven waar, 

Dat ze te Rome kwamen, 

Daar ze vonden beide tezamen

45 Petrus en Paulus, die ze wijdden 

Tot bisschop en benedijden, 

En zond ze in Spanje weer 

Heidense eer te vellen neer. 

Hun dag is, zoals men lezen mag,

50 In mei op de 15de dag, 

En daar nog tot aan deze dag 

Mirakels geschieden, al zonder sage. 

In een stad, die in Latijn 

Accinclina wil geheten zijn,

55 Daar Torquatus ligt bij de kerk, 

Ziet men alle jaren Gods werken; 

Want op de avond van hun dag, 

Bij zijn graf, dat is geen sage, 

Bloeit en draagt bij Gods kracht

60 Een olijvenboom en bloeit die nacht. 

Van die olijven verlicht men mede 

Zijn lamp aldaar ter stede. 

De andere twee jongeren, die bleven 

In Spanje, zoals we ten eersten schreven,

65 Waren geheten aldus: 

Athanasius en Theodorus. 

Die begroef men in hun laatste tijden 

Ter rechter en ter linker zijde 

Aldaar Sint Jacob ligt,

70 Zoals ons Leo die paus zegt. 

Hoort, hoe ik hoorde en vernam, 

Hoe hij te Compostella kwam.

Toen de apostelen God onze Heer 

Hen elke zou te land keren, 

Daar hem God te prediken zond, 

Jacob de grote kwam met geen ander doel

5 In Spanje en sprak al zonder gevaar 

Dat woord Jezus Christus aldaar, 

Daar hij 9 jongeren won 

En bekeerde menige man. 

Hierna hij te Jeruzalem keert

10 Met hem 7, zoals ons leert 

De historie hier te voren, 

En werd martelaar gekozen; 

En zijn jongeren kwamen bij nacht, 

Want ze de Joden vreesden hard,

15 En namen het lichaam van hem

En voerden het in een scheepje, 

Dat ze vonden aan de zee. 

Ze bevalen God te zijn 

Stuurman, en men begroef

20 Aldaar hij wil gebieden zelf. 

Dus brachten ze hem over gelijk 

Tot GaliciĎ aan dat land.

Uit het schip zijn ze gegaan, 

Die 7 jongeren, en legden samen

25 Zijn lichaam in een plaats, 

Om een graf te bidden mede. 

Nu was daar een vrouwe in het land, 

Die Wolvin was genaamd, 

Een weduwe, en dat land was haar;

30 Christen volk had ze onwaardig. 

Ze zeiden: ‘God zend hier tot u 

Jacob, zijn apostel vrij, 

Om dat u hem dood ontvangen zou, 

Die u levend niet wou.’

35 En vertelden de waarheid haar, 

Hoe ze zonder hulp daar 

Van mensen handen kwamen aan het land, 

En baden hem te begraven gelijk, 

Daar hij lag en nergens anders.

40 Dat wijf was van hart fel 

En zei, ze had het niet onwaardig, 

Omdat het bij de koning was  

Van Spanje, de overste heer. 

Ze gaan tot hem en baden hem zeer.

45 Hij sprak, dat hij het graag deed; 

Maar daarna bij felle raad 

Zo berouwde hem die weldaad, 

En zei dat men ze alle verslaat. 

Die jongeren waren te brug gegaan;

50 Ze na, die ze wilden ontleden; 

En toen ze op die brug kwamen, 

Brak die brug alle te samen 

En ze verdronken in die gracht. 

Die de koning zond met grote macht,

55 Toen die was zeer bang, 

Naar hen boden gaan met grote vaart, 

En baden hen dat ze weer kwamen: 

Hij zou hen geven alle tezamen, 

Dat hij hen ten eerste zei.

60 Ze keerden en lieten het niet, 

En bekeerden daar ter stede 

De koning en zijn volk ook mede.

Die vrouwe, die Wolvin heet, 

Heeft gehoord dat dit verdriet 

Is gekomen op de koning lieden. 

Droevig was ze dat geschiedde,

5 En ontving lieflijk te samen 

Die jongeren en die tot haar kwamen 

En verlof brachten van de heer, 

En zei: ‘Verdriet u niet te zeer; 

Op die berg staan mijn stieren

10, 2, die zeer zijn goedertieren: 

Doe die 2 in een wagen, 

Ze zullen de dode dragen 

Daar ge wil, en begraaf hem daar.’ 

Dit zei ze, want ze wist voor waar,

15 Dat die beesten zeer wild waren, 

En men er niet mee mocht varen, 

En men ze daartoe niet bracht, 

Dat men ze in wagens binden mocht; 

En al was het dat men ze daarin bond,

20 Dat men ze mennen niet kon. 

Maar hiertegen was geen raad; 

Want tegen God niets staat. 

Die jongeren konden het niet zien 

In haar woorden geen misgaan,

25 En gingen ten berg samen, 

Aldaar die stieren staan. 

Toen ze kwamen tot de zaak, 

Kwam tegen hen daar een draak, 

Die uitwierp vlammen en vuur,

30 En was hen sterk en onguur. 

Daar maakten ze dat kruis voor, 

En deden hem midden in twee scheuren, 

Zodat ze te komen begonnen, 

Daar die wilde stieren stonden,

35 Die hen in goede manieren 

Lieten gelijk zachte dieren, 

Alzo zoals het God zelf gebood. 

Sint Jacob, die was dood,

Legden ze op een wagen

40 En lieten hem henen dragen, 

Alzo dat ze kwamen samen 

Daar ze wilden heen gaan. 

Aldaar ze woonde die koningin, 

Gingen ze bij haar zin

45 Ongetemd en ongeleerd. 

Die vrouwe heeft zich bekeerd, 

Die te voren heet Wolvin, 

En kwam ter christen minne. 

Dus hadden die jongeren met genade

50 Al dat ze te voren baden.

In dat paleis mits de Wolvin, 

Aldaar ze was koningin, 

Werd Sint Jacob begraven. 

Ze deed met grote have

5 Sinds van schone werken 

Van de zaal maken een kerk 

Op de apostel, aldaar hij lag. 

Die 7 jongeren op die dag, 

Die alle gekomen waren met hem

10 Uit het land van Jeruzalem 

En zijn lichaam brachten daar, 

Gingen te Rome en daarna 

Prediken in Spanje openbaar, 

En elk die werd martelaar,

15 Zoals hiervoor is beschreven. 

Twee zijn er bij het graf gebleven, 

Die wilden in hun leven 

De heilige Jacob niet opgeven, 

En hielden daar hun getijden,

20 En waren nevens zijn zijde 

Begraven, toen ze bleven dood, 

Daar ze liggen met eer groot. 

Nu zal ge verstaan dus dat ding, 

Dat Sint Jacob de dood ontving

25 Op de 8ste kalender voor april, 

Op dezelfde dag, weet wel, 

Dat de kerk viert hoog en zeer 

De boodschap van onze Heer. 

En op die achtste kalender

30 Voor oogstmaand na zijn einde 

Was hij te Compostella gebracht 

En te graf ook bezocht; 

Maar voorjaarsdag 2 dagen 

Was hij begraven, zonder sage.

35 Dus laat de kerk bij redenen groot 

Van zijn begraven, van zijn dood, 

Die 2 dagen heen gaan, 

En houdt zijn feest in die tijden 

Dat hij te Compostella kwam;

40 En hierom is het, zoals ik het vernam, 

Dat hem van recht de schrift 

Vigilie ontzegd de wereld door. 

Nu geviel het, en is niet lang, 

Dat een klerk om zijn dank

45 Deze beminde, en werd mede 

Een pelgrim en voer ter stede 

Te Compostella door zijn eer. 

Daar vond hij, dus hij vrolijk was zeer, 

Dat verhaal in Latijn geschreven:

50 Hoe, nadien dat hij dood was gebleven, 

Zijn lichaam, als ge lezen mag, 

In GaliciĎ was gebracht; 

En deed het uitschrijven en daarvan 

Hij te loon 22 dinar gaf.

55 In een hoek gaat hij en zit 

Om over te lezen dit, 

Want hij er toe had wil groot. 

Daar vond hij in zijn schoot 

20 dinar liggen samen.

60 Dus wilde hij weten, zonder waan, 

Dat ze daar alle tezamen 

Van Sint Jacob zelf kwamen. 

Menige mirakels zal ge hierna

Van hem horen en waar.

 

Hier volgt dan een mirakel van hem bij Maerlant.

Van Sint Jacob’ s mirakels. L. 

Te die tijden dat Adolf was 

In Spanje koning, zoals ik las, 

Zo gingen 20 man bijzonder

Te Sint Jacob, en daar was onder

5 Een paap; en toen ze kwamen 

In Caesaraugusta bij namen, 

Worden ze van de Sarasijnen gevangen 

En in een donkere kerker gedaan 

In die stad en vast gebonden.

10 Toen sprak die paap hen aan ter stonde: 

‘Gezellen, roepen we God aan 

En Sint Jacob, de goede man!’ 

En ze deden alle alzo. 

Een groot licht kwam hen toe,

15 En Sint Jacob kwam al ginder 

En zei: ‘Gij roept mij, kinderen. 

Beziet mij, ik ben nu hier.’ 

Diegenen werd dat hart fier, 

En vielen alle biddend hem te voeten,

20 En hij nam met goede moed 

Die banden al en brak ze in tweeĎn. 

Die daar lagen gevangen in het wenen, 

Nam hij met den handen, god weet, 

En leidde ze uit de kerker gereed

25 Tot de poorten van de stad. 

Toen dit gedaan was, nadat 

Zonden ze hem en gingen voort 

Met de apostelen uit ter poort, 

En hij leidde ze tot een kasteel,

30 Die de christenen hielden ten deel, 

Daar ze zeker mochten wezen, 

En daar zo scheidde hij ook van deze 

En voer henen, daar het elke zag aan. 

Toen riepen zeer die christen mannen,

35 Wat Sint Jacob had gedaan: 

Daar waren ze ginder goed ontvangen. 

Voorts zegt de priester Beda, 

Dat in die tijden, zoals ik het versta, 

Dat bisschop was te Compostella

40 Godebalt, kwam een gezel, 

Die een zonde had gedragen 

Lang, die hij niet gewagen 

Durfde; toch zei hij het met pijnen 

De goede bisschop Theobald,

45 Die hem durfde van de zonden 

Niet absolveren, maar hij schreef ten stonden 

Die zonde in een briefje samen, 

En zei hem dat hij zou gaan 

Te Sint Jacob. Toen hij daar kwam,

50 Was het heilige dag: diegene daar nam 

Dat briefje, en heeft het gereed 

Op Sint Jacob’ s altaar gelegd. 

Al wenend bad hij de grote heer, 

Dat hij die zonde door zijn eer

55 Hem doet af; en samen daarna 

Kwam die bisschop tot dat altaar, 

Mis te zingen, en hij zag 

Waar die brief daar op lag, 

En vroeg waarom en als hoe

60 Dat die brief daar lag alzo. 

Die man kwam voort, wenend zeer. 

- ‘Dit is die brief,’ zei hij, ‘heer, 

Daar mijn zonde in is geschreven.’ 

Toen de bisschop dit heeft beseft,

65 Opende hij de brief na das, 

Daar niets in geschreven was. 

- ‘Deze zonde,’ zei die bisschop samen, 

‘Heeft Sint Jacob afgedaan.’

 

Jacobsladder, Polemonium, heet de plant omdat de stengel niet recht is, maar als een ladder bij de knopen verspringt en naar de hemelsblauwe bloemen voeren. De naam Jacobsladder zou in verband worden gebracht met Genesis 28:10 "Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daar neder

Jacob's kruiskruid is Senecio Jacobaea en genoemd naar St. Jacob omdat gezegd wordt dat het kruid groeit bij de kapel van St. Jacob in Spanje. Of dat het jacobskruid zo heet naar Jacobus, de zoon van Zebedeus, de oude man uit de bijbel. De Heilige Jacob werd in oorlogen aangeroepen, het kruid werd als wondkruid gebruikt. Bloeit in ieder geval met het feest van Jacobi, 25 juli. De herbi santi Jacobi, Duitse St. Jakobsblum, de Franse herbe de Jacob, fleur de Jacques. Het Latijnse woord Jacobus is gelijk aan modern James, in Engeland St. Jameswort.

Ook Cineraria maritima draagt zijn naam, het herderstasje heet in Engeland St. Jameswort, Capsella bursa-pastoris, Asphodelus luteus is de Franse baton de Jacob. Salix alba var vitellina is zijn hout, zijn ui Allium fistulosum, zijn druif is een soort die bij de Fransen Morillon hatif heet, een vroege tafeldruif, zijn lelie de Sprekelia formississima.

 

Uit www.ehbohuissen.nl

25 of 24 juli, H. Christoffel: ‘hij die Christus draagt’. (Christophorus, Cristoffel)

Deze heilige wordt op tal van plaatsen afgebeeld, soms met het onderschrift; “Christum sum ferens”, “Ik draag Christus”.

Er was eens een verbazend grote kerel met een lelijk, grimmig gezicht die Offero heette. Die zwoer niemand te dienen dan de machtigste vorst die op de wereld te vinden was. Na veel zoeken meende hij die gevonden te hebben en bood hem zijn diensten aan. Nu gebeurde het dat een reizend minstreel aan het hof kwam en een lied zong waarin telkens de naam van Lucifer gehoord werd, dan sloeg de vorst telkens een kruis. Dat kwam Offero vreemd voor en toen hij vernomen had dat de vorst dat deed om tegen satan beschermt te zijn maakte hij daaruit op dat satan de machtigste moest zijn. Hij hervatte zijn reis om de satan te dienen en vond die werkelijk en trad in zijn dienst. Maar nu merkte hij dat satan sidderde telkens als hij een kruis zag. Hij besloot dat er nog een machtiger iemand moest zijn dan satan die Christus heette. Zo ging hij weer op weg om die te zoeken. Een kluizenaar raadde hem aan om Christus te vinden dat hij lang moest vasten en bidden. Van vasten hield hij niet, hij was een echte slokop, en bidden had hij nooit geleerd. Dan, zei de kluizenaar moet je goede werken doen en wees hem de rivier aan, waar de reizigers bij de overtocht verdronken. Daar moest hij veerman worden.

Het is de palm die St. Christopher als staf gebruikte toen hij de zwakken en kleinen over de ruwe rivier droeg. Dit liefdewerk had hij reeds jaren gedaan toen hij eens op een nacht gewekt werd door een kind dat naar de overzijde wilde. Hij nam het kind op de schouder en stapte de rivier in. Naarmate hij verder ging klom het water al hoger en hoger, werd woester en woester, het kind op zijn schouders al zwaarder en zwaarder en zonk hij dieper en dieper, zodat zijn knieĎn knikten en met de grootste moeite de overkant kon bereiken. Als reus stond hij versteld dat een zo groot gewicht kon huizen in zo’n klein ventje. Het was Christus die tot hem zei: ‘Verbaas u niet, want met mij hebt gij de zonden van de gehele wereld gedragen’. Christus vroeg hem zijn staf in de grond te steken waar het zou bloeien als een voorteken van zijn diensten. Hij deed dat en de staf barstte in bloei en vrucht want het was een dadelboom. Zijn donkere geest werd verlicht en begreep dat hij geen gewone mens had overgedragen, knielde en aanbad de Heer, nam de naam aan van Christofero of Christusdrager, leefde en stierf met de geur van heiligheid en werd onder de Heiligen verzameld.

Hij was een martelaar uit vroegere tijd en waarschijnlijk onder Decius in 250 waar de legende aan verbonden is. Al in 425 wijdde bisschop Eulalius van Chalcedon een kerk aan hem en in 598 is er op SiciliĎ een monnikenklooster aan hem gewijd. De eerste in Duitsland is in 772 te Sindelhausen in Oberbayern. Frankrijk heeft kerken ter eren van St. Christophorus gesticht ten tijde van St. Remigius. Buiten Ravenna in ItaliĎ stond al een kerk van hem in 743. En al voor 743 was er een klooster van hem in SiciliĎ waar Gregorius de Grote gewag van maakt. En uit het leven van Theodorus Siciota, door Georgius beschreven, leren we dat Griekenland ook al een klooster en kerk van St. Christoffel heeft gehad in de zesde eeuw., hoewel er bij oude schrijvers niets van hem gevonden wordt.

In de Dom te Keulen, de Martinikerk te Emmerik, het Steen te Antwerpen en ’t Bisschoppelijk Museum te Utrecht is zijn beeld levensgroot te zien. In vele oude katholieke kerken komt hij voor.  Dan zie je vaak boven de westelijke ingang van zo’n kerk het beeld van Christoffel. Zie je Christoffel zal je die dag niets gebeuren en kan je niet dood gaan. Zie je hem niet, dan was je die dag ziek en kon je de kerk niet zien. Omdat je hem niet gezien had was de kans dat je die dag dood zou gaan vrij groot. ‘Christophore sante, H. Christophurus

Virtutes sunt tibi tantae. Uw deugden zijn zovele

Qui te mane videt. Dat hij die u ’s morgens ziet

Nocturno tempore ridest. ’s Avonds vrolijk zal zijn’.

In een van de legenden is sprake van gerechtstelling van Christophorus. Op zijn tocht naar de gerechtsplaats bad hij dat al diegene die hem aankeken en daarbij op God vertrouwden niets te lijden zouden hebben van aardbeving, onweer en brand. Daarom werd hij zoveel afgebeeld

Als beschermheilige tegen plotselinge dood werd hij vooral door de ridderstand vereerd. Dit is de reden voor de vele afbeeldingen van de heilige in en rondom kerken. De verering ging zo ver dat men zei: “Door U wordt helder weer verkregen, alle soorten van ziekten, de zwarte hongersnood en de pest verdreven, O Christophorus!”. Een blik op zijn beeld was ook een middel om bij zware arbeid niet vermoeid te worden, reden waarom de boeren hem lieten schilderen op een plank die ze bevestigden boven hun huisdeur. Christophorus videas postea tutus eas’, Zie Christopher aan, zo zult gij veilig gaan. Hierop zinspeelt Huygens in zijn sneldicht:

‘k Hoor van een soet krackeel; Boer Jaap wil St. Christoffel

Doen schilderen op een planck, niet langer als zijn schoffel

De schilder weet geen raed en toont hem waer ‘t schort

Boer Jaap seght: ‘t is geen nood, al valt de planck wat kort

Chrsitoffel kander op, men hoefse niet te langen

Soo ghij beenen naar beneden uyt laet hangen’.

Denk aan St. Christoffel, rij veilig, zie je op autoprentjes. De H. Christophorus is de beschermer van reizigers, nu ook van automobilisten. ‘Regarde St. Christophe et va-t-en rassure’. Ook gold hij als de patroon van de schatgravers omdat hij een verborgen schat over de stroom droeg.

Heeft hij bestaan? Hij is ondertussen wel uit de hemelse gelederen gestoten.

 

Thor en Wodan zijn de Christophori bij de Germanen. Het meest komt Thor de Christenheilige nabij waar hij Loki over de Wimoer (grote stroom) draagt. Thor was ook bruggen-god, de gouden of glazen brug die naar het dodenrijk voert, is de regenboog. De voorstelling van de christenmartelaar is samengevloeid met die van de dodendrager der heidenen. Christophorus is de gekerstende ‘veerman der afgestorvenen’. In de Griekse sagen is het Orion, nu eens de wilde jager, dan weer de waterreus. In de Indische sagen vinden we een Christophorus in de geboorteverhalen van de god Krishna.

De haan is gewijd aan St. Christopher en de oude god van de donder, Donar werden hanen tot dansen aangezet en dan geofferd. Donar draagt Oerwandil op zijn schouders over de rivieren net zoals de reus Christopher Christus draagt.

In Duitsland is de haan gewijd aan St. James wiens feest op 25 juli valt. Volgens de legende gaan een oude vader en moeder met hun zoon op pelgrimage naar Santiago de Compostella. Op de weg in een herberg te San Domingo de la Calzada wordt de dochter van de herbergier verliefd op de jonge man die weigert, het meisje neemt wraak door een zilveren plaat in zijn tas te doen waardoor hij gearresteerd wordt en als dief behandeld. De ouders gaan door naar hun tocht naar Santiago, St. James heeft medelijden met ze en wrocht een mirakel die ze alleen daarna herkende. Ze keerden terug en passeerden San Domingo en vonden hun zoon levend en wel die ze hadden zien kwijnen waarom ze een haan offerden om St. James te bedanken. Allen waren verbaasd. De prefect van de plaats dineert wanneer het nieuws hem gebracht wordt en weigert het te geloven en zegt dat de jonge man niet meer levend is dan de geroosterde vogel die hem voorgezet is en zo gauw als hij die woorden gezegd heeft begint de haan te kraaien, krijgt veren springt van de plaat en vliegt weg. De dochter van de herbergier wordt veroordeeld en ter ere van het gebeuren wordt de haan gewijd als een heilig dier en te San Domingo worden de huizen versierd met hanenveren. Een  zelfde wonder zou te Sigonio gebeurd zijn in de elfde eeuw, maar daar kwamen Christus en Sint Petrus. Zie ook het verband tussen St. Elias ( en de Russische held Ilya) wiens feest op 21 juli is als de zon het teken van de leeuw nadert, met Helios de Helleense zon.

 

Actaea is het echte Christoffelskruid die al in de middeleeuwen Christophoriana heette. Ook Vicia cracca, Osmunda regalis, Filago germanica, het Germaans roerkruid, Dianthus carthusianorum.

Zijn feestbloem is natuurlijk Actaea spicata, verder de gebaarde anjelier, Dianthus barbatus en de Jerichoroos, Anastacia hierochontica.

 

Uit www.pylgeralmanak.nl

25 juni, H. Wilhelmus (Guillelmus) de Monte Virgine (Saint William of Montevergine). Germaans wil: ‘willen’, het willen, streven, helm: ‘bedekker of beschermer’. Er zijn een 26 heiligen van die naam.

William van Vercelli is geboren in 1085 en overleed op 25 juni 1142 te San Salvatore di Goleto. Toen hij als wees in 1099 op bedevaart naar Santiago de Compostella trok, bond hij zijn lichaam in met ijzeren banden, om meer te lijden. Hij verbleef als kluizenaar op de Monte Solicoli. Hier gaf hij een blinde man zijn gezichtsvermogen terug. Nadien werd hij kluizenaar op de Monte Vergine. In 1818 kwamen de eerste volgelingen, die door zijn voorbeeldige levenswijze waren geraakt. Een jaar later besloot Wilhelmus een nieuwe congregatie van kluizenaars te stichten, geheel naar de regels van de Heilige Benedictus: de Congregatie van Monte Vergine,“Williamites” of Benedictijner Eremieten van Montevergine. In de jaren die volgden stichtte hij meerdere kloosters door geheel ItaliĎ waaronder San Salvatore di Goleto; waar ook een vrouwencongregatie kwam. 1785 werd hij door paus Pius VI heilig verklaard.

 

 

 

 

 

 

Uit www.ovlbasiliek-zwolle.org

25 juli, Thomas a Kempis, (Thomas van Kempen, Thomas Hemerken ("hamertje"); van Kempen)

Hij is geboren uit eenvoudige ouders in Kempen, nabij Krefeld, rond 1380. In 1395 werd hij naar de school in Deventer gestuurd die geleid werd door de Broeders des Gemenen Levens. Hij was lid van de spirituele beweging van de Moderne Devotie en een volgeling van Geert Grote en Floris Radewijnsz, de stichters van de Broeders des Gemenen Levens. Hij werd een vaardig kopiist en kon zo zichzelf onderhouden. Later trad hij toe tot de reguliere kanunniken in de priorij van de Sint-Agnietenberg bij Zwolle, waar zijn broer hem reeds was voorgegaan en prior was geworden. Hij werd tot priester gewijd in 1413 en werd subprior in 1429.

Thomas a Kempis behoorde tot de school van mystici die verspreid waren langs de Rijn van Zwitserland tot Straatsburg, Keulen en in de Nederlanden. Hij leidde een rustig leven, afgezien van de opschudding rond de weigering van de paus om Rudolf van Diepholt te erkennen die tot bisschop te Utrecht was verkozen. Hij verdeelde zijn tijd tussen devotie-oefeningen, schrijven en kopiĎren. Het schijnt dat de uitdrukking "met een boekje in een hoekje" (In omnibus requiem quaesivi et nusquam inveni nisi in angulo cum libro) van hem afkomstig is; in elk geval was deze zeker op hem van toepassing. Hij is overleden te Zwolle op 25 juli 1472. Op 11 november 1897 werd een monument voor hem onthuld in de MichaĎlkerk in Zwolle, in het bijzijn van de aartsbisschop van Utrecht.

Hij kopieerde de Bijbel zeker vier keer, waarvan één exemplaar in vijf delen bewaard is gebleven in Darmstadt. Zelf schreef hij talrijke werken, bijna alle in het Latijn. Zijn werken zijn alle devotioneel van karakter en omvatten traktaten, meditaties, brieven en preken. Onder zijn historische traktaten zijn Vita Lidewigis (over het leven van de heilige Liduina van Schiedam), Vita Gerardi Magni (Het leven van Geert Grote) en biografieĎn van Radewijnsz en negen andere broeders. Zijn bekendste en nog altijd beroemde werk is echter Over de navolging van Christus, (De Imitatione Christi), de verzamelnaam voor vier traktaten, waarvan het oudste dateert uit 1424. Het werk werd in 1471-1472 te Augsburg gedrukt en honderden keren herdrukt; het was na de Bijbel het meest verbreide boek van de late middeleeuwen. Vergelijkbare werken, en doortrokken van dezelfde geest, vormen zijn uitgebreide meditatie over het leven en de zegeningen van de Verlosser en een andere over de Incarnatie. Beide werken handelen over de verering van Christus.

Zijn gebeente bevond zich tot 2005 in een schrijn in de Sint-MichaĎls kerk in Zwolle. Omdat deze kerk echter in november van dat jaar gesloten werd, zijn ze met Pinksteren 2006 definitief overgebracht naar de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouwe-Tenhemelopneming in het centrum van de stad.

Hij wordt schrijvend afgebeeld met ganzenveer, ook als bisschop wat historisch niet correct is, maar werd ingevoerd op last van paus Paulus V.

 

Uit commons.wikimedia.org

 

25 juli, St. Joannes Agnus, (Johannes van het Lam of Jan Lam): Hebreeuws Johanan: ‘Jahweh is genadig’, een veel gebruikte Joodse naam.

Joannes, bijgenaamd Agnus (het lam) is een van de heiligen wier relieken zich in de Maastrichtse Sint Servaaskerk bevinden in de collectie heilige bisschoppen van Maastricht.

St. Jan, bijgenaamd het Lam, was een landbou­wer uit Tihange die in de 7de eeuw leefde. Op een dag ging hij rond zijn erf en ontmoette een pelgrim die hem zei dat de bisschopsstoel van Tongeren open was en dat God hem beval bisschop te zijn. Jan antwoordde dat hij ongeleerd was en niet geloven kon dat zulks de wil van God zou zijn net zo min als hij geloven kon dat zijn droge stok kon groeien en vruchten zou dragen. Hij stak de stok in de aarde en ziet, hij schoot wortels, bladeren en werd een appelboom en deze droeg appels die sindsdien St. Jansappelen heetten. Hij is gestorven in 646.

 

 

 

 

 

 

 

Uit nl.wikipedia.org

25 juli, Eginhardus en volgens Beda en Heda bisschop van Utrecht. (Egihardus. Einardus)

Eginhardus was eerst kapelaan, een schrijver dus of secretaris in die tijd,  van Karel de Grote, later eerste kanselier van keizers brieven geworden. Groeide op in het hof en was getrouwd met Emma of Imma, volgens sommigen de dochter van Karel. Dan de dood van de keizer werd hij geestelijke en leefde verscheidene jaren met zijn vrouw als een zuster. Toen Emma in 833 overleed zou hij bisschop van Trecht zijn geworden, dat zou Utrecht zijn. Andere noemen hem slechts abt als van Fontanelle van 816 tot 823 en al vanaf 819 abt van Gent in de St. Bavo’ s abdij. Ook in 829 abt van Metz, mogelijk ook abt te Utrecht. Is gestorven op 25 juli 843.

Hij heeft het leven van Karel de grote beschreven wat voor het eerst te Keulen in 1521 in het licht kwam.

 

 Jorishoutbloem is de sering.

Joris kruid of wortel is Valeriana.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/