Plantennamen en hun betekenis, Latijn, Grieks.

Etymologie of betekenis van de soortnaam van planten uit Latijn of Grieks, nomenclatuur.

 

Klik hier voor planten soorten.

Klik hier voor Nederlandse plantennamen.

Klik hier voor persoonsnamen, jongens en meisjes namen.

Klik hier voor plaatsnamen en hun betekenis.

Klik hier voor dieren.

Klik hier voor middeleeuwse woorden en verklaringen.

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

Betekenis van plantennamen die met A beginnen.

 

Abbreviatus: ingekort of afgekort.

Abchasicus: uit Abhkasia, Georgi‘ in de Kaukasus.

Abelmoschus: muskusachtige akro.

Aberrans: afwijkend van de normale.

Abies: op Abies gelijkend.

Abietinum: sparachtig.

Abietis: abietinum: gelijkend op Abies alba.

Abjectus: teneer geslagen, afgewezen, waardeloos.

Aboriginorum: inlands, voorouderlijk.

Abortiva: delen ontbreken, produceren van abortus.

Abramsii: Amerikaanse botanist LeRoy Abrams, 1874-1956.

Abrotanum: onsterfelijk.

Abrotanifolius, met blad als Artemisia abrotanum.

Abrupta: plotseling einde.

Abscissus: afgesneden.

Absinthium: absint.

Absinthoides: absintachtig.

Absus: prop.

Abyssinica: abyssinica: um: uit Abessini‘, Ethiopi‘.

Acanthium: als Acanthus.

Acanthoides: Acanthus-achtig.

Acarna: niet vleeskleurig? Of van avarde, gebracht door de wind.

Acaulis: zonder stengels.

Accidens: naar voren vallend.

Acephale: us: zonder hoofd.

Acer, acre: scherp.

Acerbus: bitter.

Acerifolia: um: met blad als Acer.

Acerosum: a: naaldvormig.

Acetabulum: azijnkop.

Acetosa: zuur.

Acetosella: zuurachtig.

Achilleifolia: met blad als Achillea.

Acicularis: spitse naalden.

Acidus: um: scherp of zuur.

Acinacifolia: een mes of zwaard die vooral door de Perzen gebruik wordt, vorm van het blad als een kromzwaard.

Acinifolia: scherpe bladeren.

Acinos: stoppend of van aconos: zonder bloemen.

Ackerianum: Duitse Engelse George Ackermann, plantenzoeker en schilder in Mexico, 1803-1891.

Aconitifolia: us: met blad als Aconitum.

Aconogon: Grieks acon: slijpsteen en zaad, de ruwe zaden.

Acris: bitter, bijtend,

Acrostichoides: Acrostichium-achtig.

Acrotrichum: puntharig.

Actina: sabelvormig.

Actinidioides: Actinidia-achtig.

Actinophylla: scherpe bladeren.                                                                              

Aculeata: um: us: stekelig.

Aculeolata: met kleine stekels.

Acuminata: us: um: met een lange toegespitste punt.

Acuminatifolium: met toegespitst blad.

Acuta: us: scherpe, maar niet toelopende punt.

Acutangula: um: met scherpe hoeken.

Acutidens: scherp getand.

Acutiflorus: met spitse bloemen.

Acutifolia: us: met spitse bladeren.

Acutiformis: scherp gevormd.

Acutisperma: scherpe zaden.

Acutissima: zeer scherp.

Adamii: werd in 1825 door Jean Louie Adam verkregen doordat hij Cytisus purpureus op de Laburnum vulgare entte.

Adamsii: Amerikaanse botanist Joseph Edison Adams, 1903-1981.

Adansonii: Franse natuuronderzoeker Michel Adanson.

Adelaidensis: uit Adelaide, Australi‘.

Adenocaule: on: klierachtige steel.

Adenophora: us: klieren dragend.

Adenophylla: um: klierachtig blad.

Adenopus: klieren vormend.

Adenostoma: klierachtige mond, kelkopening.

Adiantum-nigrum: zwart venushaar.

Admirabilis: opmerkelijk, bewonderenswaardig.

Adnatus: um: samen groeien, in een ongewone manier.

Adolphia: Adolphii: Franse botanist Adolphe Theodore Brongniart, 1801-1876.

Adonidifolius: met blad als Adonis.

Adoxoides: Adoxa-achtig.

Adpressus: aangedrukt of plat tegen.

Adscendens: opstijgend.

Adscensionis: van Ascension eiland.

Adsurgens: rijzend, opgaand tot een rechte positie.

Adunca: um: us: gehoekt, krom, naar achteren gebogen.

Advena: us: vreemdeling, net aangekomen.

Aegilops: zweer van de ogen.

Aegyptica: um: uit Egypte.

Aemulis: imiteren.

Aeneus: bronzen of koperachtige kleur.

Aequalis: le: gelijke, in lengte.

Aequifolius: met gelijke bladeren.

Aequilaterus: gelijkzijdig.

Aequinoctialis: behorende tot de equinoctiale zone, van de equatoriale gebieden.

Aequitriloba: egaal of gelijk drielobbig.

Aerius: boven de grond.

Aestivalis: in de zomer bloeiend.

Aestivum: us: bloei of rijpen in de zomer.

Aethiopum: is: aethiopica: um: uit Ethiopi‘.

Aethusifolia: met bladeren als Aethusa.

Aetnensis: van de berg Etna.

Affinis: ne: verwant, gerelateerd aan of gelijk aan.

Afghanica: us: um: uit Afghanistan.

Aflatunense: uit Centraal Azi‘, de Chinese provincie Aflatun.

Afra: Africana: us: um: uit Afrika.

Agallocha: het hout.

Agardhianus: Zweedse botanist Jocab Georg Agardh, 1813-1901.

Agavoides: Agave-achtig.

Ageratina: niet oud groeiend, als Ageratum.

Ageratum: Ageratum-achtig: niet oud wordend, vale bloemkleur.

Aggregata: in trossen.

Agnicidus: schapen dodend.

Agninum: van een lam, wollig.

Agnus castus: kuisheidslam.

Agoseris: geitencichorei of -sla.

Agourensis: uit Agoura, Californi‘.

Agrarium: agrarisch.

Agregata: opeen gehoopt.

Agrestis: van de akkers.

Agrifolia: veld of woest blad of van aquifolia: hulstblad.

Agrippinum: Agrippina, de bekende gifmengster en moeder van Nero.

Agrostichoides: als Agrostis.

Ahartii: Amerikaanse botanist Lowell William Shart, 1938-.

Ailantifolia: met blad als Ailanthus.

Airoides: als Aira.

Aitchisonii: Engelse arts en botanist James Edward Tierney Aitchison, 1836-1898.

Aizoides: als Aizoon.

Aizoon: altijd levend.

Ajax: ajacis: Ajax, mythologisch figuur.

Ajgal: uit Agadir.

Ajugoides: als Ajuga.

Alabamensis: uit Alabama.

Alaternus: altijdgroene doornige struik?

Alata: um: us: gevleugeld.

Alatamaha: Altamaha River bij Fort Barrington in de Britse kolonie Georgia.

Alba: us: albens: wit.

Albertiana: albertina: uit Alberta.

Albertii: Duitse professor in de medicijnen Michael Alberti, 1682-1757.

Albescens: witachtig.

Albicans: wit wordend.

Albicaulis: witte stengels.

Albida: us: um: witachtig.

Albiflora: um: us: wit bloeiend.

Albiflos: witte bloem.

Albifrons: wit front.

Albinum: witachtig.

Albiplena: dubbele witte bloemen.

Albivenis: witte nerven.

Albomaculata: witte vlekken.

Albomarginata: us: witte randen.

Albonigra: wit en zwart.

Albopicta: wit gevlekt.

Albopilosus: um: wit behaard.

Albopurpureum: wit purperachtig.

Alboroseum: witroze.

Albostriatus: wit gestreept.

Albus: albula: witachtig.

Alcea: hulp, geneesplant.

Alchemilloides: Alchemilla-achtig.

Aldama: Mexicaanse botanist Ignacio Aldama, 1769-1811.

Alectorolophus: hanenkam.

Alefeldii: Duitse botanist Friedrich Christoph Wilhelm Alefeld, 1820-1872.

Aleppicum: uit Aleppo.

Aleuticum: van de Aleutian eilanden bij de kust van Alaska.

Alexandrina: um: uit Alexandrie, Egypte.

Alexandrae: Alexandra Potanin die met haar man, een bekende Russische plantenverzamelaar, deze plant heeft ontdekt.

Alexanderae: drae: Amerikaanse botaniste Annie Montague Alexander, 1867-1950.

Algeriensis: uit Algerije.

Algida: us: koud, in koude streken voorkomend.

Alicastrum: vroeg rijpend.

Aliceae: aliciella: botaniste Alice Easwood.

Aliena vreemd, buitenlands.

Alienta: alienata: vervreemd.

Alipes: gevleugelde voetstengel.

Aliquanta: iets dergelijks.

Alismatifolia: alismaefolium: met blad als Alisma.

Alismellus: alismifolius: kleine Alisma.

Allantoides: foetale membraam.

Alleghaniensis: uit het Alleghanie gebergte, Amerika.

Allenii: Amerikaanse botanist Robert Lee Allen, 1959-.

Allenrolfea: Engelse botanist vooral van orchidee‘n, Robert Allen Rolfe, 1855-1921.

Alliaceum: lookachtig.

Alliariae: Alliaria-achtig.

Alliariafolia, met blad als Alliaria.

Allliodora, naar ui geurend.

Allionii: Carlo Ludovica Allioni, Italiaanse botanist, 1725-1804.

Allochrosus: verschillend van kleur.

Allophyllum: verschillende bladeren.

Allotropa: verschillend gedraaid.

Alma: voedend.

Alnifolia: elsbladig.

Alnobetula: elsberk.

Alnus: als de els.

Aloides: Alo‘- achtig.

Aloifolia: met bladeren als Alo‘.

Aloysia: Maria Louisa Teresa, 1751-1819, prinses van Parma en vrouw van koning Carlos IV van Spanje.

Alpestre: is: uit de lagere Alpen.

Alpicola: bewoner van de Alpen.

Alpigena; us, um: Aster alpinus-achtig.

Alpina: um: us: uit de Alpen.

Alsaticum: uit Elzas, Frans Alsace.

Alsinoides: Alsine-achtig.

Altaiense: is: altaica: us: uit het Altai gebied.

Altclarense: uit Highclere in Engeland.

Alternata: afwisselend geplaatst.

Alterniflora: um: afwisselend bloeiend.

Alternifolia: us: afwisselend geplaatste bladeren.

Altheaefolia: althaeifolia: blad als Althaea.

Althaeoides: als Althaea.

Alticola: bewoner van hoge plaatsen.

Altifolia: us: alternatief blad.

Altilis: verhoogd, vet.

Altissima: us: um: zeer hoog.

Altus: hoog.

Alversonii: Amerikaanse botanist Andrew Halstead Alverson, 1845-1916.

Alvordiana: Amerikaanse burgemeester, Alvord, 1871-1873.

Alyssoides: Alyssum-achtig.

Amabile: is: lieflijk, beminnelijk.

Amagiana: Japans Amagi: zoete thee.

Amanum: van Amanus bergen in de Taurus.

Amaranticolor: Amarant kleurig.

Amarella: amara: bitter.

Amas: Amasia, stad in Klein Azi‘.

Amauriopsis: als Amauria.

Amaryllifolius: met blad als Amaryllis.

Amarylloides: Amaryllis-achtig.

Amazonica: uit de Amazone.

Ambigua: um: us: twijfelachtig of onzeker.

Amblyantha: stompe bloem.

Amblyodon: stompe tanden.

Amblyopappus: stomp zaadpluis.

Amboinicus: uit Ambon.

Ambrosiacum: ambrozijn, het levenselixer van de goden.

Ambrosioides: Ambrosia-achtig.

Ambusticola: verbrand, verteerd in plaatsen.

Amelloides: Aster amellus-achtig.

Amellus: aster die aan de rivier Mella groeit.

Americana: us: um: uit Amerika.

Amethystina: um: ea: amethistblauw gekleurd.

Amictum: opgerold.

Amigua: twijfelachtig of onzeker.

Ammannia: Duitse botanist Paul Amman, 1634-1691.

Ammi: zand, groeiplaats.

Ammobroma: zand en voedsel.

Ammodendron: zandboom.

Ammodytes: zandduiker.

Ammoniacum: ammoniak.

Amoena: um:. aangenaam of liefelijk.

Amomum: Griekse amomon, van Arabisch hamama: Indische kruidplant.

Ammophila: um: houden van zand.

Amnicola: verblijvend bij een rivier.

Amoena: um: us: bekoorlijk.

Amorpha: vervormd.

Ampeloprasum: wilde prei.

Amphibia: um: ous: ampho: tweeslachtig, Latijn amphibolus: letterlijk dubbelzinnig, leeft op land en in het water.

Amphibolos: twijfelachtig.

Amphicarpa: tweeslachtige vrucht.

Amphipappus: beide soorten of dubbel, en pappus: zaadpluis.

Amplectans: omhelzend.

Amplexicaulis: le: blad stengel omvattend.

Amplexifolius, stengelblad omvattend.

Ampliatus: vergroot.

Amplifaucalis: groter maken, het gebied rond de mond.

Amplifolia: us: groter, meer ruimte en blad.

Amplissima: zeer groot.

Ampullaria: ceum: fles of ampulachtig.

Amsinckia: Duitse botanist Wilhelm Amsinck, 1752-1831.

Amurensis: se: uit het Amur gebied, China.

Amygdalina:um: oides: amandelachtig, het blad.

Anacampseros: ik breng liefde terug.

Anacardium: op een hart gelijkend.

Anagallidifolium: met bladeren als Anagallis.

Anagallis-aquatica, guichelheil en water.

Anagalloides: als Anagallis.

Anagyroides: als Anagyris; stinkende gouden regen.

Anassasa: Anassoides: ananasachtig.

Anaphalis: als Anaphalis.

Anceps: tweezijdig, soms ook in de betekenis twijfelachtig.

Ancestrale: van de voorouders.

Ancistrocarphus: vishaak en kaf.

Ancistropha: vishaak.

Ancyrensis: uit Ancyra of Ankara, hoofdstad van Turkije.

Andersonii: Amerikaanse botanist en arts dr. Charles Lewis Anderson, 1827-1910.

Andersonii: J. Anderson uit Maryfield bij Edinburgh, Schotland die deze kruising tot stand bracht in 1848.

Andersonii: Engelse botanist James Anderson, 1739-1809, dokter bij de East India Company.

Andersonii: Amerikaanse ranger Robert Clark Anderson, 1908-1973.

Andina: andigena: andicola: uit de Andes.

Andrachne: Andrachne of postelein.

Andrachnoides: Andrachne-achtig.

Andreanum: us: genoemd naar de vrouw van de ontdekker Edouard Andre, 1840-1911, Franse tuinarchitect.

Andrewsii: andrewsiana: Amerikaanse botanist Timothy Langdon Andrews, 1819-1908.

Andrewsii: Henry C. Andrews, Amerikaanse botanist.

Androgynus: mannelijke en vrouwelijke delen op dezelfde plant.

Andromedifolia: met blad als Andromeda.

Androsacea: um: Androsace-achtig of mannen schild.

Androsaemifolium: met blad als Hypericum androseamum.

Androseamum: mans bloed.

Andros: meeldraden.

Androstephium: kroon van meeldraden, stephanos: kroon

Anelsonia: i: Amerikaanse plantverzamelaar en botanist, Aven Nelson, 1859-1952.

Anemoniflora: met bloemen als de anemoon.

Anemonifolius: um: met blad als anemoon.

Anemonoides: anemoon-achtig.

Anethoides: Anethum-achtig.

Angelensis: uit Los Angeles?

Anglica: um: uit Engeland, Engels.

Angolensis: uit Angola.

Anguina: us: eus: slangachtig, ook op serpentijn gronden.

Angulata: us: gehoekt.

Angularis: us: hoekig, kantig.

Angulosa: um: vol bochten of hoeken.

Angusta: um: us; angustana: smal of versmald.

Angustifolia: um: us: met smalle bladeren.

Angustipetalum: met smalle bloemblaadjes.

Angustissimus: zeer versmald.

Anil: Indigo of Indisch blauw.

Anilina: wel naar aniline: donker blauw.

Anisata: um: anijsachtig.

Anisocarpus: ongelijke vruchten.

Anisocoma: ongelijke kuif, haar.

Anisodora: anijs geurend.

Anisum: anijs.

Annaei: kweker M. Annee uit Frankrijk.

Annotinum: van het laatste jaar.

Annua: um: us: eenjarig.

Annulatum: geringd.

Anularis: ring of cirkelvormig geplaatst.

Annulata: us: omringd door ringen.

Anomala, um: us: ongelijk, van de gewone vorm afwijkend, het ene bloemblad is veel langer dan het andere.

Anopetala: ongewoon omhoog staande bloembladen.

Anredera: kruipende plant.

Anserina: um: gans, die het eten.

Antarctica: uit het zuidpoolgebied.

Anthelatus: met laterale bloemen die over de hoofdas gaan.

Anthelmintica: mug of worm, darmparasieten.

Anthora: tegen het gif van thora.

Anthos: bloem.

Anthoxantha: um: gele bloem.

Anthropophorum: mens en dragen, de bloemvorm.

Anthyllis: Anthyllis achtig.

Antidotale: tegengif.

Antidysenterica: um: anti dysenterie.

Antiquorum: antiquus: van de ouden, antiek.

Antisellii: Amerikaanse arts en geoloog Thomas Antisell, 1817-1893

Antisyphillitica: anti syfilis.

Antitaurica: tegen het Taurus gebergte.

Antonina: San Antonio Hills in Monterey County.

Antoninum: us: Anthony Peak, bij Mendocino.

Antonius: Mt. San Antonio, beter bekend als Mt. Baldy.

Anulatus: kantig.

Anulocaulis: kantige stam.

Anxius: bedroefd of onrustig.

Aoriformis: los gevormd.

Apargioides: als Apargia, heet nu Microseris.

Aparine: a: niet, en voorbij gaan, omdat ze niemand voorbij laat gaan zonder er aan te hangen.

Apennina: uit de Apennijnen.

Apera: niet verminkt.

Aperta: open of bloot, onbedekt.

Apetala: zonder bloembladen.

Aphaca: zonder dorens, ook een Fenischische stad van die naam in het oude Syri‘ waar een beroemde tempel van Venus was die door keizer Constantijn omgehaald is.

Aphanactis: onopvallende straal, dus een bloem met kleine lintbloemen.

Aphanes: onopvallend.

Aphanisma: onopvallende.

Aphylla: zonder blad.

Aphrodisiaca: afrodisch.

Apiana: tot de bijen.

Apiastrum: als Apium en aster, oude naam voor de selderij.

Apiculata: um: blad dat eindigt met een korte brede punt.

Apifera, bijen dragend, op bij gelijkend.

Apiifolia: um: op selderij gelijkend blad.

Apios: peervormig.

Apoda: us: zonder voet.

Apogonoides: Apogon-achtig, dus zonder baard.

Appelianum: Duitse botanist Oliver Appel.

Appendiculata: van een aanhangsel voorzien, appendix.

Applanata: us: afgeplat, oppervlakte mycelium is duidelijk zichtbaar, ze zijn dus plat en glad.

Applegate: Amerikaanse botanist Elmer Applegate, 1867-1949.

Appropinquata: dichter naar elkaar gedrongen.

Approximata: bij benadering.

Aprica: um: us: zon liefhebbend, dus vroeg rijp.

Aptenia: apterus: zonder vleugels.

Aquatica: us: um: water bewonend.

Aquatilis: water beminnend.

Aquicandula: naam en kruising tussen Berberis aquifolium x candidula.

Aquifolium: scherpe bladeren als Ilex aquifolium.

Aquilegifolium: met blad als akelei.

Aquilegioides: als akelei.

Aquilinum: adelaarsachtig.

Aquisargentii: naam en kruising tussen Berberis aquifolium x Berberis sargentiana.

Arabica: us: Arabisch, uit Arabi‘.

Arabidopsis: als Arabis.

Arachnoidea: us: um: spin of spinnenwebachtig.

Aralensis: uit de Aral bergen.

Aralioides: Aralia-achtig.

Araneola: spinachtig.

Araneosa: spinnenwebachtig behaard.

Araneosum: bedekt met spinnenwebben.

Araratii: uit de Ararat.

Araucaria: Araucanos, volksstam in Chili.

Araujia: Portugese botanist Antonio de Araujo de Azevedo, Conde de Barca, 1752-1817.

Arbor-tristis: trieste boom.

Arborescens: arborea: um: us: boomachtig.

Arboricola: op bomen groeiend.

Arbuscula: kleine boom of boomachtig

Arbustus: als een kleine boom.

Arbutifolia: um: met blad als Arbutus.

Arcadiensis: uit Arcadi‘, Griekenland.

Arceuthobium: jeneverbes en leven.

Archangelica: aartsengel.

Archyrochosma: zilveren heuvel: dat de aarde heeft opgeworpen, het poeder op de bladeren.

Arcta: smal, recht of van arktos: beer.

Arctica: us: van het Noorden of arctische omstandigheden.

Arctomecon: beer en papaver, de ruigheid.

Arctotis: als Arctotis of berenoor.

Arctopoides: als Arctopus.

Arctotheca: beer en kop, beker.

Arcuatum: a: boogvormig.

Arcuifolia: boogvormige bladeren.

Ardoinii: H. Ardoino, Franse botanist, 1819-1874.

Arenaria: um: us: op zand, arena, groeiend.

Arenastrum: stervormige groei op zand.

Arendsii: kweker Arends te Ronsdorf in Duitsland.

Arenicola: bewoner van zandgronden.

Arenosa: zand.

Areolatus: zonder merg.

Aretioides: Saxifraga aretia-achtig.

Argentea: um: us: argentatum: argentaria: zilverkleurig.

Argemone: geneest de argemata: schellen van de ogen.

Argillosum: us: witte klei, pottenbakkersaarde.

Argophyllus: zilveren blad.

Argunense: Argun, plaats in Rusland aan de Argun rivier.

Argus: de mythologische vele ogen bezittende Argus.

Arguta: um: scherp gezaagd.

Argutifolia: met blad als arguta.

Argyreia: zilverkleurig.

Argyranthemum: zilveren bloemen.

Argyrocoma: zilveren kuif.

Argyroneura: zilveren nerven.

Argyrophylla: zilverkleurig blad.

Argyrosperma: zilverachtig zaad.

Aria: aanzien, uiterlijke verschijning, of de streek Khorassan dat vroeger zo genoemd werd bij Iran, Afghanistan.

Arida: um: us: groeit op droge plaatsen.

Arietina: um:, ramskop, omdat de zaden op een ramskop lijken.

Ariifolius: arifolius: blad als Sorbus aria.

Aristata: us: um: van een kafnaald voorzien.

Aristida: aarachtige aanhangsel.

Aristocapsa: aar en doos.

Aristodoides: als Aristida.

Arizonica: um: uit Arizona.

Arkansana: uit Arkansas.

Arkwrightii: gewonnen door J. S. Arkwright, Esq, liefhebber te Presteign, Engeland.

Armandii: Armand David, 1826-1900, Franse missionaris en plantenverzamelaar in China.

Armata: um: gewapend.

Armeria: als Armeria, Engels gras.

Armena: um: armeniaca: uit Armeni‘.

Armillaris: omringd met een band.

Armourianum: rijke amateur botanist Allison Vincent Armour, 1863-1941.

Armstrongii: Nieuw Zeelandse botanisten John Francis Armstrong. 1820-1902 en Joseph Beattie Armstrong, 1850-1926.

Armstrongii: Z. Afrikaanse plantenverzamelaar William Armstrong.

Arnoldiana: arnoldii: Arnold, van het arboretum? Dr. Joseph Arnold, 1782-1818.

Aromatica: um: us: aromatisch.

Aronicoides: als Aronicum.

Arrhiza: zonder wortels.

Arrigens: binnenwerk.

Articulata: us: um: geleed.

Arsenei: Franse monnik en botanist Arsene Gustave Joseph Brouard, 1867-1938.

Arta: smal.

Artemisiarum: artemisioides: als Artemisia.

Articulatum: us: knopig.

Artimisiifolia: blad als Artemisia.

Arvensis: se: van de velden.

Arvernense: uit de Arverne.

Arundinaceae: um: riet of Arundo-achtig.

Asarifolia: blad als Asarum.

Ascalonium: uit Ascalon.

Ascendens: blad of bloem draait naar boven.

Aschersonianus: Duitse botanist Paul Friedrich August Ascherson, 1834-1913 .

Asclepiadea: Asclepias-achtig.

Ascyron: mans bloed.

Ashei: Amerikaanse botanist William Willard Ashe.

Asiatiaca: us: uit Azi‘.

Ashlandica: op Mount Ashland, Siskiyou bergen te Oregon.

Asoka: zorgeloos.

Asparagoides: als asperge.

Asper: aspera: um: ruw.

Asperifolia: us: ruwachtige bladeren.

Asperula: um: asperata: ruwachtig.

Asphodeloides: Asphodelus-achtig.

Aspidotis: schild drager.

Asplenifolia: us: aspleniifolia: met blad als Asplenium.

Assafoetida: stinkend sap.

Assimica: uit Assam.

Assimilis: gelijk aan.

Assurgentiflora: bloemen in opgaande trossen.

Assyriaca: uit Assyri‘.

Asprella: met ruige schalen.

Astephanus: zonder een kroon.

Asterias: Aster-achtig.

Asteroides: Aster-achtig.

Asterophora: ster dragend.

Astilboides: Astilbe-achtig.

Astrolepis: stervormige schaal.

Asymmetricus: asymmetrisch.

Atalantoides: Atalanta-achtig.

Atamasco: Alqonquin naam attamusco.

Ater: koolzwart.

Athamanticum: van de berg Athamas in Thessali‘.

Atherica: luchtig.

Atheroides: baard van een aarachtig graan.

Atilis: vet.

Athrostachya: aren die tezamen gekroond zijn.

Athysanus: zonder randen.

Atlantica: um: van het Atlasgebergte.

Atomaria: us: gevlekt als het insect Atamaria.

Atramentaria: donkere inkt vormend.

Atrata: um: us: donker zwart.

Atrichoseris: donker haar en een soort sla.

Atriplicifolia: um: met blad als Atriplex.

Atrocaerulea: donker blauw.

Atrocarpus: donkere vrucht.

Atrocaulis: donkere stengels.

Atrocinerea: donkergrauw.

Atrococcum: donkere bes.

Atropurpurea: donker purper.

Atrorubens: donker rood.

Atrosanguineus: donker bloedrood.

Atrosperma: donker zaad.

Atrovirens: donker groen.

Attenuata: versmald.

Atticus: uit Attica.

Attolens: niet geprezen.

Aubertii: is gevonden door de missionaris P. Georges Aubert.

Aubrietioides: Aubrietia-achtig.

Aucheri, P. M. R Aucher-Eloy, 1792-1838, Franse plantenverzamelaar.

Aucuparia: vogelvanger, avis: vogel, capre: vangen.

Auerswaldii: Duitse oorlogsminister, Rudolf Ludwg Casar von Auerswald, 1795-1866.

Augusta: um: groot, statig, nobel.

Augustini: vermoedelijk naar Augustine Henry, Ierse arts en botanist, 1857-1930.

Aulicum: hoffelijk.

Aurea aculata: geel gestekeld.

Aurea: us: um: gouden kleur.                     

Aurantiaca: us: um: goudgeel, oranje sinaasappelachtig.

Auranticarpum: oranje vrucht.

Aurantifolia: blad als Aurantium, sinaasappel

Auratum: a: goudkleurig stralen.

Aureispina: gouden dorens.

Aurelianense: Romeinse naam Aurelian voor OrlŽans.

Aureola: us: goudachtig.

Auricomum: s: met gele bloemkuif.

Auricula: aurita; um: geoord.

Auriculata: um: met kleine oortjes.

Auricula-judae: Judasoor of beter Joods oor.

Auriculaflorus: bloeiend met gele oortjes.

Austiniae: Amerikaanse botaniste Rebecca Meritt Austin, 1832-1919, ook haar dochter Corneli of Carola Josephina Austin Bruce, 1865-1931.

Austinii: Amerikaanse botanist Stafford Wallace Austin, 1861-1931.

Australasicum: uit Australi‘.

Australis: australe: in het zuiden voorkomend.

Austriaca: um: us: uit Oostenrijk.

Austroalpina: uit de zuidelijke Alpen

Austrocalifornicus: uit zuidelijk Californi‘.

Austrolitoralis: zuidelijk kust.

Austromontana: uit zuidelijk bergen van Montana.

Austromoravicum: uit zuidelijk Moravi‘.

Austro-occidentalia: zuidwest.

Automixa: zelfbestuiving.

Autumnale: is: in de herfst bloeiend.

Avellana: stad Abella (Abellinum) uit het oude Campani‘ of van de stad Abellare uit Turkije, beide centra van de hazelnotenteelt.

Avenacea: haverachtig.

Averrhoa: Averrhoes, een Spaanse moslim geneesheer.

Avicennia: Perzische moslim wetenschapper en filosoof, in Latijn Avicenna of Abu Ali Al_Husayn Ibn Abd Allah Ibn Sida, 980-1037.

Averyonensis: uit het Franse departement Aveyron.

Aviculare: voor kleine vogels.

Avium: us: plaats van wildernis, verlaten, van via: weg en a: niet. Of avis: vogel, vogelkers.

Axilliaris: okselstandig.

Axonopus: voetstengels.

Ayapana: tegengif.

Ayenia: Franse Louis de Noailles, 1713-1793, duc dÕ Ayen.

Aymoninii: Franse botanist GŽrard-Guy Aymonin 1934-.

Azaloides: Azalea-achtig.

Azedarach: vrij of adel.

Azorolus: uit zachte wervels, wervelspel.

Azorica: uit de Azoren.

Azurea: um: us: azuurblauw.

 

Betekenis van plantennamen die met een B beginnen.

 

Babylonica: uit Babylon.

Baccans: baccatus: besachtig.

Baccata: bes.

Baccifer: a: um: besdragend.

Bacigalupi: Amerikaanse botanist Rimo Charles Bacigalupi, 1901-1996.

Bachemiana: Joannis Peteri Bachemi, 1885-.

Badia: us: um: baai of inham.

Beaenii: Engelse dendroloog en botanist William J. Bean, 1863-1947.

Baetica: um: us: Latijnse naam van een provincie in het zuiden van Spanje, de Baetis rivier.

Bahia: Spaanse botanist en arts Juan Francisco de Bahi y Fonseca, 1775-1841.

Bahiensis: uit Bahia.

Bahiiforme: als Bahia.

Baicalensis: uit Baikalie.

Baileyana: naar de Australische botanist Frederick Manson Bailey, 1827-1915.

Baileyi: Amerikaanse botanist William Bailey Whitman, 1845-1914.

Bakeri: Amerikaanse botanist Milona Samuel Baker, 1868-1961.

Balansae: Franse onderzoeker Benedict Balansa, 1825-1892.

Balata: uit de Caribische Indianentaal.

Balbisiana: Italiaanse botanist Gionna Battista Balbis, 1765-1831.                                 

Balcanum: balcanica: balkana: uit de Balkan.

Baldadensis: baldensis: van de berg Baldo, Itali‘.

Baldianum: de medewerker Carlos Luis Spegazzin Baldi.

Baldschuanica: uit Baljuan, streek in Centraal Azi‘.

Baldwinii: Amerikaanse botanist William Baldwin, 1779-1819.

Balearica: uit de Balearen.

Balfouriana: Engelse botanist John Hutton Balfour, 1808-1884. Zijn zoon Isaac werd directeur van de botanische tuin te Edinburgh, 1853-1922.

Ballota: bij oorziekten?

Balsamifera: balsem vloeiend.

Balsamina: balsamea, balsamum: balsem dragend.

Balsamita: balsemachtig.

Balsomorhiza: balsemachtige wortel

Baltica: us: Baltisch, Oostzee.

Bambusarum: oides: bamboe-achtig.

Bancanum: uit Banka, Indonesi‘.

Banksia: Engelse botanist sir Joseph Banks, 1743-1820 naar wie de Banks Peninsula is genoemd.

Banksiae: naar Lady Banks, de vrouw van de botanist sir Joseph Banks.

Banksii: C. H. Banks, chef in de botanische tuin te Cambridge, Engeland die deze plant rond 1918 heeft gewonnen.

Bannaticus: banaticus: uit Bannaat, een streek in O. Europa.

Baptistii: van de Baptist Gardens, Australi‘.

Barbadense: is: uit Barbados.

Barbarea: Santa Barbara in Californi‘.

Barbarum: van de barbaren, buitenlands.

Barbata: us: gebaard.

Barberae: Mrs. Barber die de eerste plant naar Kew stuurde.

Barbinervis: behaarde nerven.

Barbiger: a: gebaard.

Barbulata: um: us: fijn gebaard.

Barclayana: Amerikaanse botaniste Harriet George Barclay, 1921-1986.

Barclayana; Engels, Amerikaans botanist Robert Barclay, 1751-1830, Engelse brouwer en patroon van botanie.

Baronii : prof. Baroni te Florence, Italiaanse botanist.

Barnebyana: Engelse botanist Rupert Charles Barneby, 1911-2000.

Barrii: Peter Barr, kweker te Londen, 1826-1909.

Barystachys: dichte aar.

Barometz: barometz betekent een lam in het Tartaars. Maar Barometz was ook een Hollandse zeevaarder, Willem Barentz.

Barrelieri: Jaques Barrelier, 1606-1673, Franse pater en plantenverzamelaar.

Barstiifolia: met blad als Bartsia.

Bartonianus: gewonnen door H. D. M Barton, Esq. bloemenliefhebber te Antrim, Ierland.

Basalis: aan de wortel gelegen.

Basaltica: uit basalt gebieden.

Baselloides, Basella-achtig.

Basilaris, basisachtig.

Basilicum: koninklijk.

Basiliensis: uit Bazel.

Bassia: Italiaanse botanist Ferdinando Bassi, 1710-1774.

Batalinii: A. F. Batalin, Russische botanist, 1847-1896.

Batats: batatas of patatten.

Batis: een zeeplant.

Batrachopus: kikkerachtig.

Battandieri: Franse botanist Jules Aime Battandier, 1848-1922.

Baueri: Ferdinand Bauer, Duitse plantentekenaar en plantenverzamelaar in Nieuw Zeeland, 1760-1826.

Bauhinii: Caspar Bauhin, Zwitserse botanist, 1560-1624 en zijn broer Johann, 1541-1613.

Baumgartenii: Duitse botanist Samuel Gottlieb Baumgarten, 1744-1774.

Baumannii: Zwitserse botanist Eugen Baumann, 1868-1933.

Bausei: Duitser Chr. F. Bause die in de 19de eeuw een tuinbouwbedrijf opende in Engeland.

Bavarica: uit Beieren.

Bealei: Amerikaanse botanist William James Beal, 1833-1924.

Bealii; Thomas Chay Beale, 1805-1856, Engelse zakenman, had een tuin in Shanghai waar Robert Fortune zijn planten opsloeg voor hij ze verscheepte naar England.

Beanii: W. J. Bean, Engelse dendroloog en botanist.

Beatleyae: Amerikaanse botaniste Janice Carson Beatley, 1919-1987.

Bebbia: Amerikaanse specialist van wilgen Michael Schuck Bebb, 1833-1895.

Beccabunga: mondpijn.

Beckleri: Duitse botanist Hermann Beckler, 1828-1914.

Beckmannia: Duitse botanist Johann Beckman, 1734-1811.

Beckwithii: Amerikaanse soldaat Edward Griffin Beckwith, 1818-1881.

Bedinghausii: gewonnen in 1837 door H. Bedinghaus, de tuinman van de hertog van Aremberg in Enghien, in de buurt van Gent.

Beeringianum: van of uit de Beringzee.

Beesianum: beesiana: kwekerij Bees Ltd in Ness bij Liverpool, Engeland.

Beharensis: Behara, plaats in Madagaskar.

Belgaro: uit Belgi‘.

Bella: um: us: mooi.

Belladonna: mooie dame.

Bellardii: ia: Carlo Antonio Lodovico Bellardi, 1741-1826, Italiaans arts en botanist.

Bellidiflora: met bloemen als Bellis.

Bellidifolia: met blad als Bellis.

Bellidiformis: gevormd als madelief.

Bellidoides: madeliefachtig.

Belmoreana: naar de earl of Belmore die in 1868 gouverneur was van N. Z. Wales.

Benacensis: Latijn Benacus, lokale godheid van Garda meer.

Benedictus: goed zeggen of gezegend.

Beneolens: goed ruikend.

Bengalensis: benghalensis: uit Bengalen, India.

Benjamina: Engelse arts en botanist Benjamin Heyne, 1770-1819.

Bennetti: Engelse botanist John Joseph Bennett, 1801-1867.

Benitoa: benitensis: San Benito county.

Bensoniella: botanist Gilbert Thereon Benson, 1896-1928.

Benthamii: George Bentham, 1800-1884, Engelse botanist die met Hooker in Amerika planten verzamelde.

Benzoin: benzine, een Arabisch of Semitisch woord wat gom of parfum betekent.

Berberifolia: difolia: met blad als Berberis.

Bergamia: uit Turks beg armodi: herenpeer, geteeld in Bergamo, Itali‘, gebruikt voor parfums.

Bergeriana: Duitse botanist en succulent specialist Alwin Berger, 1871-1931.

Bergia: Zweedse botanist Peter Jonas Bergius: 1730-1790.

Berlandieri: Belgische botanist die in Amerika werkte, Jean Louis Berlandier, 1805-1851.

Bermudianum: uit Bermuda.

Bernardia: Franse botanist Bernard de Jussieu, 1699-1776.

Bernardiana: us: San Bernardino bergen.

Berolinensis: uit Berlijn.

Berryi: Amerikaanse botanist Lucien Seneca Berry, 1869-1939.

Berterianum: Berteroana: Italiaanse botanist Carlo Luigi Guiseppe Bertero: 1789-1831, vriend van deCandolle.

Berteroi: Italiaanse arts Carlo Giuseppe Bertero, 1789-1831.

Berthelottii: Sabin Berthelot, Franse botanist, 1794-1880.

Bertinii, gewonnen door Bertin pere, kweker te Versailles, Frankrijk.

Bertolonia: Italiaanse botanist Giuseppe Bertoloni, 1804-1874.

Besseri: Oostenrijk, Russische botanist Wilibald Suibert Joseph Gottlieb von Besser, 1784-1842.

Betaceum: bietachtig, naar de kleur van de vrucht.

Betle: betel, sirih betel.

Betonicifolia: um, blad als betonie.

Bettinae: naar Bettina, de vrouw van de Amerikaanse botanist Robert Francis Hoover, 1912-1992.

Betulifolia: met blad als berk.

Betuloides: berkachtig.

Betulus: berk.

Bettzickiana: Bettzick, tuinbaas bij grootvorst Nicolai-Nicolajewitsj in Snaminsk, Rusland, tweede helft van de 19de eeuw.

Beuckeri: S. de Beucker, kweker in Antwerpen in de tweede helft van de 19de eeuw die deze plant heeft ingevoerd.

Beyrichianum: naar zijn ontdekker mr. Beyrich in 1833.

Bholua: Bholu in Pakistan of India.

Biarticulatum: twee knopen.

Biasolettii: apotheker en algenkenner en weldoener van de botanische tuin te Triest, dr. Biasoletti.

Bibracteatus: tweemaal gele schutbladeren.

Bicknellii: Amerikaanse ornitholoog en botanist Eugene Pintard Bicknell.

Bicolor: tweekleurig.

Bicornis: bicornuta: twee hoornig.

Bicristatus: dubbele kam.

Bictoniense: Engelse dorp Bicton waar lord Rolle, een 19deeeuwse orchideeliefhebber, zijn manor house had.

Bidentata: tweetandig.

Bidwelliae: Amerikaanse botaniste Annie Ellicott Kennedy, mrs. John Bidwell, 1839-1918.

Bidwillii: Engelse botanist John Carne Bidwil, 1815-1853.

Biebersteiniana: Friedrich August Marschall von Bieberstein, 1768-1826, Duitse botanist .

Biennis: bienne: biennial: tweejarig.

Bifiba: in twee‘n.

Bifida: um: tweespletig.

Biflora: um: us: tweebloemig.

Bifolium: met twee bladeren.

Biformis: twee vormen.

Bifrons: twee gezichten.

Bifurcatum: tweemaal dubbel gevorkt.

Bigelovii: Amerikaanse botanist dr. John Milton Bigelow, 1804-1878.

Bigelovii: Amerikaanse arts en botanist Jacob Bigelow, 1787-1879.

Bigibba: twee bulten.

Biglandulosa: twee klieren.

Bignonioides: op Bignonia-gelijkend: naar Franse abbe Jean Paul Bignon, 1772-1743.

Bilbaoana: van Bilbao, Brazili‘.

Bilimbi: Maleise naam belimbi.

Billiarderi: J. J. Houtou de la Billardiere, 1753-1834 Franse arts en botanist.

Biloba: us: tweelobbig.

Biltmoreana: Biltmore nursery te Asheville.

Binata: tweebladig.

Binghamiae: Amerikaanse botaniste Caroline Priscilla lard Bingham.

Biolettii: Engelse, Italiaanse botanist Frederic Theodore Bioletti, 1865-1939.

Bipartita: us: twee delen.

Bipetalus: twee bloembladen.

Bipinnatifidum: tweemaal gesneden.

Bipinnatus: a: dubbel geveerd.

Bisectus: in twee delen gesneden.

Bisporus: twee sporen.

Biternatum: a: tweemaal drietallig.

Bistorta: twee maal gedraaid.

Bithynica: uit Bythi‘: Klein Azi‘.

Bitorquis: twee ringen.

Bituminosa: bituminaria: bitumen of teerachtig.

Bivittatus: met twee strepen.

Bivonae: botanist Antonia Bivona Bernardi.

Bizonata: twee zones, meestal van verschillende kleur.

Blagayana: Oostenrijkse graaf Blagay, de vinder van deze plant.

Blancheae: naar Luella Blanche Engle Trask, 1865-1916.

Blancheti: Zwitserse botanist Jacques Samuel Blanchet.

Blanckii: P. A. Blanck, Duitse cactusliefhebber.

Blakeana: Amerikaanse botanist Joseph Blake, 1814-1888.

Blandus: um: a: charmant, niet bitter.

Blasdalei: Amerikaanse botanist Walter Charles Blasdale, 1871-1960.

Blattaria: mot.

Blepharidachne: ooglid of wimpers en dun velletje.

Blepharipappus: wimperpluis.

Blepharophylla: als Blepharis: wimpers.

Blitoides, als Amaranthus blitum.

Blossfeldiana: Robert Blossfeld, kweker in Potsdam die deze plant heeft ingevoerd.

Blumei: Duits Nederlandse botanist Charles Ludwig de Blume of Karl Ludwig von Blume, 1796-1862, de directeur van de plantentuin te Buitenzorg op Java.

Bocasana: uit Bocas, Mexico.

Bocconi: Italiaanse monnik en arts, Paolo Boccone, 1633-1703.

Bodinieri: Franse botanist Emile Marie Bodinier die in China werkte, 1842-1901.

Bodnantense: geteeld in de Bodnant garden te Wales.

Boeticus: boeotica: um: uit Baetica, streek in Spanje.

Boerhavia: Boerhaavia: Nederlandse botanist Hermann Boerhaave, 1668-1738.

Bogotensis: uit Bogota.

Bohemica: um: uit Bohemen.

Boisduvalia: Franse arts Jean Alphonse Boisduval, 1801-1879.

Boissieri: E. Boissier, Zwitserse botanist, 1810-1885.

Bolanderi: bolandra: Duits Amerikaanse botanist Henry Nicholas Bolander, 1831-1897.

Bolboschoenus: bol en Schoenus.

Boliviensis: uit Bolivia.                                                                              

Bolleanum: Duitse natuuronderzoeker Carl August Bolle, 1821-1909.

Bombifera: hommels dragend.

Bombycina: hommel-achtig.

Bona-nox: goede nacht.

Bonariensis: uit Buenos Aires afkomstig, Bonaria.

Bonaspei: ook bergia: bergiana, um: ii: Peter Jonas Bergius, 1730-1790, Zweedse arts en botanist, plantverzamelaar en student van Linnaeus. Schreef Descriptiones plantarum ex Bona Spei Capita: een boek van planten uit de Kaap.

Bononiensis: uit Bologna.

Bonstedtii: C. Bonstedt, hortulanus aan de botanische tuin te Gottingen, Duitsland.

Bonus: goed.

Bonus-henricus: brave hendrik: naam van Hendrik IV, koning van Frankrijk.

Boothii: Schotse botanist en vriend van David Douglas, William Beattie Booth, 1804-1874.

Borbonica: ële de Bourbon, nu RŽunion.

Borderi: M. Bordere, Z. Franse botanist en plantenverzamelaar in de tweede helft van de 19de eeuw.

Boreale: is: Noordelijk.

Boreoatlantica: noordelijk Atlantisch.

Boreiocalliantha: noordelijke Calliantha.

Borregoense: borreganus: uit Borrego.

Borisii: gewonnen door Joh Kellerer en genoemd naar Prins Borisov Kyrill van Bulgarije.

Borreri: Engelse botanist William Borrer, 1781-1862.

Borussicus: Pruisisch.

Boryana: J. B. M baron Bory de Saint-Vincent, Franse botanist, 1780-1846.

Boscheanus: Roelof Benjamin van den Bosch: die onder meer in Indonesi‘ werkte, 1810-1862.

Bosniaca: uit Bosni‘.

Botroides: botryoides: als een tros druiven.

Botrys: druiventros.

Bottae: Franse diplomaat en archeoloog Paulo Emilio Botta, 1812-1870.

Bourgeauanum: Franse botanist Eugene Bourgeau, 1813-1877.

Bourgaei: naar Bourgas, stad in Bulgarije? Of naar voorgaande naam.

Bourgatii: Bourgat of Burgat in Zwitserland.

Bourseri: Franse Charles Germain de Boursier de la Riviere, 1800-1879.

Bovinus: rund.

Bowdenii: gevonden door Bowden bij Willemstad en zond bollen naar zijn moeder, Mrs. C. Bowden in Newton Abott, Devon.

Bowiei: Engelse botanist en plantenverzamelaar James Bowie, 1789-1869.

Bowlesia: Ierse naturalist Wiliam Bowles, 1705-1780.

Bowmannii: Schotse plantenverzamelaar David Bowman die voor de fa Veitch in Brazili‘ verzamelde, 1838-1868.

Boydii: gewonnen door J.B. Boyd, liefhebber te Cherry Trees, Kelso, Engeland.

Boykinia: Amerikaanse botanist dr. Samuel Boykin, 1786-1848.

Boysenberry: werd voor het eerst geteeld of de farm van Rudolph Boysen in noord Californi‘.

Brachyanthum: us; korte bloemen.

Brachyantherum: korte meeldraden.

Brachybotrys: korte druiven trossen.

Brachycalycinum: calyx: korte kelk.

Brachycarpa: um: korte zaden.

Brachyceras: kort gehoornd.

Brachyclade: korte knopen of kort vertakt.

Brachypetelum: korte bloembladeren.

Brachyphylla: korte bladeren.

Brachypoda: um: ium: kort voetje.

Brachyptera: korte vleugels.

Brachysiphon: korte buis.

Brachystachya: s: korte aar.

Brachytrichus: korte omwindselblaadjes.

Bracteata: um: us: bracteosum: van goede dek of schutbladen voorzien.

Bracteolus: van schutbladen voorzien.

Bradburiana: John Bradbury, Engelse plantenverzamelaar, 1768-1823.

Brainerdii: Amerikaanse botanist Ezra Brainerd, 1844-1925.

Brandegeeana: brandegea: eae: eei: Amerikaanse botanist Townsend Stith Brandegee, 1843-1925.

Brandisii: Duitse botanist Dietrich Brandis, 1824-1907 die in India werkte.

Brasiletto: van Spaans brasilete, Brazili‘ hout.

Brasiliense: is: uit Brazili‘.

Braunii: Beierse botanist Alexander Carl Heinrich Braun, 1805-1877.

Braunii: K. Fr. Braun, leraar te Bayreuth, in de eerste helft van de 19de eeuw.

Breedlovei: botanist Dennis Eugene Breedlove, 1939-.

Bremii: Duitse entomoloog Johann Jacob Bremi-Wolf, 1791-1857.

Bretschneideri: Baltisch Duitse Rus Emil Bretschneider, 1833-1901.

Brevis a: kort.

Brevialatus: korte vleugels.

Brevicaulus: korte stengels.

Brevicornu: korte horens.

Breviculmis: korte stengels.

Brevidens: korte tanden.

Brevifolia: um: kort bladig.

Breviligulata: kort bandje of tongetje.

Breviflora: um: korte bloemen.

Brevifolius: a: korte bladeren.

Brevior: korter.

Brevipedunculata: met korte pluimen.

Brevipes: korte stengel.

Brevirostra, kort snavelvormig.

Breviscapa: korte stengels.

Brevistyla: is: korte stijl.

Breweri: breweriana: Amerikaanse botanist William Henry Brewer, 1828-1910.

Bridgesii: Thomas Bridges, Engelse plantenverzamelaar, 1807-1865.

Brittanicus: a: uit Brittanni‘, Engeland.

Brittonii: Nathaniel Lord Britton, Amerikaanse botanist, 1859-1934.

Briziformis: als Briza gevormd.

Brizoides: op Briza gelijkend.

Bromelioides: Bromelia-achtig.

Bromfieldii: botanist H. Bromfield, 1933.

Bromoides: Bromus-achtig.

Brownii: Engelse kweker Charles Brown, gestorven 1836.

Brownii: Schotse botanist en plantenverzamelaar Horace Edgar Brown, 1861-1943.

Brownii: Engelse botanist Robert Brown, 1773-1858.

Brucea: botaniste Cornelia Josephine Austin Bruce, 1865-1931.

Bruchii: Argentijnse fotograaf en entomoloog Carlos Bruch: 1869-1943.

Brumalis: le: winterwende of midwinter.

Bruneaunis: Bruneau Creek in Idaho..

Brunifolia: met bladeren als Brunia.

Brunneus: bruin.

Brunoniana: um: Robert Brown, Latijn Bruno, Engelse botanist 1773-1858.

Brutia: van bruut of Brutium, oude naam voor Calabri‘.

Bryoides: Brion of mosachtig.

Bryophora: mos dragend.

Bryopteris: mos, leverkruidachtig.

Buccalis: hoornvormig.

Buccinalis: buccinator: hoornblazer.

Buchananii: Buchanan, een botanist uit N. Zeeland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ook een kweker in Schotland, W. Buchanan.

Bucharius: bucharica: uit Bokhora.

Buckleii: Samuel Botsford Buckley, Amerikaanse botanist, 1809-1884.

Buddleifolium: met bladeren als Buddleja

Buekkensis: uit de BŸkk bergen in noordoost Hongarije.

Buergerianum: Amerikaanse botanist William Carl Burger, 1932.

Bufonius: is: behorende tot de padden of groei in vochtige plaatsen waar padden zijn.

Bulbifer: a: um: bol dragend.

Bulbispermum: bolachtige zaden.

Bulbocastanum: kastanjeachtige bol.

Bulbocodium: bulbocoides: Bulbocodium-achtig of bolwol-achtig.

Bulbosa: us: um: bulbous: gezwollen, bolachtig.

Bulgaricum: uit Bulgarije.

Bullata: us: um: met bobbels of blaren.

Bullesiana: woordkruising en kruising van bullyanana met beesiana.

Bulleyana: A. K. Bulley, handelaar en eigenaar van Bees ltd, kwekerij te Neston of Ness bij Liverpool.

Bumalda: botanist J. A. De Bumalda, uit Bologna.

Bungeanus: bungei: Baltisch, Duitse botanist Alexander Georg von Bunge, 1803-1890.

Bunyardii: Edward Ashdown Bunyard, 1878-1939, Engelse pomoloog.

Burbankii: Luther Burbank, kweker te Santa Rosa, Californi‘.

Burchardii: Oscar Burchard, Duitse botanist, 1863-1949.

Burchellii : Engelse botanist en onderzoeker van Afrika, William John Burchell, 1781-.

Burkei: Engelse plantenverzamelaar voor fa Veitch, David Burke, 1854-1897.

Burkei: Engelse verzamelaar in Z. Afrika Joseph Burke, 1812-1873.

Burkwoodii: Burkwood & Skipwith, kwekers te Kingston on Thames, Engeland.

Burnatii.: E. Burnat, Zwitserse botanist, 1828-1920.

Burridgeanum: kweker F. K. Burridge te Colchester.

Burmannicus: a: uit Burma.

Burmannii: Hollandse botanist en dokter die gespecialiseerd was in planten van Sri Lanka, Ambon en de Kaap, Johannes Burman, 1707-1780.

Burnattii: Zwitserse botanist Emile Burnat, 1828-1920.

Bursa-pastoris: beurs van de herder.

Burseriana: Joachim Burser, Duitse arts en botanist, 1583-1649.

Bursifola: als Crepis bursifolia.

Butryaceae: Butryosum: boterachtig.

Buttensis: uit Butte County.

Buttiana: Mrs. Butt die deze mooie plant ontdekte in Bogota, Columbia.

Buxbaumii: Duitse arts en botanist Johann Christian Buxbaum, 1693-1730.

Buxifolia: um: us: met blad als Buxus.

Byzantina: um: uit Byzanti‘. Azi‘.

 

Betekenis van plantennamen die met een C beginnen.

 

Cachemiriana: cachemirica: uit Kasjmir.

Cadierie, Franse pater Cadiere die deze plant in de eerste helft van de 20ste eeuw heeft gevonden.

Cadmea: zink oxide-achtig.

Caelestinum: paradijselijk, hemelachtig.

Caerulescens: blauwachtig.

Caeruleum: a: us: hemelsblauw.

Caesarea: us: keizerlijk.

Caesia: us: keizerlijk of licht blauw.

Caespitosa: um: us: se: caespititia: zoden vormend, kussenachtig.

Caffrum: a: caffer: van de Kaffers, naar Kaffraria, de plaats van oorsprong in de O. Kaa.

Cainito, Caimito: stad Colombia.

Cairdeas, vriendschap, liefde.

Cairica: uit Cairo, Egypte.

Cairica: te verzachten, cairdeas,: vriendschap, liefde.

Calaminare: zink, naar La Calamine, zinkplaats, waar het gevonden werd.

Calamintha: mooie munt.

Calamus: rietachtig.

Calcarata: um: us: kalkachtig of gespoord.

Calcareus: krijtwit of groei op kalkhoudende gronden

Calceoliformis: gevormd als een slipper of schoen.

Calceolus: op een schoen of pantoffel gelijkend.

Calcicola: een bewoner van kalkrijke gronden.

Calciphilum: schoenvormig.

Calcitrapa: voetangel.

Caldasii: Columbiaanse advocaat Francisco Jose Caldas die gemarteld werd in zijn strijd voor de onafhankelijkheid van Columbia en nam deel aan de expeditie van von Humboldt., 1768-1816.

Calendula: als Calendula.

Calendulaceum: goudsbloemachtig.

Californica: um: us: california: uit Californi‘.

Calleryana: Franse missionaris J. Callery die deze boom in de 18de eeuw verzamelde.

Calietensis: Caliente Hills in Kern County.

Calisaya: een verkeerde naam, het hoorde gespeld te worden Collisalla, van colla wat remedie betekent en salla: rotsgrond.

Calliandra: mooie meeldraden.

Callianthus: themus: met mooie bloemen.

Callida: ervaren, kundig.

Calliopsidea: als Calliopsis.

Callypige: mooi achterwerk.

Calliprinos: mooie steeneik.

Callistum: us: de mooiste.

Callitrichoides: Callitriche-achtig.

Callizones: fraaie randen.

Callosa: um: hard, taai.

Calocephalus: mooi hoofdje.

Calostrotum: mooi bedekt.

Calpodendron: waterpot en boom.

Calthifolia: met blad als Caltha.

Calyptridium: pet of bedekking.

Calumba: Columba op Sri Lanka.

Calva: schedel, kaal hoofd.

Calycina: um: kelkachtig.

Calycosa: um: us: heeft een volledige kelk.

Cayculata: kleine bloemknop.

Calycum: grote kelk.

Calyculosa: calyculata: van een bijkelk voorzien.

Camaldulensis: Camaldoli garden bij Napels

Camara: Z. Amerikaanse volksnaam voor deze plant.

Camanchica, Camanche: plaats in midden Californi‘.

Camara: van de kamer.

Cambogia, uit Cambodja.

Camelorum: kameel, wordt door kamelen gegeten.

Camissonia: niana: chamissoniana? Frans, Duitse botanist Ludolf Karl Adelbert von Chamisso, 1781-1838. Ook schrijver van een man die zijn schaduw verkocht aan de duivel.

Cammarum: kreeft.

Campaniflora: met klokvormige bloemen.

Campanulata: um: us: klokjesvormig, Campanula-achtig.

Campanuloides: aria: klokjes-achtig.

Campbellii: Amerikaanse botanist Douglas Houghton Campbell, 1859-1953.

Campbellii: Archibald Campbell, 1805-1874, Schotse arts en koloniale admistrator te Darjeeling.

Campestris: tre: van de velden.

Cambria, cambrica: um: uit Wales of Welsh, Latijn Cambro.

Campechianum: uit Campeche, provincie in Mexico.

Camphora: camphoratum: kamfer dragend.

Camptotricha: gekamd haar.

Campylon: gebogen.

Campylopodum: met een gebogen steel of stengel.

Camschaticum: kamschaticum: kamtschaticus: campschatcense: uit Kamschatka. O. Rusland.

Cana: um: askleurig, grijs behaard.

Canadensis: uit Canada.

Canariense: is: Canarische eilanden.

Canbyi: a: Amerikaanse filantroop en botanist, William Marriott Canby, 1831-1904.

Cancellatus: met een rooster, getekend patroon.

Candelabrum: als een kandelaar.

Candicans: wit.

Candida: um: glanzend of zuiver wit.

Candidissimum: a: zeer wit.

Candidula: zuiver wit.

Canephora: kan of zak dragend.

Canescens: grijsachtig behaard.

Canina: us: um: hond, dus met scherpe tanden of een negatief woord.

Caniculatus: um: met kanalen.

Cannabifolia: blad als Cannabis.

Cannabina: um: hennepachtig.

Cannaefolium: met blad als van Canna.

Cantabrica: landstreek Cantabri‘ in Noord Spanje.

Cantelovii: Amerikaanse botanist Herbert Clair Cantelow, 1875-1965.

Canterburyana: naar Canterbury, Engeland?

Canthariforme: drinkbeker, kopvormig.

Cantoniensis: uit Kanton.

Canum: vlechtmandje.

Canus: gebroken wit, grauw.

Capense: is: uit de Kaap de Goede Hoop.

Caperata: us: gekroesd, gerimpeld.

Capillaceae: eus: haarachtig.

Capillare: is: us: behaard.

Capillata: lang behaard.

Capillipes: haarfijn.

Capillus-veneris: Venus haar.

Capitata: us: um: hoofd, kopvormig.

Capitulata: um: met kleine hoofdjes.

Cappadocicum: uit Cappadoci‘.

Caprea: geit.

Capreolata: van ranken voorzien, klimmend.

Capricorne: met geitenhorens.

Caprifolium: geitenblad.

Capsiastrum: Capsicum-achtig.

Capsularis: met ronde zaadbol.

Capuli: deksel.

Caput-medusae: het hoofd van Medusa, een van de drie Gorgonen wiens haar van slangen was dat versteende iedereen die het aankeek.

Caracasana: uit Caracas, Venezuela.

Caramanica: Karaman een stad in het zuiden van Turkije.

Carambola: uit het dialect nggalabola karambola tot Portugees, Spaans bola: kogel, en zo de rode kogel in de biljardsport tot carambola, zie Frans carambolage, samenstoten van de ballen.

Cardamomum: hart temperen.

Carderi: Amerikaanse botanis Al Carder.

Cardiaca: van het hart.

Cardinalis: le: kardinaal of scharlakenrood.

Cardiophylla: hartvormige bladeren.

Cardunculus: distelachtig.

Carica: uit Caria, west Anatoli‘, Turkije, waar veel vijgen geteeld werden, aan papaya gegeven omdat zijn bladeren er op lijken.

Carinatum: a: us: kielvormig, de omwindselbladeren.

Carinthiaca: uit Karinthi‘, KŠrnten.

Carniolica: um: uit Karinthi‘, Carniolie, KŠrnten.

Carlesii: Engelse botanist William Richard Carles in China, 1848-1929.

Carmichaelli: Charles Carmichael Lacaita, Britse botanist, 1853-1933.

Carnea: um: vleeskleurig, diep roze.

Carnegiea: Schotse filantroop Andrew Carnegie, 1835-1919.

Carnevalii: Mexicaanse botanist Fernandez-Concha German Carnevali, geboren 1955.

Carnicolor: vleeskleurig:

Carnosa: vlezig.

Carnosula: um: beetje vlezig.

Caroba: carob of karaat, zie Ceratonia.

Caroli-alexandri: Karel-Alexander.

Carolinae: prinses Carolina, vroeger heette het carolinea Princeps.

Caroliniana: um: caroliniensis: uit Carolina.

Carota: saffraankleurig.

Carotifera: peen dragend.

Carpathica: carpatica: um: uit de Karpaten.

Carpinifolia; um: met blad als Carpinus.

Carsonia: uit Carson valley in Nevada.

Carterii: Engelse botanist bij de Royal Botanic Garden te Kew, Susan Carter Holes, 1933.

Cartilaginea: kraakbeenachtig.

Carthusiana: Duitse botanist Johan Friedrich Cartheuser, 1704-1777.

Carthusianorum: kloosters van Karthauser of Karthuizer, Frans de Chartreux te Chartreuse in Frankrijk.

Cartwrightianus: Engelse generaal consul in Constantinopel, John Cartwright waar hij die in 1843 ontdekte.

Caruncula: vlezige groei.

Caruifolia: um: carvifolia: karwijachtig blad.

Carvi: karwij.

Caryophyllea: anjerachtig blad.

Caryophyllus: blad als kruidnagel.

Caryophylloides: anjer of kruidnagelachtig blad.

Casaeria: keizerlijk.

Cascadensis: van de Cascades.

Caseana: ei: Amerikaanse botanist Eliphalet Lewis Case, 1843-1925..

Cashmeriana: uit Kasjmier.

Castanea: kastanjeachtig.

Castaneifolia: met kastanjeachtig blad.

Cassinioides: Ilex cassine-achtig.

Castlegarensis: naar Castlegar, Brits Columbia.

Castoreum: bever.

Catalinensis: catalinae: uit Catalina Island.

Catalaunica,: uit Cataloni‘.

Cathartica: purgerend.

Cataphracta: goed bewapend.

Cataria: behorende tot de kat.

Catawba: catawbiense: uit Catawba, N. Amerika.

Catechu cate: boom en chu: sap.

Catenata: gebonden, geboeid.

Catesbaei: Mark Catesby, Amerikaanse natuurhistoricus, 1679-1749.

Catharicum: catharticus: purgeren of afvoeren

Cathartica: reinigen, laxeermiddel.

Cathayanum: is: Cathay, vorm van Catai, andere naam voor China.

Cattianiae: Maria de Cattani, plantenliefhebster te Spalato in Dalmati‘ die deze plant ontdekte, 1789-1890.

Cattleianum: zo genoemd naar de Engelse botanist sir William Cattley, 1788-1835

Caucalis: mooie stengel.

Caucasicus: um: uit de Kaukasus.

Caudatus: a: um: gestaard.

Caudina staartachtig.

Caulanthus: stengelbloem.

Caulescens: met een stengel.

Caulo: gestengeld.

Caurina: cauriana: noordwesten wind.

Cautleoides: Cautlea-achtig.

Cava: hol.

Cavernae: een hol of grot.

Cavendish: ter ere van William Cavendish, 6de hertog van Devonshire.

Cayensis: Zuid Amerikaanse stad Cayenne.

Ceanothi: gerelateerd aan Ceanothus.

Cecropioides: Cecropia-achtig.

Cedrosensis: van Cedros Island aan de kust van Baja Californi‘.

Cedrus: cedron: cederachtig.

Ceiba: inlandse naam van kapok in Ecuador.

Celebica: uit Celebes

Celsiana: Franse botanist Jacques Philippe Martin Cels, 1740-1806.

Cenchrus: gebruikt door Plinius voor een Arabische diamant en groot als het graan van millet.

Cenisia: berg Ceni, bij de Franse Alpen naar Itali‘.

Celtica: Keltisch.

Cembra: uit het Cembradal, Tirol.

Cengialti: Monte Cengialte, berg bij Roveredo in Z. Tirol.

Centaurea: um: centaur Chiron die de medische krachten van die plant had ontdekt.

Centifolia: honderdbladig.

Centranthifolius: bladeren als Centranthus.

Centrostegia: een bedekte spoor.

Cepa: hoofd.

Cepaea: uiachtig.

Cepaeifolium: uiachtig blad.

Cephalanthus: hoofd en bloem, bloemen staan in hoofdjes.

Cephalonica: berg van Griekenland.

Cephalophora: us: hoofd en dragen.

Cerale: graan, van Ceres.

Cerasifera: kers dragend.

Cerasiformis: kersvormig.

Cerasus: kers.

Ceratocaula: hoornachtige stengels.

Ceratophorum: draagt horens.

Cercidifolius: met blad als Cercis.

Cereale: van Cere, godin van agricultuur.

Cereum: wasachtig blad.

Cerefolium: us: was dragend of kervelachtig, of liefelijk blad.

Cereuscula: Cereus-achtig.

Cerina: us: wasachtig.

Cerifera: was dragend.

Cerna: us: uum:  gekromd of omgebogen.

Cerris: Cerretani, een Iberisch volk in Spanje.

Cerulea: blauwachtig.

Ceruminosa: us: oorwas.

Cervaria: hertshoorn, beter van hars.

Cervariaefolia: hertshoorn-achtig blad.

Cerviana: Spaanse dokter in medicijnen Giuseppe Cervi, 1663-1748.

Cervicaria: halskruidachtig.

Cervicornis: hertshoornachtig.

Cervinus: hert.

Cespitosa: zoden vormend, opeen gehoopt.

Chaerophyllus: blad als Anthriscus chaerophyllus.

Chaetopappa: borstel en dons, los vliegend haar.

Chaixii: D. Chaix, Franse priester en botanist, 1730-1799.

Chalapensis: van Aleppo of Halbeb, Syri‘, zie aleppica en halepensis.

Chalcedonica: um: van Chalcedon, vroegere Griekse strand op de Aziatische kust van de Marmora zee.

Chalepensis: uit Sardini‘.

Chamaea: laag, op de grond.

Chamaebatia: lage braam.

Chamaebuxus: kleine Buxus.

Chamaecistus: kleine Cistus.

Chamaecyparissus: kleine cipres.

Chamaecytisus: kleine Cytisus.

Chamaedryfolia: met blad als Chamaedrys.

Chamaedryoides: chamaedrys-achtig.

Chamaedrys: kleine eik.

Chamaeiris: kleine iris.

Chamaejasme: dwerg jasmijn.

Chamaemespilus: kleine Mespilus.

Chaemaemelum: kleine appel, kamille.

Chamaemorus: kleine moerbei.

Chamaepitys: kleine pijnboom.

Chamerion: kleine Nerium.

Chamberlaynii: Britse consul-generaal Henry Chamberlayne die in Brazili‘ gestationeerd was, 1773-1829.

Chamissoi: chamissonis: Frans Duitse botanist Adelbert von Chamisso, 1781-1838.

Chandleri: Amerikaanse botanist Harley Pierce Chandler, 1875-1918.

Chantinii: M. Chantini, tuinman te Parijs.

Chantrieri: kwekers Chantier broers te Mortefontaine.

Chaparro: Spaans voor eik waarvan afgeleid is chaparral.

Characias: van de moeilijk begaanbare bosjes, garigue.

Charlesworthii: Engelse kweker mrs. Charlesworth & co uit Heaton, Bradford .

Charmellii: plaats Charmeil in Frankrijk in Auvergne.

Chartaceum: gemaakt van papier, papierachtig.

Cheilantum: als Cheilanthus.

Cheilanthifolia: um: met blad als Cheilanthus.

Cheiranthoides: muurbloemachtig, Cheiranthus.

Cheiri: gouden plant.

Cheirifolium: met blad als de muurbloem.

Chelidonii: Chelidonium-achtig.

Chenaultii: fa L. Chenault & Cie uit OrlŽans.

Chenopodiifolia: met blad als Chenopodium.

Cherimola: koude zaden.

Chica: drank en verf in Chili.

Chickle: kleverig stof.

Childii: Amerikaanse botanist Henry Stephen Child, 1844-1885.

Childsii: kweker J. Child in Amerika, rond 1890.

Chilensis: uit Chili.

Chiloensis: van het eiland Chiloe voor Chili.

Chinensis: uit China.

Chinghaiensis: uit China.

Chionantha: in de sneeuw bloeiend.

Chirayita: Bengaals voor een gentiaan.

Chironium: centaur Chironium, beroemd om zijn genezende werkingen.

Chitria, uit China en drie.

Chiwuanum: Cihe en Yunnan.

Chloracantha: groene dorens.

Chlorantha: groene bloemen.

Chloris: Griekse godin van de bloemen, bij de Romeinen Flora.

Chlorocephala: us: groene hoofdjes.

Chloropetalum: groene bloemblaadjes.

Chlorophora: groen dragend, de verfstof.

Chlorotica: um: groenachtig.

Chloropetalus: groen gekleurde bloembladen.

Chlorstychya: groene aren.

Chorispora: zaad staat apart.

Chungensis: Chung vallei in N. W. Yunnan.

Chungii: uit N. W. Fujian, Japan.

Chunglenta: kruising van woord chungensis x pulverulenta.

Chrometella: zwak gekleurd.

Chroosepalus: wit gekleurde bloembladeren.

Chrysacanthion: goud gepunt.

Chrysantha: met goudgele bloemen.

Chryseum: goudkleurig.

Chrysocarpa: gouden vrucht.

Chrysocoma: met een gouden kuif.

Chrysographes: goud gestreept.

Chrysolepis: goud geschaald.

Chrysophylla: gouden blad.

Chrysorrheus: groengeel.

Chrysosplenifolia: vele goudkleurige bladeren als Chrysosplenium.

Chrysostoma: gouden mond.

Chrysothamnus: gouden struik.

Chylismia: sap.

Cibarius: um: voedzaam.

Cicer: als Cicer: kekererwt.

Cicutarium: gelijkend op Cicuta.

Cilianensis: van het landgoed Ciliani in Itali‘.

Ciliaris: omzoomd met haren.

Ciliata: um: ciliosum: us: gewimperd.

Cilicica: Cilici‘ in Klein Azi‘.

Ciliicalyx: bloembodem met trilhaar.

Cilolatum: franje aan de zijkant.

Ciliosa: franje.

Cina: van Italiaans semenza: zaad.

Cinarescens: asgrauw-achtig.

Cineraria: um: cinereum: asgrauw.

Cinicola: as en een inwoner van.

Cinnabari: cinnaberachtig, soort drakenbloed.

Cinnamomea: kaneelbruin.

Cinnamomoides: kaneelachtig.

Circinata: um: us: lis: opgerold.

Circumscisca: rond ingesneden.

Cirrata: met ranken.

Cirrhigerum: gekruld.

Cirrhosa: klimmen met ranken.

Cismontana: deze kant van de bergen.

Cissifolium: met blad als Cissus.

Cithariforme: liervormig.

Citrata: us: als Citrus.

Citridora: us: citroen geurend.

Citrigracilis: citroen en slank of dun.

Citrina: us: um: citroengeel.

Citrosum: citratum: a: citroenachtig.

Clandestina: geheim, verborgen.

Cladocalys: tak en kelk van de bloem.

Clandonensis: gekweekt in West Clandon, Surrey.

Clareana: botanist Clare E. Butterworth Hardham, 1918-, vrouw van John Fraser Hardham.

Clarkei: majoor Clarke die de plant meenam uit Peru in 1867.

Clarkiae: Amerikaanse Mary Rose Clark, 1871-1942.

Clarkianus: botanist Galen Clark, 1814-1910.

Clavarioides: knotsachtig.

Clavatus: um: knotsvormig.

Clavennae: Nicolo Clavena, Italiaans plantenkenner uit het begin van de 17de eeuw.

Clavicapra: knotsvormige vruchten.

Claviculata: knotsvormig gevleugeld.

Claytoniana: claytonia: John Clayton, Amerikaanse arts en botanist, 1686-1773.

Cleistogamum: wat kan worden gesloten en huwelijk, bevrucht zichzelf zonder de bloem te openen.

Clematitis: Clematis-achtig: lange lenige takken.

Clementii: Franse botanist Gilles Clement, 1943- .

Clementina: Franse missionaris in Algerije Pre ClŽment Rodier.

Clementina: us: San Clemente Island.

Clementis: mild, zachtaardig.

Clethroides: Clethra-achtig.

Clevelandii: Amerikaanse botanist Daniel Cleveland, 1838-1929.

Clevelandii: uit Cleveland, Ohio in Amerika.

Clibranii: gewonnen door Mrs. Lloyd Edwards, liefhebster te Llangollen, Engeland en in de handel gebracht door W. Clibran & Son, kwekers te Altrincham.

Cliftonii: botanist Glenn Lee Clifton, 1943-.

Clivorum: van de heuvels.

Clokeyi: Ira Waddell Clokey, 1878-1950.

Clowesii: Engelse geestelijke J. Clowe, orchidee enthousiast.

Clusii: clusiana: Charles de lƒcluse of Carolus Clusius, Vlaamse botanist, 1525-1609.

Cneoridium: van cneorum: wolfsmelk olijf.

Coaetanea: een en twee lettergrepen einde.

Coarctica: bij Arctica.

Coca: coke.

Coccinea: us: besrood bloeiend.

Coccinioides, besroodachtige vrucht.

Cochinchiensis: uit Conchinchina, zuid Vietnam.

Cocculus: bes of vrucht.

Cochinellifera, cochenille leverend of coccus dragend, kermes.

Cochleariifolia: met bladen als Cochlearia.

Cochlearis: lepelachtig blad als Cochlearia.

Cockburniana: H. Cockburn, Engelse consul in China en G. Cockburn, Engelse zendeling in China, die de vinder van deze plant behulpzaam waren.

Coelestinum: coelestis: hemelsblauw.

Coeli‑rosa: hemelroos.

Coerulescens: blauwachtig.

Coeruleus: lea: hemelsblauw.

Coggygria: zelfde naam bij Plinius.

Cognata: us: nauw verwant aan.

Coincya: Franse botanist Auguste Henri Cornut de la Fontaine de Coincy, 1837-1903.

Coignetiae: Franse advocaat Pierre du Coignet die zonder succes de zaak van de koning tegen de kerk pleitte in 1328.

Cola: us: bewoner van, Latijn incola: een inwoner, als monticola, bergbewoner, saxicola, rotsbewoner, deserticola, bewoner van woestijnen.

Colchica: uit Colchis.

Colchiciflora: met bloemen als Colchicum.

Coleogyne: schede en eierstok.

Colligata: bevestigd samen.

Collina: um: us: heuvel bewonend.

Colocynthus: ronde kalebas, kauwoerde of pompoen.

Colona: pachtboer of kolonist.

Coloradensis: uit Colorado.

Colorata: um: us: o: gekleurd.

Colubrina: slangachtig, Coluber slang.

Columbaria: ae: duifachtig.

Columbiana: um: us: duifachtig, als het van westelijk N. Amerika komt dan van Brits Columbia.

Columnae: Fabio Colonna, Latijn Columna, 1571-1640, Italiaanse botanist.

Columnaris: zuilvormig.

Columnifera: zuil dragend.

Colurna: hoornachtige speer.

Colvillei: Engelse kweker Colvillei uit Chelsea, Londen.

Comanchica, Comanche, Indianenstam.

Comandra: haar en man, de harige meeldraden.

Commixta: gemengd.

Communis: gewoon, algemeen, groep, gemeenschappelijk.

Commutatum: is: a: veranderlijk, van kleur verwisselend.

Comosa: um: haar of kuifvormend.

Compacta: um: compact groeiend.

Complanatum: afgevlakt.

Complex: a: complex, omringd, omarmd

Compositus: um: samengesteld.

Compressa: us: samengedrukt.

Comus: comosa: haar of kuif dragend.

Conchuliferus: Grieks konche: schaal of schelpdieren dragen.

Concinna: um: us: net of aardig.

Concolor: eenvormig gekleurd.

Condaminea: Franse onderzoeker Charles Marie de la Condamine, 1701-1774.

Condensata: us: druk bij elkaar.

Confertiflora: um: met overvolle bloemen.

Confertifolia: met overvolle bladeren.

Confertus: um: a: samen gedrongen of opeen gehoopt.

Confinis: op het gebied.

Confusa: verwarrend, onzeker.

Congdonii: botanist Joseph Whipple Congdon, 1834-1919.

Congesta: um: us: gekroond, zeer nauw bij elkaar.

Conglomeratus: samengebald.

Conica: kegelvormig, conisch.

Coniflora: kegelvormige bloemen.

Conjugens: verenigd.

Conjugula: conjugialis: gepaard of gekoppeld.

Connata: us: verenigd.

Connectilis: verbonden, de onderste bladeren zijn naar elkaar toegebogen.

Conoidea: kegelachtig.

Conopsea: op een mug gelijkend.

Consimilis: net hetzelfde.

Consolida: us: um, stevig, stabiel, verenigd.

Conspersus: verstrooid.

Conspicua: um: ous: aanzienlijk.

Constancea: botanist Lincoln Constance, 1909-2001.

Constrictus: samen getrokken.

Continentalis: is wijd verspreid.

Contorta: us: gedraaid.

Contra: tegen.

Contracta: us: naar elkaar getrokken.

Controversa: us: discussie of tegengesteld.

Convoluta: tuitvormig opgerold.

Convolvulus: Convolvulaceae: Convolvulus-achtig.

Contrajerva: tegengif.

Conyzoides: conyza: vliegen dodend.

Cookianum: van de Cook eilanden, Nieuw Zeeland.

Cookei: naturalist, mycologist William Bridge Cooke, 1908-1991.

Cookii: Engelse kapitein en botanist James Cook, 1728-1779 in 1774 op de HMS Resolution:

Cookii: Fred Lucien Cook, 1921-1971 die Robert Hoover hielp.

Cooperi: Amerikaanse botanist en geoloog dr. James Graham Cooper, 1830-1902.

Copaia: Copaya, plaats in Venezuela.

Copallinia: copal of kopal leverend.

Cophocarpa: gekielde vrucht.

Coprosma: mest en geur.

Coptica: um: Koptisch.

Coptis: gesneden.

Coraeensis: Coreana: us: uit Korea.

Corallina: us: koraalkleurig.

Corallodendron: koraalboom.

Cordata: us: hartvormig.

Cordifolia: um: hartvormige bladeren.

Cordiformis: hartvormig.

Cordinca: kruising ook in namen van cordata en incana.

Cordulatus: buil of zwelling.

Coriacea: us: leerachtig.

Coriandrifolia: met blad als koriander.

Coriaria: als Coriaria, om leer te looien.

Coriophora: wandluis dragend.

Coriophylla: wandluisachtige blaadjes.

Coris: oude Griekse naam voor een Hypericum soort, koris: wandluis.

Corniculata; um: a: gehoornd.

Cornucopia: e: hoorn des overvloedachtig.

Cornuta: horens dragend.

Cornubiensis: uit Cornish.

Cornuta: um: gehoornd.

Corollata: bloemkroonachtig, kelk heeft dezelfde bloemkleur als de bloemkroon.

Coronaria: um: kroon of krans.

Coronata: um: gekroond.

Coronopifolia: blad als Coronopus.

Coronopus: korone: kraai, pous: voet, de bladvorm.

Corrugata: rimpelig.

Corsica: us: uit Corsica.

Cortusifolia: met blad als Cortusa.

Cortusoides: Cortusa-achtig.

Corusca: um: oplichtend.

Corymbifera: tuilen dragend.

Corymbiflora: tuilvormige bloemen.

Corymbosa: um: tuilvormig.

Corymbulosus: met smalle tuilen.

Costae: ribachtig.

Costatum: a: geribd.

Costifera: rib dragend.

Costus: wortel voor parfum.

Cotinifolia: met blad als Cotinus.

Cotoneaster: Cotoneaster-achtig.

Cotula: knopachtig.

Cotyledon: kop, verlaging.

Coulteri: Thomas Coulter, Ierse arts en botanist, 1793-1843,.

Coulteri: Amerikaanse botanist John Merle Coulter, 1851-1928.

Coulteri- John Merle Coulter, 1851-1928, Amerikaanse botanist.

Coum: uit het eiland Cos.

Covesii: Amerikaanse naturalist, vogelliefhebber Elliot Voues, 1842-1899..

Covillei: covilleana: um: botanist dr. Frederick Vernon Coville, 1867-1937.

Cowanii: F. A. En R. S. Cowan.

Cowania: Engelse amateur botanist James Cowan, gestorven in 1823.

Cracca: Sanskriet krak: sierlijk of slank, de groei.

Craibeana: G. Craib, 1882-1933, Schotse botanist.

Crantzii: Luxemburgse botanist Heinrich Johann Nepomuk von Crantz, 1722-1799.

Crassicaule: is: dikke stengels.

Crassifolia; um: us: dikke bladen zoals Crassula.

Crassipes: dikke voet.

Crassus: dik, vlezig.

Crataegifolius: met blad als meidoorn.

Cratericola: bewoner van een krater.

Credneri: Adolf Credner, kweker te Salpeterhutte bij Weissenfals, Duitsland, 1851-1890.

Crenatoserrata: gekarteld, rond gezaagd.

Crenata: um: fijn rond gekarteld.

Crenatiflora: fijn gekartelde bloemen.

Crenifolia: crenatifolia: fijn gekartelde bladeren.

Crenulata: fijn gekarteld.

Crepitans: rammelen.

Cretica: um: cretensis: uit Kreta.

Crinata: um: lang behaard.

Criniflorum: lang harige bloemen.

Criniger: draagt haren.

Crispa: um: us: gedraaid.

Crista: um: us: gekroesd, gedraaid.

Crista-galli: hanenkam.

Cristata: um: us: met een kam.

Cristophii: Duitse botanist Johann Christoph Wendland, 1755-1828, of naar de Duitse entomologist Eugenius Johann Christoph Esper, 1742-1810.

Cristophii; mogelijk naar de  Duitse Russische entomologist Hugo Theodor Christoph, 1834-1891 die veel insecten verzamelde, in dezelfde gebieden en dezelfde tijd dat "Cristoph" zijn planten verzamelde.

Crithmoides: Crithmum-achtig.

Crocata: um: saffraan-achtig.

Crocea: um: saffraan-achtig.

Crocosmiiflora: Crocus-achtige bloemen.

Cruciaformis: kruisvormig.

Cruciata: kruis.

Cruenta: us: um: met bloedkleurige vlekken.

Crumenatum: naar de vorm van de lip in de zak.

Cruscuta: korst vormend.

Crus-galli: hanenspoor.

Crus-pavonis: pauwenspoor.

Crustacea: schil of bast.

Crustata: korst vormend.

Crux-maltae: Maltezer kruis.

Cruziana: ter ere van generaal Santa Cruz van Bolivia.

Crymophila: houdt van koude.

Crypsis: verborgen.

Cryptandrus: verborgen meeldraden.

Cryptantha: verborgen bloemen.

Cryptogramma: verborgen lijnen.

Crystallinum: kristallen.

Cubeba: kubeben: braadkruid.

Cubense: van Cuba.

Cubuya: Cubuya, plaats in Costa Rica.

Cucubalus: nadelig kruid.

Cucullatum: cucullaria: van een kap of muts voorzien.

Cucumerina: komkommerachtig.

Culbertsonii: botanist James Downer Culbertson, 1879-1954.

Culinaris: culinair, voedsel

Cultorum: in cultuur, gekweekt.

Cultriformis: gevormd als een mes.

Culullaria: hoed.

Cuminata: niet toegespitst.

Cuneata: um: us: wigvormig.

Cuneifolia: wigvormige bladeren.

Cunninghamii: J. Cunninghame, een arts in dienst van Oost India Company die in China botaniseerde.

Cupana: Italiaanse monnik en botanist Francesco Cupani, 1657-1711.

Cupreata: cuprea: us: um: koperkleurig.

Cupressina: um: oides: cipresachtig.

Cupulata: um: us: kopachtig.

Currassavica: um: uit Curaao.

Curta: us: ingekort.

Curties: korte voetstengels.

Curvispina: korte dorens.

Curvula: gedraaid, geknakt.

Cusickii: Amerikaanse plantenverzamelaar, William Conklin Cusick, 1842-1922.

Cuspidata: lang gespitst.

Cutleri: Amerikaanse botanist Manasseh Cutler, 1742-1823.

Cuyamaceae: sis: van Cuyama in Santa Barbara County.

Cyananthus: donker blauwe bloemen.

Cyanea: us: donker blauw.

Cyanocrocus: donker blauwe krokus.

Cyathiforme: kopvormig.

Cyclamineus: Cyclamen-achtig.

Cyclophylla: cirkelachtig blad.

Cyclops: gigantisch als mythologische Cyclops.

Cygnorum: als een zwaan.

Cylindrica: cea: us: cilindrisch.

Cylindropuntia: cilinder en opuntia.

Cymbiformis: schuitvormig.

Cyminum: komijn.

Cymochila: platte lippen.

Cymosa: platte bloemscherm.

Cynanchica: oides: als Cynanchium: honden verstrengelen.

Cynapium: hondseppe.

Cynaroides: Cynaria of artisjok-achtig.

Cynosbati: hondsbes.

Cynosuroides: Cynosorus-achtig.

Cyparissias: cipresachtig.

Cyrnea: uit Corsica.

Cyrtanthiflora: bloemen als Cyrtanthus.

Cytherea: verborgen, verzegeld.

 

Betekenis van plantennamen die met een D beginnen.

 

Dactylifera: dadel leverend of vingervormig.

Dactylon: vinger of vingervormig.

Dahlianum: dahlia-achtig.

Dahurica: uit Dahuri‘.

Daigremontiana: naar het Franse echtpaar Daigremont van het botanische gezelschap in Frankrijk.

Dalea: Engelse arts en botanist Samuel Dale, 1659-1739.

Dallimorei: W. Dallimore, Engelse dendroloog te Kew.

Dalmatica: us: uit Dalmati‘, Adriatische kant van het Balkan schiereiland.

Damascena: uit Damascus.

Damasonium: oude plantennaam van een nu onbekende plant.

Dammara: synoniem voor kopal.

Dammeri: U. Dammer, professor in de botanie te Berlijn.

Dampieri: Engelse botanist en boekanier William Dampier, 1651-1715.

Danicus: uit Denemarken.

Daniellii: William Daniel, legerchirurg die in China veel bomen verzamelde.

Danfordiaea: Mrs. Danford die het in 1876 bracht.

Danthonia: Franse botanist Etienne Danthoine, eind 18de begin 19de eeuw.

Dardarii: gevonden in Bronbaux bij Metz in de tuin van M. Dardar.

Daphnoides: Daphne-achtig.

Darialica: Darial, plaats in de N.O. Kaukasus.

Darleyensis: gewonnen door James Smith & Son, kwekers te Darley Dale, Engeland.

Darwinii: Engelse natuurhistoricus Ch. R. Darwin, 1809-1882.

Dasy: ruig, dik behaard.

Dasyacanthus: dikke dorens.

Dasycarpum: dikke zaden.

Dasyclados: met dikke takken.

Dasypetalum: met dikke bloembladeren.

Dasyphylla: um: dikke bladeren.

Daucifolia; um: met blad als Daucus.

Daucoides: Daucus-achtig.

Daveauana: Jules Daveau, conservator van de Jardin des Plantes te Montperlier, 1852-1929.

Davidii : Armand Pere David, 1826-1900, Franse missionaris en plantenverzamelaar in China.

Davidii: David L. Anderson, 1938-,.

Davidsonii: Engelse, Amerikaanse onderzoeker George Davidson, 1825-1911.

Davidsonii: Anstruther Davidson, Schotse plantenverzamelaar, overleden in 1999.,

Davidsonii: Engelse Amerikaanse geograaf dr. Georg Davidson, 1825-1911.

Davisii: Engelse plantenverzamelaar voor fa Veitch in Z. Amerika, Walter Davis.

Davisiae: botaniste Nancy Jane Davis, 1833-1921.

Davyi: Engelse botanist Joseph Burtt Davy, 1870-1940.

Dauricum: a: uit Dahuri‘, O. Azi‘.

Davurica: uit Davuri‘ of Dahuri‘

Dawsonii: de kweker James Dawson van Meadowbank bij Glasgow.

Dealbata: wit bestoven.

Deamii: Amerikaanse botanist die veel in India werkte, Plain OlÕ Charlie Deam, 1865-1935.

Deanei: George Clement Deane, 1853-1930.

Debilis: zwak.

Decandra: tien meeldraden.

Decapetala: us: tien bloembladen.

Decidua: um: afvallend.

Decipens: misleidend of verrassend, onduidelijk.

Deckenii: Duitse botanist baron Carl Claus von der Decken, 1833-1865.

Declinatum: omgebogen.

Decolor: zonder kleuren.

Decolorans: ontkleurd.

Decora: um: us: decorata: sierlijk of statig.

Decorticans: afpellende schors.

Decumana: um: verbazend groot.

Decumbens: neer liggend.

Decurrens: aflopend.

Decurtata: ingekort, verminkt.

Decussata: us: bladeren in paren, kruis of kransvormig geplaats.

Decus-silvae: bos siersel.

Dedeckera: Amerikaanse botaniste Mary Caroline Foster Dedecker, 1909-2000.

Deductum: gescheiden.

Deficiens: ontbreekt in noodzakelijke kwaliteiten, defect.

Deflatum: leeg gelopen.

Deflectans: onregelmatig, niet symmetrisch.

Deflexa: um: us: gebogen.

Degenii: Arpad von Degen, Hongaarse botanist, 1866-1934.

Defoliatum: vervormd blad.

Deinandra: wonderbaarlijk, angstig, verschrikkelijk en meeldraden.

Degronianum: M. Degron, directeur van de post in Yokohama.

Delaetii: Franciscus De Laet, cactuskweker te Kontich bij Antwerpen, 1866-1928.

Delagoensis: Delago bay in Mozambique.

Delavayi: Jean Marie Delavay, Franse missionaris en plantenverzamelaar in China, 1834-1895.

Delilianus: Franse botanist A. Raffeneau Delile, 1778-1850.

Deliciosa: us: delicata: um: delicaat, heerlijk of goed smakend.

Delphiniifolia: met blad als Delphinium.

Deltoidea: des: driehoekig, deltavormig als de vierde letter van het Griekse alfabet, delta..

Deltoides: delta-achtig.

Demersum: ondergedoken.

Deminuta: kleine.

Demissa: afgedwaald, afhangend.

Dendroides: dendroidea: um: us: boomachtig.

Dendromorpha: boomachtig gevormd.

Dendron: boom.Densa: us: um: dicht, compact.

Densata: verdicht.

Dens-canis: hondentanden.

Densiflora: um: us: dicht bloemig.

Densifolium: dicht bebladerd.

Densirosulata: dichte rozetten.

Dentata: us: tanden als een zaag.

Denticulata: getand.

Denudata: um: us: naakt, ontdaan of kaal.

Deodara: Deodar, Indiase staat.

Deodorum: deorum: van de goden.

Dependens: hangt af van het begin.

Deppauoerata: um: uitgehongerd, verdwaald

Deppei: Berlijnse kweker en plantenverzamelaar Ferdinand Deppe in 1823.

Depressa: us: um: neer gedrukt.

Derenbergii: Duitse arts en botanist Julius Derenberg, 1873-1928.

Deserticola: woont in de woestijn.

Desertii: um: desertorum: uit de woestijn.

Desiccatum: uitgedroogd.

Desetangsii: Franse streek Des Etang.

Desmazeria: Franse botanist van cryptogrammen, Jean Baptiste Henri Desmazieres, 1786-1862.

Desoulavyi: N. Desoulavy, Russische botanist.

Deterrimus: verval, verslechtering.

Detonsa: us: kaal, geschoren.

Deustus: verbrand.

Devosiana: naar F. de Vos, professor in de botanie, overleden in 1920.

Deweyana: de wetenschapper Chester Dewey, 18784-1867.

Dianthiflorus: als Dianthus.

Diabolense: de Diablo range in Kern County.

Diacanthum: met twee stekels.

Diadema: diadematum: versierd, Grieks diadema: diadeem.

Diandra: us: met twee meeldraden.

Diapensioides: Diapensia-achtig.

Diaphana: doorschijnend.

Dichlamydeum: twee mantels.

Dichotoma: us: um: paar vertakt, twee vertakkingen, vorksgewijze.

Dichotomiflorum: vertakte bloemen.

Dicksonii: Schotse botanist Alexander Dickson, 1836-1887.

Diclinum: twee bedden, meeldraden en stamper apart.

Dicoccum: twee kernen.

Dicoccoides: als de twee kernen.

Dictamnus: een struik die op berg Dicte op Kreta groeit.

Dictyophylla: met netvormig geaderde bladeren.

Didieri: E. Didier, Zuid Franse rechter en botanist, 1810-1889.

Didymobotrya: dubbele trossen.

Didyma; us: um: tweeling, dubbel, bloem heeft vaak twee bloemen in een.

Didynophyllos: twee bladeren.

Diegenis: van San Diego.

Dielsii: Duitse botanist Friedrich Ludwig Diels, 1874-1945, directeur van botanische tuin.

Difformis: van ongewone vorm.

Diffusa: us: um: ongelijk gevormd, los verspreidt.

Digenea: twee genen, de jongen lijken niet op de ouders.

Digitata: vingervormig.

Digyna:: twee vrouwen, naar de twee omwindselblaadjes.

Dilitata: um: dilatatum: verbreed, uitgespreid.

Dimidiatum: gedeeld, gehalveerd.

Dimorphum: vervormd, twee vormen.

Dinaricus: Dinaric Alpen bij Montenegro.

Dioica: tweehuizig, omdat elke plant bloemen van 1 geslacht draagt.

Dionaeifolia: heeft bladeren als de Venus vliegenval, Dionaea.

Dioscorides: Griekse geneesheer en botanist, 40-90 na Chr.

Diosmifolius: blad als Diosma.

Dipetala: twee bladeren.

Diphylla: um: twee bladeren.

Diploperennis: dubbel meerjarig.

Dipogon: twee baarden.

Dippeliana: Duitse botanist Leopold Dippel.

Diptera: twee vleugels.

Dipterocarpa: tweevleugelige zaden.

Discoidea: discus of schijfachtig, zonder bloemstralen.

Discolor: tweekleurig.

Disepala: twee bloembladeren.

Disjunctum: twee knopen.

Dispar: ongelijk.

Dispersa: verstrooid.

Dispora: twee zaden.

Dissecta; um: sterk ingesneden.

Dissitiflora: uit elkaar staande bloemen.

Dissectifolia: ingesneden bladeren.

Dissita: liggen apart, met ruimte.

Distachya: os; met twee naalden, aren.

Distans: wijd uit elkaar staande bladeren. afstand, apart, ruime plaats.

Distantiflorus: met wijd afzonderlijke bloemen.

Distichlis: twee rijen, naar de stand der bladeren.

Distichum: om: a: twee rijen, naar twee zijden gericht.

Distichophylla: blad in twee rijen.

Distillatoria: destilleer kan.

Divaricarpa: uit elkaar staande vruchten.

Divaricata: us: um: uitgespreid.

Divergens: uit elkaar staande of wijd vertakt.

Diversifolia: us: verschillende gevormde bladeren.

Dives: rijk.

Divinorum: goddelijk of aanbiddelijk.

Divisa: verdeeld of gescheiden.

Divulsa: uit elkaar getrokken.

Dochna: Arabisch voor gierst.

Dodanaei: Dodonaeus of R. Dodoens, Vlaamse arts en botanist, 1617-1585.

Dodecandra: met twaalf meeldraden.

Doerfleri: Ignaz Dorfler, Oostenrijke botanist, rond 1866.

Dolichantha: lange bloemen.

Dolobrata, dolabrata: bijlvormig.

Dolosa: um: us: bedrieglijk, lijkt op een andere plant.

Dombeyi: Franse botanist Joseph Dombey, 1742-1794.

Domestica: um: gedomesticeerd, gecultiveerd, huiselijk, domus.

Donax, doneo: ik beweeg heen en weer of wuiven.

Doria: goudkruid.

Dorii: naar Clerendon Herbert Dorr, 1816-1887.                                                    

Dorei: Canadese botanist William George Dore, 1912-1996.

Doronicum: als Doronicum: lansvormig.

Dortmanna: Dortmann, een Groningse apotheker die het kruid naar Clusius stuurde rond 1600.

Douglasii: David Douglas, 1798-1834, Schotse plantenverzamelaar.

Dowiana: kapitein DowÕs.

Draco: draak.

Dracontium: draakachtig.

Dracunculus: unculus: klein, klein draakje of serpent.

Dregei: Duitse plantenverzamelaar Johann Franz Drege, 1794-1881.

Drosanthemum, Grieks drosos: dauw en bloem.

Drosocalyx: bedauwde kelk.

Drummondii: Thomas Drummond, Schotse plantenzoeker en botanist, 1790-1835.

Drupacea: draagt vlezige vruchten.

Dryopteris: als de eikvaren.

Dsungaria: kruising tussen songarica en wattiana, daarvan ook de naam.

Dschungaricus: naar Songarije, landschap in Mandsjoerije.

Dubia: um: us: niet overeen komend, twijfelachtig.

Dudleya: William Russel Dudley, 1849-1911, professor in botanie.

Dulcamara: zoetbitter.

Dulcis: dulce: zoet, heerlijk.

Dulichium: van Grieks Doulikion, eiland in de Ionische zee.

Dulcificum: dulcificum zou een soort van voor de gek houden kunnen zijn.

Dumetora: um: dumalis: van de struwelen, van de hagen.

Dumosa; us: um: bossig.

Dumortierii: B. C. Dumortier, Belgische botanist, 1797-1878.

Dumulosa: vrijwel karmijnkleurig.

Dunensis: op duinen groeiend.

Dunnii: Amerikaanse entomologist en planten verzamelaar George Washington Dunn, 1814-1905.

Dura: hard.

Durandii: gewonnen door Durand freres, kwekers te Lyon.

Duranii: botanist Victor Gershorn Duran, 1897-1989.

Durata: gehard.

Durior: te hard.

Durum: vesting.

Dyeriana: us: Engelse botanist William Turner Thiselton Dyer, 1843-1928.

Dysenterica: verwijst naar het verhaal dat de Russische soldaten van die kwaal genezen zouden zijn door deze plant.

 

Betekenis van plantennamen die met een E beginnen.

Eamesii: Amerikaanse botanist Edwin Huber Eames, 1865-1948.

Eatonii: eatonella: Amerikaanse botanist Daniel Cady Eaton, 1834-1895.

Ebenaster: ebbenhoutachtig.

Ebenus: um: ebbenhout.

Eberneum:: ivoorachtig.

Ebbingei: ter ere van de voorzitter van de tuinbouwschool te Boskoop, E. Ebbinge.

Ebracteata: zonder schutbladen.

Ebulus: goede raad tegen vele ziektes. Of naar Euboa, groeiplaats, een Spaans eiland, vergelijk Apuleius 91 "Ebulus alii euboicen.

Ecae: spoorloos, zonder spoor.

Ecalcarata: fijn getande rand van de lip.

Echinata: um: us: egelvormig.

Echinaria: echinella: klein egelachtig.

Echioides: egelachtig.

Echinospora: echinocarpa: zaad met stekels.

Echioides: als Echium.

Ecklonis: een van de eerste botanische onderzoekers in de Kaap, Duitser Christian Friedrich Eclon, 1795-1868.

Eclipta: ontoereikend.

Edentula: zonder tanden.

Edmundoi: Braziliaanse botanist Edmundo Pereira, 1914-1986.

Edulis: edule: eetbaar.

Edwardsiana: George Edwards, gouverneur van de Crown Colony van Labaun.

Effusa: us: uitgegoten, los uitspreiden.

Egena: arme behoeftige man.

Eglanteria: doornig.

Ehrenbergii: Duitse botanist Christian Gottfried Ehrenberg, 1795-1876.

Ehrharta: Duitse botanist Jacob Friedrich Ehrhart, 1742-1795.

Eichleri: Wilhelm Eichler, Russische plantenliefhebber te Bakoe, directeur van de botanische tuin te Berlijn.

Einseleana: Zwitserse botanist Arthur Einsele.

Eisenii: Zweedse zošloog en archeoloog Gustaf Augustus Eisen, 1847-1940.

Elaegnifolia: duindoornachtig blad.

Elastica: us: elastisch.

Elaterium: purgerend middel.

Elatines: Elatine-achtig, spits.

Elatior: hoger, slank verheven.

Elatius: groter, verhevener.

Elatum: a: us: elaterum: hoog, slank.

Eleagnos: olijfbladig.

Elegans: sierlijk, elegant.

Elegantissima: zeer elegant.

Elegantula: us: sierlijker.

Elemifera: elemi of wierook dragend.                                                                                

Elephantipes: olifantsvoet.

Elephantoides: omdat de dorens op de slagtanden van een olifant lijken.

Eleusine: Eleusis, oude stad van Attica bekend om de geheimen van Ceres.

Eleuteria: zeezijde balsem.

Elisabethae: Elisabeth von Wied, vrouw van koning Karel Eitel Friedrich I van Roemeni‘, 1843-1916.

Elisabethae: Elisabeth, echtgenote van aartshertog Rainer van Oostenrijk, 1783-1864.

Ellacombeanum: H. N. Ellacombe, Engelse geestelijke en plantenliefhebber, 1822-1916.

Elliottiana: kapitein Elliot te Farnborough Park Hampshire, Engeland waar deze plant voor het eerst in 1890 bloeide.

Elliptica: us: um: elliptische bladeren.

Elmeri: botanist Adolph Daniel Edward, 1870-1942.

Elmeri: botanist Elmer Reginald Drew, 1865-1930.

Elodes: uit het moeras.

Elongata: um: us: verlengd.

Ellwangeriana: Amerikaanse 19deeeuwse kweker George Ellwanger.

Elwesii: Henry John Elwes, Engelse botanist, 1846-1922.

Emarginatum: us: ondiepe inkeping aan het eind.

Emeriflorus: een dag bloeiend

Emersum: tevoorschijn komend, drijvend.

Emerus: opkomend.

Eminii: naar Emin Pasha, de aangenomen naam van Eduard Sennritzer, 1840-1892.

Emmenanthe: zich te houden en bloem, de bloem die blijft.

Emodi: Emodon, oude Griekse naam voor de Himalaya.

Emoryi: ambtenaar van het leger van de Mexicaanse boundery survey Maj William Hemsley Emory, 1811-1887.

Empetrifolia: met blad als Empetrum.

Empetriformis: als Empetrum gevormd.

Endlicherianum: St. L. Endlicher, Oostenrijkse botanist, 1804-1849.

Endresii: Duitse botanist A. R. Endres die de eerste plant verzamelde en naar Reichenbach stuurde.

Endressii: Duitse botanist Ph. A. Chr. Endress, 1806-1831.

Endtmannii: Duitse botanist E. Endtmann.

Engelmannii: Duits Amerikaanse botanist George Engelmann, 1809-1884.

Engleriana: Heinrich Gustaf Adolf Engler, 1844-1930, Duitse botanist.

Enhydrus: op water.

Enneaphylla: os: negen bladeren.

Ensata: zwaard.

Ensifolia: zwaardachtig blad.

Ensiformis: zwaardachtig.

Ephemerum: 1 maal durend, goed blijvend.

Epigeios: bovengronds.

Epilinum: op vlas groeiend.

Epilis: weinig haar.

Epipactis: Epipactis-achtig.

Episcopalis: als een bisschopsmijter.

Epithymum: op tijm groeiend.

Epithymoides: Epithymum of tijmachtig.

Equisetifolia: paardenstaartachtig blad.

Equestre: Latijn voor paardberijder, dus ridder.

Equestris: paardenstaartachtig.

Equitans: heeft te maken met rijden.

Equi-trojani: Trojaans paard.

Esquirolei: botanist Joseph Henri Esquirol, geboren in 1870.

Erecta: um: rechtop, opgaand.

Erecticaulis: met een rechte steel.

Erectiuscula: opgaande kolom.

Eremicola: eenzaam of solitair. cola bewoner van.

Ericifolium: met blad als Erica.

Erigena: ik loop of zie, overweeg.

Eremicum: van de woestijnen, eenzaam.

Eriantha: us: wollige bloemen.

Eriastrum: wollige plant met stervormige bloemen.

Ericoides: heideachtig.

Eriocalyx :wollige bloembodem.

Eriocarpa: wollige zaden.

Eriocaulis: wolachtige stengels.

Eriophorum: wol dragend.

Eriosperma: wollige zaden.

Eriophylla: um: wollig blad.

Eriostachys: wollige aar.

Eriostemon: wollige meeldraden.

Erinaceus: egel.

Erinus: wraakgodinnen.

Ermani: Duitse wetenschapper Georg Adolf Erman die Kamtsjatka in 1828 bezocht.

Ernesti-augusti: Ernest Augustus, koning van Hannover, 1771-1851.

Erosa: erosie, uitgebeten of afgeknaagd.

Erostrata: zonder een snavel.

Erubescens: rood wordend, blozen.

Erucifolius: met blad als Eruca.

Erysimoides: als Erysimum.

Erythraea: rode bloemen.

Erythrocarpa; um: us: rode vruchten.

Erythrophylla: rode bladeren.

Erythrosepala, rode meeldraden.

Erythrosera: rode sluier.

Erythrosperma: rode zaden.

Escholzia: ana: um: ii: botanist uit Estland, dr. Johann Freidrich Gustav von Eschscholtz, 1793-1831.

Esculenta: um, us: eetbaar.

Esotericum: opkomend van binnen.

Esula: verlatijnste vorm van Keltische naam die scherp betekent, van esu: scherp, bijtend.

Etruscens: Toscaans of uit Etruri‘.

Euchlora: helder groen.

Eucnide: goed stekende plant.

Eucrypte: goed verborgen.

Eulobus: goed gelobd.

Eupatorioides: leverkruid, als Eupatorium.

Eupatoria: um: leverkruid, als Eupatorium.

Eupetalus: goede bloembladeren.

Euphratica: van de Eufraat.

Europaeum: ea: us: um: uit Europa.

Eurycarpa: um: wijd of breed en vrucht.

Evanidum: gevoelig, verdwijnend, vervangend.

Evansiana: Engelse, Amerikaanse botanist Joseph Evans, 1803-1874.

Evectum: omhoog geheven.

Ewanii: botanist Joseph Andorfer Ewan, 1902-1999.

Ewersii: J.Ph. G. Ewers, Russische staatsraad en plantenliefhebber in het begin van de 19de eeuw.

Exaltata: im: hoog opgroeiend.

Exarata: met diepe groeven.

Exaristata: met een lange borstelachtige tip, baard.

Exbury-hybriden en Knap Hill hybriden van de Knap-Hill Nurseries, Woking, Engeland, later van Exbury Estate waar L. de Rothschild veel kruiste.

Excavata: us: uitgehold.

Excelsa: verheven, lang, naar voren of boven strevend.

Excelsior: groter, naar boven strevend.

Excisus: uitgesneden.

Excorticata: met een bast.

Exertus: uitsteken, krachtige actie.

Exigua: us: klein, zwak of gering.

Exilis: klein, dun.

Eximia: um: us: het mooiste, voortreffelijk, uitmuntend.

Expansa: uitgebreid.

Explodens: uiteen spattend.

Exscapa: zonder stengels.

Exserta: komt uit of bij een omgevende structuur.

Extremorientalis: extreem oosters.

Eyrisii: Franse schrijver die de reis van Alexander von Humboldt beschreef, Jean Baptiste Benoit Eyries.

 

 

Betekenis van plantennamen die met een F beginnen.

 

Faassenii: J.H. Faassen, boomkweker te Tegelen, Nederland.

Faba: boon.

Fabago: fabaria: fabaceae: fabaceus: boonachtig.

Facchinii: Francesco Facchini, 1788-1852, Oostenrijkse arts en botanist.

Faguetiana: Franse botanische schilder Auguste Faguet, 1841-1886.

Fairrieanum: Engelse orchidee liefhebber Fairrie uit de 19de eeuw.

Falcata: us: um: zeis of sikkelvormig.

Falcifolium: zeisvormig blad.

Falconeri: Schotse botanist Hugh Falconer, 1808-1865.

Fallax: misleidend, bedrieglijk.

Famatinensis: Sierra de Famatina, hoofdgebied van de verspreiding.                      

Farfara: meelachtig.

Farinaceae: bepoederd, meelachtig.

Farinifera: meel dragend.

Farinosa: met meel bestoven.

Fasciata: met banden.

Fasciculata: um: us: bundels gewijze.

Fasicularis: met bundels.

Fastigiata: um: even hoog, recht opgaand.

Fastuosa: prachtig of hoogmoed, er trots op zijn.

Fatua: droog, smakeloos.

Fargesii: P. G. Farges, 1844-1912, Franse missionaris en plantenverzamelaar in W. China.

Farnesia: Farnesia, de tuin in Rome, van O. Farnese, zoon van de hertog van Parma die 1578 en 1692 landvoogd was van de zuidelijke Nederlanden. Op zijn landgoed in Itali‘, het Palazzo Farnese, werden de eerste exemplaren van deze boom aangeplant.

Farreri: Engelse plantenverzamelaar in China, Reginald J. Farrer, 1880-1920.

Fauconettii: Ch. Fauconnet, Zwitserse arts en botanist, 1811-1875.

Favratii: Louis Favrat, Zwitserse botanist, 1827-1893.

Febrifuga: koorts werend.

Felina: katachtig.

Fendleri: ana: August Fendler, Duitse plantenverzamelaar, 1813-1883.

Fenestra: venster.

Fenestralis: us: doorboord met openingen of vensters.

Ferdinandi-coburgii: Ferdinand Maximilian von Saksen-Coburg, koning van Bulgarije, geboren in 1861.

Fergusonii: gewonnen door F. W. Smith te Weybridge en genoemd naar G. Ferguson Esq uit dezelfde plaats in Engeland.

Fergusoniae: botaniste Margaret Clay Ferguson, 1863-1951.

Fernaldiana: ii: Amerikaanse botanist Merritt Lyndon Fernald, 1873-1950.

Fernambucensis: verkeerde beschrijving van de Braziliaanse provincie Pernambuco.

Ferocactus: woeste cactus.

Ferulifolia: met blad als Ferula.

Ferox: woest, afschrikwekkend.

Ferrea: ijzerhout.

Ferrisiae: Roxana Judkins Ferris, 1895-1978..

Ferrisii: James Henry Ferriss, 1849-1926..

Ferruginea: um: roestkleurig rood.

Fertilis: vruchtbaar.

Festalis: een feest.

Feta, van foetus: productief, zwanger, produceren.

Ficaria: aambeien of spenen.

Ficifolia: um: vijgenbladachtig.

Ficus-indica: Indische vijg.

Fieberi: Franz Xaver Fieber, Oostenrijkse botanist in de eerste heft van de 19de eeuw.

Fieldingii: Engelse botanist Henry Botton Fielding, gestorven in 1851.

Filaginea: us: met draden.

Filago: draad.

Filamentosa: met wollige draden.

Filiculoides: varenachtig.

Filifolia: um: us: draadachtige bladeren.

Filiformis: me, filifera: draadachtig.

Filipendulina: aan draden tezamen hangend.

Filipes: draadachtige stelen.

Filix‑femina: vrouwelijke varen.

Filix-mas: mannetjes varen.

Fimbrata: um: us: franjes, fijn ingesneden.

Fimbrilligerum: franjes dragend

Firmipes: stevige voet.

Fischeri: Fr. E. L. von Fischer, 1782-1854, Duitse botanist.

Fissum: gespleten.

Fissuricola: spleet, een bewoner die er in leeft.

Fistula: hol, buisvormig.

Fistulosa: um: us; pijp of buisachtig.

Flabellata: waaiervormig.

Flabellifer: waaier dragend.

Flaccida: us: slap of los.

Flagellaris: zweep vormig.

Flagelliformis: roede vormig.

Flammea: um: vuurrood of vlammend.

Flammula: brandend of vlammend.

Flaveria: puur geel.

Flavescens: steeds geel.

Flavicomus: geel behaard.

Flavidus: um: geelachtig.

Flaviflorum: gele bloemen.                                                  

Flavissima: geelste.

Flavoculata: us: geel oog.

Flavoviride: geelgroen.

Flavum: geel.

Flemingii: botanist Guy Lowd Fleming. 1884-1960.

Fleischeri: Johann Gottlieb Fleischer, Z. Duitse apotheker en botanist die deze plant het eerst heeft gevonden, 1797-1838.

Flexicaulis: beweegbare stengels.

Flexilipes: beweegbare voeten.

Flexilis: flexibel.

Flexuosa: um: heen en weer gebogen.

Floccosum: wollig.

Florentina: uit Florence.

Florentula: langzaam bloeiend.

Floribunda: um: us: rijk bloeiend.

Florida: bloeiend.

Floridana: uit Florida.

Floriferum: bloemen dragend.

Florindae: Florinda, echtgenoot van de auteur, F. Kindom Ward in 1924.

Flos-aqua: waterbloei.

Flos‑cuculi, bloem van koekoek.

Flosculosus: met vele kleine bloemen.

Flos-Jovis: godenbloem.

Fluitans: op het water drijvend.

Fluminensis: afkomstig uit Rio de Janeiro, Latijn flumen januarii, rivier.

Fluviatilis: aan rivieren groeiend.

Foemina: vrouwelijk.

Foeniculum: venkelachtig.

Foenum‑graecum: Grieks hooi.

Foetida: stinkend.

Foetidissima: zeer stinkend.

Foldatsii: botanist Ernesto Foldats uit Venezuela, 1925-2003.

Foliosa: um: bladrijk.

Foliosisumum: met de meeste bladeren.

Follicularis: zakjes dragend.

Forbesii: Engelse botanist prof Edward. Forbes, 1815-1854.

Fomentarius: rook vormend.

Fontana: um: bron of fonteinen beminnend.

Fontanesiana: bronnen beminnend.                                                                                                             

Fontinella: is: bij meren of fonteinen.

Fontenaysii: uit Fontenay, Frankrijk.

Forbesii: Charles Noyes Forbes, 1883-1920, conservator aan Bishop Museum in Hawa•.

Foremanii: botanist Donald Bruce Foreman, 1945-2004.

Formanekiana: E. Formanek, Oostenrijkse plantenverzamelaar in tweede helft 19de eeuw.

Formica: um: mierachtig kruipen.

Formosa: us: um: mooi bloeiend.

Formosissima: overtreffende trap van mooi.

Formosana: us: uit Formosa.

Forrestii: Georg Forrest, Engelse plantenverzamelaar en botanist, 1873-1932.

Forresteriana: um: W. Forster, senator in dezelfde staat als de earl of Belmore.

Forsteri: Otto Forster, plantenliefhebber uit Augsburg, Duitsland.

Forsteri: Georg Forster, Duitse professor in de botanie, 1754-1795.

Fortis: forser.

Fortunei: Engels, Schotse botanist Robert Fortune die planten in China verzamelde, 1812-1880.

Fosbergii: Francis Raymond Fosberg, 1908-1993.

Fosteriana: Michael Foster, Engelse plantenliefhebber en botanist, 1836-1907.

Fowleri: Canadese geestelijke dr. James Fowler, 1829-1923.

Fourcroydes: Anthony Francis Fourcroy, Franse chemist, 1755-1809.

Fournieri: Eugene Fournier, 1834-1884, Franse botanist.

Foveolatus: met kleine groefjes.

Fracta: gebroken.

Fragarioides: aardbei-achtig.

Fragiastrum: aardbeiachtig.

Fragiferum: aardbei dragend.

Fragilis: breekbaar of fragiel.

Fragrans: geurend.

Fragrantissima: zeer geurend.

Franchetii: Franse botanist Adrien Rene Franchet, 1834-1900.

Frainetto: inlandse naam in de Balkan voor een eik.

Franciscana: um: is: uit San Francisco.

Franchetii: Adrien Franchet, Franse botanist, 1834-1900.

Francisci-ferdinandii: Franciskus-Ferdinand, waarschijnlijk wordt hier gedoeld op de koning van Aragon, Ferdinand, 1452-516.

Frangula: breken, fragiel of broos.

Franklinii: sir John Franklin, 1786­-1847, scheepskapitein, arctische onderzoeker en gouverneur van Tasmania van 1836 tot 1843.

Fraseri: Schotse botanist, John Fraser, 1750-1811.

Fraseri; Fraser nurseries, Birmingham Alabama, gesticht door Oliver Weston Fraser, 1887-1978.

Fratensis: gevonden op Mont Frate in Z. Tirol.

Fraxinea: esachtig.

Fraxinifolia: esachtig blad.

Fremontii: J. H. Fremont, 1813-1890, Amerikaans officier.

Fresnensis: uit Fresno.

Frereana: van de paters die het gebruiken in de Koptische kerk.

Freycinetianum: freyniana: freynii: J. Freyn, Oostenrijkse botanist, 1845-1903.

Friburgensis: uit Freyburg.

Friederichsenii: Duitse botanist L. Friederichsen rond 1900.

Friedrichsthalianum: Oostenrijkse botanist en onderzoeker Emanuel von Friedrichtsthal, 1809-1842.

Frigida: us: stijf, in koude streken voorkomend.

Frikartii: Zwitserse kweker C. Frikart uit Stafa.

Froebelii: Duitse botanist Julius Froebel, 1805-1893.

Frondosa: us: bebladerd.

Frumentaceae: graanachtig.

Frutex: heester.

Fruticohybrida: heesterachtige hybriden.

Fruticulosa: us: frutescens: fruticans: heesterachtig.

Fucatum: gekleurd, geverfd.

Fuchsii: Tubinger dokter Leonhard Fuchs, schrijver van medische werken en kruidboeken, 1501-1566.

Fuchsioides: Fuchsia-achtig.

Fuciflora: vals hommelachtig.

Fulgens: fulgida: lichtend of schitterend.

Fulleri: Amerikaanse botanist George D. Fuller, 1869-1961.

Fullonum: van de fuller of volder.

Fulva: um: us: taankleurig, bruinrood

Fulvescens: wordt taankleurig.

Fumaeriaefolia: fumariifolia: met blad als Fumaria of duivenkervel.

Funera: us: behorende tot de doden of als het uit Amerika komt de Funeral mountains.

Fungosa: zwam of sponsachtig.

Funkii: Chr. H. Funk, Duitse apotheker en botanist, 1771-1839.

Furcans: gevorkt.

Furcata: us: um: furfuraceae: gevorkt, gaffelvormig.

Fusca: us: donker of bruin.

Fuscata: um: bruinachtig.

 

 

Betekenis van plantennamen die met een G beginnen.

 

Gabonensis: uit Gabon.

Gaertneri: Duitse arts en botanist Joseph Gaertner, 1732-1791.

Gagnepainii: Franse botanist die veel publiceerde, Franois Gagnepain, 1866-1952.

Galacifolia: met bladeren als Galax.

Galanga: galigaan.

Galbinum: groengeel.

Galbaniflua: galbanum vloeiend.

Gale: zoete gal.

Galeobdelon: wezelstank.

Galericulata: mutsachtig..

Gallaecicus: Galici‘, Noordwest Spanje.

Gallica: um: Frans.

Galpinii: Zuid Afrikaanse botanist en bankier, Ernest Edward Galpin, 1858-1941.

Gambelii: botanist William Gambel, 1821- 1849.

Gandavensis: uit Gent.

Ganderi: botanist Frank Bos Gander, 1899-1976.

Ganitrus: guirlande, krans.

Gansuensis: Gazaneh in Iran.

Garayi: Amerikaanse botanist Leslie Andrew Garay, 1924.

Garciae: in 1976 genoemd naar J. Garcia-Cruz.

Gardenii: A. Garden, Amerikaanse arts en botanist in de tweede helft van de 18de eeuw.

Garganica: naar de berg Gargano in Apuli‘.

Gaudinii: Zwitserse prediker en botanist Jean Francois Aime Philippe Gaudin, 1766-1833.

Gaultherioides: Gaultheria-achtig.

Gautieri: Franse botanist Marie Clement Gaston Gautier, 1841-1911.

Gebanga: land Gebang bij Soerakarta.

Gemmifera: um: met knopjes.

Geniculata: us: in de lengte verbonden.

Gendarusa: Javaanse naam is gandaroesa.

Genevensis: uit Geneve.

Geniculatus: knievormig, van knopen voorzien.

Geniculiflora: um: op knopen bloeiend.

Genipi: likeur.

Genkwa: plaats van ingang, meestal in de Boeddha tempels.

Gentianoides: gentiaanachtig.

Gentilis: familie, erfelijk verwant.

Geoides: Geum-achtig.

Geraniifolius: met blad als Geranium.

Geranioides: Geranium-achtig.

Gerardii: Engelse botanist John Gerarde, 1545-1611.

Gerardii: Franse botanist en arts Louis Gerard, 1733-1819.

Gerardii, gewonnen door G. Chabanne in de botanische tuin te Lyon, Frankrijk en genoemd naar R. Gerard, directeur van die tuin.

Geminispina: tweeling dorens.

Germanica: Germaans, Duits.

Germanorum: Duitsers.

Germinans: voort spruiten.

Gesneriana: K. von Gesner, Zwitserse arts en kruidkundig, 1516-1565.

Geum: Geum-achtig: stimuleren.

Gibertii.: JosŽ Ernesto Gibert, de eerste verzamelaar van de plant.

Gibbum: a: gibbosa: bultig of gebocheld.

Gibraltarica: van Gibraltar.

Gigantea: us: um: zeer groot, gigantisch.

Gigas: gigantisch groot.

Gileadensis: uit Gilead.

Gilbertii: Engelse botanist John Gilbert, 1834-1920.

Gilgiana: E. Gilg, Duitse botanist.

Gilletii: Franse botanist Claude Casimir Gillet, 1806-1896

Gilliesii: Schotse scheepsarts die later botanist werd, vooral in Z. Amerika, John Gillies, 1792-1836.

Gilvocanescens: kort behaard.

Ginnala: inheemse naam.

Ginseng: gelijk als de mens.

Giraldii: pater Giraldi die de plant uit China opstuurde.

Githago: gith: zwartachtig.

Glabella: us: tamelijk glad, niet behaard.

Glaber: glabra: glad, zonder haren.

Glabberima: zeer glad.

Glabrata: glabrescens: kaal of glad wordend.

Glacialis: uit de gletsjers.

Gladiatus: gladiator, de horens.

Glandularia: een kleine eikel.

Glandulifera: um: us: klieren dragend.

Glandulosa: um: us: met klieren bezet.

Glandilufolia: blad met klieren.

Glastifolius: met wede-achtige bladeren.

Glaucescens: wat zeegroen blauw.

Glauca: um: us: zeegroen blauw.

Glaucifolia: us: glaucophylla: um: glauciifoli: zeegroen blauw blad.

Glaziovi: glazioviana: Franse botanist Auguste Francois Marie Glaziou, 1828-1906.

Globifera: us: globulifera: kogels of pillen dragend.

Globosa: um: us: kogel of balvormig.

Globulariifolium: met blad als Globularia.

Globulus: kogelachtig.

Glochidita: haakvormige spinules.

Glomerata: um: us: op elkaar geplakt kluwen.

Gloriosa: glorieus, heerlijk of roemrijk.

Gloriosoides: als Gloriosa.

Glumaceum: van kafjes voorzien.

Glutinosa: um: kleverig.

Glyciosmus: zoet geurend.

Glycyphyllos: zoet bladig.

Glyptosperma: gebeeldhouwd of ingekerfd zaad.

Glyptostroboides: ingekerfde kegelschub.

Gmelinii: Johann Georg Gmelin, Duitse botanist, 1709-1755.

Gmelinii: Duitse botanist Johann Friedrich Gmelin, 1748-1804.

Gnoma: een merk of teken.

Godseffiana: J. Godseffe, ca 1900 bedrijfsleider bij Sander & Sons te St. Albans, Londen.

Goldieana: Engelse botanist John Goldie, 1793-1886.

Goldieana: Hugh Goldie, Engelse presbyteriaanse zendeling in tropisch Afrika.

Gordonianus: Engelse botanist George Gordon, 1806-1879.

Gossypifolia: blad als de katoenplant.

Goveniana: Engelse botanist James Robert Gowen, 1783-1862.

Gracile: is: gracilensis: slank, sierlijk.

Graciliflora: slanke sierlijke bloemen.

Gracilipes, sierlijke voetstengels.

Gracillinum: us: zeer bevallig.

Graebner; iana: Duitse botanist, 1871- 1933.

Graeca: uit Griekenland.

Grahamii: Amerikaanse botanist James Duncan Graham, 1799-1865.

Grahamii: Schotse arts en botanist Robert Graham, 1786- 1845.

Graminea: us: grasachtig.

Graminifolia: um: grasachtig blad.

Gramuntia, uit Gramont, Frankrijk.

Granadensis, granaatappelachtig.

Granatum: granaten of vele zaden.

Grande: magnifiek, groots.

Grandicephalus: um; grotere hoofdjes.

Grandidentata, met zeer grote tanden.

Grandidieri: Franse botanist Alfred Grandidier, 1836-1921.

Grandiflora: um: us: grote bloemen.

Grandifolia: grote bladeren.

Graniticola: bewoner van korrelige grond.

Gratianopolitanus: op graniet groeiend.

Grantianum: grantii: botanist George Barnard Grant, 1849-1917.

Granulata; us: granaticus: korrelig.

Granum-paradisi: paradijsgraan.

Grata: van grutus: dankbaar.

Gratissima: um: aangenaam in de overtreffende trap.

Gratus: aangenaam.

Graveolens: sterk ruikend.

Grayi: ia: Asa Gray, Amerikaanse botanist, 1810-1888.

Greenei: plantenverzamelaar Edward Lee Greene, 1843-1915.

Gregaria: behorende tot een groep.

Greggii: Amerikaanse onderzoeker Josiah Gregg, 1806-1850.

Gregorii: naar de Schotse ontdekkingsreiziger John Walter Gregory, 1864-1932.

Greigii: Samu‘l Alexejowitch Greig, voorzitter van de keizerlijke Russische Tuinbouwvereniging te St. Peterburg in de tweede helft van de 19de eeuw.

Grengiolensis: groeit in Grengiols, Kanton Wallis, Zwitserland.

Griffithii: Engelse arts en botanist, William Griffith, 1810-1845.

Grignonii: Arboretum de Grignon, Frankrijk, gesticht door M. Mouilefert, professor te Grignon.

Grisebachii: H.R. A. Grisebach, Duitse botanist, 1814-1879.

Grisea: us: grijs.

Griseo-argentea: grijs zilverkleurig.

Groenlandica: um: uit Groenland.

Grossekii: Hongaarse botanist Grossek.

Grosseratum: us: groot gezaagd.

Grossularia: een onrijpe vijg, gelijkend op.

Grossus: zeer groot.

Gruinum: us: op de snavel van een kraanvogel gelijkend.

Grusonii: Hermann August Jacques Gruson, planten en cactusliefhebber te Buckow, bij Magdenburg, Duitsland, 1821-1895.

Gryposepala: gehoekte bloembladeren.

Guanchia: guanchica: het volk Guancho op de Canarische eilanden.

Guaco: slang bestendig.

Guadalupensis: van Guadalupe mountain.

Guianense: uit Guyana.

Guatemalensis: uit Guatemala.

Guestphalica: Westfalen.

Guilfoylei: Australische botanist Willliam Robert Guilfoyle, 1840-1912.

Guineensis: uit Guinee.

Guianensis: uit Guinea.

Gummi-gutta: druppel melksap of gutta.

Gummifera: um: gom dragend.

Gummosa: gom leverend.

Gunni: Zuid Afrikaanse, Australische luitenant en botanist Ronald Campbell Gunn, 1808-1881.

Gunnisonii: Amerikaanse officier en onderzoeker John Williams Gunnison, 1812-1853.

Guttata: um: us: bedroppeld, bedekt met vlekken.

Gymnocarpa: um: on: naakte vrucht.

Gynandra: tuinman Heinrich Jacob Gynander.

Gynodynama: mogelijk van Grieks voor vrouw en dynamisch, krach, sterkte.

Gypsophiloides: Gypsophila-achtig: houdt van gipsgronden.

Gyra: ns: rond draaiend.

 

 

Betekenis van plantennamen die met een H beginnen.

 

Habenaria: teugel van een paard, de vorm van de spoorteugel.

Haageana: Duitse botanist Friedrich Adolph Haage, 1796-1866. Haage & Schmidt, kwekers te Erfurt, Duitsland.

Haastii: J. F. J. von Haast, Duitse geoloog en plantenverzamelaar, 1824-1887.

Hachijoensis: van het eiland Hachijo-jima in Japan.

Hackelii: E. Hackel, Oostenrijke botanist, 1850-1916.

Hacquetii: B. Hacquet, Franse botanist, 1739-1815.

Hadriani: naar een van de oudste geschriften over de Nederlandse Flora van Adriaan de Jong, ofwel Hadrianus Junius.

Haemantha: bloedrode bloemen.                                                                              

Haematocarpa: met bloedrode vruchten.

Haematodes: rode helmdraden.

Hageri: Friedrich Hager, Duitse koopman en plantenverzamelaar in de tweede helft van de 19de eeuw die deze plant samen met de auteur Heldrich vond.

Heldreichii: Th. Von Heldreich, Duitse botanist, 1822-1902.

Hagsateri: in 1995 genoemd naar Eric H‡gsater.

Halepensis: se: uit Aleppo, Syri‘.

Halimifolia: met blad als Halimus..

Halleanum: hallianum: een boer met grote belangstelling voor botanie, Elihu Hall, 1822-1882.

Halleri: Zwitserse botanist Albrecht von Haller, 1708-1777.

Halliana: George Rogers Hall, 1821-1899, Amerikaanse handelaar en plantenverzamelaar.

Hallii: gewonnen door A. J. Hall te Harrogate in Engeland.

Hallii; Elihu Hall, 1822-1882, Amerikaanse plantenverzamelaar.

Halliana: hallii: Amerikaanse botanist Harvey Monroe Hall, 1874-1932.

Halodendron: zeekustboom.

Halophila: um:, zoutblad.

Hamata: us: haakachtig.

Hamatacanthus: haakvormige dorens.

Hamiltonianus: Francis Buchanan, later bekend als Francis Hamilton Buchanna-Hamilton, Schotse dokter en botanist die in India leefde, 1762-1829.

Hamulosa: met kleine haakjes.

Hanburyi: Engelse botanist Daniel Hanbury, 1825-1875.

Hansenii: George Hanson, 1863-1908..

Hansonii: Hanson, Amerikaanse lelieliefhebber in de 19de eeuw.

Haplopappus: eenvoudige pluizen.

Haplopetala: met een eenvoudige rij van bloemblaadjes.

Harcynicum: uit de Harz.

Hardii: verkregen in de tuinen van Luxemburg en ge•ntroduceerd door Hardy.

Hardwickii: Hardwick house bij Bury St Edmunds van Robert Drury, vroeger door Robert Cullum die veel aan flora en fauna deed.

Harfordii: Amerikaanse marine taxonoom en botanist William George Willoughby Harford, 1825-1911.

Hargeri: Amerikaanse botanist Edgar Burton Harger, 1867-1946.

Harisonii: Noord Amerikaanse advocaat G. Harison aan wie deze roos is opgedragen.

Harknessii: arts Harvey Wilseon Harknes: 1821-1901.

Harmala: Harmel is de Arabische naam voor de plant, vermoedelijk genoemd naar de stad in Syri‘ die men Harmala noemde.

Harringtonia: Earl of Harrington die deze boom als eerste in Europa geplant heeft in 1829.

Harrisoniana: Georg John Harrison, 1894-1981?

Harrovianus: Harrow, bedrijfschef bij Mrs. Veitch & Sons, kwekers te Chelsea, Engeland.

Hartwegii: Karl Theodor Hartweg, 1812-1871, Duitse plantenverzamelaar.

Hartwigii: Duitse botanist August Karl Julius Hartwig, 1823-1913.

Hascombensis: gewonnen door Mr. C.T. Musgrave ÔÕHascombÕÕ te Godalming, Engeland.

Haseltoniana: Scott E. Haselton gaf de eerste uitgave van de journal of The Cactus and Succulent Society of America, CSSA.

Hassleriana: Zwitserse botanist Emile Hassler, 1861-1937.

Hastata: spiesvormig.

Hastilis: spies.

Hawkeri: naar de ontdekker Hawker genoemd.

Haworthii: Engelse botanist Adrian Hardy Haworth die het beschreven heeft, 1767-1833.

Hebecarpa: ebbenhouten zaad.

Heckneri: Amerikaanse botanist John Henry Heckner, 1882-1938.

Hectorii: botanist en onderzoeker uit Nieuw Zeeland, James Hector.

Hedeoma: zoete geur.

Hederaceae: us: als klimop.

Hederifolia: um: klimopachtig blad.

Hedysaroides: Hedysarum-achtig.

Heeri: Oswald Heer, Zwitserse botanist, 1809-1883.

Heldreichii: Th. Von Heldreich, Duitse botanist, 1822-1902.

Helenae: naar de berg St. Helena in Sonoma County.

Helenae: Helena Rosa Wright, 1887-1982 die met haar man missiewerk verrichtte in China.

Heleniifolium: blad als Helenium.

Helenium: naar Helena van Troje.

Helianthoides: zonnebloem-achtig.

Helioscopia: zonnedraaier.

Helix: veilige plaats voor slangen.

Helleborine: als Helleborus.

Hellenica: us: uit Griekenland.

Helminthotheca: Grieks helminthos: worm en theca: vat, vorm van de vruchten.

Helmsii: Duitse botanist Richard Helms die naar Australi‘ emigreerde: 1842-1914.

Helodes: wel van elodes: moeras, afgeleid.

Helvetica: um: us: Zwitserland.

Helvola: helvus; honinggeel.

Hemi: half.

Hemisphaerica: um: half bolvormig lichaam.

Hemsleyanum: W. Botting Hemslye, 1843-1924, Engelse botanist.

Hendersonii: kweker Henderson, St. Johns Wood, Engeland.

Hendersonii: Louis Fourniquet Henderson, Amerikaanse botanist, 1853-1942.

Henryi: Augustine Henry, Ierse arts en botanist, 1857-1930.

Hepaticifolia: met blad als Hepatica.

Heptamerum: zeven dagen durend.

Heptaphylla: um: zeven bladeren.

Heracleifolia: blad als berenklauw.

Heracleoticum: uit Herakleia, Turkije.

Herba-alba: wit kruid.

Herba-barona: om baron, soort steak, te laten geuren.

Herbacea: herbaceous: kruidachtig.

Herba-venti: windkruid.

Herbeohybrida: kruidachtige hybriden.

Herbertiana: Engelse botanist William Herbert, 1778-1847.

Herbertii: George Herbert, Engelse geestelijke en plantenliefhebber, 1799-1825.

Herbstii: Hermann Carl Gottlieb Herbst, directeur van de botanische tuin te Rio de Janeiro in Brazili‘, 1830-1904.

Hercynica: uit de Harz.

Hermanniae: Duitse botanist Paul Hermann die een 15 jaar directeur was van de hortus botanist te Leiden, 1646-1695.

Hermaphroditica: tweeslachtig, dus met stuifmeel en stampers.

Herreianus: botanist Hans de Herre, 1895-1979, curator van de botanische tuin van de Stellenbosch universiteit.

Hertrichiana: Duitse botanist die in Amerika werkte, William Hertrich, 1878-1966.

Hessei: gewonnen door Herm. A. Hesse, kweker te Weener a/d Ems, Duitsland.

Hespera: avond, westelijke kant.

Hesperidis: de avond als ze het beste geuren.

Hesperium: us: van het westen of avond.

Heterandra:: verschillende stuifmeeldraden.

Heterantha: us: verschillende bloemen.

Heterochroma: verschillend gekleurd.

Heterodoxa: andere mening.

Heteromalla: verschillend behaard.

Heterophylla: um: us: verschillend bladig.

Heudelotii: Franse botanist J. Heudelot, 1802-1837.

Heuffelianus: heuffelii: J. Heuffel, Oostenrijkse of Hongaarse arts botanist, 1800-1857.

Hexandra: um: met zes meeldraden.

Hexa-farreri: kruising ook in woord tussen hexaphylla en farreri.

Hexapetala: us: met zes bloembladeren.

Hexaphylla: met zes bladeren.

Hexastichon: met zes rijen.

Hians: gapend.

Hibernica: us: uit Ierland.

Hieracifolia: met blad als Hieracium.

Hieracioides: Hieracium of havikskruid-achtig.

Hierochuntica: Latijnse naam voor Jericho.                                         

Hieroglyphica: met Egyptische tekens.

Higginsae: Ethel Bailey Higgens, 1866-1963, conservator in San Diego natural history museum.

Hildebrandii: botanist Friedrich Hermann Hildebrand, 1835-1915.

Hillieri: kwekerij van Hillier & Sons, Chandlers ford in Hampshire.

Himalaicus: uit de Himalaya.

Him-rob: him van himalaicus en rob van robustus.

Hindsii: hindsiana: botanist en chirurg Richard Brinsley Hinds, 1812-1847.

Hintonii: Amerikaanse botanist George Bolle Hinton, 1882-1943.

Hippocastanum: hippos: Grieks voor een paard, plus castanum: kastanje.

Hippomanica: paardenbronst.

Hippomarathrum: paardenvenkel.

Hippolapathum: paardenzuring.

Hippophaeoides: duindoornachtig.

Hircina: um: bok, de geur of afhangende onderlip.

Hirculus: bok.

Hirsutissimum: zeer behaard.

Hirsutula: beetje behaard.

Hirsuta: us: um: ruw behaard.

Hirta: um: behaard.

Hirtellus: us: met zeer kleine stijve haren.

Hirticaule: harige stengel.

Hirtiflorum: harige bloemen.

Hirtula: wat behaard

Hirundinaria: zwaluwstaart.

Hispanica: um: Spaans.

Hispida: us: um: stijfborstelig, met stijve haren.

Hispidulum: us: met wat stijve haren.

Histrio: ongeschikt ingevoegd.

Histrioides: als Iris histrio.

Hodginsii: kapitein HodginÕ s.

Hofmannii: Duitse botanist Hofmann, die veel in Rusland werkte rond 1750-1825.

Hoffmannii: Amerikaanse botanist Ralph Hoffmann, 1870-1932.

Hohenackeri: Zwitserse, Duitse missionaris en botanist, H. Fr. Hohenacker, 1798-1874.

Hollandii: naar Holland die de 2 soorten kweekte te Alkmaar.

Hololeuca: us: geheel wit.

Holopetala: us: hele bloembladeren.

Holoschoenus: volkomen knopbies.

Holosericea: ca: geheel zijdeachtig behaard.

Holostea: heelbeen.

Holosteoides: Holostea-achtig.

Holubyi: Jos L. Holuby, Hongaarse botanist, gestorven in 1923.

Hoodii: Schot Walter Hood was een botanische illustrator, 1817-1892.

Hoodii: Amerikaanse onderofficier Robert Hood van de eerste Arctic land expedition, in 1819-1822.

Hoogiana: J. M. C Hoog, directeur van C. G. van Tubergen Ltd. uit Haarlem.

Hookeri: Engelse botanist sir William Jackson Hooker, 1785-1865, eerder directeur van de Botanical Gardens.

Hookereriana: Engelse botanist, onderzoeker en vriend van Darwin, sir Joseph Dalton Hooker, directeur van de Botanical Gardens als opvolger van zijn vader William Jackson Hooker, 1817-1911.

Hoopesii: Amerikaanse botanist Thomas Hoopes, 1834-1925.

Homolepis: van Grieks homo: zelfde, en lepis: schub.

Hondai: naar zijn vinder Soichiro Honda.

Hoopesii: Amerikaanse botanist Josiah Hoopes, 1832-?

Hoppeanum: Duitse botanist David Heinrich Hoppe, 1760-1846.

Hopwoodiana: Hopwood en co, kweker uit Lancaster.

Hopwoodii: Henry Hopwood, die in 1834 vanwege gestolen zijde naar Australi‘ werd verbannen, meest bekend vanwege zijn ferry, nu HopwoodÕs ferry.

Hordeaceus: hordeoides: op Hordeum gelijkend.

Horizontalis: waterpas, horizontaal.

Horminum: hormonen.

Hornemanniana: hornemannii: Deense botanist Jens Wilken Hornemann, 1770-1841.

Horsfieldii: Amerikaanse arts en naturalist Thomas Horsfield, 1773-1859.

Horrida: us: um: horridula: afschrikwekkend.

Hortensa: is: hortorum: van de hof, hortus of tuinen.

Hostiana: hosti: Nicolaus Thomas Host 1761-1834, Fin van geboorte en lijfarts van keizer Frans I van Oostenrijk. Schrijver van een flora van Oostenrijk/Hongarije.

Hostmanniana: Duitse botanist Friedrich Wilhelm Rudolf Hostmann, 1794-1864.

Houlletianum: Franse plantenverzamelaar in Brazili‘ R. J. B. Houllett, 1811-1890.

Houstonianum: Schotse arts W. Houston die in het begin van de 18de eeuw planten verzamelde in Midden Amerika.

Houttei: kweker van Houtte uit Gent rond 1840.

Howardii: Amerikaanse botanist Richard A. Howard, 1917-2003?

Howardii: kweker F. Howard uit Los Angeles.

Howella: ii: Thomas Howell, 1842-1912, Amerikaanse botanist met zijn broer Joseph, 1830-1912.

Howelliella: ii: botanist John Thomas Howell, 1903-1994.

Howellii: botanist Thomas Jefferson Howell, 1824-1912.

Hubbaridiana: Engelse botanist, Charles Edward Hubbard, 1900-1980.

Huberi: Zwitserse, Braziliaanse botanist Jacques Hubert, 1867-1914.

Hudsonianum: uit Hudson Bay in Canada.

Hudsonii: Engelse botanist en apotheker, 1730-1793 Hudson.

Huetii: botanist Edourd Huet du Pavillon, 1819-1908.

Huehuetenagensis: genoemd naar een plaats van die naam in Guatemala.

Hugeri: A.M. Huger Amerikaanse plantenliefhebber, 1842-1925, die de plant ontdekte.

Hugonis: Father Hugh Scallan, die bekend was als Pater Hugo.

Humboldtiensis: van Humboldt County.

Humboldtii: Friedrich Wilhelm Heinrich Alexander, baron von Humboldt, Duitse natuurhistoricus en onderzoeker, 1769-1859.

Humeana: David Hume, tuinman aan de botanische tuin te Edinburgh, begin 20ste eeuw.

Humicola: in de grond groeiend.

Humifusa: um: gestrekt, op de grond liggend.

Humile: is: nederig.

Humistratum:, laag liggend.

Hungarica: us: uit Hongarije.

Hupehensis: uit Hupeh, nu Hebei.

Hyacintha: hyacintblauw.

Hyacinthina: us: hyacinthoides: hyacint-achtig.

Hyalinum: transparant.

Hyeana: hyenakleurig.

Hybrida: um: um: us: bastaard of kruising.

Hydrangeoides: Hortensia-achtig.

Hydrolapathum: waterzuring.

Hydropiper: waterpeper.

Hydrophioides: als Senecio hydrophilus: houdt van water.

Hyemalis: hiemalis: behorende tot de winter.

Hymenosepalus: membraam en bloembladeren.

Hypecoides: als Hypecoum.

Hyperborea: het verre Noorden.

Hypericifolia: blad als Hypericum.

Hypnoides: mosachtig.

Hypo: onder.

Hypochondriacus: duister of somber.

Hypogaea: onderaards.

Hypoglauca: van onderen blauwgroen.

Hypoglossum: huigje of tongetje, het blaadje op de blaadjes .

Hypoleuca: van onderen wit.

Hypophega: onder een den.

Hypophyllum: onder het blad voorkomend.

Hypopithys: onder een den.

Hypopolia: onder glad.

Hyrcanicum: Hyrcana: Perzische landstreek aan de zuidkust van de Kaspische Zee.

Hyssopifolia: met blad als hysop.

Hystricina: cula: us: als een stekelvarken.

Hystrix: stekelvarken.

 

Betekenis van plantennamen die met een I beginnen.

 

Ianthinum: vioolkleurig.

Ianthothele: vioolkleurige tepel.

Iberca: um: Iberisch schiereiland.

Iberica: um: uit Aziatische Georgi‘.

Iberidifolia: met blad als Iberis.       

Ibota: grootbladige liguster.

Icosandra: twintig mannen, meeldraden.

Idaeus: van de berg Ida op Kreta.

Idahoense: is: uit Idaho.

Ida-maia: naar Ida May Burke, 1862-1871, wiens vader Harrison Burke de bloemen liet zien aan Alphonso Wood in 1866.

Ignea: um: gloeiend of vuurrood.

Ignarius: igniarius: brandend.

Ignatii: Jezu•eten bestempelden deze bonen met de voornaam van de stichter van hun orde, Ignatius.

Igniaris: gloeiend.

IIariae, het eiland Nikarian, de plaats van afkomst.

Ilex: God, Allah.

Illecebrosus: aanlokkelijk.

Illicifolia: us: met blad als Ilex.

Illinoinensis: uit Illinois, Amerika.

Illota: vuil, niet gewassen.

Illyricus: um: uit Illyri‘, N. Dalmati‘.

Ilsemannii: Keresztely of Christian Ilsemann, Hongaarse botanist.

Ilvensis: Latijnse vorm van het eiland Elba.

Imberbis: be: zonder baard.

Imbe: met baard.

Imbricaria: dakpansgewijze.

Imbricata: ans: overlappen, in elkaar gezet, dakpansgewijze.

Immaculatum: onbevlekt.

Immemora: onoplettend, vergeetachtig.

Impatiens: ongeduldig.

Impeditum: verwarde, verwikkelt, hinderend.

Imperati: imperalis: keizerlijk, majestueus.

Imperati: Ferrante Imperato, apotheker uit Napels en kruidkundige, 1550-1625.

Imperfecta: us: onvolmaakt.

Implicata: betrokken zijn, verstrikt.

Impolita: ongepolijst, ruw.

Impressa: us: gezonken.

Impudicus: schaamteloos.

Inapertus: niet doorstoken.

Inaequalis: ta: ongelijke.

Inaequidens: ongelijke tanden.

Incana: um: us: grauw, grijs.

Incarnata: um: inkarnaat kleurig.

Incertus: twijfelachtig.

Incisa: um: ingesneden.

Incisifolia: diep ingesneden bladeren.

Incomparabilis: onvergelijkelijk.

Inconspicuus: ua: onopvallend.

Incurva: ingedraaid.

Indecora: um: onaantrekkelijk.

Indica: us: um: uit Indi‘.

Indivisa: niet verdeeld.

Inebrians: bedwelmend.

Ineptus: niet geschikt, niet gepast, op zijn plaats.

Inerme: is: ongewapend.

Iners: zwak of niet actief.

Inexpansa: niet verspreiden.

Infectivus: bevlekt.

Infectorius: van de ververs.

Infesta: verstoren, beschadigen.

Infirma: zwak.

Inflata: um: in of opgeblazen.

Inflexus: binnenwaarts gebogen.

Infula: hoofdtooi van priesters bij de Romeinen.

Infundibuliformis: gegolfd, trechtervormig.

Infundibulum: trechtervormig.

Infuscatus: verduisterd.

Ingens: brandend?

Innominata: niet nader genoemd.

Innocentii: zo genoemd naar de Markies de St. Innocent (onschuld) van Autun, Frankrijk.

Inodora: um: us: geurloos.

Inophyllum: vezelbladig.

Inopinatum: inopinum: onverwacht.

Inops: arm, hulpeloos.

Inornatus: zonder versiering.

Inoxia: verdovend.

Ioensis: uit Iowa.

Inserta: er in geplaatst.

Inundata: um: overstroomd.

Inquinans: bevlekt of besmet.

Insaluta: niet begroet.

Insectifera: insecten dragend.

Insigne: is: onderscheiden, in het oog vallend.

Insolitum: ongebruikelijk.

Insititia: voor onderstam gebruikt.

Insulare: is: van een eiland.

Integer: onkreukbaar, rechtschapen.

Integerrima: us: met een gladde rand.

Integra: gaafrandig.

Integrifolia: gave bladeren.

Intercedens: er tussen te gaan.

Interior: innerlijk, bij een kant.

Intermedia: um: us: er tussen.

Intermontana: tussen de bergen.

Interposita: er tussen geplaatst.

Interrata: begraven of bijgezet.

Interrupta: us: onderbroken.

Intertexta: er tussen gezet.

Intortus: niet gedraaid.

Intricata: um: ingewikkeld, duister.

Intybus: ingesneden.

Inundata: overstroomd.

Invenustus: vlak, niet gesierd.

Inversus: omgedraaid.

Involucrata: van een omwindsel voorzien.

Involvens: opgerold.

Ionantha: vioolbloemig.

Ionasi: Amerikaanse verzamelaar Jonah Boyan.

Ipecacuanha: braken opwekkend.

Iridifolia: met blad als Iris.

Iridiflorus: bloemen als Iris.

Irio: regenboogachtig.

Irriguum: us: goed bewaterd.

Irrorata: bedauwd, bevochtigt.

Isabellae: miss Isabella Forrest, zuster van de auteur Georg Forrest, Engelse plantenverzamelaar en botanist, 1873-1932.

Isabellinus: isabel kleurig.

Isatidea: Isatis-achtig.

Ischaemum: bloedvloed te stoppen.

Islandica: van IJsland.

Isophylla: gelijke bladeren.

Italica: Italiaans, uit Itali‘.

Ithaburensis: Tabor, Richteren 10: 3: Ôje zal komen tot de eik van TaborÕ.

Iva: mogelijk net zoals ivy.

Ivesia: botanist Eli Ives: 1779-1861.

Iwarenge: Japans voor rots lotus.

Ixioides: Ixia-achtig.

Ixtahucana: Ixtahucan, plaats in Guatemala.

 

Betekenis van plantennamen die met een J beginnen.

 

Jacea, zoon van Demeter, of naar de vioolblauwe bloemen.

Jacoba: ae: Sint Jacob of het eiland St. Jago in de Kaapverdische eilanden.

Jacinteus: jacintensis: Mt. San Jacinto, Californi‘.

Jacobianum: Duitse botanist Mathias Jacob Schleiden, 1804-1881.

Jacquemontii: Franse botanist Victor Jacquemont, 1801-1832.

Jacquinii: Nederlandse botanist Nikolaus Joseph Freiherr von Jacquin, 1727-1817.

Jalapa: naar de stad Jalapa in Mexico.

Jambos: van de Indische naam schambu, naam van de boom.

Jamesii: botanist dr. Frederick C. James, 1935-2002.

Jamesonii: plantenhandelaar R. Jameson van de South African Legislative Assembly.

Janeirensis: uit Rio de Janeiro.

Jangomas: naam in Bombay Jaggam zou een aanleiding zijn tot de naam.

Japonica: um: us: uit Japan.

Jasminiflorum: met bloemen als jasmijn.

Jasminoides: jasmijnachtig.

Jatamansi: inlandse naam van deze plant en is een verwijzing naar zijn harige en ruige stengels.

Javanica: um: us: uit Java.

Jejunifolia: darmachtig blad.

Jeffreyi: hortulanus van de botanische tuin te Edinburgh, John Jeffrey, die veel planten verzamelde, 1826-1854.

Jepsonia: ii: us: Amerikaanse botanist, Willis Linn Jepson, 1867-1946.

Jezoensis: Jezo, oude Japanse naam voor Hokkaido.

Johnsoni: Engelse horlogemaker Johnson uit Lancashire 1799.

Johnsonii: Engelse botanist Thomas Johnson, 1600-1644.

Johnsonii: mormon kolonist in Utah, Joseph Ellis Johnson, 1817-1882..

Johnstonii: E. Johnson plantenliefhebber te Oporto, Portugal die deze plant het eerste ontdekte.

Johnstonii: Amerikaanse botanist Ivan Murray Johnston, 1898-1960.

Johnsonii: Andrew John Johnson, 1853-1903 timber surveyor.

Jonesii: Amerikaanse botanist Marcus Eugene Jones, 1852-1934.

Jordanis: uit de Jordaan.

Jorullensis: naar de vulkaan El Jorullo in Mexico waar het type-exemplaar verzameld werd.

Josephinae: naar keizerin Josephine die de bol aankocht nadat die gebloeid had te Malmaison.

Josikaea: barones van Josika die de plant naar de Weense botanist Jacquin zond.

Juarezii: naar Juarez, de premier van Mexico.

Jubata: um: van manen voorzien.

Judaica: Joods, uit Judea.

Juglandifolia: met blad als Juglans.

Jules Hye de Crom: Belgische kweker Jules Hye de Crom uit Gent.

Julia, naar Julia Farnesse, 1850?

Juliana: naar H. Julianus.

Julianae: Juliae: Julia M. Mlokosewitsch te Logadech in de Kaukasus, Russische plantenverzamelaarster, begin 20ste eeuw.

Julibrissin: verbastering van het Perzisch gul-i-abrischim dat zachte zijde betekent.

Juliflora: juli bloeiend.

Julii: Duitse arts en botanist Dr. Julius Derenberg, 1873-1928.

Juncea: um: juncoides: biesachtig blad.

Juncifolius: a: biesachtig blad.

Juniperifolia: met blad als jeneverbes.

Juniperina: Juniperus-achtig.

Jurana: uit de Jura.

Jurisicii: Z. J. Jurisic, Servische botanist in het begin van de 19de eeuw.

Jussieui: Franse botanist Antoine Laurent de Jussieu, 1748-836.

 

Betekenis van plantennamen die met een K beginnen.

 

Kaempferi: Engelbert Kaempfer, Duitse botanist, 1651-1716 geneesheer en ontdekkingsreiziger die onder andere Perzi‘, Sumatra, Java, China en Japan bezocht.

Kaki: van het Japanse kaki-noki: een vrucht.

Kali: van Arabisch qali of algali, er is een beroemd gebied in Saoedi Arabie dat Rub al)kali of Rub al Khali heet: het lege kwartier.

Kalmiana: um: als Kalmia, naar Pehr Kalm, Zweedse botanist en plantenverzamelaar, 1715-1779.

Kalmiiflora: met bloemen als Kalmia.

Kamtschaticus: uit het schiereiland Kamtsjatka, O. Rusland.

Kapela: de naam van de bergtop in Kroati‘.

Karataviense: uit Turkestan, uit het gebergte dat Karatau genoemd wordt.

Karelinii: Russische botanist S. G. Karelin in 1840.

Karvinskianus: 19deeeuwse Duitse onderzoeker Wilhelm Friedrich Karwinski von Karwin.

Kataf: Kataf, volksstam, ook Atyap mensen genoemd.

Katherinae: Mrs. Katherine Saunders, de vrouw van Saunderson uit Toncat bij Natal in Z. Afrika die de bollen van deze soort naar Engeland stuurde in de tweede helft van de 19de eeuw.

Kaufmanniana: K. Kaufmann, gouverneur van Turkestan, 1818-1882.

Keiskei: Japanse botanist Keisuke Ito.

Keleticum: charmant.

Kellereri: naar Kellerer, tuinman van de koninklijke tuinen te Bulgarije.

Kelloggii: Albert Kellogg, Amerikaanse arts en botanist, 1814-1887.

Kelseyi: botanist Francis Duncan Kelsey, 1849-1905.

Kelseyi; Harlan Page Kelsey, 1872-1905, Amerikaanse lanschapsarchitect en kweker.

Kennedyi: William Ledlie Kennedy, 1827-?

Kentukea: uit Kentucky.

Kerchoveiana: Belgische botanist Oswald de Kerchove, 18441906.

Kermesina: Kermesachtig, bloemkleur, paarsachtig.

Kerneri: naar J. S. von Kerner, Duitse botanist, 1755-1830.

Kerneri: Joseph Anton Kerner von Marilaun, Oostenrijkse botanist, 1831-1898.

Kerriodes: Kerria-achtig.

Kesselringii: gekweekt door Wilhelm Kesselring van de Darmstad botanische tuin.

Kethii: Australische botanist Ingram Cyrkl Keith, 1912-2002.

Kevernensis: gevonden te St. Keverne in Cornwall door P.D. Williams Esq te Lanarth, Engeland.

Kewensis: uit de botanische tuin te Kew, Londen.

Kharput: stad in Klein Azi‘.

Kingii: Amerikaanse geoloog Clarence Koning, 1842-1901. Festuca, physaria

Kingianum: kapitein KingÕ s.

Kinkiensis: van de Tongba naam Kinki (voor San Clemente Island) of van Kinkipar, een dorpje op dat eiland.

Kirilowii: P.Y. Kirilow, Russische botanist in de eerste helft van de 19de eeuw.

Kirkii: Engelse botanist Thomas Kirk, 1828-1898.

Kitaibelii: P. Kitaibel, Oostenrijkse botanist, 1757-1817.

Kiusianum: eiland Kyushu in Japan.

Klaineana: plantverzamelaar Pre ThŽophile-Joseph Klaine, 1842-1911.

Knap Hill- en Exbury-hybriden stammen oorspronkelijk van de Knap-Hill Nurseries, Woking, Engeland, later van Exbury Estate waar L. de Rothschild veel kruiste.

Knappii: J. A. Knapp, Oostenrijkse botanist, 1843-1899.

Knippelianus: Duitse cactuskenner Karl Knippel.

Kobus: van Japans koboesji.

Kochiana: W. D. J. Koch, Duitse botanist, 1771-1849.

Kochii: Duitse botanist Karl Heinrich Emil Koch, 1809-1879. Beter: Wilhelm Daniel Joseph Koch, Duitse prof. in de botanie te Erlangen die een flora schreef over Zwitserland en Duitsland, 1771‑1849.

Kola: cola.

Kolenatiana: Fr. A Kolenati, 1813-1864, Oostenrijkse Boheemse botanist.

Kolomikta: de kolomikta van de Goldi, een Mandschurische volksstam.

Kolpakowskiana: um: generaal Gerasim Alexjewitsch Kolpakowski, gouverneur van Semiretschenskaja in Turkestan in de tweede helft van de 19de eeuw.

Komarowii: Russische botanist Leontiewitch Komarow, 1869-1845.

Konishii: Japanse botanist Konishi.

Konjac: Chinese naam voor de wortel.

Koreanensis: koreana: uit Korea.

Korneliuslemsii: Kornelius Lems: Institut Botanique de l'UniversitŽ de Montreal, 1960.

Korolkowii: N. I. Korolkow, gouverneur van Fergana, Turkestan.

Kosaninii: N. Kosanin, Servische botanist, 1874-1934.

Kosterianum: Nederlandse kweker Koster.

Kotschyi: Kotschyanus: Th. Kotschy, Oostenrijkse botanist, 1813-1866.

Kousa: Japanse naam.

Kraetzeri: Emile Desire Kraetzer, 1839-1882, Franse consul in Japan.

Krainziana: Zwitserse cactusspecialist Hans Krainz, 1906-1980, directeur van de State succulent Collection in Zurich.

Kraussiana: Christian Ferdinand Friedrich von Krauss, 1812-1890, Duitse zošloog en plantenverzamelaar in Z. Afrika.

Krelagei: kweker E. H. Krelage en zoon te Haarlem.

Krishnae: Krishna, God in India.

Kunthiana: Duitse botanist Carl Sigismund Kunth, 1788-1850.

Kuschei: botanist John August Kusche, 1869-1934.

Kuschkensis: genoemd naar Kusch Post, plaatst in Russisch Turkestan waar deze plant werd gevonden.

 

Betekenis van plantennamen die met een L beginnen.

 

Labiata: lipvormig.

Labrusca: Labrusca is een naam van Plinius die ontleend is aan het Hebreeuws busca.

Laburnifolius: met blad als gouden regen.

Laccatus: vernis.

Laccifereus: lak dragend.

Lacera: um: us: gescheurd of ingesneden.

Laciniata: us: um: gelobd, diep ingesneden.

Lachenalii: W. Lachenal, professor in de botanie te Bazel, 1736-1800.

Lacryma‑Jobi: Jobs tranen, Job 16:16.

Lacrymans: tranen, geeft bij groei een scherp vocht af die er als tranen af vallen.

Lacta: melk.

Lactea: us: melkachtig.

Lactiflora: melkwit bloeiend.

Lactuca: sla, van lac.

Lacunosum: met gaten of putten.

Lacustre: is: behorende tot de meren, lac, lake, leek.

Ladanifer: ladanum dragend.

Laeta: um: us: levendig, vrolijk van kleur, of de tweede echtgenoot van keizer Gratianus van het W. Romeinse rijk.

Laetevirens: vrolijk groen van kleur.

Laetiflorus: vrolijk bloeiend of vrolijk van kleur.

Laetifolius: helder blad.

Laevis: laeve: glad of effen.

Laevigata: us: um: glad, gepolijst.

Laevipes: gladde halmen.

Lagascae: M. Lagasca, Spaanse botanist, 1776-1839.

Laggeri: Fr. J. Lagger, Oostenrijkse, Zwitserse botanist, 1802-1870.

Lagodechiana: Lagodech, dorp in de Kaukasus waar deze plant voor het eerst werd gevonden.

Lagopus: hazenpootje.

Lalandii: gewonnen door Lalande, kweker te Angers, Frankrijk.

Lamarckii: naar de Fransman Jean Baptiste Antoine Pierre Monet, Chevalier de la Marck, 1774-1829, zijn werk over de evolutie liep op dat van Darwin vooruit.

Lambertii: tiana: Engelse botanist Aylmer Bourke Lambert, 1761-1842.

Lamyi: Franse botanist Pierre Marie Edouard Lamy de la Chapelle, 1804-1886.

Lanata: um: us: wollig.

Lancea: speer of lancet.

Lanceolata: lancet of lansvormig.

Lancifolia: um: lancetvormige bladeren.

Langleyensis: gewonnen door James Veitch & sons, kwekers te Langley, Engeland.

Lanigera: um: wol dragend.

Laniger: lanosa: um: wollig.

Langsdorfii: de Pruisische kunstenaar Georg Heinrich von Langsdorff, 1774-1852.

Lantana: buigzaam.

Lantoscana: Saint Maryin de Lantos-que, dorp in de Alpen.

Lanuginosa: um: us: wollig of zacht behaard.

Lapathifolia: met bladeren als zuring.

Laperrinei: botanist Laperrin.

Laphamii: Allen Lapham, Amerikaanse botanist, 1811-1875.

Lappa: vast houden, verwijzing naar de klit, Lappa.

Lappacea: als de klit, Arctium lappa.

Lapponica: uit Lapland.

Laricifolia: blad als Larix.

Larpentae: naar Lady Larpent, echtgenoot van Sir George Larpent die in 1846 deze plant ontving van Robert Fortune.

Lasiandra: behaarde meeldraden.

Lasiantha: um: us: harige bloemen.

Lasio: harig.

Lasiocarpa: um: us: wollig behaarde vrucht.

Lasiophylla: wollig blad.

Lasiostylus: met een wollige stijl.

Latens: verborgen.

Laterifolius: zijstandige bladeren.

Lateritia, lateris: rode steen of zegelsteen, zegelsteenachtig, vanwege de kleur der bloemen.

Lati: breed.

Latidens: met brede tanden.

Latiflora: brede bloemen.

Latifolia: um: us: breedbladig.

Latiloba: um: met brede lobben.

Latior: breder.

Latisiliqua: met brede hauwen.

Latispinus: met brede dorens.

Latisquama: brede schalen.

Lathyroides: als Lathyrus.

Lathyrus: als Lathyrus, wolfsmelk.

Laureola: laurierachtig.

Laurifolia: um: met blad als laurier.

Laurocerasus: laurierkers.

Latum: dragen.

Laubatii: Franse markies Chasseloup-Laubat, marine minister voor de kolonies onder Napoleon III.

Laui: Alfred Lau die in Mexico veel planten onderzocht.

Lautum: gewassen, schoon.

Lavallei: Franse botanist Pierre Alphonse Martin Lavallee, 1836-1884.

Lavandulifolia: met blad als lavendel.

Lawrenciae: cei: Robert William Lawrence, botanische verzamelaar in noordelijk Tasmani‘ die species aan Hooker gaf rond 1840.

Lawsonia: Engelse botanist Charles Lawson, 1794-1873, sinds 1821 hoofd van Peter Lawson en zoon kwekerijen in Edinburgh, gesticht door zijn vader Peter Lawson. De lawson cipres werd het eerst ontdekt in Orford, Oregon, door verzamelaars die voor die kwekerij werkten en ge•ntroduceerd in 1854.

Laxa: us: um: losse of slappe tros.

Laxiflora: um: us: wijd of los bloemig.              

Laydekeri: kweker Maurice Laydekker, schoonzoon en medewerker van B. Latour-Marliac uit Temple-sur-Lot, Frankrijk.

Lazicum, Lazistan: landschap ten oosten van de Zwarte Zee waar deze plant voor het eerst gevonden werd.

Leana: botanist Lambert Wilmer Lee, 1845-1881.

Leana: Amerikaanse botanist Thomas Lea, gestorven 1844.

Lebelli: Franse botanist Jacques Eugene Lebel, 1801-1878.

Lechuguilla: van Spaans lechuga, dat van Latijn Lactuca: sla, van Latijn lac: melk, het melkachtige sap van de plant.

Lecoqii: Franse botanist Henri Lecoq, 1802-1871.

Ledgeriana: Engelse handelaar G. Ledger.

Ledebourii: Carl Friedrich von Ledebour, Duitse botanist, 1785-1851.

Ledoides: Ledum-achtig.

Leeana: Lambert Wilmer Lee, Amerikaanse plantenkenner, 1845-1881.

Leedsii: gewonnen door Edward Leeds, beursmakelaar en plantenliefhebber te Longford Bridge bij Manchester, Engeland, 1802-1877.

Lehmannii, niana: Duitse botanist Johann Georg Christian Lehmann, 1792-1860.

Leiantha: um: gladbloemig.

Leichhardtii: Pruisische botanist en onderzoeker Friedrich Wilhelm Ludwig Leichhardt, 1813-1848.

Leichtlinii: Max Leichtlin die in Brazili‘ reisde en bij zijn villa in Baden-Baden een botanische tuin onderhield, 1831-1910.

Leiocarpa: um: gladde vruchten.

Leiomerus: gladder.

Lemmonia: ii: John Gill Lemmon, 1832-1980 die met zijn vrouw Sara Allen Plummer Lemmon, 1836-1923, planten in west Amerika zocht.

Lemoine: kweker V. Lemoine uit Nancy.

Leonorus: leeuwachtig.

Leontopodoides: edelweiss-achtig.

Leontopetaloides: bloembladen als een leeuw of edelweiss.

Leninghausii: Braziliaanse plantenverzamelaar Frederico Guilermo Leninghaus.

Lenta: taai of kleverig.

Lentago: taai.

Lenticularis: als een lens.

Lentiformis: gevormd als een lens.

Lentiscus: taai, de hars.

Lentus: taai maar buigzaam.

Leonardii: Mr. Leonard, eigenaar van Millmead Nursery te Guildford, Engeland waar deze plant werd gewonnen.

Leonurus: hartgespan-achtig.

Leopoldii: koning van Belgi‘, Leopold 1, 1790-1865.

Leopoldii: groothertog van Toscane, Leopold II, 1797-1870.

Lepida: us: bedekt.

Lepidocarpa: bedekte vrucht, met schubben.

Lepidophylla, bedekt bladig.

Lepidota: us: schaalachtig.

Leporinum: elle: haas.

Leprosa: schurftig.

Leptalea: um: us: fijn, dun.

Leptandra: met dunne meeldraden.

Leptochila: smalle of dunne lippen.

Leptomeria: met dunne delen.

Leptophylla: us: um: dunne of smalle bladeren.

Leptopterum: dun vleugelig.

Leptopus: dun.

Leptosepala: dunne bloembladeren.

Leptosepapa: dunne kelkbladeren.

Leptostachya: met dunne aren.

Leptosyne: slankheid.

Lepus: dun.

Lesliei: botanist T. N. Leslie.

Lesseri: Whn. Lesser, voorzitter van de Duitse Tuinbouwmaatschappij te Berlijn.

Lesuerii: Franse paleobotanist Charles Leo Lesquereux, 1805-1889.

Leucadendra: witte boom.

Leucantatoma, witte bastspleten.

Leucantha: witte bloemen.

Leucocarpum: witte vrucht.

Leucocephala: witte bloemhoofdjes.

Leucodermis: witte huid.

Leuconeura: witte nerven.

Leucopetala: met witte bloembladeren.

Leucophaea: witachtig.

Leucophylla: us: wit bladig.

Leucorrhizus: witte wortel.

Leucotricha: wit haar.

Leucoxylon: wit hout.

Leutweinii: mogelijk naar Theodor Gotthilf Leutwein, militair, 1849-1921.

Lewisii: Hugh Lewis, kweker van deze plant te Mayfield, South Croydon, Engeland.

Lewisii: Meriwether Lewis, Amerikaanse plantenverzamelaar, 1774-1809.

Lewisii: botanist Frank Harlan Lewis, 1919-2008.

Leylandii: gekweekt door C. J. Leyland, een zeekapitein die ze op zijn landgoed kweekte, Haggerston Castle, in Northumbria.

Libanotica: Libani: is: uit de Libanon.

Liberica: uit Liberia.

Libocedri: een traan en ceder.

Liburnica: oude Illyrische stam in Liburnia, nu Kroati‘.

Lichenoides: Lichen-achtig.

Lichiangense: Lichiang gebergte in Yunnan, Z. China.

Lietzei: M. Lietz, Braziliaanse correspondent van de kwekersfirma Jacob-Makoy in Luik.

Lignosus: houtachtig.

Lignyotus: houtig.

Ligulata: is: um: us: lintvormig.

Ligulosus: um: lintbloempjes.

Ligtu: inheemse naam in Chili voor deze plant.

Ligusticifolia: met blad als Ligustrum.

Ligusticum: Ligurisch, Ligurie in Itali‘.

Ligustrina: Ligustrum-achtig.

Liloasphodelus: lelie: asphodelachtig.

Likiangensis: uit het Likiang gebergte in Yunnan, Z. China.

Lilaea: Franse arts en botanist Alire Rafeneau-Delile, 1778-1850 Die met Napoleon naar Egypte ging, ook naar Amerika.

Liliaeceae: us: lelieachtig.

Lilacinorosea: lila roze.

Lilacina: um: us: lilakleurig.

Liliago: lelie gelijkend.

Liliflora: leliebloemig.

Lilifolia: met blad als een lelie.

Lilio-hyacinthus: leliehyacint.

Limbosperma: weinig zaad.

Limetta: limetta of lemon.

Limonia: limon: lemon, lemoen.

Limonifolium: blad als Limonium: moeras.

Limosa: moerassige of modderige plaatsen.

Limmingheana: plantenverzamelaar hertog Alfred Marie Antoine de Limminghe, 1834-1861.

Linariifolia: met blad als Linaria.

Lindenii: Jean Jules Linden, Belgische directeur van de Illustration Horticulture en directeur van de koninklijke tuinen te Brussel, 1817-1898.

Lindenaniana: Belgische Lucien Linden, 1853-1940, directeur van de Horticulture internalationale te Antwerpen.

Lindemuthii: H. Lindemuth, kweker en winner te Berlijn.

Lindheimeri: Ferdinand Jacob Lindheimer, Duitse plantenverzamelaar, 1801-1879.

Lindleyi: Engelse botanist John Lindley, 1799-1865.

Lindsayana: W. L. Lindsay, Engelse botanist 1828-1880.

Lineare: is: lineair: lijnvormig, parallel.

Linearifolia: lijnvormige bladeren.

Lineatum: lijnvormig gestreept.

Lingua: lingulata: tongvormig, de bladeren.

Linicolum: vlasvormig.

Liniflora: us: vlasbloemig.

Linifolia: us: lijnvormig blad als Linum.

Linkianus: um: Duitse botanist Johann Heinrich Friedrich Link, 1767-1851.

Linosyris, flexibel vlas.

Lintearia: lintachtig.

Lipsiensis: Leipzich.

Litardierei: Franse botanist Rene Verriet de Litardiere, 1888-1957.

Litigiosum: betwistbaar.

Littonia: Litton, Engelse consul te Tengyeh in Yunnan, Z. China.

Litoralis: littoralis: zeekust bewonend.

Littorea: van de kusten.

Litwinowii: I. Borodin en Dimitri Ivanovich Litwinow, Russische botanisten, 1854-1929.

Livida: loodkleur.

Lizei: gebroeders Lize, kwekers in Nantes, Frankrijk, die deze kruising hebben uitgevoerd in 1910.

Lobocarpum: gelobd zaad.

Lobata: um: gelobd.

Lobbianus: lobbii: J. G. William Lobb, 1809-1864, Engelse plantenzoeker voor de firma Veitch, met zijn broer Thomas.

Lobelii: lobelianum: Mathias de l'Obel, Mathias de Lobel of Matthaeus Lobelius, 1538-1616, Vlaams botanist.

Lochiae: beschreven door Ferdinand von Mueller in 1887 die het de naam gaf ter ere van Lady Loch, een patroon van tuinbouwkunst in Australi‘ en vrouw van de gouverneur van Victoria.

Locusta: sprinkhaan.

Loddigesii: bekende Engelse kwekers van de 18de en 19de eeuw, fa. Loddiges.

Loeselii: botanist en medicijnprofessor Johann Loesel 1607-1657, uit Kšnigsberg.

Loefgrenii: Albert Lšfgren, bekende verzamelaar.

Loganobaccus: gewonnen werd door de Amerikaanse rechter James Harvey Logan uit Californi‘ in 1881.

Loiseleurii: Loiseleuria-achtig

Lologensis: naar Lalo Lolog in Argentini‘ waar ze voor het eerst gevonden werd.

Lonchitis: speervormig.

Lonchocarpe: speer of lansvormige vrucht.

Lonchophylla: us: lansvormige blaadjes.

Longa: um: us: lang.

Longaeva: lange leeftijd.

Longibractea: lange schutbladen.

Longicaulus: lange stengel.

Longicuspis: lang puntig.

Longiloba: grote lobben.

Longiflora: um: lange bloemen.

Longifolium: us: lange bladeren.

Longimamma, lange tepels.

Longimemmis: lange knoppen.

Longipes: lange voetstelen.

Longipetala: us: lange bloembladeren.

Longipetiolatea: lang gesteeld.

Longiracemosa: lange bloemtrossen.

Longirostra: lang snavelvormig.

Longisetus: lange haren.

Longissima: het langst.

Longistyla: met lange stijlen.

Longituba: lus: lange buis.

Longzhouensis: uit Longzhou, China.

Lonicera: kamperfoelie-achtig.

Lophanta: kambloemig.

Lophospermum: kamvormige zaden.

Loppio: Lago de Loppio in N. Itali‘ waar deze plant het eerst gevonden werd.

Lorandersonia: Loran Crittenden Anderson, 1936-,.

Lortetii: Franse arts en botanist Louis Charles Emile Lortet, 1836-1909.

Lotus: ik wil of verlang.

Lousianica: uit Louisiana.

Lowii: lowei: Engelse botanische verzamelaar Hugh Low, 1824-1905.

Lubbersiana: C. Lubbers, chef van de botanische tuin te Brussel, 1832-1905.

Luciae: de vrouw van de Franse dokter Savatier die bij Yokohama werkte, Lucie.

Lucida: us: um: glanzend, glimmend.

Lucidrys: glanzend en eik.

Luciense: is: glanzend, schijnend.

Luciliae: Lucile Boissier, vrouw van de auteur, 1822-1849 E. Boissier.

Lucorum: licht.

Ludoviciana: us: uit Louisiana.

Lueri: dr. Luer van de Missouri Botanical Gardens, auteur van verschillende werken.

Lumnitzeri: Stephan Lumnitzer, Oostenrijkse botanist, 1750-1806.

Lunaria: is: Luna: maan, maankruid.

Lunariifolia: met blad als Lunaria.

Lupinoides: Lupine-achtig.

Lupulina: hopachtig.

Lupulus: kleine wolf.

Luridus: vuil geel.

Lusitanica: um: uit Portugal, Lusitania.

Lutea: um: geel.

Luteoalbum: luteo-alba: geelwit.

Luteola: us: gele verf leverend.

Luteomarginata: geel gerand.

Lutescens: geelachtig.

Lutetiana: Parijs.

Lutum: gele verf:

Luxuriana: luxurians: weelderig.

Luzonica: um: uit Luzon, eiland in de Filippijnen.

Luzuloides: Luzula-achtig.

Lyallii: David Lyall, 1817-1895, Schots arts en plantenverzamelaar.

Lychnitis: lampachtig, Lychnis-achtig

Lycoctonum: wolf dodend.

Lycopersicon: wolvenperzik.

Lycopodioides: wolfspootachtig.

Lycopsis: wolfs ogen.

Lycos: wolf.

Lycica: uit Lyci‘.

Lycioides: Lycium-achtig

Lydia: um: uit Lydi‘ in Klein Azi‘.

Lyngbyei: Deense algen onderzoeker Hans Christian Lyngbye, 1782-1837.

Lyonii: Amerikaanse botanist William Scrugham Lyon, 1851-1916.

Lyonii: John Lyon, Amerikaanse plantenverzamelaar en botanist in de tweede helft van de 18de eeuw.

Lyrata: um: liervormig ingesneden, het blad.

 

Betekenis van plantennamen die met een M beginnen.

 

Maackii: maackianum: Richard Otto Karlovich Maack, een 19deeeuwse Russische, Est, naturalist en botanist, 1825-1886.

Maassii. Duitse schrijver van het Kakteen Gesellschaft, Wilhelm Maass.

Macaulayi: gewonnen door R. Macaulye, Esq te Kirman, Argyll, Schotland.

Macdonaldiae: ana: ii: Amerikaanse kapitein en filantroop James Monroe McDonald, 1825-1907.

Macedonica: um: uit Macedoni‘.

Macfarlane: ae: Schotse botanist John Muirhead Macfarlane, 1855-1943.

Macgregorii: botanist William MacGregor, 1846-1919.

Mackaiana. kruising die gevonden is door James Towsend Mackay, Ierse botanist, 1755-1862.

Mackenii: naar de Schot J. Macken, de vinder.

Macleayana: Alexander Macleay, 1767-1848, Schot van geboorte, entomoloog en vriend van de tuinbouw, colonial secretary van New South Wales.

Mackliniae: de meisjesnaam van de vrouw van de ontdekker, Frank Kingdon-Ward, die het in 1946 ontdekte.

Macnabiana: William Ramsey MacNab, hortulanus aan de botanische tuin te Edinburgh, 1780-1848.

Macowanii: P. Mac Owan, Ierse botanist in Z. Afrika, 1830-1909.

Macradenum: met grote klieren.

Macrantha: um: grote bloemen.

Macranthera: macrandus: grote helmknoppen.

Macrocalyx: macrocalycinum: grote bloembodem.

Macrocarpa: on: us: grote vruchten.

Macrocephala: um: grote bloemhoofdjes.

Macrocladon: groot vertakt.

Macroglossus: grote tongen, de bloembladeren.

Macrolepis: grote schubben.

Macrophylla: um: grootbladig.

Macropodum: a: grote voetstengels of langstelig.

Macrorrhiza: os: um: grote wortels.

Macrosiphon: met een grote buis.

Macrostachys: grote aar.

Macrostegia: groot schutblad.

Maculata: um: us: maculosa: gevlekt.

Macqui: Maqui is de Mapuche naam voor de plant wat zwarte bes betekent.

Madagascariensis: uit Madagaskar.

Maderensis: uit Madeira.

Maderincola: bewoner van Madeira.

Madritensis: uit Madrid.

Madurensis: uit Madura, Sri Lanka.

Magdalenae: uit Magdalena bay of woestijn van het Baja schiereiland.

Maghrebiana: Maghreb oerbossen van Algerije, Tunesi‘ en Marokko.

Maialis: majalis: in mei.

Magellanica: uit de straat van Magellaan.

Maglia: hamer.

Magnatum: magna: groter.

Magnifica: us: um: prachtig, magnifiek.

Magnimamma: grote tepels.

Mahaleb: buigzaam, de takken.

Mahagoni: mahagoni, mahoniehout.

Maierei: Franse botanist Rene Charles Joseph Ernest Maire, 1949.

Majorana: majoraan.

Majus: major: groter.

Majuscula: tegenovergesteld van minuscuul.

Makinoi: Japanse botanist Tomitaro Makinoi.

Makoyana: Luikse kweker Lambert Jacob-Makoy, 1790-1873.

Malabathrum: Malabarica: uit Malabar.

Malaccensis: uit Malakka.

Malacodendron: Malva-achtige boom.

Malacoides: Malva-achtig: zacht, vriendelijk.

Malacophylla: zachte bladeren.

Malacus: malaxis: zacht.

Malambo: stad Malambo, Columbia.

Malayana: um: uit Maleisi‘.

Maldivica: uit de Maldiven.

Malviflora: met bloemen als Malva:.

Mammillaria: tepel.

Mammosum: tepelvormig.

Mancinella: Spaans Mancinella, van manzana appel, van Matius, Romeinse schrijver van een kookhandeling.

Mandshuricum: manschuriensis: uit Mandsjoerije.

Manescavii: Manescau, Franse liefhebber, botanist die deze plant voor het eerst vond.

Manghas: mangoachtig.

Mangifera: mango dragend.

Mangle: boom met steltwortels.

Manglesii: Engelse kapitein James Mangles, 1786-1867.

Mangostana: mangosteen.

Manicata: van armbanden voorzien, manchetten.

Manipuliflora: gemanipuleerde bloem.

Manipurana: Sanskriet voor stad van juwelen.

Mannifera: manna leverend.

Mantegazzianum: Paolo Mantegazzi, Italiaanse natuurhistoricus, 1831-1910.

Maracuja: Portugees van Tupi spraak Mara: eten, cuja: vat.

Marcescens: verwelken.

Margarita: ae: parelachtig.                                                   

Margaritaceae: bepareld.

Marginata: um: marge, gerand.

Marianum: Maria.

Marina: um: maritima: van de zee.

Mariesii: Charles Maries, Engelse plantenverzamelaar voor de fa Veitch in de 2de helft van de 19de eeuw.

Marilandica: marylandica: Mariana: uit Maryland.

Marinense: is: Marin County.

Mariposa: vlinder of de stad Mariposa in de Sierras.

Mariscus: vruchtbare grond bij de zee.

Maritima: us: van de zee.

Marjolettii: naar Joseph Marie Marjolett, notaris en plantenliefhebber in Savoie, 1823-1894.

Marliacea: gewonnen door B. Latour-Marliac, kweker te Temple-sur-Lot, Frankrijk.

Marmalos: marmelade.

Marmorata: um: gemarmerd.

Maroccana: marocana: uit Marokko.

Marsupium: zaaddoos.

Martagon: kamp in kwadraat.

Martensii: George von Martens, Duitse botanist in de tweede helft van de 19de eeuw.

Martianum: Karl Friedrich Philip von Martinus, Duitse botanist, 1794-1868.

Marshalli: gewonnen door Mr John Marshall te Limburn, Engeland.

Marum: naar mythologische koning Maro van Thraci‘.

Mascula: us: mas: mannelijk.

Masoniana: ii: masonorum: Amerikaanse botanist Herbert Louis Mason, 1896-1994.

Matronalis: verwijzing naar de eerste mei, het Romeinse feest van de matrones of getrouwde dames.

Matsudana: naar Sadahisa Matsoedo, een Japanse botanist die een flora van China schreef .

Matthiola: Pietro Andrea Matthiolus, Italiaanse arts en botanist, 1501-1577.

Mattogrossensis: uit Mato Grosso in Brazili‘.

Matutina: morgen.

Mauritaia: uit Mauritani‘.

Mauritianum: uit Mauritius in de stille oceaan.

Mauritiformis: Mauritia-achtig.

Maurorum: maura: Moors.

Max: van maximum: grootste.

Maxima: um: het grootst.

Maximiliani: prins Maximiliaan Alexander Philipp von Wied-Niewied, 1782-1867.

Maximowiczianum: Maximowiczii: Carl Ivanovitsj Maximowicz, Russische botanist, 1827-1891.

Mazatlanensis: Matzatlan, stad in Mexico.

Meadia: Richard Mead, lijfarts van de koning van Engeland, 1673-1754.

Meandriformis: grillig gevormd.

Medeoloides: mergachtig.

Media: um: us: er tussen in.

Medica: uit Medi‘.

Mediterranea: uit de Middellandse Zee.

Medullosa: merg.

Megalantha: met grote bloemen.

Megalophylla: met grote gelobde bladeren.

Megapotamicum: grote rivier, waar gedoeld wordt op de Rio Grande, de vindplaats in 1864.

Megistocarpa: grootste vruchten.

Mejiae: Isidoro Meijia in wiens tuin deze plant verzameld werd.

Meinichii: Amerikaanse botanist James Christian Meinich, 1864-1943?

Melagueta: melegueta: het land Maleguetta.

Melanocarpa: zwarte vruchten.

Melanochrysum: zwartgeel.

Melanococca: zwarte vruchten.

Melanophthalmus: met zwarte ogen.

Melanosporum: zwarte sporen.

Melanoxylon: met zwart hout.

Melas: zwart.

Meleagris: parelhoen.

Melia: klassieke naam van Theophrastus voor de bloeiende es.

Melinoniana: Franse botanist M. Melinon, 1840-1877.

Melissophylum: met blad als Melissa.

Mellea: honingachtig.

Mellifera: honing dragend.

Mellita: honing gevend.

Melitensis: van Malta.

Melo: vrucht, meloen.

Meloformis: meloenachtig.

Melongena: appel of meloen en Grieks genos, geslacht.

Membranacea: um: huidachtig, een membraam.

Mendocinus: uit Mendocino County.

Mensicola: verblijvend op de bergen.

Menthifolia: muntachtig blad.                                     

Menziesia: ii: Archibald Menzies, Schotse plantenverzamelaar en arts, 1754-1842.

Menziesii x: Menzies, tuinman te Halifax, Engeland.

Meriana: Maria Sibylla Merian, 1647-1717. Ditse bloemenschilder die veel in Suriname werkte.

Meridianum: grote cirkel, door noord en zuidpool loodrecht op de evenaar.

Meridionalis: middag bloeier.

Merita: heeft delen.

Meservae: Amerikaanse botaniste Kathleen Meserve.

Mesnyi: Engelse generaal William Mesny, 1842-1919 die planten in China verzamelde en ze naar de botanist Henry Fletcher Hance stuurde, die was ook Britse consul in Kanton.

Mespiliformis: gevormd als Mespilus.

Messanensis: uit Messina, Itali‘.

Meta, als voorvoegsel: uit.

Meta-japonicum: uit Japan.

Metallica: metaalachtig.

Metel: metel of methel is een oude Arabische naam voor de plant die zijn narcotische werking uitdrukt.

Meteloides: Datura metel-achtig.

Metuliferus: stekel dragend.

Methysticum: bedwelmend.

Mexicana: um: us: uit Mexico.

Meyenii: Duitse botanis Franz Julius Ferdinand Meyen, 1804-1840.

Meyeri: Nederlandse botanist Frank N. Meyer, 1875-1918.

Mezereum: doder van mensen.

Micans: schijnend.

Michauxioides: Michauxia achtig, Franse botanist Andre Michaux., 1746-1802, of zijn zoon Francois Andre Michaux, 1770-1855 die vooral bekend is vanwege zijn werk op N. Amerikaanse bomen.

Michelii: Amerikaanse botanist George Michael, 1851-1921.

Michelii: Italiaanse botanist P. A. Micheli, 1679-1737.

Micheliana: Marc Micheli, Zwitserse plantenliefhebber in de tweede helft van de 19de eeuw.

Michiganense: uit Michigan.

Micrantha: us: um: kleine bloemen.

Microcarpa: us: kleine vrucht.

Microcephala: us: kleine hoofdjes.

Microdasys: klein en dik.                                           

Microdonta: on: kleine tanden.

Microlepis: kleine schubben.

Micromalus: kleine Malus.

Microphylla: um: us: kleine bladeren.

Microsperma: kleine zaden.

Middendorffii: Russische arts en plantenverzamelaar A. Th. von Middendorff, 1815-1894 .

Miethkeana: een plant die opkwam in zaailingen van Miethke nurserey in Tacoma in 1950

Mihanovichii: Oostenrijkse, Hongaarse handelaar Nicolas Mihanovich, 1844-1929.

Miliacea: um: gierstachtig.

Milii: baron P.B. Milius, gouverneur van het eiland Bourbon, het tegenwoordige Reunion, 1773-1829.

Militairis: in grote hoeveelheden voorkomend.

Millefoliata: us: um: duizendbladig.

Milleri: Amerikaanse zošloog Gerrit Smith Miller, 1869-1956.

Mimosifolia: met blad als Mimosa.

Miniata: um: klein.

Miniscula: minuscuul.

Minor: kleiner.

Minus: minima: minuta: um: klein.

Minutifolia: us: kleine bladeren.

Minutiflora: kleine bloemen.

Miqueliana: us: Nederlandse botanist Friedrich Anton Wilhelm Miquel, 1811-1871.

Mirabile: is: wonderbaarlijk.

Miser: a: ellendig.

Missoeriense: is: missurica: uit Missouri.

Mischtschenkoana: Russische botanist Pavel Mischtschenko.

Mitchelliana: Amerikaanse botanist en doctor John Mitchell, 1711-1768. 

Mitifolia: weerloos blad.

Mitis: mite: weerloos.      

Mitra: kap of mijter.

Mitriformis: kap of mutsvormig.

Mixta: um: gemengd.

Mlokosewitschii: Mlokosewitsch, Russische plantenverzamelaar in de Kaukasus, begin 20ste eeuw.

Mocanera: naam macanera is gegeven door Linnaeus omdat die dacht dat dit de "mocan" was van de inlanders die de vrucht veel gebruiken en tot een siroop maken.

Mociniana: Jose Mariano Mocino, Spaanse botanist, 1757-1820.

Modesta: um: us: matig of bescheiden.

Moggridgei: John Traherne Moggridge, Engelse botanist, 1842-1874 of 1803-1882.

Mohavensis: se: van de Mojave desert.

Moldavicum: uit Moldavi‘.

Molesta: um: lastig, gevaarlijk.

Molinae: Spanjaard Juan Ignacio Molina, een Jezu•et en over Chileense planten, 1737-1829.

Mollicomata: zachte kuif.

Mollis: molle: zacht, de bladeren zijn zacht behaard. Schinus molle van mulli, de naam in Peru.

Mollissima: us: de zachtste, weekste.

Mollugo: weekkruid.

Molloyae: Australische Georgiana Molly, 1805-1843, een van de eerste botanische verzamelaars in dat land.

Moly: wortel.                                                                                                          

Moluccana: molucella: uit de Molukken.

Molucellifolium, Moluccella-achtig blad.

Moluccelloides: op Molucella gelijkend.

Monanthos: um: enkelbloemig.

Mongholica: mongolica: uit Mongoli‘.

Monantha: us: 1 bloem.

Monelli: Franse kweker Jean Monelle.

Monilifera: 1 dragend.

Monnieri: Louis Guillaume le Monnier, Franse arts en botanist, 1717-1799.

Mono: 1.

Monococcum: 1 kern.

Monogyna: us: met 1 stijl, stamper.

Monophylla: os: 1 blad.

Monorchis: 1 orchideeknol.

Monostachia: 1 aar.

Monspessulana: um: monspeliensis: uit Montpellier.

Monstrosa: monsterachtig.

Montanum: a: van de bergen.

Montevidensis: uit Montevideo.

Monticola: berg bewonend.

Montigena: um: in de bergen geboren.

Montzumae: Montezuma, hoofd van de Azteken, 1466-1520.

Monvillei: Franse plantenverzamelaar baron Hippolyte Boissel de Monville 1794-1863.

Moorcroftiana: W. Moorcroft, Engelse veearts en plantenverzamelaar, 1765-1825 .

Moorei: Engelse botanist Thomas Moore, 1821-1887.

Mooreana: F. Moore, hortulanus van de botanische tuin te Glasnevin bij Dublin, geboren in 1857.

Moranensis: is verzameld door Humboldt en Bonpland in Mina de Moran, Mexico in 1799-1804.

Morella: morelachtig vrucht.

Morganianum: Amerikaanse botanist Meredith Morgan die het als eerste ontdekte.

Morifolia: um: Morus-achtig blad.

Moroides: Morus-achtig.

Morio: nar of harlekijn.

Morisonii: Schotse botanist Robert Morison, 1620-1683.

Morrisonii: Amerikaanse botanist John Lawrence Morrison, 1911-2001.

Morrowii: James Morrow, Amerikaanse medicus en plantenverzamelaar, 1820-1865.

Morsus-ranae: kikkerbeet.

Moscheutos: moschatellina: moschata: um: us: muskus geurend.

Moserianum: gewonnen door Moser, kweker te Versailles, Frankrijk in 1889.

Motorius: als een motor.

Mougeotti: botanist J. B. Mougeot rond 1800.

Moulmainense: Moupinense de Moupin, Sichuan, China.

Moupinensis: se: uit Moupingebergte, Sichuan, China.

Moyesii: Engelse missionaris verzamelaar J. Moyes in 1906.

Moxa: van Japans mogusa.

Mucronata: um: us: e: mucronulatum: met een korte abrupte punt.

Muelleri: Duitse botanist Heinrich Luwig Hermann Muller, 1829-1883.

Mugo of mugho: oude Tiroolse naam voor de bergden.

Muliensis: uit Mu-li gebergte in Z. W. Sichuan, China.

Multi: veel.

Multibracteata: veel schutbladen.

Multicava: vele holtes.

Multicaule: is: vele stengels.

Multiceps: vele hoofden.

Multicolor: vele kleuren.

Multifida: us: um: veel spletig.

Multiflora: um: us: veelbloemig.

Multijugum: veel jukkig.

Multiplex: veelvoudig, dubbel.

Mume: wordt rijp in de meiregen.

Munita: um: gewapend.

Munroana: William Munro, Engelse officier, plantenverzamelaar en botanist, 1818-1880.

Munroana: Engelse botanist Donald Munro: 1789-1853.

Murale: is: op muren groeiend.

Murex: purperslak.

Muricata: um: us: zacht gestekeld.

Murielae: Muriel Wilson, dochter van de Britse plantenverzamelaar Ernest Wilson.

Murina: um: als een muis.

Murrayensa: is: Schotse botanist Andrew Dickson Murray, 1812-1878.

Musaica: banaanachtig.

Muscaria: vliegen.

Muscari: blauwe druifjesachtig.

Muscarimi: muskusachtig.

Muscarioides: Muscari-achtig.

Muscarius: een vliegenklapper.

Muscosa: mosachtig.

Muscoides: vliegachtig.

Muschketowii: Iwan Wassilkewitsch Muschketow1850-1902.

Muscicipula: vliegenval.

Muscipula: muizenval.

Muscivorus: vliegenvanger.

Musschianum: J. H. Mussche, Vlaamse hortulanus, 1765-1834.

Mussinii: A.A. Mussin-Puschkin, Russische scheikundige en plantenverzamelaar in de tweede helft van de 18de eeuw.

Mustelina: wezel.

Mutabilis: veranderlijk.

Mutata: verandert.

Mutellina: baarmoeder of moederkruid, als Meum mutellina.

Muticus: stomp.

Mutilum: verdeeld als door dorens.

Myconi: Francisco Mico, Latijn Myconius, Spaanse arts uit de 16de eeuw.

Myoporoides: muizengaatje.

Myosuroides: muizenstaartachtig.

Myriantha: us: veel bloemig.

Myriostigma: met zeer vele punten, stippels gevlekt.

Myrrha: myrrhe of mirre.

Myrsinifolia: blad als Myrsine.

Myrsinites: Myrsine-achtig.

Myrtifolia: um: met blad als mirre.

Myrtillus: mirtachtig.

Myrtilloides: mirtachtig.

Mysorensis: Mysore, stad in Z. India.

Myuros: muizenstaart, lang en toelopend.

Myxa: lijmachtig.

 

 

Betekenis van plantennamen die met een N beginnen.

 

Nagelsii: gewonnen door Fr. Nagel, kweker te Wilryck, Belgi‘.

Namchabarwensis: Namcha Barwa vallei in Tibet.

Nana: um: us: dwerg.

Nanceianus: uit Nancy, door M. Lemoine uit Nancy.

Nanking: nankinensis: uit Nanking.

Nanshuanica: nanshan: Nan-Shan gebergte in China.

Napellus: van het dal, of van napus: raapje

Napolitana: neapolitanum: uit Napels.

Napuligerum: uit Napels gedragen?

Napus: raap.

Narbonense: is: uit Narbonne.

Narcissiflora: um: Narcisachtige bloemen.

Narthex: riet, staaf.

Nasturtium-aquaticum: nasus: een verwrongen neus, en behoefte aan natte of waterige gronden.

Nasutus: grote neus.

Natans: drijvend of zwemmend.

Nathaliae: Nathalie, koningin van Servi‘, geboren in 1859.

Natrix: waterslang.

Natsudaidai: natsu: zomer, mikan: citroen.

Naudinianus: Franse botanist Charles Victor Naudin, 1815-1899.

Navicularis: boot of kanovormig.

Neapolitanum: uit Napels.

Neblinae: mistig, uit Cerro de Neblina in Venezuela, bergen van mist.

Nebrascens: uit Nebraska.

Nebrodensis: Nebrodi bergen van Noord Sicili‘.

Nebulosa: nevelachtig.

Neerlandica: uit Nederland.

Neglecta: um: us: veronachtzaamd of onopgemerkt.

Negundo: afkomstig van het Ben­gaalse nirgundi.

Neilgherrense: Neilgherry heuvels in Z. India.

Neilreichii: A. Neilreich, Oostenrijke botanist in de 19de eeuw.

Nelsonii: Engelse botanist David Nelson nam deel aan de derde reis van James Cook en op de Bounty onder William Bligh, gestorven in 1789.

Nelumbaefolia: Nelumbo-achtig blad.

Nemorale: is: in open bossen groeiend.

Nemorosa: um: van open bosplaatsen.

Neomexicana: uit Nieuw Mexico.

Neomontanum: uit de bergen.

Neopolitanum: uit Napels.

Neotericus: nieuw, modern.

Nepalense: is: napalaunsis: uit Nepal.

Nepeta: Nepet, streek in Etruri‘, nu Nepi in Toscane.

Nepetifolia: met blad als Nepeta.

Nephrophylla: niervormig blad.

Neriifolia: us: Nerine-achtig blad.

Nervosa: nervina: nervulosa: um: verschillende nerven.

Nessensis: licht geel.

Neubertii: dr. Reinhard Neubert te apotheker te Leipzig.

Neuropetala: bloembladeren met nerven.

Nevadense: is: uit Nevada in Amerika of Sierre Nevade in zuid Spanje.

Nevii: nevinii: geestelijke Joseph Cook Nevin, 1835-1913.

Nevii: Reuben Denton Nevius, 1827-1913, Amerikaanse klerk en botanist.

Newberryi: Amerikaanse arts en geoloog, John Strong Newberry, 1822-1892.

Newryense: gewonnen door T. Smith, kweker te Newry, Ierland.

Niamniamensis: uit Niamniamland, Soedan.

Nicaeensis: uit Nice of Iznik, vroeger Nicea in Turkije.

Nicaraguensis: uit Nicaragua.

Nicolai: naar Nicolaas Nicolajevitsj II van Rusland, 1831-1891.

Nicorae: Amerikaanse botaniste Elisa Gernaela Juana Raquel Nicora, 1912-2001.

Nidigrolaria: kruising ook van worden met nigrum, divaricatum en uva-crispa of grossularia.

Nidus: nest.

Nidus-avis: vogelnest.

Nidularum: us: nestje.

Nigellastrum: Nigella-achtig.

Nigra: um: niger: zwart.

Nigrescens: nigricans: zwartachtig.

Nikoense: uit Nikko, nationale park bij de stad Nikko.

Nilotica: van de Nijl.

Nipponica: um: Nipponnensis: uit Nippon of Japan.

Nissolia: Franse botanist Nissole die geboren is te Montperlier, 1647-1734.

Nitens: nitida: us: um: glanzend.

Nivalis: nivale: nivosa: us: sneeuwachtig.

Nivea: us: um: sneeuwwit.

Nobile: is: nobel of edel.

Noctiflora: Õs nachts bloeiend.

Noctorum: nocturnum: Õs nachts bloeiend.

Nodiflora: um: bloemen die voor de knop bloeien, in knop bloeiend.

Nodosa: um: us: met dikke knoppen.

Noeanus: a: Duitse botanist Friedrich Wilhelm No‘, 1798-1858.

Noli-tangere: raak me niet aan.

Noltii: Duitse botanist Ernst Ferdinand Nolte, 1791-1875.

Non-scripta: niet beschreven.

Noordtianum: Nederlandse kweker P. Van Noordt & Zonen rond 1904.

Nootkatensis: Nootka Sound, bij Vancouver island.

Normalis: normale.

Notatum: us: gemarkeerd, gevlekt.

Notha: onecht.

Notitius: bekende.

Nova: nieuw.

Novae‑angliae: Nieuw Engeland.

Novi‑belgii: Nieuw Belgische.

Novae-zelandia: Nieuw Zeeland.

Noveboracensis: uit New York, Latijn Noveboracense.

Novocanariensis: nieuwe Canarische eilanden.

Nordmanniana: Alexander von Nordmann, professor in de zošlogie te Helsinki, 1803-1866.

Norvegica: uit Noorwegen.

Nubicola: wolken verblijven, de groeiplaats.

Nubigena: mus: geboren tussen de wolken.

Nucifera: noot dragend.

Nuda: um: nudata: us: naakt.

Nudicaulus: le: naakte stengels, zonder haren.

Nudiflorus: um: naakt bloeiend.

Nudifolia: naaktbladig.

Nummularia: um: op penningen gelijkend.

Nummulariifolia: met blad als een munt of penning.

Nummularioides: munt of penningenachtig, de bladeren.

Nurvala: vroege Babylonisch koning..

Nutans: knikkend, overhellend.

Nutkana: nutkaensis: van Nootka Sound, Brits Columbia.

Nuttallii: liana: um: us: Thomas Nuttall, Engelse botanist en ornitholoog, 1786-1859.

Nux-vomica: braaknoot.

Nyctaginea: Õs nachts bloeiend.

Nymansensis: Nyman's Garden in Sussex.

Nymphoides: op Nymphaea gelijkend.

 

Betekenis van plantennamen die met een O beginnen.

 

Oamacha: Japans voor grote zoete thee.

Obconica: omgekeerd kegelvormig.

Obcordatum: omgekeerd hartvormig.

Obesum: vet.

Oblata: wijder wordend.

Obliqua: scheef.

Obliquus: scheefbladig.

Oblonga: langwerpig.

Oblongifolia: us: oblongata: langwerpige bladeren.

Obovata: um: omgekeerd eirond.

Obristii: Johann Obrist, 1854-1904, hortulanus aan de botanische tuin te MŸnchen.

Obscura: us: obscuur, donker, onduidelijk.

Obtecta: van voren bedekt.

Obtusa: us: um: stomp.

Obtusata: um: us: afgestompt.

Obtusiculum: met stompe vormen.

Obtusifolia: um: us: stompe bladeren.

Obtusiloba: us: met stompe lobben.

Obvallaris: verschanst, omhuld.

Ocellata: um: met een oog.

Occidentale: is: westers.

Ochraceae: okergeel.

Ochroleuca: um: okergeelwit.

Octandra: acht meeldraden.

Octobrensis: oktober.

Octoflora: met acht bloemen.

Octopetala: acht bloembladen.

Octopodes: met acht voeten

Oculus Christi: oog van Christus.

Oculus-solis: zonne-oog.

Ocymoides: basilicum-achtig.

Odentoloma: getande.

Odessana: uit Odessa.

Odieri: villa Odier van prins Napoleon Bonaparte.

Odollam: onaangename lucht.

Odorata: um: us: geurend.

Odoratissima: us: zeer geurend.

Oederi: Deense botanist Oeder in de 18de eeuw.

Oertendahlii: I. Oertendahl, botanist van de botanische tuin te Upsula, Zweden, eerste helft van de 20ste eeuw.

Officinalis: officinale: officinarum: uit het office: werkplaats of geneeskrachtig.

Ohiensis: uit Ohio.

Oides: gelijkend op, achtig.

Oinochroma. oinos: wijn en chroma: okerkleurig.

Olbiensis: Olbia: oude naam voor Hyeres in Z. Frankrijk, vlak bij Toulon.

Oldhamiana: R. Oldham, Engelse plantenverzamelaar, 1837-1864.

Oleander: laurierrozenboom.

Oleaster: olieachtig.

Oleifera: olie dragend.

Oleifolia: um: olijfbladig.

Oleiodes: olijfachtig.

Oleracea: um: us: moesachtig, groente.

Oligantha: geeft maar enkele bloemen.

Oligocarpa: us: oligocarpella: weinig voorkomende vruchten.

Oligodon: weinig voorkomende tanden.

Oligophyllum: weinig voorkomend blad.

Oligosperma: weinig zaden.

Olgae: Olga Fedtschenko, Russische botaniste en plantenverzamelaarster in de tweede helft van de 19de eeuw.

Olgensis: naar Olga Baai in de Japanse Zee.

Olitorius: a: met langwerpige zaadbol.

Oliveri: D. Oliver, Engelse botanist, 1830-1916.

Oliverianum: olivieri: G. A. Olivier, Franse zošloog, 1756-1814, die het eerste de zaden van deze plant invoerde vanuit de Ori‘nt.

Oliviformis: olivaeformis: als een olijf gevormd.

Ollaria: potachtig.

Ololeucos: geheel wit.

Olus: groente.

Olusatrem: zwarte groente.

Olympica: um: groeit op de berg Olympus, Griekenland.

Omeiensis: uit de bergen van Omei, Emei Shan, China.

Omorika: een oude plaatselijke naam voor de spar in Servi‘ en Bosni‘, Montenegro.

Onobrychis: Onobrychis-achtig.

Onustus: beladen.

Opaca: us: ondoorzichtig, mat, dof, zonder glans.

Ophtalmoides: oog en gelijkenis

Oppenheimiana: Duits Joodse socioloog, Franz Oppenheimer 1864-1943.

Opobalsamum: sap en balsem.

Opposita: tegenoverstaand.

Oppositifolia: um: tegenoverstaand blad.

Optiva: optische vezels, optiva fiber.

Opulifolius: met blad als Gelderse roos.

Opuloides: op Gelderse roos gelijkend.

Opulus: opalus: het is een oude Latijnse naam voor de esdoorn en werd aan de Gelderse roos gegeven vanwege de gelijkenis van de bladeren,

Oranata: us: overladen.

Orba: kinderloos.

Orbicularis: lata: us: cirkelvormig,

Oreades: van de bergen.

Orchidea: orchioides: orchidee-achtig.

Ocuttia: botanist Charles Russell Orcutt, 1864-1929.

Oregana: um: oregonense: is: uit Oregon.

Oreophila: houdt van de bergen.

Oreoselinum: bergeppe.

Oreotrephes: bergtrappen.

Orestera: woning in de bergen.

Orellana: waarschijnlijk zo genoemd om de Spaanse onderzoeker Francisco de Orellana te eren. Die was omstreeks 1500 in Truxill en was ontdekker van de Amazonestroom.

Oreophilum: Grieks oros: berg, philein: beminnen, bemint de bergen.

Organensis: Organ Mountains, Engels voor de groeiplaats in het nationaal park Serra dos îrg‹os, Brazili‘.

Oricola: bewoner van de bergen.

Orientalis: oosters.

Orjenii: wordt gevonden in Montenegro en Hercegovina op de berg Orjen.

Ornata: us: um: versierd.

Ornatissima: zeer opzichtig.

Ornithopodioides: op vogelpoot gelijkende.

Ornus: berges.

Oroboides: Orobus-achtig.

Oromediterranus: sub alpine zone.

Orontium: van de Orontes rivier in Syri‘, waterplant.

Orphanidea: Theodoros Georgios Orphanides, Griekse botanist, 1817-1886.

Orsiniana: plaats Orsin in Italie.

Orvala: mogelijk van horminum, zie Salvia orvala.

Oryctes: graver.

Oryzoides: rijstachtig.

Oschaninii: mogelijk naar de Russische dichter Lew Iwanowitsch Oschanin, 1912-1996.

Ossetica: Osseti‘, landstreek in de Kaukasus.

Ossifragum: been brekend.

Ostrowskiana: M. N. Ostrowsky, Russische beschermer van wetenschappen in de tweede helft van de 19de eeuw.

Otites: geoord.

Ottawensis: uit Ottawa.

Ottonis: Christopher Friedrich Otto, curator van de Berlijnse botanische tuin.

Ovata: us: um: ovaal.

Ovalifolium: met ovale bladeren.

Ovatifolia: um: ovaalachtig blad.

Ovina: voor de schapen.

Oviferum: ei dragend.

Owanii: Zuid Afrikaanse botanist Peter MacOwan, 1830-1909.

Oxleyanus: Thomas Oxley, dokter bij de East India Company in Penang en Singapore.

Oxyacantha: us: scherpe bloem.

Oxyacanthoides: scherpachtige bloem.

Oxycardium: scherp hartvormig.

Oxycedri: groeit op de scherpe ceder, Juniperus oxycedrus.

Oxcycedrus: scherpe ceder, Juniperus oxycedrus.

Oxyceras: carpum: scherpe zaden.

Oxycoccos: zure bessen.

Oxygona: us: scherpe hoek.

Oxyphyllus: scherpbladig.

Oxysepala: scherpe meeldraden.

Oxyptera: scherpe vleugels.

 

Betekenis van plantennamen die met een P beginnen.

 

Pachyphylla: um: dik blad.

Pachypoda: dikke voet of wortels.

Pacifica: um: us: vreedzaam.

Padus: Griekse naam voor de echte vogelkers.

Paeonifolius: pioenbladig.

Palibinianum: I. V. Palibin, Russische botanist, geboren in 1872.

Palaestina: um: palestina: uit Palestina.

Paleacea: um: stoppelig of kafachtig.

Pallescens: verblekend.

Pallens: licht, bleek

Pallida: um: us: bleek.

Pallidiflora: us: lichtgele bloemen.

Pallidior: bleekachtig.

Pallidipes: bleke stengels.

Pallasii: Duitse botanist Peter Simon Pallas, 1741-1811.

Palmata: um: op een hand gelijkende bladeren, palmachtig.

Palmeri: ianum: Engelse Amerikaanse botanist Edward Palmer, 1829-1911.

Palmeri: Ernest Jose Palmer, Amerikaanse botanist en plantenverzamelaar in Mexico, 1875-1962.

Palmetto: kleine palm.

Palmifrons: bladeren die op palmbladeren lijken.

Paludosa: um: palustris: palustre: van het moeras.

Pampana: uit Pampana, Peru.

Panicea: hirs of gierst.

Pandurata: driesnarige viool, van Pan, vioolvormig.

Paniculata: um: us: tros op pluim dragend.

Panigrahiana: Indiaanse naam.

Pannonica: us: uit Hongarije.

Pannosa: us: um: textuur van vilt, de onderkant.                                                                                               

Pansa: opgerekt, open.

Pantherina: panterachtig.

Papaya: een verbastering zijn van het Caribische ababai, via Spaans papaya kwam papaia, papeya, papaja of papia.

Papilionacea: vlinderbloemig.

Papillata: us: losa: us: met papillen, uitsteeksels op een oppervlak.

Papyracanthus: papieren dorens.

Papyraceus: papierachtig.

Papyrifera: papier leverend.

Paradisiaca: paradisia: paradisum: tot het paradijs behorend.

Paradisicola: bewoner van het paradijs.

Paradoxa: us: vreemd of zeldzaam, tegen de mening in, dus onverwacht, dus botanisch zeldzaam.

Paraguariensis: uit Paraguay.

Paralias: evenwijdig.

Pardanthina: panterachtig gekleurd.

Pardalianches: panter dodend.

Pardalinum: panter kleurig.

Pardinum: panterachtig.

Pareira: Portugees voor peer, stad in Colombia.

Parietiifolia: met blad als Parietaria.

Parietina: op muren.

Parisienne: se: uit Parijs.

Parishii: Amerikaanse broers Samuel Bonsall Parish, 1838-1928 en William Fletcher Parish, 1840-1918, botanische verzamelaars.

Parkeri: Amerikaanse fotograaf Joseph Chamberland Parker, 1834-1910.

Parkii: Engels, Schotse ontdekkingsreiziger Mungo Park, 1771-1806, die twee reizen maakte om de loop van de Niger vast te stellen.

Parnassi: naar de berg Parnassus, het verblijf van gratie en schoonheid, Parnassus is een gebergte op het Griekse eiland Phocis en heet nu Liakura en is 2460m hoog, gewijd aan Apollo en de muzen, het rijk der po‘zie.

Parnassifolius: met blad als Parnassus.

Parryae: Emily Richmond Preston Parry, 1821-1915, tweede vrouw van Charles Cristopher Parry.

Parryi: Charles Christopher Parry, Amerikaanse botanist, 1823-1890.

Parthenium: maagdelijk.

Parva: um: smal, klein.

Parvibracteata: met kleine schutbladen.

Parviflora: um: us: kleine bloemen.

Parvifolia: us: um: kleine bladeren.

Parvula: um: us: wat klein.

Pashia: hoge beambte, Pascha.

Patagonica: um: van Patagonia in Chili.

Patavina: um: uit Padua.

Patchouli: naam die verbasterd is uit het Tamil woord patsch ilai, patchai: betekent groen en ilai: blad, groen blad.

Patens: patula: um: uitstaand of wijd geopend.

Patientia: geduld.

Patini: M. Patin, plantenverzamelaar voor de Engelse fa WilliamÕs Nursery in de tweede helft van de 19de eeuw.

Pattersonii: botanist Harry Norton Patterson, 1853-1919.

Pauciflora: um: us: weinig of arm bloeiend.

Paucinervis: met weinig nerven.

Paulinae: Pooolse botaniste Paulina Glazinska.

Paupercula: us: wat arm.

Pavia: Pieter Pauw, pauw heet in het Latijn pavius. Dit was een Amsterdams geneesheer die in 1598 hoogleraar werd in Leiden.

Pavonia: pavonina: pauwachtig.

Paxiana: Duitse botanist Ferdinand Albin Pax, 1858-1942.

Peacockii: naar Mr. Paecock uit Hammersmith Engeland, in wiens collectie die het eerste bloeide.

Pechuleii: rundsvoet.

Pecten: kam.

Pecten-veneris: Venus kam.

Pectinacea: ta: us: kamvormig.

Pectis: kam.

Pectoralis: lange borstvinnen.

Pecuniata: mogelijk van Spaans pecuniaria: financieel of verwant met geld.

Pedata: um: voetvormig, als een vogelvoet.

Pedatifida: voet geveerd.

Pedemontana: uit Piedmont. Uit Amerika dan van aan de voet van de bergen.

Pedicellata: us: met draadvormige steeltjes.

Pediculifera: draagt luizen.

Pedunculata: ris: met een aparte stengel, naar de opvallende bloemstengels..

Peganum: Grieks peganon voor ruit.

Pekinensis: uit Peking.

Pelegrina: inheemse naam in Peru voor deze soort, in Latijn betekent het gevlekt bloemig.

Peirsoniana: Frank Warrington Peirson, 1865-1951, verzamelaar uit Californi‘.

Peleterianum: Franse botanist chemicus Pelletier, 1788-1842, hoewel het woord maar 1 l heeft, of naar de Franse naam piloselle de Lepeletier, naar de Franse Louis Michel le Peletier, marquis de Saint Fargeau, 1760-1793.

Pellita: met een pels of vel overtrokken.

Peloponnesiacum: uit de Peloponesos.

Peltata: um: us: schildvormig.

Peltophorum: schild dragend.

Penangiana: uit Penang in Maleisi‘.

Pendula: um: hangend.

Pennata: geveerd.

Peninsulare: is: groeit op een peninsula.

Penrhosiensis: te Penrhos, Galway.

Pensilis: hangend.

Pensylvanica: um: van Pennsylvania.

Penta: vijf.

Pentactis: vijf stralen.

Pentagramma: vijf strepen.

Pentagyna: met vijf stampers.

Pentalophus: vijf lobben.

Pentandra: um: met vijf meeldraden.

Pentapetalum: met vijf bloembladen.

Pentaphyllus: met vijf bladeren.

Pentlandii: Ierse wetenschapper Joseph Barclay Pentland, 1797-1873.

Peperomoides: peperachtig.

Peplus: rode doek.

Peploides: Euphorbia peplis-achtig.

Pepo: rijp, van Grieks voor koken waarmee een doorgaans rijpe en gelijk gekookte en vandaar weke en gezwollen vrucht genoemd werd.

Percei: Richard Pearce, plantenzoeker voor de fa. Veitch. 1835- 1868.

Pereirae: Pareira: Portugees voor peer, stad in Colombia.

Peregrina: um: us: vreemd of buitenlands.

Perennis: perenne: overblijvend.

Perezii: botanist van de Canarische eilanden Jorge Victor Perez, 1869-1920.

Perfoliata: um: doorboord.

Perforata: um: perfossa geperforeerd, doorheen gegroeid, twee bladeren samen aan de stam die geperforeerd worden door de stengel.

Periclymenoides: wat rondom klimmend.

Periclymenum: rondom klimmend.

Perlatum: bepareld.

Pernyi: Franse abbe en botanist Paul Hubert Perny, 1818-1907.

Perofskianum: Russische botanist Perofsky.

Perpusilla: us: uiterst klein.

Perringii: Engelse botanist Franklyn Perring, 1927-2003.

Perringii, W. PerringÕs uit de botanische tuin te Berlijn.

Perryi: Lily May Perry, 1895-1992, Canadese botaniste.

Perryi: A. Perry, de winner en kweker uit Enfield, Engeland.

Persica: perzik: persicus: uit Perzi‘.

Persicifolia: met bladeren als perzik.

Persimilis: gelijk door.

Persistens: blijvend.

Persoluta: zeer los.

Personatus: gemaskerd.

Pertusa: um: doorstoken.

Perulatus: met knopschalen.

Peruvianum: uit Peru.

Pes-caprea: geitenvoet.

Pestalozzae: F. Pestalozza, Italiaanse arts en botanist in de eerste helft van de 19de eeuw.

Petaloideum: bloembladachtig.

Peterophila: us: houdt van rotsen.

Petiolata: is: petiolaris: van bladstelen voorzien.

Petraea: um: us: rotsen beminnend.

Peruviana: um: uit Peru.

Peuce: den.

Peucedanoides: Peucedanum-achtig.

Phaeacantha: stoffig gedoornd.

Phaecephala: um: us: met donkere grijze hoofden.

Phaenopyrum: donkere peer.

Phaeum: bruin, zwartachtig, donker.

Phalaenopsis: op een nachtvlinder gelijkend.

Phalloides: phallus vormig.

Phanerolepis: zichtbare schubben.

Phaseoloides: slaboonachtig.

Phellos: kurk.

Phila: um: lief hebben.

Philadelphica: us: um: uit Philadelphia.

Philippinensis : nica: uit Filippijnen.

Philliraoides: als Phillyrea.

Phlogiflora: vlamachtige bloemen.

Phlomoides: vlamachtig.

Phoenicea: um: Fenici‘ of Phoenici‘: purper, hoog roodkleurig.

Phoenicolasius: purperkleurig behaard.

Phosphorea: fosforachtig.

Phu: sterk geurend, zeg maar pfoe.

Phyctidocalyx: opgeblazen bloembodem.

Phyla: een stam, volk.

Phyllanthidae: Phyllanthus-achtig.

Phyllanthoides: op Phyllanthus gelijkend, op die plant ontwikkelen de bloemen zich schijnbaar op de bladeren.

Phyllostachya: bladige aar.

Physalifolium: blad als Physalis.

Physaloides: Physalis-achtig.

Physoides: physodes: physaloides: opgeblazen.

Phrygia: uit Phyrgi‘, west Anatoli‘, Turkije.

Piasezkii: botanist P. J. Piasezki, rond 1875.

Picridis: op Picris voorkomend.

Picta: um: us: gespikkeld, beschilderd.

Pileata: van een hoed voorzien.

Pilosa: um: us: behaard.

Pilosiuscula: um: behaarde vormen of hauwtjes.

Pilosula: beetje behaard.

Pilulifera: pillen dragend.

Pimpinellifolia: met blad als pimpinella.

Pimpinelloides: pimpinella-achtig.

Pinaster: stervormige den.

Pindari: geestelijke G. Pindar te Elter, Engeland, de vinder.

Pinetorum: van de dennenbossen.

Pinguifolia: vet bladig.

Pinguin: pingu•n, de vruchten.

Piniana: denachtig.

Pinicola: bewoner van de dennenbossen.

Pini: pinea: den of pijn.

Pinifolius: met blad als de den.

Pinnata: us: um: is: pinnatia: geveerd.

Pinnatifida: um: us: liervormig of geveerd gesneden.

Pinnatifolia: geveerd blad.

Pinnatum: veerachtig.

Pinophilus: Pinus of den minnend.

Pinsapo: de naam pinsapo is vermoedelijk afgeleid uit sappinus, dit was bij Plinius een soort den.

Piperascens: peper of pepermuntachtig.

Piperita: um: us: peper of pepermuntachtig.

Pirifolia: blad als een peer.

Pisifera: erwt dragend, de ronde vruchten.

Pistia: viswater.

Piscatoria: vismarkt.

Pisidica: uit Pisidi‘, Z. Turkije.

Pisifera: erwt dragend, de vruchten zijn rond als erwten.

Pisocarpa: us: zaden als een erwt.

Pitkinense: Pitkin Mrsh in Sonoma County, Californi‘.

Pittonii: Pittoni von Dannenfelft, Oostenrijkse plantenliefhebber, 1797-1878.

Planifolius: vlak bladig.

Planipes: met een platte steel.

Plantago-aquatica: waterweegbree.

Plantaginea: eum: Plantago-achtig.

Planum: vlak.

Platanifolis: met blad als de plataan.

Platanoides: plataanachtig.

Platense: naar de vindplaats Rio de la Plata el Ricon in Argentini‘.

Platyacanthus: met brede dorens.

Platyanthum: brede bloemen.

Platycarpha: os: um: us: brede zaden.

Platyceras: met brede vruchten.

Platycodon: brede klokjes.

Platyglossa: met brede tong, lip.

Platypetala: um: met brede bloembladeren.

Platyphylla: us: met brede bladeren.

Pleiosperma: veelzadig.

Plicata: um: gevouwen, geplooid.

Pliniana: Plinius: Romeinse schrijver en politicus, 62-113

Plotii: 17deeeuwse Engelse botanist, dr. Robert Plot.

Plumarius: gepluimd of veervormig.

Plumbaginoides: Plumbago-achtig.

Plumieri: Charles Plumier, Franse botanist, 1646-1704.

Plummerae: Sara Allen Plummer, 1836-1923, botaniste en vrouw van John Gill Lemon.

Plumosa: us: gepluimd of veerachtig.

Pluriflora: um: veel bloemen.

Pluvialis: regen, sluit zijn bloemen met regen.

Pneumonanthe: windbloem.

Poculiformis: kopvormig.

Podocarpa: dikke vruchten.

Podolica: uit Podoli‘ in Oekra•ne.

Podophylla: um: voetbladig, bladeren staan aan de kruipende wortelstok.

Podagraria: voetje.

Podagrica: jicht, dat begint in de voet.

Poeticum: us: van de po‘ten.

Poetarum: po‘t-achtig.

Poetaz: woord gevormd van peoticus en tazetta.

Poiretii: Franse botanist Jean Louis Marie Poiret, 1755-1834.

Pohlii: Oostenrijkse botanist Johann Baptist Emanuel Pohl, 1782-1834.

Poissonii: Poisson, Franse botanist in de tweede helft van de 19de eeuw.

Pole-evansii: botanist uit Wales, later naar Z. Afrika, Illtyd Buller Pole-Evans, 1879-1968.

Polifolia: um: gepolijst blad.

Polita: glad, net.

Polium: grijs, polei.

Polonica: uit Polen.

Polyacantha: met vele dorens.

Polyadena: met veel klieren.

Polyancistrus: veel vishaken.

Polyandra: met veel meeldraden.

Polyanthemos: veelbloemig.

Polyanthes: um: met vele bloemen.

Polycarpa: um: us: on: met veel zaden.

Polychroma: veel geelkleurig.

Polyclada: um veel vertakt.

Polygonifolius: met blad als Polygonum.

Polygonoides: Polygonum-achtig.

Polymorpha: veelvormig.

Polyneura: veel nerven.

Polypetala: met veel bloembladeren.

Polyphyllus: um: met veel bladeren.

Polysepala: veel kelkbladeren.

Polysetum: veel borstels.

Polyspermum: met veel zaden.

Polystacha: um: met vele aren.

Polystichum: vele rijen.

Pomeridianum: van de middag.

Pomifera: vrucht of appel dragend.

Pomponium: pronkend.

Ponderosa: zwaar, log, het hout.

Pontica: um: us: uit Pontus, zuiden van Zwarte Zee..

Ponum: vrucht of : appel

Ponum adamii: adamsappel.

Porrifolius: met bladeren die lijken op Allium porrum.

Porrigens: schurftachtig.

Potentianum: krachtig.

Populifolia: um: met blad als populier.

Populnea: populierachtig.

Porcina: varken.

Porophylla: weinig bladeren.

Porrifolia: blad als prei.

Porrum: Grieks: prason, look, of van het Keltische pori: eten.

Poscharskyana: G. A. Poscharsky, Hongaarse hortulanus.

Porsildii: Deens Canadese botanist, Alf Erling Porsild, 1901-1977.

Portenschlagiana: Fr. E von Portenschlag-Ledermayer, 1772-1822, Oostenrijkse botanist.

Portlandia: werd door Margaret Cavendish Bentinck, Duchess van Portland, in Itali‘ opgemerkt tijdens een reis door Paestum, vandaar Rosa paestana.

Portulacoides: portula: Peplis portula: portulak-achtig.

Potaninii: G. N. Potanin, Russische natuuronderzoeker en plantenverzamelaar, 1835-1920.

Potatorum: der drinkers.

Pottsii: Amerikaanse botanist Thomas Potts, 1803-1882.

Poukhanense: uit Puokhan in Korea.

Pouzolzii: de plantenverzamelaar P. C. De Pouzolz.

Powellii: onderzoeker John Wesley Powell, 1834-1902.

Powellii: kweker C. B. Powell.

Pozdnjakovii: geteeld door de Russische Kostyantin VasilÕovich Pozdnyakov.

Praecox: vroeg.

Praealta: um: zeer hoog.

Praeceptorum: leraar.

Praegerianum: R. Lloyd Praeger, Ierse botanist die geboren is in 1865.

Praelongus: zeer lang.

Praemorsa: afgebeten.

Praenitens: zeer glanzend.

Praestans: in de rij vooraan staand of voortreffelijk.

Praetermissa: over het hoofd gezien, vergeten.

Pratense: is: van de weiden.

Pratincola: bewoner van de weiden.

Prattii: Engelse botaniste Anne Pratt, 1806-1893.

Prattii: A. E. Pratt, Engelse zošloog en plantenverzamelaar in de tweede helft van de 19de eeuw.

Precatorius: precator betekent ÔbiddenÕ, omdat van zijn zaden rozenkransen werden gemaakt.

Preissii: Duits, Engelse botanist Johann August Ludwig Preiss die naar Australi‘ emigreerde, 1811-1883.

Prenja: naar Prenj-Planina in Herzegovina.

Preslii: Tsjechische botanist Karel Borivoj Presl, 1794-1852.

Preston: Engelse, Amerikaanse Isabella Preston in Ottawa.

Priceana: pricei: Amerikaanse botanist dr. Robert Price.

Prichardii: M Prichard, kweker te Christchurch, Engeland en Engels consul op de Fidji-eilanden omstreeks 1850.

Primulaeflorum: bloemen als Primula.

Primulinum: gele bloemen als Primula.

Primulinus: Primula-achtig.

Primum: de eerste.

Pringlei: Amerikaanse botanist Cyrus Guernsey Pringle, 1838-1911.

Princeps: voornaamste.

Principes: nobelste of edelste.

Prinos: steeneik.

Principis-rupprechtii: Rupprecht, kroonprins van Beieren, 1869-1955.

Prionotes: zaag en kwaliteit, de gezaagde randen.

Proboscidea: um: lange of snuitvormige slurf.

Procera: us: hoog en slank opgroeiend.

Procumbens: kruipende liggende stengels.

Procurrens: met uitlopers.

Prolifer: a: voor voortteling geschikte organen vormend, dus spruiten dragend.

Prolifica: um: us: zeer vruchtbaar.

Prophetarum: van de profeten.

Propinqua: us: verwant of soortgelijk.

Prostrata: um: neer liggend.

Protopunica: vroege granaatappel.

Provincalis: uit de Provence.

Pruhonicensis: Pruhonice bij Praag waar Fr. Zeman deze kruising heeft gewonnen.

Pruinosa: dauwachtig, als met een waas overtrokken.

Prunifolia: um: met blad als Prunus.

Pruniformis: pruimvormig.

Pruriens: stekend of jeukend.

Prutenicum: uit Pruisen.

Przewalskii: Nikolai Michailowitsch Przewalski, Russische botanist en plantenverzamelaar, 1839-1888.

Psammophila: zand houden.

Pseudoacacia: valse Acacia.

Pseudoacorus: valse kalmoes.

Pseudoarmeria: valse of onechte Armeria.

Pseudocactus: geen echte cactus.

Pseudocamellia: valse Camellia.

Pseudocapsicum: Capsicum-achtig.

Pseudocyperus: Cyperus-achtig.

Pseudocytisus: geen echte Cytisus.

Pseudoelatior: geen echte elatior.

Pseudodeminuta: gelijk klein.

Pseudomajus: valse majus.

Pseudonarcissus: valse narcis, kwam nadat andere al Narcis genoemd waren.

Pseudopallens: half bleek.

Pseudopallida: valse pallida.

Pseudopectinata: vals kamvormig.

Pseudoplatanus: valse plataan.

Pseudoscabriuscula: wat ruw en sjofel uitziende.

Pseudospeculum: valse spiegel.

Pseudothea: geen echte thee.

Psilostachys: met kale aren.

Psilostemon: met kale bloemen.

Psittacina: um:  psittacorum: op een papegaai gelijkend.

Pskemense: dorp Pskem in westelijk Tianschan.

Psyllium: vlo-achtig.

Ptarmica: niezen opwekkend

Ptarmiciflorum: bloemen als Achillea ptarmica.

Pteracantha: gevleugelde dorens.

Pterocaulon: gevleugelde stengels.

Pubescens: puberula: ta: um: zacht behaard, puberachtig.

Pubinerveis: zacht behaarde nerven.

Pudica: schaamachtig of zedig.

Pulcher: pulchra: pulchella: um: us: fraai of mooi.

Pulcherrima: um: het mooiste.

Pulegium: polei.

Pulegioides: poleiachtig.

Pulicarus: vlo-achtig.

Pulla: donker grauw.

Pulloides: op Campanula pulla gelijkend.

Pulmonarius: longkruid.

Pulvereus: stoffig.

Pulverulenta: um: bepoederd.

Pulvinaris: kussen vormig.

Pulvinata: um: kussenachtig.

Pumila: us: us: klein, dwergachtig.

Pumilio: dwerg.

Punctata: um: gevlekt, puntige vlekken.

Punctiloba: gepunte lobben.

Pungens: scherp, de bladeren.

Puniceus: scharlakenrood, roodpurper.

Punicia: us: donker rood.

Purdomii: W. Purdom, Engelse plantenverzamelaar, 1880-921.

Purdyi: Amerikaanse plantverzamelaar en kweker Carlton Elmer Purdy, 1861-1945.

Purgans: purgeren of afvoeren.

Purpurascens: purpurata: um: us: purperachtig.

Purpurea: purper.

Purpureomaculatus: purper gevlekt.

Purpurocaerulea: purper/blauw.

Purpusii: Duitse botanist Carl Albert Purpus, 1851-1941.

Purshiana: Duits Amerikaanse botanist Frederick Traugot Pursch, of Pursh, 1774-1820.

Purpusia: ii: purpusiana: purshii: Carl Albert Purpus, 1853-1941 en zijn broer Joseph Anton Purpus, 1860-1931, Duitse plantenverzamelaars in Amerika.

Puschkinioides: Puschkinia-achtig.

Pusilla; um: us: zeer klein, onbeduidend.

Pycnantha: um: dichte bloemen.

Pycnostachya: dichte aar.

Pycnotrichus: dicht opeen gedrongen behaard.

Pygmaea: um: us: klein als een pygmee.

Pylzowii: Pylzow, Russische officier en plantenverzamelaar .

Pyramidale: is: piramidaal.

Pyramidata: piramidaal-achtig.

Pyrethrum: brandend.

Pyrenaica: pyrenaeus: pyrenaicus: uit de Pyrenee‘n.

Pyroliflora: bloemen als de peer, Pyrus.

Pyrifolia: perenblad.

Pyriforme: peervormig.

 

Betekenis van plantennamen die met een Q beginnen.

 

Quadrangulata: laris: lata: vierhoekig, de twijgen.

Quadratum: vierkant.

Quadriaurita: vier oren.

Quadridenta: um: vier maal gedraaid.

Quadrifolia, vierbladig.

Quadriloba: vier lobben.

Quadriradiata: viermaal gedraaid.

Quadrivalvis: vier kleppen.

Quaesita: zoeken of streven naar.

Quamash: naam van Indianenstammen die het als voedsel gebruikten, Nex Pere, Cree en Blackfoot.

Quasetia: zoeken of streven naar.

Quassiodes: Quassia-achtig.

Quartinianus: kwart van het jaar bloeiende.

Quebracho-blanco: staat met de hardheid van het hout in verband, van quebrar hacho "breken van de blanke bijlÕ.

Quehlianum: Duitse cactusliefhebber en medestichter van de Duitse Kakteen-Gesellschaft Leopold Quehl: 1849-1922.

Quercifolia: um: eikenbladachtig.

Quihoui: de opzichter van de Jardin d'Acclemation te Parijs, ene Quihou.

Quila: koloniale stad in Bolivia.

Quinata: vijf lobbig.

Quindiuense: uit de Andes, in het departement Quind’o, noordwest Colombia.

Quinoa: Quino, Inca naam.

Quinquefarium: met vijf ranken.

Quinqueflora: met vijf bloemen.

Quinquefolia: us: um: met vijf bladeren.

Quinquenervis: met vijf nerven.

Quinquevulnerum: met 5 wonden of vlekken.

Quintuplinervia: met 5 nerven.

Quitoense: sis: uit Quito, hoofdstad van Ecuador.

 

 

Betekenis van plantennamen die met een R beginnen.

 

Racemiflorus: in trossen bloeiend.

Racemosa: um: tros vormend.

Racinae: wortel of trosachtig.

Raddeana: G. F. R von Radde, Russische plantenverzamelaar.

Raddianum: Italiaanse botanist Giuseppi Raddi, 1770-1829.

Radians: straalt naar buiten.

Radiata: straalsgewijs.

Radicans: met wortelstelen.

Radicatum: cans: wortelend.

Radiciperda: met wortelvoet.

Radicula: wortel.

Radiflorus: straalbloemig.

Radiscula: straalvormige wortel.

Radiosa: stralig.

Radula: lina: us: vijl of rasp.

Raetam: plaats van bremplanten, Numeri 33: 18, Rithma.

Rafinesquei: Franse botanist Constantine Samuel Rafinesque-Schmaltz, 1783-1840.

Rafflesiana: sir Thomas Stamfort Raffles, leider van de expeditie en gouverneur van Sumatra.

Raichei: Amerikaanse botanist Roger Raiche, 1952-.

Rajah: beschreven door Joseph Dalton Hooker die het naar James Brooke noemde, de eerste witte rajah van Sarawak.

Ramalana: Ra-ma-la, een berg in Szechuan, China.

Ramentacea: schilferig.

Ramondioides: Ramonda-achtig.

Ramontchi: Ramontchi is de inlandse naam in Madagaskar.

Ramosissima: um: zeer vertakt.

Ramosa: um: us: ramulosa: sterk vertakt.

Randaiense: Randai als dialect van het Bunun in Taiwan.

Rangifera: van de rendieren.

Rantonnetti: Franse botanist M. Victor Rantonnet uit Hyeres, 19de eeuw.

Ranunculoides: linus: ranonkelachtig.

Rapa: raap.

Rapaceum: us: raapachtig.

Raphanistrum: radijs of raapachtig.

Rapum-genistae: raap of wortelknobbel op brem, Genista.

Rapunculoides: rapunzelachtig.

Rapunculus: raapachtig, rapunzel, raponsje.

Ratisbonensis: uit de omstreken van Regensburg.

Rattanii: Amerikaanse botanist en verzamelaar Volney Rattan, 18401915.

Ravennae: stad Ravenna in Itali‘.

Rautanenii: Finse onderzoeker in Namibi‘, Martti Rautanen, 1845-1926.

Rebaudiana: Rebaudi: chemicus uit Paraguay die in staat was om twee stoffen, stevioside en rebaudioside te onderscheiden.

Recognita: herkenning, herkennen

Recta: um: us: recht opgaand.

Rectifolia: rechte bladeren.

Recutita: glad geschoren.

Recurva: us: um: terug gekromd.

Recurvifolia: teruggebogen bladeren.

Rediviva: us: herlevend.                                                                                           

Redolens: verspreiden van een geur.

Reductum: us: terug getrokken.

Reevesiana: Engelse botanist en uitgever Lovell Reeve, 1847-1966.

Reflexa: um: terug gebogen.

Refracta: us: terug gebroken of om geknikt.

Regalis: regale: koninklijk.

Regia: heerser of koninklijk.

Regelia: ii: Duitse botanist Dr. Eduard August von Regel, directeur van de Botanische tuin te St. Petersburg, 1815-1892.

Reginae: koningin.

Reginae-olgae: is in 1876 voor het eerst beschreven en genoemd naar de toenmalige koningin Olga van Griekenland.

Regisjubae: koning Juba, eerste koning van beide Mauritani‘ in Afrika die het gevonden zou hebben.

Regnans: heerser of koninklijk.

Rehderiana: Duitse schrijver en botanist Alfred Rehder, 1863-1949, werkte voor het Arnold Arboretum.

Rehmannii: Antoni Rehmann, 1840-1917, Poolse plantenverzamelaar die deze plant in Transvaal ontdekte.

Reichardii: Franse botanist Reichardi die de plant vond op het eiland Minorca.

Reichenbachii: Duitse botanist Heinrich Gottlieb Ludwig Reichenbach, 1793-1879.

Religiosa: geheiligd, in de religie gebruikt.

Reinwardtii: Pruisische, Hollandse botanist Caspar Georg Carl Reinwardt, 1773-1854, stichter van de botanische tuin te Bogor, Buitenzorg.

Remissus: flauw.

Remota: uiteen geplaatst.

Remotiflora: uiteen staande bloemen.

Remotus: verstrooid.

Reniforme: is: niervormig.

Repanda: um: licht golvende randen.

Repens: reptans: kruipen, reppen.

Requienii: E. Requien, Franse plantenkenner, 1788-1851.

Resina: resinosa: hars of gom leverend.

Resinifera: gom dragend.

Resupinatum: met gebogen rug, omgebogen of omgekeerd.

Reticulata; us: um: netvormig, netaderig.

Retinodes: netvormig.

Retroflexa: us: naar achteren gebogen.

Retusa: us: um: inkepingen aan het einde.

Revirescens: weer groen wordend.

Revoluta: um: omgerold.

Rex: koning.

Rexii: botanist George Rex, 1765-1839.

Rhabarbarum: uit het land der Barbaren.

Rhaetica: um: volk in Rhaetie bij Zillerdal en Itali‘.

Rhamnoides: Rhamnus-achtig.

Rhapontica: als Rheum rhaponticum, groot duizendguldenkruid

Rhaponticum: Grieks rha: Wolga, en Pontus, van het land Wolga en Zwarte Zee.

Rhazya: Rhazes Abu Bekr-er-Rasi Arabische arts en schrijver in het begin van de 10de eeuw.

Rhizomata: met wortelstokken.

Rheedii: Hendrik Adriaan von Rheede tot Draakestein 1637-1691.

Rhodantha: um: rozen rood bloeiend.

Rhodopensis: Rhodope gebergte, de vindplaats.

Rhoeas: vloeien, stromen.

Rhoifolia: met blad als Rhus.                                                         

Rhombica: ruitvormig.

Rhombifolia: ruit of diamantachtig blad.

Rhomboidalis: ruit of diamantvormig.

Rhynchophylla: snavelvormig blad.

Rhytidocarpum: rimpelige vrucht.

Rhytidophyllum: rimpelbladig.

Rhytidophylloides: als Viburnum rhytidophyllum.

Richardii: Frans botanist en arts Achille Richard, 1794-1852.

Richardsonii: is: Schotse arts en botanist John Richardson, 1787-1865.

Richeri: Franse botanist Pierre Richer de Belleval, 1564-1632.

Ricinifolia: us: met bladeren als Ricinus.

Riddellii: John Leonard Riddell, 1807-1865, Amerikaanse arts en wetenschapper.

Rigens: a: um: stijf, met opgerichte bloem.

Riger: Spaans riego, bewatering.

Rigida: um: us: stijf, onbuigbaar.

Rigidissimus: zeer stijf.

Rigidiuscula: zeer stijve aanhangsels.

Rimosa: vol spleten.

Ringens: grijnzend, gapend.

Riparia: um: riparius: aan de oevers groeiend.

Ritro: gedoornd.

Rivale: is: rivularis: van de beekjes of rivieren.

Riversis: van de rivieren.

Riviniana: Duitse botanist Augustus Quirinus Rivinus, 1652-1723, ook bekend als August Bachmann.

Rizzinii: Braziliaanse botanist Carlos Toledo Rizzini, 1921-1992.

Robertianum: robertskruid, naar Saint Robertus, Franse geestelijke en stichter van de Karthuizers, stierf in 1067. Of van Rupert, aartsbisschop van Salzburg die stierf in 717, of Robert, hertog van Normandi‘.

Robinsonii: botanist D. M. Robinson.

Robusta: um: us: robustius: robuust.

Robur: robuust, kracht.

Rockii: botanist Joseph Rock die in 1926 in China zaden verzamelde voor het Arnold Arboretum.

Roebelinii: C. Roebelin, Zwitserse plantenzoeker voor de fa Sander & Sons, kwekers te Brugge en St. Albans bij Londen in de tweede helft van de 19de eeuw.

Roezlii: Tsjechische botanist Benedikt Roezl, 1824-1885.

Rogersiana: Mr. Coltman-Rogers, Stanage Park, Radnorshire, Engeland.

Romana: Romeins.

Romanetti: Franse botanist Romanet du Caillaud, 1847-1919.

Romanzoffiana: N. P. Romanzoff, Russische beschermer van de wetenschappen, 1754-1826.

Romulea: naar Romulus, stichter van Rome.

Rooperi: kapitein Edward Rooper, botanische tekenaar die deze plant naar Engeland stuurde.

Roscoeana: Williams Roscoe, Engelse botanist, 1763-1831.

Rosea: us: um: rosacea: us: roze.

Rosaeflora: roze bloeiend.

Rosa-chinensis: roos uit China.

Rosenbachiana: Nikolai O. von Rosenbach, gouverneur van Turkestan in de tweede helft van de 19de eeuw.

Rosmarinifolia: blad als de rozemarijn.

Rossii: rossianorum: Schotse onderzoeker John Ross, 1777-1856. En James Clark Ross, 1800-1862.

Rostellata: kleine bek.

Rostkoviana: Pruisische botanist Rostokow, 1740-1840.

Rostrata: um: us: snavelvormig.

Rostratacapitata: snavelvormig hoofd.

Rostriflorus: snavelvormige bloemen.

Rosularis: rosulata: klein rozetvormig.

Rothschildiana: lord Walter Rothschild in het Tring Park te Engeland in 1903.

Rotala: wielachtig.

Rotang: rotan.

Rotunda: data: us: rond.

Rotundifolia: um: us: met ronde bladeren.

Rowleyanus: G. Rowley, een vetplantenexpert.

Roxburghii: Schotse arts en botanist, William Roxburgh, 1751-1815.

Royleana: Engelse botanist John Forbes Royle, 1799-1858.

Rubella: um: us: licht roodachtig.

Ruber: rubra: rubrum: rubens: rood.

Rubicunda: um: dula: roodachtig.

Rubiginosa: um: bruinrood.

Rubrifolia: roodachtig blad.

Rubrodisca: met rode schijf of disk.

Rubrotinctum: rood gekleurd.

Rubus: braamachtig.

Rudentum: kabel.

Ruderale: op woeste plaatsen groeiend.

Rudolphiana: Duitse botanist Rudolph von Uechtritz, 1838-1886.

Rufida: roodbruinachtig.

Rufidulum: roodbruinachtig

Rufinerve: roodbruin generfd.

Rufa: us: roodbruin of voskleurig.

Ruffia: plaats in Itali‘ heet zo.

Rufipogon: roodbruine baard.

Rugosa: us: gerimpeld.

Ruiterhybriden: kweker N. Ruiter uit Uitgeest.

Rumelicum: Roumelisch, Balkan Turks.

Rumphii: de uit Duitsland stammende Nederlander Georg Eberhard Rumphius of gewoon Rumpf, 1628-1702.

Runcinata: zaag tanden.

Rupestre: is: op rotsen groeiend.

Rupicola: um: bewoner van rotsige heuvels.

Rupifragum rotsbreker.

Ruprechtii: Duits Russische botanist Franz Josef Iwanowitsch Ruprecht, 1814-1870.

Rurivagum: landelijke zwerver.

Rusbyi: Henry Hurd Rusby, Amerikaanse plantenliefhebber, 1855-1940.

Rusciflora: met bloem als Ruscus.

Ruscifolia: met blad als Ruscus.

Russelliana: um: zo genoemd naar de Duke of Bedford, Russell.

Russeliana; Amerikaanse legerarts, Thomas Russell, 1793-1817.

Russi: Giacchimo Russo, plantenliefhebber te Palermo, begin 19de eeuw.

Rutaefolium: ruitachtig blad.

Ruta-muraria: muurruit.

Rusticana: bij boeren voorkomend, boers, landelijk, tegenwoordig heeft het woord meer de betekenis van rustiek.

Ruthenica: uit Rusland.

Rutilans: rutila: um: roodachtig.

Ruyschiana: Fredrik Ruysch, Hollandse anatomist en botanist, 1683-1731.

Rydbergii: iana: Amerikaanse botanist Per Axel Rydberg, 1860-1931.

 

Betekenis van plantennamen die met een S beginnen.

 

Sabauda: um: uit Savoie.

Sabina: Sabijnse volksstam in Itali‘.

Sabulosa: um: zand, kiezel beminnend.

Sachalinense: is: uit Sachalin of Sakhalin eilanden, O. Rusland.

Saccharata: besuikerd.

Sacchariflorus: met bloemen als suikerriet.

Saccharinum: suiker vloeiend.

Sacharum: suiker.

Sacrorum: geheiligd.

Saginoides: Sagina-achtig.

Sagittalis: Sagitta: us: pijlvormig.

Sagittifolia: um: pijlvormig blad

Sagu: sago.

Sajanensis: Sajanen bergen bij Irkutsk.

Salebrosa: onregelmatige ruigte.

Salina: van de zoute gronden.

Salicina: salicaria: wilgachtig.

Salicifolia: um: us: wilgbladig.

Salicornioides: Salicornia of zeekraal-achtig: sal: zout, cornus: hoorn.

Saligna: us: wilgvormig.

Saliunca: wilde nardus.

Salmiana: Duitse amateurbotanist Joseph Franz Maria Anton Hubert Ignatz, vorst en oudgraaf van Salm-Reifferscheidt-Dyck, 1773-1861.

Salmonea: zalmroze.

Santalinus: um: sandaalhoutachtig.

Salouenensis: Saloun of Salween, rivier in China en Birma.

Salsus: gezouten.

Salsuginosus: zout lievend.

Saluenensis: se: Salwin river in Tibet.

Salvifolius: met blad als salie.

Salzmannii: Duitse botanist Philipp Salzmann, 1781-1851.

Samaipatanus: de vindplaats Samaipata in Bolivia.

Samarangense: uit Samarang, Indonesi‘.

Sambac: Arabisch zanbacq, Turks zambak: lelie.

Sambucifolia: met blad als vlier.

Sambucina: vlierachtig, de geur.

Samia: Samos, eiland voor de kust van klein Azi‘.

Sanct-johannis: Sint Johannes.

Sanderiana: Duitse Engelse kweker Henry Frederick Conrad Sander, 1847-192, fa Sander & Sons, kwekers te St. Albans bij Londen, 1847-1920 genoemd naar zijn vrouw Elizabeth Fearnly Sander, 1841-1921.

Sandwicensis: se: van de Sandwicheilanden.

Sanguinea: um: us: bloedrood.

Sanguinalis: bloedrood.

Sanguinolenta: zacht bloedrood.

Sansouciana: uit Sans Souci.

Sapida: zeep leverend.

Sapientum: wijze mensen.

Saponaria: zeep leverend.

Sapphirum: saffierblauw.

Sapota: zapota: gom.

Saprophyte: leeft van dood organisch materiaal.

Sardensis: uit Sardes, hoofdstad van Lydi‘.

Sarcocaulis: vlezige stengel.

Sardous: Sardini‘.

Sarcodactylus: vlezige vinger of dadel.

Sargentii: ana: Amerikaanse dendroloog en botanist, de eerste directeur van het Arnold arboretum Charles Sprague Sargent, 1841-1927 .

Sarmatica: uit Samarti‘.

Sarmentosa: um: twijgachtige uitlopers vormend.

Sarmientoi: pater Martin Sarmiento, 1695-1771, Spaanse filoloog.

Sarniensis: Guernsey.

Sarothrae: Grieks voor een bezem gemaakt van de twijgen.

Sarracenioides: gelijkend op Sarracenia.

Sarracenius: Saracenen, voor ons heidenen.

Sasanqua: de naam van deze plant in hun vaderland Japan, sasankwa.

Satanas: satan.

Sativa: um: us: gezaaid, tam of gekweekt.

Satsumanus: Satsuma, landstreek in Z. Japan.

Satureaefolia: met blad als Satureja.

Saturejoides: Satureja-achtig.

Saundersii: Schotse botanist en kweker William Saunders, 1822-1900.

Saundersiae: Saunderson uit Toncat bij Natal in Z. Afrika die de bollen van deze soort naar Engeland stuurde in de tweede helft van de 19de eeuw.

Saxicola: bewoner van berstreken.

Saxatile: is: op steenachtige gronden groeiend.

Saxifraga: steen brekend.

Saxorum: groei op rotsen.

Scabiosa: op Scabiosa gelijkend.

Scabiosaefolia, scabiosifolia: met blad als Scabiosa.

Scaberrimum: de ruigste of zeer ruw.

Scaberulus: ruwachtig.

Scabra: um: scaber: ruig, ruw.

Scammonea: bindkruid.

Scandens: klimmend.

Scandinavica: scandica: Zweeds of uit Scandinavi‘.

Scardica: berg Scardus in Macedoni‘ en Albani‘.

Scharffiana: Carl Scharff, die deze plant in de tweede helft van de 19de eeuw gevonden heeft.

Scaposa: met een schacht

Scariola: van Frans escarole, van Italiaans scariola, van Latijn escariola: voedsel, medicament.

Scariosa: um: gekrinkeld, dun, droog.

Scheidekeri: ScheideckerÕs kwekerij in MŸnchen, Duitsland rond 1890.

Sceleratus: vervloekt of onheilszwanger, van Latijn scelus: misdaad.

Sceptrum‑carolinum: Karels-scepter is zo genoemd naar Koning Karel XII van Zweden.

Schafta: inlandse naam in de Kaspische streken.

Scherzerianum: Consul van Oostenrijk in Guatemala Karel von Scherzer, 1821-1903.

Scheuchzeri: Johann Jacob Scheuchzer, 1684-1738, Zwitserse botanist.

Schiedeana: Duitse botanist Christian Julius Wilhelm Schiede, 1798-1836.

Schilleriana: Duise consul Schiller, orchidee liefhebber uit de 19de eeuw.

Schlippenbachii: naar baron von Schlippenbach, een Russische officier die de plant in 1854 verzamelde.

Schimperi: Duitse botanist Georg Heinrich Wilhelm Schimper, 1804-1878.

Schinabeckii: Mrs. Anne Schinabeck, Cleveland botanische tuin.

Schizopetalus: gespleten kroonbladen.

Schleicheri: J. Chr. Schleicher, 1768-1834, Zwitserse botanist.

Schlumbergera: Belgische botanist Friedrich Schlumberger.

Schmidtiana: Duitse-Baltische botanist Friedrich Schmidt, 1832-1908, een van de firmanten van Haage & Schmidt, kwekers te Erfurt, Duitsland.

Schmollii: Ferdinand Schmoll, gestorven 1950.

Schneebergensis: Schneeberg, einde van de Noordoostelijke Kalkalpen.

Schneideriana: Duitse naturalist Johann Gottlob Schneider, 1750-1822.

Schoenanthus: biesachtig.

Schoenoprasus: um: Grieks schoinos: bies, prason: look: prei.

Schoberi: Russische arts en botanist Schober.

Scholaris: van de school, schrijfplankjes werden er van gemaakt.

Schomburgkiana Duitse botanist Moritz Richard Schomburgk, 1811-1891, met zijn broer Moritz Richard.

Schootii: R. van der Schoot, kweker uit Hillegom die deze plant heeft ingevoerd.

Schottii: H. W. Schott, Oostenrijkse botanist, 1794-1865.

Schrammi: Duitse botanist Jacob R. Schramm, later president van de American Botanical Society in 1925.

Schreberi: Johann Christian Daniel von Schreber, 1739-1810, student van Linnaeus.

Schrenkiana: botanist Alexander Gustav von Schrenk, 1816-1876.

Schultzii: mogelijk naar de Duitse botanist Carl Heinrich Schultz, 1798-1871. Minder naar Schultesii: botanist Richard Evans Schultes, 1915-2001.

Schultesii: Oostenrijkse botanist Josef August Schultes, 1773-1831.

Schumannii: Duitse botanist Schumann, 1851-1904, curator van het botanische museum in Berlijn.

Scilloides: Scilla-achtig.

Scintillans: schijnend, helder.

Scirpoidea: als Scirpus.

Sclerocactus: harde cactus.

Sclarea: helder, oogmiddel.

Scolopax: snipachtig.

Scolopendrium: duizendpoot.

Scolymus: Grieks skolops: distel, skolymos: een eetbare distel.

Scopa: bezemachtig.

Scoparia: us: um: met dunne takken of bezemachtig.

Scopulorum: scopulina: um: rots of klif.

Scordioides: lookachtig.

Scordium: lookachtig.

Scorodonia: knoflookachtig.

Scorodoprasem: Grieks skorodon: knoflook, prason: prei.

Scorpioides: schorpioenachtig.

Scotica: Schots.

Scouleri: iana: John Scouler, Engelse zošloog en plantenverzamelaar, 1804-1871.

Scripta: us: beschreven.

Scutatus: scutellata: schotel of schildvormig.

Scutellarioides: als Scutellaria.

Sebestena: sebesten-achtig.

Sebifera: um: talk dragend.

Secalinum: us: rogge-achtig.

Sechellarum: uit de Seychellen.

Secunda: us: um: naar een zijde gekeerd of tweede.

Secundiflora: us: aan een zijde bloeiend of tweemaal bloeiend.

Sedifolius: zittend blad.

Sediforme: Sedum of zittend-achtig gevormd.

Sedoides: op Sedum gelijkend.

Segetum: van de graanakkers.

Seguieri: J. Fr Seguier, Franse botanist, 1733-1784.

Seguine: op scheerling gelijkend, een Z. Amerikaanse naam.

Seideliana: Alvim & Roeth Seidel, 1988.

Seifrizii: Duitse politicus Adalbert Seifriz, 1902-1990.

Selaginoides: Selago-achtig.

Selago: gezicht en genezend.

Selloana: sellowiana: Duitse plantenverzamelaar en botanist Friedrich Sello, Sellow, 1789-1831.

Semenovii: P. Semenow, Russische aardrijkskundige 1827-1914.

Semialbum: half wit.

Semidecandra: um: half, dus 5 helmknoppen.

Semisanguifluus: half bloedrood vloeiend.

Semimargaritifera: half bepareld.

Semistampersandrum: half tienmannig, dus 5 stuifmeeldraden.

Semper: altijd.

Semperflorens: altijd bloeiend.

Sempervirens: altijd groen.

Sempervivoides: op Sempervivum gelijkend.

Sendtneri: O. Sendtner, Duitse hoogleraar, 1814-1859.

Senega: seneca is de naam van een N. Amerikaanse indianenstam.

Senensis: uit Senna, Zambesi.

Senilis: als een grijsaard.

Senna: van Arabisch sana.

Senta: stekelig.

Sensibilis: gevoelig, voor vorst.

Senticosum: us: overdaad aan dorens op de kuif.

Sepiaria: haag.

Sepium: saepium: groeit in hagen.

Septemfida: zeven maal gespleten.

Septemlobus: met zeven lobben.

Septentrionale: is: noordelijk.

Septica: vuil opwekkend.

Sepulcralis: van de begraafplaatsen.

Sericata: us: gekleed in zijde.

Sericea: um: zijdeachtig.

Serotina: um: laat bloeiend.

Serpens: serpentachtig, kruipend.

Serpentaria: serpent of slangachtig.

Serpentina: us: um: serpentachtig, gebruik tegen slangenbeten, ook serpentine gronden in bergen

Serpyllifolia: um: tijmachtige blaadjes.

Serpylum: kruipen.

Serratifolia: gezaagd blad.

Serriola: zaagje.

Serriola: Grieks seris: sla.

Serrulata: us: serrata: um: gezaagd.

Sesquipedale: is: anderhalve voet lang of groot.

Sessile: is: zittend of ongesteeld.

Sessiliflorum: ongesteeld of zittende bloemen.

Sessilifolia: um: us: ongesteelde of zittende bladeren.

Setacea: um: us: zijdeachtig.

Setiferum: borstels dragend.

Setigera: um: us: borstel dragend, korte borstels op de top van.

Setispinus: borstelig of stijf doornig haar.

Setipoda: borstelachtige voet.

Setosa: us: um: borstelig.

Serbica: uit Servi‘.

Seringeana: Franse botanist Nicolas Charles Seringe, 1776-1858.

Setchuenesis: uit Setchuan, Szechuan, Sichuan, China.

Sewerzowii: Russische reiziger botanist Nikolai Alexejewitsch Sewerzow, stierf in 1885.

Sexangulare: zes hoekig.

Seyal: stortvloed.

Shallon: Indiaanse Chinook naam kikwu-salu.

Shastense: is: uit Mt. Shasta, Californi‘.

Shebbearei: O. Shebbeare die de transport in Tibet verzorgde.

Shortii: Amerikaanse botanist en plantenverzamelaar Charles Wilkins Short.

Shumensis: in de velden van Shume ontdekt door Greenway in 1947 bij de Usambra bergen.

Shuttleworthii: Engelse botanist Robert James Shuttleworth, 1810-1874.

Sierrea: sierra is Spaans voor berggebied.

Siamea: uit Siam.

Sibirica: us: um: uit Siberi‘.

Sibthorpii: Engelse botanist John Sibthorb: 1758-1796.

Siceraria: van: van sycos: vijg, vijgachtig?

Sicoides: sicyoides: vijgachtig.         

Siculum: us: a: uit Sicili‘.

Sieberi: Fr. W. Sieber, Oostenrijkse botanist, gestorven in 1844.

Sieboldianum: sieboldii: Philipp Franz von Siebold, 1796-1866, arts te Deshima, onderzoeker van Japanse flora en fauna.

Sieheana: siehei: W. Siehe, kweker te Mersina, Klein Azi‘.

Sieversii: , Duitse geoloog en geograaf Friedrich Wilhelm Sievers, 1860-1921.

Signata: um: goed gemarkeerd, getekend.

Signifera: getekend.

Sigun: merk, signatuur, symbool.

Sikkimensis: uit Sikkim.

Sikokina: uit het eiland Shikoku, Japan.

Silaus: glanzend.

Siliqua: siliquosus: hauw dragend.

Siliquastrum: hauwachtig.

Silvatica: uit het bos.

Silva-taroucana: graaf Ernst Silva Tarouca, Oostenrijkse plantenliefhebber in de tweede helft van de 19de eeuw.

Silvestrii: geestelijke of pere C. Silvestris, Italiaanse plantenverzamelaar rond 1907.

Silvicola: bos bewonend.

Simaruba: naam in de Cariben voor Bursera simaruba.

Simia: gelijkend, aapachtig.

Similis: vergelijkbaar.

Simonii: Gabriel Eugene Simon, Franse plantenverzamelaar in het midden van de 19de eeuw.

Simonsii: Charles J. Simons die veel planten verzamelde in Assam en Noord India rond 1820-1850.

Simplex: enkelvoudig: niet vertakt.

Simplicifolia: us: met enkelvoudige bladeren.

Simplicissima: zeer eenvoudig.

Simsii: John Sims, Engelse plantkundige en redacteur van The Botanical Magazine, 1792-1838.

Simulata: gelijkend of overeen komend.

Simulans: lijkt op.

Sindjarensis: berg Sindjar in Mesopotami‘.

Sinensis: sinica: uit China.

Sinkiangensis: uit de Chinese provincie Sinkiang.

Sinogrande: grote Chinees.

Sino-ornata: versierde Chinees.

Sinopurpurea: Chinees purper.

Sintenisii: P. E. E. Sintens, Duitse plantenverzamelaar in de tweede helft van de 19de eeuw.

Sinuata: um: us: bochtig.

Siphilitica: tegen syfilis.

Sipho: buis.

Sipyleum: Sipylus gebergte in Lydi‘, Klein Azi‘, Turkije.

Sisalana: sisal leverend.

Sisarum: afgeleid van het Arabische dgizer: een wortel.

Sissoo: Javaanse naam sono sisso .

Siskiyouense: is: uit Siskiyou County of bergen.

Sisynrinchium: Griekse sitos: eten, sys: varken, rygchos: snuit, zwijnen graven naar de wortels in de grond.

Sitchensis: uit Sitka, de oude Russische hoofdstad in Alaska.

Skinneri: G. Ure Skinner, 1804-1867, Engels koopman en plantenliefhebber.

Sleicheri: Zwitserse plantenverzamelaar Sleicher.

Smallii: John Kunkel Small, Amerikaanse botanist, geboren in 1869.

Smirnowii: Russische botanist Pavel Aleksandrovic Smirnov, 1896-.

Smithii: gewonnen door T. Smith, kweker te Newry, Ierland, zie newryensis.

Smithii: Engelse botanist James Edward Smith, 1759-1828 en stichter van de Linnean Society.

Smithiana: plant kwam in 1818 in Engeland aan waar de kweker Smith het als eerste kweekte.

Sobolifera: zijspruiten of bijbollen dragend.

Socialis: groeit in kolonies.

Socotrana: eiland Socotra.

Soda: hoofdpijn, middel.

Sodomeum: Sodom, appel van.

Solanderi: Zweed en student van Linnaeus Daniel Carl Solander, 1736-1782.

Solandriflorum: bloemen als Solandra.

Soldanella: naam van een munt.

Soldanelloides: Soldanella achtig.

Soleirolii: Joseph Francois Soleirol, amateur botanist die de plant verzamelde in Corsica.

Solieri: Franse botanist Antoine Joseph Jean Solier, 1792-185.

Solida: solide: vast of dicht.

Solonika: Solonika, oude Griekse havenstad voor de Joden.

Solstitialis: midzomer.

Somniferum: slaapverwekkend.

Sonchifolia: met blad als Sonchus.

Sonnei: botanist Charles Frederick Sonne, 1845-1913.

Songarica: uit Dzungaria in oost centraal Azi‘.

Sonora: geluid maken.

Sophia: wijsheid.

Sorbifolia: um: blad als Sorbus.

Sorbilis: kleine Sorbus.

Sordida: smerig.

Sororia : zuster: lijkt veel op Viola odorata en is in 1806 daarom door Willdenow Ôsister violetÕ genoemd, Latijn sorror: zuster.

Souliei: souliana: soulieana: Franse missiona­ris Jean Andre Soulie, 1895, die later gemarteld en gedood werd door Tibetaanse monniken in 1905.

Soulangiana: E. Soulange-Bodin, oorspronkelijk een officier in het leger van Napoleon die na de nederlaag te Waterloo zich wijdde aan zijn liefhebberij, planten te Fromont bij Parijs.

Soulattri: Latijn voor de plaatselijke Soendanese naam Sulatri.

Sowa: Aziatische naam van de plant.

Soyauxii: Duitse botanist en plantverzamelaar Hermann Soyaux.

Spachianus: botanist Edourd Spach, 1801-1879.

Spadiceisporus: bloeikolf met sporen.

Spaethii: kweker en botanist Duitse Franz Ludwig Spath, 1838-1913.

Sparsiflora: um: us: dunne bloemen.

Sparsifolia: um: dun blad.

Spathaceae: bloemschedeachtige vorm van de kelk, schutblad.

Spathiflora: spatelvormige bloem.

Spathulata: um: spatelvormig.

Spathulifolium: spatelvormig blad.

Speciosa: us: um: opvallend of fraai.

Speciocissima: de fraaiste.

Spectabile: is: opwindend, bezienswaardig.

Speculum: spiegel.

Speculus-veneris: Venusspiegel.

Spelta: spelt.

Speltoides: speltachtig.

Speluncae: uit de spelonken.

Spergulinum: verstrooid.

Sperabile: aangenaam, hoopvol.

Sphacelata: verdord als dood.

Sphaeranthum: kogelvormige bloem.

Sphaericus: bolvormig.

Sphaerocephala: us: on: met bolvormige hoofdjes.

Sphaerostachyum: kogelvormige aar.

Sphaghnophila: Spaghnum-achtig blad.

Sphegodes: spin.

Spica: aar.

Spicata: us: um: aarvormig.

Spicant: aarvormig, spikant zou de volksnaam zijn, Linnaeus heeft daaruit de soortnaam gemaakt.

Spica-venti: windaar.

Spicerianum: Herbert Spicer van Woodlands, bij Godalming die de eerste plant naar James Veitch & sons opstuurde.

Spicigera: specerijen dragend.

Spiculifolia: us: aar bladig, dus puntig blad

Spina-Christi: dorens van Christus.

Spirale: is: spiraalvormig.

Splendens: stralend, schitterend.

Sphondylium: wervels, de opgezwollen bladstelen.

Spinosa: us: um: us: spinescens: gedoornd.

Spinosissima: sterk gedoornd.

Spitzelii: werd in 1835 door Anton von Spitzel 1807-1853 uit MŸnchen in het Salzburg ontdekt.

Splendens: schitterend.

Spontaneum: spontaan.

Sprengeri: K. L. Sprenger, Duitse kweker en botanist te Vomero bij Napels, Itali‘, 1846-1917.

Spruceana: Richard Spruce, Engelse plantenverzamelaar en botanist, 1817-1893.

Spuria: um: us: onecht of vals of twijfelachtig.

Squalida: vuil gekleurd, bruingeel.

Squamaria: schub of schilferachtig.

Squamigera: schubben dragend.

Squamosa: us: squamata: um: us: schubbig, vol van schalen.

Squarrosa: us: schalig of ruig.

Stagnalis: meren of stilstaande wateren bewonend.

Stagnina: ondergelopen land.

Stahlii: Ernest Stahl, professor in de botanie te Jena, Duitsland.

Standishii: Amerikaanse onderzoeker, kapitein Myles Standish.

Standishii: mogelijk naar John Standish, 1814-1875, kweker te Ascot in Berkeshire.

Stans: overeind staande.

Stansburyana: i: Amerikaanse ingenieur Howard Stansbury, 1806-1863. phlox

Stansfieldii: gewonnen door de kweker W. H. Stansfield uit Southport, Engeland.

Stapeliiformis: als Stapelia gevormd.

Staphisagria: druivenblad van het veld.

Stapfii: Otto Stapf, Oostenrijkse botanist en tulpenkenner, 1857-1933.

Staphyleoides: Staphylus-achtig.

Stauntonii: George L. Staunton, Ierse arts en plantenverzamelaar, 1737-1801.

Stellata: us: um: stellaris: stervormig.

Stelligera: aster dragend.

Stelleriana: Duitse arts G.W. Steller, 1709-1745.

Stenantha: klein bloeiend.

Stenocephala: smalle hoofdjes.

Stenocoma: smalle kuif.

Stenopetala: um: us: smalle bloembladen.

Stenophylla: us: smal, dunbladig.

Stenoptera: met smalle vleugels.

Stefanoffii: B. Stefanoff, Bulgaarse botanist.

Stephensii: botanist Frank Stephens, 1849-1937.

Stephensonii: Amerikaanse ranger James Burton Stephenson, 1882-1944.

Sterilis: steriel of onvruchtbaar.

Sternbergii: graaf Caspar M. von Sternberg, Oostenrijkse botanist, 1761-1838.

Sterquilinus: beerput.

Stevenii: Chr. Stevens, 1781-1863, Franse botanist.

Stimulosus: stimulans: met brandharen voorzien.

Stipata: samengedrukt, omgeven.

Stipitatum: us: gesteeld.

Stipulata: um: stipulacea: van steunbladeren voorzien.

Stiriacum: uit Steyer, Steirische bergen, Oostenrijk.

Stiversii: Amerikaanse botanist dr. Charles Austin Stivers, 1837? 1845-1888.

Stoebe: stoffig, stoebe van de ouden, medische plant.

Stoechas: aarvormig, eilanden recht tegenover Marseille gelegen die vroeger Stoechades heten en nu de eilanden van Hyeres genoemd zijn.

Stokoei: genoemd naar een belangrijke plantenverzamelaar van fynbos planten, Thomas Pearson Stokoe die met zijn 91ste overleed.

Stolonifera: um: wortel spruitend, uitlopers voortbrengend.

Stramonium: doornige vrucht.

Straminea: um: us: strokleurig.

Stracheyi: luitenant generaal en botanist in de Himalaya Richard Strachey, 1817-1908.

Strangulata: verstopt.

Stratiotes: soldaat, naar Stratiotes.

Straussii: L. Strauss, cactusliefhebber in Bruchsal, Duitsland.

Striatifolia: gestreepte bladeren.

Striata: um: us: striatica: um: gestreept.

Stribrnyi: V. Stribrnyi, Bulgaarse botanist, geboren in 1853.

Stricta: um: us: strak, stijl, opgaand, stijf.

Strigolosa: um: scherpachtig behaard.

Strigosa: us: scherp behaard, roskam.

Strobilacea: kegel dragend.

Strobus: naam voor een wierook leverende boom.

Strumosa: us: ium: strumarium: kropachtig.

Strongylophyllum: sterk rondbladig.

Struthiopteris: strouthos: struisvogel, pteris: varen, een veerachtige struik.

Stuartiana: stuwartii: John Stuart, 3de Earl of Bute, een beschermer van de botanie, 1713-1792.

Sturmiana: J. Sturm, Duitse botanist, begin 19de eeuw.

Stylosa: um: van een grote stijl voorzien.

Styraciflua: storax vloeiend.

Suave: zoet.

Suavolens: welriekend.

Subacaulis: met wat stengels.

Subalpina: um: bewoont bergstreken onder Alpine niveau.

Subaspera: iets ruw.

Subbarbata: half gebaard.

Subcanina: bijna als hondsroos.

Subcaulescens: kort stammig.

Subcaulialata: halve stam gevleugeld.

Subciliata: half gewimperd.

Subcollina: half heuvel bewonend.

Subcordata: um: bijna hartvormig.

Subedentata: bijna tandloos.

Suberecta: us: bijna opgaand.

Suber: kurk.

Suberosa: kurkachtig.

Subhirtella: licht behaard.

Submammulosus: bijna tepelvormig.

Submersum: op en onder gedoken.

Submollis: tamelijk zacht.

Subnodulosus: wat knopig.

Subpeltata: half schildvormig.

Subsericea: gedeeltelijk zijdeachtig.

Subspicata: half aarvormig.

Subterraneum: nea: onderaards.

Subtomentosa: gedeeltelijk behaard.

Subumbellata: half schermvormig.

Subundulatum: wat gegolfd.

Subulata: um: us: priemvormig.

Succedaneum: succedanea: sap vloeiend.

Succisa: afgebeten of afgebroken.

Succotrina: uit Socotra.

Succulenta: us dik en vlezig.

Sudans: zwetend.

Sudetica: uit de Sudeten, bergen in oost centraal Europa.

Suecia: uit Zweden.

Suffulta: gevallen.

Suffruticosa: us: laag half heesterachtig.

Suksdorffi: Wilhelm Nikolaus Suksdorf, Duits Am