25 maart, heiligen van de dag.

 

Uit www.caelenberg.info

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwieĎn, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

25 maart, O. L. Vrouwe Boodschap, Maria, Hebreeuws Mirjam, zuster van Mozes een Aaron, Num. 26:59. Er zijn wel een 60 verklaringen voor de naam.  De meest gebruikte is: ‘bitterheid’. Een van de oorzaken van de onzekerheid is de schrijfwijze, zonder klinkers. De Septuagint maakte er Mariam van, de gebruikelijke Griekse vorm. In de middeleeuwen werd deze naam vaak geassocieerd met Latijn mare: ‘de zee’, vandaar Stella Maris, ‘sterre der zee’ en dergelijke bijnamen. Verscheidene feestdagen zijn aan Maria, de moeder van Jezus, gewijd.’ Frans Marie, Engels Mary. Mutter Jesu, Beata Virgo, Unsre Liebe Frau, heilige Jungfrau, Frans Nortre Dame, Italiaans Beatissima Vergine of Madonna.

Er is geen miraculeus beeld, geen kerkje aan O. L. Vrouw gewijd, geen bedevaart of er is een legende aan verbonden.

Omdat men op 25 maart eigenlijk de menswording van Christus viert, begon men in de middeleeuwen met deze dag ook dikwijls het nieuwe jaar.

Vroeger werd er wel een mysteriespel gespeeld waarin de engel GabriĎl de hoofdrol speelde. Die kwam dan via een touw vanuit de zolder naar beneden.

GabriĎl, de hemelse bode had Maria verlaten nadat ze ingestemd had om de moeder van God te worden. Daar maakte ze zich op om naar Elisabeth te gaan. Een lange weg voerde door het gebergte van Juda. Door lachende velden, lieflijke wouden wandelde ze met haar Goddelijke Zoon. Overal waar haar voeten het gras raakten ontstonden op wonderbare wijze lieflijke bloempjes uit de aarde en vormden zo een bloemenweg. Madeliefjes waren het. Witte stralen omkransten het om de onschuld van de Maagd aan te duiden. Het gouden sterretje in het midden wees op het heilige vuur der liefde dar Maria's hart vervulde. Daarom heten madelieven ook Mariabloempjes.

Het nederige madeliefje is het symbool van onschuld en zuiverheid, daarom is het ook aan de H. Maagd Maria opgedragen. Maria is immers de altijd schone bloem (Bellis), de bloem van hemelse schoonheid, de bloem der bloemen die nooit verwelkt. De volbloemige madeliefjes, zo mooi rood en wit van kleur, zijn het symbool van de koningin der martelaren en het leliewit der maagden.

Toen de engel GabriĎl aan Maria zijn groeten overbracht weende ze zoete vreugdetranen. Elke traan werd een madeliefje. Dat maakte de duivel nijdig. Naast elk bloempje wierp hij een lelijke klauw en elke klauw werd tot knoflook, het stinkende kruid. Dat beviel het madeliefje niet en bestreed die plant met haar heerlijke geur en verdreef hem uit de velden.

In veel werken van Italiaanse meesters verschijnt een vaas die een tak witte lelies bevat, naast de Maagd. Maria, als symbool van reinheid, kreeg van de engel GabriĎl, die haar de geboorte meedeelde, de lelie, het symbool van onbevlekte ontvangenis: de annuncation lily. De staf van de engel der verkondiging was al in de Byzantijnse tijd met leliĎn gekroond. Daardoor omkranste men een Mariabeeld met MadonnaleliĎn, (ook rozen) Met de lelie onder de dorens werd door de kerkvaders Maria bedoeld en zo werd in de vroeg christelijke beschouwingen de lelie tot attribuut van Maria, het symbool van onschuld en mateloze reinheid. Sinds die tijd geld de lelie in de christelijke kunst voor alle voorstellingen die zich op de moedergod betrekken. Bij de verkondiging en dergelijke waar engelen haar bezingen houden ze leliĎn als kaarsen in de handen, waar de madonna met het kind op de schoot zit bloeien in de buurt zeker witte leliĎn. Maria wordt nooit met een lelie in de hand afgebeeld, maar die wordt wel als zinnebeeld bij haar geplaatst.

De lelie of de bloemen bij de ontvangenis zijn oorspronkelijk een aanduiding van het jaargetijde waarin deze gebeurtenis plaats greep, namelijk de lente. De rozen en leliĎn die in haar graf na de hemelopneming gevonden zijn zouden een beeld geven van de martelaren, engelen, belijders en maagden. Het motief komt onder andere in de werken van Rubens herhaalde malen voor.

Oorspronkelijk werden de gelaatstrekken van de heilige maagd ontleent aan die der oudste afbeeldingen van Christus, op grond van de overlevering dat Christus sterk op zijn moeder geleek. Veelal geeft men haar een ruime mantel, de mantel der liefde, waarmee ze de gelovigen bedekt. Ook wordt ze wel geplaatst op een halve maan of aardbol volgens Openbaringen XII.

Symbolen van Maria:

Maria, de hemelse lelie.

De onbevlekte, de aller zuiverste lelie.

Lelie, witter dan sneeuw, geuriger dan balsem, met maagdelijke luister overtogen.

Lelie, blinkend in het midden der doornen van de glans der reinheid en de luister des maagdoms.

Lelie, bekroond door de zilverwitte bloesem der kuisheid, innerlijk getooid met vurige goudgensterkens der liefde, alom de liefelijke geur verspreidend.

 

Maria’ s boodschap, onbevlekte ontvangenis zal altijd wel een twistpunt blijven.  Maar zie Maria eens als oermoeder, vruchtbaarheidsmoeder of godin waar alle leven voorkomt net zoals vruchtbaarheidsgodinnen in andere religies. Zo’ n moedergodin helpt en is een steun voor vrouwen, want iedereen begrijpt dat een meisje lichamelijk veel verandert en vooral als ze kinderen krijgt en zo weer met de menopauze. Maar ook geestelijk verandert ze veel want een schuchter meisje zal een leeuwin worden met haar 40ste als ze kinderen heeft. Dan is het goed als ze iets hebben om op te steunen. Kijk maar in Afrika, daar werken de vrouwen omdat ze verantwoordelijk zijn voor iets, hun kinderen.  Hoewel ik een man ben zou ik een vrouw willen wezen want ze leven voor iets, laten iets na.

 

 

Als Maria’s Boodschap schoon en helder is voor zonsopgang, komt er een vruchtbaar jaar.

 

Uit lalumierededieu.ekablog.com

25 maart H. Humbert van Maroilles (Humbertus, Chronebertus, Huntbertus): Germaans, wat in verband gebracht kan worden met oud-Noors hunn: ‘jonge beer’, Angelsaksisch hun: ‘dierenjong’, resp. hun: ‘bruin, van donkere gelaatskleur’, of in verband met de volksstam de Hunnen, bert: ‘glanzend, stralend of schitterend’.

Hij is rond 605 geboren te Meziers sur Oise uit een Frankisch geslacht, werd monnik en priester te Laon en ging samen met H. Amandus van Gent en Nicasius op bedevaart naar Rome. tijdens de reis werd zijn paard gedood door een beer die hij daarna dwong zijn bagage te dragen, zie voor zo’n verhaal ook H. Corbianus en H. Romedius. Humbert werd abt van Maroiles dat hij gesticht zou hebben en volgens een latere legende ook bisschop, is op 25 maart 680 overleden. De Bollandisten rekenen hem als stichter van het benedictijner abdij van Marilles, op andere plaatsen wordt hij ook als bisschop aangesproken. De schenking van de villa Macericeres aan zijn klooster in 675 is geloofwaardig gedocumenteerd. Zijn cultus werd in de achtste eeuw in Frankrijk verspreid.

Hij wordt met een beer die zijn bagage dragen afgebeeld en met een kruis op het voorhoofd dat een engel hem gegeven zou hebben toen hij in Rome in een kerk zat te bidden wat zijn hele leven zichtbaar bleef, in het zwarte kleed van de benedictijnen. Soms zie je hem ook met een hert dat hij redde tijdens een jacht van de jachthonden. Ook wel met een bron die hij liet ontstaan zodat de H. Aldegonda haar dorst kon lessen toen ze bij hem op bezoek was.

 

25 maart, H. Herblard die op 25 maart 720 stierf. Een legende verhaalt dat de rupsen, die van de bomen op zijn open boek vielen, welriekende bloemen werden.

 

Uit www.pelagius-rottweil.de

25 maart, H. Pelagius: Grieks pelagos: ‘zee’ = Latijn pelagus ‘(hoge) zee’, Grieks pelagios: ‘tot de zee behorend’.

Pelagius, bisschop van Laodicea in SyriĎ. Strijder tegen het Arianisme. Door keizer Valens is hij naar ArabiĎ verbannen en overleden in 381.

 

Pelagianen, in feite gaat het hier om een verzamelnaam van diverse categorieĎn christenen, die de vrijheid van de menselijke wil beschouwden als een noodzakelijke voorwaarde voor het ontvangen van Gods genade. Zij behoorden tot een omstreden beweging in de kerk. Vanaf 410 hield de discussie hierover het christelijke westen twintig jaar lang bezig.
De naam is afgeleid van Pelagius (geboren omstreeks 354 en te Rome gedoopt rond 382), een asceet die leerde dat de mens door een deugdzaam leven van goede werken zich waardig maakt voor zijn eindbestemming. Deze visie vond bijval in de hogere kringen te Rome en in sommige monniken- en ascetenmilieus. De latere, kerkelijke visie op de pelagianen werd vooral bepaald vanuit Augustinus' geschriften - al dan niet correct geēnterpreteerd. Dit had een negatieve invloed op de geschiedschrijving van zowel de pelagiaanse als de augustijnse visie. Die leidde ertoe dat men Augustinus een visie op de mens in de schoenen schoof, die eigenlijk de visie van anderen na hem was.

 

Uit tallseminarian.blogspot.com

25 of 23 maart H. Dismas (Dimas).de zogenaamde goede moordenaar die met Jezus gekruisigd is rond 33 na Chr..

De vier evangelisten vertellen allen hoe Jezus werd gekruisigd tussen twee misdadigers. Maar Lukas is de enige die de volgende anekdote toevoegt (23:39-43):Ook één van de misdadigers die daar hingen hoonden Hem: 'Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons.' Maar de andere strafte hem af en zei: 'Heb jij zelfs geen vrees voor God nu je hetzelfde lot ondergaat? En wij terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.' Daarop zei hij tot Jezus: 'Denk aan mij, wanneer U in uw koninkrijk gekomen bent.' En Jezus sprak tot hem: 'Voorwaar Ik zeg u, vandaag nog zult u met mij zijn in het paradijs.'

In de eeuwen sindsdien hebben de legendes zich meester gemaakt van deze zogeheten 'goede rover' of 'goede moordenaar'.

Hij duikt al op in een legende die vertelt over de lotgevallen van Jozef, Maria en het Kind Jezus tijdens hun vlucht naar Egypte.

[Het zogeheten 'Arabische Evangelie van de Jeugd van de Verlosser' vertelt in het 23e hoofdstuk:]

"Maar terwijl zij onderweg waren, zagen zij ineens twee rovers langs de weg liggen slapen, en in hun gezelschap nog een hele bende trawanten, allemaal in slaap. Die twee rovers waarop zij gestoten waren, heetten Titus en Dumachus. Titus zei tot Dumachus: 'Ik smeek je deze mensen vrije doortocht te verlenen, zodat ze onopgemerkt door onze makkers, verder kunnen gaan.' Maar Dumachus weigerde daaraan medewerking te verlenen. Daarop zei Titus: 'Hier, ik geef je veertig drachmen zwijggeld.' Met het geld reikte hij hem ook zijn gordelriem aan waarmee hij bekleed was; allemaal met de bedoeling dat zijn kornuit zijn mond niet open zou doen.

Vrouwe Maria zag hoe deze rover hun een weldaad bewees, en zij sprak tot hem: 'De Heer onze God zal u met zijn rechterhand ondersteunen, en u vergiffenis van zonden schenken.' Maar toen kwam het kind Jezus tussenbeide: 'Moeder, over dertig jaar zullen de JudeeĎrs mij kruisigen in Jeruzalem. En deze twee rovers zullen tegelijk met mij opgeheven worden aan een kruis: Titus aan mijn rechterhand en Dumachus aan mijn linker. Die dag zal Titus mij voorgaan in het paradijs.' Maria antwoordde geschrokken: 'Moge God dit onheil van je afwenden, mijn kind.'"

Daarna valt het stil rondom de goede en de slechte rover. We horen weer over hen in twee andere legendes die rond Jezus' dood en opstanding worden verteld.

Eeuwenlang werd Dismas als voorbeeld gebruikt om ketters en zondaars tot inkeer te brengen. Meestal wordt hij met Christus en de slechte moordenaar afgebeeld. Hij onderscheidt zich van de slechte moordenaar, Gestas, doordat zijn gezicht naar Jezus gekeerd is en Gestas die afwendt. Boven zijn hoofd zie je wel een naamplaatje; Dismas Latro; Latijn voor boef. Beneden aan het kruis staat een slang, de duivel. Op een spreukband of boven zijn hoofd staat; Hodie mecum eris in paradiso; Vandaag zal je met mij in het paradijs zijn.

Patroonheilige van begrafenisondernemers, dieven en ter dood veroordeelden.

 

[Wat nu dus volgt, zijn legendes uit de eerste vijf zes eeuwen van onze jaartelling. Ze weerspiegelen de volkse vroomheid, het verlangen om méér te weten te komen dan de evangelies vertellen, en ook een mentaliteit die nogal gebeten is op de Joodse godsdienst].

"Terwijl de slechte rover reizigers doodde en ze van hun geld en goed beroofde, ging de goede slechts stelen om de buit onder de armen te verdelen. Hij werd gearresteerd toen hij de Joden had weten te beroven van hun Heilige Wet. Judas was twee jaar lang Jezus' leerling geweest met de bedoeling Hem te kunnen aanbrengen; daar ontving hij een hoog dagloon voor. Nu fluisterde hij de Joodse overheden in om de rovers hun verdiende straf te geven, maar in het openbaar Jézus van de Wetsroof te beschuldigen. Zo geschiedde. De Joodse overheden maakten aan het volk duidelijk, dat de Wet gered zou worden als Jezus ten onder zou gaan. Hij werd dus gearresteerd en tegelijk met de beide rovers gekruisigd: Gestas, de slechte moordenaar links van Hem en Dismas, die goede, rechts. Die van links begon Jezus te beschimpen. "Als je nou was wat je pretendeerde, dan kon je niet alleen jezelf, maar ook ons bevrijden... Maar nee, mooie Zoon van God ben jij: laat zich als het een wild beest afslachten."

Maar die aan zijn rechterhand zei: 'Heer, ik zie hoe mijn kameraad in de handen van de duivel is gevallen. Bespaar mij een dergelijk lot. En als ik in de onderwereld afdaal, laat mij dan ook niet naar de Joodse afdeling gaan, want ik zie hoe daar de Aartsvaders en Mozes in droefheid zijn, terwijl de duivel zich vrolijk over hen maakt. Daarom, Heer, vergeef mij mijn zonden, en gedenk mij, als u straks als koning in uw koninkrijk zult recht spreken over de twaalf stammen van IsraĎl.'

Daarop zei Jezus tot hem: 'Demas, vandaag nog zul je met mij zijn in het paradijs. Ga heen, en laat de engel die vanaf de zondeval met een vlammend zwaard de poort van het paradijs bewaakt, deze brief zien waarin geschreven staat: "Ik, Jezus Christus, Zoon van God, voor alle tijden geboren uit de Vader enz., Ik wil en beveel dat degene die met mij gekruisigd is, binnengelaten wordt; dat hij om mijnentwil vergiffenis van zonden verkrijgt; dat hij bekleed wordt met een onsterfelijk lichaam en zijn plaats inneemt in het paradijs."

Nu vertelt De Legende van de Nederdaling te Helle, hoe een sjofele man, die een kruis op zijn schouders droeg, bij de poort van het paradijs aankwam. Tot hem spraken de heilige vaderen: "Wie bent u? U ziet eruit als een rover. En wat is dat voor een kruis dat u draagt?" Dismas vertelt wat er tijdens de kruisiging is voorgevallen en besluit: "... Zo ben ik, mijn kruis dragend naar het paradijs gekomen; en toen ik de aartsengel MichaĎl gevonden had, heb ik hem Jezus' boodschap overgebracht."

 

Nu gaat het verhaal van Jozef van Arimathea weer voort:

"Nadat Jezus uit de doden was opgestaan, verscheen hij aan zijn leerlingen. Zo verscheen Hij ook aan de verteller van deze legende, met in zijn gezelschap de H. Dismas. Deze had een brief voor Jezus bij zich, die geschreven was door de engel die met het vlammend zwaard de wacht hield bij de poort van het paradijs. Jezus ging er rustig voor zitten om de brief te lezen: 'Toen wij de wonden zagen welke de spijkers hadden gemaakt in de handen van degene die met u gekruisigd is geworden, en de glans herkenden die van uw handschrift afstraalde, zijn de vlammen van het zwaard gedoofd. Wij schrokken er hevig van en begrepen dat U was nedergedaald ter helle om de eerste der mensen, Adam, bij de hand te nemen en te verlossen van de banden des doods. En vervuld van ontzag hieven wij de lofzang aan 'Heilig, Heilig, Heilig de Heer...'"

De schrijver van de legende vertelt nu hoe hij zag dat Jezus die eerste dagen na zijn opstanding overal rondtrok en geen van zijn leerlingen bij zich had dan alleen Dismas in zulk een verheerlijkte gestalte dat hij wel merkbaar, maar niet zichtbaar was voor de leerlingen die zij op hun tocht ontmoetten. Vooral de geur van het paradijs gaf te kennen dat hij zich in Jezus' gezelschap bevond. Het was de apostel Johannes tenslotte die ronduit vroeg de H. Dismas te mogen aanschouwen. Hij kreeg de rover te zien, niet in de gestalte zoals men hem kende van vroeger, maar hij was als een koning met grote macht, bekleed met het kruis.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/