Plantennamen.

Nomenclatuur.

Klik hier voor planten soorten.

Klik hier voor Nederlandse plantennamen.

Klik hier voor persoonsnamen, jongens en meisjes namen.

Klik hier voor plaatsnamen en hun betekenis.

Klik hier voor dieren.

Klik hier voor middeleeuwse woorden en verklaringen.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

Betekenis van plantennamen die met A beginnen.

Abbreviatus: ingekort of afgekort.

Abchasicus: uit Abhkasia, Georgi in de Kaukasus.

Abelmoschus: muskusachtige akro.

Aberrans: afwijkend van de normale.

Abies: op Abies gelijkend.

Abietinum: sparachtig.

Abietis: abietinum: gelijkend op Abies alba.

Abjectus: teneer geslagen, afgewezen, waardeloos.

Aboriginorum: inlands, voorouderlijk.

Abortiva: delen ontbreken, produceren van abortus.

Abramsii: Amerikaanse botanist LeRoy Abrams, 1874-1956.

Abrotanum: onsterfelijk.

Abrotanifolius, met blad als Artemisia abrotanum.

Abrupta: plotseling einde.

Abscissus: afgesneden.

Absinthium: absint.

Absinthoides: absintachtig.

Absus: prop.

Abyssinica: abyssinica: um: uit Abessini, Ethiopi.

Acanthium: als Acanthus.

Acanthoides: Acanthus-achtig.

Acarna: niet vleeskleurig? Of van avarde, gebracht door de wind.

Acaulis: zonder stengels.

Accidens: naar voren vallend.

Acephale: us: zonder hoofd.

Acer, acre: scherp.

Acerbus: bitter.

Acerifolia: um: met blad als Acer.

Acerosum: a: naaldvormig.

Acetabulum: azijnkop.

Acetosa: zuur.

Acetosella: zuurachtig.

Achilleifolia: met blad als Achillea.

Acicularis: spitse naalden.

Acidus: um: scherp of zuur.

Acinacifolia: een mes of zwaard die vooral door de Perzen gebruik wordt, vorm van het blad als een kromzwaard.

Acinifolia: scherpe bladeren.

Acinos: stoppend of van aconos: zonder bloemen.

Ackerianum: Duitse Engelse George Ackermann, plantenzoeker en schilder in Mexico, 1803-1891.

Aconitifolia: us: met blad als Aconitum.

Aconogon: Grieks acon: slijpsteen en zaad, de ruwe zaden.

Acris: bitter, bijtend,

Acrostichoides: Acrostichium-achtig.

Acrotrichum: puntharig.

Actina: sabelvormig.

Actinidioides: Actinidia-achtig.

Actinophylla: scherpe bladeren.      

Aculeata: um: us: stekelig.

Aculeolata: met kleine stekels.

Acuminata: us: um: met een lange toegespitste punt.

Acuminatifolium: met toegespitst blad.

Acuta: us: scherpe, maar niet toelopende punt.

Acutangula: um: met scherpe hoeken.

Acutidens: scherp getand.

Acutiflorus: met spitse bloemen.

Acutifolia: us: met spitse bladeren.

Acutiformis: scherp gevormd.

Acutiloba: spitse lobben.

Acutisperma: scherpe zaden.

Acutissima: zeer scherp.

Adamii: werd in 1825 door Jean Louie Adam verkregen doordat hij Cytisus purpureus op de Laburnum vulgare entte.

Adamsii: Amerikaanse botanist Joseph Edison Adams, 1903-1981.

Adansonii: Franse natuuronderzoeker Michel Adanson.

Adelaidensis: uit Adelaide, Australi.

Adenocaule: on: klierachtige steel.

Adenophora: us: klieren dragend.

Adenophylla: um: klierachtig blad.

Adenopus: klieren vormend.

Adenostoma: klierachtige mond, kelkopening.

Adiantum-nigrum: zwart venushaar.

Admirabilis: opmerkelijk, bewonderenswaardig.

Adnatus: um: samen groeien, in een ongewone manier.

Adolphia: Adolphii: Franse botanist Adolphe Theodore Brongniart, 1801-1876.

Adonidifolius: met blad als Adonis.

Adoxoides: Adoxa-achtig.

Adpressus: aangedrukt of plat tegen.

Adriaticum: uit of bij de Adriatische Zee.

Adscendens: opstijgend.

Adscensionis: van Ascension eiland.

Adsurgens: rijzend, opgaand tot een rechte positie.

Adunca: um: us: gehoekt, krom, naar achteren gebogen.

Advena: us: vreemdeling, net aangekomen.

Aegilops: zweer van de ogen.

Aegyptica: um: uit Egypte.

Aemulis: imiteren.

Aeneus: bronzen of koperachtige kleur.

Aequalis: le: gelijk, in lengte.

Aequifolius: met gelijke bladeren.

Aequiglumis, aequa, aequus: gelijk, glumaceum: kafjes.

Aequilaterus: gelijkzijdig.

Aequinoctialis: behorende tot de equinoctiale zone, van de equatoriale gebieden.

Aequitriloba: egaal of gelijk drielobbig.

Aereus: van aes: koper of brons.

Aerius: boven de grond.

Aestivalis: in de zomer bloeiend.

Aestivum: us: bloei of rijpen in de zomer.

Aethiopum: is: aethiopica: um: uit Ethiopi.

Aethusifolia: met bladeren als Aethusa.

Aetnensis: van de berg Etna.

Affinis: ne: verwant, gerelateerd aan of gelijk aan.

Afghanica: us: um: uit Afghanistan.

Aflatunense: uit Centraal Azi, de Chinese provincie Aflatun.

Afra: Africana: us: um: uit Afrika.

Agallocha: het hout.

Agardhianus: Zweedse botanist Jocab Georg Agardh, 1813-1901.

Agavoides: Agave-achtig.

Ageratina: niet oud groeiend, als Ageratum.

Ageratum: Ageratum-achtig: niet oud wordend, vale bloemkleur.

Aggregata: in trossen.

Agnicidus: schapen dodend.

Agninum: van een lam, wollig.

Agnus castus: kuisheidslam.

Agoseris: geitencichorei of -sla.

Agourensis: uit Agoura, Californi.

Agrarium: agrarisch.

Agregata: opeen gehoopt.

Agrestis: van de akkers.

Agrifolia: veld of woest blad of van aquifolia: hulstblad.

Agrippinum: Agrippina, de bekende gifmengster en moeder van Nero.

Agrostichoides: als Agrostis.

Ahartii: Amerikaanse botanist Lowell William Shart, 1938-.

Ailantifolia: met blad als Ailanthus.

Airoides: als Aira.

Aitchisonii: Engelse arts en botanist James Edward Tierney Aitchison, 1836-1898.

Aizoides: als Aizoon.

Aizoon: altijd levend.

Ajax: ajacis: Ajax, mythologisch figuur.

Ajgal: uit Agadir.

Ajugoides: als Ajuga.

Alabamensis: uit Alabama.

Alaternus: alaternus staat gelijk met alternatus: afwisselend, de bladeren.

Alata: um: us: gevleugeld.

Alatamaha: Altamaha River bij Fort Barrington in de Britse kolonie Georgia.

Alba: us: albens: wit.

Albertiana: albertina: uit Alberta.

Albertii: Duitse professor in de medicijnen Michael Alberti, 1682-1757.

Albescens: witachtig.

Albicans: wit wordend.

Albicaulis: witte stengels.

Albida: us: um: witachtig.

Albiflora: um: us: wit bloeiend.

Albiflos: witte bloem.

Albifrons: wit front.

Albinum: witachtig.

Albiplena: dubbele witte bloemen.

Albivenis: witte nerven.

Albomaculata: witte vlekken.

Albomarginata: us: witte randen.

Albonigra: wit en zwart.

Albopicta: wit gevlekt.

Albopilosus: um: wit behaard.

Albopurpureum: wit purperachtig.

Alboroseum: witroze.

Albostriatus: wit gestreept.

Albus: albula: witachtig.

Alcea: hulp, geneesplant.

Alchemilloides: Alchemilla-achtig.

Alcicorne: als een elk of eland gewei.

Aldama: Mexicaanse botanist Ignacio Aldama, 1769-1811.

Alectorolophus: hanenkam.

Alefeldii: Duitse botanist Friedrich Christoph Wilhelm Alefeld, 1820-1872.

Aleppicum: uit Aleppo.

Aleuticum: a: van de Aleutian eilanden bij de kust van Alaska.

Alexandrina: um: uit Alexandrie, Egypte.

Alexandrae: Alexandra Potanin die met haar man, een bekende Russische plantenverzamelaar, deze plant heeft ontdekt.

Alexanderae: drae: Amerikaanse botaniste Annie Montague Alexander, 1867-1950.

Algeriensis: uit Algerije.

Algida: us: koud, in koude streken voorkomend.

Alicastrum: vroeg rijpend.

Aliceae: aliciella: botaniste Alice Easwood.

Aliena vreemd, buitenlands.

Alienta: alienata: vervreemd.

Alipes: gevleugelde voetstengel.

Aliquanta: iets dergelijks.

Alismatifolia: alismaefolium: met blad als Alisma.

Alismellus: alismifolius: kleine Alisma.

Allantoides: foetale membraam.

Alleghaniensis: uit het Alleghanie gebergte, Amerika.

Allenii: Amerikaanse botanist Robert Lee Allen, 1959-.

Allenrolfea: Engelse botanist vooral van orchidee創, Robert Allen Rolfe, 1855-1921.

Alii: werd eerst gekweekt in Hawai waar het zijn naam kreeg, alii betekent koning.

Alliaceum: lookachtig.

Alliariae: Alliaria-achtig.

Alliariafolia, met blad als Alliaria.

Allliodora, naar ui geurend.

Allionii: Carlo Ludovica Allioni, Italiaanse botanist, 1725-1804.

Allochrosus: verschillend van kleur.

Allophyllum: verschillende bladeren.

Allotropa: verschillend gedraaid.

Alma: voedend.

Alnifolia: elsbladig.

Alnobetula: elsberk.

Alnus: als de els.

Aloides: Alo- achtig.

Aloifolia: met bladeren als Alo.

Alopecuroides:  Alopecurus-achtig.

Aloysia: Maria Louisa Teresa, 1751-1819, prinses van Parma en vrouw van koning Carlos IV van Spanje.

Alpestre: is: uit de lagere Alpen.

Alpicola: bewoner van de Alpen.

Alpigena: us, um: Aster alpinus-achtig.

Alpina: um: us: uit de Alpen.

Alpinoarticulatus: uit de Alpen en geleed.

Alpivaga, uit  Victorian Alps, vaga: wandelend of komend.

Alsaticum: uit Elzas, Frans Alsace.

Alsinoides: Alsine-achtig.

Altaiense: is: altaica: us: uit het Altai gebied.

Altclarense: uit Highclere in Engeland.

Alternata: afwisselend geplaatst.

Alterniflora: um: afwisselend bloeiend.

Alternifolia: us: afwisselend geplaatste bladeren.

Altheaefolia: althaeifolia: blad als Althaea.

Althaeoides: als Althaea.

Alticola: bewoner van hoge plaatsen.

Altifolia: us: alternatief blad.

Altilis: verhoogd, vet.

Altissima: us: um: zeer hoog.

Altus: hoog.

Alversonii: Amerikaanse botanist Andrew Halstead Alverson, 1845-1916.

Alvordiana: Amerikaanse burgemeester, Alvord, 1871-1873.

Alyssoides: Alyssum-achtig.

Amabile: is: lieflijk, beminnelijk.

Amagiana: Japans Amagi: zoete thee.

Amanum: van Amanus bergen in de Taurus.

Amaranticolor: Amarant kleurig.

Amarella: amara: bitter.

Amas: Amasia, stad in Klein Azi.

Amauriopsis: als Amauria.

Amaryllifolius: met blad als Amaryllis.

Amarylloides: Amaryllis-achtig.

Amazonica: uit de Amazone.

Ambigua: um: us: twijfelachtig of onzeker.

Amblyantha: stompe bloem.

Amblyodon: stompe tanden.

Amblyopappus: stomp zaadpluis.

Amboinicus: uit Ambon.

Ambrosiacum: ambrozijn, het levenselixer van de goden.

Ambrosioides: Ambrosia-achtig.

Ambusticola: verbrand, verteerd in plaatsen.

Amelloides: Aster amellus-achtig.

Amellus: aster die aan de rivier Mella groeit.

Amicarum: Latijn amicarium: van vrienden, uit de Friendly islands.

Americana: us: um: uit Amerika.

Amethystina: um: ea: amethistblauw gekleurd.

Amictum: opgerold.

Amigua: twijfelachtig of onzeker.

Ammannia: Duitse botanist Paul Amman, 1634-1691.

Ammi: zand, groeiplaats.

Ammobroma: zand en voedsel.

Ammodendron: zandboom.

Ammodytes: zandduiker.

Ammoniacum: ammoniak.

Amoena: um:. aangenaam of liefelijk.

Amomum: Griekse amomon, van Arabisch hamama: Indische kruidplant.

Ammophila: um: houden van zand.

Amnicola: verblijvend bij een rivier.

Amoena: um: us: bekoorlijk.

Amorpha: vervormd.

Ampeloprasum: wilde prei.

Amphibia: um: ous: ampho: tweeslachtig, Latijn amphibolus: letterlijk dubbelzinnig, leeft op land en in het water.

Amphibolos: twijfelachtig.

Amphicarpa: tweeslachtige vrucht.

Amphipappus: beide soorten of dubbel, en pappus: zaadpluis.

Amplectans: omhelzend.

Amplexicaulis: le: blad stengel omvattend.

Amplexifolius, stengelblad omvattend.

Ampliatus: vergroot.

Amplifaucalis: groter maken, het gebied rond de mond.

Amplifolia: us: groter, meer ruimte en blad.

Amplissima: zeer groot.

Ampullaria: ceum: fles of ampulachtig.

Amsinckia: Duitse botanist Wilhelm Amsinck, 1752-1831.

Amurensis: se: uit het Amur gebied, China.

Amygdalina:um: oides: amandelachtig, het blad.

Anacampseros: ik breng liefde terug.

Anacardium: op een hart gelijkend.

Anagallidifolium: met bladeren als Anagallis.

Anagallis-aquatica, guichelheil en water.

Anagalloides: als Anagallis.

Anagyroides: als Anagyris: stinkende gouden regen.

Anassasa: Anassoides: ananasachtig.

Anaphalis: als Anaphalis.

Anceps: tweezijdig, soms ook in de betekenis twijfelachtig.

Ancestrale: van de voorouders.

Ancistrocarphus: vishaak en kaf.

Ancistropha: vishaak.

Ancyrensis: uit Ancyra of Ankara, hoofdstad van Turkije.

Andersonii: Amerikaanse botanist en arts dr. Charles Lewis Anderson, 1827-1910.

Andersonii: J. Anderson uit Maryfield bij Edinburgh, Schotland die deze kruising tot stand bracht in 1848.

Andersonii: Engelse botanist James Anderson, 1739-1809, dokter bij de East India Company.

Andersonii: Amerikaanse ranger Robert Clark Anderson, 1908-1973.

Andina: andigena: andicola: uit de Andes.

Andrachne: Andrachne of postelein.

Andrachnoides: Andrachne-achtig.

Andreanum: us: genoemd naar de vrouw van de ontdekker Edouard Andre, 1840-1911, Franse tuinarchitect.

Andrewsii: andrewsiana: Amerikaanse botanist Timothy Langdon Andrews, 1819-1908.

Andrewsii: Henry C. Andrews, Amerikaanse botanist.

Androgynus: mannelijke en vrouwelijke delen op dezelfde plant.

Andromedifolia: met blad als Andromeda.

Androsacea: um: Androsace-achtig of mannen schild.

Androsaemifolium: met blad als Hypericum androseamum.

Androseamum: mans bloed.

Andros: meeldraden.

Androstephium: kroon van meeldraden, stephanos: kroon

Anelsonia: i: Amerikaanse plantverzamelaar en botanist, Aven Nelson, 1859-1952.

Anemoniflora: met bloemen als de anemoon.

Anemonifolius: um: met blad als anemoon.

Anemonoides: anemoon-achtig.

Anethoides: Anethum-achtig.

Angelensis: uit Los Angeles?

Anglica: um: uit Engeland, Engels.

Angolensis: uit Angola.

Anguina: us: eus: slangachtig, ook op serpentijn gronden.

Angulata: us: gehoekt.

Angularis: us: hoekig, kantig.

Angulosa: um: vol bochten of hoeken.

Angusta: um: us: angustana: smal of versmald.

Angustifolia: um: us: met smalle bladeren.

Angustipetalum: met smalle bloemblaadjes.

Angustissimus: zeer versmald.

Anil: Indigo of Indisch blauw.

Anilina: wel naar aniline: donker blauw.

Anisata: um: anijsachtig.

Anisocarpus: ongelijke vruchten.

Anisocoma: ongelijke kuif, haar.

Anisodora: anijs geurend.

Anisum: anijs.

Annaei: kweker M. Annee uit Frankrijk.

Annotinum: van het laatste jaar.

Annua: um: us: eenjarig.

Annulatum: geringd.

Anularis: ring of cirkelvormig geplaatst.

Annulata: us: omringd door ringen.

Anomala, um: us: ongelijk, van de gewone vorm afwijkend, het ene bloemblad is veel langer dan het andere.

Anopetala: ongewoon omhoog staande bloembladen.

Anredera: kruipende plant.

Anserina: um: gans, die het eten.

Antarctica: uit het zuidpoolgebied.

Anthelatus: met laterale bloemen die over de hoofdas gaan.

Anthelmintica: mug of worm, darmparasieten.

Anthora: tegen het gif van thora.

Anthos: bloem.

Anthoxantha: um: gele bloem.

Anthropophorum: mens en dragen, de bloemvorm.

Anthyllis: Anthyllis achtig.

Antidotale: tegengif.

Antidysenterica: um: anti dysenterie.

Antiquorum: antiquus: van de ouden, antiek.

Antisellii: Amerikaanse arts en geoloog Thomas Antisell, 1817-1893

Antisyphillitica: anti syfilis.

Antitaurica: tegen het Taurus gebergte.

Antonina: San Antonio Hills in Monterey County.

Antoninum: us: Anthony Peak, bij Mendocino.

Antonius: Mt. San Antonio, beter bekend als Mt. Baldy.

Anulatus: kantig.

Anulocaulis: kantige stam.

Anxius: bedroefd of onrustig.

Aoriformis: los gevormd.

Apargioides: als Apargia, heet nu Microseris.

Aparine: a: niet, en voorbij gaan, omdat ze niemand voorbij laat gaan zonder er aan te hangen.

Apennina: uit de Apennijnen.

Apera: niet verminkt.

Aperta: open of bloot, onbedekt.

Apetala: zonder bloembladen.

Aphaca: zonder dorens, ook een Fenischische stad van die naam in het oude Syri waar een beroemde tempel van Venus was die door keizer Constantijn omgehaald is.

Aphanactis: onopvallende straal, dus een bloem met kleine lintbloemen.

Aphanes: onopvallend.

Aphanisma: onopvallende.

Aphylla: zonder blad.

Aphrodisiaca: afrodisch.

Apiana: tot de bijen.

Apiastrum: als Apium en aster, oude naam voor de selderij.

Apiculata: um: blad dat eindigt met een korte brede punt.

Apifera, bijen dragend, op bij gelijkend.

Apiifolia: um: op selderij gelijkend blad.

Apios: peervormig.

Apoda: us: zonder voet.

Apogonoides: Apogon-achtig, dus zonder baard.

Appelianum: Duitse botanist Oliver Appel.

Appendiculata: van een aanhangsel voorzien, appendix.

Applanata: us: afgeplat, oppervlakte mycelium is duidelijk zichtbaar, ze zijn dus plat en glad.

Applegate: Amerikaanse botanist Elmer Applegate, 1867-1949.

Appropinquata: dichter naar elkaar gedrongen.

Approximata: bij benadering.

Aprica: um: us: zon liefhebbend, dus vroeg rijp.

Aptenia: apterus: zonder vleugels.

Aqualiense: Aywalle, plaats in Belgi, bij de rivier Meuse.

Aquatica: us: um: water bewonend.

Aquatilis: water beminnend.

Aquicandula: naam en kruising tussen Berberis aquifolium x candidula.

Aquifolium: scherpe bladeren als Ilex aquifolium.

Aquilegifolium: met blad als akelei.

Aquilegioides: als akelei.

Aquilinum: adelaarsachtig.

Aquisargentii: naam en kruising tussen Berberis aquifolium x Berberis sargentiana.

Arabica: us: Arabisch, uit Arabi.

Arabidopsis: als Arabis.

Arachnanthe: spinachtige bloemen.

Arachnoidea: us: um: spin of spinnenwebachtig.

Aralensis: uit de Aral bergen.

Aralioides: Aralia-achtig.

Araneola: spinachtig.

Araneosa: spinnenwebachtig behaard.

Araneosum: bedekt met spinnenwebben.

Araratii: uit de Ararat.

Araucaria: Araucanos, volksstam in Chili.

Araujia: Portugese botanist Antonio de Araujo de Azevedo, Conde de Barca, 1752-1817.

Arbor-tristis: trieste boom.

Arborescens: arborea: um: us: boomachtig.

Arboricola: op bomen groeiend.

Arbuscula: kleine boom of boomachtig

Arbustus: als een kleine boom.

Arbutifolia: um: met blad als Arbutus.

Arcadiensis: uit Arcadi, Griekenland.

Arceuthobium: jeneverbes en leven.

Archangelica: aartsengel.

Archyrochosma: zilveren heuvel: dat de aarde heeft opgeworpen, het poeder op de bladeren.

Arcta: smal, recht of van arktos: beer.

Arctica: us: van het Noorden of arctische omstandigheden.

Arctomecon: beer en papaver, de ruigheid.

Arctotis: als Arctotis of berenoor.

Arctopoides: als Arctopus.

Arctotheca: beer en kop, beker.

Arcuatum: a: boogvormig.

Arcuifolia: boogvormige bladeren.

Ardoinii: H. Ardoino, Franse botanist, 1819-1874.

Arenaria: um: us: op zand, arena, groeiend.

Arenastrum: stervormige groei op zand.

Arendsii: kweker Arends te Ronsdorf in Duitsland.

Arenicola: bewoner van zandgronden.

Arenosa: zand.

Areolatus: zonder merg.

Aretioides: Saxifraga aretia-achtig.

Argentea: um: us: argentatum: argentaria: zilverkleurig.

Argemone: geneest de argemata: schellen van de ogen.

Argillosum: us: witte klei, pottenbakkersaarde.

Argophyllus: zilveren blad.

Argunense: Argun, plaats in Rusland aan de Argun rivier.

Argus: de mythologische vele ogen bezittende Argus.

Arguta: um: scherp gezaagd.

Argutifolia: met blad als arguta.

Argyreia: zilverkleurig.

Argyranthemum: zilveren bloemen.

Argyrocoma: zilveren kuif.

Argyroneura: zilveren nerven.

Argyrophylla: zilverkleurig blad.

Argyrosperma: zilverachtig zaad.

Aria: aanzien, uiterlijke verschijning, of de streek Khorassan dat vroeger zo genoemd werd bij Iran, Afghanistan.

Arida: um: us: groeit op droge plaatsen.

Arietina: um:, ramskop, omdat de zaden op een ramskop lijken.

Ariifolius: arifolius: blad als Sorbus aria.

Aristata: us: um: van een kafnaald voorzien.

Aristida: aarachtige aanhangsel.

Aristocapsa: aar en doos.

Aristodoides: als Aristida.

Arizonica: um: uit Arizona.

Arkansana: uit Arkansas.

Arkwrightii: gewonnen door J. S. Arkwright, Esq, liefhebber te Presteign, Engeland.

Armandii: Armand David, 1826-1900, Franse missionaris en plantenverzamelaar in China.

Armata: um: gewapend.

Armeria: als Armeria, Engels gras.

Armena: um: armeniaca: uit Armeni.

Armillaris: omringd met een band.

Armourianum: rijke amateur botanist Allison Vincent Armour, 1863-1941.

Armstrongii: Nieuw Zeelandse botanisten John Francis Armstrong. 1820-1902 en Joseph Beattie Armstrong, 1850-1926.

Armstrongii: Z. Afrikaanse plantenverzamelaar William Armstrong.

Arnoldiana: arnoldii: Arnold, van het arboretum? Dr. Joseph Arnold, 1782-1818.

Aromatica: um: us: aromatisch.

Aronicoides: als Aronicum.

Arrhiza: zonder wortels.

Arrigens: binnenwerk.

Articulata: us: um: geleed.

Arsenei: Franse monnik en botanist Arsene Gustave Joseph Brouard, 1867-1938.

Arta: smal.

Artemisiarum: artemisioides: als Artemisia.

Articulatum: us: knopig.

Artimisiifolia: blad als Artemisia.

Arvensis: se: van de velden.

Arvernense: uit de Arverne.

Arundinaceae: um: riet of Arundo-achtig.

Arvatica betekent Cyrillisch schrift.

Asarifolia: blad als Asarum.

Ascalonium: uit Ascalon.

Ascendens: blad of bloem draait naar boven.

Aschersonianus: Duitse botanist Paul Friedrich August Ascherson, 1834-1913 .

Asclepiadea: Asclepias-achtig.

Ascyron: mans bloed.

Ascyrifolium: met blad als ascyron.

Ashei: Amerikaanse botanist William Willard Ashe.

Asiatiaca: us: uit Azi.

Ashlandica: op Mount Ashland, Siskiyou bergen te Oregon.

Asoka: zorgeloos.

Asparagoides: als asperge.

Asper: aspera: um: ruw.

Asperifolia: us: ruwachtige bladeren.

Asperula: um: asperata: ruwachtig.

Asphodeloides: Asphodelus-achtig.

Aspidotis: schild drager.

Asplenifolia: us: aspleniifolia: met blad als Asplenium.

Assafoetida: stinkend sap.

Assimica: uit Assam.

Assimilis: gelijk aan.

Assurgentiflora: bloemen in opgaande trossen.

Assyriaca: uit Assyri.

Asprella: met ruige schalen.

Astephanus: zonder een kroon.

Asterias: Aster-achtig.

Asteroides: Aster-achtig.

Asterophora: ster dragend.

Astilboides: Astilbe-achtig.

Astrocaryum: aster en noot, wel naar de stralen op de noot.

Astrolepis: stervormige schaal.

Asymmetricus: asymmetrisch.

Atalantoides: Atalanta-achtig.

Atamasco: Alqonquin naam attamusco.

Atkinsii, is genoemd naar James Atkins. Atkinsiana.

Ater: koolzwart.

Athamanticum: van de berg Athamas in Thessali.

Atherica: luchtig, ather: kafnaald.

Atheroides: baard van een aarachtig graan.

Atilis: vet.

Athrostachya: aren die tezamen gekroond zijn.

Athysanus: zonder randen.

Atlantica: um: van het Atlasgebergte.

Atomaria: us: gevlekt als het insect Atamaria.

Atramentaria: donkere inkt vormend.

Atrata: um: us: donker zwart. Atra.

Atrichoseris: donker haar en een soort sla.

Atriplicifolia: um: met blad als Atriplex.

Atrocaerulea: donker blauw.

Atrocarpus: donkere vrucht.

Atrocaulis: donkere stengels.

Atrocinerea: donkergrauw.

Atrococcum: donkere bes.

Atropurpurea: us: donker purper.

Atrorubens: donker rood.

Atrosanguineus: donker bloedrood.

Atrosperma: donker zaad.

Atrovirens: donker groen.

Attenuata: versmald.

Atticus: uit Attica.

Attolens: niet geprezen.

Aubertii: is gevonden door de missionaris P. Georges Aubert.

Aubrietioides: Aubrietia-achtig.

Aucheri, P. M. R Aucher-Eloy, 1792-1838, Franse plantenverzamelaar.

Aucuparia: vogelvanger, avis: vogel, capre: vangen.

Auerswaldii: Duitse oorlogsminister, Rudolf Ludwg Casar von Auerswald, 1795-1866.

Augusta: um: groot, statig, nobel.

Augustini: vermoedelijk naar Augustine Henry, Ierse arts en botanist, 1857-1930.

Aulicum: hoffelijk.

Aurea aculata: geel gestekeld.

Aurea: us: um: gouden kleur.

Aurantiaca: us: um: goudgeel, oranje sinaasappelachtig.

Auranticarpum: oranje vrucht.

Aurantifolia: blad als Aurantium, sinaasappel

Auratum: a: goudkleurig stralen.

Aureispina: gouden dorens.

Aurelianense: Romeinse naam Aurelian voor Orl斬ns.

Aureola: us: goudachtig.

Aureovallis: Golden Valley, Dakota.

Auricomum: s: met gele bloemkuif.

Auricula: aurita: um: geoord.

Auriculata: um: met kleine oortjes.

Auricula-judae: Judasoor of beter Joods oor.

Auriculaflorus: bloeiend met gele oortjes.

Aurora, Romeinse godin van de dageraad.

Austiniae: Amerikaanse botaniste Rebecca Meritt Austin, 1832-1919, ook haar dochter Corneli of Carola Josephina Austin Bruce, 1865-1931.

Austinii: Amerikaanse botanist Stafford Wallace Austin, 1861-1931.

Australasicum: uit Australi.

Australis: australe: in het zuiden voorkomend.

Austriaca: um: us: uit Oostenrijk.

Austroalpina: uit de zuidelijke Alpen

Austrocalifornicus: uit zuidelijk Californi.

Austrolitoralis: zuidelijk kust.

Austromontana: uit zuidelijk bergen van Montana.

Austromoravicum: uit zuidelijk Moravi.

Austro-occidentalia: zuidwest.

Automixa: zelfbestuiving.

Autumnale: is: in de herfst bloeiend.

Avellana: stad Abella (Abellinum) uit het oude Campani of van de stad Abellare uit Turkije, beide centra van de hazelnotenteelt.

Avenacea: haverachtig.

Averrhoa: Averrhoes, een Spaanse moslim geneesheer.

Avicennia: Perzische moslim wetenschapper en filosoof, in Latijn Avicenna of Abu Ali Al_Husayn Ibn Abd Allah Ibn Sida, 980-1037.

Averyonensis: uit het Franse departement Aveyron.

Aviculare: voor kleine vogels.

Avium: us: plaats van wildernis, verlaten, van via: weg en a: niet. Of avis: vogel, vogelkers.

Axilliaris: okselstandig.

Axonopus: voetstengels.

Ayapana: tegengif.

Ayenia: Franse Louis de Noailles, 1713-1793, duc dユ Ayen.

Aymoninii: Franse botanist G屍ard-Guy Aymonin 1934-.

Azaloides: Azalea-achtig.

Azedarach: vrij of adel.

Azorolus: uit zachte wervels, wervelspel.

Azorica: uit de Azoren.

Azurea: um: us: azuurblauw.

 

Betekenis van plantennamen die met een B beginnen.

Babylonica: uit Babylon.

Baccans: baccatus: besachtig.

Baccata: bes.

Baccifer: a: um: besdragend.

Bacigalupi: Amerikaanse botanist Rimo Charles Bacigalupi, 1901-1996.

Bachemiana: Joannis Peteri Bachemi, 1885-.

Badia: us: um: baai of inham.

Beaenii: Engelse dendroloog en botanist William J. Bean, 1863-1947.

Baetica: um: us: Latijnse naam van een provincie in het zuiden van Spanje, de Baetis rivier.

Bahia: Spaanse botanist en arts Juan Francisco de Bahi y Fonseca, 1775-1841.

Bahiensis: uit Bahia.

Bahiiforme: als Bahia.

Baicalensis: uit Baikalie.

Baileyana: naar de Australische botanist Frederick Manson Bailey, 1827-1915.

Baileyi: Amerikaanse botanist William Bailey Whitman, 1845-1914.

Bakeri: Amerikaanse botanist Milona Samuel Baker, 1868-1961.

Balansae: Franse onderzoeker Benedict Balansa, 1825-1892.

Balata: uit de Caribische Indianentaal.

Balbisiana: Italiaanse botanist Gionna Battista Balbis, 1765-1831.           

Balcanum: balcanica: balkana: uit de Balkan.

Baldadensis: baldensis: van de berg Baldo, Itali.

Baldianum: de medewerker Carlos Luis Spegazzin Baldi.

Baldschuanica: uit Baljuan, streek in Centraal Azi.

Baldwinii: Amerikaanse botanist William Baldwin, 1779-1819.

Balearica: uit de Balearen.

Balfouriana: Engelse botanist John Hutton Balfour, 1808-1884. Zijn zoon Isaac werd directeur van de botanische tuin te Edinburgh, 1853-1922.

Ballota: bij oorziekten?

Balsamifera: balsem vloeiend.

Balsamina: balsamea, balsamum: balsem dragend.

Balsamita: balsemachtig.

Balsomorhiza: balsemachtige wortel

Baltica: us: Baltisch, Oostzee.

Bambusarum: oides: bamboe-achtig.

Bancanum: uit Banka, Indonesi.

Banksia: Engelse botanist sir Joseph Banks, 1743-1820 naar wie de Banks Peninsula is genoemd.

Banksiae: naar Lady Banks, de vrouw van de botanist sir Joseph Banks.

Banksii: C. H. Banks, chef in de botanische tuin te Cambridge, Engeland die deze plant rond 1918 heeft gewonnen.

Bannaticus: banaticus: uit Bannaat, een streek in O. Europa.

Baptistii: van de Baptist Gardens, Australi.

Barbadense: is: uit Barbados.

Barbarea: Santa Barbara in Californi.

Barbarum: van de barbaren, buitenlands.

Barbata: us: gebaard.

Barba-jovis: baard van Jovis of Jupiter.

Barberae: Mrs. Barber die de eerste plant naar Kew stuurde.

Barbinervis: behaarde nerven.

Barbiger: a: gebaard.

Barbulata: um: us: fijn gebaard.

Barclayana: Amerikaanse botaniste Harriet George Barclay, 1921-1986.

Barclayana: Engels, Amerikaans botanist Robert Barclay, 1751-1830, Engelse brouwer en patroon van botanie.

Baronii : prof. Baroni te Florence, Italiaanse botanist.

Barnebyana: Engelse botanist Rupert Charles Barneby, 1911-2000.

Barrii: Peter Barr, kweker te Londen, 1826-1909.

Barystachys: dichte aar.

Barometz: barometz betekent een lam in het Tartaars. Maar Barometz was ook een Hollandse zeevaarder, Willem Barentz.

Barrelieri: Jaques Barrelier, 1606-1673, Franse pater en plantenverzamelaar.

Barstiifolia: met blad als Bartsia.

Bartonianus: gewonnen door H. D. M Barton, Esq. bloemenliefhebber te Antrim, Ierland.

Basalis: aan de wortel gelegen.

Basaltica: uit basalt gebieden.

Baselloides, Basella-achtig.

Basilaris, basisachtig.

Basilicum: koninklijk.

Basiliensis: uit Bazel.

Bassia: Italiaanse botanist Ferdinando Bassi, 1710-1774.

Batalinii: A. F. Batalin, Russische botanist, 1847-1896.

Batats: batatas of patatten.

Batis: een zeeplant.

Batrachopus: kikkerachtig.

Battandieri: Franse botanist Jules Aime Battandier, 1848-1922.

Baueri: Ferdinand Bauer, Duitse plantentekenaar en plantenverzamelaar in Nieuw Zeeland, 1760-1826.

Bauhinii: Caspar Bauhin, Zwitserse botanist, 1560-1624 en zijn broer Johann, 1541-1613.

Baumgartenii: Duitse botanist Samuel Gottlieb Baumgarten, 1744-1774.

Baumannii: Zwitserse botanist Eugen Baumann, 1868-1933.

Bausei: Duitser Chr. F. Bause die in de 19de eeuw een tuinbouwbedrijf opende in Engeland.

Bavarica: uit Beieren.

Bealei: Amerikaanse botanist William James Beal, 1833-1924.

Bealii: Thomas Chay Beale, 1805-1856, Engelse zakenman, had een tuin in Shanghai waar Robert Fortune zijn planten opsloeg voor hij ze verscheepte naar England.

Beanii: W. J. Bean, Engelse dendroloog en botanist.

Beatleyae: Amerikaanse botaniste Janice Carson Beatley, 1919-1987.

Bebbia: Amerikaanse specialist van wilgen Michael Schuck Bebb, 1833-1895.

Beccabunga: mondpijn.

Beckleri: Duitse botanist Hermann Beckler, 1828-1914.

Beckmannia: Duitse botanist Johann Beckman, 1734-1811.

Beckwithii: Amerikaanse soldaat Edward Griffin Beckwith, 1818-1881.

Bedinghausii: gewonnen in 1837 door H. Bedinghaus, de tuinman van de hertog van Aremberg in Enghien, in de buurt van Gent.

Beeringianum: van of uit de Beringzee.

Beesianum: beesiana: kwekerij Bees Ltd. in Ness bij Liverpool, Engeland.

Beharensis: Behara, plaats in Madagaskar.

Belgaro: uit Belgi.

Bella: um: us: mooi.

Belladonna: mooie dame.

Bellardii: ia: Carlo Antonio Lodovico Bellardi, 1741-1826, Italiaans arts en botanist.

Bellidiflora: met bloemen als Bellis.

Bellidifolia: met blad als Bellis.

Bellidiformis: gevormd als madelief.

Bellidoides: madeliefachtig.

Belmoreana: naar de earl of Belmore die in 1868 gouverneur was van N. Z. Wales.

Benacensis: Latijn Benacus, lokale godheid van Garda meer.

Benedictus: goed zeggen of gezegend.

Beneolens: goed ruikend.

Bengalensis: benghalensis: uit Bengalen, India.

Benjamina: Engelse arts en botanist Benjamin Heyne, 1770-1819.

Bennetti: Engelse botanist John Joseph Bennett, 1801-1867.

Benitoa: benitensis: San Benito county.

Bensoniella: botanist Gilbert Thereon Benson, 1896-1928.

Benthamiana:  George Bentham die Flora Australiensis maakte in 1869.

Benthamii: George Bentham, 1800-1884, Engelse botanist die met Hooker in Amerika planten verzamelde.

Benzoin: benzine, een Arabisch of Semitisch woord wat gom of parfum betekent.

Berberifolia: difolia: met blad als Berberis.

Berchtoldii: graaf Friedrich Carl Eugen Vsemir von Berchtold, 1781-1876, Duits sprekende Boheemse arts en botanicus uit Oostenrijk.

Bergamia: uit Turks beg armodi: herenpeer, geteeld in Bergamo, Itali, gebruikt voor parfums.

Bergeriana: Duitse botanist en succulent specialist Alwin Berger, 1871-1931.

Bergia: Zweedse botanist Peter Jonas Bergius: 1730-1790.

Berlandieri: Belgische botanist die in Amerika werkte, Jean Louis Berlandier, 1805-1851.

Bermudianum: uit Bermuda.

Bernardia: Franse botanist Bernard de Jussieu, 1699-1776.

Bernardii, Naar de Franse botanist Pierre Frederic Bernard, 1749-1825.

Bernardiana: us: San Bernardino bergen.

Berolinensis: uit Berlijn.

Berryi: Amerikaanse botanist Lucien Seneca Berry, 1869-1939.

Berterianum: Berteroana: Italiaanse botanist Carlo Luigi Guiseppe Bertero: 1789-1831, vriend van deCandolle.

Berteroi: Italiaanse arts Carlo Giuseppe Bertero, 1789-1831.

Berthelottii: Sabin Berthelot, Franse botanist, 1794-1880.

Bertinii, gewonnen door Bertin pere, kweker te Versailles, Frankrijk.

Bertolonia: Italiaanse botanist Giuseppe Bertoloni, 1804-1874.

Bertolonii, naar de Italiaanse botanist Antonio Bertoloni, 1775-1869.

Besseri: Oostenrijk, Russische botanist Wilibald Suibert Joseph Gottlieb von Besser, 1784-1842.

Betaceum: bietachtig, naar de kleur van de vrucht.

Betle: betel, sirih betel.

Betonicifolia: um, blad als betonie.

Bettinae: naar Bettina, de vrouw van de Amerikaanse botanist Robert Francis Hoover, 1912-1992.

Betulifolia: met blad als berk.

Betuloides: berkachtig.

Betulus: berk.

Bettzickiana: Bettzick, tuinbaas bij grootvorst Nicolai-Nicolajewitsj in Snaminsk, Rusland, tweede helft van de 19de eeuw.

Beuckeri: S. de Beucker, kweker in Antwerpen in de tweede helft van de 19de eeuw die deze plant heeft ingevoerd.

Beyrichianum: naar zijn ontdekker mr. Beyrich in 1833.

Bholua: Bholu in Pakistan of India.

Biarticulatum: twee knopen.

Biasolettii: apotheker en algenkenner en weldoener van de botanische tuin te Triest, dr. Biasoletti.

Bibracteatus: tweemaal gele schutbladeren.

Bicknellii: Amerikaanse ornitholoog en botanist Eugene Pintard Bicknell.

Bicolor: tweekleurig.

Bicornis: bicornuta: twee hoornig.

Bicristatus: dubbele kam.

Bictoniense: Engelse dorp Bicton waar lord Rolle, een 19deeeuwse orchideeliefhebber, zijn manor house had.

Bidentata: tweetandig.

Bidwelliae: Amerikaanse botaniste Annie Ellicott Kennedy, mrs. John Bidwell, 1839-1918.

Bidwillii: Engelse botanist John Carne Bidwil, 1815-1853.

Biebersteiniana: Friedrich August Marschall von Bieberstein, 1768-1826, Duitse botanist, ook marschallii.

Biennis: bienne: biennial: tweejarig.

Bifiba: in twee創.

Bifida: um: tweespletig.

Biflora: um: us: tweebloemig.

Bifolium: met twee bladeren.

Biformis: twee vormen.

Bifrons: twee gezichten.

Bifurcatum: tweemaal dubbel gevorkt.

Bigelovii: Amerikaanse botanist dr. John Milton Bigelow, 1804-1878.

Bigelovii: Amerikaanse arts en botanist Jacob Bigelow, 1787-1879.

Bigibba: twee bulten.

Biglandulosa: twee klieren.

Bignonioides: op Bignonia-gelijkend: naar Franse abbe Jean Paul Bignon, 1772-1743.

Bilbaoana: van Bilbao, Brazili.

Bilimbi: Maleise naam belimbi.

Billiarderi: J. J. Houtou de la Billardiere, 1753-1834 Franse arts en botanist.

Biloba: us: tweelobbig.

Biltmoreana: Biltmore nursery te Asheville.

Binata: tweebladig.

Binghamiae: Amerikaanse botaniste Caroline Priscilla lard Bingham.

Biolettii: Engelse, Italiaanse botanist Frederic Theodore Bioletti, 1865-1939.

Bipartita: us: twee delen.

Bipetalus: twee bloembladen.

Bipinnatifidum: tweemaal gesneden.

Bipinnatus: a: dubbel geveerd.

Bisectus: in twee delen gesneden.

Bisporus: twee sporen.

Bissetii, naar zijn Amerikaanse ontdekker David Bisset.

Biternatum: a: tweemaal drietallig.

Bistorta: twee maal gedraaid.

Bithynica: uit Bythi: Klein Azi.

Bitorquis: twee ringen.

Bituminosa: bituminaria: bitumen of teerachtig.

Bivittatus: met twee strepen.

Bivonae: botanist Antonia Bivona Bernardi.

Bizonata: twee zones, meestal van verschillende kleur.

Blagayana: Oostenrijkse graaf Blagay, de vinder van deze plant.

Blancheae: naar Luella Blanche Engle Trask, 1865-1916.

Blancheti: Zwitserse botanist Jacques Samuel Blanchet.

Blanckii: P. A. Blanck, Duitse cactusliefhebber.

Blakeana: Amerikaanse botanist Joseph Blake, 1814-1888.

Blandus: um: a: charmant, niet bitter.

Blasdalei: Amerikaanse botanist Walter Charles Blasdale, 1871-1960.

Blattaria: mot.

Blepharidachne: ooglid of wimpers en dun velletje.

Blepharipappus: wimperpluis.

Blepharophylla: als Blepharis: wimpers.

Blitoides, als Amaranthus blitum.

Blossfeldiana: Robert Blossfeld, kweker in Potsdam die deze plant heeft ingevoerd.

Blumei: Duits Nederlandse botanist Charles Ludwig de Blume of Karl Ludwig von Blume, 1796-1862, de directeur van de plantentuin te Buitenzorg op Java.

Bocasana: uit Bocas, Mexico.

Bocconi: Italiaanse monnik en arts, Paolo Boccone, 1633-1703.

Bodinieri: Franse botanist Emile Marie Bodinier die in China werkte, 1842-1901.

Bodnantense: geteeld in de Bodnant garden te Wales.

Boeticus: boeotica: um: uit Baetica, streek in Spanje.

Boerhavia: Boerhaavia: Nederlandse botanist Hermann Boerhaave, 1668-1738.

Bogotensis: uit Bogota.

Bohemica: um: uit Bohemen.

Boisduvalia: Franse arts Jean Alphonse Boisduval, 1801-1879.

Boissieri: E. Boissier, Zwitserse botanist, 1810-1885.

Boivinianus: naar de verzamelaar Boivin.

Bolanderi: bolandra: Duits Amerikaanse botanist Henry Nicholas Bolander, 1831-1897.

Bolboschoenus: bol en Schoenus.

Boliviensis, boliviana: uit Bolivia.                                                              

Bolleanum: Duitse natuuronderzoeker Carl August Bolle, 1821-1909.

Bombifera: hommels dragend.

Bombycina: hommel-achtig.

Bona-nox: goede nacht.

Bonariensis: uit Buenos Aires afkomstig, Bonaria.

Bonaspei: ook bergia: bergiana, um: ii: Peter Jonas Bergius, 1730-1790, Zweedse arts en botanist, plantverzamelaar en student van Linnaeus. Schreef Descriptiones plantarum ex Bona Spei Capita: een boek van planten uit de Kaap.

Bonduelli: M. Bonduelle, militair chirurg  die deze plant ontdekte tijdens een expeditie in Algerije.

Bononiensis: uit Bologna.

Bonstedtii: C. Bonstedt, hortulanus aan de botanische tuin te Gottingen, Duitsland.

Bonus: goed.

Bonus-henricus: brave hendrik: naam van Hendrik IV, koning van Frankrijk.

Boothii: Schotse botanist en vriend van David Douglas, William Beattie Booth, 1804-1874.

Borbonica: le de Bourbon, nu R志nion.

Borderi: M. Bordere, Z. Franse botanist en plantenverzamelaar in de tweede helft van de 19de eeuw.

Boreale: is: Noordelijk.

Boreoatlantica: noordelijk Atlantisch.

Boreiocalliantha: noordelijke Calliantha.

Borregoense: borreganus: uit Borrego.

Borisii: gewonnen door Joh Kellerer en genoemd naar Prins Borisov Kyrill van Bulgarije.

Borreri: Engelse botanist William Borrer, 1781-1862.

Borussicus: Pruisisch.

Boryana: J. B. M baron Bory de Saint-Vincent, Franse botanist, 1780-1846.

Boscheanus: Roelof Benjamin van den Bosch: die onder meer in Indonesi werkte, 1810-1862.

Bosniaca: uit Bosni.

Botroides: botryoides: als een tros druiven.

Botrys: druiventros.

Bottae: Franse diplomaat en archeoloog Paulo Emilio Botta, 1812-1870.

Bourgeauanum: Franse botanist Eugene Bourgeau, 1813-1877.

Bourgaei: naar Bourgas, stad in Bulgarije? Of naar voorgaande naam.

Bourgatii: Bourgat of Burgat in Zwitserland.

Bourseri: Franse Charles Germain de Boursier de la Riviere, 1800-1879.

Bovinus: rund.

Bowdenii: gevonden door Bowden bij Willemstad en zond bollen naar zijn moeder, Mrs. C. Bowden in Newton Abott, Devon.

Bowiei: Engelse botanist en plantenverzamelaar James Bowie, 1789-1869.

Bowlesia: Ierse naturalist Wiliam Bowles, 1705-1780.

Bowmannii: Schotse plantenverzamelaar David Bowman die voor de fa Veitch in Brazili verzamelde, 1838-1868.

Bowringiana. naar J. Bowring, Engelse orchidee liefhebber uit de 19de eeuw.

Boydii: gewonnen door J.B. Boyd, liefhebber te Cherry Trees, Kelso, Engeland.

Boykinia: Amerikaanse botanist dr. Samuel Boykin, 1786-1848.

Boysenberry: werd voor het eerst geteeld of de farm van Rudolph Boysen in noord Californi.

Brachyanthum: us: korte bloemen.

Brachyantherum: korte meeldraden.

Brachybotrys: korte druiven trossen.

Brachycalycinum: calyx: korte kelk.

Brachycaulis: korte stengel.

Brachycarpa: um: korte zaden.

Brachycera: s: kort gehoornd.

Brachyclade: korte knopen of kort vertakt.

Brachypetelum: korte bloembladeren.

Brachyphylla: korte bladeren.

Brachypoda: um: ium: kort voetje.

Brachyptera: korte vleugels.

Brachysiphon: korte buis.

Brachystachya: s: korte aar.

Brachytrichus: korte omwindselblaadjes.

Bracteata: um: us: bracteosum: van goede dek of schutbladen voorzien.

Bracteolus: van schutbladen voorzien.

Bradburiana: John Bradbury, Engelse plantenverzamelaar, 1768-1823.

Brainerdii: Amerikaanse botanist Ezra Brainerd, 1844-1925.

Brandegeeana: brandegea: eae: eei: Amerikaanse botanist Townsend Stith Brandegee, 1843-1925.

Brandisii: Duitse botanist Dietrich Brandis, 1824-1907 die in India werkte.

Brasiletto: van Spaans brasilete, Brazili hout.

Brasiliense: is: uit Brazili.

Braunii: Beierse botanist Alexander Carl Heinrich Braun, 1805-1877.

Braunii: K. Fr. Braun, leraar te Bayreuth, in de eerste helft van de 19de eeuw.

Breedlovei: botanist Dennis Eugene Breedlove, 1939-.

Bremii: Duitse entomoloog Johann Jacob Bremi-Wolf, 1791-1857.

Bretschneideri: Baltisch Duitse Rus Emil Bretschneider, 1833-1901.

Brevis a: kort.

Brevialatus: korte vleugels.

Brevicaulus: korte stengels.

Brevicornu: korte horens.

Breviculmis: korte stengels.

Brevidens: korte tanden.

Brevifolia: um: kort bladig.

Breviligulata: kort bandje of tongetje.

Breviflora: um: korte bloemen.

Brevifolius: a: korte bladeren.

Brevior: korter.

Brevipedunculata: met korte pluimen.

Brevipes: korte stengel.

Brevipila: korte, pilum: tros, aar.

Brevirame, korte, ramus: tak.

Brevirostra, kort snavelvormig.

Breviscapa: korte stengels.

Brevistyla: is: korte stijl.

Breweri: breweriana: Amerikaanse botanist William Henry Brewer, 1828-1910.

Bridgesii: Thomas Bridges, Engelse plantenverzamelaar, 1807-1865.

Brittanicus: a: uit Brittanni, Engeland.

Brittonii: Nathaniel Lord Britton, Amerikaanse botanist, 1859-1934.

Briziformis: als Briza gevormd.

Brizoides: op Briza gelijkend.

Bromelioides: Bromelia-achtig.

Bromfieldii: botanist H. Bromfield, 1933.

Bromoides: Bromus-achtig.

Brownii: Engelse kweker Charles Brown, gestorven 1836.

Brownii: Schotse botanist en plantenverzamelaar Horace Edgar Brown, 1861-1943.

Brownii: Engelse botanist Robert Brown, 1773-1858.

Brucea: botaniste Cornelia Josephine Austin Bruce, 1865-1931.

Bruchii: Argentijnse fotograaf en entomoloog Carlos Bruch: 1869-1943.

Brumalis: le: winterwende of midwinter.

Bruneaunis: Bruneau Creek in Idaho..

Brunifolia: met bladeren als Brunia.

Brunneus: bruin.

Brunoniana: um: Robert Brown, Latijn Bruno, Engelse botanist 1773-1858.

Brutia: van bruut of Brutium, oude naam voor Calabri.

Bryoides: Brion of mosachtig.

Bryophora: mos dragend.

Bryopteris: mos, leverkruidachtig.

Buccalis: hoornvormig.

Buccinalis: buccinator: hoornblazer.

Buchananii: Buchanan, een botanist uit N. Zeeland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ook een kweker in Schotland, W. Buchanan.

Bucharius: bucharica: uit Bokhora.

Buckleii: Samuel Botsford Buckley, Amerikaanse botanist, 1809-1884.

Buddleifolium: met bladeren als Buddleja

Buekkensis: uit de B殘k bergen in noordoost Hongarije.

Buergerianum: Amerikaanse botanist William Carl Burger, 1932.

Bufonius: is: behorende tot de padden of groei in vochtige plaatsen waar padden zijn.

Bulbifer: a: um: bol dragend.

Bulbispermum: bolachtige zaden.

Bulbocastanum: kastanjeachtige bol.

Bulbocodium: bulbocoides: Bulbocodium-achtig of bolwol-achtig.

Bulbosa: us: um: bulbous: gezwollen, bolachtig.

Bulgaricum: a: uit Bulgarije.

Bullata: us: um: met bobbels of blaren.

Bullesiana: woordkruising en kruising van bullyanana met beesiana.

Bulleyana: A. K. Bulley, handelaar en eigenaar van Bees ltd, kwekerij te Neston of Ness bij Liverpool.

Bumalda: botanist J. A. De Bumalda, uit Bologna.

Bungeanus: bungei: Baltisch, Duitse botanist Alexander Georg von Bunge, 1803-1890.

Bunyardii: Edward Ashdown Bunyard, 1878-1939, Engelse pomoloog.

Burbankii: Luther Burbank, kweker te Santa Rosa, Californi.

Burchardii: Oscar Burchard, Duitse botanist, 1863-1949.

Burchellii : Engelse botanist en onderzoeker van Afrika, William John Burchell, 1781-.

Burkei: Engelse plantenverzamelaar voor fa Veitch, David Burke, 1854-1897.

Burkei: Engelse verzamelaar in Z. Afrika Joseph Burke, 1812-1873.

Burkwoodii: Burkwood & Skipwith, kwekers te Kingston on Thames, Engeland.

Burle-marxii: Roberto Burle Marx, Braziliaanse landschapsontwerper.

Burnatii.: E. Burnat, Zwitserse botanist, 1828-1920.

Burridgeanum: kweker F. K. Burridge te Colchester.

Burmannicus: a: uit Burma.

Burmannii: Hollandse botanist en dokter die gespecialiseerd was in planten van Sri Lanka, Ambon en de Kaap, Johannes Burman, 1707-1780.

Burnattii: Zwitserse botanist Emile Burnat, 1828-1920.

Bursa-pastoris: beurs van de herder.

Burseriana: Joachim Burser, Duitse arts en botanist, 1583-1649.

Bursifola: als Crepis bursifolia.

Butryaceae: Butryosum: boterachtig.

Buttensis: uit Butte County.

Buttiana: Mrs. Butt die deze mooie plant ontdekte in Bogota, Columbia.

Buxbaumii: Duitse arts en botanist Johann Christian Buxbaum, 1693-1730.

Buxifolia: um: us: met blad als Buxus.

Byzantina: um: uit Byzanti. Azi.

 

Betekenis van plantennamen die met een C beginnen.

Cachemiriana: cachemirica: uit Kasjmir.

Cadierie, Franse pater Cadiere die deze plant in de eerste helft van de 20ste eeuw heeft gevonden.

Cadmea: zink oxide-achtig.

Caelestinum: paradijselijk, hemelachtig.

Caerulescens: blauwachtig.

Caeruleum: a: us: hemelsblauw.

Caesarea: us: keizerlijk.

Caesia: us: keizerlijk of licht blauw.

Caespitosa: um: us: se: caespititia: zoden vormend, kussenachtig.

Caffrum: a: caffer: van de Kaffers, naar Kaffraria, de plaats van oorsprong in de O. Kaa.

Cainito, Caimito: stad Colombia.

Cairdeas, vriendschap, liefde.

Cairica: uit Cairo, Egypte.

Cairica: te verzachten, cairdeas,: vriendschap, liefde.

Calaminare: zink, naar La Calamine, zinkplaats, waar het gevonden werd.

Calamintha: mooie munt.

Calamus: rietachtig.

Calcarata: um: us: kalkachtig of gespoord.

Calcareus: m: krijtwit of groei op kalkhoudende gronden

Calceoliformis: gevormd als een slipper of schoen.

Calceolus: op een schoen of pantoffel gelijkend.

Calcicola: een bewoner van kalkrijke gronden.

Calciphilum: schoenvormig.

Calcitrapa: voetangel.

Caldasii: Columbiaanse advocaat Francisco Jose Caldas die gemarteld werd in zijn strijd voor de onafhankelijkheid van Columbia en nam deel aan de expeditie van von Humboldt., 1768-1816.

Calendula: als Calendula.

Calendulaceum: goudsbloemachtig.

Californica: um: us: california: uit Californi.

Calleryana: Franse missionaris J. Callery die deze boom in de 18de eeuw verzamelde.

Calietensis: Caliente Hills in Kern County.

Calisaya: een verkeerde naam, het hoorde gespeld te worden Collisalla, van colla wat remedie betekent en salla: rotsgrond.

Calliandra: mooie meeldraden.

Callianthus: themus: met mooie bloemen.

Callida: ervaren, kundig.

Calliopsidea: als Calliopsis.

Callypige: mooi achterwerk.

Calliprinos: mooie steeneik.

Callistum: us: de mooiste.

Callitrichoides: Callitriche-achtig.

Callizones: fraaie randen.

Calopus, Grieks calo: mooi, lopus: voet. Naar de gele tot rode kleur van de stengel.

Callosa: um: hard, taai.

Calocephalus: mooi hoofdje.

Calostrotum: mooi bedekt.

Calpodendron: waterpot en boom.

Calthifolia: met blad als Caltha.

Calyptridium: pet of bedekking.

Calumba: Columba op Sri Lanka.

Calva: schedel, kaal hoofd.

Calycina: um: kelkachtig.

Calycosa: um: us: heeft een volledige kelk.

Cayculata: kleine bloemknop.

Calycum: grote kelk.

Calyculosa: calyculata: van een bijkelk voorzien.

Camaldulensis: Camaldoli garden bij Napels

Camara: Z. Amerikaanse volksnaam voor deze plant.

Camanchica, Camanche: plaats in midden Californi.

Camara: van de kamer.

Cambogia, uit Cambodja.

Camelorum: kameel, wordt door kamelen gegeten.

Camissonia: niana: chamissoniana? Frans, Duitse botanist Ludolf Karl Adelbert von Chamisso, 1781-1838. Ook schrijver van een man die zijn schaduw verkocht aan de duivel.

Cammarum: kreeft.

Campaniflora: met klokvormige bloemen.

Campanulata: um: us: klokjesvormig, Campanula-achtig.

Campanuloides: aria: klokjes-achtig.

Campbellii: Amerikaanse botanist Douglas Houghton Campbell, 1859-1953.

Campbellii: Archibald Campbell, 1805-1874, Schotse arts en koloniale admistrator te Darjeeling.

Campestris: tre: van de velden.

Cambria, cambrica: um: uit Wales of Welsh, Latijn Cambro.

Campechianum: uit Campeche, provincie in Mexico.

Camphora: camphoratum: kamfer dragend.

Camptotricha: gekamd haar.

Campylon: gebogen.

Campylopodum: met een gebogen steel of stengel.

Camschaticum: kamschaticum: kamtschaticus: campschatcense: uit Kamschatka. O. Rusland.

Cana: um: askleurig, grijs behaard.

Canadensis: uit Canada.

Canariense: is: Canarische eilanden.

Canbyi: a: Amerikaanse filantroop en botanist, William Marriott Canby, 1831-1904.

Cancellatus: met een rooster, getekend patroon.

Candelabrum: als een kandelaar.

Candicans: wit.

Candida: um: glanzend of zuiver wit.

Candidissimum: a: zeer wit.

Candidula: zuiver wit.

Canephora: kan of zak dragend.

Canescens: grijsachtig behaard.

Canina: us: um: hond, dus met scherpe tanden of een negatief woord.

Caniculatus: um: met kanalen.

Cannabifolia: blad als Cannabis.

Cannabina: um: hennepachtig.

Cannaefolium: met blad als van Canna.

Cantabrica: landstreek Cantabri in Noord Spanje.

Cantelovii: Amerikaanse botanist Herbert Clair Cantelow, 1875-1965.

Canterburyana: naar Canterbury, Engeland?

Canthariforme: drinkbeker, kopvormig.

Cantoniensis: uit Kanton.

Canum: vlechtmandje.

Canus: gebroken wit, grauw.

Capense: is: uit de Kaap de Goede Hoop.

Caperata: us: gekroesd, gerimpeld.

Capillaceae: eus: haarachtig.

Capillare: is: us: behaard.

Capillata: lang behaard.

Capillifolium: haarfijn blad.

Capillipes: haarfijn.

Capillus-veneris: Venus haar.

Capitata: us: um: hoofd, kopvormig.

Capitulata: um: met kleine hoofdjes.

Cappadocicum: uit Cappadoci.

Caprea: geit.

Capreolata: van ranken voorzien, klimmend.

Capricorne: met geitenhorens.

Caprifolium: geitenblad.

Capsiastrum: Capsicum-achtig.

Capsularis: met ronde zaadbol.

Capuli: deksel.

Caput-medusae: het hoofd van Medusa, een van de drie Gorgonen wiens haar van slangen was dat versteende iedereen die het aankeek.

Caracasana: uit Caracas, Venezuela.

Caracas, naar de afkomst, stad in Z. Amerika Santiago de Leon de Caracas.

Caramanica: Karaman een stad in het zuiden van Turkije.

Carambola: uit het dialect nggalabola karambola tot Portugees, Spaans bola: kogel, en zo de rode kogel in de biljardsport tot carambola, zie Frans carambolage, samenstoten van de ballen.

Caracalla: verbastering van Portugees caracol: slak.

Cardamomum: hart temperen.

Carderi: Amerikaanse botanis Al Carder.

Cardiaca: van het hart.

Cardinalis: le: kardinaal of scharlakenrood.

Cardiophylla: hartvormige bladeren.

Cardunculus: distelachtig.

Carica: uit Caria, west Anatoli, Turkije, waar veel vijgen geteeld werden, aan papaya gegeven omdat zijn bladeren er op lijken.

Carinatum: a: us: kielvormig, de omwindselbladeren.

Carinthiaca: uit Karinthi, K較nten.

Carniolica: um: uit Karinthi, Carniolie, K較nten.

Carlesii: Engelse botanist William Richard Carles in China, 1848-1929.

Carmichaelli: Charles Carmichael Lacaita, Britse botanist, 1853-1933.

Carnea: um: vleeskleurig, diep roze.

Carnegiea: Schotse filantroop Andrew Carnegie, 1835-1919.

Carnevalii: Mexicaanse botanist Fernandez-Concha German Carnevali, geboren 1955.

Carnicolor: vleeskleurig:

Carnosa: vlezig.

Carnosula: um: beetje vlezig.

Caroba: carob of karaat, zie Ceratonia.

Caroli-alexandri: Karel-Alexander.

Carolinae: prinses Carolina, vroeger heette het carolinea Princeps.

Caroliniana: um: caroliniensis: uit Carolina.

Carota: saffraankleurig.

Carotifera: peen dragend.

Carpathica: carpatica: um: uit de Karpaten.

Carpinifolia: um: met blad als Carpinus.

Carsonia: uit Carson valley in Nevada.

Carterii: Engelse botanist bij de Royal Botanic Garden te Kew, Susan Carter Holes, 1933.

Cartilaginea: kraakbeenachtig.

Carthusiana: Duitse botanist Johan Friedrich Cartheuser, 1704-1777.

Carthusianorum: kloosters van Karthauser of Karthuizer, Frans de Chartreux te Chartreuse in Frankrijk.

Cartwrightianus: Engelse generaal consul in Constantinopel, John Cartwright waar hij die in 1843 ontdekte.

Caruncula: vlezige groei.

Caruifolia: um: carvifolia: karwijachtig blad.

Carvi: karwij.

Caryophyllea: anjerachtig blad.

Caryophyllus: blad als kruidnagel.

Caryophylloides: anjer of kruidnagelachtig blad.

Casaeria: keizerlijk.

Cascadensis: van de Cascades.

Caseana: ei: Amerikaanse botanist Eliphalet Lewis Case, 1843-1925..

Cashmeriana: uit Kasjmier.

Castanea: kastanjeachtig.

Castaneifolia: met kastanjeachtig blad.

Cassinioides: Ilex cassine-achtig.

Castlegarensis: naar Castlegar, Brits Columbia.

Castoreum: bever.

Catalinensis: catalinae: uit Catalina Island.

Catalaunica,: uit Cataloni.

Cathartica: purgerend.

Cataphracta: goed bewapend.

Catarractae: Cataract: Grieks katarraktes: waterval, staar.

Cataria: behorende tot de kat.

Catawba: catawbiense: uit Catawba, N. Amerika.

Catechu cate: boom en chu: sap.

Catenata: gebonden, geboeid.

Catesbaei: Mark Catesby, Amerikaanse natuurhistoricus, 1679-1749.

Catharicum: catharticus: purgeren of afvoeren

Cathartica: reinigen, laxeermiddel.

Cathayanum: is: Cathay, vorm van Catai, andere naam voor China. Cathayensis.

Cattianiae: Maria de Cattani, plantenliefhebster te Spalato in Dalmati die deze plant ontdekte, 1789-1890.

Cattleianum: zo genoemd naar de Engelse botanist sir William Cattley, 1788-1835

Caucalis: mooie stengel.

Caucasicus: um: uit de Kaukasus.

Caudatus: a: um: gestaard.

Caudina staartachtig.

Caulanthus: stengelbloem.

Caulescens: met een stengel.

Caulo: gestengeld.

Caurina: cauriana: noordwesten wind.

Cauticula: groeiend op kliffen.

Cautleoides: Cautlea-achtig.

Cava: hol.

Cavernae: een hol of grot.

Cavendish: ter ere van William Cavendish, 6de hertog van Devonshire.

Cavipes: holle stengel.

Cayensis: Zuid Amerikaanse stad Cayenne.

Ceanothi: gerelateerd aan Ceanothus.

Cecropioides: Cecropia-achtig.

Cedric Prolific: is door Chatto geselecteerd uit de tuin van Cedrik Morris.

Cedrosensis: van Cedros Island aan de kust van Baja Californi.

Cedrus: cedron: cederachtig.

Ceiba: inlandse naam van kapok in Ecuador.

Celebica: uit Celebes

Celsiana: Franse botanist Jacques Philippe Martin Cels, 1740-1806.

Cenchrus: gebruikt door Plinius voor een Arabische diamant en groot als het graan van millet.

Cenisia: berg Ceni, bij de Franse Alpen naar Itali.

Celtica: Keltisch.

Cembra: uit het Cembradal, Tirol.

Cengialti: Monte Cengialte, berg bij Roveredo in Z. Tirol.

Centaurea: um: centaur Chiron die de medische krachten van die plant had ontdekt.

Centifolia: honderdbladig.

Centranthifolius: bladeren als Centranthus.

Centrostegia: een bedekte spoor.

Cepa: hoofd.

Cepaea: uiachtig.

Cepaeifolium: uiachtig blad.

Cephalanthus: hoofd en bloem, bloemen staan in hoofdjes.

Cephalonica: berg van Griekenland.

Cephalophora: us: hoofd en dragen.

Cerale: graan, van Ceres.

Cerasifera: kers dragend.

Cerasiformis: kersvormig.

Cerasus: kers.

Cerastioides: als Cerastium.

Ceratocaula: hoornachtige stengels.

Ceratophorum: draagt horens.

Cercidifolius: met blad als Cercis.

Cereale: van Cere, godin van agricultuur.

Cereum: wasachtig blad.

Cerefolium: us: was dragend of kervelachtig, of liefelijk blad.

Cereuscula: Cereus-achtig.

Cerina: us: wasachtig.

Cerifera: was dragend.

Cernua: us: um:  gekromd of omgebogen.

Cerris: Cerretani, een Iberisch volk in Spanje.

Cerulea: blauwachtig.

Ceruminosa: us: oorwas.

Cervaria: hertshoorn, beter van hars.

Cervariaefolia: hertshoorn-achtig blad.

Cerviana: Spaanse dokter in medicijnen Giuseppe Cervi, 1663-1748.

Cervicaria: halskruidachtig.

Cervicornis: hertshoornachtig.

Cervinus: hert.

Cespitosa: zoden vormend, opeen gehoopt.

Chaerophyllus: blad als Anthriscus chaerophyllus.

Chaetopappa: borstel en dons, los vliegend haar.

Chaixii: D. Chaix, Franse priester en botanist, 1730-1799.

Chalapensis: van Aleppo of Halbeb, Syri, zie aleppica en halepensis.

Chalcedonica: um: van Chalcedon, vroegere Griekse strand op de Aziatische kust van de Marmora zee.

Chalepensis: uit Sardini.

Chamaea: laag, op de grond.

Chamaebatia: lage braam.

Chamaebuxus: kleine Buxus.

Chamaecistus: kleine Cistus.

Chamaecyparissus: kleine cipres.

Chamaecytisus: kleine Cytisus.

Chamaedryfolia: met blad als Chamaedrys.

Chamaedryoides: chamaedrys-achtig.

Chamaedrys: kleine eik.

Chamaeiris: kleine iris.

Chamaejasme: dwerg jasmijn.

Chamaemespilus: kleine Mespilus.

Chaemaemelum: kleine appel, kamille.

Chamaemorus: kleine moerbei.

Chamaepitys: kleine pijnboom.

Chamerion: kleine Nerium.

Chamberlaynii: Britse consul-generaal Henry Chamberlayne die in Brazili gestationeerd was, 1773-1829.

Chamissoi: chamissonis: Frans Duitse botanist Adelbert von Chamisso, 1781-1838.

Champagneuxii, naar de Franse botanist A. B. Champagneux, 1774-1845. 

Chandleri: Amerikaanse botanist Harley Pierce Chandler, 1875-1918.

Chantinii: M. Chantini, tuinman te Parijs.

Chantrieri: kwekers Chantier broers te Mortefontaine.

Chaparro: Spaans voor eik waarvan afgeleid is chaparral.

Characias: van de moeilijk begaanbare bosjes, garigue.

Charlesworthii: Engelse kweker mrs. Charlesworth & co uit Heaton, Bradford .

Charmellii: plaats Charmeil in Frankrijk in Auvergne.

Chartaceum: a: gemaakt van papier, papierachtig.

Cheilantum: als Cheilanthus.

Cheilanthifolia: um: met blad als Cheilanthus.

Cheiranthoides: muurbloemachtig, Cheiranthus.

Cheiri: gouden plant.

Cheirifolium: met blad als de muurbloem.

Chelidonii: Chelidonium-achtig.

Chelonoides: Als Chelone.

Chenaultii: fa L. Chenault & Cie uit Orl斬ns.

Chenopodiifolia: met blad als Chenopodium.

Cherimola: koude zaden.

Chica: drank en verf in Chili.

Chickle: kleverig stof.

Childii: Amerikaanse botanist Henry Stephen Child, 1844-1885.

Childsii: kweker J. Child in Amerika, rond 1890.

Chilensis: uit Chili.

Chiloensis: van het eiland Chiloe voor Chili.

Chinensis: uit China.

Chingii: Ching Ren-chang, Chinese botanist, 1898-1986.

Chinghaiensis: uit China.

Chionantha: in de sneeuw bloeiend.

Chirayita: Bengaals voor een gentiaan.

Chironium: centaur Chironium, beroemd om zijn genezende werkingen.

Chitria, uit China en drie.

Chiwuanum: Cihe en Yunnan.

Chloracantha: groene dorens.

Chlorantha: groene bloemen.

Chloris: Griekse godin van de bloemen, bij de Romeinen Flora.

Chlorocephala: us: groene hoofdjes.

Chloropetalum: groene bloemblaadjes.

Chlorophora: groen dragend, de verfstof.

Chlorotica: um: groenachtig.

Chloropetalus: groen gekleurde bloembladen.

Chlorstychya: groene aren.

Chondrosperma: chondro: kraakbeen, sperma: zaad.

Chorispora: zaad staat apart.

Chungensis: Chung vallei in N. W. Yunnan.

Chungii: uit N. W. Fujian, Japan.

Chunglenta: kruising van woord chungensis x pulverulenta.

Chrometella: zwak gekleurd.

Chroosepalus: wit gekleurde bloembladeren.

Chrysacanthion: goud gepunt.

Chrysantha: met goudgele bloemen.

Chryseum: goudkleurig.

Chrysocarpa: gouden vrucht.

Chrysocoma: met een gouden kuif.

Chrysographes: goud gestreept.

Chrysolepis: goud geschaald.

Chrysophylla: gouden blad.

Chrysorrheus: groengeel.

Chrysosplenifolia: vele goudkleurige bladeren als Chrysosplenium.

Chrysostoma: gouden mond.

Chrysothamnus: gouden struik.

Chylismia: sap.

Cibarius: um: voedzaam.

Cicer: als Cicer: kekererwt.

Cicutarium: gelijkend op Cicuta.

Cilianensis: van het landgoed Ciliani in Itali.

Ciliaris: omzoomd met haren.

Ciliata: um: ciliosum: us: gewimperd.

Cilicica, um: Cilici in Klein Azi.

Ciliicalyx: bloembodem met trilhaar.

Cilolatum: franje aan de zijkant.

Ciliosa: franje.

Cina: van Italiaans semenza: zaad.

Cinarescens: asgrauw-achtig.

Cineraria: um: cinereum: asgrauw.

Cinicola: as en een inwoner van.

Cinnabari: cinnaberachtig, soort drakenbloed.

Cinnamomea: kaneelbruin.

Cinnamomoides: kaneelachtig.

Circinata: um: us: lis: opgerold.

Circumscisca: rond ingesneden.

Cirrata: met ranken.

Cirrhigerum: gekruld.

Cirrhosa: klimmen met ranken.

Cismontana: deze kant van de bergen.

Cissifolium: met blad als Cissus.

Cithariforme: liervormig.

Citrata: us: als Citrus.

Citridora: us: citroen geurend.

Citrigracilis: citroen en slank of dun.

Citrina: us: um: citroengeel.

Citrosum: citratum: a: citroenachtig.

Clandestina: geheim, verborgen.

Cladocalys: tak en kelk van de bloem.

Clandonensis: gekweekt in West Clandon, Surrey.

Clareana: botanist Clare E. Butterworth Hardham, 1918-, vrouw van John Fraser Hardham.

Clarkei: majoor Clarke die de plant meenam uit Peru in 1867.

Clarkiae: Amerikaanse Mary Rose Clark, 1871-1942.

Clarkianus: botanist Galen Clark, 1814-1910.

Clarinervius: Latijn clarus: helder, nervius: nerven.

Clavarioides: knotsachtig.

Clavatus: um: knotsvormig.

Clavennae: Nicolo Clavena, Italiaans plantenkenner uit het begin van de 17de eeuw.

Clavicapra: knotsvormige vruchten.

Claviculata: knotsvormig gevleugeld.

Claytoniana: claytonia: John Clayton, Amerikaanse arts en botanist, 1686-1773.

Cleistogamum: wat kan worden gesloten en huwelijk, bevrucht zichzelf zonder de bloem te openen.

Clematitis: Clematis-achtig: lange lenige takken.

Clementii: Franse botanist Gilles Clement, 1943- .

Clementina: Franse missionaris in Algerije P俊e Cl士ent Rodier.

Clementina: us: San Clemente Island.

Clementis: mild, zachtaardig.

Clethroides: Clethra-achtig.

Clevelandii: Amerikaanse botanist Daniel Cleveland, 1838-1929.

Clevelandii: uit Cleveland, Ohio in Amerika.

Clibranii: gewonnen door Mrs. Lloyd Edwards, liefhebster te Llangollen, Engeland en in de handel gebracht door W. Clibran & Son, kwekers te Altrincham.

Cliftonii: botanist Glenn Lee Clifton, 1943-.

Clivorum: van de heuvels.

Clokeyi: Ira Waddell Clokey, 1878-1950.

Clowesii: Engelse geestelijke J. Clowe, orchidee enthousiast.

Clusii: clusiana: Charles de lツluse of Carolus Clusius, Vlaamse botanist, 1525-1609.

Cneoridium: van cneorum: wolfsmelk olijf.

Coaetanea: een en twee lettergrepen einde.

Coarctica: bij Arctica.

Coahuilensis:  uit de Mexicaanse staat Coahuila.

Coca: coke.

Coccinea: us: besrood bloeiend.

Coccinioides, besroodachtige vrucht.

Cochinchiensis: uit Conchinchina, zuid Vietnam.

Cocculus: bes of vrucht.

Cochinellifera, cochenille leverend of coccus dragend, kermes.

Cochleariifolia: met bladen als Cochlearia.

Cochlearis: lepelachtig blad als Cochlearia.

Cockburniana: H. Cockburn, Engelse consul in China en G. Cockburn, Engelse zendeling in China, die de vinder van deze plant behulpzaam waren.

Coelestinum: coelestis: hemelsblauw.

Coeli‑rosa: hemelroos.

Coerulescens: blauwachtig.

Coeruleus: lea: hemelsblauw.

Coggygria: zelfde naam bij Plinius.

Cognata: us: nauw verwant aan.

Coincya: Franse botanist Auguste Henri Cornut de la Fontaine de Coincy, 1837-1903.

Coignetiae: Franse advocaat Pierre du Coignet die zonder succes de zaak van de koning tegen de kerk pleitte in 1328.

Cola: us: bewoner van, Latijn incola: een inwoner, als monticola, bergbewoner, saxicola, rotsbewoner, deserticola, bewoner van woestijnen.

Colchica: uit Colchis.

Colchiciflora: met bloemen als Colchicum.

Colensoi: genoemd naar William Colenso.

Coleogyne: schede en eierstok.

Colligata: bevestigd samen.

Collina: um: us: heuvel bewonen