Jongens, meisjes namen en hun betekenis.

Klik hier voor Nederlandse plantennamen.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Klik hier voor middeleeuwse woorden en verklaringen.

Klik hier voor plaatsnamen en hun betekenis.

Klik hier voor dieren namen.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

Aaron: Hebreeuws: Aharon, helder verlicht, Arabisch Harun: Hebreeuws, waarschijnlijk met de betekenis ‘de verlichte’.

Eleazar: Hebreeuws, ‘God heeft geholpen’, vergelijk. Lazarus. Onder meer de naam van een zoon van Aaron, hogepriester Exodus 6.  Eliazar, Eliazer, Eliezer.

Abel: Hebreeuws ‘ademtocht of vergankelijkheid’. De tweede zoon van Adam en Eva, Genesis 4:2. Hij werd door zijn oudere broer Kaēn gedood. In de Koran worden ze niet met naam genoemd, maar binnen de Islam worden de namen Habiel en Kabiel gebruikt. Kaēn en Abel kunnen we beschouwen als de vertegenwoordigers van beide hoofdbedrijven der oudheid, de landbouw en veeteelt. Of van abe, Germaans ‘adel’. Abeltje, Aro.

Abdon: Hebreeuws ‘knechtje’. Abdo, Abdus.

Achatius: waarschijnlijk van het Arabische achaz: ‘Jahweh grijpt vast, houdt’, maar kan ook verward zijn met Grieks achates: ‘agaat’.

Achilleus: uit Grieks Achilles, de dappere held. Sil, Fries Sjille.

Adam: Hebreeuws: ‘mens of zoon van de aarde’ volks etymologisch in verband gebracht met adama: ‘bodem’, en Edom: ‘rood’. Stamvader van het menselijk geslacht, Genesis 2. Adamus, Daam.

Afra: Latijn, ‘de Afrikaanse’, de Punische. Ook wel als Bijbelse naam, naar Micha 1,10 “Wentel u binnen Afra in het stof”. Oud Frans: ‘hinde’, zie Jozua 18, 24. Aafra, Afrida, Aphra.

 

A.

Afleidingen uit oud Engels a: ‘een’.

Diamond van adamas, ‘onverwoestbaar metaal’. Diamon, Dymond, Diamonda.

Uit oud Grieks: Athanasius, Athanasios met de vrouwelijke vorm Athanasia: Grieks athanasia, a: ‘niet, thanatos: dood’: ‘onsterfelijkheid’. Athanese.

Anacletus: ana: ‘gelijk’, als Cletus.

Nikita: a: ‘niet’, nikan: veroveren’, onoverwinnelijk’. Nicole. Nykita.

 

Ada.

Uit afleidingen van Ada of Adal: Germaans adel: ‘adel’. Er bestaat ook een Hebreeuwse naam Ada(h): ‘versiersel of schoonheid’. Genesis 4:19 en 36:2,4. Ook in de Griekse mythologie komt een Ada voor, de zuster van Mausolus die het Mausoleum bouwde. Adabella, Adaya, Addie, Addy, Adelina, Adelken, Adie, Adilia, Aida, Auda en Adine. Gronigse namen als Ede, Aide, Aido, Edde, Eddo, Edo, Edzko, Edzo Eedse, Ete, Etsen, Ette, vrouwelijke vormen: Eddine, Edelien, Edina, Edine, Edolina, Edonia, Eetsje, Eta, Etje, Etsje, Etske, Etta, Ettina, Ettje, Ety, Eda vaak afkortingen van adelnamen.

Adalia: adal: ‘edel’. Adala, Adalene, Adaliah, Adelie, Adalla, Addala.

Adalbertus: Germaans, adel: ‘adel’ en bert, ‘schitterend, glanzend, stralend, met de betekenis, door adel schitterend. Aalbert, Aalbrecht, Adelbert, Adalbart, Adelbrecht, Aelebrecht, Albart, Albartus, Alberd, Albert, Albardinus, Albert, Albrecht, Alibert, Appe, Appie, Athalbertus,  Berrie, Bert, Bertus, Edelbert, Edelbertus, Elbartus, Elbert, Elbertus, Elbregt, Elibert, Elibertus. Vrouwelijk: Aalberta, Aalbertje, Aalbrechtje, Adelberta, Alberda, Albarta, Alberdien, Albrechta, Allebarta, Bertha, Elberdina, Elberta, Elbertha, Elbertha, Elbregtje.

Adalbero: Germaans adel: ‘edele’, en bero: ‘beer’, dus ongeveer, edele beer.

Adalhard: Germaanse adel: ‘edel’, en heid: ‘soort geslacht, persoon’, de naam betekent ongeveer ‘sterk door adel’. Adalardus, Adalhardus, Adelardus, Adelhard, Adelard.

Adalwolfa: adal: ‘edel’, wulf: ‘wolf’. Adolf.

Adela: adal: ‘edel’, is vaak het eerste woord. De naam is met de Noormannen gekomen in Engeland in de 11de eeuw. Naam van de jongste dochter van Willem de veroveraar terwijl zijn moeder Adelicia of Adeliza heette. Mannelijk, zie Adalbertus:  Aat, Aatje, Adde, Addick, Addo, Aede, Atzo,  Eade, Eadse, Eatem Eatse. Vrouwelijk: Aatske, Ada, Agdalina Adaline, Adele, Addy, Aetsje, Atie, Atina, Atke, Atske, Atte, Atze.

Adelburg, Germaans adel, burg: bescherming. Adelburga, Alberchje, Alburg, Edilburga, Elberch, Elbregje, Elburga.

Adelaide: adal: ‘edel’, heit: soort, type, van het land. Adalheidis, Adelais in Frans.

Adelgundis: Germaanse adel: ‘edel’, en gund of onde: ‘strijd’, ongeveer wordt het zo ‘de edele strijdster’. Alagonda, Alegonde, Aldegonde, Aldagonda, Adelgunde, Adelgonda, Aldegundis, Algonda, Gonda, Gonneke, Gonnie.

Adelhard,  Germaans adel, hard: hard of stevig, sterk. Aailert, Aalderd, Aaldert, Adalard, Adelhart, Alard, Alardus, Aldert, Alert, Allaart, Allard, Aller, Ealert, Edelhard, Edelhart, Ellerd, Ellart, Ellerd, Ellert. Vrouwelijk: Alderdina, Aldertine, Aldetsje, Elderina, Elderdina.

Adelheid: Germaans adel: ‘adel of edel en stralend’, heit of heid: ‘stand of persoon’, dus ongeveer, vrouw van edele, stralende gestalte. Aaltje, Aalt , Aaike Adaleide, Adeleida, Adalheid, Adda, Aleida, Aeije, Aeltsje,  Alechien, Aleid,  Aletta, Alijdt, Aleide, Aleidis, Aletta, Ali, Alli, Aliet, Alida, Alina, Alisa, Daatje, Elke, Elkie, Heida, Heide, Heidy,  Heidey, Hidie, Hydey, Heidie, Leida, Leidia, Lettadina, Letteke, Lettie, Lettina, Lida, Lidia, Lidy, Lijda.

Adelheim: Germaans adel: ‘edel’, en helm: ‘bedekking, bescherming of helm’.

Adeltrude: Germaans adel: ‘edel’, traut: ‘geliefd’, of een ander woord dat kracht en sterkte betekent, respectievelijk edel en sterk.

Adelinde: adal: ‘edel’, lind: ‘week of zacht’. Alinda.

Adelmar: Germaans adel, mar vermaard, beroemd. Adhemar, Almar, Eelmer, Elimar, Elmar. Elmer.

Adelrik:  Germaans adel, riik: rijk, heerser. Aalderik, Aaldrik, Aalrik, Aeldrik, Alarich, Alarik, Alderik, Aldrik, Alrik, Elric. Vrouwelijk  Aalderika, Aaldrika, Aaldrikje, Elrika.

Adeltrude:  Germaans adel, trud: kracht,  of van Duits traut: geliefd. Aaltruide, Adeltrud, Edeltruda,  Edeltraut.

Adelwijn: adel, win of wijn: vriend. Aalwijn, Aelwyn, Alewijn, Alwin, Elwin, Halewijn.

Adilen: adal: ‘edel’. Adileni.

Adilia, Germaans adel: ‘adel. AdŹle, Adelia of Alida.

Adolphus: een Germaanse naam, van "adel", dat weer is afgeleid van de woorden edel en wolf. Volgens een andere verklaring zou het zijn afgeleid van het Griekse adelphos, wat "broer" betekent. In de Romaanse landen wordt Adolfo gebruikt. Adolf, Adolph, Alef, Dolf, Dolfijn, Edolf. Vrouwelijke Adolfine, Adolphina, Dolfina, Fien, Fiene,

Adulf: Germaans uit adel: ‘adel’, en wolf: ‘wolf’, edele wolf.

Alarice: ala: ‘alles’, ‘adel, ali: vreemd, anders’, ric: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’. Alrica, Alrik, Alarica, Allaryce.

Albert met zijn vrouwelijke vorm Alberta: adal: ‘edel’, bertht: ‘helder, beroemd’. Albertina, Allie, Alie, Adalbert, Adalbrecht, Albert, Alberik, Edelbert, Berta, Bertie, Bertina, Berty, Elbertina. De Canadese provincie Alberta is zo genoemd naar prinses Louise Caroline Alberta, 1848-1939.

Alda: adal: ‘edel’. Aldabella, Aldene, Alida, Aldina, Aldine, Aude.

Aldona: adal: ‘edel’, ald’ oud’. Aldous is de mannelijke vorm.

Aldred: wel een Latijnse vorm van Angelsaksisch eald, alde: volwassen, ervaren in zijn raad. Eldred. Aldwin, dan met win: vriend.

Ale:  afkorting van adel, zie Ade:  Aaije, Aalk, Aalse, Aalzen, Ailko, Alco, Aling, Alje, Aljen, Alke, Alko, Alle, Eelco, Eelje, Eelk, Eelke, Eefse, Eeltse, Eeize, Elco, Eling, Elle, Elleko, Ello, Elo, Else, Elst, Elte, Eltje, Etjo, Elze, Elzo. Vrouwelijke vormen vaak afkortingen van Adelheid. Aaike, Aaltje, Aelk, Aeltje, Aetjes, Alina, Alke, Alla, Alske, Altje, Ealtsje, Eelkje, Eelje, Eeelsiena, Eelsina, Eeltje, Ela, Elchie, Elchje, Eldiene, Eldine, Eleana, Elekje, Eletta, Elik, Elka, Ellechien, Ellegina, Elsien, Elsje, Elske, Eltien, Eltina, Eltjo, Eltsje, Alkje.

Alena: Germaans Adalina, of een verkorting van Magdalena

Alison, : adal: ‘edel’, heit: ‘stand of persoon’. Adelice, Alecia, Alesia, Alessa, Aleta, Alie, Alli, Allie, Alis, Ellie, Alice, Allice, Alyce.

Alicia: adal: ‘edel’, heit: ‘soort, persoon’.

Alison: adal: ‘edel’, als Alice met Franse eindiging on.

Almut: adal: ‘edel’, muot: “geest, moed’. Adelmut, Allmut, Almuth.

Alrun: adal: ‘edel’, run: ‘geheim’.

Edelgard: adal: ‘edel’, gard: ‘omheining, bescherming’.

Edeltraud: adal: ‘edel’, trud: ‘kracht, sterkte’. Adeltraud, Adeltrud, Edeltrud, Aaltruide, Audra, Edeltraut.

Heidi: adal: ‘edel’, heit: ‘soort, persoon’.

Uit Gotisch: Alfonsina: adal: edel, ala: alles, hild: strijd, funs: gereed. Spaanse mannelijke vorm Alfonso, Frans Alphosine.

 

Adi.

Afleidingen uit Hebreeuws adi: ‘ornament, juweel’.

Adi: adi: ‘ornament, juweel’. Vorm van Ada en Adiel.

 

Aemulus.

Afleidingen uit Latijn aemulus: ‘nabootsen, gelijkend’.

Amelia, uit Aemilia, of aemulus: ‘nabootsen, gelijkend’ onder invloed van Germaans amal. Emilia, Emelie, Emily.

Aemelius, Aemilius, Aemilianus: de naam van een Romeinse familie, wordt wel in verband gebracht met Grieks (h)aimulos: ‘zacht of vriendelijk’, of Latijn aemulus, ‘wedijverend, mededinger of gelijkend. Amelis, Amelius, Amilius, Emiland, Emilius,  Emiel, Emil, Emile, Emilliere, Emilius, Immiel, Mees, Melis, Mels, Miel, Mille.

 

Aethel.

Afleidingen uit oud Engels aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’.

Audrey: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’, thryth: ‘sterkte, kracht’, zie Shakespeare in As you like it. Audra.

Elmer met de vrouwelijke vorm Elma: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’, maer: groot, beroemd’. Elmar, Elmira, Elmor, Erasmus, Hemut, Ermo.

Ethel, Germaans Athala: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’. Ethelreda, Ethelburga (edel fort) Ethelgiva (edele gift) Eithel, Ethelen, Ethella, Etilka, Eth, Thel, Ethelyn.

Ethelberta: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’, beorht: ‘beroemd’.

Etheldra: aethelthryth, aethel: ‘adel’, trude: ‘geliefd of sterk’, dus ongeveer, edel en geliefd.

Etheldreda: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’, thryt: kracht. Audra, Ethildra, Alfrida.

Ethelinda: aethel: ‘nobel, edel, eerzaam’, lindi: ‘slang’.

 

Alexein.

Afleiding van Grieks alexein: ‘afweren, verdedigen’.

Alexander: ‘de afweerder der mannen, de beschermer’, mogelijk oorspronkelijk een Hettitische naam, als koning Alaksandus rond 1300 v Chr. dit werd vervormd tot Alexander.  Alessandro, Alex, Axel, Lex, Sander, Xander, Zander. Alexandra is de vrouwelijke vorm. Alexa, Alexandra, Alexandria, Alexandrina, Alix, Lexa, Sandra, Sandrina,  Sandy,  Xandra.

Alexius, Alexis, Lexis, Ales, met de vrouwelijke vorm Alexia: alexein: ‘afweren, verdedigen’. Vorm van Alexander en Alexandra, Alexia, Alexine.

 

Ali.

Afleidingen uit Germaans ali: ‘buitenlands, anders’.

Alaric met zijn vrouwelijke vorm Alarice: ala: ‘alles, adal: ‘edel’, ali: ‘buitenlands, anders’. Ric: ‘heerser’. Alarik, Alrik, Aurick.

Uit Gotisch, Elia, van Eliana: ali: ‘buitenlands, anders’. Helen, Eliah, Ellen.

Ella: eindigend of beginnend met ella of el. Alia, Ella, Elly, Elle, Ellie.

Elodia: ali: ‘buitenlands, anders’, od: rijkdom’. Elody, Elodie.

Elviro met de vrouwelijke vorm Elvira: al, ali: ‘buitenlands, anders’, of gail: ‘levend’, wer: ‘met’. Elvia, Elvina, Elvita, Ella, Elvie.

Uit oud Provence: Eleanor. Of van oud Frans Alienor wat een vorm is van Helen of van Germaans al of ali: ‘buitenlands, anders’. Of van Grieks of Arabisch. Elinora, Elaine, Elani, Elen, Elena, Elanor, Eleonor, Eleonoor, Elenora, Ellinore, Leonor, Nelly, Nonnie, Nora, Norah, Norina.

 

All.

Afleidingen uit Gotisch all: ‘alles, geheel’.

Alvara: all: ‘alles, geheel’, war: ‘beschermer’.

 

Amal.

Afleidingen uit Germaans amal: ‘werk, inspanning’.

Amalberga: amal: ‘werk’, gunda: ‘bescherming’, dus ongeveer, beschermster in de strijd. Amalburga, Alma, Amelie, Amalia, Amelie, Adelgonde, Adelgundis, Allegonda, Emelie, Emeline, Emmeline, Mele, Melia, Emely, Emmely, Emmy, Milly.

Emmeline: amal: ‘werk’ of van Emma. Emily.

Millicent: van Melisenda, Amalswint: amal: ‘werk’, swinth: ‘harde werker’.

Uit Gotisch: Amalia: amal: ‘werk’. Afkorting uit Amalberta en Amalgunde.

 

Amara.

Afleidingen uit Latijn amara: ‘lief hebben’.

Amandus,  Amandeus, Amant, Amand. Amando, Mand, Mandus, Mantin, met de vrouwelijke vorm Amanda: ‘liefelijk of beminnenswaardig’. Amande, Mandie, Mandy Amandine.

Amatus: ‘de beminde’, geliefde. Amaat, Ame, Aime, Amato.

Amabilis, amable: ‘beminnelijk of liefelijk’.  Amabel, Amable, Amy, Mabel, Mabella, Mab.

Amadeus, Amaat, Amadee, Amedee, met de vrouwelijke vorm Amedea: amara: ‘lief hebben’. Of van, ‘de God minnende’, vergelijk Duits Gottlieb en Grieks Theofilus.

Amoretta: amara: ‘lief hebben’.

Amyas met de vrouwelijke vorm Amy, Amee, Amicia, Amata: amara: ‘lief hebben’. Amie.

Uit oud Frans, Mabel, van Amabilia, Mabella: amara: ‘lief hebben’.

 

Aner.

Afleidingen uit oud Grieks aner: ‘man’.

Cassandra: kekasmai of kad: schijnen op’, Grieks aner: ‘man’. Kassandra, Casey.

Lysander met de vrouwelijke vorm Lysandra: ‘bevrijder van’, Grieks aner: ‘mannen’. Lizzie.

 

Ans:

Afleidingen uit Germaans ans: ‘god.

Ansbeld, Ansbald: Germaans ans: ‘god’, blad: ‘dapper’, ongeveer, dapper als een godheid.

Osmond: ans: ‘god’, mund: ‘beschermer of voogd’. Osmund.

 

Angelos.

Afleidingen uit Latijn angelos: ‘booschapper, engel.’

Angelicus, Angelica: angelos, oud Grieks Angela: ‘booschapper, engel.’ Ange, Angel, Angela, Angela, Angelica, Angelice, Angelie, Angelika, Angeliqua, Angelikus, Angelita, Angelo, Aniela, Anginine, Engelica, Gelika, Lieke, Lien, Lika.

Angelus met de vrouwelijke vorm Angela, Angelina, mogelijk Germaans en Grieks vermengd. Voor zover Germaans van een stam met de betekenis ‘uit het volk der Angelen”, de meeste gaan terug op Grieks angelos: ‘boodschapper’ (van God) engel, respectievelijk op het bijvoeglijk naamwoord angelikos: ‘aan een engel gelijk’.

Uit Engels. Engelmundus: het eerste lid staat met de volksstam der Angelen (Engeland) in verband, mundus: van de wereld. Ingelmundus of Engelmond.

 

Anthos.

Afleidingen uit Grieks anthos: ‘bloem’.

Anfissa: anthos: ‘bloem’.

Chrysanthus: ‘goud’ en ‘bloem’.

Diantha: dios: ‘Zeus’, anthos: ‘bloem’. Diana.

Ianthe: iole: viool’, anthos: ‘bloem’.

Yolanda: iole’ viool’, Grieks anthos: ‘bloem’. Jolanda, Jolande, Jolanthe, Jolenta, Yola, Yolanthe, Jolanthe, Yolande.

 

Ar.

Afleidingen uit Albanees ar: ‘goud’.

Ardit met zijn vrouwelijke vorm Ardita: ar: ‘goud’, dita: ‘dag’. Aretha, Arthea, Aurita

Arian met zijn vrouwelijke vorm Arjeta: ar: ‘goud’, jete: ‘leven’. Arista, Ari, Arion, Arjaan.

Arlinda: ar: ‘goud’, lindje: ‘geboorte, oosten’. Arlene, Linda.

Arta: ar: ‘goud’.

Besart met de vrouwelijke vorm Besarta: ar: ‘goud’.

Rezart met de vrouwelijke vorm Rezarta: reze: ‘straal licht’, ar: ‘goud’.

 

Armin.

Afleidingen uit Germaans erman-, ermin-, eren-, erm-, em-, irm-, im-, irmin-: ‘geheel, immens, universeel’.

Armin met de vrouwelijke vorm Armina: ermen: ‘geheel, immens, universeel’. Armand, Armen.

Hermenegildus: ermin of irmin, naam van de stamgod der Hermionen, gilde: Middelnederlands ghilde, (geld) met oud-Noors gildi, dat de betekenissen van ‘inleg en gelag’ in zich heeft verenigd. Hermenegild, Hermenegildo, Hermenegildis of Hermanegildo, Ermenegild, Ermengild, Ermingild, Irmgild, Irmingild, Emily, Emelyn, Erma.

Ermenburga: ermen: ‘geheel, immens, universeel’, burg: ‘bucht, versterking’.

Ermfried: Duitse naam uit Germaans, het betekent ongeveer, ‘beschermd door Irmin’, de stamgod van de (H) Erminones, fired: ‘vrede of bescherming’. Ermenfried, Irmfried.

Ermhild: Duitse naam uit Germaans, het betekent ongeveer, ‘beschermd door Irmin’, de stamgod van de (H) Erminones, hild: strijd. Machtige strijdster. Ermenhild, Ermenilda, Irmhild, Irminhild.

Ermelendis: Germaans in de stamnaam van de (H)Erminones, vergelijk ermin: ‘machtig’, het tweede deel betekent ‘linde’, schild van lindehout, dus ongeveer, machtige strijdster met het schild. Ermelindis, Ermelinda, Everlina, Everlijn, Erminildis, Hermelindis, Irmlind.

Ermintrude: ermen: ‘geheel, immens, universeel’, trud: ‘kracht, sterkte’. Ermentraud, Ermentrude, Irmintrud, Trudi, Trudy.

Imelda: ermen: ‘geheel, immens, universeel’, hild: ‘gevecht’. Amelda, Emelda, Imalda, Imelde en Ymelda.

Irma: ermen: ‘geheel, immens, universeel’, vaak het eerste deel van een woord. Erma, Imma, Irmela.

Irmingard: ermen: ‘geheel, immens, universeel’, gard” haag, omsloten ruimte, bescherming’. Armgard,  Ermengard, Ermgaard, Ermingard, Irmengard, Irmgard, Irmgaard, Irmingard, Imke.

 

Arn.

Afleidingen uit Germaans arn: ‘adelaar’.

Ane: van arn: adelaar. Aanke, Aant, Aenke, Anco, Anke, Anko, Anne, Anno, Ansco,  Anse, Anso, Aard, Aarn, Arne, Arnout, Aarnoud, Arnoud, Aart, Annold, Ard, Aren, Arend, Arn, Arne, Arno, Arnold, Arnoaldus, Arnoldinus, Arnoldus, Arnoud, Arnt, Art, Harnoud, Naut, Nol, Nold, Noldus, Nolle, Noud, Nout, Noute, Nuy, Nulke. Vrouwelijke vormen, Aanje, Aanke, Aant, Aantje, Aardje, Aarnoudina, Aartina, An, Ana, Ananda, Anca, Andy, Anje, Anke, Anne, Ansk, Antien, Aradina, Arenda, Arendien, Arna, Arnelina, Arnetta, Arnia, Arnika, Arnolda, Arnoldia, Arnoudia, Artina, Artje, Erna,  Erni, Ernie, Erno, Erny, Nol, Nolda, Nolk. Zweeds Arvid, Arwed, met vidher: woud.

Arletta: mogelijk een vorm van Charlotte of andere Germaanse namen met arn: ‘adelaar’. Arlene, Arlet.

Arnaude: arn: ‘adelaar’, wald: ‘heerser’. Arnoldine.

Arnulf: arn: ‘adelaar’, en wolf: ‘wolf’, dus arend en wolf.

 

Augustus.

Afleidingen uit Latijn augustus: ‘vermeerderen, verheven, heilig’ .

Augustus: ‘vermeerderen, verheven, heilig’. August, Auguste, Augustijn,  Augustinus, Austin ,Gust, Gusta, Guuk, Guus, Guust, Stien, Stienes, Stinus, Stijn. Met zijn vrouwelijke vorm Augusta, Augustina, Gusta, Guusje, Guusta, Stina, Gus, Gussie.

Austin met de vrouwelijke vorm Austyn: augustus: ‘vermeerderen, verheven, heilig’ .

 

Aurum.

Aleidingen uit Latijn aurum: ‘goud’.

Aure: van aurora: ‘morgenstond of het oosten’, verwant met aurum: ‘goud’. Aurora was de godin van de morgenstond, Oud-Indisch usra: ‘morgenrood’, met invoeging van f tussen s en r vinden terug in Duits Ostern en Engels Easter: Pasen. Auree, Aurea, Oria, Aura, Aure.

Aurelius met de vrouwelijke vorm Aurelia, Aureliana, Oria: aurum: ‘goudachtig’. Goud behaard. Auriel, Orel, Arela, Aura, Aureline, Auriel.

Uit oud Frans Oriana: aurum: ‘goud’, dageraad. Ariane.

 

Av.

Afleidingen uit Hebreeuws av: ‘vader’.

Abigail: av: ‘vader’, giyl: ‘vreugde’. Abbey, Abbie, Gale, Gael.

Abijah: av: ‘vader’, ‘God is mijn vader’. Abia, Aviah.

Abraham: Hebreeuws Avraham, Arabisch Ibrahim: waarschijnlijk, ‘de (goddelijke) vader is barmhartig’. In het O.T. uitgelegd als ‘vader van een menigte volken’. De oorspronkelijke vorm was Abram, Genesis 11:26 ‘de (goddelijke) vader is verheven’.  Braam, Bram, Brammert.

Vrouwelijke vorm is Abra: av: ‘vader’, hamon: veel’.  Abrahamine, Bramiene, Bramina, Brammie.

Absalon, Absalom: Standaard Hebreeuws Avšalom: ‘vader van de vrede’.

Axelle: av: ‘vader’ shalom: ‘vrede’. Axl, Axel.

 

Avis.

Afleidingen uit Germaans avis: ‘vogel’.

Avis: avis: ‘vogel’, meest begin van een naam. Ava, Avila, Avail, Aveline

Uit oud Frans: Eibhilin: van aveline, ‘hazelaar’, avis: ‘vogel’.

Eileen: van aveline: ‘hazelaar’, avis: ‘vogel’. Evelyn.

 

Overige:

Adrianus, Hadrianus: adria, wordt wel in verband gebracht met Latijns ater: ‘zwart’, met betrekking tot het donkere zand langs de Adriatische kust, afkomstig van of inwoner van Adria /Hadria". Adriaan, Aad, Aai, Aaike, Aarjen, Aat, Ad, Adri, Adriaen, Adrianus,  Ares, Ariaan Arina, Arianus, Arie, Aris, Aritius, Arius, Arjaan, Arjan, Arjen, Arne, Ary,  Erjan, Hadriaan, Hadrianus, Jaan, Jaas, Janus, Jos, Goudriaan, Raan, Riaan. Vrouwelijke vorm Aaike, Aatje, Arieaantje, Arieda, Adria, Adriaantje, Adriana, Adrie, Adriek, Adrielle, Adrietta, Arga, Aria, Ariaantje, Ariane, Arianke, Arianne, Arida, Arieke, Arielle, Ariena, Arienne, Arieta, Arigje, Arina, Arike, Arita, Aritha, Arja, Arjanna, Arjenn, Arjette, Arjoane, Arine, Jaantje, Jana, Jane, Janie, Jannie, Sjanie, Rian.

Aegidius: Grieks aigis: ‘geitenvel’, dat vereenzelvigd wordt met het schild van Zeus, vergelijk aigidion: ‘geitje’. Of van de eik, aegis. Dieles, Dielis, Dillis, Egidius, Egied, Gidde, Gidus, Giel, Gielis, Gilles, Gillis, Jieles Jielus, Jilis, Jillis.

Agathon: Grieks agathos: ‘goed’.

Agapitus, Agapetus: van Grieks agapetos: ‘geliefd of bemind.’ Agape: heilige liefde.

Agatha: Grieks agathos: ‘goed of geliefd’, de goedige of geliefde. Aacht, Aachtje, Aag, Aagje, Aagt, Aagtje, Achien, Adie, Agaat, Agaath, Agathe, Ageeth, Agie, Agien, Agina.

Age: Germaans agil: zwaard, zie eg. Aagte, Akko, Agge, Aggo, Ago, Akke, Akko.

Agilbert: Germaans  agil: zwaard, zie eg, bert: schitterend, stralend. Eibert en vrouwelijke vorm Eiberta.

Agilhard: Germaans agil: zwaard, hard: hard. Eilard, Eilardus, Eildert, Eilert, Eilhard, Eylard.

Agilolf: Germaans agil: zwaard: wolf, zwaardwolf. Elof, Eiolf.

Agnes: Grieks hagnos: ‘heilig, zonder schuld, rein of kuis’, Latijnse naam voor lam. Agnietas, Agenietas, Agnees, Agnella, Agnesa, Agnese, Agnesia, Agneta, Agnete, Agnetha, Agniet, Agnis, Anganita, Angenieta, Angenis, Angenita, Inez, Neesje, Neeske, Nesia, Nessy, Nies, Nieske, Niezina, Nyske.

Ahmed: de prijzenswaardige.

Alan: Keltisch, Bretons ailean: ‘rots’. Allan, Ally, Alain.

Alban: uit Latijn albanus, ‘uit Alba’, stad in midden ItaliĎ. Albanus, Albaan.

Aldebrand: Germaans ald: ‘oud, volgroeid of volwassen’, brand: ‘vlammend zwaard’, dus ongeveer, volwassen met het zwaard.

Alf: van oud Noors alf: bovenaards wezen. Alfina, Alfke, Alfrina, Alphie, Alphien. Alfard. Met hard: hard, Alfert, Alphrat, Alferda. Met hild: strijd: Alfhild, Alvild.

Alouette, Louette, Frans voor leeuwerik van Latijn alouda.

Amel:  uit amal: onvermoeibaar in de strijd, heldhaftig, van Oost Gotische geslacht de Amelungen. Of afkortingen van adel. Aam, Amco, Amme, Ammo, Amse, Amze, Amele, Ameling, vrouwelijk Amelina, Amella.

Anastasius, Staas, met de vrouwelijke vorm Anastatica: van Grieks anastasis: ‘wederopstanding’, als ‘door de doop tot nieuw leven opgestaan’. Of geboren op de dag van de wederopstanding. Anastasia. Anastasia, Stazie, Anastasie, Asta, Natasja, Natasha, Natalia.

Aloys, Alois, Alouis, Alowies, Aloysius, Alwies, Lois, Lowies, Wies, Aloisio: of een vorm van Lodewijk, meer waarschijnlijk een verlatijnisering van de Germaanse naam, al wisi: ‘in alle opzichten wijs’, de zeer ervarene.

Alto: mogelijke een Friese vleivorm van Ale, of verkorting van als-namen wiens stam ‘oud, volwassen of ervaren’, betekent. Alt.

Ambrosius: Grieks ambrosios: ‘godenspijs of ambrozijn’, die de goden onsterfelijkheid verschafte, vandaar onsterfelijk. Ambroos, Ambroise

Anatolius: Grieks anatole: ‘de opkomst van de zon’, het oosten, ongeveer uit het morgenland.

Andreas: Grieks andreios: ‘mannelijk of dapper’.  Anders, Andrais, Andres, Andrienus, Andries, Andrijs, Dre, Drees, Drewes, Driesse, Drieu, Drys, Ries, Drees, Drewes. Andersche, Andersje, Andra, Andrea, Andresa, Andria, Andrieka, Andriesetta, Andrina, Andrinetta, Andrizina, Dreeke, Dreke, Dresina, Driesina, Dryske.

Anna: de Griekse vorm van Hebreeuws Hanna (Channah): ‘genade, begenadigde, lieflijke of aanvallige’. In Lucas 2 is het de naam van een profetes. Nergens staan de namen Joachim en Anna vermeld als de ouders van de Heilige Maagd. Zijn grote verbreiding kreeg de naam door Anna, de vrouw van Joachim, moeder van Maria die genoemd werd in de apocriefe boeken van Jacobus. An, Anetta, Aniek, Anika, Anina, Anique, Anisa, Anita, Anissa, Anix, Anja, Ankelien, Ankie, Ankina, Ankita, Ankje, Anne, Ann, Annechien, Annegie, Annegien, Anneke, Annelyn, Annet, Anni, Annie, Anniek, Annina Annique, Anoeshka, Anuschka, Anouk, Anny, Ans, Ansje, Antien, Antina, Antje, Anya, Naatje, Nanette, Nann, Nancy, Nanon. Met Maria werd het Annemarie, Annemarije, Annemiek, Annemieke.

Antonius: Latijn, de vertaling is onzeker. Was al bekend bij een Romeins geslacht, bijvoorbeeld. Marcus Antonius. De naam is vooral bekend geworden door de kluzienaar Aint Antonius rond 356.  Anthonius, Antheunis, Anton, Antoon, Antony,  Antwan, Teun, Teune, Theunis, Thonus, Toin, Toine, Tonie, Tonio,  Tonis, Tonke, Tonus, Toon, Tonny, Tons, Tonus, Tun, Tunnes, Twan. Vrouwelijke vormen: Anteunetta, Anthonia, Antoinella, Antonit, Antonetta, Antoinette, Netje, Netty, Teuna, Teunisje, Teunke, Teuntje, Thona, Toke, Tona, Toni, Tonia, Tonnet, Tonnie, Tony,  Tonny, Tons, Toontje, Toos, Tunetta, Tunke, Tunna, Tunske.

Apollonaris: Latijn, ‘tot Apollo behorend’.  Leun, Leunes, Leunis, Pleun, Pleundert, Pleunus, Plonis, Pol, Polle, Pool. Vrouwelijke vorm Apollonia. Amplonia, Aplonia, Apolinia, Apolline, Apolonia, Leune, Leuntje, Lon, Lonnette, Loni, Lonie, Lonieke, Lonneke, Lonnie, Pleuntje, Plone, Plonia, Plonie, Ploon, Ploos, Polly.

Arbogast: Germaans arnhna: ‘erf, gast of vreemdeling’, dus ongeveer, gast uit eigen land, een vreemde op eigen erf, of van zijn grond verdreven vreemde.

Ariadne, Ariadne: een Griekse naam waarvan de betekenis onzeker is. Het wordt wel verklaard uit Kretenzische ari-hagne, ‘de zeer heilige of de zeer eerbiedwaardige’, hetgeen wil zeggen dat de eigenlijke naam verzwegen werd. Ze was de dochter van koning Minos van Kreta die liefde opvatte voor Theseus die uit Athene kwam om de Minotaurus, een monster, half mens en half stier die opgesloten was in het door Daedalus gebouwde labyrint te verslaan. Ze gaf hem een draad opdat hij de weg terug zou vinden. Ariane, Arianna.

Arthur: mogelijk van Keltisch artus: beer, Wels gwr: held of van een Romeinse naam afgeleid als Artorius. Artur, Thur, Thure, Thuur, Tur, Artair. Vrouwelijk Arty.

Ase:  Germaans ask: es, of ans: god. Asing, Asse, Assen, Azing, Assel. Aasiena, Asje, Aske, Askje, Azina. Van hetzelfde ask en harja: leger, komt Esger, Escher.

Asteria: Grieks aster: ‘ster’. Aster, Ast, Astere. Vrouwelijk: Astara, Asteria, Astra.

Atillanus, Atilla, de betekenis zou vadertje kunnen zijn, van atta (Gotisch atta) dat overal in de wereld in de kindertaal kan ontstaan. Het kan ook een vleivorm van een Germaanse adel-naam zijn.

 

Bald:

Afleidingen uit Germaans bald: ‘stoutmoedig of boud’.

Balde: Germaans bald: dapper, boud, Baelde, Bale, Baldus, Baling, Balt, Balte, Balterus, Baltheus, Baltus, Belt, Bolt, Bolte, Bout. Vrouwelijk: Baalke, Balda, Baldien, Balendin, Balina, Baldina, Balta, Baltina, Baltje, Boltje, Boutje.

Dietbald,  diet: volk, bald: bout, dapper, stoutmoedig. Dewald, Dibbelt, Dibbolt, Diebald, Dubbele, Theobald, Thiebald, Thiebout, Thiebaud, Thibaut, Tibbolt.

Rumoldus: Germaans ruom: ‘roem’ of ruma: ‘Rome’, bald, ‘bout: stoutmoedig’.

Ubaldo, Ubaldus: Germaans hug: ‘denkende geest of verstand’, bald: ‘stoutmoedig of boud’, dus ongeveer, moedig door zijn verstand.

 

Bath.

Afleidingen uit Hebreeuws bath: ‘dochter’.

Bat: bath: ‘dochter’.

 

Bella.

Afleidingen uit Italiaans bella:’prachtig’. Bella.

Uit Latijn: Christabel: christianus: ‘christelijk: bella: ‘prachtig’.

 

Ben.

Afleidingen uit Hebreeuws ben: ‘zoon’.

Benjamin: ben: ‘zoon’. Yamin: ‘zuidelijk, rechterkant. ‘zoon van het zuiden, van de rechterzijde, het geluk’. Ben-oni: ‘zoon van mijn smart’, Genesis 35.18. Ben. Vrouwelijke vorm Beniamina: Benjamine.

Reuben met vrouwelijke vorm Reubena: ra’ah: zien: ben: ‘zoon’. Rubena.

 

Bern.

Afleidingen uit Germaans bern: ‘beer. Bare, Barke, Barro, Beer, Bor, Borre, Born, Scandinavisch Bjorn.

Berengarius: Germaans bern: beer ger: speer, strijder met de speer. Berengar, Berenger.

Bernhard: Germans bern: beer, hard: hard, sterk, moedig. Baernd, Barend, Barnard, Barnardus, Barry, Be, Beerend, Beernd, Benert, Benhard, Bennardus, Bennert, Berend, Bernard, Bernd, Bernaard, Bernd Bernie, Berny Naard, Nard, Benz. Vrouwelijke vorm Bardina, Barendina, Barenti, Barnedina, Beerendje, Berendina, Berentien, Berentina, Berinda, Berna, Bernadet, Bernadette, Bernardina, Berndina, Bernhardina, Bernke, Bendine.

Bernward, Bernwardus: een naam met ongeveer de betekenis ‘(sterk) als een beer, bern: ‘beer’ en ward: ‘wachter’.

Bruno: Germaans, wat we terugvinden in Gotisch brunjo: ‘borstharnas of pantser’, daarnaast is oorspronkelijk de betekenis bruin mogelijk, in sommige talen ook met de betekenis glanzend. Benno: bern: ‘beer’. Breunardus, Breunis, Broen, Bruinis, Brun, vrouwelijke vorm: Bronetta, Bruinsje, Brunette, Bruna.

Liborius: mogelijk een verkorting van Germaanse namen met bern: ‘beer’.

Uit Latijn: Ursinus: ursus: ‘beer’, of uit oud-Hoogduits hros: ‘paard’.

Ursmarus: ursus: ‘beer’.

Ursula: ursus: ‘beer’, berin. Orsalina, Orsaline, Ursela, Ursi, Ursina.

 

Berth.

Afleidingen uit Germaans bertht: helder, beroemd. Beke, Beko, vrouwelijke vorm: Brecht, Bregina, Bregje, Bregtina.

Albertus: Germaans, adel: ‘adel’ en bert, ‘schitterend, glanzend of stralend’, met de betekenis, door adel schitterend. Albert.

Ansbert, Ansbertus: Germaans ans: ‘god’ en bertht: ‘stralend of schitterend’, dus ongeveer als door (of als) de goden stralend.

Bert met de vrouwelijke vorm Bertha, Berchta, Berahta: bertht:’ de schitterende, prachtige, beroemd’. Perchta of

Bertha of Bertrada van Laon was de dochter van graaf Charibert van Laon, gemalin van Pepijn de Korte en de legendarische moeder van Karel de Grote. Ze is geboren in 720 te Laon, Aisne, overleden op 2 juli 783 te Choisy Au Bac. In de Karolingische sagen wordt ze vereenzelvigd met de oud-Germaanse godin Bertha of Berchta en wordt ze veelal Bertha met de grote voet genoemd, ‘Bertha au grand pied, Bertrada "Broadfoot, 'Berte metten breden voeten, Bertrada met de grote voeten", die haar, naar men zegt, gegeven werd omdat haar ene voet groter was dan de andere. Meestal wordt dit ook in verband gebracht met het linnen weven. Zij is het die een rol speelt in de Frankische ridderroman Floris ende Blancefloer en in Adenet le Roi Berte aus grans piés. Berta, Baarte, Bardine, Barta, Bartelina, Bartha, Bartholina, Bartje, Barty, Beertje, Bep, Berthy, Babette, Bertina, Berthe, Birthe, Berthold, Bertrand, Herbert Bertilia, Berthilda, Bertilia, Bertilda, Bertildis of Bertille.

Bertinus: bertht: ‘stralend, glanzend’. Bertijn. Engels Osbert.

Bertold: bertht: ‘schitterend, stralend, glanzend’, wald: ‘heersend’, dus ongeveer, de schitterende heerser. Baartout, Barteld, Bartelt, Barthold, Berthoud, Bertout. Vrouwelijke Bakke, Barteltsje, Bartholina, Bertholdine.

Bertolf: Germaans bertht: ‘glanzend of schitterend’, olf of ulf: ‘wolf’, dus ongeveer een, glanzende, schitterende wolf. Bertulf.

Bertram: Germaans bert: schitterend, glanzend, stralend. Bertie, Beltran.

Bertrand: Germaans bertht: ‘schitterend, glanzend of stralend’, en rand: ‘schild’, dus ongeveer de schitterende (strijder met het) schild.  Bertrandus, Bertran.

Bertuin: Germaans bertht: ‘schitterend, glanzend of stralend’, en win: ‘vriend’, dus ongeveer, de schitterende of stralende vriend.

Berwout: Germaans bern: beer: wald: heersen. Barel, Bareld, Barwald, Barwout.

Dagobert: Germaans dag: ‘dag’, bertht: ‘glanzend, schitterend of stralend’, dus ongeveer, glanzend (als de) dag. Naam van een Frankische koning uit de Merovingische tijd. Dago, Dabbert, Dabert.

Egbertus: Germaans eg: ‘zwaard’, en bertht: ‘glanzend of schitterend,’ dus ongeveer glanzend zwaard. Egbert, Egbard, Egbercht, Ep, vrouwelijk Echbertsje, Egberdina, Egberta, Egbertien, Egbertina.

Engelbert met de vrouwelijke vorm Engelberta: angil: ‘hoek, angel’, of van de stam der Angelen, ‘engel’, bertht: ‘stralend, glanzend of schitterend’. Englebert, Engelbart, Engelbertus, Bert Ingelbert. Vrouwelijk Engelbarta, Engelberta, Engelbertina.

Filibert met de vrouwelijke vorm Filiberta: filu: ‘veel’, bertht: ‘stralend, glanzend of schitterend’, dus, zeer stralend. Vooral in het huis Savoie kwam de naam veel voor. Filbert, Filibertus, Fulbert, Philibert.

Floribertus: een mengeling. Mogelijk van Florentius en dat van Latijn florens: ‘bloeiend of bekoorlijk in aanzien’, bertht: ‘glanzend, stralend of schitterend’.

Gilbert met zijn vrouwelijke vorm Gilberta: gisil: ‘ belofte, gastvrijheid, of kind van voorname ouders’, bertht: ‘schitterend of glanzend’. Gielbert, Gilbert, Gilibert, Gill, Gijs, Gijsbert, Gisbert, Gilbertus, Giselbertus, Gysbert, Jilbert, vrouwelijk Gieze, Giske, Gilberta, Gilberte, Gilbertine, Gilly,  Gizia, Gysa, Gijsje.

Godeberta: Germaans god: ‘god’, bert: ‘stralend, schitterend of glanzend’, dus ongeveer, stralend als een god.

Gumbertus: gond, gund: ‘strijd’, bertht: ‘glanzend, stralend of schitterend’, dus ongeveer, schitterend of beroemd in de strijd.

Heribertus: Germaans her, ‘heer: leger’, bert: ‘glanzend stralend of schitterend’, dus ongeveer uitblinkend in het leger. Heribert, Herbert, Harbert, Harpert, Herbrecht, vrouwelijk Erbardina, Herberdina, Herbertine.

Hildebert, Germaans hild: strijd, bert: glanzend, stralend. Helbertus, Hilbert, vrouwelijk Hilberdina, Hilberta.

Hubertus: Germaans hug: ‘(denkende) geest of verstand’, bertht: ‘stralend, schitterend of glanzend’, dus ongeveer, de stralende geest. Ber, Bertje, Bertie, Hubb, Hubert, Hubertinus, Hubregt, Huib, Huiber, Huibert, Huibrecht, Huybert, Ube, Huprecht, vrouwelijk: Berta, Bertha, Bertje, Hubelina, Huberdina, Huberta, Hubertha, Hubertina, Hubrina, Huiberdina, Tien, Tina, Tini, Tinny.

Humbert: Germaans, wat in verband gebracht kan worden met oud-Noors hunn: ‘jonge beer’, Angelsaksisch hun: ‘dierenjong’, respectievelijk hun: ‘bruin, van donkere gelaatskleur’, of in verband met de volksstam de Hunnen, bertht: ‘glanzend, stralend of schitterend’. Humbertus , Huntbertus.

Kunibert: Germaans kuni, ‘geslacht of stam’, Nederlands kunne, bertht: ‘glanzend, stralend of schitterend’, dus ongeveer, schitterend in (door) zijn geslacht. Cunibertus., Kunebert.

Lambertus: Germaans land: ‘land’, bertht: ‘schitterend, stralend of glanzend’, dus ongeveer, beroemd in zijn land. Lambert, Lambrecht, Lammert, Lamprecht, vrouwelijk Berry, Lamberta, Lambertina.

Madelberta:: Germaans madel: ‘verzamelplaats of gerechtsplaats’, bertht: ‘glanzend, schitterend of stralend’. Amalberte.

Norbertus: Germaans nord: ‘noord’, bertht: ‘schitterend, stralend of glanzend’, dus ongeveer, een beroemde man uit het Noorden. Of van northo: ‘kracht’, dan schitterend door zijn kracht. Norbert, Norber, vrouwelijk: Norberdina.

Rambertus: Germaans hraban: ‘raaf’, bert: ‘glanzend, schitterend of stralend’. (omgekeerd in Bertram) Ragnebert, Rambert..

Rimbert: Germaans regin: ‘raad’, bertht: ‘stralend, schitterend of glanzend’. Rembert, Reimbert, Rembartus, Remmert, vrouwelijk: Remberta.

Sigibert, Sigisbert: Germaans sigi: ‘zege of overwinning’, bertht: ‘glanzend, stralend of schitterend’. Dus ongeveer, schitterend door overwinning. Siebert, Siegbert, Sigbert.

Suidbertus: Germaans, als ons ‘gezwinde, sterk, geweldig, hevig, verstandig of listig’, bertht: ‘glanzend, schitterend of stralend’. Dus ongeveer schitterend door sterkte. (van het lichaam of de geest) Suitbert, Switbertus, Swietbertus, Switbert, Swibert, Suitbert, Suibert, Suidbert, Swithbert.

Waldebert: Germaans wald: ‘heersen’ of waals: ‘buitenlands’, bertht: ‘glanzend, schitterend stralend’. Gaubert en Walbert.

Wigbert: Germaans wig: ‘strijd’, bertht: ‘schitterend, glanzend of stralend’, dus ongeveer, schitterend in de strijd, schitterende strijder. Wigbertus, Wicbertus.

 

Brigh.

Afleiding van Keltisch brigh: ‘sterkte, kracht.’

Brian met de vrouwelijke vorm Brianna: brigh: ‘sterkte, kracht.’ Abrianna, Bryan, Brigh, Brian: Er is een samenhang met Iers bre, Welsh bryn: ‘heuvel’.

Bridget: brigh: ‘sterkte, kracht.’, briganti’ opwindend, goddelijk’. Oud Iers Brighild, Brigitta: Brigid of Kildare, Brigida, Brigiet, Bregitta, Brigit, Brigida, Bridgit, Britt, Britta, Gitta, Gitte, Bridget, Brid of Bride, Iers Naomh Bhride: de gelatiniseerde vorm van oud-Iers brigit, Iers brighid, Keltisch briganti:de verhevene, kracht’. Waarschijnlijk hangt hiermee ook samen de naam BourgondiĎ, de inwoners zouden dan de ‘groten van lichaamsgestalte’ zijn geweest. Brighid was de naam van een Keltische godin, dochter van de zonnegod, godin van het licht en poĎzie vgl. Iers brighid: ‘meisje of schone vrouw’ en is vooral verspreid door St. Brigitta van Kildare, 453-523, patrones van Ierland. Mogelijk is het een verchristelijkte versie van een oude godin.

 

Burg.

Afleidingen uit Germaans borg, burg: ‘bescherming, fort, burcht, burght, burgt, (burger) Engels burhs of boroughs. Burgine, Burgje, Burgke.

Burghard: burg: ‘bescherming’, hard: ‘hard of sterk’, dus ongeveer, sterke beschermer. Burkhard, Borchart, Borchert, Borgert.

Edburga: Germaans uit Angelsaksisch ead, oud-Hoogduits od: ‘erfgoed of bezit’, en burg: ‘bescherming’, dus ongeveer, beschermster van het erfgoed. Edborough.

Gerburg: ger: ‘speer’, ‘bescherming, fort, burcht’.

Luitberga: Germaans liud: ‘volk’, burg: ‘burcht of bescherming’, dus ongeveer, beschermer van het volk. Liudbirg, Leutpurga, Liutbirg, Liutbirga, Luitburg, Lutberga of Lutbirg.

Notburga: Germaans, not, in de betekenis van ‘nood, nodig, moeilijkheden in de strijd of uit oud-Hoogduits hnot(on) ‘het slingeren (van de speer)’, of nod: ‘dapper’. Het tweede deel, burg: ‘burcht of bescherming’.

Waldburga: wal: ‘slachtveld’, vergelijk de Walkuren, de goddelijke jonkvrouwen die de doden kiezen op het slachtveld en de helden op bevel van Odin naar het Walhalla brengen of waals: ‘buitenlands’, of wald: ‘heersen’, het tweede deel, burg: ‘bescherming’. Zodat de naam ongeveer betekent, beschermster op het slachtveld. Bij de Germanen gingen de vrouwen mee om de mannen aan te vuren, bij te staan en eventueel tegen te houden. De naam wordt al in de 3de eeuw op een Griekse scherf gevonden. Walburg, Waldburg, Waldburga, Walpurgis of Walburgis, Wally. Mogelijk gekort tot Wob, Wobbe, Wobke, Wubbo, Wobbo

Wigburg: wig: vechter, krijger’, ‘bescherming, fort, burcht’.

 

Overige:

Balbia: ‘stamelend of stotterend’, de stamelaarster.

Baldewinus: Germaans bald: boud, stoutmoedig, win: vriend. Boudewijn, Balduinus, Baldewijn, Baude, Baudewijn, Boldewijn, Bouden, Baltwin, Baldwin. Vrouwelijke vorm: Baldewina, Baldwina, Balwina, Boldeina, Boudewien, Boudewijna, Boudi, Boudina, Boudwien, Bouwina.

Balthasar: schijnt van Perzische oorsprong te zijn (vergelijk Belsazar in DaniĎl) en betekent dan ‘God (Baal) beschermt zijn leven’.

Barbara: verwant met oud-Indisch barabara: ‘stamelend’, vandaar in het Grieks: ‘geen Grieken’, onverstaanbaar of barbaren, vergelijk de Berbers. Bab, Babeth, Babetje, Bapje, Barbalina, Barbarate, Barbe, Barber, Barbera, Barberdina, Barbertine, Berbel, Berby, Babet, Babiche, Barbel.

Barnabas: Hebreeuws, Aramees,zoon der vertroosting’, zie Handelingen 4.36 Hij heette eerst Jozef en kreeg van de apostelen de bijnaam Barnabas wat vertaald betekent, ‘zoon der vertroosting’. Barnes, Bas, Barnes, Barnaby, Barney.

Bartholomeus: bar Talmai: ‘zoon van Talmai’: ‘vorentrekker’ of, ‘rijk aan rimpels’. Bab, Bartel, Bartele, Barthel, Bertus, Mees, Meeuw, Meeuwes, Meeuwis, Mewes, Mewis, Mies.

Basilius: Grieks basileios: ‘koninklijk’, Baas,  Baselius, Basiel, Baziel, Basil, Vasil, vrouwelijke vorm Basilissa.

Bavo: kindernaam, Germaanse stamelvorm, troetelnaam, verwant aan het Engelse 'baby', mogelijk uit een naam met badu: ‘strijd’. Bavon, Baaf, Bave, Befke.

Beatus: Latijn, ‘de gelukkige of gezegende’, van beare: ‘gelukkig maken of zegenen’. Beat of Batt.

Beia: Germans baug: kromming, boog. Beije, Beitse, Beye. Vrouwelijk: Beike, Beitse, Beitske, Beyke.

Begga: Germaans began, oud-Hoogduits bagan: ‘strijden’. Bee of Bega.

Benedictus: Latijn, ‘de gezegende’, dit kan uit diverse Bijbelteksten ontleend zijn, bijvoorbeeld. ‘Benedictus qui venit in nomine Domini’ ‘gezegend is hij die komt in naam des Heren’, Mattheus 21,9. Benedict, Ben, Bendiks, Benedikt, Benooi, Dictus, Benedict, Bennet, Bent. Vrouwelijke vorm Benedicta.  Benedictine, Benedicte, Benoite, Bendetta, Betta, Bettina. Benita, Bente.

Birgitta: Oorspronkelijk een Zweedse naam. St. Birgitta van Zweden is geboren rond 1303 te Finstad, bij Uppsala als ‘Birgirs dochter’, de dochter van prins Birger: ‘helper’. Birgitte, Berit, Birgit, Birgita, Birte, Gita, Giti, Britta, Gitt.

Blanca: Verlatijnst uit Germaans blankas: ‘de blanke of glanzende’. Blanche, Bianca.

Blandinus, vrouwelijke vorm Blandina: Frans Blandin, Latijn blandus, ‘vleiend, lief of vriendelijk’. Blanda.

Blasius: de naam wordt beschouwd als een vorm van Grieks basileios: ‘de koninklijke’, minder waarschijnlijk van Grieks blaisos: Latijn blaesus: ‘struikelend, lispelend of stamelend’. Blees, Blaise, vrouwelijk Blasina, Blazina.

Bloem: Germaans bloem: jeugdig, mooi. Blom, Blomme. Zo ook Bloemhart, Blommert.

Bode: Germaanse verkorte vorm met een stam in de betekenis van gebieden, zie bod. Bodo, Boede, Boet, Boot, Botte, Budde, But, Butte, Bodo.

Bonifatius, Bonifacius: Latijnse naam met ongeveer dezelfde betekenis als bonaventura: ‘een goed lot of goede toekomst’, (voorspellend of iets dergelijks) doordat men het tweede deel associeerde met Latijn facere: ‘doen’, ontstond ook de vorm Bonifatius met de betekenis van weldoener. Bona, Boni, Bonna of Bonne, Bonefaas, Faas, Facius.

Bonnie: Engels voor lief, Bonny.

Brand: Germaans brand: vlammend zwaard. Brandje, Brando, Brant, Brend, Brent. Vrouwelijke vorm Brantsje, Brenda, Brendina, zie Hildebrand.

Brendan: de naam wordt verklaard uit oud-Iers bren: ‘stinkend’, en find: ‘haar’, dit is moeilijk aan te nemen, het kan ook van de betekenis, ‘hij die bij het baken’ of de vuurtoren woont. Brendaan.

Brictius: van Keltisch, dan verwant met brigant: ‘de verhevene’, of het woord kan samenhangen met Saltus Brixius, een woud dat zich bevond in de streek die nu La Bresse heet. Briccius, Britius, Brixius, Bricio of Britius.

 

Caelum.

Afleidingen uit Latijn caulum, coeli: ‘hemel’.

Araceli: ara: ‘altaar’, caulum: ‘hemel’.

Caelestinus: caelestis: ‘hemels of goddelijk’. Celest, Celestinus, Coelestinus, Coelestis. Vrouwelijk Caelesta, Celesta, Celeste, celestien, Celestina.

Celio met de vrouwelijke vorm Celia: caulum: ‘hemel’. Celina, Celeste.

Uit Grieks: Selenia met de vrouwelijek vorm Selina: selene: ‘maan, of van caulum: ‘hemel’.

 

Caol.

Afleidingen van Keltisch caol: ‘smal, dun’.

Kayley: caol: ‘smal, dun’. Kay.

Kyle met de vrouwelijke vorm Kyla: caol: ‘smal, dun’. Hebreeuws Kelila

 

Car.

Afleidingen uit Wells car: ‘liefde’.

Angharad: car: ‘liefde, veel geliefd’, met suffix ad.

Carwyn met de vrouwelijke vorm Carwen: car: ‘liefde’, gwen, ‘gezegend’.

Caradog met de vrouwelijke vorm Ceri: car: ‘geliefd’.

 

Carus.

Afleidingen van Engels carus: ‘liefste’. Carey.

Charity: carus: ‘liefste’. Caritas is Latijn van carus: zorgen voor. Carita, Caridad, Engels Cherry.

Uit oud Grieks: Karen, Karin: carus: ‘liefste’, katharos: ‘puur’. Vorm van Catherina.

 

Christianus.

Afleidingen uit Latijn christianus: ‘christelijk’.

Christian, Christiaan met de vrouwelijke vorm Christina, Christiana, Het woord christen (Grieks christianos, Latijn christianus) waarvan deze naam is afgeleid werd blijkens Handelingen 11:26 het eerst in AntiochiĎ gebruikt: En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en dat de discipelen het eerst te AntiochiĎ christenen genoemd werden’ Christen is een afleiding van Christus: Grieks christos: gezalfde.  Carst, Carsten, Chries, Chriet, Chris, Christian, Cristianus, Chretien, Chris, Cristianus, Christinus, Chrit, Cors, Corstiaan, Corstinus, Corstius, Costiaan, Cris, Cristiaan, Cristan, Cristijn, Kars, Karst, Kersaan, Kersen, Kerstant, Kors, Korstiaan, Korstian, Kris, Krist, Kristel, Kristiaan, Sjaan, Stijn, Stynus, Carsjes, Carsten, Christian, Chestien. Vrouwelijke vorm: Cherstiena, Chretienne, Christiane, Chrisje, Christa, Christel, Christiana, Christianne, Christien, Christienna, Christinanne, Christien, Christiena, Christina, Christiene, Christy, Corstina, Cristine, Karsien, Karsje , Kersin, Kresta, Kirsty, Krista, Kristien, Kristin, Kristina, Kristine, Stien, Stiene , Stientien, Stientje, Stijn,  Stinette, Stijn, Tieneke, Tina, Tine, Tineke, Tina, Tine, Tineke, Tini, Tiny.

Christoffel:hij die Christus draagt’. Christophorus, Cristoffel Christoffel, Christophe, Kristoffel, Stoffel, Stoffer.

 

Ciar.

Afleidingen uit Keltisch ciar: ‘zwart’.

Kieran of Cieran met de vrouwelijke vorm Ciara: ciar: ‘zwart’, kleine zwarte behaarde.

Cyrus met de vrouwelijke vorm Kyra, oud Perzisch, Bijbelse naam khur: ‘zon’, verziende, troon, zon’. Kirina, Kiria, Kyrie. Ciris.

Uit Iers, Kerry: ‘ciar: ‘zwart’.

 

Clarus.

Afleidingen uit Engels clarus: ‘helder, beroemd’.

Clarity: clarus: ‘helder, beroemd’. Clare, Clarence.

Uit Latijn: Clarence, Clarinus, Clarus, met de vrouwelijke vorm Clara: clarus: ‘helder, blinkend, glanzend of schitterend’. Clair, Claire, Clairette, Clarice, Clarinda, Clarissa, Clare, Claar, Claartje, Clarice, Clarien, Clarietje, Clarina, Clarissa, Clarita, Klaar, Klaartje, Klara, Klarine, Klariska, Klary. Met mond: bescherming, kwam Clarimond.

Claribel: clarus: ‘helder, beroemd’. Met toevoeging van bel als in Annabel, Annabella en Isabel.

Clarinda: clarus: ‘helder, beroemd’. Met toevoeging van inda als in Belinda of Lucinda.

 

Corona.

Afleidingen uit Latijns corona: ‘kroon.

Corona: Korona, corona: ‘krans of kroon’. Carolina.

 

Overige:

Caesarius: ‘vellen’, vergelijk Caesar, zodat men er de betekenis aan toekende ‘met de keizersnede geboren’, vergelijk Frans (operation) cesarienne: de ‘keizersnede’. Kinderen die zo geboren waren werden vaak Caesar genoemd. Andere mogelijkheden zijn er ook, bijvoorbeeld van een Etruskisch woord aesar: ‘god’, Latijn caesarius: ‘dik hoofdhaar’, caesius: ‘met grijsblauwe ogen’ en dergelijke. Cesar, Cece, Cesare. Vrouwelijk Caesarea, Cesarina.

Cajetanus:afkomstig uit Gaeta’, een stad in midden ItaliĎ.

Calvin, van Frans chauvin, van Latijn cauvin: bewoner van een kaal terrein.

Camillus: is waarschijnlijk via Etruskische vormen camitlnas of catmilna en van Grieks kadmiloi ontleend: ‘dienaren in de cultus der Kureten’, de beschermers van Zeus en Rhea, vergelijk ook de naam kadmos en de Indo-Germaanse stam kadh: ‘beschermen of dienen’. Camil, Camiel, Camille, Camilius, Kamiel, Kamil, Miel, Camilo.

Candidus: Latijn candidus: ‘sneeuwwit of vlekkeloos’, vrouwelijk Candida, zie Bianca.

Canisius: Latijn canis: ‘hond’, vrouwelijk Canisia.

Cassianus: de naam wordt verklaard als ‘de arme of beroofde’, vanuit Hebreeuws God is genadig. Cassius is de oorspronkelijke naam van een Romeins geslacht. Kassian, Cassien.

Caspar: mogelijk een Perzische naam, van kandschwar: ‘schatbewaarder’. Caspar heet in oude legenden Gathaspar, in Syrische gebieden heet een der magiĎrs Gudophorhem waarin de naam van de Indisch-Parthische koning Gondophare te herkennen is die naar de legende de apostel Thomas doopte. Cas, Caspaar, Casparis, Casper, Caspert, Jappe, Jas, Jasper, Kas, Kaspar, Kasper, Gaspar, Gaspard.

Castor: een bever die een olie gaf, castoreum, van Grieks kastor: ‘bever’. De naam hangt slechts indirect met de diernaam samen, de eigenlijke betekenis is, ‘hij die schittert’, van de Indo-Germaanse wortel kad. Castor was bekend als een beschermer van vrouwen. Hij was de zoon van de Spartaanse koning Tyndareus, met zijn tweelingbroer Pollux. Castor en Pollux werd de naam van het tweelinggesternte, de Gemini.

Ninke, Nintske, : Meest wordt de naam in verband gebracht met Grieks katharos: ‘rein, schoon of zuiver’, volgens anderen is het woord van aikaterine, op welk woord de Russische vorm Ekaterina wijst. Hoewel het ook kan van aeikaterine: ‘de altijd reine’, of uit Syrisch kethar: ‘kroon’. Calle, Carien Carin, Carina, Carine, Carijn, Catalina, Catelijne, Cathalina Cathalijne, Cathleen, Kathleen, Cathrina, Cathy, Catrien, Catriena, Carina,  Ka, Kaat, Kaatj,e Kalle, Kalieke, Karine, Karin, Karijn, Katarine, Katarina, Kate, Katelina, Katelijn, Kathalina, Katharina, Katherine, Kati, Katie, Katja, Katolina, Katalin, Katrien, Katrijn, Katty, Kay, Kitty, Caia, Caja, Kaja, Nine, Nienke, Nyn, Nynke, Rien, Rina, Rini, Tineke, Tienke, Tina, Tine, Tineke, Tinka, Tini, Tinie, Tiny, Trien, Triene, Triene, Trieneke, Trienke, Trina, Trine, Trineke, Trinet, Trinette, Trinke, Trins, Trintje, Trointje, Truus, Trijn, Trijna, Trijneke, Tryn, Trynke, Tryntsje, Katke Kaatje, Trinette. Mannelijk: Cathalinus, Catherinus, Catherinus, Kallie, Katrinus, Rinus, Trienco, Trienus, Trinus, Trynko.

Cecilia: uit het geslacht Caecilii afkomstig. Een vorm van caecus: ‘blind’, mogelijk was een voorvader, aan wie het geslacht ontleend werd, blind. Caecilius, Cecilius, Cecile, Cecil, Celeke, Celia, Celie, Cicely, Ciel, Cile Cilia Sil, Siselia, Silke, Silja, Sheila.

Chantal, naar Jeanne Franciska Fremiot de Chantal, stichteres van een orde. Chantale, Chantalie.

Charis: Grieks charis: bevalligheid, gratie, de Gratien, Griekse godinnen van schoonheid en bevalligheid. Charissa, Charita.

Chionia: sneeuwwit.

Chloe, Grieks chloe: jonge scheut, Cloe.

Chloris, Grieks chloros: fris groen, jong. Cloris, Kloris.

Crispinus en Crispianus: Latijn crispus: ‘de gekrulde of kroes’, kroeskop. Al een bijnaam van de Romeinse geschiedschrijver Sallustis. Crispijn, Crispin, Krispijn Krispin, Curly.

Chrysogonus: Grieks, ‘uit goud geboren’, wat gezegd werd van de Perzen.

Chrysostomus: Grieks chrysos: ‘goud’, stoma: ‘mond’.

Clarck, Clark, uit Keltisch Cleireach, van Latijn clericus: geestelijke, klerk.

Claudius: Latijn claudus: ‘mank, kreupel, hinkend of lam’. Naam van twee Romeinse geslachten waaronder enige keizers. Claus, Glaude, Gladie, Gloudie, Klaudius, Claude, vrouwelijk Claudette, Claudia, Claudina, Claudine.

Clemens: Latijn clemens: ‘zachtmoedig, toegevend, genadig, goedertieren of mild’. Clem, Clement, Clements Klem, Klemens, Klement. Vrouwelijk: Cleme, Clemence, Clementia, Clemency, Clementiana, Clementina, Clemmy, Menthe.

Clifford, afgeleid van een plaatsnaam, Cliff.

Clodoald: het Franse woord `clou' betekent spijker. Cloud, Chlodoaldus, Chlodoald, Chlodwald, Clous, Cloud.

Coloman, Colman, Colmanus, Colommannus, Koloman: Iers, wat ‘kluizenaar’ of ‘gehelmde man’ betekent. Kolman, Kalman.

Columbanis, Columba betekent duifje. Columba: Colm, Colmcille, Columkill, Coms, Colombkill, in Oud Iers als Colm Cille of Columcille: wat duif van de kerk betekent. Colombiere: duivenhok. Columban, Columbaan, Colum, Columba, Columbia, Columbina.

Conal, Conall, van Keltisch kuno-val-s: zeer machtig.

Concepcion, Spaans om de naam Maria te vermijden werd een van haar feesten La imaculada concepcion genoemd: onbevlekte ontvangenis. Concha, Conchita.

Constans: Latijn voor standvastig, volhardend. Constant, Constantine, Constantijn, Konstans, Stan, Stanne, Stans, Stien, Stinu, Stijn, Tienes, Tijn. Constance, Constantia, Constantina, Connie, Conny, Stance, Stannie, Stans, Stansje.

Cora: Grieks core: meisje, mooie ogen. Corien, Corine, Corinna, Corinne, Corette, Coretta.

Cordula: Latijn cordula: ‘hartje’. Cordula, Kordula, Cordelia.

Cornelius: Latijn cornu: ‘hoorn’, dus de gehoornde. Cornelius was al de naam van een Romeins geslacht waartoe behoorde Cornelius Scipio, Africanus major, de overwinnaar van Hannibal in 201 v Chr.  Cees, Cock, Cor, Corne, Cornee, Corneel, Corneille, Cornelius, Cornelis, Cornelus, Cors, Cos, Kay, Kees, Kernelis, Kes, Key, Kezen, Kneel, Knel, Knelis, Knillis, Korneel, Kors, Kreel, Neeldert, Neelke, Neelt, Nele, Nelis, Nelle, Niels, Nil, Nelis, Nelle. Vrouwelijk: Cornelia, Cock, Cok, Cokkie, Cokky, Connie, Conny, Cor, Cora, Coreline, Corlijn, Cornelien, Corrie, Corry, Keesje, Keet, Keetje, Kneel, Knelia Kokkie, Kornelia, Neeke, Neel, Neely, Nel, Neletta, Nelia, Nelie, Nelina, Neline, Nelisa, Nelke, Nella, Nellie, Nelly.

Cosmas: Grieks kosmos: ‘orde, sieraad of lof’.  Come, Cosme, Cosimo. Kosmas.

Crescentia: Latijn crescens: ‘groeiend’. Krescentia, Crescence.

Cunera, Kunera: waarschijnlijk Germaans van een stam kun: kunne, ‘geslacht’. Cune, Cuneke, Cuny, Cuinira, Knier, Kurina, Quinera.

Cyprianus: Grieks, ‘van Cyprus afkomstig’. Cypriaan, Cyprian.

 

Dael.

Afleidingen uit Engels dael: ‘dal, vallei’.

Dale: dael: ‘dal, vallei’. Daylan, Dayle, Dael, Dahl.

Uit oud Engels: Dallas: dail, ‘wiede’, fas: ‘verblijfplaats’. Dallys, Dalyce.

Kendall, vallei van de rivier Kent: dael: dal, vallei’, kent: ‘grens’. Kenda, Kyndal.

 

Dan.

Afleidingen uit Hebreeuws dan: ‘rechter’.

Dana betekent Deens, van Indo-Europees dhen: ‘laag, plat’, Daniella, Dannie, Dayne. Dan met zijn vrouwelijke vorm Dana in Hebreeuws betekent rechter. In Arabisch betekent het zwarte parel.

Daniel: dan: ‘rechter’, el: ‘God, krachtig’. Daan, Daneel, Danel, Dany, Danny, Neel, Danny. Vrouwelijke vorm: Dana, Daniella, Danela, Danelina, Danila, Daniellle, Dan, Danja, Danny, Dannielle, Danyelle, Daniella, Danique, Daniele, Danie Danyel, Daan.

Danya: dan: ‘rechter’. Dan.

 

Deo:

Afleidingen uit Latijn deo: ‘god’.

Dedatus Latijn: ‘door God gegeven’. Deusdedit, Déodat, Didier, Dié, Dios, Deusdedit of Dieudonné.

Dominicus: Latijn: ‘de Heer toebehorend’, mogelijk betekent de naam ook: ‘op de dag des Heren (zondags) geboren’. Domenique, Domien, Domenick, Dominik, Dominus. Vrouwelijk: Mien, Minkes, Minnekus, Minus.

Domitilla: Latijn, waarschijnlijk ‘op de dag des Heer’ of zondag geboren.

Donatius: Latijn, ‘door God geschonken’. Reeds de naam van een bisschop van Carthago ca. 313-360. Donatus. Donatianus, Donaas, Donas, Donaat, Naas, Donat, vrouwelijk Donata, Donatella.

 

Dagr.

Afleidingen uit oud Noors dagr: ‘dag’.

Dagmar: dagr: ‘dag’, mar: ‘maagd’.

Dagny: dagr: ‘dag’, ny: ‘nieuw’. Dagni.

Dagrun: dagr: ‘dag’, run: ‘geheim’.

 

Deiwo.

Afleidingen van deiwo: ‘ligt, godheid’.

Uit Indo-Europees: Diana, Diane, deiwo: ‘ligt, godheid Deus, respectievelijk dies: ‘dag’. Dede, Dianne Diane, Diania, Didi, Dee.

De naam van de godin van de maan, het licht, de jacht en andere (Grieks Artemis) dochter van Jupiter en Latona.

 

Dis.

Afleidingen van oud Noors dis: ‘godin’.

Herdis: her: gewapend’, dis: ‘godin’.

Hjordis: hjorr: ‘zwaard’, dis: ‘godin’.

 

Dita.

Afleidingen uit Albanees dita: ‘dag.’

Aferdita: afer: ‘morgenochtend: dita: ‘dag’’. Vorm van Aphrodite.

 

Dorog.

Afleidingen uit Sloveens dorog: ‘kostbaar’.

Drogo met de vrouwelijke vorm Draga: dorog: ‘kostbaar’. Darcey, Darsie, Dragena.

Dragica: dorog: ‘kostbaar’. Kleine liefste.

 

Doron.

Afleidingen uit Grieks doron: ‘gift’.

Dora komt uit Dorothe, Dorothy, Isodora, Theodora.

Dorian: doron: ‘gift, stam’. Doris, Darrian, Dorien.

Doris: ‘overvloedig, van de Dorian stam, doron: ‘gift’.

Isidore, Isidorus, Isidoor met de vrouwelijke vorm Isodora: Grieks, waarvan het tweede deel ‘gift of geschenk’ betekent, het eerste deel wordt gewoonlijk in verband gebracht met de Egyptische godin Isis, dit is echter niet zeker. Isis was de Egyptische vruchtbaarheidsgodin, echtgenote van Osiris, haar verering verspreidde zich sterk tijdens de Hellenistische periode. Dory, Dore.

Pandora: pan: alles’, doron: ‘gift’.

 

Dubh.

Afleidingen uit Keltisch dubh: ‘donker, zwart’.

Devin: poet, ‘jong hert’, dubh: ‘donker, zwart’. Devyn, Devon.

Duana: dubh: ‘donker, zwart’, afstammeling van Dubhan. Duane, Deune, Dwayne.

Uit Schots: Douglas met de vrouwelijke vorm Douglasina: dubh: ‘donker, zwart’, glais: ‘water, rivier’.

 

Overige:

Damasus, Damianus, Grieks damazein: ‘temmen of bedwingen’, het is de bedwinger. Daam, Damiaan, Damas, Damme, Dammes, Dammis, Damus, Dommis. Vrouwelijk: Damia, Damida, Damy, Dammechien.

Daphne: Grieks daphne: laurier. Dafne.

David: Hebreeuws,lieveling, vriend of geliefd’ Naam van de opvolger van Saul als koning van IsraĎl. Ook enige koningen van Schotland droegen die naam. Daaf, Dafinus, Dauwe, Davinus, Deef, Dave, Davy. Vrouwelijke vorm: Dafina, Daverina, Davida, Davide, Davidina, Davien, Davina, Davita, Dawida, Dewi.

Debora, Hebreeuws voor honingbij. Deborah, Debbie, Debby, Debra, Dete, Debra, Dette.

Deirdre, Ierse naam, mogelijk van Keltisch derdriu: de woedende of van  Gaelic deoirid: met een gebroken hart.

Delfinus met de vrouwelijke vorm Delphina: van Griekse naam delphis: 'dolfijn'. Della, Delfien, Delphin, Delphine,  Dauphine. Vrouwelijk: Delphina, Delfien, Delfine, Fina.

Demetrius, Grieks: zoon van Demeter. Dimitry, Mitja, vrouwelijk Dimitra.

Deodatus: Latijn voor door God geschonken. Deodaat, Deodat, Deodora, Die, vrouwelijk: Deodata, Dea.

Desideratus, Desiderius: uit Latijn desiderium: ‘verlangend’, dus vol verlangen of de verlangde. Het is de naam van de laatste Longobardische koning van ItaliĎ. Desideraat, Dis. Dizzeree, Desire, vrouwelijke vorm: Desiderata, Dessie, Desiree.

Desiderius: Latijn desiderium: verlangen. Dees, Desideer, Dieser, Dis, Didier.

Desmond: van Iers Deas-Munheim: uit Z. Munster of Withycombe.

Dieuwe: Germaans diet: volk, en ward: hoede: Dieuw, Deeuwe, vrouwelijk: Deuke, Dieuwke, Djuke,  Divera afgekort tot Duw.

Digna: Germaans degen: ‘helm’, of uit Latijn dignus: ‘waardig’. Dignate, Digne. Mannelijk Dignus.

Dina, of afkortingen of van Dina, dochter van Jacob en Lea, Genesis 30: 21. Dieneke, Dineke, Diny,  Dynah.

Dionysus: Grieks: ‘tot Dionysos behorend’. Dionysos was de Griekse god van de wijn, in Latijn Bacchus. Denijs, Denis, Denys, Dennis, Dion, Dionijs, Nies, Nijs, Nisse, Nys. Vrouwelijk: Deniese, Denise, Denijse, Dionne, Niza, Nysina, Nysje, Nyske.

Ditmar, Germaans diet: volk, mar: beroemd, vergelijk Grieks Democles. Dedmer, Detmer, Didmer, Diemer, Dimert.

Doede, Friese naam uit de kindermond en vervormd uit namen als Liudolf of Liutold. Doade, Dodde, Dodo, Doe, Doed, Doekes, Doeko, Doetse, Douwe, Doewe, Duke. Vrouwelijk Doecilia, Doed, Doedenia, Doekje, Doete, Doety, Dudtsje. Duttje.

Domitianus: waarschijnlijk hangt de naam samen met Latijn domitare: domare: ‘bedwingen of temmen’. Al een Romeinse geslachtsnaam, waarvan de keizersnaam, Domitianus.

Dudley, naar een plaats in Worcestershire, Doddeley: Dudda’s leah: weidegrond van Duda, vergelijk Doede.

Donald: Gaelic Domh-nall, Keltisch Dubno-walos: wereld en machtig, wereldheerser, naam van verschillende Schotse koningen. Don.

Douwe,  meest Friese naam, mogelijk hetzelfde als duif, Fries dou. Daauw, Daauwe, Dauwe, Doewe, Douk, Duoke. Vrouwelijk: Duive, Duif, Dufke, Duifje, Duveken, Dautsen, Doukje Doutina, Doutsen, Doutsje, Doutzen, Douwina.

Duncan: Keltisch don chadh, Iers donn cean: bruine strijder. Naam van twee Schotse koningen.

Dylan, legendarische held uit Wales, zoon van een zeegod en zo zoon van de zee. Zodra hij gedoopt was spong hij in zee en toen hij stierf treurden de golven over hem.

Dymina: uit Iers damhnait?, het is mogelijk een variant van Saint Damhnait (Damhnade). Demmy, Dien, Dimfna, Dimpna, Dymfna, Dympna of Dymphna.

 

Ead.

Afleidingen uit oud Engels ead: ‘weelde, erfgoed, gezegend’.

Ebbe met de vrouwelijke vorm Ebba: ead: ‘weelde, gezegend, burh: ‘bescherming, burcht’. Of een korte vorm van Germaanse woorden met eber-: ‘ever’. Eb, Eba, Ebbe, Ebbie, Ebby, Ebbo: verkorting, vleivorm van Germaanse ever-namen.

Eden, plaats van Adam en Eva: ‘paradijs, heerlijk’: of van Asyrische edinu: ‘vlekte, steppe’, wat van Sumerisch edin komt. Eaden, Eadin, Edenia, Edin, Edyn.

Edgard,  met de vrouwelijke vorm Edgarda: ead: ‘weelde, gezegend’, gar: ‘speer’. Eadgar, Edger, Ed, Edddy.

Edina: ead: ‘weelde, gezegend’. Of van een stad in Hongarije of van Edwina. Edna, Edyna.

Edith, ģdgyth: Angelsaksische ead-gyth: =Germaans Otgunde: od: ‘bezit of erfgoed’, gyth: ‘strijd, gevecht’, dus ongeveer, strijdster voor het erfgoed. Edette, Editha, Eda, Edy, Ditte.

Edmund, Eadmund met de vrouwelijke vorm Edmonda: Angelsaksisch ead-mund (=IJslands Audmundr) od of ead: ‘weelde, erfgoed’, mund: ‘beschermer’, dus ongeveer, beschermer van het erfgoed. Naam van twee Engelse koningen uit de 10de en 11de eeuw. Eamon, Eddie, Edmond, Edmond, Mon, Monne, Ned, Neddy.

Edward, Eduardus met zijn vrouwelijke vorm Eduarda: uit oud-Engels eadweard: beschermer van het erfgoed, ead, in oud-Hoogduits ot: ‘erfgoed of bezit’, het tweede, ward: ‘beschermen of bewaken’. Naam van verscheidene Engelse koningen uit oude tijd, onder andere Edward the Elder, west-Saksische koning van Engeland in het begin van de 10de eeuw. Eadward, Ed, Edd, Eduardo, Eddie, Eddy, Eduard, Waard, Ward, Wardie, Ware, Ted, Teddy, vrouwelijk: Eduarda, Eduerde, Eduardine, Edwardine.

 

Eber.

Afleidingen uit Germaans eber: ‘ever, zwijn’.

Ebba, Ebe, vaak een naam die hiermee start. Eabbe, Eb, Ebbe, Ebbel, Ebbie, Ebbing, Ebbo, Ebbey,  Ebel, Ebke, Eep, Ep, Epco, Epke, Epo, Eppe, Eppo.

Eberhard: eber: ‘ever, zwijn’, hard: ‘hard of sterk’. Everardus, Eberhard, Erhard, Evrard.

Ebert, Germaans ever: bert: stralend, glanzend. Ebbert, Ebertus, vrouwelijk Eberta, Ebeth.

Everhard, Germaans ever: ever, hard, hard, sterk, vergelijk ook Fries Jorrit, Jouwert dat ook van een ever naam afkomstig is. Eef, Evart, Everard, Everardus, Evert, Evrard, Ebert, Eppo. Verkort tot Jort, Joarryt, Jorrit.

Everhild: ever, hild: strijd, Averil.

Evermarus: ever of eber: ‘ever’, mar: ‘vermaard of beroemd’, dus ongeveer, beroemd als een ever. De ever werd bewonderd om zijn moed. Evermaar.

 

El.

Afleidingen van Hebreeuws El: God, krachtig. Ezra 8:16, Jesaja 29: 1, 2, 7.

Adiel: adi: ‘ornament’, el: ‘God, krachtig’. Addie, Adiele, Adiella, Adyelle.

Ariel: ariy: ‘leeuw’, el: ‘God, krachtig’. Ariel, zie Shakespeare. Arie, Ariell, Ariella, Arielle, Aryela, Aryella. Ari, Arie, Arik.

Azriel: azar: ‘helpen’, el: ‘God, krachtig’. Azrael, Azariel.

Bat-el: bath: ‘dochter’, el: ‘God, krachtig’. Bethele, Bethelle.

Eleonora: mogelijk van Arabisch Ellinor: ‘God is mijn licht’. Het gebruik van de naam is afkomstig van de vorsten van de Provence, Alienor.  Noreen, Nora.

Eliana: van Grieks helios: zon of uit Hebreeuws, Romeinse familie Aelianus. Elian, Elianna, Iliana, Liane, Lianne, Liana, Eleana, Elia, Elyn. Elian kan een Wells woord zijn, fawn: ‘ jong hert, hinde’.

Elisha: el: ‘God, krachtig’, sha: ‘helpen’. Elise, Elish, Elizea, Elsha, Elysee, Elyseo.

Elizabeth: uit Elisjeba: ‘God heeft gezworen, God is mijn eed of God is degene bij wie ik zweer, el: ‘God, krachtig’, sheba: ‘eed, zeven’. De zeven dagen om de wereld te maken. Elisabeth: Sommige namen staan onder invloed van Germaanse namen als bert.

Babette, Bella, Bep, Bess, Bet, Betta, Bets, Bessi, Betsie, Betsy, Bette, Betty,  Bettey, Elice, Elisa,  Eliza, Elisabertha, Elisamarie, Elyssa, Else, Ella, Elle, Elli, Ellie, Elly, Ellyne,  Els, Elsa, Elsabeth, Elsbe, Elsbet, Elsbeth, Else, Elsebe, Elselina, Elseline, Elsie, Elsiena, Elsina, Elsje, Elspeth, Elsy, Elza, Isabel,  Isabella, Liabetha, Lieberta, Lies, Liesa, Liesbeth, Lieske, Lieza, Like, Lilian, Liliane, Lillian, Lisa, Lisabeth, Lisbet, Lisbetha, Lisbeth, Lise, Lisette, Lissy, Liza,Lizz, Lizzie, Liazabertha, Lizabetg, Lizeberta, Lizet, Lizette, Lizzie, Lysbert, Lysbet, Lysbeth, Lysje, Lijsje. Met Els, Elisabeth en Mieke wordt Elzemieke gevormd.

Elke: el: ‘God, krachtig’, kanah: gemaakt.’ Elke is ook een vorm van Adelheid en Alice. Elka, Elkeen, Elkey, Ilki.

Gabriel: Hebreeuws geber: ‘sterke man’, el: ‘God, krachtig’. Arabisch Djibriel. Volgens de latere IsraĎlitische mythologie is hij een van de 7 aartsengelen en wel diegene die profeet DaniĎl de droom van de ram en geit verklaarde. Hij verkondigde verder aan Zacharias de geboorte van Johannes en aan Maria die van Jezus. Volgens de Rabbijnen is hij de doodsengel van de IsraĎlieten wiens zielen aan hem worden afgeleverd, volgens de Talmud de beheerser van het vuur en van het onweer. Op last van Jehova stak hij de tempel in brand voordat de soldaten van Nebudcadnesar die in vlammen liet opgaan terwijl hij ook eenmaal de Leviathan zal overwinnen. Volgens de leer van de Koran is hij 1 van de meest van God begunstigde engelen die de raadsbesluiten van de Onzienlijke optekent en aan Mohammed de gehele Koran heeft voor gezegd. Gabi, Gable, Gabrie, Gabry, Gaby, vrouwelijk: Brielle, Gaberlina, Gabi, Gabri, Gabriela, Gabriele, Gabriella, Gaby, Gabry,  Gabbey, Gabrael.

Ilinca: el: ‘God, krachtig’, Jahweh: ‘naam van God’. Vrouwelijke vorm van Elias. Grieks Elijah, Elie, Ellis, Lyke.

Joelle, mannelijke vorm Joel: Jahweh: ‘naam van God’, el: ‘God, krachtig’. Jody, Joe, Joele, Joeli, Joelin, Joellin, Joely, Joey, Joline.

Lazar: Hebreeuws El’azar: el: ‘God’. ‘God helpt’. Lazarus is de Griekse en Latijnse vorm. Naam van de bedelaar in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, Lucas 16:3.

Manuel, Manuela: im, ‘met’, el: ‘God, krachtig’. Emmanuela, Manuella, Emanuela, Manolito,.

Nathan, Nathania: nathan: ‘geven’, el: ‘God, krachtig’. Natania, Natanja, Nathaniel, Nat, Nate.

Raphael, Rafael, Raphaela: rapha: ‘helen’, el: ‘God’, ‘God geneest of heeft genezen’. Naam van de aartsengel genoemd in het apocriefe boek Henoch. Raf, Rafello, Raphy, Raphiel, Ravel, vrouwelijk: Rafela, Rafaela.

Samuel, Samuela: shama: ‘horen, el: ‘God, krachtig’. Samelia, Samiel, Sammey, Sammi, Sam, Shem, Sammie, Sammy.

Uriel, Uriela: uri: licht, vuur, el: ‘God, krachtig’. Een van de aartsengels. Uriah, Urie, Uriell.

 

Eu.

Afleidingen uit Grieks eu: ‘goed’.

Eucharius: eucharistia: ‘dankbaarheid of vriendelijkheid’.

Eufemia: ‘goede spraak, goede naam’. Euphemia, Effie, Fem, Feme, Femia, Femmy, Phemmy, Phemie.

Eugene, Eugenius, Eugeen, Eugene, Genius, Zeun, met de vrouwelijke vorm Eugenia, Euge, Ugenie, Eugenie, Euphemia: eu: ‘goed, genors: ‘geboorte,’ ,‘van edel geslacht, welgeboren’. Eugina, Genie, Gina, Gino, Gene, Gino.

Eulalio met de vrouwelijke vorm Eulalia: eu: ‘goed’, lalein: ‘spreken, dus de goede praatster.’ Ewell, Aulaire: Aulazie.

Eunice: eu: ‘goed’, nik’ victorie” Eunike, Eunie.

Euphemia: eu: ‘goed’, phemi: ‘spreken, stem’, gelijk als Eulalia.

Euphrasia: Grieks voor welsprekendheid, eu: ‘goed’, phrase: ‘zinsbouw’. Eupraxia.

Euphrosyne: ‘vrolijkheid of blijmoedigheid’, de naam van een van de drie gratiĎn. Rosine.

Eusebius: ‘goed eerbiedig of vroom’, vergelijk Latijn Pius. Cebus, Sebus, Seeb, Eusebie, vrouwelijk Eusebia, Euzebia, Ysoie.

Eustace, Eustachius, Eustace, Eustaas, Staas, Staats, Staes, Stach, Stachus, Statis, Statius, met de vrouwelijke vorm Eustacia: eu: ‘goed’, stachys: ‘aar’, dus rijk aan aren, vruchtbaar. Eustochia, Stacha, Stasia, Eustacia, Stacey. Maar Eustatius is van Grieks eustathes: ‘stevig, rustig, evenwichtig’. De namen zijn moeilijk te scheiden.

Eutychius: Grieks, ‘de gelukkige of de voorspoedige’. In het N.T. de naam van de jongeman die tijdens een toespraak van Paulus in het venster in slaap viel en van de derde verdieping naar beneden stortte en dood opgenomen werd waarna Paulus hem tot het leven terugriep, Handelingen 20:7.

Evangeline: eu: ‘goed’, angelma: ‘nieuws’, met Franse eindiging ist als in evangelist. Evangelos is de mannelijke Griekse versie. Evangelica, Evan.

Evaristus: Grieks euarestos: ‘welgevallig’, een nieuw Testament woord, Romeinen 12:1. Evarest, Evariest, Rist.

Evdokia: eu: ‘goed’. dokein: lijkt zo’. Latijn Eudocia, Grieks Eudokia.

 

Ey, ei.

Afleidingen uit oud Engels ey: ‘eiland’.

Lindsay: van Lindsey: Lincolns eiland: ey: ‘eiland’. Linda, Lyn.

Whitney: white: ‘wit’, ey: ‘eiland’. Whytnie.

Uit oud Noors: Ailsa: ey: ‘eiland’.

Iona: uit oud Noors betekent het een eiland met Taxus, Schots iova, Taxus eiland, Gaelic: ey: ‘eiland’.

Uit Germaans ei-, eg-namen, eg: zwaard, Aaite, Aaize,  Aile, Ait, Aite, Aitse, Aitze, Eibe, Eid, Eige, Eide, Eidse, Eile, Eine, Eise, Eiske, Eiso, Eisse, Eintsje, Eit,  Eke, Eco, Eeke, vrouwelijk Aite, Aitske, Eibellien, Eida Eidina, Eifje, Elfina, Eitske, Etien, Eibeltje.

 

Overige:

Efraim: Hebreeuws, ‘de vruchtbare’. Vrouwelijk Ephraima.

Ekhart, Germaans agi of egi: zwaard, en hard. Eckhardt, Eggert, Ekkehart, Eckart.

Eleutheris: Grieks eleutheros: ‘vrij’, Grieks eucharis: ‘aangenaam’. Lehire.

Eli, Hebreeuws hoogte, verhevenheid. Naam van de hogepriester die Samuel opvoedde, 1 Samuel 4. Elidia.

Eligius: Latijn eligere: ‘uitkiezen’. Elegius, Elooi, Eloi, Eloy, Eloi, Looi, Looy, Loy.

Emmeramus, Emerentius met de vrouwelijke vorm Emerentiana: Latijn emereo(r): ‘ik verdien geheel’. Amarinus, Emerence, Emerentienne, Emmeram, Heimeran, Emeran, Heimrammi, Haimeran, Heimeran, Rens. Vrouwelijk: Amarante, Amarens, Amarensia, Amarentia, Amerins, Ammerens, Ammerentia, Amorencia, Emerens, Emerentia, Emerentiana, Immertina, Merantine, Rens, Renske.

Engbert, Germaans Ingwio: god van de Inguaeonen, bert: stralend, glanzend. Angbert, Eembert, Engbertus, Inbert. Vrouwelijk Engbertha, Engberdina, Engberta.

Engel, of een vorm van de vorige eng naam of met de stam der Angelen en is er wel een verband met de Christelijke engelen uit Grieks angelos: afgezant, bode, engel. Engele, Engelinus, Engelke, Engle, Ingel, Ingle. Vrouwelijk: Engalina, Engela, Engeldina. Engele, Engle, Ingeltje.

Enoch: Hebreeuws ‘wijding’, de gewijde, de inzicht hebbende" en "de kenner, de vorm Henoch komt voor in het O.T. Hanoch. Vrouwelijk: Henochina, Henoghine. Epifanes, vrouwelijk: Epifania, Epiphania.

Epiphanius: Grieks epiphanes: ‘verschijnend, doorluchtig of beroemd’, Epiphania: ‘verschijning van Christus’. De naam betekent dus: ‘op de dag van verschijning van Christus (6 januari) geborene’. Het was al de bijnaam van verschillende koningen uit het Hellenistische tijdvak.

Erasmus: Grieks, erasmios: ‘beminnelijk of aanvallig’. Asmes Raas, Rasmus, Rase. Verbasterd door zeelui in Italiaans tot Eramo, Ermo en Elmo.

Ernst: Germaans ernst: ernst, in de strijd. Arnest, Arnestus, erne, Ernest, Erno, Nest, Nestn., vrouwelijk: Ernesta, Erneste, Ernestina, Erna, Erne.

Esme, Esmee, Engelse naam, vermoedelijk uit Latijn aestimatus: geacht.

Esther,  zie Ester 2:7, Latijnse vorm Hester. Ester, Hestera.

Eward: Germaans ee: wet, ward: beschermer. Eewert, Ewert, Ewart.

Ewoud: Germaans ee: wet, wald bij waldan: heersen. Eeuwit, Eeuwout, Ewald, Ewet, Ewit, ewold, Ewout, Wout, vrouwelijk: Ewalda, Ewouda, Ewoudia, Ewoudina.

 

Felix.

Afleidingen uit Latijn felix: ‘gelukkig, succesvol’.

Felix met zijn vrouwelijke vorm Felicia: felix: ‘gelukkig, geluk brengend, succesvol’. Fe, Fee, Feel, Fele, Feliciaan, Felicien, Fielie, vrouwelijk: Fee, Felia, Felice, Felicita, Felicia, Felicity, Feliece, Felizia. Felicitas was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid, het geluk. In Romeinse tijd was Felix vaak de naam van slaven en overige vrijgelatenen, daarna reeds vroeg bij de Christenen.

Felicianus met de vrouwelijke vorm Feliciana: felix: ‘gelukkig, succesvol’. Felina.

 

Fionn.

Afleidingen uit Keltisch fionn: ‘mooi, blond’.

Barry met de vrouwelijke vorm Barrie: fionn: net, aardig’, bearach: ‘speer’.

Finn met de vrouwelijke vorm Fiona: fionn: ‘mooi, blond’. Fenella, Finnie, Finley, Fiona.

Fionnghuala: fionn: ‘mooi’, guala: ‘schouder’.

Keelan met de vrouwelijke vorm Keelin: caol: ‘smal, dun’, fionn: ‘mooi’. Kelly.

Muireann: muir: ‘zee’, fionn: ‘mooi’.

 

Fridr.

Afleidingen uit oud Noors fridr: ‘vrede, prachtig’.

Astrid: ass: ‘God’, fridr: ‘vrede, prachtig’. Astrid was de vrouw van de heilige Olaf, moeder van Olaf Trygvason, koning van Noorwegen. Astra, Asfrid, Astrud.

Ingrid: Ing is de god van vruchtbaarheid Ingui of Yngvi, fridr: ‘vrede, prachtig’ of rida, ‘rijden’. Inneke, Ingeborg, Ingmar.

Sigrid: sigr: ‘victorie’, fridr: ‘vrede, prachtig’. Siegrid.

 

Fridu.

Afleidingen uit Germaans fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’.  Fedde, Feddo, Feio, Feiko, Fekko, Fetse, Fetze, Fidde, Fodde, vrouwelijk Fedda, Feia, Feichien, Feike, Feikje, Feikina, Feina, Feonia, Feyona, Fetsje.

Ansfried: ans: ‘god’, fridu: ‘vrede of bescherming’ met ongeveer de betekenis ‘onder de bescherming van de goden staande’. Of via oud-Frans aufrede uit ‘adel’. Aufridus, Aufridsus, Ansfried, Ansfrid, Ansfroi of Ansfridus. Vrouwelijke vorm Ansfrida.

Femke: verkleinvorm van Fried-, Frede-namen als Frederike, fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’. Famke, Fem, Femiena, Femina, Femkje, Femma, Femme, Femechien, Femeke, Femmie, Femmy, Femma. Vanuit Fries betekent femke ‘kleine meid’.

Fenja: verkleinwoord van fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’. Verkorting van Russisch Feodora en Grieks Theodora. Fenia, Fenne, Fenne, Fenno, finne, vrouwelijk Fen, fena, Fenda, Fenja, Fenna, Fenenchien, Fenneke, Fennichienm Fennie, Fenny, Fentsje, Finje, Finna.

Freda: fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’. Of vanuit andere korte namen als Freda of fred, Frederica. Frida, freddie, Friede.

Ingfried: fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’ en ing naar de Germaanse god van vruchtbaarheid die bekend was als Ingui of Yngvi.

Frideswide: fride of fridu: ‘vrede of bescherming’, en oud-Engels swidh= oud-Fries swith: ‘krachtig, handig of snel’, vergelijk swind, dus ongeveer, de krachtige beschermster. Friðuswiþ, Frevisse, Fris.

Fridolinus: fried, frede, fridu: ‘vrede of bescherming’. Fridolin, Frido, Friedel, Fridolijn.

Godfried: god: ‘god’, fried, fridu: ‘vrede of bescherming’, dus ongeveer, de onder de vrede, bescherming van (de) god(heid) levende. Fried, Gevert, Geuvert, Gaufrid, Geoffroy, Geofroi, Gioffredo, Godefrid, Godefridus, Godefroid, Godfrey, Goffredo, Goeffert, Gofe, Goffert, Goof, Goffrey, Govaart, Goverd, Govert, Godo. Vrouwelijk: Godefrida, Goffa, Goverdina, Goverta.

Godschalk: god: ‘god’ (ook in heidense zin, de naam dateert al uit voorchristelijke tijden) schalk: ‘knecht’, Gods knecht.

Gofrido, Gotfrid, Gottfried of Jeffrey.

Isfried: Germaans is, isan: ‘ijzer’, fried, fridu: ‘vrede, bescherming, beschermend’, dus ongeveer, vrede brengend met het ijzer, met de wapens. Isfrid.

Walfridus: Germaans wald: ‘heersen’, fried of fridu: ‘vrede of bescherming’. Walfried, Waldefrid, Galfrido, Gualfredo, Gualfredus, Qualfredo, Walfridus, vrouwelijk: Walfrida.

Werenfridus: Germaans war: ‘bewaren of bewaken’, fried, fridu: ‘vrede of bescherming’, dus ongeveer, bewaarder van de toestand van vrede. Werenfried, Warnfried.

Wilfred, Wilfridus met zijn vrouwelijke vorm Wilfreda: wil: ‘willen, verlangen’, fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’. Wilfreada, Wilfrid, Wilfrith, Fred, Wil, Freddie, Willie en Willy, Wilfried, Willehalm, Guilhelm, Guillelmus of Guillaume. Vrouwelijk: Wilfrida, Wilfrieda, Wilfreda.

Winfried: win: ‘vriend’, fried. fridu: ‘vrede, bescherming’. Als mansnaam was het Winfridus of Winfrith, de oorspronkelijke naam van Bonifatius.

Uit Gotisch: Ferdinand met zijn vrouwelijke vorm Fernanda: frith of fridu: ‘vrede, bescherming, veiligheid’, nanth: dapper’ of farth: ‘reis’ en via Spaans tot Fernando of Hernando of uit Angelsaksisch vorm wat dan ‘gemoed of geest’ betekent. Zo wordt Ferdinand dan vertaald als een die een ‘wagende geest heeft’, een waaghals.  Diant, Dianand, Fer,  Ferd, Ferdie, Ferdinandus, Ferdy, Fernand, Ferrantm Ferre, Ferry, vrouwelijk Ferdina, Ferdinanda, Ferdinandine, Fernande, Nanda.

 

Overige:

Fabianus, Fabius of Flavianus met de vrouwelijke vorm Fabiola: Latijn faba: ‘boon’, de naam zou dus bonenverbouwer betekenen. Naar een andere verklaring, ‘afkomstig uit de stad Faniae’. Fabius, meervoud Fabii, was een bekend Romeins geslacht, hiertoe behoorde onder andere Quintus Fabius Maximus Cunctator, in de tweede Punische oorlog tegenstander van Hannibal.  Fabian, vrouwelijk: Fabia, Fabiana, Fabiola.

Falk, Fries, mogelijk van de vogel Falco: valk, van Latijn falx: sikkel. De Friese naam wel van Germaans falka: vaal of glanzend of van Germaans valha: vreemdeling. Falco, Falke, Valk, Falke, vrouwelijk Falkje.

Farahilde, Germaans varen: varen, reizen, hilde: strijd. Farailda, Faralda, Faralde, Veerhilde, Veerle, Verele.

Faro: verkorte Germaanse naam, waarvan het eerste deel terug te vinden is in onze varen.

Fatima: dochter van Mohammed, 606-632. Vrouwe van Fatima is in het Portugese Lourdes.

Faustus: Latijn faustus: ‘begunstigend of geluk voorspellend’. Naam van Romeinse keizerinnen, onder meer de vrouw van Marcus Aurelius en van Constantijn de Grote. In Duits bekend door de 16deeeuwse zwarte kunstenaar Johann Faust, het prototype van Goethe’ s Faust. Faustin, Fausto, Faustus.

Febe, Grieks phoibos: rein, helder, bijnaam van Artemis als maangodin. Phebe, Phoebe. Zie Romeinen 16:1.

Febronia: dit hangt wel samen met Latijn februare: ‘reinigen’, februarius: ‘reinigingsmaand’, de laatste maand van het Romeinse jaar wanneer de zoenoffers plaatsvonden.

Fidelis: Latijn fides: ‘trouw, oprechtheid of geloof’, fidelis: ‘trouw, betrouwbaar of gelovig’, fiducia: ‘vertrouwen of moed’, vergelijk ‘ ik heb daar geen fiducie in’. Fides was bij de Romeinen de godin van trouw. Fides, spes en c(h)aritas, geloof, hoop en liefde, drie algemene christelijke deugden, vergelijk faith. Fideel, Fidel, vrouwelijk: Fida, Fidelia, Fides, Fuducia.

Ferreolus: Latijn ferrus: ‘ijzeren, ijzersterk of onwrikbaar’. Fergeolus, Ferreol.

Firminus: Latijn firmus: ‘sterk, krachtig of standvastig’. Firmiaan, Firmin, Firmus, vrouwelijk Firmina, Fermina.

Florentius, Latijn florens: ‘bloeiend, bekoorlijk of in aanzien’. Respectievelijk Flora, godin der bloemen en de lente. Eind april had men het feest Floralia. Flora was oorspronkelijk het Sabijnse equivalent van Ceres. Ze was meer dan de godin van de bloemen, haar naam bezit de gehele betekenis van de Indo-Germaanse wortel bhle / bhlo: ‘bloeien’. Fleur, Fleuris, Floor, Flor, Florens Florentinus, Floris, Floriaan, Florian,  Florus, Florent, Florentin, Florenz, vrouwelijk: Flora, Fleur, Fleurie, Fleurine, Floor, Floortje, Florance, Florencia, Florenta, Florentien, Florida, Florien, Florin, Florina, Florry.

Flavia: Latijns flavus: ‘geel of blond’. Naam van een Romeins geslacht.

Foke: Friese naam, afkortingen van Germaanse folk: volk, krijgsvolk,  namen, Focco, Fok, Fokele, Fokko, vrouwelijk Fok, Foke, Fokelien, Fokelina, Fokkedien, Fokkiena.

Folbert: Germaans folk: volk, krijgsvolk, bert: glanzend. Folpert, Fopbertus, Volbrecht. Met her’ leger wordt het Folkert, Folchert, Folgerd, Folkard, Volker, Volkert. Met win: vriend, Folkwin. Met mar: vermaard, Folmer en vrouwelijk Folmina.

Foppe: Germaans folk: volk, krijgsvolk met bert: schitterend, glanzend, Fop, Fope, Fopke, Foppo, Voppe, vrouwelijk: Fopje Fopke, Foppa, Foppina.

Fortunatus: Latijn, ‘gelukkig, gezegend, voorspoedig of gelukskind’. Oorspronkelijk een naam die wel gebruikt werd door vrijgemaakte slaven. Fortuna, vrouwelijk Fortunata, Fortunette.

Franciscus met de vrouwelijke vorm Franca: ‘de Fransman’. Overigens is het een Germaanse naam, afkomstig van de volksstam der Franken wat in verband wordt gebracht met Angelsaksisch franca, oud-Noors frakka: ‘werpspies’, respectievelijk frakkr: ‘moedig’, Fredegandus, Fredegand, Fregaud terwijl gemakkelijk verband gelegd kan worden met frank: ‘vrij’. Cies, Ciesen, Cis, Fraast, Francies, Francis, Frank, Franky, Franne, Frans, Fransinus, Frens, Sies, Sis, Sus Suske, Suus, Francisque, Franck, Francois, Frantz, Franz, Francis. Vrouwelijk: Cientje, Cis, Ciska, Cissie, Cissy, Fraansk, Francette, Frances,  Fanni, Fannie, Fanny, Francina, Fancine, Franciska, Frania, Franny, Fransina, Fransine, Fransiska, Fransje, Franka,Franska, Frensina, Frenska, Sien, Siena, Sienie, Sientje, Sienie, Sina, Suska.

Frauk:  oud Hoogduits frouwa: voorname vrouw, meesteres, echtgenoot, naar de god Freyer. Frauke, Fraukje, Frouk, Frouka, Frouke, Froukje, Frouw, Frouwina, Vroukje, Vrouwtje.

Fries: volksstam der Friezen, Freseman, Friese, Frieze, Friso, Frizo, Vries, Vriso. Vrouwelijk, Fresina, Friese, Friesina, Frieske.

 

Gard.

Afleidingen uit Germaans gard: ‘haag, bescherming’.

Dietgard: gard: ‘haag, bescherming’ met ‘mensen’.

Ebergard: eber: ‘ever, zwijn’, gard: ‘haag, bescherming’. Ebba.

Irmgardis: Germaans germ: ‘verbonden’, en vervolgens ‘groot en machtig’ en gard: ‘omheining, gaard, haag’, dus groot machtig ein en omsloten ruimte, tuin.

Luitgard: liut: ‘mensen’, gard: ‘haag, bescherming’. Lutgard.

Ludgardis, Lutgardis: liud: ‘lieden’, gard: ‘tuin, omsloten haag’, respectievelijk ‘staf, gard’. Ludger, Logier, Lutger, Lutgart, Luitgard, vrouwelijk Ludgerina, Lutgerdina.

Wendelgard: wend: Wenden of Vandalen’, gard: ‘haag, bescherming’. Wendalyn, Wendelle.

 

Ger.

Afleidingen uit Germaans ger: ‘speer’.

Dietger: diet: volk, ger: speer. Dedier, Tiedger, Dietger, Dittger.

Oscar, ius: Germaanse ans: ‘god’, en gar: ‘speer’, dus ongeveer door de goden (beschermde) speer .(strijder) Een oude vorm was osger, vergelijk Oegstgeest dat in de 9de eeuw Osgeresgeest heette: ‘stuk geestgrond van Osger’. Ansgar,  Anskar, Anskarius, Ansgaire, Anscharius, Kaar, Oskar. Vrouwelijk Oscarina.

Gaugerica: wel via Frans gaug(i)er uit Wald-ger, wald: ‘heersen’, ger: ‘speer’, ongeveer, de heerser met de speer. Gauderik, Gorik, Gaugericus, Gaugerik, Goderik, Géry, Gury.

Gerard,: ger: ‘speer’, ger: ‘speer’, hart: ‘hard dapper, hard’, dus ongeveer, sterk met de speer, Gerardus, Gerhard Gaard, Gait Garret, Garriet, Garrit, Gart, Geeraard, Geerat, Geerd, Geerhard, Geerat,  Geerd, Geerdinus, Geerrit, Geert, Geraad, Geraard, Gerd, Gerdi, Gerhard, Gerhardus, Gerrad, Gerard, Gerie, Gerrit, (soms tot Kei, Kaei, Kay, Kei, Keje) Gerryt, Gert, Geurt, Gheert, Gjert, Gorryt, Graads, Graats, Grad, Gradie, Gradus, Jert, Jerry, Jarrell, Jaryl, Jerri, Kay, Sjra, Sjraar, Zjraar.  Vrouwelijk: Garda, Gardina, Garregien, Gary, Garritje, Gediene, Geera, Geerarda, Geerardina Geerda, Gerdina Gerdine, Geerardina, Geerda, Geerdine, Geerdje, Geerharda, Geerke, Geert, Geerte, Geertie, Geertje, Ger, Gera, Gerada, Gerarda, Gerarde, Geradina, Gerda, Gedina, Geraldine, Geraldina, Gerdine, Gerharda, Gerhadina, Gerlyn, Gerredine, Geretta, Gerridina, Gerridini, Gerrie, Geri, Gerri, Gerik, Gerrita, Gerritje, Gerry, Gertina, Gertha, Gertie, Gerty, Geurdina, Gra, Grada, Grady, Greeta, Garret, Jeraldine, Jerel, Jerta, Jertske. Gertjan, Gatjan, Getjan is een combinatie van Gert en Jan om de Jannen van elkaar te scheiden.

Gerbern: Germaans ger: speer, bern: beer. Geerben, Gerben, Girbe, vrouwelijk Gerbina.

Gerbout, Germaans ger: speer, bout dapper, boud. Gerbald, Gerbold, Gerbaud.

Gerbrand: Germaans ger: speer: brand: zwaard. Garbrand, Garbrant, Gerbrant, Geirbrand, vrouwelijk Gerbranda.

Gerbrecht: Germans ger: speer, bert: glanzend, stralend. Harbert, Garbrecht, Gerbert, vrouwelijk Garberdina, Berdientje, Berdina, Berdine, Gerberdina.

Gerbrich: Germaans ger: speer, brich: berg, burg, bescherming. Garbrecht, Garbrich, Gerbrech.

Gerhild: Germaans ger: speer, hild:  strijd. Garhild, vrouwelijk Gerhilde.

Geertrui: Germaans ger: ‘speer’, Geertrui betekent ‘speer-jonkvrouw’, het tweede deel kan verwant zijn met Duits drude: ‘tovenares’ en daarmee ook met de naam van een Walkure, een van de godinnen van het slachtveld en de overwinning. In dit geval is de oorspronkelijke betekenis ‘kracht’ mogelijk, of van Duits traut: ‘geliefd’, uit oud-Hoogduits trut. Gertrudis, Gerdine, Geertien, Geertje, Geertrui, Geertruida, Gertrud, Gertje, Gertrude, Gertruida, Gertruud, Girtrud, Trude, Trudie, Trudy, Trui, Truida, Truus, Truytje.

Gerlach: ger: ‘speer’, lekja: ‘tovenaar of arts’. Geerlach, Geerlag, Geerlig, Gerlak, Gerlachus, Geriacus, Gerlachus of Gerlich.

Gerlof: Germaans ger: speer, olf, wolf. Gealof, Geerlof, Gellof, Gelof, Gerlif, Gerolf, Gerulf, vrouwelijk Geerloffina, Gerlofke.

Germanus: ger: ‘speer’, man: ‘man’. Of Latijn germanus: ‘broeder’. Germaan, German, Germain, Germen. Vrouwelijk Germa, Germanie, Germien, Germina, Germaine.

Gerolt: Germaans ger: speer, wald: heersen. Garrelt, Gerald, Gerhold, Gerout, Gerrolt. Gerwald. Grald, Gerald, Gerhold, Gerold, Gerrelt, Gerwald, vrouwelijk Garreltsje, Geraldien, Geraldina, Geraldine.

Gezellin, Gezellinus: Germaans: kleine lansspits.

Gerulf: ger: ‘speer’, olf: ‘wolf’, dus ongeveer, als een wolf moedig met de speer. Gerulphus, Gerolf.

Gervasius: mogelijk uit Grieks gerousios:’ ‘man voor wie een hoge leeftijd is weggelegd’. Of van Germaans ger: ‘speer’, en Keltisch vass: ‘knecht’, dus lansknecht.

Irmgardis: Germaans germ: ‘verbonden’, en vervolgens ‘groot en machtig’ en gard: ‘omheinde’, groot machtig en omsloten ruimte, tuin.

Liudger, Liudgerus: Germaans liud: ‘volk’, ger: ‘speer’. De naam komt in het Nibelungen lied voor. Ludger, Liudger.

Nidgar: ’nijdigerd met speer’.

Willigis: Germaans wil: ‘het willen of streven’, ger: ‘speer’.

Uit oud Engels: Gary met de vrouwelijke vorm Garyn: ger: ‘speer’, gar: ‘speer’. Garina, Gareth.

Uit oud Frans: Gervaise. ger: ‘met de speer’. Gervasia.

 

Gund.

Germaanse afleidingen uit gund: ‘gevecht’.

Gedeon: gund:’ strijd’. Guntram, Gontram, Gontran, Gunthram of Guntchramm.

Gudrun: gund: ‘gevecht’, run: ‘geheim’. Gudruna, Guda, Gutta.

Gunther met de vrouwelijke vorm Gunda: gund: ‘strijd’, her: ‘heer of leger’, het is de strijder. Naam van een van de hoofdpersonen uit het Nibelungenlied, de broer van Krimhilde. Hij kwam vooral voor in het huis van de Thüringense vorsten van Schwarzburg. Gunthar, Günther, Guntherus, Gunter, Tsjechisch Vintir, Gundel, vrouwelijk Gunta, Gundula.

 Cunny, de, Cunigonda: kunne: ‘geslacht of stam’, gonde: ‘strijd’, dus ongeveer, strijdster voor de stam. Cunegundes, Kunegonde, Kunigunde.

Radegundis, Radegondus: rad: ‘raad, advies’, gund: ‘gevecht’, dus ongeveer, raadgeefster in de strijd. Radegunda, Frans Radegonde.

 

Gwen.

Uit Germaanse afleidingen van gwen: mooi, gezegend, heilig.

Winifred: Wells Grenfrewi, gwen: gezegend’, frewi en modern via Gwinifrid en oude Engelse naam Winfrith, met wynn: ‘vrede’, frith: ‘veiligheid’. Freddie, Fred, Winefrid, Winfreda, Winfrieda, Winie, Winifrid, Winne, Wynnie.

Uit Bretons, Nolwenn: van een 6de eeuwse heilige Noyal Gwenn: heilige van Noyal, Bretagne, Frankrijk.

Uit Keltisch Aeronwen: aer: gevecht, strijd, of aeron: ‘vruchten’, gwen: ‘gezegend’.

Uit oud Engels, Rowena: kan van Hrodwyn, van hrod of rhon: ‘speer of lans’, gwen, ”gezegend’. Naar Rowena de dochter van de Angelsaksische leider Hengest. Rawena, Rhowena, Rowen, Rowenna, Rowyn, Rowynna, Ron, Ronnie en Rovena.

Uit oud Wells, Guinevere: Gwnhwyfar is een oude vorm, van gwen: ‘gezegend’, hwyfar: glad’. De begeleidster van koning Arthur en verwikkelt met zijn trouwste bediende sir Lancelot. Generva, Genever, Genevra, Gennifer, Ginevra, Guenevere, Gueniver, Guenna, Guinivere, Gwenifer, Gwen, Gwinny, Genevieve, Genovefa.

Uit Wells Branwen: bran: ‘raaf’, gwen: ‘gezegend’, donkere schoonheid. Brengwain, Branwyn, Brauwin.

Bronwen: bron: ‘borst’, gwen: ‘gezegend’. Bronnie, Bronny.

Carwen: car: ‘liefde’, gwen: ‘gezegend’.

Ceridwen: cerdd: ‘poetisch’, gwen: ‘gezegend’. Godin van poezie in Keltische mythologie. Cerdwin.

Gwen: ‘gezegd’, de vrouwelijke vorm van Gwyn. Gwendolen, Gwin, Gweno.

Gwendolin: gwen: ‘gezegend’, dolen: ring, boog’. Gwendolyn, Gwen, Gwenda, Gwenna, Gwenny, Wenda, Wendoline, Wendy.

Gweneira: gwen: ‘gezegend’, eira: ‘sneeuw’.

Gwenfair: gwen: ‘gezegend’, mair, ‘Maria’.

Gwenfrewi: gwen: ‘gezegend’, frewi: ‘verzoening’. Zie Winifred.

Gwenfron: gwen: ‘gezegend’, bron: ‘borst’.

Gwenllian: gwen: gezegend’, lliant: ‘vloed of schuim’.

Tegwen: teg: ‘aangenaam’, gwen: ‘gezegend’.

 

Overige:

Gabinus: mogelijk een Germaanse vorm, samenhangend met het werkwoord geven, in de betekenis ‘gastvrij zijn’. Gabe, Gabel, Gabi, Gabin, Gabke, Jappe.

Gaius: de oorspronkelijke vorm is Caius. De naam wordt wel in verband gebracht met Latijn gaudere: ‘zich verheugen, wat niet geheel zeker is. Volgens anderen van gaius: ‘meerkol of Vlaamse gaai’. Al bij de Romeinen een voornaam, Caius Caligula.

Gaetana, Cajetana, Kaj, Kajetan.

Gale, Fries, mogelijk van Gailo: vol levenskracht, dartel, overmoedig, Geale, Galke, Galtjo, Galtsje, Galtjo.

Gallus: Latijn gallus: ‘GalliĎr’, Kelt, of Latijn gallus: ‘haan?’ Komt al voor in verschillende Romeinse geslachten, Galla Placida, Romeinse keizerin. Ca 389-450. Gallatius, Galla, Gal, Gallanus, Gallo, Gallianus, Tjechisch Havel.

Gaudentius: Latijn gaudere: ‘zich verheugen’. Gaudenz, Gaudenzo, Gaudenzio.

Gelasius: Grieks galaein: ‘lachen’, dus de vrolijke.

Gemma: Latijn gemma: ‘knop (van een plant) edelsteen, juweel of parel’, of Latijn gemina: ‘tweeling’, tegelijk geboren.

Georginus, Georgius: Grieks geoorgos, ‘landbouwer’, vergelijk Latijn agricola. George, Georg, Geo, Joren, Joris, Juriaan, Jurg, Jurgen, Jurianus, Jurinus, Jurjen, Jurriaan, Jurrian, Jurrie, Sjors, Zjors, Geordie, Jorgen, Orjan, Jorn, Jerzy, Juri, Yuri, Jurek. Vrouwelijk Geogea, Georgette, Georgia, Georgiene, Georgina, Georgette, Jorga, Juriana, Juriena, Jurina, Jurriana. Jurrina..

Gislenus: Germaans gisil: ‘belofte, gastvrijheid, of kind van voorname ouders’. Galein, Gelein, Gellijn, Gilijn, Glein, Glijn, Ghislanus, Ghislenus, Ghisleen, Ghislain. Met de vrouwelijke vorm Ghislaine, Gisela, Giesella, Gisele, Gisella, Gisa. Leintje.

Gjalt: Friese naam met afkorting van geld, waarde, Gialt, Gjelt, Gjolt. Gelle, Gelt.

Gladys, Glad, Engels van Wales, Grladus, Cornish Gladusa, meest gezien als vervorming van Claudia.

Gobert: Germaans god: god, bert: glanzend, stralend. Godebert, Goebert, Goebertus, vrouwelijk Goberta, Godeberta, Goeberta.

Godard: Germaans god: god, hard: hard, sterk. Godart, Godert, Godhard.

Godelieve: Germaans god: ‘god’, en lief: ‘lief’. Godelieva, Godoleva.

Godric: de in God rijke. Godericus, Goderik, Godric, Godricus, Gory.

Godlef, Germaans god: god, lief. Godolef, Gottlieb. Vrouwelijk: Godelieve, Godeliva, Lieve, Lieveke, Gottliebe.

Gomarus: Germaans god: ‘god of goed’, mar: ‘vermaard of beroemd’ dus ongeveer, (door) god beroemd of in de strijd beroemd. Gommarus, Gummarus.

Gordianus: Latijn ‘afkomstig uit Gordium’ een stad in PhyrgiĎ waar Alexander de Grote de gordiaanse knoop doorhakte. Commer, Commerus, Goemarus, Gomar, Gommaar, Gommer, Gordon, Kommer, vrouwelijk Commerencia, Gommerina, Kommerina.

Gomprecht: Germaans gond, gund: strijd, brecht: stralend, schitterend. Combertus, Gommert, Gompert, Gumpert, Gumprecht, Gundbert.

Graptus van Grieks graptpi: opschrijven.

Gregorius: Grieks gregorios: ‘de waakzame’, vergelijk Latijn Vigilius. Goor, Goord, greg, Gregoor, Gregoire. Gories, Grogoor, Gregorius, Joren, Jorinus, Joris, Gregor, Gregory. Vrouwelijk Jerina, Jorina, Jorisina, Jorita.

Grimbald: Germaans grim, net als in ons ‘grimmig, verbitterd, boos’, of verwantschap met Oudnoors grima: ‘masker, helm’, bald: ‘stoutmoedig’. Grimwald.

Gordon, Engelse naam van een Schotse clan, bezit in Berwicshire.

Grate: Friese naam van grad: begerig, vrouwelijk Graatske, Gratske, Gratje.

Gracia: Latijn gratia: bekoorlijkheid, gratie. Gracia, Grace, Graziella.

Gudula: Germaans god: ‘god’, goed: ‘goed’. Goedele, in Frans Gudule.

Guy: Germaans wid: ‘woud’. Giedo, Guido, Gui, Guidon, Guyon, Veit, Wijt.

Gunilla: Germaans grond: strijd, hild: strijd. Gonelda, Gunhild, Gunilda, Gunilla.

Gustaaf, van gotarnas stav, steun van de Gorar: bewoners van Gota land, naam van verschillende Zweedse koningen. Gust, Gustavus, Guuk, Guus, Guust, Staaf, Staf, Gustaf, vrouwelijk Gusta, Gustafine, Gustava, Gustavia, Gustina, Guusta.

Gytha, Githa, waarschijnlijk van oud Engels guth: strijd.

 

Hart.

Afleidingen uit Germaans hart, hard: ‘dapper, hard’.

Bernard, Bernardus, vrouwelijke vorm Bernadette: ber: ‘beer”, hart: ‘dapper, hard’, dus ongeveer sterk, moedig als een beer, berenaard. Bernita, Berny, Barrett, Bernad, Bernardo, Bernhard, Bern, Barney, zonder n en meest een Friese naam, Ben, Been, Bein, Beine, Beint, Benjo, Bin, Bine, Bintje.

Bernardino, Bernardinus: Germaans bern: ‘beer’, hard: ‘sterk of moedig’, dus ongeveer, sterk, moedig als een beer, een berenaard.

Edsard, Germaans agi: zwaard en hard. Adzer, Atsert, Edart, Edser, Edsert, Edzard, Idart, Edzard, vrouwelijk: Atsertjes, Edzardina, Idzerdina. Zo ook Edsger.

Diethard met de vrouwelijke vorm Tjarda: theud: ‘mensen, ras, hart: ‘dapper, hard’. Tjaard, Darret, Derward.

Gebhard: geb: ‘geven’, hard: ‘sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk in het geven, vrijgevig, Gephard.

Godehard: god: ‘god’, hard: ‘sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk als een god. Gotthard.

Erhard: Germaans er: ‘ever’ of ‘eer, roem of bescherming’, hard: ‘hard of sterk’, ongeveer sterk als een ever of respectievelijk sterk door zijn eer of roem.

Hardewijn: Germaans hard: stevig, sterk, win: vriend. Aardewijn, Hardowin, Hardwin, Harrewijn, Herwin, Hartwin, Arduin, Harduin, vrouwelijk Herdwina.

Hartwig: Germaans hard: sterk, stevig, wig: strijd. Hartog, Hartwich, Hertog, Hartwig, Hertwig, vrouwelijk Hartwigina.

Hervé: Franse, respectievelijk Engelse vorm van Bretons haerveu = Germaans hardwig: hard: ‘sterk, stevig’, wig: ‘strijd’, sterk in de strijd. Of van oud-Bretons aer: ‘bloedbad’ (strijd?) en ‘waardig’. Harvey, Herveus, Huva.

Leonard, Leonardus, met de vrouwelijke vorm Leonarda het eerste lid van de Germaanse naam is wel aangepast aan het woord voor leeuw, Latijn leo, omdat de Germanen dit dier oorspronkelijk niet kenden (in de naam van de leeuw kon het symbool van de evangelist Marcus zitten) mogelijk van een Germaanse stam lewa of liwi: ‘genadig’, hard of hart: ‘hard, dapper of sterk’, de naam ging dus betekenen sterk als een leeuw. Leonhard, Léonard, Leona, Lena, Lenard, Lenya, Lenny.

Medardo met de vrouwelijke vorm Medarda: matu: ‘goed’, hart: ‘dapper, hard’. Medard.

Medardus: een verlatijnste vorm van Germaans mada-hard, mada: ‘plaats van bijeenkomst of gerechtsplaats’, hard: ‘hard, sterk of stevig’.

Meinhard: Germaans megin: ‘kracht of sterkte’, hard: ‘hard, sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk in kracht. Meginhard, Meinaart, Meinardus, Meindert, Meinert, Mijnhard, Maynard, vrouwelijk: Meijnarda, Meynderina.

Siard, Siardus: Germaans sigi: ‘zege of overwinning’, hard: ‘sterk of stevig’, dus ongeveer de sterke overwinnaar. Siert, Siert, Sjaard, Sjard, Sjerd, Ziert, vrouwelijk: Sierske, Sierdtsje.

Wolfhard: Germaans wolf: ‘wolf’, hard: ‘hard, sterk of stevig’, dus ongeveer, sterk als een wolf. Gualfard.

 

Hayya.

Afleidingen uit Hebreeuws hayya: ‘het leven gevende’.

Chayim met de vrouwelijke vorm Chaya: hayya, ‘het leven gevende’. Haya.

Eve, Eva: Hebreeuws ‘het leven gevende’ stammoeder van het menselijk geslacht. Evalien, Evaline, Evelien, Eveline, Evelijn, Evi, Evine, Evita, Eveleen, Evelyn.

 

Heit.

Afleidingen uit Germaans heit: ‘soort, type’.

Heidrun: heit: ‘soort, type’, ‘run: ‘geheim.

 

Helm.

Afleidingen uit Germaans helm: ‘helm, bescherming’.

Anselm, Ansel, Ansem, Anseel, Selm, Salmus, Anselmus met de vrouwelijke vorm Anselma: ans: ‘God’, helm: ‘helm, bescherming’, de door de goden beschermende. Anselma, Julma, Selma, Sulma, Zulma.

Helma is een verkorte vorm van woorden met helm:’, ‘helm, bescherming’.

Plechelmus: het eerste deel is oud-Saksisch plegan: ‘instaan voor’, oud-Fries plega: ‘gewoon zijn’, Angelsaksisch plega: ‘spel of gevecht’, resp. ‘zorgen voor’, het tweede deel:’helm’. Pleghelm.

Willem, Wilhelmus met de vrouwelijke vorm Wilhelmina: wil: ‘verlangen willen of streven’, helm: ‘helm, bescherming’.  Hemus, Wil, Willy,  Willem, Willy, Wilm Wim, Wimke, Wullum, Guilielmus, werd hier tot Jelle, Jelte, en vrouwelijk tot Jelma, Giliam, Bill, Billy, William, Vrouwelijk: Helma, Mien, Mina, Wilhelmien, Wilhelma, Wilhelmina, Willemien, Willemina, Willy, Willie, , Guelmina, Guilhelmina.

 

Helios.

Afleidingen uit Grieks helios: ‘zon’.

Ellen, Helen, Helia: Grieks helios: ‘zon, de heldere, schijnende’. Verkleinwoord van Eleanor. Eileen.

Helena: oorspronkelijk een Griekse naam met de betekenis: ‘fakkel’, dus de stralende of schitterende en verwant met helios, ouder eelios: ‘zon’, en selene: ‘maan’, en afgeleid van een wortel s(a)uel: ‘branden’. In de Griekse mythologie was Helena de gemalin van Menelaos, koning van Sparta. Ze gold als de mooiste vrouw in de Griekse oudheid. Doordat Paris als scheidsrechter in een twist om de erisappel de mooiste vrouw beloofd werd en haar schaakte ontstond de oorlog tegen Troje. Leentje, Aileen, Evelyn, Helen, Heleen Helina, Lee, Leentje, Lena, Leni, Lenie, Leny.

Herculanus: Grieks, ‘(met hulp van) Hera beroemd’. Heracles is Grieks, Hercules de Latijnse vorm. Zoon van Zeus en Alcmene en bekend door zijn 12 werken die hij moest verrichten door toedoen van de jaloerse Hera.

 

Heri.

Afleidingen uit Germaans heri: ‘leger, krijger’.

Armand: heri: ‘leger, krijger’,’ gewapende man’. Armando, Hermandus, (hart: hard) Mand Mandus, Manten. Armanda, Armande, Armandia, Armandine..

Herman: heri: ‘leger, krijger’. Armandus, Arminius, Haarm, Harm, Harman, Harmandus, Harmanus, Harmen, Harminus, Heereman, Hermanus, Hermannus, Hermen, Hermenus, Maan, Mannes, Mannus, Mans, Meins, Manus, Herms, Hermann, Armand, Armant, Armando met zijn vrouwelijke vorm Hermine, Latijn Hermia. Armina, Armanda, Ermenie, Ermina, Hanna, Harma, Harmanda, Harmien, Harmina, Harmke, Harmpje, Herma, Hermana, Hernance, Hermanda, Hermandina, Herandina, Hermi, Hermia, Hermien, Herminia, Hermine, Hermione, Manna, Mien, Miena, Mientje, Mina, Urmina, Minnie, Minie, Myn, Myna, Mynie.

 

Hild.

Germaanse afleidingen van Hild, Hade: ‘gevecht, slag’.

Alfonsus, Alfons, Alphons, Fokke, Fonne, Fonny, Fons, Alphonse, Alphonso, met de vrouwelijke vorm Alfonsina, Alphie, Alphonsa, Fonsina, Fonsine, Fonsje, Germaans, mogelijk uit adal-funs of van West-Gotisch hadufuns: ‘gereed of bereid tot strijd’ of van adal: edel, ala: geheel, alles, hadu: strijd: hild: gevecht, funs: gereed. Deze Germaanse naam is vermoedelijk door de west-Goten naar Spanje gebracht.

Arnhild: arn: ‘arend’, en hild, ‘gevecht’. Arend.

Bathilde: Germaans badu: ‘strijd’, en hild: ‘strijd’. Batildis, Bathildis. Balthilde, Baldechild of Baudour, Nanthild.

Berthild: bertht: helder, ‘beroemd’, hild: ‘gevecht’. Berta, Bertha.

Brunhilde: brunni: ‘harnas, bepantsering’ en hild: ‘gevecht.’ Noors Brynhildr, de oorlogskoningin en vrouw van Gunther, komt voor in het Nibelungenlied en bij Wagner de ring van Nibelungen. In de IJslandse Volsunga saga was Brynhild het hoofd van de bovennatuurlijke oorlogsmaagden, de (V)Walkieren. Brunhilda, Brunhild, Brunehilda, Brunhildis.

Hilda: Germaans hild: ‘strijd’, naar Brunhilde in Germaanse mythologie.

Burghild: burg: ‘burcht of bescherming’ en hild: ‘gevecht’. Borghild.

Clotilde: Germaans hlud of lod: ‘beroemd’, hild: ‘gevecht’, dus ongeveer, de beroemde strijdster. Clotildis, Cleotilde, Clothilde, Clotilda, Klothilde, Klotild.

Diethild: theud: ‘mensen, ras’ hild: ‘gevecht’, Thiathild.

Eberhild: eber: ‘ever, zwijn’, hild: ‘gevecht’.

Farhilde: Germaans varen: ‘zich voortbewegen of reizen’, Langobardisch fara: ‘geslacht, familie of gevolg’, hilde: ‘strijd’. Pharaildis, Pharailde, Farhild, Varelde, Veerle

Framehild: Germaans frama: ‘dapper, vooraanstaand’, bert: ‘glanzend, schitterend of stralend’, dus ongeveer, schitterend door dapperheid.

Gerhild: ger: ‘ speer’, hild: ‘gevecht’. Gerhilde, Girelda.

Griselda: gris: ‘grijs’, hild: ‘gevecht’. Criselda, Greselda, Griselle, Griselys, Grishelda, Gryzelda, Griseldis, Selda, Zelda.

Gunthilde: gund: ‘gevecht of wond’, hild: ‘gevecht’. Gunhild.

Hade, Germaans van hade: strijd of afkortingen van andere namen. Hadde, Hado, Hate, Hato, Hatte, Hatto, Hed, Hedde, Hede, hetto, vrouwelijk Hatina, Hatty, Hedda, Hedy, Hetta, Hettiena.

Hademar: Germaans hade: strijd, mar: vermaard. Hadmar, Hadumar, Adhemar.

Hadewig: Germaans hade: strijd, wif: vrouw, strijdster. Hadewey, Hadewich, Hedwich, Hedwig, Hedi, Hede, Hedda, Hedvig. Met wijn: vriend, wordt het Hadewijn. Hadewin, Hadwin, vrouwelijk Hadewina, Hadwina.

Hildburg: hild: ‘gevecht’, burg: ‘burcht, fort’. Hildeburg.

Hildebrand: hild: gevecht: brand: ‘vlammend zwaard’. Hilbran, Hilbrand, Hildebrande, Hyldibrand, vrouwelijk Hildebrandina.

Hildegard: Hildegardis: Germaans hild: ‘strijd’, gard: ‘omsloten ruimte of tuin’. Sint Hildegard van Bingen, 1098-1179, een Duitse abdis en schrijfster. Hildey, Hildred, Hildy, Hyldagard, Hylde, lldegarda.

Hildegunde: hild: ‘gevecht’, gund:’ gevecht of wond’, betekenen beiden ‘strijd’ of er worden verschillende wijzen van strijd bedoeld. De naam komt voor in het Waltharilied. Gonda, Gonne, Gonnie, Gunda, Hilgonda, Hildegonda, Hillegond.

Hildrun: hild: ‘gevecht’, run: ‘geheim’.

Hiltrud: hild: ‘gevecht’, trud: ‘kracht, sterkte of geliefd’. Hiltraut, Hiltrud, Hiltrud, Hildetrudis, Helmtrudis.

Ildefonsus: hild: ‘strijd’, fons: ‘wagend’, dus ongeveer bereid tot strijd of Germaans en mogelijk uit adal-funs of van West-Gotisch hadufuns: ‘gereed of bereid tot strijd’. Deze Germaanse naam is vermoedelijk door de West-Goten naar Spanje gebracht. Ildephonsus, Ildefons, Hildefons, Hadufons, Adelfons, Alfonsonso, Alphonso, Alphonsus, zie Alfonsus.

Irmhild: naar de stamgod van de (H)Erminones, ermen: geheel, immens, universeel, hild: ‘strijd’, dus ongeveer de machtige strijdster. Ermenhild, Imelde.

Kriemhild: grima: ‘masker, helm’, hild: ‘gevecht’. Kriemhild was de vrouw van Siegfried in de Nibelungen saga, Kriemhilda, Krimhild Grimhild.

Matilda: maht: ‘macht’, oud-Saksisch maht, minder waarschijnlijk van oud-Saksisch magath: ‘maagd’, hild: ‘’gevecht’, dus ongeveer de machtige strijdster. Mathildis, Sint Mathilda, de begeleider van de vrouw van Hendrik de Vogelaar, 895-968, bekend van haar schoonheid en deugd. Matilda de vrouw van William de Veroveraar en ook een dochter van Hendrik I van Engeland. Mathilda, Mathilde, Mathildis, Matia, Mahilda, Mahilla, Mechtildis, Matie, Matty, Maud, Maude, Thilde, Tielke Til, Tilda, Tilly.

Oriel: van Germaans Aurildis of Latijn aus: ‘uit’ en hild: ‘gevecht’. Of van Frans Oriol: van aureola: goud. Auriel, Aurelia, Oralia.

Reinhild: regin of ragin: ‘raad, advies’, hild: ‘strijd’, dus ongeveer, raadgeefster in de strijd, of sterke strijdster. Reinhilde, Reinheid, Reinault, Reynalda, Ronalda, mannelijk: Ronald, Ronnie, Ronny.

Reinildis: regin of ragin: ‘raad, advies’, hild: ‘strijd’, dus ongeveer, raadgeefster in de strijd, of sterke strijdster. Rainildis, Renelde, Renelle.

Runhild: run: ‘geheim’, hild: ‘gevecht’.

Swanhild: van oud Noors Swanhild, de dochter van Sigurd en Gudrun die met een koning van de Goten trouwede, sav: ‘zwaan’, en hild: ‘gevecht’. Swaantje, Swantje, Swanhilda.

Thusnelda: thurs: ‘reusachtig’, hild: ‘gevecht’.  Tussinhilda, Tusnelda.

Uit oud Engels: Averil, Eoforhild of Everild: eofor: ‘ever, beer’, hild: ‘gevecht’. Averil is een vorm van Engels April en Frans Avril. Averelle, Averilda, Averilla, Avereille, Avaril, Duits Eberhild.

 

Hildr.

Afleidingen uit oud Noords hildr: ‘slag, strijd’. Hild, Hildo, Hielke, Hilko, . Hiltje. Hyltsje, vrouwelijk Eldina, Hielkje, Hilchje, Hilda, Hilde, Hilla, Hillechien, Hilleke, Hilly, Hiltje, Hylkje, Hylta.

Alfhild: alfr: ‘elf’, hildr: ‘slag’.

Thorhild: thor: ‘Thor:’’donder , hildr: ‘slag’.

 

Hippos.

Afleidingen van Grieks hippos: ‘paard’.

Hippolytus: ‘die de paarden losmaakt of uitspant’, respectievelijk ‘de door paarden verscheurde’. In de Griekse mythologie was Hippolyta de koningin der Amazonen . Hippolytus was de zoon van haar en Theseus die door zijn eigen paarden werd gedood. Vandaar de beide uitleggingen van de naam. Hipolitus, Hippoliet, Liet.  Vrouwelijk Hypolita, Lieteke.

Xanthippos met de vrouwelijke vorm Xanthippe: xanthos: ‘geel’, hippos: ‘paard’. Xanthe.

 

Honor.

Afleidingen uit Latijn honor, valor: ‘honeur, waardevol’.

Honoratus, vrouwelijke vorm Honorina: Latijn honor: ‘eer’, honoratus: ‘zeer geĎerd’. Honor, Honore, Honorius, vrouwelijk Honorata, Honoria, Honorina, Norine, Nora, Norah.

Nora: ‘honeur, waardevol’, van Honora, Eleanor of Leonora.

 

Hros.

Afleidingen uit oud Engels hros: ‘paard, horse’.

Rohesia: hros of hrod: ‘paard, horse’.

 

Hruod.

Afleidingen uit Germaans hroud, hruom: ‘beroemd’.

Robert met zijn vrouwelijke vorm Roberta: hruod: berth: ‘glanzend, stralend of schitterend’. Dus de beroemde roemglanzende’.  Bertie, Bob, Bobbejaan, Bobby, Rob, Robartus, Robbe, Robert, Robbert, Robbie, Robby, Robert, Roberto, Robbey, Robbin, Robin, Robyn, Robby, Rudbert, Rupert, vrouwelijk: Roba, Robberdina, Roberdina, Roberta, Robertina, Ruperta, Rupertina, Robina.

Rodriguez: rod of hroud: ‘roem’, rik, ‘aanzienlijk of machtig’, dus ongeveer, machtig door roem. Een Germaanse naam die zich via Spanje verspreid heeft. De laatste West-Gotische koning die hem droeg, Roderik, viel in 711 a 712 tegen de Moren in de slag bij Jerez de la Frontera. Dit betekende het begin van de Moorse overheersing. Roderick, Rorich, Rody, Rodrique, Rodriguez, Ruy.

Rodolfo, Rudolfus: rod of hroud: ‘roem’, olf: ‘wolf’. Bekend door Rudolf I van Habsburg, 1273-1291, een krachtig figuur. Verkort tot Dolf, Roel, Rolle, Rudolf, Roedi, Roelf, Roelof, Rudi, Rudoph, Rudy, Rolof, vrouwelijk: Roelien, Roelie, Roelina, Roelinka, Rolien, Rolina, Rudi, Rudina, Rudolpha, Rudolphine.

Romanus: Latijn romanus: ‘Romein’, de Italiaanse vorm Romeo van Grieks Romaios: ‘Romein’. Vooral kinderen van Romeinen buiten ItaliĎ werden met een zekere trots Romein genoemd. Of van Germaans rod: ‘roem’ en man: ‘man’. Manus, Romaan, Romain, Romeo.

Roland: Germaans rod of hruod: ‘roem’, land: ‘dapper’. Bekend door het middeleeuwse Roelandslied.

Rolendis: Germaans rod of hroth: ‘roem’, land: ‘land’ of nand: ‘dapper’.

Rombert: Germaans hruom: roem: of van Ruma: Rome, bert: glanzend. Rombartus, Rombrecht, Romme, Romke.

Roswitha, Hroswitha, Hrudswinda: hruod: ‘beroemd’, swinth: sterkte’.

Rotrud: hruod: ‘beroemd, trud: sterkte, kracht’. Rotraud.

Rotrudis: ruod: ‘roem’, trud: ‘sterkte’, resp. ‘geliefd’, dus ongeveer, sterk door roem. Of geliefd door roem. Otrudis, Hroththrud.

Ruprecht: Germaans hruodperaht: de roemglanzende. Rupertus, Hrodbert, Rudbert, Rupert.

Uit Spaans Rosendo met vrouwelijke vorm uit Visgotisch: Rosenda: hruod: ‘beroemd’, sinth: ‘pad’.

Rutger: Germaans hrodh: roem, ger: speer. Rodger, Roger, Rogier, Rutgerus, Rodge, vrouwelij: Rutgera, Rutje.

 

Overige:

Hadalinus: Germaans hade: ‘strijd’. Hadelijn, Hadelin, Adelin, Adelinus.

Hag: Germaans voor heg, omheining. Haak, Haan, Hanno, Hack, Hage, Hakke, Hecco, Hekke, vrouwelijk Haga, Hanke, Hanna, Hantje, Hakke.

Heather: Engelse naam voor de heide.

Hector, Hektor, Grieks Hektoor: hij die vasthoudt, overwint.

HiĎronymus: Grieks hieronymos: ‘(met een) heilige naam of hierax: valk.’ Heronimus, Hyronimus, Hieron, Jero, Jeroen,  Jerom, Jeroom, Geronimo, vrouwelijk Jerona, Heronia.

Hermes: Grieks, waarschijnlijk ‘spreken of uitleggen’. In de Griekse mythologie is het de zoon van Zeus en Maia, bode der goden die befaamd was om zijn snelheid en listigheid, beschermer van herders, dieven, reizigers en handelaren. Italiaans Erme, Ermete.

Hilaria: Latijn hilaris, Grieks hilaros: ‘vrolijk, opgeruimd of opgewekt’, vgl. hilariteit.

Hortensius: van Latijn hortus: tuin. Hortense, Hortensia, Tanse.

Hugo: Germaans hug: ‘denkende geest, verstand of herinnering’. Hoege, Huch, Huig Hauk, Hugon, Huon, vrouwelijk Hugina, Hugolina, Ugonia.

Hyacinthus met de vrouwelijke vorm Hyacintha: Grieks huakinthos: de naam van de bloem en die van een edelsteen met rode of gele glans. Ook de naam van een Spartaan, jeugdvriend van Apollo die door hem per ongeluk met de discus gedood werd en uit zijn bloed ontsproot de hyacint. Spaans Jacinto, Italiaans Giacinto.

 

Iole.

Afleidingen uit oud Grieks iole: ‘viool’. Met anthos: bloem, Ianthe.

 

Irmin.

Afleidingen uit Germaans ermena, irmin: ‘geheel, immens, universeel.’ Het eerste lid hangt samen met de stamgod der ,en, respectievelijk met erman verbonden: ‘groot of geweldig’, bert: ‘glanzend of schitterend’, daarna ook in persoonsnamen. Eme, Eemke, Emme, Emmert, Emmo, Emo, vrouwelijk: Emelia, Emelina, Emke, Emma, Emmi, Emmeliek, Emmigje, Empkje, Ems, Erms, Emy, Hemma, Hermina, Irmine.

Emma: irmin: ‘geheel, immens, universeel.’  Oud Hoogduits wat volk en alles omvattend betekent.

Imre: ermin, irmin uit ermena: ‘groot of geweldig’, of van amalric: ‘machtig in de strijd’, of van amra of amura: ‘verschrikkelijk’, en rik: ‘machtig’. Emmerik, Emeric, Emerick, Emery, Emrik, Emmerich, Emericus, Aimeric of Americus, Henricus. Vrouwelijk: Emerica, Emmerika, Emmerique.

 

Overige:

Ida, Idris: ‘de geleerde’, zie Judas 14, 15. Idda, Itta.

Ibe: onduidelijk, kan van iep of afkortingen van andere namen of kindernamen. Ibbe, Ibbo, Iebe, Iepe, Iepe, Ipe, Ipko, Ipo, Yble, Ypo, Ype, vrouwelijk Ibel, Ibelina, Ibich, Lepje, Lepkien, IJbelina, Ypelina, Ypie, Ypje, Ypke. Zo ook met Ide, Idde, Ido, Ids, Idse, Idske, Idso, Iede, Iete, Ie, Ito, Itse, Itsko, Ydo, Ytse, vrouwelijk Ida, Idalie, Idske, Idsje, Ied, Ietje, Ietsje, Leta, Lete, Letie, Letje, Letsk, It, Ita, Ite, Itsche, Itsje, Itty, IJda, Yt, Ytje, Ytsje. Zo ook: Ige, Ico, Ieke, Ieko, Ikstje, Igge, Igo, Ike, Yco, Yke. Vrouwelijk: Iek, Iekje, Ika, Ikstje, Iky, Ykelien, Ykjen. Ook Ielke, Ilco, Ijlke.

Ignatius, van Latijn ignis: vuur, brandend. Ignaas, Ignatio, Naas, Nas, vrouwelijk: Igna, Ignatia.

Ilona, Ilonka Hongaarse vorm van Helene. Ilanka, Ilona, Ylonda, Ylonka.

Immanuel: Hebreeuws ‘God met ons’, de naam waaronder de profeet Jesaja de Messias aankondigde Jesaja 7:12 en 8:8. Emanuel, Emmanule, Maan, Manuel, vrouwelijk: Emmanuela, Immanuela,  Manuela, Manuelle.

Inge: Germaans van de stamgod der Inguaenonen, of afkorting van Engel. Ingo, Inge. Met borg: burcht, Ingeborg.

Innocentius: Latijn innocens: ‘onschuldig of onbaatzuchtig’. Innocent

Irenaeus: Grieks eirene: ‘vrede’. Ook de godin van de vrede die bekend is door een marmeren beeld van Cephisodotus, met Pluto (rijkdom) op haar arm. Toe na de vele oorlogen de wereld onder Augustus tot vrede kwam, vond de vreugde daarover weerklank in het toenemen van de namen Pax, Latijn voor vrede, en Irene en afleidingen daarvan. Zo ook al in de tijd van de Ptolomeeen, toen een tijd van vrede aanbrak en daarmee de ontwikkelingen van kunsten en wetenschappen. Het is niet toevallig dat de heerser die deze nieuwe periode in de cultuur inleidde, zijn dochter de naam Irene gaf. Ireneüs, Irenus, vrouwelijk: Irene, Irenea, Rene, Reni, Reinie.

Ise, Friese naam, verkorting van Germaans met 1ste lid: ijs of ijzer. Zie Ijsbert, Ijsbrand, Iso, Izo, Ys, vrouwelijk Isaline, Iske, Isoline, Ysje, Yske.

Isolda: uit de roman Tristan en Isolde, of uit is of isan: ijs of ijzer, old en wald: heersen. Iselda, Isotta.

Isaac, Hebreeuws: Hij (God) mag lachen. Izaak, Izak, Sakke, Sjaak.

Ivo, Ivo, Yves, Yvonne: mogelijk een Germaanse eenstammige naam wat we ook zien in de ijf, Taxus.

 

Jahweh, Yahweh.

Afleidingen uit Hebreeuwse afleidingen van Jahweh: naam van God.

Abadias, Abdias (Obadiah) : Griekse vorm van Hebreeuws Obadja: ‘godsknecht’, vergelijk Godschalk en Arabisch Abdoellah: knecht van Allah.

Adiya: adi: ‘ornament’, Jahweh: ‘God”. Adiah.

Batyah: bath: ‘dochter’, Jahweh: ‘God”. Of een afleiding van Bithiah met dezelfde afleiding. Bashe, Basye.

Elia: Griekse vorm van Hebreeuws Elijn of Elijahu: ‘Jahweh is (mijn) God’. Elijah, Elie, Elias, Eliaz.

Eliana: el:’ God, macht’, Jahweh, ‘naam van God’. Latijn en verder in vele talen, oude vormen zijn Aelia en Aeliana, dat van Grieks helios: zon, of van Hebreeuws. De Romeinse vorm Aelianus werd Aeliana en zo tot Eliana. Elian, Eilane, Eli, Eliah, Elyane, Elyann, Liane, Lianne, Liana.

Illinca: el: ‘God, macht’, Jahweh: ‘naam van God’. Elias.

Jacobus met de vrouwelijke vorm Jacobina: Jahweh: ‘naam van God, aqeb: ‘hiel, aqab: ‘verdringen’. Hebreeuws, ja aqob, van onzekere betekenis, ja van Jahweh: ‘God’, aqob wordt in verband met de geschiedenis van Jacob en Esau verklaard als ‘hij greep de hiel, beentjes lichter, hij verdrong (zijn broer), bedrieger’, Genesis 25. In het Bijbelse geboorteverhaal van de tweeling Esau en Jakob wordt verteld dat het tweede kind bij de geboorte de hiel van het eerste vasthad, 'en daarom werd hij Jakob genoemd'. De Griekse vorm werd Iakobos en van daaruit Latijn Jacobus, waarnaast ook Jacomus. Cobus, Coos, Coppe, Jaak, Jaap, Jabes, Jabik, Jacco, Jack, Jaco,  Jacques, Jakke, Jacob, James, Jap, Japik, Jappe, Jawik, Jop, Joppe, Keup, Ko, Kobe, Kobus, Koob, Koop, Koos, Koppe, Sjaak, Sjacko, Tjakob, Jaime, Diego, James, Jim, Jimmy, vrouwelijk: Co, Coba, Cobi, Cobie, Coby, Cootje, Jacelyn, Jackeline, Jackelien, Jackelyn, Jacoba, Jacobien, Jacobina, Jacobine, Jacoline, Jacqi, Jaclyn, Jacqueline, Jackie, Jacquita, Jaimie, Jamie, Jaimy, Jakoba, Jakobina, Jikke, Jopchien, Joppina, Koba, Yaat.

Jafet, derde zoon van Noach, Genesis 5:32, Hebreeuws voor uitbreiding, vergroting, zie Genesis 9:27.  Jafeth, Japhet, Japheth.

John, Hanne, Grieks Ioannes, met de vrouwelijke vorm Ioanna, Johannes: Hebreeuws Johanan met de vrouwelijke vorm Jane: ‘Jahweh: ‘naam van God’, chanan: ‘ is goedgunstig’. Jahweh is genadig’, een veel gebruikte Joodse naam:  Andy, Hand, Hannes, Hans, Hansko, Haske, Hennes, Jaen, Janco, Jang, Janick, Janis, Janke, Janko, Jannes, Jannis, Janno, Jans, Janus, Jean, Jene, Jeng, Jenne, Jense, Jens, Jewan Jo, Joannes, Johan, Johanny, John, Johnny, Jon, Joop, Sjang, Jan,  Scheng, Sjonnie, Sjonny, Wannes, Yann, Yannic, Iwan. Vrouwelijk: Annie, Gia, Gianina, Ginette, Giovanna, Han, Hanita, Hanna, Hanneke, Hannie, Hannina, Hansa, Hansi, Hansine, Jaan, Jana, Janca, Jandy, Jane, Janea, Janean, Janeane, Janeke, Janet, Janetta, Janice, Janine, Janita,  Janka, Janna, Janne, Jannegie, Janneke, Janel, Janelle,  Jannica, Jannie, Jannita, Janny, Jans, Jansina, Jantie, Jantina, Jantje, Jany, Jean, tot Yannick, Jeanine, Jeannet, Jeanne, Jeanine, Jeannine, Jeanne, Janne, Jeantine, Jennechien, Jenny, Jentien, Jentina, Jo, Joan, Joanna, Joany, Johanna, Johanne, Johanneke, Joke, Jovanca, Joke, Janice, Jonneke, Jovanca, Naatje, Nanne, Netta, Nettie, Sjaan.

Jedidaiah, nannelijke vorm Jebediah: Jahweh: ‘naam van God’, ‘geliefd’. Jebediah, Jedadia, Jedediah, Jedidia, Jed.

Jefta: Hebreeuws Jiftach: ‘Hij (God) opende’ of ‘Moge Hij openen, redden’.

Jeremia: Jahweh: ‘naam van God’. Met Jesaja en EzechiĎl behoort hij tot de drie grote profeten uit het Oude Testament. Het Bijbelboek dat zijn naam draagt bevat een verzameling godsspraken die hij dicteerde aan zijn assistent, de Schriftgeleerde Baruch en een vijftal klaagliederen, vandaar jeremieren, over de val van Jeruzalem. Jeremias, Jeremiah, Jeremie Jirre, Jeremi.

Jesaja: Yeshayahoe (de Hebreeuwse naam van Jesaja), Grieks Ēsaias, Hebreeuws: ‘heil van Jahweh’, was getrouwd en had twee zoons die allebei een symbolische naam droegen: Maher-Salal Chas-Baz (haastige roof, spoedige buit, Jesaja 8:1-4) en Sear-Jasub (een rest keert weer, Jesaja 7:3). Deze twee namen vormen als het ware een samenvatting van wat Jesaja te zeggen had: hij voorspelde de verovering en verwoesting van Jeruzalem, maar zag ook hoop voor de tijd daarna. Isaias, Isaiah, Isaie, Esaie, Isai, Jesse.Jessica, Hebreeuws Jiska: Hij ziet uit (naar God) Genesis 11:29, Jessika. Jessie

Joaquina, Hebreeuws Jehojakim: Jahweh, ‘naam van God’, quwm: ‘opkomen, oprichten‘, Jahweh richt op’. Joachima, Joachine, Joaquine. Mannelijke vorm Joachim, Joachem, Jochem, Jochim, Jochem.

Jonatha, mannelijke vorm Jonathan: Jahweh: ‘naam van God’, nathan: ‘geven’. Janeta, Jeanetta. Janathan, Johathan, Johnathyn, Jon, Jon, Jonaten, Jonatyn, Jonny, Nathan, Yonathan.

Jordanus: Hebreeuws Jahweh is verheven, Joord, Jordaan, Jordan. Jorden, vrouwelijk Jordina.

Joshua, Jozua: Jahweh: naam van God’, sha: ‘helpt verlost’. Hosea Hebreeuws, de Griekse vorm is Jesus, Jesoes, Iesous, Jehoschua, Yeshua en Oshea Hebreeuws, Jeschua Aramees. Johsua, Josha , Joshia, Joshuam, Joss, Josue, Jousha, Josh, Josua, Jozua.

Jozef: ‘Jahweh voegt toe of geeft vermeerdering’. Chef, Jef, Jefke, Jeup, Jo, Joep , Joop, Jop, Jos, Josco, Jose, Josef, Jose, Joseph, Josko, Jupke, Juup, . Josefus tot Sef, Sep. Sjef, Giuseppe, Joseph. Vrouwelijk Fieke, Fien, Fiena, Fieneke, Fine, Jooske, Jozefa, Josefina, Josephina, Josette, Josina, Josje, Joska, Jossie, Josyne, Jozefa, Jozefien, Jozefina, Phine, Pien, Fifi, Finetta, Fita.

Mattea, mannelijke vorm Matheus, de vorm Mattheüs is uit Grieks Matthaios: Jahweh: ‘naam van God’, mattath: ‘gift, beloning’, ‘geschenk van Jahweh’. Mathe, Mathea, Mathia, Matia, Matte, Matthea, Matthew, Matthia, Matthew, Mathias, Mattieu, Mat, Mats, Matt, Mattie, Mathijs, Mathis, Teeuw, Tejo, Theeuw, Thies, Thijs, Tijs. Vrouwelijk: Mathea, Mattha, Matthea.

Zo ook Matthias, Handelingen 1:23. Matthijs, Mathijs, Thies, Ties, Tys, Tijs, Mattes, Matti. Vrouwelijk Mattia, Thijsa, Thysia, Tisia.

Moriah: ra’ah: gezien’, Jahweh: ‘naam van God’. De plaats waar Abraham zijn zoon Isaac moest offeren. Marayah, Marriah, Morya, Moriel, Morit.

Tovia: towb: ‘ goed’, Jahweh: ‘naam van God’. Tobit, Toby.

Zaharina, mannelijke vorm van Zacchaeus Aramees, Zacharias oud Grieks, Sacharja Hebreeuws: zakar: herinneren’, Jahweh: ‘naam van God’. Zara. Zacchary, Zacha, Zacharay, Zac, Zackie, Zacharias.

Zacharia, Zacharias: Hebreeuws ‘Jahweh gedenkt’, herinnert Zich’, de vorm met s is Grieks van het N.T. Het wordt ook wel in verband gebracht met Aramees zacchai: ‘rein’.

Zacheus: een vergriekste verkorting van Zacharias, in Hebreeuws ‘Jahweh gedenkt’, herinnert Zich’, de vorm met s is Grieks van het N.T. Het wordt ook wel in verband gebracht met Aramees zacchai: ‘rein’.

 

Overige:

Januarius: de naam hangt samen met de eerste maand, het is van een stam met de betekenis ‘gaan’ waarvan ook Latijn ianua: ‘deur’. Ianus was bij de Romeinen de god van de (in)gang (van het jaar) Januarius betekent dus ‘aan de godheid Ianus gewijd’. Ianus was de bekende god met twee gezichten, zoals een deur, volgens de sage oorspronkelijk een koning van Latium, bouwer van een burcht Ianiculum. Te Rome was aan deze godheid een heiligdom gewijd met twee deuren waarin het beeld van de god stond. In tijden van vrede waren de deuren gesloten en in oorlogstijd geopend. De tempel was eigenlijk zo gebouwd dat het een soort van poort was waardoor het leger naar de strijd trok, dan werden de deuren geopend.

Javier: oorspronkelijk een familienaam van Don Francisco de Yasu y Javier, (Xavier) naar het slot en de plaats van die naam in Spanje, het huis van St. Franciscus. Xaverius (Navarra) Een naam van Baskische oorsprong jaberri en dit uit etchaberri: ‘nieuw huis’.

Job: Hiob bij de protestanten en de Hebreeuwse vorm die door Luther gebruikt is, Job is het bij de R.K (Job is de vorm uit de Septuagint) Hebreeuws Hiob: ‘de vervolgde’. Jobbe, Giobbe.  Vrouwelijk Joba, Jobbina, Jobina, Joppa.

Jodocus: Bretons judacos: ‘ervaren in de strijd’. De naam leunde tegen het Griekse iodocos aan: ‘pijlen bevattend’. Docus, Dok, Dokes, Jo, Job, Joss, Jos, Jost, Joost, Joos, Iodocus: Jodoc: Jodokus, Josse, Jost, Jouven, Judganoc , Judo, Judoc, Judocus, Frans Josse. Vrouwelijk: Jo, Jodoca, Jodoce, Jooske, Joyce, Judelta, Judina, Judoca.

Jonas: Griekse variant van het Hebreeuwse Jona: duif, in het Arabisch is zijn naam Yoenoes (of Yunus).  Jonah, Jones.

Josaphat, Josafat: Hebreeuws: ‘de Heer is rechter of wie God berecht’.

Judith: Hebreeuwse naam (soms ook Jehudit: vergelijk de mannelijke vorm Juda of Jehuda) = 'vrouw uit Juda': 'joodse, in de zin van gelovige Joodse vrouw'. Judegien, Judica, Jutka, Jutte, Juut Jdy, Jytte.

Julianus: Latijn Iulius, naam van een Romeins geslacht waartoe Gauis Iulius Caesar behoorde. Mogelijk van Grieks ioulos: ‘de wollige eerste baardharen’, dus de jeugdige, of van Jovilius: ‘aan Jupiter gewijd’. In het N.T. als hoofdman die Paulus naar Rome moet brengen, Handelingen 27. De vrouwelijke vorm Julia als die van een christin in Romeinen 16:15. Jules, Juliaan, Julian, vrouwelijk: Guliette,Jill,  Jule, Juliana, Jullie, Juliet, Juul, Julia, Lili, Lillie, Gill, Gillian, Julienne.

Justianus: Latijn iustus: ‘rechtvaardig of rechtschapen’. Justinus was reeds de naam van enkele Byzantijnse keizers. Justin, Justus, Just, Justin, Justinian, vrouwelijk: Justina, Justine, Stien.

 

Kalos, calos.

Afleidingen van oud Grieks kalos: ‘prachtig’.

Callisto met de vrouwelijk vorm Callista: kalos: ‘prachtig’. Kalisto.

Calixtus, Callistus: Grieks kallistos: ‘de zeer schone’, de vormen met een x staan onder invloed van Latijn calix: ‘beker of kelk’.

 

Karl.

Afleidingen uit Germaans karl: ‘man, vrije man’.

Karel, Carolinus, met de vrouwelijke vorm Carla: karl: ‘kerel, man, vrije man’ (die niet van adel is). Carolus is de Latijnse vorm, Carel, Carl, Carlo, Carlos, Carolus, Charel, Sjarel, Karl, Frans en Engels Charles, Italiaans Carlo, Spaans Carlos. De naam kwam in vele vorstenhuizen voor, vandaar dat de vele Karels bijnamen hadden, de grote, de dikke, de kale en dergelijke. De vrouwelijke vorm, Charlotte, is ook van vorstelijke afkomst en werd het eerst gegeven aan Charlotte van Savoie, de vrouw van Lodewijk XI van Frankrijk. Carelina, Carletta, Carlien, Carlina, Carlette, Carlotta, Carlijn, Caro, Carola, Carolien, Carolina, Carolijn, Carry, Charlaine, Charley, Karla, Karlien, Karelina, Karlijn, Karola, Karolina, Lien, Lina, Lola, Lotje, Lotta, Lotte, Lotti, Lotty, Carlton, Charley, Caroline, Charlotte, Carol, Charlene, Charlize, Cary, Cheryl.

 

Karmel.

Afleidingen uit Hebreeuws karmel: ‘fruittuin, vruchtbaar’.

Carmel: karmel: ‘fruittuin, vruchtbaar’. Carmal, Carmel, Carmelita, Carmiel, Carmely, Carmen, Carmelita, Carmencita, Carmina, Carmine.

 

Kleos.

Afleidingen uit oud Grieks kleos: ‘glorie’.

Cleopatra: kleos: ‘glorie’, pater: ‘vader’. Kleopatra. Cleo.

Cleophas: waarschijnlijk een verkorte vorm van Grieks kleopatros: ‘de roem des vaders’. Cleopas, Kleopas, Kleofas, Cleophas.

 

Kyrios.

Afleidingen uit Grieks kyrios: ‘lord of heer’.

Cyrus met de vrouwelijke vorm Kyra: kyrios: ‘lord of heer’. Kiran, Kirina.

Cyriacus met de vrouwelijke vorm Cyriaca: kyrios: ‘lord of heerachtig’.

Cyrillus, Ceriel, Cerilis, Cerilus, met de vrouwelijke vorm Cyrilla: kyrios: ‘lord of heer’. Ceryl, Cyriel, Cyril, Ril, Cyrille.

Cyriacus: Grieks kyriakos: ‘des heren of de Heer toebehorend’, vergelijk kuriakon: ‘Huis des Heren’, Nederduits kerk.

 

Overige:

Kennelin: Mogelijk van Gaelic caioneach, Welsh cenydd: ‘mooi, knap of flink’.

Kevin: Iers, naar een heilige en met name Caiomghin: ‘knap of nobel door geboorte’. Coemgen of Keivin.

Killanus: Keltisch, met onzekere betekenis, het wordt wel verklaard als ‘kerkman’. Kilian, Kilianus, Kiliaan, Killian, Killena.

Kjell: Scandinavisch ketill: ketel, helm. Kjeld.

Knud: mogelijk van Zweeds knut: ‘knoet’. De Latijnse vorm Canutus werd aangepast aan canus: ‘grijs, oud eerbiedwaardig’.

 

Laos.

Afleidingen uit oud Grieks laos: ‘mensen’.

Coleta: Grieks nike: ‘overwinning’, laos: ‘volk’, dus overwinnaar met (of: van) het volk, vrouwelijke vorm. In dit geval van St. Nicolaas omdat haar ouders bang waren dat ze geen kinderen konden krijgen en hadden de huwelijksmakelaar St. Nicolaas om hulp gevraagd en zo het kind naar hem genoemd. Coletta, Colinda, mannelijk Collin, Colin.

Nicolaas: Grieks nike: ‘overwinning’, laos: ‘volk’, dus ongeveer, overwinnaar met (of: van) het volk. De Latijnse vorm is Nicolaus.

 

Leah.

Afleidingen uit Leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Lea, Lee.

Oud Engels, Ansley, Ainsley: an: ‘een, enkel’, leah: hout, loo, gezuiverd, weide’. Ainsly.

Arlie, vrouwelijke vorm Arlene: arn: ‘arend’, leah: hout, loo, gezuiverd, weide’.

Ashley: aesc: ‘es’, leah: hout, loo, gezuiverd, weide’. Aishlee, Ashby, Ashie, Ashleen, Asleye.

Bailey,: baili, bailiff, baiulus: ‘boodschapper’, beg: ‘bes’, leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Baily, Baleigh.

Berkeley: beorc: ‘berk’, ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Berkley, Barclay.

Beverly: beofor: ‘bever’, ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Beverle, Beverlie, Bewy.

Briley: brier, dorens of van oud Engels ‘broer’, ‘hout, loo, gezuiverd, weide’.

Harley: hara: ‘haas’, ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Arlea, Arlee, Harleen, Harlie, Harly.

Hayley: hay: ‘hooi’, ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Hali, Hally.

Kimberley betekent bos van Cyneburga, ze Z. Afrikaanse diamantstad. Zo gnoemd naar John Kimberley, kimber is een oude Engelse naam en ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Kym, Kymberle, Kim, Kimbra, Kimy.

Presley: preost: ‘priester’, leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Preslea, Preslie, Pres.

Riley: ryge: ‘rogge’, leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Raleigh, Raley, Reily, Rileah, Rylea, Rilo.

Shelley: scylf: ‘rotsrand of hoogte, leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’.

Shirley: scir: ‘ gebied: leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Chirley, Sherleen, Shirlena, Sherry.

Whitley: hwit: ‘wit’, leah: ‘hout, loo, gezuiverd, weide’. Whiteley, Whitlee,

 

Meri.

Afleidingen uit meri: groot, beroemd.

Germaans: Adelmar, vrouwelijke vorm Edelmira: adal: ‘edel’, meri: ‘groot, beroemd’. Delmira, Adhemar, Jelmer.

Uit Sloveens: Casimir met de vrouwelijke vorm Casimira: kazic: vernietigen’, meri: ‘groot, beroemd’. Cas, Casi, Casimier, Casey, Kasimir, vrouwlijk Casimira.

Casimirm Pools kasimierz: ‘verkondiger van de vrede’, of ‘beroemd (berucht) door verderven, verstoren of verwoesten’, dus zoiets als het Frankische Chlodomer. Sinds 1034 de naam van verschillende Poolse koningen en Litouwen. Kasimier.

Dobromierz met de vrouwelijek vorm Dobromira: dobro: ‘goed’, meri: ‘groot, beroemd’.

Lubomir met de vrouwelijke vorm Lubomira: lub: ‘liefde, meri: ‘groot, beroemd’.

Mira: mirus: ‘prachtig, wonderbaarlijk.’ Mirya, Mirke

Radzimierz met de vrouwelijke vorm Radomira: rod: ‘gelukkig: mir: vrede’, meri: ‘groot, beroemd’.

 

Mil.

Afleidingen uit Slavisch mil: ‘geliefd, sier’.

Ludmilla: Slavisch, liud: ‘volk’, het tweede deel betekent ‘geliefd’, dus ongeveer, bij het volk geliefd. Lida, Ludmila, Leodemita, Mila, Milada, Milina, Militza.

Milan met de vrouwelijke vorm Milena: mil: ‘geliefd, sier’.

Milica: mil: ‘geliefd, sier’. Afleiding van Amelia.

Radomil met zijn vrouwelijke vorm Radomilia: rad: ‘gelukkig’, mil: ‘geliefd, sier’.

 

Leon.

Afleidingen uit Germaans leon: ‘leeuw’, mogelijk van lewa, liwi: genadig en later met een leeuw vergeleken.

Leopold: Net als in Leonhard is het eerste deel van deze Germaanse naam gevormd uit Latijn Leo. Het eerste deel is mogelijk Germaans hlud(h), = Grieks klutos: ‘beroemd’, het tweede deel is bald: ‘stoutmoedig, boud of dapper’. Leo, Pol, Polle, Lutbald, Luitbald of Luitpold.

Uit oud Grieks Leonid met de vrouwelijke vorm Leonida: leon, ‘leeuw’. Leonhard, Leopold.

Uit Latijn: Leo: Grieks leoon: ‘leeuw’. Lee. Vrouwelijk Leona, Leoni, Leonia, Leonie, Leonique, Leontien, Leontina, Loerine, Lontina, Leonce.

Lea: Hebreeuws voor ‘wilde koe, antilope’. Naam van een dochter van Laban, vrouw van Jacob, Genesis 29. Uit Latijn betekent het: de leeuwin.

Leocadia: (Locaie): van leo: ‘leeuw’, cadia is onduidelijk.

Leodegarius: Latijn leo,: ‘leeuw’. Léger, Leodegard, Luitger, Leger, Legerus.

Napoleon: van Neapolis: ‘Napels’: ‘nieuwe stad’, dus afkomstig uit Napels. Of uit Grieks Napoleoon, nape: ‘(woud)dal’ en leon: ‘leeuw’.

Leonhard, Latijn Leo, Laindert, Leendert, Lendert, Len, Lennart, Lenardus, Leonardus, vrouwelijk Leenderika, Leendrika, Lena, Leni, Lenie, Leny, Leondra, soms ook vormen van Magdalena.

Pantaleon: Grieks ‘in alle opzichten een leeuw’, vergelijk het woord pantalon, uit Italiaans pantalone, een toneelfiguur die de Venetiaan voorstelde en is afgeleid van San Pantal(o)one, de beschermheilige van VenetiĎ.

 

Linta.

Afleidingen uit Germaans linta: ‘linde, linde schild’.

 

Lind.

Afleidingen uit Germaans lind: zacht, week, vriendelijk.

Belinda: berth: helder, beroemd’, of badu: gevecht’, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Annabelinda, Balynda, Belenda.

Burglinde: burg: ‘fort, burcht, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Burglind.

Dietlinde: theud: ‘mensen, ras’ , lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Dietlind.

Gerlinde: ger: ‘twijg of speer’, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Gerlinda.

Herlinde, Harlindus: heri: ‘gewapend, krijger, lind: ‘zacht of vriendelijk of schild van lindenhout’. Het was een tijdlang gebruikelijk dat broers en zusters namen met gelijke elementen kregen en zo nodig werden ze gevormd uit bestaande naamstammen waardoor niet alle Germaanse namen een duidelijke betekenis hebben. Zie Relindis. Arlinde, Herlindis. Vrouwelijk Herlinda, Reilinde of Relinde.

Linda: eindigen in linda, of Latijnse vorm van Germaanse naam lind: ‘week, zacht, vriendelijk’, Spaans linda betekent ‘aardig’ en Italiaans ‘net’. Delinda, Linday, Lindey, Lyn, Lynda, Lynn, Lyndia.

Linde: lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Heidelinde.

Merlind: meri: ‘groot, beroemd’, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Mariland, Maryland, Maralinda.

Rosalind: ‘hros of hroud: ‘paard’, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Is gekomen door de Noormannen, latere combinaties waren met de roos.

Sieglind met de vrouwelijke vorm Sieglinde: sige: ‘zege, overwinning’, lind: ‘week, zacht, vriendelijk’. Sigi.

 

Lindi.

Afleidingen uit Germaans lindi: ‘slang’.

Berlindis: Germaans ber: ‘beer’, en lindi: ‘slang’, in de betekenis ‘kenner van het geheime’ of, ‘(schild van) linden (hout). Berlinda, Barlinde, Bellaude, Berlende.

 

Lindje.

Afleidingen uit Albanees lindje: ‘geboorte, oosten’.

Lindita: lindje: ‘geboorte, oosten, morgenstond’, dita: ‘dag’. Linda.

Majlinda: maj’ ‘mei’, lindje: ‘geboorte, oosten’.

Mirlinda: mire: ‘goed’, lindje: ‘geboorte, oosten’.

Rilind met de vrouwelijke vorm Rilinda: rilind, ‘wedergeboren, reincarnatie’, lindje: ‘geboorte, oosten’.

 

Liut.

Afleidingen uit Germaans liut: ‘mensen’.

Ludwina: lud of liut: ‘volk’, win: ‘vriend’, dus ongeveer, de vriend van het volk. Luduina, Lidwina, Liduina, Lydwine, Lidewy, Leduena.

Lullus: vleivorm uit de kindertaal, een verkorte versie van Germaanse namen die met de syllabe "Lud" of "Lut" beginnen, zie Lutger en Ludwig.

 

Lux.

Afleidingen uit Latijn lux: ‘licht.

Lucero: lux: ‘licht, verlicht’.

Lucius, Luciaa, Luc, Luciene, met de vrouwelijke vorm Lucia, Luci, Lucina, Luciana, Luci, Lucie, Lucy, Lusia, Sia, Siete, Lucinda, Luzia,  Lucilla: Latijn lux: ‘licht’, lucere: ‘lichten’. Het was reeds een Romeinse voornaam en wel een verkorting van prima luce natus: ‘de bij de zonsopgang geborene’, vergelijk de naam van de godin Lucina: ‘die aan het licht brengt’, de godin van de geboorte. Lucy.

 

Overige:

Landolin: eenstammige vorm van Germaans land: ‘land’. Landelinus, Landolinus, Landelin.

Laeta: van Latijn laetus: vrolijk, blij. Letia, of van Laetitia: vreugde. Letitia, Titia.

Lavard: Zweeds voor lord.

Laurentius: Latijn, ‘uit Laurentium’, een stad in Latium die ook in verband wordt gebracht met de laurier, ‘de gelauwerde’. Larry, Lars, Laureis, Lawrence, Laurens, Laurent, Laurus, Lauwerens, Lens, Lorenzo, Lourens, Louris, Lourus, Louwrens,  vrouwelijk: Laura, Lauraine, Loureina, Laurense, Laurentien, Laurentina, Lauretta, Laurina, Lorata, Loura, Rensje, Renske.

Leander met de vrouwelijke vorm Leandra: Grieks voor ‘man uit het volk’. Het was de man in de mythologie die iedere nacht over de Hellespont zwom om zijn geliefde Hero, te Sestos, te bezoeken. Om hem de weg te wijzen stak zij altijd een lamp aan. Toen die eens uitwaaide verdronk Leander.

Linus: Grieks linos: ‘de benaming van een treurzang’. Linus zou in de mythologie oorspronkelijk een zoon zijn van Apollo en Urania die op jammerlijke wijze aan zijn eind gekomen is. (Sommige denken aan Fenitisch ai launu: ‘ongeluk over ons’) Eigenlijk is het misschien een symbool van de in de herfst wegkwijnende natuur.

Lioba: Germaans libbe of leuba: ‘lief, liefde’, Leobe, Liobe, Liocha, Loona, Louba, Leobgytha, Trutgeba, Lioba =Liobgytha.

Lonhinus: Latijn longus: lang.

Lucas: Grieks Loukas, gewoonlijk verklaard als een verkorting van Lucanus: ‘afkomstig uit LucaniĎ (Z. ItaliĎ). Lukas, Luc, Lukes, Luuk, Luke, vrouwelijk: Luca.

Ludolf: een Slavisch woord wat ‘geliefd bij het volk’ betekent. Ludolph, Luidolf, Ludolf, vrouwelijk Ludolfina, Ludofina.

Lurah: naar de Ierse heilige Lura of Lurach: dochter van de zee, kind van het licht, blijkbaar een dichter wegens zijn bijnaam ‘van de gedichten’.

Lydia: vrouw, ‘afkomstig uit Lydia’ in Klein-AziĎ.

 

Mac.

Afleidingen uit Keltisch mac: ‘zoon’.

Cody: uit Gaelic Mac Oda: ‘zoon van Oda of Otto’.

Kayden: mac: ‘zoon’, ‘zoon van Cadan’.

Mckenna: mac: ‘zoon’, ‘zoon van Cionnaith’.

Uit Schots Gaelic: Mackenzie: mac: ‘zoon’, ‘zoon van Coinneach of Kenneth’. Tot Ken en Kenny.

 

Mael.

Afleidingen ui Keltisch mael: ‘discipel, prins, chef’.

Armel met de vrouwelijekevorm Armelle: mael: ‘discipel, prins, chef’. Armela, Arnel, Arnol.

Mael met de vrouwelijke vorm Maelle: mael: ‘discipel, prins, chef’. Mallowe, Malo.

Malcolm met zijn vrouwelijke vorm Malcolmina,: mael: ‘discipel, prins, chef’, van Sint Columba. Malca, Malina.

 

Man.

Afleidingen uit Germaans man: ‘man’.

Marius: niet van Latijn mare: ‘zee’, maar van mas: ‘man’, ‘de mannelijke’.

Norman met de vrouwelijke vorm Normina, Normanda: nord: ‘noordelijk, ‘ man: ‘man’. Nora, Norma.

 

Maria.

Beatrix: Latijn ‘geluk brengster’, waarschijnlijk oorspronkelijk een toevoeging aan Maria. Baat, Baatje, Bathina, Bea, Beatrijs, Beate, Beatrice.

Dolores: Spaanse naam. Ter vermijding van de naam Maria werd het ontleend aan Maria de los dolores: ’Maria der smarten’. Dolorosa, Lola, Lolita.

Marianne, Mariana, Marian: of rechtstreeks uit Hebreeuws Mirjam of Mariamne. Deze laatste vorm was de vrouw van Herodotus de Grote die door hem gedood werd. Of een samenstelling van Maria en Anna.  Marian, Marjan, Marjanka, Marjanke, Marjanna, Meriam, Miriam, Myriam.

Maria. Hebreeuws Mirjam. Een van de oorzaken van de onzekerheid is de schrijfwijze, zonder klinkers. De Septuagint maakte er Mariam van, de gebruikelijke Griekse vorm. In de middeleeuwen werd deze naam vaak geassocieerd met Latijn mare: ‘de zee’, vandaar Stella Maris, ‘sterre der zee’ en dergelijke bijnamen. Ma, Maai, Maaike, Maayke, Marchien, Marchina, Maresa, Maretta, Margje, Mari, Marida, Marie, Marieka, Marieke, Mariel, Mariella, Marielle, Mariessa, Mariet, Marietta, Mariette, Marika, Marilli, Marilla, , Marinka, Marion, Marilyn, Marisa, Marischka, Marise, Mariska, Marissa, Marisya, Marit, Marita, Marita, Maritsa Marja, Marjon, Maroesja, Marregien, Marretje, Marri, Marrie, Marrigje, Marrit, Marry, Marij, Marije, Marijke, Maryla, Maryonne, Marysia,  Mayke, Meriete, Meyke, Mia, Mi, Mieke, Miep, Mies, Mike Mimi, Mya, Mijke, Mykje, Ria, Rie, Riek, Riet, Rita, Riteke, Rita, Manon, Minnie, Frans Marie, Engels Mary.

Mercedes: Spaanse naam. Een van de vervangnamen voor Maria die gebruikt werden om de naam te benaderen toen deze uit schroom nog niet als doopnaam gebruikt werd. Dit naar aanleiding van het feest van de verlossing (vrijkoping) van de gevangenen Maria de las mercedes, nuestra senora de las mercedes, in Latijn: de mercede redemptionis captivorum. De autofabrikant Benz nam als fabrieksmerk de naam van zijn dochter Mercedes. Mercede.

Regina, Regi, Regien, Regiene, Gina, Reina, Reine, Regine, Regnia of Regia: Latijn regina: ‘koningin’. Oorspronkelijk wel een Germaanse naam met regin: ‘raad’, onder invloed van Maria, ‘koningin des hemels’ kan die aan Latijn regina verbonden zijn.

Rita: een vorm van Margareta, Maria en dergelijke.

 

Mars:

Afleidingen van Latijnse naam mars: ‘oorlogsgod’.

Mamertus: Latijn mamertini, de naam waarmee de bewoners van Messana op SiciliĎ zichzelf aanduidden, afgeleid van Mamers, de vorm van Mars, de oorlogsgod. De naam betekent dus: ‘de krijgshaftige’.

Marcella, Marcellus is manlijk: Grieks Markos, Latijns van Marcus, van Mars, de oorlogsgod. Al bij de Romeinen bestond een familie Marcelli, bijvoorbeeld. Marcus Claudius Marcellus was generaal tijdens de tweede Punische oorlog in de 3deeeuw v. Chr. Het was eveneens een naam van de neef van keizer Augustus. Ceel, Cel Celis, Marcel, Marcelus, Mark, Marcellinius, Marchelm, Marculphus, Marculf, Marcello, Marculphus, Marcoul, Marcouf, Marcoen, Marzel, Seel, Sel, Sele, Selis. Vrouwelijk: Ceel, Celia, Celina, Celine, Celisa, Cellly, Marcela, Marcelia, Marcelina, Marcella.

Zo ook Marcus: schrijver van het tweede Evangelie. Marc, Marco, Markus, Marx, Merkus. Vrouwelijk: Marca, Marculina.

Martialis: Latijn Mars: ‘aan Mars gewijd’. Martial.

Martinus en de vrouwelijke vorm Martina: oorspronkelijk vaak de naam van slaven, later vooral van martelaren, verkleind-, en vrouwelijke vorm van Martius: ‘van Mars’, de god van oorlog. De naam Mars hangt samen met Grieks marnamai: ‘ik strijd’, en Aramees mart: ‘strijd’. Maarten, Martin, Mart, Marte, Marten, Martin, Martijn, Meerten, Mertijn, Tienko, Ties, Tinus, vrouwelijk: Ma, Maartien, Maartina, Maartje, Mattie, Mart, Martgien, Martie, Martiena, Mattie, Meertina, Tieneke, Tina, Tine, Tineke, Tini, Tiny.

 

Maurus.

Afleidingen uit Latijn maurus: ‘donker, moor, uit MauritaniĎ’.

Mauro, Maurus, Mauritius, Mauk, Maup, Maurits, Maurizio, Maurice,  met de vrouwelijke vorm Maura: maurus: ‘donker, moor, uit MauritaniĎ’. Maup, Maura, Maureen, Moira, Maurice, Maurita, Mauritia, Maurizia, Morisette.

Uit Spaans Moreno met de vrouwelijke vorm Morena: ‘uit de Sierra Morena of van maurus: ‘donker, moor, uit MauritaniĎ’.

 

Mir.

Afleidingen uit Sloveens mir: ‘vrede’.

Dragomir met zijn vrouwelijke vorm Dragomira: dorog: ‘kostbaar’, mir: ‘vrede’. Dragan, Dagmar.

Mir met de vrouwelijke vorm Mira: mir: ‘vrede’.

Mirna: mir: ‘vrede’. Myrna.

Vladimir met de vrouwelijke vorm Vladimira: volod: ‘regel’, mer: ‘groot’. mir: ‘vrede’.

Wladimir, Wolodymyr, Slavisch, met de oorspronkelijke betekenis ’door heersen beroemd’. Vergelijk voor het eerste lid de plaats Wladiwostok: ’beheers het oosten’, het tweede lid is hetzelfde als mar: ‘beroemd’, in Germaans.

 

Mire.

Afleidingen uit Albanees mir’, goed’.

Fatmir met de vrouwelijke vorm fatmire: gelukkig, fortuinlijk.

Mirjeta, mire: ‘goed’ jete: leven’. Jetmir.

Zamir met de vrouwelijke vorm Zamira: ze: stem’, mire: goed’.

 

Mirari.

Afleidingen uit Engels mirari: ‘ aanbidden, verwonderen’.

Myra: mirari: ‘ aanbidden, verwonderen’. Vorm van Moira.

Uit Latijn, Mirabella: uit mirabilis: ‘lieflijk, wonderlijk’, Bella: de schone, Bellina, Mira, Marybel.

Miranda, uit mirandus: ‘aanbiddelijk, wonderlijk’. Mina.

 

Miy.

Afleidingen uit Hebreeuws miy: ‘wie?’

Micaiah: miy: ‘wie?’, Jahweh: ‘naam van God’. Meeka, Micah.

Michael, met de vrouwelijke vorm Michaela: miy: ‘wie?’, el: ‘God, krachtig’. Chel, Chiel, Giel, Machiel, Maichel, Mechiel, Mickel, Mikel, Michal, Michel, Mykel, Mikel, Michelangela, Mickie, Mick, Mike, Michel, Mickey, Miguel, Mike. Vrouwelijk Chiela, Gielda, Michaela, Michele, Michelina, Michelle, Michou, Makala.

 

Monos.

Afleidingen uit Keltisch monos: enkel, alleen’.

Mona, van Gaelic Muadhnait, van muadh: ‘goed, nobel’, soms met Grieks monos: enkel, alleen’.

Uit oud Grieks, Monia, vorm van Monica: monos: enkel, alleen’ of van Latijn monachus: ‘monnik, heremiet: of van Latijn monere: ‘adviseren, waarschuwen’. Monique, Monika.

 

Mor.

Afleidingen uit Keltisch mor: ‘zee’.

Morgan: mor: ‘zee’, cant: ‘kant, hoek, cirkel’, geni: geboren, de heldere’. Maughan, Morganda, Morgana.

Uit Wells: Morwenna: morwyn: ‘maagd’, of mor: ‘zee’, gwaneg: ‘wave’. Morwyn.

 

Muir.

Afleidingen uit Keltisch muir: ‘zee’.

Merlin met de vrouwelijke vorm Merlina: muir: ‘zee’, dun: ‘heuvel, fort’. Merle, Merlijn.

Merrill, Muireall, Muriel: muir: ‘zee’, geal: ‘helder’. Vrouwelijk: Meriel,  Murielle.

Murdag: muir: ‘zee’, zeeman.

 

Overige:

Macarius: Grieks makarois: ‘gelukkig of gelukzalig’. Macharius, Macaire.

Magdalena:vrouw uit Magdala’: (Aramees megdala: ‘toren’) dit was een plaats aan het meer van Genesareth. Leena,  Leenie Leenke, Leentje, Lena, Leni, Leny, Maddelena, Maddy, Madelaine, Madeleen, Madellena, Madelina, Madeline,  Magda, Magdaleentje, Magdalia, Magdaline, Marleen, Marleene, Marlene, Madelon, Maud, Maude, Maudy, Nena, Alena, mannelijk: Magdalenus.

Maia, Latijn uit Grieks Maja: moeder, Maya.

Manne: Fries van Germaans man: man, Mans, Mantjo, Mante, vrouwelijk Manna, Mannela.

Malachius: Hebreeuws, ‘mijn boodschapper of engel’.

Margriet, Margaretha: Grieks margarites: ‘parel’, oorspronkelijk wel een Babylonisch woord mar galliti: ‘dochter van de zee’, resp. ‘kind van het licht’. Beide in verband met het geloof van de oude Perzen dat oesters ‘s nachts omhoog kwamen om de maan te aanbidden en dat zij hun schelpen openden als zij het wateroppervlakte bereikten en een druppel dauw opnamen die door de stralen van de maan in een parel veranderde. Margareta, Gre, Greet , Greta, Gretha, Griet, Grieta, Griete, Grietha, Grietien, Grietje, Maggie, Magrita Marcha, Marchien, Marga, Margaretha, Margariet, Margina, Margit, Margreet, Margret, Margreta, Margriet, Margrieta, Margrita, Marguerita, Meg, Rita, Grete, Gretel, Gretchen, Margy, Marjorie, Meg, Peggy, Maggie, Maidie, Mette, Merrit, Margit, Marit, Merit. Ook de naam voor de margriet, Engels Daisy, Angelsaksisch daeges eage, oog van de dag.

Marinus: ‘van de zee’. Mar Marin, Marinis, Marijn, Merien, Merinus, Merijn, Ries, Rinus, vrouwelijk: Marieneke, Marina, Marinda, Marinka, Marijne, Rien, Riena, Rieneke, Rieny, Rina, Rinie, Riny. Met Britta tot Maybritt.

Martha: in het Aramees MartČ, 'de dame', Aramees voor ‘meesteres of heerseres’. Martje, Marthe, Matty.

Maximinus: Latijn maximus: ‘de grootste’ en uitbreiding van die naam. Het werd een eretitel voor succesvolle legeraanvoerders, bijvoorbeeld. Quintus Fabius Maximus, de naam van een Romeins keizer, Maxentius Marcus Aurelius Valerius, 306-312, bekend om zijn wreedheid, hij vond de dood in de Tiber. Maximiliaan, Max, Maxim, Maximus, Maxime, Massimiano, Maximin, Maixent. Vrouwelij: Maximiliana, Maxima, Maxime.

Melania, Melanie: Grieks melas: ‘zwart’, vrouwelijk melaina: ‘zwart’, in sommige delen van Griekenland werd Demeter melaina genoemd omdat zij treurde over haar dochter Persephone die door Pluto naar de onderwereld gevoerd was. Melanie, Mele, Mela, Mellony, Melanka.

Melchiades, Miltiades: Grieks miltos: ‘menie’. Naam van de aanvoerder der Atheners in de slag bij Marathon 490 v. Chr.

Melchior: ‘koning des Lichts’. Melcher, Melker, Melkert, Mels, Mylger, vrouwelijk Melchiora, Melzina.

Melchisedek: betekent vooreerst ‘koning van gerechtigheid’: vervolgens is hij koning van Salem, dat is ‘vredevorst’. Hij heeft geen vader, geen moeder, geen stamboom: zijn leven heeft begin noch einde. Hij lijkt op de Zoon van God: hij blijft voor altijd priester..…’

Melita: Melita is in het Grieks hetzelfde als ‘honigbij’, vergelijk Malta, uit Melita: ‘land van honing’. Of uit Phoenisch melita: ‘toevluchtsoord’. Melissa, Mela, Melita, Melito, Melitina.

Methodius: Grieks methodos: ‘het naspeuren’, ook wel list.

Modestus: Latijn modestus: ‘bescheiden, gehoorzaam, eerbaar, gematigd’. Al in de Romeinse tijd als voornaam gebruikt, Herennius Modestinus was een jurist in de tijd van Alexander Severius ca. 240. Vrouwelijk: Modesta, Modest, Desta.

Mozes: vaak verklaard als Hebreeuws ‘uit het water gehaald’ op grond van het verhaal van het biezen kistje in Exodus 2. Waarschijnlijk is het echter een Egyptische naam in de betekenis ‘kind’. Moos, Mosje, vrouwelijk: Mozerina.

Myrte, naar de mirt, symbool der liefde. Mirte, Myrta, Myrthe, Myrtille.

 

Nereis.

Afleidingen uit oud Grieks nereis: ‘zeenimf’.

Nereus met de vrouwelijke vorm Nereida: nereis: ‘zeenimf’. Nerina, Nerissa.

Nymfa: Grieks nymphe: ‘bruid, jonge vrouw of nimf’. Nympha.

 

Nike.

Afleidingen uit Grieks nike: ‘victorie’.

Andronika: aner: ‘man’, nike: ‘victorie’. Andromache, Andronike.

Berenice: phero: dragen, nike: ‘victorie’. Bernice, Berenika, Bernie, Berry, Bunny, Bernetta.

Colin met de vrouwelijke vorm Colette: nike: ‘victorie’, laos: ‘mensen’. Nicolette, Nicola, Colly, Kolin.

Nicasius: Grieks werkwoord nikao: ‘ik overwin’, dus de overwinnaar. Niek, Nikaas, vrouwelijk Nicasia, Nicasina, Nicaise.

Nicholas, Claas, Co, Coletus, Colijn, Kaeye, Klaas, Klazinus, Kleis, Klees, Kolijn,  Klijn, Nick, Nico, Nicol,  Niklaas, Nikolaas, Niklaas, Nikolaas, Nykle, Colin, Klaus, Klas, Nichol, Nick, Niels, Nils, Miklas, Nikita, met de vrouwelijke vorm Nicola: nike: ‘victorie’, laos: ‘mensen’. Claasje, Clasina, Clazina, Colet, Colette, Coletta, Colien, Colita, Colleta, Klaasina, Klaassien, Klasina, Klazina, Like, Nettie, Nicola, Niccole, Nichola, Nickole, Nicolien, Nicoletta, Nicolien, Nicolina, Nickye,  Nicki, Nicky, Nikie, Nikki, Nicoline, Nyk, Koletta.

Nicodemus: nike: ‘overwinning’, medomai: ‘ik overleg’, dus ongeveer, overwinnend door overleg. Oude Griekse naam, ook van verschillende koningen van BithyniĎ in Klein-AziĎ.

Nike: nike: ‘victorie. Victoria, Nice, Nikey, Nyke.

Veronica: phero: ‘dragen’, nike: ‘victorie’, verus: ‘de echte’. Mogelijk van Berenike en dat van Pherenike. De een leest er de samenstelling in van de Griekse woorden ‘feroon-eikoon’: ‘beelddraagster’. Een ander aan samenvoeging van een Latijn en Grieks woord, ‘vera-eikoon’: ‘het ware of echte beeld’, ‘pictura Domini vera’. Deze verklaring werd in de Middeleeuwen versterkt doordat niet de vrouw, maar de afbeelding van Jezus een Veronica genoemd werd. Men vertoonde het hoofd van Jezus dat afgedrukt was op een stuk linnen en vastgehouden werd door een engel of vrouw met het onderschrift ‘Vera Iconica’: ‘de ware afbeelding’. Het meest voor de hand ligt de verklaring dat het woord Veronica hetzelfde is als het Griekse Pherenike: ‘zegenbrengster’, omdat aan de beeltenis macht en invloed werd toegekend om onheil af te weren en zege op de boze machten te bewerken. Verone, Veronique.

Victor, Victorinus: uit Latijn victor: ‘overwinnaar’. Victoria is de vrouwelijke vorm, de Romeinse godin van de overwinning, Grieks nike.  Torre, Victoor, Victorius, Viktor, vrouwelijk: Thory, Toria, Torie, Vicka, Victoria, Victorina, Viki, Vick, Vicky.

Vincentius: Latijns werkwoord, vincere: ‘overwinnen’, dus de overwinnaar. Vincent, Fincentius, Sent, Vin, Vinca, vrouwelijk: Centina, Fien, Santina, Vincentia, Zenzi.

 

Overige:

Nadia, Russisch Nadjezjda: hoop. Nada, Nadedja, Nadja, Nadine.

Nan: uit de kindertaal en gedeeltelijk uit Jan of Germaans met –nand: wagend, dapper. Nane, Naen, Nanko, Nanno, Nantko,  vrouwelijk: Naantje, Nana Naentsje, Nanetta, Nanine, Nanna, Nanneke, Nannet, Nans, nant, Natje, Natsje, Neane, Neenske, Nenneke, Nakelina, Nannedine, Nannette.

Naomi: Hebreeuws aangenaam, liefelijk. Naemi, Noemi.

Natalia: Latijn (dies) natalis: ‘de geboortedag (van Christus)’ dus oorspronkelijk 25 december, vergelijk Frans NoĎl, in het Spaans bestaat de vorm Natividad. Natal werd door Vasco da Gama op Kerstdag ontdekt. De naam zal wel betrekking hebben op dies natalis martyrum ‘de dag waarop de martelaren in de hemelse heerlijkheid geboren worden’. Natalie, Nate, Nathalie.

Narcissus: Grieks narcodes: ‘verdovend’, (narcotisch) de plant werd als pijnstillend middel gebruikt. Narkissos was in de mythologie een schone jongeling die meer verliefd was op zichzelf dan op de hem beminnende nimf Echo (alleen haar stem bleef over toen ze van verdriet wegkwijnde) Hij werd door de Goden gestraft met verliefdheid op zijn eigen spiegelbeeld. Ze kregen toch medelijden met hem omdat hij dat spiegelbeeld toch nooit kon bereiken en veranderden hem in een narcis. Narcisme. Als persoonsnaam vrij gebruikelijk voor Griekse slaven.

Nazarius: ‘man uit Nazareth’.

Neil, Neal: wel van Iers: niul, van niadh: kampioen, strijder, naam van een Ierse koning.

Nevil, Engelse familienaam, van Neuville bij Dieppe. Neville, Nevill.

 

Ops.

Afleidingen uit Grieks ops: ‘stem’.

Antiope: a of anti: ‘niet’, ops: ‘stem’. Koningin van de Amazones.

Calliope: kalos: mooi, prachtig’, ops: ‘stem’. Callie, Cally.

Penelope: ‘eend, kleine gans’, pene’ draad, web’, ops: ‘stem’. Pennie, Penny.

 

Overige:

Obe:  Friese naam van Germaanse namen met wolf zonder l, of uit od: erfgoed. Obbe, Oebe, Obbo, Oebel, Oebele.

Octavianus: Latijn, vaak een rangtelwoord waarmee de Romeinen hun kinderen ‘nummerden’ secundus, tertius en dergelijke. Octavianus werd een bekend Romeins geslacht, de beroemdste van dit geslacht was wel keizer Augustus. Octaaf, Taaf. Vrouwelijk Octavia.

Olaf: Scandinavische oorsprong, oud-Noors aleifr of anleifr, het eerste lid, ano: ‘voorvader’, tweede deel, leifr: ‘overblijfsel’, vandaar ongeveer zoon, dus zoon van de voorvaderen. In primitieve voorstelling leefde de grootvader in de kleinzoon voort, vergelijk bij ons ook de vernoeming van grootouders. Olav, Olov, vrouwelijk: Olafine, Olava, Olena, Olette, Olufine.

Olga: Russische naam van Scandinavische oorsprong, uit Helga, net als ons ‘heil’, gezond, de ‘heilige’. De Slavische talen kennen onze h klank niet. Helga, Helge, Helena.

Olivia: Latijn olivia: ‘olijf (boom) olijftak’, als symbool van de vrede. Oliva, Olivie, Olive. Mannelijk: Olivier, Oliver.

Olympias: Grieks, ‘van de Olympus’, de berg van Zeus, dus ongeveer ‘de hemelse’. Al de naam van de gemalin van de Macedonische koning Philippus, de moeder van Alexander de Grote. Olympe, Olympia, Olimpia.

Onuphrius: (Onofrius) De betekenis van de naam is onbekend, het wordt wel in verband gebracht met Grieks onos: ‘ezel’, omdat hij bij zijn geestelijk onderricht op een ezel zou hebben rondgetrokken.

Optatus: Latijn ‘ de gewenste’.

 

Pan.

Afleidingen uit oud Grieks: ‘pan: ‘alles iedereen’.

Pamela: pan: ‘alles, iedereen’, melas: ‘zwart’ of van meli: ‘honing’. Pam.

Pammachius: Grieks, ‘alles bedwingend’.

Pamphilius: Grieks panfilos: ‘aller vriend’.

Pancratius: Grieks pankrates: ‘alles beheersend of almachtig’. Een pancration was een gemengde wedstrijd bij de Grieken in worstelen en vuist vechten. Pancraas, Pancras, Pankras, Bank.

Panagiotis met de vrouwelijke vorm Panagiota: pan: ‘alles iedereen’, hagios: ‘heilig’. Pandia.

 

Petros.

Afleidingen uit oud Grieks petros: ‘rots, steen’.

Pierre met de vrouwelijke vorm Perrine: petros: ‘rots, steen’. Perrin, Pierette.

Petrus met de vrouwelijke vorm Petra: petros: ‘rots, steen’, als symbool van vastheid, betrouwbaarheid. Paiter, Peer, Peerke, Peet, Peiter, Pelle, Perke, Peter, Peterus, Pieke, Pier, Pierre, Piers, Piet, Pieter, Pit, Pierre, Pietro , Perez, Peer, Pedro, , vrouwelijk: Patje, Peekje, Pernette, Perry, Peta, Petra, Petrina, Petrosina, Petroeska, Petronette, Petrouska, Petrusa, Pierina, Pietad, Pietien, Piety, Pita, Pyretta, Peronne, Pike, Pico, Petronella, Pierette.

 

Philos.

Afleidingen uit Grieks philos: ‘vriend’.

Filemon: Grieks fileo of phileo: ‘genegenheid betonen, vriendelijk’. Naam uit de Griekse mythologie. Filemon en Baucis, het arme echtpaar dat Zeus en Hermes gastvrij ontving toen ze in mensengedaante op aarde waren. Ze werden daarom gespaard voor de dood toen de streek waar de ongastvrije buren woonden in een moeras veranderd werd. Een vrij populaire Griekse naam.

Philemon, met de vrouwelijke vorm Philomena of Filumena, philomele: ‘liefhebster van kleinvee’ (mela) of ‘van appels’. Het tweede is het waarschijnlijkste want de enige keer dat philomelos in de overlevering genoemd wordt is bij de compilator Athaneus rond 200 na Chr. die er de tweede genoemde betekenis aan verbindt. Filomela was oorspronkelijk de dochter van Pandion, koning van Athene, en werd veranderd in een zwaluw, ze wordt echter vaak verward met haar zuster Prokne die in een nachtegaal veranderd was. Filemon, Filomenia.

Philine: philos: ‘vriend’.

Philip, Philippus met de vrouwelijke vorm Philippa: philos: ‘vriend’, hippos: ‘paard’, liefhebber van paarden. Al een oude Griekse naam. 5 koningen van MacedoniĎ droegen hem. Filip, Filippo, Filips, Flip, Flippe, Luppe, Philiep, Philip, Philippus, vrouwelijk: Felipa, Filippa, Filippine, Fulpina, Philippa, Philippie, Philippine, Pippa.

 

Overige:

Paschasius: Grieks paschasius, Latijn paschalis, van Aramees pascha: ‘Pasen’, dus geboren op Pasen. Pascual, Pascalis, Paschasius, Schaas, Pascal, vrouwelijk: Pascale, Pacaline, Pascalle.

Paphnutius: ‘de tot God behorende’.

Patricius: Latijn patriciĎr: ‘adellijk’. Patrick, Pat, Padrig, vrouwelijk: Paddy, Patricia, Patty, Ricia.

Paulus met de vrouwelijke vorm Paulina: Latijn paullus: ‘klein, gering’. Al een Romeinse familienaam bij het geslacht Aemilia. Het de naam van de apostel die hij als Romeins burger had bij zijn verkeer in de Hellenistische wereld. In handelingen verschijnt de naam Paulus voor het eerst bij het bezoek van Paulus en Barnabas aan Cyprus. Daarvoor vinden we de naam Saulus, Hebreeuws Sjaoel: ‘hij om wie is gebeden’. Paauwel, Pau, Paul, Paulinus, Pauw, Poulus, Pouwel, Paulin, Paolo, Pavel, vrouwelijk Paula, Paulette, Paulina, Pauline, Paulowna, Paola, Pavia, Pavlina.

Pelagius: Grieks pelagos: ‘zee’ = Latijn pelagus ‘(hoge) zee’, Grieks pelagios: ‘tot de zee behorend’. Pelayo.

Peregrinus: het eerste deel, als Germaans woord, is onze ‘bijl’, met de betekenis strijdbijl, het tweede grima: ‘masker of helm’, net als ons grimmig of boos. Het Latijnse peregrinus betekent vreemdeling of buitenlander die wel behoort tot een bevriend volk, dit werd tot pelgrim, Pelgrom, Pelle, Pilger, Pilgrim, Pille, Pylger, Pylgrim, Peregron, vrouwelijk Pelgrommina, Peregrina, Pylkje.

Perpetuus: Latijn perpetuus: ‘doorlopend, onafgebroken of bestendig’. (in liefde)

Petronella: Latijnse geslachtsnaam, waarschijnlijk (nog) niet afgeleid van Petrus, maar van Etruskisch petro: ‘geharde landman’, respectievelijk van Latijn petro: ‘steenbok’.

Petronius: een Latijns geslachtsnaam, waarschijnlijk (nog) niet afgeleid van Petrus, maar van Etruskisch petro: ‘geharde landman’, respectievelijk van Latijn petro: ‘steenbok’. Petronius Arbiter was een gunsteling van Nero en schrijver rond 66 na Chr. en is bekend door zijn Cena Trimalchionis, ‘Gastmaal van Trimalchio’, een bekende bron van kennis voor het latere gesproken Latijn. Nee, Nel, Nele, Nelly, Neltje, Peternella, Petronella, Pie, Pieternel, Pieternella, Ptronella, Pinella, Pernella, Peronella.

Pius: Latijn pius: ‘vroom’. Naam van een aantal pausen, 9, van wie enigen heilig verklaard zijn.

Plato: Grieks platus: ‘sterk of breed’. Naam van de beroemdste Griekse filosoof. Zijn eigenlijke naam was Aristocles, Plato was een bijnaam, dus waarschijnlijk ‘de breedgeschouderde’.

Placidus: Latijn placidus: ‘kalm, bedaard, vreedzaam, genadig, vriendelijk’. Placies, vrouwelijk Placida.

Pontianus: Latijn, ‘bewoner van Pontia’ een eiland voor de kust van Latium, afleiding van Romeins geslachtsnaam Pontius. (vergelijk Pontius Pilatus) Pontiaan, Pons, Ponz, vrouwelijk: Pontiana.

Poppo: een vleivorm uit de kindertaal.

Praxedis: Grieks voor ‘goed doen’.

Prisca: Latijn priscus: ‘oud of eerbiedwaardig’. Priscilla, Priska. Mannelijk Priscus.

Probus: Latijn voor ‘braaf of rechtschapen’. Naam van een Romeins keizer, Marcus Aurelius Probus 276-282. Hij bestreed met succes verschillende volkeren aan de grenzen van zijn rijk, onder andere de Franken, Vandalen, ook in Klein-AziĎ en in Egypte.

Procopius: (Prokop) Grieks prokope: ‘vooruitgang, vordering’. Prokop.

Prodomos: ‘voorloper’.

Prosper: Latijn prospert(us): ‘voorspoedig, gelukkig, gelukkig makend’. Pros, Proske, vrouwelijk: Prosperina.

Prudentius, vrouwelijke vorm Prudentia: Latijn prudens: ‘vooruitziende of verstandig’. Prudent. Prudence.

Pudentia: (Potentiana): Latijn pudens: ‘zedig, bescheiden of eerzaam’.

Pulcheria: Latijn ‘de schone’.

 

Quintus.

Afleidingen uit Latijn quintus: ‘vijfde’.

Quintin met zijn vrouwelijke vorm Quintana: quintus: ‘vijfde, vijfde kind. Quintus, Kwint, Quentijn, Quint, Quintinus, Quintijn, Quentin, vrouwelijk: Quinta, Quinella, Quintella, Quintine.

Quintijn: quintus of quinctus: ‘vijfde’. Oorspronkelijk wel de naam van een Italiaanse stam, de Quinctii of Quintii, naar Rome overgebracht door Tullus Hostilis. Hij was volgens de sage derde koning van Rome die hoopte dat ze door hun eenvoudig leven een tegenwicht zouden vormen tegen de weeldezucht van zijn onderdanen.

 

Overige:

Quirinus: Quirinus was oorspronkelijk de oorlogsgod van de Sabijnen, de naam wordt wel verklaard als ‘lans zwaaier’. De inwoners van de Sabijnse stad Cures werden Quirites genoemd. Quirinus werd later een bijnaam voor Romulus en Augustus. Zijn voornaamste heiligdom lag op een van de Romeinse heuvels, daarom Quirinalis genoemd, hier ligt het tegenwoordige Quirinaal. Het was ook de naam van een Romeins stadhouder van SyriĎ in de tijd dat Christus geboren werd, Lucas 2:2. Corijn, Korijn, Krien, Krieno, Krijn, Kryn, Krijno, Quirien, Krein, vrouwelijk: Karijn, Krina, Krijn.

 

Rad.

Afleidingen uit Romeens rad: ‘gelukkig’.

Radu met zijn vrouwelijke vorm Raduta: rad: ‘gelukkig’.

Uit Sloveens Radko met zijn vrouwelijke vorm Radka: rad: ‘gelukkig’.

 

Rad: raad, Raap, Rabbe, Rabo.

Afleidingen uit Germaans rad: ‘advies’.

Conradus met de vrouwelijke vorm Conradine: kuon: ‘koen, moedig’, rad: ‘advies’, dus ongeveer bekwaam in het raad geven. Vele vorstelijke personen droegen in de middeleeuwen deze naam, vooral in Duitsland. Coenraad, Conrad, Cuno, Koenraad, Konrad, Curt, Kurt. Vrouwelijk Coenradina, Conrada, Konrada.

Meinrad: Germaans megin: ‘kracht, sterkte’, rad: ‘raad’, het betekent ongeveer de krachtige (raad)gever. Meinradus, Meinrad, Meginrad, Meginherus, Maginhardus.

Ralph met de vrouwelijke vorm Ralphina: rad: ‘advies’, wulf: ‘sterk’. Rudolph, Radolphus, Raoul, Rolf, Ralf.

Radbod: rad: ‘raad’, het tweede deel betekent ‘bieden of gebieden’, er komt wel verwisseling voor met boud: ‘stoutmoedig’. Radboud, Radbodus. In Fries Redbad en Frankisch Radbod, Ratbod.

Radulfus: rad: ‘raad’, olf: ‘wolf’. Radolf, Ralf, Ralph, Redlof, Redolf.

Redmar: Germaans red: raad, mar: beroemd, Remme, Rem, Remco, Remko, vrouwelijk: Remina, Remke, Remma, Remmina.

 

Ragin.

Afleidingen uit Germaans ragin: ‘raad, advies’.

Ragin, rein- regin. Afkortingen: Reen, Reense, Reine, Reinje, Reink, Rene, Renik, Reinko, Reinse, Reint, Reintsje, Reno, Renno, Rense, Rente, Rensje, Renze, Reyn, Rien, Rienco, Rienk Riense, Rients, Rink, Rinne, Rinse, Rintje, Rintse, Rinze, vrouwelijk: Reina, Reena, Reenske, Reindina, Reinetta, Reinske, Reinsje, Rena, Rendina, Reneke, Renetta, Renka, Rensje, Rennie, Renni, Rensie, Rensina, Renzina, Riena, Rienkje, Rindelina, Rinke Rinkje, Rinske, Reinette, Reinka.

Rayner met zijn vrouwelijke vorm Raina: ragin: ‘raad, advies’. Reyne, Reinette, Rein, Rainier, Reine, Renne.

Raymundus, Raimond met zijn vrouwelijke vorm Ramona: ragin: ‘raad’, vergelijk oud-Noors regin: ‘de beslissende of de goden’, het tweede lid munt: ‘hand, bescherming of voogd’, dus ongeveer, de sterke beschermer. Raimundus, Raymon, Raymond, Ramon, Redmond, Reimond, Reinmund, Remon, Ray, vrouwelijk: Raymonde, Reymone, Ramona.

Reinhard: Germaans regin: raad, hard: hard, sterk.  Reinaart, Reinard, Reinardus, Reindert, Reinerd, Reinhart, Renard, Rennerd, Reyndert, Reynhard, Rindert, Rijndert, vrouwelijk: Reinderrika, Reinharda, Renarda, Rinny, Rijnarda.

Reinier, Germaans regin: raad, her: leger. Raainder,  Rainerus, Reginar, Reinder, Reinerus, Rinder, Rainer, Rayner, Ragnar, Renier. Vrouwelijk: Reiniera, Renira, Reyniera.

 

Ric, rix, rich.

Afleidingen uit ric, rich: rik: rix: ‘rijk, krachtig, heerser’.

Uit Keltisch Kendra, mannelijke vorm Kendrick: cene: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’. De hoogste top, grootste kampioen. Kendria, Kendrik, Kenrik, Ken, Kenny.

Uit Germaans rik: rijk, machtig. Afkortingen van rik- namen: Rickus, Rico, Riek, Rieks, Rikke, Riko, Rikus, Rijk, Ryk, Rykie, Rijkus, vrouwelijk: Reyke, Richelle, Richette, Ricky, Rika Rikje, Rijka.

Albericus: Germaans alf: ‘niet goddelijk’, rik, ‘heerser’, dus ongeveer, heersend over bovenaardse wezens of van Latijn albus: ‘wit’. Alfricus, Alfrix, Alricus Alberik, Alphricus of Albinus, Aubin, Albuin, Albuinus, Albin, Alpin, Aubin,  Brikm Briking, Elverik, Alberich, Aubrey.

Aubrey: afl: ‘elf, ric: ‘dapper’, ric: ‘ krachtig, heerser’. Aubary, Aubre, Aubrette, Aubriana, Aubrielle. Duitse vorm is Alberich. Auberon, Aube, Avery,

Amelrik: Germaans de machtige in de strijd, van amal: inspanning en rik: heerser. Amerik, Almeric, Emerico.

Diederik: diet: volk, rik: machtig, Deerk, Derk, Derek, Derrick, Derry, Dick, Dico, Diderik, Diderik, Diederick, Diedrich, Diedrik, Dietrich, Diedrich, Dieks, Dierk, Dik, Dirk, Drikus, Durck, Durk, Thierry, Thierri, Theoderic, Tjaark, Tjarco, Tjark, Tjerk, Tsjark, Tserk, Tjark, Tjerk,. Vrouwelijk: Dederika, Derica, Derika, Derka, Derkien, Derkina, Dicky, Diederique, Dilly, Dirske, Drika, Duke, Tsjerkje.

Ericus: Erik, Germaans er: ‘eer of roem’, of van ee: ‘recht of wet’, het tweede lid rik: ‘machtig’, dus ongeveer, heerser van de wet. Eirkr was de naam van de ontdekker van Groenland rond 1000 en kan voortgekomen zijn uit Einrikr: de enige machtige. Eric, Ericus, Erk, Erich, Eirik. Vrouwelijk: Ereke, Erica, Erice, Ericia, Erieke, Erika, Erkina.

Fredericus, vrouwelijke vorm Frederica: fridu: ‘verede, veiligheid’, ric: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’. Dirikus, Fedderik, Feddrick, Fedrik, Fred, Frede, Freddi, Fredy, Freddy, Freek, Freerk, Frere, Frerik, Fridericus, Frids, Fritzie, Frytsen, Rik, Vrederijk, Vredenrijk. Vrouwelijk Freda,, Freddy, Frederica, Frederiek, Frederika, Frederike, Fredie, Freekje, Freikje, Frida, Frieda, Frigge, Friderika, Frieda, Frike, Frikje, Riek, Rieka, Riekje, Rika,

Henricus, Germaans mogelijk van heim: ‘woonplaats, erf’, rik: ‘machtig’, oud-Hoogduits Haganrih: vorst van omhaagd oord’. Naar Hendrik de Vogelaar, gestorven 936, is het een veel voorkomende Duitse keizers- resp. koningsnaam, de naam kwam in de 10de eeuw in Frankrijk door de hertogen van BourgondiĎ en zo ook in Engeland. Andrie, Ari, Dixie, Drik, Drikus, Endrik,  Haaino, Handrie, Hank, Haiko, Har, Harry, Hein, Hendrik, Heine, Heino, Heinricus, Heins, Henderik, Hendericus, Henk, Henne, Henni, Hennom Henny, Henri,  Heike, Heine, Hinderik, Hindrik, Hinke, Hinrik, Hinno, Hinse, Riekes, Rieko,  Rieks, Rik, Riks, Rikus, Heinrich, Heinz, Harry, Henry, Henri, Enrico, Enrique. Vrouwelijke vorm Dieke, Dika, Drika, Drina, Eintje, Endry Heina, Heinske, Henderina, Hendrika, Hendrikje, Hennekien, Henrietta, Harriet, Henrie, Henni, Hennie, Henny, Henrica, Henrieke, Henrique, Yetta, Henie, Henny, Hetta, Hetti, Hetty, Jet, Jetta, Jetteke, Jettie, Jetty,  Netty, Rica, Riek, Rieka, Riet, Rita, Rike, Harriet, Henrietta.

Regulis, een vorm van rex: ‘koning’, dus koninginnetje, of van Germaans met de stam regin: ‘raad’.

Richard: Germaans, eerste deel, rik: ‘rijk’, ‘machtig of aanzienlijk’, hart: ‘hard sterk of stevig’, of wards: ‘hoeder of wachter’. Via de Normandische vorsten kwam de naam naar Engeland en werd daar de naam van heiligen en koningen, zie Richard Leeuwenhart. Richardis, Richarde of Rigardis, Rickert, Riekert,  Righard, Rikert, Rikhart, Rikkart, Rikkert, Rijkert, Rijkhart, Dick, Dicky. Vrouwelijke vorm Riccarda, Ricarda, Richelle, Ricci, Richendra.

Rictrudis: Germaans rik: ‘rijk, machtig of aanzienlijk’, trude: ‘geliefd’, respectievelijk ‘kracht of sterkte’. Riktrude, Riktruide, Richtrudis.

Rigmor: ric: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’, mout: ‘moed’. In Scandinavie is muot ‘mar’ als Rigmar.

Roderick met vrouwelijke vorm Roderica: hroud: ‘beroemd: ric: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’. Rodina, Roderik, Roderique, Rodd, Rodderick, Roddie, Rodrick, Rick, Rickey, Roddy, Rory, Rodina, Roderika, Ricky, Rodriquez.

Rigobertus: Germaans rik: ‘aanzienlijk of machtig’, bert: ‘stralend, glanzend of schitterend’, het betekent ongeveer de ‘machtige, de stralende of roemvolle’.

Oldrik: Germaans odel, ol: erfrgrond, rik: machtig. Oldericus, Olrik, Uldrik, Ulrich, vrouwelijk: Ulderika, Ulrica, Ulrike.

Ulrike: uodal: ‘erfgoed, vaderland, ric: ‘dapper, ric: ‘ krachtig, heerser’. Rike, Ric.

Ulrich: Germaans uodel, ol of ul: ‘bodem, erfgrond’, rik: ‘machtig’, dus ongeveer, machtig door zijn erfgrond. Udalricus, Uldrik, Ulrik en Ulricus.

Walaricus: Germaans wal, wal: ‘slachtveld’, vergelijk de Walkuren, de goddelijke jonkvrouwen die de doden kiezen op het slachtveld en de helden op bevel van Odin naar het Walhalla brengen, of Waals: ‘buitenlands’, of wald: ‘heersen’, ric of rik: ‘rijk of machtig’. Walrick, Waldrik, Walerik, Walrik, Valeri, Valéry.

 

Rosa.

Afleidingen uit Germaans rosa: ‘roos’. Roos, Roosje, Rosalina, Rosalien, Rosalin. Rosely, Rosetta, Rosina, Rosy. Met Maria: Rosemarie, Roosmaryn, Roosmarijn, Rosemary, Rosmarie, Rozemarijn, of naar de plant rozemarijn.

Rosamund: hros: ros of paard’, munt: ‘bescherming, beschermer’. Rosamunda.

Uit Italiaans: Rosabella: rosa: ‘roos’, bella’ prachtig’.

Rosalba: rosa: ‘roos’, alba: ‘wit’.

Uit Latijn, Rosalia: rosa: ‘roos’, of van Germaans rod: ‘roem’. In de middeleeuwse lyriek vergeleken met Latijn rosa. Roos, Roselina.

 

Run.

Afleidingen uit Germaans run: ‘geheim’.

Ortrun: run: ‘geheim’.

 

Overige:

Rachel: Hebreeuws: schaap, dochter van Laban. Chel, Racella, Rachelina, Rachelle, Rachelly, Raquel, mannelijk: Ragelinus.

Remigius: Latijn remex: ‘roeier’. Miek, Remi, Remees, Remies, Remi, Remy, Rehm, vrouwelijk: Remi, Remy.

Renatus, vrouwelijke vorm Renata: Latijn renatus: ‘wedergeboren’. (wel met betrekking tot de doop, wanneer de naam gegeven wordt) Renaat, Frans Rene, Italiaans renato, vrouwelijk: Renate, Frans Renee.

Rochus: een verlatijnste vorm van een Germaanse stam, Gotisch hrukjan, oud-Hoogduits rohon: ‘brullen of schreeuwen’, d.w.z. de strijdkreet. Rocus, Rokus, Roch, Rocco, Roque, vrouwelijk: Roka, Rokusina.

Romulus: evenals de naam Rome (Roma) ook wel van Etruskische oorsprong van een vorm rumh-na, de betekenis onzeker. Volgens de sage is hij de stichter van Rome en eerste koning. Hij was de zoon van Mars en Rhea Silvia, tweelingbroeder van Remus. Ze werden door een wolvin gezoogd en later opgevoed door de herder Faustulus. Hij werd bij de Romeinen als een god vereerd en gelijk gesteld met Quirinus.

Rufinus,  Rufin.: Latijn rufus: ‘roodharig of rossig’. Bij de Romeinen komt een Rufa als meisjesnaam voor bij Horatius.

Rusticus: Latijn, ‘landelijk of eenvoudig’, rustiek, als zelfstandig naamwoord, ‘boer’. Rumold, Rombauld, Rumbold of Rombaut.

Ruth: een Hebreeuwse of Moabitische naam, waarschijnlijk met de betekenis ‘vriendschap of vriendin’. Het is de hoofdpersoon van een gelijknamige oudtestamentische Bijbelboek. Ze is de weduwe van een geĎmigreerde Judeeer die met haar schoonmoeder Naomi naar Bethlehem ging waar ze huwde met Boaz, familie van haar overleden echtgenoot. Ze werd stammoeder van het koningshuis Juda en van de Messias, Mattheus 1:5.

 

Shalom.

Afleidingen uit Hebreeuws shalom: ‘vrede’.

Solomon, Salomon met de vrouwelijke vorm Salome: shalom: ‘vrede, vreedzame’. Sal, Sallie, Solly, vrouwelijk: Salomina, Solomea.

Shulamit: shalom: ‘vrede’. Shula.

 

Sige. Afleidingen: Sicco, Sikko.

Afleidingen van Germaanse sige: ‘zege, victorie’.

Sibald: sigi: ‘zege of overwinning’, bald: ‘stoutmoedig’. Sebaldus, Sebald, Sibbelt, Sibet, Sibold, Sibolt, Sibout, Siebald, Siegbald, Sigbold, Sippold. Verkort tot Sibem Sibbe, Sibo, Sip, Sipe, Sipke, Sibbo, vrouwelijk: Sibbelina, Sipke, Sippy, Sybien, Sybine, Sypke, Sypje, Sibba, Sieba.

Sibrand: Germaans sigi: zege, brand: vlammend, zwaard. Sebrandus, Sebrant, Siebrand, Sybrand, vrouwelijk: Sibranda, Siebranda, Siebrandina.

Sigmund, Sigismund met de vrouwelijke vorm Sigismonda: sige: ‘zege, victorie’, munt: ‘bescherming’. Siegmond, Sigurd, Sigisbald, Sigibald, Siegmund, Sigismond. De naam wordt al bij Tacticus vermeld. Naam van een Duits keizer 1410-1437 en koningen van Polen.

Sieger: Germaans sigi: zege, her: leger. Seger, Segerus, Sejer, Zeger, vrouwelijk: Segerdina, Segerina, Sigerina, Zegelina. Zegerdina.

Siegfried: Germaans sigi: zege, fried: vrede. Severt, Sigfried, Sivert, Seifert, Seyfrid, Siegfried, Sifrid, vrouwelijk: Sievera, Sieverdina.

Uit oud Engels: Kelsey: ceol: ship’, sige: ‘zege, victorie’. Chelsea.

 

Slav.

Afleidingen uit Slavische afleidingen, Slav: beroemd, glorie.

Boguslawa: bog: ‘God’, slav: ‘beroemd’.

Borislava: boru: ‘gevecht’, slav: ‘beroemd’. Borislav, Boris.

Branislava: bron: beschermer’, slav: ‘beroemd’. Branislav.

Bratislava: brat: ‘broeder’, slav: ‘beroemd’. Bratislav.

Dobroslava: dobro: goed’, slav: ‘beroemd’. Dobroslav.

Dragoslava: dorog: ‘duur, kostbaar’, slav: ‘beroemd’. Dragoslav.

Jaroslava: jaro: ‘voorjaar’, slav: ‘beroemd’. Jaroslav.

Ladislaus: ongeveer ‘als (door) heersen (vol) roem’, volod: ‘heersen’, ald: ‘oud’, oorspronkelijk opgegroeid, ervaren, of uit adel ontstaan. Ladislaus is de verlatijnste vorm. Vladislav, Wladislaus, Lancelot, Lalo, Lazio, Laszlo.

Mecislava: miecz: ‘man’, miezka: ‘beer’, slav: ‘beroemd’.

Miloslava: mil: ‘sier, gunst’, slav: ‘beroemd’.

Miroslav met de vrouwelijke vorm Miroslava: mir:’ vrede’, slav: ‘groot, beroemd’. Mira.

Radoslawa: rad: ‘gelukkig’, slav: ‘beroemd’.

Rostislava: rosts: ‘aanmatigend’: slav: ‘beroemd’. Rostislav.

Slavica: slav: ‘beroemd’. Slavka.

Stanislava: stani: ‘sterkte’, slav: ‘beroemd’. Stana, Stasya.

Stanislaus, Stanislas of Pools Stanisław: Slavische naam met de betekenis ‘door standvastigheid’, stani: (in de strijd) ‘beroemd’. Stanis, Stenz, Stanislas, Stenzel, vrouwelijk: Stanislava, Stanislawa, Stana, Stasya.

Veleslava: vele: ‘groot’: slav: ‘beroemd’. Vela, Velina, Velka, Veluska.

Venceslava: ventie: ‘meer”, slav: ‘beroemd’. Vrouwelijke vorm van Wenceslas.

Vladislava: volod: ‘heersen’, slav: ‘beroemd’. Vladislav, Lada, Valeska.

Wenceslaus: Slavisch veste: ‘groter of meer’, slav: ‘roem’, dus ongeveer, meer beroemd.

 

Overige:

Sabinus en de vrouwelijke vorm Sabina: Latijn, ‘behorend tot de stam der Sabijnen’, een oud-Italiaans volk. Het was een bijnaam van de dichter en vriend van Horatius en Ovidius.  Sabien, Sabine, Savine.

Salianus: mogelijk van Angelsaksisch salo: ‘donker van kleur’ of van oud-Hoogduits sal: ‘zaal, ruimte of onderkomen’. Salaun, Salaunis

Salome: (Irene, de Griekse equivalent van Salome) ‘vrede en voorspoed’.

Salvador: Latijn, ‘redder, verlosser’, dus Christus.

Samson, Simson: Hebreeuws, dit woord hangt samen met het woord ‘zon’, sjemesj, vandaar dat hij wel verklaard wordt als ‘kleine zon’ of ‘kind van de zonnegod’, in Grieks Samson. Het is de naam van een Richter van IsraĎl, Richteren 13-16, befaamd om zijn kracht en strijd tegen de Filistijnen. Zijn geschiedenis en vooral de verhouding tussen Simson en Delila (Hebreeuws voor de smachtende) was een dankbaar onderwerp voor kunstenaars. Het is de Hercules van de H. Schrift, begaafd met al de goede en verkeerde hoedanigheden van de Griek die bovendien nu eens aan een middeleeuwse minstreel, dan weer aan een razende Roeland en soms aan een moderne Don Juan doet denken.

Salvius: Latijn salvus: ‘behouden of ongedeerd’, salvara: ‘redden’. Salvye, Sauve, Salvie.

Sanctinus, vrouwelijk Sanctia: Latijn sanctus: ‘heilig’, dat wil zeggen, geboren op de dag van een bepaalde heilige.

Saturninus: mogelijk een oorspronkelijke Etruskische naam die door de Romeinen zelf al niet meer begrepen en volks etymologisch met satus: ‘zaaien’, in verband werd gebracht. Een oud-Italiaanse landbouw god die later vereenzelvigd werd met de Griekse god Kronos. Daarmee werden op hem ook de sagen omtrent een vroegere gouden eeuw overgebracht. Het uitbundige feest ter zijner eren heette saturnaliĎn. Dan werden onder meer de standsverschillen tussen slaven en hun heren opgeheven en werden er geschenken gegeven. Ook al een Romeinse bijnaam in het geslacht Apuleia. Cernin, Sarnin, Sernin,

Sara: Hebreeuws woord voor vorstin, de vrouwelijke vorm van sjar: ‘vorst’. De naam van de vrouw van Abraham. Aanvankelijk heette ze Sarai maar bij de aankondiging van de geboorte van een zoon moest zij haar naam veranderen zoals in primitieve gemeenschappen dikwijls gebeurt bij verandering van levensstaat. Genesis 17:15. Saar, Saartje, Sarah, Sarika, Sarike, Sarina, Sarissa, Sarita, Sarith, Sary, Zarah, Saddie, Sally.

Saulus: Hebreeuws Sjaoel: ‘hij om wie is gebeden’.

Scholastica: Latijn scholasticus: ‘tot de school ( de studie der welsprekendheid) behorend of zich aan de wetenschap wijdend, geleerd’.

Sebastianus:man uit Sebastia’, afgeleid van Grieks sebastos: ‘verheven of eerwaardig’ = in Latijn Augustus.

Serafinus, Seraphinus: Hebreeuws seaph: ‘edel of vlammend’. De serafs of serafim waren in het O.T. hogere engelen die bij Gods troon stonden, slechts vermeld in Jesaja 6:2. Bas, Basten, Bastiaan, Saan, Sebastiaan: vrouwelijk, Bastiana, Bastina, Serafien, Seraphia, Seraphina.

Serenus: Latijn serenus: ‘helder, opgewekt, vriendelijk’.

Sergius: Latijns voor ‘de wachter of dienaar’. In 63 v. Chr. de leider van een samenzwering tegen de Romeinse staat, Lucius Sergius Catillana. Serge, vrouwelijk Sergine.

Servatius: Latijn servare: ‘redden, behouden of de geredde’, mogelijk is het een naam die gegeven werd na een moeilijke geboorte. Faas, Servaas, Servais, Serve, Sarbatius, Vaast, Frans Gaston en Engels Foster, vrouwelijk Servatia.

Severinus: Latijn severus: ‘streng’. Al een Romeinse familienaam, Lucius Septimius Severus, Romeins keizer 193-211, zo ook Alexander Severus 222-235. Severus, Seferinus, Severus, Severijn, Severyn, Severin.

Sibylla: Grieks sibulla, Latijn sibylla, wel verklaard als ‘waarzegster’. Het was de benaming voor vrouwen die in de oudheid in geestvervoering de ‘mond’ waren van de orakels. De beroemdste was die van Cumae wier uitspraken in de Sibillijnse boeken op het Capitool te Rome bewaard werden. Later ontstonden dergelijke verzamelingen in Joods-Christelijke kringen als een vorm van goddelijke openbaringen (vergelijk het Dies Irae: ‘teste David cum Sibylla’, ‘zoals David in Sibylla getuigen’) In de middeleeuwen werden ze met profeten en met verschillende volkeren in verband gebracht. In de christelijke kunst van de vroege middeleeuwen komt bijvoorbeeld de Erythrische Sibylle naar voren onder invloed van Augustinus (De Cicitate Dei, XVII, 23) waar een aan Lactantius ontleende voorspelling aangaande de Verlosser deze Sibylle in de mond gelegd wordt. Reeds in de 14de eeuw denkt men zich de Sibyllen in als een reeks van 12 door God geēnspireerde vrouwen. Vaak werden ze afgebeeld en vooral op de kerkdeuren waar ze als heidense profetessen de Kerk voorspelden, maar niet naar binnen kwamen.

Sidonius:inwoner van Sidon’, een oude stad in PhoeniciĎ, het zijn de nakomelingen van Sidon, kleinzoon van Cham, Genesis 10. Sydonius, vrouwelijk: Sidonia, Cydonia, Site.

Silvanus: Latijn silva: ‘bos, woud’, met een suffix no dat de betekenis’ heerser over’ aan het grondwoord toevoegt, dus de heerser over een bos. Silvanus was de Romeinse bos- en veldgod. De naam komt ook in de Bijbel voor als Silas. Silvia is de vrouwelijke vorm: Rhea Silvia was de dochter van koning Numitor van Alba, in de Romeinse mythologie bij Mars de moeder van Romulus en Remus. Silvaan, Sylvanus, Sylvain, vrouwelijk: Selvia, Silvie, Silvana, Sylvana, Sylvia.

Silverius: Latijn silva: ‘bos, woud’, dus tot het bos behorend, het bos bewonend.

Sylvester: ‘uit het woud of bos’.

Simplicius, Simplicianus: Latijn simplex: ‘eenvoudig, openhartig of oprecht’.

Simon: Hebreeuws sjema(ng): ‘luisteren of horen’. Griekse vorm van Simeon, in Grieks betekent simos een ‘stompe neus’, vgl. Simonoides, de naam van een Grieks lierdichter uit Ceos ca. 500 v. Chr. Bij Tacitus komt ook de naam Simo(nis) voor als die van een Jood. Vanuit Germaans si-man, betekent het ‘zege-man’. . De Griekse variant Simeon hangt samen met het Hebreeuwse werkwoord 'sjemah' = 'horen', 'luisteren' enz. (verwant met Sem: vergelijk Semieten = nakomelingen van Sem). Of 'verhoring' of 'God heeft gehoord' of 'God heeft (ons gebed om een kind) verhoord', zelfs '(dit kind zelf is) het bewijs dat God ons heeft verhoord'. Of de naam kan ook de bijbetekenis hebben van 'de horende', ' de luisteraar', 'toehoorder', 'gehoorzame', 'oplettende' enz. of 'over wie veel gehoord wordt', 'beroemd', roemvol'. Letterlijk genomen is ook mogelijk een afleiding van het Griekse 'simos', waar de Griekse naam Simoon' vandaan komt = 'met stompe of grote neus', vergelijk Simonoides, de naam van een Grieks lierdichter uit Ceos ca. 500 v. Chr. Bij Tacitus komt ook de naam Simo(nis) voor als die van een Jood. Mon, Siem.

Simplicius: Latijn simplex: ‘eenvoudig, openhartig of oprecht’.

Sixtus: gewoonlijk verklaard uit Latijn sextus: ‘zesde’, Grieks xustos: ‘geschaafd, glad gemaakt of gepolijst’.

Smaragdus: Grieks smaragdos uit Semitisch wat ‘flikkeren of glanzen’, betekent. Een heldergroene edelsteen. Esmeralda, Esmeralde. Smaranda, Manda.

Sofronius: Grieks soophroon:met gezond verstand’. Sophron was al reeds de naam van Grieks dichter uit de 5de eeuw v. Chr.

Sophia: Grieks sophia: ‘(levens)wijsheid’, vergelijk Latijn sapienta. In oude tijd werd het begrip ‘heilige wijsheid’ (Grieks hagia sophia) wel als een omschrijving van Christus, de mens geworden tweede persoon der Drie-Eenheid, gebruikt en daarna wel als naam voor kerken. Tenslotte werd het ook een vrouwennaam die ook een heiligennaam werd en zich daardoor veel verspreidde, vooral in vorstelijke en adellijke kringen in gebruik, vooral ook door het huwelijk van keizer Otto II met H. Sophia. Sofia.

Solange, Solangia: Frans solange van Latijn solemnis: ‘plechtig of feestelijk’.

Soter, Sother, Soterus: ‘redder, verlosser of heiland’.

Speleotes: de ‘grotbewoner’.

Speratus: Latijn sperare: ‘hopen of verwachten’, dus de (met liefde) verwachte.

Spinosa, Spinola: splinter, familie zou een splinter uit het Kruis ontvangen hebben. Zo ook het hofje in Alkmaar van Splinter.

Stella: Latijn voor ster, Estella, Estelita, Estrella, Stella.

Stephanus : Grieks stephanos: ‘krans’, vooral als prijs van de overwinnaar in wedstrijden, vgl. 1 CorinthiĎ 9:25. Steef, Stefaan, Steffe, Steffert, Stefke, Stephaan, Steven, Stevo, Etienne, Stephane, Steffel, Stephan, Stefanus, Stefan, vrouwelijk: Fanie, Fanny, Stefana, Stephania, Stephany, Stevi, Stephanie, Fanni, Steffi..

Sturm, Sturmi, Sturmius: Germaans storm: ‘storm, onstuimige beweging of heftige aanval’, zo heette vroeger storm van de wind = jacht van de wind dat tenslotte storm in huidige betekenis gaf, vergelijk aanstormen, stormaanval.

Styliet: pilaar, een Griekse pilaarheilige in de 5de eeuw. De naam was al vroeg in de middeleeuwen populair.

Sunniva: oud-Engels kungfu, Sun: ‘zon’, gifu: ‘geschenk, gave’, dus ongeveer, een geschenk van de zon, (Oudnoors: sun-gifa).

Susanna: Hebreeuws sjoesjanah: ‘lelie of bloem’, vergelijk de naam van de burcht Susa(n), enkele malen vermeld in het O.T. Nehemia 1:1, Esther 1:2, Daniel. 8:2 de residentie van de Perzische koningen, de stad der leliĎn? In Lucas 8:3 de naam van de vrouw die Christus met haar bezittingen dient. De geschiedenis van Susanna en DaniĎl, een toevoeging aan het boek DaniĎl, waarin verteld wordt dat Susanna, een schone en godvrezende joodse in Babylon, echtgenoot van Joachim weigert aan de wens van 2 verleiders tegemoet te komen en wordt door hen aangeklaagd inzake van echtbreuk. Wanneer zij ter dood veroordeeld wordt en het vonnis uitgevoerd zal worden redt DaniĎl haar door de valsheid van de aanklacht te bewijzen, vergelijk Handels oratorium Susanna. Sanna, Sanne, Sanneke, Sannie, Sanny, Susan, Susanne, Susette, Suus, Suzie, Suzanne, Sue.

Symphorosa: Grieks, ‘de meedragende, ‘nuttige of goede’.

Synesius:’ vol inzicht’, Grieks/Latijn.

Swaen: Germaans swaan: zwaan. Swaen, Swanik, Zwaantius, Zwanik, vrouwelijk: Swantje, Swanetta, Zwaan, Zwaantje, Zwaantina, Zwanida.

 

Theos.

Afleidingen uit Grieks theos: ‘god’.

Dorotheus met de vrouwelijke vorm Dorothea: Doron: ‘gift, theos: ‘god’, ‘geschenk van God’. Ditte, Dorothy, Doretha, Dorita, Dora, Doreen, Dorette, Doret, Doretta, Doride, Dorien, Dorina, Dorodea, Dorris, Dorrith, Dory, Dot, Tea, Thea. Een omkering van Theodora: In Engeland werd de naam tot Doris, Dolly en Doll. (pop)

Theophil met de vrouwelijke vorm Teofila: theos: ‘god’, philos: ‘vriend’. Theofila, Theofilus, Theo.

Thekla: theos: ‘god’, kleos: ‘glorie, roem’. Thecla, Tecla, Tekela, Tekla, Thecla.  In Spaans betekent tecla type-toets, vandaar patrones van typistes.

Theodardus: theos: ‘god’, dardus uit Germaans voor ‘hard of stevig?’ Dieter, Diethard, Theodard.

Theodore met de vrouwelijke vorm Theodora: theos: ‘god’: doron: ‘gift’. Doris, Dorus, Teddey, Teddie, Teo, Theo, Teddy, Teodoor, Theodorus, Theodor, Ted, Theo. Vrouwelijk: Doortje, Dora, Dorine, Thea, Theadora, Theoda, Theodora, Fedora.

Theodosios, Theodosius met de vrouwelijke vorm Theodosia: theos: ‘god’, disis: ‘geven’, ‘geschenk van God’. Dosia, Theodosia.

Theodulus: Grieks theos: ‘god’, doelas: ‘slaaf, knecht’, de godsknecht. Theodula, Dula.

Theofilus: Grieks theos: ‘god en vriend’, dus ongeveer, vriend van God. Fiel, Theofiel, Theo, Theofiel, vrouwelijk: Theofila, Theophila.

Theophanos, Theophanus: theos: ‘god’, phainomai: ‘ik verschijn’. Theophania was oorspronkelijk het feest van de verschijning van de zonnegod in de lente. In christelijke zin: ‘geboren op de dag van de verschijning van Christus’, 6 januari.

Theotimus: theos: ‘god’, time: ‘eer’, eergeschenk, ongeveer (eer) geschenk voor God. Anderen zeggen van timos: tijd. Theotimos.

Tiffany: theos: ‘god’, phainein, ‘verschijnen’. Tifaine, Theophanis, 6 januari de verschijning van God in menselijke vorm als Jezus. Tephanie, Tifanny, Tiffeny, Tifianie, Tifny.

Timotheus, Timotheüs met de vrouwelijke vorm Timothea: time: ‘eer’, theos: ‘god’. Tim, Timo, Timothe, Timothy, Timithy, Timmo, Timon, Timmie, Timmy, vrouwelijk Timothea.

 

Theud.

Afleidingen Germaans uit theud: ‘volk, ras’.

Diemut: theud: ‘volk, ras’, muot: geest, dapperheid’

Thibald: diet of theud: ‘volk’, en bald: ‘dapper, stout moedig’, dus ongeveer, de moedige onder het volk. Theobaldus, Dietbalt, Theutbald, Thietbald, Theobald, Thibaud, Thibault.

Tillo: diet: ‘volk’ of til: ‘goed, behoorlijk of deugdelijk’. Tilman, Til of Theau. Van diet komen meer namen voor: Dedde, Deddo, Dede, Dedo, Dette, Die, Diel, Taco, Tade, Taeike, Taeke, Take, Temmen, Temmo, Thimo, Tiem, Tim, Time, Timme, Timo, Thad, Tetse, Tjacco, Tjade, Tjitte, Tsiette, Tsiesje e.d. meer friese namen vrouwelijke vormen: Deddina, Dedeke, Detje, Dette, Dettie, Detty, Dieke, Diesje, Diele, Dimka, Ditje, Ditte, Tade Taed, Taitske Tasje, Tea, Teda, Tedde, Teeske, Tekla, Temke, Teske, Tetta, Tettie, Theda, Tieke, Titia, Tita, Thadina, Tjetje, Tjitsche, Tysje etc.

 

Thor.

Afleidingen uit oud Noors, Thor: ‘donder, dondergod’.

Thordis: Thor: ‘donder, dondergod’, diss, ‘godin’.

Thornhild: Thor: ‘donder, dondergod’, hildr: ‘slag’. Torhild.

Thurid: Thor: ‘donder, dondergod’, fridr: ‘vrede’.

Tyr met de vrouwelijke vorm Thyra: Thor: ‘donder, dondergod’, vig: ‘gevecht’.

Tova: Thor: ‘donder, dondergod’.

Tord met zijn vrouwelijke vorm Turid: Thor: ‘donder, dondergod’, fridt: ‘brede, prachtig’.

 

Thryth.

Afleidingen uit oud Engels thryth: ‘kracht, sterkte’.

Alfred, Alfredus, Fred, Fret (oud Engels ģlfrēd met de vrouwelijke vorm Alfreda, Fredie, Elfrida: mildthryth, milde:’ mild, ‘edel, zacht’, thryth: ‘kracht, sterkte’, het is ongeveer, de milde krachtige. Mildred is de dochter van koning Merowald (Merwahl) van Mercia (Magonset) en prinses Ermenburga (H. Domneba) van Kent die zijn andere dochters Mildburga: milde beschermster, en Mildgyth: edele gift noemde. Mildrith, Mildreda, Mildrado, Milly, Mulder of Mildryth.

Elfreda: aelf: ‘’elf’, thryth: ‘kracht, sterkte’.

 

Trud.

Afleidingen uit Germaans trud: ‘kracht, sterkte’.

Ehrentraud: arn: ‘arend’, trud: ‘kracht, sterkte’. Arntrud, Erentrudis.

Ehrentraud, Duitse naam, gelatiniseerde vorm van Erentrudis, Germaans er: ‘eer, genade, bescherming’, trud: ‘geliefde’ of ‘kracht’. Erentrudis, Ermentrude, Erentrude, Arintrud.

Trudo: vergelijk Duits traut: ‘geliefd’, oud-Hoogduits trut of drut: ‘kracht’. Tron, Trond, Trudon, Trudus, Trui.

Waltraud: wald: ‘heersen’ of wahl’ vreemdeling, trud: krachtt, sterkte’. Waldtraud, Waltrawd, Waltraut.

Waltrudis: wal: ‘slachtveld’, trud: ‘geliefd’, respectievelijk ‘kracht’, een Walkurennaam. Waldetrudis, Waltraud, Frans Waudru.

Wiltrud: wil: ‘verlangen’, trud: ‘kracht, sterkte’. Wlitraud,

 

Tun.

Afleidingen uit oud Engels tun: ‘stad, town, nederzetting’.

Ashton: ash: ‘es’, tun: ‘stad, town, nederetting’. Vorm van Ashley.

Peyton: pawa: pauw’, tun: ‘stad, town, nederzetting’.

Tatum: tun: ‘stad, town, nederetting’. Tate.

 

Overige:

Tatianus met de vrouwelijke vorm Tatiana: vermoedelijk van Tatius, de naam van een Sabijnse koning, uit tata, een vorm van kindertaal. Hij was koning van de Sabijnen ten tijde van Romulus. De verlengde vorm Tatianus komt al voor als de naam van een christelijk schrijver uit MesopotamiĎ in de 2de eeuw, schrijver van het Evangelieharmonie, het Diatesseron. Tania, Tanja, Tanya, Tatjana.

Telemachus: Grieks voor, ‘van verre strijdend’. Bij Homerus de zoon van Odysseus en Penelope.

Telesforus, Telesphorus of Telesphore: Grieks, ‘die tot een goed einde leidt of de vervulling brengende’. In de Griekse mythologie is het de helper van Aesculapius, de god der geneeskunde.

Terentius: naam van een Latijns geslacht, van onzekere etymologie. Varro leidt hem af van het Sabijnse woord terenus + Latijns mollis: ‘zacht’. Bekend werd later Publius Terentius Afer, (Afrika) een blijspeldichter, 184-159 v. Chr. Van origine was hij een Afrikaanse slaaf die bij zijn vrijwording de naam van zijn meester, de senator Terentius, aannam.

Tekakwitha, Tekakwitha: ‘lelie van de Mohawks’. Tegakouita of Tegakwitha.

Thaddeus: Aramees tadda: ‘de dappere’.

Theresia, Teresia ThérŹse: verschillende etymologieĎn, mogelijk van Grieks theros: ‘warmte, zomer of oogst’, therizein: ‘oogsten’, ook met Grieks theraein: ‘jagen’, dus de jageres. Verder als bewoonster van het eiland Thira (Santorin) of bewoonster van Therasia. Resa, Resi, Resie, Resy, Teresa, Teresia, Thessa, Tessie, tessy, Thera, Theresilia, Thessa, Trea, Trees, treske, Tracey, Tracy.

Thomas: 1 van de 12 discipelen, vermoedelijk geboren in Galilea en in het vierde evangelie volgens de Griekse vertaling van het Aramese naam, ‘tweeling’= Grieks didymus, geheten, mogelijk was hij de tweelingbroer van Mattheüs. Thom, Tomes, Tomis, Tommie, Tommy, Thome, Tomaso, Tom, vrouwelijk: Thoma, Thomasia, Thomasine, Thomina, Tomina, Tommy, Thoma.

Tibertius: Latijn tibur, een oude stad in Latium, een bekend buitenverblijf van rijke Romeinen dat thans Tivoli heet.

Titus: Romeinse voornaam, de verklaring die eraan gegeven werd zien we bij Persius, ‘Titi sunt columbae agrestes’, ‘Titi zijn wilde duiven’. Onder meer de naam van een Romeins keizer, Titus Flavius Vespasianus, 79-81. Hij verwoestte in 70 Jeruzalem.

Tobias: de Griekse en Latijnse vorm van Hebreeuws Tobiah: God is mijn goed’. Tob, Tobais, Titiaan, Titius, vrouwelijk: Tobia, Tobie.

Torquatus: Latijn torquatus: ‘met een halsketting getooid’, torquis: ‘halsketting’, vaak was dit een onderscheidingsteken voor dappere soldaten. Naam van een patricische familie van het geslacht Manlia. Titus Manlius Imperiosus versloeg in de strijd tegen de GalliĎrs in 361 v. Chr. een krachtige GalliĎr en ontnam hem zijn torquis, vandaar zijn bijnaam en die van het verdere geslacht.

Trofimus, Trophimus, Trophymus: Grieks ‘voedsterkind’. Trofim.

Tryfena: Grieks truphe: ‘weelderigheid of zachtheid’.
Turibius: mogelijk verwant met Latijn turibulum: ‘wierookvat’, Latijn tus, Grieks thuos: ‘wierook’.

 

Uod.

Afleidingen uit Germaans uod: ‘schat, weelde, fortuin’.

Oda: Odo, mannelijk, Germaans od of uod: ‘erfgoed’. Oede, Oude, Ode, Oede, Otto, Ottow, Udo, Ode, Odde, Odilio, Udo, Othello, vrouwelijk: Odala, Ode, odelia, Odiel, Odila, odile, Odilia, Odilie, Odilla, Odina, Oeda, Otheline, Othilia, Otilia, Otje, Ottelien, Ottine, Ottolina, Udine, Ute, Dilia, Dille, Dilli, Odette.

Odibald: uod of odil: ‘bodem of erfgoed’, bald: ‘stoutmoedig’. Adelbold, Adalboldus.

Odile met de vrouwelijke vorm Odelia, Odilia: uod: ‘schat, weelde, fortuin’. Odilia, Ottilie, Ottilia, Odila, Adelia, Adilia, Alida.

Odmar: Germaans od: erfgoed, mar: beroemd. Audemar, Odemar, Odemarus, Omaar, Omar, Omer, Otmar, Odemar, Odomar, Ommar, Othmar, Omer, vrouwelijk: Othomara,

Odrada: od of uod: ‘erfgoed’, rad: ‘raad’.

Ogier: Germaans od: erfgoed, ger: speer. Ocker, Otger. Verkort in Oke, Oeke, Okel, Okke, Okko, Ukke.

Omer: od od uod: ‘erfgoed’, mar: ‘beroemd’, dus ongeveer, door zijn erfbezit beroemd. Audomarus , Omaar, Omar, Therouanne, Terwaan.

Otmar: od of uod: ‘erfgoed’, mar: ‘beroemd’, dus ongeveer, door zijn erfbezit beroemd. Audemar, Audomarus, Odmar, Otmar of Othmar.

Otto: met de vrouwelijke vorm Otha: uod: ‘schat, weelde, fortuin’. Othello, Ute, Oda, Utta, Odine.

 

Overige:

Urbanus: Latijn urbs: ‘stad’, van de stad, vooral van Rome, vandaar ook wel ‘beschaafd of welgemanierd, vergelijk villanus: ‘van het land’, dat de betekenis kreeg van onbeschaafd, vergelijk Frans vilain en Midden-Nederland dorper: ‘onbeschaafd’. Bain, Urbaan, Urbian, vrouwelijk Urbania, Urbanie.

 

Verus.

Afleidingen uit Latijn verus: ‘echt’.

Vera: verus: ‘echt’. Vara, Verena, Wera.

 

Volod.

Afleidingen uit Slavisch volod: ‘regel’.

Vladan met zijn vrouwelijke vorm Vladena: volod: ‘regel’.

 

Overige:

Valentinus, Valentius: Latijn valens: ‘sterk, gezond of invloedrijk’. Valentijn, Velten, vrouwelijk: Valence, Valentina, Valentine..

Valerius met de vrouwelijke vorm Valeria: Latijn valere: ‘sterk zijn, gezond zijn of invloed hebben’. Reeds de naam van een bekend Romeins geslacht.  Lerrie, Valeer, vrouwelijk: Valeria, Valerie.

Verena: mogelijk in verband met Latijn vereri: ‘schuwen, eerbied hebben, ontzag hebben of schromen’, dus de schroomvallige.

Verona: ‘uit Verona’. Veronus is de manlijke vorm. Frinika, Verona, Veroni, Veronika, Veronique, Vroni.

Viatrix: ‘de reizigster’.

Vigilius: Latijn vigil: ‘waakzaam, wakker, vlug’.

Virgilius: mogelijk van Latijns virga: ‘dunne groene tak of twijg’ en dan met de betekenis ‘de jeugdige’. Mogelijk meer in verband met een Etruskisch woord waarvan de betekenis onbekend is. Naam van een Romeins geslacht waarvan de bekende dichter Publius Vergilius Maro 70-19 v Chr. behoorde. Iers Fel(i)rgil,

Vital, Vitalis: Latijn vitalis: ‘tot het leven behorend of levenskracht in zich hebben’, vergelijk vitaal. Vital betekent ook zoveel als vliegend met vleugels. Hij was een van de beesten die EzechiĎl zag die vier vleugels had, vleugel van hoop waarmee hij naar de hemel vloog, vleugel van liefde waarmee hij naar God vloog, vleugel van gevaar waarmee hij naar de hel vloog en de vleugel van kennis die naar hemzelf vloog. Taal, Talis, Talle, Vital, Vidal, vrouwelijk: Talia, Vitalia.

Vitus: waarschijnlijk is dit een oorspronkelijk Germaanse naam als een bestaande tegenstelling van Latijn invitus: ‘niet willend’, de naam zou dan betekenen ‘welwillend’. Of de naam van de Slavische zonnegod Swantewit wat door Slavische christenen veranderd zou zijn in Sanctus Vitus, Sint Vitus. Veit, Gui, Guy, Vith.

Viviana, Vivian, Vivien, Vibiana, Bebiana of Bibiana: Latijn vivus: ‘levend’, dus de levendige.

 

Wald.

Afleidingen uit Germaans wald: ‘heersen’.

Arnold met zijn vrouwelijke vorm Arnalda: arn: ‘als een adelaar’, wald: ‘heerser’, vergelijk Arnhem. Arnetta, Arnolda, Arnhold, Arni, Arne, Arnie, Arny, Arnolt, Arnoldus, Arnout. Gekort als Ard, Ardo en vrouwelijk als Arda, Aardina, Ardie, Ardina, Ardine.

Ewaldus: Germaans ee: ‘wet’, en wald: ‘heersen’, dus ongeveer, de naar de wet heersende. Ewald, Ewalden, Ewoud, Heuwaldus

Harald met zijn vrouwelijke vorm Haralda: heri: ‘gewapend, krijger’, wald: ‘heersen’. Halley, Hally, Harold, Harry, Herold.

Magnus: Latijn magnus: ‘groot’. Of een vervorming van Germaans magnoald of maginold, het eerste deel als in ons mogen: ’kunnen’, het tweede deel wald: ‘heersen’. Maginold, Magnoald, Mang.

Mangoldus: Germaans man-gold, oud-Saksisch manegolt, het eerste lid betekent ‘menig’, het tweede wald: ‘heersen’, dus de betekenis is ongeveer, de heerser over velen.

Oswald, Osewaldus, Osewout, Ozzie, Oswol, Waldo met zijn vrouwelijke vorm Osvalda: ans: ‘God’, wald: ‘heersen’, Oswaldina, Oswalda.

Reinout: Germaans regin: ‘raad’, wald: ‘heersen’, ongeveer de door zijn raad heersende, respectievelijk de goede heerser. Rainoldus, Rainaldus, Reginald, Regy, Reinald, Reinold, Reinhold, Reinold, Renout, Reinald, Reinelt, Reinhold, Reinold, Reynald, Reg, Reggy, Reinoldus, Reinholdus, Renauld of Renaud, Rinaldo, vrouwelijk: Reinolda, Reinoudina.

Romualdus: Germaans ruom: ‘roem’, wald, Gotisch waldan, Duits walten: ‘heersen’. Rumoldus, Romaldus.

Walpurga: wald: ‘heersen’, burg: versterking, burcht’. Walburga, Walburgis, Walpurgis.

Uit oud Noors: Ingvild, ing: wil, houden van’, wald: ‘heersen’. Ing was de Germaanse god van vruchtbaarheid, Ingui of Yngvi. Ingwelde.

Walter: wald, walt: ‘heersen’, her: ‘heer of leger’, dus ongeveer de heerser over het leger. Valher, Vohi, Walher, Walhere, WalhŹre, of Walther, Walter, Walterus, Wouter, Galterus, Gautericus, Gauterius, Gualbertus, Frans Gauthier, vrouwelijk: Walthera, Woltera, Woutera..

Walherus: Gotisch waldan: toereikend zijn, ga waldan: zijn macht gebruiken, vergelijk geweld, oud-Hoogduits waltan: heersen, bezitten.

 

Wend.

Afleidingen uit Germaans wend: ‘Wenden of Vandalen’.

Wanda: wend: ‘Wenden of Vandalen’. Wendie, Wendy.

Wendelin: de volksnaam van de Wandalen of Vandalen. Of van de Wenden, de Slaven. Wandelin Wendalin, Wandalin, Wendelinus, Wendel, Vendel.

Uit oud Noors: Vendela: wend: ‘Wenden of Vandalen’. Vendella.

 

Wig.

Afleidingen uit Germaans wig: ‘vechter, krijger’.

Hedwig: hade: ‘strijd’, wif: ‘vrouw’, dus ongeveer, de strijdster, of wig: ‘strijd’, wat een naam geeft met 2 maal strijd, vergelijk Hildegonde. Hedwigis, Jadwiga.

Lodewijk, Louis met de vrouwelijke vorm Louise: hlud: beroemd, luid’, wig: ‘vechter, krijger’, de roemvolle strijder. Ludovicus, Lewie, Lode,  Lodewiek, Loe, Lou, Louis, Louk, Lowie, Lowik, Ludevicus, Ludo, Ludovic, Wiek, Wies, Witte, Ludwig, Louis Luigi, Ludvik, vrouwelijk Liska, Lodevika, Lodewica, Lodi, Lody, Loekie, Loes, Loeske, Loesje, Luise, Louisa, Lousiana, Louise, Louka, Louky, Ludovica, Vica, Wica, Wiek, Wies.

Wiebe met de vrouwelijke vorm Wiebke: wig: ‘vechter, krijger’. Wibke, Wibe, Webbe, Wepko, Wibbe, Wibo, vrouwelijk: Wiebina, Wieb, Wiepke, Wyb.

Wigbald,  Germaans wich: strijd, bald, bold, dapper, Wibald, Wibolt, Wigbolt, Wil.

 

Afleidingen uit Germaans wil: ‘wil, verlang’.

Firmatus: wil: ‘willen’, het willen of streven, helm: ‘bedekker of beschermer’.

Wilgifortis: dit is Latijn Virgo fortis: ‘dappere maagd’.

Willibald: wil: ‘willen, verlangen’, het streven, bald: ‘stoutmoedig, boud’. Willibaldus, Willebaldus, Guillebaud.

Willibrord, Willibrordus: Germaans wil: ‘willen of het streven’, Angelsaksisch brord: ‘punt’, speerpunt.

 

Wine.

Afleidingen uit Germaans win of winee: ‘vriend’.

Albinus: Germaans, alb: ‘alf of elf’, win: ‘vriend’, dus ongeveer de vriend van bovenaardse wezens. Albin, Albien, Albijn, Bienes, Binus, Aubin. Vrouwelijk Albina, Allebina, Biena, Bieneke, Bina, Bine, Aubine, Albinia.

Alwin met de vrouwelijke vorm Alwine: alb: ‘elf’, adal: ‘edel’, wine: ‘vriend’. Albina, Alwyn, Elwin, Elwyn, Alwina, Elwine.

Aswin, Aschwin, ans: god, win: vriend.

Egwin: Germaans eg: ‘zwaard’, win: ‘vriend’, dus ongeveer, vriend van het zwaard. Ecgwine, Egwinus.

Folcwin: Germaans folk: ‘volk’, win: ‘vriend’, dus ongeveer, vriend van het (krijgs)volk. Folkwin, Volkwin, Volcuin, Folquin, Folcuinus.

Livina: liob: liefste, geliefde’, wine: ‘vriend’.

Ludwinina: liut: ‘mensen’, wine: ‘vriend’. Lidwina, Ledewina, Ledje, Lidewina, Lidwien, Liduina, Ludwina, Ludwin, Lydwine. Mannelijk: Ludwin, Ludwinus.

Wenke: wine: ‘vriend’. Wencke.

Winnebaldus: win: ‘vriend’, bald: ‘boud of stoutmoedig’. Winnibaldus, Wunnebaldus, Wunibaldus, Winebald, Winnibald, Wunebald, Wineboud, Winibald, Wynbald.

Uit oud Engels, Alvin met zijn vrouwelijke vorm Alvina: aelf: ‘elf’, aethel: nobel, eerzaam’, wine: ‘vriend’. Alveena, Alvey, Alvinia, Alwyn, Elvina, Allie, Alvie, Alvan Alvis, Elwin, Aloin, Alwyn, Elwin, Elwyn.

Edwin met zijn vrouwelijke vorm Edwina: ead of od: weelde, erfgoed, gezegend’, wine: ‘vriend’, ‘vriend van het erfgoed’. Edwinus, Eddie, Eddy, vrouwelijk Adwine, Edwenna, Edwyn.

Lebuines: lieven, mogelijk van Godelieve, Lebuines is de verlatijnste vorm, uit Liafwinus of Lief-win: Liaf-win, oud-Engels leofwine: ‘lieve vriend’. Lieuwer, Liewert, vrouwelijk Livarda, Leviena.

Melvin met zijn vrouwelijke vorm Melvina: wine: ‘vriend’. Malvina, Melveena, Melville, Melwin.

 

Wolf.

Uit Germaans wolf: ‘wolf.

Agilolf: Germaans agil: ‘punt, scherpe kant’, scherpe kant van een zwaard, en wolf: ‘wolf’, ongeveer, zwaardwolf. Agilulfus

Bernulfus: Germaans ber: ‘beer’, ulf of wulf: ‘wolf’. Bernulf, Bernulphus, Bernold, Benno, Berta, Berno, Bernoldus.

Egolf: Germaans eg: ‘zwaard’, wolf: ‘wolf’.

Gangulfus: Germaans gang: ‘gaan’,wolf of olf: ‘wolf’. Gangulphus, Gengulphus, Gengulfus, Gangulpi, Guphi, Gangolf, Gandulp, Gengolphus, Gengoul, Gengoux.

Meinolf: Germaans megin: ‘kracht of sterkte’, olf, wolf: ‘wolf’, dus ongeveer, sterke wolf. Meinolfus, Meinulfus, Magenulfus of Magenolphus.

Monulfus: Germaans muni: ‘gedachte’, ulf: ‘wolf’. Monulphus.

Randolf: Germaans rand, van een schild, wolf. Randulf, Randal, Randolph.

Odolfus: Germaans od: ‘erfgoed’, respectievelijk odel: ‘bodem of erfgrond,’ ulf: ‘wolf’. Odilo, Odulphus, Odolf, Odulf, Olef, Olof, Oluf, vrouwelijk: Olowine.

Ulfilas,: vlei vorm van eenstammig verkorte naam met wolf: ‘wolf’. Wulfilas.

Wolbodo: Germaans voor wolf.

Wolfram: wolf: ‘wolf’, ram, midden-Nederlands ‘rave(n)’, dus wolf en raaf, beide elementen staan in verband met de Wodanverering. Als erts heeft de tweede betekenis de naam van vuil, omdat men het als minderwaardig afval beschouwde. Wolframnus, Wulfrannus, Wulfram, Wulfranus, Wulframnus of Wulfrannus.

Wolfgang: wolf: ‘wolf’, gang: ‘gang’, met betrekking tot het wijze van gaan, het ‘ten strijde, in de aanval gaan’. (als een wolf in dit geval)

Wolmarus: wolf: ‘wolf’. Wulmarus, Wolmar, Ulmar, Vulmar, Samer, Wulmar of Vilmer.

 

Overige:

Warinus: Duits van Germaans war: ‘bewaren’ of ‘zorgen voor, bewaken’. Guerin, Warin

Werner: Germaans war: ‘bewaren of bewaken’, her: ‘heer of leger’, wordt wel verklaard als de waarschuwer van het leger, spion. Komt tot Wessel, Wetzel, vrouwelijk: Wesselina.

Wiro: Germaans, Angelsaksisch, vergelijk oud-Fries wiri: ‘hij were of verdedigde’.

Witta: verlatijnst tot Albinus of Albuin: Latijn albus: ‘wit’.

 

X.

Xaverius: familienaam van Don Franceso de Yasu y Javier: van Jaberri: nieuw huis. Verius, Xaveer, Xavier, Javier, vrouwelijk: Veria, Xaviera.

Xenophon. Grieks xenos: ‘vreemd’, phainomai: ‘ik schitter (in) vreemde’ (landen) Naam van een Griek, ca. 430-354 v. Chr. schrijver van de Anabasis, het verslag van de terugtocht van 10 000 Grieken na de mislukte veldtocht tegen de Perzische koning Artaxerxes II.

 

 

Y.

Yasmin: naar de bloem jasmijn. Jasmin, Jasmijn, Jasmina, Jasmine, Jessamine, Jessamy, Yasmenieke, Yasmina, Yasmine.

IJsbrand, Germaans, ijs of van iserna, isern: ijzer. Isbrand Izebrand, Ysbran, Ysbrand, Isenbrand, vrouwelijk: Ijsbrandia, Ysbrandina.

 

Z.

Zeno, Zenon: Griekse verkorting van Zenodotos: ‘geschenk van Zeus’. In de oudheid een bekende Griekse naam, onder meer de grondlegger van de stoēcijnse filosofenschool, 340-270 v. Chr. Vrouwelijk: Zena.

Zenobius: Grieks ‘wie door Zeus het leven (bios) geschonken is’. Mogelijk ook een naam van Arabische herkomst, aan Grieks aangepast. Zanobi. Vrouwelijk:  Zenobia.

Zephyrinus, Zefyrinus: Grieks zefuros: ‘(de god van de) stormwind’, dat verband houdt met zophos: ‘duisternis, westen’.

Zitha: Italiaanse naam, verkorting van felicitas: ‘de gelukkige’, of van Latijn cita: ‘de snelle’ Zita, Zite, Zitha, Zitta, Citta, Sita.

Zoe: Grieks zoe of zooe: ‘leven’.

 

Met dank aan http://www.babynamespedia.com/etymology

Woordenboek van voornamen, Dr. J. van der Schaar.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/