4 mei, heiligen van de dag.

 

Uit catholic-mon.blogspot.com

 

Klik hier voor inleiding heiligen met relikwieĎn, biecht, aflaat, chrisma, era of tijdsbepaling, weerspreuken, bloemen.

 

4 mei, 27 augustus, H. Monica: Grieks monos: ‘alleen’, resp. Latijn monere: ‘vermanen(?)’, waarschijnlijk van Afrikaanse (Carthago) oorsprong (of 6 mei?)

Monica is de moeder van Augustinus. Ze is geboren in 332 te Tagaste in N. Afrika uit christelijke ouders. Ze huwde op haar 18de met de heiden Patricius. Die was onbestendig, ontrouw en toornig. Monica moest meermalen zijn smakeloosheden en mishandelingen verdragen. Ze wist echter dat ze een vertoornde niet tegemoet moest treden, niet in woorden, niet in daden. Was hij uitgewoed en rustig geworden dan rechtvaardigde ze zich. Er waren vele vrouwen die de mishandelingen van hun mannen in het gezicht mee droegen ‘en als die bij mijn moeder klaagden dan verzachtte Monica hun gemoed’, weet Augustinus te verhalen. Zij zei vaak tegen andere vrouwen die slechte huwelijken hadden: "Als je je tong in bedwang kunt houden, wordt niet alleen de kans om geslagen te worden minder, maar kan je misschien uiteindelijk je man verbeteren." Ze schenkt hem drie kinderen, twee zonen en een dochter. Haar bijzondere liefde gold de zoon Augustinus. De kinderen werden door de moeder in christelijke zin opgevoed en, met een blik op de heidense vader, niet gedoopt. Uiteindelijk lukte het haar om haar schoonmoeder voor zich te winnen en zelf de agressie van haar man te kalmeren en hem zelfs te bekeren tot het christendom. In de school ontwikkelde Augustinus rijke geestesgaven die een goede loopbaan voorspelde. De heetbloedige zoon zou haar vele bittere uren bezorgen. Al op de lagere school ondervond ze dat. Tijdens zijn studietijd op het gymnasium in Madaura en de hoge school van Carthago ontgleed hij haar dan volledig. Monica moest het aanzien dat de zoon zelfs in het godshuis erop bedacht was de opmerkzaamheid van de meisjes te bewerkstelligen. Hij werd het bidden en bezweren van zijn moeder al gauw te veel. Hij deed het af met ‘wijvengeklets’ maar het trof hem toch diep dat ze hem het huis verbood toen hij zich tot een verkeerde leer bekeerde. Zelfs de bekering van haar man kon haar niet troosten en de woorden van de bisschop: ‘het is onmogelijk dat een zoon, waar zo veel tranen om gestort worden, voor altijd verloren is’, mocht haar maar een beetje opgebeurd hebben. Augustinus leefde met zijn maĒtresse en was aanhanger van het Manecheisme. Augustinus sprak na een verzoening de wens uit om naar Rome te reizen en Monica was vast besloten hem daarheen te begeleiden. Ze wilde bij hem zijn in de stad die zovele verzoekingen in zich borg. Tegen de tijd dat ze vertrekken zou en aan de haven kwam was Augustinus al vertrokken, gevlogen voor de hem ondraaglijke schijnende aanmerkingen van zijn moeder. Maar Monica wist hem te vinden en volgde hem dan naar Milaan waar vrienden hem een goede baan verschaften. Hier leefde de heilige bisschop en grote kerkredenaar Ambrosius. Aan zijn voeten zat Monica dagelijks in de kerk, hoorde zijn preken en stortte haar hart uit. Ook Augustinus kwam om hem te horen. Maar die wilde geen geestelijke onderwijzing, hij kwam alleen maar om zijn redenaarstechniek te bestuderen. Eindelijk, na jaren strijd en zonde vond Augustinus het geloof van zijn moeder. Het was voor haar alsof haar zoon voor de tweede maal was geboren. Op 28-jarige leeftijd kwam Augustinus tot inkeer en werd overtuigd christen, zoals te lezen is in zijn bekentenissen en in tal van andere werken. In de paasnacht van 387 doopte Ambrosius Augustinus en zijn vrienden. Van nu af aan wilde de bekeerde in zijn thuisland een leven van vrome arbeid voeren. Per schip vertrok de schare, Monica in het midden, over Pisa en Ostia naar N. Afrika. Hier zou Augustinus de priesterwijding ontvangen. Een zeldzame helderheid kwam over Monica en alles wat ze op de weg zag nam ze intensiever op dan vroeger. In Ostia zei ze tegen haar zoon, ‘waarom ben ik nu nog hier als mijn hoop in deze wereld zijn doel bereikt heeft?’ Vijf dagen later kreeg ze koorts en stierf de negende dag. Aan het strand van Ostia werd ze begraven in 387. Augustinus vervulde de wens die zijn moeder uitgesproken had: ‘ik bid je, waar je ook mag zijn, gedenk me aan het altaar’.

Onder Martinus V werd haar stoffelijk overschot naar Rome gebracht.

Ze wordt afgebeeld als weduwe in zwart kleed met sluier, huilend of lezend in een boek met op de achtergrond de letters IHS. In de hand heeft ze soms een gordel die ze van Maria gekregen zou hebben of een zakdoek naar het verdriet dat H. Augustinus haar berokkend zou hebben.  Soms zie je haar met een schild met een stralende zon erop dat ze eens droomde dat haar zoon licht in de wereld zou brengen. Zij is de beschermheilige van vrouwen en moeders en van slachtoffers van huiselijk geweld.

 

Uit www.jiscmail.ac.uk

4 mei H. Blandinus, Frans Blandin, Bason: Latijn blandus, ‘vleiend, lief of vriendelijk’.

Sint Salaberga was tweemaal getrouwd, de eerste man stierf na 2 maanden, vervolgens met de edelman St. Blandinus, graaf te Meaux en raadgever van koning Dagobert, waarvan ze vijf kinderen kreeg, twee ervan werden heilig, St. Baldwin (Baudoin) en St. Anstrude, haar broer was St. Bodo. Na enige jaren besloten ze in gezamenlijk overleg hun leven te veranderen. Hij werd een kluizenaar te Sadalberga en zij ging naar een nonnenklooster te Poulangey.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit thewidowsweeds.blogspot.com

4 mei, H. Florianus van Lorch: variant van Florentius, Latijn florens: ‘bloeiend of bekoorlijk in aanzien’. Respectievelijk Flora, godin van de bloemen en de lente. Eind april had men het feest Floralia. Flora was oorspronkelijk het Sabijnse equivalent van Ceres. Ze was meer dan de godin van de bloemen, haar naam bezit de gehele betekenis van de Indo-Germaanse wortel bhle / bhlo: bloeien.  Lorch; larik.

Kort voor de geboorte van Christus hadden de Romeinen het Alpenland veroverd. Meer dan 500 jaar heerste hier hun geest en wapens. Het land was met grote straten doortrokken en overal verstond men het Latijn. Deze beide zaken bevorderden het christendom. Vooral in de provincie Noricum, het gebied tussen Inn en Wienerwald, daar horen we al gauw van een christelijke gemeente.

In de derde eeuw werd in Cetium bij een gelovig ouderpaar een zoon geboren die met de doop de naam van Florian ontving. De knaap groeide op in vroomheid en gelovigheid en de Heer had schik in hem. Eenmaal kwam Florian, een kind nog, voorbij een brandend huis. Vol ijver hielp hij bij het reddingswerk van de volwassenen door in zijn kleine emmer vlijtig water in de vlammen te storten. Al gauw verspreidde zich de roep dat het vuur verminderd was doordat de kleine bij het blussen geholpen zou hebben. De christenen schreven dit wonder aan zijn vroomheid toe, vele heidenen lieten zich overtuigen dat hier een Sterke naast de Zwakke gestaan had. De opgroeiende Florian trad in Romeinse dienst. Hij werd eerst soldaat. In de omgeving van het huidige St. Polten was hij al een soort aanvoerder. In die tijd regeerde in Lauriacum Aquilinus als stadhouder van Noricum. In 303 brak er weer een christenvervolging uit en Aquilinus wilde zijn trouw bewijzen. Hij vond 40 heimelijke aanhangers van de gehate leer en liet ze gevangen nemen. Mogelijk waren onder die mensen die zijn legioenkameraden, hij wou ze niet in de steek laten. De gedachte leek hem ondraaglijk dat zij sterven moesten terwijl hij, die zelf dagelijks zulke ‘vergrijpen’ begaan had als zij, mogelijk straffeloos voorbij ging. Zijn lot zou hen mogelijk sterken. Florian bekende in Lauriacum (Lorch) openlijk zijn geloof. Het duurde dan ook niet lang of hij werd gegrepen en voor de stadhouder gebracht. De rechter stelde hem voor om Christus openlijk af te zweren en aan de Goden te offeren. Dan zouden de andere gevangenen zeker zijn voorbeeld volgen en zou hij zijn eigen maar ook hun leven kunnen redden. Maar hij volhardde. Niet zijn leven maar zijn ziel had hij aan God gegeven en deze trouw wilde hij niet breken. Hij bleef dan ook zijn geloof trouw als de folterknecht zijn schouder doorstak. Daarop sprak de rechter het oordeel, Florian zou met een molensteen in de Enns geworpen worden. Dit werd gelijk voltrokken. De soldaat echter die hem de stoot in de vloed gaf werd ter plaatse met blindheid geslagen.

God hield van zijn martelaars. Golven droegen de dode op de klippen. Een adelaar zweefde daarboven en beschutte het lichaam met zijn vleugels net zolang totdat Florians vrome weduwe Valeria verscheen en haar getoond had waar ze het lichaam kon vinden. De godsdienstige vrouw verborg hem eerst onder beukenloof en kwam daarna met haar ossenwagen om het lichaam naar een andere plaats te brengen. Ze wist dat ze hiermee haar eigen leven in gevaar bracht, maar betrachtte het werk der barmhartigheid, de dode zou een waardige rustplaats hebben. God zelf zou de plaats bepalen waar ze het graf zou moeten maken. Valeria liet haar dieren lopen. Plotseling bleven ze staan en waren niet meer te bewegen om verder te gaan. Dan wist ze dat de heilige zijn rustplaats gevonden had. Al gauw verscheen boven het graf een klooster waarna het stift St. Florian zich ontwikkelde in 304, het grote Augustijnenklooster bij Linz. Later werd zijn gebeente overgebracht naar Rome en bij dat van Stephanus en Laurentius ter aarde besteld. Toen Casimir, koning van Polen, en Gedron, bisschop van Krakau, in 1183 de paus om relikwieĎn verzochten zond deze enige overblijfselen van de heilige Florianus waarna die de beschermheilige van Polen werd.

Hij wordt vooral vereerd in Oostenrijk en Polen, is daar de landspatroon, en in Beieren. Naast vele voorstellingen over zijn dood zie je Florian als jonge, ridderlijke geklede Romeinse soldaat die uit een kan water op een brandend huis giet. Zijn persoonlijke attributen zijn de molensteen, zwaard en kan. Bierbrouwers, brandweerlui en zeepzieders stellen zich onder zijn bescherming. Het volk vraagt hem om hulp bij hoogwater en stormschade, tegen vuur, oorlogsgevaar en droogte. Dat laatste omdat de ossen die zijn lijk vervoerden op een bepaald moment stil hielden van de dorst, toen ontsprong er voor hen een bron..

 

Uit oca.org

4 mei, H. Silvanus: Latijn silva: ‘bos, woud’, met een suffix no dat de betekenis’ heerser over’ aan het grondwoord toevoegt, dus de heerser over een bos. Silvanus was de Romeinse bos- en veldgod. De naam komt ook in de Bijbel voor als Silas, Hand. 15, die vereenzelvigd wordt met de in 2 Cor. 1:19 genoemde Silvanus. Verschillende heiligen zijn er van deze naam.

Silvanus was bisschop van Gaza. Volgens Dorotheus, bisschop van Tyre, was de eerste bisschop van Gaza Philemon die genoemd wordt door St. Paulus. Hij was een van de 70 apostels door de Christus gezonden waren om te preken, Lucas 10:1.  En Petrus noemt hem in zijn eerste epistel, 1 Petrus 5;12. Hij werd bisschop te Thessalonica en sterif daar als martelaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit en.wikipedia.org

4 / 5 mei, H. Godehard (Gotthard): Germaans god: ‘god’, hard: ‘sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk als een god.

Godehard is geboren in 960 te Reichersdorf bij Niederaltaich als zoon van een bediende en hoofd van het stift Niederaltaich waar hij zijn studie volgde. Hij leerde verder drie jaar in het gevolg van aartsbisschop Friedrich von Salzburg. Op een Italiaanse reis maakte hij zich vertrouwd met politiek en kunst. Na zijn terugkeer in 990 werd hij monnik en al gauw daarna prior en schoolrector. In 993 ontving hij de priesterwijding en werkte sinds 996 als abt van Niederaltaich en tegelijk van Hersfeld en Tegernsee. In 1022 werd hij door Hendrik II naar Hildesheim geroepen en werd daar op 2 december door Aribo van Mainz tot de 14de bisschop gewijd. Als bisschop leidde hij geen gemakkelijk leven, maar hij was door zijn vriendelijkheid, vrolijkheid en eenvoud zeer populair. Hij liet tal van kerken bouwen en wijdde er een 30 in en bevorderde het onderwijs. Overleden op 5 mei 1038 in Hildesheim. Innocentius II sprak hem op 29-10-1131 heilig.

 

4 mei, Antonia van NicodemiĎ, (Antoinette)

Ten tijde van de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus (284-305) werd zij omwille van Christus gearresteerd en drie dagen achtereen aan haar armen opgehangen. Ze overleefde die marteling en werd daarna voor twee jaar in de gevangenis opgesloten en uiteindelijk op last van stadhouder Priscillianus verbrand.

Ze wordt afgebeeld als jonge vrouw en meestal in Romeinse kleren. Op het hoofd heeft ze meestal een bloemenkroon en in de hand een martelaarspalm.

 

Matthiola incana, de lieve en geliefde muurbloem is de bloem van zijn dag.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/