31 oktober, heiligen van de dag.

 

Uit www.catholicculture.org

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwieĎn, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

31 oktober, H. Notburga (Keulen): Germaans, in de betekenis van nood, moeilijkheden in de strijd of uit oud-Hoogduits hnot(on) ‘het slingeren (van de speer)’, of nod: ‘dapper’. Het tweede deel, burg: ‘burcht of bescherming’. Een typisch Duits-Oostenrijkse heiligennaam.

Notburga was een nicht van St. Plectrudis die in Keulen het kanonissenstift Sankt Maria im Kapitol gesticht had. Daar trad Norburga in en leefde een heilig leven tot haar dood in hetzelfde klooster. Ze is geboren in de 7de eeuw en gestorven rond 700 te Keulen. Wegens haar voorbeeldig leven werd ze heilig verklaard. Haar graf in de Peter en Paul kerk trok steeds meer gelovigen zodat de kerk naar haar genoemd werd. 

Ze wordt afgebeeld als edelvrouw of non met brandende kaarsen voor een dodenbaar.

 

 

 

Uit www.zazzle.com

31 oktober, H. Quintijn (Quintinus van Saint Quentin, Kwinten, Quintin, Kwinten) Latijn quintus: quinctus: ‘vijfde’. Oorspronkelijk wel de naam van een Italiaanse stam, de Quinctii of Quintii, naar Rome overgebracht door Tullus Hostilis. Hij was volgens de sage derde koning van Rome die hoopte dat ze door hun eenvoudig leven een tegenwicht zouden vormen tegen de weeldezucht van zijn onderdanen.

Quentin is geboren in het midden van de 3de eeuw in Rome als zoon van een senator. Hij gaf zijn schitterende toekomst en  bekeerde zich tot het christendom en preekte later het evangelie in N. GalliĎ. Hij ging samen met H. Lucianus van Beauvais en vestigde zich in de buurt van Amiens. In het huidige Saint Quintin werd hij door Rictiovaris, prefect van Diocletianus en Maximianus, gevangen genomen en gruwelijk gemarteld. Hij werd gegeseld, gefolterd, overgoten met kokende pek en olie, met ijzeren pinnen doorboord, met fakkels in brand gestoken en tenslotte onthoofd te Augusta Viromandorum, nu bekend als Saint. Quentin. Zijn lichaam werd in de Somme geworpen waar zijn hoofd gevonden zou zijn in het begin van juli. Zijn verering breidde zich uit over Frankrijk en BelgiĎ.

Hij wordt afgebeeld als jonge martelaar in voorname kleding, ook wel als Romeins soldaat, in de hand houdt hij een martelaarspalm en in de andere een kruisbeeld, soms een boek of braadspies. In beide schouders zitten ijzeren spijkers, of met kettingen aan handen en voeten of vastgespijkerd op een stoel.

St. Quentijn werd vroeger algemeen door de kooplieden van de stad uitgehangen. Hij wordt aangeroepen tegen waterzucht, hoofdpijn, reuma, maagkwalen, schutspatroon van artsen, slotenmakers en lastdragers.

 

Uit commons.wikimedia.org

7 / 31 oktober, H. Wolfgang: Germaans wolf: ‘wolf’, gang; ‘gang’, met betrekking tot het wijze van gaan, het ‘ten strijde, in de aanval gaan’.(als een wolf in dit geval)

Wolfgang is geboren ca. 924 in Reutlingen te Schwaben. Als 7jarige kwam hij al in de kloosterschool te Reichenau en kon toen al rekenen, lezen en schrijven. Bij de monniken van het klooster had hij de beste leraars ter wereld van die tijd. Hij was zeer leergierig evenals bij muziek en spel maar dacht er niet aan priester te worden. Hij sloot vriendschap met zijn medestudent Heinrich von Babenberg en volgde die naar de stiftsschool te Würzburg bij de beroemde grammaticer Stefan von Novara. De scholier had al gauw zijn leraar aan wetenschap ingehaald. Stefan was daar niet blij mee en verbood de jongens het schoolbezoek. Toen Heinrich, de zoon van de hertog, bisschop van Trier werd verhief hij zijn vriend tot leider van de domschool. Hij had geen priesterwijding ontvangen, maar leefde naar de regels van de H. Benedictus. Hier kreeg hij vanwege zijn strenge vroomheid vele vijanden. Stervend stelde Heinrich zijn vriend onder keizerlijke bescherming en Bruno, aartsbisschop van Keulen en broer van Otto 1, haalde hem naar zich toe om hem een bisdom aan te bieden. Hij sloeg dit af en besloot als novice in het klooster te treden, hij wilde monnik worden. In 965 trad hij in het klooster Einsiedeln waar hij de priesterwijding ontving. Hij, de geweldige pedagoog en beroemd geleerde, daar vertrouwde de abt de leiding van de kloosterschool toe. Het instituut werd snel beroemd. Zelfs bisschop Ulrich von Augsburg kwam geregeld om zijn onderricht bij te wonen. Die was het ook wel die hem voor de missie vroeg. In 971/2 ging hij als missionaris naar Hongarije. Maar voor hij in het land kwam ontving hij een brief van bisschop Pilgrim van Passau. Die was bang dat hem daar iets zou overkomen. Die was het ook die in 972 de keizer vroeg hem het verwaarloosde bisdom Regensburg te geven. Met gejuich werd hij daar ontvangen. Er was veel wanorde in zijn diocees maar hij zette binnen de kortste keren alles weer op poten. Hij was een reisbisschop geworden en vele pastoors kregen hem onverwachts op bezoek. Overal dook hij op, loste op, handelde en gaf raad. Het volk stroomde naar zijn preken en velen die als nieuwsgierigen waren gekomen verlieten het als bekeerden. Maar midden in zijn opbouw werd dit verstoord door een broedertwist. Otto 1 was gestorven en hertog Heinrich II van Bayern (Hendrik II de Twister) belaagde Otto III die keizer werd. Hij stond aan de kant van de keizer. Om zijn stad voor de rebellen te sparen verliet hij de stad, ook om zelf niet in handen van de hertog te vallen en wandelde onbekend in de buurt van Abersees. Hier bouwde hij met behulp van lekenbroeder een kleine kapel. Het volk kwam in scharen opdagen zodat hij bang werd dat zijn schuilplaats verraden zou worden en zocht een nieuwe schuilplaats.

Toen de keizer Regensburg veroverd had kreeg hij van een jager bericht waar hij zich op hield en riep hem terug. Voor hij de orde in zijn bisdom herstellen kon moest hij als rijksvorst zijn heer op een oorlog tegen Lothar van Frankrijk begeleiden. Na de zegerijke terugkeer kwam de keizerlijke strijdmacht aan de Aisne. Het water was hoog en er was gevaar dat de vijand die situatie zou gebruiken en de Duitse Heer overvallen. Dan reed Wolfgang beheerst in de golven en gaf de rest moed hem te volgen. Ze bereikten allen de andere oever. In 994 is hij op de reis naar Pochlarn in Pupping gestorven. Zijn gebeente ligt in de crypte van de dom te Regensburg. Hij is in 1052 heilig gesproken.

Hij wordt afgebeeld als Benedictijn, meestal als bisschop. Zijn persoonlijk attributen zijn de bijl en het kerkmodel, de bijl soms wel in het kerkmodel, naar de volgende legende, daarom zie je ook vaak een wolf bij hem staan. De houtvellers hebben hem als schutspatroon, ook de timmerlui en schavers. Hij wordt aangeroepen bij jicht, maagpijnen en in tijden van wolvenplagen.

Hij wordt vooral vereerd aan de Midden-Rijn, in Beieren en Tirol.

De H. Wolfgang kwam eens tussen Ischl en Salzburg, bij Falkenstein, en wilde daar een kerk bouwen. Hij gooide zijn bijl in de lucht en waar die na drie-vierde uur neerkwam zou de plaats zijn. Dat was de plaats die nu bekend is als Sankt Wolfgang. Omdat hij niet in staat was die alleen te bouwen nam hij het aanbod van de duivel aan. Die zou het alleen doen mits de eerste ziel die de kerk binnenging, voor hem was. Wolfgang bad dagelijks dat dit lot geen mens zou treffen. Toen de kerk klaar was stapte er een wolf (hert) die op een stok steunde en op zijn achterste poten liep binnen. De duivel pakte die beet en voer met het beest door het dak heen weg.  Het gat dat daardoor veroorzaakt werd is er nog en kan niet gedicht worden. Achter de kerk wijst men de plek aan waar de heilige de bijl met zoveel kracht heen geslingerd had dat zijn voeten in de rots drukten. De kerk werd een bedevaartplaats. In rots gebouwd kan men er niet anders dan gebukt in komen waarbij het zonderlinge voorkomt dat iedereen, dun of dik, lang of kort dezelfde druk ondervindt. Binnen gekomen kruipen de bedevaartgangers, meest allen lijders aan gevolgen van houwen of stoten, driemaal om het altaar. Ze kopen een klein bijltje dat ze aan hun rozenkrans hangen. Vele vragen bij het weggaan bij de Falkenstein op zeker punt: “Heilige vader Wolfgang, kom ik terug, zeg dan ja”. Namens de heilige zegt de echo “Ja, ja”. Hij leefde hier een drie jaar.

 

Uit communio.stblogs.org

31 oktober, Alfonsus Rodríguez (Alonso).

Hij is geboren in de Spaanse stad Segovia rond 1532. Hij heeft enige tijd aan het jezuēetencollege van Alcalá gestudeerd. Maar toen zijn vader stierf werd hij naar huis teruggeroepen om diens stoffenhandel over te nemen. In 1557 trouwde hij. Het echtpaar kreeg twee zoons en een dochter. Eerst ging zijn bedrijf failliet en vervolgens kwamen kort na elkaar zijn dochtertje, zijn vrouw, zijn twee jongens en zijn moeder te overlijden. Toen had hij alleen nog zijn geloof om zich aan vast te klampen. Hij was achtendertig jaar en net als Sint Paulus destijds stelde hij de vraag: 'Heer wat wilt Gij dat ik doe?' Op 31 januari 1571 trad hij te Valencia in bij de jezuēeten als lekenbroeder. Hij werd gezonden naar het college Montesion te Palma de Mallorca. Hij arriveerde er op 10 augustus van hetzelfde jaar en zou ruim vijfenveertig jaar onafgebroken de functie van broederportier vervullen in het college Monte Sion en was de geestelijke leidsman van Petrus Claver.

Hij was een man van gebed, grote eenvoud en diepe vroomheid. Velen kwamen hem opzoeken om goede raad van hem te ontvangen. Als voormalig handelsman wist hij te vertellen dat er in de Nieuwe Wereld vreselijke dingen gebeurden. Vanuit Afrika werden door Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen negers naar Zuid-Amerika overgebracht, om daar voor goudgeld op de markt verkocht te worden. Ze werden in de goud- en zilvermijnen te werk gesteld en stierven als ratten. "Het goud en zilver waar onze kerken en paleizen mee zijn versierd, kost duizenden mensenlevens, en er schijnt niemand te zijn die zich om die arme mensen bekommert", zo besloot broeder Alfonso. Van dat ogenblik af, stond het voor Petrus Claver vast dat hij daar naartoe wilde en zou uitgroeien tot de Apostel van de negerslaven.

Hij is overleden daar in 1617 en werd in 1888 door paus Leo XIII heilig verklaard.

Hij wordt afgebeeld met het ordegewaad van de jezuēeten, kalend hoofd en korte grijze baard. Aan zijn gordel hangen de sleutels als zijn taak als portier. Op afbeeldingen ziet men hem altijd in gebed, vaak met een rozenkrans. Ook met afbeeldingen van Maria als verwijzing naar een visioen.

 

Zijn feestdagbloem is de verheven Aralia elata.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/