Historie van den grale
Over Historie van den grale
Und boek van Merline, Jacob van Maerlant verhaalt hoe de graal was ontstaan en in Brittannië kwam, hoe Merlijn gewonnen werd en de duivels, zijn profetieën en toverijen als bij koning Vertieger met de toren en de draken en in gevechten, De ronde tafel, hoe koning Arthur gewonnen werd, Keye, het zwaard Excalibur en de toernooien en strijd van Arthur tegen de Sennen en koningen, zijn liefde en leven,
1 Alle de gene die dese taleHoren willen van den Grale,Wanen dat hi eersten quam, Als ick in den Walsche vernam 5 So zal ickt dichten in dietsche woert; Ick en zalt niet laten doer hoer voert Die benyden mijn gedichte; Want doch alle quade wichte Toter doghet dragen altoes nijt. 10 Hier omme so wil ick in aller tijt Dat doen dat si my benyden Dus sullen si vele te min verblyden Alse si van my dan horen tale. Dese historie van den Grale 15 Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, Den Heer van Vorne, wael met rechte; Want hoge liede met hoger historie Menechfouden zoecken hoer glorie Ende korten daer mede hoer tijt. 20 Ick wille dat gy des zeker zijt, Dat ick die historie vele valsch Gevonden hebbe in dat Walsch, Daer si van Gode, Onsen Here, sprack Datten dat volck van Rome wrack; 25 Daer ombe merket dese zake: Een dichte van Onses Heren wrake Leset men, dat is wyde becant, Ende makede een pape in Vlaenderlant; Dat seghet dat boeck in sijn beginne; 30 Maer ick wane in mynen sinne, Dat [een] pape dat niet en dichte, Want men mochte gescriven lichte Hoe vollick dat gelogen zij; Ende dat sal ick iu proven waer by 35 In der historie die koemt hier naer. Ende nu biddick, dat is waer, Jacob, die coster van Maerlant, Dien gy te voren hebbet becant In des konincx Alexanders Jeesten, 40 Dat gy biddet, dat hi volleesten Moete dat hi hevet begonnen, Ende hi den ghenen moete onnen In des ere hi dit began, Dat hi moete werden alsulck een man, 45 Dat des al dat volck ende Onse Heer Moete hebben loff ende eer, Ende wy met hem moeten komen In die eere die men genomen Noch gescriven niet en mach, 50 Daer ‘t sonder nacht es altoes dach. |
[1] Al diegene die deze taalHoren willen van de Graal,Waarvan dat hij eerst kwam, Zoals ik in Waals vernam 5 Zo zal ik het dichten in Dietse woord; Ik zal het niet laten door hen verder Die benijden mijn gedicht; Want toch alle kwade wichten Tot de deugd altijd dragen nijd. 10 Hierom zo wil ik in alle tijd Dat doen zodat ze me benijden Dus zullen ze veel minder verblijden Als ze van mij dan horen taal. Deze historie van de Graal 15 Dichtte ik ter ere van Heer Alabrecht, De Heer van Voorne, wel met recht; Want hoge lieden met hoge historie Vaak zoeken hun glorie En korten daarmee hun tijd. 20 Ik wil zodat ge dus zeker bent, Dat ik in de historie vaak vals Gevonden heb in het Waals, Daar het van God, Onze Heer, sprak Dat het dat volk van Rome wraakte; 25 Daarom bemerk deze zaak: Een gedicht van Onze Heren wraak Leest men, dat is wijd bekend, Maakte een paap in Vlaanderen land; Dat zegt het dat boek in zijn begin; 30 Maar ik meen in mijn geest, Dat een paap dat niet dicht, Want men kon schrijven licht Hoe volledig dat het gelogen zij; En dat zal ik u bewijzen waarmee 35 In de historie die komt hierna. En nu bid ik, dat is waar, Jacob, de koster van Maarland, Die ge te voren hebt gekend In de koning Alexanders verhalen, 40 Dat ge bidt dat hij geheel eindigt Met dat hij heeft begonnen, En hij diegene moet gunnen In diens eer hij dit begon, Dat hij moet worden zo’ n man, 45 Dat dus al dat volk en Onze Heer Moet hebben lof en eer, En wij met hem moeten komen In de eer die men noemen Nog niet schrijven mag, 50 Daar het zonder nacht altijd is dag. |
Waer ombe Onse Here wart geboren. Beyde vrouwen ende man Die horen zin zetten daeran, Dat zi die waerheit willen weten, Ende proeven, dat God die propheten 55 Hier in eertrike vorsende, Die vorseiden met genende Onses Heren komst in eertrike. In dien tyden sekerlike, Daer wy nu hier af tellen, 60 So voer dat volck al toter Hellen, Alle propheten ende patriarchen; Hieran moghen wy alle mercken Dat die Duvele alle twaren Waenden hebben wael gevaren. 65 Dat zi die menschen hadden bedrogen; 2 Maer die goede mochten hem verhogen, Want zi Onses Heren komst ontbeiden. Onse Here ontfarmede hoer droefheiden Ende quam in dit arme ellende; 70 An Marien die nye man en kende Ontfinck hi menschelike gedane; Grote minne leide hi daer ane: Omme te verlosene den sondaer So nam hi an hem vleesch an haer 75 Sine dochter wart zijn moeder; Aldus wart hi onse broeder. Dat was recht, want dat ierste wijf Makede den mensche keytijf; Hier ombe moste by den wive 80 Die mensche weder werden te live; Verstaet wael, dat God hevet gesent Tot ons zijn enege kint; Dat hebbewy dicke wael vereest. Maria, by den heilghen gheest 85 Ontfincken met heilicheden; Aldus rastede binnen horen leden Allegader die Drievoudicheit, Dat is eene volmaeckte Godheit. Aldus wart geboren van Marien 90 Die Godes sone, des moetwy lien; Sonder smette ende sonder zonde Wart hi mensche, als hi wael konde; Dat was herde grote oetmoet, Dat hi storten woude zijn bloet 95 Ombe dat hantgewerck zijns vader, So wart die Drivoudicheit alle gader. Hi makede Adame den jersten man, Die by des Duvels rade began, Dat hi die eerste sonde dede 100 Ende by Even rade oeck mede. Ende doe si sonde hadden gedaen, Quam hem een lust van vleesche saen, Ende worden, van groten goede, Geworpen in die armoede, 105 In dit arme krancke leven, Daer groet geslachte af is gebleven; Ende wat van hem wart geboren Voer toter Hellen ende wart verloren; Toter tijt, dat Godes sone quam, 110 Ende hi zijn hantgewercke annam Ute Lucifers quader gewelt. Als ons dat Ewangelium telt, Wart hi te Betlehem geboren, Dat Effrata hiet daer te voren, 115 Van Marien zijnre moeder; Hier af es die historie te vroeder Die wt den Ewangelien spreket; Hier ombe es ‘t dat hiet gebreket. Onse Here wanderde achter lande twaren, 120 Ende was te zinen dertich iaren Gedopet hier in eertrike In der Jordane geweldelike Van Sinte Johanne Baptisten; Aldus wart Onse Here een cristen. 125 Dat alle die hem doepen deden In die ere der Drivoudicheden, Ende hem dan hoeden wouden van zonden, Dat zi den Duvelen waren ontfonden - 130 Dese macht gaf God den clerken Die meester zijn der heiliger kerken. Aldus dwoech hi Adames sonden, Ende dus verloes te dien stonden Lucifer al zijn gewelt, 135 Daer hi den mensche mede helt, En waer of hi zonde dade; Ende God, die altoes Zijne genade Toten mensche keert tot allen stonden, Want hi gheerne valt in sonden, 140 So hevet Hi een ander dope geset, Opdat hi in sonden niet ne let, Maer hi ga te biechten ghereet, Ende doe dat hem zijn priester heet; Dus mach hi in desen eertrike 145 Gewinnen wael dat Hemelrike. Oeck is dat kont hem sonder waen, Die die Ewangelien nu verstaen, Doe Jhesus Crist ginck achter lande, Dat die van Rome ginck in hande 150 Altemale die werelt ront; Hier ombe zo was ter selver stont Der Joden lant in hoer gewelt; Daer woende een die dat gerechte helt Te Jherusalem, ende hiet Pilaet, 155 Ende eest alset in den Walsche staet, So hadde hi in ziner meisenien Enen ridder, daer wy af lien Ju zullen herde vele hier na, 3 Ende heet Josep van Aromathia. 160 Maer dat hi zijn ridder iet was En zegge ick niet dat ick nye las In ander historien dan in dese; Die waerste die ick daeraf lese Seghet, dat Pilatus was heidijn, 165 Ende oeck alle die ridder zijn, Die doe waren van ziner meisenieden Waren onbesnedene liede. Joseph was Jode ende herde rike, Hi zach Jhesum sekerlike 170 Doen menege tekene goet; Des minde hi hem in zinen moet, Maer hi en dorste dat niet openbaren Vor den anderen Joden t’waren. Onse Here hadde viande vele, 175 Ende luttel die hem jonden wele, Want ziner jongeren daer af een Hatede hem, alset wael sceen; Maer Jhesus wiste dat wael te voren, Wat doet dat hi zoude becoren, 180 Alse God, dien alle dinck was kont, Dat was oeck vorgeseght lange stont; Ende Judas was ziner jongeren een, Onses Heren drossate, alset wael sceen, Ende plach te dragene dat men hem gaf. 185 Sinte Johan hi screef daer aff, Dat dese zake waer was al, Ende hi des den jongeren vele stal; Maer dat Walsch zeghet, ende niet Latijn, Dat die tiende daer af was zijn 190 Van allen, dat men gaf onsen Heer; Daer af quam hem grote onneer, Alse iu dat boeck wael zeggen sal, Dat hierna nu volget al. |
Waarom Onze Heer werd geboren. Beide, vrouwen en mannen Die hun geest zetten daaraan, Dat ze de waarheid willen weten, En beproeven dat God de profeten 55 Hier in het aardrijk voor zond, Die voorzeiden met dat doel Onze Heren komst in het aardrijk. In die tijden zekerlijk, Waar we nu van vertellen, 60 Zo voer dat volk alle tot de hel, Alle profeten en patriarchen; Hiervan mogen we allen merken Dat de duivel alle te waren Waande te hebben goed gevaren. 65 Dat ze de mensen hadden bedrogen; [2] Maar de goede mochten zich verhogen, Want ze op Onze Heer komst wachten. Onze Heer ontfermde hun droefheid En kwam in deze arme ellende; 70 Aan Maria die geen man bekende Ontving hij menselijke gedaante; Grote minne legde hij daaraan: Om te verlossen de zondaar Zo nam hij het vlees aan van haar 75 Zijn dochter werd zijn moeder; Aldus werd hij onze broeder. Dat was recht, want dat eerste wijf Maakte de mens ellendig; Hierom moest via een wijf 80 Die mens weer worden tot lijf; Begrijp het goed, dat God heeft gezonden Tot ons zijn enige kind; Dat hebben we vaak vernomen. Maria, door de Heilige Geest 85 Ontving hem met heiligheid; Aldus rustte binnen haar leden Alle tezamen de Drievuldigheid, Dat is een volmaakte Godheid. Aldus werd geboren van Maria 90 De zoon van God, dus moeten we belijden; Zonder smet en zonder zonde Werd hij mens, zoals hij wel kon; Dat was zeer grote ootmoed, Dat hij storten wou zijn bloed 95 Vanwege dat handwerk van zijn vader, Zo werd de Drievoudigheid al tezamen. Hij maakte Adam, de eerste man, Die bij des duivels raad begon, Zodat hij de eerste zonde deed 100 En bij Eva ‘s raad ook mee. En toen ze zonde hadden gedaan, Kwam hem een lust van vlees gelijk, En worden van het grote goed, Geworpen in de armoede, 105 In dit arme zwakke leven, Daar groot geslacht van is gebleven; En wat van hen werd geboren Voer tot de hel en werd verloren; Tot de tijd, dat Gods Zoon kwam, 110 En hij zijn handwerk aannam Uit Lucifers kwade geweld. Zoals ons dat Evangelie vertelt, Werd hij te Betlehem geboren, Dat Effrata heette daar te voren, 115 Van Maria zijn moeder; Hiervan is die historie bekender Die uit het Evangelie spreekt; Hierom is ‘t dat het hier ontbreekt. Onze Heer wandelde in achter land, te waren 120 En werd met zijn dertig jaren Gedoopt hier in aardrijk In de Jordaan geweldig Van Sint Johannes de Doper; Aldus werd Onze Heer een christen. 125 Dat alle die hem dopen deden In de eer van de Drievuldigheid, En hem dan hoeden wilden van zonden, Zodat ze de niet van de duivel worden gevonden 130 Deze macht gaf God de klerken Die meester zijn van de heilige kerk. Aldus waste hij Adams zonden, En dus verloor te die stonden Lucifer al zijn geweld, 135 Daar hij de mens mee hield, Tenzij dat hij zonde deed; En God, die altijd Zijn genade Tot de mens keert te alle stonden, Want hij valt graag in zonden, 140 Zo heeft Hij een andere doop gezet, Als hij niet op zonden let, Maar hij gaat te biechten gereed, En doet dat hem zijn priester zegt; Dus mag hij in dit aardrijk 145 Winnen wel dat hemelrijk. Ook is dat bekend zonder waan, Die het Evangelie nu verstaan, Toen Jezus Christus ging in achter land, Dat die van Rome ging in handen 150 Helemaal de wereld rond; Hierom zo was terzelfder stond Het Joden land in hun geweld; Daar woonde er een die dat gerecht hield Te Jeruzalem en heet Pilatus, 155 En is het zoals het in het Waals staat, Dan had hij in zijn manschappen Een ridder waar we van bekennen U zal er veel van horen hierna, [3] En heet Joseph van Arimathea. 160 Maar dat hij zijn ridder iets was Zeg ik niet dat ik het niet las In andere historiën dan in deze; De waarste die ik daarvan lees Zegt, dat Pilatus was heiden, 165 En ook al de ridders van hem, Die toen waren van zijn manschappen Waren onbesneden lieden. Joseph was Jood en erg rijk, Hij zag Jezus zekerlijk 170 Doen menige tekens goed; Dus minde hij hem in zijn gemoed, Maar hij durfde dat niet te openbaren Voor de andere Joden te waren. Onze Heer had vijanden veel, 175 En weinig die hem gunden wel, Want zijn jongeren daarvan een Haatte hem, zoals het wel scheen; Maar Jezus wist dat wel van tevoren, Welke dood hij zou verkiezen, 180 Als God, die alle dingen was bekend, Dat was ook voorzegd lange stond; En Judas was van zijn jongeren een, Onze Heers drost, zoals het wel scheen, En plag te dragen dat men hem gaf. 185 Sint Johannes hij schreef daar af, Dat deze zaak waar was al, En hij van de jongeren veel stal; Maar dat Waalse zegt het en niet Latijn, Dat de tiende daarvan was van hem 190 Van alles, dat men gaf Onze Heer; Daarvan kwam hem grote oneer, Zoals u dat boek wel zeggen zal, Dat hierna nu volgt al. |
Hoe Judas Jhesum verkochte. Thomaes zeghet waer by dat was, 195 Dat die verrader Judas Sinen Here omme dertich penninge gaf; Die Ewangeliste zeghet hier af; Doe Jhesus’ Cristus zat ende at Ende Sancta Maria wiste dat, 200 Die was geheten Magdalene, Si kochte diere zalve rene Ende storte ze op Onses Heren hovet. Judaes toernde daerombe, des gelovet, Ende woude hebben zinen tiende, 205 Daer hi die Helle an verdiende. Hi seide, alse Sancte Johan bescrivet: “Hoe eest, dat men dese cost nu drivet? Waer ombe is dese salve verloren? Hadde mense verkocht te voren, 210 Ende hadde daermede dertich penninge genomen, o waert den armen te hulpe komen”. Dit sprack hi, seide sancte Johan, Niet dat hi sinen zin leide daeran, Dat hi die armen iet hadde lief, 215 Maer omdat hi was een dief, Ende hi die alemosen droech, Daer hi te stelene af plach genoech. Thomaes zeghet, dat hi was gram, Dat men hem zinen tiende nam, 220 Die doe dertich penninge was waert; Hier omme verkochte hi daer ter vaert Sinen schepper ende zinen here Om dertich penninge te siner onneren. Darombe zeghet dat Walsche van der Wrake 225 Eene zeer logentlike zake, Dat die penninge zonderlingen Waren van goudenen ringen. Die redene zi es al gelogen, Ende die des gelovet, hi es bedrogen. 230 Hier latick oeck van den Walsche bliven, Dat ick niet en wil bescriven Judaes’ gedinge, die hem verkochte, Denselven Here, die hem gewrochte, Wanten docht my niet waer; 235 Maer dat zegge ick wael openbaer, Hi was verkocht opten Goensdach; Des andren dages, die daerna gelach, Des avendes was hi spade gegaen. In Romans zach ick oeck staen, 240 Dat God met zinen jongeren sat, Opten witten Donredach, ende at, Te Symons hues, die lazarus was; Maer dat es logene ende gedwas: Symon woende in Bethania. 245 Oeck scrivet ons dat Walsch hierna, Dat hi aldaer wart gevaen; Want die ‘t dichte, hi haddet verstaen Ende meende wael geweten dat, Dat Symon woende in der stat. 4 250 Symon was, dat mogewy lesen, Van syner laserheit genesen, Lange eer Onse Here was gevaen; Maer ick late die historie staen Van den Romanse, ende telle iu voert 255 Der waren Ewangelien woert. Eens witten donredages sat Onse Here tener tafelen ende at, Te sinen jongeren sprack hi met staden: “Juwer een sal my verraden”. 260 Doe waren si droevich, ende elck riep zeer: “Bin ick dat? bin ick dat, lieve Heer?” Doe sprack Judaes: “bin ick dat, rabbi?” “Dat seghestu!” antworde hi. Daer leerde hi mede den apostelen sine, 265 Van water, van brode, ende van wine Synen lichaem maken ende zijn bloet, Ende seyde: “zo wanneer gy dit doet, So zult gy ember mijns gedinken”. Doe hi hem hadde gegeven drinken 270 Sijn bloet, ende doe si hadden gegeten, Doe gingen zi ten berge tOliveten, In enen wael schonen hof fijn, Daer hi met den jongeren zijn Dicke wile wanderde ende was. 275 Hoe wel wiste dat Judas; Hi quam aldaer met ener schaer. Die jongeren worden zeer in vaer, Want Judas daer, ter zelver stont, Jhesum cussede an zinen mont; 280 Dus verriet hi den Here zijn, Dat cussen was dat littekijn; Te dier stede wart, sonder waen, Onse Here al te hant gevaen Van den Joden lasterlike, 285 Ende si leiden hem dorperlike; Dat was so spade, dat zi te samen Met vackelen ende lanternen quamen, Ende leiden hem in dat gedinge, Daer die Joden saten tot eenen ringe, 290 Die alle rieden an synen hals; Daer was menege logene valsch. Des morgens brachten sine Pilaten, Ende clageden over hem wtermaten. Pylatus zeyde: “gy nemeten bet, 295 Ende ordelten na uwer wet”. “Neen, wy en mogen nieman doet slaen”, Spraken si. “So laet icken gaen”, Sprack Pilatus, “willick dan?” “Neen, laetstu gaen desen man, 300 So en bistu des Keysers vrint niet wael, Want hi seyde dese tael, Dat hi der Joden koninck waer; Dus wederseyde hi openbaer 305 Tiberius, sines zelves Heer”. Dit woert ontsach Pilatus zeer; Al wasset hem leet, hi moeste nochtan Jhesum, den onsculdegen man, Doen gheselen, ende crucen mede, 310 Toten berge Calvarien ter stede. |
Hoe Judas Jezus verkocht. Thomas zegt het waarbij dat het was, 195 Dat de verrader Judas Zijn Heer om dertig penningen gaf; De Evangelist zegt hiervan; Toen Jezus Christus zat en at En Sint Maria wist dat, 200 Die was geheten Magdalena, Ze kocht dure zalf rein En stortte op Onze Heren hoofd. Judas vertoornde daarom, dus geloof het, En wou hebben zijn tiende, 205 Daar hij de hel aan verdiende. Hij zei, zoals Sint Johannes beschrijft: “Hoe is het, dat men deze kost nu drijft? Waarom is deze zalf verloren? Had men ze verkocht tevoren, 210 En had daarmee dertig penningen genomen, O, was het de armen te hulp gekomen”. Dit sprak hij, zei Sint Johannes, Niet dat hij zijn zin legde daaraan, Dat hij de armen iets had lief, 215 Maar omdat hij was een dief, En hij de aalmoezen droeg, Daar hij van plag te stelen genoeg. Thomas zegt het, dat hij was gram, Dat men hem zijn tienden nam, 220 Die toen dertig penningen was waard; Hierom verkocht hij daar ter vaart Zijn schepper en zijn heer Om dertig penningen tot zijn oneer. Daarom zegt dat Waalse van de Wraak 225 Een zeer leugenachtige zaak, Dat die penningen bijzonderling Waren van gouden ringen. Die reden is alles gelogen, En die het gelooft, hij is bedrogen. 230 Hier laat ik het ook van het Waals blijven, Dat ik niet wil beschrijven Judas gedingen die hem verkochten, Dezelfde Heer, die zich wreekte, Want dat leek me niet waar; 235 Maar dat zeg ik wel openbaar, Hij was verkocht op de woensdag; De volgende dag die daarna lag, ‘s Avonds was hij laat gegaan. In Romeinen zag ik ook staan, 240 Dat God met zijn jongeren zat, Op Witte Donderdag, en at, Te Simons huis, die melaats was; Maar dat is leugen en dwaas: Simon woonde in Bethania. 245 Ook schrijft ons dat Waals hierna, Dat hij aldaar werd gevangen; Want die het dichtte, hij had dat verstaan En meende wel te weten dat, Dat Simon woonde in die stad. [4] 250 Simon was, dat mogen we lezen, Van zijn melaatsheid genezen, Lang eer Onze Heer was gevangen; Maar ik laat die historie staan Van de Romeinen, en vertel u voort 255 Het ware Evangelie woord. Eens op Witte Donderdag zat Onze Heer te ene tafel en at, Tot zijn jongeren sprak hij met stade: “Een van u zal mij verraden”. 260 Toen waren ze droevig, en elk riep zeer: “Ben ik dat? ben ik dat, lieve Heer?” Toen sprak Judas: “ben ik dat, rabbi?” “Dat zegt u!” antwoordde hij. Daar leerde hij mede de apostelen van hem, 265 Van water, van brood, en van wijn Zijn lichaam maken en zijn bloed, En zei: “zo wanneer gij dit doet, Dan zal ge me immer gedenken”. Toen hij hen had gegeven te drinken 270 Zijn bloed, en toen ze hadden gegeten, Toen gingen ze naar de Olijfberg, In een wel mooie hof fijn, Daar hij met de jongeren van hem Vaak wel wandelde en was. 275 Hoe goed wist dat Judas; Hij kwam aldaar met een schaar. De jongeren worden zeer in gevaar, Want Judas daar, terzelfder stond, Jezus kuste aan zijn mond; 280 Dus veraadde hij de Heer van hem, Dat kussen was dat teken; Te die plaats waart, zonder waan, Onze Heer direct gevangen Van de Joden lasterlijk, 285 En ze leiden hem burgerlijk; Dat was zo laat, zodat ze tezamen Met fakkels en lantarens kwamen, En leiden hem in dat geding, Daar de Joden zaten in een ring, 290 Die allen aanraadden om zijn hals; Daar was menige leugen vals. ‘s Morgens brachten zij hem bij Pilatus, En klaagden over hem uitermate. Pilatus zei: “gij neemt hem beter, 295 En beoordeel hem naar uw wet”. “Neen, wij mogen niemand dood slaan”, Spraken ze. “Dan laat ik hem gaan”, Sprak Pilatus, “wil ik hem dan?” “Neen, laat u gaan deze man, 300 Dan bent u de keizers vriend niet goed, Want hij zei deze taal, Dat hij de Joden koning waar; Dus weersprak hij openbaar 305 Tiberius, zijn eigen heer”. Dit woord ontzag Pilatus zeer; Al was het hem leed, hij moest nochtans Jezus, de onschuldige man, Laten geselen, en kruisigen mede, 310 Tot de berg Calvarië ter plaatse. |
Hoe God gecrucet wart, ende hoe die Helle tebrack. Nu waren fel ende quaet die Joden Ende onreine valsche roden: Sine verrieden mede onsen Here, Bydien meenden zi metten kere 315 Van synen dode onsculdech wesen. Dor al dat wi van hem lesen, Dat Pilatus was wael leet, Riepenzi daer tegen gereet, Beide meerre ende minder: 320 “Sijn bloet moete op onse kinder Ende op ons allen gewroken zijn!” Te dien tiden liet die zonne horen scijn, Ende wert donker alse die nacht, Ende die aerde bevede met groter kracht, 325 Ende die doden die verresen, Die steene scheurden; ende binnen desen Sprack een ridder die daer stont: “Dit wert alder werelt kont, “Dat dit die Godes Zone es”. 330 Die Jode dien zere duchte des, Die hiet Joseph van Aramathia; Hi ginck tot Pilate daerna, Want hi was ryke ende milde Ende hadde onder hem tien schilde. 335 Hi was een jonger van Jhesu Criste, Al wast dat des die Joden en wisten, Hi hopede, datten God dancken soude, Ende bat Pilatuse also houde, 5 Dat hi hem den doden gaf. 340 Pilatus daer oeck zeghet af Dat Romans, dat hi hem gaf Eenen nap, daer ick iu af Hierna zal tellen wonder groet; Dat was daer, vor sine doet, 345 Jhesus die eerste misse in sanck; Dien gaf Pilatus daer ombe danck Een Jode, diene aldaer gewan, Daer Jhesus, die onnosel man, Met zinen lieven jongeren sat, 350 Ten lesten etene, ende met hem at, Eer hi te syner passien ginck. Joseph was blide van desen dinck; Hi quam, ende Nycodemus mede, Daer Jhesus hinck terselver stede; 355 Si dadenen van den cruce zachte. Een diere cleet, dat Joseph brachte, Spreiden si vor hem aldaer, Dat seghe ick iu al openbaer, Daer men Jhesum sachte in want; 360 Een steenen graf hadden si te hant, Dat Joseph hadde doen maken, Daer groeven zi en, dit zijn waer zaken, Jhesus, in een hof daerby. Maer dat Romans seghet mi, 365 Dat Joseph nam Onses Heren bloet, Dat wt synen wonden vloet, Ende dat hi dat in dien nap dede, Ende hieldet met groter werdichede. Die Joden quamen toten rechter doe, 370 Ende zeiden: “Here, hoert ons toe: Dese mare sprack dese drogenare, Doe hi levede al openbare, Dat hi soude sonder saghe Verrijsen in den derden daghe; 375 Hier ombe doet hoeden zijn graf”. Pilatus zeide: “nu doet daeraf Al dat iu dunket wesen goet”. Mettien hebben si dat graf behoet Alombe met gewapenden lieden, 380 Nochtan mochtet hem luttel dieden. Ende God voer hierna ter Hellen, Daer hi verloste sine gesellen, Die hem lieflick hadden gedient, Adame ende ander sine vrient 385 Hi stont op an den derden dach, So datten nymant en sach Van den genen diene wachten; Die Ingele quamen daer met crachten, Ende diene hoeden worden in vaer; 390 Ende doe dat dach was openbaer, Liepen si alle enwech mettien, Ende zeiden wat si hadden gesien. Doe die Joden dat vernamen Waren si droevich; te samene zi quamen 395 Ende sochten te hant nuwen raet. Nu hert wat in den Walsche staet; Daer staet gescreven, dat zi zeiden, Dat zise wouden vangen beide, Joseph ende Nicodemus; 400 Ofte ieman vragede: “waer es Jhesus?” So zouden zi antworden dan: Gevet ons die selve man, Diene leiden in dat graf. Wy zeggen iu noch daer af, 405 Zi woudent doen aldaer met liste, Dat men daer nemmer af en wiste; diep. Maer Nicodemus hi ontliep, Ende Joseph moeste in den kerker Dat zeght dat Romans, dat hi daer ynne lagh, 410 Tot an denselven dach Datten Vaspasianus wt dede; Maer dat es altemale logene mede: So zoude hi daerinne xlij iaer Hebben gelegen, dat is waer; 415 Oeck zeghet dat Romans hier af, Dat hi hem in den kerker gaf Sinen nap, dien hi te voren Ene stonde hadde verloren, Ende leerde hem daer heimelike woert, 420 Die hi niet en woude brengen voert. Dat Walsch scrivet, na mynen wane, So zijn die woert daer noch ane, Daer dat heilege sacrament an leghet, Dat men in der stille zeghet; 425 Van den nappe mochtet waer wesen Ende van den woerden; nu moetwy lesen Van den personen die waerheit al, Daer ick iu niet an liegen en sal, Hoe gram dat joedsche volck doe was, 430 Beide Annas ende Cayfas, 6 Doe Joseph Jhesum hadde begraven, Rikelike met diere haven, Zi vingenen, zeghet die ware lesse, Ende leiden hem in gevancknesse. 435 Daer lach hi tot in Paeschedach nachte, Dat Gd opstont met zijnre crachte; Doe quam hi aldaer Joseph lach Ende tallereerst dat hi hem sach, Meende hi dattet Elias waer; 440 Maer Jhesus dede al openbaer Josepe daer die waerheit verstaen, Dat hi dat was, al zonder waen, Dien hi van den cruce dede; Hi voerdene danen, dat es waerhede, 445 Wt den kerker beslotener dueren; En wondert iu niet der aventueren, Want God mach doen al dat Hi wille; Hi voerdene wt den kerker stille Al tote Aramathia; 450 Ende doe die Joden quamen daerna, Ende zi hem doe niet en vonden, Twivelden zi tenzelven stonden. Doe quamen die wachters openbaer, Ende zeiden, dat Jhesus verresen waer; 455 Die Joden zeiden: “gy zulten ons geven So waer dat hi iu es ontbleven, Of zo wat gy daermede hebbet gedaen”. Die wachters antworden saen: “Gevet ons Josepe, dien gy vinget, 460 Wy geven in Jhesum, dien gy hinget; Maer gy ne kondet en niet gewachten, Hi ontginck iu by Godes krachten; Wy en kondent Jhesum verbieden niet, Hi stont op al sonder verdriet, 465 Als hi woude, van dode te live”. Doe antworden die kaytive: “Segget dat hi iu was verstolen Van sinen jongeren, so blivet verholen; Wy zullen iu geven groten scat”. 470 Si namen ‘t ghelt ende loveden dat; Nochtan zeiden si dat openbaer Pilatus, dat Jhesus verresen waer. Was een Keyser, die hiet Tiberius, 475 Die daer die Keiser [was] van beginne; Es dat als ick ‘t bescreven kinne, So lach die Keiser ende qual, Ende die fisiciene daden al Daertoe, dat hem gehelpen mochte; 480 Nochtan hielten dat oevel onsochte, Ende die fisike en halp hem niet. Doe was daer een, die hem riet, Dat hi zoude al te hant Senden in der Joden lant 485 Ombe Jhesum van Nazarene, Die alle oevele gemene Met zinen woerden kan genesen, Entie menschen gesont doet wesen Sonder ienege arcedie; 490 Ende Tiberius, die Keiser vrie Belovede wael al te hant das. Eenen, die hem heimelic was, Riep hi tot hem al te hant, Daer hi hem van verren was bekant; 495 Diegene ginck tot hem aldaer, Hi sendene in der Joden lant vorwaer Ombe Jhesum, onsen scepper fijn; Die bode gereide hem mettien Ende voer doe tot in Syrien 500 Ombe Jhesum den vrien, Dat hi quame van Jherusalem. Pilatus was blide met hem, Ende makede met hem grote gome. Doe zeide die bode van Rome, 505 Waerombe hi daer komen waer. Pilatus wart zere in vaer, Ende zeide: “Jhesus, die es doet”. Des hadde den bode wonder groet, Ende groten rouwe daerombe dreef, 510 Doe hi vereeste hoe dat hi doet bleef, Ende datten Pilatus verdede; Met groter overmoedichede Leide hi op hem al den moert, Dat hi zonder des Keysers woert, 515 Ende zonder recht der Senaet, Hadde gedaen dese overdaet; Want zulck een man mochte vele vromen An dat keyserike van Romen. Pilatus zeghet, ende hevet gesworen, 520 Dat hi des gerne hadde ontboren, Maer dat die Joden met horen tongen Op hem verriepen ende daertoe dwongen. Dus claerde hi hem van den moert, Ende gaf dat op die Joden voert. 7 525 Indien vertelde men daer den bode Vele tekene groet van Gode, Ende men zeide hem, zonder waen, Doe sprack die bode: “men mach wel zien 530 Dat dit ne was geen visicien, Maer hi was een geweldich God, Die over den doet hadde gebot”. Den Joden teech hi daer al bloet, Dat zi Gode hadden gedoet, 535 Ende zi en mochten hem niet ontsculden, Ende hi zwoer, by der roemscher hulden, Dat zi haer goet zouden verliesen Ende quaden doet alle kiesen. Die Joden waren [zere] in vaer, 540 Want zi hem kenden openbaer Schuldech zere van der sonde; Zi namen verste ene stonde, Want zi hem beraden wouden, Hoe zi hem ontsculden zouden. 545 Kinder, dit was ember waer, Dat die Joden hadden vaer, Hoe zi hem ontsculden mochten. Hier binnen des boden vriende zochten, Of zi van Jhesus iet mochten vinden 550 Onder degene die hem minden. Doe vernamen zy van ener vrouwen, Die onsen Here was getrouwe, Want hi hadde dat wijf genesen Van der bloetsucht, daer wy af lesen 555 Dat zi xviij iaer ane qual; Si hadde een beelde, dat zi al Gewonden te zamen hadde in een cleet. Dat leet, nadat men weet, Van gedane na onsen Here; 560 Daer ombe pijnde die bode zere, Eer hi dat van der vrouwen gewan. Hierenbinnen hebben die joedsche man Hen beraden in haer gedochte, Ende zeiden, dat niet wesen en mochte, 565 Dat men mochte doden Gode. Dus latewy dat bliven van den bode Ende van den Joden al den pleit; Te lanc te tellen hier ter stede. 570 Die bode voer enwech, ende voerde mede Ende brachte te Rome dat beelde. Want eerst dat hi dat beelde sach, 575 Vloe van hem al zijn ongmack; Doe liet hi halen al den Senaet, Ende hiet hem, dat zi hoer toeverlaet Alle souden zetten an dien God; Maer zi ontseiden zijn gebot. 580 Des dade hi ze doden ende versenden In verren landen ende in ellenden; Nochtan en was hi kersten niet Want die eerste kerstene keiser hiet Philippus, ende dat was oeck daernaer 585 Over herde menech jaer. Ombe dese dinck quam eerst die nijt Op die Joden van langer tijt Dat stont, eer God gewroken wart. Nu lieget vele van deser vaert 590 Dat Dietsch van Onses Heren Wrake; Want dat seghet, in ware sake, Dat Titus diegene was, Die by den beelde daer genas, Ende dat Vaspasianus waer 595 Van Aquitanigen die koninck maer, Ende dat Herodes, zonder waen, Die die kinder doet dede slaen, Leefde doe die roemsche Heren Die Joden begonden onteren, 600 Ende hi hemselven oeck versloech, Ende Archelaus crone droech, Doe men wan die heilege stat; Maer dat gelogen es al dat, Wil ick proeven hier vorwaer: 605 Na des Heren geboerte myn dan drie jaer Leefde Herodes diene woude verslaen; Achte jaer oeck mede, zonder waen, Ofte min droech Archelaus krone, Na zinen vader te lone, 610 Ende hi starf oeck in ellenden; Dus mach ment in Josephus vinden. Oeck en es dat Romans In die redene niet wel gans, Dat zeghet, dat Vaspasiaen 615 Van lazerscepe hadde ontfaen By den beelde zine gesonde, Ende hi daerna in korter stonde Onsen Here wrack algader, Ende dat Titus was zijn vader. 8 620 Hierne sal ik iu proeven ter stede, Dat dit algader gelogen es mede. |
Hoe God gekruisigd werd en hoe de hel brak. Nu waren fel en kwaad de Joden En onreine valse groepen: Ze verrieden mede Onze Heer, Omdat ze meenden met een keer 315 Van zijn dood onschuldig te wezen. Door alles dat we van hem lezen, Dat het Pilatus wel was leed, Riepen ze daartegen gereed, Beide meer en minder: 320 “Zijn bloed moet op onze kinderen En op ons allen gewroken zijn!” In die tijden liet die zon haar schijn, En het werd donker zoals de nacht, En de aarde beefde met grote kracht, 325 En de doden die verrezen, De stenen scheurden; en binnen deze Sprak een ridder die daar stond: “Dit wordt de hele wereld bekend, “Dat dit Gods Zoon is”. 330 De Jood die zeer vreesde ditdis, Die heet Joseph van Aramathia; Hij ging tot Pilatus daarna, Want hij was rijk en mild En had onder hem tien schilden. 335 Hij was een jongere van Jezus Christus, Al was het dat dit de Joden wisten, Hij hoopte, dat God hem bedanken zou, En bad Pilatus alzo te houden, (5] Dat hij hem de doden gaf. 340 Pilatus daar ook zegt van De Romeinen, dat hij hem gaf Een nap, daar ik u van Hierna zal vertellen een wonder groot; Dat was daar, voor zijn dood, 345 Jezus die eerste mis in zong; Die gaf Pilatus daarom dank Een Jood, die hem aldaar won, Daar Jezus, die onschuldige man, Met zijn lieve jongeren zat, 350 Tenslotte eet, en met hen at, Eer hij tot zijn lijden ging. Joseph was blij met dit ding; Hij kwam, en Nicodemus mede, Daar Jezus hing terzelfder stede; 355 Ze deden hem van het kruis zacht. Een duur kleed, dat Joseph bracht, Spreiden ze voor hem aldaar, Dat zeg ik u al openbaar, Daar men Jezus zacht in wond; 360 Een stenen graf hadden ze gelijk, Dat Joseph had laten maken, Daar begroeven ze hem, dit zijn ware zaken, Jezus, in een hof daarbij. Maar de Romeinen zegt mij, 365 Dat Joseph nam Onze Heren bloed, Dat uit zijn wonden vloeit, En dat hij dat in die nap deed, En hield het met grote waardigheid. De Joden kwamen tot de rechter toen, 370 En zeiden: “Heer, hoor ons toe: Dit bericht sprak deze bedrieger, Toen hij leefde al openbaar, Dat hij zou zonder sage Verrijzen in de derde dag; 375 Hierom laat u behoeden zijn graf”. Pilatus zei: “nu doe daarvan Alles dat u denkt te wezen goed”. Meteen hebben ze dat graf behoed Alom met gewapende lieden, 380 Nochtans mocht het hen weinig beduiden. En God voer hierna ter hel, Daar hij verloste zijn gezellen, Die hem lieflijk hadden gediend, Adam en anderen zijn vrienden 385 Hij stond op de derde dag, Zodat niemand het zag Van diegene die hem bewaakten; De engelen kwamen daar met krachten, En die hem behoeden worden in gevaar; 390 En toen het dag was openbaar, Liepen ze alle weg meteen, En zeiden wat ze hadden gezien. Toen de Joden dat vernamen Waren ze droevig; tezamen ze kwamen 395 En zochten gelijk nieuwe raad. Nu hoor wat in het Waals staat; Daar staat geschreven, dat ze zeiden, Dat ze hen wilden vangen beide, Joseph en Nicodemus; 400 Als iemand vroeg: “waar is Jezus?” Zo zouden ze antwoorden dan: Geef ons diezelfde man, Die hem legde in dat graf. Wij zeggen u noch daarvan, 405 Ze wilden het doen aldaar met list, Zodat men daar nimmer van wist; diep Maar Nicodemus hij ontkwam, En Joseph moest in de kerker Dat zeggen Romeinen, dat hij daarin lag, 410 Tot aan dezelfde dag Dat Vespasianus hem er uit deed; Maar dat is allemaal leugen mede: Dan zou hij daarin zijn 42 jaar Hebben gelegen, dat is waar; 415 Ook zegt Romeinen hier van, Dat hij hem in de kerker gaf Zijn nap, die hij tevoren Een tijdje had verloren, En leerde hem daar heimelijke woorden, 420 Die hij niet wou brengen voort. Dat Waals schrijft, naar mijn mening, Zo zijn die woorden daar nog aan, Daar dat heilige sacrament aan ligt, Dat men in stilte zegt; 425 Van de nap mocht het waar wezen En van de woorden; nu moeten we lezen Van de personen de waarheid al, Daar ik u niets van liegen zal, Hoe gram dat Joodse volk toen was, 430 Beide Annas en Cayfas, (6] Toen Joseph Jezus had begraven, Rijkelijk met dure gaven, Ze vingen hem, zegt de ware les, En legden hem in gevangenis. 435 Daar lag hij tot in Paasdag nacht, Dat God opstond met zijn kracht; Toen kwam hij aldaar Joseph lag En ten allereerste dat hij hem zag, Meende hij dat het Elias was; 440 Maar Jezus liet al openbaar Joseph daar de waarheid verstaan, Dat hij dat was, al zonder waan, Die hij van het kruis deed; Hij voer er vandaan, dat is waarheid, 445 Uit de kerker besloten deuren; En verwondert u niet de avonturen, Want God mag doen al dat Hij wil; Hij voerde hem uit de kerker stil Al tot Aramathia; 450 En toen die Joden kwamen daarna, En ze hem toen niet vonden, Twijfelden ze dezelfde stonde. Toen kwamen die wachters openbaar, En zeiden, dat Jezus verrezen waar; 455 De Joden zeiden: “ge zal hem ons geven Zo waar dat hij u is ontsnapt, Of zo wat ge daarmee hebt gedaan”. Die wachters antwoorden gelijk: “Geef ons Joseph, die gij ving, 460 Wij geven u Jezus, die gij hing; Maar ge kan het niet verwachten, Hij ontging u bij Gods krachten; Wij konden het Jezus verbieden niet, Hij stond op al zonder verdriet, 465 Zoals hij wilde, van dood tot leven”. Toen antwoorden die ellendigen: “Zeg het dat hij u was gestolen Van zijn jongeren, zo blijft het verborgen; Wij zullen u geven een grote schat”. 470 Ze namen ‘t geld en beloofden dat; Nochtans zeiden dat openbaar Pilatus, dat Jezus verrezen was. Er was een keizer, die heet Tiberius, 475 Die daar de keizer was van het begin; Is dat zoals ik ‘t beschreven ken, Zo lag die keizer aan een kwaal, En de geneesheren deden al Daartoe, dat hem helpen mocht; 480 Nochtans behield hij dat euvel hard, En de geneesheer hielp hem niet. Toen was er een, die hem aanraadde, Dat hij zou al gelijk Zenden in het Joden land 485 Om Jezus van Nazarene, Die alle euvels algemeen Met zijn woorden kan genezen, En de mens gezond laat wezen Zonder enige geneesmiddel; 490 En Tiberius, de keizer vrij Beloofde wel gelijk dat. Een, die hem vertrouwd was, Riep hij tot hem al gelijk, Daar hij hem van ver was bekend; 495 Diegene ging tot hem aldaar, Hij zond hem in het Joden land voorwaar Om Jezus, onze schepper fijn; Die bode bereidde zich meteen En voer toen tot in Syrië 500 Om Jezus de vriend, Dat hij kwam van Jeruzalem. Pilatus was blij met hem, En maakte hem grote eer. Toen zei de bode van Rome, 505 Waarom hij daar gekomen waar. Pilatus werd zeer in gevaar, En zei: “Jezus, die is dood”. Dus had de bode verwondering groot, En grote rouw daarom dreef, 510 Toen hij hoorde hoe dat hij dood bleef, En dat Pilatus hem verdeed Met grote overmoedigheid Legde hij op hem geheel deze moord, Dat hij zonder keizers woord, 515 En zonder recht van de senaat, Had gedaan deze overdaad; Want zo’n man mocht veel voordeel doen Aan dat keizerrijk van Rome. Pilatus zegt het, en heeft gezworen, 520 Dat hij dit graag had ontbeerd Maar dat de Joden met hun tongen Op hem riepen en daartoe dwongen. Dus zuiverde hij hem van de moord, En gaf dat op de Joden voort. [7] 525 Dan vertelde men daar de bode Veel tekens groot van God, En men zei hem, zonder waan, Toen sprak de bode: “men mag wel zien 530 Dat dit was geen geneesheer, Maar hij was een geweldige God, Die over de dood had gebod”. De Joden rekende hij daar al bloot, Dat ze God hadden gedood, 535 En ze mochten zich niet verontschuldigen, En hij zwoer, bij de Roomse hulde, Dat ze hun goed zouden verliezen En kwade dood alle kiezen. Die Joden waren zeer in gevaar, 540 Want ze bekenden hen openbaar Schuldig zeer van de zonde; Ze namen uitstel een stonde, Want ze zich beraden wilden, Hoe ze zich verontschuldigen zouden. 545 Kinderen, dit was immer waar, Dat de Joden hadden gevaar, Hoe ze zich verontschuldigen mochten. Hierbinnen bij de boden vrienden ze zochten, Of ze van Jezus iets mochten vinden 550 Onder diegene die hem minden. Toen vernamen ze van een vrouw, Die Onze Heer was trouw, Want hij had die vrouw genezen Van de bloedziekte, waar we van lezen 555 Daar ze 18 jaar aan leed; Ze had een beeld, dat ze geheel Gewonden tezamen had in een kleed. Dat leek, naar dat men weet, Van gedaante naar Onze Heer; 560 Daarom dacht die bode zeer, Eer hij dat van de vrouw won. Hierna hebben die Joodse mannen Zich beraden in hun gedachte, En zeiden, dat het niet wezen mocht, 565 Dat men mocht doden God. Dus laten we dat blijven van de bode En van de Joden het hele pleit; Te lang te vertellen hier ter plaatse. 570 Die bode voor weg, en voerde het mede En bracht te Rome dat beeld. Want ten eerste dat hij dat beeld zag, 575 Vloog van hem al zijn ongemak; Toen liet hij halen de hele senaat, En zei hen, dat ze hun toeverlaat Alle zouden zetten aan die God; Maar ze ontzeiden zijn gebod. 580 Dus liet hij ze doden en zenden In verre landen en in ellenden; Nochtans was hij christen niet Want de eerste christen keizer heette Filippus, en dat was ook daarna 585 Na zeer veel jaar. Vanwege dit ding kwam eerst de nijd Op de Joden van lang geleden Dat stond, eer God gewroken werd. Nu lieg veel van deze vaart 590 Dat Dietse van Onze Heren wraak; Want dat zegt, in ware zaak, Dat Titus diegene was, Die via het beeld daar genas, En dat Vespasianus waar 595 Van Aquitanië de koning maar, En dat Herodes, zonder waan, Die de kinderen dood liet slaan, Leefde toen de Roomse heren Die de Joden begon te onteren, 600 En hij zichzelf ook versloeg, En Archelaus de kroon droeg, Toen men won de heilige plaats; Maar dat gelogen is al dat, Wil ik bewijzen hier voorwaar: 605 Na de Heer geboorte minder dan drie jaar Leefde Herodes die hem wilde verslaan; Acht jaar ook mede, zonder waan, Of minder droeg Archelaus de kroon, Na zijn vader te loon, 610 En hij stierf ook in ellende; Aldus mag men het in Josephus vinden. Ook is dat Romeinen In die reden niet goed geheel, Dat zegt dat Vespasianus 615 Van melaatsheid had ontvangen Bij het beeld zijn gezondheid, En hij daarna in korte stonde Onze Heer wreekte allemaal, En dat Titus was zijn vader. [8] 620 Hierna zal ik u bewijzen ter stede, Dat dit allemaal gelogen is mede. |
Hoe God gewroken wart van Tytus ende van Vaspasianus. Die aventure zeghet hier naer, Dat leet wael xlij jaer, Van dat gemarteret was Jhesus, 625 Aldus bescrivet Josephus, Die was doe binnen Jherusalem, Dat Titus lach, ende met hem Dat roemsche heer, voer der stede, Eer God die wrake komen dede. 630 Hi gaf den Joden tijt ende stonde, Dat si beteren mochten hoer sonde, Die si an Jhesum hadden gedaen; Maer zi en wouden, zonder waen. Hier ombe dade Onse Here wreken 635 Over hem hoer valsche treken Ende al der heileger liede bloet. Dat joedsche volck was al verwoet, Want si alle versamelt waren Op den Paeschen, zonder sparen, 640 Tot Jherusalem in der stede; Want zi wouden, na haren sede .......... .......... Die my verkochte ombe goet, 955 Ende hi met my ter tafelen zat; Doe ginck hy heen zinen pat, Ende nembermeer was hi met my. Mine apostelen doe deden zy Eenen anderen in sine stede. 960 Nu zalstu gedencken mede Der tafelen, daer ick toe sat; Dor die ere, dat ick daer op at, So zalstu ene ander tafel zetten, Ende roepet Broen sonder letten, 965 Dinen zwager, die een goetman es, Ende zine kinder, des zijt gewes, Sijn goet ende oeck ander mede Sal hi winnen hier ter stede, Die men goet zal bekinnen; 970 Sech hem, dat hi ga met mynnen Daer du hem wises een rivier, Ende vange enen visch wael scier, Ende dat hi brenge den eersten visch; Als hi enwech es, gerede dinen disch, 975 Ende decken ende neem dit vat, Ende in midden der tafelen zet dat, Ende deck dat met enen clede; Dan so neem den visch gerede, Ende leggen den vate by; 980 Dan roep dijn volck, waer dat sy, Ende zech, zi zullen weten saen, Wie van hem allen hevet mesdaen; Dan zalstu in mynen name zitten Alzo als ick opten witten 985 Donredage ter tafelen zat. Neem Broen ende merke dat Wie hem daer achter trecken zal; Als dat volck es geseten al, Sal daer bliven een idele stat, 990 Ende die zal bedieden dat, Dat Judaes zine stat verloes; Die stat zal idel bliven altoes, Tote dat Broens zone hevet een kint, Die die stat met rechte wint; 995 Ende alse dan Broen geseten es, So doe dan kondich dinen volke des, Wat manne dat hi es die gone Die an den Vader ende an den Zone Gelovet ende an den Heilghen Geest; 1000 Ende die dan gedaen hevet meest, Dat ick met di met mynen monde 9 Hem geboet, hi come ter stonde Ende zitte ende neme die gracie Totter tafelen sonder tribulacie. 1005 Recht alse hem Onse Here hiet Dede Joseph ende anders niet; Hi zat ter tafelen ende Broen; Ende alzo hiet hi den anderen doen. Een groot deel zat daer neder, 1010 Maer vele meer keerde daer weder, Die totter tafelen niet en quamen. Doe zi vervullet was altezamen Sonder die stat die idel bleef, Daer ick iu te voren af screef, 1015 Die tusschen Broen ende Josepe lach Die so idel bleef wel menegen dach. Doe die liede, die daer zaten Te Josepes tafelen ende aten, Vernamen der groter soetecheit, 1020 Ende si worden vervullet gereit Van al dat haer herte woude Ende hadden al vergeten boude Der anderen, die daer niet en zaten; Doe sprack een van dien die daer aten 1025 Tot dengenen die daer stonden; Hi vraechde hem of zy iet konden Gevoelen des si hadden daer; Si zeiden: “neen wy, niet een haer”. Peter hiet hi, die des vraechde; 1030 Hoe wel hem des woerdes behaechde, Hi zeide doe: “nu moochdy verstaen, Dat gy die zonde hebbet gedaen, Daer gy Josepe ombe vraget; Herde oevele hem dat woert behaget; 1035 Si scaemden hem ende gingen wt Haerder een meende noch overluet Noch wel gebeteren zijn leven; Ende diegene es noch daer gebleven Hi en woude nergen gaan. 1040 Doe die dienst was al gedaen, Doe hiet Joseph daer elken bi namen, Dat zi daer alle dage quamen Ombe die gracie te ontfane. Doe gingen zi allegader dane, 1045 Daer die ander liede waren. Dus kende Joseph die sondaren By der kracht van Onsen Heer, Ende dit was noch min noch meer Dan van den vate die eerste proevinge; 1050 Dit zijn doch wonderlike dinge. Ende welke tijt dat was die getyde Gingen zi daer in alle wel blyde, Ende degene die daerin niet quamen Vraechden, wat zi daer vernamen; 1055 Si zeiden: “dat en mach tongevertellen, Noch herte gedichten noch verspellen Onse grote blijtscap, dat es waer, Die wile dat wi sitten daer, Ende alse wy opstaen dueret soe 1060 Tote des anderen morgens vroe”. Si vraechden: “wanen mach dat iu komen Die gracie, die men genomen Noch vulprysen niet en kan?” Peter sprack, die goede man: 1065 “Die Here gevet ons gevoech, Die Josepe wt den kerker droech”. Si zeiden: “wat mach zijn dat vat? Wy en zagen nie te voren dat”. Peter sprack: “dat hevet versceden 1070 Die gezelscap van ons beiden; Want dat en laet in zijn covent Negenen sonder ongescent; Dat moget gy nu wel bekinnen; Maer zegget wat gy [voeldet] van binnen 1075 Doe Joseph iu daerin sitten hiet?” Ende zeiden si en wistens niet. Degene zeide: “gy moget mede Merken wel wie sonde dede Daer wi die pine af ontfaen”. 1080 Die ander zeide: “wy moeten gaen, Ende rumen dat lant gelijck keytiven; Maer waer latewi iu bliven? Wat zulwy zeggen, of men ons vraget, “Segget, dat ghy ons achterst zaget, 1085 Ende lyet mede in der genaden Der Drivoudicheit, die ons beraden Ende helpen zal wt alre scout Ende in den gelove dat Joseph hout”. Die quade zeiden: “wi gaen onser strate; 1090 Wat mogewy zeggen van den vate? Hoe zulwy dat heten waer wy gaen?” Hi zeide: “dat vat, daer wy af ontfaen Hebben gracie ende joye, 10 Ende dat wy leven sonder vernoye, 1095 Daer wy af eten dat soete mael, Dat sal van genaden hieten die Grael, Dat het dengenen so wel gereit Die hem in sine geselscap meit. So grote blijtscap hebbewy te dische 1100 Dat ons te moede es alse vische Die in enen groten vloet saen Des menschen handen zijn ontgaen”. Die quade seiden: “met rechte ende wale Hevet dat den name van den Grale; 1105 Dus zulwi dat hieten waer wy gaen”. Ende die daer bleven, sonder waen, Seiden Josepe dat hiete also. Des was Joseph herde vro; Ende welke tijt dat tercietijt was 1110 So plagen die goede das, Dat zi dan seiden sonder hale: “Gawy totten dienste van den Grale”. Dus was die Grael dat selve vat, Daer God zijn leste mael wt at 1115 Vor dat hi zine pine doechde, Daer hi ons allen mede verhoechde, Ende hier ombe zo heet altemale Dit boek die Historie van den Grale. |
Hoe God gewroken werd van Titus en van Vespasianus. Het verhaal zegt het hierna, Dat geleden was wel 42 jaar, Na dat gemarteld was Jezus, 625 Aldus beschrijft Josephus, Die was toen binnen Jeruzalem, Daar Titus lag, en met hem Dat Romeinse leger, voor de stad, Eer God de wraak komen deed. 630 Hij gaf de Joden tijd en stonde, Dat ze verbeteren mochten hun zonde, Die ze aan Jezus hadden gedaan; Maar ze niet wilden, zonder waan. Hierom deed Onze Heer wreken 635 Over hem hun valse streken En alle heilige lieden bloot. Dat Joodse volk was geheel verwoed, Want ze allen verzameld waren Op Pasen, zonder sparen, 640 Te Jeruzalem in die stede; Want ze wilden, naar hun zede .......... .......... Die mij verkocht om goed, 955 En hij met mij ter tafel zat; Toen ging hij heen zijn pad, En nimmermeer was hij met mij. Mijn apostelen en toen deden zij Een andere in zijn plaats. 960 Nu zal u denken mede De tafel, daar ik aan zat; Door de eer, dat ik daarop at, Zo zal u een andere tafel zetten, En roep Broen zonder letten, 965 Uw zwager, die een goede man is, En zijn kinderen, dus zij gewis, Zijn goed en ook andere mede Zal hij winnen hier ter stede, Die men goed zal bekennen; 970 Zeg hem, dat hij gaat met minnen Daar u hem wijst een rivier, En vang een vis erg snel, En dat hij brengt de eerste vis; Als hij weg is, bereid uw dis, 975 En dek het en neem dit vat, En in het midden van de tafel zet dat, En bedek dat met een kleed; Dan zo neem de vis gereed, En leg het vat erbij; 980 Dan roep uw volk, waar dat is, En zeg, ze zullen het weten samen, Wie van hen allen heeft misdaan; Dan zal u in mijn naam zitten Alzo als ik op de Witte 985 Donderdag ter tafel zat. Neem Broen en merk dat Wie zich achteruit trekken zal; Als dat volk gezeten is al, Zal daar blijven een lege plaats, 990 En die zal betekenen dat, Dat Judas zijn plaats verloor; Die plaats zal leeg blijven altijd, Totdat Broens zoon heeft een kind, Die de plaats met recht wint; 995 En als dan Broen gezeten is, Laat dan uw volk verkondig dit, Welke man dat hij is diegene Die aan de Vader en aan de Zoon Gelooft en aan de Heilige Geest; 1000 En die dan gedaan heeft meest, Dat ik met die met mijn mond [9] Hem gebood, hij komt ter stonde En zit en neemt de genade Tot de tafel zonder rampen. 1005 Recht zoals hem Onze Heer zei Deed Joseph en anders niet; Hij zat ter tafel en Broen; En alzo zei hij de anderen te doen. Een groot deel zat daar neder, 1010 Maar veel meer keerden daar weer, Die tot de tafel niet kwamen. Toen ze gevuld was al tezamen Uitgezonderd de plaats die leeg bleef, Daar ik u te voren van schreef, 1015 Die tussen Broen en Joseph lag Die zo leeg bleef wel menige dag. Toen de lieden, die daar zaten Te Joseph‘s tafel en aten, Vernamen de grote lieflijkheid, 1020 En ze worden vervuld gereed Van al dat hun hart wou En hadden geheel vergeten onbeschroomd De anderen die daar niet zaten; Toen sprak een van die daar aten 1025 Tot diegenen die daar stonden; Hij vroeg zich al of zij iets konden Voelen dat ze hadden daar; Ze zeiden: “neen wij niet een haar”. Petrus heette hij, die aldus vroeg; 1030 Hoe goed hem het woord behaagde, Hij zei toen: “nu mag u verstaan, Dat ge de zonde hebt gedaan, Daar ge Joseph om vraagt; Erg kwaad hen dat woord behaagt; 1035 Ze schaamden zich en gingen uit Daar een meende noch overluid Nog wel te verbeteren zijn leven; En diegene is nog daar gebleven Hij wilde nergens gaan. 1040 Toen die dienst was geheel gedaan, Toen noemde Joseph daar elk bij de naam, Dat ze daar alle dagen kwamen Om die genade te ontvangen. Toen gingen ze er allen vandaan, 1045 Daar de andere lieden waren. Zo herkende Joseph de zondaren Met de kracht van Onze Heer, En dit was min of meer Dan van het vat de eerste beproeving; 1050 Dit zijn toch wonderlijke dingen. En welke tijd dat waten de getijden Gingen ze daarin alle wel blijde, En diegene die daarin niet kwamen Vroegen, wat ze daar vernamen; 1055 Ze zeiden: “dat kan men niet vertellen, Nog erg gedichten noch voorspellen Onze grote blijdschap, dat is waar, De tijd dat we zitten daar, En als we opstaan duurt het zo 1060 Tot de volgende morgen vroeg”. Ze vroegen: “waarvan mag het u komen De genade, die men noemen Nog en niet volprijzen kan?” Petrus sprak, die goede man: 1065 “Die Heer geeft ons genoegen, Die Joseph uit de kerker droeg”. Ze zeiden: “wat mag zijn dat vat? We zagen niet te voren dat”. Petrus sprak: “dat heeft gescheiden 1070 Het gezelschap van ons beiden; Want dat het laat in zijn convent Nee geen zonder schande; Dat mag ge nu wel bekennen; Maar zeg wat ge voelt van binnen 1075 Toen Joseph u daarin te zitten zei?” Ze zeiden ze wisten het niet. Diegene zei: “ge mag het mede Merken goed wie zonde deed Daar we de pijn van ontvangen”. 1080 De ander zei: “we moeten gaan, En ruimen dat land gelijk ellendige; Maar waar laten we u blijven? Wat zullen we zeggen, als men ons vraagt, “Zeg, het dat ge ons laatst zag, 1085 En belij mede in de genade De Drievuldigheid, die ons beraden En helpen zal uit alle schuld En in het geloof dat Joseph houdt”. De kwade zei: “we gaan onze straat; 1090 Wat mogen we zeggen van het vat? Hoe zullen we dat noemen waar we gaan?” Hij zei: “dat vat daar we van ontvangen Hebben genade en vreugde, [10] En dat we leven zonder verdriet, 1095 Daar we van eten dat zoete maal, Dat zal van genade heten de Graal, Dat het diegenen zo goed bereid Die hem in zijn gezelschap ontmoet. Zo grote blijdschap hebben we te dis 1100 Dat het ons te moede is als een vis Die in een grote vloed gelijk De mensen handen zijn ontgaan”. Die kwade zei: “met recht wel Heeft dat de naam van de Graal; 1105 Dus zullen we dat zo noemen waar we gaan”. En die daar bleven, zonder waan, Zeiden Joseph dat het heette alzo. Dus was Joseph zeer vrolijk; En welke tijd dat het 9 uur was 1110 Zo deden die goede dat, Dat ze dan zeiden zonder haal “Gaan we tot de dienst van de Graal”. Dus was de Graal datzelfde vat, Daar God zijn laatste maal uit at 1115 Voordat hij zijn pijn gedoogde, Daar hij ons allen mee verhoogde, En hierom zo heet het allemaal Dit boek de Historie van de Graal. |
Van Moyses ende van der ydeler stat die tuschen Josep ende Brone was. Totten tiden dat zi verschieden 1120 Die quade van den goeden lieden, Was daer een die Moyses hiet, Ende hi en woude altoes niet Dat geselscap laten van den Grale. Hi was geraket in zine tale 1125 Ende ter werelt herde vroet Ende van buten sceen hi goet; Hi zeide: “ic en scheide niet hen Want ic in den wille ben Te wesene met desen volke goet, 1130 Dat God met Sijnre genaden voet”. Hi weende ende dreef misbaer, Alse of dat hem wel leet waer, Ende bleef daer met Josepes lieden, Ende die ander doe danen schieden, 1135 Welker tijt dat hi der eenen zach, Riep hi ember: “owi, o wach! Soete vrint, bidde vor my Dat mi Joseph genadec zy Dat ik die gracie hebben moete 1140 Die iu aldus zere es zoete”. Dit riep hi in dier gebaer Oftet hem in ernste waer So lange bat hi des den lieden Dat zi hem daerop berieden 1145 Te biddene Josepe ombe Moyses, So zere ontfermede hem des, Zi namen Moyses met hem allen Ende gingen tote Josepe vallen, Ende genade bidden altezamen. 1150 Josepe wonderde waerombe zi quamen, Ende zeide: “zegget, wat gy begert”. Zi zeiden: hoert, here, herwert: Een groot deel van onsen lieden, Die met ons van den Joden schieden, 1155 Zijn gegaen hoerre strate Seder dat wi van dinen vate Die gracie eerstwerf ontfingen; Nu es hier een, in waren dingen, Die hetet Moyses, als wy scouwen, 1160 Dien zere zine sonden rouwen; Hi en wille ons nu niet laten, Hi biddet ons allen wtermaten, Dat dijn covent tot dy gae Ende bidde, dat hi mede ontfae 1165 Die gracie, die ons gevet dijn vat; Here, nu biddewy iu alle dat Dit dijn wille moete wesen”. Josep antwoerde tot desen: “Die gracie en es niet mijn; 1170 Maer die hemelsche drochtijn Gevet ze, daer ‘t Hem dunket goet, Dat es dengenen, die hoeren moet Totten dogeden zetten altoes; Maer es dese in dat herte loes 1175 Ende hi hem buten maket scone So vruchte ick dat hi my hone; Hierombe ben ick een deel gevreest, Maer hi hoent hem zelven meest, Es dat hi ons wil bedriegen”. 1180 “Neen”, zeiden zi, “kan dese man liegen Zone gelovewy man nimmermeer, Maer doet dat doer God, lieve Heer, Ende laeten in der genaden wesen!” 11 Joseph sprack: “provet an desen, 1185 Of hi zulck zij als hi ons toent, Dat hi hemselven niet en hoent; Ick sal vor hem ende vor iu Onsen Here bidden nu”. Syne gesellen ende Moyes 1190 Seiden: “Here, God loen iu des!” Vor die scotele, die men heet den Grael, Ginck Joseph allene staen, Totter erden zeech hi neder zaen Op ellenbogen ende op knien 1195 Ende bat onsen Here met dien, Dat Hi hem daer makede openbaer Ofte Moyses al zulck waer Alse hy buten togede wale? Doe sprack van den heilgen Grale 1200 Eene stemme ende zeide: “Nu is komen die waerheide, Daer ick iu af zeide hier te voren Du zals zien die stede koren Die tusschen Broen es ende dy: 1205 Ombe Moyses biddes du my; Menestu, dat hi is zulck man Als hi buten togen kan, Gy ende uwe gesellen gaet Ter tafelen zitten, dat is mijn raet, 1210 Wan dat is tercietijt; Doet Moyses komen, daer gy zijt, Ende zegget oft hi mynnet alremeest Die gracie van den heilgen Gheest, 1215 So ga hi dan zitten zonder waen In die idele stede beneven dy, Daer zalstu zien wael wat hi zij”. Also alzet hem Onse Here hiet, Dede Joseph, ende anders niet. 1220 Hi quam weder te zinen gesellen, Ende zeide: “moget gy my vertellen, Of Moyses es zulck van binnen, Dat hi die gracie mach gewinnen, Nyeman en mach ze hem ontseggen; 1225 Maer wil hi ons te voren leggen Ander sake dan al waer, Dat zal hem selven wesen zwaer”. Zi zeiden dit tot Moyses alzo. Hi antwoerde daer ende was vro: 1230 “Ick ne ontsie lude noch stille Negene dinge, die Joseph wille. Ick wane wel waerdich zijn daerof”. Zi zeiden: “du heves den orlof Sie dattu does zinen wille”. 1235 Hy zeide, hy en lietes lude noch stille. Met hem waren zi alle blyde Ende gingen totten getyde, Aldaer men diende van den Grale. Joseph sprack ten zelven male: 1240 “Moyses, du zals niet genaken Eneger dinck oft eneger zaken Daer du af onwerdich zijs; Want dune machs, in gener wijs, Nyeman honen alzo wel 1245 Alse dy selven, bistu fel, Sie dattu zijs alzo goet, Alse dit volck; want in zijnen moet Moyses sprack: “oft ick goet ben Sone late my God nimmer hen 1250 Van iu scheiden”; - “nu komet voert”, Sprack Joseph: “zeggestu waer woert, Dat zullewy alle nu wel zien”. Joseph sat weder met dien Totter tafelen, ende sijn zwager Broen; 1255 Ende alzo begonsten die anderen doen Ekerlyck op zine stat, Daer hi plach zittene vor dat; Ende alse zi waren geseten daer, Stont Moyses ende hadde vaer. 1260 Die tafele ginck hi al ontrent, Hi ne zach onder al dat covent Negene stat te zinen doene Dan tusschen Joseph ende Broene; Ten eersten dat hi was zitten gaen, 1265 Daer sanck hi neder alzo saen, Men mochte niet gemerken dat, Dat hi totter stede ie sat; Ende Joseph was t ongemake Entie ander van der sake, 1270 Ende haddens alle groten toren, Dat Moyses dus was verloren. Alse die dienst was gedaen, Ende zi op waren gestaen Sprack in groten rouwen ende leide 1275 Een die hiet Peter, ende seide Tot Josepe: “wy zijn t ongemake, Wy bidden iu, Here, ombe ene zake 12 Doer Hem, daer wy an geloven, Dat is Onse Here van hier boven, 1280 Dat gy ons zegget zonder sparen, Waer Moyses nu es gevaren” Joseph sprack: “des en wetick niet, Maer ick bidde Hem die dat al beziet, Of dat Zijn wile nu zij 1285 Dat Hi dat doch vertoge my”. Joseph quam ten heilgen Grale Oetmoedelike, ende rechte wale Kniede hy neder, ende zere bat: “Here God, die in meneger stat 1290 Menege scone miracule tones, Daer Du Dijn volck mede verscones; Al dat Du does, Here, dat es goet, Want Du ware vleesch ende bloet Ontfinges an Sancta Maryen, 1295 Ende wy des oeck wael gelyen Dat zi, maget, van iu genas, Ende Gy gehengen woudet das Doer ons te dogene menech leet, Ende Gy tot my quamet gereet, 1300 Ende my voerdet in myne stat Ende my mede geloefdet dat, Wat dat ick iu bade hier voren, Dat Gy my des soudet gehoren; Ombe dese zaken so bid ick iu, 1305 Dat Gy rechte desen lachter nu Van my doet van desen wane, Ende Gy my brenget die waerheyt ane, Waer dese man gebleven zij; Alzoe dat dat volck an my, 1310 Die met mi die gracie ontfaen, Die waerheit mogen verstaen”. Binnen dien, dat Joseph lach opter aerde Antwoerde hem die stemme waerde; “Joseph, dat ick iu voerseide 1315 Dat es nu worden waerheide, Doe du die tafele makedes eerst Dine wijsheit is daerby gemeerst, Want die stat, die idel was, Die bediedet, dat Judas 1320 Sijn erve verloes ende zine stat; Doch zeide ick dy te voren dat, Dat die stat soude idel staen Totten vierden, sonder waen, Van Eugenien ende Broene, 1325 Die sal sijn waert van desen doene, Die in deser stat sal wesen, Ende negeen ander na desen Geset sal zijn in deser eer, Ende daer du ombe vrages so zeer 1330 Die by dy zat, ick salt dy tellen: Alze enwech gingen zine gesellen, So en bleef hy ombe niet el Dan hy dy woude honen wel; Want hy nye gelovede niet, 1335 Dat gy levet sonder verdriet; Hier ombe ginck hy alzo liegen Ombe dat hy dy woude bedriegen, Ende es versoncken in abisse; Van hem, des zijt wel gewisse, 1340 Ne werdet nimmermeer tale gemaket Eer diegene tot hem geraket Die dese stat vervullen sal, Ende hy hem vint in dat diepe dal Want hy sal leven sonder macht 1345 Tote dien, dat dit toe es gebracht. Dus eret Onse Here sine steden. Van Moyses is die tale geleden, Tote dattene vint die selve mede, Die zitten sal in dese stede; 1350 Ende dat volck, dat dan zal zijn In zine geselschap ende in die dijn Sulne heten lichame Moyses. Doe kondech dinen volcke des. Nu siet, oft iu wel behaget 1355 Wat gy hebbet ane my bejaget”. Dus makede kondech Onse Here Josepe Moyses van valschen kere, Ende Joseph zeidet Broene voert, Ende Peter mede dese woert, 1360 Ende sinen jongeren alle gader. Doe seiden zi alle: “Here Vader! Hy is dul, die dor dit cranke leven Juwen dienst wil begeven. |
Van Mozs en van de lege plaats die tussen Joseph en Broen was. Tot de tijd dat ze scheidden 1120 Die kwade van de goede lieden, Was er daar een die Mozes heet, En hij wou altijd niet Dat gezelschap verlaten van de Graal. Hij was goed geraakt in zijn taal 1125 En ter wereld zeer verstandig En van buiten scheen hij goed; Hij zei: “ik schei niet van hen Want ik in de wil ben Te wezen met dit volk goed, 1130 Dat God met Zijn genaden voedt”. Hij weende en dreef misbaar, Alsof dat het hem wel leed was, En bleef daar met Joseph ‘s lieden, Toen de anderen er vandaan scheidden, 1135 Welke tijd dat hij er een zag, Riep hij immer: “o wi, o wag! Lieve vriend, bid voor mij Dat me Joseph genadig zij Dat ik de genade hebben moet 1140 Die u aldus zeer is zoet”. Dit riep hij in die gebaren Of het hem in ernst was Zo lang bad hij dus de lieden Dat ze zich daarop berieden 1145 Te bidden Joseph om Mozes, Zo zeer ontfermde hen dit, Ze namen Mozes met hen allen En gingen tot Joseph vallen, En genade bidden alle tezamen. 1150 Joseph verwonderde waarom dat ze kwamen, En zei: “zeg het, wat ge begeert”. Ze zeiden: hoort, heer, hierheen: Een groot deel van onze lieden, Die met ons van de Joden scheiden, 1155 Zijn gegaan hun straat Sinds dat we van uw vat Die genade de eerste keer ontvingen; Nu is hier er een, in ware dingen, Die heet Mozes, zoals we aanschouwen, 1160 Die zeer zijn zonde berouwt; Hij wil ons nu niet verlaten, Hij bidt ons allen uitermate, Dat uw convent tot u gaat En bidt, dat hij mede ontvangt 1165 De genade, die ons geeft uw vat; Heer, nu bidden we u alle dat Dit uw wil moet wezen”. Joseph antwoordde tot deze: “De genade is niet van mij; 1170 Maar van het hemelse hoofd Geeft ze het, daar ‘t Hem denkt goed, Dat is diegenen, die hun moed Tot de deugden zetten altijd; Maar is deze in dat hart vals 1175 En hij zich van buiten maakt schoon Dan vrees ik dat hij me hoont; Hierom ben ik een deel bevreesd, Maar hij hoont zichzelf het meest, Is dat hij ons wil bedriegen”. 1180 “Neen”, zeiden zij, “kan deze man liegen Dan geloven we een mens nimmermeer, Maar doe dat door God, lieve Heer, En laat hem in de genade wezen!” [11] Joseph sprak: “bewijs het aan deze, 1185 Of hij zulks is zoals hij ons toont, Zodat hij zichzelf niet hoont; Ik zal voor hem en voor u Onze Heer bidden nu”. Zijn gezellen en Mozes 1190 Zeiden: “Heer, God loont u dit!” Voor de schotel, die men noemt de Graal, Ging Joseph alleen staan, Tot de aarde zonk hij neer gelijk Op ellenbogen en op knieën 1195 En bad Onze Heer met die, Dat Hij hem daar maakte openbaar Of Mozes al zulks waar Zoals hij van buiten getuigde wel? Toen sprak van de heilige Graal 1200 Een stem en zei: “Nu is gekomen de waarheid, Daar ik u van zei hier te voren U zal zien die plaats uitverkoren Die tussen Broen is en u: 1205 Om Mozes bidt u mij; Meent u, dat hij is zulke man Zoals hij buiten tonen kan, Gij en uw gezellen gaat Ter tafel zitten, dat is mijn raad, 1210 Want dat is 9 uur; Laat Mozes komen, daar gij bent, En zeggen of hij mint het allermeest De genade van de heilige Geest, 1215 Dan gaat hij dan zitten zonder waan In de lege plaats naast u, Daar zal u wel zien wat hij is”. Alzo zoals hem Onze Heer zei, Deed Joseph, en anders niet. 1220 Hij kwam weer tot zijn gezellen, En zei: “mag ge mij vertellen, Of Mozes zulks is van binnen, Dat hij de genade mag winnen, Niemand mag het hem ontzeggen; 1225 Maar wil hij ons te voren leggen Andere zaken dan geheel waar, Dat zal hem zelf wezen zwaar”. Ze zeiden dit tot Mozes alzo. Hij antwoordde daar en was vrolijk: 1230 “Ik ontzie luid nog stil Geen dingen, die Joseph wil. Ik meen wel waardig zijn daarvan”. Ze zeiden: “u hebt verlof Zie dat u doet zijn wil”. 1235 Hij zei, hij liet het luid nog stil. Met hem waren ze alle blij En gingen tot de getijde, Al daar men diende van de Graal. Joseph sprak dezelfde maal: 1240 “Mozes, u zal niet aanraken Enige ding of enige zaken Daar u onwaardig van bent; Want u mag, op geen wijze, Niemand honen alzo wel 1245 Dan u zelf, bent u fel, Zie dat u bent alzo goed, Als dit volk; want er in zijn moet Mozes sprak: “of ik goed ben Zo laat me God nimmer hen 1250 Van u scheiden”; - “nu komt voort”, Sprak Joseph: “zegt u waar woord, Dat zullen we allen nu wel zien”. Joseph zat weer met dien Tot de tafel, en zijn zwager Broen; 1255 En alzo begonnen de anderen te doen Elk op zijn plaats, Daar hij plag te zitten voor dat; En toen ze gezeten waren daar, Stond Mozes en had angst. 1260 De tafel ging hij al omtrent, Hij zag onder al dat convent Geen plaats tot zijn doen Dan tussen Joseph en Broen; Ten eerste dat hij was zitten gegaan, 1265 Daar zonk hij neer alzo gelijk, Men mocht het niet merken dat, Dat hij op de plaats iets zat; En Joseph was te ongemak En de anderen van de zaak, 1270 En hadden alle grote toorn, Dat Mozes dus was verloren. Toen de dienst was gedaan, En ze op waren opgestaan Sprak in grote rouw en leed 1275 Een die heet Petrus, en zei Tot Joseph: “we zijn te ongemak, We bidden u, Heer om een zaak [12] Door Hem, daar we aan geloven, Dat is Onze Heer van hier boven, 1280 Dat ge ons zegt zonder sparen, Waar Mozes nu is gevaren” Joseph sprak: “dat weet ik niet, Maar ik bid Hem die dat alles beziet, Of dat Zijn wil nu zij 1285 Dat Hij dat toch toont aan mij”. Joseph kwam tot de heilige Graal Ootmoedig, en echt wel Knielde hij neer, en zeer bad: “Heer God, die in menige plaats 1290 Menige mooie mirakels vertoont, Daar U Uw volk mee verschoont; Al dat U doet, Heer, dat is goed, Want U was vlees en bloed Ontving van Sint Maria, 1295 En wij dus ook wel belijden Dat zij, maagd, van u genas, (geboorte] En Gij toestaan wilde dat Door ons te gedogen menig leed, En Gij tot mij kwam gereed, 1300 En mij voerde in mijn plaats En mij mede beloofde dat, Wat dat ik u bad hier voren, Dat Gij mij dat zou verhoren; Om deze zaak zo bid ik u, 1305 Dat Gij echt dit lachen nu Van me doet van deze waan, En Gij me brengt de waarheid aan, Waar deze man gebleven is; Alzo dat het volk van mij, 1310 Die met mij de genade ontvangen, De waarheid mogen verstaan”. In de tijd, dat Joseph lag op de aarde Antwoordde hem de stem waardig; “Joseph, dat ik u voorzei 1315 Dat is nu geworden waarheid, Toen u de tafel maakte eerst Uw wijsheid is daarbij vermeerderd, Want de plaats, die leeg was, Die betekent, dat Judas 1320 Zijn erfrecht verloor en zijn plaats; Toch zei ik u te voren dat, Dat die plaats leeg zou staan Tot de vierde, zonder waan, Van Eugenie en Broen, 1325 Die zal waard zijn van dit doen, Die in deze plaats zal wezen, En geen andere na deze Gezet zal zijn in deze eer, En daar u om vraagt zo zeer 1330 Die bij u zat, ik zal het u vertellen: Toen weg gingen zijn gezellen, Zo bleef hij er om niets anders Dan dat hij u wou honen wel; Want hij geloofde niet, 1335 Dat ge leeft zonder verdriet; Hierom ging hij alzo liegen Om dat hij u wou bedriegen, En is verzonken in afgrond; (hel) Van hem, dus wees zeker, 1340 Wordt nimmermeer taal gemaakt Eer diegene tot hem raakt Die deze plaats vervullen zal, En hij hem vindt in dat diepe dal Want hij zal leven zonder macht 1345 Tot die, dat dit toe is gebracht. Dus erft Onze Heer zijn plaats. Van Mozes is de taal geleden, Totdat hem vindt dezelfde mede, Die zitten zal in deze plaats; 1350 En dat volk, dat dan zal zijn In zijn gezelschap en in die van u Zullen heten lichaam Mozes. Toe verkondig uw volk dit. Nu zie, of het u wel behaagt 1355 Wat ge hebt aan mij gevraagd”. Dus maakte bekend Onze Heer Joseph Mozes van valse keer, En Joseph zei Broen voort, En Petrus mede deze woord, 1360 En zijn jongeren alle tezamen. Toen zeiden ze alle: “Heer Vader! Hij is dol, die door dit zwakke leven Uw dienst wil begeven. |
Van Broene ende van sinen xij zonen, ende wat daer af komen zal. Dus waren lange in dit doen 1365 Eugenie ende hoer man Broen 13 Ende zi hadden twalef sonen, Die nyeman en mochte versconen, Daer si mede waren verladen, So dat die vrouwe begonste raden 1370 Broene hoeren manne, ende zeide: “Here, wy zijn verladen beide Met onsen kinderen herde zeer; Vraget Josepe, onsen Heer, Want hy is mijn lieve broeder, 1375 Wat wy mogen doen; hi es vroeder Dan wy, ende wy en zullen niet doen Dan sinen raet, Here Broen; Dat hi zeghet, dat loven wy al”. “”Dunket iu goet, ick wane, ick zal 1380 Te Josepe gaen ende zoecken raet””. Die Vrouwe zeide: “Here, jaet”. Doe ginck Broen al te hant Daer hi Heren Josepe vant, Ende zeide: “lieve Here mijn, 1385 Hier moet iu goede raet toe zijn: Iu suster, Here, ende oeck ick Hebben te samene gesijn dick, Ende wy hebben twalef sonen, Die schoenste die in den lande wonen, 1390 Daer bidden wy iu ombe raet”. Joseph sprack: “daer dat al aen staet Hi moetse te sinen dienste staden, Ende ick willes my oeck beraden”. Dit lieten zi staen tot den dage, 1395 Dat Joseph in stilre lage Allene by zinen vate stoet, Ende hem quam in sinen moet Van sinen neven, ende hi bat Onsen Here voer sijn vat; 1400 Al wenende zeide hi: “lieve Heer! Waer dat Dijn wille, ende doer Dijn eer, So bidde ick gerne vor myne neven Dat Iu hem gracie woudes geven, Ende doet my, Here, nu te verstane, 1405 Ofte daer iet geleghet ane”. Doe Josepes bede was gedaen, Quam die Ingel daer gegaen, Ende zeide: “ick ben hier gesent, Dine bede die es vollent; 1410 Dat du biddes vor dine neven Hevet dy God al gegeven: Hi wil dat zi totten dienste horen, Ende Sine jongeren zijn verkoren, Ende zi sonder meester leven; 1415 Ende men hem wijf sal geven, Dengenen, die ze willen ontfaen, Ende dengenen, die daer weder staen, Die sullen hoer aller meester bliven Van dengenen metten wiven; 1420 Ende alsi wijf hebben die broeder, So bidde vader ende moeder Dat zi dy dengenen geven, Die zonder wijf daer es gebleven; Ende als du hem heves, kom ten Grale, 1425 Daer suldy horen Onses Heren tale, Die zal van dinen neven zeggen”. Die Ingel liet die tale leggen Ende voer weder danen hi quam; Ende alse Joseph dat vernam, 1430 Was hi des utermaten vro, Dat dat komen soude also. Te Broene quam hi ende zeide: Ombe raet badet gy my beide Van uwen kinderen, minen neven; 1435 Ick rade, dat men hem wijf zal geven, Die zullen zi houden met trouwen Ende winnen kinder entie werlt bouwen, Dien gy niet daertoe konnet dwingen Dien zuldy tot my bringen”. 1440 Broen zeide: “al uwen wille Willen wy doen lude ende stille”. Doe zeide Broen zinen wive voert Josepes tale ende zyne woert, Ende zi sprack doe met sinne: 1445 “Haestet daertoe, lieve mynne”. Broen sprack sinen kinderen toe, Ende zeide: “nu zeghet my, hoe Dat gy iu leven nu wilt leiden”. Si zeiden: “wat duncket goet iu beiden, 1450 Onser moeder ende oeck iu, Ende onsen ome, dat doewy nu, Op dat zij die wille Onses Heren”. Broen zeide: “ick wille daertoe keren, Dat ghy huweleck alle doet 1455 Dien daertoe staet zijn moet, 14 Ende gy dat hout met trouwen, Also ick doe met myner vrouwen”. Doe zi dit hoerden, waren zi blide, Ende zeiden doe: “tallen tide 1460 Willen wy doen dat gy gebiet, Ende des en willen wy laten niet”. Ende mettien dat Broen vernam, Waerheen dat hoer wille quam, Bejaechde hi dat zi hadden wijf, 1465 Ende beval hem, op hoer lijf, Voert te houdene als die kerke gebiet, Entie twelfste en woude niet In gener wijs huweleck doen Ombe al dat mochte bidden Broen, 1470 Ende die hiet Alein die Groes Ende aldus bleef hi wiveloes. Des wonderde zere den vader, Ende zeide doe dat allegader Sine broeder hadden wijf, 1475 “Waerombe makestu des een blijf? Hoene doedy als uwe broeder doen?” “Ick en mach, lieve vader Broen, Negene van desen joncfrouwen”. Aldus dade Broen daer trouwen 1480 Wijf sine elve kinder; Die twelfste bleef doe ginder. Des loech Joseph, ende zeide: “dit kint Willick dat men my toe sint, Ende gy my dat gevet ende iu wijf”. 1485 Broen zeide: “wy doen zonder blijf”. Dus gaven zi Josepe hoer kint; Ende alse Alein dat hadde bekint, Dat men hem Josepe gaf also, Was hi des utermaten vro, 1490 Ende zeide dattet hem waer lief. Joseph nam hem - seget die brief - In zinen arm ter zelver stont Ende kusten an synen mont, Ende zeide: “ick minne dy zeer”. 1495 Doe zeide hy te zinen Heer Ende te ziner zuster mede: “Gaet te huys, deze blivet ter stede”. Zi gingen ewech, dat kint bleef daer; Joseph zeide doe, dat is waer: 1500 “Lieve neve, iu sal groet eer Gescien, dat iu Onse Heer Te Zinen dienste hevet verkoren; Ende ghy sult oeck als te voren Boven iu broeder wesen man; 1505 Hierombe blivet met my dan, Ghy zult horen Onses eren kracht, Ende bidden Hem, doer Zine macht Dat Hi my Zine stemme sende, Ende Hi my zegge van iu dat ende, 1510 Hoe gy leiden zult iu leven”. Doe hi der tale hadde begeven, Antworde hem een stemme allene: “Dijn neve is sempel ende rene Ende van wael goeden sinne, 1515 Wat zo du hem makes inne, Des gelovet hi wael te voren; Telle hem hoe ick was geboren, Ende hoe ick eerst die werelt zochte, Ende hoe dat men my verkochte, 1520 Ende an den cruce was verheven, Ende hoe ick dy was gegeven Ende hoe du my leides in dat graf, Ende ick dy myne scotele gaf, Ende hoe du waers gevaen, 1525 Ende ick dy dede ontgaen, Ende wat gave ick dy gaf, Ende wat dy quam daer af, Ende ember meer sal komen Die my sal dienen te siner vromen, 1530 Ende dat ick dy hebbe gegeven Eerdeschen wille in dit leven, Ende oeck allen dinen gesellen, Ende allen dengenen die daer af tellen Volmakelike zullen konnen, 1535 Dien sal ick myner gracien gonnen, Ende behouden haer erve, Noch zi en zullen in gener werve In hogen hoven vor landesheren Ontwiset zijn van zyner eren; 1540 Hoeren lichaem sal ick bevreden, Gelonen der Dryvoudicheden; Ende als du hem heves geseit, So toeg hem mijn vat gereit, Ende sech hem, dat mijn bloet 1545 Daer inne es ende oeck stoet; 15 Des sal hi dy geloven te bet; Wijs hem hoe die Duvel let Die gerne willen dienen my; Sech hem dat hi hem wael besie, 1550 Ende van quaetheden wael wachte, Ende hi merke ende achte Ombe die saken die hem oeck leren Hoe quade gedachten van hem keren; Hevet hi dit in hem gevest, 1555 Dit zijn zaken, die hem best Van den Duvelen sullen vreden; Ende dat hy van onsuverheden Sinen lichame wael wachte By dage ende oeck by nachte; 1560 Logene sech hem, dat hi scuwe Ende die waerheit vernuwe Van my tot sinen gesellen; Waer dat zi henen willen, Oft in wat lande dat hi se leet 1565 Dat hi van mi spreke gereet; Als hi van my spreken begint, Es dat sake dat hi mi mint, So hi meer te sprekene vint. Sech dat hi winnen sal een kint, 1570 Dat mijn vat sal achterwaren; Dus saltu hem dit openbaren, Hoe hi sal leren mijn covent; Ende als hi dit al hevet bekent, Sech hem dat hi wese hoeder 1575 Siner suster ende siner broeder, Ende ten Westen ga te hant In dat alre woeste lant, Ende dat hi tot elker stede Minen name verhoge mede, 1580 Ende heten geven sinen vader Aleine sine gracie alle gader. Morgen, als dat is tercietijt Ende ghy alle versamelt zijt, So zult gy ene claerheit zien, 1585 Een brief sal komen met dien, Die iu die claerheit brengen sal He sal verluchten iu covent al; Dien brief salstu Peter geven Vor dijn convent vor dynen neven, 1590 Ende heten hem, dat hi gaet Daer hem dat herte meest toe staet, Ende dat hi hem niet ontziet; Ick en begeve hem niet. Vraget hem, waer hi begaert, 1600 Hy salt dy zeggen ter vaert, Dat es in dat lant van Avaroen, Ten westen waert draget dat doen, Daer sal hy beiden Aleyns kint; Die doet en wert hem niet gesint 1605 Eer hy hevet denselven man, Die hem den brief bedieden kan; Die zal hem zeggen al wt ende wt Van den vate die virtuet, Ende van Moyses al die maer, 1610 Als hy dit weet openbae Sal hy sterven ende komen my; Sech dynen neve, dat hetick dy, Si zullen te bet ten dogeden staen Ende des te meer gracien ontfaen”. 1615 Ene stemme sprack alzo; Des was Joseph herde vro Ende zeidet synen neve Aleyne Dat hy wiste, groet ende cleyne. Robrecht zeide van Borroen, 1620 Die in dat Walsche screef dit doen: Die dat bescriven soude al, Dat hy hem leerde groet ende smal, Dat daer alzoe vele an waer twewerf Alse nu t’ al den boeke bederf; 1625 Maer elck man merke, die dat bevroet, Dat hy hem leerde menech goet, Ende als hy hem hadde geleert, Seide hy: “neve, ziet dat gy keert Iu te Gode al dat gy levet, 1630 Die iu zoe vele gracien gevet”. Hy leidene weder tot den vader, Ende Joseph zeide hem algader, Beide den susteren ende den broeder: “Sijns vaders kynt ende sijnre moeder 1635 Sullen alle wesen onder desen; Secht hem dat zi onderhorech wesen Hem, alsof hy waer hoer vader; God sal hem helpen allegader, Es dat zi goeder zeden plien; 1640 Daer zi alle toe zullen zien. Geef dyne gracie Aleyne, Zi zullen hem al gemeine 16 Geloven daerna vele te bet, Ende houden oeck sine wet. 1645 Hy sal ze wel mede behoeden Alzo lange als si bevroeden Dat si sinen wille doen”. Dit sprack Joseph tote Broen. Des anderen dages te tercietyde 1650 Quamen zy tot den dienste blyde, Daer zaghen si eene claerheit, Die een brief brachte gereit; Ende alssine op hadden genomen, Soe is Joseph daertoe gekomen, 1655 Ende nam den brief in sijne hant; Peter riep hy al te hant, Ende zeide: “wel lieve vrient, Jhesus, dien ghy hebbet gedient Die iu kochte met synen bloede 1660 Dat is onze Vader die goede, Daertoe hevet hy verkoren iu Dat ghy dese boetscap nu Sullet doen die hy gebiet”. Peter sprack: “ick en meende niet 1665 Waerdich zijn van desen rade, Dat ick dese boetscap dade”. “God”, zeide hy, “kent bet iu doget Dan gy iu selven kennen moget; Maer ick bidde iu ombe Gode 1670 Die iu coes te Sinen gebode Dat ghy ons zegget, waer ghy zult gaen”. Peter die antworde saen: “Nie en zach men man in stede Noch messelgier so scier gerede, 1675 Ick sal mijne boetscap doen In dat lant van Avaroen; In eene herde woeste stat, Ten westen waert so lecht dat, Ende ontbeiden daer der Godes genaden 1680 Ick bidde iu of ghy des sijt beraden, Dat ghy biddet, dat ick volbringe Ende ick altoes in genen dinge Onses Heren wille en moete begeven, Alzoe lange als ick sal leven, 1685 Ende my die Duvel niet en verriese, Dat ick die minne Godes verliese Want dat waer my een groet verlies. Si zeiden alle: “God gonne iu dies!” Haer aller sprake was alsoe, 1690 Ende gingen te samen doe Beide meerre ende mynder, Ende Broen ende syne kynder. Broen seide: “ick ben iu vader Ende ghy myne kynder alle gader, 1695 Ghy moet onderhorich sijn, Wilt ghy komen daer der sonnen schijn Ewelike is sonder nacht; Des sijt alle wel bedacht. Hier is Aleyn die groes, iu broeder, 1700 Doet sinen raet, hy is vroeder; Ick geve hem, al daer ick sta beneven, Al de gracie die ick mach geven, Ende ick bidde hem, naest Onsen Heer, Dat hy iu hoede ende beheer, 1705 Ende zijt hem alle onderdaen Alse uwen Here, dat is wel gedaen; Soecket synen raet in alre tijt Daer ghy af in twyfel zijt, Want hy sals iu wel berechten; 1710 Doet gelike goeden knechten Ende werket vroe ende spade Altoes by synen rade”. Zi zeiden: “lieve vader Broen, Wy zullen dat herde gerne doen”. 1715 Aldus verschieden si alle ginder Die Here Broen ende sine kinder. Aleyn die groes, haer broeder, Al was hy jonger hy was vroeder, Ende was haer meester; Joseph hiet 1720 Dat zi alle en lieten niet, Zi en daden dat hy gebode. Aldus leide hy ze, naest Gode, In vremden lande Aleyn die groes Sine broeder, sine genote; 1725 Ende in wat lande dat zi quamen, Daer si goede liede vernamen, Sprack hy van Onses Heren doet, Ende hadde die genade so groet, Dat men gaerne hoerde spreken. 1730 Aldus sijn die kynder enwech gestreken, Ende nemmer en werden zi hier genoemt Eer die redene weder koemt; Hier moet daeraf die tale bliven, Ende moet van anderen dingen scriven. |
Van Broen en van zijn 12 zonen en wat daarvan komen zal. Dus waren lang in dit doen 1365 Eugenie en haar man Broen [13] En ze hadden twaalf zonen, Die niemand mocht verschonen, Daar ze mee waren verladen, Zodat die vrouw zich begon te beraden 1370 Broen haar man, en zei: “Heer, we zijn verladen beide Met onze kinderen erg zeer; Vraag het Joseph, onze Heer, Want hij is mijn lieve broeder, 1375 Wat we mogen doen; hij is verstandiger Dan wij, en wij zullen niets doen Dan zijn raad, heer Broen; Dat hij zegt, dat beloven we al”. “”Denkt u goed, ik meen, ik zal 1380 Tot Joseph gaan en zoeken raad””. De vrouw zei: “Heer, ja”. Toen ging Broen al gelijk Daar hij heer Joseph vond, En zei: “lieve heer van mij, 1385 Hier moet uw goede raad toe zijn: Uw zuster, heer, en ook ik Zijn tezamen zijn geweest vaak, En we hebben twaalf zonen, De mooiste die in het land wonen, 1390 Daar bidden wij u om raad”. Joseph sprak: “daar dat al aan staat Hij moet ze tot zijn dienst brengen, En ik wil me ook beraden”. Dit lieten ze het staan tot de dag, 1395 Dat Joseph in stilte lag Alleen bij zijn vat stond, En hem kwam in zijn gemoed Van zijn neven, en hij bad Onze Heer voor zijn vat; 1400 Al wenende zei hij: “lieve Heer! Was dat Uw wil, en door Uw eer, Zo bid ik graag voor mijn neven Dat U hen genade wou geven, En laat me, Heer, nu verstaan, 1405 Of daar iets ligt aan”. Toen Joseph ‘s gebed was gedaan, Kwam de engel daar gegaan, En zei: “ik ben hier gezonden, Uw gebed die is vervuld; 1410 Dat u bidt voor uw neven Heeft u God geheel gegeven: Hij wil dat ze tot de dienst behoren, En Zijn jongeren zijn uitverkoren, En ze zonder meester leven; 1415 En men hen een vrouw zal geven, Diegene, die ze willen ontvangen, En diegene, die er tegen staat, Die zal hun aller meester blijven Van diegenen met de wijven; 1420 En als ze een vrouw hebben de broeders, Zo bidt vader en moeder Dat ze diegene geven, Die zonder vrouw is gebleven; En als u hem heeft, kom tot de Graal, 1425 Daar zal ge horen Onze Heren taal, Die zal van uw neven zeggen”. De engel liet die taal liggen En voer weer vandaar hij kwam; En toen Joseph dat vernam, 1430 Was hij dus uitermate vrolijk, Dat dit komen zou alzo. Tot Broen kwam hij en zei: Om raad bad ge mij beide Van uw kinderen, mijn neven; 1435 Ik raad aan, dat men hen vrouw zal geven, Die zullen ze houden met trouw En winnen kinderen en de wereld bouwen, Die gij niet daartoe kan dwingen Die zal ge tot mij brengen”. 1440 Broen zei: “al uw wil Willen wij doen luid en stil”. Toen zei Broen zijn vrouw voort Joseph’s taal en zijn woord, En ze sprak toen met zin: 1445 “Haast u daartoe, lieve min”. Broen sprak zijn kinderen toe, En zei: “nu zeg het mij, hoe Dat ge uw leven nu wilt leiden”. Ze zeiden: “wat lijkt u goed beiden, 1450 Onze moeder en ook u, En onze oom, dat doen wij nu, Opdat het de wil is van Onze Heer”. Broen zei: “ik wil daartoe keren, Dat ge alle huwelijk doet 1455 Die daartoe staat zijn gemoed, [14] En dat ge het houdt met trouw, Alzo ik doe met mijn vrouw”. Toen ze dit hoorden, waren ze blijde, En zeiden toen: “te allen tijde 1460 Willen we doen dat gij gebiedt, En dit willen we laten niet”. En meteen dat Broen vernam, Waarheen dat hun wil kwam, Bejaagde hij dat ze hadden wijf, 1465 En beval hem, op hun lijf, Voort te houden zoals de kerk gebiedt, En de twaalfde wilde niet Op geen manier huwelijk doen Om al dat mocht bidden Broen, 1470 En die heette Alein de Grote En aldus bleef hij vrouwenloos. Dat verwonderde zeer de vader, En zei toen dat al tezamen Zijn broeders hadden een wijf, 1475 “Waarom laat u dat achter? En doe zoals uw broeders doen?” “Ik mag, lieve vader Broen, Geen van deze jonkvrouwen”. Aldus liet Broen daar trouwen 1480 Vrouwen met zijn elf kinderen; De twaalfde bleef toen ginder. Dus lachte Joseph, en zei: “dit kind Wil ik dat men mij toe zendt, En ge mij dat geeft en uw wijf”. 1485 Broen zei: “wij doen het zonder wachten”. Dus gaven ze Joseph hun kind; En toen Alein dat had bekend, Dat men hem Joseph gaf alzo, Was hij dus uitermate vrolijk, 1490 En zei dat het hem was lief. Joseph nam hem - zegt de brief - In zijn arm terzelfder stond En kusten hem aan zijn mond, En zei: “ik bemin u zeer”. 1495 Toen zei hij tot zijn heer En tot zijn zuster mede: “Ga naar huis, deze blijft ter plaatse”. Ze gingen weg, dat kind bleef daar; Joseph zei toen, dat is waar: 1500 “Lieve neef, u zal grote eer Geschieden, dat u Onze Heer Tot Zijn dienst heeft verkoren; En ge zal ook al te voren Boven uw broeder wezen man; 1505 Hierom blijf met mij dan, Ge zal horen Onze Heren kracht, En bidden Hem, door Zijn macht Dat Hij mij Zijn stem zendt, En Hij mij zegt van u dat einde, 1510 Hoe gij leiden zal u leven”. Toen hij de taal had begeven, Antwoordde hem een stem alleen: “Uw neef is eenvoudig en rein En van er goede geest, 1515 Wat zo u bij hem maakt in, Dat gelooft hij wel te voren; Vertel hem hoe ik was geboren, En hoe ik eerst de wereld bezocht, En hoe dat men mij verkocht, 1520 En aan het kruis was verheven, En hoe ik aan u was gegeven En hoe u me legde in dat graf, En ik u mijn schotel gaf, En hoe u was gevangen, 1525 En ik u liet ontgaan, En welke gave ik u gaf, En wat er u kwam daaraf, En immer meer zal komen Die me zal dienen tot zijn voordeel, 1530 En dat ik u heb gegeven Aardse wil in dit leven, En ook alle uw gezellen, En al diegenen die daarvan vertellen Volmaakt zullen kunnen, 1535 Die zal ik mijn genade gunnen, En behouden hun erf, Nog ze zullen op geen manier In hoge hoven voor landsheren Ontwezen zijn van zijn eren; 1540 Hun lichaam zal ik bevredigen, Belonen met de Drievuldigheid; En als u hem het heeft gezegd, Toon hem mijn vat gereed, En zeg hem, dat mijn bloed 1545 Daarin is en ook stond [15] Dan zal hij u geloven beter; Wijs hem hoe de duivel belet Die graag willen dienen mij; Zeg hem dat hij zich goed beziet, 1550 En van kwaadheden wel wacht, En hij merkt en acht Om de zaken die hem ook leren Hoe kwade gedachten van hem te keren; Heeft hij dit in hem gevestigd, 1555 Dit zijn zaken, die hem best Van de duivel zullen bevrijden; En dat hij van onzuiverheden Zijn lichaam wel wacht Bij dag en ook bij nacht; 1560 Leugen zeg hem, dat hij schuwt En de waarheid vernieuwt Van mij tot zijn gezellen; Waar dat ze heen willen, Of in welke landen dat hij ze leidt 1565 Zodat hij van me spreekt gereed; Als hij van mij te spreken begint, Is dat zaak dat hij me bemint, Zo hij meer te spreken vindt. Zeg dat hij winnen zal een kind, 1570 Dat mijn vat daarna zal bewaren; Dus zal u hem dit openbaren, Hoe hij zal leren mijn convent; En als hij dit alles heeft bekend, Zeg hem dat hij is hoeder 1575 Van zijn zusters en zijn broeders, En te westen ga gelijk In dat aller woeste land, En dat hij te elke plaats Mijn naam verhoogt mede, 1580 En zeg hem te geven zijn vader Al zijn genade alle tezamen. Morgen, als het is 9 uur tijd En ge alle verzameld bent, Dan zal ge een helderheid zien, 1585 Een brief zal komen met die, Die u die helderheid brengen zal, Het zal verlichten uw convent al; Die brief zal u Petrus geven Voor uw convent voor uw neven, 1590 En zeg hem, dat hij gaat Daar hem het hart het meest toe staat, En dat hij zich niet ontziet; Ik begeef hem niet. Vraag hem, waar hij begeert, 1600 Hij zal u zeggen ter vaart, Dat is in dat land van Avallon (1] Ten westwaarts draagt dat doen, Daar zal hij wachten op Aleins kind; De dood wordt hem niet gezonden 1605 Eer hij heeft dezelfde man, Die hem de brief uitleggen kan; Die zal hem zeggen al uit en uit Van het vat de kracht, En van Moyses al de berichten, 1610 Als hij dit weet openbaar Zal hij sterven en komen tot mij; Zeg uw neef, dat zeg ik u, Ze zullen beter ter deugden staan En des te meer genade ontvangen”. 1615 Een stem sprak alzo; Dus was Joseph zeer vrolijk En zei het zijn neef Alein Dat hij wist, groot en klein. Robert zei van Borron, 1620 Die in dat Waals schreef dit doen: Die dat beschrijven zou al, Dat hij hem leerde groot en smal, Dat daar alzo veel aan was tweemaal Als nu het hele boek nodig heeft; 1625 Maar elke man merkt, die dat bevroedt, Dat hij hem leerde menig goed, En toen hij het hem had geleerd, Zei hij: “neef, ziet dat ge keert U tot God al dat ge leeft, 1630 Die u zo veel genade geeft”. Hij leidde hem weer tot de vader, En Joseph zei hen allemaal, Beide de zusters en de broeders: “Zijn vaders kind en zijn moeder 1635 Zullen allen wezen onder deze; Zeg hen dat ze onderdanig wezen Hem, alsof hij was hun vader; God zal hen helpen allemaal, Is het dat ze goede zeden plegen; 1640 Daar ze alle toe zullen zien. Geef uw genade Alein, Ze zullen hem algemeen [16] Geloven daarna veel beter, En houden ook zijn wet. 1645 Hij zal ze mede behoeden Alzo lang als ze bevroeden Dat ze zijn wil doen”. Dit sprak Joseph tot Broen. De volgende dag te 9 uur 1650 Kwamen ze tot de dienste blijde, Daar zagen ze een helderheid, Die een brief bracht gereed; En toen ze die op hadden genomen, Zo is Joseph daartoe gekomen, 1655 En nam de brief in zijn hand; Petrus riep hij al gelijk, En zei: “wel lieve vriend, Jezus, die ge hebt gediend Die u kocht met zijn bloed 1660 Dat is onze Vader die goede, Daartoe heeft hij uitverkozen u Dat ge deze boodschap nu Zal doen die hij gebiedt”. Petrus sprak: “ik meen niet 1665 Waardig te zijn van deze raad, Dat ik deze boodschap deed”. “God”, zei hij, “kent beter uw deugd Dan ge u zelf kennen mag; Maar ik bid u om God 1670 Die u koos tot Zijn gebod Dat ge ons zegt, waar ge zal gaan”. Petrus die antwoordde gelijk: “Niet zag men een man in de plaats Nog bode zo vrijwel gereed, 1675 Ik zal mijn boodschap doen In dat land van Avallon; (Zie Atlantis) In een zeer woeste plaats, Ten westwaarts zo licht dat, En wachten daar op Gods genaden 1680 Ik bid u of ge dus bent beraden, Dat ge bidt, dat ik volbreng En ik altijd in geen ding Onze Heren wil moet opgeven, Alzo lang als ik zal leven, 1685 En me de duivel niet zot maakt, Dat ik de minne van God verlies Want dat was me een groot verlies. Ze zeiden alle: “God gunt u dit!” Hun aller spraak was alzo, 1690 En gingen tezamen toen Beide groter en kleiner, En Broen en zijn kinderen. Broen zei: “ik ben uw vader En gij mijn kinderen allemaal, 1695 Gij moet onderdanig zijn, Wil ge komen daar de zonneschijn Eeuwig is zonder nacht; Dus wees alle wel bedacht. Hier is Alein de Groes, uw broeder, 1700 Doe zijn raad, hij is verstandig; Ik geef hem, al daar ik sta benevens, Alle genade die ik mag geven, En ik bid hem, naast Onze Heer, Dat hij u behoed en beheert, 1705 En wees hem alle onderdanig Zoals uw Heer, dat is goed gedaan; Zoek zijn raad in alle tijd Daar ge van in twijfel bent, Want hij zal u goed berechten; 1710 Doe gelijk goede knechten En werk vroeg en laat Altijd met zijn raad”. Ze zeiden: “lieve vader Broen, We zullen dat zeer graag doen”. 1715 Aldus verscheidden ze alle ginder Die heer Broen en zijn kinderen. Alein de Groes, hun broeder, Al was hij jonger hij was verstandiger, En wat hun meester; Joseph zei 1720 Dat het ze alle lieten niet, Ze deden dat hij gebood. Aldus leidde hij ze, naast God, In vreemde landen Alein de Grote Zijn broeder, zijn echtgenote; 1725 En in welke landen dat ze kwamen, Daar ze goede lieden vernamen, Sprak hij van Onze Heren dood, En had de genade zo groot, Dat men graag hoorde spreken. 1730 Aldus zijn die kinderen weg getrokken, En nimmer worden ze hier genoemd Eer de reden weer komt; Hier moet daar van die taal blijven, En moet van andere dingen schrijven. |
17 Van den riken vischer, ende van den Grale; waer dat hy quam. 1735 Die aventure zeghet, doe dese kinder Van daer schieden alle ginder Riep Peter Josepe ende alle die ander, Ende zeide: “dat is tijt, dat ick wander Daer dat Onsen Here duncket goet”. 1740 Doe quam in haer alre moet Dat si baden, dat hy noch bleve Totter tijt dat hem God gracie geve. Peter sprack: “my en lustes niet, Maer ombe dat ghy dat gaerne ziet, 1745 So blive ick hier hudenmeer Ende morgen zoe en scheide ick niet eer Dan die dienst es al gedaen”. Dus bleef Peter, sonder waen, Ende God, die dat al te voren wiste, 1750 Eer dat gesciede met zijnre liste, Zende hy tot Josepe enen bode, Die hem zeide daer van Gode, Ende sprack: “ick kome hier te dy stille, God wil dattu does sinen wille. 1755 Weetstu wanen quam dese moet, Dat men Peter bliven doet, Dat was ombe dat Onse Here woude, Dat hy waerheit zeggen soude Tot hem, die enwech gaen hoerre strate; 1760 Al dat koemt van dinen vate Ende daertoe van anderen saken, Die ick iu wael condech sal maken; Want alle die saken die beginnen, Si moeten emmer ende gewinnen. 1765 Onse Here weet wel, dat Broen Een volmaeckt man es in zijn doen, Want hy moet den visch noch vaen, Die tot uwen dienst sal staen. Ick wille, dat hy al te male 1770 Die hoede hebbe van den Grale; Dijn leven saltu hem dan leren Hoe hy hem sal te Gode keren, Ende hoe dy God minde entu Gode, Ende hoe hy dy sende sine gebode. 1775 Geboetscapet was hy an ene maget Ende al dat dijn herte draget An wijsheden, dat lere hem al, Ende hoe dat hy geloeven zal; Tel hem, hoe dat God tot dy quam 1780 Ende hy dy wten kerker nam, Ende hy dy gaf zijn heilge vat; Ende daertoe leer hem al dat Dat dy God leerde in stiller hale Dat Sacrament van den Grale; 1785 Kenlecke leer hem al dat, Ende dan gef hem dijn vat, Dat moet hy houden ende dragen Ende wie dat hy hoert vragen, 1790 Ombe dat noch die tijt sal comen Dat hy eenen visch zal vaen; Ende dit moet wesen sonder waen, Recht alse die werelt vaert 1795 Dan moeten dine liede west Daer hem dat herte draget best, Ende tot ener stat daer Broen sal tyen Moet hy zijns kindes kint ontbyen Ende die hoede van den vate, 1800 Die hem komen es ter bate, Sal hy dan al opgeven Die van sinen zone es gebleven. Dus wert by iu drien gereit Beteekent ene Dryvoudecheit; 1805 Als hy dat vat hevet ontfaen, Ende dyne leringe mede verstaen, Ende du daeraf bist ontset, So mach Peter seggen bet, Overwaer ende sonder waen, 1810 So waer hy dan sal hene gaen, Dat hy den Grael besitten zach Den rijcken vischer op enen dach. Hier ombe bleef hy tot morgen vroe. Ende als den vischer daer alsoe 1815 Beset es die heilige Grael, Over berch ende over dael, Over zee ende over lant, Sal hy gaen dan al te hant, Ende den Grael dragen te zijnre zijden, 1820 Entie Here, die tot allen tijden Ende altoes es metten goeden, Die sal hem herde wel behoeden. Ende alstu dit heves gedaen, Saltu die werelt wisselen saen, 1825 Ende komen totten Paradyse, 18 Ende dat geslechte van Eugenise, Dat ember meer daer af sal komen, Sal ick te mijnre bliscap nomen, Ende wie so hier af spreken kan 1830 Sal zijn een geminnet man. Ende met al den lieden lief; Dus tellet die historie ende die brief”. Langer en sprack die Ingel niet, Ende Joseph was die niet en liet 1835 Algader dat hy hem beval. Des morgens quamen si ten dienste al, Ende Joseph zeide hem gereit Al dat die Ingel hadde geseit Sonder die heymelike woert, 1840 Daer gy nu af hebbet gehoert; Den rijcken vischer hevet hy die gegeven Alsoe als mense hem gaf bescreven, Ende hy leerde se hem heimelike. 1845 Dat si van Josepe zouden varen, Bedroeveden zi hem des twaren; Ende ten eersten dat Peter sach dat, Dat Joseph opgaf sijn vat, Daer God sijn leste mael wt at, 1850 Ende zine gracie mede ombe dat, So stont hy op ende nam oerlof, Ende rumede doe Josephs hof; Te dien gescheede was groet geween, Ende versuchten mede over een, 1855 Ende oetmoedecheit ende bede; Ende Joseph bleef noch toter stede Met den riken vischer drie dage, Ten vierden, dat en es gene sage, Seide hy tot Josepe: “lieve Heer, 1860 My lustet nu te wanderne zeer Es dat iu lief?” Hy zeide: “jaet, Nadien dat es Ons Heren raet; Ende wetegy wat gy draget daer, Ende wat iu sal volgen naer? 1865 Nyeman en weet dat also wel Als gy ende ick ende nyeman el. Nu gaet alset iu duncket goet Ick ben, die hier blyven moet”. Aldus schieden zi ginder beide. 1870 Die rijcke vischer ginck enwech gerede Ende hoer covent hoerre straten, Daer menech scone woert wtermaten Seder af vertellet was; Ende Joseph, zijt zeker das, 1875 Die bleef dus in vremden lande. Ick wane, men nye man bekande No wijf, die dat lant genomen konde. Dus scrivet Robrecht wt zinen monde, Mijn Heer Robrecht van Borroen, 1880 Die in dat Walsch screef al dit doen, Ende sonder rime algader dichte; Die seghet, dat men niet mach lichte Al verstaen dese aventure, Hy en moet dat weten wel ter cure 1885 Waerheen ginck Aleyn die grote, Broens zone, ende sine genote, En wat geslechte van hem quam, Ende wat levene hi an nam, Ende wat daer oeck afkomen sal 1890 Van Peter ende sijn leven al, Ende in wat steden men hem vant, Ende waer Moyses was bewant; Want hy die den Grael ontfinck Van Broene, dat es ware dinck, 1895 Hi vant Moyses onverscheiden. Hiertoe sal ons Robrecht leiden, So dat wy dat sullen verstaen. Oeck moet hy weten sonder waen, Waer die rijcke vischer ginck, 1900 Dese redene ende dese dinck Hevet hy al in viven gedeelt, Ende t enen boeke al verheelt, Ende en mach nyeman, zeghet hy, Geweten hy en ware daerby, 1905 Dat hy overleze dan al te male Dat grote boeck van den Grale. Ende eer dat van hem wert geopenbaert, Wetick wel, datter pinen waert, Ende zo ne wiste nyeman twint die tale, 1910 Dan in dat grote boeck van den Grale. Aldus hevet hy ze een deel bescreven Des dankede hy Gode die dat al mach geven. Hier laet hy dat blyven van desen vieren Toter wilen dat hy by manieren 1915 Weder sal komen an die tale, Dan sal hy dat openbaren wale Ende liete hy dat, en waer nye man 19 Die dat wel geopenbaerde dan Waer heen al dat volck quam; 1920 Ende Jacob, die te dichtene nam, Secht, vint hy dat also veer in dat Walsch, Dat hy dat in ryme sonder valsch Also verre oeck dichten zal, Dat dit boeck wert versamelt al, 1925 Want hem der pinen nie verdroet. Aldus so endet dat ierste boeck. |
[17] Van de rijke visser en van de Graal; waar dat hij kwam. 735 Het avontuur zegt het, toen deze kinderen Van daar scheidden alle ginder, Riep Petrus Joseph en al de anderen En zei: “dat is tijd, dat ik wandel Daar dat Onze Heer denkt goed”. 1740 Toen kwam in hun aller gemoed Dat ze baden, dat hij nog bleef Tot de tijd dat hem God genade geeft. Petrus sprak: “me lust het niet, Maar omdat ge dat graag ziet, 1745 Zo blijf ik hier heden meer En morgen zo scheid ik niet eerder Dan de dienst is geheel gedaan”. Dus bleef Petrus, zonder waan, En God, die dat al te voren wist, 1750 Eer dat geschiedde met zijn list, Zond hij tot Joseph een bode, Die hem zei daar van God, En sprak: “ik kom hier tot u stil, God wil dat u doet zijn wil. 1755 Weet u waarvan kwam deze moed, Dat men Petrus blijven doet, Dat was omdat Onze Heer wilde, Dat hij de waarheid zeggen zou Tot hem, die weg gaan hun straten; 1760 Al dat komt van uw vat En daartoe van andere zaken, Die ik u wel bekend zal maken; Want alle zaken die beginnen, Ze moeten immer einde winnen. 1765 Onze Heer weet wel, dat Broen Een volmaakte man is in zijn doen, Want hij moet de vis noch vangen, Die tot uw dienst zal staan. Ik wil, dat hij helemaal 1770 De hoede heeft van de Graal; Uw leven zal u hem dan leren Hoe hij hem tot God zal keren, En hoe u God mint en u God, En hoe hij u zendt zijn gebod. 1775 Geboodschapt was hij aan een maagd En al dat uw hart draagt Aan wijsheden, dat leer hem al, En hoe dat hij geloven zal; Vertel hem, hoe dat God tot u kwam 1780 En hij u uit de kerker nam, En hij u gaf zijn heilig vat; En daartoe leer hem al dat Dat u God leerde in stille halen Dat Sacrament van de Graal; 1785 Kennelijk leer hem al dat, En dan geef hem uw vat, Dat moet hij houden en dragen En wie dat hij hoort vragen, 1790 Omdat nog de tijd zal komen Dat hij een vis zal vangen; En dit moet wezen zonder waan, Recht zoals de wereld vaart 1795 Dan moeten uw lieden west Daar hen dat hart draagt het best, En tot een plaats daar Broen zal gaan Moet hij op zijn kind wachten En behoeder van het vat, 1800 Die hem gekomen is ter baat, Zal hij dan geheel opgeven Die van zijn zoon is gebleven. Dus wordt u drieën bereid Betekent een Drievuldigheid; 1805 Als hij dat vat heeft ontvangen En uw lering mede verstaan, En u er daarvan bent ontzet, Dan mag Petrus zeggen beter, Voor waar en zonder waan, 1810 Zo waar hij dan zal heen gaan, Dat hij de Graal bezitten zag De rijke visser op een dag. Hierom bleef hij tot morgen vroeg. En als de visser daar alzo 1815 Bezet is met de heilige Graal, Over berg en over dal, Over zee en over land, Zal hij gaan dan al gelijk, En de Graal dragen te zijn zijden, 1820 En de Heer, die te alle tijden Altijd is met de goeden, Die zal hem zeer goed behoeden. En als u dit hebt gedaan, Zal u de wereld verwisselen gelijk, 1825 En komen tot het Paradijs, [18] En dat geslacht van Eugenie, Dat immer meer daarvan zal komen, Zal ik tot mijn blijdschap noemen, En wie zo hiervan spreken kan 1830 Zal zijn een bemind man. En bij alle lieden lief; Aldus vertelt de historie en die brief”. Langer sprak de engel niet, En Joseph was die het niet liet 1835 Allemaal dat hij hem beval. ‘s Morgens kwamen ze te dienst al, En Joseph zei hen gereed Alles dat de engel had gezegd Uitgezonderd de geheime woorden, 1840 Daar ge nu van hebt gehoord; De rijke visser heeft hij die gegeven Alzo zoals men hem gaf beschreven, En hij leerde ze hem heimelijk. 1845 Dat ze van Joseph zouden varen, Bedroefde ze hem dus te waren; En ten eerste dat Peter zag dat, Dat Joseph opgaf zijn vat, Daar God zijn laatste maal uit at, 1850 En zijn genade mede omdat, Zo stond hij op en nam verlof, En ruimde toen Josephs hof; Tot diens scheiden was groot geween, En verzuchten mede overeen, 1855 En ootmoedigheid en bede; En Joseph bleef nog tot de stede Met de rijke visser drie dagen, Te vierde, dat is geen sage, Zei hij tot Joseph: “lieve heer, 1860 Me lust het nu te wandelen zeer Is dat u lief?” Hij zei: “ja, Nadien dat het is Onze Heer raad; En weet ge wat ge draagt daar, En wat u zal volgen na? 1865 Niemand weet dat alzo goed Als gij en ik en niemand anders. Nu ga zoals het u denkt goed Ik ben, die hier blijven moet”. Aldus scheidden zij ginder beide. 1870 De rijke visser ging weg gereed En hun convent hun straten, Daar menig mooi woord uitermate Sinds van te vertellen was; En Joseph, zij het zeker dat, 1875 Die bleef dus in vreemde landen. Ik meen, men nooit man kende Nog vrouw, die dat land noemen kon. Aldus schreef Robert uit zijn mond, Mijn heer Robert van Borron, 1880 Die in dat Waals schreef al dit doen, En zonder rijm allemaal dichtte; Die zegt het, dat men niet mag licht Geheel verstaan dit avontuur, Hij moet dat weten goed ter keur 1885 Waarheen ging Alein die grote, Broens zoon, en zijn echtgenote, En welk geslacht van hem kwam, En welk leven hij aannam, En wat daar ook van komen zal 1890 Van Petrus en zijn leven al, En in welke plaatsen men hem vond, En waar Mozes was gegaan; Want hij die de Graal ontving Van Broen, dat is een waar ding, 1895 Hij vond Mozes niet verscheiden. Hiertoe zal ons Robert leiden, Zodat we dat zullen verstaan. Ook moet hij weten zonder waan, Waar de rijke visser ging, 1900 Deze redenen en dit ding Heeft hij geheel in vijven gedeeld, En tot een boek al verhaald, Er kan niemand, zegt hij, Weten tenzij hij was daarbij, 1905 Dat hij overleest dan allemaal Dat grote boek van de Graal. En eer dat het hem werd geopenbaard, Weet ik wel, dat het te pijnen waard, Zo niemand iets wist van die taal, 1910 Dan in dat grote boek van de Graal. Aldus heeft hij het een deel beschreven Dus bedankt hij God die dat al mag geven. Hier laat hij dat blijven van deze vier Tot de tijd dat hij bij manieren 1915 Weer zal komen aan die taal, Dan zal hij dat openbaren wel En liet hij dat, en was er niemand [19] Die dat goed openbaarde dan Waarheen al dat volk kwam; 1920 En Jacob, die het te dichten nam, Zegt, vindt hij dat alzo ver in dat Waals, Dat hij dat in rijm zonder valsheid Alzo ver ook dichten zal, Dat dit boek wordt verzamelt al, 1925 Want hem de pijn niet verdroot. Aldus zo eindigt dat eerste boek. |
Hier begint dat boeck van Merlyne. Ende hoe die Duvele benyden, dat God die Helle tebrack, ende syne vrient daerwt verlosede. Nu hoert, gy Heren, al bysonder Van onsen Here een groet wonder Want na ziner pine ende ziner doet 1930 Voer Onse Here totter Hellen oeck; Hieraf spreket dit boeck voertmeer. Hy dade den Duvelen groet onneer; Want hy hem hoer zielen nam, Des worden zi wonderlike gram, 1935 Ende hadden des wonder herde groet; Doe makeden zi onder haer genoet Ene sameninge, des gelovet; Zi zeiden: “wie hevet ons berovet, Ende onse veste aldus tebroken, 1940 Wy en meenden niet, al was dat voersproken, Dat hy van wive mochte komen, Die onse macht hevet genomen; Wy meenden hebben alle die liede; Maer dese, daer ons dat af gesciede, 1945 Hoe es hy ter werelt komen, Wy en hebben niet vernomen, Dat sijn moeder nie gewan Wille of lust t ienigen man, Alse daer vrouwen kint af ontfaen”. 1950 Doe antworde daer een Duvel saen: “Dat wy tot onser vromen daden Is ons komen al te scaden; Gedenket iu niet, dat die Propheten Lange wile hebben beheten, 1955 Dat God sal zijn geboren Ende verlosen dat oeck verloren Hevet gewesen menech jaer; Die dit zeiden, vorwaer Dien dadewy alremeest verdriet; 1960 Maer zi en achtent met alle niet, Ende zi troesteden die sondaren, Ende zeiden, al sonder sparen, Dat hi emmer zoude komen Dese Here, tot hoerder vromen. 1965 So lange zeiden zi dat es gesciet, Ende hevet ons alle, als gy wel ziet, Berovet al met sinen listen; Hoe quam dat wy des niet en wisten? Nu doet hi die sondaren dwaen 1970 In een water, sonder waen, Als zi komen van vrouwen leden, In die ere der Drievoudicheden; Dus hebbewy die kinder verloren, Die onse waren hier te voren, 1975 Dat en zij, dat zy in sonden vallen. Noch heeft hy meer ontrecket ons allen, Want hy hevet papen gelaten Die ze gewisen ter rechter straten, Zi en mogen niet zoe vele sneven, 1980 Maer willen zi der sonden begeven Ende doen dat zi castien horen Wy en hebben ze al verloren; Seer hadde hi die menschen lief Dat hine vaen liet als een dief 1985 Ombe te quitene den man, Ende menschenforme dade an Sonder man van eener maget; Ick wane, gy dat provet ende saget, In al dien, dat gy proven mochtet; 1990 Gy wetet wel, dat gy besochtet Sine manier in menigen stonden, Ende ghy en vondeten nye in sonden; Maer dor die man koes hi die doet, Als hi woude ende geboet. 1995 wi!” (zeiden die viande dan) “Nu hadde hi herde lief die man Nadien dat hi dat dor hem dede; Wy mogen gerne pinen mede Ombe die menschen te hebbene echt. 2000 Hy zeghet dat hi geen onrecht Ons an den menschen en doet; Wy moeten setten onsen moet Ombe den mensche te werpen neder Zo dat hi nemmer meer weder 2005 Van onsen dienste moge keren Noch gespreken die kercheren, Die hem raden van den sonden”. 20 Doe spraken ander die daer stonden: “Machmen lieden aldus vergeven 2010 Hoer misdaet als zi sneven By rade van der heilger kercken, So verliesen wy al onse wercken”. |
Hier begint dat boek van Merlijn. En hoe de duivel benijdde dat God de hel brak en zijn vrienden daaruit verloste. Nu hoort, gij heren, al bijzonder Van Onze Heer een groot wonder Want na zijn pijn en zijn dood 1930 Voer Onze Heer tot de hel ook; Hiervan spreekt dit boek voort meer. Hij deed de duivels grote oneer; Want hij hun hun zielen ontnam, Dus worden ze verwonderlijk gram, 1935 En hadden dus verwondering zeer groot; Toen maakten ze onder hun verwanten Een samenzwering, dus geloof het; Ze zeiden: “wie heeft ons beroofd, En onze vesting aldus gebroken, 1940 We meenden het niet, al was dat voorsproken, Dat hij van een vrouw mocht komen, Die onze macht heeft genomen; We meenden te hebben alle lieden; Maar deze, daar ons dat van geschiedt, 1945 Hoe is hij ter wereld gekomen, We hebben niet vernomen, Dat zijn moeder niet won Met wil of lust of van enige man, Zoals daar vrouwen kind van ontvangen”. 1950 Toen antwoordde daar een duivel gelijk: “Dat we tot onze dappere daden Is ons gekomen geheel te schaden; Bedenkt u niet, dat de profeten Lange geleden hebben gezegd, 1955 Dat God zal zijn geboren En verlossen dat ook verloren Heeft geweesd menig jaar; Die dit zeiden, voorwaar Die deden we het allermeest verdriet; 1960 Maar ze achtten het geheel niet, En ze troostten de zondaren, En zeiden, al zonder sparen, Dat hij immer zou komen Deze Heer, tot hun geluk. 1965 Zo lang zeiden ze dat het is geschied, En heeft ons alle, zoals ge wel ziet, Beroofd geheel met zijn listen; Hoe kwam het dat wij dat niet wisten? Nu laat hij de zondaren wassen 1970 In een water, zonder waan, Als ze komen van vrouwen leden, In de eer van de Drievudigheid; Dus hebben we die kinderen verloren, Die de onze waren hier te voren, 1975 Dat tenzij, dat ze in zonden vallen. Nog heeft hij meer ontrokken aan ons allen, Want hij heeft priesters gelaten Die ze wijzen in rechte straten, Ze mogen niet zoveel sneven, 1980 Maar willen ze de zonden opgeven En doen dat ze te kastijden horen We hebben ze geheel verloren; Zeer had hij die mensen lief Dat hij zich vangen liet als een dief 1985 Om kwijt te schelden de mens, En mensenvorm deed aan Zonder man van een maagd; Ik meen, ge dat beproefde en zag, In al dien, dat ge bewijzen mocht; 1990 Ge weet het wel, dat ge bezocht Zijn manier in menige stonden, En ge vond hem niet in zonden; Maar door die man koos hij de dood, Zoals hij wilde en gebood. 1995 wi!” (zeiden die vijanden dan) “Nu had hij zeer lief die man Nadien dat hij dat door hem deed; Wij mogen graag pijnigen mede Om de mensen te hebben echt. 2000 Hij zegt het dat hij geen onrecht Ons aan de mensen doet; Wij moeten zetten onze moed Om de mens te werpen neer Zodat hij nimmer meer weer 2005 Van onze dienst mag keren Nog spreken de kerkheren, Die zich beraden van de zonden”. 20 Toen spraken anderen die daar stonden: “Mag men lieden aldus vergeven 2010 Hun misdaad als ze sneven Bij raad van de heilige kerk, Dan verliezen we al ons werk”. |
Hoe die Duvele alle vergaderden, ende kosen enen procureere. Doe die Duvele zagen daernaren Dat zy aldus bespottet waren, 2015 Doe riepen zi te samene gereede Alle die hellesche quaethede, Ende koren onder hem allen daer Enen procureere scalck ende zwaer, Die was geheten Masceroen; 2020 Dien wart bevolen al hoer doen Ende dat hi soude varen mede In Onses Heren jegenwordichede, Gelijck dat procureere plegen. Nu mochte ieman zeggen daer tegen, 2025 Hoe een verdoemde hem mochte togen In die jegenwordicheit des Scheppers ogen, Daerop antworde ick in tween saken: Dat eerste mach zijn met spraken By gelijcken in enigen dingen, 2030 Dat wy mogen zeggen zonderlingen, Alse van boven tote beneden, Es dat al in ons Heren jegenwordicheden. Die ander es, zijt zeker des, Die pine, die in den Duvelen es, 2035 Dat die van hem niet gaet in scijn Sy en blivet met hem waer zi zijn Gelijck dat die zieke niet hevet baet Al waer hy in koninckleker staet Sine pine en waer des minre niet; 2040 Aldus es dat met den Duvele, nu ziet Waer dat ze God gehenget te syne, Altoes volget hem na hoer pyne. Ende dit was die eerste procureere met, Dien die Duvele nu hebben geset, 2045 Die vor niet en was, maer na desen stonden Hevet men procureere altoes gevonden. Dese procureere treckede sonder beiden In die jegenwordicheit Godes, ende zeide “O schepper, ende aller dinge gerechtecheit, 2050 Ick ben procureere alre quaetheit Van der Hellen, dy moet genoegen des, Want dy van der Gerechticheit angeboren es My te hoeren, alse bode der Hellen”. Onse Here antworde den fellen: 2055 “Bistu procureere, toge dine brieve nu”. Masceroen zeide: “ick wille eer iu Bevroeden op een punte wel hoge, Die roert die gene al onse vermoge Die in der Hellen zijn, ende op dat 2060 Beziet onse procuracie nu ter stat”. Onse Here sprack: “hier vormaels wal So kende ick dyne scalcheit al, Ende onderwint iu nu niet, gy, Met uwen woerden te leidene my; 2065 Want du en heves hier gene perty Jegen my, dat duncket my; Nu toge dyne procuracie al hier, Of men sal dy wtwerpen scier”. Dese ontsach den rechter doer das 2070 Ombe dat hy des onwillech was; Dus toende hy die procuracie, zijn teken Daer wy af gemeenleke spreken, Dat herde wel gedichtet was dan, Dat daer niet te beterne was an. 2075 Doe zeide Onse Here: “wiltu iet spreken, So spreeck vaste op dijn teken”. Die viant clagede ende antworde mede Als een procureere van zijnre heerlichede: “Want ick, ende degene daer ick voer spreke, 2080 Hebben gehat wel ende stilleke, Ja, by ongeendeden tyden, sonder verlaten, Ende alle gescrevene achter gelaten, Alse in rasten te hebbene mede Te pinene ende te tormenten gerede 2085 Ende te berechtene, al onse Helle duere, Alle menschelike creatuere; Ende nu niewinge es achtergelaten Alle rechte ende alle baten Ende negene partye es geropen daertoe, 2090 Ende wy zijn berovet, wy en weten hoe, Met crachte van onser hebbinge nu; Dat clagewy wenende voor iu; Waerby of dy genoege onse clage, Ende du beriepes tenen zekeren dage, 2095 Dat menscheleke geslechte te komene zaen, Tantwordene hierop sonder ontgaen; 21 Want ick eerst toge, dat men ons es Sculdech te doene restoer van des, Van den zielen volcomeleke mede, 2100 Die in den Hemele zijn, ende gerede, Die in Purgatorien nu zijn genomen Entie voer hem waren, ende na hem komen, Ende hoer kinder, ende tot desen Al dat van hem geboren sal wesen”. 2105 Onse Here sprack: “ick hore wel dy, Du begeres enen dach daer by”. Die procureere antworde daernaer: “Die zake is groete ende anxtlike zwaer, Ende oeck ontfermelike in allen hove, 2110 Gelijck ener sake van groten rove; Ende ombe dit begeer ick dy haeste daertoe Men legge den dach morgene vroe”. Doe sprack Onse Here ende zeide: “Sone des viants ende alre quaetheide, 2115 Verdomede scalck, al vallende onwaerde Hevestu gemeten tusscen hemel ende aerde, Ick legge dy dach alse procureere gerede, Ende den menscheliken geslechte te komenemede Vor mi als tot enen zekeren dage 2120 Alse in den heilgen vrydage, Op den welcken ick gecrucet was”. Masceroen antworde te hant na das: “Dien dach ick niet ontfangen sal Want dien dach viert men overal”. 2125 Onse Here sprack: “ick makede dat recht Ende ick latet hierop nu ende echt; O, Gabriel, roep des menschen diet Dat zi komen tesen dage; en komen si niet, Men sal voert dat recht doen scinen”. 2130 Doe keerde die viant te hant totten sinen, Ende toende sinen gesellen dese dinge, Dat zi hem bedroeveden onderlinge, Want zi zagen wel in dat, Dat hem die rechter was gehat 2135 Doe sprack Lucifer te dier stat: “En ontsiet iu niet dor dat Men zecht Cristus Gerechticheit wesen, Dat valsch is, duncket my in desen; Want hi es gerecht, zo sullen wy dan 2140 Onse sake behouden, ende proeven voertan Wt sijns selves monde, zijt seker des, Dat hy niet Gerechticheit en es, Ende du zals weder ten dage varen”. Masceroen zeide: “ick hadde liever twaren 2145 Hier met iu werden gepynet voerwaer, Dan weder te gane voer hem daer, Daer alle blijtscap is van vrouden, Ende daer ick niet af mach vervrouden, Maer meer my bedroeven hierby 2150 Ombe hoer blijtscap die niet mach in my; Maer ick moet gehoersaem wesen, Ende oeck doen dat staet te desen. Op den dage, die daer geset was, Quam Mascheroen, sijt zeker das, 2155 Recht in den dageraet, ende ginck In eenen winkel na die dinck In dat pleidoen, want hi wiste dat Wel, dat des eyschers stat Eerst ende gestadiger moet wesen, 2160 Dan die men eyschet tot desen; Ende daerombe quam hi vroe, God weet, Ende hadde beide sine oren gereet Ende sine ogen opgedaen oeck wyde, Ombe te hoerne ende ziene in elke zyde; 2165 Ende doet den middage begonste naken Quam Masceroen voert met sinen saken In die jegenwordicheit Godes, ende zeide: “Heilge vader! ick quam voer ende nae beide; Nu doe my recht, ick beide te lanck”. 2170 Doe zeide Cristus: “Duvel, nu ganck, Want al dese dach ten rechte staet”. Doe keerde hy weder ten winckel, die quaet. Ontrent Vespertyde gaf hy doe wt Enen vreesliken, gruweliken geluet, 2175 Ende sprack: “God, waer es Dyne gerechtichede?” Onse Here antworde hem ter stede: “Ja, en zeide ick dy niet, vule quaet, Dat al dese dach ten rechte gaet?” Doe keerde hy weder in den winckel daer, 2180 Ende wachtede bet der nacht wel naer; Doe riep hy: “waer es die gerechtichede? Si gebreket my in den Hemel mede”. Onse Here daden doe roepen voert; Doe sprack Masceroen dese woert: 2185 “Al desen dach heb ick gebeit In dat rike der Gerechticheyt, Ende en vonde gene gerechtichede”. Onse Here antworde daer ter stede Masceroene, ende zeide: “nu zie, 2190 Wat du eyschende bist hierby”. 22 Masceroen zeide: “die sitacie siet, Want al dat menschelike diet Hier is gedaget tantwordene my Alse procureere, merket waerby, 2195 Is hier ieman die daertoe hoert, Dat hi vor alle menschen komen wil voert?” Ende nyeman en quam te desen doene. Doe sprack Onse Here tot Masceroene: “Wat wilstu dat men nu doe echt?” 2200 “Ick begeer, Here, een gemene recht, Dat men elcken sculdech te doene es, Ende ick begeer oeck letteren des, Dat alle menschen waren voer dy Gedaget, hier tantwordene my, 2205 Ende ick hebbe den dach al wt gewacht, Ende nyeman en quam hier van hoere macht, Ende ombe dit begeer ick vorwaert nu wesen, Ende eysche myne letter van desen”. Doe woude Onse Here met desen dingen 2210 Meer voertgaen met effeningen, Dan hy woude met gerechticheden; Hy wiste wel Masceroens doen ende zeden. “Du”, zeide hy, “die vele weets ende heves gehoert, Du weets wel, dat bewilen voert 2215 Een recht gaet tusscen tween partien, Ende bewilen in effeninge belien, Also alset hem duncket best; Want ick nu wille, dat zij gevest Alle dese stucke in effeningen, 2220 Ende wil den dach tot morgen verlengen In denselven punte, dat huden was, Tot primetijt durende, zijt seker das”. Dus stont op Onse Here daer naer, Ende Masceroen ginck totten sinen daer, 2225 Ende vertellede dit sinen gesellen, Die dat zwaerlicke verdroegen in der Hellen; Ende Lucifer sprack tot hem saen: “Du zals morgen weder gaen Totter rechter uren”; ende also houde 2230 Leerde hy wat hy zeggen zoude. |
Hoe de duivels allen vergaderden en een procureur kozen. Toen de duivels zagen daarna Dat ze aldus bespot waren, 2015 Toen riepen ze tezamen gereed Alle helse kwaadheden, En kozen onder hen allen daar Een procureur schalks en zwaar, Die was geheten Masceroen; 2020 Die werd aanbevolen al hun doen En dat hij zou gaan mede In Onze Heer tegenwoordigheid, Gelijk dat procureurs plegen. Nu mocht iemand zeggen daartegen, 2025 Hoe een verdoemde zich mocht vertonen In de tegenwoordigheid van de Scheppers ogen, Daarop antwoord ik in twee zaken: De eerste mag zijn met spraken Bij vergelijken in enige dingen, 2030 Dat we mogen zeggen bijzonder, Zoals van boven tot beneden, Is dat alles in onze Heer tegenwoordigheid. De andere is, dat is zeker dit, De pijn, die in de duivels is, 2035 Dat die van hem niet gaat in schijn Het blijft met hem waar ze zijn Gelijk dat de zieke niet heeft baat Al was hij in koninklijke staat Zijn pijn wordt dus minder niet; 2040 Aldus is dat met de duivels, nu ziet Waar dat God ze toestaat te zijn, Altijd volgt hen na hun pijn. En dit was de eerste procureur mee, Die de duivels nu hebben gezet, 2045 Die ervoor niet was, maar na deze stonden Heeft men procureurs altijd gevonden. Deze procureur trekt zonder wachten In de tegenwoordigheid van God en zei “O schepper en van alle dingen gerechtigheid, 2050 Ik ben procureur van alle kwaadheid Van de hel, u moet vergenoegen dit, Want van u de Gerechtigheid aangeboren is Mij te horen, als bode van de hel”. Onze Heer antwoordde die felle: 2055 “Bent u procureur, getuig uw brieven nu”. Masceroen zei: “ik wil eerst u Inlichten op een punt wel hoog, Die roert diegene al ons vermogen Die in de hel zijn, en op dat 2060 Bezie onze procuratie nu ter plaatse”. Onze Heer sprak: “hier vroeger wel Zo kende ik uw schalksheid al, En onderneemt u nu niet, gij, Met uw woorden te leiden mij; 2065 Want u heeft hier geen partij Tegen mij, dat lijkt mij; Nu getuig uw procuratie al hier, Of men zal u uitwerpen snel”. Dit ontzag de rechter door dat 2070 Omdat hij dus onwillig was; Dus toonde hij de procuratie, zijn teken Waar we gewoonlijk van spreken, Dat zeer goed gedicht was dan, Zodat er niets te verbeteren was aan. 2075 Toen zei Onze Heer: “wil u iets spreken, Zo spreek vast op uw teken”. De vijand klaagde en antwoordde mede Als een procureur van zijn heerlijkheid: “Want ik, en diegene daar ik voor spreek, 2080 Hebben gehad goed en stilletjes, Ja, in niet geëindigde tijden, zonder verlaten, En alles geschrevene achter gelaten, Zoals in rusten te hebben mede Te pijnigen en te kwellen gereed 2085 En te berechten, al onze hel door, Alle menselijke creaturen; En nu de net is na gelaten Alle recht en alle baten En geen partij is geroepen daartoe, 2090 En wij zijn beroofd, wij weten niet hoe, Met kracht van ons bezit nu; Dat klagen we wenend voor u; Waarbij of u vergenoegt ons klagen, En u het beriep op zekere dagen, 2095 Dat menselijke geslacht te komen tezamen, Te antwoordden hierop zonder ontgaan; 21 Want ik eerst toon, dat men ons is Schuldig te doen herstel van dit, Van de zielen volkomen mede, 2100 Die in de hemel zijn, en gereed, Die in zuivering nu zijn genomen En die voor hen waren en na hen komen, En hun kinderen, en tot deze Alles dat van hen geboren zal wezen”. 2105 Onze Heer sprak: “ik hoor wel u, U begeert een dag daarbij”. De procureur antwoordde daarnaar: “De zaak is groot en angstig zwaar, En ook ontfermend in alle hoven, 2110 Gelijk een zaak van grote roof; En om dit begeer ik uw haast daartoe Men legt de dag morgen vroeg”. Toen sprak Onze Heer en zei: “Zoon van de vijand en alle kwaadheid, 2115 Verdoemde schalk, al vallende onwaarde Heeft u gemeten tussen hemel en aarde, Ik leg uw dag als procureur gereed, En het menselijke geslacht te komen mede Voor mij als tot een zekere dag 2120 Zoals in de heilige vrijdag, Waarop ik gekruisigd was”. Masceroen antwoordde gelijk na dat: “Die dag ik niet ontvangen zal Want die dag viert men overal”. 2125 Onze Heer sprak: “ik maakte dat recht En ik laat het hierop nu en echt; O, Gabriel, roep het mensen volk Dat ze komen op deze dag; en komen ze niet, Men zal verder dat recht laten verschijnen”. 2130 Toen keerde de vijand gelijk tot de zijnen, En toonde zijn gezellen deze dingen, Dat ze zich bedroefden onderling, Want ze zagen wel in dat, Dat hij bij de rechter was gehaat 2135 Toen sprak Lucifer in die plaats: “Ontzie u niet door dat Men zegt Christus gerechtigheid te wezen, Dat vals is, lijkt me in deze; Want hij is rechtvaardig, zo zullen wij dan 2140 Onze zaak behouden, en bewijzen voortaan Uit zijn eigen mond, zij het zeker dit, Dat hij niet rechtvaardig is, En u zal weer te dag varen”. Masceroen zei: “ik had liever te waren 2145 Hier met u worden gepijnigd voorwaar, Dan weer te gaan voor hem daar, Daar alle blijdschap is van vreugde, En waar ik niet van kan verheugen, Maar me meer bedroeven hierbij 2150 Vanwege hun blijdschap die niet mag in mij; Maar ik moet gehoorzaam wezen, En ook doen dat staat tot deze. Op de dag, die daar gezet was, Kwam Masceroen, zij het zeker dat, 2155 Recht in de dageraad, en ging In een hoek na dat ding In dat pleidooi, want hij wist dat Goed, dat de eisers plaats Eerst bestendig moet wezen, 2160 Dan die men eist tot deze; En daarom kwam hij vroeg, God weet, En had beide zijn oren gereed En zijn ogen open gedaan ook wijd, Om te horen en te zien aan elke zijde; 2165 En toen de middag begon te naken Kwam Masceroen voort met zijn zaken In de tegenwoordigheid van God, en zei: “Heilige vader! ik kwam voor en na, beide; Nu doe me recht, ik wacht te lang”. 2170 Toen zei Christus: “Duivel, nu ga, Want deze hele dag tot recht staat”. Toen keerde hij weer tot de hoek, dat kwaad. Ontrent vespertijd gaf hij toen uit Een vreeslijk, gruwelijk geluid, 2175 En sprak: “God, waar is uw gerechtigheid?” Onze Heer antwoordde hem ter plaatse: “Ja, zei ik u niet, vuil kwaad, Dat deze hele dag tot het recht gaat?” Toen keerde hij weer in de hoek daar, 2180 En wachtte beter tot de nacht na; Toen riep hij: “waar is die gerechtigheid? Het ontbreekt me in de Hemel mede”. Onze Heer liet hem toen roepen voort; Toen sprak Masceroen dit woord: 2185 “Deze hele dag heb ik gewacht In dat rijk der gerechtigheid, En vond geen gerechtigheid”. Onze Heer antwoordde daar ter plaatse Masceroen, en zei: “nu zie, 2190 Wat u de eiser bent hierbij”. 22 Masceroen zei: “de situatie (onderzoek) ziet, Want al dat menselijkheid volk Hier is gedaagd te antwoorden mij Als procureur, merk het waarbij, 2195 Is hier iemand die daartoe hoort, Dat hij voor alle mensen komen wil voort?” En niemand kwam tot dit doen. Toen sprak Onze Heer tot Masceroen: “Wat wil u dat men nu doet echt?” 2200 “Ik begeer, Heer, een algemeen recht, Dat men elke schuldig te doen is, En ik begeer ook brieven van dit, Dat alle mensen waren voor u Gedaagd, hier te antwoorden mij, 2205 En ik heb de dag al door gewacht, En niemand kwam hier van hun macht, En om dit begeer ik voorwaarts nu te wezen, En eis mijn brief van deze”. Toen wilde Onze Heer met deze dingen 2210 Meer voortgaan met effeningen, Dan hij wilde met gerechtigheden; Hij wist goed Masceroens doen en zeden. “U”, zei hij, “die veel weet en heeft gehoord, U weet wel, dat soms voor 2215 Gaat een recht tussen twee partijen, En soms in vereffeningen bekennen, Alzo zoals het hen lijkt het beste; Want ik nu wil, dat is gevestigd Al deze stukken in vereffeningen, 2220 En wil de dag tot morgen verlengen In hetzelfde punt, dat het heden is, Tot priemtijd (6 uur) duurt, dat zeker dit”. Dus stond op Onze Heer daarnaar, En Masceroen ging tot de zijnen daar, 2225 En vertelde dit zijn gezellen, Die dat zwaar verdroegen in de hel; En Lucifer sprak tot hem gelijk: “U zal morgen weer gaan Tot het rechte uur”; en alzo houden 2230 Leerde hij wat hij zeggen zouden. |
Hoe Onse Vrouwe wart een vorsprake van al Kerstenheit tegen den viant. Alse dese beroepinge quam te voren Der reyner maget wtverkoren Bedroevede zi hoer ombe dien pleit Met moederliker ontfermicheit; 2235 Ende doe si vernam dat verlenget waer Die dach, sprack zi doe openbaer Totter menscheit: “nu laet iu sorgen Want opten dach van morgen Sal ick uwer aller vorsprake wesen”. 2240 Dat hemelsche volck verblide van desen. Des morgens es Onse Here geseten Met zinen Ingelen, met zinen propheten, Met ener geselscap ongetelt. Doe quam zijn moeder met gewelt 2245 Van Engelen, van propheten, van patriarchen, Die songen met luder stemmen starcken: “God groete dy, des Hemels koninginne, God groete dy, der Ingelen minne”. Dus quam zi gegaen alsoe vermogen, 2250 Daer zi aensach met wreden ogen Hoeren wedersaken in hoeren rike. Doe ginck zi zitten verweendelike By hoeren zone tot hoeren wille Ende zeide: “nu zwiget al stille!” 2255 Nu zuldy hier hoeren bedieden Hoe zi een vorsprake wart allen lieden In een gedinge van iamerheden Overmyds haer grote ontfermicheden; Want des Duvels naradicheit 2260 Hadde die menschen zere beleit; Dat wederstont onse Vrouwe scone Ende sprack aldus tot haren sone: “Ick hore zeggen, sone mijn, Dat geslechte, daer wy af komen zijn, 2265 Gy ende ick, dat menscheleke diet, Wert hier angesproken, nu siet, Van eenen verdomeden verrader quaet, Ende enen valschen, die hier staet In minen rike; ende dit ongevoech 2270 Geroert minen lichaem, die dy droech; Want alzulcke en plegen nyet Hier te komene; maer dat du gebiet, Want in dy alle gerechticheit zij, Soe kome hy ende segge sine tale daerby”. 2275 Ende hieraf verblide die Hemel al, Dat zi een vorsprake wesen sal, Ende riepen den verdomeden totter stede: “Coemt, verwysede ende verbannen mede, Du vindes hier wedersake in dit doen”. 2280 Aldus zo quam daer vorwaert Masceroen, 23 Ende en dorst niet, sonder waen, Sine ogen op onse vorsprake slaen. Doe sprack Onse Here: “Wan antwerstu?” Ende hi antworde: “aldus zegge ick iu, 2285 O, ongeloeflike gerechtichede! O, waerheit ende sonder valschede, Hoer my armen, in desen dage, Wes ick my voer iu beklage, En laet dy vleesch no bloet niet roeren 2290 Ick bidde te sprekene sonder verboeren”. Ende Onse Here sprack tot hem doen: “Spreket als dat betamet, Masceroen”. Doe sprack hi: “ick wil dat elck verstaet Dat in elcken rechte voertgaet: 2295 Drie persone heb ick vereest Die vader, die zone, die heilge geest; Den rechter sie ick, alset behoevet, Dat ick eyscher ben isser geproevet By mynen brieven, als men ziet, 2300 Den sculdegen persoen en zie ick niet. Sonder wien dat recht es twint”. Onse voersprekerse antworde ontrint Den rechter, maer niet den viant: “Sone mijn”, zeide zi te hant, 2305 Siet my bereit, tantwordene hier”. Doe zeide Masceroen, dat quade dier: “Heilge Vader, nu toge ick dy des, Dat dijn moeder niet en es Sculdech te komene dor dese sake 2310 Noch dor negene met hoere sprake; Want ombe dat zi es dijn moeder, So waer zi my een zwaer stuerroeder, Partye te dragene tegen my; Want zi mochte lichte getrecken dy 2315 Te haerwaert al waer dat onrecht, Ende voert oeck want zi es echt Een wijf, entie gemene loep van desen Verbiedet wiven voersprake te wesen”. Dus sprack die quade Masceroen. 2320 Doe wort gestoert ombe dat doen Onse Vrouwe, ende sprack tot haren zone voert: “Dese verbannene die my dus stoert, Ende minen rike verkeert dat recht, Hy zecht my dijn moeder wesende echt, 2325 Ende versmaet my, lieve sone, Du weets dat wel, al ben ick degone Die dy droech ende een wijf nochtan Ende my berispet tonrechte voertan, Sone ben ick niet moeder, als ander wijf, 2330 Daer ick wart drachtich, was een blijf Van alre smette der menschlichede; Ick wert zwaer, sonder pine mede Ende sonder rouwe kint brengende voert; Waer is dat recht, dat my verboert 2335 Degene die zijn beroepen vor iu En mach ick hoer tale niet spreken nu, Ende voer hem staen als eene persone, Ende hier tantwordene Mascerone, Al waer ick ongelovich of te banne, 2340 Des niet en is an my nochtanne, So zoude ick te rechte hier toe gaen Als die daertoe gedaget ben zonder waen, Du weets dat wel, zone, in dinen zin, Dat ick van allen ordenen bin, 2345 Want al die werelt oft die daer in es Die es van huweleke, zijt zeker des, Oft van mageden oft voertanne Onthouden van wive of van manne; Ick was van allen ordenen gerede, 2350 Ick was Josepe gegeven mede, Ende bleef daerna oeck wel geacht, Ende wert by hem dragende dracht, Ende bleef by hem onthouden daer, Dat ick nye gekreech een haer 2355 Begeerte te genen manne waert; Ombe dit wert hier wel geopenbaert, Dat ick ben sculdech te zijne vorsprake Vor den menschen van alre zake; Ende dat die viant oeck nu zeghet, 2360 Dat wiven es dit ambacht ontweghet Dat gebreket oeck in desen doene, Want elck mach over arme persoene Spreken, als over weduwen ende wesen Die dese bose viant in vresen 2365 Te brengene staet ende te blivene Te sinen dienste, die zielen t’ontlivene Ende eweleke sonder einde verdoemen; Hierombe eysche ick ende ben komen, Dat men dit ambacht my late 2370 Voertan te zine advocate, Want my en lettet niet an dit ambacht, Dat hy op my voert hevet gebracht”. Doe antworde hierop Masceroen: “Interloquitorie wil ick doen, 24 2375 Dit bediedet, als wy dat ontknopen, Als enen dat recht te na zoude lopen, Dat hy enen wech dan vinden moge Te proevene mede dat hem toge”. Doe sprack Onse Here te deser zake: 2380 “Myne moeder laet ick zijn een voersprake, Want haer niet mach letten in dit doen Dat hier getoent hevet Masceroen. Nu hevestu partie”, sprack Onse Here Wiltu iet spreken, spreeck hieran mere”. 2385 Masceroen sprack: “te spreken ick behoeve Ick hebbe partie, des ben ick droeve; Want my duncket, dat myne sake Geveert es by hoere sprake; Nochtan zegge ick na desen gelike 2390 Dat kenlijck genoech es in desen rijcke, Dat die Duvele, daer ick ben vor komen Ende al hoer sake hebbe an genomen, Waren in rasten van hebbinge Van zo menegen iaren sonderlinge, 2395 Dat des nyman gedencket nu ter wilen, Te pinene ende te tormenten die zielen Ja, alse van beginne, alle die storven Ny en wort er een ontborgen Ende nu zijn alle ordene van rechte 2400 Achtergelaten als in enen verplechte, Ende met enen wille ende ere delinge Zijn wy berovet van onser hebbinge; Ende want den wijsen toebehoert Eerstwerf restoer te eyschene voert, 2405 So eysche ick eerst restoer voerwaer Van onsen verliese, ende daernaer Sal men in dese sake gaen voert, Want wy die bloet zijn, als men hoert, Ende berovet, wy en mogen ons niet 2410 Setten tegen gewapende diet”. Doe sprack die zone ter moeder waert: “Antwort hier op”; ende ter vaert Sprack zy ten zone: “en ziedy niet dat baraet Ende die ombegange des viants quaet, 2415 Aldus te verslitene den dach mede Met woerden met groter valschede; Dat en doech niet, hy eischet restoer Als of hy berovet waer hiervoer; Ende hieran lieget hy echt, 2420 Want ierstwerf so spreket dat recht Den beroveden te verstoerne wesen; Dat es in negene gelike desen, Die berovet es, die en eyschet niet; Nu es hy eyscher, als men ziet, 2425 Ende aldus verkeert hy dat recht Alzo als hy valsch es echt; Aldus hy eerstwerf valscheit begint Want nye zo en wart bekint, Dat du ende die dine in t schouwen 2430 Nye besat met goeder trouwen Ander liede erven; want dat es kont Hem allen scone, dattu ter stont Met diner wijsheit makedes den man Na diner gelike, ende nochtan 2435 Al hebben die Duvele gepinet daer Lange tijt die zielen voerwaer, Dat en deden si van hoers selves rechte niet, Maer als knapen der Hellen, nu ziet, En overmids dijn gebot mede 2440 Die Duvel en hadde nye stede Noch die zielen, maer du haddes, Heer! Want alle dinck es min no meer In des namen, in des gewout, Daer mense of ontfaet ende hout, 2445 Hoe mochten die Duvele rustelike Besitten eens anders goet ende rike? Want die propheten zeiden te voren Dat wt ere sterren soude zijn geboren Die zone, die Godes zone boude, 2450 Die zijn volck verlossen zoude; Hier ombe wondert my, zone, dat So vele loeshede nu ter stat In uwen rike wert wt getrecket”. Masceroen antworde, ende hevet gemecket, 2455 Die gemene sprake te hebbene mede, Die hy echt eischede ter stede. Die moeder antworde: “zone, ick wel vaet Dat alle rechte, na dat staet, Dy in den Hemel gegeven zijn 2460 Ende an der aerden, ende in den name Dijn Bogen alle knien myner dracht; Dese en merket niet op Dyne macht, Die Du heves, ende bespottet nu Dyne mogentheit, dat hy eischet iu 2465 So vele wtgange tegen my”. Doe sprack God: “ick ontzegge dy 25 Hier af restoer nu te doene”. Doe sprack die moeder tot haren zone: “Vraget hem of hy wil zeggen meer”. 2470 Doe sprack die vyant ongehier: “Tote noch heb ick niet gezeit; Ick sal noch zeggen wonder, God weet”. Dit woert wonde onse vrouwe ter stede Ombe die minne der menschelechede; 2475 Doe zeide die rechter totten viant: “Doe dine sake sonder schelden te hant”. Die viant track die Bible wt Wt enen sacke ende sprack overluet, Met ener groter stemmen: “nu hoert, 2480 Gy Hemele, wat ick sal seggen voert”; Ende zy zwegen alle nadat; Doe keerde hy ombe daer een blat, In den aenbeginne der werelt voert, Dat God tot Adame sprack dit woert 2485 Ende tot Eva mede: “dat zult gy weten: Van aller vrucht zult gy eten Sonder van deser, ende op wat uren Gy daervan etet, zuldy dat besuren Ende sterven van dode te dode”. 2490 Doe sprack hy voert tote Gode: “Here, eerstwerf so vrage ick iu, Of dese woerde dijn zijn nu?” Doe sprack Maria: “nu zech voert”. Hy zeide, hy en wille niet een woert 2495 “Want ick ben in dat rike der waerheit Ende voer dengene die zeghet gereit, Dat hy waerheit is geheten; Ende daer ombe wil ick eerst weten, Dat dese woerde zijn die waerhede”. 2500 Ende zy zwegen alle ter stede. Doe sprack Onse Here: “dese woerde zijn mijn”. Die viant antworde: “des wil ick zijn In den gelove, ende in desen Wil ick dat sy besloten wesen; 2505 Want Adam ende Eva allene Waren in den Paradyse gemene, Ende altemale ongehoersaem gingen Tegen dijn gebot dus sonderlingen, So eysche ick, dat dyne woerde ombe dat 2510 Staende blyven in hore stat, Ende zy, ende die na hen komen dan Ewelike sullen sterven voertan; Ende wiltu dine woert verwandelen iet So es dat proeflicke, dattu niet 2515 En bist die waerheit, lude noch stille; Ende hierop antworde die spreken wille!” Doe sprack Maria tot haren zone: “Lieve kint, wanen es dese hone Ende dese scalckheit den Duvelen komen, 2520 Dat zy so vele scalcheit om dit verdomen Pensen, om verderven des menschen diet? Maer die Duvele, als men hier ziet, Weten wael dat den onsaligen troest es Gesellen thebbene, duncket my, dor des 2525 In hoere armoede, om hem dat wreken; Sone, nu wil ick hier tegen spreken; Want dat waer es, dat du vor nu Dese woerde sprakes, zegge ik iu; Maer een ander letter spreket voert, 2530 Ende hierop aldus antwoert, Die zeghet, dat loesheit ende scalchede Nyeman mogen bescudden mede, Daer men met rechte voert sal gaen; Want die Duvele, sonder waen, 2535 Daer dese voer komet, die rieden Adamen Ende Even mede, dat zy namen Den appel, die verboden was Want in den boke staet na das, Daer hy dese woerde wttrack, 2540 Dat een serpent tot Even sprack Ende tot Adame, die deze dief Dese procureere in sinen brief Valscelike verzwiget vor dy, Ende dit waren die woerden, nu zie, 2545 Die hy Even dede verstaen: Eetdy dese vrucht, gy sult saen Alse iu meester wesen gescapen mede. Van deser loghene ende valschede Dat dit [serpent] doe dede den man, 2550 Al by des Duvels rade dan, So willen die viande den mensche wroegen; Maer overmids desen ongevoegen Ende oeck ombe dit poent zo wil ick ter stede Den mensche te rechte bescudden mede”. 2555 Die viant zach hem bespottet zeer Van zulcker antworde, ende zeide: “Heer, Heer rechter, dese voersprekeresse Menet aldus ontgaen mijnre lesse; Maer niet aldus; want, Vader, daer staet 2560 Bescreven: daer een openbaer mesdaet 26 Gesciet, die gerechte rechter nochtan, Al en wroeget nyeman den sculdegen man, Hy es sculdech voert te vaerne Met ziner heerlecheit, ende niet te spaerne 2565 Metter mesdaet ende metter pinen mede Al es dat sake, dat die voersprake zeide, Dat men my niet sculdech t’hoerne es, Dat ick nochtan niet en lye des, Men sal my antworden van desen, 2570 Ende al waer des niet, nochtan zoude wesen Sculdech die rechter voert te gane Met syner heerlicheit, na mynen wane; Waerombe, want du bist gerecht, Des wil ick dan zien, nu ende echt, 2575 Of dijn name is volgende dien, Want ick wil zwygen ende an zien Dine heerlecheit hier an vorwaer; Want die mesdaet es openbaer Ende en behoevet gener proeve dan 2580 Ende daer en es geen twivel an, Die mensche en brack dat gebot gereit; Nu zal ick zien dyne heerlecheit, Ende mede dat ick negene partien Houden en mach tegen Marien, 2585 So an roepe ick alhier ter stede Dine edele heerlechede”. Nu wart versaget die moeder Godes Want zi ontzach haer des gebodes, Dat die Gerechtecheit zoude gaen 2590 Hoers lieven sones overdwers saen Alse van heerlicheit van gerechtecheit niet, Ende wort wenende over dat menschlecke diet Ende scoerde hoer cleder ten borsten dan “Zie”, sprack si den zone nu an, 2595 “Den lichaem, die dy droech gerede, Ende die borste, die du zoges mede, Nu zie die dy schenden degene Ende bespegen ende cruceden gemene, Hy anroepet dine heerlecheit hier; 2600 Also alse zeghet deze ongehier So sal dat by dinen willen wtgaen Niet by den sinen, sonder waen; Ende bidde oeck mede daertegen dy Ofte doe af wt den boke my 2605 Des levens; want negeen recht En wiset dattu nu ende echt Voert sals gaen met heerlecheden Maer alse dat aenhoert diner rechtecheden. Nu zal ick zien wien du te voren 2610 Bet sals geloven endehoren Ofte diner moeder ofte den verrader”. Dus wert die Sone wt den Vader Beroert, daer hy sine moeder sach an So wijflecke wenen, ende sprack dan 2615 Den viant an in dat pleit: “Ick ontsegge dy te hant myne heerlecheit”. Die viant sprack doe: “vleesch ende bloet Hevet dy geraden, dat gy dit doet Ende niet die hemelsche gerechtecheit; 2620 Ick hadde dat wel te voren geseit, Dat my herde zwaer soude wesen, T hebbene des rechters moeder te desen Tegen my nu tenen advocaet”. Doe sprack Maria: “du vule quaet, 2625 Wiltu iet meer hier toe versinnen?” Hy sprack: “ick wil nu ierst beginnen Wter Evangelien oeck met Ende wter Scrifturen van der Wet Ende zal der rede volgen mede 2630 Overmids alle gerechtechede. Ierstwerf zegge ick, dat dat recht, Dat godlicke her es komen echt, Dat zi daerinne leren die rechter dan Als hem een twist riset an, 2635 Tusschen personen in erflecheden, Ende van anderen dingen, in dat scheden, Die gerechte rechter sal scheiden al geheel Gemene dinck ende geven sijn deel Elcken; want gemene dinge 2640 Brenget groet twist in sonderlinge, Want die Scrifture der Waerheit fijn Orcondet my enten gesellen mijn, Dat wy sijn Vorsten der werelt vry; Nochtan en zegge ick dat niet bedy, 2645 Du en heves daer wel een deleken an, Du, almachtige God, nochtan, Ja, een deleken alsoe groet gesecht Als een sennep saet in een mudde gelecht; Ende daerombe dat, om dese twee woerde 2650 Mijn ende Dijn, als ment hoerde, Een twist dagelekes risen mochte Tusschen dy ende my onsochte, Almachtich God ende dine moeder met, Die voersprake der werlt es geset, 27 2655 So begeer ick, overmids dine gerechtichede, Dat mijn deel werde gescheiden mede, Ende alzo dat dan die mine, Dat zijn die sonden te mijnre pine Ende te mynen rechte horen toe, 2660 Ende die weldaet blyve dijn alsoe; Dit en mach ontzeggen rechter geen, Ick late wegen nu dit alleen Die al recht hevet gemaket dan”. Die Sone sprack die moeder an: 2665 “Voersprekerse der werlt, antwoert”. Doe zeide Onse Vrouwe dese woert: “Dat hy eyschet hevet hy enweghe, Hy eyschet gerechte van gewege Dat lange vor nu gedaen es; 2670 En gedencket iu niet, sone, des Dat ghy dat al hebbet verdinget Al daer gy an den cruce hinget, Alse doget der werlt in die wage Ende optie anderside, optie ander vlage, 2675 Hinck die moerdener, hoe so dat gaet, Als zonde der werelt; dat verstaet, Sone, dat ick dy doe aensach Met droeviger herten, op dien dach, Ende met wenenden ogen mede; 2680 Daer was gewoegen ter selver stede Met ener effener schalen die doget, Ende die quaetheit onverhoget, Ende du, die waers die doget gereit Verwonnes daer alle quaetheit, 2685 Also dattu nedervoeres daer Totter Hellen ombe die zielen vorwaer, Ende treckedes daerwt die keytive; Ende of dan zulcke wage blive, Die vor alle die werelt feestelike 2690 Gedaen was, ende oeck hogelike, Opten berch van Calvarien eer, So en wil ick wegen nember meer; Maer ik houde my an dat allene, Ende en wil ander gewichte negene”. 2695 Die procureere wert versaget daer zeer, Ende gaf wt een vreeslyck gebeer, Ende sprack: “tot noch so hebbe wy Biesen gestrouwet, ende daerby So wil ick trecken ten herdesten saen; 2700 Ick zie my nu allene hier staen, Als een procureere ick nu begeer Van rechtes wegen in myne weer, Enen advocaet ofte twee, desen dach, Die men my niet weigeren en mach; 2705 Ende daertoe so kenne ick dese beide Gerechtecheit ende Waerhede”. Onse Vrouwe sprack: “neem die gy wout” Hierombe wonderde menechfout Die Ingele, ende ontsagen mede 2710 Sine scalcheit, ende zeiden ter stede: “Coninginne van Hemelrike Ende oeck mede van aertrike, Met groter eren so moechdy nu Advocate nemen tot iu”. 2715 Ende zy gehoerde rades daerby; Zy zeide doe: “so kiese ick tot my Ontfermherticheit ende Vrede”. Dus wart hier een gedinge ter stede. |
Hoe Onze Vrouwe een voorspraak van alle Christenen werd tegen de vijand. Toen deze beroeping kwam te voren De reine maagd uitverkoren Bedroefde ze zich om dat pleit Met moederlijke ontferming; 2235 En toen ze vernam dat verlengd was De dag, sprak ze toen openbaar Tot de mensheid: “nu laat uw zorgen Want op de dag van morgen Zal ik uw aller voorspraak wezen”. 2240 Dat hemelse volk verblijdde van dezen. ‘s Morgens is Onze Heer gezeten Met zijn engelen, met zijn profeten, Met een gezelschap ongeteld. Toen kwam zijn moeder met geweld 2245 Van engelen, van profeten en van patriarchen, Die zongen met luide stemmen sterk: “God groet u, de Hemelse koningin, God groet u, de engelen minne”. Dus kwam ze gegaan alzo ze vermag, 2250 Daar ze aanzag met wrede ogen Haar tegenpartij in haar rijk. Toen ging ze zitten verwaand Bij haar zoon tot haar wil En zei: “nu zwijgt alle stil!” 2255 Nu zal ge hier horen verklaren Hoe ze een voorspraak werd van alle lieden In een geding van jammerheden Vanwege haar grote ontferming; Want de Duivels listigheid 2260 Had de mensen zeer vervuld; Dat weerstond onze Vrouwe schoon En sprak aldus tot haar zoon: “Ik hoor zeggen, zoon van min, Dat geslacht, daar we van gekomen zijn, 2265 Gij en ik, dat menselijke volk, Wordt hier aangesproken, nu ziet, Van een verdoemde verrader kwaad, En een valse, die hier staat In mijn rijk; en dit jan hagel 2270 Beroert mijn lichaam, die u droeg; Want zulke plegen niet Hier te komen; maar dat u gebiedt, Want in u alle rechtvaardigheid is, Zo komt hij en zegt zijn taal daarbij”. 2275 En hiervan verblijdde de Hemel al, Dat ze een voorspraak wezen zal, En riepen de verdoemden tot de plaats: “Komt, verwezen en verbannen mede, U vindt hier tegenpartij in dit doen”. 2280 Aldus zo kwam daar voorwaarts Masceroen, 23 En durfde niet, zonder waan, Zijn ogen op onze voorspraak te slaan. Toen sprak Onze Heer: “Wanneer antwoord u?” En hij antwoordde: “aldus zeg ik u, 2285 O, ongelooflijke gerechtigheid! O, waarheid en zonder valsheid, Hoor mij arme, in deze dagen, Wat ik me voor u beklaag, En laat uw vlees nog bloed niet roeren 2290 Ik bid te spreken zonder verzet”. En Onze Heer sprak tot hem toen: “Spreek zoals dat betaamt, Masceroen”. Toen sprak hij: “ik wil dat elk begrijpt Dat in elk recht voortgaat: 2295 Drie personen heb ik onderzocht De vader, de zoon, die heilige geest; De rechter zie ik, zoals het behoeft, Dat ik eiser ben is beproefd Bij mijn brieven, zoals men ziet, 2300 De schuldige persoon zie ik niet. Zonder wie dat recht is niets”. Onze voorspreekster antwoordde omtrent De rechter, maar niet de vijand: “Zoon van mij”, zei ze gelijk, 2305 Zie me bereidt, te antwoorden hier”. Toen zei Masceroen, dat kwade dier: “Heilige Vader, nu getuig ik u dit, Dat uw moeder niet is Moet komen door deze zaak 2310 Nog door geen met hun spraak; Want omdat ze is uw moeder, Zo is ze voor mij een zware verstoorder, Partij te dragen tegen mij; Want ze mocht gemakkelijk betrekken u 2315 Tot haar toe al is dat onrecht, En voort ook want ze is echt Een vrouw, en de algemene loop van dezen Verbiedt vrouwen voorspraak te wezen”. Aldus sprak die kwade Masceroen. 2320 Toen werd verstoord om dat doen Onze Vrouwe, en sprak tot haar zoon voort: “Deze verbande die mij dus stoort, En in mijn rijk verandert dat recht, Hij zegt mij uw moeder te wezen echt, 2325 En versmaadt mij, lieve zoon, U weet het goed, al ben ik diegene Die u droeg en een vrouw nochtans En mij berispt te onrechte voortaan, Zo ben ik niet moeder, zoals ander wijf, 2330 Daar ik werd drachtig, was een overblijven Van alle smet der menselijkheid; Ik werd zwanger, zonder pijn mede En zonder rouw een kind te brengen voort; Waar is dat recht, dat me verbeurt 2335 Diegene die zich beroepen voor u Mag ik hun taal niet spreken nu, En voor hem staan als een persoon, En hier te antwoorden Masceroen, Al was ik ongelovig of in de ban, 2340 Dat niet is aan mij nochtans, Zo zou ik te recht hier toegaan Als die daartoe gedaagd ben zonder waan, U weet dat wel, zoon, in uw zin, Dat ik van alle orden ben, 2345 Want de hele wereld of die daarin is Die is van huwelijk, dat is zeker dit, Of van maagden of voortaan Zich onthouden van vrouwen of van mannen; Ik was van alle orden gereed, 2350 Ik was Jozef gegeven mede, En bleef daarna ook wel geacht, En werd bij hem dragende dracht, En bleef bij hem ontzegt daar, Zodat ik niet kreeg iets 2355 Begeerte tot geen man waart; Om dit werd hier goed geopenbaard, Dat ik moet zijn te voorspraak Voor de mensen van alle zaak; En dat die vijand ook nu zegt het, 2360 Dat vrouwen is dit ambacht ontzegt Dat ontbreekt het ook in deze doen, Want elk mag over arme personen Spreken, zoals over weduwen en wezen Die deze boze vijand in vrezen 2365 Te brengen staat en te blijven Tot zijn dienst, de zielen te ontlijven En eeuwig zonder einde verdoemen; Hierom eis ik en ben gekomen, Dat men dit ambacht me laat 2370 Voortaan te zijn advocaat, Want mij let niets aan dit ambacht, Dat hij op mij voort heeft gebracht”. Toen antwoordde hierop Masceroen: “Tussenuitspraak wil ik doen, 24 2375 Dit betekent, zoals wij dat ontknopen, Als een dat recht te na zou lopen, Dat hij een weg dan vinden mag Te bewijzen mede dat hem toont”. Toen sprak Onze Heer tot deze zaak: 2380 “Mijn moeder laat ik zijn een voorspraak, Want haar niet mag beletten in dit doen Dat hier getoond heeft Masceroen. Nu hebt u partij”, sprak Onze Heer Wil u iets spreken, spreek hierna meer”. 2385 Masceroen sprak: “te spreken ik behoef Ik heb partij, dus ben ik droevig; Want me lijkt, dat mijn zaak Geweerd is bij haar spraak; Nochtans zeg ik na deze gelijk 2390 Dat het kennelijk genoeg is in dit rijk, Dat de duivel, daar ik ben voor gekomen En al hun zaken heb aangenomen, Waren in rust van hebben Van zo vele jaren bijzonderling, 2395 Dat dit niemand bedenkt nu onderwijl, Te pijnigen en te kwellen de zielen Ja, zoals van het begin, alle die stierven Niet een wordt er beschermd En nu zijn alle orden van recht 2400 Nagelaten zoals in een verbinding, En met een wil en een verdeling Zijn we beroofd van onze bezit; En wat de manier er toebehoort Eerste keer herstel te eisen voort, 2405 Zo eis ik eerst herstel voorwaar Van ons verlies, en daarnaar Zal men in deze zaak gaan voort, Want wij die bloot zijn, zoals men hoort, En beroofd, we mogen ons niet 2410 Verzetten dat gewapende volk”. Toen sprak de zoon ter moeder waart: “Antwoord hierop”; en ter vaart Sprak ze tot de zoon: “zie je niet dat beraad En die omgang van vijandelijk kwaad, 2415 Aldus te verslijten de dag mede Met woorden met grote valsheden; Dat deugt niet, hij eist herstel Alsof hij beroofd was hiervoor; En hiervan liegt hij echt, 2420 Want de eerste keer zo spreekt dat recht De beroofden hersteld te wezen; Dat is in geen vergelijk in deze, Die beroofd is, die eist niet; Nu is hij eiser, zoals men ziet, 2425 En aldus verandert hij dat recht Alzo zoals hij vals is echt; Aldus hij de eerste keer valsheid begint Want niet zo was het bekend, Dat u en de uwe in het aanschouwen 2430 Niets bezat met goede trouw Ander lieden erf; want dat is bekend Hem alleen mooi, dat u terstond Met uw wijsheid maakte de man Naar uw gelijkenis, en nochtans 2435 Al hebben de duivels gepijnigd daar Lange tijd de zielen voorwaar, Dat deden ze van hun eigen recht niet, Maar als knapen der hel, nu ziet, En vanwege uw gebod mede 2440 De duivel had geen plaats Nog de zielen, maar u had het Heer! Want alle ding is min of meer In uw namen, in uw geweld, Daar men ze van ontvangt en houdt, 2445 Hoe konden de duivels rustig Bezitten een ander zijn goed en rijk? Want de profeten zeiden te voren Dat uit een ster zou zijn geboren De zoon, Gods zoon onbeschroomd, 2450 Die zijn volk verlossen zoude; Hierom verwondert mij, zoon, dat Zoveel valsheid nu ter plaatse In uw rijk wordt uitgetrokken”. Masceroen antwoordde, en heeft gemerkt, 2455 Die algemene spraak te hebben mede, Die hij echt eiste ter plaatse. De moeder antwoordde: “zoon, ik wel vat Dat alle recht, naar dat het staat, Die in de Hemel gegeven zijn 2460 En aan de aarde, en in de naam van U Bogen alle knieën voor mijn dracht; Deze let niet op Uw macht, Die U heeft en bespot nu Uw mogendheid, dat hij eist van u 2465 Zoveel uitgang tegen mij”. Toen sprak God: “ik ontzeg u 25 Hiervan teruggaaf nu te doen”. Toen sprak de moeder tot haar zoon: “Vraag het hem of hij wil zeggen meer”. 2470 Toen sprak de vijand onguur: “Tot nog heb ik niet gezegd; Ik zal noch zeggen wonder, God weet”. Dit woord verwondde onze vrouwe ter plaatse Vanwege de minne der menselijkheden; 2475 Toen zei de rechter tot de vijand: “Doe uw zaak zonder te schelden gelijk”. De vijand trok de Bijbel uit Uit een zak en sprak overluid, Met een grote stem: “nu hoort, 2480 Gij Hemel wat ik zal zeggen voort”; En ze zwegen alle nadat; Toen keerde hij om daar een blad, In het begin de wereld voort, Dat God tot Adam sprak dit woord 2485 En tot Eva mede: “dat zal ge weten: Van alle vrucht zal ge eten Uitgezonderd van deze, en op welke uren Gij daarvan eet, zal ge dat bezuren En sterven van dode tot dode”. 2490 Toen sprak hij voort tot God: “Heer, de eerste keer zo vraag ik u, Of deze woorden de uwe zijn nu?” Toen sprak Maria: “nu zeg voort”. Hij zei, hij wil niet een woord 2495 “Want ik ben in dat rijk der waarheid En voor diegene die zegt het gereed, Dat hij waarheid is geheten; En daarom wil ik eerst weten, Dat deze woorden zijn de waarheden”. 2500 En ze zwegen alle ter plaatse. Toen sprak Onze Heer: “deze woorden zijn van min”. Die vijand antwoordde: “dus wil ik zijn In het geloof en in deze Wil ik dat ze besloten wezen; 2505 Want Adam en Eva alleen Waren in het Paradijs algemeen, En helemaal ongehoorzaam gingen Tegen uw gebod dus bijzonderling, Zo eis ik, dat uw woorden om dat 2510 Staan blijven in hun plaats, En zij, en die na hen komen dan Eeuwig zullen sterven voortaan; En wil u uw woord veranderen iets Dan is dat bewezen, dat u niet 2515 De waarheid bent, luid nog stil; En hierop antwoordt die spreken wil!” Toen sprak Maria tot haar zoon: “Lieve kind, waarvan is deze hoon En deze schalksheid de duivel aangekomen, 2520 Dat ze zoveel schalksheid om dit verdoemen Bedenken, om te verderven het mensen volk? Maar de duivel, zoals men hier ziet, Weet wel dat het de onzalige troost is Gezellen te hebben, denk ik, door dit 2525 In hun armoede, om hen dat te wreken; Zoon, nu wil ik hier tegen spreken; Want dat waar is, dat u voor nu Deze woorden sprak, zeg ik u; Maar een andere letter spreekt voort, 2530 En hierop aldus antwoord, Die zegt, dat valsheid en schalksheid Niemand mogen behoeden mede, Daar men met recht voort zal gaan; Want de duivel, zonder waan, 2535 Daar deze voor komt, die raden Adam En Eva mede, dat ze namen De appel, die verboden was Want in het boek staat na dat, Daar hij deze woorden uittrok, 2540 Dat een serpent tot Eva sprak En tot Adam, die deze dief Deze procureur in zijn brief Valselijk verzwijgt voor u, En dit waren die woorden, nu zie, 2545 Die hij Eva liet verstaan: Eet u deze vrucht, gij zal gelijk Zoals uw meester wezen geschapen mede. Van deze leugen en valsheden Dat dit serpent doen deed de man, 2550 Al bij de duivels raad dan, Zo willen die vijanden de mens wroegen; Maar vanwege deze onbetamelijkheid En ook om dit punt zo wil ik ter stede De mens te rechte behoeden mede”. 2555 De vijand zag hem bespot zeer Van zo’n antwoord en zei: “Heer, Heer rechter, deze voorsprekeres Meent aldus te ontgaan mijn les; Maar niet aldus; want, Vader, daar staat 2560 Beschreven: daar een openbare misdaad 26 Gebeurt, de echte rechter nochtans, Al wroegt niemand de schuldige man, Hij is schuldig voort te varen Met zijn heerlijkheid, en niet te sparen 2565 Met de misdaad en met de pijnen mede Al is het zaak, dat de voorspraak zei, Dat men mij niet schuldig te horen is, Dat ik nochtans niet belij dis, Men zal me antwoordden van deze, 2570 En al was het zo niet, nochtans zou wezen Schuldig de rechter voort te gaan Met zijn heerlijkheid, naar mijn waan; Waarom, want u bent het gerecht, Dus wil ik dan zien, nu en echt, 2575 Of uw naam volgt die, Want ik wil zwijgen en aanzien Uw heerlijkheid hieraan voorwaar; Want de misdaad is openbaar En behoeft geen bewijs dan 2580 En daaraan is geen twijfel aan, De mens brak dat gebod gereed; Nu zal ik zien uw heerlijkheid, En mede dat ik geen partij Houden mag tegen Maria, 2585 Zo roep ik alhier aan ter stede Uw edele heerlijkheid”. Nu werd bang de moeder God Want ze ontzag haar dit gebod, Dat de gerechtigheid zou gaan 2590 Hun lieve zoon overdwars gelijk Als van heerlijkheid en van gerechtigheid niet, En wordt wenend over dat menselijke volk En scheurde haar klederen van de borst dan “Zie”, sprak ze de zoon nu aan, 2595 “Het lichaam, dat u droeg gereed, En de borsten, die u zoogde mede, Nu zie die u schenden diegene En bespuwen en kruisigden algemeen, Hij roept uw heerlijkheid aan hier; 2600 Alzo zoals zegt deze onguur Zo zal dat van uw wil uitgaan Niet van de geest, zonder waan; En bid ook mede daartegen u Of doe uit het boek mij 2605 Des levens; want geen recht Wijst dat u nu en echt Voort zal gaan met heerlijkheden Maar als dat aanhoort uw gerechtigheden. Nu zal ik zien wie u te voren 2610 Beter zal geloven en horen Of uw moeder of de verrader”. Dus wordt de Zoon uit de Vader Bewogen, daar hij zijn moeder zag aan Zo vrouwelijk wenen en sprak dan 2615 De vijand aan in dat pleit: “Ik ontzeg u gelijk mijn heerlijkheid”. De vijand sprak toen: “vlees en bloed Heeft u aangeraden, dat gij dit doet En niet de hemelse gerechtigheid; 2620 Ik had dat wel te voren gezegd, Dat het me erg zwaar zou wezen, Te hebben de rechter zijn moeder in deze Tegen mij nu tot een advocaat”. Toen sprak Maria: “u vuil kwaad, 2625 Wil u iets meer hiertoe verzinnen?” Hij sprak: “ik wil nu eerst beginnen Uit het Evangelie ook mee En uit de Schrifturen van de Wet En zal de rede volgen mede 2630 Vanwege alle gerechtigheid. Eerst zeg ik, dat ‘t recht, Dat goddelijk hier is gekomen echt, Dat ze daarin leren de rechters dan Als hem een twist komt aan, 2635 Tussen personen in erfelijkheden, En van anderen dingen, in dat scheiden, De echte rechter zal scheiden al geheel Algemene dingen en geven zijn deel Elk; want algemene dingen 2640 Brengen grote twist in zonderheid, Want de Schrift der Waarheid fijn Verkondigt mij en de gezellen van mij, Dat wij vorsten der wereld zijn vrij; Nochtans zeg ik dat niet omdat, 2645 U heeft daar wel een deeltje aan, U, almachtige God, nochtans, Ja, een deeltje alzo groot gezegd Als een mosterdzaadje in een mud gelegd; En daarom dat, vanwege deze twee woorden 2650 Mijn en dijn, zoals men het hoorde, Een twist dagelijks rijzen mocht Tussen u en mij hard, Almachtige God en uw moeder mee, De voorspraak der wereld is gezet, 27 2655 Zo begeer ik, vanwege uw gerechtigheid, Dat mijn deel wordt gescheiden mede, En alzo dat dan de mijne, Dat zijn de zonden tot mijn pijnen Tot mijn recht behoren toe, 2660 En die weldaad blijft u alzo; Dit mag ontzeggen een rechter geen, Ik laat wegen nu dit alleen Die alle recht heeft gemaakt dan”. De Zoon sprak de moeder aan: 2665 “Voorsprekeres der wereld, antwoord” Toen zei Onze Vrouwe dit woord: “Dat hij eist heeft hij een weg, Hij eist gerecht van wegen Dat lang voor nu gedaan is; 2670 En gedenkt u niet, zoon, dit Dat gij dat alles hebt verdaan Al daar ge aan het kruis hing, Als deugd der wereld in de waag En aan de andere zijde, op de ander schaal, 2675 Hing de moordenaar, hoe zo dat gaat, Alle zonde der wereld; dat verstaat, Zoon, dat ik u toen aanzag Met droevig hart, op die dag, En met wenende ogen mede; 2680 Daar werd gewogen terzelfder plaats Met een effen schalen de deugd, En de kwaadheid niet verhoogt, En u, die was de deugd gereed Overwon daar alle kwaadheid, 2685 Alzo dat u neder gedaald is daar Tot de hel om de zielen voorwaar, En trekken daaruit die ellendige; En als dan zo’n waag blijft, Die voor de hele wereld feestelijk 2690 Gedaan was, en ook hogelijk, Op de berg van Calvarië eer, Dan wil ik wegen nimmer meer; Maar ik hou me aan dat alleen, En wil ander gewicht nee geen”. 2695 Die procureur werd bang daar zeer, En gaf uit een vreeslijk geblèr, En sprak: “tot nog zo hebben wij Biezen gestrooid, en daarbij Zo wil ik trekken ten ergste gelijk; 2700 Ik zie me nu alleen hier staan, Als een procureur ik nu begeer Van recht wegen in mijn verweer, Een advocaat of twee, deze dag, Die men me niet weigeren mag; 2705 En daartoe zo beken ik deze beide Gerechtigheid en Waarheid”. Onze Vrouwe sprak: “neem die ge wil” Hierom verwonderde menigvuldig De engelen, en ontzagen mede 2710 Zijn schalksheid en zeiden ter plaatse: “Koningin van Hemelrijk En ook mede van aardrijk, Met grote eer zo mag u nu Advocaten nemen tot u”. 2715 En ze hoorde de raad daarbij; Ze zei toen: “zo kies ik tot mij Ontferming en Vrede”. Dus werd het hier een geding ter plaatse. |
Hoe Gerechtecheit ende Waerheit degedingeden tegen Ontfermecheit ende Vrede. Nu wort hier voert een gedinge 2720 Onder desen vieren sonderlinge; Want doe zy dus waren ontfaen, So es Ontfermhertecheit opgestaen Alse te helpene der menscheit; Ende daertegen stont op Gerechtecheit 2725 Ende Waerheit mede, ende toende ende zeiden Dat men den sondaer zonder beiden Doemen soude al ongespaert. Ontfermhertecheit antworde ter vaert: “Ende of zi goet werden mochten 1730 Ende hem namaels dan bedochten, So zouden zy geroepen werden dan?” Gerechtecheit antworde nochtan: “So en zal se God niet ontfaen Noch en mach; want sonder waen 2735 Die quade en soude hy sparen niet”. Ontfermhertecheit sprack: “Nu besiet, Ende ofte God spaerde nyemanne dan, So en hadde hy nember meer goeden man”. Gerechtecheit antworde: “ick niet en mach, 2740 Noch en mach op genen dach, Aensien die boesheit van aertrike”. Ontfermhertecheit antworde desen gelike, Die gracie Godes soude overvloyen Te vergevene alle vernoyen. 28 2745 Doe God sach dese menechfoude dingen Es hy geseten te desen gedinge; Want dese twee niet overeen En mogen comen, als dat wel sceen; Hy sprack: “het es gescreven overal 2750 Dat God [die] Ontfermechede sal Entie Gerechtecheit te gader minnen; Gerechtecheit wil dat in allen zinnen, Dat men alle sonden wreke [gelike], Ende Ontfermecheit oeck zekerlike 2755 Wil, dat alle dinge zijn vergeven, Ende dese twee en mogen te gader niet leven; Hierombe in enen deele die sonden Van den menschen zullen ter stonden, Overmids der gerechtichede, 2760 Some gedoemet werden mede; Ende overmids die grote Ontfermecheit Sal die sonde oeck weder gereit In enen dele werden verlaten; Gerechtecheit wil eer niet maten, 2765 Si en comet in des menschen herte, Ende roepet hem met groter begerte Ende wroeget hem al dat zy mach”. Doe Ontfermhertecheit dit gesach, Wederstont zy dit wel zeer, 2770 Ende zeide aldus voer Onsen Heer: “Vader, du dades ons verstaen, Doe du die menscheit haddes ontfaen, Wie dat gedoept ende gelovech waer, Ende gebichtet oeck daernaer, 2775 Dat die behouden souden bliven; Wildy dat nu wederscryven?” Onse Here sprack: “noch laet ik dat also”. Des was Ontfermhertecheit wel vro, Ende sprack tegen die Gerechtecheit, 2780 Ende mede tegen die Waerheit. Dat waer onrecht, zeide onse voersprake, Dat also edele creature gebrake, Entie gemaket waren na den live Hoers scheppers, dat die verloren bliven; 2785 Want daerombe makede hy hem van minnen Ombe dat hy Hem kende soude hy dan Ende als hy Hem kende soude hy dan Hem mynnen, ende daerna voertan Zoude hy Zijns vry gebrukech wesen. 2790 Al was dat die Inglen voerdesen Mesdaden, die hadden gebot negene Nochtan mesdaden zy met allen gemene Daerombe hebben zy haer verdiente daerby Maer die mensche, al verbrack hy 2795 Dat gebot, ende wort hy sterflijck iet, Daerombe en sal sekerlijck niet Achter bliven dat die prophete Zeghet aldus in enen behete: Die sone en zal niet dragen 2800 Die quaetheit des vaders noch gewagen, Ende God en sal oeck niet vergeten Terbarmene; dat is beheten. Oeck spreket een prophete meer, Op wat uren dat die sondaer 2805 Versuchtet ombe sijn sonden zere, Ick en wil haer gedenken nembermere; Ende David doet oeck mede gewis, Want die tijt van ontfermecheden is Gekomen nu totten menschen in scine, 2810 Ende hy hevet gedoget menege pine Vor sine sonde; want in dat sweet Van sinen ansichte moest hy gereet Sijn broet eten sonder waen”. Na desen woerden es opgestaen 2815 Die Vrede, ende sprack, alse die fiere, Sine suster an in deser maniere, Gerechtichede ende Waerhede mede Ende die Ontfermhertechede: “Hoert, myne suster, hierover al 2820 Wat ick hiertoe zeggen sal, Ende gelovet my, die es een bant Der enecheden, ende niet den viant, Den verrader, zijt seker ende gewis, Die een bant alre quaetheit is; 2825 Want gelovet gy my, ick sal in saen Proeven, dat elcken es genoech gedaen; Want mijn suster, die Gerechtichede, Die eyschet, ombe dat die man mesdede Ongeendet, dat hy daerby 2830 Sonder ende gepinet oeck sij. Ende dit es gesciet, want diegone Onse behouder, die Godes sone, Die doet anginck overmids dan Die menscheit, die hy daer nam an, 2835 Ende hem selven daer offerde mede, Over al die menschelechede Alse te losene die ewige doet Der menscheit; ende ombe dese noet 29 So hadde mogelijck gewesen in ‘t behoeven, 2840 Dat die Ingele, die niet mogen droeven Daerombe hadden geloset mede Want die ongeende dogedichede, God ende mensche, gepineget zijn an, Ombe die ongeendeden sonden dan 2845 Dat iammer es te zeggen iu; Ombe dit so laet dy genoegen nu, Lieve suster Gerechticheit! Myne ander suster, die Waerheit, Eyschet dWoert Godes ende cracht, 2850 Die te blivene in hoere macht; Die dus zijn: op wat uren gy etet Van desen houte so suldy, wetet, Sterven; ende hieraf es genoech gedaen; Want die mensche, sonder waen, 2855 Voer der sonden so en hadde hy niet Den lichame sterflyck [iet], Ende overmids die sonde so wart hy Sterflyck ende mede daerby So wart hy tot asschen, als wy zien 2860 Dagelekes overal gescien; Want soude men pinen nu ten stonden Twivoudelick van hoeren sonden Dat waer, suster, tegen dy mede; Want du hetes Waerhede. 2865 Nu moet haer oeck genoegen laten Mijn suster Ontfermecheit ende gematen; Want God hem hevet ontfermelike Laten pinen ende oetmoedelike Ombe te behoudene den mensche voerwaer, 2870 Ende hierombe, of elk daer naer Van iu drien hier hevet ontfaen, Ende hem van rechte aen sal gaen, Dat te sinen name dan behoert, Ick, die Vrede ben, rade dan voert 2875 Wel, dat Vrede werde ter stede, Ende hierop spreket David mede, Dat die Ontfermecheit ter stat Entie Waerheit, die was tegen dat Een wedersake haer genomen, 2880 Zijn aldus te samen komen Ende droegen overeen aldaer, Ende die Gerechticheit oeck daernaer, Ende die Vrede, op dit beheet, Ende onderkusseden hem al gereet; 2885 Ende om desen vrede oeck mede Die procureere aller quaethede Is omblyde van daer gescheden, Ende bleef altoes voertan in veden Op onsen getrouwen advocaet; 2890 Ende noch al tenen die vede staet Ombe ons te brengene te haren slike; Ende hierombe souden wy gemeenlike Wy, Even kinder, aenroepen haer, Die zo krachtelike in der weer 2895 Was, ombe onse misdaet groet; Zy es onse voersprake ter noet; Ende ombe dit, edele maget vry, Dat negeen dinck so groet en sy, Gy en hebbet daer een verdingen an, 2900 So moety ons allen verdingen dan. |
Hoe Gerechtigheid en Waarheid gedingen tegen Ontferming en Vrede. Nu wordt hier voort een geding 2720 Onder deze vier bijzonderling; Want toen ze dus waren ontvangen, Zo is Ontferming opgestaan Als te helpen de mensheid; En daartegen stond op Gerechtigheid 2725 En Waarheid mede, en toonde en zeiden Dat men den zondaar zonder wachten Verdoemen zouden al ongespaard. Ontferming antwoordde ter vaart: “En als ze goed worden mochten 1730 En zich daarna dan bedachten, Zouden ze geroepen worden dan?” Gerechtigheid antwoordde nochtans: “Dan zal God ze niet ontvangen Nog kan; want zonder waan 2735 Die kwade zou hij sparen niet”. Ontferming sprak: “Nu beziet, En als God spaarde niemand dan, Dan had hij nimmer meer een goede man”. Gerechtigheid antwoordde: “ik niet mag, 2740 Nog kan op geen dag, Aanzien de boosheid van aardrijk”. Ontferming antwoordde deze gelijk, De genade Gods zou overvloeien Te vergeven alle afvallige. 28 2745 Toen God zag deze menigvuldige dingen Is hij gezeten tot dit geding; Want deze twee niet overeen Mogen komen, zoals dat wel scheen; Hij sprak: “het is geschreven overal 2750 Dat God de Ontferming zal En de Gerechtigheid tezamen beminnen; Gerechtigheid wil dat in alle zinnen, Dat men alle zonden wreekt gelijk, En Ontferming ook zekerlijk 2755 Wil dat alle dingen zijn vergeven, En deze twee mogen niet tezamen leven; Hierom zullen in een deel de zonden Van de mensen ter stonden, Vanwege de gerechtigheid, 2760 Soms verdoemd worden mede; En vanwege de grote Ontferming Zal de zonde ook weer gereed In een deel worden verlaten; Gerechtigheid wil niet eerder matigen, 2765 Ze komt in het mensen hart, En roept hem met grote begeerte En wroeging bij hem al dat ze mag”. Toen Ontferming dit zag, Weerstond ze dit wel zeer, 2770 En zei aldus voor Onze Heer: “Vader, u liet ons verstaan, Toen u de mensheid had ontvangen, Wie er gedoopt en gelovig was, En gebiecht ook daarna, 2775 Dat die behouden zouden blijven; Wil u dat nu terug schrijven?” Onze Heer sprak: “nog laat ik dat alzo”. Dus was Ontferming wel vrolijk, En sprak tegen de Gerechtigheid, 2780 En mede tegen de Waarheid. Dat was onrecht, zei onze voorspraak, Dat het alzo edele creaturen ontbrak, En die gemaakt waren naar het lijf Hun schepper, dat die verloren blijven; 2785 Want daarom maakte hij hem van minne Omdat hij Hem kende zou hij dan En als hij Hem kende zou hij dan Hem beminnen, en daarna voortaan Zou hij Zijn vrij gebruik hebben. 2790 Al was dat de engelen voor deze Misdeden, die hadden gebod nee geen Nochtans misdeden ze met allen algemeen Daarom hebben ze hun verdienste daarbij Maar de mens, al verbrak hij 2795 Dat gebod, en wordt hij sterfelijk iets, Daarom zal zeker niet Weg blijven dat de profeten Zeggen aldus in een voorspelling: De zoon zal niet dragen 2800 Die kwaadheid van de vaders nog gewagen, En God zal ook niet vergeten Te erbarmen; dat is een voorspelling. Ook spreekt een profeet meer, Op welke uren dat de zondaar 2805 Verzucht om zijn zonden zeer, Ik wil ze herdenken nimmermeer; En David doet ook mee gewis, Want die tijd van ontferming is Gekomen nu tot de mensen duidelijk, 2810 En hij heeft gedoogd menige pijn Voor zijn zonde; want in dat zweet Van zijn aanzicht moest hij gereed Zijn brood eten zonder waan” Na deze woorden is opgestaan 2815 De Vrede, en sprak als de fiere, Zijn zuster aan op deze manier, Gerechtigheid en Waarheid mede En die Ontferming: “Hoort, mijn zusters, hierover al 2820 Wat ik hiertoe zeggen zal, En geloof me, dit is een band Der eenheid, en niet de vijand, De verrader, zij het zeker en gewis, Die een band van alle kwaadheid is; 2825 Want gelooft ge mij, ik zal u gelijk Bewijzen, dat elk is genoeg gedaan; Want mijn zuster, de Gerechtigheid, Die eist, omdat de man misdeed Oneindig, zodat hij daarbij 2830 Zonder einde gepijnigd ook zij. En dit is gebeurd, want diegene Onze behouder, Gods zoon, Die de dood aanging vanwege dan De mensheid, die hij daar nam aan, 2835 En zichzelf daar opofferde mede, Voor alle menselijkheden Om te verlossen de eeuwige dood Der mensheid; en om deze nood 29 Zo had het mogelijk geweest in ‘t behoeven, 2840 Dat de engelen, die niet mogen bedroeven Daarom hadden verlost mede Want die oneindige deugdzaamheid, God en mens, gepijnigd zijn aan, Om die oneindigende zonden dan 2845 Dat jammer is te zeggen u; Om dit zo laat u vergenoegen nu, Lieve zuster Gerechtigheid! Mijn andere zuster, de Waarheid, Eist het Woord Gods en kracht, 2850 Die te blijven in haar macht; Die dus zijn: op welke uren ge eet Van dit hout zo zal ge, weet het, Sterven; en hiervan is genoeg gedaan; Want de mens, zonder waan, 2855 Voor de zonden zo had hij niet De lichamelijke sterflijkheid iets, En vanwege de zonde zo werd hij Sterflijk en mede daarbij Zo werd hij tot as, zoals we zien 2860 Dagelijks overal geschieden; Want zou men pijnigen nu ter stonden Tweevoudig van hun zonden Dat was, zuster, tegen u mede; Want u heet Waarheid. 2865 Nu moet zich ook vergenoegen laten Mijn zuster Ontferming en matigen; Want God heeft zich ontfermelijk Laten pijnigen en ootmoedig Om te behouden de mens voorwaar, 2870 En hierom, of elk daarnaar Van u drieën hier heeft ontvangen, En hem van recht aan zal gaan, Dat tot zijn naam dan behoort, Ik, die Vrede ben, raadt dan voort 2875 Wel, dat het Vrede wordt ter stede, En hierop spreekt David mede, Dat die Ontferming ter plaatse En de Waarheid, die was tegen dat Een tegenstander haar genomen, 2880 Zijn aldus tezamen gekomen En kwamen overeen aldaar, En de Gerechtigheid ook daarnaar, En de Vrede, op dit zeggen, En kusten zich al gereed; 2885 En om deze vrede ook mede De procureur aller kwaadheden Is droevig vandaar gescheiden, En bleef altijd voortaan in vete Op onze trouwe advocaat; 2890 En nog geheel tot de vete staat Om ons te brengen tot haar slijk; En hierom zouden we algemeen Wij, Eva‘s kinderen, aanroepen haar, Die zo krachtig in de weer 2895 Was om onze misdaad groot; Zij is onze voorspraak ter nood; En om dit, edele maagd vrij, Dat geen ding zo groot zij, Gij hebt daar een verdienste aan, 2900 Zo moet u ons allen vrij pleiten dan. |
http://www.dbnl.org/tekst/wink002ontw01_01/wink002ontw01_01_0024.htm (1913) Dit Satansproces, Merlijn vs. 2013-2901, komt niet in het Fransch voor, maar is door Maerlant ingelascht en ontleend aan eene der verschillende Latijnsche Satansprocessen, die in de middeleeuwen zeer geliefd waren, en waarover ik uitvoerig handelde in het Tijdschrift voor Ned. taal en lett. I (1881) bl. 347-354. Later schreef daarover nog G. Huet in Tijdschrift XXVIII (1909), bl. 262-273. Het is te kort en, evenals het geheele HS. van den Merlijn, te veel door de afschrijvers bedorven, om aan J. Franck het recht te geven, alleen op grond van de taal aan Maerlant het auteurschap er van te ontzeggen. Behalve dit Satansproces bezitten wij nog een ander van 1351 verzen en van denzelfden inhoud, maar uitvoeriger en op geheel andere wijze bewerkt naar een wat afwijkend origineel, en dus niet van Maerlant. Het is onder den titel Maskeroen naar een Oxfordsch HS. uitg. door F.A. Snellaert in de Nederlandsche Gedichten uit de veertiende eeuw van Jan Boendale, Hein van Aken en anderen, Brussel 1869 bl. 493-538. Maskaroen (spotter) is een woord van Arabischen oorsprong. ‘t Arab. maschara (hofnar, grappenmaker) is gevormd van ‘t werkwoord sashira (bespotten). |
Hoe die Duvele visierden, hoe zy enen man mochten maken. Alse Masceroen ter Hellen komen es, Ende zy die waerheit weten des, Dat hy den pleit hevet verloren, Hadden zy des alle groten toren 2905 Ende visierden enen anderen raet. Doe zeide een Duvel herde quaet: “Mochten wy enen man gemaken, Ende hy dan konde al onse zaken, Also alse wy macht hebben des, 2910 Dat wy wel weten dat geleden es; Hadden wy dergelijcke enen man, Ende die metten lieden waer dan, Ende die dan zeide sonder liegen Dat gesciet es, hy zoude bedriegen 2915 Vele liede ende verraden, Als ons die propheten daden, Doe zy spraken van Onsen Heer, Ende wy des en wisten min no meer; Aldus zoude diegone weten 2920 Alle die dinge die zijn vergeten, Ende waer dat hy dit vertelde, Menech waer die hem daeran helde”. “Proevet”, zeiden zy, “wat groter vromen Ons van hem mochte komen 2925 Die sulken man mochte maken, Men zoude geloven al zijnre zaken Ware t dat hy waer, sonder waen”. Doe sprack een ander Duvel saen: 30 “Ick hebbe die macht van desen zaken, 2930 Dat ick wiven mach genaken; Had ick se te minen wille Ick weet ene, die lude ende stille Gaerne doet al mijn gevoech”. “Al waerdy niet, men vinter genoech 2935 Die nemen konnen mans gelijcke Ende wandelen met vrouwen hemelike Maer men moet hemelike konnen”. Aldus hebben zy des nu begonnen Enen man te makene, die al 2940 Hoer behendecheit leren sal Ander lieden achter lande. Sy meenden, dat dit God niet en kande. Aldus so quam die Duvel an, Te maken alsoe enen man 2945 Die zynen zin ende sine natuer Weten zoude wel ter kuer Ombe krigene Godes hantgewerke. Nu proeve ick wel ende merke, Dat zy waren herde zot, 2950 Zy en dachten niet dat God Haer saken al vernam. Nu mogewy zijn herde gram Dat dus krancke dinck ons hoent. Alse die Duvele dus hadden gecroent, 2955 Leiden zy daeran hoer gedochte. Die gone die zeide, dat hy mochte Met wyven doen al zynen wille, Makede hem enwech herde stille, 2960 Te sinen wille al te hant; Van allen dingen die zy helt, Gaf zy den Duvele die ene helt; Hoer man die en was niet daer, Die rike was, dat es emmer waer, 2965 Van lande ende van groter have Was hy riker dan menich Grave; Drie dochter hadde hy ende enen sone; By der vrouwen hadde hy degone, Daer Sathanas an hadde sijn deel, 2970 Sathanas [en] pensede ombe geen heel Maer ombe der vrouwen scade. Doe quam hi te haren rade, Ende vragede, hoe hy honen mochte Haren man. Ene wile zy dochte, 2975 Doe zeide hy: “du zalten vererren, Dat zaltu wel doen sonder merren, Hy en sals hem niewet hoeden, Hy en sal hem moyen ende verwoeden, Nemestu dat ick dy op gaff”. 2980 Doe keerde Sathanas daer af, Ende ginck aen des mannes quickgenoet, Ende sloeges hem herde vele doet. Alse die herden dat versagen, Hoe hoer beesten doet lagen, 2985 Hadden zy des wonder, ende zeident den heer; Doe wart hy hem moyende herde zeer, Ende hadde wonder wat hem waer; Den herden vragede hy des aldaer Wat den beesten waer geschiet. 2990 Zy zeiden, zy en wistens niet; Ovele behaget den manne das. Ten iersten dat dit wiste Sathanas, Dat die man dus was vererret, Was hem dat lief, ende hy en merret 2995 Niet langer, hy en dade hem scade An sinen vee, vro ende spade, Dat hy hem moyen zoude te meer, Ende hy hem tot zynen wille keer. Doe sloech hy hem tien paerde doet; 3000 Des hadde die man den rouwe so groet, Omdat zijn goet dus wert testoert, Dat hy sprack een verdomet woert, Daer hem die quaetheit toe dreef: Hy gaf den Duvele al dat daer bleef. 3005 Ten iersten doe dat die Duvel wiste, Was hy des blyde, ende en reste Hy en dreef hem noch te meerre noet: Hy sloech al zine beesten doet. Dus dede hy zine quaetheit vervullen, 3310 Ende den man wel zeer verdullen. Doe Sathanas wist dese dinck Dat hy buten allen lieden ginck, Wist hy wel dat hy volbrengen mochte Al dat hy te hemwaert dochte; 3015 Doe doede hy hem zinen zone, Daer allene sliep diegone; Des morgens als men hem vant doet Hadde die man den rouwe so groet, Dat hy al sonder hopene was, 3020 Ende zijn gelove, zijt zeker das, 31 Wart hem zere gekrencket also. Des wart die Duvel herde vro, Want hy den man hadde gevaen, Dat hy hem niet en konste ontgaen. 3025 Rechte doe dit al was gesciet, Ginck hy tot haer die dat al geriet, Ende dadeze staen op ene kiste; Ene line dade hy haer, met liste, Aan den balken vaste knopen, 3030 Enen strick, die toe mochte lopen, Dade hy aen haer kele dwingen, Ende dadese van der kisten springen. Aldus soe bleef dat wijf verdaen. Doe die man dit hadde verstaen, 3035 Ende hy verloren hadde zijn goet, Wijf, ende kint, doe wart zijn moet So bedroevet ende so gram, Dat hem toe een ziecheit quam, Daer hy af starf van rouwen. 3040 Aldus, so moget gy my vertrouwen, Hevet die Duvel man ende kint, Die hy te sinen dienste vint. Sathanas was blyde van der daet. Doe visierde hy enen nuwen raet, 3045 Want daer waren dochteren drie, Hoe hy geroven mochte die; Hy wiste wel, zoude hy se honen, Hy moste se waer mede sconen, Ende mede oeck hoers willen doen. 3050 Daer was een scone gartsoen Die vele zines willen dede, Dien leide Sathanas totter stede, Aldaer die joncfrouwen doe saten. Die ene vryede hy wtermaten 3055 Ende bat haer vele ende loech, So lange dat hy se bedroech, Ende sy dede dat hy haer bat; Entie Duvel was vro ombe dat; Ende als hy enige dinck voldrivet, 3060 Hy en wil niet dat verholen blivet; Opdat hy des te boven zij, Hy wil verre ende oeck by, Dat dat werde maer achterlande Ombe te merene des menschen scande. 3065 Dus openbaerde hy daer hoer zonden. Dat was zede in dien stonden, So wat wyve so misdede, Sy en waer gemene in elker stede, Dat zy verboert hadde hoer lijf. 3070 Ten iersten wort dat kondech onder die wijf So lange dat dat quam vor dat gerechte; Doe so quamen des rechters knechte, Ende hebben dat jonge wijf gevangen, Maer die knape es hem ontgangen; 3075 Doe wort sy brocht vor die man; Sere hem des erbarmen began, Want zy hoeren vader kinden Dien zy alle sere minden, Ende zeiden: “ziet hier vremde dinck, 3085 Hoe dat desen goeden manne mesginck, Die des iongen wives vader was, Niet vorlanck en was noch das, Dat men binnen desen lande Negenen rikeren man en kande; 3085 Nu hevetsy verboert dat leven; Maer doer haer goede neven Sal mense graven hemelike. Dat hem God bezwike Sathanas den Duvel! Hy onteert 3090 Aldus diegone die hy verkeert. Nu was een heilich man in dat lant Die dese dinck al ondervant, Hy troestede die joncfrouwen, Die hy vant in groten rouwen, 3095 Ombe hoer sonderlinge mesval. Hy ondervragede die saken al Beide van vader ende van moeder Ende oeck van hoeren broeder, Ende hoer suster ongeval. 3100 Zy zeiden: “Wy en konnen dat al Gemerken, hoe dat ons gevalt”. “Dat es rechte dulleke gekalt”, Antworde daerop die goede man, “Want God nyeman haten en kan; 3105 Hem es leet, dat ieman hemselven slaet, Ende zijt des seker, dat dit quaet Van groten sonden es gesciet; Ende van uwer suster dat verdriet Wiste gy iet dat gesciede also”? 3110 “Also make ons Jhesus vro Alse wy des en wisten min no meer”. Doe antworde die goede heer: 32 “Hoedet in van zondeleken daden, Zy brengen den mensche in scaden 3115 Ende doen hem lasterleke sterven; Want die altoes ombe zonden werven, Sterven gaerne quader doet”. Die goede man zeide hem ende geboet Menech goet woert, sonder waen, 3120 Opdat zy dat wel wouden verstaen. Die oudste zuster hoerde daer wel naer; Entie goede man, dat is waer, Sprack hem vele van Onsen Heer, Entie oudste pijnde hoer zeer 3125 Ombe te doene dat hy haer vraechde. Hy sprack: “wildy geloven, maechde, Daeraen, dat ick iu sal leren, Ick sal iu minnen tot uwer eren, Noch iu en geschiet nemmer die noet, 3130 Nochte zake gene zo groet. Nu en mistroestet iu niet so zeer By der hulpen van Onsen Heer, Ick sal iu herde wel beraden, Doet dit, dat en sal iu niet scaden 3135 Want ick en wone hier niet verre Doet, gy en werdet des nemmer erre”. Ten iersten dat hy ze hadde gewiset Enten gelove aldus gepriset, So ginck die goede man van daen. 3140 Die oudste hilt haer vast daer aen; Zy hielt haer aen den predicaer Al zijn doen bequam wael haer. Ende als die Duvel dit vernam Wort hy des wtermaten gram 3145 Want hy meende se hebben verloren; Al leide hy hoer iet te voren, Hy ontsach dat dat niet en diede, Dat en waer of dat enech wijf beriede; Nu hadde hy ene, die zine sagen 3150 Dicke wile hadden gedragen, Dier zeide hy dit te gener stede. Nu hoert wat die quene dede: Si nam die ionge tenen rade Ende vragede haer wat zy dade, 3155 Ende of zy der suster iet hadde waert. Si antworde doe ter vaert: “Ick wane, ick goedes rades behoeve, Mijn suster is altenen droeve, Ende so gram ende so zuer 3160 Ombe onse quade aventuer, Dat ick des hebbe groet ongemack. Een man, die tot haer sprack Van Gode, die hevetse soe bekeert, Dat zy doet dat hy haer leert”. 3165 Die quene sprack: “also lange Als ghy zijt in hoeren bedwange, So en gesciet iu nimmermeer vrome Van lichame, hoe dat kome; Maer mochty die lustecheit bekinnen, 3170 Die die vrouwen hebben als zy minnen, Gy zoudet luttel prysen dat goet; Hadde gy die lustecheit in uwen moet, Die komet van mannen, zegge ick iu, Gy zoudet daerby vervrouwen nu. 3175 Wat es scoenre ende soeter dan minne? Dit zegge ick doer iu, vriendinne, Al hadde gy aldus dese werelt groet, Nochtan voerdy bet waerdy doet, Gy en wetet niet wat blyscap zij, 3180 Ende ick sal iu seggen waerby: Iu suster es ouder dan gy zijt, Ende zy sal t eerst doen hoer delijt, Aldus zy dat iu verbieden sal, Ende sal uwes vergeten al; 3185 Dus zuldy van uwen sconen live Die blyscap verliesen, keytive!” Si zeide doe: “ick en dorst niet ane gaen Dat gy my hier nu doet verstaen, Mijn suster bleve daerombe doet”. 3190 “Iu suster doet nu domheit groet Ende zi hevet nu quaden rat; Gy sult doen dat daertoe staet, Ende doen al dat iu lijf begeert, Ende zijt der doet al onverveert”. 3195 “Ick en weet niet”, zeide zy, “van desen treken, Ende en dar iu nu niet meer spreken Ombe myne suster; nu gaet henen”, Zeide die maget totter quenen, “Maer anderwerf als gy hier komet, So moochdy my spreken dat iu vromet”. Alse dit wiste die Duvel al, Was hy vro ende wiste wal Te zinen wille hebben diegene; Als en wech was die quene 33 3205 Pensede hy ombe hoer tale; Die Duvel merkede dat gene wale, Dat zy beroert was te zinen wille; Ende daer zy allene was stille, Sprack zy daeraf in hoeren zin; 3210 Ende doe stack hy dat hoer noch vaster in. Te hant daerna, eens avents spade, Zat zy in hoere kemenade Ende besach hoer scone lede, Ende zeide: “ia, es dat waerhede 3215 Dat my zeide dat vroede wijf, Verloren is mijn schone lijf”. Dat oude wijf dede zy halen Zy zeide te hant: “van uwer talen Weet ick die waerheit al gemene; 3220 Mijn suster gevet ombe my wel clene”. Die quene zeide: “dat wiste ick wal, Zy zoude iu noch haten al, Hadde zy hoers willen bet een deel, Wy en zijn gemaket ombe geen heel 3225 Dan ombe te hebbene man”. Die ander zeide: “ick quame daer an Maer dat ick ontsie die doet”. Die quene zeide: “cleine no groet En dorvet gy die doet ontsien, 3230 Maer wildy uwe suster vlien, Wildy, ick zegge iu wat gy doet”. Die ander zeide: “wat iu dunket goet Wil ick doen, groet ende clene”. Die quene sprack: “so zijt gemene 3235 Allen mannen zonder merre Ende vliet dan uwer suster verre; Dus moechdy doen dat gy begeert, Ende niet en zijt der doet verveert, Dat men iu daerombe doet enige ande, 3240 Dus zijt gy buyten uwer suster bande Nochtan sal wel na desen Een goet man blyde wesen Iu te trouwene doer iu goet. Lieve minne, aldus soe doet, 3245 So hebdy uwen wille al”. Die ander zeide: “ende ick sal”, Ende vloe van hoere suster dan Ende wort gemene allen man By den rade van der quene. 3250 Vro was die Duvel ombe datgene Dat zy aldus was gevaen. Alse dit die oudste hevet verstaen Ginck sy te hant totten goeden man, Die ze te voren leren began, 3255 Sere droevich. Doe hy ze sach, Vragede hy wat hoer wesen mach, Hem ontfermede van hoeren rouwe Ende sprack: “zegent u, joncfrouwe, Ende bevelet iu Onsen Heer, 3260 Gy zijt beweget herde zeer”. “Dat es recht, dat ick hebbe toren”, Zeide zy, “want ick hebbe verloren Mine suster, want zy es gemene Allen mannen, groet ende clene”. 3265 Doe zy dit sprack, doe wort hy erre, Hy zeide: “ick wane, die Duyvel merre Noch onder iu, dat doncket my, Ende hy en laet iu nemmer vry Eer gy gehoent zijt alle gader, 3270 Ons en helpe Jhesus, Onse Vader!” “Ach, Here!” zeide zy, “helpet my bevroeden Hoe dane wys ick my sal hoeden: Van den Duyvele hebbick groten vaer”. Die Here zeide: “ick zegge dy waer, 3275 Wiltu volgen al mijnre tale, Ick sal dy behoeden wale”. “Ia ick”, zeide zy, “altenen gader”. “Gelovestu dan aen den Vader, Aen den Sone, aen den heilgen Geest, 3280 Ende daeraen oeck alre meest, Dat een God zijn dese drie, Ende dat die zone ombe dy, Ende ombe ons allen gemeenlike, Hier neder quam op aertrike 3285 Ombe dat hy ons soude behouden, Ende alle die hem dienen wouden, Ende an die gebode der heilger kerken, Ende dat hy papen ende clerken In aertrike hevet gelaten 3290 Die ons wisen ter rechter straten; - Wiltu hieran geloven al?” “Ia ick, Here, groet ende smal; Alzo gewaerlick als ick gelove Bidde ick Gode, dat hy my rove 3295 Van Sathanas behendecheit”. Die Here sprack: “dit es wel gezeit, 34 Ende ick bidde iu tot alre hoede Dat gy iu hoedet van tornen moede, Ende gy niet gram slapen en gaet; 3300 Want dat es dinck, daer sijn baraet Die Duyvele vele in gewint, Alse hy die liede toernech vint. Hierombe hoededy alstu bist erre, Dattu my zoekes, ick en ben niet verre 3305 So wat moyenesse dattu heves Zie, dattu dy sculdech geves Gode ende sinen vrinden toe Ende my priester, ende dan doe Alstu gaes slapen ende opstaes 3310 Dattu een cruce vordy slaes In die ere der Drievoudecheit, In die ere des cruces, daer Cristus menscheit Ane starf omb onse noet, Ombe ons te losene van der doet; 3315 Doestu dit, in gener staden So en machdy die Duyvel niet scaden; Daer du sals slapen, daer hout lecht, Die Duyvel hatet dat, ick zegget dy echt, Want hy scuwet die claerheit zeer. 3320 Doe dese dinck, wat zuldy meer?” Aldus leerdese die goede man; Herde sorge leide hy daran, Datse die Duyvel niet en soude scenden; Doe liet hy haer des genenden 3325 Dat zy te huys doch dorste keren; Zy zette haer totten dienste Onses Heren. Oetmoedech was zy jegen die armen, Goeden lieden began des ontbarmen, Ende zeiden aldus totter joncfrouwe: 3330 “Dat gy drivet dus groten rouwe Omb uwen vader, omb uwe moeder, Omb uwe suster, omb uwen broeder, Die gy oevele hebbet verloren; God late iu goeden raet verhoren: 3335 Gy hebbet noch so scone goet, Menich goet man set sinen moet Ombe iu te wive te ontfane; God brenge iu ten besten daer ane”. Aldus twesten zy zo menich werf. 3340 “God geve my dat my bederf!” Sprack die joncfrouw dan daer naer. Aldus was zy wel twe iaer, Datze die Duyvel niet mochte scenden Noch in genen sonden venden; 3345 Dat was hem wtermaten leet, Hy wiste oeck dat wel gereet, Dat hy ze daer af oeck niet en keerde Van dat haer hoer biechter leerde. Hy en mochte se gemaken gram. 3350 Met dien hy haer suster nam, Ende bracht ze op enen saterdach Daer die ander toe gesach, Ombe dat hy se woude toernen doen; Haer volghede menich quaet gartsoen, 3355 Dat en was den avende niet verre. Als sy ze sach, wort zy erre; Zy sprack: “also lange als gy dit leven, Suster, niet en willet begeven, So en komet niet meer te deser stede, 3360 Gy doet my daer lachter mede, Des ick wael ontberen mochte”. Die ander zeide, dat zy dochte, Alse daer die Duyvel rastede in: “Gy zijt erger dan ick bin; 3365 Iu confessoer es iu poytier, Wistet dat volck dat wonet hier, Gy zout daerombe ontlivet wesen”. Die ander wart toernech van desen, Alszy haer zeide desen orlof. 3370 “Suster”, zeide zy, “rumet minen hof!” “Ick en rumet niet, also wel es dat mijn”, Sprack die ander nu, “alse dijn”. Doe woude zy se wtstoten met crachte Die ander wort haer herde onsachte, 3375 Ende die portier sprongen se ane Ende meshandeldense met slane; Die ionckfrouwe, eer zy hem ontbrack; Hier af quam haer groet ongemack. Ombe dit was die Duyvel vroe. 3380 Ten iersten dat die ioncfrouwe ontfloe, Liepsy in die kamer vaste, Ende sloet die dore tegen die gaste. Haer cnape ende haer ioncwijf, zy twe, Waren in den huis ende niet mee; 3385 Doer hen en lieten die ander niet, Zy en daden ze dat hem riet Die Duyvel, hoer leidsman, Die hem al quaetheit brachte an. Oeck en liet die joncfrouwe niet, 3395 Zy en dogede allene haer verdriet, 35 Ende lach op haer bedde in haeren clede Ende wenede zere, ende gerede Alsse die Duyvel dus sach allene Sere vererret ende in wene, 3395 Ende nacht was, doe sprack sijn raet Datsy waer wel begaet; Zy gedachte hoerre moeder Ende hoers vader ende hoers broeder Ende daertoe hoerre suster beide; 3400 Zy weende van rouwe ende van leide, Sodat zy al te male vergat Te doene, dat haer die here bat, Hoer confessoer, dat hi hoer beval. Dit soe merkede die Duyvel al 3405 Ende was wtermaten blyde; Hy sprack: “nu en leest zy hoer getyde, Zy es buyten der hoede van onsen Heer Ende buyten hoeres meesters leer”. In deser quaetheit wort zi in slape alsoe, 3410 Dat zy haer niet en zegende doe; Doe zeide die Duyvel: “nu mach men daeran Herde wael maken onsen man”. |
Hoe de duivels versierden hoe ze een man konden maken. Toen Masceroen ter hel gekomen is, En ze de waarheid weten dus, Dat hij het pleit heeft verloren, Hadden zij dus alle grote toorn 2905 En bedachten een andere raad. Toen zei een duivel zeer kwaad: “Mochten we een man maken, En hij dan kon al onze zaken, Alzo als we macht hebben dit, 2910 Dat we goed weten wat geleden is; Hadden we dergelijke man, En die met de lieden was dan, En die dan zei zonder liegen Dat gebeurd is, hij zou bedriegen 2915 Veel lieden en verraden, Zoals bij ons die profeten deden, Toen ze spraken van Onze Heer, En ze dus wisten min of meer; Aldus zou diegene weten 2920 Alle dingen die zijn vergeten, En waar dat hij dit vertelde, Menige was er die zich daaraan hield”. “Bewijs het”, zeiden zij, “welke groot voordeel Ons van hem mocht komen 2925 Die zo’n man mocht maken, Men zou geloven al zijn zaken Waar dat hij was, zonder waan”. Toen sprak een andere duivel gelijk: 30 “Ik heb de macht van deze zaken, 2930 Dat ik vrouwen mag genaken; Had ik ze tot mijn wil Ik weet er een, die luid en stil Graag doet al mijn gevoeg”. “Al was ge er niet, men vindt er genoeg 2935 Die nemen kunnen mans gelijke En wandelen met vrouwen vertrouwelijk Maar men moet vertrouwelijk kunnen”. Aldus zijn ze dus nu begonnen Een man te maken, die al 2940 Hun handigheid leren zal Aan de lieden in achter landen. Ze meenden, dat dit God niet kon. Aldus zo kwam de duivel aan, Te maken alzo een man 2945 Die zijn geest en zijn natuur Weten zou goed ter keur Om te krijgen Gods schepping. Nu bewijs ik wel en merk, Dat ze waren erg zot, 2950 Ze dachten niet dat God Hun zaken al vernam. Nu mogen we zijn erg gram Dat dusdanig zwak ding ons hoont. Zoals de duivel aldus had gekreund, 2955 Legden ze daaraan hun gedachte. Diegene die zei, dat hij mocht Met vrouwen doen al zijn wil, Maakte zich weg zeer stil, 2960 Tot zijn wil al gelijk; Van alle dingen die ze hield, Gaf ze de duivel de ene helft; Haar man die was niet daar, Die rijk was, dat is immer waar, 2965 Van land en van grote have Was hij rijker dan menige graaf; Drie dochters had hij en een zoon; Bij de vrouw had hij diegene, Daar Satan aan had zijn deel, 2970 Satan dacht om geen geheel Maar om de vrouw te schaden. Toen kwam hij tot haar te raad, En vroeg, hoe hij honen mocht Haar man. Een tijdje ze dacht, 2975 Toen zei hij: “u zal hem vertoornen, Dat zal u wel doen zonder dralen, Hij zal zich niet behoeden, Hij zal zich vermoeien en verwoeden, Neemt u dat ik u op gaf”. 2980 Toen keerde Satan daar van, En ging aan de mans echtgenoot, En sloeg bij hem erg veel dood. Toen de herders dat zagen, Hoe hun beesten dood lagen, 2985 Hadden ze zich verwonderd, en zeiden het de heer; Toen werd het hem vermoeiend erg zeer, En verwonderde zich wat hem waar; De herders vroeg hij dus aldaar Wat de beesten was geschied. 2990 Ze zeiden, ze wisten het niet; Euvel behaagde de man dat. Ten eerste dat dit wist Satan, Dat die man dus was vertoornd Was hem dat lief, hij draalde 2995 Niet langer, hij deed hem schade Aan zijn vee, vroeg en laat, Zodat hij hem vermoeien zou te meer, En hij hem tot zijn wil keert. Toen sloeg hij hem tien paarden dood; 3000 Dus had de man de rouw zo groot, Omdat zijn goed dus werd verstoord, Dat hij sprak een verdoemd woord, Daar hem de kwaadheid toe dreef: Hij gaf de duivel alles dat er bleef. 3005 Ten eerste toen dat de duivel wist, Was hij dus blij, en rustte Hij dreef hem nog meer in nood: Hij sloeg al zijn beesten dood. Dus liet hij zijn kwaadheid vervullen, 3310 En de man wel zeer verdollen. Toen Satan wist dit ding Dat hij buiten alle perken ging, Wist hij wel dat hij volbrengen mocht Alles dat hij tot hem waart dacht; 3015 Toen doodde hij hem zijn zoon, Daar alleen sliep diegene; ‘s Morgens toen men hem vond dood Had de man de rouw zo groot, Dat hij al zonder hoop was, 3020 En zijn geloof, zij het zeker dat, 31 Werd hem zeer gekrenkt alzo. Dus werd de duivel zeer vrolijk, Want hij had de man gevangen, Zodat hij hem niet kon ontgaan. 3025 Recht toen dit alles was gebeurd, Ging hij tot haar die dat alles aanraadde, En liet haar staan op een kist; Een lijn deed hij haar, met list, Aan de balken vast knopen, 3030 Een strik, die dicht mocht lopen, Liet hij aan haar keel dwingen, En liet haar van de kist springen. Aldus zo werd die vrouw verdaan. Toen de man dit had verstaan, 3035 En hij verloren had zijn goed, Vrouw, en kind, toen werd zijn gemoed Zo bedroefd en zo gram, Dat hem een ziekte toe kwam, Daar hij van stierf van rouw. 3040 Aldus, zo mag ge mij vertrouwen, Heeft de duivel man en kind, Die hij tot zijn dienst vindt. Satan was blij van de daad. Toen versierde hij een nieuwe raad, 3045 Want daar waren dochters drie, Hoe hij roven mocht die; Hij wist goed, zou hij ze honen, Hij moest ze daarmee verschonen, En mede ook hun wil doen. 3050 Daar was een mooie schildknaap Die veel zijn wil deed, Die leidde Satan tot de plaats, Aldaar de jonkvrouwen toen zaten. De ene vrijde hij uitermate 3055 En bad haar veel en lachte, Zo lang dat hij haar bedroog, En ze deed dat hij haar bad; En de duivel was vrolijk omdat; En als hij enig ding voltooid, 3060 Hij wil niet dat het verscholen blijft; Zodat het dus te boven komt, Hij wil ver en ook nabij, Dat het wordt maar achter land Om te vermeerderen de mensen schande. 3065 Dus openbaarde hij daar haar zonden. Dat was zede in die stonden, Zo wat vrouwen zo misdeden, Dat was algemeen in elke plaats, Dat ze verbeurd hadden hun lijf. 3070 Ten eersten wordt dat bekend onder de vrouwen Zolang dat ‘t komt voor dat gerecht; Toen zo kwamen de rechters knechten, En hebben die jonge vrouw gevangen, Maar de knaap is hen ontgaan; 3075 Toen wordt ze gebracht voor die man; Zeer hem het erbarmen beging, Want ze haar vader kende Die ze alle zeer beminden, En zeiden: “zie hier een vreemd ding, 3085 Hoe dat het deze goede man misging, Die de vader van die jonge vrouw was, Niet lang geleden was nog dat, Dat men binnen deze landen Geen rijkere man kenden; 3085 Nu heeft ze verbeurd dat leven; Maar door haar goede neven Zal men haar begraven heimelijk. Dat God zich bezwijkt Satan de duivel! Hij onteerd 3090 Aldus diegene die hij verandert. Nu was er een heilige man in dat land Die dit ding al ondervond, Hij troostte de jonkvrouwen, Die hij vond in grote rouw, 3095 Om hun bijzondere misval. Hij ondervroeg die zaken al Beide van vader en van moeder En ook van hunbroeder, En hun zuster ongeval. 3100 Ze zeiden: “Wij kunnen dat al Bemerken, hoe dat het ons valt”. “Dat is echt dol gekald”, Antwoordde daarop die goede man, “Want God niemand haten kan; 3105 Hem is het leed, dat iemand zichzelf slaat, En wees dus zeker is, dat dit kwaad Van grote zonden is geschied; En van uw zuster dat verdriet Wist ge iets dat het gebeurde alzo”? 3110 “Alzo maakt ons Jezus bekend Toen we dit wisten min of meer”. Toen antwoordde de goede heer: 32 “Hoed u van zondige daden, Ze brengen de mens in schade 3115 En laten hem lasterlijk sterven; Want die altijd om zonden werven, Sterven graag kwade dood”. Die goede man zei hen en gebood Menig goed woord, zonder waan, 3120 Opdat ze dat wel wilden verstaan. De oudste zuster hoorde daar wel naar; En de goede man, dat is waar, Sprak haar veel van Onze Heer, En de oudste pijnigde zich zeer 3125 Om te doen dat hij haar vroeg. Hij sprak: “wil je geloven, maagd, Daaraan, dat ik u zal leren, Ik zal u minnen tot uw eer, Nog u geschiedt nimmer de nood, 3130 Nog een zaak geen zo groot. Nu wanhoop niet zo zeer Met de hulp van Onze Heer, Ik zal u erg goed aanraden, Doe dit, dat zal u niet schaden 3135 Want ik woon hier niet ver Doe het en ge wordt dan nimmer boos”. Ten eerste dat hij haar had onderwezen En het geloof aldus geprezen, Zo ging die goede man er vandaan. 3140 De oudste hield zich vast daaraan; Ze hield zich aan de prediker Al zijn doen bekwam wel haar. En toen de duivel dit vernam Wordt hij dus uitermate gram 3145 Want hij meende haar te hebben verloren; Al legde hij haar iets te voren, Hij ontzag dat het niet diende, Dat tenzij daar enige vrouw zich beraadde; Nu had hij er een, die zijn sage 3150 Vaak goed had verdragen, Die zei hij dit te enige plaats. Nu hoor wat dat oude wijf deed: Ze nam de jonge te raad En vroeg haar wat ze deed, 3155 En of ze de zuster iets waardeerde. Ze antwoordde toen ter vaart: “Ik meen, ik goede raad behoef, Mijn zuster is altijd droevig, En zo gram en zo zuur 3160 Om ons kwade avontuur, Dat ik dus heb groot ongemak. Een man, die tot haar sprak Van God, die heeft haar zo bekeerd, Dat ze doet wat hij haar leert”. 3165 Dat oude wijf sprak: “alzo lang Als ge bent in haar bedwang, Dan gebeurt u nimmermeer baat Van lichaam, hoe dat het komt; Maar mocht ge de lustigheid bekennen, 3170 Die de vrouwen hebben als ze beminnen, Ge zou het weinig prijzen dat goed; Had ge die lustigheid in uw gemoed, Die komt van mannen, zeg ik u, Ge zou ge daarbij verheugen nu. 3175 Wat is mooier en zoeter dan minne? Dit zeg ik door u, vriendin, Al had ge aldus deze wereld groot, Nochtans ging het u beter was dat gij het doet, Gij weet niet wat blijdschap is, 3180 En ik zal u zeggen waarbij: Uw zuster is ouder dan gij bent, En zij zal het eerste doen haar genot, Aldus ze dat u verbieden zal, En zal die van u vergeten al; 3185 Dus zal ge van uw mooie lijf De blijdschap verliezen, ellendige!” Ze zei toen: “ik durf niet aan gaan Wat ge mij hier nu laat verstaan, Mijn zuster bleef daarom dood”. 3190 “Uw zuster doet nu domheid groot En ze heeft nu kwade raad; Gij zal doen dat daartoe staat, En alles doen dat uw lijf begeert, En wees niet bang voor de dood”. 3195 “Ik weet het niet”, zei ze, “van deze streken, En ik durf u nu niet meer spreken Om mijn zuster; nu ga heen”, Zei de maagd tot het oude wijf, “Maar een andere keer als ge hier komt, Dan mag u me spreken dat u durft” Toen dit de duivel wist al, Was hij vrolijk en wist wel Tot zijn wil te hebben diegene; Toen weg was dat oude wijf 33 3205 Dacht hij aan haar taal; De duivel bemerkte datgene wel, Dat ze geroerd was tot zijn wil; En daar ze alleen was stil, Sprak ze daarvan in haar zin; 3210 En toen stak hij dat haar nog vaster in. Gelijk daarna, een avond laat, Zat ze in haar vertrek En bezag haar mooie leden, En zei: “ja, is dat waarheid 3215 Dat me zei dat verstandige wijf, Verloren is mijn schone lijf”. Dat oude wijf liet ze halen Ze zei gelijk: “van uw talen Weet ik de waarheid algemeen; 3220 Mijn zuster geeft om mij weinig”. Dat oude wijf zei: “dat wist ik wel, Ze zou u nog haten al, Had ze haar wil beter een deel, We zijn gemaakt om geen geheel 3225 Dan om te hebben een man”. De ander zei: “ik kwam daaraan Maar dat ik ontzie de dood”. Dat oude wijf zei: “klein of groot Durft ge de dood te ontzien, 3230 Maar wil ge uw zuster vlieden, Wil ge, ik zeg u wat ge doet”. De ander zei: “wat u lijkt goed Wil ik doen, groot en klein”. Dat oude wijf sprak: “zo wees algemeen 3235 Alle mannen zonder meer En vliedt dan uw van zuster ver; Dus kan ge doen dat ge begeert, En wees niet van de dood bang, Zodat men u daarom doet enig aan, 3240 Dus zijt ge buiten uw zusters banden Nochtans zal wel na deze Een goed man blij wezen U te trouwen door uw goed. Lieve minne, aldus zo doet, 3245 Zo heb je uw wil al”. De ander zei: “ik zal”, En vloog van haar zuster dan En wordt algemeen met alle man Door de raad van dat oude wijf. 3250 Vrolijk was de duivel om datgene Dat ze aldus was gevangen. Toen dit de oudste heeft verstaan Ging ze gelijk tot de goede man, Die haar tevoren leren begon, 3255 Zeer droevig. Toen hij haar zag, Vroeg hij wat haar schelen mag, Hij ontfermde zich van haar rouw En sprak: “zegen u, jonkvrouw, En beveel u aan tot Onze Heer, 3260 Gij bent bewogen erg zeer”. “Dat is recht, want ik heb toorn”, Zei ze, “want ik heb verloren Mijn zuster, want ze is algemeen Alle mannen, groot en klein”. 3265 Toen ze dit sprak toen werd hij boos, Hij zei: “ik waan, de duivel blijft Nog onder u, dat lijkt mij, En hij laat u nimmer vrij Eer ge gehoond bent allemaal, 3270 Ons helpt Jezus, Onze Vader!” “Ach, heer!” zei zij, “help me bevroeden Hoedanig wijs ik me zal behoeden: Van de duivel heb ik groot gevaar”. De heer zei: “ik zeg u waar, 3275 Wil u volgen al mijn taal, Ik zal u behoeden wel”. “Ja ik”, zei ze, “al tezamen”. “Gelooft u dan aan de Vader, Aan de Zoon, aan de Heilige Geest, 3280 En daaraan ook aller meest, Dat een God zijn deze drie, En dat die zoon om u, En om ons allen algemeen, Hier neer kwam op aardrijk 3285 Omdat hij ons zou behouden, En alle die hem dienen wouden, En aan de geboden der heilige kerk, En dat hij priesters en klerken In aardrijk heeft gelaten 3290 Die ons wijzen tot rechte straten; Wit u hieraan geloven al?” “Ja ik, heer, groot en smal; Alzo waarlijk zoals ik geloof Bid ik God, dat hij me rooft 3295 Van Satans behendigheid”. Die heer sprak: “dit is goed gezegd, 34 En ik bid u tot alle behoeden Dat ge u hoedt van toornig gemoed, En ge niet gram slapen gaat; 3300 Want dat is een ding, daar zijn beraad De duivel veel in wint, Als hij de lieden toornig vindt. Hierom hoed u als u bent boos, Dat u me zoekt, ik ben niet ver 3305 Zo welke vermoeienis dat u heeft Zie, dat u uw schuld vestigt God en zijn vrienden toe En mij priester, en dan doe Als u gaat slapen en opstaat 3310 Dat u een kruis voor u slaat In de eer van de Drievuldigheid, In de eer van het kruis, daar Christus mensheid Aan stierf om onze nood, Om ons te verlossen van de dood; 3315 Doe je dit, in geen tijden Dan kan de duivel u niet schaden; Daar u zal slapen, daar hou je aan het licht, De duivel haat dat, ik zeg het u echt, Want hij schuwt die helderheid zeer. 3320 Doe deze dingen, wat zal ge meer?” Aldus leerde dit de goede man; Vele zorgen legde hij daaraan, Dat de duivel haar niet zou schenden; Toen liet hij haar dus gaan ten einde 3325 Dat ze thuis durfde te keren; Ze zette zich tot de dienst van Onze Heer. Ootmoedig was ze tegen de armen, Goede lieden begonnen het dus te erbarmen, En zeiden aldus tot de jonkvrouw: 3330 “Dat ge drijft aldus grote rouw Om uw vader, om uw moeder, Om uw zuster, om uw broeder, Die ge euvel hebt verloren; God laat uw goede raad verhoren: 3335 Ge hebt nog zo’n mooi goed, Menige goede man zet zijn gemoed Om u tot vrouw te ontvangen; God brengt u ten beste daaraan”. Aldus twisten ze zo menige keer. 3340 “God geef me dat me behoeft!” Sprak de jonkvrouw dan daarnaar. Aldus was ze wel twee jaar, Dat de duivel haar niet mocht schenden Nog in geen zonden wenden; 3345 Dat was hem uitermate leed, Hij wist ook dat wel gereed, Dat hij haar daarvan ook niet keerde Van dat haar hun biechtvader leerde. Hij mocht haar niet maken gram. 3350 Met die hij haar zuster nam, En bracht haar op een zaterdag Daar de ander toe zag, Omdat hij haar wou vertoren toen; Haar volgde menige kwade schildknaap, 3355 Toen was de avond niet ver. Toen ze haar zag, werd ze boos; Ze sprak: “alzo lang als ge dit leven, Zuster, niet wil opgeven, Kom dan niet meer in deze plaats, 3360 Gij doet me uitlachen daarmee, Dat ik wel ontberen mocht”. De ander zei, dat ze dacht, Zoals daar de duivel raasde in: “Gij bent erger dan ik ben; 3365 Uw biechtvader is uw pooier, Wist dat het volk dat woont hier, Ge zou daarom ontlijfd wezen”. De ander werd toornig van deze, Toen ze haar zei dit verlof. 3370 “Zuster”, zei ze, “ruim mijn hof!” “Ik ruim niet, alzo goed is dat van mij”, Sprak de ander nu, “als van u”. Toen wilde ze haar uitstoten met kracht De ander wordt tegen haar zeer hard, 3375 En de portier sprongen ze aan En mishandelden hem met slaan; Die jonkvrouw, eer ze hem ontbrak; Hiervan kwam haar groot ongemak. Om dit was de duivel vrolijk. 3380 Ten eerste dat de jonkvrouw ontkwam, Liep ze in de kamer vast, En sloot de deur tegen die gast. Haar knaap en haar dienstmaagd, zij twee, Waren in het huis en niet meer; 3385 Door hen lieten de anderen niet, Ze deden dat hen aanried De duivel, hun leidsman, Die hen alle kwaadheid bracht aan. Ook liet die jonkvrouw niet, 3395 Ze gedoogde alleen haar verdriet, 35 En lag op haar bed in haar kleed En weende zeer, en gereed Toen de duivel haar dus zag alleen Zeer boos en in wenen, 3395 En het nacht was, toen sprak zijn raad Dat ze goed was begaafd; Ze gedacht haar moeder En haar vader en haar broeder En daartoe haar zusters beide; 3400 Ze weende van rouw en van leed, Zodat ze helemaal vergat Te doen, dat haar die heer bad, Haar biechtvader, dat hij haar beval. Dit zo merkte de duivel al 3405 En was uitermate blij; Hij sprak: “nu leest ze niet haar getijden, Ze is buiten de hoede van onze Heer En buiten haar meesters leer”. In deze kwaadheid komt ze in slaap alzo, 3410 Zodat ze zich niet zegende toen; Toen zei de Duivel: “nu mag men daaraan Zeer goed maken onze man”. |
Hoe Merlijn gewonnen wart, ende daerna hoe hy geboren wart. Nu hoert voert die aventure. Die Duyvel die eerst zeide ter ure, 3415 Dat hy met wiven wesen mochte, Doe men hem dese bodescap brochte, Was hy wel gereet tot haer daer, Ende daer si sliep lach hy met haer Ende wan een kint aen haer saen; 3420 Zy wart in wake, sonder waen, Ende dachte ombe hoers meesters tale, Mittien zegende zy haer wale, Ende zy riep: “Sancta Marie, Wat is my gesciet, ach ende wi! 3425 My doncket, ick bin in arger dinck Dan doe ick te bedde ginck! Helpet, Maria, moeder Onses Heren Biddet uwen sone, dat hy weren Myne ziele moet ter goeder stede, 3430 Ende hy mynen lichaem bevrede Van den quaden bosen viant!” Doe stont si op al te hant, Ende zochte den genen die haer dat dede, Zy meendene vinden teneger stede; 3435 Die dore, dat was wonder groet, Vantsi besloten als si ze besloet. Doe ginck si in allen hoecken Beide tasten ende zoecken Ombe dien, daer haer dat was af gesciet; 3440 Maer zy en vanten altoes niet. Doe dachte zy wel, datse Sathan Hadde gehoent ende anders nieman; Zy wort droevich ende riep zeer: “Genade”, sprack zy, “lieve Heer! 3445 Dat ghy den Duyvel niet moetet gehengen, Dat hy my te dier scanden moet brengen!” Die nacht ginck heen, ende dat wort dach, Sathanas die zijn beiach Met hoere suster hadde voldaen, 3450 Dadese nu wten huyse gaen Ende haer portier alte male, Die hem gedient hadden wale. Ende doe zy enwech waren gegaen, Die ioncfrouwe quam also saen 3455 Wt hoer kameren, ende tehant Riep zy daer doe haren seriant, Ende hieten ombe twe vrouwen zinden Datsy daer quamen se gevinden, Haer te soeckene den goeden heer. 3460 Doch quam zy daer met groten seer. Doe se die goede man versach Vraeghde hy, wat haer wesen mach, Want hy sach horen sin verseert: “Here”, zeide zy, “ick bin onteert; 3465 Met rechte es my dat herte seer, My es gesciet, dat nie eer Wive en gesciede dan my! Ombe raet kome ick nu te dy. Gy zegget, dat so groete zonde 3470 Geen mensche gedoen en konde, Spreke hy des biechte ende waert hem leet, Ende hy dan daermee dede gereet Den raet van zynen confessuer, God vergevet hem op die uer; 3475 Here, ick hebbe zere mesdaen, Ende dat zuldy wel verstaen, Dat my gehoent hevet die viant”. Doe zeide zy hem al te hant 36 Van hoerre suster, hoe zy daer quam, 3480 Ende hoe zy daer ombe wert gram, Ende oeck hoe zy was teblouwen, Ende hoe zy van groten rouwen Ongesegent sloet die dore, “Ende vergat al dore ende dore 3485 Die leringe die gy my tonet; Des hevet my die viant gehonet Ende genomen myne reinechede. Ick doerzochte tot elker stede Mine kamer, ick en vant daerin 3490 Man nochte wijf, meer nochte min; Die dore was besloten wal, Ende ick en wiste niet al Wat dinge dat my quam te scaden; Here, des biddick uwer genaden 3495 Of ick die doet daerombe kiese Dat ick die ziele niet en verliese”. Die goede man, die hoerde haer zeer, Hem verwonderde des ie lanc ie meer, Ende hy en geloefde des niet een woert; 3500 Want hy en hadde des nie gehoert, Ende hy sprack: “die Duyvel es in dy Entu bist des vol, dat doncket my: Wat penitencien zaltu ontfaen Dattu my logene does verstaen; 3505 Nie en was in der werelt wijf Dan met manne, sonder blijf, Zy en hadden getastet of gesien Den man daer haer dat mochte af gescien; Hoe wiltu my gelovich maken 3510 Dat dy gesciet zijn dese saken”? Doe antwoerde dat truerige wijf: “Also behoede my God mijn lijf, Als ick iu waerheit doe verstaen”. Die goede man antworde saen; 3515 “Es dat waer, dat wert ons beiden kont, Maer du heves dy zere besont, Dattu niet en dades dat ick dy hiet; Hierombe en saltu dat laten niet, Du en sals vasten des vrydachs 3520 Also lange alse du leven machs, Ende van den kevesdome doe dan, Des ick geloven niet en kan Dat dy dat also gesciede, Penitencie, die ick dy gebiede 3525 Es dat sake dattu machs”. Zy zeide doe: “na mijure macht Wil ick doen, dat gy my heet”. Hy sprack: “God helpes dy gereet! Du komes hier Gode te genaden 3530 Ende totter heilger kerken te raden, Die God kochte met sinen bloede, Dat was met enen dueren goede. Dat es gewarege bichte, Was dat by dage was dat by lichte, 3535 Also alse die dinck gevel Dattu also seides ende niet el, Ende du does dat men dy raet”. “Here”, sprack si, “al dat daertoe staet Wil ick doen al dat ick kan”. 3540 “God helpes dy, lieve!” sprack die man, “Es dat waer, dattu my does verstaen, Ick hope du zal des wel ontgaen”. “Also gewaerlyc”, sprack echt dat wijf, “So moet my God behoeden dat lijf, 3545 Als ick iu waerheit doe verstaen. Die goede man antworde saen: “Du sals doen al mynen raet Ende scuwen meer voert al quaet”. “Here”, zeide zy, “dit es al waerhede”. 3550 “So vertye dan voert unkueshede”, Sprack die man, “ende des en laet niet, Sonder dat slapende gesciet”. “Ick doe, Here”, sprack die ioncfrouwe, “Nu weset mijn borge getrouwe, 3555 Of ick doe dat gy my heet, Also wel alse ieman die men weet, Dat my God vergeven sal, Here, hieraf myne mesdaet al”. Ene discipline gaf hy haer daer, 3560 Ende sette haer penitencie zwaer. Die nam zy wenende ende met trouwen Als een, dien zine sonden rouwen. Hy zegende se met goeden zinne Ende leerde haer Onses Heren minne. 3565 Hy dachte, hoe dat wesen mochte, Dat zy hem te voren brochte; Hy dachte, dattet die Duyvel dede. Doe leide hy se tener stede, 37 Daer hy ze drinken dede wywater. 3570 “Nu moet dy zegenen”, zeide hy, “Pater Et filius et sanctum flamen; Nu drinck in dien name. Amen”. “Nu denck”, zeide hy, “omb die gebode Die ick dy geleert hebbe van Gode, 3575 Ende alse du moet heves, kom tot my”. Hy zegende se, ende doe zeide hy: “Gaet tot Gode, ende al dat goet Ende die aelmissen, die gy doet, Sette ick iu voer uwe zonden”. 3580 Dus ginck zy, ten zelven stonden, Ende leide een heilich leven. Die viant sach, dat zy begeven Sijn doen [hadde], in dien gebaer Alse of zy sonder zonde waer. 3585 Des wort hy wtermaten gram. Mettien die tijt so verre quam Dattie vrucht in hoer wies Ende die lichaem hoer opblies, Sodat dat volck wort gewaer 3590 Ende zeiden doe tot haer: “Joncfrouwe, gy dicket nu zeer”; Zy sprack: “danck hebbe Onse Heer”! Zy zeiden: “lieve, by wat man Hebdy dat kint ontfangen dan?” 3595 So helpe my God wt aller noet Also ick des en weet clene no groet!” “Hevet dat volck gewesen met iu alle gader Dat gy niet en kennet den vader”? Zy zeide: “so moet my die Godes kracht 3600 Nember van deser dracht My verlosen, of ick ie man, Met tastene ofte met ziene, gewan My so na met zulken zaken, Dat hy my met kinde mochte maken”! 3605 Zy zeiden haer doe ende spraken: “Lieve minne, met desen saken En gesciede dit nie vrouwen; Wie sal iu des getrouwen? Goet es dat te ziene, dat ghine mint 3610 Dien, daer gy af draget dat kint, Dat gy des niet en wilt openbaren Maer dat es scade twaren, Dat daer iu ombe te stervene steet Ten iersten alse dat die rechter weet”. 3615 “Faise de moi Deus son plaisir”, Sprack die ioncfrou, “hy vint my hier, Maer also behoude my God mijn leven Als ick en weet wien dat kint geven”. Die vrouwen hielden dies hoer spot, 3620 Ende schieden dane ende zeiden: “wete God, Iu scoenheit ende iu scone gelaet Ende iu simpelheit es worden quaet, Want gy hebbet dat nu al verloren”. Dat stont haer so, zy moest dat horen; 3625 Des was hoer herde wee te moede, Zy zochte raet alse die vroede, Ende ginck te haren confessuer, Ende tellede hem hoer aventuer, Wat die vrouwen tot haer zeiden daer. 3630 Die goede man wort wel gewaer, Dat zy droech levendich kint; Hy sprack: “ia, en hebdy niet sint Gelaten van dat ick iu hiet”? “Here”, sprack zy, “neen, ick niet”. 3635 “Gesciedet”, zeide hy, “iu niet meer Dat wonder dat iu gesciede eer”? “Here”, zeide zy, “dat en es my gesciet Maer eens, daer my afkoemt dit verdriet. Des wonderde den goeden man; 3640 Ende zy bescreef die wise dan Ende die nacht, dattet hoer gesciede. Hy sprack: “van den quaden diede Laet die tale algader gaen, Ende weest des zonder waen; 3645 Zegdy my waer, wetet dat te voren Alse dat kint wert geboren, Zal ick die waerheit weten wel Hope ick an Gode, anders nyman el; Es dat waer, dat gy my doet verstaen 3650 Gy zult der doet wel ontgaen; Wat wonder es dat, al hebdy vaer, Alset vor dat gerechte wert openbaer, Zullen zy u willen ontliven Ombedat iu goet hem zoude bliven; 3655 Maer ten iersten dat gy zijt gevaen, So doet my dat met enen bode verstaen, 38 Ick sal iu helpen, ende geven iu troest; Ick weet wel, gy werdet verloest Van Gode; ja, zijt gy zulck van binnen 3660 Als gy my buyten doet bekinnen; Gaet te huys ende weest zonder sorge, Doet wel, ick ben hieraf iu borge; Een goet leven doet sterven wal”. Zy ginck te huys ende dede al 3665 Dat beste dat zy mochte. Met dien quam daer gerochte Vor den rechter van den dinck Schiere hy die ioncfrouwe vinck. Men brochte ze vor die schepene dan 3670 Ende zy ontboet dat den goeden man Die hoer te radene plach. Hy quam daer opten selven dach; Met dien quam daer die rechter nu; Die liede zeiden: “Here, hoert ons nu; 3675 Dese vrouwe zeght, dat zy van man Nie negene scult gewan”. Hy zeide doe: “es dat iu waen, Dat vrouwe kint mach ontfaen Sonder gemeenscap van man”? 3680 Hoer confessoer antworde dan: “Ick en segge iu niet al dat ick weet, Maer dat zegge ick iu gereet: Doet mynen raet, dat es iu goet, Dat gy daer geen gerechte over en doet, 3685 Eer zy van den kinde es genesen, Want dat en duncket my geen recht wesen, Dat kint en hevet gener doet verdient”. Doe zeide die rechter: “lieve vrient, So willewy des doen al uwen wille”. 3690 “Hoert, Here”, zeide hy, “ende zwiget stille, Doe ze in enen torn besluyten Ende wachters genoech daer buyten, Ende met hoer twe vrouwen, die se verhoegen Ende in die pine gehelpen mogen. 3695 Dus moesten zy besloten wesen, Tote dien dat zy was genesen, Ende dat kint mach allene eten; Mach men dan daer anders iet af weten, So rechtet daerover, heer baliu! 3700 Dese dinck rade ick iu nu; Dit is dat beste, dat ick daer af weet; Doedy iet anders, dat es my leet”. Die goede man gaf desen raet; Hy en dochte den rechter niet quaet. 3705 Hy dade ze doen in enen steen, Daer en was an dore negeen Zy en waren vaste verhameit; Twe vrouwen waren met hoer geleit Die vroedeste, die men vinden waende 3710 Een venster dat bleef open staende Daer men in trecken mochte Sulke sake als hem dochte. Die goede man die dit geriet, Hy sprack opwaert ende hiet 3715 Der ioncfrouwen ende zeide: Geef den kinde sine Kerstenhede Ten iersten als dat geboren es; Alse du machs gemerken des, Dat men over dy sal rechten, 3720 Sende na my met dinen knechten”. “Geerne, here”, riep zy naer. Dus bleef die joncfrouwe daer In den toerne, die dat zwaer verdroech, Ende dat gerechte gaf hoer genoech. 3725 Doe quam die tijt, dat zy genas; Ende doe dat kint geboren was, Zoudet hebben gehad des Duyvels zin Wantet was Duyvels gewin; Maer hy haddet oevele verhoet 3730 Ende Jhesus starf dor groete oetmoet, Ende hy hoende die ioncfrouwe In den slape, des zy hadde rouwe; Doe zy gehoent was ende verraden, Sy riep ten alre eersten “genaden” 3735 An Onsen Here herde sterke, Ende beval haer der heilger kerken Ende hem allen, die met God zijn; Hierombe so woude Onse Here fijn Dat die Duyvele daer ane vonden 3740 Die dinck daer zy dat ombe bestonden. Zy wonden dat, zeghet die hystorie, Dat dat kint hadde hoer memorie Van allen dingen die waren gesciet Des en gebrack hem niets niet. 3745 Maer God kende der vrouwen zin, Dat hoer leet was zulck gewin; 39 Des woude hi dat der moeder zonde Den kinde niet gescaden konde, Ende gaf hem, dattet konde vorsien 3750 Alle die dinge die souden gescien. Dus hadde hi van den viant Die vorgeledene dinge bekant; Ende dat gescien soude embermeer Wiste dat kint van Onsen Heer. 3755 Dus mochtet hem keren daer het woude, Wilt oeck dat, [het] mochte boude Onsen Here geven zijn recht Ende den Duvele zijn deel echt; Want dat vleesch quam van den viant, 3760 Ende God hadder die ziele in gesant, Ombedat die lieden zouden daerin Proeven mogen des Duvels zin, Hi gaf hem meer sins dan enen anderen: Hi hevet des noet, hi mach daer wanderen. 3765 Wes dat kint sal plegen moechdy hoeren, Maer aldus so wasset geboren. Ende die vrouwen waren vervaert Ombedattet was also gehaert; Zy lietent moeder schouwen daer zy lach; 3770 Si zegende haer alse ziet zach “Dat kint vervaert my!” sprack die vronwe “So doetet oeck ons, by mijnre trouwe!” Antworden die andere wijf, “Dat wy wanen verliesen dat lijf”. 3775 Die moeder sprack: “nu doetet doepen; Men zalt an ene line knopen, Ende latent wter venster neder”. Die wijf antwoerden hoer weder: “Hoe sal ment heten, wete gy des iet”? 3780 Si zeide: “alse mijn vader hiet”. Si lietent neder met goeder stade Ende hieten, dat ment kerstenen dade, Ende dat ment hiete na den oudervader. “Geerne”! riepen si alle te gader, 3785 “Dat moete ter goeder tijt zijn. Doe hietment naden manne Merlijn. Merlyn wasset kersten gedaen. Men gaffet der moeder weder saen Wantet nieman anders dorste sogen; 3790 Die moeder hieltet, si moestet gedogen Totdien dattet hadde maende tiene. Die vrouwen zeiden: “zo onsiene Kint en zagen wy nie eer”! Des wonderde hem ie lanck ie meer. 3795 Doe het tien maent was out twaren Dochtet hem wesen van tween iaren, Doe het was van anderhalven jaer Zeiden die vrouwen openbaer: “Vrouwe, wy willen hene gaen 3800 Al daer onse woninge staen, Tot onsen vrienden, want dat es tijt”. Si zeide: “Als gy hene zijt Sal men my te hant ontliven!” “Wat mogewy des? wy en mogen bliven 3805 Met iu hier niet embermeer”. Die ander weende doe herde zeer, Want zi was zere vervaert, Ende zi gingen ter vensterwaert; Ende die moeder nam hoer kint 3810 In haren arm, ende zi begint Maken een groet hantgeslach: “Lieve kint!” sprack si, “o i, o wach! Dordy moet ick die doet ontfaen, Nochtan en hebbick niet mesdaen, 3815 Ick en weet hoe my dat es gesciet, Ende men wildes my geloeven niet. Dus moet ick sterven met onrechte!” Doe sprack si dus te genen knechte Ende zi zeide: “of God dat hevet gekoren, 3820 Dattu werdes van my geboren!” Dus claechde zi hoer grote leet; Dat kint sach op haer, ende sprack gereet: “Lieve moeder, en bedrovet iu niet Ombedat iu noch es gesciet, 3825 So en werdestu niet verdaen”. Doe dat die moeder hadde verstaen, Besweeck haer dat herte ende al die lede; Hoer arme ontgingen hoer mede Ende dat kint viel neder ende scree; 3830 Doe quamen die ander vrouwen twe Die totter venster waren gestaen, Ende zeiden: “wildy dat kint verslaen? Die moeder zeide vor hem allen, 3835 Ende antworde, als die blode: “Dat zoude ick doen herde node, 40 Maer dor een woert, dattet my zeide, Ontvielet my”. Doe spraken zi beide: “Wat wonder zeidet iu hier toe?” 3840 “Twaren”, zeide zy, “dat zeide zoe, Dat men my hierombe niet verdede”. “Het zoude noch spreken, haddet stede”, Antworden die wijf, ende met ien Namen siet ende hebben ‘t besien, 3845 Ende bezochten offet wilde spreken voert; Maer dat en zeide niet een woert. Die moeder sprack: “nu zegget sciere Dat men nu zal in enen viere Verbernen mi dor sinen wille, 3850 Hi en sal niet lange zwigen stille”. In horen arm nam het metdien Die moeder, die geerne hadde gesien Dat dat kint nu hadde iet geseet. Die wijf zeiden doe: “God weet, 3855 Dat es scade, dat iu scone lijf, Ombe desen leliken keytijff, So jamerlike wert verloren; Hi waer bat gebleven ongeboren”. “Gy lieget”, antworde Merlijn, 3860 “Al hiet iu die moeder mijn”. Doe worden die wijf in vare, Ende zeiden, dattet die Duvel ware, Dat en waer geen kint, dat spreken konde, Ende hoer tale so wael verstonde. 3865 Doe spraken zi hem an die twee, Ende hi en antworde doe niet mee Dan “laet my in vreden staen; Gy hebbet zelven meer misdaen, Dat zegge ick iu, dan mijn moeder doet”. 3870 Dit wonderde hem in hoeren moet, Ende zeiden: “dit grote wonder Moet dat volck weten hier onder, Wy en sullen dat niet verhelen”. T’ierst dat zy dat mochten getelen, 3875 Quamen si neder, ende zeiden Van Merline die vromecheide Sodat die rechter wiste die zake; Dat dochte hem wonder, dat dit kint sprake Ende zeide: “spreket hi nu, die knecht, 3880 So es dat tijt, dat men over haer recht Ende mense voertbringe Vor die scepene in dat gedinge. |
Hoe Merlijn gewonnen werd en daarna hoe hij geboren werd. Nu hoor voort dat avontuur. De duivel die eerst zei ter uren, 3415 Dat hij met vrouwen wezen mocht, Toen men hem deze boodschap bracht, Was hij wel gereed tot haar daar, En daar ze sliep lag hij met haar En won een kind aan haar gelijk; 3420 Ze werd wakker, zonder waan, En dacht om haar meesters taal, Meteen zegende ze zich wel, En ze riep: “Sint Maria, Wat is mij gebeurd, ach en wi! 3425 Me lijkt, ik ben in erger ding Dan toen ik te bed ging! Help, Maria, moeder Onze Heer Bid uw zoon, dat hij weer Mijn ziel moet naar goede plaats, 3430 En hij mijn lichaam bevrijdt Van de kwade boze vijand!” Toen stond ze op al gelijk, En zocht diegene die haar dat deed, Ze meende hem te vinden in enige plaats; 3435 De deur, dat was een wonder groot, Vond ze besloten zoals ze het sloot. Toen ging ze in alle hoeken Beide tasten en zoeken Om die, waar haar dat van was geschied; 3440 Maar ze vond hem altijd niet. Toen dacht ze wel, dat ze Satan Had gehoond en anders niemand; Ze wordt droevig en riep zeer: “Genade”, sprak ze, “lieve Heer! 3445 Dat ge de duivel niet moet toestaan, Dat hij mij tot die schande moet brengen!” Die nacht ging heen, en het wordt dag, Satan die zijn bejag Met haar zuster had voldaan, 3450 Liet haar nu uit het huis gaan En haar portier allemaal, Die hem gediend had wel. En toen ze weg waren gegaan, De jonkvrouw kwam alzo gelijk 3455 Uit haar kamer, en gelijk Riep ze daartoe haar bediende, En liet ze om twee vrouwen zenden Dat ze daar kwamen ze te vinden, Haar te zoeken de goede heer. 3460 Toch kwam ze daar met grote zeer. Toen ze die goede man zag Vroeg hij, wat er met haar wezen mag, Want hij zag haar geest bezeerd: “Heer”, zei ze, “ik ben onteerd; 3465 Met recht is me dat hart zeer, Mij is gebeurd, dat niet eerder Vrouwen gebeurde dan mij! Om raad kom ik nu tot u. Ge zegt dat zo’n grote zonde 3470 Geen mens doen kon, Spreekt hij de biecht en was het hem leed, En hij dan daarmee deed gereed De raad van zijn biechtvader, God vergeeft het hem op dat uur; 3475 Heer, ik heb zeer misdaan, En dat zal ge wel verstaan, Dat me gehoond heeft de vijand”. Toen zei ze hem al gelijk 36 Van haar zuster, hoe ze daar kwam, 3480 En hoe ze daarom werd gram, En ook hoe ze was geslagen, En hoe ze van grote rouw Ongezegend sloot de deur, “En vergat al door en door 3485 Die lering die ge me toont; Dus heeft de vijand me gehoond En genomen mijn reinheid. Ik doorzocht in elke plaats Mijn kamer, ik vond daar in 3490 Man nog vrouw, meer of min; Die deur was gesloten goed, En ik wist niet al Welk ding dat me kwam te schaden; Heer, dus bid ik om uw genaden 3495 Of ik de dood daarom kies Dat ik de ziel niet verlies”. Die goede man, die hoorde haar zeer, Hij verwonderde zich hoe langer hoe meer, En hij geloofde dus niet een woord; 3500 Want hij had dus niet gehoord, En hij sprak: “de duivel is in u En u bent dus vol, dat lijkt mij: Welke boetedoening zal u ontvangen Dat u mij leugens laat verstaan; 3505 Niet was er in de wereld een wijf Dan met een man, zonder twijfel, Ze had betast of gezien De man daar haar dat mocht van geschieden; Hoe wil u mij gelovig maken 3510 Dat u gebeurt zijn deze zaken”? Toen antwoordde dat treurige wijf: “Alzo behoedt God mijn lijf, Zoals u waarheid laat verstaan”. De goede man antwoordde gelijk; 3515 “Is dat waar, dat wordt ons beiden bekend, Maar u heeft u zeer gezondigd, Dat u niet deed dat ik u zei; Hierom zal u dat niet laten, U zal vasten op vrijdag 3520 Alzo lang als u leven mag, En van het overspel doe dan, Wat ik niet geloven kan Dat u dat alzo geschiedde, Boetedoening, die ik u gebood 3525 Is dat zo dat u het mag”. Ze zei toen: “naar mij uiterste macht Wil ik doen, dat ge me noemt”. Hij sprak: “God helpt u gereed! U komt hier God tot genaden 3530 En tot de heilige kerk te raden, Die God kocht met zijn bloed, Dat was met een duur goed. Dat is ware biecht, Was dat bij dag was dat bij licht, 3535 Alzo zoals dat ding gebeurde Dat u alzo zegt en niets anders, En u doet dat men u aanraadt”. “Heer”, sprak ze, “al dat daartoe staat Wil ik doen alles dat ik kan”. 3540 “God helpt u, lieve!” sprak die man, “Is dat waar, dat u mij laat verstaan, Ik hoop u zal het wel ontgaan”. “Alzo waarlijk”, sprak echt dat wijf, “Zo moet me God behoeden dat lijf, 3545 Zoals ik u waarheid laat verstaan. De goede man antwoordde gelijk: “U zal doen al mijn raad En schuwen meer voort alle kwaad”. “Heer”, zei ze, “dit is de hele waarheid”. 3550 “Zo doe afstand dan voort van onkuisheid”, Sprak de man, “en dus laat het niet, Uitgezonderd dat slapende geschiedt”. “Ik doe, heer”, sprak de jonkvrouw, “Nu wees mijn onderpand getrouw, 3555 Of ik doe dat ge me noemt, Alzo goed als iemand die men weet, Dat God me vergeven zal, Heer, hiervan mijn misdaad al”. Een discipline gaf hij haar daar, 3560 En zette haar boetedoening zwaar. Die nam ze wenend en met trouw Als een die zijn zonden berouwt. Hij zegende haar met goede zin En leerde haar Onze Heer min. 3565 Hij dacht, hoe dat het wezen mag, Dat ze hem te voren bracht; Hij dacht, dat het de duivel deed. Toen leide hij haar te ene plaats 37 Daar hij haar liet drinken wijwater. 3570 “Nu moet u zegenen”, zei hij, “Pater Et filius et sanctum flamen; Nu drink in die naam. Amen”. “Nu denk”, zei hij, “om dat gebod Die ik u geleerd heb van God, 3575 En als u moed heeft, kom tot mij”. Hij zegende haar, en toen zei hij: “Ga tot God, en al dat goed En de aalmoezen, die ge doet, Zet ik voor uw zonden”. 3580 Dus ging ze ten zelfde stonden, En leidde een heilig leven. De vijand zag, dat ze begeven Zijn doen had, in dat gebaar Alsof ze zonder zonde was. 3585 Dus wordt hij uitermate gram. Meteen de tijd zo ver kwam Dat de vrucht in haar groeide En het lichaam van haar opblies, Zodat dat volk wordt gewaar 3590 En zei toen tot haar: “Jonkvrouw, ge verdikt nu zeer”; Ze sprak: “dank heeft Onze Heer”! Ze zei: “lieve, bij welke man Heb je dat kind ontvangen dan?” 3595 Zo help me God uit alle nood Alzo ik dus niet weet klein of groot!” “Heeft dat volk geweest met u al tezamen Zodat ge niet kende de vader”? Ze zei: “zo moet me die Gods kracht 3600 Nimmer van deze dracht Me verlossen als ik ooit een man, Met tasten of met zien, gewon Me zo nam met zulke zaken, Dat hij me met kind mocht maken”! 3605 Ze zeiden haar toen en spraken: “Lieve minne, met deze zaken Gebeurde dit niet vrouwen; Wie zal u dus vertrouwen? Goed is dat te zien, dat ge bemint 3610 Die, daar ge van draagt dat kind, Dat ge dus niet wil openbaren Maar dat is schade te waren, Dat daar u om te sterven staat Ten eersten als de rechter dat weet”. 3615 “Faise de moi Deus son plaisir”, Sprak de jonkvrouw, “hij vindt me hier, Maar alzo behoudt God mijn leven Als ik weet wie ze dat kind geven”. De vrouwen hielden dus hun spot, 3620 En scheidden er vandaan en zeiden: “weet God, Uw schoonheid en uw mooie gelaat En uw eenvoudigheid is geworden kwaad, Want ge hebt dat nu geheel verloren”. Dat stond haar zo, ze moest dat horen; 3625 Dus was haar erg wee te moede, Ze zocht raad zoals de verstandige, En ging tot haar biechtvader, En vertelde hem haar avontuur, Wat die vrouwen tot haar zeiden daar. 3630 De goede man wordt wel gewaar, Dat ze droeg een levend kind; Hij sprak: “ja, en heb je niet sinds Gelaten van dat ik u zei”? “Heer”, sprak ze, “neen, ik niet”. 3635 “Gebeurt”, ze hij, “u niet meer Dat wonder dat u gebeurde eer”? “Heer”, zei ze, “dat is me geschied Maar eens, daar me van komt dit verdriet. Dus verwonderde de goede man; 3640 En ze beschreef de wijze dan En die nacht dat het haar geschiedde. Hij sprak: “van het kwade volk Laat de taal allemaal gaan, En wees dus zonder waan; 3645 Zeg u me waar, weet dat te voren Als dat kind wordt geboren, Zal ik de waarheid weten wel Hoop ik aan God, aan niemand anders; Is dat waar, dat ge me laat verstaan 3650 Ge zal de dood wel ontgaan; Welk wonder is dat, al heb je gevaar, Als het voor dat gerecht wordt openbaar, Zullen ze u willen ontlijven Omdat wu goed bij hem zou blijven; 3655 Maar ten eerste dat ge bent gevangen, Zo laat me dat met een bode verstaan, 38 Ik zal u helpen, en geven u troost; Ik weet wel, gij wordt verlost Van God; ja, ben je zo van binnen 3660 Zoals je me buiten laat bekennen; Ga naar huis en wees zonder zorgen, Doe wel, ik ben hiervan uw onderpand; Een goed leven laat sterven goed”. Ze ging naar huis en deed al 3665 Dat beste dat ze mocht. Met die kwam daar gerucht Voor de rechter van het ding Snel hij de jonkvrouw ving. Men bracht haar voor de schepen dan 3670 En ze ontbood dan de goede man Die haar te aanraden plag. Hij kwam daar op dezelfde dag; Met die kwam daar de rechter nu; De lieden zeiden: “Heer, hoor ons nu; 3675 Deze vrouw zegt, dat ze van geen man Niet door zijn schuld won”. Hij zei toen: “is dat uw waan, Dat vrouwen kind mogen ontvangen Zonder gemeenschap van een man”? 3680 Haar biechtvader antwoordde dan: “Ik zeg u niet dat ik alles weet, Maar dat zeg ik u gereed: Doe mijn raad, dat is u goed, Dat ge daar geen gerecht over doet, 3685 Eer ze van het kind is genezen, Want dat lijkt me geen recht te wezen, Dat kind heeft geen dood verdiend”. Toen zei de rechter: “lieve vriend, Zo willen we dus doen al uw wil”. 3690 “Hoor, heer”, zei hij, “en zwijg stil, Laat haar in in een toren opsluiten En wachters genoeg daarbuiten, En met haar twee vrouwen, die haar verhogen En in de pijn helpen mogen. 3695 Dus moest ze opgesloten wezen, Totdat ze was genezen, En dat kind mag alleen eten; Mag men dan daar anders iets van weten, Zo berecht daar over, heer baljuw! 3700 Dit ding raad ik u nu; Dit is dat beste, dat ik daarvan weet; Doe je iets anders, dat is me leed”. De goede man gaf deze raad; Hij leek de rechter niet kwaad. 3705 Hij liet haar doen in een steen, Daarin was een deur, nee geen Ze waren vast verspert; Twee vrouwen waren met haar geleid De verstandigste, die men vinden waande 3710 Een venster dat bleef open staan Daar men intrekken mocht Zulke zaken zoals hen docht. De goede man die dit aanraadde, Hij sprak opwaarts en riep 3715 De jonkvrouw en zei: Geef het kind zijn christelijkheid Ten eersten als dat geboren is; Als u kan merken dit, Dat men over u zal berechten, 3720 Zend u naar mij met uw knechten”. “Graag, heer”, riep zij daarnaar. Dus bleef de jonkvrouw daar In de toren, die dat zwaar verdroeg, En dat gerecht gaf haar genoeg. 3725 Toen kwam de tijd, dat ze genas; En toen dat kind geboren was, Zou het hebben gehad de duivels geest Want het was duivels gewin geweest; Maar hij had het euvel verhoed 3730 En Jezus stierf door grote ootmoed, En hij hoonde de jonkvrouw In de slaap, dus ze had rouw; Toen ze gehoond was en verraden, Ze riep te allereerste “genaden” 3735 Aan Onze Heer zeer sterk, En beval haar de heilige kerk En hen allen, die met God zijn; Hierom zo wilde Onze Heer fijn Dat de duivel daaraan vondt 3740 Dat ding daar ze dat om deden. Ze vonden dat, zegt de historie, Dat dit kind had hun memorie Van alle dingen die waren geschiedt Dus ontbrak hem niets niet. 3745 Maar God kende de vrouwen zin, Dat hun leed was zo’n gewin; 39 Dus wilde hij dat de moeders zonde Het kind niet beschadigen kon, En gaf hem, dat het kon voorzien 3750 Alle dingen die zouden geschieden. Dus had hij van de vijand Die gebeurde dingen bekend; En dat gebeuren zou immermeer Wist dat kind van Onze Heer. 3755 Dus mocht het zich keren daar het wilde, Wil de het dat, het mocht onversaagd Onze Heer geven zijn recht En de duivel zijn deel echt; Want dat vlees kwam van de vijand, 3760 En God had de ziel er in gezonden, Omdat de lieden zouden daarin Bewijzen mogen de duivels zin, Hij gaf hem meer geest dan een andere: Hij heeft het nodig, hij mag daar wandelen. 3765 Wat dat kind zal doen mag u horen, Maar aldus alzo was het geboren. En de vrouwen waren bang Omdat het was alzo behaard; Ze lieten het de moeder zien daar ze lag; 3770 Ze zegende hem toen ze het zag “Dat kind verschrikt me!” sprak die vrouw “Zo doet het ook ons, bij mijn trouw!” Antwoordde het andere wijf, “Dat we menen te verliezen dat lijf”. 3775 De moeder sprak: “nu laat het dopen; Men zal hem aan een lijn knopen, En laten uit het venster neer”. De vrouw antwoordden haar weer: “Hoe zal men het noemen, weet ge dus iets”? 3780 Ze zei: “zoals mijn vader heet”. Ze lieten hem neer met goede pozen En zeiden, dat men het dopen deed, En dat men het noemde naar de grootvader. “Graag”! riepen ze alle tezamen, 3785 “Dat moet ter goede tijd zijn. Toen noemde men het naar de man Merlijn. Merlijn was het christelijk gedaan. Men gaf het de moeder weer gelijk Want niemand anders durfde het te zogen; 3790 De moeder hield het, ze moest het gedogen Totdat het had de maand tien. De vrouwen zeiden: “zo’n lelijk Kind zagen we niet eer”! Dus verwonderde het hen hoe langer hoe meer. 3795 Toen het tien maand was oud te waren Dachten ze hem te wezen van twee jaren, Toen het was van anderhalf jaar Zeiden de vrouwen openbaar: “Vrouw, wij willen heengaan 3800 Al daar onze woningen staan, Tot onze vrienden, want het is tijd”. Ze zei: “Als ge heen bent Zal men mij gelijk ontlijven!” “Wat mogen we dus? wij mogen blijven 3805 Met u hier niet immermeer”. De ander weende toen erg zeer, Want ze was zeer bang, En ze gingen ter venster waart; En de moeder nam haar kind 3810 In haar arm, en ze begint Maken een groot handgeklap: “Lieve kind!” sprak ze, “o wi, o wach! Door u moet ik de dood ontvangen, Nochtans heb ik niets misdaan, 3815 Ik weet niet hoe me dat is geschied, En men wil mij geloven niet. Dus moet ik sterven met onrecht!” Toen sprak ze dus tegen haar jongen En ze zei: “als God dat heeft gekozen, 3820 Dat u van mij werd geboren!” Dus beklaagde ze haar grote leed; Dat kind keek naar haar, en sprak gereed: “Lieve moeder, bedroef u niet Omdat u nog niets is geschied, 3825 Zo wordt u niet verdaan”. Toen dat de moeder had verstaan, Bezweek haar dat hart en alle leden; Haar armen ontgingen haar mede En dat kind viel neder en schreide; 3830 Toen kwamen de ander vrouwen twee Die bij het venster waren gaan staan, En zeiden: “wil ge dat kind slaan? De moeder zei voor hen allen, 3835 En antwoordde, als de bange: “Dat zou ik doen zeer node, 40 Maar door een woord, dat het me zei, Ontviel het mij”. Toen spraken ze beide: “Welk wonder zegt u hier toe?” 3840 “Te waren”, zei ze, “dat zei zo, Dat men mij hierom niet verdeed”. “Het zou nog spreken, had het plaats”, Antwoordde die vrouw en met die Namen ze het en heeeft het bezien, 3845 En onderzocht het of het wilde spreken voort; Maar dat zei niet een woord. De moeder sprak: “nu zeg het snel Dat men mij nu zal in een vuur Verbranden door zijn wil, 3850 Hij zal niet lang zwijgen stil”. In haar arm nam het met die De moeder, die graag had gezien Dat dit kind nu iets had gezegd. Die vrouw zei toen: “God weet, 3855 Dat is schade, dat uw mooie lijf, Vanwege deze lelijke ellendige, Zo jammerlijk wordt verloren; Hij was beter gebleven ongeboren”. “Ge liegt”, antwoordde Merlijn, 3860 “Al noemt u de moeder van min”. Toen worden die vrouwen in gevaar, En zeiden, dat het de duivel waar, Dat is geen kind, dat spreken kon, En hun taal zo goed verstond. 3865 Toen spraken ze hem aan die twee, En hij antwoordde toen niet meer Dan “laat me in vrede staan; Ge hebt zelf meer misdaan, Dat zeg ik u, dan mijn moeder doet”. 3870 Dit verwonderde hen in hun gemoed, En zeiden: “dit grote wonder Moet dat volk weten hier onder, Wij zullen dat niet verhelen”. Ten eerste dat ze dat mochten vertellen, 3875 Kwamen ze neer, en zeiden Van Merlijn de flinkheid Zodat de rechter wist die zaak; Dat leek hem wonder, dat dit kind sprak En zei: “spreekt hij nu, die knecht, 3880 Dan is het tijd, dat men over haar berecht En men haar voortbrengt Voor de schepen in het geding. |
Hoe Merlijns moeder vor gerechte quam, ende hoese Merlijn quijt makede. Die rechter hiet dat die scepene quamen Binnen veertich dagen te samen, 3885 Ende hoer recht geven wt. Doe men haer dat zeide overluet, Ende zi wiste haer leste uer, Doe ontboet zi dat haren confessuer. So lange leet oeck dat die tijt genaeckte 3890 Dat der dagen en bleven maer achte, Dat mense brengen zoude te viere. Doe hoer des gedochte wart zi sciere Seer wenende ombe dat doen. Merlijn ginck doe achter den prisoen 3895 Ende sach hoe zijn moeder screide seer; Doe maeckte hy spellecheide meer. Die vrouwen zeiden algemene: “Nu denket dit kint wael clene, Dat men binnen der naester weke 3900 Zine moeder sal bernen zekerleke; Die stonde moete God verdomen, Dat hi ter werelt zoude komen”. Mettien dat kint toter moeder gaet, Ende zeide: “moeder, nu verstaet: 3905 Also lange als ick sal leven, So en sal nyeman gerechte geven, Sonder God, over iu lijf”. Dit hoerde die moeder ende die ander wijf: “Dit kint”, zeiden zi, “kan zo wael spreken 3910 Het zal noch konnen vele treken, Want keyser no koninck no ammirale En spraken nie zo scone tale Alse Merlijn sprack; dit en es gene sage”. Hierbinnen quam dat toten dage, 3915 Dat men die vrouwe afkomen dede, Ende zi brachte Merlyne mede. Die scepene vragheden den vrouwen Of dat waer waer in goeder trouwen, Dat dit kint wael spreken konde! 3920 Zi zeiden beide terselver stonde, 41 Wat tale dat zi van hem hoerden. Hem wonderde van zulcken woerden Ende zeiden: “zo moet hi voertbringen Menech woert, sal hi ze ontdingen”. 3925 Doe dat die scepene hadden gesecht, Quam die goede man echt, Die altoes was der vrouwen raet. Nu zeide een scepene die daer staet: “Vrouwe, hebdy iet te doene el 3930 Keert iu ombe, gy wetet wel Gy moet liden deze pine”. Zy zeide doe, al stillekine: “Ick wil hebben des mans raet”. Zi zeiden: “haestet iu ende gaet”. 3935 In ene kamer zise sluyten, Ende Merlijn bleef daer buyten: Tot hem so spraken vele liede Dat hem herde luttel diede. Die moeder zeide al dat zi weet, 3940 Met wenenden ogen gereet. Doe zi gebichtet hadde aldaer, Vraeghde die man, of dat waer waer, Dat hoer kint wael spreken konde. Zi zeide: “ia”. Doe sprack hi ter stonde: 3945 “Hier sal groet wonder af gescien”. Doe quamen si voert mettien; Maer die vrouwe was ontcleet, In enen hemde brachte men se geleet Ende enen mantel over haer; 3950 Si vant hoer kint aldaer, Ende brachtet gedragen voer dat gedinge. Si zeiden tot haer: “zegget zonderlinge, Wie van den kinde die vader zij”. Si zeide: “ick zie wael, dat men my 3955 Verbernen sal, maer nembermeer Ontferme mijns God, onse Heer, Of ick den vader ie gesach, Ende of oeck ie by my lach In genen dingen eertsche man; 3960 Ick en weet, hoe ick dat kint gewan”. Die scepene zeiden: “wy en mogen niet Geloven, dattet dus es gesciet; Wy zullen des vragen ander vrouwen Entie wys mogen getrouwen; 3965 Want wy nye daer en quamen, Daer wy sulck wonder vernamen! Die scepene riepen nu daertoe Alle die andere wijf alsoe, Ende leiden se wten ring 3970 Ende zeiden hem: “dusdane ding Gesciede nie vrouwen negene, Dat men weet, groet of clene, Dat ie vrouwe sonder man Kint droech ofte wan”. 3975 Si zeiden: “dat en mach niet gescien, Die vrouwe en moet mans plien, Die kint zal dragen ofte winnen”. Alse die scepene dat bekinnen, Quamen si daer die vrouwe was, 3980 Ende zeiden, dat waer gedwas, Dat zi hem dede verstaen, Ende hietense toten viere gaen. Van haren arme spranck Merlijn neder, Ende sprack toter moeder weder: 3985 “Gy en hebbet gene noet, zijt onvervaert”. Doe keerde hy hem ten scepenen waert, Hy sprack: “dat en wert niet dus sciere, Dat mijn moeder sal gaen ten viere, Want si en hevet des niet verdient 3990 Ende zoudy al uwen vrient Beide man ende oeck wijf, Die mesdaen hebben, nemen dat lijf, Buyten horen beddegenoet, Die twe deel soude blyven doet 3995 Van dengenen, die hier staen, Dat weet ick wel al zonder waen, Also wel alse si dat selve weten; Des dar ick my wel vermeten, Dat ick des lijckteken weet openbaer, 4000 Ende die vrouwen, die spraken daer, Sijn sculdeger dan mijn moeder es; Want si gene scult en hevet des, Ende dat si hieran hevet mesdaen Hevet hi op hem ontfaen, 4005 Dese goede man, die hier staet Ende die weet al hoer misdaet; Des moechdy hem wel vragen”. Als die scepene dat gesagen, Riepen si den goeden man daer 4010 Ende vraeghden, of dat waer waer? Die goede man zeide: “jaet, Al dat van der moeder mesdaet 42 Hi hevet gesecht, es waerheit al, Ende es dat men hoer recht doen sal, 4015 Gesciede alsi my heeft doen verstaen, So en hevet si niet mesdaen Noch iegen Gode noch tegen iu; Sal men hoer recht doen nu, Si zeide my in ware dinck, 4020 Dat zi slapende dit kint ontfinck, Ende zi en wiste niet, wie hoer dat dede; Si ginck te bichte ende dade mede Die penitencie, die men hoer hiet; Maer ick en hoerde nie niet, 4025 Dat dese dinck mochten gevallen, Ende ick en gelovedes niet met allen”. Merlijn zeide voer alle die liede: “Die wile, dat hoer dit gesciede, Hebdy gescreven ende den dach; 4030 Gy wetet wael welcke tijt si gelach Haer leven es in wael openbaer”. Die goede man zeide: “du zegges waer; Ick en weet wie dit dy dade verstaen”. Doe haelde men die twe vrouwen saen, 4035 Die waren daer dat kint was geboren, Ombe dat zi die waerheit zouden horen. Zi zeiden welke tijt dat si genas, Ende doe die tijt gerekent was, Hoe dat was geboren ende ontfaen. 4040 Die scepene antworden saen: “Dat en doncket ons geen recht daerby, Dat deze vrouwe quijt zij; Want wy des niet geloven konnen, Hy en zegge ons, hoe hy wart gewonnen”. 4045 Merlijn hy wart herde gram, Doe hy dese dinck vernam. Hy zeide: “twaren, heer baliu, Vele bat zo kenne ick nu Mynen vader dan gy doet den uwen, 4050 Gy en dorvet myne moder niet verspuwen; Iu moeder kennet bet uwen vader, Dan die myne den mijnen”. Algader Hoerden zi dit, die waren aldaer. Die rechter antworde daer naer: 4055 “Sech op myne moeder echt, Weetstu daer iet af, ick doe dy recht”. “Ja, ick”, antworde dat kint, “Ick hebbe van hoer bekint, Dat si der doet hevet bet verdient, 4060 Dan die myne, lieve vrient! Laet myne moeder in vreden wesen, Si en heeft niet mesdaen in desen, Ende si en lieget iu niet een twint”. Die rechter wart tornich op dat kint, 4065 Ende sprack: “doetstu my dat bekennen scier Du quites dyne moeder van den vier; Beliegestu oeck mijne moeder, Sodat ick des ben te vroeder, Ick sal dy doen bernen ende die dine”. 4070 “Dat en sal niet sijn, dat die mine”, Sprack Merlijn, “sal sijn verbrant, Also lange als men my levendich vant. Somelijc maket hem vroed ende herde rene, Hy ende sijn moeder gemene 4075 Waren beter van den live”. Men nam verste der dagen vive. Die rechter dade sine moeder halen, Ende hi geboet in korter talen Lieden, dien hi dorste betrouwen, 4080 Dat kint te houdene ende zine vrouwen; Oeck wachte hize selve wale. Vor Merlyne was menege tale Van ziner moeder daer binnen vertrecket, Ende oeck ander dinck ontdecket; 4085 Maer zi en mochten hem niet doen spreken In vijf dagen, met genen treken, Vor dat des rechters moeder quam. Ende alse Merlijn dat vernam, Dat zi was komen, dade men hem saen 4090 Ende zyne moeder wten prisone gaen, Ende komen doen vor dat gerechte. Die rechter sprack toten knechte: “Wat zeggestu? dit es mijn moeder”. Merlijn sprack: “gy menet vroeder 4095 Vele wesen dan gy zijt, Leidetse enwech in corter tijt, Daer dat heymelick es, ende uwen raet, Ende mijne moeder, die hier staet, Ende hoeren raet sal ick daer bringen, 4100 Dat is God, die weet van allen dingen, Ende daertoe dese goede man. Sere hem wonderne began, Doe hy dese tale brachte voert; Si dorsten kume spreken een woert. 43 4105 Die rechter kende wael aldaer, Dat hem dat kint zeide waer. Merlijn zeide: “mach ick nu Mine moeder quiten tegen den baliu, Darf zi ontsien dinck anders negene?” 4110 “Neen”, riepen zi algemene, “Ontgaet zi nu van desen man, Hoer en spreket nieman an”. Dus gingen zi in die kemenade Die rechter met sinen rade, 4115 Dat es zijn moeder ende zi twe. Merlijn quam, ende nieman mee Met hem, dan die goede man, Ende zyne moeder, daer dat om began. Ende doe die baliu was beraden, 4120 Sprack hi tot Merlyne met staden: Segget op myne moeder, dattu wouts Ende hoe du die dine quiten zouts”. Merlijn zeide: “op die dine En zegge ik niet waerby die mine 4125 Quijt van dy zoude gaen, Waer dat zi iet hadde mesdaen; Want tegen recht wil ik niet spreken, Godes recht laet ick node breken, Want wetet vorwaer, datzi der doet 4130 Verdient en hevet clene no groet; Gy lietetse quijt, dadet gy wel Ende en vraeght van der uwer vorder niet el”. “Neen”, sprack die baliu, “sonder waen, Aldus en zuldy niet ontgaen, 4135 Gy moet ander zaken togen”. Merlijn sprack vor zinen ogen: “Gy zout myne moeder laten gehermen”, Dat zeide hy mochte hy se bescermen, “Ende optie uwe dit proven nu”. 4140 “Dat es wael”, zeide die baliu, “Want wy comen horen ende scouwen Wattu wils zeggen op mijne vrouwe”. Merlijn sprack: “ia en houdy niet dan Mine moeder, omdat zi my wan 4145 In kevesdome ende niet in echte: Wie mijn vader was met rechte Zi zoude dat bet weten, woude ick dan, Wie hy was, die my wan, Dan du dinen vader kinnes, 4150 Ende dijn moeder, die du so minnes, Zoude bet noemen dan die mine Dinen vader al stillekine”. Die rechter zeide: “lieve vrouwe, Den manne dien gy gavet trouwe 4155 Was dat degene niet, die my wan?” “Lieve zone, wie zoude dat wesen dan Dan myn here, die daer is doet?” Merlijn zeide: “Vrouwe, al bloet Moety die waerheit doen verstaen, 4160 Sal men ons quijt laten gaen, Ick lietet aldus, woudet uw zone gedogen”. Van mijne moeder die waerheit”. Merlijn zeide: “al dit gepleit, 4165 Dat gy daeran winnet, hout al bloet: Gy menet, dat iu vader es doet, Hy levet noch, orkonde uwer vrouwen” Den anderen wonderde des die dat scouwen, Ende Merlijn sprack: “zegget uwen zone 4170 Vrouwe, wie hy was diegone”? Zi zegende haer, als die gram was: “Wat zegdy”? zeide zy, “Sathanas, Je weet ick dat wel”? Merlijn zeide “Gy wetet wel vor waerheide, 4175 Dat hem uw man niet en wan”. Die vrouwe zeide: “zech, wie dan”? “Dat was die pape zonder gijle. Te lijcktekene dat ter selver wijle Doe hi ten eersten met iu was, 4180 Dat gy zeidet, gy vruchtet das Dat gy wanet een kint ontfaen. Hi zeide: Vrouwe, laet dit staen, Van my en werdy niet bezwaert; Want hy was altoes vervaert, 4185 Dat iu een ander zoude bezwaren, Hier ombe bescreef hi dat twaren, Welke tijt dat hy met iu was; Ick en liege iu niet, zijt zeker das, Ende gy waert ovele met uwen man, 4190 Doe men desen sone aen iu wan, Dat gy niet vele doe by hem en laget Ende gy over hem doe claget Ende zeidet, gy droeget by hem kint, Dit en es logene niet een twint, 44 4195 Ende geloefdy des niet hiermede, Ick zegges iu meer alhier ter stede”. O wi, hoe gram was die baliu! Zijn moeder sprack: “geloefdy nu Lieve Zone, desen viant”? 4200 Merlijn sprack al te hant: “En geloefdy des niet by desen saken, Ick sal iu des herde wel vroet maken”. Die vrouwe, zi antwoerde saen: “Ick weet wael, wat ick hebbe gedaen”. 4205 “So doe ick oeck, nu hoert daer naer: Doe gy dit kint droeget, haddy vaer Ende badet den pape, dat hy den vrede Gestadelike wesen dede Tusschen iu ende uwen here 4210 Ombe te decken iu onnere; Ende doe hy den vrede hadde bejaget, Dade hy, dat gy te samene laget; Dus dady iuwen manne verstaen, Dat gy dat kint van hem haddet ontfaen; 4215 Aldus meenden dat alle die liede sint, Ende waenden desen wel wesen zijn kint. Dit leven hebdy lange geleet Ende noch doedyt; hoert wat ick des weet: Des nachtes doe gy her sout tyden, 4220 Doe lach hy by uwer zyden, Des morgens ginck hy met iu een stick, Ende wat hy zeide, dat weet ick: Al lachende sprack hy, lude ende stille, Doet al dat mijn zone wille; 4225 Want hi weet wael, dat hi es zijn zone By zynen gescrifte. Doe zy dat gone Hoerde dat hy zeide waer, Viel zi neder ende hadde vaer; Zy wiste wael, zy moeste gien. 4230 Die rechter hevet dit gesien, Ende zeide: “moeder, ick ben iu kint, So wat vader gy my toesint, Goet kint blive ick iu embermeer”. “Genade”, zeide zi, “omb onsen Heer! 4235 Ick en mach des gelochenen niet, Also hi dat zeghet es dat gesciet”. “Pardeu”! zeide die baliu, “Dit kint zeide die waerheit nu: Het wiste zinen vader bet 4240 Dan ick den minen; dat en is gene wet, Dat ick zine moeder wise ten viere, Ick en verberne die myne oeck sciere”. Hy zeide toten kinde: “nu biddick dy, Dattu my zegges wie dijn vader zy, 4245 Ombe dat ick dy mach daerby ontschulden Vor den lieden”. “Omb dine hulde Doe ick dat meer dan dor bedwanck”, Sprack Merlijn, “al sonder wanck So was mijn vader een viant; 4250 Daer hi mijne moeder slapende vant, Was hi met haer, geloeft my des, Ende zulke heten equipedes; Dese Duvele, des mach men my geloven, Wonen in der lucht hierboven; 4255 Ende om dat my een Duvel wan, So gedogede onse Here daeran, Dat ick hebbe haren zin Ende haer liste, meer no min, Ende ick weet dat geleden es; 4260 Ende van myner moeder, zijt zeker des, Dor die doget, die an haer was gevonden Entie berouwnesse van haren zonden, Ende ombe den aflaet, dien haer dede Dese goede man oeck mede, 4265 Ombe der heilger kerken gebode, Die zy hielt ende geloefde an Gode, So hevet my God gejont al Dat ick weet wat daer gescien sal; Dit machstu proven nu te tyde”. 4270 Hi nam den baliu over ene zyde Ende zeide: “dijn moeder die zal gaen Ende zeggen dinen vader saen Allegader, dat hier es gesciet ter stont, Ende als hi weet, dattet dy es kont, 4275 Sal hy van herten sijn versaecht, Ende vlien of hi waer geiaecht. Die Duvel, dien hy hevet gedient, Sal hem leiden alze zinen vrient, Daer hy hem verdrenken sal. 4280 Hierby merke, dat ick weet al Die zaken die zullen gescien”. Die baliu antwoerde mettien; “Es dit waer, ick sal dy, by mijnre wet, Embermeer geloven te bet”. 4285 Quijt scout die rechter Merlijne Ende daertoe die moeder zijne. 45 Die mare was voer den volke verhaelt; Dese zeide: “hi hevet wael vertaelt Met sconer rede zine moeder; 4290 Ende weet oeck wael, dat daer geen vroeder Iu nembermeer te ziene steet, Nadien dat ick die waerheit weet”. Dat volck riep al met vlijte: “God hebbe des danck, dat zi es quijte”! 4295 Die rechter zende sine moeder hene Ende boden mede, die al datgene Proveden, dat dat kint dade verstaen. Doe zi was komen alzoe saen Zeide zi den pape al die woerde; 4300 Hi wart versaget doe hi dat hoerde, Ende vlo van groter scame; Hi dachte, alse die rechter quame Dat hine zoude doen verslaen. Alse hi was wter poerten gegaen, 4305 Quam hi te hant op ene rivier, Ende zeide: “my is beter, dat ick scier Verdrinke, dan hi my doden zal Te lachter deser werelt al”. Dus leidene die Duvel eer iet lanck 4310 Dat hi hem zelven verdranck. Die met der vrouwen waren gesent daer Stonden ende zagen al dat vorwaer. Dit boeck zecht: al is een erre, Dat hi den lieden niet ontferre. 4315 Ende alse die boden weder quamen Zeiden zi dat zi vernamen, Ende dat die pape verdronken was. Den rechter hadde groet wonder das Ende Merlijn loech doe, ende zeide: 4320 “Merke, en zeidick dy niet waerheide? Nu biddick, dattu dat zegges dan Blasise, den goeden man”. Blasys hiet hi, die altoes hoeder Hadde gesijn van Merlijns moeder. 4325 Hi vertelde hoe dat was gesciet Met den pape ende anders niet. Blasys ginck te huys metter vrouwen, Die quijt was van groten rouwen; Ende Merlijn ginck metten baliu. 4330 (Dese Blasys, zeggick iu, Was een herde dier clerck Ende hi bescreef ons eerst dit werck). Dese redene merkede Blasys wale, Ende vernam al Merlijns tale, 4335 Die maer derdehalf jaer was out; Wonder haddi des menechfout, Wanen hem quam die grote zin. Hi proefdene sere in dat begin, So lange dat hem Merlijn hiet: 4340 “Blasys, en proevet mi niet, Dy saldes wonderen ie lanck ie meer, Maer doe dat ick dy leer; Ick sal dy wisen, lichtelike Te gewinnen dat Hemelrike”. 4345 Blasys zeide: “ja en zeidestu niet dan Te my, dat dy die Duvel wan? Ende dat dincket my wesen waer, Hierombe hebbick grote vaer, Dattu my eneger wijs wils honen”. 4350 Merlijn sprack: “Aldus zo kronen Quade liede, ende hebben hoede Meer vor dat quade dan vor dat goede. Ene hoepe hebbick dy gerecht: Also als ick hebbe gesecht, 4355 Dat die Duvel was mijn vader, So zegge ick, dat my God algader Gaf, dat ick mach vorzien Alle dinge, die zullen gescien; Ende bistu wijs, proef ende merke 4360 Na welken levene ick meest werke, Ende werke daeran, doe my God jonde Dat ick zulke zaken konde, Dat ick den Duvelen bin ontgaen, Nochtan wetick, zonder waen; 4365 Horen zin, ende ick houde Van hem, dat ick houden zoude; Dat en zal hem niet gehelpen konnen, Dat zi my an myne moeder wonnen, Waren zi dol; want dat vat, 4370 Dat zi meenden hebben gehat, Dat es al verloren bleven, Dor myner moeder reine leven; Maer hadden zi my an ene quade Gewonnen, zo zoude groet scade 4375 Ende hoer wille hebben gesciet, Ende zo en wistick van Gode niet. 46 Van hem quam al leet myner moeder Van horen zustren, van horen broeder, Van hoerre moeder, van horen vader; 4380 Maer houtdy an my algader Ick zal dy zeggen, dat nieman en weet, Sonder God, daer dat al aen steet, Ende scrivet ons in ene hystorie; Die daeran leggen haer memorie, 4385 Zi zullen vele te bet gevroeden Ende hen te meer van zonden hoeden; Dus zetdy toter bester wijs”. “Dat doe ick gerne”, zeide Blasijs, “Maer by den Vader mane ick dy, 4390 Ende by den Sone oeck daerby Ende by den Heilgen Geeste gereet, Also waerlike alsick wael weet, Dat een God zijn deze dry, Ende by der Vrouwen, mane ick dy, 4395 Daer Jhesus Kerst af es geboren, Ende daertoe by den negen koren Der Inglen die met Gode resten, By den Apostelen, by den Evangelisten, By mertelaren, by confessoren, 4400 By allen mageden verkoren, By allen Santen ende Santinnen, Ende by hem allen die Gode minnen, Ende by den meesters der heilger kerken, Ende by leken ende by clerken 4405 Ende by al onses Heren creaturen, Dattu my niet en hones ter uren Ende my niet en does in genen rade Sake, die ick jegen Gode dade”. Merlijn zeide: “al die woert, 4410 Die ick van dy nu hebbe gehoert Alhier toter stede nu nomen, Moeten my embermeer verdomen Of ick dy rade voert embermeer Dinge, die zijn jegen onsen Heer”. 4415 Hi zeide: “zo zech dat dy goet dinket Merlijn zeide: “gewinne ons inket, Ende zet ons in dat perkement Die zaken, die nyeman en bekent”. Sciere so was dat gedaen, 4420 Ende Merlijn hietene scriven zaen Die mynne van der schoenre Marien Ende van Josepe van Aramathien, Also men hier vor hoerde tellen, Ende van Aleyne ende sinen gesellen, 4425 Hoe datse die vader liet, Ende hoe Peter danen sciet, Ende hoe Joseph besitte den Grael, Ende dat bloet mede in dat vremde vael, Ende hoe die Duvele waren bedacht, 4430 Datsi verloren hadden hoer cracht, Die zi hadden over den man, Ende van den gedinge oeck voertan, Dat zy hadden met groten rouwen Tegen Marien onser zoeter Vrouwen 4435 Ombe die zielen, die hem waren beheten, Ende hoe zi claeghden over die propheten. “Ombe dit wouden si enen man visieren Die konnen zoude hoer manieren”, Sprack Merlijn, “ende makeden my 4440 Alse myne moeder vertelde dy, Zi deden hoer menech leet quaet, Maer by der dolheit, die hem bestaet, Verloren zi my ende al vervaren”. Dus visierde Merlijn twaren 4445 Dit werck ende dade daerombe onderzoeck; Daerombe zo hetet Merlijns boeck. Blasys hadde des wonder in sinen moet Idoch so dochtetem wesen goet, Ende zette daeran sine memorie. 4450 Doe zi visiert hadden deze historie, Sprack Merlijn vor sinen ogen: “Du moest grote pine dogen Hier af, ende ick sal te mere dragen”. Blasys die begonste hem vragen: 4455 “Waerby ende hoe”? Doe sprack Merlijn: “Ick zal van Westen gesocht zijn, Ende die my zullen zoecken zeer, Hebben gelovet horen Heer, Datzi my nemen zullen dat lijf, 4460 Ende brengen mijn bloet, sonder blijf, Hem; maer t’ierst dat zi my zien Ende spreken, zo en zal des niet gescien, Ick zal met hem henevaren, Ende du zals hene gaen, twaren, 4465 Daer dat volck es van den Grale Ende dijn boeck sal telken male 47 Lief zijn, die daer meer af visiert, Ende hy en wert niet gecalengiert; Want niet en zijn der Apostele woert, 4470 Zi en scriven dat zi hadden gehoert, Ende datzi zagen ende anders niet; Maer dat en es my niet gesciet Anders, dan ick dy hebbe vertrecket; Also als ick ben bedecket 4475 Daer ick wille, telker stede, Also wert deze hystorie mede Ende luttel ieman sal hoer gewagen. Alsi volmaket es zalstu ze dragen In dat lant daer du hene zals tyden, 4480 Ende ick moet met dengenen ryden, Die scire zullen zoecken my, Ende dan kome ick weder te dy. Ende alse du dit heves volent Zalstu zijn in hoer convent 4485 Ende samelen dinen boeck in den haren; Dus wert onze pine groet, twaren. Alsi dit hebben, zullen zi te meere Vor ons bidden onsen Here. Twe boecken zijn er nu met desen, 4490 Dit zal een scone boeck wesen; Ende beide spreken van ener zaken; Nu moet ick ander ieesten maken. |
Hoe Merlijns moeder voor gerecht kwam en hoe Merlijn haar vrij sprak. De rechter zei dat de schepeenn kwamen Binnen veertig dagen tezamen, 3885 En hun recht geven uit. Toen men haar dat zei overluid, En ze wist haar laatste uur, Toen ontbood ze dan haar biechtvader. Zolang leed ook dat de tijd genaakte 3890 Dat de dagen bleven maar acht, Dat men haar brengen zou te vuur. Toen ze er dus aan dacht werd ze snel Zeer wenend om dat doen. Merlijn ging toen achter de gevangenis 3895 En zag hoe zijn moeder schreide zeer; Toen maakte hij spelletjes meer. De vrouwen zeiden algemeen: “Nu denkt dit kind wel klein, Dat men binnen de naaste week 3900 Zijn moeder zal branden zekerlijk; Die stonde moet God verdoemen, Dat hij ter wereld zou komen”. Meteen dat kind tot de moeder gaat, En zei: “moeder, nu verstaat: 3905 Alzo lang als ik zal leven, Zo zal niemand recht geven, Uitgezonderd God, over uw lijf”. Dit hoorde de moeder en dat andere wijf: “Dit kind”, zei ze, “kan zo goed spreken 3910 Het zal nog kunnen vele streken, Want keizer nog koning nog admiraal Spraken niet zo’n mooie taal Als Merlijn sprak; dit is geen sage”. Hierbinnen kwam het dan tot de dag, 3915 Dat men de vrouw komen deed, En ze bracht Merlijn mede. De schepen vroegen de vrouwen Of dat waar was in goed vertrouwen, Dat dit kind goed spreken kon! 3920 Ze zeiden beiden terzelfder stonde, 41 Welke taal dat ze van hem hoorden. Hen verwonderde van zulke woorden En zeiden: “zo moet hij voortbrengen Menig woord, zal hij haar vrij spreken”. 3925 Toen dat de schepen hadden gezegd, Kwam de goede man echt, Die altijd was de vrouwen raad. Nu zei een schepen die daar staat: “Vrouw, heb je iets te doen anders 3930 Keer u om, ge weet wel Ge moet lijden deze pijn”. Ze zei toen, geheel stilletjes: “Ik wil hebben die mans raad”. Ze zeiden: “haast u en gaat”. 3935 In een kamer ze haar sluiten, En Merlijn bleef daarbuiten: Tot hem spraken veel lieden Dat hem erg weinig diende. De moeder zei alles dat ze wist, 3940 Met wenende ogen gereed. Toen ze gebiecht had aldaar, Vroeg de man, of dat waar was, Dat haar kind goed spreken kon. Ze zei: “ja”. Toen sprak hij ter stonde: 3945 “Hiervan zal groot wonder geschieden”. Toen kwamen ze voort meteen; Maar de vrouw was ontkleed, In een hemd bracht men haar gereed En een mantel over haar; 3950 Ze vond haar kind aldaar, En bracht het gedragen voor het geding. Ze zeiden tot haar: “zeg het vooral, Wie van het kind de vader is”. Ze zei: “ik zie wel, dat men mij 3955 Verbranden zal, maar nimmermeer Ontferm me God, onze Heer, Of ik de vader iets zag, En of ook die bij mij lag In geen ding een aardse man; 3960 Ik weet niet hoe ik dat kind won”. De schepen zeiden: “wij mogen niet Geloven dat het dus is geschied; We zullen dus vragen andere vrouwen En die wij mogen vertrouwen; 3965 Want we niet daar kwamen, Daar we zo’n wonder vernamen! De schepen riepen nu daartoe Alle andere vrouwen alzo, En leidden ze uit de ring 3970 En zeiden hen: “dusdanige ding Gebeuren niet met vrouwen nee geen, Dat men weet, groot of klein, Dat een vrouw zonder man Kind droeg of won”. 3975 Ze zeiden: “dat kan niet geschieden, Die vrouw moet een man plegen, Die kind zal dragen of winnen”. Toen de schepen dat bekenden, Kwamen ze daar de vrouw was, 3980 En zeiden dat het was gedaas, Dat ze hen liet verstaan, En zeiden haar tot het vuur te gaan. Van haar arm sprong Merlijn neer, En sprak tot de moeder weer: 3985 “Ge hebt geen nood, wees niet bang”. Toen keerde hij zich ter schepen waart, Hij sprak: “dat wordt niet dus snel, Dat mijn moeder zal gaan te vuur, Want ze heeft dat niet verdiend, 3990 En zouden u al uw vrienden Beide, man en ook wijf, Die misdaan hebben ontnemen dat lijf, Buiten hun bedgenoot, Het tweede deel zou blijven dood 3995 Van diegenen, die hier staan, Dat weet ik wel al zonder waan, Alzo goed zoals ze dat zelf weten; Dus durf ik me wel te vermetel, Dat ik dit teken weet openbaar, 4000 En de vrouwen, die spraken daar, Zijn schuldiger dan mijn moeder is; Want ze geen schuld heeft aan dit, En dat ze hieraan heeft misdaan Heeft hij op zich ontvangen, 4005 Deze goede man, die hier staat En die weet haar hele misdaad; Dus mag ge hem wel vragen”. Toen de schepen dat zagen, Riepen ze de goede man daar 4010 En vroegen, of dat was waar? De goede man zei: “ja het is, Alles dat van de moeders misdaad 42 Hij heeft gezegd, is waarheid al, En is dat men haar recht doen zal, 4015 Gebeurde zoals ze me heeft laten verstaan, Zo heeft ze niets misdaan Nog tegen God nog tegen u; Zal men haar recht doen nu, Ze zei me een waar ding, 4020 Dat ze slapende dit kind ontving, En ze wist niet, wie haar dat deed; Ze ging te biecht en deed mede De boetedoening, die men haar zei; Maar ik hoorde nog niet, 4025 Dat deze dingen mogen gebeuren, En ik geloofde er niets van met allen”. Merlijn zei voor al die lieden: “De tijd, dat haar dit gebeurde, Heb je geschreven en de dag; 4030 Ge weet wel op welke tijd ze lag Haar leven is wel openbaar”. De goede man zei: “u zegt het is waar; Ik weet wie u dit liet verstaan”. Toen haalde men die twee vrouwen gelijk, 4035 Die daar waren toen dat kind was geboren, Zodat ze de waarheid zouden horen. Ze zeiden welke tijd dat ze genas, En toen de tijd gerekend was, Hoe dat het was geboren en ontvangen. 4040 De schepen antwoordden gelijk: “Dat lijkt ons geen recht daarbij, Dat deze vrouw onschuldig is; Want we het dus niet geloven kunnen, Hij zegt ons, hoe hij werd gewonnen”. 4045 Merlijn hij werd zeer gram, Toen hij dit ding vernam. Hij zei: “te waren, heer baljuw, Veel beter zo ken ik nu Mijn vader dan ge doet de uwe, 4050 Ge durft mijn moeder niet te bespuwen; Uw moeder kent beter uw vader, Dan de mijne de mijne”. Allen Hoorden ze dit, die waren aldaar. De rechter antwoordde daarnaar: 4055 “Zeg op mijn moeder echt, Weet u daar iets van, ik doe u recht”. “Ja, ik”, antwoordde dat kind, “Ik heb van haar bekend, Dat ze de dood beter heeft verdiend, 4060 Dan de mijne, lieve vriend! Laat mijn moeder in vrede wezen, Ze heeft niets misdaan in deze, En ze liegt u niets”. De rechter werd toornig op dat kind, 4065 En sprak: “laat u me dat bekennen snel U kwijt uw moeder van het vuur; Beliegt u ook mijn moeder, Zodat ik dus beter weet, Ik zal u laten branden en de uwe”. 4070 “Dat zal niet zijn, dat de mijne”, Sprak Merlijn, “zal zijn verbrand, Alzo lang als men mij levend vond. Zo maak het hem bekend en erg rein, Hij en zijn moeder algemeen 4075 Waren beter van het lijf”. Men nam dagen uitstel vijf. De rechter liet zijn moeder halen, En hij gebood in korte talen Lieden, die hij durfde vertrouwen, 4080 Dat kind te houden en zijn vrouwe; Ook wachtte hij zichzelf wel. Voor Merlijn was menige verhaal Van zijn moeder daarbinnen verteld, En ook andere dingen ontdekt; 4085 Maar ze mochten hem niet laten spreken In vijf dagen, met geen talmen, Voordat de rechter moeder kwam. En toen Merlijn dat vernam, Dat ze was gekomen, deed men hem gelijk 4090 En zijn moeder uit de gevangenis gaan, En komen laten voor dat gerecht. De rechter sprak tot de knecht: “Wat zeg je? dit is mijn moeder”. Merlijn sprak: “ge meent verstandiger 4095 Veel te wezen dan ge bent, Leidt haar weg een korte tijd, Daar dat heimelijk is, en uw raad, En mijn moeder, die hier staat, En haar raad zal ik daar brengen, 4100 Dat is God, die weet van alle dingen, En daartoe deze goede man. Zeer zich verwonderen begon, Toen hij deze taal bracht voort; Ze durfden nauwelijks te spreken een woord. 43 4105 De rechter kende wel aldaar, Dat hem dat kind zei waar. Merlijn zei: “mag ik nu Mijn moeder kwijt schelden tegen de baljuw, Durft ze te ontzien ding anders geen?” 4110 “Neen”, riepen ze algemeen, “Ontgaat ze nu van deze man, Zij spreekt niemand aan”. Dus gingen ze in dat vertrek De rechter met zijn raad, 4115 Dat is zijn moeder en zij twee. Merlijn kwam, en niemand meer Met hem, dan die goede man, En zijn moeder, daar dat om begon. En toen de baljuw was beraden, 4120 Sprak hij tot Merlijn met stade: Zeg op mijn moeder, wat u wou En hoe u de uwe verontschuldigen zou”. Merlijn zei: “op die van u Zeg ik niet waarbij die van mij 4125 Kwijt van u zou gaan, Was het dat ze iets had misdaan; Want tegen recht wil ik niet spreken, Gods recht laat ik node breken, Want weet voorwaar, dat ze ter dood 4130 Verdient heeft klein of groot; Ge schold het kwijt, deed ge het goed En vraag van de uwe verder niet anders”. “Neen”, sprak de baljuw, “zonder waan, Aldus zal ge niet ontgaan, 4135 Ge moet andere zaken tonen”. Merlijn sprak voor zijn ogen: “Ge zou mijn moeder laten rusten”, Dat zei hij mocht hij haar beschermen, “En van de uwe dit bewijzen nu”. 4140 “Dat is goed”, zei de baljuw, “Want we komen horen en aanschouwen Wat u wil zeggen op mijn vrouw”. Merlijn sprak: “ja en hou je niet dan Mijn moeder, omdat ze me won 4145 In overspel en niet in echt: Wie mijn vader was met recht Ze zou dat beter weten, wilde ik dan, Wie hij was, die mij won, Dan u uw vader kent, 4150 En uw moeder, die u zo bemint, Zou beter noemen dan de mijne Uw vader al stilletjes De rechter zei: “lieve vrouw, De man die je gaf trouw 4155 Was dat diegene niet die mij won?” “Lieve zoon, wie zou dat wezen dan Dan mijn heer, die daar is dood?” Merlijn zei: “Vrouw, al bloot Moet je de waarheid laten verstaan, 4160 Zal men ons vrij laten gaan, Ik liet het aldus, wilde uw zoon het toestaan”. Van mijn moeder de waarheid”. Merlijn zei: “al dit gepleit, 4165 Dat ge daaraan wint, hou het al bloot: Ge meent, dat uw vader is dood, Hij leeft nog, verkondig dat uw vrouw” De anderen verwonderde dus die dat aanschouwen, En Merlijn sprak: “zeg het uw zoon 4170 Vrouw, wie hij was diegene”? Ze zegende zich, als een die gram was: “Wat zeg je”? zei ze, “Satan, Je weet ik dat wel”? Merlijn zei “Je weet wel voor waarheid, 4175 Dat hem uw man niet won”. De vrouw zei: “zeg, wie dan”? “Dat was de paap zonder grap. Ten teken dat terzelfder tijd Toen hij ten eersten met u was, 4180 Dat ge zei, ge bang was Dat ge meende een kind te ontvangen. Hij zei: Vrouw, laat dit staan, Van mij word je niet bezwaard; Want hij was altijd bang, 4185 Dat u een ander zou bezwaren, Hierom schreef hij dat te waren, Welke tijd dat hij met u was; Ik belieg u niet, zij het zeker dat, En ge was in euvel met uw man, 4190 Toen men deze zoon aan u won, Zodat ge niet veel toen bij hem lag En ge over hem toen klaagde En zei, ge droeg van hem een kind, Dit is leugen niet weinig, 44 4195 En geloof je dus niet hiermee, Ik zeg u meer alhier ter stede”. O wi, hoe gram was de baljuw! Zijn moeder sprak: “geloof je nu Lieve zoon, deze vijand”? 4200 Merlijn sprak al gelijk: “En geloof je het dus niet bij deze zaken, Ik zal u dus erg goed bekend maken”. De vrouw, ze antwoordde gelijk: “Ik weet wel, wat ik heb gedaan”. 4205 “Zo doe ik ook, nu hoor daarnaar: Toen ge dit kind droeg, had u gevaar En bad de paap, dat hij de vrede Gestadige wezen deed Tussen u en uw heer 4210 Om te bedekken uw oneer; En toen hij de vrede had bejaagd, Deed hij, zodat ge tezamen lag; Dus liet ge uw man verstaan, Dat ge dat kind van hem had ontvangen; 4215 Aldus meenden alle lieden het sinds, En waanden deze wel te wezen zijn kind. Dit leven heb je lang geleid En nog doe je het; hoor wat ik dus weet: s ‘Nachts toen ge hier zou komen, 4220 Toen lag hij bij uw zijden, ‘s Morgens ging hij met u een stuk, En wat hij zei, dat weet ik: Al lachende sprak hij, luid en stil, Doe alles dat mijn zoon wil; 4225 Want hij weet goed, dat hij is zijn zoon Via zijn geschrift. Toen zij datgene Hoorde dat hij zei waar, Viel ze neder en had gevaar; Ze wist wel, ze moest belijden. 4230 De rechter heeft dit gezien, En zei: “moeder, ik ben uw kind, Zo welke vader ge me toezend, Goed kind blijf ik van u immermeer”. “Genade”, zei ze, “om onze Heer! 4235 Ik mag dit verloochenen niet, Zoals hij dat zegt het is zo geschied”. “Pardon”! zei de baljuw, “Dit kind zei de waarheid nu: Het wist zijn vader beter 4240 Dan ik de mijne; dat is geen wet, Dat ik zijn moeder wijs ten vuur, Ik verbrandt de mijne ook snel”. Hij zei tot het kind: “nu bid ik u, Dat u me zegt wie uw vader is, 4245 Zodat ik u daarbij kan verontschuldigen Voor de lieden”. “Om uw hulde Doe ik dat meer dan door dwang”, Sprak Merlijn, “al zonder aarzeling Zo was mijn vader een vijand; 4250 Daar hij mijn moeder slapende vond, Was hij met haar, geloof me dit, En zulke heten equipedes; Deze duivel, dus mag men mij geloven, Wonen in de lucht hierboven; 4255 En omdat een duivel mij won, Zo gedoogde Onze Heer daaraan, Dat ik heb hun geest En hun list, meer of min, En ik weet wat gebeurd is; 4260 En van mijn moeder, zij het zeker dit, Door de deugd, die aan haar was gevonden En het berouw van haar zonden, En om de aflaat, die ze deed Deze goede man ook mede, 4265 Om de heilige kerk gebod, Die ze hield en geloofde aan God, Zo heeft God me gegund al Dat ik weet wat daar geschieden zal; Dit kan u beproeven nu ter tijd”. 4270 Hij nam de baljuw aan een zijde En zei: “uw moeder die zal gaan En zeggen uw vader gelijk Alles, dat hier is gebeurd ter stond, En als hij weet, dat het u is bekend, 4275 Zal hij van hart zijn bang, En vlieden alsof hij was gejaagd. De duivel, die hij heeft gediend, Zal hem leiden als zijn vriend, Daar hij hem verdrinken zal. 4280 Hierbij merk op, dat ik weet al De zaken die zullen geschieden”. De baljuw antwoordde meteen; “Is dit waar, ik zal u, bij mijn wet, Immermeer geloven beter”. 4285 Kwijt schold de rechter Merlijn En daartoe de moeder van hem. 45 Dat bericht was voor het volk verhaald; Deze zei: “hij heeft wel verteld Met mooie reden zijn moeder; 4290 En weet ook wel dat daar geen verstandiger U nimmermeer te zien staat, Naar dat ik de waarheid weet”. Dat volk riep al met vlijt: “God heeft dus dank, dat ze het is kwijt”! 4295 De rechter zond zijn moeder heen En boden mede, dat ze al datgene Bewezen, dat dit kind liet verstaan. Toen ze was gekomen alzo gelijk Zei ze de paap al de woorden; 4300 Hij werd bang toen hij dat hoorde, En vloog van grote schaamte; Hij dacht, als de rechter kwam Dat hij hem zou laten verslaan. Toen hij uit de poort was gegaan, 4305 Kwam hij gelijk op een rivier, En zei: “mij is beter, dat ik snel Verdrink, dan hij me doden zal Tot uitlachen van deze wereld al”. Dus leidde de duivel aanstonds 4310 Dat hij zichzelf verdronk. Die met de vrouwen waren gezonden daar Stonden en zagen al dat voor waar. Dit boek zegt: al is een boos, Dat hij de lieden niet ontkomt. 4315 En toen de boden weer kwamen Zeiden ze dat ze vernamen, Dat de paap verdronken was. De rechter had grote verwondering dat En Merlijn lachte toen, en zei: 4320 “Merk, zei ik u niet waarheid? Nu bid ik u, dat ge het zegt dan Blasys, de goede man”. Blasys heet hij, die altijd hoeder Had geweest van Merlijns moeder. 4325 Hij vertelde hoe dat was geschied Met de paap en anders niet. Blasys ging naar huis met de vrouw, Die kwijt was van grote rouw; En Merlijn ging met de baljuw. 4330 (Deze Blasys, zeg ik u, Was een zeer dure klerk En hij beschreef ons eerst dit werk). Deze reden merkte Blasys wel, En vernam geheel Merlijns taal, 4335 Die maar drie en een half jaar was oud; Verwondering had hij dus menigvuldig, Waarvan hem kwam die grote geest. Hij beproefde dat zeer in dat begin, Zolang dat Merlijn hem zei: 4340 “Blasys, beproef me niet, U zal u verwonderen hoe langer hoe meer, Maar doe dat ik u leer; Ik zal u wijzen, gemakkelijk Te winnen dat Hemelrijk”. 4345 Blasys zei: “ja en zei u niet dan Tegen mij, dat de duivel u won? En dat lijkt me te wezen waar, Hierom heb ik groot gevaar, Dat u me op enige wijze wil honen”. 4350 Merlijn sprak: “Aldus zo kreunen Kwade lieden, en hebben hoede Meer voor dat kwade dan voor dat goede. En hoop heb ik u bericht: Zoals ik heb gezegd, 4355 Dat de duivel was mijn vader, Zo zeg ik, dat me God alles Gaf, dat ik mag voorzien Alle dingen, die zullen geschieden; En ben je wijs, onderzoek en bemerk 4360 Naar welk leven ik het meeste werk, En werk daaraan, toen me God gunde Dat ik zulke zaken kon, Zodat ik de duivel ben ontgaan, Nochtans weet ik, zonder waan; 4365 Hun zin, en ik hou Van hem, dat ik houden zou; Dat zal hem niet helpen kunnen, Dat ze me aan mijn moeder wonnen, Waren ze dol; want dat vat, 4370 Dat ze meenden te hebben gehad, Dat is geheel verloren gebleven, Door mijn moeders reine leven; Maar hadden ze aan mij een kwade Gewonnen, dan zou grote schade 4375 En hun wil zou zijn geschied, En dan wist ik van God niet. 46 Van hem kwam al het leed van mijn moeder Van haar zusters, van haar broeder, Van haar moeder, van haar vader; 4380 Maar hou je aan mij geheel Ik zal u zeggen, wat niemand weet, Uitgezonderd God, daar dat alles aan staat, En beschrijf het ons in een historie; Die daaraan liggen hun memorie, 4385 Ze zullen veel beter bevroeden En hen meer van zonde behoeden; Dus zet u aan tot de beste wijs”. “Dat doe ik graag”, zei Blasys, “Maar bij de Vader maan ik u, 4390 En bij de Zoon ook daarbij En bij de Heilige Geest gereed, Alzo waarlijk zoals ik wel weet, Dat een God zijn deze drie, En bij de Vrouwe, vermaan ik u, 4395 Daar Jezus Christus van is geboren, En daartoe bij de negen koren Der engelen die met God rusten, Bij de apostelen, bij de evangelisten, Bij martelaren, bij biechtvaders, 4400 Bij alle maagden uitverkoren, Bij alle Sinten en Sintinnen, En bij hen allen die God beminnen, En bij de meesters der heilige kerk, En bij leken en bij klerken 4405 En bij al onze Heer creaturen, Dat u me niet hoont nu ter uren En me niet doet in geen raad Zaken die ik tegen God deed”. Merlijn zei: “al die woorden, 4410 Die ik van u nu heb gehoord Alhier ter plaatse nu noemen, Moeten me immermeer verdoemen Als ik uw aanraad voort immermeer Dingen, die zijn tegen onze Heer”. 4415 Hij zei: “zo zeg dat ge goed denkt Merlijn zei: “zorg voor inkt, En zet ons in dat perkament Die zaken, die niemand is bekend”. Snel zo was dat gedaan, 4420 En Merlijn zei hem te schrijven gelijk De minne van de schone Maria En van Joseph van Arimathia, Zoals men hiervoor hoorde vertellen, En van Aleine en haar gezellen, 4425 Hoe dat ze de vader verliet, En hoe Petrus vandaan scheidde, En hoe Joseph bezit de Graal, En dat bloed mede in dat vreemde vat, En hoe de duivels waren bedacht, 4430 Dat ze verloren hadden hun kracht, Die ze hadden over de man, En van het geding ook voortaan, Dat ze hadden met grote rouw Tegen Maria onze zoete Vrouw 4435 Om de zielen, die van hen waren beloofd, En hoe ze klaagden over de profeten. “Om dit wilden ze een man versieren Die kennen zou hun manieren”, Sprak Merlijn, “en maakten mij 4440 Zoals mijn moeder vertelde u, Ze deden haar menig leed kwaad, Maar bij de dolheid, die hen bestaat, Verloren ze mij en alle waren bang”. Dus bedacht Merlijn te ware 4445 Dit werk en deed daarom onderzoek; Daarom zo heet het Merlijns boek. Blasys had dus verwondering in zijn gemoed Toch zo dacht hij het te wezen goed, En zette daaraan zijn memorie. 4450 Toen ze bedacht hadden deze historie, Sprak Merlijn voor zijn ogen: “U moet grote pijn gedogen Hiervan, en ik zal te meer aandragen”. Blasys die begon hem te vragen: 4455 “Waarbij en hoe”? Toen sprak Merlijn: “Ik zal van het westen gezocht zijn, En die me zullen zoeken zeer, Hebben beloofd hun heer, Dat ze me nemen zullen dat lijf, 4460 En brengen mijn bloed, zonder blijf, Hem; maar ten eerste dat ze me zien En spreken, zo zal dat niet geschieden, Ik zal met hem heen varen, En u zal heen gaan, te waren, 4465 Daar dat volk is van de Graal En uw boek zal telkens maal 47 Geliefd zijn, die daar meer van versiert, En het wordt niet gekalanderd; Want het is niet het apostelen woord, 4470 Ze schreven dat ze hadden gehoord, En dat ze zagen en anders niet; Maar dat is me niet geschiedt Anders, dan ik u heb verteld; Zoals ik ben bedekt 4475 Daar ik wil, op elke plaats, Alzo wordt deze historie mede En weinig iemand zal van haar gewagen. Als ze volmaakt is zal u ze dragen In dat land daar u heen zal rijden, 4480 En ik moet met diegene rijden, Die snel zullen zoeken mij, En dan kom ik weer tot u. En als u dit heeft beëindigd Zal u zijn in hun convent 4485 En verzamelen uw boek in die van hun; Dus wordt ons werk groot, te waren. Als ze dit hebben, zullen ze te meer Voor ons bidden Onze Heer. Twee boeken zijn er nu met deze, 4490 Dit zal een mooi boek wezen; En beide spreken van een zaak; Nu moet ik andere verhalen maken. |
Hoe Vertegier koninck woude werden; ende hier begint dat derde boeck. In desen boecke zuldy verstaen Van groten stryde, sonder waen, 4495 Want Engelant hadde menich iaer Gestaen, dat leest men ons voerwaer, Eer die koninge worden kerstijn. Maer al die koninge, die hebben gesijn, En staet my niet te brengene voert, 4500 Sonder die toter hystorien behoert. Die alle die koninge wille weten, Die dat lant te voren hadden beseten, Ende hoer verlies ende hoer waengen, Die lese die hystorien van Britaengen, 4505 Die Brutus boeck geheten es; Meester Martijn, zijt zeker des, Van Rore dichte dat wten Latyne In dat Romans met zyner pine; Daerinne vindy dese hystorie gans. 4510 Een koninck was ende heet Constans, Hi was lange koninck, leest men my, Hi hadde sconer zone dry; Hi dade den outsten heten doen Moynes, den anderen Pandragoen, 4515 Ende Uter was die derde genant Daer was een man in Constans’ lant, Die was geheten Vertegier, Een stout ridder ende een fier, Ende wiste der werelt wijsheit wel. 4520 Constans was out ende vel In eene ziecheit ende bleef doet; Mettien was daer die twivel groet, Wien datmen koninck maken zoude. Doe droegen overeen die oude, 4525 Ombe dat Moynes die outste waer, Dat men hem koninck koes aldaer, Alwas hi ionck, dat en waer niet scone, Gave men ieman anders die krone. Dit lovede mede Vertegier. 4530 Men wyede hem koninck, leset men hier, Ende makede Vertegier drossate. Nu was daer stout volck wtermate Heiden, ende die hieten Sennes Ende zi plegen dickewile des 4535 Dat zi optie Kerstene vochten Enten koninck in scaden brochten. Ende Vertegier dade met den rike Sinen wille, want zekerlike Die koninck Moynes was niet out 4540 Ende dat volk was Vertegier hout; Hi wist wael, dat men hem hielt vroet, Des verhief hi hem in zinen moet, Ende sprack eens met zinen monde, Dat hi hem strides niet onderwonde, 4545 Want hi wael oeck wiste mede, Dat nyeman hem mochte doen dat hi dede. Dus dade hi hem wten twisten. Als die heidene dit wisten, 48 Dat hi den strijt hadde gelaten, 4550 Namen zi groet volck wtermaten Ende quamen opten koninck sciere. Die koninck clagede dat Vertegiere, Ende zeide: “helpt ons honden dat lant, Wy hebben menegen viant; 4555 Dit lant staet al tot uwen gebode”. Vertegier sprack: “by Gode, Ick vaer heen myner straten, Die anderen helpen iu, die my haten, Want my nyeman gebidden en kan, 4560 Dat ick my iet kere daeran”. Vertegier die antworde also, Des was die koninck herde onvro Entie ander die daer hoerden toe. Die coninck nam sijn heer doe 4565 Ende quam tegen die heidine; Die Sennes verwonnen die sine. Des hadden die Kerstene toren, Ende zeiden: “wy hebben vele verloren; Dit en waer ons niet gesciet alhier, 4570 Hadde met ons gesijn Vertegier”. Dus begonsten si den koninck haten; Lange stont dit wtermaten So dat zi zeiden: “die koninck es quaet Wy en gelyden niet, dat dit dus gaet”. 4575 So quamen si toten drossate, Ende zeiden: “lange wtermate Hebbewy gesijn [als] sonder Heer, [Want] dese en doech min noch meer, Weest onse Here, daer en es geen man 4580 Die dat bet volbrengen kan”! Hi zeide: “dat ne mach niet zijn Also lange alse levet die Here mijn”. Zi zeiden: “beter waer ons vele Verliepe hem die doet zine kele”! 4585 Vertegier zeide: “waer hi doet, Ende wouden dan die genoet, Ick woude dan koninck wesen”. Zi hoerden wael spreken desen Ende dachten wat dat mochte bedieden. 4590 Mittien zi alle danen schieden Sciere zi te lande quamen Ende berieden hem te samen. Een was daer die die tale zeide, Die hem Vertegier te voren leide; 4595 Doe zeide daer een te hant saen: “Dat es best dat wine doet slaen, So mach die drossate merken des, Datti by ons dan koninck es; Dan sal hi hem an ons keren; 4600 Dus mogewy werden grote heren”. Doe namen si hen twelve saen, Die horen koninck doet zouden slaen. Dese twelve zijn nu komen, Daer zi horen koninck hebben vernomen; 4605 Beide met zwerden ende met kniven Liepen zi horen here ontliven, Ende zi haddene te hant verslegen Want daer nyeman en street tegen. Tot Vertegier quamen zi mettien, 4610 Ende zeiden: “nu zalt gescien, Dat gy zult wesen here groet, Want wi hebben den koninck doet’. Alse dit Vertegier vernam, Doe liet hi, of hi ware gram, 4615 Ende zeide: “gy dadet quaetheit groet, Da gy sloecht uwen here doet; Vliet henen, dat es mijn raet, Dat iu dat gerechte niet en verslaet; My es leet dat gy hier zijt”. 4620 Zi rumeden dat hues ter zelver tijt. Dus bleef die koninck Moynes doet. Doe versamelden hem die genoet Ombe te kiesene enen Heer. Vertegier, als ick zeide eer, 4625 Hadder meest die hem toe horen; Dus wart hi koninck daer gekoren. Twe goede man waren ginder, Die hilden die twe ander kinder, Uter ende Pendragoene, 4630 Doe si vernamen van dezen doene, Dat men Vertegier koninck koes. Si gedachten dat Moynes verloes Sijn lijf by sinen valscen rade; Elck vraeghde ander wat hi best dade. 4635 “Nadien”, sprack die ene, “dat hine versloech, Ende als hi machtech es genoech, Sal hi dese doden beide gader: “Wy minden Constante, horen vader, Hi goedede ons met sconen lene, 4640 Wy minnen die kinder, al zijn zi clene; 49 Dat es quaet latewy ze doet slaen, Alse wyze in hoede hebben ontfaen”. Overeen droegen zi beide doen, Dat zi wten lande ontfloen, 4645 Ende die kinder met hem beide Ten Oestewert voeren zi gereide, Want danen waren zi geboren. Dus zijn zi gevloen te voren, Ende nembermeer en spreke ick daervan 4650 Eer my die historie bringet daeran; Maer dat seggic iu zonder sparen, Zi waren gevloen twaren Tote Atens in ene poert, Die men Borges noemen hoert; 4655 Daer waren zi lange inne gevoedet; Elck man mercke, die dat gevroedet, Dat men niet verliesen en kan Dat men doet dor goede man. By deser tale proevet metter vart 4660 Dat Vertegier doe koninck wart. Doe hi gewyet was koninck met vreden, Quamen tot hem die gene die deden Van den koninck Moynes die moert. Hi dade ze vaen ende bringen voert, 4665 Maer hi makede eerst samblant Of hi ze niet en hadde bekant: “Dor ons”, zeiden zi, “hebdy dese eer, Dor iu sloegewy onzen heer”. Hi zeide: “gy hebbet iu zelven bedragen 4670 Dat gy den koninck hebbet geslagen; Zo zoude gy my oeck hady des macht; Ick zal my des hoeden, heb ic geacht”. “Here”, zeiden zi, “dor uwer vromen Zijn wy te deser scaden komen”. 4675 Die koninck sprack: “ick sal iu leren, Hoe men zal eeren dusdane heren”. Hi nam ze alle twelve te samen, Ende bontse an perde by den hamen, Ende sleepte ze in so menegen sticken, 4680 Dat mense niet en konde gemicken. Die hi verdede aldus met crachte Lieten een herde groet geslachte, Die quamen te Vertegier daerachter Ende zeiden: “koninck, groten lachter 4685 Hebdy ons gedaen hiermede, Dat men onze mage aldus verdede, Wi en dienen iu gerne nembermeer”. Alsi hem dregheden aldus zeer, Wart Vertegier vererret daertegen, 4690 Ende zeide, dat en waer dat zi zwegen Dat zelve dede hi hem gereet. Zi spraken alse die hem hadden leet: “Du zals ons dreghen Vertegier, Also vele als dy voeget hier; 4695 Maer opdat onse vriende ende onze mage Geduren, du zals alle dage Strijts genoech hebben ende rouwen; Wy wten ons hier diner trouwen; Want du en bist niet die gerechte heer, 4700 Ende dat lant en bestaet dy min och meer, Du houds dat tegen recht ende tegenGode; Ende weet oeck wael al zulker dode Zalstu sterven als onze vrient, Want du heves des wael verdient”. 4705 Zi gingen danen. Als hi vernam Dat dreghen, wart hi gram; Hi en mochte daer niet ombe doen eenhaer; Want hi en hadde die macht niet daer. Constans lant, dus leest men hier, 4710 Hilt dus lange Vertegier; Maer hier af quam, dat die baroene Tegen hem waren in allen doene, Ende oeck tegen hem vochten, Wantzi groet volck tegen hem brochten, 4715 Ende veroerlogeden zijn rijcke Ende roveden dat geweldelike. Dus hielt hi lange stont die lande Ende vacht tegen sine viande So lange, datti ze alle verwan. 4720 Doe wart hi quaet op sine man Ende op sine gemene diet. Doe en condenzi dat langer liden niet, Ende streden tegen hem gemeenlike Ende namen hem vele van sinen rike 4725 Ende zetten hem an met alderkracht; Ende Vertegier hevet hem gedacht, Dat hi scade zoude hebben des, Ende ontboet doe an die Sennes, Dat hi woude maken vrede; 4730 Si waren blide, dat men dat dede, 50 Een Senne was daer, die hete Angwes Die metten koninck ontfangen es, Die diende den koninck lange tijt Dien maeckte hi here over den strijt. 4735 Hi zeide: “Here, ick zegget dy gereet, Dat dy dijn volck hevet leet”; Ende oeck zeide hi hem een ander tale, Die men niet en kan vertrecken wale; Ende oeck zeide hi hem daertoe 4740 Waerby dat waer ende oeck hoe; Ende Vertegier nam Angwes dochter Des waren hem die Sennes te sochter, Ende wat Angwes noch meer dede, En vertelle ick al niet hier ter stede 4745 Maer die Kerstene waren des gram, Dat Vertegier sine dochter nam, Ende vele liede zeiden daeraf, Dat hi ziner eer vele begaf Ombe dat zijn wijf heiden was. 4750 Vertegier proefde wel das, Dattene zine liede niet en minden, Hi gedachte van Constans kinden, Al waren zi verre wech gehouden, Dat zi noch weder komen zouden; 4755 Hi wiste wael, quamen zi te lande, Dattet waer ombe sine scande, Ende dachte, dat hi maken woude Enen torre te zinen behoude, Den nyeman gewinnen mochte, 4760 Ende dat men steenmeester brochte, Die maken zouden zulke stene, Dattene wonne man negene. |
Hoe Vertegier koning wilde worden; en hier begint dat derde boek. In dit boek zal ge verstaan Van grote strijd, zonder waan, 4495 Want Engeland had menig jaar Gestaan, dat leest men ons voor waar, Eer die koningen worden christelijk. Maar alle koningen, die er geweest zijn, Staat me niet toe te brengen voort, 4500 Uitgezonderd die tot de historie behoren. Die al dekoningen wil weten, Die dat land te voren hadden bezeten, En hun verlies en hun winst, Die leest de historie van Brittannië, 4505 Dat Brutus boek geheten is; Meester Martijn, zij het zeker dis, Van Rons ( stad in Vlaanderen) dichtte dat uit het Latijn In dat Romeins met zijn pijn; Daarin vind je deze historie gans. 4510 Een koning was er en heette Constans, Hij was lang koning, zegt men mij, Hij had mooie zonen drie; Hij liet de oudste heten toen Moynes, de andere Pandragoen, 4515 En Uitr was de derde genoemd. Daar was een man in Constans’ land, Die was geheten Vertegier, Een dapper ridder en fier, En wist de wereld wijsheid wel. 4520 Constans was oud en viel In een ziekte en bleef dood; Meteen was daar de twijfel groot, Wie dat men koning maken zoude. Toen kwamen overeen de oude, 4525 Omdat Moynes de oudste was, Dat men hem koning koos aldaar, Al was hij jong, dat was niet mooi, Gaf men iemand anders de kroon. Dat loofde mede Vertegier. 4530 Men wijdde hem koning, leest men hier, En maakte Vertegier drost. Nu was daar dapper volk uitermate Heiden, en die heten Sennen En ze plagen dikwijls dit 4535 Dat ze op de christenen vochten En de koning in schade brachten. En Vertegier deed met het rijk Zijn wil, want zekerlijk Koning Moynes was niet oud 4540 En dat volk was Vertegier gunstig gezind; Hij wist wel, dat men hem hield voor verstandig, Dus verhief hij zich in zijn gemoed, En sprak eens met zijn mond, Dat hij zich tot de strijd niet onderwond, 4545 Want hij wel ook wist mede, Dat niemand hem mocht doen wat hij deed. Dus deed hij zich uit de twisten. Toen de heidenen dit wisten, 48 Dat hij de strijd had gelaten, 4550 Namen ze groot volk uitermate En kwamen op de koning snel. De koning beklaagde dat bij Vertegier, En zei: “help ons behouden dat land, We hebben menige vijand; 4555 Dit land staat al tot uw gebod”. Vertegier sprak: “bij God, Ik vaar heen mijn straten, De anderen helpen u, die me haten, Want niemand me bidden kan, 4560 Dat ik me er iets keer daaraan”. Vertegier die antwoordde alzo, Dus was de koning erg droevig En de anderen die daar hoorden toe. De koning nam zijn leger toen 4565 En kwam tegen de heiden; De Sennen overwonnen de zijnen. Dus hadden de christenen toorn, En zeiden: “we hebben veel verloren; Dit was ons niet gebeurd alhier, 4570 Had met ons geweest Vertegier”. Dus begonnen ze de koning te haten; Lang stond dit uitermate Zodat ze zeiden: “de koning is kwaad We staan niet toe, dat dit dus zo gaat”. 4575 Zo kwamen ze tot de drost, En zeiden: “lang uitermate Zijn we geweest als zonder heer, Want deze deugt niet min of meer, Wees onze heer, daar is geen man 4580 Die dat beter volbrengen kan”! Hij zei: “dat mag niet zijn Alzo lang als leeft die heer van mij”. Ze zeiden: “beter was het ons veel Liep hem de dood uit zijn keel”! 4585 Vertegier zei: “was hij dood, En wilde dan de verwanten, Ik wou dan koning wezen”. Ze hoorden wel spreken deze En dachten wat dat mocht betekenen. 4590 Meteen ze alle vandaan scheidden Snel ze te land kwamen En beraden zich tezamen. Een was daar die de taal zei, Die Vertegier tevoren legde; 4595 Toen zei daar een gelijk samen: “Dat is het beste dat we hem dood slaan, Dan kan de drost merken dit, Dat hij van ons dan koning is; Dan zal hij zich aan ons keren; 4600 Dus mogen we worden grote heren”. Toen namen ze hen twaalf gelijk, Die hun koning dood zouden slaan. Deze twaalf zijn nu gekomen, Daar ze hun koning hebben vernomen; 4605 Beide met zwaarden en met messen Liepen ze hun heer te ontlijven, En ze hadden hem gelijk verslagen Want niemand strijdt daar tegen. Tot Vertegier kwamen ze meteen, 4610 En zeiden: “nu zal het geschieden, Dat ge zal wezen heer groot, Want we hebben de koning gedood’. Toen dit Vertegier vernam, Toen deed hij, alsof hij was gram, 4615 En zei: “ge deed kwaadheid groot, Dat ge sloeg uw heer dood; Vlieg op, dat is mijn raad, Dat u dat gerecht niet verslaat; Het is me leed dat ge hier bent”. 4620 Ze ruimden dat huis terzelfder tijd. Dus bleef de koning Moynes dood. Toen verzamelden zich de verwanten Om te kiezen een heer. Vertegier, zoals ik zei eer, 4625 Had de meeste die hem toebehoren; Dus werd hij koning daar gekozen. Twee goede mannen waren ginder, Die hielden de twee andere kinderen, Uitr en Pandragoen, 4630 Toen ze vernamen van dit doen, Dat men Vertegier tot koning koos. Ze gedachten dat Moynes verloor Zijn lijf door zijn valse raad; Elk vroeg de ander wat hij het beste deed. 4635 “Nadien”, sprak de ene, “dat hij hem versloeg, En als hij machtig is genoeg, Zal hij deze beide doden tezamen: “We beminnen Constans, hun vader, Hij vergoedde ons met mooie lenen, 4640 We beminnen de kinderen, al zijn ze klein; 49 Dat is kwaad laten we ze dood slaan, Als wij ze in hoede hebben ontvangen”. Overeen kwamen ze beide toen, Dat ze uit het land ontvloden, 4645 En de kinderen met hen beide Te oostwaarts ze reden, Want van daar waren ze geboren. Dus zijn ze gevlogen te voren, En nimmermeer spreek ik daar van 4650 Eer me de historie brengt daaraan; Maar dat zeg ik u zonder sparen, Ze waren gevlogen te waren Tot Athene in een poort, Die men Borges (burcht) noemen hoort; 4655 Daar waren ze lang in opgevoed; Elke man merkt dat die dat bevroedt, Dat men niet verliezen kan Dat men doet door goede man. Bij deze taal beproef het met een vaart 4660 Dat Vertegier toen koning werd. Toen hij gewijd was koning met vrede, Kwamen tot hem diegene die deden Van koning Moynes de moord. Hij liet ze vangen en brengen voort, 4665 Maar hij maakte eerst de schijn Of hij ze niet had gekend: “Door ons”, zeiden ze, “heb je deze eer, Door u sloegen we onze heer”. Hij zei: “ge het u zelf bedrogen 4670 Dat ge de koning hebt geslagen; Zo zou ge mij ook doen had je de macht; Ik zal me dus hoeden, heb ik gedacht”. “Heer”, zeiden ze, “door uw dapperheid Zijn wij tot deze schande gekomen”. 4675 De koning sprak: “ik zal u leren, Hoe men zal eren dusdanige heren”. Hij nam ze alle twaalf tezamen, En bond ze aan paarden bij de hamen, En sleepte ze in zo menige stukken, 4680 Zodat men ze niet kon herkennen. Die hij verdeed aldus met kracht Lieten achter een zeer groot geslacht, Die kwamen te Vertegier daarnr En zeiden: “koning, groot uitlachen 4685 Heb je ons gedaan hiermee, Dat men onze verwanten aldus verdeed, Wij dienen u graag nimmermeer”. Toen ze hem dreigden aldus zeer, Werd Vertegier geergergd daartegen, 4690 En zei, dat tenzij dat ze zwegen Datzelfde hij hen deed gereed. Ze spraken zoals hen die hadden leed: “U zal ons bedreigen Vertegier, Alzo veel als u voegt hier; 4695 Maar opdat onze vrienden en onze verwanten Standhouden, u zal alle dagen Strijd genoeg hebben en rouw; Wij uiten ons hier uw trouw; Want u bent niet de echte heer, 4700 En dat land bezit u min of meer, U houdt dat tegen recht en tegen God; En weet ook wel al zulke dood Zal u sterven zoals onze vriend, Want u heeft dat wel verdiend”. 4705 Ze gingen er vandaan. Toen hij vernam Dat dreigen, werd hij gram; Hij kon daar niet tegen doen iets; Want hij had de macht niet daar. Constans land, dus leest men hier, 4710 Hield dus lang Vertegier; Maar hiervan kwam, dat de baronnen Tegen hem waren in alle doen, En ook tegen hem vochten, Want ze veel volk tegen hem brachten, 4715 En beoorloogden zijn rijk En beroofden dat geweldig Dus hield hij lange tijd dat land En vocht tegen zijn vijand Zolang, zodat hij ze alle overwon. 4720 Toen werd hij kwaad op zijn man En op zijn gewone volk Toen konden ze dat langer lijden niet, En streden tegen hem algemeen En namen hem veel van zijn rijk 4725 En zetten aan met alle kracht; En Vertegier heeft zich bedacht, Dat hij schade zou hebben van dit, En ontbood toen aan de Sennen, Dat hij wilde maken vrede; 4730 Ze waren blijde, dat men dat deed, 50 Een Senne was daar, die heet Angwes Die bij de koning ontvangen is, Die diende de koning lange tijd Die maakte hij heer over de strijd. 4735 Hij zei: “Heer, ik zeg het u gereed, Dat uw volk heeft leed”; En ook zei hij hem een andere taal, Die men niet kan uitstellen goed; En ook zei hij hem daartoe 4740 Waarbij dat was en ook hoe; En Vertegier nam Angwes dochter Dus waren voor hem de Sennen zachter, En wat Angwes nog meer deed, Vertel ik alles niet hier ter plaatse; 4745 Maar de christenen waren dus gram, Dat Vertegier zijn dochter nam, En veel lieden zeiden daar van, Dat hij zijn eer veel begaf Omdat zijn vrouw heiden was. 4750 Vertegier ondervond wel dat, Dat zijn lieden hem niet beminden, Hij dacht aan Constans kinderen, Al waren ze ver weg gehouden, Dat ze noch weer komen zouden; 4755 Hij wist wel, kwamen ze te lande, Dat het was om zijn schande, En dacht, dat hij maken wou Een toren tot zijn behoud, Den niemand overwinnen mocht, 4760 En dat men metselaars bracht, Die maken zouden zo ‘n steen, Dat het overwon man nee geen. |
Hoe Vertegier enen torre dede maken, ende hoe men Merline voer zoecken Nu dede Vertegier alte hant ene stede bringen kalck ende sant, 4765 Ende dede morter maken saen, Ende hiet dat werck bestaen; Maer boven der aerden en quamen zi nie Meer dan vier vademe ofte drie, Die aertbeve was daer alzo groet, 4770 Dat die torre al neder scoet Alsof hi al gader zinken zoude. Des en lieten zi niet also houde, Alse dat scudden was vergaen, Zi en hebben dat werck weder bestaen, 4775 Zi maeckten t dicke, maer die torre brack al; Vertegier die sach dat wal, Dat die torre dus moeste glyden; Hi zeide, hi en konde niet verblyden, Eer hi wiste waerby dat waer, 4780 Ende dade ontbieden harentaer, Sine wyze liede al byzonder, Ende zeide hem al dat wonder; Hi bat dat men hem geriede Doe zeiden alle zine liede: 4785 “Here, dat en mach nyeman weten, Hi en zij goet clerck vermeten Want in horen boecken staet Dat ons te kinnene waer quaet”. Die koninck zeide: “gy zegget waer”; 4790 Die wiseste clercke ontboet hi daer, Ende zeide hem van den torre al bloet; Des hadde hem allen wonder groet. Hi nam die wyseste daer allene, Ende zeide: “weetdy dinck negene, 4795 Waerby mijn torre niet en staet; Ick bidde iu, dat gy gevet raet, Ende zegget my wat den torre let; En zegdy des niet, ick blive ontset”. Doe hem die koninck dit hadde bediet, 4800 Zi zeiden zi en wisten des niet, Maer hier zijn zulcke, die konnen zien Aen den sterren waerby dat mach gescien. Hi zeide: “zoecket onder iu lieden [Sulcke] die dit konnen bedieden 4805 Dat mijn torre niet en staet, Ende geeft my den besten raet”. Elck vragede den ander of hi iet wiste Enege dinck van gener liste; Ende twe die treckeden hem daer voert, 4810 Ende zeiden: “wy hebben gehoert Genoech, wanewy, van deser aert”; So lange datter zevene waert. 51 Den koninck togede men die zevene; Hi vraeghde hen by horen levene 4815 Ofte zi zouden weten wel, Waerby die torre so dicke vel? “Ja, wy”, zeiden zi, “zoudet iemant weten”. Die koninck hevet hem vermeten Horen willen al te gevene. 4820 Die raet sciet, maer die zevene Bleven daer metten koninge, Ende pijnden om dese dinge, Ende studeerden al gemene; Maer zi en vonden zake maer ene; 4825 Ende zi en was, groet noch clene, Niet een twint van genen stene; Des waren zi alle tongemake. Vertegier hiet haesten die zake, Ende dade die clercke vor hem komen, 4830 Ende zeide: “wat hebdy vernomen?” Zi zeiden: “dat es een grote dinck Dattu aen ons zoecks, here koninck! Beide noch achte dage, wy en willen niet meer”. Die koninck sprack: “dat doe ick eer, 4835 Siet dat gy my dat zegget dan”. Te rade gingen die zeven man; Die ene zeide: “wetegy, heren, Waer hen die zaken mogen keren?” Die wyseste sprack: “koemt alle gemene 4840 Elck na den anderen te my allene, Ende zegget my, wat gy hier af diet, Ick en openbaer in anders niet, Gy en willet dat dan alle raden”. Zi zeiden, dat zi dat gerne daden. 4845 Elck ginck allene toten clerck, Ende hi vraeghde ombe dat werck; Alle spraken si gemene: “Wy en weten niet van den stene; Een ander dinck, zien wy, twaren, 4850 Dat een kint van zeven jaren Geboren es sonder eertschen vader”. Dit zeiden die zesse allegader. Ende alsi dit hadde gehoert, “Koemt alle zesse”, zeide hi voert. 4855 Si quamen, ende hi sprack terstonde: “Gy spreket alle wt enen monde, Want gy zegget alle gemene Dat gy niet en wetet van den stene Al met alle niet een twint, 4860 Ende dat geboren es een kint Van zeven jaren zonder eertscen vader; Dat es, dat gy zegget alle gader. Maer ick zegge iu, gelovet des my, Dat hier nyeman en zy, 4865 Hi en sach dat hem, zonder blijf, Dat kint zoude nemen dat lijf; Oeck zeggick dat zelve alse gy, Ende dit hebdy gezwegen my”. Doe zeide die ene: “doet mynen raet, 4870 Gy behoudet dat lijf, hoe dat gaet, Ende dat duncket my wesen goet”. “Nu zegget wat men dan best doet, Gy hebbet gesien al dat wy zagen Helpet ons onse lijf ontdragen”. 4875 Degone sprack: “verstaet my wale, Laet ons zeggen al ene tale, Dat die torre niet en mach staen, In dat fondament en zij gedaen Dat bloet van den kinde ierst te voren, 4880 Dat zonder eertscen vader es geboren, Ende waer dat daerinne, so stonde hi scier. Laet ons dit zeggen Vertegier Al over een, dat es best gedaen; Dus mogewy metten live ontgaen, 4885 Ende doden daer onse doet an staet; Den koninck zullen wy geven raet, Dat hi dat levendich niet zien en moet Maer die dat ierst ziet, hi bringe dat bloet”. Dus hebben zi den raet geslechtet, 4890 Ende hebben den koninck zo berechtet. Die ene zeide: “wy en zagen niet te samen Die wijsheit, die wy vernamen. Maer elck zal zeggen dat hi sach, Dat men dat beste kiesen mach”. 4895 Dus daden zi tverstaen met liste, Dat die een van den anderen niet en wiste. Die koninck hoerde elcken byzonder, Ende doe zi zeiden dat wonder, Zeide hi: “mach zijn een kint zonder vader, 4900 So mach dese dinck allegader, Dat gy zegget, wesen wale; Want gy zegget al ene tale”. “Here”, zeiden zi, “nu zegget ons dat woert”. Die koninck zeide: “dat gy hebbet gehoert, 52 4905 Dat es al eens dat gy hebbet gesecht”. Doe antworden die clerke echt: “Here, nu doet onsen raet hiernaer”. “Ja”, zeide hi, “mochte dat wesen waer, Dat een kint waer zonder vader?” 4910 “Jaet”, zeiden zi allegader. Hi hete ze hoeden toter stonden, Dat men dit hadde ondervonden. Zi zeiden: “en ziet noch en spreket dat kint Maer alre ierst dat men dat vint, 4915 Sal men dat doden ende bringen dat bloet; Die torre sal staen, eest dat men dat doet”. Quaetheit was dat, al dat zi dachten. Vertegier hi dade ze wachten; Men gaf hem des zi hadden noet. 4920 Die koninck hem twelve doe ontboet, Dat zi voeren twe ende twe te zamen, Dat zi zulck een kint vernamen, Ende dade hem zweren terstonden, Datsi dat doden, alsi dat vonden. 4925 Nu merket, hoe hi dat zoeken doet: Zi voeren enwech, tors ende te voet, Die boden in vremden lande, Ende ember twe ende twe in hande; So lange dat twe messelgiere 4930 Gemoeten tween, doe wasser viere. Die vier voeren zo lang te samen, Dat zi tenen dorpe quamen, Daer liepen herde vele kinder In enen mersche, meer ende minder, 4935 Ende sloegen daer enen bal. Merlijn, die dit wiste al, Sach die boden, want hi was daer, Ende hi trat een deel daer naer, Ende gaf den rikesten enen slach 4940 Van den dorpe, dat hi lach, Met ener kolven vor sine scene, Omdatten scelden zoude degene. Dat kint sprack te Merlijne waert: “Onreine, vaderloze bastaert”! 4945 Die boden hoerden dat allegader, Dat dat kint waer zonder vader. Si quamen toten kinde, dat weende, Ende vrageden hem, wat dat meende? Hi zeide: “dit es enes wives zone, 4950 Die niet en weet wie was degone, Die dat kint an haer wan. Alse Merlijn hoerde spreken den man, Sprack hi te hant te hemwaert: “Ick ben, dien gy zoecken vaert; 4955 Gy zwoert my te dodene scier, Ende mijn bloet te bringene Vertegier”. Zi zeiden: “wanen quam dy dat tevoren”? “Ick weet wel, dat gy dat hebbet gezworen”, Antworde Merlijn daer twaren. 4960 Zi zeiden: “wilstu met ons varen”? Hi sprack: “ick vruchte mijn leven, Maer wildy my des zekerheit geven, Zo woudick met iu heen met allen, Ende zegge wat den torre doet vallen, 4965 Daer gy mijn bloet willet brengen onder”. Doe zi dit hoerden, haddet hem wonder Ende zeiden: “wonder zeget dit kint; Wy en doen hem niet een twint”. Elck zeide: “ick zal my eer verzweren, 4970 Eer ick den kinde iet zal deren”. Merlijn sprack: “gy zult, met trouwen, Herbergen met myner vrouwen, Ick moet hebben horen orlof Ende des mans, die woent met haer in den hof”. 4975 “Wy zullen daer”, zeiden zi, “gerne gaen”. Merlijn leidese vor hem zaen Te ziner moeder, die was begeven Nonne, ende leide een heilech leven. Ende Merlijn ontfinck se wel gereet. 4980 Alse doe alle waren gebeet, Leide hi ze te Blasise zaen, Ende zeide: “dese zochten my ombe verslaen”. Hi zeide toten boden: “zegget hem nu Hieraf die waerheit, des biddick iu; 4985 Ick zoude dat wel weten, lieget gy iet”. Zi zeiden: “du en lieges niet, Maer ick zie wel, dattu zegges waer”. Merlijn zeide: “nu hoert daer naer: Gy zijt gesent van Westen hier 4990 Van enen koninck, heet Vertegier, Die maeckte enen borch wel fier; Alzi es drie vademe ofte vier Hoge, valt zi neder zonder merren; Dit doet Vertegier vererren, 53 4995 Sodat hi ombe clerke zende, Doe en was daer nieman die bekende Waerby hy vel; doe worpen zi lot, Nochtan bleven zi des even zot; Doe vonden zi dat ick was geboren 5000 Ende hem duchte, datzi verloren Alle by my zouden wesen, Ende droegen overeen binnen desen, Datzi my doet zouden doen slaen, Ende zeiden, dat die torre zoude staen 5005 Als mijn bloet waer daeronder. Vertegier dien hadde des wonder, Ende meende dat dat waer waer, Ende dade my zoecken daernaer. Die clercke hieten hem enten boden, 5010 Dat zi my ember zouden doden Tierst dat zi my vinden mochten, Ende mijn bloet met hem brochten. Doe nam twelf boden die koninck, Ende dade hem zweren dese dinck, 5015 Dat zi mijn bloet brengen zouden, Zo zoude die torre vaste houden; Van den twelven zijn dit die viere, Zi quamen nu gereden sciere Daer gene kinder speelden al 5020 Ende ick, die weet hoe dat komen zal, Daer zi mi zochten, ick sloech een kint Omdattet my zoude scelden gint, Ende verwijten my myner moeder zonden; Ick woude dat my dese boden vonden; 5025 Blasys, vraget hem, of ick zegge waer”. Hi vragede des hem, si liedent daer. Zi zeiden: “also late ons keren God te lande waert met eren, Als hi en lieget niet een woert”. 5030 Blasys zeide, als hi dit hoert: “Hi zal noch wesen herde vroet, Dat waer scade dat gine verdoet”. “Wy breken liever onsen eet, Dan wy hem daden ienech leet; 5035 Hi kan zovele, hi wale verstaet Of wy tot hem oeck dragen haet”. Blasys zeide: “gy zegget waer Ende ick sal hem roepen naer, Ende vragen hem dit ende ander saken, 5040 Des hi my wel vroet sal maken”. Hi riep Merlyne, die was daer wt, Ombe dat zi woudene overluet Te samene hebben hoer tale. Blasys sprack, al zonder hale, 5045 “Si willen, dat ick dy vragen sal”. “Wat eest?” zeide Merlijn, “zeg dat al”. Hi zeide: “zalstu met hem varen”? “Ja, ick”, antworde Merlijn, “twaren, Willen zi my geloven gereit, 5050 Dat men my vor den koninck leit, Ende my en laten geen quaet gescien Eer icken spreke ende hebbe gesien”. Si geloveden hem zijn leven. Blasys sprack: “wilstu my begeven, 5055 Hoe zal ick my gehelpen konnen Mettien dat ick hebbe begonnen”? Hi zeide: “ick en zegge dy min nochmeer, Want du zies, dat onze Heer My die genade gevet te voren, 5060 Dat my [die] gene hebben verkoren, Die my meenden hebben thoren gebode; Verkoren ben ick oeck van Gode Te zinen dienste, ick zegge dy hoe: Dat en doet nieman dat ick doe, 5065 Want dat en weet nieman also gereet Dat gescien zal, als ick dat weet; Want ick weet bet dat zal gescien Dan alle die in der werelt zijn, Ende ick moet in dat lant wesen gebrocht 5070 Daer men my wte hevet gesocht, Ende daer men my sal geloven, Naest Gode, onsen Here hierboven, Bet dan dat je dade man; Ende du zals mi helpen dan 5075 Maken dat werck van desen boecken, Ende ick sal dy somwyle soecken; Ende vrage ombe Northomberlant Dat es woeste ende onbekant, Want die twe deel van den lande 5080 Seggick dat nieman en kande; Daer zalstu wonen, ende ick sal dy Beraden dat dijn orber zy, Tot algader desen boecken; Ende du en zals my niet zoecken, 54 5085 Dy zal daer af komen groet geval; Weetstu wat ick dy geven zal Ende goeden eynde na dit leven. Men zal dijn werck gerne hoeren Ende van Joseph, dien hier te voren 5090 God, onse Here, gracie gaf, Alstu gepijnt heves hieraf Dor hem ende dor zijn geslechte, Dat God te zinen dienste echte, Salstu zo vele hebben verdient, 5095 Dattu zals sijn met Josep vrient Ende oeck in die geselscap mijn; Ick zal dy wysen waer zi zijn, Daer salstu zien die scone gave Die Joseph ontfinck daer ave, 5100 Dat hi Jhesum van den cruce dede; Ende wes zeker oeck daermede, Dat ick in dat rijke, daer ick zal varen, Die goede liede zal, twaren, Doen arbeiden by dage ende by nachte, 5005 Ick kenne enen van Josephs geslachte Die grote pine en sal niet komen, Eer men den vierden koninck sal nomen, Die sal Artur zijn genant. Du zals henegaen al te hant, 5110 Ick sal dy zoeken daer du zals bliven Ende zeggen wat du zals bescriven; Wetet oeck wel, dat iu gewerke Prysen zullen leke ende clerke”. “Ja”, sprack Merlijn, “oeck daerna 5115 Alse dat gescreven es, zo ga In dat geselscap daer ick sprack ave, Daer salstu zien die scone gave; Dinen boeck zalstu met dy dragen, Gene hystorien na gene sagen 5120 Ne werden zo wel gepryset ter kuer Alse van den koninck Artuer, Ende die dan zal wesen heer. Dan hevestu verdient die eer, Die zi hebben al te male, 5125 Die behoren toten Grale. Dijn boeck sal daeraf ontfaen zijn woert Ende hi wert gerne oeck gehoert; Want luttel woerde zullen zijn in desen Si en zullen te prysene wesen; 5130 Dus zal hi waerdich zijn van prise”. Dit sprack Merlijn tote Blasise, Ende zeide wat hi zoude ontfaen. Alsene Blasys hadde verstaen Was hi blyde ende sprack: 5135 “Merlijn, negeen ongemack Mach dat my benemen noch geen leet Ick en zal doen, dat gy my heet”. Merlijn sprack toten boden saen: “Ick moet te myner moeder gaen, 5140 Ende nemen orlof an haer”. Doe gingen zi met hem al daer. Hi sprack: “ick ben al te hande Ontboden, vrouwe, van vremden lande; Ombe orlof kome ick tot iu 5145 Want gy moet Gode dienen nu Van der gracien, die Hy my gaf, Ende ick en mach des niet komen af; Ick moet in vremde lant varen, Blasys moet oeck enwech, twaren, 5150 Dus werdy quijt van ons beiden”. Si zeide: “God moete iu geleiden, Ende ick en ben niet zo vroet Dat ick iu iet letten moet; Ick woude dat Blasys hier bliven mochte 5155 Waer in dat lief”. “Neen, dat en dochte Niet, moeder”, sprack doe Merlijn. Orlof nam hy, dat moeste zijn, Ende voer metten messelgieren. Blasys voer enwech in deser manieren, 5160 Ende ginck daer hem Merlijn hiet, Die anderen reden, ende spaerden niet, Den enen dach den anderen voert, Totdat zi quamen tener poert; Alset daer was een marketdach, 5165 Ende Merlijn daer versach Enen dorper, die twe scoe daer cochte Ende leder mede, daer men af mochte Stercke lappen maken saen, Hi woude pelgrimasye gaen. 5170 Ende Merlijn loech doe hi ze droech. Die boden vrageden waerombe hi loech. Hi sprack: “om den dorper metten scoen, Proevet wat hi wil metten leder doen, Hi wil die scoe daermede maken; 55 5175 Ick zegge iu dat in waren zaken: Eer hi te hues koemt sal hi zijn doet; Volget hem ende ziet wonder groet”. Hem wonderde des doe zijt hoerden daer. “Wy zullen weten of dat mach zijn waer!” 5180 Zi vraeghden den manne metten scoen, Wat hi metten leder zoude doen. Hi zeide: “ick salt nu orbaren, Ick zal pelgrimasye varen”. Kenlick wonder dochtet hem wesen, 5185 Hoe dat Merlijn wiste van desen, Ende zi zeiden ter selver stont: “Dese man duncket ons gesont, Wy twe zullen hem volgen naer, Ende zien, of dit mach wesen waer”. 5190 Die twe volgeden hem eene wyle; Si en gingen niet ene myle, Dat die man doet vor hen lach; Si keerden opten selven dach, Ende zeiden wat zi hadden gesien; 5195 Die ander antworden mittien: “Dul waren die clerke zonder waen, Die ons hieten desen doetslaen; Liever waer ons dat ons mesquame Dan men hem zijn leven name”. 5200 Dit zeiden zi heimelike ende met liste, Si en waenden niet dattet Merlijn wiste; Ende doe zi quamen bet voert, Dankede hem Merlijn der woert. “Waeraf dankdy ons”? zeiden zi, 5205 “Van dat gy zeidet”, antworde hi. Hem wonderde zere ombe dat woert, Ende zeiden: “wi en mogen niet woert Gespreken, du en wetes dat al”. Dus voeren si hene, berch ende dal, 5210 Ende quamen in Vertegiers koninckrijcke Eens dages gereden gemeenlyke Dor ene stat, daer gesciede Dat zi zagen vele armer liede; Want men droech daer een kint te grave. 5215 Die maghe weenden sere daer ave, Die papen zongen entie clerke. Merlijn begonde lachen sterke; “Waerom lachdy”? zeiden die gezellen; Merlijn begonste hem vertellen, 5220 Ende zeide: “ziedy genen man Die ginder woent”? “Ja, wy; wat eest dan”? “Ende den pape, die daer zinget Vor den doden, dien men daer bringet? Die pape zoude met rechte wenen; 5225 Nu merket, hoe ick dit mach menen: Dien dat niet en bestaet, sine handen wringet; es dat kint es, lude hi zinget”. Si zeiden: “hoe zullen wy dit weten”? “Gaet, ick dar my wel vermeten, 5230 Toter moeder, ende vraget haer wes Dat hoer man zo droevich es? Soe zal zeggen: “ombe zijn kint”. Segget dan: “dat en bestaet hem twint, Also wel wetewy dat, alze gy, 5235 Dat dat met rechte des papen zy Die ginder zinget alzo hoe, Ende hi weet wael zelve alzoe” Dus vraeghden diegene der vrouwen, Ombe hoers mannes trouwen, 5240 Also als hem Merlijn hadde geraden. Soe zeide te hant: “genade, Ende dat iu God vryse van der Hellen, Ick zal iu die waerheit vertellen, En latet mynen here niet verstaen, 5245 Want hi zoude my doet slaen”. Doe si dit hoerden, gingen zi wanderen, Ende die ene zeide den anderen: “Wy en zagen nie”, zeiden die vier, “Waersager van deser manier”. 5250 Dus voeren zi henen metter vaert, Totdat zi quamen, in ener dachvaert, Daer Vertegier, hoer here, was, Ende zi vraeghden Merline das Wat hi hem tantwordene riede, 5255 Vor den koninck ende zine liede. “Wy zullen”, zeiden zi, “senden hem tween, Die zeggen zullen overeen, Wat ons te voren komen zy; Wat wilstu dat men zegge van dy”? 5260 “Laet des my gebruken”, sprack Merlijn, Dat zal tuwer alre vromen zijn; Want gy zegget dat dor mijn goet, Ick zegge iu dan wat gy doet, Ende gy en werdet oeck nember gescouden”. 5265 Si zeiden: “zegget ons, wy zullen dat houden”. “Vaert”, zeide hi, “tot Vertegier, 56 Ende zegget, dat gy my hebbet al hier, Ende dat ick hem, al sonder waen, Sal zeggen, hoe zijn torre zal staen 5270 Ombe dat hi my dan alzo rechte Over die quade, vule knechte, Die my wouden doen verslaen; Ende ick zal hem, zonder waen, Seggen waerombe zi hem dat rieden. 5275 Dit zegget hem vor al zinen lieden Ende dan doet dat hi iu heet”. Die boden voeren enwech gereet, Ende quamen tot Vertegier. Doe hi ze sach, verblyde hi scier, 5280 Ende vraeghde, hoe hem dat es gegaen? Zi zeiden “wael”, ende beeten saen, Ende hoe zi vonden Merline, Ende al by den wille zine, Ende dat hi gerne met hem quam. 5285 Doe die coninck dat vernam, Hi zeide: “wat zegdy allegader? En zochtdy niet dat kint sonder vader Ombedat gy brengen zout zijn bloet”? Si zeiden: “daer en es geen zo vroet 5290 Waersager alse es dat kint; Die clerke en weten niet een twint Waerby die torre niet en mach staen; Maer hi zal iu dat zeggen zaen, Es dat hi vor iu komt met talen; 5295 Wildy, wy dodene eer wyne halen; Hem hoeden onser gesellen twe”. Die koninck sprack: “ick en wil niet mee, Dordy dat nemen op iu allen, Dat hi zegge wat den torre doet vallen, 5300 Ende op iu lijf, ick latene leven”. Si zeiden: “ja wy, dat waer quaetgebleven”. |
Hoe Vertegier een toren liet maken en hoe men Merlijn liet zoeken. Nu deed Vertegier al gelijk Een plaats brengen kalk en zand, 4765 En liet mortel maken gelijk, En liet dat werk bestaan; Maar boven de aarde kwamen ze niet Meer dan 7 of 5 meter, De aardbeving was daar alzo groot, 4770 Dat de toren al neder schoot Alsof het geheel verzinken zou. Dus lieten ze het niet alzo te houden, Toen dat schudden was vergaan, Ze hebben dat werk weer gedaan, 4775 Ze maakten het dik, maar de toren brak geheel; Vertegier die zag dat wel, Dat de toren dus moest glijden; Hij zei, hij kon niet verblijden, Eer hij wist waarvan dat was, 4780 En liet ontbieden hier en daar, Zijn wijze lieden alle bijzonder, En zei hen al dat wonder; Hij bad dat men hem aanraadde. Toen zeiden al zijn lieden: 4785 “Heer, dat kan niemand weten, Tenzij hij een goede klerk is en vermetel Want in hun boeken staat Dat het ons te kennen is kwaad”. De koning zei: “ge zegt waar”; 4790 Die wijste klerken ontbood hij daar, En zei hen van de toren al bloot; Dus hadden ze alle verwondering groot. Hij nam die wijste daar alleen, En zei: “weet ge een ding of geen, 4795 Waarbij mijn toren niet staat; Ik bid u, dat ge geeft raad, En zeg het me wat de toren belet; En zeg je het niet, ik blijf ontzet”. Toen hem de koning dit had aangeduid, 4800 Ze zeiden ze wisten dit niet, Maar hier zijn er zulke, die kunnen zien Aan de sterren waarbij dat mag geschieden. Hij zei: “zoek onder uw lieden Zulke die dit kunnen verklaren 4805 Dat mijn toren niet staat, En geef me de beste raad”. Elk vroeg de ander of hij iets wist Enige ding van enige list; En twee die trokken zich daar voort, 4810 Zeiden: “we hebben gehoord Genoeg, menen wij, van deze aard”; Zolang dat er zeven waren. 51 De koning toonde men die zeven; Hij vroeg hen bij hun leven 4815 Of ze zouden weten wel, Waarbij de toren zo vaak viel? “Ja, wij”, zeiden ze, “zou iemand het weten”. Die koning heeft zich vermetel Hun wil geheel te geven. 4820 Die raad scheidde, maar de zeven Bleven daar met de koning, En dachten aan dit ding, En studeerden algemeen; Maar ze vonden een zaak maar een; 4825 En ze was, groot of klein, Niet iets van een steen; Dus waren ze alle ongemakkelijk. Vertegier liet verhaasten de zaak, En liet de klerken voor hem komen, 4830 En zei: “wat hebben jullie vernomen?” Ze zeiden: “dat is een groot ding Dat u bij ons zoekt, heer koning! Wacht noch acht dagen, we willen niet meer”. De koning sprak: “dat doe ik eer, 4835 Ziet dat ge het me zegt dan”. Te raden gingen die zeven man; De ene zei: “weet ge, heren, Waarheen die zaken mogen keren?” De wijste sprak: “komt alle algemeen 4840 Elk na de ander tot mij alleen, En zeg het mij, wat ge hiervan dient, Ik openbaar het anders niet, Ge wil het dat dan alle aanraden”. Ze zeiden dat ze dat graag deden. 4845 Elk ging alleen tot de klerk, En hij vroeg om dat werk; Alle spraken ze algemeen: “Wij weten niets van de steen; Een ander ding, zien wij, te waren, 4850 Dat een kind van zeven jaren Geboren is zonder aardse vader”. Dit zeiden die zes alle tezamen. En toen ze dit hadden gehoord, “Kom alle zes”, zei hij voort. 4855 Ze kwamen, en hij sprak terstond: “Ge spreekt allen uit een mond, Want ge zegt allen algemeen Dat ge niets weet van de steen Al met al niets, 4860 En dat geboren is een kind Van zeven jaren zonder aardse vader; Dat is, dat ge zegt allen tezamen. Maar ik zeg u, geloof dus mij, Dat hier niemand is, 4865 Hij zag dat hij, zonder blijf, Dat kind zou nemen dat lijf; Ook zeg ik datzelfde als gij, En dit heb je verzwegen mij”. Toen zei de ene: “doe mijn raad, 4870 Ge behoudt dat lijf, hoe dat het gaat, En dat lijkt me te wezen goed”. “Nu zeg wat men dan het beste doet, Ge hebt gezien alles dat we zagen Help ons om ons lijf te sparen”. 4875 Diegene sprak: “begrijp me wel, Laat ons alle zeggen een taal, Dat de toren niet kan staan, In dat fundament tenzij ze het is gedaan Met dat bloed van dat kind eerst tevoren, 4880 Dat zonder aardse vader is geboren, En is dat daarin, dan staat hij snel. Laat ons dit zeggen tegen Vertegier Al overeen, dat is het beste gedaan; Dus zo kunnen van de dood ontgaan, 4885 En doden daar onze dood van afhangt; De koning zullen we geven raad, Dat hij dat levend niet zien moet Maar die hem het eerste ziet, hij brengt dat bloed”. Dus hebben ze de raad geslecht, 4890 En hebben de koning zo bericht. De ene zei: “we zagen niet tezamen De wijsheid, die we vernamen. Maar elk zal zeggen wat hij zag, Dat men het beste kiezen mag”. 4895 Dus lieten ze het hem verstaan met list, Dat de ene het van de andere niet wist. De koning hoorde elk apart, En toen ze zeiden dat wonder, Zei hij: “mag zijn een kind zonder vader, 4900 Dan mag dit ding al tezamen, Dat ge zeg, wezen wel; Want ge zegt alle 1 taal”. “Heer”, zeiden ze, “nu zeg ons dat woord”. De koning zei: “dat ge hebt gehoord, [52] 4905 Dat is allemaal gelijk dat ge hebt gezegd”. Toen antwoordden de klerken echt: “Heer, nu doe onze raad hiernaar”. “Ja”, zei hij, “mocht dat wezen waar, Dat een kind was zonder vader?” 4910 “Ja “, zeiden ze alle tezamen. Hij liet ze behoeden tot de stonden, Dat men dit had ondervonden. Ze zeiden: “zie nog en spreek dat kind Maar de allereerste die dat vindt, 4915 Zal het doden en brengen dat bloed; De toren zal staan, is het dat men dat doet”. Kwaadheid was dat, alles dat ze bedachten. Vertegier hij liet ze wachten; Men gaf hen dus wat ze hadden nodig. 4920 De koning hen twaalf ontbood, Dat ze gingen met twee en twee tezamen, Totdat ze zo’n kind vernamen, En lieten hen zweren terstond, Dat ze dat doodden, als ze dat vonden. 4925 Nu merk, hoe hij dat zoeken doet: Ze gingen weg, te paard en te voet, De boden in vreemde landen, En immer twee en twee in hand; Zolang dat twee boodschappers 4930 Ontmoeten er twee, toen waren er vier. Die vier gingen zolang tezamen, Dat ze in een dorp kwamen, Daar liepen zeer veel kinderen In een beemd groter en kleiner, 4935 En sloegen daar een bal. Merlijn, die dit wist al, Zag die boden, want hij was daar, En hij trad een deel daarnaar, En gaf de rijkste een slag 4940 Van het dorp, zodat hij lag, Met een kolf voor zijn schenen, Omdat schelden zou diegene. Dat kind sprak tot Merlijn waart: “Onreine, vaderloze bastaard”! 4945 De boden hoorden dat allemaal, Dat ‘t kind was zonder vader. Ze kwamen tot het kind, dat weende, En vroegen hem, wat die bedoelde? Hij zei: “dit is een vrouwen zoon, 4950 Die niet weet wie was diegene, Die dat kind aan haar won. Toen Merlijn hoorde spreken de man, Sprak hij gelijk tot hem waart: “Ik ben, die ge zoeken vaart; 4955 Gij zwoer me te doden snel, En mijn bloed te brengen bij Vertegier”. Ze zeiden: “waarvan kwam u dat tevoren”? “Ik weet het wel, dat ge dat hebt gezworen”, Antwoordde Merlijn daar te waren. 4960 Ze zeiden: “wil u met ons varen”? Hij sprak: “ik ben bang voor mijn leven, Maar wil je me dus zekerheid geven, Dan wil ik met u heen met allen, En zeggen wat de toren laat vallen, 4965 Daar ge mijn bloed wil brengen onder”. Toen ze dit hoorden, had het hen verwonderd En zeiden: “wonder zegt dit kind; We doen hem niets”. Elk zei: “ik zal me eerder bezeren, 4970 Eer ik dat kind iets zal deren”. Merlijn sprak: “gij zal, met trouw, Herbergen bij mijn vrouw, Ik moet hebben haar verlof En van de man die woont met haar in de hof”. 4975 “We zullen daar”, zeiden ze, “graag gaan”. Merlijn leidde ze voor hen samen Tot zijn moeder, die was begeven Non, en leidde een heilig leven. En Merlijn ontving ze wel gereed. 4980 Toen ze alle hadden gebeden, Leidde hij ze tot Blasys samen, En zei: “deze zochten me om me te verslaan”. Hij zei tot de boden: “zeg het hem nu Hiervan de waarheid, dat bid ik u; 4985 Ik zou dat wel weten, liegt ge iets”. Ze zeiden: “u liegt niet, Maar ik zie wel, wat u zegt is waar”. Merlijn zei: “nu hoor daarnaar: Ge bent gezonden van het westen hier 4990 Van een koning, heet Vertegier, Die maakte een burcht wel fier; Als ze is drie vademen of vier Hoog, valt ze neder zonder dralen; Dit laat Vertegier kwaad worden, 53 4995 Zodat hij om klerken zendt, Toen was daar niemand die bekende Waarbij het viel; toen wierpen ze een lot, Nochtans bleven ze dus even zot; Toen vonden ze dat ik was geboren 5000 En ze duchtten, dat ze verloren Alle bij mij zouden wezen, En kwamen overeen binnen deze, Dat ze me dood zouden laten slaan, En zeiden dat de toren zou staan 5005 Als mijn bloed was daaronder. Vertegier die had zich verwonderd, En meende dat ‘t was waar, En liet me zoeken daarna. De klerken zeiden hem en de boden, 5010 Dat ze me immer zouden doden Ten eerste dat ze me vinden mochten, En mijn bloed met zich mee brachten. Toen nam twaalf boden de koning, En liet ze zweren dit ding, 5015 Dat ze mijn bloed brengen zouden, Dan zou de toren vast houden; Van de twaalf zijn dit er vier, Ze kwamen nu aangereden snel Daar die kinderen speelden al 5020 En ik, die weet hoe dat het komen zal, Omdat ze me zochten, ik sloeg een kind Omdat het me zou uitschelden ginds, En verwijten me mijn moeders zonden; Ik wilde dat deze boden me vonden; 5025 Blasys, vraag het hem, of ik zeg waar”. Hij vroeg het dus hen, ze beleden het daar. Ze zeiden: “alzo laat ons keren God te lande waart met eren, Zoals hij liegt niet een woord”. 5030 Blasys zei, toen hij dit hoorde: “Hij zal nog wezen erg verstandig, Dat zou schade zijn als ge hem verdoet”. “We breken liever onze eed, Dan dat we deden hem enig leed; 5035 Hij kan zoveel, hij begrijpt het wel Of we tot hem ook dragen haat”. Blasys zei: “ge zegt waar En ik zal hem roepen naar, En vragen hem dit en andere zaken, 5040 Dat hij mij bekend zal maken”. Hij riep Merlijn, die was daar uit, Omdat ze wilden overluid Tezamen hebben hun taal. Blasys sprak, al zonder omhaal, 5045 “Ze willen, dat ik u vragen zal”. “Wat is het?” zei Merlijn, “zeg dat al”. Hi zei: “zal u met hen varen”? “Ja, ik”, antwoordde Merlijn, “te waren, Willen ze me geloven gereed, 5050 Dat men mij voor de koning leidt, En men laat me geen kwaad geschieden Eer ik spreek en heb gezien”. Ze beloofden hem zijn leven. Blasys sprak: “wil u me begeven, 5055 Hoe zal ik me behelpen kunnen Met dat ik ben begonnen”? Hij zei: “ik zeg u min of meer, Want u ziet, dat onze Heer Me de genade geeft te voren, 5060 Dat me diegene hebben gekozen, Die me meenden te hebben tot hun gebod; Gekozen ben ik ook van God Tot zijn dienst, ik zeg u hoe: Dat doet niemand wat ik doe, 5065 Want dat weet niemand alzo gereed Dat geschieden zal, zoals ik dat weet; Want ik weet beter dat zal geschieden Dan allen die in de wereld zijn, En ik moet in dat land worden gebracht 5070 Daar men mij heeft uitgezocht, En daar men mij zal geloven, Naast God, Onze Heer hierboven, Beter dan dat je deed een man; En u zal me helpen dan 5075 Maken dat werk van deze boeken, En ik zal u soms zoeken; En vragen om Northumberland Dat is woest en onbekend, Want het tweede deel van het land 5080 Zeg ik dat niemand het kent; Daar zal u wonen, en ik zal u Beraden dat tot uw gebruik is, Tot allemaal deze boeken; En u zal mij niet zoeken, 54 5085 U zal daarvan komen groot ongeval; Weet u wat ik u geven zal En goed einde na dit leven. Men zal uw werk graag horen En van Joseph, die hier tevoren 5090 God, Onze Heer, genade gaf, Als u nagedacht heeft hiervan Dor hem en door zijn geslacht, Dat God tot zijn dienst acht, Zal u zoveel hebben verdiend, 5095 Dat u zal zijn met Joseph bevriend En ook in dat gezelschap van mij; Ik zal u wijzen waar ze zijn, Daar zal u zien die mooie gaven Die Joseph ontving daarvan, 5100 Dat hij Jezus van het kruis deed; En wees zeker ook daarmee, Dat ik in dat rijk, daar ik zal varen, De goede lieden zal, te waren, Laten arbeiden bij dag en bij nacht, 5005 Ik ken er een van Joseph’s geslacht Die grote pijn zal niet komen, Eer men de vierde koning zal benoemen, Die zal Arthur zijn genoemd. U zal heen gaan al gelijk, 5110 Ik zal u zoeken daar u zal verblijven En zeggen wat u zal beschrijven; Weet ook wel, dat uw werken Prijzen zullen leken en klerken”. “Ja”, sprak Merlijn, “ook daarna 5115 Als dat geschreven is, zo ga In dat gezelschap daar ik sprak van, Daar zal u zien die mooie gaven; Uw boek zal u met u dragen, Geen historie naar geen sagen 5120 Worden zo goed geprezen ter keur Als van de koning Arthur, En die dan zal wezen heer. Dan heeft u verdiend die eer, Die ze hebben allemaal 5125 Die behoren tot de Graal. Uw boek zal daarvan ontvangen zijn woord En hij wordt graag ook gehoord; Want weinig woorden zullen zijn in deze Ze zullen te prijzen wezen; 5130 Dus zal hij waardig zijn van prijs”. Dit sprak Merlijn tot Blasys, En zei wat hij zou ontvangen. Toen Blasys dat had verstaan Was hij blij en sprak: 5135 “Merlijn, geen ongemak Mag me dat benemen en ook geen leed Ik zal doen dat ge me zegt”. Merlijn sprak tot de boden gelijk: “Ik moet tot mijn moeder gaan, 5140 En nemen verlof van haar”. Toen gingen ze met hem al daar. Hij sprak: “ik ben gelijk Ontboden, vrouw, van vreemde landen; Om verlof kom ik tot u 5145 Want ge moet God dienen nu Van de genade, die Hij mij gaf, En ik mag er dus niet komen af; Ik moet in een vreemd land varen, Blasys moet ook weg, te waren, 5150 Dus word ge kwijt van ons beiden”. Ze zei: “God moet u geleiden, En ik en ben niet zo verstandig Dat ik u iets beletten moet; Ik wilde dat Blasys hier blijven mocht 5155 Was me dat lief”. “Neen, dat doogt Niet, moeder”, sprak toen Merlijn. Verlof nam hij, dat moest zijn, En voer met de boodschappers. Blasys voer weg op deze manieren, 5160 En ging daar hem Merlijn zei, Die anderen reden, en spaarden zich niet, De ene dag de andere voort, Totdat ze kwamen bij een poort; Toen het daar was marktdag, 5165 En Merlijn daar voorzag En dorper, die twee schoenen daar kocht En leer mede, daar men van mocht Sterke lappen maken gelijk, Hij wilde pelgrimreis gaan. 5170 En Merlijn lachte toen hij ze droeg. Die boden vroegen waarom hij lachte. Hi sprak: “vanwege de dorper met de schoenen, Onderzoek wat hij wil met het leer wil doen, Hij wil de schoenen daarmee maken; 55 5175 Ik zeg u dat in ware zaken: Eer hij thuis komt zal hij zijn dood; Volg hem en zie een wonder groot”. Zij verwonderde zich dus toen ze het hoorden daar. “We zullen weten of dat mag zijn waar!” 5180 Ze vroegen de man met de schoen, Wat hij met het leer zou doen. Hij zei: “ik zal het nu verkondigen, Ik zal een pelgrimreis maken”. Kennelijk wonder dacht hen te wezen, 5185 Hoe dat Merlijn wist van deze, En ze zeiden terzelfder stond: “Deze man lijkt ons gezond, Wij twee zullen hem volgen na, En zien of dit mag wezen waar”. 5190 Die twee volgden hem een tijdje; Ze gingen niet een mijl, Dat de man dood voor hen lag; Ze keerden op dezelfde dag, En zeiden wat ze hadden gezien; 5195 De andere antwoordden meteen: “Dol waren die klerken zonder waan, Die ons zeiden deze dood te slaan; Liever was ons dat het ons miskwam Dan dat men hem zijn leven nam”. 5200 Dit zeiden ze heimelijk en met list, Ze dachten niet dat Merlijn het wist; En toen ze kwamen verder voort, Bedankte Merlijn van hun woord. “Waarvan bedank je ons”? zeiden ze, 5205 “Van dat ge zei”, antwoordde hij. Zij verwonderden zich zeer om dat woord, En zeiden: “we mogen niet een woord Spreken, u weet dat al”. Dus voeren ze heen, berg en dal, 5210 En kwamen in Vertegiers koningrijk Op een dag gereden algemeen Door een plaats, daar geschiedde Dat ze zagen veel arme lieden; Want men droeg daar een kind te graf. 5215 De verwanten weenden zeer daarvan, De papen zongen en de klerken. Merlijn begon te lachen sterk; “Waarom lach je”? zeiden de gezellen; Merlijn begon het hen te vertellen, 5220 En zei: “zie ge die man Die ginder woont”? “Ja, wij; wat is het dan”? “En de paap, die daar zingt Voor de dode, die men daar brengt? De paap zou met recht wenen; 5225 Nu merk, hoe ik dit mag menen: Die dat niet doet, en zijn handen wringt; Is dat kind hem, luid hij zingt”. Ze zeiden: “hoe zullen we dit weten”? “Gaat, ik durf me wel vermetel, 5230 Tot de moeder en vraag het haar gewis Dat haar man zo droevig is? Ze zal zeggen: “om zijn kind”. Zeg dan: “dat bestaat hem niets, Alzo goed weten we dat, zoals gij, 5235 Dat het met recht van de paap zij Die ginder zingt alzo hoe, En hij weet wel zelf alzo” Dus vroegen diegene de vrouw, Om haar mans trouw, 5240 Alzo als Merlijn hen had aangeraden. Zo zei ze gelijk: “genade, En dat u God bevrijdt van de hel, Ik zal u de waarheid vertellen, En laat mijn heer het niet verstaan, 5245 Want hij zou me dood slaan”. Toen ze dit hoorden, gingen ze wandelen, En de ene zei tot de anderen: “We zagen niet”, zeiden die vier, “Waarzegger van deze manier”. 5250 Dus voeren ze heen met een vaart, Totdat ze kwamen, in een dagreis, Daar Vertegier, hun heer, was, En ze vroegen Merlijn dat Wat hij hen te antwoordden aanraadde, 5255 Voor de koning en zijn lieden. “We zullen”, zeiden ze, “zenden hen twee, Die zeggen zullen overeen, Wat ons tevoren gekomen is; Wat wil u dat men zegt van u”? 5260 “Laat dus mij gebruiken”, sprak Merlijn, Dat zal tot uw aller baat zijn; Want ge zegt dat door mijn goed, Ik zeg u dan wat ge doet, En ge wordt ook nimmer beschuldigd”. 5265 Ze zeiden: “zeg het ons, we zullen dat houden”. “Vaart”, zei hij, “tot Vertegier, 56 En zeg het, dat ge me hebt al hier, En dat ik hem, al zonder waan, Zal zeggen hoe zijn toren zal staan 5270 Omdat hij me dan alzo berecht Voor die kwade, vuile knechten, Die me wilden laten verslaan; En ik zal hem, geheel zonder waan, Zeggen waarom ze hem dat aanraden. 5275 Dit zeg je hem voor al zijn lieden En dan doe dat hij u zegt”. De boden voeren weg gereed, En kwamen tot Vertegier. Toen hij ze zag verblijdde hij snel, 5280 En vroeg hoe hen dat is gegaan? Ze zeiden “goed”, en beleden gelijk, En hoe ze vonden Merlijn, En alles met de wil van hem, En dat hij graag met hen kwam. 5285 Toen de koning dat vernam, Hij zei: “wat zeg je allemaal? Zocht je niet dat kind zonder vader Omdat ge brengen zou zijn bloed”? Ze zeiden: “daar is geen zo verstandige 5290 Waarzegger als is dat kind; De klerken weten niets Waarom de toren niet mag staan; Maar hij zal u dat zeggen gelijk, Is het dat hij voor u komt met talen; 5295 Wil ge, we doden hem eer we hem halen; Hem behoeden onze gezellen twee”. De koning sprak: “ik wil niet meer, Door u dat nemen op u allen, Dat hij zegt wat de toren laat vallen, 5300 En op uw lijf, ik laat hem leven”. Ze zeiden: “ja wij, dat was kwaad gebleven”. |
Hoe Merljn Vertegier zeide, waerby zijn torr vel, ende van den roden draken ende van den witten draken. Nu voeren dese boden om Merlijn saen, Ende Vertegier volghde hem sonder waen; Alse Merlijn die boden hevet vernomen, 5305 Hi zeide te hant: “gy hebbet genomen My op iu lijf”. “Dat es waer”, zeiden zi: “Wy hebben dat liever, dan gy Doet blevet, dat wy ons aventueren”. Ick sal iu losen wel ter kueren”, 5310 Sprack Merlijn, ende voer met hen scier. Doe gemoeten zi Vertegier. Merlijn groetene by liever stade, Ende nam hem buten tenen rade: “Gy dadet my zoecken”, zeide hi, “Heer 5315 Ombe uwen torre, die iu moyet zeer, Ende hiet dat men my zoude doet slaen Ombedat met mynen bloede zoude staen Iu torre, dat was iu bediet, Hi loegh, die dat was die iu dat riet; 5320 Maer zeiden zi dat hi met my Soude staen, zo seiden zi waerheit dy”. Vertegier sprack tot hem gereet: “Seghstu my hieraf die waerheit, Ick sal met hen doen al uwen wille”. 5325 “Nu gawy”, zeide Merlijn stille, “Totten clercken, ick sal hem allen Vragen wat den torre doet vallen, Si en zullen dat niet konnen geseggen”. Aldus gingen zi daer leggen 5330 Die stene van den groeten werke, Aldus ontboden zi die clerke; Ende doe zi quamen vor Vertegier Vraeghde hem Merlijn herde scier: “Gy heren, hoe valt deze steen”? 5335 Zi zeiden: “wy en weten dinck negeen Dan wy zeiden den koninck”. Vertegier zeide: “vremde dinck Was dat gy my zeidet allegader, Dat ick zoude doen zoecken zonder vader 5340 Een kint; ick en weet hoe dat is vonden”. Merlijn sprack tenselven stonden: “Over dul houdet gy den koninck, Dat gy dadet zoecken zulken kint, Dat en was niet te ziner vromen. 5345 Gy vondet, dat ter erden was komen Een kint zonder eertschen vader, Dat doden zoude iu alte gader, Ende dadet den koninge dat verstaen, Dat hi dat kint dade doet slaen, 5350 Ende leide in dat fondament zijn bloet, Die torre zoude dan wesen goet. 57 Dit zeidy om te lengene iu lijf”. Elck wart vervaert als een keytijf, Alse die sterven waenden doe. 5355 Merlijn sprack den koninck toe: “Here nu moechdy wael verstaen, Dat zi my niet en willen verslaen Omb uwen torre, maer omb hoer leven; Vrage des hem daer ick zij beneven 5360 Si en zullen des loechenen niet een haer”. Die koninck zeide: “zeghet hi my waer”? “Ja hi”, zeiden zi alle gereet, “Maer wy en weten niet, hoe hi dat weet, Ende wy bidden iu, here goet, 5365 Dat gy ons niet en verdoet, Eer wy dan zien, sonder waen, Hoe die torre by hem sal staen”. Merlijn sprack: “gy en stervet niet Eer gy dat metten ogen ziet”. 5370 Doe sprack Merlijn tot Vertegier: “Gy zoudet gerne weten scier, Wat dit werck dus vallen doet; Wilstu doen wat my duncket goet, Gy zult die waerheit weten scier: 5375 Onder den torre es een rivier Ende onder den watre zijn twe steen; Twe draken, die no groot noch cleen En zien, zijn daeronder groet, Die ene es wit, die ander roet. 5380 Die ene weet wael, dat die ander es daer; Alse hem die last dan wert te zwaer Maken zi zo groet baraet, Dat al vallet dat op hem staet. Doe dat bezoecken, du zals dat vinden, 5385 Ende doet my hangen ende binden Ne vindestu dat niet, ende oeck verworgen; Ende vindestu dat, laet gaen myne borgen”. Die koninck zeide: “zegstu my waer, So en is nergen, verre noch naer, 5390 Man zo wijs noch zo vroet; Maer zech, hoe men dit best doet”. Merlijn sprack: “met meneger kerre Sal men die erde nemen verre”. Te hant die koninck dat doen dede, 5395 Dit dochte den lieden dullechede Al en dorstensi hem des niet bevroeden. Merlijn dade die clerke hoeden. Men wachte ginder lange stonden, So lange dat zi dat water vonden; 5400 Doe ontboet men Vertegier, Ende hi brochte daer Merlyne scier; Si zien dat water herde groet Entie koninck hi ontboet Hem twe, aldaer zijn raet an stoet, 5405 Ende zeide: “dit kint es zere vroet; Hi zeghet: hier onder zijn twe draken, So vele en kostet my niet dat maken, Ick en wil doen al zinen raet”. Doe riep hi Merlyne al daer hi staet: 5410 “Van den watre zeidy eerst waer, Ick en weet of die draken zijn daer”. Merlijn zeide: “eer men dat ziet, En kan men dat geweten niet”. “Merlijn”, sprack hi, “vrient, nu zech 5415 Hoe zal men dat water bringen enwech”? “Met groten grachten zal men dat al Leiden in dat diepe dal”. Die grachten zijn begonnen scier, Ende Merlijn sprack tot Vertegier: 5420 “Die draken, die daer onder wanderen, Tierst, dat die ene koemt ten anderen, Sal die ene den anderen doet slaen; Ontbiedet iu hoge liede saen, Die scouwen mogen desen wijch, 5425 Want dat hoerre tweer krijch Grote dinck zal bedieden”. Die koninck sprack: “ick zalse ontbieden”. Over dach ende over nacht Ontboet hi al zine macht, 5430 Ridders, clerke, ende baroene Ende zeide hem van Merlijns doene, Ende hoe die draken zouden striden. Zi zeiden: “vraechdy hem niet siden Welck anderen doet zoude slaen”? 5435 “Neen ick”, zeide hi, zonder waen. Doe dat water ute was al rene, Bleken daer die grote stene. Merlijn zeide: “ziedy gene saken”? “Ja wy, wael”. “Daer zijn die draken” 58 5440 Sprack Merlijn, al overluet. “Hoe zal mense best bringen wt”? Zeide Vertegier; ende Merlijn sprack: “Zi en doen nieman ongemack, Eer die ene koemt an den anderen al; 5445 Dan zullen zi vechten alzo wal Tote dien dat die ene ondergaet”. Die koninck vragede ende zijn raet, Welck haerre daer te stervene steet. Merlijn zeide: “nadat ick dat weet 5450 Ende sculdech ben te zeggene dan, Seggick dy dat gerne vor drie man”. Die koninck riep daer wt drie, Ende vor diegene zeide hi, Wat Merlijn sprack. Doe zeidensi al: 5455 “Vraget, welck drake verwinnen sal”. Merlijn zeide: “dese drie man Zijn van dinen rade dan”? “Ja si, bet dan ieman el”. “So mach ick hen dat zeggen wel” 5460 Sprack Merlijn al openbaer. Die koninck sprack: “dat es waer”. Hi zeide: “ick wil dat gy wetet ditte, Dat [ver]winnen zal die witte; Hi zal tierst grote pine dogen. 5465 Groet lijckteken sal dit togen Die konde geweten, wat dit bediet, Maer nieman en zeggickt eert gesciet”. Hi hiet, dat men den steen op trake; Doe quam daerwt een wit drake 5470 Tierst datten die liede zagen, Begonden zi daeraf versagen; Hi was eyslick ende groet. Den anderen vonden zi, die was roet, Daeraf waren zi versaget meer; 5475 Want hi was tonsiene zeer. Die koninck waende op hem den zege. Merlijn sprack: “laet gaen hoer wege Mine borgen, want zi zijn quite”. Die koninck sprack: “dat zij met vlijte”. 5480 Mettien quamen zo na die draken, Dat zi hem daer onderstaken Porrende daer elck den andren vernam; Mittien worden zi zere gram Ende voeren te samene met [ten] tanden; 5485 Noch man in genen landen Beeste in stride zach zo stuer; Si vochten den dach al duer, Enten andren totten myddage. Alle die liede die dat zagen 5490 Meenden wael die waerheit bekinnen, Dat die roede zoude winnen, So lange dat die witte wtwarp Wter nasen wten monde een vuer so scarp Dattie rode verbrande van der hitte; 5495 Doe lach neder oeck die witte Ende en levede maer drie dage daernaer. Doe zeiden alle die waren daer: “Dit wonder en zach nieman eer”! Doe zeide Merlijn: “koninck, heer, 5500 Nu maket uwen casteel weder; Hi en zal nu nember vallen neder”. Vertegier hiet, dat men dat werck Maken zoude hoge ende sterck. Dicke hi an Merlyne zochte, 5505 Wat die strijt bedieden mochte, Ende waerombe die rode zo lange hadd’ beste; Merlijn antworde hem in dat leste: “Dat bediet, al sonder waen, Alle die dinge, die zijn gedaen 5510 Entie noch te gesciene zijn; Wilstu my geven die trouwe dijn Dat daer my niet af gesciet, Ick zal dy zeggen wat dat bediet, Ende dese zekerhede my doe 5515 Vor degene die daer horen toe”. Dat doe ick gerne”, sprack Vertegier. “So gaet, ende doet komen hier Uwen raet entie clerke saen Die om den torre zijn gevaen”. 5520 Vertegier, hi dade ze halen; Merlijn zette die clerke in talen, Ende zeide: “hoe dul dat gy waert, Doe gy plaget al zulker aert, Ende gy niet en waert zulke liede 5525 Alse betaemde geleerden diede, Ende gy wael oeck wesen mochtet; Hierombe vondy, dat gy zochtet. 59 Gy zaget wel, dat ick was geboren; Die iu dat brochten te voren, 5530 Togeden, dat ick iu zoude doet slaen; Omdat ick hem ben ontgaen Wouden zi dat gy my haddet verslegen; Maer ick hebbe daer enen heer tegen Die my hoedet tegen hoer bedriegen, 5535 Ende ick zal ze zere doen liegen. Van my en koemt iu nember quaet, Wildy doen al mynen raet”. Quaet en docht den clerken niet, Dat hen Merlijn daer onthiet. 5540 Blidelike hebben zi geantwoert, Ende zeiden: “du en bringes niet voert Dat ons te doene onwaert hevet, Want du bist die wiseste die levet”. Merlijn sprack: “van deser aert 5545 En onderwint iu niet vorwaert; Dit zekert my, ende dan gaet Te biechte; dat is mijn raet. Doet penitencie, gy hebbet gesondet, Dat gy die ziele niet verwondet, 5550 Ende ick late iu varen quite”. Si dankeden des met groten vlyte, Ende zeiden datzi dat gerne daden. Dus zijn zi van der doet ontladen. Alle die dat zagen sprakens hem eer. 5555 Die koninck sprack te Merlyne meer, Ende zeide: “dune segges my niet Wat der draken kamp bediet, Van den anderen hebbick wael gehoert Noch berichte my bet voert”. 5560 Merlijn sprack: “die rode drake Bediet dy ende dine sake, Entie witte Constans kinder”. Vertegier scaemde hem ginder. Doe zeide Merlijn: “es dy dat leet, 5565 Ick zwige dan van dat ick des weet”. Vertegier sprack: “hier en staet Nieman, hi en is wael mijn raet; Daerombe zech my wat dat bediet, Die waerheit ende anders niet”. 5570 Merlijn sprack: “du hoers van my, Dat die rode betekent dy; Ick zal dy zeggen hoe ick dat mene: Constans kinder die bleven clene Doe zi horen vader verloren, 5575 Ende hadstu ze alzo verkoren Alse du te rechte zouds hebben gedaen, Du haddes hem in staden gestaen Tegen alle die nu leven; Nu hevestu se slants verdreven, 5580 Ende houds dat lant al in dijn gewout Ombdat dy dat volck al was hout; Alse si raet an dy gesochten, Des zi niet ontberen en mochten, Dades du dy wt hoeren rade; 5585 Sie, doe Engelant nam scade, Ende dat volck kroende dy vor here, Du zeides, du en mochts nembermere Coninck zijn over die genoet, Die koninck Moynes en waer doet; 5590 Ende si verstonden dat wael diet hoerden: Dus dadestu dinen koninck vermoerden; Sine broeder ontfloen te hant. Noch onthoudstu hem hoer lant; Ende als diegene tot dy quamen; 5595 Die den koninck zijn leven namen Dadestu se ontlijven gereet, Alse of dy sijn doet waer leet; Maer dattu beheldes dijn rijke Dat was ene quade gelijke; 5600 Om dijn behout maeckstu den steen, Maer dy en mach helpen dinck negeen”. Robert zeghet, dat die koninck zeide: “Merlijn, du zechs al waerheide, Ombe raet biddick dy zekerlike, 5605 Du bist die vroetste van ertrike; Hierombe zech my, zonder blijf, Hoe ick verliesen zal mijn lijf”. Merlijn sprack: “en dadick des niet, Sone zeide ick niet al dat bediet”. 5610 “Ick weet dy des danck”, sprack Vertegier. Merlijn zeide: “verstant my hier: Dyne macht bediet die rode drake, Entie witte der kinder zake 60 Die wten lande zijn gereden; 5615 Ende dat si oeck lange streden Bediedet dattu hoer lant Lange heves gehat in diner hant; Dat die witte den roden brande Bediet, alzo ick dat bekande, 5620 Dattu zouds bernen van horen viere; En gelove des in gener maniere, Dat dy dijn steen helpe wter noet: Du en zals aldus bliven doet”. Alse dit hoerde die koninck ginder 5625 Vragede hi: “waer zijn die kinder”? Merlijn zeide: “in genen meer, Daer zi hebben een krachtech heer, Ende zullen hier komen ombe vechten, Ende zeggen, datzi willen rechten 5630 Over dy al zonder bliven, Dattu Moynes dades ontliven. Si zullen havenen, ende menech scipmester, Over drie maende te Wincester”. Gram was die koninck omb die maer, 5635 Ende vragede Merline daernaer, Of dat anders niet mochte zijn? “Neen, ‘t waren”, sprack Merlijn, “Si zullen dy bernen, dat en mach niet bliven, Also alstu zages ontliven 5640 Den witten den roden drake”. Dus eynde Merlijn zine sprake. Doe dit Merlijn seide te voren Enes dages, als gy moecht horen, Dade hi te samene zine liede, 5645 Aldus mene ick dat gesciede. Doe quam Merlijn te Wincester, Die meneger wijsheit es mester, Daer Constans kinder zouden landen. Vertegiers liede niet en kanden 5650 Waerombe zi verzamelt quamen Eer zi dat van Merline vernamen; Ende te hant Merlijn danen sciet Doe hi dit Vertegier hadde bediet, Ende ginck te Blasyse waert, 5655 Ende zeide hem, dat hi zine vaert Wael na willen hadde volbrocht, Daer hi ombe was gesocht. Hi vertelde Blasyse al die zaken Ende hiet ze hem in dat boeck maken. 5660 Lange wijle was Merlijn ginder Tote datten zochten Constans kinder; Ende Vertegier ontbeide den dach Des hem Merlijn dade gewach. Des dages sagen die van Wincester 5665 Gescepet volck ende menegen mester, Die Constans kinder daer brochten. Vertegier zach dat zi hem sochten Ende hiet wapenen zijn heer, Ende vor die havene staen toter weer. 5670 Maer die te voren op hem vochten Lettene daer al dat zi mochten, Ende Constans kinder wouden landen; Ende tierst datze die liede bekanden Haddes hem wonder, wanen zi quamen. 5675 Die kinder doe havene namen; Die vor die havene stonden ter weer, Vrageden doe: “wes es dat heer”? Ende zi antworden hem aldus: “Dat ‘s Aurelius Ambrosius, 5680 Ende Uter ende Pandragoen, Ende komen ende willen wrake doen Over Vertegier al te hant, Die valscelike hout hoer lant, Ende horen broeder moerden dede; 5685 Hierombe comensi hier ter stede”. Ende alse die van der stat vernamen Dat hoers heren kinder quamen, Ende si kracht van lieden brochten, Gevel, dat zi daer tegen vochten, 5690 Dat daer hem scade af mochte gescien, Ontseiden si Vertegier mettien; Ende aldus van Vertegier scieden Dat meeste deel van sinen lieden. Doe hadde hi vaer van desen dingen; 5695 Hi hiet die hem niet ontgingen, Datsi dat hues zouden besetten. Si dadent te hant al zonder letten. Nu hebben die scepen havene genomen, Entie ridders zijn wtgekomen, 5700 Entie van Wincester, groet ende clene, Quamen tegen hem gemene, Ende ontfingense vor heren. Die hem an Vertegier keren, 61 Helden die borch met groter weer. 5705 Op hem so vocht al dat heer So lange, dat in enen tyde, Pandragoen in enen stryde, Den casteel ontstack met viere Ende verbrande Vertegiere. 5710 Aldus wonnen si al dat lant, Ende ontboden al te hant Achterlande harentare Die daer tegen hem nu ware, Dat zi ze aldus zouden bezoecken. 5715 Hier es dat ende van tween boecken |
Hoe Merlijn Vertegier zei waarom zijn toren viel en van de rode draken en van de witte draken. Nu voeren deze boden om Merlijn gelijk, En Vertegier volgde hen zonder waan; Toen Merlijn de boden heeft vernomen, 5305 Hij zei gelijk: “ge heb genomen Mij op uw lijf”. “Dat is waar”, zeiden zij: “Wij hebben dat liever, dan gij Dood bleef, dat we ons avonturen”. Ik zal u verlossen wel ter keur”, 5310 Sprak Merlijn en voer met hen snel. Toen ontmoetten ze Vertegier. Merlijn groette hem met lieve stade, En nam hem buiten te rade: “Ge liet me zoeken”, zei hij, “heer 5315 Om uw toren die u vermoeit zeer, En zei dat men mij zou dood slaan Omdat met mijn bloed zou staan Uw toren, dat was u uitgelegd Hij loog, die dat was die u dat aanraadde; 5320 Maar zeiden ze dat het met mij Zou staan, zo zeiden ze de waarheid u”. Vertegier sprak tot hem gereed: “Zegt u me hiervan de waarheid, Ik zal met hen doen al uw wil”. 5325 “Nu gaan we”, zei Merlijn stil, “Tot de klerken, ik zal hen allen Vragen wat de toren laat vallen, Ze zullen dat niet kunnen zeggen”. Aldus gingen ze daar leggen 5330 De stenen van het grote werk, Aldus ontboden ze de klerken; En toen ze kwamen voor Vertegier Vroeg hem Merlijn erg snel: “Gij heren, waarom valt deze steen”? 5335 Ze zeiden: “wij weten ding nee geen Dan we zeiden de koning”. Vertegier zei: “vreemd ding Was dat ge me zei alle tezamen, Dat ik zou laten zoeken zonder vader 5340 Een kind; ik weet niet hoe dat is gevonden”. Merlijn sprak dezelfde stonden: “Voor dol houd ge de koning, Dat ge liet zoeken zo’n kind, Dat was niet tot zijn baat. 5345 Ge vond het, dat ter aarde was gekomen Een kind zonder aardse vader, Dat u doden zou allemaal, En liet de koning dat verstaan, Dat hij dat kind liet dood slaan, 5350 En legde in dat fundament zijn bloed, Die toren zou dan wezen goed. 57 Dit zei u om te verlengen uw lijf”. Elk werd bang als een ellendeling, Als die te sterven meenden toen. 5355 Merlijn sprak de koning toe: “Heer nu kan u het wel verstaan, Dat ze me niet wilden verslaan Om uw toren, maar om hun leven; Vraag dus hem daar ik ben benevens 5360 Ze zullen dit niet verloochenen een haar”. Die koning zei: “zeg het me is het waar”? “Ja hij”, zeiden ze allen gereed, “Maar we weten niet, hoe hij dat weet, En we bidden u, heer goed, 5365 Dat ge ons niet verdoet, Eer we dan zien, zonder waan, Hoe die toren bij hem zal staan”. Merlijn sprak: “gij sterft niet Eer ge dat met de ogen ziet”. 5370 Toen sprak Merlijn tot Vertegier: “Ge zou graag weten snel, Wat dit werk dus vallen doet; Wil u doen wat me denkt goed, Ge zal de waarheid weten snel: 5375 Onder de toren is een rivier En onder het water zijn twee stenen; Twee draken, die niet groot en niet klein Zijn, en zijn daaronder groot, De ene is wit, en de andere rood. 5380 Die ene weet wel dat de andere is daar; Als hen de last dan wordt te zwaar Maken ze zo’n groot beraad, Dat alles valt dat op hen staat. Laat dat onderzoeken, u zal dat vinden, 5385 En laat me hangen en binden Vindt u dat niet, en ook verwurgen; En vindt u dat, laat gaan mijn borgen”. De koning zei: “zegt u me waar, Dan is nergens, ver nog nabij, 5390 Man zo wijs nog zo goed; Maar zeg, hoe men dit het beste doet”. Merlijn sprak: “met menige karren Zal men de aarde nemen ver”. Gelijk de koning dat doen deed, 5395 Dit dacht de lieden dolheden Al durfden ze zich dit niet te bevroeden. Merlijn liet de klerken behoeden. Men wachtte ginder lange stonden, Zolang totdat ze dat water vonden; 5400 Toen ontbood men Vertegier, En hij bracht daar Merlijn snel; Ze zagen dat water erg groot En de koning hij ontbood Hen twee, aldaar zijn raad aan stond, 5405 En zei: “dit kind is zeer verstandig; Hij zegt het: hieronder zijn twee draken, Zoveel kost het me niet dat te maken, Ik wil doen al zijn raad”. Toen riep hij Merlijn al daar hij staat: 5410 “Van het water zei je eerst waar, Ik weet niet of die draken zijn daar”. Merlijn zei: “eer men dat ziet, Kan men dat weten niet”. “Merlijn”, sprak hij, “vriend, nu zeg 5415 Hoe zal men dat water brengen weg”? “Met grote grachten zal men dat al Leiden in dat diepe dal”. Die grachten zijn begonnen snel, En Merlijn sprak tot Vertegier: 5420 “Die draken, die daaronder wandelen, Ten eerste, dat de ene komt tot de andere, Zal de ene de andere dood slaan; Ontbied uw hoge lieden gelijk, Die aanschouwen mogen deze strijd, 5425 Want dat hun tweeën krijg Grote dingen zullen het betekenen”. De koning sprak: “ik zal ze ontbieden”. Over dag en over nacht Ontbood hij al zijn macht, 5430 Ridders, klerken en baronnen En zei hem van Merlijns doen, En hoe de draken zouden strijden. Ze zeiden: “vraagt ge hem niet sinds Welke de andere dood zou slaan”? 5435 “Neen ik”, zei hij, zonder waan. Toen dat water er uit was al rein, Bleken daar die grote stenen. Merlijn zei: “zie je die zaken”? “Ja wij, wel”. “Daar zijn de draken” [58] 5440 Sprak Merlijn, al overluid. “Hoe zal men ze het beste brengen uit”? Zei Vertegier; en Merlijn sprak: “Ze doen niemand ongemak, Eer de ene komt aan de andere al; 5445 Dan zullen ze vechten alzo wel Totdat de ene ondergaat”. Die koning vroeg en zijn raad, Welke er daar te sterven staat. Merlijn zei: “naar dat ik dat weet 5450 En moet zeggen dan, Zeg ik u dat graag voor drie man”. Die koning riep daaruit drie, En voor diegene zei hij, Wat Merlijn sprak. Toen zeiden ze al: 5455 “Vraag, welke draak overwinnen zal”. Merlijn zei: “deze drie man Zijn van uw raad dan”? “Ja ze zijn, beter dan iemand anders”. “Dan kan ik hen dat zeggen wel” 5460 Sprak Merlijn al openbaar. De koning sprak: “dat is waar”. Hij zei: “ik wil dat ge weet dit, Dat overwinnen zal de witte; Hij zal ten eerst grote pijn gedogen. 5465 Groot likteken zal dit tonen Die kan weten, wat dit betekent, Maar niemand zeg ik het eer het is geschied”. Hij zei, dat men de steen optrok; Toen kwam daaruit een witte draak 5470 Ten eerste dat de lieden het zagen, Begonnen ze daar bang van te worden; Hij was ijselijk en groot. De anderen vonden ze, die was rood, Daarvan waren ze banger meer; 5475 Want hij was te ontzien zeer. Die koning meende van hem de zege. Merlijn sprak: “laat gaan hun wegen Mijn borgen, want ze zijn vrij”. De koning sprak: “dat zij met vlijt”. 5480 Meteen kwamen zo naar elkaar de draken, Zodat ze zich daar onder duwen Gingen daar elk de andere vernam; Meteen worden ze zeer gram En voeren tezamen met de tanden; 5485 Geen man in geen landen Beesten in strijd zag zo stuur; Ze vochten de hele dag door, En de volgende tot de middag. Alle lieden die dat zagen 5490 Meenden wel de waarheid te kennen, Dat de rode zou winnen, Zolang dat de witte uitwierp Uit de neus en uit de mond een vuur zo scherp Dat de rode verbrandde van de hitte; 5495 Toen lag neder ook de witte En leefde maar drie dagen daarnaar. Toen zeiden allen die waren daar: “Dit wonder zag niemand eerder”! Toen zei Merlijn: “koning, heer, 5500 Nu maak uw kasteel weer; Het zal nu nimmer vallen neer”. Vertegier zei, dat men dat werk Maken zou hoog en sterk. Vaak hij aan Merlijn verzocht, 5505 Wat de strijd betekenen mocht, En waarom de rode het zolang had het beste; Merlijn antwoordde tenslotte: “Dat betekent, al zonder waan, Al de dingen, die zijn gedaan 5510 En die noch te gebeuren zijn; Wil u me geven uw trouw van u Dat me daar niets van geschiedt, Ik zal u zeggen wat dat betekent, En deze zekerheid me doe 5515 Voor diegene die daar horen toe”. Dat doe ik graag”, sprak Vertegier. “Zo ga en laat komen hier Uw raad en de klerken gelijk Die vanwege de toren zijn gevangen”. 5520 Vertegier, hij liet ze halen; Merlijn zette de klerken in talen, En zei: “hoe dol dat ge was, Toen ge pleegde al zulke aard, En ge niet was zulke lieden 5525 Zoals betaamde geleerd volk, En ge wel ook wezen mocht; Hierom vond ge, dat ge zocht. 59 Ge zag het goed, dat ik was geboren; Dat u dat bracht tevoren, 5530 Getuigde, dat ik u zou dood slaan; Omdat ik hen ben ontgaan Wilden ze dat ge mij had verslagen; Maar ik heb daar een heer tegen Die me behoedt tegen hun bedriegen, 5535 En ik zal ze zeer laten liegen. Van mij bekomt u nimmer kwaad, Wil ge doen al mijn raad”. Kwaad dacht het de klerken niet, Dat hen Merlijn daar zei. 5540 Blij hebben ze geantwoord, En zeiden: “u brengt niet voort Dat ons doen onwaarde geeft, Want u bent de wijste die leeft”. Merlijn sprak: “van deze aard 5545 Onderneem u niet voorwaart; Dit verzeker je mij, en dan gaat Te biecht; dat is mijn raad. Doe boetedoening, ge hebt gezondigd, Zodat ge de ziel niet verwondt, 5550 En ik laat u gaan vrij”. Ze bedankten dus met grote vlijt, En zeiden dat ze dat graag deden. Dus zijn ze van de dood ontladen. Alle die dat zagen spraken van hem eer. 5555 De koning sprak tot Merlijn meer, En zei: “u zegt me niet Wat het drakenkamp betekent, Van de anderen heb ik wel gehoord Nog bericht me beter voort”. 5560 Merlijn sprak: “de rode draak Betekent u en uw zaken, En de witte Constans kinderen”. Vertegier schaamde zich ginder. Toen zei Merlijn: “is u dat leed, 5565 Ik zwijg dan van dat ik dus weet”. Vertegier sprak: “hier staat Niemand, hij is wel mijn raad; Daarom zeg me wat dat betekent, Die waarheid en anders niet”. 5570 Merlijn sprak: “u hoort van mij, Dat de rode betekent u; Ik zal u zeggen hoe ik dat bedoel: Constans kinderen die bleven klein Toen ze hun vader verloren, 5575 En had u ze alzo gekozen Zoals u terecht zou hebben gedaan, U had hen bijgestaan Tegen alle die nu leven; Nu heeft u ze van het land verdreven, 5580 En hou dat land al in uw geweld Omdat uw volk geheel was toegedaan; Toen ze raad bij u zochten, Dat ze niet ontberen mochten, Deed u hen uit hun raad; 5585 Zie, toen Engeland nam schade, En dat volk kroonde u voor heer, Toen u zei, u mocht nimmermeer Koning zijn over die verwanten, Toen koning Moynes was dood; 5590 En ze verstonden dat goed die het hoorden: U liet ze uw koning vermoorden; Zijn broeder ontvloog gelijk. Nog onthoudt u hen hun land; En toen diegene tot u kwamen; 5595 Die de koning zijn leven nam Liet u ze ontlijven gereed, Alsof u zijn dood was leed; Maar dat u behield uw rijk Dat was een kwaad vergelijk; 5600 Om uw behoudt maakt u de steen, Maar u mag helpen ding nee geen”. Robert zegt het, dat de koning zei: “Merlijn, u zegt alle waarheid, Om raad bid ik u zekerlijk, 5605 U bent de verstandigste van aardrijk; Hierom zeg mij, zonder blijf, Hoe ik verliezen zal mijn lijf”. Merlijn sprak: “deed ik dus niet, Zo zei ik niet alles wat dat betekent”. 5610 “Ik weet uw dus dank”, sprak Vertegier. Merlijn zei: “versta me hier: Uw macht betekent de rode draak, En de witte de kinderen zaak 60 Die uit het land zijn gereden; 5615 En dat ze ook lange streden Betekent dat u hun land Lang heeft gehad in uw hand; Dat de witte de rode verbrandt Betekent, alzo ik dat beken, 5620 Dat u zou branden van hun vuur; En geloof dat op geen manier, Dat uw steen u helpt uit de nood: U zal aldus blijven dood”. Toen dit de koning hoorde ginder 5625 Vroeg hij: “waar zijn die kinderen”? Merlijn zei: “in die zeer Daar ze hebben een krachtig leger, En zullen hier komen om te vechten, En zeggen, dat ze willen berechten 5630 Over u al zonder blijven, Dat u Moynes liet ontlijven. Ze zullen komen in de haven, met menige schipper, Over drie maanden te Winchester”. Gram was die koning om dat bericht, 5635 En vroeg Merlijn daarnaar, Of dat niet anders mocht zijn? “Neen, te waren”, sprak Merlijn, “Ze zullen u branden, dat mag niet blijven, Alzo zoals u zag ontlijven 5640 De witte de rode draak”. Dus eindigde Merlijn zijn spraak. Toen dit Merlijn zei tevoren Een dag, zoals ge mag horen, Deed hij tezamen zijn lieden, 5645 Aldus meen ik dat geschiedde. Toen kwam Merlijn te Winchester, Die van menige wijsheid is meester, Daar Constans kinderen zouden landen. Vertegiers lieden niet kenden 5650 Waarom ze verzameld kwamen Eer ze dat van Merlijn vernamen; En gelijk Merlijn er vandaan scheidde Toen hij dit Vertegier had verklaard, En ging tot Blasys waart, 5655 En zei hem, dat hij zijn vaart Wel naar zijn wil had volbracht, Daar hij om was gezocht. Hij vertelde Blasys al die zaken En zei hem dat boek te maken. 5660 Lange tijd was Merlijn ginder Totdat hem zochten Constans kinderen; En Vertegier wachtte op de dag Die hem Merlijn deed gewag. In die dagen zagen die van Winchester 5665 Scheepsvolk en menige meester, Die Constans kinderen daar brachten. Vertegier zag dat ze hem zochten En zei te wapenen zijn leger, En voor de haven staan tot verweer. 5670 Maar die tevoren op hem vochten Beletten daar alles dat ze mochten, En Constans kinderen wilden landen; En ten eerste dat ze die lieden bekenden Hadden ze zich verwonderd, waarvan ze kwamen. 5675 De kinderen toen haven namen; Die voor de haven stonden te verweer, Vroegen toen: “wie is die heer”? En ze antwoordden hem aldus: “Dat is Aurelius Ambrosius, 5680 En Uitr en Pandragoen, En komen en willen wraak doen Over Vertegier al gelijk, Die valselijk houdt hun land, En hun broeder vermoorden deed; 5685 Hierom komen ze hier ter plaatse”. En toen die van de stad vernamen Dat hun heer kinderen kwamen, En ze kracht van lieden brachten, Gebeurde het, dat ze daartegen vochten, 5690 Dat hen daar schade van mocht geschieden, Ontzeiden ze Vertegier meteen; En aldus van Vertegier scheidde Dat grootste deel van zijn lieden. Toen had hij gevaar van deze dingen; 5695 Hij zei die hem niet ontgingen, Dat ze dat huis zouden bezetten. Ze deden het gelijk al zonder letten. Nu hebben de schepen de haven genomen, En de ridders zijn er uitgekomen, 5700 En die van Winchester, groot en klein, Kwamen hen tegemoet algemeen, En ontvingen ze voor heren. Die zich aan Vertegier keren, 61 Hielden de burcht met groot verweer. 5705 Op hem zo vocht dat hele leger Zolang, dat in een tijd, Pandragoen in een strijd, Het kasteel ontstak met vuur En verbrandde Vertegier. 5710 Aldus wonnen ze al dat land, En ontboden al gelijk Achter land hier en daar Die daartegen hen nu waren, Dat ze hen aldus zouden bezoeken. 5715 Hier is dat einde van twee boeken. |
Hier begint dat derde boeck: hoe Pandragoen ende Uter Merlyne doen zoecken. Dit boeck zeghet voert openbaer, Tiersten dattet dat lant wart gewaer Waren die heren herde blyde Ende ontfingen ze te stryde; 5720 Aldus zo wonnen zi dat lant. Aurelius Ambrosius maeckte te hant Enen koninck van Pandragoene, Ende was hem getrouwe in allen doene. Vertegier, die hadde in den lande 5725 Den Sennes geset in die hande Die castele ende oeck die borge. Des hadden die Kerstene zorge. Pandragoen zat een half iaer Vor eener borgh, dat was waer, 5730 Daerynne belegen was Hangis; Sine liede berieden hem dies, Hoe men gewonne den casteel. Doe waren daer liede een deel Die van Merline spraken, 5735 Hoe hi bediede van den draken Vertegier al sijn doen. Zi namen Uter ende Pandragoen Buyten den lieden ende al bysonder, Ende zeiden hem van Merlijns wonder, 5740 Dat hi waer die beste divijn Die in der werelt mochte zijn, Ende woude hi oeck hi dade bekinnen, Of men die borch iet mochte gewinnen. Pandragoen sprack: “waer zoude men dan 5745 Vinden also wijsen man”? Si zeiden: “wy en weten waer, Maer dat wetewy wael openbaer, Als men van hem spreket dat hi dat weet, Ende woude hi, hi quame gereet”. 5750 Pandragoen sprack al te hant: “Ick salne vinden es hi in dat lant”. Dus dade die coninck Pandragoen Merlyne nu zoecken doen In dat lant daer men hem vinden mochte. 5755 Doe Merlijn wiste dat men hem zochte, Nam hi an Blasise orlof saen, Ende es in een dorp gegaen, Daer hi des conincks boden wiste, Quam hi in gegaen met liste, 5760 Op zinen hals met ener maetsue; Twe grote scoen al nuwe, Ende enen quaden rock hadde hi ane; Nu was hi in ziner gedane Rechte als hi een wilt man waer. 5765 Dus quam hi gegaen aldaer Daer des conincks boden lagen, Ende tallerierst dat zi hem zagen Wonderdes hem, ende zeiden dan: “Dit doncket ons wesen een quaet man”. 5770 Hi ginck te hem ende zeide dese tale: “Gy en doet niet”, zeide hi, “wale Iuwes Heren bodescap te ziner vromen, Daer gy ombe hier zijt gecomen, Ombe te zoeckene den divijn 5775 Die geheten es Merlijn”. Doe zi dit hoerden, zi zeiden gemene: “Welck Duvel zeide dat dezen vileine”? Hi zeide doe: “waer dat geheten my, Ick haddene vonden eer dan gy”. 5780 “Weetstu daer iet af”? zeiden zy mettien, “Of hevestu hem iergen gesien”? “Gesien heb icken”, sprack Merlijn, “Ende ick weet wael waer zine pade zijn; Ende dat gy hem zoecket ende doet arbeit 5785 En helpet iu niet, heeft hi my geseit, Al met alle niet een twint; Al is dat sake dat gy hem vint Hi ne voer niet no min no meer. Als gy comet tot uwen Heer 62 5790 Secht, dat hi die borch wint in geenre wijs Eer dat doet es Hangys; Ende van al des konincks lieden Die Merline te zoeckene rieden, So es hoerre twe min dan vive 5795 Van hem allen nu te live; Juwen Here secht van den drien, Ende secht wat gy hebbet gesien Ende secht hem, zocht hine in desen woude, Dat hine daerinne vinden zoude, 5800 Hi en zal met nieman willen varen Dan met den koninck twaren”. Dus sprack hi daer dat die boden horen, Ende eer zi dat wisten hadden sine verloren, Ende elkerlyck sach op anderen 5805 Ende zeiden: “laet ons hene wanderen; Dat was die Duvel dat wy spraken; Wat willewy doen met desen saken Dat es best, sint dat ons es gevallen, Dat wi dat onsen Here verkallen”. 5810 Enwech voeren die boden saen. Doe si hoer dachvaert hadden gedaen, Quamen zi tot Pandragoene. Doe hise sach in dien doene, Vragede hi oft zi hadden gebrocht 5815 Dengenen, dien si hadden gesocht? “Here”, zeiden si, “versame die liede dijn, Die dy zeiden van den divijn”. Pandragoen dade ze ontbieden, Ende alsi quamen tot hem lieden, 5820 Seiden zi wat hem was gesciet, Ende wat hem die dorper riet, Ende dat daer twe doet zouden wesen Van dien die rieden te zoeckene desen. “Dat es waer”, zeiden zi. 5825 Die coninck sprack: “dat doncket my”. Hem wonderde in hoer gedochte Wie die dorper wesen mochte; Zine dachten niet van Merline, Dat hi ander gedane dan zine 5830 Enegerwijs genemen mochte. Zi dachten doe in hoer gedochte, Dat nieman van Hangys doet Dan Merlijn wiste, cleyne no groet, Den boden vrageden zi of waer waer, 5835 Dat hem die dorper brachte die maer? Zi zeiden: “in Northomberlant, Daer wi aten quam hi te hant In die herberge tot ons gaende”. Doe sprack daer een, dat hi waende, 5840 Dat dat Merlijn wael wesen mochte, Ende woude dat hem die coninck sochte. Pandragoen sprack: “ick zal daer varen Ende laten Uter hier, twaren; Ende die Merlijn hebben gesien, 5845 Zullen daer my ombe helpen spien. Zi voeren in Northomberlant; Ombe mare vragedensi te hant, Negene en hebbenze gevreest. Die koninck quam in enen foreest, 5850 Ende een van sinen lieden vant Enen herde al te hant, Die vele beeste hoede daer, Ende hi vragede wanen hi waer? Hi zeide: “van Northomberlant 5855 Ben ick, eens goeden mannes seriant, Maer ick sprack gisteren enen man, Die my dat zeggen began, Dattene coninck Pandragoen Zoude zoecken, dat es een zwaer doen”. 5860 Die bode sprack: “zech waer hi sy”. Hi zeide: “ick zegge dat node dy, Dat ick den coninck zoude vertellen”. “So com met my te minen gesellen, Ick late dy den coninck zien”. 5865 “Wie woude dan myner beesten plien? Ick en hebbe een twint oeck niet te doene Metten coninck Pandragoene; Maer waer hi hier, ick wysede hem dan, Waer hi vinden mochte den man”. 5870 Hi zeide: “ick zalne dy halen te hant”. Hi voer daer hi den coninck vant, Ende vertelde hem van den zaken t waer Die coninck zeide: “varewy daer”. Aldus quamen si tot den kornuet 5875 Die knape sprack al overluet: “Siet, waer ick den koninck bringe, Nu vertel ons alle die dinge”. “Du zoeckes Merline, du en kans hem twaren Vinden, hy en wille dy openbaren; 63 5880 Maer vare tegen die poerte gereet, Hi zal daer comen, dat ick wael weet”. “Hoe gelove ick des”? sprack Pandragoen. Merlijn zeide: “wildy dat niet doen, In trouwen soe laet dat staen; 5885 Maer dat is dompheit, zonder waen, niet”. Hoert men na valscen rade iet”. Die koninck sprack: “ick en mestrouwe dy Doe zeide Merlijn: “alse dat dy nu staet, So geve ick dy den besten raet, 5890 Dan ieman die iu es by, Ende voorwaer zeggick dat dy”. Die coninck voer toter iersten poert Die hy daer nomen hoert. Doe quam daer te hove een man, 5895 Die goede cleder hadde an, Ende zeide: “laet my te Pandragoene”. Men dade dat. Hi sprack alse die koene: “Here”, zeide hi, “Merlijn zent my tot dy Ende zeide my, dat hi diegene zy 5900 Dien gy in genen bossche vont; Een waerteecken sprack zijn mont, Dat hy hier te komene zeide Huden, ende dat es waerhede; Maer du en heves zijns gene noet”. 5905 Die koninck zeide: “ick doe wel groet, Ende ick zegge dy dat ick en zoude Negenen man spreken also boude”. Merlijn zeide: “goede mere Ontbiedet hi dy by my, here: 5910 Dijn broeder Uter hevet gedoet Hangys, dinen viant groet”. Den koninck wonderdes, ende zeide: “Vrient, zegstu my waerhede”? Doe zeide hy tote Pandragoene: 5915 “Wat hebbick daer mede te doene? Gelovestu des niet, zo bistu niet wijs; Ondervinde die waerheit dies Ende geloves of dat es waer”. Die koninck sant twe boden daer 5920 Op perden van goeder lusten Ende heet hem, datze niet en rusten, Hent zi die waerheit hebben vernomen Hierenbinnen ander boden komen Die desen boden gemoeten 5925 Ende Pandragoene voeren groeten, Die hem die waerheit zouden ontbinden Tierst dat zi hem onderkinden Reden zi toten koninck te samen, Mettien zi den raet daer namen, 5930 Hoe Uter Hangyse sloech. Die koninck zeide: “dat es genoech; Swiget also lief gy wilt leven”. Aldus es die tale gebleven. Wonder haddes den koninck in sijn gedochte, 5935 Hoe so dit Merlijn weten mochte; Hy woude omb hem daer nog dagen, Want hy hem geerne zoude vragen, Hoe Hangys waer blyven doet. Doe quam tot hem een man groet, 5940 Die goede cleder hadde angedaen, Aldaer die koninck quam gegaen. Die man ontboet hem goeden dach, Ende vragede hem waerombe hi daer lach? Hy zeide: “Merline ick hier ontbeide 5945 Hent dat hy kome, als hy zeide”. “Gy en zijt niet”, zeide hy, “al te vroet, Dat gyne zaget ende vor iu stoet, Ende gyne niet kennen mocht indien; Roepse die hem hebben gesien, 5950 Ende vraget of ick dat iet wesen mochte”. Mettien men die daer brochte, Die koninck sprack: “ombe den divijn, Die geheten es Merlijn, Hebbewy hier lange gedaget, 5955 Kendy hem iet of gyne saget”? “Here”, zeiden zy, “dat en mochte niet zijn, Wy en zouden kennen zijn anschijn”. By den koninck stont die man, Ende antworde den lieden dan: 5960 “Es hier ieman van hier binnen, Die Merline mochte kinnen”? Zi antworden: “zine zede En mochten wy niet kinnen mede, Al wetewy, hoe hy es gedaen”. 5965 Die man zeide: “gy zult verstaen, Dat gy den man niet kinnet wel, By zyner gedane ende niet el Kendy hem of gyne saecht in die ogen? Ick zal iu zine gelijcke togen”. 64 5970 Doe riep hy in ene kemenade Pandragoene tenen rade, Ende zeide: “Here, ick ben Merlijn, Ick wil zijn die raet al dijn Ende Uters uwes broeder mede; 5975 Hier ombe zoeck gy my gerede, Iu volck en kint niet wel mijn doen Roepse hierin, Heer Pandragoen, Zi zullen zeggen ick ben gevonden; Ende woude ick, zy en konden 5980 My gekinnen nembermeer”. Pandragoen was blyde zeer, Ende hy riep degene doen binnen, Die zeiden, dat si Merline kinnen; Ende Merlijn was also gedaen 5985 Als sine tierst sagen, zonder waen, “Dit es Merlijn”, zeiden zy al. Die koninck zeide: “weetdy dat wal”? “Ja, wy”, zeiden zy, “dit es Merlijn”, Hy zeide: “wy weten nu den fijn”. 5990 Doe sprack die koninck ter selver stat: “Merlijn, geerne bade ick in dat, Dat gy my waret van herten houd, Want menech man, ionck ende out, Hevet my gezecht, dat gy zijt wijs”. 5995 Merlijn zeide: “in gener wijs Vraechdy my iet, dat ick weet, Ick en zal iu dat zeggen wel gereet”. Die koninck zeide: “sprack ick iu iet Sint dat ick wten woude schiet”? 6000 Merlijn zeide doe: “Heer koninck, Ick was die by den beesten ginck, Entie dat iu zeide van Hangys doet”, Den koninck hadde des wonder groet, “Gar oevele wiste gy Merlijns doen”. 6005 Zy zeiden: “Here, dusdane zaken En zagen wy hem niet maken, Ende hy mach doen ende berechten Dat ander liede soude ontfechten. “Condy my dat geseggen iet”, 6010 Sprack die koninck, “hoe Hangys liet Sijn lijf, ende hoe gy dat vernaemt”, Merlijn sprack: “doe gy hier quaemt. Woude Hangys Uter doet slaen, Ende ick daden dat te wetene saen; 6015 Danck hebbe hy, hy geloefde my Ende ick zeide hem daerby Hangys doeget ende zine kracht Ende dat hy zoude, als dat waer nacht, Allene komen in dat paveloen 6020 Ombe dat hi hem sterven waende doen. Oevele dochtem dat wesen waer. Maer zo vele helt hi hem daer naer, Dat hy zijn paveloen by nachte, Dat nieman en wiste, allene wachte 6025 So lange dat Hangys quam; Ende alsen Uter vernam, So liet hine wael binnen komen; Ende als hy Uter niet en hevet vernomen, Woude hi hem selven doden van rouwen, 6030 Maer Uter die was eer entrouwen Ende sloechen aldaer toter doet”. Des hadde die koninck wonder groet. “Merlijn, hoe waerdy doe gedaen? Want my wondert des zonder waen, 6035 Dat ick des gelove min no meer”. Ick was gedaen doe, Heer, Als een out man ende een vroet; Mijn raet dochten wesen goet. Ick zeidene: “ziet, dat gy iu wacht, 6040 Ende doedy des niet, ghy stervet te nacht”. “Ontdeckede gy hem anders iet”? Sprack die koninck. “Here, neen ick, niet, Ende hy en sal des weten niet een woert, Eer hy iu dat vertellen hoert”. 6045 Doe sprack hy: “wildy met my varen? Ick hebbe uwer te doene twaren”. Merlijn sprack: “ick doe dat vele teer” Nochtan zullen zi vele te meer Iuwe liede tornen, gelovet my; 6050 Maer ziedy, dat ick iu nutte zy, Doer hem zult gy te min doen”. Doe sprack die koninck Pandragoen; “Gy hebbet my nu des gemaket vroet, Es dat waer dat gy hebbet behoet 6055 Uter, ende zine doet gelet, Ick sal iu geloven te bet”. “Coninck”, zeide hy, “vrage des uwen broeder 65 Ende dan moechdy des zijn te vroeder Of hi des lyet, gelovet my dan, 6060 Ende ick weet wael, als ick doe an Die gedane, als ick hadde ane, Doe ick hem dat dade te verstane, En zuldy my mogen kennen niet; Ende dat zal zijn, hoe dat gesciet, 6065 Van huden over twalef dage”. Die koninck sprack: “al sonder sage Wistick gerne, als gy woudet, Dat gy Uter spreken zoudet Gy zult dat weten, maer hoedet iu des, 6070 Dat gy niet en zijt onwes, Dat ander liede weten mogen; Bevinde ick iu met ener logen, Ick en betrouwe iu nembermeer wale, Ick zal iu proeven te menegen male”. 6075 “Dat es my lief”, sprack Pandragoen. Merlijn zeide: “gy wetet mijn doen, Dat zal over twalef dage zijn, Dat ick zal spreken den broeder dijn”. Mettien nam Merlijn oerlof 6080 Ende ginck tot in Blasys hof, Ende Blasys hevet al dit bescreven, Ende van hem es ons dat gebleven. Die coninck voer an zine zijde, Uter, sijn broeder, die was blyde, 6085 Tierst dat hyne komen sach Was hi blide al den dach. Die koninck leidene buten lieden Ende zeide hem die saken die hem gescieden Van Angyse, alse hem dat Merlijn zeide. 6090 Uter zeide: “dat es waerhede Ick meende, ick dat wiste ende nieman el, Ende een goet man, die my wel Hoede, dat ick niet en bleef verloren; Here, wanen quam iu dit te voren?” 6095 Hy zeide: “gy wetet wel, dat ick dat weet, Broeder, nu zegget my gereet, Die iu warnde, wat manne hi was. Ick wane gy niet en wetet das Dat iu Hangys gerne hadde gedoet. 6100 By der trouwen, die God geboet, Ick en weet, wie hi wesen mochte, Maer een goet man hi my dochte, Des gelove ick over een, Dor al dat, dat logene sceen, 6105 Dat Hangys hier komen zoude Ombe dat hi my moerden woude”. Pandragoen zeide: “broeder, Of gyne zaget, waerdy des iet te vroeder?” Uter zeide: “ia, ick meene dan”. 6110 Die koninck sprack: “hout iu daeran, Dat hi iu binnen elven dagen sal Spreken, dat en doe groet ongeval; Maer al den dach weset met my Tote dien, dattet avent zy 6115 So dat ick bescouwen mach Alle die iu spreken op dien dach, Te wetene, of icken kinnen konde In eneger wijs teneger stonde”. Uter sprack: “wat des gesciet, 6120 Dan en scheide ick van iu niet, Ick en sal eer weten, neen of ia Eer ick iergen van iu ga”. Elck heeft dit den andren gelovet Ende hebben te samene gehovet, 6125 Ende Merlijn, die dit wiste allegader, Zeide dit Blasise, den geestleken vader, Hoe Uter ende Pandragoen Visierden onder hem dit doen, Ende hoe hem die koninck proeven woude. 6130 Blasys vraechde hem wat hi zoude Doen, dat hi dat volbringen mochte. Hi zeide: “ick merke in mynen gedochte Dat zi jonck zijn ende blyde Ende mochtese an myne zyde 6135 Te mynen wille niet bet gereken Dan met spraken, die ick kan spreken, Ende doen wonderleke saken, Dat ickse lachgende sal maken; Ende oeck so kenne ick ene vrouwe 6140 Die Uter mint op gerechte trouwe; Ick sal hem een paer letteren bringen Van zinen lieve, in zulken dingen Dat hi zal houden vor waerheit, Want ick weet al hoer hemelecheit; 6145 Als dat Uter van my hoert. Sal hem wonderen derre woert Want dat es hoer hemelecheit. 66 Dan sal die dach lyden gereit Dat zi my niet zullen zien 6150 Ende niet bekinnen in dien; Des anderen dages sal ick my Hem ontdecken, dan zullen zy My des weten meerre danck”. Hierenbinnen quam der sonnen opganck 6155 Van [den dach van] Merlijns gelove, Dat hi zoude komen te hove, Ende was gedaen als een knecht, Dien Uter hadde gesien echt, Wonende met zinen lieve. 6160 Doe hi quam met sinen brieve Sprack hi: “Here, mijn vrouwe groetet iu Ende zent iu deze letteren nu”. Des was Uter herde vro Ende meende, dattet ware also. 6165 Die letteren zeiden: “gelovet den knechte, Want gy moget wel doen met rechte Wat dat hi zeghet, dat es waer Iu amye sentene daer”. Merlijn zeide hem daer al die woert, 6170 Die hy weet dat hi gerne hoert. Dus was Merlijn, dat es waer, Toten avende vor hem daer, Ende Uter was met hem blyde. Doe dat was komen na Vespertyde, 6175 Wonderde des den koninge ende was gram Dat Merlijn ginder niet en quam; Fy, dachte hi, hevet Merlijn gelogen! Mettien wilt hem Merlijn togen Ende ginck over ene zide staen, 6180 Ende was rechte als die man gedaen, Die ierst tote Uter quam. Ende als Uter den man vernam, Kende hine ende bat, dat hi ontbeide Tote dat hi dat den koninge zeide; 6185 Hi zeide: “gerne”, ende Uter ginck Ende zeidet zinen broeder den koninck, Dat die man daer komen waer. Die koninck vragede der maer: “Is hi dat die iu warnde dan”? 6190 “Ja”, sprack hi, “dat is die zelve man”. Die koninck zeide: “gaet ende proevet bet Ende secht my dan by uwer wet”. Uter komet weder, ende ziet Den man, dien hi ginder liet, 6195 Die noch daer sijns ontbeide; Hi kendene wael, ende gereede Zeide hi: “Here, hebbet danck groet Dat gy my loestet van der doet, Welkomen moetty my nu zijn; 6200 Maer wonder heb ick in dat herte mijn, Hoe mijn here, die koninck, Geweten mochte dese dinck, Want hi my tellede dat gy my zeide, Daertoe zeide hi my oeck gereede 6205 Al dat my es geschiet Seder dat hy my hier liet, Ende dat gy hier zoudt komen heden; Daertoe hevet hi my gebeden, Dat icken dat te wetene dade 6210 Als ick met iu waer te rade. Hy zeide my oeck, of gy waert dat, Dat icken dat ontbode ter stat; Ende dat hi dit weet al bloet, Des hevet my wonder al te groet”. 6215 Merlijn sprack: “haelten daer hy zy Ende vrage des hem vor my”. Uter ginck ombe zinen Heer, Ende beval den lieden zeer, Dat zy daer nieman in laten gaen. 6220 Alse Uter enwech was, also saen Verkeerde hem Merlijn ende nam Sine gelike die metten letteren quam; Ende alse Uter den koninck brochte Vonden zi den knecht, ende Uter zochte 6225 Den goeden man, ende hi zwoer zeer, Hi stont hier nu, by onsen Heer, “Nu vindick hier den messelgier, Die my die letteren brochte hier; Ontbeidet here, ick zal den lieden vragen 6230 Of zi hier ieman wtgaen zagen Ofte desen knecht hier in gaen”. Die koninck begonste lachen saen. Uter zeide: “zaechdy hier iet Enegen man in corter tijt, 6235 Sint dat ick ombe den koninck ginck”? Zi zeiden: “neen wy, waerliker dinck”. Hi sprack toten koninge na desen: “Ick en weet wat dit mach wesen”. Hi sprack toten knechte: “hoerstuet 67 6340 Ginck hier ieman in of wt”? Hi zeide: “ick was hier by iu dan, Doe gy spraeckt tegen dien man”. Doe sprack Uter ten koninge metter vaert: “Also moet ick zijn bewaert 6245 Alse my dit geschiede nie, Dat ick nu metten ogen zie”. Die koninck maeckte daeraf groet spel, Dat dat Merlijn was, wiste hi wel: “Ay, lieve broeder”, sprack Pandragoen 6250 “Weetdy wie hi es, dese garsoen? Hi zeide my, hy was iu gesent, Nu proevet of gyne iet kent”. Hi zeide: “ia ick”. “Wat duncket iu dan”, Sprack die koninck, “mochtet zijn die man, 6255 Die gy sochtet nu hier na desen”? Uter zeide: “dat en mochte niet wesen”. “Gawy enwech”, sprack Pandragoen, “Wil hi hem te kennen doen, So hebbewyne lichte gevonden”. 6260 Wt gingen zi te dien stonden. Alsi een stucke hadden gegaen, Riepenzi een ridder saen: “Gaet, ziet wie daer inne zy”; Als hy daer quam, so sach hy 6265 Waer die man opten bedde sat; Hi keerde weder ende zeide dat. Uter sprack: “Genade God, Heer, Ick wane ick zie dat nieman eer En zach die in der werelt was, 6270 Dit es die man, die my genas”! Die koninck was blider dan zi some, Ende hieten wesen wellekome, Die koninck zeide: “en waer iu dat niet leet, Ick zeide hem geerne hoe gy heet, 6275 Ende oeck wie dat gy zijt”. Merlijn sprack ter zelver tijt: “Dat es my lief”. Die koninck zeide echt: “Uter, broeder, waer es die knecht, Die tot iu quam, die messelgier? 6280 Uter sprack: “hi was nu hier”. Doe riep Merlijn den koninck wt, Ende zeide hem al overluet, Wat maren hi van den vrouwen zeide, Ende wat hi hem te voren leide. 6285 Doe riep die koninck Uter wt: “Die iu brochte dat saluet Van uwen lieve, waer es hi nu? Ick soudene geerne spreken vor iu Die iu die goede letteren gaf”. 6290 Uter zeide: “wat weetdy daeraf”! Die koninck zeide: “dat ick des weet dan Zal ick iu zeggen vor desen man, Van dien, dat staet in dien brief”. Uter zeide: “dat es my lief”; 6295 Hi en wiste niet dattet hem was kont. Die koninck zeide al dat daer inne stont. Uter sprack doe toten koninck: “Here, hoe weetty al dese dinck, Ende dat gy achterst zeide?” 6300 Die koninck zeide: “ick zegge dat gereide, Gebiedet my dese goede man”. Uter sprack: “wat gaet des hem an”? Die koninck zeide: “ick en zegget iu niet Dat en zij dat hi dat my gebiet”. 6305 Des wonderde Uter zeer, Ende zeide: “es iu dat lief, mijn heer, My vertellet al dit wonder, Latet maer ons drien bysonder”. Gar oevele sprack die koninck dan: 6310 “Weetdy wie hy es dese man? Maer dat weet ick wel sekerlike Hi es die vroedeste van eertrike, Hi hevet die macht, die ick iu zal zeggen Daer ons vele aen zal leggen; 6315 Dit es die knape die iu gaf Die letteren, daer ick iu zeide af”. Uter sprack: “mach dat waer wesen, So en hoerde ick nie zulck wonder lesen”. Die koninck zeide: “gelove des bet 6320 Dan eneger zake die gy wet, Ick en geloves niet, zonder waen, Eer hy my dat anders doet verstaen”. Die koninck bat Merline hertelike, Dat hi hem togede die gelike. 6325 “Gerne”, zeide hi, “gaet daer wt beide Ick toge hem den knecht gereide”. Si gingen wt ende keerden saen; Doe was hi als die knecht gedaen, Ende vragede wat hi woude ontbieden 68 6330 Sinen lieve eer zi scieden. Die koninck Pandragoen sprack echt: “Wat duncket iu van dezen knecht? Geloofdy dat hi dat es gereet”? Uter zeide: “ick en weet, 6335 Wat ick [iu] hier af mach zeggen”. Die koninck sprack: “laet nederleggen Allen twifel ende allen waen, Dit was hi die iu dade verstaen, Dat iu Hangys doden zoude 6340 Entien ick zochte ick genen woude; Hi weet dat gesciet es al Ende oeck dat gescien sal; Ick woude dat hi ons oeck woude geraden Ende wy al by sinen wille daden” 6345 Uter sprack: “wy hadden des noet”. Doe daden zi des an hem bede groet Dat hi hem zoude wesen by. Hi zeide: “wetet dat wael van my, Al dat ick wille, dat ick dat weet”. 6350 Zi zeiden: “dat wetewy gereet, Ende dat gy die waerheit wetet van my; Merlijn, gy en loget my nie”. “Uter, ia, ende heb ick waerheit Iu van Hangyse nu geseit, 6355 Ende daertoe van uwer mynnen Die gy nie en lietet bekinnen?” Uter zeide: “ia gy, gy doet, Ende ombedat ghy zijt zo vroet, Zo zage wy veel te eer dat gy 6360 Minen here altoes waret by”. Merlijn sprack: “ick doe dat vele te eer Maer gy twe ende nieman meer Moget weten, hoe dat met my staet, Ende ick moet, so hoe dat gaet 6365 In Brytanien wesen saen, Maer dat mach zo niet vergaen. Ick en zal meer denken op iu Dan ombe ieman die levet nu; Ende wat node iu toe gaet, 6370 Ick zal wesen al iu raet; Al ga ick enwech, en achtes niet; Als gy my wederkomen siet, So doet my vor iu liede eer, Men sal mijns achten te meer; 6375 Den quaden sal dit wesen leet Die my ende iu haten gereet. Maer zi en zullens niet dorren togen Doedy my ere vor haren ogen, Ick en verkeer my nu in langer tijt 6380 Sonder daer gy twe zijt, Te hant zal ick komen in die zale Dan zullen zi dat weten al te male Ende zeggen dat ick gekomen ben, Dan doet my ere vor hen; 6385 Zi zullen my pryzen daer gy staet; Vraget my dan, dat es mijn raet, Ende wat dat gy my vraget dan, Sal ick iu zeggen vor uwe man”. In horen rade ende in den hof 6390 Bleef Merlijn ende nam oerlof, Beide te komene ende te gane, Ende hem te togene in die gedane, Daer hi inne best bekennet was; Ende alsi worden gewaer das 6395 Diene zagen in ziner manier, Waren si des verblidet scier. Men sach den koninck tegen hem gaen; Doe zeiden die liede saen: “Siet waer die koninck koemt tegen iu wt”. 6400 Daer was blijtscap ende geluet In des koninges zael wart hi geleit Des koninges man namen hem gereit Over ene zide, ende spraken: “Siet hier Merline, in waren saken, 6405 Die die beste divijn es Die nu in der werelt es; Here, biddet hem te zeggene al Of men die borch iet winnen sal, Ende hoe dit orloch sal vergaen; 6410 Wil hi, hi sal iu dat zeggen saen”. Die koninck zeide: “ick salne des vragen, Eer dese achte dage verdagen”. Des derden dages hilt die koninck feeste. Daer waren doe die alremeeste 6415 Die in den lande waren geboren. Merlijn zeide den koninge te voren Des hem sine liede baden. Pandragoen sprack met staden: “Men segget my vor iu, Merlijn, 69 6420 Dat gy zijt negeen divijn; Ick bidde iu, dat gy my zegget een deel, Hoe men winnen zal den casteel, Ende ick wil doen al uwen raet”. Merlijn sprack: “dat verstaet 6425 Ende proevet of ick ben wijs: Sint dat die Sennen verloren Hangys, En zagen si anders geen pant Dan te nemene dit lant. Gebiedet hem vrede, ende wetet vorwaer, 6430 Si en steken an iu niet een haer Dan gy hem dat latet altegader, Dat hem quam van uwen vader; Maer des en zuldy niet gehingen; Noch hem laten dat volbringen 6435 Willen si dat lant rumen gerede, Dat gy hem gevet sulck geleide Ende scepe daer si mede varen”. Doe sprack Pandragoen twaren: “Dese dinck wil ick hem ontbieden”. 6440 Hi nam wt al sinen lieden Enen ridder die hiet Ulfijn, Die die bode zoude zijn; Kempe en was in genen tyde Die so stoutelike ginck te stryde 6445 Alse Ulfijn voer toten vianden. Alse hem die Sennen vercanden, Quamen si jegen hem also houde, Ende vrageden wat die koninck woude, Ende of hi waer des conincx bode. 6450 Hi zeide: “ia ick, by Gode, Ende hi zent iu vrede drie weken”. Zi zeiden: “wy willen des ons bespreken” Ende doe hoer raet versamelt waert, Doe zeiden zi: “wy zijn bezwaert 6455 Van onses Heren Angys doet, Wy en hebben spyze clein of groet Daer ons iet af waer te bet Onthier ende ons quame ontset, Ende men ontbiedet ons vasten vrede 6460 Des hebwy te doene mede, Ende dat es wesen herde quaet Daer dat zo nauwe van spize staet; Maer wi zullen hem ontbieden Dat hi enwech vaer met zinen lieden 6465 Ende late ons borge ende lant; Wy zullen dat ontfaen van ziner hant, Ende geven hem telken iaer Dertich ridder ende daernaer Tien vrouwen ende elke hoer kamenier 6470 Ende daertoe tien ioncfrouwen fier, Van knapen die den vrouwen dienen Wilwy hem senden hem tienen, Hondert valke ende hondert paerde Ende hondert orse van goeder waerde”. 6475 Dit dochte hem allen goet raet wesen, Ende gingen ten boden met desen Ende zeiden hem dit beheet. Doe ginck Ulfijn enwech gereet, Ende zeide den koninck dese tale 6480 Ende hem die waren in der zale. Alse die koninck dit verstaet, Sochti des an Merline raet. Merlijn zeide: “en doet niet dies Daer zoude afkomen groet verlies; 6485 Bliven zi in den lande, dat es verloren; Maer gy zult mynen raet horen: Ontbiedet hem, dat zi rumen dat lant, Ende opgeven die borch te hant; Zi zullen dat doen alle geerne 6490 Want zi en hebben niet te verteerne; Ende beheet hem lijf ende lede, Ende scepe te vaerne mede; Segget hem, dat zi niet ontgaen Es dat si dit niet an en gaen; 6495 Want gy en vredet nembermeer zoe; Zi en zullen des wesen al te vroe”. Des morgens die koninck niet en liet, Hi en dade dat hem Merlijn hiet; Langer en spaerden niet die Sennes, 6500 Doe zi zeker waren des, Dat zi behouden mochten varen, Ende zi ontboden dat twaren Achterlande horen vrienden. Pandragoen hiet die hem dienden, 6505 Dat zise toter zee zouden leiden 70 Dus moestenzi danen scheiden. Dus zeide Merlijne Pandragoene Wat den Heidenen stont te doene. |
Hier begint dat derde boek: hoe Pandragoen en Uter Merlijn laten zoeken. Dit boek zegt het voort openbaar, Ten eerste dat ze dat land werden gewaar Waren die heren erg blij En ontvingen het met strijd; 5720 Aldus zo wonnen ze dat land. Aurelius Ambrosius maakte gelijk Koning Pandragoen, En was hem trouw in alle doen. Vertegier, die had in het land 5725 De Sennen gezet in de handen De kastelen en ook de borgen. Dus hadden de Christenen zorgen. Pandragoen zat een half jaar Voor een burcht, dat was waar, 5730 Daarin belegerd was Hengist; Zijn lieden rieden hem aan dit, Hoe te winnen het kasteel. Toen waren daar lieden een deel Die van Merlijn spraken, 5735 Hoe hij uitlegde van de draken Aan Vertegier al zijn doen. Ze namen Uter en Pandragoen Buiten de lieden apart, En zeiden hen van Merlijns wonder, 5740 Dat hij was de beste waarzegger Die er in de wereld mocht zijn, En wilde hij ook hij zal laten bekennen, Of men de burcht iets mocht overwinnen. Pandragoen sprak: “waar zou men dan 5745 Vinden zo’n wijs man”? Ze zeiden: “wij weten waar, Maar dat weten we wel openbaar, Als men van hem spreekt dat hij dat weet, En wilde hij, hij kwam gereed”. 5750 Pandragoen sprak al gelijk: “Ik zal hem vinden is hij in dat land”. Dus liet de koning Pandragoen Merlijn nu zoeken doen In dat land daar men hem vinden mocht. 5755 Toen Merlijn wist dat men hem zocht, Nam hij van Blasys verlof gelijk, En is in een dorp gegaan, Daar hij de koninklijke boden wist, Kwam hij in gegaan met list, 5760 Op zijn hals met een knots; Twee grote schoenen geheel nieuw, En een slechte rok had hij aan; Nu was hij in zijn gedaante Net alsof hij een wilde man was. 5765 Dus kwam hij gegaan aldaar Daar de koninklijke boden lagen, En ten allereerste dat ze hem zagen Verwonderde ze zich, en zeiden dan: “Dit lijkt ons te wezen een kwaad man”. 5770 Hij ging tot hen en zei deze taal: “Ge doet niet”, zei hij, “goed Uw heers boodschap tot zijn verdienste, Daar ge hier om bent gekomen, Om te zoeken de waarzegger 5775 Die geheten is Merlijn”. Toen ze dit hoorden, zeiden ze algemeen: “Welke duivel zei dat deze schurk”? Hij zei toen: “hoe dat ge noemt mij, Ik had u eerder gevonden dan gij”. 5780 “Weet u daar iets van”? zeiden ze meteen, “Of heeft u hem ergens gezien”? “Gezien heb ik hem”, sprak Merlijn, “En ik weet wel waar zijn paden zijn; En dat ge hem zoekt en doet arbeid 5785 Helpt u niet, heeft hij me gezegd Al met al niet een wind; Al is dat zaak dat ge hem vindt Hij gaat niet minof meer. Als ge komt tot uw heer 62 5790 Zeg dat hij die burcht wint op geen manier Eer dat dood is Hengist; En van alle konings lieden Die Merlijn te zoeken aanraden, Zij zijn er hiervan twee minder dan vijf 5795 Van hen allen nu in leven; Zeg uw heer en van die drie, En zeg wat ge hebt gezien En zeg hem, zocht hij in dit woud, Dat hij hem daarin vinden zou, 5800 Hij zal met niemand willen varen Dan met de koning te waren”. Aldus sprak hij daar zodat de boden het hoorden, En eer ze het wisten hadden ze hem verloren, En elk keek naar de anderen 5805 En zeiden: “laat ons heen wandelen; Dat was de duivel die we spraken; Wat willen we doen met deze zaken Dat is het beste, sinds dat ons is gebeurd, Dat we dat onze heer zeggen”. 5810 Weg voeren die boden gelijk. Toen ze hun dagvaart hadden gedaan, Kwamen ze tot Pandragoen. Toen hij ze zag in dat doen, Vroeg hij of ze hadden gebracht 5815 Diegene die ze hadden gezocht? “Heer”, zeiden ze, “verzamel de lieden van u, Die u zeiden van de waarzegger”. Pandragoen liet ze ontbieden, En toen ze kwamen tot hem gaan, 5820 Zeiden ze wat hen was geschied, En wat hen die dorper aanraadde, En dat daar twee dood zouden wezen Van die aanraden te zoeken deze. “Dat is waar”, zeiden ze. 5825 Die koning sprak: “dat lijkt mij”. Het verwonderde hem in zijn gedachte Wie die dorper wezen mocht; Ze dachten niet aan Merlijn, Dat hij een andere gedaante had dan zij hem 5830 Enigerwijs vernemen mochten. Ze dachten toen in hun gedachte, Dat niemand van Hengist dood Dan Merlijn wist, klein of groot, De boden vroegen ze waar het was, 5835 Dat hen die dorper bracht dat bericht? Ze zeiden: “in Northumberland, Daar we aten kwam hij gelijk In de herberg tot ons gaande”. Toen sprak daar een, dat hij waande, 5840 Dat dit Merlijn wel wezen mocht, En wilde dat de koning hem zocht. Pandragoen sprak: “ik zal daarheen varen En laat Uter hier, te waren; En die Merlijn hebben gezien, 5845 Zullen daar mij helpen om te spieden. Ze voeren in Northumberland; Om het bericht vroegen ze gelijk, Nee geen hebben ze gevreesd. De koning kwam in een bos, 5850 En een van zijn lieden vond Een herder al gelijk, Die veel beesten hoedde daar, En hij vroeg waarvan hij waar? Hij zei: “van Northumberland 5855 Ben ik, een goede mannelijke bediende, Maar ik sprak gisteren een man, Die me dat te zeggen begon, Dat hem koning Pandragoen Zou zoeken, dat is zwaar te doen”. 5860 De bode sprak: “zeg waar hij is”. Hij zei: “ik zeg dat node aan u, Dat ik de koning zou vertellen”. “Zo kom met mij tot mijn gezellen, Ik laat u de koning zien”. 5865 “Wie wil er dan mijn beesten hoeden? Ik heb ook niest te doen Met koning Pandragoen; Maar was hij hier, ik wees hem dan, Waar hij vinden mocht die man”. 5870 Hij zei: “ik zal hem halen gelijk”. Hij voer heen daar hij de koning vond, En vertelde hem van de zaak het ware De koning zei: “varen we naar daar”. Aldus kwamen ze tot de kornuit 5875 De knaap sprak geheel overluid: “Ziet, daar ik de koning breng, Nu vertel ons al die dingen”. “U zoekt Merlijn, u kan hem niet, te waren Vinden, hij wil u openbaren; 63 5880 Maar rij tegen de poort gereed, Hij zal daar komen, dat ik wel weet”. “Hoe geloof ik dit”? sprak Pandragoen. Merlijn zei: “wil ge dat niet doen, In vertrouwen zo laat dat staan; 5885 Maar dat is domheid, zonder waan, niet”. Hoort men naar valse raad iets”. De koning sprak: “ik wantrouw u Toen zei Merlijn: “zoals dat u nu staat, Dan geef ik u de beste raad, 5890 Dan iemand die u is nabij, En voorwaar zeg ik dat u”. De koning voer tot de eerste poort Die hij daar noemen hoort. Toen kwam daar in de hof een man, 5895 Die goede klederen had aan, En zei: “laat me tot Pandragoen”. Men deed dat. Hij sprak als een koene: “Heer”, zei hij, “Merlijn zendt me tot u En zei me, dat hij diegene is 5900 Die ge in dat bos vond; Een waar teken sprak zijn mond, Dat hij hier te komen zei Heden, en dat is waarheid; Maar u heeft hem daar niet nodig”. 5905 De koning zei: “ik doe dat wel groot, En ik zeg u dat ik zou Nee geen man spreekt alzo boude”. Merlijn zei: “goed bericht Ontbiedt hij u bij mij, heer: 5910 Uw broeder Uter heeft gedood Hengist, uw vijand groot”. De koning verwonderde dit, en zei: “Vriend, zeg je me de waarheid”? Toen zei hij tot Pandragoen: 5915 “Wat heb ik daarmee te doen? Gelooft u dit niet, dan bent u niet wijs; Ondervindt de waarheid van dts En onderzoek of dat is waar”. De koning zond twee boden daar 5920 Op paarden van goede lusten En zei hen, dat ze niet rusten, Tenzij ze de waarheid hebben vernomen Hierbinnen andere boden komen Die deze boden ontmoeten 5925 En naar Pandragoen voer te groeten, Die hem de waarheid zouden ontbinden Ten eerste dat ze hem herkenden Reden ze tot de koning tezamen, Meteen ze de raad daar namen, 5930 Hoe Uter Hengist versloeg. De koning zei: “dat is genoeg; Zwijg alstublieft als ge wilt leven”. Aldus is de taal gebleven. Wonderlijks had de koning in zijn gedachten, 5935 Hoe zo dit Merlijn weten mocht; Hij wilde om hem daar nog dagen, Want hij hem graag zou vragen, Hoe Hengist was gebleven dood. Toen kwam tot hem een man groot, 5940 Die goede klederen had aangedaan, Aldaar de koning kwam gegaan. Die man zei hem goede dag, En vroeg hem waarom hij daar lag? Hij zei: “Merlijn ik hier opwacht 5945 Tenzij dat hij komt, zoals hij zei”. “Gij bent niet”, zei hij, “al te verstandig, Dat ge hem zag en voor u stond, En ge niet herkennen mocht in die; Roep ze die hem hebben gezien, 5950 En vraag of ik dat iets wezen mocht”. Meteen men die daar bracht, De koning sprak: “vanwege de waarzegger, Die geheten is Merlijn, Zijn wij hier te lang geweest, 5955 Kende ge hem iets of ge zag hem”? “Heer”, zeiden ze, “dat mocht niet zijn, We zouden herkennen zijn aanschijn”. Bij de koning stond die man, En antwoordde de lieden dan: 5960 “Is er hier iemand van hier binnen, Die Merlijn mocht kennen”? Ze antwoordden: “zijn zede Mogen we niet kennen mede, Al weten we, hoe hij er uitziet”. 5965 De man zei: “ge zal verstaan, Dat ge de man niet kent goed, Bij zijn gedaante en niet anders Kende ge hem of ge zag het aan de ogen? Ik zal u zijn gelijke getogen”. 64 5970 Toen riep hij in een vertrek Pandragoen tot een raad, En zei: “Heer, ik ben Merlijn, Ik wil zijn de raad al van u En Uter uw broeder mede; 5975 Hierom zoekt ge mij gereed, Uw volk kent niet goed mijn doen Roep ze hierin, heer Pandragoen, Ze zullen zeggen ik ben gevonden; En wilde ik, ze konden 5980 Me herkennen nimmermeer”. Pandragoen was blij zeer, En hij riep diegene toen binnen, Die zeiden dat ze Merlijn kenden; En Merlijn was alzo gedaan 5985 Als toen ze hem voor het eerst zagen, zonder waan, “Dit is Merlijn”, zeiden ze alle. De koning zei: “weet ge dat wel”? “Ja, wij”, zeiden ze, “dit is Merlijn”, Hij zei: “we weten nu het fijne”. 5990 Toen sprak de koning op dezelfde plaats: “Merlijn, graag bad ik dat, Dat ge van mij van hart was goed gezind, Want menig man, jong en oud, Heeft me gezegd, dat ge bent wijs”. 5995 Merlijn zei: “in geen wijs Vraag me iets, dat ik weet, Ik zal u dat zeggen wel gereed”. De koning zei: “sprak ik u iets Sinds dat ik uit het woud scheidde”? 6000 Merlijn zei toen: “Heer koning, Ik was het die bij de beesten ging, En die u zei van Hengist dood”, De koning had dus verwondering groot, “Begeert hoeveel wist ge van Merlijns doen”. 6005 Ze zeiden: “Heer, dusdanige zaken Zagen we hem niet maken, En hij mag doen en berechten Dat andere lieden zouden te kort schieten. “Kon ge me dan zeggen iets”, 6010 Sprak de koning, “hoe Hengist liet Zijn lijf, en hoe ge dat vernam”, Merlijn sprak: “toen ge hier kwam. Wilde Hengist Uter dood slaan, En ik liet hem dat weten gelijk; 6015 Dank heeft hij, hij geloofde mij En ik zei hem daarbij Hengist deugd en zijn kracht En dat hij zou, als het was nacht, Alleen komen in dat paviljoen 6020 Omdat hij hem meende laten sterven doen. Euvel dacht hem dat het wezen zou waar. Maar zo veel hield hij zich daarnaar, Dat hij zijn paviljoen bij nacht, Dat niemand wist, alleen de wacht 6025 Zolang dat Hengist kwam; En toen Uter hem vernam, Zo liet hij hem wel binnen komen; En toen hem Uter vernam, Zo liet hij hem wel binnenkomen En toen hij Uter niet heeft vernomen Wilde hij zichzelf doden van rouw, 6030 Maar Uter die was eerder in trouw En sloeg hem aldaar ter dood”. Dus had de koning verwondering groot. “Merlijn, hoe was ge toen gedaan? Want me verwondert dus zonder waan, 6035 Dat ik dit geloof min of meer”. Ik was gedaan toen, heer, Als een oude man en een verstandige; Mijn raad dacht hem te wezen goed. Ik zei hem: “zie, dat je u wacht, 6040 En doe je het niet, ge sterft vannacht”. “Vertelde je hem anders iets”? Sprak die koning. “Heer, neen ik, niet, Hij zal dus weten niet een woord, Eer hij u dat vertellen hoort”. 6045 Toen sprak hij: “wil je met me meegaan? Ik heb u nodig te waren”. Merlijn sprak: “ik doe dat veel tot eer” Nochtans zullen ze veel meer Uw lieden vertoornen, geloof mij; 6050 Maar zie je, dat ik u nuttig bent, Door hem zal ge minder doen”. Toen sprak koning Pandragoen; “Ge heb het me nu dus gemaakt bekend, Is dat waar dat ge hebt behoed 6055 Uter, en zijn dood belet, Ik zal u geloven beter”. “Koning”, zei hij, “vraag dus uw broeder 65 En dan mag ge dus zijn wijzer Als hij aldus belijdt, geloof me dan, 6060 En ik weet wel, als ik doe aan Die gedaante, zoals ik had aan, Toen ik hem dat liet verstaan, Zal ge me mogen herkennen niet; En dat zal zijn, hoe dat geschiedt, 6065 Van heden over twaalf dagen”. De koning sprak: “al zonder sage Wist ik graag, als ge wilt, Dat ge Uter spreken zou Ge zal dat weten, maar behoedt u dit, 6070 Dat ge niet bent onbekend, Dat andere lieden weten mogen; Bevind ik u met een leugen, Ik vertrouw u nimmermeer goed, Ik zal u beproeven menige maal”. 6075 “Dat is me lief”, sprak Pandragoen. Merlijn zei: “ge weet mijn doen, Dat zal over twaalf dagen zijn, Dat ik zal spreken de broeder van u”. Meteen nam Merlijn verlof 6080 En ging tot in Blasys hof, En Blasys heeft dit alles beschreven, En van hem is ons dat gebleven. De koning ging aan zijn zijde, Uter, zijn broer, die was blij, 6085 Ten eerste dat hij hem komen zag Was hij blij de hele dag. De koning leidde hem buiten de lieden En zei hem de zaken die hem geschiedden Van Hengist, zoals hem dat Merlijn zei. 6090 Uter zei: “dat is waarheid Ik meende, dat wist niemand anders, En een goede man, die me wel Behoedde, zodat ik niet bleef verloren; Heer, waarvan kwam u dit tevoren?” 6095 Hij zei: “ge weet wel, dat ik dat weet, Broer, nu zeg het me gereed, Die u waarschuwde, welke man hij was. Ik meen ge niet weet dat Dat u Hengist graag had gedood. 6100 Bij de trouw, die God gebood, Ik weet niet, wie hij wezen mocht, Maar een goede man hij me dacht, Dat geloof ik overeen, Door alles dat, dat een leugen scheen, 6105 Dat Hengist hier komen zou Omdat hij me vermoorden wilde”. Pandragoen zei: “broeder, Als ge hem zag, was ge dus iets wijzer?” Uter zei: “ja, ik meen dat”. 6110 De koning sprak: “hou u daaraan, Dat hij u binnen elf dagen zal Spreken, dat doet groot ongeval; Maar wees de hele dag met mij Totdat, dat het avond is 6115 Zodat ik aanschouwen mag Alle die u spreken op die dag, Te weten, of ik hem herkennen kon Op enige manier in enige stonde”. Uter sprak: “wat dus geschiedt, 6120 Dan scheidt ik van u niet, Ik zal eerder weten, neen of ja Eer ik ergens van u ga”. Elk heeft dit de andere beloofd En zijn tezamen geweest in de hof, 6125 En Merlijn, die dit wist allemaal, Zei dit Blasys, de geestelijke vader, Hoe Uter en Pandragoen Versierden onder hen dit doen, En hoe de koning hem beproeven wilde. 6130 Blasys vroeg hem wat hij zou Doen, dat hij dat volbrengen mocht. Hij zei: “ik merk in mijn gedachte Dat ze jong zijn en blij En mochten ze aan mijn zijde 6135 Tot mijn wil niet beter raken Dan met spraken, die ik kan spreken, En doen wonderlijke zaken, Zodat ik ze lachend zal maken; En ook zo ken ik een vrouw 6140 Die Uter bemint op echte trouw; Ik zal hem een paar brieven brengen Van zijn geliefde, in zulke dingen Dat hij zal houden voor waarheid, Want ik weet al hun heimelijkheid; 6145 Als dat Uter van me hoort. Zal het hem verwonderen dat woord Want dat is hun heimelijkheid. 66 Dan zal die dag gaan gereed Dat ze me niet zullen zien 6150 En niet herkennen in die; De volgende dag zal ik mij Laten ontdekken, dan zullen zij Me dus weten grotere dank”. Hierbinnen kwam de zonsopgang 6155 Van de dag van Merlijns belofte, Dat hij zou komen te hof, En was gedaan als een knecht, Die Uter had gezien echt, Woonde met zijn gelieve. 6160 Toen hij kwam met zijn brieven Sprak hij “Heer, mijn vrouw groet u En zend u deze brieven nu”. Dus was Uter zeer vrolijk En meende, dat het was alzo. 6165 De brieven zeiden: “geloof de knecht, Want ge mag wel doen met recht Wat dat hij zegt, dat is waar Uw geliefde zend hem daar”. Merlijn zei hem daar alle woorden, 6170 Die hij weet dat hij graag hoort. Dus was Merlijn, dat is waar, Tot de avond voor hem daar, En Uter was met hem blij. Toen het was gekomen na vespertijd, 6175 Verwonderde dus de koning en was gram Dat Merlijn niet ginder kwam; Foei, dacht hij, heeft Merlijn gelogen! Meteen wilde Merlijn zich laten zien En ging aan een zijde staan, 6180 En was echt als die man gedaan, Die eerst tot Uter kwam. En toen Uter de man vernam, Herkende hij hem en bad, dat hij wachtte Totdat hij dat de koning zei; 6185 Hij zei: “graag”, en Uter ging En zei het zijn broeder de koning, Dat die man daar gekomen was. De koning vroeg er naar: “Is hij dat die u waarschuwde dan”? 6190 “Ja”, sprak hij, “dat is dezelfde man”. De koning zei: “ga en onderzoek het beter En zeg me dan wat u weet”. Uter kwam weer en ziet De man, die hij ginder liet, 6195 Die nog daar op hem wachtte; Hij herkende wel en gereed Zei hij; “Heer, heb dank groot Dat ge me verloste van de dood, Welkom moet ge me nu zijn; 6200 Maar verwondering heb ik in dat hart van min, Hoe mijn heer, de koning, Weten mocht dit ding, Want hij vertelde me wat gij me zei, Daartoe zei hij me ook gereed 6205 Alles dat me is geschied Sinds dat hij me hier liet, En dat ge hier zou komen heden; Daartoe heeft hij me gebeden, Dat ik dat weten deed 6210 Als ik met u was te rade. Hij zei me ook, of ge was dat, Dat ik hem dat zei ter plaatse; En dat hij dit weet al bloot, Dus heeft het me verwonderd al te groot”. 6215 Merlijn sprak: “haal hem daar hij is En vraag hem dus voor mij”. Uter ging om zijn heer, En beval de lieden zeer, Dat ze daar niemand in laten gaan. 6220 Toen Uter weg was, alzo gelijk Veranderde Merlijn zich en nam Zijn vorm met die van de brieven kwam; En toen Uter de koning bracht Vonden ze de knecht, en Uter zocht 6225 De goede man, en hij zwoer zeer, Hij stond hier nu, bij onze Heer, “Nu vind ik hier de boodschapper, Die me die brieven bracht hier; Wacht heer, ik zal de lieden vragen 6230 Of ze hier iemand uitgaan zagen Of deze knecht hier in gaan”. Die koning begon te lachen gelijk. Uter zei: “zag je hier iets Enige man in korte tijd, 6235 Sinds dat ik om de koning ging”? Ze zeiden: “neen wij, waarlijk ding”. Hij sprak tot de koning na deze: “Ik weet niet wat dit mag wezen”. Hij sprak tot de knecht: “hoorde u het 67 6340 Ging hier iemand in of uit”? Hij zei: “ik was hier bij u dan, Toen ge sprak tegen die man”. Toen sprak Uter tot de koning met een vaart: “Alzo moet ik zijn beschermd 6245 Toen me dit gebeurde niet, Dat ik nu met de ogen zie”. Die koning maakte daarvan groot spel, Dat dit Merlijn was, wist hij wel: “Ay, lieve broeder”, sprak Pandragoen 6250 “Weet ge wie hij is, deze bediende? Hij zei me, hij was u gezonden, Nu onderzoek of ge hem iets kent”. Hij zei: “ja ik”. “Wat denkt u dan”, Sprak de koning, “mocht het zijn die man, 6255 Die ge hier nu zocht na deze”? Uter zei: “dat kan niet wezen”. “Gaan we weg”, sprak Pandragoen, “Wil hij zich herkennen laten, Dan hebben we hem licht gevonden”. 6260 Uit gingen ze in die stonden. Toen ze een stuk waren gegaan, Riepen ze een ridder gelijk: “Ga, zie wie daarin is”; Toen hij daar kwam, zo zag hij 6265 Waar die man op het bed zat; Hij keerde weer en zei dat. Uter sprak: “Genade God, heer, Ik meen ik zie dat niemand eerder Zag die in de wereld was, 6270 Dit is die man, die me genas”! De koning was blijer dan sommige, En zei hem te wezen welkom, De koning zei: “was u dat niet leed, Ik zei hem graag hoe ge heet, 6275 En ook wie dat ge bent”. Merlijn sprak terzelfder tijd: “Dat is me lief”. De koning zei echt: “Uter, broeder, waar is die knecht, Die tot u kwam, die boodschapper? 6280 Uter sprak: “hij was nu hier”. Toen riep Merlijn tot de koning uit, En zei het hem al overluid, Welke berichten hij van de vrouw zei, En wat hij hem te voren legde. 6285 Toen riep koning tot Uter uit: “Die u bracht die groet Van uw lieve, waar is hij nu? Ik zou hem graag spreken voor u Die u die goede brieven gaf”. 6290 Uter zei: “wat weet ge daarvan”! De koning zei: “dat ik dus weet dan Zal ik u zeggen voor deze man, Van dat, dat er staat in die brief”. Uter zei: “dat is me lief”; 6295 Hij wist niet dat het hem was bekend. De koning zei alles dat daarin stond. Uter sprak toen tot de koning: “Heer, hoe weet ge al dit ding, En dat ge het laatste zei?” 6300 De koning zei: “ik zeg dat gereed, Ontbiedt me deze goede man”. Uter sprak: “wat gaat het hem dat aan”? De koning zei: “ik zeg het u niet Dat tenzij dat hij dat me gebiedt”. 6305 Dus verwonderde Uter zeer, En zei: “is u dat lief, mijn heer, Me vertelt al dit wonder, Laat het maar ons drieën apart”. Erg euvel sprak de koning dan: 6310 “Weet ge wie hij is deze man? Maar dat weet ik wel zekerlijk Hij is die verstandigste van aardrijk, Hij heeft die macht, die ik u zal zeggen Daar ons veel aan zal liggen; 6315 Dit is de knaap die u gaf Die brieven, waar ik u zei af”. Uter sprak: “mag dat waar wezen, Zo hoorde ik niet zo’n wonder lezen”. De koning zei: “geloof dus te beter 6320 Dan enige zaak die ge weet, Ik geloofde het niet, zonder waan, Eer hij me dat anders liet verstaan”. De koning bad Merlijn hartelijk, Dat hij hem getuigde diergelijk. 6325 “Graag”, zei hij, “ga daar uit beide Ik toon hem de knecht gereed”. Ze gingen uit en keerden gelijk; Toen was hij als die knecht gedaan, En vroeg wat hij wilde ontbieden 68 6330 Zijn liefde eer ze scheidden. Koning Pandragoen sprak echt: “Wat denkt u van deze knecht? Geloof je dat hij dat is gereed”? Uter zei: “ik weet niet, 6335 Wat ik u hiervan mag zeggen”. De koning sprak: “laat neer leggen Alle twijfel en alle waan, Dit was hij die u liet verstaan, Dat u Hengist doden zou 6340 En die ik zocht in dat woud; Hij weet wat geschied is al En ook dat geschieden zal; Ik wilde dat hij ons ook wilde aanraden En we alles bij zijn wil deden” 6345 Uter sprak: “wij hebben hem dus nodig”. Toen deden ze dus aan hem een bede groot Dat hij hen zou wezen bij. Hij zei: “weet dat wel van mij, Alles dat ik wil, dat ik dat weet”. 6350 Ze zeiden: “dat weten we gereed, En dat ge die waarheid weet van mij; Merlijn, ge beliegt me niet”. “Uter, ja, en heb ik waarheid U van Hengist nu gezegd, 6355 En daartoe van uw minnen Die ge niet liet bekennen?” Uter zei: “ja gij, ge doet, En omdat ge bent zo verstandig, Zo zagen we veel eerder dat gij 6360 Mijn heer altijd was bij”. Merlijn sprak: “ik doe dat veel eerder Maar gij twee en niemand meer Mag het weten, hoe dat met mij staat, En ik moet, zo hoe dat gaat 6365 In Brittannië wezen gelijk, Maar dat mag zo niet vergaan. Ik zal meer denken aan u Dan om iemand die leeft nu; En welke nood u toe gaat, 6370 Ik zal wezen al uw raad; Al ga ik weg, acht het niet; Als ge me weerkomen ziet, Doe dan voor uw lieden me eer, Men zal mij achten te meer; 6375 De kwaden zal dit wezen leed Die mij en u haten gereed. Maar ze zullenhet niet durven tonen Doe je me eer voor hun ogen, Ik verander me nu een lange tijd 6380 Uitgezonderd daar gij twee bent, Gelijk zal ik komen in de zaal Dan zullen ze dat weten allemaal En zeggen dat ik gekomen ben, Dan laat je me eren voor hen; 6385 Ze zullen me prijzen daar ge staat; Vraag me dan, dat is mijn raad, En wat dat ge me vraagt dan, Zal ik u zeggen voor uw mannen”. In hun raad en in de hof 6390 Bleef Merlijn en nam verlof, Beide te komen en te gaan, En te verschijnen in die gedaante, Daarin hij het beste te herkennen was; En toen ze gewaar worden dat 6395 Die hem zagen op zijn manier, Waren ze dus verblijd snel. Men zag de koning tegen hem gaan; Toen zeiden de lieden gelijk: “Ziet waar de koning komt tegen u uit”. 6400 Daar was blijdschap en geluid In des konings zaal werd hij geleid Konings mannen namen hem gereed Aan een kant, en spraken: “Ziet hier Merlijn, in ware zaken, 6405 Die de beste waarzegger is Die nu in de wereld is; Heer, bidt hem te zeggen al Of men de burcht iets overwinnen zal, En hoe deze oorlog zal vergaan; 6410 Wil hij, hij zal u dat zeggen gelijk”. De koning zei: “ik zal hem dus vragen, Eer deze acht dagen om zijn”. De derde dag hield de koning feest. Daar waren toen de allergrootste 6415 Die in het land waren geboren. Merlijn zei de koning tevoren Wat zijn lieden hem baden. Pandragoen sprak met stade: “Men zegt me voor u, Merlijn, 69 6420 Dat ge bent geen waarzegger; Ik bid u, dat ge me zegt een deel, Hoe men overwinnen zal het kasteel, En ik wil doen al uw raad”. Merlijn sprak: “dat verstaat 6425 En onderzoek of ik ben wijs: Sinds dat de Sennen verloren Hengist, Zagen ze anders geen pand Dan te nemen dit land. Biedt hen vrede, en weet voorwaar, 6430 Ze steken aan u niet een haar Dan ge hen dat laat allemaal, Dat hen kwam van uw vader; Maar dat zal ge niet toestaan; Nog hen dat laten volbrengen 6435 Willen ze dat land ruimen gereed, Dat ge hen geeft zo’n geleide En schepen daar ze mee varen”. Toen sprak Pandragoen te waren: “Dit ding wil ik hen aanbieden”. 6440 Hij nam uit al zijn lieden Een ridder die heet Ulfijn, Die de bode zou zijn; Kamper was er in geen tijd Die zo dapper ging te strijden 644 Zoals Ulfijn voer tot de vijanden. Toen de Sennen hem herkenden, Kwamen ze tegen hem alzo te houden, En vroegen wat de koning wou, En of hij was de konings bode. 6450 Hij zei: “ja ik, bij God, En hij zend u vrede drie weken”. Ze zeiden: “we willen dit met ons bespreken” En toen hun raad verzameld was, Toen zeiden ze: “we zijn bezwaard 6455 Van onze heer Hengist dood, We hebben spijzen klein of groot Daar ons iets van was te beter Tot hier ons kwam ontzet, En men biedt ons vaste vrede 6460 Dus hebben we te doen mede, En dat is in wezen zeer kwaad Daar dat zo nauw van spijzen staat; Maar we zullen hem ontbieden Dat hij weg vaart met zijn lieden 6465 En laat ons burcht en land; We zullen dat ontvangen van zijn hand, En geven hem elk jaar Dertig ridders en daarnaar Tien vrouwen en elke hun kamenier 6470 En daartoe tien jonkvrouwen fier, Van knapen die de vrouwen dienen Willen we hem zenden hem tien, Honderd valken en honderd paarden En honderd strijdpaarden van goede waarde”. 6475 Dit dacht hen allen goede raad te wezen, En gingen tot de bode met deze En zeiden hem deze belofte. Toen ging Ulfijn weg gereed, En zei de koning deze taal 6480 En hen die waren in de zaal. Toen de koning dit begreep, Zocht die aan Merlijn raad. Merlijn zei: “doet niet dit Daar zou van komen groot verlies; 6485 Blijven ze in het land, dat is verloren; Maar ge zal mijn raad horen: Gebiedt hen, dat ze ruimen dat land, En opgeven de burcht gelijk; Ze zullen dat allen doen graag 6490 Want ze hebben niets te verteren; En beloof hen lijf en leden, En schepen te varen mede; Zeg hen, dat ze niet ontgaan Is het dat ze dit niet aangaan; 6495 Want ge vindt vrede nimmermeer zo; Ze zullen dus wezen al te vrolijk”. ‘s Morgens de koning het niet liet, Hij deed dat Merlijn hem zei; Langer spaarden niet de Sennen, 6500 Toen ze zeker waren van dit, Dat ze behouden mochten varen, En ze ontboden dat te waren In achter land hun vrienden. Pandragoen zei het die hem dienden, 6505 Dat ze hen tot de zee zouden begeleiden 70 Dus moesten ze vandaar scheiden. Dus zei Merlijn tot Pandragoen Wat de heidenen stond te doen. |
Hoe Merlijn des koninges raet wart, ende hoene een ridder verraden woude. Nu es Merlijn al raet gebleven, 6510 Doe die Sennes dat lant hadden begeven; Metten koninck Pandragoene Was hi van herde groten doene; Vor den koninck helt hi die tale. Dit en bequam niet wale 6515 Enen barone die dit zach; Degene merkede zinen slach Ende zeide: “Here, tes vremde dinck Dat ghy houdet desen vondelinck: Al dat hi weet koemt hen van den Viant; 6520 Dat wil ick proeven al te hant Daer gy zelve toe zult zien, Wildy dat, Here, laten gescien”. Die koninck sprack: “zijdy zo vroet, Opdat gyne niet vertoernen doet, 6525 Dat gyne proevet, wil ick wel”. “Here”, zeidi, “ick en wil niet el, Ende ick en wilne niet doen erren”. Die ridder en woude doe niet merren, Doe hem die koninck des oerlof gaf, 6530 Hi was herde blide daeraf. Die zelve man was herde vroet Ende herde quaet in sinen moet, Verrader, ende oeck wel geboren; Tenen tyde quam hi voren 6535 In des koninges hof onder die baroene Ende pijnde hem Merlijn ere te doene; Hi nam hem te rade vor den koninck Daer gesciede doe dese dinck: Daer waren tiene des koninges man, 6540 Ende hi sprack den koninck an: “Heer koninck”, zeide hi, “zekerlike Dit es die vroetste van eertrike; Hi vorseide Vertegier Te stervene van uwen vier; 6545 Hierombe bid ick hem zekerleke, Ombedat ick ben dus tongereke, Dat hi my zegge myne doet Of hi daeraf weet cleyne of groet, Want wil hi, hi zalt wael doen”. 6550 Doe bats hem die koninck Pandragoen Ende alle die daer waren ginder, Ende Merlijn, die zine felheit kinde, Hi zeide: “gy doet bede groet, Ombe te wetene uwe doet: 6555 Gy zult vallen van enen paerde Ende breken den hals boven der aerde; Dus zuldy uwen ende doen”. Die ander zeide: “Here Pandragoen Merket nu van enen vroeden, 6560 God moet my daer vor behoeden”! Mittien leide hi den koninck wt, Ende sprack tot hem al overluet: “Gedenket, Here, wael der woert, Die gy van Merline hebt gehoert, 6565 Ick zalne proeven herde scier Noch in ener ander manier”. Doe ginck hene die man Ende dade ander cleder an, Ende keerde so hi eerst mach 6570 Toter stede daer die koninck lach. Hi makede hem sieck ende bat te hande, Datten die koninck soude vanden, Ende hi Merline brachte met liste Sodat hi siner niet en wiste. 6575 Die koninck zeide, hi zoude daer gaen; Merline en dade hi des niet verstaen. Die koninck zeide: “Merlijn, gawy Tot enen ziecken, ick ende gy, Die hier leget in der poert”. 6580 Merlijn zeide: “koninck, nu hoert: Negeen koninck en zal in aertrike Nergen gaen so hemelike, Dat en zij dat dertich met hem gaen”. Doe riep die koninck tot hem saen 6585 Dertich ridder, ende mettien Gingen zi den ziecken besien. Si quamen daer ende vonden die vrouwe, Alse of si hadde groten rouwe; Si zeide: “Here, dor iu oetmoede, 6590 Vraget Merline, uwen vroede, Of mijn man iet zal genesen”. 71 Op Merline zach hi met desen Ende zeide: “vrient, weetdy iet dit Daer my die vrouwe ombe bit?” 6595 “Here”, sprack Merlijn, “ick bin des wedde, Hi en stervet niet in dit qualebedde”. Doe versterckede hem die man, Ende zeide: “hoe zal ick sterven dan”? Ende Merlijn die antworde weder: 6600 “Du zals sterven op ende neder, Want du zals verhangen wesen”. Ende Merlijn ginck enwech met desen, Ende geberde of hi ware gram; Ende alse die ander dat vernam, 6505 Sprack hi totten koninge gereit: “Hoert wat dese zot nu zeit! Proevet dat hi hevet gelogen: Hi zeide twe dinge vor uwen ogen Dat nieman also en starf, 6610 Ick zalne proeven derdewerf, Ende ick wil in ene abdie Gaen liggen in ene fermerie Ende bi den abbete iu ontbieden, Die zal zeggen toten lieden, 6615 Dat ick een zieck broeder zy, Ende zo zieck dat men my Menet zullen versceiden Ende gy zult Merlyne met iu leiden Ende ick en proeve hem nember bet dan nu” 6620 Die koninck sprack: “ick kome tot iu Ende brenge Merline oeck mede”. Degene ginck te gener stede Ende dade doe aldus dese dinck Ende zende doe ombe den koninck. 6625 Die koninck quam ende Merlijn mede. Alsi quamen te gener stede, Hoerden zi misse ende doe saen Quam die abbet tot hem gegaen Ende vijf ende twintich monicke mittien 6630 Ende baden dat hi ginge besien Genen zinen ziecken broeder Ende brenge Merline, “hi es vroeder Daeran dan al dit volck is al”. Die koninck sprack: “gerne ick sal”. 6635 Merlijn, hi en wil des laten niet Hine wil, al daer die koninck toe ziet, Uter zinen broeder spreken Ende ondecken hem dese treken. “Nu duncket my”, zeide hi, “in mynen synne 6640 So ick iu twe bet bekinne So gy my duncket dulre wesen, Meendy ick en wete wael van desen, Die my proevet, hoe hi sal sterven Ick salne noch enerwerven 6645 Seggen, dat iu sal wonderen meer, Dan dat noch dade van desen heer”. Die koninck sprack: “mochtet waer wesen Dattu heves geseght van desen”? Merlijn zeide hem daernaer: 6650 “Men hange my en es dat niet waer; Ende dat zeggick Uter mede Dat zal zulck horen hier ter stede, Die daervan en scheidet niet Eer hem dit al es gesciet”. 6655 Hier lieten si die tale staen Ende volgeden den abbete saen. Die abbet sprack: “vraget koninck, Heer, Of dese man nembermeer Van desen oevele genesen mach”. 6660 Merlijn geberde als hine zach Genoech alsof hi ware erre: “Die doet”, sprack hi, “es hem noch verre, Dat es ombe niet, dat hi my bekoert, Al dat gy van my hebbet gehoert, 6665 Dat es wonderlike tale Want als hi stervet, wetet dat wale, Dat zijn hals zal breken ontwe, Verdrinken ende hangen, dit es wonder mee, Hier es zulc die zien sal die saken, 6670 Hi en darf hem niet zo zieck maken Want ick kenne zijn herte wal, Ende zine gedachten valsc al”. Die man zat op ende sprack: “koninck, Here, nu merke deze dinck 6675 Entie dulheit van desen Hoe dit waer mochte wesen, Dat ick breken zoude den hals, Verdrincken ende hangen, dit es vals, Dit es dat niet gescien en kan 6680 Van my noch van anderen man. Merket hoe gy wijs mochtet wesen, 72 Dat gy iu houdt an desen”. Die koninck zeide: “ick en doe daertoe niet Dat ie zo vremde dinck gesciet”. 6685 Dese dinck bleef te dier stont Ende dat wort den lieden kont, Dat Merlijn zeide van desen man. Menech leide den zin daeran Te proevene, hoe dat mochte wesen 6690 Dat Merlijn hadde gezeit van desen. Onder die liede liep die sage. Doe gesciede in enen dage, Dat die man quam gereden Met velen lieden tener steden 6695 Op ener rivier, die was diep, Daer ene brugge overliep, Sijn paert was vaerdich ende snel, Ende dat snevede ende hi vel, Ende brack also den hals entwe, 6700 Sijn voet voer no min no me In een gat van der bruggen gereide, Dus verdronk hi ende brack den hals beide, Dat hovet ende scouder hinck hem in die beke Ende bi den bene oeck sekerleke 6705 Bleef hi hangende te zelver wyle, Daer waren zi twe, zonder gyle, Dit dit al verzagen beide, Dat Merlijn te voren zeide. Sciere was daer groet gekry 6710 Van enen dorper, woende daerby. Doe quam al dat volck geloepen toe, Ende namen den doeden ridder alsoe. Die liede, die hoerden dese sproke Vrageden: “es hem die hals tebroken? 6715 Die dorper antworde: “ia, hi”. Doe si dit hoerden spraken si: “Twaren Merlijn en zeide niet vals, Hi zeide: “du zals breken den hals, Ende hangen mede ende verdrincken; 6720 Hi mach ons herde wel nu dincken Dul, die hem mestrouwet hiernaer, Want hi zeidet ons al vorwaer”. Den man groef men in korter stont. Al dit was Merlyne wael kont, 6725 Ende zeide dat Uter in hemelicheden Ende zeide dat hyt den broeder zeide Ende Uter vertelde dat den koninck, Doe sprack die koninck: “dese dinck Hevet Merlijn al vor gezeit, 6739 Ende es dat dus worden waerheit? Vraget hem, zeidi “welcke tijt dat was”. Ende Uter hi vragede hem das. “Gisteren”, antworde Merlijn, “Entie boden zullen hier zijn 6735 Van nu over den sesten dach, Ende ich ga henen al dat ick mach, Want ick en wil hier niet wesen Als die mare koemt van desen, Want men my vele vragen soude 6740 Des ick node antworden woude; Ick en spreke vor dat gemene diet Vorwaert meer nember niet”. Dus sprack Merlijn Uter toe, Ende Uter zeidet den broeder doe 6745 Die koninck meende dat hi waer erre, Ende sprack: “es hi noch iet verre, Ende weetdy werwaert dat hi geet?” Uter zeide: “Here, ick en weet, Maer hi woude hier niet wesen 6750 Als die mare quam van desen”. Merlijn ginck Blasyse soecken, Ende doet dat scriven in den boecken, Ende Pandragoen ontsach hem das, Dat Merlijn verbolgen was. 6755 Enten zesten dage na desen, Quamen si, die hadden gewesen Al daer gesciet was dat wonder. Die koninck sprack ende si bysonder Ende zeide doe, al daer hi stoet: 6760 “Nu en es nieman also vroet Alse Merlijn es, weet ick wale; Nembermeer en zegget hi tale, Ick en zal dat al bescriven doen”. Aldus began daer Pandragoen 6765 Een boeck te scrivene in der manier Van Merlijns prophetien scier Ende van den koninge van Engelant, Dat menegen es onbekant. Dat boeck en zegget niet das 73 6770 Wie dese vroede Merlijn was; Want hi en brenget niet voert Anders dan bedeckede woert. Te dien tiden was Merlijn al heer Over al den raet met groter eer 6775 Boven Aurelius Ambrosius Die die meeste was van den hues; Maer doe si wouden sine woert Scriven, ende hi heeft dat verhoert, Zeide hi Blasyse die saken. 6780 Blasys zeide: “zullen si maken Sulc een boeck alse es dat mijn?” “Neen si, niet”, sprac Merlijn, “Si en scriven niet, al zonder waen, Dan dat si niet en konnen verstaen, 6785 No niet geweten, hoe dat gesciet”. Hierna so en liet Merlijn niet, Hi quam te hove; men zeide hem daer Van den manne al die maer, Hoe hi waer bleven doet, 6790 Alsof hi des en wiste cleine no groet. Quijt was die koninck alles rouwen, Doe hi Merlijn mochte scouwen, Ende makede met hem grote feeste. Hier spreket van Merline die jeeste, 6795 Dat hi die bedeckede woert Alre ierst begonste brengen voert, Entie prophecien oeck al Die nieman bekinnen en zal Eer dat si vorspellet zijn 6800 So en mach nieman weten den fijn. |
Hoe Merlijn de raad van de koning werd en hoe hem een ridder verraden wilde. Nu is Merlijn al raad gebleven, 6510 Toen de Sennen dat land hadden opgegeven; Met koning Pandragoen Was hij van zeer grote doen; Voor de koning hield hij de taal. Dit bekwam niet goed 6515 Een baron die dit zag; Diegene bemerkte zijn slag En zei: “Heer, het is een vreemd ding Dat ge houdt deze vondeling: Alles dat hij weet komt hem van de vijand; 6520 Dat wil ik onderzoeken al gelijk Daar ge zelf toe zal zien, Wil ge dat, heer, laten geschieden”. De koning sprak: “ben je zo goed, Zodat ge hem niet vertoornen doet, 6525 Dat ge het beproeft, wil ik wel”. “Heer”, zei hij, “ik wil niet anders, En ik wil hem niet kwaad maken”. De ridder wilde toen niet dralen, Toen hem de koning dus verlof gaf, 6530 Hij was zeer blij daar van. Diezelfde man was zeer goed En zeer kwaad in zijn gemoed, Verrader, en ook goed geboren; Op een tijd kwam hij naar voren 6535 In konings hof onder de baronnen En dacht er aan Merlijn eer te doen; Hij nam hem te raad voor de koning Daar gebeurde toen dit ding: Daar waren tien van konings mannen, 6540 En hij sprak de koning aan: “Heer koning”, zei hij, “zekerlijk Dit is de verstandigste van het aardrijk; Hij voorspelde Vertegier Te sterven van uw vuur; 6545 Hierom bid ik hem zekerlijk, Omdat ik ben dus ongelukkig, Dat hij me zegt mijn dood Of hij daarvan weet klein of groot, Want wil hij, hij zal het wel doen”. 6550 Toen bad hem koning Pandragoen En allen die daar waren ginder, En Merlijn, die zijn felheid kende, Hij zei: “ge doet een bede groot, Om te weten uw dood: 6555 Ge zal vallen van een paard En breken de hals boven de aarde; Dus zo zal ge uw einde doen”. De ander zei: “Heer Pandragoen Merkt nu van een verstandige, 6560 God moet me daarvoor behoeden”! Meteen leidde hij de koning uit, En sprak tot hem al overluid: “Gedenk, heer, wel het woord, Dat ge van Merlijn hebt gehoord, 6565 Ik zal het onderzoeken zeer snel Nog in een andere manier”. Toen ging heen die man En deed andere klederen aan, En keerde zo gauw hij kon 6570 Tot de plaats daar de koning lag. Hij maakte zich ziek en bad gelijk, Dat de koning hem zou vinden, En hij Merlijn bracht met list Zodat hij van hem niets wist. 6575 De koning zei, hij zou daar gaan; Merlijn liet hij dat niet verstaan. De koning zei: “Merlijn, gaan we Tot een zieke, ik en gij, Die hier ligt in de poort”. 6580 Merlijn zei: “koning, nu hoor: Geen koning zal in aardrijk Nergens gaan zo heimelijk, Dat tenzij dat dertig met hem gaan”. Toen riep de koning tot hem gelijk 6585 Dertig ridders, en meteen Gingen ze de zieke bezien. Ze kwamen daar en vonden die vrouw, Alsof ze had grote rouw; Ze zei: “Heer, door uw ootmoed, 6590 Vraag Merlijn, uw verstandige, Of mijn man iets zal genezen”. 71 Naar Merlijn zag hij met deze En zei: “vriend, weet ge iets van dit Daar die vrouw me om bidt?” 6595 “Heer”, sprak Merlijn, “ik wil dit wedden, Hij sterft niet in dit kwaalbed”. Toen versterkte zich die man, En zei: “hoe zal ik sterven dan”? En Merlijn die antwoordde weer: 6600 “U zal sterven op en neer, Want u zal verhangen wezen”. En Merlijn ging weg met deze, En gebaarde alsof hij was gram; En toen de andere dat vernam, 6505 Sprak hij tot de koning gereed: “Hoor wat deze zot nu zegt! Onderzoek dat hij heeft gelogen: Hij zei twee dingen voor uw ogen Dat niemand alzo stierf, 6610 Ik zal het onderzoeken een derde maal, En ik wil in een abdij Gaan liggen in een ziekenzaal En bij de abt u ontbieden, Die zal zeggen tot de lieden, 6615 Dat ik een zieke broeder ben, En zo ziek dat men mij Meent te zullen verscheiden En ge zal Merlijn met u leiden En ik bewijs het hem nimmer beter dan nu” 6620 De koning sprak: “ik kom tot u En breng Merlijn ook mede”. Diegene ging tot die plaats En deed toen aldus dit ding En zond toen om de koning. 6625 De koning kwam en Merlijn mede. Toen kwamen ze in die plaats, Hoorden ze een mis en toen gelijk Kwam de abt tot hen gegaan En vijf en twintig monniken meteen 6630 En baden dat hij ging bezien Gaan zien die zieke broeder En brengen Merlijn, “hij is verstandiger Daarvan dan al dit volk is al”. De koning sprak: “graag ik zal”. 6635 Merlijn, hij wil dit laten niet Hij wil, al daar de koning toe ziet, Uter zijn broeder spreken En ontdekken hem deze streken. “Nu lijkt het me”, zei hij, “in mijn geest 6640 Zo ik u twee beter ken Zo ge me denkt dol te wezen, Meen ik en weet goed van deze, Die me beproeft, hoe hij zal sterven Ik zal nog een maal 6645 Zeggen, dat u zal verwonderen meer, Dan dat ge nog deed van deze heer”. De koning sprak: “mocht het waar wezen Dat u heeft gezegd van deze”? Merlijn zei hem daarnaar: 6650 “Men hangt mij is dat niet waar; En dat zeg ik Uter mede Die zal zulks horen hier ter plaatse, Die daarvan scheidt niet Eer hem dit alles is geschied”. 6655 Hier lieten ze de taal staan En volgden de abt gelijk. De abt sprak: “vraag koning, heer, Of deze man nimmermeer Van dit euvel genezen mag”. 6660 Merlijn gebaarde toen hij hem zag Genoeg alsof hij was boos: “De dood”, sprak hij, “is hem nog ver, Dat is om niet, dat hij me bekoort, Alles dat ge van mij hebt gehoord, 6665 Dat is wonderlijke taal Want als hij sterft, weet dat wel, Dat zijn hals zal breken in twee, Verdrinken en hangen, dit is wonder meer, Hier zijn sommige die zien zullen die zaken, 6670 Hij durft zich niet zo ziek te maken Want ik ken zijn hart wel, En zijn gedachten vals al”. Die man zat op en sprak: “koning, Heer, nu merk dit ding 6675 En de dolheid van deze Hoe dit waar mocht wezen, Dat ik breken zou de hals, Verdrinken en hangen, dit is vals, Dit is dat niet gebeuren kan 6680 Van mij nog van een andere man. Merkt hoe ge wijs mocht wezen, 72 Dat ge u houdt aan deze”. De koning zei: “ik doe daartoe niet Dat u zo’n vreemd ding geschiedt”. 6685 Dit ding bleef te die stond En dat wordt de lieden bekend, Wat Merlijn zei van deze man. Menig legde de geest daaraan Te onderzoeken, hoe dat mocht wezen 6690 Dat Merlijn had gezegd van deze. Onder de lieden liep de sage. Toen gebeurde op een dag, Dat die man kwam gereden Met veel lieden te ene plaats 6695 Op een rivier, die was diep, Daar een brug overliep, Zijn paard was vaardig en snel, En dat sneefde en hij viel, En brak alzo de hals in twee, 6700 Zijn voet voer min of meer In een gat van de brug gereed, Dus verdronk hij en brak de hals beide, Zijn hoofd en schouder hing in de beek En beide benen ook zekerlijk 6705 Bleef hij hangen terzelfder tijd, Daar waren er twee, zonder grap, Die dit zagen allebei, Dat Merlijn te voren zei. Vrijwel gelijk was daar groot gekrijs 6710 Van een dorper, woonde daarbij. Toen kwam al dat volk gelopen toe, En namen de dode ridder alzo. De lieden, die hoorden deze spraak Vroegen: “is hem de hals gebroken? 6715 De dorper antwoordde: “ja, hij”. Toen ze dit hoorden spraken zij: “Dus Merlijn zei niets vals, Hij zei: “u zal breken de hals, En hangen mede en verdrinken; 6720 Hij mag zich nu wel zeer goed denken Dol, die hem wantrouwt hiernaar, Want hij zei het ons al voor waar”. De man begroef men in korte stond. Al dit was Merlijn wel bekend, 6725 En zei dat Uter heimelijk En zei dat hij het de broeder zei En Uter vertelde dat de koning, Toen sprak de koning: “dit ding Heeft Merlijn al voor gezegd, 6730 En is dat dus geworden waarheid? Vraag het hem, zei hij “welke tijd dat was”. En Uter hij vroeg hem das. “Gisteren”, antwoordde Merlijn, “En de boden zullen hier zijn 6735 Vanaf nu na de zesde dag, En ik ga heen al dat ik kan, Want ik wil hier niet wezen Als het bericht komt van deze, Want men mij veel vragen zou 6740 Dat ik node beantwoorden wilde; Ik spreek voor het gewone volk Voortaan meer nimmer niet”. Dus sprak Merlijn Uter toe, En Uter zei het zijn broer toen 6745 De koning meende dat hij was boos, En sprak: “is hij noch iets ver, En weet ge waarheen dat hij gaat?” Uter zei: “Heer, ik niet weet, Maar hij wilde hier niet wezen 6750 Als het bericht kwam van deze”. Merlijn ging Blasys zoeken, En liet dat schrijven in de boeken, En Pandragoen ontzag hem dat, Dat Merlijn verbolgen was. 6755 En de zesde dag na deze, Kwamen ze, die hadden geweest Al daar gebeurd was dat wonder. De koning sprak en zij apart En zei toen, al daar hij stond: 6760 “Nu is niemand alzo goed Zoals Merlijn is, weet ik wel; Nimmermeer zegt hij taal, Ik zal dat alles beschrijven doen”. Aldus begon daar Pandragoen 6765 Een boek te schrijven op de manier Van Merlijn profetieën snel En van de koning van Engeland, Dat menigeen is onbekend. Dat boek zegt niet dat 73 6770 Wie deze goede Merlijn was; Want hij brengt het niet voort Anders dan een bedekt woord. In die tijd was Merlijn al heer Over de hele raad met grote eer 6775 Boven Aurelius Ambrosius Die de grootste was van het huis; Maar toen ze wilden zijn woord Schrijven, heeft hij dat gehoord, Zei hij Blasys die zaken. 6780 Blasys zei: “zullen ze maken Zo’n boek zoals is dat van mij?” “Neen ze niet”, sprak Merlijn, “Ze schrijven niet, al zonder waan, Dan dat ze niet kunnen begrijpen, 6785 En niet weten, hoe dat is gebeurd”. Hierna zo liet Merlijn niet, Hij kwam tot het hof; men zei hem daar Van de man al het bericht, Hoe hij was gebleven dood, 6790 Alsof hij dit niet wist klein of groot. Kwijt was de koning van alle rouw, Toen hij Merlijn mocht aanschouwen, En maakte met hem een groot feest. Hier spreekt van Merlijn het verhaal, 6795 Dat hij dat bedekte woord Allereerst begon te brengen voort, En de profetieën ook al Die niemand herkennen zal Eer dat ze voorspeld zijn 6800 Zo kan niemand weten het fijne. |
Hoe die Sennes weder in dat land quamen, ende Pandragoens doet. Nu spreket Merlijn den koninck ter stede Ende Uter sinen broeder mede, Ende zeide: “ick pine my nu zeer, Ombe iu gewin ende ombe iu eer”. 6805 Deser woerde hadden si wonder beide, Ende baden dat hi ze dan zeide, Ende algader dat hi met gebode. “Ick en heles iu niet”, sprack hi, “by Gode, Ick sal iu tellen, iu twe bysonder 6810 Des iu sal hebben groet wonder; Gedencket iu, dat gy hebbet verdreven Die Sennes, die waren gebleven In uwen lande na Hangys doet? Hangys liet geslechte groet; 6815 Doe si sine doet vernamen, Wael boude si te samene quamen, Ende swoeren, die jonge metten ouden, Dat si sine doet wreken souden, Ende si zijn verzament altehant, 6820 Alse om te winnen dat lant”. Ende beiden wonderdes alsi dat vernamen, Ende zeiden: “hebben si groet volck te samen?” “Si hebben meer volkes dan gy, Des moechdy geloven my; 6825 Si sullen iu u lant afgewinnen”. Si zeiden: “konnewy dat bekinnen, Wy en doen niet dan uwen raet”. Merlijn zeide: “nu verstaet, Welke tijt gy hoer komst bewaent: 6830 Des elften dages in Wedemaent Zullen si an uwen lande leggen Ende dit en zuldy nieman zeggen, Ende dit en weet nieman dan gy. Nu doet mynen raet daerby: 6835 Doet alle uwe liede ontbieden Ende gevet hen dan scone mieden, Elken na dien dat hi es weert, Ende oeck na dat hi verteert, Ende oeck kan decken sinen moet; 6840 Siet dat gy ze dagen doet, Ende dat si komen zekerleke In Wedemaent, in der eerster weke, In dat dal van Salesbire In den mersch op die riviere, 6845 Ende daer gereet zijn alte hant Alse daer te bescermene iu lant”. “Raet gy dat”, sprack Pandragoen te hande, “Dat wy ze daer dan laten landen?” “Ja ick”, zeide hi, “van der rivieren 6850 Zuldy ze verre laten logieren, Sodat si uwes volkes niet en weten; 74 Ende alsi dan zijn geseten, So zendet een deel van ridderscepe Tuschen hem ende hoer scepe, 6855 Iuwer een sal medevaren; Aldus zo moechdy ze vervaren, Ende vaert zo na in deser manieren, Dat gyse verre van der rivieren Houdt daer, drie dage al stille; 6860 Si zullen hebben horen onwille. Ten derden dage zuldy vichten, Ende dat wil ick iu verplichten: Gy hebbet den zege, doedy dat”. Die koninck sprack ter zelver stat: 6865 “Blivet onser enich daerin”? Merlijn sprack: “haddy begin, So koemt daer ember ende naer; Negeen man zal hebben vaer Tegen die doet, of hy die ontfaet, 6870 Also dat nu gescapen staet, Want ende moetwy ember doen”. Doe sprack die koninck Pandragoen: “Du heves gezeght wonder groet, Dattu wetes also wael mine doet, 6875 Alse die zine, die van den paerde vel Want dat wistes du harde wel; Hierombe toech hier die waerheit dine, Ende zech my dan die mine”. Merlijn sprack: “ick wil, dat gy 6880 Die Heilge bringet vor my, Ende gy my doet enen eet, Ende dat zuldy doen wael gereet, Dat ick rade doer iu goet. Ick sal minen bedeckeden moet 6885 Vor iu ontdecken saen”. Als dit die Heren hadden verstaen, Zeiden zi: “wy hebben gezworen, Wat zalstu zeggen, laet ons horen”. Hi sprack: “ick doe al sonder miede, 6890 Swert, dat gy zult zijn goede liede Ten stryde, dien men sal vichten nu Tegen Gode ende tegen iu; Ick wil dat gy gebichtet zijt, Gy hebt des te doene op deser tijt 6895 Bet dan op een ander vaert, Want gy op uwe viande vaert Ende zijt gy zule als ick gebiede, Gy zult verwinnen al die liede, Want zi hem an Gode niet en keren, 6900 Ende verweert iu lant met eren; Wat manne dat stervet in een gevecht Ombe te behoudene zijn recht, Hy es versoent jegen onsen Heer, Ende hy en zal die doet niet vruchten zeer. 6905 Ick zegge iu oeck, sint dat in dit lant Kerstenheit ierst wart bekant, So en was nie so bitter strijt No en wert hierna in langer tijt; Gy, Uter, ende gy, Pandragoen, 6910 Zweert dat gy zult iu beste doen; Ick en zegge iu meer no goet no quaet, Eer ick zie, hoe dat vergaet. Die ene van den tween sal hier sterven, Entie ander die hier sal erven, 6915 Die zal maken te Salesbiere Enen kerchof rike ende diere, Algader na mynen raet; Also lange als die werlt staet Sal mijn werck daer ane bliken. 6920 Ick hebbe gesecht, gy en kont des ontwiken, Dat die ene van iu tween hier blyven moet; Nu zijt stout ende vroet Also als ick u hebbe geseit; Elc man sal zijn gereit 6925 So hi scoenst mach ember meer Te komene vor Onsen Heer, Juwer een die moet daer varen, Doet iu bychte zonder sparen, Ende toget uwen volke scoen gelaet, 6930 Ende secht hem dan hoe dat staet; Dus koemdy in die hemelsce sale”. Dus endede Merlijn zine tale, Entie twe broeder hebben dat verstaen, Ende ontboden hoer volck saen; 6935 Doe zi daer waren, zeghet dat gedichte, Gaven zi menege scone gichte, Den hogen lieden zi doe baden Dat zi hem ten wapenen daden, Ende geboden in hoer lant, 6940 Dat volc met gewapender hant Te wesene al gemeenleke 75 In Wedemaent in der ierster weke In den plaen te Salesbiere, Op die Teemse, die scone riviere, 6945 Ombe te bescermene dat lant; Nie en was dat manne bekant, Hi en zeide dat hijt gerne dade; Dus quam dat toten dage by rade, Daer dat volc op ontboden was. 6950 Die Heren beloveden hem das, Ende daden dat Merlijn hiet. Te Sinxen en lieten zi des niet, Si en hilden hof op die riviere In dat dal van Salesbiere. 6955 Menege gave gaven zi daer. Sciere quam die niemaer vorwaer, Dat die Heidene in dat lant quamen; Ende als die Heren dat vernamen, Dachtenzi ombe Merlijns gewach; 6960 Dat was op Sante Barnabas dach. Te dien tiden geboet Pandragoen Dat zi hem bichte zouden doen, Ende elck, bi zines priesters rade, Vergeve den andren sine mesdade. 6965 Die Heidene ontscepeden met luste Ende daden hem op die ruste, Over negen dagen begonsten zi ryden; Pandragoen sprack Merline ten tyden, Ende vragede wat hi zoude doen. 6970 Merlijn zeide: “Here Pandragoen, Sendet Uter nu derwaert Met vele ridders toter vaert. Tierst dat zi komen op dat velt, Daer si hebben hoer getelt, 6975 Sal hi hem die scepe ontryden, Ende salse dwingen toten tyden Te wesene verre van der rivieren, Ende houdense kort in der manieren, Dat zi daer blyven wien lief wien leet; 6980 Dan so porret dat heer gereet; Des morgens alsi willen ryden Dan sal hi zere op hem stryden, So dat si nergen mogen varen, Daer en wert nieman so koene twaren, 6985 Hi en woude te lande weder wesen; Twe dage houdtse in desen, Des derden dages koemt met uwen heer, Ende zet u daertegen te weer. Die dach zal zijn claer ende scone; 6990 Gy zult dan zien onder den trone Ende in der lucht enen drake, Die sal bedieden uwe sake, Ende dan vechtet zonder vaer, Die zege sal iu wesen zwaer”. 6995 Dit en hoerde ne geen baroen Dan Uter ende Pandragoen; Si waren blide doe zi dat hoerden. Merlijn sprack na desen woerden: “Sijt zonder vaer, ick wil gaen, 7000 Dit es waer, dat ick iu doe verstaen, Denket omb te wesene goede man Ende stout, dit rade ick iu dan”. Aldus scheden doe die dry. Uter voer, dat zeghet men my, 7005 Tuschen die heydene entie scepe Met ziner stouter ridderscepe. Merlijn beval ze Gode beide, TUter keerde hi ende seide: “Ick zegge dy al vorwaer, 7010 Du machs wel zijn al zonder vaer, Dune sterves niet in desen stryde, Du machs met rechte wesen blyde”. Merlijn voer in Nortomberlant Aldaer hi Blasise vant. 7015 Blasys hevet al dit bescreven, Ende van hem est ons noch bleven. Uter dade die Heidene scier Verre logieren van der rivier, Ende en lietse niet te scepe varen; 7020 So zere dwanck hi ze, zonder sparen, Dat zi op dat dorre velt Hoers ondankes lagen met gewelt, Ende makede hem so sterck dat striden Datzi nergen dorsten riden; 7025 Aldus dwanck hise twe dage. Ten derden dage, zonder sage, Quam Pandragoen met zinen heer, Ende sach waer si met groter weer Lagen op dat dorre velt, 7030 Ende waer zi doe met gewelt Scaerden hoer heer te dien tyden 76 Ende wouden op Uter striden. Tierst dat hi den koninck sach Scaert hi zijn heer al dat hi mach, 7035 Ende liet lopen toten vianden. Doe dat die Heidene becanden, Dat zi allenthalven waren bestaen, Worden zi herde zere ontdaen; Zi en mochten niet nu ter tijt 7040 Ten scepen keren zonder strijt. Mettien sach men in der lucht Enen drake komen met groter vlucht, Merlijn haddet vorgesecht alhier; Die drake warp vlamme ende vier 7045 Optie scepe wt ziner kele. Dat zagen liede herde vele, Die daeraf hadden groten vaer. Pandragoen riep daernaer: “Slaet met sporen”! Ende Uter mede 7050 Sach wat zines broeder heer dede, Ende haeste hem alzo te meer. Des koninges heer versamende eer, Des scamede hem Uter aldaer; Dat zeggic iu al vorwaer. 7055 Ginder gesciede in elker zide Grote moert in genen stride; Die Heidene namen die meerre scade. Ick en hebbe te seggene gene stade, Wie daer best dade metter hant; 7060 Want ict in dat Romans niet en vant; Maer dat zeide hi, die dat bescreef, Dat daer Pandragoen doet bleef, Ende met hem ziner liede vele; Uter wan in den nijtspele. 7065 Den zege tellet ons die ieeste, Nie en las ick, no en vreeste, Dat der Heidene ienich ontstoet, Si en mosten alle bliven doet. |
Hoe de Sennen weer in dat land kwamen en Pandragoen’ s dood. Nu spreekt Merlijn de koning ter plaatse En Uter zijn broeder mede, En zei: “ik denk nu zeer, Om uw gewin en om uw eer”. 6805 Deze woorden hadden verwondering beide, En baden dat hij ze dan zei, En alles dat hij meer gebood. “Ik verheel het u niet”, sprak hij, “bij God, Ik zal het u vertellen, u twee apart 6810 Dus zal u hebben grote verwondering; Herinnert u, dat ge hebt verdreven De Sennen, die waren gebleven In uw land na Hengist dood? Hengist liet na geslacht groot; 6815 Toen ze zijn dood vernamen, Goed kwaad ze tezamen kwamen, En zwoeren, de jongen met de ouden, Dat ze zijn dood wreken zouden, En ze zijn verzameld gelijk, 6820 Als om te winnen dat land”. En beiden verwonderden zich toen ze dat vernamen, En zeiden: “hebben ze groot volk tezamen?” “Ze hebben meer volk dan gij, Dat mag ge geloven van mij; 6825 Ze zullen u uw land afwinnen”. Ze zeiden: “kunnen we dat bekennen, We doen niets dan uw raad”. Merlijn zei: “nu versta, Welke tijd ge hun komst verwacht: 6830 De elfde dag in juni Zullen ze aan uw land liggen En dit zal ge niemand zeggen, En dit weet niemand dan gij. Nu doe mijn raad daarbij: 6835 Laat al uw lieden ontbieden En geef hen dan mooie loon, Elk naar dat hij is waard, En ook naar dat hij verteert, En ook kan bedekken zijn gemoed; 6840 Ziet dat ge ze opdagen doet, En dat ze komen zekerlijk In juni, in de eerste week, In dat dal van Salisbury In de vlakte bij de rivier, 6845 En daar gereed zijn al gelijk Als daar te beschermen uw land”. “Raad ge dat aan”, sprak Pandragoen gelijk, “Dat we ze daar dan laten landen?” “Ja ik”, zei hij, “van de rivier 6850 Zal ge ze ver laten logeren, Zodat ze uw volk niet weten; 74 En als ze dan zijn gezeten, Zendt dan een deel van ridderschap Tussen hen en hun schepen, 6855 Een van u zal meevaren; Aldus zo kan je ze bang maken, En vaar zo na op deze manieren, Dat ge ze ver van de rivier Houdt daar, drie dagen geheel stil; 6860 Ze zullen hebben hun onwil. De derde dag zal ge vechten, En dat wil ik u verplichten: Ge hebt de zege, doe je dat”. De koning sprak terzelfder plaats: 6865 “Blijft er enige van ons daarin”? Merlijn sprak: “bent ge begonnen, Dan komt daar immer een eind na; Nee geen man zal hebben gevaar Tegen de dood, als hij die ontvangt, 6870 Alzo dat nu geschreven staat, Welke einde moeten we immer doen”. Toen sprak koning Pandragoen: “U hebt gezegd wonder groot, Dat u weet alzo wel mijn dood, 6875 Als diegene, die van het paard viel Want dat wist u zeer goed; Hierom getuig hier de waarheid van u, En zeg me dan die van mij”. Merlijn sprak: “ik wil, dat gij 6880 De Heiligen brengt voor mij, En ge me doet een eed, En dat zal ge doen wel gereed, Dat ik aanraadt door uw goedheid. Ik zal mijn bedekt gemoed 6885 Voor u eedelen gelijk”. Toen dit de heren hadden verstaan, Zeiden ze: “we hebben gezworen, Wat zal u zeggen, laat het ons horen”. Hij sprak: “ik doe het al zonder loon, 6890 Zweer, dat ge zult zijn goede lieden Te strijd, die men zal vechten nu Tegen God en tegen u; Ik wil dat ge gebiecht bent, Ge hebt dat te doen op deze tijd 6895 Beter dan op een andere vaart, Want ge op uw vijanden vaart En bent ge zoals ik gebiedt, Ge zult overwinnen alle lieden, Want ze zich aan God niet keren, 6900 En verweer uw land met eren; Welke man dan sterft in een gevecht Om te behouden zijn recht, Hij is verzoend met onze Heer, En hij zal die dood niet vrezen zeer. 6905 Ik zeg u ook, sinds dat in dit land Christenheid eerst werd bekend, Zo was er niet zo’n bittere strijd Of zal zijn hierna in lange tijd; Gij, Uter, en gij, Pandragoen, 6910 Zweert dat ge uw best zal doen; Ik zeg u meer geen goed of kwaad, Eer ik zie, hoe dat vergaat. De ene van de twee zal hier sterven, En de ander hier die zal erven, 6915 Die zal maken te Salisbury Een kerkhof rijk en duur, Alles naar mijn raad; Alzo lang als die wereld staat Zal mijn werk daaruit blijken. 6920 Ik heb gezegd, ge kan het dus ontwijken, Dat de ene van u twee hier blijven moet; Nu wees dapper en verstandig Zoals ik u heb gezegd; Elke man zal zijn gereed 6925 Zo hij het beste kan immer meer Te komen voor Onze Heer, Een van u die moet daar varen, Doe uw biecht zonder sparen, En getuig uw volk een schoon gelaat, 6930 En zeg hen dan hoe dat het staat; Dus kom je in de hemelse zaal”. Dus eindigde Merlijn zijn taal, En de twee broeders hebben dat verstaan, En ontboden hun volk gelijk; 6935 Toen ze daar waren, zegt dat gedicht, Gaven ze menige mooi gift, De hoge lieden ze toen baden Dat ze zich wapenen deden, En ontboden in hun land, 6940 Dat volk met gewapende hand Te wezen algemeen 75 In juni in de eerste week In de vlakte te Salisbury, Op de Teems, die mooie rivier, 6945 Om te beschermen dat land; Niet was dat de mannen bekend, Hij zei dat hij het graag deed; Dus kwam dat op de dag bij raad, Daar dat volk op ontboden was. 6950 De heren beloofden hen dat, En deden dat Merlijn zei. Te Pinksteren lieten ze dus niet, Ze hielden hof op de rivier In dat dal van Salisbury. 6955 Menige giften gaven ze daar. Snel kwam het nieuws voorwaar, Dat de heidenen in dat land kwamen; En toen de heren dat vernamen, Dachten ze om Merlijns gezegde; 6960 Dat was op Sint Barnabas dag. In die tijd gebood Pandragoen Dat ze hun biecht zouden doen, En elk, bij zijn priesters raad, Vergaf de anderen zijn misdaden. 6965 De heidenen ontscheepten met lust En lieten zich op rust, Na negen dagen begonnen ze te rijden; Pandragoen sprak Merlijn in die tijden, En vroeg hem wat hij zou doen. 6970 Merlijn zei: “Heer Pandragoen, Zend Uter nu derwaarts Met veel ridders tot de vaart. Ten eerste als ze komen op dat veld, Daar ze zich hebben getal, 6975 Zal hij hen de schepen ontnemen, En zal ze dwingen te gaan Te wezen ver van de rivier, En hou ze kort in die manieren, Dat ze daar blijven in lief of leed; 6980 Dan zo gaat dat leger gereed; ‘s Morgens als ze willen rijden Dan zal hij zeer op hen strijden, Zodat ze nergens mogen gaan, Daar zal niemand zo dapper wezen, 6985 Hij wilde te land weer wezen; Twee dagen hou je ze in deze, De derde dag kom je met uw leger, En zet u daartegen te verweer. Die dag zal zijn helder en mooi; 6990 Ge zal dan zien onder de troon En in de lucht een draak, Die zal betekenen uw zaak, En dan vecht zonder gevaar, De zege zal u wezen zwaar”. 6995 Dit hoorde geen baron Dan Uter en Pandragoen; Ze waren blij toen ze dat hoorden. Merlijn sprak na deze woorden: “Wees niet bevreesd, ik wil gaan, 7000 Dit is waar, wat ik u laat verstaan, Denk om te wezen een goede man En dapper, dit raad ik u dan”. Aldus scheidden toen die drie. Uter voer, dat zegt men mij, 7005 Tussen de heidenen en de schepen Met zijn dappere ridderschap. Merlijn beval ze aan God beide, Tot Uter keerde hij en zei: “Ik zeg u al voorwaar, 7010 U kan wel zijn zonder gevaar, U sterft niet in deze strijd, U mag met recht wezen blij”. Merlijn voer in Northumberland Al daar hij Blasys vond. 7015 Blasys heeft dit alles beschreven, En van hem is het ons nog gebleven. Uter deed de heidenen snel Ver logeren van de rivier, En liet ze niet te scheep varen; 7020 Zo zeer bedwong hij ze, zonder sparen, Zodat ze op dat dorre veld Tegen hun wil lagen met geweld, En maakte zich zo sterk met dat strijden Zodat ze nergens durfden te rijden; 702 Aldus dwong hij ze twee dagen. De derde dag, zonder sage, Kwam Pandragoen met zijn leger, En zag waar ze met groot verweer Lagen op dat dorre veld, 7030 En waar ze toen met geweld Schaarden hun leger te die tijden 76 En wilden op Uter strijden. Ten eerste dat hij de koning zag Schaarde hij zijn leger alles dat hij mag, 7035 En liet het lopen tot de vijanden. Toen dat de heidenen herkenden, Dat ze allen helemaal waren bestaan Worden ze zeer erg ontdaan; Ze konden niet nu ter tijd 7040 Tot de schepen keren zonder strijd. Meteen zag men in de lucht Een draak komen met grote vlucht, Merlijn had het voorzegd alhier; De draak wierp vlammen en vuur 7045 Op de schepen uit zijn keel. Dat zagen lieden erg veel, Die daarvan hadden groot gevaar. Pandragoen riep daarnaar: “Sla met sporen”! En Uter mede 7050 Zag wat zijn broeders leger deed, En haastte zich alzo te meer. De koning leger verzamelde eerder, Dus schaamde zich Uter aldaar; Dat zeg ik u al voor waar. 7055 Ginder gebeurde aan elke zijde Grote moord in die strijd; De heidenen hadden grotere schade. Ik heb te zeggen geen plaats, Wie daar het beste deed met de hand; 7060 Want ik dat in Romeins niet vond; Maar dat zei hij, die dat beschreef, Dat daar Pandragoen dood bleef, En met hem zijn lieden veel; Uter won in het gevecht. 7065 De zege vertelt ons het verhaal, Niet las ik, nog vernam, Dat van de heidenen enige ontvlood, Ze moesten allen blijven dood. |
Hoe Uter koninck wart, en hoe die sittene van der tafelronde gemaket worden. Aldus ende in deser manier 7070 Was die strijt te Salesbier; Daer bleef doet die koninck Pandragoen, Dat rike bleef an Uter doen, Dat recht was na des landes zede. Nu hoert wat Uter nu dede: 7075 Hi dade die Kerstene te gader dragen Die daer doet verslagen lagen, Ende hiet dat elc zinen vrient name, Ende groef hem zinen lichame, Ende leggen in ene hoge tombe 7080 Van sconen stenen al ombe; Op elken screef men hoe hi hiet; Maer op den koninck en screef men niet; Dien leide hi hoger dan nieman el, Hi zeide: “hine gevroedet niet wel 7085 Die daer niet gelovet embermeer, Dat hi was hoerre alre Heer Van dengenen die daer lagen”. Uter bleef al zine levedagen Des rikes geweldich genoech. 7090 Als hi koninges crone droech, So was hi comen te Lonnen, Ende al zijn volc quam geronnen, Daer hi hem koninck dade maken, Dit waren ember waer saken, 7095 Abbete, papen, ende clerke, Ende prelate van der kerke. Dus wart Uter, na des koninges doet, Coninck gekoren vor die genoet. Als die manscap was gedaen 7100 Van sinen mannen, daerna saen Quam Merlijn opten vijftienden dach. Tierst datten die koninck sach, Was hi van Merline herde vro; Merlijn zeide: “nu sech alzo 7105 Den volke als ic lange tijt Dy vorzeide desen strijt; Ende Uter vertellede al die sake Sonder allene van den drake, Daeraf ne wiste hi groet no clene, 7110 Want Merlijn haddet gesecht allene Pandragoene, zinen broeder. Des zo makede hi Uter doe vroeder Wat die drake mochte bedieden; Aldaer zo zeide hi den lieden, 7115 Dat hi bediede des koninges doet, Ende Uters ere vele groet. Ombe dat die koninck hiet Pandragoen 77 So woude Merlijn ember doen Dat Uters toename dat waer. 7120 Doer des broeders wille openbaer Ende doer dat teken van den drake, Ende doer deser tweer sake, Dade hyne voertmeer vor die baroen Heten Uter-Pandragoen. 7125 Van Merlijns rade haddi grote ere, Dus bleef hi werken voertmere, Sodat die raet an hem al lach. Doe gesciede op enen dach, Dat die koninck in rasten sat, 7130 Ende Merlijn zeide: “nu sech my dat: Waerombe en doestu clene no groet Te dinen broeder, die es doet Ende licht gegraven te Salesbiere”? Die koninck zeide: “nu visiere 7135 Dattu wils, ende laet my horen. Merlijn zeide: “du heves gesworen Ende gelovet oeck zelve mede, Dat wy zouden te dier stede Sulc teken setten sonder waen, 7140 Dat nembermeer en soude vergaen; Loes dinen eet, ik lose mijn woert”. Uter-Pandragoen antwoert: “Sech dinen wille, ick en does niet node”. Merlijn sprack: “ick wil, by Gode, 7145 Dat gy in Irlant nu sindet Ombe grote stene, die men daer vindet, Ende doetse brengen met ballingen; Men kanse niet so groet gebringen Ick en salse wel allene oprechten, 7150 Sendet enwech, ick vare metten knechten”. Die koninck Uter-Pandragoen Hiet al sinen wille doen, Ende dade daer vele scepe varen; Ende alsi ginder comen waren, 7155 Togede hem Merlijn grote stene, Ende zeide: “dit zijn zi, die ik mene Die gy in Engelant zult voeren. Si zeiden alle ende zwoeren, Dat die werelt gemene 7160 Niet en verbeurde die stene: “Wy en voerense niet, wat des gesciet”. Merlijn zeide: “zo es dat ombe niet Dat gy zijt komen in dit lant”. Si keerden weder al te hant, 7165 Ende zeiden den koninge, haren heer, Si meenden dat nembermeer Man gedade dat Merlijn hiet. Die koninck zeide: “dat en zegget niet Eer dat Merlijn komen zy; 7170 Sciere daerna so quam hy; Die koninck zeide hem gereit Wat die scipliede hadden geseit. “Koninck”, zeide hi, “nadien dat zy My breken trouwe, so heb ick my 7175 Van mynen gelove gequijt”. Doe dade Merlijn in corter tijt Die grote stene bringen Mit liste, sonder ander dingen, In dat dal van Salesbire; 7180 Daer leide hi den koninck scire Ende oeck vele ziner liede Te siene wat daer gesciede. Ende doe si zagen die stene, Si zeiden, dat die werlt gemene 7185 Die stene niet verporren mochte, Hem hadde wonder wiese daer brochte Want nieman haddese zien komen. Merlijn sprack: “dat zoude iu vromen, Mochty die stene doen gestaen, 7190 Dat waren die scoenste, sonder waen, Die men iergen mochte vinden, Nu wil ick mine tale enden”. Doe zeide Uter-Pandragoen: “Dit en mochte nieman doen 7195 Dan God zelve”; ende Merlijn zeide: “Nu gaet enwech ende rumet die heide, Ick wil quijten mijn gelof; Ick hebbe gedaen daer men of Also lang sal spreken, sonder waen, 7200 Alse dese werlt sal staen”. Doe rechte Merlijn gene stene Ende dade daertoe dinck negene Dan sine bedeckede aert; Doe ginck hi ten koningewaert, 7205 Dien hi mynde ende diende wel. Op ener tijt zo gevel, Dat Merlijn was wel zeker das, Dat hem die koninck houd was, Ende hi hem wel geloven zoude 78 7210 Van al dat hi hem zeggen woude. Doe gevel in ener tyde Dat hi hem riep an ene zyde, Ende zeide: “ick wil my ontdecken nu Van nuwen rade tegen iu; 7215 Gy zijt een jonck man ende een nuwe Ende al dit koninckrike is uwe, Ende hebbet al zovele in uwe hant Als enech koninck doet zijn lant. Hierombe zeggic iu een dinck: 7220 Gedenket iu iet, dat Angys ginck By nachte allene omb uwe doet, Ende ick losede iu wter noet? Hierombe duncket my goet recht, Dat gy my gelovet echt”. 7225 “Ick doe gerne”, sprack die koninck, “Want ick gelove dy alre dinck Dattu my hetes wil ick doen”. “Twaren, Here Uter-Pandragoen, Die vrome es uwe zonder sceren; 7230 Dat zal iu herde luttel deren Dat ick iu zal te voren bringen, Ende gy en moecht in genen dingen Zo lichte gewynnen dat Hemelrike”. Hi zeide: “ick zal dat doen zekerlike, 7235 Al zoudet my werden t’ongemake”. Merlijn sprack: “dat es ene sake Die vremde scijnt, ick salt dy seggen, En wilstu dat nieman te voren leggen, Ick wille dat die eer entie vrome 7240 Altemale iu daeraf kome”. Die koninck sprac: “dat en es geen man, Die dat van my geweten kan”. Merlijn sprac: “nu proevet hier in, Dat my hieraf den groten zin 7245 Die Duvel gevet ende anders niet, Dat ick weet al dat es gesciet; Maer God, die alle dinck mach geven, Heeft my gegeven daer beneven, Dat ick weet dat gescien sal. 7250 Hierby bin ick ontfonden al Den Duvele ende der Hellen toe, Want ick horen wille niet en doe. Weetty wanen my komet die macht, Die ick hebbe vorgeacht 7255 Iu te zeggene wat God gebiet? Ende als gy dat wetet, en latet niet Gy en doet Onses Heren wille. Nu hoert my ende zwiget stille: God quam dor onsen wille hare 7260 Ombe te verlosene die sondare, Hi sprack ter tafelen, daer hi sat, Met sinen jongeren ende at: My hevet verraden uwer een; Als dat waer was ende wael sceen, 7265 Die sculdege hi ginck henen saen. Doe Onse Here was verdaen An den cruce, dor onsen wille, Doe dadene af een ridder stille, Die onsen Here hadde lief. 7270 Hi was gehangen als een dief An den cruce dor onse zonden, Hi verrees in korten stonden Entie ridder, diene af dede, Voer wonen in ene woeste stede, 7275 Ende sine mage ende sine liede, Tote dat hem ene plage gesciede Ende van honger groet mesval. Doe clagedensi dat den ridder al. Doe bat hi Gode, dat Hi vertogede, 7280 Hoe zijn volc dat leet gedogede. Doe geboet hem Onse Here, Dat hi makede, in der ere Der tafelen daer hi toe sat, Ene ander ende zette daerop sijn vat, 7285 Ende deckede dat met enen clede reyne Al omb ende ombe, sonder allene An ene zyde, die tegen hem waer; Daer zoude hy kennen by die scaer Die behoerden ter goeder straten. 7290 Diegene die ter tafelen saten Hadden horen wille daermede. Daer was altoes ene ydele stede, Daer was die stat betekent mede Daer Judaes hem selven wt dede; 7295 Want hi track hem selven achter, Ende verriet Gode, des hadde hi lachter. Echter zuldy weten hiernaer, Dat die Apostelen koren daer Enen die der stat waerdich was, 7300 Dat es van Triere Mathias. Here, dit zijn tafelen twe, 79 Die concorderen myn no mee Over een onder hem beiden. Alle die liede die haer lijf leiden 730 Met Josepes tafele telkenmale Gaven hem den name van den Grale. Gelovet gy my van desen saken, Gy doet die derde tafele maken In die ere der Dryvoudecheit; 7310 Ende ick gelove iu oeck gereit, Dat iu grote ere daeraf zal komen Ende dat zal iu toter zielen vromen, Oeck sal iu uwen tyden gescien Groet wonder, daer gy toe zult zien, 7315 Ende ick iu helpen wil, Heer koninck. Daer sal oeck wesen een dinck, Daer vele talen af zal gaen Want grote gracie zullen zi ontfaen Die daer af wel spreken konnen; 7320 Entie den Grael hebben gewonnen, Entie dien oeck hebben twaren Sijn ten westenwaert gevaren, Also als dat Onse Here geboet; Ende een ander geselscap groet, 7325 Die niet en weten van den vate, Gaen westwaert die rechte strate. Geloefdy des my, gy zult doen maken Dor dese dinck al ander saken; Doedy dit, gy werdes vro”. 7330 Merlijn sprac ten koninge so, Ende dat dochte den koninge goet: “My is lief dat men dit doet, Ick wil al dat wil Onse Here”. Die koninck sprac te Merlyne mere: 7335 “Ick legge den last al op dy, Du en moges niet geheten my, Ic en wille dat algader doen”. Dat sprac Uter-Pandragoen, Ende liet hem al gewerden das; 7340 Des Merlijn wel blyde was. Fier wart Merline dat herte binnen, Hi sprack: “Here, helpet bekinnen, Waer men best doe dese dinck”. “Daer dy best duncket”, sprack die koninck, 7345 “Ende daer du Gode best betales”. Merlin sprack: “te Caredol in Wales, Daer zuldy te Sinxen hoven, Weset daer blyde, men sal iu loven, Ende gevet daer scone gichten; 7350 Ick ga vor, die dat sal dichten; Gevet my tymberman ende liede, Die dat doen dat ick gebiede”. Dat dade die koninck al te hant Ende ontboet in al sijn lant, 7355 Dat hi te Caredol, zonder sage, Hof woude houden in Sinxendage, Ende Merlijn visierde in die poert Dat toter Tafelronden behoert; Ende die koninck quam daer corteleke 7360 Vor Sinxen, in der ierster weke, Ende vragede Merlijn wat hi doet. “Wel”, sprack hi, “dat es al gespoet”. Mettien mochte men ginder scouwen Ridder komen ende Vrouwen; 7365 Doe vragede Uter-Pandragoen: “Wat liede zalstu daer sitten doen Te derre tafelen”? - “Dat zuldy zien Morgen”, sprack Merlijn mettien, “Dat gy niet en wanet gescieden: 7370 Ic sal nemen in corten tyden Vijftich ridder zekerlike Die beste van al desen rike, Alsi ter tafelen zijn geseten, Zi en zullen hem niet vermeten 7375 Weder te kerene tharen hove; Dat zullen zijn Ridder van love. Als gy die ydele stede ziet, Ne vergeet der tafelen niet Daer dese was gemaket naer”. 7380 Aldus dade Merlijn daer, Als hi hier zeide overluet: Des anderen dages koes hi wt Vijftich ridder alle by namen, 80 Ende bat hem, dat zi sitten quamen 7385 Tote gener tafelen ende aten, Zi zeiden: “gerne wtermaten”. Merlijn, die vele wijsheit konde, Ginck alombe die tafelronde, Die den koninck riep daertoe mede 7390 Ende wijsde hem die idele stede. Hi sachse, ende menech ander man, Maer nieman en wiste wat daeran Gelach, al sach hi se wael idel staen, Dan Merlijn, al sonder waen. 7395 Dat werck hadde Merlijn voldaen; Den koninck hiet hi eten gaen. “Ick en doe des niet”, zeide hy, “lieve vrient, Eer desen Heren es voldient; Ende doe men hadde voldient den heren 7400 Doe ginck die koninck eten met eren. Al die achte dage hielt hi hof Ende gaf vele, des hadde hi lof, Beide Heren ende Vrouwen, Genoech, des moechdy my getrouwen. 7405 Doe die Heren danen schieden Vragede die koninck den lieden Die te Merlijns tafele zaten Wes dat zi hem vermaten: “Here”, zeiden zi, “onser alre wille 7410 Dat es hier te blivene stille; Wy en willen niet henen sceiden Wy en mogen te Sinxen gereiden Hier te syne te tercietyde, Ende hier dan te wesene blyde; 7415 Wy willen ontbieden onse masseniede Ende leven hier alse goede liede”. “Es dit iu wille”? sprack die koninck, “Ja”, spraken zi, “waerlike dinck; Ons wondert wat dat bedieden mach, 7420 Want onser negeen nie ander sach Ende elc den ander nu dus mynt, Of hy waer sijns selves kint; Dat en doe die doet, wy en scheiden niet”! Als die koninck dat gesiet, 7425 Heet hi dat men hem dade eer Alsof hi dat selver waer ende meer. By Merlyns sinne, die vele konde, Was gemaket die tafel ronde, Ende d’hof scheed al te male. 7430 Die koninck sprack dese tale: “Merlijn, du dades my verstaen Waerby gelove ick des sonder waen, Dat Gode doch bequame zy Dese tafele, wistick doch by dy 7435 Wat bediedet deze idele stede; Ick zoude gerne vragen mede Wie dat daerinne sitten sal”. Merlijn zeide: “ick zegget dy al: In dinen tyden en wert zi niet 7440 Vervullet, wat dat des geschiet; Hi en es gewonnen no geboren Die te dier stede is verkoren, Ende dat sal wesen, gelove des my, In des koninges tyden na dy; 7445 Ende die vervullet dese stat, Hi sal oeck vervullen dat, Dat ten Grale idel es bleven; Entie den Grale zijn beneven, En zagen die stat vervullet nie. 7450 Voert zo bid ick oeck mere dy, Dat du houdes in dese poert Dinen hof; nu hoert voert: Dine getyde zalstu hier doen Ende alle dine hoge baroen 7455 Eren die tafele die hier staet”. Hi zeide: “ick doe dinen raet”. “Here”, sprack Merlijn, “ick moet gaen, Du en zies my niet, zonder waen, In langer tijt”. “Waer zalstu dan”? 7460 Antworde doe die edel man, “Ick hebbe hier mine feeste genomen, En zalstu hier niet weder komen”? Hi zeide: “ick en wil hier niet toven, Ick wil dat si des geloven 7465 Diegene, die daer zullen toezien, 81 Wat sake dat hier zal gescien, Dat ick hier zelve niet en ben”. Aldus scede hi doe van hen, Ende Merlijn ginck daer Blasys was, 7470 Ende zeide hem die waerheit das, Hoe die tafele was gesticht. Lange beide hi, zeghet dat gedicht; Meer dan drie iaer, als ict vernam, Wast eer Merlijn wederquam. 7475 Ende vele die Merlijn wouden myden, Quamen doen, in corten tyden, Tote Caredole in den hove Met menegen van love, Ende vrageden ombe die idele stat, 7480 Wat bedieden mochte dat, Ende waerombe daer sate negeen goet man Die tafele waer vervullet dan. Die koninck sprack: “Merlijn my zeide Daeraf wonder ende vremdecheide, 7485 Dat zi onvervullet bleve Also lange als ick leve, Entie daertoe zal zijn gekoren, Dat hi noch niet en es geboren”. Si zeiden dat en waer niet, 7490 Ende hi loge als een bose diet, “Gy zijt zelver alzo goet Als ieman die na iu komen moet, Ende gy hebt iu uwen lande binnen Also goede liede, wildijt bekinnen, 7495 Alse die ter tafelen eten”. Hi zeide: “ick en dar my des niet vermeten Van al dat gy nu zegget hieraf”. “Nu en doechdy niet een kaf, Gyne proevet die idele stede”. 7500 Hi zeide, dat hi des niet en dede: “Ick vruchte Merlijns oevelen moet”. “Wy en willen niet, dat gy dat doet; Gy zegget dat Merlijn al weet Wat tale dat van hem geet; 7505 Es dat waer, zo weet hy wale Dat wy van hem nu hebben tale. Moyet hem dat niet, hoe dat gaet Hi komet, want hise niet proeven laet; En ombe zine logentlicke tale 7510 Willewy dat proeven wale; Gevet ons oerlof, gy moget zien, Wat daeraf mach gescien”. Die koninck zeide: “maer dat ick vruchte Dat hem Merlijn toernen mochte, 7515 Ick en dade zo gerne gene dinck”. Doe zeidenzi weder: “Heer koninck, Levet Merlijn, hi en laet des niet gescien, Laetet ons proeven, gy moget zien”. “Te Sinxen” zeide hi, “doet alzo”. 7520 Si dankeden ende warens vro. In groter hope waren zi das Totedien dat Sinxen was, Ende Merlijn, die dat wel wiste ter kuer Telde Blasise die aventuer, 7525 Ende wat zi nu zouden bestaen. Daerombe en woude hi daer niet gaen, Ombedat zi proeven wouden die stede; Hi sprack: “my es liever mede, Dat zi proeven nu die quade 7530 Dan ieman goeders daeran mesdade, Quame ick daer oeck, dat men my soude Tyen dat ick dat benemen woude, Si en zullen geloven niet Eer zi zien wat daer gesciet; 7535 Hierombe wil ick daer niet varen”. Aldus bleef daer Merlijn twaren, Tote na Sinxen vijftien dage. Uter-Pandragoen, die gerne zage Die proeven woude die idele stat, 7540 Entie zeide oeck den koninge dat, Dat Merlijn doet waer geslegen Van dorpers die hem quamen tegen, Ende dat die koninck hilt vor waer, Ombdat Merlijn niet quam daer. 7545 Op den Sinxen dach was die koninck Te Karedoel, ende een iongelinck Ontboet dat hi komen zoude, Die die edel stat proeven woude; Die koninck sprac al openbaer 7550 Ende vragede, welc diegone waer? Doe zeide een, die stont daerby: “Coninck, men zalse proeven met my”, Ombedat hi wael metten koninge mochte, Ende hi was die dat ierst op brochte; 7555 Ende hi was herde wael geboren 82 Die des hem dade aldus te voren. Met hem hadde hi bracht aldaer Clerke, die zeiden openbaer, Dat Merlijn doet wesen zoude 7560 Ombdat hi die stat besitten woude. Die hof was groet, zi gingen eten; Die ridder waren al geseten; Hi sprac: “ick kome tot iu nu”. Si zwegen alle, dat zeggick iu, 7565 Ende zagen wat hi zoude doen. Daer stont Uter-Pandragoen Ende vele ziner liede daer mede. Diegone die ginck toter stede Ende sat dat men zine dien 7570 Ene korte wyle niet en conde zien, Doe sanck hi neder in der manier Als een loet in een rivier. Noch kersten mensche, dat zecht men my, En was zo snel verzoncken nie. 7575 Die liede, die dat zagen gescien Worden versaget alle mettien. Alsi den man hadden verloren, Quamen die ander ende haddens toren Ende wouden sitten oeck op die stat; 7580 Maer die koninck verboet hem dat, Ende hiet die ridder al op staen, So en zoude men niet bekinnen saen Die stede daer die man versanck. Dat daden si alle eer iet lanck. 7585 In den hof was rouwe ende zeer, Den koninge was therte verzeert te meer Ombdat Merlijn hem dat zeide te voren Dat ter stat nieman en was geboren, Ende hevet den edelen man becroent; 7590 Hi hilt hem zelven vor gehoent, Al hilt hi dat vor gedroch; Hiermede ontsculdegede hine noch. Ende Merlijn quam opten vijftienden dach; Doe des die koninck hoerde gewach, 7595 Quam hi jegen hem gegaen; Doe hine sach, doe zeide hi saen Dat hem dulheit was gesciet Dat hi zoude gedogen iet, Dat men proevede didel stede. 7600 Hi zeide: “ick ben gehoent daermede”. Merlijn sprack: “dit es dicke gesciet: Men vint menegerhande diet Die die liede willen beliegen Ende hen selven meest bedriegen. 7605 Du machs [dat] weten oeck daerby Dat zi zeiden dat dorpers my Vor wilt sloegen toter doet”. Die koninck zeide: “dat es waerheit groet”. Doe zeide Merlijn: “koninck, heer, 7610 Die stat en proevet nembermeer, Daer zoude af komen groet onvrede; Die stat entie tafele mede Seggick dat noch bedieden Sal grote ere vele lieden 7615 Die in desen koninckrijke zijn”. Die koninck zeide: “lieve Merlijn, Ick hebbe wonder groet twaren, Waer dese man zij gevaren”. “Here”, zeide hi, “dat en zalstu niet vragen” 7620 Want dat en moechdy niet voertdragen Al wistestu dat wael, koninck heer, Maer omb te doene al eer Dengenen die ter tafelen horen; Ende ick zegget iu te voren, 7625 Al dine feeste nu meer voert Salstu houden in dese poert Dor die tafele die hier es, Des zijt zeker ende gewes, Dat zy es waerdich groter eer. 7630 Nu doe voert dat ick dy leer; Ick moet hene miner straten, Ick zal dy dienen gerne wtermaten”. Merlijn ginck enwech na desen saken Ende hiet den koninck daer huse maken, 7635 Ende sine feeste driewerf in dat iaer Houden te Caredole binnen daer. Doe zeide Uter-Pandragoen, Hi zoude zinen wille doen. |
Hoe Uter koning werd en hoe het gebruik van de ronde tafel gemaakt werd. Aldus en op deze manier 7070 Was de strijd te Salisbury; Daar bleef dood koning Pandragoen, Dat rijk bleef aan Uter toen, Dat recht was naar lands zede. Nu hoor wat Uter nu deed: 7075 Hij liet de christenen tezamen dragen Die daar dood verslagen lagen, En zei dat elk zijn vriend nam, En begroef hem zijn lichaam, En leggen in een hoge tombe 7080 Van mooie stenen al om; Op elk schreef men hoe hij heette; Maar op de koning schreef men niet; Die legde hij hoger dan iemand anders, Hij zei: “hij bevroedt niet goed 7085 Die daar niet gelooft immermeer, Dat hij was hun aller heer Van diegenen die daar lagen”. Uter bleef al zijn levensdagen Van het rijk geweldig genoeg. 7090 Toen hij de koningskroon droeg, Zo was hij gekomen te Londen, En al zijn volk kwam tezamen, Daar hij zich koning liet maken, Dit waren immer ware zaken, 7095 Abten, papen en klerken, En prelaten van de kerk. Dus werd Uter, na konings dood, Koning gekozen voor de genodigden. Toen de manschap was gedaan 7100 Van zijn mannen, daarna gelijk Kwam Merlijn op de vijftiende dag. Ten eerste dat de koning hem zag, Was hij van Merlijn erg vrolijk; Merlijn zei: “nu zeg alzo 7105 Het volk zoals ik lange tijd U voorzei deze strijd; En Uter vertelde al die zaken Uitgezonderd alleen van de draak, Daarvan nee wist hij groot of klein, 7110 Want Merlijn had het alleen gezegd Pandragoen, zijn broeder. Dus zo maakte hij het Uter bekend Wat die draak mocht betekenen; Al daar zo zei hij de lieden, 7115 Dat het betekende konings dood, En Uters eer zeer groot. Omdat de koning heette Pandragoen 77 Zo wilde Merlijn immer doen Dat het Uters bijnaam dat was. 7120 Vanwege de broeders wil openbaar En door dat teken van de draak, En door deze twee zaken, Liet hij hem verder meer voor de baronnen Heten Uter-Pandragoen. 7125 Van Merlijns raad had hij grote eer, Dus bleef hij werken voortaan meer, Zodat de raad geheel aan hem lag. Toen gebeurde op een dag, Dat de koning te rusten zat, 7130 En Merlijn zei: “nu zeg me dat: Waarom doet u niet klein of groot Tot uw broeder, die is dood En licht begraven te Salisbury”? De koning zei: “nu versier 7135 Wat u wil, en laat me horen. Merlijn zei: “u heeft gezworen En beloofd ook zelf mede, Dat we zouden in die plaats Zo‘n teken zetten zonder waan, 7140 Dat nimmermeer zou vergaan; Los uw eed in, ik los mijn woord”. Uter-Pandragoen antwoordt: “Zeg uw wil, ik doe het niet node”. Merlijn sprak: “ik wil, bij God, 7145 Dat ge in Ierland nu zendt Om grote stenen, die men daar vindt, En laat ze brengen met ballingen; Men kan ze niet zo groot brengen Ik zal ze wel alleen oprichten, 7150 Zendt ze weg, ik vaar met de knechten”. De koning Uter-Pandragoen Liet al zijn wil doen, En liet daar veel schepen varen; En toen ze ginder gekomen waren, 7155 Toonde hem Merlijn grote stenen, En zei: “dit zijn ze, die ik bedoel Die ge in Engeland zal voeren. Ze zeiden alle en zwoeren, Dat de wereld algemeen 7160 Niet verroert die stenen: “Wij vervoeren ze niet, wat er dus gebeurt”. Merlijn zei: “zo is dat om niet Dat ge bent gekomen in dit land”. Ze draaiden om al gelijk, 7165 En zeiden de koning, hun heer, Ze meenden dat nimmermeer Men deed dat Merlijn zei. De koning zei: “dat zeg je niet Eer dat Merlijn gekomen is; 7170 Snel daarna zo kwam hij; De koning zei hem gereed Wat de schippers hadden gezegd. “Koning”, zei hij, “nadien dat zij Mijn trouw breken, zo heb ik mij 7175 Van mijn belofte bevrijd”. Toen liet Merlijn in korte tijd Die grote stenen brengen Met list, zonder andere dingen, In dat dal van Salisbury; 7180 Daar leidde hij de koning snel En ook veel zijn lieden Te zien wat daar geschiedde. En toen ze zagen die stenen, Ze zeiden, dat de wereld algemeen 7185 Die stenen niet verzetten mochten, Hen had het verwonderd wie ze daar bracht Want niemand had ze zien komen. Merlijn sprak: “dat zou u nuttig zijn, Mocht ge de stenen laten staan, 7190 Dat waren de mooiste, zonder waan, Die men ergens kon vinden, Nu wil ik mijn taal eindigen”. Toen zei Uter-Pandragoen: “Dit kan niemand doen 7195 Dan God zelf”; en Merlijn zei: “Nu ga weg en ruim de heide, Ik wil kwijt schelden mijn belofte; Ik heb gedaan daar men van Alzo lang zal spreken, zonder waan, 7200 Als deze wereld zal staan”. Toen richtte Merlijn die stenen En deed daartoe ding nee geen Dan zijn bedekte aard; Toen ging hij te koning waart, 7205 Die hij beminde en diende wel. Op een tijd zo geviel, Dat Merlijn was wel zeker dat, Dat hem de koning gunstig was, En hij hem wel geloven zou 78 7210 Van alles dat hij hem zeggen wilde. Toen gebeurde op een tijd Dat hij hem riep aan een zijde, En zei: “ik wil me bloot geven nu Van nieuwe raad tegen u; 7215 Ge bent een jonge man en een nieuwe En dit hele koningrijk is de uwe, En hebt al zoveel in uw hand Als enig koning doet zijn land. Hierom zeg ik u een ding: 7220 Gedenkt u iets, dat Hengist ging Bij nacht alleen om uw dood, En ik verloste u uit de nood? Hierom lijkt het me goed recht, Dat ge me belooft echt”. 7225 “Ik doe graag”, sprak de koning, “Want ik beloof u in alle ding Dat u me zegt wil ik doen”. “Te waren, heer Uter-Pandragoen, De dapperste bent u zonder scherts; 7230 Dat zal u erg weinig deren Dat ik u tevoren zal brengen, En ge mag in geen dingen Zo licht winnen dat Hemelrijk”. Hij zei: “ik zal dat doen zekerlijk, 7235 Al zou het me worden ongemakkelijk”. Merlijn sprak: “dat is een zaak Die vreemd schijnt, ik zal het u zeggen, Wil u dat niemand voor leggen, Ik wil dat de eer en die dapperheid 7240 Allemaal u daarvan komt”. De koning sprak: “daar is geen man, Die dat van mij weten kan”. Merlijn sprak: “nu beproef het hierin, Dat me hiervan de grote geest 7245 De duivel geeft en anders niet, Dat ik alles weet dat is geschied; Maar God, die alle ding mag geven, Heeft me gegeven daar benevens, Dat ik weet dat geschieden zal. 7250 Hierbij ben ik ontvlogen al De duivel en de hel toe, Want ik hun wil niet doe. Weet ge waarvan me komt de macht, Die ik heb voor geacht 7255 U te zeggen wat God gebiedt? En als ge dat weet, laat het niet Ge doet Onze Heer wil. Nu hoor me en zwijg stil: God kwam door onze wil hier 7260 Om te verlossen die zondaren, Hij sprak ter tafel, daar hij zat, Met zijn jongeren en at: Mij heeft verraden van u een; Als dat waar was en wel scheen, 7265 De schuldige hij ging heen samen. Toen Onze Heer was verdaan Aan het kruis, door onze wil, Toen deed hem af een ridder stil, Die Onze Heer had lief. 7270 Hij was gehangen als een dief Aan het kruis door onze zonden, Hij verrees in korte stonden En die ridder, die hem er af deed, Ging wonen in een woeste plaats, 7275 En zijn verwanten en zijn lieden, Totdat hem een plaag geschiedde En van honger groot misval. Toen klaagden ze dat bij de ridder al. Toen bad hij God, dat Hij toonde, 7280 Hoe zijn volk dat leed gedoogde. Toen gebood hem Onze Heer, Dat hij maakte, in de eer De tafel waar hij aan zat, Een andere en zette daarop zijn vat, 7285 En bedekte dat met een kleed rein Alom en om, uitgezonderd alleen Aan 1 zijde, die tegenover hem was; Daar zou hij herkennen bij de scharen Die behoorde tot de goede straten. 729 Diegene die ter tafel zaten Hadden hun wil daarmee. Dat daar was altijd een lege plaats, Daar was die plaats bekend mee Daar Judas zichzelf uit deed; 7295 Want hij trok zichzelf achteruit, En verraadde God, dus had hij lachen. Echter zal ge weten hiernaar, Dat de Apostelen kozen daar Een die de plaats waardig was, 7300 Dat is van Trier Mathias. Heer, dit zijn tafels twee, 79 Die overeenkomen min of meer onder hen beiden. Alle lieden die hun leven leiden 730 Met Joseph’s tafel telkenmaal Gaven hem de naam van de Graal. Beloof je me van deze zaken, Ge laat de derde tafel maken In die eer van de Drievuldigheid; 7310 En ik beloof u ook gereed, Dat u grote eer daarvan zal komen En dat zal u tot de ziel baten, Ook zal u in uw tijd geschieden Groot wonder, daar ge toe zal zien, 7315 En ik u helpen wil, heer koning. Daar zal ook wezen een ding, Daar veel verhaal van zal gaan Want grote genade zullen ze ontvangen Die daarvan goed spreken kunnen; 7320 En die de Graal hebben gewonnen, En die ook hebben te waren Zijn te westwaarts gevaren, Zoals dat Onze Heer gebood; En een ander gezelschap groot, 7325 Die niets weet van het vat, Gaan westwaarts de rechte straat. Beloof je dus mij, ge zal laten maken Door dit ding alle andere zaken; Doe je dit, ge wordt vrolijk”. 7330 Merlijn sprak tot de koning zo, En dat leek de koning goed: “Mij is lief dat men dit doet, Ik wil alles dat wil Onze Heer”. De koning sprak tot Merlijn meer: 7335 “Ik leg de last geheel op u, U mag niet zeggen tegen mij Ik wil dat alles doen”. Dat sprak Uter-Pandragoen, En liet hem al geworden dat; 7340 Dus Merlijn erg blij was. Fier werd Merlijn dat hart van binnen, Hi sprak: “Heer, help bekennen, Waar men het beste doet dit ding”. “Daar ge het beste lijkt”, sprak de koning, 7345 “En daar u God het beste betaalt”. Merlijn sprak: “te Caredol in Wales, Daar zal ge te Pinkster hoven, Wees daar blij, men zal u loven, En geef daar mooie giften; 7350 Ik ga voor, die dat zal dichten; Geef me timmermannen en lieden, Die dat doen dat ik gebied”. Dat deed de koning al gelijk En ontbood in zijn hele land, 7355 Dat hij te Caredol, zonder sage, Hof wilde houden in Pinksterdagen, En Merlijn versierde in die poort Dat tot de tafelronde behoort; En de koning kwam daar gauw 7360 Voor Pinksteren, in de eerste week, En vroeg Merlijn wat hij doet. “Wel”, sprak hij, “dat is al gedaan”. Meteen mocht men ginder aanschouwen Ridders komen en vrouwen; 7365 Toen vroeg Uter-Pandragoen: “Welke lieden zal u daar zetten doen Bij die tafel”? - “Dat zal ge zien Morgen”, sprak Merlijn meteen, “Dat ge niet meent te geschieden: 7370 Ik zal nemen in korte tijden Vijftig ridders zekerlijk De beste van dit hele rijk, Als ze ter tafel zijn gezeten, Ze zullen zich niet vermetel 7375 Weer te keren naar hun hoven; Dat zullen ridders zijn van lof. Als ge de lege plaats ziet, Nee vergeet de tafel niet Daar deze was gemaakt daarnaar”. 7380 Aldus deed Merlijn daar, Zoals hij hier zei overluid: De volgende dag koos hij uit Vijftig ridders alle bij namen, 80 En bad hen, dat ze zitten kwamen 7385 Tot die tafel en aten, Ze zeiden: “graag uitermate”. Merlijn, die veel wijsheid kon, Ging alom die tafel rond, Die de koning riep daartoe mede 7390 En wees hem die lege stede. Hij zag ze, en menige andere man, Maar niemand wist wat daaraan Lag, al zag hij het wel leeg staan, Dan Merlijn, al zonder waan. 7395 Dat werk had Merlijn voldaan; De koning zei hij eten te gaan. “Ik doe dat niet”, zei hij, “lieve vriend, Eer deze heer is volledig bediend; En toen men had bediend de heren 7400 Toen ging de koning eten met eren. Alle acht dagen hield hij hof En gaf veel, dus had hij lof, Beide heren en vrouwen, Genoeg, dat mag ge me vertrouwen. 7405 Toen de heren er vandaan scheidden Vroeg de koning de lieden Die te Merlijns tafel zaten Of ze zich vermaakten: “Heer”, zeiden ze, “onze aller wil 7410 Dat is hier te blijven stil; Wij willen niet heen scheiden Wij mogen te Pinkster bereiden Hier te zijn te 9 uur tijd, En hier dan te wezen blij; 7415 We willen ontbieden onze manschappen En leven hier als goede lieden”. “Is dit uw wil”? sprak de koning, “Ja”, spraken ze, “waarlijk ding; Ons verwondert wat dat betekenen mag, 7420 Want van ons geen die andere zag En elk de andere nu dus mint, Of hij was zijn eigen kind; Dat en tot de dood, we scheiden niet”! Toen de koning dat zag, 7425 Zei hij dat men hen deed eer Alsof hij dat zelf was en meer. Bij Merleins geest, die veel kon, Was gemaakt die tafel rond, En het hof scheidde allemaal. 7430 De koning sprak deze taal: “Merlijn, u liet me verstaan Waarbij ik geloof dus zonder waan, Dat God toch bekwaam is Deze tafel, wist ik toch van u 7435 Wat betekent deze lege plaats; Ik zou graag vragen mede Wie daarin zitten zal”. Merlijn zei: “ik zeg het u al: In uw tijd wordt ze niet 7440 Gevuld, wat dat er geschiedt; Hij is niet gewonnen of geboren Die op die plaats is gekozen, En dat zal wezen, geloof dus mij, In de konings tijden na u; 7445 En die vult deze plaats, Hij zal ook vervullen dat, Dat bij de Graal leeg is gebleven; En de Graal zal er zijn benevens, Zagen die plaats vervullen niet. 7450 Voorts zo bid ik ook meer u, Dat u houdt in deze poort Uw hof; nu hoor voort: Uw getijden zal u hier doen En al uw hoge baronnen 7455 Eren de tafel die hier staat”. Hij zei: “ik doe uw raad”. “Heer”, sprak Merlijn, “ik moet gaan, U ziet me niet, zonder waan, In lange tijd”. “Waar zal u dan”? 7460 Antwoordde toen die edelman, “Ik heb hier mijn feest genomen, En zal u hier niet weer komen”? Hij zei: “ik wil hier niet vertoeven, Ik wil dat ze dus geloven 7465 Diegene, die daar zullen toezien, 81 Welke zaken dat hier zullen geschieden, Als ik hier zelf niet ben”. Aldus scheidde hij toen van hem, En Merlijn ging daar Blasys was, 7470 En zei hem de waarheid dat, Hoe de tafel was gesticht. Lang wachtte hij, zegt dat gedicht; Meer dan drie jaar, zoals ik het vernam, Was het eer Merlijn weer kwam. 7475 En veel die Merlijn wilden mijden, Kwamen toen, in korte tijden, Tot Caredol in het hof Met menigeen van lof, En vroegen om die lege plaats, 7480 Wat betekenen mocht dat, En waarom daar zat geen goede man De tafel was gevuld dan. De koning sprak: “Merlijn me zei Daar van wonder en vreemdheid, 7485 Dat ze onvervuld bleef Zo lang als ik leef, En die daartoe zal zijn gekozen, Dat hij nog niet is geboren”. Ze zeiden dat was zo niet, 7490 En hij loog zoals een kwaad volk, “Ge bent zelf alzo goed Als iemand die na u komen moet, En ge hebt in uw land binnen Alzo goede lieden, wil ge het bekennen, 7495 Als die aan de tafel eten”. Hij zei: “ik durf me dus niet te vermetel Van al dat ge nu zegt hiervan”. “Nu deugt dat niets, Ge beproeft die lege plaats”. 7500 Hij zei, dat hij het dus niet deed: “Ik ben bang van Merlijns euvele moed”. “We willen niet, dat ge dat doet; Ge zegt dat Merlijn alles weet Welke taal dat van hem gaat; 7505 Is dat waar, dan weet hij wel Dat we van hem nu hebben taal. Vermoei hem dat niet, hoe dat het gaat Hij komt, want hij zich niet beproeven laat; En om zijn leugenachtige taal 7510 Willen we dat beproeven wel; Geef ons verlof, ge mag het zien, Wat daar van mag geschieden”. De koning zei: “maar dat ik vrees Dat zich Merlijn vertoornen mocht, 7515 Ik deed zo graag geen ding”. Toen zeiden ze weer: “Heer koning, Leeft Merlijn, hij laat het dus niet geschieden, Laat het ons het beproeven, ge mag het zien”. “Te Pinkster” zei hij, “doe alzo”. 7520 Ze dankten hem en waren vrolijk. In grote hoop waren ze dus Totdat het Pinkster was, En Merlijn, die dat wel wist ter keur Vertelde Blasys het avontuur, 7525 En wat ze nu zouden doorstaan. Daarom wilde hij daar niet gaan, Omdat ze beproeven wilden die plaats; Hij sprak: “me is liever mede, Dat ze beproeven nu dat kwade 7530 Dan een goed iemand daaraan misdeed, Kwam ik daar ook, dat men mij zou Binden dat ik dat benemen wilde, Ze zullen het geloven niet Eer ze zien wat daar geschiedt; 7535 Hierom wil ik daar niet varen”. Aldus bleef daar Merlijn te waren, Tot na Pinkster vijftien dagen. Uter-Pandragoen, die graag zag Die beproeven wilden die lege plaats, 7540 En die zeiden ook de koning dat, Dat Merlijn dood was geslagen Van dorpers die hij kwam tegen, En dat de koning hield voor waar, Omdat Merlijn niet kwam daar. 7545 Op Pinksterdag was de koning Te Caredol, en een jongeling Ontbood dat hij komen zou, Die de lege plaats beproeven wou; De koning sprak al openbaar 755 En vroeg, wie diegene was? Toen zei er een, die stond daarbij: “Koning, men zal het beproeven met mij”, Omdat hij wel met de koning mocht, En hij was die dat eerst had opbracht; 7555 En hij was erg goed geboren 82 Die dus zich deed aldus tevoren. Met hem had hij gebracht aldaar Klerken, die zeiden openbaar, Dat Merlijn dood wezen zou 7560 Omdat hij die plaats bezitten wou. Dat hof was groot, ze gingen eten; De ridders waren al gezeten; Hij sprak: “ik kom tot u nu”. Ze zwegen allen, dat zeg ik u, 7565 En zagen wat hij zou doen. Daar stond Uter-Pandragoen En veel van zijn lieden daarmee. Diegene die ging tot de plaats En zat dat men zijn dijnen 7570 Een korte tijd niet kon zien, Toen zonk hij neer in die manier Als een lood in een rivier. Geen christen mens, dat zegt men mij, Was zo snel verzonken niet. 7575 De lieden, die dat zagen geschieden Worden bang alle meteen. Toe ze de man hadden verloren, Kwamen de anderen en hadden toorn En wilden ook zitten op die plaats; 7580 Maar de koning verbood hen dat, En zei de ridders al op te staan, Zo zou men niet herkennen gelijk De plaats daar die man verzonk. Dat deden ze alle aanstonds. 7585 In de hof was rouw en zeer, De koning was het hart bezeerd te meer Omdat Merlijn hem dat zei tevoren Dat voor die plaats niemand was geboren, En heeft de edele man zich bekreund; 7590 Hij hield zichzelf voor gehoond, Al hield hij dat voor gedrocht; Hiermee verontschuldigde hij zich nog. En Merlijn kwam op de vijftiende dag; Toen dus de koning dat hoorde zeggen, 7595 Kwam hij naar hem gegaan; Toen hij hem zag, toen zei hij gelijk Dat hem dolheid was gebeurd Dat hij zou gedogen iets, Dat men beproefde de lege plaats. 7600 Hij zei: “ik ben gehoond daarmee”. Merlijn sprak: “dit is vaak gebeurd: Men vindt menigvormig volk Die de lieden willen beliegen En zichzelf het meeste bedriegen. 7605 U mag dat weten ook daarbij Dat zeiden de dorpers mij Voor wild sloegen dood”. De koning zei: “dat is waarheid groot”. Toen zei Merlijn: “koning, heer, 7610 Die plaats beproef je nimmermeer, Daarvan zou komen grote onvrede; Die plaats en die tafel mede Zeg ik dat nog zal betekenen Zal grote eer voor veel lieden 7615 Die in dit koningrijk zijn”. De koning zei: “lieve Merlijn, Ik heb verwondering groot te waren, Waar deze man is gevaren”. “Heer”, zei hij, “dat zal u niet vragen” 7620 Want dat mag ge niet verder dragen Al wist u dat wel, koning heer, Maar om te doen alle eer Diengenen die tot de tafel behoren; En ik zeg het u tevoren, 7625 Al uw feesten nu meer voort Zal u houden in deze poort Door de tafel die hier is, Dus wees zeker en gewis, Dat het is waarlijk een grote eer. 7630 Nu doe voort dat ik u leer; Ik moet heen in mijn straten, Ik zal u dienen graag uitermate”. Merlijn ging een weg na deze zaken En zei de koning daar huis te maken, 7635 En zijn feesten drie maal in dat jaar Houden te Caredol binnen daar. Toen zei Uter-Pandragoen, Hij zou zijn wil doen. |
Hoe die koninck Uter-Pandragoen des Hertogen wijf mynde van Tintaveel, ende den koninck Artur daeran wan. Een lange tijt daerna gesciede, 83 7640Dat die koninck al sine hoge liede Ontboet daer te sinen hove, Ende si dadent alle met love, Ende elc brachte daer zine vrouwe, Sine kamerere ende sine joncfrouwe, 7645 Sine dochter ende sine nichten mede Ende sine mage daer ter stede Dor sine ere enten hogen dach, Daer zine feeste op gelach, In Kerstendage zi alle quamen 7650 Sine hoge liede al by namen; Daer quamen vele scone wive Ende ridder van fieren live; In dat Walsc so en es nieman genomet Sonder daer die mare af komet, 7655 Dier nomet hi een deel: Daer was die hertoge van Tintaveel Ende zijn wijf die scone Ygerne, Die Uter-Pandragoen zach gerne; Si was die scoenste die daer was. 7660 Wel behagede den koninge das, Nochtan leidi haer des niet te voren, Dat hise dus hadde verkoren, Sonder dat hi meer zach op haer. Des so wart die vrouwe gewaer 7665 Dat hi se gerne doe ansach; Si scouwde hem weder al dat si mach, Ende quam vor den koninck node, Want si was simpel ende blode Ende scone ende hoeren manne getrouwe. 7670 Die koninck begavede menege vrouwe; Als hi sach, dat zi des gewaer Was worden, nochtan zende hi haer Al dat hi wiste dat haer bequam; Si wiste wael ende vernam 7675 Dat ander vrouwen hadden genomen, Ende zi en mochte des niet afkomen Si moeste nemen dat men haer gaf, Ende zi merkede wel daeraf Dat die koninck al openbaer 7680 Die vrouwen begavede al dor haer, Anders en zeide hi niet daer of. Dor haer hielt die koninck hof Nochtoe was hi zonder wijf, Ygernen mynnede hi vor zijn lijf, 7685 Want hi in ommacht vil dor haer Alsi dachte wan si enwech waer; Ende als die hof soude sceiden Bat hi Heren ende Vrouwen beiden, Dat si te Paeschen zouden hoven; 7690 Aldus moestensi dat beloven. Alse dhertoge van Tintaveel Voer enwech, geleide hine een deel, Ende zeide: “vaert gesont ende blide” Ygerne leidi over ene zide 7695 Ende zeide: “Vrouwe, wet dat wael nu, Dat gy mijn herte voeret met iu” Si voer of si des niet en verstoede Dat hi se minde dor haer goede; Mettien zeide hi: “vaert gesont”, 7700 Ende keerde weder in korter stont. Die vrouwe voer met hoeren man. Die koninck voer te Karedol dan, Den Heren van der Tafelronden Dadi grote ere te dien stonden. 7705 Daerna voer hi in zijn lant, Te rechtene daer hijs te doene vant. Waer zo hi voer, hem brande die minne Van der sconer hertoginne, So lange dat was Paeschen by. 7710 Te ‘s koninges hove quamen zy Beide Heren ende Vrouwen; Vro mochte men den koninck scouwen, Doe die hertoge quam ende Ygerne, Vele gaf hi doe ende gerne 7715 Heren Vrouwen, wildy dat weten; Die koninck ginck zitten ende eten, Den hertoge nam hi by ziner ziden Ende Ygernen te dien tiden Gaf hi menige gichte rike 7720 Ende toende haer zulke like Dat soe des ontseggen niet en mochte, Ende dat soe haer wael des bedochte, Datse die koninck minde vorwaer; Des was zi in groter vaer, 7725 Men mochtet wel merken in horen ogen. Dat stont zo, si moestet gedogen. Doe die feeste was gedaen, Woude elc te sinen lande saen, Ende nemen oerlof an horen Heer. 84 7730 Die koninck bat hen allen zeer, Dat zi quamen, als hise ontbode; Si zeiden: “Here, dat latewy node”. Alse dat volc was gesceden Die koninck moeste zijn lijf leden 7735 Met pynen dor die hertoginne. Een iaer was hi wel daerinne, Doe ontdeckede hi dat sinen vrienden twe Dat hem van minnen ware we. Si zeiden: “wat mochten wy iu raden”? 7740 Doe zeidi: “gy mochtet my gestaden Dat ick in haer geselscap waer”. Si zeiden: “voerdy nu aldaer, Ende laget binnen horen lande, Die liede zouden iu des spreken scande, 7745 Alsi die waerheit wisten van desen”. Hi zeide: “wat rade zal mijns dan wesen”? “Wy zullen iu dat beste zeggen: Gy zult enen anderen hof doen leggen Te Karedole, ende men ontbiede 7750 Daer te komene alle die liede, Ende dat si hem also bespreken Daer te liggene twe weken, Ende elc brenge sine vrouwe; Dus moechdy beteren uwen rouwe, 7755 Ende spreken Ygernen, iu toeverlaet”. Dit dochte den koninge een goet raet. Dus hiet Uter-Pandragoen, Dat men ontbode die baroen Te hove te komene, wie dat mochte, 7760 Ende elc sine vrouwe daer brochte. Si quamen toten hove scone Entie koninck die droech krone, Ende hi gaf daer scone gichten Ridderen, vrouwen, ende nichten, 7765 Daer hem dat goet dochte tien tyde. Die koninck die was herde blyde; Doe zochte hi raet ende vroude An enen dien hy best betroude, Entaer hine an sochte was Ulfijn. 7770 Die koninck sprack: “hoe sal dit zijn, Dat my Ygerne dus doet lusten? Ick en kan geslapen no rusten No gegaen no sitten no ryden, Ick wane sterven tallen tyden 7775 Als ick se met ogen niet en scouwe, Ende als ickse zie vliet my al rouwe; Dat en zij dat men my raet mach geven, Ick en mach aldus niet lange leven”. “Gy zijt kranck”, sprack Ulfijn, “van live, 7780 Dat iu die minne van enen wive Aldus zere nu leget an; Ick ben, met iu, een arm man, Nochtan meende ick van myner mynnen, Stondet my aldus, wael raet gewynnen: 7785 Wie hoerde oit zeggen, dat wijf mochte Haer verweren, daer men se versochte, Ende men haer mochte clagen, Spreken, eyschen, ende vragen, Ende ere doen al horen gesellen? 7790 Van zulken wive hoerde ick noit tellen Die des mochte ontgaen in alre tijt, Ende gy Here ende Koninck zijt, Gy stervet ombe ener vrouwen mynne! Dat comet iu al van crancken synne”. 7795 Hi sprack: “du zegges die waerheit al; Ende, of du wetes wat daertoe sal, Ganck in die kamer ende gif miede Al der Vrouwen masniede, Elkerlijk dat hi begeert, 7800 Ende dan spreket te haer weert Van my, of dat mach sijn”. “Laet my gewerden”, sprack Ulfijn, “Ick sal daer mijne macht toe doen”. Nu hevet Uter-Pandragoen 7805 Met Ulfine genomen raet: “Nu proevet wael, hoet my staet, Mynne te zoecken weder horen wille”. Ulfijn zeide, lude no stille: “Want gy zijt des hertogen vrient, 7810 Iu geselscap hem gedient, Ende getroestet iu selven wal”. Die koninck zeide: “ick doe dat al”. Dit was te prysene goet raet. By Ulfijns rade, zo bestaet 7815 Die koninck te wesene al vro; Achte dage hilt hi hem also, Dat hi entie hertoge niet en scieden. Hi gaf hem vele scoenre mieden So dade hi sinen riddren mede. 85 7820 Altoes pijnde hi hem dat hi dede Waer so hi mochte sinen wille, Beide vro lude ende stille; Ende Ulfijn clagede haer des koninges noet, Menege scoenhede hi haer boet 7825 Dat si somwijle niet en nam. Eens dat Ulfijn tot haer quam, Die vrouwe tracken an ene zyde, Ende zeide: “Ulfijn, zech wat nyde Wiltu nu versoenen daermede, 7830 Dattu my biedes dese scoenhede?” “Vrouwe”, sprack hi, “dor iu doget Ende omb iu scone joghet, So biede ick iu dese scoenheit nu Want al dit lant staet an iu, 7835 Goet ende liede ende al dat des es”. “Waerby”, zeide zi, “gelove ik nu des”? “Want gy draget des koninges leven, Dien al dit koninckrike es bleven; Nadien dat gy zijn lijf behout, 7840 So staet dat al in uwer gewout”. “Wat zechstu”, zeide zi, “van wes doene”? “Vrouwe, van Uter-Pandragoene”. Zi zegende haer ende sprac met staden: “Connen koninge dus verraden? 7845 Hi vaert of hi mynen heer Ende my gerne dade al eer! Ick bidde, dattu des nember en zegges Noch my oeck te voren en legges, Ick zoude dat clagen mynen man, 7850 Entu zoudes daerombe sterven dan; Maer zwijch, en zech des nembermeer”. Ulfijn sprac: “dat waer mijn eer, Word ick dor mynen here verslegen; Nie en sette haer wijf daertegen, 7855 Dat si enen koninck verzeide Die zulke minne an haer leide; Ick wane gy houdt daer mede iu spot, Hebt des genade doch doer Godt Iuwes selves ende uwer eren; 7860 Gy en willet dat ten besten keren, Daer ligget iu scade an; Noch gy, noch iu goede man En moget tegen hem niet gestaen”. Die vrouwe begonste wenen saen, 7865 Ende zeide: “nu zwiget al stille, Hi en siet maer na sinen wille”. Pijnlike si versceden zijn Die scone Ygerne ende Ulfijn; Ende Ulfijn zeidet den koninge voert 7870 Wat hi hadde geantwoert. Hi sprack: “zi doet als een goet wijf, Daerombe en makes geen blijf, So saen en zecht geen goet wijf ia”. Opten iersten dach daerna 7875 Sat die koninck ende at, Entie hertoge by hem sat, Een guldijn kop stont over hem; Ulfijn sprack: “koninck, nu nem Desen cop, ende senden Ygerne, 7880 Si zalne ontfangen herde gerne, Ende zegget den hertoge, hoeren man, Dat hi dat haer ontbiede dan, Ende zine dor dinen wille ontfa, Ende zi daerwt drinke daerna”. 7885 Die koninck zeide ten hertoge: “Sende Ygernen, die sit in hogen, Desen cop ende ontbiet haer stille, Datsi daerwt drincke dor minen wille Ende zine houde, ick ans haer wel”. 7890 Die hertoge antworde sonder fel: “Here, danck hebt, want Ygerne Salne van iu ontfangen gerne”. Die hertoge van Tintavel Riep enen ruyter, hiet Bretel, 7895 Die was van sinen nauwesten rade: “Nemet dezen cop, gy hebt die stade, Ende gaet daer Ygerne sit, Ende secht: die koninck sent haer dit, Ende dat zi drincke desen dranck 7900 Doer hem ende si hem des wete danck”. Bretel dade gerne dat, Hi ginck aldaer die vrouwe sat, Met anderen vrouwen, tharen male, Hi knielde ende sprac dese tale: 7905 “Die koninck sent iu desen cop, Ende mijn here wil, sonder scop, Dat gy daerwt drincket, hi en es niet quaet, Ende dat gine doer sinen wille ontfaet”. Ygerne hadde des scame groet, 86 7910 Ende si wort onder den ogen roet, Maer ombedat die hertoge hiet, So en dorste zine ontseggen niet, Ende dranck daerwt ende settene neder, Ende zeide dat men hem droege weder. 7915 Bretel zeide: “die koninck bat, Ende mijn here wil oec dat, Dat gyne houdt, hi geeften iu gerne”. Doe pinsede wael die scone Ygerne, Ende wiste wael, zi moesten ontfaen. 7920 Bretel keerde ten koninge saen, Ende dankede hem van der Vrouwen, Dat si doch niet en sprack in trouwen. Quale, versuchten, ende zeer Verloes die koninck vorwaert meer 7925 Doe men hem dankede van der Vrouwen. Ulfijn ginck merken wat rouwen Ygerne daer hadde, daer si sat, In der kamer, daer si sat ende at; Hi vantse denkende ende gram. 7930 Doe zi Ulfine daer vernam, Riep sine want die tafele was enwech: “Ulfijn, by wat rade, nu, sech, Dade men my desen cop ontfaen? Maer wetet nu wael sonder waen, 7935 Dat zijn gewin clene zal zijn! Ick doe dat noch eer morgijn Die lachter wert minen Heren geclaget, Dien gy twe te mywaert iaget”. Hi sprack: “gy en zijt niet zo ries, 7940 Want clagede een vrouwe dies, Haer man soude haer mestrouwen te meer; Swiget, dat es bet iu eer, Ondanck hebbe hi die hem des hoeden sal”. Dus zo sceed die tale al. 7945 Mettien hadde die koninck gegeten, Ende zeide ten hertoge: “gy zult weten, Wy gaen ten vrouwen ende tot Ygerne”. Die hertoge zeide: “Here, gerne”. Dus zijnsi in die kamer gegaen. 7950 Ygerne hevet wael verstaen, Dat Uter-Pandragoen aldaer Doer nyeman en quam dan doer haer. Toter nacht hevet zijt gehert, Doe ginck zi ter herbergen wert, 7955 Ende tierst dat zi ter herbergen quam, Doe wart zi wtermaten gram. Ende als die hertoge haer es nakomen Heeft hise herde zerich vernomen; Alse hi dat sach, wart hi in vare 7960 Ende vragede wat haer ware; Mynnentlike nam hise in zijn arme; Zi zeide: “waer ick doet, ick arme! -“ Hem wonderdes ende zeide: “wi!” “Ick en heles iu niet”, zeide zi, 7965 “My mint mijn here die koninck, Ende ick mynne iu so vor alle dinck; Ende alle dit hof, dat ghy hier ziet, Es doer my ende doer anders niet, Ombdat gy my hier zout doen komen; 7970 Dit hebbick anderwerf vernomen, Daertoe biedet hi my groet goet; Tote nu hebbick my gehoet, Sinen cop nam ick overluet Ende gy hiet daer my drincken wt; 7975 Hierombe wil ick die doet ontfaen. Tegen hem mach ick niet gestaen, Noch tegen Ulfijn, sinen raet; Nu weet ick wael dat hier af quaet Comen zal, ombdat gy dat wet, 7980 Een strijt zal daer af comen met; Hierombe voert my te Tintaveel Blivick hier, dat is my negeen heel”! Recht doe dit die vrouwe klagede, Den Hertoge dat zere wanhagede, 7985 Ende wart gram ombe dat quaet, Ende ontboet sine ridder ombe raet. Si quamen, si en waren niet verre, Si merkeden wael dat hi was erre; Hi zeide: “laet ons henen tyden, 7990 Dat nyman wete, dat wy en wech ryden: Eer ick dat iu zegge, en vraget my niet”. Zi zeiden: “neen wy, wat des gesciet”. Hi zeide: “varewy onzer vaerde, Sonder wapene ende paerde, 7995 Al latewy hier onze harnasch, Dat zal ons morgen volgen rasch, Ick en wil niet dat die koninck weet”. Men dade zinen wille gereet. Die hertoge dade hem lenen rossiden 87 8000 Daer hi entie vrouwe op zouden ryden. Dus sceden zi henen al te hant, Ende voeren in hoers zelves lant. Des morgens begonste die stat verroeren Van den lieden die met hem voeren, 8005 Ende den koninge quam die mare Dat die hertoge henen ware. Uter-Pandragoen hadde rouwe, Dat aldus enwech was die vrouwe, Sine barone riep hi te hande 8010 Ende hietse gedenken der scande, Die hem die hertoge hadde gedaen; Hem hadde des wonder, zonder waen, Dat hem die dulheit was gesciet, Hi en mochte lichte gebeteren niet; 8015 Dat zeiden, dien dat onkondich was. Die koninck zeide: “wat duncket iu das Hoe hy zal beteren”? Doe zeiden si al: “Dat iu daeran best duncken zal, Dat willewy gerne met iu doen”. 8020 Doe sprac Uter-Pandragoen: “Gy saget wat ere ick hem dede Meer dan ieman in der stede”. “Dat dade gy ende al bysonder, Des hevet ons te meerre wonder 8025 Hoe hem dit es gesciet”. Die koninck sprac: “Gy, heren, ziet, Ick ontbiede hem, est iu raet, Dat hi betere dese mesdaet, Die hi mesdaen heeft jegen my, 8030 Ende hi wederkome, recht als hy Henevoer nu siner strate”. Si zeiden: “dat en es geen onmate, Sulke bodescap als gy hier hoert”. So ontboet die koninck voert 8035 By tween ridderen den hertoge; Si voeren dal ende berge hoge Eer zi te Tintaveel quamen, Daer zi den hertoge vernamen. Si zeiden hem dat men hem hiet. 8040 Alse die hertoge dat gesiet, Dat hi moet keren als hi voer dane, Pynsede hi, in sinen wane, Dat zijn wijf moeste wederkeren; Doe antworde hi den heren: 8045 “Ick en kome nembermeer in sinen hof; Die koninck dade my sulken oerlof Ick en machen nembermeer geloven, Met hem en wil ick nember hoven”, Dit antworde die hertoge ten stonden, 8050 “Ende Gode neme ick des in orkonden: Hi dade my sulke sake bekinnen, Dat icken nembermeer mach mynnen”. Aldus sceden die boden dane, Want zi en vonden daer anders niet ane. 8055 Die hertoge ontboet van staden te stade Sine liede al te rade, Ende zeide hoe hi van Caredol sciet, Ende dat die koninck anders niet En zochte, dan dat hi Ygerne 8060 Te zinen wille hadde gerne. Des wonderde den lieden sere: “Of God wil, dat en wert nembermere”, Antworden hem die heren dan, “Die dit wil doen sinen man, 8065 Met rechte so gesciet hem quaet”. Die hertege zeide: “na dien dat staet, So bidde ick iu, gy zijt myne man, Dat gy my staet in staden dan, Of my die koninck wil orlogen”. 8070 Si zeiden: “wy zullen gedogen Met iu gewin ende verlies”. Dus was die raet, zijt zeker dies. Hierna quamen die bode gerede Tote Caredol binnen der stede, 8075 Daer zi Uter-Pandragone Vonden ende sine barone. Doe zeiden zi des hertogen antwoerde. Doe zeide menech, die dat hoerde, Dat hem des wonderde, in sinen moet, 8080 Si hielden den hertoge so vroet. Doe bat die koninck sinen mannen, Dat si die herevaerde souden bannen, Ende helpen sinen lachter wreken. Si zeiden: “wy en konnens niet ontbreken, 8085 Maer wy bidden iu overluet, Dat gy iu tierst sine manscap wt, Ende gyne in veertich dagen ontbiet”. Die koninck sprac: “ick en lates niet”. Ende Uter-Pandragoen ontboet, 88 8090 Met haesten wtermaten groet, Den hertoge binnen veertich dagen By hem, die sine bodescap dragen Eer hi ne ontkeert ende versciet. Als die hertoge dat versiet, 8095 Hi zeide: “ick sal na myner macht My weren dach ende nacht”. Die hertoge ontboet sine man, Ende zeide hem al die woert voertan, Hoene die koninck hadde verladen, 8100 Ende bat dat si hem staen in staden. Si zeiden: “gerne”. Doe nam hi raet: “Nu merket”, zeidi, “hoet my staet: Maer twe castele zo hebbick, Die men houden moge een stick, 8105 Nieman twaren, gene twee En wint die koninck nembermee. Ick late mijn wijf te Tintavele Ende tien ridder opten castele, Want men machse niet gewinnen; 8110 Die in der stede wonen binnen Houden dat wel tegen al onvrede”. Dus visiert hijt ende dade mede. Tener ander borch voer die hertoge, Hi zach wael dat hem niet en doge 8115 Te houden zijn ander lant. Die boden quamen daer te hant, Den koninge dat zi zeiden boude, Dat hem die hertoge weren woude. Hierombe wart die koninck erre 8120 Ende ontboet na ende verre, Datsi quamen al te hant Tot hem in des hertogen lant Iu enen mersch op een riviere, Daer quam menech ridder fiere. 8125 Die koninck clagede al den lande Die overdaet entie scande Die hem die hertoge dade ten tyde, Ende hoe dat hi zinen hof ontvryde. Si zeiden: “’t es recht, dat hijs ontgelt”. 8130 Doe reden si henen met gewelt, Ende Uter-Pandragoen, hi vant Castele, dorpe, steden, ende lant Dat vant hi al idelre hant. Doe hoerde hi zeggen in dat lant, 8135 Die Hertoge lage op enen castele, Entie Vrouwe te Tintavele. Die koninck vragede doe om raet, Welke borch hi best bestaet. Die heren zeiden, zonder zage, 8140 Dat hi den hertoge belage: Wonni den Here, hi hadde al tlant. Die koninck lovedet al te hant, Ende hi dade kreyeren hoge Dat men belage den hertoge. 8145 Doe si vor der borch lagen, Begonste die koninck zere clagen Ulfijn sinen groten rouwe, Dien hy dogede ombe die vrouwe. Ulfijn sprac: “men moet zwijgen 8150 Van des men niet [en] mach krijgen; Gy moet pinen ombe den hertoge Dat men hem gewinnen moge”. Doe sprac Ulfijn vor den lieden: “Diegene, die iu dit rieden, 8155 Die rieden iu dat alrebeste; Laechdy vor der Vrouwen veste, So waer iu dinck openbaer”. Aldus so bleef die koninck daer. Menech man was daer nu fel, 8160 Entie hertoge weerde hem wel. Uter-Pandragoen die lach Vor die borch menegen dach, Dat hise gewinnen niet en konde, Hi droech int herte sware wonde. 8165 Sy weten wel hoe hi dat meende, So dat hi eenwerf weende, Daer hi ginck in sijn paveloen, Ende zijn volck sach hem dat doen Ende lieten doe daer allene. 8170 Doe Ulfijn wiste van den wene, Quam hi tot hem ende sach al toe, Ende zeide: “wat es dit nu? hoe Moechdy dus wenen”? - “En wety al”, Sprac die koninck, “mijn ongeval? 8175 Ombe Ygernen doge ick die noet, 89 Dat ick wane blyven doet, Want dat drincken ende dat eten Ende alre blijtscap hebbick vergeten; Dus moet ember mijn sterven wesen, 8180 Ick en mach des niet genesen”. Ulfijn sprac: “des hebt ondanck, Dat gy van herten zijt dus kranck, Dat gy dus iu leven gelaet; Ick sal iu geven goeden raet”. 8185 Die koninck zeide: “wat es dat”? Ulfijn zeide: “ontbiet Merlijn ter stat, Hi gevet iu raet lude ende stille, Nu doet algader sinen wille”. “Ick dade dor hem al dat ick mochte, 8190 Merlijn weet al mijn gedochte”. Ulfijn zeide: “hevet hi des stade, Hi zal komen tuwen rade”. Aldus troeste Ulfijn sinen Here, Ende bat, dat hi hem voertmere 8195 Met sinen lieden makede vro, Hi sal des algader vergeten also. Die koninck sprac: “dat doe ick gerne, Maer mijn herte hevet Ygerne”. Doch getroeste hi hem een deel, 8200 Ende ginck vechten op dien casteel, Maer hi en mochtes gewinnen niet. Sciere daerna so eest gesciet, Dat Ulfijn ombe dat heer reet Ende siet, waer een out man steet, 8205 Hi en kendes niet. Die man seide “Dor dinen wille ick ontbeide”. Ulfijn sprac: “ick gere dy”. Wten heer sceden doe sy. Ulfijn reet entie man ginck, 8210 Ende Ulfijn sprac dese dinck: “Wie bistu”? zeide hi metter tale. “Een out man ben ick, ziedy wale; Doe ick was jonck, hiet men my vroet; Men zegget vele ende oeck doet, 8215 Dat ick niet vertellen mach Noch oeck doen moge gewach; Des en es leden oeck niet lanck, Dat ick te Tintaveel sat ende dranck Ende sat jegen enen man in sprake, 8220 Die my zeide vremde sake Van den koninck metter hertoginnen, Ende hi daerby dit lant wil winnen Ombe datse die hertoge ontvoerde; Maer woude die koninck, sonder boerde, 8225 Goeden loen my geven dan, Ick soude hem wyzen sulcken man Die hem doet spreken sijn toeverlaet Ende geven hem tsiner mynnen raet”. Ulfijn hadde des groet wonder, 8230 Doe hi hem dit zeide bysonder, Ende zeide: “wety sulken man Die den koninge geraden kan”? “Ja ick”, sprack hi doe, die oude, “Maer ick ben die weten woude 8235 Wat hem die koninck woude sinden”. Ulfijn sprack: “waer mach ick dy vinden, Als ick gesproken hebbe mynen heer”? Morgen, als ick wederkeer, Gy vindet my tusschen hier enten heer, 8240 Of mynen bode, hebdy des geer”. Ulfijn die bevalne Gode Ende zeide, hi zoude wesen bode Des hem sijn Here kan verblyden. Hi quam ten koninge in korten tyden, 8245 Ende zo hy alre ierst mochte, Metter maren, die hi brochte. “By uwer trouwen”, sprac die koninck, Ende loech ombe dese dinck, “Kendegyne iet diet iu zeide?” 8250 Ulfijn sprac: “na myner waerheide, Hi was out ende kranck zeer”. Die koninck sprac: “weetstu wanneer Dat hi weder daer zal zijn?” Ulfijn zeide: “Here, morgijn; 8255 Hi zeide, dat gy my zeggen zoudet Wat gy dengenen geven woudet, Die iu geriede tuwen dingen”. Die koninck zeide: “gy zult my bringen Daer hi uwer zal ontbiden”. 8260 “Gerne”, sprac hi, “[Heer,] ten tyden”. Die koninck sprac: “of ick daer niet en bem, Sinen wille so biedet em”. Dus bleef dat toten morgentyde, Entie koninck hi was blyde 8265 Meer dan hi was te voren. 90 Des morgens ginck hi mysse horen, Ende doet hem tijt dochte zijn Reet hy enwech ende Ulfijn. Al by den heer daer Ulfijn woude, 8270 Aldaer hine vinden zoude Sagen zi enen crepel, ten tyden Daer zi by hem zouden ryden, Mochten zine kume gesien, Entie crepel riep mettien: 8275 “Heer koninck, dat God alle smerte Driven moete iu wten herte, Die gy niet en konnet vergeten; Gevet my des ic iu danck mach weten”. Die koninck sprac doe ende loech: 8280 “Ulfijn, du zouds gerne genoech Dor my doen ende dor mijn goet, Dattu moges genesen mijnen moet”. Ulfijn zeide: “ic en zegge iu niet So gerne dat iu wille gesciet, 8285 Ic zoudes meer doen doer iu Dan doer ieman die levet nu”. “Hore den crepel”, sprac die koninck, Die my vermaent der liefster dinc, Die nu in deser werelt zy; 8290 Nu ganck henen ende sit hem by; Sech, dattu hem gegeven zijs Ende dat hy zij te voren wijs, Dat in der werelt en es have Noch zake, die ic hem noder gave 8295 Dan iu, waert dat ics dorste laten”. Ulfijn die reet ziner straten Sonder tale ende sonder woert, Ende gaf hem ten crepele voert, Ende ginck hem sitten herde naer. 8300 Doene die crepel zach aldaer, Doe vragede hi wat hi wilde, Ulfijn sprac: “die koninck milde Hevet my gegeven iu”. Die crepel sprac: “hi kent my nu, 8305 Ende weet bet wie ic ben dan gy, Nu hoert wes bode ic sy: Comen ben ic als dat God woude, Ende hevet my gesent die oude, Die gisteren sprack tote dy; 8310 Ic weet wael dat hi seide my, Maer sech den koninge ick hebbe verstaen Dat hem soude anegaen Omb te hebben dat hy begert Ende des hi saen wert gewert, 8315 Hem sal bet sijn in korten dagen”. Ulfijn sprac: “dorst ic dy vragen, Wie du bist”? - Hi sprac: “vrages uwen Heer, Hi salt iu seggen min no meer”. Ulfijn voer na al dat hi mach; 8320 Alsen die koninck komen sach, Leidine buyten ende vragede, Wat hy so zere jagede, “Ende wat is dy gesegget nu”? “Here, die crepel ontbiedet iu, 8325 Dat gyne haddet bekent scier, Ende gy my segget sine manier, Ick en mach des niet weten el”. Die koninck zeide: “ick weet wel”, Ende zeide: “kennestu den man, 8330 Dien du gisteren sprakes an? Dat es die crepel, die daer sat”. Ulfijn zeide: “hoe mochte zijn dat? Mag een verkeren zine gelijke”? “Ja”, sprac die koninck rijke, 8335 “Dat es Merlijn, die hem tot ons doet, Hi toent hem als hem duncket goet”. Dus lietenzi die tale staen Ende voeren ten here saen, Ende Merlijn quam al openbaer 8340 In des koninges heer, men wart des en waer; Men vrageden of hi bodescap brochte, Of wat doene hi daer zochte; Daerna en hevet hi niet gehoert, Hi haeste hem ende ginck voert. 8345 Die koninck zeide: “men sal zien scier, Dat Merlijn sal komen alhier”. “Dat wert”, sprac Ulfijn, “geopenbaert Of gy eneger dinck zijt waert; Nu doet al dat Merlijn wille 8350 Beide lude ende stille, Iu ne mach helpen tuwer mynnen Nieman so wel, wildy dat kinnen”. Doe zeide Uter-Pandragoen: “Ic wille al zijnen wille doen”. 8355 Dus voeren si sprekende ten stonden 91 Ter steden daer si Merline vonden. Tierst datten die koninck sach So riep hine al dat hi mach Ende zeide: “wel moet gy zijn komen”, 8360 Ende heveten iu zijne arme genomen; “Wat zal ic clagen”? zeide die koninck, “Also wel wety myne dinck, Als ic selve, van Ygerne; Noit en sach ic man so gerne, 8365 Ende bidde iu doer den ryken Gode, Dat gy my helpet wt der node Daer ic ombe lyde dit verdriet”. Merlijn zeide: “ic en zegge iu niet, Ulfijn, iu raet, en zij daer mede”. 8370 Men riep Ulfine daer ter stede; Doe sprac tot Merlinen Ulfijn: “Dat gy die oude zoudt hebben gesijn, Dien ic gisteren sprac ter stat, Entie crepel die daer sat” - 8375 Merlijn zeide: “dat es waer Tierst dat hy iu sende daer, So wistic wel dat hi my kinde”. Ulfijn zeide: “nu maket een inde Ende spreket ombe iu saken, 8380 Gy en moget geen lanck beiden maken, Daer wy nu hier zijn allene” Die koninck zeide: “groet no clene En weet ic wat ic bidden mochte; Merlijn weet al mijn gedochte, 8385 Hi wiste wel, loge ic hem een woert, Ende ic bidde hem nu voert Dat hi my helpe ombe Ygerne, Ic doe al die saken gerne Die te doene noch zijn gebleven”. 8390 Merlijn sprac: “wildy my geven Dat ic iu bidde, ic dade saen, Dat gy by haer sult slapen gaen Al naket ende - maer dat es genoech”. Ulfijn hoerdet, ende hy loech 8395 Ende zeide: “laet zien, wat herte hebdy?” Die koninck zeide: “gy en moget my Niet gebieden, groet ende smal, Ic en salt gerne iu geven al”. Merlijn zeide: “doet my des seker genoech”. 840 “Ic doe”, sprac hi, “al iu gevoech”. Merlijn zeide: “zo zweert my dan, Ende Ulfijn, iu getrouwe man, Dat ic sal hebben dat ic begaer, Alse gy geweest hebbet met haer”. 8405 Die koninck zeide: “gerne, ic doe”. Merlijn vragede Ulfine daertoe, Of hy dat met hem zweren woude; “Ja, ic”, zeide hi, herde boude. Echt sprac Merlijn, ende hi loech: 8410 Waert gezworen, dat waer genoech, Hoe die saken souden wesen. Die koninck dade brengen nadesen Dat meeste helechdom, dat men vant, Entie koninck zwoer te hant 8415 Dat hi dat zoude houden waer; Daerna zwoer Ulfijn daernaer. Als Merlijn hadde die ede ontfaen, Zeide hi: “koninck, haestet iu saen, Doet minen wille mettervaert 8420 Als ene die dat zere begaert”. Merlijn zeide: “ziet dat gy iu doet Wael te gerake, die vrouwe es vroet Ende getrouwe herde zeer Jegen Gode ende haren Heer. 8425 Nu moechdy mynen zin verstaen: Ic zal iu maken also gedaen Als die hertoge es, in korter tijt, Dat men zal menen, hy zijt; Die hertoge hevet ridder twe, 8430 Die hem zijn hemelick, ende nemmee Die ene es Bretel, dander Jordaen Alse Bretel sal ic zijn gedaen; Dus zullen wy varen also een deel Alle drie tot Tintaveel, 8435 Ic zal ons wael daer in geleiden, Maer wy moeten vroe enwech sceiden, Daer sal sijn mare van vremden doene, Beset iu ridder ende iu baroene, Verbiedet dat men niet en strijt 8440 Eer gy wederkomen zijt, Ende zegget nieman waer gy gaet”. Die koninck zeide: “ick doe uwen raet, Siet dat gereet zijn onse saken”. Merlijn zeide: “ic zal iu maken 8445 Die gedane, maket iu ter straten. 92 Die koninck haestedem wtermaten Ombe te doene dat Merlijn hiet; Alset gedaen was, lette hi niet, Hi en quam tot Merlijn saen, 8450 En seide: “ic hebbet al gedaen, Denket om mijn doen”. Merlijn zeide: “Varewy nu op gene heide”. Doe voeren zi enwech, ende reden een deel Totdat zi quamen te Tintaveel. 8455 Doe sprac Merlijn toten koninge: “Blivet, ic ga om uwe dinge”. Tierst dat hi se hadde versceiden, Doe sciet Merlijn van hem beiden Ende beiagede zine dinck, 8460 Ende quam weder ten koninck. Een crudelijn hadde hi gelesen: “Wrivet iu hande”, sprac hi, “met desen Ende iu voete ende iu ansichte”. Dat dade hi, ende also lichte 8465 Haddi des hertogen gedane, Dat nieman twifelen mochte daerane. Doe gaf hi Ulfine Jordaens gelyke Ende leiden ten koninge cortelyke; Hi zegende hem doe hine sach: 8470 “O God”! zeide hi, “dat men mach Aldus verwandelen enen man!” - Die koninck zeide: “kenstu my dan”? “Ja ic, vor den hertoge”. “Ic en weet, hoe dit wesen moge”, 8475 Sprac die koninck, “du bist Jordaen”; Ende Merlijn makede hem selven saen No min no meer dan Bretel. Doe voeren zi te Tintavel. Fause coverturen drie 8480 Haddenzi, dat zecht men my. Spade quamen zi te Tintavel; Merlijn, die wael sceen Bretel, Riep ter poerten: “laet ons in”. Si gingen voert, meer no min 8485 Dochte hem die koninck wesen haer heer; “Laet in”! riepen zi doe zeer, “Hier is die hertoge, sonder waen, Ende Bretel ende Jordaen”. Alsi in waren quam Bretel voert, 8490 Ende hiet dat men in die poert Niet en zeide, dat die hertoge daer waer, Ende ment der vrouwen dade openbaer; Ende als hi ten palase quam, Beet die koninck, ende Merlijn nam 8495 Den koninck wt doe wel gereet, Dat daer nieman af en weet. Ter kameren quamen si alle drie, Daer was die scone Ygerne, die Tharen bedde was gegaen; 8500 Si ontscoede den koninck saen, Ende hi ginck liggen by der vrouwen; Daer wan hi, des moechdy my getrouwen, Den edelen koninck Artur, Daermen af zecht menege aventur. 8505 Die vrouwe was vro metten koninck Alse die meende in ware dinck Met haer hebben haren heer, Dien zi minde herde zeer. Te samene lagen si toten dage 8510 Sodat in die poerte quam sage, Dat die drossate was gevaen Entie hertoge doet, sonder waen. Die ander twe hebben dat verhoert, Ende si zijn komen voert 8515 Toten koninge daer hi lach: “Staet op”, zeiden zi, “het es dach; Iu volc hevet nyemaer groet Ende alle die poerte, dat gy zijt doet”. Hy zeide: “my en wonderdes niet, 8520 Als ick wter poerten sciet, En zeide ick dat knechte noch man”. Doe hy hadde sine cleder an, Doe nam hy herde saen oerlof An alle die waren in den hof; 8525 Doe kuste hise an haren mont, Ende zeide: “goet lief, blivet gesont”! Doe rumedensi Tintavel Onbekant; doe sprac Bretel Tierst datsi wter poerten waren: 8530 “Hoe duncket iu? wy sijn ontvaren; Heer koninck, gy hebbet dat gy woudet, Nu siet, dat gy my noch wael houdet Mijn geloef”. Die koninck zeide: “Gy hebbet ter stede, dat es waerhede, 8535 My gedaen die hogeste bede, 93 Die oit een man den andren dede”. Merlijn zeide: “ic wil gy dat bekint, Dat gy gewonnen hebt een kint An Ygernen, ende dat es mijn, 8540 Dat en mach niet wesen dijn, Ende dat moetstu my gerne geven; Ic wil oec dat zij bescreven Die nacht, daert op gewonnen was”. “Du machs wael seker wesen das 8545 Ick houdes ember mynen eet: Ick geve dy dat kint gereet”. Dus quamen si wael sciere Gevaren op ene riviere, Daer namen si weder haer gedane; 8550 Metter haest voeren si dane. Tierst dat si quamen na dat heer, Quam dat volc met groter geer, Daer vragede hi sulken genoet, Hoe die hertoge was bliven doet; 8555 Ende zi antworden hem saen Dat die hertoge, sonder waen, Opter morgenstonde twaren, Dat hi enwech was gevaren, So lach dat heer stille altemale 8560 Entie hertoge vernam die tale Dat gy hier niet en waert, Ende hi wapende hem ter vaert Ende sloech uwer liede veel, Eer zi gewapent worden heel, 8565 Sodat wy hoerden dat gekry; Met groter haesten so quamen wy Ende jagedense ter veste weder, Die hertoge was gevelt daer neder; Daer versloegen wyne, God weet!” 8570 Die koninck zeide: “dat es my leet, Dat die hertoge dus doet bleef”. Die rouwe was groet dien hy daerombe dreef. |
Hoe koning Uter-Pandragoen de vrouw van de hertog van Tintaveel beminde en koning Arthur daarvan won. Een lange tijd daarna geschiedde, 83 7640 Dat de koning al zijn hoge lieden Ontbood daar te zijn in het hof, En ze deden het allen met lof, En elk bracht daar zijn vrouw, Zijn kamerheer en zijn jonkvrouw, 7645 Zijn dochters en zijn nichten mede En zijn verwanten daar ter plaatse Door zijn eer en de hoge dag, Daar zijn feest op lag, Met Kerstmis ze allen kwamen 7650 Zijn hoge lieden alle bij namen; Daar kwamen veel mooie wijven En ridders van fiere lijven; In dat Waals zo is niemand genoemd Uitgezonderd daar het bericht van komt, 7655 Die noemt hij voor een deel: Daar was de hertog van Tintaveel En zijn vrouw de mooie Ygerne, Die Uter-Pandragoen zag graag; Ze was de mooiste die daar was. 7660 Goed behaagde de koning dat, Nochtans legde hij haar dus niet tevoren, Dat hij had haar dus uitgekozen, Uitgezonderd dat hij meer zag op haar. Dus zo werd die vrouw het gewaar 7665 Dat hij haar graag toen aanzag; Ze schuwde hem weer al dat ze mag, En kwam voor de koning node, Want ze was eenvoudig en bang En mooi en haar man getrouw. 7670 De koning begiftigde menige vrouw; Toen hij zag, dat ze het dus gewaar Was geworden, nochtans zond hij haar Alles dat hij wist dat haar bekwam; Ze wist wel en vernam 7675 Dat andere vrouwen hadden genomen, En ze mocht er dus niet van afkomen Ze moest nemen dat men haar gaf, En ze merkte wel daarvan Dat de koning al openbaar 7680 Die vrouwen begunstigde al door haar, Anders zei hij niets daarvan. Door haar hield de koning hof Tot nog toe was hij zonder wijf, Ygerne minde hij voor zijn lijf, 7685 Want hij in onmacht viel door haar Als hij dacht wanneer ze weg was; En toen het hof zou scheiden Bad hij heer en vrouw beiden, Dat ze te Pasen te hof zouden komen; 7690 Aldus moesten ze dat beloven. Toen de hertog van Tintaveel Voer weg, begeleidde hij hem een deel, En zei: “ga gezond en blijde” Ygerne lag over een zijde 7695 En zei: “Vrouw, weet dat wel nu, Dat ge mijn hart voert met u” Ze ging alsof ze dit niet verstond Dat hij haar beminde door haar goed; Meteen zei hij: “ga gezond”, 7700 En keerde weer in korte stond. De vrouw ging met haar man. De koning ging te Karedol dan, De heren van de tafelronden Deed hij grote eer te die stonden. 7705 Daarna ging hij in zijn land, Te berechten daar hij het te doen vond. Waar zo hij voer, hem brandde de min Van de mooie hertogin, Zolang dat Pasen was nabij. 7710 Tot konings hof kwamen zij Beide heren en vrouwen; Vrolijk mocht men de koning aanschouwen, Toen de hertog kwam en Ygerne, Veel gaf hij toen en graag 7715 Heren en vrouwen, wil ge dat weten; Die koning ging zitten en eten, De hertog nam hij bij zijn zijden En Ygerne te die tijden Gaf hij menige gift rijk 7720 En toonde haar zo’n uiterlijk Zodat ze dat niet ontzeggen mocht, En dat zo haar goed was bedacht, Dat de koning haar beminde voorwaar; Dus was ze in groot gevaar, 7725 Men mocht het wel merken in haar ogen. Dat stond zo, ze moest het gedogen. Toen het feest was gedaan, Wilde elk tot zijn land gelijk, En nemen verlof aan hun heer. 84 7730 De koning bad hen allen zeer, Dat ze kwamen, als hij ze ontbood; Ze zeiden: “Heer, dat laten we node”. Toen dat volk was gescheiden De koning moest zijn lijf lijden 7735 Met pijn door die hertogin. Een jaar was hij wel daarin, Toen zei hij dat zijn vrienden twee Dat hem van minne was wee. Ze zeiden: “wat mogen we u aanraden”? 7740 Toen zei hij: “ge mocht me bijstaan Zodat ik in haar gezelschap was”. Ze zeiden: “ga nu heen aldaar, En lag ge binnen hun land, De lieden zouden van u dus spreken schande, 7745 Als ze de waarheid wisten van deze”. Hij zei: “welke raad zal me dan wezen”? “Wij zullen u dat beste zeggen: Ge zal een andere hof laten leggen Te Caredol, en men ontbiedt 7750 Daar te komen alle lieden, En dat ze met hem alzo bespreken Daar te liggen twee weken, En elk brengt zijn vrouw; Dus mag ge verbeteren uw rouw, 7755 En spreek Ygerne, uw toeverlaat”. Dit dacht de koning een goede raad. Dus zei Uter-Pandragoen, Dat men ontbiedt de baronnen Te hof te komen, wie dat mocht, 7760 En elk zijn vrouw daar bracht. Ze kwamen tot het hof mooi En de koning die droeg een kroon, En hij gaf daar mooie giften Ridders, vrouwen en nichten, 7765 Daar hem dat goed dacht te die tijden. De koning die was erg blijde; Toen zocht hij raad en vreugde Aan een die hij het beste vertrouwde, En waar hij dat aan zocht was Ulfijn. 7770 De koning sprak: “hoe zal dit zijn, Dat me Ygerne dus laat lusten? Ik kan niet slapen of rusten Of gaan of zitten of rijden, Ik meen te sterven te alle tijden 7775 Als ik haar niet met de ogen aanschouw, En als ik haar zie vliedt me dat al rouw; Dat tenzij dat men mij raad mag geven, Ik kan aldus niet lang leven”. “Ge bent zwak”, sprak Ulfijn, “van lijf, 7780 Dat u de minne van een wijf Aldus zeer nu ligt aan; Ik ben, met u, een arme man, Nochtans meende ik van mijn minnen, Stond me aldus, wel raad te winnen: 7785 Wie hoorde ooit zeggen, dat een vrouw mocht Zich verweren, daar men haar verzocht, En men haar mocht beklagen, Spreken, eisen, en vragen, En eer te doen al haar gezellen? 7790 Van zulke vrouwen hoorde ik nooit vertellen Die aldus mocht ontgaan in alle tijd, En gij heer en koning bent, Ge sterft om een vrouwen min! Dat komt u geheel van uw zwakke zin”. 7795 Hij sprak: “u zegt die waarheid al; En als u weet wat daartoe zal, Ga in die kamer en geef loon Al der vrouwen manschappen, Elk dat hij begeert, 7800 En dan spreekt tot haar waart Van mij, als dat mag zijn”. “Laat me geworden”, sprak Ulfijn, “Ik zal daar mijn macht toe doen”. Nu heeft Uter-Pandragoen 7805 Met Ulfijn genomen raad: “Nu beproef het wel, hoe het me staat, Minne te zoeken tegen haar wil”. Ulfijn zei, luid nog stil: “Want ge bent de hertogs vriend, 7810 Uw gezelschap hem dient, En troost u zelf wel”. De koning zei: “ik doe dat al”. Dit was te prijzen goede raad. Bij Ulfijns raad, zo bestaat 7815 De koning te wezen geheel vrolijk; Acht dagen hield hij hem alzo, Dat hij en de hertog niet scheidden. Hij gaf hem veel mooie winsten Zo deed hij zijn ridders mede. 85 7820 Altijd dacht hij wat hij deed Waar zo mocht zijn wil, Beide vrolijk luid en stil; En Ulfijn klaagde bij haar de konings nood, Menige schoonheid hij haar aanbood 7825 Dat ze soms niet aannam. Eens dat Ulfijn tot haar kwam, Die vrouw trok hem terzijde, En zei: “Ulfijn, zeg welke nijd Wil u nu verzoenen daarmee, 7830 Dat u me aanbiedt deze schoonheden?” “Vrouw”, sprak hij, “door uw deugd En vanwege uw mooie jeugd, Zo bied ik u deze schoonheden nu Want alles in dit land staat aan u, 7835 Goed en lieden en al dat er dus is”. “Waarbij”, zei ze, “geloof ik nu dit”? “Want ge draagt konings leven, Die dit hele koningrijk is gebleven; Omdat ge zijn lijf behoudt, 7840 Zo staat dat al in uw geweld”. “Wat zegt u”, zei ze, “van wiens doen”? “Vrouw, van Uter-Pandragoen”. Ze zegende zich en sprak met stade: “Kunnen koningen dus verraden? 7845 Hij gaat of hij mijn heer En mij graag deed alle eer! Ik bid, dat u dit nimmer zegt Nog me ook tevoren legt, Ik zou dat beklagen bij mijn man, 7850 En u zou er daarom sterven dan; Maar zwijg, en zeg dus nimmermeer”. Ulfijn sprak: “dat was mijn eer, Word ik door mijn heer verslagen; Niet verzette een vrouw zich daartegen, 7855 Dat ze een koning ontzei Die zo’n minne aan haar legde; Ik meen ge houdt daarmee uw spot, Heb dus genade toch door God Uzelf en uw eren; 7860 Ge wil het dan te besten keren, Daar ligt uw schade aan; Nog gij, nog uw goede man Mogen tegen hem niet staan”. De vrouw begon te wenen gelijk, 7865 En zei: “nu zwijg geheel stil, Hij ziet maar naar zijn wil”. Pijnlijk ze verscheiden zijn Die mooie Ygerne en Ulfijn; En Ulfijn zei het de koning voort 7870 Wat hij had geantwoord. Hij sprak: “ze doet als een goed wijf, Daarom komt er niets van in, Zo gelijk zegt geen goede vrouw ja”. Op de eerste dag daarna 7875 Zat de koning en at, En de hertog bij hem zat, Een gouden kop stond voor hem; Ulfijn sprak: “koning, nu neem Deze kop, en zendt het Ygerne, 7880 Ze zal het ontvangen erg graag, En zeg het de hertog, haar man, Dat hij haar ontbiedt dan, En ze het door uw wil ontvangt, En ze daaruit drinkt daarna”. 7885 De koning zei tot de hertog: “Zendt Ygerne, die zit in het hogen, Deze kop en ontbiedt haar stil, Dat ze daaruit drinkt door mijn wil En ze houdt het, ik gun het haar wel”. 7890 De hertog antwoordde zonder boosheid: “Heer, dank hebt, want Ygerne Zal het van u ontvangen graag”. De hertog van Tintaveel Riep een ruiter, heet Bretel, 7895 Die was van zijn nauwste raad: “Neem deze kop, ge hebt de tijd, En ga daar Ygerne zit, En zeg: de koning zendt haar dit, En dat ze drinkt deze drank 7900 Door hem en ze hem dus weet dank”. Bretel deed graag dat, Hi ging aldaar die vrouw zat, Met andere vrouwen, aan haar maal, Hij knielde en sprak deze taal: 7905 “De koning zend u deze kop, En mijn heer wil, zonder scherts, Dat ge daaruit drinkt, hij is niet kwaad, En dat ge het door zijn wil ontvangt”. Ygerne had dus schaamte groot, 86 7910 En ze wordt onder de ogen rood, Maar omdat de hertog het zei, Zo durfde ze het te ontzeggen niet, En dronk daaruit en zette het neer, En zei dat men hem terug droeg weer. 7915 Bretel zei: “de koning bad, En mijn heer wil ook dat, Dat ge het houdt, hij geeft het u graag”. Toen peinsde wel die mooie Ygerne, En wist wel, ze moest het ontvangen. 7920 Bretel keerde tot de koning gelijk, En bedankte hem van de vrouw, Dat ze toch niet sprak in vertrouwen. Kwaal, verzuchten, en zeer Verloor de koning voorwaarts meer 7925 Toen men hem bedankte van de vrouw. Ulfijn ging merken welke rouw Ygerne daar had, daar ze zat, In de kamer, daar ze zat en at; Hij vond haar denken en gram. 7930 Toen ze Ulfijn daar vernam, Riep ze hem want de tafel was weg: “Ulfijn, bij welke raad, nu, zeg, Liet men mij deze kop ontvangen? Maar weet nu wel zonder waan, 7935 Dat zijn winst klein zal zijn! Ik doe dat nog morgen Dat lachen wordt bij mijn heer geklaagd, Die gij twee tot mij toe jaagt”. Hij sprak: “ge bent niet zo dol, 7940 Want klaagde een vrouw dit, Haar man zou haar wantrouwen te meer; Zwijgt ze, dat is beter voor uw eer, Ondank heeft hij die zich dus hoeden zal”. Dus zo scheidde de taal al. 7945 Meteen had de koning gegeten, En zei tot de hertog: “ge zal weten, We gaan tot de vrouwen en tot Ygerne”. De hertog zei: “Heer, graag”. Dus zijn ze in die kamer gegaan. 7950 Ygerne heeft wel verstaan, Dat Uter-Pandragoen aldaar Voor niemand kwam dan voor haar. Tot de nacht heeft zij het gehard, Toen ging ze ter herberg waart, 7955 En ten eerste dat ze in de herberg kwam, Toen werd ze uitermate gram. En toen de hertog haar is nagekomen Heeft hij haar erg bezeerd vernomen; Toen hij dat zag, werd hij in gevaar 7960 En vroeg wat haar waar; Minnelijk nam hij haar in zijn armen; Ze zei: “was ik dood, ik arme! -“ Hem verwonderde dat en zei: “wi!” “Ik verheel het u niet”, zei zij, 7965 “Mij bemint mijn heer de koning, En ik bemin u zo voor alle ding; En dit hele hof, dat ge hier ziet, Is voor mij en voor anders niet, Omdat ge mij hier zou laten komen; 7970 Dit heb ik meerdere keren vernomen, Daartoe biedt hij mij groot goed; Tot nu heb ik me behoed, Zijn kop nam ik ongehinderd En ge zei daar me te drinken uit; 7975 Hierom wil ik de dood ontvangen. Tegen hem mag ik niet staan, Nog tegen Ulfijn, zijn raad; Nu weet ik wel dat hiervan kwaad Komen zal, omdat ge dat weet, 7980 Een strijd zal daarvan komen mee; Hierom voer me te Tintaveel Blijf ik hier, dat is me geen heel”! Recht toen dit de vrouw klaagde, De hertog dat zeer mishaagde, 7985 En werd gram om dat kwaad, En ontbood zijn ridders om raad. Ze kwamen, ze waren niet ver, Ze merkten wel dat hij was boos; Hij zei: “laat ons heen gaan, 7990 Zodat miemand het weet, dat we weg rijden: Eer ik dat u zeg, en vraag me niets”. Ze zeiden: “neen wij, wat dus geschiedt”. Hij zei: “gaan we onze vaart, Uitgezonderd wapens en paarden, 7995 Al laten we hier ons harnas, Dat zal ons morgen volgen ras, Ik wil niet dat de koning het weet”. Men deed zijn wil gereed. Die hertog liet zich lenen een gewoone paard 87 8000 Daar hij en de vrouw op zouden rijden. Dus scheiden ze heen al gelijk, En voeren in hun eigen land. ‘s Morgens begon de plaats te verroeren Van de lieden die met hem voeren, 8005 En de koning kwam het bericht Dat de hertog heen was. Uter-Pandragoen had rouw, Dat aldus weg was die vrouw, Zijn baronnen riep hij gelijk 8010 En zei ze te gedenken de schande, Die hem de hertog had aangedaan; Hen had het verwonderd, zonder waan, Dat hem die dolheid was geschied, Hij kon zich licht verbeteren niet; 8015 Dat zeiden, die dat onbekend was. De koning zei: “wat denkt u dat Hoe hij zal verbeteren”? Toen zeiden ze al: “Dat u daaraan het beste lijken zal, Dat willen we graag met u doen”. 8020 Toen sprak Uter-Pandragoen: “Ge zag welke eer ik hem deed Meer dan iemand in de plaats”. “Dat deed ge en al bijzonder, Dus heeft ons te meer verwonderd 8025 Hoe hem dit is gebeurd”. De koning sprak: “Gij, heren, ziet, Ik ontbiedt hem, is het uw raad, Dat hij verbetert deze misdaad, Die hij misdaan heeft tegen mij, 8030 En hij terugkomt, recht als hij Heenvoer nu zijn straat”. Ze zeiden: “dat is geen slechte onbeschaamdheid, Zulke boodschap als ge hier hoort”. Zo ontbood de koning voort 8035 Bij twee ridders de hertog; Ze voeren dalen en bergen hoog Eer ze te Tintaveel kwamen, Daar ze de hertog vernamen. Ze zeiden hem dat men hen zei. 8040 Toen de hertog dat vernam, Dat hij moet keren waar hij voer vandaan, Peinsde hij, in zijn waan, Dat zijn vrouw moest weerkeren; Toen antwoordde hij de heren: 8045 “Ik kom nimmermeer in zijn hof; De koning deed me zulk verlof Ik kan hem nimmermeer geloven, Met hem wil ik nimmer hoven”, Dit antwoordde de hertog ter stonden, 8050 “En God neem ik dus in oorkonden: Hij liet me zulke zaken bekennen, Dat ik hem nimmermeer mag beminnen”. Aldus scheidden de boden er vandaan, Want ze vonden daar niets anders aan. 8055 De hertog ontbood van stad tot stad Zijn lieden al te raden, En zei hoe hij van Caredol scheidde, En dat de koning anders niet Zocht, dan dat hij Ygerne 8060 Tot zijn wil had graag. Dus verwonderde de lieden zeer: “Als God het wil, dat wordt nimmermeer”, Antwoordden hem die heren dan, “Die dit wil doen zijn man, 8065 Met recht zo gebeurt hem kwaad”. De hertog zei: “naar dat het staat, Zo bid ik u, ge bent mijn man, Dat ge me bijstaat dan, Als de koning me wil beoorlogen”. 8070 Ze zeiden: “we zullen gedogen Met u winst en verlies”. Dus was de raad, zij het zeker dit. Hierna kwamen die boden gereden Tot Caredol binnen de plaats, 8075 Daar ze Uter-Pandragoen Vonden en zijn baronnen. Toen zeiden ze dus hertogs antwoord. Toen zei menigeen, die dat hoorde, Dat ze zich verwonderde, in hun gemoed, 8080 Ze hielden de hertog zo verstandig. Toen bad de koning zijn mannen, Dat ze die hovaardige zouden verbannen, En helpen zijn gelach te wreken. Ze zeiden: “we kunnen niet ontbreken, 8085 Maar wij bidden u overluid, Dat ge u ten eerste zijn manschap uit, Ge hem in veertig dagen ontbiedt”. Die koning sprak: “ik laat het niet”. En Uter-Pandragoen ontbood, 88 8090 Met haast uitermate groot, De hertog binnen veertig dagen Bij hem, die zijn boodschap dragen Eer hij terugkeert en scheidt. Toen de hertog dat ziet, 8095 Hij zei: “ik zal naar mijn macht Me weren dag en nacht”. De hertog ontbood zijn mannen, En zei hen alle woorden voortaan, Hoe de koning hem had verladen, 8100 En bad dat ze hem bijstaan. Ze zeiden: “graag”. Toen nam hij raad: “Nu merk”, zei hij, “hoe het me staat: Maar twee kastelen zo heb ik, Die men houden mag een stuk, 8105 Niemand te waren, geen twee Overwint de koning nimmermeer. Ik laat mijn vrouw te Tintaveel En tien ridders op het kasteel, Want men kan het niet overwinnen; 8110 Die in de plaats wonen binnen Houden dat wel tegen alle onvrede”. Dus versierde hij het en deed mede. Naar een andere burcht voer de hertog, Hij zag wel dat het hem niet lukte 8115 Te houden zijn andere land. De boden kwamen daar gelijk, De koning dat ze zeiden onbeschroomd, Dat de hertog zich weren wilde. Hierom werd de koning boos 8120 En ontbood nabij en ver Dat ze kwamen al gelijk Tot hem in het hertog land Iu een vlakte bij een rivier, Daar kwam menig ridder fier. 8125 De koning klaagde in het hele land De misdaad en de schande Die hem de hertog deed in die tijd, En hoe dat hij zijn hof schond. Ze zeiden: “het is recht, dat hij het ontgeldt”. 8130 Toen reden ze heen met geweld, En Uter-Pandragoen, hij vond Kastelen, dorpen, steden en land Dat vond hij alle leeg gelijk. Toen hoorde hij zeggen in dat land, 8135 De hertog lag op een kasteel, En de vrouw te Tintaveel. De koning vroeg toen om raad, Welke burcht hij het beste aangaat. De heren zeiden, zonder sage, 8140 Dat hij de hertog belaagt: Overwon hij de heer, hij had al het land. De koning loofde dat al gelijk, En hij liet roepen hoog Dat men belegerde de hertog. 8145 Toen ze voor de burcht lagen, Begon de koning zeer te klagen Ulfijn zijn grote rouw, Die hij gedoogde om die vrouw. Ulfijn sprak: “men moet zwijgen 8150 Van dit wat men niet kan krijgen; Ge moet denken aan de hertog Dat men hem overwinnen mag”. Toen sprak Ulfijn voor de lieden: “Diegene, die u dit aanrieden, 8155 Die raden u aan dat allerbeste; Lag je voor de vrouw haar vesting, Dan was uw ding openbaar”. Aldus zo bleef de koning daar. Menig man was daar nu fel, 8160 En de hertog weerde zich goed. Uter-Pandragoen die lag Voor de burcht menige dag, Dat hij het niet overwinnen kon, Hij droeg in het hart zware wond. 8165 Ze weten wel hoe hij dat meende, Zodat hij eenmaal weende, Daar hij ging in zijn paviljoen, En zijn volk zag hem dat doen En lieten hem toen daar alleen. 8170 Toen Ulfijn wist van dat wenen, Kwam hij tot hem en zag al toe, En zei: “wat is dit nu? hoe Mag ge dus wenen”? - “En weet je al”, Sprak de koning, “mijn ongeval? 8175 Om Ygerne gedoog ik die nood, 89 Dat ik meen te blijven dood, Want dat drinken en dat eten En alle blijdschap heb ik vergeten; Dus moet immer mijn sterven wezen, 8180 Ik kan dus niet genezen”. Ulfijn sprak: “dus heb je ondank, Dat ge van hart bent aldus zwak, Dat ge dus uw leven laat; Ik zal u geven goede raad”. 8185 De koning zei: “wat is dat”? Ulfijn zei: “ontbiedt Merlijn ter plaatse, Hij geeft u raad luid en stil, Nu doe geheel zijn wil”. “Ik deed door hem alles dat ik mocht, 8190 Merlijn weet al mijn gedachten”. Ulfijn zei: “heeft hij dus tijd, Hij zal komen tot uw raad”. Aldus troostte Ulfijn zijn heer, En bad, dat hij zich voort meer 8195 Met zijn lieden maakte vrolijk, Hij zal dus alles vergeten alzo. De koning sprak: “dat doe ik graag, Maar mijn hart heeft Ygerne”. Toch troostte hij zich een deel, 8200 En ging vechten op dat kasteel, Maar hij kon het overwinnen niet. Snel daarna zo is het geschied, Dat Ulfijn om dat leger reedt En ziet, waar een oude man staat, 8205 Hij kende hem niet. Die man zei “Door uw wil ik wacht”. Ulfijn sprak: “ik ga tot u”. Uit het leger scheiden toen zij. Ulfijn reed en die man ging, 8210 En Ulfijn sprak dit ding: “Wie bent u”? zei hij met de taal. “Een oude man ben ik, zie je wel; Toen ik was jong, noemde men mij verstandig; Men zeg het veel en ook doet, 8215 Dat ik niet vertellen mag Nog ook doen maken gewag; Dat is ook niet geleden lang, Dat ik te Tintaveel zat en dronk En zat tegen een man in gesprek, 8220 Die me zei vreemde zaken Van de koning met de hertogin, En hij daarbij dit land wil winnen Omdat de hertog haar ontvoerde; Maar wilde de koning, zonder grap, 8225 Goed loon me geven dan, Ik zou hem wijzen zo ‘n man Die hem laat spreken zijn toeverlaat En geven hem tot zijn minne raad”. Ulfijn had dus grote verwondering, 8230 Toen hij hem dit zei bijzonder, En zei: “weet ge zo’n man Die de koning aanraden kan”? “Ja ik”, sprak hij toen, die oude, “Maar ik ben die weten wilde 8235 Wat de koning hem wilde zenden”. Ulfijn sprak: “waar mag ik u vinden, Als ik gesproken heb mijn heer”? Morgen, als ik weerkeer, Ge vindt me tussen hier en het leger, 8240 Of mijn bode, heb je dus verlangen”. Ulfijn die beval hem God En zei, hij zou wezen bode Dus zijn heer kan zich verblijden. Hij kwam tot de koning in korte tijden, 8245 En zo hij allereerst mocht, Met het ebricht dat hij bracht. “Bij uw trouw”, sprak de koning, Een lachte om dit ding, “Kende ge hem iets die het u zei?” 8250 Ulfijn sprak: “naar mijn waarheid, Hij was oud en zwak zeer”. Die koning sprak: “weet u wanneer Dat hij weer daar zal zijn?” Ulfijn zei: “Heer, morgen; 8255 Hij zei, dat ge mij zeggen zou Wat ge diegene geven wilde, Die u aanraadt in uw dingen”. De koning zei: “ge zal me brengen Daar hij op u zal wachten”. 8260 “Graag”, sprak hij, “heer, ten tijden”. De koning sprak: “als ik daar niet ben, Zijn wil zo biedt het hem”. Dus bleef dat tot de morgentijd, En de koning hij was blij 8265 Meer dan hij was tevoren. 90 ‘s Morgens ging hij de mis horen, En toen hij dacht tijd te zijn Reed hij weg en Ulfijn. Al bij het leger daar Ulfijn wilde, 8270 Al daar hij hem vinden zou Zagen ze een kreupele, ten tijden Daar ze bij hem voorbij zouden rijden, Mochten ze hem nauwelijks zien, En de kreupele riep meteen: 8275 “Heer koning, dat God alle smart Drijven moet uit uw hart, Die ge niet kan vergeten; Geef het me dus ik uw dank mag weten”. De koning sprak toen en lachte: 8280 “Ulfijn, u zou graag genoeg Door mij doen en door mijn goed, Dat u mag genezen mijn gemoed”. Ulfijn zei: “ik zeg u niet Zo graag dat uw wil geschiedt, 8285 Ik zou het dus meer doen door u Dan voor iemand die leeft nu”. “Hoor de kreupele”, sprak de koning, Die me vermaant het liefste ding, Dat er nu in deze wereld is; 8290 Nu ga heen en zit hem bij; Zeg, dat u het hem gegeven is En dat hij tevoren wijst, Dat in de wereld is een have Nog zaak, die ik hem liever gaf 8295 Dan u, was het dat ik het durfde te laten”. Ulfijn die reed zijn straten Zonder taal en zonder woord, En begaf hem te kreupele voort, En ging hem zitten erg nabij. 8300 Toen de kreupele hem zag aldaar, Toen vroeg hij wat hij wilde, Ulfijn sprak: “de koning milde Heeft me gegeven u”. De kreupel sprak: “hij kent me nu, 8305 En weet beter wie ik ben dan gij, Nu hoor wiens bode ik ben: Gekomen ben ik zoals dat God wilde, En heeft me gezonden die oude, Die gisteren sprak tot u; 8310 Ik weet wel dat hij zei mij, Maar zeg de koning ik heb verstaan Dat hij zou aangaan Om te hebben dat hij begeert En dus hij gelijk wordt geweerd, 8315 Hem zal het beter zijn in korte dagen”. Ulfijn sprak: “durf ik u te vragen, Wie u bent”? - Hij sprak: “vraag het uw heer, Hij zal het u zeggen min of meer”. Ulfijn ging weg alles dat hij mocht; 8320 Toen de koning hem komen zag, Leidde hem buiten en vroeg, Waarom hij zo zeer jaagde, “En wat is u gezegd nu”? “Heer, de kreupele ontbiedt u, 8325 Dat ge hem had herkend snel, En ge me zegt zijn naam, Ik kan het dus niet weten anders”. De koning zei: “ik weet het wel”, En zei: “kent u de man, 8330 Die u gisteren sprak aan? Dat is de kreupele, die daar zat”. Ulfijn zei: “hoe mag zijn dat? Mag een veranderen zijn gelijke”? “Ja”, sprak de koning rijk, 8335 “Dat is Merlijn, die zich tot ons doet, Hij vertoont zich als het hem dunkt goed”. Dus lieten ze de taal staan En voeren tot het leger gelijk, En Merlijn kwam al openbaar 8340 In de koning leger, men werd het dus gewaar; Men vroeg of hij een boodschap bracht, Of wat te doen hij daar zocht; Daarnaar heeft hij niet gehoord, Hij haastte zich en ging voort. 8345 De koning zei: “men zal zien snel, Dat Merlijn zal komen alhier”. “Dan wordt”, sprak Ulfijn, “geopenbaard Of ge enig ding bent waard; Nu doe alles dat Merlijn wil 8350 Beide luid en stil, U kan helpen tot uw minnen Niemand zo goed, wil ge dat bekennen”. Toen zei Uter-Pandragoen: “Ik wil geheel zijn wil doen”. 8355 Aldus voeren ze sprekende ten stonden 91 Ter plaatse daar ze Merlijn vonden. Ten eerst dat hem de koning zag Zo riep hij al dat hij kon En zei: “goed moet het u bekomen”, 8360 En heeft hem in zijn arm genomen; “Wat zal ik klagen”? zei de koning, “Alzo goed weet ge mijn ding, Zoals ik zelf, van Ygerne; Nooit zag ik een man zo graag, 8365 En bid u voor de rijke God, Dat ge me helpt uit de nood Daar ik om lijdt dit verdriet”. Merlijn zei: “ik zeg u niet, Ulfijn, uw raad, is daarmee”. 8370 Men riep Ulfijn daar ter plaatse; Toen sprak tot Merlijn Ulfijn: “Dat ge die oude zou hebben geweest, Die ik gisteren sprak ter plaatse, En de kreupele die daar zat” - 8375 Merlijn zei: “dat is waar Ten eerste dat hij u zond daar, Zo wist ik wel dat hij me kende”. Ulfijn zei: “nu maak een einde En spreek van uw zaken, 8380 Ge mag geen lange wachten maken, Daar we nu hier zijn alleen” De koning zei: “groot nog klein Weet ik wat ik bidden mocht; Merlijn weet al mijn gedachte, 8385 Hij wist het wel, loog ik hem een woord, En ik bid hem nu voorts Dat hij me helpt om Ygerne, Ik doe al die zaken graag Die te doen nog zijn gebleven”. 8390 Merlijn sprak: “wil ge me geven Dat ik u bid, ik deed het gelijk, Dat ge bij haar zal slapen gaan Geheel naakt en - maar dat is genoeg”. Ulfijn hoorde het, en hij lachte 8395 En zei: “laat zien, welk hart heb jij?” De koning zei: “ge mag mij Niets gebieden, groot en smal, Ik zal het u graag geven al”. Merlijn zei: “doe me dus zeker genoeg”. 8400 “Ik doe”, sprak hij, “al uw gevoeg”. Merlijn zei: “zo zweer me dan, En Ulfijn, uw trouwe man, Dat ik zal hebben dat ik begeer, Als ge geweest bent met haar”. 8405 De koning zei: “graag, ik doe”. Merlijn vroeg Ulfijn daartoe, Of hij dat met hem zweren wou; “Ja, ik”, zei hij, erg onbeschroomd. Echt sprak Merlijn, hij lachte: 8410 Was het gezworen, dat was genoeg, Hoe die zaken zouden wezen. De koning liet brengen na deze Het grootste heiligdom, dat men vond, En de koning zwoer gelijk 8415 Dat hij dat zou houden waar; Daarna zwoer Ulfijn daarnaar. Toen Merlijn die eed had ontvangen, Zei hij: “koning, haast u gelijk, Doe mijn wil met een vaart 8420 Als een die dat zeer begeert”. Merlijn zei: “zie dat ge u doet Wel te geraken, die vrouw is verstandig En getrouw erg zeer Tegen God en haar heer. 8425 Nu kan ge mijn geest verstaan: Ik zal u maken alzo gedaan Zoals de hertog is, in korte tijd, Dat men zal menen, dat hij het is; De hertog heeft ridders twee, 8430 Die hem zijn heimelijk, en nimmer meer Die ene is Bretel, de andere Jordaen Zoals Bretel zal ik zijn gedaan; Aldus zullen we gaan alzo een deel Alle drie tot Tintaveel, 8435 Ik zal ons wel daarin geleiden, Maar we moeten vroeg weg scheiden, Daar zal een bericht zijn van vreemde doen, Bezet uw ridders en uw baronnen, Verbiedt zodat men niet strijdt 8440 Eer ge wedergekomen bent, En zeg het niemand waar ge gaat”. De koning zei: “ik doe uw raad, Zie dat gereed zijn onze zaken”. Merlijn zei: “ik zal u maken 8445 De gedaante, maakt u zich weg. 92 Die koning haastte zich uitermate Om te doen dat Merlijn zei; Toen het gedaan was, wachtte hij niet, Hij kwam tot Merlijn gelijk, 8450 En zei: “ik heb alles gedaan, Denk om mijn doen”. Merlijn zei: “Gaan we nu op die heide”. Toen gingen ze weg, en reden een deel Totdat ze kwamen te Tintaveel. 8455 Toen sprak Merlijn tot de koning: “Blijf, ik ga om uw ding”. Ten eerste dat hij ze had verlaten, Toen scheidde Merlijn van hen beiden En bejaagde zijn ding, 8460 En kwam weer tot de koning. Een kruidje had hij geplukt: “Wrijf uw handen”, sprak hij, “met deze En uw voeten en uw aanzicht”. Dat deed hij, en alzo gauw 8465 Had hij de hertogs gedaante, Zodat niemand twijfelen mocht daaraan. Toen gaf hij Ulfine Jordaens gelijke En leidde hem tot de koning gauw; Hij zegende hem toen hij hem zag: 8470 “O God”! zei hij, “dat men mag Aldus veranderen een man!” - De koning zei: “ken u mij dan”? “Ja ik, voor de hertog”. “Ik weet niet, hoe dit wezen mag”, 8475 Sprak de koning, “u bent Jordaen”; En Merlijn maakte zichzelf gelijk Min of meer als Bretel. Toen gingen ze naar Tintaveel. Valse bedekkingen drie 480 Hadden ze, dat zegt men mij. Laat kwamen ze te Tintaveel; Merlijn, die wel scheen Bretel, Riep ter poort: “laat ons in”. Ze gingen voort, meer of min 8485 Dachten ze de koning te wezen hun heer; “Laat in”! riepen ze toen zeer, “Hier is de hertog, zonder waan, En Bretel en Jordaen”. Toen ze er in waren kwam Bretel voort, 8490 En zei dat men in die poort Niet zei, dat de hertog daar was, En men het zei de vrouwen openbaar; En toen hij ten paleis kwam, Bleef de koning, en Merlijn nam 8495 De koning er uit toen wel gereed, Zodat daar niemand van weet. Ter kamer kwamen ze alle drie, Daar was die mooie Ygerne, die Tot haar bed was gegaan; 8500 Ze verontschuldigde de koning gelijk, En hij ging liggen bij de vrouw; Daar won hij, dus mag ge me vertrouwen, De edele koning Arthur, Daar men van zegt menige avontuur. 8505 De vrouw was vrolijk met de koning Als die meende in een waar ding Met haar te hebben haar heer, Die ze beminde erg zeer. Tezamen lagen ze tot de dag 8510 Zodat in de poort kwam een sage, Dat de drost was gevangen En de hertog dood, zonder waan. De andere twee hebben dat gehoord, En ze zijn gekomen voort 8515 Tot de koning daar hij lag: “Sta op”, zeiden ze, “het is dag; Uw volk heeft nieuws groot En alle poorten, dat ge bent dood”. Hij zei: “me verwondert het niet, 8520 Als ik uit de poort schiet, Zei ik dat knecht nog man”. Toen hij had zijn klederen aan, Toen nam hij gauw gelijk verlof Aan allen die waren in de hof; 8525 Toen kuste hij haar aan haar mond, En zei: “goede lief, blijf gezond”! Toen ruimden ze Tintaveel Onbekend; toen sprak Bretel Ten eerste dat ze uit de poorten waren: 8530 “Hoe lijkt het u? we zijn ontgaan; Heer koning, ge hebt dat ge wou, Nu ziet, dat ge mij nog wel behoudt Mijn geloof”. De koning zei: “Gij hebt ter plaatse, dat is waarheid, 8535 Mij gedaan de hoogste bede, 93 Die ooit een man de andere deed”. Merlijn zei: “ik wil ge dat bekent, Dat ge gewonnen hebt een kind Aan Ygerne, en dat is mijn, 8540 Dat mag niet wezen van u, En dat moet u me graag geven; Ik wil ook dat het is beschreven Die nacht, daar het op gewonnen was”. “U mag wel zeker wezen van dat 8545 Ik hou immer mijn eed: Ik geef u dat kind gereed”. Aldus kwamen ze wel snel Gevaren op een rivier, Daar namen ze weer hun gedaante; 8550 Met een haast voeren ze er vandaan. Ten eerste dat ze kwamen naar dat leger, Kwam dat volk met grote gang, Daar vroeg hij zo een die kwam, Hoe de hertog was gebleven dood; 8555 En ze antwoordden hem gelijk Dat de hertog, zonder waan, Op de morgenstond te waren, Dat hij weg was gevaren, Zo lag die leger stil helemaal 8560 En de hertog vernam die taal Dat ge hier niet was, En hij wapende zich met een vaart En sloeg uw lieden veel, Eer ze gewapend waren geheel, 8565 Zodat we hoorden dat gekrijs; Met grote haast zo kwamen wij En joegen ze ter vesting weer, De hertog was geveld daar neer; Daar versloegen we hem, God weet!” 8570 De koning zei: “dat is me leed, Dat de hertog dus dood bleef”. De rouw was groot die hij daarom dreef. |
Hoe die Koninck Uter versoende, ende Ygernen tenen wive nam. Nu es doet die hertoge van Tintaveel Ende verloren zijn casteel; 8575 Des hadde die koninck rouwe groet Ende zeide: “in wilden niet hebben doet, Al was dat ic op hem street, Dat gesciet es dat es my leet”. Ulfijn nam wt die baroene, 8580 Ende zeide hem van desen doene: “Secht my, Heren, of gy dat wit Hoe die koninck best gebetert dit, Want hi zoeckt des an iu raet; Gy moetet doen, alset nu staet, 8585 Iuwen heer, van gerechter scout”. Si zeiden alle: “sijn behout Sien wy gerne zonder baraet, Dat des die koninck niet af en gaet Ende hi dan doe ons ordeel, 8590 Want gy zijt zijn vrient een deel”. Ulfijn zeide: “of ik also wael dan Met hem ben alse ieman, Meende gy dat ik hier raden woude Dat ik vor hem lochenen zoude, 8595 So hiet ic met rechte een verrader; Ende lage die zake op my allegader, Ic wane ic zulke dinck wel riede, Dat gy niet en denket, gy liede”. Si zeiden: “dat weten wy wel 8600 Dat hier nieman en es el Die also getrouwe es alse gy; Ende daerombe biddewy, Dat gy ons gevet den besten raet, Daer sine ere meest an staet, 8605 Want die dinck es openbaer”. Ulfijn zeide: “nu hoert hier naer, [Ende] verstaet al myne woert: Die beter weet, hi brenget voert, My dunket goet, die koninck ontbiede 8610 Des hertogen mage, die edelliede, Te Tintaveel in enen dage, Ende daertoe der vrouwen mage, Ende zeide, dat hi dat beteren zoude; Waert dat men dat niet en woude, 8615 Men zoudese houden vor onvroet Ende den koninck vor goet, Ende alle degene diet hem rieden, Souden gepryset zijn metten lieden”. In den rade en was nieman doe 8620 Hi en radet gerne daertoe, Ende zeiden, dat waer wel gesecht. 94 Toten koninge gingen zi echt, Ende rieden hem dat algemene; Maer si en zeiden groet no clene, 8625 Dat Ulfijn hadde beraden dat, Ombdat hine des te voren bat. Tierst dat die koninck dit verstoet Seidi, dat dochte hem wesen goet, Woudenzi te Caredol komen, 8630 Hi wil dat beteren tharen vromen, Die koninck voer te hant enwech; Merlijn zeide: “koninck, nu sech: Wetestu waerby si dit rieden, Dattu dit zoudes ontbieden”? 8635 “Neen ic”, seide hi, “meer no min Dan wt hoerre alre zin”. Merlijn zeide: “anders niet, Maer die getrouwe Ulfijn riet Ende hevet den vrede vorgedacht al, 8640 Also als hi wesen sal; Dit en weet nieman dan Ulfijn”. Die koninck zeide: “hoe zalt dan zijn”? Ende Merlijn zeiden dat al te male, Alse hierna komet die tale. 8645 Die koninck was wael te gemake, Ende zeide, hi lovede wel die zake. Merlijn zeide: “nadien dat staet, So en wetic genen beteren raet; Dus machstu dijns herten wille gewinnen, 8650 Ende daertoe loen van diner mynnen. Nu wil ick henen maken my, Maer ic wil eer spreken vor dy Ulfine; als ic henen bem Vrage omb dese saken hem”. 8655 Die koninck sprac: “ic en lates niet”. Mettien men Ulfine komen ziet, Ende Merlijn zeide, daer zi toe horen: “Gy hebbet beide dat gezworen, Dat gy my des kindes wael onnet, 8660 Koninck, dat gy latest wonnet, Dat en mach uwe niet blyven, Want gy hebbet doen bescryven, Welke tijt dat was gewonnen, God, hi soudes my wanconnen, 8665 En helpe ic hem niet vro ende spade, Want gy wonneten by mynen rade, Kindescheit es van menegen keer, Entie moeder mochtes hebben onneer Waer ‘t dat zy dat allene voede, 8670 Entie vrouwen zijn van krancker hoede Dickewile in haer sneven; Oeck willic dat Ulfijn hebbe bescreven Die nacht dattet was gewonnen, Gy en zult my niet gespreken konnen 8675 Recht eer enen dach te voren, Dat iu kint sal sijn geboren; Gelovet Ulfine vorwaert meer, Des biddic iu ombe Onsen Heer, Van al dat hi iu brenget te voren; 8680 Hi hevet iu lief ende verkoren, Hi en radet iu zake min no meer, Dat en zij iu goet ende oec iu eer; Ic en spreke iu niet vor mynen termyne, Maer ik sal spreken Ulfine; 8685 Dat ic iu by hem ontbiede, dat doet Of gy van my wilt zijn behoet, Ende of gy wilt dat iu voert meer Goet gescie ende oec eer”. Dus bleef Ulfine die tijt bescreven. 8690 Doe Merlijn dus stont beneven Den koninge Uter-Pandragoene, Seidi: “en zijt niet zo koene, Dat Ygerne wete openbaer, Dat gy een kint wonnet an haer, 8695 Noch scult haddet van haren live, Want gy sultse nemen te wive. Hiermede sult gyse dwingen: Vraget haer, iu waren dingen, By wien dat si draget dat kint, 8700 Ic wane zi den vader niet en vint; Si sal haer scamen der onneren. Dit es die sake daer gy my mere Mede moget helpen dat ment my gevet”. Mettien Merlijn orlof hevet 8705 Genomen an den coninck ende an Ulfine; Die koninck voer, metten carine, Tote Caredol metter vaert, Ende Merlijn te Blasise waert, Ende seide hem dit ende ander saken; 8710 Een boeck dade hi daeraf maken Ende by hem so weten wy dat noch. 95 Die koninck quam te Cardoel doch Ende ontboet den wysesten lieden, Ende vragede wat zi ten vrede rieden. 8715 Hem allen dochte goet die vrede, Ende dat men vrede makede mede Jegen die vrouwe entie mage. Doe nam hi in enen dage Boden, dien hi dit dade verstaen, 8720 Ende zendese te Tintaveel saen, Ende vragede der hertoginnen, Of si den vrede iet mochte minnen, Ende dat ander volck oec mede, Si minden alle sere den vrede. 8725 Lanck perlement es dicke quaet. Die koninck sende sinen raet Tote Tintaveel in enen dage Toter vrouwen ende mage. Die koninck bleef te Caredol binnen 8730 Totdat hi die waerheit zoude kinnen. Doe sprac Ulfijn toten koninge “Duncket iu goet al dese dinge”? Hi seide, hem dochte goet die vrede, “Entu heves”, zeide hi oeck mede, 8735 “Den vrede gevisiert daertoe, Ende ick weet zelve oec wel hoe”. “Wety dat wael”, sprac Ulfijn, So wety oftet iu goet dunckt zijn”. Die koninck zeide: “ic en lachters niet, 8740 Ic wilt also nu waer gesciet”. Ulfijn sprac: “nu achtes clene, Ick zal den vrede maken allene”. Die koninck bat hem, dat hijt dade. Aldus gingen zi van den rade 8745 Entie boden quamen ter stonden Te Tintaveel, daer si vonden, Die vrouwe ende oec haer mage, Ende togeden des koninges clage, Dat hem leet waer haer scade, 8750 Entie hertoge by quaden rade Ende by overdade, die hy dede, Sijn lijf verloren hadde oeck mede; Dat waer leet Uter-Pandragoene, Ende woudes maken ene zoene. 8755 Si zeiden, zi woudens hem beraden. In ene kamer si hem daden, Beide vrouwen ende heren, Si zeiden, zi en wistent hoe bet bekeren, Dan zi vrede maken ende houden; 8760 “Die hertoge starf by syner scouden, Entie koninck es ons te mogende; Siewy of dat ons es dogende, Dat gebot dat men ons biet, Dat mach sulc zijn, wi en latens niet; 8765 Van twe quaden sal men dbeste kiesen, Dat es beter dan wy verliesen”. Doe antworde die scone vrouwe: “Mijn Heer, die was my so getrouwe Dat ic my niet van iu en kere, 8770 Want ic getrouwe iu wael myner ere”. Doe scied die raet ter steden. Enen wyzen man hebbensi gebeden, Dat hi des koninges boden sprake Enter mage tale na der sake. 8775 “Gy Heren”, zeidi, “myne vrouwe die hier staet, Ende die gene dien dat angaet, Si wisten gerne wat men hem biet Al vor haer grote verdriet”. Die boden zeiden: “lude no stille 8780 En wetewy niet wat die koninck wille, Al zijn wy alle sine man, Noch wat hi wille vangen an. Dat zeggewy al vorwaer”. Die ander antworde daernaer: 8785 “So en wilt gy ons niet bieden? Gy gelijcket so goeden lieden, Gy zult dat beteren na uwer macht”. Si namen verste veertien nacht, Dan zoudenzi komen echt 8790 Alle toten koninge recht Ombe te hoerene sine woert; Brachte die koninck oec iet voert, Dat den magen niet en dochte, So wouden zi dat mense brochte 8795 Weder tote Tintaveel, Des haddensi borgen een deel. Aldus was die verste genomen, Entie boden zijn wederkomen, Ende zeiden den koninge die waerheide 8800 Wat die raet tot hen zeide. Die koninck hi zwoer vaste geleide 96 Te vaerne ende te komene beide. Daer lach die koninck veertien nacht Te Caredole met siner kracht. 8805 Die koninck ende Ulfijn dicke spraken Van menegerhande vremden saken. Als die veertien nacht waren gedaen, Sende die koninck ridder saen, Die die Vrouwe entie mage 8810 Geleiden souden toten dage. Ende doe die ridder daer quamen Dade die koninck sine man te samen, Ende hi dade sciere vragen Der Vrouwen enten magen 8815 Of zi wouden eyschen soene. Doe zeide een der baroene: “Omb eyschen en komewy niet, Maer ombe weten wat men ons biet, Of dat ons iet mach genoegen”. 8820 Doe zeiden die die tale droegen Den koninge die antwoerde. Alse die koninck dit hoerde, Hilt hi ze vor vroet. Zine baroene Nam hi te rade van desen doene, 8825 Ende vragede wat zi hem rieden. Doe sprac een van sinen lieden: “Dit en mach nieman weten bet Dan gy zelve, daert al an let”. Die koninck zeide: “ic sal iu saen 8830 Al mynen wille doen verstaen. Nu zijt gy hier al mijn raet Ende daer mijn troest nu al an staet, Hoedet iu, dat uwer geen en zegge Daer mijn lachter an legge”. 8835 Si zeiden: “wy en doen niet el Mer wy en dorren anders niet wel Dit wysen”, zeiden die baroene, “Gy en ziet onzen wille te doene”. Ulfijn zeide doe: “zijt gy niet wijs 8840 Ende geloevet gy hem niet dies, Dat hy iu recht sal doen”? “Ja wy”, zeide doe elck baroen, “Wy dencken dat in onsen moet Dat gy met ons zijt, gy zijt vroet, 8845 Ende dat gy ons weten laet Iuwen alrebesten raet, Ende gy ons laet verstaen Wat iu best dunckt gedaen”. Doe die woert vor den koninck quamen, 8850 Datsi Ulfine gerne namen, Liet hi of hi des blyde ware, Ende zeide: “Ulfijn, komet hare, Ende raet hem dat beste dat gy moget, Daer gy mijn herte mede verhoget”. 8855 “Ic sal hem na dat gy dat heet, Ende ic wille, Here, dat gy weet, Dat ic doen sal al uwe houde”. Ulfijn ginck daer die koninck woude. Doe vermaent waren die liede, 8860 Vrageden zi wat Ulfijn riede; Ulfijn sprac: “gy hebt verstaen Dat des die koninck iu wil angaen; Gawy ten magen ende ter Vrouwen Sien of zi des ons willen betrouwen”. 8865 Si seiden: “dat doewy gerne”. Si quamen al daer was Ygerne; Daer vertelde men menech dinck, Dat was die soene die tal bevinck, Ende dat die koninck van alre dinck 8870 Aldus op sine man ginck, Ende woude doen dat zi hem rieden; Hierombe waren zy tot hemlieden Comen, ombedat zi weten wouden Of zi dat an hem keren zouden. 8875 Si zeiden: “wy willen ons des beraden”. Doe sprac daer met goeder staden Een daer die raet al an droech, Dat die koninck hem bade genoech. O we, hoe droevich was die Vrouwe! 8880 Nochtan was si seer getrouwe Dat zi an hoers mannes mage Haer hilt van hoere clage. Dus quamensi an des koninges man, Ende zi berieden hem doe dan, 8885 Ende elc vragede, wat hem goet dochte, Dat elc dat zine daer voertbrochte, Onderzochten zi Ulfijns moet. Ulfijn zeide: “my dochte goet, Ende dar wel zeggen overal, 97 8890 Dat dit grote ongeval By den koninge alle is volgaen; Wat die hertoge hadde mesdaen, Hi en hadde gene doet verdient; Gy zijt alle mijnes heren vrient; 8895 Ick zegget die Vrouwe met kinde gaet, Mijn Here hevet, dat es overdaet, Haer lant verwoestet ende verbrant, Daer en es oeck beter Vrouwe int lant Noch bet geraket an den dage; 8900 Gy wetet wel dat des hertogen mage Verloren hebben vele an siner doet, Des moet hy beteringe doen groet, Ombe te hebbene haer houde Ende te beterne haer scoude; 8905 Echt wety wel dat hi Geen wijf en hevet, ende daerby So mach hi dit soenen te bat, Ende wat wyzen hi sal doen dat: Hi neme die Vrouwe nu te wive, 8910 Dat die vrede gestadech blive, Ende oeck dor siner bede wille, Men zalt hem prysen lude ende stille; Ende als hi dit gelovet hevet Wysewy voertan dat hi gevet 8915 Enen man der oudster dochter Dat des den magen zij te sochter; Dat sal zijn van Orcanie Loth die koninck, die here vrye; Den andren doe hi oeck zulc ere 8920 Dat sine heten getrouwe here. Nu hebt gy minen wille verstaen, Siet wat iu duncket best gedaen”. Doe zeiden zi daer al te male, Dat waer die alrebeste tale 8925 Entie hogeste raet daermede, Dien ieman gaf tieniger stede: “Dordy dat vor den koninck spreken, Ende hi dat niet en wil breken, Dit dunckt ons allen wesen genoech”. 8930 Ulfijn sprac: “dit es geen ongevoech, Maer love dat al, ick sal des lyen Hier vor den koninge van Orcanien”. Die koninck antworde, ende zegget: “Dor gene dinck dat an my legget 8935 So en willick niet, dat dat bliven zal”. Doe zeidenzi: “wy loven dat al”. “Prijsdy dat alle”, sprac Ulfijn, “So duncket my dat beste zijn Dat wy alle gaen te hove, 8940 Ende spreken die Vrouwe van love, Ende al horen raet met haer”. Doesi daer quamen, zaten zi daer Alle, sonder Ulfijn allene. Hi stont ende sprac die redene rene, 8945 Also als gy hebbet gehoert. Als volsecht waren die woert, Sochte hy gevolch an die baroene; Si zeiden: “wy volgens in allen doene”. Doe sprac Ulfijn an den koninck: 8950 “Wat zegdy, Here, van desen dinck? Loefdy dat uwe manne wysen?” “Ja, ick”, zeide hi, “ick wilt prysen, Genoeget aldus den magen Ende des die Vrouwe overeen wil dragen, 8955 Entie koninck Loth, dor mine bede, Die joncfrouwe wille nemen mede”. “Here”, sprac die koninck Loth, “Altoes wil ick uwe gebot Dor iu mede gereet zijn te doene, 8960 Ende oeck mede dor die zoene”. Ulfijn sprac toten taleman: “Loefdy dit oeck mede dan”? “Ja”, seide hi, “hoe so dat gaet”. Doe sprac die Vrouwe ende haer raet, 8965 Ende waren so blide, dat hem die trane Wten ogen begonsten te gane, Ende waren des alle in hogen, Ende zeiden, dat men nie so hogen Soene enen koninge doen dede. 8970 Die mage pryseden dat alle mede. Quijt scout men des hertogen doet; Die Vrouwe ende haer genoet Loveden alle dat men dat dede: “Die koninck es so vroet oeck mede, 8975 Ende so goet, sonder waen, Dat wy des gerne op hem gaen Van allen dingen”. Dus was die sprake Daer geendet met deser sake, Entie koninck trouwede Ygerne; 98 8980 Dat dade hi wtermaten gerne; Ende van Orcanien die koninck Loth Nam, dor des koninges gebot, Sine stiefdochter. Des koninges feeste Was, bescrivet ons die jeeste, 8985 Twintich dage na den dach, Dat hi met haer te Tintaveel lach. Van den koninge Loth, weetes, Was geboren Mordres Guheries ende Garies 8990 Ende Gawin, zijt zeker des, Ende Agraweyn; mere ende minder Dit waren Ygernen dochter kinder; Oeck wan hi een dochter bastaerde Organie, die hilt hi waerde 8995 By synen rade enter mage mede; Ende wy lesen dat hise dede In een hues van religioene, Die wonder dade van menigen doene: Astronomie hiet men die art 9000 Daer si ombe geheten wart Morgant-li-feie in elke stede, Want zi wonder dade daer mede: Entie koninck brachte die kinder Al te manne, mere ende mynder, 9005 Ende eerde alle die mage, So dat hi verwan al haer clage. |
Hoe koning Uter zich verzoende en Ygerne als vrouw nam. Nu is dood de hertog van Tintaveel En verloren zijn kasteel; 8575 Dus had de koning rouw groot En zei: “ik wilde hem niet hebben dood, Al was het dat ik op hem streed, Dat gebeurd is dat is me leed”. Ulfijn nam uit de baronnen, 8580 En zei hen van deze doen: “Zeg me, heren, of ge dat weet Hoe de koning het beste verbetert dit, Want hij zoekt dus aan u raad; Ge moet het doen, zoals het nu staat, 8585 Uw heer, van gerechte schuld”. Ze zeiden allen: “zijn behoudt Zien w graag zonder beraad, Dat dus de koning niet afgaat En hij dan doet ons oordeel, 8590 Want ge bent zijn vriend een deel”. Ulfijn zei: “als ik alzo wel dan Met hem ben als iemand, Meende ge dat ik hierin aanraden wilde Dat ik voor hem loochenen zou, 8595 Dan noemt hij me met recht een verrader; En lag die zaak op mij geheel, Ik meen dat ik zulk ding wel aanraadt, Dat ge niet denkt, gij lieden”. Ze zeiden: “dat weten wij wel 8600 Dat hier niemand is anders Die alzo getrouw is zoals gij; En daarom bidden wij, Dat ge ons geeft de beste raad, Daar zijn eer het meeste aan staat, 8605 Want dat ding is openbaar”. Ulfijn zei: “nu hoor hiernaar, En begrijp al mijn woord: Die beter weet, hij breng het voort, Me lijkt goed, bij de koning te ontbieden 8610 De hertogs verwanten, de edellieden, Te Tintaveel op een dag, En daartoe de vrouws verwanten, En zei, dat hij dat verbeteren zou; Was het dat men dat niet wou, 8615 Men zou deze houden voor onverstandig En de koning voor goed, En al diegene die het hem aanraden, Zouden geprezen zijn met de lieden”. In de raad was niemand toen 8620 Hij graag aanraadde daartoe, En zeiden, dat was goed gezegd. 94 Tot de koning gingen ze echt, En raden hem dat algemeen; Maar ze zeiden groot nog klein, 8625 Dat Ulfijn had beraden dat, Omdat hij het hen tevoren bad. Ten eerste dat de koning dit verstond Zei hij, dat het dacht hem te wezen goed, Wilden ze te Caredol komen, 8630 Hij wil dat verbeteren tot hun baat, De koning ging gelijk weg; Merlijn zei: “koning, nu zeg: Weet u waarom ze dit aanraden, Dat u dit zou ontbieden”? 8635 “Neen ik”, zei hij, “meer of min Dan uit hun aller zin”. Merlijn zei: “anders niet, Maar de trouwe Ulfijn raadde aan En heeft de vrede voorbedacht al, 8640 Alzo zoals hij wezen zal; Dit weet niemand dan Ulfijn”. De koning zei: “hoe zal het dan zijn”? En Merlijn zei dat allemaal, Zoals hierna komt die taal. 8645 De koning was wel te gemak, En zei, hij loofde deze zaak. Merlijn zei: “nadien dat het staat, Zo weet ik geen betere raad; Dus kan u uw hart wil winnen, 8650 En daartoe loon van uw minnen. Nu wil ik heen maken mij, Maar ik wil eerst spreken voor u Ulfijn; als ik weg ben Vraag om deze zaken hem”. 8655 De koning sprak: “ik laat het niet”. Meteen men Ulfijn komen ziet, En Merlijn zei, daar ze toe horen: “Ge hebt beide dat gezworen, Dat ge me dat kind wel gunt, 8660 Koning, dat ge laatst won, Dat kan de uwe niet blijven, Want ge hebt laten beschreven, Welke tijd dat het was gewonnen, God, hij zou het me wel kwalijk nemen, 8665 En help ik hem niet vroeg en laat, Want ge won het bij mijn raad, Kindsheid is van menige keer, En de moeder mocht hebben oneer Was het dat ze dat alleen voedde, 8670 En de vrouwen zijn van zwakker van behoeden Dikwijls in hun sneven; Ook wil ik dat Ulfijn heeft beschreven De nacht dat het was gewonnen, Ge zal me niet tegenspreken kunnen 8675 Recht een dag tevoren, Dat uw kind zal zijn geboren; Geloof Ulfijn voorwaarts meer, Dus bid ik u om Onze Heer, Van alles dat hij u brengt te voren; 8680 Hij heeft u lief en gekozen, Hij raadt u in zaken aan min of meer, Dat is u goed en ook uw eer; Ik spreek u niet voor mijn termijn, Maar ik zal spreken Ulfijn; 8685 Dat ik u bij hem ontbiedt, dat doet Of ge van me wil zijn behoed, En als ge wil dat u voort meer Goed geschiedt en ook eer”. Dus heeft Ulfijn die tijd beschreven. 8690 Toen Merlijn dus stond benevens Koning Uter-Pandragoen, Zei hij: “wees niet zo koen, Dat Ygerne weet openbaar, Dat ge een kind won aan haar, 8695 Nog schuld had van haar lijf, Want ge zal haar nemen tot wijf. Hiermee zal ge haar dwingen: Vraag het haar, in ware dingen, Van wie dat ze draagt dat kind, 8700 Ik waan ze de vader niet vindt; Ze zal zich schamen de oneer. Dit is die zaak daar ge me meer Mee mag helpen dat men het mij geeft”. Meteen Merlijn verlof heeft 8705 Genomen van de koning en aan Ulfijn; De koning ging, met de koets, Tot Caredol met een vaart, En Merlijn te Blasys waart, En zei hem dit en andere zaken; 8710 Een boek liet hij daarvan maken En via hem zo weten wij dat nog. 95 De koning kwam te Caredol toch En ontbood de wijste lieden, En vroeg wat ze ten vrede aanrieden. 8715 Hen allen dachten goed de vrede, En dat men vrede maakte mede Met de vrouw en de verwanten. Toen nam hij op een dag Boden, die hij dit liet verstaan, 8720 En zond ze te Tintaveel gelijk, En vroeg de hertogin, Of ze de vrede iets mocht beminnen, En dat ander volk ook mede, Ze beminden alle zeer de vrede. 8725 Lang gesprek is vaak kwaad. De koning zond zijn raad Tot Tintaveel in een dag Tot de vrouw en verwanten. De koning bleef te Caredol binnen 8730 Totdat hij de waarheid zou kennen. Toen sprak Ulfijn tot de koning “Lijkt het u goed al deze dingen”? Hij zei, hij dacht goed de vrede, “En u heeft”, zei hij ook mede, 8735 “De vrede gemaakt daartoe, En ik weet zelf ook wel hoe”. “Weet je dat wel”, sprak Ulfijn, Dan weet ge of het u goed lijkt te zijn”. De koning zei: “ik lach het uit niet, 8740 Ik wil het alzo nu was geschiedt”. Ulfijn sprak: “nu acht ge het klein, Ik zal de vrede maken alleen”. Die koning bad hem, dat hij het deed. Aldus gingen ze van de raad 8745 En de boden kwamen terstond Te Tintaveel, daar ze vonden, De vrouw en ook haar verwanten, En toonden hen de konings klagen, Dat het hem leed was haar schade, 8750 En de hertog door kwade raad En bij overdaad, die hij deed, Zijn lijf verloren had ook mede; Dat was leed Uter-Pandragoen, En wilde maken een verzoening. 8755 Ze zeiden, ze wilden zich beraden. In een kamer ze hen deden, Beide vrouwen en heren, Ze zeiden, ze wisten niet hoe beter te bekeren, Dan ze vrede maken en houden; 8760 “Die hertog stierf door zijn schuld, En de koning is ons te vermogend; Zien we of dat ons deugd, Dat gebod dat men ons biedt, Dat mag zulks zijn, we laten het niet; 8765 Van twee kwaden zal men de beste kiezen, Dat is beter dan we verliezen”. Toen antwoordde die mooie vrouw: “Mijn heer, die was me zo trouw Dat ik me niet van u keer, 8770 Want ik vertrouw u wel mijn eer”. Toen scheidde de raad in die plaats. Een wijze man hebben ze gebeden, Dat hij konings boden sprak En de verwanten taal na de zaak. 8775 “Gij heren”, zei die, “mijn vrouw die hier staat, En diegene die dat aangaat, Ze wisten graag wat men hen biedt Al voor hun grote verdriet”. De boden zeiden: “luid nog stil 8780 Weten we niet wat de koning wil, Al zijn we allen zijn man, Nog wat hij wil vangen aan. Dat zeggen we al voor waar”. De andere antwoordde daarnaar: 8785 “Zo wilt ge ons niets bieden? Ge lijkt zulke goede lieden, Ge zal dat verbeteren naar uw macht”. Ze namen uitstel veertien nachten, Dan zouden ze komen echt 8790 Alle tot de koning recht Om te horen zijn woord; Bracht de koning ook iets voort, Dat de verwanten niets dacht, Dan wilden ze dat men ze haar bracht 8795 Weer tot Tintaveel, Dus hadden ze borgen een deel. Aldus was dat uitstel genomen, En de boden zijn weer gekomen, En zeiden de koning de waarheid 8800 Wat de raad tot hen zei. De koning hij zwoer vaste geleide 96 Te gaan en te komen beide. Daar lag de koning veertien nachten Te Caredol met zijn kracht. 8805 De koning en Ulfijn vaak spraken Van menige vreemde zaken. Toen de veertien nachten waren gedaan, Zond de koning ridders gelijk, Die de vrouw en de verwanten 8810 Begeleiden zouden tot de dag. En toen de ridders daar kwamen Deed de koning zijn mannen tezamen, En hij liet snel vragen De vrouw en de verwanten 8815 Of ze wilden eisen verzoening. Toen zei een van de baronnen: “Om eisen komen we niet, Maar om te weten wat men ons biedt, Of dat ons iets mag vergenoegen”. 8820 Toen zeiden die de taal droegen De koning dit antwoord. Toen de koning dit hoorde, Hield hij ze voor verstandig. Zijn baronnen Nam hij tot raad van dit doen, 8825 En vroeg wat ze hem aanraden. Toen sprak een van zijn lieden: “Dit kan niemand weten beter Dan gij zelf, daar alles aan ligt”. De koning zei: “ik zal u gelijk 8830 Al mijn wil laten verstaan. Nu bent ge hier mijn hele raad En daar mijn troost nu al aan staat, Hoedt u, dat geen van u zegt Daar ik me belachelijk mee maak”. 8835 Ze zeiden: “we doen niet anders Maar we durven anders niet goed Dit aan te wijzen”, zeiden de baronnen, “Ge ziet onze wil te doen”. Ulfijn zei toen: “bent ge niet wijs 8840 En gelooft ge hem niet aldus, Dat hij u recht zal doen”? “Ja wij”, zei toen elke baron, “We denken dat in ons gemoed Dat ge met ons bent, ge bent verstandig, 8845 En dat ge ons weten laat Uw allerbeste raad, En ge ons laat verstaan Wat u het beste lijkt gedaan”. Toen die woorden voor de koning kwamen, 8850 Dat ze Ulfijn graag namen, Liet hij zich of hij dus blij was, En zei: “Ulfijn, kom hier, En raadt hen dat beste dat ge mag, Daar ge mijn hart mee verhoogt”. 8855 “Ik zal hen nadat ge dat noemt, En ik wil, heer, dat ge weet, Dat ik doen zal al uw behoudt”. Ulfijn ging daar die koning wilde. Toen vermaand waren de lieden, 8860 Vroegen ze wat Ulfijn aanraadt; Ulfijn sprak: “ge hebt verstaan Dat dus de koning u wil aangaan; Gaan we naar de verwanten en tot de vrouw Zien of ze dus ons wil vertrouwen”. 8865 Ze zeiden: “dat doen we graag”. Ze kwamen al daar was Ygerne; Daar vertelde men menig ding, Dat was die verzoening die het al beving, En dat de koning van alle ding 8870 Aldus op zijn man ging, En wilde doen dat ze hem aanraden; Hierom waren ze tot hen lieden Gekomen, omdat ze weten wilden Of ze dat aan hem keren zouden. 8875 Ze zeiden: “we willen ons dus beraden”. Toen sprak daar met goede stade Een daar de raad alles aan opdroeg, Dat de koning hem bad genoeg. O wee, hoe droevig was die vrouw! 8880 Nochtans was ze zeer trouw Dat ze aan haar mans verwanten Zich hield van haar klagen. Dus kwamen ze aan de konings man, En ze beraden zich toen dan, 8885 En elk vroeg, wat hem goed dacht, Dat elk dat zijne daar voortbracht, Onderzochten ze Ulfijns gemoed. Ulfijn zei: “me dacht het goed, En durf wel te zeggen overal, 97 8890 Dat dit grote ongeval Bij de koning geheel is voldaan; Want de hertog had misdaan, Hij had de dood verdiend; Ge bent alle mijn heren vriend; 8895 Ik zeg het de vrouw met kind gaat, Mijn heer heeft, dat is overdaad, Haar land verwoest en verbrand, Daar is ook geen betere vrouw in het land Nog beter geraakt van de dag; 8900 Ge weet wel dat de hertogs verwanten Verloren hebben veel aan zijn dood, Dus moet hij verbetering doen groot, Om te hebben en haar gunst En te verbeteren haar schuld; 8905 Echt weet ge wel dat hij Geen vrouw heeft, en daarbij Zo kan hij dit verzoenen beter, En welke wijze hij zal doen dat: Hij neemt de vrouw nu tot wijf, 8910 Zodat de vrede gestadig blijft, En ook door zijn bede wille, Men zal het hem prijzen luid en stil; En als hij dit beloofd heeft Wijzen we voortaan dat hij geeft 8915 Een man de oudste dochter Zodat de verwanten zijn zachter; Dat zal zijn van Orkney Loth de koning, die heer vrij; De anderen doet hij ook zulke eer 8920 Dat zij hem noemen trouwe heren. Nu heb je mijn wil verstaan, Ziet wat u denkt het beste gedaan”. Toen zeiden ze daar allemaal, Dat was de allerbeste taal 8925 En de hoogste raad daarmee, Die iemand gaf te enige stede: “Door u dat ge voor de koning spreekt, En dat hij niet wil breken, Dit lijkt ons allen wezen genoeg”. 8930 Ulfijn sprak: “dit is geen ongevoeg, Maar loof dat alles, ik zal dus belijden Hier voor de koning van Orkney”. Die koning antwoordde, en zegt: “Door geen ding dat aan mij ligt 8935 Zo wil ik niet, dat dit blijven zal”. Toen zeiden ze: “we loven dat al”. “Prijst ge dat alle”, sprak Ulfijn, “Dan lijkt met het beste te zijn Dat we alle gaan naar het hof, 8940 En spreken de vrouw van lof, En al haar raad met haar”. Toen ze daar kwamen, zaten ze daar Alle, uitgezonderd Ulfijn alleen. Hij stond en sprak de redeenn rein, 8945 Alzo zoals ge hebt gehoord. Toen alles gezegd was dat woord, Zocht hij vervolg aan de baronnen; Ze zeiden: “we volgen in alle doen”. Toen sprak Ulfijn tot de koning: 8950 “Wat zegt ge, heer, van dit ding? Looft u dat uw mannen wijzen?” “Ja, ik”, zei hij, “ik wil het prijzen, Vergenoeg alle verwanten En dus de vrouw overeen wil komen, 8955 En koning Loth, door mijn bede, Die jonkvrouw wil nemen mede”. “Heer”, sprak koning Loth, “Altijd wil ik uw gebod Door u mede gereed zijn te doen, 8960 En ook mede door die verzoening”. Ulfijn sprak tot de advocaat: Beloof je dit ook mede dan”? “Ja”, zei hij, “hoe zo dat gaat”. Toen sprak de vrouw en haar raad, 8965 En waren zo blijde, zodat hen de tranen Uit de ogen begonnen te gaan, En waren dus alle in vreugde, En zeiden, dat men niet zo hoge Verzoening een koning doen deed. 8970 De verwanten prezen dat alle mede. Kwijt schold men de hertogs dood; De vrouw en haar verwanten Loofden alles dat men dat deed: “De koning is zo verstandig ook mede, 8975 En zo goed, zonder waan, Dat wij dus graag met hem gaan Van alle dingen”. Dus was de spraak Daar geëindigd met deze zaak, En de koning trouwde Ygerne; 98 8980 Dat deed hij uitermate graag; En van Orkney koning Loth Nam, door konings gebod, Zijn stiefdochter. Konings feest Was, beschrijft ons het verhaal, 8985 Twintig dagen na de dag, Dat hij met haar te Tintaveel lag. Van koning Loth, weet het, Was geboren Mordret Guheries en Garies 8990 En Gawein, zij het zeker dit, En Agraweyn; meer of minder Dit waren Ygerne dochter kinderen; Ook won hij een dochter bastaard Organie, die hield hij waard 8995 Bij zijn raad en de verwanten mede; En we lezen dat hij haar deed In een huis van religie, Die wonderen deed van menige doen: Astronomie noemt men die aard 9000 Daar ze om geheten werd Morgant-li-fee in elke stede, Want ze wonderen deed daarmee: En de koning bracht de kinderen Al aan de man, meer of minder, 9005 En eerde alle verwanten, Zodat hij overwon al hun klagen. |
Hoe Artur, doe hi geboren wart, Merlyne gegeven was, ende van Keyen. Nu gevil, dat die Vrouwe Om dat zi kint droech hadde rouwe, Ende zere daerombe droeven began; 9010 Eens nachtes lach si by horen man, Ende hi zeide: “by wien draechdy dat kint? Want gy en mochtet niet sint Ick iu nam dus groet gaen; Want die nachte bescreven staen, 9015 So wety wel die waerheit das, Dat die hertoge niet en was Met iu in langen tyden te voren, Eer hi sijn lijf hadde verloren Dus en zijt gy niet bezwaert 9020 By hem”; ende zi wart vervaert, Ende zi wart doe bedroevet seer; Si sprac: “ombdattet iu kondech es, Heer, So en mach ick iu niet liegen, Ende en wil iu niet bedriegen, 9025 Maer doer God hebt mijns genaden Ick sal iu wonder tellen by staden, Sekert, dat gy my niet en laet”. “Neen ick”, zeide hy, “hoe so dat gaet”. “Rede”, zeide zy, “sal ick spreken 9030 Ende wel wonderleke treken: Een man quam in der gebare Te myner kameren openbare Als die hertoge in der gedane; Hi brachte met hem Jordane 9035 Ende Bretel, of haer gelijke, Ende gingen in stoutelijke Daer dat alt gesinne sach. Die nacht dat hi by my lach, Doe wistick wel dat hi een kint gewan; 9040 Ick wane dat hadde gewesen mijn man. Dit was die nacht rechte also Doe mijn here starf des morgens vro, Ende in die borch quam die nyemaer Dat mijn heer verslagen waer, 9045 Doe dadi my verstaen twaren, Dat hi den lieden waer ontvaren Hemeleke wten castele; Doe voer hi enwech na der novele”. Die koninck zeide doe: “Vrouwe mijn, 9050 Siet dat dese dinge verholen zijn, Want iu en quame daer nembermeer Goet af noch oeck eer. Ick wille dat gy des zeker zijt: Alse komet dieselve tijt 9055 Dat dat kint wert geboren, So en mach dat iu noch my toehoren; Maer alset geboren es, zuldijt stille Geven dengene dien ick wille, Sodat wy des blyven sonder scande”. 9060 Soe leide te samen haer hande: “Here”, zeide zy, “nu doet met my 99 Algader dat iu wille sy”. Die koninck zeide doe Ulfyne Der vrouwen tale entie sine, 9065 Ende zeide: “merket an myne vrouwe, Dat zi es goet ende getrouwe, Dat zi van dus groten saken Negene logene woude maken”. Ulfijn sprac doe, sonder waen: 9070 “Merlijns bodescap is wel gedaen, Anders en mochte hi niet met mynnen Dat kint enegerwijs gewinnen”. In denselven tyden twaren, Dat Merlijn hem zoude openbaren, 9075 So quam hi tote Ulfine Ende zeide hem den wille sine. Doe zi dus spraken in den tyden Dadese die koninck ontbieden; Doe sprakensi onder hen drien 9080 Van vele sticken, ende mettien Seide hem die koninck die saken, Hoe Ulfijn den vrede dade maken, Ende wat hi zeide toter Vrouwen. Ulfijn zeide: “Merlijn, entrouwen, 9085 Die sonde, die gy dor des koninges mynne Dadet an der koninginne Hebdy gebetert een goet stick; Maer entrouwen noch ben ick In den sonden, die my rouwen, 9090 Van den koninge ende myner Vrouwen, Soe en weet niet, wie se hevet beswaert”. Die koninck zeide: “zijt onvervaert, Gy zijt so vroet, gy koemt des wel of”. Merlijn zeide: “gy hebt des orlof, 9095 Helpdy my niet, daer gijt moecht doen” “Ic sal gerne”, sprac Uter-Pandragoen; “Ende doet my geven in myne hant”. “Ic sal”, sprac die koninck te hant, “Sulck man es vroet nadat hi hoert”. 9100 “Een man wonet in dese poert Die beste van den koninckryke, Ende sijn wijf oeck sekerlike Es die beste die ick vinde Ende soe licht oeck nu van kinde, 9105 Des zi en zijn oeck niet ryke; Ontbiedet den man haestelike Ende gevet hem goet dat zi verteren Indien dat zi willen zweren, Dat zi een kint zullen voeden 9110 Als ment hem bringet, en wel hoeden, Entie vrouwe salt zelve sogen; Hoers selves kint sal si gedogen Dat ene amme sogen sal; Hiertoe zullen zi zweren al, 9115 Dat zi dat zullen in der gebaer Hoeden, of dat hoers selves waer”. Doe sprac Uter-Pandragoen: “Dat gy wilt, dat sal ick doen”; Ende Merlijn nam thant orlof 9120 Ende rumede des koninges hof. Die koninck dade den man ontbieden Ende eerdene vor anderen lieden; Die man hadde wonder groet Waerombe hem die koninck die ere boet: 9125 “Lieve vrient”, sprac die koninck Ick sal iu ontdecken een dinck, Want gy van lene zijt mijn man: Een wonder es my komen an Ende ick bidde iu op trouwe groet, 9130 Dat gy my helpet wt der noet Ende helet nu al mijn doen”. “Ick sal”, sprack hi, “Heer Pandragoen, Doen al dat ick mach volbringen, Ende helen in allen dingen 9135 Die ick volbringen mach gereet”. Die koninck zeide: “vrient, nu weet Een wonder groet, daer ick sliep: My dochte, dat my een man riep, Dat gy die beste waert van den ryke, 9140 Ende hy zeide my zekerlike, Dat iu wijf hevet een kint, Ick bidde iu, dat gy dat zogen doet sint Enen wyve tener ander stede, Ende gy dat doet dor myne bede; 9145 Ick bidde des haer oeck selve stille Dat soe dat doe dor minen wille, Dat zi soge een ander kint, Dat haer scire wert gesint”. “Trouwen, Here”, sprac die man, 9150 “Grote dinck soeckty my an Dat gy biddet, dat men mijn kint 100 Tener ander amme bringet sint, Ende ick mijn kint daer onnature, Al soudet my werden een deel te sure. 9155 Ic wane ics mynen wive best vrage; Segget Here”, zeide, “op wat dage Dat men ons dat kint sal bringen”. “Ick en weet”, zeidi, “in waren dingen”. Die goede man sprac ten koninge: 9160 “Daer en zijn in deser werelt gene dinge Ick en wilse gerne dor iu doen”. Doe gaf hem Uter-Pandragoen So vele goeds, dat hine verwan. Als hi te hues quam, hi began 9165 Sinen wive zeggen des koninges raet. Dat dochte haer wesen herde quaet, Ende zeide: “hoe mocht ick gedogen, Dat ic ieman anders zoude sogen?” Die man sprack doe: “dese dinck 9170 Moetwy doen dor den koninck, Want hy es onse gerechte heer Ende hevet ons gedaen zulck eer Ende gelovet ende oeck gegeven; Wy moeten na siner houde weven; 9175 Ic wil dat gi doet deze bede”. Die vrouwe sprac: “ic ende dat kint mede Wy sijn uwe beide gader, Doet uwen wille daermede allegader, Want ic daertegen niet en stryde”. 9180 Die man was doe herde blyde, Doe zy dat woude laten gescien; Ombe ene amme dade hi sien Die wael sogen soude sijn kint, Aldus so es dat enwech gesint. 9185 Die koninck proevede der Vrouwen maniere, Dat si geliggen zoude sciere. Merlijn quam vor daer enen dach Te hove eer die vrouwe gelach, Ende zeide Ulfine, in stiller waer 9190 Ick belove my openbaer Van den koninge, dat hi dat So wael dade dat hi hem bat; Segget hem dat hi zegge der Vrouwen, Dat zy sal, by goeder trouwen, 9195 Morgen namyddage hebben een kint; Ende den iersten man, dien men vint, Tierst dat men komet wt der salen, Dien zal ment geven in stilre talen”. Ulfijn sprac: “en zult gy niet eer 9200 Spreken jegen mynen Heer”? “Neen ick niet”, zeide doe Merlijn. Toten koninge ginck doe Ulfijn, Ende zeide dat hem Merlijn hiet; Die koninck zeide: “en sal hy niet 9205 My spreken eer hy enwech geet?” “Neen hi, maer doet dat hy iu heet”. Doe Ulfijn hem hadde gesecht dit, Ginck die koninck aldaer nu sit Die koninginne, ende zeide haer: 9210 “Vrouwe, ick zegge iu nyemaer, Gelovet haer my”. - “Gerne, Here, ick doe So wat so gy my zegget toe, Ende ick doe al dat gy my gebiet”. Die koninck zeide: “en twivelt niet: 9215 Morgen namyddach, heb ick geacht, Zuldy genesen van uwer dracht, Daer gy mede zijt gebonden, Ende ick bidde iu ten stonden Tierst als dat kint geboren sy 9220 Bevelet haer, die iu es by, Dat zy hemeleke dat kint Den iersten geve dien zy vint Daer buyten staende an der sale, Ende sy des en make gene tale, 9225 Dor gene sake die men vinde, Dat gy genesen zijt van kinde, Want wy zouden des hebben lachter: Men soude seggen hierachter Dattet niet en mochte sijn, 9230 Dat dat kint met rechte waer mijn, Noch des hertogen mochtet niet wesen”. Die vrouwe antworde mettesen “Here, al waer sechdy daeran: Ick en weet wie dat kint an my wan, 9235 Ick doe al dat iu es gename, Recht als een die my scame Van mynen groten ongevalle, Maer wonder heb ick, hoe so ick kalle, Hoe gy gewetet mynen termijn”. 9240 Die koninck zeide: “nu laet dit zijn, Ende doet hiermede al mijn gebot”. 101 “Ick sal, Here, so helpe my God!” Aldus bleef hoerre tweer raet; Ygerne beide nadient met haer staet, 9245 Want doe die tijt quam dat God woude Dat zy van kinde genesen soude, Na Vespertijt quam haer gereit Des ander dages die arbeit, Ende duerde tote na myddernacht. 9250 God verloesdese van der dracht Ende gaf haer een kindekijn. Tierst dat haer tijt dochte zijn Riep zi te hant ene joncfrouwe Die zi dicke vant getrouwe: 9255 “Lieve”, zeide zi, “nemet dat kint, Gevet den iersten dien gy vint, Die iu dat toe eyschet buyten der sale, Ende den man merket wale”. Si dadet doe winden al te hant 9260 In die beste cleder die men vant, Si bant dat toe herde wel ter kuer Ende droeget buyten die duer; Daer vantsi enen ouden man staen, Cranck ende bleeck ende zero ondaen, 9265 Ende zeide: “vrient, wat es dattu iages”? Hi zeide: “ic soecke dattu drages”. “Wie bistu dan, by diner trouwen? Wat sal ick seggen myner vrouwen?” Hi zeide: “ick en segge dy daeraf niet, 9270 Maer doe dat dy dijn vrouwe hiet”. “Wat sal ick seggen wien ick dat gaf?” “Ick en segge dy daer niet af”. Mettien gafzi hem dat kint, Hi voer enwech als die wint, 9275 Soe en wiste waer hi haer ontginck; Die Vrouwe weende ombe die dinck. Doe hi dat kint hadde ontfaen, Ginck hi enwech also saen, Al daer hi Antore vint, 9280 Ende gaf hem doe dat kint; Hi vant Antore opter vaert Gaende doe ter kerken waert; Als een out man was hi gedaen, Hi riepen tot hem also saen, 9285 Ende zeide: ic sprake iu, waert dat ic mochte”. Antor sach ombe, ende dochte Dat hi sceen een goet man, Ende hi zeide: “nu spreket dan”. Die oude zeide: “ick brenge iu 9290 Een kint, dat zuldy nemen nu, Ende houden wel al openbaer Alse of dat uwes selves waer; Wetet wael, es dat gijt doet Iu sal daeraf komen ere ende goet, 9295 Ende uwen kinderen hiernaer; Geloef my des al openbaer”. “Ben ick des seker”, sprack Antoer, “Dat dit dat kint es, daer ick ombe swoer, Ende dat die koninck ember woude, 9300 Dattet mijn wijf sogen zoude, Ende mijn kint anderswaer besteden?” “Jaet”, zeide hi, “by mijnre waerheden; Elck goet man entie koninck mede Zouden daerombe doen bede, 9305 Ende ick biddes iu oeck herde seer, Ende dat weet wael, lieve Heer, Dat iu myne bede also vele doech Alse sulck man die riker es genoech”. Antor nam dat kint, dat scone was, 9310 Ende vragede den ouden das, Of dat kersten waer gedaen? Hy zeide: “neen dat, sonder waen, Maer doet dat nu ter kerken dragen”. Antor zeide: “ic moet iu vragen, 9315 Hoe dat kint sal sijn genant”. Die oude antworde te hant: “Wilstu des na mynen wille sijn, Artur zal ment doen kerstijn; In hebbe hier meer te doene niet, 9320 Ick ga enwech; wilstu anders iet, By een dinck machstu vorsien, Dat dy goet daeraf sal gescien, Want des dar ick my herde wel vermeten Dat gy niet en zult weten, 9325 Welck van hem tween gy meest mint, So dit so uwes selves kint”. “Wat zal ic zeggen”, zeide Antoer, “Toten koninge, die my beswoer, Wie dat my dat kint gaf?” 9330 Hi zeide: “ic en zegge dy niet daeraf”. Die oude zeide: “gy en wetet van my 102 Nembermeer wie dat ick sy”. Aldus es hi enwech gelopen. Antor dade dat kint dopen, 9335 Ende brachtet sinen wive saen. Artur so wast kersten gedaen; Hi zeide: “vrouwe, ick bringe ter steden Dat kint, daer ick ombe hebbe gebeden”. Soe zeide: “welkome moet dat sijn, 9340 Mynne, es dat kint gedaen kerstijn?” “Ja”, sprac hi, “dat hetet Artuer”. Dat kint wert herde dicke stuer, Want si zogedet ende helt, Ende haers selves dade zi ombe gelt 9345 Ener andren doen houden ende sogen. Al dade sijt node, zy moestet gedogen. |
Hoe Arthur toen hij geboren werd aan Merlijn gegeven werd en van Keye. Nu gebeurde het, dat die vrouw Omdat ze een kind droeg had rouw, En zeer daarom te bedroeven begon; 9010 Een nacht lag ze bij haar man, En hij zei: “van wie draag je dat kind? Want ge mocht het niet sinds Ik u nam dus zwanger te zijn; Want die nacht beschreven staat, 9015 Zo weet ge wel de waarheid dat, Dat het de hertog niet was Met u in lange tijd tevoren, Eer hij zijn lijf had verloren Dus bent ge niet bezwaard 9020 Door hem”; en ze werd bevreesd, En ze werd toen bedroefd zeer; Ze sprak: “omdat het u bekend is, heer, Zo kan ik u niet beliegen, En wil u niet bedriegen, 9025 Maar door God heb mij genade Ik zal u een wonder vertellen bij stade, Verzeker, dat ge me niet verlaat”. “Neen ik”, zei hij, “hoe zo dat gaat”. “Rede”, zei ze, “zal ik spreken 9030 En wel wonderlijke streken: Een man kwam in die gebaren Tot mijn kamer openbaar Zoals de hertog in de gedaante; Hij bracht mee met hem Jordaen 9035 En Bretel, of hun gelijke, En gingen in dapper Daar hen dat hele gezin zag. Die nacht dat hij bij me lag, Toen wist ik wel dat hij een kind won; 9040 Ik meende dat het had geweest mijn man. Dit was die nacht echt alzo Toen mijn heer stierf ‘s morgens vroeg, En in de burcht kwam dat nieuws Dat mijn heer verslagen was, 9045 Toen liet hij me verstaan te waren, Dat hij de lieden was ontgaan Heimelijk uit het kasteel; Toen ging hij weg na de nieuwstijding “. De koning zei toen: “Vrouw van mij, 9050 Zie dat dit ding verborgen blijft, Want u kwam daar nimmermeer Goed van af en nog ook eer. Ik wil dat ge dus zeker bent: Als komt diezelfde tijd 9055 Dat dit kind wordt geboren, Dan mag dat u nog mij toebehoren; Maar als het geboren is, zal ge het stil Geven diegene die ik wil, Zodat we dus blijven zonder schande”. 9060 Ze legde tezamen haar handen: “Heer”, zei ze, “nu doe met mij 99 Alles dat uw wil is”. De koning zei toen Ulfijn De vrouw haar taal en de zijne, 9065 En zei: “merk aan mijn vrouw, Dat ze is goed en getrouw, Dat ze van aldus grote zaken Nee geen leugen wil maken”. Ulfijn sprak toen, zonder waan: 9070 “Merlijns boodschap is goed gedaan, Anders mocht hij niet met minne Dat kind op enigerwijze winnen”. In dezelfde tijd te waren, Dat Merlijn zich zou openbaren, 9075 Zo kwam hij tot Ulfijn En zei hem de wil zijn. Toen ze dus spraken in de tijden Liet de koning ze ontbieden; Toen spraken ze onder hen drieën 9080 Van veel stukken en meteen Zei hem de koning die zaken, Hoe Ulfijn de vrede liet maken, En wat hij zei tot de vrouw. Ulfijn zei: “Merlijn, vertrouw, 9085 De zonde, die ge door konings minne Deed aan de koningin Heb je verbeterd een goed stuk; Maar in vertrouwen nog ben ik In de zonden, die me rouwen, 9090 Van de koning en mijn vrouw, Zo weet ze niet, wie haar heeft bezwaard”. De koning zei: “wees niet bevreesd, Ge bent zo goed, ge komt er dus wel van af”. Merlijn zei: “ge hebt dus verlof, 9095 Help je me niet, daar ge het mag doen” “Ik zal graag”, sprak Uter-Pandragoen; “En laat het me geven in mijn hand”. “Ik zal”, sprak de koning gelijk, “Zo’n man is verstandig naar dat hij hoort”. 9100 “Een man woont in deze poort De beste van het koninkrijk, En zijn vrouw ook zekerlijk Is de beste die ik vindt En ze licht nu ook van kind, 9105 Dus ze zijn ook niet rijk; Ontbiedt de man haastig En geef hem goed dat ze verteren Indien dat ze willen zweren, Dat ze een kind zullen voeden 9110 Als men het hen brengt, en goed behoeden, En de vrouw zal het zelf zogen; Hun eigen kind zal ze gedogen Dat een voedster zogen zal; Hiertoe zullen ze zweren al, 9115 Dat ze dat zullen in dit gebaar Behoeden, alsof dat hun eigen waar”. Toen sprak Uter-Pandragoen: “Dat ge wil, dat zal ik doen”; En Merlijn nam gelijk verlof 9120 En ruimde konings hof. De koning liet de man ontbieden En eren voor andere lieden; Die man had verwondering groot Waarom hem de koning die eer bood: 9125 “Lieve vriend”, sprak de koning Ik zal u bekennen een ding, Want ge van leen bent mijn man: Een wonder is me gekomen aan En ik bid op uw trouw groot, 9130 Dat ge me helpt uit de nood En verheel nu al mijn doen”. “Ik zal”, sprak hij, “heer Pandragoen, Doen al dat ik kan volbrengen, En verhelen in alle dingen 9135 Die ik volbrengen kan gereed”. De koning zei: “vriend, nu weet Een wonder groot, daar ik sliep: Ik dacht, dat me een man riep, Dat ge de beste was van het rijk, 9140 En hij zei me zekerlijk, Dat uw vrouw heeft een kind, Ik bid u, dat ge dat zogen laat sinds Een vrouw in een andere plaats, En ge dat doet door mijn bede; 9145 Ik bid dus haar ook zelf stil Dat ze dat doet door mijn wil, Dat ze zoogt een ander kind, Dat haar gauw wordt gezonden”. “Vertrouw, heer”, sprak die man, 9150 “Grote ding zoekte ge aan mij Dat ge bidt, dat men mijn kind 100 Tot een andere borst brengt sinds, En ik mijn kind daar onnatuurlijk, Al zou het me worden een deel te zuur. 9155 Ik meen dat ik het mijn vrouw het beste vraag; Zeg het heer”, zei, “op welke dag Dat men ons dat kind zal brengen”. “Ik weet het niet”, zei die, “in ware dingen”. De goede man sprak tot de koning: 9160 “Daar zijn in deze wereld geen dingen Ik wil ze graag voor u doen”. Toen gaf hem Uter-Pandragoen Zoveel goed, dat hij hem overwon. Toen hij thuis kwam, hij begon 9165 Zijn vrouw te zeggen de konings raad. Dat dacht haar te wezen erg kwaad, En zei: “hoe kan ik gedogen, Dat ik iemand anders zou zogen?” De man sprak toen: “dit ding 9170 Moeten we doen voor de koning, Want hij is onze echte heer En heeft ons gedaan zulke eer En beloofd en ook gegeven; We moeten naar zijn houding weven; 9175 Ik wil dat ge doet deze bede”. De vrouw sprak: “ik en dat kind mede Wij zijn uw beide tezamen, Doe uw wie daarmee allemaal, Want ik daartegen niet strijdt”. 9180 De man was toen erg blij, Toen ze dat wilde laten geschieden; Om een voedster liet hij zoeken Die wel zogen zou zijn kind, Aldus zo is dat weg gezonden. 9185 De koning proefde de vrouwen manier, Dat ze liggen zou snel. Merlijn kwam daar voor een dag Te hof eer die vrouw lag, En zei Ulfijn, in stilte waar 9190 Ik beloof me openbaar Van de koning, dat hij dat Zo wel deed dat hij hem bad; Zeg hem dat hij zegt de vrouw, Dat ze zal, bij goede trouw, 9195 Morgen namiddag hebben een kind; En de eerste man, die men vindt, Ten eerste dat men komt uit de zaal, Die zal men het geven in stille taal”. Ulfijn sprak: “zal ge niet eerder 9200 Spreken tegen mijn heer”? “Neen ik niet”, zei toen Merlijn. Tot de koning ging toen Ulfijn, En zei dat hem Merlijn zei; De koning zei: “zal hij niet 9205 Me spreken eer hij weg gaat?” “Neen hij, maar doe dat hij u zegt”. Toen Ulfijn hem had gezegd dit, Ging die koning aldaar nu zit De koningin, en zei haar: 9210 “Vrouw, ik zeg u nieuws, Gelooft hier mij”. - “Graag, heer, ik doe Zo wat zo ge me zegt toe, En ik doe alles dat ge me gebiedt”. De koning zei: “twijfel niet: 9215 Morgen namiddag, heb ik gedacht, Zal ge genezen van uw dracht, Daar ge mee bent gebonden, En ik bid u ter stonden Ten eeerste als dat kind geboren is 9220 Beveel haar, die u is bij, Dat ze heimelijk dat kind De eerste geeft die ze vindt Daar buiten staan aan de zaal, En ze dus maakt geen taal, 9225 Door geen zaken die men vindt, Dat ge genezen bent van kind, Want we zouden dus hebben gelach: Men zou zeggen hierna Dat het niet mocht zijn, 9230 Dat dit kind met recht was van min, Nog van de hertog mag het niet wezen”. De vrouw antwoordde met deze “Heer, al waar zegt u daaraan: Ik weet niet wie dat kind aan mij won, 9235 Ik doe alles dat u is aangenaam, Recht als een die zich schaamt Van mijn grote ongeval, Maar verwondering heb ik, hoe zo ik praat, Hoe ge weet mijn termijn”. 9240 De koning zei: “nu laat dit zijn, En doe hiermee al mijn gebod”. 101 “Ik zal, heer, zo help me God!” Aldus bleef hun twee raad; Ygerne wachtte nadien het met haar staat, 9245 Want toen de tijd kwam dat God wilde Dat ze van kind genezen zou, Na vespertijd kwam haar gereed De volgende dag de arbeid, En duurde tot na middernacht. 9250 God verloste deze van de dracht En gaf haar een kindje. Het eerste dat haar tijd dacht te zijn Riep ze gelijk een jonkvrouw Die ze erg vond getrouw: 9255 “Lieve”, zei ze, “neem dat kind, Geef het de eerste die ge vindt, Die u dat opeist buiten de zaal, En de man merk wel”. Ze liet het toen omwinden al gelijk 9260 In de beste klederen die men vond, Ze bond dat toe erg goed ter keur En droeg het buiten de deur; Daar vond ze een oude man staan, Zwak en bleek en zeer ontdaan, 9265 En zei: “vriend, wat is dat u jaagt”? Hij zei: “ik zoek dat u draagt”. “Wie bent u dan, bij uw trouw? Wat zal ik zeggen mijn vrouw?” Hij zei: “ik zeg u daar van niets, 9270 Maar doe dat uw vrouw zei”. “Wat zal ik zeggen aan wie ik dat gaf?” “Ik zeg u daar niets van”. Meteen gaf ze hem dat kind, Hij ging weg als de wind, 9275 Zo wist ze niet waar hij haar ontging; De vrouw weende om dat ding. Toen hij dat kind had ontvangen, Ging hij weg alzo gelijk, Al daar hij Antor vindt, 9280 En gaf hem toen dat kind; Hij vond Antor op de vaart Gaande toen ter kerk waart; Als een oude man was hij gedaan, Hij riep tot hem alzo gelijk, 9285 En zei: ik sprak u, was het dat ik mocht”. Antor zag om, en dacht Dat hij scheen een goede man, En hij zei: “nu spreek dan”. De oude zei: “ik breng u 9290 Een kind, dat zal ge nemen nu, En houden wel geheel openbaar Alsof dat van u zelf was; Weet wel, is dat gij het doet U zal daarvan komen eer en goed, 9295 En uw kinderen hierna; Geloof me dus al openbaar”. “Ben ik dus zeker”, sprak Antor, “Dat dit dat kind is, daar ik om zwoer, En dat de koning immer wou, 9300 Dat mijn vrouw het zogen zou, En mijn kind ergens anders uitbesteden?” “Ja het”, zei hij, “bij mijn waarheden; Elke goede man en de koning mede Zouden daarom doen bede, 9305 En ik bid u ook erg zeer, En dat weet wel, lieve Heer, Dat u mijn bede alzo veel deugt Als zo’n man die rijker is genoeg”. Antor nam dat kind, dat mooi was, 9310 En vroeg de oude dat, Of dat christelijk was gedaan? Hij zei: “neen dat, zonder waan, Maar doe dat nu ter kerk dragen”. Antor zei: “ik moet u vragen, 9315 Hoe dat kind zal zijn genaamd”. De oude antwoordde gelijk: “Wil u dus naar mijn wil zijn, Arthur zal men het doen christelijk; In heb hier meer te doen niet, 9320 Ik ga weg; wil u anders iets, Bij een ding mag u voorzien, Dat u goeds daarvan zal geschieden, Want dus durf ik me erg wel te vermetel Dat ge niet zal weten, 9325 Welke van die twee ge het meeste bemint, Zo dit zo uw eigen kind”. “Wat zal ik zeggen”, zei Antor, “Tot de koning, die me bezwoer, Wie me dat kind gaf?” 9330 Hij zei: “ik zeg u niets daar van”. De oude zei: “ge weet van mij 102 Nimmermeer wie dat ik ben”. Aldus is hij weg gelopen. Antor liet dat kind dopen, 9335 En bracht het zijn vrouw gelijk. Arthur zo was het christelijk gedaan; Hij zei: “vrouw, ik breng ter steden Dat kind, daar ik om heb gebeden”. Ze zei: “welkom moet dat zijn, 9340 Minne, is dat kind gedaan christelijk?” “Ja”, sprak hij, “dat heet Arthur”. Dat kind werd erg vaak verstoord, Want ze zoogde het en hield, En haar eigen deed ze weg om geld 9345 Een andere doen houden en zogen. Al deed ze met moeite, ze moest het gedogen. |
Van den Sennen ende van des K. Uter-Pandragoens doet. Die koninck Uter-Pandragoen, Dat scrivet Robrecht van Borroen, Hi hilt dat koninkrijcke lange, 9350 Totdat hi met ziecke bedwange Met drope wart bevaen onsoete, Beide an hande ende an voete. Doe die Sennes dat vernamen, Daden si haer heer te samen 9355 Ende quamen ombe sijn lant verstoren Ende daden hem dicke groten toren, So lange dat Uter-Pandragoen Ontboet alle sijn baroen; Doe rieden zi hem dat hi vochte, 9360 Ende hi hem wreke of hi mochte. Hi zeide: “gy zult dat doen dor Gode Ende versamen dat heer dor mijn gebode Ende vechten dan vor uwen heer; Ick en mach orlogen nembermeer. 9365 Die heren waren des thant beraden, Ende zeiden dat zijt gerne daden; Dus trocken si op die viande. Die Heidene hadden van den lande Te dien tyden een groet deel beiaget, 9370 Die Kerstene quamen onversaget Ende vochten met groten pryse Sonder Here tot dien wyge Maer zi verloren dat velt; Dat volc was ongetelt, 9375 Dat die Kerstene daer verloren. Die mare quam den koninge te voren, Dat die Kerstene waren gesconfiert; Des wart hi zere te barentiert, Want die daer levendich waren, 9380 Zeiden hem, hoet daer was gevaren. Doe die Heidene [hadden] den zege, Doe voeren zi achterwege Ende dwongen daer man ende wive. Die Sennes, die te voren keytive 9385 Ende in den lande waren gevaen, Die sijn alle an hem gegaen; Dus worden si machtech in den lande. Merlijn, die dit al bekande, Quam tot Uter-Pandragoene, 9390 Die droevech was, ende sine baroene. Die koninck was verkranket seer Van jaren, ende van oevele meer, Ende was so komen te sinen iaren, Dat hi seer kranck was twaren. 9395 Ende doe die koninck hadde vernomen, Dat Merlijn tote hem was komen, Was hi wtermaten blijde, Ende dachte dat hi in korten tijde Getroestet soude sijn van sinen heer. 9400 Alse Merlijn quam vor den heer, Was die koninck zijns wel vro; Hi zeide: “Koninck, es dat also, My duncket gy zijt zere gekranket”. “Dat ben ick”, zeidi, “God zijs gedanket! 9405 Ende myne liede, dat es iu kont, Zijn herde sere som gewont, Ende daer ics my op niet [en] bewande, Hebben my gedaen groet ande, Dit es tdinck dat my doet droeven”. 9410 Merlijn zeide: “gy moget proeven: Dat volc, dat es sonder Heer, Dat en doech no min no meer”. Die koninck bat, dat hi hem rade Wat hi daer best toe dade; 9415 Merlijn zeide: “iu hemelechede 103 Wil ick iu zeggen, waer gy mede Sult mogen staen toter weer: Doet te gader al iu heer Ende als si alle zijn komen daer, 9420 So doet maken een orsbaer, Ende doet iu in dat heer dragen; Dus zuldy uwe viande veriagen; Wetet wel dat gy zult vechten zege. Ende als gyse hebt geiaget enwege 9425 So proevet wel: dat gemene diet Sonder Here en doget niet. Tierst dattu gedaen heves dat, Gif doer God dan dinen scat, Verlichte dine siele met dat dy es bleven, 9430 Du en sals niet lange leven; Die rijcheit en es niet haer, Die niet en geven openbaer, Ende hier dan al moeten laten, Dit zijn Duvels die ons haten; 9435 Nu proevet ende verstaet dat Du, die dusken groten scat In deser werelt heefs gehat, Vorwaer zeggic iu dat: Gy moeten al dor Gode geven, 9440 Ende proeven ombe dat lange leven. Dat waer beter den rijcken man, Die hem dat goet trecket an, Dat hem een oert niet en bleve, Dan hi dor God niet en geve 9445 Deser werelt rijchede, Ende dat daertoe behoert mede; Want al sij ieman achter dy bleven, Hi zal des dor God luttel geven Dit es der sielen verlies al, 9450 Men doe daermede als men sal, Ende du weets dattu sals sterven, Du moets ombe t lange leven werven Ende dijn goed dor Gode geven, Dat du machs hebben dat lange leven. 9455 Echter proeve in dinen moet, Dat dese werlt niet en es goet; Men mach gene werelt leiden, Si en moet met rouwen sceiden; Almosene en argert niet een twint, 9460 Die men te voren enwech sint. Wat goet God den mensche gevet Also lange als hi levet; Dat goet gif gerne weder Die wyle dattu zijs hier neder. 9465 Die niet en wille wesen sot, Geve weder dat hem gaf God, Eer hi hier nu stervet Ende dat hi ginder niet bedervet; Die niet en staet na dit gewin, 9470 Nembermeer komet hi daerin. Hierombe so zeggic dy dat, Dattu dor Gode geefs dinen scat, Du machs dy selven best beraden, Ende meest vromen ende meest scaden. 9475 Du en sals niet lange leven Na desen sege, dien du sals plegen. Nu verstant wel dat sermoen: Negene dinck en machstu doen, Die dy helpet ten rechten lene 9480 Als een goet inde allene. Al hadstu gedaen al die doget, Daer al die werelt by verhoget, Ende blevestu sonder een goet ende, Du zouds te langer meswende. 9485 Al hadstu al so vele mesdaen Als alle die hebben ontfaen Lijf in deser werelt nu, Overwaer so seggic iu Ende mochty ten goeden ende komen, 9490 Die waerheit hebbick al vernomen, Die mesdaet die waer al vergeven; Ende zijn zy vonden in een goet leven, Ende sterven zy, zy sterven wel. Du en zals henen voeren niet el 9495 Dan weldaet ende oec eer; Ende weldaet en mach nembermeer Sonder die ere niet wesen. Ic hebbe dy vertellet van desen Hoedane wijs du zouds leven 9500 Du bist sonder wijf bleven, Men segget Ygernen doet, dine Vrouwe, 104 Ende du en machs gene ander trouwen; Dus blivet dijn lant sonder Heer, Des moetstu pinen te meer, 9505 Hoe du machs goeden inde ontfaen. Ick wil my hene maken saen Du en heefs nember te doene met my Du zouds Ulfine seggen, dat hy Gelofte dy doe by synen monde, 9510 Ombdat hy sij myne orkonde Van dat hi sculdech es te zyne”. Die koninck zeide tot Merlyne: “Hoge dinge doetstu my bekinnen, Dat ic myne viande sal verwinnen, 9515 Al liggende op ene orsbaer, Hoe mochtic [dat] doen van vaer? God sij gedanket al sijns goedes!” Merlijn seide: “du behoedes Dy van sonden dus geninde, 9520 Dus moetstu komen ten goeden inde; Ic bidde dy, want ic wil enwech, Dattu dy houds an desen sech Ende an die woert, die ic hebbe geseit”. Die koninck zeide: “sech my gereit 9525 Van mynen kinde, hoe dat vaert”. Merlijn zeide hem ter vaert: “Du en heves des niet te doen ter stont Maer ick wille, dat dy zij kont, Dat scone es ende wael gevoet, 9530 Ende daertoe vromech ende vroet”. Uter-Pandragoen sprac mettien: “Merlijn, sal ick dy nember sien?” “Ja gy”, zeidi, “koninck, heer, Noch enewerf ende niet meer”. 9535 Dus was daeronder hem dat gesceet. Die koninck ontboet sijn volck gereet, Sine viande dadi bestaen; Ene orsbaer dadi maken saen, Ende daden voeren vor sine liede. 9540 Na sines selves herten bediede Scaerde men die liede te wyge. Si vochten met groten pryge, Also als die koninck hiet, So dat hi dat quade diet 9545 Versloech ende iagede enwege. Aldus wonnen si den zege, Ende veriageden die viande Al te male wt horen lande. Fineren moet hi die sculdech es. 9550 Die koninck gedachte nu des, Dat hem Merlijn hadde gesecht En woude hi vergeten echt. Hi voer te Lonnen in die stat, Ende ontboet daer al sinen scat, 9555 Ende dade ontbieden cortelyke Al die arme van sinen ryke Dien hi scone alemosen gaf, Ende dat hem bleef, daer dade hi af, Also als hem die papen rieden, 9560 So vele gaf hi den armen lieden, By Merlijns rade, by onsen Heer, Dat hem en bleef min no meer, Al daer hi dat weten mochte; Seer oetmoedich was sijn gedochte 9565 Te Godewaert enten sinen lieden, Alzo als Merlijn woude bedieden. Goede wile hi dit haerde, Also dat hem sijn oevel swaerde. Doe sine liede dit vernamen 9570 Te Logres si allegader quamen, Die sere ontsagen des koninges lijf; Doch sagen si wael, sonder blijf, Dat hi niet en mochte genesen; So sere krankede hi mettesen, 9575 Dat hi lach drie dage sonder sprake; Ende Merlijn wiste al die sake, Ende quam te hant in gene stat; Doe die heren wisten dat, Ontboden sine, ende elck genoet 9580 Seide: “die koninck hi es doet, Dien gy sere hebt gemynt”. Hy zeide: “dat en es niet een twint; Ick wane hi goeden wandel doet Die sinen inde hevet dus goet, 9585 Ende hi en es nog niet versceiden”. “Hi es”, zeiden zi, “wy zullen iu daer leiden In drien dagen en sprack hi woert Noch nembermeer en doet voert”. “Of God wil”, sprac Merlijn, “hi sal; 9590 Nu comet, gy moget dat hoeren al”. Zi zeiden: “dat waer wonder groet 105 Want hi leget voer doet, Die koninck Uter-Pandragoen”. Die venster dade Merlijn ontdoen; 9595 Zi zeiden: “siet hier Merlijn, Heer, Die iu mynde also seer”. Die koninck keerde hem derwaert Ende siet op hem ende gebaert Of hine kende. Doe zeide Merlijn 9600 Tot den heren die daer sijn: “Nu swiget alle ende hoert Des koninges alreleste woert, Ende staet bet herwaert nu”. Zi zeiden alle: “hoe menestu?” 9605 “Den koninck nu spreken doen Dat mach horen elck baroen”, Sprac Merlijn tien tyden, Ende ginck staen bander syden Ende zeide hem in zijn ore dit: 9610 “Dijn inde es scone, als dat wael zit, Es dijn herte al sulck binnen, Alstu ons hier doet bekinnen; Artur, dijn sone, sal erone dragen Tende van dinen levedagen, 9615 Ende al metten wille onses Heren, So sal hi met groter eren Vervullen der tafelronden stede, Die ick dy selve maken dede”. Alse dit die koninck hevet verstaen, 9620 Keerde hi hem ombe saen, Ende zeide: “biddet alle Merline dit, Dat hi Gode vor my bit”. Ende Merlijn, hi seide doe voert: “Dit es dat alreleste woert, 9625 Dat die koninck sal spreken meer Al en woudys niet geloven eer”. Merlijn sciet doe van den koninck, Den heren wonderde deser dinck, Dat hi den koninck spreken dede; 9630 Maer nieman en was daer ter stede Sonder Merlijn, die dat bekende; Op die nacht so ende Die koninck Uter-Pandragoen. Des koninges prinsen ende sine baroen 9635 Ende oeck menech gewyet heer Daden den koninge groet eer, Ende groeven hem na koninges recht. Dus bleef dat lant ontervet echt. Daer was vergadert menech prelaet 9640 Ende namen al te samen raet, Hoe men dat lant berechten mochte; Maer daer en was nieman die brochte Raet die hem dochte gave. Doe zeiden zi: “wy zullen hier ave 9645 An Merline soecken raet, Hi es vroeder dan al dat hier staet, Hi sal ons den besten raet geven”. Al zijn zi des daeran gebleven Ende daden proeven waer hi waer. 9650 Doe hi dat wiste, quam hi daer. Zi zeiden: “Merlijn, siet wat gy doet, Wy weten wael dat gy zijt vroet, Ende wetet meer dan ieman el; Nu es dit lant, dat siedy wel, 9655 Sonder Heer ende al verstorven; Sulc een lant es scier verdorven. Doer Gode bidden wy iu dan, Dat gy ons helpet kiesen enen man, Die tlant berechte tonsen bederve, 9660 Sodat die kerke niet en verderve, Entie liede die daerinne sijn”. “Ick en ben niet sulc een”, zeide Merlijn, “Dat my een Heer te kiesene staet, Maer wildy doen al mynen raet, 9665 Ick zoude iu raden herde wale, Ende houden des nember ander tale Overeen voerwaert nembermeer” Zi zeiden: “God geve, dat wy tSyner eer Ende oeck tot onser aller vromen 9670 Overeen moeten des komen”. Merlijn zeide: “ick hebbe dit rijcke Seer gemynt sekerlijke, Oeck die liede van den lande, Coer ick enen koninck, si haddens scande, 9675 Ick en dade hem te weten echt Dat myne sake ware gerecht; Maer nu es, al en wetys niet, Scone aventure my gesciet. Die koninck starf, des sijt bedacht, 9680 Na Sancte Mertijns misse viertien nacht, Ende hier es die Kerstavont by, 106 Ende es dat gy des gelovet my, Ick zal iu raden goet ende ere, Beide ter werlt ende tonsen Here”. 9685 Doe zeidenzi, alle die baroen: “Iuwen raet willen wy doen”. “Ick wille dat gy des seker sijt”, Sprac Merlijn, “hier comet die tijt, Dat geboren was der maget Marien sone 9690 Jesus Kerst, dat was degone, Die Here van allen dogeden es; Ick wil sijn iu borge des, Es dat gy doet ontbieden Achterlande uwen lieden 9695 Datsi des bidden onsen Here, Dat Hi iuwen raet ten besten kere, Ende iu enen gerechten Heer verlene Dor sine doget, die niet es clene, Ende dor die tijt alse te voren 9700 Daer hi op woude sijn geboren, Coninck boven allen koningen Ende Heer van allen dingen, Dat Hi iu sulcken Here geve Die te sinen dienste leve, 9705 Ende hi iu sulck teken toge, Dat hi wael kent, al sit hi hoge, Ende elck man die hemselven kent, Dat hi iu sulc teken sent, Dat men zien mach ende horen, 9710 Dat hi by Hem wert verkoren, Al sonder eneges menschen raet. Es dat gy hierna alle staet, Gy sult Onses Heren teken sien”. Al dat volc seide mettien, 9715 Dattet hem die beste raet dochte, Dien men emmer vinden mochte; Elck die zeide: “volgdy dies?” Zi zeiden, zi en waren nember so ries, Die dit souden wederropen; 9720 Doe baden si allen den biscopen Ende daertoe allen den clercken Datzi daden achterkercken Den volcke bidden algemene, Beide die grote entie clene, 9725 Datzi des niet en gingen ave Van den tekene dat hem God gave. Aldus dadensi Merlijns raet. Merlijn nam orlof, ende gaet. Si baden hem dat hi daer soude sijn 9730 Alse God gave Sijn tekijn, Te Kerst avende of dat so gesciede. Hi zeide: “twaren, gy goede liede, Gy biddet, des ick niet mach wilkoren, Ick en kome niet voer gy hebbet gekoren”. |
Van de Sennen en van de dood van koning Uter-Pandragoen. Koning Uter-Pandragoen, Dat schrijft Robrecht van Borron, Hij hield dat koninkrijk lang, 9350 Totdat hij met ziekte werd bedwongen Met waterzucht werd bevangen hard, Beide aan handen en aan voeten. Toen de Sennen dat vernamen, Deden ze hun leger te samen 9355 En kwamen om zijn land te verstoren En deden hem erg grote toorn, Zo lang dat Uter-Pandragoen Ontbood al zijn baronnen; Toen raden ze hem aan dat hij vocht, 9360 En hij zich wreken kon als hij mocht. Hij zei: “ge zal dat doen door God En verzamelen dat leger door mijn gebod En vechten dan voor uw heer; Ik kan oorlogen nimmermeer. 9365 De heren waren gelijk beraden, En zeiden dat ze het graag deden; Dus trokken ze op de vijand. Die heiden hadden van het land Tot die tijd een groot deel bejaagd, 9370 De christenen kwamen onversaagd En vochten met grote prijs Zonder heer in die strijd Maar ze verloren dat veld; Dat volk was ontelbaar, 9375 Dat de christenen daar verloren. Dat bericht kwam de koning te voren, Dat de christenen waren geschoffeerd; Dus werd hij zeer verbolgen Want die daar levend waren, 9380 Zeiden hem, hoe het daar was gevaren. Toen de heidenen hadden de zege, Toen voeren ze in achterwegen En dwongen daar man en wijven. De Sennen, die te voren ellendig 9385 En in het land waren gevangen, Die zijn alle aan hen gegaan; Dus worden ze machtig in het land. Merlijn, die dit alles kende, Kwam tot Uter-Pandragoen, 9390 Die droevig was, en zijn baronnen. Die koning was verzwakt zeer Van jaren, en van euvel meer, En was zo gekomen tot zijn jaren, Dat hij zeer verzwakt was te waren. 9395 En toen de koning had vernomen, Dat Merlijn tot hem was gekomen, Was hij uitermate blijde, En dacht dat hij in korte tijd Getroost zou zijn van zijn leger. 9400 Toen Merlijn kwam voor de heer, Was de koning van hem wel vrolijk; Hij zei: “Koning, is dat alzo, Ik denk dat ge zeer verzwakt bent”. “Dat ben ik”, zei hij, “God zij gedankt! 9405 En mijn lieden, dat is u bekend, Zijn sommige erg zwaar gewond, En daar ik het niet op me nam, Hebben ze me gedaan groot einde, Dit is het ding dat me laat bedroeven”. 9410 Merlijn zei: “ge kan het proberen: Dat volk, dat is zonder heer, Dat deugt niet min of meer”. Die koning bad, dat hij hem aanraadde Wat hij het beste daartoe deed; 9415 Merlijn zei: in vertrouwen 103 Wil ik u zeggen, waar ge mede Zal mogen staan tot verweer: Doe tezamen uw hele leger En als ze alle zijn gekomen daar, 9420 Laat dan maken een draagbaar, En laat u in dat leger dragen; Dus zal ge uw vijanden verjagen; Weet wel dat ge zult bevechten de zege. En als ge ze hebt gejaagd weg 9425 Zo beproef goed: dat gewone volk Zonder heer deugt niet. Ten eerste als u gedaan heeft dat, Geef door God dan uw schat, Verlicht uw ziel met wat u is gebleven, 9430 U zal niet lang meer leven; De rijkheid is niet van hen, Die het niet geven openbaar, En hier dan alles moeten laten, Dit zijn duivels die ons haten; 9435 Nu onderzoek en begrijp het dat U, die dusdanige grote schat In deze wereld heeft gehad, Voorwaar zeg ik u dat: Ge moet alles door God geven, 9440 En beproeven om dat lange leven. Dat was beter dan de rijke man, Die hem dat goed trekt aan, Dat hem een daalder niet bleef, Dan hij door God niet geeft 9445 Deze wereld rijkheden, En dat daartoe behoort mede; Want als het iemand na u is gebleven, Hij zal dus door God weinig geven Dit is de zielen verlies geheel, 9450 Men doet daarmee zoals men zal, En u weet dat u zal sterven, U moet om het lange leven te verwerven Uw goed door God te geven, Zodat u mag hebben dat lange leven. 9455 Echter beproef het in uw gemoed, Dat deze wereld niet is goed; Men kan geen wereld leiden, Ze moet met rouw scheiden; Aalmoezen verergert niet een wind, 9460 Die men tevoren weg zend. Welk goed God de mens geeft Alzo lang als hij leeft; Dat goed geef je graag weer De tijd dat je bent hier beneden. 9465 Die niet wil wezen zot, Geeft weer dat hem gaf God, Eer hij hier nu sterft En dat hij ginder niet nodig heeft; Die niet staat naar dit gewin, 9470 Nimmermeer komt hij daarin. Hierom zo zeg ik u dat, Dat u door God geeft uw schat, U kan uzelf het beste beraden, En meest baten en meest schaden. 9475 U zal niet lang leven Na deze zege, die u zal plegen. Nu versta goed deze preek: Nee geen ding kan u doen, Die u helpt tot echte leen 9480 Zoals een goed einde alleen. Al had u gedaan alle deugd, Daar de hele wereld bij werd verhoogd, En bleef u zonder een goed einde, U zou te langer eeuwige verderf hebben 9485 Al had u al zoveel misdaan Zoals alle die hebben ontvangen Lichaam in deze wereld nu, Voorwaar zo zeg ik u En mocht u tot een goed einde komen, 9490 De waarheid heb ik al vernomen, De misdaad die was al vergeven; En zijn ze gevonden in een goed leven, En sterven ze, ze sterven goed. U zal heen voeren niet anders 9495 Dan weldaad en ook eer; En weldaad mag nimmermeer Zonder de eer niet wezen. Ik heb u verteld van deze Hoedanig manier u zou leven 9500 U bent zonder vrouw gebleven, Men zegt van Ygerne’s dood, uw vrouw, 104 En u kan geen ander trouwen; Dus blijft uw land zonder heer, Dus moet u denken te meer, 9505 Hoe u een goed einde kan ontvangen. Ik wil weg gaan gelijk U heeft nimmer te doen met mij U zou Ulfijn zeggen, dat hij Belofte u doet met zijn mond, 9510 Omdat hij mij heeft verkondigd Van dat hij moet zijn”. De koning zei tot Merlijn: “Hoge dingen laat u me bekennen, Dat ik mijn vijanden zal overwinnen, 9515 Al liggend op een draagbaar, Hoe kan ik dat doen van gevaar? God zij gedankt al zijn goed!” Merlijn zei: “u behoedt U van zonden dus met moed, 9520 Dus moet u komen tot een goed einde; Ik bid u, want ik wil weg, Dat u zich houdt aan dit gezegde En aan het woord, die ik heb gezegd”. De koning zei: “zeg me gereed 9525 Van mijn kind, hoe dat gaat”. Merlijn zei hem ter vaart: “U heeft dus niets te doen terstond Maar ik wil, dat u bent bekend, Dat het mooi is en goed gevoed, 9530 En daartoe dapper en verstandig”. Uitr-Pandragoen sprak meteen: “Merlijn, zal ik u nimmer zien?” “Ja gij”, zei hij, “koning, heer, Nog eenmaal en niet meer”. 9535 Dus was daaronder hen dat afscheid. De koning ontbood zijn volk gereed, Zijn vijanden deed hij bestaan; Een draagbaar liet hij maken gelijk, En liet het voeren voor zijn lieden. 9540 Naar zijn eigen hart aanduiden Schaarde men de lieden te strijd. Ze vochten met grote prijs, Alzo zoals de koning zei, Zodat hij de kwade volk 9545 Versloeg en jaagde weg. Aldus wonnen ze de zege, En verjoegen de vijand Allemaal uit hun landen. Zuiveren moet hij die schuldig is. 9550 De koning gedacht nu dit, Dat hem Merlijn had gezegd En wilde hij vergeten echt. Hij ging naar Londen in die stad, En ontbood daar al zijn schat, 9555 En liet ontbieden gauw Al de armen van zijn rijk Die hij mooie aalmoezen gaf, En wat hem bleef, daar deed hij af, Zoals hem de papen aanrieden, 9560 Zoveel gaf hij de arme lieden, Bij Merlijns raad, en bij onze Heer, Dat hem bleef min of meer, Al daar hij weten mocht; Zeer ootmoedig was zijn gedachte 9565 Tot God waart en zijn lieden, Zoals Merlijn wilde aanduiden. Goede tijd hij dit hardde, Zodat hem zijn euvel verzwaarde. Toen zijn lieden dit vernamen 9570 Te Logres (Lloegr) ze allen kwamen, Die zeer ontzagen konings lijf; Toch zagen ze wel, zonder blijf, Dat hij niet kon genezen; Zo zeer verzwakte hij met dezen, 9575 Dat hij lag drie dagen zonder spraak; En Merlijn wist al die zaak, En kwam gelijk in die stad; Toen de heren wisten dat, Ontboden ze hem, en elke genodigde 9580 Zei: “de koning hij is dood, Die ge zeer hebt bemind”. Hij zei: “dat is niets; Ik meen hij een goede wandel doet Die zijn einde heeft dus goed, 9585 En hij is nog niet verscheiden”. “Hij is”, zeiden ze, “we zullen u daar leiden In drie dagen sprak hij geen woord Nog nimmermeer en is doet voort”. “Als God het wil”, sprak Merlijn, “hij zal; 9590 Nu kom, ge mag dat horen al”. Ze zeiden: “dat is een wonder groot 105 Want hij ligt voor dood, Die koning Uitr-Pandragoen”. De vensters liet Merlijn open doen; 9595 Ze zeiden: “zie hier Merlijn, heer, Die u beminde alzo zeer”. De koning keerde zich derwaarts En ziet op hem en gebaart Of hij hem kende. Toen zei Merlijn 9600 Tot de heren die daar zijn: “Nu zwijgt allen en hoort De konings allerlaatste woord, En kom beter hier nu toe”. Ze zeiden alle: “hoe bedoelt u?” 9605 “De koning nu spreekt u toe Dat mag horen elke baron”, Sprak Merlijn in die tijden, En ging staan aan de andere zijde En zei hem in zijn oor dit: 9610 “Uw eind is mooi, zoals dat goed zit, Is uw hart al zulks van binnen, Zoals u ons hier laat bekennen; Arthur, uw zoon, zal kroon dragen Tot het einde van uw levensdagen, 9615 En alles met de wil van onze Heer, Zo zal hij met grote eer Vervullen de tafelronden plaats, Die ik u zelf maken liet”. Toen dit de koning heeft verstaan, 9620 Keerde hij zich om gelijk, En zei: “bidt alle Merlijn dit, Dat hij God voor me bidt”. En Merlijn, hij zei toen voort: “Dit is dat allerlaatste woord, 9625 Dat de koning zal spreken meer Al wilde ge niet geloven eerder”. Merlijn scheidde toen van de koning, De heren verwonderden dit ding, Dat hij de koning spreken liet; 9630 Maar niemand was daar ter stede Uitgezonderd Merlijn, die dat bekende; Op die nacht zo’n eindige Koning Uter-Pandragoen. De konings prinsen en zijn baronnen 9635 En ook menig gewijd heer Deden de koning grote eer, En begroeven hem naar konings recht. Dus bleef dat land onterft echt. Daar was verzameld menige prelaat 9640 En namen al tezamen raad, Hoe men dat land berechten mocht; Maar daar was niemand die bracht Raad die hen dacht gaaf. Toen zeiden ze: “we zullen hiervan 9645 Aan Merlijn zoeken raad, Hij is verstandiger dan al dat hier staat, Hij zal ons de beste raad geven”. Alle zijn ze dus daaraan gebleven En lieten onderzoeken waar hij was. 9650 Toen hij dat wist, kwam hij daar. Ze zeiden: “Merlijn, zie wat ge doet, We weten wel dat ge bent verstandig, En weet meer dan iemand anders; Nu is dit land, dat zie je wel, 9655 Zonder heer en geheel verstorven; Zulk land is snel verdorven. Door God bidden we u dan, Dat ge ons helpt kiezen een man, Die het land berecht tot onze behoefte, 9660 Zodat de kerken niet bederven, En de lieden die daarin zijn”. “Ik ben niet zo een”, zei Merlijn, “Dat me een heer te kiezen staat, Maar wil ge doen al mijn raad, 9665 Ik zou u raden erg goed, En houdt dus nimmer andere taal Overeen voorwaarts nimmermeer” Ze zeiden: “God geeft, dat we voor Zijn eer En ook tot onze aller baat 9670 Overeen moeten dus komen”. Merlijn zei: “ik heb dit rijk Zeer bemind zekerlijk, Ook de lieden van het land, Koos ik een koning, ze hadden schande, 9675 Ik liet hen weten echt Dat mijn zaken waren gerechtvaardig; Maar nu is, al weet ge het niet, Mooie avonturen me geschiedt. De koning stierf, dus wees bedacht, 9680 Na Sint Maarten (11 november) mis veertien nachten, En hier is de Kerstavond nabij, 106 En is het dat ge dus gelooft mij, Ik zal u aanraden goed en eer, Beide ter wereld en tot Onze Heer”. 9685 Toen zeiden ze, alle baronnen: “Uw raad willen we doen”. “Ik wil dat ge dus zeker bent”, Sprak Merlijn, “hier komt de tijd, Dat geboren was de maagd Maria’s zoon 9690 Jezus Christus, dat was diegene, Die Heer van alle deugden is; Ik wil zijn uw borg van dit, Is het dat ge laat ontbieden In het achterland uw lieden 9695 Dat ze dus bidden Onze Heer, Dat Hij uw raad ten besten keert, En u een echte heer verleent Door zijn deugd, die niet is klein, En door de tijd zoals tevoren 9700 Daar hij op wilde zijn geboren, Koning boven alle koningen En Heer van alle dingen, Dat Hij u zo’n heer geeft Die tot zijn verdienste leeft, 9705 En hij u zo’n teken toont, Dat hij wel kent, al zit hij hoog, En elke man die zichzelf kent, Dat hij u zo’n teken zendt, Dat men zien mag en horen, 9710 Dat hij door Hem werd gekozen, Al zonder enige mensen raad. Is het dat ge hiernaar alle staat, Ge zal Onze Heer teken zien”. Al dat volk zei meteen, 9715 Dat het hen de beste raad dacht, Die men immer vinden mocht; Elk die zei: “volg je dit?” Ze zeiden, ze waren nimmer zo dwaas, Die dit zouden herroepen; 9720 Toen baden ze alle bisschoppen En daartoe alle klerken Dat ze deden in achter kerken Het volk bidden algemeen, Beide, de grote en de kleine, 9725 Dat ze dus niet gingen af Van de tekens die God hen gaf. Aldus deden ze Merlijns raad. Merlijn nam verlof, en gaat. Ze baden hem dat hij daar zou zijn 9730 Als God gaf Zijn teken, Te Kerstavond als dat zo geschiedde. Hij zei: “te waren, gij goede lieden, Ge bidt, dus ik niet mag het niet toestemmen, Ik kom niet voordat ge hebt gekozen”. |
Van den stene daer dat zwaert inne stack, ende hoe die koninck Artur te koninge wart gekoren. 9735 Nu kiesensi dat si willen. Merlijn gaet Tote Blasise sinen raet, Ende seide wat daer soude gevallen, Blasys makedet kont ons allen, Ende ten hoechgetyde gemene 9740 Ontboet men groet ende clene Te Logres in Kerstdage te wesen. Dus was dat al gehint by desen, Ende Antor, die tkint hadde gevoet So dattet sterck was ende vroet, 9745 So getrouwlike hilt hi dat twaren Tote sinen sestien jaren, Dattet anders nieman ne soech Dan sijn wijf, ende oeck doch En weet hi wien hi meer mint 9750 So Artur so Keyen, sijn kint. “Lieve kint” hiet hi dat ende niet el, Ende hy meende dat wesen wel. Vor Kerstavent in Alrehelegen dage So makede Antor, sonder sage, 9755 Ridder Keyen, sinen sone; Tote Logres quam degone Met ridderen, die voeren ginder Ende brachte met hem sine kinder. Opter vigelien waren gemeenlike 9760 Alle die clerke van den rike, Ende oeck alle die baroene, Die waren van enegen doene. Ende daden alle alse Merlijn zeide, Ende waren in groter simpelheide, 107 9765 Ende leveden daer helechlyke, Ter Vesper quamen arm ende ryke; Gode baden si dat hi hem gave Sulck teken, daer sy ave Gesterket waren in der wet. 9770 Te mettene quamen si noch bet, Ter ierster missen ende ter anderen Begonden die heren wanderen Ombe dat si misse wouden horen. Nu waren daer sulcke doren, 9775 Die zeiden, dat zi waren sot, Die beiden na dat hem God Vertogen soude enech dinck, Te kiesene daerby enen koninck. Met dat sijt spraken met enen monde, 9780 Gevillet, dat men mysse begonde, Ende gingen in den monster te samen; Doe si alle daerin quamen, So was daer een helech man Die die misse daer began; 9785 Maer ierst quam hi ten lieden voert Ende zeide hem allen dese woert: “Lieve liede, gy zijt hier komen Ombe drierhande vromen; Welck si sijn moechdy horen: 9790 Ombe uwe siele al te voren, Ende oeck ombe des dages eer, Ende ombe miracule, die onse Heer Hier sal doen toter stede, Ende ombe enen koninck mede 9795 Die man sal sijn der heleger kerken, Die hy berechten sal ende sterken. Wy bidden Gode, die dat al bekint, Dat es Jesus Kerst, onse koninck, Dat hi ons waerlyck teken sende, 9800 Ombe te doene sonder meswende Dat Sijn liefste wille sy, Also gewaerlike als Hy Desselven dages was geboren; Ende gy, alle die dit horen, 9805 Sult uwe pater noster spreken”. Si zeiden alle: “wy en willens niet breken”. Altehant ginck men singen; Doch als si dat so verre bringen Ter missen dat men offeren began, 9810 Doe waren daer zulke man, Die wte gingen na deser tijt, Daer zi vonden ene plaetse wijt, Ende doe si daerbinnen waren Sagen si den dach verbaren 9815 In die plaetse, daer si doe vonden Enen steen ten selven stonden. Si en wisten niet welker tieren Hi doe was na der manieren; Een marber seiden si dattet waer; 9820 Si vonden doe al openbaer Eens voetes breet een anebilt, Dat een swaert wel vaste hilt, Dat stack daerinne toten stene; Doe si dat sagen algemene 9825 Die ierst wten monster gingen Wonderde hem van desen dingen, Si seident, ende en lietens niet, Den biscope die Brixes hiet; Alse hi dat hoerde, die die misse sanck, 9830 Nam hi wywater eer iet lanck Ende ginck vor, die andren naer, Leeke, clerke volgeden daer, Toter stede daer die steen lach, Dien doe menech man sach; 9835 Ende doe si sagen dat anebilt, Dat dat zwaert so vaste hilt Riepen si alle: “Sancte Pater!” Ende worpen daerop dat wywater; Die biscop neech ter aerden 9840 Ende sach in der middewaerden Guldene boecstave, die seiden dat Die dat swaert track wter stat, Hi soude, by den wille Onses Heren, Coninck sijn met groter eren. 9845 Mettien dade hi den steen behoeden Tien goede manne ende vroede, Vijf leken ende vijf clerke, Ende gingen weder in die kercke, Ende seiden: “God hevet ons gedaen 9850 Een scoen teken, sonder waen”. 08 Te Deum laudamus songen si claer. Als die man quam toten altaer, Hevet hi hem toten lieden gekeert, Ende zeide: “proevet ende leert 9855 Dat ieman onder ons es goet, Want God dor onsen wille doet Sulck teken als gy sien moget; Ic bidde iu, dor onses Heren doget, Dat negeen man, dor edeldoem 9860 Noch dor generhande roem, Die te desen lieden behoert, Tegen dit teken segget een woert; Want die dat teken sende stille Sal wel togen sinen wille”. 9865 Men dade voert den dienst onses Heren, Ende alsi volzongen was met eren Gingensi toten stene wanderen; Elck hi vragede daer den anderen, Wie daer ierst trecken woude. 9870 Doe seide daer elc, dat men soude Den biscop ontbieden lude ende stille, Ende horen wat hi seggen wille. Daer was lange groet strijt, Ende sulck die woude eertijt 9875 Wie dat macht hadde in die poert, Woude proeven ember voert. Daer was tale ende gescal, Des men hier niet vertellen sal. Die biscop hi sprac voren, 9880 Daer si alle toehoren: “Gy en sijt niet”, zeidi, “twaren, “Also vroet als my lief ware; Dat moechdy mercken gereet Dat God, die alle saken weet, 9885 Hier heeft verkoren enen man Ende wy en weten wien nochtan, Ende dat zeggick iu oeck mede Dat edelheit noch rijchede Die sal hier liggen stille, 9890 Sonder al Onses Heren wille; Ende ick weet wael te voren, Al en waer hi noch niet geboren Die dat zwaert dragen sal, Al hadden wy dat gesworen al, 9895 Dat ment gewonne met gener sake, Ende nieman oeck wt en trake”. Nu droegen zi overeen daer, Dat die biscop seide waer; Doe berieden hem die baroene 9900 Ende droegen overeen van desen doene, Dat si melden des biscops woert, Ende zeiden, daer tvolc toe hoert, Hoe wael dat die biscop dede Met deser groter oetmoedechede. 9905 Hi seide: “dat komet van Onsen Heer, Ende in doe no min no meer, Anders daertoe, ombe geen verdriet, Dan al dat Onse Heer gebiet, Ende der Kerstenheit betame, 9910 Ende dat ick des negene scame En hebbe”. Vor misse was dit gedinge. Zi zeiden alle sonderlinge Toten biscope, ende hi nam respijt Tote na hoechmissetijt. 9915 Tierst dat die misse was gedaen, Sprac die biscop also saen: “Merket alle dese miracule, Die God in desen tabernacule Dor uwen wille heeft gedaen. 9920 Hier moechdy alle by verstaen, Wie des konincrykes es waert, Iu bediedet dit goede swaert Dat gerechte dat men hout Met Gode ende met gewout. 9925 Aldus wert onse koninck gekoren; Ic weet wel dat God te voren Visiert, wie dat lant sal berechten Die rike en dorven daer niet ombe vechten Ombe te proeven ierstwerf, 9930 Want hoverdie niet en bederf Die arme wesen sonder toren, Al gaen hier die rike voren; Want dat es gewoente ende sede, Die hier hevet die hogeste stede, 9935 Dat si ierst proeven gaen; Want hier es nieman, sonder waen, Die enen koninck maken woude, Dat hi den dullesten kiesen soude”. 109 Dus daden si des biscopes raet 9940 Sonder ienech ander quaet; So wie so best dochte waert Soude ierst proeven nu dat zwaert. Daertoe zwoeren al die heren Dat zi dengenen souden eren 9945 Ende dien vor koninck bekinnen, Die dat zwaert wt konde gewinnen. Hi nam daerwt anderhalf hondert Der hogeste, wien des wondert, Ende dadese alle an dat zwaert 9950 Proeven, ende, gereet ter vaert, Doe hiet hi den anderen saen An dat zwaert proeven gaen; Alle die wouden overluet, Nieman en mochtet getrecken wt. 9955 Tien man hoeden den steen, Alle die wouden overeen Zouden proeven an die sake, Of dat zwaert ieman wttrake. Oeck was, aldus segget die aventuer, 9960 Achte dage geproevet al duer, Dat zi alle trocken an dat zwaert, Tote dat Jaersdach quam voert. Doe hoerden echt die baroene Misse na horen doene, 9965 Dat die biscop hadde gevest, Dat hem dochte wesen best. Doe zeidi hem dese saken: “Ja, en mach men niet geraken Noch enen koninck, mettervaert 9970 Gaet ende proevet an dat zwaert, Nu moechdy alle bekinnen, Dattet nieman mach gewinnen Sonder dien God gebiet”. Si seiden: “wy en sceden niet 9975 Wter stat voer dat wy sien, Wien dattet sal gescien.” Doe die dienst was gedaen Gingen zi ter herbergen saen; Na etene gingen zi, als men plach 9980 Te doene op enen hogen dach, Te josteerne op een velt. Die tiene, die met gewelt Hadden te wachtene nu dat zwaert, Voeren alle nu derwaert 9985 Ombe te siene dat boert; Oeck wert daer sulck gevoert, Dat hi te hues bet waer bleven. Mettien es die strijt begeven, Ende gaven die scilde haren knechten, 9990 Die doe alle gingen vechten, Ende si streden lange tijt, So dat daer was een strijt Dat alle die liede van der stat Derwaert liepen ombedat, 9995 Some gewapent, some naket. Antor hadde Keyen gemaket Ridder, als ic sprac te voren; Als hi den strijt begonde horen, Hiet hi den broeder mettervaert 10000 Te hues riden ombe zijn zwaert. Artur, die was herde snel, Ende zeide: “dat doe ick wel”. Dat paert hi metten sporen nam, Ende reet dat hi ter herbergen quam; 10005 Keyen swaert sochti daerinne, Maer hi en vant niet; die waerdinne Haddet in der kameren besloten, Ende was gegaen metten roten, Metten vrouwen ende metten kinden; 10010 Ende doe hijt niet en konde vinden, Weendi ende wart herde gram. Mettien hi vor den monster quam, Daer die steen lach endet swaert daerin, Dat hi en proefde no meer no min; 10015 Hi dachte: mochtict getrecken ave, Dat hijt den broeder gerne gave; Hi reet daertoe onvervaert, Ende nam metter hant dat swaert, Ende heeftet onder sijn cleet gedecket. 10020 Keye was doe voert getrecket, Ende sach komen wter poert Sinen broeder ende track voert, Ende vragede of hi dat swaert brochte? Artur zeide, hi en mochte 10025 Van hues brengen negeen, “Maer doch brenge ick iu een”. 110 Doe track hijt wt sinen clede, Ende gaffet den broeder gerede. Hi namt ende was wel seker das, 10030 Dattet zwaert wten stene was; Hi dachte, hi soude koninck wesen. Den vader sochte hi na desen; Doe hine vant, hi seide: “vader, Ick werde heer altenengader, 10035 Siet hier dat zwaert, dat ick track Wten stene daert inne stack”. Van groten geruchte was Keye seer. Tierst dat dit sach sijn heer, Wonderde hem wanen dit quam: 10040 “In den stene”, seide, “dat ict nam”. Die ander geloefdes niet een haer, Ende zeide: “du en sechs niet waer”. Ter kerken gingensi onder hem drien. Alse Antor hevet den steen vorsien, 10045 Ende hijt swaert daerin niet en vint, Doe zeide hy: “Keye, lieve kint, Sech my wanen quam dat dy? Ick sal wel weten liegestu my; Liegestu, ick en mynne dy nemmeer”. 10050 Hi scaemde hem doe herde seer: “Ick en liege iu niet, hoe dat sy; Artur, mijn broeder, brachtet my, Doe hy dat myne niet en vant; Ic en weet hoe hem dat quam ter hant”. 10055 “Gif my dat zwaert”, zeide Antor echt, “Du en heves daeran krom no recht Ick wil dy proeven waerby dat zy”. Doe sach hi Artur staen daerby Ende zeide: “lieve kint, kom haer, 10060 Doe my dit zwaert hierin openbaer Als dat was, als gijt eerst hilt”. Artur sloecht in dat anebilt, Daer dat stont alset te voren dede; Keyen riep hi daer ter stede, 10065 Ende hieten trecken dat zwaert. Hi stack die hande derwaert, Maer hi en kondet niet gewinnen; Doe ginck hi ter kerken binnen, Ende riepse in die kerke beide, 10070 Ende seide: “ia, wistic dat gereide Dat Keye dat zwaert niet en wan”! Doe so nam die goede man Artur in die arme sijn, Ende zeide: “lieve sone mijn! 10075 Of ick dat mochte beiagen Dat ick iu dade krone dragen, Wat soude mijn loen sijn?” Hi seide: “lieve vader mijn, Had ick dat goet of ander eer, 10080 Gy zoudt daer al af zijn heer”. Antor antworde hem sciere: “Iu vader ben ick in ener maniere, Maer ic en wan iu niet nochtan, Ende ick en weet wie iu wan”. 10085 Als Artur hoerde, dat Antoer Sijns loechende ende verswoer, Weendi sere ende jammerlike Ende zeide: “Vader van Hemelrike! Wanen komt my dit te voren, 10090 Dat ick mynen vader hebbe verloren?” Antor sprack: “enen vader haddy; Ach, lieve kint, nu zegget my: Of ick iu doe dragen krone, Wat sal ick hebben te lone?” 10095 Artur seide: “al dat gy wilt”. Doe seide hem Antor, hoe hine hilt Ende hoene sijn wijf sogede, Ende hoe hy dor hem gedogede, Dat Keyen sogede een ander wijf; 10100 Hy moestes hem danken sonder blijf, Want nie en was gevoet Een kint noch so wael behoet; “Of ick iu dat ryke mach bejagen, Wat lone sal Keye dragen?” 10105 Artur zeide: “ic bidde iu altoes, Dat gy my niet en maeckt vaderloes, Ick en wiste my waertoe keren, Maer helpet my te deser eren, Ende of God wil dattet gesciet 10110 Gy en konnet gedenken niet, Ick en salt iu geven thant”. Antor seide doe: “iu lant En willick niet ontbidden iu, Maer des begeer ick hier nu: 10115 Als gy zijt koninck, doet dat dor my, Dat Keye, mijn sone, iu drossate sy, 111 Ende dat hi dor mesdaet, in gener hande, Die hi doet in uwen lande, Sine drossatescap niet en verliese; 10120 Dat hi dus bewilen es riese, Dat suldy wel gedogen, Want icken anders dede sogen, Ende gy zijn goede soch soget; Hierby es recht dat gy gedoget 10125 Sine ommatelike seden”. Artur zeide: “ic bens gebeden”, Ende swoer hem dat opten altaer; Doe gingensi wten monster daer. Doe quam al dat volck van den stryde 10130 Te hueswaert te Vespertyde, Man, wijf, kinder, ende knechte Quamen alle van den gevechte; Antor met sinen magen doe ginck Toten biscope ende zeide hem die dinck: 10135 “Heer, dits mijn kint, dat niet ridder en es. Nu bid ick iu, Here, nu proevet des: Hi zoude proeven gerne an dat zwaert; Leidet die baroene derwaert”. Die biscop hiet oeck den heren, 10140 Dat zi alle ter kerken keren. Antor zeide: “nem dat zwaert, mijn kint, Ende siet, dat gijt den biscop gehint”. Ende Artur track wt dat swaert, Ende boetet den biscope ter vaert. 10145 Die biscop nam hem eer iet lanck In sinen arm, ende sanck Te Deum laudamus metten clerken Ende droechen daer in die kerke. Die baroene sagen al toe, 10150 Ende en wisten gebaren hoe, Ende zi zeiden, in genen keer Lietensi kint wesen Heer. Den biscop dadensi vererren; Hi zeide: “God kent bet van verren 10155 Die liede dan gy nu doet”. Antor, die ridder goet, Ende al dat gemene diet En scieden daer van Artur niet. Die baroene ontseiden die sake, 10160 Die biscop zeide in hoger sprake Ende sprac: “al hadden zijt alle gesworen Die nu in eertrike sijn geboren, Ende wil dat God, het moeste wesen. Lieve Artur”, sprac hi na desen, 10165 “Doet dat zwaert in dat anebilt; Gy Heren, treckt die dat trecken wilt”. Si trocken alle, ende ombe niet; Want dat vor hem niet en liet. Si seiden: “wy en doen niet een twint; 10170 Maer dat nu soude sijn een kint Coninck over ons, geeft ons wonder”. “God doet dat”, seidi, “al bysonder”. Die baroene daden saen, Dat ment zwaert liete staen 10175 Tote Onser Vrouwendage doch, Ende liete daeran proeven noch. Die biscop hoerde die clage, Ende liet dat zwaert staen tot dien dage; Hier binnen proevede menech man, 10180 Die dat nochtan niet en gewan. Doe sprac die biscop tot Artuer: “Gan iu God der aventuer, So gaet ende nemt dat zwaert”. Artur dadet metter vaert. 10185 Doe dat volck dat gesach, Weende daer menech opten dach Van vrouden; men vragede openbaer, Of daer ieman tegen waer? Die hoge liede zeiden: “Heer! 10190 Laet tot Paeschen ende niet meer; Trecket nieman wt binnen desen, Wy sellen des ember met iu wesen”. “So doedy dit dan sonder stryden, Of wy tote Paeschen ontbiden?” 10195 Zi zeiden: “ja wy sonder waen Ende latent ryke in sinen handen staen”. Die biscop zeide: “Artur, doe dat zwaert In dat anebelt metter vaert, Gy zult hebben dat God gebiet”. 10200 Artur dade dat men hem hiet. Doe nam dat volc tien, die zy wouden, Die dat zwaert hoeden zouden. Rechte aldus ontbeiden zi das Al tedien dat Paeschen was. 10205 Ende hiertebinnen leerdet kinnen Die biscop, ende t kint sere minnen; 112 Hi zeide: “dit lant comet iu an, Denket ombe wesene goet man; Kieset die gy wilt dat zij iu raet, 10210 Ende iu ammet nu bestaet, Gelijk of gy een koninck waert, Dat es uwe, sijt onvervaert”! Artur antworde: “ick settet an Gode Algader ende an Sine gebode; 10115 Kieset die gy wilt, Heer, Die Godes wille doen ende mijn eer; Vraget mynen heer oft hem dunket goet?” Die getrouwe biscop, hi doet Antor comen, sinen vader, 10220 Ende zeiden wat Artur secht algader. Si gaven hem raet die goede liede, Ende by des biscops gebiede Wart daer Keye drossate saen; Die ander ammete liet men staen 10225 Tote Paeschen, ende tien tyden, Quam tvolc al te Lonnen, wyde ende siden. Die biscop dade doen halen Alle die baroene binnen der salen In Paeschavende, ende zeide aldus: 10230 “Ick hope dat wille Jhesus, Dat dit kint onse koninck blyve; Ick hebbe oeck in sinen live Menege doget an hem verstaen”. Die heren antworden saen: 10235 Wy en zijn niet daertegen dan, Maer ons wondert, dat dus jonc een man Dus ongeboren sal sijn onse Heer”. Die biscop zeide: “sechdy embermeer Jegen dat recht dat God gebiet, 10240 So en zijdy recht Kersten niet” Zi zeiden: “wy en zijn niet tegen Gode; Doet algader uwe gebode, Gy hebbeten lange bekint Ende wy en kennens niet een twint; 10245 Wy bidden iu doch ener saken: Eer wy hem noch koninck maken Laet ons an hem proeven stille, Wat manne dat hi wesen wille. Hier es sulc diet weten sal sciere 10250 Als hi weet sine maniere”. Hi zeide: “gy duncket my begeren, Dat men lette sijn sacreren?” “Ja, wy”, seiden si, “tot morgen dach; Is hi dan sulc dat hijt sijn mach, 10255 So kiesen wyne dan sonder sage, Ende wyet hem in Sinxedage; Dat bidden wy iu, Here, dat gy doet”. Die biscop seide: “dat duncket my goet”. Scire was dese raet gehent. 10260 Des morgens bracht men in ‘t Parlement Artur, want men hem kiesen soude; Hi track dat zwaert wt, als men woude; Vor koninck hebbensi hem gekoren. Si baden dat hyse soude horen, 10265 Ende hi dat zwaert dade in t anebilt. Hi zeide: “ic doe al dat gy wilt”. Ter kerken leiden sine scier Ombe te wetene sine manier; “Wy sien wael”, seggen si, “dat wil God, 10270 Dat wy doen al dijn gebot; Des houden wy iu vor Heer, Artur, nu vorwert meer, Ende ontfaen iu sonder Parlement; Laet tot Sinxen iu sacrement, 10275 Nochtan en weest niet Here te min, Nu secht uwes selves sin Sonder ander mannes raet”. Artur zeide, daert al an staet, “Wildy my manscap doen ontfaen, 10280 Dat en waer geen recht, sonder waen; Ick en mach iu geen gewelt geven, Eer ick koninck ben verheven Ende gewyet na koninges recht; Ende dat gy my biddet echt 10285 Heer te syne van den lande, Dat en mochte sijn sonder scande Eer ick mijn recht hebbe ontfaen; Dat gy my biddet te latene staen Mijn wyen dor uwen wille, 10290 Dat laet ick gerne staen al stille, Want ick en mach hierna noch nu Gene ere hebben sonder iu”. Doe dochte elcken in sinen moet, Dat dat kint ware vroet; 10295 Si seiden, dat hem wael behaget, Dat hi te Sinxen krone draget 113 Ende daden hem clenode bringen Ende oeck ander duere dingen, Te siene of hy gierech waer; 10300 Doe vraechdi elken harentaer Wat dese sake gelden mochte, Nadien dat hem dat volc dochte Gaf hy weder dier ende ondier; Dus was hy weder quite scier 10305 Enten ridders die hi hoert prisen Gaf hi orse, enten jolysen Ende die minden gaf hi gout Ende clenoden menechfout; Waren si oeck onechte, 10310 Hi gaf hem scoenhede na rechte. Daerby proeveden die vroede Dat zijn zin niet en stont na goede; So wie so oeck wael wilde, Proevede wael dat hi was milde; 10315 Oeck zeiden aldaer die vroede Dat hi was van hogen moede; Negene vrecheit vant men daer an, Want also als hijt gewan, Gaf hijt daer het was bestaet 10320 Dus en vondensi hem niet quaet. Tot Sinxen hebben si gebeit, Te Lonnen quamen si gereit, Ende proefdent zwaert daert stack in den steen; Lonnen ende Logres is al een, 10325 Alse my duncket, int Romans, Sodat die redene zij gans; Maer t was ombe niet dat zy traken. Die biscop hi hadde doen maken Enen scepter ende ene krone; 10330 In Sinxenavende was dat scone: Die biscop dade te Vespertyde Artur ridder maken, daer menech blyde Ridder mede was ende oeck clerke. Des nachtes wakedi in der kerken, 10335 Des morgens quamen die baroene. Die biscop sprac, na sinen doene, Ende zeide: “nu mogewy sien ende horen Den man, dien God hevet verkoren; Siet hier sine konincklycke gewaden, 10340 Wil ieman daer tegen raden?” Si seiden, si loveden dat alle, Ende of zi iet met ongevalle Jegen hem hadden gedaen, Dat hi hem dat vergave saen; 10345 Genade baden si op horen knien. Artur weende mettien, Ende knielde vor hem met naten ogen. Hi vergaf dat nederen ende hogen, Ende bat hem, dat zi Gode beden, 10350 By Siner groter ontfermecheden, Daer hem die ere quam ave, Dat hi hem dat allen vergave”. Mettien namen sine ende leden Tot sinen koninckliken cleden; 10355 Alsi doe was gecleet Was die biscop wael gereet Ombe dat hi soude misse singen, Aldaer si hem Artur bringen. Die biscop sprac tot Artur thant: 10360 “Want gy Here sijt over dlant, Artur, gaet ende haelt u zwaert”. Dus sprac die biscop te hemwaert. Al die processie ginck met hem ten stene, Ende doe si daer waren algemene 10365 Sprac die biscop: “oftu an Gode Geloves ende an Sine gebode, Ende an Sine Moeder Santa Marien, Ende an Sante Peter, den vryen, Ende an alle Santen ende Santinnen, 10370 Entie die heilige kerke minnen Ende houden in goeden vrede, Entie donberadene troesten mede, Ende gerechte wils houden onvervaert, So ganck toe ende nem dat zwaert, 10375 Daer dy God mede heeft verkoren”. Artur die stont ginder voren, Sine ogen die waren hem nat; Menech man weende ombe dat. 114 Hi zeide: “also gewaerlike, 10380 Alse God van Hemelrike Boven alle dinc hevet macht, So moet Hy my geven die kracht Te doene dat ick hebbe verstaen”. Mettien knielde hi saen 10385 Ende nam tswaert tusschen knoep ende hilte Ende tract wten anebilte; Doe leide hijt opten altaer. Gesacreert wart hi aldaer, Als men enen koninck soude. 10390 Na misse, als die biscop woude, Gingen zi wter kerken saen, Ende quamen ter plaetsen gegaen, Daer die steen hadde gelegen, Die doen enwech was gedregen; 10395 Sie en wisten, hoe hi was verloren. Dus was Artur koninck gekoren, Die dlant van Logres entie steden Lange hilt met groten onvreden, Alse gy horen sult hiernaer; 10400 Want nu ierst ginck an aldaer Die hate ende dat stryden, Dat lange duerde op hem in nyden Van den baroenen, wyde ende syde, Die hi al verwan met stryde. 10405 Hier indet kronement ter ure Van den koninge Arture; Nu suldy voert hoeren die stryde, Die hem gescieden in sinen tyde. |
Van de steen daar dat zwaard in stak en hoe koning Arthur tot koning werd gekozen. 9735 Nu kiezen ze dat ze willen. Merlijn gaat Tot Blasys zijn raad, En zei wat daar zou gebeuren, Blasys maakt het bekend ons allen, En de hoogtijdag algemeen 9740 Ontbood men groot en klein Te Londen met Kerstdag te wezen. Dus was dat alles tezamen bij deze, En Antor, die het kind had gevoed Zodat het sterk was en verstandig, 9745 Zo trouw hield hij dat te waren Tot zijn zestien jaren, Dat het niemand anders zoogde Dan zijn vrouw, en ook toch Weet hij niet wie hij meer bemint 9750 Zo Arthur, zo Keye, zijn kind. “Lief kind” noemde hij dat niet anders, En hij meende dat te wezen wel. Voor Kerstavond in Allerheilige dagen Zo maakte Antor, zonder sage, 9755 Ridder Keye, zijn zoon; Te Londen kwam diegene Met ridders, die voeren ginder En brachten met hem zijn kinderen. Op de vigilie waren algemeen 9760 Alle klerken van het rijk, En ook alle baronnen, Die waren van enige doen. En deden alle zoals Merlijn zei, En waren in grote eenvoud, 107 9765 En leefden daar heilig, Te Vesper kwamen arm en rijk; God baden ze dat hij hen gaf Zo ‘n teken, daar ze van Gesterkt waren in de wet. 9770 Te metten kwamen ze nog beter, Tot de eerste missen en de anderen Begonnen de heren te wandelen Omdat ze missen wilden horen. Nu waren daar zulke deuren, 9775 Die zeiden, dat ze waren zot, Die wachtten nadat hen God Vertonen zou enig ding, Te kiezen daarbij een koning. Met dat ze het zeiden met een mond, 9780 Gebeurde het, dat men met de mis begon, En gingen in de munster tezamen; Toen ze allen daarin kwamen, Zo was daar een heilig man Die de mis daar begon; 9785 Maar eerst kwam hij tot de lieden voort En zei hen allen dit woord: “Lieve lieden, ge bent hier gekomen Om drie soorten baat; Welke ze zijn mag ge horen: 9790 Om uw ziel al tevoren, En ook om de dag eer, En om het mirakel, die onze Heer Hier zal doen tot de plaats, En om een koning mede 9795 Die man zal zijn van de heilige kerk, Die hij berechten zal en versterken. We bidden God, die dat al bekent, Dat is Jezus Christus, onze koning, Dat hij ons waarlijk een teken zendt, 9800 Om te doen zonder ongeval Dat Zijn liefste wil is, Alzo waarlijk als Hij Dezelfde dag is geboren; En gij, alle die dit horen, 9805 Zullen uw pater noster spreken”. Ze zeiden alle: “we willen het niet ontbreken”. Gelijk ging men zingen; Toch toen zo ver kwam dat Ter mis dat men met offeren begon, 9810 Toen waren daar zulke mannen, Die er uit gingen na deze tijd, Daar ze vonden een plaats wijdt, En toen ze daar binnen waren Zagen ze de dag verlichten 9815 In de plaats, daar ze toen vonden Een steen dezelfde stonden. Ze wisten niet hoe het gedijde Het gedaan was naar de manieren; Een marmeren zeiden ze dat het was; 9820 Ze vonden toen al openbaar Een voet breed een aambeeld, Dat een zwaard goed vast hield, Dat stak daarin tot de steen; Toen ze dat zagen algemeen 9825 De eerste die uit de kerk gingen Verwonderde zich van deze dingen, Ze zeiden het, en lieten het niet, De bisschop die Brixes heet; Toen hij dat hoorde, die de mis zong, 9830 Nam hij wijwater aanstonds En ging voor, de anderen erna, Leken en klerken volgden daar, Tot de plaats daar die steen lag, Die toen menige man zag; 9835 En toen ze zagen dat aambeeld, Dat dit zwaard zo vast hield Riepen ze allen: “Sancte Pater!” En wierpen daarop dat wijwater; De bisschop zeeg ter aarden 9840 En zag in het midden waart Gouden letters, die zeiden dat Die dat zwaard trok uit de plaats, Hij zou, bij de wil van Onze Heer, Koning zijn met grote eer. 9845 Meteen liet hij de steen behoeden Tien goede mannen en verstandige, Vijf leken en vijf klerken, En ging weer in de kerk, En zei: “God heeft ons gedaan 9850 Een mooi teken, zonder waan”. 108 Te Deum laudamus zongen ze helder. Toen die man kwam tot het altaar, Heeft hij zich tot de lieden gekeerd, En zei: “beproef het en leert 9855 Dat iemand onder ons is goed, Want God door onze wil doet Zo’n teken zoals ge zien mag; Ik bid u, door onze Heer deugd, Dat geen man, door adeldom 9860 Nog door enigerhande roem, Die tot deze lieden behoort, Tegen dit teken zegt een woord; Want die dat teken zond stil Zal wel getuigen zijn wil”. 9865 Men deed voort de dienst van Onze Heer, En toen het gezongen was met eren Gingen ze tot de steen wandelen; Elk vroeg daar de andere, Wie daar het eerste trekken wou. 9870 Toen zei daar elk, dat men zou De bisschop ontbieden luid en stil, En horen wat hij zeggen wil. Daar was lang grote strijd, En sommigen die wilden eertijds 9875 Wie dat de macht had in die poort, Wou het beproeven immer voort. Daar was taal en geschal, Dat men hier niet vertellen zal. De bisschop hij sprak tevoren, 9880 Daar ze alle toehoren: “Ge bent niet”, zei die, “te waren, “Alzo verstandig als me lief was; Dat mag ge merken gereed Dat God, die alle zaken weet, 9885 Hier heeft gekozen een man En wij weten niet wie nochtans, En dat zeg ik u ook mede Dat edelheid noch rijkheid Die zal hier liggen stil, 9890 Uitgezonderd geheel Onze Heer zijn wil; En ik weet wel tevoren, Al was hij nog niet geboren Die dat zwaard dragen zal, Al hebben we dat gezworen alle, 9895 Dat men het won met geen zaak, Niemand het ook er uittrekt”. Nu kwamen ze overeen daar, Dat de bisschop zei waar; Toen beraden zich de baronnen 9900 En kwamen overeen van dit doen, Dat ze melden bisschops woord, En zeiden, daar het volk toe hoort, Hoe goed dat de bisschop deed Met deze grote ootmoedigheid. 9905 Hij zei: “dat komt van Onze Heer, En ik doe daarin min of meer, Anders daartoe, om geen verdriet, Dan alles dat Onze Heer gebied, En het de Christenheid betaamt, 9910 En dat ik dus geen schaamte Heb”. Voor de mis was dit geding. Ze zeiden alle apart Tot de bisschop, en hij nam respijt Tot na hoogmis tijd. 9915 Ten eerste nadat de mis was gedaan, Sprak de bisschop alzo gelijk: “Merkt allen dit mirakel, Die God in dit tabernakel Door uw wil heeft gedaan. 9920 Hier mag ge alle bij verstaan, Wie dit koninkrijk is waard, Dat betekent dit goede zwaard Dat gerecht dat men houdt Met God en met geweld. 9925 Aldus wordt onze koning gekozen; Ik weet wel dat God tevoren Regelt, wie dat land zal berechten De rijken durven daar niet om te vechten Om te beproeven de eerste keer, 9930 Want hovaardij niet is nodig De armen wezen zonder toorn, Al gaan hier de rijken voor; Want dat is gewoonte en zede, Die hier heeft de hoogste plaats, 9935 Dat het eerst beproeven gaan; Want hier is niemand, zonder waan, Die een koning maken wilde, Dat hij de dolste kiezen zou”. 109 Dus deden ze dus bisschops raad 9940 Zonder enig ander kwaad; Zo wie het beste dacht waard Zou het eerst beproeven nu dat zwaard. Daartoe zwoeren alle heren Dat ze diegene zouden eren 9945 En die voor koning bekennen, Die dat zwaard er uit kon winnen. Hij nam daaruit anderhalf honderd Van de hoogste, wie dat verwondert, En liet ze allen aan dat zwaard 9950 Beproeven, en, gereed ter vaart, Toen zei hij de anderen gelijk Aan dat zwaard beproeven gaan; Allen die wilden overluid, Niemand mocht het trekken uit. 9955 Tien man behoeden de steen, Alle die wilden overeen Zouden beproeven aan die zaak, Of dat zwaard iemand uittrok. Ook was, aldus zeg het avontuur, 9960 Acht dagen geprobeerd al door, Dat ze alle trokken aan dat zwaard, Totdat Nieuwjaarsdag kwam voort. Toen hoorden echt de baronnen Mis naar hun doen, 9965 Dat de bisschop had gezet, Dat hem dacht te wezen best. Toen zeiden ze hem deze zaken: “Ja, mag men niet geraken Nog een koning, met de vaart 9970 Ga en beproef het aan dat zwaard, Nu kan ge alle bekennen, Dat niemand het kan winnen Uitgezonderd die God gebiedt”. Ze zeiden: “we scheiden niet 9975 Uit de plaats voor dat we zien, Wie dat het zal geschieden.” Toen de dienst was gedaan Gingen ze ter herberg gelijk; Na het eten gingen ze, zoals men plag 9980 Te doen op een hoge dag, Te spelen op een veld. Die tien, die met geweld Hadden te bewaken nu dat zwaard, Voeren alle nu derwaarts 9985 Om te zien die grap; Ook werden daar naar zulke gevoerd, Die thuis beter waren gebleven. Meteen is de strijd begonnen, En gaven de schilden aan hun knechten, 9990 Die toen allen gingen vechten, En ze streden een lange tijd, Zodat daar was een strijd Dat alle lieden van de stad Derwaarts liepen omdat, 9995 Sommige gewapend, sommige naakt. Antor had Keye gemaakt Ridder, zoals ik sprak tevoren; Toen hij van de strijd begon te horen, Zei hij zijn broeder met een vaart 10000 Thuis te rijden om zijn zwaard. Arthur, die was erg snel, Zei: “dat doe ik wel”. Dat paard hij met de sporen nam, En reed dat hij tot de herberg kwam; 10005 Keye’s zwaard zocht hij daarin, Maar hij vond het niet; de waardin Had het in een kamer gesloten, En was gegaan met de groep, Met de vrouwen en met de kinderen; 10010 En toen hij het niet kon vinden, Weende hij en werd erg gram. Meteen hij voor de munster kwam, Daar de steen lag en het zwaard daarin, Dat hij beproefde meer of min; 10015 Hij dacht: kon ik het er trekken uit, Dat hij het de broeder graag gaf; Hij reed daartoe onvervaard, En nam met de hand dat zwaard, En heeft het onder zijn kleed bedekt. 10020 Keye was toen voort getrokken, En zag komen uit de poort Zijn broeder en trok voort, En vroeg of hij dat zwaard bracht? Arthur zei, hij niet mocht 10025 Van huis brengen nee geen, “Maar toch breng ik u er een”. 110 Toen trok hij het uit zijn kleed, En gaf het de broeder gereed. Hij nam het en was wel zeker dat, 10030 Dat het zwaard uit de steen was; Hij dacht, hij zou koning wezen. De vader zocht hij na deze; Toen hij hem vond, hij zei: “vader, Ik wordt heer van allemaal, 10035 Zie hier dat zwaard, dat ik trok Uit een steen daar het in stak”. Van groot gerucht was Keye zeer. Ten eerste dat dit zag zijn heer, Verwonderde hem waarvan dit kwam: 10040 “In de steen”, zei, “dat ik het nam”. De andere geloofde het niet een haar, En zei: “u zegt onwaar”. Te kerk gingen ze onder hen drieën. Toen Antor de steen heeft gezien, 10045 En hij het zwaard daarin niet vindt, Toen zei hij: “Keye, lieve kind, Zeg me hoe kreeg u dat? Ik zal wel weten beliegt u mij; Liegt u, ik bemin u nimmermeer”. 10050 Hij schaamde zich toen erg zeer: “Ik belieg u niet, hoe dat zij; Arthur, mijn broeder, bracht het mij, Toen hij de mijne niet vond; Ik weet niet hoe hem dat kwam ter hand”. 10055 “Geef me dat zwaard”, zei Antor echt, “U heeft daaraan krom nog recht Ik wil u beproeven waarbij dat is”. Toen zag hij Arthur staan daarbij En zei: “lieve kind, kom hier, 10060 Doe dit zwaard hierin openbaar Zoals dat was, zoals gij het eerst hield”. Arthur sloeg het in dat aambeeld, Daar dat stond zoals het tevoren deed; Keye riep hij daar ter plaatse, 10065 En zei hem te trekken dat zwaard. Hij stak die hand derwaarts, Maar hij kon het niet winnen; Toen ging hij de kerk binnen, En riep ze in de kerke beide, 10070 En zei: “ja, ik wist dat gereed Dat Keye dat zwaard niet won”! Toen zo nam die goede man Arthur in de armen van hem, En zei: “lieve zoon van mij! 10075 Als ik dat mocht bejagen Dat ik u de kroon liet dragen, Wat zou mijn loon zijn?” Hij zei: “lieve vader van mij, Had ik dat goed of andere eer, 10080 Ge zou daarvan zijn geheel heer”. Antor antwoordde hem schier: “Uw vader ben ik in een manier, Maar ik won u niet nochtans, En ik weet niet wie u won”. 10085 Toen Arthur hoorde, dat Antor Hem verloochende en verzwoor, Weende hij zeer en jammerlijk En zei: “Vader van Hemelrijk! Waarvan komt me dit te voren, 10090 Dat ik mijn vader heb verloren?” Antor sprak: “een vader had jij; Ach, lieve kind, nu zeg het mij: Als ik u laat dragen de kroon, Wat zal ik hebben tot loon?” 10095 Arthur zei: “alles dat ge wilt”. Toen zei hem Antor, hoe hij van hem hield En hoe zijn vrouw hem zoogde, En hoe hij door hem gedoogde, Dat Keye zoog een ander wijf; 10100 Hij moest het hem bedanken zonder blijf, Want niet was er gevoed Een kind nog zo goed behoed; “Of ik u dat rijk mag bejagen, Welk loon zal Keye dragen?” 10105 Arthur zei: “ik bid u altijd, Dat ge me niet maakt vaderloos, Ik wist niet me waartoe te keren, Maar help me tot deze eren, En als God wil dat het geschiedt 10110 Ge kon het bedenken niet, Ik zal het u geven gelijk”. Antor zei toen: “uw land Wil ik niet ontbidden u, Maar dus begeer ik hier nu: 10115 Als ge koning bent, doe dat voor mij, Dat Keye, mijn zoon, uw drost zij, 111 En dat hij door misdaad, in geen geval, Die hij doet in uw landen, Zijn drostschap niet verliest; 10120 Dat hij dus soms is roekeloos, Dat zal je wel gedogen, Want ik hem een andere liet zogen, En ge zijn goede zog zoog; Hierbij is het recht dat ge gedoogt 10125 Zijn onmatige zeden”. Arthur zei: “ik ben gebeden”, En bezwoer hem dat op het altaar; Toen gingen ze uit de kerk daar. Toen kwam al dat volk van de strijd 10130 Te huiswaarts te vespertijd, Man, vrouw, kinderen en knechten Kwamen allen van het gevecht; Antor met zijn verwanten toen ging Tot de bisschop en zei hem dit ding: 10135 “Heer, dit is mijn kind, die niet ridder is. Nu bid ik u, heer, nu beproef dit: Hij zou graag beproeven aan dat zwaard; Leidt de baronnen derwaarts”. De bisschop zei ook de heren, 10140 Dat ze alle ter kerk keren. Antor zei: “neem dat zwaard, mijn kind, En zie, dat gij het de bisschop gunt”. En Arthur trok uit dat zwaard, En bood het de bisschop in een vaart. 10145 De bisschop nam het aanstonds In zijn arm, en zong Te Deum laudamus met de klerken En droeg het daar in de kerk. De baronnen zagen alle toe, 10150 En wisten niet te gebaren hoe, En ze zeiden, in geen keer Lieten ze een kind wezen heer. De bisschop lieten ze boos worden; Hij zei: “God kent beter van verre 10155 De lieden dan ge nu doet”. Antor, die ridder goed, En al dat gewone volk Scheidden daar van Arthur niet. De baronnen ontzegden de zaken, 10160 De bisschop zei in hoge spraken En sprak: “allen hebben het gezworen Die nu in aardrijk zijn geboren, En wil dat God, het moest wezen. Lieve Arthur”, sprak hij na deze, 10165 “Doe dat zwaard in dat aambeeld; Gij heren, trek die dat trekken wil”. Ze trokken alle, en om niet; Want dat voor hem niet liet. Ze zeiden: “we doen niets; 10170 Maar dat nu zou zijn een kind Koning over ons, geeft ons verwondering”. “God doet dat”, zei hij, “al bijzonder”. De baronnen deden gelijk, Dat men het zwaard liet staan 10175 Tot Onze Vrouwendag toch, En liet daaraan beproeven nog. De bisschop hoorde die klagen, En liet dat zwaard staan tot die dag; Hierbinnen beproefde menige man, 10180 Die dat nochtans niet won. Toen sprak de bisschop tot Arthur: “Ga u met God het avontuur, Zo ga en neem dat zwaard”. Arthur deed het met een vaart. 10185 Toen dat volk dat zag, Weende daar menigeen op de dag Van vreugde; men vroeg openbaar, Of daar iemand tegen waar? Die hoge lieden zeiden: “Heer! 10190 Laat het tot Pasen en niet meer; Trekt niemand het eruit binnen deze, We zullen dus immer met u wezen”. “Zo doe je dit dan zonder strijden, Als we tot Pasen wachten?” 10195 Ze zeiden: “ja wij zonder waan En laten het rijk in zijn handen staan”. De bisschop zei: “Arthur, doe dat zwaard In dat aambeeld met een vaart, Ge zal hebben dat God gebiedt”. 10200 Arthur deed dat men hem zei. Toen nam dat volk tien, die ze wilden, Die dat zwaard behoeden zouden. Recht aldus wachtten ze dat Al totdat het Pasen was. 10205 En hiertussen leerde kennen De bisschop, en het kind zeer beminnen; 112 Hij zei: “dit land komt u aan, Denkt om te wezen een goede man; Kiest die ge wilt in uw raad, 10210 En u ambt nu bestaat, Gelijk of ge een koning waart, Dat is uwe, wees onvervaard”! Arthur antwoordde: “ik zet het aan God Alles en aan Zijn gebod; 10115 Kiest die ge wil, heer, Die Gods wil doen en mijn eer; Vraag het mijn heer of het hem lijkt goed?” De trouwe bisschop, hij laat Antor komen, zijn vader, 10220 En zei wat Arthur zei allemaal. Ze gaven hem raad die goede lieden, En bij bisschops gebod Werd daar Keye drost gelijk; Dat andere ambten liet men staan 10225 Te Pasen en die tijden, Kwam het volk al te Londen, wijd en zijd. De bisschop liet toen halen Alle baronnen binnen de zalen Op Paasavond, en zei aldus: 10230 “Ik hoop dat de wil Jezus, Dat dit kind onze koning blijft; Ik heb ook in zijn lijf Menige deugd aan hem verstaan”. De heren antwoordden gelijk: 10235 Wij zijn niet daartegen dan, Maar ons verwondert, dat dusdanige jonge man Dusdanig geboren zal zijn onze heer”. Die bisschop zei: “zeg immermeer Tegen dat recht dat God gebiedt, 10240 Dan bent ge een christen niet” Ze zeiden: “wij zijn niet tegen God; Doe allen uw gebod, Ge hebt het lang gekend En wij kennen het vrijwel niet; 10245 We bidden u toch een zaak: Eer we hem nog koning maken Laat ons aan hem beproeven stil, Welke man dat hij wezen wil. Hier is zulke die het weten zal snel 10250 Als hij weet zijn manieren”. Hij zei: “ge lijkt me te begeren, Dat men belet op zijn wijding?” “Ja, wij”, zeiden ze, “tot morgen dag; Is hij dan zulke dat hij het zijn mag, 10255 Dan kiezen we hem dan zonder sage, En wijden hem te Pinksterdag; Dat bidden we u, heer, dat ge doet”. De bisschop zei: “dat lijkt me goed”. Snel was deze raad geëindigd. 10260 s ‘Morgens bracht men in het parlement Arthur, want men hem kiezen zou; Hij trok dat zwaard er uit, zoals men wou; Voor koning hebben ze hem gekozen. Ze baden dat hij ze zou horen, 10265 En hij dat zwaard deed in het aambeeld. Hij zei: “ik doe al dat ge wilt”. Te kerk leiden ze hem snel Om te weten zijn manier; “We zien wel”, zeggen ze, “dat wil God, 10270 Dat we doen al uw gebod; Dus houden we u voor heer, Arthur, nu voorwaart meer, En ontvangen u zonder gesprek; Laat tot Pinkster uw sacrament, 10275 Nochtans wees niet heer te minder, Nu zeg uw eigen geest Zonder andere man ‘s raad”. Arthur zei, daar alles aan staat, “Wil ge me manschap laten ontvangen, 10280 Dat is geen recht, zonder waan; Ik kan u geen geweld geven, Eer ik tot koning ben verheven En gewijd naar konings recht; En dat ge me bidt echt 10285 Heer te zijn van het land, Dat het mocht zijn zonder schande Eer ik mijn recht heb ontvangen; Dat ge me bidt te laten staan Me wijden door uw wil, 10290 Dat laat ik graag staan geheel stil, Want ik kan hierna nog nu Geen eer hebben zonder u”. Toen dacht elk in zijn gemoed, Dat dit kind was goed; 10295 Ze zeiden, dat het hen wel behaagde, Dat hij te Pinkster de kroon draagt 113 En lieten hem kleinoden brengen En ook andere dure dingen, Te zien of hij gierig was; 10300 Toen vroeg hij elk hier en daar Wat deze zaken kosten mochten, Naar dat hij het volk dacht Gaf hij weer duur en goedkoop; Dus was hij het weer kwijt snel 10305 En de ridders die hij hoorde prijzen Gaf hij paarden, en juwelen En de mindere gaf hij goud En kleinoden menigvuldig; Waren ze ook niet echt, 10310 Hij gaf hen schoonheden naar recht. Daarbij beproefden de verstandige Dat zijn geest niet stond naar het goed; Zo wie ze ook wel wilde, Beproefde wel dat hij was mild; 10315 Ook zeiden aldaar de verstandige Dat hij was van hoog gemoed; Nee geen vrekkigheid vond men daaraan, Want alzo zoals hij het won, Gaf hij het daar het was besteed 10320 Dus vonden ze hem niet kwaad. Tot Pinkster hebben ze gewacht, Te Londen kwamen ze gereed, En beproefden het zwaard daar het stak in de steen; Londen en Logres is al een, 10325 Zoals me lijkt, in het Romeins, Zodat de talen zijn gelijk; Maar het was om niet dat ze trokken. De bisschop hij had laten maken Een scepter en een kroon; 10330 Te Pinksteravond was dat mooi: De bisschop liet te vespertijd Arthur ridder maken, daar menig blij Ridder mee was en ook klerken. ‘s Nachts waakte hij in de kerk, 10335 ‘s Morgens kwamen de baronnen. De bisschop sprak, naar zijn doen, En zei: “nu mogen we zien en horen De man, die God heeft gekozen; Ziet hier zijn koninklijke gewaden, 10340 Wil iemand daartegen aanraden?” Ze zeiden, ze loofden dat alle, En of ze iets per ongeluk Tegen hem hadden gedaan, Dat hij hen dat vergaf gelijk; 10345 Genade baden ze op hun knieën. Arthur weende meteen, En knielde voor hen met natte ogen. Hij vergaf dat de lage en hogen, En bad hem, dat ze God baden, 10350 Bij Zijn grote ontferming, Daar hem de eer kwam van, Dat hij hen dat allen vergaf”. Meteen namen ze hem en leiden Tot zijn koninklijke kleden; 10355 Toen hij was gekleed Was de bisschop wel gereed Omdat hij zou mis zingen, Aldaar ze hem Arthur brengen. De bisschop sprak tot Arthur gelijk: 10360 “Want ge heer bent over dit land, Arthur, ga en haal uw zwaard”. Aldus sprak de bisschop tot hem waart. De hele processie ging met hem tot de steen, En toen ze daar waren algemeen 10365 Sprak de bisschop: “als u aan God Gelooft en aan Zijn gebod, En aan Zijn Moeder Sint Maria, En aan Sint Petrus, de vrije, En aan alle Sinten en Sintinnen, 10370 En de heilige kerk beminnen En houden in goede vrede, En de onberaden troosten mede, En gerecht wil houden onvervaard, Zo ga toe en neem dat zwaard, 10375 Daar God u mee heeft gekozen”. Arthur die stond ginder voren, Zijn ogen die waren hem nat; Menig man weende om dat. 114 Hij zei: “alzo waarlijk, 10380 Als God van Hemelrijk Boven alle dingen heeft macht, Zo moet Hij me geven de kracht Te doen dat ik heb verstaan”. Meteen knielde hij gelijk 10385 En nam het zwaard tussen knop en helt En trok het uit het aambeeld; Toen legde hij het op het altaar. Gewijd werd hij aldaar, Zoals men een koning zou. 10390 Na de mis, zoals de bisschop wou, Gingen ze uit de kerk gelijk, En kwamen ter plaats gegaan, Daar de steen had gelegen, Die toen weg was gedragen; 10395 Ze wisten niet, hoe hij was verloren. Dus was Arthur koning gekozen, Die het land van Londen en de steden Lang hield met grote onvrede, Zoals ge horen zal hiernaar; 10400 Want nu eerst ging aan aldaar De haat en dat strijden, Dat lang duurde op hem in nijd Van de baronnen, wijd en zijd, Die hij geheel overwon met strijd. 10405 Hier eindigt de bekroning ter ure Van de koning Arthur; Nu zal ge voort horen de strijd, Die hem gebeurde in zijn tijd. |
Van enen hove, dien K. Artur hielt te Caredol, daer beyde koninge, hertogen, ende vorsten quamen. God, die alle dinck vermach 10410 Ende Sine moeder, daer Hi inne lach, Sy moeten my, in dit begin, Geven wijsheit ende sin Te volmakene dese saken, Daer Jacob van Maerlant ierst dat maken 10415 Af began, en liet sijn dinck Daer Artur die konincxcrone ontfinck, Als dat in Merline bescreven es. Nu wil Heer Lodewyck, sijt seker des, Van Velthem dit voert wtgeven 10420 Na dat int Walsc es bescreven; Want nu ierst gaet an die dinck Van Merline ende van den koninck, Hoe dat Artur began regneren Altemale by Merlijns leren. 10425 Doe Artur crone hadde ontfaen Ende sacreert was, daerna saen Te half Oegste, so hilt hy hof Tote Caredol, daer men of Seggen moge grote dinck. 10430 Daer quan Loth die koninck, Die tlant van Leonois hilt geheel Ende van Orcanien een deel, Met vijfhondert ridders van pryse; Die koninck Oriens, na siner wyse, 10435 Quam met vierhondert ridders daer Die tlant van Gorre hielt vorwaer In enen dele, wy lesent dus, Ende tander hilt die koninck Bandegarius Die Melogans vader was. 10440 Die koninck Ventres quam nadas, Die van Garlott was here, Sevenhondert ridders brachti in die were; Dese hadde Arturs suster te wive. Daer quam oec met stouten live 10445 Carados Britas die koninck was Van Astragorre, als ick dat las, Was hi geselle van der Tafelronden; Seshondert ridders brachti ten stonden. Dan quam die koninck Anguisant, 10450 Die here was van Scotlant, Vierhondert ridder brachti hier. Daer quam die koninck Ydier Van Cornualge, ende brachte daer Vierhondert ridders ionck int openbaer; 10455 Ende alsi alle vergadert weren Ontfincse Artur wael met eren, Gelijck dat een kint doen soude 115 Dat noch was van cleenre oude. Hi gaf hem gichte cleen ende groet 10460 Gelijck betamede elcken genoet; Ende als die groete heren vernamen Die gave entie clenode te samen, Die hem Artur die koninck gaf, Hadde hem herde onwaert daeraf, 10465 Ende seiden, si waren herde sot Zoude zulck een knecht hebben gebot Over hem ende regneren daernaer, Die van so cleenre geboert waer; “Ende dat hi oec koninck ende here sijn sal 10470 Over den lande van Logres al, Dit en mach niet lange geduren”; Ende ontseiden die gave ter uren, Ende ontboden hem, dat sine nembermeer Vor koninck en hielden noch vor heer, 10475 Ende dat hem negeen dinck es so leet Dan dat sine sacreren lieten, God weet, Ende dat si hem manscap hadden gedaen, Ende dat hi wael verstonde, sonder waen, Dat si te sinen hove niet en komen 10480 Ombe hem ere te doene noch vromen, Maer omb hem tonneren ende ontsetten met Ende wten lande te jagen, dat wet; Ende dat hi dat oec rume ter stede Ende nembermeer daerin kome mede; 10485 Ende rumet hi des niet, si sullen hem slaen Dat hi des niet en sal ontgaen. Doe dit vernam Artur, die koninck, Dadi den raet na dese dinck, Dat hi seker was na den dach, 10490 Want hi verraetnesse ontsach. Dus dageden si viertienacht in die stede, Dat deen den ander niet en dede. Daerna niet lang so geviel dat, Dat Merlijn quam in die stat, 10495 Ende toenden vor die liede gehende Ombedat hi woude dat menne kende; Doe begonste lopen die maer Dat Merlijn in die stat waer; Alse dit die grote heren vernamen, 10500 Ontboden sine doen al te samen Dat hi se quame spreken nu. Hi dadet blidelike, zeggic iu, Ende alsen die baroene sagen komen, Hieten sine alle wellekomen 10505 Met groter feesten, ende lietene daer In een groet palaes daer naer Ende een scone ende herde diere Buten der stat op een riviere, An enen anger, als ic dat las, 10510 Die wonderlike scone was. Boven in den palaes, ten venstren wt, Mochte men sien gras ende cruet Ende foreeste ende bome mede, Die ombe Caredol stonden ter stede. 10515 Doen si quamen in die sale Setten si Merline daer in tale, Ende vrageden, hoe hem behageden die dinck Van horen nyen koninck, Dien die eertsbiscop entie goede 10520 Gemaket hebben met gemenen moede. Merlijn antworde den heren saen, Ende seide hem si hadden recht gedaen. “Hoe?” zeiden si, “wat est, dat gy Hieraf nu segget?” spraken si, 10525 En zijn hier nu niet edele baroene Die bet waren van desen doene Dan dese knecht, dien men niet weet, Wanen hi es ofte hoe gedweet”? Merlijn zeide doe: “gy segget waer, 10530 Dat weet luttel ieman openbaer, Wie hi es, nochtan daerby Dat hier nieman so edel en sy Noch so hoge, sijt seker des, Noch bet waert dat hi koninck es, 10535 Noch so grote eer tontfane heeft Als hem Onse Heer hier nu geeft; Ende ick wille wel, dat gy wetet des, Dat hi Antors sone niet en es Noch Keyen broeder, op mijn lijf, 10540 Maer hilten op ende sijn wijf”. “Hoe, Merlijn, wat segdy nu?” Seiden die baroene, “wy geloefden iu Te voren bet dan wy nu doen”. 116 Merlijn zeide: “gy heren, gy baroen, 10545 Ontbiet den iongen koninck nu, Ende geeftem vrede te komene tot iu, Ende Ulfijn ende Antor ter stede, Die den koninck opvoede, mede, Van clenen kinde, dat verstaet; 10550 Gy sult wel horen an haren raet Hoe hy tot hem gekomen es”. Doe zeiden die baroene nades: “Wy willen doen van deser dinck Iuwen raet; nu doet den koninck 10555 Ende Ulfijn ende Antor komen”. Dus hevet men hiertoe genomen Bretelle, die die boetscap dede; Merlijn beval, dat hi brachte mede Den eertsebiscop van Logres; 10560 Dus dade die boetscap Bretles. Nu es Bretel van daer gesceden Ende quam daer Artur was ter steden Met sinen vrienden, ende na den doene Seide Bretel datten die baroene 10565 Ontboden ende Autor, heet sijn vader, Metten eertsbiscope te gader, Men gave hem geleide ende genaden; Si zeiden datzi dat gerne daden. Doe ginck Bretel tUlfinewaert 10570 Ende zeide dat hi quam ter vaert, Merlijn ontboden entie baroene, Si hadden sines nu te doene. Doe Ulfijn hoerde dat Merlijn was daer, Was hi blide omdat daernaer 10575 Merlijn van Artur sal doen verstaen, Hoe sine dinge sijn vergaen, Den Heren, ende hem ontdecken sal. Ulfijn entie ander heren al, Antor, die biscop, entie koninck 10580 Gingen met Bretele, na die dinck, Daer si die baroene vonden, In den palase te dien stonden, Merline met hem haddensi daer nu; Des waren die ander blide, seggic iu, 10585 Ende Ulfijn dade hem grote feeste daer Entie koninck Artur, wet vorwaer, Was gewapent onder sijn cleet, Met enen korten halsberch, God weet. Doe si vor die baroene quamen, 10590 Vondensi daer vele liede te samen Ombe te hoerne van den dinge, Wat Merlijn soude seggen van den koninge. Ende omdat die koninck consacreert was, Stondensi tegen hem op dor das, 10595 Ende oec ombe des biscops wille Anders haddensi geseten stille. Si gingen weder sitten daernaer, Maer die biscop bleef staende daer, Ende zeide: “gy heren, om Gode onsen Heer, 10600 Ontfermet iu Kerstenheit des nu meer, Datsi niet by u en blive verloren Overmids iu werringe ende iuwen toren, Want dat waer ons allen scande, Waerment vername in enegen lande; 10605 Want elck en es maer een man Van ons allen, ende daeran So es die rike man doet also saen Als die arme, sonder waen”. Doen hem die biscop dit leide te voren, 10610 Zeiden die heren, si wilden horen Merlijns tale ende sine woert, Ende dan so predicke hi vaste voert, “Want Merlijn hevet ons nu bysonder Geseght een dat meeste wonder, 10615 Dat ons oit quam te voren”. Die biscop zeide: “dat wil ick horen”. Doe ging die eertsebiscop sitten daer, Ende Merlijn stont op daernaer, Ende zeide: “gy heren, ick heb nu na des 10620 Gelovet te seggene, wie Artur es, Want gy segget, dat ghy des niet en kint Ende wie hi es, en wety niet een twint; Ick segget iu, dat Artur, die koninck, Entie hier sit iu desen rinck, 10625 Entie die krone ontfinck vor das, Des koninges Uter-Pandragoens sone was, Ende wan hem an Ygernen mede Des nachtes, doen ter selver stede Die hertoge des morgens wart verslegen; 10630 Ende desselven morgens quam daertegen Uter-Pandragoen onder sine genoet, Doe was die hertoge geslagen doet, Ende doe zeide ic ten koninge saen: 117 Here, ick hebbe iu nu gedaen 10635 Enen sconen dienst, God weet, Nu wil ick dat gy my gevet gereet Dat kint, dat nu draget Ygerne. Die koninck zeide: ick gevet iu gerne, Ende wilkoerde ende swoer my daer, 10640 Welcke tijt dat geboren worde daernaer, Dat hi des sine macht doen soude; Hi gaf mi des letteren also houde Ende hinck daer sinen zegel an, Ende Ulfijn, die was sijn radesman, 10645 Hevet noch dese letteren, ende hi Swoer metten koninge dit oeck my Thoudene vaste; ende daernaer, Doen Ygerne ginck met kinde swaer, Entie koninck sint se kroende mede, 10650 Gevil sint te meneger stede, Dat die koninck seide tot haer Dat dat kint zijn niet en waer Noch des hertogen, zeidi, dat wet, Ende dade haer grote scaemte daer met; 10655 Nochtan seide si hem al die waerheit das, Welke tijt dat kint gewonnen was Ende op welke nacht oec mede, Maer si en wiste niet wel gerede Wie dat wan. Doe wiste hi wel 10660 Dattet zijns was ende niemans el, Ende daerna haddi se lief seer, Ende dade haer waerdecheit ende eer; Maer hi seide: Vrouwe, sint Dat mijn niet en es dat kint, 10665 Sone wert recht no redene nu Dattet waer geervet, seggic iu, Hier in dat lant, cleen no groet, Dat hi blive koninck na mijner doet; Daerom, zeide die koninck, so bid ick iu, 10670 Also lief als gy hebt te houden nu Myne vrientscap, ick segge iu te voren: Also vro als dat kint es geboren, So gevet dat den iersten man, Die in die sale komen dan 10675 Ende tkint daer heeschen sal. Die Vrouwe seide: hier af sal ick al Doen, Here, dat gy viseert Sedermeer dat gy des begeert. Ende terselver tijt doen dat kint was 10680 Des avendes geboren, zijt seker das, So was my dat kint gelevert voertan; Doe brachtic dat desen goeden man, Antor, die hier staet by iu, Ende bat, dat hijt dade sogen nu 10685 Sinen wive, ende voedsteren met, Die onlanges was bleven, dat wet, Van enen kinde, dat Keye hiet. Antor dadet ende liet des niet, Ende dade Keyen, sines selves kint, 10690 Enen anderen wive sogen sint; Want Uter-Pandragoen hadden gebeden, Eer ick dat kint hier bracht ter steden, Dat hi daer mede doen soude Al dat ick hiete ende dat ick woude; 10695 Ende Antor dade dat ick woude doe, Ende dadet kint kerstenen doen alsoe, Ende dadet Artur aldaer heten; Ende God en wil des niet vergeten Der goeder werke van moeder van vader, 10700 Hi en geve loen alle gader Horen ore ende horen zade met Dat van hem quam; ende oeck wet Dat God zende den steen endet swaert Ombe te proevene wie dat des waert 10705 Waer, dat hi koninck bleve doe; Ende daer gy allen zaget toe, Toende daer God wel openbaer, Dat hi des koninckrikes waerdich waer, Ende zijt des zeker, dat ick iu 10710 Een woert niet en hebbe gelogen nu, Ende des vraget Ulfijn ende Antor mede, Die Artur ophilt nu ter stede; Want zi weten wael, es dat waer”. Doe vrageden des die heren daer 10715 Of dat also waer, als Merlijn secht? Zi zeiden: “hi secht die waerheit recht, Allegader van inde toerde, Ende niet gelogen van enen woerde”. Doe togede Ulfijn die letteren daer, 10720 Ende zeide: “gy Heren, siet alle hiernaer; Dat zijn die letteren, zijt seker daeraf, Die Uter-Pandragoen Merline gaf”. Doe nam die letteren ter hant nadas 118 Die eertsebiscop, die blide was, 10725 Dat hi dese dinge hadde gehoert, Ende las doe die letteren voert, Daert al die heren hoerden saen, So dat sise wel mochten verstaen; Ende also alset Merlijn gesecht had eer 10730 Vant men daerinne min no meer. Als dat gemene volc dit hoerde, Entie clergie, dese woerde Den eertsebiscop aldus lesen, Hem ontfermede sere van desen, 10735 Ende vloeckten alle die den koninck Letten souden van enegen dinck Of tegen waren in eneger stat. Doe die baroene hoerden dat, Dat die gemeente entie clergie 10740 Van den lande trocken an Arturs pertye, Doe seidensi daer en gelage niet an, Dat waer truwancie van hem dan, “Ende nembermeer moet God gejonnen Die niet te rechte [en] was gewonnen 10745 Dat hi Here zij over ons voert”; Si zeiden daertoe vele dorper woert, Die ick niet [en] wil vertellen nu, Ende zeiden, dat zeggic iu, Dat nembermeer negeen bastart 10750 Over hem nu koninck wart Noch over hem oec sal regnieren, Ende zi en wilden in gener manieren, Dat hi koninck waer, zijt zeker des, Over dat rike van Logres, 10755 Dat so hoge es ende so goet. Doe die eertsebiscop dat verstoet, Zeidi: “wie sal koninck wesen dan Dese koninck, dieselve man, Dien God daertoe heeft vercoren 10760 Vor alle die hier zijn te voren? Ende ondanck moety des hebben dan, God die salne houden voertan In dat koninckrijke, daer Hine heeft In geset, ende nieman die leeft, 10765 En salne, tegen den Godeswille, Verdriven mogen, lude no stille”. Doe die baroene dit vernamen Dat die gemeente entie clergie te samen Vielen tegen hem aldaer, 10770 Doe zeidensi hem alle al daernaer, Ende zeiden: “hoede hem wie dat wille, Si en geleden niet, lude no stille, Dat Artur koninck over hen waer, Ende ontseiden hem alle daernaer 10775 Entie in siner hulpe sijn met. Doe gingen die heren alle, dat wet, In hoer herberge hem wapenen daer; Entie koninck Artur ginck daernaer Weder op sinen torre saen, 10780 Ende dade oec ten wapenen vaen Hem alle, die hi verkrigen kan, Ende dier was seven dusent man Onder clerke ende gemene liede, Ende ridder, dien hi hadde miede 10785 Gegeven, orse, perde, ende gelt, Die arm waren was daer getelt Drie hondert ende veertich, die zwoeren bloet Hem te helpene al toter doet. Doen dese alle vergadert waren 10790 Gingen si opten torre daernare, Toten cantelen ter weer der stede. Die koninck sette tgemene volck mede Een deel vor der poerten daer, Die te hoedene; die ander daernaer 10795 Sette hi ten cantelen nu Ombe te wachtene, seggic iu; Aldus haddese die koninck bewaert Ombe hem thoedene, ende gescaert; Entie baroene oec bander syden 10800 Waren in haer herberge ten tyden Al gewapent met al hore macht, Diese met hem daer hadden gebracht, Ende saten op haer perde nadat, Ende vergaderden in mydden der stat, 10805 Elck onder sine baniere met gewelt; Daer waren drie dusent ridders getelt. Ende alsi alle vergadert weren Wouden si ten torrewaert keren; Sulke zeiden, men souder asselgieren 10810 Den torre sonder enich vieren; Ende sulck was daer die oec zeide 119 Dat men dat palas enten torre beleide, Ende mense verhongerde binnen den torre Wantsi en zullen wttrecken dorren. 10815 Met dat zi hilden dit parlement, Quam Merlijn onder hen ontrent, Ende zeide: “gy Heren, ziet wat gy doet! Sekerlyk ick make iu des vroet, Setty iu tegen den koninck nu, 10820 Gy zult daeran verliesen, seggic iu, Vele meer dan gy zult winnen; Want God, Onse Heer, doe ic iu bekinnen, Sal dat an iu so wreken, dat wet, Dat gy ontgoedet werdet daer met 10825 Ende gescant; want gy nu ter ure Iu settet tegen onses Heren kure, Ende daer gy oec alle zaget toe”. “Deus, God!” zeiden die baroene doe, “Wat ons dese gokeler doet verstaen!” 10830 Si makeden met hem haer spotten saen. Doe Merlijn sach datsi daer Hem bescimpeden, keerde hy daernaer Tot Artur, ende zeide: “Heer koninck, En zorget nu niet om negene dinck, 10835 Al hebben zi van lieden grote cracht, Ick sal nu doen in deser nacht, Dat die alrebehagelste die hier es Soude willen zijn, zijt zeker des, Al bloet ende naket in sijn lant 10840 In hemede ende in broeck, sij iu bekant; So groten anxt zullen zi hebben some Eer die nacht ten dage kome”. Doe nam hem die koninck by der hant, Ende leiden by syden al te hant 10845 Daer Antor, Ulfijn, Bretel stonden mede Entie eertsbiscop ende Heer Keye ter stede; Dese waren van des koninges nauwesten rade. Doe sprac die koninck Merlijn an met stade Vor alle dese, ende zeide daer nu: 10850 “Merlijn, lieve vrient, ick hebbe van iu Gehoert zeggen, dat gy waert hier te voren Met mynen vader waert ende seer verkoren Des bid ick iu dor God ende dor rechtes wille Dat gy my willet raden, lude ende stille, 10855 Dat ick my verwere van der onneren, Die my willen doen dese heren; Ende ick bidde iu ombe God daerby, Dat gy zijt nu also getrouwe my, Alse gy hiervoren waert mynen vader; 10860 Ende wetet oec dat ick allegader Doen sal altoes dat gy zult begaren Ende tegen iu negene dinck sal sparen, Ende sint oec dat gy ondersteundet my In mijne kintheit, so zijt gy 10865 Met rechte my sculdech thelpene nu, Als ick koninck ben, dat zeggic iu, Ende lant ende heerscap berechten sal, Want dit es by Gode ende by iu al Ende by Antor ende by nieman el, 10870 Die my gehouden hevet wel; Ende dor Gode laet iu ontfermen nu Des koninckrikes, des bid ick iu, Entes gemenen volcx oec mede, Want si werden gedestrueert ter stede 10875 Ende verloren, God en helpe hen Ende gy, des ick wel seker ben”. Doe sprac Merlijn: “Here, heer koninck! En hebt negeen anxt om dese dinck, Si en zullen niet mogen scaden iu; 10880 Ic segget iu wat gy zult doen nu Altehant als gy quite zijt Der baroene, die iu nu ter tijt Sullen vermoyen hier ten stonden, Dat es waer, die ridders van der Tafelronden, 10885 Die gemaket was ende gefundeert By uwes vaders tyden ende geordineert, Daer God die ziele af moet hebben nu, Die zijn in haer lant, dat zeggic iu Om die grote ontrouwe, die si zagen 10890 In dit koninckrike van dage te dagen; Want sint dat iu vader kranck was, So dade men ie sint na das In den lande anders niet dan quaet; Des rumedensi dat lant, dat verstaet. 10895 Maer dat moeste wesen alsoe, Want God, Onse Here, woudet doe, Ende wet wel, dat si nu te Carmelike 120 Zijn in dat koninckrike Met Leodegans, den koninck vry, 10900 Die out ende kranck es daerby Want sijn wijf es doet nu; Oec hevet hi ene dochter, seggic iu, Ende niet meer kinder heeft haer vader, Dier dat koninckrike blijft allegader; 10905 Ende hi heeft groet lant te sinen doene Onder hem ende den koninck Rioene, Die koninck van den Giganten es Ende van der herden lande daer ombe des; Nieman en dar daer wandelen niet 10910 Van den wonder dat daer gesciet. Die koninck Rioen, dat zeggic iu, Hi es machtech ende sere ontsien nu, Ende heeft verworven nu ter stede Twintich gekroende koninge mede, 1091 Ende hevet hem te scande gedaen, Die baerde af doen villen saen, Ende heeftse in enen mantel gewracht Ende doetse houden op enen scacht Vor hem tot allen feesten met, 10920 Als hi hof hout, daer hi et, Dat alle diegene, die te dien Hove komen, die baerde zien; Ende hi sweert, dat hi winnen zal Dertich koninge, die hi al 10925 Haer baerde af zal sniden, eer, Dat hi ophout emmer meer, Ende an den mantel hangen dan; Ende hi orloget den koninck Leodegan Nu ter tijt van Carmelike; 10930 Ende zijn lant komet an iu rike, Ende verlieset Leodegan zijn lant, So verliesdyt iuwe te hant; Ende hi haddet lange nu ten stonden Verloren, en daden die van der Tafelronden; 10935 Want si houden alle die lande Stoutelike tegen die viande; Want die koninck es sere out, Des radic iu, dat gy met gewout Daer vaert dienen ene tijt; 10940 Hi sal iu geven, des seker sijt, Sine dochter tenen wive, Die die scoenste es van live Die nu levet ende daer oec al Dat koninckrike op bliven sal; 10945 En ontsiet iu van uwen lande niet, Dat en sal hebben negeen verdriet, Want elck van desen baroenen nu, Die iu orlogen, zeggic iu, Sal genoech te doene hebben, zij iu becant, 10950 Ombe te bescermene hoers selves lant, Dat hem niet [en] lusten sal dan, Torlogene met anderen man; Ende zi zullen uwen lande luttel goet Mesdoen nu meer, zijt des vroet, 10955 Dat en waer also of zi daerdor lyden; Ende wetet wel, datsi ten tyden En zullen hebben macht negene Te winnen nochte beliggene gemene Noch oec casteel noch oec stat; 10960 Maer eer gy enwech vaert, zeggic iu dat, So zuldy iu stede besetten thant Ende iu borge ende iu lant Herde wel met goeden lieden; Ende met getrouwen mesnieden 10965 Ende met selscutters, entie borge al Wael doen spisen, ende daerna sal Die eersebiscop Brixes In alle kerken doen nades Gebannen ende verwaten al 10970 Die op dit lant iet doen sal, Opten koninck ende op sine man; Ende hi sal noch huden doen den ban Selve, daert al die barone Toehoeren, ende gebieden nae tgone 10975 Al sinen papen datsi doen desgelike; Gy sult noch tavent zien zekerlike, Dat die coenste, die nu hier es, Sal sijn in anxste, zijt zeker des; Gy zult my vinden altoes gereet, 10980 Als gy des te doene hebbet, God weet; Ende als die baroene vor desen torre Zijn gelogiert, dan zijt hiervore, Als gy my roepen hoert ende creyieren Dan vaert wt met uwer banieren, 10985 Ende ridet op hem met groter vaert; Zi zullen werden so sere vervaert, Ende tebarentiert, datzi clene 121 Weer en sellen doen of negene; Want zi sellen daer alle vlien”. 10990 Die koninck zeide Merlyne mettien: “Dit es wel gesecht, by Onsen Heer, God lone iu des rades herde seer, Ick sal doen al dat gy wilt nu”, Dus ende die raet, dat seggic iu; 10995 Nu sal ick swigen van desen Ende van den ertsbiscope lesen. |
Van een hof die koning Arthur hield te Caredol waarbij koningen, hertogen en vorsten kwamen. God, die alle dingen kan 10410 En Zijn moeder, daar Hij in lag, Ze moeten mij, in dit begin, Geven wijsheid en geest Te volmaken deze zaken, Daar Jacob van Maarlant eerst dat maakte 10415 Van begon, en liet zijn ding Daar Arthur de koningskroon ontving, Zoals dat in Merlijn beschreven is. Nu wil heer Lodewyck, zij het zeker dit, Van Velthem dit voort uitgeven 10420 Naar dat het in het Waals is beschreven; (1260-1317) Want nu eerst gaat aan dit ding Van Merlijn en van de koning, Hoe dat Arthur begon te regeren Alles van Merlijns leren. 10425 Toen Arthur de kroon had ontvangen En gewijd was, daarna gelijk Te half augustus, zo hield hij hof Te Caredol, daar men af Zeggen mag grote dingen. 10430 Daar kwam Loth de koning, Die het land van Leonois hield geheel En van Orkney een deel, Met vijfhonderd ridders van prijs; De koning Oriens, naar zijn wijs, 10435 Kwam met vierhonderd ridders daar Die het land van Gorre hield voorwaar Voor een deel, we lezen het aldus, En het andere hield koning Bandegarius Die Melogans vader was. 10440 Koning Ventres kwam nadat, Die van Garlott was heer, Zevenhonderd ridders bracht hij in het geweer; Deze had Arthurs zuster tot wijf. Daar kwam ook met dappere lijven 10445 Carados Britas die koning was Van Strathmore zoals ik dat las, Was hij gezel van de tafelronden; Zeshonderd ridders bracht hij ten stonden. Dan kwam de koning Anguisant, 10450 Die heer was van Schotland, Vierhonderd ridders bracht hij hier. Daar kwam de koning Ydier Van Cornwall, en bracht daar Vierhonderd ridders jong in het openbaar; 10455 En toen ze alle vergaderd waren Ontving Arthur ze wel met eren, Gelijk dat een kind doen zou 115 Dat nog was van kleine oudheid. Hij gaf hen giften klein en groot 10460 Gelijk betaamde elke genodigde; En toen de grote heren vernamen De gaven en de kleinoden tezamen, Die hen Arthur de koning gaf, Hechtten ze er weinig waarde daar van, 10465 En zeiden, ze waren erg zot Zou zo’n knecht hebben te gebieden Over hen en regeren daarnaar, Die van zo’n lage geboorte waar; “En dat hij ook koning en heer zijn zal 10470 Over het land van Londen geheel, Dit kan niet lang duren”; En ontzegden de gaven ter uren, En ontboden hem, dat ze nimmermeer Voor koning hielden nog voor heer, 10475 En dat hen geen ding is zo leed Dan dat ze hem wijden lieten, God weet, En dat ze hem manschap hadden gedaan, En dat hij wel verstond, zonder waan, Dat ze tot hun hof niet komen 10480 Om hem eer te doen nog baat, Maar om hem oneer te doen en ontzetten mee En uit het land te jagen, dat weet; En dat hij dat ook ruimt de plaats En nimmermeer daarin komt mede; 10485 En ruimt hij dus niet, ze zullen hem verslaan Dat hij het dus niet zal ontgaan. Toen dit vernam Arthur, de koning, Deed hij beraad na dit ding, Dat hij zeker was na de dag, 10490 Want hij verraad ontzag. Dus verbleven ze veertien nachten in die plaats, Dat de een de ander niets deed. Daarna niet lang daarna zo gebeurde dat, Dat Merlijn kwam in die stad, 10495 En zich vertoonden voor de lieden te gaan Omdat hij wilde dat men hem kende; Toen begon te lopen dat bericht Dat Merlijn in die stad was; Toen dit de grote heren vernamen, 10500 Ontboden ze toen al tezamen Dat hij ze kwam te spreken nu. Hij deed het blij, zeg ik u, En toen de baronnen hem zagen komen, Zeiden ze hem alle welkom 10505 Met grote feesten, en lieten hem daar In een groot paleis daarnaar En een mooie en erg dure Buiten de plaats op een rivier, Aan een weide, zoals ik dat las, 10510 Die wonderlijk mooi was. Boven in het paleis, ten venster uit, Mocht men zien gras en kruid En bos en bomen mede, Die om Caredol stonden ter stede. 10515 Toen ze kwamen in die zaal Zetten ze Merlijn daarin met taal, En vroegen, hoe het hem behaagde dat ding Van hun nieuw koning, Die de aartsbisschop en de goede 10520 Gemaakt hebben met algemene moed. Merlijn antwoordde de heren gelijk, En zei hen ze hadden recht gedaan. “Hoe?” zeiden ze, “wat is het, dat gij Hiervan nu zegt?” spraken zij, 10525 Er zijn hier nu niet edele baronnen Die beter waren van deze doen Dan deze knecht, die men niet kent, Weten hoe hij is of hoe gedaan”? Merlijn zei toen: “ge zegt het waar, 10530 Dat weet weinig iemand openbaar, Wie hij is, nochtans daarbij Dat hier niemand zo edel zij Nog zo hoog, wees zeker van dit, Nog beter is dat hij koning is, 10535 Nog zo’n grote eer te ontvangen heeft Zoals Onze Heer hem hier nu geeft; En ik wil wel, dat ge weet dit, Dat hij Antors zoon niet is Noch Keye s broer, op mijn lijf, 10540 Maar hield hem en zijn wijf”. “Hoe, Merlijn, wat zegt ge nu?” Zeiden de baronnen, “we geloven u Te voren beter dan we nu doen”. 116 Merlijn zei: “gij heren, gij baronnen, 10545 Ontbiedt de jonge koning nu, En geef hem vrede te komen tot u, En Ulfijn en Antor ter stede, Die de koning opvoedde, mede, Van klein kind, dat verstaat; 10550 Ge zal wel horen van hun raad Hoe hij tot hen gekomen is”. Toen zeiden de baronnen na dit: “We willen doen van dit ding Uw raad; nu laat de koning 10555 En Ulfijn en Antor komen”. Dus heeft men hiertoe genomen Bretel, die de boodschap deed; Merlijn beval, dat hij bracht mede De aartsbisschop van Londen; 10560 Dus deed de boodschap Bretel. Nu is Bretel vandaar gescheiden En kwam daar Arthur was ter steden Met zijn vrienden, en na dit doen Zei Bretel dat hem de baronnen 10565 Ontboden en Antor, zo heet zijn vader, Met de aartsbisschop tezamen, Men gaf hem geleide en genaden; Ze zeiden dat ze dat graag deden. Toen ging Bretel tot Ulfijn waart 10570 En zei dat hij kwam ter vaart, Merlijn ontboden en de baronnen, Ze hadden hem nu nodig. Toen Ulfijn hoorde dat Merlijn was daar, Was hij blij omdat daarnaar 10575 Merlijn van Arthur zal laten verstaan, Hoe zijn dingen zijn vergaan, De heren, en hen bekendmaken zal. Ulfijn en de andere heren al, Antor, de bisschop en de koning 10580 Gingen met Bretel, na dat ding, Daar ze de baronnen vonden, In het paleis te die stonden, Merlijn met hem hadden ze daar nu; Dus waren de anderen blij, zeg ik u, 10585 En Ulfijn deed hen groot feest daar En koning Arthur, weet voor waar, Was gewapend onder zijn kleed, Met een korte harnas, God weet. Toen ze voor de baronnen kwamen, 10590 Vonden ze daar veel lieden tezamen Om te horen van de dingen, Wat Merlijn zou zeggen van de koning. En omdat de koning gewijd was, Stonden ze voor hem op door dat, 10595 En ook vanwege de bisschops wil Anders hadden ze gezeten stil. Ze gingen weer zitten daarnaar, Maar de bisschop bleef staan daar, En zei: “gij heren, om God onze Heer, 10600 Ontfermt uw christenheid dus nu meer, Zodat ze niet bij u blijven verloren Vanwege uw verwarring en uw toorn, Want dat was voor ons allen schande, Waar men het vernam in enige landen; 10605 Want elk is maar een man Van ons allen, en daaraan Zo is de rijke man dood alzo gelijk Zoals de arme, zonder waan”. Toen hen de bisschop dit legde tevoren, 10610 Zeiden de heren, ze wilden horen Merlijns taal en zijn woord, En dan zo predikt hij vast voort, “Want Merlijn heeft ons nu bijzonder Gezegd dat grootste wonder, 10615 Dat ons ooit kwam te voren”. Die bisschop zei: “dat wil ik horen”. Toen ging de aartsbisschop zitten daar, En Merlijn stond op daarnaar, En zei: “gij heren, ik heb nu na dit 10620 Beloofd te zeggen wie Arthur is, Want ge zegt, dat ge dus niet kent En wie hij is, en weet ge niets; Ik zeg het u, dat Arthur, de koning, En die hier zit bij u in deze ring, 10625 En die de kroon ontving voor dat, Koning Uitr-Pandragoens zoon was, En won hem van Ygerne mede ‘s Nachts, toen in dezelfde plaats De hertog ‘s morgens werd verslagen; 10630 En dezelfde morgen kwam daartegen Uitr-Pandragoen onder zijn verwanten, Toen was de hertog geslagen dood, En toen zei ik tot de koning gelijk: 117 Heer, ik heb u nu gedaan 10635 Een mooie dienst, God weet, Nu wil ik dat ge me geeft gereed Dat kind dat nu draagt Ygerne. De koning zei: ik geef het u graag, En wilde ook en bezwoer het me daar, 10640 Welke tijd dat het geboren worden zou daarna, Dat hij dus zijn macht doen zou; Hij gaf me deze brieven alzo te houden En hing daar zijn zegel aan, En Ulfijn, die was zijn raadsman, 10645 Heeft nog deze brieven, en hij Zwoer met de koning dit ook mij Te houden vast; en daarnaar, Toen Ygerne ging met kind zwaar, En de koning sinds ze was gekroond mede, 10650 Gebeurde sinds in menige stede, Dat de koning zei tot haar Dat dit kind de zijne niet waar Nog van de hertog, zei hij, dat weet, En deed haar grote schaamte daarmee; 10655 Nochtans zei ze hem de hele waarheid dat, Welke tijd dat het kind gewonnen was En op welke nacht ook mede, Maar ze wist niet goed gereed Wie dat won. Toen wist hij wel 10660 Dat het zijne was en van niemand anders, En daarna had hij haar lief zeer, En deed haar waardigheid en eer; Maar hij zei: Vrouw, sinds Dat het de mijne niet is dat kind, 10665 Zo wordt het recht of reden nu Dat het erft, zeg ik u, Hier in dat land, klein of groot, Dat hij blijft koning na mijn dood; Daarom, zei die koning, zo bid ik u, 10670 Alzo lief als ge hebt te houden nu Mijn vriendschap, ik zeg u te voren: Alzo vroeg als dat kind is geboren, Zo geef het dat aan de eerste man, Die in de zaal komt dan 10675 En het kind daar eisen zal. De vrouw zei: hiervan zal ik alles Doen, heer, dat ge versiert Sinds meer dat ge dus begeert. En terzelfder tijd toen dat kind was 10680 s’Avonds geboren, zij het zeker dat, Zo werd me dat kind geleverd voortaan; Toen bracht ik dat bij deze goede man, Antor, die hier staat bij u, En bad, dat hij het liet zogen nu 10685 Zijn vrouw, en voedster mee, Die net was gebleven, dat weet, Van een kind, dat Keye heet. Antor deed het en liet het niet, En deed Keye, zijn eigen kind, 10690 Een andere vrouw zogen sinds; Want Uitr-Pandragoen had hem gebeden, Eer ik dat kind hier gebracht ter steden, Dat hij daarmee doen zou Alles dat ik zei en dat ik wilde; 10695 En Antor deed dat ik wilde doen, En liet het kind christelijk doen alzo, En liet het Arthur aldaar heten; En God wil dus niet vergeten De goede werken van moeder van vader, 10700 Hij geeft loon alle tezamen Hun oren en hun zaad mee Dat van hen kwam; en ook weet Dat God zond de steen en het zwaard Om te beproeven wie dat is waard 10705 Was, dat hij koning bleef toen; En daar ge allen zag toe, Toonde daar God wel openbaar, Dat hij dit koningrijk waardig was, En wees dus zeker, dat ik u 10710 Een woord niet heb gelogen nu, Dus vraag het Ulfijn en Antor mede, Die Arthur behield nu ter stede; Want ze weten het wel, dat het is waar”. Toen vroegen dus de heren daar 10715 Of dat alzo was, zoals Merlijn zei? Ze zeiden: “hij zegt de waarheid recht, Alles tot het eind van de woorden, En niet gelogen een woord”. Toen getuigde Ulfijn die brieven daar, 10720 En zei: “gij heren, ziet alle hiernaar; Dat zijn de brieven, zij het zeker daarvan, Die Uitr-Pandragoen Merlijn gaf”. Toen nam de brieven ter hand nadat 118 De aartsbisschop, die blijde was, 10725 Dat hij deze dingen had gehoord, En las toen de brieven voor, Daar al die heren het hoorden gelijk, Zodat ze het wel konden verstaan; En zoals Merlijn gezegd had eer 10730 Vond men het daarin min of meer. Toen het gewone volk dit hoorde, En de geestelijkheid, deze woorden De aartsbisschop aldus lezen, Ontfermde ze zich zeer van deze, 10735 En vervloekten alle die de koning Beletten zouden van enig ding Of tegen waren in enige plaats. Toen de baronnen hoorden dat, Dat de gemeente en de geestelijkheid 10740 Van het land trokken aan Arthurs partij, Toen zeiden ze daar lag het niet aan, Dat was boefachtig van hen dan, “En nimmermeer moet God gunnen Die niet terecht was gewonnen 10745 Dat hij Heer is over ons voort”; Ze zeiden daartoe veel dorpse woorden, Die ik niet wil vertellen nu, En zeiden, dat zeg ik u, Dat nimmermeer geen bastaard 10750 Over hen nu koning werd Nog over hen ook zal regeren, En ze wilden op geen manieren, Dat hij koning was, zij het zeker dit, Over dat rijk van Londen, 10755 Dat zo hoog is en zo goed. Toen de aartsbisschop dat verstond, Zei die: “wie zal koning wezen dan Deze koning, diezelfde man, Die God daartoe heeft gekozen 10760 Voor alle die hier zijn tevoren? En ondank moet ge dus hebben dan, God die zal hem houden voortaan In dat koninkrijk, daar Hij hem heeft In gezet, en niemand die leeft, 10765 Zal hem, tegen Gods wil, Verdrijven mogen, luid of stil”. Toen die baronnen dit vernamen Dat de gemeente en de geestelijkheid tezamen Vielen tegen hen aldaar, 10770 Toen zeiden ze alle daarna, En zeiden: “hoedt zich wie dat wil, Ze beleden niet, luid of stil, Dat Arthur koning over hen was, En ontzegden hem alles daarnaar 10775 En die in zijn hulp zijn mee. Toen gingen de heren alle, dat weet, In hun herberg zich wapenen daar; En koning Arthur ging daarnaar Weer op zijn toren gelijk, 10780 En liet ook te wapenen gaan Hen alle, die hij krijgen kan, En daar was zeven duizend man Onder klerken en gewone lieden, En ridders, die hij had loon 10785 Gegeven, strijdpaarden, paarden en geld. De arm waren waren was daar geteld Drie honderd en veertig, die zwoeren bloot Hem te helpen al tot de dood. Toen deze alle verzameld waren 10790 Gingen ze op de toren daarna, Tot de kantelen teweer de stede. De koning zette het gewone volk mede Een deel voor de poorten daar, Die te behoeden; de andere daarna 10795 Zette hij op de kantelen nu Om te bewaken, zeg ik u; Aldus had de koning bewaard Om hem te behoeden, en geschaard; En de baronnen ook aan de andere zijde 10800 Waren in hun herberg in die tijden Geheel gewapend met al hun macht, Die ze met hen daar hadden gebracht, En zaten op hun paarden nadat, En vergaderden in het midden van de plaats, 10805 Elk onder zijn banier met geweld; Daar waren drie duizend ridders geteld. En toen ze alle verzameld waren Wilden ze naar de toren keren; Sommigen zeiden, men zou aanvallen 10810 De toren zonder enig vuur; En sommigen waren er die daar ook zeiden 119 Dat men dat paleis en de toren met belegerde, Men ze verhongerde binnen de toren Want ze zullen niet uittrekken durven. 10815 Met dat ze hielden dit gesprek, Kwam Merlijn onder hen ontrent, En zei: “gij heren, ziet wat ge doet! Zeker ik maak u dus bekend, Zet u zich tegen de koning nu, 10820 Ge zal daaraan verliezen, zeg ik u, Veel meer dan ge zal winnen; Want God, Onze Heer, laat ik u bekennen, Zal dat aan u zo wreken, dat weet, Dat ge zonder goed wordt daarmee 10825 En met schande; want ge nu ter ure U verzet tegen onze Heer keur, En daar ge ook alle zag toe”. “Deus, God!” zeiden de baronnen toen, “Wat ons deze goochelaar laat verstaan!” 10830 Ze maakten met hem hun spot gelijk. Toen Merlijn zag dat ze daar Hem beschimpten, keerde hij daarnaar Tot Arthur, en zei: “Heer koning, Bezorg u nu niet om enig ding, 10835 Al hebben ze van lieden grote kracht, Ik zal nu doen in deze nacht, Dat de allerbehaaglijkste die hier is Zou willen zijn, zij het zeker dit, Geheel bloot en naakt in zijn land 10840 In hemd en in broek, zij u bekend; Zo’n grote angst zullen hebben sommige Eer de nacht ten dag komt”. Toen nam de koning hem bij de hand, En leidden hem terzijde al gelijk 10845 Daar Antor, Ulfijn en Bretel stonden mede En de aartsbisschop en heer Keye ter stede; Deze waren van konings nauwste raad. Toen sprak de koning Merlijn aan met stade Voor al deze, en zei daar nu: 10850 “Merlijn, lieve vriend, ik heb van u Horen zeggen, dat ge was hier tevoren Met mijn vader waard en zeer gekozen Dus bid ik u door God en door recht wil Dat ge me wilt aanraden, luid en stil, 10855 Dat ik me verweer van het oneer, Die me willen doen deze heren; En ik bid u om God daarbij, Dat ge bent nu alzo getrouw aan mij, Zoals ge hiervoor was mijn vader; 10860 En weet ook dat ik alles Doen zal altijd dat ge zult begeren En tegen u geen ding zal sparen, En sinds ook dat ge ondersteunt mij In mijn kindsheid, zo bent gij 10865 Met recht me schuldig te helpen nu, Als ik koning ben, dat zeg ik u, En land en heerschap berechten zal, Want dit is bij God en bij u al En bij Antor en bij niemand anders, 10870 Die me gehouden heeft goed; En door God laat u ontfermen nu Dit koninkrijk, dus bid ik u, En het gewone volk ook mede, Want ze worden vernietigd ter plaatse 10875 En verloren, God helpt hen En gij, dus ik wel zeker ben”. Toen sprak Merlijn: “Heer, heer koning! Heb geen angst om dit ding, Ze zullen niet mogen schaden u; 10880 Ik zeg het u wat ge zal doen nu Gelijk als ge kwijt bent De baronnen, die u nu ter tijd Zullen vermoeien hier te stonden, Dat is waar, de ridders van de tafelronden, 10885 Die gemaakt was en gefundeerd Bij uw vaders tijden geordineerd, Daar God de zielen van moet hebben nu, Die zijn in hun land, dat zeg ik u Vanwege de grote ontrouw, die ze zagen 10890 In dit koninkrijk van dag tot dag; Want sinds dat uw vader zwak was, Zo deed men niet sinds na dat In het land anders niet dan kwaad; Dus ruimden ze dat land, dat verstaat . 10895 Maar dat moest wezen alzo, Want God, Onze Heer, wilde het toen, En weet wel, dat ze nu te Carmelike 120 Zijn in dat koninkrijk Met Leodegans, de koning vrij, 10900 Die oud en zwak is daarbij Want zijn vrouw is dood nu; Ook heeft hij een dochter, zeg ik u, En niet meer kinderen heeft haar vader, Die dat koninkrijk krijgt helemaal; 10905 En hij heeft groot land tot zijn doen Onder hem en koning Rioen, Die koning van de giganten is En van het herders landen daarom is; Niemand durft daar te wandelen niet 10910 Van het wonder dat daar geschiedt. Koning Rioen, dat zeg ik u, Hij is machtig en zeer ontzien nu, En heeft verworven nu ter stede Twintig gekroonde koningen mede, 10915 En heeft hen de schande aangedaan, De baard af laten villen gelijk, En heeft ze in een mantel gewrocht En laat ze houden op een schacht Voor hem tot alle feesten mee, 10920 Als hij hof houdt, daar hij eet, Dat al diegene, die tot dat Hof komen, de baarden zien; En hij zweert, dat hij overwinnen zal Dertig koningen, die hij alle 10925 Hun baarden af zal snijden, eer, Dat hij ophoudt immer meer, En aan de mantel hangt dan; En hij beoorloogt koning Leodegan Nu ter tijd van Carmelike; 10930 En zijn land komt aan uw rijk, En verliest Leodegan zijn land, Dan verlies jij het jouwe gelijk; En hij had lang nu ten stonden Verloren, deden niet die van de tafelronden; 10935 Want ze houden alle landen Dapper tegen de vijanden; Want de koning is zeer oud, Dus raad ik u, dat ge met geweld Daar vaart te dienen een tijd; 10940 Hij zal u geven, dus zeker bent, Zijn dochter tot vrouw, Die de schoonste is van lijf Die nu leeft en daar ook geheel Dat koninkrijk op blijven zal; 10945 En ontziet u van uw land niet, Dat zal hebben geen verdriet, Want elk van deze baronnen nu, Die u beoorlogen, zeg ik u, Zal genoeg te doen hebben, zij u bekend, 10950 Om te beschermen hun eigen land, Zodat het hen niet lusten zal dan, Te beoorlogen met andere man; En ze zullen uw land weinig goed Misdoen nu meer, wees dus bekend, 10955 Dat tenzij alzo als ze daardoor gaan; En weet wel, dat ze in die tijden Zullen hebben macht nee geen Te winnen nog te belegeren algemeen Nog ook kasteel nog ook stad; 10960 Maar eer ge weg gaat, zeg ik u dat, Zo zal ge uw plaatsen bezetten gelijk En uw burchten en uw land Erg goed met goede lieden; En met getrouwe manschappen 10965 En met schutters, en de burcht geheel Goed laten bevoorraden, en daarna zal Die aartsbisschop Brixes In alle kerken doen na dit Bannen en verwijten alle 10970 Die op dit land iets doen zal, Op de koning en op zijn man; En hij zal nog heden doen de ban Zelf, daar alle baronnen Toehoren, en gebieden naar datgene 10975 Al zijn papen dat ze doen diergelijk; Ge zal noch vanavond zien zekerlijk, Dat de kunst, die nu hier is, Zal zijn in angst, zij het zeker dis; Ge zal me vinden altijd gereed, 10980 Als ge me nodig hebt, God weet; En als de baronnen voor deze toren Zijn gelogeerd, dan ben je hiervoor, Als je me roepen hoort en schreeuwen Vaar dan uit met uw banieren, 10985 En rij op hen met grote vaart; Ze zullen worden zo zeer bang, En ontsteld, zodat ze klein 121 Verweer zullen doen of geen; Want ze zullen daar alle vlieden”. 10990 De koning zei Merlijn meteen: “Dit is goed gezegd, bij Onze Heer, God loont u deze raad erg zeer, Ik zal doen al dat ge wilt nu”, Dus eindigt de raad, dat zeg ik u; 10995 Nu zal ik zwijgen van deze En van de aartsbisschop lezen. |
Hoe Merlijn Arturs viande dede vlien al met siner toverien. Die aventure secht ons na des Van den ertsbiscope Brixes, Dat hi ginck ten cantelen staen; 11000 Ende Artur dade hem wapenen saen, Ende dadese op haer paerde sitten daer, Ende Merlijn dade maken daernaer Artur enen wonderliken drake, Daeran gelach grote sake, 11005 Opt inde van ener glavien, ende al roet Was die drake die daerop stoet, Ende wt sinen monde scoet vlamme ende vier Ende hi hadde enen staert onghier Gewrongen ende lanck ende smal. 11010 Die drake was van silver al, Men konde nier geweten wannen hi quam, Hi was herde licht, als ict vernam, Ende hi setten op enen scacht alsoe; Daer sagen hem te wonder an doe 11015 Alle, die daer waren gestaen. Doe gaf hem die koninck Keyen saen, Sinen drossate, ende in der manieren Bleef hi ie sint van den goffenieren Meester ende here; ende daerna alsoe 11020 Waren bereit Arturs liede doe, Ende alle die op [paerden] wale geseten, Ende ontbeiden der ander als wijt weten. Bander side quamen die baroene Ombe dat palas na dien doene 11025 Te beliggene, ende daden saen Haer tenten daer alombe staen In die prayerie na das, Die scone, groet, ende effen was; Ende doese die biscop sach te samen 11030 Vraechdi ombe wat si daer quamen “Alse gewapent, dat segget my”. Si zeiden: “wy komen hierby Ombe dat wi willen winnen nu Desen torre, dat seggewy iu, 11035 Want wy willen datten negeen man Houde, tenzij by ons lieden dan”. Doe dade die biscop swaerlike Sinen ban ende ontsachlike Ende vermaledyede al degene mede, 11040 Van Godes halven, die ienege lede Den lande, dat Artur hilt, die koninck, Of houden soude na dien dinck Doen wouden of doen souden daer. Doe seiden die baroene daernaer 11045 Si en gaven ombe sinen ban niet, Maer si souden doen verdriet Artur, waer sine konsten belagen Ende oeck wten lande iagen; Ende mochten sine metten handen vaen, 11050 Hi en zoude der doet niet ontgaen”. Doe Merlijn hoerde haer overdade, Die si seiden, wart hi te rade, Dat hi makede ene toverie daer, Daer hi mede dade ontsteken daernaer 11055 Alle die tenten entie paweloene. Doe worden vervaert so die baroene, Ende so gescomfiert al te samen, Dat si niet en wisten hoe si quamen Wt hoeren tenten, ende liepen nederwaert 11060 In die prayerie sere vervaert. Daer wart menech al verbrant. Doe riep Merlijn al te hant: “Ontdoet die poerten ende trecket wt”! Doe wart ginder groet geluet. 11065 Die koninck Artur heeft dit gehoert Ende track haestelike wter poert, Scilt omb hals, helm vor hoet; Ende volgeden hem met groter spoet Sine liede gewapent fierlike, 11070 Ende sloegen iu die ander koenlike, Dat negeen van den anderen was, Hi en wart gesconfiert van das; Want zi en wisten niet, twaren, 122 Dat daer so vele liede inne waren 11075 Metten koninge, die op hen reden Met glavien, met groter stoutheden, Ende doden daer herde vele nu; Want si waren, dat zeggic iu, Van den vier gesconfiert zeer. 11080 Des koninges liede daden iu den heer Datsi wilden, cleen ende groet, Daer bleef menech man doet. Daer proevede men so wael den iongen koninck Dat hem allen wonderde der dinck. 11085 Hi stac daer neder ridder ende paerde; Dat moeste al vallen ter aerde Wat iegen hem quam, te dier uren En konste nieman iegen hem geduren. Des hadden die ander koninge nijt 11090 Ende trocken besiden ter tijt, Ende zeiden datsi alle geonneert waren, Mochte hi hem aldus ontvaren, “Ende wy vrome ridders zijn sonderlinge Gemage ende vriende onderlinge”. 11095 Doe zeide die koninck Ventres: “Ick leveren iu saen, zijt seker des, Doet ofte levendech nu ontrint, Ende waer hi doet, so waer geint Onse orloge ende onse saken, 11100 Ende so mochten wi enen anderen maken”. “Vaert an hem!” zeiden die baroene, “Ende hebdy onser iet te doene, Wy zullen iu te hulpe komen naer”. Doe track die koninck Ventres daer, 11105 Die een starck ridder was ende een groet, Ende wael geleet, als ick verstoet; Hi was ionck ende wael geacht, Ende had in siner hant enen scerpen scacht Ende reet in die scaer ter ure 11110 Vaste na den koninge Arture. Ende alsen die koninck Artur sach, Keerdi op hem so hi ierst mach. Hi hadde enen ongescavenen scacht, Die hem daer te hant was gebracht 11115 Met enen gebruneerden yser voren; Hi sloech sijn paert daer metten sporen, Ende reet iegen hem al dat hi mochte, Dat hem allen groet wonder dochte; Sine man ende sine vrient met 11120 Waren om hem in anxte, dat wet, Want si kenden den koninck Ventres, Dat hi groet ende starck es, Ende baden alle Gode seer, Dat Hine hoeden moeste nu meer. 11125 Daer vergaderden si met sulken nyde, Dat die scilde braken te dien tyde; Entie koninck Ventres brack ter ure Sine glavie opten koninck Arture; Entie koninck Artur stacken so weder 11130 Dor die scouder, dat hi daer neder Storte, ende hi vil onder sijn paert Ende metten benen opwaert, Maer hi en was anders gequetset niet. Ende als die koninck Loth dit siet, 11135 Was hi des erre; want hi was Sijn maech, ende oeck ombe das Si hadden twe gesuster beide; Hi sloech metten sporen daer ter stede Sijn ors, ende reet opten koninck Arture, 11140 Die noch doe daer hilt ter ure, Ende hadde sine glavie in der hant. Doe hi dus sach komen gerant Den koninck Loth, reet hi al sine macht, Als die luttel ontsach sine cracht; 11145 Si vergaderden met crachte ende staken Sodat beide haer spere braken, Ende daer deen den ander soude lyden, Vergaderden si metten helmen ten tyden Ende metten scilden ende metten lichamen 11150 So anxtlike ende so sere te samen, Dat die koninck Loth ter aerden vil daer Ende averecht bleef liggende daernaer; Maer Artur bleef in den gereide, des geloeft, Maer sere was hi bedwelmet int hoeft. 11155 Hier wart die vergaderinge groet In beiden siden, want dat conroet, Dat metten ses koningen komen was, Si pijnden hem doe sere ombe das, Hoe si den koninck Loth ter stede 11160 Bescudden mochten ende Ventres mede; 123 Ende diegene die met Artur waren Pijnden hem oec sere der karen, Datsise behouden mochten ende vaen; Te desen bescudde, sonder waen, 11165 Wart gequetset menech man. Sovele daden die barone nochtan Ende diegene die met hem waren, Datsi se bescudden ende daernare Hermonteerden, heb ick vernomen. 11170 Ende binnen desen was voerkomen Die koninck Artur ende track sijn swaert Ende voer weder te strydewaert, Ende hem allen docht doen das, Dat zijn swaert so clare was 11175 Of daer dertich tortisen ontsteken waren; Ende dit was datselve swaert, twaren, Dat hi wten anebelte trac, Entie letter die daerinne stont, die sprac: “Dit swaert heet Caliburnus”. 11180 Dat es hebreesch ende spreeckt aldus, Ende iu Dietsce oec hetet wael Dat versniden mochte stael Ende yser; dit was waer, Als men proeven sal hiernaer. 11185 Doe Artur hadde getogen dat swaert, Sloech hi enen ridder ter vaert, Daer die strijt ten meesten was, Sine scouder af, datsi nadas Verre van den lichame stoet; 11190 Die slach was so overgroet Dat hi doersneet den ridder beide Ende dat paneel van den gereide Ende den rugge van den paerde, Sodat si beide vielen ter aerde 11195 Overhoop; ende alle die dat zagen, Die tegen hem streden in den dagen Waren gesconfiert ende sere vervaert Van den slage, ende vloen achterwaert. Doe sloech hi voert harentaer 11200 Ende wracht wonder groet daernaer, Ende vellede daer vele ende sloech doet; Si waren alle in anxste groet Ende vloen alle vor hem ginder. Daer en was meerre no minder 11205 Die siner dorste ontbeiden nu; Si makeden hem plaetse, seggic iu; Ende als die ses koninge sagen Dat wonder ende die grote slagen, Dat die koninck Artur ie lanck so meer 11210 Op hem dade, voeren si seer Tongemake ende droegen groten nijt Opten koninck, ende zeiden ter tijt: “Laet ons alle op hem varen Tenen male al sonder sparen, 11215 Ende laeten ons ter aerden werpen nu, Anders en meesterwi des niet, seggic iu”. Doe loefden si dat alle ende namen daer Grote scachte, ende reden daernaer Op hem alle met haren scachten, 11220 Ende staken op hem met krachten, Op sinen scilt aldaer ter stede Ende op sinen halsberch mede; Maer sijn halsberch was so goet, Dat hi haer steken al wederstoet, 11225 Ende Artur was stout in der weer; Maer si liepen op hem daer so seer, Dat sine ter aerden metten orse, Velden met krachte inder porse, Ende si overreden hem daernaer 11230 Ende bleven op hem houden daer Ende sloegen hem herde sere doe. Keye, sijn drossate, quam daertoe Ende Antor ende Ulfijn met snelre vaert, Ende pongierden alle derwaert 11235 Hem te bescuddene, seggic iu, Van den ses koningen, diene nu Daer sloegen; maer Keye quam te hant Ende stack den koninck Anguissant, Die des koninck Arturs neve was, 11240 Ende stacken met siner glavie na das Dor den halsberch in die scouder mede Dat hi ter aerden vil ter stede Van sinen orse al verdovet; Ende Antor stac, des gelovet, 11245 Den koninck Carados op sine borst, Dat dat yser dorginck sonder vorst Over die syde; hi vil neder daernaer Ende bleef in onmacht liggende daer; Ende Ulfijn entie koninck Ventres 11250 Reden met cracht te samen na des, 124 Sodat si beide ter aerden vallen Ende haer orse op hem met allen. Die koninck Ydier ende Bretel Elck brac sijn speer op ander snel, 11255 Entie koninck Loth was gerasteert Opten koninck Artur, die hem weert Ende onder hem opter aerden lach; Daer gaf hem die koninck Loth menegen slach Opten helm achter hovet, 11260 Dat hine sere heeft verdovet; Alse Keye, die drossate, dit gesach, Dat sijn heer daeronder lach, Datten die ander so falgierde, Ick segge iu, dat hi derwaert pongierde 11265 Ende sloech den koninck Loth sonder beiden, Dat hi boech in sijn gereide. Hi sloechen daer so sere na das, Dat hi en wiste waer hi was, Ende hi ter aerden moeste vallen doe. 11270 Daer quamen si in beiden syden toe Elck den sinen te bescuddene daer. Daer wart die strijt groet ende swaer Ende daer bleef doet in beiden siden Menech mensch in dien tyden; 11275 Ende Arturs liede daden so vele daer, Dat sine weder brachten daernaer Op sijn ors, entie ander mede Hermonteerden daer ter stede Haren here, maer eer si dies 11280 Toe konsten komen, was haer verlies Herde groet; want dat gemene volck al Was op hem komen, groet ende smal, Van der stat met cluppelen, met haken Met glavien, met axen, met alrehande saken 11285 Met yseren gaffelen ende met bogen, Ende tgeruchte wart groet daer si togen Ende omberingedense ende sloegense doet, Man ende paert, cleen ende groet, Si en vermeden nieman daer; 11290 Wat hem voren quam vorwaer, Was dat koninck, was dat ridder mede, Si sloegent al doet, daer ter stede, Met haren axen met haren colven daer; Hem en dorste nieman komen naer; 11295 Het dade quaet onder hem komen. Si seggen oec ende hem beromen, Si wilden alle eer bliven doet, Eer si den koninck Artur, cleen no groet, Enege scade lieten doen nu; 11300 Si sloegen so zere, dat seggic iu, Die ses koninge ende haer liede na dien, Dat si doe alle moesten vlien. Dus waren si verscamet seer, Ende zwoeren, datsi nembermeer 1130 Blide en worden noch ander saken Daeraf en begeerden thebbene ter wraken, Dan dat hovet van Artur, seggic iu. Entie koninck Artur was verwermet nu Ende herde erre om dese dinck mede, 11310 Ende reet na hem nu ter stede So verre vor al sijn volc, dat hi Den koninck Ydier verhaelde daerby; Doe hief hi dat zwaert ende meenden dat hovet Daer ter stede nu hebben geclovet, 11315 Maer sijn ors droech hem vorwaert So verre, dat die slach ter vaert Op des koninges Ydier paert quam daer, Ende sloechen den hals af daernaer; Doe viel ter aerden man ende paert. 11320 Doe worden herde sere vervaert Des koninck Ydiers mage aldaer, Ende meenden dat hi gequetset waer, Ende keerden weder te bescuddene daer. Doe wart echt die strijt groet ende swaer 11325 Want sine hadden gaerne bescut nu; Ende Arturs liede, dat zeggic iu, Haddene gaerne gevangen oec mede. Daer namen die ses koninge ter stede Van den lieden scade groet, 11330 Want Artur sloecher vele doet, Ende menech ors met sinen swaerde Dade hi vallen daer ter aerde, Sodat hi al bebloedet was mede, Ende sijn ors ende scilt ter stede 11335 Ende alle sine wapene ontrint gehende, Sodat men daer geen teken an en kende; Maer doch was bescut Ydier, die koninck, 125 Ende hermonteert na dien dinck. Dus reden si enwech al gesconfiert; 11340 Die koninck Artur niet en viert, Hi en volgede na, ende jagedese daer, Maer si ontvloen hem al vorwaer, Entie ses koninge namen scade groet: Sonder die daer bleven doet, 11345 Verloren si al haer harnasch dier, Dat daer verbernde an den vier Sonder dat facelment van goude Ende van silver, dat men gewoude. Die koninck Artur hem track naer 11350 Des daer vele bleef vorwaer. Dus wart geindet die scoffelture; Nu sult gy voert horen ter ure Van Merlijns prophecien ter stede, Ende van den koninck Artur mede. |
Hoe Merlijn Arthurs vijanden alle liet vlieden met zijn toverijen. Het avontuur zegt ons na dit Van de aartsbisschop Brixes, Dat hij ging op de kantelen staan; 11000 En Arthur liet hen wapenen gelijk, En liet ze op hun paarden zitten daar, En Merlijn liet maken daarnaar Arthur een wonderlijke draak, Daaraan lag grote zaak, 11005 Op het einde van een lans, en geheel rood Was de draak die daarop stond, En uit zijn mond schoten vlammen en vuur En hij had een staart onguur Gewrongen en lang en smal. 11010 Die draak was van zilver al, Men kon niet weten waarvan het kwam, Hij was erg licht, zoals ik het vernam, En hij zette het op een schacht alzo; Daar zagen ze hem verwonderd aan toen 11015 Alle, die daar waren gestaan. Toen gaf hem de koning Keye samen, Zijn drost, en op die manieren Bleef hij sinds van de lansdragers Meester en heer; en daarna alzo 11020 Waren bereid Arthurs lieden toen, En alle die op paarden waren gezeten, Wachtten op de anderen zoals wij het weten. Aan de andere zijde kwamen de baronnen Om dat paleis naar dat doen 11025 Te belegeren, en daden gelijk Hun tenten daar omheen staan In de vlakte na dat, Die mooi, groot en effen was; En toen ze de bisschop zag tezamen 11030 Vroeg hij waarom ze daar kwamen “Alzo gewapend, dat zeg mij”. Ze zeiden: “we komen hierbij Omdat we willen overwinnen nu Deze toren, dat zeggen we u, 11035 Want we willen dat geen man Het behoudt, tenzij door onze lieden dan”. Toen deed de bisschop zwaar Zijn ban en ontzaglijk En verdoemde al diegene mede, 11040 Van Gods vanwege, die enige lieden Dat land, dat Arthur hield, de koning, Of houden zou na dit ding Doen wilden of doen zouden daarna. Toen zeiden de baronnen daarnaar 11045 Ze gaven om zijn ban niet, Maar ze zouden doen verdriet Arthur, waar ze hem konden belagen En ook uit het land jagen; En mochten ze hem met de handen vangen, 11050 Hij zou de dood niet ontgaan”. Toen Merlijn hoorde hun overdaad, Die ze zeiden, werd hij te rade, Dat hij maakte een toverij daar, Waarmee hij liet ontsteken daarnaar 11055 Alle tenten en paviljoenen. Toen werden zo bang de baronnen, En zo geschoffeerd alle tezamen, Dat ze niet wisten hoe ze kwamen Uit hun tenten, en liepen naar beneden 11060 In de vlakte en zeer bang. Daar werd menigeen geheel verbrand. Toen riep Merlijn al gelijk: “Open de poorten en trek er uit”! Toen werd ginder groot geluid. 11065 Koning Arthur heeft dit gehoord En trok haastig uit de poort, Schild om de hals, helm op het hoofd; En volgden hem met grote spoed Zijn lieden gewapend fier, 11070 En sloegen nu de anderen dapper, Zodat er geen van de anderen was, Hij werd geschoffeerd van dat; Want ze wisten niet, te waren, 122 Dat daar zoveel lieden in waren 11075 Met de koning, die op hen reed Met lansen, met groter dapperheden, En doden daar erg veel nu; Want ze waren, dat zeg ik u, Van het vuur geschoffeerd zeer. 11080 De konings lieden deden nu het leger Dat ze wilden, klein en groot, Daar bleef menig man dood. Daar beproefde men zo goed de jonge koning Dat ze allen verwonderde dit ding. 11085 Hij stak daar neer ridder en paard; Die moesten allen vallen ter aarde Wat tegen hem kwam, in die uren Kon niemand tegen hem weerstaan. Dus hadden die andere koningen nijd 11090 En trokken bezijden ter tijd, En zeiden dat ze alle oneer hadden, Mocht hij hen aldus ontgaan, “En wij dappere ridders zijn bijzonderling Verwanten en vrienden onderling”. 11095 Toen zei koning Ventres: “Ik lever hem u gelijk, wees zeker dit, Dood of levend nu omtrent, En is hij dood, dan is geëindigd Onze oorlog en onze zaken, 11100 En dan kunnen we een andere maken”. “Val hem aan!” zeiden de baronnen, “En heb je ons iets nodig, We zullen u te hulp komen naar”. Toen trok koning Ventres daar, 11105 Die een sterk ridder was en een groot, En goed van leden, zoals ik verstond; Hij was jong en goed geacht, En had in zijn hand een scherpe schacht En reed in de schaar ter uren 11110 Vast naar koning Arthur. En toen koning Arthur hem zag, Keerde hij naar hem zo goed hij kon. Hij had een ongeschaafde schacht, Die hem daar gelijk was gebracht 11115 Met een gebruind ijzer voren; Hij sloeg zijn paard daar met de sporen, En reed tegen hem al dat hij mocht, Dat hen allen een groot wonder dacht; Zijn mannen en zijn vrienden mee 11120 Waren om hem in angst, dat weet, Want ze kenden koning Ventres, Dat hij groot en sterk is, En baden alle God zeer, Dat Hij hem behoeden moest nu meer. 1112 Daar kwamen ze samen met zo’n nijd, Dat de schilden braken in die tijd; En koning Ventres brak ter ure Zijn lans op die van koning Arthur; En koning Arthur stak hem zo weer 11130 Door de schouder, dat hij daar neer Stortte, en hij viel onder zijn paard En met de benen opwaarts, Maar hij was anders gekwetst niet. En toen koning Loth dit zag, 11135 Was hij dus boos; want hij was Zijn verwant, en ook omdat Ze hadden twee zusters beide; Hij sloeg met de sporen daar ter stede Zijn paard, en reed op koning Arthur, 11140 Die nog toen daar hield ter ure, En had zijn lans in de hand. Toen hij dus zag aankomen rennen Koning Loth, reed hij al zijn macht, Zoals een die weinig ontzag zijn kracht; 11145 Ze kwamen samen met kracht en staken Zodat beide hun speren braken, En daar de een op de ander zou rijden, Kwamen ze tegen elkaar met de helmen ten tijde En met de schilden en met de lichamen 11150 Zo angstig en zo zeer tezamen, Zodat koning Loth ter aarde viel daar En omgekeerd bleef liggen daarnaar; Maar Arthur bleef in het zadel, dus geloof, Maar zeer was hij bedwelmd in het hoofd. 11155 Hier werd de verzameling groot Aan beide zijden, want dat konvooi, Die met de zes koningen gekomen waren, Dachten zeer om dat, Hoe ze koning Loth ter stede 11160 Behoeden mochten en Ventres mede; 123 En diegene die met Arthur waren Dachten ook zeer aan hun kant, Dat ze hen behouden mochten en vangen; Te deze bescherming, zonder waan, 11165 Werd gekwetst menige man. Zoveel deden de baronnen nochtans En diegene die met hen waren, Dat ze hen behoedden en daarna Op het paard hielpen, heb ik vernomen. 11170 En binnen deze was bij gekomen Koning Arthur en trok zijn zwaard En voer weer te strijd waart, En ze allen dachten toen dat, Dat zijn zwaard zo helder was 11175 Of daar dertig toortsen ontstoken waren; En dit was datzelfde zwaard, te waren, Dat hij uit het aambeeld trok, En de letters die daarin stond, die sprak: “Dit zwaard heet Caliburnus”. (1) 11180 Dat is Hebreeuws en betekent aldus, En in Diets heet het ook wel Dat versnijden mocht staal En ijzer; dit is waar, Zoals men ondervinden zal hierna. 11185 Toen Arthur had getrokken dat zwaard, Sloeg hij een ridder ter vaart, Daar de strijd het grootste was, Zijn schouder af, zodat het na dat Ver van het lichaam stond; 11190 Die slag was zo overgroot Dat hij doorsneed de ridder beide En dat paneel van het zadel En de rug van het paard, Zodat ze beide vielen ter aarde 11195 Overhoop; en allen die dat zagen, Die tegen hem streden in die dagen Waren geschoffeerd en zeer bang Van de slag, en vlogen achteruit. Toen sloeg hij voort hier en daar 11200 En wrocht wonder groot daarnaar, En velde daar veel en sloeg dood; Ze waren alle in angst groot En vlogen allen voor hem ginder. Daar warens meer of min 11205 Die hem op durfden te wachten nu; Ze maakten voor hem plaats, zeg ik u; En toen de zes koningen zagen Dat wonder en die grote slagen, Dat koning Arthur hoe langer hoe meer 11210 Op hen deed, voeren ze zeer Ongemakkelijk en droegen grote nijd Op de koning, en zeiden ter tijd: “Laat ons alle op hem varen Te ene male allen zonder te sparen, 11215 En laat ons hem ter aarde werpen nu, Anders overmeesteren we hem dus niet, zeg ik u”. Toen loofden ze dat allen en namen daar Grote schachten, en reden daarnaar Op hem allen met hun schachten, 11220 En staken op hem met krachten, Op zijn schild aldaar ter plaatse En op zijn harnas mede; Maar zijn harnas was zo goed, Dat het hun steken geheel weerstond, 11225 En Arthur was dapper in het verweer; Maar ze liepen op hem daar zo zeer, Dat ze hem ter aarden met het paard, Velden met kracht in de groep, En ze overreden hem daarnaar 11230 En bleven op hem aanhouden daar En sloegen hem erg zeer toen. Keye, zijn drost, kwam daartoe En Antor en Ulfijn met snelle vaart, En staken alle derwaarts 11235 Om hem te behoeden, zeg ik u, Van de zes koningen, die nu Daar sloegen; maar Keye kwam gelijk En stak koning Anguissant, Die dus koning Arthurs neef was, 11240 En stak met zijn lans naar dat Door het harnas in de schouder mede Zodat hij ter aarde viel ter plaatse Van zijn paard geheel verdoofd; En Antor stak, dus geloof het, 11245 Koning Carados op zijn borst, Zodat het ijzer er doorging zonder uitstel Over de zijde; hij viel neer daarnaar En bleef in onmacht liggen daar; En Ulfijn en koning Ventres 11250 Reden met kracht tezamen na dit, 124 Zodat ze beide ter aarden vielen En hun paarden op hen met allen. Koning Ydier en Bretel Elk brak zijn speer op de andere snel, 11255 En koning Loth was vlug Op koning Arthur, die hem weert En onder hem op de aarde lag; Daar gaf hem koning Loth menige slag Op de helm achter op het hoofd, 11260 Zodat hij hem zeer heeft verdoofd; Toen Keye, de drost, dit zag, Dat zijn heer daaronder lag, Dat hem de ander zo aanviel, Ik zeg u, dat hij derwaarts stak 11265 En sloeg koning Loth zonder wachten, Zodat hij boog in zijn zadel. Hij sloeg hem daar zo zeer na dat, Zodat hij niet wist waar hij was, En hij ter aarde moest vallen toen. 11270 Daar kwamen ze van beide zijden toe Elk de zijne te behoeden daar. Daar werd de strijd groot en zwaar En daar bleef dood aan beide zijden Menig mens in die tijden; 11275 En Arthurs lieden deden zoveel daar, Dat ze hem weer brachten daarnaar Op zijn paard, en de anderen mede Op hun paarden daar ter plaatse Hun leger, maar eer ze daar 11280 Toe konden komen, was hun verlies Erg groot; want dat gewone volk al Was op hen gekomen, groot en smal, Van de stad met knuppels, met haken Met lansen, met bijlen, met allerhande zaken 11285 Met ijzeren gaffels en met bogen, En het gerucht werd groot daar ze gingen En omringenden ze en sloegen ze dood, Man en paard, klein en groot, Ze vermeden niemand daar; 11290 Wat hen voor kwam voorwaar, Was dat koning, was dat ridder mede, Ze sloegen alles dood, daar ter plaatse, Met hun bijlen, met hun kolven daar; Hen durfde niemand komen te na; 11295 Het was kwaad onder hen te komen. Ze zeggen ook en zich beroemen, Ze wilden allen eerder blijven dood, Eer ze koning Arthur, klein of groot, Enige schade lieten doen nu; 11300 Ze sloegen zo zeer, dat zeg ik u, De zes koningen en hun lieden na dien, Zodat ze toen alle moesten vlieden. Dus waren ze beschaamd zeer, En zwoeren, dat ze nimmermeer 11305 Blij worden nog ander zaken Daarvan begeerden te hebben ter wraak, Dan dat hoofd van Arthur, zeg ik u. En koning Arthur was verwarmt nu En erg boos om dit ding mede, 11310 En reed naar hen nu ter plaatse Zo ver voor al zijn volk, zodat hij Koning Ydier inhaalde daarbij; Toen hief hij dat zwaard en meende dat hoofd Daar ter plaatse nu te hebben gekloofd, 11315 Maar zijn paard droeg hem voorwaart Zo ver, dat die slag ter vaart Op konings Ydier paard kwam daar, En sloeg het de hals af daarnaar; Toen viel ter aarde man en paard. 11320 Toen werden erg zeer bang Koning Ydiers verwanten aldaar, En meenden dat hij gekwetst waar, En keerden weer om te behoeden daar. Toen werd echt de strijd groot en zwaar 11325 Want ze hadden hem graag behoed nu; En Arthurs lieden, dat zeg ik u, Hadden hem graag gevangen ook mede. Daar namen de zes koningen ter plaatse Van de lieden schade groot, 11330 Want Arthur sloeg er veel dood, En menig paard met zijn zwaard Liet hij vallen daar ter aarde, Zodat hij geheel bebloed was mede, En zijn paard en schild ter stede 11335 En al zijn wapens die omtrent hem hingen, Zodat men daar geen teken aan herkende; Maar toch was behoed Ydier, de koning, 125 En kwam op het paard na dat ding. Dus reden ze weg geheel geschoffeerd; 11340 Dat koning Arthur niet viert, Hij volgde ze na, en joeg ze daar, Maar ze ontvlogen hem al voorwaar, En de zes koningen namen schade groot: Uitgezonderd die daar bleven dood, 11345 Verloren ze al hun harnas duur, Dat daar verbrandde aan het vuur Uitgezonderd de bedekking van goud En van zilver, dat men wou. Dat koning Arthur trok tot zich 11350 Dus daar veel bleef voorwaar. Aldus werd beëindigd de schoffering; Nu zal ge voort horen ter ure Van Merlijns profetieën ter stede, En van koning Arthur mede. |
(1) In Latijn caliburnus, excalibur. Een zwaard werd vroeger gegoten in een steen.
Van Merlijns prophecien, ende hoe hi die den koninck Artur ontbint. 11355 Die historie tellet nu voert: Als die koninck Artur hevet verhoert, Dat die ses koninge sijn gevloen, Liet hi myldelike deelen doen Dat goet dat hi wan aldaer 11360 By Merlijns rade, wet vorwaer, Ende daernaer reet hi te Caredolwaert. Doe hi daer quam, ontboet hi ter vaert Waer dat hi wiste soudeniere, Ende gaf hem cleder ende paerde diere 11365 Ende have ende gelt derregelike By Merlijns rade myldelike; Ende zi zwoeren hem na dien dingen Dat zi hem nembermeer af en gingen Omb ene doet te stervene nu. 11370 Doe Artur, die koninck, seggic iu, Sine liede getogen hem hadde an, In allen steden, waer hi kan, Met sinen groten gichten mede Ende met siner groter goedertierenhede 11375 Ende met siner ontfermecheit, wet dat, Dat boeck orcondet ons te meneger stat, Dat hi der goedertierensten een was Entie ontfermhertichste, als ict las, Dien men iergen hadde vonden. 11380 Hi dade vesten nu ten stonden Sine borge ende stede, sonder waen; Als hi dit al hadde gedaen Voer hi te Logres in die poert, Die nu heet Lonnen, weder ende voert, 11385 Ende gaf daer lieden rente ende lant, Die des waert waren, zij iu bekant. Ende dit was op Onser Vrouwen dach, Die in den September gelach, Dat hi groet hof hilt aldaer; 11390 Ende aldus beiagede hi vorwaer Met vryen seggen ende dor miede Datten minden al sine liede, Ende datsi hem noit af en gingen; Want sint gevielen so die dinge 11395 Dat hi siner liede hadde te doene, Ende dat si hem hielpen, als helde koene, Als gy hierna wel sult verstaen. Ende als hi so vele hadde gedaen, Datten al sine gemene diet 11400 Lief hadde, doe en liet hi niet, Hi en makede selver daer metter hant Twe hondert ridders die waren valiant. Ende doe hi al dit hadde gedaen, Ende sine borge ende stede sonder waen, 11405 Wel gespiset hadde ende beset, Doe nam hem Merlijn wt, dat wet, Met Ulfine, die sijn raet was; Doe zeide Merlijn ten koninge na das: “Heer, ic wil iu leren hier ter steden 11410 Ende openbaren welck zijn mine seden; Here, in Nortomberlant, des zijt vroet, Daer woent een helech heremite goet In ener herde woester stat; Entie goede man, wet dat, 11415 Es mijn grote vrient ter noet, Ende hi bescudde oec van der doet Mine moeder”; doe telde hi al daer Dat siner moeder gesciet was vorwaer, Hoe mense bernen woude met vier; 11420 Oec seidi hem van koninck Vertegier, Hoe hine soecken dade verre Omb sinen torre, des hi was erre Dat hi brack dor die saken; Doe zeidi hem van den tween draken, 126 11425 Daerna seidi hem van Ambrosis, Die sint was geheten na dies Pandragoen ombe enen drake, Dat hi altoes voerde; dor die sake Hiet men hem Pandragoen daerby, 11430 Ende te Borgys in Berri Was hem die name gegeven aldaer, Ende was hy gevoedet, wet voerwaer. Daerna teldi ne, hoe hi te voren zeide Pandragoene ende Uter beide 11435 Van Salesbire den strijt groet, Daer Pandragoen in bleef doet, Ende hoe dat hi wael was, in allen doene, Met sinen vader Uter-Pandragoene, Ende hoe hine liggen dade also wel 11440 By sijnre moeder te Tintavel, Ende hoe dat hine makede doer desen Of hi die hertoge hadde gewesen Haer man; “ende aldus, Here koninck, Wordy gewonnen by desen dinck”. 11445 Hi zeide hem oec al openbaer, Hoe Ulfijn makede die bruetlocht daer Ende vrede, ende versoende daer mede Des hertogen doet, aldaer ter stede; Ende dat syne moeder hadde daer voren 11450 Vijf dochter scone ende verkoren, Entie drie die hertoge wan, Entie twe waren van haren iersten man Die koninck Loth heefter ene van des Ende dander hevet die koninck Ventres. 11455 Die derde hevet die koninck Oriens, Die vierde hevet die koninck Brandens, Die vader was van Anguisant met; Die vijfte suster wonet, dat wet, In enen cloester in ener prayerien, 11460 Daer soe geleert heeft van astronomien; Entes koninck Loths wijf hevet sone v, Den enen wan hi an haren live “An uwer suster, te Lonnen ter stede, Doe gy sciltknape waret mede; 11465 Entie outste van desen viven es Gawijn geheten, sijt seker des, Ende hi sal oec die getrouweste wesen, Die oit gehoren wart vor desen Sinen here, entie beste in allen sinnen 11470 Ende dien gy meest sult minnen; Want hi sal iu hogen ende eren overal, Also lange als hi leven sal, Want hi sal sijn, zij iu bekant, Die iu sal winnen doen iu lant 11475 En al uwe barone, dat seggic iu, Want by der ontsienesse, wetet nu, Van iu ende van hem, heb ick vernomen, Suldy uwer stucken al boven komen, Ende by sulken broeder, dien hi hevet [nu]. 11480 Die koninck Oriens, seggic iu, Hevet enen sone, die scone es seer, Ende es Ywen geheten, Heer, Ende hi sal trecken van dogeden dan Na Gawine, sinen neve, voertan; 11485 Entie koninck Ventres hevet een kint, Dat Galescins hetet, als men vint; Dese sullen iu dienen tot in haer doet, Gy zultse maken ridders groet Selver metterhant; daerna dan 11490 Sullensi menegen edelen man, Overmiddes haer geselscap, na desen Iu onderdanich doen wesen, Ende omb iu grote vromechede, Sullensi iu alle dienen mede. 11495 Oec bander side, over die zee, In clene Bertaengen, min no mee, Wonen twe koninge, die gebroeder zijn, Ende hebben te wive twe gesuster fijn; Dese twe koninge sijn iu man, 11500 Entie outste heet die koninck Ban Ende es van Bonewick, sijt seker des; Die ander heet koninck Bohort van Gannes. Dese twe koninge sullen na desen Kinder hebben, die sullen wesen 11505 Some van desen der besten een Dien die sonne oit besceen; Dese twe gebroeder, verstaet my wel, Hebben enen gebure quaet ende fel, Die van den lande van Deserte es, 11510 Ende grote scade sal doen na des, Maer hi en kanse noch niet bedwingen, Des hi droevech es ombe die dinge, Want die gebroeder sijn so goet Ende so getrouwe in haren moet, 127 11515 Dat men in al der werlt niet en vonde Beter no getrouwer ter stonde; “Dese wil ick”, zeide Merlijn, “Heer, Dat gy te hove ontbiedet nu meer, Datsi komen te Lonnen nu binnen, 11520 Want gy begeertse sien ende kinnen, Ende doetse tAlrehelegen misse wesen Te Lonnen; ende voert na desen, Suldy ontbieden oec daernaer Alle van desen lande daer, 11525 Die iu onderdanich willen zijn nu, Datsi hier komen tot iu; Hier sal sulck ombe doget komen, Ende sulck ombe quaet van hem some, Maer die koninck Bohort entie koninck Ban, 11530 Dese twe goede getrouwe man, Sullen komen ombe getrouwechede; Maket iu dan bekant daermede Ende gevet hem mildeleke iu goet, Heer, Ende biedet hem uwen dienst seer, 11535 Dan zullensi iu manscap doen na des; Ende als iu hof gesceden es, So doet hem verstaen daernare, Dat gy te Karmelike wilt varen Toten koninge Leodeganne nu, 11540 Ende biddet hem datsi varen met iu; Si zijn getrouwe stoute baroene, Gy sult haer hebben wael te doene, Eer gy wederkeert van daer; Ende als gy gekeert zijt, daernaer 11545 Sult gy haer hier te doene hebben meer, Dan gy te voren dadet oit eer, Want die baroene van desen rike Sullen willen calengieren gemeenlike Dat lant, dat gy daerin zult komen niet; 11550 Maer zi en zullen iu geen verdriet Kunnen gedoen no gescaden mere, Want dese twe koninge zullen dat weren Ende vromeleke helpen iu. Oec wil ick dat gy wetet nu, 11555 Dat die seden nu zijn van my Dat ick in bosschen geerne zy; Dit komt my van naturen an, Van den vader die my wan; Want hi en achtede gene geselscap des 11560 Thebbene die met Gode wael es; Maer dor sinen wille ben ick daer niet nochtan Also gerne als ombe Blasise dan, Die een herde goet man es Oec moechdy seker sijn des, 11565 Dat gy altoes sult hebben my, Welke tijt dats iu te doene sy, Ic sal iu altoes sijn bereit; Oec zuldy my dickewile zien gedweet In ener ander gedane dan ick ben nu, 11570 Ende dat zal sijn waerombe zeggic iu: Ick en wil niet, dat my die liede al Kinnen als ick iu spreken sal. Oec wil ick dat gy my zweret hier Ten Helegen, als een koninck fier, 11575 Dat gy nembermeer segget dinck voert Die gy in hemelecheden van my hoert; Ende sechdy dat oec vorwaert iet, Gy zult daeraf hebben verdriet”. Die koninck zwoer hem also houde, 11580 Dat hy gene dinge doen en woude Die hem letten zouden of deren Of die hem iergen tegen weren; Ende Merlijn geloefde hem sine vrientscap daer, Ende dat hy embermeer daernaer, 11585 Dienen hem soude sonder wanck, Sodat si hem des souden weten danck. Dus wart die vrientscap daer gestade Beide van helpe ende van rade. Men dreef blyscap groet nadat 11590 Te Lonnen in der goeder stat Ombe haren niewen koninck, dor das Dat hi milde ende goet was; Want si zeiden alle voertan Si en zagen noit so goeden man; 11595 Ende dit was waer zekerlike, Hi was die beste van aertrike Entie koenste entie mildeste mede. Doe daden die borger van der stede daer; Ene quinteine rechten daernaer, 11600 Daer die niewe ridders op bordeerden Die feeste duerde achte dage, zeggic iu. Die koninck bleef daer liggende nu Ende bereide hem, daer ter stede Sinen hof te houdene, ende oec mede 128 11605 Enwech te varene na siner feeste. Hi ontboet daer minste ende meeste, Die lant ochte goet hilden saen, Dat zijt van hem quamen ontfaen. Zulke quamen daer ende zulke niet; 11610 Die daer niet en quamen die koninck onthiet, Dat zy dat beteren zouden mede, Alse hi des tijt hadde ende stede. Doe sende die koninck Artur Bretelle TUlfine met sinen geselle, 11615 Datsi voeren ombe den koninck Ban Ende ombe den koninck Bohort voertan. Hi ontboet hem, dor siner mynnen Datsi quamen te Lonnen binnen Te sinen hove in Alrehelegen dage. 11620 Ende Ulfijn ende Bretel, sonder sage, Voeren zi daer heen saen na desen, Want si hadden daer dicke gewesen, Ende hem gedient ende lieve gedaen By Uter-Pandragoens tyden, sonder waen: 11625 Zi trocken over die zee ende quamen daer In clene Bertanien thant daernaer, Ende si voeren dor dat lant van Deserre daerby Dat nu heet Borges in Berri. Tien tyden woude die koninck Claudas 11630 An hem dragen, sijt seker das, Enen casteel, die was koninck Bans Dien hi vesten dade tehants Dor des koninck Claudas wille. Elck woude seggen, lude ende stille, 11635 Dat hi opten sinen stonde daer, Ende hieraf quam een orloch zwaer, Ende ombe wat verbode dat Claudas dede. So en liet die koninck Ban ter stede Den casteel niet te vestene entwint, 11640 Des hem Claudas sere toernede sint; Ende hierombe orlochden si beide daer Also lange alsi leveden vorwaer. Niet lang daernaer voer Claudas thant Sonder ontseggen in koninck Bans lant, 11645 Daer hi ane sere mesdede, Ende dade hem oec grote scade mede Van rove, dat hi nam in den lande, Ende dorpe, die hi hem verbrande, Ende sloech vele liede doet ter stede 11650 Ende was sonder ontfermechede; Maer an den castele, dien die koninck Ban Vesten dade, daer en quam hi niet an; Want hi en konder gene scade gedoen, Daer lagen oppe stoute baroen 11655 Met selfscoten ende met gescutte; Ende al dat ten storme was nutte, Hadde daer die koninck Ban opgedaen; Daer was een goet man op, sonder waen, Ende een getrouwe, die drossate was 11660 Van al der borch, sijt seker das; Graciaen hiet die goede man, Hem hief een kint die koninck Ban, Sodat hi sijn gevader es, Ende dat kint hiet men Bannes, 11665 Ombe [dat] die koninck Ban sijn peter was. Sint gevil, zijt seker das, Dat dit kint, doe hi wart groet, Was een stout ridder ende een goet, Ende dade met siner vromechede, 11670 Dat hi bekant wart in meneger stede, Daer dat boeck af zeggen zal hiernaer Gelijck dat hem gesciede vorwaer. Ic swige nu hier voert van desen Ende sal van koninck Banne lesen. |
Van Merlijns profetieën en hoe hij het koning Arthur uitlegt. 11355 De historie vertelt nu voort: Toen koning Arthur heeft gehoord, Dat de zes koningen zijn gevlogen, Liet hij mild verdelen toen Dat goed dat hij won aldaar 11360 Bij Merlijns raad, weet voorwaar, En daarnaar reed hij te Caredol waart. Toen hij daar kwam, ontbood hij ter vaart Wie dat hij wist soldaten, En gaf hen klederen en paarden duur 11365 En have en geld en diergelijke Bij Merlijns raad mild; En ze bezwoeren hem na die dingen Dat ze hem nimmermeer afgingen Om een dood te sterven nu. 11370 Toen Arthur, de koning, zeg ik u, Zijn lieden getoond had hem aan, In alle steden, waar hij kan, Met zijn grote giften mede En met zijn grote goedertierenheid 11375 En met zijn ontferming, weet dat, Dat boek verkondigt ons op menige plaats, Dat hij een van de goedertierendste was En meest barmhartig zoals ik het las, Die men ergens had gevonden. 11380 Hij liet vestigen nu ter stonden Zijn burchten en steden, zonder waan; Toen hij dit alles had gedaan Voer hij tot Logres in de poort, Die nu heet Londen, weer en voort, 11385 En gaf daar de lieden rente en land, Die het dus waard waren, zij u bekend. En dit was op Onze Vrouwen dag, Die in september lag, Dat hij groot hof hield aldaar; 11390 En aldus bejaagde hij voorwaar Met vrij te spreken en door loon Dat hem beminden al zijn lieden, Zodat hem beminden al zijn lieden En dat ze hem nooit verlieten; Want sinds gebeurden zulke dingen 11395 Dat hij zijn lieden had nodig, En dat ze hem hielpen, als helden koen, Zoals ge hierna wel zal verstaan. En toen hij zoveel had gedaan, Dat al zijn gewone volk 11400 Hem lief had, toen liet hij niet, Hij maakte zelf daar met de hand Twee honderd ridders die waren dapper. En toen hij dit alles had gedaan, En zijn burchten en steden zonder waan, 11405 Goed bevoorraad had en bezet, Toen nam Merlijn hem mee, dat weet, Met Ulfijn, die zijn raad was; Toen zei Merlijn tegen de koning na dat: “Heer, ik wil u leren hier ter plaatse 11410 En openbaren welke zijn mijn zeden; Heer, in Northumberland, dus wees bekend, Daar woont een heilige heremiet goed In een erg woeste plaats; En die goede man, weet dat, 11415 Is mijn grote vriend ter nood, En hij behoedde ook van de dood Mijn moeder”; toen vertelde hij al daar Dat zijn moeder gebeurd was voorwaar, Hoe men haar branden wilde met vuur; 11420 Ook zei hij hem van koning Vertegier, Hoe hij hem zoeken liet ver Vanwege zijn toren, dat hij was kwaad Dat hij brak door die zaken; Toen zei hij hem van de twee draken, 126 11425 Daarna zei hij hem van Ambrosius, Die sinds werd genoemd na dit Pandragoen vanwege een draak, Dat hij altijd voerde; door die zaken Noemde men hem Pandragoen daarbij, 11430 En te Borgys in Berri Was hem die naam gegeven aldaar, En was hij gevoed, weet voerwaar. Daarna vertelde hij, hoe hij tevoren zei Pandragoen en Uter beide 11435 Van Salisbury de strijd groot, Daar Pandragoen in bleef dood, En hoe goed dat hij was, in alle doen, Met zijn vader Uter-Pandragoen, En hoe hij hem liet liggen alzo wel 11440 Bij zijn moeder te Tintaveel, En hoe dat hij hem maakte door deze Alsof hij de hertog was geweest Haar man; “en aldus, heer koning, Werd ge gewonnen door dit ding”. 11445 Hij zei hem ook al openbaar, Hoe Ulfijn maakte de bruiloft daar En vrede, en verzoende daarmee De hertogs dood, aldaar ter plaatse; En dat zijn moeder had daar tevoren 11450 Vijf dochters mooie en uitgekozen, En drie er van de hertog won, En twee waren van haar eerste man Koning Loth heeft er een van deze En de andere heeft koning Ventres. 11455 Die derde heeft koning Oriens, Die vierde heeft koning Brandens, Die vader was van Anguisant mee; Die vijfde zuster woont, dat weet, In een klooster in een gebied, 11460 Daar ze zo geleerd heeft van astronomie; En de vrouw van koning Loth heeft zonen vijf, De ene won hij aan haar lijf “Van uw zuster, te Londen ter plaatse, Toen ge schildknaap was mede; 11465 En de oudste van deze vijf is Gawijn genoemd, dat zeker is, En hij zal ook de trouwste wezen, Die ooit geboren werd voor deze Zijn heer, en de beste in alle zinnen 11470 En die ge het meest zal beminnen; Want hij zal u verhogen en eren overal, Alzo lang als hij leven zal, Want hij zal zijn, is u bekend, Die u zal winnen laten uw land 11475 En al uw baronnen, dat zeg ik u, Want met het vooruitzien, weet nu, Van u en van hen, heb ik vernomen, Zal ge uw stukken geheel boven komen, En bij zo’n broeder, die hij heeft nu. 11480 Koning Oriens, zeg ik u, Heeft een zoon, die mooi is zeer, En is Ywein genoemd, heer, En hij zal trekken van deugden dan Naar Gawein, zijn neef, voortaan; 11485 En koning Ventres heeft een kind, Dat Galescins heet, zoals men vindt; Deze zullen u dienen tot in hun dood, Ge zal ze maken ridders groot Zelf met de hand; daarna dan 11490 Zullen ze menige edelen man, Vanwege hun gezelschap, na deze U onderdanig laten wezen, En vanwege uw grote dapperheden, Zullen ze u alle dienen mede. 11495 Ook aan de andere zijde, over de zee, In klein Bretagne, min of meer, Wonen twee koningen, die broeders zijn, En hebben tot vrouw twee zusters fijn; Deze twee koningen zijn uw man, 11500 En de oudste heet koning Ban En is van Bonewick, zij het zeker dit; De ander heet koning Bohort van Gannes. Deze twee koningen zullen na deze Kinderen hebben, die zullen wezen 11505 Sommige van deze de beste een Die de zon ooit bescheen; Deze twee broeders, begrijp me wel, Hebben een buur kwaad en fel, Die van het land van Deserte is, 11510 En grote schade zal doen na dit, Maar hij kan ze nog niet bedwingen, Dus is hij droevig om dat ding, Want de broeders zijn zo goed En zo trouw in hun gemoed, 127 11515 Dat men in de hele wereld niet vindt Beter nog trouwer ter stonde; “Deze wil ik”, zei Merlijn, “heer, Dat ge te hof ontbiedt nu meer, Dat ze komen te Londen nu binnen, 11520 Want ge begeert ze te zien en te kennen, En laat ze er met Allerheiligenmis wezen Te Londen; en voort na deze, Zal ge ontbieden ook daarnaar Allen van deze landen daar, 11525 Die u onderdanig willen zijn nu, Dat ze hier komen tot u; Hiervan zullen sommige vanwege deugd komen, En sommigen vanwege kwaadheid van hen sommige, Maar koning Bohort en koning Ban, 11530 Deze twee goede trouwe mannen, Zullen komen vanwege trouwheid; Maak u zich dan bekend daarmee En geef hen mild uw goed, heer, En biedt hem uw dienst zeer, 11535 Dan zullen ze u manschap doen na dit; En als uw hof gescheiden is, Zo laat hen verstaan daarnaar, Dat ge te Karmelike wil varen Tot koning Leodegan nu, 11540 En bid hen dat ze gaan met u; Ze zijn trouwe dappere baronnen, Ge zal ze hebben wel nodig daar, Eer ge wederkeert vandaar; En als ge teruggekeerd bent, daarnaar 11545 Zal ge hen hier nodig hebben meer, Dan ge tevoren deed ooit eerder, Want de baronnen van dit rijk Zullen willen aanvallen algemeen Dat land, waar ge in zal komen niet; 11550 Maar ze zullen u geen verdriet Kunnen doen of beschadigen meer, Want deze twee koningen zullen dat weren En dapper helpen u. Ook wil ik dat ge weet nu, 11555 Dat de zeden nu zijn van mij Dat ik in bossen graag ben; Dit komt me van naturen aan, Van de vader die mij won; Want hij achtte geen gezelschap dus 11560 Te hebben die met God goed is; Maar door zijn wil ben ik daar niet nochtans Alzo graag om Blasys dan, Die een erg goede man is Ook kan ge er zeker van zijn dit, 11565 Dat ge altijd zal hebben mij, Welke tijd dat u me nodig heeft, Ik zal u altijd ten dienste zijn; Ook zal ge me vaak zien gaan In een andere gedaante dan ik ben nu, 11570 En dat zal zijn waarom zeg ik u: Ik wil niet, dat de lieden me geheel en al Kennen als ik u spreken zal. Ook wil ik dat ge me zweert hier Tot de Heiligen, als een koning fier, 11575 Dat ge nimmermeer zegt een ding voort Die ge heimelijk van me hoort; En zeg je dat ook verder iets, Ge zal daarvan hebben verdriet”. De koning bezwoer hem alzo te houden, 11580 Dat hij geen dingen doen wou Die hem beletten zou of deren Of die hem ergens tegen waren; En Merlijn beloofde hem zijn vriendschap daar, En dat hij immermeer daarnaar, 11585 Dienen hem zou zonder twijfel, Zodat hij dus weten zou zijn dank. Dus werd de vriendschap daar bestendig Beide van hulp en van raad. Men dreef blijdschap groot nadat 11590 Te Londen in de goede stad Om hun nieuwe koning, door dat Omdat hij mild en goed was; Want ze zeiden alle voortaan Ze zagen nooit zo’n goede man; 11595 En dit was waar zekerlijk, Hij was de beste van aardrijk En de dapperste en de mildste mede. Toen deden de burgers van de stad daar; Ene doel (tak met loof) oprichten daarnaar, 11600 Daar de nieuwe ridders op staken Dat feest duurde acht dagen, zeg ik u. Die koning bleef daar liggen nu En bereidde zich, daar ter plaatse Zijn hof te houden, en ook mede 128 11605 Weg te gaan na zijn feest. Hij ontbood daar de kleinste en grootste, Die het land of goed behielden tezamen, Dat ze het van hem kwamen ontvangen. Sommige kwamen daar en sommige niet; 11610 Die daar niet kwamen de koning beloofde ze, Dat ze dat verbeteren zouden mede, Als hij dus tijd had en plaats. Toen zond koning Arthur Bretel Tot Ulfijn met zijn gezellen, 11615 Dat ze gingen om koning Ban En om koning Bohort voortaan. Hij ontbood hen, vanwege zijn min Dat ze kwamen te Londen binnen In zijn hof met Allerheiligendagen. 11620 En Ulfijn en Bretel, zonder sage, Voeren daarheen gelijk na deze, Want ze waren daar vaak geweest, En hem gediend en genoegen gedaan In Uitr-Pandragoens tijden, zonder waan: 11625 Ze trokken over zee en kwamen daar In klein Bretagne gelijk daarnaar, En ze voeren door dat land van Deserre daarbij Dat nu heet Borges in Berri. In die tijden wilde koning Claudas 11630 Aan hem opdragen, wees zeker dat, Een kasteel, die was van koning Ban Die hij vestigen liet gelijk Door koning Claudas wil. Elk wilde zeggen, luid en stil, 11635 Dat het op de zijne stond daar, En hiervan kwam een oorlog zwaar, En vanwege een verbod dat Claudas deed. Liet koning Ban ter plaatse Het kasteel niet vestigen iets, 11640 Dus Claudas zich zeer vertoornde sinds; En hierom beoorloogden ze beide daar Alzo lange als ze leefden voorwaar. Niet lang daarnaar voer Claudas gelijk Zonder te zeggen in koning Ban’s land, 11645 Daar hij zeer aan misdeed, En deed hem ook grote schade mede Van roof, dat hij nam in het land, En dorpen die hij verbrandde, En sloeg veel lieden dood ter plaatse 11650 En was zonder ontferming; Maar aan het kasteel, die koning Ban Vestigen deed, daar kwam hij niet aan; Want hij kon er geen schade aan doen, Daar lagen op dappere baronnen 11655 Met belegeringswerktuigen en met geschut; En al dat voor een bestorming was nuttig, Had daar koning Ban op gedaan; Daar was een goede man op, zonder waan, En een trouwe, die drost was 11660 Van de hele burcht, zij het zeker dat; Graciaen heet de goede man, Hij doopte een kind van koning Ban, Zodat hij zijn peetvader is, En dat kind noemde men Bannes, 11665 Omdat koning Ban zijn peter was. Sinds dit gebeurde, zij het zeker das, Dat dit kind, toen hij werd groot, Was een dapper ridder en goed, En deed met zijn dapperheden, 11670 Zodat hij bekend werd in menige plaats, Daar dat boek van zeggen zal hiernaar Gelijk dat hem geschiedde voorwaar. Ik zwijg nu hier voorts van deze En zal van koning Ban lezen. |
Van Merlijns prophecien, die hi den koninck Artur ontbint. 11675 Die aventuer zegget nu voert: Als die koninck Ban hevet verhoert Die grote scade ende scande, Dat Claudas dade in sinen lande, Sonder ontseggen, des was hi erre 11680 Ende ontboet sine liede na ende verre, Ende quam an Claudas nu ten tyden, Daer hi waende hemelick lyden, Ende bestreet hem met moede groet; In den vergaderen bleef menech doet. 11685 Daer wart doen een vreselick strijt, Die geduerde ene lange tijt, Maer in dat inde bleef Claudas, dat wet, Gesconfiert, ende sine liede met, Want daer sloech doet so menech man 11690 Selver metter hant die koninck Ban, 129 Datsi daer lagen met hopen groet. Doe moeste vlien dor die noet Selver die koninck Claudas, Ende moeste daer laten sijn harnas, 11695 Ende sine roef, entie gevane Moesti daer laten voertane. Oec was daer getogen bander syden Die koninck Bohort in dien tyden In des koninck Claudas lant 11700 Ende haddet verstoert ende verbrant, Ende vinck die hi konde nu Ende verdiervet so sere, zeggic iu, Dat men binnen vijftien mylen Hues en hadde vonden ter wijlen, 11705 Daer men inne mochte sculen met Dat en waer in kerken, dat wet. Dus was die koninck Claudas so mat, Ende so sere verermet ombe dat, Dat hy in langen tyden daerna 11710 En dorste orlogen, als ict versta Op haer negeen, sij iu bekant. Die boden, die Artur hadde gesant Ten koninck Banne ende koninck Bohoert, Daer gy hier voraf hebbet gehoert, 11715 Hem hadde nu groet wonder das, Dat dit lant so woeste was, Ende waeraf dit gesciet nu waer. Sy reden doen daer zo naer, Datsi quamen te Trebes, 11720 Dat een sterck casteel es; Dit was die casteel, daerombe began Ierstwerf dat orloge tegen koninck Ban. Dese casteel was sterck ende hoge mede; Eleine, die koninginne ter stede, 11725 Was daerinne op dese stont nu, Die scone ende groet was, seggic iu. Die scoenste, die men vant twaren, Ende ionck alse van vijftien iaren, Ende was niet lanck geleden dan 11730 Datse te wive nam die koninck Ban; Ende Bohort, zijn broeder, wet dat, Hadde onlange oec zijn wijf gehat, Die ionger was dan Eleyne, Ende dese vrouwe hiet Eveine. 11735 Ende Ulfijn ende Bretel nu quamen Te Trebes, ende vrageden daer te samen Na den koninge; doe seide men hem ter steden, Dat hi tenen parlemente waer gereden Tote Bonewick, daer zijn broeder es, 11740 Die koninck Bohort, zijt zeker des, Diene ontboden hevet daer; Doe namen die boden orlof vorwaer An Eleinen, der koninginnen; Si sceden van haer met goeder minnen. 11745 Doe voeren zi enwech daernaer Al gewapent, wet vorwaer, Want daer zi moesten varen En was niet seker nu, twaren, Daer zijn vele rovers inne, God weet, 11750 Dus was daer te wanderne wreet, Nochtan souder daer meer zijn, En daden dese twe koninge fijn, Die koninck Ban entie co. Bohoert. Dus reden dese boden voert 11755 Ontrint wael vijftien mylen; Daer gemoeten si terselver wylen Seven ridders, al zonder sparen, Die van Claudas’ geselscap waren, Entie te Deserte in der stede 11760 Lagen, ende wt ende in voeren mede, Ende plagen te bespiene aldaer Die opten wege voeren daernaer, Ende namen datsi hadden te hant; Maer nu was so verwoestet dat lant, 11765 Datsi vonden te nemene niet, Want die dorpliede, als men daer siet, Waren in die stede getogen Met al den goede, dat si mogen; Ende als die seven ridders vernamen 11770 Die boden, die daer gereden quamen, Doe zeide die ene ten ander waert: “Siet ginder twe scone paert, Die gene twe ridders ryden, Latewy se hier ons dus ontglyden, 11775 Dat waer ons allen grote scande, Si en zijn oec niet wt desen lande, Want si en voeren der wapene niet, Die men hier te dragene pliet”. Doe zeide die ene: “dat duncket my 130 11780 Goede liede, rike ende vry, Want zi zijn wel te harnas, Want haer orse zijn goet ende ras, Si hebben met enen goeden heer gewesen”. Die ander seide: “wat raket ons van desen. 11785 Varewy tot hem ende nemen daer saen Haer paerde ende laetse te voete gaen”. Doe liet [hi] daer een lopen wt, Ende makede met roepen groet geluet Ende zeide: “gy heren, hoert! hoert! 11790 Hout al stille ende ridet niet voert, Sijt gy nu metten koninck Ban Gy liet hier iu leven dan, Of zijt gy metten koninck Bohort nu; Maer zijt gy metten koninck Claudas nu, 11795 Sone doewy iu gene scade, Want wy hoeden hier die pade Enten wech, ende ombedat moety Tolle geven mynen gesellen ende my Ende wet wel: gy selt vertollen ter stede 11800 Iuwe orse ende uwe wapene mede, Ende te voet dan hene gaen; Daer moechdy des hiermede af staen; Dat wy iu niet en doden mede Ofte vaen alhier ter stede; 11805 Maer gy dunckt ons goede liede wesen. Dat wy iu quite laten mettesen”. Alse Ulfijn dengenen roepen hoerde, Keerde hine ombe metten woerde, Ende sach waer degene themwaert reet. 11810 Doe antworde hi hem wel gereet: “Heer, heer! zijt met gemake, Gy komet noch tyde genoech omb die sake Ick en weet niet wie gy zijt, God weet, Maer gy zijt van talen wael wreet, 11815 Entie ridder moet oevele varen Die ander ridder roept nare Omb tolle te nemen; want hi en es Gene tolle sculdech, zijt zeker des; Ende wetet wel, dat ic noit tolle en gaf 11820 Ende en geve iu oec niet een kaf Om genen man, dien ick noch zie, So lange als ick hebbe by my Mijn goede zwaert; maer ick wane dat gy Ons proeven wilt, of wy daerby 11825 Onse wapene zullen wtdoen nu, Ende onse paerde dus geven iu Ombe iu dregen ende ombe iu tale; Gy en doet niet anders, duncket my wale, Want my duncket, gy en zijt geen man 17830 Die strides begert, maer nochtan Sonder striden ende grote pine En zuldy niet hebben onse wapine Noch onse ors, dat zeggic iu, Al roepdy zo vreselick op ons nu, 11835 Gy zult den wasdom van uwer muten In ene hellinckborse sluten, Want mijn geselle segget hier nu, Eer hi tolle sal geven iu, Hem waer liever waer hi blint; 11840 Entie oec sulken ridder mint Die nu tolle eyschet ridders vry, Verschoven so moet werden hi; Ende kendick iu, ic en minde in nemmermeer Ende gy hebbet oec gedaen, by Onsen Heer, 11845 Grote gecheit nu ter tijt; Ondanck hebdy, wie gy zijt, Dat gy ridder zijt ende tolle wilt nemen, Dit zoude negenen ridder temen”. Doe Bretel hoerde dese woerde. 11850 Die Ulfijn hem daer antwoerde, Loech hi sere ende hadde spel, Ende oec bequam hem dat herde wel; Entie ander riep: “tuwen groten lede Hebdy dit nu gesecht ter stede, 11855 Want gy zult daerombe, tuwen ombaten, Beide iu hovede te pande laten”. Alse Ulfijn sach, dat hi hem nakede, Ic zegget iu dat hi hem oec makede Gereet te stride, zij iu bekant: 11860 Hi nam zijn speer in die hant, Ende nam den scilt ende deckeden daer, Hi nam dat ors metten sporen daernaer, Dat hem die spere dorwoet Doer die rechter zide enen voet, 11865 Entie ridder vil ter aerde In ommacht neder van den paerde, Ende Ulfijn track zijn speer daerwt, Ende zeide ten ridder overluet: “Nu hoert dese martsen wel 131 11870 Wildy van tolle nu iet meer el, Dat zegget my eer ick hene ride; Ende wildy oec meer nu ten tyden Van tollen hebben hier van my, Ic sal dat gerne geven dy, 11875 Of wiltu my quyte scelden nu, Berade dy, of ic ontride iu; Maer gy zwiget so stille nu ter tijt, Ic wane gy wale betalet sijt, Na draget dese tolle in Claudas’ hof, 11880 Hi sal hem sere beloven daerof, Ende hi sal wesen daerombe iu vrient Want gy hebten nu wel gedient”. Na deser tale voer Ulfijn Enwech na den geselle sijn, 11885 Die deze ioeste al hevet gesien, Ende pryseden in sinen herte van dien Doe reden si beide henen nadas Haerre straten al haren pas, Entie zes ridder waren droevech ombedat 11890 Dat haer geselle lach so plat Opter aerden also gesteken; Zi zwoeren alle si woudent wreken. Doe sloecher twe met sporen na Wt haren gesellen, als ic versta, 11895 Wat haer paerde konden geloepen, Ende begonsten sere roepen Optie ander, die vorreden, Ende dregeden hem sere ter steden. Alse dit die twe ridders hebben gehoert, 11900 Keerden si weder haer orse voert, Ende rechten haer spere mede; Ende Bretel hilt sijn speer ter stede Al luttel hoge, dat zeggic iu, Ende reet opten enen so zere nu, 11905 Ende stacken metten spere soe Boven den scilt optie kele doe, Dat die halsberch scoerde daernaer, Entie speer ginck hem daer Dor die kele b ander side. 11910 Die gene vil neder herde onblide Van den orse optie aerde gestrecket Ende was herde onsachte gewecket; Ende Ulfijn gerakede den sinen soe, Dat hine dor die borst stac doe, 11915 Dat sijn speer bander syde Metten houte quam ten tyde, Ombedat dat yzer so scerp was. Doe vil hi ter aerden nadas Van den orse gewondet ter stede, 11920 Ende metten hovede nederwaert mede. Doe reet enwech Ulfijn ende Bretel Al haren wech, dat wetic wel, Ende lieten die ridder liggen daer. Si voeren scimpende sonder vaer, 11925 Ende en haesten hem niet seer. Nu hadden die ander scade meer, Entie vier gesellen die daer bleven, Ick zegget iu datsi rouwe dreven, Ende waren erre ende herde droeve; 11930 Si en sagen niet wel haer behoeve, Si zwoeren zi wouden dat wreken nu, “Blevet ongewroken, zeggic in, Wy en kregen des nembermeer ere”. Doe nam haerre twe daer elc zijn spere, 11935 Ende reden doe ten andren waert Wat gelopen mochte haer paert, Ende riepen van verre daer: “Gy moet hier nu betalen, twaer, Ende gy zult bekopen, seggewy iu, 11940 Dat gy onse gesellen nu Gewondet hebbet ende afgesteken. Als Ulfijn dit hoerde, begonste hi queken Sijn speer ende keerde hem daer; Ende Bretel, sijn geselle, daernaer 11945 Keerde hem oec met snelre vaert, Wat gelopen mochte sijn paert; Si reden optie ander alsoe, Dat haer scilde braken doe, Ende dattie yser dorwoeden 11950 Ende optie halsberge wederstoeden; Maer si moesten die sadele rumen Ende van den orse neder tumen; Maer si braken beide haer speren wel Op Ulfine ende op Bretel, 11955 Entie ene brack die arm ter stede, Entie ander den scinkel mede. Echt reden si haren pas Tharen wegewaert na das Met gemake te Bonewickwaert. 132 11960 Nu waren die ander sere vervaert, Die daer bleven en was maer twe Nochtan zeidensi, datsi nembermee Blyde en waren, zi en zoudense wreken Diegene die af waren gesteken, 11965 Ende some doet ende some gewont. Si gereden hem terstont Ende namen die speer in die hant, Ende quamen sere na hem gerant, Ende riepen van verre sere daer. 11970 Die boden gelieten hem daernaer Of zijs niet en hoerden, ende reden nu An enen dal, dat zeggic iu, Alsof si des niet wouden ontbeiden; Die ander riepen sere ende zeiden: 11975 “Gy scalke quaet ende oec fel, Onse gesellen werden gewroken snel, Gy latet hier dat lijf nu ten tyden, Gy en moget ons niet ontryden; Blode scalke, nu keert iu!” 11980 Doe antworde hem Bretel nu: “Al zijn wy blode, nochtan zuldy Ons hier proeven eer dat gy Van hier ons zult ontryden”. Doe keerdensi haer orse beide ten tyden, 11985 Ende reden met speren derwaert; Bretel reet vor met sterker vaert, Op dengene, die vor was daer, Ende Ulfijn reet opten ander daernaer Die van der talen loech ende was blide, 11990 Die zijn geselle gesecht hadde ten tyde. Ende gene ridders braken beide Hare speer, daer ic nu af zeide, Op Ulfine ende op Bretel; Maer zi gerakedense weder so wel. 11995 Datsise staken terselver ure Metten speren ten scouderen duere, Dat men dat yser sach bander syde; Si vielen van den orsen onblyde. Doe zeide Bretel dese woert: 12000 “Gy Heren, dese tolle die iu toe hoert, Hebben wyne iu noch niet betaelt, Dat es goet, dat gy uwe gesellen haelt, Ende vraget of si des hebben haer deel; Gy hebbet dat uwe nu geheel, 12005 Ende wildy des meer, wy geven dat iu, Wy en willen niet, dat gy nu Ons beclaget over uwe tolle, Wy en geven iu die borsen volle, Dat gyse niet kont hene bringen”. 12010 Ulfijn loech van desen dingen, Dat hy wel na gevallen was Van sinen paerde, ende na das Reden si haerre straten daer; So redensi datsi daernaer 12015 Te Bonewick quamen tenstonden, Daersi herde vele liede vonden; Si reden vaste ter borch waert. Doe zi daer quamen beten si ter vaert Ende gaven haer paerde thoudene daer naer 12020 Enen sciltknechte, dien zi daer Brachten met hem sonder meer; Si daden haer helme of oec eer Ende haer swaert ende scilde also wael, Eer zi gingen in die sael; 12025 Ende doe zi in die zael quamen, Vrageden si ombe die koninge te samen Van Bonewick ende van Gannes, Ende mense hem wisede na des. Des waren si blide, wet vorwaer, 12030 Ombedatsise te samen vonden daer, Ende beiden datsi wt zouden komen. Dit hevet daer een ridder vernomen, Die een herde wijs man was Ende goet ende hoge, zijt zeker das, 12035 Ende hiet Lionse van Parne mede; Hi brachte met hem daer ter stede Enen wysen ridder, hiet Pharien; Dese quamen die boden besien Ende vrageden hem wanen zi waren; 12040 Die boden antworden hem daer nare: “Gy Heren, gy zult weten saen, Alse wy onse boetscap hebben gedaen An dese twe koninge fier”. Si begonsten se te merken hier 12045 Ende bekendense. Doe makedensi Grote feeste, ic zegget iu wi: Si haddense van langen dagen bekint, Entie een den ander sere gemynt. Doe zise sere hadden aldaer 133 12050 Wael ontfangen, doe vrageden si daernaer. Ofsi die twe koninge gerne spraken? Doe zeidensi waerombe “ende ombe die saken Zijn wy komen hier in dat lant”. Doe namen si se beide by der hant, 12055 Ende leidense in die kamer daernare Daer die koninge beide inne waren; Ende alsse die koninge hadde vernomen, Zijn zi beide jegen hem gekomen; Want zi wisten wel te voren, 12060 Datsi nyemaer souden horen; Ende Leontes zeide oec den koninge nu Wie zi waren, dat zeggic iu, Ende datsi se spreken zouden. Doe si dit hoerden, also houde 12065 Liepensi tot hem daernaer, Ende namen se in hoer arme daer, Ende hietense welkomen wesen; Si daden se sitten gaen na desen Op ene coetse by hem, sonder waen, 12070 Ende vrageden na hare boetscap saen, Daer si nu ombe sijn komen bloet, “Want ten es niet sonder orber groet Dat gy hier ombe komen zijt”. Doe vrageden voert ter tijt 12075 Die twe koninge, of die Bertoene Niet en hebben noch na haren doene Enegen koninck tharen wille; Wantsi wisten wael, lude ende stille, Van den zwaerde, dat stac opten steen 12080 Entie dat wttrac overeen Dat hi haer koninck soude wesen. Doe zeidensi hem na desen Van beginne alle die dinge, Hoe dat die zes koninge 12085 Hen zetten iegen Artur mede, Ende dat wonder dat Merlijn dede, Entie grote vromecheit, sonder waen, Die Artur selve hadde gedaen. Doe zeidensi haer boetscap daernaer 12090 Dat die koninck Artur openbaer Ombe hem hevet gesent nu: “By Merlijns rade, zeggewy iu, Dat gy te sinen hove zult komen, Want dat sal iu sere vromen; 12095 Hi wil iu spreken ombe orber groet. Nu nemet te samen uwe genoet Ende laet ons uwe antworde weten saen; Want gy en moget niet letten, sonder waen; Die tijt es kort, des seker zijt”. 12100 Die koninge antworden doe ter tijt: “Wy hebben orloge gehat groet, Dat ons die koninck Claudas doet, Ende wy hebben anxst, varewy met iu, Dat die koninck Claudas zoude nu 12105 In onse lant trecken daer nare Wisti dat wy hier niet en waren, Ende zoude ons grote scade doen dan”. Die boden zeiden: “by Sinte Johan, Merlijn ontbiedet iu, ontsiet iu niet, 12110 Dat iu nembermeer scade gesciet, Also lange als gy in den dienste zijt Des koninck Arturs nu ter tijt”. Alse dit die twe koninge hoerden, Hadde hem wonder van den woerden, 12115 Dat Merlijn zoude weten alle die dinge, Die zouden gescien sonderlinge; Ende op dese vorwaerde loveden si daer Opten derden dach te treckene naer. Die boden dankeden hem sere nu. 12120 Men dade se ontwapenen, zeggic iu, Ende haer orse oec wel te gemake. Die koninck Ban sprac na der saken, Hi en woude niet, dat zi iergen waren, Ter herberge dan met hem, twaren; 12125 Haer wapene ende haer scilde beide Waren sere besien ter stede; Ende haer speer die bebloedet waren, Die twe sciltknapen hielden, twaren, Daer dene af zeide: “dese twe boden, 12130 Duncket my, hebben geweest in noden, Si en hebben niet geseten stille Vor ener kemenade tharen wille, Want haer scilde ende haer spere Zijn zo bebloedet in der were”. 12135 Doe vrageden hen die koninge daer, Ende beswoerense met ede swaer, Datsi hem zouden zeggen den fijn, Waeraf haer scilde bebloedet sijn. Doe telden zi alle die dinge te samen: 134 12140 Hoe op hen seven ridders quamen, Die si bestonden; doe telden si voert Gelijck gy vor al hebbet gehoert, So dadensi dat hier al nu verstaen. Doe zeiden die twe koninge saen: 12145 “By mijnre trouwen, gy zijt wel waert, Dat gy draget scilt ende zwaert, Dat gy iu bescuddet so wel Van zeven ondadegen ridders fel”. Men prysedese doe sere in den hof 12150 Ende gaf hem daer groten lof; Si worden gewiset van menegen daer. Die koninge dadense wael daernaer Te gemake van allen dingen, Des si begerden sonderlinge, 12155 Van eten ende van drinken mede; Men dade hem grote ere na sede. Die koninge feestierdense sekerlike Die drie dage doe herde eerlike, Want si konden dat herde waele. 12160 Daer was gedient in der sale Wael al dengenen die daer waren; Men woude daer jegen nieman sparen. Leonse van Parne ende Pharijn, Die daer byeen geseten zijn, 12165 Daden den boden grote ere nu; Want hier vormals, seggic iu, Haddensi hem dat dicke gedaen In groet Bertanien, sonder waen, By Uter-Pandragoen algader, 12170 Die was des koninck Arturs vader. Ende des derden dages oec daernaer Gereiden hem die twe koninge daer Als tArturs hove waert te vaerne; Si ontboden Leonse van Paerne, 12175 Die haerre beider maech was, Ende Pharine oec, ende oec nadas Den drossate van Bonewijck Entien van Parne desgelijck, Ende bevalen hem haer lant, 12180 Ende hieten hem mede daer te hant Datsi hem soccoers senden souden, Haddenzi des te doene, of zi wouden, “Want wy en weten niet na des, Wat ons daer te gesciene es”. 12185 Hi togede Leonsen een vingerlijn daer: “Dit waerteken”, zeide hi daernaer, “Alse wy dit hier senden dy nu, So sendet ons soccoers bidden wy iu, Also vele als wy hebben te doene; 12190 Ende als gy siet den bode koene Met desen vingerlijn, gelovet hem daer Al dat hy u sal zeggen daernaer”. Te desen rade [en] was nieman met hen Dan Leonse van Parnen 12195 Ende Pharijn, suldy verstaen. Alse al haer orber was gedaen, Trocken si ende voeren over die zee, Die wint en dade hem geen wee, Ende reden over terselver ner. 12200 Nu zwiget hier die aventuer, Ende sal zeggen van Artur na des, Die te Lonnen noch gebleven es. |
Van Merlijns profetieën die hij koning Arthur verklaart. 11675 Het avontuur zegt nu voort: Toen koning Ban heeft gehoord De grote schade en schande, Dat Claudas deed in zijn landen, Bijzonder hardnekkig, dus was hij boos 11680 En ontbood zijn lieden nabij en ver, En kwam aan Claudas nu ten tijden, Daar hij meende heimelijk te gaan, En bestreed hem met moed groot; In de slag bleef menigeen dood. 11685 Daar was toen een vreselijke strijd, Die duurde een lange tijd, Maar in dat einde bleef Claudas, dat weet, Geschoffeerd, en zijn lieden mee, Want daar sloegen ze dood zo menig man 11690 Zelf met de hand koning Ban, 129 Dat ze daar lagen met hopen groot. Toen moest vlieden door die nood Zelf koning Claudas, En moest daar laten zijn harnas, 11695 En zijn roof, en de gevangenen Moesten hij daar laten voortaan. Ook was daar gekomen aan de andere zijde Koning Bohort in die tijden In koning Claudas land 11700 En had verstoort en verbrand, En ving die hij kon nu En bedierf het zo zeer, zeg ik u, Dat men binnen vijftien mijlen Geen huis kom vinden ter wijlen, 11705 Daar men in mocht schuilen mee Dat tenzij in kerken, dat weet. Dus was koning Claudas zo mat, En zo zeer verarmd omdat, Dat hij in lange tijden daarna 11710 Durfde te oorlogen, zoals ik het versta Op hen geen, het is u bekend. De boden, die Arthur had gezonden Tot koning Ban en koning Bohort, Daar ge hiervoor van hebt gehoord, 11715 Ze hadden nu grote verwondering dat, Dat dit land zo woest was, En waarvan dit gebeurd nu was. Ze reden toen daar zo na, Dat ze kwamen te Trebes, 11720 Dat een sterk kasteel is; Dit was dat kasteel, daar alles om begon De eerste keer de oorlog tegen koning Ban. Dit kasteel was sterk en hoog mede; Eleine, de koningin ter stede, 11725 Was daarin op deze tijd nu, Die mooi en groot was, zeg ik u. De schoonste, die men vond te waren, En jong als van vijftien jaren, En was niet lang geleden dan 11730 Dat ze als vrouw nam koning Ban; En Bohort, zijn broer, weet dat, Had kort geleden ook zijn vrouw gehad, Die jonger was dan Eleine, En deze vrouw heet Eveine. 11735 En Ulfijn en Bretel nu kwamen Te Trebes, en vroegen daar tezamen Naar de koning; toen zei men hem ter plaatse, Dat hij naar een bespreking was gereden Te Bonewick, daar zijn broeder is, 11740 Koning Bohort, zij het zeker dit, Die hem ontboden heeft daar; Toen namen de boden verlof voorwaar Aan Eleine, de koningin; Ze scheiden van haar met goede min. 11745 Toen voeren ze weg daarnaar Geheel gewapend, weet voorwaar, Want daar ze moesten varen Was het niet zeker nu, te waren, Daar zijn veel rovers in, God weet, 11750 Dus was daar te wandelen wreed, Nochtans zouden er meer zijn, Deden niet deze twee koningen fijn, Koning Ban en koning Bohort. Dus reden deze boden voort 11755 Omtrent wel vijftien mijlen; Daar ontmoeten ze terzelfde tijd Zeven ridders, al zonder sparen, Die van Claudas gezelschap waren, En die te Deserte in de stede 11760 Lagen en uit en ingingen mede, En plagen te bespieden aldaar Die op de weg gingen daarnaar, En namen dat ze hadden gelijk; Maar nu zo verwoest was dat land, 11765 Dat ze vonden te nemen niets, Want de dorpelingen, zoals men daar ziet, Waren in de stad getrokken Met al het goed, dat ze mogen; En toen de zeven ridders vernamen 11770 Die boden, die daar gereden kwamen, Toen zei de ene tot de ander waart: “Ziet ginder twee mooie paarden, Die twee ridders berijden, Laten we ze hier aldus ons ontgaan, 11775 Dat was voor ons alle grote schande, Ze zijn ook niet uit deze landen, Want ze voeren de wapens niet, Die men hier te dragen pleegt”. Toen zei de ene: “dat lijkt me 130 11780 Goede lieden, rijk en vrij, Want ze hebben een goed harnas, Want hun paarden zijn goed en ras, Ze zijn bij een goede heer geweest”. De ander zei: “wat kan het ons schelen van deze. 11785 Gaan we tot hen en nemen daar gelijk Hun paarden en laten ze te voet gaan”. Toen liet hij daar er een lopen uit, En maakte met roepen groot geluid En zei: “gij heren, hoort! hoort! 11790 Hou u geheel stil en rijdt niet voort, Bent ge nu met koning Ban Ge liet hier uw leven dan, Of bent ge met koning Bohort nu; Maar bent ge met koning Claudas nu, 11795 Dan doen we u geen schade, Want we behoeden hier de paden En de weg, en vanwege dat moet gij Tol geven mijn gezellen en mij En weet wel: ge zal to geven ter plaats 11800 Uw paarden en uw wapens mede, En te voet dan heen gaan; Daarmee kan je het hiermee voldoen; Zodat we u niet doden mede Of vangen alhier ter plaatse; 11805 Maar ge lijkt ons goede lieden te wezen. Dat we u vrij laten met dezen”. Toen Ulfijn diegenen roepen hoorde, Keerde hij zich om naar het woord, En zag waar diegene tot hem reed. 11810 Toen antwoordde hij hem wel gereed: “Heer, heer! wees toch rustig, Ge hebt nog tijd genoeg voor die zaken Ik weet niet wie ge bent, God weet, Maar ge bent van taal wel wreed, 11815 En de ridder moet euvel varen Die ander ridders roept na Om tol te nemen; want hij is Geen tol schuldig, zij het zeker dit; En weet wel, dat ik nooit tol gaf 11820 En geef u ook niet een kaf Aan geen man, die ik nog zie, Zolang als ik heb bij mij Mijn goede zwaard; maar ik meen dat gij Ons beproeven wil, of wij daarbij 11825 Onze wapens zullen uittrekken nu, En onze paarden dus geven aan u Om uw dreigen en om uw taal; Ge doet niets anders, lijkt me wel, Want ik denk, ge bent geen man 17830 Die strijd begeert, maar nochtans Zonder strijden en grote pijn Zal ge niet hebben onze wapens Nog onze paarden, dat zeg ik u, Al roep je zo vreselijk op ons nu, 1183 Ge zult de damp van uw opruien In een beurs sluiten, Want mijn gezel zegt hier nu, Eer hij tol zal geven u, Was het hem liever was hij blind; 11840 En die ook zulke ridders bemint Die nu tol eist van ridders vrij, Verworpen zo moet worden hij; En kende ik u, ik beminde u nimmermeer En ge hebt ook gedaan, bij Onze Heer, 11845 Grote gekheid nu ter tijd; Ondank heb jij, wie ge zijt, Dat ge ridder bent en tol wil nemen, Dit zou geen ridder betamen”. Toen Bretel hoorde deze woorden. 11850 Die Ulfijn hem daar antwoordde, Lachte hij zeer en had spel, En ook bekwam hem dat erg goed; En de ander riep: “tot uw grote leed Heb je dit nu gezegd ter plaatse, 11855 Want ge zal daarom, tot uw schade, Beide uw hoofden als pand laten”. Toen Ulfijn zag, dat hij hem naderde, Ik zeg het u dat hij hem ook maakte Gereed tot strijd, zij u bekent: 11860 Hij nam zijn speer in de hand, En nam het schild en bedekte daar, Hij nam dat paard met de sporen daarnaar, Dat hij de speer doorstak Door de rechter zijde een voet, 11865 En de ridder viel ter aarde In onmacht neer van het paard, En Ulfijn trok zijn speer daaruit, En zei tot de ridder overluid: “Nu hoor deze grappen goed 131 11870 Wil ge van tol nu iets meer anders, Zeg me dat dan voor ik heen rijd; En wil ge ook meer nu ten tijden Tol hebben hier van mij, Ik zal dat graag geven u, 11875 Of wil u het me kwijtschelden nu, Beraad je, of rij weg van u; Maar ge zwijgt zo stil nu ter tijd, Ik meen ge wel betaald bent, Na draag deze tol in Claudas’ hof, 11880 Hij zal zich zeer loven daarvan, En hij zal wezen daarom uw vriend Want ge hebt hem nu goed gediend”. Na deze taal voer Ulfijn Weg naar de gezel van hem, 11885 Die dit spel geheel heeft gezien, En geprezen in zijn hart van die Toen reden beide henen na dat Hun weg en al hun pas, En de zes ridder waren droevig omdat 11890 Dat hun gezel lag zo plat Op de aarde alzo gestoken; Ze zwoeren dat ze het alle wilden wreken. Toen sloegen er twee met sporen na Uit hun gezellen, zoals ik het versta, 11895 Wat hun paarden konden lopen, En begonnen zeer te roepen Op de anderen, die verder reden, En dreigden hen zeer ter plaatse. Toen dit de twee ridders hebben gehoord, 11900 Keerden ze weer hun paard voort, En richten hun speer mede; En Bretel hield zijn speer ter plaatse Al wat hoger, dat zeg ik u, En reed op de ene zo zeer nu, 11905 En stak met de speer zo Boven het schild op de keel toe, Zodat het harnas scheurde daarnaar, En de speer ging bij hem daar Door de keel aan de andere zijde. 11910 Diegene viel neer erg droevig Van het paard op de aarde gestrekt En werd erg hard gewekt; En Ulfijn raakte de zijne zo, Dat hij hem door de borst stak toen, 11915 Dat zijn speer aan de andere zijde Met het hout uitkwam ten tijde, Omdat dat het ijzer zo scherp was. Toen viel hij ter aarde na dat Van het paard gewond ter stede, 11920 En met het hoofd neerwaarts mede. Toen reed weg Ulfijn en Bretel Geheel hun weg, dat weet ik wel, En lieten die ridders liggen daar. Ze gingen schimpende en zonder gevaar, 11925 En haastte zich niet zeer. Nu hadden de andere schade meer, En de vier gezellen die daar bleven, Ik zeg het u dat ze rouw bedreven, En waren boos en erg droevig; 11930 Ze zagen niet goed hun behoefte, Ze zwoeren ze wilden dat wreken nu, “Bleef het ongewroken, zeg ik u, We kregen dus nimmermeer eer”. Toen namen twee daar elk hun speer, 11935 En reden toen tot de anderen weer Wat lopen mocht hun paarden, En riepen van verre daar: “Ge moet hier nu betalen, te waar, En ge zal het bekopen, zeggen wij u, 11940 Dat ge onze gezellen nu Gewond hebt en afgestoken. Toen Ulfijn dit hoorde, begon hij te drillen Zijn speer en keerde zich daar; En Bretel, zijn gezel, daarnaar 11945 Keerde zich ook met snelle vaart, Wat lopen mocht zijn paard; Ze reden op de anderen alzo, Zodat hun schilden braken toen, En dat het ijzer er doorwoedde 11950 En op het harnas weerstond Maar ze moesten het zadel ruimen En van het paard neder tuimelen; Maar ze braken beide hun speren wel Op Ulfijn en op Bretel, 11955 En de ene brak de arm ter plaatse, En de andere de schenkel mede. Echt reden ze toen hun pas Hun weg verder na dat Met gemak te Bonewick waart. 132 11960 Nu waren de ander zeer bang, Die daar bleven waren er maar twee Nochtans zeiden ze, dat ze nimmermeer Blij waren, ze zouden ze wreken Diegene die af waren gestoken, 11965 En sommige dood en sommige gewond. Ze bereiden hen terstond En namen de speer in de hand, En kwamen zeer naar hen gerend, En riepen van verre zeer daar. 11970 Die boden lieten hen daarnaar Of ze hen niet hoorden, en reden nu In een dal, dat zeg ik u, Alsof ze dus niet wilden wachten; Die anderen riepen zeer en zeiden: 11975 “Gij schalken kwaad en ook fel, Onze gezellen worden gewroken snel, Ge laat hier dat lijf nu ten tijden, Gij mag ons niet ontkomen; Bange schalken, nu draai om u!” 11980 Toen antwoordde hem Bretel nu: “Al zijn we bang, nochtans zal ge Ons hier beproeven eer dat gij Van hier ons zal ontkomen”. Toen keerden ze hun paard beide ten tijden, 11985 En reden met speren derwaarts; Bretel reed voor met sterke vaart, Op diegene, die voor was daar, En Ulfijn reed op de andere daarnaar Die van de taal lachte en was blijde, 11990 Die zijn gezel gezegd had ten tijde. En die ridders braken beide Hun speren, daar ik nu van zei, Op Ulfijn en op Bretel; Maar ze raakten hen weer zo goed. 11995 Dat ze hen staken terzelfder uur Met de speren de schouders door, Zodat men dat ijzer zag aan de andere zijde; Ze vielen van de paarden droevig. Toen zei Bretel dit woord: 12000 “Gij heren, deze tol die u toe behoort, Hebben we u nog niet betaald, Dat is goed, dat ge uw gezellen haalt, En vraag of ze dus hebben hun deel; Ge hebt de uwe nu geheel, 12005 En wil ge dus meer, we geven dat u, We willen niet, dat ge nu Ons beklaagt over uw tol, We geven u de beurzen vol, Zodat gij ze niet kan weg brengen”. 12010 Ulfijn lachte van deze dingen, Zodat hij bijna gevallen was Van zijn paard, en na dat Reden ze hun weg daar; Zo reden ze zodat ze daarnaar 12015 Te Bonewick kwamen ten stonden, Daar ze erg veel lieden vonden; Ze reden vast ter burcht waart. Toen ze daar kwamen stegen ze af vaart En gaven hun paarden te houden daarnaar 12020 Aan een schildknecht, die ze daar Brachten met hem zonder meer; Ze deden hun helm af ook eerder En hun zwaard en schild alzo wel, Eer ze gingen in de zaal; 12025 En toen ze in de zaal kwamen, Vroegen ze om de koning tezamen Van Bonewick en van Gannes, En men ze hen wees naar dit. Dus waren ze blijde, weet voorwaar, 12030 Omdat ze hen tezamen vonden daar, En wachtten dat ze er uit zouden komen. Dit heeft daar een ridder vernomen, Die een erg wijs man was En goed en hoog, wees zeker dat, 12035 En heet Lionze van Parne mede; Hij bracht met hem daar ter plaatse Een wijze ridder, heet Pharien; Deze kwamen de boden bezien En vroeg hen waarvan ze waren; 12040 De boden antwoordden hem daarna: “Gij heren, ge zal het weten gelijk, Als we onze boodschap hebben gedaan Aan deze twee koningen fier”. Zo begonnen ze op te merken hier 12045 En herkende ze. Toen maakten ze Groot feest, ik zeg het u: Ze hadden ze van lange tijd herkend, En de ene de andere zeer bemint. Toen ze hen zeer hadden aldaar 133 12050 Goed ontvangen, toen vroegen ze daarnaar. Of ze de twee koningen graag spraken? Toen zeiden ze waarom “en om die zaken Zijn we gekomen hier in dit land”. Toen namen ze hen beide bij de hand, 12055 En leiden ze in de kamer daarnaast Daar de koningen beide in waren; En toen de koningen hadden vernomen, Zijn ze beide bij hen gekomen; Want ze wisten wel te voren, 12060 Dat ze nieuws zouden horen; En Leontes zei ook de koning nu Wie ze waren, dat zeg ik u, En dat ze hen spreken zouden. Toen ze dit hoorden, alzo te houden 12065 Liepen ze tot hen daarnaar, En namen ze in hun armen daar, En zeiden ze welkom te wezen; Ze lieten ze zitten gaan na deze Op een stoel (legerstede) bij hen, zonder waan, 12070 En vroegen naar hun boodschap gelijk, Daar ze nu om zijn gekomen bloot, “Want het is niet zonder doel groot Dat ge hierom gekomen bent”. Toen vroegen verder ter tijd 12075 De twee koningen, of die Britten Niet hebben nog naar hun doen Enige koning tot hun wil; Want ze wisten wel, luid en stil, Van het zwaard, dat stak in een steen 12080 En die dat uittrok overeen Dat hij hun koning zou wezen. Toen zeiden ze hen na deze Van het begin alle dingen, Hoe dat de zes koningen 12085 Zich verzetten tegen Arthur mede, En dat wonder dat Merlijn deed, En de grote dapperheid, zonder waan, Die Arthur zelf had gedaan. Toen zeiden ze hun boodschap daarnaar 12090 Dat koning Arthur openbaar Om hen heeft gezonden nu: “Bij Merlijns raad, zeggen we u, Dat ge tot zijn hof zal komen, Want dat zal u zeer baten; 12095 Hij wil u spreken om doel groot. Nu neemt tezamen uw verwant En laat ons uw antwoord weten gelijk; Want ge mag niet letten, zonder waan; De tijd is kort, dat zeker is”. 12100 De koningen antwoordden toen ter tijd: “Wij hebben oorlog gehad groot, Dat ons de koning Claudas doet, En we hebben angst, gaan we met u, Dat koning Claudas zou nu 12105 In ons land trekken daarna Wist hij dat we hier niet waren, En zou ons grote schade doen dan”. De boden zeiden: “bij Sint Johannes, Merlijn ontbied u, ontzie u niet, 12110 Dat u nimmermeer schade geschiedt, Zolang als ge in de dienst bent Van koning Arthur nu ter tijd”. Toen dit de twee koningen hoorden, Had het hen verwonderd van de woorden, 12115 Dat Merlijn zou weten alle dingen, Die zouden geschieden bijzonderling; En op deze voorwaarden beloofden ze daar Op de derde dag te vertrekken daarnaar. De boden bedankten hen zeer nu. 12120 Men liet ze ontwapenen, zeg ik u, En hun paarden ook wel te gemak. Koning Ban sprak na deze zaken, Hij wilde niet, dat ze ergens waren, Te herberg dan met hem, te waren; 12125 Hun wapens en hun schilden beide Werden zeer bezien ter plaatse; En hun speren die bebloed waren, Die twee schildknapen hielden, te waren, Daar de ene van zei: “deze twee boden, 12130 Lijkt me, hebben geweest in noden, Ze hebben niet gezeten stil Voor een kamer tot hun wil, Want hun schilden en hun speren Zijn zo bebloed in het verweer”. 12135 Toen vroeg hen de koningen daar, En bezwoeren ze met eed zwaar, Dat ze hen zouden zeggen het fijne, Waarvan hun schilden bebloed zijn. Toen vertelden ze alle dingen tezamen: 134 12140 Hoe op hen zeven ridders kwamen, Die ze aanvielen; toen vertelden ze voort Gelijk ge voor al hebt gehoord, Ze lieten ze dat hier geheel nu verstaan. Toen zeiden de twee koningen gelijk: 12145 “Bij mijn trouw, gij bent het wel waard, Dat ge draagt schild en zwaard, Dat ge u behoedt zo goed Van zeven ondeugdelijke ridders fel”. Men prees hen toen zeer in het hof 12150 En gaf hen daar grote lof; Ze werden aangewezen van menigeen daar. De koning deed ze wel daarnaar Te gemak van alle dingen, Dat ze begeerden bijzonderling, 12155 Van eten en van drinken mede; Men deed hen grote eer naar de zede. Die koning onthaalde ze toen zekerlijk Die drie dagen toen erg eerlijk, Want ze konden dat erg goed. 12160 Daar werd bediend in de zaal Wel al diegenen die daar waren; Men wilde daartegen niemand sparen. Leonse van Parne en Pharein, Die daar bijeen gezeten zijn, 12165 Deden de boden grote eer nu; Want hier vroeger, zeg ik u, Hadden ze hen dat vaak gedaan In groot Brittannië, zonder waan, Bij Uitr-Pandragoen allemaal, 12170 Die was dus koning Arthurs vader. En de derde dag ook daarnaar Bereidden zich de twee koningen daar Tot Arthurs hof waart te varen; Ze ontboden Leonse van Parne, 12175 Die hun beider verwant was, En Pharein ook, en ook nadat De drost van Bonewick En die van Parne desgelijks, En bevalen hen aan hun land, 12180 En zeiden hen mede daar gelijk Dat ze hen hulp zenden zouden, Hadden ze dat nodig, als ze wilden, “Want we weten niet na dit, Wat ons daar te gebeuren is”. 12185 Hij liet zien Leonse een ring daar: “Dit teken”, zei hij daarnaar, “Als we dit hier zenden u nu, Zendt ons dan hulp bidden we u, Alzo veel als we nodig hebben; 12190 En als ge ziet de bode koen Met deze ring, beloof hem daar Alles dat hij u zal zeggen daarnaar”. Bij deze raad was niemand met hen Dan Leonse van Parne 12195 En Pharen, zal ge verstaan. Toen hun voorbereiding geheel was gedaan, Vertrokken ze en voeren over de zee, De wind deed hen geen wee, En reden over dezelfde daarnaar. 12200 Nu zwijgt hier het avontuur, En zal zeggen van Arthur na dit, Die te Londen nog gebleven is. |
Hoe die koninck Artur den koninck Ban ontfinck, ende van enen tornoye. Hier zegget die historie twaren: Doe Ulfijn ende Bretel gesceden waren 12205 Van den koninge Artuer, Doe dade die koninck terselver uer Sine borge ende sine stede nu Mannen ende spisen, seggic iu, Ende besorgen met allen dingen 12210 By Merlijns rade sonderlinge, Want hi wiste die waerheit al Van den lieden groet ende smal, Entie koninck getrouwede oec wel Merline bet dan ieman el. 12215 Doe dese dinck al was gedaen, Quam Merlijn toten koninge saen Ende zeide: “heer koninck, iu boden snel Hebben iu boetscap gedaen wel, Entie koninge alle, heb ic vernomen, 12220 Sijn nu in die zee gekomen; Nu gereidet daertoe”, zeide Merlijn, “Dat gy dese heren, die so edel zijn, Al zijn zi uwe, hier wel ontfaet, Want wetet dat wel ende verstaet: 12225 Si zijn edeler vele nu ter tijt 135 Ende haer wijf, dan gy zijt”. Doe zeide die koninck: “Merlijn, ic bid iu Dat gy ons wyset ende leret nu, Want gy konnet dat bet dan ienech baroen 12230 Ende al dat gy my heet, sal ic doen”. Doe zeide Merlijn tot hem na dat: “Gy zult al die straten van der stat, Al daer si komen zullen, verdecken doen, Ende vrouwen ende joncvrouwen ende baroen 12235 Ende selve mede jegen varen Met groter geselscap souder sparen, Blidelike ende versiert wale”. Doe vragede hine, na deser tale: “Welke tijt zullensi komen, Merlijn?” 12240 “In Sondage, here, sonder fijn, Te primetijt, heb ick verstaen”. Doe zeide die koninck Artur saen: “Ick sal hieraf doen al uwen wille, Van al dat gy segget, lude ende stille”. 12245 Ende Merlijn leerde hem daernaer, Wat hi laten ende doen zoude daer, Ende zeggen vor die grote heren, Daer hi mede blive in siner eren. Nu es die Zondach voert gekomen; 12250 Die koninck Artur hevet met hem genomen Den aertsebiscop Brixes Ende grote geselscap, ende es na des Met groter processien jegen hem gevaren Ende hevet hem ontmoet, ende daer nare 12255 Als die een den ander hevet gesien, Voeren si te samene mettien, Ende onderhelseden hem blidelike Metten armen vriendelike, Ende onderkusten hem na dat, 12260 Ende voeren te samen in die stat. Daer gaf die koninck Artur gave groet, Cleder, paerde, orse, gout roet, Gelijck hem Merlijn leerde eer; Hierby wart hi gemint so seer 12265 Met riken ende met armen vorwaer; Ende menegen wonderde oec daernaer, Wanen hem komen mochte dat goet, Dat hi so mildelike geven doet. Dus track hi aen hem al die vroede 12270 Met hovescheit ende met sinen goede, Datsi hem hulde zwoeren daer Ende nembermeer begaven daernaer. Doe die koninge quamen in die stat, Ginck men dansen ende reyen nadat, 12275 Die vrouwen entie joncfrouwen mede; Entie koninge, ridders, na haren zede, Joesteerden ene lange tijt. Daer was vroude ende groet jolijt, Al toter Vespertijt in der stede; 12280 Die straten waren verdecket mede Met sydenen clederen; weet vorwaer, Het was scoen weder ende claer, Want die winter [en] was noch niet komen Ende daer te voren, heb ick vernomen, 12285 En haddet in langen tyden geregent echt, Des waren die straten droge ende slecht, Ende met biesen bestroyet oek me Daer was wiroeck ende oeck aloe Ontsteken daer te meneger stat; 12290 So goeden roke gaf nu dat, Dat men dat roeck ter wile Van daer over ene halve mile. Aldus reden die koninge daer Toter hoger kerken daernaer, 12295 Daer die processie jegen hem quam Met sange, als ick dat vernam, Van Gode ende van Onser Vrouwen; Optien dach dade daer met trouwen Misse die aertsbiscop Brixes; 12300 Ende als die misse gesongen es, Ganck men daer ter hoger sale, Daer was dat geordineert wale. Die drie koninge ende Brixes mede Saten ter tafelen, na der zede, 12305 Ende Antor die den koninck Artuer Opgehouden hadde toter uer. Daer diende Keye, die drossate, zeggic iu, Ende twe niewe ridders mede nu Die des borchgraven kinder waren 12310 Van Cardoel in Gales, twaren; Die ene was geheten Lucanas Ende Cornus sone, alse ict las, Die wyse, entie ander met Was geheten oec Griflet, 12315 Ende Doys hiet sijn vader met, 136 Ende hadde forestier gewesen, dat wet, Met Uter-Pandragoen, Arturs vader; Dese dienden daer nu beide gader, Ende Ulfijn ende Bretel, seggic iu, 12320 Dese vier dienden met Keyen nu. Dus wart daer gedient in der sale Van menegen gerechte eerlick ende wale; Na den etene wart gerechtet ten tyden Ene quinteine daer men op soude ryden, 12325 Die jonge ridders, ende borderen. Doe liet men enen tornoy creyeren, Ende ginck delen die ridders ten tyden; Daer was er sevenhondert in elker siden Ende drie hondert, hebbick vernomen, 12330 Metten tween koningen gekomen. Ende doe die tornoy vergaderen zoude, Doe nam die koninck Artur also houde Die twe koninge metter hant, Ende leidese in ene kamer te hant, 12335 Ende een clerck ginck mede na das Die der tweer koninge broeder was, Entie meer conste konde van astronomien Ende oec by gerechter clergien, Dan ienich man die levede doe, 12340 Sonder Merlijn; mer wetet alsoe: Merlijn en konde by gener clergien niet. Maer by siner naturen, als men siet. Dese drie dade die koninck Artur mettien Ten verster liggen ende wtwaert zien, 12345 Want die tornoy daer onder es. Daer was oec die biscop Brixes, Ende Antor. Deze lagen, zeggic iu, Ten vensteren ende sagen wtwaert nu, Daer die tornoy vergaderde al. 12350 Daer wart geruchte ende groet gescal Onder den ridderen in ‘t vergaderen daer. Een ionck ridder sloech wt daer naer Met sporen buyten den andren nu; Griflet hiet dese, seggic iu, 12355 Ende was van Cardoel geboren. Sijn vader hiet Doys, alse wy dat horen; Hi sat op een dapper ors Lybaert, Ende jegen hem quam met snelre vaert Een ridder, die van Bonewick was, 12360 Ende was geheten Ladinas, Ende hiet een vrome ridder in zijn lant. Si ondersagen hem doe te hant, Si namen die speer onder den arm, Ende lieten lopen also warm; 12365 Si hadden die scilde om den hals Die orse makeden groet gemals, Dat doende sere daer zi liepen nu; Ende elc zoude gerne, zeggic iu, Prijs beiagen van hen beiden. 12370 Si quamen daer te samene gereiden Metten speren, die scerp waren; Die ene stac ten ander, twaren, Dat die yser dor die scilde braken Ende optie halsberge dor staken, 12375 Die herde vast waren ende goet, Daer dat yser op wederstoet; Maer die spere braken ontwe An zeven sticken ende oec mee, Ende si scutten ende quamen tsamen 12380 Metten paerden ende metten lichamen, So sere, dat hem dochte daernaer Dat hem die ogen vergingen daer; Entie orse storten ter aerden nu Ende vielen op hem, dat zeggic iu, 12385 Ende lagen daer lange sonder spreken, Dat hem die herten dochte breken; Ende die se sagen zeiden al bloet, Datsi beide waren doet; Oec zeidensi alle diet zagen daer, 12390 Si en zagen noit ioeste zo swaer. Doe sloegen zi an beiden zyden derwaert Elck den zinen helpen ter vaert, Doe wart daer onder hen, zeggic iu, Menech sper tebroken nu; 12395 Al die tornoy vergaderde daer saen, Daer wart menech scone ioest gedaen Ende menech sper tebroken mede; Alsi ontwe waren, trocken si ter stede Haer swaert, ende gingen daermede houwen. 12400 Daer wart menech sere te blouwen. Daer was een ridder die Lucas hiet, Die bottelgier, die menegen verdriet Met wapenen dade in den tornoy, Cranker vore hadde hem boy; 12405 Hi was Grifletes neve mede 137 Die daer grote ioeste dede, Lucas sloech daer man ende paert; Wat hi gerakede, moeste ter vaert Die aerde soecken, seggic iu; 12410 Dese wrachte groet wonder nu: Hi sloech hem af helm ende scilde Wie dat tegen hem comen wilde Die moeste verliesen ember iet, Te wonderne daer menech besiet 12415 Die slage die daer sloech Lucam. Sterck was die tornoy, als ick vernam, Rechte bi der sale ende goet By ener reviere, die daer stoet, Ende heet die Teemse, zeggic iu; 12420 Daer was onder hem groet gehu, Die ene iagede hier, die ander daer; Daer stont die tornoy lange vorwaer Dat men niet konde weten by enen eye, Wie dat best hadde van den torneye. 12425 Ende binnen desen sijn verkomen Die twe ridders, ende hebben genomen Haer orse ende zijn gerosteert weder, Die daer so lange lagen neder, Ende zijn in den tornoy gereden; 12430 Ende Griflet begonde nu ter steden Met wapenen te wreken so vele, Ende Lucas, zijn neve, dat wten spele Die van Bonewick moesten gaen, Want si moesten rumen saen 12435 Den plaen; doe quamen si na des Vierhondert ridders van Logres Ende holpen die van Bonewick, Ende bander side quam daer oec zekerlick Vierhondert, die alle nu te samen 12440 Die ene tegen die ander quamen; Die ene stack op den ander daer Ende braken haer speer, ende daernaer Trocken si haer zwaerde saen Ende gingen hem daeronder slaen. 12445 Daer was die tornoy so lange durende Ende ember te meer scurende; Daer wart gedaen menech gemoet In beiden syden sterck ende goet. Daer waren ionge ridders vrome seer 12450 Die vele pijnden ombe die eer. Maer boven hem allen, ick wil gy dat wet, Dade dat Lucas best ende Griflet. Ende doe die none was geleden Quam Keye versch ingereden: 12455 Hi hadde onledich geweest nu, Dat hi niet en konde komen, seggic iu; Hi quam zelf zeste ten tornoye daer Wel gewapent, wet vorwaer; Scilt ombe hals, speer in hant 12460 Quamensi in den tornoy gerant, Ende Keye sloech in haer gemoet Als een valke onder vogelen doet; Elck velder twe ter aerden daer, Eer die speren braken daernaer; 12465 Ende als die speren ontwe waren, Trocken zi haer zwaerde daernare, Ende gingen houwen ende slaen, Ende hebben daer so vele gedaen Dat zise pryseden sere diet sagen; 12470 Daer en dedet in al den dagen Nieman so wael alse Keye dede; Wat zoudic maken groet onlede, Keye hadde den prijs alhier, Ende Lucas, die bottelgier, 12475 Ende Griflet, ende de Bloy Guinas, Ende van der roetsen Maras, Ende van den wilden foreste Tirant, Ende die amoroise Bliant. Dese achte ridders hadden den prijs 12480 Van dier syden in alre wijs. Bander syden dadet wel Ladinas, Die van koninck Bannes partie was, Ende Mores, ende van Trebe Gandijn Ende Gracian, die borchgrave fijn 12485 Ende Blios van den Kase na des, Ende van Deserte Bliobleres; Dit was sijn toename dor das Ombedat hi van daer geboren was; Maer doe dat orloge ierstwerf began 12490 Tuschen Claudas enten koninck Ban, Quam hi te Bonewick in den done Want hi was koninck Bannes sustersone, Entie koninck Ban haddese gegeven Enen hogen manne, alst es bescreven, 12495 Van Deserte, dat nu heet Berri; 138 Ende dit dade, ick segge iu, hi Ombe ene sine suster, lude ende stille, Die hi so lange hilt tsinen wille, Dat hi daer een kint an wan, 12500 Daer si af starf, ende voertan Swiget dit boeck daer nu af mede; Maer als dat tijt es ende oec stede, Sal men noemen wael dit kint, Want groet ridderscap dadet sint; 12505 Maer dit boeck zwiget van al desen, Ende zal voert van den tornoye lesen Ende van dengenen die hadden den prijs: Daer dadet wael Blioblerys, Daer ick af sprac nu ter stonde, 12510 Ende Madanis die blonde Ende de Bloys Meliades Ende die grote Placides Ende Plantalis de Crea Ende Jeeries ende daerna 12515 Cristofles van der valeyen. Dese waren van koninck Bans pertyen, Ende Eggelijn van den dale Calogrinas van Gorre, also wale, Ende Crifalus ende Elias; 12520 Dese zestiene, zijt zeker das, Dadent so wtermaten wale, Datsi die ander wten dale Ende van den plane hadden gedreven Daer die tornoy begonde neven. 12525 Si daden den andren grote porse, Si velleden daer vele van den orse; Want die achte gesellen, daer ic iu Hiervor af zeide, si waren nu Wtgereden ombe haer helme aldaer 12530 Versettene; want wet vorwaer, Dat zi waren al dorhouwen. Ende doe diegene nu aenscouwen, Dat die hare achter gingen Waren si erre van dien dingen, 12535 Ende namen stercke speer ende groet, Ende reden daer in dat conroet, Daer die vergaderinge ten meesten was; Ende Keye, die drossate, sijt seker das, Hi reet vor alle die ander daer, 12540 Hi was stout ende wael staende vorwaer, Ende een herde goet ridder mede Verloes daer mede in elke stede, Ende in sine geselscap, wet vorwaer, En woude nieman komen daernaer, 12545 Daer si sochten aventuren, Die des ontgaen mochten ter uren, Wantsi duchten sine tonge seer, Datsi daeraf mochten hebben onneer. Entie quade zede, zonder waen, 12550 Die Keye, die drossate, hadde ontfaen, Haddi van siner voedmoeder nu, Diene zogede, dat seggic iu; Want sijn vader een goet man was, Ende sijn moeder, zijt zeker das, 12555 Was ene herde goede vrouwe Ende herde hovesch ende getrouwe, Ende herde mylde oec mede Luttel sprekende teneger stede; Dus en was hi na hem niet sint, 12560 Maer elc geselle, diene wael kint Ende sine zede wiste wale, En hielden niet van sijnre tale; Want men hem dicke seggen hoerde Dat hi geen arch en hadde in die woerde 12565 Ende in sine tale was oec mede Dicwile grote spellechede, Daer die liede ombe loechen seer; Oec segget dat boeck van hem noch meer Dat hi was in wandelingen 12570 Der bester een in allen dingen. Dit waren meest Keyen manieren. Nu es hi komen, daer hi tornieren Soude, als ic iu seide hier voren; Hi sloech sijn ors metten sporen, 12575 Ende ontmoete doe Ladinas, Die dat herde wel dade vore das, Ende pijnde hem sere achter te doene Die van Logres, sterck ende koene; Ende Keye hadde sijn speer gerecht 12580 Ende quam op hem geslagen slecht, Ende stacken opten scilt daernaer, Dat sijn speer wederstont aldaer; Opten halsberch, die goet was, Dat ter aerden vil Ladinas; 12585 Ende met derselver ioesten mede 139 Gerakede hi daer, terselver stede, Graciane van Trebes, Dat hi sijn ors ruemde na des Ende ter aerden vallen moeste 12590 Van den paerde, ter eerster ioeste. Doe track hi zijn swaert ende riep daer Clarence sere al openbaer; Dat was koninck Arturs teken doe; Ende doe dit diegene sagen alsoe, 12595 Die ierstwerf tachter hadden gewesen, Datsi bescut waren van desen, Die zi meenden hebben gehat verloren Keerdensi weder sonder toren, Ende liepen sere op diegone ter steden 12600 Die se te voren so onderdeden, Ende dadent also wel doe, sonder waen, Alsijt in dien dage hadden gedaen. Die ioeste, die Keye nu daer dede, Sach koninck Ban ende co. Bohort mede, 12605 Ende die koninck Artur al te gader, Ende Antor mede, Keyen vader; Dese gaven Keyen prijs groet, Ende zeiden hi waer een ridder goet Ende een stout ende oec koene. 12610 Ende alse Lucas sach van desen doene, Dat Keye daer so wel dede, Voer hi hem te helpen mede; Hi horte sijn ors met sporen daer, Ende reet in den tornoy daernaer, 12615 Daer die strijt alremeest was; Daer hi quam ridende in den tas, Stack hi Bliose van Case daer So sere opten scilt vorwaer, Dat hine daer ter aerden stack, 12620 Sodat die speer ontwe brack. Doe track hi sijn swaert ter stede, Daer hi wonder mede dede; Hi sloech daer slage herde groet. Wie dat quam in zijn gemoet, 12625 Hi moeste lytteken van hem dragen Eer hi ontginck sinen slagen. Die dat zagen prysedene daer, Doe wart die tornoy herde swaer Eer men die drie konde bescudden; 12630 Si quamen toe met groten kudden, Ombe hem te helpene die daer lagen, Daer moesten si menegen slach verdragen, Eersise geredden konden. Doe quam Griflet te dien stonden 12835 Ende sach waer Keye hadde gestaen, Bliobleris ende met hem saen Twe van sinen gesellen goet, Ende daden Keyen grote noet; Want Keye was allene ten tyden, 12640 Ende si die beste van horen syden, Ende Placidas nam hem metten helme daer, Ende dadene sere nicken daernaer Tot op sines paerdes hals gedweet. Doe Griflet dit sach, horte hi gereet 12645 Sijn ors voert ende stack Blioberise, Ende ridder van hogen pryse, Metten spere, dat zijn scilt Ontwe brack, ochtet waer een vilt; Dus stack hi hem daer, in die porse, 12650 Dat hi vil van sinen orse, Ende sijn speer brack ter steden. Hi toech sijn swaert ende sloech daermede Placidase opten helm alsoe, Dat hi opten orse boech doe, 12655 Ende hi sloechen ende wedersloech, Ende dade hem sulck ongevoech, Dat hi van den orse vil neder. Doe verhief hem daer Keye weder, Ende rechte hem op ende sach daernaer 12660 Wiene so wael bescudde aldaer. Doe sach hi wael dattet Griflet was, Doe dachte hi in sinen moede na das, Dat hijt hem hoechlick zoude lonen, Dat hine bescudde van dengonen, 12665 Alse hi des stade hadde ende macht. Dus es Keye wter noet gebracht. Ende en gevil niet lank daernaer, Hi en loende Griflete dit vorwaer, Alse ons dit boeck wael sal tellen; 12670 Ende ombe dit so wordensi gesellen, Ende wart deen den ander also kinnende Ende namaels herde sere mynnende, Ende bleven gesellen al hoer leven Sonder nembermeer begeven. 12675 Alse Griflet Keyen bescut hadde hier 140 Sach Keye vor hem den ridder fier Sere varende, die hem groten pant Hadde gedaen aldaer te hant; Hi liep hem op met moede groet, 12680 Ende sloechen daer hi vor hem stoet Met sinen swaerde opten helm aldaer, Dat men sach dat vier daernaer Wten helme springen hoe Tote in die lucht, ende daertoe 12685 Sloech hine van den helme mede Een groet sticke daer ter stede; En hadde hi dat zwaert niet verkeert nu, Hi haddene dodet, zeggic iu, Of vermincket, dat wetic wel, 12690 Want die slach was groet ende fel, Dat hi neder op die scouder ginck Ende dorsneet den halsberch na die dinck Enten oert van den scilde mede, Dattet swaert wederstont gerede 12695 Op dat grote been van den arme daer; Ende diegene vil daer vorwaer Sere bloedende ter aerden neder. Doe wart daer geruchte voert ende weder Onder sine gesellen herde groet; 12700 Want zi meenden dat hi doet Hadde geweest diene vallen sagen. Doe quamen zine gesellen toeiagen Ombe hem te bescuddene daernaer; Ende Keyen gesellen quamen oec daer. 12705 Doe began daer die tornoy groet, Ende anxtelike was daer die noet Dengenen, die lagen onder voet; Want die tornoy boven hem stoet Lange stont; des waren si 12710 Jammerlike vertreden daerby Ende geslagen, ende geaffoleert daer, Eer zi worden gereddet vorwaer. Entie achte gesellen, als wy dat horen, Die ons dat boeck noemde te voren, 12715 Doe zi zagen die grote vergaderinge, Voeren zi derwaert sonderlinge; Dit zullensi achte doen becopen nu Dien si daer ontmoeten, seggic iu, Want zi stakense van den paerden 12720 Ende dadense tumelen daer ter aerden Nochtan warent die beste bander side. Si begonden nu te desen tyde Te slane, te houwene nu meer, Dat des hem allen wonderde seer, 12725 Dat so luttel goede liede daeran Streden op so menegen man. Dus wart daer vergadert die tornoy al Van beiden syden, groet ende smal, Ende daer was met wapine vele gedaen. 12730 Dus duerde hi daer wel, sonder waen, Tote vespertijt even sterck Onder die sale in enen perck. Die drie koninge, die in der sale Lagen, ende al dat zagen wale, 12735 Gingen doe nederwaert, sonder sparen, Ende al die met hem daer waren, Ende saten op haer paert gemene Ende reden haestelike totten pleine, Daer die tornoy was sterk ende groet, 12740 Si sagen daer, dat elck hoep Hem tegader hilt so vaste Datse niet van enen baste En konden gesien op dat sant, Welck daer hadde die overhant. 12745 Ombedit sceden die drie koninge daer Den tornoy, ende zeiden daernaer Dat waer wel tijt ende mate Dat men dat tornieren late. Doe scede die tornoy alsoe, 12750 Ende elck voer tsiner herbergen toe, Ende daden hem te gemake saen. Si waren moede, sonder waen, Entes en was geen wonder groet, Want sulck was daer in groter noet, 12755 Eer hi wten tornoye quam, Van quetsinge dat hi daer nam. Aldus es die tornoy gesceden daer, Entie koninge reden daernaer Te vesper; ende also saen 12760 Als die Vesper was gedaen, Voeren si doe te hovewaert, Daer men eten ginck ter vaert, Ende over der tafelen vragedensi Wie van den tornoy die vromeste sy; 12765 Daer wasser gevonden an Arturs syden 141 Achte die waren te dien tyden, Gepryset vrome ende koene mede, Daer elck met wapine wonder af dede. Hieraf hilden si lanck parlement 12770 Over etene doe wart gehent, Want men gaf Keyen den prijs Boven hem allen in alre wijs; Daerna Grifflette den ridder fier, Daerna Lucane, den bottelgier; 12775 Dese daden dat alrebest, zeggic iu. Daerna gingen die drie koninge nu Entie aertsbiscop ende Antor te hant Entie clerck Gwinebant, Der twe koninge broeder, volgede naer, 12780 Daer die koninck Artur vor ginck daer In enen torre scoen ende waert, Besyden daer ten boemgaerde waert Op die Teemse, ene grote rivier, Daer volgeden hem twe goede man scier, 12785 Die quaet waren achterbleven; Die koninck Artur ginck hem beneven. Dene was Bretel, dander Ulfijn. Die koninck sach op dese twe ridder fijn Ende begonste lachene seer, 12790 Want hem gedachte van wilen eer, Van dat hem Merlijn zeide twaren, Hoe dat si aen hem gerant waren, Daer si sine boetscap daden hiervoren In dat lant van Deserte, als gy moecht horen, 12795 Dat nu Berri geheten es, Doe si hem bescudden des, Daerse seven ridder bestonden mede. Die koninck beswoerse daer ter stede, Datsi hem vertellen souden daernare 12800 Hoe zi opten wege hadden gevaren. Doe Ulfijn ende Bretel hoerden die woert, Die ene sach opten ander voert, Ende begonsten lachene zeer; Doe seide Bretel: “koninck, heer, 12805 Gy wetet dat also wael alse wy Overmiddes Merlijn”, zeide hy, “Waertoe zouden wy iu dat seggen nu, En hevet dat niet diegene gesecht iu, Die also wel nu hieraf weet 12810 Van al deser dinck dat ondersceet, Alse wy doen?” Doe zeide aldaer Die koninck Ban ende vragede naer, Ende zeide: “here, nu secht my saen, Wie hevet iu dit doen verstaen?” 12815 Doe seide Artur: “Heer koninck, dat hevet My gesecht een die wiseste die levet”. Doe vrageden daer die koninck Ban, Waer nu waer die wyse man Ende hoe hy hiet; die koninck zeide: 12820 “Hy hetet Merlijn, na myner waerhede, Ende es in ener kameren ende rastet hem nu; Oec riet hi my dat ick sende omb iu”. Doe bat hem sere die koninck Ban, Ofte hy mochte spreken den wysen man, 12825 “Want ick hebbene begeert te ziene meer Dan enegen man die levet, Heer, Ombe dat wonder dat ick daeraf heb gehoert”. Artur zeide, hi soudene voert Doen komen, dat hine zoude zien; 12830 Doen sende hi Ulfine omb hem mettien. Ende doe Ulfijn was enwech gegaen, Quam Merlijn tegen hem saen; Doe leidine toten koninge daernaer. Merlijn vragede, waerombe hine ontbode daer; 12835 Dat wetic nu wel in mynen moet, Den koninck Ban haddes wonder groet, Dat hi dus wiste alle dinck. Doe zeide Merlijn toten koninck Vele dat hem gesciet was mede 12840 Ende van sinen wesene daer ter stede. Doe quam voert Gwinebant, Ende vragede Merline daer tehant, Hoe hi dit wiste zonderlinge, Hi vrageden herde menege dinge; 12845 Want hi was goet clerck ende wael geleert Ende in vele sciencien wael gefundeert; Ende Merlijn berechte hem, sonder sagen, Van al dat hi hem konde gevragen. Herde lange geduerde daer overeen 12850 Die dispitacie onder hem tween; Sodat Merlijn seide, in al zynen merck En sach hi noit so goeden clerck, Noch die so diepe sprac gerede, Noch Blasys, zijn meester, mede. 12855 Doe vragede Gwinebant, zeggic iu, Waerombe hine meester hete nu? Merlijn zeide: “ick heeten om desen 142 Meester, omdat hi hevet gewesen Miner moeder meester”. Doe zeide hi mede 12860 Den clerke algader sine kinthede, Gelijck dit boeck voersegget claer. Dus dispiteerdensi lange daer Met wijsheden ende met woerden, Dat diegene gerne hoerden, 12865 Die daer waren; ende na desen Lieten zijt dispiteren wesen, Ende worden grote vriende daer. Doe ginck Merlijn scire daernaer Daer die twe koninge waren, 12870 Ende zeide aldus te hem daernare: “Gy zijt goede liede ende getrouwe seer; Siet hier den koninck Artur, mijn heer, Die iu here soude wesen nu; Oec suldy beide, zeggic iu, 12875 Iu lant van hem houden voertan, Ende hi zoude iu oec vor alle man Bescudden, als gy des haddet te doene”. Doe zeiden daer beide die baroene: “Merlijn, nu tellet ons dan die dinck, 12880 Hoe Artur koninck wart ende krone ontfinck, Ende waerombe datten die baroene Wederzeiden in allen doene”. Doe tellede Merlijn algader daer Dat begin endet inde daernaer, 12885 Ende hoe hem die baroene saen Alle manscap daden, sonder waen, Ende hoe sine kroenden na das, Dat hem sint herde leet was; Ende hoe zi alle vergaderden mede 12890 Tote Karlion in die stede Te half Ogeste, ende hoe hi daer Hem alle gave gaf daernaer, Ende hoe zise wederseiden al bloet, Ende oec onwaert hadden groet, 12895 Dat een also clene man Over hem soude wesen koninck dan, Ende oec over een so groten rike; Want si meenden alle sekerlike Dat hi Antoers sone hadde gewesen. 12900 Doe vrageden die koninge na desen, Of hi wel seker wiste das, Dat hi Uter-Pandragoens sone was? Doe telde hi algader ende en lietes niet, Hoe die dinge waren gesciet; 12905 Entie aertsbiscop ende Ulfijn Seggen, dat dese dinge waer zijn. “Merlijn”, zeiden doe die baroen, “Gy sult ons nu enen eet doen, Dien wy iu seggen sullen, want wy 12910 Weten wel, dat omb negeen dinck gy Ons soudet liegen, al mochty winnen Een koninckryke daermede binnen”. Doe zeide Merlijn: “ick weet wel nu Wat gy nu wilt, dat zeggic iu: 12915 Gy wilt, dat ick iu sweer na des Dat ic iu zeide, of dat waer es”. Doe zegenden hem die koninge daer Van groten wonder, dat hi vorwaer Hare gedachten wiste also wale”. 12920 Doe zeide Merlijn na deser tale: “Gy heren, ic sal iu dat gerne sweren Morgen, en wildy des niet ontberen”, Dus scede daer dat Parlemint, Die Heren gingen slapen sint, 12925 Ende Merlijn ende Gwinebant Gingen in ene kamer te hant, Die hem sere onderminden nu; Si spraken te gader, seggic iu, Van menegen dingen, weet vorwaer. 12930 Merlijn leerde hem daernaer Menege scone dinck ende spel Dat die clerck onthilt doe wel. So vele leerdi hem in der nacht, Dat hi daer vele wonder mede wracht 12935 In grote Bertanien ende oec in dat clene, Dat daer grote tale af ginck gemene, Alse ons dat boeck hierna al, Alse dat tijt es, wael zeggen sal. Des morgens tijtlick es gegaen 12940 Merlijn, die koninge te weckene saen, Ende ontdade die venstere daer, Dat die claerheit inquame naer, Ombe datsi ontwaken souden daer mede, Ende zi stonden op daer ter stede, 12945 Ende gingen te misse eer iet lanck, Die hem die aertsbiscop sanck. In der kerken, doe die mysse was gedaen 143 Swoer daer Merlijn ten helegen saen, Dat die koninck Artur waer, God weet, 12950 Des koninck Uter-Pandragoens sone gereet. Ende dat hine gewonnen hadde mede An Ygernen terselver stede Op die nacht, doe des morgens doet Die hertoge bleef, wetet al bloet; 12955 Ende dat hi waer gerecht [heer] oec mede Van al den lande van Logres ter stede. Ende doe die koninge hoerden den eet, Dadensi daer manscap gereet Den koninck Artur getrouwelike, 12960 Ende hi ontfinck se herde hoveslike, Ende ondercusten hem oec mede. Die koninck Artur weende ter stede Van groter oetmoet, seggic iu; Daer was grote blyscap nu. 12965 Si gingen in die sael daernaer, Die tafelen waren gedecket daer; Men ginck eten daer gereet, Daer wart wael gedient, God weet, Van menegen gerechte vor die Heren 12970 Suverlike ende met groter eren. Als die tafelen waren opgedaen, Ginck elck, daer hi woude gaen; Dansen, reyen, ende ander spele Plach men daer ter feesten vele; 12975 Ende wat elck spelen woude daer, Des vant hi genoech vorwaer. Nu swiget daventure van desen, Ende sal voert van Merline lesen. |
Hoe koning Arthur koning Ban ontving en van een toernooi. Hier zegt die historie te waren: Toen Ulfijn en Bretel gescheiden waren 12205 Van koning Arthur, Toen deed de koning terzelfde uur Zijn burcht en zijn stede nu Bemannen en bevoorraden, zeg ik u, En bezorgen met alle dingen 12210 Bij Merlijns raad bijzonder, Want hij wist de waarheid al Van de lieden groot en smal, En de koning vertrouwde ook wel Merlijn beter dan iemand anders. 12215 Toen deze dingen allen waren gedaan, Kwam Merlijn tot de koning gelijk En zei: “heer koning, uw boden snel Hebben uw boodschap gedaan goed, En de koningen alle, heb ik vernomen, 12220 Zijn nu in de zee gekomen; Nu bereidt daartoe”, zei Merlijn, “Dat ge deze heren, die zo edel zijn, Al zijn ze de uwe, hier goed ontvangt, Want weet dat goed en versta : 12225 Ze zijn edeler veel nu ter tijd 135 En hun vrouwen, dan gij bent”. Toen zei de koning: “Merlijn, ik bid u Dat ge ons wijst en leert nu, Want ge kan dat beter dan enige baron 12230 En alles dat ge me zegt, zal ik doen”. Toen zei Merlijn tot hem na dat: “Ge zal alle straten van de stad, Al daar ze komen zullen, bedekken doen, En vrouwen en jonkvrouwen en baronnen 12235 En zelf tegemoet varen Met groot gezelschap zonder sparen, Blijde en versiert goed”. Toen vroeg hij hem, na deze taal: “Welke tijd zullen ze komen, Merlijn?” 12240 “Op zondag, heer, bijzonder fijn, Te priemtijd, heb ik verstaan”. Toen zei koning Arthur gelijk: “Ik zal hiervan doen al uw wil, Van al dat ge zegt, luid en stil”. 12245 En Merlijn leerde hem daarnaar, Wat hij laten en doen zou daar, En zeggen voor die grote heren, Daar hij mee blijft in zijn eer. Nu is de zondag voortgekomen; 12250 Koning Arthur heeft met hem genomen De aartsbisschop Brixes En groot gezelschap, en is na dit Met grote processie naar hen gegaan En heeft hen ontmoet, en daarna 12255 Toen de een de andere heeft gezien, Voeren ze tezamen meteen, En omhelsden hen blijde Met de armen vriendelijk, En kusten hen na dat, 12260 En voeren tezamen in die stad. Daar gaf koning Arthur gaven groot, Klederen, paarden, strijdpaarden, goud rood, Gelijk hem Merlijn leerde eerder; Hierbij werd hij bemind zo zeer 12265 Met rijken en met armen voorwaar; En menigeen verwonderde ook daarnaar, Waarvan hem komen mocht dat goed, Dat hij zo mild geven doet. Dus trok hij tot zich alle verstandige 12270 Met hoofsheid en met zijn goed, Zodat ze hem hulde zwoeren daar En nimmermeer begaven daarnaar. Toen de koningen kwamen in die stad, Ging men dansen en meidans nadat, 12275 Die vrouwen en de jonkvrouwen mede; En de koningen, ridders, naar hun zede, Speelden een lange tijd. Daar was vreugde en groot jolijt, Al tot de vespertijd in de stad; 12280 Die straten waren bedekt mede Met zijden klederen; weet voorwaar, Het was mooi weer en helder, Want de winter was nog niet gekomen En daar tevoren, heb ik vernomen, 12285 Had het in lange tijd geregend echt, Dus waren die straten droog en recht, En met biezen bestrooit ook mee Daar was wierook en ook Aloë Ontstoken daar in menige plaats; 12290 Zo’n goede reuk gaf nu dat, Dat men dat rook terwijl Van daaraf een halve mijl. Aldus reden de koningen daar Tot de hoge kerk daarnaar, 12295 Daar de processie hen tegen kwam Met zang, zoals ik dat vernam, Van God en van Onze Vrouw; Op die dag deed daar met trouw De mis de aartsbisschop Brixes; 12300 En toen de mis gezongen was, Ging men daar in een hoge zaal, Daar was dat geordend goed. De drie koningen en Brixes mede Zaten ter tafel, naar de zede, 12305 En Antor die koning Arthur Opgehouden had tot dat uur. Daar diende Keye, de drost, zeg ik u, En twee nieuwe ridders mede nu Die de kinderen van de burchtgraaf waren 12310 Van Caredol in Wales, te waren; Die ene was genoemd Lucanas En Cornus zoon, zoals ik het las, De wijze, en de ander mee Was geheten ook Griflet, 12315 En Doys heet zijn vader mee, 136 En was bosbeheerder geweest, dat weet, Bij Uitr-Pandragoen, Arthurs vader; Deze dienden daar nu beide tezamen, En Ulfijn en Bretel, zeg ik u, 12320 Deze vier dienden met Keye nu. Dus werd daar gediend in de zaal Van menig gerecht eerlijk en goed; Na het eten werd opgericht ten tijden Een draaibaar doel daar men op zou rijden, 12325 De jonge ridders, en staken. Toen liet men een toernooi krijten, En ging verdelen de ridders ten tijden; Daar waren er zevenhonderd aan elke zijde En drie honderd, heb ik vernomen, 12330 Met de twee koningen gekomen. En toen dat toernooi verzamelen zou, Toen nam koning Arthur alzo te houden Die twee koningen bij de hand, En leidde ze in een kamer gelijk, 12335 En een klerk ging mede na dat Die van de twee koningen broeder was, En die meer kunst kon van astronomie En ook van echte geestelijkheid, Dan enig man die leefde toen, 12340 Uitgezonderd Merlijn; meer weet alzo: Merlijn kon bij die geestelijkheid niet. Maar vanuit zijn natuur, zoals men ziet. Deze drie liet koning Arthur meteen Naar het venster gaan en naar buiten zien, 12345 Want het toernooi daar onder is. Daar was ook de bisschop Brixes, En Antor. Deze lagen, zeg ik u, Bij het venster en zagen naar buiten nu, Daar het toernooi verzamelde al. 12350 Daar was gerucht en groot geschal Onder de ridders in ‘t verzamelen daar. Een jonge ridder sloeg uit daarnaar Met sporen buiten de anderen nu; Griflet heet deze, zeg ik u, 12355 En was te Caredol geboren. Zijn vader heet Doys, zoals we dat horen; Hij zat op een dapper paard Lybaert, En tegen hem kwam met snelle vaart Een ridder, die van Bonewick was, 12360 En was geheten Ladinas, En heette een dappere ridder in zijn land. Ze bekeken elkaar toen gelijk, Ze namen de speer onder de arm, En lieten lopen alzo warm; 12365 Ze hadden de schilden om de hals Die paarden maakten grote drukte, Die lieten ze zeer daar lopen nu; En elk zou graag, zeg ik u, Prijs bejagen van hen beiden. 12370 Ze kwamen daar tezamen gereden Met de speren, die scherp waren; Die ene stak naar de andere, te waren, Zodat het ijzer door de schilden braken En de harnassen doorstaken, 12375 Die erg vast waren en goed, Daar dat ijzer op weerstond; Maar de speren braken stuk In zeven stukken en ook meer, En ze behoeden en kwamen tezamen 12380 Met de paarden en met de lichamen, Zo zeer, dat men dacht daarnaar Dat hen de ogen vergingen daar; En de paarden stortten ter aarde nu En vielen op hen, dat zeg ik u, 12385 En lagen daar lang zonder te spreken, Zodat hen het hart dacht te breken; En die ze zagen zeiden alle bloot, Dat ze beiden waren dood; Ook zeiden allen die het zagen daar, 12390 Ze zagen nooit een spel zo zwaar. Toen sloegen ze aan beiden kanten derwaarts Elk de zijne te helpen ter vaart, Toen werd daaronder hen, zeg ik u, Menige speer gebroken nu; 12395 Toen het toernooi zich verzamelde daar tezamen, Daar werd menig mooi spel gedaan En menig speer gebroken mede; Als ze stuk waren, trokken ze ter plaatse Hun zwaard, en gingen daarmee houwen. 12400 Daar werd menig zeer geslagen. Daar was een ridder die Lucas heet, De opperschenker, die menigeen verdriet Met wapens deed in het toernooi, Zwakker voor had zich geergerd; 12405 Hij was Griflets neef mede 137 Die daar groot spel deed, Lucas sloeg daar man en paard; Wat hij raakte, moest ter vaart De aarde zoeken, zeg ik u; 12410 Deze wrocht groot wonder nu: Hij sloeg hem af helm en schild Wie er tegen hem komen wilde Die moest verliezen immer iets, Verwonderde dat menigeen beziet 12415 De slagen die daar sloeg Lucas. Sterk was dat toernooi, zoals ik vernam, Recht bij de zaal en goed Bij een rivier, die daar stond, En heet Theems, zeg ik u; 12420 Daar was onder hen groot gehuil, De ene jaagde hier, de andere daar; Daar stond het toernooi lang voorwaar Dat men niet kon weten via het oog, Wie het beste had van het toernooi. 12425 En binnen deze zijn bijgekomen de twee ridders, en hebben genomen Hun paarden en zijn opgestegen weer, Die daar zo lang lagen neer, En zijn in het toernooi gereden; 12430 En Griflet begon nu ter plaatse Met wapens te wreken zo veel, En Lucas, zijn neef, zodat uit het spel Die van Bonewick moesten gaan, Want ze moesten ruimen gelijk 12435 De vlakte; toen kwamen na dit Vierhonderd ridders van Londen Hielpen die van Bonewick, En aan de andere zijde kwam daar ook zekerlijk Vierhonderd, die alle nu tezamen 12440 Die ene tegen de andere kwamen; Die ene stak op de andere daar En braken hun speer, en daarnaar Trokken ze hun zwaarden gelijk En gingen er daaronder slaan. 12445 Daarom was het dat het toernooi zo lang duurde En immer meer scheurde; Daar werd gedaan menige ontmoeting Aan beide zijden sterk en goed. Daar waren jonge ridders dapper zeer 12450 Die veel pijnigden om de eer. Maar boven hen allen, ik wil dat ge weet, Deed Lucas het beste en Griflet. En toen de noen was geleden Kwam Keye vers ingereden: 12455 Hij had niets gedaan tot nu, Omdat hij niet kon komen, zeg ik u; Hij kwam zelf met zes te toernooi daar Goed bewapent, weet voorwaar; Schild om hals, speer in hand 12460 Kwamen ze hij in het toernooi gerend, En Keye sloeg in hun gemoed Zoals een valk onder vogels doet; Elk velde er twee ter aarde daar, Eer de speren braken daarnaar; 12465 En toen de speren stuk waren, Trokken ze hun zwaarden daarnaar, En gingen houwen en slaan, En hebben daar zoveel gedaan Dat ze hen zeer prezen die het zagen; 12470 Daar deed het de hele dag Niemand zo goed zoals Keye deed; Wat zou ik maken groot verhaal, Keye had de prijs al hier, En Lucas, de opperschenker, 12475 En Griflet en Bloy Guinas, En van de rotsen Maras, En van het wilde bos Tirant, En de aangename Bliant. Deze acht ridders hadden de prijs 12480 Van hun zijde in alle wijs. Aan de andere kant zeiden dat het goed deden Ladinas, Die van koning Ban’s partij was, En Mores, en van Trebe Gandijn En Gracian, de burchtgraaf fijn 12485 En Blios van de Kase na dit, En van Deserte Bliobleres; Dit was zijn toenaam door dat Omdat hij daar geboren was; Maar toen de oorlog de eerste keer begon 12490 Tussen Claudas en koning Ban, Kwam hij te Bonewick in dit doen Want hij was koning Ban’s zusterzoon, En koning Ban had haar gegeven Een hoge man, zoals het is beschreven, 12495 Van Deserte, dat nu heet Berri; 138 En dit deed, ik zeg u, hij Vanwege zijn zuster, luid en stil, Die hij zo lang hield in zijn wil, Dat hij daar een kind van won, 12500 Daar ze van stierf, en voortaan Zwijgt dit boek daar nu van mede; Maar als het tijd is en ook plaats, Zal men wel noemen dit kind, Want grote ridderschap deed het sinds; 12505 Maar dit boek zwijgt van al deze, En zal verder van het toernooi lezen En van diegenen die hadden de prijs: Daar deed goed Blioblerys, Daar ik van sprak nu ter stonde, 12510 En Madanis de blonde En de Bloys Meliades En de grote Placides En Plandalis de Crea En Jeeries en daarna 12515 Cristofles van de valleien. Deze waren van koning Ban’s partijen, En Eggelijn van het dal Calogrinas van Gorre, alzo wel, En Crifalus en Elias; 12520 Deze zestien, zij het zeker das, Deden het zo buitengewoon goed, Dat ze de anderen uit het dal En van de vlakte hadden verdreven Daar het toernooi begon nevens. 12525 Ze deden de anderen grote steken, Ze velden daar veel van de paarden; Want de acht gezellen, daar ik u Hiervoor van zei, ze waren nu Uitgereden om hun helmen aldaar 12530 Te vermaken; want weet voorwaar, Dat ze waren geheel doorgehouwen. En toen diegene nu aanschouwden, Dat die van hun naar achter gingen Waren ze boos van die dingen, 12535 En namen sterke speren en groot, En reden daarin dat konvooi, Daar de verzameling op zijn grootst was; En Keye, de drost, zij het zeker dat, Hij reed voor alle anderen daar, 12540 Hij was dapper en stond goed voorwaar, En een erg goede ridder mede Verloor daarmee in elke plaats, En in zijn gezelschap, weet voorwaar, Wilde niemand komen daarnaar, 12545 Daar ze zochten avonturen, Die dus ontgaan mochten ter uren, Want ze duchten zijn tong zeer, Dat ze daarvan mochten hebben oneer. En de kwade zede, zonder waan, 12550 Die Keye, de drost, had ontvangen, Had van zijn voedstermoeder nu, Die hem zoogde, dat zeg ik u; Want zijn vader een goed man was, En zijn moeder, zij het zeker dat, 12555 Was een erg goede vrouw En erg hoofs en getrouw, En erg mild ook mede Weinig sprekende te eniger plaats; Dus leek hij niet op hen sinds, 12560 Maar elke gezel, die hem goed kent En zijn zede wist wel, Hield niet van zijn taal; Want men hem vaak zeggen hoorde Dat hij geen erg had in die woorden 12565 En in zijn taal was ook mede Vaak grote spelfouten, Daar de lieden om lachten zeer; Ook zegt dat boek van hem nog meer Dat hij was in wandelingen 12570 De beste een in alle dingen. Dit waren meest Keye’s manieren. Nu is hij gekomen, daar hij toernooien Zou, zoals ik u zei hier voren; Hij sloeg zijn paard met de sporen, 12575 En ontmoette toen Ladinas, Die dat erg goed deed voor dat, En dacht er zeer naar achter te doen Die van Londen, sterk en koen; En Keye had zijn speer gericht 12580 En kwam op hem geslagen recht, En stak hem op het schild daarnaar, Zodat zijn speer weerstond aldaar; Op het harnas, die goed was, Zodat ter aarde viel Ladinas; 12585 En met dezelfde steek mede 139 Raakte hij daar, terzelfder plaats, Graciane van Trebes, Zodat hij zijn paard ruimde na dit En ter aarde vallen moest 12590 Van het paarde, bij het eerste spel. Toen trok hij zijn zwaard en riep daar Clarence zeer openbaar; Dat was koning Arthurs teken toen; En toen dit diegene zagen alzo, 12595 Die de eerste keer ten achter waren geweest, Zodat ze beschut waren van deze, Die ze meenden hebben gehad verloren Keerden ze weer zonder toorn, En liepen zeer op diegene ter steden 12600 Die hen tevoren zo onderdeden, En deden het alzo goed toen, zonder waan, Zoals ze het in die dagen hadden gedaan. Het spel, dat Keye nu daar deed, Zag koning Ban en koning Bohort mede, 12605 En koning Arthur alle tezamen, En Antor mede, Keye’s vader; Deze gaven Keye prijs groot, En zeiden hij was een ridder goed En een dappere en ook koen. 12610 En toen Lucas zag van dit doen, Dat Keye daar zo goed deed, Ging hij hem helpen mede; Hij stootte zijn paard met sporen daar, En reed in het toernooi daarnaar, 12615 Daar de strijd het allergrootste was; Daar hij kwam rijdend in de groep, Stak hij Bliose van Case daar Zo zeer op het schild voorwaar, Zodat hij hem daar ter aarde stak, 12620 Zodat de speer stuk brak. Toen trok hij zijn zwaard ter plaatse, Daar hij wonderen mee deed; Hij sloeg daar slagen erg groot. Wie hij tegenkwam in zijn ontmoeting, 12625 Hij moeste een teken van hem dragen Eer hij ontging zijn slagen. Die dat zagen prezen hem daar, Toen werd het toernooi erg zwaar Eer men die drie kon behoeden; 12630 Ze kwamen toen met grote kudden, Om hen te helpen die daar lagen, Daar moesten ze menige slag verdragen, Eer ze hen redden konden. Toen kwam Griflet te die stonden 12835 En zag waar Keye had gestaan, Bliobleris en met hem gelijk Twee van zijn gezellen goed, Deden Keyen grote nood; Want Keye was alleen in die tijden, 12640 En zij de besten van hun zijden, En Placidas nam hem met de helm daar, En liet hem zeer knikken daarnaar Tot op zijn paardenhals zeeg. Toen Griflet dit zag, stootte hij gereed 12645 Zijn paard voort en stak Blioberis, En ridder van hoge prijs, Met de speer, zodat zijn schild Stuk brak, of het was een vilt; Dus stak hij hem daar, in die groep, 12650 Zodat hij viel van zijn paard, En zijn speer brak ter plaatse. Hij trok zijn zwaard en sloeg daarmee Placidas op de helm alzo, Zodat hij op het paard boog toen, 12655 En hij sloeg en weer sloeg, En deed hem zulk kwaad, Zodat hij van het paard viel neer. Toen verhief zich daar Keye weer, En richtte zich op en zag daarnaar 12660 Wie hem zo goed behoed had aldaar. Toen zag hij wel dat het Griflet was, Toen dacht hij in zijn gemoed naar dat, Dat hij het hem hooglijk zou belonen, Dat hij hem behoedde van diegenen, 12665 Als hij dus plaats had en macht. Aldus is Keye uit de nood gebracht. En het gebeurde niet lang daarnaar, Hij beloonde Griflet dit voorwaar, Zoals ons dit boek wel zal vertellen; 12670 En vanwege dit zo worden ze gezellen, En wordt de een de ander alzo bekend En later erg zeer bemint, En bleven gezellen al hun leven Zonder nimmermeer op te geven. 12675 Toen Griflet Keye beschut had hier 140 Zag Keye voor hem de ridder fier Zeer gaan, die hem een groot pand Had gedaan aldaar gelijk; Hij liep op hem met moed groot, 12680 En sloeg hem waar hij voor hem stond Met zijn zwaard op de helm aldaar, Zodat men zag dat vuur daarnaar Uit de helm springen hoe Tot in de lucht, en daartoe 12685 Sloeg hij van de helm mede Een groot stuk daar ter plaatse; En had hij dat zwaard niet veranderd nu, Hij had hem gedood, zeg ik u, Of verminkt, dat weet ik wel, 12690 Want die slag was groot en fel, Dat hij neer op die schouder ging En doorsneed de harnas na dat ding En de oor van het schild mede, Dat het zwaard weerstond gereed 12695 Op dat grote been van het arm daar; En diegene viel daar voorwaar Zeer bloedend ter aarde neder. Toen kwam daar gerucht voort en weder Onder zijn gezellen erg groot; 12700 Want ze meenden dat hij dood Was geweest die hem vallen zagen. Toen kwamen zijn gezellen toe jagen Om hem te behoeden daarnaar; En Keye’s gezellen kwamen ook daar. 12705 Toen begon daar het toernooi groot, En angstig was daar de nood Diegenen, die lagen onder de voet; Want het toernooi boven hen stond Lange tijd; dus werden ze 12710 Jammerlijk vertreden daarbij En geslagen, en geblameerd daar, Eer ze worden gered voorwaar. En de acht gezellen, zoals we dat horen, Dat ons dat boek noemde tevoren, 12715 Toen ze zagen die grote verzameling, Gingen ze derwaarts apart; Dit zullen de acht laten bekopen nu Die ze daar ontmoeten, zeg ik u, Want ze staken ze van de paarden 12720 En lieten ze tuimelen daar ter aarden Nochtans waren het de beste van de andere zijde. Ze begonnen nu te deze tijde Te slaan, te houwen nu meer, Dat dus hen allen verwonderde zeer, 12725 Dat zo weinig goede lieden daaraan Streden op zo menige mannen. Dus werd daar verzameld dat toernooi al Aan beiden zijden, groot en smal, En daar werd met wapens veel gedaan. 12730 Dus duurde het daar wel, zonder waan, Tot vespertijd even sterk Onder de zaal in een perk. De drie koningen, die in de zaal Lagen, en al dat zagen wel, 12735 Gingen toen naar beneden, zonder sparen, En allen die met hen daar waren, Zaten op hun paard algemeen En reden haastig tot het plein, Daar het toernooi was sterk en groot, 12740 Ze zagen daar, dat elke hoop Zich tezamen hield zo vast Dat ze niet vaneen barste En konden zien op dat zand, Welke daar had de overhand. 12745 Hierom scheidden de drie koningen daar Het toernooi, en zeiden daarnaar Dat was wel tijd en maat Dat men dat tornooi laat. Toen stopte dat toernooi alzo, 12750 En elk ging naar zijn herberg toe, En maakte zich gemakkelijk gelijk. Ze waren moe, zonder waan, En het was geen wonder groot, Want sommigen waren daar in grote nood, 12755 Eer hij uit het toernooi kwam, Van kwetsingen die hij daar nam. Aldus is het toernooi gestopt daar, En de koningen reden daarnaar Te vesper; en alzo gelijk 12760 Toen de vesper was gedaan, Voeren ze toen te hof waart, Daar men eten ging ter vaart, En aan de tafel vroegen ze Wie van het toernooi de dapperste was; 12765 Daar waren gevonden aan Arthurs zijden 141 Acht die waren te die tijden, Geprezen dapper en koen mede, Daar elk met wapens wonder van deed. Hiervan hielden ze lang gesprek 12770 Tijdens het eten en toen werd geëindigd, Want men gaf Keye de prijs Boven hen allen in alle wijs; Daarna Griflet de ridder fier, Daarna Lucan, de opperschenker; 12775 Deze deden dat allerbeste, zeg ik u. Daarna gingen de drie koningen nu En de aartsbisschop en Antor gelijk En de klerk Gwinebant, De twee koning broeders, volgden na, 12780 Daar koning Arthur voor ging daar In een toren mooi en waard, Bezijden daar te boomgaard waart Op de Theems, een grote rivier, Daar volgden hen twee goede mannen snel, 12785 Die kwaad waren achtergebleven; Koning Arthur ging hen benevens. De ene was Bretel, de ander Ulfijn. De koning zag op deze twee ridders fijn En begon te lachen zeer, 12790 Want hij dacht van weleer, Van dat hem Merlijn zei te waren, Hoe dat ze aan hem geraakt kwamen, Daar ze zijn boodschap deden hiervoor In dat land van Deserte, zoals ge mocht horen, 12795 Dat nu Berri geheten is, Toen ze zich behoeden dus, Daar ze zeven ridder aankonden mede. De koning bezwoer ze daar ter stede, Dat ze hem vertellen zouden daarna 12800 Hoe ze op de weg hadden gevaren. Toen Ulfijn en Bretel hoorden dat woord, Die ene zag op de ander voort, En begonnen te lachen zeer; Toen zei Bretel: “koning, heer, 12805 Ge weet dat alzo goed als wij Vanwege Merlijn”, zei hij, “Waarom zouden we u dat zeggen nu, Heeft dat niet diegene gezegd u, Die net zo goed nu hiervan weet 12810 Van al deze dingen dat onderscheidt, Zoals wij doen?” Toen zei aldaar Koning Ban en vroeg er naar, En zei: “heer, nu zeg me gelijk, Wie heeft u dit laten verstaan?” 12815 Toen zei Arthur: “Heer koning, dat heeft Me gezegd de wijste die leeft”. Toen vroeg daar koning Ban, Waar nu was die wijze man En hoe hij heet; de koning zei: 12820 “Hij heet Merlijn, naar mijn waarheid, En is in een kamer en rust nu; Ook raadde hij me aan dat ik zond om u”. Toen bad hem zeer koning Ban, Of hij mocht spreken de wijze man, 12825 “Want ik heb begeerd hem te zien meer Dan enige man die leeft, heer, Vanwege dat wonder dat ik daarvan heb gehoord”. Arthur zei, hij zou hem voort Laten komen, zodat ze hem zou zien; 12830 Toen zond hij Ulfijn om hem meteen. En toen Ulfijn was weg gegaan, Kwam Merlijn hem tegen gelijk; Toen leidde hij hem naar de koningen daarnaar. Merlijn vroeg, waarom hij hem ontbood daar; 12835 Dat weet ik nu wel in mijn gemoed, Koning Ban had verwondering groot, Dat hij dus wist alle ding. Toen zei Merlijn tot de koning Veel dat hem geschied was mede 12840 En van zijn aanwezigheid daar ter plaatse. Toen kwam voort Gwinebant, En vroeg Merlijn daar gelijk, Hoe hij dit wist bijzonderling, Hij vroeg erg vele dingen; 12845 Want hij was een goede klerk en wel geleerd En in veel wetenschappen goed gefundeerd; En Merlijn berichtte het hem, zonder sagen, Van alles dat hij hem kon vragen. Erg lang duurde daar het gesprek 12850 Het dispuut onder hen twee; Zodat Merlijn zei, in al zijn opmerkingen Zag hij nooit zo’n goede klerk, Nog die zo diep sprak gereed, Nog Blasys, zijn meester, mede. 12855 Toen vroeg Gwinebant, zeg ik u, Waarom hij hem meester heet nu? Merlijn zei: “ik noem hem zo om deze 142 Meester, omdat hij is geweest Mijn moeders meester”. Toen zei hij mede 12860 De klerk alles van zijn kindsheid, Gelijk dit boek gezegd heeft duidelijk. Dus disputeerden ze lang daar Met wijsheden en met woorden, Dat diegene graag hoorden, 12865 Die daar waren; en na deze Lieten zij het disputeren wezen, En werden grote vrienden daar. Toen ging Merlijn snel daarnaar Daar de twee koningen waren, 12870 En zei aldus tot hen daarna: “Ge bent goede lieden en getrouw zeer; Zie hier koning Arthur, mijn heer, Die uw heer zou wezen nu; Ook zal ge beide, zeg ik u, 12875 Uw land van hem houden voortaan, En hij zou u ook voor alle man Beshoeden, als ge hem nodig had”. Toen zeiden daar beide baronnen: “Merlijn, nu vertel ons dan dat ding, 12880 Hoe Arthur koning werd en kroon ontving, En waarom dat de baronnen Tegenspraken in alle doen”. Toen vertelde Merlijn alles daar Dat begin en het einde daarnaar, 12885 En hoe hem de baronnen gelijk Allen manschap deden, zonder waan, En hoe ze hem kroonden na dat, Dat hen sinds erg leed was; En hoe ze alle verzamelden mede 12890 Te Caredol in die stede Te half augustus, en hoe hij daar Hen alles gaf daarnaar, En hoe ze het weerspraken al bloot, En ook onwaardig hadden groot, 12895 Dat een alzo kleine man Over hen zou wezen koning dan, En ook over een zo’n groot rijk; Want ze meenden allen zekerlijk Dat hij Antors zoon was geweest. 12900 Toen vroegen de koningen na deze, Of hij wel zeker wist das, Dat hij Uter-Pandragoens zoon was? Toen vertelde hij alles en liet niets, Hoe die dingen waren geschied; 12905 En de aartsbisschop en Ulfijn Zeggen, dat deze dingen waar zijn. “Merlijn”, zeiden toen de baronnen, “Ge zal ons nu een eed doen, Die wij u zeggen zullen, want wij 12910 Weten wel, dat om geen ding gij Ons zou beliegen, al mocht ge winnen Een koninkrijk daarmee binnen”. Toen zei Merlijn: “ik weet wel nu Wat ge nu wilt, dat zeg ik u: 12915 Ge wilt, dat ik u zweer na dit Dat ik u zei, of dat waar is”. Toen zegenden hem de koningen daar Van grote verwondering, dat hij voorwaar Hun gedachten wist alzo goed”. 1292 Toen zei Merlijn na deze taal: “Gij heren, ik zal u dat graag zweren Morgen, en wil ge dat niet ontberen”, Dus scheidde daar dat gesprek, De heren gingen slapen sinds, 12925 En Merlijn en Gwinebant Gingen in een kamer gelijk, Die zich zeer beminden nu; Ze spraken tezamen, zeg ik u, Van menige dingen, weet voorwaar. 12930 Merlijn leerde hem daarnaar Menige mooie ding en spel Dat de klerk onthield toen goed. Zoveel leerde hij hem in de nacht, Dat hij daar veel wonders mee wrocht 12935 In groot Brittannië en ook in de kleine, Zodat daar groot verhaal van ging algemeen, Zoals ons dat boek hierna al, Als het tijd is, wel zeggen zal. ‘s Morgens op tijd is gegaan 12940 Merlijn, de koningen te wekken gelijk, En opende de vensters daar, Zodat de helderheid inkwam daarnaar, Omdat ze ontwaken zouden daarmee, En ze stonden op daar ter plaatse, 12945 En gingen naar de mis aanstonds, Die de aartsbisschop zong. In de kerk, toen de mis was gedaan 143 Zwoer daar Merlijn tot de heiligen gelijk, Dat koning Arthur was, God weet, 12950 Koning Uter-Pandragoens zoon gereed. En dat hij hem gewonnen had mede Aan Ygerne op dezelfde plaats Op die nacht, toen ‘s morgens dood De hertog bleef, weet het al bloot; 12955 En dat hij was de echte heer ook mede Van al het land van Londen ter stede. En toen de koningen hoorden de eed, Deden ze daar manschap gereed Aan koning Arthur getrouw, 12960 En hij ontving ze erg hoffelijk, En kusten hen ook mede. Die koning Arthur weende ter plaatse Van grote ootmoed, zeg ik u; Daar was grote blijdschap nu. 12965 Ze gingen in de zaal daarnaar, De tafels waren gedekt daar; Men ging eten daar gereed, Daar werd goed bediend, God weet, Van menig gerecht voor die heren 12970 Zuiver en met grote eren. Toen de tafels waren opgeruimd, Ging elk, daar hij wilde gaan; Dansen, meien en andere spelen Plag men daar te feesten veel; 12975 En wat elk spelen wilde daar, Dus vond hij genoeg voorwaar. Nu zwijgt het avontuur van deze, En zal verder van Merlijn lezen. |
Van Merlijns rade, ende hoe hi die boetscap dade des koninck Bans ende des koninck Bohortes. Dus tellet voert die aventuer, 12980 Dat Merlijn nam nu ter uer Die drie koninge ende Bretel Enten aertsbiscop also wel, Ende Ulfijn ende Antor ende Keye met; Dese nam hi tenen rade, dat wet; 12985 Doe zeide hi tot hem allen nu: “Ic houde iu vor herde wijs, zeggic iu, En vor getrouwe ende herde goet, Ende ic kenne iu gelijc gy selve doet. Hier es die koninck Artur, die een ionc man es, 12990 Ende met sinen baroenen, des sijt gewes, Es hi nu oevele als gy wael ziet, Ende en willene vor heer kinnen niet, Alsi sculdech waren te doene al; Des suldy doen dat ic iu raden sal, 12995 Ende ic biddes iu dat gyne doet dan, Want ic negenen beteren gedencken kan, Dan ick hier sal geven iu”. Doe zeidensi alle: “wy willen nu Doen algader dat gy ons raet”. 13000 Hi zeide: “gy heren, nu verstaet: Hier es onse koninck, ende hevet nu Negeen wijf, dat seggic iu, Ende ick weet wael ene maget rene Ende ene enege dochter allene, 13005 Ende haer vader heet die koninck Leodegan, Ende hi es een herde out man Ende sonder wijf, ende oec mede Es sine dochter nu ter stede Die scoenste ene van Kerstenhede, 13010 Ende oec ene die wiseste mede; Ende si heet Jenover die scone, Ende na siner doet blivet haer die krone Ende dat koninckrike vorwaer, Ende hi en sal maer leven seven iaer, 13015 Ende hi hevet soccoers wael te doene, Ende hi orloget tegen den koninck Rioene, Die van den groten geslechte es, Van den Giganten, sijt seker des, Die rike sijn ende machtech zeer, 13020 Ende es dat si winnen, och heer! Dat koninckrike van Carmelyde, Dat komet an uwes landes syde, So wetic dan wael vorwaer, Dat gy nembermeer, heer, daernaer 13025 Iu lant en hout voert met geninden, Gy en sult altoes orloge vinden Also lange als si leven nu, Heer koninck Artur, dat seggic iu, En daden oec die van der tafelronde, 13030 Die koninck soude onlange stonde Tegen die Giganten hem verweren; 144 Daerombe so radic iu, gy heren, Dat gy daer vaert onder iu Alse soudier hem dienen nu 13035 Een jaer ochte twe omtrent Totdat gy met hem sijt bekent; Ende gy en sult oec niet lange na desen Daer dienen, gy en sult daer wesen Van hem bet ende waerder mede 13040 Dan ieman in sijn lant ochte stede; Ende ic weet wael, dat hi den koninck Artuer Bidden sal, dat hi ter uer Sine dochter neme tenen wive daer; Ende als hise gekroent hevet vorwaer, 13045 Sullen dat die Gigante weten saen Ende dan en sullensi, sonder waen, Niet langer derren bliven dan Noch in ener halver dachvaert an”. Doe antworde Merline die koninck Ban, 13050 Ende zeide: “of wy dus voeren dan, Wat zoude van onsen lande gescien, Dat wy noch oevele hebben versien, Ende wy hebben herde felle geburen, Die ons oplopen tallen uren, 13055 Ende onse lant woesten ende branden. Oec hevet die koninck Artur thanden Menegen viant ombe hem geseten Die dit scire souden weten, Dat wy wten lande waren; 13060 Oec dochtemy grote dorheit, twaren, Voeren wy ander lant bescudden nu, Ende onse in aventuren lieten, zeggic iu”. “Here, here”! zeide Merlijn doe, “Gy segget herde wale nu toe; 13065 Maer dat doet goet, achterwaert gaen Ombe vorder te springene saen, Ende wetet dat wael: tegen enen penninck Dien gy hier verliesen sult, heer koninck Gy zult er twe hondert winnen daer; 13070 Ende ic segget iu al openbaer Gy en sult hier verliesen borch noch steen Noch stat noch dorp noch veste negeen Ende zult daer winnen een konincrike, Dat bescermen sal ewelike 13075 Dit lant ende verweren al, Also lange als Artur leven sal”. Doe zeide echt die koninck Ban: “Merlijn, gy zijt wyser daeran Dan wy alle sijn, wetic wal, 13080 Als gy ons radet doewy al, Hiertoe te doene dan wy ons saen Gereiden entie dinge anevaen. Nu besiet, wanneer dat wy Willen trecken”. Doe zeide hi: 13085 “Te halfvasten sonder beiden, Ende daer binnen suldy iu bereiden, Maer eer gy derwaert vaert, wetet wel, Suldy hebben ene batalie fel Tegen die baroene, seggic iu; 13090 Die hem vergaderen al datsi mogen nu, Ende met al der macht, die si mogen Verkrigen, zullensi iu orlogen Ende gy zult ontbieden, weet vorwaer, Die gy hebben moget, verre ende naer, 13095 Ende hemelick suldy trecken dan In dat foreest van Bredigan; Ende ontsiet iu niet, want sy Sullen meer scade hebben dan gy”. “Merlijn”, zeide doe die koninck Ban, 13100 “Ende of ic ende mijn broeder dan Om soccoers senden, zouden si Iet te tyde komen?” - Doe zeide hy: “Ia si, here” - “Ende wie machse dan Halen?” - zeide doe die koninck Ban. 13105 “Ic sal die boetscap doen”, zeide Merlijn, “Ende oec sal ic eer komen sijn Dan een ander, dat zeggic iu; Ende oec es dat te doene nu, Want die strijt sal sijn gewisse 13110 Te Sante Marien lechtmysse, In den plane van Bredigan, Ende uwen lieden, wetet vortan, Staet te ridene dach ende nacht; Oec wetet wael, dat ic hebbe geacht, 13115 Dat ic morgen avent sal wesen Te Gannes”. Doe zi hoerden van desen mede; Dat Merlijn zeide daer ter stede, Hem wonderdes sere ende loechen Si helseden Merline ende daden hem daer 13120 Grote feeste, wet vorwaer. Dus nam Merlijn orlof, seggic iu, Ende zeide hi en hadde wat lette hem nu; “Ontbiedet ridderen ende serianten, heer, 145 Also vele als gy moget embermeer, 13125 Ende so gy hemelicst moget mede; Ende gy sult doen voeren ter stede Spyse ende vitalie genoech daeran In dat dal van Bredegan. Ende alse die vitalie es komen daer, 13130 So doetse delen wel naer Al den volke, want ic zegget iu, Daer sal des wel te doene sijn nu, Gevet hem te vijftien dagen spyse Goet gesouten vleesch van pryse, 13135 Doet hem dit geven sonder meer daeran, Ende doet hem Keyen delen dan Ende Bretelle ende Griflette Ende Ulfine ende Lucam, sonder letten, Dit doet so gy hemelekest kont”. 13140 Doe heeschede hi dat vingerlijn terstont, Dat hi hadde an siner hant, “Dat ic dat mach tonen in iu lant Leoncen van Parne, uwen vrient, Ende Phariene, die iu oec dient 14145 Tenen waerteken, datsi nadat My sullen geloven oec te bat, Als ict hem tonen sal daernaer”. Si worden al verscricket daer, Doe sijt hoerden, ende hen wonderdes seer, 13150 Want zi meenden dat nieman meer Dit en hadde geweten, zeggic iu, Dan zi twe ende diegene nu Die hi daer noemde, Leoncen ende Pharijn; Dit dochte hem dat moeste wonder sijn. 13155 Doe zeide die koninck Artur: “en zijt niet Tonrusten van al, dat gyne doen siet, Want [van] al dat men dencket, God weet, Weet hi al dat hi wil gereet”. Doe zeiden die twe koninge: “nu 13160 So laet dan gewerden met iu, Sint dat hy so wijs nu es Ende ons duncket oec wel die waerheit des Dat hi iu boven alle die werelt mint; Gy sult des te bet hebben dat gy dat kint 13165 So sere, dat gy des noch menech werf Gewaer sult werden als dat iu bederf”. Doe gaf hem die koninck Ban dat vingerlijn, Ende doe sciet van daer Merlijn, Ende al dat hi hem dus dede verstaen 13170 Van hare hemelecheit, heeft hi gedaen Ombedat hi daer mede beiagen wille Hoerre beider vrienscap lude ende stille. Doe voer Merlijn te Blasise waert Sinen meester, ende zeide hem ter vaert 13175 Alle die dinge, groet ende clene, Die onder hem gesciet sijn gemene. Daerna telde hi hem, hoe hi sal varen Ene boetscap doen, sonder sparen, In clene Britanien, ende toende hem daer 13180 Dat vingerlijn, ende zeide daernaer Dattet sijn waerteken zoude wesen. Doe screef dat Blasys al na desen, Gelijck dat hem Merlijn zeide; Doe sciet Merlijn, sonder beiden, 13185 Van Blasyse, vroe ende blyde; Ende des anderen dages te primetyde Was hi te Gannes in der stat, Ende zeide Leoncen ende Pharine dat, Dat hem die koninge ontboden nu 13190 “Al dat ick hier sal seggen iu, Dat gy des my sult geloven mede”. Hi toende hem dat vingerlijn ter stede, Ende doe zi zagen dat vingerlijn, Geloveden zi al der talen fijn 13195 Die hi hem zeide, clene ende groet, Gelijck dat men hem ontboet. Doe zi dit hoerden, ontboden si Alle die liede, sodat zi daerby Vergaderden vijftien dusent man daernaer 13200 Ende wel gewapent, wetet vorwaer. Dese quamen alle te Bonewick Achte dage vor Kerstesdage sekerlick; Ende Leonce ende Pharijn mede Setten doe hoede in elke stede 13205 Ende in die borge, die hem goet dochten, Daer si tlant mede verweren mochten. Ende hieraf een, hiet Lambegijs, Die stout was ende hadde groten prijs; Desen settenzi in die foreeste met 13210 Van Gannes, ombedat hi dat bet Ende stoutlike hoeden soude daer, Dan een ander. Hem bat daernaer Pharijn, sijn oem, dat hi dat nu Wael hoede. “Gerne, oem! dat zeggic iu; 13215 Ick salt so hoeden, ofdat God wout, 146 Dat gy daer gene scade af hebben sout”. Ende in den foreeste van Bonewick Setten si Graciane desgelyck, Den here van der hoger muer, 13220 Ende bevelen dat hem ter uer. Hi was vrome ende getrouwe mede, Ende opten casteel van Trebe Dadensi Gracianes sone scier, Die geheten was Banier; 13225 Hi was koninck Bannes pade; Ende beide die koninge na stade Waren in den casteel, zijt seker das, Ombedat hi van den lande die vaste was. Ende in koninck Bohortes casteel so es 13230 Geset te hoedene Placides, Leonces neve, die getrouwe was Ende zeer vrome, zijt seker das, Ende dese casteel hiet Mouleer. Aldus besetten si dat lant eer 13235 Eer zi sceden wouden van daer; Alse dat wel beset was, daernaer Doe voeren zi hene, nacht ende dach, Wat dat elck geriden nach, Want die mane scone sceen. 13240 Ende Merlijn voer vor hem alleen, Die dat heer leide vorwaer Van den quaden nauwen wege daer Tot dien daer si doe op quamen, Daer si alle sceepten tsamen. 13245 Entie koninck Artur bandersyde Gereide hem sere die wile te stryde; Gelijck dat hem Merlijn beval, So dade hi sine sticken al. Hi ontboet alle diegene nu, 13250 Die hi verbidden mochte, zeggic iu. Daer quam daer herde vele ter stede, Ende meer dan hi meende mede, Die van Logres quamen daer Ombe die grote gave vorwaer, 13255 Die hem die koninck hadde gegeven; Sulke quamen hem oec beneven Ombe den koninck te kennen, ende oec mede Ombe sine doget, die hi dede, Daer si dicke af hebben gehoert. 13260 Ende alsi alle waren komen voert, So waren daer wel tienduzent man Wel tors ende wapine an, Ende voetliede en woude hi negene; Ende wagene algemene, 13265 Daer men die spise op voerde alsoe, Dadi by nachte varen doe Ombedat hem Merlijn hadde geraden, Dat hi dat hemelike soude begaden Tote opten plaen van Bredegan. 13270 Ende als daer komen waren sine man, In dat foreest, daer dat hemelycst was, Sloegen si haer tenten daerin na das, Ende dit plaen was die hemelicste stat, Die men iergen wiste vordat. 13275 Ende alsosi gelogiert nu daer waren, En konde nieman geweten twaren, Waer si waren gevaren nu; Ende banderside, dat zeggic iu, So dade die koninck Artur een dinck, 13280 Dat hem doe riet Ban, die koninck, Dat Merlijn sere prijsde daernaer; Want hi wiste vele openbaer Van orlogene, des riet hi Den koninck Artur, dat hi daerby 13285 Op alle straten van sinen lande Waerdesliede zoude setten meneger hande: Waer dat daer ieman dor lede Dat men hem vaen soude ter stede, Ende sendene den koninge nadien. 13290 Dit was, dat men niet en soude spien, Waerhene dat si [gevaren] waren; Oec dade hi verbieden daernare Dat nieman en zoude in zijn lant Ryden nergen, sij iu becant, 13295 Vor dat Onser Vrouwen dach leden sy Dat men kaersen draget, ende daerby Die dat dade, conde men dat geweten nu, Men soudene ontliven, zeggic iu. Dus hilt hem dat volc stille daer, 13300 Ende hem wonderde sere daernaer Wat dit dieden mochte doe, Dat die koninck mochte gebieden soe; Ende hierby was sine chivaetsie So wael verholen in siner pertye, 13305 Dat nieman en konde geweten twaren, 147 Waerhene datsi gevaren waren, Sonder diegene die waren nu Van des koninges rade, seggic iu. Nu zwiget dit boeck van desen 13310 Ende sal van den ses koningen lesen, Die waren gesconfiert te Karlioen, Datsi met pinen daer ontvloen. |
Van Merlijns raad en hoe hij de boodschap deed van koning Ban en koning Bohort. Dus vertelt voort het avontuur, 12980 Dat Merlijn nam nu ter uur De drie koningen en Bretel En de aartsbisschop alzo wel, En Ulfijn en Antor en Keye mee; Deze nam hij tot een raad, dat weet; 12985 Toen zei hij tot hen allen nu: “Ik hou u voor erg wijs, zeg ik u, En voor getrouw en erg goed, En ik ken u gelijk ge uzelf doet. Hier is koning Arthur, die een jonge man is, 12990 En met zijn baronnen, dit is gewis, Is hij nu in euvel zoals ge wel ziet, En willen hem voor heer bekennen niet, Zoals ze hadden moeten doen al; Dus zal ge doen dat ik u aanraden zal, 12995 En ik bid u dat ge het doet dan, Want ik geen betere bedenken kan, Dan ik hier zal geven u”. Toen zeiden ze alle: “we willen nu Doen alles dat ge ons aanraadt”. 13000 Hij zei: “gij heren, nu begrijp: Hier is onze koning, en heeft nu Geen vrouw, dat zeg ik u, En ik weet wel een maagd rein En een enige dochter alleen, 13005 En haar vader heet koning Leodegan, En hij is een erg oude man En zonder vrouw, en ook mede Is zijn dochter nu ter plaatse De schoonste van het christendom, 13010 En ook een van de wijste mede; En ze heet Jenover die mooie, En na zijn dood krijgt zij de kroon En dat koninkrijk voorwaar, En hij zal maar leven zeven jaar, 13015 En hij heeft succes wel nodig, En hij beoorloogt koning Rioen, Die van het grote geslacht is, Van de giganten, zij het zeker dit, Die rijk zijn en machtig zeer, 13020 En is het dat ze winnen, och heer! Dat koninkrijk van Carmelide, Dat komt aan uw landzijde, Zo weet ik dan wel voorwaar, Dat ge nimmermeer, heer, daarnaar 13025 Uw land behoudt voort met geen einde, Ge zal altijd oorlog vinden Alzo lang als ze leven nu, Heer koning Arthur, dat zeg ik u, En deden ook niet die van de tafelronde, 13030 De koning zou een korte stonde Tegen die giganten zich verweren; 144 Daarom zo raad ik u, gij heren, Dat ge daar gaat onder u Als soldaat hem dienen nu 13035 Een jaar of twee omtrent Totdat ge met hem bent bekent; En ge zal ook niet lang na deze Daar dienen, ge zal daar wezen Van hem beter en waardevoller mede 13040 Dan iemand in zijn land of steden; En ik weet wel, dat hij de koning Arthur Bidden zal, dat hij ter uur Zijn dochter neemt tot vrouw daar; En als hij haar gekroond heeft voorwaar, 13045 Zullen dat de giganten weten gelijk En dan zullen ze, zonder waan, Niet langer durven te blijven dan Nog in een halve dagreis dan”. Toen antwoordde Merlijn koning Ban, 13050 En zei: “als wij dus gaan dan, Wat zou er van onze landen geschieden, Dat we nog euvel hebben voorzien, En we hebben erg felle buren, Die tegen ons oplopen te alle uren, 13055 En ons land verwoesten en verbranden. Ook heeft koning Arthur gelijk Menige vijand om hem gezeten Die dit snel zouden weten, Dat we uit het land waren; 13060 Ook dacht me grote domheid, te waren, Voeren we om een ander land te behoeden nu, En ons in avonturen lieten, zeg ik u”. “Heer, heer”! zei Merlijn toen, “Ge zegt erg goed tot nu toe; 13065 Maar dat doet goed, om achteruit te gaan Om verder te springen gelijk, En weet dat wel: tegen een penning Die ge hier verliezen zal, heer koning Ge zal er twee honderd winnen daar; 13070 En ik zeg het u geheel openbaar Ge zal hier verliezen burcht nog steen Nog stad nog dorp nog vesting geen En zal daar winnen een koninkrijk, Dat beschermen zal eeuwig 13075 Dit land en verweren al, Alzo lang als Arthur leven zal”. Toen zei echt die koning Ban: “Merlijn, ge bent wijzer daaraan Dan we alle zijn, weet ik wel, 13080 Zoals ge ons aanraadt doen we al, Hiertoe te doen dat we ons gelijk Klaar maken en die dingen aanvangen. Nu beziet, wanneer dat wij Willen vertrekken”. Toen zei hij: 13085 “Te half vasten zonder wachten, En daar binnen zal gij u bereiden, Maar eer ge derwaarts gaat, weet wel, Zal ge hebben een slag fel Tegen de baronnen, zeg ik u; 13090 Die alles verzamelen dat ze mogen nu, En met alle macht, die ze mogen Verkrijgen, zullen ze u beoorlogen En ge zal ontbieden, weet voorwaar, Die ge hebben mag, ver en nabij, 13095 En heimelijk zal ge vertrekken dan In dat bos van Bredigan; En ontzie u niet, want zij Zullen meer schade hebben dan gij”. “Merlijn”, zei toen koning Ban, 13100 “En als ik en mijn broeder dan Om hulp zenden, zouden ze Iets op tijd komen?” - Toen zei hij: “Ja ze, heer” - “En wie kan ze dan Halen?” - zei toen koning Ban. 13105 “Ik zal die boodschap doen”, zei Merlijn, “En ook zal ik er eerder gekomen zijn Dan een ander, dat zeg ik u; En ook is dat te doen nu, Want de strijd zal zijn gewis 13110 Te Sint Maria Lichtmis, In de vlakte van Bredigan, En uw lieden, weet het voortaan, Moeten rijden dag en nacht; Ook weet wel, dat ik heb gedacht, 13115 Dat ik morgenavond zal wezen Te Gannes”. Toen ze hoorden van deze mededeling; Dat Merlijn zei daar ter plaatse, Hen verwonderden het zeer en lachten Ze omhelsden Merlijn en deden hem daar 13120 Groot feest, weet voorwaar. Dus nam Merlijn verlof, zeg ik u, En zei hij niet had wat hem lette nu; “Ontbiedt ridders en bedienden, heer, 145 Alzo veel als ge mag immermeer, 13125 En zo ge het heimelijkst kan mede; En ge zal laten aanvoeren ter plaatse Spijs en voorraden genoeg daaraan In dat dal van Bredigan. En als de voorraden zijn gekomen daar, 13130 Zo laat ze verdelen goed daarnaar Al het volk, want ik zeg het u, Daar zal het wel nodig zijn nu, Geef hen voor vijftien dagen spijs Goed gezouten vlees van prijs, 13135 Laat hen dit geven zonder meer daaraan, En laat het Keye verdelen dan En Bretel en Griflet En Ulfijn en Lucas, zonder beletten, Dit doet zo ge het geheimste kan”. 13140 Toen eiste hij die ring terstond, Dat hij had aan zijn hand, “Dat ik dat mag vertonen in uw land Leonce van Parne, uw vriend, En Phariene, die u ook dient 14145 Tonen dit ware teken, zodat ze nadat Me zullen geloven ook beter, Als ik het hen tonen zal daarnaar”. Ze werden geheel verschrikt daar, Toen ze het hoorden, en zich verwonderden zeer, 13150 Want ze meenden dat niemand meer Dit had geweten, zeg ik u, Dan zij twee en diegene nu Die hij daar noemde, Leonce en Pharijn; Dit dacht hen dat moest een wonder zijn. 13155 Toen zei koning Arthur: “wees niet Ongerust van alles, dat ge hem doen ziet, Want van alles dat men denkt, God weet, Weet hij alles dat hij wil gereed”. Toen zeiden de twee koningen: “nu 13160 Zo laat het dan geworden met u, Sinds dat hij zo wijs nu is En ons lijkt ook wel de waarheid dit Dat hij u boven alles in de wereld bemint; Ge zal dus beter hebben dat ge dat kent 13165 Zo zeer, dat ge dus nog menige maal Gewaar zal werden zoals u dat nodig hebt”. Toen gaf hem koning Ban die ring, En toen scheidde van daar Merlijn, En alles dat hij hen dus liet verstaan 13170 Van hun geheim, heeft hij gedaan Omdat hij daarmee bejagen wil Hun beider vriendschap luid en stil. Toen ging Merlijn ot Blasys waart Zijn meester, en zei hem ter vaart 13175 Alle dingen, groot en klein, Die onder hen gebeurd zijn algemeen. Daarna vertelde hij hem, hoe hij zal varen Een boodschap doen, zonder sparen, In klein Bretagne, en toonde hem daar 13180 Die ring, en zei daarnaar Dat het zijn teken zou wezen. Toen schreef dat Blasys alles na deze, Gelijk dat hem Merlijn zei; Toen scheidde Merlijn, zonder wachten, 13185 Van Blasys, vrolijk en blij; En de volgende dag te priemtijd Was hij te Gannes in de stad, En zei Leonce en Pharijn dat, Dat hen de koningen ontboden nu 13190 “Alles dat ik hier zal zeggen u, Dat ge dus me zal geloven mede”. Hij toonde hen die ring ter plaatse, En toen ze zagen die ring, Geloofden ze al zijn taal fijn 13195 Die hij hen zei, klein en groot, Gelijk dat men hem ontbood. Toen ze dit hoorden, ontboden ze Alle lieden, zodat ze daarbij Verzamelden vijftien duizend man daarnaar 13200 En goed gewapend, weet het voorwaar. Deze kwamen alle te Bonewick Acht dagen voor Kerstdag zekerlijk; En Leonce en Pharijn mede Zetten toen behoeders in elke stede 13205 En in de burchten, die hen goed dachten, Daar ze het land mee verweren mochten. En hiervan een, heet Lambegijs, Die dapper was en had grote prijs; Deze zetten ze in het bos mee 13210 Van Gannes, omdat hij dat beter En dapperder behoeden zou daar, Dan een ander. Hem bad daarnaar Pharijn, zijn oom, dat hij dat nu Goed behoedde. “Graag, oom! dat zeg ik u; 13215 Ik zal het zo behoeden, als God dat wil, 146 Zodat ge daar geen schade van hebben zou”. En in het bos van Bonewick Zetten ze Gracian desgelijks, De heer van de hoge muur, 13220 En beval hem dat aan ter uur. Hij was dapper en trouw mede, En op het kasteel van Trebe Deden ze Gracian’s zoon snel, Die geheten was Banier; 13225 Hij was koning Bannes peet; En beide koningen na die tijd Waren in het kasteel, zij het zeker dat, Omdat hij van het land de sterkste was. En in koning Bohortes kasteel zo is 13230 Gezet te behoeden Placides, Leonces neef, die getrouw was En zeer dapper, zij het zeker dat, En dit kasteel heet Mouleer. Aldus bezetten ze dat land eer 13235 Eer ze scheiden wilden van daar; Toen dat goed bezet was, daarnaar Toen voeren ze heen, nacht en dag, Wat dat elk rijden mag, Want de maan mooi scheen. 13240 En Merlijn voer voor hen alleen, Die dat leger leidde voorwaar Van de slechte nauwe wegen daar Totdat daar ze toen op kwamen, Daar ze alle inscheepten tezamen. 13245 En koning Arthur aan de andere zijde Bereidde zich zeer ondertussen ten strijde; Gelijk dat hem Merlijn beval, Zo deed hij zijn stukken al. Hij ontbood al diegene nu, 13250 Die hij bidden mocht, zeg ik u. Daar kwamen daar erg veel ter plaatse, En meer dan hij meende mede, Die van Londen kwamen daar Vanwege de grote gaven voorwaar, 13255 Die hen de koning had gegeven; Sommigen kwamen hem ook benevens Om de koning te kennen, en ook mede Vanwege zijn deugd, die hij deed, Daar ze vaak van hadden gehoord. 13260 En toen ze alle waren gekomen voort, Zo waren daar wel tienduizend man Goed te paard en wapens aan, En voetlieden wilde hij geen; En wagens algemeen, 13265 Daar men de spijzen op voerden alzo, Liet hij ‘s nachts varen toen Omdat Merlijn hem dat had aangeraden, Dat hij dat heimelijk zou doen Tot op de vlakte van Bredigan. 13270 En toen daar gekomen waren zijn mannen, In dat bos, daar dat het meest geheim was, Sloegen zei hun tenten daarin na dat, En deze vlakte was de geheimste plaats, Die men ergens wist voor dat. 13275 En toen ze zo gelegerd nu daar waren, Kon niemand het weten te waren, Waar ze waren gevaren nu; En aan de andere kant, dat zeg ik u, Zo deed koning Arthur een ding, 13280 Dat hem toen aanried Ban, de koning, Dat Merlijn zeer prees daarnaar; Want hij wist veel openbaar Van oorlogen, dus raadde hij Koning Arthur aan, dat hij daarbij 13285 Op alle straten van zijn land Wachters zou zetten menigerhande: Was het dat daar iemand door reed Dat men hem vangen zou ter plaatse, En zenden hem naar de koning nadien. 13290 Dit was, omdat men niet zou bespieden, Waarheen dat ze gegaan waren; Ook liet hij verbieden daarna Dat niemand zou zijn in zijn land Rijden ergens, zij u bekend, 13295 Voordat Onzer Vrouwen dag geweest was Dat men dan kaarsen draagt, en daarbij Die dat deed, kon men dat weten nu, Men zou hem ontlijven, zeg ik u. Dus hield zich dat volk stil daar, 13300 En hen verwonderde zeer daarnaar Wat dit betekenen mocht toen, Dat de koning mocht gebieden zo; En hierbij was zijn koets Zo goed verscholen in zijn partij, 13305 Dat niemand het kon weten te waren, 147 Waarheen dat ze gevaren waren, Uitgezonderd diegene die waren nu Van konings raad, zeg ik u. Nu zwijgt dit boek van deze 13310 En zal van de zes koningen lezen, Die geschoffeerd waren te Caredol, Zodat ze met pijn daar ontvloden. |
Hoe nu tien koninge ende een hertoge den koninck Artur willen bestryden. Dit boeck seghet ons nu, twaren, Dat dese koninge erre waren 13315 Omdatsi gesconfiert waren doen Van Karlioen datsi ontvloen, Daer si al hoer harnasch verloren. Des haddensi groten toren, Datsi nembermeer worden blyde 13320 Si en haddent gewroken nu ten tyden Opten koninck Artur, ende oec mede “Op sinen tovenaer die ons dit dede”. Aldus sciedensi van Karlion nu Gewont ende serech, zeggic iu; 13325 Some moestensi op een leitiere Liggen, daer men se op hene droech scire Ombedatsi waren so gewont. Si voeren clene dachvaert terstont So lange datsi quamen daernaer, 13330 In hoer lant; daer lagen si vorwaer So lange datsi genesen waren. Tinde van der maent daernare Haddensi een groet perlement Tuschen dat lant van Gorre ontrent 13335 Ende dat lant van Scotlant mede; Ende t perlement indede daer ter stede Sodat elc daer ontbieden soude Sine mage ende sine vriende houde, Als hise krigen moge beide, 13340 Entie hi hebben moge oec mede; “Ende alse wy alle vergadert zijn ter uer Sullenwi varen opten koninck Artuer, Ende sullen hem nemen tlant Of wy sullent verbernen thant, 13345 Ende wy zullene daerwt veriagen Ondanckes allen sinen magen. Doe namensi dach, datsi wouden Dat haer liede vergaderen souden In die jegenode, wetet dan, 13350 Onder den casteel van Bredigan. Doe sciet onder hem dat perlement, Ende elck ontboet daer sine vrent Ende alle die hi hebben konde; Daer quam die hertoge Escans ter stonde 13355 Van Cambenick wael te harnasch Met ses dusent mannen rasch, Ende wael tors ende elck mede Hadde een teken gemaket ter stede Van des hertogen wapene also houde, 13360 Ombedat mense daermede kennen soude. Daer quam die koninck oec nades Tradelians van Norgales Met sesdusent mannen gevaren, Die alle tors ende gewapent waren, 13366 Ende elck hadde een teken nu Van hoers heren wapene, zeggic iu. Dese geselscap was gepryset Herde scone ende sere gewyset. Daerna quam die koninck Brangores 13370 Die van den lande van Gorre es Met tween dusent mannen, die waren Wael ende eerlijck gewapent twaren. Daerna quam die koninck Clarioen; Hi brachte daer wael in zijn doen 13375 Twe dusent man gewapent valiant, Die waren van Nortomberlant. Daerna quam die koninck ter stede Van den hondert ridders mede Die vrome, stout, ende koene was; 13380 Hi brachte daer wael te harnas Vier dusent man, als ict vernam; Daerna die koninck Loth quam Ende brachte van Loenois ene pertye, Ende oec mede van Orcanie, 13385 Achte dusent man, daer elc af droech Sines heren teken na sijn gevoech. Daer quam Karados, die koninck Van Estragorre, in ware dinck; Sijn lant raket an Orcanie 13390 An dene syde, ende bander pertye Raket ant lant van Norgales; 148 Hi brachte met hem, sijt seker des, Sevendusent ridders wel te gereke Van allen dingen sekerleke. 13395 Daerna so quam Anguissant, Die koninck was in Scotlant, Met sesdusent mannen met gewout, Die fier waren ende stout Ende wel gewapent daer ter stede, 13400 Ende hadden haers heren teken mede. Doe quam die koninck Uries, Die van den lande van Gorre es, Tiendusent man brachti daernare, Die stout ende wael gewapent waren. 13405 Daerna quam die koninck Ventres, Die van den lande van Garloth es, Met sesdusent ridders, die tallen tyden Haren heren bereit waren in stryden. Entie koninck Ydier van Cornuale 13410 Quam met enen sconen tale, Sesdusent man brachti daer. Ende alle dese koninge, wet vorwaer, Swoeren datsi nembermeer Weder en keren, si en zullen eer 13415 Artur doden ochte verdriven daernaer Eersi meer keren van daer; Want zi hebben liever te stervene nu Eer si dat lieten, dat zeggic iu, Dat Artur soude regneren in dat lant. 13420 Doe senden si spiers al te hant, Ombe bespiene waer Artur es; Maer die die wege hoeden, sijt seker des, Vingen se alle ende sendense daer Den koninck Artur, diese daernaer 13425 Dade in gevancnesse saen, Dat sint nieman en conde verstaen, Waer si gevaren waren sint. Entie barone reden ontrint So lange datsi quamen nu 13430 Tote Bredigan, dat seggic iu, In die jegenode vorwaer, Si lagen herde blidelike daer, Alse die dat al meenden te hant Hebben gewonnen, ende senden in tlant 13435 Haer ryders die niet en vonden, Want die beesten ende al tgoet ten stonden Was gevoert in die grote stede Ende in die stercke borge mede; Dit was bi koninck Bans rade gedaen 13440 Ende zijns broeders, sonder waen, Die goede wyse liede waren Ende van orloge vele wisten twaren. Ende als diegene sagen daernaer, Dattet al dus gevlucht was daer, 13445 Staken si tvier daerin ter stede Ende verbarnden huse ende dorpe mede, Die buyten veste stonden in tlant; Die verbarndensi al te hant, Si makedent woeste, daer si leden. 13450 Doe moestensi wt haers selves steden Ende wt horen lande doen komen spise, Soudensise hebben na hoere wyse. Ende alsi haers hadden genoech twaren, Ende si alle vergadert waren, 13455 Haddensi bi getale dan Sestichdusent vromer man. Nu latic hieraf die tale bliven, Ende sal iu voert van Merline scriven, Ende van den lieden van Bonewick 13460 Ende van Gannes desgelyck. |
Hoe nu tien koningen en een hertog koning Arthur willen bestrijden. Dit boek zegt het ons nu, te waren, Dat deze koningen boos waren 13315 Omdat ze geschoffeerd waren toen Van Caredol dat ze ontvlogen, Daar ze allen hun harnas verloren. Dus hadden ze grote toorn, Zodat ze nimmermeer worden blij 13320 Ze hadden het gewroken nu ten tijden Op koning Arthur, en ook mede “Op zijn tovenaar die ons dit deed”. Aldus scheidden ze van Caredol nu Gewond en bezeerd, zeg ik u; 13325 Sommige moesten op een draagbaar Liggen, daar men ze op weg droeg snel Omdat ze waren zo gewond. Ze gingen een kleine dagvaart terstond Zolang totdat ze kwamen daarnaar, 13330 In hun land; daar lagen ze voorwaar Zolang totdat ze genezen waren. Het einde van de maand daarnaar Hadden ze een groot gesprek Tussen dat land van Gorre omtrent 13335 En dat land van Schotland mede; En het gesprek eindigde daar ter plaatse Zodat elk daar ontbieden zou Zijn verwanten en zijn vrienden te houden, Als hij ze krijgen kan beide, 13340 En die hij hebben kan ook mede; “En als we allen verzameld zijn ter uur Zullen we varen op koning Arthur, En zullen van hem ontnemen het land Of we zullen het verbranden gelijk, 13345 En we zullen hem daaruit verjagen Ondanks al zijn verwanten. Toen namen ze de dag, dat ze wilden Dat hun lieden verzamelen zouden In dat gebied, weet het dan, 13350 Onder het kasteel van Bredigan. Toen scheidde onder hen dat gesprek, En elk ontbood daar zijn vriend En allen die hij hebben kon; Daar kwam hertog Escans ter stond 13355 Van Cambenick goed te harnas Met zes duizend mannen ras, En goed te paard en elk mede Had een teken gemaakt ter plaatse Van de hertog’s wapen alzo te houden, 13360 Omdat men ze daaraan herkennen zou. Daar kwam de koning ook na dit Tradelians van Norgales Met zesduizend mannen gevaren, Die al te paard en gewapend waren, 13366 En elk had een teken nu Van hun heer wapen, zeg ik u. Dit gezelschap werd geprezen Erg mooi en zeer gewezen. Daarna kwam koning Brangores 13370 Die van het land van Gorre is Met twee duizend mannen, die waren Goed en eerlijk gewapend te waren. Daarna kwam koning Clarioen; Hij bracht daar wel in zijn doen 13375 Twee duizend man gewapend kloek, Die waren van Northumberland. Daarna kwam de koning ter plaatse Van de honderd ridders mede Die dapper, sterk en koen was; 13380 Hij bracht daar wel te harnas Vier duizend man, zoals ik het vernam; Daarna koning Loth kwam En bracht van Loenois (Lyonis) een partij, En ook mede van Orkney, 13385 Acht duizend man, daar elk van droeg Zijn heer teken naar zijn gevoeg. Daar kwam Karados, de koning Van Estragorre, in waar ding; Zijn land raakt aan Orkney 13390 Aan de ene zijde, en van de andere partij Raakt het aan het land van Norgales; 148 Hij bracht met hem, zij het zeker dit, Zevenduizend ridders in goede toestand Van alle dingen zekerlijk. 13395 Daarna zo kwam Anguissant, Die koning was in Schotland, Met zesduizend mannen met geweld, Die fier waren en dapper En goed gewapend daar ter plaatse, 13400 En hadden hun heer teken mede. Toen kwam koning Uries, Die van het land van Gorre is, Tienduizend man bracht hij daarnaar, Die dapper en goed gewapend waren. 13405 Daarna kwam koning Ventres, Die van het land van Garloth is, Met zesduizend ridders, die te alle tijden Hun heer bereid waren in strijden. En koning Ydier van Cornwall 13410 Kwam met een mooie getal, Zesduizend man bracht hij daar. En al deze koningen, weet voorwaar, Zwoeren dat ze nimmermeer Terugkeren, ze zullen eerst 13415 Arthur doden of verdrijven daarnaar Eer ze terugkeren van daar; Want ze sterven liever nu Eer ze dat lieten, dat zeg ik u, Dat Arthur zou regeren in dat land. 13420 Toen zonden ze verspieders al gelijk, Om te bespieden waar Arthur is; Maar die de weg behoeden, zij het zeker dit, Vingen ze allen en zonden ze daarnaar Koning Arthur, die ze daarnaar 13425 Deed in gevangenis gelijk, Zodat sindsdien niemand kon verstaan, Waar ze gegaan waren sinds. En de baronnen reden omtrent Zolang dat ze kwamen nu 13430 Te Bredigan, dat zeg ik u, In het gebied voorwaar, Ze lagen er erg blijde daar, Zoals die al meenden gelijk Hebben gewonnen, en zonden in het land 13435 Hun rijders die niet vonden, Want de beesten en al het goed ten stonden Was gevoerd in de grote steden En in de sterke burchten mede; Dit was via koning Bans raad gedaan 13440 En zijn broeder, zonder waan, Die goede wijze lieden waren En van oorlogen veel wisten te waren. En toen diegene zagen daarnaar, Dat alles dus gevlucht was daar, 13445 Staken ze het vuur daarin ter plaatse En verbranden huizen en dorpen mede, Die buiten de vesting stonden in het land; Die verbrandden ze al gelijk, Ze maakten het woest, daar ze reden. 13450 Toen moesten ze uit hun eigen steden En uit hun landen laten komen spijs, Zouden ze het hebben naar hun wijs. En toen ze daar genoeg hadden te waren, En ze allen verzameld waren, 13455 Hadden ze bij getal dan Zestigduizend dappere mannen. Nu laat ik hiervan de taal blijven, En zal u verder van Merlijn schrijven, En van de lieden van Bonewick 13460 En van Gannes desgelijks. |
Hoe Merlijn met dien van Bonewick te Logres quam. Hier spreket die historie des, Dat Merlijn ende Leonces, Entie drossate van Bonewick, Ende Pharien mede desgelyck, 13465 So lange reden, datsi quamen Ter roetsen in Poytau tsamen. Daer gingensi nu tscepe ter vaert, Ende voeren die zee nederwaert So zi hemelickest mochten ter uer; 13470 Si hadden den wint groet ter kuer Ende zeilden so lange, datsi quamen In dat bloye Britanien tsamen; Ende waerombe dat doe alsoe hiet mede, Sal ic iu tellen hier ter stede: 13475 Dat gevil doe Troyen verstoert was, Waren daer twe broeder, zijt seker das, Entie ene met groten scatte ontreet, 149 Die sijn was, ende met hem, God weet, Vele goeder liede, die vrome waren, 13480 Ende quam in Engelant gevaren, Ende dade ene stat daer maken sint, Die geheten was Trinoicint Dat es te seggene in griecxe woert Niewe Troyen, hebbic gehoert, 13485 Ombedatsi van Troyen quamen; Ende om die ere van sinen name Dadi heten Britanien dlant Ombedat hi Brutus was genant. Aldus hietent die gone die leefden doe, 13490 Entie stat hieten si ember toe Troyen in Britanien, als ict las, Lange na dat Brutus doet was. Daerna gevil sint ter stede, Dat daer was een koninck mede, 13495 Die Logres hiet, die dese stat Sere beterde, ende ombedat Dade hise heten na hem dor des, Ende wart geheten Logres; Ende dese name duerde haer al bloet 13500 Thent na des koninck Arturs doet Ende na der heren van der Tafelronde. Ende na alder heren doet ter stonde, Die by Mordrette doet bleven, Alse iu hierna wael wert bescreven 13505 Eer dit boec sal nemen inde, Ende na al dese grote scinde Dat al dese heren bleven doet, So wart in den lande ene sterfte groet Dat men die liede met hopen vant 13510 In steden, in dorpen, in dat lant, Die doet waren, ende oec mede, Daer die ene den anderen groef ter stede, Daer bleef hi selver liggende doet; Ende dese swaer sterfte groet 13515 Quam van ener quader lucht toe, Die daer in den lande was aldoe; Ende ombe dese grote sterfte mede, So hiet men aldaer doe die stede Bloye in Britanien lange daernare 13520 Ombedat haer herte serech waren, Ende vol van groten vernoye Omde dit so was dat geheten Bloye; Want Bloye is in hoerre tale Rouwe ende seer, verstaet my wale, 13525 Ende van herten gequetset seer; Ende ombe dese saken so was dat eer Bloye in Britanien geheten. Nu doet ons voert die historie weten: Die ander prince die van Troyen was 13530 Ende ontvoer, als ic hier vor las, Die hiet Cornius, ende diegone Was groet, sterck, ende kone, Ende alle die met hem waren; Hi was van den Giganten, twaren, 13535 Dese arriveerde in een lant Dat hi van hem dade heten thant; Na Cornius dade dat lant heten Cornuwale, als wy dat weten; Ende ombe thebbene pais ende vrede 13540 Met sinen lieden, so dadi mede Daer maken steden ende borge goet; Ende van desen Cornius, als ic verstoet, Ende van sinen geslechte quamen Alle die Gigante tsamen, 13545 Die menech quaet in Britanien deden, Wantsi menech werf daerop streden Alse gy hierna wael sult verstaen. Nu wil ic tminer jeesten gaen Van Merlyne, daer ic hier vor af las, 13550 Die noch in der zee was; Ende die nu te lande zijn komen Hebben haer harnasch genomen Ende daden dat torse in malen daer, Want Merlijn seide hem daernaer, 13555 Datsi moesten, sonder sparen, By nachte ende by dage varen, Thent datsi quamen in die stede, Daer si mochten logieren mede; Ende si daden al dat hem Merlijn hiet, 13560 Si en dorsten daer wederseggen niet. Hi leidese in hemeleke wege nu Ende verboet hem, dat zeggic iu, Datsi geen geruchte en maken. Des vierden dages na dien saken 13565 Datsi wten scepe gingen, 150 Quamensi in waren dingen Op dat plaen van Bredegan, Daer si vonden Arturs man, Daer men hem grote feeste dede 13570 Ende ere, doe men se kende, mede. Si sloegen tente ende paweloene Ende rasten hem na haren doene, Ende daden hem te gemake daer Achte dage, ende rasten hen vorwaer; 13575 Ende hem was spise genoech gegeven, Datsi vrolike mochten leven. Doe seide Merlijn totten ruwarden saen, Die dat heer hadden bevaen: “Gy heren, ic moet nu soecken varen 13580 Die drie koninge, sonder sparen, Want nieman die boetscap doen sal. Also wael als ic, hebbic des geval”. Doe seide Ulfijn in spele ten tyden: “Wachtet van den heer bandersyde, 13585 Want ic hebbe horen seggen nu, Datsi herde sere dregen iu”. “Dat weet ic wael”, zeide Merlijn saen, “Maer si en gekrigen my niet, sonder waen, Oec eest recht, datsi my haten seer; 13590 Want by Gode, onser aller Heer, Sy en hebben negenen so groten viant Noch so swaren hier in dat lant, Alse ic hem ben ende sal sijn, Also lange alsi den heren mijn, 13595 Den koninck Artur willen scaden meerre; Nu hoedet iu wael, ic biddes iu, heren, Dat gy nieman, dat hetic iu, Wten heer latet varen nu, Want daer mochte groet scade af komen; 13600 Des koninges viande, hebbic vernomen, Liggen gelogiert met menegen man In der jegenode van Bredegan, Ende daer es er sestichdusent op orse al, Ende van den onsen al dat getal 13605 Es maer vijfentwintich dusent, twaren; Ombedit moetewy wijsleke varen, Ende met sinne als te voren, Ochte dat waer al verloren”. Ulfijn zeide doe: “Here, tes waer, 13610 Beter es dat daer een ander vaer”. “Dat en waer niet”, zeide Merlijn saen, Ic salse bet leiden sonder waen Ende hemeliker in allen synnen, Dat mense zien en sal no kinnen, 13615 Dan ieman anders, dat seggic iu”. Doe beval hise te Gode nu, Ende es so haesteleke hene gegaen, Dat nieman daer en konde verstaen Waer zi hene zijn gevaren; 13620 Zi zegenden hem van wonder, twaren. Doe dade Ulfijn dat heer daer So nauwe hoeden, dat nieman daernaer Wt en ginck niet enen voet; So wael wasset daer nu behoet. 13625 Dus lagensi daer nu te samen, Datsi van den koningen niet vernamen. Merlijn opten iersten quam Te Logres, daer hi die koninge vernam, Die rouwech ende onblide waren 13630 Ombe tlant, datsi zagen verhaeren Ende woesten ende bernen mede. Nu es Merlijn komen gerede So hemelec onder die koninge daer, Datsi des niet en worden gewaer 13635 Vor dien dat hi vor hem stoet; Doe zeidensi hem van wonder groet, Ende liepen tot hem ende helseden doe Ende hadden grote blyscap soe, Ende vrageden, hoe hi gevaren hadde nu: 13640 “Herde wael”, zeidi, “nu gereidet iu, Ende laet ons ter heerwaert varen dan”. “Hoe?” zeide doe die koninck Ban, “Zijn onze liede komen?” zeide hi. “Merlijn sprac doe: “Here, ja si, 13645 Ende liggen met des koninck Arturs man In den plane van Bredegan, Ende daer isser vijftiendusent by getale Entie koninck Artur hevet wale Tien dusent mede. Bandersyde 13650 Sijn tien koninge komen ten stryde Ende een hertoge, ende daeran Sijn torse wael zestichdusent man”. “Nu helpe ons God!” zeide Antor doe, “Want dat spel dunct my ongedeelt alsoe 13655 Ende een ander sorge es daeran: Dat zijn stoute ridders ende vrome man”. “Ten roket iu”, zeide Merlijn tot hem 151 “By der trouwen, die ic iu schuldech bem Ende Artur, mynen here, ende Blasys met, 13660 Mynen meester, ic wil dat gy wet, Dat ic by der hulpe van Gode dan Ende by der konst, die ic noch kan, Sal doen so vele, datsi tharen onvromen In dat lant hier zijn komen, 13665 Ende hem beter waer, twaren, Datsi te huis bleven waren; Want en esser negene so koene, Hi en sal hebben genoech te doene Eer hi sceiden sal van my; 13670 Maer ic segget in oec, dat wy Enen strijt zullen hebben groet Enter onser sal bliven doet Also luttel alse tachtentech vorwaer, Enter hoerre sal bliven daer 13675 Wael dusent ende hondert mede. Nu bereidet iu volc ter stede, Want wy moeten na den etene ryden; Ende doet mede voeren ten tyden Spise ons allen te vier dagen, 13680 Ende haestet iu, hier [en] es geen langer Doe si hoerden Merlijns woert, Bereiden si hem haestleke voert dagen”. Bereiden si hem haestleke voert Van al dat hem sal gebreken, Ende dadent knapen in malen steken. 13685 Si aten ende dronken, ende daernaer Vragedensi Merline, of si daer Haer wapene an souden doen nu; “Neen, gy”, zeidi, “ic zegget iu: Si zouden iu te zwaer wesen 13690 Gy en dorret iu van niemanne vresen, Die iu arch sal doen, zeggic iu, Ic sal iu sulken wech leiden nu”. Dus en wapendensi hem niet gint; Ende na den etene gingensi sint 13695 Ende cleden hem wael, wantet was Cont weder, ende gevroren; dordas Dedensi cleder genoech overeen. Het was scone entie mane sceen Ende haerre was veertich, als wy dat horen; 13700 Ende Merlijn es nu gereden voren, Entie drie koninge ende Antor mede Volgeden Merline wael gerede. Merlijn sat op een ors verheven Dat hen die drie koninge geven 13705 Ombe haer geselscap te werven alsoe, Hi en hadde des orses niet te doene doe Haddi gewilt, want daer en was Geen ors zoo snel, zijt zeker das, Noch die vogel in der lucht met, 13710 Alse hi was, ic wil dat gijt wet. Dus reden si dach ende nacht alsoe, So lange dat si quamen doe In grote wiltnesse, daer rasten si Ende makeden vier ende dronken mede, 13715 Ende rasten ende sliepen daer ter stede. Alsi gegeten hadden ende geslapen daer, Nam Merlijn die koninge daernaer Ende Antor, ende leidese daer besyden, Ende zeide tot Artur ten tyden: 13720 “Here, gy zijt noch ionck sekerlike, Ende gy hebbet een groet konincrike Thoudene nu in uwe hande, Entie baroene van uwen lande En willen niet dat gy zijt haer heer, 13725 Entie gemene liede meer Soudent onwaert hebben mede En dade dat gy te meneger stede Iu gave hem hebbet gegeven nu; Maer waerdy oit milde, so biddic iu, 13730 Dat gy nu gevet mildeliken, Ende laet iu gaven nu so bliken, Datsi alle seggen, groet ende clene, Dat gy die mildeste zijt allene, Die in der werelt es ter stede, 13735 Want gy en moget nergent mede Iuwe liede bet trecken an iu, Dan met gave, zeggic iu nu, Want gy sult hebben al iu leven Goedes genoech, dat gy moecht geven, 13740 Hierombe ic sal iu zeggen dor wat: Hier, daer wy zijn, licht die meeste scat Die oit gesien wart, zeggic iu, Maer gy en zulten niet nemen nu, Vordat gy den strijt hebbet gewonnen 13745 Des iu God wael sal gonnen, Ende oec nemet waer al sint, Dat gy dat sticke lants wael bekint, 152 Als gy daer wilt komen dat gy Niet en verdwalet”. Hi leiden daerby 13750 Op dat lant, daer lach die scat; Hi makede hem een teken ter stat. Des hadde den koningen wonder groet Dat Merlijn wysede daer dat goet. Doe zaten si op ende reden dan 13755 Tote in den plaen van Bredegan, Daer dadensi des koninges tenten slaen By enen borne, sonder waen, Die so vele waters gaf, Dat daer ene grote beke liep af, 13760 So dat des die stat vele te beter was Ende vele genoechliker, zijt zeker das; Nochtan wasset herde kout mede, Want doe si lagen daer ter stede Was achte dage vor Onser Vrouwen dach, 13765 Dat men die keersen te dragene plach; Doe si gelogiert waren na der sake, Dadensi hem herde wael te gemake, Ende rasten hem drie dage mede Ende bereiden hem daer wel ter stede. 13770 Des vierden dages quam Merlijn gegaen, Ende zeide hem: “nu es tijt, sonder waen, Dat gy uwe batalie doet ordineren, Ende welck dat zijn zullen die heren Diese leiden zullen; want wy 13775 Sullen komen op hem, dat zy Van ons niet en sullen weten alsoe; Ende dat sal zijn morgen vroe, Vor den dage, twe uren mede; Want wistensi onze komst gerede, 13780 Si hebben so vele liede ter uren Wy en mochten vor hem niet geduren; Ende en hebbet gene sorge nu Si en mogen niet geduren vor iu”. Doe wapenden hem al die heren 13785 Ende men dade die batalie ordineren, Ende men gaf Keyen, den drossate, nu Des koninges Arturs teken, seggic iu, Dat hijt soude voeren in den stryde Want dat was sijn recht ten tyden 13790 Entie ierste batalie haddi met; Daer was inne Lucas ende Griflet, Ende van der Roetsen Maras, Ende van Blois Gwinas, Van den wilden foreeste Drahans, 13795 Entie amorose Behans Ende Flandris de Blia; Dese achte ridders, als ic versta, Leiden dierste batalie met, Daer wasser vier dusent ingeset. 13800 Die ander batalie leide Bretel, Die goet ende trouwe es, weet ic wel, Ende vrome was in elker stede Entiene wel konde gehelpen mede; Daer souder vier dusent mede sijn. 13805 Die derde scaer leide Ulfijn, Die vele wiste van orlogen; Hi was goet, getrouwe, ende vermogen; Ende hier was inne Artur, die koninck, Ende deser was, in ware dinck, 13810 Vierdusent, ende die ter noet Haren heren getrouwe waren ter doet; Ende elke scaer voer allene na das Suverlike enen clenen pas, Ende Merlijn geleidese ende reet voren 13815 Op een goet swart ors verkoren. Daerna ordineerden die koninck Ban Ende Bohort, sijn broeder, haer man; Entie ierste scaer gaven si te leidene Pharine, te berechtene ende te bereidene, 13820 Ende gaven hem des koninges teken met, Want hi was vrome ende wijs, dat wet, Ende seker ende getrouwe ende koene; Met hem was Ladinas, in dien doene, Ende Mares van Bonewijc, 13825 Ende Caudas van Trebe desgelijc, Ende Blois van Casse ende Graciaen, Ende Blioberis, hebbic verstaen, Ende van Carmosijn Canes, Madian, die blonde, ende Placides, 13830 Ende Meliadus de Blois, die grote, Ende Placalifer van der Benote, Iedars die brune ende Cristofeles, Ugelijn van den dale ende Gliales, Galogregans van den lande van Gorre, 13835 Ende Grisalus. Deze waren in porre Ende ander ridder sovele nadas, Datter vierdusent in der batalie was. 153 Die ander scaer leide Leonces Van Parne, die wijs ende koene es, 13840 Ende daer wasser vierdusent in vermeten Wael bereit ende opgeseten. Die derde leide koninck Bohort van Gannes Daer der oec vierdusent in es, Tors ende wael gewapent al. 13845 Die vierde scaer leiden sal Van Bonewijc die koninck Ban, Ende hi was een die zekerste man Die stoutste entie getrouweste met Van al sinen heer, dat wet, 13850 Ende in siner batalie waren wel Vier dusent ridder sterck ende snel, Die haren here niet totter doet En zullen begeven dor gene noet. Ende doe si dus bereit waren, 13855 Sijn zi alle enwech gevaren, Also als ic iu zeide vor das, Met gemake enen clenen pas, So lange dat middenacht es geleden; Entie mane sceen scone ter steden 13860 Maer dat was stille ende scone doe Ende dat vroes sere ember toe, Ende si reden so vele, hebbic vernomen, Datsi by haer viande zijn gekomen Dat sijs niet en wisten, zeggic iu. 13865 Dus latic die tale hieraf nu, Want ic moet iu voert bescriven Die dinge, die die Sennen bedriven, Entie van Scotlant waren ende van Ierlant Die martsierden an der tien koninge lant |
Hoe Merlijn met die van Bonewick te Logres kwam. Hier spreekt de historie dit, Dat Merlijn en Leonces, En de drost van Bonewick, En Pharien mede desgelijk, 13465 Zolang reden, zodat ze kwamen Bij de rotsen in Poitou tezamen. Daar gingen ze nu te scheep ter vaart, En bevoeren de zee nederwaarts Zo ze het heimelijks mochten ter uur; 13470 Ze hadden de wind groot ter keur En zeilden zolang, zodat ze kwamen In dat blijde Brittannië tezamen; En waarom dat toen alzo heette mede, Zal ik u vertellen hier ter stede: 1347 Dat gebeurde toen Troje verstoord was, Waren daar twee broeder, zij het zeker dat, En de ene met grote schatten weg reed, 149 Die van hem was, en met hem, God weet, Veel goede lieden, die dapper waren, 13480 Kwamen in Engeland gevaren, En lieten een stad daar maken sinds, Die geheten was Trinoicint (Londen) Dat is te zeggen in Grieks woord Nieuw Troje, heb ik gehoord, 13485 Omdat ze van Troje kwamen; En vanwege de eer van zijn naam Liet hij heten Brittannië het land Omdat hij Brutus was genoemd. Aldus noemden het diegene die leefden toen, 13490 En de stad noemden ze immer toen Troje in Brittannië, zoals ik het las, Lang nadat Brutus dood was. Daarna gebeurde sinds ter stede, Dat daar was een koning mede, 13495 Die Logres heette, die deze stad Zeer verbeterde, en omdat Liet hij het heten naar hem door dat, En werd geheten Logres; En deze naam duurde bij hun al bloot 13500 Tot het einde na koning Arthurs dood En naar de heren van de tafelronde. En naar alle heren dood ter stonde, Die bij Mordret dood bleven, Zoals u hierna wel wordt beschreven 13505 Eer dit boek zal nemen einde, En na al deze grote schande Dat al deze heren bleven dood, Zo kwam er in het land een sterfte groot Zodat men de lieden met hopen vond 13510 In steden, in dorpen, in dat land, Die dood waren, en ook mede, Daar de ene de ander begroef ter plaatse, Daar bleef hij zelf liggen dood; En deze zware sterfte groot 13515 Kwam van een kwade lucht toe, Die daarin het land was toen; En vanwege deze grote sterfte mede, Ze noemde men aldaar toen die stede Bloye in Brittannië lang daarnaar 13520 Omdat hun harten bezeerd waren, En vol van grote vermoeienis Om dit zo werd dat genoemd Bloye; Want Bloye is in hun taal Rouw en zeer, begrijp me wel, 13525 En van hart gekwetst zeer; En vanwege deze zaken zo was dat eerder Bloye in Brittannië geheten. Nu laat ons verder de historie weten: De andere prins die van Troje was 13530 En weg voer, zoals ik hiervoor las, Die heet Cornius, en diegene Was groot, sterk en koen, En allen die met hem waren; Hij was van de giganten, te waren, 13535 Deze arriveerden in een land Dat hij van hem liet heten gelijk; Naar Cornius werd dat land genoemd Cornwall, zoals wij dat weten; En om te hebben rust en vrede 13540 Met zijn lieden, zo liet hij mede Daar maken steden en burchten goed; En van deze Cornius, zoals ik het verstond, En van zijn geslacht kwamen Alle giganten tezamen, 13545 Die menig kwaad in Brittannië deden, Want ze vele keren daarop streden Zoals ge hierna wel zal verstaan. Nu wil ik tot mijn verhaal gaan Van Merlijn, daar ik hiervoor van las, 13550 Die nog in de zee was; En die nu te land zijn gekomen Hebben hun harnas genomen En lieten de paarden in malien daar, Want Merlijn zei hen daarnaar, 13555 Dat ze moesten, zonder te sparen, Bij nacht en bij dag varen, Ten einde dat ze kwamen in die plaats, Daar ze mochten logeren mede; En ze deden alles dat hen Merlijn zei, 13560 Ze durfden hem te weerspreken niet. Hij leidde ze in verborgen wegen nu En verbood hen, dat zeg ik u, Dat ze geen gerucht maken. De vierde dag na die zaken 13565 Dat ze uit de schepen gingen, 150 Kwamen ze in ware dingen Op de vlakte van Bredegan, Daar ze vonden Arthurs man, Daar men hen grote feesten deed 13570 En eer, toen men ze kende, mede. Ze sloegen tenten op en paviljoenen En rusten naar hun doen, En deden hun gemak daar Acht dagen, rusten ze voorwaar; 13575 En hen was spijs genoeg gegeven, Zodat ze vrolijk mochten leven. Toen zei Merlijn tot de bewakers gelijk, Die dat leger hadden bevangen: “Gij heren, ik moet nu zoeken gaan 13580 De drie koningen, zonder sparen, Want niemand de boodschap doen zal. Alzo goed als ik, heb ik dus geluk”. Toen zei Ulfijn in spel ten tijden: “Wacht je van het leger aan de andere zijde, 13585 Want ik heb horen zeggen nu, Dat ze erg zeer bedreigen u”. “Dat weet ik wel”, zei Merlijn gelijk, “Maar ze krijgen me niet, zonder waan, Ook is het recht, dat ze me haten zeer; 13590 Want bij God, onze aller Heer, Ze hebben nergens zo’n grote vijand Nog zo’n zware hier in dat land, Zoals ik hen ben en zal zijn, Zolang als ze de heer van mij, 13595 Koning Arthur willen beschadigen meer; Nu behoed u goed, ik bid u, heren, Zodat ge niemand, dat zeg ik u, Uit het leger laat komen nu, Want daar kon grote schade van komen; 13600 Konings vijanden, heb ik vernomen, Liggen gelogeerd met menige man In het gebied van Bredigan, En daar zijn er zestigduizend op paard al, En van de onze dat hele getal 13605 Is maar vijfentwintig duizend, te waren; Vanwege dit moeten we wijs varen, En met geest zoals tevoren, Of dat was alles verloren”. Ulfijn zei toen: “Heer, het is waar, 13610 Beter is dat daar een ander gaat”. “Dat is het niet”, zei Merlijn gelijk, Ik zal ze beter leiden zonder waan En heimelijk in alle zinnen, Dat men ze zien zal nog herkennen, 13615 Dan iemand anders, dat zeg ik u”. Toen beval hij ze tot God nu, En is zo snel heen gegaan, Dat niemand daar kon verstaan Waar hij heen is gevaren; 13620 Ze zegenden hem van wonder, te waren. Toen deed Ulfijn dat leger daar Zo nauw behoeden, dat niemand daarnaar Uitging niet een voet; Zo goed was het daar nu behoed. 13625 Dus lagen ze daar nu tezamen, Dat ze van de koningen niets vernamen. Merlijn ten eerste kwam Te Londen, daar hij de koning vernam, Die rouw en droevig was 13630 Om het land, dat hij zag verschralen En verwoesten en verbranden mede. Nu is Merlijn komen gereed Zo heimelijk onder de koningen daar, Dat ze hem dus niet worden gewaar 13635 Voordat hij voor hen stond; Toen zeiden ze hem van wonder groot, En liepen naar hem en omhelsden toen En hadden grote blijdschap zo, En vroegen, hoe hij het maakte nu: 13640 “Erg goed”, zei hij, “nu bereid u, En laat ons tot het leger varen dan”. “Hoe?” zei toen koning Ban, “Zijn onze lieden gekomen?” zei hij. “Merlijn sprak toen: “Heer, ja zij, 13645 En liggen met koning Arthurs mannen In de vlakte van Bredigan, En daar zijn er vijftienduizend bij getal En koning Arthur heeft wel Tien duizend mede. Aan de andere zijde 13650 Zijn tien koningen gekomen te strijd En een hertog, en daaraan Zijn te paard wel zestigduizend man”. “Nu helpt ons God!” zei Antor toen, “Want dat spel lijkt me ongelijk alzo 13655 En een andere zorg is daaraan: Dat zijn dappere ridders en flinke mannen”. “Hou je kalm”, zei Merlijn tot hem 151 “Bij de trouw, die ik u schuldig ben En Arthur, mijn heer, en Blasys mee, 13660 Mijn meester, ik wil dat ge weet, Dat ik met de hulp van God dan En bij de kunst, die ik nog kan, Zal doen zoveel, dat ze tot hun onvrede In dat land hier zijn gekomen, 13665 En het hen beter was, te waren, Dat ze thuis gebleven waren; Want er is er geen zo koen, Hij zal genoeg hebben te doen Eer hij scheiden zal van mij; 13670 Maar ik zeg het u ook, dat wij Een strijd zullen hebben groot En van de onzen zal blijven dood Alzo weinig als tachtig voorwaar, En van hen zal blijven daar 13675 Wel duizend en honderd mede. Nu bereid uw volk ter stede, Want we moeten na het eten rijden; En laat mee voeren ten tijden Spijs voor ons allen voor vier dagen, 13680 En haast u, wees hier niet langer Toen ze hoorden Merlijns woord, Bereidden ze zich haastig voort die dag”. Bereiden ze zich haastig voort Van alles dat hen zal ontbreken, En lieten het knapen in buidels steken. 13685 Ze aten en dronken, en daarnaar Vroegen ze Merlijn, of ze daar Hun wapens aan zouden doen nu; “Neen, gij”, zei hij, “ik zeg het u: Ze zouden u te zwaar wezen 13690 Ge behoeft u van niemand te vrezen, Die u iets zal aandoen, zeg ik u, Ik zal u zo’n weg leiden nu”. Dus wapenden ze zich niet ginds; En na het eten gingen ze sinds 13695 En kleden zich goed, want het was Koud weer, en gevroren; door dat Deden ze klederen genoeg over elkaar. Het was mooi en de maan scheen En van hen waren er veertig, zoals we dat horen; 13700 En Merlijn is nu gereden van voren, En de drie koningen en Antor mede Volgden Merlijn goed gereed. Merlijn zat op een paard verheven Dat hem de drie koningen gaven 13705 Om hun gezelschap te verwerven alzo, Hij had een paard niet nodig toen Had hij gewild, want daar was Geen paard zo snel, zij het zeker dat, Nog de vogels in de lucht mee, 13710 Zoals die was, ik wil dat gij het weet. Dus reden ze dag en nacht alzo, Zolang zodat ze kwamen toen In grote wildernis, daar rusten ze En maakten vuur en dronken mede, 13715 En rusten en sliepen daar ter plaatse. Toen ze gegeten hadden en geslapen daar, Nam Merlijn de koningen daarnaar En Antor, en leidde ze daar bezijden, En zei tot Arthur ten tijden: 13720 “Heer, ge bent noch jong zekerlijk, En ge hebt een groot koninkrijk Te behouden nu in uw handen, En de baronnen van uw landen Willen niet dat ge bent hun heer, 13725 En de gewone lieden meer Zouden het onwaardig vinden mede Deed ge niet te menige plaatsen Uw gaven hen hebt gegeven nu; Maar was ge ooit mild, zo bid ik u, 13730 Dat ge nu geeft milde, En laat uw gaven nu zo blijken, Dat ze allen zeggen, groot en klein, Dat ge de mildste bent alleen, Die er in de wereld is ter stede, 13735 Want ge mag het nergens mede Uw lieden beter trekken aan u, Dan met gaven, zeg ik u nu, Want ge zal hebben al uw leven Goed genoeg, dat ge mag geven, 13740 Hierom zal ik u zeggen door wat: Hier, daar we zijn, licht die grootste schat Die ooit gezien werd, zeg ik u, Maar ge zal het niet nemen nu, Voordat ge de strijd hebt gewonnen 13745 Dat u God dus wel zal gunnen, En ook neem het goed waar sinds, Dat ge dat stuk land wel herkent, 152 Als ge daar wil komen zodat ge Niet verdwaalt”. Hij leidde hem daarbij 13750 Op dat land, daar lag die schat; Hij maakte hem een teken ter plaatse. Dus hadden de koningen verwondering groot Dat Merlijn aanwees daar dat goed. Toen zaten ze op en reden dan 13755 Tot in de vlakte van Bredigan, Daar lieten ze konings tenten opslaan Bij een bron, zonder waan, Die zoveel water gaf, Dat daar een grote beek liep af, 13760 Zodat dus die plaats veel beter was En veel genoeglijker, zij het zeker dat; Nochtans was het erg koud mede, Want toen ze lagen daar ter plaatse Was het acht dagen voor Onze Vrouwen dag, 13765 Dat men kaarsen te dragen plag; Toen ze gelogeerd waren na de zaken, Deden ze zich erg goed te gemak, En rusten zich drie dagen mede En bereidden zich daar goed ter plaatse. 13770 De vierde dag kwam Merlijn gegaan, En zei hen: “nu is het tijd, zonder waan, Dat ge uw bataljons laat ordeneren, En welke dat zijn zullen die heren Die ze leiden zullen; want wij 13775 Zullen komen op hen, zodat zij Van ons niet zullen weten alzo; En dat zal zijn morgen vroeg, Voor de dag, twee uren mede; Want wisten ze onze komst gereed, 13780 Ze hebben zoveel lieden ter uren We konden hen niet weerstaan; En heb geen zorgen nu Ze mogen niet weerstaan voor u”. Toen wapenden zich al die heren 13785 En men liet het bataljons ordenen, En men gaf Keye, de drost, nu Konings Arthurs teken, zeg ik u, Dat hij het zou voeren in de strijd Want dat was zijn recht ten tijden 13790 En het eerste bataljon had hij mee; Waarin was Lucas en Griflet, En van de rotsen Maras, En van Blois Gwinas, Van het wilde bos Drahans, 13795 En de aangename Behans En Flandris de Blia; Deze acht ridders, zoals ik het versta, Leiden het eerste bataljon mee, Daar waren er vier duizend ingezet. 13800 Het andere bataljon leidde Bretel, Die goed en trouw is, weet ik wel, En dapper was in elke plaats En die hem wel kon behelpen mede; Daar zouden er vier duizend mee zijn. 13805 De derde schaar leidde Ulfijn, Die veel wist van oorlogen; Hij was goed, getrouw, en vermogend; En hierin was Arthur, de koning, En in deze was, in een waar ding, 13810 Vierduizend, en die in de nood Hun heer getrouw waren tot in de dood; En elke schaar voer alleen na dat Zuiver een kleine pas, En Merlijn geleidde ze en reed tevoren 13815 Op een goed zwart paard gekozen. Daarna ordende koning Ban En Bohort, zijn broeder, hun man; En de eerste schaar gaven ze te leiden Pharine, te berechten en te bereiden, 13820 En gaven hem konings teken mee, Want hij was dapper en wijs, dat weet, En zeker en trouw en koen; Met hem was Ladinas, in dat doen, En Mares van Bonewick, 13825 En Caudas van Trebe desgelijks, En Blois van Casse en Graciaen, En Blioberis, heb ik verstaan, En van Carmosijn Canes, Madian, de blonde, en Placides, 13830 En Meliadus de Blois, de grote, En Placalifer van Benote, Iedars de bruine en Cristofeles, Ugelijn van het dal en Gliales, Galogregans van het land van Gorre, 13835 En Grisalus. Deze waren in gang En andere ridders zoveel na dat, Dat er vierduizend in het bataljon was. 153 De andere schaar leidde Leonces Van Parne, die wijs en koen is, 13840 En daar waren vierduizend in vermetel Goed bereid en opgezeten. De derde leidde koning Bohort van Gannes Daar er ook vierduizend in is, Te paard en goed gewapend al. 13845 De vierde schaar leiden zal Van Bonewick koning Ban, En hij was een van de zekerste man De dapperste en de trouwste mee Van zijn hele leger, dat weet, 13850 En in zijn bataljon waren wel Vier duizend ridders sterk en snel, Die hun heer niet tot de dood Zullen begeven door geen nood. En toen ze dus bereid waren, 13855 Zijn ze allen weg gevaren, Zoals als ik u zei voor dat, Met gemak en een kleine pas, Zolang dat middernacht is geweest; En de maan scheen mooi ter plaatse 13860 Maar dat was stil en mooi toen En dat vroor zeer immer toe, En ze reden zo veel, heb ik vernomen, Zodat ze bij hun vijanden zijn gekomen Zodat ze het niet wisten, zeg ik u. 13865 Dus laat ik de taal hiervan nu, Want ik moet u voort beschrijven De dingen, die de Sennen bedrijven, En die van Schotland waren en van Ierland Die grensden aan de tien koningen land. |
Hoe die koninck Barnagas ende Magos ende Argos der tien koninge lant branden ende belagen. 13870 Die aventure tellet ons das Als die koninck Barnagas Entie koninck Magos Entie koninck Argos Die neven waren des koninges met 13875 Van den Sennen, die oem was, dat wet, Hangys, dien die koninck Uter-Pandragoen Doet sloech lange vor dit doen, Als gy gehoert hebbet hiervoren; Als dese drie koninge haer lant 13880 Hebben gelaten, en zijn te hant Op Artur gevaren, ontboden si Al haer lant verre ende by, Ende hebben nu vergadert wal Sestichdusent man over al 13885 Beide tors ende te voet mede; Ende alle dage, van stede te stede, So merede haer volck, zeggic iu; Si hadden vele liede te voete nu. Si voeren in dorpe ende in castele, 13890 Daer si in wonen herde vele; Ende in den steden, cleen ende groet, Die si gewinnen mochten al bloet, Si verstoerden se ende wonnen met Al datsi vonden, ende oec wet 13895 Datsi nieman en spaerden ter stede; Manne, wijf, kinder mede Sloegensi doet, gelijc honden; Ende si belagen in dien stonden Ene stat, hiet Windeberes, 13900 Daer al dat volc in gevloen es; Want die stat was groet ende wijt Ende wael gevestet in dier tijt Met twe paer muren, seggic iu; Entie van den lande hadden daer in nu 13905 Gevoert spise, na haer gevoech, Vijf jaer te verteerne genoech; Ende binnen der stat waren dan Wel dertichdusent werachtiger man, Die gewapent waren wel. 13910 Si hadden menech assent fel Van dengenen, die buten lagen, Ende si en konden ze niet veriagen, Ende si en konden niet gewinnen die stat; Dus lagensi daer vor lange ombe dat, 13915 Tot datse die koninck Artur nadas Verdreef, doe hi versonet was Iegen die baroene, diene orlogen nu. Dus latic dese liggen, seggic iu, Ende sal iu voert van Artur tellen, 13920 Die hemelijc voer met sinen gesellen Tote tien koningen, sonder waen, Als ic iu hiervor dade verstaen. |
Hoe koning Barnagas en Magos en Argos het tien koningen land branden en belegerden. 13870 Het avontuur vertelt ons dat Toen koning Barnagas En koning Magos En koning Argos Die neven waren van de koning mee 13875 Van de Sennen, die oom was, dat weet, Hengist, die koning Uitr-Pandragoen Dood sloeg lang voor dit doen, Zoals ge gehoord hebt hiervoor; Toen deze drie koningen hun land 13880 Hebben verlaten, zijn ze gelijk Op Arthur gevaren, ontboden ze Al hun land ver en nabij, En hebben nu verzameld wel Zestigduizend man overal 13885 Beide te paard en te voet mede; En alle dagen, van stede tot stede, Zo vermeerderde hun volk, zeg ik u; Ze hadden veel lieden te voet nu. Ze gingen in dorpen en in kastelen, 13890 Daar ze in wo(n)nen erg veel; En in de steden, klein en groot, Die ze overwinnen mochten al bloot, Ze verstoorden ze en overwonnen mee Alles dat ze vonden, en ook weet 13895 Dat ze niemand spaarden ter plaatse; Mannen, vrouwen en kinderen mede Sloegen ze dood, gelijk honden; En ze belegerden in die stonden Een stad, heet Windeberes, 13900 Daar al dat volk in gevlogen is; Want die stad was groot en wijd En goed gevestigd in die tijd Met twee paar muren, zeg ik u; En die van het land hadden daarin nu 13905 Gevoerd spijzen, naar hun gevoeg, Vijf jaar te verteren genoeg; En binnen de stad waren dan Wel dertigduizend weerbare man, Die gewapend waren wel. 13910 Ze hadden menige aanval fel Van diegenen, die buiten lagen, En ze konden ze niet verjagen, En ze konden niet overwinnen die stad; Dus lagen ze daarvoor lang om dat, 13915 Totdat ze koning Arthur na datVerdreef, toen hij verzoend was Tegen de baronnen, die hem beoorlogen nu. Dus laat ik deze liggen, zeg ik u, En zal u voort van Arthur vertellen, 13920 Die heimelijk voer met zijn gezellen Tot de tien koningen, zonder waan, Zoals ik u hiervoor liet verstaan. |
154 Hoe die koninck Artur entie koninck Ban entie koninck Bohort, die elve baroene sconfierden. Hier vertellet voert die aventuer Van den koninge Artuer, 13925 Van ko. Bohort, van ko. Ban, Doe si dus quamen ende haer man, So en daden die elve baroene in der nacht Niemanne doen negene sciltwacht, Ende waren gaen liggen slapen, 13930 Beide heren ende oec knapen; Maer dat geluckede den heren wale, Datsi te sa mene lagen al te male In des koninges tente van den C. ridders doe, Si en hadden van niemanne hoede daer toe; 13935 Ende doe si ontslapen waren daer, Gevil dat koninck Loth daernaer Droemde dat hi sach omtrint Enen vreeslicken storm ende wint Verheven, zodat hi warp daer neder 13940 Kercken, husen, wech ende weder, In siner stat, heet Alberine, Ende na den winde dochtem in scine, Dat quam die meeste donre mede, Van al der werlt, zodat ter stede, 13945 Van anxte hem dochte die werelt beven; Daerna, dochte hem, quam daer beneven Een water vloyende zo vreselyck Dat alle die huse desgelijc Van der stat enwech vloten geheel 13950 Ende van den lieden een groet deel, Ende hi selver was in anxte mede, Ombe verdrinckene in die stede, Ende dat hi grote pine dogede, twaren, Eer hi van daer konde ontvaren. 13955 Met dat hi dus in anxte lach Metten wonder, dat hi sach, Ontspranck hi, ende segende hem daer, Ende stont op, ende telde daernaer Sinen gesellen sinen droem, 13960 Ende bat hem, datsi des namen goem. Doe vrageden sine gesellen daernaer, Wanen dat groete weder komen waer Entie tempeest ende dat oreest; Van den bosche, zeide hi, meest 13965 Dochte hem dat weder quam gereet. Doe zeiden die ander: “God weet, Wy mogen nu wael seker wesen Dat wy costelike na desen Hebben zullen moynesse groet!” 13970 Si gereiden hem met groter spoet Ende weckeden die ridders sint, Ende hebbense alombe gesint, Ende bevalen hem, datsi vernamen Of iergen enege liede quamen 13975 Gewapent, die hem scaden mochten, Dat sijt alombe wael besochten. Doe stondensi op ende wapenden daer Herde wael ende waren daernaer Alombe in dat lant, of si iet 13980 Vernamen daer; oeck en letten niet Die elve princen, si en daden mede Haer wapene al an daer ter stede; Ende Merlijn, die dit wiste eer, Dade Arturs liede haesten te meer, 13985 So dat si quamen ter steden Daer diegene wt waren gereden, Ende ontmoetense ten wtvaren daer, Ende al en waren si niet wt vorwaer; Ende doe si sagen dat grote heer 13990 Wordensi verscricket seer, Die daer quamen gewapent soe, Ende si vrageden Merlyne doe, Die vorquam, wie die liede waren. Merlijn zeide: “ic segget iu, twaren: 13995 Dat zijn des koninges Arturs liede, Die hier komen, ende sine masniede, Ende komen weren hier te hant Die calengieren willen zijn lant, Ende willense doden ochte vaen”. 14000 Alse dit diegene hebben verstaen, Keerden si weder ende sloegen met sporen Ende riepen dat men verre mochte horen: “Verraden, verraden! dat zeggewi iu, Gy Heren, gy ridders, wapent iu nu, 14005 Want noit en was des so wael te doene Want hier komen die viande koene. Doe sprancker van den bedde vele daer Die eer ten wapine vingen daer naer Dan na haren clederen, zeggic iu, 155 14010 Ende dat quam hem herde wael nu, Want zi vonden haer paerde gereet; Haer knapen hadden gewaket, God weet, Al meest tot des maels, wetet dat, Wantsi hadden haer feeste gehat; 14015 Want alse die heren zijn slapen Hebben ierst haer feeste die knapen, Ende alsi hoerden roepen alsoe “Verraden, verraden!” liepen si toe, Ende leiden haer gereide, God weet, 14020 Ende holpen haer heren wapenen gereet Die op haer paerde saten na dat gone Ende ontreden; maer diegone. Die op haren bedde lagen doe Ende op haer coetsen oec alsoe, 14025 Si en konden hem niet soseer Gehaesten, des koninges liede waren eer Hem opten halse, eer si hem konden Gewapenen ende gereiden ten stonden. Oec haddensi een ander noet, 14030 Want Merlijn sende enen wint so groet Op haren hals, dat daernaer Al haer tenten moesten vallen daer; Ende daer was so groet nevel mede, Die so donker was ter stede, 14035 Dat nieman den ander en konde sien; Dit was een dinc die te dien Se lette, want si ter stat Niet en konden vergadren ombdat; Ende als oec die knapen meenden daer 14040 Horen heren die helme geven vorwaer So en kondensise vinden niet. Dus quamensi in swaer verdriet; Want des koninck Arturs masniede Entes koninck Bannes liede, 14045 Entes koninck Bohortes mede Quamen op hem daer ter stede Ende sloegense al doet, wet vorwaer, Diese verhalen mochten daer; Want nieman en weerde hem, seggic iu. 14050 Entie elve prinsen waren nu Wtgetogen ten slechten velde Buten al haren getelde Ende haren paweloenen mede. Doe dadensi blasen daer ter stede 14055 Haer besunen, ombedatsi wouden Datsi haer liede vergadren zouden Ende tot hem daer quamen bydien. So dadensi oec, die konden ontvlien Van den vianden, die si nu 14060 Wonden ende dodeden, zeggic iu, Alse degenen, die hem niet Ontfermeden, wat des gesciet. Dus warensi in groter noet, Ende si sloegen daer so vele doet, 14065 Wael den derden deel, eer zi ten stonden Den claren dach bekennen konden; Ende alsi worden gewaer das Dat haerre viande so vele was, Gingensi vlien alle ter vaert, 14070 Vaste tharen banieren waert, Daer si die besunen hoerden blasen. Si vloen rechte als liede die rasen, Tote datsi ten tien koningen quamen Die nu waren al te samen 14075 Gerasteert an een wout An ene rivier, met gewout, Die clene was. Daer quamen hem toe Wael tors so vele liede doe, Datter wel twintichdusent was; 14080 Ende twintichdusent, sijt seker das, Vloen enwech, sy en wisten waer, Die ene hier, die ander daer; Want si en konden, in gener manieren, Te tyde komen tharen banieren; 14085 Want men volgede hem so snel daernare, Ende so haestelick, datsi alle waren Vervaert ende gesconfiert mede. Dus vloensi tors ende te voet bede Te woudewaert, dene hier dander daer. 14090 Si clageden haren scade swaer Ende waren rouwich seer, Datsi verdwaelt waren van haren heer, Ende daer bleeffer wael twintichdusent In den tenten doet ter stede 14095 Ende gewondet, dier luttel goet mede Sal mogen genesen van der doet. Alse die koninck Artur dat gesach, Dat elc vlo, al dat hi mach, Wtten tenten ende lieten se staen, 14100 Doe vragede hi Merline saen Wat hi doen soude nu meer. 156 Merlijn zeide: “ick zegget iu, heer, Gy zult varen tenen passe nu Van ener rivieren, zeggic iu, 14105 Daer houden si met twintichdusent mede Die daer ontbeiden nu ter stede. Gy sult iegen hemlieden vechten dan, Entie koninck Bohort ende koninck Ban Sullen komen ten foreestewaert 14110 Met haren lieden met snelre vaert, Ende si en sullen van niemanne daer Hoede hebben dan van iu, vorwaer, Die si sien sullen vor hem nu, Dan sullensi vechten iegen iu, 14115 Entie koninck Ban sal komen dan Met groten geruchte slaende an; Ende uwe viande zullen vorwaert So sere werden vervaert, Datsi hem daerna herde clene 14120 Ochte luttel weren sullen gemene. Doe zeide die koninck Artur Merlijn: “Nadat dijn wille dus sal sijn So sullewy dat doen”. Dus sciede daer Die ene van den ander vorwaer. 14125 Die koninck Artur voer, sonder waen, Totter stede, daer hi saen Die elve prinsen vant alsoe, Die van niemanne meenden doe Negeen onraste hebben gemene, 14130 Dan van den koninc Artur allene; Entien ontsagense niet vorwaer Al hadder vele meer gewesen daer, Entie koninck Ban ende sine liede Voeren totten foreeste gerede, 14135 Entie koninck Artur voer al dat hi mach den Daer hi die barone liggen sach; Ende Ulfijn leide sine liede over ener sy- Ende dadese beten ende hem gorden ten tyden, Haer ors ende haer wapene te recht setten. 14140 Doe saten si op al sonder letten Ende reden ten passewaert alsoe. Als Keye ten passe quam, reet hi toe In den hoep, entie ander mede Sloegen in al daer ter stede 14145 Tegen Keyen ende vergaderden daer, In dat water, weet vorwaer; Daer wart die strijt sterck ende groet, Daer bleven vele liede doet, Ende menech speer ende scilde mede, 14150 Ende halsberge worden daer ter stede Gescoert ende tebroken, zeggic iu, Daer vielen die ridders in twater nu, Entie scilde entie speer vorwaer Vielen in dat water daer, 14155 Dat die rivier sluesde daeraf; Menegen slach men daer gaf, Arme, bene, hande sloech men mede Af; zulck wart gewondet ter stede In dat hovet, daer die herne vloet wt; 14160 Daer was van slagen groet geluet, Die rivier wart van bloede roet Van der batalien, die was so groet, Dat die beke, wael twe mylen lanck, Al met bloede was gemanck; 14165 Ende Keye dade so vele daer In den stryde, dat hi daernaer Met des koninges teken dorbrack den strijt Ende reet doer hem allen ter tijt, Ende hielt so stercklike daer den pas 14170 Ende so vromelike, zijt zeker das, Dat al Arturs liede ter uren Quamen, al wart dat hem te sure. Als die hertoge Escans van Cambenic Entie tien koninge des gelyc 14175 Sagen, dat so luttel goeder liede daer Hem so grote scande daden vorwaer, Ende datter maer vier dusent was, Si scameden hem so sere das, Ende haddens in hoeren herten groet onneer, 14180 Doe wordensi verbolgen soseer Ende sloegen met sporen daer ten tyden Ende vergaderden in hem met groten nyde; Ende Keye ende sijn geselscap mede Hielden hem daer in eender stede 14185 So vaste, dat nieman hem aldaer En konde dorbreken, wet vorwaer; Maer swaerlike stont hem dat sere nu: En hadde Bretel gedaen, zeggic iu, Si hadden achterwaert moeten gaen; 14190 Maer Bretel sloech over den pas saen 157 Met so groten geruchte ter wile, Men mochtet gehoert hebben ene myle Dat kraken van den sporen daer. Daer wart batalie herde swaer, 14195 Daer wart menech slach geslagen Ende menech van den orse gedragen; Daer worden geslagen slage groet, Daer bleef menech ridder doet, Dat scade was herde seer; 14200 En hadde gedaen Artur, die heer, Keye ende sine gesellen hadden nu Tachter gegaen, dat zeggic iu; Maer Artur, die koninck, ende Ulfijn Quamen daerin, alse ridder fijn, 14205 Daer si sere waren getroestet mede. Artur sach wael daer ter stede, Dat sine liede tachter waren daer, Ende Griflet lach ter aerden vorwaer Want een ridder hadde in der noet 14210 Sijn ors onder hem gesteken doet, Ende hi was te voet, ende sijn sweert Haddi in der hant, daer hi hem mede weert So koenlike ende so sere, dat wet, Dat nieman sijns slages ontbeide daer met; 14215 Ende Ulfijn die dit algader sach Sloech met sporen, al dat hi mach, In die vergaderinge, daer dander ter steden Ombe hem te vane grote pine deden, Hi bescuddene daer ene lange wile 14220 Daer wart sijn ors terselver wile Onder hem gesteken doet; Des was hi erre ende metter spoet Spranck hi op ende track sijn sweert, Daer hi hem mede stoutelike weert; 14225 Ende hi ende Griflet, wet vorwaer, Weerden hem so coenlike daer, Dat daer luttel ieman dorste toe komen. Dit hevet dhertoge van Cambenick vernomen Entie koninck Clarion van Northomberlant, 14230 Ende zijn an hem gerasteert te hant, Ende pijnden hem herde sere daernaer, Ombe die twe te vaene aldaer. Alse Bretel sach datsi waren te voet Was hi droevech in sinen moet, 14235 Want hi hadde herde lief Ulfine Dat dadi hem daer herde wael in scine: Hi nam een speer in die hant Ende reet opten hertoge Escant, Opten halsberch met sulken nyde 14240 Dat hi hem twe wonden makede in die syde, Ende dat bloet ran nederwaert Ende hi vil van den orse ter vaert. Alse dit sach die koninck Clarioen, Was hi rouwech ende liet hem doen 14245 Enen scerpen groten scacht, Ende reet doe met groter cracht Tot Bretel, want hi daer ter stede Wilt gelden doen dat Bretel dede Den hertoge, dien hi afstack daer; 14250 Ende Bretel vorsach dit vorwaer, Ende nam een speer die geheel was, Ende reet themwaert oec nadas; Daer vergaderdensi met sulken nyde Dat haer spere braken ten tyden, 14255 Ende daer deen den ander soude lyden Daer rivelierden si tien tyden Met helmen, met scilden, met lichamen, Dat hem die ogen verkeerden tsamen Entie orse storten onder hem daernaer, 14260 Ende bleven lange liggende daer, Sodat zi en wisten niet, So wat hem [daer] was gesciet, Ende hem allen, die dat sagen Dochte, datsi doet lagen. 14265 Doe sloegen daer die negen koninge toe Ende daer quamen hem te gemoete doe Achte ander bander syden, Ende si vergaderden fierlick ten tyden Die ene tegen den andren daernaer; 14270 Doe wart afgesteken daer Lucas die bottelgier ende Mares Entie koninck Brangores Entie koninck Ydier ende Anguissant Entie koninck Uriens. Daer began te hant 14275 Die batalie sterck ende groet, Die lange duerde in groter noet Ombedat elck daer den sinen Gerne bescudde wter pinen; Daer dede Keye wonder groet. 158 14280 Doe hi Griflete sach te voet Neven Ulfine, dit was hem leet, Hi hielt zijn swaert getogen gereet, Ende hi sach den koninck Ventres te hant Die Ulfine dade groten pant 14285 Entiene gerne hadde gevaen, Want hi hadden genomen saen Vaste metten halse, ende gaf hem daer Menegen slach, maer wetet vorwaer Dat hem Ulfijn weerde seer. 14290 Doe sloech daer Keye opten heer Sulken slach opten helm daer, Dat hine bogen dade daernaer Thent dat artsoen van den gereide, Doe sloech hi anderwerf, zonder beiden, 14295 Ende derdewerf mede, des gelovet; Doe wart die koninck so sere verdovet, Datten Keye nam sonder letten Ende presentierden daer Griflette, Oec gaf hi hem sijn ors mede, 14300 Daer Griflet op spranck ter stede Ondankes sinen vianden, sonder waen. Doe quam Keye an den koninck Loth saen Ende sloechen met enen trintsone mede Dat hine ter aerden vallen dede, 14305 Dat hine sere quetsede doe. Doe quam die koninck van den c. ridders toe Ende bracht in siner geselscap, twaren, Veertich ridders die wtgelesen waren Van al dien die hy verkrigen konde; 14310 Doe hi sach den koninck Loth ter stonde Dien Keye af hadde gesteken; Hi seide hi moestet ember wreken Of hi waer luttel pryses waert. Een eschen speer nam hi ter vaert, 14315 Ende sat op een groet ors ende snel, Dat horti voert met sporen wel, Ende reet op Keyen met so groter kracht Dat hine neder stac metten scacht, So dat Keye ter aerden vil daer 14320 Herde onsachte, ende daernaer Nam hi dat ors ende gaf dat ter stede Den koninck Lotte, die daerop sat gerede Ende dankede des hem herde seer, Dat hi hem dade daer die eer. 14325 Doe Griflet sach Keyen te voet Ende Lucane, was hi na wel verwoet Ende nam een speer ongescaven, Ende liet sijn ors hene draven, Ende stack op enen ridder na das, 14330 Die metten koninge van den c. ridders was, Dat hi ter aerden vil aldaer Ende den arm brack, ende daernaer Bleef hi in onmacht liggende ter stede; Ende Griflet nam dat ors gerede, 14335 Ende gaf dat Keyen, zeggic iu, Die des wael te doene hadde nu; Entie koninck van den c. ridders mede Entie koninck Loth daden daer ter stede Sovele met wapine, datsi daer 14340 Den koninck Ventres, wet vorwaer, Brachten op een ors dat was Marets, ende oec na das Brachtensi den koninck Ydire Op Gwinas ors van Blois scire, 14345 Enten hertoge van Cambenicke Brachtensi oec desghelike Op Drians ors van den wilden foreeste; Ende si brachten, segget die jeeste, Den koninck Uriens op sines selves ors nu. 14350 Doe si alle vergadert waren, zegic iu, Swoeren si dat si souden wreken Hoeren lachter, ocht sekerleken Si souden eer alle bliven doet; Doe sloegensi vaste in dat conroet. 13355 Daer soude groet scade sijn gesciet En waer Artur, die koninck, gekomen niet, Diese herde seer verlichte daer. Ende doe Artur sach daernaer Dat Ulfijn stont te voet opter eerden 14360 Met enen swaerde, ende hem so verweerde Dien Griflet bescudde daer ter stede, Ende Bretel lach op sijn ors mede In aventuren van der doet, Artur hadde een speer groet 14365 Ende sloech in den rinck te hant Ende ontmoete den koninck Tradeliant Van Norgales, die tegen hem quam, Al versch noch, als ic vernam, Entie niet geweest hadde in den strijt. 159 14370 Artur reet op hem ter tijt, Ende stacken zo opten scilt nadas Ende opten halsberch, die niet en was Vaste genoech, dat hine quetste daer; Ende metten steke vil hi daernaer 14375 Herde ongemakelike op die eerde, Dat hem herde sere deerde, Ende Arturs speer te sticken brack, Ende ten orsewaert hi die hant stack, Ende nam dat, en gaffet Ulfine daer, 14380 Ende seide: “lieve vrient” daernaer “Nemet dit ors, dit gevic iu, Ende pinet iu leet te wreken nu”. Doe sat Ulfijn op ende zeide: “Heer, God moete iu dancken deser eer”. 14385 Ende alsi daer op geseten was, Reet hi in den strijt na das Ende sloech daer in na die tale. Die met Artur zijn, dadent daer wale Entiegene nochtan bander syden 14390 Hadden noch also vele ten tyden Liede ten stryde dan Artur dede. Si quamen nu so vreeslyc mede, Entie batalie wart daer so groet, Dat daer menech nu bleef doet, 14395 Dat menege vrouwe beweende seer. Hier dadet so wael Artur, die heer, Dat sine alle kenden eer iet lanc An sinen slagen, zi waren so stranc, Want nieman en was daer onder die genoet, 14400 Die van koenheden was so groet Dat hi sines slages ontbeiden dorste, Ridder, knechte, koninck, no vorste. Doe die koninck metten c. ridders sach Den koninck Tradeliante, die ter aerden lach. 14405 Was hi rouwech, want hi hadden lief; Een groet speer hi doe verhief Ende sloech sijn ors, dat was snel, Ende stack Antor opten helm so wel, Dat Antor vil ter aerden nu; 14410 Des was erre, dat seggic iu, Die koninck; maer diegene, wetet dat, Namen dat ors daer ter stat, Ende gavent Tradeliante saen, Die daerop meende sitten gaen; 14415 Maer die koninck Artur quam aldaer, Ende Keye, die hem volgede naer, Ende calengierden dat ors te hant, Dat diegene hilt in siner hant, Die Tradeliante stont beneven. 14420 Die koninck Artur hevet hem gegeven Opten scilt enen slach soseer, Dat hine clovede, min no meer, Of dat een loef hadde gewesen; Die slach ginck voert al na desen 14425 Ende gaf hem daer ene grote wonde; Doe ginck die slach neder ter stonde Ende sloech den hals af den paerde; Doe vielen si beide overhoop ter aerde; Doe nam Keye dat ors gereit 14430 Dat diegene brachte geleit, Ende gaft sinen vader, die daer nu Op es geseten, seggic iu, Ende nam een speer ende stac na das Marganore, die drossate was 14435 Des koninges van den C. ridders mede, Ende gerakeden so wael ter stede Dor scilt, dor halsberch, ter scouderen in, Dat hi tuymelde, meer no min, Van den orse averecht alsoe. 14440 Daer nam hi dat ors ende gaffet doe Bretelle, die sere tonder was, Ende halp hem op dat ors na das. Doe hi hermonteert was daernaer, Sach hi Lucane voer hem liggen daer, 14445 In den meesten drange daer neder. Doe keerde Bretel dat ors weder Daer Griflet over hem hielt met kracht, Ende bescudden met siner macht. Doe Bretel sach dat hine daer 14450 So vromelike bescudde vorwaer Prijsde hine sere in dien tyden, Want dergener van der ander syden, Dier was twaelve, die al over hem waren, Nochtan en konden sine alle, twaren, 14455 Niet genemen in genen dingen Noch van hem daer iet gebringen; Ende alse Bretel dese vromecheit sach, Reet hi derwaert al dat hi mach, Ende sloech den iersten, dien hi gemoete daer, 14460 Dat hi hem den helm clovede daernaer Ende thovet mede toten tanden 160 Enen andren sloech hi daer te handen Opten arm, dat hine dede Op die aerde vallen, daer ter stede. 14465 Metten scilde, sij iu bekant; Den derden sloech hi daer te hant Op die scouderen, dat hise hem daer Altemale ontklede vorwaer. Doe Griflet sach daer ter stat 14470 Dat hi soccoers hadde nadat, Sloech hi enen die syde van den hovede, Dat hi se toten tanden clovede; Diegene vil af, ende Griflet Nam dat ors doe ongelet 14475 Ende gaf dat Lucam, den bottelgier, Die daerop sat als een ridder fier, Die woude sinen toern wreken daer; Hi nam sinen speer ende sloech daernaer Anguissante, den koninck van Scotlant, 14480 Die gerasteert hadde te hant Mares van der Roetsen, dien hi Menechwerf overreet, ende daerbi Sloech Lucan dat ors metten sporen Ende stack hem in den colre voren, 14485 Dat hine quetsede in den hals daernaer, Ende dadene ter aerden vallen daer, So ongemacklick hi hem sceerde Want hi hem aldaer frotseerde. Als Mares sach, dat hi was 14490 Van hem delivereret, nam hi nadas Dat ors dat Anguissans hadde gewesen, Ende sloech in den strijt na desen; Ende hi vant Beliase ende Flandrine, Die neven Anguissant in der pine, 14495 Ende neven Driante, wetet twaren, Ende beide sine gesellen waren. Si pijnden sere, hoe sise mochten Verlosen, maer daer si vochten Was die strijt so groet ten stonden, 14500 Datsi des niet gedoen en konden; Nochtan vochtensi so seer Datsi namaels met hoere weer Beide die heren redden, seggic iu; Maer dat quam daerby nu, 14505 Dat die koninck Artur moeste varen Bescudden Keyen, die tachter waren, Ende Griflette, die die koninck Ventres Entie koninck Loth entie koninck Brangores Entie koninck Ydier hadden daer 14510 Van haren paerden geworpen vorwaer; Ende si en hadden niet meer, dat wet, Soccoers dan Lucam; ende Maret Ende Gwinase ende Driante Ende Flandrine ende Beliante, 14515 Dese hielden den strijt aldaer Tegen die vier koninge, wet vorwaer, Ende iegen viertich, die met hem waren. Doe quam die koninck Artur daer gevaren Want hi sach wael ter uren 14520 Die sine en hadden niet mogen duren; Doe vergaderdi in hem met groter kracht Ende sloech daerin met sulker macht, Alse of hi een lewe hadde gewesen; Wat hi gerakede mettesen, 14525 Was dat ors, was dat man, wet vorwaer, Dat moeste die doet bekoren daer; Ende te desen pongise sloech hi dan Twintich die beste van den veertich man, Die metten koningen waren komen; 14530 Oec wondede hi sere, heb ic vernomen, Den koninck Lotte opter stat; Hi dede met wapene so vele na dat, Datsi vlien gingen sonder vorste Ende nieman zijns ontbeiden dorste. 14535 Ende al dese wijle so was Griflet Ende Keye gerasteert, dat wet, Ende volgeden den koninge, die vacht nu Alse een verbolgen lewe, seggic iu, Hi en vant den strijt nember so groet, 14540 Hi en dorreetse ende dorcroet; Ende bander syde vacht Ulfijn ende Bretel Ende Antor tegen den hertoge snel Escante, ende den koninge Tradeliante Ende iegen noch vier seriante; 14545 Dat was die koninck Clarioen Entie koninck Carados, die baroen, Entie koninck van den C. ridders nu; Maer die ander en hadden, zeggic iu, Niet lange mogen geduren; 14550 Want die koninge hadden ter uren Vele liede ende dadense daer 161 Thent op Keyen batalie vorwaer, Daer die koninck Artur groet wonder dede Met wapenen, ende hier ter stede 14555 Bleef die volcwijch staende dor das, Want die koninck Artur selve daer was, Die so vele dede in dien dagen Dat hem allen wonderde, diet sagen. En hadde gedaen sine vromechede 14560 Si waren alle gesconfiert ter stede, Want dat waren alle goede ridders nu, Die daer tegen hem vochten, seggic iu; Ende oec was dat daer herde naer, Dat die koninck Artur soude daer 14565 Hebben gehat grote scade doe, En waer daer nu niet komen toe Die koninck Ban entie koninck Bohoert Ende Leonce ende Pharien quamen voert Met so groten geruchte mede 14570 Wten foreeste, dat daer ter stede Dat wout donrede van luden daer. Doe dit die ander vernamen naer Wistensi wel, dat si al bloet Scade nu souden nemen groet. 14575 Doe togen die hoge liede ten tyden Besyden der wiltnesse an ene syde, Ende visierden wat si wouden doen. Die koninck Loth zeide: “siet, gy baroen, Wat gy wilt anegaen nu; 14580 Maer ic sal hier blijven, seggic iu, Also lange als ic vinde tween Die met my blyven overeen, Ende sal wreken mine scade ter stede Ende mijn verdriet, mach ic, mede, 14585 Want ic al verloren hebbe nu meer”. Die koninck van den C. ridders prijsdene seer In zynen herte ende zeide doe saen: “Also moet my God in staden staen, Ic en sal mede doen aldus”. 14590 Doe zeide die koninck Caradus, Hi zoude dat selve doen gerede; Doe seiden dat al die ander mede. “Nu wil ick iu seggen”, zeide Loth die koninck “Dat wi doen sullen met deser dinck: 14595 Die reste van onsen baronen vorwaer Sullen varen an die komen daer, Entie vive zullen hier houden bliven Ende tegen dese met stryde kiven, Also lange alsi duren, zeggic iu; 14600 Ende wi sullen varen nu An genen wout met twaelfdusent man Entiegene bestaen voertan; Ende achte blive haerre hier ten tyden Die tegen dese hier sullen stryden; 14605 Ende wy sullen die ander varen slaen, Datsi dese niet en bestaen Noch ons niet [en] omberingen; Ende wy sullen by desen dingen Min scaden hebben dan of wy 14610 Alle hier bleven”. Doe zeidensi Dat dit hem allen dochte goet, Ende trocken een luttel over voet Ende oversagen haer liede aldaer. Doe namensi den koninck Loth daernaer 14615 Enten koninck metten C. ridders mede Enten koninck Anguissant ter stede, Enten koninck Ydier desgelijck Enten hertoge van Cambenyck Met twaelfdusent goeder man, 14620 Ende makeden zes batalien daeran, Ende daden in elke batalie mede Twedusent ridders totter stede, Ende reden also datsi quamen In dat inde van den bosche te samen 14625 Ende tuschen der rivier nu ter stat, Daer hem koninck Lot visierde vor dat; Ende dit was oec die beste raet, Dat men doen mochte na dattet staet, Want si en hadden negeen anxt twaren 14630 Dan van dien die vor hem waren. Aldus hebben hem nu, God weet, Die zes baroene wael bereet, Entie vive bleven in der batalie daer, Ende streden tegen Arturs liede vorwaer 14635 Met groter kracht, ende van desen es Een die koninck Brangores, Entie koninck Uriens, entie co. Ventres met, Entie koninck Clarioen, dat wet, Entie koninck Tradelian. 14640 Si hadden met hem achte dusent man; Dese weerden hem alse liede stout 162 Ende alse vrome ridders met gewout. Hier wart die batalie groet, Die toten avende duerde bloet; 14645 Ende bander syde quam koninck Ban, Ende koninck Bohort, ende Leonce daeran, Ende Pharien; dese leiden daer Dierste batalie, wet vorwaer; Ende tegen hem quam die koninck Ydier 14650 Dese lieten lopen haer orse hier, Ende onderstaken hem met crachten, Dat men dat kraken van den scachten Hoerde wael ene halve myle; Hier wart so groet terselver wyle 14655 Die strijt ende so anxtlike mede, Daer blever vele doet ter stede; Maer die koninck Ydier, hi was Achterwaert gedreven, sijt seker das; Want Pharien, entie met hem waren, 14660 Sconfierdense; daertoe quam gevaren Anguissant met sinen lieden, diese daer Sere vertroeste, wetet vorwaer. Doe wart die batalie groet; Phariens liede waren in groter noet. 14665 Doe quam Leonce met siner scaren Ende halp Pharien, sonder sparen, Die dat daer nu herde wael dede; Ende doe si quamen daer ter stede, So en hadden die ander geen doen 14670 Maer si keerden achterwaert ende vloen Toter scaren van Cambenick, Diese verkoveren dade vromelick. Doe riep die koninck met groter kracht Sijn teken, ende sloech in die nacht, 14675 Ende dade diegene keren te samen, Die tegen hem gereden quamen, Ende streden op die diese jageden daer, Datsi alle moede waren daer naer. Doe quam die koninck Bohort gedregen 14680 Met groten banieren daertegen, Daer dat velt af was van lasure Ende van kele mede ter ure Gebanderet met goude in belanck nu, So men cleenlikes konde, seggic iu. 14685 Hi quam met vijf banieren daer, Daer die poniere af hingen vorwaer Tote opter orse halse daerby. Doene die koninck Loth sach, zeidi: “Got, Here, hebt nu mijns genade! 14690 Alse gewaerlike, als gy, vro ende spade, Die iu dienen pleget behoeden; Ic sie wael, dat wy nu in noeden Van der doet hier alle sijn; Want ick zie ginder een tekijn, 14695 Dat des besten ridders es Van der werlt, des sijt gewes, Ende die noder den plaen rumet dan, Tenwaer allene die koninck Ban; Oec zijn alle ridders hasen ende vincken dat 14700 Tegen die twe, mijns gedincken”. Doe die koninck van den C. ridders hoerde Van den koninck Lotte, zeide hi ter stat Ende vragede wie die goede ridder es? Die koninck zeide doe: “heer, dat es 14705 Die koninck Bohort van Gaunes; Ick en weet wanen hi hier komen es”. “Hoe”, zeide die koninck van den C. ridders nu, “Hoe quam hi hier, des biddick iu, Berechtet my des, ende welke tijt mede”. 14710 “Ick en weet”, zeide die koninck Lot gerede, “Maer sieten ginder komen al los”. “Ick en weet”, zeide die koninck Carados, “Wat wy doen zullen onder ons nu, Maer ick wil hem tegenvaren, seggic iu, 14715 Ende heb ic des te doene, so helpet my”. Doe zeiden diegene: “nu moet gy In Godes geleide varen ter stede!” Doe reet Carados ende scoerde mede Alle die batalie, ende voer daer 14720 Tegen koninck Bohortes batalie naer. Ende alsi so na te samene quamen Als een bogenscote, lietensi te samen Herlopen, wat si mochten, ter were. Daer bracker herde vele haer spere, 14725 Daer wasser vele die sockeerden daer, Daer lieter vele loepen vorwaer Die misten. Doe track men die zweerde Daer hem sulck sere mede weerde. Daer wart die strijt vreeslick ende swaer. 163 14730 oe quam die koninck Bohort daernaer Tenen sinen paden, ende seide aldus, Die geheten was Balarus: “Voer mijn teken”; entiegene was Een goet ridder, ende nadas 14735 Nam hi dat teken. Doe zeide co. Bohoert Tsinen baronen aldus voert: “Nu laet sien wie dat wel sal doen”. Selve sloech [hi] in die baroen Met sporen so vreeslick daernaer, 14740 Dat al die aerde verdoende daer, Ende stack den iersten die hi moet, Metten spere, ende so dor croet, Dat hine dor den lichaem stack Ende sijn spere ontwe brack. 14745 Doe track hi dat swaert ende began daer So groet wonder werken naer, Dat hem allen hadde groet wonder, Dat hi met wapene dade bysonder. Si worden alle vervaert nu 14750 Ende makeden hem enwech, seggic iu, Diegene diene sagen komen. Coninck Carados hevet grote scade genomen Eer die koninck van den C. ridders quam, Die daer brachte, als ick vernam, 14755 Twe dusent ridders, die vrome waren Ende gedurich ten wapenen, twaren; Doe si vergadert waren sekerlijck So was die strijt even gelijck. Maer die koninck Bohort, hi was 14760 Boven hem allen, sijt seker das, Ende wracht wonder groet ter stede; Entie koninck Carados mede, Entie koninck van den hondert ridders vorwaer, Si daden grote scade daer, 14765 Ende verhoeden haer liede van scaden wel Want si waren dapper ende snel. Dus duerde die strijt lange daeran; Doe quam gehouwen die koninck Ban In die batalie, alse die fiere, 14770 Ende dade inslaen sine baniere, Daer dat velt af was van lasure Daer guldene cronen, al duer ende dure In gesait waren; ende oec met Hadde dit teken zes tongen, dat wet, 14775 Die so lanck waren, als wy dat horen, Dat si sloegen toten oren, Des drossaten orse; wet vorwaer So lanck hingen si nederwaert daer Dat sij t al bedeckeden, op ende neder, 14780 Also als dat waide voert ende weder. Doe die baroene dit teken sagen, Begonden si hem sere versagen, Ende zeiden, si mosten rumen saen Ocht si mosten sterven, sonder waen. 14785 Altehant alse in sloech die koninck Ban En hielden si den plaen niet voertan. Doe vergaderde die koninck Lot aldaer Met wenenden ogen, ende zeide daernaer: “Wy hebben nu meer dat velt verloren”. 14790 Daer mochte men scilde ende spere horen Breken daer ende sere craken, Also alsise te sticken braken, Ende wten swaerden dat vier springen. Si gingen daer te gader dringen. 14795 Doe koninck Ban an hem vergadert was, Duerden si herde onlange na das, Hy en dreefse optie vijf baroene, Die nu streden alse die koene, Tegen den koninck Artur mede. 14800 Daer gesciede groet scade ter stede, Want altehant als die koninck Ban In die batalie quam voertan, Dadi so grote scade daernaer, Dat nieman [en] bleef te live daer, 14805 Die sinen slagen niet ontvloe. Hi reet die scaren dor alsoe, Dat si nembermeer so sterck en waren. Die koninck metten C. ridders quam gevaren Entie koninck Lot ende Marganore; 14810 Dese worden daer nu in rore, Ende ontmoeten in midden der scaren Den koninck Banne komen gevaren. Doe sloech die koninck vaste alsoe Metten hondert ridders hem daertoe; 14815 Hi was een herde coene man Hi voer daer opten koninck Ban, Ende sloechen opten scilt daernaer, Dat des een groet deel afginck aldaer. Doe dit sach koninck Ban, die heer, 14820 Hem vernoyede des slages seer; Hi verhief sijn swaert na das 164 Conretoisen, dat herde goed was, Ende meenden hebben geslagen daer, Den koninck metten C. ridders vorwaer, 14825 Opten helm, entie koninck ontsach Herde sere des koninck Bannes slach, Ende ontwelde metten hoede nu Ende horte sijn ors, seggic iu, Entie slach vil op dat paert 14830 Achter in den sadel metter vaert, Dat hi dorsloech die yserne coverture, Ende tpaert mede, ter selver ure Sloech hi dat dor ter aerden toe; Daer vil die koninck ende tpaert alsoe 14835 Beide overhoep, maer hi spranck op Want hi dachte noch zulken clop Tontfane, ende ginck na dat Toten koninck Banne, daer hi sat Op sijn ors, ende dorstact aldaer. 14840 Doe des die koninck Ban wart gewaer, Spranck hi daer ter aerden saen, Ende es op sine voete gestaen; Hi nam sinen scilt ende hielten daer Vor hem te pointe, ende quam daernaer 14845 Tote Aygnigire, die koninck was Van den C. ridders, ende sloechen nadas Opten helm, dat hi storte neder; Hi greepen metten helme weder, Ende haddes alder werelt quite gedaen; 14850 Maer die koninck Lot quam daer toegegaen Ende oec Marganor mede, Ende Marganor stacken daer ter stede Opten scilt, dat sijn speer brack; Maer datten Marganor aldus stack, 14855 Ontsette hem niet die koninck Ban; Doe stacken die koninck Lot daeran Opten helm met enen speer soe, Dat daer die sparken wtvlogen doe. Doe liet hi den koninck daernaer 14860 Van den C. riddren, ende sloech daer Den koninck Lot in den slaep ter stede So sere dat hi moste vallen mede Van den orse ter aerde nu. Doe quam Marganor, zeggic iu, 14865 Ende hadde zijn swaert in der hant; Die koninck Ban liep hem op tehant, Ende sloechen opten scilt nu Dat des een groet deel brack, seggic iu; Hi sloechen anderwerf nadat 14870 Opten helm dor dat gat, Daer die malien van der cofien nu So dor hingen, dat zeggic iu, Dat hi so verwermet was Van den slage, dat hi dor das 14875 Ter aerden van den paerde vil saen. Ende binnen desen waren opgestaen Die twe ander koninge, ende begonden daer Die batalie anxtlike ende swaer Tegen den koninck Ban ter stede. 4880 Doe Marganor bekomen was mede, Halp hine met al siner macht; Maer die koninck Ban, met siner cracht, Wondese alle drie herde seer, Ende hi sloechse vele meer, 14885 Dan si hem konden gedoen. Daer moesten laten die baroen Van hoeren bloede een groet deel nu; Ende hadden sie iet langer, zeggic iu, Daer geduert, si hadden saen 14890 Herde grote scade ontvaen, Want si waren daer bleven doet Ocht si hadden hem dor die noet Op moeten geven; maer die scaren Quamen doe tuschen hem gevaren, 14895 Ende sciedense doe, wien lief wien leet, Des was die koninck Ban ere, God weet! Doe quam die koninck Artur gevaren Ende vant in sinen wech daernare Den koninck Ban, die daer stont te voet 14900 Ende met wapenen wonder doet Van liede doet te slane nu Ende van orse, seggic iu; Daer lacher so vele ombe hem daer, Dat nieman en konde hem komen naer; 14905 Ende doe hi sach dat nieman mede Tot hem [en] konde komen ter stede, Es hi over die dode gelopen, Die daer lagen met groten hopen; Hi was een ridder, dapper ende groet 14910 Ende wael geleet sonder genoet; Hi liep hem op met moede swaer, Dat si hen alle versageden daer; Hi sloech in den hoep, waer hi mach, 165 Daer hi er meest te samene sach; 14915 Mer alsi siner gewaer worden daer, Makedensi hem alle enwech daernaer, Ende daer en was nieman so koene, Die nu voert, na desen doene, Sines slages ontbeide nu ter tijt; 14920 Dus hielt hi lange daer den strijt. Nu komet die koninck Artur derwaert, Wat gelopen mach sijn paert, Ende sijn swaert in siner hant doe, Sinen scilt vor sijn herte alsoe, 14925 Ende hi was so nat van bloede nu Datten negeen mensche, dat zeggic iu, Hadde mogen kennen daer ter stede No by tekene no by wapine mede. Doe hi sach, dat te voet 14930 Die koninck Ban onder die viande stoet, Quam hi op enen ridder na das, Die herde wael gereden was Op een groet ors, ende sloechen daer Opten helm enen slach so swaer, 14935 Dat hi hem clovede daer sijn hovet Toten buke toe, des gelovet; Entie gene vil doet aldaer Entie koninck Artur nam dat ors daer, Ende zeide: “here, nu sit hierop saen, 14940 Want sekerlike, sonder waen, Onse viande sijn in een quaet gewat Ende gy sultse tehant rumen dordat”. Doe sat daerop die koninck Ban, Ende was daeraf een blide man, 14945 Ende oec mede was hi herde blide, Dat hi den koninck Artur vant ten tiden. Doe begondensi so grouwelick Te striden ende so vreselick, Die ene dor den ander ter uren, 14950 Dat nieman vor hem [en] konde geduren Si en sloegense doet. Doe vloen si Ende worden gesconfiert daerby, Ende reden enwech toter riviere Ende tuschen bosch daer blevensi sciere 14955 Houdene alle, wet vorwaer, Ende gaven hem biel aldaer In dat enge; want si wisten wel Datsi, in ernste ende in spel, In dat rume verloren waren, 14960 Daer mense beringen mochte twaren; Si hielden hem tenen troppe doe Dene an den ander vaste toe, Ende hielden biel daer ten stonden Gelijck die ever doet vor den honden. 14965 Doe die koninck Lot entie koninck Ventres, Die koninck Uriens, die koninck Bangores, Entie koninck Carados, entie co. Tradeliant, Die koninck Ydier, die koninck Anguissant, Die koninck Clarioen, entie koninck met 14970 Van den C. ridderen, dat wet, Entie hertoge Escans vorwaer; - Doe dese heren vernamen daer, Dat die sconferture al te male Op hem keerde in den dale, 14975 Trocken si daer besyden metter spoet; Ende Margaras, een ridder goet, Die was met hem, seggic iu, Daer dese waren vergadert nu; Doe droegensi overeen daernaer, 14980 Datsi den strijt moesten houden daer Toten avende, of, wetet al bloet, Si bleven daer anders alle doet. Dit seide die koninck Lot ter stede, Ende si volgeden des alle mede 14985 Ende namen stercke spere daernaer, Ende versetten haer helme ierst daer, Ende voeren alle houden na das In dat begin, daer lach die pas. Daer quam hem tegen die koninck Artuer 14990 Entie koninck Ban oec wael stuer, Die koninck Bohort, Leonce ende Ulfijn, Bretel, Keye, Antor, ende Pharijn, Ende Gwinas ende Driant, Ende Flandrijn ende Beliant, 14995 Entie drossate Anthanimes Van Bonewick, ende na des Quam Blaaris, Bohortes pade, mede Metten groten teken daer ter stede, Ende Mores, Graciaen, ende Ladinas, 15000 Chanis, Blioberis, ende Caulas, Meliades, Madeans, ende Placides Plantalis, Rerogaes, ende Cristofles, Aigilius, Calogrenas, ende Crisalus; Dese vijf ende dertich quamen aldus 166 15005 or alle die ander slaende te hant Scilt ombe hals, spere in hant, Ende reden op hem ocht ene quinteine waer Ende braken haer spere aldaer; Si trocken die swaerde ende gingen steken 15010 Ende slaen mede, maer dorbreken So en kondensise niet ter uer. Daer vacht so sere die koninck Artuer Entie koninck Bohort ende koninck Ban Ende sloegen doet so menegen man, 15015 Dat die paerde woeden int bloet Toten velgen, des sijt vroet, Ende si en konden er niet so vele slaen Datsise achterwaert konden doen gaen; Ende als die voerste moede waren, 15020 Quamen dachterste toe gevaren Ende vochten so si best konden. Daer lacher so vele doet ten stonden, Dat die wech gestoppet daer was Dat die ene ten ander nadas 15025 Niet en konde genaken nu, Ten waer over die dode, seggic iu. Ende sint die koninge waren komen daer Entie hertoge opten plasch vorwaer, So en dorsten sine daer rumen niet, 15030 Maer si leden pine ende verdriet Ende anxt ende sorge ende noet, Toten avende, herde groet. Ende doe dat avent was vorwaer, Voerensi toten foreeste daer 15035 Over dat water, daer lach die pas, Daer ryser ende hout in gedragen was; Ende doe si aldus over waren Enten anderen dus ontvaren, Was die koninck Artur toernich seer, 15040 Want hi meende, by Onsen Heer, Die tien koninge hebben gevaen; Daer voer hi op hem, sonder waen, So fierlick ende so anxtlike met, Dat men in al den dage, dat wet, 15045 So quaet en sach in den strijt; Entie ander trocken achter ter tijt. Hem allen werende so lange, dat sy Al over die rivier waren daerby. Doe gingensi alle vlien daer, 15050 Entie koninck Artur volgede hem naer Over den pas, entie hi daer haelde, Ic seg iu dat hi hem so betaelde, Datsi nembermeer op en stonden; Ende dit duerde so lange stonden, 15055 Dat men van der nacht niet en konde sien. Doe quam Merlijn binnen dien Gereden op een ors ter uer Ende riep op den koninck Artuer: “Waer vaerdy, en hebdy des nu niet 15060 Genoech gedaen? merket ende siet Gy hebter so vele geslagen nu, Dat daer van sestich dusent, seggic iu, Maer vijftien dusent nu en leven, Si en zijn gewondet of doet bleven, 15065 Entie daer oec enwech nu varen En sijn alle niet gesont, twaren; Keert weder, tes herbergenstijt nu, Laet rasten iu liede, dat hetic iu; Si hebben des te doene sekerlike. 15070 Nu maket al iu liede so rike, Dattie armste embermeer Rike blive ende een heer, Ende sent thues koninck Bannes liede, Ende koninck Bohortes, ende haer mesniede, 15075 Sonder die hier bliven nu Hoers dankes; ende oec seggic iu, Dat iu viande zullen hebben vorwaer, Genoech te doene dese naeste drie iaer, Al en oerlogen si iu nembermeer; 15080 Want die Sennen, wetet heer, Sijn in haren lande, ende verstueren mede Ende verbernen dorpe ende stede, Ende zi hebben belegen, zijt seker des, Die goede stat van Windeberes 15085 Ende zi liggen daer vor, tors ende te voet, Met tachtentich dusent mannen goet, Ende wetet wel, datsi en zullen niet Voert calengieren wat des gesciet Noch iu orlogen voertmeer, 15090 Si hebben sovele te doene eer, Wantsi en zullen kunnen verdriven niet Die in haer lant sijn vor dat gesciet Vordat gyse selve verdriven sult daer. Nu keert ende bereidet iu naer 15095 Ende doet dat ic hebbe geheten iu; 167 Gy en hebt niet te beidene nu, Ende ic moet varen te Blasise waert, Minen meester, met snelre vaert, Ende sal wederkomen tot iu 15100 Te Sante Marien lechtmisse nu; Ende pijnt iu wael te doene met”. Doe sciede hi so hemelike, dat wet, Van daer, dat nieman geweten en konde, Waer hi gevaren was ter stonde. 15105 Dus voer hi te Blasisewaert na das Die siner doe herde blide was, Ende dien leet oec was mede, Dat hi so onlange bleef ter stede; Mer ombe dat hi dat rike enten koninck 15110 Hilt staende, ende ombe dese dinck, So was hem dat lief ter uren; Doe telde hi em voert daventuren, Die den koninck Artur sijn gesciet, Des en liet hi achter niet, 15115 Ende daerna van den koninck Ban; Doe telde hi em voert daeran, Hoe die Sennen komen waren In der barone lant, sonder sparen, Die den koninck Artur orlogeden nu. 15120 Dit screef Blasys al, seggic iu, In een boeck; hier zwigic des, Ende sal iu voert nu doen gewes Van den koninck Artur ter stede, Ende van den tween koningen mede, 15125 Ende van den lande van Carmeliden, Ende van den aventuren die hem gescieden. |
[154] Hoe koning Arthur en koning Ban en koning Bohort de elf baronnen schoffeerden. Hier vertelt voort het avontuur Van koning Arthur, 13925 Van koning Bohort, van koning Ban, Toen ze dus kwamen en hun mannen, Zo lieten de elf baronnen in de nacht Niemand doen geen schildwacht, En waren gaan liggen slapen, 13930 Beide heren en ook knapen; Maar dat lukte de heren wel, Dat ze tezamen lagen allemaal In konings tent van de honderd ridders toen, Ze hadden van niemand bescherming daartoe; 13935 En toen ze wakker waren daar, Gebeurde het dat koning Loth daarnaar Droomde dat hij zag omtrent Een vreselijke storm en wind Verheven, zodat het wierp daar neer 13940 Kerken, huizen, weg en weer, In zijn stad, heet Alberine, En na de wind dacht hij in schijn, Dat kwam de grootste donder mede, Van de hele wereld, zodat ter plaatse, 13945 Van angst dacht de wereld te beven; Daarna, dacht hij, kwam daar benevens Een watervloed zo vreselijk Dat alle huizen en dergelijk Van de stad wegdreven geheel 13950 En van de lieden een groot deel, En hij zelf was in angst mede, Om te verdrinken in die plaats, En dat hij grote pijn gedoogde, te waren, Eer hij van daar kon ontkomen. 13955 Met dat hij dus in angst lag Met het wonder, dat hij zag, Sprong hij op en zegende zich daar, En stond op, en vertelde daarnaar Zijn gezellen zijn droom, 13960 En bad hen, dat ze dus namen waar. Toen vroegen zijn gezellen daarnaar, Waarvan dat grote weer gekomen was En de tempeest en de storm; Van het bos, zei hij, meest 13965 Dacht hij dat het weer kwam gereed. Toen zeiden de anderen: “God weet, We mogen nu wel zeker wezen Dat we kort na deze Hebben zullen vermoeienis groot!” 13970 Ze bereidden zich met grote spoed En wekten de ridders sinds, En hebben ze alom gezonden, En bevalen hen, dat ze vernamen Of ergens enige lieden kwamen 13975 Gewapend, die hen beschadigen mochten, Dat ze het alom goed onderzochten. Toen stonden ze op en bewapenden daar Erg goed en waren daarnaar Alom in dat land, of ze iets 13980 Vernamen daar; ook letten niet De elf prinsen, ze deden mede Hun wapens geheel aan daar ter plaatse; En Merlijn, die dit wist eerder, Liet Arthurs lieden haasten te meer, 13985 Zodat ze kwamen ter plaatse Daar diegene uit waren gereden, En ontmoetten ze bij het uitgaan daar, En al waren ze er niet uit voorwaar; En toen ze zagen dat grote leger 13990 Werden ze verschrikt zeer, Die daar kwamen gewapend zo, En ze vroegen Merlijn toen, Die voor reed, wie die lieden waren. Merlijn zei: “ik zeg het u, te waren: 13995 Dat zijn konings Arthurs lieden, Die hier komen, en zijn mannen, En komen verweren hier gelijk Die eisen wil zijn land, En wil ze doden of vangen”. 14000 Toen dit diegene hebben verstaan, Keerden ze weer en sloegen met sporen En riepen zodat men het ver mocht horen: “Verraden, verraden! dat zeggen we u, Gij heren, gij ridders, wapent u nu, 14005 Want nooit was het dus zo goed te doen Want hier komt de vijand koen. Toen sprongen er van het bed veel daar Die eerder naar hun wapens vingen daar Dan naar hun klederen, zeg ik u, 155 14010 En dat bekwam hen erg goed nu, Want ze vonden hun paarden gereed; Hun knapen hadden gewaakt, God weet, Al meest tot het maal, weet dat, Want ze hadden hun feest gehad; 14015 Want toen de heren gingen slapen Hebben ze eerst gefeest die knapen, En toen ze hoorden roepen alzo “Verraden, verraden!” liepen ze toe, En legden hun zadels, God weet, 14020 En hielpen hun heren te wapen gereed Die op hun paarden zaten na datgene En ontkwamen; maar diegene. Die op hun bed lagen toen En op hun banken ook alzo, 14025 Ze konden zich niet zo zeer Haasten, de konings lieden waren eerder Hen op de hals, eer ze zich konden Bewapenen en bereiden ten stonden. Ook hadden ze een andere nood, 14030 Want Merlijn zond een wind zo groot Op hun hals, dat daarnaar Al hun tenten moesten vallen daar; En daar was zo’n grote nevel mede, Die zo donker was ter plaatse, 14035 Dat niemand de ander kon zien; Dit was een ding dat ze in die Belette, want ze ter plaatse Niet konden verzamelen omdat; En als ook de knapen meenden daar 14040 Hun heren de helmen te geven voorwaar Zo konden ze die vinden niet. Dus kwamen ze in zwaar verdriet; Want koning Arthurs manschappen En koning Bans lieden, 14045 En koning Bohort´s mede Kwamen op hen daar ter plaatse En sloegen ze alle dood, weet voorwaar, Die ze inhalen mochten daar; Want niemand verweerde zich, zeg ik u. 14050 En de elf prinsen waren nu Uitgetrokken in het slechte veld Buiten al hun getal En hun paviljoens mede. Toen lieten ze blazen daar ter plaatse 14055 Hun bazuinen, omdat ze wilden Dat ze hun lieden verzamelen zouden En tot hen daar kwamen door dat. Zo deden ze ook, die konden ontvlieden Van de vijanden, die ze nu 14060 Verwonden en doden, zeg ik u, Als diegenen, die zich niet Ontfermden, wat dus geschiedt. Dus waren ze in grote nood, En ze sloegen er daar zoveel dood, 14065 Wel het derde deel, eer ze ten stonden De heldere dag bekennen konden; En toen ze worden gewaar dat Dat hun vijand zoveel was, Gingen ze vlieden alle ter vaart, 14070 Vast naar hun banieren waart, Daar ze de bazuinen hoorden blazen. Ze vlogen recht zoals lieden die razen, Totdat ze tot de tien koningen kwamen Die nu waren alle tezamen 14075 Gezeten aan een woud Aan een rivier, met geweld, Die klein was. Daar kwamen hen toe Wel te paard zoveel lieden toen, Dat er wel twintigduizend waren; 14080 En twintigduizend, zij het zeker daar, Vlogen weg, ze wisten niet waar, De ene hier, de ander daar; Want ze konden, op geen manier, Op tijd komen bij hun banieren; 14085 Want men achtervolgde hen zo snel daarnaar, En zo haastig, dat ze alle waren Bang en geschoffeerd mede. Dus vlogen ze te paard en te voet beide Naar het woud toe, de ene hier en de ander daar. 14090 Ze beklaagden hun schade zwaar En waren droevig zeer, Dat ze verdwaald waren van hun leger, En daar bleven er wel twintigduizend In de tenten dood ter plaatse 14095 En verwondt, waarvan er weinig goed mede Zal mogen genezen van de dood. Toen koning Arthur dat zag, Dat elk vloog, al dat hij mag, Uit de tenten en lieten ze staan, 14100 Toen vroeg hij Merlijn gelijk Wat hij doen zou nu meer. 156 Merlijn zei: “ik zeg het u, heer, Ge zal gaan naar een pas nu Van een rivier, zeg ik u, 14105 Daar houden ze zich op met twintigduizend mede Die daar wachten nu ter plaatsen. Ge zal tegen die lieden vechten dan, En koning Bohort en koning Ban Zullen komen naar het bos waart 14110 Met hun lieden met snelle vaart, En ze zullen van niemand daar Hoede hebben dan van u, voorwaar, Die ze zien zullen voor hen nu, Dan zullen ze vechten tegen u, 14115 En koning Ban zal komen dan Met groot geluid slaan dan; En uw vijanden zullen voorwaarts Zo zeer worden verschrikt, Dat ze zich daarna erg klein 14120 Of weinig verweren zullen algemeen. Toen zei koning Arthur tegen Merlijn: “Naar dat uw wil dus zal zijn Zo zullen we dat doen”. Dus scheidde daar De ene van de andere voorwaar. 14125 Koning Arthur voer, zonder waan, Tot de plaats, daar hij gelijk De elf prinsen vond alzo, Die van niemand meenden toen Geen onrust te hebben algemeen, 14130 Dan van koning Arthur alleen; En die ontzagen ze niet voorwaar Al waren er veel meer geweest daar, En koning Ban en zijn lieden Voeren tot het bos gereed, 14135 En koning Arthur ging al dat hij kon doen Daar hij de baronnen liggen zag; En Ulfijn leidde zijn lieden over een zijde En liet ze afstijgen en zich omgorden ten tijden, Hun paarden en hun wapens recht te zetten. 14140 Toen zaten ze op al zonder beletten En reden te pas waart alzo. Toen Keye bij de pas kwam, reed hij toe In de hoop, en de anderen mede Sloegen in al daar ter plaatse 14145 Tegen Keye en verzamelden daar, In dat water, weet voorwaar; Daar werd de strijd sterk en groot, Daar bleven veel lieden dood, En menige speer en schild mede, 14150 En harnassen werden daar ter plaatse Gescheurd en gebroken, zeg ik u, Daar vielen de ridders in het water nu, En de schilden en de speren voorwaar Vielen in dat water daar, 14155 Zodat de rivier verstopt werd daar van; Menige slag men daar gaf, Armen, benen en handen sloeg men mede Af; sommigen werden verwond ter plaatse In het hoofd, daar de hersens vlogen uit; 14160 Daar was van slagen groot geluid, De rivier werd van bloed rood Van de slag, die was zo groot, Dat de beek, wel twee mijlen lang, Geheel met bloed was gemengd; 14165 En Keye deed zoveel daar In de strijd, dat hij daarnaar Met konings teken doorbrak in de strijd En reed door hen allen ter tijd, En hield zo sterk daar de pas 14170 En zo dapper, zij het zeker dat, Zodat alle Arthurs lieden ter uren Kwamen, al werd dat hem te zuur. Toen de hertog Escans van Cambenic En de tien koningen dergelijk 14175 Zagen, dat zo weinig goede lieden daar Hen zo grote schande deden voorwaar, En dat er maar vier duizend waren, Ze schaamden zich zo zeer dat, En hadden in hun hart grote oneer, 14180 Toen werden ze verbolgen zo zeer En sloegen met sporen daar ten tijden En verzamelden zich met grote nijd; En Keye en zijn gezelschap mede Hielden zich op daar in een plaats 14185 Zo vast, dat niemand hem aldaar Kon doorbreken, weet voorwaar; Maar zwaar stond hem dat zeer nu: Had Bretel niet gedaan, zeg ik u, Ze hadden naar achteren moeten gaan; 14190 Maar Bretel sloeg over de pas gelijk 157 Met zo’n groot lawaai in die tijd, Men kom hem gehoord hebben een mijl Dat kraken van de sporen daar. Daar werd de slag erg zwaar, 14195 Daar werd menige slag geslagen En menigeen van het paard gedragen; Daar werden geslagen slagen groot, Daar bleef menige ridder dood, Dat schade was erg zeer; 14200 Had niet gedaan Arthur, die heer, Keye en zijn gezellen hadden nu Naar achter gegaan, dat zeg ik u; Maar Arthur, de koning, en Ulfijn Kwamen daar in, als ridders fijn, 14205 Daar ze zeer waren vertroost mede. Arthur zag wel daar ter plaatse, Dat zijn lieden ten achter waren daar, En Griflet lag ter aarde voorwaar Want een ridder had in de nood 14210 Zijn paard onder hem gestoken dood, En hij was te voet, en zijn zwaard Had hij in de hand, daar hij zich mee verweert Zo koen en zo zeer, dat weet, Dat niemand zijn slagen opwachtte daarmee; 14215 En Ulfijn die dit alles zag Sloeg met de sporen, al dat hij mag, In die verzameling, naar de andere ter plaatse Om hem te vangen die grote pijn deed, Hij behoedde hem daar een lange tijd 14220 Daar werd zijn paard in dezelfde tijd Onder hem gestoken dood; Dus was hij boos en met een spoed Sprong hij op en trok zijn zwaard, Daar hij zich dapper mee verweerde; 14225 En hij en Griflet, weet voorwaar, Weerden zich zo koen daar, Dat daar weinig mensen durfden te komen. Dit heeft de hertog van Cambenik vernomen En koning Clarion van Northumberland, 14230 En zijn naar hen gegaan gelijk, En dachten erg zeer daarnaar, Om die twee te vangen aldaar. Toen Bretel zag dat ze waren te voet Was hij droevig in zijn gemoed, 14235 Want hij had erg lief Ulfijn Dat deed hem daar erg wel in schijn: Hij nam een speer in de hand En reed op hertog Escant, Op het harnas met zo’n nijd 14240 Dat hij hem twee wonden maakte in de zijde, En dat bloed rende nederwaarts En hij viel van het paard met een vaart. Toen dit zag koning Clarioen, Was hij rouwig en liet hem doen 14245 Een scherpe grote schacht, En reed toen met grote kracht Tot Bretel, want hij daar ter plaatse Wilde vergelden doen dat Bretel deed De hertog, die hij afstak daar; 14250 En Bretel voorzag dit voorwaar, En nam een speer die heel was, En reed tot hem toe ook na dat; Daar kwamen ze samen met zo’n nijd Zodat hun speren braken in die tijd, 14255 En daar de ene de ander zou begaan Daar rivaliseerden ze in die tijden Met helmen, met schilden, met lichamen, Dat hen de ogen veranderden tezamen En de paarden storten onder hen daarnaar, 14260 En bleven lang liggen daar, Zodat ze wisten niet, Wat hen daar was geschied, En hen alle, die dat zagen Dachten, dat ze dood lagen. 14265 Toen sloegen daar de negen koningen toe En daar kwamen hen tegemoet toen Acht van de andere zijden, En ze verzamelden fier ten tijden De ene tegen de andere daarnaar; 14270 Toen werd afgestoken daar Lucas de opperschenker en Mares En koning Brangores En koning Ydier en Anguissant En koning Uriens. Daar begon gelijk 14275 De slag sterk en groot, Die lang duurde in grote nood Omdat elk daar de zijnen Graag behoedde uit de pijnen; Daar deed Keye wonder groot. 158 14280 Toen hij Griflet zag te voet Naast Ulfijn, dit was hem leed, Hij hield zijn zwaard getrokken gereed, En hij zag koning Ventres gelijk Die Ulfijn deed grote pand 14285 En die hem graag had gevangen, Want hij had hem genomen gelijk Vast bij de hals, en gaf hem daar Menige slag, maar weet voorwaar Dat Ulfijn zich verweerde zeer. 14290 Toen sloeg daar Keye op de heer Zo ‘n slag op de helm daar, Dat hij hem liet buigen daarnaar Op het knop van het zadel, Toen sloeg hij nog een keer, zonder wachten, 14295 En een derde keer mede, dus geloof; Toen werd de koning zo zeer verdoofd, Dat Keye hem nam zonder letten En presenteerde hem daar Griflet, Ook gaf hij hem zijn paard mede, 14300 Daar Griflet op sprong ter plaatse Ondanks zijn vijanden, zonder waan. Toen kwam Keye aan koning Loth gelijk En sloeg hem met een knots zo mede Dat hij hem ter aarde vallen deed, 14305 Dat hij hem zeer kwetste toen. Toen kwam de koning van de honderd ridders toe En bracht in zijn gezelschap, te waren, Veertig ridders die uitgelezen waren Van alle die hij verkrijgen kon; 14310 Toen hij zag koning Loth ter stonde Die Keye af had gestoken; Hij zei hij moest het immer wreken Of hij was weinig te prijzen waart. Een essen speer nam hij ter vaart, 14315 En zat op een groot paard en snel, Dat hortte hij voort met sporen wel, En reed op Keye met zo’n grote kracht Zodat hij hem neer stak met de schacht, Zodat Keye ter aarde viel daar 14320 Erg hard, en daarnaar Nam hij dat paard en gaf dat ter plaatse Aan koning Loth, die daarop zat gereed En bedankte dus hem erg zeer, Dat hij hem deed daar die eer. 14325 Toen Griflet zag Keye te voet En Lucas, was hij bijna verwoed En nam een speer niet geschaafd, En liet zijn paard heen draven, En stak op een ridder na dat, 14330 Die met de koning van de honderd ridders was, Zodat hij ter aarden viel aldaar En een arm brak, en daarnaar Bleef hij in onmacht liggen ter plaatse; En Griflet nam dat paard gereed, 14335 En gaf dat Keye, zeg ik u, Die het wel nodig had nu; En de koning van de honderd ridders mede En koning Loth deden daar ter plaatse Zoveel met wapens, zodat ze daar 14340 Koning Ventres, weet voorwaar, Brachten op een paard dat was drachtig en ook na dat Brachten ze koning Ydire Op Gwinas paard van Blois snel, 14345 En de hertog van Cambenike Brachten ze ook desgelijks Op Drians paard van het wilde bos; En ze brachten, zegt het veerhaal, Koning Uriens zijn eigen paard nu. 14350 Toen ze allen verzameld waren, zeg ik u, Zwoeren ze dat ze zouden wreken Hun uitlachen, op zekerheid Ze zouden eerder allen blijven dood; Toen sloegen ze vast in dat konvooi. 13355 Daar zou grote schade zijn geschied Was er Arthur, de koning, gekomen niet, Die ze erg zeer verlichtte daar. En toen Arthur zag daarnaar Dat Ulfijn stond te voet op de aarde 14360 Met een zwaard, en zich zo verweerde Die Griflet behoedde daar ter plaatse, En Bretel lag op zijn paard mede In avonturen van de dood, Arthur had een speer groot 14365 En sloeg in de ring gelijk En ontmoette koning Tradeliant Van Norgales, die tegen hem kwam, Geheel vers nog, zoals ik vernam, En die niet geweest was in de strijd. 159 14370 Arthur reed op hem ter tijd, En stak zo op het schild na dats En op het harnas, die niet was Vast genoeg, zodat hij hem kwetste daar; En met de steek viel hij daarnaar 14375 Erg ongemakkelijk op de aarde, Dat hem erg zeer deerde, En Arthurs speer te stukken brak, En te paard waart hij de hand uitstak, En nam dat, en gaf het Ulfijn daar, 14380 En zei: “lieve vriend” daarnaar “Neem dit paard, dit geef ik u, En pijnig uw leed te wreken nu”. Toen zat Ulfijn op en zei: “Heer, God moet u bedanken deze eer”. 14385 En toen hij daarop gezeten was, Reed hij in de strijd na dat En sloeg daarin na die taal. Die met Arthur zijn, deden het daar wel En diegene nochtans van de andere zijden 14390 Hadden nog alzo veel ten tijden Lieden te strijden dan Arthur deed. Ze kwamen nu zo vreselijk mede, En de slag werd daar zo groot, Dat daar menigeen nu bleef dood, 14395 Dat menige vrouw beweende zeer. Hier deed zo goed Arthur, die heer, Dat ze hem allen herkenden al gauw Aan zijn slagen, ze waren zo sterk, Want niemand was daar onder die mannen, 14400 Die van koenheden was zo groot Dat hij zijn slagen opwachten durfden, Ridder, knechten, koningen nog vorsten. Toen de koning met de honderd ridders zag Koning Tradeliante, die ter aarde lag. 14405 Was hij rouwig, want hij had hem lief; Een grote speer hij toen verhief En sloeg zijn paard, dat was snel, En stak Antor op de helm zo goed, Zodat Antor viel ter aarde nu; 14410 Dus was boos, dat zeg ik u, De koning; maar diegene, weet dat, Namen dat paard daar ter plaatse, En gaven het Tradeliante samen, Die daarop meende te zitten gaan; 14415 Maar koning Arthur kwam aldaar, En Keye, die hem volgde daarnaar, En eisten dat paard gelijk, Dat diegene hield in zijn hand, Waar Tradeliante stond benevens. 14420 Koning Arthur heeft hem gegeven Op het schild een slag zo zeer, Zodat hij hem kloofde, min of meer, Of dat een blad had geweest; Die slag ging voort al na deze 14425 En gaf hem daar een grote wonde; Toen ging die slag neder ter stonde En sloeg de hals af van het paard; Toen vielen ze beide overhoop ter aarde; Toen nam Keye dat paard gereed 14430 Dat diegene bracht geleid, En gaf het zijn vader, die daar nu Op is gezeten, zeg ik u, En nam een speer en stak na dat Marganore, die drost was 14435 Van de koning van de honderd ridders mede, En raakte hem zo goed ter plaatse Door schild, door harnas, ter schouder in, Zodat hij tuimelde, meer of min, Van het paard omgekeerd alzo. 14440 Daar nam hij dat paard en gaf het toen Bretel, die zeer ten onder was, En hielp hem op dat paard na dat. Toen hij opgezeten was daarnaar, Zag hij Lucane voor hem liggen daar, 14445 In de grootste drang daar neder. Toen keerde Bretel dat paard weer Daar Griflet voor hem hield met kracht, En behoedde met zijn macht. Toen Bretel zag dat hij daar 14450 Zo dapper behoedde voorwaar Prees hij hem zeer in die tijden, Want diegene van de andere zijden, Daar er twaalf waren, die al voor hem waren, Nochtans konden zij alle, te waren, 14455 Niets nemen in geen dingen Nog van hen daar iets brengen; En toen Bretel deze dapperheid zag, Reed hij derwaarts al dat hij mag, En sloeg de eerste, die hij ontmoette daar, 14460 Zodat hij hem de helm kloofde daarnaar En het hoofd mede tot de tanden 160 Een andere sloeg hij daar gelijk Op de arm, zodat hij hem deed Op de aarde vallen, daar ter plaatse. 14465 Met het schild, zij u bekent; De derde sloeg hij daar gelijk Op de schouder, zodat hij hem daar Geheel ontkleedde voorwaar. Toen Griflet zag daar ter plaatse 14470 Dat hij succes had nadat, Sloeg hij een de zijde van het hoofd, Zodat hij hem tot de tanden kloofde; Diegene viel er af, en Griflet Nam dat paard toen zonder letten 14475 En gaf dat Lucas, de opperschenker, Die daar op zat als een ridder fier, Die wilde zijn toorn wreken daar; Hij nam zijn speer en sloeg daarnaar Anguissant, de koning van Schotland, 14480 Die gerust had gelijk Mares van der Rotsen, die hij Vaak overreed, en daarbij Sloeg Lucan dat paard met de sporen En stak hem in de kraag van voren, 14485 Zodat hij hem kwetste in de hals daarnaar, En liet hem ter aarde vallen daar, Zo ongemakkelijk hij zich scheerde Want hij zich aldaar bezeerde. Toen Mares zag, dat hij was 14490 Van hem bevrijd, nam hij na dat Dat paard dat van Anguissant had geweest, En sloeg in de strijd na deze; En hij vond Beliase en Flandrine, Die naast Anguissant in de pijn, 14495 En naast Driante, weet te waren, En beide zijn gezellen waren. Ze dachten zeer, hoe ze hen mochten Verlossen, maar daar ze vochten Was de strijd zo groot ten stonden, 14500 Dat ze dit niet doen konden; Nochtans vochten ze zo zeer Zodat ze later met hun verweer Beide die heren redden, zeg ik u; Maar dat kwam daarbij nu, 14505 Dat koning Arthur moest varen Behoeden Keye, die te achter waren, En Griflet, die koning Ventres En koning Loth en koning Brangores En koning Ydier hadden daar 14510 Van hun paarden geworpen voorwaar; En ze hadden niet meer, dat weet, Succes dan Lucas; en Maret En Gwinase en Driante En Flandrine en Beliase, 14515 Deze hielden de strijd aldaar Tegen de vier koningen, weet voorwaar, En tegen de veertig, die met hen waren. Toen kwam koning Arthur daar gevaren Want hij zag wel ter uren 14520 Dat de zijne het niet konden volhouden; Toen verzamelden in hem grote kracht En sloeg daarin met zo’n macht, Alsof hij een leeuw had geweest; Wat hij raakte met deze, 14525 Was dat paard, was dat man, weet voorwaar, Dat moest de dood bekopen daar; En te deze steken sloeg hij dan Twintig de beste van de veertig man, Die met de koningen waren gekomen; 14530 Ook verwondde hij zeer, heb ik vernomen, Koning Loth op de plaats; Hij deed met wapens zoveel na dat, Dat ze vlieden gingen zonder uitstel En niemand hem opwachten durfde. 14535 En al deze tijd zo had Griflet En Keye gerust, dat weet, En volgden de koning, die vocht nu Als een verbolgen leeuw, zeg ik u, Hij vond de strijd nimmer zo groot, 14540 Hij doorreed ze en doorkroop; En aan de andere kant vocht Ulfijn en Bretel En Antor tegen de hertog snel Escante, en koning Tradeliant En tegen nog vier bedienden; 14545 Dat was koning Clarioen En koning Carados, de baron, En de koning van de honderd ridders nu; Maar de anderen hadden, zeg ik u, Niet lang mogen weerstaan; 14550 Want de koningen hadden ter uren Veel lieden en deden ze daar 161 Gelijk op Keye’s bataljon voorwaar, Daar koning Arthur groot wonder deed Met wapens, en hier ter plaatse 14555 Bleef het volk staan door dat, Want koning Arthur zelf daar was, Die zo veel deed in die dagen Dat het hen allen verwonderde, die het zagen. En had niet gedaan zijn dapperheden 14560 Ze waren alle geschoffeerd nu ter plaatse, Want dat waren allen goede ridders nu, Die daar tegen hem vochten, zeg ik u; En ook was dat daar erg daarnaar, Dat koning Arthur zou daar 14565 Hebben gehad grote schade toen, Was daar nu niet gekomen toen Koning Ban en koning Bohort En Leonce en Pharien kwamen voort Met zo’n groot lawaai mede 14570 Uit het bos, dat daar ter plaatse Het woud donderde van geluid daar. Toen dit de anderen vernamen daarnaar Wisten ze wel, dat ze al bloot Schade nu zouden nemen groot. 14575 Toen trokken die hoge lieden ten tijden Bezijden de wildernis aan een zijde, En bedachten wat ze wilden doen. Koning Loth zei: “ziet, gij baronnen, Wat ge wil aangaan nu; 14580 Maar ik zal hier blijven, zeg ik u, Zolang als ik er vind twee Die met me blijven overeen, En zal wreken mijn schade ter plaatse En mijn verdriet, mag ik, mede, 14585 Want ik heb nu alles verloren meer”. De koning van de honderd ridders prees hem zeer In zijn hart en zei toen gelijk: “Alzo moet me God dan bijstaan, Ik zal mee doen aldus”. 14590 Toen zei koning Caradus, Hij zou dat zelf doen gereed; Toen zeiden alle anderen mede. “Nu wil ik u zeggen”, zei Loth de koning “Wat we doen zullen met dit ding: 14595 Die rest van onze baronnen voorwaar Zullen gaan aan die komen daar, En vijf zullen hier ophouden blijven En tegen deze met strijd kijven, Alzo lang als het duurt, zeg ik u; 14600 En we zullen gaan nu Naar dat woud met twaalfduizend man En diegene bestaan voortaan; En acht blijven hier ten tijden Die tegen deze hier zullen strijden; 14605 En we zullen die anderen gaan slaan, Zodat ze deze niet aangaan Nog ons niet omringen; En we zullen bij deze dingen Minder schade hebben dan als wij 14610 Allen hier bleven”. Toen zeiden ze Dat dit hen allen dacht goed, En trokken een weinig over een kant En overzagen hun lieden aldaar. Toen namen ze koning Loth daarnaar 14615 En de koning met de honderd ridders mede En koning Anguissant ter plaatse, En koning Ydier desgelijks En de hertog van Cambenick Met twaalfduizend goede man, 14620 En maakten zes bataljons daarvan, En deden in elk bataljon mede Tweeduizend ridders tot de plaats, En reden alzo zodat ze kwamen In dat einde van het bos tezamen 14625 En tussen de rivier nu ter plaatse, Daar koning Loth regelde voor dat; En dit was ook de beste raad, Dat men doen mocht naar dat het staat, Want ze hadden geen angst te waren 14630 Dan van diegene die voor hen waren. Aldus hebben ze nu, God weet, De zes baronnen goed beraad, En de vijf bleven in de slag daar, En streden tegen Arthurs lieden voorwaar 14635 Met grote kracht, en van deze is Een koning Brangores, En koning Uriens, en koning Ventres mee, En koning Clarioen, dat weet, En koning Tradeliant. 14640 Ze hadden met hen acht duizend man; Deze weerden zich als lieden dapper 162 En als dappere ridders met geweld. Hier werd de slag groot, Die tot de avond duurde bloot; 14645 En aan de andere zijde kwam koning Ban, En koning Bohort en Leonce daaraan, En Pharien; deze leiden daar Dat eerste bataljon, weet voorwaar; En tegen hem kwam koning Ydier 14650 Deze liet lopen zijn paard hier, En stak hem met krachten, Zodat men dat kraken van de schachten Hoorde wel een halve mijl; Hier werd zo groot terzelfder tijd 14655 De strijd en zo angstig mede, Daar bleven er veel dood ter plaatse; Maar koning Ydier, hij was Naar achter gedreven, zij het zeker dat; Want Pharien, en die met hem waren, 14660 Schoffeerden ze; daartoe kwam gevaren Anguissant met zijn lieden, die ze daar Zeer vertroostte, weet voorwaar. Toen werd de slag groot; Phariens lieden waren in grote nood. 14665 Toen kwam Leonce met zijn scharen En hielp Pharien, zonder sparen, Die dat daar nu erg goed deed; En toen ze kwamen daar ter plaatse, Zo hadden die anderen geen doen 14670 Maar ze keerden naar achteren en vlogen Tot de scharen van Cambenick, Die ze herstellen liet dapper. Toen riep de koning met grote kracht Zijn teken, en sloeg in de nacht, 14675 En liet diegene keren tezamen, Die tegen hem gereden kwamen, En streden op die ze opjaagden daar, Zodat ze alle moede waren daarnaar. Toen kwam koning Bohort gedragen 14680 Met grote banieren daartegen, Daar dat veld van was van lazuur En van keel mede ter ure Banden met goud in verhouding, Zo men het kleinste kon, zeg ik u. 14685 Hij kwam met vijf banieren daar, Daar de punten afhingen voorwaar Tot op de paardenhalzen daarbij. Toen koning Loth hem zag, zei hij: “God, Heer, hebt nu mij genade! 14690 Als ge waarlijk, zoals ge, vroeg en laat, Die u dienen pleegt te behoeden; Ik zie wel, dat we nu in nood Van de dood hier allen zijn; Want ik zie ginder een teken, 14695 Dat van de beste ridders is Van de wereld, dat zij het gewis, En die met tegenzin de vlakte ruimt dan, Tenzij alleen de koning Ban; Ook zijn alle ridders hazen en vinken dat 14700 Tegen die twee, naar mijn gedachte”. Toen de koning van de honderd ridders hoorde Van koning Loth, zei hij ter plaatse En vroeg wie die goede ridder is? De koning zei toen: “heer, dat is 14705 Koning Bohort van Gaunes; Ik weet niet waarom hij hier gekomen is”. “Hoe”, zei de koning van de honderd ridders nu, “Hoe kwam hij hier, dus bid ik u, Zeg het me dus, en welke tijd mede”. 14710 “Ik weet het niet”, zei koning Lot gereed, “Maar zie hem ginder komen al los”. “Ik weet het niet”, zei koning Carados, “Wat we doen zullen onder ons nu, Maar ik wil hem tegemoet gaan, zeg ik u, 14715 En heb ik het nodig, zo help mij”. Toen zeiden diegene: “nu moet gij In Gods geleide varen ter plaats!” Toen reed Carados en scheurde mede Het hele bataljon, en voer daar 14720 Tegen koning Bohort bataljon daarnaar. En toen ze zo nauw tezamen kwamen Als een boogschot, lieten ze tezamen Laten lopen, wat ze konden, te verweer. Daar braker erg veel van hun speren, 14725 Daar waren er veel die shockeerden daar, Daar lieten er veel lopen voorwaar Die misten. Toen trok men de zwaarden Daar zich sommigen zeer mee verweerden. Daar werd de strijd vreselijk en zwaar. 163 14730 Toen kwam koning Bohort daarnaar Tot een zijn pad, en zei aldus, Die geheten was Balarus: “Voer mijn teken”; en diegene was Een goede ridder, en na dat 14735 Nam hij dat teken. Toen zei koning Bohort Tot zijn baronnen aldus voort: “Nu laat zien wie dat goed zal doen”. Zelf sloeg hij in de baronnen Met sporen zo vreselijk daarnaar, 14740 Dat de hele aarde dreunde daar, En stak de eerste die hij ontmoette, Met de speer, en zo doorkwam, Zodat het bij hem door het lichaam stak En zijn speer stuk brak. 14745 Toen trok hij dat zwaard en begon daar Zo’n groot wonder te werken daarnaar, Dat ze allen hadden grote verwondering, Dat hij met dat wapen deed bijzonderling. Ze worden allen bang nu 14750 En maakten zich weg, zeg ik u, Diegene die hem zagen komen. Koning Carados heeft grote schade genomen Eer de koning van de honderd ridders kwam, Die daar bracht, zoals ik vernam, 14755 Twee duizend ridders, die dapper waren En steeds te wapen, te waren; Toen ze verzameld waren zekerlijk Zo was de strijd even gelijk. Maar koning Bohort, hij was 14760 Boven hen allen, zij het zeker das, En wrocht wonder groot ter stede; En koning Carados mede, En de koning van de honderd ridders voorwaar, Ze deden grote schade daar, 14765 En behoeden hun lieden van schade goed Want ze waren dapper en snel. Dus duurde de strijd lang daaraan; Toen kwam gehouwen koning Ban In de slag, als een fiere, 14770 En liet inslaan zijn banier, Daar dat veld van was van lazuur Daar gouden kronen, geheel door en door In gezaaid waren; en ook mee Had dit teken zes tongen, dat weet, 14775 Die zo lang waren, zoals we dat horen, Dat ze sloegen tot de oren, Van de drost zijn paard; weet voorwaar Zo lang hingen ze naar beneden daar Dat ze het geheel bedekten, op en neer, 14780 Zoals dat waaide heen en weer. Toen de baronnen dit teken zagen, Begonnen ze zich zeer te verschrikken, En zeiden, ze moesten ruimen gelijk Of ze moesten sterven, zonder waan. 14785 Gelijk zoals insloeg die koning Ban Hielden ze de vlakte niet voortaan. Toen verzamelde koning Loth aldaar Met wenende ogen, en zei daarnaar: “Wij hebben nu weer dat veld verloren”. 14790 Daar mocht men schilden en speren horen Breken daar en zeer kraken, Alzo als ze te stukken braken, En uit de zwaarden dat vuur springen. Ze gingen daar tezamen dringen. 14795 Toen koning Ban bij hen verzameld was, Bleven ze erg kort na dat, Hij dreef ze op die vijf baronnen, Die nu streden als de koenen, Tegen koning Arthur mede. 14800 Daar gebeurde grote schade ter plaatse, Want gelijk toen koning Ban In de slag kwam voortaan, Deed hij zo‘n grote schade daarnaar, Dat niemand bleef in leven daar, 14805 Die zijn slagen niet ontvloog. Hij reed de scharen door alzo, Dat ze nimmermeer zo sterk waren. De koning met de honderd ridders kwam gevaren En koning Loth en Marganore; 14810 Deze worden daar nu in beroering, En ontmoeten in het midden van de scharen Dat koning Ban komt gevaren. Toen sloeg de koning vast alzo Met de honderd ridders hem daartoe; 14815 Hij was een erg koene man Hij voer daar op koning Ban, En sloeg hem op het schild daarnaar, Dat dus een groot deel afging aldaar. Toen dit zag koning Ban, die heer, 14820 Hij verdroot de slagen zeer; Hij verhief zijn zwaard na dat 164 Conretoisen, dat erg goed was, En meende hem hebben geslagen daar, De koning met de honderd ridders voorwaar, 14825 Op de helm, en de koning ontzag Erg zeer koning Bans slag, En nam meteen hoede nu En hortte zijn paard, zeg ik u, En de slag viel op dat paard 14830 Achter in het zadel met een vaart, Zodat hij doorsloeg de ijzeren bedekking En het paard mede, hetzelfde uur Sloeg hij dat door tot de aarde toe; Daar viel de koning en het paard alzo 14835 Beide overhoop, maar hij sprong op Want hij dacht nog zo’n klop Te ontvangen, en ging na dat Tot koning Ban, daar hij zat Op zijn paard, en doorstak het aldaar. 14840 Toen dus koning Ban dat werd gewaar, Sprong hij daar ter aarde gelijk, En ging op zijn voeten staan; Hij nam zijn schild en hield daar Voor hem het punt, en kwam daarnaar 14845 Tot Aygnigire, die koning was Van de honderd ridders, en sloeg hem na dat Op de helm, zodat hij stortte neer; Hij greep meteen de helm weer, En had hem uit de wereld gedaan; 14850 Maar koning Loth kwam daar toe gegaan En ook Marganor mede, En Marganor stak hem daar ter plaatse Op het schild, zodat zijn speer brak; Maar dat Marganor aldus stak, 14855 Ontzette hem niet koning Ban; Toen stak hem koning Loth daaraan Op de helm met een speer zo, Dat daar de vonken uitvlogen toen. Toen liet hij de koning daarnaar 14860 Van de honderd ridders, en sloeg daar Koning Loth in de slaap ter plaatse Zo zeer dat hij moest vallen mede Van het paard ter aarde nu. Toen kwam Marganor, zeg ik u, 14865 En had zijn zwaard in de hand; Koning Ban liep gelijk op hem, En sloeg hem op het schild nu Dat dus een groot deel brak, zeg ik u; Hij sloeg nog een keer nadat 14870 Op de helm door dat gat, Daar de maliën van de bedekking nu Zo doorgingen, dat zeg ik u, Dat hij zo verwarmt was Van de slagen, dat hij door dat 14875 Ter aarde van het paard viel gelijk. En binnen deze waren opgestaan De twee andere koningen, en begonnen daar De slag angstig en zwaar Tegen koning Ban ter plaatse. 14880 Toen Marganor bekomen was mede, Hielp hij hem met al zijn macht; Maar koning Ban, met zijn kracht, Verwondde deze alle drie erg zeer, En hij sloeg ze veel meer, 14885 Dan ze hem konden doen. Daar moesten laten de baronnen Van hun bloed een groot deel nu; En hadden zie iets langer, zeg ik u, Daar gebleven, ze hadden gelijk 14890 Erg grote schade ontvangen, Want ze waren daar gebleven dood Of ze hadden zich door die nood Over moeten geven; maar de scharen Kwamen toen tussen hen gevaren, 14895 En scheiden ze toen, wie het lief was of leed, Dus was koning Ban boos, God weet! Toen kwam koning Arthur gevaren En vond in zijn weg daarnaar Koning Ban, die daar stond te voet 14900 En met wapens wonders doet Van lieden dood te slaan nu En van paarden, zeg ik u; Daar lagen er zoveel om hem daar, Dat niemand bij hen kon komen daarnaar; 14905 En toen hij zag dat niemand mede Tot hem kon komen ter plaatse, Is hij over die doden gelopen, Die daar lagen met grote hopen; Hij was een ridder, dapper en groot 14910 En goed geleed zonder gelijke; Hij liep naar hen met gemoed zwaar, Zodat ze alle bang waren voor hem daar; Hij sloeg in de hoop, waar hij kon, 165 Daar hij de meeste tezamen zag; 14915 Meer als ze hem gewaar worden daar, Maakten ze zich allen weg daarna, En daar was niemand zo koen, Die nu voort, na dit doen, Zijn slagen opwachtte nu ter tijd; 14920 Dus behield hij lang daar de strijd. Nu komt koning Arthur derwaarts, Wat lopen kan zijn paard, En zijn zwaard in zijn hand toen, Zijn schild voor zijn hart alzo, 14925 En hij was zo nat van bloed nu Dat geen mens hem, dat zeg ik u, Had mogen herkennen daar ter plaatse Nog bij tekens nog bij wapens mede. Toen hij zag, dat te voet 14930 Koning Ban onder de vijanden stond, Kwam hij op een ridder na dat, Die erg goed gereden was Op een groot paard, en sloeg hem daar Op de helm een slag zo zwaar, 14935 Zodat hij hem kloofde daar zijn hoofd Tot de buik toe, dus geloof het; En diegene viel dood aldaar En koning Arthur nam dat paard daar, En zei: “heer, nu zit hierop gelijk, 14940 Want zekerlijk, zonder waan, Onze vijanden zijn in een kwaad gewaad En ge zal ze gelijk opruimen door dat”. Toen zat daarop koning Ban, En was daarvan een blijde man, 14945 En ook mede was hij erg blijde, Dat hij koning Arthur vond ten tijden. Toen begonnen ze zo gruwelijk Te strijden en zo vreselijk, De ene door de ander ter uren, 14950 Dat niemand voor hen kon blijven Ze sloegen ze dood. Toen vlogen ze En werden geschoffeerd daarbij, En reden weg tot de rivier En tussen bos daar bleven ze snel 14955 Ophouden alle, weet voorwaar, En gaven hen weerstand aldaar In dat enge; want ze wisten wel Dat ze, in ernst en in spel, In de ruimte verloren waren, 14960 Daar men ze omringen mocht te waren; Ze hielden hem tot een troep toen De ene aan de ander vast toe, En hielden weerstand daar ten stonden Gelijk de ever doet voor de honden. 14965 Toen koning Loth en koning Ventres, Koning Uriens, koning Bangores, En koning Carados, en koning Tradeliant, Koning Ydier, koning Anguissant, Koning Clarioen, en koning mee 14970 Van de honderd ridders, dat weet, En hertog Escans voorwaar; - Toen deze heren vernamen daar, Dat de schoffering helemaal Op hen keerde in het dal, 14975 Trokken ze opzij met spoed; En Margaras, een ridder goed, Die was met hen, zeg ik u, Daar deze waren verzameld nu; Toen kwamen ze overeen daarnaar, 14980 Dat ze de strijd moesten houden daar Tot de avond, of, weet al bloot, Ze bleven daar anders allen dood. Dit zei koning Loth ter plaatse, En ze volgden dat allen mede 14985 En namen sterke speren daarnaar, En vermaakten hun helmen eerst daar, En voeren alle te behouden na dat In dat begin, daar lag de pas. Daar kwam hen tegen koning Arthur 14990 En koning Ban ook wel stuur, Koning Bohort, Leonce en Ulfijn, Bretel, Keye, Antor en Pharein, En Gwinas en Driant, En Flandrijn en Beliant, 14995 En de drost Anthanimes Van Bonewick, en na die Kwam Blaaris, Bohortes peter mede Met de grote tekens daar ter plaatse, En Mores, Graciaen en Ladinas, 15000 Chanis, Blioberis en Caulas, Meliades, Madeans en Placides Plandalis, Rerogaes en Cristofles, Aigilius, Calogrenas en Crisalus; Deze vijf en dertig kwamen aldus 166 15005 Voor al die anderen te slaan gelijk Schild om de hals, speer in de hand, En reden op hen of het een spel was En braken hun speren aldaar; Ze trokken de zwaarden en gingen steken 15010 En slaan mede, maar doorbreken Zo konden ze niet ter uur. Daar vocht zo zeer koning Arthur En koning Bohort en koning Ban En sloegen dood zo menige man, 15015 Dat de paarden woedden in het bloed Tot de flanken, dus wees bekend, En ze konden er niet zoveel slaan Zodat ze hen naar achteren konden laten gaan; En als de voorste moe waren, 15020 Kwamen de achterste toe gevaren En vochten zo ze het beste konden. Daar lagen er zo veel dood ten stonden, Zodat de weg verstopt daar was Zodat de ene tot de ander daarnaar dat 15025 Niet kon komen nu, Tenzij over die doden, zeg ik u. En sinds de koningen waren gekomen daar En de hertogen op de plas voorwaar, Zo durfden zich daar te ruimen niet, 15030 Maar ze leden pijn en verdriet En angst en zorgen en nood, Tot de avond, erg groot. En toen dat het avond was voorwaar, Voeren ze tot het bos daar 15035 Over dat water, daar lag die pas, Daar twijgen en hout in gedragen was; En toen ze aldus over waren En de anderen dus ontkomen, Was koning Arthur vertoornd zeer, 15040 Want hij meende, bij Onze Heer, Die tien koningen te hebben gevangen; Daar voer hij op hen, zonder waan, Zo fier en zo angstig mee, Dat men in alle dagen, dat weet, 15045 Zo kwaad niet zag in de strijd; En de anderen trokken naar achter ter tijd. Zich allen verwerend zolang, zodat zij Allen over de rivier waren daarbij. Toen gingen ze alle vlieden daar, 15050 En koning Arthur volgde hem na Over de pas, en hij daar inhaalde, Ik zeg u dat hij het hen zo betaalde, Dat ze nimmermeer opstonden; En dit duurde zo’n lange poos, 15055 Dat men van de nacht niets kon zien. Toen kwam Merlijn binnen die Gereden op een paard ter uur En riep koning Arthur: “Waar ben je, heb je dus nu niet 15060 Genoeg gedaan? merk en ziet Ge hebt er zoveel geslagen nu, Dat daar van zestig duizend, zeg ik u, Maar vijftien duizend nu leven, Ze zijn verwond of dood gebleven, 15065 En die daar ook weg nu varen Zijn niet allen gezond, te waren; Keert weer, het is herberg tijd nu, Laat rusten uw lieden, dat zeg ik u; Ze hebben het nodig zekerlijk. 15070 Nu maak al uw lieden zo rijk, Zodat de armste immermeer Rijk blijft en een heer, En zend naar huis koning Ban’s lieden, En koning Bohort, en zijn manschappen, 15075 Uitgezonderd die hier blijven nu Met hun wil; en ook zeg ik u, Dat uw vijanden zullen hebben voorwaar, Genoeg te doen de volgende drie jaar, Al beoorlogen ze u nimmermeer; 15080 Want de Sennen, weet heer, Zijn in hun landen, en verstoren mede En verbranden dorpen en steden, En ze hebben belegerd, zij het zeker dit, De goede stad van Windeberes 15085 En ze liggen daarvoor, te paard en te voet, Met tachtig duizend mannen goed, En weet wel, dat ze zullen niet Verder aanvallen wat er dus gebeurd Nog u beoorlogen voort meer, 5090 Ze hebben zoveel te doen eer, Want ze zullen kunnen verdrijven niet Die in hun land zijn voordat gebeurt Voordat ge ze zelf verdrijven zal daar. Nu keer om en bereidt u na 15095 En doe dat ik heb gezegd u; 167 Ge hebt niet te wachten nu, En ik moet varen te Blasys waart, Mijn meester, met snelle vaart, En zal weerkomen tot u 15100 Te Sint Maria Lichtmis nu; En denk er wel om goed te doen mee”. Toen scheidde hij zo heimelijk, dat weet, Van daar, zodat niemand het weten kon, Waar hij gevaren was ter stonde. 15105 Dus voer hij tot Blasys waart na dats Die van hem toen erg blijde was, En die het leed ook was mede, Dat hij zo kort bleef ter plaatse; Maar om dat hij dat rijk en de koning 15110 Hield staande, en vanwege dit ding, Zo was hem dat lief ter uren; Toen vertelde hij hem voort de avonturen, Die koning Arthur zijn gebeurd, Dus liet hij na niets, 15115 En daarna van koning Ban; Toen vertelde hij hem voort daaraan, Hoe de Sennen gekomen waren In het land van de baronnen, zonder sparen, Die koning Arthur beoorloogden nu. 15120 Dit schreef Blasys geheel, zeg ik u, In een boek; hier zwijg ik dus, En zal u verder nu doen gewis Van koning Arthur ter plaatse, En van de twee koningen mede, 15125 En van het land van Carmelide, En van de avonturen die hen gebeuren. |
Van Merlijns wonderlicheden. Die historie telt nu sonderlinge, Alse Artur hadde die tien koninge Gesconfiert ende den hertoge, 15130 Ende verdreven met orloge, Als gy wel hebbet gehoert nu, By Merlijns rade, seggic iu, Ende by den tween koningen mede, Des was Artur blide ter stede 15135 Ombe sine victorie, ende quam daernaer Toten tenten enten paweloenen daer, Die noch lagen, voert ende weder, Also alse Merlijn warp daer neder Metten storme ende metten winde. 15140 Men ginck se daer rechten met geninde Ende gingen hem assieren daer; Si daden sciltwachte doen daernaer Phariene, Leoncen, ende Griflet Ende Lucam, den bottelgire, met; 15145 Ende Leonce ende Pharijn hoeden daer, Opter side te boschewaert vorwaer, Met vijfdusent mannen; ende Lucam Ende Griflet hoeden, als ic vernam, Mit vier dusent man, met stouter vaert, 15150 Bander siden ten planewaert; Entie drie koninge, in den tyden, Entie met hem sijn waren blide, Ende aten ende dronken wes si daer vonden, Des daer genoech bleef ten stonden, 15155 Dat daer die elve barone hadden gelaten, Die daer gevloen waren haerre straten; Dus rasten si toten morgen toe. Daer dede Artur, die koninck, bringen doe Al dat goet dat daer was bleven, 15160 Ende ginck mildelyck enwech geven Den enen meer den andren min; Aldus so deelde hi dat gewin, Perde, orse, ende lakene met; Alrehande dinck, dat wet, 15165 Dat daer was in der stonde, Deelde men daer met goeder konde, Datsi des behielden een twint niet. Daerna elc van den tween koningen hiet Sinen lieden thueswaert varen 15170 Tot hem veertich, sonder sparen, Entie wouden si met hem ter ueren In dat lant van Carmelide vueren. Pharien, Leonce, ende Graciaen Leiden haer liede thueswaert saen 15175 Ombe haer lant thoedene daer, Dat hem Claudas, openbaer No stille, negene scade doe. Doe si in haer lant quamen soe, Cochten si some rente ende goet, 15180 Daer elc wael mede leven moet Met eren, des nu zeker zijt; Entie koninck Artur bleef nu ter tijt In sinen lande, entie twe koninge mede Te Bredegan al stille ter stede, 168 15185 Ende dageden daer, ende beiden boude Merlijns, die daer komen soude. In Onser Vrouwendage vorwaer, Doe men gheten hadde, daernaer Sagen si enen sterken dorper scier 15190 Comen gaende opter rivier; Die dorper sach doe ter stede Vele entvogele, die daer lagen mede In ener beke, die daer quam Wt ener fonteinen, als ic vernam, 15195 Die niet vervroren en was ter ueren, Daer in badedensi na der naturen. Die dorper scoet daer enen doet Met enen bolte na zijn hoet; Doe scoet hi echter na dat, 15200 Ende scoet enen wedick daer ter stat; Doe nam hi die vogele daer ter stede Ende hinck se onder sinen gordel bede, Ende ginck toten koningen mettien, Die dit algader hebben gesien. 15205 Die koninck Artur vragede hem also houde Of hi die vogele verkopen woude; Die dorper zeide doe: ja hi. “Wat sal ic daer dan ombe geven dy?” Die dorper hadde an twe hosen ruw 15210 Van koyenleder, seggic iu, Ende enen sorcoet ende een caproen Van grawen laken van dorpers doen, Ende was met enen swarten velle mede Gevoedert, dat ruw was ter stede, 15215 Ende hi ginck blotes hovedes doe, Ende sijn haer stont hem daertoe, Ochte dat borstele waren, opwaert, Ende hi sceen een fel musaert; Ende hi seide toten koninck Artuer: 15220 “Ic en weet negenen koninck nu ter uer Die scat onder der aerden hevet Liggende, die so node gevet Als gy doet; ende oevele moet hi varen Die van enen armen manne, twaren, 15225 En mochte maken enen riken man, Die dat wael mochte verdienen voertan; Ic geve iu die vogele, of gy dat gebiet Dat ic niet meer goedes en heb dan gy siet, Ende gy en hebbet nu dat herte niet 15230 Dat gy my dat hondertste deel gevet iet Van uwen goede, dat lichte sal In der aerden nu verroten al In den foreeste eer gijt zult halen”. Doe die koninge hoerden des dorpers tale 15235 Doe zeidensi onder hen gereet: “Welck Duvel hevet hem dit geseit”? Doe riepen tot hem die koninck Ban: “Segh, dorper, wie zeide di dit dan, Dat dese scat in der aerden leght”? 15240 “Nemet dese vogele”, hevet hi gesecht, “Ic wil gaen enwech nu”. “Trouwen, heer dorper, dat zeggic iu Eer gy ons ontgaet”, zeide die koninck, “Moety ons berechten deser dinck, 15245 Wie iu dit gesecht hevet dan”. “Dat zeide mi een wilt man, Die hem heten doet Merlijn nu; Oec zeide hi my, dat hi iu Den scat gewiset hadde iu somen; 15250 Oec sal hi heden tot iu komen”. Die wile dat si dus spreken daer, Quam Ulfijn wt ener kameren naer Tote daer die koninge waren gestaen Ende iegen den dorper, sonder waen, 15255 Spraken; entie koninck Artur zeide: “Hoe mochtic geloven die waerhede Dat Merlijn sprac iegen dy”? “Ocht gy wilt”, zeide die dorper vry, “Gelovet des my, ende ocht gy en wilt nu, 15260 So zijt des quijt, dat zeggic iu”. Doe Ulfijn hoerde die antwoerde, Die hi den dorper spreken hoerde, Doe wiste hi wael dattet Merlijn was; Doe Merlijn sach datten nadas 15265 Ulfijn kende, zeide hi, sonder waen: “Vrient, nemet dese vogele saen, Ende gevetse den koninge, uwen heer, Die luttel op ieman achtet nu meer”. Doe zeide Ulfijn: “lieve vrient nu, 15270 Dat hevet sulck heden gesproken tegen iu, Die luttel goet achtet, wetet dat, Nu ter wilen ombe enegen scat”. Ende hi began lachene sere doe, Ende nam den dorper daer alsoe 15275 Ende leiden daerboven nu, Ende zeide: “ic hebbe te sprekene iu 169 Van vele sticken, ende gy zout Vergolden zijn, als gy wout”. Doe sach Ulfijn opten koninck, 15280 Ende loech sere ombe die dinck. Doe zeide die koninck: “waerombe lachdy? “Gy zult wael weten”, zeide doen hi. Doe leide Ulfijn in ene camer daer Merline, ende hi zeide daernaer: 15285 “Ulfijn, nemet dese vogele gereet, Ende also blidelike moetse eten, God weet, Iu here, als icse hem gerne geve nu; Want hi enen armen man, zeggic iu, Niet en achtet te helpene mede, 15290 Die hem dat mochte lonen teneger stede”. Doe zeide Ulfijn: “dit es ierstewerf niet, Dat gy hem holpet in zijn verdriet, Ende noch zuldy hem helpen mede, Ende kende hi iu here ter stede 15295 Also wael als ic iu kenne nu, Hi soude herde blidelick ontvaen iu”. Doe quam Bretel gaende voert, Die verstaen hadde al dese woert, Die Ulfijn den dorper sprac toe; 15300 Entie antwoerde entie tale alsoe Merkede hi van den dorper ter stede, By enen rover ocht by enen morder mede Bet gelikende dan enegen man, Want hi was lelick te siene an; 15305 Ende alse Bretel verhoerde dese tale, So bekende hi Merline wale. Doe loech hi onder sinen mantel daer, Entie koninck Artur beswoeren naer, Waerombe hi loech. Doe zeide Bretel: 15310 “Here, die vogeler zalt iu seggen wel”. Doe loech die dorper, zonder beiden, Ende hiet Ulfine dat hijt hem zeide. Doe zeide Ulfijn: “Here, iu vrient Merlijn coninck Soude hier huden comen sijn 15315 Iu te sprekene”. “Dat soude hi”, zeide die Waerombe zegdy hier nu dese dinck? Ic zegget daerombe, dat gy een twint Die liede nu niet so en kint Alse gyse siet, als gy soudet nu 15320 Met rechte kennen, zeggic iu, Want gy hebbet tegen sulke liede vry Grote vrientscap gemaket, ende als sy Twe dage merren ochte dry So en kendy se niet, duncket my, 15325 Alsi weder vor iu komen, heer; Des woudert my van iu herde seer”. Doe die koninck verstont Ulfine, Was hi sere tebarentiert in scine, Ende vragede Ulfine daer mettien, 15330 Wien dat hi hadde gesien, Dien hi niet en kende, “zegget my; Ic wane my nieman quam so by Dien ic twewerf hadde gesien, Ick souden wael kennen nadien”. 15335 “Here”, zeide Ulfijn, “gy hebbet noch heden Sulken gesien by myner waerheden; Haddyne wael gekent nu, heer, Gy soudet hem gedaen hebben meer eer Dat gy nu hebbet gedaen te dien”. 15340 Die koninck zeide: “wien heb ic gesien?” Doe zeide Ulfijn: “zoudy iet kinnen Merline, of gyne saget hier binnen?” “Ja ic”, zeide hi, “wat zoude ic el?” “Nu besiet my dan”, zeide hi, “herde wel 15345 Desen man, of gyne iet kint?” Die koninck zeide: “ic en kens niet een twint; Ic en sachen noit, dat ict weet”. By Gode”, zeide Ulfijn doe gereet, “So hevet hi oevele bestadet nu 15350 Menegen dienst, dien hi dor iu Hevet gedaen, dat gyne kennet niet: Want dat is Merlijn, dien gy hier siet, Die iu wel gedient hevet mede, Ende eer gedaen te meneger stede, 15355 Ende iu geholpen hevet menechwerf Met rade, met dade, al iu bederf”. Doe dit verstont die koninck, Segende hi hem ombe dese dinck Ende wart so verscrickt, dat hi voert 15360 Niet en konde gespreken een woert, Enten koningen wonderdes meer, Ende zeiden: “wy en gesagen iu niet eer Iu dusdaen gelaet als gy hebbet nu”. “Gy heren, des gelovic iu, 15365 Dat gy my en zaget dusgedaen; Nochtan ben ick Merlijn, sonder waen”. 170 Doe zegenden hem die koninge daer; Doe zeide Ulfijn tot hem daernaer: “En zijt niet nu so verveert, 15370 Hi sal te hant sijn anders gekeert, Als hi wil, in sine gelike nu, Als gyne ierstwerf zaget, zeggic iu, En latet iu geen wonder wesen, Hi sal iu genoech togen van desen”. 15375 Doe ginck Merlijn in ene camer daer, Ende nam sine forme weder naer, Ende al die wile, dat hise nam an, Seide Ulfijn: “daer en levet geen man, Die iet kan tegen Merlyne nu: 15380 Hi verwisselt sine gedane, seggic iu, Also dicke, als hi wil, van figuren, Ende dat hevet hi al by naturen, Niet by clergien, maer hevet dat al Van sinen vader, groet ende smal; 15385 Ende gy sulten dickewile sien met ogen, Dat gy des niet en sult kennen mogen Ende ombedat hi hem ontlitsen kan, So en ontsiet hi negenen man; Ende daer is oec menech genoet, 15390 Diene wouden hebben gedoet, Ende dit weet hi wel allesins Want hi weet aller liede gepins”. Ende dit orkonde Gwinebant daer, Dat al dese dinge waren waer, 15395 Die der tweer koninge broeder was, Als ic iu hier te voren las. “Nu gawy weder”, zeide Ulfijn saen, “In die camer, daer hi in es gegaen; Hi sal weder hebben sine gedane, 15400 Die gy hem vor saecht hebben ane, Doe hi hem bekondegede met iu”. Si gingen in die camer nu, Ende vanden Merline daer ter stede In der gedane, daer hem mede 15405 Die liede daer kenden te voren. Doe si dit sagen ende horen, Liepensi tot hem ter stede Ende kusten hem ende helseden mede, Ende daden hem grote feeste daer, 15410 Alse diene sere minden vorwaer. Doe gingensi sitten onderlinge Ende spraken daer van menegen dinge. “Merlijn”, zeide nu Artur die koninck, “Hier weet ik wael in ware dinck 15415 Dat gy die vogele gerne gavet my”. Merlijn begonde te lachene daerby Ende zeide: “here, ik gondese iu wel”. Dus spraken si daer ende hadden spel Tote Halfvasten, wet vorwaer. 15420 Binnen desen tyden so quam daer Ene scone ioncfrou, zijt seker das, Die was geheten, als ic dat las, Lysanor, ende was mede, zeggic iu, Enes graven dochter, die hiet nu 15425 Severin, maer hi was doet, Ende si was geboren, wetet bloet, Van enen castele, hiet Quinpecorentijn; Ende dese maget, scoen ende fijn, Was comen, ombe manscap te doene, 15430 Gelijc dat daden ander baroene, Den koninck Artuer, doe hi ter stede Die elve barone gesconfiert hadde mede; Want vele duchten hem doe, En waren si hem niet komen toe, 15435 Dat hi hem haer lant soude nemen nu, Want negenen betren here, zeggic iu, En mochtensi hebben, zeidensi. Dus quamen si haer lant tontfane daerby. Doe gevil dat die joncfrou quam 15440 Daer die koninck lach te Bredegan, Ende dagede nu sine liede daer. Doe die joncfrou quam daernaer, Voer si liggen met enen poerter nadas In die stat, die herde rike was; 15445 Ende doe die koninck die joncfrou sach Dat daer so grote scoenheit aenlach, Begonde hise minnen seer, Also dat hi, by Merlijns leer, By haer lach ende wan daeran een kint, 15450 Dat Loete was geheten sint, Entie sint een vrome ridder was Ende geselle van der tafelronde nadas, Ende dade menege vromechede, Als iu dit boeck sal seggen mede; 15455 Maer hier en sprekic van hem niet meer, Ic moet spreken van Artuer, den heer, 171 Die hadde gelegen te Bredegan Tote dat Halfvastene quam, Doe nam hi orlof an die joncfrou saen, 15460 Die met kinde was bevaen, Ende voer in dat konincrike van Carmelide, Entie twe koninge met hem ten tyden Entie veertich ridder voeren mede; Maer hieraf zwigic nu ter stede 15465 Ende sal iu voert doen verstaen Van den elven baronen, sonder waen. |
Van Merlijns wonderlijkheden. De historie vertelt nu bijzonder, Toen Arthur had die tien koningen Geschoffeerd en de hertogen, 15130 En verdreven met oorlog, Zoals ge wel hebt gehoord nu, Bij Merlijns raad, zeg ik u, En bij de twee koningen mede, Dus was Arthur blijde ter stede 15135 Om zijn victorie, en kwam daarnaar Tot de tenten en paviljoenen daar, Die nog lagen, heen en weer, Zoals Merlijn ze wierp daar neer Met de storm en met de wind. 15140 Men ging ze daar oprichten met dat doel En gingen ze doerzoeken daar; Ze lieten schildwachten doen daarnaar Phariene, Leonce, en Griflet En Lucas, de opperschenker, mee; 15145 En Leonce en Pharijn behoeden daar, Op de zijde ter bos waart voorwaar, Met vijfduizend mannen; en Lucas En Griflet behoeden, zoals ik vernam, Met vier duizend man, met dappere vaart, 15150 Aan de andere zijden ter vlakte waart; En de drie koningen, in die tijden, En die met hen zijn waren blijde, En aten en dronken wat ze daar vonden, Dus daar genoeg bleef te die stonden, 15155 Dat daar die elf baronnen hadden gelaten, Die daar gevlogen waren hun straten; Dus rusten ze tot de morgen toe. Daar liet Arthur, de koning, brengen toen Al dat goed dat daar was gebleven, 15160 En ging het mild weg geven De ene meer en de andere minder; Aldus zo verdeelde hij dat gewin, Paarden, strijdpaarden, en lakens mee; Allerhande ding, dat weet, 15165 Dat daar was ter stonde, Verdeelde men daar men goede kunde, Zodat ze dus behielden niets. Daarna elk van de twee koningen zei Zijn lieden naar huis te varen 15170 Tot hen veertig, zonder sparen, En die wilden ze met hem ter uren In dat land van Carmelide voeren. Pharien, Leonce, en Graciaen Leiden hun lieden thuis waart samen 15175 Om hun land te behoeden daar, Dat hen Claudas, openbaar Nog stil, geen schade doet. Toen ze in hun land kwamen zo, Kochten sommige rente en goed, 15180 Daar elk goed mee leven moet Met eer, dus nu zeker is; En koning Arthur bleef nu ter tijd In zijn land, en de twee koningen mede Te Bredigan al stil ter plaatse, 168 15185 En bleven daar, en wachten kalm op Merlijn, die daar komen zou. Op Onze Vrouwendag voorwaar, Toen men gegeten had, daarnaar Zagen ze een sterke dorper snel 15190 Komen gaan op de rivier; De dorper zag toen ter plaatse Veel eendvogels, die daar lagen mede In een beek, die daar kwam Uit een bron, zoals ik vernam, 15195 Die niet bevroren was ter uren, Daarin baden ze naar de naturen. De dorper schoot daar een dood Met een bolvorm naar zijn hoed; Toen schoot hij echter na dat, 15200 En schoot een woerd daar ter plaatse; Toen nam hij die vogels daar ter plaatse En hing ze onder zijn gordel beide, En ging tot de koningen meteen, Die dit alles hadden gezien. 15205 Koning Arthur vroeg hem alzo te houden Of hij die vogels verkopen wilde; De dorper zei toen: ja hij. “Wat zal ik daarom dan geven u?” De dorper had aan twee broeken ruw 15210 Van koeienleer, zeg ik u, En een schort en een kap Van grauw laken van dorpse doen, En was met een zwart vel mede Gevoerd, dat ruw was ter plaatse, 15215 En hij ging blootshoofd toen, En zijn haar stond hem daartoe, Of dat borstels waren, opwaarts, En hij scheen een felle sukkel; En hij zei tot koning Arthur: 15220 “Ik weet geen koning nu ter uur Die een schat onder de aarde heeft Liggen, die zo node geeft Zoals gij doet; en slecht moet hij varen Die van een arme man, te waren, 15225 Mocht maken een rijk man, Die dat wel mocht verdienen voortaan; Ik geef u de vogels, als ge dat gebiedt Dat ik niet meer goed heb dan ge ziet, En ge hebt nu dat hart niet 15230 Dat ge me dat honderdste deel geeft iets Van uw goed, dat gemakkelijk zal In de aarde nu verrotten al In het bos eer ge het zal halen”. Toen de koningen hoorden de dorpse taal 15235 Toen zeiden ze onder hen gereed: “Welke duivel heeft hem dit gezegd”? Toen riep tot hem koning Ban: “Zeg, dorper, wie zei u dit dan, Dat deze schat in de aarde ligt”? 15240 “Neem deze vogel”, heeft hij gezegd, “Ik wil gaan weg nu”. “Vertrouw, heer dorper, dat zeg ik u Eer ge ons ontgaat”, zei de koning, “Moet ge ons zeggen van dit ding, 15245 Wie u dit gezegd heeft dan”. “Dat zei me een wilde man, Die zich heten laat Merlijn nu; Ook zei hij mij, dat hij u De schat gewezen had u sommige; 15250 Ook zal hij heden tot u komen”. De tijd dat ze dus spreken daar, Kwam Ulfijn uit een kamer na Tot daar de koningen waren gestaan En tegen de dorper, zonder waan, 15255 Spraken; en koning Arthur zei: “Hoe mag ik geloven die waarheid Dat Merlijn sprak tegen u”? “Of ge wil”, zei die dorper vrij, “Geloof dus mij, als ge wil nu, 15260 Dan ben je het kwijt, dat zeg ik u”. Toen Ulfijn hoorde dat antwoord, Die hij de dorper spreken hoorde, Toen wist hij wel dat het Merlijn was; Toen Merlijn zag dat na dat 15265 Ulfijn hem herkende, zei hij, zonder waan: “Vriend, neem deze vogels gelijk, En geef ze de koning, uw heer, Die weinig op iemand let nu meer”. Toen zei Ulfijn: “lieve vriend nu, 15270 Die zo heeft heden gesproken tegen u, Die weinig om goed acht, weet dat, Nu ter tijd om enige schat”. En hij begon te lachen zeer toen, En nam de dorper daar alzo 15275 En leidde hem daarboven nu, En zei: “ik heb te spreken u 169 Van veel stukken, en ge zou Vergolden zijn, als ge wou”. Toen keek Ulfijn naar de koning, 15280 En lachte zeer om dat ding. Toen zei de koning: “waarom lach jij? “Ge zal het wel weten”, zei toen hij. Toen leidde Ulfijn in een kamer daar Merlijn, en hij zei daarnaar: 15285 “Ulfijn, neem deze vogels gereed, En alzo blij moet ze eten, God weet, Uw heer, zoals ik ze hem graag geef nu; Want hij een arme man, zeg ik u, Niet acht te helpen mede, 15290 Die hem dat mocht belonen te enige plaats”. Toen zei Ulfijn: “dit is de eerste keer niet, Dat ge hem helpt in zijn verdriet, En nog zal ge hem helpen mede, Herkende hij u heer hier ter plaatse 15295 Alzo goed zoals ik u ken nu, Hij zou erg blij ontvangen u”. Toen kwam Bretel gaande voort, Die verstaan had al deze woorden, Die Ulfijn de dorper sprak toe; 15300 En de antwoorden en de taal alzo Bemerkte hij van de dorper ter plaatse, Bij een rover of bij een moordenaar mede Beter leek dan enige man, Want hij was lelijk om te zien aan; 15305 En toen Bretel hoorde deze taal, Zo herkende hij Merlijn wel. Toen lachte hij onder zijn mantel daar, En koning Arthur bezwoer hem daar, Waarom hij lachte. Toen zei Bretel: 15310 “Heer, die vogelaar zal het u zeggen wel”. Toen lachte de dorper, zonder wachten, En zei Ulfijn dat hij het hem zei. Toen zei Ulfijn: “Heer, uw vriend Merlijn koning Zou hier heden gekomen zijn 15315 U te spreken”. “Dat zou hij”, zei die Waarom zeg je hier nu dit ding? Ik zeg het daarom, dat ge helemaal niet De lieden nu niet zo kent Als ge ze ziet, zoals ge zou nu 15320 Met recht herkennen, zeg ik u, Want ge hebt tegen zulke lieden vrij Grote vriendschap gemaakt, en als ze Twee dagen blijven of drie Dan herken je ze niet, lijkt mij, 15325 Als ze weer voor u komen, heer; Dat verwondert me van u erg zeer”. Toen de koning verstond Ulfijn, Was hij zeer verbolgen in schijn, En vroeg Ulfijn daar meteen, 15330 Wie dat hij had gezien, Die hij niet herkende, “zeg het mij; Ik meen dat niemand me kwam zo bij Die ik twee maal heb gezien, Ik zou hem wel herkennen nadien”. 15335 “Heer”, zei Ulfijn, “ge hebt noch heden Zo een gezien bij mijn waarheid; Had ge hem wel herkend nu, heer, Ge zou hem gedaan hebben meer eer Dat ge nu hebt gedaan tot die”. 15340 De koning zei: “wie heb ik gezien?” Toen zei Ulfijn: “zou ge iets herkennen Merlijn, als ge hem zag hier binnen?” “Ja ik”, zei hij, “wat zou ik anders?” “Nu bezie dan”, zei hij, “erg goed 15345 Deze man, of ge hem iets kent?” De koning zei: “ik ken hem helemaal niet; Ik zag hem nooit, dat ik weet”. Bij God”, zei Ulfijn toen gereed, “Zo heeft hij slecht besteed nu 15350 Menige dienst, die hij voor u Heeft gedaan, dat ge hem herkent niet: Want dat is Merlijn, die ge hier ziet, Die u goed gediend heeft mede, En eer gedaan te menige plaats, 15355 En u geholpen heeft menige keer Met raad, met daad, al dat u nodig had”. Toen dit verstond de koning, Zegende hij zich om dit ding En werd zo verschrikt, dat hij voort 15360 Niet kon spreken een woord, En de koningen verwonderden meer, En zeiden: “we zagen u niet eerder Uw dusdanig gelaat zoals ge hebt nu”. “Gij heren, dus geloof ik u, 15365 Dat ge me zag dusdanig; Nochtans ben ik Merlijn, zonder waan”. 170 Toen zegenden zich de koningen daar; Toen zei Ulfijn tot hen daarnaar: “En wees nu niet zo verschrikt, 15370 Hij zal gelijk zijn anders gekeerd, Als hij wil, in zijn eigen vorm nu, Zoals ge hem de eerste keer zag, zeg ik u, En laat het u geen wonder wezen, Hij zal u genoeg tonen van deze”. 15375 Toen ging Merlijn in een kamer daar, En nam zijn vorm weer aan, En al de tijd, dat hij het nam aan, Zei Ulfijn: “daar leeft geen man, Die iets kan tegen Merlijn nu: 15380 Hij verwisselt zijn gedaante, zeg ik u, Alzo vaak, als hij wil, van figuren, En dat heeft hij geheel van naturen, Niet van geestelijkheid, maar heeft dat al Van zijn vader, groot en smal; 15385 En ge zal hem vaak zien met de ogen, Dat ge dus hem niet zal herkennen mogen En omdat hij zich veranderen kan, Zo ontziet hij geen man; En daar is ook menig genoot, 15390 Die hem wil hebben gedood, En dit weet hij wel alleszins Want hij weet aller lieden gepeins”. En dit verkondigde Gwinebant daar, Dat al deze dingen waren waar, 15395 Die van de twee koningen broeder was, Zoals ik u hier tevoren las. “Nu gaan we weer”, zei Ulfijn gelijk, In de kamer, daar hij in is gegaan; Hij zal weer hebben zijn gedaante, 15400 Die ge hem voor zag hebben aan, Toen hij zich bekend maakte bij u”. Ze gingen in de kamer nu, En vonden Merlijn daar ter plaatse In de gedaante, waar hij mede 15405 De lieden daar herkenden tevoren. Toen ze dit zagen en hoorden, Liepen ze tot hem ter plaatse En kusten hem en omhelsden mede, En deden hem grote feesten daar, 15410 Als die hem zeer beminden voorwaar. Toen gingen ze zitten onderling En spraken daar van menige dingen. “Merlijn”, zei nu Arthur de koning, “Hier weet ik wel in waar ding 15415 Dat ge die vogels graag gaf aan mij”. Merlijn begon te lachen daarbij En zei: “heer, ik gun deze u wel”. Dus spraken ze daar en hadden spel Tot halfvasten, weet voorwaar. 15420 Binnen deze tijd zo kwam daar Ene mooie jonkvrouw, zij het zeker dat, Die was geheten, zoals ik dat las, Lysanor, en was mede, zeg ik u, Een graven dochter, die heet nu 15425 Severin, maar hij was dood, En ze was geboren, weet het bloot, Van een kasteel, heet Quinpecorentijn; En deze maagd, schoon en fijn, Was gekomen, om manschap te doen, 15430 Gelijk dat deden andere baronnen, Aan koning Arthur, toen hij ter plaatse Die elf baronnen geschoffeerd had mede; Want velen duchten hem toen, En waren ze hem niet gekomen toe, 15435 Dat hij hun land zou nemen nu, Want geen betere heer, zeg ik u, Mochten ze hebben, zeiden ze. Dus kwamen ze hun land te ontvangen daarbij. Toen gebeurde het dat die jonkvrouw kwam 15440 Daar de koning lag te Bredigan, En daagde nu zijn lieden daar. Toen die jonkvrouw kwam daarnaar, Ging ze liggen bij een poort na dat In de stad, die erg rijk was; 15445 En toen de koning die jonkvrouw zag Dat daar zo‘n grote schoonheid aan lag, Begon hij haar te beminnen zeer, Alzo dat hij, bij Merlijns leer, Bij haar lag en won daaraan een kind, 15450 Dat Loete was geheten sinds, En sinds een dappere ridder was En gezel van de tafelronde na dat, En deed menige dapperheid, Zoals u dit boek zal zeggen mede; 15455 Maar hier spreek ik van hem niet meer, Ik moet spreken van Arthur, de heer, 171 Die was gelegen te Bredigan Totdat halfvasten kwam, Toen nam hij verlof aan die jonkvrouw gelijk, 15460 Die met kind was bevangen, En voer in dat koninkrijk van Carmelide, En de twee koningen met hem ten tijden En de veertig ridders voeren mee; Maar hiervan zwijg ik nu ter plaatse 15465 En zal u verder laten verstaan Van de elf baronnen, zonder waan. |
Van den elven baroenen, ende van den Sennen, die in horen landen lagen. Die aventure seget hier; twaren, Dat die elve baroene truerich waren Om haer verlies, ende eerden hem sere 15470 Ende zeiden, datse God, onse Here, Hatede ombe enege sonde, sonder waen, Die si an ieman hadden gedaen, Ende ombedat was hem dit gesciet; Dus voeren si clagende haer verdriet 15475 Ende horen rouwe ende hoer verlies, Ende si voeren al den dach dies, Datsi en aten noch en dronken iet Noch den dach te voren niet; Want die batalie haddet hem benomen 15480 Daer si nu wt sijn gekomen, Endet was kout gevroren mede, Ende si waren so moede ter stede Van der pinen, die si hadden geleden, Ende si hadden sere gereden, 15485 Ende waren hongerech ende dorstech doe, Datsi met groter pinen alsoe Quamen te Sorant in ene stat, Die rike ende scone was, wetet dat, Ende vol van allen goede mede. 15490 Des koninges Uriens was die stede; Maer Bandemagus, zijn neve, zeggic iu, Hieltse van hem ende hoedese nu, Ende een deel daeraf, zijt gewes, Daer was af here een, hiet Clamides, 15495 Alse iu dit boeck hiervor zeide. Diegene waren getrouwe beide Ende stout ende koene, entie heren Ontvingen se met groter eren. Daer blevensi hem rustende nadat, 15500 Ende daden hem te gemake in der stat, Want si haddent wael te doene. Daer wasser vele der baroene, Die sere gewont waren nu Ende in der stat bleven, zeggic iu, 15505 Tote datsi genesen waren mede. Des derden dages daerna ter stede, Quamen boden van Carmelide Ende van Cornuale ten tyden Ende van Orcanien ende van Leones 15510 Ende van al den landen, sijt seker des, Daer si heren af waren alsoe, Daer hem die boden af zeiden doe, Dat die Sennen daer in nu waren, Ende hadden al dat lant dorvaren 15515 Ende verwoestet ende verbrant mede, Ende dat nu lagen vor der stede Windeberes die Sennen, ende hadden daer Sovele liede, wet vorwaer, Datse die van der stede niet 15520 En konden verdriven, wat des gesciet. Doe die baroene hoerden also Die nyemaer, waren si des onvro Ende oec tongemake seer, Want daer en was negeen so koene heer, 15525 Hi en was in anxte herde groet, Ende si wisten wel die waerheit bloet, Datzi in aventure waren alle Van der doet ocht van groten mesvalle. Si weenden som van rouwen daer, 15530 Entie machtechste, wetet vorwaer, Weenden in horen cameren nadien, Daer se nieman en konde gesien. Op enen dach gevil na des, Dat die koninck Brangores, 15535 Die een herde vroet man was, Sende enen bode na das Hemelick toten heren daer, Ende datsi alle quamen daernaer In ene sael des morgens vroe; 15540 Die koninck Uriens was [daer] doe, Die koninge ende ander liede mede Quamen des morgens daer ter stede 172 Ende serech waren ende rouwech met, Ende weenden so oec, dat wet, 15545 Ende makeden rouwe ende mesbaer; Dus stondensi lange stonde daer, Datsi en spraken niet een woert Van serecheden. Doe quam voert Die koninck van Nortomberlant, 15550 Ende sprack den koninck an te hant Brangores: “here, ic ben hier komen nu Ombe te wetene hier van iu, Waerombe dat gy ontbodet my; Ic en hebbe met nieman, dat wety, 15555 Te doene, dan met iu, sonder waen; Secht my uwen wille ende laet my gaen, Want my en lustet te scempene nu Nochte sprekene, dat zeggic iu”. Doe zeide die koninck Brangores: 15560 “Hier en es nieman, sijt seker des, Hi en hebdes also wel te doene, ter tijt, Daer gy nu ombe ontboden sijt, Alse gy doet, ende dadet wale Dat gy begonnen hebbet die tale; 15565 Ic salt iu seggen waerombe ic iu Alle hier hebbe ontboden nu: Gy heren”, zeidi, gy hebbet gehoert, Dat die Sennen zijn komen voert Nu met herde groter macht; 15570 Ende sijn komen van Angis geslacht, Ende liggen nu in onse lant Ende hebbent verheert ende verbrant, Ende zijn komen vor Windeberes; Si hebben dat belegen, sijt gewes, 15575 An die syde van Cornuale; Ende dese stat was, sonder fale, Des koninck Norgans, die bleef doet In den lesten strijde, die was groet, Daer hem die koninck Uter-Pandragoen 15580 In ener orsbare dede dragen doen; Ende hem bleef maer ene dochter doe, Die dat lant bleef houden alsoe; Maer si haddet lange verloren, sonder waen, En hadde een haer broeder gedaen, 15585 Die haer broeder was gemene Van hoerre moeder halven allene; Ende hi was vrome ende vermeten Ende was Gosengoes geheten, Ende hi hielt haer lant ende manne mede 15590 Met krachte ende met vromechede, Ende dadese werden siner suster man Ende helpen verweren dat lant daeran, Ende sulcke tijt si verwonnen waren, Sijn wi in aventuren ende varen 15595 Ombe al te verliesene, sijt seker des, Opdat onse lant niet bet en es Behoet, dan dat nu es; ende ombe dat Behoevet ons wel, dat wy ter stat Enen haestegen raet hebben nu, 15600 Hoe wy die Sennen, zeggic iu, Mogen verdriven, wetet bloet, Ochte wi sijn alle ontervet ocht doet, Ende onse kinder embermeer; Bander syde hebben wy verloren seer 15605 Daer wy streden tegen koninck Artuer, Ende oec en mogewy, nu ter uer, Van al sinen lande nu mede Negene hulp krigen ter stede, Ende van den koninge bander syde 15610 Leodeganne van Carmelide, Die ons gerne holpe, hadde hi des macht, Hi es belegen met groter kracht, Want die koninck Rioen, wetet wel, Die machtech es ende sere fel, 15615 Orloget hem nu ende hevet gedaen Twe iaer achtereen, sonder waen; Ende bander syde van koninck Peles Van Listenois, zijt seker des, En mogewy oec, dat zeggic iu, 15620 Negeen soccoers verkrigen nu; Want hi hevet sinen broeder ter stede An ener ziecheit, die hi hevet mede, Daer hi nember af wert gesont Tote der tijt ende toter stont, 15625 Dat die Grael wert gewonnen gemene; Ende oec van den koninck Alene En mogewy hebben soccoers twint, Want hi leget sieck, als men kint, Ende en mach genesen vorwaer, 15630 Vordat die beste ridder komet daer Ende hem vraget, wat siechede Hi hevet, ende na dat Grael mede 173 Moet hi vragen ende winnent met Eer hi geneset; - dus eest geset. 15635 Ghy heren, dus en kan ic niet Gesien, waer wy mogen iet Hulpe hebben, in negenen wegen, Want die koninck Amagijn van Nortwegen In Sorlois, die orloget nu 15640 Caleos, der Gigantinnen sone, seggic iu, Van den vremden eylande, dat wet, Ende wil, dat hi sijn lant houde met Van hem, ende orloget hem daerombe seer; Ende van den Co. Brangine noch meer 15645 Van den verlornen eylande, dat wet, En hebbewy negeen hulpe met No van den koninge Nodoamine No van den koninge Clamedine Van den beslotenen eylanden; 15650 Ende ombedat ons negeen hulpe te handen En komet, so duncket my goet Dat elck in zijn lant vaer metter spoet, Ende vergader alle sine liede mede, Ende manne sine borge ende sine stede, 15655 Ende doe voeren alt goet daerin Van den lande meer no min, Ende vare liggen selve nadat, Eest in borch eest in stat Daer die Sennen liden sullen vorwaer, 15660 Ende weert se met sinen lieden daer; Want dat en waer ons niet goet nu Dat wy op hen voeren, seggic iu, Want wy en hebben der liede niet Dat wy se beduden mogen iet; 15665 Daerombe dunket my dat beste wesen, Dat wy doen aldus van desen, Opdat gy dat lovet ende dincket goet; Nu zeggic elck wat men best doet, Want ic ben gereet, van desen al 15670 Des men overeen hier dragen sal”. Doe antworde die koninck Clarioen Van Nortomberlant, op dit doen: “Here, gy hebbet wel gesecht nu, Ic volge uwen rade, seggic iu, 15675 Want dat es te doene, na dat staet, Dat wy haesteleke hebben raet. Ende my duncket goet, dat elc sinen wille Hier nu zegge, lude ende stille, Wat hem des goet dochte gedaen; 15680 Want hier en es nieman, sonder waen, Hi en sij sculdech te radene hiertoe, Want es die ene ontset, so es also Die ander int verlies ende gescint, Want hi en sal des behouden twint”. 15685 Doe zeide die koninck Loth gereit: “By Gode, gy hebbet waer geseit, Gy wetet wael, doe wy hier quamen Dat wy rouwech waren al te samen Ende serech, ende en wisten wat zeggen 15690 Doe gy dese tale begont voert leggen, Daer gy wel gesecht hebt an mede, Entie koninck, die ons onboet ter stede; Ende wy sijn hier komen altemale Ende hebben gehoert sine tale 15695 Enter uwer een deel, dat wet; Nu wil ic minen zin zeggen met: Wy zijn hier alle van enen accoerde Ende hebben gelovet met vasten woerde, Dene den andren niet af te gane 15700 Ende toter doet; daerombe voertane Soude deen den ander raden daernare Dinge die niet te begripen waren; Want en vindewy in ons selven niet Goeden raet, waer sullen wyne iet 15705 Soeken mogen? want in allen lande So en hebben wy niet dan viande, Ende dat scijnt ons in deser manieren Want si ons tallen steden asselgieren”. Doe zeide Carados, die koninck: 15710 “Ons hevet gescadet sere een dinck, Dat is dat orloge van Arture; Ende welc Duvel mochte nu ter ure Gedenken, dat hi soude komen gevaren Tegen ons, die so mogende waren?” 15715 Doe zeide die koninck Uriens saen: “Dat weet ick wel: en hadde gedaen 174 Merlijn, die tovener, daer ter uren En hadde hi vor ons niet konnen geduren; Want hi wiste also wael vorwaer 15720 Welke tijt dat wy souden komen daer, Alse wy selven wisten onse dinck, Des dade hi warnen den koninck In der manieren dat wy Alle waren bedrogen daerby, 15725 Dat ons scijnt ende scynen sal Want wy en hadden niet al Onse liede verloren so saen En hadde dat onweder gedaen, Dat die Duvel Merlijn komen dede 15730 By siner toverien, die hi kan, mede Sodat nieman hem [en] kan gewachten No by dage no by nachten”. Doe zeide voert die koninck Ydier: “Gy heren, dochtet iu goet nu hier 15735 Dat elc van ons in onze lant Ontbode onse manne te hant, Dat nieman [en] bleve daerin Die wapene mach dragen meer no min Sonder diegene, die borge ende stede 15740 Souden wachten ende hoeden mede; Ende alse wyse alle hebben tehant, Varewy met crachte in onse lant, Ende daer wy die Sennen ontmoeten Laetse ons daer also groeten 15745 Met onsen swaerden, datsi daernaer En gerne nembermeer openbaer Daerin en komen; dat dunket my beste, Want vor Windeberes, die stercke veste, Daer en sullewi niet varen nu 15750 Want daer isser te vele, zeggic iu. Aldus mogewi onse leet wreken, Ende wil ieman iet anders spreken Dat beter es, hi segget na des”. Doe zeide die koninck Brangores, 15755 Die een goet vroet ridder was, Enten rechte volgede nadas Sonder valsceit telker stede, Hi sprac met luder stemmen mede, Sodat sijt alle hoerden daer: 15760 “Elc hevet gesecht”, sprac hi daernaer, “Na synen beste sinen raet; Die koninck Ydier, dat verstaet, Hevet wael gesecht in ener manieren, Die dat also mochte visieren 15765 Als hi gesecht hevet, maer en es Also niet berecht, sijt seker des, Want wy en weten een twint niet Van horen manieren die men daer pliet, Ende hoe si riden nu in dat lant, 15770 Ende onser es luttel goet te hant Aldus te vaerne, want onversien Mochtewy te hant komen te dien Daer wy mochten sijn bedrogen; Ende worden si boven ons vermogen, 15775 Waer soudewy dan mogen vlien? Dat en kan ic niet gesien; Want al omb ende ombe, seggic iu, So sijn onse viande nu; Dus moeste wy doet bliven ochte gevaen 15780 Ende ic en kan oec niet, sonder waen, Geweten, waer wy mochten verkrigen Soccoers alse men ons soude bewigen; Geviele dat wy in aventuren waren Van der doet, ende oevele twaren, 15785 Soude die ene van ons heren Den andren dan gesoccorreren; Maer dat beste, zijt seker des”, Zeide doe die koninck Brangores “Dat es dat elc te hues vaer mede. 15790 Ende doe vesten borge ende stede, Of die Sennen in den landen Iet worden treckende, datsi te hande Den borgen ende steden iet mochten scaden Ende daerin niet en mogen varen; 15795 Ende doet met vitalien ende met spisen Iu borge ende steden in alre wisen Vullen wael, sodat die Sennen daer In den landen niet en vinden naer Des si behoeven, dat verstaet, 15800 Ende hebbet hierop goeden raet Ende mallic zegge zijn beste nu”. Die koninck Ventres, zeggic iu, Antworde hierop, ende hi was Een vroet man, sijt seker das, 15805 Entie gerne gelovede goeden rade, Oec haettehi verraders entie quade; Hi zeide: “here, gy hebt wel geseit Ende oec accordere ic daermet gereit 175 Ende en weet genen betren daer an”. 15810 Doe seide die hertoge Escan, Die een stout wijs man was: “An desen raet, wetet wael das, So houdic my oec; waer hi sot Die hem wederseide, so helpe my God!” 15815 Die koninck van den C. riddren seide daer: “Dit es een goet raet ende gewaer Ende sonder anxte, ende weet oec nu, Warewy in onse lant, seggic iu, Wy souden sekerre wesen dan 15820 Dan ocht wy alle te samene daeran Voeren; want haddewy soccoers noet, Wie ware dan diese ons boet, Ocht wy alle waren belegen? Daerby dunckt my dat beste daer iegen, 15825 Dat wy volgen Brangores raet, Want nadien dattet ons staet So en wetic genen so goeden; Maer dat wi ons mede spoeden, Dat men van ons [en] verneme niet, 15830 Ocht eer dan wy werden verspiet”. Doe seide die koninck Anguissant, Die koninck was van Scotlant: “Desen raet [en] mach nieman nu Verbeteren, dat seggic iu”. 15835 Dus accordeerden si alle daer An desen raet, ende zeiden naer Datsi hem haesten ende gereiden, Want daer en waer negeen langer beiden. Doe zeide die koninck Tradeliant 15840 Van Nortgales al te hant: “Gy heren, wy en mogen ons niet Dus sere haesten, nu besiet, Want onse liede en zijn noch niet al Komen, datter komen noch sal; 15845 Want die in den bosch vloen verborgen, Doe wy waren in groter sorgen, Si en derren noch komen niet Ombe te scuwene meerre verdriet, Ende oec en hebbewy maer vier dage 15850 Hier gelegen, sonder sage, Ende wy waren moede, sonder waen, Want wy waren anxtlike bestaen, Ende so hemelick oec mede, Datsi op ons waren ter stede 15855 Eer wy des iet wisten sonderlinge; Ende al te male dese dinge Dade ons Merlijn, die ons herde seer Hatet; ende weet wael, hi sal noch meer Ons alle letten, ende wy en konnen niet 15860 Hem gescaden, wat des gesciet; Ende hi weet oec alle dinge Eer si gedacht sijn sonderlinge; Entie koninck Artur en doet niet Sonder hem; ende by hem es gesciet, 15865 Dat die koninck Bohort ende koninck Ban Artur nu quamen dienen voertan; Ende dit sijn twe die beste mede, Die men nu vonde in Kerstenhede; Maer hem scadet sere die koninck Claudas, 15870 Die machtech es, sijt seker das, Entie ene scadet den ander met, Daer en es geen vrede tuschen geset, Maer vrede es tuschen hem nu daer; Die koninck Ban ende sijn broeder vorwaer 15875 Sijn noch metten koninck Artur, seggic iu, Ick en weet wat zy denken te doene nu; Daerombe en es niet so goet dan wy Met gemake ons gereiden daerby, Ende dat elc doe, dat sine man 15880 Gereet sijn so hi ten besten kan, Ende wy en mogen niet trecken vordesen, Onse liede en sijn bet genesen Ende comen; want ten waer niet goet Dat sy achterbleven, des sijt vroet”. 15885 “Gy heren”, zeide die koninck Urien, “En sijt niet tongemake van dien, Al en mogen die gewonde daerby Niet trecken, gy sult se laten met my Tote dat zy al zijn genesen, 15890 Want ic en sal niet trecken van desen, Ic sal hier bliven te miner stat Ende mynen marisen, ic seg iu dat, Ende mynen borgen, dat die Seynen Niet en viuden onbewaert die pleynen”. 15895 Si hielden hem alle an desen raet, Ende elc hem daer bereiden gaet Alse te varene in hoer lant 176 Men dade die orse conreiden te hant Entie scilde verwerven daer 15900 Entie halsberge scuren naer Entie speer oec ter stede, Scerpe yser daerin doen mede Entie helme bruneren doe. Dus bereidensi hem daer alsoe 15905 Ombedatsi niet en wisten vorwaer, Welke tijt zijs te doene souden hebben daer Ende tegen wat liede, God weet! Des woudensi wel zijn bereet; Ende doe si alle bereet waren 15910 Alse te treckene, doe stont op daernare Die koninck Lot, ende seide ter steden: “Gy heren, sint dat wy moeten sceden, Denket ombe wael te doene, radic iu, God hoede iu! ic vaer hene nu, 15915 Ende heb ic noet, so biddic iu met, Dat gy komet ende niet en let, Als ic iu ontbiede”. Ende elc gelovede daer Den andren te komene, ende daernaer Gaf dene den ander een lijcteken, 15920 Wantsi duchten hem sekerleken Verraetnesse. Doe voer van daer Die koninck Lot, weet vorwaer, In sijn lant, ende elc van hem Es daer gesceden meer no min, 15925 Ende voeren daerna tharen landewaert. Die koninck Lot voer welbewaert Met sinen lieden, wel te harnas, Dier wael vier dusent was, Die hem in den strijt bleven vor nu. 15930 Hi voer so lange, seggic iu, Dat hi te Haterive quam In Loenois, daer hi vernam Sine liede, die seer vervaert waren Van den Sennen, die hadden gevaren 15935 In dat lant ende gerovet mede. Doe si sagen haren heer ter stede Waren si blide, ende daden hem daer Grote feeste, ende daernaer Versameldensi liede ende soudeniere 15940 So vele dat hi er hadde sciere Tien dusent sonder diegene, wet dat, Die daer woneden in der stat, Ende dier wael sevendusent was, Ende die hoeden, sijt zeker das. 15945 Aldus verweerden si ene lange tijt Den koninck Lot, des seker sijt, Sodat hem die Sennen clene Scade deden ocht wel na negene. Daerna voer doe van Soerhant 15950 Die koninck Ventres al te hant In sine stat, die Polle hiet, Die nu was in swaer verdriet Van den Sennen, want haer pas In ener halver myle na was, 15955 Ende ombedit voer hi liggen in die stat Met vier dusent ridders, die hem na dat Bleven waren in den stryde groet, Daer der liede vele inne bleven doet. Doe ontboet hi sine liede aldaer, 15960 Scutten ende seriante, dat hi er naer Vijftien dusent hadde mettengenen nu Die die stat hoeden, zeggic iu; Hi hielt hem tegen die Sennen wel, Hi hadde dickewile strijt fel, 15965 Ende dickewile verloes hi ende wan Als men in stryde pliet dan. Daerna voer te hues die koninck Clarioen Met tweendusent mannen coen, Die som gesont sijn, som gewont, 15970 Die hem bleven waren ter stont, In den strijt vor den koninck Artuer; Hi voer so lange dat hi ter uer Quam te Montrubie nadat; Dat was ene vaste goede stat 15975 Maer si was sere bedwongen dor das Want der Sennen wech was Enter Giganten, alsi gingen Vandaer si lagen ter voederinge In des koninck Arturs lant, dat wet, 15980 Ende in Nortomberlant met. Ende als hi daer quam, so ontboet hi Ridders ende knapen, verre ende by, Die tors waren ende herde snel, Ende dier was achtedusent wel 15985 Sonder die in der stat waren nu, Dier was vier dusent, seggic iu; Daer weerdensi hem ende dicke vochten 177 Tegen die Sennen, diese besochten. Daerna voer te sinen lande waert 15990 Die koninck Ydier met snelre vaert, Met vier dusent mannen hem beneven, Die hem in den stryde bleven; Hi reet so lange oec nadas, Dat hi quam daer gestaen was 15995 Een casteel, die Mongla hiet, Die dicke hadde groet verdriet, Want hi lach by enen passe ten tyden Daer die Sennen dicke overlyden; Die casteel stont op ener rotse daer 16000 So hoge, dat men sach vorwaer Al dat lant over, ende hi was Groet ende wijt, als ict las. Onder den castele liep een riviere Die groet was ende herde sciere, 16005 Ende was geheten Koperne met; Ende dat was daerombe, dat wet, Ombe dat men daerinne vant ter stede Manier van coper, wetet gerede; Ende in den castele vant hi daer 16010 Vele liede, ende oec daernaer Ontboet hi mage ende vrient scire Ende selfscutten ende soudenire, Sodat daer veertien dusent waren Mettien van den castele twaren. 16015 Dus hoede die koninck die merse wel Ende was dickewile den Sennen fel Ende dede hem scade groet mede. Oec dede die koninck daer ter stede Die besten alle van den lande 16020 Entie vitalie menegerhande In den casteel voeren in die stade, Sodat die Sennen negene scade Conden gedoen, ende dat oec si Negene vitalie vonden daerby. 16025 Daerna sciet die koninck te hant, Die van den hondert ridders es genant, Met vier dusent ridders, die alle waren Wel gewapent ende georset, twaren, Ende voer te Malant in die stat, 16030 Daer een herde edele vrouwe in sat, Die wedue was ende ionc mede; An die merse stont die stede Van sinen lande, ende ombedat si Dintrepasse naest stont, voer hi 16035 Nu daerin, ombedat die Seynen Te wanderne plagen by den pleynen; Want die baroene van Malant Entie vrouwe badent hem te hant, Ende hi dadet dor horen wille met. 16040 Dese hiet Agingmers, dat wet, Ende was koninck, edel ende vry, Hi hoede die lande verre ende by, Sodat die Sennen, by sinen daden, Den lande deden luttel scaden, 16045 Want hi was altoes gereet Te werene alse daer enich leet. Daerna sciet van der stat Soerhant Die koninck van Nortgales, Tradeliant, Ende voer in sijn lant nadas, 16050 Daer hi herde welcome inne was; Want hi hadde scade gehat swaer Van den Sennen, die aldaer Gewandert waren; want haer pas Meest aldaer te wanderne was 16055 An ener roetsen, daersi te hande Groten scade daden den lande; Entie koninck ontboet in dien dagen Alle die wapene mochten dragen; Doe quamer so vele tot hem daer 16060 Dat hi er hadde, wet vorwaer, Wael sevendusent tors ende te voet, Ende in der stat waren werachtich ende goet Ses dusent man; hiermede weerde hi wel. Die Sennen die waren daer herde fel; 16065 Maer een casteel stont daer met gewout, Dien Heer Godebrandes suster hout Die Carnele was geheten; Den wech, alse wi dat weten, En konde die koninck Tradeliant niet 16070 Dan Sennen benemen, wat des gesciet, Hem en quame soccoers ende spise Van den castele in alre wise; Want hi was so vast ter ure Nochtan en haddi veste no mure, 16075 Sonder die lucht, daer hi mede was So vaste besloten, zijt seker das, Dat hi daermede was so beraden, Dat hem nieman en konde gescaden; Ende dit was met nygromancien 178 16080 Gemaket ende met gokelien, Daer Carnele af konde meer Dan ieman, die wiste eer, Sonder Arturs suster Morgane Ende Merlijns vriendinne Viviane, 16085 Die hi minde herde sere doe, Ende hadde haer geleert alsoe Al die wonder van der werlt nu, Alse dit boeck sal seggen iu Hierna, als dat tijt es ende stede. 16090 Ende by desen castele, wetet mede, Hadden die Sennen haer soccoers daer Dat mense niet mochte bringen vorwaer striden Wten lande vor dien tyden, Dat die koninck Artur op hem quam 16095 Entie koninck Bohort ende koninck Ban, Diese hier namaels verdreven dan. Nu was hier na desen in porre Die koninck Brangores van Estragorre Met drien dusent man, ende voer na dat 16100 Tote Estragorre in sine stat, Die daer by der roetsen stoet. Hi ontboet daer tors ende te voet Vrient ende mage, so dat hi Hem sesdusent hadde by, 16105 Sonder die in der stat waren, Dier was vier dusent, twaren; Dese scaden den Sennen sere nu. Dese koninck hadde, seggic iu, Een herde edel wijf, die was 16110 Des keysers dochter, als ict las, Adrianus van Constantinople; Dese was fier ende herde noble, Ende was noch metten vader dan; Ende si hadde gehat enen man, 16115 Ende was wedue eer se Brangores Te wive nam, ende hadde vor des Den koninck gehat van Blakie Ende oec mede van Bulgerie, Ende si haddene maer vijf iaer; 16120 Een scone kint bleef daernaer, Dat scoenste een, dat mochte wesen, Dat nu so groet was, als wy lesen, Dat hi wael ridder mochte sijn nu, Ende hiet Sagrimor, seggic iu, 16125 Ende dade sint menege vromechede In den lande van Logres, ende anders mede, Alse dit boeck wael seggen sal. Nu liep dor die werelt al So grote nyemaer van koninck Artuer, 16130 Hoe vrome hi waer nu ter uer, Hoe stout, hoe koene, hoe mylde, Ende hoe goet hi waer ten scilde, So datter Sagrimor dicke vor das Te Constantinople, daer hi was, 16135 Af hoerde spreken menege dinck, Ende was van vijftien jaren een jongelinc. Doe begeerde hi dickewile seer, Dat hi van so goeden heer Ridder mochte werden, als hi es, 16140 Ende seide oec dickewile na des Tegen sinen hemeliken raet, Dat en mochte niet sijn, hoet gaet, Die ridder worde van so goeden man, Hi en soudes zijn leven sijn voertan 16145 Te beter. Dit seide hi dicwile daer; Ende als hem sijn oude vader daernaer Vermaende, dat hi ridder soude wesen, Want dat keyserike op hem na desen Versterven soude na siner doet, 16150 So antworde hi den keyser bloet, Dat hi niet ridder werden en wille Vor dat [hem] die koninck, lude ende stille, Artur, die van Bertanien es heer, Ridder make, des begeerde hi seer. 16155 Doe gevil dat also hier naer, Datten die keyser, wet vorwaer, Wael bereide ende sendene alsoe Toten koninck Arture doe, Diene ridder makede sint. 16160 Nu kere ick weder daeromtrint Daer ic mine materie liet, Daer ic van den koningen sciet, Die van Soerhant thueswaert varen. Na den koninge Brangores, twaren, 16165 Es die koninck Carados dan Gesceden met vier dusent man, Ende voer te Margore nadas In sine stat, die herde vaste was, Die opter merse stont in dat lant 16170 Van Estragorre ende Nortomberlant; Die stat hilt hi, dat seggic iu, 179 Van sines wives halven nu, Want hi haddese behuwet an haer Ende Brangores gafsem daernaer 16175 Ende groet lant mede nochtan, Want hi sijn maech was ende sijn man; Van siner moeder wegen mede Haddine herde lief ter stede. Die stat was sere bedwongen mede 16180 Van den Sennen, die daer ter stede Doe lagen, want si en was niet Gemuret; maer, als men siet, So lach al ombe een maras, Daer si vele te sterker af was, 16185 Sonder tener stat te landewaert, Daer was ene intreie waelbewaert. Doe Carados quam in die stede Ontboet hi knapen ende ridder mede, Dier hi wael sevendusent hadde nadat, 16190 Sonder die waren in der stat; Ende hi ontboet steenbickelaren Ende dade die stat beteren, twaren, Ende torren maken, daer men mede Houden soude oec die stede. 16195 Dus weerdi hem tegen die Sennen daer Ende scade hem dicwile daernaer, Daer si reden dor sijn lant, Want hi was vroem ende valiant, Ende liep hem op, als een lewe doet 16200 Te siner spise, des sijt vroet. Hi hoede die mersen herde wale, Met sinen lieden, ende sine pale, Sodat sy luttel goet mesdeden Dat en worde gewroken ter steden. 16205 Hi hielt dat orloge lange tijt Tegen die Sennen, ende den strijt Dicke verloes hi, ende oec wan; Hi sloech hem af menegen man Wetet wael, dat hi hem best hout 16210 Tegen die Sennen met gewout, Entie se meest scade als te voren, Alse gy hier na wel sult horen. Nu suldy horen van Anguissant, Die here was van Scotlant: 16215 Hi was die machtechste van allen mede Van magen, entie rikeste ter stede Entie jongeste van hem allen nu, Die ic genomt hebbe, zeggic iu; Maer van wapinen wisti min mede 16220 Dan ienech van den andren dede. Hi voer nu met sevendusent man Wael tors van Soerhan, Ende reet te Corenges na des In sine stede, die vaste es 16225 Ende herde rike; maer si hadde nu Grote scade gehat, seggic iu, Van den Sennen, die daer dicke leden Ende dat lant hadden dorreden, Want dat en was maer twintich milen 16230 Scoetse van der groter stat ter wilen, Windeberes, daer dat grote heer Vor lach, daer men, min no meer, Dat getal niet af en wist, twaren, Van dien, die daer vergadert waren, 16235 Entie elck dagelikes oec mede Quamen beliggen daer die stede; Ende als die koninck Anguissant komen es In sine stede te Corenges, Warens sine liede herde blide. 16240 Daer woenden binnen te dien tyden Sesdusent ridder, sonder poerter ter stede Ende ander volc, dat men niet telt mede. Doe dade die koninck ontbieden te hant Ridder ende seriante in sijn lant, 16245 So vele dat hi en hadde wale Dertien dusent bi getale Mettien, die hi bracht hadde mede, Sonder die hi vant in der stede. Dicwile street hi grote stride 16250 Tegen die Sennen nu by tyden; Hi wan dicke ende verloes met Gelijc men doet in stryde, (dat wet); Oec dade hi weder sine stede maken Daer se vor die Sennen braken; 16255 Aldus hielt hi sijn lant wel Tegen die Sennen, al waren si fel. Na desen reet dhertoge Escant Met vier dusent lieden in sijn lant Ende voer so lange dagelijc 16260 Dat hi quam te Cambenijc In sine goede stat sekerlike, 180 Die scone was ende herde rike, Ende vol van allen goede mede. Vier dusent man waren in der stede, 16265 Die vrome ende scoene waren Enten hertoge festeerden, twaren, Want si waren bedwongen nu Van den Sennen, seggic iu, Die daer quamen van Arondeel, 16270 Van den castele, die een deel Stont by der merse van Cambenijc Ende by der roetsen der Sennen desgelijc, Die die koninck Artur hadde ten tyden Doen warneren, doe hi te Carmelide 16275 Voer toten hertoge Leodeganne. Doe die hertoge, ende sine manne, Quam in sine stat, ontboet hy Ridder, seriante, verre ende by; Sodat hi er vergaderde wale 16280 Twalef dusent by getale, Daer hi die Sennen orlogede mede, Ende bescermede tlant ter stede, Ende hadde menegen swaren strijt, Daer hi in wan somege tijt, 16285 Ende onderwilen verloes hi mede, Alse men pleget te meneger stede: Daer men orloget daer wint men alse nu Ende alsenu verliest men, zeggic iu. Aldus als gy hebbet vernomen 16290 So zijn dese tien prinsen komen Elck in sijn lant, ic zeg iu dat, Entie koninck Uriens bleef in sine stat, Ende ontboet sine liede daeran, Ende vergaderde achtedusent man 16295 Sonder die woneden in der stede, Ende dier was sesdusent mede. Ende Windeberes was oec daer Wael in ener dachvaert naer, Daer die Sennen vor lagen ter tijt. 16300 Si hadden menegen pongys ende strijt Tegen die Sennen, ende wonnen daer Op hen menegen strijt swaer Ende oec verlorensi dicke mede, Datsi bescermeden lant ende stede; 16305 Dus hieldensi dat lant lange tijt In orlogen ende in swaren strijt, Sodat men daer en erde no korn wan, Ende tlant woeste wart daeran, Sodat binnen vijf jaren daernaer 16310 Die liede van den lande vorwaer En leveden nergen mede nu Dan dene den ander, zeggic iu, Rovede ende nam met crachte mede; Dus onthieldensi hem daer ter stede 16315 Lange tijt, by dage by nachten, Dat sy anders niet en wachten Dan dene rovede opten ander daer. Entie Sennen, wet vorwaer, Orlogeden oec die lande seer, 16320 Oec dedensi daerna noch meer: Si voeren voederen in Arturs lande Ende deden daer scade menegerhande, Want daer en was nieman, diese daer Weerde, dat en waer also vorwaer 16325 Dat God, Onse Here, woude vorsien Als hi oec dade seer nadien, Want hi daer sende vrome joncheren, Die dat lant zullen verweren Toter tijt ende toter uer, 16330 Dat die koninck Artuer Comen sal van Carmelide, Daer hi gevaren was tien tyden Self veertechste van ridderen koene, Omb een huwelyc daer te doene 16335 An des koninges dochter Leodegan, Die hi daer met wapine wan, Ombedat hi daer den koninck Rioen Verdreef als een degen koen, Ende namaels oec nam sijn leven; 16340 Ombe dit was hem Jenover gegeven Tot enen wive in vrientlecheden. Hier ende ic dit boeck ter steden Ende sal een ander nu angaen Van Gaweins kintheit, sonder waen, 16345 Ende alle siner broeder oec mede, Wat si daden in meneger stede Eer si ridder worden weren, Ende van Galescins, den heren, Die vrome was ende herde scone, 16350 Ende was des koninck Ventres sone, Ende van Yweine ende vele ander tsamen; 181 Hoe dese begonden ende opquamen, Dat sal iu dit boeck, groet ende smal, Van beghinne berechten al. |
Van de elf baronnen en van de Sennen die in hun landen liggen. Het avontuur zegt hier; te waren, Dat de elf baronnen treurig waren Om hun verlies, en ergerden zich zeer 15470 En zeiden, dat God, Onze Heer, Hen haatte om enige zonde, zonder waan, Die ze aan iemand hadden gedaan, En omdat hen dit was geschied; Dus gingen ze beklagen hun verdriet 15475 En hun rouw en hun verlies, En ze deden de hele dag dit, Dat ze aten nog dronken iets Nog de dag tevoren niet; Want de slag had het hen benomen 15480 Daar ze nu uit zijn gekomen, En het was koud bevroren mede, En ze waren zo moe ter plaatse Van de pijnen, die ze hadden geleden, En ze hadden zeer gereden, 15485 En waren hongerig en dorstig toen, Zodat zei met grote pijnen alzo Kwamen te Sorant in een stad, Die rijk en mooi was, weet dat, En vol van alle goeds mede. 15490 Van koning Uriens was die stede; Maar Bandemagus, zijn neef, zeg ik u, Behield ze van hem en behoedde ze nu, En een deel daar van, zij het gewis, Daarvan was een heer, heet Clamides, 15495 Zoals u dit boek hiervoor zei. Diegene waren getrouw beide En dapper en koen, en de heren Ontvingen ze met grote eren. Daar bleven ze rusten nadat, 15500 En maakten het zich gemakkelijk in de stad, Want ze hadden het wel nodig. Daar waren er veel van de baronnen, Die zeer gewond waren nu En in de stad bleven, zeg ik u, 15505 Totdat ze genezen waren mede. De derde dag daarna ter stede, Kwamen boden van Carmelide En van Cornwall ten tijden En van Orkney en van Leones 15510 En van alle landen, zij het zeker dit, Daar ze heren van waren alzo, Daar hen de boden van zeiden toen, Dat de Sennen daarin nu waren, En hadden dat hele land doorvaren 15515 En verwoest en verbrand mede, En dat ze nu lagen voor de stede Windeberes die Sennen, en hadden daar Zoveel lieden, weet voorwaar, Dat ze die van de plaats niet 15520 Konden verdrijven, wat er gebeurt. Toen de baronnen hoorden alzo Dat nieuws, waren ze dus droevig En ook ongemakkelijk zeer, Want daar was geen zo’n koene heer, 15525 Hij was in angst erg groot, En ze wisten wel de waarheid bloot, Dat ze in avonturen waren alle Van de dood of van grote misval. Ze weenden soms van rouw daar, 15530 En de machtigste, weet voorwaar, Weenden in hun kamer nadien, Daar niemand ze kon zien. Op een dag gebeurde na dit, Dat koning Brangores, 15535 Die een erg verstandig man was, Zond een bode na dat Heimelijk tot de heren daar, En dat ze allen kwamen daarnaar In een zaal ‘s morgens vroeg; 15540 Koning Uriens was daar toen, De koningen en andere lieden mede Kwamen ‘s morgens daar ter plaatse 172 En bezeerd waren en rouwig mee, En weenden zo ook, dat weet, 15545 En maakten rouw en misbaar; Dus stonden ze lange tijd daar, Dat ze spraken geen woord Van zeerheden. Toen kwam voort De koning van Northumberland, 15550 En sprak de koning aan gelijk Brangores: “heer, ik ben hier gekomen nu Om te weten hier van u, Waarom dat ge ontbood mij; Ik heb met niemand, dat weet gij, 15555 Te doen, dan met u, zonder waan; Zeg me uw wil en laat me gaan, Want ik heb geen lust in te schimpen nu Nog te spreken, dat zeg ik u”. Toen zei koning Brangores: 15560 “Hier is niemand, zij het zeker dit, Hij heeft het wel nodig, nu ter tijd, Daar ge nu om ontboden bent, Zoals ge doet, en deed het wel Dat ge begonnen bent met die taal; 15565 Ik zal u zeggen waarom ik u Allen hier heb ontboden nu: Gij heren”, zei hij, ge hebt gehoord, Dat de Sennen zijn gekomen voort Nu met erg grote macht; 15570 En zijn gekomen van Hengist geslacht, En liggen nu in ons land En hebben het verteert en verbrand, En zijn gekomen voor Windeberes; Ze hebben dat belegerd, zij het gewis, 15575 Aan de zijde van Cornwall; En deze stad was, zonder falen, Van koning Norgans, die bleef dood In de laatste strijd, die was groot, Daar zich koning Uter-Pandragoen 15580 In een draagbaar liet dragen toen; En hem bleef maar een dochter toen, Die dat land bleef houden alzo; Maar ze had het lang verloren, zonder waan, Had een broeder van haar niet gedaan, 15585 Die haar broeder was algemeen Van hun moeders kant alleen; En hij was dapper en vermetel En was Gosengoes geheten, En hij behield haar land en mannen mede 15590 Met kracht en met dapperheden, En liet haar worden zijn zusters man En helpen verweren dat land daaraan, En sommige tijd ze overwonnen waren, Zijn we in avonturenen gevaren 15595 Om alles te verliezen, zij het zeker dit, Omdat ons land niet beter is Behoed, dan dat nu is; en omdat Behoeft ons wel, dat we ter plaatse Een snelle raad hebben nu, 15600 Hoe we de Sennen, zeg ik u, Mogen verdrijven, weet het bloot, Of we zijn alle onterft of dood, En onze kinderen immermeer; Aan de andere kant hebben we verloren zeer 15605 Daar we streden tegen koning Arthur, En ook mogen we, nu ter uur, Van al zijn land nu mede Geen hulp krijgen ter plaatse, En van de koningen aan de andere zijde 15610 Leodegan van Carmelide, Die ons graag hielp, had hij dus macht, Hij is belegerd met grote kracht, Want koning Rioen, weet het wel, Die machtig is en zeer fel, 15615 Beoorloogt hem nu en heeft gedaan Twee jaar achter elkaar, zonder waan; En van de zijde van koning Peles Van Listenois, zij het zeker dit, Mogen we ook, dat zeg ik u, 15620 Geen steun verkrijgen nu; Want hij heeft zijn broeder ter plaatse Aan een ziekte, die hij heeft mede, Daar hij nimmer van wordt gezond Tot de tijd en tot de stond, 15625 Dat de Graal wordt gewonnen algemeen; En ook van koning Alene Mogen we hebben steun niets, Want hij ligt ziek, zoals men kent, En mag niet genezen voorwaar, 15630 Voordat de beste ridder komt daar En hem vraagt, welke ziekte Hij heeft, en daarnaar de Graal mede 173 Moet hij vragen en winnen het mee Eer hij geneest; - aldus is het gezegd. 15635 Gij heren, dus kan ik niet Zien, waar we mogen iets Hulp hebben, in geen wegen, Want koning Amagijn van Noorwegen In Sorlois, die beoorloogt nu 15640 Caleos, de giganten zoon, zeg ik u, Van de vreemde eilanden, dat weet, En wil, dat hij zijn land behoudt mee Van hem, en beoorloogt hem daarom zeer; En van koning Brangine noch meer 15645 Van de verloren eilanden, (Canarische eilanden) dat weet, Hebben we geen hulp mee Nog van koning Nodoamine Nog van koning Clamedine Van de besloten eilanden; 15650 En omdat ons geen hulp gelijk Komt, zo lijkt me goed Dat elk in zijn land gaat met spoed, En verzamelt al zijn lieden mede, En mannen van zijn burchten en zijn steden, 15655 En laten voeren al het goed daarin Van het land meer of min, En gaan liggen zelf nadat, Is het een burcht is het in een stad Daar de Sennen gaan zullen voorwaar, 15660 En verweer ze met zijn lieden daar; Want dat was voor ons niet goed nu Dat we op hen voeren, zeg ik u, Want we hebben de lieden niet Dat we ze aandoen mogen iets; 15665 Daarom lijkt me dat beste te wezen, Dat we doen aldus van deze, Opdat ge dat looft en denkt het goed; Nu zegt elk wat men het beste doet, Want ik ben klaar, van deze al 15670 Dat men hier overeenkomen zal”. Toen antwoordde koning Clarioen Van Northumberland, op dit doen: “Heer, ge hebt goed gezegd nu, Ik volg uw raad, zeg ik u, 15675 Want dat is te doen, naar dat het staat, Dat we snel hebben raad. En het lijkt me goed, dat elk zijn wil Hier nu zegt, luid en stil, Wat hij dus goed dacht gedaan; 15680 Want hier is niemand, zonder waan, Hij moet zich beraden hiertoe, Want is de ene bezet, zo is alzo De ander in het verlies en geschonden, Want hij zal het dus behouden niet”. 15685 Toen zei koning Loth gereed: “Bij God, ge hebt waar gezegd, Ge weet wel, toen we hier kwamen Dat we rouwig waren alle tezamen En bezeerd, en wisten niet wat te zeggen 15690 Toen ge deze taal begon voort te leggen, Daar ge goed gezegd hebt aan mede, En de koning, die ons ontbood ter plaatse; En we zijn hier gekomen allemaal En hebben gehoord zijn taal 15695 En van de u een deel, dat weet; Nu wil ik mijn zin zeggen mee: We zijn hier alle van een akkoord En hebben beloofd met vaste woorden, Dat de ene de anderen niet af valt 15700 En tot de dood; daarom voortaan Zou de ene de andere aanraden daarnaar Dingen die niet te begrijpen waren; Want vinden we in onszelf niet Goede raad, waar zullen we die iets 15705 Zoeken mogen? want in alle landen Zo hebben we niets dan vijanden, En dat schijnt ons op deze manieren Want ze ons te allen plaatsen aanvallen”. Toen zei Carados, de koning: 15710 “Ons heeft beschadigd zeer een ding, Dat is de oorlog van Arthur; En welke duivel mocht nu ter uren Denken, dat hij zou komen gevaren Tegen ons, die zo vermogend waren?” 15715 Toen zei koning Uriens gelijk: “Dat weet ik wel: dat heeft gedaan 174 Merlijn, de tovenaar, daar ter uren En had hij voor ons niet kunnen duren; Want hij wist alzo wel voorwaar 15720 Welke tijd dat we zouden komen daar, Zoals we zelf wisten ons ding, Dus liet hij waarschuwen de koning Op die manier dat wij Alle waren bedrogen daarbij, 15725 Dat ons blijkt en schijnen zal Want we hadden niet al Onze lieden verloren zo gelijk Had dat onweer niet gedaan, Dat die duivel Merlijn komen deed 15730 Bij zijn toverijen, die hij kan, mede Zodat niemand hem kan verwachten Nog bij dag nog bij nacht”. Toen zei voort koning Ydier: “Gij heren, dacht het u goed nu hier 15735 Dat elk van ons in ons land Ontbood zijn mannen gelijk, Dat niemand blijft daar in Die wapens mag dragen meer of min Uitgezonderd diegene, die burchten en steden 15740 Zouden bewaken en behoeden mede; En als we ze alle hebben gelijk, Varen we met kracht in ons land, Daar we de Sennen ontmoeten Laat ons ze daar alzo begroeten 15745 Met onze zwaarden, zodat ze daarnaar Graag nimmermeer openbaar Daarin komen; dat lijkt me het beste, Want voor Windeberes, die sterke vesting, Daar zullen we niet gaan nu 15750 Want daar zijn er te veel, zeg ik u. Aldus mogen we ons leed wreken, En wil iemand iets anders spreken Dat beter is, hij zegt het na dit”. Toen zei koning Brangores, 15755 Die een goede verstandige ridder was, En terecht volgde na dat Zonder valsheid te elke plaats, Hij sprak met luide stem mede, Zodat ze het allen hoorden daar: 15760 “Elk heeft gezegd”, sprak hij daarnaar, “Naar zijn beste raad; Koning Ydier, dat begrijp je mede , Heeft goed gezegd in een manier, Die dat alzo mocht versieren 15765 Zoals hij gezegd heeft, maar is Alzo niet berecht, zij het zeker dit, Want we weten vrijwel niets Van hun manieren die men daar pleegt, En hoe ze rijden nu in dat land, 15770 En van ons is het weinig goed gelijk Aldus te gaan, want onvoorzien Mochten we gelijk komen tot die Daar we door mochten worden bedrogen; En komen ze boven ons vermogen, 15775 Waar zouden we dan mogen vlieden? Dat kan ik niet zien; Want alom en om, zeg ik u, Zo zijn onze vijanden nu; Dus moesten we dood blijven of gevangen 15780 En ik kan ook niet, zonder waan, Weten, waar we mochten verkrijgen Succes als men ons zou bestrijden; Gebeurde het dat we in avonturen waren Van de dood, en euvel te waren, 15785 Zou die ene van onze heren De andere dan succes kunnen geven; Maar dat beste, zij het zeker dit”, Zei toen koning Brangores “Dat is dat elk naar huis vaart mede. 15790 En laten versterken burchten en steden, Als de Sennen in de landen Iets trekkend worden, zodat ze gelijk De burchten en steden iets mochten schaden En daarin niet mogen varen; 15795 En doe het met voorraden en met spijzen Uw burchten en steden op alle wijzen Vullen goed, zodat de Sennen daar In de landen niets vinden daar Dat ze nodig hebben, dat verstaat, 15800 En heb hierop goede raad En mag elk zeggen zijn beste nu”. Koning Ventres, zeg ik u, Antwoordde hierop, en hij was Een verstandig man, zij het zeker dat, 15805 En die graag geloofde goede raad, Ook haatte hij verraders en kwade; Hij zei: “heer, ge hebt goed gezegd En ook ga ik daarmee akkoord gereed 175 En weet geen betere daaraan”. 15810 Toen zei hertog Escan, Die een dapper wijs man was: “Aan deze raad, weet wel dat, Zo hou ik me ook; was hij zot Die hem weersprak, zo helpt me God!” 15815 De koning van de honderd ridders zei daar: “Dit is een goede raad en waar En zonder angst, en weet ook nu, Waren we in ons land, zeg ik u, Wij zouden zeker wezen dan 15820 Dan of we alle tezamen daar naar Voeren; want hadden we succes nodig, Wie waren het dan die ze ons bood, Als we allen waren belegerd? Daarbij lijkt het me dat beste daartegen, 15825 Dat we volgen Brangores raad, Want nadien dat het ons staat Zo weet ik niet zo’n goede; Maar dat we ons mede spoeden, Zodat men van ons verneemt niets, 15830 Of eerder als we worden bespied”. Toen zei koning Anguissant, Die koning was van Schotland: “Deze raad mag niemand nu Verbeteren, dat zeg ik u”. 15835 Dus kwamen ze alle overeen daar Aan deze raad, en zeiden daarnaar Dat ze zich haasten en maakten gereed, Want daar was geen langer wachten. Toen zei koning Tradeliant 15840 Van Nortgales al gelijk: “Gij heren, we mogen ons niet Dus zeer haasten, nu beziet, Want onze lieden zijn nog niet alle Gekomen, dat er komen nog zal; 15845 Want die in het bos vlogen verborgen, Toen we waren in grote zorgen, Ze durven nog te komen niet Om te schuwen meer verdriet, En ook hebben we maar vier dagen 15850 Hier gelegen, zonder sage, En we waren moe, zonder waan, Want we waren angstig bestaan, En zo heimelijk ook mede, Dat ze op ons vielen ter plaatse 15855 Eer we dus iets wisten bijzonder; En allemaal deze dingen Deed ons Merlijn, die ons erg zeer Haat; en weet het wel, hij zal nog meer Ons allen beletten, en we kunnen niet 15860 Hem beschadigen, wat er dus gebeurt; En hij weet ook alle dingen Eer ze gedacht zijn bijzonderling; En koning Arthur doet niets Zonder hem; en bij hem is het geschied, 15865 Dat koning Bohort en koning Ban Arthur nu kwamen dienen voortaan; En dit zijn twee van de beste mede, Die men nu vindt in Christenrijk; Maar hen beschadigt zeer die koning Claudas, 15870 Die machtig is, zij het zeker dat, En de ene beschadigt de andere mee, Daar is geen vrede tussen gezet, Maar vrede is er tussen hen nu daar; Die koning Ban en zijn broeder voorwaar 15875 Zijn nog met koning Arthur, zeg ik u, Ik weet niet wat ze denken te doen nu; Daarom is het niet zo goed dat wij Met gemak ons bereiden daarbij, En dat elk doet, dat zijn man 15880 Gereed zijn zo hij het beste kan, En we mogen niet vertrekken voor deze, Onze lieden zijn beter genezen En komen; want het is niet goed Dat ze achterblijven, dus wees bekend”. 15885 “Gij heren”, zei koning Urien, “Wees niet ongemakkelijk van die, Al mogen de gewonde daarbij Niet vertrekken, ge zal ze laten bij mij Totdat ze geheel zijn genezen, 15890 Want ik zal niet vertrekken van deze, Ik zal hier blijven in mijn stad En mijn vlaktes, ik zeg u dat, En mijn burchten, zodat die Sennen Niet onbeheerd vinden de pleinen”. 15895 Ze hielden zich allen aan deze raad, En elk zich daar voorbereiden gaat Om te gaan in hun land 176 Men liet de paarden bedekken gelijk En de schilden vermaken daar 15900 En de harnassen schuren daarnaar En de speren ook ter plaatse, Scherp ijzer daarin doen mede En de helmen bruineren toen. Dus bereiden ze zich daar alzo 15905 Omdat ze niet wisten voorwaar, Welke tijd zij het nodig zouden hebben daar En tegen welke lieden, God weet! Dus wilden ze goed zijn bereid; En toen ze alle voorbereid waren 15910 Om te vertrekken, toen stond op daarna Koning Loth, en zei ter plaatse: “Gij heren, sinds dat we moeten scheiden, Denk om goed te doen, raad ik u, God behoedde u! ik vaar heen nu, 15915 En heb ik nood, zo bid ik u mee, Dat ge komt en niet let, Als ik u ontbied”. En elk beloofde daar De andere te komen, en daarnaar Gaf de ene de andere een teken, 15920 Want ze duchten hen zekerlijk Verraad. Toen voer van daar Koning Loth, weet voorwaar, In zijn land, en elk van hen Is daar vandaan gegaan meer of min, 15925 En voeren daarna tot hun land waart. Koning Loth voer goed bewaard Met zijn lieden, goed te harnas, Die er wel vier duizend was, Die hem in de strijd bleven voor nu. 15930 Hij voer zolang, zeg ik u, Dat hij te Haterive kwam In Loenois, daar hij vernam Zijn lieden, die zeer bang waren Van de Sennen, die waren gevaren 15935 In dat land en beroofd mede. Toen ze zagen hun heer ter plaatse Waren ze blijde, en deden hem daar Grote feesten, en daarnaar Verzamelden ze lieden en soldaten 15940 Zoveel dat hij er had snel Tien duizend uitgezonderd diegene, weet dat, Die daar woonden in de stad, En waarvan er wel zevenduizend waren, En die het behoeden, zij het zeker dat. 15945 Aldus verweerden ze het een lange tijd Koning Loth, dus zeker bent, Zodat de Sennen kleine Schade deden of bijna geen. Daarna voer toen van Soerhant 15950 Koning Ventres al gelijk In zijn stad, die Polle (Poole) heet, Die nu was in zwaar verdriet Van de Sennen, want hun pas In een halve mijl nabij was, 15955 En om dit ging hij liggen in die stad Met vier duizend ridders, die hem na dat Gebleven waren in de strijd groot, Daar van de lieden veel in bleven dood. Toen ontbood hij zijn lieden aldaar, 15960 Schutters en bedienden, zodat hij er bijna Vijftien duizend had met diegenen nu Die de stad behoeden, zeg ik u; Hij hield zich tegen die Sennen goed, Hij had dikwijls strijd fel, 15965 En dikwijls verloor hij en won Zoals men in strijd pleegt dan. Daarna voer naar huis koning Clarioen Met tweeduizend mannen koen, Die soms gezond zijn, soms gewond, 15970 Die hem gebleven waren ter stond, In de strijd voor koning Arthur; Hij voer zolang dat hij ter uur Kwam te Mondrubie nadat; Dat was een vaste goede stad 15975 Maar ze was zeer bedwongen doordat Want de Sennen weg waren En de giganten, toen ze gingen Vandaar ze lagen te eten In koning Arthurs land, dat weet, 15980 En in Northumberland mee. En toen hij daar kwam, zo ontbood hij Ridders en knapen, ver en nabij, Die te paard waren en erg snel, En daar waren er achtduizend wel 15985 Uitgezonderd die in de stad waren nu, Daar zijn er vier duizend van, zeg ik u; Daar verweerden ze zich en vaak vochten 177 Tegen de Sennen, die ze bezochten. Daarna voer tot zijn land waart 15990 Koning Ydier met snelle vaart, Met vier duizend mannen hem benevens, Die hem in de strijd bleven; Hij reed zolang ook na dat, Dat hij kwam daar te staan was 15995 Een kasteel, die Mongla heet, Die vaak had groot verdriet, Want het lag bij een pas ten tijden Daar de Sennen vaak door rijden; Dat kasteel stond op een rots daar 16000 Zo hoog, dat men zag voorwaar Dat gehele land over, en hij was Groot en wijd, zoals ik het las. Onder het kasteel liep een rivier Die groot was en erg snel, 16005 En was geheten Koperne mee; En dat was daarom, dat weet, Omdat men daarin vond ter plaatse Soort van koper, weet gereed; En in het kasteel vond hij daar 16010 Veel lieden, en ook daarnaar Ontbood hij verwanten en vrienden schier En belegerinsgwerktuig en soldaten, Zodat er daar veertien duizend waren Met die van het kasteel te waren. 16015 Dus behoedde de koning de vlakte goed En was vaak de Sennen fel En deed hen schade groot mede. Ook deed de koning daar ter plaatse De beesten van het hele land 16020 En voedselvoorraden van vele soorten In het kasteel voeren in de stad, Zodat de Sennen geen schade Konden doen, en dat ook zij Geen voorraden vonden daarbij. 16025 Daarna scheidde die koning gelijk, Die van de honderd ridders is genoemd, Met vier duizend ridders, die alle waren Goed bewapend en te paard, te waren, En voer te Malant in die stad, 16030 Daar een erg edele vrouw in zat, Die weduwe was en jong mede; Aan de vlakte stond de stede Van zijn land, en omdat zij De ingang van de pas het dichtbij stond, voer hij 16035 Nu daar in, omdat de Sennen Te wandelen plegen bij de pleinen; Want de baron van Malant En de vrouw baden het hem gelijk, En hij deed het door haar wil mee. 16040 Deze heet Agingmers, dat weet, En was koning, edel en vrij, Hij behoedde de landen ver en nabij, Zodat de Sennen, bij zijn daden, De landen deden weinig schade, 16045 Want hij was altijd gereed Te verweren als er daar enige reed. Daarna scheidde van de stad Soerhant De koning van Nortgales, Tradeliant, En voer in zijn land na dat 16050 Daar hij erg welkom in was; Want hij had schade gehad zwaar Van de Sennen, die aldaar Gewandeld waren; want hun pas Meest daar te wandelen was 16055 Aan een rots, daar ze gelijk Grote schade deden het land; En de koning ontbood in die dagen Allen die wapens mochten dragen; Toen kwamen er zoveel tot hem daar 16060 Dat hij er had, weet voorwaar, Wel zevenduizend te paard en te voet, En in de stad waren weerbaar en goed Zesduizend man; hiermee verweerde hij wel. De Sennen die waren daar erg fel; 16065 Maar een kasteel stond daar met geweld, Die heer Godbrand’s zuster houdt Dat Carnele was genoemd; De weg, zoals we dat weten, Kon koning Tradeliant niet 16070 De Sennen benemen, wnt er geschied, Hem kwamen succes en spijzen Van het kasteel in alle wijzen; Want hij was zo vast ter uur Nochtans had de vesting geen muur, 16075 Uitgezonderd de lucht, daar hij mee was Zo vast besloten, zij het zeker das, Dat hij daarmee was zo beraden, Dat niemand hem kon beschadigen; En dit was met nigromantie 178 16080 Gemaakt en met goochelaars, Daar Carnele van kon meer Dan iemand, die wist eer, Uitgezonderd Arthurs zuster Morgein En Merlijns vriendin Viviane, 16085 Die hij beminde erg zeer toen, En had haar geleerd alzo Alle wonderen van de wereld nu, Zoals dit boek zal zeggen u Hierna, als dat tijd is en plaats. 16090 En bij dit kasteel, weet mede, Hadden de Sennen hun succes daar Dat men ze niet mocht brengen verder te strijden Uit het land voor die tijden, Dat koning Arthur op hen kwam 16095 En koning Bohort en koning Ban, Die ze hier later verdreven dan. Nu was hierna in de gang Koning Brangores van Estragorre Met drie duizend man, en voer na dat 16100 Tot Estragorre in zijn stad, Die daar bij de rotsen stond. Hij ontbood daar te paard en te voet Vriend en verwant, zodat hij Er zesduizend had bij, 16105 Uitgezonderd die in de stad waren, Daar waren er vierduizend, te waren; Deze beschadigden de Sennen zeer nu. Deze koning had, zeg ik u, Een erg edele vrouw, die was 16110 De keizers dochter, zoals ik het las, Adrianus van Constantinopel; Deze was fier en erg nobel, En was nog met de vader dan; En ze had gehad een man, 16115 En was weduwe eer Brangores Haar tot vrouw nam, en had voor dit De koning gehad van Blakie En ook mede van Bulgarije En ze had hem maar vijf jaar; 16120 Een mooi kind bleef daarnaar, De schoonste, die er mocht wezen, Dat nu zo groot was, zoals we lezen, Dat hij wel ridder mocht zijn nu, En heet Sagrimor, zeg ik u, 16125 En deed sinds menige dapperheden In het land van Logres, en anders mede, Zoals dit boek wel zeggen zal. Nu liep door die wereld al Zo’n groot nieuws van koning Arthur, 16130 Hoe dapper hij was nu ter uur, Hoe dapper, hoe koen, hoe mild, En hoe goed hij was te schild, Zodat Sagrimor vaak door dat Te Constantinopel, daar hij was, 16135 Van hoorde spreken menig ding, En was van vijftien jaren een jongeling. Toen begeerde hij vaak zeer, Dat hij van zo’n goede heer Ridder mocht worden, zoals hij is, 16140 En zei ook vaak na dit Tegen zijn geheime raad, Dat het niet kon zijn, hoe het gaat, De ridder te worden van zo’n goede man, Het zou zijn leven dan voortaan 16145 Te beter zijn. Dit zei hij vaak daar; En toen hem zijn oude vader daarnaar Vermaande, dat hij ridder zou wezen, Want dat keizerrijk van hem na deze Erven zou na zijn dood, 16150 Zo antwoordde hij de keizer bloot, Dat hij niet ridder worden wil Voordat hem de koning, luid en stil, Arthur, die van Brittannië is heer, Ridder maakt, dat begeerde hij zeer. 16155 Toen gebeurde dat alzo hiernaar, Dat die keizer, weet voorwaar, Goed bereidde en zond hem alzo Tot koning Arthur toen, Die hem ridder maakte sinds. 16160 Nu keer ik weer daar omtrent Daar ik mijn materie verliet, Daar ik van de koningen scheidde, Die van Soerhant thuis gekomen waren. Na koning Brangores, te waren, 16165 Is koning Carados dan Gescheiden met vierduizend man, En voer te Margore na dat In zijn stad, die erg vast was, Die op een moeras stond in dat land 16170 Van Estragorre en Northumberland; Die stad hield hij, dat zeg ik u, 179 Van zijn vrouws kant nu, Want hij had gehuwd haar En Brangores gaf hem daarnaar 16175 Groot land mede nochtans, Want hij zijn verwant was en zijn man; Van zijn moeders kant mede Had hem erg lief ter stede. Die stad was zeer bedwongen mede 16180 Van de Sennen, die daar ter plaatse Toen lagen, want ze was niet Ommuurd; maar, zoals men ziet, Zo lag het al om een moeras, Daar ze veel sterker van was, 16185 Uitgezonderd in een plaats landinwaarts, Daar was een ingang goed beschermd. Toen Carados kwam in die stede Ontbood hij knapen en ridders mede, Die hij wel zevenduizend had nadat, 16190 Uitgezonderd die waren in de stad; En hij ontbood steenbikkers En liet de stad verbeteren, te waren, En een toren maken, daar men mede Behouden zou ook die stede. 16195 Dus verweerde hij zich tegen de Sennen daar En beschadigde hen vaak daarnaar, Daar ze reden door zijn land, Want hij was dapper en snel, En liep op hen, zoals een leeuw doet 16200 Op zijn spijs, dus wees bekend. Hij behoedde de moerassen erg goed, Met zijn lieden, en zijn palen, Zodat ze weinig goed misdeden Dat werd gewroken ter plaatse. 16205 Hij hield die oorlog lange tijd Tegen de Sennen, en de strijd Vaak verloor hij, en ook won; Hij sloeg hen af menige man Weet wel, dat hij zich het beste houdt 16210 Tegen de Sennen met geweld, En die ze het meest beschadigden als te voren, Zoals ge hierna wel zal horen. Nu zal ge horen van Anguissant, Die heer was van Schotland: 16215 Hij was de machtigste van allen mede Van verwanten, en de rijkste ter plaatse En de jongste van hen allen nu, Die ik genoemd heb, zeg ik u; Maar van wapens wist hij minder mede 16220 Dan enige van de anderen deed. Hij voer nu met zevenduizend man Wel te paard van Soerhan, En reed te Corenges na dis In zijn stad, die vast is 16225 En erg rijk; maar ze had nu Grote schade gehad, zeg ik u, Van de Sennen, die daar vaak reden En dat land hadden doorreden, Want dat was maar twintig mijlen 16230 Schootsafstand van de grote stad ter wijlen, Windeberes, daar dat grote leger Voor lag, daar men, min of meer, Dat getal niet van wist, te waren, Van die, die daar verzameld waren, 16235 En die elke dag ook mede Kwamen belegeren daar die stede; En toen koning Anguissant gekomen is In zijn stad te Corenges, Waren zijn lieden erg blijde. 16240 Daar woonden binnen te die tijden Zesduizend ridders, zonder poorters ter stede En ander volk, dat men niet telt mede. Toen liet de koning ontbieden gelijk Ridders en bedienden in zijn land, 16245 Zoveel dat hij had wel Dertien duizend bij getal Met die, die hij gebracht had mede, Uitgezonderd die hij vond in de stede. Vaak streed hij grote strijd 16250 Tegen de Sennen nu bij tijden; Hij won vaak en verloor mee Gelijk men doet in strijd, (dat weet); Ook liet hij weer zijn stad maken Daar ze voor de Sennen braken; 16255 Aldus behield hij zijn land wel Tegen de Sennen, al waren ze fel. Na deze reed hertog Escant Met vier duizend lieden in zijn land En voer zolang dagelijks 16260 Dat hij kwam te Cambenijc In zijn goede stad zekerlijk, 180 Die mooi was en erg rijk, En vol van alle goeds mede. Vier duizend man waren in de stad, 16265 Die dapper en schoon waren En de hertog eer bewezen, te waren, Want ze waren bedwongen nu Van de Sennen, zeg ik u, Die daar kwamen van Arondeel, 16270 Van het kasteel, die voor een deel Stond bij de vlakte van Cambenijc En bij de rotsen der Sennen desgelijks, Die koning Arthur had ten tijden Laten waarschuwen, toen hij te Carmelide 16275 Voer tot hertog Leodegan. Toen die hertog, en zijn mannen, Kwamen in zijn stad, ontbood hij Ridders, bedienden, ver en nabij; Zodat hij er verzamelde wel 16280 Twaalf duizend bij getal, Daar hij de Sennen beoorloogde mede, En beschermde het land ter stede, En had menige zware strijd, Daar hij in won sommige tijd, 16285 En soms verloor hij mede, Zoals men pleegt te menige plaats: Daar men oorloogt daar wint men zoals nu En dan men verliest nu, zeg ik u. Zoals ge hebt vernomen 16290 Zo zijn deze tien prinsen gekomen Elk in zijn land, ik zeg u dat, En koning Uriens bleef in zijn stad, En ontbood zijn lieden daaraan, En verzamelde achtduizend man 16295 Uitgezonderd die wonen in de stede, En van die waren er zesduizend mede. En Windeberes was ook daar Wel in een dagvaart daarnaar, Daar de Sennen voor lagen ter tijd. 16300 Ze hadden menige steek en strijd Tegen de Sennen, en wonnen daar Op hen menige strijd zwaar En ook verloren ze vaak mede, Zodat ze beschermden land en stede; 16305 Dus behielden ze dat land lange tijd In oorlogen en in zware strijd, Zodat men daar geen gerst of koren won, En het land woest werd daarvan, Zodat binnen vijf jaren daarnaar 16310 De lieden van het land voorwaar Leefden nergens van mede nu Dan de ene de ander, zeg ik u, Beroofden en namen met kracht mede; Aldus onthielden ze zich daar ter plaatse 16315 Lange tijd, bij dag en bij nacht, Dat ze op niets anders letten Dan dat de ene beroofde de andere daar. En de Sennen, weet voorwaar, Beoorloogden ook dat land zeer, 16320 Ook deden ze daarna nog meer: Ze voeren verder in Arthurs land En deden daar schade menigerhande, Want daar was niemand, die ze daar Weerde, dat was alzo voorwaar 16325 Dat God, Onze Heer, wilde voorzien Zoals hij ook zeer deed nadien, Want hij zond daar dappere jonkheren, Die dat land zullen verweren Tot de tijd en tot het uur, 16330 Dat koning Arthur Komen zal van Carmelide, Daar hij heen gevaren was te die tijden Zelf met veertig van ridders koen, Om een huwelijk daar te doen 16335 Aan konings dochter van Leodegan, Die hij daar met wapens won, Omdat hij daar koning Rioen Verdreef als een degen koen, En later ook nam zijn leven; 16340 Vanwege dit was hem Jenover gegeven Tot een vrouw in vriendelijkheden. Hier beëindig ik dit boek ter plaatse En zal een ander nu aangaan Van Gaweins kindsheid, zonder waan, 16345 En al zijn broeders ook mede, Wat ze deden in menige plaatsen Eer ze ridders geworden waren, En van Galescins, de heer, Die dapper was en erg mooi, 16350 Hij was koning Ventres zoon, En van Ywein en van vele anderen tezamen; 181 Hoe deze begonnen en opkwamen, Dat zal u dit boek, groot en smal, Van begin berichten al. |
Van Gaweins kintheit ende siner broeder; ende wie des koninck Arturs suster kinder waren; ende hoe si sijn lant bescermeden, thent die koninck Artur quam van Carmelide. 16355 In der soeter tijt van Meye, Dat elc vogelijn menegerleye Singet sinen soeten sanck, Ende doe dat wout al gemanck Met groenen love was bevaen, 16360 Ende als die werlt daerby saen Ontsteken ende ontsenget was van vroyden Ende van blyscap al verloyde, Entie soete crude ontspruten, Die den winter lagen in [der] muten, 16365 Doe die berge entie dale Met bloemen bestroit waren wale Ende bosch, heide, ende bome becleet Met groenen loveren was bespreet, Entie aerde dede verbaren 16370 Die vruchte, die bedwougen waren, Ende alrehande dinck gecomen voert Dat den winter lach versmoert, Dat die soete lucht doet openbaren Entie tyden van den jare; 16375 Ende als die niewe soete minne, Die die jonge herte hebben inne Van den sconen jongen joncfrouwen Ende van den hoveschen gerakeden vrouwen, Ende van den jongelingen daeran, 16380 Ende van menegen hoveschen man, Die t herte behagel hebben ende jolijt Dor die soete nuwe tijt, Die doe was angegaen; - In deser tijt, heb ic verstaen, 16385 Doe gevil dat Gawein Ende Garies ende Agravein Ende Gwerries, ende Galescins, twaren, Entie in haer geselscap waren Wouden varen ten koninck Arture; 16390 Ende als iu sal tellen daventure Alle dese kinder nu Waren Arturs susterkinder, seggic iu; Want Ygerne, koninck Arturs moeder, Als ic iu sal maken vroeder, 16395 Hadde twe dochter van horen man Den hertoge, entie ene daeran Hadde te wive die koninck Ventres; Daeran wan hi enen sone na des, Die Galescins was geheten, 16400 Die seder was een ridder vermeten, Als gy wel horen sult hierna; Entie koninck Lot, alsic versta, Hadde die ander dochter te wive, Ende hi wan an horen live 16405 Vier sone, entie ene hiet Gawein Die ander Gwerries entie derde Agravein, Entie vierde hiet Garies. Si waren scone, sijt seker des, Ende vrome alle te wapene daernaer, 16410 Doe si opquamen, wet vorwaer. Nu hoerde Galescins, Co. Ventres sone, Sine moeder seggen dicke na datgone Dat die koninck Artur waer sijn oem; Doe nam hi des an haer goem, 16415 Ende sochte enen bode, dien hi sende An Gawine, sine neve, met genende, Ende an sine broeder, wet vorwaer, Dat hine quame spreken daernaer Ter nuwer ferteit in Broserant, 16420 Ende dat hi quame daer te hant, So hi alrehemelecste kan, Ende dade ember den raet daeran Dat hi trecke, of hi mach, Des derden dages na Paeschedach. 16425 Dus reet die bode enwech, seggic iu, So lange dat hi te Gales quam nu, In die stat, daer die kinder waren, Metter moeder; maer die vader, twaren, Was te Hauterive in der stat, 16430 Daer die Sennen lagen by dat. Alse die bode te Gales quam Ende hi Gawine daer vernam, Dade hi den raet, dat hine sprac daer Ende zeide hem, dat hem ontbode daernaer 16435 “Galescins, iu neve; ende oec wet, 182 Dat gy iu broeder brenget met Ende komet ter nuwer ferteit inne, Also lief als gy hebt sine minne; Hi sal daer ember iegen iu wesen, 16440 Ende trecket des Paeschedages na desen Opten derden dach nadien”. Doe die kinder hoerden van dien, Waren si des blyde, ende zeiden doe, Si souden daer alle komen alsoe, 16445 Want si wisten wael, zijt seker das, Dat sonder orbaer niet en was Dat hise so haestelic ontbode daer. Gawyn gaf een ors daernaer Den bode, ende hiet hem also houde 16450 Dat hi hem sinen neve groeten soude. Die bode seide, hi soudet doen vorwaer Ende es nu gesceden van daer, Ende voer so lange doe nadas, Dat hi quam daer Galescins was; 16455 Ende doe hi quam tsinen joncheer, Groete hine van Gawinshalven seer, Ende seide, dat hi hem gelovede nu, Ende sine broeder mede, seggic iu, Datsi sullen ter nuwer ferteit al 16460 Comen, hebbensi geval, Opten dach, dat hise ter stede Comen hiet, sonder enege bede. Doe ginck hem Galescins bereiden Met sinen gesellen, sonder beiden, 16465 Ende voer ter nuwer ferteit daernaer, Ende quam opten Paeschdach daer, Ende ontbeide daer sine neven nu So lange datsi quamen, seggic iu. Daer dade dene den ander feeste groet, 16470 Doe vragede Gawin waerombe hine ontboet So haestelijc? “dat soude ic nu Gerne weten hier van iu; Want en hadde iu boetscap gedaen, Wi waren nu anderswaer sonder waen, 16475 Daer wy nu begeren te sine Hemelike ende oec stillekine”. Als dat Galescins hoerde, doe zeide hi: “Neve, waer wildy varen sonder my? Gy en zoudt met rechten negene dinge 16480 Doen, sonder my sonderlinge; Segget my, waer gy varen wilt nu Dan sal ic minen wille seggen iu; Ende waerombe ic iu hier ontboet, Sal ic iu seggen, cleen ende groet”. 16485 Gawyn seide doe: “bi Onsen Heer, Ic wil varen nu voertmeer Dienen enen den alrebesten man, Den soetsten enten mildesten daeran, Enten goedertierensten ende vroemsten mede, 16490 Den edelsten van al Kerstenhede Ende daer ic meer dogeden mede Af hebbe gehoert, nu ter stede, Dan ic iu oit seggen hoerde Van ienegen manne, in waren woerde”, 16495 “God”, zeide Galescius nu meer, “Wie mach dit zijn, God, lieve Heer, So moety geven, dat moet wesen Daer ic iu omb ontboet vor desen”. “By Gode”, zeide Gawyn voertan, 16500 “Men soude niet verswigen sulken man Maer hi soude genoemt sijn gereet Vor alle goede liede, God weet; Hi es geheten die koninck Artuer Ende es iu oem, entie onse ter uer; 16505 Maer met groten onrechte sekerlike Orlogen hem die barone van den rike, Diene met rechte minnen souden seer; Ende dat kenne God, Onse Heer, Dat ik swaert en gorde nembermeer, 16510 Hi en hebbet my selven gegort eer”. Ende alse Galescins dit verhoerde, En was hi nie so blide van woerde, Ende greep Gawyne in sine arme doe Ende helsedene van bliscapen alsoe, 16515 Ende zeide hem, dat hine mede Nergent omb anders ontboet ter stede Dan ombe dese sticke openbaer; Ende doe seide hi hem daernaer Dat hi oit, sint dat sijn vader 16520 Van der batalien komen was te gader, Daer hi hiervor inne gesconfiert was, Wille oec sint hadde, zijt seker das, Dat hi ten koninck Artur varen woude. Gawyn seide doe also houde, 16525 Dat hijt heeft horen seggen al Hoe dat gesciede, groet ende smal, “Ende mijn moeder zeidet oec my 183 Hoe alle dinck gesciet sy”. Doe si lange hadden aldaer 16530 Gesproken, doe visierden si daernaer, Welke tijt si trecken wouden. Si droegen overeen, dat si souden Binnen veertien nachten trecken met. Dus sciedensi daer ongelet, 16535 Ende elc voer thueswaert hem bereiden Al hemelyc, al sonder beiden, Van orsen, van gereiden vorwaer, Van sierheden scoene ende claer, Ende van wapene mede nu, 16540 Alse hem betaemde, zeggic iu; Galescins nam met hem daernaer Twehondert gesellen, vroem ende claer, Wael gereden ende wael te harnas, Entie besten mede, sijt seker das, 16445 Die in alle sinen rike waren, Ende es so hemelyc enwech gevaren, Dat sijn vader niet en wiste nu, Ende quam ter nuwer ferteit, zeggic iu, Ende bleef daer so lange mede, 16550 Dat Gawyn quam daer ter stede, Ende sine broeder, die brachten daer Vijf hondert man, dapper ende claer, Ende wael gereden ende te harnas, Ende wael alle, zijt seker das, 16555 Hoger liede kinder, ridder ende knapen, Die wael dienen konden met wapen, Maer van den vijfhondert wasser zestich wel Ridder, dapper ende snel, Ende van dien, die Galescins brachte daer, 16560 Wasser twintich ridder maer. Doe si dus vergadert waren Haddensi grote feeste, twaren, Ende bereiden hem daer ter stede. Daer droegen si overeen oec mede, 16565 Datsi trecken wouden te Logres In Bertanien, zijt seker des; Daer soudensi ierst vernemen nu, Waer die koninck, haer oem, es, zeggic iu. Dus es Gawyn ende Gwerries 16570 Ende Agravein ende Garies Ende Galescins, met haren lieden Ende met al horen masnieden, Van der nuwer ferteit gesceden Ende te Bertanienwaert gereden, 16575 Ende voeren vier dage alsoe. Des vijften dages stondensi op vroe Ombe der hetten wille dordas, Die in midden den dach was. Dus redensi in der coelhede 16580 Des morgens, doet scone was, mede Si minden sere die soete tijt Als die jonck waren ende jolijt, Si waren noch, wetet, te doene niet Grote pine, si waren, dat siet, 16585 Wel gewapent alse knapen doe Plagen te sine, ic segge iu hoe: Elc hadde enen yserinen hoet Op sijn hovet, vaste ende goet, Ende haer swaerde hingen doen 16590 An den gereide, an den artsoen; Want dat lant en was niet alsoe Seker, ombe der Sennen wille, doe Ende dat was een vol lant Van allen goede, dat men vant, 16595 Ende was scade, zijt seker das, Dat al sulc lant gedestrueert was So lange tijt ende met onrechte. Dese kinder, daer ic iu af berechte, Reden te Logreswaert, al horen pas, 16600 Ende onderwegen, zijt zeker das, Vondensi den koninck Gwinebante Enten koninck Walebrone ende Modelante, Enten koninck Sornagut ende Soringante, Enten koninck Kinehante; 16605 Dese hadden dat lant van Logres Gedestrueert. zijt zeker des, Ende gerovet, ende voerden daer Grote spise met hem vorwaer; Sovele hadden genomen sy, 16610 Dat lange haer liede mochten daerby Genoech hebben gehat daermede, Vleesch, broet, wijn, gerede; Want si hadden gerovet ten stonden Dhavene, daer si groet goet inne vonden, 16615 Wantsi vondense al vol ter stede Van spise ende van comenscap mede, Sodatsi sevendusent somer aldaer 184 Ende vijfhondert wagene daernaer, Ende seshondert kerren loeden mede. 16620 Dat karren was so groet ter stede, Dat onvertallic te seggene es; Ende aldaer si voeren, zijt seker des, Stoef die moude ongehier, Ende si makeden so groet vier 16625 In den dorpen, die die Senen Ontstaken, daer si voeren henen, Dat men wel mochte sien Ene halve myle van dien Waerheen datsi voeren mettesen. 16630 Alse die kinder nakeden den resen, Ende hoerden dat helpgeroep mede Van den lantlieden ter stede, Ombedatse die Sennen roveden daer Ende verbranden; oec wet vorwaer 16535 Datter daer wel tien dusent was, Sonder dat voetvolc, die nadas In dat lant liepen ende roefdent al; - Doe die kinder hoerden dat gescal Ende dat verdriet, die daer gescieden; 16640 Doe vrageden die kinder den dorplieden Waer die koninck Artur es. Die dorpliede seiden na des, Dat hi te Carmelide waer nu, “Ende te Halfvasten, seggic iu, 16645 Voer hi rechte derwaert; Ende hi hevet hier also bewaert Sine borge ende sine stade, Dat hem nieman en kan doen scade. Des sijn die Sennen so erre, 16650 Dat sijt al verderven by ende verre, Ende roven dat lant, als gy siet”. Doe die kinder hoerden, dat die koninck niet In den lande en es, doe zeiden sy Datsi wouden verweren daerby 16655 Den roef, ende tlant houden daernaer Tote dat die koninck, haeroem, komen waer. Alse die dorpliede hoerden die woert Vragedensi, wie si waren, voert. Doe zeiden hem die kinder daernaer 16660 Wie si waren. Des waren daer Die dorpliede herde blide seer, Want si hopeden, dat sine eer Die koninck soude behouden thant, Overmyds hem, ende oec sijn lant, 16665 Ende van den koninge, overmyds hem, Penseden si daer in horen sin, Vrientscap zoude werden eer iet lanc; Si wisten des den kindren groten danc Ende prijsedense herde sere daer, 16670 Ende si daden hem oec daernaer In hoer geselscap, ende reden mede Daer die kinder reden ter stede. Enten kindren wies haer herte Van den verdriete ende van den smerte, 16675 Die die Sennen daer daden int lant, Ende riepen op haer liede te hant: “Gy edele barone, bereidet iu, Laet ons desen roef bescudden nu, Dien dese quade Sennen voeren; 16680 Laet sien, wie sal hem wel roeren?” Doe vergordensi hoer orse daer Ende saten daer op, ende daernaer Ordineerden die ridders haer scaren, Die daer wel tachtentich waren, 16685 Die vrome waren ende getrouwe; Ende alse die lantliede dat scouwen, Trocken daer an hem, des zijt vroet, Wael vijfhondert tors ende te voet; Ende alsi dus vergadert waren, 16690 Voeren si alle gader daernare Ende ontmoeten die kerren ter stede, Ende hem vierdusent oec daermede, Die die kerren geleiden daer; Ende dat was nonedages vorwaer, 16695 Ende was oec wtermaten heet, Ende dat sant stoef gereet. Daersi nu hene lieten draven Daer die viande vorscaven, Daer sloegensi iu met geruchte groet, 16700 Ende wondedense ende sloegense doet. Gawyn doeder sovele daer nu, Dat hi bebloedet was, zeggic iu, Van boven tote beneden toe; Daer en sloecher nieman doe 16705 Sovele, als hi dede, wetet vorwaer, Want hi droech ene gyserne daer, Daer hi met beiden handen sloech mede; 185 Wien hi gerakede daer ter stede, Dien clovede hi toten gordele toe, 16710 Ende sine broeder dadent oec wel doe, Sodat nieman [en] dorste ontbeiden Hoers slages; oec en woude niet sceiden Galescins van Gawyne ter stede Die wonder oec met wapene dede; 16715 Hi sloech al doet dat vor hem quam. Maer van dien wonder men noit vernam, Dat Gawyn dede, want vor hem ter uren En mochte yser noch stael geduren, Noch wapene noch man negeen 16720 Die so sterck was, maer nember een. Hier dadent die kinder also wale Dat van den vier dusent by getale, Die den roef geleiden daer, Niet meer dan twintich ontvoer daernaer 16725 Ende vloen ten andren waert Dier sevendusent was in der vaert; Maer si en hadden som gene wapen, Si hadden se doen trossen hoer knapen Ombe der hetten wille, die was doen. 16730 Doe dese twintich quamen gevloen, Groet geruchte makedensi daernare, Ende riepen datsi al verslagen waren. Doe dit diegene hoerden vorwaer Die die kerren leiden daer, 16735 Riepen si daer te wapen nu Die si daer hadden, zeggic iu; Maer terde deel van hem, als men siet, En hadden daer haer wapene niet; Want die metten kerren waren voren 16740 Haddense met hem, des haddensi toren, Entie hadden die kinder gewonnen daer Ende sondense metten dorplieden naer Te Logreswaert binnen der stede; Entie kinder volgeden oec mede 16745 Den twintigen, die daer nu vloen, Dat si quamen op diegene doen Die hem daer wapenden metter vaert, Daer sloegensi in ongespaert. Daer wart die batalie nu groet, 16750 Ende daer wart so grote noet, Dat wonder was te ansiene Tesen ingange, tesen gesciene Sloech Gawyn als die koene Met siner gisermen koninck Alebroene 16755 Dat hine clovede toter borst toe; Ende Galescins sloech mede doe Den koninck Soringanne doet ter stede Ende ander vele ridders mede. Ende Agrawein sloech in die porse 16760 Ende vellede menegen van den orse; Gaheries, die jagede Gwinebande Den koninck vor hem, al was dat scande, Hi vlo van siner geselscap daer Enen bogenscote verre vorwaer. 16765 Dit was ombedat hi stac ter aerde Gaheriesse van sinen paerde Ende gewont hadde met sinen speer, Maer hi en hadde daeraf gene deer. Dit woude Gaheries wreken daer, 16770 Maer Gwinebant ontvlo daernaer Want hi siner niet dorste ontbeiden; Want hi sach hem daer in dat sceiden So vreselike slage slaen, Dat hi des blide waer kondi ontgaen. 16775 Dit boeck secht oec, hier ter stede, Dat hi niet vele min met wapene dede Dan sijn broeder Gawyn vorwaer, Doe hi sine tijt hadde ende sine jaer; Ende alsi sach datten Gwinebant 16780 Ontwenkede, swoer hi te hant Hi en ontvoer hem so nembermeer, Hi en soude sinen broeder wreken eer; Want hi meende dat hi doet waer, Hi sloech sijn ors met sporen daernaer 16785 Ende iagedene so verre nadas, Dat hi verre van sinen lieden was; Doe quamen tegen hem Gwinebannes liede Al gewapent, ende elc daer tyde Te strydewaert; ende Gaheries heeft verhaelt 16790 Den koninck, ende riep nu: “betaelt!” Mettien hevet hi dat swaert verheven Enten koninck enen slach gegeven Tuscen den helme enten scilt ter stede Optie scouderen, dat hi daermede 16795 Den arm metten scilde dade daer Ter aerden vallen; ende daernaer Wart die koninck versaget alsoe, 186 Dat hi iu onmacht ter aerden vil doe; Doe keerde Gaheries nadat, 16800 Ende was blide dat hi ter stat Sinen broeder hevet gewroken an dien. Desen slach hebben die Sennen gesien, Ende wouden dit op hem wreken daer, Entie koninck Gwinebant riep daernaer: 16805 “Gy lateten iu oevele ontgaen”. Doe sloegen si al op hem saen, Ende omberingeden ende staken mede Met glavien op hem daer ter stede, So datsi sijn ors doden daer 16810 Ende velden hem ter aerden naer; Maer hi spranc op sine voete doe, Ende nam sijn swaert ende ginck hem to Ende weerdene als een lewe daermede; Daer en was negeen Senne ter stede, 16815 Die hem dorste iet genaken So verre als sijn swaert konde geraken, Maer si scoten op hem, weet vorwaer, Met speren, met swaerden, met kniven daer So lange datsine op sine knien 16820 Twewerf brachten mettien; Hi en hadde niet mogen geduren Hi en waer gevangen ocht doet ter uren. En hadde gedaen een knape nu Die sere quam roepende, zeggic iu, 16825 Ende mesbarende in den pleyne, Met sinen handen slaende op Gaweyne Die gereddet hadde Garietten, Sinen broeder op dat ors, sonder letten, Dat hi ochte Sarnagut den koninck wan 16830 Die knape riep: “Gaweyn, edel man, Wat let iu? my duncket, seggic iu, Dat gy Gaheries verliesen sult nu, Gy en voerten bescudden, want hi es So verre gevolget, zijt zeker des, 16835 Enen koninge, dien hi nu sloech; Des hevet hi nu sijn ongevoech, Want menech Senne heveten nu Omberinget; oec zeggic iu Datsi zijn ors hebben gedoet. 16840 Hi hevet soccoers groten noet; Dat es scade blivet hi doet in den pleyn”. Alse dit verstont Gaweyn, Haddi des rouwe ende riep seer An Onse Vrouwe ende an Onsen Heer; 16845 Ende seide: “Maria moeder vol alre doget, Ic bidde iu, dat gy my verhoget Van mynen broeder, dat icken niet En verliese; want waer dat gesciet Ic en worde nembermeer blide dan, 16850 Ende nembermeer so en quame voertan Scilt an mijn hals!” - Doe vragede hi Den knape waer sijn broeder sy. Ende hi wiseden hem ter stede By enen bosche; doe riep gerede 16855 Gaweyn sine gesellen na dien, Ende zeide: “nu sal ic wael sien Wie [mi] helpen sal ter stede”. Galescins tot Gawine doe zeide: “Lieve neve, wat segdy nu? 16860 Hier soude nieman ander bidden, zeggic iu, Maer elc soude riden dat hi mochte Si en sullen hem doet hebben als ic dochte Eer wy daer comen, weet vorwaer”. Doe sloegen die kinder met sporen daer, 16865 Ende Gaweyn reet vor, sij iu bekant; Hi hadde ene giserme in der hant Ende es in hem gereden daer, Ende sloech op hem sulke slage naer Metter gisermen, sonder vorste, 16870 Dat nieman siner ontbeiden dorste; Want wien hi gerakede bleef doet. Sine gesellen reden in dat conroet Ende velder so vele van den paerden. Dat si met hoepen lagen ter aerden; 16875 So lange vochten si ende streden, Datsi Gaheries ter steden Gestrecket vonden liggen onder voet, Ende hadden hem den stalen hoet Afgedaen entie coffie met, 16880 Ende sijn hovet ontwapent, dat wet, Ombe hem af te slane aldaer. Doe bedachtensi hem naer Dat sine levendich wouden vaen, Enten koninck Barnagut senden saen, 16885 Horen heren; want hi wasKoninck van den Sennen, ende ombdas Bondensi hem sine hande recht 187 Opten rugge, ende leiden averecht. Ende binnen dien daer quam Gawein 16890 Ende sine broeder opten plein, Ende sloegen op hem slage so groet, Dat al moeste bliven doet, Dat hem genakede daer ter stede. Gawyn dat meeste wonder dede, 16895 Dat ieman sach in genen dagen. Doe dit diegene aldus sagen Die sinen broeder hadden gebonden, Gingensi vlien wat si konden; Ende Gaheries sach Gawine doe, 16900 Hi scamede hem dat hi lach alsoe Ende spranc op; ende daernaer Ontbondensi sine hande; doe nam hi daer Sinen hoet ende settene nu Op sijn hovet, dat zeggic iu, 16905 Ende nam sijn swaert in sine hant, Ende ginck hem weren, sij iu bekant; Doe sach hi ombe ende vernam Waer sijn broeder Agrawein quam, Ende brachte hem een ors, ende seide: 16910 “Broeder, nu sit op sonder beiden, Dat was doerheit, dat gy so verre versocht Van ons te vaerne, gy haddet verkocht Des waert iu genoech, zeggic iu”. Hi sat op dat ors, ende daerna nu 16915 Vergaderden die gebroeder haer liede, Entie Sennen, met horen ongediede, Bliesen haer trompen ende makeden daer Haer batalien, wet vorwaer; Entie kinder vergaderden aen hem doe 16920 Entie dorpliede mede alsoe; Ende som voerden si den roef groet Te Logreswaert met groter spoet, Ende was drie mylen van daer; Si meenden altenen dat men hem naer 16925 Volgen mochte van den Sennen nu; Ter poerten quamensi, zeggic iu, Ende riepen: “laet in”; doe vrageden daer Die die poerten hoeden daernaer: “Wies es dat goet?” - Doe zeiden si: 16930 “Hier sijn komen kinder vry, Gawyn ende sine broeder, dat wet, Ende Galescins, haer neve, met, Die es des koninck Ventres soen, Ende hebben met hem sevendusent koen, 16935 Die jonge liede sijn ende stout, Ende seggen datsi met gewout Hores omes lant sullen helpen houden Ende nembermeer, bi horer scouden, Horen oem en zullen begeven; 16940 Si quamen ridende hier beneven, Daer die Sennen dat goet voertan Voerden enwech met vier dusent man. Si sloegen doe in den hoep Ende hebbense altemale doet, 16945 Ende bescudden t goet aldaer Ende gaven dat ons te voerne daernaer Ter statwaert, ende si bleven daer an Vechtende tegen sevendusent man, Die alle volgeden den proye; 16950 Ondoet die poerte met groter joye, Ende voert hem helpen so doedy wale”. Alse die poerter hoerden dese tale, Waren si des blide ende ontdeden Haer poerten met groter haestecheden, 16955 Ende lietense inkomen, ende daernaer saen Gereidensi hem sonder waen Ende wouden den kindren helpen daer. Doe blies men een horen saen daernaer; Ende als men dit hoerde in der stat daer 16960 So vergaderde al dat volc nadat or des borchgraven hues, ende beiden Thent dat hi tot hem quam daernaer. Dese borchgrave was getrouwe mede Ende hiet Does van Cardoele, der stede, 16965 Doe ginck hi daer die liede waren, Daer vant hi hem sevendusent, twaren, Wale gewapent ende tors mede. Doe zeide hi tot hem: “gy sult in der stede Som bliven, ombe die stat te bewaren, 16970 Ende som sullen wy wtvaren; Want wy en weten niet, wat wy gemene Vinden, dat waer quaet lietewy allene Onse stat”. Doe seiden si daer Toten borchgrave: “gy zegget waer, 16975 Nu nemet so vele als gy selt”. Doe nam hi daer vier dusent getelt, Ende drie dusent liet hi in der stede 188 Die stat te houdene mede. Doe voer die borchgrave gereet 16980 Daer men herde sere street; Maer die Sennen en merkeden niet das, Ombedat daer niet herde vele en was Metten kindren, ende oec, twaren, Ombedat die kinder jonck waren 16985 Ontsagen si se te min ter stede, Ende oec en haddensi maer tachtentich mede Ridder daer, ende seshondert knapen, Ende driehondert lantliede in die wapen, Die an die kinder komen waren, 16990 Die zeiden, datsi liever, twaren, Te stervene hadden dan si hem afgingen; Enter Sennen was, in waren dingen, Sevendusent, entie koninck Modelant Was derselver een, ende Gwinebant. 16995 Dese makeden twe batalien naer, Ende in elker batalien was daer Drie dusent ende vijfhondert mede; Dese vergaderden alle ter stede Optie kinder, ende Gwinebant 17000 Hadde een scerp yser in der hant; Hi was groet, sterck, ende koene, Hi quam so overmoedech in sinen doene, Ocht hi se alle woude veriagen Ende verblasen ende versagen; 17005 Ende Gawyn, die vor hem allen was, Hielt sijn speer, sijt seker das, In siner hant ende quam hem tegen Daer die gene quam geslegen Ende Gawine op sine borst stac, 17010 Dat sijn speer in sticken brac; Maer sijn halsberch was daer so goet, Dat hi des stekes daer wederstoet; Ende Gawyn reet an hem daer Ende gaf hem enen slach so swaer, 17015 Dat hi lach op sijn artsoen, Ende hadde hem niet ontkeert doen Die giserme in der hant, Also als hem die slach ontwant, Hi hadde hem dat hovet geclovet 17020 Al toten tanden, des gelovet; Ende also als die slach scampede neder, Sloech hi den orse also weder Den hals af; doe vielen si Beide ter aerden, dat ors ende hi. 17025 Doe die Sennen zagen vallen horen heer, Waren si rouwech herde seer, Si meenden alle te hant Dat hoer koninck doet waer Gwinebant; Doe sloegensi alle derwaert 17030 Ombe hem bescuddene ter vaert, Ende Gawyn sloech in hem daer, Ende si staken op hem daernaer Met horen speren in allen sinnen; Si dorstaken sijn ors daerbinnen, 17035 Sodat sijn ors ter aerden vil doe Ende hi spranc op ende ginck hem toe, Ende sloech so vreeslick, sonder vorste, Dat hem nieman genaken [en] dorste; Ende sine broeder, ende sine gesellen mede, 17040 Quamen daer toe slaende ter stede, Ombe hem bescuddene daer. Doe wart die strijt sterck ende swaer, Ende Gawyn vernam an den Sennen doe, Datsine wouden vaen alsoe; 17045 Doe zeide hi: “by Gode, Onsen Heer, Si en vaen my niet hudemeer, Alwaer ick hier allene nu!” Hi greep sine giserme, zeggic iu, Met beiden handen, ende liep te hant 17050 Daer hi enen Senne vant, Die Agraweine, sinen broeder, doen Hadde geboget op dat artsoen, Ombe hem sijn hovet af te slane. Heer Gawyn, die dit sach ane, 17055 Was wel nae verwoedet ombedat; Hi sette sine voete te gader ter stat, Ende hief die giserme doe Ombe den Senne te slane alsoe; Ende als diegene den slach sach komen, 17060 Heeft hi den scilt daer iegen genomen, Ende Gawyn sloech nochtan den scilt In tween sticken, dien hi vor hem hilt. Entie slach ginc op die scouder doe Ende sloechen ten gordele toe; 17065 Diegene vil doet an dat sant, Ende Gawyn spranc op dat ors te hant, Ende riep die sine, ende seide mettien: 189 “Die hem wael proevet sal men wael sien, Want ic zeg iu, sonder waen, 17070 Des en macher een niet ontgaen Noch in bosche noch in hagen; Nu suldy voertmeer zien mijn slagen”. Mettesen reet Gawyn daerin, Ende begonde te slane int begin 17075 So vreeslick met siner giserme saen, Datten nieman en konde ontgaen; Wien dat hi gerakede nu, Moeste sterven, dat zeggic iu. Die nu Gawine verloren hadde mede, 17080 Hi hadden wael gevonden ter stede By den doden, die hi daer versloech Dier daer te hope lagen genoech. Doch daden die Sennen so vele daer, Datsi Gwinebande daer naer 17085 Geredden; doe nam hi saen Een speer ende liet henegaen, Ende quam op Agrawine gereden doe, Die enen sinen neve hielt alsoe Metten breidel, dat hine stac doet; 17090 Des hadde Gwinebant rouwe groet, Ende stac Agrawine daer ter stede Onder die decke van den gereide mede Dat den orse ten buke dorginc, Ende dat vil doet, ombe die dinc, 17095 Met Agrawine optie aerde alsoe; Maer hi en quetste hem niet sere doe. Ende alse Garies ende Gaheries Ende Galescins dat sagen na des, Dat Agrawein gevallen was, 17100 Waren si herde droevech ombe das, Want si meenden, dat hi doet weer; Si sloegen derwaert herde seer Ombe hem bescuddene van den vianden, Ende Galescins sloech op Gwinebanden 17105 Dat hine nicken dade doen In sijn gereide opt artsoen, Ende Garies sloechen daerna mede, Dat hi hem den arm afvliegen dede Van den lichame ter aerden daer; 17110 Ende Garies sloechen daernaer, Daer hi gebogen lach alsoe Opt artsoen van den gereide doe, Tuscen hals ende hoet mede, Dat hem dat hovet vil ter stede 17115 Ter aerden; doe nam Galescins daer Den bueck ende warpen van den orse naer, Ende namt ors ende gaft Agraweine Die te voet stont in den pleine, Die daer op es geseten alsoe, 17120 Ende ginck den Sennen weder toe. Daer began die strijt anxtlike baren Onder die viere die daer waren, Maer van Gawine en wisten si twent Waer hi henen was gelent; 17125 Want hi was so verre in die Sennen nu Al vechtende gereden, zeggic iu, Dat hi quaet te vindene was daer; Ende als die Sennen worden gewaer Dat die koninck Gwinebant doet was, 17130 Worden si versaget na das, Datsi niet en wisten wat doen Ende keerden alle ende vloen Op Madelans batalie ter vaert, Alse die en wisten werwaert. 17135 Ende alse Gawein sach, dat hi So verre gevaren was daerby, Dat hi niet en wiste ter stede Waer sine broeder waren gerede, Doe hilt hi al stille daernaer 17140 Thent hi siner gesellen wart gewaer: Doe die ene den andren sach daernaer, Warensi des blide ende hilden daer Tenen ringe, entie koninck Madelant Quam met sesdusent Sennen te hant. 17145 Daer soude groet scade sijn gesciet Den lande van Bertanien ende groet verdriet, Ten hadde soccoers van derstat gedaen, Die hem quamen te helpen saen Met vier dusent mannen gewapent wel 17150 Op [haren] orsen, dapper ende snel; Ende alse die kinder hebben vernomen Dat teken van Logres komen, Dat Does van Cardole voerde daer, Wordensi des blyde vorwaer, 17155 Doet hem die lantliede deden verstaen. “Nu ierst sal men striden gaen”, Seide Gawyn ende sloech in daer, 190 Ende sine gesellen volgeden naer, Entie van der stat quamen daertoe 17160 Met stercken glavien inbrekende doe, Dat daer menech dade sijn inde, Daer si optie Sennen staken geninde. Daer wart die strijt anxtlijck ende groet, Daer bleef menech ridder doet; 17165 Sodat die beken van bloede Daer liepen met groten spoede, Ende daer wart vliegende die moude So dicke ende so menechvoude Dat deen den ander onder hen beden 17170 Niet en konde bekinnen daer si streden. Dus duerde even sterck die strijt Toter hoger Vespertijt, In den plane van Logres. Daer bleef menech doet, sijt seker des, 17175 Ende verminket ende verwont. Gawyn makede daer ter stont Dat meeste wonder dat men oit vernam. Dat volc, dat van Logres quam, Sagen hem te groter vrouden an; 17180 Want hi sloech daer neder ors ende man; Sines slages en dorste nieman ontbeiden daer. Die koninck Madelant hadde vorwaer Afgesteken den borchgrave nu Does van Cardole, seggic iu, 17185 Ende hielten metten helme gevaen, En woude hem dat hovet afslaen. Doe quam daer Gawyn gereden toe, Daer die van Logres sere vochten doe Ombe horen borchgrave bescudden daer; 17190 Maer nieman en konde hem genemen vorwaer, So sterck was hi ende so groet; Ende Gawyn quam in dat conroet Ende sloech so vreeslick onder hem lieden Datsi onder sine slage scieden, 17195 Ende vloen vor hem alle daer; Doe quam hi te Madelante naer Ende hief sine gisarme met beiden handen Ende sloech Madelante toten tanden Dor den helm van brunen stale. 17200 Madelant vil daer te dale Van den orse ter aerden doet. Doe was daer dat iagen groet, Want die Sennen gingen alle vlien; Alsi haren Heren doet liggen sien 17205 Vloen si te Windeberes voert nu, Daer dat ander heer lach, seggic iu; Doe Does van Caredol gereddet was, Jagedi die Sennen, sijt zeker das, Stoutelike met sinen lieden naer; 17210 Dus sloegen die kinder met Gode daer, Ende metter hulpen van der stat, Dat van tien dusent Sennen, wetet dat, Maer vierdusent en bleef die ontvloen. Daer duerde dat iagen ende dat doen 17215 Tote in die nacht, ende daernaer Trocken die ander ter statwaert daer. Daer wart groet goet gewonnen, des gelovet, Dat die Sennen hadden gerovet Op die lantliede in allen synnen; 17220 Dit voerde men al te Logres bynnen. Enten kindren, wetet vorwaer, Dede men groet ere daer, Doe mense kende, wie si waren. Men brachte vor hem al dat goet, twaren, 17225 Ende seiden tote Gawine alsoe, Si hielden hem vor haren heren daer doe, Ende dat hi dit goet, lude ende stille, Dele daer hi dat delen wille. Doe zeide Gawijn: “wat des gesciet, 17230 Boven den borchgrave en doe ic des niet, Want hi kent die liede bet al, Ende weet bet waer hijt geven sal An arme an rike, dan ic doe nu Diese niet en sach, dat zeggic iu; 17235 Hi doe daermede al sinen wille, Ic orlovet mynes deels lude ende stille”. Doe prijsden hem die liede herde seer Ende zeiden: “daer en gebreke nembermeer Goedes mans an, mach hi leven”. 17240 Aldus zijn daer die kinder bleven In der stat van Logres ene tijt, Ende beschermedense wael vorallen strijt. Nu zwiget hiervan daventuer Ende sal iu tellen van koninck Artuer 17245 Ende van co. Bohort ende co. Banne, Die voeren toten koninck Leodeganne. |
Van Gawein kindsheid en zijn broeder; en wie koning Arthur’ s zuster kinderen waren; en hoe ze zijn land beschermden tot koning Arthur kwam van Carmelide. 16355 In de zoete tijd van mei, Dat elke vogel veelvormig Zingt zijn zoete zang, En toen dat woud geheel gemengd Met groen loof was bevangen, 16360 En toen de wereld daarbij gelijk Ontstoken en gloeide van vreugde En van blijdschap geheel overluid, En de zoete kruiden ontspruiten, Die ‘s winter lagen in de modder, 16365 Toen de bergen en de dalen Met bloemen bestrooid waren geheel En bos, heide en bomen bekleed Met groen lover was besproeid, En de aarde liet baren 16370 De vruchten, die vergaan)waren, En allerhande dingen komen voort Dat in de winter lag versmoord, Dat de zoete lucht laat openbaren En die tijden van het jaar; 16375 Als de nieuwe zoete minne, Die de jonge harten hebben in Van de mooie jonge jonkvrouwen En van de hoffelijk geraakte vrouwen, En van de jongelingen daaraan, 16380 En van menige hoofse man, Die het hart behaaglijk hebben en jolijt Door die zoete nieuwe tijd, Die toen was aangegaan; - In deze tijd, heb ik verstaan, 16385 Toen gebeurde het dat Gawein En Garies en Agravein En Guheries, en Galescins, te waren, En die in hun gezelschap waren Wilden gaan tot koning Arthur; 16390 En zoals u zal vertellen het avontuur Al deze kinderen nu Waren Arthurs zusterkinderen, zeg ik u; Want Ygerne, koning Arthurs moeder, Zoals ik u zal maken bekend, 16395 Had twee dochters van haar man De hertog, en de ene daarvan Had tot vrouw koning Ventres; Daaraan won hij een zoon na dit, Die Galescins was geheten, 16400 Die sindsdien was een ridder vermetel, Zoals ge wel horen zal hierna; En koning Loth, zoals ik versta, Had de andere dochter tot wijf, En hij won aan haar lijf 16405 Vier zonen, en de ene heet Gawein De ander Guheries en de derde Acgravein, En de vierde heet Garies. Ze waren mooi, zij het zeker dit, En dapper alle te wapen daarnaar, 16410 Toen ze opkwamen, weet voorwaar. Nu hoorde Galescins, konings Ventres zoon, Zijn moeder vaak zeggen naar diegene Dat koning Arthur was zijn oom; Toen nam hij dus aan haar kennis, 16415 En zocht een bode, die hij zond Aan Gawein, zijn neef, met dat doel, En aan zijn broeder, weet voorwaar, Dat hij ze kwam te spreken daarnaar Ter nieuwe vesting in Broserant, 16420 En dat hij kwam daar gelijk, Zo hij het aller heimelijkst kon, En deed immer de raad daaraan Dat hij vertrekt, als hij mag, De derde dag na Paasdag. 16425 Dus reed de bode weg, zeg ik u, Zolang dat hij te Gales kwam nu, In de stad, daar die kinderen waren, Met de moeder; maar de vader, te waren, Was te Hauterive in de stad, 16430 Daar de Sennen lagen bij dat. Toen de bode te Gales kwam En hij Gawein daar vernam, Deed hij de raad, dat hij sprak daar En zei hem, dat hij ontbood daarnaar 16435 “Galescins, uw neef; en ook weet, 182 Dat ge uw broeder brengt mee En kom tot de nieuwe vesting in, Alzo lief zoals ge hebt zijn min; Hij zal daar immer bij u wezen, 16440 En vertrek te Paasdag na deze Op de derde dag na die”. Toen die kinderen hoorden van die, Waren ze dus blij, en zeiden toen, Ze zouden daar alle komen alzo, 16445 Want ze wisten wel, zij het zeker dat, Dat het zonder nut niet was Dat hij ze zo haastig ontbood daar. Gawein gaf een paard daarnaar De bode, en zei hem alzo te houden 16450 Omdat hij zijn neven begroeten zou. De bode zei, hij zou het doen voorwaar En is nu gescheiden van daar, En voer zolang toen na dat, Dat hij kwam daar Galescins was; 16455 En toen hij kwam tot zijn jonkheer, Groette hij hem van Gaweins derhalve zeer, En zei, dat hij hem beloofde nu, En zijn broeder mede, zeg ik u, Dat ze zullen ter nieuwe vesting al 16460 Komen, hebben ze geluk, Op de dag, dat hij ze ter stede Komen zei, zonder enig wachten. Toen ging zich Galescins bereiden Met zijn gezellen, zonder wachten, 16465 En voer naar de nieuwe vesting daarnaar, En kwam op de Paasdag daar, En wachtte daar op zijn neven nu Zolang dat ze kwamen, zeg ik u. Daar deed de ene de ander een feest groot, 16470 Toen vroeg Gawein waarom hij hem ontbood Zo gauw? “dat zou ik nu Graag weten hier van u; Want had u uw boodschap niet gedaan, We waren nu ergens anders zijn zonder waan, 16475 Daar we nu begeren te zijn Heimelijk en ook stilletjes”. Toen Galescins dat hoorde, toen zei hij: “Neef, waar wil ge gaan zonder mij? Ge zou met recht geen dingen 16480 Doen, zonder mij bijzonderling; Zeg het me, waar ge varen wil nu Dan zal ik mijn wil zeggen u; En waarom ik u hier ontbood, Zal ik u zeggen, klein en groot”. 16485 Gawein zei toen: “bij Onze Heer, Ik wil varen nu voort meer Dienen een van de allerbeste man, De liefste en de mildste daaraan, En de goedertierendste en dapperste mede, 16490 Den edelste van het hele christenrijk En daar ik meer deugden mede Van heb gehoord, nu ter plaatse, Dan ik u ooit zeggen hoorde Van enige man, in ware woorden”, 16495 “God”, zei Galescins nu meer, “Wie mag dit zijn, God, lieve Heer, Zo moet ge geven, dat moet wezen Daar ik u om ontbood voor deze”. “Bij God”, zei Gawein voortaan, 16500 “Men zou niet verzwijgen zo’n man Maar hij zou genoemd zijn gereed Voor alle goede lieden, God weet; Hij is geheten koning Arthur En is uw oom, en de onze ter uur; 16505 Maar met groot onrecht zekerlijk Beoorloogden hem de baronnen van het rijk, Die hem met recht beminnen zouden zeer; En dat kent God, Onze Heer, Zodat ik het zwaard omgord nimmermeer, 16510 Hij het me zelf omgord eer”. En toen Galescins dit hoorde, Was hij niet zo blij van woorden, En greep Gawein in zijn arm toen En omhelsde hem van blijdschap alzo, 16515 En zei hem, dat hij mede Nergens ergens anders ontbood ter plaatse Dan om dit stuk openbaar; En toen zei hij hem daarnaar Dat hij ooit, sinds dat zijn vader 16520 Van de slag gekomen was tezamen, Daar hij hiervoor in geschoffeerd was, De wil ook sinds had, zij het zeker dat, Dat hij tot koning Arthur varen wilde. Gawein zei toen alzo te houden, 16525 Dat hij het heeft horen zeggen al Hoe dat gebeurde, groot en smal, “En mijn moeder zei het ook mij 183 Hoe alle ding gebeurd zijn”. Toen ze lang hadden aldaar 16530 Gesproken, toen versierden ze daarnaar, Welke tijd ze vertrekken wilden. Ze kwamen overeen, dat ze zouden Binnen veertien nachten vertrekken mee. Dus scheiden ze daar zonder letten, 16535 En elk ging zich thuis bereiden Geheel heimelijk, al zonder wachten, Van paarden, van gerei voorwaar, Van sierheden schoon en helder, En van wapens mede nu, 16540 Zoals hen betaamde, zeg ik u; Galescins nam met hem daarnaar Tweehonderd gezellen, dapper en klaar, Goed bereden en goed te harnas, En de beste mee, zij het zeker dat, 16445 Die in zijn hele rijk waren, En is zo heimelijk weg gevaren, Dat zijn vader niets wist nu, En kwam tot de nieuwe vesting, zeg ik u, En bleef daar zo lang mede, 16550 Dat Gawein kwam daar ter plaatse, En zijn broeder, die brachten daar Vijf honderd man, dapper en klaar, En goed bereden en te harnas, En wel alle, zij het zeker dat, 16555 Hoge lieden kinderen, ridders en knapen, Die goed dienen konden met wapen, Maar van de vijfhonderd waren er zestig wel Ridder, dapper en snel, En van die, die Galescins bracht daar, 16560 Waren er twintig ridders maar. Toen ze dus verzameld waren Hadden ze grote feesten, te waren, En bereidden zich daar ter plaatse. Daar kwamen ze overeen ook mede, 16565 Dat ze vertrekken wilden naar Londen In Brittannië, zij het zeker dit; Daar zouden ze eerst vernemen nu, Waar de koning, hun oom, is, zeg ik u. Dus zijn Gawein en Guheries 16570 En Acgravein en Garies En Galescins, met hun lieden En met al hun manschappen, Van de nieuwe vesting gescheiden En te Brittannië waart gereden, 16575 En voeren vier dagen alzo. De vijfde dag stonden ze op vroeg Vanwege de hitte door dat, Die in het midden van de dag was. Dus reden ze in de koelte 16580 ‘s Morgens, toen het mooi was, mede Ze beminden zeer de zoete tijd Omdat ze jong waren en jolijt, Ze waren nog, weet, te doen niet Grote pijn, ze waren, dat ziet, 16585 Goed gewapend zoals knapen doen Plegen te zijn, ik zeg u hoe: Elk had een ijzeren hoed Op zijn hoofd, vast en goed, En hun zwaarden hingen toen 16590 Aan het zadel, aan de zadelboom; Want dat land was niet zo Zeker, vanwege de Sennen, toen En dat was een vol land Van alle goeds, dat men vond, 16595 En was jammer, zij het zeker dat, Dat zulk land geheel vernield was Zo’n lange tijd en met onrecht. Deze kinderen, waarvan ik u van bericht, Reden te Londen waart, al hun pas, 16600 En onderweg, zij het zeker dat, Vonden ze koning Gwinebant En koning Walebrone en Modelande, En koning Sornagut en Soringante, En koning Kinehante; 16605 Deze hadden dat land van Londen Vernield, zij het zeker dat, En geroofd, en voerden daar Grote spijs met hen voorwaar; Zoveel hadden genomen zij, 16610 Dat lang hun lieden mochten daarbij Genoeg hebben gehad daarmee, Vlees, brood en wijn, gereed; Want ze hadden geroofd ten stonden De hoeven, daar ze groot goed in vonden, 16615 Want ze vonden ze geheel vol ter plaatse Van spijs en van koopmanschap mede, Zodat ze zevenduizend lastdieren aldaar 184 En vijfhonderd wagens daarnaar, En zeshonderd karren laden mede. 16620 De karren waren zo groot ter plaatse, Dat het getal niet te zeggen is; En aldaar ze gingen, zij het zeker dit, Stoof de modder onguur, En ze maakten zo’n groot vuur 16625 In de dorpen, die de Sennen Ontstaken, daar ze voeren heen, Dat men dat goed kon zien Een halve mijl van die Waarheen dat ze gingen met dezen. 16630 Toen de kinderen naderden dezen, En hoorden dat hulpgeroep mede Van de landlieden ter plaatse, Omdat de Sennen ze beroofden daar En verbranden; ook weet voorwaar 16535 Dat er daar wel tienduizend waren, Uitgezonderd dat voetvolk, die na dat In dat land liepen en roofden het al; - Toen de kinderen hoorden dat geschal En dat verdriet, dat daar geschiedde; 16640 Toen vroegen de kinderen de dorpslieden Waar koning Arthur is. De dorpslieden zeiden na dit, Dat hij te Carmelide was nu, “En te halfvasten, zeg ik u, 16645 Gaat hij recht derwaarts; En hij heeft hier alzo bewaard Zijn burchten en zijn steden, Zodat hem niemand kan doen schade. Dus zijn de Sennen zo boos, 16650 Dat zij alles bederven nabij en ver, En beroven dat land, zoals ge ziet”. Toen de kinderen hoorden, dat de koning niet In het land is, toen zeiden zij Dat ze wilden verweren daarbij 16655 De roof, en het land behouden daarnaar Totdat de koning, hun oom, zou komen daar. Toen de dorpslieden hoorden die woorden Vroegen ze, wie ze waren, voort. Toen zeiden hen de kinderen daarnaar 16660 Wie ze waren. Dus waren daar De dorpslieden erg blijde zeer, Want ze hoopten, dat zij eerder De koning zou behouden gelijk, Vanwege hem, en ook zijn land, 16665 En van de koning, vanwege hem, Peinsden ze daarin hun zin, Vriendschap zou worden gauw; Ze wisten dus de kinderen grote dank En prezen ze erg zeer daar, 16670 En ze deden hen ook daarnaar In hun gezelschap, en reden mede Daar de kinderen reden ter stede. En bij de kinderen groeiden in hun hart Van verdriet en van de smart, 16675 Die de Sennen daar deden in het land, En riepen op hun lieden gelijk: “Gij edele baronnen, bereid u, Laat ons deze roof behoeden nu, Die deze kwade Sennen voeren; 16680 Laat zien, wie zal zich goed roeren?” Toen omgorden ze hun paarden daar En zaten daarop, en daarnaar Bevalen de ridders hun scharen, Die daar wel tachtig waren, 16685 Die dapper waren en getrouw; En toen de landlieden dat aanschouwden, Trokken ze daar aan hen, dus wees bekend, Wel vijfhonderd te paard en te voet; En toen ze aldus verzameld waren, 16690 Voeren ze allen tezamen daarnaar En ontmoeten die karren ter plaatse, En bij hen vierduizend ook daarmee, Die de karren begeleiden daar; En dat was noen voorwaar, 16695 En was ook uitermate heet, En dat zand stoof gereed. Daar ze nu heen lieten draven Daar de vijanden voor schaafden, Daar sloegen ze nu in met lawaai groot, 16700 En verwondde ze en sloegen ze dood. Gawein doodde er zoveel daar nu, Dat hij bebloed was, zeg ik u, Van boven tot beneden toe; Daar sloeg er niemand toen 16705 Zoveel, als hij deed, weet voorwaar, Want hij droeg een tweesnijdende strijdbijl daar, Daar hij met beide handen sloeg mede; 185 Wie hij raakte daar ter plaatse, Die kloofde hij tot de gordel toe, 16710 En zijn broer deed het ook wel toen, Zodat niemand durfde te wachten Hun slagen; ook wilde niet scheiden Galescins van Gawein ter plaatse Die wonder ook met wapens deed; 16715 Hij sloeg alles dood dat voor hem kwam. Maar van dat wonder men nooit vernam, Dat Gawein deed, want voor hem ter uren Mocht ijzer nog staal duren, Nog wapens nog man nee geen 16720 Die zo sterk was, maar nimmer een. Hier deden het de kinderen alzo goed Dat van de vierduizend bij getal, Die de roof begeleiden daar, Niet meer dan twintig ontkwam daarnaar 16725 En vlogen tot de anderen waart Daar er zevenduizend waren in de vaart; Maar ze hadden soms geen wapen, Ze hadden ze laten inladen hun knapen Vanwege de hitte, die was toen. 16730 Toen deze twintig kwamen gevlogen, Groot lawaai maakten ze daarna, En riepen dat ze geheel verslagen waren. Toen dit diegene hoorden voorwaar Die de karren begeleiden daar, 16735 Riepen ze daar te wapen nu Die ze daar hadden, zeg ik u; Maar het derde deel van hen, zoals men ziet, Hadden daar hun wapens niet; Want die met de karren waren voren 16740 Hadden ze bij zich, dus hadden ze toorn, En die hadden de kinderen gewonnen daar En zonden ze met de dorpslieden daarnaar Te Londen waart binnen de stede; En de kinderen volgden ook mede 16745 De twintig, die daar nu vlogen, Zodat ze kwamen op diegene toen Die zich daar wapenden met een vaart, Daar sloegen ze in zonder sparen. Daar werd de slag nu groot, 16750 En daar kwam zo’n grote nood, Dat het wonder was om te zien In deze ingang, toen dit geschiedde Sloeg Gawein zoals de koene Met zijn bijl koning Walebrone 16755 Zodat hij hem kloofde tot de borst toe; En Galescins sloeg mede toen Koning Soringanne dood ter plaatse En veel andere ridders mede. En Acgravein sloeg in de groep 16760 En velde menigeen van het paard; Guheries, die jaagde op Gwinebant De koning voor hem, al was dat schande, Hij vloog van zijn gezelschap daar Een boogschot ver voorwaar. 16765 Dit was omdat hij stak ter aarde Guheries van zijn paard En gewond had met zijn speer, Maar hij had daarvan geen deer. Dit wilde Guheries wreken daar, 16770 Maar Gwinebant ontvlood daarnaar Want hij wilde op hem niet wachten; Want hij zag hem daar in dat scheiden Zulke vreselijke slagen slaan, Dat hij dus blij was kon te ontgaan. 16775 Dit boek zegt ook, hier ter plaatse, Dat hij niet veel minder met wapens deed Dan zijn broeder Gawein voorwaar, Toen hij zijn tijd had en zijn jaren; En toen hij zag dat Gwinebant 16780 Ontkwam, zwoer hij gelijk Hij ontging hem zo nimmermeer, Hij zou zijn broeder wreken eer; Want hij meende dat hij dood was, Hij sloeg zijn paard met sporen daarnaar 16785 En jaagde hem zo ver na dat, Zodat hij ver van zijn lieden was; Toen kwamen hem tegen Gwinebant’s lieden Geheel gewapend, en elk daar ging Te strijden waart; en Guheries heeft ingehaald 16790 De koning, en riep nu: “betaal!” Meteen heeft hij dat zwaard geheven En de koning een slag gegeven Tussen de helm en het schild ter plaatse Op de schouder, zodat hij daarmee 16795 De arm met het schild deed daar Ter aarde vallen; en daarnaar Werd de koning bang alzo, 186 Zodat hij in onmacht ter aarde viel toen; Toen keerde Guheries nadat, 16800 En was blijde dat hij ter plaatse Zijn broeder heeft gewroken aan die. Deze slag hebben de Sennen gezien, En wilden dit op hem wreken daar, En koning Gwinebant riep daarnaar: 16805 “Gij laat u gram ontgaan”. Toen sloegen ze al op hem gelijk, En omringden en staken mede Met speren op hem daar ter plaatse, Zodat ze zijn paard doden daar 16810 En velden hem ter aarde daarnaar; Maar hij sprong op zijn voeten toen, En nam zijn zwaard en ging op hen toe En verweerde zich als een leeuw daarmee; Daar was geen Senne ter stede, 16815 Die hem durfde iets te genaken Zo ver als zijn zwaard kon raken, Maar ze schoten op hem, weet voorwaar, Met speren, met zwaarden, met messen daar Zolang dat ze hem op zijn knieën 16820 Twee maal brachten met die; Hij had het niet vol kunnen houden Hij zou gevangen worden of gedood ter uren. Had niet gedaan een knaap nu Die zeer kwam roepen, zeg ik u, 16825 En zwaaide op het plein, Met zijn handen slaat op Gawein Die gered had Gariet, Zijn broeder op dat paard, zonder letten, Dat hij van Sarnagut de koning won 16830 Die knaap riep: “Gawein, edele man, Wat let u? me lijkt, zeg ik u, Dat ge Guheries verliezen zal nu, Gij gaat voort en behoed hem, want hij is Zo ver gevolgd, zij het zeker dit, 16835 Een koning, die hij nu sloeg; Dus heeft hij nu zijn ongevoeg, Want menige Senne heeft hem nu Omringd; ook zeg ik u Dat ze zijn paard hebben gedood. 16840 Hij heeft van hulp grote nood; Dat is jammer blijft hij dood in dit plein”. Toen dit verstond Gawein, Had hij dus rouw en riep zeer Aan Onze Vrouw en aan Onze Heer; 16845 En zei: “Maria moeder vol van alle deugd, Ik bid u, dat ge me verheugd Van mijn broeder, zodat ik hem niet Verlies; want als dat geschiedt Ik wordt nimmermeer blijde dan, 16850 En nimmermeer zo komt voortaan Schild aan mijn hals!” - Toen vroeg hij De knaap waar zijn broeder is. En hij wees hem de plaats Bij een bos; toen riep gereed 16855 Gawein zijn gezellen na die, En zei: “nu zal ik wel zien Wie me helpen zal ter plaatse”. Galescins tot Gawein toen zei: “Lieve neef, wat zeg je nu? 16860 Hier zou je niemand anders bidden, zeg ik u, Maar elk zou rijden dat hij mocht Ze zullen hem gedood hebben zoals ik dacht Eer we daar komen, weet voorwaar”. Toen sloegen de kinderen met sporen daar, 16865 En Gawein reed voor, zij u bekend; Hij had een bijl in de hand En is in hen gereden daar, En sloeg op hen zulke slagen daarnaar Met de bijl, allereerst, 16870 Dat niemand op hem wachten durfde; Want wie hij raakte bleef dood. Zijn gezellen reden in dat konvooi En velden er zoveel van de paarden. Dat ze met hopen lagen ter aarden; 16875 Zolang vochten ze en streden, Dat ze Gaheries ter plaatse Gestrekt vonden liggen onder de voet, En hadden hem de stalen hoed Afgedaan en de bedekking mee, 16880 En zijn hoofd ontwapent, dat weet, Om hem af te slaan aldaar. Toen bedachten ze zich daarnaar Dat ze hem levend wilden vangen, En koning Barnagut zenden gelijk, 16885 Hun heer; want hij was Koning van de Sennen, en om dat Bonden ze hem zijn handen recht 187 Op de rug, en legden hem omgekeerd. En binnen die daar kwam Gawein 16890 En zijn broeder op het plein, En sloegen op hen slagen zo groot, Dat alle moesten blijven dood, Dat hen aankwam daar ter plaatse. Gawein dat grootste wonder deed, 16895 Dat iemand zag in die dagen. Toen dit diegene aldus zagen Die zijn broeder hadden gebonden, Gingen ze vliegen al wat ze konden; En Guheries zag Gawein toen, 16900 Hij schaamde zich dat hij lag alzo En sprong op; en daarnaar Maakten ze zijn handen los; toen nam hij daar Zijn hoed en zette het nu Op zijn hoofd, dat zeg ik u, 16905 En nam zijn zwaard in zijn hand, En ging zich verweren, zij u bekent; Toen zag hij om en vernam Waar zijn broeder Acgravein kwam, En bracht hem een paard, en zei: 16910 “Broeder, nu zit op zonder wachten, Dat was domheid, dat ge zo ver zocht Van ons te gaan, ge had het verkocht Dus wacht u genoeg, zeg ik u”. Hij zat op dat paard, en daarna nu 16915 Verzamelden de broeders hun lieden, En de Sennen, met hun barbaren, Bliezen hun trompet en maakten daar Hun bataljon, weet voorwaar; En de kinderen verzamelden bij hen toen 16920 En de dorpslieden mede alzo; En sommigen voerden ze de roof groot Te Londen waart met grote spoed, En was drie mijlen vandaar; Ze meenden altijd dat men hem daarnaar 16925 Volgen mocht van de Sennen nu; Ter poort kwamen ze, zeg ik u, En riepen: “laat in”; toen vroegen daar Die de poorten behoeden daarnaar: “Van wie is dat goed?” - Toen zeiden ze: 16930 “Hier zijn gekomen kinderen vrij, Gawein en zijn broeder, dat weet, En Galescins, zijn neef, mee, Die is konings Ventres zoon, En hebben met hem zevenduizend koen, 16935 Die jonge lieden zijn dapper, En zeggen dat ze met geweld Hun ooms land zullen helpen behouden En nimmermeer, bij hun schuld, Hun oom zullen begeven; 16940 Ze kwamen rijdend hier benevens, Daar de Sennen dat goed voortaan Voerden weg met vierduizend man. Ze sloegen toen in de hoop En hebben ze allemaal gedood, 16945 En behoeden het goed aldaar En gaven dat ons te voeren daarnaar Ter stad waart, en ze bleven daaraan Vechten tegen zevenduizend man, Die alle volgden de prooi; 16950 Open de poorten met grote vreugde, En ga hen helpen dan doe je wel”. Toen de poorters hoorden deze taal, Waren ze dus blijde en openden Hun poorten met grote haast, 16955 En lieten ze inkomen, en daarnaar gelijk Bereiden ze hen zonder waan En wilden de kinderen helpen daar. Toen blies men een horen gelijk daarnaar; En toen men dit hoorde in de stad daar 16960 Zo verzamelde al dat volk nadat Voor de burggraaf zijn huis, en wachten Ten einde dat hij tot hen kwam daarnaar. Deze burggraaf was getrouw mede En heet Does van Cardoele, ter stede, 16965 Toen ging hij daar die lieden waren, Daar vond hij hen zevenduizend, te waren, Goed gewapend en te paard mede. Toen zei hij tot hen: “ge zal in de stede Sommige blijven, om de stad te bewaren, 16970 En sommige zullen uitvaren; Want we weten niet, wat we algemeen Vinden, dat was kwaad lieten we alleen Onze stad”. Toen zeiden ze daar Tot de burggraaf: “ge zegt waar, 16975 Nu neem zoveel als ge zal”. Toen nam hij daar vierduizend geteld, En drieduizend liet hij in de stede 188 Om de stad te behouden mede. Toen ging de burggraaf gereed 16980 Daar men erg zeer streed; Maar de Sennen merkten niet dat, Omdat daar niet erg veel was Met de kinderen, en ook, te waren, Omdat die kinderen jong waren 16985 Ontzagen ze hen minder ter plaatse, En ook hadden ze maar tachtig mede Ridders daar, en zeshonderd knapen, En driehonderd landlieden in de wapens, Die aan de kinderen gekomen waren, 16990 Die zeiden, dat ze liever, te waren, Te sterven hadden dan ze van hen afgingen; En de Sennen waren, in ware dingen, Zevenduizend, en koning Modeland Was er zelf een, en Gwinebant. 16995 Deze maakten twee bataljons daarnaar, En in elk bataljon was daar Drieduizend en vijfhonderd mede; Deze verzamelden alle ter plaatse Op de kinderen, en Gwinebant 17000 Had een scherp ijzer in de hand; Hij was groot, sterk en koen, Hij kwam zo overmoedig in zijn doen, Of hij ze alle wilde verjagen En weg blazen en verschrikken; 17005 En Gawein, die voor hen allen was, Hield zijn speer, zij het zeker dat, In zijn hand en kwam hem tegen Daar diegene kwam geslagen En Gawein op zijn borst stak, 17010 Zodat zijn speer in stukken brak; Maar zijn harnas was daar zo goed, Dat hij die steek daar wederstond; En Gawein reed aan hem daar En gaf hem een slag zo zwaar, 17015 Zodat hij lag op zijn zadelknop, En had hij niet omgedraaid toen Die bijl in de hand, Alzo toen hij van die slag wegdraaide, Hij had hem dat hoofd gekloofd 17020 Al tot de tanden, dus geloof het; En alzo toen die slag afschampte neer, Sloeg hij het paard alzo weer De hals af; toen vielen zij Beide ter aarde, dat paard en hij. 17025 Toen de Sennen zagen vallen hun heer, Waren ze rouwig erg zeer, Ze meenden alle gelijk Dat hun koning dood was Gwinebant; Toen sloegen ze allen derwaarts 17030 Om hem te behoeden ter vaart, En Gawein sloeg in hen daar, En ze staken op hem daarnaar Met hun speren in alle zinnen; Ze doorstaken zijn paard daar binnen, 17035 Zodat zijn paard ter aarde viel toen En hij sprong op en ging hen toe, En sloeg zo vreselijk, zonder uitstel, Dat niemand hem naderen durfde; En zijn broeder, en zijn gezellen mede, 17040 Kwamen daartoe slaan ter plaatse, Om hem te behoeden daar. Toen werd die strijd sterk en zwaar, En Gawein vernam aan de Sennen toen, Dat ze hem wilden vangen alzo; 17045 Toen zei hij: “bij God, Onze Heer, Ze vangen me heden niet meer, Al was ik hier alleen nu!” Hij greep zijn bijl, zeg ik u, Met beide handen, en liep gelijk 17050 Daar hij een Senne vond, Die Acgravein, zijn broeder, toen Had laten buigen op die zadelknop, Om hem zijn hoofd af te slaan. Heer Gawein, die dit zag aan, 17055 Was bijna dol omdat; Hij zette zijn voeten tezamen ter plaatse, En hief die bijl toen Om de Senne te slaan alzo; En toen diegene de slag zag komen, 17060 Heeft hij het schild daartegen genomen, En Gawein sloeg nochtans het schild In twee stukken, die hij voor hem hield. En de slag ging op de schouder toen En sloeg hem tot de gordel toe; 17065 Diegene viel dood op dat zand, En Gawein sprong op dat paard gelijk, En riep de zijne, en zei meteen: 189 “Die zich goed beproeft zal men wel zien, Want ik zeg u, zonder waan, 17070 Dus mag er niet een ontgaan Nog in bos nog in hagen; Nu zal ge voort meer zien mijn slagen”. Meteen reed Gawein daar in, En begon te slaan in het begin 17075 Zo vreselijk met zijn bijl gelijk, Dat niemand kon ontgaan; Wie hij raakte nu, Moest sterven, dat zeg ik u. Die nu Gawein verloren had mede, 17080 Hij had hem wel gevonden ter plaatse Bij de doden, die hij daar versloeg Die daar in hopen lagen genoeg. Toch deden de Sennen zoveel daar, Dat ze Gwinebande daarnaar 17085 Redden; toen nam hij gelijk Een speer en liet heengaan, En kwam op Acgravein gereden toen, Die een van zijn neven hield alzo Met de breidel, zodat hij hem stak dood; 17090 Dus had Gwinebant rouw groot, En stak Acgravein daar ter plaatse Onder het dek van het zadel mede Zodat het bij het paard de buik doorging, En dat viel dood, om dat ding, 17095 Met Acgravein op de aarde alzo; Maar hij kwetste hem niet zeer toen. En toen Garies en Guheries En Galescins dat zagen na dit, Dat Acgravein gevallen was, 17100 Waren ze erg droevig om dat, Want ze meenden, dat hij dood was; Ze sloegen derwaarts erg zeer Om hem te behoeden van de vijanden, En Galescins sloeg op Gwinebant 17105 Zodat hij hem knikken deed doen In zijn zadel op de knop, En Garies sloeg hem daarna mede, Zodat hij hem de arm afvliegen deed Van het lichaam ter aarde daar; 17110 En Garies sloeg daarnaar, Daar hij gebogen lag alzo Op de knop van de zadel toen, Tussen hals en hoed mede, Zodat hem dat hoofd afviel ter plaatse 17115 Ter aarde; toen nam Galescins daar De buik en wierp het van paard daarnaar, En nam het paard en gaf het Acgravein Die te voet stond in het plein, Die daarop is gezeten alzo, 17120 En ging daarnaar de Sennen weer toe. Daar begon de strijd angstig te worden Onder de vier die daar waren, Maar van Gawein wisten ze niets Waarheen hij was gegaan; 17125 Want hij was zo ver in de Sennen nu Al vechtende gereden, zeg ik u, Dat hij slecht te vinden was daar; En toen de Sennen werden gewaar Dat koning Gwinebant dood was, 17130 Werden ze bang na dat, Zodat ze niet wisten wat te doen En keerden allen en vlogen Op Madelans bataljon ter vaart, Als een die niet wisten waarheen. 17135 En toen Gawein zag, dat hij Zo ver gevaren was daarbij, Dat hij niet wist ter plaatse Waar zijn broeder was gereden, Toen hield hij geheel stil daarnaar 17140 Totdat hij zijn gezellen werd gewaar: Toen de ene de andere zag daarnaar, Waren ze dus blijde en hielden daar In een ring, en koning Madeland Kwam met zesduizend Sennen gelijk. 17145 Daar zou groot schade zijn gebeurd In het land van Brittannië en groot verdriet, Tenzij had hulp van de stad niet gedaan, Die hen kwamen te hulp gelijk Met vier duizend mannen gewapend wel 17150 Op hun paarden, dapper en snel; En toen de kinderen hebben vernomen Dat teken dat van Londen is gekomen, Dat Does van Cardole voerde daar, Worden ze dus blij voorwaar, 17155 Toen hen de landlieden lieten verstaan. “Nu eerst zal men strijden gaan”, Zei Gawein en sloeg in daar, 190 En zijn gezellen volgden naar, En die van de stad kwamen daartoe 17160 Met sterke lansen inbreken toen, Zodat daar menigeen deed zijn einde, Daar ze op de Sennen staken algemeen. Daar werd de strijd angstig en groot, Daar bleef menige ridder dood; 17165 Zodat de beken van bloed Daar liepen met grote spoed, En der waarts vliegen de modder Zo dik en zo menigvuldig Dat de een de ander onder hen beiden 17170 Niet kon herkennen daar ze streden. Dus duurde even sterk de strijd Tot de hoge vespertijd, In de vlakte van Londen. Daar bleef menigeen dood, zij het zeker dit, 17175 En verminkt en verwond. Gawein maakte daar ter stond Dat grootste wonder dat men ooit vernam. Dat volk, dat van Londen kwam, Zagen hem met grote vreugde aan; 17180 Want hij sloeg daar neer paard en man; Zijn slagen durfde niemand op te wachten daar. Koning Madeland had voorwaar Afgestoken de burchtgraaf nu Does van Cardole, zeg ik u, 17185 En hield hem met de helm gevangen, En wilde hem dat hoofd afslaan. Toen kwam daar Gawein gereden toe, Daar die van Londen zeer vochten toen Om hun burchtgraaf te behoeden daar; 17190 Maar niemand kon hem ontnemen voorwaar, Zo sterk was hij en zo groot; En Gawein kwam in dat konvooi En sloeg zo vreselijk onder die lieden Dat ze onder zijn slagen scheiden, 17195 En vlogen voor hem alle daar; Toen kwam hij Madelande te na En hief zijn bijl met beide handen En sloeg Madelande tot de tanden Door de helm van bruin staal. 17200 Madeland viel daar te dal Van het paard ter aarde dood. Toen was daar dat jagen groot, Want de Sennen gingen alle vliegen; Toen ze hun heer dood liggen zien 17205 Vlogen ze te Windeberes voort nu, Daar dat andere leger lag, zeg ik u; Toen Does van Caredol gered was, Joegen ze de Sennen, zij het zeker dat, Dapper met zijn lieden daarnaar; 17210 Dus sloegen de kinderen met God daar, En met de hulp van de stad, Zodat van tien duizend Sennen, weet dat, Maar vierduizend bleven die ontvlogen. Daar duurde dat jagen en dat doen 17215 Tot in de nacht, en daarnaar Trokken de anderen ter stad waart daar. Daar werd groot goed gewonnen, dus geloof het, Dat de Sennen hadden geroofd Op de landlieden in alle zinnen; 17220 Dit voerde men geheel te Londen binnen. En de kinderen, weet voorwaar, Deed men grote eer daar, Toen men ze kende, wie ze waren. Men bracht voor hen al dat goed, te waren, 17225 En zeiden tot Gawein alzo, Ze hielden hem voor hun heer daartoe, En dat hij dit goed, luid en stil, Verdeelt daar hij dat verdelen wil. Toen zei Gawein: “wat dus geschiedt, 17230 Boven de burchtgraaf doe ik dus niet, Want hij kent de lieden beter al, En weet beter waar hij het geven zal Aan armen, aan rijken, dan ik doe nu Die ze niet ontziet, dat zeg ik u; 17235 Hij doet daarmee al zijn wil, Ik veroorloof mijn deel luid en stil”. Toen prezen hem de lieden erg zeer En zeiden: “daaraan ontbreekt nimmermeer Goede man aan, mag hij leven”. 17240 Aldus zijn daar de kinderen gebleven In de stad van Londen een tijd, En beschermden ze goed voor alle strijd. Nu zwijgt hiervan het avontuur En zal u vertellen van koning Arthur 17245 En van koning Bohort en koning Ban, Die gaan naar koning Leodegan. |
191 Hoe die koninck Artur entie koninck Ban entie koninck Bohort den koninck Leodegan holpen, zijn lant verweren tegen den koninck Rione. Die aventure zegget nu voert Van Artur ende koninck Bohoert Ende van co. Banne. Doe dese waren 17250 Van Bredegan gesceiden, twaren Voerensi te Carmelide; dus reden si daer Datsi in Palmesondage vorwaer Quamen in die stat Coronasse, Die stont by enen groten marasse. 17255 Daer voer Merlijn op een ors groet; Hi en woude den koninck in gener noet Laten, hi en wouden geraden; Si volgeden alle Merlyne met staden, Ende leidese tote vor Leodegans sale, 17260 Die tongemake was, wetic wale, Ende seer bedroevet, zeggic iu. Want die koninck Rioen was getrocken nu In sijn lant met vijftien koningen; Ende si hadden gehat onderlinge 17265 Enen strijt, daer Leodegan inne was Gesconfiert; entie viande nadas Belagen Deneblase, die goede stat, Harde nouwe; ic zegge iu, dat Hi daer so vele liede hevet gebracht, 17270 Dat des koninges Leodegans macht Niet en was tegen die diet. Op ene tijt hem die koninck beriet Metten ridders van der tafelronden, Wat hi doen mochte ten stonden; 17275 Ende al die wile, datsi hem daer Aldus berieden, so quam hem naer Die koninck Artur ende sine gesellen, Ende daer was een ende veertich als wy tellen, Ende Merlijn was die twe ende veertichste, dat wet; 17280 Si waren rikelike gecledet met, Ende waren alle ionge baseliere Sonder die twe koninge; si waren mere Onderdaen dan dander, ende ombdat Gingensi voer, daer die koninck sat, 17285 Die opstont als hi se hevet vernomen, Want hem dochte, an haer komen, Datsi hoge ende edele liede waren. Doe sprac die koninck Ban daernare Ende groette hem ende dander na desen, 17290 Ende hi hietse weder wellekome wesen, Opdatsi ombe goet quamen dan. “Ombe goet?” zeide hi, die koninck Ban, “By Gode, ombe geen erch, heer, En zijn wy tot iu komen meer 17295 Wt onsen lande; maer wy sijn nu Iu komen dienen, dat zeg ic iu, Opdat gy des begeert, ende oec moety Ons allen geloven mede, dat gy, Noch van uwent halven oec mede 17300 Nieman vragen en sal, te gener stede, Wie wy sijn ocht hoe wy heten, Vordat wy iu dat selve laten weten; Ende en wildy ons dus onthouden niet, So varewy henen, wat des gesciet, 17305 Want wy sullen volc vinden al, Die ons dus onthouden sal, Ende ombdat wy hebben horen seggen wel, Dat gy onthoudet ridders snel Ende soudenier, so komewy hier dan; 17310 Nu ziet, ocht gijt dus wilt vangen an”. Doe antworde Leodegan, die koninck: “Ic wil my beraden ombe dese dinck, Ende en toernet iu niet”, zeidi doen. Doe riep hi te samene sine baroen 17315 Van der tafelronden, ende vragedem des, Welc hier af zijn raet nu es. Doe zeiden die heren: “ons duncket goet Dat gyse onthoudet, want haer moet Ende haer gelaet toent wel in scijn, 17320 Datsi koene ende stout zijn; Ende biddet hem, datsi iu seggen tsamen, So si ierst mogen, haer namen, Ende wie si sijn ende wt wat landen”. Dus sciede die raet; doe ginc te hande 17325 Leodegan daer die drie koninge stonden, Ende zeide, “gy heren, na mijn orconden Hevet my wonder herde goet, Dat men iu namen niet weten moet, Ende desgelikes en hoerde ic noit eer; 17330 Maer gy duncket my so goet ende geheer 192 Ende van manieren so gedaen, Dat ic iu wil gerne ontvaen Vor heren ende myne gesellen nu; Maer gy zult my by trouwen, zeggic iu, 17335 Geloven dat gy my helpen zelt Tegen al diegene met gewelt, Die my letten willen ocht scade meren, Dat gy dat na uwer macht zelt weren Also lange als gy in myner geselscap zijt; 17340 Voert biddic iu oec, te deser tijt, Dat gy iu zelt, by uwer genaden, So gy ierst moget, beraden, Ende my zeggen wie gy zijt dan, Want my geleget daer niet anders an 17345 Dat ic des bidde, dat gy moget wesen Selke liede, dat ic van desen Grote scande mochte hebben nu, Dat ic niet en dede vor iu Dienen altoes na uwer waerde met; 17350 Want by aventuren gy zijt bet Geboren ende riker dan ic bem”. Doe antworden die drie koninge hem: “Gy en selt ons doen negene dinge, Des en sal ons wael genoegen sonderlinge”. 17355 Ende voert gelovede daer die koninck Ban, Datsi hem zullen zeggen daeran Haer namen, ende wie si sijn mede Ende hem oec dienen in elker stede Als des es tijt ende stonde, God weet; 17360 Dus was daer gedaen die eet Ende gesekert van den ridders valiant In des koninges Leodegans hant. Doe scieden die drie koninge van daer Ende voeren in die stat naer, 17365 Ende Merlijn leidese doe na das In een borgers hues, die jonc was Ende een goet man, maer niet rike En was hi; maer zekerlike Sijn herberge was scone ende suverleke 17370 Ende wael gesiret ende te gereke, Ende hiet Bliaris ende hadde een wijf, Die goet was ende leide een reine lijf Ende was geheten Lionel mede. Doe die drie koninge ter stede 17375 Quamen, doe hietse na desen Die waert groet wellecome wesen, Si beten ende gingen in die sael, Die groet was ende getoevet wael, Entie cnapen namen die paerde daer 17380 Ende dadense wael te gemake naer. Dus lagen si achte dage nu, Datsi anders niet en daden, zeggic iu, Dan si aten ende dronken mede, Ende daden te gemake haer lede 17385 Ende gingen te hove, als hem dochte goet, Morgens ende avendes, des zijt vroet, Dat hem die koninck Leodegan dede Grote ere te meneger stede, Dat men te wonder mochte ansien; 17390 Ende dit en sal hem niet nadien Dunken verloren, als hi se kint, Dat hi hem gedaen hevet sint. Binnen dien datsi dageden daeran, So ontboet die koninck Leodegan, 17395 Al sijn koninckryke doer, na dien doen, Alle die wapene waren gewoen Te dragene, datsi tot hem quamen Ter opvaert, alse daerna te samen Te varene op haer viande, God weet, 17400 Ende hem daer te verwerene gereet. Ende alsi alle so vergadert waren, Dadese die koninck varen daernare Onder die stat van Coronasse vorwaer, Ende dadese alle logieren daer 17405 In ene partie scone alsoe; Daer wasser elve dusent doe, Noch en warensi vorwaer Niet half komen, die noch daer Comen souden; ende in der stat 17410 Wasser tien dusent, die altoes, wet dat, In der stede woneden daer. Ende al die wile, wet vorwaer, Dat die koninck Leodegan ontboet sine liede Op enen dinxedach, daer gesciede 17415 Namiddach op enen Meyavont, Dat die koninck Galeont Entie koninck Pharions mede Waren gevaren doe ter stede Wten heer, met sestien dusent man, 17420 Wael te harnas, ende voeren daeran 193 Ombe vitalie, dat lant al duer, Die si doe hadden ter uer, Si quamen vor Coronasse, die stede, Al rovende, daer die koninck lach mede, 17425 Leodegan, ende hadde daer nu Sine liede ontboden, als ic zeide iu, Die daer in der mersch lagen by; Ende daer die liede hoerden dat gekry Ende dat geruchte in der stede, 17430 Dat diegene makeden mede, Die den roef brachten daer, Dat si gerovet hadden vorwaer In den lande overal; Doe si hoerden dat gescal 17435 Entie van der stat worden gewaer Dat viande sijn, die komen daer, Liepensi ten poerten vaste doe, Ende slotense allegader toe. Dat daer negeen viant binnen 17440 Comen en mochte in genen sinnen; Entie ridder, die daer lagen, Daer wi hier voeraf daden gewagen, Gingen hem wapenen dapperlike daer Ende saten op haer ors daernaer, 17445 Ende reden ten poerten van der stat Ende samelden hem binnen dat. Daer quamen die ridder van der tafelronden Al op gewapent te dien stonden Ende theerscap van hem hadde een deel 17450 Hervy, dien men hetet van Riveel, Ende Madinus, die swarte, mede, Ende Triales, die brune, ter stede; Ende haerre was twehondert wale Ende vijftich mede, by getale, 17455 Die alle vrome ridder waren Ten wapene, sodat men, twaren, Negeen beter zoecken mochte; Dese waren alle sonder vrochte In ene batalie onder hem gescaert, 17460 Wantsi en wouden onder niemans ruwaert Wesen dan met hem selven allene. Bander side bereiden hem gemene Die ridders van der stat nadas, Dier daer wel tien dusent was. 17465 Die geleide die drossate na des, Die geheten es Cleodales Van Coronasse, ende ter heervaert Plach hi te voeren des koninges standaert; Maer sint die ridder van der tafelronden 17470 In dat lant quamen, van dien stonden, So en voerdene nieman dan Hervy; Maer die drossate voerde daerby Ene banier met kele ter stede, Met kronen van goude gesaeit mede, 17475 Entie banier voerde nu Hervy, daerinne stonden, zeggic iu, Vier kronen van goude, God weet; Ende doe si alle waren gereet, Beidensi des koninck Leodegans aldaer; 17480 Ende doe hi komen was, reet hi daernaer Onder Hervis standert saen. Doe beide hi daer totdat si verstaen Hebben, dat die Sennen komen Al gebattelgiert, alsi vernomen 17485 Hebben; dese dus komende daer Gescaerdensi hem oec daernaer. Entie koninck Artur was oec wale Gewapent, ende met al te male Sinen gesellen, ende oec mede 17490 Op goede orse geseten ter stede; Ende Merlijn woude Arturs baniere Voeren, ende beval daer sciere Hem allen, dat si hem volgen nare Waer dat hi vor sal varen: 17495 “Ende des en laet om negene dinge, Gy en volget my alle sonderlinge”. Si zeiden, si en soudens laten niet Omb negeen dinck dat gesciet. Dus voerensi daer te gader nadat, 17500 Die twe-ende-veertich gesellen, dor die stat, Ende Merlijn voerde een teken daer, Dat menechwerf des dages, vorwaer, Te groten wonder was angesien, Wat daer ane soude gescien; 17505 Want hi voerde boven der banieren Opdat inde in deser manieren Enen clenen drake roet, Die den staert hadde so groet, Dat hi anderhalf gelacht was lanck 17510 Ende gekronkelt al ombeganck. 194 Ende hi hadde die kele so wijt, Dat allen diene sagen ter tijt, Dochte die tonge aldaer ter stede Vreeslyck altenen bernen mede, 17515 Ende bi wilen voeren hem ongiere Uten monde vlammen van viere, Die boven in der lucht aldaer Voeren bernende, wet vorwaer. Dit sach menech te wonder an 17520 Des dages, enten koninck Leodegan Wonderdes meer dan ieman daer, Ende dachte daerop sovele naer, Dat hi hem daeraf vervaerde nu Van groten wonder, seggic iu. 17525 Mettien quamen der Sennen koninge daer, Die buten der poerten waren vorwaer Entie Gigante, ende nadat Brakensi hore speer ter stat Optie poerten van der stede, 17530 Ende keerden nederwaert oec mede, Daer die bome stonden in bloye, Ende namen daer die scaep ende coye Ende menech beeste; want hem daer Nieman verboet, wetet vorwaer. 17535 Ende Merlijn, die nu vorreet, Quam tot voer die poerte gereet, Ende zeide: “poerter, ondoe die poerte nu. Ende laet ons wt, des biddic iu”. Die poerter zeide: “dat en mach niet wesen. 17540 Die koninck en kome selve te desen, Ende hetet my dat icse ondoe”. “Dit moet sijn”, zeide Merlijn doe, “Ter quader tijt dat ic des bidde dy Want ic machteger hieraf ben dan gy, 17545 Ende Merlijn greep den slegel daer Van der poerten, ende trak hem naer, Entie poerte voer op daer alsoe, Ende si reden ute daertoe Wien lief, wien leet, ende also saen 17550 Alsi uter poerten waren, sonder waen, So sloet die poerte na hem alsoe Ende was also vaste besloten doe Alsi te voren was mede, Des wonderde herde sere ter stede 17555 Den koninck Bohort ende koninck Ban Ende segenden hem hierombe dan; Ende Merlijn liet henedraven daer Ende reet so sere, dat hi daernaer Der Sennen verhaelde ene partye, 17560 Die daer in der praierie Enen roef hadden gedaen, Dier was wel sevendusent, sonder waen. Also vro alse Merlijn sach, Sloech hi in hem al dat hi mach, 17565 Ende sine geselscap volgede naer, Ende vergaderde in hem allen daer Met groter kracht, ende sloecher doet Vele ende wondede in dat conroet, Si haddense gesconfiert in korter wile 17570 Dan men soude mogen [gaen] ene mile, Ende namen dat goet, ende drevense ter vaert Also vor hem ter statwaert. Ende alsi vor die poerte quamen, Onlanges daerna si vernamen 17575 Die Gigante, dier wel was Sestien dusent, zijt seker das, Die so groten roef brachten daer, Dat wonder was te siene vorwaer; Ende doese Merlijn sach, zeide hy: 17580 “Nu vaste alle volget my”. Si zeiden, zi zouden, zijt seker des, Also vro alse Merlijn getrocken es, Wispelde hi ende zeide sine woert, Die also toter dinck behoert; 17585 Ende altehant so quam een wint, Ende so groet stof omtrint, Dat onvertellech te seggene waer, Ende dat stof vil daer maer Optie Gigante, dat van dien 17590 Dene den ander niet [en] konde sien, Ende hem dochte dat daer te samen Herde vele liede tegen hem quamen. Daer sloegen die twe-ende-veertich gesellen So menegen doet ende vellen, 17595 Dat wonder was te siene an. Doe geboet die koninck Leodegan, Dat men die poerten daer ontslute; Doe so voer daer ierstwerf ute Die drossate met sevendusent man, 17600 Ende vier dusent bleven in der stat voertan 195 Die die stat zullen houden daer; Ende si namen den roef daernaer, Dien Merlijn met sinen gesellen brachte Ende voerdense in die stat met krachte; 17605 Entie drossate Cleodales Es nu komen daer Merlijn es, Ende sloech in met groter kracht; Daer wart gebroken menech scacht, Entie swaerde hoerde men clinken 17610 Men ginck daervan slagen scinken; Maer van den twe-ende-veertich gesellen. Daeraf mochte men wonder tellen. Ende als der Gygante koninge sien, Dat mense aldus bestont, mettien 17615 Deelden si haer liede in tween daer; Tien dusent bleeffer stridene naer Tegen diegene die daer waren; Entie ander sesdusent zijn gevaren Tegen diegene van der tafelronden, 17620 Dier was twehondert ende vijftich ten stonden; Dese quamen metten koninge Leodegan. Daer sloech deen in den ander dan; Doe daden daer die van der tafelronden So wael, dat men daer lange stonden 17625 Af spreken sal; want si twehondert Ende si vijftich al gesondert Streden tegen sesdusent man; Maer si hielden hem so vaste an, Datse nieman [en] konde dorbreken 17630 No dorriden no dorsteken. Alse dit sach die koninck Riolens Ende mede die koninck Placiens. Hadde hem onwaert, dat si geduren Mochten tegen hem ter uren 17635 Ende swoeren datter haerre negeen Ontgaen en souden overeen. Doe sloegensi op hem daernaer, Datsire wel xl velden daer, Ende haddense gerne gequetset nu: 17640 Maer haer gesellen, seggic iu Bescuddense herde wel ter stede; Ende ten selven pongyse mede Was die koninck Leodegan, sonder waen, Afgesteken ende gevaen, 17645 Ende men voerdene met vijfhondert man Toten koninck Rione voertan Herde blydelike, ombedat sy Hoer orloch inden, meenden daerby Dat koninckrijke winnen mede. 17650 Si haesten hem sere enwech ter stede; Ende als die koninck sach, dat hy Gevangen was, doe zeidi: “och my!” Ende vil dicke in onmachte daer; Want hi sach wel daernaer, 17655 Dat hijt al verloren hevet nu. Hi clagede ende weende, zeggic iu, Ende hadden hem oec gevoert na dat Ene grote mile van der stat. Doe wart rouwe daer ende mesbaer, 17660 Doe dat sine liede sagen daer Dat hoer heer voer enwech ter stede. Die twehondert ende vijftich mede Streden nu sere ende anxtleke an Ombe die sesdusent man, 17665 Ende zeiden, sint daertoe comen waer, Datsi moesten verkopen daer Horen doet, si zouden hem so verkopen al, Dat men daer embermeer af spreken sal. Doe trocken si vaste tegader daer, 17670 Dat mense niet mochte sceiden naer, Ende gaven biel, gelijc dat doet Een ever, ende sloegen menegen doet; Entie in der stat opter muren lagen, Ende dit grote wonder ansagen, 17675 Weenden jamerlick ende seer; Ende doe Jenovre sach horen heer, Horen vader sach enwech voeren daer, Makedesi so groet mesbaer, Datsi hoer selve wel na ter stede 17680 Hadde gedodet; ende doe si sach mede Den strijt so groet, ende tonder soe, Ende in so groten anxte doe Hoer liede, des was si in vare Ende Cleodales, die drossate mare, 17685 Entie twe ende veertech gesellen mede Sachsi tonder sere, ter stede, Ende gewont ende tachter gedaen; Maer die van der tafelronde, sonder waen, Waren noch meer tonder seer, 17690 Sodat die joncfrouw nembermeer 196 Horen vader en meende sien. Doe si dus vochten scire mettien, Voer Merlijn uten stryde daernaer Met siner banieren, ende riep daer 17695 Sine gesellen, diene volgeden saen; Ende hi liet vaste henegaen Wat sijn ors mochte gerinnen, Ende verhaelde hierenbinnen Die enwech voerden den koninck Leodegan, 17700 Ende dier was vijfhondert man. Doe sprac Merlyn te sinen gesellen daer: “Gy, heren, besiet iu wel hier naer, Dat ons die zijn in desen hoep Negeen ontga, hi en sij doet; 17705 Want ontgaet er iu ienich nu, Gy zijt onteert, dat zeggic iu”. Doe sloegensi met sporen in Met sulker kracht, in dat begin, Datsi dat al doet sloegen daer, 17710 Wat hem iegen quam vorwaer; Ende in herde korter uren daeran Hadden si dodet die seshondert man Sonder vive, die hem ontgingen. Doe vernam van desen dingen 17715 Die koninck Leodegan, die here, Verwonderde hem utermaten sere Wie diegene waren, zeggic iu, Die met so luttel lieden nu So menegen man hadden verslagen. 17720 Doe sach hi daer den drakenwagen Dien Merlijn droech op siner banieren Doe wisti wel dattet die sondenieren Waren, die hi onthouden hadde ere; Doe anbade hi Gode ende danktene sere 17725 Dat hi hem sulken troest sende nu; Ende Merlijn voer tot hem, seggic iu, Ende Ulfijn ende Bretel ten stonden Leodegan vonden aldaer gebonden; Doe stondensi af ende ontbondene daer |
191 Hoe koning Arthur en koning Ban en koning Bohort koning Leodegan hielpen zijn land te verweren tegen koning Rioen. Het avontuur zegt nu voert Van Arthur en koning Bohort En van koning Ban. Toen deze waren 17250 Van Bredigan gegaan, te waren Voeren ze te Carmelide; dus reden ze daar Zodat ze te Palmzondag voorwaar Kwamen in de stad Coronasse, Die stond bij een groot moeras. 17255 Daar voer Merlijn op een paard groet; Hij wilde de koning in geen nood Laten, hij wou hem aanraden; Ze volgden alle Merlijn met stade, En leidde ze tot voor Leodegan’s zaal, 17260 Die ongemakkelijk was, weet ik wel, En zeer bedroefd, zeg ik u. Want koning Rioen was getrokken nu In zijn land met vijftien koningen; En ze hadden gehad onderling 17265 Een strijd, daar Leodegan in was Geschoffeerd; en de vijanden na dat Belegerden Deneblase, die goede stad, Erg nauw; ik zeg u, dat Hij daar zoveel lieden heeft gebracht, 17270 Dat koning Leodegans macht Niet was tegen bestand. Op een tijd de koning zich beraadde Met de ridders van de tafelronden, Wat hij doen mocht ten stonden; 17275 En al die tijd, dat ze zich daar Aldus beraden, zo kwam hem daarnaar Koning Arthur en zijn gezellen, En daar waren er een en veertig zoals we tellen, En Merlijn was de twee en veertigste, dat weet; 17280 Ze waren rijkelijk gekleed mee, En waren alle jonge edellieden Uitgezonderd de twee koningen; ze waren meer Onderdanig dan de andere, en omdat Gingen ze voor, daar de koning zat, 17285 Die opstond toen hij ze heeft vernomen, Want hij dacht, bij hun aankomst, Dat ze hoge en edele lieden waren. Toen sprak koning Ban daarnaar En begroette hem en de andere na dezen, 17290 En hij zei ze weer welkom te wezen, Omdat ze om goed kwamen dan. “Om goed?” zei hij, koning Ban, “Bij God, om geen erg, heer, Zijn we tot u gekomen meer 17295 Uit onze landen; maar we zijn nu U komen dienen, dat zeg ik u, Omdat gij dus begeert, en ook moet gij Ons allen beloven mede, dat gij, Nog van uw de uwen ook mede 17300 Niemand vragen zal, te gene plaats, Wie we zijn of hoe we heten, Voordat we u dat zelf laten weten; En wil ge ons zo behouden niet, Dan gaan we heen, wat er geschiedt, 17305 Want we zullen volk vinden al, Die ons dus opvangen zal, En omdat we hebben horen zeggen wel, Dat ge ontvangt ridders snel En soldaten, zo komen we hier dan; 17310 Nu zie, of ge ons dus wilt ontvangen dan”. Toen antwoordde Leodegan, de koning: “Ik wil me beraden om dit ding, En vertoorn u niet”, zei hij toen. Toen riep hij tezamen zijn baronnen 17315 Van de tafelronden, en vroeg hen dit, Wat hiervan hun raad nu is. Toen zeiden die heren: “ons lijkt het goed Dat ge ze ontvangt, want hun moed En hun gelaat toont wel in schijn, 17320 Dat ze koen en dapper zijn; En bidt hen, dat ze u zeggen tezamen, Zo gauw ze kunnen, hun namen, En wie ze zijn en uit welke landen”. Dus scheidde de raad; toen ging gelijk 17325 Leodegan daar de drie koningen stonden, En zei, “gij heren, naar mijn oorkonde Heeft me verwondert erg goed, Dat men uw namen niet weten moet, En dergelijks hoorde ik nooit eerder; 17330 Maar ge lijkt me zulke goede heer 192 En van manieren zo gedaan, Dat ik u graag wil ontvangen Voor heren en mijn gezellen nu; Maar ge zal me bij trouw, zeg ik u, 17335 Beloven dat ge me helpen zal Tegen al diegene met geweld, Die me beletten willen of schade vermeerderen, Dat ge dat naar uw macht zal weren Alzo lang als ge in mijn gezelschap bent; 17340 Voorts bid ik u ook, in deze tijd, Dat ge u zal, bij uw genaden, Zo ge eerst kan, beraden, En me zeggen wie ge bent dan, Want er ligt me daar niets anders aan 17345 Dat ik dus bid, dat ge mag wezen Zulke lieden, dat ik van deze Grote schande mocht hebben nu, Dat ik niet deed voor u Dienen altijd naar uw waarde mee; 17350 Want bij avonturen ge bent beter Geboren en rijker dan ik ben”. Toen antwoordden de drie koningen hem: “Ge zal ons doen geen ding, Dus zal het ons wel vergenoegen bijzonderling”. 17355 En voorts beloofde daar koning Ban, Dat ze hem zullen zeggen daaraan Hun namen, en wie ze zijn mede En hem ook dienen in elke plaats Als het dus tijd en stonde, God weet; 17360 Dus was daar gedaan die eed En verzekerd van de ridders dapper In koning Leodegans hand. Toen scheiden de drie koningen vandaar En voeren in de stad daarnaar, 17365 En Merlijn leidde ze toen na dat In een burges huis, die jong was En een goede man, maar niet rijk Was hij; maar zekerlijk Zijn herberg was mooi en zuiver 17370 En goed versierd en in goede toestand, En heet Bliaris en had een wijf, Die goed was en leidde een rein lijf En was geheten Lionel mede. Toen de drie koningen ter plaatse 17375 Kwamen, toen zei na deze De waard groot welkom te wezen, Ze stegen af en gingen in de zaal, Die groot was en getooid goed, En de knapen namen de paarden daar 17380 En lieten zich goed te gemak daarna. Aldus lagen ze acht dagen nu, Dat ze niets anders deden, zeg ik u, Dan ze aten en dronken mede, En deden op hun gemak hun leden 17385 En gingen naar het hof, als hen dacht goed, ‘s Morgens en ‘s avond, dus wees bekend, Dat hen koning Leodegan deed Grote eer te menige plaats, Dat men het met verwondering mocht aanzien; 17390 En dit zal hem niet nadien Lijken verloren, toen hij ze kende, Dat hij hen gedaan heeft sinds. Binnen die dagen daaraan, Zo ontbood koning Leodegan, 17395 Zijn hele koningrijk door, na dat doen, Allen die wapens waren gewoon Te dragen, dat ze tot hem kwamen Ter vaart, als om daarna tezamen Te varen op hun vijanden, God weet, 17400 En hen daar te verweren gereed. En toen ze alle zo verzameld waren, Liet de koning ze varen daarnaar Onder de stad van Coronasse voorwaar, En liet ze allen logeren daar 17405 In een gedeelte mooi alzo; Daar waren er elf duizend toen, Nog waren ze voorwaar Niet voor de helft gekomen, die nog daar Komen zouden; en in de stad 17410 Waren er tienduizend, die altijd, weet dat, In de stad woonden daar. En al die tijd, weet voorwaar, Dat koning Leodegan ontbood zijn lieden Op een dinsdag, daar geschiedde 17415 Namiddag op een meiavond, Dat koning Galeont En koning Pharions mede Waren gevaren toen ter plaatse Uit het leger, met zestien duizend man, 17420 Goed te harnas, en voeren daaraan 193 Om voedsel, dat land geheel door, Die ze toen hadden ter uur, Ze kwamen voor Coronasse, die stad, Alles roofden, daar de koning lag mede, 17425 Leodegan, en had daar nu Zijn lieden ontboden, zoals ik zei u, Die daar in de vlakte lagen nabij; En daar de lieden hoorden dat gekrijs En dat gerucht in de stede, 17430 Dat diegene maakten mede, Die de roof brachten daar, Dat ze geroofd hadden voorwaar In het land overal; Toen ze hoorden dat geschal 17435 En die van de stad het worden gewaar Dat het vijanden zijn, die komen daar, Liepen ze naar de poorten vast toen, En sloten ze allen toen. Zodat daar geen vijand binnen 17440 Komen mocht in geen zinnen; En de ridders, die daar lagen, Waar we hiervoor van lieten gewagen, Gingen zich wapenen dapper daar En zaten op hun paarden daarnaar, 17445 En reden naar de poorten van de stad En verzamelden zich binnen dat. Daar kwamen de ridders van de tafelronden Geheel gewapend te die stonden En de heerschappij van hen had een deel 17450 Hervy, die men noemt van Riveel, En Madinus, die zwarte, mede, En Triales, de bruine, ter stede; En van hen waren er tweehonderd wel En vijftig mede, bij getal, 17455 Die alle dappere ridders waren Te wapen, zodat men, te waren, Geen betere zoeken mocht; Deze waren allen zonder vreees In een bataljon onder hem geschaard, 17460 Want ze wilden onder niemand beheer Wezen dan met zichzelf alleen. Aan de andere zijde bereiden zich algemeen De ridders van de stad na dat, Daar er wel tien duizend van was. 17465 Die begeleidde de drost na dit, Die genoemd is Cleodales Van Coronasse, en ter krijgstocht Plag hij te voeren de konings standaard; Maar sinds de ridders van de tafelronden 17470 In dat land kwamen, vanaf die stonden, Zo voerde het niemand dan Hervy; Maar de drost voerde daarbij Een banier met een keel ter plaatse, Met kronen van goud bezaaid mede, 17475 En dat banier voerde nu Hervy, daarin stonden, zeg ik u, Vier kronen van goud, God weet; En toen ze allen waren gereed, Wachten ze op koning Leodegan aldaar; 17480 En toen hij gekomen was, reed hij daarnaar Onder Hervy’s standaard gelijk. Toen wachtte hij daar totdat ze verstaan Hebben, dat de Sennen komen Alle in bataljons, zoal ze vernomen 17485 Hebben; deze dus komen daar Schaarden ze zich ook daarnaar. En koning Arthur was ook wel Gewapend, en mee allemaal Zijn gezellen, en ook mede 17490 Op goede paarden gezeten ter plaatse; En Merlijn wilde Arthurs banier Voeren, en beval daar snel Hen allen, dat ze hem volgen daarnaar Waar dat hij voor zal varen: 17495 “En dus laat het om geen ding, Ge volgt me allen bijzonderling”. Ze zeiden, ze zouden het laten niet Om geen ding dat geschiedt. Dus voeren ze daar tezamen nadat, 17500 Die twee-en-veertig gezellen, door die stad, En Merlijn voerde een teken daar, Dat vaak per dag, voorwaar, Tot grote verwondering was aangezien, Wat daaraan zou geschieden; 17505 Want hij voerde boven de banieren Op dat einde in deze manieren Een kleine draak rood, Die de staart had zo groot, Dat hij anderhalf vadem was lang 17510 En gekronkeld al omgaande. 194 En het had de keel zo wijd, Dat alle die het zagen toen ter tijd, Dachten dat de tong aldaar ter plaatse Vreselijk altijd brandde mede, 17515 En soms voeren hem onguur Uit de mond vlammen van vuur, Die boven in de lucht aldaar Ging branden, weet voorwaar. Dit zag menigeen met verwondering aan 17520 Die dagen, en koning Leodegan Verwonderde zich meer dan iemand daar, En dacht daarop zoveel daarnaar, Dat hij daarvan schrok nu Van het grote wonder, zeg ik u. 17525 Meteen kwamen de Sennen konineng daar, Die buiten de poorten waren voorwaar En de giganten, en na dat Braken ze hun speren ter plaatse Op de poorten van de stede, 17530 En keerden naar beneden ook mede, Daar de bomen stonden in bloei, En namen daar de schapen en koeien En menig beest; want hen daar Niemand het verbood, weet voorwaar. 17535 En Merlijn, die nu voor reed, Kwam tot voor die poort gereed, En zei: “poorter, open die poort nu. En laat ons er uit, dus bid ik u”. De poorter zei: “dat mag niet wezen. 17540 De koning komt zelf tot deze, En zegt me dat ik ze open”. “Dit moet zijn”, zei Merlijn toen, “In kwade tijd dat ik dus bid u Want ik machtiger hier ben dan gij, 17545 En Merlijn greep de houten hamer daar Van de poort, en trok hem daarnaar, En de poort ging open daar alzo, En ze reden uit daartoe Wie het lief, wie het leed was, en alzo gelijk 17550 Toen ze uit de poort waren, zonder waan, Zo sloot de poort na hen alzo En was toen zo vast besloten toen Zoals ze tevoren was mede, Dus verwonderde dat erg zeer ter stede 17555 Koning Bohort en koning Ban En zegenden zich hierom dan; En Merlijn liet heen draven daar En reed zo zeer, zodat hij daarnaar De Sennen inhaalde een partij, 17560 Die daar in de prairie Een roof hadden gedaan, Daar waren er wel zevenduizend, zonder waan. Alzo gauw als Merlijn ze zag, Sloeg hij in hen al dat hij mag, 17565 En zijn gezelschap volgde daarnaar, En verzamelde bij hem allen daar Met grote kracht, en sloegen er dood Veel en verwondden in dat konvooi, Ze hadden ze geschoffeerd in zo korte tijd 17570 Dan men zou mogen gaan een mijl, En namen dat goed, en dreven het ter vaart Alzo voor hen ter stad waart. En toen ze voor de poort kwamen, Gauw daarna ze vernamen 17575 De giganten, die er wel waren Zestien duizend, zij het zeker dat, Die zo’n grote roof brachten daar, Dat het een wonder was te zien voorwaar; En toen Merlijn ze zag, zei hij: 17580 “Nu vast allen volg mij”. Ze zeiden, ze zouden, zij het zeker dit, Alzo vroeg als Merlijn vertrokken is, Lispelde hij en zei zijn woord, Die alzo tot dat ding behoort; 17585 En gelijk zo kwam een wind, En zo veel stof omtrent, Dat het niet te vertellen is waar, En dat stof viel daar maar Op de giganten, zodat van die 17590 De ene de ander niet kon zien, En ze dachten dat daar tezamen Erg veel lieden tegen hen kwamen. Daar sloegen die twee-en-veertig gezellen Zo menige dood en velden, 17595 Dat het een wonder was te zien aan. Toen gebood koning Leodegan, Dat men de poorten daar opent; Toen zo voer daar de eerste keer uit De drost met zevenduizend man, 17600 En vier duizend bleven in de stad voortaan 195 Die de stad zullen behouden daar; En ze namen de roof daarnaar, Die Merlijn met zijn gezellen bracht En voerden ze in de stad met kracht; 17605 En de drost Cleodales Is nu gekomen daar Merlijn is, En sloeg in met grote kracht; Daar werd gebroken menig schacht, En de zwaarden hoorde men klinken 17610 Men ging daar van slagen schenken; Maar van de twee-en-veertig gezellen. Daarvan mocht men een wonder vertellen. En toen de giganten koningen zien, Dat men ze aldus bestond, meteen 17615 Verdeelden hij zijn lieden in tweeën daar; Tien duizend bleven er strijden daarnaar Tegen diegene die daar waren; En de andere zesduizend zijn gevaren Tegen diegene van de tafelronden, 17620 Daar waren er tweehonderd en vijftig ten stonden; Deze kwamen met koning Leodegan. Daar sloeg de een in de ander dan; Toen deden het daar die van de tafelronden Zo goed, dat men daar lange stonden 17625 Van spreken zal; want zij tweehonderd En zij vijftig afgezonderd Streden tegen zesduizend man; Maar ze hielden zich zo vast aan, Dat niemand hen kon doorbreken 17630 Niet doorrijden nog doorsteken. Toen dit zag koning Rioen En mede koning Placiens. Was het hen onwaardig, dat ze geduren Mochten tegen hen ter uren 17635 En zwoeren dat er van hen geen Ontgaan zouden overeen. Toen sloegen ze op hen daarnaar, Zodat ze er wel 40 velden daar, En hadden ze graag gekwetst nu: 17640 Maar hun gezellen, zeg ik u Behoeden ze erg goed ter plaatse; En in dezelfden steken mede Was koning Leodegan, zonder waan, Afgestoken en gevangen, 17645 En men ging met vijfhonderd man Tot koning Rioen voortaan Erg blij, omdat zij Hun oorlog eindigde, ze daarbij Dat koningrijk te winnen mede. 17650 Ze haasten zich zeer weg ter plaatse; En toen die koning zag, dat hij Gevangen was, toen zei hij: “och mij!” En viel vaak in onmacht daar; Want hij zag wel daarnaar, 17655 Dat hij het geheel verloren heeft nu. Hij klaagde en weende, zeg ik u, En ze hadden hem ook gevoerd na dat Een grote mijl van de stad. Toen werd rouw daar en misbaar, 17660 Toen dat zijn lieden zagen daar Dat hun heer voer weg ter stede. Die tweehonderd en vijftig mede Streden nu zeer en angstig aan Vanwege die zesduizend man, 17665 En zeiden, sinds ze daar gekomen waren, Dat ze moesten verkopen daar Hun dood, ze zouden het zo verkopen al, Dat men daar immermeer van spreken zal. Toen trokken ze vast tezamen daar, 17670 Zodat men ze niet mocht scheiden daarnaar, En gaven weerstand, gelijk dat doet Een ever, en sloegen menigeen dood; En die in de stad op de muren lagen, En dit grote wonder aanzagen, 17675 Weenden jammerlijk en zeer; En toen Jenover zag haar heer, Haar vader zag weg voeren daar, Maakte ze zo groot misbaar, Dat ze zichzelf bijna ter plaatse 17680 Had gedood; en toen ze zag mede De strijd zo groot, en ten onder zo, En in zo grote angst toen Hun lieden, dus was ze in gevaar En Cleodales, de drost maar, 17685 En de twee en veertig gezellen mede Zag ze ten onder zeer, ter plaatse, En gewond en naar achter gedaan; Maar die van de tafelronde, zonder waan, Waren noch meer ten onder zeer, 17690 Zodat die jonkvrouw nimmermeer 196 Haar vader meende te zien. Toen ze dus vochten vrijwel meteen, Voer Merlijn uit de strijd daarnaar Met zijn banier, en riep daar 17695 Zijn gezellen, die hem volgden gelijk; En hij liet ze vast heengaan Wat zijn paard mocht rennen, En haalde in hier binnen Die weg voerden koning Leodegan, 17700 En van die waren er vijfhonderd man. Toen sprak Merlijn tot zijn gezellen daar: “Gij, heren, beziet het goed hiernaar, Dat van ons die zijn in deze hoop Geen ontgaat, hij gaat dood; 17705 Want ontgaat er u enig nu, Ge bent onteerd, dat zeg ik u”. Toen sloegen ze met sporen in Met zo ‘n kracht, in dat begin, Zodat ze alles dood sloegen daar, 17710 Wat hen tegen kwam voorwaar; En in erg korte uren daaraan Hadden ze gedood die zeshonderd man Uitgezonderd vijf, die hen ontgingen. Toen vernam van deze dingen 17715 Koning Leodegan, die heer, Verwonderde hij zich uitermate zeer Wie diegene waren, zeg ik u, Die met zo weinig lieden nu Zoveel mannen hadden verslagen. 17720 Toen zag hij daar de drakenwagen Die Merlijn droeg op zijn banier Toen wist hij wel dat het die soldaten Waren, die hij onthouden had eer; Toen bad hij God en dankte hem zeer 17725 Dat hij hem zo’n troost zond nu; En Merlijn voer tot hem, zeg ik u, En Ulfijn en Bretel ten stonden Leodegan vonden ze daar gebonden; Toen stapten ze af en ontbonden daar |
17730 Ende wapendene wel daernaer, Ende holpen hem op een ors mede. Doe zeide Merlijn daer ter stede: “Dor God volget my! hier es te done”. Doe reet hi ter statwaert na datgone. 17735 Daer vondensi die van der tafelronden So sere vernedert in den stonden, Datter er van tweenhondert ende vijftich man Maer veertich en waren tors voertan, Entie ander waren alle te voet, 17740 Die vochten gelijc die ever doet, Die biel gevet iegen die honde; Ende Merlijn reet te dier stonde So sere dat dorse dropen daer Van zwete; ende daernaer 17745 Vloech den drake in der maniere Ute sinen monde vlammen van viere, Dat diegene die in der stat lagen Op muren ende op palasen wtsagen, Si sagent van over ene halve mile 17750 Dat vier van den drake ter wile. Ende alsise sagen hem naken doe, Wistensi wel dat waren alsoe Die twe-ende-veertich soudeniere voertan, Ende datsi hadden den koninck Leodegan 17755 Bescut; des warensi alle blyde, Ende Jenover was ten selven tyden So blyde, doe si wiste na das Dat haer vader komen was, Datsi altemale verscoet 17760 Ende haer hadde wonder alte groet, Wie die ridders mochten wesen. Nu es Merlijn komen na desen Met sinen twe-ende-veertich serianten, Ende es vergadert an die Giganten, 17765 Die die ridders van der tafelronden Sere onder hadden gedaen ten stonden; Ende die twe-ende-veertich gesellen Gingen die Giganten vellen; Si sloegen so grote slage daer, 17770 Dat mense ten palase hoerde naer. Daer sloech nu die koninck Ban Doet menegen stercken man, Want helm no halsberch negeen En was nember so sterck overeen, 17775 Hi en sloecht al dor ter stede; Sijn swaert was van so goeden snede, Hi sloech des dages menegen slach Dat die slach so sere wach, Dat hi ridder ende ors dorsloech; 17780 Ende Bohort, sijn broeder, droech 197 Een swaert, dat oec wel konde sniden, Hi sloech oec menegen te dien tiden Dat hine clovede mydden ontwee. Maer die koninck wracht wonders mee 17785 Dan men oit sach, sij iu bekant; Hi hadde Caliburne in der hant, Sijn goede swaert, was so noyael, Dat konde sniden yser ende stael; Wat hi daermede rakede ter steden, 17790 Dat hadde al syne tijt geleden; Ende hi pijnde hem te breken die porse Ende reet so ver met sinen orse, Dat hi quam opten koninck Caulant, Die hem daer sere pijnde te hant 17795 Die van der tafelronden onder te doene; Hi was herde groet ende koene, Ende te hant doene Artur sach, Liep hi hem op, al dat hi mach; Hi was vijftien voete lank ter ure 17800 Artur hief sijn swaert Calibure Ende sloechen tuscen den helm, ter stede, Enten canteel van den scilde mede, Met so groter cracht dat hi hem daer Sijn hoeft afsloech, wetet vorwaer, 17805 Ende dat ors liep metten buke alsoe In den strijt onder die liede doe. Desen slach sagen die opter muren Ende ten vinster lagen ter uren In der stat, ende prijsdene sere; 17810 Maer die joncfrou Jenover prijsdene mere Dan alle die ander, ende zeide maer Dat sines gelikes niet en waer. Groet was die batalie entie strijt Vor die poerte van der stat, ter tijt, 17815 Van den twe-ende-veertich gesellen nu Ende van den ridders, dat zeggic iu, Van der tafelronden, die nu streden Tegen sesdusent Sennen, ter steden; Si sloegen so vele ende vochten daer 17820 Dat van den sesdusent Sennen vorwaer En bleven nu maer vierdusent, die seer Tongemake waren omb horen heer, Den koninck, dat sine dus hebben verloren. Die koninck Ban sloech nu voren, 17825 Ende quam an den koninck Pharoen, Dat die meeste man was doen Van al den heer, entie sterckste mede; Entie koninck Ban was ter stede Sterck ende groet, ende hevet verheven 17830 Sijn goede swaert, ende hem gegeven Enen slach neven sijn ore, Entie slach ginck nu dore Al die scouder ende ribben mede Ende clovedene toten gordele, ter stede, 17835 Dat men hem lever ende longen sach; Entie koninck Bohort gaf enen slach Sarmadanne, die voerde die baniere, Den arm af doe herde sciere, Dat die arm entie banier mede 17840 Beide optie aerde vielen ter stede. Den slach sach die koninck Leodegan Ende zeide: “in der werelt nu voertan En zijn negene ridders, die mochten my Bet helpen dan dese soudeniere vry; 17845 God hevet se my angesant nu, Dor siner doget wille, seggic iu”. Ende doe die Sennen haer baniere sagen Ter aerden, ende haren here verslagen, Vloen si alle, dene hier dander daer; 17850 Entie van der stat, wetet vorwaer, Voeren wt diegene helpen slaen, Die daer dus sere vlien gaen. Maer Merlijn en woude hem volgen niet Ende voer in die batalie, die hi siet, 17855 Daer Cleodales, die drossate, vacht Als een lewe met groter cracht Tegen die tien dusent, die leide daer Die koninck Sorganus, wet vorwaer, Entie koninck Sapharnis mede. 17860 Alse Merlijn quam daer ter stede Was Cleodales afgesteken, Ende stont opter aerden ende hielt sijn teken Coenlike op, als die des niet En wil begeven, wat des gesciet; 17865 Entie sine hielden ombe hem daer Beringet, ende bescuddene daer, Maer niet lange en haddet mogen sijn En hadde gedaen Merlijn, Die in hem sloech ter stede, 17870 Ende sine gesellen, die hem volgeden, mede. 198 Die op goeden orsen saten doe; Entie koninck Leodegan volgede embertoe Waer si vorreden, wet vorwaer; Dus vergaderdensi an die Giganten daer. 17875 Doe wart die strijt so over stranck, Men hoerde van den swaerden dat geclanck Wael ene halve myle verre. Men sach daer vallen, sonder merren, Toter aerden die gewonden; 17880 Men sach die orse lopen ten stonden, Sonder here, die nieman en wilde, Ende albebloedet, entie scilde Sach men daer liggen dorhouwen te dale. Daer dadent die twe-ende-veertich so wale, 17885 Dat men daer embermeer af sal spreken, Si daden menegen dat herte breken; Si sloegen al doet dat vor hem quam, Si makeden menegen oec so lam, Dat hi liggende bleef aldaer. 17890 Ende ombe haer grote daden vorwaer So es wael recht dat mense, twaren, By namen nome, wie si waren, Die dese grote vromechede Daden hier ende anderswaer mede: 17895 Dierste was die koninck Ban, Hi was die vroemste ridder dan Die by sinen tijden was; Dander daerna, zijt zeker das, Dat was die koninck Bohort mede, 17900 Die vader was der dogetsaemhede; Die derde was die koninck Artuer, Die was een die stoutste gebuer Sinen vianden, die mochte wesen, Ende also als wy van hem lesen, 17905 So was hi moeder der vromechede Ende suster van aller mildechede, Ende dat kint der wetenheit, Der eren, ende der hovescheit. Die vierde was Antor ter ure 17910 Die ophilt den koninck Arture. Die vijfte was Bretel van der Mesleye Die seste Ulfijn, die sevende Keye Die achtede Grifflet, die negende Lucan, Die tiende Mares, die elfte Gwinnan, 17915 Die twaelfte Drians, die dertiende Belias Die veertiende Flandris, die vijftiende Ladinas Die sestiende Claudas die rode met, Die seventiende Bliot, die achtiende Maret, Die negentiende Blioberes, 17920 Die twintechste Canet es, Die een ende twintechste was Meliadas, Gwinadan die twe ende twintechste was, Die drie ende twintechste Bladite die Gaye Die vier ende twintichste Cristofles die fraye, 17925 Die vijf ende twintichste Plantales, Die ses ende twintichste Lantoles, Die sevenentwintichste Choles ende Ursijn, Die achtentwintichste Aygijn, Die negen en twintichste Calogrenant, 17930 Die dertechste die begeerde Grisolant, Die xxxje Breonder met, Die xxxije was Lambalet, Die xxxiije die stoute Kahenni, Die xxxiiije Maragni, 17935 Die xxxve Agenan, Die xxxvje was Modan, Die xxxvije Clarot was, Die xxxviije Osenan nadas, Die xxxviiije was heer Galet, 17940 Die veertechste was Gongier die Cale met; Baryt, des koninck Bohortes pete, was Die een ende veertechste, ende nadas Was Merlijn die twe ende veertechste man, Entie koninck Leodegan 17945 Was die drie ende veertechste mede, Die van hem niet scede ter stede, Sint dat sine verloesten vorwaer, Als gy hiervor gehoert hebbet claer. Entese drie ende veertech quamen 17950 Den drossate te hulpe altsamen Van Carmelide, die vrome was; Dat sceen daer wael, zijt seker das, Want hi ombe sterven nocht ombe leven Die banier niet en woude begeven, 17955 Nocht ombe negene mesdaet, sonder waen, Die hem die koninck hadde gedaen, Leodegan, also als ic hier nu Te deser tijt sal zeggen iu. Die koninck Leodegan hadde een wijf, 17960 Die edel ende scone was, sonder blijf, Die hi wan met siner vromechede, Die hi dade in meneger stede Daer hi oec diende in langen termyne Met wapene ombe den koninck Sorpine, 17965 Die koninck was van Arragoen, Ende van den castele ende Provensen doen: Ende omb den groten dienst, dien hi hem dede, Gaf hi hem al dat lant entie dochter mede. Wantsi was ene enege joncfrouwe, 17970 Scone enten vader getrouwe, Ende op haer stont te bliven al Dat konincrike, groet ende smal; Ende van den konincrike quam hem daer Groet soccoers, die hem vorwaer 17975 Sijn orloge halp inden al, Alse iu dit boec wael seggen sal. Ende als die co. Leodegan ten tyden Sijn wijf brachte te Carmeliden, Brachtesi met haer ene scone joncfrouwe, 17980 Die zijn drossate minde met goeder trouwe, Ende hi bat sinen here, den koninck, alsoe Dat hise hem tenen wive gave doe, Want hi hem lange hadde gedient Ende hadde gewesen alse sijn vrient 17985 In Provensen ende anderswaer mede Dicke in sinen dienst ter stede, Ende van desmaels haddese die drossate Met herten geminnet bovenmate, Entie koninck, diene minde met trouwe, 17990 Gaf hem gerne die joncfrouwe; Ende doese die drossate hadde daer Onlangs getrouwet, satsi daernaer Tener tafelen by anderen vrouwen, Entie koninck, beganse anscouwen, 17995 Endesi dochte hem so scone wesen, Dat hise begonde minnen na desen, Ende oec seghet dit boec datsi was Die scoenste vrouwe, daer men af las, Ende aldus bleef dit lange alsoe |
17730 En wapenden hem goed daarnaar, En hielpen hem op een paard mede. Toen zei Merlijn daar ter stede: “Door God volgt me! hier is te doen”. Toen reed hij ter stad waart na datgene. 17735 Daar vonden ze die van de tafelronden Zo zeer vernedert in die stonden, Dat er van tweehonderd en vijftig man Maar veertig waren te paard voortaan, En de anderen waren alle te voet, 17740 Die vochten gelijk een ever doet, Die verweer geeft tegen de honden; En Merlijn reed te die stonden Zo zeer dat het paard droop daar Van zweet; en daarnaar 17745 Vloog de draak op die manier Uit zijn mond vlammen van vuur, Zodat diegene die in de stad lagen Op muren en op paleizen uitzagen, Zagen het van over een halve mijl 17750 Dat vuur van de draak terwijl. En toen ze zagen hem naderen toen, Wisten ze wel dat was alzo Die twee-en-veertig soldaten voortaan, En dat ze hadden koning Leodegan 17755 Beschut; dus waren ze alle blij, En Jenover was dezelfde tijden Zo blij, toen ze wist na dat Dat haar vader ontkomen was, Zodat ze geheel verschoot 17760 En haar had het verwonderd al te groot, Wie die ridders mochten wezen. Nu is Merlijn gekomen na deze Met zijn twee-en-veertig bedienden, En is verzameld aan die giganten, 17765 Die de ridders van de tafelronden Zeer onder hadden gedaan ten stonden; En de twee-en-veertig gezellen Gingen die giganten vellen; Ze sloegen zulke grote slagen daar, 17770 Dat men ze te paleis hoorde daarnaar. Daar sloeg nu koning Ban Dood menige sterke man, Want helm of harnas nee geen Was immer zo sterk overeen, 17775 Hij doorsloeg het al ter plaatse; Zijn zwaard was van zo’n goede snede, Hij sloeg dus die dag menige slag Dat de slag zo zeer week, Dat hij ridder en paard doorstak; 17780 En Bohort, zijn broeder, droeg 197 Een zwaard, dat ook wel kon snijden, Hij sloeg ook menigeen te die tijden Zodat hij hen kloofde middendoor. Maar de koning wrocht wonders mee 17785 Dat men ooit zag, is u bekent; Hij had Caliburnus in de hand, Zijn goede zwaard, was zo trouw, Dat kon snijden ijzer en staal; Wat hij daarmee raakte ter plaatse, 17790 Dat had al zijn tijd geleden; En hij pijnigde zich te breken de groep En reed zo ver met zijn paard, Dat hij kwam op koning Cauland, Die zich daar zeer bedacht gelijk 17795 Om die van de tafelronden onder te doen; Hij was erg groot en koen, En gelijk toen hij Arthur zag, Liep hij hem op, al dat hij mag; Hij was vijftien voeten lang ter ure 17800 Arthur hief zijn zwaard Caliburnus En sloegen hem tussen de helm, ter plaatse, En de kant van het schild mede, Met zo’n grote kracht dat hij hem daar Zijn hoofd afsloeg, weet voorwaar, 17805 En dat paard liep met een buik alzo In de strijd onder de lieden toen. Deze slag zagen die op de muren En die te venster lagen ter uren In de stad, en prezen zeer; 17810 Maar die jonkvrouw Jenover prees hem meer Dan al die anderen, en zei maar Dat zijn gelijke er niet waar. Groot was de slag en de strijd Voor de poort van de stad, ter tijd, 17815 Van de twee-en-veertig gezellen nu En van de ridders, dat zeg ik u, Van de tafelronden, die nu streden Tegen zesduizend Sennen, ter plaatse; Ze sloegen zoveel en vochten daar 17820 Dat van de zesduizend Sennen voorwaar Er bleven nu maar vierduizend, die zeer Te ongemak waren vanwege hun heer, De koning, dat ze hem dus hebben verloren. Koning Ban sloeg nu voren, 17825 En kwam aan koning Pharoen, Dat de grootse man was toen Van het hele leger, en de sterkste mede; En koning Ban was ter plaatse Sterk en groot, en heeft verheven 17830 Zijn goede zwaard, en hem gegeven Een slag naast zijn oren, En die slag ging nu door De hele schouder en ribben mede En kloofde hem tot de gordel, ter plaatse, 17835 Zodat men zijn lever en longen zag; En koning Bohort gaf een slag Sarmadanne, die voerde het banier, De arm af toen erg snel, Zodat de arm en het banier mede 17840 Beide op de aarde vielen ter plaatse. Die slag zag koning Leodegan En zei: “in de wereld nu voortaan Zijn geen ridders, die mochten mij Beter helpen dan deze soldaten vrij; 17845 God heeft ze me gezonden nu, Dor zijn deugd wil, zeg ik u”. En toen de Sennen hun banier zagen Ter aarden, en hun heer verslagen, Vlogen ze alle, de ene hier en de ander daar; 17850 En die van de stad, weet voorwaar, Voeren uit om diegene helpen te slaan, Die daar dus zeer vlieden gaan. Maar Merlijn wilde hen volgen niet En voer in de slag, die hij ziet, 17855 Daar Cleodales, de drost, vecht Als een leeuw met grote kracht Tegen de tien duizend, die leidde daar Koning Sorganus, weet voorwaar, En koning Sapharnis mede. 17860 Toen Merlijn kwam daar ter plaatse Was Cleodales afgestoken, En stond op de aarde en hield zijn teken Koen op, zoals een die dus niet Wil opgeven, wat er dus geschiedt; 17865 En de zijnen hielden hem daar Omringt, en behoedde daar, Maar niet lang had het mogen zijn Had niet gedaan Merlijn, Die in hen sloeg ter plaatse, 17870 En zijn gezellen, die hem volgden, mede. 198 Die op goede paarden zaten toen; En koning Leodegan volgde immer toe Waar ze verder reden, weet voorwaar; Dus verzamelen ze bij de giganten daar. 17875 Toen werd de strijd zo over sterk, Men hoorde van de zwaarden dat geklank Wel een halve mijl ver. Men zag daar vallen, zonder dralen, Op de aarde de gewonden; 17880 Men zag de paarden lopen ten stonden, Zonder heer, die niemand wilde, En geheel bebloed, en de schilden Zag men daar liggen doorhouwen te dal. Daar deden het de twee-en-veertig zo goed, 17885 Dat men daar immermeer van zal spreken, Ze lieten menigeen dat hart breken; Ze sloegen alles dood dat voor hen kwam, Ze maakten menigeen ook zo lam, Zodat hij liggen bleef aldaar. 17890 En vanwege hun grote daden voorwaar Zo was het wel terecht dat men ze, te waren, Bij de namen noemde, wie ze waren, Die deze grote dapperheden Deden hier en verder mede: 17895 De eerste was koning Ban, Hij was de dapperste ridder dan Die er in zijn tijden was; De andere daarna, zij het zeker dat, Dat was koning Bohort mede, 17900 Die vader was van de deugdzaamheid; De derde was koning Arthur, Die was een van de dapperste buren Voor zijn vijanden, die er mocht wezen, En alzo zoals we van hem lezen, 17905 Zo was hij de moeder der dapperheden En zuster van alle mildheden, En dat kind van het verstand, De eer, en de hoffelijkheid. De vierde was Antor ter uren 17910 Die opvoedde koning Arthur. Die vijfde was Bretel van de Mesleye De zesde Ulfijn, de zevende Keye De achtste Griflet, de negende Lucas, De tiende Mares, de elfde Gwinnan, 17915 Die twaalfde Drians, de dertiende Belias De veertiende Flandris, de vijftiende Ladinas De zestiende Claudas de rode mee, De zeventiende Bliot, de achttiende Maret, De negentiende Blioberes, 17920 De twintigste Canet is, De een en twintigste was Meliadas, Gwinadan de twee en twintigste was, De drie en twintigste Bladite de Gaye Die vier en twintigste Cristofles de fraaie, 17925 De vijf en twintigste Plandaals, De zes en twintigste Landoles, De zeven en twintigste Choles en Urzijn, De acht en twintigste Aygijn, Die negen en twintigste Calogrenant, 17930 Die dertigste die begeerde Grisoland, Die 31ste Breonder mee, De 32ste was Lambalet, De 33ste de dappere Kahenni, De 34ste Maragni, 17935 De 35ste Agenan, De 36ste was Modan, De 37ste Clarot was, De 38ste Osenan na das, De 39ste was heer Galet, 17940 De veertigste was Gongier de kale mee; Baryt, konings Bohort peet, was De een en veertigste, en na dat Was Merlijn de twee en veertigste man, En koning Leodegan 17945 Was de drie en veertigste mede, Die van hen niet scheidde ter plaats, Sinds dat ze hem verlosten voorwaar, Zoals ge hiervoor gehoord hebt duidelijk. En deze drie en veertig kwamen 17950 De drost te hulp alle tezamen Van Carmelide, die dapper was; Dat scheen daar wel, zij het zeker dat, Want hij om sterven nog om leven Het banier niet wilde opgeven, 17955 Nog om geen misdaad, zonder waan, Die hem de koning had gedaan, Leodegan, zoals ik hier nu In deze tijd zal zeggen u. Die koning Leodegan had een wijf, 17960 Die edel en mooi was, zonder blijf, Die hij won met zijn dapperheden, Die hij deed in menige plaats Daar hij ook diende in lange termijnen Met wapens om koning Sorpine, 17965 Die koning was van Arragon, En van het kasteel en Provence toen: En vanwege de grote dienst, die hij hem deed, Gaf hij hem al dat land en de dochter mede. Want ze was een enige jonkvrouw, 17970 Mooi en de vader getrouw, En op haar stond te blijven al Dat koninkrijk, groot en smal; En van dat koninkrijk kwam hem daar Grote hulp, die hem voorwaar 17975 Zijn oorlog hielp in alles, Zoals u dit boek wel zeggen zal. En toen koning Leodegan ten tijden Zijn vrouw bracht te Carmeliden, Bracht ze met haar een mooie jonkvrouw, 17980 Die zijn drost beminde met goede trouw, En hij bad zijn heer, de koning, alzo Dat hij haar tot vrouw zou geven toen, Want hij had hem lang gediend En was geweest als zijn vriend 17985 In Provence en anders waar mede Vaak in zijn dienst ter stede, En van toen af had ze de drost Met hart bemint bovenmate, En de koning, die hij minde met trouw, 17990 Gaf hem graag die jonkvrouw; En toen ze de drost had daar Net getrouwd, zat ze daarnaar Tot een tafel bij andere vrouwen, En de koning, begon haar te aanschouwen, 17995 En ze dacht hem zo mooi te wezen, Dat hij haar begon te beminnen na deze, En ook zegt dit boek dat ze was De schoonste vrouw, daar men van las, En aldus bleef dit lang alzo |
18000 Dat daer die koninck niet en dade toe Daerna gevil op enen Sinte Jans dach, Dat hi den drossate, so hi ierst mach, Sende in ene reyse vermogen Tegen die Sennen diene orlogen; 18005 Ende sijn wijf was nu bleven Metter koninginnen, diese haer beneven Gerne hadde, wantsi mindese sere. Doe gevil Leodeganne, den here, Dat hi lach by sinen wive, 18010 Ende wan een kint an haren live, Dat Jenover wart geheten naer. Nu was die koninginne vorwaer Ene goede vrouwe ende wettich sere Ende diende gerne Onsen Here, 18015 Ende ginck te mettene alle tijt, Des gebrac selden, des seker zijt, Si en hadde dan sieck gewesen; Ende opten selven nacht van desen Dattie koninck die dochter wan, 18020 Ginck si des morgens te mettene dan; Ende alsi tot des drossaten wive quam, Vant sise slapende, als ic vernam, So vaste, dat si se liet liggen doe, Ende ginck allene enwech alsoe 18025 Thaerer capellenwaert, ende in hoere hant Haren Salter, zij iu becant; Ende alle die wile si enwech es gegaen, Stont op die koninck daerna saen, Ende ginc tot des drossaten wive mede; 18030 Hi lescede die kersen alle ter stede, Doe ginck hi liggen neven haer; Alsi ontspranc ende wart gewaer, Dat hise woude minnen doe, Si woude roepen, hi sprac haer toe, 18035 Ende zeide, hi zoudese slaen doet, Si lieten gewerden, clein ende groet; Aldus en dorste si roepen niet Ende haer weren haer niet en diet, Hi en dade al sinen wille daernaer; 18040 Daer wan hi oec ene dochter an haer. Dus wan hi twe dochter, wet vorwaer, Ene an sinen wive ende ene aldaer. Ende alse die koninginne oec bleef Van horer dochter, als ic bescreef, 18045 Vant men op haren scouderen staen Een teken als ene crone gedaen; Ende also saen als die koninginne Bleven was, in den beginne, So bleef des drossaten wijf ter stede 18050 Van ener sconer dochter mede, Ende was so gelijc in allen sinnen 200 Der dochter van der koninginnen, Dat mense niet en hadde, sonder waen, Onderkent, en hadde dat teken gedaen. 18055 Ende men hietse beide Jenover daer, Ende waren beide, wet vorwaar, Opgevoedet te samene alsoe; Ende doe die koninginne doet was, doe Nam die koninck des drossaten wijf 18060 Ende hieltse tegen den drossate stijf, Ende sloetse in enen torre daernaer, Ombedat hi niet en woude vorwaer Dat die drossate sprake tegen haer. Aldus so liet hise vijf jaer 18065 Ende als ment den drossate verweet Ende hem lasterde, ende zeide gereet, Waerombe hi metten koninge bleve, Diene aldus te spotte dreve, Doe antworde hi also houde, 18070 Dat hine niet begeven en woude, Hi en hadde sijn orloch eer geint, Ende hi en waer boven komen omtrint Van allen sticken, ende noch alsoe Hielt hi sijn wijf ember doe, 18075 Die wile dat die koninck Artur daer was; Nochtan en woude hem dordas Die drossate in den orloge begeven niet. Nu sal ic iu voert seggen daer ict liet, Daer die drossate onder den Seynen 18080 Metter banieren stont in den pleyne Te voet, daer die drie ende veertich quamen, Ende alsi den drossate te voet vernamen, Mochte mense vreeslick zien gebaren; Daer en mochte hem nieman ontvaren 18085 Dien si mochten daer geraken. Si gingen menigen dode maken. Die orse liepen daer achter velde Daer men die ridders ave velde; Daer namen die Sennen scade groet. 18090 Eer men den drossate uter noet Brachte, so was daer menech man Doet geslagen in den dan; Daer moesten die Sennen achtergaen, Ende als Sorganes hevet verstaen 18095 Ende Sarphanes die scade groet, Dat die hare aldus bleven doet, Ende si noch al so vele liede hadden nu Dan die Kerstene, seggic iu, Dadensi haer tamboeren doen slaen, 18100 Ende haer basune doen blasen saen, Ombe haer liede vergaderne daer; Ende Sorganis, haer koninck, daernaer Battelgierde sine liede, seggic iu. Die wile hi dit dede nu, 18105 Quam Keye, die drossate, ende Lucam Ende Griflet, met enen moede gram, Ende braken die batalie ontwee, Ende elck van desen voerde mee Een sterck speer ende groet; 18110 Ende Keye reet in dat conroet, Ende stac den koninck Sornagwine Met enen speer, ende dede hem pine, Want hi gerakeden opten scilt, Dat hi moeste over tilt 18115 Tumelen wten gereide int gras. Hi vil so sere, dat hi was In ommacht ene lange stont, Ende sine liede, sij iu kont, Meenden dat hi doet waer; 18120 Ende Lucam ende Griflet daernaer Elck stac den andren in den scoet, Dat hi niet meer op en stoet. Als die Sennen sagen van Sornagwine, Dat hi daer lach in dodes scine, 18125 Ombedat hi so lange stille lach, Sloech elck derwaert wat hi mach, Ombe hem bescuddene daernaer; Entie drie gesellen hielden daer Boven hem, entie Sennen woudene nu 18130 Daerop helpen, seggic iu; Maer die drie weerden dat daer alsoe, Datsi des niet en konden komen toe. Daer wart Sornagins, die here, Vertorden utermaten sere 18135 Van den orsen, eer hi daer Gereddet mochte sijn vorwaer. Ende Merlijn hevet nu vernomen Gene drie gesellen, ende es komen Metter banieren derwaert, 18140 Wat gelopen mochte sijn paert; 201 Ende Cleodales, die drossate, was Gereddet, daer ic hiervor af las, Ende volgede mede Merline, Metten drie ende veertich in die grote pine, 18145 Daer die strijt staende was meest. Sine liede, die dit hebben vereest, Reden hem na ende hebben alsoe Alle die Sennen dorbroken doe; Ende alle die wile, dat dit gesciede, 18150 So quamen des koninck Caulans liede Ende des koninck Pharaons mede Gevloen op Sornagwine ter stede, Ende opten koninck Sapharins met; Ende daer so wordensi nu belet, 18155 Datsi vorder niet en vloen, Ende bleven aldaer houdene doen, Ende keerden hem ombe met hem daer. Doe wart die strijt so swaer, Datsi des koninck Leodegans liede 18160 Achter deden te dien tyden Ende bogescote, horen wy tellen; Maer die drie -ende-veertich gesellen En rumeden nie plaetse daernaer Wat men op hem sloech daer; 18165 Maer so vele daden die Sennen nu, Datsi den koninck Sornagu Geredden, die tachteren was. Daer wart die strijt verswaert dor das Dat hi hem gerne soude wreken, 18170 Ombe dat hi was afgesteken. Hi sloech met sporen in ter stede Ende sine liede volgeden hem mede, Ende hi omberingede die drie endeveertich daer Ende liep hem vreeslick op vorwaer. 18175 Ende als Merlijn dit gesach Sloech hi met sporen, al dat hi mach, Ende dorbrac die batalie alsoe, Ende sine gesellen volgeden hem doe Coenlike, sodatsi daer naer 18180 Braken bander syde dor die scaer, Ende daer ontmoeten si ten stonden Die heren van der tafelronden Die alle waren hermonteert Ende quamen te stridewaert gelaseert 18185 Daer dat teken was van den drake; Doe sloegensi in ombe dese sake Ende holpen den drie ende veertich wel. Nu wart daer die strijt fel; Want al dat tegen hem quam daer 18190 Moeste daerde soeken vorwaer. Daer wart menech speer te breken, Doe ginck men metten swaerden steken; Daer wart gegeven menech slach, Die anxtlijck was ende sere wach. 18195 Daer vacht Cleodales, die drossate, seer; Maer dat en besloetne min no meer, Want hi ende sine liede, twaren, Van der plaetse gedreven waren Toter statwaert, want Sapharijn, 18200 Die koninck, dede hem sulken fijn Met sinen lieden, sonder waen, Datsi des niet en konden ontstaen. Ende alsdat diegene hebben vernomen Die uter stat waren gecomen, 18205 Daer ic te voren af zeide iu, Dat haer drossate moeste nu Die plaetse rumen, doe redensi Tegen hem ende stonden hem by, Ende vergaderden an die Sennen daer 18210 Ende sloegen er wel dusent daernaer Van den paerden ter aerden neder, Die some nembermeer opstonden weder; Daer verkoverden hem Cleodales liede nu. Daer wart dat geruchte so groet, zeggic iu, 18215 Dat ment mochte, te dier wile, Horen over ene halve myle. Ende bander syde vochtensi sere ten stonden Die ridders van der tafelronden Entie drie ende veertich gesellen goet, 18220 Die Sornagwine wederstoet Met vijfdusent mannen vreselike. Maer dese ridders sekerlike En hadden niet lange mogen nu Tegen die vijfdusent geduren, zeggic iu, 18225 Want en wasser maer drie hondert daer Achte myn, wet vorwaer. Ende doe Merlijn sach dese dinge Riep hi tot hem die drie koninge, Ende zeide: “edel heren, wat est dat gy doet, 18230 Dat ic dese Sennen nu sien moet 202 Datsi vor iu so lange geduren? Hier en sijn maer tien Gigante ter uren, Ende waren die gesconfiert nu, So waerdy delivreret, zeggic iu”. 18235 “Waer sijn si?” zeide doe die koninck Ban; Doe zeide Merlijn: “nu siet voertan Waer Ulfijn, Keye, ende Bretel, Ende Lucam ende Griflet also wel, Ginder stryden tegen hem nu; 18240 Volget my, ick salse wisen iu”. Doe sloech Merlijn dat ors met sporen Datten tehant droech daer voren, Daer die strijt herde groet was Ende anxtlike mede, sijt seker das, 18245 Ende daer die vijfridders tegen die tiene Streden met herde stercker pine. Entie koninck Ban, die herde koene was, Reet vor die ander alle nadas, Ende ontmoete den koninck Sornagu, 18250 Die een swaert brachte getogen nu, Dat geverwet was met bloede. Doe sloech op hem met sulken spoede Die koninck Ban opten helm alsoe, Dat hi ter aerde moeste vallen doe, 18255 Hi sloech hem af lippe ende nese; Van den slach haddi sulken vrese, Dat hi creet, ende ginck vlien Wat hi mochte, ende mettien So sloech die koninck Bohort mede 18260 Den koninck Margaryse ter stede Opten helm, des gelovet, Dat hi hem clovede daer sijn hovet Toten tanden toe gereet; Entie koninck Artur, God weet, 18265 Sloech Falente opten helm daer Enen slach, die was so swaer, Dat hi den helme een sticke afsloech; Die slach ginck neder ende droech Hem den scinkel af daer, 18270 Doe vil hi van den orse daernaer; Ende Ulfijn sloech Balame doet, Ende Bretel Cadroke in der noet, Ende Keye versloech Dandevare, Ende Lucam Terrine daernare, 18275 Ende Griflet Menadoppe, Ende Galagrenans Cadoppe, Ende Blioberis Donate daernaer. Ende doe die Sennen dit sagen daer, Datsi haer resen daer sloegen doet, 18280 Haddensi des vrucht so groet, Datsi lange hielden stille alsoe; Ende zi zeiden onder hem doe, Dat “niet goet comen en es Onder al sulke liede, zijt zeker des, 18285 Want dat en zijn gene liede in scijn, Maer ic wane dat Duvele uter Hellen zijn; Tegen haer slagen [en] kan niet geduren No wapene no man no paert ter uren, Si en clovent overmydden tsamen”. 18290 Doe die drie ende veertich dit vernamen Entie gesellen van der tafelronden, Datsi dus versaget stonden, Liepensi hem op met so groter cracht, Datsise int vlien hebben gebracht, 18295 Ende vloen alle, wat si conden, gereet, Tote daer die koninck Sapharin street Tegen Cleodales den drossate fier; Ende als si waren vergadert scier, Wasser daer wel twaelf dusent mede. 18300 Doe liepensi opten drossate, ter stede, So vreeslike ende so utermaten, Dat hi die plaetse moeste laten, Ende wart achtergedreven nadat Toter poerten van der stat. 18305 Doe si dit in der stat sagen, Begondensi hem so sere versagen, Dat haer teken moeste rumen nadas, Ende dat noch der Sennen so vele was, Want der hare maer sevendusent es, 18310 Enter Sennen twaelfdusent, sijt gewes; Oec waren si vervaert ten stonden Ombe die ridders van der tafelronden Ende ombe die twe-ende-veertich soudeneren Ende ombe den koninck, haren here, 18315 Want sine wisten waer si waren. Die Sennen quamen vreeslick gevaren Optie ander vor die stede. Daer wasser in beiden siden mede daernaer, Dusent nedergeslagen daer, 18320 Entie drie-ende-veertich ridders 203 Daer si die Sennen deden vlien, So en lietse Merlijn niet volgen dien, Maer dadese daer al stille houden, Ombedatsi hem verblasen souden, 18325 Ende dade se beten daer ter stede Ende hoer orse vergorden mede; Si daden alle dat hi hem hiet. Als dit Hervy van Riveel siet, Dat die drie-ende-veertich stille hielden daer, 18330 Dade hi die van der tafelronden daernaer Al stille houden ende beten ten tyden, Want si wouden sonder hem niet ryden Ende si vergorden oec haer paerde ter stede Ende setten haer helme te poente mede. 18335 Daerna quam die koninck Leodegan Tote Merline, ende sprac hem an: “Here”, zeidi, “es dat iu wille nu, Dat die goede liede komen met iu In dat geselscap?” Merlijn zeide: “Heer, 18340 By Gode, gaet, ende ic begeer dat seer, Want wy zullen des verbetert wesen Als wy vergadert zijn”. Ende na desen Zeide hem des die koninck groten danc, Ende keerde weder eer iet lanc 18345 Tote Hervine, die droech die baniere, Ende zeide hem dese dinge sciere, Datsi souden komen saen “Ginder daer die ridder staen, Ende dat sy ende gy nu zult wesen 18350 In ener geselscap voert na desen. Hervy zeide: “es dat haer wille, Heer, So begeerwy haer geselscap seer”. “Ja dat”, zeide die koninck doe, “Ic hebbe des hem gevraget ember toe; 18355 Nu sijt vorwaert gesellen mere, Dat radic wel by Onsen Here”. Hervy zeide: “van hem, by Gode, Soudewy die geselscap ontseggen node”. Dus saten si op in beiden syden, 18360 Ende voeren in ener geselscap ten tyden, Ende Merlijn voer, met siner baniere, Vor die ander die hem volgeden sciere. Ende al die wile dat dit gesciede, Was Cleodales ende sine liede 18365 Herde sere tonder binnendien, Sodat si som gingen vlien; Ende doe si sagen komen den drake, Dien Merlijn brachte, dor die sake, Des warensi utermaten blide; 18370 Hem vloech uten monde tien tyden Vlamme ende vier, ende dat sant vloech Ende stoef in die lucht hoech; Ende doe dat vier vergaderde daeran, Doe sceen dat al bernen dan, 18375 Die lucht metten sande daernaer. Doe die vrouwen, die lagen daer, Opten muren, van daer nu sagen Merline daer komen ingeslagen Metten drake, doe riepensi: 18380 “Ha, ha! heer drossate, waer zydy? Denket ombe waeldoen ter vaert, Ende siet ter donker valeyen waert, Wat troeste daer komet nu”. Cleodales sach ombe nu, 18385 Ende sach ter valeyen waert; Daer sach hi komen, dat hi begaert Lange tijt hevet, God weet; Hi dankede Gode ende riep gereet Sine liede, ende dadese houden daer 18390 Al ombe hem, ende zeide naer: “Siet, ginder komet ons soccoers groet, Dat ons sal losen uter noet, Gy moget nu wel sijn te gemake”. Doe die liede sagen den drake, 18395 Ende tsoccoers dat hem quam daer, Men derf niet vragen, wet vorwaer, Ochtsi blide waren van dien! Ende Cleodales sloech in mettien Met sinen lieden in die Sennen doe, 18400 Als ocht geweest hadde des morgens vroe Also gerasc ende anxtleken Ginck hi noch die scaren breken Opten troest van den drake, Ende Merlijn quam met sinen gemake 18405 Tote by den Sennen, wetet dat, Ende recht by der poerten van der stat Sloech hi met sinen gesellen in So anxtlike in dat begin, Dat si daer daden ter aerden storten, 18410 Ende met slagen ende met horten, 204 Meer dan drie hondert, sijt gewes, Ende si en fineerden oec niet vordes Eer dan si quamen bandersyden, Daer die drossate was tien tyden. 18415 Ende doe si an hem vergadert waren, Riep Merlijn an die sine daernare: “Gy heren, nu ierst sal men sien al Wie dat hier best doen sal; Ic hebbe iu hier te proevene bracht, 18420 Hier sal ic merken uwe kracht”. Ende als die koninck Artur hoerde Merline spreken dese woerde, Doe zeidi ten koninck Banne ter vaert: “Ic en sach nie so goeden viliaert 18425 Alse Merlijn es”. Doe zeide Merlijn: “Laet iu scempen nu maer sijn, Ende scempet al dese weke genoech, Gy sults dan wael hebben iu gevoech, Dene tegen dander, wet vorwaer”. 18430 Doe sloegen si dorse daernaer Ende reden in die viande nadas, Daer haerre doen alremeest was. Daer begonde die strijt nu groet, Daer bleef menech Senne doet; 18435 Daer dadet die koninck Artur so wale Ende dogede sovele te dien male, By toedoen dat daer Merlijn toe dede Datten te wonder daer ter stede Alle die van den heer besagen, 18440 Hoe hi die pine mochte gedragen, Die hi daer dade te dier stont. Joncfrou Jenover, sij iu kont, Des koninck Leodegans dochter vorwaer, Leide haer hande tsamene daer 18445 Ende bat onsen lieven Here, Dat Hine bescermen moeste voertmere Van scanden, van scaden, ende van der doet. Dit bat si daer met ernste groet, Ende weende van groter ontfermecheden 18450 Ombe die pine, die hi hadde leden Al den dach, daer si dat sach doe, Ende noch dade maer ember toe; Des hadde haer wonder al te groet, Dat hi so jonc waer ende so goet. 18455 Hi sloech met sinen goeden swaerde Menech hovet af, dat vil ter aerde, Hande, arme, bene mede; Ridder dorclovede hi daer ter stede Ende orse, ende scilde, ende helme met 18460 Grosseerde hi daer te sticken, dat wet. Hi vacht so sere, dat sijn helm nu Al te sticken was, seggic iu, Sodat hem die rant daer sint Van den helme ombe den hals hinc; 18465 Maer hi hadde goede bescudders daer an Den koninck Bohort ende koninck Ban, Die altenen te dien tyden Vaste waren by siner syden, Ende wrachten oec sulc wonder mede, 18470 Met steken, met slagen, daer ter stede, Dat die Sennen, in dien dagen Niet en dorsten beiden hare slagen; Entie dranck en was nember so groet, Si dorbraken se met slagen groet; 18475 Ende oec mede die van der tafelronden Daden dat daer wael tien stonden. Dus was groet die strijt na dat Van Tornasse, die grote stat; Daer was menech scone ridderscap gedaen 18480 In beiden syden, sonder waen; Entie strijt hadde geduret daer Van des morgens, wetet vorwaer, Al tot der demster nacht toe; Maer van der none so wart doe 18485 Die strijt alremeest vorwaer, Want van sestien dusent Sennen daernaer So en esser maer negendusent gebleven. Doe swoer Sapharijn, by allen die leven Ende by al sinen goede mede, 18490 Hi ne sciede nembermeer van der stede, Hi en soude hem wreken an diegene saen, Die die sine aldus verslaen. Doe riep hi Clarele ende Sortibande, Ende Gaydone ende Mediande, 18495 Ende Tenebande ende Morise, Ende Malore. Dese ridder van pryse Waren sine naeste mage daer; Dese waren stout ende openbaer, Ende hi bemaende hem daer saen, 18500 Dat si hem in staden souden staen. 205 Hi seide: “men sal wale sien nu, Wie goet ridder es onder iu”. Daer nam elc enen nuwen scacht, Ende reden daer in met groter cracht 18505 Wat haer orse gelopen konden. Sapharijn stac Hervi tien stonden, Dat hi ter aerden vallen moeste; Hi stac oec, terselver ioeste, Antor metten orse daer neder; 18510 Daerna stac hi Griflette weder Ene wonde dor den halsberch daer, Sodat hi vallen moeste naer; Ende elck die met hem daer quam Stac daer enen neder, als ic vernam, 18515 Maer si en quetseden hem niet so hier. Van desen was een die bottelgier, Lucam daer vallen moeste nu; Die ander Gwinans, seggic iu, Die derde Gales, die vierde Merangys 18520 Die vijfte Keye, die seste Blioberys, Die sevende Winemers, die achtede met Was Brecians; ombedit, dat wet, So wart ginder een groet gehu, Entie strijt was groet daer nu. 18525 Si pijnden hem dese doet te slane, Maer si en konden daer niet komen ane. Al waren si te voet si waren stout, Ende weerden hem met groter gewout; Maer dat hadde onlange mogen geduren 18530 En waer Merlijn niet komen ter uren; Want Sapharijn pijnde hem daernaer, Hoe hise mochte gedoden daer. Hi es op Leodeganne nu gereden, Ende stacken met enen speer ter steden 18535 Dor den scilt, ende also als hy Den speer neder droech daerby, Stac hine dor die slippe mede Van den halsberch, daer ter stede, Dat die sper ginc dor dat ors alsoe; 18540 Daer vielensi beide ter aerden doe. Doe die van der stat sagen vorwaer, Dat haer heer ter aerden lach daer, Warensi vervaert daerby, Si meenden dat hi doet sy. 18545 Doe sloegen si alle derwaert, Ende alse Artur dat gewaert Van den Gigante, die daer nu weder Vier so goede ridder stac neder, Swoer hi, dat hi hem proeven soude 18550 Tegen hem nu met gewoude; Hi nam een speer in die hant. Doe sprack die koninck Ban te hant: “Here, wat wildy doen hiermede? Gy en moget niet ryden nu ter stede 18555 Tegen desen vreesliken Gigant, Gy zijt te jonck, zij iu bekant, Dat gy soudet tegen hem josteren Gy en moget iu tegen hem niet verweren, Maer ic sal tegen hem varen nu”. 18560 “By Gode, heer, ic sweert hier iu”, Sprac Artur, hier sal nieman varen Dan ic selve, want ic segget iu twaren, So hi stercker ende meerre es tontsien, So ic my bet proeven sal an dien; 18565 Want nembermeer en mocht ic weten Wat ic waer, no my vermeten, En proevedic my an desen niet”. Ende alse Merlijn dit nu siet, Riep hi: “quade, blode ridder! wi 18570 Houdy stille? waerombe en doedy Niet dat gy hebbet begonnen nu? Gy sijt vervaert, duncket my an iu”. Doe die koninck Artur dit verstoet, Scamedi hem, ende sloech metter spoet 18575 Dat ors metten sporen, ende reet derwaert saen. Die koninck Ban zeide, sonder waen, Te Merline: “gy doet grote sonde, Dat gyne doet varen nu ter stonde Tegen den groten Duvel dan”. 18580 Merlijn zeide: “daer en es negeen anxt an, Maer nemet speer ende volget hem daer, Ende iu broeder ende Ulfijn naer”. Si daden alle drie die dinck, Ende volgeden Artur, den koninck. 18585 Ende alse Sapharijn Artur hevet vernomen, Es hi overmoedech tegen hem gekomen; Ende alsi daer byeen quamen, Lietensi dorse loepen tsamen Wat datsi gelopen konden. 18590 Dene stack dander daer ten stonden 206 Optie scilde, datsi braken doe Ende te sticken vielen daertoe; Ende Sapharijn brac sijn speer daer Tot siner hant toe vorwaer, 18595 Ende quetsede Artur in die side, Maer en scade hem niet sere tien tyden; Maer die koninck Artur stac hem weder gereet Met sulker kracht, dat hi dorreet Den halsberch enten lichaem beide, 18600 Dat hi doet vil uten gereide; Ende also als hy overleet, Brac hi sinen speer gereet. Dese joeste sach Jenover nu, Die in ener venstre lach, zeggic iu, 18605 Op enen palase by der muren; Si lovede ende prysede nu ter uren Den jongen man, ende vragede seer Wie dat waer die vrome heer, Die haren vader hevet onthouden daer: 18610 “By Gode, hy scijnt wel openbaer Van groten ende van goeden lieden, Ware hi komen van onnutten gediede, Hi en hadde den arbeit niet dorren bestaen, Dien hi al den dach hevet begaen, 18615 Hine hadde dan geweest, wetet gerede, Van al te hogen herten mede; Ende sine gesellen oec, sonder waen, Hebbent daer al te wale gedaen, So dat mense prysen sal embermeer. 18620 Die koninck Ban, als ic iu zeide eer, Ende sine gesellen volgeden Arture Daer hi was gevaren vuere, Elck hadde een speer in der hant, Ende zijn in den strijt gerant. 18625 Daer stac die koninck Ban Sortibande, Dat hi ter aerden vil te hande, Ende oec nembermeer op en stont; Entie koninck Bohort, sij iu kont, Stac daer doen doet Clariele, 18630 Ende Ulfijn stac doet Gastinele; Ende ter selver joesten so reet deen Moriase daer neder van hem tween, Entie ander Modianne, Entie derde Sortibanne. 18635 Dese bleven alle doet opt velt. Entie koninck Artur was gestelt An Maleure ende an Ferant, Die boven Antor hielden te hant Ombe hem daer doet te slane; 18640 Dene hielten metten helme ane Entie ander sloegen sere daernaer Met ener gisarmen. Doe verhief daer Die koninck Artur sijn goede swaert, Ende sloech Maleure metter vaert 18645 Dat hovet af; ende als dit sach nadas Ferant, die sijn maech was, Doe verhief hi sine gisarme daer, Alse den koninck te slane daernaer Op sinen helm met gewelt. 18650 Doe droech die koninck sinen scilt Daertegen, ende Ferant sloechen daer In so menegen sticken daernaer, Dat hi vloech te dale doe, Entie slach ginck neder alsoe 18655 Ende gerakede den koninck daer ter stede Op sine scouder, dat hi mede Boech op dat gereide noch mee, Entie gisarme brac ontwee. Doe rechte hem die koninck op, 18660 Ende gaf hem op dat hovet enen clop Metten swaerde so overgroet, Dat [hi] hem toten tanden woet; Entie gene vil doet daer nu. Van den slage wart groet gehu 18665 Optie Sennen, die sere verveert Waren, doe si sagen gesconfeert Haren heren ende verslagen, Ende si nembermeer hulpe en sagen Dan Grandane, die haer baniere 18670 Droech, ende daer koninck Ban an sciere Doe vergaderde, ende sloechen daer Optie scouder, dat hine daernaer Ontledede al metter baniere, Sodat si ter aerden vil sciere. 18675 Doe vloen alle die daer waren; Daer wart groet geiach nu, twaren; Van der vespertijt totten avende toe Jagedensise, ende ginder doe Tote in die nacht, dat donker was, 18680 Si sloegen er so vele, sijt seker das, 207 Dat van sestien dusent Sennen, twaren, Maer vijfdusent en mogen ontvaren, Dander bleven alle doet ocht gevaen; Entiegene, die waren ontgaen, 18685 Voeren toten koninck Rioene, Ende telden hem van haren doene, Hoe die koninge alle waren doet, Ende al te male haer conroet, “Sonder wy, die zijn ontgaen”. 18690 Doe swoer die koninck Rioen saen, Dat hi nembermeer sceide dan Hi en soude den koninck Leodegan Doet hebben ochte gevaen. Ombedit hevet hi ontboden saen 18695 In Denemarken, op enen dach, Daer zijn meeste heerscap lach, Datsi daer brachten, arm ende rijke, Ende spise mede desgelike, Tote tween jaren genoech voertan 18700 Te tweenhondertdusent man. Dat lant van Denemarken ter tijt Was herde groet ende herde wijt, Daer hoerden vele lande doe ane: Sassen, Almanien, ende Polane, 18705 Hongerie, Vinegie, ende Vrieslant; Dit was al onder sine hant, Ende noch meer, wetet vorwaer, Wasser die hem tins gaven daer, Ende daertoe oec, tot al desen, 18710 Woude hi so groten heer wesen, Dat hi al die werlt woude dwingen Entie Sennen die hi hadde doen bringen, Die hi in allen lande hadde gesent, Die daer die lande roveden omtrent; 18715 Dat was ombedat die baroene Van den lande souden hebben te doene Genoech met hemselven, zeggic iu, Enten koninck Leodegan niet helpen nu; Ombedit haddise over al gesent, 18720 Datsi die lande roveden omtrent, Ende si haddens oec wael die macht Elken lande te doene met kracht. Niet lang nadat koninck Rioen ontboet Sine heren te komene ende sine genoet 18725 Wt al sinen landen, wetet vorwaer, Eer iet lanck so quamen daer Dat hire hadde, tors ende te voet, Twehondertdusent ende vijftich, sijt vroet, Vor die stat te Deneblase nu; 18730 Ende daer waren mede, zeggic iu, Twintich gecroende koninge ter stede, Ende hi was die een ende twintichste mede; Ende si hadden gebracht so vele spisen, Datsi en darven in gener wysen 18735 In meneger tijt ombe vitalie varen; So vol planteit haddensi, twaren, Met hem wt twintich koninckriken; Daer was so goet tijt zekerliken, Dat des nieman nu geloven soude. 18740 Menechwerven, met groten gewoude So dade proeven die koninck Rioen, Ocht hi die stat konde ondergedoen; Maer hi en konde niet ene blase Gescaden der stat van Deneblase, 18745 Si was so vast in allen sinnen; Also lange alsi tetene hadden binnen, Sone haddensi geen anxt daeran. Si hadden den koninck Leodegan Dicke ontboden, dat hi quame daer 18750 Ende hi se bescudde, want si vaer Ende menege anxt hadden groet; Entie koninck hem weder ontboet, Dat hi genoech nu hadde te doen; Maer waer hi verledeget hi soude scoen 18755 Komen, ende hem in staden staen Entie stat ontsetten, kondi, saen. Hier zwiget dit boeck van den koninck Rioene Ende van algader sinen doene, Ende sal nu seggen voert ter ure 18760 Van den koninge Arture. |
18000 Dat daar de koning niets deed toe Daarna gebeurde op een Sint Jans dag, Dat hij de drost, zo hij eerst mocht, Zond in een reis vermogend Tegen die Sennen die beoorloogden; 18005 En zijn vrouw was nu gebleven Met de koningin, die haar benevens haar Graag had, want ze beminde deze zeer. Toen gebeurde het dat Leodegan, de heer, Dat hij lag bij zijn wijf, 18010 En won een kind aan haar lijf, Dat Jenover werd genoemd daarnaar. Nu was de koningin voorwaar Een goede vrouw en wettig zeer En diende graag Onze Heer, 18015 En ging naar de metten alle tijd, Dus ontbrak ze zelden, dus zeker zij, Ze was dan ziek geweest; En op dezelfde nacht van deze Dat de koning die dochter won, 18020 Ging ze ‘s morgens tot de metten dan; En toen ze bij de drost zijn vrouw kwam, Vond ze haar slapend, zoals ik vernam, Zo vast, dat ze haar liet liggen toen, En ging alleen weg alzo 18025 Tot haar kapel waart, en in haar hand Haar psalmen, zij u bekend; En al de tijd dat ze weg is gegaan, Stond op de koning daarna gelijk, En ging tot de drost zijn vrouw mede; 18030 Hij bluste alle kaarsen ter plaatse, Toen ging hij liggen naast haar; Toen ze opsprong en werd gewaar, Dat hij haar wilde beminnen toen, Ze wilde roepen, hij sprak haar toe, 18035 En zei, hij zou haar slaan dood, Ze liet het geworden, klein en groot; Aldus durfde ze te roepen niet En zich verweren het haar niet dient, Hij deed al zijn wil daarnaar; 18040 Daar won hij ook een dochter aan haar. Dus won hij twee dochters, weet voorwaar, Een aan zijn vrouw en een aldaar. En toen de koningin ook bleef Van haar dochter, zoals ik beschreef, 18045 Vond men op haar schouders staan Een teken als een kroon gedaan; En alzo gelijk zoals de koningin Gebaard had, in het begin, Zo baarde de drost vrouw ter plaatse 18050 Van een mooie dochter mede, En was zo gelijk in alle zinnen 200 De dochter van de koningin, Dat men ze niet had, zonder waan, Herkent, tenzij dat teken het had gedaan. 18055 En men noemde ze beide Jenover daar, En waren beide, weet voorwaar, Opgevoed tezamen alzo; En toen de koningin dood was, toen Nam de koning de drost zijn wijf 18060 En hield haar tegen de drost stijf, En sloot haar op in een toren daarnaar, Omdat hij niet wilde voorwaar Dat de drost sprak tegen haar. Aldus zo liet hij haar vijf jaar 18065 En toen men het de drost verweet En hem belasterde, zei hij gereed, Waarom hij met de koning bleef, Die met hem aldus spot bedreef, Toen antwoordde hij alzo te houden, 18070 Dat hij zich niet begeven wilde, Hij had zijn oorlog eerder beëindigd, En hij was er boven gekomen omtrent Van alle stukken, en nog alzo Hield hij van zijn vrouw immer toen, 18075 Die tijd dat koning Arthur daar was; Nochtans wilde hij door dat De drost zich in de oorlog begeven niet. Nu zal ik u voort zeggen daar ik het liet, Daar de drost onder de Sennen 18080 Met het banier stond in het plein Te voet, daar die drie en veertig kwamen, En toen ze de drost te voet vernamen, Mocht men hem vreselijk zien gebaren; Daar mocht hen niemand ontvaren 18085 Die ze mochten daar raken. Ze gingen menige dode maken. De paarden liepen daar achter te veld Daar men de ridders van velde; Daar namen de Sennen schade groot. 18090 Eer men de drost uit de nood Bracht, zo was daar menig man Dood geslagen ten einde dan; Daar moesten de Sennen achteruit gaan, En toen Sorganes heeft verstaan 18095 En Sarphanes de schade groot, Dat die van hun aldus bleven dood, En ze nog alzo veel lieden hadden nu Dan de christenen, zeg ik u, Lieten ze hun tamboeren slaan, 18100 En hun bazuinen laten blazen gelijk, Om hun lieden te verzamelen daar; En Sorganis, hun koning, liet daarnaar Zijn lieden in bataljons opstellen, zeg ik u. Terwijl hij dit deed nu, 18105 Kwam Keye, de drost, en Lucas En Griflet, met een moed gram, En braken het bataljon in twee, En elk van deze voerde mee Een sterke speer en groot; 18110 En Keye reed in dat konvooi, En stak koning Sornagwine Met een speer, en deed hem pijn, Want hij raakte hem op het schild, Zodat hij moest door dit 18115 Tuimelen uit het zadel in het gras. Hij viel zo zeer, dat hij was In onmacht een lange stond, En zijn lieden, zij u bekend, Meenden dat hij dood was; 18120 En Lucas en Griflet daarnaar Elk stak de anderen in de schoot, Zodat hij niet meer opstond. Toen de Sennen zagen van Sornagwine, Dat hij daar lag in doods aanschijn, 18125 Omdat hij zolang stil lag, Sloegen elk derwaarts wat hij kon, Om hem te behoeden daarnaar; En de drie gezellen hielden daar Boven hem, en de Sennen wilden hem nu 18130 Bovenop helpen, zeg ik u; Maar de drie weerden dat daar alzo, Dat ze er niet konden komen toe. Daar werd Sornagwine, die heer, Vertrapt uitermate zeer 18135 Van de paarden, eer hij daar Gered mocht zijn voorwaar. En Merlijn heeft nu vernomen Die drie gezellen, en is gekomen Met het banier derwaarts, 18140 Wat lopen mocht zijn paard; 201 En Cleodales, de drost, was Gered, daar ik hiervoor van las, Volgde mede Merlijn, Met de drie en veertig in die grote pijn, 18145 Daar de strijd gebeurde het meest. Zijn lieden, die dit hebben vernomen, Reden hem na en hebben alzo Alle Sennen doorbroken toen; En alle tijd, dat dit geschiedde, 18150 Zo kwamen koning Caulans lieden En van koning Pharaons mede Gevlogen op Sornagwine ter plaatse, En op koning Sapharins mee; En daar worden ze zo nu belet, 18155 Dat ze verder niet vlieden, En bleven aldaar stoppen toen, En keerden zich om met hem daar. Toen werd de strijd zo zwaar, Dat ze koning Leodegans lieden 18160 Naar achter deden in die tijden Een boogschot, horen we vertellen; Maar de drie-en-veertig gezellen Ruimden niet de plaats daarnaar Wat men op hen sloeg daar; 18165 Maar zoveel deden de Sennen nu, Dat ze koning Sornagwine Redden, die ten achter was. Daar werd de strijd verzwaard door dat Omdat hij zich graag zou wreken, 18170 Omdat hij was afgestoken. Hij sloeg er met sporen in ter plaatse En zijn lieden volgden hem mede, En hij omringde de drie en veertig daar En liep vreselijk op hen voorwaar. 18175 En toen Merlijn dit zag Sloeg hij met sporen, alles dat hij mag, En doorbrak het bataljon alzo, En zijn gezellen volgden hem toen Koen, zodat ze daarnaar 18180 Braken aan de andere zijde door de schaar, En daar ontmoeten ze te die stonden Die heren van de tafelronden Die allen waren hergroepeert En kwamen te strijden waart gekeerd 18185 Daar dat teken was van de draak; Toen sloegen ze in vanwege deze zaak En hielpen de drie en veertig wel. Nu werd daar die strijd fel; Want alles dat tegen hen kwam daar 18190 Moest daar de aarde zoeken voorwaar. Daar werd menig speer gebroken, Toen ging men met de zwaarden steken; Daar werd gegeven menige slag, Die angstig was en zeer krachtig. 18195 Daar vocht Cleodales, de drost, zeer; Maar dat bestond hem min of meer, Want hij en zijn lieden, te waren, Van de plaats gedreven waren Tot de stad toe, want Sapharijn, 18200 De koning, deed hen zo’n venijn Met zijn lieden, zonder waan, Dat ze het dus niet konden weerstaan. En toen dat diegene hebben vernomen Die uit de stad waren gekomen, 18205 Daar ik tevoren van zei u, Dat hun drost moest nu De plaats ruimen, toen reden zij Naar hem en stonden hem bij, En verzamelden aan de Sennen daar 18210 En sloegen er wel duizend daarnaar Van de paarden ter aarde neder, Die soms nimmermeer opstonden weer; Daar veroverden Cleodales lieden nu. Daar werd dat lawaai zo groot, zeg ik u, 18215 Dat men het mocht, in die tijd, Horen over een halve mijl. En aan de andere zijde vochten ze zeer ten stonden De ridders van de tafelronden En de drie en veertig gezellen goed, 18220 Die Sornagwine weerstond Met vijfduizend mannen vreselijk. Maar deze ridders zekerlijk Hadden niet lang mogen nu Tegen die vijfduizend stand houden, zeg ik u, 18225 Want er waren er maar drie honderd daar Acht minder, weet voorwaar. En toen Merlijn zag deze dingen Riep hij tot hem de drie koningen, En zei: “edele heren, wat is het dat ge doet, 18230 Dat ik deze Sennen nu zien moet 202 Dat ze voor u zo lang vol houden? Hier zijn maar tien giganten ter uren, En die waren geschoffeerd nu, Dan was ge ervan bevrijdt, zeg ik u”. 18235 “Waar zijn ze?” zei toen koning Ban; Toen zei Merlijn: “nu ziet vooraan Waar Ulfijn, Keye en Bretel, En Lucam en Griflet alzo wel, Ginder strijden tegen hen nu; 18240 Volg me, ik zal ze wijzen u”. Toen sloeg Merlijn dat paard met sporen Dat het hem gelijk droeg daar naar voren, Daar de strijd erg groot was En angstig mede, zij het zeker dat, 18245 En daar de vijf ridders tegen die tien Streden met erg sterke pijn. En koning Ban, die erg koen was, Reed voor de anderen alle na dat, En ontmoette koning Sornagwine, 18250 Die een zwaard bracht getrokken nu, Dat geverfd was met bloed. Toen sloeg op hem met zo’n spoed Die koning Ban op de helm alzo, Zodat hij ter aarde moest vallen toen, 18255 Hij sloeg hem af lip en neus; Van de slag had hij zo’n vrees, Dat hij krijste, en ging vlieden Wat hij mocht, en meteen Sloeg koning Bohort mede 18260 Koning Margaryse ter stede Op de helm, dus geloof het, Zodat hij hem kloofde daar zijn hoofd Tot de tanden toe gereed; En koning Arthur, God weet, 18265 Sloeg Falente op de helm daar Een slag, die was zo zwaar, Dat hij van de helm een stuk afsloeg; Die slag ging neder en droeg Hem de schenkel af daar, 18270 Toen viel hij van het paard daarnaar; En Ulfijn sloeg Balame dood, En Bretel Cadroke in de nood, En Keye versloeg Dandevare, En Lucas Terrine daarnaar, 18275 En Griflet Menadoppe, En Galagrenans Cadoppe, En Blioberis Donate daarnaar. En toen de Sennen dit zagen daar, Dat ze hun reuzen daar sloegen dood, 18280 Hadden ze dus angst zo groot, Zodat ze lang hielden stil alzo; En ze zeiden onder hen toen, Dat het “niet goed te komen is Onder zulke lieden, zij het zeker dis, 18285 Want dat zijn geen lieden in schijn, Maar ik meen dat het duivels uit de hel zijn; Tegen hun slagen kan niets weerstaan Geen wapen of man of paard ter uren, Ze kloven het doormidden tezamen”. 18290 Toen de drie en veertig dit vernamen En de gezellen van de tafelronden, Dat ze dus met angst stonden, Liepen ze op hen met zo’n grote kracht, Dat ze hen aan het vliegen hebben gebracht, 18295 En vlogen allen, wat ze konden, gereed, Tot waar die koning Sapharin streed Tegen Cleodales de drost fier; En toen ze waren verzameld schier, Waren er wel twaalf duizend mede. 18300 Toen liepen ze op de drost, ter stede, Zo vreselijk en zo uitermate, Dat hij de plaats moest verlaten, En werd naar achter gedreven nadat Tot de poorten van de stad. 18305 Toen ze dit in de stad zagen, Begonnen ze zich zo zeer te verschrikken, Dat hun teken moest ruimen na das, En dat er nog van de Sennen zoveel was, Want van de hunne maar zevenduizend is, 18310 En van de Sennen twaalfduizend, zij het gewis; Ook waren ze bang ten stonden Om de ridders van de tafelronden En om de twee-en-veertig soldaten En om de koning, hun heer, 18315 Want ze wisten niet waar ze waren. De Sennen kwamen vreselijk gevaren Op die anderen voor die stede. Daar waren er aan beide zijden mede daarnaar, Duizend neergeslagen daar, 18320 En de drie-en-veertig ridders 203 Daar ze de Sennen lieten vlieden, Zo liet Merlijn ze niet volgen die, Maar liet ze daar alle stil houden, Omdat ze zich vermoeien zouden, 18325 En liet ze verbeteren daar ter stede En hun paard omgorden mede; Ze deden alles dat hij hen zei. Toen dit Hervy van Riveel zag, Dat de drie-en-veertig stil hielden daar, 18330 Deed hij die van de tafelronden daarnaar Alle stil houden en wachten ten tijden, Want ze wilden zonder hen niet rijden En ze omgorden ook hun paard ter stede En zetten hun helm te punt mede. 18335 Daarna kwam koning Leodegan Tot Merlijn, en sprak hem aan: “Heer”, zei die, “is dat uw wil nu, Dat die goede lieden komen met u In dat gezelschap?” Merlijn zei: “Heer, 18340 Bij God, ga, ik begeer dat zeer, Want we zullen dus beter wezen Als we verzameld zijn”. En na deze Zei hem dus de koning grote dank, En keerde weer eer iets lang 18345 Tot Hervine, die droeg dat banier, En zei hem deze dingen schier, Dat ze zouden komen samen “Ginder daar die ridders staan, En dat zij en gij nu zal wezen 18350 In een gezelschap verder na deze. Hervy zei: “is dat hun wil, heer, Dan begeren we hun gezelschap zeer”. “Ja dat”, zei de koning toen, “Ik heb het dus hen gevraagd immer toe; 18355 Nu bent ge voorwaarts gezellen meer, Dat raad ik wel aan bij Onze Heer”. Hervy zei: “van hem, bij God, Zouden we dat gezelschap ontzeggen node”. Dus zaten ze op aan beide zijden, 18360 En voeren in een gezelschap ten tijden, En Merlijn voer, met zijn banier, Voor de anderen die hem volgden schier. En al de tijd dat dit geschiedde, Was Cleodales en zijn lieden 18365 Erg zeer ten onder binnen dien, Zodat ze soms gingen vlieden; En toen ze zagen komen de draak, Die Merlijn bracht, door die zaken, Dus waren ze uitermate blijde; 18370 Hem vloog uit de mond in die tijden Vlammen en vuur, en dat zand vloog En stoof in de lucht hoog; En toen dat vuur zich verzamelde daaraan, Toen scheen dat alles te branden dan, 18375 De lucht met het zand daarnaar. Toen de vrouwen, die lagen daar, Op de muren, van daar nu zagen Merlijn daar komen ingeslagen Met de draak, toen riepen ze: 18380 “Ha, ha! heer drost, waar bent gij? Denk om goed te doen ter vaart, En zie ter donkere vallei waart, Welke troost daar komt nu”. Cleodales zag om nu, 18385 En keek ter vallei waart; Daar zag hij komen, dat hij begeert Lange tijd heeft, God weet; Hij dankte God en riep gereed Zijn lieden, en liet ze houden daar 18390 Alom hem, en zei daarnaar: “Ziet, ginder komt ons succes groot, Dat ons zal verlossen uit de nood, Ge mag het nu wel zijn te gemak”. Toen de lieden zagen de draak, 18395 En het succes dat hen kwam daar, Men dorst niet te vragen, weet voorwaar, Of ze blij waren van dien! En Cleodales sloeg in meteen Met zijn lieden in de Sennen toen, 18400 Alsof het geweest had ‘s morgens vroeg Alzo met geraas en angstigheden Ging hij nog de scharen breken Op de troost van de draak, En Merlijn kwam op zijn gemak 18405 Tot bij de Sennen, weet dat, En recht bij de poorten van de stad Sloeg hij met zijn gezellen in Zo angstig in dat begin, Dat ze daar ter aarde lieten storten, 18410 En met slagen en met horten, 204 Meer dan drie honderd, zij het gewis, En ze eindigden ook niet voor dis Eer dan ze kwamen aan de andere zijden, Daar de drost was in die tijden. 18415 En toen ze bij hem verzameld waren, Riep Merlijn aan de zijne daarnaar: “Gij heren, nu eerst zal men zien alles Wie dat hier het beste doen zal; Ik heb u hier te beproeven gebracht, 18420 Hier zal ik merken uw kracht”. En toen koning Arthur hoorde Merlijn spreken deze woorden, Toen zei hij tot koning Ban ter vaart: “Ik zag niet zo’n goede vuilaard 18425 Als Merlijn is”. Toen zei Merlijn: “Laat uw schimpen nu maar zijn, Schimp al deze weken genoeg, Ge zal dan wel hebben uw gevoeg, De ene tegen de andere, weet voorwaar”. 18430 Toen sloegen ze de paarden daarnaar En reden in de vijanden na das, Daar hun doen het allermeest was. Daar begon de strijd nu groot, Daar bleef menig Senne dood; 18435 Daar deed koning Arthur zo wel En gedoogde zoveel te die maal, Bij toedoen dat daar Merlijn toe deed Dat het hen verwonderde daar ter stede Allen die van de heer zagen, 18440 Hoe hij die pijn mocht verdragen, Die hij daar deed te die stonde. Jonkvrouw Jenover, zij u bekend, Koning Leodegans dochter voorwaar, Legde haar handen tezamen daar 18445 En bad onze lieve Heer, Dat Hij hem beschermen moest voort meer Van schande, van schade, en van de dood. Dit bad ze daar met ernst groot, En weende van grote ontferming 18450 Vanwege de pijn, die hij had geleden De hele dag, daar ze dat zag toen, En nog deed maar immer toe; Dus had het haar verwonderd al te groot, Dat hij zo jong was en zo goed. 18455 Hij sloeg met zijn goede zwaard Menige het hoofd af, zodat viel ter aarde, Handen, armen, benen mede; Ridders doorkloofde hij daar ter stede En paarden, en schilden, en helmen mee 18460 Grosseerde hij daar in stukken, dat weet. Hij vocht zo zeer, zodat zijn helm nu Geheel stuk was, zeg ik u, Zodat hem de rand daar sinds Van de helm om de hals hing; 18465 Maar hij had goede behoeders daaraan Koning Bohort en koning Ban, Die altijd te dien tijden Vast waren bij zijn zijden, En wrochten ook zulk wonder mede, 18470 Met steken, met slagen, daar ter stede, Dat de Sennen, in die dagen Niet durfden te wachten op hun slagen; En de drang was nimmer zo groot, Ze doorbraken ze met slagen groot; 18475 En ook mede die van de tafelronden Deden dat daar goed in die stonden. Dus was groot de strijd na dat Van Tornasse, die grote stad; Daar werd menige mooie ridderschap gedaan 18480 Aan beide zijden, zonder waan; En de strijd had geduurd daar Van ‘s morgens, weet voorwaar, Al tot de duistere nacht toe; Maar van de noen zo werd toen 18485 Die strijd het allermeest voorwaar, Want van zestien duizend Sennen daarnaar Zo zijn er maar negenduizend gebleven. Toen zwoer Sapharijn, bij allen die leven En bij al zijn goed mede, 18490 Hij scheidde nimmermeer van de stede, Hij zou zich wreken aan diegene samen, Die de zijne aldus verslaan. Toen riep hij Clarele en Sortibande, En Gaydone en Mediande, 18495 En Tenebande en Morise, En Malore. Deze ridders van prijs Waren zijn naaste verwanten daar; Deze waren dapper en openbaar, En hij vermaande hen daar samen, 18500 Dat ze hem bij zouden staan. 205 Hij zei: “men zal wel zien nu, Wie er een goed ridder is onder u”. Daar nam elk een nieuwe schacht, En reden daarin met grote kracht 18505 Wat hun paarden lopen konden. Sapharijn stak Hervi ten stonden, Zodat hij ter aarde vallen moest; Hij stak ook, in hetzelfde spel, Antor met het paard daar neer; 18510 Daarna stak hij Griflet weer En verwondde hem door het harnas daar, Zodat hij vallen moest neer; En elk die met hen daar kwam Stak er daar een neer, zoals ik vernam, 18515 Maar ze kwetsen hen niet zo hier. Van deze was een de bottelaar, Lucas daar vallen moest nu; De andere Gwinans, zeg ik u, De derde Gales, de vierde Merangys 18520 De vijfde Keye, de zesde Blioberys, De zevende Winemers, de achtste mee Was Brecians; om dit, dat weet, Zo kwam ginder een groot gehuil, En de strijd was groot daar nu. 18525 Ze dachten eraan om die dood te slaan, Maar ze konden daar niet komen aan. Al waren ze te voet ze waren dapper, En weerden zich met groot geweld; Maar dat had niet lang mogen duren 18530 Was Merlijn niet gekomen ter uren; Want Sapharijn dacht daarnaar, Hoe hij ze mocht doden daar. Hij is op Leodegan nu gereden, En stak hem met een speer ter steden 18535 Door het schild, en alzo als hij De speer neer droeg daarbij, Stak hij hem door de slippen mede Van het harnas daar ter stede, Zodat de speer ging door dat paard alzo; 18540 Daar vielen ze beiden ter aarde toen. Toen die van de stad zagen voorwaar, Dat hun heer ter aarde lag daar, Waren ze bang daarbij, Ze meenden dat hij dood zij. 18545 Toen sloegen ze alle derwaarts, En toen Arthur dat werd gewaar Van de giganten, die daar nu weder Vier zulke goede ridders staken neder, Zwoer hij, dat hij hen beproeven zou 18550 Tegen hen nu met geweld; Hij nam een speer in de hand. Toen sprak koning Ban gelijk: “Heer, wat wil ge doen hiermede? Ge mag niet rijden nu ter stede 18555 Tegen deze vreselijke gigant, Ge bent te jong, zij u bekent, Dat ge tegen hem zou spelen Ge mag u tegen hem niet verweren, Maar ik zal tegen hem varen nu”. 18560 “Bij God, heer, ik zweer het hier u”, Sprak Arthur, hier zal niemand varen Dan ik zelf, want ik zeg het u te waren, Zo hij sterker is en meer is te ontzien, Zo ik me beter beproeven zal aan dien; 18565 Want nimmermeer mocht ik weten Wat ik waard was, nog vermetel, Beproefde ik me aan deze niet”. En toen Merlijn dit nu ziet, Riep hij: “kwade, bange ridder! wi 18570 Hou je stil? waarom doe jij Niet dat ge bent begonnen nu? Ge bent bang, lijkt me aan u”. Toen koning Arthur dit verstond, Schaamde hij zich, en sloeg met een spoed 18575 Dat paard met de sporen, en reed derwaarts gelijk. Koning Ban zei, zonder waan, Tot Merlijn: “ge doet grote zonde, Dat ge hem laat varen nu ter stonde Tegen de grote duivel dan”. 18580 Merlijn zei: “daar is geen angst aan, Maar neem een speer en volg hem daar, En uw broeder en Ulfijn daarnaar”. Ze deden alle drie dat ding, En volgden Arthur, de koning. 18585 En toen Sapharijn Arthur heeft vernomen, Is hij overmoedig tegen hem gekomen; En toen ze daar bijeen kwamen, Lieten ze de paarden lopen tezamen Wat ze lopen konden. 18590 De ene stak de ander daar ten stonden 206 Op het schild, zodat ze braken toen En in stukken vielen daartoe; En Sapharijn brak zijn speer daar Tot zijn hand toe voorwaar, 18595 En kwetste Arthur in de zijde, Maar beschadigde hem niet zeer in die tijde; Maar koning Arthur stak hem weer gereed Met zo ‘n kracht, dat hij doorreet Dat harnas en het lichaam beide, 18600 Zodat hij dood viel uit het zadel; En alzo toen hij overleed, Brak hij zijn speer gereed. Dit spel zag Jenover nu, Die in een venster lag, zeg ik u, 18605 Op een paleis bij de muren; Ze loofde en prezen nu ter uren Die jonge man, en vroeg zeer Wie dat was die dappere heer, Die haar vader haar heeft onthouden daar: 18610 “Bij God, hij schijnt wel openbaar Van grote en van goede lieden, Was hij gekomen van onnutte bedienden, Hij had de arbeid niet durven bestaan, Die hij de hele dag heeft gedaan, 18615 Hij was dan geweest, weet gereed, Van al te hoog hart mede; En zijn gezellen ook, zonder waan, Hebben het daar allen wel gedaan, Zodat men ze prijzen zal immermeer. 18620 Koning Ban, zoals ik u zei eer, En zijn gezellen volgden Arthur Daar hij was gegaan voor, Elk had een speer in de hand, En zijn in de strijd gerend. 18625 Daar stak koning Ban Sortibande, Zodat hij ter aarde viel gelijk, En ook nimmermeer op stond; En koning Bohort, zij u bekend, Stak daar toen dood Clariele, 18630 En Ulfijn stak dood Gastinele; En in hetzelfde spel zo reed een Moriase daar neer van hen twee, En de andere Modianne, En de derde Sortibanne. 18635 Deze bleven allen dood op het veld. En koning Arthur was gesteld Aan Maleure en aan Ferant, Die boven Antor hielden gelijk Om hem daar dood te slaan; 18640 De ene hield hem met de helm aan En de ander sloeg hem zeer daarnaar Met een bijl. Toen verhief daar Koning Arthur zijn goede zwaard, En sloeg Maleure met een vaart 18645 Dat hoofd af; toen dit zag na dat Ferant, die zijn verwant was, Toen verhief hij zijn bijl daar, Tegen de koning en slaat hem daarnaar Op zijn helm met geweld. 18650 Toen droeg de koning zijn schild Daartegen, en Ferant sloeg het daar In zo menige stukken daarnaar, Dat het vloog te dal toen, En de slag ging neer alzo 18655 En raakte de koning daar ter plaatse Op zijn schouder, zodat hij mede Boog op dat zadel nog meer, En de bijl brak in twee. Toen richtte de koning zich op, 18660 En gaf hem op dat hoofd een klop Met het zwaard zo overgroot, Dat hij hem tot de tanden gaat; En diegene viel dood daar nu. Van de slag werd groot gehuil 18665 Van de Sennen, die zeer bang Waren, toen ze zagen geschoffeerd Hun heren en verslagen, En ze nimmermeer hulp zagen Dan Grandane, die hun banier 18670 Droeg, daar koning Ban aan snel Toen verzamelde, en sloeg hem daar Op de schouder, zodat hij hem daarnaar Ontleedde geheel met het banier, Zodat het ter aarde viel snel. 18675 Toen vlogen allen die daar waren; Daar werd groot gejaagd nu, te waren; Van vespertijd tot de avond toe Jaagden ze, en ginder toen Tot in die nacht, dat het donker was, 18680 Ze sloegen er zoveel, zij het zeker dat, 207 Dat van zestienduizend Sennen, te waren, Maar vijfduizend mochten ontkomen, De andere bleven allen dood of gevangen; En diegene, die waren ontgaan, 18685 Voeren tot koning Rioen, En vertelden hem van hun doen, Hoe de koningen allen waren dood, En hun hele konvooi, “Uitgezonderd wij, die zijn ontgaan”. 18690 Toen zwoer koning Rioen gelijk, Dat hij nimmermeer scheidde dan Hij zou koning Leodegan Dood hebben of gevangen. Om dit heeft hij ontboden gelijk 18695 In Denemarken, op een dag, Daar zijn grootste heerschappij lag, Dat ze daar brachten, arm en rijk, En spijzen mede desgelijks, Voor twee jaren genoeg voortaan 18700 Voor tweehonderdduizend man. Dat land van Denemarken toen der tijd Was erg groot en erg wijd, Daar hoorden veel landen toen aan: Saxen, Duitsland en Polen, 18705 Hongarije, Limburg, en Friesland; Dit was alles onder zijn hand, En nog meer, weet voorwaar, Waren er die hem accijns gaven daar, En daartoe ook, tot al deze, 18710 Wilde hij zo’n grote heer wezen, Dat hij de hele wereld wilde bedwingen En de Sennen die hij had laten brengen, Die hij in alle landen had gezonden, Die daar de landen beroofden omtrent; 18715 Dat was omdat de baronnen Van de landen zouden hebben te doen Genoeg met zichzelf, zeg ik u, En koning Leodegan niet helpen nu; Vanwege dit had hij ze overal gezonden, 18720 Dat ze de landen beroofden omtrent, En ze hadden ook wel de macht Elk land te doen met kracht. Niet lang nadat koning Rioen ontbood Zijn heren te komen en zijn verwanten 18725 Uit al zijn landen, weet voorwaar, Gauw zo kwamen daar Zodat hij er had, te paard en te voet, Tweehonderdduizend en vijftig, zij u bekend, Voor de stad Deneblase nu; 18730 En daar waren er mede, zeg ik u, Twintig gekroonde koningen ter plaatse, En hij was de een en twintigste mede; En ze hadden gebracht zoveel spijzen, Dat ze hoefden op geen wijze 18735 In menige tijd om voedsel varen; Zo’n grote hoeveelheid hadden ze, te waren, Met hen uit twintig koninkrijken; Daar was het zo’n goede tijd zekerlijk, Dat dus niemand nu geloven zou. 18740 Menig maal, met groot geweld Zo liet beproeven die koning Rioen, Of hij die stad kon veroveren; Maar hij kon vrijwel niets Beschadigen de stad Deneblase, 18745 Ze was zo vast in alle zinnen; Zolang als ze te eten hadden binnen, Zo hadden ze geen angst daaraan. Ze hadden koning Leodegan Vaak ontboden, dat hij kwam daar 18750 En hij hen behoedde, want ze hadden gevaar En menige angst hadden groot; En de koning hen weer ontbood, Dat hij genoeg had nu te doen; Maar als hij tijd had hij zou gauw 18755 Komen, en hen bijstaan En de stad ontzetten, kon hij, gelijk. Hier zwijgt dit boek van koning Rioen En van al zijn doen, En zal nu zeggen voort ter uren 18760 Van koning Arthur. |
Hoe die koninck Artur ende Jenovre hem ierst werf onderminden. Hier zeghet daventure, twaren, Dat die van der stat blyde waren Ombedat die Sennen waren doe Verslagen ende verdreven toe, 18765 Enter hare in der noet So luttel waren bleven doet, 208 Ende datsi dus oec waren gesconfiert, Dade Merlijn mede, dat hi visiert, Entie twe-ende-veertich mede ten stonden 18770 Entie ridders van der tafelronden. Nu zeget dit boeck hier ter stede: Doe si alle verjaget waren mede, Keerdensi met blijtscap in die stat. Doe die koninck Leodegan vernam dat, 18775 Quam hi tegen die twe-ende-veertich daer Ende dade hem grote feeste naer; Ende doe si alle vergadert weren, Dede die koninck daer presenteren Den twe-ende-veertich, zijt seker das, 18780 Al dat goet datter gewonnen was, Ende zeide, dat waer haer met rechte, Si haddent gewonnen met gevechte, “Wy en hebbent gewonnen, cleen no groet; Oec hebdy my van der doet 18785 Bescut ende van gevencnisse mede”. Si dankedens den koninge daer ter stede, Ende zeiden zi en woudens niet ontvaen “Daer komet noch tijts genoech, sonder waen, Dat wy gifte zullen nemen, 18790 Maer gevet dat nu anders, na iu betemen”. Doe zeide die koninck Leodegan; “Sintemeer dat gy des niet voertan Nemen en wilt, so nemet gy Ende deelet waer dat iu wille sy”. 18795 Merlijn seide ten drien koningen doe, Datsi dat goet namen alsoe. Doe namen sijt, ende deeldent daer Na Merlijns rade, wetet vorwaer, Sodat des hemselven en bleef niet 18800 Dat eens penninges waert was iet; Des wordensi geprijset seer, So beiagedensi groet eer, In al den lande, daer ter stede, Ombe haer grote daet ende mildechede, 18805 Dat men nergen af en sprac vorwaer, Dan van hem lieden openbaer. Si daden so by Merlijns rade nu, Dattet elc moste prysen, seggic iu; Ende Artur gaf sinen waerde mede 18810 Ende siner waerdinnen, daer ter stede, So vele goedes, datsi daernare Altoes rike liede waren. Doe dit gewin gedeelt was, Zeide die koninck Leodegan nadas 18815 Toten twe-ende-veertich soudenieren, Dat hi en woude, in gener manieren, Voertmeer si en souden bliven nu In siner herbergen, seggic iu, Ende gesellen wesen voert ten stonden 18820 Der heren van der tafelronden. Dus warensi daer nu ontvaen; Men dade die heren ontwapenen saen. Doe sprac die koninck Leodegan daer Siner dochter, datsi ginge naer 18825 Ende pareerde, ende name voertan Twe silverine beckene, ende ginge dan Ende wiesce die heren met warmen borne. Si was derwaert saen nu vorne, Maer die koninck Artur en woude niet 18830 Dat sine dwoege, wat des gesciet, Vor dat Leodegan ende Merlijn daer Beide hem hieten doen. Daernaer Ginck si hem wasscen den hals sijn, Ende oec mede sijn anscijn, 18835 Ende drogedet met ener sconer dwale. Daerna ginck si wasscen wale Die ander koninge, wet vorwaer. Entie ander Jenover, die was daer Des drossaten wives dochter mede, 18840 Si dwoech die ander heren ter stede Ende haren vader, den koninc, met. Doe ginck die ander Jenover, dat wet, Die des koninck Leodegans dochter was Van sinen wive, ende nam nadas 18845 Drie mantele, ende hincse daernaer Den drien koningen ombe den hals daer. Doe was die koninck Artur voertan Een utermaten scone man, Ende Jenover besachen sere daerby 18850 Ende hi haer weder; doe zeide si Onder haer tanden: “der ioncfrouwen Mach wael te moede zijn, by mynre trouwen, Daer sulc een ridder begeerte hadde inne, Dat hi an haer woude soecken minne, 18855 Ende met rechte mochte si oec mede 209 Blyscap driven in elker stede Die minnen woude alsulc een man, Ende met rechte soudese voertan Vermaledyen God entie werlt mede, 18860 Die sulken manne minne ontseide, Ende nembermeer waer si eren waert, Diene ombe mynne iet beswaert”. Mettien waren die tafelen geleit Ende dat eten was al bereit; 18865 Doe dade die koninck Ban sitten gaen Den koninck Artur vor hem saen, Tuscen hem ende sinen broeder nu, Wantsi daden hem daer, seggic iu, Al die ere die si mochten an. 18870 Dit merkede die koninck Leodegan, Die daer ter selver tafelen sat; By der eren, die zi hem daden ter stat, Dachte hi dat hi haerre alre here was, Ende hem wonderde oec sere nadas, 18875 Wie die here mochte sijn. Hierombe hadde hi groten fijn, Dat hi dat wiste, wie hi waer, Ende sine gesellen oec daernaer; Dit liete hi hem vele costen ter stonde. 18880 Doe gingen sitten die van der tafelronde Neven die soudenier, want in een Droegensi van vrientscape onder hem tween. Die koninck Leodegan dachte doe: “God, Here”, zeidi, “of dat mochte sijn alsoe, 18885 Dat dese scone vrome jonge man, Dien si daer alle dienen voertan, Mine dochter getrouwet hadde ter stede; Want ic weet wael die waerhede, Dat in so jongen manne, so hi es, 18890 Niet [en] mochte zijn, des ben ic gewes, Also vele groter vromecheden Als ic an hem gesien hebbe heden, En waer hi van groter konne niet, Ocht dat es een geest, als men siet, 18895 Dien God hier gesant hevet mede, Ende sine gesellen oec ter stede Ombe dit lant bescermene met, Ende sterkene Godes wet”. Doe dachte hi ombe dat wonder, dat hi dede doe 18900 Ende alle sine gesellen oec mede; Hi dachte, hoe hi uter poerten reet, Die vaste stont besloten toe; Hi dachte voert, sonder waen, Hoe hine verloste daer hi was gevaen, 18905 Haer twe-ende-veertich tegen vijfdusent man, Ende daerna al den dach voertan Anxtelike seer gestreden hevet. Dus dachti hierombe dat hi begevet Al sijn eten ende siner gaste mede, 18910 Ende bleef sittende also ter stede. Dit merkede Hervy van Rivel daer, Dien dat leet was, ende daernaer Stont hi op ende ginck toten koninck, Ende zeide hem hemelijc dese dinck: 18915 “Here”, zeidi, “ic en sach iu nie eer Mesgrypen an negeen dinck so seer Als gy iu nu ter wilen doet, Gy zoudet nu maken blydegemoet Dese heren, maer gy sittet nu 18920 Ocht gy sliepet, ende droemde iu Gy en zoudet iu dus niet gelaten”. “Hervi”, zeidi doe, “by karitaten, Ic dachte omb den edelsten, zijt seker des, Enten besten, die in der werelt es, 18925 Enten vroemsten, ende ic en konde my Niet onthouden, ic en moeste daerby Denken, ende omb dese dinck zeggic iu, En zoude men my niet blamen nu”. Hervi zeide: “dat mach wael wesen, 18930 Maer pinset daerombe genoech na desen, Als gy des stade hebbet ende respijt; Maer nu en eest geen denkens tijt Doer feeste ende blyscap deser heren, Die wel waert sijn aller eren”. 18935 Dus liet die koninck dat denken varen Ende sijn dochter Jenover, twaren, Diende vor Artur ende scenkede hem nu, Ende knielde vor hem, seggic iu, Die wile dat hi drinken soude, 18940 Ende hi sach op haer also houde Met vriendeleken ogen te hant; Si was die scoenste, die men vant; Si stont in horen rocke al bloet, Ende op haer hovet een hoet 18945 Daer menech dier steen an stont; Si hadde enen hals scoen ende ront Entie scoenste vlechten mede 210 Die haer sloegen, daer ter stede, Toten gordele nederwaert; 18950 Haer anscijn dat was so verclaert Rodelec mynlic met witten gemene Gemenget, dat natuer negene Daer an gebrac; noch an hoer lede An hande, an voete, an vinger mede, 18955 Noch an lichame, wat helpet messaket, So en sach men negene bet geraket; Ic en kan haer scoenheit niet volprysen, Nochtan was si in alre wysen Ember also volkomen ende volmaket 18960 In hovesceden, ende also wel geraket In goedertierenheit ende in mildecheden In dogeden ende in soetecheden Ende in gestadecheit van sinne, Dit ende meer hadde si al inne 18965 Dat ic al niet geseggen en kan. Die koninck Artur sachse doen an Die niet scoenre [en] mochte wesen, Gelijc als wy van haer nu lesen: Haer borsteline waren ront ende clene 18970 Alse twe appelkine gemene, Ende haer lijf was witter dan die snee; Wat machic an haer prysen mee? Si en was te mager no te vet Maer tuscen den beiden, dat best set. 18975 Die koninck merkedese doe herde seer, Ende dachte an haer ie lanc ie meer; Hi dachte so vele an haer nadat, Dat hi sijns etens al vergat; Maer hi keerde sine ogen van haer, 18980 Dat des nieman soude werden gewaer. Die ioncfrou nam doe den nap, God weet, Ende zeide: “jonchere, drincket gereet; Wistic nu wael hoe gy hiet, Ic noemde iu also ende anders niet; 18985 Drinket ende [en] scaemt iu niet sint, Ende en sijt niet versaget een twint, Want, by Gode, ten wapenen en zijdy Niet versaget, duncket my; Dat sceen wael heden, zeggic nu, 18990 Daer er vijfdusent sagen na iu”. “Ioncfrou”, zeidi, “gy seght uwen wille, Van den dinck zwigic stille, Maer ic drinke gerne, scone maget vry, Van uwer hant, ende God late my 18995 Des verdienen sonder uwe noet, Dat gy my desen dienst nu doet”. “Here”, zeide si, “gy en hebt des noch niet Te beginnen, of gy dat gebiet, Maer gy hebt my hondertwerf voertan 19000 Meer vergouden dan ic iu kan; Want daer vergoudijt wel, sonder waen, Daer mijn vader was gevaen Ende gyne verloestet uter noet; Ten andren male, daer gy staket doet 19005 Die mynen vader hadde ter aerden Gesteken met sinen paerde, Daer gy iu ombe aventuerdet sere, Eer gy bescuddet mynen here; Daer dady, here, met wapenen soe 19010 Dat al dat heer vor iu vloe; Ay, wie sach oit so jongen man, Als gy zijt, die dat dorste vangen an, Dat gy daer vinget an gerede”. Die koninck Artur liet haer ter stede 19015 Seggen van desen, al dat si wille, Ende sach vor hem ende sweech stille, Ende nam den cop ende dranc alsoe, Ende zeide: “joncfrou, staet op daertoe, Gy hebbet lange genoech gedient nu, 19020 Gaet sitten, joncfrou, des biddic iu”. Haer vader zeide: “dat en mach niet wesen”. Dus diendesi voert na desen Van menegen gerechte, dat daer quam; Ende doe die maeltijt inde nam 19025 Entie amlaken op sijn gedaen, Doe sprac die koninck Ban saen Tot koninck Leodegan, daer hi sat nu: “Here, my wondert sere van iu, Want men hout iu herde vroet, 19030 Dat gy iu dochter niet beraden doet, Die groet ende scone es mede, Dat gyse nu niet en gevet ter stede Enen vromen machtegen man, Die iu holpe bescermen voertan 19035 Iuwe lant tegen iuwe viande nu, Want my dunket wel te hoerne an iu, Dat gy niet meer kinder, hoe dat gaet, 211 En hebbet, daer op te blivene staet Dit lant, dan haer allene”. 19040 Die koninck Leodegan sprac na datgene: “By Gode, here, dat doet my torloge swaer, Dat my hevet gedaen seven iaer Die koninck Rioen van Denemarke, Die my hevet georloget stercke, 19045 Dat ic daer nie sint toe konde komen Al had ics my gehat ondernomen, Ende oec en quam my nieman toe, Dien icse geven woude alsoe; Maer quame my toe een ionc baseleer 19050 Die machtech waer, totdat hi meer Ontsien waer dan ic nu bem, Ende mijn orloge trac an hem, Ic gave hem mine dochter te wive Ende mijn rike na minen live; 19055 Ende, by Onsen Here, ic seg hier iu: Ic woudet also waer, als ic pinse nu, So soude mine dochter gehuwet sijn In drien dagen, na den wille mijn, An enen den besten baseleer, 19060 Enen ioncman, dien ic sach niet eer Ende ten wapenen die beste mede; Oec onthoude ic, na der waerhede, Dat hi hoger man es dan ic sy”. Doe loech Merlijn een luttel daerby, 19065 Ende zeide toten koninck Bohort al stille, Dat hi dit zeide ombe Arturs wille. Doe sweech die koninck Ban ter stede Ende sprac van andren dingen mede, Ende liet bliven dat woert van dien. 19070 Die koninck Leodegan merkede mettien Datsi der talen niet en rochten, Ende gaf daerombe een groet sochten, Ombedat hem dochte, datsi niet En achten van den huwelike iet, 19075 Ende hi sach die grote feeste mede, Die men den koninck Artur dede Overal van den twe-ende-veertich soudenieren Ende datsi hem dienden in aller manieren Ende onderhorich gelijc horen here. 19080 Dit wonderde den koninc Leodegan sere, Ende wart bedroevet seggic iu, Entie ioncfrou wart oec nu Artur so sere minnende nadat, Datsi hoers selves sciere vergat, 19085 Ende si woude oec wael na desen, Dat hi haer geselle mochte wesen Ende haer man, si hadden liever nu Dan ieman die levet, seggic iu. Die historie segget ons, dat si was 19090 Die vroetste entie scoenste, sijt seker das, Entie beste geminnetste mede, Die doe was in Kerstenhede, Sonder Clarine, die was ter ure Des koninck Percides wijf van Casinure, 19095 Ende des koninck Pelles dochter nadas, Die van Listenois koninck was, Die nichte was des koninges des visscers met Entes koninges mede, dat wet, Die altoes zieck [was] van wonden; 19100 Dene koninck hieraf hiet, ten stonden, Alein van den vasten eylanden, Die tlant van Listenois hielt in handen; Alse dese koninck was van den wonden Altoes sieck in sinen stonden, 19105 Entie rike visscer geheten was Die gewondede koninck, als ict las Want hi was gewondet in sine dye, Ende in siner kintheit, secht men my, Dat hi Broen was geheten, 19110 Maer hi hiet die rike visscer, als wijt weten, Ombedat hi enen visc vinck, Dien hi sette na die dinck Optie tafle van den helegen Grale, Als men hier na sal seggen wale. 19115 Dese rike visscer hadde den Grael in hoeden, Alse iu die historie vor bevroede, Dien hem gaf Joseph van Aramathien Met hem te voerne ende siner pertien; Ende hi was vader des koninck Pelles 19120 Des koninck Aleyns; ende tlant van Listones Haddensi gewonnen daerna, Sint dat si scieden van India. Dese twe koninge hielden tlant; Des koninck Pelles dochter, sij iu bekant, 19125 Si hadde in hoede den Grael; Si was scone ende utermaten noyael Ende wonede metten oudervader 212 Ende hielt den Grael altenengader Totedat Galaat quam, die dat wan, 19130 Alse iu dit boeck hier namaels dan Verklaren sal, hoe die Grael nam ende. Nu eest goet dat ic wende Ende kere ten twe-ende-veertich gesellen, Daer ic hier voraf liet mijn tellen. 19135 Doe die tafelen waren opgedaen, Als ic hier voer dade verstaen, Nam Merlijn die drie koninge besiden, Ende zeide: “wety wat nu ten tiden In Bertanien gesciet es?” 19140 Doe zeide die koninck Artur na des: “By Gode, Merlijn, dat wistic gerne”. “Ic segget iu, here, ende niet te scerne, Daer hevet geweest vor Logres nu Ene grote batalie, seggic iu, 19145 Van den Sennen, die tlant aldaer Gerovet hadden, wet vorwaer, Ombelanc dat oever ende optie zee; Ende alsi metten rove oec mee Vergadert waren met tien dusent man 19150 Ende te Windeberes voeren voertan, So quamen vijf kinder op hem in scijn, Die alle vive uwe neven sijn”. Ende doe telde hi daernare Hoe si alle vive gesceden waren 19155 Van horen vader ende moeder mede Sonder haer weten; oec teldi ter stede Hoe si die poerten bescudden al, Ende haer doen, groet ende smal, Teldi hi den drien koningen daer, 19160 Ende hoe si ontvaen waren naer Van der stat, ende hoe si zeiden Hoe si hore ridderscap saen ontbeiden Totedat die koninck Artur, haer oem, Haerre so vele wil nemen goem, 19165 Dat hise selve ridder make. “Laet varen”, zeide Merlijn, “nu die sake Voert te denken van iu lant, Gy hebbet daer nu so goeden warant, Gy ne dervet nember sorgen nu; 19170 Sijt blyde ende denket, seggic iu. In weldoen nu vorwaert meer, Want uwen lande komet te helpen, heer, Van Constantinopele des keysers sone, Die met hem bringet jonge barone, 19175 Dat edeler liede kinder sijn nu; Dese snllen iu dienen, seggic iu, Ende si willen iu dienen ombe die saken dinck, Dordat gy se ridder zult maken, Ende vele ander sullen komen omb die 19180 Ende ombe dit suldy werden, heer koninck, Boven alle die werelt gehoget nu”. “Merlijn”, zeide die koninck, “ic biddes iu, Segget my hoe die kinder heten, Die meest hieraf zijn vermeten”. 19185 “Here, die ene hetet Gawein, Dander Garies, die derde Agrawein, Die vierde hetet Gaheries, Entie koninck Lot haer vader es, Ende haer moeder iu suster mede; 19190 Entie vijfte hieraf ter stede, Hetet Galescins, ende es Sone des koninck Ventres Ende oec uwer suster kint, vorwaer; Entie seste, die komen es daer, 19195 Hetet Sagrimor, ende es mede Des koninges dochter sone, ter stede, Van Constantinopele; ende alle dese Sullen iu dienen, daer ic af lese, Ende noch menech ander here, 19200 Die nu iu viande zijn herde sere”. Ende alle die wile dat Merlijn daer Den koninge dit zeide, quamen naer Alle die gesellen, die des blide waren, Doesi hoerden dese niemaren. 19205 Doe sciedensi entie ridders mede, Die daer waren in der stede, Tharer herbergen waert saen, Ende bleven daer, sonder waen, Ene lange tijt, ende daden niet el, 19210 Dan eten ende drinken, ende hadden spel. Enten koninck Leodegan quam daernaer Menech man te hulpe vorwaer Ende binnen der wilen datsi daer lagen, So gesciede in dien dagen 19215 Den baronen, daer ic af hier vor zeide Menege grote pijnlechede, Als ic iu hier vertellen sal, eer Ic van Leodeganne spreke meer. |
Hoe koning Arthur en Jenover zich de eerste keer beminden. Hier zegt het avontuur, te waren, Dat die van de stad blij waren Omdat de Sennen waren toen Verslagen en verdreven toe, 18765 En van de hunne in de nood Zo weinig waren gebleven dood, 208 En dat ze dus ook waren geschoffeerd, Deed Merlijn mede, dat hij versierde, En de twee-en-veertig mede ten stonden 18770 En de ridders van de tafelronden. Nu zegt dit boek hier ter plaatse: Toen ze alle verjaagd waren mede, Keerden ze met blijdschap in de stad. Toen koning Leodegan vernam dat, 18775 Kwam hij tegen die twee-en-veertig daar En deed hen grote feesten daarnaar; En toen ze alle verzameld weren, Liet de koning daar presenteren De twee-en-veertig, zij het zeker dat, 18780 Al dat goed dat er gewonnen was, En zei, dat was van hun met recht, Ze hadden het gewonnen met gevecht, “We hebben het niet gewonnen, klein of groot; Ook heb je mij van de dood 18785 Behoed en van gevangenis mede”. Ze bedankte de koning daar ter plaatse, En zeiden ze wilden het niet ontvangen “Daar komt nog tijd genoeg, zonder waan, Dat we giften zullen nemen, 18790 Maar geef dat nu aan anderen, naar uw betamen”. Toen zei koning Leodegan; “Sinds te meer dat ge dus niet voortaan Nemen wil, zo neemt gij En verdeel het waar dat uw wil zij”. 18795 Merlijn zei tot de drie koningen toen, Dat ze dat goed namen alzo. Toen namen zij het, en verdeelden het daar Naar Merlijns raad, weet voorwaar, Zodat voor henzelf bleef niets 18800 Dat een penning waard was iets; Dus worden ze geprezen zeer, Zo bejaagden ze grote eer, In het hele land, daar ter plaatse, Om hun grote weldaad en mildheden, 18805 Zodat men nergens van sprak voorwaar, Dan van die lieden openbaar. Ze deden zo bij Merlijns raad nu, Dat elk hen moest prijzen, zeg ik u; En Arthur gaf zijn waard mede 18810 En zijn waardin, daar ter plaatse, Zoveel goederen, zodat ze daarnaar Altijd rijke lieden waren. Toen deze winst gedeeld was, Zei koning Leodegan na dat 18815 Tot de twee-en-veertig soldaten, Dat hij wilde, op geen manieren, Voort meer ze zouden blijven nu In zijn herberg, zeg ik u, En gezellen wezen voortaan ten stonden 18820 De heren van de tafelronden. Dus waren ze daar nu ontvangen; Men liet die heren ontwapenen gelijk. Toen sprak koning Leodegan daar Zijn dochter, dat ze ging daarnaar 18825 En zich opschikte, en nam voortaan Twee zilveren bekkens, en ging dan En waste die heren met warm bronwater. Ze was derwaarts gelijk nu voor, Maar koning Arthur wilde het niet 18830 Dat ze hem waste, wat er geschiedt, Voordat Leodegan en Merlijn daar Beide hem het zeiden te doen. Daarnaar Ging ze hem wassen de hals van hem, En ook mede zijn aanschijn, 18835 En droogde het met een schone doek. Daarna ging ze wassen wel De andere koningen, weet voorwaar. En de andere Jenover, die was daar De drost zijn vrouws dochter mede, 18840 Ze waste de andere heren ter plaatse En haar vader, de koning, mee. Toen ging die andere Jenover, dat weet, Die koning Leodegans dochter was Van zijn vrouw, en nam na dat 18845 Drie mantels, en hing ze daarnaar De drie koningen om de hals daar. Toen was koning Arthur voortaan Een uitermate mooie man, En Jenover bezag hem zeer daarbij 18850 En hij haar weer; toen zei zij Tussen haar tanden: “die jonkvrouw Mag wel te moede zijn, bij mijn trouw, Daar zo’n ridder begeerte had in, Dat hij aan haar wilde zoeken min, 18855 En met recht mocht ze ook mede 209 Blijdschap bedrijven in elke plaats Die beminnen wil zo’n man, En met recht zou ze voortaan Vermaledijde God en de wereld mede, 18860 Die zo’n man zijn min ontzei, En nimmermeer was ze eer waard, Die om min iets is bezwaard”. Meteen waren de tafels gedekt En dat eten was al bereid; 18865 Toen liet koning Ban zitten gaan Koning Arthur voor hem gelijk, Tussen hem en zijn broeder nu, Want ze deden hem daar, zeg ik u, Alle eer die ze mochten aan. 18870 Dit bemerkte koning Leodegan, Die daar aan dezelfde tafel zat; Bij de eer, die ze hem deden ter plaatse, Dacht hij dat hij hun allen heer was, En hem verwonderde ook zeer na dat, 18875 Wie die heer mocht zijn. Hierom had hij groot gepeins, Dat hij dat wist, wie hij was, En zijn gezellen ook daarnaar; Dit liet hij zich veel kosten ter stonde. 18880 Toen gingen zitten die van de tafelronde Nevens die soldaten, want ineens Droegen ze vriendschap onder hen twee. Koning Leodegan dacht toen: “God, Heer”, zei hij, “of dat mocht zijn alzo, 18885 Dat deze mooie dappere jonge man, Die ze daar alle dienen voortaan, Mijn dochter getrouwd had ter plaatse; Want ik weet wel de waarheid, Dat in zo’n jonge man, zo hij is, 18890 Niet mocht zijn, dus ben ik gewis, Alzo veel grote dapperheden Zoals ik van hem gezien heb heden, Was hij van grote kunne niet, Of dat is een geest, zoals men ziet, 18895 Die God hier gezonden heeft mede, En zijn gezellen ook ter plaatse Om dit land te beschermen mee, En versterken Gods wet”. Toen dacht hij om dat wonder, dat hij deed toen 18900 En al zijn gezellen ook mede; Hij dacht, hoe hij uit de poort reed, Die dicht stond gesloten toen; Hij dacht voort, zonder waan, Hoe hij hem verloste daar hij was gevangen, 18905 Hun twee-en-veertig tegen vijfduizend man, En daarna de hele dag voortaan Angstig zeer gestreden heeft. Dus dacht hij hieraan zodat hij vergeet Al zijn eten en zijn gasten mede, 18910 En bleef zitten alzo ter plaatse. Dit merkte Hervy van Rivel daar, Die dat leed was, en daarnaar Stond hij op en ging tot de koning, En zei hem heimelijk dit ding: 18915 “Heer”, zei hij, “ik zag u niet eerder Misgrijpen aan geen ding zo zeer Zoals ge u nu ter wijlen doet, Ge zou nu maken een blij gemoed Deze heren, maar ge zit nu 18920 Of ge sliep, en droomde u Ge zou u dus niet tonen”. “Hervi”, zei hij toen, “bij liefdadigheid, Ik dacht aan de edelste, zij het zeker dit, En de beste, die in de wereld is, 18925 En de dapperste, en ik kon mij Niet onthouden, ik moest daarbij Denken, en om dit ding zeg ik u, Zou men mij niet blameren nu”. Hervi zei: “dat mag wel wezen, 18930 Maar peinst daarom genoeg na deze, Als ge dus tijd hebt en respijt; Maar nu is het geen denkers tijd Doe feest en blijdschap van deze heren, Die wel waard zijn alle eren”. 18935 Dus liet de koning dat denken varen En zijn dochter Jenover, te waren, Diende voor Arthur en schonk hem nu, En knielde voor hem, zeg ik u, De tijd dat hij drinken zou, 18940 En hij keek naar haar alzo te houden Met vriendelijke ogen gelijk; Ze was de schoonste, die men vond; Ze stond in haar rok al bloot, En op haar hoofd een hoed 18945 Daar menig dure steen aan stond; Ze had een hals schoon en rond En de mooiste vlechten mede 210 Die bij haar sloegen, daar ter plaatse, Tot de gordel neder waart; 18950 Haar aanschijn dat was zo verheldert Roodachtig beminnelijk met wit algemeen Gemengd, dat natuur nee geen Daaraan ontbrak; nog aan haar leden Aan handen, aan voeten en aan vinger mede, 18955 Nog aan lichaam, wat helpt in deze zaken, Zo zag men geen beter geraakt; Ik kan haar schoonheid niet volprijzen, Nochtans was ze in alle wijzen Immer alzo volkomen en volmaakt 18960 In hoffelijkheid, en alzo goed geraakt In goedertierenheid en in mildheden In deugden en in lieflijkheid En in constantheid van zin, Dit en meer had ze alles in 18965 Dat ik alles niet zeggen kan. Koning Arthur zag haar toen aan Die niet schoner mocht wezen, Gelijk zoals we van haar nu lezen: Haar borstjes waren rond en klein 18970 Als twee appeltjes algemeen, En haar lijf was witter dan de sneeuw; Wat mag ik van haar prijzen meer? Ze was niet te mager of te vet Maar tussen beiden, dat beste gezet. 18975 Die koning merkte haar toen erg zeer, En dacht aan haar hoe langer hoe meer; Hij dacht zoveel aan haar nadat, Dat hij zijn eten geheel vergat; Maar hij keerde zijn ogen van haar, 18980 Dat het niemand zou worden gewaar. De jonkvrouw nam toen de nap, God weet, En zei: “jonkheer, drinkt gereed; Wist ik nu wel hoe ge heet, Ik noemde u alzo en anders niet; 18985 Drinkt en schaamt u niet sinds, En wees niet bang iets, Want, bij God, te wapenen bent gij Niet bang, lijkt mij; Dat scheen wel heden, zeg ik nu, 18990 Daar er vijfduizend zagen naar u”. “Jonkvrouw”, zei hij, “ge zegt uw wil, Van dat ding zwijg ik stil, Maar ik drink graag, mooie maagd vrij, Van uw hand, en God laat mij 18995 Dat verdienen zonder uw nood, Dat gij me deze dienst nu doet”. “Heer”, zei ze, “ge hebt dus nog niet Te beginnen, als ge dat gebiedt, Maar ge hebt me honderd maal voortaan 19000 Meer vergolden dan ik u kan; Want daar vergold ge wel, zonder waan, Daar mijn vader was gevangen En ge hem verloste uit de nood; Te andere maal, daar ge stak dood 19005 Die mijn vader had ter aarden Gestoken met zijn paard, Daar ge u om avontuurde zeer, Eer ge behoedde mijn heer; Daar deed ge, heer, met wapens zo 19010 Dat het hele leger voor u vloog; Ay, wie zag ooit zo’n jonge man, Zoals gij bent, die dat durfde te vangen aan, Dat ge daar aanving gereed”. Koning Arthur liet haar ter plaatse 19015 Zeggen van deze, alles dat ze wil, En zag voor zich en zweeg stil, En nam de kop en drank alzo, En zei: “jonkvrouw, sta op daartoe, Ge hebt lang genoeg gediend nu, 19020 Ga zitten, jonkvrouw, dat bid ik u”. Haar vader zei: “dat mag niet wezen”. Dus diende ze voort na deze Van menig gerecht, dat daar kwam; En toen de maaltijd een einde nam 19025 En de tafellakens weg zijn gedaan, Toen sprak koning Ban gelijk Tot koning Leodegan, daar hij zat nu: “Heer, me verwondert zeer van u, Want men houdt u erg verstandig, 19030 Dat ge uw dochter niet aanraden doet, Die groot en mooi is mede, Dat ge haar nu niet geeft ter plaatse Een dappere machtige man, Die u helpt beschermen voortaan 19035 Uw land tegen uw vijanden nu, Want het lijkt me wel te horen aan u, Dat ge niet meer kinderen, hoe dat gaat, 211 Hebt, daarop te blijven staat Dit land, dan haar alleen”. 19040 Koning Leodegan sprak na datgene: “Bij God, heer, dat doet me de oorlog zwaar, Dat me heeft gedaan zeven jaar Die koning Rioen van Denemarken, Die me heeft beoorloogt sterk, 19045 Dat ik daar niet sinds toe kon komen Al had ik het me ondernomen, En ook kwam me niemand toe, Die ik haar geven wilde alzo; Maar kwam naar me een jonge heer 19050 Die machtig was, totdat hij meer Ontzien was dan ik nu ben, En mijn oorlog trok aan hem, Ik gaf hem mijn dochter tot wijf En mijn rijk na mijn leven 19055 En, bij Onze Heer, ik zeg hier u: Ik wilde het alzo waar, zoals ik peins nu, Dan zou mijn dochter gehuwd zijn In drie dagen, naar de wil van mij, Aan een van de beste heren, 19060 Een jongeman, die ik zag niet eerder En te wapenen de beste mede; Ook hou ik vol, naar de waarheid, Dat hij een hogere man is dan ik ben”. Toen lachte Merlijn een weinig daarbij, 19065 En zei tot koning Bohort geheel stil, Dat hij dit zei om Arthurs wil. Toen zweeg koning Ban ter plaatse En sprak van andere dingen mede, En liet blijven dat woord van die. 19070 Koning Leodegan merkte meteen Dat ze de taal niets kon schelen, En gaf daarom een grote zucht, Omdat hij dacht, dat ze niet Dachten van een huwelijk iets, 19075 En hij zag die grote feesten mede, Die men koning Arthur deed Overal van de twee-en-veertig soldaten En dat ze hem dienden in alle manieren En onderhorig gelijk hun heer. 19080 Dit verwonderde koning Leodegan zeer, En werd bedroefd zeg ik u, En de jonkvrouw werd ook nu Arthur zo zeer minnende nadat, Dat ze zichzelf vrijwel vergat, 19085 En ze wilde ook wel na deze, Dat hij haar gezel mocht wezen En haar man, ze had hem liever nu Dan iemand anders die leeft, zeg ik u. Die historie zegt ons, dat ze was 19090 Die verstandigste en schoonste, zij het zeker dat, En de meest bemindste mede, Die toen was in christenrijk, Uitgezonderd Clarine, die was ter uren Koning Percides vrouw van Casinure, 19095 En koning Pelles dochter na dat, Die van Listenois koning was, De nicht was dus konings der vissers mee En een koning mede, dat weet, Die altijd ziek was van wonden; 19100 De ene koning hiervan heet, ten stonden, Alein van de vaste eilanden, Die het land van Listenois hield in handen; Deze koning was van de wonden Altijd ziek in zijn stonden, 19105 En die rijke visser genoemd was Die gewonde koning, zoals ik het las Want hij was gewond in zijn dij, En in zijn kindsheid, zegt men mij, Dat hij Broen was geheten, 19110 Maar hij heet de rijke visser, zoals wij het weten, Omdat hij een vis ving, Die hij zette na dat ding Op de tafel van de heilige Graal, Zoals men hierna zal zeggen wel. 19115 Deze rijke visser had de Graal in hoede, Zoals u de historie voor vertelde, Die hem gaf Joseph van Arimathea Met hem te voeren en zijn partij; En hij was vader van koning Pelles 19120 Koning Alein; en het land van Listones Hadden ze overwonnen daarna, Sinds dat ze scheiden van India. Deze twee koningen hielden het land; Van koning Pelles dochter, zij u bekent, 19125 Ze behoedde de Graal; Ze was mooi en uitermate rechtschapen En woonde met de grootvader 212 En hield de Graal al tezamen Totdat Galaat kwam, die dat won, 19130 Zoals u dit boek hier later dan Verklaren zal, hoe de Graal nam eind. Nu is het goed dat ik wend En keer tot de twee-en-veertig gezellen, Daar ik hiervoor van liet mijn vertelling. 19135 Toen de tafel was afgedaan, Zoals ik hiervoor liet verstaan, Nam Merlijn de drie koningen bezijden, En zei: “weet ge wat nu ten tijden In Brittannië geschied is?” 19140 Toen zei koning Arthur na dit: “Bij God, Merlijn, dat wist ik graag”. “Ik zeg het u, heer, en niet te schertsen, Daar is geweest voor Londen nu Een grote slag, zeg ik u, 19145 Van de Sennen, die het land aldaar Geroofd hadden, weet voorwaar, Langs de oever en op de zee; En toen ze met de roof ook mee Verzameld waren met tien duizend man 19150 En te Windeberes voeren voortaan, Zo kwamen vijf kinderen op hen in schijn, Die alle vijf uw neven zijn”. En toen vertelde hij daarnaar Hoe ze alle vijf gegaan waren 19155 Van hun vader en moeder mede Zonder dat die het wisten; ook vertelde hij ter plaatse Hoe ze de poorten behoeden al, En van hun doen, groot en smal, Vertelde hij de drie koningen daar, 19160 En hoe ze ontvangen waren daarnaar Van de stad, en hoe ze zeiden Hoe ze hun ridderschap samen afwachten Totdat koning Arthur, hun oom, Van hen zoveel wil nemen kennis, 19165 Dat hij ze zelf ridder maakt. “Laat varen”, zei Merlijn, “nu die zaken Voort te denken van uw land, Ge hebt daar nu zo’n goede (borg) waarnemer, Ge durft nimmer te bezorgen nu; 19170 Wees blij en denkt, zeg ik u. In weldoen nu voorwaarts meer, Want uw land komt te helpen, heer, Van Constantinopel de keizers zoon, Die met hem brengt jonge baronnen, 19175 Dat edele lieden kinderen zijn nu; Deze zullen u dienen, zeg ik u, En ze willen u dienen om die zaken ding, Doordat gij ze ridder zal maken, En veel anderen zullen komen vanwege die 19180 En hierom zal ge worden, heer koning, Boven allen in de wereld verhoogt nu”. “Merlijn”, zei de koning, “ik bid het u, Zeg me hoe die kinderen heten, Die meest hiervan zijn vermetel”. 19185 “Heer, die ene heet Gawein, De andere Garies, de derde Acgravein, De vierde heet Guheries, En koning Loth hun vader is, En hun moeder uw zuster mede; 19190 En de vijfde hiervan ter plaatse, Heet Galescins, en is Zoon van koning Ventres En ook uw zuster kind, voorwaar; En de zesde, die gekomen is daar, 19195 Heet Sagrimor, en is mede Konings dochter zoon, ter stede, Van Constantinopel; en al deze Zullen u dienen, daar ik van lees, En nog menige ander heer, 19200 Die nu uw vijanden zijn erg zeer”. En al de tijd dat Merlijn daar De koning dit zei, kwamen daarnaar Alle gezellen, die dus blijde waren, Toen ze hoorden van dit nieuws. 19205 Toen scheiden ze en de ridders mede, Die daar waren in de plaats, Naar hun herbergen waart gelijk, En bleven daar, zonder waan, Een lange tijd, en deden niet anders, 19210 Dan eten en drinken, en hadden spel. En koning Leodegan kwam daarnaar Menige man te hulp voorwaar En binnen de tijd dat ze daar lagen, Zo gebeurde in die dagen 19215 De baronnen, daar ik hiervoor van zei, Menige grote pijnlijkheid, Zoals ik u hier vertellen zal, eer Ik van Leodegan spreek meer. |
213 Van den koninck Tradeliant van Scotlant, ende van den koninck metten hondert ridders, ende van den Sennen. Ons segget daventure tehant: 19220 Als die koninck Tradeliant Van sinen gesellen gesceden was, Als ic hier te voren las, So haddi vergadert twaelfdusent man, Daer hi sijn lant mede hoede voertan 19225 Tegen die Sennen; daerna gevel Op ener aventstonde also wel, Dat hem een sijn spie zeide dan, Dat wael twintechdusent man quamen dor zijn lant getogen 19230 Met groten getrecke also vermogen. Doe vragede die koninck: “nu zegget my, Te welker steden komen sy?” “Tuscen der roetsen ende Arondeel”. Die koninck ontboet sine liede een deel, 19235 Datsi hem wapenen ende volgen hem naer. Dit dadensi sciere, wetet vorwaer. Doe volgeden hem tiendusent wale, Doe redensi hemelyc in enen dale, Des morgens in der dageraet vroe, 19240 Daer die Sennen gelogiert lagen doe. Doe deeldensi haer liede na das In tween, ende Pollidemas, Die neve was des koninges mede, Leide dene scaer ter stede, 19245 Entie koninck leide dander daernare. Doe die scaren gesceden waren, Voer Pollidemas ter roetsen waert, Daer die Sennen lagen bewaert, Entie koninck voer tot Arondeel, 19250 Dat was des koninck Arturs casteel, Die wael was besorget vorwaer, Eer Artur enwech voer van daer. Ende Pollidemas es so verre komen, Dat hi die tenten hevet vernomen, 19255 Daer si in lagen ende rasten nu Op haer bedde, seggic iu; Ende si en daden opter morgenstont Negene sciltwachte, sij iu kont, Ende Pollidemas sloech in hem daer 19260 Ende doede daer menegen, wet vorwaer, Op sinen bedde; entie op konden komen, Hebben daer die vlucht genomen Beide tors ende te voet, ter stede, Ten casteelwaert, van desen mede 19265 Die der Sennen was; ende oec twaren Sijn si som in den bosc ontvaren Die daerby stont, God weet; Ende Pollidemas volchdem gereet, Ende versloecher tiendusent daer, 19270 Eer si ter roetsen quamen vorwaer. Doe Carnillen ridders worden gewaer, Die den casteel hoeden aldaer, Si waren alle doe opgestaen, Ende alsise dus sagen doet slaen 19275 Haer liede, gingen si hem wapenen daer Ende trocken wt te velde daernaer; Ende daer wasser met die gevloen quamen Wel tien dusent nu te samen. Doe si alle vergadert waren, 19280 Sijn si tegen die viande gevaren, Entie ander op hem weder daernaer, So wart die strijt groet ende swaer; Ende alle die wile dat dit was, Voeren die van Arondeel wt nadas, 19285 Dier wel hondert waren, seggic iu Ende zijn an die vitalie komen nu, Die Pollidemas bescut hadde daer, Ende voerdense in haren casteel daernaer Also vele als sire begeerden doe, 19290 Ende sloten die poerten toe Ende sagen hoe vergaen zoude die strijt. Die koninck Tradeliant quam tier tijt Te sinen neve ende halp hem daer; Want die Sennen, wet vorwaer, 19295 Hadden hem gewapent nu meer, Ende hem toernde herde seer, Datsi den groten scade namen. Dus sijn si vergadert daer te samen Met so groter kracht, ter steden, 19300 Datsi den koninck achter deden, Entie koninck en konde oec mede Tegen hem gehouden negene stede; Ende worden gedreven tot Arondeel, Daer blevensi houden onder den casteel, 214 19305 Ende daer worden hem oevele doe Des koninges liede, ic seg iu hoe, Want van tiendusent man vorwaer En blever maer vijfdusent daer; Entie koninck was tachter herde seer, 19310 Ende hadde die strijt geduert iet meer, Hi waer daer nu gesconfiert saen. Dit hevet die co. metten C. riddren verstaen, Ende quam derwaert met vier dusent man Ende gemoete in sinen wege dan 19315 Des co. Tradeliant liede gevaren Die vloen ende gesconfiert waren. Doe vragedi werwaert datsi vloen, Ende zeiden hem die waerheit doen, Hoe dat die koninck Tradeliant 19320 Op dat sconfieren nu bleef te hant Den castele van Arondele by. Doe riep hy: “God, Here, helpet my, Dat ik te tyde mach komen daer!” Hi sprac tsinen lieden: “nu volget my naer”, 19325 Ende sloech sijn ors met sporen, Ende reet al dat hi mochte voren Ombe te tyde te komene daer; Si hadden gesconfiert geweest vorwaer En hadden die van Arondeel gedaen 19330 Ombedat si Kersten- waren, sonder waen, Entie ander Heiden, seggic iu, Want die Sennen waren ongelovich nu; Ombedit holpen si die Kerstene- mede Met vier dusent serianten ter stede, 19335 Ende troesteden den koninck Tradeliant Wantet waren ridder valiant, Die van Arondeel daer quamen. Maer doe si den koninck daer vernamen Van den hondert ridders, doe wart groet 19340 Die strijt, ende sloegen daer doet Vier dusent in dat vergaderen daer. Die strijt wart so groet ende so swaer, Ende daer bleef doe so menech doet, Dat men daer reet in dat bloet 19345 Over den hoef van den orsen; So vele sloegen sire in der porsen, Dat daer der Sennen maer vjm quamen, Ende als die Sennen dit vernamen, Worden si versaget nu, 19350 Si en wisten negenen troest, seggic iu, Dan vlien; dat dochte hem dat naeste. Doe gingen si vlien met groten haeste Toten castele van der roetsen waert, Ende hem volgede, met groter vaert, 19355 Die koninck van den C. ridders nadas Ende Tradeliant ende Pollidemas Entie ander, die met hem waren daer, Ende sloegen er so vele doet daernaer, Dat daer van den vjc die daer vloen 19360 Maer twe te live bleven doen. Entie van den casteel Arondeel, Doe si vluchtich sagen algeheel Die Sennen, bleven si houden daer Ende en volgeden hem niet naer; 19365 Ende riet hem een, hiet Ywin Metten witten handen, hi zeide mettien: “Laet se hem volgen, ende nemewy dat goet Dit dunket my dat beste, dat men doet”. Doe daden si dat, en namen daer 19370 Silver, gout, paerde, spise vorwaer, Ende voerden dat opten casteel daer nu Sovele, dats hem nu sint, seggic iu, En gebrac te negenen tyden, Also lange alse geduerde dat stryden; 19375 Entie twe koninge, daer ic af zeide eer, Die den Sennen volgeden seer, Daden den Sennen anxte groet Ende sloegener herde vele doet, Eer si quamen in den torre nu; 19380 Maer als si in waren, seggic iu, En dorstensi niet bliven naer Ombedat gescot datsi scoten daer, Ende hem dochte beter dat keren; Ende aldus voeren enwech die heren. 19385 Entie koninck Tradeliant Dankede den koninck sere te hant Van den hondert ridders daernaer, Dat hi hem te hulpe quam daer Ende so wael stont in staden, 19390 Doe hi so sere was verladen, Ende hi zeide ten koninge saen: “En hadden die van Arondeel gedaen, Ic hadde doet geweest daer ter stede Ocht gevaen, ende mine liede mede; 19395 Ic mach hem des danken ende iu, Dat ic mijn lijf behielt hier nu. 215 Die koninck van den C. ridders zeide daer: “Here, wy mogen zien openbaer, Dat onse Here genadech is met, 19400 Want hi der siner niet [en] verget; Waer si sijn, ende by aventuren Hi wil lichte nu ter uren Dat wy sine marteler werden hier; Daerombe sent hi op ons die Sennen fier 19405 Ende si hier ie lanc ie meer komen; Ende oec heb ic dickewile vernomen, Dat wy by nieman van onsen lande En werden bescut van desen bande, Des laet ons verkopen onse doet 19410 Dor die minne Onses Heren groet, Ende ic zoudet anders korten, zeggic iu, Woude men mynen raet doen nu”. “Hoe es dat?” zeide Tradeliant. “Ic zegget iu, here”, zeide hi te hant: 19415 “Dat men ontbode alle die baroene, Ende elck brachte, tsinen doene, So vele liede als hi konde, mede Tote Windeberes, vor die stede, Ende alse wy vergadert hadden al onse man, 19420 Gingen stryden optie Sennen dan Ombe Onsen Here, ende blevewy daer Doet, so sijn wy alle daernaer Onses Heren marteler; ende beter es Een goet inde, zijt zeker des, 19425 Dan lange te levene met onneren”. Tradeliant zeide: “maecty iu sceren? Ende gy wet wel tegen enen man, Die wy hebben, si hebbender dan Twintech ende meer daer tegen met; 19430 Maer ic wille wel, dat gijt wet, Willent die ander dus vangen ane, Ic ben bereit dit te bestane”. “By Gode”, zeide die koninck daernaer Van den C. ridders, “ic wil vorwaer 19435 Mine boden senden an die baroen, Ochtsi dese dinck nu willen doen, Ende dat sijt my laten weten thant”. “In Godes name!” zeide Tradeliant, “Ic volges dat gy draget overeen”. 19440 Dus voerensi daer onder hem tween Tote daer die strijt hadde gewesen Onder Arondeel vor desen. Daer vondensi genoech van allen dingen Des men gedenken mochte sonderlinge; 19445 Daer nam elc dat hi woude nu, Men deelde niet anders, zeggic iu. Doe scieden die koninge daernaer; Tradeliant voer te Noergales daer Met vijfdusent man, die hem bleven waren 19450 Ende Agwiners voer daernare Met sevendusent mannen te Maloant; Ende doe hi quam in sijn lant, Sende hi boden ten tien baronen saen, Als ic iu hier voer dade verstaen; 19455 Maer dit boec swiget hier ter stede Van den boden ende van den koningen mede, Ende sal seggen van Anguissant, Die koninck was in Scotlant. |
13 Van koning Tradeliant van Schotland en van koning met de honderd ridders en van de Sennen. Ons zegt het avontuur gelijk: 19220 Toen koning Tradeliant Van zijn gezellen gescheiden was, Zoals ik hier te voren las, Zo hadden ze verzameld twaalfduizend man, Daar hij zijn land mee behoedde voortaan 19225 Tegen de Sennen; daarna gebeurde Op een avond stonde alzo wel, Dat hem een spion hem zei dan, Dat wel twintigduizend man Kwamen door zijn land getrokken 19230 Met grote trek zoals ze mogen. Toen vroeg de koning: “nu zeg het mij, Tot welke steden komen zij?” “Tussen de rotsen en Arondeel”. De koning ontbood zijn lieden voor een deel, 19235 Dat ze zich wapenden en volgen hem na. Dit deden ze snel, weet voorwaar. Toen volgden hem tienduizend wel, Toen reden ze heimelijk in een dal, ‘s Morgens in de dageraad vroeg, 19240 Daar de Sennen gelogeerd lagen toen. Toen verdeelden ze hun lieden na dat In tweeën, en Pollidemas, Die neef was van de koning mede, Leidde de ene schaar ter plaatse, 19245 En de koning leidde de andere daarna. Toen de scharen gescheiden waren, Voer Pollidemas ter rotsen waart, Daar de Sennen lagen bewaard, En koning voer tot Arondeel, 19250 Dat was dus koning Arthurs kasteel, Die goed was verzorgd voorwaar, Eer Arthur weg voer van daar. En Pollidemas is zo ver gekomen, Dat hij de tenten heeft vernomen, 19255 Daar ze in lagen en rusten nu Op hun bedden, zeg ik u; En ze deden op de morgenstond Nee geen schildwacht, zij u bekend, En Pollidemas sloeg in hen daar 19260 En doodde daar menigeen, weet voorwaar, Op hun bedden; en die op konden komen, Hebben daar de vlucht genomen Beide te paard en te voet, ter plaatse, Te kasteel waart, van deze mede 19265 Die van de Sennen was; en ook te waren Zijn ze soms in het bos ontkomen Die daarbij stond, God weet; En Pollidemas volgde hen gereed, En versloeg er tienduizend daar, 19270 Eer ze tot de rotsen kwamen voorwaar. Toen Carnillen ridders worden gewaar, Die het kasteel behoedde aldaar, Ze waren allen toen opgestaan, En toen ze dus zagen dood slaan 19275 Hun lieden, gingen ze zich bewapenen daar En trokken uit te velde daarnaar; En daar waren er mee die gevlogen kwamen Wel tien duizend nu tezamen. Toen ze alle verzameld waren, 19280 Zijn ze tegen de vijand gevaren, En de andere op hen weer daarnaar, Zo werd die strijd groot en zwaar; En al de tijd dat dit was, Voeren die van Arondeel uit na dat, 19285 Die er wel honderd waren, zeg ik u En zijn aan de levensmiddelen gekomen nu, Die Pollidemas behoed had daar, En voerden het in hun kasteel daarnaar Alzo veel als ze begeerden toen, 19290 En sloten de poorten toe En zagen hoe vergaan zou de strijd. Koning Tradeliant kwam in die tijd Tot zijn neef en hielp hem daar; Want de Sennen, weet voorwaar, 19295 Hadden zich gewapend nu meer, En vertoornde zich erg zeer, Toen ze grote schade vernamen. Dus zijn ze verzameld daar tezamen Met zo’n grote kracht, ter plaatse, 19300 Dat ze de koning achteruit deden, En de koning kon ook mede Tegen hen houden geen plaats; En werd gedreven tot Arondeel, Daar bleven ze ophouden onder het kasteel, 214 19305 En daar wordt het hen euvel toen De konings lieden, ik zeg u hoe, Want van tienduizend man voorwaar Bleven er maar vijfduizend daar; En de koning was ten achter erg zeer, 19310 En had de strijd geduurd iets meer, Dan was hij daar geschoffeerd gelijk. Dit heeft die koning met de honderd ridders verstaan, En kwam derwaarts met vier duizend man En ontmoette in zijn weg dan 19315 Koning Tradeliant lieden gevaren Die vlogen en geschoffeerd waren. Toen vroeg hij hen waarheen dat ze vlogen, En zeiden hem de waarheid doen, Hoe dat koning Tradeliant 19320 Vanwege dat schofferen nu bleef gelijk Het kasteel van Arondele nabij. Toen riep hij: “God, Heer, help mij, Dat ik op tijd mag komen daar!” Hij sprak tot zijn lieden: “nu volg me na”, 19325 En sloeg zijn paard met sporen, En reed alles dat hij mocht voor Om op tijd te komen daar; Ze waren geschoffeerd geweest voorwaar Hadden die van Arondeel niet gedaan 19330 Omdat ze christenen waren, zonder waan, En de andere heiden, zeg ik u, Want die Sennen waren ongelovig nu; Vanwege dit hielpen de christenen mede Met vier duizend bedienden ter plaatse, 19335 En troosten koning Tradeliant Want het waren ridders dapper, Die van Arondeel daar kwamen. Maar toen ze de koning daar vernamen Van de honderd ridders, toen werd groot 19340 De strijd, en sloegen daar dood Vier duizend in dat verzamelen daar. De strijd werd zo groot en zo zwaar, En daar bleef toen zo menigeen dood, Dat men daar reed in dat bloed 19345 Over de hoeven van de paarden; Zoveel sloegen ze er in de groepen, Dat daar van de Sennen maar 6000 uitkwamen, En toen de Sennen dit vernamen, Werden ze bang nu, 19350 Ze wisten geen troost, zeg ik u, Dan vlieden; dat dacht hen dat beste. Toen gingen ze vlieden met grote haast Tot het kasteel van de rotsen waart, En hen volgde, met grote vaart, 19355 De koning van de honderd ridders na dat En Tradeliant en Pollidemas En de anderen, die met hem waren daar, Sloegen er zoveel dood daarnaar, Dat daarvan de 6 honderd die daar vlogen 19360 Maar twee leven bleven toen. En die van het kasteel Arondeel, Toen ze vluchten zagen al geheel De Sennen, bleven ze ophouden daar En volgden hen niet na; 19365 En raadde hen aan een, heet Ywin Met de witte handen, hij zei meteen: “Laten we hen volgen, en nemen we dat goed Dit lijkt me dat beste, dat men doet”. Toen deden ze dat, en namen daar 19370 Zilver, goud, paarden, spijzen voorwaar, En voerden dat op het kasteel daar nu Zoveel, dat ze hen nu sinds, zeg ik u, Ontbrak in geen tijden, Zolang als duurde dat strijden; 19375 En de twee koningen, daar ik van zei eer, Die de Sennen volgden zeer, Deden de Sennen angst groot En sloegen er erg veel dood, Eer ze ontkwamen in de toren nu; 19380 Maar toen ze er in waren, zeg ik u, Durfden ze niet te blijven daarnaar Vanwege dat schieten dat ze schoten daar, En hen dacht het beter te keren; En aldus voeren weg die heren. 19385 En koning Tradeliant Bedankte de koning gelijk Van de honderd ridders daarnaar, Dat hij hem te hulp kwam daar En zo goed bijstond in tijden, 19390 Toen hij zo zeer was verladen, En hij zei tot de koning gelijk: “Hadden die van Arondeel niet gedaan, Ik was dood geweest daar ter plaatse Of gevangen, en mijn lieden mede; 19395 Ik mag hen dus bedanken en u, Dat ik mijn lijf behield hier nu. 215 De koning van de honderd ridders zei daar: “Heer, we mogen zien openbaar, Dat Onze Heer genadig is mee, 19400 Want hij de zijnen niet vergeet; Waar ze zijn, en bij avonturen Hij wil licht nu ter uren Dat we zijn martelaar worden hier; Daarom zend hij op ons de Sennen fier 19405 En ze hier steeds meer komen; En ook heb ik vaak vernomen, Dat we van niemand van onze landen Worden behoed van deze bende, Dus laat ons verkopen onze dood 19410 Door de minne van Onze Heer groot, En ik zou het anders verkorten, zeg ik u, Wilde men mijn raad doen nu”. “Hoe is dat?” zei Tradeliant. “Ik zeg het u, heer”, zei hij gelijk: 19415 “Dat men ontbood alle baronnen, En elk bracht, tot zijn doen, Zoveel lieden als hij kon, mede Te Windeberes, voor die stede, En als we verzameld hebben al onze man, 19420 Gingen strijden op die Sennen dan Om Onze Heer, en bleven we daar Dood, dan zijn we alle daarnaar Onze Heer martelaar; en beter is Een goed einde, zij het zeker dit, 19425 Dan lang te leven met oneer”. Tradeliant zei: “maakt u scherts? Ge weet wel tegen een man, Die wij hebben, ze hebben er dan Twintig en meer daartegen mee; 19430 Maar ik wil wel, dat gij het weet, Willen de anderen aldus vangen aan, Ik ben bereid dit te aan te gaan”. “Bij God”, zei de koning daarnaar Van de honderd ridders, “ik wil voorwaar 19435 Mijn boden zenden aan de baronnen, Of ze dit ding nu willen doen, En dat ze het me laten weten gelijk”. “In Gods naam!” zei Tradeliant, “Ik volg dus dat ge komt overeen”. 19440 Dus voeren ze daaronder hen twee Tot daar de strijd was geweest Onder Arondeel voor deze. Daar vonden ze genoeg van alle dingen Dat men bedenken mocht bijzonderling; 19445 Daar nam elk dat hij wilde nu, Men verdeelde niet anders, zeg ik u. Toen scheiden de koningen daarnaar; Tradeliant voer te Noergales daar Met vijfduizend man, die hem gebleven waren 19450 En Agwiners voer daarnaar Met zevenduizend mannen te Maloant; En toen hij kwam in zijn land, Zond hij boden naar de tien baronnen gelijk, Zoals ik u hiervoor liet verstaan; 19455 Maar dit boek zwijgt hier ter plaatse Van de boden en van de koningen mede, En zal zeggen van Anguissant, Die koning was in Schotland. |
Van den koninck Anguissant, ende van den koninck Uryens, ende van den Sennen. Die historie zeget nu ter stede 19460 Van den koninck van Scotlant mede, Dat hi so vele liede hadde nu Datter twaelfdusent was, zeggic iu, Ende op enen maendach daerna gevel, Dat der Sennen vijf ende twintich dusent wel 19465 Reden tuscen Toringen mede Ende Lamwijck, ene goede stede, Daer haer provande soude komen doen, Die Mabon brachte ende Orioen Ende Sorbores ende Maglores. 19470 Dese bewaerden die provande na des Ende voerdense te Windeberes mede, Daer dat grote heer lach vor der stede. Si verbranden die dorpe aldaer Daer si voeren verre ende naer, 19475 Si doeden wijf, kinder, ende man Waersise vonden ende quamen an. Dit vernam die koninck Anguissant Ende dede sine liede wapenen te hant Twe myle vor den dage wel 19480 Ende quam ombe primetijt; daer gevel, Dat hi die Sennen hevet vernomen Met brande ende met rove komen, Ende si hoerden dat gekrijt Ende dat helpgeroep ter tijt 19485 Van den lieden die si verslaen. Anguissant reet derwaert saen 216 Met sinen hoepe, daerinne was Wel sevendusent, sijt seker das. Ende Gandijn van Walefroi quam daerna 19490 Met sevendusent man, als ic versta, Entie achterhoede daer. Die koninck reet in dat heer daernaer Van den Sennen, dat seggic iu, Ende versloecher daer wel nu 19495 Meer dan tien dusent sonder fijn, Onder hem ende sinen neve Gandijn, Eer die Sennen vergaderen konden. Dese Gandijn was groet ten stonden Ten wapene, oec was hi mede 19500 Daer men menege vromecheit dede Vor den casteel van Brulant nadas Die miner vrouwen Lorien was, Die hi met krachte woude winnen Ende hebben tener vriendinnen, 19505 Ende vor die stat te Gandestroet met, Die heer Gawyn bescudde, dat wet, Met siner vromecheit, als ic versta, Als iu dit boeck sal seggen hierna; Maer hier latic van hem staen tehant, 19510 Ende sal seggen van den koninck Anguissant, Die tegen die Sennen sere street nu Ende haddese tachter gedaen, seggic iu. Maer als die koninge komen waren Met horen lieden toe gevaren, 19515 Die ic hier voer noemde iu, Die metten twintechdusent quamen nu; Doe waren die Kerstene tachter seer, Nochtan weerden si hem met groter eer, Maer niet lange en mochte dat duren 19520 Want den Sennen quam tallen uren Volkes genoech, sijt seker des, Want dat en was van Windeberes Maer tien scottese mylen, ende ombdat Quam des volkes so vele ter stat, 19525 Dat die Kerstene onder moesten gaen Want van veertien dusent volkes, sonder waen, So en blever maer tien dusent te live daer, Ende en hadde gedaen daernaer Ene aventure, die nu gesciede 19530 Hi waer daer bleven ende al sine liede. Dat geviel dat die koninck Uriens nu Ende sijn neve Bandemagu, Datsi voeren uter stat Sorhant Daer hi Jonette inne liet te hant 19535 Met vier dusent mannen, ombedathi woude Dat hi die stat hoeden soude. Dese Jonet was Arturs suster sone, Hi was vrome ende herde scone, Ermesint hiet sijn moeder met 19540 Ende Bandemagus sone was Van sinen lesten wive, sijt seker das; Dese twe en waren niet out Ende hoeden die stat met gewout; Ende met desen tween hoede die stede 19545 Ywen Overdoem oec mede, Die des koninck Uriens sone was, Enten hi wan oec vor das An des drossaten wijf van Gorre, Die hi oec hilt in enen torre, 19550 Ombe haer scoenheit, wael vijf iaer, Ende doe wan hi dit kint daernaer; Daerna moeste hise laten gaen, Want men te banne hadde gedaen In allen kerken, ende ombe die dinck 19555 So moestese doe laten die koninck; Maer dat kint nam hi met hem doe, Ende gaf hem groet goet daertoe, Ende dedet met Ywene den groten nu, Die zijn getrouwede sone was, seggic iu, 19560 Ende bevalne hem ombe trouwe daer, Want hi mindene sere vorwaer; Ende omdat hi in overspele gewonnen es, Hiet menne Ywen overdoem doer des, Entie ander hiet Ywen die grote, 19565 Die sint, doen hi hoerde die genote Van den koninck Artur, sinen ome, spreken So ne woude hi sint zekerleken Van nieman ridder werden, na der ure, Dan van sinen ome, den koninck Arture. 19570 Dit zeide hi hemelijc te meneger stede Tegen sinen broeder ende ander liede mede, Ende oec tegen sinen raet; Ende alse sijn broeder dit verstaet Zeide hi dit oec te meneger stede. 19575 Dese drie broeder ende Meliogans mede 217 Bleven hoedende die stat nu, Entie koninck Uriens, zeggic iu, Ende Brandemagus sijn neve met Quamen nu ridende ongelet, 19580 Daer Anguissant gesconfiert was; Doen die koninck Uriens gewaer wart das, Was hi des erre herde sere, Ende dat toende wael die here, Want hi sloech in met tiendusent man 19585 Die hi met hem brochte daeran, Dier in den vergadren menech bleef doet; Daer wart die strijt anxtlye ende groet. Hier namen groten scade, God weet, Die Sennen, ende als Anguissant weet, 19590 Dat hem die koninck te hulpe es komen, Hevet hi sine liede genomen Ende hevetse vergadert die waren gevloen Ende quam hem te hulpe als een lioen. Doe began die strijt van ierst 19595 Die Kerstene worden sere verfierst, Ende sloegen menegen Heidene doet; Aldus die strijt so lange stoet Datse die nacht sceden dede; Doe voer elc te siner stede 19600 Van desen koningen al te hant. Die koninck Uriens voer te Sorhant, Maer die Sennen bleven liggende op dat velt In horen wapene met gewelt, Wantsi vruchten verraetnesse, seggic iu, 19605 Entie drie koninge, die daer quamen nu Den Sennen te hulpe in der noet, Die waren nu geslagen doet. Nu doet ons dit boeck hier verstaen Van den koninck Uriens, sonder waen, 19610 Dien nu gevil een aventure Daer hi thueswaert voer ter ure: Also als hi henen zoude ryden Vant hi houdende daer besyden Wel vier dusent Sennen, die gesceden waren 19615 Hiervoer van der groter scaren, Ombedat si eer ten heer zouden wesen. Die koninck Uriens sach na desen, Waer die Sennen saten ende aten, Daer dat scone was, by ener straten; 19620 Si meenden wael seker wesen nu. Die koninck Uriens ende Bandemagu, Sijn neve, zagen in den tenten daer Groet lecht bernen ende claer; Doe voeren si daer ende vrageden saen, 19625 Wie die tenten daer hadde doen slaen. Si zeiden: “die koninck Barnagus Hevetse hier doen slaen aldus”. Si waren ongewapent daer. Die koninck Uriens riep daernaer 19630 Tsinen lieden: “vaste, haestet hem toe”. Si gingen die tenten vellen doe, Die tafelen vellen, die spise storten; Van den slagen, van den horten Daer bleef doe menech Senne doet. 19635 Ic wane haerre daer luttel ontstoet, Alse veertich van vierdusent mede; Si bleven alle doet ter stede Ocht gevaen eer dat ten dage quam; Die mane sceen scone, als ic vernam, 19640 Ende en konden hem verbergen niet, Des quamen si in swaer verdriet. Doe nam die koninck ende sijn neve daer Al den roef ende voerdene daernaer Tote Sorhant in die goede stede, 19645 Daer si nu bliscap hadden mede. Niet lang daerna gevil nadat, Doe si dus waren in der stat Dat daer boetscap quam van Gawine Ende van Garies ende Agrawine, 19650 Ende van Galescins, datsi sonder verlof Sijn gerumet haers vaders hof, Dat des vader no moeder en wisten niet Hoe dese dinge nu sijn gesciet, Noch geen van horen vrienden mede, 19655 Ende zijn te Logres in der stede Gereden, ombe ridder werdene daer Van den koninck, openbaer. Merlijn [en] es daer niet in dat lant, Hi es toten koninge Leodegant. 19660 Dit was daer gerecht vorwaer, Maer die kinder willen daernaer In den lande nu algader bliven Ende dat lant hoeden ende bedriven, Tote dat haer oem wederkomet nu, 19665 Ende hise ridder make, seggic iu. Oec seide men hem, datsi groet goet Hadden gewonnen, daer si sloegen doet 218 Der Sennen een groet deel in dat lant. Dese niemaer liep daer tehant, 19670 Sodat Jonet hoerde dese woert Ende quam tsiner moeder voert, Ende zeide: “lieve moeder, ic wil varen nu Toten koninck Artur, zeggic iu, Ende ombe hem te dienen mede 19675 Alse minen oeme, in elker stede, Of dat iu wille sij, vrouwe, verstaet Ic en willes niet, sonder uwen raet, Nu raet mi, moeder, des biddic iu; Want mijn vader hevet Bandemagu, 19680 Sinen neve, sijn goet gegeven, Ende dat hem van iu es bleven, En kan hi mi genemen niet; Also lange, Vrouwe, als gy gebiet, So en mach hijt nu niet ontkeren. 19685 Nochtan, vrouwe, by Onsen Heren Al soudict al verliesen, zeggic iu, Ic sal te minen neve varen nu Dienen den koninck minen oem. Nu nemet mijns, vrouwe, eerlijc goem 19690 Dat ic suverlic moge komen daer, Want ic hebbe liever, wet vorwaer, Daer te stervene dan hier ter stede In gevancnesse liggene mede Als een vogel in ener gyole doet. 19695 Nu biddic iu, Vrouwe, dor oetmoet, Dat gy my uwen wille secht nu”. Doe si dit hoerde, dat zeggic iu, Datsi weende van blytscepen Sodat si niet en konde gespreken, 19700 Doe si sach, dat hem dat herte alsoe Na synen hogen geslachte trac doe, Daer si selve af komen was. Doe sprac si tot Jonet nadas: “Lieve kint, wildy my laten dan 19705 Ende uwen vader, ombe enen man Dien gy niet en wetet, wat hi es?” “Vrouwe”, zeidi, “des sijt gewes, Hi es iu broeder ende mijn oem, Godweet, Want al die werlt, secht, gereet, 19710 Ende oec zijn mine neven nu daer; Ende blivic nu hier, wetet vorwaer, Ende ic hem niet en helpe sijn lant Verweren, ic waer embermeer gescant, Gelijc dat myne neven nu doen; 19715 Ende weet oec wael: ombe geen ocsoen, Wien lief, wien leet, ic en blive hier niet”. Alse die Vrouwe dit nu siet, Dat hi ember varen wil daer, “Lieve kint”, zeide si, “wet vorwaer, 19720 Dat gy hemelijc moet varen nu; Nu kies al hemelijc die met iu Varen, ic wil iu, sonder beiden, Herde eerlijc doen bereiden Van orsen, van gelde, van al, 19725 Sodat iu niet gebreken [en] sal”. Doe versach hem Jonet van gesellen, Oec ginc hijt sinen broeder tellen, Ywen Overdoem, die zeide doe: “Ic wil met hem varen alsoe”. 19730 Die moeder dadese hemelijc bereiden Ende hondert gesellen met hem leiden, Ende in den iersten slape oec mede Dadesine enwech varen ter stede, Ombedat nieman weten soude. 19735 Doe geleidene dor die woude Een ionchere, hiet Frangolet, Die al die wege kende, dat wet; Ende Jonet was van desen male nu Geheten Ywein die grote, zeggic iu, 19740 Ende dat was sijn gerechte name met; Maer in siner kintheit hiet men hem Jonet. Hier latic dese varen nu, Ende sal vorwaert tellen iu Van den koninck Ventres, ter stede, 19745 Ende van Doriles enten Sennen mede |
Van koning Anguissant en van koning Uriens en van de Sennen. De historie zegt nu ter plaatse 19460 Van de koning van Schotland mede, Dat hij zoveel lieden had nu Dat er twaalfduizend waren, zeg ik u, En op een maandag daarna gebeurde, Dat de Sennen vijf en twintigduizend wel 19465 Reden tussen Toringen mede En Lamwijck, een goede stede, Daar hun proviand zou komen toen, Die Mabon bracht en Orioen En Sorbores en Maglores. 19470 Deze bewaarden het proviand na dit En voerden het te Windeberes mede, Daar dat grote leger lag voor de stede. Ze verbranden de dorpen aldaar Daar ze voeren ver en nabij, 19475 Ze doden vrouwen, kinderen en man Waar ze hen vonden en kwamen aan. Dit vernam koning Anguissant En liet zijn lieden wapenen gelijk Twee mijl voor de dag wel 19480 En kwam om priemtijd; daar gebeurde, Dat hij de Sennen heeft vernomen Met branden en met roof komen, En ze hoorden dat gekrijs En dat hulpgeroep ter tijd 19485 Van de lieden die ze verslaan. Anguissant reed derwaarts gelijk 216 Met zijn hoop, daar in was Wel zevenduizend, zij het zeker dat. En Gandijn van Walefroi kwam daarna 19490 Met zevenduizend man, zoals ik versta, En de achterhoede daar. Die koning reed in dat leger daarnaar Van de Sennen, dat zeg ik u, En versloeg er daar wel nu 19495 Meer dan tienduizend bijzonder fijn, Onder hem en zijn neef Gandijn, Eer de Sennen zich verzamelen konden. Deze Gandijn was groot ten stonden Te wapen, ook was hij mede 19500 Daar men menige dapperheid deed Voor het kasteel van Bruland na dat Die van mijn vrouw Lorien was, Die hij met kracht wilde winnen En hebben tot een vriendin, 19505 En voor de stad te Gandestroet mee, Die heer Gawyn behoedde, dat weet, Met zijn dapperheid, zoals ik het versta, Zoals u dit boek zal zeggen hierna; Maar hier laat ik van hem staan gelijk, 19510 En zal zeggen van koning Anguissant, Die tegen de Sennen zeer streed nu En had ze naar achteren gedreven, zeg ik u. Maar toen de koningen gekomen waren Met hun lieden toe gevaren, 19515 Die ik hiervoor noemde u, Die met de twintigduizend kwamen nu; Toen waren de christenen ten achter zeer, Nochtans verweerden ze zich met grote eer, Maar niet lang mocht dat duren 19520 Want de Sennen kwamen te alle uren Volk genoeg, zij het zeker dat, Want dat was van Windeberes Maar tien Schotse mijlen, en omdat Kwam dus volk zoveel ter stad, 19525 Dat de christenen ten onder moesten gaan Want van veertien duizend volk, zonder waan, Zo bleven er maar tien duizend leven daar, Was niet gedaan daarnaar Een avontuur, die nu gebeurde 19530 Hij was daar gebleven en al zijn lieden. Dan gebeurde het dat koning Uriens nu En zijn neef Bandemagu, Dat ze voeren uit de stad Sorhant Daar hij Jonet in liet gelijk 19535 Met vier duizend mannen, omdat hij wilde Dat hij die stad behoeden zou. Deze Jonet was Arthurs zuster zoon, Hij was dapper en erg mooi, Ermesint heet zijn moeder mee 19540 En Bandemagus zoon was Van zijn laatste vrouw, zij het zeker dat; Deze twee waren niet oud En behoeden de stad met geweld; En met deze twee behoedde die stede 19545 Ywen Overdoem ook mede, Die koning Uriens zoon was, En die hij won ook voor dat Aan de drost vrouw van Gorre, Die hij ook hield in een toren, 19550 Om haar schoonheid, wel vijf jaar, En toen won hij dit kind daarnaar; Daarna moest hij haar laten gaan, Want men hem in de ban had gedaan In alle kerken, en om dit ding 19555 Zo moest ze toen verlaten de koning; Maar dat kind nam hij met hem toen, En gaf hem groot goed daartoe, En deed het met Ywen de grote nu, Die zijn getrouwde zoon was, zeg ik u, 19560 En beval hem om trouw daar, Want hij beminde hem zeer voorwaar; En omdat hij in overspel gewonnen was, Zei men hem Ywen verdoemde door dit, En de ander heet Ywen de grote, 19565 Die sinds, toen hij hoorde de verwanten Van koning Arthur, zijn oom, spreken Zo wilde hij sinds zekerlijk Van niemand ridder worden, na de uren, Dan van zijn oom, koning Arthur. 19570 Dit zei hij heimelijk op menige plaats Tegen zijn broeder en andere lieden mede, En ook tegen zijn raad; En toen zijn broeder dit begreep Zei hij dit ook te menige plaats. 19575 Deze drie broeders en Meliogans mede 217 Bleven behoeden die stad nu, En koning Uriens, zeg ik u, En Brandemagus zijn neef mee Kwamen nu rijdend en werden niet belet, 19580 Daar Anguissant geschoffeerd was; Toen koning Uriens gewaar werd dat, Was hij dus boos erg zeer, En dat toonde wel die heer, Want hij sloeg in met tienduizend man 19585 Die hij met hem bracht daaraan, Zodat in die verzameling menigeen bleef dood; Daar werd de strijd angstig en groot. Hier namen grote schade, God weet, De Sennen, en toen Anguissant weet, 19590 Dat de koning hem te hulp is gekomen, Heeft hij zijn lieden genomen En heeft ze verzameld die waren gevlogen En kwam hem te hulp als een leeuw. Toen begon die strijd van eerst 19595 De christenen worden zeer fier, En sloegen menige heiden dood; Aldus de strijd zo lang stond Dat de nacht ze scheiden deed; Toen voer elk tot zijn plaats 19600 Van deze koningen al gelijk. Koning Uriens voer te Sorhant, Maar de Sennen bleven liggen op dat veld In hun wapens met geweld, Want ze waren bang van verraad, zeg ik u, 19605 En de drie koningen, die daar kwamen nu De Sennen te hulp in de nood, Die waren nu geslagen dood. Nu laat ons dit boek hier verstaan Van koning Uriens, zonder waan, 19610 Die nu viel in een avontuur Daar hij naar huis ging ter uren: Zoals hij heen zou rijden Vond hij daar ophouden bezijden Wel vier duizend Sennen, die gescheiden waren 19615 Hiervoor van de grote scharen, Omdat ze eerder bij het leger zouden wezen. Koning Uriens zag na deze, Waar die Sennen zaten en aten, Daar dat mooi was, bij een straat; 19620 Ze meenden wel zeker te wezen nu. Koning Uriens en Bandemagus, Zijn neef, zagen in de tenten daar Groot licht branden en helder; Toen voeren ze daar en vroegen gelijk, 19625 Wie die tenten daar had laten slaan. Ze zeiden: “koning Barnagus Heeft ze hier laten slaan aldus”. Ze waren ongewapend daar. Koning Uriens riep daarnaar 19630 Tot zijn lieden: “vast, haast je toe”. Ze gingen die tenten aanvallen toen, De tafels vellen, de spijs storten; Van de slagen, van de stoten Daar bleef toen menige Senne dood. 19635 Ik meen er daarvan weinig ontkwam, Als veertig van vierduizend mede; Ze bleven allen dood ter plaatse Of gevangen eer dat de dag kwam; De maan scheen mooi, zoals ik vernam, 19640 En ze konden zich verbergen niet, Dus kwamen ze in zwaar verdriet. Toen nam de koning en zijn neef daar Alle roof en voerden het daarnaar Tot Sorhant in die goede stede, 19645 Daar ze nu blijdschap van hadden mede. Niet lang daarna gebeurde nadat, Toen ze dus waren in de stad Dat daar een boodschap kwam van Gawein En van Garies en Acgravein, 19650 En van Galescins, dat ze zonder verlof Ze geruimd hadden hun vaders hof, Dat dus vader of moeder het wisten niet Hoe deze dingen nu zijn geschied, Nog geen van hun vrienden mede, 19655 En zijn te Londen in de stede Gereden, om ridder te worden daar Van de koning, openbaar. Merlijn is daar niet in dat land, Hij is bij koning Leodegan. 19660 Dit was daar bericht voorwaar, Maar de kinderen willen daarnaar In het land nu allen blijven En dat land behoeden en bedrijven, Totdat hun oom weer komt nu, 19665 En hij ze ridder maakt, zeg ik u. Ook zei men hem, dat ze groot goed Hadden gewonnen, daar ze sloegen dood 218 De Sennen voor een groot deel in dat land. Dit nieuws liep daar gelijk, 19670 Zodat Jonet hoorde dit woord En kwam tot zijn moeder voort, En zei: “lieve moeder, ik wil varen nu Tot koning Arthur, zeg ik u, En om hem te dienen mede 19675 Als mijn oom, in elke plaas, Als dat uw wil is, vrouw, versta Ik wil het niet, zonder uw raad, Nu raad me aan, moeder, dus bid ik u; Want mijn vader heeft Bandemagus, 19680 Zijn neef, zijn goed gegeven, En dat hem van u is gebleven, Kan hij me ontnemen niet; Alzo lang, vrouw, als gij gebiedt, Dan kan hij het nu niet omdraaien. 19685 Nochtans, vrouw, bij Onze Heer Al zou ik alles verliezen, zeg ik u, Ik zal tot mijn neef varen nu Dienen de koning mijn oom. Nu neem mij, vrouw, eerlijk waar 19690 Dat ik zuiver mag komen daar, Want ik heb liever, weet voorwaar, Daar te sterven dan hier ter plaatse In gevangenis liggen mede Als een vogel in een kooi doet. 19695 Nu bid ik u, vrouw, door ootmoed, Dat ge me uw wil zegt nu”. Toen ze dit hoorde, dat zeg ik u, Dat ze weende van blijdschap Zodat ze niet kon spreken, 19700 Toen ze zag, dat hem dat hart alzo Naar zijn hoge geslacht trok toe, Daar ze zelf van gekomen was. Toen sprak ze tot Jonet na dat: “Lieve kind, wil ge me verlaten dan 19705 En uw vader, om een man Die ge niet kent, wat hij is?” “Vrouw”, zei hij, “dus wees gewis, Hij is uw broeder en mijn oom, God weet, Want de hele wereld, zegt, gereed, 19710 En ook zijn mijn neven nu daar; En bleef ik nu hier, weet voorwaar, En ik hem niet help zijn land Verweren, ik was immermeer geschonden, Gelijk dat mijn neven nu doen; 19715 En weet ook wel: om geen gelegenheid, In lief of in leed, ik blijf hier niet”. Toen de vrouw dit nu ziet, Dat hij immer gaan wil daar, “Lieve kind”, zei ze, “weet voorwaar, 19720 Dat ge heimelijk moet gaan nu; Nu kies al heimelijk die met u Gaan, ik wil u, zonder wachten, Erg fatsoenlijk laten bereiden Van paarden, van geld, van al, 19725 Zodat het u niet ontbreken zal”. Toen voorzag Jonet zich van gezellen, Ook ging hij het zijn broeder vertellen, Ywen Overdoem, die zei toen: “Ik wil met hem gaan alzo”. 19730 De moeder liet ze heimelijk bereiden En honderd gezellen hen begeleiden, En in de eerste slaap ook mede Liet ze hen weg gaan ter plaatse, Zodat niemand het weten zou. 19735 Toen begeleidde door het woud Een jonkheer, heet Frangolet, Die de hele weg kende, dat weet; En Jonet was in deze maal nu Genoemd Ywein de grote, zeg ik u, 19740 En dat was zijn echte naam mee; Maar in zijn kindsheid noemde men hem Jonet. Hier laat ik deze varen nu, En zal verder vertellen u Van koning Ventres, ter plaatse, 19745 En van Doriles en de Sennen mede. |
Van den koninck Ventres, ende van Doriles, hoe si die Sennen verdreven. Daventure seghet hier ter stede: Doe die koninck Venter wiste gerede Dat sijn sone enwech was, Wart hi so erre, dat hi nadas 19750 Jegen sijn wijf niet spreken woude In ener maent, no gene vroude En mochte hi sien no horen ter stont. Doe geviel op enen donredages avont 219 In den Meye, dat een bode quam daer, 19755 Die hem zeide, wetet vorwaer, Van ener groter sconferturen tehant, Die hevet gehat die koninck Anguissant, Ende dat hi doet waer bleven saen En hadde die koninck Uriens gedaen, 19760 Die hem wael te hulpe quam daer. Doe quam een ander bode naer, Die hem zeide, hoe die koninck Tradeliant Die Sennen hadde gesconfiert te hant Ende doetgeslagen oec, dat wet; 19765 Entie koninck metten C. ridders met Quam hem te hulpe, ende wonnen ter stat Groet goet ende groten scat. Des was hi blide in dene zyde Datsi dus wonnen in den stryde, 19770 Ende in die ander was hi droeve met Ombe datsi verloren hadden, dat wet. Doe dachte hi, dat hi oec ter uren Nu wil varen ende soecken aventuren Tuscen Soreloes ende Nortgales, 19775 Daer een groet trepas tuscen es. Ende alsi quamen buten der stat, Sach hi verre vor hem nadat Groet vuer ende groet geluet, Ende al die lantliede liepen wt. 19780 Dat sceen ochtet al versinken soude, Daer si quamen met gewoude. Doe vragede die koninck wat daer waer. Doe zeiden hem die liede maer, Dat al die Sennen, die in der werlt zijn, 19785 In sijn lant waren comen in scijn, “Ende si verbernen alle die lande Ende si geredden hem vor Brysolande Optie rivier van Saverne geheel By den water, vor den casteel, 19790 Ende ontbeiden haerre carinen daer, Ende daer es met hem, wet vorwaer, Die koninck Magondres ende Pompins Die neve was des koninck Hangins Entie [koninck] Galens ende Pinogres, 19795 Met hem veertiendusent, sijt seker des; Ende dese destrueren al iu lant”. Als die koninck Ventres dit bekant Dat hi ember sal hebben strijt, Riep hi met luder stemme ter tijt 19800 Op sine liede, zijt seker des: “Nu sal ic sien wie vromech es”. Die koninck hadde daer twaelfdusent man, Daeraf makedi twe scaren dan, In elke wasser sesdusent vorwaer. 19805 Doe beval hi Dorilase daernaer Dene scaer te leidene also, Die een vroem ridder was doe Entes koninges neve was herde naer; Dander scaer leide die koninck aldaer. 19810 Doe reet Doriles ende quam So verre, dat hi die Sennen vernam, Die doeden man, kinder, ende wijf Ende roveden ende branden, sonder blijf, Al datsi vonden, zijt seker das, 19815 Ende dier wel veertiendusent was; Maer si en waren niet al te gader doe Noch oec wael gewapent soe, Ende Doriles sloech in hem daernaer So vreeslijc, dat hi haer aldaer, 19820 Eer die koninck Ventres tot hem quam, Wael tiendusent haer leven nam; Entiegene, die ontvloen te hant, Liepen ten castele van Briolant, Daer die vier koninge lagen; 19825 Ende Doriles sloecher, in dat jagen, So vele, dat van veertiendusent man Maer driehondert en bleven voertan. Ende doe diegene, die daer lagen, Haer liede aldus zagen jagen 19830 Riepensi: “wapent iu, wapent iu!” gewelt Maer niet so vro en kondensi nu Hem gewapenen, die ander en zijn met Op hem daer komen, ende si hebben gevelt Vijfhondert tenten, ende oec mede 19835 Tiendusent man verslagen ter stede. Doe began men die trompen blasene daer Entie Sennen vergaderden naer, So datter wel sestichdusent was, Doe quamen die vier koninge nadas, 19840 Met vier scaren geslagen toe Op des koninck Ventres liede doe; Ende Doriles die quam hem tegen, Ende brachte een speer gedregen, Ende reet opten koninck Galant, 19845 Entie koninck op hem weder te hant; 220 Ende hi sloech Doriles ter stede Dat sijn speer brac gerede Ende quetsedene luttel daer; Ende Doriles stack en weder naer 19850 Opten scilt, dat hi ginck doer, Ende doer den halsberch makede een scoer Dat die speer doer den lichaem woet Meer dan vierdehalve voet, Entie koninck vil daer doet. 19855 Alse dit den Sennen [wart] bloet, Dat haer koninck lach doet vorwaer, Sloegensi op Doriles daernaer Vreeslike; maer Doriles Weerde hem wel, zijt seker des. 19860 Daer wart die strijt vreeslic ende groet, Daer bleef menech Senne doet, Want die koninck Ventres Onder die pavelioene nu komen es, Tuscen den bosc entie riviere, 19865 Ende velledese daerna alle sciere, Ende sloech doet, dat hi daer inne vant; Want si waren, sij iu becant, Al meest ongewapent daer; Si waren alle doet bleven vorwaer 19870 En hadde gedaen die koninck Pignores, Die hem te hulpe komen es Daer, met sevendusent man; Doe wart die strijt groet voertan Maer die koninck Ventres dade so vele 19875 Met wapene daer in den nijtspele, Dat hi die sevendusent sconfierde nades, Ende doet sloech den koninck Pignores; Doe waren die Sennen [versaget] sere. Doe quam die koninck Popims ter were 19880 Met sevendusent man ten stryde. Doe wart die koninck Venter ten tyden Achtergedaen ene bogescote wel Van den tenten; doe wart daer fel Die strijt; doe riep die koninck Ventres: 19885 “Fy, gy ridder, vliedy dor des? Weret iu, wy en mogen ons nembermere Bet verkopen iu meerre ere Dan op iu viande, die Heyden sijn; Offert hier iuwen lichaem fijn 19890 Onsen Here, die den Sinen Ombe ons liet toter doet pinen”. Doe si den koninck dus hoerden spreken Sijn si so vaste in een gestreken Tegen die viande, datsi se niet 19895 En konden dorbreken, wat gesciet. So lange hieldensi hem alsoe, Dat die Sennen alle doe Worden verwermt, ende oec mede Tenden horen adem, daer ter stede; 19900 Ende Doriles hadde oec bander side Des koninck Galens liede in den stryde So mat gemaket, datsi vloen, Tote op des koninck Pompins liede doen, Doe wordensi strydende alle daer 19905 Op des koninck Ventres liede vorwaer. Dit duerde toter Vespertijt, Doe quam koninck Magondres in den strijt Met vijftiendusent Sennen daeran, Dien onwaert hevet, dat so luttel man 19910 Geduren mogen daer ter stede Tegen so vele volkes, als hi hadde mede. Doe riep op hem Magondres: “Gy Heren, ic bevele iu allen na des, Also lief als gy my hebbet nu, 19915 En laet nieman ontvaren van iu Gyne slaeten doet”. Doe dit sach Die koninck Venter, dat hine mach Niet gedoen tegen die grote scaren, Is hi achterwaert gevaren 19920 An dat foreest in ener straten, Entie Sennen volgeden hem utermaten Ende meendense alle doden ochte vaen; Als hi in die strate quam, keerde hi saen Want hi hadde den bosc achter hem nu; 19925 Ende in ene hole strate, zeggic iu, Was hi, daer nieman tot hem konde komen Dan van voer, hebbic vernomen: Hi dade vor hem setten haer spere, Wie daer quame dat hise gewere; 19930 Entie Sennen quamen op hem daer Daer bleef er menich doet vorwaer; Daer duerde die strijt toter nacht toe, Dat deen dander niet en kende doe; Doe moesten die Sennen sceiden vorwaer, 19935 Die grote scade namen ende swaer. 221 Entie koninck Ventres voer mede Sciere in ene sine vaste stede, Die Viscant hiet, daer lagensi Drie dage ende rasten hem daerby, 19940 Ombedatsi moede ende gewont waren; Doe voerensi te Polles daernare, In ene stede die sijn was, Die allernaeste lach des pas; Daer warensi sere begaen ter ure 19945 Ombedat haer wapene menege scure Hadden; dus zeidensi, sonder waen, Datsi in noden waren bevaen Daer si sulke scoer ontvingen. Si prijsden sere van den dingen; 19950 Daer quam die biscop jegen hem alsoe, Die Uriens ende Ventres oem was, doe Met al den clerken van der stat Ende prijsdene herde sere ombedat, Ende gebenedyedense daer ter stede; 19955 Entie biscop hadde gerne oec mede Gesproken jegen den koninck Ventres; Maer ombedat hi nu te banne es, Ombedat hi hem sette iegen Arture, Ende an hem niet en hout nu ter ure, 19960 Want hi haer gerechte here es, Ombedit liet hi dat, sijt seker des, Dat hine niet en sprac ombedat. Dus blevensi liggende in der stat, Ende daden hem te gemake nu. 19965 Hier sal ic vorwaert zeggen iu Van den koninck Clarione Ende mede van der Sennen done. |
Van koning Ventres en van Doriles, hoe ze de Sennen verdreven. Het avontuur zegt het hier ter plaatse: Toen koning Venter wist gereed Dat zijn zoon weg was, Werd hij zo boos, dat hij na dat 19750 Tegen zijn vrouw niet spreken wilde In een maand, en geen vreugde Mocht hij zien of horen ter stond. Toen gebeurde op een donderdagavond 219 In mei, dat een bode kwam daar, 19755 Die hem zei, weet voorwaar, Van een grote schoffering gelijk, Die heeft gehad koning Anguissant, En dat hij dood was gebleven gelijk Had koning Uriens niet gedaan, 19760 Die hem goed te hulp kwam daar. Toen kwam een andere bode daarnaar, Die hem zei, hoe koning Tradeliant Die Sennen had geschoffeerd gelijk En dood geslagen ook, dat weet; 19765 En de koning met de honderd ridders mee Kwam hem te hulp, en wonnen ter plaatse Groot goed en grote schat. Dus was hij blij aan de ene kant Dat ze dus wonnen in de strijd, 19770 En aan de ander kant was hij droevig mee Omdat ze verloren hadden, dat weet. Toen dacht hij, dat hij ook ter uren Nu wil varen en zoeken avonturen Tussen Soreloes en Nortgales, 19775 Daar een grote pas tussen is. En toen ze kwamen buiten de stad, Zag hij ver voor hem nadat Groot vuur en groot geluid, En alle landlieden liepen uit. 19780 Dat scheen of het geheel vergaan zou, Daar ze kwamen met geweld. Toen vroeg de koning wat daar was. Toen zeiden hem de lieden maar, Dat alle Sennen, die er in de wereld zijn, 19785 In zijn land waren gekomen in schijn, “En ze verbranden alle landen En ze bereiden voor Brysolande Op de rivier Saverne geheel Bij het water, voor het kasteel, 19790 En wachten daar op hun foerage karren daar, En daar is met hen, weet voorwaar, Koning Magondres en Pompins Die neef was van koning Hengist En koning Galens en Pinogres, 19795 Met hem veertienduizend, zij het zeker dit; En deze vernietigen geheel uw land”. Toen koning Ventres dit bekende Dat hij immer zal hebben strijd, Riep hij met luide stem ter tijd 19800 Op zijn lieden, zij het zeker dit: “Nu zal ik zien wie dapper is”. De koning had daar twaalfduizend man, Daarvan maakte hij twee scharen dan, In elk was er zesduizend voorwaar. 19805 Toen beval hij Dorilas daarnaar De ene schaar te leiden alzo, Die een dapper ridder was daar En konings neef was erg nauw; De andere schaar leidde de koning aldaar. 19810 Toen reed Doriles en kwam Zo ver, dat hij de Sennen vernam, Die doden man, kinderen en wijf En roofden en branden, zonder blijf, Alles dat ze vonden, zij het zeker dat, 19815 En van die er wel veertienduizend was; Maar ze waren niet alle tezamen toen Nog ook niet goed gewapend zo, En Doriles sloeg in hen daarnaar Zo vreselijk, dat hij hun aldaar, 19820 Eer koning Ventres tot hem kwam, Wel tienduizend hun leven benam; En diegene, die ontkwamen gelijk, Liepen tot het kasteel van Brioland, Daar de vier koningen lagen; 19825 En Doriles sloeg er, en jaagden, Zoveel, dat van veertienduizend man Maar driehonderd overbleven voortaan. En toen diegene, die daar lagen, Hun lieden aldus zagen jagen 19830 Riepen ze: “wapent u, wapent u!” met geweld Maar niet zo gauw konden ze nu Zich wapenen, de anderen zijn meteen Op hen daar gekomen, en ze hebben geveld Vijfhonderd tenten, en ook mede 19835 Tienduizend man verslagen ter plaatse. Toen begon men de trompetten te blazen daar En de Sennen verzamelden daarnaar, Zodat er wel zestigduizend waren, Toen kwamen de vier koningen na dat, 19840 Met vier scharen geslagen toe Op koning Ventres lieden toen; En Doriles die kwam hem tegen, En bracht een speer gedragen, En reed op koning Galand, 19845 En de koning op hem weer gelijk; 220 En hij sloeg Doriles ter plaatse Zodat zijn speer brak gereed En kwetste weinig daar; En Doriles stak hem weer daarnaar 19850 Op het schild, zodat hij ging door, En door de harnas maakte een scheur Zodat die speer door het lichaam woedt Meer dan vier en een half voet, En de koning viel daar dood. 19855 Toen dit de Sennen werd bekend, Dat hun koning lag dood voorwaar, Sloegen ze op Doriles daarnaar Vreselijk; maar Doriles Verweerde zich goed, zij het zeker dat. 19860 Daar werd de strijd vreselijk en groot, Daar bleef menige Senne dood, Want koning Ventres Onder de paviljoenen nu gekomen is, Tussen het bos en de rivier, 19865 En velde daarna alle snel, En sloeg dood, die hij daarin vond; Want ze waren, zij u bekend, Allen meest ongewapend daar; Ze waren allen dood gebleven voorwaar 19870 Had niet gedaan koning Pignores, Die hen te hulp gekomen is Daar, met zevenduizend man; Toen werd de strijd groot voortaan Maar koning Ventres deed zoveel 19875 Met wapens daarin de strijd, Dat hij die zevenduizend schoffeerde na dit, En dood sloeg koning Pignores; Toen waren de Sennen bang zeer. Toen kwam koning Popims te verweer 19880 Met zevenduizend man ten strijde. Toen werd koning Ventres in die tijden Naar achter gedreven een boogschot wel Van de tenten; toen werd daar fel De strijd; toen riep koning Ventres: 19885 “Foei gij ridders, vlied je door dit? Verweer u, we mogen ons nimmermeer Beter verkopen uw grote eer Dan op uw vijanden, die heiden zijn; Offert hier uw lichaam fijn 19890 Onze Heer, die de Zijne Om ons liet tot de dood pijnen”. Toen ze de koning aldus hoorden spreken Zijn ze zo vast ineen gestreken Tegen de vijanden, dat ze die niet 19895 Konden doorbreken, wat er geschiedt. Zolang hielden ze zich alzo, Dat de Sennen alle toen Worden verwarmt, en ook mede Op het eind van hun adem, daar ter plaatse; 19900 En Doriles had ook aan de andere zijde Koning Galens lieden in de strijd Zo moe gemaakt, dat ze vlogen, Tot op koning Pompins lieden toen, Toen werden ze strijdend allen daar 19905 Op koning Ventres lieden voorwaar. Dit duurde tot de vespertijd, Toen kwam koning Magondres in de strijd Met vijftienduizend Sennen daaraan, Die het onwaardig vond, dat zo weinig man 19910 Stand houden mogen daar ter plaatse Tegen zoveel volk, zoals hij had mede. Toen riep op hem Magondres: “Gij heer, ik beveel u alles na dit, Alzo lief als ge me hebt nu, 19915 Laat niemand ontgaan van u Ge slaat ze dood”. Toen dit zag Koning Ventres, dat hij mag Niets doen tegen die grote scharen, Is hij achteruit gevaren 19920 In dat bos in een straat, En de Sennen volgden hem uitermate En meenden ze allen te doden of te vangen; Toen hij in die straat kwam, keerde hij gelijk Want hij had het bos achter hem nu; 19925 En in een holle straat, zeg ik u, Was hij, daar niemand tot hem kon komen Dan van voor, heb ik vernomen: Hij liet voor hen zetten hun speren, Wie daar kwam dat hij zich verweert; 19930 En de Sennen kwamen op hen daar Daar bleef er menigeen dood voorwaar; Daar duurde de strijd tot de nacht toe, Zodat de een de ander niet herkende toen; Toen moesten de Sennen scheiden voorwaar, 19935 Die grote schade namen en zwaar. 221 En koning Ventres voer mede Snel naar een van zijn vaste steden, Die Viscant heet, daar lagen zij Drie dagen en rusten zich daarbij, 19940 Omdat ze moe en gewond waren; Toen voeren ze te Polles daarnaar, In een stad die de zijne was, Die het dichtst lag bij de pas; Daar waren ze zeer begaan ter uren 19945 Omdat hun wapens menige scheur Hadden; dus zeiden ze, zonder waan, Dat ze in nood waren bevangen Daar ze zulke scheur ontvingen. Ze prezen zeer van de dingen; 19950 Daar kwam de bisschop tegen hen alzo, Die Uriens en Ventres oom was, toe Met alle klerken van de stad En prezen hen erg zeer omdat, En gezegend daar ter plaatse; 19955 En de bisschop had graag ook mede Gesproken met koning Ventres; Maar omdat hij nu in de ban is, Omdat hij zich verzette tegen Arthur, En zich aan hem niet houdt nu ter uren, 19960 Want hij hun echte heer is, Vanwege dit liet hij dat, zij het zeker dit, Dat hij hem niet sprak omdat. Dus bleven ze liggen in de stad, En deden het zich gemakkelijk nu. 19965 Hier zal ik verder zeggen u Van koning Clarion En mede van de Sennen doen. |
Van den koninck Clarione, ende hoe die Sennen branden in allen landen. Hier seghet daventure mede, Dat die koninck Clarion nu ter stede, 19970 Sine stede alle besorgede doe Met vleesce, met wine, van spise toe; Ende hi geboet sijn lant aldoere Dat men al dat quick nu voere Coye, scaep, ende paerde mede 19975 Verre in den wout in hemeleke stede Ende alle die spien die men vant, Dade hi vaen ende houden thant. Ende op enen avont gevil daernare, Dat vele Sennen vergadert waren 19980 In des koninck Barnagus tenten ter stede, Ende in des koninck Malegans mede, Die koninge waren van Yrlant. Dese beclageden hem sere te hant Van der scaden, die si hadden ontvaen 19985 Vor der roetsen, ende mede nu saen Die hem alle dage comet te handen Van den genoten van den landen, Ende dat haer spise nauwede sere. Daer stont op een ionc ridder, een here, 19990 Die dapper was, ende zeide aldus Tot sinen oeme, den koninck Barnagus: “Ic soude nu varen voederen thant In een herde groet vet lant, Dat nu wel vol van allen goede es, 19995 Woude mi des orlof geven Amades, Mijn vader, ende mijn oem Aglaant, Want sonder haren orlof, sij iu becant, En vaer ic daer niet”. Doe sprac Barnages: “Lieve neve, nu berecht my des, 20000 Welc es dat lant”. Doe zeide hi: “Nortomberlant hetet dat, koninck vry, Daer woudic neven der Savernen ryden Ende opter rivier van der Ombren tyden; Ende vor den casteel Dorelosen torre; 20005 Dit soude nu wesen mine porre, Ende hier ombelanck es dat vetteste lant, Dat men nu vint, sij iu becant”. Doe zeide Barnagus: “gy zout Kiesen die gy hebben wout, 20010 Die met iu sellen varen nu”. “Here”, zeidi, “des danckic iu”. Doe nam Oriens scier daernaer Die hi hebben woude vorwaer Tote veertechdusent, sonder, dat wet, 20015 Die te voet liepen oec met. Dese voeren alle te Sorhantwaert Ende branden ende roveden mettervaert, Entie koninck Malaant, hi es Met sinen lieden bleven na des 20020 Vor Windeberes, die vaste stede, Hi riep Soriondes, sinen neve, mede: “Wat eest”, zeidi, “suldy iergent varen?” “Jaic, here”, zeidi, “sonder sparen, 222 Haddic liede”. Doe zeide die koninck: 20025 “Nemet mijns volkes, ombe dese dinck, Also vele als gy wilt tehant, Ende vaert in des koninck Ydiers lant, Ende nemet al dat gy vindet daer”. Hi dankedes den oeme sere. Daernaer 20030 Nam hi met hem veertichdusent man, Die hi hebben woude voertan; So es hi mettien enwech gevaren Stoutelike, al sonder sparen. Daerna riep die koninck Amades 20035 Hertrante, sinen neve, na des, Ende zeide: “neve, gy moet varen thant Te Loenes in des koninck Lottes lant Ende in Orcanien mede, God weet, Ende nemet miner liede mede gereet 20040 Also vele als gy wilt nu mere”. Hi dankede des sinen ome sere, Ende nam veertichdusent man ter stede, Ende voerdese in des koninck Lottes lant mede; Ende begonden bernen daernaer 20045 Ende te rovene, wet vorwaer, Entie ander mede, sonder beiden, Daer ic hier te voren af zeide. Ende alle die wile, dat dese nu varen, Hadden die ander koninge, twaren, 20050 Een parlement, hoe si mochten nadat Windeberes winnen, die vaste stat; Daerombe ginck een water, diep ende wijt. Men hadde niet mogen, doen ter tijt, Met enen amborste overscieten vorwaer. 20055 Daer ginck een rivier ombe, ende daer En stonden maer twe poerten doe, Ende menech torre daer alsoe Vaste ende so hoge mede, Dat men verre sach van der stede. 20060 Men mochtese niet lichte winnen En waer dat mense verhongerde binnen: Die koninge gingen al ombe besien Ocht enech gewin daer mochte gescien; Doe zeidensi dattet daer niet toe dochte 20065 En waer dat mense verhongeren mochte. Doe zeide die koninck Magondres Toten koninck Barnagus nades: “Dat es also hier gescapen nu, Dat daer negeen gewin an es, zeggic iu”. 20070 “Sekerlijc”, zeide die koninck Malaant, “Des volge ic wael; nu laet ons te hant Die stat van Clarense beleggen, Wantsi en hebben negeen wederseggen, Oec en zijn in desen lande allegader, 20075 Al warensi vergadert al evengader, Niet dat tiende deel, dat zeggic iu, Also vele liede als wire hebben nu”. Doe zeide die koninck Barnagus daernaer: “Here, wie wildy dat daer nu vaer?” 20080 “Ic salt iu seggen al te hant: Daer sal varen die koninck, heer Godebrant, Entie koninck Magondres, Ende Sinatores ende Sorbares Die koninck Sapharys, die koninck Cohas, 20085 Die koninck Plantor, die koninck Mathonas, Die koninck Sornagris, die koninck Ignores; Ende elc van desen, sijt seker des, Sal onder siner banieren voeren dan Vor die stat twintichdusent man”. 20090 Dit was dat inde van den rade daer, Ende si lovedent alle daernaer; Doe bereidensi hem met snelre vaert, Ende voeren daer nu te Clarensewaert, Ende belagen herde nauwe die stat. 20095 Ende alle die wile dat gesciede dat, So es Oriens metten Sennen komen, Als gy hier vor wel hebbet vernomen In Nortomberlant, wet vorwaer, Ende bernet ende rovetse daernaer. 20100 Doe dit die koninck Clarion vernam, Was hi des toernech ende herde gram, Ende ontboet den hertoge van Cambenick Dat hi ten passe quame haestelic Jegen hem ter roetsen van Margot 20105 Met al den lieden die hi in sijn gebot Hadde, ende verkrygen mochte nu. Doe hi dit hoerde, seggic iu, Dat hi doe nam twaelf dusent man Ende voer ten passewaert wat hi kan; 20110 Daer vant hi den koninck Clarioen Met dertien dusent man, stout ende coen, Ende doe si vergadert waren daer Voerensi op die Sennen daernaer, Daer sise sagen roven ende bernen tlant. 20115 In dat begin, daer si quamen gerant, 223 Sloegen si der Sennen vele doet, Want der Sennen een groet hoep Was gesceden also alsi Den roef haelden verre ende by; 20120 Daer bleef er tiendusent doet ter stede. Doe quamen die grote heren mede, Met al den Sennen, ingevaren; Doe was die koninck Clarioen, twaren, Versaget ende dhertoge mede, 20125 Nochtan haddensi groet volc ter stede; Oec quam hem nu helpen meer Van den Doloreusen torre die heer Ende Cristofles ende Sansidones, Ende Brioen sonder genade ende Mares, 20130 Entie here van Salerne fijn Ende Caringes ende Gaudijn, Die des koninck Arturs neve was. Dese lagen daer vor den pas Met vijf ende dertichdusent man, ter stede, 20135 In dat enge van der roetsen mede; Daer vochtensi vor den pas alsoe Vreeslike optie Sennen doe, Ende en hadde gedaen die pas ter uren Si en hadden daer niet konnen geduren, 20140 Wantsi en konden allegader niet komen; Si hebben daer haer speer genomen Ende scoten dene ten andrenwaert. Daermede wart daer in der vaert Menech gewondet, sonder sage; 20145 Dus geduerdet daer nu drie dage Toten avende datsi binnendien Noit ongewapent [en] waren gesien, Sonder des avendes alsi eten vorwaer, Ende dat en was niet vele, openbaer. 20150 Dus latic daer stryden dese alsoe Tote dat ic daer weder kome toe, Ende sal van den koninck Artur lesen Ende van Merline ende Sagrimor na desen. |
Van koning Clarioen en hoe de Sennen verbranden alle landen. Hier zegt het avontuur mede, Dat koning Clarioen nu ter plaatse, 19970 Zijn steden alle bezorgde toen Van vlees, wijn en van spijzen toe; En hij gebood zijn land geheel door Dat men alles dat snel nu vervoert Koeien, schapen en paarden mede 19975 Ver in het woud in heimelijke plaatsen; En alle spionnen die men vond, Liet hij vangen en houden gelijk. En op een avond gebeurde daarnaar, Dat veel Sennen verzameld waren 19980 In koning Barnagus tenten ter plaatse, En in koning Malegans mede, Die koningen waren van Ierland. Deze beklaagden zich zeer gelijk Van de schade, die ze hadden ontvangen 19985 Voor de rotsen, en mede nu gelijk Die hen alle dagen aankomt gelijk Van diegene van de landen, En dat hun spijs benauwde zeer. Daar stond op een jonge ridder, een heer, 19990 Die dapper was, en zei aldus Tot zijn oom, koning Barnagus: “Ik zou nu varen om voeder gelijk In een erg groot vet land, Dat nu wel vol van alle goed is, 19995 Wil ge me dus verlof geven Amades, Mijn vader, en mijn oom Aglaant, Want zonder hun verlof, is u bekent, Ga ik daar niet”. Toen sprak Barnages: “Lieve neef, nu bericht me dit, 20000 Welk dat land is”. Toen zei hij: “Northumberland heet dat, koning vrij, Daar wil ik naast de Saverne rijden En op de rivier van de Ombre gaan; En voor het kasteel Deorelosen toren; 20005 Dit zou nu wezen mijn gang, En hieromheen is dat vetste land, Dat men nu vind, is u bekend”. Toen zei Barnagus: “ge zou Kiezen die ge hebben wil, 20010 Die met u zullen varen nu”. “Heer”, zei hij, “dus dank ik u”. Toen nam Oriens snel daarnaar Die hij hebben wilde voorwaar Tot veertigduizend, uitgezonderd, dat weet, 20015 Die te voet liepen ook mee. Deze voeren alle te Sorhant waart En branden en roofden met een vaart, En koning Malaant, hij is Met zijn lieden gebleven na dit 20020 Voor Windeberes, die vaste stede, Hij riep Soriondes, zijn neef, mede: “Wat is het”, zei die, “zal ge ergens varen?” “Ja ik, heer”, zei die, “zonder sparen, 222 Had ik lieden”. Toen zei die koning: 20025 “Neem mijn volk, om dit ding, Alzo veel als ge wilt gelijk, En vaar in koning Ydiers land, En neem alles dat ge vindt daar”. Hij bedankte de oom zeer. Daarnaar 20030 Nam hij met hem veertigduizend man, Die hij hebben wilde voortaan; Zo is hij meteen weg gevaren Dapper, al zonder sparen. Daarna riep koning Amades 20035 Hertrante, zijn neef, na dit, En zei: “neef, ge moet varen gelijk Te Loenes in koning Loth’s land En in Orkney mede, God weet, En neem mijn lieden mee gereed 20040 Alzo veel als ge wilt nu meer”. Hij bedankte dus zijn oom zeer, En nam veertigduizend man ter plaatse, En voerde ze in koning Loth’s land mede; En begon het te branden daarnaar 20045 En te roven, weet voorwaar, En de ander mede, zonder wachten, Daar ik hiervoor van zei. En alle tijd, dat deze nu varen, Hadden de andere koningen, te waren, 20050 Een gesprek, hoe ze mochten nadat Windeberes winnen, die vaste stad; Daarom ging een water, diep en wijd. Men had het niet kunnen, toen der tijd, Met een handboog overschieten voorwaar. 20055 Daar ging een rivier om, en daar Stonden maar twee poorten toen, En menige toren daar alzo Vast en zo hoog mede, Zodat men ver zag van de plaats. 20060 Men kan het niet gemakkelijk overwinnen Tenzij dat men ze verhongerde binnen: De koningen gingen het alom bezien Of er enige winst daar mocht geschieden; Toen zeiden ze dat het daartoe niet deugde 20065 Tenzij dat men ze verhongeren mocht. Toen zei koning Magondres Tot koning Barnagus na dit “Dat is alzo hier geschapen nu, Dat daar geen winst aan is, zeg ik u”. 20070 “Zekerlijk”, zei koning Malaant, “Dit volg ik wel; nu laat ons gelijk Die stad Clarense belegeren, Want ze hebben geen weerstand, Ook zijn niet in deze lande allen, 20075 Al waren ze verzameld al eveneens, Niet dat tiende deel, dat zeg ik u, Zoveel lieden als wij er hebben nu”. Toen zei koning Barnagus daarnaar: “Heer, wie wil ge dat daar nu gaat?” 20080 “Ik zal het u zeggen al gelijk: Daar zal gaan de koning, heer Godbrant, En koning Magondres, En Sinatores en Sorbares De koning Sapharys, koning Cohas, 20085 Koning Plandor, koning Mathonas, Koning Sornagris, koning Ignores; En elk van deze, zij het zeker dat, Zal onder zijn banieren voeren dan Voor die stad twintigduizend man”. 20090 Dit was dat einde van de raad daar, En ze loofden het alle daarnaar; Toen bereiden ze zich met snelle vaart, En voeren daar nu te Clarense waart, En belegerden erg nauw die stad. 20095 En ondertussen dat geschiedde dat, Zo is Oriens met de Sennen gekomen, Zoals ge hiervoor wel hebt vernomen In Northumberland, weet voorwaar, En brandde en roofde daarnaar. 20100 Toen dit koning Clarioen vernam, Was hij dus toornig en erg gram, En ontbood de hertog van Cambenik Dat hij bij de pas kwam haastig Bij hem bij de rotsen van Margot 20105 Met alle lieden die hij in zijn gebod Had, en verkrijgen mocht nu. Toen hij dit hoorde, zeg ik u, Dat hij toen nam twaalf duizend man En voer te pas waart wat hij kan; 20110 Daar vond hij koning Clarioen Met dertien duizend man, dapper en koen, En toen ze verzameld waren daar Voeren ze op de Sennen daarnaar, Daar ze zagen dat ze roofden en branden het land. 20115 In dat begin, daar ze kwamen aangerend, 223 Sloegen ze van de Sennen veel dood, Want van de Sennen een grote hoop Was gescheiden alzo door De roof die ze haalden ver en nabij; 20120 Daar bleven er tienduizend dood ter plaatse. Toen kwamen de grote heren mede, Met alle Sennen, ingevaren; Toen was koning Clarioen, te waren, Bang en de hertog mede, 20125 Nochtans hadden ze groot volk ter plaatse; Ook kwam hen nu helpen meer Van de Doloreusen toren de heer En Cristofles en Sansidones, En Brioen zonder genade en Mares, 20130 En de heer van Salerne fijn En Caringes en Gaudijn, Die koning Arthurs neef was. Deze lagen daar voor de pas Met vijf en dertigduizend man, ter plaatse, 20135 In dat enge van de rotsen mede; Daar vochten ze voor de pas alzo Vreselijk op de Sennen toen, En had niet gedaan die pas ter uren Ze hadden daar niet kunnen verduren, 20140 Want ze konden er allen niet komen; Ze hebben daar hun speer genomen En schoten de ene naar de andere waart. Daarmee werd daar in de vaart Menigeen verwond, zonder sage; 20145 Dus duurde het daar nu drie dagen Tot de avond dat ze binnendien Nooit ongewapend werden gezien, Uitgezonderd ‘s avonds als ze eten voorwaar, En dat was niet veel, openbaar. 20150 Dus laat ik daar strijden deze alzo Totdat ik daar weer kom toe, En zal van koning Arthur lezen En van Merlijn en Sagrimor na deze. |
Van den koninck Artur ende van Merline ende van Sagrimor. Hier seghet dhistorie vorwaert mere 20155 Dat die van Tornasse grote ere Daden den heren, zijt zeker das, Om die victorie daer ic af las, Die vor der stat gesciede daer nu. Die koninck Leodegan, seggic iu, 20160 Ende sijn dochter daden groet ere daer Den koninck Artur, wet vorwaer Si waer hem altoes gerne by Maer dat dat scande waer, dachte sy. Op ene tijt nam Merlijn daer 20165 Die drie koninge te rade naer, Ende seide, hi moeste te Logres varen: “Men hevet daer rades te doene, twaren, Niet daerombe dattet lant hevet geen ruwaert, Want die genote sijn so beswaert 20170 Van den Sennen, datsi en mogen Op nieman varen noch orlogen; Daer sijn liede in komen ter heervaert Van over veertech dachvaert, Ende alle dage wasset dat heer twaren”. 20175 Hi telde hem hoe belegen waren Die stede Clarense ende Windeberes, Ende hoe ene partye oec gevaren es Opten koninck Loth, ende ene ander mede Op Clarione ende Ydier ter stede; 20180 Hi telde hem alle die stryde daernaer, Die si gehat hadden vorwaer, Ende hoe Ywein die grote, ter steden, Ende Ywein Overdoem sijn gesceden Van den koninck Uriens, horen vader, 20185 Dat hi daer niet af en weet algader, “Ende Keye van Strans ende Ladinas Ende Keye die Clene”, zeide hi nadas, “Dese sijn wt horen lande gevaren Te Logreswaert, sonder sparen, 20190 Ombe ridder te werdene van Arturs hant, Ende si en mogen niet komen in dat lant, Ten zij by andren rade dan si hebben nu; Des doet iu te gemake, seggic iu, Ende en varet nergen hier nochte daer 20195 Totedat ic weder kome vorwaer”. “Ja Merlijn”, zeide die koninck Ban, Ende wildy ons nu begeven dan, So warewy verloren al te male”. “Here”, zeide Merlijn, “so meendy wale, 20200 Dat ic niet wederkomen soude tot iu? En denket des nember, dat hetic iu, Want gy haddet myne vrienscap verloren dan”. 224 “Ic en denke geen arch”, zeide die koninck Ban, “Tote iu, lieve vrient, dan dat gy 20205 Mijn vrient zijt, ende ic duwe daerby”. Ende Merlijn zeide: “ic sal herde saen Hier weder sijn”. Dus es hi gegaen Van hem, also si en wisten waer, Ende quam opten selven avont daernaer 20210 Daer Blasys, sijn meester, was, Die blyde es, sijt seker das; Si hadden onder hem feeste groet. Daer telde Merlijn Blasyse al bloet Alle die dinge, die gesciet waren, 20215 Den drien koningen, ende daernare Telde hi hem die stride, groet ende clene, Waer si gescieden algemene; Dit screef Blasys al daernaer. Ende opten selven avent, wet vorwaer, 20220 Dat Merlijn quam te Blasysewaert So was Sagrimor in der vaert Met drien hondert gesellen te vaerne nu In dat lant van Logres, seggic iu, Ende quamen gevaren te Wyssant 20225 Ende voeren over te Doever thant, Daer gereidensi hem ende zaten op haer paerde Ende voeren henen hoerre vaerde; Si en kenden den wech niet daernaer Ende si en wisten wien vragen daer; 20230 Want dat lant al verbrant daer was, Die Sennen haddent verwoestet vordas, Ende eer si des iet worden gewaer, Quamensi op een trop daernaer Van Sennen, die Oriens hevet gesent 20235 Wael twintichdusent daer omtrent, Die voeren ombe Sohant vorwaer Ombedat hem nieman en zoude daer Scade doen van den rove nu, Dien si gerovet hadden, zeggic iu. 20240 Doe quamen daer liede roepende seer Ende riepen lude op Onsen Heer; Doe vrageden die kinder, wat hem es? Si zeiden: “die Sennen, sijt gewes, Verbernen ende verstoeren dat lant 20245 Ende doden dat hem komet te hant Man, wijf, ende kinder. Doe vragede Sagrimor ginder, Waer die koninck Artur nu weer “Te Camelide”, zeiden si, “heer”. 20250 “Ende wie es hier dan in siner stat? “Des koninck Lottes kinder”, zeidensi nadat; “Ende waer zijn si nu?” zeide hi doe. “Te Logres”, zeiden die dorpers alsoe, “Ende by Gode, en vaert niet voert, 20255 Want gy werdet alle vermoert”. “Ende waer staet Logres?” zeidi naer; “Gy zijt wel in den wech”, zeidensi daer, “En daden die Sennen; maer ombedat Moety varen enen andren pat”. 20260 “Ende hoe verre es”, zeidi, “Carmeloet?” “Tien mylen, maer si en zijn niet groet”. Doe sprac Sagrimor: “by Onsen Here, Ic en keer heden, ic en sal ere Stryden tegen dese Sennen nu; 20265 Mine gesellen, nu wapent iu! Laet zien, wie hem wel sal proeven, Want wy des wel zullen behoeven; Si houden in onsen wech hiervor; Condewy haer scare breken dor, 20270 Wi zullen wael komen te Carmeloet Es dat sake dat wijs hebben noet”. Dus wapendensi hem alle daer, Ende vergorden haer orse daernaer, Ende saten daerop ende lieten lopen; 20275 Si wouden hem selven dure verkopen. Ende al die wyle datsi dus streden, Was Merlijn van Blasise gesceden, Ende was vor die stat komen nu Te Carmeloet, zeggic iu; 20280 Hi quam als een out kranck man Ende hadde enen gescoerden rock an Ende ene matsue haddi mede Op sinen halse, ende dreef ter stede Een hoep vees tote vor die stat, 20285 Ende hi begonde roepene nadat, Ende makede rouwe ende mesbaer, Dat ment hoerde in der stat aldaer: “Ach arme, God Here!” riep hi doe, Here! “Hoe scone kinder zullen ember toe 20290 Haer lijf verliesen! koninck Artur, lieve Dese scade en verwindy nembermere, 225 Verliesdy dese hier nu ter tijt! Ay, Sagrimor, die hier komen sijt Toten koninck Artur, ombe ridder te syne, 20295 Ic wane gijs niet en werdet in scyne, Hoe goeden vrient soudy wesen nu Artur, mochte hi behouden iu!” Gawijn ende sine broeder mede Stonden opter mueren van der stede, 20300 Ombe wtwaert te siene na den brant, Die alombe daer was in dat lant; Ende si hoerden desen ouden man Sere roepen, ende spraken hem an; Maer hi geliet ocht hijs en hoerde niet 20305 Ende sloech sine colve op die aerde, siet, Ende scudde metten hovede daernaer, Alse ocht hi ontsinnen soude openbaer; Hi sceen rouwe drivende swaer, Hi vil op die aerde saen daernaer, 20310 Alsocht hi in onmacht hadde gewesen; Doe stont hi op thant na desen, Ende nam sine beeste ende dreefse mettien, Ocht hi te woudewaert woude vlien. Doe riep hi: “waer es die ritterscap gevaren 20315 Van Logres? men zeide, dat hier waren Des koninck Arturs neven komen, Die dit lant souden begomen; Vorwaer si hoedent oevele, seggic iu, Alse si sullen laten sterven nu 20320 Dat wonder van der werlt al rene”. Alse Gawyn hoerde datgene, Riep hi driewerf: “vilein, waerby En wiltu niet spreken tegen my?” Entie vilein keerde zijn hovet daernaer, 20325 Ocht hi niet en wiste waer dat waer; Noch riep Gawyn driewerf mede; Doe sach hi opwaert daer ter stede Die ogen toe, ende metten monde daer Al grinsende, dat hem bleken daernaer 20330 Die tande, ende zeide: “wat wildy?” Gawyn zeide: “dat gy spreket tegen my Ende komet hier nare nu na des, Ende zegget my, wat iu te wenene es”. “Ic soude iu”, zeide hy, “seggene saen, 20335 En wouden my mine beeste niet ontgaen”. “Neensi, niet; maer zegget nu my, Wat iu dus te clagene sy, Ende ombe wien gy weent, des biddic iu”. “Ic zoudet dy zeggen, woudestu nu 20340 Dy pynen hem te helpene mede”. Gawyn zeide: “by myner waerhede, Ic gelove dy nu, dat ic van al Mire macht hier toedoen zal”. “Here”, zeide die vilein ter stede, 20345 Wie zijdy, ende hoe hety mede?” “Ic hete Gawyn, nem des goem, Entie koninck Artur es mijn oem”. “So sal ict dy zeggen”, zeide hi doe, “Nochtan en hebdy dat herte niet soe, 20350 Dat gy se zult dorren bescudden nu: Dat es des keyzers neve, zeggic iu, Van Constantinople ende hetet Sagrimore, Ende was ten koninck Arturwaert in rore, Ombedat hine ridder zoude maken, 20355 Met drien hondert vromer sciltknapen; Ende drie dusent Sennen hebbense begaen, Die in horen wech waren gestaen, Daer si tegen stryden so sere sekerlike, Dat nieman [en] sach desgelike; 20360 Ende kondestu dese bescudden nu, Dune dades niet so wael, zeggic iu; Maer neen, gy en hebbet dat herte niet”. Alse Gawyn dit hoerde ende siet, Datten die vilein blode scout, 20365 Scaemde hi hem des; met groter gewout Riep hi: “edele gesellen, wapent iu nu, Ende volget my na, des biddic iu”. Doe hadde hire vier dusent saen bereet, Daer hi haestelic mede henen reet; 20370 Ende hi hiet den vilein, dat hi daer Op een paert sate, ende hise daernaer Leide daer die kinder vochten doe; Entie vilein dade daer alsoe: Hi leidese daer die strijt was groet, 20375 Daer Sagrimor vacht ende sine genoet. Doe si daer quamen, sagen si wel, Dat die strijt was herde fel Ende dat Sagrimor anxtlike street Entie scare dorbrac gereet; 20380 Si hadden er driehondert doet geslegen Sagrimore en dorste nieman komen tegen, 226 Hi sloech so grote slage doe, Dat die Sennen vor hem vloen doe; Hem en dorste nieman genaken, 20385 Dan si van verre tot hem staken Ende scoten met speren tot hem daer; Maer niet lange, wet vorwaer, En hadde hi daer mogen geduren. Doe quam Gawyn terselver uren 20390 Inslaende met so groter mogenthede, Dat hire twedusent storten dede; Des was Oriens herde onblyde, Want hi en sach nie so luttel liede Hem so vromelic hebben geweert. 20395 Hi nam een speer met snelre veert, Ende sprac, hi sal sulken steken daer, Die des berouwen sal daernaer; Ende hierenbinnen was Gawein So verre komen in den plein, 20400 Dat hi ten kindren komen es, Die moede waren, zijt seker des; Maer Sagrimor stont vor hem daer Met ener axe, wetet vorwaer, Ende sloech alombe slage groet, 20405 Dat daer iegen niet en gestoet No halsberch no helm mede, Hi en sloech dat al doer ter stede. Hi was groet ende wael gemaket Ende van leden bet geraket 20410 Dan men enegen vant ten tyden. Daer Gawyn nu in soude ryden By den kindren, daer si nu streden, Bescuddise vromelic, ter steden. Daer wart die strijt herde groet, 20415 Daer bleef der Sennen vele doet. Daer wasser twintichdusent vergadert nu, Want die gesceden waren, zeggic iu, Ombe dat lant te rovene quamen daer an, Ende Oriens hadde twintichdusent man, 20420 Daer waren veertichdusent mede; Ende Oriens hadde sijn speer ter stede Ende reet op Agrawein, zeggic iu, Die sinen neve gedodet hevet, nu, Des hi herde droevech doe was. 20425 Hi stac Agraweine nadas Onder die scouder, neven der syde, Daer dat speer dorginck tien tyden, Dat hi ter aerden nederlach; Doe Gaweyn sinen broeder vallen sach, 20430 Meendi, dat hi doet hadde gewesen; Hi voer tegen Oriens mettesen, Ende meendene met siner gisarmen slaen Ende thovet hebben geclovet saen; Maer Oriens droech daer den scilt tegen, 20435 Dien hevet hi te sticken geslegen, Ende van den helme een quartier; Ende also die gisarme scampelde hier Van den helme nederwaert, So dorsloech hi achter dat paert; 20440 Doe vielen si beide ter aerden daer. Ende Garies sloech oec daernaer Solimanne dat hoeft af saen; Ende als die Sennen dit verstaen, Dat Oriens ter aerden lach, 20445 Reet elc derwaert, dat hi mach, Ende hieven hem op, zeggic iu, Maer hi was verduselt so sere nu Van den slage in sijn hovet, sonder waen, Dat hi op sine bene niet en konde staen, 20450 Ende hi togede sulc gelaet mede, Datsi meenden dat hi ter stede Sterven zoude; doe makedensi Alle rouwe ende zere daerby, Dat die batalie scoerde daer. 20455 Ende hierenbinnen, wetet vorwaer, Hadden die kinder Agraweine nu Wael gereddet, seggic iu. Nu hevet hem die vileyn, wetet vorwaer, Verwandelt in enen ridder daernaer, 20460 Ende quam te Gawine gereden, Ende zeide: “vrient, ic rade iu ter steden, Dat gy trecket ter statwaert nu Met uwen lieden, dat hetic iu, Die wile dat dese haer zere driven, 20465 Ocht gy sult hier alle doet bliven, Ende voert die kinder met iu gesont, Gy en moget iu niet verweren ter stont”. Doe Gawin hoerde desen raet Te Sagrimorewaert hi slaet, 20470 Ende heet hem wellecome wesen, Ende Sagrimor dankede hem van desen. Doe vragedem Gawin, wie hi waer, Hi antworde hem ende zeide maer, 227 Dat hi des keysers neve es 20475 Van Constantinople, ende na des Vragedi Gawine: “here, wie zijdy, Die ons so wael gestaen heves by?” “Ic ben koninck Lottes sone”, zeidi doe, “Ende koninck Artur es mijn oem daertoe, 20480 Ende ic hoede nu mijns oemes lant Ende hudemorgen quam my te hant Een out man ende dade my verstaen, Dat gy van den Sennen waert bestaen; Doe quam ic iu te hulpe mede”. 20485 Noch zeide die man, daer ter stede, Die Gawine ansprac daer te voren: “En wiltu mynes rades niet horen? Du heves genoech geclappet, zeggic iu, En siestu niet, dat al die werlt nu 20490 Op dy hier thant komet gereden?” Doe sach Gawyn ombe ter steden Der Sennen sovele komen utermaten, Ocht al die werlt waer wtgelaten; Doe zeidi te Sagrimor daernare: 20495 “Here, laet ons te Carmeloet varen, Wy en mochten ons niet verweren nu!” “Gerne”, zeidi, “ic vare met iu”. Dus zijn si te Carmeloet gevaren, Die wile die Sennen onledech waren 20500 Met horen heren, die thant bequam, Die des was utermaten gram, Dat hi so sere geslagen was; Hi sat op een sterck ors nadas, Ende nam een speer in sine hant, 20505 Ende swoer, mochti hem komen te hant, Hi soude hem den slach gelden saen. Mittien liet hi henen gaen, Wat sijn ors gelopen konde daer, Entie Sennen volgeden hem naer 20510 Ende verhaelden se met hem somen Eersi te Carmeloet konden komen. Maer Sagrimor ende Gawein Ende Galescins ende Agrawein Ende Gaheries ende Garies, 20515 Dese zesse, zijt seker des, Daden die achterhoede wel Tegen die Sennen, al waren si fel; Si ontfingen menegen steke groet Eer si quamen te Carmeloet. 20520 Doe sach Oriens Gaweine, Diene gevellet hadde in den pleine, Alse gy wel hoerdet hiervoren; Hi kendene ende sloech met sporen Sijn ors, wat dat konde gelopen, 20525 Ende swoer by Mahomete hi soudet bekopen, Ende hi stac op Gawine alsoe Dat sijn speer brac daertoe; Daer hi neven Gawine soude lyden, Sloechne Gawyn so sere ten tyden 20530 Met siner gisarmen opten helm mede, Dat hine ter aerden tumelen dede; Ende Sagrimor sloech Driante soe, Dat hi hem die scouder ontlede doe, Ende Galescins sloech Placidus daer 20535 Dat hovet af, ende Garies daernaer Stac daer neder Gwinebanden, Ende Gaheries stac Taurus te handen, Ende Agrawein Fanelen mede. Dese bleven alle doet ter stede, 20540 Ende Gawein ende Sagrimor vorwaer Waren over Oriens gereden daer, Ende haddene gerne nu gevaen; Maer die Sennen quamen daer nu saen, Dier so utermaten vele was, 20545 Dat sine hem namen saen nadas, Ende doe voerden sine enwech van daer; Maer daer bleef menech doet naer, Eer sine konden genemen nu. Doe reden die ander, seggic iu, 20550 Ter statwaert, al datsi konden, Ende lieten Gawine daer ten stonden Allene met hem twe gesellen. Alse Garies dit hoerde vertellen Ende sine broeder, doe zeidensi ten tyden, 20555 Dat si niet verder en souden ryden, Si en souden die drie hebben vonden. Doe keerdensi ombe, ende daer ten stonden Ontmoeten si den vileyn mettien, Dien si te voren hadden gesien, 20560 Ende hi vragede hem, waer si reden, Ende si antworden hem ter steden: “Wy varen soecken Gawein, dat wet, Ende Galescins ende Sagrimor met”. 228 “Oevele”, zeide doe die vileyn, “zijdy 20565 Hem ontvloen, nochtan komen sy Niet verre van hier”. Doe zagen daernaer Sise tegen hem komen daer. Doe zeide die vileyn: “nu zie ic gereet, Dat gy wel zoudet laten, God weet, 20570 Iuwe gesellen, ende vlien, zeggic iu, Als gy uwen broeder ontvliet nu, Die iu ombe al die werlt niet en liete In genen vernoye no verdriete”. Doe sciede die vileyn van hem daer, 20575 Ende si scameden hem sere daernaer Van der talen, die zeide die vilein. Doe quam tegen hem Gawein Entie twe ander gesellen mede, Die bebloedet waren te meneger stede, 20580 Alse die gestreden hadden stoutelike. Gawein vragede doe haestelike Sinen broederen, waer die ander waren. “An Carmeloet”, zeiden si, “twaren, Daer beidensi nu te desen tyden. 20585 Doe gingensi vaste henen ryden Ende ontmoeten des vileyns paert Al bebloedet komen themwaert. Doe dit die drie gebroeder zien Zagen si daerop ende loechen mettien. 20590 Doe vrageden Galescins waerombe si lachten Doe zeiden zijt hem daer, ende sachten Alle die woerde, die hi hem alsoe Hiervor hadde gesproken toe; Daer dat gereide bebloedet was, 20595 So meenden si [daeraf] seker das Dat hi doet hadde gewesen. Gawyn vragede sinen broedren na desen Ochtsi enege Sennen gemoeten daer Diene mochten doden. Si zeiden vorwaer: 20600 “Neen wy, broeder”. Doe zeide Gaweyn Laet ons dan soeken den vileyn, Want levede hi, dat waer scande groet, Lietewyse hier liggen vor doet”. Si zochten alombe zeggic iu, 20605 Si mochten lange zoeken nu Eer sine vonden; want hi was Als een knecht gelopen nadas Met enen tronsone in dat heer doe. Doe zy des niet en vonden, redensi soe 20610 Ter statwaert, daer zy ten stonden Hoer gesellen houdende vonden. Hierbinnen Oriens vorkomen es, Die wt sinen sinnen, zijt zeker des, Welna was komen nu ter steden, 20615 Ombedat hem Gawyn was ontreden; Hi swoer echt, hi soudet bekopen Mochtine enegessins belopen, Hi woudene levendich villen saen Ende dan doen slepen, sonder waen; 20620 Dus dregede hi Gawine, zeggic iu, Die met sinen gesellen was nu, nadat Te Carmelot al in der stat. Doe si daerinne waren, trac men Die bruggen op ende gingen ten muren 20625 Ombe der Sennen wille, op aventuren, Ocht si iet komen wilden vor die stede. Neensi, niet; daer was groet vrede. Doe gingensi hem ontwapenen saen; Daer was Sagrimor groet ere gedaen, 20630 Doe men wiste wie hy was. Dus lagen si twe dage nadas, Datsi van den Sennen niet [en] vernamen, Anders dan si voeren tsamen In des hertogen lant van Cambenijc, 20635 Ende in Nortomberlant desgelijc, Daer die ander Sennen waren. Nu latic van hem die tale varen Ende van den kindren te spreken mede, Ende sal voert seggen hier ter stede 20640 Van den koninck Clarione sekerlike Ende van den hertoge van Cambenike. |
Van koning Arthur en van Merlijn en van Sagrimor. Hier zegt de historie verder meer 20155 Dat die van Tornasse grote eer Deden de heren, zij het zeker dat, Vanwege de victorie daar ik van las, Die voor de stad gebeurde daar nu. Koning Leodegan, zeg ik u, 20160 En zijn dochter deden grote eer daar Aan koning Arthur, weet voorwaar Ze was graag altijd hem bij Maar dat dit schande was, dacht zij. Op een tijd nam Merlijn daar 20165 De drie koningen te raden daarnaar, En zei, hij moest te Londen varen: “Men heeft me daar nodig, te waren, Niet daarom dat het land heeft geen bescherming, Want de inwoners zijn zo bezwaard 20170 Van de Sennen, dat ze mogen Op niemand varen nog oorlogen; Daar zijn lieden in gekomen met krijgstocht Van over veertig dagreizen, En allen dagen groeit dat leger te waren”. 20175 Hij vertelde hen hoe belegerd waren De steden Clarense en Windeberes, En hoe een partij ook gevaren is Op koning Loth, en een andere mede Op Clarioen en Ydier ter plaatse; 20180 Hij vertelde hen alles van die strijd daarnaar, Die ze gehad hadden voorwaar, En hoe Ywein de grote, ter plaatse, En Ywein verdoemde zijn gescheiden Van koning Uriens, hun vader, 20185 Dat hij daar niets van weet allemaal, “En Keye van Strans en Ladinas En Keye de Kleine”, zei hij na dat, “Deze zijn uit hun land gevaren Te Londen waart, zonder sparen, 20190 Om ridder te worden van Arthurs hand, En ze mogen niet komen in dat land, Tenzij bij andere raad dan ze hebben nu; Dus doe uw gemak, zeg ik u, En ga nergens heen hier nog daar 20195 Totdat ik weerkom voorwaar”. “Ja Merlijn”, zei koning Ban, En wil ge ons nu opgeven dan, Dan waren we verloren allemaal”. “Heer”, zei Merlijn, “zo meen je wel, 20200 Dat ik niet zou weerkomen tot u? En denk het dus nimmer, dat zeg ik u, Want ge had mijn vriendschap verloren dan”. 224 “Ik denk geen erg”, zei koning Ban, “Tot u, lieve vriend, dan dat gij 20205 Mijn vriend bent, en ik de uwe daarbij”. En Merlijn zei: “ik zal erg gauw Hier weer zijn”. Dus is hij gegaan Van hen, alzo ze niet wisten waar, En kwam op dezelfde avond daarnaar 20210 Daar Blasys, zijn meester, was, Die blij was, zij het zeker dat; Ze hadden onder zich feesten groot. Daar vertelde Merlijn Blasys al bloot Alle dingen, die geschied waren, 20215 De drie koningen, en daarna Vertelde hij hem de strijd, groot en klein, Waar ze gebeurden algemeen; Dit beschreef Blasys alles daarnaar. En op dezelfde avond, weet voorwaar, 20220 Dat Merlijn kwam te Blasys waart Zo was Sagrimor in de vaart Met drie honderd gezellen te gaan nu In dat land van Londen, zeg ik u, En kwamen aan te Wyssant 20225 En voeren over te Dover gelijk, Daar bereiden ze zich en zaten op hun paarden En gingen heen hun vaart; Ze kenden de weg niet daarnaar En ze wisten niet wie te vragen daar; 20230 Want dat land geheel verbrand daar was, De Sennen hadden het verwoest voor dat, En eer ze dus iets worden gewaar, Kwamen ze op een troep daarnaar Van Sennen, die Oriens heeft gezonden 20235 Wal twintigduizend daaromtrent, Die voeren om Sohant voorwaar Omdat hem niemand zou daar Schade doen van de roof nu, Die ze geroofd hadden, zeg ik u. 20240 Toen kwamen daar lieden roepen zeer En riepen luid om Onze Heer; Toen vroegen die kinderen, wat hen is? Ze zeiden: “de Sennen, zij gewis, Verbranden en verstoren dat land 20245 En doden dat hen aankomt gelijk Man, vrouw en kinderen. Toen vroeg Sagrimor ginder, Waar koning Arthur nu was “Te Carmelide”, zeiden ze, “heer”. 20250 “En wie is hier dan in zijn plaats?” “Koning Loth ‘s kinderen”, zeiden ze nadat; “En waar zijn ze nu?” zei hij toen. “Te Londen”, zeiden de dorpers alzo, “En bij God, ga niet voort, 20255 Want ge wordt allen vermoord”. “En waar staat Londen?” zeiden ze daarnaar; “Ge bent wel in de weg”, zeiden ze daar, “Deden niet de Sennen; maar omdat Moet ge gaan een ander pad”. 20260 “En hoe ver is”, zei hij, “Carmeloet?” “Tien mijlen, maar ze zijn niet groot”. Toen sprak Sagrimor: “bij Onze Heer, Ik keer niet heden, ik zal eerder Strijden tegen deze Sennen nu; 20265 Mijn gezellen, nu wapen u! Laat zien, wie zich goed zal beproeven, Want we dus wel zullen behoeven; Ze houden onze weg hiervoor; Konden we hun schaar breken door, 20270 We zullen wel komen te Carmeloet Is het zo dat dat we het hebben nodig”. Dus wapenden ze zich allen daar, En omgorden hun paarden daarnaar, En zaten daarop en lieten lopen; 20275 Ze wilden zichzelf duur verkopen. En alle tijd dat ze dus streden, Was Merlijn van Blasys gescheiden, En was voor de stad gekomen nu Te Carmeloet, zeg ik u; 20280 Hij kwam als een oude zwakke man En had een gescheurde rok aan En een knots had hij mede Om zijn hals, en dreef ter plaatse Een hoop vee tot voor die stad, 20285 En hij begon te roepen naar dat, En maakte rouw en misbaar, Zodat men het hoorde in de stad aldaar: “Ach arme, God Heer!” riep hij toen, heer! “Hoe mooie kinderen zullen immer toe 20290 Hun lijf verliezen! koning Arthur, lieve Deze schade overwin je nimmermeer, 225 Verlies je deze nu hier ter tijd! Ay, Sagrimor, die hier gekomen bent Tot koning Arthur, om ridder te zijn, 20295 Ik meen dat ge het niet wordt in schijn, Hoe goede vriend zou ge wezen nu Arthur, mocht hij behouden u!” Gawein en zijn broeder mede Stonden op de muren van de stede, 20300 Om naar buiten te zien naar de brand, Die alom daar was in dat land; En ze hoorden deze oude man Zeer roepen, en spraken hem aan; Maar hij deed ze of hij ze hoorde niet 20305 En sloeg zijn kolf op de aarde, ziet, En schudde met zijn hoofd daarnaar, Alsof hij onzinnig zou zijn openbaar; Hij scheen rouw te drijven zwaar, Hij viel op de aarde gelijk daarnaar, 20310 Alsof hij in onmacht was geweest; Toen stond hij gelijk op na deze, En nam zijn beesten en dreef ze meteen, Of hij te woud waart wilde vlieden. Toen riep hij: “waar is die ridderschap gevaren 20315 Van Logres? men zei, dat hier waren Koning Arthurs neven gekomen, Die dit land zouden behoeden; Voorwaar ze behoeden het euvel, zeg ik u, Als ze zullen laten sterven nu 20320 Dat verwondert de wereld al rein”. Toen Gawein hoorde datgene, Riep hij drie maal: “schurk, waarbij Wil u niet spreken tegen mij?” En de schurk keerde zijn hoofd daarnaar, 20325 Alsof hij niet wist wie dat was; Noch riep Gawein driemaal mede; Toen zag hij opwaarts daar ter plaatse De ogen dicht, en met de mond daar Al grijnzend, zodat hem bleken daarnaar 20330 De tanden, en zei: “wat wil gij?” Gawein zei: “dat ge spreekt tegen mij En kom naar hier nu na dts, En zeg het mij, wat uw geween is”. “Ik zou u”, zei hij, “zeggen gelijk, 20335 En wil mijn beesten niet ontgaan”. “Neen ze, niet; maar zeg het nu mij, Wat dus uw klacht zij, En om wie ge weent, dus bid ik u”. “Ik zal het u zeggen, wil u nu 20340 De pijn hebben om hem te helpen mede”. Gawein zei: “bij mijn waarheid, Ik beloof u nu, dat ik al Mijn macht hier toedoen zal”. “Heer”, zei de schurk ter plaatse, 20345 Wie bent gij, en hoe heet u mede?” “Ik heet Gawein, neem dus kennis, En koning Arthur is mijn oom”. “Dan zal ik het u zeggen”, zei hij toen, “Nochtans heb je dat hart niet zo, 20350 Dat ge ze zal durven behoeden nu: Dat is de keizers neef, zeg ik u, Van Constantinopel en heet Sagrimor, En was tot koning Arthur waart in roeren, Omdat hij hem ridder zou maken, 20355 Met drie honderd dappere schildknapen; En drie duizend Sennen zijn ze aangegaan, Die in hun weg hadden gestaan, Daar ze tegen strijden zo zeer zekerlijk, Dat niemand zag dergelijks; 20360 En kon u deze behoeden nu, U deed het niet zo goed, zeg ik u; Maar neen, ge hebt dat hart niet”. Toen Gawein dit hoorde en ziet, Dat die schurk bang schreeuwt, 20365 Schaamde hij zich dus; met groot geweld Riep hij: “edele gezellen, wapen u nu, En volg me na, dus bid ik u”. Toen had hij er vierduizend samen gereed, Daar hij haastig mee heen reed; 20370 En hij zei de schurk, dat hij daar Op een paard zat, en hij ze daarnaar Leidde daar die kinderen vochten toen; En de schurk deed het daar alzo: Hij leidde ze daar die strijd was groot, 20375 Daar Sagrimor vocht en zijn makkers. Toen ze daar kwamen, zagen ze wel, Dat de strijd was erg fel En dat Sagrimor angstig streed En de schaar doorbrak gereed; 20380 Ze hadden er driehonderd dood geslagen Sagrimor durfde niemand te komen tegen, 226 Hij sloeg zulke grote slagen toen, Dat de Sennen voor hem vlogen toen; Hem durfde niemand te genaken, 20385 Dan dat ze van verre tot hem staken En schoten met speren tot hem daar; Maar niet lang, weet voorwaar, Had hij daar mogen verduren. Toen kwam Gawein terzelfder uren 20390 Inslaan met zulke grote mogendheden, Dat hij er tweeduizend storten deed; Dus was Oriens erg droevig, Want hij zag niet zo weinig lieden Zich zo dapper hebben geweerd. 20395 Hij nam een speer met snelle vaart, En sprak, hij zal sommige steken daar, Die het dus berouwen zullen daarnaar; En hierbinnen was Gawein Zo ver gekomen in het plein, 20400 Dat hij tot de kinderen gekomen is, Die moe waren, zij het zeker dit; Maar Sagrimor stond voor hen daar Met een bijl, weet voorwaar, En sloeg alom slagen groot, 20405 Dat daartegen niets bestond Nog harnas nog helm mede, Hij sloeg dat geheel door ter stede. Hij was groot en goed gemaakt En van leden beter geraakt 20410 Dan men enige vond ten tijden. Daar Gawein nu in zou rijden Bij de kinderen, daar ze nu streden, Behoedde hij ze dapper, ter plaatse. Daar werd die strijd erg groot, 20415 Daar bleven van de Sennen veel dood. Daar waren er twintigduizend verzameld nu, Want die gescheiden waren, zeg ik u, Om dat land te beroven kwamen daaraan, En Oriens had twintigduizend man, 20420 Daar waren er veertigduizend mede; En Oriens had zijn speer ter plaatse En reed op Acgravein, zeg ik u, Die zijn neef gedood heeft, nu, Dus hij erg droevig toen was. 20425 Hij stak Acgravein na dat Onder de schouder, naast de zijde, Daar die speer doorging in die tijden, Zodat hij ter aarde neerlag; Toen Gawein zijn broeder vallen zag, 20430 Meende hij, dat hij dood had geweest; Hij voer tegen Oriens met dezen, En meende hem met zijn bijl te slaan En het hoofd te hebben gekloofd gelijk; Maar Oriens droeg daar een schild tegen, 20435 Die heeft hij te stukken geslagen, En van de helm een kwart; En alzo de bijl schampte hier Van de helm nederwaarts, Zo doorsloeg hij achter dat paard; 20440 Toen vielen ze beide ter aarde daar. En Garies sloeg ook daarnaar Soliman dat hoofd af gelijk; En toen de Sennen dit verstaan, Dat Oriens ter aarde lag, 20445 Reed elk derwaarts, dat hij mag, En hieven hem op, zeg ik u, Maar hij was duizelig zo zeer nu Van de slag op zijn hoofd, zonder waan, Dat hij op zijn benen niet kon staan, 20450 En hij toonde zo’n gelaat mede, Dat ze meenden dat hij ter plaatse Sterven zou; toen maakten ze Allen rouw en zeer daarbij, Zodat het bataljon scheurde daar. 20455 En hierbinnen, weet voorwaar, Hadden de kinderen Acgravein nu Wel gered, zeg ik u. Nu heeft de schurk zich, weet voorwaar, Veranderd in een ridder daarnaar, 20460 En kwam tot Gawein gereden, En zei: “vriend, ik raad u aan ter plaatse, Dat ge vertrekt ter stad waart nu Met uw lieden, dat zeg ik u, Terwijl dat deze hun pijn bedrijven, 20465 Of ge zal hier allen dood blijven, En voer de kinderen met u gezond, Ge mag u niet verweren in deze stond”. Toen Gawein hoorde deze raad Te Sagrimor waart hij slaat, 20470 En zegt hem welkom te wezen, En Sagrimor bedankte hem van deze. Toen vroeg Gawein, wie hij was, Hij antwoordde hem en zei maar, 227 Dat hij keizers neef is 20475 Van Constantinopel, en na dit Vroeg Gawein: “heer, wie bent gij, Die ons zo goed gestaan heeft bij?” “Ik ben koning Loth ‘s zoon”, zei hij toen, “En koning Arthur is mijn oom daartoe, 20480 En ik behoed nu mijn ooms land En hedenmorgen kwam me gelijk Een oude man en liet me verstaan, Dat ge van de Sennen werd bestaan; Toen kwam ik u te hulp mede”. 20485 Nog zei die man, daar ter plaatse, Die Gawein aansprak daar tevoren: “Wil u mijn raad niet horen? U heeft genoeg geklapt, zeg ik u, Ziet u niet, dat de hele wereld nu 20490 Op u hier gelijk komt gereden?” Toen zag Gawein om ter plaatse De Sennen zoveel komen uitermate, Of de hele wereld werd uitgelaten; Toen zei hij tegen Sagrimor daarnaar: 20495 “Heer, laat ons tot Carmeloet varen, We mogen ons niet verweren nu!” “Graag”, zei die, “ik ga met u”. Dus zijn ze te Carmeloet gevaren, Terwijl de Sennen onledig waren 20500 Met hun heer, die gelijk bijkwam, Die dus was uitermate gram, Dat hij zo zeer geslagen was; Hij zat op een sterk paard na dat, En nam een speer in zijn hand, 20505 En zwoer, mocht hij hem aankomen gelijk, Hij zou hem de slag vergelden gelijk. Meteen liet hij heengaan, Wat zijn paard lopen kon daar, En de Sennen volgden hem na 20510 En haalden hem in sommigen Eer ze te Carmeloet konden komen. Maar Sagrimor en Gawein En Galescins en Agrawein En Guheries en Garies, 20515 Deze zes, zij het zeker dit, Deden de achterhoede goed Tegen de Sennen, al waren ze fel; Ze ontvingen menige steek groot Eer ze kwamen te Carmeloet. 20520 Toen zag Oriens Gawein, Die hem geveld had in het plein, Zoals ge wel hoorde hiervoor; Hij herkende hem en sloeg met sporen Zijn paard, wat dat kon lopen, 20525 En zwoer bij Mohammed hij zou het bekopen, En hij stak op Gawein alzo Zodat zijn speer brak daartoe; Daar hij naast Gawein zou rijden, Sloeg Gawein zo zeer ten tijden 20530 Met zijn bijl op de helm mede, Zodat hij hem ter aarde tuimelen deed; En Sagrimor sloeg Driante zo, Dat hij hem de schouder uit de kom deed toen, En Galescins sloeg Placidus daar 20535 Dat hoofd af, en Garies daarnaar Stak daar neer Gawein’s banden, En Guheries stak Taurus gelijk, En Acgravein Fanelen mede. Deze bleven allen dood ter plaatse, 20540 En Gawein en Sagrimor voorwaar Waren over Oriens gereden daar, En hadden hem graag nu gevangen; Maar de Sennen kwamen daar nu gelijk, Waarvan er zo uitermate veel was, 20545 Zodat ze hem namen gelijk na dat, En toen voerden ze hem weg vandaar; Maar daar bleef menigeen dood na, Eer ze hem konden nemen nu. Toen reden de anderen, zeg ik u, 20550 Ter stad waart, alles dat ze konden, En lieten Gawein daar ten stonden Alleen met zijn twee gezellen. Toen Garies dit hoorde vertellen En zijn broeder, toen zeiden ze ten tijden, 20555 Dat ze niet verder zouden rijden, Ze zouden die drie hebben gevonden. Toen keerden ze om, en daar ten stonden Ontmoeten ze de schurk meteen, Die ze tevoren hadden gezien, 20560 En hij vroeg hen, waarheen ze reden, En ze antwoordden hem ter steden: “We gaan om te zoeken Gawein, dat weet, En Galescins en Sagrimor mee”. 228 “Hoeveel”, zei toen die schurk, “bent gij 20565 Hen ontvlogen, nochtans komen zij Niet ver van hier”. Toen zagen daarnaar Ze hen aankomen daar. Toen zei de schurk: “nu zie ik gereed, Dat ge het wel zou laten, God weet, 20570 Uw gezellen, en vlieden, zeg ik u, Zoals ge uw broeder ontvliedt nu, Die u om die hele wereld niet verliet In geen vreugde of verdriet”. Toen scheidde die schurk van hen daar, 20575 En ze schaamden zich zeer daarnaar Van de taal, die zei die schurk. Toen kwam tegen hem Gawein En de twee andere gezellen mede, Die bebloed waren te menige plaats, 20580 Zoals die gestreden hadden dapper. Gawein vroeg toen haastig Zijn broeders, waar de anderen waren. “Te Carmeloet”, zeiden ze, “te waren, Daar wachten ze nu te deze tijden. 20585 Toen gingen ze alvast heen rijden En ontmoeten de schurk zijn paard Geheel bebloed komen tot hen waart. Toen dit de drie broeders zien Zagen ze daarop en lachten meteen. 20590 Toen vroeg Galescins waarom ze lachten Toen zeiden ze het hem daar, en zochten Alle woorden, die hij hen alzo Hiervoor had gesproken toe; Daar dat zadel bebloed was, 20595 Zo meenden ze daarvan zeker dat Dat hij dood was geweest. Gawein vroeg zijn broeders na deze Of ze enige Sennen ontmoeten daar Die ze mochten doden. Ze zeiden voorwaar: 20600 “Neen wij, broeder”. Toen zei Gawein Laat ons dan zoeken de schurk, Want leefde hij, dat was schande groot, Lieten we hem hier liggen voor dood”. Ze zochten alom zeg ik u, 20605 Ze mochten lang zoeken nu Eer ze hem vonden; want hij was Als een knecht gelopen na dat Met een een stuk wapen in dat leger toen. Toen ze hem dus niet vonden, reden ze zo 20610 Ter stad waart, daar ze ten stonden Hun gezellen behouden vonden. Hierbinnen Oriens voorgekomen is, Die uit zijn zinnen, zij het zeker dit, Bijna was gekomen nu ter plaatse, 20615 Omdat Gawein hem was ontkomen; Hij zwoer echt, hij zou het bekopen Mocht hij hem enigszins belopen, Hij wilde hem levend villen gelijk En dan laten slepen, zonder waan; 20620 Aldus dreigde hij Gawein, zeg ik u, Die met zijn gezellen was nu, nadat Te Carmelot al in de stad. Toen ze daarin waren, trok men De bruggen op en gingen naar de muren 20625 Vanwege de Sennen, op avonturen, Of ze niet komen wilden voor die stede. Neen ze, niet; daar was grote vrede. Toen gingen ze zich ontwapenen gelijk; Daar werd Sagrimor grote eer gedaan, 20630 Toen men wist wie hij was. Dus lagen ze twee dagen na dat, Dat ze van de Sennen niets vernamen, Anders dan ze voeren tezamen In het hertog land van Cambenijc, 20635 En in Northumberland desgelijks, Daar de andere Sennen waren. Nu laat ik van hen de taal varen En van de kinderen te spreken mede, En zal voort zeggen hier ter plaatse 20640 Van koning Clarioen zekerlijk En van de hertog van Cambenijc. |
Van den koninck Clarione, ende van den hertoge Escans, die tegen Oriens streden. Nu seget voert die aventure Van den koninck Clarion, ter ure, Ende van den hertoge Escans, twaren, 20645 Die nu sere tachter waren. Doen Oriens wederquam in dat heer, Hi was erre ende verwoedet seer Van der scaden, die hi hevet ontvaen Ende van der scanden, die hem Gawein heeft gedaen. 20650 Hi vermaende sine liede nu ter steden, 229 Datsi koenlike met hem streden, Doe hi ten passe komen was, Daer ic iu hier te voren af las, Ende hi beval hem, sonder waen, 20655 Datsi haer enen niet lieten ontgaen. Doe gingensi slaen ende scieten mede; Maer ombe negeen dinck ter steden Datsi gedoen konden, sijt seker das, Si en konden gewynnen den pas. 20660 Doe togen si achter ende gingen logieren Opter Savernen, der rivieren, Ende zeiden, datsi den pas houden Ende tlant alombe roven souden; Dus roveden sijt alombe daernaer. 20665 Si vonden genoech te nemene daer, Want dat lant was vol, zeggic iu, Si en hadden niet gevluchtet daer nu; Si branden die huese alle doe, Si sloegen manne, wijf, kinder toe, 20670 Ende tvier, datsi makeden daer, Was so overgroet vorwaer; Alse dit sach die koninck Clarioen Ende dhertoge Escam, hi zeide doen: “Here, si verbernen al onse lant! 20675 Dat wy hier liggen, sij iu bekant, Dat en helpet ons niet een twint; Ic riede wael, dat wy nu sint Reden op hem, daer sy sijn nu, Ende stryden op hem, dat radic iu”. 20680 Doe zeide die koninck saen nadas: “Heer Hertoge, latewy desen pas, So trecken si over, groet ende smal, So eest in dees syde verloren al”. Doe zeide dhertoge: “so laet bliven hier 20685 Een deel van onsen riddren fier, Ende laet ons met ener ander scaren Tegen hem nu vechten varen In die syde van den bossce van Brekan; Daer zullewy ons hemelijc houden an 20690 Tote datsi met hunnen rove henetien, Dan zullewy op hem komen nadien, Ende hem den roef nemen dan”. “Help!” zeide Clarioen, “si hebben c man Tegen onser enen! - Wat zegdy?” 20695 “Neen”, zeide dhertoge, “gy ziet wel, datsy Gestroyet sijn al dat lant duere, Daer en es nergent ter ure Twehondert tsamene, dat zeggic iu, Ende dat meestedeel legt vor den pas nu”. 20700 Doe antworde Clarion, en zeide: “besiet, Heer hertoge, ic en zegget ombe my nu niet, Maer ic zegget ombe der goeder liede wille nu, Dat wyse niet doerlic leiden, zeggic iu, Daer si scade hadden ende scande”. 20705 Doe antworden die goede liede te hande, Ende ontfermeden hem sere met dien, Ende zeiden: “here, gy en dorvet niet ontsien Onsliede, maer varewy wreken nu Onsen lachter, dien wy sien vor iu, 20710 Dat ons die viande doen openbaer!” Doe weende die koninck van jamer daer. Sine liede zeiden: “en wenet niet, Maer laet ons wreken onse verdriet; Wy hebben liever dat wy sterven, 20715 Dan wy tlant verliesen, ende onse erven”. Die koninck zeide: “in Godes name dan!” Doe koren si wt hore man, Die den pas souden hoeden te hant; Dat was een die here van Norant 20720 Ende dhere van den dolorosen torre met, Ende Brune sonder genade, dat wet; Dese bleven met vele liede nadas Ombe thoedene daer den pas, Ende dander voeren te woude waert. 20725 Des nachtes ende in den dageraet Was dat weder scone ende claer, Entie vogline songen daer, Meneger hande soeten sanc; Een sticke vor der sonnen opganc 20730 Zagen si koye ende swyne mede Vor hem dryven daer ter stede; Ende alse die roef al vor was, Volgede die koninck hem nadas Ende dhertoge, ende sloegen in te samen, 20735 Daer si metten rove quamen, Wael met vijfdusent man; Daer sloegen hem dese heren an, Ende staken menegen Senne doet. Die heer van Parne, een ridder goet, 230 20740 Nam den roef ende voerdene in behout; Doe quam hi weder met gewout Tsinen gesellen, wat hi kan, Ende alse die Sennen dit sagen an, Datsi den roef hadden verloren, 20745 Haddensi des groten toren, Ende gingen vlien ten herewaert, Entie ander volgeden metter vaert, So na den heer, datsi des toren Wael mochten hebben, wantsi verloren 20750 Al dat daer wael mochte hebben gewesen. Si sloegen der Sennen daer mettesen Sevendusent eer si hem ontvoeren. Doese Oriens hoerde dus in roeren, Die daer lach ende hoede den pas, 20755 Vragede hi den sinen wat daer was. Doe zeiden si, dat die Kerstine Hem hadden gedaen grote pine, Ende al horen roef genomen daer. Doe geboet hi vaste daernaer, 20760 Dat men hem volge eer si ontgaen. Doe volgede menech den Kerstenen saen, Maer die Kerstene waren ontweken Ende tot an den bosc gestreken; Daer beidensi der Sennen nu. 20765 Daer wart gestreden, dat zeggic iu, So anxteleke, dat wonder was, Dat enech Kersten daer genas; Nochtan dor al dese grote noet, Bleef der Sennen tiendeusent doet, 20770 Entie Kerstene moesten in den borch vlien Entie nacht quam mettien; En hadde die nacht entie borch gedaen, Si waren doet bleven ocht gevaen. Nu was Oriens onvro, twaren, 20775 Datsi hem waren dus ontvaren, Maer hi en dorste hem volgen niet. Entie koninck Clarion sciet Des morgens van den hertoge alsoe, Ende dene gelovede den andren doe 20780 Soccoers te sendene, hadden si des noet, Also vro als dene dander ontboet. Die hertoge voer te Cambenycwaert; Des morgens, als die dach verbaert Voer Oriens soecken metten Seynen 20785 Die Kerstene in bosce ende in pleine. Doe vernamen si dat si waren Te Cambenicwaert gevaren; Doe dade hi gebieden vaste tervaert, Dat men trac te Cambenicwaert, 20790 Ende sende vier dusent ribaude voren Ombe hem te bernen ende doen toren; Entie ribaude liepen henen doe Ende branden tot Cambenyc toe. Ende als des dhertoge gewaert, 20795 Riep hi te wapene metter vaert, Ende voer ute met tweendusent man Ende bequam se daer in enen dan, In enen dale, ende sloecher daernaer Dat van den vier dusent ribauden daer, 20800 Maer en bleven te live veertich man, Die sere liepen roepende daeran Ten Sennenwaert: “hoerenkinder, waer zydy? Waer wachty, wanne stady ons by? Ende geonneert moete werden Orioen, 20805 Hine doe u allen ontliven doen, Want gy onneerten nu aldus”. “Swiget, galgaerde!” zeide heer Napinus, My es liever dat gy alle verslagen zijt Dan wy ons scieden nu ter tijt, 20810 Ende wy daer dan waren bleven aldus; “Ende waer zijn si?” zeide heer Napinus; “Si voeren enwech”, zeidi, “zonder waen, Also vro alsijt hadden gedaen, Reden si te Cambenycwaert daernaer”. 20815 Doe voeren die Sennen, wet vorwaer, Over te Clarensewaert alsoe, Datsi daer niet meer en scadeden doe. Daer vondensi een-ende-twintich koninge, zeggic iu, Die heer Godebrant met hem hadde nu. 20820 Doe Oriens in dat heer quam na desen, Hietene heer Godebrant wellekome wesen Hi ontfincken met groten spele Want hi spise brachte vele, Dattet heer des voer te bat. 20825 Si prysedene sere al ombedat, Si en achten niet vele op dat verdriet, Dat hem hier vor es gesciet, Opdat si die spise hebben daernare. 231 Ende doe dese dinge geleden waren, 20830 So sende die hertoge oec ter stede, Metten heer van Parne mede, Van horen gewinne den koninck Clarioen Spise genoech, na sinen doen, Ende vitalien, van dien, dat wet, 20835 Datsi vor den bosce wonnen met. Nu latic hier die tale van desen, Ende sal van koninck Uriens kindren lesen. |
Van koning Clarioen en van hertog Escans die tegen Oriens streden. Nu zegt voort het avontuur Van koning Clarioen, ter uren, En van hertog Escans, te waren, 20645 Die nu zeer ten achter waren. Toen Oriens weer kwam in dat leger, Hij was boos en verwoed zeer Van de schade, die hij heeft ontvangen En van de schande, die hem Gawein heeft gedaan. 20650 Hij vermaande zijn lieden nu ter plaatse, 229 Dat ze koen met hem streden, Toen hij bij de pas gekomen was, Daar ik u hier tevoren van las, En hij beval hen, zonder waan, 20655 Dat ze er niet een lieten ontgaan. Toen gingen ze slaan en schieten mede; Maar om geen ding ter plaatse Dat ze doen konden, zij het zeker dat, Konden ze overwinnen de pas. 20660 Toen trokken ze daarnaar achteren en gingen logeren Op de Saverne, de rivier, En zeiden, dat ze de pas houden En het land alom beroven zouden; Dus beroofden ze het alom daarnaar. 20665 Ze vonden genoeg te nemen daar, Want dat land was vol, zeg ik u, Ze waren niet gevlucht daar nu; Ze verbranden de huizen alle toen, Ze sloegen mannen, vrouwen en kinderen toe, 20670 En het vuur, dat ze maakten daar, Was zo overgroot voorwaar; Toen dit zag koning Clarioen En de hertog Escans, hij zei toen: “Heer, ze verbranden al ons land! 20675 Dat we hier liggen, is u bekend, Dat helpt ons niets; Ik raad wel aan, dat we nu sinds Rijden op hem, daar ze zijn nu, En strijden op hen, dat raad ik u”. 20680 Toen zei de koning gelijk na dat: “Heer hertog, laten we deze pas, Dan trekken over, groot en smal, Dan is het aan deze zijde verloren al”. Toen zei de hertog: “zo laat blijven hier 20685 Een deel van onze ridders fier, En laat ons met een andere schaar Tegen hen nu vechten te varen Aan de kant van het bos van Brekan; Daar zullen we ons heimelijk houden dan 20690 Totdat ze met hun roof heen gaan, Dan zullen we op hen komen nadien, En hen de roof ontnemen dan”. “Help!” zei Clarioen, “ze hebben honderd man Tegen van ons een! - Wat zeg jij?” 20695 “Neen”, zei de hertog, “ge ziet wel, dat zij Verstrooid zijn het hele land door, Daar is nergens ter uur Tweehonderd tezamen, dat zeg ik u, En dat grootste deel ligt voor de pas nu”. 20700 Toen antwoordde Clarioen, en zei: “beziet, Heer hertog, ik zeg het om mij nu niet, Maar ik zeg het vanwege de goede lieden wil nu, Dat we ze niet door leiden, zeg ik u, Daar ze schade hebben en schande”. 20705 Toen antwoordden die goede lieden gelijk, En ontfermde zich zeer met die, En zeiden: “heer, ge durft niet te ontzien Onze lieden, maar gaan we wreken nu Ons uitlachen, die we zien voor u, 20710 Dat ons de vijanden doen openbaar!” Toen weende de koning van jammer daar. Zijn lieden zeiden: “ween niet, Maar laat ons wreken ons verdriet; We hebben liever dat we sterven, 20715 Dan we het land verliezen, en onze erven”. De koning zei: “in Gods naam dan!” Toen kozen ze uit hun een man, Die de pas zou behoeden gelijk; Dat was een heer van Norant 20720 En heer van de Dorolose toren mee, En Brune zonder genade, dat weet; Deze bleven met veel lieden na dat Om te behoeden daar de pas, En de anderen voeren te woud waart. 20725 ‘s Nachts en in de dageraad Was dat weer mooi en helder, En de vogeltjes zongen daar, Menige soorten zoete zang; Een stuk voor de zonsopgang 20730 Zagen ze koeien en zwijnen mede Voor hen drijven daar ter plaatse; En toen de roof geheel voorbij was, Volgde de koning hen na dat En de hertog, en sloegen in tezamen, 20735 Daar ze met de roof kwamen, Wel met vijfduizend man; Daar sloegen hen deze heren aan, En staken menige Senne dood. De heer van Parne, een ridder goed, 230 20740 Nam de roof en voerde het in behoud; Toen kwam hij weer met geweld Tot zijn gezellen, wat hij kan, En toen de Sennen dit zagen aan, Dat ze de roof hadden verloren, 20745 Hadden ze dus grote toorn, En gingen vlieden ten leger waart, En de anderen volgden met een vaart, Zo nabij het leger, zodat ze de toorn Wel mochten hebben, want ze verloren 20750 Alles dat daar wel mocht hebben gewezen. Ze sloegen de Sennen daar met dezen Zevenduizend eer ze wegkwamen. Toen Oriens hoorde dus de beroering, Die daar lagen en behoedden de pas, 20755 Vroeg hij de zijne wat daar was. Toen zeiden ze, dat die christenen Hem hadden gedaan grote pijn, En al hun roof genomen daar. Toen gebood hij vast daarnaar, 20760 Dat men hen volgde eer ze ontgaan. Toen volgde hij menigeen de christenen gelijk, Maar de christenen waren ontweken En tot in het bos gestreken; Daar wachten ze op de Sennen nu. 20765 Daar werd gestreden, dat zeg ik u, Zo angstig, dat het een wonder was, Dat enig christen daar genas; Nochtans door al deze grote nood, Bleven er van de Sennen tienduizend dood, 20770 En de christenen moesten in de burcht vlieden En de nacht kwam meteen; En had de nacht en de burcht niet gedaan, Ze waren ze dood gebleven of gevangen. Nu was Oriens droevig, te waren, 20775 Dat ze hem waren dus ontkomen, Maar hij durfde hen te volgen niet. En koning Clarion scheidde ‘s Morgens van de hertog alzo, En de ene beloofde de andere toen 20780 Hulp te zenden, hadden ze dus nood, Alzo vroeg als de ene de andere ontbood. De hertog voer te Cambenic waart; ‘s Morgens, toen de dag verklaart Ging Oriens zoeken met de Sennen 20785 De christenen in bossen en in pleinen. Toen vernamen ze dat ze waren Te Cambenic waart gevaren; Toen liet hij gebieden vast ter vaart, Dat men trok te Cambenic waart, 20790 En zond vier duizend rabauwen van voren Om hen te branden en laten vertoornen; En de rabauwen liepen heen toen En branden tot Cambenic toe. En toen dit de hertog werd gewaar, 20795 Riep hij te wapen met een vaart, En voer uit met tweeduizend man En kwam ze daar tegen dan, In een dal, en sloeg er daarnaar Zodat van de vier duizend rabauwen daar, 20800 Maar bleven te leven veertig man, Die zeer liepen te roepen daaraan Tot Sennen waart: “hoerenkinderen, waar bent gij? Waar wacht ge op, wanneer sta je ons bij? En oneer moet worden Oriens, 20805 Hij laat u allen ontlijven doen, Want ge hebt oneer nu aldus”. “Zwijgt, galgebras!” zei heer Napinus, Mij is het liever dat ge alle verslagen bent Dan dat we vandaar scheiden nu ter tijd, 20810 En we daar dan waren gebleven aldus; “En waar zijn ze?” zei heer Napinus; “Ze gingen weg”, zeiden ze, “zonder waan, Alzo vroeg zoals zij het hebben gedaan, Reden ze te Cambenic waart daarnaar”. 20815 Toen voeren de Sennen, weet voorwaar, Over te Clarence waart alzo, Zodat ze daar niets meer schaadde toen. Daar vonden ze een-en-twintig koningen, zeg ik u, Die heer Godbrant met hem had nu. 20820 Toen Oriens in dat leger kwam na deze, Zei hij heer Godbrant welkom te wezen Hij ontving hem met grote spelen Want hij spijzen bracht veel, Zodat het leger dus ging beter. 20825 Ze prezen hem zeer al omdat, Ze letten niet veel op dat verdriet, Dat hen hiervoor is geschied, Omdat ze de spijzen hebben daarnaar. 231 En toen deze dingen geleden waren, 20830 Zo zond de hertog ook ter plaatse, Met de heer van Parne mede, Van hun winst koning Clarioen Spijs genoeg, naar zijn doen, En voedselvoorraden, van die, dat weet, 20835 Dat ze voor het bos wonnen mee. Nu laat ik hier de taal van deze, En zal van koning Uriens kinderen lezen. |
Van Ywene, des koninck Uriens sone, ende van sinen broeder, ende van Merlyne. Die historie seget hier te hant, Doe waren gesceden van Sorhant 20840 Die twe broeder, dat si quamen Te Sorionden, dat si vernamen, Dat des koninck Maglans sone was In dat lant gelogiert nadas Van Bredegan, ende datsi daer lagen 20845 Ende hem rasten in dien dagen; Want si waren moede, sij iu bekant, Van bernene in des koninck Ydiers lant; Ende als die kinder dit vernamen, Trocken si tArondeel te samen 20850 Ombe der Sennen wille, die lagen daer. Ende Gawyn vernam oec vorwaer, Die nu te Caredol lach, ter stede, Dat die Sennen daden groten onvrede Te Bredegan, ende hi ontboet ombdat 20855 Hemeliken alombe ter stat, Dat men hem soccoers sende aldaer, Dat hi vergaderde daernaer Wael dertichdusent goeder man. Daermede voer hi te Bredegan, 20860 Daer hi nu was wael ontfaen; Entie Sennen wilden, sonder waen, In dat lant roven, hier ende daer, Ende waren mede vergadert, vorwaer, Ende wasser wel veertichdusent by getale, 20865 Ende twintichdusent ribaude wale, Diet al verbranden datsi vonden; Si quamen tArondeel, ten stonden, In des koninck Ydiers lant. Doe dat die koninck vernam te hant, 20870 Voer hi [hem] met veertiendusent man Toter kachien tegen voertan, Daer die Sennen souden lyden; Daer street hi met hem tien tyden, Ende dier was twintichdusent ter steden, 20875 Ende daer wasser doen overleden Elve dusent, ende tiendusent oec met Haddensi vorgesant, dat wet, Ombe die vorhoede te doene. Doe horden seggen die kinder koene, 20880 Dat die Sennen al leden waren Des koninck Ydiers lant, ende gevaren Te Bredeganwaert. Doe meenden sy Datter niet meer achter waer daerby, Ende si gingen hem wapenen daernaer, 20885 Dier vier hondert was vorwaer, Ende trocken wt Arondeel tsamen, Ende reden so lange datsi quamen In drie mylen na Bredegan. Doe si den pas leden voertan, 20890 So quam gereden Belias daernaer Met tien dusent Sennen vorwaer, Die daer hoede nu den pas, Want hi hem bevolen was Ombedat nieman hem soude 20895 Van Bredegan scaden met gewoude. Dese quamen nu optie kinder daer, Die hem seer weerden vorwaer, Ende bander syde vacht koninck Ydier, Als ic iu vor seide hier, 20900 Tegen die twintichdusent Sennen nu, Ende haddese alle dodet, seggic iu, En hadde gedaen Soriondes, Die nu wederkeerde dor des, Die een groet volc brachte daer. 20905 Oec suldy weten vorwaer: En hadde gedaen grote aventure, Die kinder waren daer bleven ter ure. Die wile dat dese dinge nu waren, So es komen echter, twaren, 20910 Die vileyn, daer ic hiervor af zeide, Die Sagrimor bescudden dede, Ende quam te Bredegan te hant, Daer hi nu Gawine binnen vant. Hi nam gedane van enen knechte, 232 20915 Ende boven gegort ende gescort rechte, Ende quam herde moeylike ingegaen, Ende gaf Gawine een paar letteren saen, Ende knielde vor hem, ende seide daer, Datten Ywan sere groete daernaer, 20920 Sijn neve, des koninck Uriens sone. Gawyn nam die letteren na dien doene Ende bracse op ende vant bescreven: “An Gawine ende an al myne neven. Ic, Ywen, des koninck Uriens kint, 20925 Groete iu sere ende doe iu bekint, Dat ic sonder mijns vader orlof nu Ben enwech gesceden, zeggic iu, Ende Ywein Overdoem, mijn broeder, Maer dat weet wael mijn moeder, 20930 Ende wy sijn komen te Soridane; Daer quamen ons die Sennen ane Wael twintichdusent, die op ons stryden, Dat wy niet over en mogen lyden; Entie koninck Ydier voertan 20935 Strydet oec tegen twintichdusent man Opter cachie van Arondele: Ende daer esser achter noch also vele. Ende als dese den koninge sijn leden, Comensi ons opten hals gereden, 20940 Ende zullen ons alle doet slaen dan, Want onser en es maer vier hondert man; Ende verliesewy daer onse leven nu, Men sal iu dat verwyten, seggic iu, Menechwerf; oec sal men seggen voertan: 20945 Zie Gawine, den bloden man, Die by siner groter blodechede Sine neven niet en bescudde mede, Daer hijs wel die macht hadde doe. By God, nu denket om ons alsoe, 20950 Dat gy ons bescuddet iet saen”. Alse Gawyn dit hevet verstaen, Riep hi, also lude als hi kan: “Vaste, doet uwe wapene an, Ende nieman en beide des, biddic iu”. 20955 Dus gingensi alle hem wapenen nu, Ende Gawyn trac wt, so hy ierst kan, Ende hem volgeden twintichdusent man, Die hi in ses scaren dede. Dierste scaer leide mede 20960 Agrawyn, die hadde drie dusent man; Dander Garies, hem volgeden daeran Oec drie dusent; die derde na des Leide sijn broeder Gaheries, Hy hadder drie dusent in siner scaer; 20965 Sagrimor quam daernaer Ende leider drie dusent, zeggic iu; Ende Galescins, die hadder nu Oec drie dusent; ende daerna quam Gawyn, die daer oec vierdusent nam, 20970 Ende hi voerde ene baniere goet Van swarten syndale, ende daerin stoet Gebandet een lewe van sylver wale. Nu latic hieraf zijn die tale, Ende sal van Ydier spreken mere, 20975 Die tegen die Sennen street nu sere. |
Van Ywein, koning Urien’ s zoon, en van zijn broeder en van Merlijn. De historie zegt hier gelijk, Toen waren gescheiden van Sorhant 20840 De twee broeders, dat ze kwamen Te Sorionden, dat ze vernamen, Dat koning Maglans zoon was In dat land gelogeerd na dat Van Bredigan, en dat ze daar lagen 20845 En ze rusten in die dagen; Want ze waren moe, is u bekend, Van branden in koning Ydiers land; En toen de kinderen dit vernamen, Vertrokken ze naar Arondeel tezamen 20850 Vanwege de Sennen, die lagen daar. En Gawein vernam ook voorwaar, Die nu te Caredol lag, ter plaatse, Dat de Sennen deden grote onvrede Te Bredigan, en hij ontbood omdat 2085 Heimelijk alom ter plaatse, Dat men hem hulp zond aldaar, Zodat hij verzamelde daarnaar Wel dertigduizend goede man. Daarmee voer hij tot Bredigan, 20860 Daar hij nu goed werd ontvangen; En de Sennen wilden, zonder waan, In dat land roven, hier en daar, En waren mee verzameld, voorwaar, En waren er wel veertigduizend bij getal, 20865 En twintigduizend rabauwen wel, Die alles verbranden dat ze vonden; Ze kwamen te Arondeel, te die stonden, In koning Ydiers land. Toen dat de koning vernam gelijk, 20870 Voer hij met hem veertienduizend man Tot de nauwte tegen voortaan, Daar de Sennen zouden rijden; Daar streed hij met hen in die tijden, En van die waren er twintigduizend ter plaatse, 20875 En daar waren er toen van ove gegaan Elf duizend, en tienduizend ook mee Hadden ze vooruit gezonden, dat weet, Om de voorhoede te doen. Toen hoorden zeggen die kinderen koen, 20880 Dat die Sennen alle gegaan waren Van koning Ydiers land, en gevaren Te Bredigan waart. Toen meenden zij Dat er niet meer achter waren daarbij, En ze gingen zich wapenen daarnaar, 20885 Die er vier honderd waren voorwaar, En vertrokken uit Arondeel tezamen, En reden zolang dat ze kwamen In drie mijlen van Bredigan. Toen ze de pas zagen voortaan, 20890 Zo kwam gereden Belias daarnaar Met tien duizend Sennen voorwaar, Die daar behoedde nu de pas, Want het hem bevolen was Omdat niemand hem zou 20895 Van Bredigan beschadigen met geweld. Deze kwamen nu op die kinderen daar, Die zich zeer verweerden voorwaar, En aan de andere zijde vocht koning Ydier, Zoals ik u voor zei hier, 20900 Tegen die twintigduizend Sennen nu, En had ze alle gedood, zeg ik u, Had niet gedaan Soriondes, Die nu terugkeerde door dit, Die een groot volk bracht daar. 20905 Ook zal ge weten voorwaar: Had niet gedaan een groot avontuur, De kinderen waren daar gebleven ter ure. De tijd dat deze dingen nu waren, Zo is gekomen echter, te waren, 20910 Die schurk, daar ik hiervoor van zei, Die Sagrimor behoeden deed, En kwam te Bredigan gelijk, Daar hij nu Gawein binnen vond. Hij nam de gedaante aan van een knecht, 232 20915 En van boven gegord en geschort recht, En kwam erg moeilijk in gegaan, En gaf Gawein een paar brieven gelijk, En knielde voor hem, en zei daar, Dat Ywein hem zeer begroette daarnaar, 20920 Zijn neef, koning Uriens zoon. Gawyn nam die brieven na dat doen En brak ze open en vond beschreven: “Aan Gawein en aan al mijn neven. Ik, Ywein, koning Uriens kind, 20925 Groet u zeer en maak u bekent, Dat ik zonder mijn vaders verlof nu Ben weg gegaan, zeg ik u, En Ywein Overdoem, mijn broeder, Maar dat weet wel mijn moeder, 20930 En we zijn gekomen te Soridane; Daar kwamen ons de Sennen aan Wel twintigduizend, die op ons streden, Dat we niet over onze kant mogen gaan; En koning Ydier voortaan 20935 Strijdt ook tegen twintigduizend man Op de nauwte van Arondeel: En daar zijn er achter nog alzo veel. En al deze zidejn koningen zijn gegaa, Komen ze ons op de hals gereden, 20940 En zullen ons alle dood slaan dan, Want van ons zijn er maar vier honderd man; En verliezen we daar onze levens nu, Men zal u dat verwijten, zeg ik u, Menigmaal; ook zal men zeggen voortaan: 20945 Zie Gawein, de bange man, Die bij zijn grote bangheid Zijn neven niet behoedde mee, Daar hij wel de macht had toen. Bij God, nu denk om ons alzo, 20950 Dat ge ons behoedt iets gelijk”. Toen Gawein dit heeft verstaan, Riep hij, zo luid als hij kan: “Vast, doe uw wapens aan, En niemand wacht dus, bid ik u”. 20955 Dus gingen ze zich alle wapenen nu, En Gawein trok er op uit, zo gauw hij kan, En hem volgde twintigduizend man, Die hij in zes scharen deed. De eerste schaar leidde mede 20960 Acgravein, die had drie duizend man; De andere Garies, hem volgden daaraan Ook drie duizend; de derde na dit Leidde zijn broeder Guheries, Hij had er drie duizend in zijn schaar; 20965 Sagrimor kwam daarnaar En leidde er drie duizend, zeg ik u; En Galescins, die had nu Ook drie duizend; en daarna kwam Gawein, die daar ook vierduizend nam, 20970 En hij voer een banier goed Van zwart sandaal, en daar in stond Gebonden een leeuw van zilver wel. Nu laat ik hiervan zijn de taal, En zal van Ydier spreken meer, 20975 Die nu tegen de Sennen streed zeer. |
Van den koninck Ydier, ende hoe Gawyn die kinder bescudde. Daventure seget nu ter steden, Dat koninck Ydier hevet gestreden Dat hi die Sennen sconfierde daer; Daer bleef menech doet vorwaer, 20980 In beiden zyden. Doe vloekede ter uren Die koninck Ydier der aventuren, Datsi oevele moeste varen Entie hem dede setten, twaren, Tegen den koninck Artur mede. 20985 Doe voer hi weder in sine stede, Ende Soriondes gemoete hem daernare, Diegene die gesconfiert waren, Ende vragede, wat hem es te vliene. Doe teldensi hem al dat gesciene, 20990 Maer hi voer enwech, sijt seker das, Met synen rove, die groet was, Ende quam toter bruggen van Diane. Hem volgeden veertechdusent ane; Som dadehise vor varen 20995 Die den roef souden bewaren, Ende dese quamen daer die kinder streden Tegen die den pas hoeden ter steden, Ende si reden vaste derwaert; Doe worden die kinder sere vervaert. 21000 Maer Ywan hevet nu vernomen Agrawein van Bredegan komen; Doe zeide Ywan: “kinder, zijt blyde nu, 233 Ic sie soccoers komen, zeggic iu”. “Hoe mochtewy blyde zijn?” zeidensi doe, 21005 “Men komt ons van vor ende achter toe, Wy moeten alle doet zijn ocht gevaen”. Doe zeide Ywen Overdoem saen: “Laet ons nu ombe keren scire, Ende slawy neder an dese riviere”. 21010 Doe sloegensi over die brugge daernaer Ende dorbraken die ander scaer; Si staken daer neder drie hondert wel, Doe en daden si anders niet el, Dan si trocken an die riviere. 21015 Doe meenden die ander scire, Datsi hadden gevloen daer, Ende volgeden hem doe vaste naer, Ende Soriondes trac over die brugge, Ende hem volgeden vaste opten rugge 21020 Die die brugge hoeden, twaren, Ende hebben die kinder nu ervaren In enen bosce tuscen twe rivieren; Daer waren si bleven in deser manieren Alle verslagen, en hadde gedaen 21025 Agrawein, die hem te hulpe quam saen, Die dese iacht hevet gesien; Hi sloech so vreeslyc in mettien, Dat berch ende dal donrede gereet. Daer wart die strijt fel ende wreet, 21030 Dat men en sach nie luttel liede Hem bet weren; ende t gesciede Datsi se achterwaert dreven nu Meer dan ene bogescote, seggic iu. Ywan die grote, ende sijn broeder met, 21035 Waren daer nedergesteken, dat wet, Maer si worden gereddet daernaer. Doe quamen die vijftien dusent Sennen daer Ende holpen die tiendusent Sennen saen; Daer waren die Kerstene ondergegaen 21040 En waer niet gekomen Gaheries, Die daer drie[dusent] brachte, zijt seker des; Doe staken si der Sennen vele neder. Daer verkoverden hem die Kerstene weder Ende drevense toter bruggen toe. 21045 Ywen ende sijn broeder vrageden doe Wie diegene mochten wesen, Die die Sennen dus brachten in vresen. Doe quam een jonchere tot hem daernaer, Aches van Sconenberge, ende zeide daer: 21050 “Wat zijdy hier komen te ziene, hoe dat gaet, Ende wie die scone slage slaet, Ende ombe te vragene wie si zijn nu? Gy zoudet selve so slaen, seggic iu, Dat men zoude vragen wie gy waert; 21055 An die slage kent men die aert, Waeraf dat een komen es; Gy hout hier stille ende vraget nades, Wie si zijn die wale hier stryden? -“ Die kinder scameden hem sere, ten tyden 21060 Doe si dit hoerden seggen Achesen; Si sloegen in den strijt na desen So vreeslijc, ende dadent so wale Dat des in dat heer ginck grote tale, Ende dat vor Agrawein komen es, 21065 Ende na Gaheries. Die zeiden na des, Datsi die waerheit hieraf wisten fijn, Dattet des koninck Uriens kinder zijn. Doe quam Agrawein an Aches daernare, Ende vragede wie die kinder waren. 21070 “Dat zijn”, zeide hi, “des koninck Uriens kinder; Ende wie zijdy, here, en die hout ginder”? “Ic ben Agrawein ende dat es Gaheries, Mijn broeder, ende zijt zeker des, Dat die koninck Loth es mijn vader, 21075 Entie koninck Artur es mijn oem algader”. Doe wart daer blyscap groet te hant, Dat dene den ander levendech vant; Daer duerde die strijt lange tijt. Doe quamen daer, des seker sijt, 21080 Diegene die die name brachten, Ende dient bevolen was in wachten, Dat was Magalant ende Pignores Met twintechdusent man, sijt seker des; Ende doe si ter bruggen quamen daer, 21085 Zeidensi onder hem daernaer, Dat si in die syde bet bleven ter tijt, “Totedat inde nemet die strijt, Want achter ons en hebwy negene noet; Oec sullewy wael verweren al bloet 21090 Die brugge, datsi ons sullen niet Die name ne konnen genemen iet”. 234 Doe sloegensy die tenten ende logierden daer. Sorionder quam tot hem daernaer Ende vragede, waerombe si logieren nu? 21095 “Wy sijn hier sekerre, seggenwy iu, Metter spisen dan ginder”, zeidensi. Doe beval hi hem sere daerby, Datsi hem te hulpe komen daer, Opdat hi des te doene hevet naer. 21100 Si zeiden, si zouden. Doe voer hi seer Weder over die brugge toten heer, Daer groet strijt was nu ter ure. Daer was so groet die scofelture, Dat daer menech man doet bleef. 21105 Doe quam Sagrimor, diese dreef Achterwaert an sine fortse mede; Hi sloech der Sennen daer ter stede So vele, dat wonder was; Maer wat si sloegen, sijt zeker das, 21110 Dat en halp niet een twint. Doe quam Galescins sint Met driedusent mannen gereet; Hi sloech in, daer men dus street, Ende riep “Clarence” ter uren, 21115 Dat plach te roepen die koninck Arture. Daer moesten die Sennen achterwaert, Want Galescins quam met sulker vaert, Datsi vor hem niet duren mochten; Want so oversere si vochten, 21120 Dat sise tot optie brugge dreven. Daer wart menech slach gegeven, Want van dertechdusent Sennen nu En bleef er maer seventien dusent, seggic iu. Ende en haddensi negeen soccoers daer 21125 By hem nu gehat, vorwaer, Si waren daer alle bleven doet Nu, in deser groter noet. Doe Pignores ende Margolant Dese noet sagen, quamen si te hant 21130 Hem helpen met twintichdusent Sennen daer; Doe waren die Kerstene in anxte daernaer Ende si en hadden maer vijftien dusent man Tegen dertichdusent; nochtan voertan Drevensise achter in der noet 21135 Ende sloegen daer oec vele doet. Agrawein ende Gaheries, Ende Galescins ende Garies, Ywen Overdoem ende Ywen die grote, Dese deden menegen ontmoete, 21140 Wantsi waren die beste vorwaer; Si en hadden niet mogen duren daer En waer Gawyn niet komen nu, Met hem vijfdusent, seggic iu; Hi quam so vreeslyc ingeslagen 21145 Dat al die strijt moeste verwagen; Hi hadde sine gisarme in siner hant, Daer hi mede sloech, zij iu bekant; Man ende paert sloech hi daer neder, Wat hi gerakede en stont niet op weder; 21150 Want sijn slach was so groet, Dat hi dat al sloech doet, Helm no halsberch en ontstont hem daer Hi en sloeget al ontwee, wet vorwaer. Dus vacht hi toter nonen met gewout 21155 Doe wart hem sine kracht twevout, Daer na so [en] was nieman voertan, Hine vlo van hem, wat hi kan; Doe dreef hise over die brugge daer. Daer vieler in dat water, wet vorwaer, 21160 Dusent, die daer nederwaert vloten, Die in der rivier verdrincken moeten. Alse Soriondes dit gesach Haddi des herde swaer verdrach, Hi hadde gerne tegen Gawine gewesen, 21165 Haddi konnen komen te desen; Maer si waren so dicke, tien tyden, Optie brugge, men mochtse niet lyden, Al hadde men daer mogen overvaren Si was so wale bewaert twaren, 21170 Want Gawyn ende sine broeder mede, Entie ander kinder ter stede, Dese hoeden die brugge so ten tyden, Dat daer nieman dar overlyden; Aldus was die brugge bewacht 21175 Thent dat quam in die nacht; Doe voer Gawyn entie kinder mede Te Bredeganwaert in die stede, Daer men blyde was, sonder waen, Dat die kinder waren ontgaen. 21180 Si waren des avendes te gemake daer, Ende aten ende dronken, ende daernaer 35 Gingensi slapen, dat zeggic iu; Ende Soriondes, die bleven was nu Vor die brugge, hi nam raet 21185 An sine hogeste liede, dat verstaet. Doe seide daer een, hiet Magolant: “Ic soude wel raden, dat men te hant, Sonder beiden, die name voere nu Ten herewaert, dat radic iu, 21190 Ende laetse leiden Pignores dan, Ende men hem geve tien dusent man, Daer hi dat kerrijn mede sal bewaren, Ende wy sullen na hem komen varen; Ende al ontmoeten hem nu Kerstine, 21195 Si en sullen hier letten metten kerrine, Maer si sullen ten herewaert varen gereet”. Doe zeidensi alle: “dese raet, God weet, Dunket ons goet”, ende men dade alsoe Ende men ginck vaste torsen doe; 21200 Ende Pignores ginck enwech vorwaer Metter name, ende daernaer Volgede Soriondes met siner cracht. Dus redensi daer al die nacht, Datsi nieman ontmoeten nu; 21205 Si reden so lange, seggic iu, Datsi te Windeberes eer dage quamen, Daer al dat heer lach te samen. Daer warensi blydelike ontvaen Ombe der spise wille, sonder waen, 21210 Die si brachten; want daer was nu Spise gebreck, dat seggic iu. Nu zwiget dit boeck hier van desen Ende sal van Keyen van Strans lesen, Ende van Gawyne ende Ywen metten witten handen, 21215 Wat si nu daden te hande. |
Van koning Ydier en hoe Gawein de kinderen behoedde. Het avontuur zegt nu ter plaatse, Dat koning Ydier heeft gestreden Zodat hij de Sennen schoffeerde daar; Daar bleef menigeen dood voorwaar, 20980 Aan beide zijden. Toen vervloekte ter uren Koning Ydier die avonturen, Dat ze slecht moesten varen En die hem liet zetten, te waren, Tegen koning Arthur mede. 20985 Toen voer hij weer in zijn stede, En Soriondes ontmoette hen daarnaar, Diegene die geschoffeerd waren, En vroeg, wat hen deed vlieden. Toen vertelden ze hem de hele geschiedenis, 20990 Maar hij ging weg, zij het zeker dat, Met zijn roof, die groot was, En kwam tot de bruggen van Diane. Hem volgden veertigduizend aan; Soms liet hij ze vooruit varen 20995 Die de roof zouden bewaren, En deze kwamen daar die kinderen streden Tegen die de pas behoeden ter plaatse, En ze reden vast derwaarts; Toen worden de kinderen zeer bang. 21000 Maar Ywein heeft nu vernomen Acgravein van Bredigan is gekomen; Toen zei Ywein: “kinderen, wees blij nu, 233 Ik zie hulp komen, zeg ik u”. “Hoe mogen we blij zijn?” zeiden ze toen, 21005 “Men komt ons van voor en achter toe, We moeten alle dood zijn of gevangen”. Toen zei Ywein Overdoem gelijk: “Laat ons nu omkeren snel, En slaan we ze neer aan deze rivier”. 21010 Toen staken ze over de brug daarnaar En doorbraken de andere schaar; Ze staken daar neer drie honderd wel, Toen deden ze niet anders, Dan ze trokken naar de rivier. 21015 Toen meenden de anderen snel, Dat ze waren gevlogen daar, En volgden hen toen vast naar, En Soriondes trok over de brug, En volgden hen vast op de rug 21020 Die de brug behoeden, te waren, Hebben de kinderen nu ervaren In een bos tussen twee rivieren; Daar waren ze gebleven op deze manieren Alle verslagen, had niet gedaan 21025 Acgravein, die hen te hulp kwam gelijk, Die deze jacht heeft gezien; Hij sloeg zo vreselijk in meteen, Zodat berg en dal donderde gereed. Daar werd de strijd fel en wreed, 21030 Dat men zag niet zo weinig lieden Zich beter verweren; en het geschiedde Dat ze naar achteren werden gedreven nu Meer dan een boogschot, zeg ik u. Ywein de grote, en zijn broeder mee, 21035 Waren daar neergestoken, dat weet, Maar ze worden gered daarnaar. Toen kwamen die vijftien duizend Sennen daar En hielpen de tienduizend Sennen gelijk; Daar waren de christenen ondergegaan 21040 Was niet gekomen Guheries, Die er daar drieduizend bracht, zij het zeker dat; Toen staken ze de Sennen veel neer. Daar veroverden de christenen weer En dreven ze tot de brug toe. 21045 Ywein en zijn broeder vroegen toen Wie diegene mocht wezen, Die de Sennen dus brachten in vrees. Toen kwam een jonkheer tot hen daarnaar, Aches van Sconenberge, en zei daar: 21050 “Wat bent gij hier aan het zien, hoe dat gaat, En wie die mooie slagen slaat, En om te vragen wie ze zijn nu? Ge zou ze zelf zo slaan, zeg ik u, Dan dat men zou vragen wie ge bent; 21055 Aan de slagen kent men de aard, Waarvan er een gekomen is; Ge houdt hier stil en vraagt naar dit, Wie ze zijn het die hier goed strijden? -“ De kinderen schaamden zich zeer, ten tijden 21060 Toen ze dit hoorden zeggen van Aches; Ze sloegen in de strijd na deze Zo vreselijk, en deden het zo goed Dat dus in dat leger ging grote taal, En dat voor Acgravein gekomen is, 21065 En naar Guheries. Die zeiden na dit, Dat ze de waarheid hiervan wisten fijn, Dat het koning Uriens kinderen zijn. Toen kwam Acgravein bij Aches daarnaar, En vroegen wie die kinderen waren. 21070 “Dat zijn”, zei hij, “koning Uriens kinderen; En wie bent gij, heer, en die zich ophoudt ginder”? “Ik ben Acgravein en dat is Guheries, Mijn broeder, en wees zeker dit, Dat koning Loth is mijn vader, 21075 En koning Arthur is mijn oom al tezamen”. Toen werd daar blijdschap groot gelijk, Dat de ene de andere levend vond; Daar duurde de strijd lange tijd. Toen kwamen daar, dat zeker zij, 21080 Diegene die de naam brachten, En die het bevolen was te wachten, Dat was Magaland en Pignores Met twintigduizend man, zij het zeker dat; En toen ze bij de brug kwamen daar, 21085 Zeiden ze onder zich daarnaar, Dat ze aan deze zijde beter bleven ter tijd, “Totdat een einde neemt de strijd, Want achter ons hebben we geen nood; Ook zullen we wel verweren al bloot 21090 De brug, zodat ze ons zullen niet De naam kunnen nemen iets”. 234 Toen sloegen ze de tenten op en logeerden daar. Soriondes kwam tot hen daarnaar En vroeg, waarom ze logeren nu? 21095 “We zijn hier zeker, zeggen we u, Met de spijzen dan ginder”, zeiden ze. Toen beval hij hen zeer daarbij, Dat ze hem te hulp komen daar, Omdat hij ze nodig heeft na. 21100 Ze zeiden, ze zouden. Toen voer hij zeer Weer over de brug tot het leger, Daar grote strijd was nu ter ure. Daar was zo groot het schofferen, Dat daar menig man dood bleef. 21105 Toen kwam Sagrimor, die ze verdreef Naar achter aan zijn krachtbetoon mede; Hij sloeg de Sennen daar ter plaatse Zoveel, dat het een wonder was; Maar wat ze sloegen, zij het zeker dat, 21110 Dat hielp niets. Toen kwam Galescins sinds Met drieduizend mannen gereed; Hij sloeg in, daar men dus streed, En riep “Clarence” ter uren, 21115 Dat plag te roepen koning Arthur. Daar moesten de Sennen achteruit, Want Galescins kwam met zo ‘n vaart, Dat ze voor hem niet blijven mochten; Want zo over zeer ze vochten, 21120 Zodat ze hen tot op de brug dreven. Daar werd menige slag gegeven, Want van dertigduizend Sennen nu Bleven er maar zeventien duizend, zeg ik u. En hadden ze geen hulp daar 21125 Bij hen nu gehad, voorwaar, Ze waren daar alle gebleven dood Nu, in deze grote nood. Toen Pignores en Margoland Deze nood zagen, kwamen ze gelijk 21130 Hen helpen met twintigduizend Sennen daar; Toen waren de christenen in angst daarnaar Ze hadden maar vijftien duizend man Tegen dertigduizend; nochtans voortaan Dreven ze hen naar achteren in de nood 21135 En sloegen daar ook veel dood. Acgravein en Guheries, En Galescins en Garies, Ywein Overdoem en Ywein de grote, Deze lieten menigeen ontmoeten, 21140 Want ze waren de beste voorwaar; Ze hadden het niet volgehouden daar Was Gawein niet gekomen nu, Met hem vijfduizend, zeg ik u; Hij kwam zo vreselijk ingeslagen 21145 Dat de hele strijd moest van zijn plaats gaan; Hij had zijn bijl in zijn hand, Daar hij mee sloeg, zij u bekend; Man en paard sloeg hij daar neer, Wat hij raakte stond niet op weer; 21150 Want zijn slag was zo groot, Dat hij dat alles sloeg dood, Helm nog harnas weerstond hem daar Hij sloeg alles stuk, weet voorwaar. Dus vocht hij tot de noen met geweld 21155 Toen werd hem zijn kracht tweevoudig, Daarna zo was er niemand voortaan, Hij vloog van hem, wat hij kan; Toen dreef hij ze over die brug daar. Daar vielen er in dat water, weet voorwaar, 21160 Duizend, die daar nederwaarts dreven, Die in de rivier verdrinken moeten. Toen Soriondes dit zag Had hij dus een erg zwaar verdrag, Hij was graag tegen Gawein geweest, 21165 Had hij bij hem kunnen komen te deze; Maar ze waren zo dik, die tijden, Op de brug, men mocht het niet lijden, Al had men daar mogen overgaan Ze was zo goed bewaard te waren, 21170 Want Gawein en zijn broeder mede, En de andere kinderen ter plaatse, Deze behoeden de brug zo ten tijden, Dat daar niemand daar over kon rijden; Aldus was de brug bewaakt 21175 Tot het einde dat kwam de nacht; Toen voer Gawyn en de kinderen mede Te Bredigan waart in die stede, Daar men blij was, zonder waan, Dat de kinderen waren ontgaan. 21180 Ze waren ‘s avond te gemak daar En aten en dronken, en daarnaar 235 Gingen ze slapen, dat zeg ik u; En Soriondes, die gebleven was nu Voor de brug, hij nam raad 21185 Aan zijn hoogste lieden, dat verstaat. Toen zei daar een, heet Magolant: “Ik zou wel aanraden, dat men gelijk, Zonder wachten, die namen voert nu Te strijd waart, dat raad ik u, 21190 En laat ze leiden Pignores dan, En men hem geeft tien duizend man, Daar hij de nauwte mee zal bewaren, En we zullen na hem komen te varen; En als ontmoeten hem nu christenen, 21195 Ze zullen hier belet worden met de engte, Maar ze zullen te strijd varen gereed”. Toen zeiden ze alle: “deze raad, God weet, Lijkt ons goed”, en men deed alzo En men ging vast te paarden toen; 21200 En Pignores ging weg voorwaar Met de naam, en daarnaar Volgde Soriondes met zijn kracht. Dus reden ze daar de hele nacht, Dat ze niemand ontmoeten nu; 21205 Ze reden zolang, zeg ik u, Dat ze te Windeberes voor de dag kwamen, Daar dat hele leger lag tezamen. Daar waren ze blij ontvangen Vanwege de spijs, zonder waan, 21210 Die ze brachten; want daar was nu Spijs gebrek, dat zeg ik u. Nu zwijgt dit boek hier van deze En zal van Keye van Strans lezen, En van Gawein en Ywein met de witte handen, 21215 Wat ze nu deden gelijk. |
Van Gawyne ende van Keyen van Strans, ende van Ywene metten witten handen. Die historie segget nu, twaren, Dat die kinder blyde waren, Ombedatsy te gader nu sijn komen. Des morgens hevet Gawijn genomen 21220 Enen bode, ende sendene saen Toter bruggen, ombe doen verstaen, Ocht die Sennen noch daer waren. Die bode liep daer ende quam daernare, Ende zeide si waren enwech gereden, 21225 Daer [en] was nieman bleven ter steden; Des was Gawyn erre vorwaer. Dus blevensi ene tijt aldaer. Daerna vragede Gawyn Ywene saen, Wie hem hadde doen verstaen, 21230 “Dat ic hier waer, doe gy sendet my Letteren ombe iu bescudden daerby”. “Trouwen, neve, daeraf en wetic twent, Van my en was iu noit letter gesent No bode mede, dat seggic iu”. 21235 Des wonderde hem herde sere nu, Ende hem allen diet hoerden daer; Si daden soecken den knecht daernaer In der stat, maer si en vondens niet, No nieman diene gesien hevet iet. 21240 Daerna quam bodescap Gawine saen, Dat in groter anxte nu staen Die soudenier die tArondeel lagen, Want si meenden van dage te dagen Den casteel ende tlijf verliesen mede. 21245 Des was Gawyn droevech ende zeide Tot sinen gesellen: “wat radet gy? Wildy in Scotlant varen met my? Dat waer derwaert goet nu varen; Oec zoudic daer niemare, twaren, 21250 Van mynen vader vernemen nu”. “Waer gy varet”, zeidensi, “varewy met iu”. Doe gereeder hem tien dusent wel Sterker liede, jonc ende snel, Ende reden met Gawine enwech alsoe. 21255 Si reden al meest by nachte doe Ende hemelyke wege, ombedat zy Niet bekant en wouden zijn daerby; Ende doe si lange hadden gereden, Quamen si by den casteel ter steden; 21260 Daer hoerdensi een groet gehu, Want Brangoris sone was komen nu Van Leonois ende haddet al verheert daer, Ende was ten castele komen naer, Dien hi sere stormede ter stede, 21265 Ende hadde twe vorborchte verbrant mede. Ende in desen tyden waren in porre 236 Joncheren, die quamen van Estragorre, Die Keye van Strans geleide daer Ende Keyadyn. Deser was vorwaer 21270 Hondert ende vijftich jonger liede tsamen; Ende eer dese daer in dat lant quamen, So waren die Sennen [van hem] bestreden; [Van] den torre waren si som gesceden Ende in dat lant gevaren daernaer 21275 Ongescaert, dene hier dander daer, Ende quamen som also daernare Optie kinder, die quamen gevaren; Si sagen wael dat waren Kerstine, Si liepen hem op ende daden hem pine, 21280 Ende sine hadden hem niet mogen verweren, Maer opten castele die ioncheren Namen hem te hulpe drie hondert man; Ombedatsi kerstene liede waren dan, Ontfermdes hem ende stonden hem in staden 21285 Wantsi alte seer waren verladen; Dese quamen met sulker cracht gereden Datsi se alle dorbraken ter steden, Ende sloegen daer menegen Senne doet. Doe dese dus waren in deser noet 21290 Die Sennen bliesen sere haer bosine met Ende makeden teken daer, dat wet, Datsi soccoers hadden noet; So quam daer een hoep groet Van den Sennen ingeslegen, 21295 Entie Kerstene setten hem daer iegen, Die vrome waren, wet vorwaer. Daer was Ywen, Gossemaer, Ende Ywen metten witten handen, Die wael dorsten horen lachter anden; 21300 Dese waren tArondeel bleven nu Ende ontbeiden des koninck Artur, seggic iu, Ombedatsi ridders wouden wesen Van siner hant, dus blevensi by desen Liggende opten casteel, gelijc soudenieren, 21305 Ombe winnene in aller manieren; Want si wt haren lande scieden Hemelyc met een ende dertich lieden Sonder goet; ombedit diendensi nu Ende hadden gedaen sovele, seggic iu, 21310 Optie Sennen hiervor vorwaer, Datsi genoech gewonnen hadden daer. Die twe, daer ic af spreke ter steden, Vrageden Keyen ende sine gesellen mede, Wanensi waren; doe zeidensi: 21315 “Heren van Estragorre zijn wy, Ende soeken den koninck Artur, twaren, Ombedat wy gerne ridder waren Van siner hant”. Daer zeide doe Ywen: “wy zijn oec komen alsoe 21320 Ombe ridder te werden in der manieren, Ende sijn hier worden nu soudenieren; Ende wildy met ons blyven, sonder waen, Wy en sullen iu niet afstaen; Ende als die koninck komt nades, 21325 Dan varewy te gader daer hi es”. Si zoudent gerne doen, zeidensi saen; Ende binnen desen datsi dus staen Ende spreken, so quamen hem an Van den Sennen wel twintichdusent man, 21330 Die alle op hem gingen slaen, Ende van koninck Arons lieden saen Quamen twintechdusent bander syde Tegen die kinder oec te stryde. Doe haddensi gerne tArondeel 21335 Getogen weder in den casteel; Maer si en konden, si waren so begaen; Si waren daer doet bleven ocht gevaen, En waer Gawyn niet komen doe Met hem tiendusent, die sloegen toe 21340 Ende makeden in die Sennen een gat; Daer bleef menech doet ter stat, Hi dade daer menech averecht tumen; Si moesten doe die plaetse rumen, Ende doe Gawyn ten kindren quam daer, 21345 Vragede hi wie si waren daernaer; Ende Ywen metten witten handen Berechte hem des daer nu te handen Ende doe vragedi hem wie hi sy, Die hem so wael nu stont by: 21350 “Ic ben Gawyn, Arturs sustersone, Ende quam hier gevaren ombe datgone, Ombe te helpen hier een deel Die daer nu sijn in den casteel”. Doe bedankedes Ywen Gode daer, 21355 Ende si sloegen in den strijt daernaer, Ende sloegen der Sennen sovele doet, 237 Datsi met hopen lagen groet, Ende Gawyn dade daer groet wonder, Ende sine broeder alle bysonder, 21360 Ende Galescins, entie kinder mede Des koninck Uriens ende Ales ter stede Ende Aches. Dese sevene waren doe Vor in den strijt ember toe, Ende sloegen so sere die Sennen daer, 21365 Datsi vor hem vloen daernaer Thent optie batalie daer Aron lach, Ende Gawyn volgede, al dat hi mach. Doe quam daer een out man gereden: “Gawyn”, zeide hy, “nu went ontbeden, 21370 Ende en volget hem niet meer, radic dy, Ende vare met dinen gesellen hierby Op desen casteel, want du ne machs niet Dy nu verweren, wat des gesciet”. Gawyn sach op den ouden man 21375 Die enen swarten toi hadde an, Ende enen blomen hoet op dat hovet; Hi sceen so out, des gelovet, Dat Gawine wonder wesen dochte, Dat hi opten paerde sitten mochte; 21380 Hi hadde enen witten baert Toten gordele hangende nederwaert, Ende hi zeide: “Gawijn, laet iu geraden Eer gy nu komet in meerre scaden; Want dese kinder, die hier zijn komen, 21385 Mochten noch komen te groter vromen Den koninck Artur, uwen oem”. Gawyn nam des goeden mannes goem, Ende dachte sinen raet te done, Ende riep al sine gesellen na datgone, 21390 Ende voerdese met hem tArondeel waert; Entie oude man reet met snelre vaert TOrkanienwaert, wat hi kan. Ende alse Gawyn ende sine man In den casteel nu waren komen, 21395 Gingensi ten cantelen ende hebben vernomen Den koninck Aron, die nu brachte Menege Sennen optie borchgrachte, Die koninck Lottes lant hadden verheert. Die koninck Loth haddem dicke verweert, 21400 Maer int inde worden si overkrachtich daer, Dat hi sijn wijf moeste vluchten daernaer Thent in den casteel van Glacedoen. Als hem die koninck Loth sach doen So groten scade in zijn lant, 21405 Entie sine verslagen vor siner hant, Vermaledyede hi dicke die ure, Dat hi ie dade tegen den koninck Arture; Want daerby hevet hi sijn lant verloren Ende sine kinder; des hevet hi toren, 21410 Entie koninck Aron hadde belegen Die stat, daer hi selve in was ghetegen. Doe dade hi sine barone te rade Ende vragede hem wat hi best dade; Ende haer raet droech overeen daernaer, 21415 Dat hi sine vrouwe name daer, Ende sijn kint Mordret alsoe, Dat maer drie jaer out was doe, Ende vijf ridder oec mede, Ende voere te Glacedoen ter stede; 21420 Alle die ander souden voertan Die stat houden met sesdusent man, Ende si en zullense oec niet opgeven Also lange alsi mogen leven. Des avendes trac die koninck Loth gerede 21425 Ende sijn wijf ende sine ridder uter stede Met Mordrete synen kinde dan, Dat die koninck Artur an haer wan, Als ic hier vor dede verstaen. Tener poerten redensi ute saen 21430 Enes nachtes hemelike doe, Ende reden die nacht ende dages toe Al toter nonen. Doe sach die koninck Den koninck Tauruse na die dinck Met drien dusent Sennen tsamen, 21435 Die van Arondeel quamen, Ende geleiden des koninck Arons roef daer. Doe si den koninck Loth sagen daernaer Sloegensi in hem, met snelre vaert, Daer haddet die koninck Loth wel haert; 21440 Maer hi en hadde maer vijfhondert man Ende hi weerdem stoutelike nochtan; Want hi koene ende groet was; Maer dat en halp hem niet, sijt seker das, Si moesten achterwaert trecken ende vlien, 21445 Entie koninginne was gevangen mettien; 238 Maer een ridder ontvloe in der vaert, Die vaste reet tArondeelwaert. Hier latic dese aldus nu bliven, Ende sal iu van Gawine scriven 21450 Ende van den ridder, die daer ontvaren es, Wat hem gescien sal nades. |
Van Gawein en van Keye van Strans en van Ywein met de witte handen. De historie zegt nu, te waren, Dat de kinderen blij waren, Omdat ze tezamen nu zijn gekomen. ‘s Morgens heeft Gawein genomen 21220 Een bode, en zond die gelijk Tot de brug, om te laten verstaan, Of de Sennen nog daar waren. Die bode liep daar heen en kwam daarnaar, En zei dat ze waren weg gereden, 21225 Daar was niemand gebleven ter plaatse; Dus was Gawein boos voorwaar. Dus bleven ze een tijd aldaar. Daarna vroeg Gawein Ywein gelijk, Wie hem had laten verstaan, 21230 “Dat ik hier was, toen ge zond mij Brieven om u te behoeden daarbij”. “Trouw, neef, daarvan weet ik niets, Van mij is u nooit een brief gezonden Of bode mede, dat zeg ik u”. 21235 Dat verwonderde hem erg zeer nu, En hen allen die het hoorden daar; Ze lieten zoeken de knecht daarnaar In de stad, maar ze vonden hem niet, Nog iemand die hem gezien heeft iets. 21240 Daarna kwam boodschap van Gawein gelijk, Dat in grote angst nu staan De soldaten die te Arondeel lagen, Want ze meenden van dag tot dag Het kasteel en het lijf te verliezen mede. 21245 Dus was Gawein droevig en zei Tot zijn gezellen: “wat raadt gij? Wil ge in Schotland varen met mij? Dat is derwaarts goed nu te varen; Ook zou ik daar nieuws, te waren, 21250 Van mijn vader vernemen nu”. “Waar ge gaat”, zeiden ze, “gaan we met u”. Toen bereidde zich tien duizend wel Sterke lieden, jong en snel, En reden met Gawein weg alzo. 21255 Ze reden alles meest bij nacht toen En heimelijke wegen, omdat zij Niet herkend wilden zijn daarbij; En toen ze lang hadden gereden, Kwamen zei bij het kasteel ter plaatse; 21260 Daar hoorden ze een groot gehuil, Want Brangoris zoon was gekomen nu Van Leonois en had al belegerd daar, En was te kasteel gekomen daarnaar, Die hij zeer bestormde ter plaatse, 21265 En had twee voorburchten verbrand mede. En in deze tijden waren in gang 236 Jonkheren, die kwamen van Estragorre, Die Keye van Strans begeleide daar En Keyadyn. Dit waren voorwaar 21270 Honderd en vijftig jonge lieden tezamen; En eer deze daarin dat land kwamen, Zo werden de Sennen van hen bestreden; Van de toren waren ze soms gescheiden En in dat land gevaren daarnaar 21275 Niet in scharen, de ene hier en de andere daar, En kwamen soms alzo daarnaar Op de kinderen, die kwamen gevaren; Ze zagen wel dat het waren christenen, Ze liepen hen op en deden hen pijn, 21280 En ze hadden zich niet kunnen verweren, Maar op het kasteel de jonkheren Namen met hen te hulp drie honderd man; Omdat ze christen lieden waren dan, Ontfermden ze zich en stonden hen bij 21285 Want ze al te zeer waren aangedaan; Deze kwamen met zo’n kracht gereden Dat ze alles doorbraken ter plaatse, En sloegen daar menige Senne dood. Toen deze dus waren in deze nood 21290 De Sennen bliezen zeer hun bazuinen mee En maakten teken daar, dat weet, Dat ze succes hadden nodig; Zo kwam daar een hoop groot Van de Sennen ingeslagen, 21295 En de christenen verzetten zich daartegen, Die dapper waren, weet voorwaar. Daar was Ywein, Gossemaar, En Ywein met de witte handen, Die wel durfde aan te horen hun gelach; 21300 Deze waren te Arondeel gebleven nu En wachten op koning Arthur, zeg ik u, Omdat ze ridders wilden wezen Van zijn hand, dus bleven ze bij deze Liggen op het kasteel, gelijk soldaten, 21305 Om te winnen in alle manieren; Want ze uit hun landen scheiden Heimelijk met een en dertig lieden Zonder goed; om dit dienden ze nu En hadden gedaan zoveel, zeg ik u, 21310 Op de Sennen hiervoor voorwaar, Zodat ze genoeg gewonnen hadden daar. Die twee, daar ik van spreek ter plaatse, Vroegen Keye en zijn gezellen mede, Waarvan ze waren; toen zeiden ze: 21315 “Heer van Estragorre zijn wij, En zoeken koning Arthur, te waren, Omdat we graag ridder waren Van zijn hand”. Daar zei toen Ywein: “we zijn ook gekomen alzo 21320 Om ridder te worden in die manieren, En zijn hier nu geworden soldaten; En wil ge bij ons blijven, zonder waan, We zullen u niet afstaan; En als de koning komt na dit, 21325 Dan varen we tezamen daar hij is”. Ze zouden het graag doen, zeiden ze gelijk; En hierbinnen dat ze dus staan En spreken, zo kwamen hen aan Van de Sennen wel twintigduizend man, 21330 Die alle op hen gingen slaan, En van koning Arons lieden gelijk Kwamen twintigduizend van de andere zijde Tegen de kinderen ook te strijden. Toen hadden ze graag te Arondeel 21335 Getrokken weer in het kasteel; Maar ze konden niet, ze waren zo gegaan; Ze waren daar dood gebleven of gevangen, Was Gawein niet gekomen toen Met hem tienduizend, die sloegen toe 21340 En maakten in de Sennen een gat; Daar bleef menigeen dood ter plaatse, Hij liet daar menigeen onderste boven tuimelen; Ze moesten toen die plaats ruimen, En toen Gawein tot de kinderen kwam daar, 21345 Vroeg hij wie ze waren daarnaar; En Ywein met de witte handen Berichte hem dus daar nu gelijk; En toen vroeg hij hem wie hij was, Die hem zo goed nu stond bij: 21350 “Ik ben Gawein, Arthurs zusterzoon, En kwam hier gevaren om datgene, Om te helpen hier een deel Die daar nu zijn in het kasteel”. Toen bedankte dus Ywein God daar, 21355 En ze sloegen in de strijd daarnaar, En sloegen van de Sennen zoveel dood, 237 Zodat ze met hopen lagen groot, En Gawein deed daar groot wonder, En zijn broeder al bijzonder, 21360 En Galescins, en de kinderen mede Van koning Uriens en Ales ter plaatse En Aches. Deze zeven waren toen Voor in de strijd immer toe, En sloegen zo zeer de Sennen daar, 21365 Zodat ze voor hen vlogen daarnaar Tot op het bataljon daar Aron lag, En Gawein volgde, alles dat hij mag. Toen kwam daar een oude man aangereden: “Gawein”, zei hij, “nu wordt gewacht, 21370 En achtervolg hen niet meer, raad ik gij, En vaar met uw gezellen hierbij Op dit kasteel, want u kan niet U nu verweren, wat dus geschiedt”. Gawein zag op de oude man 21375 Die een zwarte tooi had aan, En een bloemenhoed op dat hoofd; Hij scheen zo oud, dus geloof het, Dat Gawein het een wonder te wezen dacht, Dat hij op het paard zitten mocht; 21380 Hij had een witte baard Tot op de gordel hangen neerwaarts, En hij zei: “Gawein, laat u aanraden Eer ge nu komt in meerdere schade; Want deze kinderen, die hier zijn gekomen, 21385 Mochten nog komen tot grote dapperheden Bij koning Arthur, uw oom”. Gawein nam van de goede man kennis, En dacht zijn raad te doen, En riep al zijn gezellen na datgene, 21390 En voerde ze met hem te Arondeel waart; En de oude man reed met snelle vaart Te Orkney waart, wat hij kan. En toen Gawein en zijn man In het kasteel nu waren gekomen, 21395 Gingen ze op de kantelen en hebben vernomen Koning Aron, die nu bracht Menige Sennen op de burchtgracht, Die koning Loth’s land hadden verteerd. Koning Loth had zich vaak verweerd, 21400 Maar in het einde worden ze te krachtig daar, Zodat hij en zijn vrouw moesten vluchten daarnaar Tot het kasteel van Glasgow. Toen koning Loth hen zag doen Zulke grote schade in zijn land, 21405 En de zijne verslagen voor zijn hand, Vermaledijde hij vaak dat uur, Dat hij deed tegen koning Arthur; Want daarbij heeft hij zijn land verloren En zijn kinderen; dus heeft hij toorn, 21410 En koning Aron had belegerd De stad, daar hij zelf in was getrokken. Toen deed hij zijn baronnen te rade En vroeg hen wat hij het beste deed; En hun raad kwam overeen daarnaar, 21415 Dat hij zijn vrouw nam daar, En zijn kind Mordret alzo, Dat maar drie jaar oud was toen, En vijf ridders ook mede, En voeren te Glasgow ter stede; 21420 Alle anderen zouden voortaan De stad behouden met zesduizend man, En ze zullen het ook niet opgeven Zolang als ze mogen leven. ‘s Avonds trok koning Loth gereed 21425 En zijn vrouw en zijn ridders uit de stede Met Mordret zijn kind dan, Dat koning Arthur aan haar won, Zoals ik hiervoor liet verstaan. Te ene poort reden ze uit gelijk 21430 Een nacht heimelijk toen, En reden die nacht en dag toe Al tot noen. Toen zag de koning Koning Tauruse na dat ding Met drie duizend Sennen tezamen, 21435 Die van Arondeel kwamen, En begeleiden koning Arons roof daar. Toen ze koning Loth zagen daarnaar Sloegen ze in hem, met snelle vaart, Daar had koning Loth wel gehoord; 21440 Maar hij had maar vijfhonderd man En ze weerden zich dapper nochtans; Want hij koen en groot was; Maar dat hielp hem niet, zij het zeker dat, Ze moesten achteruit trekken en vlieden, 21445 En de koningin was gevangen meteen; 238 Maar een ridder ontsnapte in de vaart, De vast reed te Arondeel waart. Hier laat ik deze aldus nu blijven, En zal u van Gawein schrijven 21450 En van de ridder, die daar ontvlucht is, Wat hem gebeuren zal na dit. |
Hoe Gawyn ende sine broeder haer moeder verloesten. Daventure secht, dat die kinder waren Blyde, datsi nu waren ontvaren Tote Arondeel, dat zeggic iu; 21455 Ende daer binnen doe si waren nu, Quam een ridder haestlic gereden Op een ors van groten leden, Ende sijn scilt dorhouwen mede, Ende sijn halsberch te meneger stede. 21460 Hi sach opwaert in den casteel Ende sach daer driven groet riveel; Doe riep hi of daer ieman binnen es, Die hem volgen dar nades, Dat hi van genen manne van al 21465 Negeen ruwaert hebben en sal. Doe vragede Gawyn den ridder daer, Waer hine leiden woude daernaer, Entie ridder vragede: “wie zijdy?” “Ic ben dat, Gawyn”, antworde hy, 21470 “So sal ic dat hier nu seggen dan, Dat gaet iu meer an dan enegen man: Hier es in den bosc nu een aventure, Die eerlicste, gevallen nu ter ure, Die se gedoen konde, dat hy embermeer 21475 Prijs daeraf soude hebben ende eer; Maer ic weet wel gyne hebbets herte niet Dat gy se gedoen sult dorren iet. Ende al en wildy niet volgen my, Nochtan sal ic daer varen, seggic dy”. 21480 Gawyn was erre nu ter stat, Dat hine blode hiet; ende nadat Es diegene enwech gevaren. Hi kende Gawyns herte wel, twaren; Ende Gawyn riep: “ontbeidet na my, 21485 Ontvaert my niet, indien dat gy My wilt geloven, dat gy my niet Leiden en sult daer my arch gesciet, Ende helpen met sult iegen alle man; Ic sal iu gerne volgen dan”. 21490 Doe ginc hem Gawyn wapenen saen; Doe quamen daer sine gesellen gegaen Ende zeiden, si souden met hem varen. Gawyn zeide, si en souden twaren, “Hi en wil my maer allene daer”. 21495 Doe vragede Sagrimor den ridder daernaer, Of hy anders daer ieman woude nu? “Hier zijn sine gesellen, zeggic iu, Diene node allene laten varen, Maer gy werdet des meer gebetert, twaren, 21500 Datsi voeren hier met iu, Ende oec biddewy des iu alle nu”. Die ridder zeide: “die wille, kome met; Daventure is alsulc, dat wet, Wie dat daer komet nu ter ure, 21505 Hi sal daer vinden aventure”. Doe was Sagrimor herde blyde Ende alle die ander, ende ten stryde Hem wapenensi, dat si daernaer Hem sevendusent wtleiden vorwaer. 21510 Ende alse Gawyn ten ridder quam, Ic segget iu, dat hi sijn trouwe nam, Dat hine omb negeen arch haelde nu, Dat swoer hem die ridder, seggic iu. Dus redensi metten ridder daer 21515 Die nacht ende den dach daernaer, Entes morgens gemoeten si ter steden Enen knape met enen kinde gereden In ene wiege, dat hi vor hem daer Brachte, ende vloe daermede naer. 21520 Doe vragede hem Gawyn daer, Wat hem also te vliene waer? Die knape zeide doe, dat hi es Metten koninck Lotte, ende secht: “vor des Hebben hem die Sennen gesconfiert nu 21525 Ende sijn wijf genomen, zeggic iu, Daer hise soude voeren te Glacedoen; Nu ben ic met desen kinde ontvloen, Dat koninck Lottes ende sijns wijfs es met, Ende dat iongeste van viven, dat wet, 21530 Ende zoudet gerne voeren in sekerre stat”. Doe zeide Gawyn te hem nadat: 239 “En vliet niet meer, maer voert saen Tot in genen bosc, dat gy [moecht] verstaen Hoe dat met ons nu vergaet, 21535 Wy sullen iu daer nu wael geraet Geleiden daer gy seker sijt”. Ende hi geloevedet hem daer ter tijt. Doe sciede Gawijn van hem daernaer, Entie ridder haeste hem sere daer 21540 Ende reet vor hem, ende zeide dat hy Hem dapperlike volgende zy; Ende si volgeden hem vaste naer Ende quamen onlanck gereden, daer Die koninck Loth nu gesconfiert was 21545 Ende vloe te Glacedoen nadas Metten riddren die hem gebleven waren; Ende Gawijn sach ombe daernare Ene scone vrouwe, die die Seynen Hadden by den haer in enen pleine, 21550 Ende sloerden se also na haer paert; Ende si riep op Onse Vrouwe, metter vaert, Genadelic dat sise bescudden moete. Doe sloechse Taurus herde onsoete Met siner wapender hant alsoe, 21555 Datsi in ommacht op daerde vil doe; Ende hi namse ende settese op sijn paert, Ende si kreet sere ende gebaert Als een wijf die men slaet, Ende liet haer weder vallen geraet. 21560 Ende alse diegene sach ter stonde Dat hi se niet gemeestren konde, So nam hise bi den haren doe Ende slepedese na hem alsoe, Ende sloechse in hoer ansichte nadas, 21565 Datsi overal daeraf bebloedet was, Uter nesen ende uten monde mede. Hi slepedese so lange daer ter stede, Datsi niet meer en konde gegaen. Die ridder seide te Gawyne saen: 21570 “En kendy die vrouwe iet, segget my, Mindegy se ie, so wreket se daerby”. En alsse Gawijn sach, kende hise daer, Ende hi wart so erre daernaer, Dat hi wel na verwoedet was, 21575 Ende sloech met sporen dat ors nadas. Hi hadde een scerp speer in der hant Ende riep met luder stemme te hant: “Hoeren sone, dief, mordenare, Gy sult die vrouwe laten dare!” 21580 Doe sach Taurus Gawine komen, Hi liet die vrouwe ende hevet genomen Een speer, ende reet te Gawinewaert; Si quamen te samene met snelre vaert Entiegene brac sijn speer daer, 21585 Ende Gawyn stacken daernaer Metten speer dor den lichame, Dat paert ende man vielen tsamen, Ende hi brac den hals ter stede. Agrawein ende sijn broeder bede 21590 Sprongen van horen paerden daer, Ende houwen hem te sticken daernaer. Daer sloegensi in die Sennen oec nu; Eer si op hilden, dat seggic iu, Doedensi haerre tien dusent ende meer. 21595 Gawyn was verwermet so seer, Dat hi so vreeslike slage sloech, Dat daer nieman dat lijf ontdroech, Dien hi daer geraken konde; Alle die Sennen vloen ter stonde, 21600 Ende waren blide, die mochten ontgaen. Doe keerde Gawyn tsiner moeder saen, Daer hi se hadde laten liggen mede; Doe hi daer quam beette hi ter stede, Ende namse in sinen arm alsoe, 21605 Ende drreef so groten rouwe doe, Ende al sine gesellen quamen daer, Doe sine sagen maken selc mesbaer, Si weenden met hem alle doe; Maer doe sine broeder quamen daertoe, 21610 Doe began van ierst die rouwe, Ende als die woerde hoerde die vrouwe Ende dat geween ende dat mesbaer, Sloech si haer ogen op daernaer, Ende sach datse Gawyn hadde doe 21615 In sinen arme; si sprac hem toe, Si kendene wale ende seide ter stede: “Ach, God! Vader der ontfermechede, Ende Diner moeder van Hemelrike, Iu tween danke ic sekerlike 21620 Van desen edelen troeste nu, Dien Gy my gesent hebt; ic bidde iu, 240 Lieve kint, Gawyn”, zeide sy, “Dat gy niet meer [en] weent ombe my; Ic en hebbe geen noet nu mere, 21625 Maer ic ben gequetset nu sere”; Ende si vragede waer sine broeder waren. Doe quamensi vor die vrouwe gevaren Met groten rouwe ende beetten nu Ende zeiden: “vrouwe, wy sijn hier by iu”. 21630 Des dankedesi Gode al te voren, Daerna zeidesi: “ic hebbe verloren Mordret, mijn kint, ende minen here, Die hem heden pijnde sere Ombe my te bescuddene, seggic iu, 21635 Want ic sachem allene nu Vechten tegen vijfdusent Seynen, Nadat sine liede uten pleine Verdreven waren ende som doet; Ic sach dat men op hem scoet 21640 Met gaveloten ende met speren, sonder waen. So vele en mochtes nieman ontstaen Ende hi en woude my laten niet By negenen dingen, wats gesciet, Toter tijt dat icken mede 21645 Beswoer ende van my sceiden dede. Doe sciet hy also droeflicke van my dan Alse men ie sach sceiden enen man”. Doe zeide Gawijn: “vrouwe, ic segge iu Wel, waer Mordret es nu, 21650 Want die knape, diene voerde heden, Gemoete ic ende dadene ter steden Beiden in dat foreest hierby; Maer ic en weet, waer mijn vader sy”. Doe was die vrouwe vertroestet aldaer. 21655 Gawyn dade water brengen daernaer, Ende dwoech sine moeder daermede Haer aensichte; hi dade daernaer ter stede Gereiden daer een leitiere, Daer hi se op dade leggen sciere, 21660 Ende si namen al die name aldaer, Dat die Sennen brachten daer, Ende voeren daermede tArondeelwaert, Ende si vonden den knape in der vaert Metten kinde; des waren si blyde. 21665 Si reden so lange, datsi ten tyden TArondeel quamen, ende dreven doe Blyscap groet, ende bleven alsoe Binnen den castele totedat genesen Haer moeder was, ende doe na desen 21670 Voerdensise met hem te Logreswaert, Ende haren jongen broeder mettervaert, Ende si lieten van haren lieden een deel, Ombe daer te houdene den casteel; Oec swoeren die kinder, dat nembermeer 21675 Haer vader en krege haer moeder weer, Hi en soude versoenet sijn eer ter ure Jegen haren oem, den koninck Arture. Des was die moeder blyde ter stat, Doe si die kinder hoerde seggen dat. 21680 Si waren te Logres wel ontvaen. Doe dade Gawyn vragen saen, Ocht ieman den ridder kende daer, Die Gawine hadde gehaelt naer, Daer hi sine moeder bescudde nu; 21685 Hem en kende nieman, seggic iu, Noch en wisten waer hi gevaren es. Dese niemare ginc so verre na des, Dattet Does vernam, die herde vroet was, Ende ginc tot Gawine nadas, 21690 Ende zeide: “Gawijn, kendy iet nu Dengenen die die boetscap brachte iu Van Sagrimore ende voertan Van Ywene te Bredegan?” Gawyn zeide: “van desen no genen 21695 So en kendic er niet enen”. Doe loech Does herde sere; Des wonderde Gawine noch mere, Waerombe dat hi loech alsoe; Daer beswoer hy Doese doe 21700 By der trouwen, die hi es sculdech Arture, Dat hijt hem seggen soude ter ure. Does zeide: “gy hebbet besworen my Ende ic moet iu seggen daerby, Maer gy moet my geloven vorwaer, 21705 Dat gijt niemanne [en] sult seggen naer”. Gawijn zeide doe: “neen ic, niet”. Does zeide: “nu merket ende siet: Dit was Merlijn, al sonder waen, Die hem vermaket, als hi wil, saen 21710 In allen manieren, groet ende clene, Ende alle dinck oec weet gemene”. “Hoe, zeide Gawyn, “es dat die man, Dien die Duvel hier vormaels wan 241An ener joncfrouwen, entie nadas 21715 So wel met Uter-Pandragone was?” “Die selve is dat”, zeide Does daer. “God, Here!” zeide Gawyn daernaer, “Hoe mochte dat embermeer gescien, Dat icken hebbe also gesien 21720 In dus meneger manieren nu?” “Hi es dieselve, seggic iu”, Zeide Does, “want hi dat met gewelt Met nigromancien doet, wat hi welt”. Doe zegende hem Gawyn daer 21725 Van groten wonder, ende zeide daernaer, Dat hi gerne met hem soude wesen Bekant, “want ic weet wel van desen, Dat hi ons minnet, alse hi dus dede Dese dinge dor ons”. Doe zeide Does mede: 21730 “Gy sult hem sien, wilde hi, Want dat wy seggen onder iu ende my, Dat weet hi al te male nu”. Des blevensi te Logres, zeggic iu, Ende hilden dat lant tegen die Sennen daer 21735 Stoutlike ende wel vorwaer. Hier zwyget dit boeck van desen nu, Ende sal van Merline seggen iu. |
Hoe Gawyn en zijn broeders hun moeder verlosten. Het avontuur zegt, dat de kinderen waren Blij, dat ze nu waren ontvaren Tot Arondeel, dat zeg ik u; 21455 En daarbinnen toen ze waren nu, Kwam een ridder haastig gereden Op een paard van grote leden, En zijn schild doorhouwen mede, En zijn harnas te menige plaats. 21460 Hij zag opwaarts in het kasteel En zag daar drijven groot lawaai; Toen riep hij of daar iemand binnen is, Die hem volgde durft dit, Dat hij van geen man van al 21465 Geen ruwaard hebben zal. Toen vroeg Gawein de ridder daar, Waarheen hij hem leidde wilde daarnaar, En de ridder vroeg: “wie bent gij?” “Ik ben dat, Gawein”, antwoordde hij, 21470 “Dan zal ik dat hier nu zeggen dan, Dat gaat u meer aan dan enige man: Hier is in het bos nu een avontuur, Die eerlijkste, gebeurd nu ter ure, Die het aankon, dat hij immermeer 21475 Prijs daarvan zou hebben en eer; Maar ik weet wel ge hebt het hart niet Dat ge ze doen zal durven iets. En al wil ge niet volgen mij, Nochtans zal ik daar heengaan, zeg ik dij”. 21480 Gawein was boos nu ter stat, Dat hij hem angstig noemde; en nadat Is diegene weg gevaren. Hij kende Gaweins hart wel, te waren; En Gawein riep: “wacht op mij, 21485 Ontga me niet, indien dat gij Me wil beloven, dat ge me niet Leiden zal daar me iets ergs geschiedt, En helpen mee zal tegen alle man; Ik zal u graag volgen dan”. 21490 Toen ging Gawein zich wapenen samen; Toen kwamen daar zijn gezellen gegaan En zeiden, ze zouden met hem varen. Gawein zei, ze zouden te waren, “Hij wil mij maar alleen daar”. 21495 Toen vroeg Sagrimor de ridder daarnaar, Of hij anders daar iemand wilde nu? “Hier zijn gezellen, zeg ik u, Die hem node alleen laten varen, Maar ge wordt dus meer verbeterd, te waren, 21500 Dat ze gaan hier met u, En ook bidden we dus u alle nu”. De ridder zei: “die wil, komt mee; Het avontuur is al zulke, dat weet, Wie daar komt nu ter ure, 21505 Hij zal daar vinden avontuur”. Toen was Sagrimor erg blij En alle anderen, en ten strijde Zich wapenden ze, zodat ze daarnaar Hem zevenduizend uitleiden voorwaar. 21510 En toen Gawein bij de ridder kwam, Ik zeg het u, dat hij zijn trouw nam, Dat hij hem niet om een erg haalde nu, Dat zwoer hem de ridder, zeg ik u. Dus reden ze met de ridder daar 21515 De nacht en de dag daarnaar, En ‘s morgens ontmoeten ze ter steden Een knaap met een kind gereden In een wieg, dat hij voor hem daar Bracht, en vloog daarmee daarnaar. 21520 Toen vroeg hem Gawein daar, Waarom hij alzo te vlieden waar? De knaap zei toen, dat hij is Met koning Loth, en zegt: “voor dit Hebben hem de Sennen geschoffeerd nu 21525 En zijn vrouw genomen, zeg ik u, Daar hij haar zou voeren te Glasgow; Nu ben ik met dit kind ontvlogen, Dat van koning Loth zijn vrouw is mee, En de jongste van vijf, dat weet, 21530 En zou het graag voeren in zekere stad”. Toen zei Gawein tot hem nadat: 239 “Ga niet meer, maar ga samen Tot in dat bos, totdat ge mag verstaan Hoe dat met ons nu vergaat, 21535 We zullen u daar nu wel gereed Begeleiden daar ge zeker bent”. En hij beloofde hem daar ter tijd. Toen scheidde Gawein van hem daarnaar, En de ridder haastten zich zeer daar 21540 En reed voor hen, en zei dat zij Hem dapper volgen mij; En ze volgden hem gauw daarnaar En kwamen gauw gereden, daar Koning Loth nu geschoffeerd was 21545 En vloog tot Glasgow na das Met de ridders die hem gebleven waren; En Gawein zag om daarnaar Een mooie vrouw, die de Sennen Hadden bij het haar in een plein, 21550 En sleurden haar alzo daarnaar haar paard; En ze riep op Onze Vrouw, met een vaart, Genadig dat ze haar behoeden moet. Toen sloeg Taurus haar erg hard Met zijn gewapende hand alzo, 21555 Zodat ze in onmacht op de aarde viel toen; En hij nam haar en zette haar op zijn paard, En ze krijste zeer en gebaarde Als een vrouw die men slaat, En liet haar weer vallen gereed. 21560 En toen diegene zag ter stonde Dat hij haar niet overmeesteren kon, Zo nam hij haar bij de haren toen En sleepte haar achter zich alzo, En sloeg haar in haar aanzicht na dat, 21565 Zodat ze overal daarvan bebloed was, Uit de neus en uit de mond mede. Hij sleepte haar zolang daar ter plaatse, Zodat ze niet meer kon gaan. De ridder zei tot Gawein gelijk: 21570 “En ken je die vrouw iets, zeg het mij, Minde ge haar iets, zo wreek haar daarbij”. En toen ze Gawein zag, herkende hij haar daar, En hij werd zo boos daarnaar, Dat hij bijna dol was, 21575 En sloeg met sporen dat paard na dat. Hij had een scherpe speer in de hand En riep met luide stem gelijk: “Hoeren zoon, dief, moordenaar, Ge zal die vrouw laten daar!” 21580 Toen zag Taurus Gawein komen, Hij liet de vrouw en heeft genomen Een speer, en reed te Gawein waart; Ze kwamen tezamen met snelle vaart En diegene brak zijn speer daar, 21585 En Gawein stak hem daarnaar Met de speer door het lichaam, Zodat paard en man vielen tezamen, En hij brak de hals ter plaatse. Acgravein en zijn broeder beide 21590 Sprongen van hun paarden daar, En hieuwen hem in stukken daarnaar. Daar sloegen ze in de Sennen ook nu; Eer ze ophielden, dat zeg ik u, Doden ze van hun tienduizend en meer. 21595 Gawein was verwarmd zo zeer, Dat hij zulke vreselijke slagen sloeg, Dat daar niemand dat lijf ontdroeg, Die hij daar raken kon; Alle Sennen vlogen ter stonde, 21600 En waren blijde, die mochten ontgaan. Toen keerde Gawein tot zijn moeder gelijk, Daar hij haar had laten liggen mede; Toen hij daar kwam steeg hij af ter plaatse, En nam haar in zijn arm alzo, 21605 En dreef zo’n grote rouw toen, En al zijn gezellen kwamen daar, Toen ze hem zagen maken zulk misbaar, Ze weenden met hem alle toen; Maar toen zijn broeders kwamen daartoe, 21610 Toen begon pas eerst de rouw, En toen die woorden hoorde die vrouw En dat geween en dat misbaar, Sloeg ze haar ogen op daarnaar, En zag dat Gawein haar had toen 21615 In zijn armen; ze sprak hem toe, Ze herkende hem goed en zei ter plaatse: “Ach, God! Vader der ontferming, En Uw moeder van Hemelrijk, U twee dank ik zekerlijk 21620 Van deze edele troost nu, Die Gij me gezonden hebt; ik bid u, 240 Lieve kind, Gawein”, zei zij, “Dat ge niet meer weent om mij; Ik heb geen nood nu meer, 21625 Maar ik ben gekwetst nu zeer”; En ze vroeg waar zijn broeders waren. Toen kwamen ze voor die vrouw gevaren Met grote rouw en baden nu En zeiden: “vrouw, we zijn hier bij u”. 21630 Dus dankten ze God al te voren, Daarna zei ze: “ik heb verloren Mordret, mijn kind, en mijn heer, Die zich heden pijnigde zeer Om me te behoeden, zeg ik u, 21635 Want ik zag hem alleen nu Vechten tegen vijfduizend Sennen, Nadat zijn lieden uit het plein Verdreven waren en soms dood; Ik zag dat men op hem schoot 21640 Met werpsiesen en met speren, zonder waan. Zoveel kan niemand ontgaan En hij wilde me verlaten niet Bij geen ding, wat er geschied, Tot de tijd dat ik hem mede 21645 Bezwoer en van mij scheiden deed. Toen scheidde hij alzo droevig van mij dan Zoals men niet zag scheiden een man”. Toen zei Gawein: “vrouw, ik zeg u Wel, waar Mordret is nu, 21650 Want de knaap, die hem voerde heden, Ontmoette ik en deed ze ter plaatse Wachten in dat bos hierbij; Maar ik weet niet, waar mijn vader is”. Toen was die vrouw getroost aldaar. 21655 Gawein liet water brengen daarnaar, En waste zijn moeder daarmee Haar aanzicht; hij deed daarnaar ter plaatse Bereiden daar een ladder, Daar hij haar op liet leggen snel, 21660 En ze namen al de namen aldaar, Dat de Sennen brachten daar, En voeren daarmee te Arondeel waart, En ze vonden de knaap in de vaart Met het kind; dus waren ze blij. 21665 Ze reden zolang, zodat ze ten tijden Te Arondeel kwamen, en dreven toen Blijdschap groot, en bleven alzo Binnen het kasteel totdat genezen Hun moeder was, en toen na deze 21670 Voerden ze haar met hen te Londen waart, En hun jonge broeder met een vaart, En ze lieten van hun lieden een deel, Om daar te behouden het kasteel; Ook zwoeren die kinderen, dat nimmermeer 21675 Haar vader krijgt haar moeder weer, Hij zou verzoend zijn eer ter ure Tegen hun oom, koning Arthur. Dus was die moeder blij ter plaatse, Toen ze de kinderen hoorde zeggen dat. 21680 Ze werden te Londen goed ontvangen. Toen liet Gawein vragen gelijk, Of iemand de ridder kende daar, Die Gawein had gehaald daarnaar, Daar hij zijn moeder behoedde nu; 21685 Hem kende niemand, zeg ik u, Nog wisten ze waar hij gevaren is. Dit nieuws ging zo ver na dit, Dat Does het vernam, die erg verstandig was, En ging tot Gawein na dat, 21690 En zei: “Gawein, ken ge iets nu Diegene die de boodschap bracht u Van Sagrimore en voortaan Van Ywein te Bredigan?” Gawein zei: “van deze of genen 21695 Zo kende ik er niet een”. Toen lachte Does erg zeer; Dus verwonderde Gawein zich nog meer, Waarom dat hij lachte alzo; Daar bezwoer hij Does toen 21700 Bij de trouw, die hij is schuldig aan Arthur, Dat hij het hem zeggen zou ter ure. Does zei: “ge hebt gezworen mij En ik moet u zeggen daarbij, Maar ge moet me beloven voorwaar, 21705 Dat gij het niemand zal zeggen daarnaar”. Gawein zei toen: “neen ik, niet”. Does zei: “nu merk op en ziet: Dit was Merlijn, al zonder waan, Die zich veranderde, als hij wil, gelijk 21710 In alle manieren, groot en klein, En alle dingen ook weet algemeen”. “Hoe, zei Gawein, “is dat die man, Die de duivel hier vroeger won 241 Aan een jonkvrouw, en die na dat 21715 Zo goed met Uter-Pandragon was?” “Diezelfde is dat”, zei Does daar. “God, Heer!” zei Gawein daarnaar, “Hoe mocht dat immermeer geschieden, Dat ik hem alzo heb gezien 21720 In dusdanige vele manieren nu?” “Hij is dezelfde, zeg ik u”, Zei Does, “want hij dat met geweld Met nigromantie doet, wat hij wil”. Toen zegende hem Gawyn daar 21725 Van het grote wonder, en zei daarnaar, Dat hij graag met hem zou wezen Bekend, “want ik weet wel van deze, Dat hij ons bemint, zoals hij dus deed Deze dingen door ons”. Toen zei Does mede: 21730 “Ge zal hem zien, wilde hij, Want wat we zeggen onder u en mij, Dat weet hij allemaal nu”. Dus bleven ze te Londen, zeg ik u, En behielden dat land tegen de Sennen daar 21735 Dapper en goed voorwaar. Hier zwijgt dit boek van deze nu, En zal van Merlijn zeggen u. |
Van Merlyne ende siner prophecien, ende van Blasyse, sinen meester. Nu zegget voert die aventure, Doe Gawyn bescut hadde ter ure 21740 Sine moeder, daer hem die ridder toe Hier vor geleit hadde alsoe, Doe sciede hi van Gawyne te hant, Hi voer in Nortomberlant, Ende dit was Merlijn die nu vaert 21745 Te Blasise sinen meester waert, Ende telde hem al daventure na des Die in den lande van Logres gescien es, Ende Blasys screef dat, groet ende smal, Ende van hem so wetewy dat al. 21750 Doe hine gesproken hadde, nadien Zeide hi, hi moeste varen besien Dat koninckrycke van Bonewijc, “Dattet negenen scade neme sekerlijc; Want die koninck Bohort ende koninck Ban 21755 Sijn twe herde getrouwe man, Ende lietic hem scade doen, dat waer sonde, Want si sijn nu ter stonde Te Carmelyde metten koninck Arture; Want die koninck Claudes es nu ter ure 21760 Man worden des koninges van Gales Ende sijn lant opgedragen, ende es Met hem te Romewaert vorwaer Haer lant van den keyser daernaer Beide tontfane op die maniere, 21765 Dat hem die keyser sal senden sciere Soccoers op Bonewyke nu Ende Gaunes te destrueeren, seggic iu; Entie van Rome sijn nu oec mede Getrocken met vele liede ter stede, 21770 Ende si sijn bevolen, wet vorwaer, Pontes [ende] Antonys te leidene daer; Hem es bevolen, dat sise begomen, Dene was een radesman te Rome Ende es een rikeman, dat wet, 21775 Ende dor haer vrientscap komet met Frolles, een hertoge, die oec es Antonys [ende] Pontes maech, zijt zeker des, Ende brenget ute Aelmanyen daer Twintichdusent man, wet vorwaer, 21780 Entes en weten die van Gaunes niet No die van Bonewyck, dat dit verdriet Hem aldus nu nakende es, Ende souden groten scade hebben des Quamensi op hem daer onversien”. 21785 Doe die Blasys hoerde began hi mettien Te wenene, ende zeide te Merlyne saen: “Lieve meester, gy moet nu staen In staden Kerstenhede als te voren, Dattet niet en werde verloren”. 21790 Merlijn zeide: “es dat nacht ochte dach, Ic sal hem helpen waer ic mach, Ende in rade ende in dade met; Nochtan en es negeen lant, dat wet, Dat ic met rechte meer haten soude nu 21795 Dan dat lant daer, seggic iu, Want die wolvinne es nu komen daer, Die den lewe sal binden vorwaer Met banden, die niet en zullen zijn Van houte nochte oec yserijn 242 21800 Noch van sylver noch van goude Noch van lode noch met gewoude Van negenen dinge, dat nu den dach Water noch aerde gedragen mach. Nochtan sal hi so vaste zijn gebonden 21805 Ende so nauwe, dat hi ten stonden Hem niet verroeren en sal daerby” “God, Here!” sprac Blasys, “wat zegdy? En es die lewe niet veel sterker dan Ende meer oec ontsien daeran 21810 Dan die wolf?” - “Ja hi”, zeide hi doe, “Ende dese woert horen myselven toe”, Zeide Merlijn, “nochtan en sal ic niet Deser dinge my konnen gehoeden iet: Met deser wolvinnen meent hi een wijf, 21815 Die sint so bant den keytijf Met woerden, die hi haer selve leerde, Daer sine embermeer mede onteerde, Als iu dit boeck hierna wel Altemale van hem seggen sel”. 21820 Blasys zegende hem ombe die woert, Ende vragede ombe dat lant van Gales voert Dat die Sennen nu woesten sere, Wat des gewerden soude vortmere. “Des en roeket iu niet”, zeide hy, 21825 “Want die koninck Artur sal daerby Bet te vrede komen dan tonder wesen Den elven baronen, ende na desen Sal hi die Sennen doen rumen saen; Ende bander side, zuldy verstaen, 21830 En dade die grote vrientscap mede Van den wonderliken luparde ter stede Die komen sal uten koninckrike Van Bonewijc, die sekerlike So groet sal sijn ende so sterc mede 21835 Ende so fier in elker stede Boven alle beesten, groet ende clene; Ende uten bloienden Bertanien gemene Sal komen die grote lewe daernaer. Dien alle beesten, wet vorwaer, 21840 Nygen sullen, ende daerby oec al Die hemel mede verklaren sal; En waer dit niet, so en pijnde ics niet Den lande te belettene dit verdriet, Daer nu Bonewyc in komen soude; 21845 Ende ombedat my God met gewoude Den zin hevet gegeven ter uren, Dat ic soude helpen, dat daventure Van den Grale soude komen nu Tenen inde, ende oec by iu 21850 Ende by des koninck Arturs tyden mede So sal ic pinen hierombe ter stede, Hoe dese dinge sullen mogen gescien; Nu en vraget my niet meer van dien”. Blasys, diet al hevet verstaen 21855 Settet in gescrifte, sonder waen, Ende Merlijn voer te Bonewijcwaert, Ende hevet hem daer geopenbaert Leonsen van Parne, diene mettien Bekende, want hine hadde gesien 21860 Te voren in des koninck Arturs lant; Hi dede hem grote feeste te hant, Ende Leonse zeide tot Merlijn nu: “Gerne wistic een dinc van iu”. Merlijn zeide: “ic weet dat also wel als gy, 21865 Wat gy nu hier wilt vragen my”. Leonse zeide doen: “of gy dat wet, So zegget dat my dan, ic lyes iu met”. “Ic wilt doen”, zeide Merlijn nu, “Want ic herde lief hebbe iu: 21870 Gy wilt my vragen, by karitaten, Waer ic die drie koninge hebbe gelaten, Ende waerombe ic hier ben komen mede”. Leonse zeide: “my dunckt gijt wetet ter stede; Des hadde ic wille te vragene iu 21875 Oec zoudict gerne weten ter steden nu”. “Ic salt iu zeggen”, zeide Merlijn doe: “Die prophecie es nu komen toe, Dat dat serpent sal iagen ter stede Den lupart uten wilden woude mede 21880 Enten ouden lewe, die daer te voren So sterc was ende so verkoren, Dat hem alle die beesten, twaren, Negen, die daer ombe hem waren; Ende gy hebbet enen quaden gebuer, 21885 Die Claudes heet, ende herde stuer, Ende hevet sijn lant ontvaen dor des Van den coninge van Gales Ende van den keyser van Rome mede, Ende hebben hem hulde gesworen bede, 243 21890 Entie keyser hevet hem gelovet te hant Hem nu te destrueerne dit lant, Ende een hertoge mede, heet Frolles, Die van Aelmanien komet na des, Dese willen dat lant wynnen saen; 21895 Maer dat en sal na haren wille niet gaen. Ombedit ben ic hier komen tot iu, Ende gy alombe sult ontbieden nu Iu vrient ende iu mage mede, Ende al dat koren ende dat quick ter stede 21900 Doet driven in gewarender hant, Ombedat, alsi komen in dit lant, Datsi negeen dinck vinden dan, Daer si mogen vangen an Ocht daer si van mogen doen scade. 21905 Oec sijn si worden des te rade, Datsi iu vreeslijc zullen oplopen; Maer doet hem dat weder so sere bekopen, Dat men daeraf spreke embermere, Ende gy des hebbet lof ende ere; 21910 Maer hoedet iu also lief als gy hebbet nu Iuwe twe heren. Dat verbiede ic iu, Dat gy niet uter stede en keert, Want gy zoudet werden al onteert; Ende wet wel gy sult hebben saen 21915 Groete hulpe sonder waen Des Goensdachs na Sinte Jans dach, Want, als ic iu seggen mach, So sal die strijt sijn tuscen Trebes dan Tuscen Loire ende Arsonne vortan 21920 Twe ueren vor den dage, sijt gewes; Daer sullen die Romeine entie van Gales Entie van almanien oec mede wesen Gelogiert; dan trecket iu na desen, So gy hemelikest moget, te hant, 21925 Dor dat foreest van Darvant, Ende en doet dit niemanne te verstane Sonder Pharyne ende Graciane, Dese twe sijn getrouwe ende goet; Nu siet, dat gy den orber wel doet, 21930 God hoede iu, ic vare henen nu!” “Waer zuldy varen?” zeide Leonse. “Ic segget iu: Ic sal varen int lant van Carmelyden Toten drien koningen, nu ten tyden, Ende sal hem wysen ende oec leren 21935 Hoe si die Sennen sullen onteren Entie Gigante vangen mede; Daer sal groet nu zijn ter stede Die batalie in den Sinxendagen Des Donredages, sonder sage, 21940 Dat men nie sach desgelijc”. “Here, nu biddic iu vriendelijc, Dat gy myne neven groetet my, Die twe koninge, ende oec daerby Den koninck Artur, des biddic iu”. 21945 “Ic salt gerne doen”, zeide Merlijn nu. Doe reet hi enwech, ende quam nadas An enen casteel, die scone was, Daer ene joncfrouwe op woende doe; Entie casteel stont alsoe 21950 An ene scone valeye daer Op enen berch ront vorwaer; Een bosc stont daerby, heet Briokes, Daer herde goet in iagen es Herte, hinden, ende damen mede. 21955 Die joncfrouwe, daer ic iu af zeide, Was dochter eens mans, hiet Dyonas Ende Vrou Dyane quam dicke vor das, Die Godinne van den woude was mede, Ende was by Dyonas te meneger stede, 21960 Want hi was haer pete doe; End daersi van hem soude sceiden alsoe Gaf si hem gichte also houde, Dat hem vele goedes gescien soude, Ende si zeide doe Dyonas: 21965 “Die mane entie sterren geven dy das, Dattu ene dochter zals wynnen dan, Die lief sal hebben die vroedeste man Die van Vertegiers tyden ie was; Ende ombe die mynne, sijt seker das, 21970 Sal hi haer leren al die wijshede Die ienech wijf mach konnen mede, Ende al datsi hem bit sal hi ane gaen, Ende doer horen wille al zijn gedaen”. Dit gaf Vrou Dyane in gichten Dyonas; 21975 Daerna, alse Dyonas groet was, Wart hi een goet ridder ende een scone, Ende diende lange tijt na dat gone Den hertoge van Borgonien soe, Dat hi hem sine nichte gaf doe, 244 21980 Die herde scone ende vroet was. Dese Dyonas mynde, zijt seker das, Vogele ende honde, in siner kinthede, Ende dese hertoge hadde oec mede Deel an den bosce van Briokes, 21985 Sodat die helchte sine es, Entie ander was des koninck Bans; Ende doe die hertoge gehuwede thants Sine nichte, so gaf hi haer Sijn deel van den bosce daernaer 21990 Ende al dat goet, dat hi hadde daer. Sose Dyonas hadde vorwaer, Dade hi doe in den woude maken saen Enen sconen casteel, sonder waen, Op enen sconen viver al wt, 21995 Ombe van jagene hebben deduut, Ende met vogelen ende met honden Te korten daer nu sine stonden. Dus quam hi wonende opten dan; Hi was dicke metten koninck Ban 22000 Ende halp hem met tien riddren snel Te menegen stonden herde wel Tegen den koninck Claudas, Want hi den koninck Ban getrouwe was Enten koninck Bohort mede; 22005 Ende ombe sinen dienst ende trouwechede Gaf hem die koninck Ban daernaer Dander helchte van den bosce daer, Ende rente ende lant mede, dat wet, Ewelyc te hebben, ende sine erven met. 22010 Ende Dyonas was so dogentlijc doe, Die daermede ombe gingen dat sine alsoe Daerombe minden. Dus woende hi daer Lange, ende wan ene dochter daernaer An sinen wive, die heet Nymiane, 22015 Die was van herde scoener gedane; Ende Nymiane es in Dietsce nu Also vele te seggene, leric iu, Alse “in sals niet doen”; ende dit woert Sal op Merlyne al keren voert, 22020 Als gy hierna sult horen wel. Dese joncfrouwe wies op; daerna gevel, Doe Merlijn orlof hadde genomen An Leonsen, dat hi es komen In den wout van Briokes voertan, 22025 Ende nam die gedane van enen ouden man Ende ginck ter fonteynenwaert saen, Daer die viver af quam, sonder waen; Entie fonteyne was herde scone doe, Entie gront sceen onder toe, 22030 Ocht hi al te male silveren waer, So sere blicte dat sant daernaer; Ende optie fonteine quam Nymiane, Dickewile spelen, dor sijn scone gedane; Ende oec was si nu daer komen alsoe, 22035 Daer Merlijn doe quam gaende toe Ende als hise sach, dachte hi saen, Datsi scone was ende welgedaen, Ende besachse daerombe te meer. Doe zeide hi voert, dat waer onneer, 22040 Dat hi sine konst ende sine sin Ombe haer verliesen soude meer ende min; Ende als hi lange gedacht hevet alsoe, Ginck hi tot haer ende groette se doe. Doe antworde si hem ende zeide sint: 22045 “God, die alle herten nu kint, Die geve iu te willen nu voertmeer, Dat iu goet sij ende niet en deer, Ende negeen man el, ende geve iu mede Also vele alse ic sleve ter stede 22050 Hebben woude”. Doen hi hoerde dit, Ginck hi optie fonteyne ende sit, Ende vragede der joncfrouwen wie si es; Ende si zeide tot hem nades: “Ic ben eens edel ridders dochter nu, 22055 Ende in den castele wonic, seggic iu; Ende wie zijdy?” zeidesi dan. “Joncfrou”, zeide hi, “een wandrende man, Ende soecke minen meester, wat ic mach, Die my scone konst te lerene plach”. 22060 “Wat konste leerde hi u?” sprac die joncfrouwe. “Hi leerde my”, zeide hy, “by myner trouwe, Dat ic wel enen casteel hier soude Te hant doen staen opdat ic woude, Daer vele liede in souden sijn nu; 22065 Noch zoudic wel meer doen, seggic iu, Ic soude wel over desen viver gaen Ende myne voete niet netten, sonder waen, 245 Oec soudic ene rivier, zijt zeker das, Doen loepen, daer negeen en was”. 22070 “By Gode”, zeide die joncfrou ter stede, “Dit zijn konste! oec woudic mede Dat ic se konde ende my herde vele Hadde gekostet!” - Noch kan ic ander spele”, Zeide Merlijn, “want men soude mogen niet 22075 Negeen spel nu gevisieren iet, Ende also lange als ict woude doen duren Dat condic wel maken nu ter uren”. “By Gode”, zeide die joncfrou nu, “Waer dat iu wille, so soudic van iu 22080 Gerne leren uwer konst ter stede, Ende op die vorwaerde, dat ik daermede Iu vriendinne ende iu amye waer; Dit woudic iu geloven wel openbaer”. “By Gode”, zeide doe Merlijn, 22085 “Joncfrouwe, gy dunket my so soete sijn Ende so mynlyc ende so scone mede, Dat ic nu alhier ter stede Van myner konst wil tonen iu Opdat gy myne vriendinne wilt wesen nu, 22090 Want ander dinc en eesc ic niet een twint”. Die joncfrouwe wilkoerde dat doe sint, Die haer niet en hoede tegen baraet; Ende Merlijn nu daer besyden gaet, Ende makede enen caryn, ter stede, 22095 Met ener roeden, ende quam doe mede Neven der joncfrouwen sitten naer. Niet lange en haddi geseten daer, So quamen ridder ende vrouwen Uten foreeste gereden, ende joncfrouwen 22100 Ende knapen een goed deel met, Ende hielden hant in hant, dat wet, Ende quamen al singende alle mede, Ten mochte iu nieman vertellen gerede; Ende daervor quamen trompenaren 22105 Ende gingen in den caryn daernare Dat Merlijn gemaket hadde daer; Ende doe si daer inquamen naer, Begondensi dansen ende reyen alsoe Men kondet half niet vertellen; doe 22110 Dade Merlijn enen casteel daer staen Die herde scone was gedaen, Ende daert herde wel roek ter stede, Ende daer bloemen ende vrucht stont mede, Die soete lucht gaven daer. 22115 Doe si dit sach, wart si daernaer Herde seer verscricket alsoe Van den wonder, datsi sach doe. Sine wiste niet wat anegaen, Si was oec tongemake, sonder waen, 22120 Datsi die liedekine en konde niet Verstaen, wat si daerombe merket ende spiet Dan dat reprys, ende dit was nu Als ic hier sal seggen iu: “Mynne begint met feesten openbaer, 22125 Ende si indet met rouwen swaer”. Dit duerde aldus, des seker sijt, Van der nonen toter vespertijt, Ende men hoerde daer herde verre nu Haren sanck, dat seggic iu, 22130 Want si songen hoge ende claer; Ende desen sanck hoerden daernaer Die in den castele waren doe, Daer die ioncfrouwe hoerde toe, Ende quamen al wt ende zagen hier 22135 Den sconen casteel staen in dat vergier, Entie dans ende rey was so groet, Sine sagen nie des genoet; Hem wonderde sere van den castele Ende van den vergiere in enen dele, 22140 Datsi nie so scone en sagen nu; Ende van den vrouwen, seggic iu, Ende van den ioncfrouwen wonderdem das, Dat elke so wael gepareert was. Ende doe die dans lange hadde gewesen, 22145 Gingen die vrouwen ende ioncfrouwen na desen Sitten in dat groene gras, Entie ridders oec nadas Rechten ene quinteine daer, Ende gingen al boerdende daernaer; 22150 Ende bander syde joesteerden, seggic iu, Die joncheren tegen die knapen nu Ende al in der prayeryen doe. Ende Merlijn quam toter joncfrouwen alsoe Ende namse metterhant daer nu, 22155 Ende zeide: “ioncfrouwe, wat dunket iu?” “Soetelief”, zeidesi, “dat behaget so my, Dat ic al te male iu eygen sy”. “Joncfrou, nu hout myne vorwaerde dan”. 246 “By Gode, dat sij vor alle man, 22160 Maer gy en hebbet my noch niet gedaen Dat gy my gelovet te leerne saen”. Merlyn zeide: “ic salt leren iu, Ende gy sult dat scryven nu Want gijt wel konnet, ende oec zijdy 22165 Wel geleert”, dat zeide hy. “Wat wety”, zeidesi, “dat ic scryven kan Ende dat ic geleert ben daeran?” “Dat wetic wel”, zeide hi doe, “Want mijn meester leerde my alsoe 22170 Dat ic weet al dat men doet”. “By Gode”, zeide die ioncfrou goet, “Dat es die scoenste konst, here, Die ic noch sach entie ic ere Leren soude; ende wety iet van dien 22175 Dingen, die nu sullen gescien?” “Ja ic”, zeide hi, “mijn soetelief, wel”. “God, Here”, zeide si, “wat soeckty nu el? Gy moget nu wel laten genoegen iu”. Al dese wile datsi spraken nu, 22180 Gingen hant in hant, in snelre vaert, Ridder ende vrouwen te boscewaert Al singende, ende onlanges daernaer Wast vervaren, si en wisten waer: Die casteel entie dans vervoer al hier, 22185 Sonder allene dat vergier, Dat bleef daer staende lange nadat, Ombedat hem des die joncfrouwe bat; Endet vergier hiet men daer doe “Die stede van vrouden” ember toe. 22190 Doe woude Merlijn enwech sijn gekeert; “Wat?” zeidesi, “ik en ben noch niet volleert”. Merlijn zeide: “gy komet daer tyde genoech toe Want te leerne behoert stade alsoe, Ende oec en ben ic niet seker nu 22195 Van uwer minnen, dat zeggic iu”. Ende wat zekerheden wildy Dat ic iu doe, dat segget my”. “Ic wille, dat gy my iu trouwe gevet, Mijn lief te sijn also lange als gy levet, 22200 Ende mynen wille met iu te done”. Die joncfrou bedachte haer ombe datgone, Ende zeide: “dit sal ic doen daerby In dien dat gy eerst leret my Al dat ic wille”. Ende hi zeide saen: 22205 “Aldus wil ic dat hier anegaen”; Ende si gaf hem haer trouwe alsoe. Daer leerde Merlyn der joncfrouwen doe Ene rivier te makene nu Waer si woude, dat seggic iu, 22210 Ende staende also lange alsi woude; Ander konst leerde hi haer menechfoude, Die si screef alle daernaer. Dus was hy toter vespertijt daer, Doe nam hi orlof ende woude gaen; 22215 Doe vragede hem die joncfrouwe saen, Welke tijt hy weder konde komen daer? “In Sinte Jans avende”, zeide hi, “vorwaer Sal ic hier weder tot iu komen”. Dus hevet Merlijn orlof genomen, 22220 Ende voer te Carmelydewaert saen. Hier laet dit boeck sijn spreken staen Van Merlyne, ende segget voert, seggic iu, Van den koninck metten C. ridders nu, Die sine boden wt hevet gesant, 22225Als ic iu hiervor dede bekant. |
Van Merlijn en zijn profetieën en van Blasys, zijn meester. Nu zegt voort het avontuur, Toen Gawein behoed had ter ure 21740 Zijn moeder, daar hem die ridder toe Hiervoor geleid had alzo, Toen scheidde hij van Gawein gelijk, Hij voer in Northumberland, En dit was Merlijn die nu vaart 21745 Tot Blasys zijn meester waart, En vertelde hem alle avonturen na dit Die in het land van Londen gebeurd is, En Blasys schreef dat, groot en smal, En van hem zo weten we dat al. 21750 Toen hij hem gesproken had, nadien Zei hij, hij moest varen om te bezien Dat koninkrijk van Bonewick, “Dat het geen schade neemt zekerlijk; Want koning Bohort en koning Ban 21755 Zijn twee erg trouwe man, En liet ik hen schade doen, dat was zonde, Want ze zijn nu ter stonde Te Carmelide met koning Arthur; Want koning Claudes is nu ter ure 21760 Man geworden van de koning van Gales En zijn land opgedragen, en is Met hem te Rome waart voorwaar Hun land van de keizer daarnaar Beide te ontvangen op die manier, 21765 Dat hem de keizer zal zenden snel Hulp op Bonewick nu En Gaunes te vernietigen, zeg ik u; En die van Rome zijn nu ook mede Getrokken met veel lieden ter plaatse, 21770 En ze zijn aanbevolen, weet voorwaar, Pontes en Antonys te leiden daar; Hen is bevolen, dat ze bezien, De ene was een raadsman te Rome En is een rijke man, dat weet, 21775 En door hun vriendschap komt mee Frolles, een hertog, die ook is Antonys en Pontes verwant, zij het zeker dit, En brengt uit Duitsland daar Twintigduizend man, weet voorwaar, 21780 En dit weten die van Gaunes niet Nog die van Bonewick, dat dit verdriet Hen aldus nu aanstaande is, En zouden groten schade hebben dus Kwamen ze op hen daar onvoorzien”. 21785 Toen dit Blasys hoorde begon hij meteen Te wenen, en zei tot Merlijn gelijk: “Lieve meester, ge moet nu staan In vaste christenheid zoals te voren, Dat het niet wordt verloren”. 21790 Merlijn zei: “is dat nacht of dag, Ik zal hen helpen waar ik mag, En in raad en in daad mee; Nochtans is er geen land, dat weet, Dat ik met recht meer haten zou nu 21795 Dan dat land daar, zeg ik u, Want de wolvin is nu gekomen daar, Die de leeuw zal binden voorwaar Met banden, die niet zullen zijn Van hout nog ook ijzeren 242 21800 Nog van zilver nog van goud Nog van lood nog met geweld Van geen dingen, dat nu ter dag Water nog aarde dragen mag. Nochtans zal hij zo vast zijn gebonden 21805 En zo nauw, dat hij ten stonden Zich niet verroeren zal daarbij” “God, Heer!” sprak Blasys, “wat zeg jij? Is die leeuw niet veel sterker dan En meer ook te ontzien daaraan 21810 Dan de wolf?” - “Ja hij”, zei hij toen, “En deze woorden horen mezelf toe”, Zei Merlijn, “nochtans zal ik niet Deze dingen me kunnen behoeden iets: Met deze wolvin bedoelt hij een wijf, 21815 Die hem sinds zo bond ellendig Met woorden, die hij haar zelf leerde, Daar ze hem immermeer mee onteerde, Zoals u dit boek hierna wel Alles van hem zeggen zal”. 21820 Blasys zegende hem om dat woord, En vroeg om dat land van Gales voort Dat de Sennen nu verwoesten zeer, Wat er dus van worden zou voort meer. “Dat raakt u niet”, zei hij, 21825 “Want koning Arthur zal daarbij Beter tot vrede komen dan ten onder wezen De elf baronnen, en na deze Zal hij de Sennen doen ruimen gelijk; En aan de andere zijde, zal ge verstaan, 21830 Deed de grote vriendschap mede Van de wonderlijke leeuw ter plaatse Die komen zal uit het koningrijk Van Bonewick, die zekerlijk Zo groot zal zijn en zo sterk mede 21835 En zo fier in elke plaats Boven alle beesten, groot en klein; En uit bloeiend Breragne algemeen Zal komen die grote leeuw daarnaar. Daar alle beesten, wet voorwaar, 21840 Buigen zullen, en daarbij ook al De hemel mede verlichten zal; En was dit niet, zo dacht ik dit niet Het land te beletten dit verdriet, Daar nu Bonewick in komen zou; 21845 En omdat me God met geweld De geest heeft gegeven ter uren, Dat ik zou helpen, dat het avontuur Van de Graal zou komen nu Tot een einde, en ook bij u 21850 En bij koning Arthurs tijden mede, Zo zal ik denken hierom ter plaatse, Hoe deze dingen zullen mogen geschieden; Nu vraag me niet meer van die”. Blasys, die alles heeft verstaan 21855 Zette het in schrift, zonder waan, En Merlijn voer te Bonewick waart, En heeft zich daar geopenbaard Leonse van Parne, die hem meteen Herkende, want hij had hem gezien 21860 Tevoren in koning Arthurs land; Hij deed hem groot feest gelijk, En Leonse zei tot Merlijn nu: “Graag wist ik een ding van u”. Merlijn zei: “ik weet dat alzo goed als gij, 21865 Wat ge nu hier wilt vragen aan mij”. Leonse zei toen: “als ge dat weet, Zo zeg het dat me dan, ik lees met u mee”. “Ik wil het doen”, zei Merlijn nu, “Want ik erg lief heb u: 21870 Ge wil me vragen, bij liefdadigheid, Waar ik de drie koningen heb gelaten, En waarom ik hier ben gekomen mede”. Leonse zei: “het lijkt me dat ge weet ter plaatse; Dus had ik willen vragen aan u 21875 Ook zou ik het graag weten ter plaatse nu”. “Ik zal het u zeggen”, zei Merlijn toen: “Die profetie is nu gekomen toe, Dat het serpent zal verjagen ter plaatse De leeuw uit het wilde woud mede 21880 En de oude leeuw, die daar tevoren Zo sterk was en zo uitverkoren, Zodat hem alle beesten, te waren, Buigen, die daarom hem heen waren; En ge hebt een kwade buur, 21885 Die Claudes heet, en erg stuur, En heeft zijn land ontvangen door dit Van de koning van Gales En van de keizer van Rome mede, En hebben hem hulde gezworen beide, 243 21890 En de keizer heeft hem beloofd gelijk Hem nu te vernietigen dit land, En een hertog mede, heet Frolles, Die van Duitsland komt na dit, Deze willen dat land overwinnen gelijk; 21895 Maar dat zal naar hun wil niet gaan. Vanwege dit ben ik hier gekomen tot u, En ge alom zal ontbieden nu Uw vrienden en uw verwanten mede, En al dat koren en dat snel ter plaatse 21900 Laat drijven in gewapende hand, Omdat, als ze komen in dit land, Dat ze geen ding vinden dan, Daar ze mogen vangen aan Of daar ze van mogen doen schade. 21905 Ook zijn ze geworden aldus te rade, Dat ze vreselijk tegen u zullen oplopen; Maar laat hen dat weer zo zeer bekopen, Dat men daarvan spreekt immermeer, En ge dus hebt lof en eer; 21910 Maar behoed u alzo lief als ge hebt nu Uw twee heren. Dat verbied ik u, Dat ge niet uit de stede keert, Want ge zou worden geheel onteerd; En weet wel ge zal hebben gelijk 21915 Grote hulp zonder waan De woensdag na Sint Jans dag, Want, zoals ik u zeggen mag, Zo zal die strijd zijn tussen Trebes dan Tussen Loire en Arsonne voortaan 21920 Twee uren voor de dag, zij het gewis; Daar zullen de Romeinen en die van Gales En die van Duitsland ook mede wezen Gelogeerd; dan vertrekt u daarnaar deze, Zo geheim, als ge kan, gelijk, 21925 Door dat bos van Darvant, En laat dit niemand verstaan Uitgezonderd Pharyne en Graciane, Deze twee zijn getrouw en goed; Nu ziet, dat ge het voordeel goed doet, 21930 God behoede u, ik ga heen nu!” “Waar zal ge gaan?” zei Leonse. “Ik zeg het u: Ik zal gaan in het land van Carmelide Tot de drie koningen, nu ten tijden, En zal hen wijzen en ook leren 21935 Hoe ze de Sennen zullen onteren En de giganten vangen mede; Daar zal groot nu zijn ter plaatse Die slag in de Pinksterdagen De donderdag, zonder sage, 21940 Dat men niet zag dergelijks”. “Heer, nu bid ik u vriendelijk, Dat ge mijn neven groet van mij, De twee koningen, en ook daarbij Koning Arthur, dus bid ik u”. 21945 “Ik zal het graag doen”, zei Merlijn nu. Toen reed hij weg, en kwam na dat Aan een kasteel, die mooi was, Daar een jonkvrouw op woonde toen; En het kasteel stond alzo 21950 Aan een mooie vallei daar Op een ronde berg voorwaar; Een bos stond daarbij, heet Briokes, Daar erg goed in te jagen is Hert, hinden en damhert mede. 21955 De jonkvrouw, daar ik u van zei, Was dochter van een man, heet Dyonas En vrouw Diana kwam vaak door dat, Die Godin van het wild was mede, En was bij Dyonas te menige plaats, 21960 Want hij was haar peet toen; En toen ze van hem zou gaan alzo Gaf ze hem giften alzo te houden, Zodat hem veel goeds geschieden zou, En ze zei toen tegen Dyonas: 21965 “De maan en de sterren geven u dat, Dat u een dochter zal winnen dan, Die lief zal hebben de verstandigste man Die van Vertegiers tijden iets was; En vanwege die minne, zij het zeker dat, 21970 Zal hij haar leren alle wijsheden Die enige vrouw mag kennen mede, En alles dat ze hem bidt zal hij aangaan, En door haar wil al zijn gedaan”. Dit gaf vrouw Diana in giften Dyonas; 21975 Daarna, toen Dyonas groot was, Werd hij een goede ridder en een mooie, En diende lange tijd na datgene De hertog van Bourgondië zo, Dat hij hem zijn nicht gaf toen, 244 21980 Die erg mooi en verstandig was. Deze Dyonas minde, zij het zeker dat, Vogels en honden, in zijn kindsheid, En deze hertog had ook mede Deel aan de bossen van Briokes, 21985 Zodat de helft de zijne is, En de andere was van koning Ban; En toen de hertog huwde gelijk Zijn nicht, zo gaf hij haar Zijn deel van het bos daarnaar 21990 En al dat goed, dat hij had daar. Toen Dyonas het had voorwaar, Liet hij toen in het woud maken gelijk Een mooi kasteel, zonder waan, Op een mooie vijver al uit, 21995 Om van jagen te hebben genoegen, En met vogels en met honden Te korten daar nu zijn stonden. Dus kwam hij wonen op dat dan; Hij was dik met de koning Ban 22000 En hielp hem met tien ridders snel Te menige stonden erg goed Tegen koning Claudas, Want hij aan koning Ban getrouw was En koning Bohort mede; 22005 En vanwege zijn dienst en trouwheden Gaf koning Ban hem daarnaar De andere helft van het bos daar, En rente en land mee, dat weet, Eeuwig te hebben, en zijn erven mee. 22010 En Dyonas was zo deugdelijk toen, Die daarmee omging dat ze hem alzo Daarom beminden. Dus woonde hij daar Lang, en won een dochter daarnaar Aan zijn vrouw, die heet Nymiane, 22015 Die was van erg schone gedaante; En Nymiane is in Dietse nu Zoveel te zeggen, leer ik u, Als “ik zal het niet doen”; en dit woord Zal op Merlijn al slaan voort, 22020 Zoals ge hierna zal horen wel. Deze jonkvrouw groeide op; daarna gebeurde, Toen Merlijn verlof had genomen Aan Leonse, dat hij is gekomen In het woud van Briokes voortaan, 22025 En nam de gedaante van een oude man En ging ter fontein waart gelijk, Daar de vijver van kwam, zonder waan; En die fontein was erg mooi toen, En de grond scheen er onder toen, 22030 Of die geheel van zilver was, Zo zeer blonk dat zand daarnaar; En bij de fontein kwam Nymiane, Vaak spelen, vanwege zijn mooie gedaante; En ook was ze nu daar gekomen alzo, 22035 Daar Merlijn toen kwam gaan toe En toen hij haar zag, dacht hij gelijk, Dat ze mooi was en welgedaan, En bezag haar daarom te meer. Toen zei hij voort, dat was oneer, 22040 Dat hij zijn kunst en zijn geest Vanwege haar zou verliezen meer of min; En toen hij lang gedacht heeft alzo, Ging hij tot haar en begroette haar toen. Toen antwoordde ze hem en zei sinds: 22045 “God, die alle harten nu kent, Die geeft u te willen nu voort meer, Dat u goed bent en niet deert, En geen man anders, geeft u mede Zoveel als ik zelf ter plaatse 22050 Hebben wilde”. Toen hij hoorde dit, Ging hij naar de fontein en zit, En vroeg de jonkvrouw wie ze is; En ze zei tot hem na dit: “Ik ben een edele ridders dochter nu, 22055 En in het kasteel woon ik, zeg ik u; En wie bent u?” zei ze dan. “Jonkvrouw”, zei hij, “een wandelende man, En zoek mijn meester, wat ik mag, Die me mooie kunst te leren plag”. 22060 “Welke kunsten leerde hij u?” sprak die jonkvrouw. “Hij leerde mij”, zei hij, “bij mijn trouw, Dat ik wel een kasteel hier zou Gelijk laten ontstaan als ik wilde, Daar veel lieden in zouden zijn nu; 22065 Nog zou ik wel meer doen, zeg ik u, Ik zou wel over deze vijver gaan En mijn voeten niet natten, zonder waan, 245 Ook zou ik een rivier, zij het zeker dat, Laten lopen, daar er geen was”. 22070 “Bij God”, zei die jonkvrouw ter plaatse, “Dit zijn kunsten! ook wilde ik mede Dat ik ze kon en me erg veel Had gekost!” - Nog kan ik andere spelen”, Zei Merlijn, “want men zou mogen niet 22075 Geen spel nu versieren iets, En zolang als ik het wilde laten duren Dat kon ik wel maken nu ter uren”. “Bij God”, zei die jonkvrouw nu, “Was dat uw wil, zo zou ik van u 22080 Graag leren uw kunst ter plaatse, En op die voorwaarden, dat ik daarmee Uw vriendin en uw liefste was; Dit wil ik u beloven wel openbaar”. “Bij God”, zei toen Merlijn, 22085 “Jonkvrouw, ge lijkt me zo zo lief te zijn En zo beminnelijk en zo mooi mede, Dat ik nu alhier ter plaatse Van mijn kunst wil vertonen u Opdat ge mijn vriendin wil wezen nu, 22090 Want ander ding eis ik niet een wind”. De jonkvrouw stemde dat toen sinds, Die haar niet behoedde tegen beraad; En Merlijn nu daar bezijden gaat, En maakte een kamer (?), ter plaatse, 22095 Met een roede, en kwam toen mede Naast de jonkvrouw zitten daarnaar. Niet lang hadden ze gezeten daar, Zo kwamen ridders en vrouwen Uit het bos gereden, en jonkvrouwen 22100 En knapen een goed deel mee, En hielden hand in hand, dat weet, En kwamen al zingend allen mede, Dat mocht u niemand vertellen gereed; En daarvoor kwamen trompettisten 22105 En gingen in de kamer daarnaar Dat Merlijn gemaakt had daar; En toen ze daarin kwamen daarnaar, Begonnen ze te dansen en reien alzo Men kon het half niet vertellen; toen 22110 Liet Merlijn een kasteel daar staan Die erg mooi was gedaan, En daar het erg goed rook ter plaatse, En daar bloemen en vruchten stonden mede, Die zoete lucht gaven daar. 22115 Toen ze dit zag, werd ze daarnaar Erg zeer verschrikt alzo Van het wonder, dat ze zag toen. Zij wist niet wat aan te gaan, Ze was te ongemak, zonder waan, 22120 Dat ze die liedjes kon niet Verstaan, wat ze daarom merkt en spiedt Dan de herhaling, en dit was nu Zoals ik hier zal zeggen u: “Minne begint met feesten openbaar, 22125 En ze eindigt met rouw zwaar”. Dit duurde aldus, dus zeker is, Van de noen tot vespertijd, En men hoorde daar erg ver nu Hun gezang, dat zeg ik u, 22130 Want ze zongen hoog en helder; En deze zang hoorden daarnaar Die in het kasteel waren toen, Daar de jonkvrouw behoorde toe, En kwamen allen uit en zagen hier 22135 Dat mooie kasteel staan in dat groen, En de dans en rei was zo groot, Zij zagen niet een gelijke; Hen verwonderde het zeer van het kasteel En van het groen in een deel, 22140 Dat ze niet zo mooi zagen nu; En van den vrouwen, zeg ik u, En van de jonkvrouw verwonderde dat, Dat elke zo goed opgemaakt was. En toen de dans lang was geweest, 22145 Gingen de vrouwen en jonkvrouwen na deze Zitten in dat groene gras, En de ridders ook na dat Richten een doel daar, En gingen al grappende daarnaar; 22150 En aan de andere zijde spelen, zeg ik u, De jonkheren tegen de knapen nu En alles in de vlakte toen. En Merlijn kwam tot de jonkvrouw alzo En nam haar bij de hand daar nu, 22155 En zei: “jonkvrouw, wat denkt u?” “Zoetelief”, zei ze, “dat behaagt zo mij, Dat ik helemaal uw eigen zij”. “Jonkvrouw, nu hou mijn voorwaarde dan”. 246 “Bij God, dat zij voor alle man, 22160 Maar ge hebt me nog niet gedaan Dat ge me belooft te leren gelijk”. Merlijn zei: “ik zal het leren u, En ge zal dat opschrijven nu Want ge kan het wel, en ook ben jij 22165 Wel geleerd”, dat zei hij. “Wat weet gij”, zei ze, “dat ik schrijven kan En dat ik geleerd ben daarvan?” “Dat weet ik wel”, zei hij toen, “Want mijn meester leerde me alzo 22170 Dat ik weet alles dat men doet”. “Bij God”, zei die jonkvrouw goed, “Dat is de schoonste kunst, heer, Die ik nog zag en die ik eerder Leren zou; en weet ge iets van die 22175 Dingen, die nu zullen geschieden?” “Ja ik”, zei hij, “mijn zoetelief, wel”. “God, Heer”, zei ze, “wat zoekt u nu anders? Ge mag het nu wel laten vergenoegen u”. Al deze tijd dat ze spraken nu, 22180 Gingen hand in hand, in snelle vaart, Ridders en vrouwen te bos waart Al zingend, en niet lang daarnaar Was het verdwenen, ze wisten niet waar: Dat kasteel en de dans verdween al hier, 22185 Uitgezonderd alleen die kamer, Dat bleef daar staan lang nadat, Omdat hem dus de jonkvrouw bad; En de wagen noemde men daar toen “De plaats van vreugde” immer toe. 22190 Toen wilde Merlijn weg zijn gegaan; “Wat?” zei ze, “ik ben nog niet volleerd”. Merlijn zei: “ge komt daar tijdig genoeg toe Want tot leren behoort bestendigheid alzo, En ook ben ik niet zeker nu 22195 Van uw minne, dat zeg ik u”. “En welke zekerheden wil gij Dat ik u doe, dat zeg je mij”. “Ik wil, dat ge me uw trouw geeft, Mijn lief te zijn alzo lang als ge leeft, 22200 En mijn wil met u te doen”. Die jonkvrouw bedacht zich om datgene, En zei: “dit zal ik doen daarbij Indien dat ge eerst leert mij Alles dat ik wil”. En hij zei gelijk: 22205 “Aldus wil ik dat hier aangaan”; En ze gaf hem haar trouw alzo. Daar leerde Merlijn de jonkvrouw toen Een rivier te maken nu Waar ze wilde, dat zeg ik u, 22210 En staan zolang als ze wilde; Andere kunst leerde hij haar menigvuldig, Die ze opschreef alle daarnaar. Dus was hij tot de vespertijd daar, Toen nam hij verlof en wilde gaan; 22215 Toen vroeg hem die jonkvrouw gelijk, Welke tijd hij weer kon komen daar? “In Sint Jans avond”, zei hij, “voorwaar Zal ik hier weer tot u komen”. Dus heeft Merlijn verlof genomen, 22220 En voer te Carmelide waart gelijk. Hier laat dit boek zijn spreken staan Van Merlijn, en zegt voort, zeg ik u, Van de koning met de honderd ridders nu, Die zijn boden uit heeft gezonden, 22225 Zoals ik u hiervoor liet kennen. |
Van den tien baronen ende horen raet. Daventure segget hier ter steden, Dat des koninges boden so lange reden, Datsi tallen den vorsten na das Quamen, daer hem dat bevolen was. 22230 Ende haerre aller antworde was daer, Datsi alle te Sinxen daernaer Vergaderen souden ende beraden dan. Ende doe Sinxen was, quamen daeran Die barone te Lessester daernaer, 22235 Ende elc quam maer self vierde daer. Doe clagede elc sinen scade daer saen, Dat hem die Sennen hadden gedaen, Entie koninck Anguissant hadde nu Den meesten scade, dat zeggic iu; 22240 Oec zeide hi, hi hadde liever doet te syne Dan langer te dogene dese pyne. Die koninck metten Cridders, zeide daer: “Gy heren, ons waer, wetet vorwaer, Beter, dat wy voeren sterven nu 247 22245 In onses Heren dienste, seggic iu, Ende wreken onses Heren ande, ter stede, Ende onser vriende doet oec mede, Dan wy leven in desen rouwe, Die ons dagelikes es anscouwe, 22250 Want die Sennen doen ons scade groet; Oec es ons die meeste noet, Dat ons spise ontbreket tehant; Oec wety wel, dat in dit lant Negeen goet mach komen binnen; 22255 Negeen goet mach men hier winnen, Want die Sennen nemen ons dat mede, Ende wat wy hem doen ter stede, Dat en mach hem gescaden niet; Des dunket my beter, nu besiet, 22260 Dat wy alle op hem varen, Ende verkopen ons so diere, twaren Dat men daer ember meer afspreke”. Alle dander prinsen sekerleke Prijsden sere sinen raet ter stede, 22265 Ende accordeerden alle daermede. Doe setten si enen dach daernaer Te komen in een velt daer Van Suret, an enen casteel nadas, Die des hertogen van Cambenijc was, 22270 Ende dat elc daer bringe die hy mach, Achte dage na Marien Magdalenen dach. Doe sceidensi tharen lande waert, Ende elc ontboet daer mettervaert An vriende, an mage, in elker stede, 22275 Waer si se verkrigen konden mede; Die vergaderde elc nu ter stat. Ende doe si vergadert waren nadat, Voer elc metten sinen daernaer In die iegenode van Loveseph daer, 22280 Ende vergaderden daer nu alle mede Ende sloegen haer tenten daer ter stede Tuscen twe armen van der zee; Ende daer quam oec invallende mee Die riviere, die Saverne geheten sy, 22285 Ende daer was oec dat foreest by Van Briskeham, dat vol wildes was. Dus blevensi daer liggende nadas Ende ordineerden sonderlinge, Hoe si mochten haer dinge 22290 Handelen, ende hoe anegaen. Dus latic se liggen ordineren saen, Ende sal van Merline seggen ter stede Ende van den drien koningen mede, Ende hoe die koninck Artur Jenoveren wan; 22295 Hieraf sal ic iu seggen voertan, Ende hiermede indet dat ander boeck al Dier noch twe hier volgen sal. |
Van de tien baronnen en hun raad. Het avontuur zegt hier ter plaatse, Dat konings boden zolang reden, Dat ze tot alle vorsten na dat Kwamen, daar hen dat bevolen was. 22230 En hun aller antwoord was daar, Dat ze alle te Pinksteren daarnaar Verzamelen zouden en beraden dan. En toen het Pinkster was, kwamen daaraan De baron te Leicester daarnaar, 22235 En elk kwam maar zelf vierde daar. Toen klaagde elk zijn schade daar gelijk, Dat hem de Sennen had gedaan, En koning Anguissant had nu De meeste schade, dat zeg ik u; 22240 Ook zei hij, hij had liever dood te zijn Dan langer te gedogen deze pijn. De koning met de honderd ridders, zei daar: “Gij heren, ons was, weet voorwaar, Beter, dat we gaan te sterven nu 247 22245 In onze Heer zijn dienst, zeg ik u, En wreken onze Heer gelijk, ter plaatse, En de dood van onze vrienden ook mede, Dan we leven in deze rouw, Die ons dagelijks aanschouwt, 22250 Want de Sennen doen ons schade groot; Ook is ons die meeste nood, Dat ons spijs ontbreekt gelijk; Ook weet ge wel, dat in dit land Nee geen goed mag komen binnen; 22255 Neeg geen goed mag men hier winnen, Want de Sennen ontnemen ons dat mede, En wat we hem doen ter plaatse, Dat kan hen beschadigen niet; Dus lijkt het me beter, nu beziet, 22260 Dat we allen op hen varen, En verkopen ons zo duur, te waren Dat men daar immer meer van spreekt”. Alle anderen prinsen zekerlijk Prezen zeer zijn raad ter stede, 22265 En kwamen overeen alle daarmee. Toen zetten ze een dag daarnaar Te komen in een veld daar Van Suret, aan een kasteel na dat, Die van de hertog van Cambenijc was, 22270 En dat elk daar brengt die hij mag, Acht dagen na Maria Magdalena dag (9 april). Toen scheiden ze tot hun land waart, En elk ontbood daar met een vaart Aan vrienden, aan verwanten, in elke stede, 22275 Waar ze hen krijgen konden mede; Die verzamelden elk nu ter plaatse. En toen ze verzameld waren nadat, Voer elk met de zijne daarnaar In de buurt van Loveseph daar, 22280 En verzamelden daar nu allen mede En sloegen hun tenten op daar ter plaatse Tussen twee armen van de zee; En daar kwam ook invallen mee De rivier, die Saverne geheten is, 22285 En daar was ook dat bos bij Van Briskeham, dat vol wild was. Dus bleven ze daar liggen na dat En regelden bijzonder, Hoe ze mochten hun ding 22290 Handelen, en hoe aangaan. Dus laat ik ze liggen regelen gelijk, En zal van Merlijn zeggen ter plaatse En van de drie koningen mede, En hoe koning Arthur Jenover won; 22295 Hiervan zal ik u zeggen voortaan, En hiermede eindigt dat andere boek al Daar nog twee hierna volgen zal. |
Hier begint dat ander boeck van Merlyne, hoe die koninck Artur Jenovren wan, ende van den tween koningen, ende van den koninck Rione. Dat gesciede in somertyde, Dat al die werlt was blyde, 22300 Omtrent Sinxen, als ict las, Rechte als die Meye ute was, Was Merlijn gesceden, sonder beiden, Van der joncfrouwen daer ic af seide. Ende quam te Tornasse gevaren, 22305 Daer nu die drie koninge waren. Doe sine zagen, waren si blyde Ende daden hem grote feeste ten tyden; Oec hadde die koninck Leodegan Nu vergadert menegen man, 22310 Want al sijn volc, dat onder hem was, Was daer nu komen, zijt seker das, Want hi woude nu ontsetten Die stat van Deneblase, sonder letten, Ocht vor der stat nu doet bliven, 22315 Ocht hi sal den koninck Rione verdriven, Die daer licht met groten heer, Die machtech es ende van groter weer. Nu namen dese drie koninge Merline daer, Ende vrageden hem rades daernaer, 22320 Wat si daer anegaen zullen nu. Merlijn zeide: “ic zegget iu: Men zal Leodeganne doen verstaen Dat hi sine liede vergadere saen, Ende doe sine batalie ordinieren al, 22325 Dat men in Sinxendage trecken sal, Ende dat hi vor sende tien dusent man Ombe dat lant te versiene vortan Ende besorgene, ende datsi vaen 248 Alle die spien die si vinden saen, 22330 Ende datsise doetslaen alle daer, Ende datter een niet en wederkome naer, Die hem moge vertellen iet Van desen lieden, wat daer gesciet; Ende men sal des nachtes varen gereet 22335 Den hemelijcsten wech, dien men weet; Ende gy ende uwe gesellen zult daer zijn mede Entie van der tafelronden telker stede” Doe Merlijn hadde gesecht dese dinck, Vragede hem Artur, die koninck, 22340 Wat zijne liede daden in zijn lant. Doe vertellede hem Merlijn tehant Alle die dinck, die daer zijn gesciet Sint dat Merlijn van hem sciet, Ende van des koninck Lottes kinder mede, 22345 Hoe si haer moeder bescudden ter stede, Ende datsi den vader nembermeer Die moeder en gaven, “het en soude eer Gesonet zijn tuscen hem ende iu”. Des was die koninck Artur blijde nu. 22350 Doe telde hi voert den koninck Ban Ende sinen broeder Bohort daeran Van Claudas ende Pontes [ende] Anthonijs Ende van al den dingen in zekerre wijs, Als si gesciet zijn, groet ende clene; 22355 Doe telde hi hem voert na datgene, Hoe hi Leonsen gesproken hevet nu, “Die iu sere groetet, dat zeggic iu, Dat ic hem hebbe gesecht nu al Wat hi doen sal, groet ende smal”. 22360 Doe dese twe koninge hoerden dese sake Waren si des herde sere tongemake Ende herde sere tonvreden ter stat. Doe die koninck Artur vernam dat, Was hi des so droevech, dat hi daer 22365 Began te wenene, ende zeide naer Tote Merlyne: “vrient, helpet hem nu, Ende staet hem in staden, des biddic iu: En helpet gy hem niet, si zijn vorwaer Verloren, ende oec en werdic daernaer 22370 Nember blyde”. Doe zeide Merlijn: “Here, hieran en es geen fijn Also lange als ic mijns selves bem; Ende wetet oec: an iu ende an hem Geligget grote pine, dat zeggic iu, 22375 Want die prophecie, zi zegget nu, Dat die grote drake komen sal, Die den lewe sal iagen overal Uter bloyender Bertanien, ter stede, Ende metter hulpe, die hi sal mede 22380 Hebben van den dertich serpenten groet, Ende ombe die minne, die dese al bloet Hebben sullen van der gekroender serpentyne, Dar die van Bertanien al die Kerstine Entie van Carmelyde iegen sullen dan 22385 Nigen moeten, dat sal sijn voertan Ombe sine grote fierheit als te voren; Maer noch so en es niet geboren Die mogende lupaert, daerby dat sal Die grote lewe ontbonden sijn al, 22390 Waerby dat die drake negene macht En sal hebben no negene kracht, Hem te verdrivene met negener pine”. Als die drie koninge hoerden Merline Also bedectelike spreken nu, 22395 Worden si verscricket, seggic iu, Want sine nie dus spreken hoerden. Doe vragedensi hem, na desen woerden, Wat hi meende. Doe zeide hi daer: “Gy en moget des niet weten vorwaer, 22400 Maer also vele seggic des iu ter ure: Dat meeste deel sal gaen an koninck Arture”. Hier af lieten si die tale daer. Doe vragede hem die koninck Ban daernaer Wat hi met sinen lande nu doen sal? 22405 “Dat sal ic iu seggen”, zeide Merlijn, “al: Alse wy dese Sennen hebben verdreven, Dan zullewy ons nemen beneven Alle die macht, die wy mogen, Ende sullen daermede henen togen 22410 Te Logreswaert te Bredegan; Ende daernaer sullewy nemen dan Den groten scat die legget ter stede An den ongewegeden foreeste mede, Ende daerinne liggen twaelfswaerde fijn, 22415 Die beste die in der werelt sijn, Entie koninck Artur sal daer ridder maken 249 Sine neven, die ombe sine saken Horen vader hebben gelaten In swaren verdriete utermaten 22420 Ende haer moeder ende haer vrient, Ende hebben iu, here, wel gedient, Ende wy sullen se met ons voeren dan Te Bonewijc; want menegen man Sullewy tegen ons vinden daer; 22425 Daer sal vernomen werden, wet vorwaer, Die grote lupaert, die so fier ter stede Ende overmoedich sal sijn mede, Dat by sinen groten ontsiene te hande Die grote drake van den verren eilande 22430 Achterwaert tyen sal dor den lewe groet, Die gekroent sal sijn dor die noet, Nochtan sal hi hem negeen arch doen daer Al sal hi des macht hebben vorwaer; Maer int inde sal hem die lupaert 22435 So castyen, dat hi ter vaert Hem sal doen knien vor den lewe nu Alse genade te bidden, seggic iu”. “Here”, zeide doe die koninck Ban, “Wety iet, hoe dese sticken voertan 22440 Sullen vergaen, daer wy nu ter stede Hier in dat lant sijn komen mede?” “Daeraf ontsiet iu niet een twent, Eer gy ember van hier went, Sal dit koninckrike, wetet wale, 22445 In Arturs hant sijn al te male”. “Here”, zeidi, dese donker woert, die gy Hier segget, en verstawy niet, daerby Biddic, dat gy se ons zegget nu”. “Ic en machse niet, zeide hi, seggen iu, 22450 Maer ic wil, dat die koninck Artur weet al Dat by sinen live gescien sal”. Binnen desen quam daer een bode gegaen In die herberge ten koninge saen, Die hovesc was ende scone, twaren, 22455 Ende jonck, van vijf ende twintich jaren, Ende was geheten Guiomer met Ende dit was diegene, dat wet, Daer die ridders van der tafelronden Ombe pine hadden tener stonden, 22460 Want hem die koninginne Jenovre mede Hier namaels grote scande dede, Ombedat hi minde so sere nadas Morgeinen, die Arturs suster was, Alse iu dit boeck hierna seggen sal; 22465 Maer ic latet hier nu varen al, Ende segge iu die boetscap vorwaer nu: Als hi in die camer quam, seggic iu, Daer Merlijn metten drien koningen was Groete hise alle, ende zeide nadas, 22470 Datse die koninck Leodegan, ter stede, Gerne nu soude spreken mede; Si zeiden, si souden dat gerne doen. Op haer paerde zaten die baroen Ende reden alsoe te hovewaert; 22475 Entie koninck Leodegan quam mettervaert Eersi kume waren gebeet, Ende namse metterhant gereet, Ende leidese in ene kamer daer, Daer maer si vive inne waren naer. 22480 Doe sprac die koninck Leodegan: “Ic houde iu vor herde vroede man Ende vor herde trouwe met, Oec hebbic iu herde lief, dat wet, Ende liever dan gy wanet mede; 22485 Dat es recht, want gy my ter stede Mijn lijf behieldet daer ic was gevaen, Ende negene dinge, sonder waen, En soude ic eer weten van iu, Dan wie gy zijt ende wie gy waert nu, 22490 Ende gy zult my dat seggen, wetic wel, Als iu dat goet dunket, ende niet el, So en biddic iu noch en doe kracht, Dan als gy te seggene zijt bedacht; Oec wil ic iu vragen, wat wy nu 22495 Doen willen, want ic segge iu, Dat die koninck Rioen es in minen lande Ende hevet belegen nu te hande Mine beste stat, die ic hebbe, mede man, Met sestien koningen nu ter stede, 22500 Ende elc koninck hevet twintichdusent Ende bander syde sijn myne liede komen an; Maer daer es luttel goet tegen die; Dor God, so geradet nu my, Want ic wil werken by uwen rade”. 22505 Doe sprac Merlijn daer met staden: “Heer koninck, en ontsiet iu niet nu, 250 By der trouwen, die ic ben sculdech iu, Die koninck Rioen soude willen wesen In sijn lant eer iet lanck van desen, 22510 Ja, want hem hadde gekost sine beste stat Die hi hevet; ende oec wetet dat Gyne zijt so niet tonder, dan Gy hebbet noch seventichdusent man. Ic seg iu wat gy doen sult nu: 22515 Gy sult senden tiendusent ridder, radic iu, Vor in iu lant, ende die sullen dan Ribaude ende spien vangen an Die si vinden, ende die begaden alsoe, Datsi negene boetscap dragen toe 22520 Den Sennen van uwen dingen nu, Daer si mede mochten verraden iu; Ende maket tien batalyen voertan, In elke doet sevendusent man, Ende wy sullen en maendage vroe 22525 Twe uren voer den dage alsoe Trecken, ende weet wel, dat wyse daer In den heers sullen vinden slapende vorwaer, Wantsi hebben herde goede tijt Van etene, van drinkene, des seker zijt, 22530 Ende si drinken so sat ende eten, Datsi al des anders vergeten, Sine doen gene sciltwacht, sonder waen, Maer sovele hebbensi nu gedaen, Datsi in dene syde van der stat 22535 Een bordys hebben gemaket doer dat, Dat hem nieman van daer sal komen, Ombe hem te doene enege onvrome; Maer ic weet daer ene hemelike stede, Daer tegen si hem niet en hoeden mede, 22540 Ende daer wy se slapende vinden selen, Daer selewy onses willen vele spelen, So vele, datsi in menegen tyden Dit lant niet weder en sullen anstryden”. Doe die koninck Leodegan hoerde 22545 Merlyne spreken dese woerde, Hadde hem des groet wonder daer Ende besachne sere daernaer; Daerna sach hi op sine gesellen doe, Ende daer en sprac nieman den ander toe. 22550 Also lange als hi op hem hevet gesien, Versuchte hi herde sere mettien, Ende dachte dat si edeler liede waren, Ende hoger vele mede oec twaren Dan hi verdenken mochte nu. 22555 Doe began hi te wenen, seggic iu, Ende en konde een woert niet spreken doe, Ende liet hem vallen daerna alsoe Op haer voete, ende bat hem genade, Ende bat hem, dor Godes wille, in rade, 22560 Datsi sijns landes ende hem daer nu “Ontfermen ende bescermen, biddic iu, Want en dade God ende gy mede, Ic moestet verliesen nu ter stede”. Den koninck Artur enten andren heren, 22565 Dien gaf dit nu so grote seren, Ende namene op in haer arme daernaer, Ende hoevene op ende troestene daer So si best mochten, ende gingen doe Op ene coetse tsamene sitten alsoe. 22570 Doe zeide Merlijn: “Here, en zoudy Nu niet gerne horen van my, Wie wy zijn ende waeraf geboren?” “Negeen dinck en zoudic nu eer horen”, Zeide die koninck, “dan dese dinge”. 22575 “Ic salt iu seggen sonderlinge”, Zeide Merlijn: “nu siet desen iongen man, Hi es goet ridder, dat scinet daeran, Ende hi es oec hoger dan gy zijt, Ende hi en hevet geen wijf nu ter tijt, 22580 Ende wy zoecken aventure, wetet dan, Ocht wy quamen an ienegen hogen man, Die hem sijn dochter gave te wyve, Die hi mochte trouwen te sinen live”. “Ach, mijn God! here, genade!” zeide hy, 22585 “En hebbic niet ene dochter vry, Die scoenste entie vroedeste mede, Die nu in der werelt es ter stede?No van hoecheden no van rycheden So en machse nieman calengieren mede, 22590 Ende waert iu wille ende sine, God weet, Ic gavese hem tenen wyve gereet, Ende en hebbe niet meer kinder daernaer, Daer mijn lant op blyvet, dan haer”. Doe zeide Merlijn: “dit en sal hi niet, 22595 Ocht God wil, nu ontseggen iet”. Doe dankeden hem des die koninge seer, Ende zeiden, si willen dat dit doe haer heer, Ende dat hise neme nu geraet. 251 Die koninck doe selve ombe sine dochter gaet 22600 Ende dadese bereiden daer ter stede So hi rikelecst konde mede, Ende leidese met hem blyde utermaten, Daer hi die drie koninge hadde gelaten; Daer volgeden ridder vele naer. 22605 Doe quamen uter cameren daer Die drie koninge in die sale; Doe seide Leodegan dese tale So hoge, dat sijt hoerden, sonder waen, Alle die in der sale waren gestaen, 22610 Ende zeide:”edele joncheer ende here, Ic en kan iu genoemen min no mere, Want ic en weet niet hoe gy heet, Nu siet myne dochter gereet Tot enen wyve, si es scone ende vroet, 22615 Ende al die ere ende al dat goet, Dat daertoe behoert na myner doet, Gevic iu daer mede, clene ende groet, Want negenen so goeden man, No so wysen, no so koenen voertan 22620 En mochticse geven, wetensi wale Alle die hier nu staen in der sale”. Doe ginc Artur die koninck vorwaert daer, Ende dankedes hem sere; ende daernaer Gaf hise hem metter rechterhant, 22625 Ende si lovedent beide te hant. Doe zegendese die biscop van Tornas, Die daerombe ontboden was; Daer wart die bruetlocht groet alsoe. Doe quam Merlijn gegangen toe, 22630 Ende sprac so hoge, dat sijt alle daer Horen mochten, verre ende naer: “Gy heren, zoudy gerne weten den fijn, Wie die brudegoem es ende wie wy zijn?” Die koninck Leodegan zeide doe: “Heer, 22635 Ic en ger negeen dinck te wetene meer, Ende by Gode, ten waer geen wonder nu, Dat ict gerne wiste, seggic iu, Wien ic myne dochter hebbe gegeven”. Merlijn zeide: “die iu daer staet beneven, 22640 Entie uwe dochter nu hevet ontvaen, Dat zegge ic vor alle die hier staen, Hi es die koninck Artur genant Ende es here van Bertanien lant, Ende sijn vader was koninck Uter-Pandragoen, 22645 Ende ghy, here, ende alle uwe baroen, Die nu behoren tuwen ryke, Sullen syne man sijn sekerlike; Nu doet hem hier manscap nu ten tyden So sullewy hoechlyk varen te stryden 22650 Tegen den groetbarnden koninck, seggic iu, Die dit lant meent wynnen nu; Maer dit sal anders dan hi meent gaen; Ende wety wie dese sijn, die hier staen? Dit sijn twe gebroeder zekerlike: 22655 Dit es die koninck Ban van Bonewyke Ende dander die koninck Bohort van Gaunes, Ende sijn komen, zijt seker des, Van den hogesten geslachte mede, Dat men weet in Kerstenhede; 22660 Ende alle die met hem sijn komen nu, Sijn koninges kinder, dat zeggic iu, Ochte hertogen ochte borchgraven, Wael geboren ende ryke van haven”. Doe die koninck Leodegan dit verstoet 22665 Ende dander heren, ende des waren vroet, Dat die koninck Artur was dat, Waren si alle so blyde ter stat Dat men nie sulke blyscap en sach Nergent hebben, op ienegen dach. 22670 Doe quamen die heren van der tafelronden Ende ontfingen daer ierst manscap ten stonden; Want si haddens lange begaert; Daerna quamen dander ter vaert Metten koninck Leodegan, 22675 Ende daden hem al die manscap daeran. Doe ginck men eten, ende hadden groet spel Daer was gedient ten etene wel, Entes avendes dade hem kennen daer Merlijn den gesellen, weet vorwaer, 22680 Die men heet van der tafelronden; Die bruet was oec blyde ten stonden Van horen brudegoem, ende Leodegan Was nu die allerblydeste man, Ende zeide, God dade hem vele eren, 22685 Dat hi hem geselscap gaf van sulken heren, Ende dat sine dochter soude hebben dan Te manne sulken goeden man: “God, Here!” zeide hy, “sint dat dus komen sy, 252 So ne roeket my wat gy doet met my, 22690 Sint dat mine dochter bestadet es nu An den besten, die levet, dat seggic iu”. Daerna gingen si slapen saen, Entes morgens, als si op sijn gestaen, Sende die koninck Leodegan voren 22695 Tien dusent ridder wtverkoren, Alse hem Merlijn nu riet, twaren; Daerna ordinierde hi sine ander scaren. In tien scaren deelde hi se daernaer: Dierste voeren die drie koninge daer, 22700 Ende Merlijn metten drake ter stede Entie van der tafelronden mede, So datter sevendusent was; In dander scare quam nadas Gwinemar, des koninck Leodegans maech, 22705 Sevendusent ridders haddi niet traech; Daerna quam der Vrouwen sone gereet Van den woude dat sonder keren heet, Sevendusent hadde hire in siner scaer; Die vierde batalie leide daernaer 22710 Belias met sevendusent man; Andalus, hi volgede hem dan Met sevendusent man ter stonde; Daerna quam Belis die blonde, Ende hi hadde sevendusent man mede; 22715 Die sevende scaer leide ter stede, Ydiers van Noyors met sevendusent man, Dien hier namaels gesciede dan In des koninck Arturs hof ter stede, Dat hi vijf vingerlyne wttrac gerede 22720 Enen ridder, daer iu af al bloet Dit boeck sal wonder seggen groet; Die achtede van desen gesellen, Dat was Landan, als wy dat tellen, Hi leide oec sevendusent man; 22725 Die negende batalie quam daeran, Die leide heer Groine plettenere Sevendusent man haddi in der were; Die tiende leide die koninck Leodegan, Daer waren inne negendusent man, 22730 Ende Cleodalis, sijn drossate, mede. Doe dese tien scaren daer ter stede Geordineert waren alle daer, Des andren dages so hielt daernaer Die koninck Leodegan sijn hof nadas, 22735 Want des andren dagen Sinxen was; Daer was grote feeste, God weet, Na messe ginck men eten gereet Entie vier koninge gingen daer Tener tafelen sitten, ende daernaer 22740 Ginck elc sitten na siner waerde; Daer was alles, des wies opter aerde Elcken genoech gegeven daer. Vor die vier koninge, wetet vorwaer, Saten die twe Jenoveren nu, 22745 Die scone waren, seggic iu, Ende van maten gelijc, sijt seker das; Maer Arturs wijf langer was Ende redeliker, in alle sake, Haddesi oec gerede ende scoenre sprake 22750 Dan dander Jenovre; oec was sy Die wetenste entie beste daerby, Entie meer dogeden hadde mede Dan enege vrouwe ter werelt dede; Oec hadde Jenovre haers meer 22755 Dan dander dede, daer ic af zeide eer; Maer anders waren si also gelyke, Dat nieman en was sekerlyke, Diese hadde mogen onderkennen daer. Die etentijt leet entie dach daernaer, 22760 Ende men ginc slapen daer niet lanc, Want die daer ierstwerf ontspranc, Hi weckede dander wt horen slapen; Men ginck vaste daer ten wapen, Ende Jenovre die wapende daernaer 22765 Den koninck Artur, ende gorde hem daer Sijn swaert, ende nam oec mede Sijn sporen, ende spien se hem ter stede Al knielende. Doe loech Merlijn daer Ende wysedet den tween koningen naer, 22770 Ende zeide:”besiet, hoe behagetsi iu, Datsi den koninck Artur dus dient nu?” Dit pryseden die twe sere doen, Ende si haddes oec sint goeden loen, Doe si den koninck Artur hadde verloren 22775 Daer si ombe hadde groten toren Van Bertalie, den quaden verrader, Alse iu dit boec hierna segget allegader. Doe zeide Merlijn al lachende, ter ure, Ende in scimpe toten koninck Arture: 22780 “Here, niet en waerdy vor deser tijt 253 Gerechtelike ridder, als gy nu zijt, Ende iu en gebreket maer een dinc nu, Gy nuwe ridder, seggic iu, Ende wel moechdy seggen twaren, 22785 Als gy nu sult wtvaren, Dat eens koninges dochter welgeraket Enen nuwen ridder hevet gemaket”. Die koninck vragede Merlijn doe, Wat dinge hem gebreke daertoe, 22790 “Datsi niet gedaen hevet, segget my, Si salt doen opdat niet oneerlyc sy”. Doe zeide die maget: “Here, wat ic doe Iu hier, Here, ic kenne iu alsoe Hovesc ende vroet, sonder waen, 22795 Dat gy my node sult laten anegaen Ocht laten doen ocht ansoecken mede, Hier ocht anders in negener stede, Des ic lachter mocht hebben iet Ocht dat men my mochte, wat des gesciet, 22800 Hierna verwyten tieneger stede, Ombe den besten casteel, dien gy hebbet mede”. “Joncfrou”, zeide hi, “gy zegget als die vroede Van der dinc die ic seide, zijt sonder hoede, Daer sal iu negeen arch af komen vorwaer”. 22805 Doe vragede die koninck noch daernaer Merlyne, wat hem gebreket ter stont: “Here, een cussen an horen mont, Ocht dat der ioncfrouwen lief waer”. “By Gode”, zeide die koninck, “maer 22810 Sone bleve dat heden, ic en sal wesen Nuwe ridder!” ende si zeide na desen: “Wete Kerst, dat en sal, dat en blivet niet By desen dingen, wat des gesciet, Gyne sult nuwe ridder sijn, 22815 Want ic ben uwe ende gy mijn, Ende mijn vader hevet my iu gegeven, Gy moget met my doen, al iu leven, Dat gy wilt”. Doe namse die koninck In sinen arm daer, na die dinck, 22820 Ende helsedese ende sine weder nu Vriendeleke, dat seggic iu, Ende doe kuste dene dander daer Herde soetelic, wetet vorwaer. Binnen desen waren die orse gereet 22825 Men brachte se vor die heren geleet; Die maget nam sinen helm doe, Ende settene op dat hovet daertoe; Doe nam hi orlof ende dander mede, Ende voeren alle enwech ter stede, 22830 Dene vor ende dander naer Ende alle gebattelgiert vorwaer, Ende reden henen horen pas. Die tien dusent ridder, sijt seker das, Die vor waren gereden daer, 22835 Si hadden wael veertich spien vorwaer Gevangen, die koninck Rioens waren, Die si in gevancnesse legeden twaren; Ende si hoeden tlant so wel daer doe, Dat negene niemare quam toe 22840 Den koninck Rione. Dus quamen si gereden So lange, datsi tener steden Op enen Goensdach quamen gereet In des koninck Rioens heer, God weet, Ende Merlijn reet metten drake vor daer 22845 Tote in die tenten, wet vorwaer; Entie mane sceen donker nu, Ende si sliepen vaste, seggic iu, Want dat was des dages heet Ende si hadden wael gedronken, God weet; 22850 Ende Merlijn dade syne liede vergadren al An enen bosc in enen dal Op ene rivier, ende hi verboet daer, Datsi niet en souden trecken naer Vordat hi bliese een hoern nadas. 22855 Ende alse dat heer vergadert was, Blies hi sijn hoern daer ter stede, Ende riep op Onse Vrouwe mede: “Maria”, zeide hi “moeder Onses Heren, Biddet uwen kinde vor minen heren 22860 Ende vor ons allen in dit begin”. Doe riep hi lude: “nu slaet in!”. Ende si sloegen in dat heer, seggic iu, Die alle vaste slapen nu, Ende Merlijn dede komen sulken wint, 22865 Dat niet [en] bleef staende tente omtrint, Si ne vielen den vianden op dat hovet, Daer si sere af worden verdovet; Entie Kerstene sloegen in rede Tallen staden, ende dodeden mede 254 22870 Menegen man eer si geweten konden, Wie si waren te dien stonden. Daer wart “help” geroepen ende groet gekrijt; Die grote heren stonden op ter tijt, Ende wapenden hem met haeste daernaer, 22875 Want si hadden des te doene vorwaer Ende vergaderden vor des konings tente Rioen, Ende daden basine blasen doen, Entie Kerstene sloegen in deser noet Wael twintichdusent Heidene doet, 22880 Dander iageden si tes koninges tenten toe Ende daer gaven si hem biel alsoe; Doe wapenden hem die niet gewapent waren, Binnen dien began die dach baren Entie batalien trocken achter daer 22885 Ende elc gaderde sine liede naer, Ende Merlijn hoef sijn teken nu Ende sloech in die Gigante, seggic iu; Ende als die koninck Rioen vernam das, Dien scade, die hem gedaen was, 22890 Wart hy so erre ombe datgene nu, Dat hi al verwoede, seggic iu; Hi sat op een ors groet ter stede Ende hi nam ene gisarme mede, So groet was si ende so swaer 22895 Een man hadde daer wel te dragen an haer; Hi voer besien die weken vor nu Ende achter mede te troestene, seggic iu. Doe riep hi Solinas daernaer Ende hiet hem leiden dierste scaer 22900 Met tiendusent man, ende beval hem daer Sinen lachter te wrekene vorwaer. Doe voer henen Solinas, Die herde stout ende koene was, Ende Merlijn sachen komen ter stede; 22905 Doe zeide hi iegen Artur mede: “Nu siet dattet cussen sy So diere verkocht, dat men daerby Ember mere uwes gedenke daeraf, Dat iu iuwe lief so vriendelike gaf”; 22910 Hi zeide, hi soudes doen die macht. Doe vergaderdensi met so groter cracht, Daer dade die koninck Artur vromechede, Die sere besien was daer ter stede; Want hi vergaderde an Jonappe nadas 22915 Die een wtnemende groet rese was; Ende doe hem die rese sach komen daer, Ontsach hine luttel, wet vorwaer, Want hi en sceen maer een kint Tegen die rese daer omtrint; 22920 Si quamen te gader met gewelt Ende Jonap dorstac Arturs scilt, Ende neven die syde stacken ter uer Artur dor scilt, dor halsberch duer, Ende dat dor die scoudere mede ginc; 22925 Maer die Gigante ombe dese dinc En toende niet dat hem dit dede Ienech verdriet, so sterc was hi mede Van herten, ende si quamen daer Metten orsen te gader daernaer, 22930 Dat die orse storten weder Ter aerden met hem beiden neder. Daer blevensi liggen also te samen Ene wyle, eer si weder verquamen, Doe sloech men in beide syden toe 22935 Ombe helpene haren heren doe; Daer wart menech speer tebroken saen, Ende menegen slach sach men daer slaen; Daer verloren die Gigante meer vele Dan die Kerstene in den nijtspele, 22940 Ende daer worden hermonteert doe Beide die koninge; daer ginc men toe Dene den ander vreeslyc ter stede. Die ridders van der tafelronden mede Daden wonder in den strijt, 22945 Entie twe ende veertich, des seker sijt, Sloegen doet so menegen man, Dat buten getale ginc daeran; Dese dreven die Sennen nu achterwaert Thent bander siden horen standaert; 22950 Daer bleef die strijt staende fel, Daer dadent Arturs liede so wel, Dat wonder waer te seggene iu; Si makeden menegen Senne scu. Maer boven dander dadet daer te voren 22955 Een ridder, heet Does, als wy dat horen, Want by Uter Pandragoens tyden mede Ende by des koninck Arturs oec ter steden, Daer hi ridderscap hanteerde by, So was hi goet ridder ende vry; 255 22960 Dhistorie segget van hem das, Dat hi Persevalen neve was Van siner moeder halven mede; Hi was Enisenten sone mede, Die Josepes suster was entie Broen 22965 Tenen wive genomen hadde doen, Daer hi twaelf sonen af hadde met, Daer sent Bertanie mede, dat wet, Sere verluchtet wart, ende oec was hi Celidonis maech, des ridders vry, 22970 Die Nasciens sone was, Die dat grote wonder vor das Ierstewerf sach van den Grale; Ende hi was maech, wetet wale, Des koninck Pelles ende siner broeder met, 22975 Ende hiet Nasciens, dat wet, Entie Nasciens hadde Galaath Lange in siner behout nadat, Als iu dit boeck sal seggen hiernaer; Ende dese Nasciens, wetet vorwaer, 22980 Wart sint van goeden levene doe; Doe hi die ridderscap begaf alsoe, Wart hy heremyte goet ter stede, Ende Onse Here gaf hem mede, Dat hi priester wart ende messe dede; 22985 Ende hi was een suver maget mede Also lange als hi levede vorwaer. Desen Nasciene gesciede daernaer, Dattene dIngel voerde gereet In den derden troen, God weet, 22990 Daer hi sach ende hevet verheest Den Vader, den Sone, den Helegen Geest; Ende hi hadde sint dhistorie met Van den helegen Grale, dat wet, Gescreven met syner hant gereet 22995 By Onses Heren gebode, God weet, Ende hi voegede dat an Blasys werc mede, Dat hem Merlijn maken dede; Oec gaf hi sint den koninck Arture Raet, daer hem terselver ure 23000 Galaath woude af winnen sijn lant, Die dertich koninge hadde in siner hant, Die hi met krachte alle wan. Hierna suldy dat wel horen dan, Daer iu dit boeck dan wel sal leren; 23005 Maer ic moet hier ter historien keren, Daer ic dat liet, van den stryde, Daer men sere vacht tien tyden. |
Hier begint dat andere boek van Merlijn, hoe koning Arthur Jenover won en van de twee koningen en van koning Rioen. Het gebeurde in zomertijd, Dat de hele wereld was blij, 22300 Omtrent Pinkster, zoals ik het las, Recht toen de mei uit was, Was Merlijn gescheiden, zonder wachten, Van de jonkvrouw daar ik van zei. En kwam te Tornasse gevaren, 22305 Daar nu de drie koningen waren. Toen ze hem zagen, waren ze blij En deden hem grote feesten ten tijden; Ook had koning Leodegan Nu verzameld menige man, 22310 Want al zijn volk, dat onder hem was, Was daar nu gekomen, zij het zeker dat, Want hij wilde nu ontzetten Die stad van Deneblase, zonder letten, Of voor de stad nu dood blijven, 22315 Of hij zal koning Rioen verdrijven, Die daar ligt met groot leger, Die machtig is en van groot verweer. Nu namen deze drie koningen Merlijn daar, En vroegen hem raad daarnaar, 22320 Wat ze daar aangaan zullen nu. Merlijn zei: “ik zeg het u: Men zal Leodegan laten verstaan Dat hij zijn lieden verzamelt gelijk, En laat zijn bataljons ordenen al, 22325 Dat men te Pinksterdagen vertrekken zal, En dat hij vooruit zendt tien duizend man Om dat land te voorzien voortaan En bezorgen, en dat ze vangen 248 Alle spionnen die ze vinden gelijk, 22330 En dat ze hen dood slaan alle daar, En dat er niet een terug komt naar, Die hem mag vertellen iets Van deze lieden, wat daar geschiedt; En men zal ‘s nachts varen gereed 22335 De geheimste weg, die men weet; En ge en uw gezellen zullen daar zijn mede En die van de tafelronden te elke plaats” Toen Merlijn had gezegd dit ding, Vroeg hem Arthur, de koning, 22340 Wat zijn lieden deden in zijn land. Toen vertelde hem Merlijn gelijk Alle dingen, die daar zijn geschied Sinds dat Merlijn van hem reed, En van koning Loth ‘s kinderen mede, 22345 Hoe ze hun moeder behoeden ter plaatse, En dat ze de vader nimmermeer De moeder gaven, “er zou eer Verzoening zijn tussen hem en u”. Dus was koning Arthur blijde nu. 22350 Toen vertelde hij voort koning Ban En zijn broeder Bohort daaraan Van Claudas en Pontes en Anthonys En van alle dingen in zekere wijze, Zoals ze gebeurd zijn, groot en klein; 22355 Toen vertelde hij hen voort na datgene, Hoe hij Leonse gesproken heeft nu, “Die u zeer groet, dat zeg ik u, Dat ik hem heb gezegd nu al Wat hij doen zal, groot en smal”. 22360 Toen deze twee koningen hoorden deze zaken Waren ze dus erg zeer ongemakkelijk En erg zeer ontevreden ter plaatse. Toen koning Arthur vernam dat, Was hij dus zo droevig, dat hij daar 22365 Begon te wenen, en zei daarnaar Tot Merlijn: “vriend, help hen nu, En sta hen bij, dus bid ik u: En helpt ge hem niet, ze zijn voorwaar Verloren, en ook word ik daarnaar 22370 Nimmer blij”. Toen zei Merlijn: “Heer, hieraan is geen venijn Zolang als ik mezelf ben; En weet ook: aan u en aan hen Liggen grote pijnen, dat zeg ik u, 22375 Want de profetie, ze zegt het nu, Dat de grote draak komen zal, Die de leeuw zal verjagen overal Uit bloeiend Bratagne, ter plaatse, En met de hulp, die hij zal mede 22380 Hebben van de dertig serpenten groot, En vanwege de minne, die deze al bloot Hebben zullen van het gekroonde serpent Daar die van Bretagne de hele christenheid En die van Carmelide tegen zullen dan 22385 Buigen moeten, dat zal zijn voortaan Om zijn grote fierheid zoals tevoren; Maar nog zo is niet geboren De vermogende luipaard, daarbij dat zal De grote leeuw ontbonden zijn al, 22390 Waarbij dat de draak geen macht Zal hebben en geen kracht, Hem te verdrijven met enige pijn”. Toen de drie koningen hoorden Merlijn Alzo bedekt spreken nu, 22395 Worden ze verschrikt, zeg ik u, Want ze hem niet aldus spreken hoorden. Toen vroegen ze hem, na deze woorden, Wat hij bedoelde. Toen zei hij daar: “Ge mag het dus niet weten voorwaar, 22400 Maar zoveel zeg ik dus u ter ure: Dat grootste deel zal gaan over koning Arthur”. Hiervan lieten ze het gesprek daar. Toen vroeg hem koning Ban daarnaar Wat hij met zijn land nu doen zal? 22405 “Dat zal ik u zeggen”, zei Merlijn, “al: Als we deze Sennen hebben verdreven, Dan zullen we tot ons nemen benevens Alle macht, die we mogen, En zullen daarmee heen trekken 22410 Te Londen waart te Bredigan; En daarnaar zullen we nemen dan De grote schat die ligt ter plaatse Aan het ongebaande bos mede, En daarin liggen twaalf zwaarden fijn, 22415 De beste die er in de wereld zijn, En koning Arthur zal daar ridder maken 249 Zijn neven, die om zijn zaken Hun vader hebben verlaten In zwaar verdriet uitermate 22420 En hun moeder en hun vriend, En hebben u, heer, goed gediend, En we zullen ze met ons voeren dan Te Bonewick; want menige man Zullen we tegen ons vinden daar; 22425 Daar zal vernomen worden, weet voorwaar, De grote luipaard, die zo fier ter plaatse En overmoedig zal zijn mede, Dat bij zijn grote verschijning gelijk De grote draak van de verre eilanden 22430 Naar achteren gaan zal door de leeuw groot, Die gekroond zal zijn door de nood, Nochtans zal hij hem niets ergs doen daar Al zal hij dus macht hebben voorwaar; Maar in het einde zal hij de luipaard 22435 Zo kastijden, dat hij ter vaart Hem zal laten knieën voor de leeuw nu En om genade bidden, zeg ik u”. “Heer”, zei toen koning Ban, “Weet ge iets, hoe deze stukken voortaan 22440 Zullen vergaan, daar we nu ter plaatse Hier in dat land zijn gekomen mede?” “Daarvan ontziet u niets, Eer ge immer van hier gaat, Zal dit koninkrijk, weet het wel, 22445 In Arthurs hand zijn helemaal”. “Heer”, zei die, dit donkere woord, die gij Hier zegt, verstaan we niet, daarbij Bid ik, dat ge het ons zegt nu”. “Ik kan ze niet, zei hij, zeggen u, 22450 Maar ik wil, dat koning Arthur weet al Dat het bij zijn leven gebeuren zal”. Binnen deze kwam daar een bode gegaan In de herberg tot de koningen gelijk, Die hoffelijk was en mooi, te waren, 22455 En jong, van vijf en twintig jaren, En was geheten Guiomer mee En dit was diegene, dat weet, Daar de ridders van de tafelronden Pijn om hadden te ene stonden, 22460 Want hij de koningin Jenover mede Hier later grote schande deed, Omdat hij beminde zo zeer na dat Morgein, die Arthurs zuster was, Zoals u dit boek hierna zeggen zal; 22465 Maar ik laat het hier nu varen al, En zeggen u de boodschap voorwaar nu: Toen hij in die kamer kwam, zeg ik u, Daar Merlijn met de drie koningen was Begroette hij ze alle, en zei na dat, 22470 Dat koning Leodegan, ter plaatse, Graag hen nu zou spreken mede; Ze zeiden, zei zouden dat graag doen. Op hun paarden zaten de baronnen En reden alzo te hof waart; 22475 En koning Leodegan kwam met een vaart Eer ze nauwelijks waren afgestegen, En nam ze bij de hand gereed, En leidde ze in een kamer daar, Daar maar zij vijf in waren daarnaar. 22480 Toen sprak koning Leodegan: “Ik hou u voor erg verstandige man En voor erg trouw mee, Ook heb ik u erg lief, dat weet, En liever dan ge meent mede; 22485 Dat is recht, want ge me ter plaatse Mijn lijf behield daar ik was gevangen, En geen ding, zonder waan, Zou ik eerder weten van u, Dan wie ge bent en wie ge is nu, 22490 En ge zal het me dat zeggen, weet ik wel, Als u dat goed lijkt, en niet anders, Zo bid ik u nog en doe kracht, Dan als ge het te zeggen hebt gedacht; Ook wil ik u vragen, wat we nu 22495 Doen willen, want ik zeg u, Dat koning Rioen is in mijn land En heeft belegerd nu gelijk Mijn beste stad, die ik heb, mede man, Met zestien koningen nu ter plaatse, 22500 En elke koning heeft twintigduizend En aan de andere kant zijn mijn lieden gekomen aan; Maar daar is weinig goeds tegen die; Door God, zo raad aan nu mij, Want ik wil werken bij uw raad”. 22505 Toen sprak Merlijn daar met stade: “Heer koning, ontzie u niet nu, 250 Bij de trouw, die ik ben schuldig u, Koning Rioen zou willen wezen In zijn land niet te lang van deze, 22510 Ja, want hem heeft het gekost zijn beste stad Die hij heeft; en ook weet dat Ge bent zo niet ten onder, dan Ge hebt noch zeventigduizend man. Ik zeg u wat ge doen zal nu: 22515 Ge zal zenden tienduizend ridders, raad ik u, Voor in uw land, en die zullen dan Rabauwen en spionnen vangen aan Die ze vinden, en die doen alzo, Zodat ze geen boodschap dragen naartoe 22520 De Sennen van uw dingen nu, Daar ze mee mochten verraden u; En maak tien bataljons voortaan, In elke doe je zevenduizend man, En we zullen maandag vroeg 22525 Twee uren voor de dag alzo Vertrekken, en weet wel, dat we ze daar In het leger zullen vinden slapend voorwaar, Want ze hebben een erg goede tijd Van eten en van drinken, dus zeker zij, 22530 En ze drinken zo zat en eten, Zodat ze al het andere vergeten, Zijn doen geen schildwacht, zonder waan, Maar zoveel hebben ze nu gedaan, Dat ze aan de ene zijde van de stad 22535 Een border (?) hebben gemaakt door dat, Zodat niemand vandaar bij hen zal komen, Om hen te doen enige onvrede; Maar ik weet daar een geheime plaats, Daartegen ze zich niet hoeden mede, 22540 En daar we ze slapend vinden zullen, Daar zullen de onze veel willen spelen, Zoveel, zodat ze in menige tijden Dit land niet weer zullen bestrijden”. Toen koning Leodegan hoorde 22545 Merlijn spreken deze woorden, Had het hem dus zeer verwonderd daar En bezag hem zeer daarnaar; Daarna zag hij op zijn gezellen toen, En daar sprak niemand de ander toe. 22550 Net zolang als hij daarnaar hen heeft gezien, Verzuchte hij erg zeer meteen, En dacht dat ze edele lieden waren, En hoger veel mede ook te waren Dan hij bedenken mocht nu. 22555 Toen begon hij te wenen, zeg ik u, En kon geen woord spreken toen, En liet zich vallen daarna alzo Op zijn voeten, en bad hen genade, En bad hen, door Gods wil, in rade, 22560 Dat ze zijn land en hem daar nu “Ontfermen en beschermen, bid ik u, Want deed God en gij niet mede, Ik moest het verliezen nu ter plaatse”. Koning Arthur en de andere heren, 22565 Die gaf dit nu zo ‘n grote zeer, En namen hem op in hun armen daarnaar, En hieven hem op en troosten daar Zo ze het beste konden, en gingen toen Op een stoel tezamen zitten alzo. 22570 Toen zei Merlijn: “Heer, zou gij Nu niet graag horen van mij, Wie we zijn en waarvan geboren?” “Nee geen ding zou ik nu eerder horen”, Zei de koning, “dan deze dingen”. 22575 “Ik zal het u zeggen bijzonderling”, Zei Merlijn: “nu zie deze jonge man, Hij is een goede ridder, dat schijnt daaraan, En hij is ook hoger dan gij bent, En hij heeft geen vrouw nu ter tijd, 22580 En we zoeken avontuur, weet het dan, Als we kwamen aan enige hoge man, Die hem zijn dochter gaf tot wijf, Die hij mocht trouwen tot zijn lijf”. “Ach, mijn God! heer, genade!” zei hij, 22585 “Heb ik niet een dochter vrij, De schoonste en die verstandigste mede, Die nu in de wereld is ter plaatse? Nog van hoogheid of van rijkheid Kan niemand zich met haar vergelijken mede, 22590 En was dat uw wil en zijne, God weet, Ik gaf hem haar tot een vrouw gereed, En heb niet meer kinderen daarnaar, Daar mijn land op blijft, dan aan haar”. Toen zei Merlijn: “dit zal hij niet, 22595 Als God het wil, nu ontzeggen iets”. Toen bedankte hem dus de koning zeer, En zei, ze wil dat dit doen haar heer, En dat hij haar neemt nu gereed. 251 De koning toen zelf om zijn dochter gaat 22600 En liet haar voorbereiden daar ter plaatse Zo hij het rijkst kon mede, En leidde haar met hem blij uitermate, Daar hij de drie koningen had gelaten; Daar volgden veel ridders daarnaar. 22605 Toen kwamen uit de kamers daar De drie koningen in de zaal; Toen zei Leodegan deze taal Zo luid, dat zij het hoorden, zonder waan, Alle die in de zaal waren gestaan, 22610 En zei:”edele jonkheer en heer, Zoals ik u kan noemen min of meer, Want ik weet niet hoe ge heet, Nu zie mijn dochter gereed Tot een vrouw, ze is mooi en verstandig 22615 En al de eer en al dat goed, Dat daartoe behoort na mijn dood, Geef ik u daarmee, klein en groot, Want geen zo’n goede man, Of zo’n wijze, of zo’n koene voortaan 22620 Mocht ik haar geven, weet ze wel Alle die hier nu staan in de zaal”. Toen ging Arthur de koning voorwaarts daar, En bedankte hem zeer; en daarnaar Gaf hij haar hem met de rechterhand, 22625 En ze beloofden het beide gelijk. Toen zegende hen de bisschop van Tornas, Die daarom ontboden was; Daar werd die bruiloft groot alzo. Toen kwam Merlijn gegaan toe, 22630 En sprak zo luid, dat zij het allen daar Horen mochten, ver en nabij: “Gij heren, zouden graag weten het fijne, Wie de bruidegom is en wie wij zijn?” Koning Leodegan zei toen: “Heer, 22635 Ik graag geen ding weet meer, En bij God, tenzij een wonder nu, Dat ik het graag wist, zeg ik u, Wie ik mijn dochter heb gegeven”. Merlijn zei: “die u daar staat benevens, 22640 En die uw dochter nu heeft ontvangen, Dat zeg ik voor allen die hier staan, Hij wordt koning Arthur genaamd En is heer van Brittannië land, En zijn vader was koning Uter-Pandragoen, 22645 En gij, heer, en al uw baronnen, Die nu behoren tot uw rijk, Zullen zijn man zijn zekerlijk; Nu doe hem hier manschap nu ten tijden Dan zullen we heuglijk varen te strijden 22650 Tegen de groot brandende koning, zeg ik u, Die dit land meent te overwinnen nu; Maar dit zal anders zijn dan hij meent te gaan; En weet ge wie deze zijn, die hier staan? Dit zijn twee broeders zekerlijk: 22655 Dit is koning Ban van Bonewick En de ander koning Bohort van Gaunes, En zijn gekomen, zij het zeker dit, Van het hoogste geslacht mede, Dat men weet in christendom; 22660 En allen die met hem zijn gekomen nu, Zijn konings kinderen, dat zeg ik u, Of hertogen of burggraven, Goed geboren en rijk van haven”. Toen koning Leodegan dit verstond 22665 En de andere heren, en dus was bekend, Dat koning Arthur was dat, Waren ze alle zo blij ter plaatse Dat men niet zulke blijdschap zag Nergens hebben, op enige dag. 22670 Toen kwamen de heren van de tafelronden En ontvingen daar eerst de manschap ten stonden; Want ze hadden het lang begeerd; Daarna kwamen de anderen ter vaart Met koning Leodegan, 22675 En deden hem alle manschap daaraan. Toen ging men eten, en hadden groot spel Daar was bediend te eten goed, En ‘s avonds liet zich kennen daar Merlijn de gezellen, weet voorwaar, 22680 Die men noemt van de tafelronden; De bruid was ook blij ten stonden Van haar bruidegom, en Leodegan Was nu die allerblijdste man, En zei, God deed hem veel eren, 22685 Dat hij hem gezelschap gaf van zulke heren, En dat zijn dochter zou hebben dan Tot man zo’n goede man: “God, Heer!” zei hij, “sinds dat ge dus gekomen bent, 252 Zo kan het me niet schelen wat ge doet met mij, 22690 Sinds dat mijn dochter besteed is nu Aan de beste, die leeft, dat zeg ik u”. Daarna gingen ze slapen gelijk, En ‘s morgens, toen ze op zijn gestaan, Zond koning Leodegan voren 22695 Tien duizend ridders uitverkoren, Zoals hem Merlijn nu aanried, te waren; Daarna ordende hij zijn andere scharen. In tien scharen verdeelde hij ze daarnaar: De eerste voeren de drie koningen daar, 22700 En Merlijn met de draak ter plaatse En die van de tafelronden mede, Zodat er zevenduizend waren; In de andere schaar kwam na dat Gwinemar, koning Leodegans verwant, 22705 Zevenduizend ridders had die niet traag; Daarna kwam de vrouwen zoon gereed Van het woud dat zonder keren heet, Zevenduizend had hij er in zijn schaar; Dat vierde bataljon leidde daarnaar 22710 Belias met zevenduizend man; Andalus, hij volgde hem dan Met zevenduizend man ter stonde; Daarna kwam Belis de blonde, En hij had zevenduizend man mede; 22715 De zevende schaar leidde ter plaatse, Ydiers van Noyors met zevenduizend man, Die hier later weg gingen dan In koning Arthurs hof ter plaatse, Dat hij vijf ringen uittrok gereed 22720 Een ridder, daar u van al bloot Dit boek van zal wonder zeggen groot; De achtste van deze gezellen, Dat was Landan, zoals we dat tellen, Hij leidde ook zevenduizend man; 22725 Dat negende bataljon kwam daaraan, Die leidde heer Groine te verpletten eer Zevenduizend man had hij in het geweer; De tiende leidde koning Leodegan, Daar waren in negenduizend man, 22730 En Cleodalis, zijn drost, mede. Toen deze tien scharen daar ter plaatse Geordend waren alle daar, De volgende dag zo hield daarnaar Koning Leodegan zijn hof na dat, 22735 Want de volgende dag Pinksteren was; Daar was groot feest, God weet, Na de mis ging men eten gereed En de vier koningen gingen daar Te ene tafel zitten, en daarnaar 22740 Ging elk zitten daarnaar zijn waarde; Daar was alles, wat groeide op de aarde Elk genoeg gegeven daar. Voor de vier koningen, weet voorwaar, Zaten de twee Jenovers nu, 22745 Die mooi waren, zeg ik u, En van maat gelijk, zij het zeker dat; Maar Arthurs vrouw langer was En redelijker, in alle zaken, Had ze ook gereed en mooiere spraak 22750 Dan de andere Jenover; ook was zij Die verstandigste en de beste daarbij, En die meer deugden had mede Dan enige vrouw ter wereld deed; Ook had Jenover haar meer 22755 Dan de ander deed, daar ik van zei eer; Maar anders waren ze alzo gelijk, Dat niemand was zekerlijk, Die ze had mogen onderscheiden daar. De etenstijd was geleden en de dag daarna, 22760 En men ging slapen daar niet lang, Want die daar als eerste opsprong, Hij wekte de anderen uit hun slaap; Men ging vast daar ten wapen, En Jenover die wapende daarnaar 22765 Koning Arthur, en omgorde hem daar Zijn zwaard, en nam ook mede Zijn sporen, en bespiedde hem ter plaatse Al knielend. Toen lachte Merlijn daar En wees de twee koningen ernaar, 22770 En zei:”beziet, hoe behaagt ze u, Dat ze koning Arthur aldus bedient nu?” Dit prezen die twee zeer toen, En ze had ook sinds goed loon, Toen ze koning Arthur had verloren 22775 Daar ze om hadden grote toorn Van Bertalie, de kwade verrader, Zoals u dit boek hierna zegt allemaal. Toen zei Merlijn al lachend, ter ure, En in schimp tot koning Arthur: 22780 “Heer, niet was ge voor dezer tijd 253 Echte ridder, zoals ge nu bent, En u ontbreekt maar een ding nu, Gij nieuwe ridder, zeg ik u, En wel mag ge zeggen te waren, 22785 Als ge nu zal uitvaren, Dat een konings dochter goed geraakt Een nieuwe ridder heeft gemaakt”. De koning vroeg Merlijn toen, Welke dingen hem ontbreken daartoe, 22790 “Dat ze niet gedaan heeft, zeg het mij, Ze zal het doen opdat het niet oneerlijk zij”. Toen zei de maagd: “Heer, wat ik doe U hier, heer, ik ken u alzo Hoffelijk en goed, zonder waan, 22795 Dat ge me node zal laten aangaan Of laten doen of verzoeken mede, Hier of anders in enige plaats, Dat ik belachelijk mocht zijn iets Of dat men mij mocht, wat dus geschiedt, 22800 Hierna verwijten te enige plaats, Om het beste kasteel, die ge hebt mede”. “Jonkvrouw”, zei hij, “ge zegt zoals de verstandige Van de dingen die ik zei, wees zonder hoede, Daar zal u geen erg van komen voorwaar”. 22805 Toen vroeg die koning nog daarnaar Merlijn, wat hem ontbreekt ter stond: “Heer, een kus aan haar mond, Als dat de jonkvrouw lief waar”. “Bij God”, zei de koning, “maar 22810 Zo beleef ik dat heden, ik zal wezen Nieuwe ridder!” en ze zei na deze: “Wees Christen, dat zal, dat blijft niet Bij deze dingen, wat dus geschiedt, Ge zal een nieuwe ridder zijn, 22815 Want ik ben de uwe en gij de mijne, En mijn vader heeft mij u gegeven, Ge mag met me doen, al uw leven, Dat ge wilt”. Toen nam haar de koning In zijn arm daar, na dat ding 22820 En omhelsde haar en zijn weer nu Vriendelijk, dat zeg ik u, En toen kuste de ene de ander daar Erg zacht, weet voorwaar. Binnen deze waren de paarden gereed 22825 Men bracht ze voor de heren gereed; De maagd nam zijn helm toen, En zette die op dat hoofd daartoe; Toen nam hij verlof en de anderen mede, En voeren alle weg ter plaatse, 22830 De ene voor en de andere na En allen in bataljons voorwaar, En reden heen hun pas. De tienduizend ridders, zij het zeker dat, Die voor waren gereden daar, 22835 Ze hadden wel veertig spionnen voorwaar Gevangen, die van koning Rioen waren, Die ze in gevangenis legden te waren; En ze behoeden het land zo goed daartoe, Dat geen nieuws kwam toe 22840 Bij koning Rioen. Dus kwamen ze gereden Zolang, zodat ze te ene plaats Op een woensdag kwamen gereed In koning Rioens leger, God weet, En Merlijn reed met de draak voor daar 22845 Tot in de tenten, weet voorwaar; En de maan scheen donker nu, En ze sliepen vast, zeg ik u, Want dat was op de dag heet En ze hadden goed gedronken, God weet; 22850 En Merlijn liet zijn lieden verzamelen al Aan een bos in een dal Op een rivier, en hij verbood daar, Dat ze niet zouden vertrekken daarnaar Voordat hij blies een hoorn na dat. 22855 En toen dat leger verzameld was, Blies hij zijn hoorn daar ter plaatse, En riep op Onze Vrouw mede: “Maria”, zei hij “moeder Onze Heer, Bidt uw kind voor mijn heren 22860 En voor ons allen in dit begin”. Toen riep hij luid: “nu sla in!”. En ze sloegen in dat leger, zeg ik u, Die allen vast slapen nu, En Merlijn liet komen zo ‘n wind, 22865 Dat niet bleef staan een tent omtrent, Ze vielen de vijanden op het hoofd, Daar ze zeer van worden verdoofd; En de christenen sloegen in gereden Te alle plaatsen, en doodden mede 254 22870 Menige man eer ze weten konden, Wie ze waren te die stonden. Daar werd “help” geroepen en groot gekrijs; De grote heren stonden op ter tijd, En wapenden zich met haast daarnaar, 22875 Want ze hadden het nodig voorwaar En verzamelden zich voor de konings tent van Rioen, En lieten bazuinen blazen doen, En de christenen sloegen in deze nood Wel twintigduizend heidenen dood, 22880 De anderen jaagden ze daarnaar konings tenten toe En daar gaven ze hen slag alzo; Toen wapenden hen die niet gewapend waren, Binnen die begon de dag te klaren En het bataljon trok naar achter daar 22885 En elk verzamelde zijn lieden daarnaar, En Merlijn hief zijn teken nu En sloeg in de giganten, zeg ik u; En toen koning Rioen vernam dat, Die schade, die hem gedaan was, 22890 Werd hij zo boos om datgene nu, Dat hij geheel dol werd, zeg ik u; Hij zat op een paard groot ter plaatse En hij nam een bijl mede, Zo groot was het en zo zwaar 22895 Een man had daar wel te dragen van haar; Hij voer bezijden die weken van voor nu En achter mee te vertroosten, zeg ik u. Toen riep hij Solinas daarnaar En zei hem te leiden de eerste schaar 22900 Met tienduizend man, en beval hem daar Zijn uitlachen te wreken voorwaar. Toen voer heen Solinas, Die erg dapper en koen was, En Merlijn zag hem komen ter plaatse; 22905 Toen zei hij tegen Arthur mede: “Nu zie dat de kus die zij Zo duur verkocht, dat men daarbij Immer meer u denkt daar van, Dat u uw lief zo vriendelijk gaf”; 22910 Hij zei, hij zou doen die macht. Toen verzamelden ze met zo’n grote kracht, Daar deed koning Arthur dapperheden, Dat zeer gezien werd daar ter plaatse; Want hij kwam aan Jonap na dat 22915 Die een uitnemende grote reus was; En toen hij de reus zag komen daar, Ontzag hij hem weinig, weet voorwaar, Want hij scheen maar een kind Tegen die reus daar omtrent; 22920 Ze kwamen tezamen met geweld En Jonap doorstak Arthurs schild, En naast de zijde stak ter uur Arthur door zijn schild, door harnas door, En dat door de schouders mee ging; 22925 Maar die gigant om dit ding Toonde niet dat hij hem dit deed Enig verdriet, zo sterk was hij mede Van hart, en ze kwamen daar Met de paarden tezamen daarnaar, 22930 Zodat de paarden storten weer Ter aarde met hem beiden neer. Daar bleven ze liggen alzo tezamen Een tijdje, eer ze weer bijkwamen, Toen sloeg men aan beide zijden toe 22935 Om te helpen hun heren toen; Daar werd menige speer gebroken gelijk, En menige slag zag men daar slaan; Daar verloren de giganten meer veel Dan de christenen in die strijd, 22940 En daar werden hergegroepeerd toen Beide koningen; daar ging men toe De ene de andere vreselijk ter plaatse. De ridders van de tafelronden mede Deden wonderen in de strijd, 22945 En de twee en veertig, dus zeker zij, Sloegen dood zo menige man, Dat het buiten getal ging daaraan; Deze dreven de Sennen nu achteruit Tot aan de ander kant van hun standaard; 22950 Daar bleef de strijd staan fel, Daar deden het Arthurs lieden zo goed, Dat het een wonder was te zeggen u; Ze maakten menige Senne schuw. Maar boven de andere deed daar te voren 22955 Een ridder, heet Does, zoals wij dat horen, Want bij Uitr Pandragons tijden mede En bij koning Arthur ook ter plaatse, Daar hij ridderschap hanteerde bij, Zo was hij een goede ridder en vrij; 255 22960 De historie zegt van hem dat, Dat hij Percheval’s neef was Van zijn moeders kant mede; Hij was Enisent’s zoon mede, Die Josephs zuster was en Broen 22965 Tot een vrouw genomen had toen, Daar hij twaalf zonen van had mee, Daar sinds Brittannië mede, dat weet, Zeer verlicht werd, en ook was hij Celidonis verwant, de ridder vrij, 22970 Die Nasciens zoon was, Die dat grote wonder voor dat Eerste keer zag van de Graal; En hij was verwant, weet wel, Van koning Pelles en zijn broeder mee, 22975 En heet Nasciens, dat weet, En Nasciens had Galaath Lang in zijn behoud nadat, Zoals u dit boek zal zeggen hiernaar; En deze Nasciens, weet voorwaar, 22980 Werd sinds van het goede leven toen; Toen hij dat ridderschap opgaf alzo, Werd hij heremiet goed ter plaatse, En Onze Heer gaf hem mede, Dat hij priester werd en missen deed; 22985 En hij was een zuivere maagd mede Zolang als hij leefde voorwaar. Deze Nasciens gebeurde daarnaar, Dat een engel hem voerde gereed In de derde troon, God weet, 22990 Daar hij zag en heeft gehoord De Vader, de Zoon en de Heilige Geest; En hij had sinds de historie mee Van de heilige Graal, dat weet, Geschreven met zijn hand gereed 22995 Bij Onze Heer gebod, God weet, En hij voegde dat aan Blasys werk mede, Dat hem Merlijn maken deed; Ook gaf hij sinds koning Arthur Raad, daar hem terzelfder ure 23000 Galaath wilde afwinnen zijn land, Die dertig koningen had in zijn hand, Die hij met kracht alle won. Hierna zal ge dat wel horen dan, Daar u dit boek dan wel zal leren; 23005 Maar ik moet hier ter historie keren, Daar ik dat liet, van de strijd, Daar men zeer vocht te die tijden. |
Enen strijt van den koninck Rione tegen die vier koninge. Daventure segget hier ter steden, Dat Leodegans liede sere streden 23010 Tegen koninck Rioens liede van Irlant. Die van der tafelronden, sij iu bekant, Streden so wtermaten sere daer, Dat wonder was; maer wet vorwaer, Dat Nasciens street so fierlike, 23015 Dat nieman en was sine gelike; Ende Adegans, die brune, dat wet, Hi gesellede hem den koninck Artur met; Dese drie waren so verre voren, Datsi dander alle hadden verloren, 23020 Ende werwaert datsi voeren ter stede, Die drake volgede hem ember mede, Ende haer gesellen pijnden hem te volgene daer, Maer si en konden, wetet vorwaer, Wantsi waren so verre gereden, 23025 Datsi en konden niet ter steden Dat volck dorbreken, dat tuscen hem was; Entie drie gesellen, sijt seker das, Pijnden hem sere, datsi in der vaert Mochten komen an koninck Rioens standaert, 23030 Dien drie olifanten droegen daer; Ende koninck Ban ende co. Bohort vorwaer, Doe si den koninck Artur, zeggic iu, Verloren hadden, lietensi nu Haer orse lopen met groter porsen, 23035 Ende braken die batalye metten orsen, Ende sloegen metten swaerden doet Wat dat quam in haer gemoet; Ende si en rasten niet van slagen, Thent si Merline vor hem sagen 23040 Metten drake, dien hi droech nu. Doe dese vive vergaderden, seggic iu, Gingensi so vreeslyc slaen, Dat hem nieman en konde ontstaen. Doe quam die koninck Rioen ter steden 23045 Met siner gisarmen toegereden, 256 Ende dit was die meeste man Entie vreeslikeste oec daeran, Die men in der werelt wiste doe, Ende hi gemoete den koninck Bohorte alsoe, 23050 Die jagede den koninck Faveroene, Die ontvloen was in den doene Enen bogescote verre vorwaer Van sinen gesellen; doe quam daer Die koninck Rioen met xxvi koningen nu, 23055 Die hem alle volgeden, zeggic iu, Ende reet vor dander daer alsoe, Hi hadde sine gisarme in siner hant doe, Ende sat op een groet swart ors mede. Daer brachte geiaget jegen hem ter stede 23060 Die koninck Bohort den koninck Faveroene Ende hielten so kort na dien doene, Dat hi hem gaf daer enen slach Dat hi vor op sinen gereide lach, Ende hi hoef den ander daer iegen 23065 Ende meende hem dat hovet hebben afgeslegen, Maer dat ors hadde den breidel metten tanden Ende droechen over also te hande Van onder den slach; maer hi sloech daer Dat ors achter doer, wetet vorwaer, 23070 Dat si beide vielen ter aerde (Die koninck Faveroen metten paerde]; Doe overreet hine daer ter stede, Oec hadde hi daer afgegaen mede, Hadde hi des stade gehat ter steden; 23075 Maer die koninck Rioen quam daer gereden Ende riep met ener luder kele: “Heer ridder, gy hebbet des gedaen te vele Oec sal iu dat rouwen, sonder waen, Want ic kome iu doet te slane saen, 23080 Ende gy sult te hant weten, sijt seker des, Dat tuscen hem ende my vrientscap es”. Doe sloech hi dat ors met sporen daer, Die koninck Bohort sloech op hem daernaer Wantet dochte hem een Duvel wesen; 23085 Hi was hem so verkomen binnen desen, Dat hi hem konde gerumen niet, Ende achter hem so vele volkes komen siet Dat hem dochte dat daernare Alle die velde bedecket waren, 23090 Ende hi sach wel doe al bloet, Ontbeide hi sijns, hi waer doet. Doe seide hi: “Genade, God, edel Here! Vlie ic nu, ic en gewinne nembermere Negene ere in al dat leven mijn, 23095 Ende embermere soudet my verweten sijn; Noch hebbic liever te stervene met eren Dan te levene met onneren; Nu doe God Sinen wille met my, Ic sal sijns ontbeiden”, seide hy. 23100 Doe makede hi een cruce vor hem daer, Ende hielt sijn swaert in der hant daernaer Ende ontbeide des Duvels daer alsoe; Entie koninck Rioen quam op hem doe, Ende gaf hem enen slach so groet, 23105 Dat wonder was hi en haddene doet Ocht verminket; maer die koninck Bohoert Hielt sinen scilt daer iegen voert Dat die slach quam opten scilt daer, Die al te sticken vloech daernaer 23110 Op sijn gereide, wetet vorwaer. Nu was die Gigant erre, seggic iu, Dat hi gemist hadde, ende keerde nu Ende brachte die gisarme verheven; Entie koninck Bohort sach hem beneven 23115 Menegen man komen gevolgen naer, “Ic waer wel sot”, zeide hi daer, “Bleve ic hier langer houdene mede”. Doe sloech hi achterwaert ter stede Daer sine liede streden met gewoude, 23120 Daer sach hi Boterne vaste houden Hervy van Riveel metten helme daer, Die te voete stont vorwaer, Dien si geslagen hadden ten stonden, Dat hem dat bloet wt nese ende wt monde 23125 Storte, ende hadden hem dat hovet te hants Afgeslagen, en waer Agregans Die Brune, diene nu daer Sere bescudde. Doe quam daernaer Die koninck Bohort, ende was hem leet, 23130 Dat hine in desen anxte weet; Doe sloech hi sijn ors met sporen, Ende hevet Aroanse daer verkoren, Den koninck, ende Boterne, dien hi daer Opten helm so sloech vorwaer, 23135 Dat hi ter aerden scire lach 257 Dat hi en hoerde noch en sach, Enten andren sloech hi mede, Dat hi oec viel daer ter stede. Alse Hervy was delivereert alsoe, 23140 Nam hi dat ors ende sat daerop doe, Ende sloech in die batalie ter vaert, Die ie lanck ie meerre wart, Want alle die batalien te dien tyden Waren vergadert in beiden syden; 23145 Entie koninck Rioen volgede ember naer Den koninck Bohorte ende verhaeldene daer, Daer hi den koninck Aroanse ter stede Van den orse geslagen heeft mede; Ende also vro als hine sach, 23150 Meende hi hem geven enen slach, Ende thoeft hebben geklovet daer; Ende alsi Bohort sach daernaer, Die negenen scilt en hadde doe, Hi sloech sijn ors vorwaert alsoe, 23155 Ende hy gemyste sijns ter stede, Ende gerakede dat ors achter mede, Ende sloech hem den rugge duer, Dat daer ter aerden storte ter uer, Entie koninck Bohort viel mede daer; 23160 Maer hi spranc van den orse daernaer Optie aerde, want hi was dapper sere; Doe wart die drangh ombe den here Herde groet van skoninck Rioens lieden, Die hem volgeden nu ten tyden, 23165 Dat hi kume bekeren mochte Ende hem geweren onsochte. Daer wart doe die strijt so groet, Datsi moesten achter voet Enen bogescote ende oec meer; 23170 Daer wart die koninck Bohort gequetset seer, Want hem die koninck Rioen dede noet Ombedat hine gerne sloege doet; Ende alse Hervi den koninck sach doe, Dat hi tonder was alsoe, 23175 Want hine vier werf sach vallen saen Over sine knien ende weder opstaen; Sloech hi derwaert ombe hem daernaer Thelpene; hi hadde vorwaer In siner hant ene spere groet, 23180 Ende stac die daer in sijn gemoet Den koninck Rioen dor den scilt ter stede, Ende ontmalyede sinen halsberch mede In dene syde, maer niet in dat lijf. Die koninck Rioen hielt hem stijf 23185 Entie koninck verhoef die gisarme ter stede, Daer hi menegen Kersten doet sloech mede, Ende hi meende Hervi nu sijn hovet Geclovet hebben, des gelovet, Maer hi hielt den scilt daertegen; 23190 Des hevet hi een quartier afgeslegen, Ende daer die slach te dale ginc doe, Sloech hi den orse den hals af toe, Datsi beide ter aerden vielen daer. Doe Adragans sach daernaer 23195 Sinen geselle ter aerden vallen nu, Was hi des herde erre, seggic iu, Ende reet an den koninck Rione, den here, Ende sloechen met sinen swaerde so sere Opten helm, dat hine nicken dede 23200 Op dat artsoen, ende hadde hi mede Hem niet gehouden an den hals naer Van den orse, hi waer gevallen daer, Ende hadde hem mogen keren Adragant, Hi hadde sinen geselle gewroken thant. 23205 Doe sine liede haren koninck sagen alsoe Op sijn paert liggen waren sijs onvroe; Daer was een koninck, hiet Solinas, Die des koninck Rioens maech was, Ende hi was herde overmoedich mede; 23210 Doe hi dit sach, nam hi ter stede Ene spere in sine hant, Ende reet so sere op Adragant, Dat hine ter aerden droech aldaer; Maer Adragant spranc op daernaer, 23215 Entie drie gesellen holpen hem doe Ende weerden die liede van hem alsoe, Dat hem nieman genaken dorste, Doe scotensi na hem, sonder vorste, Met daerden ende met speren mede, 23220 Dat sise mede wondeden ter stede; Maer si waren van so goeder herten, Dat hem niet en konde gesmerten Want wat hem genakede sloegen si doet. Die koninck Rioen ende sijn hoep 258 23225 Hieltse so kort, datsi gevaen Hadden geweset, en hadde gedaen Nascien, die toe quam gereden, Die hadde in siner hant ter steden Enen spiet ende sloech in alsoe, 23230 Ende wat hi daer gerakede doe, Moeste ter aerden vallen daer. Doe quam die koninck Rioen daernaer, Dien stac hi int opene van den scilde nu Ende opten halsberch, seggic iu, 23235 Ende stacken ter aerde averecht, Ende bereidene so na sijn recht Eer hi opstont, zijt zeker das, Dat hi en wiste waer hi was; Ende Nascien overreeten daernaer 23240 Twewerf ochte drie, wet vorwaer; Ende alse dat sine liede sagen, Gingensi vaste derwaert iagen; Daer wart Nasciens ors gesteken doet, Daer hadden die drie horen overwille groet 23245 Ende Merlijn die dit wiste ter ure, Riep doen daer den koninck Arture Enten koninck Ban tien stonden, Entie heren van der tafelronden, Ende zeide: “nu volget my saen, 23250 Want die koninck Bohort vechtet, sonder waen, Ginder self vierde, dat zeggic iu, Tegen al te male gene heren nu, Ende es sere tonder, want die koninck Rioen Hout se so kort ende sine baroen, 23255 Ombedat hi se doden soude dan”. Alse dit hoerde die koninck Ban, “Here God!” zeidi, “wyset my waer dat es, Blivet mijn broeder doet, zijt seker des, Nembermeer so [en] werde ic blide, 23260 So lange als ic leve in negenen tyde”. “Volget my”, zeide Merlijn ten koninck Ban, Want hier en es geen beiden an”. Daer makede Merlijn doe nadas Ene toverye, die wonderlyc was, 23265 Ende dade een gestof van sande komen Ende enen wint, die se hevet genomen Ende op die Gigante al daer droech So dicke, datsi haer ongevoech Hadden, want voert van dien 3270 En konde dene dander niet gesien. Doe wart daer een gehu nadas, Ende Merlijn, die ember vor was, Keerde den drake in siner hant; Doe vloech daerwt al sulken brant 23275 Ende vier, dat die drake warp wt, Dat die lucht stanc overluet, Entie brant hi vil daer sciere Al op der Heidene baniere, Ende dit versagedese sere daernaer; 23280 Doe sloech Merlijn in den drangh daer, Ende dorbracse aldaer ter stede, Hi ende sine gesellen mede, Ende quamen ten koninck Bohort toe, Die op sinen voeten stont alsoe, 23285 Ende sine gesellen, die daer waren Haer helme alsoe dorslagen, twaren, Datsi hem over dogen hingen ter stat, Ende haer halsberge hadden menech gat; Maer si en hadden negene wonden 23290 Die hem iet scadeden tien stonden. Si hadden haer swaerde in haer hant bloet, Si hadden so menege heidene doet, Datsi met hoepen lagen daer. Doe quam die koninck Ban daernaer, 23295 Ende sloech den koninck Mynappe alsoe, Dat hine clovede toter borst toe; Entie koninck Artur sloech ter stede Enen Senne sijn hovet af mede, Ende vor den koninck Rioene vloech daer; 23300 Elc ander geselle sloech daernaer Den sinen doet, die vor hem quam. Doe die koninck Bohort dit soccoers vernam, Spranc hi, ende sine gesellen mede, Over die dode, die lagen ter stede, 23305 Ende elc nam een ors daernaer, Ende ander helme, wet vorwaer, Ende saten op ende reden nadas Daer die strijt ten meesten was. Dus duerde die strijt daer alsoe 23310 Al toter vespertijt nu toe, Doe waren die Kerstene sere tonder, Ende dat en was geen wonder; Want die koninck Rioen hadde hondert man Tegen enen Kerstene voertan, 23315 Daer wart geruchte so groet, zeggic iu, Dat die van Deneblase der stat nu 259 Wtwaert sagen ende vernamen naer, Dat die hare te quaet hadden daer. Als Sydonies, die borchgrave, na das 23320 Sach dat sijn oem tonder was, Die koninck Leodegan, ende so die mede Gesconfiert hebben geweest ter stede, En hadde die koninck Artur gedaen Ende sine geselscap, sonder waen, 23325 Dier maer driehondert en was, Want alle vloensi op hem nadas, Doe riep hi: “edele ridders, wapent iu Want hier es des wael te doene nu, Wy moeten noch heden verliesen al 23330 Ochte winnen nu groet ende smal, Ende onse erve behouden te hande Tegen die Heidene, Godes viande; Entie stervet dor die Godes minne, Hi blivet behouden in allen sinne, 23335 Ende wy en mogen nembermere Bet sterven met meerre ere Dan nu, want siet ginder ter ure Onsen gerechten here, den koninck Arture, Die die beste van der werelt es, 23340 Onder genen drake, sijt seker des; Hi es ons te hulpe komen nu Ende settet sinen lichaem, seggic iu, Vor ons ende aventure mede; Nu waert wel recht, dat wy ter stede 23345 Ons aventuerden dor hem dan”. Doe bereide hem daer menech man Ende togen wt ende reden ter vaert Dapperlike ten Heidenen waert. Doe riep die koninck Leodegan; 23350 “Stoutelike slaet in, mine man! Siet mynen neve Sydonies nu, Hi bringet ons soccoers seggic iu”. “Here”, zeide doe Gwinemar mede, “Wat vermaendy ons ter stede? 23355 Wy sijn nu so verre gevaren Dat wy alle doet bliven, twaren, Ocht wy moeten verweren ons hier; Daerombe soude elc sijn so fier Ende met wapene hier gebaren, 23360 Dat si hem souden van ons vervaren”. Doe sloegen si onder den drake daer Ende volgeden Merlyne also naer, Daer die koninck Artur entie koninck Ban Ende Bohoert ende menech ander man, 23365 Ende mede die van der tafelronden, Wonder wrachten daer ten stonden. Daer worden des koninges liede so machtech doe, Datsi die Sennen dreven daertoe, Datsi moesten achterwaert tien 23370 Ende tot onder haer baniere vlien; Daer wordensi houdende voertmeer Ende weerden hem wtermaten seer, Ende Merlijn was an dene syde gevaren Ende die van der tafelronden, twaren, 23375 Tot hem komen, ende hi dadese naer Haer orse vergorden alle vorwaer, Ende haer wapene te poente setten, Ende spere nemen, sonder letten, In haer hande, ende hietse soe 23380 Haren vianden varen vaste toe. Nu waren die Sennen vercoevert daer, Ende dreven dander achterwaert daernaer; Doe quam dese inridende mede, Ende Merlijn riep op hem ter stede: 23385 “Nu sal ic sien, wie dat wel sal doen, Elc sij hier nu een lyoen!” - Hi zeide den koninck Artur nu: “Gy gedenket oevele, seggic iu, Van den soeten cusse mede, 23390 Dat iu lief iu gaf ter stede, Doe gy van haer sciedet, God weet, Noch hebdy oevele verdient gereet”. Doe dit die koninck Artur hoert, Scaemde hi hem ende reet voert, 23395 Ende versette hem in sinen stegereep doe Met so groter kracht daertoe, Dat die yser bogen, wetet dan. Doe loech daerombe die koninck Ban, Ende wysede dat sinen broeder alsoe; 23400 So fier gelaet hadde hi doe, Datten die van der tafelronden daer Te wonder ansagen, wetet vorwaer. Ende zeiden, mochte hi leven enegen dach, Dat men siner gelijken nie en sach. 23405 Doe riep Merlijn “Clarense” daernaer, 260 Ende sloech in die batalie daer; Si voeren in met groter cracht Ende elc hadde ene sterke scacht, Ende staken al neder dat vor hem quam. 23410 Die koninck Artur, als ict vernam, Hadde gesteken den koninck Clarele, Dat hijs genoech hadde tsinen dele; Doe verkoes hi den koninck Rioene daernaer Want hi verkendene, wetet vorwaer, 23415 By der coverturen, seggic iu, Want die coverture, die hi droech nu, Was met barden ende met kronen Al gesaeit; doe hi sach dengonen Die koninck Artur, hi hoef sijn swaert 23420 Ende sloech dengenen, metter vaert, Dor den scilt enten halsberch mede, Ende haddene al dorslagen ter stede, En hadde een porpoent gedaen Dat van enen serpente, sonder waen, 23425 Gemaket was, dat halp hem daer, Dat hi der doet ontginck vorwaer; Want dat vel van den serpente was Boven dat porpoent, sijt seker das, Dat was so hart ende so sterck met, 23430 Dat ment niet mochte dorslaen, dat wet; Doch was die slach so groet ter stede, Dat hine ter aerden vallen dede. Doe die Gigante haren heer sagen vallen, Voeren si derwaert saen met allen, 23435 Ende streden den koninck Artur so an, Datsi hem ende sijn ors dan Vallen deden ter aerden saen. Doe riep Merlijn, sonder waen, Die ridders van der tafelronden daer, 23440 Dat sine varen bescudden naer. Daer wart die strijt groet bysonder, Entie koninck Ban wrachte daer wonder; Want hi met crachte bescudde te hande Den koninck Artur onder sine viande; 23445 Entie koninck Leodegan ende Sydonies Dadent dan wael, sijt seker des. Maer die koninck Artur, doe hi hermonteert was Dade hi so groet wonder nadas, Metter hulpen des koninck Bans ter stede, 23450 Entie koninck Bohort oec mede, Metten ridders van der tafelronden, Datsi al die Gigante wederstonden, Ende dreven van den plane daer. Daer was die koninck Rioen vorwaer 23455 Seer geaffelgiert eer hi bescut was; Ende als hi vernam die waerheit das, Dat sine liede gesconfiert waren, Ende hi vlien moeste daernare Ocht hi moeste doet bliven daer, 23460 Vloe hi met groten sere daernaer. Doe dit sach die koninck Leodegan, Dat die koninck Rioen daer te vliene began, Volgede hi hem ende Sidonies Ende Gwinemar ende Cleodales; 23465 Ende bander side die van der tafelronden Volgdeden oec mede te dien stonden, Ende sloegen daer so vele in dat jagen vlien, Datsi met groten hoepen lagen; Ende doe die koninck Rioen dus ginc 23470 Sone heveten nieman daer gesien No gekent, dan die koninck Artuer; Hi merkedene daer terselver uer, Ende reet hem al stille swigende naer, Dat nieman van den sinen wiste daer, 23475 Waer hi was henen; ende bandersyden Jagede die koninck Leodegan tien tyden Gloriante, Mynados, ende Golifere, Dese drie koninge jagede hi sere Allene dor den bosc alsoe; 23480 Ende dander gesellen waren doe Gesceden, tiene hier, twintech daer; Dus duerde die jagerande daernaer Toten dage eer si scieden. Si sloegen doet van den lieden 23485 So vele, datter maer en bleven daer Twintechdusent te live vorwaer Van tweenhondertdusent man, die si ten tyden Bracht hadden daer te striden. Nu zwiget dit boeck hieraf ter ure, 23490 Ende sal iu seggen van den koninck Arture Ende van den koninck Rioene vorwaer, Dien hi nu vaste volget naer. |
Een strijd van koning Rioen tegen de vier koningen. Het avontuur zegt hier ter plaatse, Dat Leodegans lieden zeer streden 23010 Tegen koning Rioens lieden van Ierland. Die van de tafelronden, zij u bekent, Streden zo uitermate zeer daar, Dat het een wonder was; maar weet voorwaar, Dat Nasciens streed zo fier, 23015 Dat niemand was zijn gelijke; En Adegans, de bruine, dat weet, Hij vergezelde koning Arthur mee; Deze drie waren zo ver voren, Dat ze de anderen alle hadden verloren, 23020 En waar ze heenvoeren ter plaatse, De draak volgde hen immer mede, En hun gezellen peinsden om hen te volgen daar, Maar ze konden het niet, weet voorwaar, Want ze waren zo ver gereden, 23025 Dat ze niet konden ter plaatse Dat volk doorbreken, dat tussen hen was; En de drie gezellen, zij het zeker dat, Peinsden zich zeer, zodat ze in de vaart Mochten komen aan koning Rioens standaard, 23030 Die drie olifanten droeg daar; En koning Ban en koning Bohort voorwaar, Toen ze koning Arthur, zeg ik u, Verloren hadden, lieten ze nu Haar paarden lopen met grote gang, 23035 En braken het bataljon met de paarden, En sloegen met de zwaarden dood Wat hen tegenkwam in hun ontmoeting; En ze rusten niet van slagen, Tot ze Merlijn voor hen zagen 23040 Met de draak, die hij droeg nu. Toen deze vijf samenkwamen, zeg ik u, Gingen ze zo vreselijk slaan, Dat hen niemand kon weerstaan. Toen kwam koning Rioen ter plaatse 23045 Met zijn bijl toe gereden, 256 En dit was de grootste man En de vreselijkste ook daaraan, Die men in de wereld wist toen, En hij ontmoette koning Bohort alzo, 23050 Die jaagde op koning Faveroen, Die ontvlogen was in dat doen Een boogschot ver voorwaar Van zijn gezellen; toen kwam daar Die koning Rioen met 26 koningen nu, 23055 Die hem allen volgden, zeg ik u, En reed voor de anderen daar alzo, Hij had zijn bijl in zijn hand toen, En zat op een groot zwart paard mede. Daar bracht gejaagd tegen hem ter plaatse 23060 Koning Bohort de koning Faveroen En hield hem zo kort na dat doen, Dat hij hem gaf daar een slag Zodat hij voor op zijn zadel lag, En hij hief de andere daartegen 23065 En meende hem dat hoofd te hebben afgeslagen, Maar dat paard had de breidel met de tanden En draaide om alzo gelijk Van onder de slag; maar hij sloeg daar Dat paard achter door, weet voorwaar, 23070 Zodat ze beide vielen ter aarde Die koning Faveroen met het paard; Toen overreed hij hem daar ter plaatse, Ook was hij daar afgegaan mede, Had hij dus tijd gehad ter plaatse; 23075 Maar koning Rioen kwam daar aangereden En riep met een luide keel: “Heer ridder, ge hebt dus gedaan te veel Ook zal u dat berouwen, zonder waan, Want ik kom u dood slaan gelijk, 23080 En ge zal het gelijk weten, zij het zeker dit, Dat tussen hem en mij vriendschap is”. Toen sloeg hij dat paard met sporen daar, Koning Bohort sloeg op hem daarnaar Want hij dacht hem een duivel te wezen; 23085 Hij was zo bijgekomen binnen deze, Dat hij hem kon ontkomen niet, En achter hem zoveel volk komen ziet Zodat hij dacht dat daarnaar Alle velden bedekt waren, 23090 En hij zag wel toen al bloot, Wachtte hij op de zijne, hij was dood. Toen zei hij: “Genade, God, edele Heer! Vlieg ik nu, ik win nimmermeer Geen eer in al dat leven van mij, 23095 En immermeer zou het mij verweten zijn; Nog heb ik liever te sterven met eren Dan te leven met oneer; Nu doet God Zijn wil met mij, Ik zal hem opwachten”, zei hij. 23100 Toen maakte hij een kruis voor hem daar, En hield zijn zwaard in de hand daarnaar En wachtte op de duivel daar alzo; En koning Rioen kwam op hem toen, En gaf hem een slag zo groot, 23105 Dat het een wonder was dat hij hem niet had gedood Of verminkt; maar koning Bohort Hield zijn schild daartegen voort Zodat de slag kwam op het schild daar, Die geheel in stukken vloog daarnaar 23110 Op zijn zadel, weet voorwaar. Nu was die gigant boos, zeg ik u, Dat hij gemist had, en keerde nu En bracht de bijl verheven; En koning Bohort zag hem benevens 23115 Menige man komen volgen naar, “Ik was wel zot”, zei hij daar, “Bleef ik hier langer ophouden mede”. Toen sloeg hij naar achteren ter plaatse Daar zijn lieden streden met geweld, 23120 Daar zag hij Boterne vast houden Hervy van Riveel met de helm daar, Die te voet stond voorwaar, Die ze geslagen hadden ten stonden, Zodat hem dat bloed uit neus en uit mone 23125 Stortte, en hadden hem dat hoofd gelijk Afgeslagen, was Agregans De Bruine, niet nu daar Die hem zeer behoedde. Toen kwam daarnaar Koning Bohort, en het was hem leed, 23130 Dat hij zich in deze angst weet; Toen sloeg hij zijn paard met sporen, En heeft Aroanse daar gekozen, De koning, en Boterne, die hij daar Op de helm zo sloeg voorwaar, 23135 Zodat hij ter aarde snel lag 257 Zodat hij hoorde nog zag, En de anderen sloeg hij mede, Zodat hij ook viel daar ter plaatse. Toen Hervy was bevrijd alzo, 23140 Nam hij dat paard en zat daarop toen, En sloeg in het bataljon ter vaart, Die hoe langer hoe meer werd, Want alle bataljons te die tijden Waren verzameld aan beiden zijden; 23145 En koning Rioen volgde immer daarnaar Koning Bohort en haalde in hem daar, Daar hij koning Aroanse ter plaatse Van het paard geslagen heeft mede; En alzo vroeg als hij hem zag, 23150 Meende hij hem te geven een slag, En het hoofd te hebben gekloofd daar; En toen Bohort zag daarnaar, Die geen schild had toen, Hij sloeg zijn paard voorwaarts alzo, 23155 En hij miste hem ter plaatse, En raakte dat paard van achter mede, En sloeg het de rug door, Zodat het daar ter aarde stortte ter uur, En koning Bohort viel mede daar; 23160 Maar hij sprong van het paard daarnaar Op de aarde, want hij was dapper zeer; Toen werd de drang om de heer Erg groot van koning Rioens lieden, Die hem volgden nu ten tijden, 23165 Zodat hij nauwelijks keren mocht En zich verweren hard. Daar werd toen de strijd zo groot, Dat ze moesten achteruit Een boogschot en ook meer; 23170 Daar werd koning Bohort gekwetst zeer, Want koning Rioen deed hem nood Omdat hij hem graag sloeg dood; En toen Hervi de koning zag toen, Dat hij ten onder was alzo, 23175 Want hij zag hem viermaal vallen gelijk Op zijn knieën en weer opstaan; Sloeg hij derwaarts om hem daarnaar Te helpen; hij had voorwaar In zijn hand een speer groot, 23180 En stak die daarin zijn ontmoeting Koning Rioen door het schild ter plaatse, En vernielde zijn harnas mede In de ene zijde, maar niet in dat lijf. Koning Rioen hield zich stijf 23185 En de koning verhief de bijl ter plaatse, Daar hij menige christen dood sloeg mede, En hij meende Hervi nu zijn hoofd Gekloofd te hebben, dus geloof het, Maar hij hield het schild daartegen; 23190 Dus heeft hij er een kwart afgeslagen, En daar die slag ten dal ging toen, Sloeg hij het paard de hals af toe, Zodat ze beide ter aarde vielen daar. Toen Adragans zag daarnaar 23195 Zijn gezel ter aarde vallen nu, Was hij dus erg boos, zeg ik u, En reed aan koning Rioen, de heer, En sloeg hem met zijn zwaard zo zeer Op de helm, zodat hij hem knikken deed 23200 Op de zadelknop, had hij mede Zich niet gehouden aan de hals naar Van het paard, hij was gevallen daar, En had niet mogen keren Adragant, Hij had zijn gezellen gewroken gelijk. 23205 Toen zijn lieden hun koning zagen alzo Op zijn paard liggen waren ze niet blij; Daar was een koning, heet Solinas, Die koning Rioens verwant was, En hij was erg overmoedig mede; 23210 Toen hij dit zag, nam hij ter plaatse Een speer in zijn hand, En reed zo zeer op Adragant, Dat hij hem ter aarde sloeg aldaar; Maar Adragant sprong op daarnaar, 23215 En de drie gezellen hielpen hem toen En weerden de lieden van hem alzo, Zodat niemand bij hem komen durfde, Toen schoten ze naar hem, zonder uitstel, Met hellebaarden (?) en met speren mede, 23220 Zodat ze hem mee verwondden ter plaatse; Maar ze waren van zo’ n goed hart, Dat ze hem niet konden pijnigen Want wat hem raakte sloegen ze dood. Koning Rioen en zijn hoop 258 23225 Hield ze zo kort, dat ze gevangen Hadden geweest, had niet gedaan Nascien, die toe kwam gereden, Die had in zijn hand ter plaatse Een speer en sloeg in alzo, 23230 En wat hij daar raakte toen, Moest ter aarde vallen daar. Toen kwam koning Rioen daarnaar, Die hij stak in op het open deel van het schild nu En op het harnas, zeg ik u, 23235 En stak hem ter aarde omgekeerd, En bereidde hem zo daarnaar zijn recht Eer hij opstond, zij het zeker dat, Dat hij niet wist waar hij was; En Nascien overreed hem daarnaar 23240 Tweemaal of drie, weet voorwaar; En toen dat zijn lieden sagen, Gingen ze vast derwaarts jagen; Daar werd Nasciens paard gestoken dood, Daar hadden de drie hun overmoed groot 23245 En Merlijn die dit wist ter ure, Riep toen daar koning Arthur En koning Ban te die stonden, En de heren van de tafelronden, En zei: “nu volg me gelijk, 23250 Want koning Bohort vecht, zonder waan, Ginder zelf fier, dat zeg ik u, Tegen allemaal die heren nu, En is zeer ten onder, want koning Rioen Houdt hem zo kort en zijn baronnen, 23255 Omdat hij ze doden zou dan”. Toen dit hoorde koning Ban, “Heer God!” zei die, “wijs me waar dat is, Blijft mijn broeder dood, zij het zeker dit, Nimmermeer zo word ik blijde, 23260 Zolang als ik leef in geen tijde”. “Volg me”, zei Merlijn tot koning Ban, Want hier is geen wachten aan”. Daar maakte Merlijn toen na dat Ene toverij, die wonderlijk was, 23265 En liet een stof van zand komen En een wind, die het heeft genomen En op de giganten geheel daar droeg Zo dik, zodat ze hun ongenoegen Hadden, want door die 23270 Kon de ene de ander niet zien. Toen werd daar een gehuil na dat, En Merlijn, die immer voor was, Keerde de draak in zijn hand; Toen vloog daaruit al zo’n brand 23275 En vuur, dat de draak wierp uit, Zodat de lucht stonk overluid, En de brand hij viel daar snel Al op de heidenen banier, En dit verschrikte ze zeer daarnaar; 23280 Toen sloeg Merlijn in de drang daar, En doorbrak ze aldaar ter plaatse, Hij en zijn gezellen mede, Kwamen tot koning Bohort toe, Die op zijn voeten stond alzo, 23285 En zijn gezellen, die daar waren Hun helmen alzo doorslagen, te waren, Zodat ze bij hen over de ogen hingen ter plaatse, En hun harnas had menig gat; Maar ze hadden geen wonden 23290 Die hen iets schaden te die stonden. Ze hadden hun zwaarden in hun hand bloot, Ze hadden zo menige heiden gedood, Zodat ze met hopen lagen daar. Toen kwam koning Ban daarnaar, 23295 En sloeg koning Mynappe alzo, Zodat hij hem kloofde tot de borst toe; En koning Arthur sloeg ter plaatse Een Senne zijn hoofd af mede, En voor koning Rioen vloog daar; 23300 Elke andere gezel sloeg daarnaar De zijne dood, die voor hem kwam. Toen koning Bohort dit succes vernam, Sprong hij, en zijn gezellen mede, Over de doden, die lagen ter plaatse, 23305 En elk nam een paard daarnaar, En andere helmen, weet voorwaar, En zaten op en reden na dat Daar die strijd het grootste was. Dus duurde de strijd daar alzo 23310 Al tot vespertijd nu toe, Toen waren de christenen zeer ten onder, En dat was geen wonder; Want koning Rioen had honderd man Tegen een christen voortaan, 23315 Daar werd een gerucht zo groot, zeg ik u, Dat die van Deneblase de stad nu 59 Naar buiten zagen en vernamen naar, Dat die van hun het te kwaad hadden daar. Toen Sydonies, de burchtgraaf, na dat 23320 Zag dat zijn oom ten onder was, Koning Leodegan, en zo die mede Geschoffeerd zijn geweest ter plaatse, Had koning Arthur niet gedaan En zijn gezelschap, zonder waan, 23325 Daar er maar driehonderd van waren, Want alle vlogen ze op hem na dat, Toen riep hij: “edele ridders, wapent u Want hier is het dus wel nodig nu, We moeten nog heden verliezen al 23330 Of winnen nu groot en smal, En onze erfenis behouden gelijk Tegen de heidenen, Gods vijanden; En die sterft door de Gods minne, Hij blijft behouden in alle zinnen, 23335 En we mogen nimmermeer Beter sterven met meer eren Dan nu, want ziet ginder ter ure Onze echte heer, koning Arthur, Die de beste van de wereld is, 23340 Onder die draak, zij het zeker dit; Hij is ons te hulp gekomen nu En zet zijn lichaam in, zeg ik u, Voor ons en avontuurt mede; Nu was het wel recht, dat wij ter platse 23345 Ons avontuurden voor hem dan”. Toen bereidde zich daar menige man En gingen er uit en reden ter vaart Dapper tot de heidenen waart. Toen riep koning Leodegan; 23350 “Sla dapper in, mijn man! Zie mijn neef Sydonies nu, Hij brengt ons hulp zeg ik u”. “Heer”, zei toen Gwinemar mede, “Wat vermaant ge ons ter plaatse? 23355 We zijn nu zo ver gevaren Zodat we allen dood blijven, te waren, Of we moeten verweren ons hier; Daarom zou elk zijn zo fier En met wapens hier gebaren, 23360 Zodat ze van ons zouden verschrikken”. Toen sloegen ze onder de draak daar En volgden Merlijn alzo daarnaar, Daar koning Arthur en koning Ban En Bohort en menige andere man, 23365 En mede die van de tafelronden, Wonderen wrochten daar ten stonden. Daar worden de konings lieden zo machtig toen, Zodat ze de Sennen verdreven daartoe, Zodat ze daarnaar achteren moesten trekken 23370 En tot onder hun banier vlieden; Daar worden ze gehouden voort meer En ze verweerden zich uitermate zeer, En Merlijn was aan de ene zijde gevaren En die van de tafelronden, te waren, 23375 Tot hem komen, en hij liet deze daarnaar Hun paarden omgorden alle voorwaar, En hun wapens te punt zetten, En speren nemen, zonder letten, In hun handen, en zei ze zo 23380 Naar hun vijanden te gaan vast toe. Nu waren de Sennen hersteld daar, En dreven de anderen naar achteren daarnaar; Toen kwamen deze inrijden mede, En Merlijn riep op hen ter plaatse: 23385 “Nu zal ik zien, wie dat goed zal doen, Elk is hier nu een leeuw!” - Hij zei koning Arthur nu: “Ge bedenkt hoeveel, zeg ik u, Van de zoete kussen mede, 23390 Dat uw lief u gaf ter plaatse, Toen ge van haar scheidde, God weet, Nog heb je niet zoveel verdiend gereed”. Toen dit koning Arthur hoorde, Schaamde hij zich en reed voort, 23395 En verzette zich in zijn stijgbeugels toen Met zo’n grote kracht daartoe, Dat de ijzers verbogen, weet dan. Toen lachte daarom koning Ban, En wees dat zijn broeder alzo; 23400 Zo’n fier gelaat had hij toen, Dat die van der tafelronden daar Het met verwondering aanzagen, weet voorwaar. En zeiden, mocht hij leven enige dag, Dat men zijn gelijke niet zag. 23405 Toen riep Merlijn “Clarense” daarnaar, 260 En sloeg in het bataljon daar; Ze voeren in met grote kracht En elk had een sterke schacht, En staken alles neer dat voor hem kwam. 23410 Die koning Arthur, zoals ik het vernam, Had gestoken koning Clarele, Zodat hij genoeg had tot zijn deel; Toen koos hij koning Rioen daarnaar Want hij herkende hem, weet voorwaar, 23415 Bij de bedekking, zeg ik u, Want de bedekking, die hij droeg nu, Was met baarden en met kronen Geheel bezaaid; toen zag diegenen Koning Arthur, hij hief zijn zwaard 23420 En sloeg diegenen, met een vaart, Door het schild en harnas mede, En had hem geheel doorgeslagen ter plaatse, Had een voorbedekking niet gedaan Dat van een serpent, zonder waan, 23425 Gemaakt was, dat hielp hem daar, Zodat hij de dood ontging voorwaar; Want dat vel van dat serpent was Boven die voorbedekking, zij het zeker dat, Dat was zo hard en zo sterk mee, 23430 Dat men het niet mocht doorslaan, dat weet; Toch was die slag zo groot ter plaatse, Dat hij hem ter aarde vallen deed. Toen de giganten hun heer zagen vallen, Voeren ze derwaarts gelijk met allen, 23435 En streden koning Arthur zo aan, Zodat ze hem en zijn paard dan Vallen lieten ter aarde gelijk. Toen riep Merlijn, zonder waan, De ridders van de tafelronden daar, 23440 Dat ze gaan en behoeden naar. Daar werd de strijd groot bijzonder, En koning Ban wrocht daar wonder; Want hij met kracht behoedde gelijk Koning Arthur onder zijn vijanden; 23445 En koning Leodegan en Sydonies Deden het dan goed, zij het zeker dit. Maar koning Arthur, toen hij hersteld was Deed hij zo’n groot wonder na dat, Met de hulp van koning Ban ter plaatse, 23450 En koning Bohort ook mede, Met de ridders van de tafelronden, Zodat ze allen giganten wederstonden, En dreven ze van de vlakte daar. Daar was koning Rioen voorwaar 23455 Zeer beschadigd eer hij beschut was; En toen hij vernam de waarheid dat, Dat zijn lieden geschoffeerd waren, En hij vlieden moest daarnaar Of hij moest doet blijven daar, 23460 Vloog hij met grote pijn daarnaar. Toen dit zag koning Leodegan, Dat koning Rioen daar te vlieden begon, Volgde hij hem en Sidonies En Gwinemar en Cleodales; 23465 En aan de andere zijde die van de tafelronden Volgden ook mede te dien stonden, En sloegen daar zoveel in dat jagen die vlieden, Zodat ze met grote hopen lagen; En toen koning Rioen dus ging 23470 Zo heeft niemand hem daar gezien Of gekend, dan koning Arthur; Hij bemerkte daar terzelfder uur, En reed op hem geheel stil zwijgend daarnaar, Zodat niemand van de zijnen wist daar, 23475 Waar hij was heen; en aan de andere zijden Jaagde koning Leodegan te die tijden Gloriante, Mynados, en Golifere, Deze drie koningen jaagde hij zeer Alleen door het bos alzo; 23480 En de andere gezellen waren toen Gescheiden, tien hier, twintig daar; Dus duurde die jacht daarnaar Tot de dag eer ze scheiden. Ze sloegen dood van de lieden 23485 Zoveel, dat er maar bleven daar Twintigduizend in leven voorwaar Van tweehonderdduizend man, die ze ten tijden Gebracht hadden daar te strijden. Nu zwijgt dit boek hiervan ter ure, 23490 En zal u zeggen van koning Arthur En van koning Rioen voorwaar, die hij nu vast volgt na. |
261 Van den koninck Artur ende van den koninck Rione, enen camp. Nu segget voert die aventure Van den koninge Arture, 23495 Die den koninck Rione volgede nu, Sodat hine verhaelde, seggic iu, An ener valeyen in een boscelijn; Doe riep hi: “blode Gigant, kockijn, Wendet iu, ocht gy sijt nu doet; 23500 Ic ben sonder hulpe cleen ochte groet”. Doe dit die Gigant hoerde daer, Haddi hem des herde ommaer, Want hi dochte hem herde clene; Hi en sceen maer een kint gemene 23505 Tegen den Gigant, die hem daer Ombe keerde te hant daernaer; Hi nam sine gisarme nadas In sine hant, ende sine targie, die was Gemaket van enes olifants bene, 23510 Die droech hi vor hem gemene; Entie koninck Artur hadde een spiet Herde scerp, ende en lette niet Hi reet op hem ende stackene doe Dor scilt, dor halsberch daer alsoe, 23515 Ende stac hem ene wonde tien tyden Boven die hanke in die slinke syde, Dat hem nederwaert liep dat bloet. Doe hi hem gewondet verstoet, Beet hi sine tande ende keerde daer 23520 Sine ogen van quaetheit, wet vorwaer, Ende hoef die gisarme ter stede, Ombe den koninck Artur slane daermede. Hi was groet, sterck ende stranck Ende siner voete veertiene lanck, 23525 Ende hi was tuscen beide sine ogen daer Anderhalve palme breet vorwaer; Dus brachte diegene daer den slach. Doe die koninck Artur dit gesach, Reet hi op hem met sulker snelhede, 23530 Datsi ter aerden vielen bede, Maer si waren thant oppe ter stede; Die koninck Artur was eer oppe mede, Want hi was ionck ende hadde maer Tuscen seventien ende achtien iaer, 23535 Entie koninck Rioen hadde wel nu Twe ende veertich iaer, seggic iu. Ende doe si beide op waren gestaen, Trac Artur Caliburnuse saen, Sijn goede swaert, dat sceen te hant 23540 Ocht hadde geweest een gloeiende brant Van groter claerheit. Doe sloech hy Den rese daermede, die droech daerby Sine grote gisarme daertegen; Die hevet hi ontwe geslegen, 23545 Nochtan was si met yser gebonden; Doe was die rese toernech ten stonden. Doe trac hi wt dat beste swaert een, Dat in der werelt en was negeen; Dit boeck segget dat Hercules was, 23550 Daer hi Jason mede leide in Colchas Ombe dat guldene vlies, ende daermede Sloech Hercules menegen Gigant ter stede Toter doet in dat lant, daer Jason na Sine vriendinne in voerde, Media, 23555 Die by des koninges tyden Adrastes was, Die koninck was in Grieken nadas, Ende die dat swaert in siner stat Menech iaer hadde, ende nadat So haddet Chodidinnus na datgone, 23560 Die des koninges sone was van Calsedone, Doe quam dat van ore tore daer, Dattet die koninck Rioen hadde naer; Want hi van Hercules geslachte was. Ende dit swaert hiet, sijt seker das, 23565 Malmiadorse, ende doen Artur sach Dat also blicte alse die dach Van groter claerheit, begeerde hijt daer Met al siner herten, wet vorwaer, Ende zeide ter goeder tijt quame hy daer doe, 23570 Mochte hy dat swaert gewinnen alsoe. Doene koninck Rioen sach so stille staen, Seide hi: “gy zijt wel koene, sonder waen, Heer ridder, ic en weet wie gy zijt, Dat gy my dus verre volget ter tijt 23575 Allene; ende ombedat gy zijt dus koen, Sal ic iu doen ene hovesceit scoen, Die ic nieman en dade dan iu: Gevet my iu swaert ende iu wapene nu, 262 Ende segget my hoe gy heet daerby, 23580 Ic sal iu dan laten quijt ende vry, Want my jamert sere van iu Ombedat gy my so jonck duncket nu”. Dit hadde die koninck Artur on waert, Ende antworde hem fellyc, mettervaert: 23585 “Meendy dat ic my op sal geven gemene, Ombedat gy groet sijt ende ic clene? Maer legget selve neder iu swaert Ende iu wapene, ende komet ter vaert My te genaden ende mynen wille 23590 Met iu te doene, lude ende stille, Ende wetet wael ic en verseker geens dincs iu Dan van der doet, des seker ic iu nu”. Doe loech die Gigant, ende vragede doe Hoe hi hiete ende wie hi ware toe, 23595 Ende beswoeren by sinen gelove daer; Doe zeide die koninck Artur daernaer: “Wildy my zeggen des ic iu vragen sal, Ic sal iu hieraf seggen die waerheit al”. Doe gelovede hijt hem ter stat. 23600 Doe zeide die koninck Artur nadat: “Wetet wael dat ic des koninges sone was Uter-Pandragoens, sijt seker das, Ende hete Artur ende ben komen nu Dit lant te bescermene, seggic iu, 23605 Want dat mijn es, wetet gerede, Ende hebbet behuwet nu ter stede, Entie koninck selve Leodegan, Ende oec mede al sine man Hebben dat lant van my ontfaen, 23610 Ende alle oec mede manscap gedaen”. “Hoe”, zeide die koninck Rioen daernaer, “Bestu die koninck Artur vorwaer Ende Uter-Pandragoens sone mede, Die Angwise doet sloech gerede?” 23615 “Ja”, zeide hi, “ende nu willic weten Wie du best ende hoe men dy sal heten?” Ic segget dy, ic hete die koninck Rioen Ende tlant es onder mijn doen, Ende onder my sijn alle die lande alsoe 23620 Al toter Heidene lande toe, Ende oec soudet mijn sijn bander syden, Waert dat men daerover mochte lyden, Maer neen dat nembermeer, sijt seker des, Also lange als daer bynnen es 23625 Die leetlyke creature overeen, Ende dat es een mercsteen, Dien Judas daer warp, ende dat was Dat hijt lant gewonnen hadde tot das; Ende douder seggen, dat also saen 23330 Als die mercsteen enwech es gedaen, Dat daventuren van Logres al Sullen vergaen, beide groet ende smal, Entie den mercsteen sal oec mede Enwech doen, hi moetene ter stede 23635 In die goeffre dragen nadien Van Sathanie, dat hi nie meer en wert gesien, Want hi es van sulker manieren nu, Dat al gescien moet, dat seggic iu. Nu weetstu wie ic ben ende hoe ic hete; 23640 Maer ic segget dy nu, dat ic niet meer en ete Also lange als ic dy levendich weet, Want van dy heb ic al dit leet, Dat ic ben verjaget, hebbic vernomen, Es my al te male van dy gekomen; 23645 Hierombe sal ic hier wreken my En al mijn leet nu over dy”. “By Gode”, zeide Artur, “so staet iu dan Lange te vastene; want wetet voertan Ic en sterve van uwer hant nembermeer, 23650 Ende ic ontsegge iu nu voertmeer; Ende zijdy so koene, so wreket iu”. Doe die Gigant dit hoerde nu, Quam hi tot hem ende toernde hem doe, Ende sloechen met sinen swaerde alsoe, 23655 Dat hi hem afsloech daernaer Een sticke van sinen scilde daer; Ende Artur reet op hem ter stede Ende dorsloech sinen helm, ende oec mede Die coffie in die rechte syde, 23660 Al doer, ende wondedene tien tyden, Ende en hadde dat swaert niet gewent, Hi haddes die werelt verlaten sent; Ende als die Gigant gevoelde dit bloet, Wart hi al te male verwoet, 23665 Ende reetene an ende meende naer Metten armen hem grijpen daer; Maer Artur was licht ende ontspranc. 263 Ende al die wile, eer iet lanc, Quam daer Nasciens ende Adragant 23670 Ende Hervi, ende brachten gejaget thant Ses Sennen, die alle koninge waren, Ende die aldus hieten twaren: Bahamins ende Matailes Ende Frenitars ende Brecaines 23675 Ende Cohars ende Mahidrant; Dese koninge quamen daer vliende thant, Ende alse die koninck Rioen hevet vorsien Die ses koninge also sere vlien, Want dese herde stout waren, 23680 So dachte hy wel by dien daernare, Dat hi doet soude bliven daer; So spranc hi op sijn ors daernaer. Ende daer hi opgeseten was doe Sloechen die koninck Artur soe, 23685 Dat hi boech op dat gereide daer, Ende hadde hi noch mogen hem vorwaer Enen slach geven, hi haddene nu Ter aerden doen tumelen, seggic iu, Maer dat ors vervaerde hem ter stede 23690 Van den slage, ende droechen enwech mede. Ende doene Artur enwech sach ryden Spranc hi op sijn ors tien tyden Ende volgede hem na, al dat hi mach; Entie koninck Rioen hem achter sach, 23695 Ende sach waer hi op hem quam daer, Ende begondene te slane naer. Doe riep Bahamins die quam gevloen: “Gy latene hier; wat wildy doen? Ter quader tijt zijdy nu gesceden 23700 Van uwen gesellen dus verre ter steden”. Als die koninck Artur dengenen alsoe Hoerde roepen, keerde hy hem doe Ende sach waer diegene op hem quam daer, Ende gaf hem enen slach swaer, 23705 Entie koninck Artur sloechen weder Dor die scouder alsoe daer neder, Dat men hem leveren ende longen sach; Doe kreet diegene, al dat hi mach, Ende brulede als een varre doe. 23710 Ende doe die vijf koninge sagen also Den koninck Bahamins sware gewont, Waren si des erre ende liepen terstont Opten koninck Artur beide sere; Entie koninck, die min no mere 23715 Vlien en woude, deckede hem wale Metten scilde, ende tesen male Sloech hi daer doet twe der koninge Van den viven, ende also geringe Quamen daer die drie gesellen doe, 23720 Diese hier vor jageden alsoe; Ende alse die ander koninge dat sagen, Kenden sise en begonden iagen Watsi mochten, sijt seker das, Den wech, dien die koninck Rioen voren was, 23725 Entie koninck Artur volgede hem naer, Diese niet laten [en] woude vorwaer. Nu swiget van hem daventure Ende sal seggen van Co. Ban ter ure Ende van Co. Bohort oec mede, 23730 Dat hem nu gesciede ter stede. |
[261] Van koning Arthur en van koning Rioen, een kamp. Nu zegt voort het avontuur Van koning Arthur, 23495 Die koning Rioen achtervolgde nu, Zodat hij hem inhaalde, zeg ik u, Aan een vallei in een bosje; Toen riep hij: “bange gigant, haantje, Wend u, of ge bent nu dood; 23500 Ik ben zonder hulp klein of groot”. Toen dit de gigant hoorde daar, Leek het hem erg onwaar, Want hij leek hem erg klein; Hij scheen maar een kind algemeen 23505 Tegen de gigant, die hem daar Omkeerde gelijk daarnaar; Hij nam zijn bijl na dat In zijn hand, en zijn targie, die was Gemaakt van een olifantsbeen, 23510 Die droeg hij voor hem algemeen; En koning Arthur had een spies Erg scherp, en lette niet Hij reed op hem en stak hem toen Door schild, door harnas daar alzo, 23515 En stak hem een wond te die tijden Boven de heup in de linkerzijde, Zodat bij hem neerwaarts liep dat bloed. Toen hij zich verwond verstond, Beet hij op zijn tanden en draaide daar 23520 Zijn ogen van kwaadheid, weet voorwaar, En hief die bijl ter plaatse, Om koning Arthur te slaan daarmee. Hij was groot, sterk en strak En van voeten veertien lang, 23525 En hij was tussen beide zijn ogen daar Anderhalve palm (12cm) breed voorwaar; Dus bracht diegene daar de slag. Toen dit koning Arthur zag, Reed hij op hem met zo’n snelheid, 23530 Zodat ze ter aarde vielen beide, Maar ze waren gelijk op ter plaatse; Koning Arthur was eerder op mede, Want hij was jong en had maar Tussen zeventien en achttien jaar, 23535 En koning Rioen had wel nu Twee en veertig jaar, zeg ik u. En toen ze beide op waren gestaan, Trok Arthur Caliburnus gelijk, Zijn goede zwaard, dat scheen gelijk 23540 Of het had geweest een gloeiend brand Van grote helderheid. Toen sloeg hij De reus daarmee, die droeg daarbij Zijn grote bijl daartegen; Die heeft hij stuk geslagen, 23545 Nochtans was ze met ijzer gebonden; Toen was de reus toornig ten stonden. Toen trok hij uit de van de beste zwaarden een, Die er in de wereld was geen; Dit boek zegt dat het van Hercules was, 23550 Daar hij Jason mede begeleidde in Colchis Om dat gulden vlies, en daarmee Sloeg Hercules menige gigant ter plaatse Tot de dood in dat land, daar Jason na Zijn vriendin in voerde, Medea, 23555 Die bij de konings tijden Adrastes was, Die koning was in Griekenland na dat, En die dat zwaard in zijn stad Menig jaar had, en nadat Zo had Chodidinnus na diegene, 23560 Die konings zoon was van Chalcedonië. Toen kwam dat van erf tot erf daar, Zodat koning Rioen had het ernaar; Want hij van Hercules geslacht was. En dit zwaard heet, zij het zeker dat, 23565 Malmiadorse, en toen Arthur zag Dat het net zo blonk als de dag Van grote helderheid, begeerde hij het daar Met zijn hele hart, weet voorwaar, En zei ter goeder tijd komt hij daar toe, 23570 Mocht hij dat zwaard winnen alzo. Toen koning Rioen hem zag zo stil staan, Zei hij: “ge bent wel koen, zonder waan, Heer ridder, ik weet niet wie ge bent, Dat ge me aldus ver volgt alle tijd 23575 Alleen; en omdat ge bent dus koen, Zal ik u een hoffelijkheid doen schoon, Die ik niemand deed dan u: Geef me uw zwaard en uw wapen nu, 262 En zeg me hoe ge heet daarbij, 23580 Ik zal u dan kwijtschelden en vrij, Want me betreurt zeer van u Omdat ge me zo jong lijkt nu”. Dit was voor koning Arthur onwaard, En antwoordde hem fel, met een vaart: 23585 “Denk je dat ik met over zal geven algemeen, Omdat ge groot bent en ik klein? Maar leg zelf neer uw zwaard En uw wapen, en kom met een vaart Me om genade en mijn wil 23590 Met u doen, luid en stil, En weet wel ik verzeker geen dingen u Dan van de dood, dat verzeker ik u nu”. Toen lachte die gigant, en vroeg toen Hoe hij heette en wie hij was toe, 23595 En bezwoer hem bij zijn geloof daar; Toen zei koning Arthur daarnaar: “Wil ge me zeggen dat ik u vragen zal, Ik zal u hiervan zeggen de waarheid al”. Toen beloofde hij het hem ter plaatse. 23600 Toen zei koning Arthur nadat: “Weet wel dat ik de konings zoon was Van Uter-Pandragons, zij het zeker dat, En heet Arthur en ben gekomen nu Dit land te beschermen, zeg ik u, 23605 Want dat van mij is, weet gereed, En ben gehuwd nu ter plaatse, En de koning zelf Leodegan, En ook mede al zijn man Hebben dat land van mij ontvangen, 23610 En alle ook mede manschap gedaan”. “Hoe”, zei koning Rioen daarnaar, “Bent u die koning Arthur voorwaar En Uter-Pandragons zoon mede, Die Hengist dood sloeg gereed?” 23615 “Ja”, zei hij, “en nu wil ik weten Wie u bent en hoe men u zal heten?” Ik zeg het je, ik heet koning Rioen En het land is onder mijn doen, En onder mij zijn al die landen alzo 23620 Geheel tot de heidenen landen toe, En ook zou het de mijne zijn aan de andere zijden, Was het dat men daarover mocht rijden, Maar neen dat nimmermeer, zij het zeker dit, Zolang als daar binnen is 23625 Die lelijke creaturen overeen, En dat is een gresnssteen, Die Judas daar wierp, en dat was Dat hij het land gewonnen had tot dat; En de ouderen zeggen, dat alzo samen 23330 Als die grenssteen weg is gedaan, Dat de avonturen van Londen alle Zullen vergaan, beide groot en smal, En die de grenssteen zal ook mede Weg doen, hij moet het ter plaatse 23635 In de opening dragen nadien Van Satan, zodat hij niet meer wordt gezien, Want hij is van zulke manieren nu, Dat alles geschieden moet, dat zeg ik u. Nu weet u wie ik ben en hoe ik heet; 23640 Maar ik zeg het je nu, dat ik niet meer eet Zolang als ik jouw levend weet, Want van jou heb ik al dit leed, Dat ik ben verjaagd, heb ik vernomen, Is me allemaal van u gekomen; 23645 Hierom zal ik hier wreken mij En al mijn leed nu over u”. “Bij God”, zei Arthur, “zo staat u dan Lang te vasten; want weet voortaan Ik sterf van uw hand nimmermeer, 23650 En ik zeg u nu voort niets meer; En wees zo koen, zo wreek u”. Toen de gigant dit hoorde nu, Kwam hij tot zichzelf en vertoornde zich toen, En sloeg hem met zijn zwaard alzo, 23655 Zodat hij bij hem afsloeg daarnaar Een stuk van zijn schild daar; En Arthur reed op hem ter plaatse En doorsloeg zijn helm, en ook mede De bedekking in de rechterzijde, 23660 Geheel door, en verwondde te die tijden, En was dat zwaard niet gewend, Hij had de wereld verlaten sinds; En toen de gigant voelde dit bloed, Werd hij helemaal verwoed, 23665 En reed hem aan en meende daarnaar Met de armen hem te grijpen daar; Maar Arthur was licht en ontsprong. 263 En al de tijd, aanstonds, Kwam daar Nasciens en Adragant 23670 En Hervi, en brachten gejaagd gelijk Zes Sennen, die allen koningen waren, En die aldus heten te waren: Bahamins en Matailes En Frenitars en Brecaines 23675 En Cohars en Mahidrant; Deze koningen kwamen daar vlieden gelijk, En toen koning Rioen heeft gezien Die zes koningen alzo zeer vlieden, Want deze erg dapper waren, 23680 Zo dacht hij wel bij die daarnaar, Dat hij dood zou blijven daar; Zo sprong hij op zijn paard daarnaar. En daar hij opgezeten was toen Sloeg hem koning Arthur hem zo, 23685 Dat hij boog op dat zadel daar, En had hij hem nog mogen voorwaar Een slag geven, hij had hem nu Ter aarde laten tuimelen, zeg ik u, Maar dat paard droeg hem uit de plaats 23690 Van de slag, en droeg hem weg mede. En toen Arthur hem weg zag rijden Sprong hij op zijn paard te die tijden En volgde hem na, alles dat hij mag; En toen koning Rioen hem achter zag, 23695 En zag waar hij op hem kwam daar, En begon te slaan naar. Toen riep Bahamins die kwam gevlogen: “Gij verlaat het hier; wat wil ge doen? Ter kwade tijd bent u nu gescheiden 23700 Van uw gezellen dusver ter plaatse”. Toen koning Arthur diegenen alzo Hoorde roepen, draaide hij zich toen En zag waar diegene op hem kwam daar, En gaf hem een slag zwaar, 23705 En koning Arthur sloeg hem weer Door de schouder alzo daar neer, Dat men bij hem de lever en longen zag; Toen krijste diegene, alles dat hij mag, En brulde zoals een vaars doet. 23710 En toen de vijf koningen zagen alzo Koning Bahamins zwaar gewond, Waren ze dus boos en liepen terstond Op koning Arthur beide zeer; En de koning, die min of meer 23715 Vlieden wilde, bedekte zich goed Met het schild, en in deze maal Sloeg hij daar dood twee van de koningen Van de vijf, en alzo gering Kwamen daar de drie gezellen toen, 23720 Die ze hiervoor opjaagden alzo; En toen de andere koningen dat zagen, Herkenden ze hen en begonnen te jagen Wat ze mochten, zij het zeker dat, De weg, waar koning Rioen voor was, 23725 En koning Arthur volgde hem na, Die hem niet verlaten wilde voorwaar. Nu zwijgt van hem het avontuur En zal zeggen van koning Ban ter ure En van koning Bohort ook mede, 23730 Dat hen nu gebeurde ter plaatse. |
Hoe die koninck Ban entie koninck Bohort seven koninge jageden. Hier segget die historie voert Van den koninck Ban, als gy gehoert Hebbet, dat hi iagede mede Drie koninge, sodat hise ter stede 23735 Verhaelde op enen sconen plaen, Daer si hem keerden, sonder waen, Ende sloegen op hem alle daernaer, Wantsi vonden hem tiene daer Van hoerre geselscap, die daer nu 23740 Den koninck Ban opliepen, seggic iu; Maer die koninck Ban sloec den iersten doe Dat hovet toten tanden toe, Enten ander sloech hi ter steden Die scouder dor tote beneden, 23745 Enten derden sloech hi daernaer Dat hovet van den buke daer. Ende mettien datsi daer streden, Quamen daer die vier koninge gereden, Die die koninck Bohort brachte gejaget. 23750 Daer quamen op die tien koninge die so versaget Die koninck Ban, ende so kort hielt daer Dat sine konden niet gevlien vorwaer; 264 Dus quamen dese op hem gereden, Ende bleven alle veertiene ter steden 23755 Houdende, entie koninck Bohoert, Diese vor hem daer brachte gevoert, Reet in hem ende stac enen daer, Dat hi doet bleef; daernaer Sloech hi enen andren dat hoeft af: 23760 Enten derden hi enen slach gaf, Dat hi viel van den paerde alsoe. Daer vont die koninck Bohort sinen broeder doe, Die wonder wrachte aldaer ter steden; Dus streden si daer onder hem beden 23765 Tegen die twaelve lange tijt. Binnen dat si sijn in desen strijt Quam die koninck Rioen, gequetset seer Van den tween wonden, die hem gaf eer Die koninck Artur; ende doe hi sach 23770 Den strijt, sloech hi daerin dat hi mach, Want hi herde toernech was doe; Ende hi sloech den koninck Bohort alsoe, Dat hi metten paerde vil daer Ter aerden neder, ende daernaer 23775 Quamen die ander op hem doe, Ende wondeden ende quetsedene toe; Want sijn ors lach op sine been Ende en konde hem geweren niet, dat sceen; Ende ombedit was die koninck Ban, 23780 Ombe sinen broeder, een droevech man, Ende hi verhoef sijn swaert ter steden Daer hi Magloras, den koninck, mede Dat hoeft afsloech, ende enen ander daer, Dien dorsloech hi dwers daernaer. 23785 Dus hielt hi boven den broeder daeran So lange, dat hi sijn leven gewan Van onder dat ors, ende binnendien Quamen die drie koninge getien, Die die koninck Artur iagede nu, 23790 Entie drie gesellen, seggic iu, Die gy hier vor hoerdet nomen. Doe si so verre nu sijn gekomen, Entie koninck Artur hier hevet gesien Den koninck Rioen vechten mettien 23795 Tegen koninck Bohort ende koninck Ban, Die te voet stonden, verhoef hi dan Sijn swaert ende sloech Martaille Op sine scouder met groten wille, Dat hine ontlede ende men sach daer 23800 Leveren ende longen, ende hi vil doet Entie koninck Bohort spranc op sijn ors doe Ende ginc den koninck Rioen toe, Ende sloechen opten helm aldaer, Dat hi hem des afsloech daernaer 23805 Een quartier, maer hi ne hadden niet In dat hovet gewont. Als Artur dit siet, Sloech hi in ende sine gesellen mede; Doe wart daer doet geslagen ter stede Minodap ende Bafirmes, 23810 Ende Golirans ende Margoles. Des was die koninck Rioen erre nu, Want dat waren sine mage, seggic iu; Doe verhoef hi dat swaert ende sloech so seer Opten scilt Artur, den heer, 23815 Dat hine clovede toter bokelen toe, Ende tswaert inne stekende bleef doe So vaste, dat hijs met negenen dingen Niet weder wt en konde gebringen. Doe gaf die koninck Artur, al warm, 23820 Den koninck Rione enen slach opten arm, Dat hine quetsede herde seer; Doe liet dat swaert gaen die heer, Ende Artur liet oec den scilt vallen doe, Want hi hem verwoech, ende reet hem toe, 23825 Entie koninck Rioen nam hem daernaer Metter scouder ende woude hem daer Met hem voeren met crachte nu, Ende also haddi oec, zeggic iu, Hadde hijs stade gehat allene; 23830 Doe nam Artur sijn ors, na datgene, Ombe den hals ende hielt hem daer aen So vaste, dat hine niet van daen Gebringen en konde met negenen dingen. Doe die koninck Ban sach die worstelingen, 23835 Hadde hi anxt ombe den koninck Artur doe Ende sloech met sporen ginder toe Ende verhoef sijn swaert ter stede Daer hi den koninck Rione mede Onder die scouder stac ene wonde. 23840 Doe hem die koninck voelde ter stonde Also sere gewondet vorwaer, Ende hi sine liede verslagen sach daer 265 Hadde hi anxt ende ginc vlien Wat hi mochte, ende mettien 23845 Vermaledyede hi sinen God ende sine eer, Ende swoer dat hi nembermeer En raste hi en sal gewroken wesen; Want als hi te lande komet na desen Soude hi so vele liede ontbieden dan, 23850 Dat negeen lant no geen man Daertegen soude mogen gestaen, Ende dan soude hi Artur doen doet slaen Ochte doen hangen, ocht doen villen met Ende al sine helper, dat wet, 23855 Ende al Bertanien slechten daernaer Ende al doden, dat hi vint daer. Dus voer enwech die koninck Rioen Toernech ende onblyde ombe sijn doen, Ende reet so lange dat hi quam 23860 Te sinen lande, maer hi en vernam Van sinen lieden, cleen ochte groet, Of si levendech waren ochte doet. Daerna quam die koninck Ban gegaen Ten koninck Artur ende vragedem saen, 23865 Hoe dat met hem stonde daer Of hi iet sere gequetset waer. Hi seide: “ic en hebbe negeen arch nu, Maer ic hebbe gewonnen, seggic iu, Huden dat scoenste ende dat beste swaert 23870 Ende dat meer goedes es waert Dan enech in der werelt es, Des ben ic seker ende gewes”. “Waer es dat?” zeide die koninck Ban; “Ic salt iu togen”, zeide hi dan; 23875 Doe stont hi van sinen orse daer Ende trac dat wt sinen scilt naer, Ende hinc dat ombe sinen hals alsoe, Ende spranc weder op sinen ors doe, Ende togedet den koninck Ban daer nu, 23880 Die dat sere prysede, seggic iu, Ende zeide: “nu geve ons God aventure, Daer wy dit swaert saen proeven ter ure Of dat also goet es alset es scone”. Dat en sal niet lyden na datgone, 23885 Si en sullen vinden aventure so koene, Daer si genoech an sullen hebben te doene; Maer ic zwige van hem voertan Ende sal seggen van den koninck Leodegan. |
Hoe koning Ban en koning Bohort op zeven koningen jaagden. Hier zegt de historie voort Van koning Ban, zoals ge gehoord Hebt, dat hij jaagde mede Drie koningen, zodat hij ze ter plaatse 23735 Inhaalde op een mooie vlakte, Daar ze zich omdraaiden, zonder waan, En sloegen op hem alle daarnaar, Want ze vonden van hen tien daar Van hun gezelschap, die daar nu 23740 Op koning Ban liepen, zeg ik u; Maar koning Ban sloeg de eerste toen Dat hoofd tot de tanden toe, En de andere sloeg hij ter plaatse De schouder door tot beneden, 23745 En de derden sloeg hij daarnaar Dat hoofd van de buik daar. En meteen dat ze daar streden, Kwamen daar de vier koningen aangereden, Die koning Bohort bracht gejaagd. 23750 Daar kwamen op de tien koningen die zo verschrikt Koning Ban, en zo kort hield daar Dat ze hem niet konden ontvlieden voorwaar; 264 Dus kwamen deze op hem gereden, En bleven alle veertien ter plaatse 23755 Houden, en koning Bohort, Die ze voor hem daar bracht gevoerd, Reed in hen en stak er een daar, Zodat hij dood bleef; daarnaar Sloeg hij een andere dat hoofd af: 23760 En de derde hij een slag gaf, Zodat hij viel van het paard alzo. Daar vond koning Bohort zijn broeder toen, Die wonder wrocht al daar ter plaatse; Dus streden ze daar onder hen beiden 23765 Tegen de twaalf lange tijd. Binnen dat ze zijn in deze strijd Kwam koning Rioen, gekwetst zeer Van de twee wonden, die hem gaf eer Koning Arthur; en toen hij zag 23770 De strijd, sloeg hij daarin dat hij mag, Want hij erg toornig was toen; En hij sloeg koning Bohort alzo, Zodat hij met het paard viel daar Ter aarde neer, en daarnaar 23775 Kwamen de anderen op hem toen, En verwondde en kwetsten toen; Want zijn paard lag op zijn been En kon zich verweren niet, dat scheen; En om dit was koning Ban, 23780 Om zijn broeder, een droevig man, En hij verhief zijn zwaard ter plaatse Daar hij Magloras, de koning, mede Dat hoofd afsloeg, en een andere daar, Die doorsloeg hij dwars daarnaar. 23785 Aldus hield hij boven de broeder daaraan Zolang, dat hij zijn leven won Van onder dat paard, en binnendien Kwamen de drie koningen aan, Die koning Arthur opjaagde nu, 23790 En de drie gezellen, zeg ik u, Die ge hiervoor hoorde noemen. Toen ze zo ver nu zijn gekomen, En koning Arthur hier heeft gezien Koning Rioen vechten meteen 23795 Tegen koning Bohort en koning Ban, Die te voet stond, verhief hij dan Zijn zwaard en sloeg Martaille Op zijn schouder met grote wil, Zodat hij hem ontleedde en men zag daar 23800 Lever en longen, en hij viel dood; En koning Bohort sprong op zijn paard toen En ging op koning Rioen toe, En sloeg hem op de helm aldaar, Zodat hij hem dus afsloeg daarnaar 23805 Een kwart, maar hij had hem niet In dat hoofd verwond. Toen Arthur dit zag, Sloeg hij in en zijn gezellen mede; Toen werd daar dood geslagen ter plaatse Minodap en Bafirmes, 23810 En Golirans en Margoles. Dus was koning Rioen boos nu, Want dat waren zijn verwanten, zeg ik u; Toen verhief hij dat zwaard en sloeg zo zeer Op het schild van Arthur, de heer, 23815 Dat hij dat kloofde tot de beugels toe, En het zwaard erin bleef steken toen Zo vast, dat hij het met geen dingen Er niet weer uit kon brengen. Toen gaf koning Arthur, al warm, 23820 Koning Rioen een slag op de arm, Zodat hij hem kwetste erg zeer; Toen liet dat zwaard gaan die heer, En Arthur liet ook het schild vallen toen, Want het was hem te zwaar, en reed op hem toe, 23825 En koning Rioen nam hem daarnaar Bij de schouder en wilde hem daar Met hem voeren met kracht nu, En alzo had hij ook, zeg ik u, Had hij tijd gehad alleen; 23830 Toen nam Arthur zijn paard, na datgene, Om de hals en hield zich daaraan Zo vast, dat hij hem niet vandaar Kon brengen met geen dingen. Toen koning Ban zag die worsteling, 23835 Had hij angst vanwege koning Arthur toen En sloeg met sporen ginder toe En verhief zijn zwaard ter plaatse Daar hij koning Rioen mede Onder die schouder stak een wonde. 23840 Toen de koning dit voelde ter stonde Alzo zeer gewond voorwaar, En hij zijn lieden verslagen zag daar 265 Had hij angst en ging vlieden Wat hij mocht, en meteen 23845 Vermaledijde hij zijn God en zijn eer, En zwoer dat hij nimmermeer Rustte en hij zal gewroken wezen; Want als hij te land komt na deze Zou hij zoveel lieden ontbieden dan, 23850 Dat geen land en geen man Daar tegen zou mogen staan, En dan zou hij Arthur laten dood slaan Of laten hangen, of laten villen mee En al zijn helpers, dat weet, 23855 En geheel Brittannië afslachten daarnaar En alles doden, dat hij vind daar. Dus voer weg die koning Rioen Toornig en droevig om zijn doen, En reed zolang dat hij kwam 23860 Tot zijn land, maar hij vernam Van zijn lieden, klein of groot, Of ze levend waren of dood. Daarna kwam koning Ban gegaan Tot koning Arthur en vroeg gelijk, 23865 Hoe dat met hem stond daar Of hij iets zeer gekwetst waar. Hij zei: “ik heb geen erg nu, Maar ik heb gewonnen, zeg ik u, Heden dat schoonste en dat beste zwaard 23870 En dat meer goed is waard Dan er enig in de wereld is, Dus ben ik zeker en gewis”. “Waar is dat?” zei koning Ban; “Ik zal het u tonen”, zei hij dan; 23875 Toen stond hij van zijn paard daar En trok dat uit zijn schild daarnaar, En hing dat om zijn hals alzo, En sprong weer op zijn paard toen, En liet het zien aan koning Ban daar nu, 23880 Die dat zeer prees, zeg ik u, En zei: “nu geeft ons God avontuur, Daar we dit zwaard gelijk beproeven ter ure Of dat alzo goed is als het is mooi”. Dat zal niet lijden na datgene, 23885 Ze zullen vinden avonturen zo koen, Daar ze genoeg aan zullen hebben te doen; Maar ik zwijg van hen voortaan En zal zeggen van koning Leodegan. |
Van den koninck Leodegan ende van sinen gesellen. Ons segget daventure, twaren, 23890 Doe die Sennen gesconfiert waren, Dat die koninck Leodegan jagede doe Stoutelike thent in die nacht toe, Ende sloech vele Sennen doet daeran. Doe geviel, dat koninck Leodegan 23895 Ende Cleodales gesceden waren Van haren lieden ende quamen gevaren In enen foreest in den nacht alsoe, Endet was herde donker doe, Want die koninck Artur ende Leodegan 23900 Ende sine twe ende veertich gesellen voertan Noch die heren van der tafelronden En keerden niet vor dien stonden Dattet dach was, maer dander gemene, Die keerden des avendes thueswaert allene. 23905 Maer daventure secht hier dat Leodegan Ende Cleodales, sijn drossate, voertan Jageden Caulus ende Ydorasse Ende Lamathoure ende Dorilasse; Ende alsise lange hadden daer 23910 Gejaget, verhaeldensi se daernaer Ende haerre gesellen hondert mede Ende veertich houdende tener stede; Doe die vier koninge zagen, die daer vloen, Datsi soccoers daer vonden doen, 23915 Doe keerdensi hem ombe ende sagen, Datsi twe maer daer en iagen; Doe liepensi hem op sere nadas Ende onder enen eyke, daer dat scone was, Ontbeiden die twe daer alsoe; 23920 Daer wart die koninck Leodegan doe Daer neder gesteken ende sijn ors mede; Alse Cleodales dit sach ter stede, Beette hy neder ende halp hem daer Dat hy op sijn ors quam daernaer, 23925 Ende bat hem dat hi enwech rede, Hi soude vor hem bliven ter stede. Alse dit die koninck hoerde suchte hy 266 Ende hadde grote ontfermnesse daerby, Ende berouwede hem herde sere saen, 23930 Dat hi tegen hem hadde mesdaen, Ende zeide tot hemselven, seggic iu, Hi soude hem dese doget lonen nu; Die Sennen liepen hem op ter stede, Ende si weerden hem sere mede naer. 23935 Entie eyke halp hem wael daer; Men konde hem van achter niet komen Ende al dese wile geviel oec mede, Dat Gwinemar ende Synados bede Jageden seven Gigante alsoe; 23940 Daer quamen op vijftich Sennen doe Ende si volgeden hem doe so nare, Datsi in die vijftich gejaget waren Eer si dat iet wisten al bloet. Doe wart die strijt herde groet, 23945 Want die twe waren herde koene; Ende niet lanc na desen doene Quam hem een ridder te hulpe nu; Ende al dese wile, dat seggic iu, Dat dese aldus daer nu streden, 23950 So jagede Antor daer ter steden Die Sennen, ende Keye ende Griflet Ende Lucam ende Amorasis met Ende Arogans ende Cladise Ende Abechin ende Blioberise 23955 Ende Galesconde ende Galegresante Ende Keyadijn. Dese twaelf seriante Jageden die Sennen in den foreest Ende sloegen se doet alremeest, Ende jagedense so lange daer, 23960 Datsi quamen in enen plaen daernaer, Daer si vonden den koninck Pantyne Met tweenhondert Sennen in scine; Ende also vro alsi die twaelve sagen Sijn si haestelic in hen geslagen 23965 Met groter cracht; doe duurde daer Die strijt toter middernacht wel naer. Dus vochtensi nu te dier steden: Die koninck Leodegan ende Cleodales streden Tener stat, ende Gwinemar 23970 Ende Synados tener ander vorwaer; Entie van der tafelronden mede Die streden daer ter derder stede, Ende ter vierder die koninck Artur, dat wet, Ende koninck Bohort ende koninck Ban met. 23975 Ende dander waren alle ter stat waert Ende alsi daer quamen waren si vervaert; Ombedat die koninck Artur ende koninck Ban Entie koninck Bohort ende Leodegan In der stat nu niet en waren, 23980 Meenden si dat si doet sijn, twaren, Ende hadden des rouwe herde groet; Ende ombedit sloegen si daer al bloet Haer tenten vor die stat alsoe In der prayerie, die daer stont doe. 23985 Ende in desen doene als dit was, Was Merlijn oec gevolget nadas Met siner banier wel tiendusent Seynen Ende brachtese gejaget in enen pleyne, In enen dale tuscen twe berge toe; 23990 Ende dese leide die koninck Galaat doe, Die here van den lande dier syden was. Ende doe si quamen, sijt seker das, Makede Merlijn een chantement, Ende dade daer komen een water omtrent, 23995 Dat herde groet ende stuer was daer, Datsi niet vorder en dorsten naer Riden, ende so in angeste waren, Datsi weder wouden keren, twaren. Doe sagensi enen nevel so groet 24000 Die hem so grote donkerheit doet, Datsi nergent en mochten riden; So moesten si daer bliven ten tyden, Wantsi vorwaert no achterwaert mede En dorsten varen daer ter stede; 24005 Ende waerombe Merlijn dit dede nu, Sal ic hier al vertellen iu, Want in die merse van Carmeliden Lach een herde goet lant tien tyden In dene syde an des koninck Rioens lant, 24010 Entie koninck daeraf hiet Amant, Ende op desen koninck hadde vordas Die koninck Uter-Pandragoen, doe hi levende was, Lange georloget op dat lant, Ombedat sijn man die koninck Amant 24015 Niet werden en woude; maer nochtan 267 Orlogede hine so lange, dat hi wan Enen herde riken casteel daernaer Die Caroie hiet, wet vorwaer; Entien casteel hadden te leene 24020 Driehondert ridders, als in desen gemene Datsine elk jaerlykes, twaren, Twe maent sculdech thoudene waren, Welke tijt dat men woude in den iaer; Entie heerscap daeraf duerde aldaer 24025 Twintich milen verre daeromtrint; Enten casteel gaf Uter-Pandragoen sint Den koninck Banne ende sinen broeder mede, Bohorde, ende hem te blivene ter stede Ende oec horen ervenden embermeer; 24030 Wantsi hem geholpen hadden seer In sinen orloge; ende daerna thant, Doe sine hadden in hore hant, Gaven sine Gwinebande daernaer, Horen broeder, die doe was vorwaer, 24035 Die beste van nigromancien, dien men vant, Ende oec ten wapenen een vrome seriant; Entie koninck Amant was droevech des, Dat sijn casteel verloren es, Ende als hi sach, dattie koninck Artur nu 24040 In Carmelide was, dat seggic iu, Entie Sennen in sijn lant mede, Doe dachte hi, soude hi des embermeer stede Ochte stonde verkrygen, dat hi vorwaer Sinen casteel mochte winnen daernaer, 24045 Dit soude nu met rechte wesen; Hi ontboet sine liede na desen, Sodat hi hadde sevendusent man, Ende voer enwech so lange daeran, Dat hi quam varende in dat dal, 24050 Daer die tien dusent Sennen lagen al, Daer se Merlijn dade bliven also Als gy voert hoerdet, entes morgens vro Was dat water enwech, ende twas Herde scoen weder; ende nadas 24055 Geredensi hem ende reden van daer, Ende te hant gemoeten si naer Den koninck Amante met sinen lieden; Doe meenden si in dien tyden, Dattet des koninck Leodegans liede waren 24060 Die hem gevolget quamen nare, Ende sloegen in hem daer ter steden; Doe wart daer herde seer gestreden. Hier latic dese dus striden nu, Ende sal van Artur seggen iu, 24065 Die den koninck Ban enten koninck Bohoert Dat swaert togede, als gy hebbet gehoert, Dat hi nu gewonnen hadde daer, Datsi sere pryseden vorwaer. Doe reden si daer onder hem drien 24070 Te Deneblasewaert; mettien So hoerden si grote slage daer Eer si iet verre reden vorwaer, Ende twas donker daer si reden In den bosc, ende doe ter steden 24075 So en sceen die mane niet doe; Daer si die slage hoerden alsoe, Derwaert redensi dapperlike naer, Daer vondensi Synados ende Gwinemaer, Maer den derden kenden si meer no min. 24080 Doe si dit sagen sloegensi in, Ende dodent al dat voer hem quam; Daer proevede Artur, als ict vernam, Malminadorse, dat goede swaert, Want eer die strijt geindet waert, 24085 Sloech hi daermede doet tien Gigante. Doe die Sennen, die quade seriante, Hem sagen sulc wonder maken daer, Gingensi vlien alle daernaer. Doe volgedensi hem daerna ten steden, 24090 Maer si en sijn niet verre gereden, Si en hoerden echt geclanck daeran Met swaerden; doe zeide die koninck Ban: “My dunket, dat wy ons sullen nu Al die nacht meyen, seggic iu, 24095 In desen bosce met strydene mede”. “By Gode, dat es my lief”, zeide ter stede Die koninck Artur, “so sal ic daeran Mijn swaert te rechte proeven dan”. “Hoe, en hebdy dat noch niet geproevet?” 24100 “Neen ic, here”, zeidi, “also alst behoevet, Want der Sennen was te luttel goet Ende gy ende dander sloegense doet, 268 Sodat ict na minen wille doe Niet en konde geproeven daer alsoe”. 24105 Doe loechen si sere ombe sine woert; Dus quamensi gereden voert Ende vonden die twaelf ridder vechtende nu Tegen hondert Sennen, seggic iu; Daer sloegensi in ende vochten alsoe, 24110 Datsise alle doet sloegen doe Tote veertiene, die hem ontvloen alsoe. Daer proevede Artur sijn swaert doe So wael, dat hi zeide ter stat Dat Caliburnus iegen dat 24115 Ene bone niet waert en ware; Dus voerensi in goeden hogen daernare Ende blyde, ombedatsi daer ter stede Die twaelve bescut hadden mede. Doe quam daerop Merlijn ridende nu, 24120 Die sere nu riep, dat seggic iu, Opten koninck Artur, ende zeide: “heer, Nu haestet iu een luttel meer, Nu vaert ende bescuddet den koninck Leodegan, Die nu vechtet tegen hondert man 24125 Ende oec twintich, hi ende Cleodales, Ende si sijn beide te voet, sijt seker des, Want haer orse sijn gesteken doet Onder hem; nu volget my bloet”. Ende si volgeden hem, ende aldaer 24130 Vloech den drake uten monde vorwaer Groete vlamme van viere nu, Daer si mede by sagen, seggic iu. Doe reden die een ende twintich gesellen alsoe Datsi quamen toten eyke toe, 24135 Daer si sagen Cleodales ende Leodegan, Die den eyke vaste stonden an, Ombedatse nieman van achter en soude Mogen bestriden met gewoude, Ende wat hem toe quam van voren 24140 Moeste daer die doet bekoren. Doe Merlijn sach genen strijt Ende sine gesellen, des seker sijt, Doe sloegensi in, ende daernaer Wrachtensi dat meeste wonder daer, 24145 Dat ieman [oit] sach met ogen, Daer en konde nieman vor hem gedogen; Maer in dat leste hadden sijt haest genoech, Want die Gigante daden hem ongevoech, Dier daer was wel sestich onder. 24150 Doe Merlijn sach die sine tonder, Reet hi besyden in den foreest aldaer Ende beide een luttel daernaer; Doe quam hi weder ende brachte doe Dertich ridder van der tafelronden daertoe, 24155 Die groten moert wrachten nu. Daer stredensi so lange, seggic iu, Datsi den koninck Leodegan ter stede Daer bescudden ende Cleodales mede, Ende sloegen die rese ende dander doet, 24160 Datter hem maer sevene ontstoet. Doe leidese Merlijn uten bosce daer, Ende doe si daer wtquamen, wet vorwaer, Began dat te dagene; doe reden si saen Daer si haer tenten sagen staen; 24165 Ende doe si in haer tenten quamen Ende haer liede dat vernamen, Wasser grote feeste ter stede; Daerna gingensi hem rasten mede Ende sliepen een luttel nadat; 24170 Ende na den slape waren ter stat Die tafelen gereet ende men ginc eten, Ende na den etene, gy sult weten, So dade die koninck Leodegan Al dat goet vor hem brengen dan, 24175 Dat in den stryde gewonnen was, Dat deelde men daer doe, sijt seker das, Den koninck Artur enten koninck Bohoert Enten koninck Ban also voert, By Merlijns rade, dat hemselven daer 24180 Een penninck niet en bleef vorwaer. Doe dat goet also gedeelt was, Dade die koninck te wetene na das In dat koninckryke overal, Den jongen batselieren, groet ende smal, 24185 Waer daer ieman die wille winnen daer Ende met hem woude varen daernaer, Hi soudene rike maken, God weet; Ic segge iu, dat niet lange en leet, Hi en hadde daer wel XXm batseleer, 24190 Ende hi hadder oec gehat wel meer, 269 Hadde hi gewilt; maer neen, hy; Hi en woude niet dattet lant ydel sy Ende ongemannet oec mede. Ende na desen doene reet enwech gerede 24195 Die koninck Bohort ten castelewaert Van Caroie, met snelre vaert, Ombe dien bescuddene nu daernaer Tegen den koninck Amante vorwaer; Want Merlijn dade hem verstaen, 24200 Als ic iu hier vor zeide saen, Datten die koninck Amant woude winnen; Dus voer hi enwech hierenbinnen, Ende nam met hem vijfdusent man Wael te harnas, ende reet dan 24205 Met sinen lieden, datsi quamen, Daer si den casteel van Caroie vernamen, Daer si wael inne waren ontfaen. Nu sal ic iu aventure doen verstaen Van den koninck Galaat, ende oec mede 24210Van den koninck Amante ter stede. |
Van koning Leodegan en van zijn gezellen. Ons zegt het avontuur, te waren, 23890 Toen de Sennen geschoffeerd waren, Dat koning Leodegan jaagde toen Dapper tot hen in de nacht toe, En sloeg veel Sennen dood daaraan. Toen gebeurde, dat koning Leodegan 23895 En Cleodales gescheiden waren Van hun lieden en kwamen gevaren In een bos in de nacht alzo, En het was erg donker toen, Want koning Arthur en Leodegan 23900 En zijn twee en veertig gezellen voortaan Nog de heren van de tafelronden Keerden niet voor die stonden Dat het dag was, maar de andere algemeen, Die keerden ‘s avonds thuis waart alleen. 23905 Maar het avontuur zegt hier dat Leodegan En Cleodales, zijn drost, voortaan Jaagden Caulus en Ydorasse En Lamathoure en Dorilasse; En toen ze hen lang hadden daar 23910 Opgejaagd, haalden ze hen in daarnaar En hun gezellen honderd mede En veertig houden te ene stede; Toen de vier koningen zagen, die daar vloden, Dat ze hulp daar vonden toen, 23915 Toen keerden ze zich om en zagen, Dat er twee maar daar jaagden; Toen liepen ze op hen zeer na dat En onder een eik, daar dat mooi was, Wachten ze op die twee daar alzo; 23920 Daar werd koning Leodegan toen Daar neer gestoken en zijn paard mede; Toen Cleodales dit zag ter plaatse, Steeg hij af en hielp hem daar Zodat hij op zijn paard kwam daarnaar, 23925 En bad hem dat hij weg reed, Hij zou voor hem blijven ter plaatse. Toen dit de koning hoorde zuchtte hij 266 En had grote ontferming daarbij, En berouwde zich erg zeer gelijk, 23930 Dat hij tegen hem had misdaan, En zei tot zichzelf, zeg ik u, Hij zou hem deze deugd belonen nu; De Sennen liepen op hen ter plaatse, En ze verweerden zich zeer mede naar. 23935 En de eik hielp hen goed daar; Men kon hen van achter niet aankomen En al deze tijd gebeurde ook mede, Dat Gwinemar en Synados beide Jaagden op zeven giganten alzo; 23940 Daar kwamen op vijftig Sennen toen En ze volgden hen toen zo nar, Dat ze in die vijftig gejaagd waren Eer dat die iets wisten al bloot. Toen werd de strijd erg groot, 23945 Want die twee waren erg koen; En niet lang na dit doen Kwam hen een ridder te hulp nu; En al deze tijd, dat zeg ik u, Dat deze aldus daar nu streden, 23950 Zo jaagde Antor daar ter plaatse De Sennen, en Keye en Griflet En Lucam en Amorasis mee En Arogans en Cladise En Abechin en Blioberise 23955 En Galesconde en Galegresante En Keyadijn. Deze twaalf bedienden Joegen de Sennen in dat bos En sloegen ze dood allermeest, En joegen ze zo lang daar, 23960 Zodat ze kwamen in een vlakte daarnaar, Daar ze vonden koning Pantyne Met tweehonderd Sennen in schijn; En alzo vrolijk als ze die twaalf zagen Zijn ze gauw in hen geslagen 23965 Met grote kracht; toen duurde daar De strijd tot middernacht wel daarnaar. Dus vochten ze nu in die plaatsen: Koning Leodegan en Cleodales streden Op een plaats, en Gwinemar 23970 En Synados op een andere voorwaar; En die van de tafelronden mede Die streden daar op een derde plaats, En de vierde koning Arthur, dat weet, En koning Bohort en koning Ban mee. 23975 En de andere waren alle ter stad waart En toen ze daar kwamen waren ze verschrikt; Omdat koning Arthur en koning Ban En koning Bohort en Leodegan In de stad nu niet waren, 23980 Meenden ze dat ze dood waren, En hadden dus rouw erg groot; En vanwege dit sloegen ze daar al bloot Haar tenten voor de stad alzo In de vlakte, die daar stond toen. 23985 En in deze doen zoals dit was, Was Merlijn ook gevolgd na dat Met zijn banier wel tienduizend Sennen En bracht ze opgejaagd in een plein, In een dal tussen twee bergen toe; 23990 En deze leidde koning Galaat toen, Die heer van het land aan die zijde was. En toen ze kwamen, zij het zeker dat, Maakte Merlijn een betovering, En liet daar komen een water omtrent, 23995 Dat erg groot en stuurs was daar, Zodat ze niet verder durfden daarnaar Rijden, en zo in angst waren, Zodat ze terug wilden keren, te waren. Toen zagen ze een nevel zo groot 24000 Die hen zo grote donkerheid bood, Zodat ze nergens mochten rijden; Zo moesten ze daar blijven ten tijden, Want ze naar voor of naar achteren mede Durfden te varen daar ter plaatse; 24005 En waarom Merlijn dit deed nu, Zal ik hier alles vertellen u, Want in het vlakte van Carmelide Lag een erg goed land in die tijden Aan de ene zijde aan koning Rioens land, 24010 En koning daar van heet Amant, En op deze koning had voor dat Koning Uter-Pandragon, toen hij levend was, Lang geoorloogd op dat land, Omdat zijn man die koning Amant 24015 Niet worden wilde; maar nochtans 267 Beoorloogde hij hem zolang, zodat hij won Een erg rijk kasteel daarnaar Die Caroie heet, weet voorwaar; En het kasteel had te leen 24020 Driehonderd ridders, zoals in deze algemeen Dat ze hem elk jaar, te waren, Twee maand schuldig te ophouden waren, Welke tijd dat men wilde in het jaar; En het heerschappij daarvan duurde aldaar 24025 Twintig mijlen ver daar omtrent; En het kasteel gaf Uter-Pandragon sinds Koning Ban en zijn broeder mede, Bohort, en van hen te blijven ter plaatse En ook hun erven immermeer; 24030 Want ze hem geholpen hadden zeer In zijn oorlogen; en daarna gelijk, Toen ze het hadden in hun hand, Gaven ze het aan Gwineband daarnaar, Hun broeder, die toen was voorwaar, 24035 De beste van nigromantie, die men vond, En ook te wapen een dappere bediende; En koning Amant was bedroefd om dit, Dat zijn kasteel verloren is, En toen hij zag, dat koning Arthur nu 24040 In Carmelide was, dat zeg ik u, En de Sennen in zijn land mede, Toen dacht hij, zou hij dus immermeer plaats Of tijd krijgen, dat hij voorwaar Zijn kasteel mocht herwinnen daarnaar, 24045 Dit zou nu met recht wezen; Hij ontbood zijn lieden na deze, Zodat hij had zevenduizend man, En voer weg zolang daaraan, Dat hij kwam varen in dat dal, 24050 Daar de tienduizend Sennen lagen al, Daar Merlijn ze liet blijven alzo Zoals ge voor hoorde, en ‘s morgens vroeg Was dat water weg, en het was Erg mooi weer; en na dat 24055 Bereiden ze zich en reden vandaar, En gelijk ontmoeten ze daarnaar Koning Amant met zijn lieden; Toen meenden ze in die tijden, Dat het koning Leodegans lieden waren 24060 Die hen gevolgd kwamen na, En sloegen in hen daar ter plaatse; Toen werd daar erg zeer gestreden. Hier laat ik deze dus strijden nu, En zal van Arthur zeggen u, 24065 Die koning Ban en koning Bohort Dat zwaard toonde, zoals ge hebt gehoord, Dat hij nu gewonnen had daar, Dat ze zeer prezen voorwaar. Toen reden ze daaronder hen drieën 24070 Te Deneblase waart; meteen Zo hoorden ze grote slagen daar Eer ze iets ver reden voorwaar, En het was donker daar ze reden In het bos, en toen ter plaatse 24075 Zo scheen de maan niet toen; Daar ze die slagen hoorden alzo, Derwaarts reden ze dapper daarnaar, Daar vonden ze Synados en Gwinemar, Maar de derde kenden ze meer of min. 24080 Toen ze dit zagen sloegen ze in, En doden alles dat voor hen kwam; Daar beproefde Arthur, zoals ik het vernam, Malminadorse, dat goede zwaard, Want eer die strijd geëindigd was, 24085 Sloeg hij daarmee dood tien giganten. Toen de Sennen, die kwade bedienden, Hem zagen zo’n wonder maken daar, Gingen ze vlieden alle daarnaar. Toen volgden ze hen daarna te plaatse, 24090 Maar ze zijn niet ver gereden, Ze hoorden echt geklank daaraan Met zwaarden; toen zei koning Ban: “Me lijkt, dat we ons zullen nu De hele nacht vermaken, zeg ik u, 24095 In dit bos met strijden mede”. “Bij God, dat is me lief”, zei ter plaatse Koning Arthur, “zo zal ik daaraan Mijn zwaard te recht beproeven dan”. “Hoe, en heb je dat nog niet beproefd?” 24100 “Neen ik, heer”, zei hij, “zoals het behoeft, Want van de Sennen waren er te weinig goed En gij en de anderen sloegen ze dood, 268 Zodat ik het naar mijn wil toen Niet kon beproeven daar alzo”. 24105 Toen lachten ze zeer om zijn woord; Dus kwamen ze gereden voort En vonden de twaalf ridder vechtend nu Tegen honderd Sennen, zeg ik u; Daar sloegen ze in en vochten alzo, 24110 Zodat ze hen alle dood sloegen toen Tot veertien, die hem ontvlogen alzo. Daar beproefde Arthur zijn zwaard toen Zo goed, dat hij zei ter plaatse Dat Caliburnus tegen dat 24115 Een boon niet waard was; Dus voeren ze in goede vreugde daarnaar En blij, omdat ze daar ter plaatse Die twaalf beschut hadden mede. Toen kwam daarop Merlijn rijden nu, 24120 Die zeer nu riep, dat zeg ik u, Op koning Arthur, en zei: “heer, Nu haast u een weinig meer, Nu vaart en behoedt koning Leodegan, Die nu vecht tegen honderd man 24125 En ook twintig, hij en Cleodales, Zijn beide te voet, zij het zeker dat, Want hun paarden zijn gestoken dood Onder hen; nu volg me bloot”. En ze volgden hem, en aldaar 24130 Vloog uit de draak zijn mond voorwaar Grote vlammen van vuur nu, Daar ze mee bij zagen, zeg ik u. Toen reden die een en twintig gezellen alzo Zodat ze kwamen tot de eik toe, 24135 Daar ze zagen Cleodales en Leodegan, Die bij de eik vast stonden aan, Omdat hen niemand van achter zou Mogen bestrijden met geweld, En wat hen toe kwam van voren 24140 Moesten daar de dood bekopen. Toen Merlijn zag die strijd En zijn gezellen, dus zeker zij, Toen sloegen ze in, en daarnaar Wrochten ze dat grootste wonder daar, 24145 Dat iemand ooit zag met ogen, Daar kon niemand voor hen gedogen; Maar op het eind hadden ze het haast genoeg, Want de giganten deden hem ongevoeg, Van van die waren er wel zestig onder. 24150 Toen Merlijn zag de zijne ten onder, Reed hij bezijden in dat bos aldaar En wachtte een weinig daarnaar; Toen kwam hij weer en bracht toen Dertig ridders van de tafelronden daartoe, 24155 Die grote moord wrochten nu. Daar streden ze zolang, zeg ik u, Zodat ze koning Leodegan ter plaatse Daar behoeden en Cleodales mede, En sloegen de reuzen en de anderen dood, 24160 Zodat er van hen maar zeven ontvlood. Toen leidde Merlijn ze uit het bos daar, En toen ze daar uitkwamen, weet voorwaar, Begon het te dagen; toen reden ze gelijk Daar ze hun tenten zagen staan; 24165 En toen ze in hun tenten kwamen En hun lieden dat vernamen, Waren er grote feesten ter plaatse; Daarna gingen ze zich rusten mede En sliepen een weinig nadat; 24170 En na de slaap waren ter plaatse De tafels gereed en men ging eten, En na het eten, ge zal weten, Zo deed koning Leodegan Al dat goed voor hem brengen dan, 24175 Dat in de strijd gewonnen was, Dat verdeelde men daar toen, zij het zeker dat, Aan koning Arthur en koning Bohort En koning Ban alzo voort, Bij Merlijns raad, zodat voor zichzelf daar 24180 Geen penning bleef voorwaar. Toen dat goed alzo verdeeld was, Liet de koning weten na dat In dat koninkrijk overal, De jonge schildknapen, groot en smal, 24185 Was daar iemand die wil winnen daar En met hem wilde varen daarnaar, Hij zou hem rijk maken, God weet; Ik zeg u, dat het niet het lang leed, Hij had daar wel 20 000 schildknapen, 24190 En hij had er ook gehad wel meer, 269 Had hij gewild; maar neen, hij; Hij wilde niet dat het land leeg zij En zonder mannen ook mede. En na dit doen reed weg gereed 24195 Koning Bohort te kasteel waart Van Caroie, met snelle vaart, Om die te behoeden nu daarnaar Tegen koning Amant voorwaar; Want Merlijn liet hem verstaan, 24200 Zoals ik u hiervoor zei gelijk, Dat koning Amant dat wilde overwinnen; Dus voer hij weg hier binnen, En nam met hem vijfduizend man Goed te harnas, en reed dan 24205 Met zijn lieden, zodat ze kwamen, Daar ze het kasteel van Caroie vernamen, Daar ze goed in werden ontvangen. Nu zal ik u een avontuur laten verstaan Van koning Galaat, en ook mede 24210 Van koning Amante ter plaatse. |
Van den koninck Amante, ende van den koninck Bohorte, ende van Gwinebande, sinen broeder. Daventure segget ter stat, Dat groet die strijt was nadat, Daer Amant vergaderde na desen An den koninck Galaat metten resen, 24215 Dier tien dusent was, wael opgeseten, Tegen sevendusent, suldy weten. Daer wart een vreeslye strijt gedaen; Maer in dat inde, wetet, sonder waen, So wart die koninck Amant gesconfiert, 24220 Ende eer die strijt was gefiniert So bleef daerbinnen van Giganten dan Vijfdusent doet, ende voertan Van des koninck Amantes lieden daernaer Bleef er driedusent doet vorwaer. 24225 Ende doe die koninck Amant gesconfiert was, Was hi droevech ende reet nadas So verre dat hi in enen bosce quam, Daer hi des nachtes sine herberge nam, Entes morgens quam hem niemaer 24230 Dat die koninck Bohort gevangen waer Toten casteel van Caroie; doe seide hy Tot sinen hemeliken rade, dat hy Enen spie hemelike senden soude, Ende gaen liggen selve met gewoude 24235 So hi den castele naest kan, “Ende als si wt wanen trecken dan Sullewy op hem komen onversien, Ende op hem stryden mettien”; Dese raet dochte hem allen goet. 24240 Binnen desen doene, des sijt vroet, Dat dit gesciede, nam orlof saen Die koninck Artur, sonder waen, Ende oec met die koninck Ban An den koninck Leodegan; 24245 Doe vragede hi den koninck Artuer: “Here”, zeide hy, “te welker uer Ende te welker tijt, segget my nu, Sal mijn dochter gekroent sijn van iu?” Doe zeide Merlijn, dat hi moet varen 24250 In dat konincrike van Bonewyc, twaren, Eer hi sine dochter nemen soude. Doe zeide hi hem daer also houde Redene, waerombe dat waer nu, Maer dat was in hemeliken rade, seggic iu. 24255 Doe dit Leodegan hevet verstaen Doe bat hi den koninck Artur saen, Dat hi wederquame so hy ierst kan. Merlijn seide doe weder daeran: “Men darf daerombe niet bidden nu, 24260 Hi sal dat gerne doen, seggic iu”. Daerna nam orlof die koninck Artuer An Jenovren, diene ter uer Custe an sinen mont soetelike Ende bat hem herde vriendelike, 24265 Dat hi scire wederquame daer, “Want nembermere”, zeide si, “vorwaer En ben ic blyde, gyne zijt komen”. Aldus hevet hi orlof genomen, Ende an al die van den hove daer 24270 Nam hi orlof, ende daernaer Dade oec datselve die koninck Ban; Ende doe namen si enen bode daeran, Ende senden te koninck Bohorte nu Toten castele van Caroie, seggic iu, 24275 Ende ontbodene, dat hi te Bredegan 270 Tot hem quame, ende sine man; Si zouden sijns ontbeiden daer. Entie bode reet enwech daernaer, Ende hi voer met sinen twintichdusent man 24280 Die hi hadde onthouden voertan, Ende zijn opten wech komen nu; Entie bode, daer ic afzeide iu Es toten koninck Bohort komen mede, Ende zeide hem sine boetscap ter stede. 24285 Doe die koninck Bohort die boetscap verstoet Trac hi te hant daer metter spoet, Ende Gwinebant, sijn broeder, reet Met hem wtwaert, God weet; Doe voerensi so lange datsi quamen 24290 In dat sorgelike foreest te samen, Dat sint oec geheten was Dat wout souden keren, zijt seker das, Als iu dit boec sal seggen hiernaer. Doe die koninck Bohort, wet vorwaer, 24295 Ende Gwinebant, sijn broeder, quamen In den foreest, haddensi daer te samen Also luttel met hem alse veertich man, Ende si reden in den foreest voertan, Sodat si enen wech daer vonden 24300 Ende ene wonderlike aventure, ten stonden, In ener sconer stede, die daer stoet; Want si vonden, des zijt vroet, Den scoensten, dien si ie zagen Van riddren ende vrouwen in horen dagen; 24305 Ende bandersyde vondensi sittende mede In enen setel, daer ter stede, Die scoenste ioncfrou die mochte wesen; Niet verre van haer sat na desen Een ridder wel van hondert iaren 24310 Die den dans dade bewaren; Doe die koninck Bohort sach die ioncfrou daer Beete hy ende sijn broeder daernaer, Ende doese die joncfrouwe komen sach, Stont si op so si ierst mach, 24315 Entie koninck groetese daer nu Ende si dankede hem des weder, seggic iu. Ende si gingen daer sitten in dat groene gras Ende besagen den dans nadas; Ende Gwinebant besach die ioncfrou daer, 24320 Die hem so wel beviel daernaer, Dat hi sijns selves al nu vergat Van groten gedochte, daer hi inne sat. Doe zeide die ioncfrou, daer si toehoren: “Tener goeder tijt waer hi geboren 24325 Die altoes sulke feeste, als dit es, Mochte hebben ocht gelyke des, Also lange als hi leven zoude”. Gwinebant zeide, also houde: “Joncfrouwe, wildy, dese feeste mede 2433 Suldy altoes hebben ter stede”. “Daeran”, zeidesi, “en salt bliven niet, Ic en salt wael willen wat des gesciet; Nu secht my alse hoe?” - “Ic zegget iu: Woudy myne vriendinne wesen nu, 24335 Dat in dier manieren alle die hier quamen Souden bliven dansende te samen Toter tijt dat een ridder daer Comen soude, die vor no naer Valsceit tegen minne en dede, 24340 Ende oec moeste hi die beste sijn mede, Die by synen tyden soude wesen”. Doe zeide die ioncfrou te desen, Dat sijt gerne soude doen alsoe Indien dat hi den dans makede doe. 24345 Gwinebant zeide: “des ben ic gereet”; “Ende ic oec”, zeidesi, “God weet”. Doe ontfinc Gwinebant die maget, Die haer selve daer op draget; Doe zeide die oude ridder ter stede 24350 Hi wouder sinen setel toe geven mede, Daer die getrouwe ridder op sitten soude; “Ende ic geve daertoe myne krone van goude”, Zeide die koninck Bohort, “te deser joie Die ic nu brenge van Caroie, 24355 Dat die ridder mede gekronet sal sijn daer Brake die dans by hem vorwaer”. Ende Gwinebant makede den dans nu, Dat hi niet en cesseerde, zeggic iu, Toter tijt dat soude komen mede 24360 Een ridder, die nie tegen minne en dede, Sonder also lange als si aten dan; Ende na den eten gingensi weder an. Doe hi dat gemaket hadde, bat hem daer Die joncfrouwe, dat hi makede daernaer 24365 Een ander spel ombe horen wille doe, “Dat nembermeer en breke daertoe 271 Daer al die werelt af spreke bloet Van groten wonder na myner doet”. Doe makedi haer een scaecspel boude 24370 Daer dat ene deel af was van goude Ende tander van yvoren bene claer. Doe hi dat beide gemaket hadde daer, Bert ende spel, sodat daermede Iegelic mochte spelen ter stede, 24375 Dade hi sine nigromancie daertoe, Dat alle diegene, die daer alsoe Tegen gingen sitten, ombe spelen, Welke tijt datsi trecken selen Es dat Oude of Rock of Vinde, 24380 Dat daer een tegenkome met geninde Van denselven dathi trecket daer, Ende hi nembermeer vorwaer So wael en spele, hi en werde mat, Hoe dicke dat hi spele ter stat, 24385 Ende tspel mach nembermeer gemat wesen Tote des maels, dat daer komet te desen Die beste ridder, die in der werelt es, Ende oec moet hi sijn, sijt seker des, Coninges kint ende koninginnen mede, 24390 Die hem verweren sal ter stede. Aldus makede daer Gwinebant Dat scaecspel enten dans te hant. Daerna dede hi menech scone spel Ende leerde der joncfrouwen so wel, 24395 Datsi menege dinck dede nadas, Sint dat Gwinebant doet was, Ende si dede sint keren ten casteel, Entie danse te Menragueel Maken in der stat sonder name; 24400 Dit brachte toe die joncfrou bequame Als gy hierna wel sult verstaen. Ende Gwinebant nam die joncfrou saen, Entie koninck Bohort es van daer gesceden; Ende dit hadde algader doen beleden 24405 Die koninck Amant, ende wiste wael das By enen spie, dat hi gesceden was Van den casteel van Caroie nu, Ende nam sine vijfhondert man, seggic iu, Die hem bleven waren in den strijt; 24410 Daermede lach hi hemelike ter tijt In dat wtvaren van den foreeste daer, Daer die koninck Bohort riden soude naer, Daer dede hi sine tenten slaen; Entie koninck Bohort reet enwech saen 24415 Doe die danse gemaket was, Die alsulc was, als ic dat las, Dat alle die ridders die daerna quamen, Alle bleven dansende te samen, Totedat Lancelot quam van den Lac 24420 Die daerna den dans tebrac Ende tscaecspel wan, ende sende dat Der koninginnen Jenovren ter stat. Ende ombedat al die daer quamen toe, In dat foreest bleven dansende alsoe, 24425 So hiet men dat sint, weet vorwaer, Den wout sonder keren daernaer. Dus es dese dinc nu gesciet, Entie koninck Bohort en lette niet Hi en reet enwech al sinen pas, 24430 Ende quam gereden te hant nadas Op des koninck Amantes tenten vorwaer. Doe vragede die koninck Bohort daernaer Wies die tenten waren te hant? Men seide hem doe: “des koninges Amant”. 24435 Doe dit Bohort sach, doe dade hi saen Sine liede tehant wapenen gaen, Ende trac besyden ende ontboet daernaer Den koninck Amante, dat hi quame daer, Want hine gerne spreken soude. 24440 Die koninck Amant quam also houde Tot hem ende groetene daer, Ende doe zeide hi tot hem daernaer: “Here, gy doet groet onrecht my Ende ic mach iu seggen waerby: 24445 Gy onthout my mynen casteel, Ende ontervet my algeheel, Daerby biddic iu, dat gyne my Weder wilt geven; ic sal daerby Iu goede vrient sijn vorwaert meer”. 24450 Bohort zeide doe: “heer koninck, heer, Ic en hebbe iu den casteel genomen niet, Maer dat namen iu, ocht gy dat gebiet, Diegene, daer gyne af hieldet doen, Dat was die koninck Uter-Pandragoen, 24455 Dies man dat gy te rechte met Soudet hebben geweset, dat wet, 272 Maer gy waert so overmoedich vortan, Dat gy niet [en] werden woudet sijn man; Des nam hi iu den casteel daerby, 24460 Ende doe hine iu nam gaf hine my, Want ic hem lange hadde gedient Ende was mede sijn goede vrient; Ende noch wil hy scone vordel doen iu: Es dat gy wilt varen met my nu 24465 Toten koninck Artur te Bredegan, Ende werden getrouwelike sijn man, Ic sal iu den casteel geven thant”. Doe sprac te hant die koninck Amant, Dat hi nembermeer [en] worde Arturs man 24470 Ende hi en dadet ombe geen goet daeran. Doe zeide die koninck Bohort saen: “En wildy des niet doen, sonder waen, So es iu die casteel ongereet”. Doe zeide die koninck Amant, God weet: 24475 “Here”, zeidi, “gyne hebbet hier met iu Niet vele liede gebracht nu, Ende ic en hebber oec niet vele, Nochtan hebbic er meer te dele, Ende es dat wy vechten tesen tyden 24480 Hier sal gescien in beiden syden Groet scade, dat wetic wel, Want gy sult sijn te verdrivene fel, Oec sellewy ons node verdrivene laten, Maer, woudy, wy zoudent anders saten: 24485 Gy zijt hier vor den koninck Artuer Ende ic vor my selven ter uer, Nu laet ons vechten man tegen man Tehant, ende bekortent dan Op die vorwaerde: verwyndy my 24490 Dat die casteel sij quijt ende vry, Ende so willic met iu varen dan Toten koninck Artur, te Bredegan, Ende werden sijn man van sinen goede, al Dat ic hebbe, groet ende smal; 24495 Ende verwinne ic iu, so gevet my Mynen casteel weder quijt ende vry Sonder enech calengieren daeran”. “Ja, ende ocht gevallet dan”, Zeide die koninck Bohort ter stede, 24500 “Dat onser enech doet blivet mede, Hoe salt dan sijn daerby?” “By trouwen, ic segget iu”, zeide hi, “Es dat gy my hier slaet doet, So sullen mine liede, cleen ende groet, 24505 Met iu varen alle gader dan Ende werden des koninck Arturs man; Ende blijfdy doet hier ter stat, So blivet mijn die casteel nadat, Ende iu liede sullen dan enwech varen 24510 Quijt ende vry, sonder sparen, Ende willensi oec werden mine man, Ic sal hem mynes goedes geven dan”. Doe sekerdensi by trouwen, na datgone, Dene den ander dat te done; 24515 Doe quam daertoe Ulfijn ende Bretel Ende alle die ander gesellen also wel, Ende zeiden: “Here, wat wildy doen ter stede? Wildy vechten enen wijch mede Tegen koninck Amante, den barone! 24520 Des en suldy nu niet doen, Maer laet ons alle vechten met iu, Hine mach tegen ons niet duren nu, Ontsiedy iu ombedat wy in scyne So luttel liede sijn iegen die syne, 24525 Wy willen dat gy ons nember vor goet En hout, en slawy se niet al doet, Ocht wy sullen eer doet bliven Eer wyse ons laten verdriven; Ende latewy iu vechten man tegen man, 24530 Dat sal ons grote scande sijn dan”. “Swiget!” zeide hi, die koninck Bohoert, “Ende en spreket des nu nember woert, Sint dat ict hem hebbe gelovet nu, Ic en ga hem des niet af, seggic iu, 24535 Want ic en krege nember eer”. Doe en spraken si hem niet meer; Enten koninck Amante oec bandersyden Spraken sine liede an tien tyden, Ginganbrysiel ende zijn heer Brandelijs, 24540 Si zeiden: “Heer koninck, waerdy wijs, Gy en worpet iu niet in dese noet, In aventuren van der doet, Want gy hebbet hier liede genoech Mede te vechtene na iu gevoech”. 24545 “Also helpe my God!” zeide die koninck, “Ic en lietet niet achter omb negeen dinck”. “By myner trouwen”, zeide Gwinebant, “Mesvalt dat iu, heer koninck, te hant, Dat God verbieden moete daeran, 24550 Ic en werde nember koninck Arturs man”. Doe die koninck Bohort hoerde die dinge, Doe sende hy derwaert haestelinge Gryflette ende Gwinrecke mede: “Vaert”, zeide hi, t Amante ter stede 24555 Ende secht hem, eest dat ic blive boven, Ic wil hem dat wel geloven, Dat icse quijt sal scelden dan, Die niet en wil werden des koninges man; Ende dat hi hier niet ombe dinge sint 24560 Tegen sine liede noch houde parlement”. Doe voeren diegene toten koninck, Ende zeiden hem aldus dese dinck; Dit prijsde die koninck Amant sere. Doe keerdensi weder thoren here 24565 Die bereet hilt in den plane aldaer; Entie koninck Amant was oec vorwaer Bereet ende quam derwaert gereden. Doe ontseide elc andren daer ter steden Ende lieten die orse lopen daer, 24570 Ende onderstaken hem daernaer Dat haer speer braken bede, Ende si reden so na ter stede, Datsi hem metten lichame daer Onderhorten so vreeslyc vorwaer, 24575 Dat hem die ogen dochte vergaen; Entie koninck Amant viel doe saen Wt sinen sadel ter aerden neder nu, Ende lach in ommacht, secgic iu, Maer die koninck Bohort bleef sittende nadas, 24580 Want hi een sterc ridder was; Ende doe hi sach dat hi dus lach, Beette hi so hi iersten mach, Ende gaf sijn paert thoudene daer Enen knape ende ginck daernaer 24585 Daer die koninck Amant lach alsoe, Die noch niet verkomen was doe; Daer trac hi sijn swaert, dat scone was, Daer hi mede sloech sint nadas Menegen slach; doe sette hy daer 24590 Dat swaert op sine borst daernaer, Ende zeide: “heer koninck, staet op nu, Gy slapet te lange, secgic iu, Ende tgaet ten avendewaert seer Ende ic hebbe anders te doene noch meer 24595 Ende gyne doet gene hovescede, Dat gy my so lange doet beiden mede”. Ende onlanges daerna so verquam doe Die koninck Amant, die hoerde al toe Des koninck Bohortes woerde nu. 24600 Ende prijsdene sere, secgic iu, Dat hine daer spaerde sonder slaen Ende dat hi hovescer waer, sonder waen, Tegen hem dan hi soude Hebben geweset met gewoude, 24605 Hadde hi siner weldich gesijn alsoe. Hi spranc op dapperlike doe, Ende scaemde hem ende trac sijn swaert, Ende quam ten koninck Bohortewaert; Hi sette den scilt vor zijn hovet, 24610 Ende sloech den koninck, des gelovet, Opten scilt, dat hine ter stede Clovede toten bokele mede; Maer Bohort galt hem den slach genoech, Want hi den helm van den hovede hem sloech 24615 Ende sulc gat hadde mede daer, Dat hi des nembermeer mochte daernaer Orboren vorwaert, des gelovet; Doe deckede die koninck Amant sijn hovet Alse die den slach ontsach daer, 24620 Want hi en hadde opten hovede maer Ene coyfie; ende als die koninck Bohoert Den koninck Amant dus sach gevoert, Dat hi sinen helm hadde verloren, Doe leide hi hem dit te voren: 24625 “Heer koninck, wildy vrede maken nu? Gy siet wel hoe dat staet met iu; Vaert met nu ende doet manscap daernaer leet”. Den koninck Artur; wantet waer Scade, sloege ic iu doet; oec waert my 24630 “Meendy my dus doet hebben gereet?” Zeide die koninck Amant, “ombdat ic nu Negenen helm en hebbe, ic seg iu, Dat ic iu hier defiere ter stede. Mettien liep hi hem op mede 24635 Ende meendene slaen opten hovet daer; Maer die koninck Bohort droech daernaer 274 Den scilt tegen den slach alsoe, Daer hi op sloech, dat hine doe Niet en quetsede; entie koninck Bohoert 24640 Brachte doe enen slach voert Ocht hine slaen woude an die been, Dit dochte hem daer dat so sceen, Ende nam den scilt ende droechen daertegen Maer die koninck Bohort heventen geslegen 24645 Op dat hovet ende clovedem dat doe Van boven toten scouderen toe, Ende hi viel neder ter aerden doet. Ende als dit Ginganbrisel verstoet Ende Brandelys ende Giromelant, 24650 Dat doet was die koninck Amant, Zeidensi, si en worden nember vortan Des koninck Arturs vrient no sine man, Nochte nieman, die hem bestoet, So en dadensi nembermeer goet. 24655 Ende dit was dieselve Giromelant, Daer men in Gawine af bescreven vant, Ende Ginganbrisel oec mede, Daer hi enen camp sint tegen dede. Dese drie voeren aldus van daer 24660 Met hem drie hondert, wet vorwaer, Ende twehondert bleven daer oec mede, Die zeiden datsi nu ter stede Metten koninck Bohorte varen daer Ende gerne wouden werden daernaer 24665 Des koninck Arturs man, wantsi Negenen beteren here begerden dan hi. Doe riep die koninck Bohort tot heme Alle sine gesellen, als ic verneme, Ende zeide, dat hi daer gerne ter stede 24670 Een gasthues dede maken mede, Daer men embermeer messe dede daernaer Vor koninck Amantes siele vorwaer, Ende ombe sine victorie mede Die hem daer God gaf ter stede. 24675 Daer was een clerc, die den koninck Amant Gedient hadde, ende des men te hant So ordinierde, dat die koninck Bohoert Met hem dese provende voert, Ende gafse hem ende sovele daermede, 24680 Dat hi des wael gedede ter stede. Ende doe die koninck Bohort hadde daer Den koninck Amant doen graven naer, Ende dat gasthues gemaket mede Voer hi te Bredeganwaert, ter stede; 24685 Daer vant hi den koninck Artur voertan Ende sinen broeder, den koninck Ban; Ende doe hi quam vor den koninck Arture Zeide hi hem sine aventure Al te male, dat secgic iu; 24690 Hi zeide [hem]: “ic brenge hier nu Des koninck Amantes liede met my Op mijn geleide, ic zecge iu wi: Ombedatsi iu man willen werden mede Ende haer goet houden van iu ter stede”. 24695 Doe hietse die koninck Artur na desen Herde lieflyke wellekomme wesen, Ende zeide, hi woude hem al eer Ende al goet doen voertmeer. Doe dadensi hem manscap daer; 24700 Doe vragede hi den ridders daernaer, Wat manne was die koninck Amant; Doe weendensi, ende zeiden thant Algader, hoet waer met horen heer, Ende zeiden hem also min no meer 24705 Also als hem es gesciet. Doe die koninck Artur dit hoert ende siet, Entie koninck Ban, waren si des blide doe, Dat den koninck Bohort geviel alsoe. Doe quam Merlijn voert gegaen 24710 Toten koninck Bohort, ende zeide saen: “Heer koninck, gy en secget ons niet vele Van der brulocht ende van den spele, Die iu broeder hevet gehat ende gy”. Doe zeide Artur, die koninck vry: 24715 “Merlijn, nu doet ons verstaen Van der brulocht, hoe si es vergaen”. Doe zeide hem Merlijn van den danse daer Ende van den scaecspele daernaer, Dat Gwinebant makede ter stede 24720 Dor sijns lieves wille, dor haer bede. Doe vragede hem die koninck Ban, ocht hy Iet wiste wie die ridder sy, Die den dans stille soude doen staen. Merlijn zeide doe, sonder waen, 24725 Dat hi noch niet geboren weer, “En roket iu niet te vragene meer”. Doe die liede wisten, dat die koninck Bohoert Den koninck Amant doet hadde, voert Zeidensi doe ende prijsdene seer, 275 24730 Dat hi ende sijn broeder grote eer Hadden beiaget, ende en waren si dan, Die koninck Artur waer een verloren man. Dus dageden die twe daer; Doe sende die koninck Artur daernaer, 24735 By Merlijns rade, dat secgic iu, Daer die scat gelegen was nu, Daer ic iu hier te voren af zeide Seshondert wercliede, sonder beiden, Met Merlyne, daer die scat was; 24740 Daer dadise graven den scat so groet, Dat nieman [en] sach des genoet, Daerna loet men den groten scat Ende voerdene te Logres in die stat, Daer Gawyn ende sine gesellen, secgic iu, 24745 Den koninck Arturs ontbeiden nu. Ende doe die scat enwech was, Dadese Merlijn graven nadas Onder enen eyke herde diepe doe; Daer vondensi een vat van leder alsoe, 24750 Daerin vondensi xij die scoenste swaert Entie beste, die meer waren waert Dan men ienige vant tien tyden; Doe was die koninck Artur blyde Van den scatte ende van den swaerden 24755 Ombedatsi scenen van groter waerden. Des lach hi met sinen lieden daer Met groter blyscap, wet vorwaer, Ende hadden vroude ende groet spel, Ombedat hem vergaen was so wel 24760 Haer aventure te meneger stede. Oec inde ic dit boec hiermede Want ic iu voert een ander sal tellen Van Gawyne ende sinen gesellen, Die ridder sullen werden nu, 24765 Daer ic af vele sal seggen iu Eer dat boec ten inde sal komen; Want nie en hoerde men van so vromen Ridderen, alse si alle weren; Nu moetese God in dogeden meren. |
Van koning Amant en van koning Bohort en van Gwinebant, zijn broeder. Het avontuur zegt ter plaatse, Dat groot de strijd was nadat, Daar Amant verzamelde na deze Aan koning Galaat met de reuzen, 24215 Van wie er wel tienduizend waren, goed opgezeten, Tegen zevenduizend, zal ge weten. Daar werd een vreselijke strijd gedaan; Maar in dat einde, weet, zonder waan, Zo werd koning Amant geschoffeerd, 24220 En eer de strijdt was geëindigd Zo bleven er binnen van de giganten dan Vijfduizend dood, en voortaan Van koning Amantes lieden daarnaar Bleven er drieduizend dood voorwaar. 24225 En toen koning Amant geschoffeerd was, Was hij droevig en reed na dat Zo ver zodat hij in een bos kwam, Daar hij ‘s nachts zijn herberg nam, En ‘s morgens kwam hem nieuws 24230 Dat koning Bohort gevaren was Op het kasteel van Caroie; toen zei hij Tot zijn geheime raad, dat hij Enen spion heimelijk zenden zou, En gaan liggen zelf met geweld 24235 Zo hij het dichtst bij het kasteel kan, “En als ze uit menen te trekken dan Zullen we op hen komen onvoorzien, En op hem strijden meteen”; Deze raad dacht hen allen goed. 24240 Binnen dit doen, dus wees bekend, Dat dit geschiedde, nam verlof gelijk Koning Arthur, zonder waan, En ook mee koning Ban Aan koning Leodegan; 24245 Toen vroeg hij koning Arthur: “Heer”, zei hij, “te welke uur En te welke tijd, zeg het mij nu, Zal mijn dochter gekroond zijn van u?” Toen zei Merlijn, dat hij moet varen 24250 In dat koninkrijk van Bonewick, te waren, Eer hij zijn dochter nemen zou. Toen zei hij hem daar alzo te houden Redenen, waarom dat was nu, Maar dat was in heimelijke raad, zeg ik u. 24255 Toen dit Leodegan heeft verstaan Toen bad hij koning Arthur gelijk, Dat hij terugkomt zo gauw hij kan. Merlijn zei toen weer daaraan: “Men durft daarom niet te bidden nu, 24260 Hij zal dat graag doen, zeg ik u”. Daarna nam verlof koning Arthur Aan Jenover, die hem ter uur Kuste aan zijn mond lieflijk En bad hem erg vriendelijk, 24265 Dat hij snel weer kwam daar, “Want nimmermeer”, zei ze, “voorwaar Ben ik blij, ge niet bent gekomen”. Aldus heeft hij verlof genomen, En aan allen van het hof daar 24270 Nam hij verlof, en daarnaar Deed ook datzelfde koning Ban; En toen namen ze een bode daaraan, En zonden die tot koning Bohort nu Op het kasteel van Caroie, zeg ik u, 24275 En ontboden, dat hij te Bredigan 270 Tot hen kwam, en zijn man; Ze zouden hem opwachten daar. En de bode reed weg daarnaar, En hij voer met zijn twintigduizend man 24280 Die hij had behouden voortaan, En zijn op de weg gekomen nu; En de bode, daar ik van zei u Is tot koning Bohort gekomen mede, En zei hem zijn boodschap ter plaatse. 24285 Toen koning Bohort die boodschap verstond Vertrok hij gelijk daar met een spoed, En Gwinebant, zijn broeder, reed Met hem uit waart, God weet; Toen voeren ze zolang zodat ze kwamen 24290 In dat zorgelijke bos tezamen, Dat sinds ook genoemd was Dat woud zonder omkeren, zij het zeker dat, Zoals u dit boek zal zeggen hiernaar. Toen koning Bohort, weet voorwaar, 24295 En Gwinebant, zijn broeder, kwamen In dat bos, hadden ze daar tezamen Alzo weinig met hen als veertig man, En ze reden in het bos voortaan, Zodat ze een weg daar vonden 24300 En een wonderlijk avontuur, ten stonden, In een mooie plaats, die daar stond; Want ze vonden, dus wees bekend, De schoonste, die ze ooit zagen Van ridders en vrouwen in hun dagen; 24305 En aan de andere zijde vonden ze zittend mede In een zetel, daar ter plaatse, De schoonste jonkvrouw die er mocht wezen; Niet ver van haar zat na deze Een ridder wel van honderd jaren 24310 Die de dans liet bewaren; Toen koning Bohort zag die jonkvrouw daar Bad hij en zijn broeder daarnaar, En toe de jonkvrouw hen komen zag, Stond ze op zo gauw ze kon, 24315 En de koning begroette haar daar nu En ze bedankte hem dus weer, zeg ik u. En ze gingen daar zitten in dat groene gras En bezagen de dans na dat; En Gwinebant bezag die jonkvrouw daar, 24320 Die hem zo goed beviel daarnaar, Dat hij zichzelf geheel nu vergat Van grote gedachten, daar hij in zat. Toen zei die jonkvrouw, daar ze toehoren: “Op een goede tijd was hij geboren 24325 Die altijd zulke feesten, als dit is, Mocht hebben of gelijk dit, Alzo lang als hij leven zou”. Gwinebant zei, alzo te houden: “Jonkvrouw, wil ge, deze feesten mede 24330 Zal ge altijd hebben ter plaatse”. “Daaraan”, zei ze, “zal het blijven niet, Ik zal het wel willen wat dus geschiedt; Nu zeg me alzo hoe?” - “Ik zeg het u: Wil ge mijn vriendin wezen nu, 24335 Dat in die manieren dat allen die hier kwamen Zouden blijven dansen te samen Tot de tijd dat een ridder daar Komen zou, die voor of na Valsheid tegen minne deed, 24340 En ook moest hij de beste zijn mede, Die er in zijn tijd zou wezen”. Toen zei die jonkvrouw tot deze, Dat ze het graag zou doen alzo Indien dat hij de dans maakte toen. 24345 Gwinebant zei: “dus ben ik gereed”; “En ik ook”, zei ze, “God weet”. Toen ontving Gwinebant die maagd, Die zichzelf daar opdraagt; Toen zei de oude ridder ter plaatse 24350 Hij wilde zijn zetel toe geven mede, Daar de trouwe ridder op zitten zou; “En ik geef daartoe mijn kroon van goud”, Zei koning Bohort, “tot deze vreugde Die ik nu breng van Caroie, 24355 Zodat die ridder er mee gekroond zal zijn daar Breekt de dans bij hem voorwaar”. En Gwinebant maakte de dans nu, Dat hij niet eindigde, zeg ik u, Tot de tijd dat zou komen mede 24360 Een ridder, die niets tegen minne deed, Uitgezonderd alzo lang als ze aten dan; En na het eten gingen ze weer aan. Toen hij dat gemaakt had, bad hem daar De jonkvrouw, dat hij maakte daarnaar 24365 Een ander spel vanwege haar wil toen, “Dat nimmermeer breekt daartoe 271 Daar de hele wereld van spreekt bloot Van dat grote wonder na mijn dood”. Toen maakte hij haar een schaakspel kalm 24370 Daar dat ene deel van was van goud En het andere van ivoren been helder. Toen hij dat beide gemaakt had daar, Bord en spel, zodat daarmee Iedereen mocht spelen ter plaatse, 24375 Deed hij zijn nigromantie daartoe, Dat al diegene, die daar alzo Tegen gingen zitten, om te spelen, Welke tijd dat ze vertrekken zullen Is dat Oud of Rots of Vijand, 24380 Dat daar een tegenkomt met dat doel Van dezelfde dat hij trekt daar, En hij nimmermeer voorwaar Zo goed speelde, hij werd mat, Hoe vaak dat hij speelt ter plaatse, 24385 En het spel mag nimmermeer mat wezen Tot de keer, dat daar komt te deze De beste ridder, die er in de wereld is, En ook moet hij zijn, zij het zeker dit, Konings kind en koningin mede, 24390 Die zich verweren zal ter plaatse. Aldus maakte daar Gwinebant Dat schaakspel en de dans gelijk. Daarna deed hij menig mooi spel En leerde het de jonkvrouw zo goed, 24395 Dat ze menige dingen deed na dat, Sinds dat Gwinebant dood was, En ze deden sinds veranderen het kasteel, En de dans te Menragueel Maken in de stad zonder naam; 24400 Dit bracht toen die jonkvrouw bekwaam Zoals ge hierna wel zal verstaan. En Gwinebant nam die jonkvrouw gelijk, En koning Bohort is vandaar gescheiden; En dit had allemaal doen begeleiden 24405 Koning Amant, wist wel dat Bij een spion, dat hij gescheiden was Van het kasteel van Caroie nu, En nam zijn vijfhonderd man, zeg ik u, Die hem gebleven waren in de strijd; 24410 Daarmee lag hij heimelijk ter tijd In dat uitgaan van het bos daar, Daar koning Bohort rijden zou daarnaar, Daar liet hij zijn tenten opslaan; En koning Bohort reed weg gelijk 24415 Toen die dans gemaakt was, Die al zulke was, zoals ik dat las, Dat alle ridders die daarna kwamen, Allen bleven dansen gelijk, Totdat Lancelot kwam van het meer 24420 Die daarna de dans verbrak En het schaakspel won, en zond dat Naar koningin Jenover ter plaatse. En omdat alle die daar kwamen toe, In dat bos bleven dansen alzo, 24425 Zo noemt men dat sinds, weet voorwaar, Het woud zonder omkeren daarnaar. Dus is dit ding nu geschied, En koning Bohort lette niet Hij reed weg al zijn pas, 24430 En kwam gereden gelijk na dat Op koning Amants tenten voorwaar. Toen vroeg koning Bohort daarnaar Van wie die tenten waren gelijk? Men zei hem toen: “van koning Amant”. 24435 Toen dit Bohort zag, toen deed hij gelijk Zijn lieden gelijk wapenen gaan, En trok bezijden en ontbood daarnaar Koning Amant, dat hij kwam daar, Want hij hem graag spreken zou. 24440 Koning Amant kwam alzo gauw Tot hem en begroette hem daar, En toen zei hij tot hem daarnaar: “Heer, ge doet groot onrecht mij En ik mag u zeggen waarbij: 24445 Ge onthoudt me mijn kasteel, En onterft me al geheel, Daarbij bid ik u, dat ge het mij Weer wil geven; ik zal daarbij Uw goede vriend zijn voorwaarts meer”. 24450 Bohort zei toen: “heer koning, heer, Ik heb u het kasteel ontnomen niet, Maar dat nam van u, als ge dat gebiedt, Diegene, daar ge hem vanaf hield toen, Dat was koning Utwr-Pandragon, 24455 Die man die ge te recht mee Zou hebben geweest, dat weet, 272 Maar ge was zo overmoedig voortaan, Dat ge niet worden wilde zijn man; Dus nam hij uw kasteel daarbij, 24460 En toen hij die van u nam gaf hij het aan mij, Want ik hem lang had gediend En was mede zijn goede vriend; En nog wil hij mooi voordeel doen u: Is het dat ge wilt gaan met mij nu 24465 Tot koning Arthur te Bredigan, En worden getrouw zijn man, Ik zal u het kasteel geven gelijk”. Toen sprak gelijk koning Amant, Dat hij nimmermeer wordt Arthurs man 24470 En hij deed het om geen goed daaraan. Toen zei koning Bohort gelijk: “Wil ge het dus niet doen, zonder waan, Dan is voor u het kasteel niet gereed”. Toen zei koning Amant, God weet: 24475 “Heer”, zei hij, “ge hebt hier met u Niet veel lieden gebracht nu, En ik heb er ook niet veel, Nochtans heb ik er meer te dele, En is het dat we vechten in deze tijden 24480 Hier zal gebeuren aan beide zijden Grote schade, dat weet ik wel, Want ge zal zijn om te verdrijven fel, Ook zullen we ons node verdrijven laten, Maar, wilde ge, we zouden het anders zetten: 24485 Ge bent hier voor koning Arthur En ik voor mezelf ter uur, Nu laat ons vechten man tegen man Gelijk, en verkorten het dan Op die voorwaarde: overwin je mij 24490 Dan is het kasteel kwijt en vrij, En zo wil ik met u varen dan Tot koning Arthur, te Bredigan, En wordt zijn man van zijn goed, al Dat ik heb, groot en smal; 24495 En overwin ik u, zo geef je mij Mijn kasteel weer kwijt en vrij Zonder enig gevecht daaraan”. “Ja, en als het gebeurt dan”, Zei koning Bohort ter plaatse, 24500 “Dat van ons enig dood blijft mede, Hoe zal het dan zijn daarbij?” “Bij trouw, ik zeg het u”, zei hij, “Is het dat ge me hier slaat dood, Dan zullen mijn lieden, klein en groot, 24505 Met u varen alle tezamen dan En worden koning Arthurs man; En blijft gij dood hier ter plaatse, Dan blijft van mij dat kasteel nadat, En uw lieden zullen dan weg varen 24510 Kwijt en vrij, zonder sparen, En willen ze ook worden mijn man, Ik zal hen mijn goed geven dan”. Toen verzekerden ze bij trouw, naar datgene, De ene de ander dat te doen; 24515 Toen kwam daartoe Ulfijn en Bretel En alle ander gezellen alzo wel, En zeiden: “Heer, wat wil ge doen ter plaatse? Wil ge vechten een strijd mede Tegen koning Amant, de baron! 24520 Dus zal ge nu niet doen, Maar laat ons allen vechten met u, Hij kan tegen ons niet standhouden nu, Ontzie u omdat we in schijn Met zo weinig lieden zijn tegen de zijne, 24525 We willen dat ge ons nimmer voor goed Houdt, slaan we ze niet alle dood, Of we zullen eerder dood blijven Eer wij ze ons laten verdrijven; En laten we u vechten man tegen man, 24530 Dat zal ons een grote schande zijn dan”. “Zwijg!” zei hij, koning Bohort, “En spreek dus nu nimmer een woord, Sinds dat ik het hem heb beloofd nu, Ik ga hem dus niet af, zeg ik u, 24535 Want ik krijg nimmer eer”. Toen spraken ze hem niet meer; En koning Amant ook aan de andere zijde Sprak zijn lieden aan te die tijden, Ginganbrysiel en zijn heer Brandelijs, 24540 Ze zeiden: “Heer koning, was ge wijs, Ge werpt u niet in deze nood, In avonturen van de dood, Want ge hebt hier lieden genoeg Mee te vechten naar uw gevoeg”. 24545 “Alzo help me God!” zei de koning, “Ik liet het niet na om geen ding”. “Bij mijn trouw”, zei Gwinebant, “Misvalt dat u, heer koning, gelijk, Dat God verbieden moet daaraan, 24550 Ik wordt nimmer koning Arthurs man”. Toen koning Bohort hoorde die dingen, Toen zonde hij derwaarts haastig Gryflet en Gwinrecke mede: “Vaart”, zei hij, te Amant ter plaatse 24555 En zeg hem, is het dat ik blijf boven, Ik wil hem dat wel beloven, Dat ik hen kwijt zal schelden dan, Die niet wil worden konings man; En dat hij hier niet om die dingen sinds 24560 Tegen zijn lieden nog houdt gesprek”. Toen voeren diegene tot de koning, En zeiden hem aldus dit ding; Dit prees koning Amant zeer. Toen keerden ze weer tot hun heer 24565 Die bereidde zich in de vlakte aldaar; En koning Amant was ook voorwaar Bereid en kwam derwaarts gereden. Toen ontzei elk de andere daar ter plaatse En lieten de paarden lopen daar, 24570 En staken hen daarnaar Zodat hun speren braken beide, En ze reden zo dicht ter plaatse, Zodat ze zich met de lichamen daar Onderstaken zo vreselijk voorwaar, 24575 Dat hen de ogen dachten te vergaan; En koning Amant viel toen gelijk Uit zijn zadel ter aarde neer nu, En lag in onmacht, zeg ik u, Maar koning Bohort bleef zitten na dat, 24580 Want hij een sterke ridder was; En toen hij zag dat hij dus lag, Steeg af hij zo hij eerst mag, En gaf zijn paard te houden daar Een knaap en ging daarnaar 24585 Daar koning Amant lag alzo, Die nog niet bijgekomen was toen; Daar trok hij zijn zwaard, dat mooi was, Daar hij mee sloeg sinds na dat Menige slag; toen zette hij daar 24590 Dat zwaard op zijn borst daarnaar, En zei: “heer koning, sta op nu, Ge slaapt te lang, zeg ik u, En het gaat naar de avond toe zeer En ik heb anders te doen nog meer 24595 En ge doet geen hoffelijkheid, Dat ge me zolang laat wachten mede”. En niet lang daarna zo kwam bij toen Koning Amant, die hoorde al toe Koning Bohort’s woorden nu. 24600 En prees hem zeer, zeg ik u, Dat hij hem daar spaarde zonder te slaan En dat hij hoffelijk was, zonder waan, Tegen hem dan hij zou Hebben geweest met geweld, 24605 Had hij hem overweldigd daar alzo. Hij sprong op dapper toen, En schaamde zich en trok zijn zwaard, En kwam tot koning Bohort waart; Hij zette het schild voor zijn hoofd, 24610 En sloeg de koning, dus geloof het, Op het schild, zodat hij hem ter plaatse Kloofde tot de handgreep mede; Maar Bohort vergold hem de slag genoeg, Want hij hem de helm van het hoofd afsloeg 24615 En zo ‘n gat had hij mede daar, Dat hij het dus nimmermeer mocht daarnaar Gebruiken verder, dus geloof; Toen bedekte koning Amant zijn hoofd Als een die de slag ontzag daar, 24620 Want hij had op het hoofd maar Een bedekking; en toen koning Bohort Koning Amant dus zag gevoerd, Dat hij zijn helm had verloren, Toen legde hij hem dit te voren: 24625 “Heer koning, wil ge vrede maken nu? Ge ziet wel hoe dat staat met u; Vaar mee nu en doe manschap daarnaar gereed. Aan koning Arthur; want het was Schade, sloeg ik u dood; ook was het me 24630 “Meen je me dus dood hebben gereed?” Zei koning Amant, “omdat ik nu Geen helm heb, ik zeg u, Dat ik u hier versla ter plaatse. Meteen liep hij hem op mede 24635 En meende te slaan op het hoofd daar; Maar koning Bohort droeg daarnaar 274 Het schild tegen de slag alzo, Daar hij op sloeg, zodat hij hem toen Niet kwetste; en koning Bohort 24640 Bracht toen een slag voort Of hij hem slaan wilde aan het been, Dit dacht hij daar dat zo scheen, En nam het schild en droeg het daartegen Maar koning Bohort heeft hem geslagen 24645 Op dat hoofd en kloofde dat toen Van boven tot de schouder toe, En hij viel neder ter aarde dood. En toen dit Ginganbrisel verstond En Brandelys en Giromeland, 24650 Dat dood was koning Amant, Zeiden ze, ze worden nimmer voortaan Koning Arthurs vriend of zijn man, Nog niemand, die bij hen stond, Zo deden ze nimmermeer goed. 24655 En dit was dezelfde Giromeland, Daar men in Gawein van beschreven vond, En Ginganbrisel ook mede, Daar hij een kamp sinds tegen deed. Deze drie voeren aldus vandaar 24660 Met hen drie honderd, weet voorwaar, En tweehonderd bleven daar ook mede, Die zeiden dat ze nu ter plaatse Met koning Bohort varen daar En graag wilden worden daarnaar 24665 Koning Arthurs man, want ze Geen betere heer begeren dan hij. Toen riep koning Bohort tot hem Al zijn gezellen, zoals ik verneem, En zei, dat hij daar graag ter plaatse 24670 Een gasthuis liet maken mede, Daar men immermeer missen deed daarnaar Voor koning Amant’s ziel voorwaar, En om zijn victorie mede Die hem daar God gaf ter plaatse. 24675 Daar was een klerk, die koning Amant Gediend had, en dus men gelijk Zo ordende, dat koning Bohort Met hem deze uitkering voort, En gaf hem zoveel daarmee, 24680 Dat hij het dus goed deed ter plaatse. En toen koning Bohort had daar Koning Amant laten begraven daarnaar, En dat gasthuis gemaakt mede Voer hij te Bredigan waart, ter stede; 24685 Daar vond hij koning Arthur voortaan En zijn broeder, koning Ban; En toen hij kwam voor koning Arthur Zei hij hem zijn avontuur Allemaal, dat zeg ik u; 24690 Hij zei hem: “ik breng hier nu Koning Amants lieden met mij Onder mijn geleide, ik zeg u wie: Omdat ze uw man willen worden mede En hun goed houden van u ter plaatse”. 24695 Toen zei koning Arthur ze na deze Erg lieflijk welkom te wezen, En zei, hij wilde hen alle eer En alle goed doen voort meer. Toen deden ze hem manschap daar; 24700 Toen vroeg hij de ridders daarnaar, Welke man was die koning Amant; Toen weenden ze, en zeiden gelijk Allemaal, hoe het was met hun heer, En zeiden hem alzo min of meer 24705 Alzo als hem is geschied. Toen koning Arthur dit hoorde en ziet, En koning Ban, waren ze dus blijde toen, Dat koning Bohort gebeurde alzo. Toen kwam Merlijn voort gegaan 24710 Tot koning Bohort, en zei gelijk: “Heer koning, ge zegt ons niet veel Van de bruiloft en van het spel, Die uw broeder heeft gehad en gij”. Toen zei Arthur, die koning vrij: 24715 “Merlijn, nu laat ons verstaan Van de bruiloft, hoe ze is gegaan”. Toen zei hem Merlijn van de dans daar En van het schaakspel daarnaar, Dat Gwinebant maakte ter plaatse 24720 Door zijn geliefde wil, door haar bede. Toen vroeg hem koning Ban, of hij Iets wist wie die ridder was, Die de dans stil zou doen staan. Merlijn zei toen, zonder waan, 24725 Dat hij nog niet geboren was, “En durf niet te vragen meer”. Toen die lieden wisten, dat koning Bohort Koning Amant gedood had, voort Zeiden ze toen en prezen hem zeer, 275 24730 Dat hij en zijn broeder grote eer Hadden bejaagd, en waren ze er niet dan, Die koning Arthur was een verloren man. Dus bleven die twee daar; Toen zond koning Arthur daarnaar, 24735 Bij Merlijns raad, dat zeg ik u, Daar de schat gelegen was nu, Daar ik u hier tevoren van zei Zeshonderd werklieden, zonder wachten, Met Merlijn, daar die schat was; 24740 Daar lieten ze opgraven de schat zo groot, Dat niemand zag dus voort, Daarna laadde men de grote schat En voerden het te Londen in die stad, Daar Gawein en zijn gezellen, zeg ik u, 24745 Op koning Arthurs wachten nu. En toen de schat weg was, Liet Merlijn ze graven na dat Onder een eik erg diep toen; Daar vonden ze een vat van leer alzo, 24750 Daarin vonden ze 12 van de schoonste zwaarden En de beste, die meer waren waard Dan men enige vond te die tijden; Toen was koning Arthur blij Van de schat en van de zwaarden 24755 Omdat ze schenen van grote waarden. Dus lag hij met zijn lieden daar Met grote blijdschap, weet voorwaar, En had vreugde en groot spel, Omdat het hen vergaan was zo wel 24760 Hun avonturen te menige plaatsen. Ook eindig ik dit boek hiermede Want ik u voort een andere zal vertellen Van Gawein en zijn gezellen, Die ridder zullen worden nu, 24765 Daar ik veel van zal zeggen u Eer dat boek tot een einde zal komen; Want niet hoorde men van zulke dappere Ridders, zoals ze alle waren; Nu moet God ze in deugden vermeerderen. |
Dit boec secht ons, hoe Gawyn ende sine gesellen ridder worden, ende hoe die koninck Claudas wart verdreven. 24770 Ic beginne in Godes name Van enen ridder, die wel bequame Menegen es die daeraf hoert, Dat es Gawyn, hoe hi quam voert Dat hi ridders name ontfinck, 24775 Ende met hem menech iongelinck, Daer sint af gesciede mede Menege aventure te meneger stede. Die koninck Artur lach tesen tyden Te Bredegan met sinen lieden blyde, 24780 Ende woude te Logres varen nu, Daer Gawyn lach, secgic iu, Met sinen gesellen in der poert, Die dat sciere hadden verhoert, Dattie koninck Artur ende sijn gesinde 24785 Derwaert quame met geninde; Des warensi alle herde blide Ende saten op haer paerde tien tyden Ende reden tegen hem daernaer. Ende doe si by den koninck quamen daer, 24790 Doe nam Merlijn die drie koninge besyden Ende dadese beten te dien tyden Onder enen sconen boem mede, Ombedathi woude, datsi ter stede Der kinder ontbeiden, ende daden daernare 24795 Alle dander vorwaert varen Die thant die kinder ontmoeten daer; Doe vrageden die kinder hem daernaer Ombe den koninck Artur, sonder waen, Doe wijsdensi hem den boem saen 24800 Daer hi onder gebeet weer; Doe voerensi alle derwaert meer Ende Gawyn reet vor, want sine daer Alle vor horen meester vorwaer Ende vor horen here hielden mede, 24805 Waer si voeren in elker stede; Ende si hadden alle recht daeran, Want hi was die beste geleertste man Die ie was entie hovescste ter stede Entie wiseste van der werlt mede, 24810 Ende dit was hem angeboren al Ende van naturen, groet ende smal; Dus redensi so verre alsoe Datsi ten bome quamen toe, Daer die drie koninge saten onder. 24815 Doe beetten die kinder alle bysonder, 276 Ende doe die ridders sagen van der tafelronde Die kinder so edelike komen ter stonde Ende so wel te gerake ende gecleet, Doe stonden si jegen hem op gereet, 24820 Want in haren gelate dochte hem daernare Datsi van hogen geslachte waren. Daer bat Gawyn die heren daernaer, Datsi hem wijsden Artur daer; Doe zeide Nasciens, die hovesc was: 24825 “Siet, hi sit ginder in dat gras Ende es die ioncste van den drien”; Ende Gawyn dankede hem van dien, Ende ginc tot hem ende knielde daer Ende alle sine gesellen daernaer, 24830 Ende groetten die koninge hovesclike iu, Hi ende sine gesellen algelike. Doe zeide Gawyn: “here, ic ben komen tot Ende myne broeder ende myne neven nu, Alse tot onsen gerechten here, mede; 24835 Wy hebben gehoert sulke dogelichede Van iu zecgen, dat wy daernare Ombe wapene tontfane sijn komen hare, Ende dat gy ons ridder sult maken; Wy sullen iu voert in allen saken 24840 Dienen alse wy sculdech sijn daerby, Opdat iu onse dienst genoechlic sy; Ende oec sijn hier sulke, die iu, here, Gedient hebben wel ende sere Sint dat gy waret uten lande 24845 Gelijc ochtet hadden geweest haer viande; Enten goeden, ik wil oec gijt wet, Sal men verwiten die doget met, Die men doer hem hevet gedaen, Enten quaden helen, sonder waen, 24850 Want hi en roket des te lonen niet Want sijn oge negene doget ansiet No sijn herte en denket twint Der doget, die men hem doet omtrint”. Doe die koninck Artur hoerde die tale 24855 Behagede hem dat kint herde wale, Ende nam hem metterhant saen Ende dadese alle daer op staen, Ende vragede hem, wie si waren: “Here”, zeide Gawyn, “twaren, 24860 Eer wy secgen wie wy sijn nu, Waren wy gerne onthouden van iu, Ende alse wy weten daeraf den fijn Sullewy iu secgen, wie wy sijn”. Doe die twe koninge hoerden die woert, 24865 Die dat kint daer sprac voert, Behagede hem dat wel, ende hieldene daer Vor wijs ende vroet vorwaer. Doe zeide die koninck Artur also houde, Dat hise gerne onthouden woude, 24870 Ende wilse selve metterhant Alle ridder maken, sij iu bekant, “Ende gy zijt my wellekome alle nu, Ende ic sal iu vrient zijn, secgic iu, Ende ic wil dat gy myne gesellen sijt 24875 Ende alle van mijnre herberge nu ter tijt”. Doe die kinder dit hoerden daer, Knielden sy alle vor hem naer, Ende dankeden hem alle sere saen; Doe dadese die koninck opstaen, 24880 Ende vragede Gawyne, wie hi waer, “Want ic dat van iu te wetene begaer”. Doe zeide Gawijn: “here, men heet my Gawijn, entese drie kinder, die hierby Nu staen, sijn myne broeder, 24885 Beide van vader ende van moeder, Entie koninck Lot onse vader es Ende es here van Orcanie ende Leones; Ende mijn outste broeder naest my Heet Agraweyn, entie daernaest sy 24890 Heet Gaheries, wet vorwaer; Ende onse moeder doet ons gewes, Datsi des koninck Arturs suster es Van hoerre moeder wegen nu; Entese ander ioncheren, seggic iu, 24895 Die hier staen, sijn onser moeyen kinder, Ende Galescins heet, die staet ginder Ende es koninck Ventres sone van Garlot, Entese ander twe, so help my Got, Zijn des koninck Uriens kinder”, zeide Gawein, 24900 “Entie ene heet Ywein, Entie ander hiet Ywen oec met, Ende es sijn broeder, here, dat wet, Van sijns vader wegen, sonder waen, Entie ander joncheren, die hier staen, 277 24905 Sijn alle edeler liede kinder nu; Entese lange brune, seggic iu, Es koninck Beliantes sone mede, Entese twe, die hier staen ter stede, Sijn des koninges neven van Astragone met, 24910 Dene heet Keye van Strans, dat wet, Ende dander Keyadyn die clene; Entese ander sijn neven gemene Ende bestaen mynen vader na ter steden, Ende zijn hertogen kinder ende graven mede; 24915 Ende dene heet Ywen metten witten handen, Die wel sal noch sijn lachter anden, Dander heet Ywen van Riveel, Die derde Ywen van Lyoneel, Dit vierde Ywen Declains mede; 24920 Entie ginder staet te gener stede Die scone, die wel geleerde met, Hi es des Keysers maech, dat wet, Van Constantinople, ende is geheten Sagrimor, es ons doen weten, 24925 Ende es hier komen, seggic iu, Ombedat gyne ridder sult maken nu, Ende wilt iu dienen getrouwelike, Oec wil ic sijn geselle wesen, sekerlike, Van wapene also lange als hi nu 24930 Hier wil bliven, dat secgic iu”. Doe die koninck Artur hoerde die tale Van den kindren, behagedensi hem wale, Ende nam hem in sinen arm daer, Ende custene menechwerf daernaer 24935 Ende hietene menechwerf welkome wesen Ende alle sine gesellen na desen. Doe zeide die koninck Artur daernaer: “Gawyn, lieve neve, wet vorwaer, Ic wil dat gy conincstavel sijt 24940 Van alle mynen lande nu ter tijt Ende van mynen hove, sonder waen, Ende al dat gy wilt, dat sij gedaen”. Doe knielde Gawyn ende dankedet hem doe Entie koninck gaf hem met sinen hantscoe 24945 Dese gichte, ende hoevene op aldaer; Doe satensi op haer paerde daernaer Ende si reden al te hant nadat Te Logreswaert in die stat. Doe koninck Artur te Logres quam 24950 Ende hem sine suster daer vernam, Gawyns moder, es si iegen hem gegaen Ende hieten welkome wesen saen; Ende Morgeine quam oec nadas, Die des koninck Arturs suster was. 24955 Ende doese die koninck kende, wet vorwaer, So dade hi hem grote feeste daer Ende si voeren ten palase waert na des Daer dat scone met biesen gestroyet es Ende met sydenen clederen behangen wel; 24960 Men hadde daer feeste groet ende spel, Entes selven dages hiet die koninck Den kindren, datsi boven alle dinck In die hovetkerke souden gaen Ende Gode daer anbeden saen, 24965 Ende waken alle die nacht daerin: Ende dit was na Sinxen meer no myn Veertienacht dat dit gesciede daer. Die kinder lagen die nacht daernaer In der kerken tote des morgens vroe; 24970 Daer quam die koninck Artur tot hem doe Ende dade ene messe singen saen; Ende alse die messe was gedaen, Nam die koninck Artur sijn goede swaert, Dat meneger mark was waert, 24975 Dat hi wten anebelte trac hiervoer, Ende gordet Gawyne, enten rechten spoer Spien hi hem, entie koninck Ban Den linken spore, ende voertan Sloechen die koninck Artur in den hals daer: 24980 “God make iu goet man!” zeide hi daernaer; Doe makede hi ridder sine broeder nu Ende gaf elken een zwaert, seggic iu, Van den twaelf zwaerden, die hi tien stonden By Merlijns rade hadde vonden. 25985 Dus worden die kinder gemaket daer, Ende alle diegene die wouden daernaer, Nuwe ridders van koninck Arturs hant; Ende daerna, dat sij iu bekant, Sanch die aertsebiscop Drubrices 24990 Hoemesse, ende alsi gesongen es, 278 Gingensi te hovewaert alle nadas, Daer dat eten bereet doe was. Daer hielt die koninck Artur feeste groet, Daer was ten etene menech genoet, 24995 Ende men diende daer wel utermaten Al dengenen die daer aten. Doe waren daer die quinteinen geleget Daer men op te joesteerne pleget, Entie batselieren waren bereet; 25000 Maer Merlijn verboet dat, God weet, Ombe des orloges wille, doe liet ment daer. Drie dage rastensi hem daernaer; Daer gaf sijn goet doe myldeliken Die koninck Artur armen ende riken 25005 Ende iongen batselieren, die daer quamen Die hi onthielt al te samen Wel veertich dusent, sonder die met hem waren, Entie hi vor hem brachte, twaren, Uten konincrike van Carmelyde. 25010 Doe si daer lagen dus tien tyden Makede kennesse Morgeine nadas An Merlyne, die ene grote clerckerse was Ende dade so vele iegen hem daer, Dat hi haer leerde sint daernaer 25015 Van Nigromancien menech wonder, Ende si onthielt dat al wel bisonder. Daerna opten derden dach mede Sprac Merlijn Artur an ter stede, Ende sprac, dat hi hem gereide saen, 25020 Daer waer negeen beiden, sonder waen, “Want Ponces, Anthonys, ende Frolles Zijn ember toe getogen, sijt seker des, In dat lant van Bonewyc ende mede Die koninck Claudas oec ter stede 25025 Entie koninck van Gales mede”. Die koninck Artur zeide: “ic trecke gerede, Welke tijt iu goet dunket wesen”. Merlijn zeide: “dat secht uwen lieden na desen Datsi noch tavent hem bereiden 25030 Ende in den iersten slape, sonder beiden Opsitten, ende varen henen dan, Ende voert met iu twintichdusent man, Die gy met iu brachtet van Carmelyde, Ende Does van Caredol sal tien tyden 25035 Hier blyven ende hoeden dese stat”. Doe sciedensi onder hem nadat, Entie koninck beval Gawyne dit saen, Also hem dat Merlijn dede verstaen; Ende Gawyn dede nu daer alsoe 25040 Ende hietse hem alle bereiden doe. Daerna es hi te sinen oeme gegaen Ende zeide datsi gereet sijn, sonder waen. Doe zeide Merlijn ten koninge nadas: “Here, vraget Gawyne, wie diegene was 25045 Diene leide, daer hi sine moeder alsoe Verloeste, daer hine leide toe”. Doe zeide die koninck: “Gawyn, wety Ocht kendy iet, wie die ridder sy Die iu leide, dat gy iu moeder 25050 Bescuddet?” - “Here ic en bens niet vroeder” Zeide Gawyn, “want ic en kennes twent”. “Vraget hem voert, ocht hi iet kent”, Zeide Merlijn, “wie hem die letteren gaf, Daer van Ywen stont inne gescreven af, 25055 Des koninck Uryens sone, dat hy Hem te hulpe quame daerby?” Doe vragede hem des die koninck daer Ocht hi den knecht iet kende daernaer. Gawyn zeide doe: “neen, hy, niet; 25060 Ende Gawyn doe Merlyne nauwe besiet Ende wart ombe dese pinsende, secgic iu, Die dat hiervor gesecht hadde nu, Dat dit Merlijn was, ende na dese dinck Zeide hi doe tot Artur, den koninck: 25065 “By Gode, Heer, in weet; men zeide my, Dattet een iu vrient Merlijn sy, Ic woude dat icken wael kende nu, Want hi hevet my gedient, secgic iu: Hi dede my van des keysers neve verstaen 25070 Van Constantinople, ende oec mede saen Ywene, mynen neve, die in groter noet Was, dede hy my bescudden van der doet, Ende my selven onder Arondeel Halp hi mijns lives een deel, 25075 Ende en es man in aertryke, Dien ic eer kennen woude sekerlike”. “Gy zulten wael kennen”, zeide Merlijn daer, “Als hem dat lief es”. Doe loech daernaer Die koninck Artur ende zeide saen: 25080 “Gawyn, sieten hier by my staen, 279 Ic sal iu met hem bekant maken”. Doe gingensi sitten na dien saken Op ene coetse onder hem drien. Doe zeide koninck Artur; “hier moechdy sien 25085 Den man die iu voerde tArondeel, Des dages, doe gy vor den casteel Keyen van Strans ende Dodinas, Daer elc in groten anxte was, Beschuddet, ende iu selven dede 25090 In den casteel daer gaen ter stede, Doe iu der Sennen te vele quam daer; Des soudy hem danken openbaer Van desen dienste ende ander mede, Die hi iu gedaen heeft te mneger stede”. 25095 Gawyn zeide doe: “lieve here, Ic en weet hem wat bieden mere, Maer seker mach hi wesen van my, Dat ic al sijn eygen sy; Ende hi es so vroet oec mede, 25100 Dat hi mijn herte wel kent ter stede, Want dat te hemwaert es al te male”. Merlijn zeide: “ik kenne iu wale, Ende ic wil oec, dat gy nu sijt Mijn hemelike vrient in alre tijt”. 25105 Maer hi zeide hem, dat hi hoede wale Dat hi nember negene tale En makede van dingen, die hy Hem seggen soude, so wat dat sy: “Ende gy sult my in so meneger forme sien, 25110 Dat iu sere wonderen sal van dien, Ombedat ic niet [en] bekent wil sijn bloet Want die nijt van der werelt es groet”. Aldus dade hem kondech Merlijn daer Gawyne vor sinen oem vorwaer; 25115 Ende doe si genoech gesproken hadden nu, Doe zeide Merlijn, dat secgic iu: “Gawijn”, zeide hi, “lieve vrient, verstaet Ic secge iu, dat gy an uwe moeder gaet, Ende nemet orlof ende vaert henen saen 25120 Met uwen lieden ende trecket, sonder waen, In den iersten slape, ende trecket ter vaert Rechtevoert te Doevrewaert; Ende als gy daer komet, so doet, God weet, Dat gy te scepe genoech hebbet gereet 25125 Also vro als iu oem komet daer, Dat hy scepen moge daernaer, Entie twe koninge oec mede Ende al dat met hem komet ter stede; Ende, doer Gode, doet ere hem beden, 25130 Want si sijn getrouwe in der waerheden, Ende al sijn sy metten koninck Artur nu, Si sijn hoger liede, dat secgic iu, Van geslachte dan die koninck es, Ende hoedet iu herde wel des, 25135 Dat gy nieman en segget waer gy vaert”. Gawyn zeide doe: “sijt onvervaert, Ic sal den orber wel doen, God weet!” Doe sciet Gawijn ende ginck gereet Te siner moeder ende nam orlof daer; 25140 Doe ginck hi te sinen broederen daernaer Ende tYwene, sinen neve, mede, Ende tallen den andren ter stede, Daer hi daer voer mede plach te gane; Dese sprac hi alle ane, 25145 Datsi sine gesellen na desen Altoes hier namaels sullen wesen; Doe gingensi slapen een luttelkijn. Niet lange en haddensi in slape gesijn, Datsi opstonden ende wapenden hem daer 25150 Ende voeren vaste enwech daernaer, Ende reden so lange, datsi doe Te Doevre quamen eens morgens vroe; Maer die koninck ende Merlijn ende veertich met Die van Carmelyde quamen, dat wet, 25155 Die des koninck Arturs gesellen waren, Daer hi mede was tote daer gevaren, Dese bleven met hem tien stonden, Entie ridders van der tafelronden Ende Gawyn, die nu te Doevre was, 25160 Hi sende in alle havene nadas Ombe die scepe, die daerinne waren, Ende dade se hem bringen daerna, twaren, So vele dat hire genoech hadde daer. Ende alse Merlijn wiste vorwaer, 25165 Dat die scepe gereet waren, Dadi die drie koninge derwaert varen Ende hiet hem te Rotsele varen doe. Doe seiden die drie koninge alsoe: 280 “Wat, Merlijn, en suldy met ons niet varen?” 25170 “Neen ic, here”, zeide hi, “maer, twaren, Gy en sult daer enen dach niet hebben gewesen, Ic en sal daer tot iu komen na desen”. Doe sciet dene van den andren daer, Ende Merlijn voer te sinen meester daernaer 25175 In Nortomberlant, die hem dede Grote feeste, doe hi quam ter stede; Daer zeide hem Merlijn al dat was gesciet, Ende en liet des een twint achter niet, Sint dat hi daer lestwerf was; 25180 Ende Blasys screef dat al nadas, Ende doe Merlijn hem zeide van der joncfrouwen, Die hi so mynde met goeder trouwen, Daer ic iu hier voraf dade verstaen, Dat was Blasyse leet, sonder waen: 25185 Hi dachte, dat sine bedriegen soude Ende began hem castiene also houde. Merlijn zeide, hi en verstonde niet van dien “Dat gescien sal, moet gescien”; Doe zeide hi hem voert die prophecyen mede 25190 Die nu gesciet sijn ter stede Entie gescien sullen al, Alse iu dit boec hier wel seggen sal Hier namaels; ende daer ter stede Settet Blasys in gescrifte mede; 25195 Nu sal iu dit boec voert tellen Van den koninck Artur ende sinen gesellen. |
Dit boek zegt ons hoe Gawyn en zijn gezellen ridder worden en hoe koning Claudas wordt verdreven. 24770 Ik begin in Gods naam Van een ridder, die goed bekend Menigeen is die daar van hoort, Dat is Gawein, hoe hij kwam voort Zodat hij een ridder naam ontving, 24775 En met hem menige jongeling, Daar sinds van gebeurde mede Menige avonturen te menige plaatsen. Koning Arthur lag te deze tijden Te Bredgan met zijn lieden blij, 24780 En wilde te Londen varen nu, Daar Gawein lag, zeg ik u, Met zijn gezellen in de poort, Die dat snel hadden gehoord, Zodat koning Arthur en zijn gezanten 24785 Derwaarts kwamen met diegene; Dus waren ze alle erg blijde En zaten op hun paarden te die tijden En reden tegen hem daarnaar. En toen ze bij de koning kwamen daar, 24790 Toen nam Merlijn de drie koningen bezijden En liet ze wachten te die tijden Onder een mooie boom mede, Omdat hij wilde, dat ze ter plaatse Op de kinderen wachten, en deed daarnaar 24795 Alle anderen voorwaart varen Die gelijk de kinderen ontmoeten daar; Toen vroegen de kinderen hen daarnaar Om koning Arthur, zonder waan, Toen wezen ze hen de boom gelijk 24800 Daar hij onder wachtte weer; Toen voeren ze alle derwaarts meer En Gawein reed voor, want ze zijn daar Allen voor hun meester voorwaar En voor hun heer hielden mede, 24805 Waar ze voeren in elke plaats; En ze hadden alle recht daaraan, Want hij was de beste en geleerdste man Die hij was en de hoffelijkste ter stede En de wijste van de wereld mede, 24810 En dit was hem aangeboren al En van naturen, groot en smal; Dus reden ze zo ver alzo Zodat ze bij de boom kwamen toe, Daar de drie koningen zaten onder. 24815 Toen wachten de kinderen alle apart, 276 En toen de ridders zagen van de tafelronde Die kinderen zo edel komen ter stonde En zo goed gevormd en gekleed, Toen stonden ze tegen hen op gereed, 24820 Want in hun gelaat dachten ze daarnaar Dat ze van hoog geslacht waren. Daar bad Gawein die heren daarnaar, Dat ze hem wezen Arthur daar; Toen zei Nasciens, die hoffelijk was: 24825 “Ziet, hij zit ginder in dat gras En is de jongste van de drie”; En Gawein bedankte hem van die, En ging tot hem en knielde daar En al zijn gezellen daarnaar, 24830 En begroette de koning hoffelijk u, Hij en zijn gezellen alle gelijk. Toen zei Gawein: “heer, ik ben gekomen tot En mijn broeder en mijn neven nu, Als tot onze echte heer, mede; 24835 We hebben gehoord zulke deugden Van u zeggen, dat we daarnaar Om wapen te ontvangen zijn gekomen hier, En dat ge ons ridder zal maken; We zullen u voort in alle zaken 24840 Dienen zoals we moeten zijn daarbij, Zodat u onze dienst genoeglijk zij; En ook zijn hier zulke, die u, heer, Gediend hebben goed en zeer Sinds dat ge was uit het land 24845 Gelijk of het waren geweest hun vijanden; En de goede, ik wil ook gij het weet, Zal men verwijten die deugd mee, Die men door hem heeft gedaan, En de kwaden verhelen, zonder waan, 24850 Want hen een zorg dat te belonen niet Want zijn ogen geen deugd aanziet Nog zijn hart denkt iets Aan deugd, die men hem doet omtrent”. Toen koning Arthur hoorde die taal 24855 Behaagde hem dat kind erg wel, En nam hem bij de hand gelijk En liet ze allen daarop staan, En vroeg hem, wie ze waren: “Heer”, zei Gawein, “te waren, 24860 Eer we zeggen wie we zijn nu, Waren we graag onthouden van u, En als we weten daarvan het fijne Zullen we u zeggen, wie we zijn”. Toen die twee koningen hoorden dit woord, 24865 Die dat kind daar sprak voort, Behaagde hen dat wel, en hielden hem daar Voor wijs en verstandig voorwaar. Toen zei koning Arthur alzo te houden, Dat hij ze graag houden wilde, 24870 En wilde ze zelf met de hand Alle ridder maken, zij u bekent, “En ge bent me welkom alle nu, En ik zal uw vriend zijn, zeg ik u, En ik wil dat ge mijn gezellen bent 24875 En alle van mijn herbergen nu ter tijd”. Toen de kinderen dit hoorden daar, Knielden ze allen voor hem daarnaar, En bedankten hem alle zeer gelijk; Toen liet de koning ze opstaan, 24880 En vroeg Gawein, wie hij was, “Want ik dat van u te weten begeer”. Toen zei Gawein: “heer, men noemt mij Gawein, en deze drie kinderen, die hierbij Nu staan, zijn mijn broeders, 24885 Beide van vader en van moeder, En koning Loth onze vader is En is heer van Orkney en Leones; En mijn oudste broeder naast mij Heet Acgravein, en die daarnaast is 24890 Heet Guheries, weet voorwaar; En onze moeder doet ons gewis, Dat ze koning Arthurs zuster is Van haar moeders kant nu; En deze ander jonkheren, zeg ik u, 24895 Die hier staan, zijn onze grootmoeders kinderen, En Galescins heet, die staat ginder Is koning Ventres zoon van Garlot, En deze ander twee, zo help mij God, Zijn koning Uriens kinderen”, zei Gawein, 24900 “En de ene heet Ywein, En de andere heet Ywein ook mee, En is zijn broeder, heer, dat weet, Van zijn vaders kant, zonder waan, En de andere jonkheren, die hier staan, 277 24905 Zijn alle edele lieden kinderen nu; En deze lange bruine, zeg ik u, Is koning Beliantes zoon mede, En deze twee, die hier staan ter plaatse, Zijn konings neven van Astragon mee, 24910 De ene heet Keye van Strans, dat weet, En de andere Keyadyn die kleine; En deze anderen zijn neven algemeen En staan mijn vader na ter plaatse, En zijn hertog kinderen en graven mede; 24915 En de ene heet Ywein met de witte handen, Die wel zal nog zijn lachen veranderen, De andere heet Ywein van Riveel, De derde Ywein van Lyoneel, De vierde Ywein Declains mede; 24920 En die ginder staat op die plaats Die mooie, die goede geleerde mee, Hij is keizers verwant, dat weet, Van Constantinopel, en is geheten Sagrimor, is ons laten weten, 24925 En is hier gekomen, zeg ik u, Omdat ge hem ridder zal maken nu, En wil u dienen getrouw, Ook wil ik zijn gezel wezen, zekerlijk, Van wapens alzo lang als hij nu 24930 Hier wil blijven, dat zeg ik u”. Toen koning Arthur hoorde die taal Van de kinderen, behaagde het hem wel, En nam hem in zijn armen daar, En kuste hem menigmaal daarnaar 24935 En zei ze vaak welkom te wezen En al zijn gezellen na deze. Toen zei koning Arthur daarnaar: “Gawein, lieve neef, weet voorwaar, Ik wil dat ge hoofdbevelhebber bent 24940 Van al mijn landen nu ter tijd En van mijn hof, zonder waan, En al dat ge wilt, dat zij gedaan”. Toen knielde Gawein en bedankte hem toen En de koning gaf hem met zijn handschoen 24945 Deze gift, en hief hem op aldaar; Toen zaten ze op hun paarden daarnaar En ze reden al gelijk nadat Te Londen waart in die stad. Toen koning Arthur te Londen kwam 24950 En zijn zuster hem daar vernam, Gaweins moeder, is ze naar hem gegaan En zei hem welkom te wezen gelijk; En Morgein kwam ook na dat, Die koning Arthurs zuster was. 24955 En toen de koning ze herkende, weet voorwaar, Zo deed hij ze grote feesten daar En ze voeren te paleis waart na dit Daar dat mooi met biezen gestrooid is En met zijden klederen behangen goed; 24960 Men had daar feesten groot en spel, En de zelfde dag zei de koning De kinderen, dat ze boven alle ding In de hoofdkerk zouden gaan En God daar aanbidden gelijk, 24965 En waken de hele nacht daar in: En dit was na Pinkster meer of min Veertien nachten dat dit gebeurde daar. Die kinderen lagen die nacht daarnaar In de kerk tot ‘s morgens vroeg; 24970 Daar kwam koning Arthur tot hen toen En liet een mis zingen gelijk; En toen de mis was gedaan, Nam koning Arthur zijn goede zwaard, Dat menige mark was waard, 24975 Dat hij uit het aambeeld trok hiervoor, En omgordde het Gawein, en het rechter spoor Omspande hij hem, en koning Ban De linker spoor, en voortaan Sloeg koning Arthur hem in de hals daar: 24980 “God maakt u een goede man!” zei hij daarnaar; Toen maakte hij ridder zijn broeder nu En gaf hen elk een zwaard, zeg ik u, Van de twaalf zwaarden, die hij ten stonden Bij Merlijns raad had gevonden. 25985 Dus worden die kinderen gemaakt daar, En al diegene die wilden daarnaar, Nieuwe ridders van koning Arthurs hand; En daarna, dat zij u bekent, Zong aartsbisschop Drubrices 24990 Hoogmis, en toen het gezongen is, 278 Gingen ze naar het hof allen na dat, Daar dat eten bereid toen was. Daar hield koning Arthur feest groot, Daar was te eten menig genodigde, 24995 En men bediende daar wel uitermate Al diegenen die daar aten. Toen werden daar de doelen gelegd Daar men op te spelen pleegt, En de schildknapen waren bereid; 25000 Maar Merlijn verbood dat, God weet, Vanwege de oorlog, toen liet men het daar. Drie dagen rusten ze zich daarnaar; Daar gaf zijn goed toen mild Koning Arthur aan armen en rijken 25005 En jonge schildknapen, die daar kwamen Die hij onthield al te samen Wel veertig duizend, uitgezonderd die met hem waren, En die hij voor hem bracht, te waren, Uit het koninkrijk van Carmelide. 25010 Toen ze daar lagen dus in die tijden Maakte kennis Morgein na dat Aan Merlijn, die een grote vrouwelijke klerk was En deed zoveel tegen hem daar, Dat hij haar leerde sinds daarnaar 25015 Van nigromantie menig wonder, En ze onthield dat alles wel bijzonder. Daarna op de derde dag mede Sprak Merlijn Arthur aan ter plaatse, En sprak, dat hij zich bereidde gelijk, 25020 Daar was geen wachten, zonder waan, “Want Ponces, Anthonys en Frolles Zijn er immer toe vertrokken, zij het zeker dis, In dat land van Bonewick en mede Koning Claudas ook ter plaatse 25025 En de koning van Gaules mede”. Koning Arthur zei: “ik vertrek gereed, Welke tijd u goed denkt te wezen”. Merlijn zei: “dan zeg uw lieden na deze Dat ze nog vanavond zich bereiden 25030 En in de eerste slaap, zonder te wachten Opstaan, en varen heen dan, En voer met u twintigduizend man, Die ge met u bracht van Carmelide, En Toens van Caredol zal te die tijden 25035 Hier blijven en behoeden deze stad”. Toen scheiden ze onder hen nadat, En koning beval Gawein dit gelijk, Zoals hem dat Merlijn liet verstaan; En Gawein deed nu daar alzo 25040 En zei ze hen alle zich te bereiden toen. Daarna is hij tot zijn oom gegaan En zei dat ze gereed zijn, zonder waan. Toen zei Merlijn tot de koning na dat: “Heer, vraag Gawein, wie diegene was 25045 Die hem begeleidde, daar hij zijn moeder alzo Verloste, daar hij hem begeleidde toen”. Toen zei koning: “Gawein, weet gij Of ken je iets, wie die ridder is Die u begeleidde, zodat ge uw moeder 25050 Behoedde?” - “Heer ik ben niet bekend” Zei Gawein, “want ik ken hem geen wind”. “Vraag het hem voort, of hij iets kent”, Zei Merlijn, “wie hem die brieven gaf, Daar van Ywein stond in geschreven af, 25055 Koning Uriens zoon, zodat hij Hem te hulp kwam daarbij?” Toen vroeg hem dus de koning daar Of hij de knecht iets kende daarnaar. Gawein zei toen: “neen, hij, niet; 25060 En Gawein toen hij Merlijn nauw beziet En werd vanwege deze peinzend, zeg ik u, Die dat hiervoor gezegd had nu, Dat dit Merlijn was, en na dit ding Zei hij toen tot Arthur, de koning: 25065 “Bij God, heer, ik weet; men zei mij, Dat het uw vriend Merlijn zij, Ik wilde dat ik hem goed kende nu, Want hij heeft me gediend, zeg ik u: Hij liet me van de keizers neef verstaan 25070 Van Constantinopel, en ook mede gelijk Ywein, mijn neef, die in grote nood Was, liet hij mij behoeden van de dood, En mezelf onder Arondeel Hielp hij mijn lijf een deel, 25075 En is geen een man in aardrijk, Die ik eerder kennen wil zekerlijk”. “Ge zal hem goed kennen”, zei Merlijn daar, “Als hem dat lief is”. Toen lachte daarnaar Koning Arthur en zei gelijk: 25080 “Gawein, zie hem hier bij mij staan, 279 Ik zal u met hem bekend maken”. Toen gingen ze zitten na die zaken Op een stoel onder hen drieën. Toen zei koning Arthur; “hier mag ge zien 25085 De man die u voerde te Arondeel, De dag, toen ge voor het kasteel Keye van Strans en Dodinas, Daar elk in grote angst was, Behoedde, en u zelf deed 25090 In het kasteel daar gaan ter plaatse, Toen u van de Sennen te veel kwamen daar; Dus zou ge hem bedanken openbaar Van deze dienst en anderen mede, Die hij u gedaan heeft te menige plaats”. 25095 Gawein zei toen: “lieve heer, Ik weet niet hem wat te bieden meer, Maar zeker mag hij wezen van mij, Dat ik al geheel zijn eigen zij; En hij is zo verstandig ook mede, 25100 Dat hij mijn hart wel kent ter stede, Want dat tot hem waart is allemaal”. Merlijn zei: “ik ken u wel, En ik wil ook, dat ge nu bent Mijn geheime vriend in alle tijd”. 25105 Maar hij zei hem, dat hij behoed wel Dat hij nimmer geen taal Maakte van dingen, die hij Hem zeggen zou, zo wat dat zij: “En ge zal me in zo vele vormen zien, 25110 Dat het u zeer verwonderen zal van dien, Omdat ik niet bekend wil zijn bloot Want de nijd van de wereld is groot”. Aldus deed zich bekennen Merlijn daar Gawein voor zijn oom voorwaar; 25115 En toen ze genoeg gesproken hadden nu, Toen zei Merlijn, dat zeg ik u: “Gawein”, zei hij, “lieve vriend, begrijp Ik zeg u, dat ge naar uw moeder gaat, En neem verlof en vaar heen gelijk 25120 Met uw lieden en vertrek, zonder waan, In de eerste slaap, en vertrek met een vaart Recht voort te Dover waart; En als ge daar aankomt, zo doe, God weet, Dat ge schepen genoeg hebt gereed 25125 Alzo vroeg als uw oom komt daar, Zodat hij inschepen mag daarnaar, En de twee koningen ook mede En alles dat met hem komt ter plaatse; En, door God, doe eer hen beiden, 25130 Want ze zijn getrouw in de waarheid, En al zijn ze met koning Arthur nu, Ze zijn hogere lieden, dat zeg ik u, Van geslacht dan de koning is, En behoed u erg wel dit, 25135 Dat ge niemand zegt waar ge vaart”. Gawein zei toen: “wees niet bang, Ik zal de eerzaam wel doen, God weet!” Toen scheidde Gawein en ging gereed Tot zijn moeder en nam verlof daar; 25140 Toen ging hij tot zijn broeders daarnaar En tot Ywein, zijn neef, mede, En tot al de anderen ter plaatse, Daar hij daarvoor mee plag te gaan; Deze sprak hij alle aan, 25145 Dat ze zijn gezellen na deze Altijd hier later zullen wezen; Toen gingen ze slapen een weinig. Niet lang hadden ze in slaap geweest, Dat ze opstonden en wapenden zich daar 25150 En voeren vast weg daarnaar, En reden zolang, zodat ze toen Te Dover kwamen een morgen vroeg; Maar de koning en Merlijn en veertig mee Die van Carmelide kwamen, dat weet, 25155 Die koning Arthurs gezellen waren, Daarmee hij was tot daar gevaren, Deze bleven met hem te die stonden, En de ridders van de tafelronden En Gawein, die nu te Dover was, 25160 Hij zond in alle havens na dat Om de schepen, die daarin waren, En liet ze hem brengen daarna, te waren, Zoveel dat hij er genoeg had daar. En toen Merlijn wist voorwaar, 25165 Dat de schepen gereed waren, Liet hij de drie koningen derwaarts varen En zei hen te Rochelle varen toen. Toen zeiden de drie koningen alzo: 280 “Wat, Merlijn, zal ge met ons niet varen?” 25170 “Neen ik, heer”, zei hij, “maar, te waren, Ge zal daar een dag niet hebben geweest, Ik zal daar tot u komen na deze”. Toen scheidde de ene van de andere daar, En Merlijn voer tot zijn meester daarnaar 25175 In Northumberland, die hem deed Groot feest, toen hij kwam ter plaatse; Daar zei hem Merlijn alles dat was geschied, En liet dus niets achter niet, Sinds dat hij daar de laatste keer was; 25180 En Blasys schreef dat alles na dat, En toen Merlijn hem zei van de jonkvrouw, Die hij zo beminde met goede trouw, Daar ik u hiervoor van liet verstaan, Dat was Blasys leed, zonder waan: 25185 Hij dacht, dat ze hem bedriegen zou En begon hem te waarschuwen alzo te houden. Merlijn zei, hij begreep niets van die “Dat geschieden zal, moet geschieden”; Toen zei hij hem voort de profetie mede 25190 Die nu gebeurd zijn ter plaatse En die gebeuren zullen al, Zoals u dit boek hier wel zeggen zal Hierna; en daar ter plaatse Zette Blasys het in geschrift mede; 25195 Nu zal u dit boek voort vertellen Van koning Arthur en zijn gezellen. |
Hoe die casteel van Trebes belegen was. Hier seghet daventure mede, Dat die koninck Artur, nu ter stede, Trac opten iersten dach 25200 Die in Braecmaent gelach, Ende voer met sinen lieden tsamen So lange datsi te Doevre quamen, Daer si Gawyne vonden al gereet Met menegen scepe daer, God weet, 25205 Scepeden si ende voeren daernaer Te Rotselewaert, wetet vorwaer, Si hadden goeden wint ende weder scone; Si voeren so lange, datsi in dien doene Eens morgens te Rotsele quamen; 25210 Daer landen si ende sloegen te samen Haer tenten ende logierden daernaer. Niet lange en warensi komen daer, Merlijn en quam toten koninck Arture, Dies herde blide was ter ure, 25215 Ende dander twe koninge mede, Ende heer Gawyn oec ter stede; Dese daden hem grote feeste daer, Doe gingensi hem rasten naer. Hier latic dese rasten nu 25220 Ende sal van Leonse tellen iu Ende van Pharyne, daer gy af hiervoren, Doe Merlijn van hem sciet, mocht horen, Die hem gesecht hadde herde wale Van Ponces [ende] Anthonis altemale 25225 Ende van Frolles ende van Claudas, Also ic u te voren hier las. Nu hadden Leonse ende Pharien Hem hiertegen also vorsien. Datsi die beeste ende al dat goet mede 25230 Hadden doen voeren in borge, in steden, Ende Pharien dede oec mede alsoe. In dat lant van Gannes mede daertoe Haddi nu vergadert tien dusent man, Ende es daermede getogen voertan 25235 Tote Leonsen te Bonewycwaert; Hi hadde sine stede wel bewaert Ende sine castele beset mede; Ende Leonse, die oec aldus dede, Hi hadde tien dusent man wel te harnas. 25240 Doe Pharien ende Leonse vergadert was, Lagen si met horen heer te samen Totedat haer viande quamen, Die daer logierden in dat lant, Ende gingen bernen al te hant, 25245 Maer si en vonden niet te nemene daer, Dat was al gevluchtet vorwaer; Ende doe die vorderste niet en vonden, Doe keerden si in dat grote heer ten stonden, Ende vrageden wat si doen mochten nu. 25250 Doe wordensi te rade, seggic iu, Datsi vor Trebe wouden varen; Doe voerensi derwaert sonder sparen, Ende logierden in enen velde daer Onder den castele, die vorwaer 281 25255 Herde hoge was, ende oec daerby Alombe een groet maras sy, Ende hi en hadde maer enen wech, God weet, Ene halve myle lanc ende niet breet. In dene syde logierden Pontes [ende] Antones, 25260 Ende Frolles van Aelmanien die es Gelogiert bander syde mede, Entie koninck Claudas in die derde stede, Entes koninges liede van Gales Over die vierde, sijt seker des, 25265 Die geleide Rondoil, sijn drossate, Die stout was ende ongemate. Aldus was die casteel van Trebes In vier syden belegen, sijt gewes, So nauwe nu in dit begin, 25270 Dat daer nieman en mach wt noch in; Aldus menensi den casteel winnen Ende verhongeren die daer sijn binnen, Want negeen ander dinck mochte hem vromen, Want si en mogen daer niet toe komen 25275 Ombe dien maras, die daer ombe ginc. Dus lagensi daer lange na die dinc, Entie koninginne Eleine, die daer ter stede Binnen was, ende haer suster mede Hadden groten anxt, dat sy 25280 Verraden mochten werden iergent by Ochte gevangen, ende weenden sere Dickewile doe ombe horen here, Dat elc so lange merret mede. Graciaen troestese sere ter stede 25285 Ende zeide, si zouden, sonder waen, Goede verlosinge hebben saen. Dus troeste hi die vrouwen fijn; Hi hadde enen sone, hiet Banijn, Ende sijn pete was die koninck Ban, 25290 Ende hi was een scoen ioncman, Ende hi was Leonces maech mede. Ende doe Leonce wiste die waerhede, Dat die casteel belegen was, Ontboet hi Anthianne nadas, 25295 Den drossate, dat hine kome spreken nu; Ende hi quam tot hem, secgic iu. Doe hiet hine al hemelyc varen Tote Breoske in den foreest, twaren, Metten sinen, “ende ontbeit ons naer 25300 Opter fonteinen, ende en secget daer Nieman af van al uwen lieden Werwaert gy sult henen riden”. Doen zeide die drossate saen, Dat dit wel soude sijn gedaen. 25305 Doe voer hi henen hemelyc daer; Ende Leonce nam Banyne daernaer, Sinen neve, ende sendene nu Tote Pharine, dat secgic iu, Ombedat hi quame toter stat 25310 Daer si geviseert hadden voer dat, In den foreest, daer hi wael wiste, Ende dat hi ember niet en miste, Hi en voere hemelyc nu daer; Ende Leonce voer daernaer 25315 In den foreest, daer die fonteine stoet, Daer die drossate beide, des sijt vroet; Dese stat hadde hem Merlijn vorwaer Gewijst, datsi beiden souden daer; Daer beide oec Leonce ende Anthian 25320 Totedat Pharijn quam ende sine man. Dus lagen si daer alle alsoe Tote smaendages na Sinte Jans dage toe. Doe Merlijn wiste, datsi vergadert waren, Ende datsi ontbeiden na soccoers, twaren, 25325 Dat hi hem gelovede te brengene daer, Doe ginc hi an Gawyne daernaer, Ende zeide dat hi dierste batalie leide, Ende met hem name daer gereide Die nuwe ridders entie veertich mede, 25330 Entie van Carmelyde quamen ter stede, “Ende nemet haerre so vele mede dan, Dat gy hebbet tiendusent man, Ende doet Ulfine voeren iu baniere”. Ende heer Gawyn dade also sciere 25335 Alse hem Merlijn hevet geheten, Ende trac met sinen lieden, als wy weten, Over ene syde. Daerna dade Merlijn Den koninck Ban den andren zijn, Die heer Gawyne volgen soude naer 25340 Met tiendusent ridderen, wet vorwaer. Doe riep Merlijn den koninck Bohoerde Ende hiet hem, dat hi nu voerde Die derde batalie, “ende nemet met iu 282 Die driehondert ridders, die gy brachtet nu 25345 Wt koninck Amans lande, ende nemet daer mede Tote tien dusent oec nu ter stede Van den riddren die quamen van Carmelyde”. Doe hiet Merlijn voert tien tyden Den koninck Artur: “here, gy selt 25350 Die vierde batalie leiden met gewelt, Ende met iu sullen nu sijn ten stonden Die ridders van der tafelronden”. Doe riep die koninck [Artur] ter stede Hervine ende Nasciens mede, 25355 Ende hiet sine liede hem doen gereiden, Ende si dadent doe sonder beiden. [Ende] doe nam Merlijn den drake Ende gaven Keyen na die sake, Ende zeide, dat hine voerde daernaer 25360 “Want dat es iu recht vorwaer, Ende hoedet iu wale, dat radic nu, Dat ridderscap niet en werde genedert by iu; Ende wety wat gy doen sult ter stede, Als gy onder die viande komet daermede, 25365 So voeret dat altoes in uwer hant”. “Dat sal ic wel doen”, zeide Keye te hant. Merlijn hiet den drien koningen doe Ende heer Gawyne, datsi dapperlike alsoe Te Trebeswaert voeren gereit, 25370 “Want hi es in vier sinnen beleit, Ende elc prinse, die daer leget an, Hevet onder hem twintichdusent man, Ende elke batalie van den onsen mede Sal een van den horen anstryden ter stede”. 25375 Doe zeide die koninck Artur: “Merlijn, Hebbensi meer liede dan hier zijn? “Ja sy, here, die helchte, seggic iu, Maer wy sullen een scoen soccoers hebben nu Wael van twintichdusent man, 25380 Die ons sullen komen an, Die licgen in den bosce van Briokes”. “Hoe sullen sijt weten welc tijt dat es”? Zeide Artur. “Here”, zeide Merlijn doe “Ic sal se halen tyde genoech daertoe, 25385 Ende Blioberis sal voren varen nu, Want hi weet die pade wel, secgic iu, Ende recht alset daget suldy varen; Daer gy een hoern hoert, daer volget nare, Ende gy sult sien enen groten brant 25390 In der locht, daerna volget te hant, Want dan sal iu soccoers sijn bereet, Dat ik iu senden sal, God weet; Blivet te Gode, ic vare nu daer”. Dus sciet Merlijn van hem daernaer, 25395 Ende quam daer Leonce was gelegen Ende sine gesellen, ende sprac daertegen Ende zeide: “wat ligdy hier onder iu? Gy en komet nember so vro nu Te Trebes, die koninck Artur en sal 25400 Daer wesen met sinen volke al”. Alse dit Leonce verstoet, vorwaer, Dede hi hem grote feeste daer, Ende vragede ombe beide die koninge [doe], Hi zeide: “gy sult se sien ende daertoe 25405 Met groter macht, die si bringen, Maer vaste gereet iu”. Ende na dien dingen Gereidensi hem ende makeden daer Vier batalien, ende dierste daernaer Die leide Anthianes met sesdusent man, 25410 Ende Graciaen sesdusent oec daeran, Ende Pharijn hadder sesdusent mede, Ende Leonce sesdusent oec ter stede. Hiermede voerensi te Trebeswaert, Ende alle die wile, datsi waren in der vaert, 25415 Sal ic iu seggen van Arture Ende van den tween koningen haer aventure. |
Hoe dat kasteel van Trebes belegerd was. Hier zegt het avontuur mede, Dat koning Arthur, nu ter plaatse, Vertrok op de eerste dag 25200 Die in juni lag, En voer met zijn lieden tezamen Zolang dat ze te Dover kwamen, Daar ze Gawein vonden al gereed Met menige schepen daar, God weet, 25205 Scheepten ze in en voeren daarnaar Te Rochelle waart, weet voorwaar, Ze hadden goede wind en weer mooi; Ze voeren zo lang, zodat ze in die doen Op een morgen te Rochelle kwamen; 25210 Daar landen ze en sloegen te samen Hun tenten op en logeerden daarnaar. Niet lang waren ze gekomen daar, Merlijn kwam tot koning Arthur, Die erg blij was ter ure, 25215 En de andere twee koningen mede, En heer Gawein ook ter plaatse; Deze deden hem groot feest daar, Toen gingen ze rusten daarnaar. Hier laat ik deze rusten nu 25220 En zal van Leonse vertellen u En van Pharien, daar ge van hier voren, Toen Merlijn van hen scheidde, mocht horen, Die hen gezegd had erg goed Van Ponces en Anthonys allemaal 25225 En van Frolles en van Claudas, Zoals ik u tevoren hier las. Nu hadden Leonse en Pharien Hen hiertegen alzo voorzien. Dat ze de beesten en al dat goed mede 25230 Hadden laten voeren in burchten en in steden, En Pharien deed ook mede alzo. In dat land van Gaunes mede daartoe Hadden ze nu verzameld tien duizend man, En is daarmee getrokken voortaan 25235 Tot Leonse te Bonewick waart; Hij had zijn steden goed bewaard En zijn kasteel bezet mede; En Leonse, die ook aldus deed, Hij had tien duizend man goed te harnas. 25240 Toen Pharien en Leonse verzameld waren, Lagen ze met hun leger te samen Totdat hun vijanden kwamen, Die daar logeerden in dat land, En gingen branden al gelijk, 25245 Maar ze vonden niets te nemen daar, Dat was alles gevlucht voorwaar; En toen de voorste niets vonden, Toen keerden ze in dat grote leger ten stonden, En vroegen wat ze doen mochten nu. 25250 Toen worden ze te rade, zeg ik u, Dat zei voor Trebes wilden varen; Toen voeren ze derwaarts zonder sparen, En logeerden in een veld daar Onder het kasteel, die voorwaar 281 25255 Erg hoog was, en ook daarbij Alom een groot moeras is, En hij had maar een weg, God weet, Een halve mijl lang en niet breed. Aan de ene zijde logeerden Pontes en Antonys, 25260 En Frolles van Duitsland die is Gelogeerd aan de andere zijde mede, En koning Claudas in de derde plaats, En konings lieden van Gaules In de vierde, zij het zeker dit, 25265 Die begeleide Rondoil, zijn drost, Die dapper was en zonder maat. Aldus was dat kasteel van Trebes Aan vier zijden belegerd, zij het gewis, Zo nauw nu in dit begin, 25270 Dat daar niemand mag uit nog in; Aldus menen ze dit kasteel te winnen En verhongeren die daar zijn binnen, Want geen ander ding mocht bij hen komen, Want ze mogen daar niet toe komen 25275 Vanwege het moeras, die daarom ging. Dus lagen ze daar lang na dat ding, En koningin Eleine, die daar ter plaatse Binnen was, en haar zuster mede Hadden grote angst, dat zij 25280 Verraden mochten werden ergens bij Of gevangen, en weenden zeer Vaak toen om hun heer, Dat elk zolang draalde mede. Graciaen vertrooste ze zeer ter plaatse 25285 En zei, ze zouden, zonder waan, Goede verlossing hebben gelijk. Dus troostte hij die vrouwen fijn; Hij had een zoon, heet Banijn, En zijn peet was koning Ban, 25290 En hij was een schone jongman, En hij was Leonse verwant mede. En toen Leonse wist de waarheid, Dat het kasteel belegerd was, Ontbood hij Anthianne na dat, 25295 De drost, dat hij hem komt te spreken nu; En hij kwam tot hem, zeg ik u. Toen zei hij hem al heimelijk te varen Tot Breoske in het bos, te waren, Met de zijnen, “en wacht op ons daarnaar 25300 Bij de fontein, en zeg het daar Niemand van al uw lieden Waar ge zal heen rijden”. Toen zei de drost gelijk, Dat dit goed zou zijn gedaan. 25305 Toen voer hij heen heimelijk daar; En Leonse nam Banijn daarnaar, Zijn neef, en zond hem nu Tot Pharien, dat zeg ik u, Omdat hij kwam tot de stad 25310 Daar ze versierd hadden voor dat, In dat bos, daar hij wel wist, En dat hij immer niet mist, Hij ging heimelijk nu daar; En Leonse voer daarnaar 25315 In dat bos, daar die fontein stond, Daar de drost wachtte, dus wees bekend; Deze plaats had hem Merlijn voorwaar Gewezen, zodat ze wachten zouden daar; Daar wachtte ook Leonse en Anthianne 25320 Totdat Pharien kwam en zijn man. Dus lagen ze daar allen alzo Tot maandag na Sint Jans dag toe. Toen Merlijn wist, dat ze verzameld waren, En dat ze wachten op hulp, te waren, 25325 Dat hij hen beloofde te brengen daar, Toen ging hij naar Gawein daarnaar, En zei dat hij het eerste bataljon leidde, En met hem nam daar gereed De nieuwe ridders en de veertig mede, 25330 En die van Carmelide kwamen ter stede, “En neem met hun zoveel mede dan, Zodat ge hebt tienduizend man, En laat Ulfijn voeren uw banier”. En heer Gawein deed alzo snel 25335 Zoals hem Merlijn heeft gezegd, En trok met zijn lieden, zoals wij weten, Aan een zijde. Daarna deed Merlijn Koning Ban de andere zijn, Die heer Gawein volgen zou na 25340 Met tienduizend ridders, weet voorwaar. Toen riep Merlijn koning Bohort En zei hem, dat hij nu voerde Het derde bataljon “en neem met u 282 Die driehonderd ridders, die ge bracht nu 25345 Uit koning Amans land, en neem daarmee Tot u tien duizend ook nu ter plaatse Van de ridders die kwamen van Carmelide”. Toen zei Merlijn voort te die tijden Tot koning Arthur: “heer, ge zal 25350 Het vierde bataljon leiden met geweld, En met u zullen nu zijn ten stonden De ridders van de tafelronden”. Toen riep koning Arthur ter plaatse Hervine en Nasciens mede, 25355 En zei hen hun lieden zich te laten bereiden, En ze deden het toen zonder te wachten. En toen nam Merlijn de draak En gaf het aan Keye na die zaken, En zei, dat hij hem voerde daarnaar 25360 “Want dat is uw recht voorwaar, En behoed u wel, dat raad ik nu, Zodat het ridderschap niet wordt vernederd bij u; En weet ge wat ge doen zal ter plaatse, Als ge onder de vijanden komt daarmee, 25365 Zo voer dat altijd in uw hand”. “Dat zal ik wel doen”, zei Keye gelijk. Merlijn zei de drie koningen toen En heer Gawein, dat ze dapper alzo Te Trebes waart voeren gereed, 25370 “Want hij is in vier manieren belegerd, En elke prins, die daar ligt aan, Heeft onder zich twintigduizend man, En elk bataljon van de onze mede Zal een van hen aanvallen ter plaatse”. 25375 Toen zei koning Arthur: “Merlijn, Hebben ze meer lieden dan hier zijn? “Ja ze, heer, die helft, zeg ik u, Maar we zullen een mooi succes hebben nu Wel van twintigduizend man, 25380 Die ons zullen komen aan, Die liggen in het bos van Briokes”. “Hoe zullen zij het weten welke tijd dat is”? Zei Arthur. “Heer”, zei Merlijn toen “Ik zal ze halen op tijd genoeg daartoe, 25385 En Blioberis zal voor varen nu, Want hij weet de paden goed, zeg ik u, En recht als het daagt zal ge varen; Daar ge een horen hoort, daar volgt na, En ge zal zien een grote brand 25390 In de lucht, daarna volg gelijk, Want dan zal uw succes zijn bereid, Dat ik u zenden zal, God weet; Blijf tot God, ik ga nu daar”. Dus scheidde Merlijn van hem daarnaar, 25395 En kwam daar Leonse was gelegen En zijn gezellen, en sprak daartegen En zei: “wat lig je hier onder u? Ge komt nimmer zo vroeg nu Te Trebes, koning Arthur zal 25400 Daar wezen met zijn volk al”. Toen dit Leonse verstond, voorwaar, Deed hij hem groot feest daar, En vroeg om beide koningen toen, Hij zei: “ge zal ze zien, en daartoe 25405 Met grote macht, die ze brengen, Maar vast bereid u”. En na die dingen Bereiden ze zich en maakten daar Vier bataljons, en de eerste daarnaar Die leidde Anthianes met zesduizend man, 25410 En Graciaen zesduizend ook daaraan, En Pharijn had er zesduizend mede, En Leonse zesduizend ook ter stede. Hiermede voeren ze te Trebes waart, En alle tijd, dat ze waren in de vaart, 25415 Zal ik u zeggen van Arthur En van de twee koningen hun avonturen. |
Den groten strijt tuscen den koninck Ban enten koninck Claudas entie met hem waren. Daventure secht, doe Merlijn was Van Arture gesceden, nadas, Dat Artur trac doen daernaer 25420 Ende Blioberis voren vorwaer, Want hi die wege wiste sonder vragen; Die nacht voerensi toten dage, Doe quamensi op een scoen plein gereet, Daer ene rivier neven leet, 25425 Die die Loire hiet, ende si waren daer Den here nu komen also naer, Men haddet te vijfmalen mogen nu Wael overscieten, dat seggic iu. Doen hieldensi, ombe datsi wouden sien 25430 Dat teken, daer hem af zeide vordien Merlijn, dat was van den brande mede 283 Ende in der locht soude vliegen ter stede, Ende van den hoerne, datsi souden horen; Ende binnendien quam daer te voren 25435 Een spiere, diese hevet vorsien Ende ginc dat int ander heer seggen mettien; Ende doe dit die ander vernamen, Wapendensi hem ende trocken tsamen Te velde ende batalyeerden hem daer, 25440 Ende Ponces [ende] Anthonis trocken daernaer An dat inde van enen bosce ter stede; Ende daerna quam die hertoge mede Van Almanyen; ende daerna quam Rodoen, Ende Claudas van Deserte quam doen 25445 Ende lach met sinen lieden neven den maras; Ende al die wile, sijt seker das, Datsi dus wtvoeren, quam Merlijn, Die hier af wiste algader den fijn, Ende hi blies den horen doe 25450 Ende dede den brant vliegen daertoe. Doe Artur dat hoern hoerde daer Enten brant vliegen sach naer, Sloegensi alle ten herewaert, Ende Gawyn vergaderde mettervaert 25455 An Frolles, den hertoge, secgic iu; Entie koninck Ban vergaderde nu An den koninck Claudas ter stede, Entie koninck Bohort vergaderde mede An Pontes [ende] Anthonys nu ter stat; 25460 Entie koninck Artur vergaderde nadat An Rondone, den drossate van Gales. Ende dierste die nu versamelt es, Dat es Sagrimor, ende Frolles mede, Die met sulken nyde reden bede, 25465 Datsi bede storten daer neder; Maer si waren bede thant op weder, Ende togen haer swaert ende sloegen daer Dene opten ander slagen swaer. Ende alse Heer Gawyn te voete sach 25470 Sagrimor, sloech hi al dat hi mach Derwaert, ende Ulfijn oec mede, Die sine banier voerde ter stede; Ende bander syde quamen daer oec toe Ombe den hertoge ende bescuddene doe. 25475 Dus vergaderde dene an den andren daer; Daer wart menech spere tebroken vorwaer Ende afgesteken menech man, Die niet meer op en stont voertan. Daer wart die strijt sterc ende groet mede, 25480 Doch worden hermonteert ter stede Die hertoge ende Sagrimor bede, Maer dat was met groten lede. Daer dadent wael die twaelve, twaren, Die nuwe ridderen gemaket waren; 25485 Maer sint dat middach leet, vorwaer, So ne was daer nieman die een haer Heer Gawyne iet geliken conste mede; Want hi sloech doet daer ter stede Man ende paert, wat vor hem quam; 25490 Ende Ywen sijn neve, als ict vernam, Ende Ywen overdoem, dese twee, Dadent herde wel ende noch mee; Galescins ende Gaheries Dadent sowel, dat mense nades 25495 Over die beste hilt daer nu Naest Gawyne, dat secgic iu; Ende Garies ende Agrawein, Ende alle die daer waren int plein Dadent wel ende kondechlike. 25500 Die koninck Ban oeck desgelike Was tegen Claudas komen ter were, Die dfelste was van al den here; Ende daersi aldus vergaderden dan, Sloech hi metten swaerde den koninck Ban 25505 Opten helm, datter tfier wt vloech Ende dat hi opt gereide boech; Doe rechti hem op alse die erre was, Ende sloech Claudas opt hoeft nadas Enen slach; maer tswaert scamfelde neder, 25510 Ende sloech den orse alsoe weder Den hals af, ende het viel doe, Ende Claudas met; maer hi spranc alsoe Op, maer eer hi op conste comen daer, Gaf hi hem iij slage daer naer, 25515 Dat hine had byna weder nu Ter aerden doen tumelen, secgic iu. Ende dat bloet spranc hem ten monde Ende ter nesen wt ter stonde; Maer hi was van sulker kracht ende gewelt 25520 Dat hi hem daer nochtan onthelt; Doe warp hi den scilt opt hoeft daernaer 284 Ende quam ten koninck Bannewaert daer, Ende began op hem te slane nu; Maer haer liede in beiden siden, secgic iu, 25525 Quamen daer toe; doe werd daernaer Die koninck Claudas hermonteert, vorwaer. Want hi hadde noch also vele liede Alse die koninck Ban hadde tien tyden, Ende sine liede en hadden niet mogen staen 25530 En had die koninck Ban selve gedaen, Diese aldus hilt durende daer Toten middage, weet vorwaer; Ende banderside street die koninck Bohoert Jegen Pontes [ende] Antonys voert, 25535 Die een groet spere hadde in der hant, Ende quam opten koninck Bohort gerant, Ende stac sijn speer op hem ontwee; Entie koninck Bohort, die hem gevee Was, hi stacken dor den scilt, 25540 Ende dore den arm met gewelt, Ende nagelde hem an die side doe Ende stac hem daer in ene wonde daertoe; Ende hi viel van den orse neder daer Ende lach in ommacht oec daernaer, 25545 Dat men niet conde geweten daerby Weder hi doet ochte levende sy; Ende doen sine liede dit sagen daer, Hadden si anxt ende groten vaer, Omdat haer here doet ware, 25550 Ende reden alle derwaert daernare, Om hem te bescudden aldaer nu; Des konincks liede quamen daer iegen, secgic iu, Met sterken speren; daer wart ter tijt Een groet ende een sterc strijt; 25555 Maer doch wart Pontes hermonteert daer, Die geen arch [en] hadde vorwaer Van der wonden, ende scaemde hem sere, Ende reet opten koninck met enen kere, Ende sloechen opten helm alsoe, 25560 Dat hi op sijn gereide boech doe; Entie koninck Bohort sloechen weder Dor den helm ene wonde, dat hi daer neder Tumelen moeste, ende overreeten daer Eerne die Romeine conden naer 25565 Hermonteren; doe beval hi saen Den sinen, datsi hem in staden staen; Doe reet hi in die meeste porse; Daer wart menech van den orse Gevelt; doe wart die koninck Bohoert 25570 Achter gedreven alsoe voert Enen bogescote wel van daer; Dus duerde die strijt alsoe daernaer, Toter noenen sterck ende stuer. Ende al dese wile vacht die koninck Artuer 25575 Jegen Randone van Gaules; Entie koninck Artur, sijt seker des, Entie ridderen van der tafelronden Liepen hem seer op tien stonden, Ende dadense achter in dere wijs 25580 Tote op Pontes [ende] Antonijs; Ende Keye volgede wel metten drake, Die hem Merlijn gaf vor dese sake, Dien groet vier uter kelen scoet; Dies noit ne sagen zeiden bloet, 25585 Het soude Domesdach wesen sciere, Ende vervaerden hem sere van den viere; Ende sonder twivel ane den drake Lach betekenesse van groter sake, Want tfier, dat hem wter kelen scoet, 25590 Dat betekende martelie groet Van lieden doet te slane ter stede Ins koninck Arturs tyden, mede; Ende dat sijn stert gewrongen was, Betekent grote verraetnesse na das, 25595 Dat in sijns selves lieden was mede, Doe si tegen hem keerden ter stede, Ende met Mordrette waren algader, Daer hi oem af was ende vader, Want hine wan an sijnre suster met, 25600 Die koninck Lottes wijf was, dat wet. Hierna suldy wel verstaen die dinc, Hoe die strijt tuscen hem verginc. Nu hoert, hoe Randoen achter tyede Tote op Pontes [ende] Anthnys liede, 25605 Daer hem die koninck Artur opjagede doe, Die den koninck Bohort hielden alsoe Cort, dat hi wel hadde te done Soccoers; ende doe sach datgone Pontes, datsi quamen gevloen, 25610 Voer hi daer jegen ende riep doen Sijn teken, ende sloech in daernaer. Doe wart die strijt groet ende swaer, Doe die vier batalien vergadert waren, Want Gawijn dreef oec daernare 25615 Frolles, den hertoge, op Claudas, 285 Die iegen den koninck Ban in stryde was, Die nu tonder was. Dus wart daer Die strijt sterc, wetet vorwaer; Daer dade Heer Gawyn wonder groet, 25620 Dat en sach nieman des genoet. Doe geviel dat Gawyn nadas Vergaderde an den koninck Claudas, Die daer street iegen den koninck Ban Met hondertdusent man iegen man, 25625 Daer die koninck sere tachter af was. Gawyn verhoef sijn swaert nadas Ende meende opt hoeft hebben geslegen Claudas, die daer den scilt hielt iegen, Dien Heer Gawyn sloech al ontwee; 25630 Entie slach ginc vorwaert mee, Ende hi scamfelde nederwaert alsoe, Ende sloech den paerde den hals af doe, Dat paert ende Claudas vielen beide daer; Ende heer Gawyn reet vorwaert naer 25635 Want hi Claudas niet en bekande; Hi ontmoete Miseresse te hande Dien hi daer afsloech sijn hovet; Dese was vroem, des gelovet, Ende was van Claudas massenieden. 25640 Gawyn toech voert terselver tyden Ende clovede Antorilasse alsoe Sijn hovet toten tanden toe; Doe sloech hi daer tote twintich doet; Sine slage waren daer so groet 25645 Dat siner nieman ontbeiden dorste daer. Doe dit die koninck Ban sach vorwaer, Dat Gawyn, die so jonc was, So groet wonder dade, dankede hi das Gode, ende zeide te Gawyne doe: 25650 “Here, by Gode, gy strijt hier soe, Dat gy dat swaert wel verdient hebbet nu, Dattie koninck Artur heeft gegeven iu Ende oec en mochte hi hebben ter stede Negenen beteren sine liede bevolen mede, 25655 Dan gy sijt, ende ic bidde iu heden den dach Dat ic iu nu geselscap sijn mach”. “Here, ic doe dat gerne”, zeide hy “Ende danc hebbet, dat gy dat soecket an my, Maer ic moet varen soecken myne neven, 25660 Ende myne broeder, waer si sijn bleven, Ende alsicse hebbe vonden, sal ic tot iu Wederkeren”. Ende doe zeide hem nu Die koninck Ban, dat hi hem soude Gerne wreken also houde 25665 Over den koninck Claudas, “dien gy vorwaer Te hant daer nedersloeget aldaer, Ende waer hi doet, so waer saen Mijn orloge, dat ic hebbe, gedaen”. Doe zeide Gawyn: “wyseten my”. 25670 Doe zeide die koninck: “sieten hierby Met genen wapene, die gy ziet daer, Gebloemet van silver, ende daernaer Den scilt, in midden gedeelt ter stede Van sylver ende van kelen bed, 25675 Den lewe rampant van sable met”. Gawyn zeide nu: “vaste, ende niet en let, Varewy an hem ende proeven daer Onse kracht”. Doe zeide daernaer Die koninck Ban: “ic en ger niet meer, 25680 Want hi hevet my gescadet seer”. Doe sloegensi haer orse derwaert, Entie koninck Claudas reet metter vaert Tegen hem; doe wart ter tijt Groet ende vreeslyc die strijt, 25685 Ende heer Gawyn entie koninck Ban Daden daer vlien Claudas man; Ende doe Claudas dit sach aldaer, Vloe hi in die meeste perse naer, Want hi ontsach dese twe nu, 25690 Diene daer jageden, secgic iu; Hi wiste wael, ervoeren sine daer, Dat hi doet waer vorwaer; Dus vloe hi onder sine liede alsoe, Ende si volgeden hem ember toe, 25695 Ende en woudene niet laten gaen En hadde ene aventure gedaen, Die si vonden onder hem ter stede: Want doensi jageden Claudas mede, Vant Gawyn twe siner broeder daer 25700 Licgende ter aerden, die vorwaer Sere tharen onwille lagen bede; Ende Galescins, sinen neve, hielt mede Frolles, die hertoge, by den breidel doe, Daer wasser wael [tote] twedusent toe, 286 25705 Ende hadde hem dat hovet afgeslegen En waer Sagrimor, die daer tegen Was ende Gaheries ende Ywein; Ende wael veertich gesellen opten plein Hielden den strijt tegen twedusent man. 25710 Ende doe heer Gawyn dit sach an, Sloech hi met sporen derwaert saen, Entie koninck Ban mede, sonder waen, Ende vergaderden in den strijt Met so groter kracht ter tijt, 25715 Datsi den strijt al bogen daden. Doe si haer dus sagen verladen, Makedensi ene plaetse so groet, Dat Agrawein ende Garies, die te voet Waren, datsi sciere daernaer 25720 Gereddet worden daer vorwaer; Ende Galescins, die tsinen onwille was, Wart daer sciere verloest nadas, Want Gawyn sloech Frollen daer ter stede, Dat hine van den paerde tumelen dede, 25725 Ende tors gaf hi Galescine daer, Die daer opspranc ter stede daernaer, Ende voer in ende woude wreken saen Den lachter, die hem was gedaen; Hi reet op Frollen, daer hine sac 25730 Te voete staen, ende gaf hem enen slach, Dat hi weder ter aerden viel nu, Ende overreeten seswerf, secgic iu. Doe zeide Gawijn: “here, en ziedy niet Hoe mijn neve wreket sijn verdriet? 25735 Hi kan hem wel gehelpen, dunket my”. Doe zeide die koninck Ban, dat hy Een vrome ridder soude werden ende goet; Ende binnendien quam al dat gemoet Van al den stryde slaende daer; 25740 Want die koninck Artur, wet vorwaer, Entie ridders van der tafelronden, Entie koninck Bohort tien stonden, Die jageden Pontes liede ende Frolles Ende Rondoens liede mede, sijt seker des, 25745 Tote in Claudas liede daernaer. Doe wart dat gerochte groet vorwaer Ende tgeclanc van den slagen, Dat die twe koninginnen, die lagen Te Trebes in den castele binnen, 25750 Hoerden tgerochte in allen sinnen; Doe liepen si ten tinnen staen, Ende sagen beide wtwaert saen; Daer sagen si menegen man stryden Ende si sagen den drake tien tyden, 25755 Dien Keye voerde, daer vier wtscoet, Dat daer die locht af was al roet. Doe dit die vrouwen ende dander mede, Die in den castele sijn, sagen ter stede, Dochte hem dat wonder al te groet; 25760 Doe sanden si ute metter spoet Enen bode, ombe vernemen aldaer, Wat liede dat daer streden vorwaer Tegen die viande ende ombe die sake Wies teken dat waer die vreeslike drake. 25765 Die bode voer ter batalienwaert Ende hem ontmoete een ridder in der vaert, Die Bretel heet; doe groette hine daer, Ende bat hem, dat hi hem zeide naer Wie dese zijn, “die hier stryden nu 25770 Tegen onse viande; ziet, here, vor iu Gene vrouwen, gene koninginnen, Die ginder licgen te genen tinnen, Die souden dat gerne weten nu”. “Lieve knape, ic secget iu, 25775 Dat is die koninck Bohort ende koninck Ban Ende hebben vor hem gebrocht daeran Den koninck Artur van Bertanien, Haer lant te bescermene van calanien Tegen sine viande hier ter stede; 25780 Ende siet ginder sijn teken mede Metten drake, sonder waen”. Alse dit die bode hevet verstaen, Keerde hi blide ten castelewaert, Entie koninginnen quamen ter vaert 25785 Tegen den knape, doe hi quam daer; Doe quad hem die knape daernaer, Gelijc hem Bretel zeide te voren; Ende als die koninginnen dit horen, So en sach men nie liede so blyde; 25790 Ende clommen weder tenselven tyden Ten vensteren ombe siene nadas Den strijt, die sterc ende groet was, Diensi so lange streden daernare Datsi in beiden syden moede waren. 25795 Doe quamen die vier batalien geslagen, Die in den bosce met Merlijn lagen, 287 Dene na dander gereden ter stede; Anthian leide dierste scaer mede Ende dander Pharien, sonder waen, 25800 Entie derde leide Graciaen, Die vierde Leonce tenselven tyden. Doe warens die van den castele blyde, Doe si se kenden, ende hadden ter steden Uten castele oec gerne gereden, 25805 Hadde men hem gelaten voertan. Nu versachse ierst die koninck Ban, Ende zeide tot heren Gawine saen: “Heer Gawyn, siet ginder komen, sonder waen, Vier scaren, die ons toe horen, 25810 Nu wetic wael, datsi daer storen Sullen onse viande ter uren, Oec sullensi onlange mogen duren”. Doe zeide Gawyn, “laet ons wtryden, Ende onse vriende steken besiden 25815 Ende vergadren ons; alse dan vlien Onse viande, dat wy se so versien, Datsi hem niet en beroemen hiernaer, Datsi keytive sijn vorwaer, Ende datsi hem oec hoeden voertmeer 25820 In dat lant te komene nembermeer”. Die koninck zeide: “here, ic wille nu Al dat gy radet doen, secgic iu”. Doe voeren si besyden ende gaderden daer Drie hondert ridder, die beste vorwaer 25825 Die in al dat heer waren; Ende binnen dat so quamen gevaren Die vier scaren met krachte groet, Ende sloegenre in dat vergadren doet Twintichdusent; entese grote scade doe 25830 Brachte die koninck Claudas al toe, Dat dese liede in beiden syden Aldus doet bleven nu ten tyden; Ende dat wart hem oec geloent nadas, Dat hi sint daerombe ontervet was, 25835 Alse iu dit boeck sal secgen hiernaer. Nochtan dor al quamen daer Dese vier scaren; sy waren nu Des koninck Arturs liede tachter, secgic iu; Sint dat die driehondert ridders niet waren daer, 25840 En kondensi niet vercoeveren daernaer Wantsi droegen al den last ter stede, Si gingen nu alle tonder daermede. Doe quam Merlijn daer die drie hondert waren, Ende sprac: “houdy hier ombe iu te sparen? 25845 Ocht houdy hier te gader gevest Ombe siene wie dat sal hier doen best? Gy sijt genoech gerast, maer vaert ter stede In dat heer, want Artur ende sine gesellen mede Sijn sere tonder, ende oec bydien 25850 Datsi iulieden nergen en sien”. Doe sprac hi tArtur eer iet lanc: “Heer koninck, es dit dat loen entie danc, Dien gy den koninck Ban ende sijn broeder doet, Die haer lijf ende al haer goet 25855 Setten in aventuren vor iu, Doe dat iu al afginc vor nu? Nu koemdy sculen van bloetheden; Dit sal iu noch te meneger steden Verweten werden; iu lief, wat sal sy 25860 Secgen alse vereest, dat gy Aldus gevaren hebt nu voert?” Doe Artur verstont Merlijns woert, Scaemde hi hem so sere daernaer, Dat hi van angeste swete daer, 25865 Ende oec hadde hi anxt ter stede, Dat hi hem toernen mochte mede. Doe sprac hi op Gawine ende sine gesellen: “Gy heren, die vromecheit, die wy tellen Hoerden hier vor, waer is sy nu, 25870 Die gy plaget te doene? Gy beromet iu, Gy zoudet in klein Bertanien varen stryden Ende proeven die ridder daer ten tyden Nu duncken my si goede ridders wesen, Ende gy niet dorren te komen tesen 25875 Dat gy se saget, maer berget iu, So groten anxt daden si iu nu!” Doe sprac hi op koninck Ban ende op Bohoert: “Gy heren, waerombe sydy komen voert? En ziedy niet iu viande in iu lant, 25880 Ende gy gaet iu bergen hier te hant! Wie sal vor iu vechten ende vorwaert gaen Ende vor iu die doet ontfaen, 288 Als gy iu berget ende vliet mede?” Doe zeide die koninck Ban ter stede: 25885 “By Gode, Merlijn, ic en doet om geen dinc Die my vor bloetheden over ginc”. Merlijn zeide: “hoe dat gijt hebbet gedaen, Siet dat gy des iu betert saen”. Gawyn ontsculdechde hem oec ter stede, 25890 Ende zeide: “ik sal hem doen kennen mede Ochte ic blode ben!” - Doe vermaende hy Sinen broeder ende sinen neve daerby: “Volget my”, zeide hi, “ic sal hem doen sien Ochte ic blode ben!” - Doe loech mettien 25895 Merlijn, ende ginc te Keyen te hant, Ende nam hem dat teken wter hant, Ende zeide, hi woudet voeren, secgic iu, Want des konincks teken en zoude men nu Niet bergen, maer altoes vor ogen wesen; 25900 Doe riep Merlijn lude na desen: “Nu sal ic sien wie my volgen sal, Ende wie den prijs hier van al Winnen sal!” - Doe zeide die koninck saen, Artur, tot Bohorte, sonder waen, 25905 Dat in Merline vele dogeden waren Ende vele behendecheden, twaren, Ende vele vromecheden oec mede, Ende hi was sterc genoech omb sine lede Ende groet, maer hi was mager met, 25910 Ende bleec ende haerachtech, dat wet, Ende hi was edel van sijnre moeder mede; Den vader latewy varen ter stede, Want van hem wetewy genoech; Men wist oec niet, dat Merlijn sloech 25915 In stryde ie iemanne doet, Maer men vint van hem al bloet, Dat hi met siner borst gereet Man ende paert daer neder reet. Doe Merlijn den drake hevet genomen, 25920 Es hi in die batalie gekomen Ende dorbracse altemale daernaer, Ende quam op Frollen gereden daer Ende op Pontes [ende] Antonys, die daer saen Die van Logres meenden doet slaen, 25925 Wantsi waren op dat sconfieren daer; Maer hem quam te hulpe vorwaer Vijf hondert knapen van Trebes; En waer niet dat, zijt seker des, Si hadden gesconfiert geweest ter stede; 25930 Maer doe die koninck Artur quam, ende mede Sine gesellen, wart daer so menech slach Geslagen, dat elken gruwelen mach. Daer wrachte Artur wonder groet; Om der persen willen ende om der noet 25935 Warp hi den scilt opten rucge daer, Ende nam dat swaert met beiden handen naer, Ende sloech dat al doet ende daer neder Wat vor hem quam, voert ende weder, Dat nieman en dorste sijns ontbeiden. 25940 Dit boec secget oec, na der waerheden, Dat daer die koninck Artur sloech doet Twehondert in desen pongyse groet; Entie koninck Bohort entie koninck Ban Versloegen daer oec menegen man. 25945 Ende Artur ende dander koninge mede Waren so verre gereden ter stede, Dat men niet en wiste waer si waren; Entie gesellen van der tafelronden, twaren, Voeren oec in, dene vor dander naer; 25950 Entie veertech gesellen, wet vorwaer, Entie achtien nuwe ridders mede Braken die scaren te meneger stede, Ende scieden dene hier dander daer, Dat si en wisten som ter tijt waer 25955 Dat haer gesellen waren nu; Maer Ywen, des koninck Uriens sone, secgic iu, Ende Heer Gawyns twe broeder mede Ende haer neven hielden hem ter stede Al den dach te samene vorwaer, 25960 Ende daden so vele met wapene daer, Datsi gepryset sere waren. Maer boven hem allen dadet daer, twaren, Heer Gawijn best; want hi was Alredickest in den meesten kas, 25965 Oec es hi nu an Rondone komen Van Gaules, ende als hine hevet vernomen, Sloech hine opten helm alsoe Ene grote wonde, dat hi daertoe Ter aerden viel; hi reet voert saen 25970 Ende sach Keyen van Strans te voete staen Ende Dodinele, ende hem liepen op aldaer Pontes [ende] Antonys, weet vorwaer, 289 Ende heer Gawyn sloech derwaert Ende makede enen groten scaert 25975 Ende halp hem, datsi bescut waren. Doe hieldensi hem an Gawine daernare So si langest mochten vorwaer; Maer dat en was niet lange daernaer, Want hi was hem sciere ontreden. 25980 Groet was die strijt te meneger steden; Daer dadent wel die van der tafelronden, Die Artur sochten te dien stonden, Die hem so verre ontreden was, Dat hi an Frolles quam nadas 25985 Ende an Pontes; die hadden daeran In haer geselscap zevendusent man. Daer street die koninck Artur herde seer; Daer en was nieman so koene in der weer, Die sines slages dorste ontbiden. 25990 Doe quam heer Gawyn te dien tyden Ende sach sinen oem daer in der noet Ende dat hem gaven slage groet Frolles ende Pontes; doe wart wel naer Gawyn wt sinen sinne ende nam daer 25995 Enen ridder ene spiet uter hant, Ende quam derwaert gerant; Ende alsene Frolles komen sach Ontrumede hi hem, al dat hi mach, Alse die siner niet ontbeiden dorste, 26000 Ende reet in die meeste porse; Maer heer Gawyn reet hem naer Ende scoetene metter spiete daer Als hine niet verhalen en moet, Wael dor die scouderen enen voet, 26005 Ende hi vil in onmacht ter aerden neder; Ende als hi verkomen was weder, Dade hi hem verbinden ende sat op sijn paert Ende reet weder te stridewaert. Ende heer Gawyn keerde weder daer 26010 Ende ontmoete Ponten daernaer Ende sloechen optie scouder ter stede, Dat hine ter aerden vallen dede; Ende Randone sloech hi op dat hoet, Dor den helm ene wonde groet, 26015 Dat hi optie aerde viel alsoe. Daerna begondensi te vloene doe, Ende quamen op Claudas daernaer Dien die koninck Artur ende Gawyn vorwaer, Entie koninck Ban ende sijn broeder met 26020 Entie van der tafelronden, dat wet, Volgeden al tote in Claudas heer; Daer settedensi hem weder ter weer. Doe riep Merlijn: “edele here, slaet nu! Si sijn gesconfiert, dat secgic iu”; 26025 Ende hi voer vor ende Gawyn naer Ende stac met enen spere daer Claudase in die slinke syde, Dat hi ter aerden viel tien tyden In onmacht, ende hi overreeten doe; 26030 Maer sine liede daden daer so vele toe Dat si se geredden daer. Doe sloech hi in den strijt daernaer Te drien steden, wet vorwaer, Ende worpene van den peerde neder, 26035 Doch hievene sine liede op weder; Maer hi was in so groter noet, Dat hi daer wel na was bleven doet. Doe gingensi alle vlien, sijt seker des, Pontes, Randoen, ende Frolles, 26040 Ende Claudas. Dese hadden enen raet, Waer hem best te vliene staet. Claudas zeide: “varewy in Deserte nu, Dat is dat vasteste lant, secgic iu, Dat ic hebbe, ende dat outste mede”. 26045 Doe si stonden in deser onlede, Sagen si haer liede sceden ende alle vlien Ende vreeslike iagen, ende mettien Sloegen si er sovele doet daernaer; Want koninck Bohortes liede, wet vorwaer, 26050 Reden vor tenen passe nu; Ende alse dander daer quamen, secgic iu, Ende over den pas daer meenden ryden, Sloegen si er sovele doet tien tyden, Datsi daer lagen met groten hopen. 26055 Claudas ende Frolles sijn ontlopen Ende Randoen ende Pontes mede Met luttel hoep lieden daer ter stede; Ende alle die nacht, toten dage toe, So was ene iagerande daer alsoe, 26060 Daer menech doen es bleven doet Ende gequetset ende in groter noet. Dus waren die vier prinsen daer By Merlijns rade gesconfiert vorwaer. Ende doe die iagerande geleden was, 290 26065 Gingensi in die tenten nadas, Die daer in der prayerie stoeden, Die si bewaert vonden van allen goede, Dat daer die viande hadden gelaten; Si makeden hem blyde wter maten, 26070 Entie koninck Ban leide met hem daer Den koninck Artur ende Gawyne vorwaer, Entie veertich gesellen mede, Entie achtien nuwe ridders ter stede, Entie van der tafelronden, 26075 Te Trebes in sinen casteel, tien stonden, Daer mense herde wel ontfinc. Ende oec boven alle dinc So waren blide die twe koninginnen Ombe haer twe heren, die daer nu binnen 26080 Comen waren met stouten gesellen; Men mocht iu die bliscap niet vertellen. Si waren scone ionge vrouwen, Si pijnden hem sere, met goeder trouwen, Den koninck Artur te doene ere 26085 Ende sinen gesellen, in allen kere; Wat mag ic iu hieraf tellen vele? Na vele bliscapen, na vele spele, Ginc men slapen sonder bliven, Entie twe koninge gingen met horen wiven 26090 Slapen met vrouden groet; Des nachtes speelden si der mynnen genoet, Ende optie nacht, secht dhistorie voertan, Dat een kint wan die koninck Ban An Helenen, der koninginnen, vorwaer, 26095 Dat te groten dingen quam daernaer; Ende optie nacht, des nemet goon, Dromede der koninginnen een droom Daer si sere verscrickede af mede; Want haer droemde daer ter stede, 26100 Datsi op enen hogen berge was Ende beeste sach, die weiden gras; Ende als si daer hadde geweest ene tijt, So wart onder den beesten een strijt, Ende liepen overeen ende wouden sonder beiden 26105 Dene den ander driven uter weiden; Doe sciedensi hem alle geheel, Ende in dene syde ginc wael die twe deel, Entie geleide een groet lewe daer; Ende dander geleide oec daernaer 26110 Een gekroent lewe, maer hi en was Niet alsoe groet als dander, zijt seker das; Entie gekroende lewe hadde, dat wet, Achtien gekroende lewekine met, Ende elc lewekijn hadde heerscap nu 26115 Over ene partie der diere, secgic iu; Entie lewe, die niet gekroent en was, Hadde dertich lewekine, sijt seker das, Die alle gekroent waren vorwaer, Ende elc hadde heerscap van den beesten daer. 26120 Ende doe si gesceden waren alsoe, Sachsi ten gekroenden lewenwaert doe, Ende daer vierhondert varren waren, By den halse gebonden, twaren, Met enen yseren ringe, ende aten nu stede 26125 Wt ener crebben gras, secgic iu; Ende ombedat den ongecroenden lewe ter Dochte, dat beter weide waer mede Toten gekroenden lewenwaert, So liep hi hem op metter vaert 26130 Van nyde; doe makede hi daernaer Van sinen beesten drie kudden daer, Ende liepen daermede op, secgic iu, Den gekroenden lewe, die hadde nu Achtien kudden beesten daer ter stede, 26135 Ende in elc kudde so was mede Een lewekijn, diese geleide daer. Doe wart die strijt so groet daernaer Onder hen, dat dochte haer alsoe, Datsi nie so groten strijt sach doe; 26140 Maer int inde waren achter gedaen Des gekroenden lewen beesten, sonder waen; Ende doe hadde die lewe anxte groet Sine weide te verliesene al bloet. Ende al die wyle, datsi vochten alsoe, 26145 Dochte der vrouwen, dat quam daertoe Ute haer doen een groet lupaert, Ende ginc dor ene valleye ter vaert; Doe dochte haer, dat haer benam Een nevel, datsi en wiste waer hi bequam, 26150 Ende doe sine verloes, keerde si doe Weder ten beesten, die vochten ember toe, Ende haer dochte, dat die gekroende lewe daer Te quaet hadde; doe sachsi daernaer Enen lupaert uten wilden woude komen, 291 26155 Ende ginc die batalie sien ende begomen. Doen hy sach dat die gekroende lewe soe Te quaet hadde, doe ginc hy hem toe Helpen, ende liep dander op ter stede Ende dreefne achterwaert mede 26160 So fierlijc, dat hi nie sint ter stonde Den anderen lewe gescaden en konde; Ende doe die ongekroende lewe sach, Dat hi niet overkomen en mach Also lange als die lupaert tegen hem was, 26165 Doe dade hi den raet tehant nadas, Dat hi den lupaert met hem hadde daer; Doe ginc hi weder stryden daernaer, Ende dade den gekroenden lewe achter soe Ende doen hi al tachter was, doe 26170 Dade die lupaert den ongekroenden lewe daer Dander te voete vallen daernaer, Ende hem genade bidden ter stede. Doe wart die vrede gemaket daer mede Tuscen beiden den lewen, dat wet, 26175 Die al haer leven duerde met. Doe sach die vrouwe na den lupaerde mettien, Ende haer dochte dat was die wt horen dyen Quam, dat hi dat selve waer; Dus lach si al die nacht daer 26180 In desen drome thent dach was; Doe si ontspranc, segende si haer nadas, Ende zeide den koninck den droem nadesen, Die zeide dat en soude niet arges wesen. Doent dach was, stonden si op daer, 26185 Ende gingen beide te messe daernaer; Doe bat die koninck Ban ter stede Onsen Here met groter ynnechede, Dat Hi hem geven soude die doet; Dat hi des begeerde waer al bloet, 26190 Hi was een herde gotlick man; So lange riep hi Onsen Here an Ende op so menege tijt oec mede, Dat hi op ene nacht in ener stede In sinen slape hoerde roepen dese woert 26195 Ene stemme: “iu bede es gehoert”, Ende oec zeide si hem, dat hi sondegen soude In overspele, maer si zeide hem houde, Dat hi hem daeraf niet en soude ontsien. Doe hoerde hi in den drome na dien 26200 Die stemme so vreeslyc kryten daernaer, Dat hi so sere verscrickede daer, Dat hi van den bedde welna was Gevallen, ende sijn wijf, sijt seker das, Want hi gegreepse in den arm doe 26205 Ende si vervaerde haer daeraf soe, Datsi lange lach eer si sprac woert. Doent dach was quam die koninck voert, Ende sprac sine byechte ende ginc daernaer Messe horen, ende ontfinc aldaer 26210 Godes lichaem, ende altoes na desen Tallen achte dagen woudi gebyechtet wesen, Ende ontfinc Onses Heren lichaem met; Entie koninck Bohort, dat wet, Dade oec desgelike nu, 26215 Want hi was een goet man, secgic iu. Aldus bleef die koninck Artur sekerlijc Ene maent in den lande van Bonewijc, Ende daden Claudas lant al woesten daer Ende arm maken, sodat daernaer 26220 Claudas in langen tyden niet verkomen konde; Maer sint oec over menege stonde Quam hi met Pontes [ende] Anthonys weder Ende metten koninck van Gaules seder, Ende verdervede al koninck Bannes lant, 26225 Ende wan hem dat af metterhant, Alse iu dit boec hier na wel sal Vertellen den strijt, groet ende smal. Nu es komen voert die koninck Ban, Ende sprac Merlyne aldus nu an, 26230 Alse van sinen drome ter stede, Dat hem droemde ende sinen wive mede, Ende bat hem, dat hijt hem woude ontbinden: “Ach, lieve Merlijn, kondy iet vinden”, Sprac die koninck Artur, “des biddic iu, 26235 Wat hem beiden gedroemt es nu?” “Ja ic, here!” zeide Merlijn ter stat, Ende doe begonde hi te secgene nadat Hoerre beider droem, van woerde te woerde; Ende alse die koninck Ban dit hoerde, 26240 Zeide hi, dattet algader also was. Des wonderde den koninck Artur nadas Ende here Gawyne wtermaten sere nu, 292 Ende dachten daer lange op, secgic iu. Doe sprac die koninck Artur tote Merlyne: 26245 “Lieve vrient, gy hebbet ons in scyne Dese drome hier also geseit, Datsi beide lyen der waerheit, Nu secget ons wat si bedieden nu, Want wijt gerne wisten van iu”. 26250 Merlijn zeide: “ic sal iu des secgen een deel Maer niet en zecgic des iu geheel; Heer koninck Ban ic secget iu vorwaer, Dat die lewe, die niet gekroent was daer, Es een prinse, die herde ryke es 26255 Van goede, van vrienden, sijt seker des, Ende sal met crachte wynnen dan Negen ende twintich konincrike, ende voertan Sal hise in zijn geselscap doen komen; Entie gecroende lewe, hebbic vernomen, 26260 Bediedet enen koninck machtich ende rike, Ende sal onder hem hebben sekerlike Achtien koninge, die syne man sullen zijn Entie vierhondert varren fijn Betekenen vierhondert ridders mede, 26265 Die alle, by haerre zekerhede Ende by trouwen, elcandren toter doet Helpen zullen in alre noet; Entie prinse, daer ic te voren af zeide, Sal opten ander komen sonder beiden 26270 Ombe hem sijn lant af te winnen daer; Maer hi sal hem weren daernaer; Ende als die prinse onder hevet gedaen Den koninck, so sal daer komen saen Een ridder, die onbekant sal wesen 26275 Ende sal den koninge helpen na desen, Datten die prinse niet en sal sconfieren; Entie ridder betekent in allen manieren Den lupaert die fier es, ende also sal Die ridder fier sijn bovenal; 26280 Ende by den ridder sal vrede daernaer Gemaket werden, wetet vorwaer, Van den tween prinsen daer ter stede, Entie vrede sal bliven haer leven mede. Nu wety desen droem al bloet; 26285 Ende ic moet nu varen, want ic des noet Hebbe, oec ben ic te lange hier nu Ic hebbe anderswaer te doene, secgic iu”. Doe vragede hem Artur daernare Ocht hi hem dat iet bet soude verclaren? 26290 Hi seide, neen hi. Doe sciet hi van daer Van den drien koningen ende voer daernaer Te siner vriendinnen, want gy mochtet horen, Dat hy haer dat gelovet hadde hiervoren Op Sinte Jans dach te komene daernaer. 26295 Aldus es hi komen tot haer, Diene blidelike ontfinc alsoe Ende leidene in haer kamer doe, Dat des nieman en wiste. Doe vragede sy Herde meneger hande dinc, daer sy by 26300 Leerde menege scone konste ter stede; Want hi mindese so sere mede, Dat hi verwoeden meende ombe haer; Ende doe si des wart gewaer, Batsi hem, dat hi haer leren woude, 26305 Hoe si enen man doen slapen soude; Ende Merlijn wiste haer gedochte wel daer, Ende vragede watsi daermede woude naer; Si zeide: “ombedat ic Dyonase, minen vader, Ende mine moeder, beide gader, 26310 Woude doen slapen, datsi daerby Van iu niet en wisten no van my, Als ic woude iegen iu spreken iet; Ende wetet wael, si en lieten my leven niet, Wistensi dat ic spreke iegen iu”. 26315 So lange batsi hem, na ende nu, Dat eens geviel, datsi daernare In enen boemgaert gegaen waren Op ene fonteine; daer dede sine doe Op horen scoet licgen alsoe, 26320 Ende cloydene, ende bat hem te leerne daer Man ende wijf doen slapen naer. Hi wiste haer gedochte wel, nochtan So leerde hijt haer, ende voertan Leerde hi haer drie namen mede, 26325 Dat negeen man mochte in negener stede Met haer te doene hebben daernaer Also lange alsise droege an haer. Ende van dien dage voert doe, Bereidesi Merlyne altoes alsoe 293 26330 Dat hi met haer en mochte niet Gedoen dat man met wyve pliet, Ende hierombe secht men, dat wijf daeran Ener konste meer dan die Duvel kan. Dus bleef Merlijn daer achte dage, 26335 Maer men vint in negener sage, Dat hi oit dorperheit sochte an haer Noch an ander wijf daernaer, Maer si ontsach haer van hem alsoe; Hi leerde haer al datsi woude doe, 26340 Ende si screef dat al; ende daernaer Nam hi oerlof ende sciet van haer, Ende voer daer die koninck Artur was Te Bonewijc, die herde blide es das. Ende binnen desen was Gawyn gesant 26345 In Claudas’ lant, dat hi verbrant Heeft ende verwoestet, sonder waen; Maer Claudas en dorste dat niet wederstaen Ende Pontes ende Frolles ende Randoen Dese waren thuyswaert gevloen, 26350 Ende si swoeren onder wegen daeran, Datsi nembermeer [en] minden den koninck Ban No den koninck Bohort oec mede; Ende also vro als si des stede Conden gecrygen ende moete, 26355 Si souden hem des lonen onsoete. Ende Gawyn ende sine gesellen mede Sijn nu enwech gevaren, ter stede, Ute Claudas lande te Bonewijcwaert Stoutelike ende ongespaert, 26360 Die nu arm bleef ende mat Ende lange tijt was nadat; Maer hi vercoeverde sint, als iu al Dit boec hierna wel secgen sal, Dat des nu swiget, ende secht ter stede 26365 Van Gawyne ende van Merlyne mede. |
De grote strijd tussen koning Ban en koning Claudas en die met hem waren. Het avontuur zegt, toen Merlijn was Van Arthur gescheiden, na dat, Dat Arthur trok toen daarnaar 25420 En Blioberis voor voorwaar, Want hij de weg wist zonder vragen; Die nacht voeren ze tot de dag, Toen kwamen ze op een schoon plein gereed, Daar een rivier naast lag, 25425 Die Loire heet, en ze waren daar Het leger nu gekomen alzo dicht daarnaar, Men had het in vijf maal mogen nu Goed overschieten, dat zeg ik u. Toen hielden ze op, omdat ze wilden zien 25430 Dat teken, daar hen van zei voordien Merlijn, dat was van de brand mede 283 En in de lucht zou vliegen ter plaatse, En van de horen, die ze zouden horen; En binnendien kwam daar te voren 25435 Een spion, die ze heeft gezien En ging dat in het andere leger zeggen meteen; En toen dit die anderen vernamen, Wapenden ze zich en trokken tezamen Te veld en lagen in bataljons daar, 25440 En Ponces en Anthonys trokken daarnaar Naar dat einde van een bos ter plaatse; En daarna kwam de hertog mede Van Duitsland; en daarna kwam Rodoen, En Claudas van Deserte kwam toen 25445 En lag met zijn lieden naast het moeras; En al de tijd, zij het zeker dat, Dat ze dus uitvoeren, kwam Merlijn, Die hier van wist alles het fijne, En hij blies de horen toen 25450 En liet de brand vliegen daartoe. Toen Arthur dat toen hoorde daar En de brand vliegen zag daarnaar, Sloegen ze alle te leger waart, En Gawein verzamelde met een vaart 25455 Tegen Frolles, de hertog, zeg ik u; En koning Ban verzamelde nu Tegen koning Claudas ter plaatse, En koning Bohort verzamelde mede Tegen Pontes en Anthonys nu ter stad; 25460 En koning Arthur verzamelde nadat Tegen Rondone, de drost van Gaules. En de eerste die nu verzameld is, Dat is Sagrimor, en Frolles mede, Die met zo’n nijd reden beide, 25465 Dat ze beide storten daar neer; Maar ze waren beide gelijk op weer, En trokken hun zwaard en sloegen daar De ene op de ander slagen zwaar. En toen heer Gawein te voet zag 25470 Sagrimor, sloeg hij alles dat hij mag Derwaarts, en Ulfijn ook mede, Die zijn banier voerde ter plaatse; En aan de andere zijde kwamen daar ook toe Om de hertog behoedde toen. 25475 Dus verzamelde de ene zich aan de andere daar; Daar werd menige speer gebroken voorwaar En afgestoken menige man, Die niet meer opstond voortaan. Daar werd de strijd sterk en groot mede, 25480 Toch worden hergegroepeerd ter plaatse De hertog en Sagrimor beide, Maar dat was met grote leed. Daar deden het goed die twaalf, te waren, Die nieuwe ridders gemaakt waren; 25485 Maar sinds dat middag geleden was, voorwaar, Zo was daar niemand die een haar Heer Gawein iets vergelijken kon mede; Want hij sloeg dood daar ter plaatse Man en paard, wat voor hem kwam; 25490 En Ywein zijn neef, zoals ik het vernam, En Ywein verdoemde, deze twee, Deden het erg goed en nog meer; Galescins en Guheries Deden het zo goed, dat men ze na dit 25495 Voor de beste hield daar nu Naast Gawein, dat zeg ik u; En Garies en Acgravein, En alle die daar waren in het plein Deden het goed en kundig. 25500 Koning Ban ook desgelijks Was tegen Claudas komen te verweer, Die de felste was van het hele leger; En daar ze aldus verzamelden dan, Sloeg hij met het zwaard koning Ban 25505 Op de helm, zodat er vuur uit vloog En zodat hij op het zadel boog; Toen richtte hij zich op als een die boos was, En sloeg Claudas op het hoofd na dat Een slag; maar het zwaard schampte neer, 25510 En sloeg het paard alzo weer De hals af, en het viel toen, En Claudas mee; maar hij sprong alzo Op, maar eer hij op kon komen daar, Gaf hij hem 3 slagen daarnaar, 25515 Zodat hij hem had bijna weer nu Ter aarde laten tuimelen, zeg ik u. En dat bloed sprong te mond En te neus uit ter stonde; Maar hij was van zo’n kracht en geweld 25520 Dat hij zich daar nochtans ophield; Toen wierp hij het schild op het hoofd daarnaar 284 En kwam tot koning Ban waart daar, En begon op hem te slaan nu; Maar hun lieden aan beide zijden, zeg ik u, 25525 Kwamen daartoe; toen werd daarnaar Koning Claudas hergegroepeerd, voorwaar. Want hij had nog alzo veel lieden Als koning Ban had in die tijden, En zijn lieden hadden het niet mogen weerstaan 25530 Had koning Ban niet zelf gedaan, Die ze aldus hield blijven daar Tot de middag, weet voorwaar; En aan de andere zijde streed koning Bohort Tegen Pontes en Antonys voort, 25535 Die een grote speer had in de hand, En kwam op koning Bohort gegaan, En stak zijn speer op hem in twee; En koning Bohort, die hem vijandig Was, hij stak bij hem door het schild, 25540 En door de arm met geweld, En nagelde het aan die zijde toen En stak hem daarin een wond daartoe; En hij viel van het paard neer daar En lag in onmacht ook daarnaar, 25545 Zodat men niet kon weten daarbij Of hij dood of levend was; En toen zijn lieden dit zagen daar, Hadden ze angst en groot gevaar, Omdat hun heer dood was, 25550 En reden alle derwaarts daarnaar, Om hem te behoeden aldaar nu; De konings lieden kwamen daar tegen, zeg ik u, Met sterke speren; daar werd ter tijd Een grote en een sterke strijd; 25555 Maar toch werd Pontes hergegroepeerd daar, Die niets erg had voorwaar Van de wonden, en schaamde zich zeer, En reed op de koning met een keer, En sloeg hem op de helm alzo, 25560 Zodat hij op zijn zadel boog toen; En koning Bohort sloeg hem weer Door de helm een wond, zodat hij daar neer Tuimelen moest, en overreed daar Eer de Romeinen konden daarnaar 25565 Hergroeperen; toen beval hij gelijk De zijnen, dat ze hem bijstaan; Toen reed hij in de grootste groep; Daar werd menigeen van het paard Geveld; toen werd koning Bohort 25570 Naar achter gedreven alzo voort Een boogschot wel vandaar; Dus duurde de strijd alzo daarnaar, Tot de noen sterk en stuur. En al deze tijd vocht koning Arthur 25575 Tegen Randone van Gaules; En koning Arthur, zij het zeker dit, En de ridders van de tafelronden Liepen op hen zeer in die stonden, En lieten ze naar achter gaan in die wijs 25580 Tot op Pontes en Antonys; En Keye volgde goed met de draak, Die hem Merlijn gaf voor deze zaak, Die groot vuur uit de keel schoot; Die het nooit zagen zeiden bloot, 25585 Het zou doemsdag wezen snel, En verschrikten zich zeer van het vuur; En zonder twijfel van de draak Lag betekenis van grote zaken, Want het vuur, dat bij hem uit de keel schoot, 25590 Dat betekende marteling groot Van lieden dood te slaan ter plaatse In koning Arthurs tijden, mede; En dat zijn staart gewrongen was, Betekent groot verraad na dat, 25595 Dat in hun eigen lieden was mede, Toen ze tegen hem keerden ter plaatse, En met Mordret waren allen tezamen, Daar hij oom van was en vader, Want hij won hem aan zijn zuster mee, 25600 Die koning Loth’s vrouw was, dat weet. Hierna zal ge wel verstaan dat ding, Hoe de strijd tussen hen verging. Nu hoor, hoe Randoen naar achter trok Tot op Pontes en Anthonys lieden, 25605 Daar hem koning Arthur opjaagde toen, Die koning Bohort hield alzo Kort, dat hij wel had te doen Hulp; en toen zagen diegene Pontes, dat ze kwamen gevlogen, 25610 Voer hij daartegen en riep toen Zijn teken, en sloeg in daarnaar. Toen werd de strijd groot en zwaar, Toen die vier bataljons verzameld waren, Want Gawein dreef ook daarnaar 25615 Frolles, de hertog, op Claudas, 285 Die tegen koning Ban in strijd was, Die nu ten onder was. Dus werd daar De strijd sterk, weet voorwaar; Daar deed heer Gawein wonder groot, 25620 Dat zag niemand zijn gelijke. Toen gebeurde dat Gawein na das Verzamelde aan koning Claudas, Die daar streed tegen koning Ban Met honderdduizend man tegen man, 25625 Daar de koning zeer ten achter van was. Gawein verhief zijn zwaard na das En meende hem op het hoofd te hebben geslagen Claudas, die daar het schild hield tegen, Die heer Gawein sloeg al in twee; 25630 En de slag ging voorwaarts mee, En hij schampte neerwaarts alzo, En sloeg het paard de hals af toen, Dat paard en Claudas vielen beide daar; En heer Gawein reed voorwaarts daarnaar 25635 Want hij Claudas niet herkende; Hij ontmoette Miseresse gelijk Die hij daar afsloeg zijn hoofd; Deze was dapper, dus geloof, En was van Claudas manschappen. 25640 Gawein toog voort dezelfde tijden En kloofde Antorilasse alzo Zijn hoofd tot de tanden toe; Toen sloeg hij daar tot twintig dood; Zijn slagen waren daar zo groot 25645 Dat op hem niemand durfde te wachten daar. Toen dit koning Ban zag voorwaar, Dat Gawein, die zo jong was, Zo’n groot wonder deed, bedankte hij das God, en zei tot Gawein toen: 25650 “Heer, bij God, ge strijdt hier zo, Dat ge dat zwaard wel verdiend hebt nu, Dat koning Arthur heeft gegeven u En ook mocht hij hebben ter plaatse Geen betere zijn lieden aanbevolen hebben mede, 25655 Dan gij bent, en ik bid u heden de dag Dat ik nu uw gezelschap zijn mag”. “Heer, ik doe dat graag”, zei híj “En dank heb, dat ge dat zoekt aan mij, Maar ik moet varen en zoeken mijn neven, 25660 En mijn broeder, waar ze zijn gebleven, En als ik ze heb gevonden, zal ik tot u Weerkeren”. En toen zei hem nu Koning Ban, dat hij hem zou Graag wreken alzo te houden 25665 Vanwege koning Claudas, “die ge voorwaar Gelijk daar neersloeg aldaar, En was hij dood, zo was gelijke Mijn oorlog, dat ik heb, gedaan”. Toen zei Gawein: “wijs hem mij”. 25670 Toen zei de koning: “zie hem hierbij Met die wapens, die ge ziet daar, Gebloemd van zilver, en daarnaar Dat schild, in het midden gedeeld ter plaatse Van zilver en van keel beide, 25675 De leeuw staande van sabel mee”. Gawein zei nu: “vast, en niet belet, Gaan we aan hem en beproeven daar Onze kracht”. Toen zei daarnaar Koning Ban: “ik ga er niet meer, 25680 Want hij heeft me beschadigd zeer”. Toen sloegen ze hun paarden derwaarts, En koning Claudas reed met een vaart Tegen hen; toen werd ter tijd Groot en vreselijk de strijd, 25685 En heer Gawein en koning Ban Lieten daar vlieden Claudas man; En toen Claudas dit zag aldaar, Vloog hij in de grootste groep daarnaar, Want hij ontzag deze twee nu, 25690 Die hem daar opjaagden, zeg ik u; Hij wist wel, voeren ze tot hem daar, Dat hij dood was voorwaar; Dus vloog hij onder zijn lieden alzo, En ze volgden hem immer toe, 25695 En wilden hem niet laten gaan En had een avontuur niet gedaan, Die ze vonden onder hem ter plaatse: Want toen ze jaagden Claudas mede, Vond Gawein twee van zijn broeders daar 25700 Liggen ter aarden, die voorwaar Zeer tegen hun wil lagen beide; En Galescins, zijn neef, hield mede Frolles, de hertog, bij de breidel toen, Daar waren er wel tot tweeduizend toe, 286 25705 En hadden hem dat hoofd afgeslagen Was Sagrimor er niet, die daartegen Was Guheries en Ywein; En wel veertig gezellen op het plein Hielden de strijd tegen tweeduizend man. 25710 En toen heer Gawein dit zag aan, Sloeg hij met de sporen derwaarts samen, En koning Ban mede, zonder waan, Verzamelden in de strijd Met zo’n grote kracht ter tijd, 25715 Zodat ze de strijd geheel buigen deden. Toen ze zich dus zagen verladen, Maakten ze een plaats zo groot, Dat Acgravein en Garies, die te voet Waren, zodat ze snel daarnaar 25720 Gered worden daar voorwaar; En Galescins, die er tegen zijn wil was, Werd daar schier verlost na das, Want Gawein sloeg Frolles daar ter stede, Zodat hij hem van het paard tuimelen deed, 25725 En het paard gaf hij Galescins daar, Die daar opsprong ter stede daarnaar, En voer er in en wilde zich wreken samen Het uitlachen, die hem was gedaan; Hij reed op Frolles, daar hij hem zag 25730 Te voet staan, en gaf hem een slag, Zodat hij weer ter aarde viel nu, En overreed hem zesmaal, zeg ik u. Toen zei Gawein: “heer, zie ge niet Hoe mijn neef wreekt zijn verdriet? 25735 Hij kan zich goed behelpen, lijkt mij”. Toen zei koning Ban, dat hij Een dappere ridder zou worden en goed; En binnendien kwam al dat gemoed Van de hele strijd slaan daar; 25740 Want koning Arthur, weet voorwaar, En de ridders van de tafelronden, En koning Bohort te die stonden, Die jaagden op Pontes lieden en Frolles En Rondoens lieden mee, zij het zeker dat, 25745 Tot in Claudas lieden daarnaar. Toen werd dat lawaai groot voorwaar En het geklank van de slagen, Dat de twee koninginnen, die lagen Te Trebes in het kasteel binnen, 25750 Hoorden het gerucht in alle zinnen; Toen liepen ze tot de waar de tinnen staan, En zagen beide naar buiten samen; Daar zagen ze menige man strijden En ze zagen de draak in die tijden, 25755 Die Keye voerde, daar vuur uitschoot, Zodat daar de lucht van was geheel rood. Toen dit de vrouwen en de anderen mede, Die in het kasteel zijn, zagen ter plaatse, Dacht hen dat wonder al te groot; 25760 Toen zonden ze uit met een spoed Een bode, om te vernemen aldaar, Welke lieden dat daar streden voorwaar Tegen de vijanden en om die zaken Wiens teken dat was die vreselijke draak. 25765 De bode voer ter slag waart En hem ontmoette een ridder in de vaart, Die Bretel heet; toen begroette hij hem daar, En bad hem, dat hij hem zei naar Wie deze zijn, “die hier strijden nu 25770 Tegen onze vijanden; ziet, heer, voor u Die vrouwen, die koninginnen, Die ginder liggen op die tinnen, Die zouden dat graag weten nu”. “Lieve knaap, ik zeg het u, 25775 Dat is koning Bohort en koning Ban En hebben voor hen gebracht daaraan Koning Arthur van Brittannië, Hun land te beschermen van calamiteiten Tegen zijn vijanden hier ter plaatse; 25780 En ziet ginder zijn teken mede Met de draak, zonder waan”. Toen dit de bode heeft verstaan, Keerde hij blijde te kasteel waart, En de koninginnen kwamen met een vaart 25785 Tegen de knaap, toen hij kwam daar; Toen kweet zich de knaap daarnaar, Gelijk hem Bretel zei tevoren; En toen de koninginnen dit horen, Zo zag men niet lieden zo blij; 25790 En klommen weer dezelfde tijden Tot het venster om te zien naar dat De strijd, die sterk en groot was, Die ze zo lang streden daarnaar Zodat ze aan beide zijden moede waren. 25795 Toen kwamen de vier bataljons geslagen, Die in het bos met Merlijn lagen, 287 De ene na de andere gereden ter stede; Anthian leidde de eerste schaar mede En de andere Pharien, zonder waan, 25800 En de derde leidde Graciaen, Die vierde Leonse dezelfde tijden. Toen waren die van het kasteel blij, Toen ze hen herkenden, en hadden ter plaatse Uit het kasteel ook graag gereden, 25805 Had men hen gelaten voortaan. Nu zag ze het eerst koning Ban, En zei tot heer Gawein gelijk: “Heer Gawein, zie ginder komen, zonder waan, Vier scharen, die ons toe behoren, 25810 Nu weet ik wel, dat ze daar verstoren Zullen onze vijanden ter uren, Ook zullen ze niet lang mogen weerstaan”. Toen zei Gawein, “laat ons uitrijden, En onze vrienden steken bezijden 25815 En verzamelen ons; als dan vlieden Onze vijanden, zodat we ze zo voorzien, Zodat ze zich niet beroemen hiernaar, Zodat ze ellendig zijn voorwaar, En dat ze zich ook hoeden voort meer 25820 In dat land te komen nimmermeer”. De koning zei: “heer, ik wil nu Alles dat ge aanraadt doen, zeg ik u”. Toen voeren ze bezijden en verzamelden daar Drie honderd ridders, de beste voorwaar 25825 Die in dat hele leger waren; En binnen dat zo kwamen gevaren Die vier scharen met krachten groot, En sloegen in die verzameling dood Twintigduizend; en deden grote schade toen 25830 Brachten koning Claudas al toe, Dat deze lieden aan beide zijden Aldus dood bleven nu ten tijden; En dat werd hem ook beloond na dat, Dat hij sinds daarom onterfd was, 25835 Zoals u dit boek zal zeggen hiernaar. Nochtans door alles kwamen daar Deze vier scharen; zo waren nu Koning Arthurs lieden ten achter, zeg ik u; Sinds dat de driehonderd ridders niet waren daar, 25840 En konden zich niet herstellen daarnaar Want ze droegen alle last ter plaatse, Ze gingen nu alle ten onder daarmee. Toen kwam Merlijn daar de drie honderd waren, En sprak: “blijf je hier om u te sparen? 25845 Of blijf je hier tezamen gevestigd Om te zien wie zal hier doen het best? Ge bent genoeg gerust, maar vaar ter plaatse In dat leger, want Arthur en zijn gezellen mede Zijn zeer ten onder, en ook van dien 25850 Dat ze uw lieden nergens zien”. Toen sprak hij tot Arthur aanstonds: “Heer koning, is dit dat loon en de dank, Die ge koning Ban en zijn broeder doet, Die hun lijf en al hun goed 25855 Zetten in avonturen voor u, Toen dat u alles afging eerder nu? Nu kan ge verschuilen van bangheid; Dit zal u noch te menige steden Verweten worden; uw lief, wat zal zij 25860 Zeggen als ze vreest, dat gij Aldus gevaren hebt nu voort?” Toen Arthur verstond Merlijns woord, Schaamde hij zich zo zeer daarnaar, Dat hij van angst zweette daar, 25865 En ook had hij angst ter plaatse, Dat hij zich vertoornen mocht mede. Toen sprak hij tot Gawein en zijn gezellen: “Gij heren, de dapperheid, die we vertellen Hoorden hiervoor, waar is ze nu, 25870 Die ge plag te doen? Ge beroemd u, Ge zou in klein Brittannië varen te strijden En beproeven die ridders daar ten tijden Nu lijken me ze goede ridders te wezen, En ge niet durft te komen tot dezen 25875 Dat ge ze zag, maar verbergt u nu, Zo grote angst deden ze u nu!” Toen sprak hij tot koning Ban en op Bohort: “Gij heren, waarom bent ge gekomen voort? Zie je niet uw vijanden in uw land, 25880 En ge gaat u verbergen hier gelijk! Wie zal voor u vechten en voorwaarts gaan En voor u de dood ontvangen, 288 Als ge u verbergt en vliegt mede?” Toen zei koning Ban ter plaatse: 25885 “Bij God, Merlijn, ik doe het om geen ding Die me voor bangheid over ging”. Merlijn zei: “hoe dat gij het hebt gedaan, Ziet dat ge dus u verbetert samen”. Gawein verontschuldigde zich ook ter stede, 25890 En zei: “ik zal hen laten kennen mede Of ik bang ben!” - Toen vermaande hij Zijn broeder en zijn neef daarbij: “Volg mij”, zei hij, “ik zal hen laten zien Of ik bang ben!” - Toen lachte meteen 25895 Merlijn, en ging tot Keye gelijk, En nam hem dat teken uit de hand, En zei, hij wilde het voeren, zeg ik u, Want konings teken zou men nu Niet verbergen, maar altijd voor de ogen wezen; 25900 Toen riep Merlijn luid na deze: “Nu zal ik zien wie me volgen zal, En wie de prijs hiervan al Winnen zal!” - Toen zei de koning samen, Arthur, tot Bohort, zonder waan, 25905 Dat in Merlijn veel deugden waren En veel handigheden, te waren, En veel dapperheden ook mede, En hij was sterk genoeg om zijn leden En groot, maar hij was mager mee, 25910 En bleek en haarachtig, dat weet, En hij was edel van zijn moeder mede; De vader laten we varen ter plaatse, Want van hem weten we genoeg; Men wist ook niet, dat Merlijn sloeg 25915 In strijd ooit iemand dood, Maar men vindt van hem al bloot, Dat hij met zijn borst gereed Man en paard daar neer reed. Toen Merlijn de draak heeft genomen, 25920 Is hij in de slag gekomen En doorbrak ze allemaal daarnaar, En kwam op Frolles gereden daar En op Pontes en Antonys, die daar gelijk Die van Londen meenden dood te slaan, 25925 Want ze waren hen aan het schofferen daar; Maar hen kwam te hulp voorwaar Vijf honderd knapen van Trebes; En was het niet dat, zij het zeker dit, Ze waren geschoffeerd geweest ter plaatse; 25930 Maar toen koning Arthur kwam, en mede Zijn gezellen, werd daar zo menig slag Geslagen, zodat elk gruwelen mag. Daar wrocht Arthur wonder groot; Vanwege de druk en om de nood 25935 Wierp hij het schild op de rug daar, En nam dat zwaard met beiden handen daarnaar, En sloeg dat alles dood en daar neer Wat voor hem kwam, voort en weer, Zodat niemand durfde op hem te wachten. 25940 Dit boek zegt ook, naar de waarheid, Dat daar koning Arthur sloeg dood Tweehonderd in deze steken groot; En koning Bohort en koning Ban Versloegen daar ook menige man. 25945 En Arthur en de andere koningen mede Waren zo ver gereden ter plaatse, Zodat men niet wist waar ze waren; En de gezellen van de tafelronden, te waren, Voeren ook in, de ene voor en de andere daarnaar; 25950 En de veertig gezellen, weet voorwaar, En de achttien nieuwe ridders mede Braken de scharen te menige stede, En scheiden de ene hier en de andere daar, Zodat ze niet wisten soms ter tijd waar 25955 Waar hun gezellen waren nu; Maar Ywein, koning Uriens zoon, zeg ik u, En heer Gawein twee broeder mede En hun neven hielden zich ter plaatse De hele dag tezamen voorwaar, 25960 En deden zo veel met wapens daar, Dat ze geprezen zeer waren. Maar boven hen allen deed daar, te waren, Heer Gawein het beste; want hij was Aller vaakst in de grootste zaak, 25965 Ook is hij nu aan Rondone gekomen Van Gaules, en toen hij hem heeft vernomen, Sloeg hij in hem op de helm alzo Een grote wond, zodat hij daartoe Ter aarde viel; hij reed voort gelijk 25970 En zag Keye van Strans te voet staan En Dodinele, en op hen liepen aldaar Pontes en Antonys, weet voorwaar, 289 En heer Gawein sloeg derwaarts En maakte een grote schaar 25975 En hielp hen, zodat ze beschut waren. Toen hielden ze zich aan Gawein daarnaar Zo ze het langste mochten voorwaar; Maar dat was niet lang daarnaar, Want hij was hen snel ontreden. 25980 Groot was de strijd te menige plaatsen; Daar deden het goed die van de tafelronden, Die Arthur zochten te die stonden, Die hen zo ver ontreden was, Zodat hij aan Frolles kwam na dat 25985 En aan Pontes; die hadden daaraan In hun gezelschap zevenduizend man. Daar streed koning Arthur erg zeer; Daar was niemand zo koen in de weer, Die zijn slagen durfde op te wachten. 2599 Toen kwam heer Gawein te die tijden En zag zijn oom daar in de nood En dat ze hem gaven slagen groot Frolles en Pontes; toen werd wel bijna Gawein uit zijn zinnen en nam daar 25995 Een ridder een spies uit de hand, En kwam derwaarts gerent; En toen Frolles hem komen zag Ontruimde hij zich, alles dat hij mag, Als een die niet wachten durfde, 26000 En reed in de grootste groep; Maar heer Gawein reed hem daarnaar En beschoot hem met de spies daar Als hij hem niet inhalen moet, Wel door de schouders een voet, 26005 En hij viel in onmacht ter aarde neder; En toen hij bijgekomen was weer, Liet hij zich verbinden en zat op zijn paard En reed weer te strijd waart. En heer Gawein keerde weer daar 26010 En ontmoette Pontes daarnaar En sloeg hem op de schouder ter plaatse, Zodat hij hem ter aarde vallen deed; En Rondone sloeg hij op de hoed, Door de helm een wonde groot, 26015 Zodat hij op de aarde viel alzo. Daarna begonnen ze te vlieden toen, En kwamen op Claudas daarnaar Die koning Arthur en Gawein voorwaar, En koning Ban en zijn broeder mee 26020 En die van de tafelronden, dat weet, Volgden allen tot in Claudas leger; Daar zetten ze zich te verweer. Toen riep Merlijn: “edele heer, slaat nu! Ze zijn geschoffeerd, dat zeg ik u”; 26025 En hij voer voor en Gawein daarnaar En stak met een speer daar Claudas in de linker zijde, Zodat hij ter aarde viel te die tijden In onmacht, en hij overreed hem toen; 26030 Maar zijn lieden deden daar zoveel toe Dat ze hem redden daar. Toen sloeg hij in de strijd daarnaar Te drie plaatsen, weet voorwaar, En wierp ze van de paarden neer, 26035 Toch hieven zijn lieden hem op weer; Maar hij was in zo grote nood, Dat hij daar wel bijna was gebleven dood. Toen gingen ze alle vlieden, zij het zeker des, Pontes, Randoen, en Frolles, 26040 En Claudas. Deze hadden een raad, Waar hen het beste te vlieden staat. Claudas zei: “varen we in Deserte nu, Dat is dat vaste land, zeg ik u, Dat ik heb, en dat oudste mede”. 26045 Toen ze stonden in deze onledigheid, Zagen ze hun lieden scheiden en alle vlieden En vreselijk opjagen, en meteen Sloegen ze er zoveel dood daarnaar; Want koning Bohorts lieden, weet voorwaar, 26050 Reden voor tot een pas nu; En toen de anderen daar kwamen, zeg ik u, En over de pas daar meenden te rijden, Sloegen ze er zoveel dood te die tijden, Zodat ze daar lagen met grote hopen. 26055 Claudas en Frolles zijn ontlopen En Randoen en Pontes mede Met weinig hoop lieden daar ter plaatse; En de hele nacht, tot de dag toe, Zo was een jacht daar alzo, 26060 Daar menig toen is gebleven dood En gekwetst en in grote nood. Dus waren de vier prinsen daar Bij Merlijns raad geschoffeerd voorwaar. En toen de jacht geleden was, 290 26065 Gingen ze in de tenten na das, Die daar in de prairie stonden, Die ze bewaard vonden van alle goed, Dat daar de vijanden had gelaten; Ze maakten zich blij uitermate, 26070 En koning Ban leidde met zich daar Koning Arthur en Gawein voorwaar, En de veertig gezellen mede, En de achttien nieuwe ridders ter plaatse, En die van de tafelronden, 26075 Te Trebes in zijn kasteel, te die stonden, Daar men ze erg goed ontving. En ook boven alle ding Zo waren blij die twee koninginnen Om hun twee heren, die daar nu binnen 26080 Gekomen waren met dappere gezellen; Men mocht u de blijdschap niet vertellen. Ze waren mooie jonge vrouwen, Ze bedachten zich zeer, met goede trouw, Koning Arthur te doen eer 26085 En zijn gezellen, in alle keer; Wat mag ik u hiervan vertellen veel? Na veel blijdschap, na veel spel, Ging men slapen zonder blijven, En de twee koningen gingen met hun wijven 26090 Slapen met vreugde groot; Dus ‘s nachts speelden ze de minnen genot, En in die nacht, zegt de historie voortaan, Dat een kind won koning Ban Aan Helenen, de koningin, voorwaar, 26095 Dat tot grote dingen kwam daarnaar; En op die nacht, dus neem waar, Droomde de koningin een droom Daar ze zeer van verschrikte mede; Want ze droomde daar ter plaatse, 26100 Dat ze op een hoge berg was En beesten zag, die weiden in gras; En toen ze daar geweest was een tijd, Zo kwam er onder de beesten een strijd, En liepen door elkaar en wilden zonder wachten 26105 De ene de andere drijven uit de weiden; Toen scheiden ze alle geheel, En aan de ene zijde ging wel het tweede deel, En die begeleide een grote leeuw daar; En de ander begeleide ook daarnaar 26110 Een gekroonde leeuw, maar hij was Niet zo groot als de ander, zij het zeker dat; En de gekroonde leeuw had, dat weet, Achttien gekroonde leeuwtjes mee, En elk leeuwtje had heerschappij nu 26115 Over een part van de dieren, zeg ik u; En de leeuw, die niet gekroond was, Had dertig leeuwtjes, zij het zeker dat, Die allen gekroond waren voorwaar, En elk had heerschappij van de beesten daar. 26120 En toen ze gescheiden waren alzo, Zag ze tot de gekroonde leeuw waart toen, En daar er vierhonderd vaarzen waren, Bij de hals gebonden, te waren, Met een ijzeren ring, en aten nu ter plaatse 26125 Uit een krib gras, zeg ik u; En omdat de ongekroonde leeuw Dacht, dat het betere weide was mede Tot de gekroonde leeuw waart, Zo liep hij op hem op met een vaart 26130 Van nijd; toen maakte hij daarnaar Van zijn beesten drie kudden daar, En liep daarmee op, zeg ik u, De gekroonde leeuw, die had nu Achttien kudden beesten daar ter stede, 26135 En in elke kudde zo was mede Een leeuwtje, die ze begeleide daar. Toen werd de strijd zo groot daarnaar Onder hen, dat het leek haar alzo, Dat ze niet zo’n grote strijd zag toen; 26140 Maar op het einde waren achter gedaan Dus de gekroonde leeuwen beesten, zonder waan; En toen had die leeuw angst groot Zijn weide te verliezen al bloot. En alle tijd, dat ze vochten alzo, 26145 Dacht de vrouw, dat kwam daartoe Uit haar doen een grote luipaard, En ging door een vallei ter vaart; Toen dacht ze, dat haar benam Een nevel, zodat ze niet wist waar hij kwam, 26150 En toen ze hem verloor, keerde ze toen Weer tot de beesten, die vochten immer toe, En ze dacht, dat de gekroonde leeuw daar Het te kwaad had; toen zag ze daarnaar Een luipaard uit het wilde woud komen, 291 26155 En ging de slag zien en begaan. Toen hij zag dat de gekroonde leeuw zo Te kwaad had, toen ging hij naar hem toe Helpen, en liep op de ander ter plaatse En dreef hem achterwaarts mede 26160 Zo fier, dat hij niet sinds ter stonde De andere leeuw beschadigen kon; En toen de ongekroonde leeuw zag, Dat hij niet overwinnen mag Zolang als de luipaard tegen hem was, 26165 Toen deed hij de raad gelijk na dat, Zodat hij de luipaard met hem had daar; Toen ging hij weer strijden daarnaar, En deed de gekroonde leeuw ten achter zo En toen hij geheel ten achter was, toen 26170 Liet de luipaard de ongekroonde leeuw daar De ander te voet vallen daarnaar, En hem om genade bidden ter plaatse. Toen werd de vrede gemaakt daarmee Tussen beide leeuwen, dat weet, 26175 Die hun hele leven duurde mee. Toen zag die vrouw naar de luipaard meteen, En ze dacht dat was die uit haar dijen Kwam, zodat hij dezelfde was; Dus lag ze de hele nacht daar 26180 In deze droom tot het dag was; Toen ze opsprong, zegende ze zich na dat, En zei de koning de droom na deze, Die zei dat zou niets ergs wezen. Toen het dag was, stonden ze op daar, 26185 En gingen beide te mis daarnaar; Toen bad koning Ban ter plaatse Onze Heer met grote innigheid, Dat Hij hem geven zou de dood; Dat hij dus begeerde was al bloot, 26190 Hij was een erg godvruchtig man; Zolang riep hij Onze Heer aan En op zo veel tijd ook mede, Zodat hij op een nacht in een plaats In zijn slaap hoorde roepen dit woord 26195 Een stem: “uw gebed is gehoord”, En ook zei ze hem, dat hij zondigen zou In overspel, maar ze zei hem te houden, Dat hij zich daarvan niet zou ontzien. Toen hoorde hij in de droom na dien 26200 Die stem zo vreselijk krijsen daarnaar, Zodat hij zo zeer verschrikte daar, Zodat hij van het bed bijna was Gevallen, en zijn vrouw, zij het zeker dat, Want hij greep haar in de arm toen 26205 En ze schrok daarvan zo, Zodat ze lang lag eer ze sprak een woord. Toen het dag was kwam de koning voort, En sprak zijn biecht en ging daarnaar Mis horen, en ontving aldaar 26210 Gods lichaam, en altijd na deze Alle acht dagen wilde hij gebiecht wezen, En ontving Onze Heers lichaam mee; En koning Bohort, dat weet, Deed ook desgelijks nu, 26215 Want hij was een goede man, zeg ik u. Aldus bleef koning Arthur zekerlijk Een maand in het land van Bonewick, En liet Claudas land geheel verwoesten daar En arm maken, zodat daarnaar 26220 Claudas in lange tijd niet herstellen kon; Maar sinds ook over menige stonde Kwam hij met Pontes en Anthonys weer En met de koning van Gaules zeer, En bedierf geheel koning Ban’s land, 26225 En won hem dat af geleidelijk aan, Zoals u dit boek hierna wel zal Vertellen de strijd, groot en smal. Nu is gekomen voort koning Ban, En sprak Merlijn aldus nu aan, 26230 Als van zijn droom ter plaatse, Dat hij droomde en zijn vrouw mede, En bad hem, dat hij het hem wilde openbaren: “Ach, lieve Merlijn, kan ge iets vinden”, Sprak koning Arthur, “dus bid ik u, 26235 Wat ze beiden gedroomd hebben nu?” “Ja ik, heer!” zei Merlijn ter plaatse, En toen begon hij te zeggen nadat Hun beider droom, van woord tot woord; En toen koning Ban dit hoorde, 26240 Zei hij, dat het alles alzo was. Dus verwonderde koning Arthur zich na das En heer Gawein uitermate zeer nu, 292 En dachten daar lang op, zeg ik u. Toen sprak koning Arthur tot Merlijn: 26245 “Lieve vriend, ge hebt ons in schijn Deze droom hier alzo gezegd, Dat ze beide belijden de waarheid, Nu zeg het ons wat ze betekenen nu, Want wij het graag wisten van u”. 26250 Merlijn zei: “ik zal u dus zeggen een deel Maar niet zeg ik dus u het geheel; Heer koning Ban ik zeg het u voorwaar, Dat de leeuw, die niet gekroond was daar, Is een prins, die erg rijk is 26255 Van goed, van vrienden, zij het zeker dts, En zal met kracht winnen dan Negen en twintig koninkrijken, en voortaan Zal hij ze in zijn gezelschap laten komen; En de gekroonde leeuw, heb ik vernomen, 26260 Betekent een koning machtig en rijk, En zal onder hem hebben zekerlijk Achttien koningen, die zijn man zullen zijn En die vierhonderd vaarzen fijn Betekenen vierhonderd ridders mede, 26265 Die alle, bij hun zekerheid En bij trouw, elkaar tot de dood Helpen zullen in alle nood; En de prins, daar ik tevoren van zei, Zal op de andere komen zonder wachten 26270 Om hem zijn land af te winnen daar; Maar hij zal zich verweren daarnaar; En als de prins ten onder heeft gedaan De koning, zo zal daar komen gelijk Een ridder, die onbekend zal wezen 26275 En zal de koning helpen na deze, Zodat die prins zich niet zal schofferen; En de ridder betekent in alle manieren De luipaard die fier is, en alzo zal Die ridder fier zijn bovenal; 26280 En bij de ridders zal vrede zijn daarnaar Gemaakt worden, weet voorwaar, Van de twee prinsen daar ter plaatse, En die vrede zal blijven hun leven mede. Nu weet ge deze droom al bloot; 26285 En ik moet nu gaan, want ik dus nodig Heb, ook ben ik te lang hier nu Ik heb anders waart te doen, zeg ik u”. Toen vroeg hem Arthur daarnaar Of hij hem dat iets beter zou verklaren? 26290 Hij zei, neen hij. Toen scheidde hij van daar Van de drie koningen en voer daarnaar Tot zijn vriendin, want ge mag het horen, Dat hij haar dat beloofd had hiervoor Op Sint Jans dag te komen daarnaar. 26295 Aldus is hij gekomen tot haar, Die hem blijde ontving alzo En leidde hem in haar kamer toen, Zodat dus niemand het wist. Toen vroeg zij Erg vele dingen, daar ze bij 26300 Leerde menige mooie kunst ter plaatse; Want hij beminde haar zo zeer mede, Zodat hij verwoedde meende om haar; En toen ze dat dus werd gewaar, Bad ze hem, dat hij haar leren wilde, 26305 Hoe ze een man laten slapen zou; En Merlijn wist haar gedachte wel daar, En vroeg wat ze daarmee wilde daarnaar; Ze zei: “omdat ik Dyonase, mijn vader, En mijn moeder, beide tezamen, 26310 Wil laten slapen, zodat ze daarbij Van u niets wisten of van mij, Als ik wil tegen u spreken iets; En weet wel, ze lieten me leven niet, Wisten ze dat ik spreek tegen u”. 26315 Zolang bad ze hem, na en nu, Dat het eens gebeurde, dat ze daarnaar In een boomgaard gegaan waren Op een fontein; daar liet zij hem toen Op haar schoot liggen alzo, 26320 En liefkoosde, en bad hem te leren daar Man en vrouw te laten slapen daarnaar. Hij wist haar gedachte wel, nochtans Zo leerde hij het haar, en voortaan Leerde hij haar drie namen mede, 26325 Zodat geen man mocht in enige plaats Met haar te doen hebben daarnaar Zolang als ze het droeg bij haar. En van die dag voort toen, Bereidde ze Merlijn altijd alzo 293 26330 Dat hij met haar mocht niet Doen dat man met vrouw pleegt, En hierom zegt men, dat de vrouw daaraan Een kunst meer dan de duivel kan. Dus bleef Merlijn daar acht dagen, 26335 Maar men vind in geen sage, Dat hij ooit dorpsheid zocht aan haar Nog aan een andere vrouw daarnaar, Maar ze ontzag haar van hem alzo; Hij leerde haar alles dat ze wilde toen, 26340 En ze beschreef dat alles; en daarnaar Nam hij verlof en scheidde van haar, En voer daar koning Arthur was Te Bonewick, die erg blijde is dat. En binnen deze was Gawein gezonden 26345 In Claudas land, dat hij verbrand Heeft en verwoest, zonder waan; Maar Claudas durfde dat niet te weerstaan En Pontes en Frolles en Randoen Deze waren thuis waart gevlogen, 26350 En ze zwoeren onderweg daaraan, Dat ze nimmermeer beminden koning Ban Nog koning Bohort ook mede; En alzo vroeg als zeplaats Konden krijgen en moeten, 26355 Ze zouden het hen dus belonen hard. En Gawein en zijn gezellen mede Zijn nu weg gevaren, ter plaatse, Uit Claudas land te Bonewick waart Dapper en ongespaard, 26360 Die nu arm bleef en mat En lange tijd was nadat; Maar hij herstelde sinds, zoals u al Dit boek hierna wel zeggen zal, Dat dus nu zwijgt, en zegt ter plaatse 26365 Van Gawein en van Merlijn mede. |
Van Merlyne ende van Grisandoles, ende van den Keyser van Rome. Daventure vertelt hier te hant, Doe Gawyn verwoest hadde Claudas lant, Ende hi weder ten drie koningen quam, Dat hi Merlyne doen oec vernam, 26370 Die van siner vriendinnen quam mede; Ende doe si sagen die grote rychede, Die Gawyn brachte wt Claudas lande, Haddensi des blyscap menegerhande. Ende doe dese dinc al was gedaen, 26375 Doe bat die koninck Bohort saen Den koninck Artur ende hem allen nades, Met hem te vaerne tote Gannes, Datsi alle daden, sonder waen; Daer hevet hi hem grote ere gedaen. 26380 Dus warensi drie dage daer Met groter feesten, wet vorwaer. Van daer voerensi te Roetselewaert, Daer si doe scepeden metter vaert, Ende Merlijn nam ierst te rade daer nu 26385 Die drie koninge ende Gawine, secgic iu, Ende zeide den koninck Artur daer, Dat hi in dat lant van Carmelide vaer So hi aller iersten kan, Ende neme met hem vierdusent man, 26390 “Die beste te wapene, die gy hebbet nu”. “Ja, Merlijn”, zeide hi, “en sal ic niet iu Met my hebben te bruetlocht daer?” Merlyn zeide: “ja gy, maer wet vorwaer, Ic moet nu varen ombe oerbaer saen, 26395 Mer wet nu wael, al sonder waen, Dat ic daer scire sal sijn tot iu”. Dus sciet hi van den koningen nu Ende voer in den foreest van Romen mettien, Dat groet ende wilt es, horewy lyen. 26400 Ende tien tyden was een keyser met, Die een wijf hadde, dat wet, Wael geboren ende si was Die luxurioseste, sijt seker das, Die men wiste in enech lant, 26405 Ende si hadde ene dochter, sij iu bekant, Van den keyser, horen man, Entie sere scone was; ende voertan Hielt die vrouwe twaelf joncheren daer In vrouwen clederen, wet vorwaer, 26410 Die by haer lagen tot allen tyden Als die keyser niet en was by haerre syden; Ende wan haer dochte, dat hem soude Baert wassen, dade si also houde Met kalke ende met oprimente bede 26415 Ende in orine gesoden mede, Dit dade si hem striken an den baert, Dat hi hem niet wassen soude ter vaert, 294 Ende si dade hem lanc haer houden Ende dat gevlochten ende gevouden, 26420 Gelijc dat joncfrouwen plegen openbaer, Ende sloyende cleder, wet vorwaer, Ende met hovet cledren gewonden; Dus gingensi met haer tien stonden Ende waren lange dus met haer, 26425 Dat men se niet [en] kende; daernaer Geviel, dat ene joncfrouwe te hove quam Enes Prinsen dochter, als ic vernam, Des Hertogen dochter van Almanien met, Ende was Avengnable geheten, dat wet, 26430 Ende Frolles haddese verdreven alsoe, Ende si quam als een knape te hove doe Van allen sticken, ende si was Groet ende lanc, ende si wart nadas Metten keyser onthouden vorwaer 26435 Vor enen sciltknape lange daernaer, Ende si diende hem so wale, secgic iu, Dat hi se makede meester nu Van sijnre herberge, ende haddese daernaer So lief, dat hi se ridder makede daer 26440 Ende dadese metten andren batselieren, Dier twehondert was; daerna sciere Wart si drossate van den lande nades Ende dade haer heten Grisandoles, Maer haer gerechte name was mede 26445 Avengnable. Nu geviel ter stede, Dat den keiser op ener nacht doe Een droem quam in slape toe, Dat hi ene grote soch sach gaen In zijn palas, die so groet wart saen, 26450 Dat hi nie des gelijkes en sach, Ende haer borstle dochte hem, daer hi lach, So lanc datsi haer sloyden neder; Si hadde op dat hovet, dochte hem weder, Ene goudene krone, ende hem dochte mede 26455 Dat hi se anderwerf gesien hadde ter stede Ende haer gevoet, maer hi en dorstet secgen niet, Datsi al te male sijn waer iet. Doe sach hi dat twaelf wolve quamen Wt siner kameren, ende gingen tsamen 26460 Al, dene vor dander naer, Metter soch licgen; doe vragede daer Die keyser wat men metter soch sal doen, Die daer der wolve so hadde geploen? Doe seide men, datsi niet waerdich [en] waer 26465 Te wanderne onder den lieden, maer Dat van haer komet [en] sal men niet Eten, ende verrechten se, als mense siet, Te bernen, entie wolve mede; Doe wordensi alle verbrant ter stede 26470 Tenen hope. Dit dochte hem daer, Ende doe ontspranc die keyser daernaer, Maer niet en woude hi dat secgen nadat Sinen wive in negener stat. Des morgens ginc hi messe horen, 26475 Ende als hi quam weder vant hi daer voren In sijn pallas sine hogeste baroen, Ende men ginc die tafele lecgen doen Ende gingen eten, entie keyser sat In ener herde groter gedochte nadat, 26480 Entie barone merkedent gereet, Ende was hem allen herde leet, Maer si swegen des al stille, wet vorwaer. Nu hoert van Merline hiernaer, Die alle dese dinc van den drome 26485 Wiste: hi quam vor die stat van Rome, Ende makede van hem selven daer Enen den meesten hert, wet vorwaer, Dien men oit sach, ende voert stoet An sijn rechtebeen een wit voet, 26490 Ende op sijn hovet vijf tacken mede Herde groet, ende liep in die stede Te Rome ochtene hadde geiaget Al die werlt, dus quam hi versaget; Ende doene die liede sagen komen daer, 26495 Wart een groet gerochte daernaer; Daer liepen hem na groet ende clene Ende iagedene met staven gemene So lange, dat hi quam gelopen nadat Daer die keyser sat ende at; 26500 Ende doe die dienres dat gerochte horden, Ende van den herte geware worden Liepensi wt na hem aldaer; Doe liep die hert in die sael daernaer, Ende spranc op die tafle, daer die keyser sat, 26505 Ende storte den dranc ende spise ter stat; Ende als hi genoech hadde gewesen daer 295 Spranc hi af ende ginc daernaer Vor den keyser ende knielde nu, Ende zeide: “keyser, waerombe denkestu? 26510 Dat es ombe niet, dune vindes nieman, Die dinen droem dy gedieden kan Vordat dy die wilde man Dieden sal”. Doe ginc hi van dan, Maer men sloet alle die doren toe 26515 Entie venster mede alsoe. Doe dit dhert sach, sprac hi die woert Die te sulken dingen behoert, Entie doren entie venster mede Vlogen alle op daer ter stede, 26520 So vreeslyc, datsi alle breken; Ende hi spranc wt na desen teken, Ende vloe weder dor die stat, Ende si begondene te iagene nadat, Ende hi liep weder wter stede daernaer; 26525 Doe verloren sine ende en wisten waer, Ende doe keerden die liede weder saen. Doe dit die keyser wiste, sonder waen, Dat hem dhert ontlopen was, Was di des onvro, sijt seker das, 26530 Ende dade kreieren overal daernaer: Die den hert vinge, hi soude hem daer Sine dochter geven te wive daeran, Opdat hi waer een edelman, Ende half sijn goet, ende na sijnre doet 26535 Soude hijt algader hebben bloet. Doe voer daer menech edel ioncheer Den hert met spieten soecken seer; Maer dat was al arbeit verloren, Dhert en quam hem nember te voren; 26540 Si keerden weder som daernaer, Maer wie dat keerde, wet vorwaer, Grisandoles en keerde niet weder; Hi voer in den foreest voert ende weder Achte dagen; ende na geviel dat hy 26545 Gebeet was, ende hi viel daerby In sijn gebede, ende bat onsen Here daer Dat hi moeste vinden daernaer Dat hi sochte. Doe quam daer saen Dieselve herte, dien si sagen gaen 26550 Te Rome, ende zeide: “Avengnable, Dattu iages dat es grote fable, Du en machs volbringen niet dijn eesch, Maer voer thuys ende breng verkenvleesch Metten peper, ende melk ende honech met, 26555 Ende broet, ende al heet, dat wet, Ende bringet vier gesellen met iu, Ende enen knecht mede nu, Die dese spise gereden kan; Ende dit bringet in desen wout voertan, 26560 Ende soecket hierin die wildeste stat, Die gy vinden moget, ende nadat Salstu dine tafle daer maken scier Ende dine spise setten by enen vier, Daer sal die wilde man komen nadien, 26565 Ende gy en sult iu niet ontsien”. Ende doe liep dhert enwech nades, Entes wonderde sere Grisandoles, Ende sat op sijn paert aldaer, Ende dachte ombe den hert daernaer, 26570 Ende meende dat dat een geest es, Ombedat hine noemde, sijt seker des Met horen namen, daer si mede was Kersten gedaen lange vor das. Doe reet Grisandoles in een dorp daerby, 26575 Ende nam dat hem behoevende sy, Ende vier gesellen, ende es wederkomen In den foreest, daer hi hevet vernomen Onder ene eyke ene woeste stat; Daer bereidensi haer spise nadat 26580 Ende rechten ene tafele herde saen, Gelijc hem dhert dade verstaen; Doe gingensi hem bergen al daernaer, Ende Merlijn, die dit wiste vorwaer, Quam daer gelopen als een wilt man, 26585 Met enen stocke alombe slaende dan Anden enen boem enten andren mede, Dus quam hi ten vierewaert daer ter stede, Entie knecht, die tvleesch briet daer, Vervaerde hem vreeslyc daernaer; 26590 Entie wilde man began hem nu By den viere te krawene, secgic iu; Daerna nam hi dat vleesch gereet, Ocht hi verwoedet waer, God weet, Ende attet al te male alsoe; 26595 Doe nam hi dat honech ende warm broet daertoe Ende at hem daer so vol over een, Dat hi daeraf geswollen sceen; Doe ginc hi licgen by den viere 296 Hem wermen, ende ontsliep sciere; 26600 Ende alse Grisandoles sach, Dat hi daer ontslapen lach, Ginc hi daer ende sine gesellen mede Ende bondene met ener ketenen ter stede Ende an enen haren sele vorwaer. 26605 Doe ontspranc hi sciere daernaer Ende meende op sijn gestaen Ende sinen stock genemen saen, Maer hi en konde; doe gebeerde hi daer Alsocht hi al verwoedet waer; 26610 Doe namen sine ende settene op een paert Ende bondene an dat gereide ter vaert, Ende diegene sat achter hem dordas, Die an hem gebonden was, En hielten in dat middel mede; 26615 Doe sach die wilde man daer ter stede Op Grisandolese, ende loech daernaer, Ende Grisandoles vragedem hemelyc daer, Waerombe hi loech ende om ander dinge, Maer hi en zeide hem negene sonderlinge. 26620 Dan hi zeide: “verwisselde ende hoversce Gefenijnde, stinckende, ende bedriegersce Verlochende dijns namen, ic en sal dy Niet secgen vordat ic den Keyser kome by, Daer gy my voeret”. Doe sweechi daer 26625 Ende en sprac een woert niet daernaer; Des wonderde Grisandoles sere nu Ende voerdene alsoe, dat secgic iu, So lange datsi vor een cloester quamen, Daer vele armer liede saten tsamen, 26630 Die gerne broet hadden genomen. Als si vor die poerte sijn komen, Doe loech op hem die wilde man; Doe sprac hem echt Grisandoles an, Waerombe hi loech; doe zeide hi daer 26635 “Beelde gepareet, wet vorwaer, Wt uwer figuer en berecht ic niet iu Vordat wy vor den Keyser komen nu”. Doe sweech Grisandoles ter steden, Ende sijn also voert gereden 26640 Vor ene capelle, daer men messe las, Ende Grisandoles beete nadas Ende sine gesellen ende gingen messe horen; Daer vondensi enen ridder ende sinen knape voren, Die quam besien den wilden man, 26645 Die vaste gebonden was voertan; Des hadde hem wonder, wat dit was. Entes ridders knape gaf doe nadas Sinen heren enen slach daernaer, Des hem die knape, wet vorwaer, 26650 Scaemde doen hijt hadde gedaen; Maer sine scaemte was hem thant vergaen Tierst dat hi wederquam in sine stat, Daer hi themwaert wtginc vordat; Entie ridder en dade geen dinc daertoe 26655 Entie wilde man loech sere doe; Ende niet lange daerna quam noch mede Die knape, ende gaf echt ter stede Sinen heer ene buffe, ende daernaer Loech echt die wilde man vorwaer; 26660 Des was die ridder verscamet seer, Entie knape en achtes min no meer, Als hi in siner stat weder was; Derdewerf quam die knape nadas Ende gaf sinen heren ene buffe daernaer. 26665 Binnen dien was die messe gesongen daer Ende Grisandoles es uter kerken gegaen, Entie ridder vragede hem saen, Met wien hi es ende wie dat waer Dien hi gebonden hadde also daer? 26670 Hi zeide, hi waer metten Keyser nu, “Entesen wilden man voeric, secgic iu, Toten keyser, ombedat hi hem sal Enen droem bedieden al; Nu secht my lieve here, waerombe dat iu 26675 Iu knape drie buffen hier sloech nu, Ende dat gy daer niet toe en daet”? Die ridder zeide: “hoe dat gaet Gy sultet weten”. Doe riep hi mede Sinen knape aldaer ter stede, 26680 Ende vragedem waerombe hine sloech daer? Die knape zeide: “ic woude ic waer Verdronken, ende ic des niet hadde daen”. “Ende saltu my noch iet gerne slaen?” “Neen here, ombe negeen goet”. 26685 Des hadde Grisandoles wonder groet. Doe zeide die ridder, hi woude medevaren Te hove ombe dwonder te horen, twaren, Dat die wilde man sal seggen daer. 297 Doe voerensi tsamen, ende daernaer 26690 Vragedem Grisandoles waerombe hi loech Doe die knape sinen here sloech? “Swijch”, zeide hi, “beelde gepareert Bedriegenesse, daer menech es by verseert Ende doet bleven, ende sceres snider mede, 26695 Die scerper es dan iet ter stede, En vrage my niet, vor dat wy Vor den Keyser komen, ic ende gy”. Doe Grisandoles hoerde dese woert, En dorste hi hem niet vragen voert; 26700 Dus redensi so lange te samen Datsi te Rome in die stat quamen; Daer liep dat volc al wt mettien Ombedatsi den wilden man wouden sien; Ende Grisandoles brachtene den Keiser daer 26705 Ende zeide: “here, hier gevic iu openbaer Enen wilden man, ende houten voertmeer, Want hi es mi suer worden seer Eer icken gekreech, dat secgic iu”. Die Keiser zeide, hi soudet hem lonen nu, 26710 “Enten wilden man sal ic dat lonen daerby Opdat hi oec bliven wille met my”. “Ja ic”, zeide doe die wilde man. “Ende hoe mach ic des geloven dan”, Zeide die keyser, “dat du met my 26715 Hier wils bliven?” - “Ic secget dy”, Sprac die wilde man, “ic salt nu By mijnre Kersthede sweren iu”. “Ja, bistu Kersten?” sprac die Keyser saen; “Ja ic”, zeide hi, “sonder waen; 26720 Maer een wilt man wan my vor das, Daer myne moeder verdoelt was In dat wout van Broceliane; Daer quam haer een wilt man ane Ende lach by haer ende wan my daer, 26725 Ende daerna onstal sy hem vorwaer Ende quam weder te lande nadas; Ende doe si van my bleven was, Dade sy my kersten doen na dien; Ende doen ic groet was ginc ic spien 26730 Hoe ic comen mochte in den wout, Want myne natuer droech my menechfout Na mynen vader; dus liep ic dan In den wout oec als een wilt man By der naturen die ic ontfinc an hem; 26735 Nu hebdy gehoert hoe ic Kersten bem”. Die Keyser zeide: “ic sal ontbinden iu, Wildy my hier geloven nu, Dat gy my niet en sult ontgaen”. Ende hi gelovedet den Keyser by trouwen saen. 26740 Doe zeide Grisandoles den Keyser daer Alle die dinc, van voer van naer, Die den wilden waren gesciet ter stede. Die Keyser vragedem om sine dinge mede Ende ombe ander, die hi soude weten geerne 26745 Merlijn zeide: “ic en denkes iu niet te weerne. Maer ontbiedet hier al uwe baroene, My en staet des anders niet te doene, Ende vor hem allen sal ic iu maken bekant Iuwen droem ende ander dinc te hant”. 26750 Doe ontboet die Keyser sine baroene, Dier daer menech quam te dien doene, Ende doe si alle vergadert waren, Doe vragedensi den Keyser daernare, Waerombe hise hadde ontboden nu? 26755 “By Gode, gy heren, ic secget iu: My hevet gedromet vremde dinge, Entie soude my dieden sonderlinge Dese wilde man, die hier staet nu; Nu en willic des niet doen sonder iu 26760 Ende wil, dat gy alle hoert toe, Ende hierombe heb ic iu ontboden alsoe”. Doe zeide die Keyser ten wilden saen: “Wildy my iet laten verstaen Van mynen doene, des biddic iu”. 26765 “Ja ic”, zeide die wilde man nu, “Doet die koninginne komen ter stede Ende al haer joncfrouwen mede”. Doe dade mense alle komen daer, Doe zeide Merlijn saen daernaer: 26770 “Heer Keyser, gy moet geloven my Vor alle iu barone hierby, Dat gy my vry wilt houden nu Ende quite laten gaen van iu, Ic sal iuwen droem ontbinden dan”. 26775 Doe gelovede hijt hem vor alle sine man. 298 Doe zeide die wilde man: “here, by trouwen, Gy laget hiervor by uwer vrouwen Ende iu droemde, dat gy saget daer Ene soch met borstelen daernaer, 26780 Ende hadde op dat hovet enen goudenen rinc”; Ende zeide also voert al die dinc, Gelijc gy hoerdet hier te voren. Doe hi dat gesecht hadde al dorentore, Zeide hi: “heer Keyser, wat dunket iu, 26785 Hebbic my iet mesgrepen nu?” “Neen gy, een woert niet”, zeide hi doen. “Here!” zeiden doe die baroen, “Sint dat hi dit so wel hevet geseit, So sal hi iu secgen die waerheit, 26790 Wat die droem bedieden kan”. “Sekerlike”, zeide doe die wilde man, “Ic salt iu so ontbinden nadien, Dat gijt metten ogen sult sien”. “Nu secht dan”, zeide die Keyser doe. 26795 “Gerne, heer”, zeide hi, “nu hoert hier toe: Die soch, die gy saget ten beginne, Dat es iu wijf, die Keyserinne, Entie borstele bedieden ter stede Haer lange sloiende cleder mede, 26800 Entie rinc, dien sy hadde op dat hovet, Bediedet iuwes wives krone, des gelovet Ende waert iu wille, ic swege hiermede”. Die Keyser zeide: “quitet iu ter stede Tende uwer sekerhede”. Doe zeide hi voert. 26805 “Die twaelf wolve, here, nu hoert, Die gy wt uwer kameren saget komen, Sijn dese twaelf joncfrouwen, hebbic vernomen, Die iu vrouwe onthout hier nu; Maer si en sijn geen joncferen secgic iu, 26810 Tsijn alle man; nu doetse dan Ontkleden, so wety die waerheit daeran; Ende wetet wel: als gy hier niet en sijt, So licgensi by haer taller tijt; Nu hebdy uwen droem gehoert”. 26815 Die Keyser en konde gespreken een woert, So was hi tonvreden ombe das, Dat hem sijn wijf so ongetrouwe was. Doe sprac die Keyser te Grisandelise: “Ontcledet my dese in alre wyse, 26820 Ic wil, dat myne barone sien”. Entie drossate dadet mettien, Ende doe si ontcledet sijn daernare, Sach men datsi alle man waren; Des wonderden alle sere daer. 26825 Doe vragede die Keyser daernaer Gemeenlyc alle die baroene, Wat hem daermede stonde te doene, Ende si berieden hem lange omdat; In tlest droegen si overeen ter stat 26830 Dat mense bernen soude openbare Omdatsi horen here ontrouwe waren, “By desen hebben sijs verdient wel; Daerna en dade die Keyser niet el, Dan hi hiet dat vier maken gaen 26835 In mydden der plaetse. Men dadet saen, Ende hi dade die Keyserinne daernaer Haer hande binden ende werpen daer In dat vier, ende al dander mede, Ende dadese daer verbernen ter stede 26840 In mydden den hof na die sake. Aldus so nam die keyser wrake Over sijn wijf ende dander met. Doe wart die niemaer groet, dat wet, Over al in dat lant van desen dingen; 26845 Daer prijsde menech sonderlinge Den wilden man, ende zeiden aldaer, Dat hi een groet waersager waer. Daerna bat hem die Keyser vry, Dat hi hem secgen woude, waerby 26850 Dat hi loech so sere gereet, Doe hi vor die abdye leet, Ende vor die capelle, daer hi oec loech, Daer die knape sinen here sloech, Ende oec loech hi doe die Keyserinne 26855 Quam gegaen ter salen inne, “Waerombe dit was, des biddic iu, Dat gy my dat ontbindet nu”. Doe zeide Merlijn: “van desen saken, Here, so sal ic iu vroet maken: 26860 Dat ierste, dat ic loech, here, dat was Ombedat my een wijf vinc, sijt seker das, Met hoerre list, met hoerre kracht, Endet allen mannen daer ontvacht; Ende wet wel, dat dese Grisandoles 299 26865 Een dat scoenste wijf es Van allen uwen lande, ende es nu Een reine maget, dat secgic iu. Ende vor dabdye loech ic mede Ombedat die meeste scat daer ter stede 26870 Licget vor der poerten ende daerop saten Diegene die baden der karitaten, Ende ombedat meer onder horen voeten lach Goedes, dan op desen dach Dabdye al te male waert es. 26875 Ende Grisandoles, sijt gewes, Die Avengnable hetet met trouwen, Na den name van ener joncfrouwen, Si vragede my mede wes ic loech, Ende ic antworde haer bedectlike genoech, 26880 Ende liet haer verstaen ter stede, Hoe si haer verwisselt hadde mede Tenen manne, wantsi een wijf was; Des versprac icse hemeleke dor das, Ende al die woert, die ic haer zeide, 26885 Sijn waer; want na der waerhede Es by wyven bedrogen menech man, Ende menege stat verloren voertan, Ende menech lant gedestrueert; Maer ic en secget niet ombdat my deert 26890 Enege dinc an haer, ochte dat es Enege quaetheit an haer, sijt seker des; Ende gy selve moget dat wel merken nu, Dat menech by wyven es, secgic iu, Gehoent; maer en roeket iu niet 26895 Van uwen wive, al es dit gesciet, Si haddes wel verdient, ende om die sake En doet op ander wyve negene wrake, Want die wijf sijn dunne gesayet dan, Si en sijn iet gemascert an enegen man; 26900 Ende embermeer also lange staet Die werlt ende oec vorwaert gaet, Sal si ergeren ie lanc so meer, Ende dat sal sijn van sonden, als ic zeide eer, Die van luxurien komet mede, 26905 Want dat wijf hevet ene sede: Al hevet si den besten man die es In der werlt, so meentsi dor des Den quadesten hebben, die es mede; Dit komet al van haerre broeschede 26910 Die in hem es; maer om dit en sijt Optie wijf [niet] verbolgen nu ter tijt, Want men sal noch genoech vinden met In der werlt getrouwe, dat wet, Ende al zijdy bedrogen in ene nu, 26915 Gy sult noch sulke vinden, secgic iu, Die wel waert sal sijn oec mede Keyserinne te sijne in deser stede, Ende wildy hier geloven voertan, Gy sult daeran winnen mogen dan. 26920 Ene prophecie secht nu, sonder liegen, Dat die grote drake sal vliegen Wt Rome, ende sal winnen ter stede Dat konincrike van Bertanien destrueren mede Ende trecken tsiner heerscap, dat wet, 26925 Ondankes der tortelduven met, Diene onder haren vlogelen gevoedet heeft al; Ende also vro alse die drake trecken sal, Ombe te vaerne op dat grote Bertanien daer, So sal hem tegen komen daernaer 26930 Een lewe ende tegen hem vechten alsoe, Dat daer een fier varre komet toe Ende overmoedich, dien die lewe aldaer Brocht hevet, die den drake daernaer Doet sal steken met sinen hoerne; 26935 Daerby sal die lewe van sinen toerne Delivereert werden; maer ic en sal iu Niet seggen wat dat bediedet nu, Dat ic iu gesecht hebbe mede, Want ic en ben des niet sculdech ter stede 26940 Tontbindene; maer dat sal gescien By uwen tyden; nu hoedet van dien Ende van quaden rade, want des vele An iu sal gaen van desen spele. Ende voert dat lachen, dat ic dede 26945 Vor der capellen, en was niet mede Ombe die buffe, die die knape gaf Sinen heren, maer dat was daeraf Dat des knapen voet, sonder waen, Als hi die buffe gaf, ginc weder staen 26950 Op enen groten scat, ende ombe die dinc En achte hi des niet alse hi daerop ginc; Want die buffe betekent overmoedechede, Ende ombedat men by groter rychede Alles dinges vergetet ende nieman en kent 26955 Ja, ombe God en gevet men twent 300 Noch ombe sine moeder niet te mere Dan die knape dade om sinen here; Ende rijcheit maket die liede loes Ende ongetrouwe mede altoes, 26960 Ende als hem iet gesciet met ongevalle Versweert hi Gode ende sine Helegen alle. Ende secht dat Hi des ondanc hebben moet Van dien dat Hi hem doet, Ende dit doet die overmoet in scijn 26965 Ombedatsi in dat goet gewortelt sijn. Dander buffe, daer ic om loech ter stede, Bediedet die rike persemer mede, Die hem badet in sijn goet ter uren Ende gaet scernen op sine geburen, 26970 Ende hi leent gelt om wederloen Ende wacht ende beit, dat es sijn doen, So lange dat hine mach gevaen, Ende als hine gevangen hevet, sonder waen, Wil hi, dat sine hebben ter vaert, 26975 Dan gevet hem diegene dat hi begaert. Die derde buffe, in allen manieren, Betekenen die valsche pleidieren, Die haer geburen verkopen mede Van nide, ombedat si, in elker stede, 26980 Hem wel proeven ende niewer af ontsien; Ende als die pleidiers weten van dien, So soeckensi valsce dinge dan, Die si hen mogen tyen an, Ende gaense bedingen, ombedat sy 26985 Van den horen willen hebben daerby; Daerombe secht men: een quaet gebuer Maket sinen ombesaten haer leven suer. Nu wety van den buffen, twaren, Waerombe datsi gegeven waren; 26990 Maer God, die weet alle dinge, Hi liet dit gescien sonderlinge, Ombedat hi woude dat die mensce nu Ombe dese dinge merkede, secgic iu, Ende als hi ansage openbaer 26995 Dusdane dinge, dat hi daernaer Hem oetmoedigen soude daer ave, Want rijchede ende grote have En es niet dan der sielen doet, Want dat bringetse in des Duvels scoet. 27000 Ende wety waerombe ic loech mede Doe die Keyserinne quam hier ter stede Met twaelf ribauden, secgic iu? Dat ic doe loech, was anders niet nu, Dan ombe haer sonden, ende haer tonwaerden mede, 27005 Ombedatsi enen goeden man hadde ter stede Ende si met twaelf ribauden was, Dien si haren lichaem leverde nadas, Ende si meende al hore tijt Dus hebben gelevert, des seker sijt, 27010 Dat des nieman en soude weten, lude no stille, Ende dit was my leet dor uwen wille Ende ombe iu dochter, die seker uwe es; Ende wet oec wel, datsi nades Der moeder niet slachten en sal. 27015 Nu wety mijn doen groet ende smal, Ende waerombe dat ict hebbe gedaen, Nu willic enwech varen saen”. Die Keyser zeide: “blivet noch by my, Want ic wil weten ocht dat waer sy 27020 Van Grisandolise ende van den scatte”. Entie wilde man lovede wel datte; Ende men dade Grisandoles ter stede Vor den Keyser nu ontcleden; Doe vant men daer ter waerheit das, 27025 Dattet een herde scoen wijf was. Des wonderde den Keyser herde sere; Doe vragede hi den wilden man noch mere, Wat hi doen mochte mettien, Want hi hadde hem sine dochter vor dien 27030 Gelovet te wive te gevene ter stede, Ende half sijn konincrike mede Ende na sijnre doet al, God weet, “Want ic wil verhoeden mynen eet”. Doe zeide Merlijn: “dat sal ic seggen iu 27035 Opdat gy mynen raet wilt doen nu, Ende hi en sal iu oec niet quaet wesen”. Die Keyser zeide, ja hi; ende na desen Zeide Merlijn doe: “so radic iu Dat gy Avegnablen trouwet nu 27040 Tenen wive, want sijt seker des, Datsy Mathenes dochter es Des hertogen van Salernen mede, Entie hertoge Frolles hevetse ter stede Ontervet, enten vader enten sone 27045 Entie moeder, ende ombe datgone 301 Sijn si in Provincen in ener stat Alle drie gevloen ombe dat; Nu doet se soecken ende doet hem nades Haer erve geven, dat hem genomen es 27050 Met onrechte, ende gevet den sone dan Iuwer dochter tenen wettegen man, Want hi es vrome ende scone mede”. Doe dit die barone hoerden ter stede, Gingensi te rade ende vingen an 27055 Dat hem geriet die wilde man. Die Keyser vragede doe, hoe hi hiet daer Ende wanen dhert quam daernaer: “Here, swiget des, des biddic iu!” “Zuldy ons iet meer secgen nu?” 27060 Sprac die Keyser. “Ja ic, here”, zeide hy “Van den gekroenden lewe vry Ende van den wilden drake fiere Sal ic iu secgen een ander maniere, Ombedat iu te bet gedenken sal; 27065 Dat es waer die prophecien secgen overal, Dat die grote ever van Rome, die es Betekent [by] den drake, sijt seker des, Sal tegen den kroenden leve komen daer In dat bloy Bertanien, wet vorwaer, 27070 Boven dat gebot der tortelduven mede Metten goudenen hovede, die ter stede Sal hebben geweset sine amye; Maer dever ende sine partye Sal willen so overmoedich wesen, 27075 Dat hi in Gaule sal komen na desen Vechten tegen den gekroenden lewe fijn, Die met allen sinen beesten daer sal sijn, Ende daer sal een kint des lewen saen Den ever doden, sonder waen, 27080 Ende daerombe bevele ic iu, by trouwen, Dat gy niet en doet tegen’t gebot uwer vrouwen, Welke tijt dat gy se gekroent hebbet nu; Ende en doedy des niet, dat secgic iu, Dat sal iu scaden dickewile seer; 27085 Nu gevet my oerlof, des biddic iu, heer, Want ict nu hebbe gesecht vorwaer”. Doe gaf hem die Keyser orlof daer, Ende eer die wilde man enwech ginc, Screef hi an die dore, na die dinc, 27090 Van der salen in ebreescer tale: “Ic make kont hem allen wale, Dat die wilde man was Merlijn, Die sinen droem diede den Keyser fijn; Ende oec was hi dhert mede, 27095 Dien men iagede dor die stede Entie tegen den Keyser sprac, dat wet, Ende tegen Grisandoles in den bosce met”. Doe sciet hi van daer, dat secgic iu, Ende ginc te Blasise, sinen meester, nu. 27100 Van Merline latic nu die woert, Ende secge iu van den Keyser voert. |
Van Merlijn en van Grisandoles en van de keizer van Rome. Het avontuur vertelt hier gelijk, Toen Gawein verwoest had Claudas land, En hij weer bij de drie koningen kwam, Dat hij Merlijn toen ook vernam, 26370 Die van zijn vriendin kwam mede; En toen ze zagen die grote rijkheden, Die Gawein bracht uit Claudas land, Hadden ze dus blijdschap veel. En toen deze dingen allen waren gedaan, 26375 Toen bad koning Bohort gelijk Koning Arthur en hem allen na dit, Met hem te gaan tot Gaunes, Dat ze alle deden, zonder waan; Daar heeft hij hen grote eer gedaan. 26380 Dus waren ze drie dagen daar Met grote feesten, weet voorwaar. Vandaar voeren ze te La Rochelle waart, Daar ze toen inscheepten met een vaart, En Merlijn nam eerst te rade daar nu 26385 Die drie koningen en Gawein, zeg ik u, En zei koning Arthur daar, Dat hij in dat land van Carmelide gaat Zo gauw hij kan, En neemt met hem vierduizend man, 26390 “De beste te wapens, die ge hebt nu”. “Ja, Merlijn”, zei hij, “zal ik niet u Met me hebben te bruiloft daar?” Merlijn zei: “ja gij, maar weet voorwaar, Ik moet nu gaan om nut gelijk, 26395 Maar weet nu wel, al zonder waan, Dat ik daar snel zal zijn tot u”. Dus scheidde hij van de koningen nu En voer in het bos van Rome meteen, Dat groot en wild is, horen wij belijden. 26400 En te die tijden was er een keizer mee, Die een vrouw had, dat weet, Wel geboren en ze was De weelderigste, zij het zeker dat, Die men wist in enig land, 26405 En ze had een dochter, zij u bekent, Van de keizer, haar man, En die zeer mooi was; en voortaan Hield die vrouw twaalf jonkheren daar In vrouwen klederen, weet voorwaar, 26410 Die bij haar lagen te alle tijden Als die keizer niet was bij haar zijden; En wanner ze dacht, dat bij hem zou Zijn baard groeien, liet ze hen alzo houden Met kalk en met arsenicum beide 26415 En in urine gekookt mee, Dit liet ze bij hen strijken aan de baard, Zodat ze bij hen niet zou groeien zou ter vaart, 294 En ze liet hen lang haar houden En dat gevlochten en gevouwen, 26420 Gelijk dat jonkvrouwen plegen openbaar, En slepende klederen, weet voorwaar, En met hoofdklederen gewonden; Dus gingen ze met haar te die stonden En waren lang dus met haar, 26425 Zodat men ze niet herkende; daarnaar Gebeurde, dat een jonkvrouw te hof kwam Een prinsen dochter, zoals ik vernam, De hertogs dochter van Duitsland mee, En was Avengnable genoemd, dat weet, 26430 En Frolles had haar verdreven alzo, En ze kwam als een knaap te hof toen Van alle stukken, en ze was Groot en lang, en ze werd na dat Meteen bij de keizer gehouden voorwaar 26435 Voor een schildknaap lang daarnaar, En ze diende hem zo goed, zeg ik u, Dat hij haar maakte meester nu Van zijn herberg, en had haar daarnaar Zo lief, dat hij haar ridder maakte daar 26440 En liet haar met de andere jonkheren, Daar er tweehonderd van waren; daarna schier Werd ze drost van het land na des En liet zich heten Grisandoles, Maar haar echte naam was mede 26445 Avengnable. Nu gebeurde ter stede, Dat de keizer op een nacht toen Een droom kwam in de slaap toe, Dat hij een grote zeug zag gaan In zijn paleis, die zo groot werd gelijk, 26450 Dat hij niet zijn gelijke zag, En zijn borstels dacht hij, daar hij lag, Zo lang dat ze bij haar sloegen neer; Ze had op dat hoofd, dacht hij weer, Een gouden kroon, en hij dacht mede 26455 Dat hij dat een andere keer gezien had ter plaatse En haar gevoed, maar hij durfde te zeggen niet, Dat ze helemaal de zijne was iets. Toen zag hij dat twaalf wolven kwamen Uit zijn kamer, en gingen tezamen 26460 Allen, de ene voor en de andere daarnaar, Bij de zeug liggen; toen vroeg daar De keizer wat ze met de zeug zullen doen, Die daar de wolven zo had gedaan? Toen zei men, dat ze niet waardig waar 26465 Te wandelen onder de lieden, maar Dat van haar komt zal men niet Eten, en berechten ze, als men haar ziet, Te verbranden, en de wolven mede; Toen werden ze alle verbrand ter plaatse 26470 Tot een hoop. Dit dacht hij daar, En toen sprong op de keizer daarnaar, Maar niet wilde hij dat zeggen dat Zijn vrouw in enige plaats. ‘s Morgens ging hij de mis horen, 26475 En toen hij terugkwam vond hij daarvoor In zijn paleis zijn hoogste baron, En men ging de tafels dekken doen En gingen eten, en de keizer zat In een erg grote gedachten nadat, 26480 En de baronnen merkten het gereed, En het was hem allen erg leed, Maar ze zwegen dus alle stil, weet voorwaar. Nu hoort van Merlijn hiernaar, Die alle deze dingen van de droom 26485 Wist: hij kwam voor de stad van Rome, En maakte van zichzelf daar Een van de grootste herten, weet voorwaar, Die men ooit zag, en voorts stond Aan zijn rechterbeen een witte voet, 26490 En op zijn hoofd vijf takken mede Erg groot, en liep in die stede Te Rome of hem had gejaagd De hele wereld, dus kwam hij verschrikt; En toen de lieden hem zagen komen daar, 26495 Werd het een groot lawaai daarnaar; Daar liepen hem na groot en klein En jaagden hem met staven algemeen Zo lang, zodat hij kwam gelopen nadat Daar de keizer zat en at; 26500 En toen de dienaars dat gerucht hoorden, En van het hert gewaar werden Liepen ze uit naar hem aldaar; Toen liep dat hert in de zaal daarnaar, En sprong op de tafel, daar de keizer zat, 26505 En stortte de drank en spijzen ter plaatse; En toen hij genoeg had geweest daar 295 Sprong hij er af en ging daarnaar Voor de keizer en knielde nu, En zei: “keizer, waarom denkt u? 26510 Dat is om niet, u vindt niemand, Die uw droom u uitleggen kan Voordat het u die wilde man Uitleggen zal”. Toen ging hij er vandaan, Maar men sloot alle deuren toe 26515 En de vensters mede alzo. Toen dit het hert zag, sprak hij dat woord Die tot zulke dingen behoort, En de deuren en de vensters mede Vlogen alle open daar ter plaatse, 26520 Zo vreselijk, zodat ze alle braken; En hij sprong er uit na dit teken, En vloog weer door de stad, En ze begonnen het te jagen nadat, En hij liep weer uit de stad daarnaar; 26525 Toen verloren zij hem en wisten niet waar, En toen keerden de lieden weer gelijk. Toen dit die keizer wist, zonder waan, Dat hem het hert ontlopen was, Was hij dus niet blij, zij het zeker dat, 26530 En liet verkondigen overal daarnaar: Die het hert ving, hij zou hem daar Zijn dochter geven tot vrouw daaraan, Opdat hij was een edelman, En half zijn goed, en na zijn dood 26535 Zou hij het alles hebben bloot. Toen voer daar menige edele jonkheer Het hert met spiesen te zoeken zeer; Maar dat was alle arbeid verloren, Het hert kwam hen nimmer te voren; 26540 Ze keerden weer sommige daarnaar, Maar wie er keerde, weet voorwaar, Grisandoles keerde niet weer; Hij ging in het bos voort en weer Acht dagen; en daarna gebeurde dat hij 26545 Bad, en hij viel daarbij In zijn gebed, en bad Onze Heer daar Dat hij moest vinden daarnaar Dat hij zocht. Toen kwam daar gelijk Hetzelfde hert, die ze zagen gaan 26550 Te Rome, en zei: “Avengnable, Dat u jaagt dat is grote fabel, U kan niet volbrengen uw eis, Maar ga naar huis en breng varkensvlees Met peper, en melk en honing mee, 26555 En brood, en alles heet, dat weet, En breng vier gezellen met u, En een knecht mede nu, Die deze spijs bereiden kan; En dit breng je in dit woud voortaan, 26560 En zoek hierin de wildste plaats, Die ge vinden mag, en nadat Zal u uw tafel daar maken snel En uw spijs zetten bij een vuur, Daar zal de wilde man komen nadien, 26565 En ge zal u niet ontzien”. En toen liep het hert weg na dit, En dus verwonderde zeer Grisandoles, En zat op zijn paard aldaar, En dacht om het hert daarnaar, 26570 En meende dat het een geest is, Omdat hij hem noemde, zij het zeker dit Met haar naam, daar ze mede was Christelijk gedaan lang voor dat. Toen reed Grisandoles in een dorp daarbij, 26575 En nam dat hem nodig is, En vier gezellen, en is wedergekomen In dat bos, daar hij hem heeft vernomen Onder een eik in een woeste plaats; Daar bereidden ze hun spijs nadat 26580 En richtte een tafel op erg gauw, Gelijk hem het hert liet verstaan; Toen gingen ze zich verbergen geheel daarnaar, En Merlijn, die dit wist voorwaar, Kwam daar gelopen als een wilde man, 26585 Met een stok alom slaande dan Aan de ene boom en de andere mede, Dus kwam hij tot het vuur waart daar ter plaatse, En de knecht, die het vlees bereidde daar, Verschrikte zich vreselijk daarnaar; 26590 En de wilde man begon hem nu Bij het vuur te krabben, zeg ik u; Daarna nam hij dat vlees gereed, Of hij dol was, God weet, En at het allemaal alzo; 26595 Toen nam hij de honing en warm brood daartoe En at zich daar zo vol over een, Dat hij daarvan gezwollen scheen; Toen ging hij liggen bij het vuur 296 Zich warmen, en sliep snel; 26600 En toen Grisandoles zag, Dat hij daar te slapen lag, Ging hij daar en zijn gezellen mede En bonden hem met een ketting ter plaatse En aan een harig zeil voorwaar. 26605 Toen ontsprong hij snel daarnaar En meende op te zijn gestaan En zijn stok te nemen gelijk, Maar hij kon het niet; toen gebaarde hij daar Alsof hij geheel dol waar; 26610 Toen namen ze hem en zette hem op een paard En bonden hem aan dat zadel ter vaart, En diegene zat achter hem doordat, Die aan hem gebonden was, Hield hem in de middel mede; 26615 Toen zag de wilde man daar ter plaatse Op Grisandoles, en lachte daarnaar, En Grisandoles vroeg hem heimelijk daar, Waarom hij lachte en om andere dingen, Maar hij zei hem niets bijzonderling. 26620 Dan hij zei: “verwisselde en hovaardige Venijnige, stinkende, en bedriegster Verloochen uw naam, ik zal u Niets zeggen voordat ik bij de keizer kom bij, Daar ge me heenvoert”. Toen zweeg hij daar 26625 En sprak geen woord daarnaar; Dus verwonderde Grisandoles zich zeer nu En voerde hem alzo, dat zeg ik u, Zolang zodat ze voor een klooster kwamen, Daar veel arme lieden zaten tezamen, 26630 Die graag brood hadden genomen. Toen ze voor de poort zijn gekomen, Toen lachte op hen die wilde man; Toen sprak hem echter Grisandoles aan, Waarom hij lachte; toen zei hij daar 26635 “Beeld opgemaakt, weet voorwaar, Uit uw figuur bericht ik niet u Voordat we voor de keizer komen nu”. Toen zweeg Grisandoles ter plaatse, En zijn alzo voort gereden 26640 Voor een kapel, daar men missen las, En Grisandoles bad na dat En zijn gezellen en gingen mis horen; Daar vonden ze een ridder en zijn knaap voren, Die kwamen bezien de wilde man, 26645 Die vast gebonden was voortaan; Dus had het hem verwonderd, wat dit was. En de ridders knaap gaf toen na dat Zijn heer een slag daarnaar, Dus de knaap zich, weet voorwaar, 26650 Schaamde toen hij het had gedaan; Maar zijn schaamte was hem gelijk vergaan Ten eerste dat hij weer kwam in zijn stad, Daar hij tot hem ging voordat; En de ridder deed geen ding daartoe 26655 En de wilde man lachte zeer toen; En niet lang daarna kwam nog mede Die knaap, en gaf echt ter plaatse Zijn heer een dreun, en daarnaar Lachte echt die wilde man voorwaar; 26660 Dus was de ridder beschaamd zeer, En de knaap minachtte het min of meer, Toen hij op zijn plaats weer was; Voor de derde keer kwam die knaap na dat En gaf zijn heer een dreun daarnaar. 26665 Binnen dien was de mis gezongen daar En Grisandoles is uit de kerk gegaan, En de ridder vroeg hem gelijk, Met wie hij is en wie dat waar Die hij gebonden had alzo daar? 26670 Hij zei, hij was met de keizer nu, “En deze wilde man voer ik, zeg ik u, Tot de keizer, omdat hij hem zal Een droom uitleggen al; Nu zeg me lieve heer, waarom dat u 26675 Uw knaap drie slagen hier sloeg nu, En dat ge daar niets toe deed”? De ridder zei: “hoe dat het gaat Ge zal het weten”. Toen riep hij mede Zijn knaap al daar ter plaatse, 26680 En vroeg hem waarom hij hem sloeg daar? De knaap zei: “ik wilde ik was Verdronken, en ik het dus niet had gedaan”. “En zal ge me nog iets graag slaan?” “Neen heer, om geen goed”. 26685 Dus had Grisandoles verwondering groot. Toen zei de ridder, hij wilde mee gaan Te hof om het wonder te horen, te waren, Dat die wilde man zal zeggen daar. 297 Toen voeren ze tezamen, en daarnaar 26690 Vroeg Grisandoles waarom hij lachte Toen die knaap zijn heer sloeg? “Zwijg”, zei hij, “beeld opgemaakt Bedriegster, daar menig is bij bezeerd En dood gebleven, en de scheersnijder ermee 26695 Die scherper is dan iets ter plaatse, Vraag me niet, voordat wij Voor de keizer komen, ik en gij”. Toen Grisandoles hoorde dit woord, Durfde hij hem niet te vragen voort; 26700 Dus reden ze zolang te samen Zodat ze te Rome in die stad kwamen; Daar liep dat volk al uit meteen Omdat ze de wilde man wilden zien; En Grisandoles bracht hem bij de keizer daar 26705 En zei: “heer, hier geef ik u openbaar Een wilde man, en hou hem voort meer, Want hij is me zuur geworden zeer Eer ik hem kreeg, dat zeg ik u”. De keizer zei, hij zou het hem belonen nu, 26710 “En de wilde man zal ik dat belonen daarbij Opdat hij ook blijven wil met mij”. “Ja ik”, zei toen die wilde man. “En hoe mag ik dus geloven dan”, Zei de keizer, “dat u met mij 26715 Hier wil blijven?” - “Ik zeg het u”, Sprak de wilde man, “ik zal het nu Bij mijn christelijkheid zweren u”. “Ja, bent u christen?” sprak de Keizer gelijk; “Ja ik”, zei hij, “zonder waan; 26720 Maar een wilde man won mij voor dat, Daar mijn moeder mee verdoold was In dat woud van Briokes; Daar kwam haar een wilde man aan En lag bij haar en won mij daar, 26725 En daarna ging ze van hem voorwaar En kwam weer te land na dat; En toen ze van mij gebleven was, Liet ze me christelijk doen na dien; En toen ik groot was ging ik spieden 26730 Hoe ik komen mocht in dat woud, Want mijn natuur droeg me menigvuldig Naar mijn vader; dus liep ik dan In het woud ook als een wilde man Bij de natuur die ik ontving van hem; 26735 Nu heb je gehoord hoe ik christelijk ben”. De keizer zei: “ik zal los maken u, Wil ge me hier beloven nu, Dat ge me niet zal ontgaan”. En hij beloofde het de keizer bij trouw gelijk. 26740 Toen zei Grisandoles de keizer daar Alle dingen, van voor en van daarnaar, Die de wilde waren gebeurd ter plaatse. De keizer vroeg hem om zijn dingen mede En om andere, die hij zou weten graag 26745 Merlijn zei: “ik denk u niet te weren. Maar ontbiedt hier al uw baronnen, Me staat dus niets anders te doen, En voor hen allen zal ik u maken bekent Uw droom en andere dingen gelijk”. 26750 Toen ontbood de keizer zijn baronnen, Die er daarvan menigeen kwamen tot dat doen, En toen ze alle verzameld waren, Toen vroegen ze de keizer daarnaar, Waarom hij ze had ontboden nu? 26755 “Bij God, gij heren, ik zeg het u: Ik heb gedroomd vreemde dingen, En die zou me verklaren bijzonder Deze wilde man, die hier staat nu; Nu wil ik het dus niet doen zonder u 26760 En wil, dat ge alle hoort toe, En hierom heb ik u ontboden alzo”. Toen zei die keizer tot de wilde gelijk: “Wil ge me iets laten verstaan Van mijn doen, dus bid ik u”. 26765 “Ja ik”, zei de wilde man nu, “Laat de koningin komen ter plaatse En al haar jonkvrouwen mede”. Toen liet men ze alle komen daar, Toen zei Merlijn gelijk daarnaar: 26770 “Heer keizer, ge moet geloven mij Voor al uw baronnen hierbij, Dat ge me vrij wilt houden nu En weg laten gaan van u, Ik zal uw droom verklaren dan”. 26775 Toen beloofde hij het hem voor al zijn man. 298 Toen zei de wilde man: “heer, in vertrouwen, Ge lag hiervoor bij uw vrouw En u droomde, dat ge zag daar Een zeug met borstels daarnaar, 26780 En had op dat hoofd een gouden ring”; En zei alzo voort alle ding, Gelijk ge hoorde hier te voren. Toen hij dat gezegd had al door en door, Zei hij: “heer keizer, wat denkt u, 26785 Heb ik me iets misgrepen nu?” “Neen gij, een woord niet”, zei hij toen. “Heer!” zeiden toen de baronnen, “Sinds dat hij dit zo goed heeft gezegd, Zo zal hij u zeggen de waarheid, 26790 Wat die droom betekenen kan”. “Zekerlijk”, zei toen de wilde man, “Ik zal het u zo verklaren nadien, Zodat gij het met de ogen zal zien”. “Nu zeg het dan”, zei de keizer toen. 26795 “Graag, heer”, zei hij, “nu hoor hier toe: Die zeug, die ge zag in het beginne, Dat is uw vrouw, de keizerin, En de borstels betekenen ter plaatse Haar lange slepende klederen mede, 26800 En die ring, die ze had op dat hoofd, Betekent uw vrouw haar kroon, dus gelooft he; En was het uw wil, ik zwijg hiermee”. De keizer zei: “kwijt u ter plaatse Tot het einde van uw zekerheden”. Toen zei hij voort. 26805 “Die twaalf wolven, heer, nu hoort, Die ge uit uw kamer zag komen, Zijn deze twaalf jonkvrouwen, heb ik vernomen, Die uw vrouw heeft hier nu; Maar ze zijn geen jonkvrouwen zeg ik u, 26810 Het zijn alle mannen; nu laat ze zich dan Ontkleden, zo weet ge de waarheid daaraan; En weet wel: als gij hier niet bent, Zo liggen ze bij haar te alle tijd; Nu hebt u uw droom gehoord”. 26815 De keizer kon niet spreken een woord, Zo was hij te ontevreden om dat, Dat zijn vrouw hem zo ontrouw was. Toen sprak de keizer te Grisandoles “Ontkleedt me deze in alle wijzen, 26820 Ik wil, dat mijn baronnen het zien”. En de drost deed het meteen, En toen ze ontkleed zijn daarnaar, Zag men dat ze alle mannen waren; Dus verwonderden alle zeer daar. 26825 Toen vroeg de keizer daarnaar Algemeen aan alle baronnen, Wat hem daarmee stond te doen, En ze beraden zich lang omdat; Tenslotte kwamen ze overeen ter plaatse 26830 Dat men ze verbranden zou openbaar Omdat ze hun heer ontrouw waren, “Bij deze hebben ze het verdiend wel; Daarna deed de keizer niet anders, Dan hij zei dat vuur te maken gaan 26835 In het midden van de plaats. Men deed het gelijk, En hij liet de keizerin daarnaar Haar handen binden en werpen daar In dat vuur, en alle anderen mede, En liet ze daar verbranden ter plaatse 26840 In het midden van de hof na die zaak. Aldus zo nam de keizer wraak Over zijn vrouw en de anderen mee. Toen werd dat nieuws groot, dat weet, Overal in dat land van deze dingen; 26845 Daar prees menige bijzonderling De wilde man, en zeiden aldaar, Dat hij een groot waarzegger waar. Daarna bad hem de keizer vrij, Dat hij hem zeggen wilde, waarbij 26850 Dat hij lachte zo zeer gereed, Toen hij voor de abdij reed, En voor de kapel, daar hij ook lachte, Daar de knaap zijn heer sloeg, En ook lachte hij toen de keizerin 26855 Kwam gegaan de zaal in, “Waarom dit was, dus bid ik u, Dat ge me dat verklaart nu”. Toen zei Merlijn: “van deze zaken, Heer, zo zal ik u bekend maken: 26860 Dat eerste, dat ik lachte, heer, dat was Omdat me een vrouw ving, zij het zeker dat, Met haar list, met haar kracht, En alle mannen daar ontvocht; En weet wel, dat deze Grisandoles 299 26865 Een van de mooiste vrouwen is Van al uw landen, en is nu Een reine maagd, dat zeg ik u. En voor de abdij lachte ik mede Omdat die grootste schat daar ter plaatse 26870 Ligt voor de poort en daarop zaten Diegene die baden om liefdadigheid, En omdat er meer onder hun voeten lag Goed, dan op deze dag De abdij geheel waard is. 26875 En Grisandoles, zij het gewis, Die Avengnable heet met vertrouwen, Naar de naam van een jonkvrouw, Ze vroeg me mede waarom ik lachte, En ik antwoordde haar bedekt genoeg, 26880 En liet haar verstaan ter plaatse, Hoe ze zich verwisseld had mede Tot een man, want ze een vrouw was; Dus sprak ik haar heimelijk door dat, En alle woorden, die ik haar zei, 26885 Zijn waar; want naar de waarheid Zijn door vrouwen bedrogen menige man, En menige plaats verloren voortaan, En menig land vernield Maar ik zeg het niet omdat me deert 26890 Enig ding aan haar, of dat is Enige kwaadheid aan haar, zij het zeker dit; En ge zelf mag het dat wel merken nu, Dat menigeen door vrouwen is, zeg ik u, Gehoond; maar het raakt u niet 26895 Van uw vrouw, al is dit geschied, Ze had het wel verdiend, en om die zaken Doe op een andere vrouw geen wraak, Want de vrouwen zijn dun gezaaid dan, Ze zijn iets schuldig aan enige man; 26900 En immermeer alzo lang staat De wereld en ook verder gaat, Zal ze verergeren iets langer hoe meer, En dat zal zijn van zonden, zoals ik zei eer, Die van weelderigheid komt mede, 26905 Want de vrouw heeft een zede: Al heeft ze de beste man die er is In de wereld, zo meent ze door dit De kwaadste te hebben, die er is mede; Dit komt al van haar broosheid 26910 Die in hen is; maar om dit wees Op de vrouwen niet verbolgen nu ter tijd, Want men zal nog genoeg vinden meer In de wereld trouw, dat weet, En al bent ge bedrogen in een nu, 26915 Ge zal nog zulke vinden, zeg ik u, Die het wel waard zal zijn ook mede Keizerin te zijn in deze plaats, En wil ge hier geloven voortaan, Ge zal daaraan winnen mogen dan. 26920 Ene profetie zegt nu, zonder liegen, Dat die grote draak zal vliegen Uit Rome, en zal winnen ter plaatse Dat koninkrijk van Brittannië en vernietigen mede En trekken tot zijn heerschappij, dat weet, 26925 Ondanks de tortelduiven mee, Die ze onder haar vleugels gevoed heeft al; En alzo vroeg als de draak optrekken zal, Om te varen op dat grote Brittannië daar, Zo zal hem tegenkomen daarnaar 26930 Een leeuw en tegen hem vechten alzo, Dat daar een fiere vaars komt toe En overmoed, die de leeuw aldaar Gebracht heeft, die de draak daarnaar Dood zal steken met zijn horens; 26935 Daarbij zal de leeuw van zijn toorn Bevrijd worden; maar ik zal u Niet zeggen wat dat betekent nu, Dat ik u gezegd heb mede, Want ik ben niet schuldig ter plaatse 26940 Het verklaren; maar dat zal geschieden In uw tijden; nu behoedt u van die En van kwade raad, want dus veel Aan u zal gaan van dit spel. En voorts dat lachen, dat ik deed 26945 Voor de kapel, was niet mede Om de dreun, die de knaap gaf Zijn heer, maar dat was daar van Dat de knaap zijn voet, zonder waan, Toen hij die dreun gaf, ging weer staan 26950 Op een grote schat, en om dat ding Lette hij er niet op als hij daarop ging; Want de dreun betekent overmoedigheid, En omdat men bij grote rijkheid Alle dingen vergeet en niemand kent 26955 Ja, om God geeft geen wind 300 Nog om zijn moeder niets meer Dan de knaap deed om zijn heer; En rijkheid maakt de lieden vals En ontrouw mede altijd, 26960 En als hem iets gebeurt per ongeval Verzweert hij God en zijn heiligen alle. En zegt dat Hij dus ondank hebben moet Van dat Hij hem doet, En dit doet de overmoed in schijn 26965 Omdat ze in dat goed geworteld zijn. De andere dreun, daar ik om lachte ter plaatse, Betekent die rijke persoon mede, Die zich baadt in zijn goed ter uren En gaat schertsen op zijn buren, 26970 En hij leent geld om weder loon En wacht en wacht, dat is zijn doen, Zolang zodat hij hem mag vangen, En als hij hem gevangen heeft, zonder waan, Wil hij, dat van hem hebben ter vaart, 26975 Dan geeft hem diegene dat hij begeert. De derde dreun, in alle manieren, Betekenen die valse pleiters, Die hun buren verkopen mede Van nijd, omdat ze, in elke plaats, 26980 Zich goed beproeven en nergens van ontzien; En als de pleiters weten van die, Zo zoeken ze valse dingen dan, Die ze hen mogen brengen aan, En gaan ze bedingen, omdat zij 26985 Van de hunnen willen hebben daarbij; Daarom zegt men: een kwade buur Maakt zijn omgeving het leven zuur. Nu weet ge van de dreunen, te waren, Waarom dat ze gegeven waren; 26990 Maar God, die weet alle dingen, Hij laat dit geschieden bijzonderling, Omdat hij wil dat die mensen nu Op deze dingen letten, zeg ik u, En als hij ze aanziet openbaar 26995 Dusdanige dingen, dat hij daarnaar Zich ootmoedige zou daarvan, Want rijkheid en grote have Is niets anders dan de zielen dood, Want dat brengt ze in de duivels schoot. 27000 En weet ge waarom ik lachte mede Toen de keizerin kwam hier ter plaatse Met twaalf rabauwen, zeg ik u? Dat ik toen lachte, was niets anders nu, Dan om haar zonden, en haar onwaarde mede, 27005 Omdat ze een goede man had ter plaatse En ze met twaalf rabauwen was, Die ze haar lichaam leverde na dat, En ze meende alle tijd Het aldus heeft geleverd, dus zeker zij, 27010 Dat dus niemand het zou weten, luid of stil, En dit was me leed door uw wil En om uw dochter, die zeker de uwe is; En weet ook wel, dat ze na dts De moeder niet afgaan zal. 27015 Nu weet ge mijn doen groot en smal, En waarom dat ik het heb gedaan, Nu wil ik weg varen gelijk”. De keizer zei: “blijf nog bij mij, Want ik wil weten of dat waar zij 27020 Van Grisandoles en van de schatten”. En de wilde man beloofde wel dat; En men liet Grisandoles ter plaatse Voor de keizer zich nu ontkleden; Toen vond men daar ter waarheid dat, 27025 Dat het een erg mooie vrouw was. Dus verwonderde de keizer erg zeer; Toen vroeg hij de wilde man nog meer, Wat hij doen mocht meteen, Want hij had hem zijn dochter voordien 27030 Beloofd tot vrouw te geven ter plaatse, En half zijn koninkrijk mede En na zijn dood alles, God weet, “Want ik wil behouden mijn eed”. Toen zei Merlijn: “dat zal ik zeggen u 27035 Opdat ge mijn raad wilt doen nu, En hij zal u ook niet kwaad wezen”. De keizer zei, ja hij; en na deze Zei Merlijn toen: “zo raad ik aan u Dat ge Avegnable trouwt nu 27040 Tot een vrouw, want zij het zeker dit, Dat ze Mathenes dochter is Van de hertog van Salerno mede, En de hertog Frolles heeft ze ter plaatse Onterfd, en de vader en de zoon 27045 En de moeder, en om datgene 301 Zijn ze in Provence in een stad Alle drie gevlogen om dat; Nu laat ze zoeken en laat hen na dit Hun erf geven, dat hen ontnomen is 27050 Met onrecht, en geef de zoon dan Uw dochter tot een wettige man, Want hij is dapper en mooi mede”. Toen dit de baronnen hoorden ter plaatse, Gingen ze te rade en vingen aan 27055 Dat hen aanraadde die wilde man. De keizer vroeg toen, hoe hij heet daar En waarvan het hert kwam daarnaar: “Heer, zwijg dus, dus bid ik u!” “Zal ge ons iets meer zeggen nu?” 27060 Sprak de keizer. “Ja ik, heer”, zei hij “Van de gekroonde leeuw vrij En van de wilde draak fier Zal ik u zeggen een andere manier, Omdat u het beter herinneren zal; 27065 Dat is waar de profetieën zeggen overal, Dat de grote ever van Rome, die is Betekent bij de draak, zij het zeker dit, Zal tegen de gekroonde leeuw komen daar In dat blijde Brittannië, weet voorwaar, 27070 Boven dat gebod der tortelduiven mede Met een gouden hoofd, die ter plaatse Zal hebben geweest zijn geliefde; Maar de ever en zijn partij Zal zo overmoedig willen wezen, 27075 Dat hij in Frankrijk zal komen na deze Vechten tegen de gekroonde leeuw fijn, Die met al zijn beesten daar zal zijn, En daar zal een kind van de leeuw gelijk De ever doden, zonder waan, 27080 En daarom beveel ik u, in vertrouwen, Dat ge niets doet tegen het gebod uw vrouw, Welke tijd dat ge haar gekroond zal hebben nu; En doe je dus niet, dat zeg ik u, Dat zal u beschadigen vaak zeer; 27085 Nu geef me verlof, dus bid ik u, heer, Want ik het nu heb gezegd voorwaar”. Toen gaf hem de keizer verlof daar, En eer de wilde man weg ging, Schreef hij aan de deur, na dit ding, 27090 Van de zaal in Hebreeuwse taal: “Ik maak bekend u allen wel, Dat de wilde man was Merlijn, Die zijn droom uitlegde de keizer fijn; En ook was hij het hert mede, 27095 Die men jaagde door die stede En tegen de keizer sprak, dat weet, En tegen Grisandoles in het bos mee”. Toen scheidde hij van daar, dat zeg ik u, En ging tot Blasys, zijn meester, nu. 27100 Van Merlijn laat ik nu het woord, En zeg u van de keizer voort. |
Van des Keisers bruetlocht van Rome. Daventure secht, doe Merlijn was Gesceden van daer, dat nadas Die Keyser dade soecken allegader 27105 Avengnablen moeder ende vader Ende horen broeder Patriase mede; Ende te Mompelier, in der stede, Vant mense, ende brochtse te Rome nu; Des was men daer blyde, secgic iu, 27110 Dat haer aventuren dus sijn vergaen, Si waren te Rome wel ontfaen, Haer dochter dade hem feeste groet, Die si meenden dat ware doet; Die Keyser dade hem weder hebben haer lant, 27115 Oec dade hi sine dochter nemen thant Patriase, ende hy selve nam mede Avegnablen daer ter stede. Daer was die bruetlocht groet vorwaer, Entie vrouwe verdiende daernaer, 27120 Datse die barone lief hadden nu; Ende binnen der feesten, secgic iu, Quamen boden van Griecken gereden, Want die Keyser Adriaen, nu ter steden, En mochte niet meer riden no gaen, 27125 Ende daer es een groet twist bestaen, Dat hi dat dade berechten mede; Dat zeidensi den Keyser daer ter stede Van Rome, want dat onder hem was, Doe namen die boden orlof nadas, 27130 Ende quamen ter dorewaert gegaen, Daer si die letteren sagen staen, 302 Die Merlijn hadde gescreven daer; Si lasen se doe, ende daernaer Keerden si weder ten Keyser toe, 27135 Ende zeiden hem ende ontbonden doe Wat die letteren spraken daer, Ende dat Merlijn was, wet vorwaer, Die hert entie wilde man Die sinen droem daer diede voertan, 27140 Entie meeste raet es mede Des koninck Arturs van Bertanien ter stede; Doe segende hem die Keyser daer. Doe gesciede daer een groet wonder naer, Want also vro alst hem was doen verstaen, 27145 So waren die letteren al vergaen; Des wart grote niemaer in dat lant Van den wonder, dat men daer vant Gescreven, dat Merlijn mochte wesen. Hier swiget dit boec nu van desen, 27150 Entie Keyser leide voert een blide leven Van den wive, die hem was gegeven, Ende sijn dochter was blyde daeran Oec ombe horen goeden man. Dus laticse haer blyscap dryven 27155 Ende sal iu voert van Merlyne scryven, Die te Blasyse es komen nu, Diene blidelike ontfinck, secgic iu. Daer tellede hi Blasise alle die dinge, Die te Rome gescieden sonderlinge, 27160 Ende hi zeide hem van den x koningen naer Ende van den hertogen die daer Vergadert sijn, ende optie Sennen mede Willen varen vor Clarence, die stede, Ende hi telde hem van den groten strijt, 27165 Die vor Trebes was ter tijt Tegen Claudas ende tegen Frolles, Ende tegen Randone ende Pontes [ende] Antones; Ende hoe die koninck Ban enen sone Hevet gewonnen, ende dat diegone 27170 Sal climmen boven allen desen, Die in sinen tiden sullen wesen. Doe settet Blasys in gescrifte daer, Ende by hem wetewy dat vorwaer; Maer wy laten hieraf die tale blyven, 27175 Ende sullen van den twaelf koningen scryven. |
Van de bruiloft van de keizer te Rome. Het avontuur zegt, toen Merlijn was Gescheiden van daar, dat na dat De keizer liet zoeken allemaal 27105 Avengnable’s moeder en vader En haar broer Patriase mede; En te Montpellier, in de stede, Vond men ze, en bracht ze te Rome nu; Dus was men daar blij, zeg ik u, 27110 Dat hun avonturen aldus zijn vergaan, Ze werden te Rome goed ontvangen, Hun dochter deed hen feesten groot, Waarvan ze meenden dat ze was dood; De keizer liet hen weer hebben hun land, 27115 Ook liet hij zijn dochter nemen gelijk Patriase, en hijzelf nam mede Avegnable daar ter plaatse. Daar was de bruiloft groot voorwaar, En de vrouw verdiende daarnaar, 27120 Dat ze de baron lief had nu; En binnen het feest, zeg ik u, Kwamen boden van Griekenland gereden, Want keizer Adrianus, nu ter plaatse, Kon niet meer rijden of gaan, 27125 En daar is een grote twist ontstaan, Dat hij dat liet berichten mede; Dat zeiden ze de keizer daar ter plaatse Van Rome, want dat onder hem was, Toen namen de boden verlof na dat, 27130 En kwamen ter deur waart gegaan, Daar ze de brieven zagen staan, 302 Die Merlijn had geschreven daar; Ze lazen ze toen, en daarnaar Keerden ze weer tot de keizer toe, 27135 En zeiden hem en verklaarden toen Wat die brieven zeiden daar, En dat Merlijn het was, weet voorwaar, Dat hert en die wilde man Die zijn droom daar uitlegde voortaan, 27140 En de grootste raad is mede Van koning Arthur van Brittannië ter plaatse; Toen zegende hem de Keizer daar. Toen gebeurde daar een groot wonder daarnaar, Want zo gauw als ze het hem was laten verstaan, 27145 Zo waren die brieven geheel vergaan; Dus werd groot nieuws in dat land Van het wonder, dat men daar vond Geschreven, dat het Merlijn mocht wezen. Hier zwijgt dit boek nu van deze, 27150 En de keizer leidde voort een blij leven Van de vrouw, die hem was gegeven, En zijn dochter was blij daaraan Ook om haar goede man. Dus laat ik ze hun blijdschap bedrijven 27155 En zal u voort van Merlijn schrijven, Die te Blasys is gekomen nu, Die hem blij ontving, zeg ik u. Daar vertelde hij Blasys al die dingen, Die te Rome gebeurden bijzonderling, 27160 En hij zei hem van de 10 koningen ernaar En van de hertogen die daar Verzameld zijn, en op de Sennen mede Willen varen voor Clarence, die stede, En hij vertelde hem van de grote strijd, 27165 Die voor Trebes was ter tijd Tegen Claudas en tegen Frolles, En tegen Randone en Pontes en Antonys; En hoe koning Ban een zoon Heeft gewonnen, en dat diegene 27170 Zal klimmen boven al dezen, Die in zijn tijden zullen wezen. Toen zette het Blasys in geschrift daar, En via hem weten we dat voorwaar; Maar we laten hiervan de taal blijven, 27175 En zullen van de twaalf koningen schrijven. |
Van den twaelf koningen, ende hoe si streden tegen die Sennen. Nu secht dhistorie hier ter stede Van den xij koningen enten hertogen mede Doe si quamen buten Cambenike, Namen si raet gemeenlike, 27180 Hoe si haer batalien souden ordinieren. Dierste batalie leide van den heren Die koninck van den C. ridders voertan, Ende hadde met hem achtedusent man; Dander leide van Norgales 27185 Tradeliant, dier sevendusent in es. Die derde leide van Sorgales Belinan, (Sijn broeder, met sevendusent man); Die vierde Carados, die koninck, Sevendusent man had hi in ware dinc; 27190 Die vijfte leide die koninck Brangores, Daer er oec sevendusent in es; Die seste leide die koninck Clarioen, Hi hadder sevendusent in sijn doen: Die sevende leide die koninck Ydier 27195 Met achtedusent ridders fier; Die achtede leide die koninck Uriens mede Met achtedusent man ter stede; Die negende leide die koninck Anguisant Met sevendusent man valiant; 27200 Die tiende leide die koninck Loth ter stede, Die sijn wijf verloren hevet mede Ende sine kinder, die so droevech es, Dat hi liever hadde, sijt seker des, Te stervene dan te levene nu, 27205 Want hi hadde groten scade, secgic iu, Wael van veertien dusent man vorwaer, Die hi hadde eer dat orloch begonde daer, So wasser hem luttel goet bliven doe. Delfte batalie leide alsoe 27210 Die koninck Ventres van Garlot nadas, Die herde erre ombe sinen sone was, Ende hi hadde oec sevendusent man; Ende die twaelfte leide voertan Dhertoge Escans van Cambenyc 27215 Met sevendusent man sekerlyc. 303 Ende doe si alle vergadert waren, Droegen si overeen daernare, Datsi by nachte wouden ryden Ende also vor Clarence tyden, 27220 Ende haer viande aldaer bestaen; Want si hebben liever, sonder waen, Alle te stervene daer met eren Dan te levene met onneren. Doe ginc elc te siner tentenwaert, 27225 Ende gingen sopperen mettervaert, Ende bevalen haren lieden, sonder beiden, Datsi hem wapenen ende gereiden, Ende varen enwech met haestecheden. Nu was daer een spiere komen ter steden 27230 Van heren Godebrandes wegen nu, Die al hevet gehoert, secgic iu, Dat die barone hebben geseit Ende ginc so hemelyc henen gereit, Dat nieman van hem en konde verstaen; 27235 Ende hi reet henen haestelyc saen Tote Clarencen vor die stede, Ende vertelde sinen heren mede Hoe die prinsen vergadert waren, Ende hoe si overeen droegen daernare, 27240 Datsi hier sullen komen sonder fijn. Doe vragedi, hoe vele datter mach sijn? Diegene zeide: “sestechdusent omtrint”. Die en achten die Sennen niet een twint, Ende hadde hem onwaert, dat hem nu 27245 Daer meer soude wapenen, secgic iu, Dat dat vierde deel van haren lieden daer; Maer des nachtes daden si hoede daernaer Ende daer waren twintech koninge tien tyden, Die hem niet wilden wapenen ten stryde 27250 Ombedat hem niet hadde die pine waert. Entie Kerstene, die wel bewaert Waren, reden so lange stonde, Datsi quamen, op ene morgenstonde, Daer die tenten entie pavelonen nadat 27255 Geslagen waren vor die stat; Ende twas donker genevelt doe, Endet begonde te regenen toe, Sodat die viande om dese dinge Te lange lagen, ende onderlinge 27260 Sliepen, ende was hem om dweder swaer. Ende doe die Kerstene sagen, dat daer Nieman uten tenten quam nu, Deelden si hem in drien, secgic iu, Ende sloegen met sporen ende velden daer 27265 Die tenten entie pavelone vorwaer, Ende sloegen al datsi ervoeren doet. Daer wart nu dat gerochte so groet, Daer bleef menech Senne doet nu Van dien die dat hoeden, secgic iu, 27270 Eer die ander bereit waren doe, Die hem gereiden ember toe; Ende mettien datsi bereit waren, Sijnsi optie barone gevaren, Entie barone hem weder iegen; 27275 Daer wart menech doet geslegen. Doe dade groet wonder onder hem daer Die koninck van den C. ridders vorwaer, Want hi dogede sovele nu, Dat hem en bleef heel, secgic iu, 27280 No scilt, no helm, daer ter stede, Dat en waer al dorhouwen mede. Ende alle die Kerstene, sijt seker das, Daden so wel, dat wonder was. Daer was die strijt sterc ende swaer, 27285 Doe stredensi toten avende daer. Doe hadden die Sennen onwaert saen, Datsi mochten iegen hem staen, Ende daden haer businen blasen daer, Ende makeden so groet gerochte naer, 27290 Dat men dat hoerde ene mile wel. Doe kwam hem te helpe een koninck fel Met tiendusent man; doe moesten saen Die Kerstene daer onder gaen, Ende worden gesconfiert alle daer; 27295 Ende en hadde die nacht gedaen, vorwaer, Si waren daer alle bleven doet; Die Sennen jagedense met groter spoet, Tote dattet hem die nacht benam; Des waren die Sennen herde gram, 27300 Datsi hem dus ontvaren waren; Si keerden weder sonder sparen, Ende ontwapenden hem ende waren te gemake; Si en duchten hem nu van gener sake, Ombedatsi die twaelf baroene 304 27305 Gesconfiert hadden in desen doene, Des warensi verstoutet te meer Ende dander waren des te blode weer, Ende voeren thuiswaert, elc baroen, Ende en wisten daer wat te doen. 27310 Ende al dese wile dat dit gesciede, Quam die koninck Artur, ende sine liede, Tote Rotsele, als ic iu zeide, Ende voeren over ende sceepten, sonder beiden, Met vierdusent man te Carmelyde daer; 27315 Ende als si quamen Tornasse so naer In twe milen, doe vernam dat Leodegan, Die tegen hem voer met menegen man, Ende ontfinck den koninck Artur hoveslike; Si onderkusten hem vriendelike, 27320 Ende voeren te Tornasse in die stat, Daer men dansede ende reyede, wetet dat; Ende ander spelen waren daer te samen, Daer si met vrouden tegen hem quamen, Ende menege maget, scoen ende vroet, 27325 Quam den koninck Artur te gemoet; Entie batselier joesteerden daer Dene iegen den andren, wet vorwaer, Entes koninck Leodegans dochter mede, Jenovre, quam daer ter stede, 27330 Ende als si den koninck Artur sach, Liepsi hem tegen, al dat si mach, Met oplukenden armen, ende helseden daer Vriendelike, ende custen daernaer, Ende hieten wellekome alsoe, 27335 Daer si alle sagen toe; Si hiet sine gesellen wellekome wesen; Doe nam sine by der hant mettesen Ende leidene in die sale daernaer, Ende gingen sitten spreken daer 27340 Met groter feesten, ende binnendien Ginc men ombe een eten sien. Doe quamensi voert ende men ginc eten, Ende na den etene, suldy weten, Vragede die koninck Leodegan, alse houde 27345 Den koninck Artur, welke tijt hy woude Sine dochter doen onder trouwe daer? Die koninck Artur zeide daernaer: “Ic ben daerombe komen gereet, Maer ic moet een luttel beiden, God weet, 27350 Na enen mynen vriende, dien ic hebbe nu, Ende sonder hem, dat secgic iu, Sone doe ic dat niet gerne”, zeide hi dan. “Wie es dat?” zeide Leodegan. “Dat es Merlijn”. Doe zeide Gawyn saen: 27355 “Oem, dat es herde wel gedaen, Ende zekerlyc oec elc van iu heren Souden hem met rechte nu begeren, Ende hi sal sciere komen, hopic daerby”, Die koninck Artur zeide: “gelovet my, 27360 Dat hi sciere hier soude wesen”. Doe zeide Gawyn: “wy sullen nadesen Beiden achte dage hier alsoe”. Ende binnen desen waren doe Die tafelen gereet, ende men ginc eten; 27365 Ende na den eten, suldy weten, Ginc men slapen, ende beide daernaer Aldus achte dage na Merlyne daer. Nu laticse beiden aldus daeran, Ende sal iu secgen van den koninc Lot dan, 27370 Die vernomen hevet, dat sijn wijf Te Logres binnen es, sonder blijf, Ende sijn jonge sone Mordret, Ende dat Gawyn ende sine kinder met Gesworen hebben, dat hi nembermeer 27375 Sijn wijf en gecriget, hine sal eer Den koninck Artur manscap hebben gedaen, Ende dat hi negeen so quade viande, sonder waen, En zoude hebben alse hem vorwaer; Oec was hem vertelt daernaer, 27380 Dat die koninck Artur hadde gestreden Tegen den koninck Claudas, ter steden, Ende iegen Pontes ende Randone, Ende iegen Frolles, ende al diegone Sconfierden vor den casteel van Trebes, 27385 Enten koninck Ban ende sinen broeder nades Al hoer lant hevet weder gegeven; Ende hoe hi daervor oec hevet verdreven Den koninck Rione vor der stat Van Deneblase, ende oec dat 27390 Die koninck Leodegan hem gaf daernaer Sine dochter te wive openbaer, Ende dat hise sal trouwen, als hi begaert”. Dat wart nu al den lande geopenbaert, Dattet al die barone vernamen 27395 Ende baden Onsen Here te samen, 305 Dat hise te soene brachte ter ure Tegen den koninck Arture, “Dien wy onrecht hebben gedaen, Ende ombe die sonden, sonder waen, 27400 Sijn wy nu tachter aldus, ter steden”. Doe baden si met oetmoedecheden Onsen Here, dat hi daer tuscen sende by Sulken vrede, dat hem eerlyc sy. Dus waren si alle tinden rade, 27405 Maer die koninck Lot, vroe ende spade, Dachte ombe sijn wijf daernaer, Hoe hise mochte wederkrigen vorwaer, Want hi ne kan niet gevinden daertoe Hoe hi den koninck manscap gedoe 27410 Ocht hoe hi versoenen mach oec mede; Doe dachte hi een groet dinc ter stede: Want hi dachte, dat die koninck Leodegan Sine dochter soude senden voert an Den koninck Artur, wetet dat, 27415 Tote Logres in sine beste stat, Ende dan woude hi daer iegen ryden Met al sinen lieden te dien tyden, Ende salse met crachte nemen alsoe Ende met hem voeren in sijn lant daertoe 27420 Ende aldus soude hi dan wisselen mede Ombe haer sijn wijf iegen Artur ter stede. Dit visierde die koninck Lot daer saen, Maer dat sal anders vergaen Opdat God behoede den koninck Arture 27425 Ende here Gawyne, sinen neve, ter ure. Doe sende die koninck Lot spieres wt, Hemelike ende niet overluet, Ombedatsi sullen vernemen al Welke tijt die koninck Artur komen sal 27430 Met siner bruet van Carmelyde, Ende hoe vele liede hi tien tyden Sal bringen. Dit dade hi al bespien, Ende hi bereide hem binnendien Alse gereet daer iegen te syne. 27435 Ende Merlijn, die al dit gesciene Wiste, ende nu by Blasise was, Also als ic hier te voren las, Hi dade nu algader verstaen Des koninck Lottes opset, sonder waen; 27440 Oec zeide hi Blasise daer ter stede, Hoe men ter brulocht na hem beide, mede; Ende dit bescreef doe Blasys al Ende van hem wetewy dat, groet ende smal; Ende hiermede indic dit boec saen, 27445 Daer vele sconer stride inne staen, Ende sal iu voert beginnen te lesen Van des koninck Arturs huwelyc na desen, Daer menech scone strijt inne steet Ende menech aventure, God weet. |
Van de twaalf koningen en hoe ze streden tegen de Sennen. Nu zegt de historie hier ter plaatse Van de 12 koningen en de hertogen mede Toen ze kwamen buiten Cambenic, Namen ze raad algemeen, 27180 Hoe ze hun bataljons zouden ordenen. Het eerste bataljon leidde van de heren De koning van de honderd ridders voortaan, En had met hem achtduizend man; De andere leidde van Norgales 27185 Tradeliant, van die er zevenduizend in is. De derde leidde van Sorgales Belinan, (Zijn broeder, met zevenduizend man); Die vierde Carados, de koning, Zevenduizend man had hij in ware ding; 27190 De vijfde leidde koning Brangores, Daar er ook zevenduizend in is; De zesde leidde koning Clarioen, Hij had er zevenduizend in zijn doen: De zevende leidde koning Ydier 27195 Met achtduizend ridders fier; De achtste leidde koning Uriens mede Met achtduizend man ter stede; De negende leidde koning Anguisant Met zevenduizend man snel; 27200 Die tiende leidde koning Loth ter plaatse, Die zijn vrouw verloren heeft mede En zijn kinderen, die zo droevig is, Dat hij liever had, zij het zeker dit, Te sterven dan te leven nu, 27205 Want hij had grote schade, zeg ik u, Wel van veertien duizend man voorwaar, Die hij had eerder toen de oorlog begon daar, Zo was er hem weinig goed gebleven toen. Het elfde bataljon leidde alzo 27210 Koning Ventres van Garlot na das, Die erg boos om zijn zoon was, En hij had ook zevenduizend man; En de twaalfde leidde voortaan De hertog Escans van Cambenic 27215 Met zevenduizend man zekerlijk. 303 En toen ze allen verzameld waren, Kwamen ze overeen daarnaar, Dat ze bij nacht wilden rijden En alzo voor Clarence tijden, 27220 En hun vijanden aldaar bestaan; Want ze hebben liever, zonder waan, Alle te sterven daar met eer Dan te leven met oneer. Toen ging elk tot zijn tent waart, 27225 En gingen souperen (soppen) met een vaart, En bevalen hun lieden, zonder wachten, Dat ze zich wapenen en bereiden, En voeren weg met haastigheden. Nu was daar een spion gekomen ter plaatse 27230 Vanwege heer Godbrands nu, Die alles heeft gehoord, zeg ik u, Dat de baronnen hebben gezegd En ging zo heimelijk heen gereden, Zodat niemand hem kon horen; 27235 En hij reed heen met haast gelijk Tot Clarence voor de stede, En vertelde zijn heren mede Hoe de prinsen verzameld waren, En hoe ze kwamen overeen daarnaar, 27240 Zodat ze hier zullen komen bijzonder fijn. Toen vroegen ze, hoeveel dat er mogen zijn? Diegene zei: “zestigduizend daaromtrent”. Dat achten de Sennen niet een wind, En was hen onwaardig, zodat ze zich nu 27245 Daar meer zouden bewapenen, zeg ik u, Dan dat vierde deel van hun lieden daar; Maar ‘s nachts lieten ze zich behoeden daarnaar En daar waren twintig koningen te die tijden, Die zich niet wilden wapenen ten strijd 27250 Omdat het hen niet de moeite was waard. En de christenen, die goed bewaard Waren, reden zo’n lange stonde, Zodat ze kwamen, op een morgenstond, Daar de tenten en paviljoenen nadat 27255 Geslagen waren voor die stad; En het was donker beneveld toen, En het begon te regenen toe, Zodat de vijand om dit ding Te lang lagen, en onderling 27260 Sliepen, en voor hen was het weer zwaar. En toen de christenen zagen, dat daar Niemand uit de tenten kwam nu, Verdeelden ze zich in drieën, zeg ik u, En sloegen met sporen en velden daar 27265 De tenten en de paviljoenen voorwaar, En sloegen alles dat ze tegenkwamen dood. Daar werd nu dat lawaai zo groot, Daar bleef menige Senne dood nu Van die dat behoeden, zeg ik u, 27270 Eer de anderen bereid waren toen, Die zich bereiden immer toe; En meteen dat ze klaar waren, Zijn ze op die baronnen gevaren, En de baronnen weer hen tegen; 27275 Daar werd menigeen dood geslagen. Toen deed een groot wonder onder hen daar De koning van de honderd ridders voorwaar, Want hij gedoogde zoveel nu, Dat bij hem bleef heel, zeg ik u, 27280 Geen schild, nog helm, daar ter plaatse, Dat werd alles doorhouwen mede. En alle christenen, zij het zeker dat, Deden het zo goed, dat een wonder was. Daar was de strijd sterk en zwaar, 27285 Toen streden ze tot de avond daar. Toen hadden de Sennen onwaarde gelijk, Dat ze tegen hen mochten staan, En lieten hun bazuinen blazen daar, En maakten zo’n groot lawaai daarnaar, 27290 Dat men dat hoorde een mijl wel. Toen kwam hen te hulp een koning fel Met tienduizend man; toen moesten gelijk De christenen daar ten onder gaan, En worden geschoffeerd alle daar; 27295 Had de nacht niet gedaan, voorwaar, Ze waren daar alle gebleven dood; De Sennen jaagden ze met grote spoed, Totdat de nacht het hen benam; Dus waren de Sennen erg gram, 27300 Dat ze hen aldus ontvaren waren; Ze keerden weer zonder sparen, En ontwapenden zich en waren op hun gemak; Ze beduchten zich nu van geen zaken, Omdat ze de twaalf baronnen 304 27305 Geschoffeerd hadden in dit doen, Dus waren ze dapperder te meer En de anderen waren des te banger weer, En voeren thuis waart, elke baron, En wisten niet daar wat te doen. 27310 En al deze tijd dat dit geschiedde, Kwam koning Arthur, en zijn lieden, Tot La Rochelle, zoals ik u zei, En voeren over en verscheepten, zonder wachten, Met vierduizend man te Carmelide daar; 27315 En toen ze kwamen Tornasse zo daarnaar In twee mijlen, toen vernam dat Leodegan, Die naar hem voer met menige man, En ontving koning Arthur hoffelijk; Ze kusten zich vriendelijk, 27320 En voeren te Tornasse in die stad, Daar men danste en reien deed, weet dat; En andere spelen waren daar te samen, Daar ze met vreugde tegen hem kwamen, En menige maagd, schoon en goed, 27325 Kwam koning Arthur tegemoet; En de schildknapen speelden daar De ene tegen de andere, weet voorwaar, En koning Leodegans dochter mede, Jenover, kwam daar ter plaatse, 27330 En toen ze koning Arthur zag, Liep ze naar hem, alles dat ze mag, Met geopende armen, en omhelsde daar Vriendelijk, en kuste hem daarnaar, En zei hem welkom alzo, 27335 Daar ze allen zagen toe; Ze zei zijn gezellen welkom te wezen; Toen nam ze hem bij de hand met dezen En leidde hem in de zaal daarnaar, En gingen zitten spreken daar 27340 Met grote feesten, en binnen dien Ging men om eten zien. Toen kwamen ze voort en men ging eten, En na het en eten, zal ge weten, Vroeg koning Leodegan, alzo te houden 27345 Koning Arthur, welke tijd hij wilde Zijn dochter laten ondertrouwen daar? Koning Arthur zei daarnaar: “Ik ben daarom gekomen gereed, Maar ik moet wat wachten, God weet, 27350 Naar een van mijn vrienden, die ik heb nu, En zonder hem, dat zeg ik u, Zo doe ik dat niet graag”, zei hij dan. “Wie is dat?” zei Leodegan. “Dat is Merlijn”. Toen zei Gawein gelijk: 27355 “Oom, dat is erg goed gedaan, En zeker ook elk van u heren Zou men hem met recht nu begeren, En hij zal snel komen, hoop ik daarbij”, Koning Arthur zei: “geloof mij, 27360 Dat hij schier hier zou wezen”. Toen zei Gawein: “we zullen na deze Wachten acht dagen hier alzo”. En binnen deze waren toen De tafels gereed, en men ging eten; 27365 En na het eten, zal ge weten, Ging men slapen, en wachten daarnaar Aldus acht dagen op Merlijn daar. Nu laat ik ze wachten aldus daaraan, En zal u zeggen van koning Loth dan, 27370 Die vernomen heeft, dat zijn wijf Te Londen binnen is, zonder blijf, En zijn jonge zoon Mordret, En dat Gawein en zijn kinderen mee Gezworen hebben, dat hij nimmermeer 27375 Zijn vrouw terugkrijgt, hij zal eerst Koning Arthur manschap hebben gedaan, En dat hij geen zulke kwade vijanden, zonder waan, Zou hebben zoals hem voorwaar; Ook was hem verteld daarnaar, 27380 Dat koning Arthur had gestreden Tegen koning Claudas, ter plaatse, En tegen Pontes en Randone, En tegen Frolles, en al diegene Schoffeerden voor het kasteel van Trebes, 27385 En koning Ban en zijn broeder na dit Al hun land heeft weer gegeven; En hoe hij daarvoor ook heeft verdreven Koning Rioen voor de stad Van Deneblase, en ook dat 27390 Koning Leodegan hem gaf daarnaar Zijn dochter tot vrouw openbaar, En dat hij haar zal trouwen, als hij begeert”. Dat werd nu in het hele land geopenbaard, Zodat dit alle baronnen vernamen 27395 En baden Onze Heer te samen, 305 Dat hij ze tot verzoening bracht ter ure Tegen koning Arthur, “Die we onrecht hebben gedaan, En om die zonden, zonder waan, 27400 Zijn we nu ten achter aldus, ter plaatse”. Toen baden ze met ootmoedigheden Onze Heer, dat hij daar tussen zond bij Zo ‘n vrede, dat het hen eerlijk zij. Dus waren ze alle ten einde raad, 27405 Maar koning Loth, vroeg en laat, Dacht om zijn vrouw daarnaar, Hoe hij haar mocht terugkrijgen voorwaar, Want hij kan niets vinden daartoe Hoe hij de koning manschap doet 27410 Of hoe hij zich verzoenen mag ook mede; Toen bedacht hij een groot ding ter plaatse: Want hij dacht, dat koning Leodegan Zijn dochter zou zenden voortaan Koning Arthur, weet dat, 27415 Tot Londen in zijn beste stad, En dan wilde hij daar tegen rijden Met al zijn lieden te die tijden, En zal haar met kracht nemen alzo En met hem voeren in zijn land daartoe 27420 En aldus zou hij dan verwisselen mede Om haar zijn vrouw tegen Arthur ter plaatse. Dit versierde koning Loth daar gelijk, Maar dat zal anders vergaan Omdat God behoedde koning Arthur 27425 En heer Gawein, zijn neef, ter ure. Toen zond koning Loth spionnen uit, Heimelijk en niet overluid, Omdat ze zullen vernemen al Welke tijd koning Arthur komen zal 27430 Met zijn bruid van Carmelide, En hoeveel lieden hij te die tijden Zal brengen. Dit liet hij alles bespioneren, En hij bereidde zich binnen die Als gereed daar tegen te zijn. 27435 En Merlijn, die al deze geschiedenis Wist, en nu bij Blasys was, Zoals ik hier tevoren las, Hij liet nu allen verstaan Koning Loth’ s opzet, zonder waan; 27440 Ook zei hij Blasys daar ter plaatse, Hoe men bij de bruiloft op hem wachtte, mede; En dit beschreef toen Blasys al En van hem weten we dat, groot en smal; En hiermede eindig ik dit boek gelijk, 27445 Daar veel mooie strijd in staat, En zal u voort beginnen te lezen Van koning Arthurs huwelijk na deze, Daar menige mooie strijd in staat En menig avontuur, God weet. |
Hier hoert van Arturs huwelyck, ende hoe hi Jenovren trouwede, ende van der feesten. 27450 Hier comet voert dat grote jolijt, Dat men pleget in huwelikes tijt, Want in huwelyc es men blyde Alse twe lieven in elke zyde Vergaderen sullen; nochtan gevalt 27455 Dat dat namals so vergalt, Dat die blyscap in rouwe vergaet. Die huwelyc storen, die doen quaet, Daer si twe met wette saten; Maer sulc en kans niet gelaten 27460 Daer hi liede siet wel te gader; Ach, God nu scende die quade verrader, Die wijf ende man te werre maken! Ic soude meer secgen van desen saken, Maer ic moet van den besten man 27465 Ende van den koensten enten getrouwesten dan, Ende van den oversaechtsten mede, Die oit quam in Kerstenhede, Ende van der hovescster vrouwen met Enter goedertierenster, dat wet, 27470 Ende oec van der mildester, wetet dat, Een huwelyc maken hier ter stat. Gy hebbet hiervor gehoert in scyne, Hoe men beide na Merlyne, Eer die koninck Artur, die milde, 27475 Jenovren daer trouwen wilde; Ende nu es Merlijn komen vorwaer Dien men grote feeste dede daer, Ende ombe die brulocht, wetet voertan, Was daer doe komen menech man 306 27480 Ende Jenovre, die kevesdochter was Des koninck Leodegans, als ic las, Si hadde vele hoger mage, die seer Den koninck Leodegan haten, horen heer, Ende dit waren haerre moeder mage nu; 27485 Entese hate quam, secgic iu, Ombe die scande, die hi hadde gedaen Cleodalise, sinen drossate, sonder waen, Ombe sijn wijf, die hi hielt lange, Met al horen ondanke, by bedwange 27490 Tsiner amyen; nu waren daer Haerre vijftiene, die waren vorwaer Der ongekroender Jenovren mage, Die spraken te gader in dien dage; Maer hieraf en wiste Cleodales niet 27495 Wat elc daer iaget ochte bespiet; Entese droegen overeen daer nu, Datsi souden spreken, secgic iu, Jenovren meestersce, koninck Arturs wijf, Ende iegen haer verdienen, sonder blijf, 27500 Datsi Jenovren, des avendes saen, Alsi by Artur te bedde soude gaen, Datsise bringe in den bongaert, “Ende alsi daer es, sullewy se ter vaert Nemen ende in een scip doen dan, 27505 Ende voeren se daer se nembermere man Van desen lande verneme twint; Ende dan sal die meesterse nemen omtrint Jenovren onse nichte ter ure Ende lecgense by den koninck Arture 27510 In der koninginnen stat; dan sullewy Alle heren werden daerby”. Si namen enen die dit doen soude, Si daden een scip soecken also houde Ende an die meesterse daden si oec alsoe 27515 Datsi hem dat alle gelovede doe, Ende datsijs seker mochten wesen; Ende Merlijn, die tal wiste van dese Verraetnesse, zeidet Ulfijn ende Bretel, Ende vertelde hem al haer spel, 27520 Dien des wonderde, ende vrageden hem daer Watsi daer mochten toe doen naer. Merlijn zeide: “ic secget iu, God weet: Gy sult morgen avent sijn gereet Als men geten hevet, ende sult saen 27525 Hemelyc in den bongaert gaen, Ende sult onder enen boem licgen gereet, Ende wel gewapent onder iu cleet, Ende si sullen negene wapene hebben daer Sonder haer swaert; ende als daernaer 27530 Die meesterse die koninginne bringt Ende sise hem levert, dan springt Op ende bescuddetse vollike alsoe, Want mochtensi daer iet gebruken toe, Si zoudense thant hebben nadien 27535 In een scip; so haddensi daer na sien”. “Wy sullense wel wachten”, zeiden si doe “Datsi des niet en sullen komen toe”. Doe zeide Merlijn: “en secget niet, Dat ic iu dese dinge dus riet, 27540 Want nembermeer so [en] minde ic iu, Zeidy dat iemanne vorwaert nu”. “Neen wy, here”, zeidensi, “sonder waen”; Mettien scedensi. Doe gingen saen Die ridders slapen ter herbergenwaert, 27545 Ende sandrendages mettervaert Quamen si weder te hovewaert an, Daer die koninck Leodegan Sine dochter bereiden dade alsoe, Datse menech te wonder sach doe 27550 Ombe die grote scoenheit, die haer lach an. Daer nam se in dene syde die koninck Ban Ende bander syde die koninck Bohoert Ende leidense alsoe ter kerken voert, Entie koninck Artur entie koninck Leodegan 27555 Gingen doe vor alle dander man, Ende vor hem gingen, met twe goudenen sweerden Twe ridders, die hem die liede weerden; Ende na den koningen quamen die ridders valiant Ende ember twe ende twe in hant; 27560 Entie vrouwen entie joncfrouwen mede Quamen diergelyke oec ter stede, Ende Jenovre hadde op haer hovet Een gouden sapeel, des gelovet, Ende haer haer hinck haer nederwaert, 27565 Dattet scoenste es, dat oit gewart, Ende haer cleder waren van geslagenen goude 307 Die haer sloiden in der monden Wel twe gelachte lanc ter stede, Men sach nie bat staende daer mede. 27570 Haer suster quam na haer, dat wet, Die leide Lucam, ende Gryflet; Doe quamen alle dander daerna Ende ember twe te gader, alsic versta. Dus quamensi in die kerke nades, 27575 Daer die aertsebiscop Durbrices Na hem daer stont ende wacht, Dien daer Arthur met hem hadde bracht, Ende oec mede mijnheer Amistans, Des koninges capellaen Leodegans; 27580 Hi stont ende beide daer ter ure Ende hi kroende daer den koninck Arture, Entie biscop sanc messe daernaer; Daer was dofferande groet vorwaer Van den prinsen ende van den heren; 27585 Daer was geoffert met groter eren. Ende doe die messe was gedaen, Gingensi weder thueswaert saen, Gelijc datsi te voren daden, Twe ende twe, met goeder staden, 27590 Ende hant in hant gingensi alsoe, Thent si quamen ter salen toe, Daer menech meester inne was, Die sijn spel toende nadas; Wat soudic hieraf secgen vele? 27595 Nie en sach men so menegerhande spele Noch en quam man, daer hi sach So grote feeste op enen dach. Doe worden die tafelen daer geleit, Daer was elc na siner waerdicheit 27600 Geset ende gedient oec mede, Gelijc in koninges hove es sede, Die bruetlocht hout ende feeste, Ja, deersaamste entie meeste Die ie in der werelt was gedaen; 27605 En levet geen man, sonder waen, Die alle die gerechte konde gevisieren Die men daer gaf in hovescer manieren; Ende doe men geten hadde daer, Rechte men ene quinteine daernaer 27610 Daer die veertich ritter speer op braken, Die metten koninck Artur vor die saken In dat lant quamen van Carmelyde, (Entie nuwe ridders oec tien tiden); Entie ridders van der tafelronden 27615 Quamen hem tegen oec tien stonden Ende begondense achter te doene daer. Doe quam niemare thant daernaer An heer Gawine, die sat ende at; Maer al te hant, doe hi wiste dat, 27620 Eescede hi sine wapene ter stede, Ende sine gesellen oec daermede Si wapenden hem ende reden derwaert; Elc nam een scerp speer ter vaert, Ende si makeden ene geselscap onder hem saen 27625 Dat dene den andren niet af en sal gaen, Ende dat sceen wel in den tornoye daer, Want si dadent so wel daernaer, Dat sint op hem die van der tafelronden Grote vede droegen lange stonden, 27630 Dat sint te Logres wel scinen sal, Daer Gawyn doe was geheten al Tenen tornoye meester ende here vorwaer, Ombedat hijt so wel dade daer, Als iu dit boec sal secgen hierna. 27635 Die tornoy was vergadert, als ic versta, Vor die poerte van der stat Entaer vergaderde in hem nadat Mijnheer Gawyn met so groter cracht, Dat hise alle dreef van der gracht; 27640 Entie nuwe ridders, sonder waen Worden by hem verkoevert saen, Ende dit toernede herde sere daer Dien van der tafelronden, wet vorwaer, Ende pijnden hem so sere, secgic iu, 27645 Datse dander achter daden nu. Doe Gawyn sach die nuwe ridders achtergaen, Stac hi dat swaert op ende nam saen Ene barde, ende warp den scilt na desen Enwech, ombedat hi lichter sal wesen; 27650 Doe sloech hi daer enen ridder soe, Dat hi ter aerden tumelde doe; Daerna sloech hi enen andren ter stonde, Dat hem tbloet scoet uten monde Ende dat hi oec daer viel ter aerde. 27655 Dus sloech hire vele van den paerde Ende quetsede; ende alse dit sagen Die van der tafelronden, wilden sijs verdragen 308 Nembermeer, dat hi quetsede die haer, Ende liepen hem alle op daernaer 27660 Ende zeiden, si en wouden nember tien tyden Tornieren, maer si wouden stryden. Doe wart daer die batalie so groet Ende so anxtelyc in der noet, Dat daer groet scade soude sijn gesciet, 27665 En hadde Merlijn vorsien niet, Die ten drien koningen ginc daerna Ende zeide: “tes tijt, dat men afsta Des tornierens”. Doe gingensi derwaert, Ende doe des Heer Gawijn gewaert, 27670 Dat die van der tafelronden alsoe Hem opliepen, sloech hi in hem doe Ende dorbracse, wien lief, wien leet, Ende dade hem dat quadeste, God weet, Dat hi mochte; ende nadat 27675 Reet Minodalis op hem ter stat, Ende stacken met enen speer alsoe, Dat hi byna was gevallen doe. Des was heer Gawijn erre ende gram Ende verhief sine barde, ende quam 27680 Opten genen ende sloechen daer, Dat hi averecht viel daernaer. Doe riep die koninck Artur saen: “Lieve neve, gy hebt des genoech gedaen”; Maer hi was verwarmet so seer, 27685 Dat hi vacht ie lanc ie meer. Doe quam Merlijn ende nam hem metterhant. Ende zeide: “gy zijt gevangen te hant”. Doe Gawijn sach dattet Merlijn was, Zeide hi “goedertierlyc here” nadas 27690 “Opdat gy wilt so ben ic gevaen”. Doe quam die koninck Artur saen Ende zeide: “lieve neve, na dat gaet Es dat tijt, dat gy tornierens afstaet”. Doe zeide hi, dat hijt gerne laten soude 27695 Sedermeer dat hi dat woude. Doe voerensi enwech onder hem viven daer Entie tornoy sciet daernaer, Ende elc voer te siner herbergenwaert, Ende ontwapenden hem ter vaert. 27700 Maer die van der tafelronden, secgic iu, Waren erre ombedat sijt nu Te quaet hadden; maer si zeiden daer, Si souden dat nog verhalen daernaer, Sodat die nuwe ridders, ombe die saken, 27705 Horen scimp niet en sullen maken. Dat hoerde een die neven hem staet, Ende voer dat Gawine seggen geraet Ende Galescine ende heren Ywine. Dit hadde herde tonwaert Gawine, 27710 Datsine aldus dregeden daer, Maer hi en dades niet gelaet naer, Ochte hi des iet achtet hadde twint; Maer also vele zeide hi sint, Hi en soudes hem nochtan niet afgaen, 27715 Welke tijt sy tornieren willen bestaen, “Ja, also dicke alsijs roecken; Oec gevic hem oerlof, dat sy soecken Hem tiene hier tot die hem staen In staden, nochtan soudict angaen”. 27720 Entese woert, die hem zeide Gawein, Liet hy hem wel scinen opten plein Buten Logres, daer si sint namen Enen tornoy, daer si te samen, Die nuwe ridders, quamen tien stonden, 27725 Tegen die heren van der tafelronden, Daer vreeslyc getornieret was Ende menech gequetset, sijt seker das, Alse iu dit boec wel vertellen sal Hierna, hoet was, groet ende smal. 27730 Dus reet Gawyn by den koninck Artuer, Ende tgemene volcin der stat tier uer, Riepen: “siet hier den ridder, God weet, Die den tornoy al onder street”; Si vrageden Merlijn, wie hi waer, 27735 Ende Merlijn zeide tot hem daernaer: “Dat is Gawyn, skoninck Lottes sone Van Orcanien, oec is diegone Des koninck Arturs neve mede”. Doe zeiden die liede daer ter stede: 27740 “By Gode, so slacht hy wel daeran Van daer hi af es komen dan”. Ende doe die gesellen van der tafelronden Hem ontwapent hadden tien stonden, Cleden si hem met clederen diere 27745 Ende gingen alle te hove sciere Ende sijn tot heren Gawyne gegaen, Ende clageden over hem selven saen, 309 Ende zeiden, dat hyse doe Swaerlike bereit hadde daertoe 27750 Tesen iersten tornoy mede, Dat hi vorwaert telker stede Haer meester ende haer heer mach wesen Dier van der tafelronden voert na desen. Heer Gawyn sweech daer al stille 27755 Ende liet hem seggen horen wille; Maer voertmeer van dien stonden Was hi meester van der tafelronden Ende geselle, ende twas wel recht, Want hi was goet ende gerecht 27760 Ende een herde vrome ridder, dat wet, Ende also lange als hi levede, getrouwe met. Ende binnen desen dat dit was, Waren die tafelen bereit nadas, Ende daer wasser drie sale vol ter stede, 27765 Daer men op eten ginc gerede, Ende daer was gedient wel ter kuer, Daer en gebrac niemanne ter uer, Van alles, dat men gebruken konde Hadde daer elc genoech ter stonde; 27770 Ende doe detentijt was gedaen, Luede men te Sint Stevene Vesper saen Ende derwaert gingensi alle doe Hant in hant, gelijc alsoe Alsi des morgens ter messe deden; 27775 Si hoerden Vesper met goeden seden, Ende als die Vesper was gedaen Sijn si echt ten hove gegaen, Gelijc datsi te voren gingen. Doe quam die biscop na dien dingen 27780 Ende wyede skoninck Arturs bedde naer, Also als dat recht ende sede was daer. Doe scieden die ridders entie knapen Ende gingen thoren herbergen slapen; Ende Jenovre, die koninginne, vorwaer 27785 Was met hoerre meesterse daernaer In haer kamer gegaen ter stede, Entie verrader, daer ic af zeide, Der andren Jenovren mage, God weet, Si hadden haer verraetnesse al gereet 27790 Gevisiert hoe si doen sullen daer, Si hadden die quene gemiedet vorwaer, Hiermede te doene al horen wille; Nu gingen dese verborgen al stille In den bongaert ende bergeden hem daer. 27795 Ende leiden die nichte met hem vorwaer Ombedatsise der quenen nadat Souden geven, in der koninginnen stat Te leiden met haer ten koninge alsoe. Dus droegen si overeen daertoe 27800 Enteser was tiene, die sijn gegaen In den bongaert hem verbergen saen; Maer si en hadden negene wapene daer Dan haer swaerde, wet vorwaer, Entie valsce Jenovre was met 27805 Entie quade quene, dat wet. Rechte als men slapen soude gaen, Namsi die koninginne saen, Ende leidese in den bogaert daernaer Ombe haer orine te makene daer; 27810 Ende alse die verraders vernamen, Dat die quene entie koninginne quamen. Die daer verborgen lagen in den bongaert, Doe quamensi hemelyc derwaert; Ende Ulfijn ende Bretel oec mede, 27815 Die daer lagen verborgen ter stede, Si ne hadden niet vergeten, God weet, Dat hem Merlijn hadde gezeit; Si waren wel gewapent daer Ende lagen so verborgen vorwaer, 27820 Dat niemans en wart geware; Si sagen dat die quene daernare Die koninginne hielt by der hant, Ende leidese ten verradrenwaert te hant, Die se begrepen daer ter stede, 27825 Ende gaven dandre Jenovren mede Der quenen, die se nam aldaer. Doe des die koninginne wart gewaer Sachsi wael, datsi verraden was Ende wilde helpe roepen nadas; 27830 Doe zeidensi, si doden se, sprake si een woert, Ende mettien so trocken si voert Haer swaert al bloet, ende leidense ter vaert Vaste alsoe ter rivierenwaert, Daer een scip gereet stoet saen; 27835 Maer die bongaerde was hoge, sonder waen, Sodat men maer tener stat Ter riviere hadde enen clenen pat, 310 Daersise moesten leiden toe; Haddensi daer mogen komen alsoe 27840 Datsise in dat scip hadden gehat daer, Si waer embermeer verloren naer. Ende alse Ulfijn ende Bretel dit sagen, Sprongen si op van daer si lagen, Ende riepen: “hier, mordenaers ongehier, 27845 Trouwen, gy laet die koninginne alhier Ende sult daer oec ombe sterven mede”. Doe si sagen datter maer twe en was, Doe hadde hem onwaert, sijt seker das, Ende vive keerden tegen hem aldaer, 27850 Entie ander vive leiden daernaer Die koninginne enwech met allen; Doe si dit sach, liet si haer vallen Ter aerden neder; maer diegene Hieven se op ende droegen se gemene; 27855 Maer doe si sach haer volgen naer Ombe haer te bescuddene, ontwranc si daer Met groter cracht diese droegen nu Ende liep ten bongaerde, secgic iu, Ende quam an enen boem, diensi ombevinc 27860 Met beiden armen, om die dinc. Doe quamen die vive gelopen na haer Ende woudense aftrecken daernaer, Maer si en konden, so vaste hieltsi haer nu, Van groten anxte, secgic iu, 27865 Si togense utermaten sere, wetet wel, Maer si en daden haer nu niet el; Nochtan warensi so erre ombedat, Datsi se welna gedodet hadden ter stat. Ende Ulfijn ende Bretel hebben vernomen 27870 Die vive, die hem nu iegen komen Met horen swaerden getogen doe; Ende Bretel sloech den enen soe, Dat hi hem thovet clovede ter stede Ende dat hi ter aerden viel mede 27875 Ende bleef doet. Doe liepen saen Ulfijn ende Bretel, daer si sagen staen Die koninginne, die in anxte was groet, Wantsi was byna opter doet Daer se die vive hadden bestaen 27880 Doe si den boem hadde bevaen; Si trocken an haer so vreselyke, Dat groet wonder was sekerlike, Datsi haer arme niet aldaer Uten lichame en trocken vorwaer. 27885 Doe Ulfijn ende Bretel sagen mede Den anxt, dien si daer dogede ter stede, Ontfermede hem des sere, secgic iu; Ende doe die vive sagen nu Ulfine ende Bretel op hem komen, 27890 Hebbensi haer swaerde genomen Ende quamen hem iegen; doe wart daer Een groet strijt onder hem daernaer; Maer Ulfijn ende Bretel in der noet Sloegensi twe van den viven doet; 27895 Ende alse dander drie dat nu sien, Gingensi vaste henen vlien. Doe gingen Bretel ende Ulfijn mede Ende namen die quene daer ter stede, Ende worpen se in dat water eer iet lanc 27900 Al die roetse neder, daer si verdranc, Entiegene in dat water mede droegen, Die si daer nu doet sloegen. Doe namen si die koninginne saen Ende dadense in haer kamer gaen, 27905 Die sere vervaert was; maer si seiden haer Datsi nu wel te rasten waer Ende si des nembermeer en zeide twint; Ende si namen die valsce Jenovre omtrint Ende leidense in haer herberge daernare, 27910 Si [en] wouden des maken negene mare. Aldus hadde geweset verraden saen Die koninginne, en hadde Merlijn gedaen, Van desen verradren ende gescint, Daer si noch groet vernoy af sint 27915 Hebben sal, dat iu hiernaer Dit boec sal maken openbaer; Want die koninck verdreef se sint Drie iaer van hem, daer se omdat gint Galiot nam dor Lancelots wille; 27920 Entie koninck Artur hielt, lude ende stille, Die valsce Jenovre, ende was met haer Gelijc of si sijn wijf waer. Ende op ene tijt, lange daernaer, Quam haer an ene siecheit swaer, 27925 Ende Bertelaye, den verrader, mede, Die se den koninge bracht hadde ter stede, 311 Nochtan en woude haer die koninck laten niet Totedat hise van vuilheit rotten siet, Ende nochtan dat konincrike drie iaer 27930 Te banne was, dat men daernaer Niemanne opten kerchof en groef mede; Ende dit vernoy gedogede daer ter stede Onse Here om der sonden wille groet Die si daden; ende oec bleef daerombe doet 27935 Een ridder, daer Onse Heer nadien Dese wrake om liet gescien, Dien doet sloegen quade gesellen, Alsic iu ter steden sal vertellen. Doe die koninck Leodegan 27940 Geboden hadde sinen ban Ombe siner dochter brulocht mede, Doe geviel daer ter stede, Dat quamen te hove eens ridders mage Den koninck Leodegan doen ene clage 27945 Over Bertelaye, diene sloech doet. Die koninck hierombe Bertelayen ontboet In sine herberge, daer hi inne was, Dat hi vor hem quame nadas, Ende Bertelaye quam vor den koninck daer 27950 Wel gewapent, wetet vorwaer, Onder sine clede al hemelike, Met vele gesellen desgelike Van ridderen, die hem volgeden ter stede; Hi was hovesc ende wel sprekende mede; 27955 Ende alsen die koninck Leodegan sach, Vragede hi hem, so hi iersten mach, Waerombe hi den ridder sloech doet? Doe zeide hi: “here, elc es hem ter noet Sculdech te bescudden van verraetnesse nu 27960 Van elken manne diene beroepet, secgic iu, Ende oec weten vele liede, God weet, Dat hy mynen neve dode gereet; Ic en secge oec niet ic en sloege hem doet, Maer ic ontseide hem ierst al bloet, 27965 Ende hi sloech minen neve al stille Doet, ombe sines wives wille, Die hi hem onneerde al te male, Ende elc man mach van rechte wale Sinen doetviant letten ende deren, 27970 Als hi hem ontsecht hevet met eren”. Doe zeide die koninck Leodegan, Dat hi hem niet wel en wrac daeran, “Maer waerdy komen, ende haddet dan my Geclaget, ende en haddic iu daerby 27975 Niet gerechtet, so mochty dan Iu bet hebben gewroken daeran; Maer dat en hadde iu so waert niet, Dat gy my geclaget haddet iet”. “Here, gy moecht secgen iuwen wille, 27980 Maer ic en dade niet iegen iu, lude no stille, Noch doen en sal, of God wil, mede”. “Wet wel”, zeide die koninck ter stede, “Ic wil, dat hieraf recht gescie”. “Here”, zeide Bertelay, “nu dunket my, 27985 Dat ic in uwen handen moet sijn nu”. Doe geboet die koninck, dat secgic iu, Den mannen, datsi te samene gingen. Te dien rechte, te dien dingen, Was die koninck Artur ende koninck Ban, 27990 Entie koninck Bohort ende Gawyn daeran, Ende Ywen ende Nascien ende Sagrimor, Adragans, Herviel, ende Gwinemor; Dese droegen overeen na die woert, Die si nu daer hebben gehoert, 27995 Dat men hem onterven soude daernaer, Des koninges lant soude hi rumen openbaer. Dene tale zeide daer die koninck Ban, Die was een welsprekende man; Gelijc dat hem geboden was, 28000 Sprac hi dese tale nadas, Dat sijt alle hoerden, die daer waren; Hi sprac aldus: “heer koninck, twaren, Dese barone, die hier by iu wesen, Wt andren landen ende oec wt desen, 28005 Wysen, dat Bertelay die rode, vorwaer, Sijn goet verboert hevet, ende daernaer Iu lant rumen sal embermeer voertan, Ombedat hy sijn recht selve nam dan; Ende bander syde es dat noch, secgic iu, 28010 Binnen uwen gebannen hove nu, Dat die ridder geleide soude hebben mede, Ende elc die woude toekomen ter stede Ende keren mede. Iu ban daer gaet wt; Dit recht gevewy hier overluet”. 28015 Bertelay sweech stille ende en dorste niet Tegen die manne daer secgen iet; Want dat waren die hogeste mede 312 Van der werlt, die over trecht stonden ter stede; Maer haddent ander liede gesecht, sonder waen, 28020 Hi haddes wel dorren pine bestaen Te wedersecgen, hi was so koene. Dus sciet hi enwech na desen doene Ende voer henen in dat lant, Daer hi die valsce Jenovre vant, 28025 Daer se die drossate gevoert hadde an, Als hem beval die koninck Leodegan. Daer bleef Bertelay lange tijt by haer Ende pensede ende dachte vele naer, Hoe hi hem mochte wreken ter ure 28030 Opten koninck Leodegan ende Arture, Die hem dus hadden oerdeelen doen Ombe dese sake; om dit ocsoen Hadde sint die koninck Artur onraste groer Tuscen hem ende sijn wijf al bloet, 28035 Dat iu dit boec hier namaels al, Alse dat gesciet, vertrecken sal; Maer ic moet nu voert daventure Secgen van den koninck Arture, Die met sinen wive wil varen 28040 In dat lant van Logres, sonder sparen |
Hier hoor je van Arthurs huwelijk en hoe hij Jenover trouwde en van de feesten. 27450 Hier komt voort dat grote jolijt, Dat men pleegt in huwelijkse tijd, Want in huwelijk is men blij Als twee gelieven aan elke zijde Verzamelen zullen; nochtans gebeurt 27455 Dat het later zo vergalt, Zodat de blijdschap in rouw vergaat. Dat huwelijk verstoren, die doen kwaad, Daar zij twee met wet zaten; Maar sommige kan het niet laten 27460 Daar hij lieden ziet goed tezamen Ach, God nu schend die kwade verrader, Die vrouw en man boos maken! Ik zou meer zeggen van deze zaken, Maar ik moet van de beste man 27465 En van de kundigste en trouwste dan, En van de dapperste mede, Die ooit kwam in christenrijk, En van de hoffelijkste vrouw mee En de goedertierenste, dat weet, 27470 En ook van de mildste, weet dat, Een huwelijk maken hier ter plaatse. Ge hebt hiervoor gehoord in schijn, Hoe men wachtte op Merlijn, Eer koning Arthur, die milde, 27475 Jenover daar trouwen wilde; En nu is Merlijn gekomen voorwaar Die men grote feesten deed daar, En om de bruiloft, weet voortaan, Was daar toe gekomen menige man 306 27480 En de Jenover, die bastaarddochter was Van koning Leodegan, zoals ik las, Ze had veel hoge verwanten, die zeer Koning Leodegan haten, hun heer, En dit waren haar moeders verwanten nu; 27485 En deze haat kwam, zeg ik u, Vanwege de schande, die hij had gedaan Cleodalise, zijn drost, zonder waan, Om zijn vrouw, die hij hield lang, Tegen haar wil, in bedwang 27490 Tot zijn geliefde; nu waren daar Van haar vijftien, die waren voorwaar De ongekroonde Jenover verwant, Die spraken tezamen in die dagen; Maar hiervan wist Cleodales niet 27495 Wat elk daar jaagt of bespiedt; En deze kwamen overeen daar nu, Dat ze zouden spreken, zeg ik u, Jenover’s meesteres, koning Arthurs vrouw, En het tegen haar verdienen, zonder blijf, 27500 Dat ze Jenover, ‘s avonds samen, Als ze bij Arthur te bed zou gaan, Dat ze haar brengt in de boomgaard, “En als ze daar is, zullen we haar ter vaart Nemen en in een schip doen dan, 27505 En voeren haar daar ze nimmermeer een man Van deze landen verneemt iets; En dan zal de hofbediende nemen omtrent Jenover onze nicht ter ure En leggen haar bij koning Arthur 27510 In de plaats van de koningin; dan zullen wij Allen heren worden daarbij”. Ze namen een die dit doen zou, Ze lieten een schip zoeken en alzo houden En aan de hofbediende deden ze ook alzo 27515 Dat ze hen dat alles beloofde toen, En dat ze zeker mochten wezen; En Merlijn, die taal wist van deze Verraad, zei het Ulfijn en Bretel, En vertelde hen al hun spel, 27520 Die het dus verwonderde, en vroegen hem daar Wat ze daar mochten toe doen daarnaar. Merlijn zei: “ik zeg het u, God weet: Ge zal morgen avond zijn gereed Als men gegeten heeft, en zal gelijk 27525 Heimelijk in de boomgaard gaan, En zal onder een boom liggen gereed, En goed gewapend onder uw kleed, En ze zullen geen wapens hebben daar Uitgezonderd hun zwaard; en als daarnaar 27530 Die hofbediende de koningin brengt En ze aan hen levert, dan spring Op en behoedt haar volledig alzo, Want mochten ze daar iets gebruiken toe, Ze zouden haar gelijk hebben nadien 27535 In een schip; zo hebben ze daarna voorzien”. “We zullen ze wel opwachten”, zeiden ze toen “Zodat ze er niet zullen komen toe”. Toen zei Merlijn: “zeg het niet, Dat ik u deze dingen dus aanried, 27540 Want nimmermeer zo beminde ik u, Zei ge dat iemand verder nu”. “Neen wij, heer”, zeiden ze, “zonder waan”; Meteen scheiden ze. Toen gingen gelijk De ridders slapen ter herbergen waart, 27545 En de andere dag met een vaart Kwamen ze weer te hof waart aan, Daar koning Leodegan Zijn dochter bereiden liet alzo, Zodat menigeen met verwondering zag toe 27550 Vanwege de grote schoonheid, die haar lag aan. Daar nam haar aan de ene zijde koning Ban En aan de andere zijde koning Bohort En leiden haar alzo ter kerk voort, En koning Arthur en koning Leodegan 27555 Gingen toen voor alle andere man, En voor hen gingen, met twee gouden zwaarden Twee ridders, die de lieden weerden; En na de koningen kwamen die ridders snel En immer twee en twee in hand; 27560 En de vrouwen en de jonkvrouwen mede Kwamen diergelijk ook ter plaatse, En Jenover had op haar hoofd Een gouden saffier, dus geloof het, En haar haar hing bij haar nederwaarts, 27565 Dat ze de schoonste is, dat ooit gewaar werd, En haar klederen waren van geslagen goud 307 Dat haar sleepte in de mond Wel twee lengtes (vadem) lang ter plaatse, Men zag het niet beter staan daarmee. 27570 Haar zuster kwam na haar, dat weet, Die begeleide Lucas, en Griflet; Toen kwamen alle anderen daarna En immer twee tezamen, zoals ik versta. Dus kwamen ze in die kerk na dit, 27575 Daar de aartsbisschop Durbrices Naar hen daar stond en wacht, Die daar Arthur met hem had meegebracht, En ook mede mijnheer Amistans, Konings kapelaan Leodegans; 27580 Hij stond en wachtte daar ter ure En hij kroonde daar koning Arthur, En de bisschop zong de mis daarnaar; Daar werd geofferd groot voorwaar Van de prinsen en van de heren; 27585 Daar werd geofferd met grote eren. En toen de mis was gedaan, Gingen ze weer thuis waart gelijk, Gelijk zoals ze dat tevoren deden, Twee en twee, met goede stade, 27590 En hand in hand gingen ze alzo, Tot ze kwamen tot de zaal toe, Daar menige meester in was, Die zijn spel vertoonde na dat; Wat zou ik hiervan zeggen veel? 27595 Niet zag men zo veel spelen Nog kwam geen man, daar hij zag Zo’n grote feest op een dag. Toen werden de tafels daar gelegd, Daar was elk naar zijn waardigheid 27600 Gezet en bediend ook mede, Gelijk in konings hof is zede, Die bruiloft houdt en feest, Ja, de eerzaamste en de grootste Die er in de wereld was gedaan; 27605 Er leeft geen man, zonder waan, Die alle gerechten kon versieren Die men daar gaf in hoofse manieren; En toen men gegeten had daar, Richtte men een doel daarnaar 27610 Daar de veertig ridders speer op braken, Die met koning Arthur voor die zaken In dat land kwamen van Carmelide, (En de nieuwe ridders ook te die tijden); En de ridders van de tafelronden 27615 Kwamen hen tegen ook te die stonden En begonnen ze te achter te doen daar. Toen kwam dat nieuws gelijk daarnaar Aan heer Gawein, die zat en at; Maar al gelijk, toen hij wist dat, 27620 Eiste hij zijn wapens ter plaatse, En zijn gezellen ook daarmee Ze wapenden zich en reden derwaarts; Elk nam een scherpe speer ter vaart, En ze maakten een gezelschap onder hen gelijk 27625 Dat de ene de andere niet af zal gaan, En dat scheen wel in dat toernooi daar, Want ze deden het zo goed daarnaar, Dat sinds op hen die van de tafelronden Grote vete droegen lange stonden, 27630 Dat sinds te Londen wel schijnen zal, Daar Gawein toen was genoemd al Tot een toernooi meester en heer voorwaar, Omdat hij het zo goed deed daar, Zoals u dit boek zal zeggen hierna. 27635 Dat toernooi was verzameld, zoals ik versta, Voor de poorten van de stad En daar verzamelde in hen nadat Mijnheer Gawein met zo’n grote kracht, Dat hij ze alle verdreef van de gracht; 27640 En de nieuwe ridders, zonder waan Worden door hem hersteld samen, En dit vertoornde erg zeer daar Die van de tafelronden, weet voorwaar, En peinsden zich zo zeer, zeg ik u, 27645 Zodat ze de anderen achter deden nu. Toen Gawein zag de nieuwe ridders daar naar achter gaan, Stak hij dat zwaard op en nam gelijk Een hellebaard, en wierp dat schild na deze Weg, omdat hij lichter zal wezen; 27650 Toen sloeg hij daar een ridder zo, Dat hij ter aarde tuimelde toen; Daarna sloeg hij een andere ter stonde, Zodat hem het bloed schoot uit de mond En dat hij ook daar viel ter aarde. 27655 Dus sloeg hij er veel van het paard En kwetste; en toen dit zagen Die van de tafelronden, wilden ze het verdragen 308 Nimmermeer, dat hij kwetste die heer, En liepen alle op hem daarnaar 27660 En zeiden, ze wilden nimmer te die tijden Toernooien, maar ze wilden strijden. Toen werd daar de slag zo groot En zo angstig in de nood, Dat daar grote schade zou zijn geschied, 27665 Had Merlijn het voorzien niet, Die tot de drie koningen ging daarna En zei: “het is tijd, dat men afstaat Dit toernooi”. Toen gingen ze derwaarts, En toen dus Heer Gawein werd gewaar, 27670 Dat die van de tafelronden alzo Op hem liepen, sloeg hij in hen toen En doorbrak ze, wie lief, wie leed, En deed hen dat kwaadste, God weet, Dat hij mocht; en nadat 27675 Reed Minodalis op hem ter plaatse, En stak hem met een speer alzo, Zodat hij bijna was gevallen toen. Dus was heer Gawein boos en gram En verhief zijn hellebaard, en kwam 27680 Op diegene en sloeg hem daar, Zodat hij omgekeerd viel daarnaar. Toen riep koning Arthur gelijk: “Lieve neef, ge hebt dus genoeg gedaan”; Maar hij was verwarmt zo zeer, 27685 Dat hij vocht hoe langer hoe meer. Toen kwam Merlijn en nam hem bij de hand. En zei: “ge bent gevangen gelijk”. Toen Gawein zag dat het Merlijn was, Zei hij “goedertieren heer” na dat 27690 “Omdat ge het wil zo ben ik gevangen”. Toen kwam koning Arthur gelijk En zei: “lieve neef, naar dat het gaat Is het tijd, dat ge het tornooi afstaat”. Toen zei hij, dat hij het graag laten zou 27695 Sinds meer omdat hij dat wilde. Toen voeren ze weg onder hen vijven daar En het toernooi stopte daarnaar, En elk ging tot zijn herberg waart, En ontwapende zich met een vaart. 27700 Maar die van de tafelronden, zeg ik u, Waren boos omdat ze het nu Te kwaad hadden; maar ze zeiden daar, Ze zouden dat nog verhalen daarnaar, Zodat de nieuwe ridders, om die zaken, 27705 Hun schimp niet zullen maken. Dat hoorde een die naast hen staat, En voer dat Gawein te zeggen gereed En Galescins en heer Ywein. Dit had erg onwaard Gawein, 27710 Dat ze hem aldus bedreigden daar, Maar hij deed zijn gelaat er niet naar, Of hij het dus iets geacht had een wind; Maar alzo veel zei hij sinds, Hij zou hen nochtans niet afgaan, 27715 Welke tijd ze toernooien willen bestaan, “Ja, alzo vaak als ze het zoeken; Ook geef ik hen verlof, dat ze zoeken Hen tien hier die tot hem staan In tijden, nochtans zou ik het aangaan”. 27720 En dit woord, die zei Gawein, Liet hij wel schijnen op het plein Buiten Londen, daar ze sinds namen Een toernooi, daar ze te samen, De nieuwe ridders, kwamen te die stonden, 27725 Tegen de heren van de tafelronden, Daar vreselijk getoernooid was En menigeen gekwetst, zij het zeker dat, Zoals u dit boek wel vertellen zal Hierna, hoe het was, groot en smal. 27730 Dus reed Gawein bij koning Arthur, En het gewone volk in de stad te die uur, Riepen: “ziet hier die ridder, God weet, Die het toernooi geheel onder streed”; Ze vroegen Merlijn, wie hij was, 27735 En Merlijn zei tot hen daarnaar: “Dat is Gawein, koning Loth’s zoon Van Orkney, ook is diegene Koning Arthurs neef mede”. Toen zeiden de lieden daar ter plaatse: 27740 “Bij God, zo slacht hij wel daaraan Van daarvan hij afgekomen is dan”. En toen de gezellen van de tafelronden Zich ontwapend hadden te die stonden, Kleden ze zich met klederen duur 27745 En gingen alle te hof snel En zijn tot heer Gawein gegaan, En klaagden over hem zelf gelijk, 309 En zeiden, dat hij ze toen Zwaar gemaakt had daartoe 27750 Tot dit eerste toernooi mede, Zodat hij verder te elke plaats Hun meester en hun heer mag wezen Die van de tafelronden voort na deze. Heer Gawein zweeg daar geheel stil 27755 En liet hen zeggen hun wil; Maar voort meer vanaf die stonden Was hij meester van de tafelronden En gezel, en het was wel terecht, Want hij was goed en gerecht 27760 En een erg dappere ridder, dat weet, En alzo lang als hij leefde, trouw mee. En binnen deze dat dit was, Waren de tafels bereid na dat, En daar waren drie zalen vol ter plaatse, 27765 Daar men op eten ging gereed, En daar werd bediend wel ter keur, Daar onbrak het niemand nu ter uur, Van alles, dat men gebruiken kon Had daar elk genoeg te stonde; 27770 En toen de etenstijd was gedaan, Luidde men te Sint Steven vesper samen En derwaarts gingen ze alle toen Hand in hand, gelijk alzo Zoals ze ‘s morgens ter mis deden; 27775 Ze hoorden vesper met goede zeden, En toen de vesper was gedaan Zijn ze echt te hof gegaan, Gelijk dat ze tevoren gingen. Toen kwam de bisschop na die dingen 27780 En wijdde koning Arthurs bed daarnaar, Zoals dat recht en zede was daar. Toen scheiden de ridders en de knapen En gingen tot hun herbergen slapen; En Jenover, de koningin, voorwaar 27785 Was met haar hofbediende daarnaar In haar kamer gegaan ter plaatse, En de verrader, daar ik van zei, De andere Jenover’ s verwanten, God weet, Ze hadden hun verraad al gereed 27790 Geregeld hoe ze doen zullen daar, Ze hadden dat oude wijf ingewijd voorwaar, Hiermee te doen al hun wil; Nu gingen deze zich verbergen geheel stil In de boomgaard en verbergen zich daar. 27795 En leiden de nicht met hen voorwaar Omdat ze dat oude wijf nadat Haar zou geven, in de koningin haar plaats Te leiden haar tot de koning alzo. Dus kwamen ze overeen daartoe 27800 En van deze waren er tien, die zijn gegaan In de boomgaard zich verbergen gelijk; Maar ze hadden geen wapens daar Dan hun zwaarden, weet voorwaar, En de valse Jenover was mee 27805 En dat kwade oude wijf, dat weet. Recht als men slapen zou gaan, Nam ze de koningin gelijk, En leidde haar in de boomgaard daarnaar Om haar urine te maken daar; 27810 En toen die verraders vernamen, Dat oude wijf en de koningin kwamen. Die daar verborgen lagen in de boomgaard, Toen kwamen ze heimelijk derwaarts; En Ulfijn en Bretel ook mede, 27815 Die daar lagen verborgen ter plaatse, Ze hadden het niet vergeten, God weet, Dat hen Merlijn had gezegd; Ze waren goed gewapend daar En lagen zo verborgen voorwaar, 27820 Dat niemand ze werd gewaar; Ze zagen dat het oude wijf daarnaar Die de koningin hield bij de hand, En leidde haar te verraders waart gelijk, Die haar grepen daar ter plaatse, 27825 En gaven de andere Jenover mede Dat oude wijf, die haar nam aldaar. Toen dus de koningin het werd gewaar Zag ze wel, dat ze verraden was En wilde hulp roepen na dat; 27830 Toen zeiden ze, ze doden haar, sprak ze geen woord, En meteen zo trokken ze voort Hun zwaard al bloot, en leiden haar ter vaart Vast alzo ter rivier waart, Daar een schip gereed stond gelijk; 27835 Maar de boomgaard was hoog, zonder waan, Zodat men maar te ene plaats Te rivier had een klein pad, 310 Daar ze haar moesten leiden toe; Hadden ze daar mogen komen alzo 27840 Dat ze haar in dat schip hadden gehad daar, Ze was immermeer verloren daarnaar. En toen Ulfijn en Bretel dit zagen, Sprongen ze op vandaar ze lagen, En riepen: “hier, moordenaars onguur, 27845 Vertrouw, ge laat de koningin alhier En ge zal daar ook om sterven mede”. Toen ze zagen dat er maar twee waren, Toen hadden ze onwaarde, zij het zeker dat, En vijf keerden tegen hen aldaar, 27850 En die andere vijf leiden daarnaar De koningin weg met allen; Toen ze dit zag, liet ze zich vallen Ter aarde neer; maar diegene Hieven haar op en droegen haar algemeen; 27855 Maar toen ze zag hen volgen daarnaar Om zich te behoeden, ontwrong ze daar Met grote kracht die ze droeg nu En liep te boomgaard, zeg ik u, En kwam aan een boom, die ze omving 27860 Met beide armen, om dat ding. Toen kwamen de vijf gelopen naar haar En wilden haar er aftrekken daarnaar, Maar ze konden het niet, zo vast hield ze zich nu, Van grote angst, zeg ik u, 27865 Ze trokken uitermate zeer, weet wel, Maar ze deden haar nu niet anders; Nochtans waren ze zo boos omdat, Zodat ze haar bijna gedood hadden ter plaatse. En Ulfijn en Bretel hebben vernomen 27870 Die vijf, die hen nu tegen komen Met hun zwaarden getrokken toen; En Bretel sloeg de ene zo, Dat hij hem het hoofd kloofde ter plaatse En dat hij ter aarde viel mede 27875 En bleef dood. Toen liepen gelijk Ulfijn en Bretel, daar ze zagen staan De koningin, die in angst was groot, Want ze was bijna op de dood Daar ze de vijf had weerstaan 27880 Toen ze de boom had bevangen; Ze trokken aan haar zo vreselijk, Dat het een groot wonder was zekerlijk, Dat ze haar armen niet aldaar Uit het lichaam trokken voorwaar. 27885 Toen Ulfijn en Bretel zagen mede De angst, die ze daar gedoogde ter plaatse, Ontfermde het hen zeer, zeg ik u; En toen de vijf zagen nu Ulfijn en Bretel op hen komen, 27890 Hebben ze hun zwaarden genomen En kwamen hen tegen; toen werd daar Een grote strijd onder hen daarnaar; Maar Ulfijn en Bretel in de nood Sloegen er twee van de vijf dood; 27895 En toen de andere drie dat nu zien, Gingen ze vast heen vlieden. Toen gingen Bretel en Ulfijn mede En namen dat oude wijf daar ter plaatse, En wierpen haar in dat water aanstonds 27900 Al de rotsen neer, daar ze verdronk, En diegene in dat water mee droegen, Die ze daar nu dood sloegen. Toen namen ze de koningin gelijk En lieten haar in haar kamer gaan, 27905 Die zeer bang was; maar ze zeiden haar Dat ze nu wel gerust was En ze dus nimmermeer zei iets; En ze namen de valse Jenover omtrent En leiden haar in haar herberg daarnaar, 27910 Ze wilden dus maken geen bericht. Aldus was ze geweest verraden gelijk De koningin, had Merlijn niet gedaan, Van dit verraad en schenden, Daar ze nog groot verdriet van sinds 27915 Hebben zal, dat u hiernaar Dit boek zal maken openbaar; Want de koning verdreef haar sinds Drie jaar van hem, daar ze omdat ginds Galiot nam door Lancelots wil; 27920 En koning Arthur hield, luid en stil, Die valse Jenover, en was met haar Gelijk of ze zijn vrouw was. En op een tijd, lang daarnaar, Kwam haar aan een ziekte aan zwaar, 27925 En Bertelaye, de verrader, mede, Die haar de koning gebracht had ter plaatse, 311 Nochtans wilde haar de koning verlaten niet Totdat hij haar van vuilheid verrotten ziet, En nochtans dat koninkrijk drie jaar 27930 In ban was, zodat men daarnaar Niemand op het kerkhof begroef mede; En dit verdriet gedoogde daar ter plaatse Onze Heer vanwege de zonden wil groot Die ze deden; en ook bleef daarom dood 27935 Een ridder, daar Onze Heer nadien Deze wraak om liet geschieden, Die dood sloeg kwade gezellen, Zoals ik u ter plaatse zal vertellen. Toen koning Leodegan 27940 Geboden had zijn ban Om zijn dochters bruiloft mede, Toen gebeurde daar ter plaatse, Dat kwam te hof een ridders verwant Koning Leodegan doen een klacht 27945 Over Bertelaye, die hem sloeg dood. De koning hierom Bertelaye ontbood In zijn herberg, daar hij in was, Dat hij voor hem kwam na dat, En Bertelaye kwam voor de koning daar 27950 Goed gewapend, weet voorwaar, Onder zijn kleed al heimelijk, Met veel gezellen desgelijks Van ridders, die hem volgden ter plaatse; Hij was hoffelijk en goede spreker mede; 27955 En toen koning Leodegan hem zag, Vroeg hij hem, zo gauw hij mag, Waarom hij die ridder sloeg dood? Toen zei hij: “heer, elk moet zich ter nood Schuldig te behoeden van verraad nu 27960 Van elke man die hem beroept, zeg ik u, En ook weten veel lieden, God weet, Dat hij mijn neef doodde gereed; Ik zeg u ook niet dat ik hem sloeg dood, Maar ik zei hem het eerst al bloot, 27965 En hij sloeg mijn neef al stil Dood, vanwege zijn vrouw wil, Die hij onteerde allemaal, En elke man mag van recht wel Zijn doosvijand letten en deren, 27970 Als hij hem het gezegd heeft met eren”. Toen zei koning Leodegan, Dat hij zich niet goed wraakte daaraan, “Maar was ge gekomen, en had dan mij Geklaagd, en had ik u daarbij 27975 Niet recht gedaan, zo mocht ge dan U beter hebben gewroken daaraan; Maar dat was u zoveel waard niet, Dat ge me beklaagd had iets”. “Heer, ge mag zeggen uw wil, 27980 Maar ik deed niets tegen u, luid of stil, Nog doen zal, als God het wil, mede”. “Weet wel”, zei de koning ter plaatse, “Ik wil, dat hiervan recht geschiedt”. “Heer”, zei Bertelay, “nu lijkt mij, 27985 Dat ik in uw handen moet zijn nu”. Toen gebood de koning, dat zeg ik u, De mannen, dat ze tezamen gingen. Tot dat recht, tot die dingen, Was koning Arthur en koning Ban, 27990 En koning Bohort en Gawein daaraan, En Ywein en Nascien en Sagrimor, Adragans, Herviel en Gwinemor; Deze kwamen overeen na dat woord, Die ze nu daar hebben gehoord, 27995 Dat men hem onterven zou daarnaar, Konings land zou hij ruimen openbaar. De ene taal zei daar koning Ban, Die was een welsprekend man; Gelijk dat het hem geboden was, 28000 Sprak hij deze taal na dat, Zodat ze het allen hoorden, die daar waren; Hij sprak aldus: “heer koning, te waren, Deze baronnen, die hier bij u wezen, Uit andere landen en ook uit deze, 28005 Wijzen, dat Bertelay die rode, voorwaar, Zijn goed verbeurd heeft, en daarnaar Uw land ruimen zal immermeer voortaan, Omdat hij zijn recht zelf nam dan; En aan de andere zijde is dat nog, zeg ik u, 28010 Binnen uw gebannen hof nu, Dat de ridders geleide zou hebben mede, En elk die er wil toekomen ter plaatse Keren mede. Uw ban gaat daar uit; Dit recht geven we hier overluid”. 28015 Bertelay zweeg stil en durfde niet Tegen die mannen daar zeggen iets; Want dat waren de hoogste mede 312 Van de wereld, die over het recht stonden ter plaatse; Maar had het andere lieden gezegd, zonder waan, 28020 Hij had ze wel durven te bestaan Te weerspreken, hij was zo koen. Dus scheidde hij weg na dit doen Voer heen in dat land, Daar hij de valse Jenover vond, 28025 Daar haar de drost gevoerd had aan, Zoals hem beval koning Leodegan. Daar bleef Bertelay lange tijd bij haar En peinsde en dacht veel daarnaar, Hoe hij zich mocht wreken ter ure 28030 Op koning Leodegan en Arthur, Die hem dus hadden veroordeeld doen Om deze zaken; om die gelegenheid Had sinds koning Arthur onrust groot Tussen hem en zijn vrouw al bloot, 28035 Dat u dit boek hier later al, Als dat gebeurt, zeggen zal; Maar ik moet nu voort met het avontuur Zeggen van koning Arthur, Die met zijn vrouw wil varen 28040 In dat land van Londen, zonder sparen. |
Hoe die koninck Artur sijn wijf te lande voerde, ende hoe die koninck Lot metten koninge Artur street. Ons secget daventure ter stede Doe koninck Artur, ende sine gesellen mede, Achte dage hadden gewesen daer In groter feesten, wetet vorwaer, 28045 Entie brulocht entie feeste nadas Al te male doe geleden was, Woude hi hem te landewaert gereiden; Hi riep Gawine, al sonder beiden, Ende zeide, dat hi siner gesellen name daer 28050 “So vele, dat er my blyve maer Vijfhondert, want ic wille varen nu So ic hemelycst kan, secgic iu, Ende gy sult varen in mijne stat Te Logres, ende sultse vorsien nadat 28055 Van spisen, van wyne, van allen dingen, Want ic wil houden sonderlinge Den meesten hof enten eerlycsten mede, Die nie was gehouden in Kerstenheden Tesen half-Oegste, secgic iu”. 28060 Gawyn zeide: “ic denke nu Dat iu ieman mach oplopen, here, Ombedat gy vaert met cleenre were”. “Des ontsiet iu niet”, zeide die koninck, “Maer haestet iu henen boven alle dinc”. 28065 Dus sciet heer Gawyn ende es gegaen Tot sinen gesellen, ende zeide hem saen, Datsi hem wapenden, si moesten varen In Bertanien, sonder sparen. Doe gingensi alle te samene dan 28070 Ende namen orlofan den koninck Leodegan Ende an die barone van den lande Ende al diegone die elc daer kande. Doe si orlof hadden genomen, Sijn si thoren paerden gekomen 28075 Ende saten op ende reden tsamen, So lange datsi te Logres kwamen. Maer her Gawyn was herde swaer Ombe sinen oem, dat hine daer Achtergelaten hadde, twaren, 28080 Want hi verre moeste varen Dor siner viande lande eer hy Quame daer hi nu seker sy; Des vruchte hi sere sijn verlies, Ende hi haeste hem te seerre dies 28085 Sijns oemes gebot te doene daer: Hi geboet in den lande, verre ende naer, Al den lieden, hebbic vernomen, Datsi tArturs hove souden komen Te half-Oegste. Doe gereiden hem daeran, 28090 Daer eerlyc te komen, menech man; Ende mijnheer Gawyn dade gereiden daer Wijn, wilbraet, wetet vorwaer, Ende alle dinge die men visieren konde Dade hi daer bringen te dier stonde, 28095 Ende wat dat men gedenken kan, Daer des menscen begeerte mach licgen an, Van etene, van drinkene dade hi komen daer: Dat die stat so vol was daernaer, Dat men en wiste waer licgen doe. 28100 Ende alsi dit bereit hadden alsoe, Doe reet hi iegen sinen oem ter stede Want hi groten anxt hadde mede, 313 Dat hi daer beroeft mochte werden nu. Binnen desen dat dit was, secgic iu, 28105 So was die koninck Artur gereet Ende trac na des Saterdages, God weet, Doe Gawyn was enwech gereden; Ende hi nam orlof daer ter steden An alle die heren, die daer waren, 28110 Entie twe koninge, sonder sparen, Die koninck Ban entie koninck Bohoert, Voeren metten koninck Artur voert, Entie twehondert ende vijftich ridders ter stonden, Die men doe hilt van der Tafelronden. 28115 Die koninginne hadde gebeden here Amistans Hoers vader capellaen, heren Leodegans, Dat hi met haer soude varen; Hi dadet gerne, oec bleef hi daernare Haer capellaen menegen dach alsoe. 28120 Si bat Gwinemaer, haren neve, doe, Die een goet ridder was ende vry, Ende Sardone, den broeder, die ouder was dan hy, Entie borchgrave van Deneblase was, Die bat si met hem te vaerne nadas; 28125 Entie koninck haer vader, Leodegan, Voer met haer wtwaert met menegen man, Ende geleidese drie dachvaert daernaer Ende doe sciet hi van haer daer, Ende bevalse alle Gode ende voer thueswaert. 28130 Doe quam Merlijn mettervaert Toten koninck Artur ende zeide: “Here, ic moet nu varen, sonder beiden, Te Blasise, minen meester, siet, Want ic en sachen in langen tyden niet 28135 Ende ic hebbe uwen oerbar wel gedaen”. “Hoe”, zeide die koninck Artur saen, En suldy te Logres tmynen hove niet sijn?” “Ja ic, here!” zeide doe Merlijn, “Ic sal daer sijn eer dat sceet vorwaer”. 28140 Doe nam hi an hem orlof daer, Ende doen en wistensi sciere niet Waer dat hi van hem nu sciet, Entes selven avendes quam Merlijn nu Daer Blasys was, dat secgic iu, 28145 Diene in langen tyden niet [en] hadde gesien; Nu was hi herde blyde van dien, Ende Merlijn telde hem al daventuren Die gesciet waren van der uren, Dat hi lestwerf van hem sciet, 28150 Hi en lietes een woert achter niet. Hi telde hem, hoe die koninck Lot es Behendelyc gevaren, sijt seker des, In den foreest van Serpine mede; Oec telde hi hem ander dinc ter stede, 28155 Die noch gescien sullen na des In den konincrike van Logres; Ende Blasys screef dat daer, groet ende smal, Ende by hem so wetewy dat al. Ende binnen desen dat dit was, 28160 So quam die koninck Artur nadas Met vijfhondert mannen gereden nu Ende met sinen wive, secgic iu, An den foreest van Serpine. Eer si dat iet wisten, waren die somer sine 28165 Gereden, daer die koninck Loth lach an Ende wachte Artur met sevenhondert man; Ende als die knechte worden gewaer Datsi gewapent sijn openbaer, Wistensi wael, datsi ombe arch waren daer, 28170 Ende hielden alle stille daernare, Ende ontboden den koninck Artur tien stonden, Datsi gewapende liede hadden gevonden. Als dit die koninck Artur verstoet, Ontbeide hi siner liede ende beete te voet, 28175 Ende ordineerdese alle daernaer, Ende ontboet veertich ridders vor hem daer, Ende beval hem die koninginne doe, Datsise in behout voerden alsoe, Sagen si dat anders gaet dan wale; 28180 Doe saten si op haer orse al te male, Ende reden voert ende vonden houdende dan Den koninck Loth met sevenhondert man; Ende als dene den andren hevet gesien, Sloegen si te gader alle mettien 28185 Met groten nyde ende braken daer Haer spere; doe trocken si alle daernaer Haer swaert, ende gingen houwen ende slaen 314 Op helme op scilde, ende braken se saen. Daer wart die batalie nu so groet 28190 Dat men nie ontsach des genoet Van luttel lieden, alse daer was. Nu geviel, dat die koninck Artur na das Dorbrac den strijt so verre doe, Dat hi quam opten koninck Loth alsoe, 28195 Entie koninck Loth op hem weder daer; Elc hadde een sterc speer vorwaer, Entie koninck Loth op Arthur nu stac Dat sijn speer in sticken brac, Entie koninck Artur stacne weder soe, 28200 Dat hi ter aerden moeste vallen doe, Ende keerde die bene opwaert; Maer hi spranc weder op ter vaert, Alse die herde vromech was, Ende deckede hem metten scilde nadas; 28205 Maer hi was so rouwech ter stede, Dat hi afgesteken was mede, Dat hi welna ontsinnet was daer; Entie koninck Artur keerde daernaer, Ende quam weder opten koninck Loth doe 28210 Ende stac na hem; ende doene alsoe Die koninck Loth sach komen themwaert, Ontwinkede hi den steke mettervaert, Ende daer Arthur neven hem soude lyden, Sloech die koninck Loth, tien tyden, 28215 Des koninck Arturs ors also wael Dor den rucge, dat viel te dael, Entie koninck Artur mede vorwaer; Ende sine bene bleven onder den orse daer Ende lach hem daer oppe so vaste doe, 28220 Dat hi hem niet en konde geroeren alsoe. Ende als dat die koninck Loth sach daer, Greep hine metten helme daernaer, Ende spranc op hem ende wranc mede, Ende tracken herde sere ter stede 28225 Ende quetsedene, ende pijnde hem saen Hoe hi hem dat hovet mochte afslaen; Ende en hadde daer die koninck Ban niet gewesen Entie koninck Bohort, die quamen te desen, Daer soude groet scade gesciet sijn tien stonden, 28230 Entie ridders van der Tafelronden Dese quamen hem alle te helpe daer; Ende bander syde quamen daernaer Des koninck Lottes liede, omdat by Horen heren oec wouden staen sy; 28235 Aldus wart die strijt groet, secgic iu, Eer si beide bescuddet worden nu; Ende als si gereddet worden daernaer, Begondensi van ierst te strydene daer. Alsi dus gestreden hebben lange, 28240 Entie strijt was groet ende strange, Sagen si waer Gawijn quam gereden Ende Keye, die drossate, met haestecheden, Ende brachten vierdusent gesellen daer; Ende Keye haeste hem sere daernaer, 28245 Alse die een stout ridder was Ende groet mede, sijt seker das, En hadde sine quade tonge gedaen Ende sijn scempen, sonder waen, Daer hi sere gehatet ombe was 28250 Waer hi quam, sijt seker das; Maer hi was een getrouwe ridder mede Ende en dade nie ongetrouwechede Noch verraetnesse dan ene bloet: Dat was dat hi Leoncen sloech doet, 28255 Des koninck Arturs sone, van nyde met, In den foreest Perilleuse, dat wet, Ende by den Waloys Persevalen Was hi gewroeget te dien male Te hove, gelijc hem dade verstaen 28260 Deremite, diene hem doet sach slaen. Doe die koninck Artur Gawine sach komen, Was hi blide, hebbic vernomen, Ende reet an den koninck Ban, Ende zeide: “kendy iet den voresten man, 28265 Die dat grote speer bringet ter stede Enten scilt metten lazure mede, Daer die lewe inne staet rampant, Ende metter kronen van sylver te hant, Ende metter [banieren] in bellonc geset?” - 28270 “Here, ic en kennes niet, dat wet, Dan also verre my dunket daerby, Dat Heer Gawyn, iu neve, sy”. “By Gode”, zeide die koninck, “gy secget waer, 315 Ende ic secget iu hier al openbaer, 28275 Dat ons dese liede nu ter quader tijt Op hebben gelopen in desen strijt; Want al waerder noch also vele, Dat gaet met hem hier uten spele Opdatne God behoede voertan”. 28280 “By Gode”, zeide die koninck Ban, “Si sijn sot beidensi hier, secgic iu, Totedatsi in hem vergaderen nu”. Al die wile, datsi spreken daer, Quam mijnheer Gawyn gereden naer, 28285 Ende sach waer sijn oem soccoers hevet noet; Doe sloech hi in met haeste groet, Dat hi sinen vader neder stac tien tyden Ende quetsedene al luttel in dene syde Ende overreeten driewerf ochte viere, 28290 Hy haddene gedodet byna sciere; Doe spranc hi van sinen orse saen, Ende ginc boven sinen vader staen, Ende wranc den helm wt enten koliere Ende trac Caliburnus, sijn swaert, sciere, 28295 Ende zeide, hi woude hem dat hovet afslaen, Hi en geve hem vollicke daer gevaen. “Hebbet mijns genade”, zeide hi, “edel man, Want ic en mesdade iu nie daeran So vele, dat gy doden sout my”. 28300 “Gy doet: als gy oplopet”, zeide hy, Mynen oem, so mesdoedy daeran”. Die koninck Loth zeide: “wie zijdy dan Dat gyne oem hetet?” - “Wat roeket iu Wie ic ben?” zeide Gawyn nu, 28305 “Ic en secges iu niet; maer doet gereet Dat ic iu hete, ocht ic sla iu doet, God weet!” - “Secget my”, zeide Loth, “des biddic iu By der trouwen, die gy sijt sculdech nu Den liefsten, dien gy levendech hebbet mede, 28310 Wie gy geheten sijt ter stede”. “Maer gy, die des my vraget, wie zijdy”? Zeide Gawijn, “dat secget my”. “By Gode”, zeidi, “ic hete die koninck Loth, Een onsalich koninck, also helpe my God, 28315 Dien dat altoes mesvalt, waer hy komet toe”. Doe dat heer Gawyn hoerde, zeide hi doe: “Ende ic hete Gawyn, skoninck Arturs neve, Dien ic sal dienen den dach dat ic leve”. Doe dat die koninck hoerde daernaer 28320 Spranc hi op ende begreepne daer, Ende helsedene vriendelike ende zeide doe: “Ic ben iu onsalige vader, dien gy alsoe Scandelyc ter aerden staket nu”. “Mijn vader en zijdy niet, secgic iu, 28325 Noch mijn vrient oec nembermeer Tote desmaels dat versoent sy eer Tuscen den koninck Artur ende iu mede, Ende gy hem genade hebbet gebeden ter stede Ende gy hem daerna manscap doet; 28330 Niet anders en betrouwet iu te my goet Dan an der doet, ende wetet thant Gy en laet hier negeen ander pant Dan iu hovet”. Doe die koninck dit hoerde, Viel hi in ommacht van den woerde; 28335 Ende als hi weder doe verquam, Zeidi: “lieve sone, ic geve my op”, ende nam Sijn swaert ende gaf hem dat vorwaer, Ende zeide, hi woude doen daernaer Al dat hi woude vorwaert meer. 28340 Doe ontfermede des Gawyne herde seer Ende weende, ombedat hi, daer ter stede, Synen vader gequetset hadde mede. Doe satensi op haer orse beide daer Ende gingen haer liede sceden naer; 28345 Ende doe sise aldus daer hadden gesceden, Voer Gawyn tsinen oeme ter steden; Ende alsen sijn oem hevet vernomen, Zeide hi: “lieve neve, sijt wellekomen! Hoe quam dat gy hier komen sijt? 28350 Wisty iet dat wy hadden desen strijt?” “Neen ic, maer ic quam dus iegen iu; Maer ic dankes Gode sere nu Van desen stryde, want dat es mijn vader, Daer wytegen nu vergadert sijn algader, 28355 Ende gelovet sij God! hier es so gedaen, Dat hy iu te genaden komet saen, Als tsinen heer, van al siner mesdaet, Ende te beterne na uwes selves raet; Ende ontfaeten vor uwen man, 28360 Want hi es dat te wesene gereet voertan”. 316 Doe dit die koninck hoerde daer, Dankede hi des Gode sere daernaer, Der eren, die hi hem hadde gedaen; Daerna quam die koninck Loth gegaen 28365 Met al sinen lieden, ende hadden daer Al haer helme afgedaen vorwaer Ende haer coffien alle mede. Doe zeide Gawijn tsinen oeme ter stede: “Here, hier komet mijn vader gegaen 28370 Ombe iu manscap te doene saen”. Ende alsen die koninck Artur komen siet, Beette hy ter aerden ende en lette niet; Ende al sine barone beetten daer, Entie koninck Loth viel ter aerden naer 28375 Over sine knien ende gaf hem sijn swaert, Ende sprac aldus ten koninck Arturwaert: “Here, ic kome te genade iu, Want ic hebbe iu dickewile vor nu Gekrenket ende gelachtert seer; 28380 Nu koemic ende mijn volc tot iu, heer, Dat gy met ons uwen wille doet Van al dat iu selven dunket goet”. Doe wart hi daer des koninck Arturs man Met al sinen lieden vorwaert an; 28385 Doe hiefene Artur op nadien Ende zeide: “here, gy hebbet over uwe knien So lange gelegen, gy sijt so goeden man, Dat men iu met rechte voertan Sal vergeven ene grote mesdaet; 28390 Ende al [en] waer des oec niet, dat verstaet, Ende ic iu toter doet hatede, gy hebbet nu Sulke kinder, die my hebben, secgic iu, So gedient, dat ic iu niet Haten en mochte, wat des gesciet; 28395 Ende ic wille, dat al mijn goet tehant, Dat ic hebbe, ende al mijn lant Tuwen gebode sij om Gawyns wille, Iuwes sones, dien ic, lude ende stille Liever dan ieman hebbe, die levet nu; 28400 Nochtan sijn hier twe koninge, secgic iu, Die ic te rechte minnen soude, sonder waen, Want si my soccoers hebben gedaen, Ende geholpen in groter noet, God weet!”- Doe stont die koninck Loth op gereet 28405 Ende dankede sere den koninck Artuer; Dus was die vrede gemaket ter uer, Des menech ridder blide was, Ende si saten op haer ors nadas Ende reden te Logres te samen; 28410 Ende doe si te Logres binnen quamen, Dade men hem grote feeste daernaer. Daer was menech gekomen vorwaer Tsinen hove, datsi nadat Al niet konden gegaen in die stat, 28415 Ende moesten daer buten haer tenten slaen; Des was so blide, sonder waen, Die koninck Artur, dat hi daerna geboet, Des andren dages, al sine genoet, Ombedathi hem tetene woude geven daer, 28420 Datsi tsinen hove quamen naer. Des andren dages quam daer menech man, Ende doe si vergadert waren daeran Gingensi messe horen daer nu; Ende daer dade die koninck Loth, secgic iu, 28425 In der kerken sinen eet voertan, Embermeer te sine skoninc Arturs man, Vor alle die liede die waren daer; Dus blevensi altoes vriende daernaer. Ende na messe ginc men eten saen, 28430 Daer wel gedient was, sonder waen, Van allen des, des wies opter aerden Ende elken man na siner waerden; Ende na den etene gingen besien Die ridder die tenten mettien 28435 Enten bosc entie riviere mede, Die daer scone stonden ter stede. Dus waren si achte dage daer, Ende dat volc quam ember naer, Want die koninck hadde ontboden alsoe, 28440 Dat hi groet hof woude houden doe, Ende dat hi ende sijn wijf oec mede Crone souden dragen daer ter stede, Daer oec die koninck scone gichten gaf, Daer hem die heren beloveden af. 2844 Ende beloefden si hem iet alsoe Van sinen gichten, die hi gaf doe, Si beloefden hem noch also sere Van der koninginnen, die, in allen kere, Gaf cleder vrouwen ende ioncfrouwen met 317 28450 Ende armen batselieren, dat wet, Ende riddren ende knapen so mildelike Alrehande scoenhede, datsi sekerlike So lieftael wart onder hem allen daer, Ende datsi se minden sere daernaer. 28455 Ende doent quam te half-Oegste opten dach, Daer die meeste feeste op gelach, Quamen al die heren gecledet daer Met horen dieren clederen, wet vorwaer; Entie koninginne quam gepareert scone, 28460 Ende hadde opten hovede ene crone, Ende haer joncfrouwen quamen rykelike Gepareert ende oec fierlike, Entie koninck Artur droech krone mede. Aldus gingen si te messe ter stede, 28465 Die die biscop Drubrices dade daer; Ende na die messe ginc men daernaer Eten blidelike, sijt seker das, Entie koninck Ban ende sijn broeder, die daer was, Droegen oec krone daer ter stat 28470 Ombedat hem Jenovre, die koninginne, bat; Ter hoger tafelen, daer die koninge saten Was wel gedient utermaten. Daer dienden toe mijnheer Gawein Ende Keye ende Lucam ende Ywein, 28475 Griflet, Sagrimor, ende Dodinans, Keyedijn, Ecgijn, ende Keye van Strans, Galegwintijn, Agglavael, Galegrenes, Blioberis, Agrawein, ende Garies, Galesconde, ende Ywen van Liones, 28480 Ywen van Stail ende Gaheries, Ywen metten witten handen ende Synados, Gwinemar, Ofnam, ende Achos, Ende Ales. Dese tweendetwintich heren Dienden ter hoger taflen met eren; 28485 Ende veertich batselieren dienden daer Ten andren taflen, dat daernaer So wel gedient was in allen stonden, Dat ment niet verbeteren konde. Nu laticse eten, als gy hoert, 28490 Ende sal secgen van den koninck Artur voert, Van den belove, dat hi nu doet, Dat al sijn leven in sinen hove stoet. |
Hoe koning Arthur zijn vrouw te lande voer en hoe koning Loth met koning Arthur streed. Ons zegt het avontuur ter plaatse Toen koning Arthur, en zijn gezellen mede, Acht dagen hadden geweest daar In grote feesten, weet voorwaar, 28045 En de bruiloft en de feesten na dat Allemaal toen geleden was, Wilde hij zich te lande waart bereiden; Hij riep Gawein, al zonder wachten, En zei, dat hij zijn gezellen nam daar 28050 “Zoveel, dat er me blijven maar Vijfhonderd, want ik wil varen nu Zo ik het geheimste kan, zeg ik u, En ge zal varen in mijn stad Te Londen, en zal ze voorzien nadat 28055 Van spijzen, van wijn en van alle dingen, Want ik wil houden bijzonderling De grootste hof en de eerlijkste mede, Die niet was gehouden in christenrijk Te deze half augustus, zeg ik u”. 28060 Gawyn zei: “ik denk nu Dat u iemand zal oplopen, heer, Omdat ge gaat met klein verweer”. “Dus ontziet u niet”, zei die koning, “Maar haast u heen boven alle ding”. 28065 Dus scheidde heer Gawyn en is gegaan Tot zijn gezellen, en zei hen gelijk, Dat ze zich wapenden, ze moesten varen In Brittannië, zonder sparen. Toen gingen ze alle tezamen dan 28070 En namen verlof aan koning Leodegan En aan de baronnen van de landen En al diegene die elk daar kende. Toen ze verlof hadden genomen, Zijn ze tot hun paarden gekomen 28075 En zaten op en reden tezamen, Zolang zodat ze te Londen kwamen. Maar heer Gawein was erg bezwaard Om zijn oom, dat hij hem daar Achtergelaten had, te waren, 28080 Want hij ver moest varen Dor zijn vijanden landen eer hij Kwam daar hij nu zeker zij; Dus vreesde hij zeer zijn verlies, En hij haastte zich te zeer dit 28085 Zijn ooms gebod te doen daar: Hij ontbood in de landen, ver en nabij, Alle lieden, heb ik vernomen, Dat ze tot Arthurs hof zouden komen Te half augustus. Toen bereiden zich daaraan, 28090 Daar eerlijk te komen, menige man; En mijnheer Gawyn liet bereiden daar Wijn, wildbraad, weet het voorwaar, En alle dingen die men versieren kon Liet hij daar brengen te die stonde, 28095 En wat dat men bedenken kan, Daar de mensen begeerte mag liggen aan, Van eten, van drinken liet hij komen daar: Zodat de stad zo vol was daarnaar, Dat men niet wist waar te liggen toen. 28100 En toen hij dit bereid had alzo, Toen reed hij naar zijn oom ter plaatse Want hij grote angst had mede, 313 Dat hij daar beroofd mocht worden nu. Binnen deze dat dit was, zeg ik u, 28105 Zo was koning Arthur gereed En vertrok na de zaterdag, God weet, Toen Gawein was weg gereden; En hij nam verlof daar ter plaatse Aan alle heren, die daar waren, 28110 En de twee koningen, zonder sparen, Koning Ban en koning Bohort, Voeren met koning Arthur voort, En tweehonderd en vijftig ridders ter stonden, Die men toen hield van de tafelronden. 28115 De koningin had gebeden heer Amistans Haar vaders kapelaan, heer Leodegans, Dat hij met haar zou varen; Hij deed het graag, ook bleef hij daarnaar Hun kapelaan menige dag alzo. 28120 Ze bad Gwinemaar, haar neef, toen, Die een goede ridder was en vrij, En Sardone, de broer, die ouder was dan hij, En burchtgraaf van Deneblase was, Die bad ze met hen te varen na dat; 28125 En koning haar vader, Leodegan, Voer met haar uit waart met menige man, En begeleidde ze drie dagreizen daarnaar En toen scheidde hij van haar daar, En beval ze alle God toe en voer thuis waart 28130 Toen kwam Merlijn met een vaart Tot koning Arthur en zei: “Heer, ik moet nu varen, zonder wachten, Te Blasys, mijn meester, ziet, Want ik zag hem in lange tijden niet 28135 En ik heb uw dienst wel gedaan”. “Hoe”, zei koning Arthur gelijk, Zal ge te Londen in mijn hof niet zijn?” “Ja ik, heer!” zei toen Merlijn, “Ik zal daar zijn eer dat scheidt voorwaar”. 28140 Toen nam hij aan hem verlof daar, En toen wisten ze vrijwel niet Waar hij van hen nu scheidde, En dezelfde avond kwam Merlijn nu Daar Blasys was, dat zeg ik u, 28145 Die hem in lange tijden niet had gezien; Nu was hij erg blij van die, En Merlijn vertelde hem alle avonturen Die gebeurd waren van de uren, Dat hij de laatste maal van hem scheidde, 28150 Hij liet een woord achter niet. Hij vertelde hem, hoe koning Loth is Behendig gevaren, zij het zeker dis, In het bos van Serpine mede; Ook vertelde hij hem andere dingen ter plaatse, 28155 Die nog gebeuren zullen na dit In het koninkrijk van Londen; En Blasys beschreef dat daar, groot en smal, En via hem zo weten we dat al. En binnen deze dat dit was, 28160 Zo kwam koning Arthur na dat Met vijfhonderd mannen gereden nu En met zijn vrouw, zeg ik u, Aan het bos van Serpine. Eer ze dat iets wisten, waren de pakpaarden van hem 28165 Gereden, daar koning Loth lag aan En wachtte op Arthur met zevenhonderd man; En toen de knechten worden gewaar Dat ze gewapend zijn openbaar, Wisten ze wel, dat ze om erg waren daar, 28170 En hielden alle stil daarnaar, En ontboden koning Arthur te die stonden, Dat ze gewapende lieden hadden gevonden. Toen dit koning Arthur verstond, Wachtte hij op zijn lieden en steeg af te voet, 28175 En ordende ze alle daarnaar, En ontbood veertig ridders voor hem daar, En beval hen de koningin aan toen, Dat ze haar in behoud voerden alzo, Zagen ze dat het anders gaat dan goed; 28180 Toen zaten ze op hun paarden allemaal, En reden voort en vonden te houden dan Koning Loth met zevenhonderd man; En toen de ene de andere heeft gezien, Sloegen ze tezamen alle meteen 28185 Met grote nijd en braken daar Hun speren; toen trokken ze alle daarnaar Hun zwaard, en gingen houwen en slaan 314 Op helmen en op schilden, en braken ze gelijk. Daar werd de slag nu zo groot 28190 Dat men niet ontzag dus zijn man Van weinig lieden, als er daar waren. Nu gebeurde, dat koning Arthur na dat Doorbrak de strijd zo ver toen, Zodat hij kwam op koning Loth alzo, 28195 En koning Loth op hem weer daar; Elk had een sterke speer voorwaar, En koning Loth op Arthur nu stak Zodat zijn speer in stukken brak, En koning Arthur stak hem weer zo, 28200 Zodat hij ter aarde moest vallen toen, En draaide de benen opwaarts; Maar hij sprong weer op ter vaart, Als een die erg dapper was, En bedekte zich met het schild na dat; 28205 Maar hij was zo rouwig ter plaatse, Dat hij afgestoken was mede, Zodat hij bijna uitzinnig was daar; En koning Arthur keerde daarnaar, En kwam weer op koning Loth toen 28210 En stak naar hem; en toen alzo Koning Loth zag hem komen tot hem waart, Ontweek hij de steek met een vaart, En daar Arthur naast hem zou rijden, Sloeg koning Loth, te die tijden, 28215 Koning Arthurs paard alzo wel Door de rug, dat het viel te dal, En koning Arthur mede voorwaar; En zijn benen bleven onder het paard daar En lag op hem daar zo vast toen, 28220 Zodat hij zich niet verroeren kon alzo. En toen dat koning Loth zag daar, Greep hij hem bij de helm daarnaar, En sprong op hem en wrong mede, En trok hem erg zeer ter plaats 28225 En kwetste, en pijnigde hem gelijk Hoe hij hem dat hoofd mocht afslaan; Was daar koning Ban niet geweest En koning Bohort, die kwamen tot deze, Daar zou grote schade gebeurd zijn te die stonden, 28230 En de ridders van de tafelronden Deze kwamen hem alle te hulp daar; En aan de andere zijde kwamen daarnaar Koning Loth’s lieden, omdat zij Hun heer ook wilden staan bij; 28235 Aldus werd de strijd groot, zeg ik u, Eer ze beiden behoed werden nu; En toen ze gered werden daarnaar, Begonnen ze pas eerst te strijden daar. Toen ze dus gestreden hebben lang, 28240 En de strijd was groot en sterk, Zagen ze waar Gawein kwam gereden En Keye, de drost, met haastigheden, En brachten vierduizend gezellen daar; En Keye haastte zich zeer daarnaar, 28245 Als een die een dappere ridder was En groot mede, zij het zeker dat, Had zijn kwade tong niet gedaan En zijn schimpen, zonder waan, Daar hij zeer gehaat om was 28250 Waar hij kwam, zij het zeker dat; Maar hij was een trouwe ridder mede En deed geen ontrouwheden Nog verraad dan een bange: Dat was dat hij Leonse sloeg dood, 28255 Koning Arthurs zoon, van nijd mee, In het bos van Perilleuse, dat weet, En bij de Waloys Perceval Was hij gewraakt te die maal Te hof, gelijk hem liet verstaan 28260 De heremiet, die hem dood zag slaan. Toen koning Arthur Gawein zag komen, Was hij blijde, heb ik vernomen, En reed naar koning Ban, En zei: “ken ge iets de voorste man, 28265 Die dat grote speer brengt ter plaatse En het schild met het lazuur mede, Daar de leeuw in staat klimmend, En met de kronen van zilver gelijk, En met de banieren schuin gezet?” - 28270 “Heer, ik ken het niet, dat weet, Dan alzo ver me lijkt daarbij, Dat het heer Gawein, uw neef, zij”. “Bij God”, zei die koning, “ge zegt het waar, 315 En ik zeg het u hier al openbaar, 28275 Dat ons deze lieden nu ter kwade tijd Op hebben gelopen in deze strijd; Want al waren er nog alzo veel, Dat gaat met hem hier uit het spel Opdat God het behoed voortaan”. 28280 “Bij God”, zei koning Ban, “Ze zijn zot wachten ze hier, zeg ik u, Totdat ze in hen verzamelen nu”. Al de tijd, dat ze spreken daar, Kwam mijnheer Gawein gereden daarnaar, 28285 En zag waar zijn oom hulp heeft nodig; Toen sloeg hij in met haast groot, Zodat hij zijn vader neer stak te die tijden En kwetste hem al weinig in de ene zijde En overreed hem driemaal of vier, 28290 Hij had hem gedood bijna schier; Toen sprong hij van zijn paard gelijk, En ging boven zijn vader staan, En wrong de helm uit en de bedekking En trok Caliburnus, zijn zwaard, snel, 28295 En zei, hij wilde hem dat hoofd afslaan, Hij geeft zich daar volledig gevangen. “Geef me genade”, zei hij “edele man, Want ik misdeed u niets daaraan Zoveel, dat ge doden zou mij”. 28300 “Ge doet: zoals ge oploopt”, zei hij, Mijn oom, zo misdoe je daaraan”. Koning Loth zei: “wie ben je dan Dat ge hem oom noemt?” - “Wat raakt u Wie ik ben?” zei Gawein nu, 28305 “Ik zeg het u niet; maar doe het gereed Dat ik u zeg, of ik sla u dood, God weet!” - “Zeg het me”, zei Loth, “dus bid ik u Bij de trouw, die ge moet hebben nu De liefste, die ge levend hebt mede, 28310 Wie ge heet ter plaatse”. “Maar gij, die dus me vraagt, wie ben jij”? Zei Gawein, “dat zeg je mij”. “Bij God”, zei hij “ik heet koning Loth, Een onzalige koning, alzo help me God, 28315 Die dat altijd misvalt, waar hij komt toe”. Toen dat heer Gawein hoorde, zei hij toen: “En ik heet Gawein, koning Arthurs neef, Die ik zal dienen al de dagen dat ik leef”. Toen dat de koning hoorde daarnaar 28320 Sprong hij op en begreep het daar, En omhelsde hem vriendelijk en zei toen: “Ik ben uw onzalige vader, die ge alzo Schandelijk ter aarde stak nu”. “Mijn vader bent ge niet, zeg ik u, 28325 Nog mijn vriend ook nimmermeer Tot die keer dat ge verzoent zij eer Tussen koning Arthur en u mede, En ge hem om genade hebt gebeden ter plaatse En ge hem daarna manschap doet; 28330 Niet anders vertrouw ik u me te goed Dan aan de dood, en weet gelijk Ge laat hier geen ander pand Dan uw hoofd”. Toen de koning dit hoorde, Viel hij in onmacht van die woorden; 28335 En toen hij weer bijkwam, Zei hij: “lieve zoon, ik geef me over”, en nam Zijn zwaard en gaf hem dat voorwaar, En zei, hij wilde doen daarnaar Alles dat hij wilde voorwaarts meer. 28340 Toen ontfermde zich dus Gawein erg zeer En weende, omdat hij, daar ter plaatse, Zijn vader gekwetst had mede. Toen zaten ze op hun paarden beiden daar En gingen hun lieden scheiden daarna; 28345 En toen ze hen aldus daar hadden gescheiden, Voer Gawein tot zijn oom ter plaatse; En toen zijn oom hem heeft vernomen, Zei hij: “lieve neef, wees welkom! Hoe kwam het dat ge hier gekomen bent? 28350 Wist ge iets dat we hadden deze strijd?” “Neen ik, maar ik kwam dus naar u; Maar ik bedank God zeer nu Van deze strijd, want dat is mijn vader, Daar we tegen nu verzameld zijn allen tezamen, 28355 En gelooft zij God! hier is zo gedaan, Dat hij u om genade komt gelijk, Als tot zijn heer, van al zijn misdaad, En te verbeteren naar uw eigen raad; En ontvang hem voor uw man, 28360 Want hij is dat te wezen gereed voortaan”. 316 Toen dit de koning hoorde daar, Dankte hij dus God zeer daarnaar, De eer, die hij hem had gedaan; Daarna kwam koning Loth gegaan 28365 Met al zijn lieden, en ze hadden daar Al hun helmen afgedaan voorwaar En hun bedekking alle mede. Toen zei Gawyn tot zijn oom ter plaatse: “Heer, hier komt mijn vader gegaan 28370 Om u manschap te doen gelijk”. En toen koning Arthur hem komen ziet, Steeg hij af ter aarde en lette niet; En al zijn baronnen stegen af daar, Ene koning Loth viel ter aarde naar 28375 Op zijn knieën en gaf hem zijn zwaard, En hij sprak aldus tot koning Arthur waart: “Heer, ik kom om genade u, Want ik heb u vaak voor nu Gekrenkt en uitgelachen zeer; 28380 Nu kom ik en mijn volk tot u, heer, Dat ge met ons uw wil doet Van alles dat u zelf denkt goed”. Toen werd hij daar dus koning Arthurs man Met al zijn lieden voorwaarts aan; 28385 Toen hief Arthur hem op nadien En zei: “heer, ge hebt op uw knieën Zolang gelegen, ge bent zo’n goede man, Dat men u met recht voortaan Zal vergeven een grote misdaad; 28390 En al was dat ook niet, dat verstaat, En ik u tot de dood haatte, ge hebt nu Zulke kinderen, die me hebben, zeg ik u, Zo gediend, zodat ik u niet Haten mag, wat dus geschiedt; 28395 En ik wil, dat al mijn goed gelijk, Dat ik heb, en al mijn land Tot uw gebod zij om Gaweins wil, Uw zoon, die ik, luid en stil Liever dan iemand heb, die leeft nu; 28400 Nochtans zijn hier twee koningen, zeg ik u, Die ik terecht minnen zou, zonder waan, Want ze me hulp hebben gedaan, En geholpen in grote nood, God weet!” - Toen stond koning Loth op gereed 28405 En bedankte zeer koning Arthur; Dus was de vrede gemaakt ter uur, Dus menige ridder blijde was, En ze zaten op hun paard na dat En reden te Londen te samen; 28410 En toen ze te Londen binnen kwamen, Deed men hen grote feesten daarnaar. Daar was menigeen gekomen voorwaar Tot zijn hof, zodat ze nadat Allen niet konden gaan in die stad, 28415 En moesten daarbuiten hun tenten opslaan; Dus was zo blij, zonder waan, Koning Arthur, dat hij daarna gebood, De volgende dag, al zijn genodigden Omdat hij hen te eten wilde geven daar, 28420 Dat ze tot zijn hof kwamen daarnaar. De volgende dag kwam daar menige man, En toen ze verzameld waren daaraan Gingen ze mis horen daar nu; En daar deed koning Loth, zeg ik u, 28425 In de kerk zijn eed voortaan, Immermeer te zijn koning Arthurs man, Voor alle lieden die waren daar; Dus bleven ze altijd vrienden daarnaar. En na de mis ging men eten gelijk, 28430 Daar goed bediend was, zonder waan, Van alles dus, wat groeide op de aarde En elke man naar zijn waarden; En na het eten gingen bezien De ridders de tenten meteen 28435 En het bos en de rivier mede, Die daar mooi stonden ter plaatse. Dus waren ze acht dagen daar, En dat volk kwam immer daarnaar, Want de koning had ontboden alzo, 28440 Dat hij groot hof wilde houden toen, En dat hij en zijn vrouw ook mede Kronen zouden dragen daar ter plaatse, Daar ook de koning mooie giften gaf, Daar hem de heren loofden van. 28445 En loofden ze hem iets alzo Van zijn giften, die hij gaf toen, Ze loofden hem nog alzo zeer Van de koningin, die, in alle keren, Gaf klederen aan vrouwen en jonkvrouwen mee 317 28450 En aan arme schildknapen, dat weet, En ridders en knapen zo mild Allerhande schoonheden, zodat ze zekerlijk Zo lieftallig werd onder hen allen daar, En dat ze haar beminden zeer daarnaar. 28455 En toen het kwam tot half augustus op de dag, Daar het grootste feest op lag, Kwamen al die heren gekleed daar Met hun dure klederen, weet voorwaar; En de koningin kwam opgetooid mooi, 28460 En ze had op haar hoofd een kroon, En haar jonkvrouwen kwamen rijkelijk Opgesierd en ook fierlijk, En koning Arthur droeg ook een kroon mede. Aldus gingen ze te mis ter plaatse, 28465 Die bisschop Drubrices deed daar; En na de mis ging men daarnaar Eten blij, zij het zeker dat, En koning Ban en zijn broeder, die daar was, Droegen ook kronen daar ter plaatse 28470 Omdat hen Jenover, de koningin, bad; Te hoge tafel, daar die koningen zaten Was goed bediend uitermate. Daar dienden toe mijnheer Gawein En Keye en Lucas en Ywein, 28475 Griflet, Sagrimor en Dodinans, Keyedijn, Ecgijn en Keye van Strans, Galegwintijn, Agglavael, Galegrenes, Blioberis, Agrawein en Garies, Galesconde en Ywen van Liones, 28480 Ywen van Stail en Gaheries, Ywein met de witte handen en Synados, Gwinemar, Ofnam en Achos, En Ales. Deze twee en twintig heren Bedienden ter hoge tafel met eren; 28485 En veertig schildknapen bedienden daar Tot de andere tafels, dat daarnaar Zo goed bediend was in alle stonden, Zodat men het niet verbeteren kon. Nu laat ik ze eten, zoals ge hoort, 28490 En zal zeggen van koning Arthur voort, Van de belofte, dat hij nu doet, Dat zijn hele leven in zijn hof stond. |
Van des koninck Arturs belove, ende van den heren van der Tafelronden, ende van heer Gawyns gelove ende siner gesellen. Hier secget voert die aventuer: Als men geten hadde ter uer, 28495 Doe sprac die koninck Artur dese woert Die si alle hoerden weder ende voert: “Gy heren, ic danke iu allen sere ter tijt, Die nu tmynen hove komen sijt, Ende my daermede ere te doene; 28500 Hierombe belovic vor alle dese baroene Altoes, als ic hof houde, na desen dage, Te hoechtyde ende wan ic crone drage, Dat ic niet eer dan en sal eten, Ic en sal eer aventure weten 28505 Waeraf dat sij, ende oec gelovic mede, Dat icse berechten sal doen ter stede Die daventuren bringen daernaer, Indien datse des te doene hebben daer By enegen ridder die es [in] mijn hof; 28510 Ende ombe te meerren daermede mijn lof, Enter ridder lof van mynen hove met, So willic dit houden, by mijnre wet, Also lange alsic leve tien stonden”. Doe die koninck die van der Tafelronden, 28515 Dat die koninck Artur dit gelovede daer, Doe zeidensi alle, datsi daernaer Haer belof hier moesten doen, toe; Daer baden si Nasciene alle doe, Dat hi hieraf sprake haer woert. 28520 Doe quam Nascien vor den koninck voert, Ende zeide so hoge sine tale, Datsise alle hoerden in der sale. “Here, heer koninck!” zeide Nascien tien stonden, “Hier sijn die ridders van der Tafelronden, 28525 Die oec willen doen hier een belof, Dat hier nembermeer joncfrouwe in den hof Comen en sal om helpe negene, Opdat tegen enen ridder allene Te doene es, daer en sal een ridder varen 28530 Waer dat sine leiden wille daernare, Ende also vele pinen daerombe dan, Dat men haer recht sal doen voertan 318 Van den onrechte, dat haer es gedaen”. Doe vragede die koninck Artur saen, 28535 Ochtsi dat sekeren wouden alle alsoe, Alse daer Nascien hadde gesecht doe. Si zeiden, ja si, alle daernaer; Doe zwoeren si te houdene daer Allegader toter doet toe; 28540 Daer was grote blyscap doe. Ende als heer Gawyn hoerde dese dinge, Ginc hi tsinen gesellen sonderlinge Ende zeide, wouden si hem volgen daer, Dat hi hem raden woude daernaer, 28545 “Wy souden des alle hebben ere Waer men des gewoge ember mere”. Si zeiden alle, ja si, nu. Doe nam hi haer sekerheit, secgic iu; Ende deser was tachtentich ter stede; 28550 Doe leide hi dese alle mede Tote vor die koninginne, ende zeide nu: “Vrouwe! ic entese ridder komen tot iu Ende bidden iu, dat gy ons onthout Alse iu ridder te sijne met gewout, 28555 Van masnieden, ende datsi voert Sullen secgen in elke poert, Waer si komen, iu ridder wesen”. Doe die koninginne hoerde van desen, Zeide zijs Gawyne groten danc mede 28560 Ende alle den andren, ende zeide ter stede: “Ic onthoude iu alle gereet Vor myne heren ende vrient, God weet, Ende God moete my laten leven So lange, dat ic iu des danc moge geven, 28565 Des behetes enter eren mede, Die gy hier nu mede doet ter stede”. Doe zeide Gawyn: “nu es dat in scijn, Vrouwe, dat wy uwe ridder sijn; Nu willewy iu doen een gelof, 28570 Dat nieman sal komen in uwen hof, Die iu ansoeket ombe enege noet Van enegen onrechte, dat men hem doet, Daer en sal een uwer ridderen dan Varen, opdat iegen enen man 28575 Te doene es, waer dat oec sy; Ende oec sullen si mogen nemen daerby Welken ridder si willen vorwaer, Ende hebbene also lange daernaer Alsi des te doene hebben iet; 28580 Ende en quame hi in ener maent niet, So soudewy ne alle soeken varen, Ende dat soude duren daernare Een jaer ende enen dach, Eer hi te hove wederkomen mach, 28585 Ende dan sal hi vertellen sine aventuren, Die hem gesciet sijn binnen derre uren, Ocht si quaet, eder goet mede; Dit sullensi ten Helegen sweren gerede Te varene ende te komene ten hof. 28590 Doe die koninck Artur hoerde dit gelof”, Dat mijnheer Gawijn gelovede tien tyden, Was hi des utermaten blyde, Entie koninginne was van desen gelove Die blydeste ene van den hove. 28595 Doe Artur die koninginne sach so blyde, Zeide hi: “Vrouwe, nu willic tesen tyden, Dat gy deser geselscap hebbet te bat; Want ic wil, Vrouwe, dat gy al mynen scat In uwer hant hebbet ende doet daermede 28600 Al dat iu dunket goet ende oerbaerlychede; Want sint iu God hevet gegeven So scone geselscap in iuwen leven, So willic dat gy des deelerse sijt, Ende dat gyne deelet als iu dunket tijt”. 28605 Als dit die koninginne verstoet, Knieldesi vor den koninck te voet, Ende dankede hem der eren daernaer. Doe riepsi heren Gawyne tot haer Ende zeide, datsi nu woude, 28610 Dat men vier clerke nemen soude, Ende datsi souden sijn daertoe Datsi scriven souden voertmeer doe Alle daventuren, die nadien Den riddren van den hove souden gescien, 28615 Dat men also lange als die werlt sal wesen Daventuren moge vinden van desen. Dus waren vier clerke genomen daer, Daventuren te scrivene daernaer; Tote noch hevetse Blasys bescreven, 28620 Dat Merlijn hevet wtgegeven, Ende nu voert van deser uren Screven die clerke daventuren. 319 Doe gelovede Gawyn noch voert, Dat hi en hoerde nember woert 28625 Van negener aventuren, hi en zoudese dan Varen soecken, ende sine gesellen daeran, So lange, datsi souden voert Daeraf bringen gewarige woert. Dit geloveden sine gesellen alle daer, 28630 Entie van der Tafelronden oec daernaer; Ende van dien dage voert was Gawijn Ende sine gesellen geheten fijn Der koninginnen ridder voertmere; Ende hieraf quam oec die ere 28635 Minen heren Gawyn altenen gader, Dat menne hiet der aventuren vader, Ombedathi daventuren brachte toe Van den gelove, dat men daer dade alsoe. Doe al dese gelove gedaen waren 28640 Ende men geten hadde daernare, Toende daer elc sijn spel, die woude; Daer quam Dagenet, met groter vroude, Van Carlioen; hy dade daer grote feeste, Dat daerop sagen minste ende meeste; 28645 Hi was wel half sot diegene: Hi tumelde, hi sanc, hi riep gemene, Met luder stemmen riep hi daer: “Morgen moete wy soecken vorwaer Daventure te velde hier buten; 28650 Laet sien, wie sal nu licgen in muten? Heer Gawyn, suldy daer dorren komen iet Met uwen ridderen? neen gy, niet; Gy heren van der Tafelronden, Suldy my iet dorren volgen tien stonden, 28655 Morgen, daer ic vor sal varen? Neen gy, gy en hebbets herte niet, twaren!” - Aldus so riep daer Dagenet, Die herde blode was, dat wet, Ende sonder twivel, hi wapende hem sint 28660 Menechwerf ende voer omtrint In den bosc, ende hinc sinen scilt mede An enen boem, ende sloech daer ter stede Sinen scilt met sinen swaerde alsoe, Dat hyne cloef entie verwe afginc doe; 28665 Ende dan quam hi te hove met groter noet, Ende zeide, hi hadder enen ridder ocht twe doet; Ende haddi enen ridder gesien ryden, Gewapent ende op hem roepen tien tyden, Hi hadde gevloen al sine macht; 28670 Oec hadde hi dickewile bewacht doe, Ridder, die reden ende dachten soe Ombe enege dinc, dat hem gesciet was, Dan voer hi al swigende an hem saen, Ende nam hem metten breidel, sonder waen, 28675 Ende bracht hem, hoe hine vangen hadde doe, Ende zeide daer dan grote woerde toe. Van deser manieren was Dagenet, Ende hi was een scoen ridder met Ende van groten geslachte, sonder waen. 28680 Hieraf laet ic dese tale staen, Ende sal iu van enen tornoye secgen, Dien die ridder onder hem daer lecgen. |
Van koning Arthurs belofte en van de heren van de tafelronden en van heer Gawein ‘s belofte en zijn gezellen. Hier zegt voort dat avontuur: Toen men gegeten had ter uur, 28495 Toen sprak koning Arthur dit woord Die ze allen hoorden weer en voort: “Gij heren, ik dank u allen zeer ter tijd, Die nu te mijn hof gekomen bent, En me daarmee eer te doen; 28500 Hierom beloof ik voor al deze baronnen Altijd, als ik hof hou, na deze dag, Te hoogmis en wanneer ik een kroon draag, Dat ik niet eerder dan zal eten, Ik zal eerst een avontuur weten 28505 Waarvan dat is, en ook beloof ik mede, Dat ik het zal laten beoordelen ter plaatse Die de avonturen brengen daarnaar, Indien dat ze dus te doen hebben daar Bij enige ridder die is in mijn hof; 28510 En om te vermeerderen daarmee mijn lof, En de ridder lof van mijn hof mee, Zo wil ik dit houden, bij mijn wet, Alzo lang als ik leef te die stonden”. Toen de koning die van de tafelronden, 28515 Dat koning Arthur dit beloofde daar, Toen zeiden ze alle, dat ze daarnaar Hun belofte hier moesten doen, toe; Daar baden ze Nascien alle toen, Zodat hij hiervan sprak zijn woord. 28520 Toen kwam Nascien voor de koning voort, En zei zo hoog zijn taal, Zodat ze het alle hoorden in de zaal. “Heer, heer koning!” zei Nascien te die stonden, “Hier zijn de ridders van de tafelronden, 28525 Die ook willen doen hier een belofte, Dat hier nimmermeer een jonkvrouw in de hof Komen zal om hulp geen, Als dat tegen een ridder alleen Te doen is, daar zal een ridder varen 28530 Waar dat ze hem wil leiden daarnaar, En alzo veel pijnigen daarom dan, Dat men haar recht zal doen voortaan 318 Van het onrecht, dat haar is gedaan”. Toen vroeg koning Arthur gelijk, 28535 Of ze dat verzekeren wilden alle alzo, Zoals daar Nascien had gezegd toen. Ze zeiden, ja ze, alle daarnaar; Toen zwoeren ze te houden daar Allen tot de dood toe; 28540 Daar was grote blijdschap toen. En toen heer Gawein hoorde dit ding, Ging hij tot zijn gezellen bijzonderling En zei, wilden ze hem volgen daar, Dat hij hen aanraden wilde daarnaar, 28545 “We zouden dus allen hebben eer Was men dus van gewaagt immermeer”. Ze zeiden alle, ja ze, nu. Toen nam hij hun zekerheid, zeg ik u; En van deze waren er tachtig ter plaatse; 28550 Toen leidde hij deze alle mede Tot voor de koningin, en zei nu: “Vrouw! ik en deze ridders komen tot u En bidden u, dat ge ons ontvangt Als uw ridder te zijn met geweld, 28555 Van manschappen, en dat ze voort Zullen zeggen in elke poort, Waar ze komen, uw ridder te wezen”. Toen de koningin hoorde van deze, Zei ze Gawein grote dank mede 28560 En alle anderen, en zei ter plaatse: “Ik ontvang u allen gereed Voor mijn heren en vrienden, God weet, En God moet me laten leven Zolang, dat ik u dus dank mag geven, 28565 Dus zeggen en eren mede, Die ge hier nu mede doet ter plaatse”. Toen zei Gawein: “nu is dat in schijn, Vrouw, dat we uw ridder zijn; Nu willen we u doen een belofte, 28570 Dat niemand zal komen in uw hof, Die u aanzoekt om enige nood Van enig onrecht, dat men hem doet, Daar zal een van uw ridders dan Gaan, als het tegen een man 28575 Te doen is, waar dat ook zij; En ook zullen ze mogen nemen daarbij Welke ridder ze willen voorwaar, En te hebben alzo lang daarnaar Als ze hem dus nodig hebben iets; 28580 En kwam hij in een maand niet, Dan zouden we alle gaan zoeken te varen, En dat zou duren daarnaar Een jaar en een dag, Eer hij tot het hof weerkomen mag, 28585 En dan zal hij vertellen zijn avonturen, Die hem geschied zijn binnen deze uren, Of ze kwaad, of goed zijn mede; Dit zullen ze tot de Heiligen zweren gereed Te varen en te komen ten hof. 28590 Toen koning Arthur hoorde deze belofte”, Dat mijnheer Gawein beloofde te die tijden, Was hij dus uitermate blij, En de koningin was van deze belofte De blijdste van het hof. 28595 Toen Arthur de koningin zag zo blij, Zei hij: “Vrouw, nu wil ik te deze tijden, Dat ge dit gezelschap hebt te baat; Want ik wil, vrouw, dat ge al mijn schat In uw hand hebt en doet daarmee 28600 Alles dat u denkt goed en oorbaar; Want sinds u God heeft gegeven Zo’n mooi gezelschap in uw leven, Zo wil ik dat ge dus verdeler bent, En dat ge verdeelt zoals u denkt nu ter tijd”. 28605 Toen dit de koningin verstond, Knielde ze voor de koning te voet, En bedankte hem voor de eer daarnaar. Toen riep ze heer Gawein tot haar En zei, dat ze nu wilde, 28610 Dat men vier klerken nemen zou, En dat ze zouden zijn daartoe Dat ze schrijven zouden voort meer toen Alle avonturen, die nadien De ridders van het hof zouden geschieden, 28615 Dat men zolang als de wereld er zal wezen De avonturen mag vinden van deze. Dus waren er vier klerken genomen daar, De avonturen te beschrijven daarnaar; Tot nog heeft Blasys ze beschreven, 28620 Dat Merlijn heeft uitgegeven, En nu voort van deze uren Schrijven de klerken de avonturen. 319 Toen beloofde Gawein nog voort, Dat hij hoorde nimmer een woord 8625 Van geen avonturen, hij zou deze dan Gaan zoeken, en zijn gezellen daaraan, Zolang, zodat ze zouden voort Daarvan brengen het ware woord. Dit beloofden zijn gezellen alle daar, 28630 En die van de tafelronden ook daarnaar; En van die dag voort was Gawein En zijn gezellen genoemd fijn De koninginnen ridders voortaan meer; En hiervan kwam ook de eer 28635 Mijnheer Gawein alle tezamen, Zodat men hem noemt de avonturen vader, Omdat hij de avonturen bracht toe Van de belofte, dat men daar deed alzo. Toen al deze beloftes gedaan waren 28640 En men gegeten had daarnaar, Vertoonde daar elk zijn spel, die wilde; Daar kwam Dagenet, met groter vreugde, Van Caredol; hij deed daar grote feesten, Dat daarop zagen de kleinste en de grootste; 28645 Hij was wel half zot diegene: Hij tuimelde, hij zong, hij riep algemeen, Met luide stem riep hij daar: “Morgen moeten we zoeken voorwaar De avonturen te velde hier buiten; 28650 Laat zien, wie zal nu liggen te slapen? Heer Gawein, zal ge daardoor komen iets Met uw ridders? neen gij, niet; Gij heren van de tafelronden, Zal ge me iets durven te volgen te die stonden, 28655 Morgen, daar ik voor zal varen? Neen gij, gij hebt het hart niet, te waren!”- Aldus zo riep daar Dagenet, Die erg bang was, dat weet, En zonder twijfel, hij wapende zich sinds 28660 Vaak en voer omtrent In het bos, en hing zijn schild mede Aan een boom, en sloeg daar ter plaatse Zijn schild met zijn zwaard alzo, Zodat hij het kloofde en de verf er afging toen; 28665 En dan kwam hij te hof met grote nood, En zei, hij had een ridder of twee gedood; En had hij een ridder zien rijden, Gewapend en op hem roepen te die tijden, Hij was gevlogen in al zijn macht; 28670 Ook had hij dikwijls bewaakt toen, Ridders, die reden en dachten zo Aan enig ding, dat hen geschied was, Dan voer hij al zwijgend bij hen gelijk, En nam hen bij de breidel, zonder waan, 28675 En bracht hen, hoe hij hen gevangen had toen, En zei daar dan grote woorden toe. Van deze manieren was Dagenet, En hij was een mooie ridder mee En van een groot geslacht, zonder waan. 28680 Hiervan laat ik deze taal staan, En zal u van een toernooi zeggen, Die de ridders onder hen daar leggen. |
Van enen tornoye, daer Heer Gawyn meester ende geselle van der Tafelronden van wart. Doen detentijt geleden was, Entie feeste oec nadas, 28685 Quam Keye, die drossate, voert gegaen: “Wat, gy ridder, hoe sie ic iu dus staen Talso groter feesten, alse dit es nu? Hier soude men tornieren, secgic iu”. Doe zeide Sagrimor, thant daernaer: 28690 “By Gode, Heer Keye, gy secget waer, Die niet en tornieret, hi es gelovech mede. Doe vragede Heer Gawyn daer ter stede, Hoe men tornieren soude nu? Mynoras sprac: “ic secget iu, 28695 Wy sullen tornieren tegen die ridder der koninginnen, Ende wy sullen daertoe doen in allen sinnen, Dat elc vijfhondert ridder hebbe ter stede”. Heer Gawyn zeide: “ic love dat mede”. Doe zeide Synados: “hier en es geen beiden, 28700 Die dach die gaet, laet ons bereiden!” Doe liep elc tsiner herbergenwaert, Ende gingen hem gereiden ter vaert, Ende quamen wt in tween partien, 320 Ende vergaderden hem by der prayerien, 28705 Datter in beiden syden daer was Tote tien hondert ridder, sijt seker das. Doe creyeerde men den ban also houde, Ende elc voer doe daer hi woude Onder sine banier. Doe quam Gawein 28710 Ende Herviel, ende deelden opten plein Die ridder; doe begonden ter steden Die heralden sere te roepene mede: “Hier es dere der wapene al Van der werlt, groet ende smal, 28715 Nu sal men sien, wie dat wel sal doen”. Dus vergadert waren die baroen. Doe ontboet die koninck Artur Gawine daer, Dat hine quame spreken daernaer Ten venstren van der sale, secgic iu, 28720 Ende heer Gawyn reet derwaert nu, Ende voerde met hem Ywene ende Griflette. Doe hi daer quam, sprac sonder letten Die koninck tote Gawine ende zeide: “Neve, nu biddic op hoveschede, 28725 Dat gy den tornoy verhoedet alsoe, Dat nieman den andren arch en doe, Ende dat negene bolgenscap daer gescie”. “Here”, zeidi, “so verre alset gaet an my So en sal negeen arch gescien, 28730 Maer al en kan icse gehoen niet van dien; Maer ziedy dat die tornoy fel wert ter steden, So komet daer ende helpeten sceden; Maer willen iu ridder myne gesellen stouteren Dat moetic ember helpen weren”. 28735 “Here”, zeide doe die koninck Ban, “Heer Gawyn secget alse een goet man; Doet van onsen lieden wapenen nu, Ende es des te doene, datsi met iu Gereet sijn te vaerne, ombe sceden 28740 Desen tornoy tuscen hen beden”. (“By Gode”, zeide Artur, “dat sij alsoe”). Hi dade daer driedusent wapenen doe, Ende Heer Gawyn keerde weder nadas Daer die tornoy begonnen was, 28745 Daer dierste daeraf was, te dien stonden, Pynados, een ridder van der Tafelronden Ende Agrawein Gaweins broeder met. Dese quamen tegen een, dat wet, Met tween scerpen speren ende groet, 28750 Elc stac den andren in dat gemoet Dor den scilt toten halsberch toe, Daer die speren op wederstonden doe, Datsi al te sticken braken; Ende daer si voert leden, na dien saken, 28755 Quam dene opten andren soe Rivelerende, datsi beide doe Metten orsen ter aerden vielen daer. Doe quamen in beiden syden daernaer Toegereden die ridder met crachte, 28760 Ende braken alsoe daer haer scachte; Ende binnendien es Gawyn daer komen, Ende hevet sinen broeder ter aerden vernomen, Maer hi wart sciere hermonteert nu; Entie van der Tafelronden, secgic iu, 28765 Pijnden hem sere, hoe si mochten daernaer Der koninginnen ridder tonderbringen daer; Entier van der Tafelronden was hondert man Ende vijftich mede, ende dander voertan Was tachtentich; dit was ongedeelt spel, 28770 Nochtan weerdensi hem so wel, Dat wonder was; maer heer Gawein Halp hem so wel daer in den plein; Maer dat en konde hem niet in staden staen, En hadden des koninck Lottes ridder gedaen, 28775 Si waren sere tachter bleven; Daer was menech slach gegeven, Ende menege ioeste daer gedaen, Ende menech afgesteken saen; Daer liepen dorse achtervelde, 28780 Daer waren die van der Tafelronden met gewelde Achter gedaen. Doe quamen hem daer Hondert ende veertich ridders thelpe naer; Doe haddensi dat weder te goet Ende dreven dander over voet. 28785 Doe began daer een groot gehu Ende een groet gerochte, secgic iu. Doe Heer Ywen vernam, twaren, Dat sine gesellen dus tachter waren, 321 Doe zeide hi tot heren Gawyne gereet: 28790 “Wy merren nu te lange, God weet, Want onse liede sijn gesconfiert”. “By Gode, hier es te lange geviert!” Zeide Sagrimor, “nu varewy in; Laet sien, wie in sijn begin 28795 Den prijs hier beiagen sal mede”. Gawyn loech, ende zeide ter stede: “Nu volget my, ic vare voren!” Doe sloech hi sijn ors met sporen. Heer Gawyn quam vliegende met sulker spoet 28800 Gelijc dat die sperwer doet Na den lewerken, als hi honger hevet groet; Al derregelyke quam in dat gemoet Heer Gawyn sine wedersaken; Daer mochte men horen die spere kraken; 28805 Si staken er vier daer neder doe, Ende dorbraken den tornoy alsoe, Dattet gehu al achter bleef, Ende mense daer niet vorder en dreef. Si daden sovele met wapene daer, 28810 Datsi bekant worden daernaer Van dengenen, diese noit en sagen; Doe wart benomen daer dat iagen. Der koninginnen ridder trocken ter stede An Gawyne, ende koninck Lottes ridder mede, 28815 Die herde goede ridder waren; Daer dadet Sagrimor so wel, twaren, Dat sine metten vingeren wijsden, Die ten venstren lagen, ende sere prijsden, Ende zeiden, dat Sagrimor waer diegone, 28820 Die welgemakede entie scone, Nochtan es hi beter ridder daerby; “Diegene, die hi mint”, zeiden sy Mach haer beromen datsi mint ter stede Den besten van den hove mede, 28825 Ende dat en waer negeen hoveschede Die sulken ridder minne ontseide”. Ende Griflet ende Galescins, dat wet, Ende heren Gawyns drie broeder, met, Dese dadent daer so wel, secgic iu, 28830 Dat mense sere prijsde nu; Ende mijnheer Ywen dadet wel ten stonden. Ende doe die ridders van der Tafelronden Sagen, dat sise wederstonden soe, Pijndensi hem utermaten sere doe, 28835 Datsise mochten verdriven daer. Maer mijnheer Gawyn, wet vorwaer, Sijn gelijc en was daer niet, Want daer hi die perse dickest siet, Daer reet hi dor, wien lief wien leet; 28840 Hi ende sine gesellen dreven gereet Die van der Tafelronden, met groter cracht, An dat water tote op die vestgracht. Dit boec secht, dat daer neder waren Gesteken tiene, die beste van der scaren, 28845 Daer dene af hetet Mynores, Ende Natalis ende Mynades, Bloaris, Carisman ende Ladynus, Grandonies, Ladinel, ende Pertynus Ende Trahelus; dese tiene, twaren, 28850 Met crachte daer afgesteken waren Ende gevaen, ende gesent daerbinnen Van Heren Gawyns wegen der koninginnen, Want si hieldene vor horen here daer; Si hadden recht, want openbaer 28855 Was hi der besten ridder een ter stede, Dien men wiste levendich mede; Entese tien ridder hadden gelovet by trouwen, Ter koninginnen te varene, haerre Vrouwen; Si quamen tot haer, ende gaven hem daer 28860 Van mijns heren Gawyns wegen gevaen naer. Doe onfincsise met feesten mede, Ende gaf hem van haren scoenheden; Doe gingensi daer licgen mettien Ten venstren metten andren wtwaert sien. 28865 Als die ridder van der Tafelronden Haer tien gesellen verloren hadden, tien stonden, Waren si droevich; wantsi en waren Noit also veriaget, twaren, Van den velde, alsi waren doe; 28870 Nocht en haddensi die wyle alsoe Gestreden iegen noch also vele liede Als daer hem dit nu af gesciede. Doe quam ene grote batalie derwaert Van der brucgen, die se ter vaert 28875 Achter sette, ende dander, wet vorwaer, 322 Stoutelike bescudde daer, Ende daden sovele datsise opten plein Dreven, daerse afiagede Gawein. Maer heer Gawyn quam daer iegen saen; 28880 Doe ginc men houwen ende slaen. Daer wart die tornoy staende doe Tot over die none recht alsoe. Doe wart Gawyn dobbelerende saen In siner cracht, ende ginc slaen; 28885 Ende brachten echt in die sconfiere Die van der Tafelronden tot optie riviere. Doe zeiden die van der Tafelronden, Datsi voert souden doen ten stonden, Dat quadeste, datsi konden gedoen mede 28890 Gawyne ende sinen gesellen ter stede. Daer namen si sterke spere doe Ende settense in haer godsette alsoe, Ende dat es een groet anxt, wetet wel, Want tornoy soude sonder nijt sijn ende fel; 28195 Ende aldus gingensi hem toe na desen Ocht dat haer doetviande hadden gewesen, Dus voerensi met horen speren in Ende staken daer af, in dat begin, Twintich, die goede ridder waren 28900 Maer si waren vollick op, twaren, Ende weerden hem met horen swaerden Tegen dander, die se begaerden Sere te vane, haddet mogen gescien; En hadde Heer Gawijn niet komen te dien 28905 Ende weer genomen terre scalcheden, Daer waer groet scade gesciet ter steden; Maer hi voer doen in die porse, Ende Sagrimor met sinen orse. Doe zeide Heer Ywen: “nu ziedy wel 28910 Dat dit es een lelic spel, Datsi nu doen op onse gesellen”. Doe her Gawyn dit hoerde tellen, Zeide hi sinen riddren, datsy Daden alse goede liede daerby, 28915 “Want wy en sullen des niet gedogen nu”; Doe riep hi tot hem, secgic iu, Gwerriet van Lambele ende Gwinemaren, Ende hiet hem, datsi souden varen Toten heren van der Tafelronden, 28920 Ende hem secgen, nu ten stonden, Datsi haer doerheit laten staen, Die si begonnen hebben saen, “Ende secget hem, wy beclagen ons mede, Datsi ons hebben gedaen scalchede, 28925 Ende sullense daeraf, in ware dinc, Beroepen vor minen heer, den koninc. Secget hem, hevet hem ieman iet mesdaen, Wy sullen hem dat beteren saen”. Doe voeren si na dien stonden 28930 Toten heren van der Tafelronden, Ende daden haer boetscap al nadas, Gelijc datsi hem bevolen was; Ende si antwoerden hem, si en hielden niet daeraf, Ende en stonden dor sinen wille niet af. 28935 Ende die hem toernen wille, die doe dat nu, Wy sullen hem meer doen, secgewy iu; “Aldus secht Gawyn, ende sine gesellen; Oec moget gy hem dit vertellen, Dat men te hant sal sien ter stede, 28940 Waer die vroemste ridder sijn mede”. Doe diegene hoerden die overdade, Redensi theren Gawine met staden, Die al die wyle hermonteert hadde daer Sine gesellen, die si vorwaer 28945 Af hadden gesteken met nide; Doe zeiden die ridders tien tiden Heren Gawine die boetscap voert, Also als gy nu hebbet gehoert. Ende doen heer Gawyn dat hoerde alsoe 28950 Was hi des utermaten erre doe: “Ja”, zeide hi, “eest hem in ernste dan, Ende willen si dor ons niet doen voertan, Nu willic wel datsi weten al fijn, Sint dat wy ten hatene komen sijn, 29855 Dat wy dat proeven sullen herde saen Welke ridder beter sijn, sonder waen”. Doe sciet uten tornoye heer Gawein, Ende sijn broeder ende Sagrimor ende Ywein, Ende Galescins ende Dodinas met, 29860 Ende Keye van Strans ende Griflet; Dese nam hi over ene side daer, Ende zeide hem die boetscap daernaer, Die die heren van der Tafelronden Hem ontboden hadden tien stonden, 29865 “Ende ombedat wy ons koenlyc weren, 323 So pinensi, hoe si ons mogen deren, Ende menen gewonnen hebben nu, Ende tonen haer quadeste, secgic iu; Nu doe elc halen sijn harnasc ter stede, 28970 Daer hi te stridene pleget mede, Ende tbeste, dat hi hevet, sekerleke, Also dat hem niet en gebreke”. Ende si daden dat halen alle daernaer; Doe trocken si in den tornoy aldaer, 28975 Die doe herde vreeslyc was; Ende doen haer wapene quamen nadas Wapendensi hem al hemelyc nu; Daer was hoerre groet gebrec, secgic iu, Van horen gesellen, wantsi waren 28980 Sere tachter gedreven, twaren; Ende mijnheer Gawyn es derwaert gereden, Ende sine gesellen, die nu ter steden Sochten die haer, hier ende daer, Die hem ontvoert waren daernaer, 28985 Datsi se daer niet vinden en konden, Want doe haddense die van der Tafelronden So tachter gedaen, dat sise niet Vinden en konden. Alse Gawyn dat siet, Sloech hi in den tornoy met sulker felheden, 28990 Dat hi ende sine gesellen mede Menegen velden ter aerden daer, Ende sulken, die niet meer [en] opstont naer. Alse dit sach Adragant, ende Nascien, Hieldensi daer al stille mettien, 28995 Ende zeiden thoren gesellen daernaer: “Wy hebben quaet gedaen vorwaer, Dat wy dese hate hebben ter stede Opter koninginnen ridder mede, Ja, ombe niet; wy rieden wel nu, 29000 Dat men tornieren liete, secgic iu, Eer daer quades afquame meer, Want des koninges neven toernen hem seer Ende sinen gesellen, ende si sullen met Quaet onder ons doen, dat wet, 29005 Ende ember toe esser een doet ter stede; Ende twaer beter, dat bleve hiermede, Dan daer meer af komen sal nu: Want daer sijn sulke twintich, secgic iu, Die onser veertich sconfieren souden saen 29010 Opdat si des wouden dus bestaen, Ende dat sijn jonge dapper liede met, Ende van den hoechsten van den lande, dat wet”. Dander zeide: “dat es nu tontyde, Hoede hem die wille in elke syde, 29015 Dat en mach nu niet anders wesen”. Doe sloegen si in vaste na desen, Ende die tachtentich gesellen mede Vergaderden an hem ter stede. Doe wart die tornoy anxtelyc, 29020 Des koninck Lottes ridder merkeden sekerlyc Den haet, dien die van der Tafelronden Hadden op hem nu tien stonden; Si trocken in syden ende walopeerden daer, Ende quamen an heer Gawyne naer. 29025 Ende zeiden: “rydet in sonder enech keer, Want wi en begeven iu heden meer, Wy sien wel den hate, sonder vragen, Dien die van der Tafelronden tot iu dragen, Enten es geen wonder, al sijn si mede 29030 Boven, wantsi hebben ter stede Hondert ende vijftich ridders vorwaer, Ende gy en hebbet maer tachtentich daer”. Des dankede hem Gawyn sere doe, Ende dadese by hem houden alsoe. 29035 Doe riep hi enen knape ter vaert: “Rijt haestlyc tmynen oemewaert, Ende secget hem, dat hem niet leet en sy, Dat ic, ende myne gesellen, were my Tegen die ridder van der Tafelronden 29040 Van der sotheit, die si nu ten stonden An ons hebben begonnen ter stede, Ende tellet hem alle die dinge mede, Hoe si komen sijn van beginne toerde”. Doe Galesconde verstont Gawyns woerde, 29045 Voer hi ten koninck Arturwaert, Ende zeide hem sine boetscap ter vaert Also alset hem bevolen was daer; Ende binnen desen hadden daernaer Die van der Tafelronden achter gedaen 29050 Dander, ende van den velde gedreven saen; Ende doe mijnheer Gawyn dit sach, Quam hi daer tegen, al dat hi mach, Metten riddren van sijns vader lande 324 Die hi groet ende getrouwe kande; 29055 Ende heer Gawyn riep in dat begin: “Gy, edele ridder, nu slaet in, Doewy hem kennen haer hatie!” Doe heer Gawyns gesellen die scone partie Hem volgen sagen, doe keerdensi meed’; 29060 Haerre een Gawyn, die voren reet, Die voete opwaert keerde daer, Dat hi ter aerden viel vorwaer; Ende sine gesellen riepen: “hi es doet!” Doe wart daer dat gerochte groet, 29065 Ende liepen hem op in allen syden Ende mijnheer Gawyn sloech, te dien tyden, Enen andren ene wonde in dat hovet In dene syde, des gelovet, Dat hi moeste vallen ter erden. 29070 Doe sloech hi optie scouder den derden, Dat hi se hem ontcleedde daer, Ende viel oec van den orse naer. Doe quam hi an Nasciene saen Ende meendene opten helm slaen, 29075 Ende doe hi den slach sach komen ter vaert, Toech hi sijn ors achterwaert, Ende toech sijn swaert enten scilt op dat hovet, Want hem duchte sere, des gelovet, Dat hi hem mochte geven enen slach. 29080 Ende alsene heer Gawyn also sach Bereit staen, verhief hi dat swaert Ende woudene slaen metter vaert; Maer dat swaert keerde hem in der hant, Ende Nascien heveten daer bekant, 29085 Ende zeide: “Heer Gawein, Heer Gawein, Gy en sijt niet komen in dit plein Tornieren als een hovesc man, Want gy hebt iu strydewapene an; Ic en houde iu nembermeer vorwaert nu 29090 Vor also hovesc, dat secgic iu, Als ic dade; want hier ter stede Strijdy ocht wy waren iu viande mede, Ende hebbet iu goede swaert bracht met Ombe ons doet te slane, dat wet, 29095 Dat iu noch verweten sal wesen Anders dan hier”. Doe sprac na desen Heer Gawyn: “in weet van dien verwyten niet, Maer woude my ieman betyen iet, Ende daerafte campe dorste beroepen my, 29100 Ic soudes my verweren, wie dat hi sy, Ja, ander twe ochte drie mede, Dene na den andren, wetet gerede; Maer gy ende iu gesellen, secgic iu, Hebbet hier valsceit bescenen nu, 29105 Want gy des begondet, ende ic gesent Hadde an iu te bidden omtrent Boden genoech, dat gy ter stede Hovesclike soudet tornieren mede, Wy souden hovesclike tornieren saen; 29110 Ende hadde van ons iu ieman mesdaen, Wy boden iu dat te beterne naer”. Nascien zeide: “here, wetet vorwaer, Dat was gecklijc begonnen, secgic iu, Ende oec waer tijt dat wijt lieten nu, 29115 Waert iu wille; want sulc, diet nu terstont Opbrachte, licget hier doet gewont; Maer ic biddiu ombe God, dat gy se sceet, Eer hier meer scaden af sciet ocht leet”. “Ic en weet”, zeide heer Gawyn doe, 29120 Wat scaden hieraf sal komen toe, Maer van miner wegen en wert dat niet Gesceden, wat scaden daeraf gesciet; Ende nembermeer voert, in negenen stonden, Waer dat komen die van der Tafelronden, 29125 Daer si scalcheit willen beginnen Tegen ons, dit doe ic hem bekinnen, Dat icse ierstwerf beginnen sal, Tegen hem, dit secget hem al; Ende ombedat gijt hem sult secgen nu, 29130 So sal ic hier verdragen iu”. Nascien zeide doe “Here” saen “Anderwerf hebdy my hovescheit gedaen, Des ic iu en gedanken kan iet, Want gyne hebbet des te doene niet; 29135 Ende dat gy hier secget nu ter stede, Dat gy ons strides genoech sult mede Geven, daeran sechdy waer gereet, Want gy zijt machtige liede, God weet, Ende wyne hebben die macht niet tegen iu, 29140 Wildy ons crenken ocht letten nu”. Doe sciet Gawyn van Nasciene, Die te voet bleef staende na datgene, Ende sloech in die plaetse daernaer, 325 Ende dade met sinen gesellen daer 29145 So vele, dat hi nu ten stonden Verdreef die van der Tafelronden Tote op die riviere, die diep was, Dat si menegen daerin nadas Tumelen daden hoers ondankes mede. 29150 Daer mochte men vlieten sien ter stede Scilde ende speer, ridder ende paert, Metten strome nederwaert. Doe Heer Gawyn sach datsi dus vloen, Ende niet verkoeveren mochten doen, 29155 Stac hi dat swaert in sine scede naer Ombedat hem dochte dat hi ieman daer Doet mochte hebben geslagen ter stede; Doe sach hi die van der Tafelronden mede Datsi op die cautsyde hielden daer. 29160 Doe nam hi enen boem daernaer, Die over een vonder lach alsoe, Ende warp sinen scilt ter aerden doe, Ende nam den boem met beiden handen, Ende zeide, hi soudese verdryven thanden; 29165 Doe sloech hi onder hem ter stede Ende sloech enen dat hine tumelen dede, Enten andren enten derden met Enten vierden mede, dat wet. Doe si sagen dat hise sloech alsoe, 29170 Liepensi hem alle op daertoe, Want sine sere hateden mede; Si sloegen hem an in elker stede Ende doden sijn ors onder hem daernaer; Hi spranc op, want wet vorwaer, 29175 Dat hi licht was ende dapper seer; Doe trac sijn swaert weder wt die heer, Ende makede van sinen bome een scilt daer, Ende zeide: “hebben moestensi een quaet iaer Diegene, die gepryset willen sijn 29180 Vor goede ridder ende fijn, Die nu van anxte, dien haddensy, Mijn ors doet staken onder my. Doe liep hi op hem met stouthede, Ende dorsloech haer helme ende scilde mede, 29185 Ende halsberge ende hande af, dat wet, Ende hovede daer, ende orse doe met, Dat hi dat al daer neder sloech, Dat hi gerakede, na sijn gevoech, Dat hi haer, eer iet lanc daernaer, 29190 Meer dan twintich also sloech daer, Datsi ter aerden lagen gewont. Doe quamen sijns vader ridder terstont Die hem volgeden al den dach daer, Ende sloegen in diegene vorwaer. 29195 Daer vondensi heren Gawyne te voet staen Ende tswaert in der hant, sonder waen, Sere bebloedet, want hi in der noet Veertich paerde geslagen hadde doet; Doen hermonteerden sine weder ter stede, 29200 Doe stac hi dat swaert in sine scede, Ende nam sinen boem met beiden handen, Ende liep hem vreeslyc op thanden, Ende sloech in den hoep alsoe, Hem en roekede wien hi gerakede doe; 29205 Hi ende sine gesellen drevense daer In die poerte van der stat daernaer, Ende sconfierdense alle daer ter stede; Maer die opter rivier bleven mede, Die waren tegen der koninginnen ridder nu, 29210 Mijnsheren Gawyns gesellen, secgic iu, Dier bleef nu so luttel goet daer, Dat dander verkoeverden daernaer, Ende drevense weder ten pleinewaert, Daer menege ioeste in der vaert 29215 Gedaen was, dat die vrouwen Entie ioncfrouwen ten vensteren scouwen, Die daerin wtwaert sagen Den enen enten andren jagen. Doe mijnheer Gawyn wart gewaer, 29220 Dat daer verkoevert was dander scaer, Ende sine gesellen tachter hebben gedaen, Doe riep hi van sinen riddren saen Twintich, die met hem daer waren, Datsi ten genen souden varen 29225 Ende bescuddense. Doe voeren si daer Ende daden met wapenen sovele daernaer, Datsi se sconfierden alle nadat Ende drevense daer tot in die stat, Ende in die straten iagedensise daer, 29230 Ende sloegense af ende overredense naer Met horen paerden, want, sonder waen, Sine wouden daer enen doe niet vaen 326 Ombe die grote overdaden mede, Die si ierst werven begonden ter stede. 29235 Ende bander siden heer Gawyn, secgic iu, Ende sine partie, die hadden nu Verdreven die ridder van der Tafelronden Tote Sinte Stevenskerke tien stonden; Daer blevensi houdende onder hem alsoe 29240 In dat enge van ener straten doe, Ende weerden hem so si best konden daer; Maer onlange haddet mogen duren vorwaer, En waer die koninck Artur niet komen nu, Die koninck Ban entie koninck Bohoert, secgic iu, 29245 Die met hem brachten vierdusent man, Die vaste gingen sceden voertan, Ende dadener wel drie hondert gaen In Sinte Stevens kerke; ende saen Voeren si voert, ende ontmoeten daer 29250 Des koninck Lottes ridder, wet vorwaer; Ende si menen dat viande waren dat, Ende sise gewacht hadden ter stat, Ende vergaderden daer in hem ter stede; Doe began daer een nuwe tornoy mede; 29255 Doe warden sere tachter gedaen Mijns heren Gawyns gesellen saen, Want dene partye vacht tegen dese nu, Dander iegen die van der Tafelronden, secgic iu; Doe vernam mijnheer Gawyn daernare, 29260 Dat sine gesellen oevele bereit waren, Ende datsi, ic en weet met wat lieden daer Gestreden hadden achter hem daernaer; Doen hi dat wiste, was hi des erre, Ende reet derwaert sonder enech merren 29265 Ende liet sine gesellen daer tien stonden Stryden tegen die van der Tafelronden, Ende reet daer dander nu streden Tegen sine gesellen daer ter steden; Maer eer hi derwaert voer, hadde hi 29270 Goede hoede geset, waerby Die ridder van der Tafelronden Niet wederkeren mochten tien stonden; Ende also vro als hi daer quam, Ende hise also strydende vernam, 29275 Riep hi dat sijs ontgelden souden; Ende doe sine vernemen also houde, Riepensi: “gevet iu op nu gevaen Ocht gy sijt doet, sonder waen!” Ende als hi hem hoerde dregen soe, 29280 Wart hi erre ende zeide “hoerenkinder” “Ende verrader! hebdy hier ons mede doe Nu licgen wachten te deser stede? Wet wel, uwer en es geen so koene, Gy ne mocht iu liever sien, tesen doene, 29285 Te Rome nu binnen der stat”. Doe trac hi Caliburnuse nadat, Sijn swaert, dat al bebloedet was, Entiegene liepen hem op nadas Met haren gisermen ende met haren swaerden, 29290 Ende hi gincse daer vaste anvaerden, Enten iersten hi enen slach gaf, Dat hem dat hovet daer viel af; Enen andren sloech hi doet ter stede, Enten derden enten vierden mede, 29295 Ende makede so grote plaetse naer, Dat hem nieman genaken mach daer, Ende ginc rouwech ende serech vlien, Ende riepen: “vliet, vliet!” mettien, “Hier komet die Duvel nu ten stonden 29300 Uter Hellen, ende es ontbonden!” Ende doe Heer Gawyn bescut hadde daer Sine gesellen, nam hi daernaer Veertich ridder ende settese ter stede Op dat inde van der straten mede, 29305 Ende hiet hem, datsise hoeden saen, “Ende wert iu”, zeide hi, “enege kracht gedaen, Soe haelt my”. Doe keerde hi ter vaert Weder tSinte Stevens kerkenwaert, Daer die ridder van der Tafelronden waren, 29310 Die daer sere vechten, twaren, Tegen die ridder van Orcanie; Ende Heer Gawyn sloech in die partie Ende riep “verrader!” want hi meende wel, Datsi diegene daer ende nieman el, 29315 Hadden gesent, die hi nu sconfierde daer, 327 Op sine gesellen ombe valscheit vorwaer; Entie van der Tafelronden oec alsoe En wisten wat secgen hiertoe; Want si meenden, dat hijt zeide ten stonden 29320 Ombedatsi ierstwerf hatie begonden, Dat hem nu berouwet, wet vorwaer, Want sijs hem sere scaemden daer. Ende Gawyn, die sere verbolgen was, Sloech Adragane enen slach 29325 Dor den helm ene grote wonde, Dat hi ter aerden viel ter stonde; Daerna sloech hi Pindoluse ter stede Ende grote wonde in die scouder mede; Hi viel ter aerden in ommacht na desen 29330 Ende meende doet hebben gewesen. Daerna sloech hi Ydonase so wel An die kinnebacke, dat hi ter aerden vel. Alse dit sagen die van der Tafelronden, Dat tegen hem negene wapene en konden 29335 Gestaen, hi en sloechse al doet daer, Keerdensi ter kerkenwaert daernaer, Ende Heer Gawyn volgede hem alsoe, Ende quam op Hervy van Riveel doe, Ende meendene daer wel bebben geslegen, 29340 Maer Hervy hielt daer sijn swaert tegen, Ende zeide: “here, gy hebbet genoech gedaen, Gy mochtes iu wel laten genoegen saen, Ende sekerlyke gy doet iu lachter mede Van der overdaet, die gy doet ter stede, 29345 Want men plach te secgene nu Doget hier vormaels van iu, Ende nu sal men voertmeer Van iu quaet secgen ende onneer; Want gy soudet ons helpen ter stede 29350 Tegen hem, die ons scaden wilden daermede Ende gy wondet ende slaet ons doet Die iu niet mesdoen, kleen no groet”. Heer Gawyn zeide: “wat zegdy, Hervy, En haddensi niet mesdaen tegen my, 29355 Alsi met onhovescheden ende met nyde Onse gesellen opliepen met stryde, Ende ic ontboet hem daerna saen, Datsi des ontbeerden, waer hem iet mesdaen, Men soudet hem beteren; ende si ontboden my 29360 Si souden des te meer doen daerby, Ende hiermede en lietensijs niet ter stede, Ende hebben ons doen wachten mede”. Hervy zeide: “here, hebben si mesdaen, Si sullent iu geerne beteren saen, 29365 Also hoechlijc als gy selve wilt nu, Ende ombe niemans wille dan om iu, Ombedatsi iu vrienscap geerne nemen, here, Ende uwe geselscap vorwaert mere”. “Hervy, my en sullensi beteren niet, 29370 Noch nembermere, wat des gesciet, Sone mynne ic se; ende wet oec wel, Dragensi hatie ochte enech fel Tmynen gesellen, si sullen daerby Voertmeer alle gevedet sijn van my; 29375 Ende welke tijt datsi willen in felheden Enen tornoy tegen ons nemen ter steden, Onser en es maer tachtentich ter stede Ende haerre hondertendevijftich mede, Wy sullen daer komen tegen hem gereet; 29380 Ende weet oec wel, dat ic, God weet, Altoes tegen hem voert sal wesen In andren landen ende in desen, Daer ic weet datsi hatie dragen”. Hervy zeide: “here, des suldy niet gewagen 29385 Ende gy dadet quaet ende sonde mede, Ende oec waer dat jamer ter stede, Dat dus vele goeder liede, verstaet, Souden verdervet sijn ombe dus clene mesdaet, Ende eer souden si rumen uwes omes lant”. 29390 “Ic en weet”, zeide Gawyn te hant, Ombe mynes wille en sullen sijt rumen niet, Ende es dat oec so, dat om my gesciet Waer dat ic verneme, datsi varen, Ic entie myne, weet dat twaren, 29395 Sullense soeken”. “Here”, zeide Hervy, “Gy sult uwen moet laten sinken daerby, Want die die hatie ierst ophebben brocht, Si hebbent diere genoech vercocht, Want si sijn som herde sere gewont, 29400 Ende som vermenket, datsi terstont Nembermeer scilt en dragen mede, Ende dat es jamer, by mijnre Kerstenhede, Wantsi goede ridder sijn ende koene”. Ende recht in desen selven doene 29405 Quam die koninck Artur gereden daer, 328 Ende hoerde som haer rede vorwaer, Ende zeide “Gawyn, lieve neve”! nadat “Es dit die bede, die ic iu heden bat? By Gode, nu scijnt wel, dat gy my 29410 Luttel liefhebbet, want dat gy Tegen mynen wille ende mijn gebot mede. Myne liede hier doet slaet ter stede Tmyner onwaerden, by Gode, tes my leet!” Heer Gawyn antworde sinen ome gereet: 29415 “Here diet ierst began, het waer recht daen, Dat hijt becochte, oec secgic echt, Dat ic tuwer onwaerden niet en hebbe Ende oec es negeen man, sonder waen, In der werlt, diet my woude tyen an, 29420 Ic soude my daeraf bescudden dan, Ende also saen, alsi den nijt begonden, So ontboet ict iu by Galesconden, Ende si hadden ons vele lelicheden Gedaen eer wy dat anden ter steden”, 29425 Doe quam daer sijn vader, die koninck Lot, toe Ende hi nam Gawyne metten breidel doe, Ende zeide: “Gawyn, lieve kint, ic bidde iu. Laet dese doerheit varen nu, Want gy hebbet daer genoech toe gedaen 29430 Ende laet uwen oem secgen saen Sinen wille; want die bolgenscap nu, Die hi keert hier tote iu, Sal met staden gebetert wesen; Want wy hebben een deel van desen 29435 Hier gesien, hoe dat komen es”. Entie koninck Ban ende sijn broeder nades Quamen oec te Gawine daernaer, Ende zeiden sovele tot hem aldaer, Dat sine te vreden brachten alsoe. 29440 Dus wart die strijt gesceden doe Van hem ende van dien van der Tafelronden. Doe voerdene die twe koninge, tien stonden Met hem nu te hovewaert, Ende Galesconde reet mede ter vaert, 29445 In den tornoy, ende dadene sceden daer Met groter pinen, wet vorwaer; Wantsi waren verwermet sere. Doe si gesceden waren, voer elc here In sine herberge ende ontwapende hem mede, 29450 Ende cleden hem ende gingen ter stede Thove, entie waren gewont, Bleven in hoer herberge terstont, Ende daden thoren wonden sien; Ende Heer Gawyn ende sine gesellen mettien 29455 Gingen hem ontwapenen daernaer In ene camer, die stont vorwaer Neven der koninginnen kamer ter stede; Ende doe si ontwapent waren mede, Cleden si hem, daer si doe waren 29460 Herde rikelike gedient, twaren, Van vrouwen ende joncfrouwen te gaer, Dier daer menege was vorwaer. Daer was Heer Gawyn sere besien, Ende Sagrimor mede, van dien 29465 Vrouwen ende joncfrouwen, die se prijsden nu Scone ende vrome, dat secgic iu. Dus gingen die tachtentich in die sael Hant in hant, gecledet wael, Daer se die koninck Artur wel ontfinc, 29470 Ende stont op jegen hem na die dinc; Hi nam Gawine metter hant daer Entie koninginne metter andren naer, Ende gingen op ene coetse sitten, secgic iu; Entie ander ridder, die gingen nu 29475 Alombe overal in die sale Ende speleden ende loechen van meneger tale, Die dene den andren zeide nadas; Maer die blideste van hem allen was Die koninginne, ombe haer ridder mede, 19480 Die den tornoy hadden verwonnen ter stede; Maer bander siden waren droevech tien stonden Die ridder van der Tafelronden, Ombedatsi so tachter waren doe, Ende ombe haer gesellen, die gewont waren, toe, 29485 Ende bander siden, om Gawine, den here, Dies bolgenscap si vruchten sere; In dinde hebben si raet genomen, Hoe si te soene mogen komen, Ende senden Hervi ende Nasciene 29490 Ende Synados mede om datgene An den koninck Artur nu, Ombe vrede te makene, sccgic iu. 329 Dese gingen ten koninge saen; Doese die koninck sach komen gaen, 29495 Stont hi op hovesclike tegen die baroen, Als die wel lieden ere konde doen, Ende hietse groet wellekomen wesen. Doe hietene Hervi sitten na desen, Dan soude hi sine boetscap secgen daer; 29500 Die koninck sat neder; doe zeide hi naer: “Here, hier sijn nu ten stonden Die ridder van der Tafelronden, Die nu senden an Gawine, den Heer, Ende an myne Vrouwe, die koninginne, meer, 29505 Ende an iu, Here, daer dat meest angaet, Want gy zijt onser alre toeverlaet, Ende onser alre here mede nu; Ende daerombe biddensi vriendelic iu, Hebbensi enech dinc mesdaen 29510 Tegen mynen here Gawine, dat sijt hem saen Beteren willen, ende sinen gesellen daerby In wat manieren dat oec sy, Ende als gy, Here, ende myne vrouwe mede, Beide visieren wilt ter stede; 29515 Ja, optie vorwaerde, dat alle hatien Afgeleget werden in beiden partien, Ende nembermeer te vermanen woert”. Doe sach dene opten andren voert Van den koninck enter koninginnen ter stede; 29520 Doe zeide die koninck ter vrouwen mede, Datsi dit niet ontsecgen en sal; Doe zeide die koninginne: “van al Dat daer Heer Gawyn wil doen mede, Dat houde ic herde gaerne gestede”. 29525 Ende mijnheer Gawyn sweech al voert, Ende en antworde daerop niet een woert, Ende dachte ombe die dinc mettien, Die hi gehoert hadde vordien. Doe namne die koninck by der hant 29530 Ende zeide: “lieve neve”, al te hant, “En penset nu niet meer ter stede Ombe quaetheit ende bolgenhede, Want men biedet iu in desen dingen Veel groetlic sonderlinge 29535 Alse hem die beste van der werlt mere Tote iu oetmoedegen also sere”. “Goede liede” - zeide Heer Gawyn doe, “Ja”, zeide die koninck daertoe; “Si zoudent met rechte sijn”, zeide Gawein, 29540 Doe sweech hi. Dat sach wel plein Die koninck Artur, dat hi erre was, Ende sach optie koninginne nadas, Ende zeide: “Vrouwe, biddet Heren Gawine nu, Dat hi dese dinge doe dor iu”. 29545 Doe namsi Gawine by der hant Ende zeide: “lieve neve, laet te hant Desen toern dor my nu sincken, Ende en menet daer nembermeer ombe dinken, Want toernecheit al te lange gehouden, 29550 Die wert dickewile oevele vergouden; Nu doet dit dor den koninck ende dor my, Want gy doet daer iu ere by, Ende dit lant es oec in vernoye met Van den Sennen, als gy wel wet, 29555 Ende uwer en es niet vele nu, Ende gy soudet wel te gader onder iu Dene den andren helpen ende bystaen; Ende wouden iu vremde liede bestaen Ende iu viande, dien zoudet gy quaet wesen 29560 Ende ongenadich in allen resen; Ende metten genen die ombe mynen Here Hem ontliven souden laten ere, Dan si hem lieten mesdoen iet, Ende ombe ene dorheit, die es gesciet, 29565 En zoudy, lieve neve, niet, dor myne bede, Ende dor mijns heren, des koninges, mede, Die iu des nu sere bidden utermaten, Dese toernecheit hem nu niet verlaten?” Doe sach Gawyn op haer ende loech, 29570 Doe zeide hi: “Vrouwe, die leren wil, mach genoech Leren an iu, ende God sijs gedanket nu, Dat wy hebben alsulken Vrouwe an iu, Daer dlant gebetert by sal wesen; Ende oec al diegene na desen, 29575 Die werken willen na uwen staet, Ende houden willen, dat gy hem raet, Sine mogen nember tachter komen. Mijn Here, die koninck, mach hem beromen, Dat hi die vroedeste vrouwe hevet ene, 29580 Die in der werlt levet gemene, Ende gy hebbet hier gewonnen an my, 330 Dat ic voert altoes iu eigen sy, Ende gy met my ende metten mynen iuwen wille Altoes moecht doen, lude ende stille, 29585 Ende mijnheer, die koninck, ten waer al te sere Mijn onneer ende tegen mijn ere”. Si zeide: “die vrouwe en waer niet wijs, Die iu dat ansochte in eneger wijs, Dat tegen iu ere soude wesen, here, 29590 Dat en soeckic an iu nu noch nembermere”. Doe gaf Heer Gawyn op den overmoet, Ende daermede te doene dat haer dunket goet. Doe sendesi Hervi weder, tien stonden, Ombe die ridder van der Tafelronden 29595 Daer hi ombe ginc, ende zeide hem daernare Hoe si hadden daermede gevaren; Entie koninginne ontboet ter stede Sagrimor ende Heer Gawyns broeder mede, Ende Ywene ende al den gesellen naer, 29600 Ende zeide hoe die soene gemaket waer. Doe sprac Heer Ywen ter koninginne: “Die vrede es beter dan die onminne”. Doe quamen die van der Tafelronden Vor den koninck ende Heren Gawyn, tien stonden, 29605 Ende knielden, ende Hervy sprac dat woert: “Here, hier sijn wy nu komen voert, Die van der Tafelronden, ter genaden iu, Ende bidden, dat gy hem vergevet nu Datsi [tegen iu] hebben mesdaen”. 29610 Heer Gawyn spranc op, daer hi sat, saen Ende vergaf dat hem, ende nam se by der hant, Ende dadese opstaen al te hant, Ende Sagrimor ende Gawyns broeder mede Dadense daer oec opstaen ter stede, 29615 Ende daer vergaf dene den andren, secgic iu, Allen toern ende hatie nu, Ende voert altoes was, van dien stonden, Gawyn meester ende here van der Tafelronden, Entie ridder, die in gevancnesse waren, 29620 Die koninginne scoude se quite, twaren; Ende aldus versoendensi daeromtrint. Maer si hadden daer vierhondert sint Eer daventure van den helegen Grale Tenen inde wart bracht al te male, 29625 Daer si menege pine ombe dogeden vorwaer, Ende ombe ander aventure, daer si naer Menechwerf sijn ombe reden ter stat, Ende ic sal iu secgen nu ombe wat Dat es waer. Daer liep ene grote mare, 29630 Dat die Grael in den lande van Logres ware, Ende dat ware dat helege bloet, Dat Jhesum wt siner syden vloet, Dat Joseph van Aremathien ende mede Nicodemus, die onsen Here van den cruce dede, 29635 Hadden in handen gehat, entie speer, Daermede gesteken was Onse Heer. Hieraf liep die mare verre ende by, Dattet nu in den lande van Logres sy, Maer men en weet waer no te welker stat; 29640 Entie prophecie secget oec dat, Dattet nembermeer en worde vonden, Vordat die beste ridder quame tien stonden, Van al der werlt, [by] dien zouden werden ontdecket, Die grael entie speer, daer men af secget. 29645 Ende doe die heren van der Tafelronden Hieraf hoerden secgen, tien stonden, Dattet by den besten ridder moeste wesen Die in al der werlt was, van desen Begondensi tsoekene daernaer, 29650 Ombe proevene wie die beste waer, Ende doerreden alle die lande, Ende makeden tornoy meneger hande, Ende proeveden dat in meneger manieren; Selden woudensi daeraf vieren, 29655 Ende hoerdensi secgen iergen ter stede Van enegen goeden ridder mede, Daer voeren si ombe te proevene dien; Ende was hi vrome ende koene gesien, So brachten sine te hove daer, 29660 Ende makedene haer geselle naer, Ende was in gescrift geset ter stede Metten andren ridderen mede; 331 Ende al daventuren, die gescieden Van den ridderen, onder hen lieden, 29665 Die screef men altoes, alset gesciet was; Ende ombe dese dinc gesciede nadas Menege aventure in dat lant. Nu wety die saken al te hant, Waerombe die ridder van der Tafelronden 29670 Hem aventuerden te meneger stonden; Doe dus die soene gemaket was, Daer ic hier te voren af las, Waren des die ridder van der Tafelronden Alle herde blyde tien stonden, 29675 Ende prijsden heren Gawine sere daer Van der vromecheit, wetet vorwaer, Die hi in den tornoye dede; Si zeiden hemelyc onder hem mede, Datsi tiene, die beste, die men vonde, 29680 Tegen hem niet mochten gestaen ter stonde, Man tegen man; aldus zeidensi daer, Entie vrouwen ende joncfrouwen zeiden naer In horen cameren, daer si inne waren doe, Van hem nog meer onder hem alsoe. 29685 Ende bindien waren die tafelen bereet Ende men ginc eten gereet, Enter koninginnen ridder saten, tien stonden, By den heren van der Tafelronden; Entie koninck Artur entie koninck Ban 29690 Entie koninck Bohoert, ende koninck Loth voertan, Saten tener tafelen, daer dienden met Heer Gawyn ende Lucam ende Griflet, Ende Heer Ywen, tote veertich wale; Daer was gedient in der sale 29695 Hem allen te poente, die daer waren; Wat zoudic die gerechte openbaren Die daer waren gegeven met gevoech? Daer was planteit ende meer dan genoech. Ende na den etene ginc elc die woude 29700 Spelen van den riddren houden, Maer die vier koninge bleven daer Ende gingen ten venstren licgen naer, Ombe wt te siene die scone prayerie, Die lopende watere, die viscerie. 29705 Doe si ginder aldus lagen Entie riviere daer besagen, Doe zeide ten koninck Arture die koninck Ban: “Here, woudy een dinc voertan Doen, dat ic iu zoude raden, 29710 tEn zoude iu noch tuwen lande niet scaden, Ende dat soude des te beter wesen, Ende iu herberge oec na desen, Ende oec vele te meer ontsien, Ende te meer ridder oec nadien 29715 Tot uwen hove komen, God weet”. Doe zeide die koninck Artur gereet: “Secget my, here, wat dat es, Ic sal dat doen, sijt seker des, Opdat ict eneger wijs gedoen kan, 29720 Ende niet onneerlyke en sij dan”. Doe zeide die koninck Ban ter stede: “Hieraf en komet iu nembermeer mede No verwijt, no lachter, here: tEs dat gy iu hoedet van desen dage mere, 29725 Dat gy iu ridder in negener manieren, Nembermeer tegen een laet tornieren, Want si sijn goede ridder ende koene Ende souden hem laten, in negenen doene, Dene den andren onderbringen; 29730 Ende also mochte daer werden werringe, Dat daeraf mochte komen groet scade; Willensi tornieren vro ende spade, Si tornieren tegen die grote heren vermeten, Dier genoech ombe iu es geseten”. 29735 Die koninck Artur zeide: “gy raet my Herde wael ende alse mijn vrient daerby, Ende ic salt oec doen vorwaert mere”. Doe zeide die koninginne: “Here, Hi raet uwen oerbaer nu van desen, 29740 Gebenedyet so moete hi wesen, Dat hi iu desen raet nu gaf; Nu es dat goet te siene daeraf, Dat hi iu minnet met trouwen mede”. Dit latic nu bliven hier ter stede, 29745 Ende sal van den baronen secgen voert, Daer gy hiervor af hebbet gehoert, Die hem tegen den koninck Artuer Hiervor setten op ener uer. |
Van een toernooi daar heer Gawein meester en gezel van de tafelronden werd. Toen etenstijd gedaan was, En de feesten ook na das, 28685 Kwam Keye, de drost, voort gegaan: “Wat, gij ridders, hoe zie ik u dus staan Tot alzo grote feesten, zoals dit is nu? Hier zou men toernooien, zeg ik u”. Toen zei Sagrimor, gelijk daarnaar: 28690 “Bij God, heer Keye, ge zegt waar, Die niet toernooit, hij is niet geloofwaardig mede. Toen vroeg heer Gawein daar ter plaatse, Hoe men toernooien zou nu? Mynoras sprak: “ik zeg het u, 28695 We zullen toernooien tegen de ridders van de koningin, En we zullen daartoe doen in alle zinnen, Dat elk vijfhonderd ridders heeft ter plaatse”. Heer Gawein zei: “ik beloof dat mede”. Toen zei Synados: “hier is geen wachten, 28700 De dag die gaat, laat ons bereiden!” Toen liep elk tot zijn herberg waart, En gingen zich bereiden met een vaart, En kwamen uit in twee partijen, 320 En verzamelden zich bij de vlakte, 28705 Zodat er aan beide zijden daar was Tot duizend ridders, zij het zeker dat. Toen krijtte men de ban alzo te houden, En elk voer toen daar hij wilde Onder zijn banier. Toen kwam Gawein 28710 En Herviel, en verdeelden op het plein De ridders; toen begon ter plaatse De heraut zeer te roepen mede: “Hier is de eer der wapens al Van de wereld, groot en smal, 28715 Nu zal men zien, wie dat goed zal doen”. Dus verzameld waren de baronnen. Toen ontbood koning Arthur Gawein daar, Dat hij hem kwam te spreken daarnaar Bij het venster van de zaal, zeg ik u, 28720 En heer Gawein reed derwaarts nu, En voerde met hem Ywein en Griflet. Toen hij daar kwam, sprak zonder letten De koning tot Gawein en zei: “Neef, nu bid ik op hoffelijkheid, 28725 Dat ge het toernooi behoedt alzo, Dat niemand de andere erg doet, En dat geen verbolgenheid daar geschiedt”. “Heer”, zei hij, “zo ver als het gaat aan mij Zo zal er geen ergs geschieden, 28730 Maar al kan ik ze behoeden niet van die; Maar zie je dat het toernooi fel wordt ter plaatse, Zo kom daar en help ze scheiden; Maar willen uw ridders mijn gezellen verstoren Dat moet ik immer helpen verweren”. 28735 “Heer”, zei toen koning Ban, “Heer Gawein zegt als een goede man; Laat onze lieden wapenen nu, En is dus te doen, dat ze met u Gereed zijn te varen, om te scheiden 28740 Dit toernooi tussen hen beiden”. (“Bij God”, zei Arthur, “dat zij alzo”). Hij liet er daar drieduizend wapenen toen, En heer Gawein keerde weer na dat Daar het toernooi begonnen was, 28745 Daar de eerste daar van was, te die stonden, Pynados, een ridder van de tafelronden En Acgravein Gaweins broeder mee. Deze kwamen tegen een, dat weet, Met twee scherpe speren en groot, 28750 Elk stak de ander in die ontmoeting Door het schild tot het harnas toe, Daar die speren op weerstonden toen, Zodat ze geheel te stukken braken; En daar ze voort reden, na die zaken, 28755 Kwam de ene op de andere zo Schermutselen, zodat ze beide toen Met de paarden ter aarde vielen daar. Toen kwamen aan beide zijden daarnaar Toe gereden de ridders met kracht, 28760 En braken alzo daar hun schachten; En binnen die is Gawein daar gekomen, En heeft zijn broeder ter aarde vernomen, Maar hij werd snel hersteld nu; En die van de tafelronden, zeg ik u, 28765 Pijnigden zich zeer, hoe ze mochten daarnaar De koningin ridders ten onderbrengen daar; En die van de tafelronden waren honderd man En vijftig mede, en van de anderen voortaan Waren er tachtig; dit was ongelijk spel, 28770 Nochtans verweerden ze zich zo goed, Dat het een wonder was; maar heer Gawein Hielp hen zo goed daarin op het plein; Maar dat kon hen niet bijstaan, Hadden koning Loth’s ridder niet gedaan, 28775 Ze waren zeer ten achter gebleven; Daar werd menige slag gegeven, En menig spel daar gedaan, En menig afgestoken gelijk; Daar liepen de paarden in het achterveld, 28780 Daar waren die van de tafelronden met geweld Achter gedaan. Toen kwamen hen daar Honderd en veertig ridders te hulp naar; Toen hadden ze dat weer te goed En dreven de anderen over de voet. 28785 Toen begon daar een groot gehuil En een groot lawaai, zeg ik u. Toen heer Ywein vernam, te waren, Dat zijn gezellen dus ten achter waren, 321 Toen zei hij tot heer Gawein gereed: 28790 “We wachten nu te lang, God weet, Want onze lieden zijn geschoffeerd”. “Bij God, hier is te lang gevierd!” Zei Sagrimor, “nu varen wij in; Laat zien, wie in zijn begin 28795 De prijs hier bejagen zal mede”. Gawein lachte, en zei ter plaatse: “Nu volg mij, ik ga voor!” Toen sloeg hij zijn paard met sporen. Heer Gawein kwam aanvliegen met zo’n spoed 28800 Gelijk dat de sperwer doet Naar de leeuwerik, als hij honger heeft groot; Al dergelijke kwam hem in dat gemoed Heer Gawein zijn tegenpartij; Daar mocht men horen de speren kraken; 28805 Ze staken er vier daar neer toen, En doorbraken het toernooi alzo, Zodat het gehuil geheel weg bleef, En men ze daar niet verder dreef. Ze deden zoveel met wapens daar, 28810 Zodat ze bekend werden daarnaar Van diegenen, die hen nooit zagen; Toen werd benomen daar dat jagen. De koningin ridders trokken ter plaatse Aan Gawein, en koning Loth’s ridders mede, 28815 Die erg goede ridders waren; Daar deed Sagrimor het zo goed, te waren, Dat ze hem met de vingers aanwezen, De te venster lagen, en zeer prezen, En zeiden, dat Sagrimor was diegene, 28820 Die wel gemaakte en die mooie, Nochtans is hij betere ridder daarbij; “Diegene, die hij mint”, zeiden zij Mag zich beroemen dat ze mint ter plaatse De beste van het hof mede, 28825 En dat was geen hoffelijkheid Die zulke ridder min ontzei”. En Griflet en Galescins, dat weet, En heer Gaweins drie broeders, mee, Deze deden het daar zo goed, zeg ik u, 28830 Zodat men ze zeer prezen nu; En mijnheer Ywein deed het goed te die stonden. En toen de ridders van de tafelronden Zagen, dat ze hen weerstonden zo, Peinsden ze hen uitermate zeer toen, 28835 Dat ze hen mochten verdrijven daar. Maar mijnheer Gawein, weet voorwaar, Zijn gelijke was daar niet, Want daar hij de druk het dikste ziet, Daar reed hij door, wie lief wie leed; 28840 Hij en zijn gezellen verdreven gereed Die van de tafelronden, met grote kracht, Aan dat water tot op de vesting gracht. Dit boek zegt, dat daar neer waren Gestoken tien, de beste van de scharen, 28845 Daar de ene van heet Mynores, En Natalis en Mynades, Bloaris, Carisman en Ladynus, Grandonies, Ladinel en Pertynus En Trahelus; deze tien, te waren, 28850 Met kracht daar afgestoken waren En gevangen, en gezonden daarbinnen Vanwege heer Gawein naar de koningin, Want ze hielden haar voor hun heer daar; Ze hadden recht, want openbaar 28855 Was hij de beste ridder een ter plaatse, Die men wist levend mede; En deze tien ridders hadden beloofd bij trouw, Tot de koningin te varen, hun vrouw; Ze kwamen tot haar, en gaven zich daar 28860 Vanwege mijnheer Gawein gevangen daarnaar. Toen ontving ze hen met feesten mede, En gaf hem van haar schoonheden; Toen gingen ze daar liggen meteen Te venster met de anderen naar buiten zien. 28865 Toen de ridders van de tafelronden Hun tien gezellen verloren hadden, te die stonden, Waren ze droevig; want ze waren Nooit zo verjaagd, te waren, Van het veld, zoals ze waren toen; 28870 Nochtans hadden ze in die tijd alzo Gestreden tegen nog alzo veel lieden Zoals daar dit nu van hen geschiedde. Toen kwam een groot bataljon derwaarts Van de brug, die ze ter vaart 28875 Achter zette, en de anderen, weet voorwaar, 322 Dapper behoeden daar, En deden zoveel dat ze hen op het plein Dreven, daar ze afjaagde Gawein. Maar heer Gawein kwam daartegen samen; 28880 Toen ging men houwen en slaan. Daar bleef het toernooi staan toen Tot over noen recht alzo. Toen werd Gawein verdubbeld samen In zijn kracht, en ging slaan; 28885 En bracht echt in schoffering Die van de tafelronden tot op de rivier. Toen zeiden die van de tafelronden, Dat ze voort zouden doen ten stonden, Dat kwaadste, dat ze konden doen mede 28890 Gawein en zijn gezellen ter plaatse. Daar namen ze sterke speren toen En zetten ze in hun zadeltas alzo, En dat is een groot angst, weet wel, Want het toernooi zou zijn zonder nijd en felheid; 28195 En aldus gingen ze hem toe na deze Of dat hun doodsvijand had gewezen, Dus voeren ze met hun speren in En staken daaraf, in dat begin, Twintig, die goede ridders waren 28900 Maar ze waren direct op, te waren, En verweerden zich met hun zwaarden Tegen de andere, die ze begeerden Zeer te vangen, had het mogen geschieden; Was heer Gawein niet gekomen tot die 28905 En weer genomen tot hun schalksheden, Daar was groot schade gebeurd ter steden; Maar hij voer toen in die groep, En Sagrimor met zijn paard. Toen zei heer Ywein: “nu zie je wel 28910 Dat dit is een lelijk spel, Dat ze nu doen op onze gezellen”. Toen heer Gawein dit hoorde vertellen, Zei hij zijn ridders, dat ze Deden als goede lieden daarbij, 28915 “Want we zullen het dus niet gedogen nu”; Toen riep hij tot hem, zeg ik u, Gwerriet van Lambele en Gwinemaren, En zei hen, dat ze zouden varen Tot de heren van de tafelronden, 28920 En hen zeggen, nu ten stonden, Dat ze hun domheid laten staan, Die ze begonnen zijn gelijk, “En zeg het hen, we beklagen ons mede, Dat ze ons hebben gedaan schalksheden, 28925 En zullen ze daarvan, in waar ding, Roepen voor mijn heer, de koning. Zeg het hen, heeft hen iemand iets misdaan, We zullen hem dat verbeteren samen”. Toen voeren ze na dien stonden 28930 Tot de heren van de tafelronden, En deden hun boodschap al na dat, Gelijk dat het hen bevolen was; En ze antwoorden hem, ze hielden zich niet daarvan af, En stonden het door zijn wil niet af. 28935 En die zich vertoornen wil, die doet dat nu, We zullen hem meer doen, zeggen we u; “Aldus zeg Gawein, en zijn gezellen; Ook mag ge hem dit vertellen, Dat men gelijk zal zien ter plaatse, 28940 Waar de dapperste ridders zijn mede”. Toen diegene hoorden die overdaad, Reden ze tot heer Gawein met stade, Die al die tijd hergegroepeerd had daar Zijn gezellen, die ze voorwaar 28945 Af hadden gestoken met nijd; Toen zeiden de ridders te die tijden Heer Gawein de boodschap voort, Zoals ge nu hebt gehoord. En toen heer Gawein dat hoorde alzo 28950 Was hij dus uitermate boos toen: “Ja”, zei hij, “is het hen in ernst dan, En willen ze door ons niet doen voortaan, Nu wil ik wel dat ze weten al fijn, Sinds dat we tot haat gekomen zijn, 29855 Dat we dat beproeven zullen erg gelijk Welke ridders beter zijn, zonder waan”. Toen schoot uit het toernooi heer Gawein, En zijn broeder en Sagrimor en Ywein, En Galescins en Dodinas mee, 29860 En Keye van Strans en Griflet; Deze nam hij aan een zijde daar, En zei hen de boodschap daarnaar, Die de heren van de tafelronden Hem gezegd had te die stonden, 29865 “En omdat we ons koen verweren, 323 Zo peinzen ze, hoe ze ons mogen deren, En menen gewonnen te hebben nu, En tonen hun kwaadste, zeg ik u; Nu laat elk halen zijn harnas ter plaatse, 28970 Daar hij in te strijden pleegt mede, En het beste, dat hij heeft, zekerlijk, Alzo dat hem aan niets ontbreekt”. En ze lieten dat halen alle daarnaar; Toen trokken ze in dat toernooi aldaar, 28975 Die toen erg vreselijk was; En toen hun wapens kwamen na dat Wapenden ze zich al heimelijk nu; Daar was van hun een groot gebrek, zeg ik u, Van hun gezellen, want ze waren 28980 Zeer ten achter gedreven, te waren; En mijnheer Gawein is derwaarts gereden, En zijn gezellen, die nu ter steden Zochten die van hun, hier en daar, Die hen ontgaan waren daarnaar, 28985 Zodat ze hen daar niet vinden konden, Want toen hadden die van de tafelronden Ze zo ten achter gedaan, dat ze hen niet Vinden konden. Toen Gawein dat ziet, Sloeg hij in het toernooi met zulke felheden, 28990 Dat hij en zijn gezellen mede Menigeen velde ter aarde daar, En sommige, die niet meer opstonden daarnaar. Toen dit zag Adragant en Nascien, Hielden ze daar alle stil meteen, 28995 En zeiden tot hun gezellen daarnaar: “We hebben kwaad gedaan voorwaar, Dat we deze haat hebben ter plaats Op de koningin ridders mede, Ja, om niet; we raden wel aan nu, 29000 Dat men toernooien nu liet, zeg ik u, Eer daar kwaad van komt meer, Want konings neven vertoornen zich zeer En zijn gezellen, en ze zullen mee Kwaad onder ons doen, dat weet, 29005 En immer toe is er een dood ter plaatse; En het was beter, dat het bleef hiermee, Dan dat er meer van komen zal nu: Want daar zijn zulke twintig, zeg ik u, Die onze veertig schofferen zouden gelijk 29010 Omdat ze hen dus willen aan gaan, En dat zijn jonge dappere lieden mee, En van de hoogste van het land, dat weet”. De ander zei: “dat is nu te laat, Hoedt hem die wil aan elke zijde, 29015 Dat kan nu niet anders wezen”. Toen sloegen ze vast in na deze, En de tachtig gezellen mede Verzamelden zich op een plaats. Toen werd het toernooi angstig, 29020 Koning Loth’s ridders merkten zekerlijk De haat, die die van de tafelronden Hadden op hen nu te die stonden; Ze trokken terzijde en galoppeerden daar, En kwamen aan heer Gawein daarnaar. 29025 En zeiden: “rij in zonder enige keren, Want we geven u heden meer, We zien wel de haat, zonder vragen, Dat die van de tafelronden tot u dragen, En het is geen wonder, al zijn ze mede 29030 Boven, want ze hebben ter plaatse Honderd en vijftig ridders voorwaar, En gij hebt er maar tachtig daar”. Dus bedankte hem Gawein zeer toen, En liet ze bij zich houden alzo. 29035 Toen riep hij een knaap ter vaart: “Rij haastig tot mijn oom waart, En zeg het hem, dat het hem niet leed zij, Dat ik, en mijn gezellen, verweer mij Tegen de ridders van de tafelronden 29040 Van de zotheid, die ze nu ten stonden Aan ons hebben gedaan ter plaatse, En vertel hem al die dingen mede, Hoe ze gekomen zijn van het begin tot dis”. Toen Galesconde verstond Gaweins woorden, 29045 Voer hij tot koning Arthur waart, En zei hem zijn boodschap ter vaart Zoals het hem bevolen was daar; En binnen deze hadden daarnaar Die van de tafelronden ten achter gedaan 29050 De anderen, en van het veld gedreven samen; En toen mijnheer Gawein dit zag, Kwam hij daartegen, alles dat hij mag, Met de ridders van zijn vaders land 324 Die hij groot en getrouw kende; 29055 En heer Gawein riep in dat begin: “Gij, edele ridders, nu slaat in, Laten we hen herkennen hun haat!” Toen heer Gaweins gezellen die mooie partij Hem volgen zagen, toen keerden ze mee’; 29060 Van hun een naar Gawein, die voor reed, De voeten omhoog keerde daar, Zodat hij ter aarde viel voorwaar; En zijn gezellen riepen: “hij is dood!” Toen werd daar dat lawaai groot, 29065 En liepen op hem aan alle zijden En mijnheer Gawein sloeg toen, te die tijden, Een andere een wond in dat hoofd In de ene zijde, dus geloof het, Zodat hij moest vallen ter aarden. 29070 Toen sloeg hij op de schouder de derde, Zodat hij hem ontkleedde daar, En viel ook van het paard daarnaar. Toen kwam hij aan Nascien gelijk En meende hem op de helm te slaan, 29075 En toen hij de slag zag komen ter vaart, Trok hij zijn paard achterwaart, En trok zijn zwaard en het schild op zijn hoofd, Want het duchtte hem zeer, dus geloof, Dat hij hem mocht geven een slag. 29080 En toen heer Gawein hem alzo zag Bereid staan, verhief hij dat zwaard En wilden hem slaan met een vaart; Maar dat zwaard draaide zich in zijn hand, En Nascien heeft hem daar herkent, 29085 En zei: “heer Gawein, heer Gawein, Ge bent niet gekomen in dit plein Toornooien als een hoffelijk man, Want ge hebt uw strijdwapens aan; Ik hou u nimmermeer voorwaarts nu 29090 Voor alzo hoffelijk, dat zeg ik u, Zoals ik deed; want hier ter plaatse Strijd ge of we waren uw vijanden mede, En heb uw goede zwaard gebracht mee Om ons dood te slaan, dat weet, 29095 Dat u noch verweten zal wezen Anders dan hier”. Toen sprak na deze Heer Gawein: “ik weet van die verwijten niets, Maar wil me iemand aandoen iets, En daarvan kamp durft te beroepen op mij, 29100 Ik zou me verweren, wie dat hij zij, Ja, andere twee of drie mede, De ene na de andere, weet gereed; Maar gij en uw gezellen, zeg ik u, Hebt hier valsheid bedreven nu, 29105 Want gij dus begon het, en ik gezonden Heb aan u te bidden omtrent Boden genoeg, zodat ge ter plaatse Hoffelijk zou toernooien mede, We zouden hoffelijk toernooien gelijk; 29110 En had van ons had u iets misdaan, We boden aan u dat te verbeteren daarnaar”. Nascien zei: “heer, weet voorwaar, Dat was is gekheid begonnen, zeg ik u, En ook was het tijd dat wij het lieten nu, 29115 Was het uw wil; want zulke, die het nu terstond Opbrachten, liggen hier dood gewond; Maar ik bid u om God, dat ge ze scheidt, Eer hier meer schade van gebeurd of leed”. “Ik weet niet”, zei heer Gawein toen, 29120 Welke schade hiervan zal komen toe, Maar van mijn kant wordt dat niet Gescheiden, welke schade daarvan geschiedt; En nimmermeer voort, in geen stonden, Waar dat gekomen is die van de tafelronden, 29125 Daar ze schalksheid willen beginnen Tegen ons, dit laat ik hen bekennen, Dat ik de eerste keer beginnen zal, Tegen hen, dit zeg je hen al; En omdat ge het hen zal zeggen nu, 29130 Zo zal ik hier verdragen u”. Nascien zei toen “heer” gelijk “Andere maal heb je me hoffelijkheid gedaan, Dus ik u bedanken kan iets, Want ge hoeft het te doen niet; 29135 En dat ge hier zegt nu ter plaatse, Dat ge ons strijd genoeg zal mede Geven, daaraan zeg je waar gereed, Want ge bent machtige lieden, God weet, En wij hebben die macht niet tegen u, 29140 Wil ge ons krenken of letten nu”. Toen scheidde Gawein van Nascien, Die te voet bleef staan na datgene, En sloeg in die plaats daarnaar, 325 En deed met zijn gezellen daar 29145 Zoveel, dat hij nu ten stonden Verdreef die van de tafelronden Tot op de rivier, die diep was, Daar ze menigeen daarin na dat Tuimelen lieten tegen hun wil mede. 29150 Daar mocht men vlieden zien ter plaatse Schilden en speer, ridder en paard, Met de stroom neerwaarts. Toen heer Gawein zag dat ze dus vlogen, En niet herstellen mochten toen, 29155 Stak hij dat zwaard in zijn schede daarnaar Omdat hij dacht dat hij iemand daar Dood mocht hebben geslagen ter plaatse; Toen zag hij die van de tafelronden mede Dat ze op de bestrate weg hielden daar. 29160 Toen nam hij een boom daarnaar, Die over een smal bruggetje lag alzo, En wierp zijn schild ter aarde toen, En nam de boom met beide handen, En zei, hij zou ze verdrijven gelijk; 29165 Toen sloeg hij onder hen ter plaatse En sloeg er een zodat hij hem tuimelen deed, En de andere en de derde mee En de vierde mede, dat weet. Toen ze zagen dat hij ze sloeg alzo, 29170 Liepen ze op hem alle daartoe, Want ze hem zeer haten mede; Ze sloegen aan hem in elke plaats En ze doden zijn paard onder hem daarnaar; Hij sprong op, want weet voorwaar, 29175 Dat hij licht was en dapper zeer; Toen trok hij zijn zwaard weer uit die heer, En maakte van zijn boom een schild daar, En zei: “ze moesten hebben een kwaad jaar Diegene, die geprezen willen zijn 29180 Voor goede ridder en fijn, Die nu van angst, die hadden zij, Mijn paard dood staken onder mij. Toen liep hij op hen met dapperheden, En doorsloeg hun helmen en schilden mede, 29185 En harnas en handen af, dat weet, En hoofden daar, en paarden toen mee, Dat hij dat al daar neer sloeg, Dat hij raakte, naar zijn gevoeg, Dat hij hun, aanstonds daarnaar, 29190 Meer dan twintig alzo sloeg daar, Zodat ze ter aarde lagen gewond. Toen kwamen zijn vader ridders terstond Die hem volgden de hele dag daar, En sloegen in diegene voorwaar. 29195 Daar vonden ze heer Gawein te voet staan En het zwaard in de hand, zonder waan, Zeer bebloed, want hij in de nood Veertig paarden geslagen had dood; Toen hergroepeerden ze zich weer ter plaatse, 29200 Toen stak hij dat zwaard in zijn schede, En nam zijn boom met beide handen, En liep hen vreselijk op toe gelijk, En sloeg in de hoop alzo, Hem een zorg wie hij raakte toen; 29205 Hij en zijn gezellen dreven ze vandaar In de poort van de stad daarnaar, En schoffeerden ze alle daar ter plaatse; Maar die op de rivier bleven mede, Die waren tegen de koningin ridders nu, 29210 Mijnheer Gaweins gezellen, zeg ik u, Van die bleven er nu zo weinig goed daar, Dat de anderen herstelden daarnaar, En dreven ze weer ten plein waart, Daar menige spel in de vaart 29215 Gedaan was, dat de vrouwen En de jonkvrouwen uit het venster aanschouwen, Die daarin naar buiten zagen De ene en de andere jagen. Toen mijnheer Gawein werd gewaar, 29220 Dat daar hersteld was de andere schaar, En zijn gezellen ten achter hebben gedaan Toen riep hij van zijn ridders gelijk Twintig, die met hem daar waren, Dat ze tot degenen zouden varen 29225 En ze behoeden. Toen voeren ze daar En deden met wapens zoveel daarnaar, Zodat ze schoffeerden alle nadat En dreven ze daar tot in de stad, En in die straten jaagden ze daar, 29230 En sloegen ze af en overreden ze daarnaar Met hun paarden, want, zonder waan, Zij wilden daar toen niet een vangen 326 Vanwege de grote overdaad mede, Die ze de eerste maal begonnen zijn ter stede. 29235 En aan de andere zijde heer Gawein, zeg ik u, En zijn partij, die hadden nu Verdreven de ridder van de tafelronden Tot Sint Stevens kerk te die stonden; Daar bleven ze houden onder hen alzo 29240 In dat enge van een straat toen, En verweerden zich zo ze het best konden daar; Maar niet lang had het mogen duren voorwaar, Was koning Arthur niet gekomen nu, Koning Ban en koning Bohort, zeg ik u, 29245 Die met hen brachten vierduizend man, Die vast gingen scheiden voortaan, En lieten er wel drie honderd gaan In Sint Stevens kerk; en gelijk Voeren ze voort, en ontmoeten daar 29250 Koning Loth’s ridders, weet voorwaar; En ze meenden dat het vijanden waren dat, En ze opgewacht hadden ter stad, En verzamelden daarin zich ter plaatse; Toen begon daar een nieuw toernooi mede; 29255 Toen werden zeer ten achter gedaan Mijn heer Gaweins gezellen gelijk, Want de ene partij vocht tegen deze nu, De andere tegen die van de tafelronden, zeg ik u; Toen vernam mijnheer Gawein daarnaar, 29260 Dat zijn gezellen slecht bereid waren, En dat ze, ik weet niet met welke lieden daar Gestreden hadden achter hem daarnaar; Toen hij dat wist, was hij dus boos, En reed derwaarts zonder enig wachten 29265 En liet zijn gezellen daar te die stonden Strijden tegen die van de tafelronden, En reed daar de andere nu streden Tegen zijn gezellen daar ter plaatse; Maar eer hij derwaarts voer, had hij 29270 Goede behoeding gezet, waarbij De ridders van de tafelronden Niet terug keren mochten te die stonden; En alzo vroeg als hij daar kwam, En hij ze alzo strijdend vernam, 29275 Riep hij dat zij het ontgelden zouden; En toen ze hem vernemen alzo te houden, Riepen ze: “geef u nu gevangen Of ge bent dood, zonder waan!” En toen hij hun hoorde dreigen zo, 29280 Werd hij boos en zei “hoerenkinderen” “En verraders! Heb je hier ons mede toen Nu liggen opwachten te deze plaats? Weet wel, van u is er geen zo koen, Ge mocht u liever niet laten zien, tot dit doen, 29285 Te Rome nu binnen de stad”. Toen trok hij Caliburnus nadat, Zijn zwaard, dat geheel bebloed was, En diegenen liepen hem op na dat Met hun bijlen en met hun zwaarden, 29290 En hij ging ze daar vast aanvaarden, En de eerste hij een slag gaf, Zodat hem dat hoofd daar viel af; En een andere sloeg hij dood ter plaatse, En de derde en de vierde mede, 29295 En maakte zo’n grote plaats daarnaar, Dat hem niemand genaken mag daar, En gingen rouwig en zeer vlieden, En riepen: “vliedt, vliedt!” meteen, “Hier komt de duivel nu ten stonden 29300 Uit de hel, en is los!” En toen heer Gawein behoed had daar Zijn gezellen, nam hij daarnaar Veertig ridders en zette ze ter plaatse Op dat einde van de straten mede, 29305 En zei hen, dat ze die behoeden gelijk, “En verweer u”, zei hij, “enige kracht gedaan, Zo haal mij”. Toen keerde hij ter vaart Weer tot Sint Stevens kerk waart, Daar de ridders van de tafelronden waren, 29310 Die daar zeer vechten, te waren, Tegen de ridders van Orkney; En heer Gawein sloeg in die partij En riep “verraders!” want hij meende wel, Dat ze diegene daar en niemand anders, 29315 Hadden gezonden, die hij nu schoffeerde daar, 327 Op zijn gezellen om valsheid voorwaar; En die van de tafelronden ook alzo Wisten niet wat te zeggen hiertoe; Want ze meenden, dat hij het ze ten stonden 29320 Omdat ze de eerst keer waren begonnen, Dat hen nu berouwde, weet voorwaar, Want ze zich zeer schaamden daar. En Gawein, die zeer verbolgen was, Sloeg Adragane een slag 29325 Door de helm een grote wonde, Zodat hij ter aarde viel ter stonde; Daarna sloeg hij Pindoluse ter plaatse Een grote wond in de schouder mede; Hij viel ter aarde in onmacht na deze 29330 En meende dood te hebben gewezen. Daarna sloeg hij Ydonase zo wel Aan de kinnebak, zodat hij ter aarde viel. Toen dit zagen die van de tafelronden, Dat tegen hem geen wapens konden 29335 Staan, hij sloeg ze allen dood daar, Keerden ze ter kerk waart daarnaar, En heer Gawein volgde hen alzo, En kwam op Hervy van Riveel toen, En meende hem daar goed te hebben geslagen, 29340 Maar Hervy hield daar zijn zwaard tegen, En zei: “heer, ge hebt genoeg gedaan, Ge mocht u zich laten vergenoegen gelijk, En zeker ge doet uw lachen mede Van de overdaad, die ge doet ter plaatse, 29345 Want men plag te zeggen nu Deugd hier voormaal van u, En nu zal men voort meer Van u kwaad zeggen en oneer; Want ge zou ons helpen ter plaatse 29350 Tegen hen, die ons beschadigen wilden daarmee En ge verwondt en slaat ons dood Die u niets misdoen, klein of groot”. Heer Gawein zei: “wat zeg je, Hervy, Hadden ze niets misdaan tegen mij, 29355 Als ze met onhoffelijkheden en met nijd Onze gezellen opliepen met strijd, En ik ontbood hen daarna gelijk, Dat ze dus ontbeerden, was hen iets misdaan, Men zou het hen verbeteren; en ze ontboden me 29360 Ze zouden des te meer doen daarbij, En hiermee lieten ze het niet ter plaatse, En hebben ons laten wachten mede”. Hervy zei: “heer, hebben ze misdaan, Ze zullen het u graag verbeteren gelijk, 29365 Alzo hoog als ge zelf wilt nu, En om niemands wil dan om u, Omdat ze u vriendschap graag nemen, heer, En uw gezelschap voorwaarts meer”. “Hervy, mij zullen ze verbeteren niet, 29370 Nog nimmermeer, wat er dus geschiedt, Zo bemin ik ze; en weet ook wel, Dragen ze haat of enige felheid Tot mijn gezellen, ze zullen daarbij Voort meer alle geveld zijn van mij; 29375 En welke tijd dat ze willen in felheden Een toernooi tegen ons nemen ter plaatse, Van ons zijn er maar tachtig ter plaatse En van hun honderd vijftig mede, We zullen daar komen tegen hen gereed; 29380 En weet ook wel, dat ik, God weet, Altijd tegen hen voortaan zal wezen In andere landen en in deze, Daar ik weet dat ze haat dragen”. Hervy zei: “heer, dat dus zal ge niet wagen 29385 En ge deed kwaad en zonde mede, En ook was dat jammer ter plaatse, Dat dus zoveel goede lieden, begrijp het, Zou verderven om dusdanige kleine misdaad, En eerder zouden ze ruimen uw ooms land”. 29390 “Ik weet”, zei Gawein gelijk, Om mijn wil zullen ze het ruimen niet, En is dat ook zo, dat het om mij gebeurt Waar dat ik dat verneem, dat ze varen, Ik en de mijne, weet dat te waren, 29395 Zullen ze zoeken”. “Heer”, zei Hervy, “Ge zal uw moed laten zinken daarbij, Want die de haat eerst op hebben gebracht Ze hebben het duur genoeg verkocht, Want ze zijn soms erg zeer gewond, 29400 En soms verminkt, zodat ze terstond Nimmermeer schild dragen mede, En dat is jammer, bij mijn christelijkheid, Want ze goede ridders zijn en koen”. En recht in ditzelfde doen 29405 Kwam koning Arthur gereden daar, 328 En hoorde sommige van hun rede voorwaar, En zei “Gawein, lieve neef”! nadat “Is dit de bede, die ik u heden bad? Bij God, nu schijnt het wel, dat ge mij 29410 Weinig lief hebt, want dat gij Tegen mijn wil en mijn gebod mede. Mijn lieden hier dood slaat ter plaatse Tot mijn onwaarde, bij God, het is me leed!” Heer Gawein antwoordde zijn oom gereed: 29415 “Heer die het eerst begon, het was recht gedaan, Dat hij het bekocht, ook zeg ik echt, Dat ik tot uw onwaarde niets heb En ook is geen man, zonder waan, In de wereld, die het mij wilde binden aan, 29420 Ik zou me daarvan behoeden dan, En alzo gelijk, zoals ze de nijd begonnen, Zo ontbood ik het u bij Galesconde, En ze hebben ons veel lelijkheden Gedaan eer we dat aan deden ter plaatse”, 29425 Toen kwam daar zijn vader, koning Loth, toe En hij nam Gawein bij de breidel toen, En zei: “Gawein, lieve kind, ik bid u. Laat deze domheid varen nu, Want ge hebt daar genoeg toe gedaan 29430 En laat uw oom zeggen gelijk Zijn wil; want die verbolgenheid nu, Die hij keert hier tot u, Zal met tijden verbeterd wezen; Want we hebben een deel van deze 29435 Hier gezien, hoe dat gekomen is”. En koning Ban en zijn broeder na dit Kwamen ook tot Gawein daarnaar, En zeiden zoveel tot hem aldaar, Zodat ze te hem tot vrede brachten alzo. 29440 Dus werd de strijd gestopt toen Van hem en van die van de tafelronden. Toen voerden de twee koningen, te die stonden Met hem nu te hof waart, En Galesconde reed mede ter vaart, 29445 In het toernooi, en liet ze scheiden daar Met grote pijnen, weet voorwaar; Want ze waren verwarmd zeer. Toen ze gescheiden waren, voer elke heer In zijn herberg en ontwapende zich mede, 29450 En kleedden zich en ging ter plaatse Tot de hof, en die waren gewond, Bleven in hun herberg terstond, En lieten naar hun wonden zien; En heer Gawein en zijn gezellen meteen 29455 Gingen zich ontwapenen daarnaar In een kamer, die stond voorwaar Naast de koningin kamer ter plaatse; En toen ze ontwapend waren mede, Kleedden ze zich, daar ze toen waren 29460 Erg rijkelijk bediend, te waren, Van vrouwen en jonkvrouwen tezamen, Van die er daar menigeen waren voorwaar. Daar werd heer Gawein zeer bezien, En Sagrimor mede, van die 29465 Vrouwen en jonkvrouwen, die ze prezen nu Mooie en dappere, dat zeg ik u. Dus gingen de tachtig in de zaal Hand in hand, gekleed goed, Daar koning Arthur ze goed ontving, 29470 En stond op tegen hen na dat ding; Hij nam Gawein bij de hand daar En de koningin met de andere daarnaar, En gingen op een stoel zitten, zeg ik u; En de ander ridders, die gingen nu 29475 Alom overal in de zaal En speelden en lachten van menige taal, Die de ene de andere zei na dat; Maar die blijdste van hen allen was De koningin, vanwege haar ridders mede, 19480 Die het toernooi hadden gewonnen ter plaatse; Maar aan de andere zijden waren droevig te die stonden De ridders van de tafelronden, Omdat ze zo ten achter waren toen, En om hun gezellen, die gewond waren, toe, 29485 En aan de andere zijden, om Gawein, de heer, Diens verbolging ze vreesden zeer; In het einde hebben ze raad genomen, Hoe ze tot een verzoenen met hem mogen komen, En zonden Hervi en Nascien 29490 En Synados mede om datgene Aan koning Arthur nu, Om vrede te maken, zeg ik u. 329 Deze gingen tot de koning gelijk; Toen de koning ze zag komen aan, 29495 Stond hij op hoffelijk tegen de baronnen, Zoals een die goed lieden eer kon doen, En zei ze erg welkom te wezen. Toen zei Hervi hem te zitten na deze, Dat hij dan zijn boodschap zou zeggen daar; 29500 De koning zat neer; toen zei hij daarnaar: “Heer, hier zijn nu ten stonden De ridders van de tafelronden, Die nu zenden aan Gawein, de heer, En aan mijn vrouw, de koningin, meer, 29505 En aan u, heer, daar die dat het meeste aangaat, Want ge bent onze aller toeverlaat, En onze aller heer mede nu; En daarom bidden ze vriendelijk u, Hebben ze enig ding misdaan 29510 Tegen mijnheer Gawein, dat ze het hem gelijk Verbeteren willen, en zijn gezellen ook daarbij Op welke manieren dat ook zij, En als gij, heer, en mijn vrouw mede, Beide regelen willen ter plaatse; 29515 Ja, op die voorwaarde, dat alle haat Afgelegd wordt in beide partijen, En nimmermeer te vermanen een woord”. Toen zag de ene op de andere voort Van de koning en de koningin ter plaatse; 29520 Toen zei de koning tot zijn vrouw mede, Dat ze dit niet ontzeggen zal; Toen zei de koningin: “van al Dat daar heer Gawein wil doen mede, Dat hou ik erg graag gestand”. 29525 En mijnheer Gawein zweeg al voort, En antwoordde daarop niet een woord, En dacht om dat ding meteen, Die hij gehoord had voordien. Toen nam hem de koning bij de hand 29530 En zei: “lieve neef”, al gelijk, “En peins nu niet meer ter plaatse Om kwaadheid en verbolgenheden, Want men bied u in deze dingen Veel groots bijzonderling 29535 Zoals hem het beste van de wereld meer Om u te ootmoedigen alzo zeer”. “Goede lieden” - zei heer Gawein toen, “Ja”, zei de koning daartoe; “Ze zouden het met recht zijn”, zei Gawein, 29540 Toen zweeg hij. Dat zag wel duidelijk Koning Arthur, dat hij boos was, En keek naar de koningin na dat, En zei: “Vrouw, bid heer Gawein nu, Dat hij deze dingen doet voor u”. 29545 Toen nam ze Gawein bij de hand En zei: “lieve neef, laat gelijk Deze toorn door mij nu zinken, En meen daar nimmermeer om te denken, Want toornigheid al te lang gehouden, 29550 Die wordt vaak zoveel vergolden; Nu doe dit voor de koning en voor mij, Want ge doet daar uw eer bij, En dit land is ook in vermoeienis mee Van de Sennen, zoals ge wel weet, 29555 En van de uwen is er niet veel nu, En ge zou wel tezamen onder u De ene de andere helpen en bijstaan; En wilde u vreemde lieden aangaan En uw vijanden, die zou ge dan kwaad wezen 29560 En ongenadig in alle reizen; En met diegenen die om mijn heer Zich ontlijven zouden laten eer, Dan ze hem lieten misdoen iets, En om een domheid, die is geschied, 29565 En zou ge, lieve neef, niet, door mijn bede, En door mijn heer, de koning, mede, Die u dus nu zeer bidt uitermate, Deze toornigheid nu niet verlaten?” Toen zag Gawein naar haar en lachte, 29570 Toen zei hij: “Vrouw, die leren wil, mag genoeg Leren aan u, en God zij gedankt nu, Dat we hebben al zo ‘n vrouw aan u, Daar het land verbetert bij zal wezen; En ook al diegene na deze, 29575 Die werken willen naar uw staat, En houden willen, dat ge hen aanraadt, Ze mogen nimmer ten achter komen. Mijn heer, de koning, mag zich beroemen, Dat hij de verstandigste vrouw heeft een, 29580 Die er in de wereld leeft algemeen, En ge hebt hier gewonnen aan mij, 330 Dat ik voortaan altijd uw eigen zij, En ge met mij en met mij uw wil Altijd mag doen, luid en stil, 29585 En mijnheer, de koning, het was al te zeer Mijn oneer en tegen mijn eer”. Ze zei: “die vrouw was niet wijs, Die u dat aanzocht in enige wijs, Dat tegen uw eer zou wezen, heer, 29590 Dat verzoek ik aan u nu nog nimmermeer”. Toen gaf heer Gawein op de overmoed, En daarmee te doen dat haar denkt goed. Toen zond ze Hervi weer, in die stonden, Om de ridders van de tafelronden 29595 Daar hij om ging, en zei hen daarnaar Hoe ze hadden daarmee gevaren; En de koningin ontbood ter plaatse Sagrimor en heer Gaweins broeder mede, En Ywein en alle gezellen daarnaar, 29600 En zei hoe de verzoening gemaakt was. Toen sprak heer Ywein tot de koningin: “De vrede is beter dan de onmin”. Toen kwamen die van de tafelronden Voor de koning en heer Gawein, te die stonden, 29605 En knielden, en Hervy sprak dat woord: “Heer, hier zijn we nu gekomen voort, Die van de tafelronden, tot genade u, En bidden, dat ge hen het vergeeft nu Dat ze tegen u hebben misdaan”. 29610 Heer Gawein sprong op, daar hij zat, gelijk En vergaf dat hem, en nam hem bij de hand, En liet hem opstaan al gelijk, En Sagrimor en Gaweins broeder mede Lieten ze daar ook opstaan ter plaatse, 29615 En daar vergaf de ene de andere, zeg ik u, Alle toorn en haat nu, En voort altijd was, van die stonden, Gawein meester en heer van de tafelronden, En de ridders, die in gevangenis waren, 29620 De koningin schold ze kwijt, te waren; En aldus verzoenden ze daar omtrent. Maar ze hadden daar vierhonderd sinds Eer het avontuur van de heilige Graal Tot een einde werd gebracht allemaal, 29625 Daar ze menige pijn om gedoogden voorwaar, En om andere avonturen, daar ze naar Vaak zijn om gereden ter plaatse, En ik zal u zeggen nu om wat Dat is waar. Daar liep een groot verhaal, 29630 Dat de Graal in het land van Londen was, En dat was dat heilige bloed, Dat bij Jezus uit zijn zijden vloeit, Dat Joseph van Arimatea en mede Nicodemus, die Onze Heer van het kruis deed, 29635 Hadden in handen gehad, en die speer, Daarmee gestoken was Onze Heer. Hiervan liep het bericht ver en nabij, Dat het nu in de landen van Londen zij, Maar men weet niet waar of in welke stad; 29640 En de profetie zegt ook dat, Dat het nimmermeer wordt gevonden, Voordat de beste ridder kwam te die stonden, Van de hele wereld, door die zou worden ontdekt, De graal en de speer, daar men van zegt. 29645 En toen de heren van de tafelronden Hiervan hoorden zeggen, te die stonden, Dat het bij de beste ridder moest wezen Die er in de hele wereld was, van deze Begonnen ze te zoeken daarnaar, 29650 Om te beproeven wie de beste waar, En doorreden het hele land, En maakten toernooien in vele vormen, En beproefden dat op menige manieren; Zelden wilden ze daar van varen, 29655 En hoorden ze zeggen ergens ter plaatse Van enige goede ridder mede, Daar voeren ze om te beproeven die; En was hij dapper en koen gezien, Zo brachten ze hem tot het hof daar, 29660 En maakten hem hun gezel daarnaar, En werd in geschrift gezet ter plaatse Met de andere ridders mede; 331 En alle avonturen, die gebeuren Van de ridders, onder hen lieden, 29665 Die beschreef men altijd, als het gebeurd was; En om dit ding gebeurde na dat Menig avontuur in dat land. Nu weet ge die zaken al gelijk, Waarom de ridders van de tafelronden 29670 Zich avonturieren te menige stonden; Toen dus de verzoening gemaakt was, Daar ik hier tevoren van las, Waren dus de ridder van de tafelronden Alle erg blij te die stonden, 29675 En prezen heer Gawein zeer daar Van de dapperheid, weet voorwaar, Die hij in het toernooi deed; Ze zeiden heimelijk onder hen mede, Dat zij tien, de beste, die men vond, 29680 Tegen hem niet mochten staan ter stonde, Man tegen man; aldus zeiden ze daar, En de vrouwen en jonkvrouwen zeiden daarnaar In hun kamers, daar ze in waren toen, Van hem nog meer onder hen alzo. 29685 En binnen die waren de tafels bereid En men ging eten gereed, En de koningin ridders zaten, te die stonden, Bij de heren van de tafelronden; En koning Arthur en koning Ban 29690 En koning Bohort en koning Loth voortaan, Zaten te ene tafel, daar bedienden men mee Heer Gawein en Lucas en Griflet, En heer Ywein, tot veertig wel; Daar werd bediend in de zaal 29695 Hen allen te punt, die daar waren; Wat zou ik de gerechten openbaren Die daar waren gegeven met gevoeg? Daar was overvloed en meer dan genoeg. En na het eten ging elk die wilde 29700 Spelen van de ridders houden, Maar de vier koningen bleven daar En gingen ten venster liggen daarnaar, Om uit te zien naar die mooie vlakte, Het lopende water, de visplaats. 29705 Toen ze ginder aldus lagen En de rivier daar bezagen, Toen zei tot koning Arthur koning Ban: “Heer, wil ge een ding voortaan Doen, dat ik u zou aanraden, 29710 En het zou u nog uw land niet schaden, En dat zou dus te beter wezen, En uw herbergen ook na deze, En ook veel te meer ontzien, En meer ridders ook nadien 29715 Tot uw hof te komen, God weet”. Toen zei koning Arthur gereed: “Zeg het me, heer, wat dat is, Ik zal dat doen, zij het zeker dit, Opdat ik het op enige wijze doen kan, 29720 En niet oneerlijk zij dan”. Toen zei koning Ban ter plaatse: “Hiervan komt u nimmermeer mede Geen verwijt of gelach, heer: Is het dat ge u behoedt van deze dag meer, 29725 Dat ge uw ridders in geen manieren, Nimmermeer een tegen een laat toernooien, Want ze zijn goede ridders en koen En zouden zich laten, op geen doen, De ene de andere ten onder brengen; 29730 En alzo mocht daar worden verwarring, Dat daarvan mocht komen grote schade; Willen ze toernooien vroeg en laat, Ze toernooien tegen de grote heren vermetel, Van die er genoeg om u zijn gezeten”. 29735 Koning Arthur zei: “ge raadt aan mij Erg goed en als mijn vriend daarbij, En ik zal het ook doen voorwaarts meer”. Toen zei de koningin: “Heer, Hij raadt uw gebruik nu aan van deze, 29740 Gezegend zo moet hij wezen, Dat hij u deze raad nu gaf; Nu is dat goed te zien daar van, Dat hij u bemint met trouw mede”. Dit laat ik nu blijven hier ter plaatse, 29745 En zal van de baronnen zeggen voort, Daar ge hiervoor van hebt gehoord, Die zich tegen de koning Arthur Hiervoor zetten op een uur. |
332 Hoe die koninck Loth ende heer Gawyn des koninck Arturs boetscap doen toten baronen. Hier secget daventure mede, 29750 Dat die koninck Loth quam nu ter stede Ende sprac: “Here”, ten koninck Artuer, “Dat waer wel tijt nu ter uer, Dat wy dachten optie helege Kerstenhede Die die Sennen nu ter stede 29755 Altemale verderven, secgic iu; Si hebben twe stede veriaget nu Die liede daerwt ende some verslagen, Ende haer es so vele, dat mense veriagen Qualic sal mogen, ten waer alsoe, 29760 Dat men enen vrede mochte beiagen daertoe Tuscen die barone ende iu, here, Een iaer durende in allen kere, Dat wy optie Sennen voeren, God weet, Entie ene holpe den andren gereet, 29765 Dat wy se verdreven voertan; Ende mochtewy den vrede gemaken dan Tuscen iu entie barone, wel ende goet, En konnewy niet, dat elc dan doet Sijn beste”. Doe zeide die koninck saen: 29770 “By Gode, ic woude dat waer gedaen In deser manieren, maer die baroene Sijn so hoverdich ende so koene, Dat diegene, die men soude senden daer, Moeste sijn herde vorbaer, 29775 Eer si daer iet af hielden, wet God”! “Here”, zeide hi, die koninck Loth, “Si hebben so groten scade gehat nu, Si sullen in deser manieren, secgic iu, Herde gerne den vrede ontfaen”. 29780 “Nu visiert”, zeide die koninck saen, “Wie dese boetscap mach doen gerede”. Doe zeide die koninck ban ter stede: “En wouts my niet weten ondanc die Co Lot, So soudic dan secgen, so helpe my God! 29785 Dat daer nieman so goet toe en es Als hi, want hi becant met hem es, Ende oec weet hi die wege bat, Dan ieman die hier es ter stat. “Gy secget waer”, zeide Artur doe; 29790 Doe sprac daer die koninginne toe, Ende seide: “hier es binnen sulc man, Die dwege wel kent, ende daeran So waer dat oec minre scade nu, Dat men enen maten ridder verloer, secgic iu”. 29795 “Dame”, zeide die koninck saen, “Ic kenne die barone so gedaen, Ende so overmoedich, dat nieman daer Gehoert zoude zijn, wet vorwaer, Die van mynen lande weer”. 29800 Doe zeide die koninck Lot, die heer, Dat hi daer dan varen soude gereet Sint si dat overeendroegen, God weet, “Ende ic sal met my leiden sciere, God weet, myne kinder alle viere”. 29805 “By Gode”, zeide die koninck Bohort mettien, “So ne derfdy nieman die levet, ontsien”. Alse die koninck Artur sach, dat hy Sine kinder hem woude wesen by, Doe vruchte hi Gaweins herde seer; 29810 Doe zeide die koninginne: “heer, En vruchtet om sine kinder niet een twint, Laetse met hem varen omtrint, Want ocht God wil, sine sullen daer Negene noet hebben; oec wet, vorwaer, 29815 So gy daer meer vriende hebbet mede So si den vrede meer ter stede Jagen sullen met herten nu”. “Vrouwe”, zeide hi, “ic houdes my an iu”. Doe zeide die koninck Lot, sonder beiden, 29820 Hi woude hem hemelyc bereiden, Ende hi ontboet sine kinder daer. Doe zeide Artur tot hem daernaer Die dinge, alsi daer waren gedaen; Hi zeide: “lieve neven, gy moet saen 29825 Met uwen vader varen tener stede Ombe uwen oerbaer”. Zy seiden gerede, Dat sijt gerne daden, God weet; Die koninck Lot zeide doe gereet: “Gawein, lieve kint, gy ende iu broeder nu 29830 Te hant gaet ende bereidet iu, Dat ons niet en gebreke daerby”. “Hoe”, zeide Gawyn, “wat sullewy Anders voeren nu in deser vaert Dan onse wapine ende onse paet? 333 29835 Wy en sullen voeren somer no malen, Wat zoude hieraf vele talen, Wy sullen te nacht trecken in den iersten slape Ende elc bevele daer sinen knape, Dat hi hem bereide alsoe, 29840 Dat men goede dachvaert doe, Te dusdanen oerbaer en soude men niet Dach no nacht letten, wats gesciet”. Die koninck zeide: “neve, gy secget waer”. Dus sciedensi hiermede van daer, 29845 Ende heer Gawyn ginc ter koninginnen saen Ende bat haer ende liet verstaen, Datsi sinen gesellen goet waer, Want hi wiste wel al openbaer, Dat hem skoninges ridder onhout sijn, 29850 “Ende als ic enwech bem entie broeder mijn So sullensi enen tornoy willen maken, Ic bids iu, en gestadet niet der saken”. Si zeide doe te Gawine, dat nembermeer Tornoy en gestadet voert mijnheer, 29855 Dien dene iegen den andren sal doen, Wat si hier voermaels hebben geploen, Ende dat die koninck hebbe mijn vrientscap met, So en sals niet gescien, dat wet”. Doe scieden si uter sale ter vaert, 29860 Ende elc ginc tsiner herbergenwaert, Ende men ginc slapen daernaer. Maer wie dat nu sciet van daer, Gwinemar, der koninginnen neve, wet dat, Hi ne voer niet verre van der stat, 29865 Maer hi bleef sprekende telkenmale, In ener wardrobe by der sale, Tegen Morgeynen, die suster was Des koninck Arturs, zijt seker das, Die daer sat ende makede ter stede 29870 Des koninck Lottes wijf, haerre suster mede, Ene huve van gout draden goet. Dese Morgeine was simpel ende vroet, Ende herde behagel; maer si was Herde bruen in dat aensicht, als ic las; 29875 Maer si was minlic ende welhebbende met Ende si sanc oec wael, dat wet; Maer si was die luxurioseste mede, Die men wiste in eneger stede, Ende si konde van astronomien int gevoech, 29880 Want Merlijn hadde haers geleert genoech Ende noch meer leerde [hy], alse iu al Dit boec hierna wel secgen sal; Ende si was van goude ende van syden Dat beste wercwijf, dat men tien tyden 29885 Vant in enech lant; oec hadde sy Dat scoenste haer nu daerby, Entie scoenste handen met, Ende dat soetste lijf, dat wet, Dat enech wijf hebben mochte doe; 29890 Oec haddesi ander dinc daertoe, Dat ic niet wil secgen iu; Oec was si loes, dat haer wel staet nu, Si was welsprekende mede gereet, Ende si lespete al luttel, God weet; 29895 Ende goedertieren was si boven alle dinc Also lange als dat wel met haer ginc, Maer alsi haer toernde op enegen man, Sone was daer negeen versoenen an; Dat sceen wel an der koninginnen, 29900 Die si minnen soude met alle sinnen Met rechte, wantsi hoers broeder wijf was, Ende si dade haer grote scande nadas, Dat men daeraf sprac al haer leven, Also iu dit boec wel sal wtgeven 29905 Hierna, waerombe dat was. Nu es Gwinemar comen nadas Te Morgeinen, ende groetese daer, Ende si dankedes hem sere naer; Hi nam die gout drade in die hant, 29910 Ende vragede Morgeinen al te hant, Wat si daeraf soude maken doe; Ende si begonde op hem te siene alsoe, Ende began haer te behagene wale, Want hi was van hovescer tale 29915 Ende een scoen ridder mede, Ende haer beviel wael ter stede Sine woert ende al sijn wesen. Si spraken so lange te gader van desen, Ende droegen overeen so na die dinc, 29920 Datsine vor horen vrient ontfinc, Ende ontseide hem voert nadat Negene dinc, die hi haer bat; Daerna helsedi ende custese mede 334 Datsi daer ontstac ter stede, 29925 Ende hi warpse op ene coetse daer, Die stont by hem, ende daernaer Dade hi haer dat soete spel, Dat menech begert, gy wetet wel So wat ic mene ter stede; 29930 Si waren des willech alle bede, Daerby was dat te eer gedaen; Dus hevet dene des andren minne ontfaen, Ende si bleven voert vriende groet Ende minnende sere sonder genoet. 29935 Die nacht bleef hi by haer Tot by den dage, ende daernaer Stont hy op ende bevalse nu Onsen Here, secgic iu. Dus ondermindensi hem lange tijt, 29940 Dat nieman en wiste, des seker sijt, Sonder Jenovre, die koninginne, Diene sint brachte in sulken sinne, Dat hi sint sceden moeste van haer; Ombedit hatese Morgeine so seer, 29945 Datsi der koninginnen dede Menech vernoy, te meneger stede, Datsi niet en woude [laten] met Also lange alsi levede, dat wet, Alse gy hierna wel sult verstaen. 29950 Ic late dit nu ende sal anevaen Te sprekene van den koninck Lot mede, Ende sinen kindren, die nu ter stede In den iersten slape sijn opgestaen, Ende gingen hem gereiden saen; 29955 Si namen vijf die beste orse daer, Die in den stalle stonden, ende daden se naer Die vijf knechte leiden nu, Wael met yser verdecket, secgic iu; Doe voerensi hemelijc alsoe, 29960 Ende heer Gawyn vragede sinen vader doe, Al welc si best mochten ryden “Die passe entie wege tesen tyden Sijn nu so vol Sennen vorwaer”. Doe zeide Heer Gawyn daernaer: 29965 “Wy varen best tAronsteel in Scotlant, Dat is dhemelecste wech, sy iu bekant, Dien wy komen mogen nu ter stede, Entie stat staet in den bosce mede; Treckewy derwaert, dat dunket my, 29970 Dat ons alrebeste nu sy”. Die vader zeide oec: “nadien dat staet, Dunket my dat die beste raet, Ende wy sullen dan varen by den castele Van Serpine ende by enen dele 29975 Dor den foreest van Espinoie mede, Ende optie rivier van Saverne, ter stede, Ende dor den plein van Cambenic na des, Ende dor die stat van Norgales, Die des koninges es Tradelians, 29980 Ende van daer tAronsteel thants, Dat in drie mylen na den Sennen es”; Entie kinder lovedent alle nades, Aldus voerensi toten dage toe, Van den enen sprekende alsoe 29985 Ende van den andren mede, secgic iu, Ende lagen in boscen ende in clusen nu, Ende voeren, zo si hemelecst konden, Achte dage; doe voerensi tien stonden Tote Rodestock in den pleine; 29990 Daer gemoeten hem twaelfdusent Seynen, Die brachten sevenhondert Kerstene gevaen Die si gebonden hadden, sonder waen, Metten voeten onder der paerde bueck mede, Ende sloegense met stocken sere ter stede; 29995 Entese voerde die koninck Sorbores Ende Clarioen entie koninck Ysores Ende Malaquijn ende Salabruyn met; Ende Ysores voerde een [ors] Gringalet, Dat men also hiet, dat ors, dor das 30000 Ombedat so sonderlinge goet was: Men waloperet wel gereet Tien mylen, eer hem enech sweet Uten lyve ginc, ocht eer hem daer Die lanken sloegen, wet vorwaer. 30005 Nu es die koninck Lot daer komen, Entie Sennen hebbene vernomen, Ende sagen wel, dat Kerstene waren. Heer Gawyn sprac tsinen vader daernare: “Here, sittewy op onse orse mede, 30010 Ende elc pine hem nu ter stede, Dat wyse mogen breken hiervoer, Dat wy bander syde komen doer”. Ende dit was omtrent die noene Entie koninck Lot voer, in desen doene, 335 30015 Voer, ende mijnheer Gawyn reet naer, Ende sine broeder, wet vorwaer, Entie Sennen riepen saen: “Vaste, gevet iu op gevaen, Ende secget ons wie gy zijt mede, 30020 Ende wat gy jaget hier ter stede”. Doe zeiden si hem, dat si waren Des koninck Arturs masniede, twaren, “Die ons ombe ene boetscap sent nu Ende nember meer en secgen wy iu”. 30025 Doe zeiden diegene: “en rydet niet voert, Want wy hoeden die wege, sijt ende oert, Van koninck heer Godebrandes wegen, dat wet, Ende van Oriens oec, dien wy met Voeren desen roef entese gevangen, 30030 Ende nu mede begint ons te langen Dat wy iu hem voeren mogen”. “Dat es waer”, zeide die koninck, “mochty daertoe dogen, Dat gy ons gevoeren kondet nu”. “Daer en sal niet lanck toe sijn, secgic iu, 30035 Want vaste gevet in op gevaen”. “By Gode, dat en es so saen niet gedaen”, Zeide Heer Gawyn daer ter stede. Doen si dit hoerden, lieten si mede Opten koninck Lot lopen daer; 30040 Entie koninck Lot ende sine kinder vorwaer, Reden op hem met crachte groet, Ende elc stac daer enen doet Ten iersten steke, ende daernaer Den andren enten derden vorwaer, 30045 Ende dorbraken haer scaer, God weet, Ende reden also enwech gereet, Ende doe si dandren enwech sagen ryden, Hielden si op hem sere tien tyden, Ende begondense iagene saen, 30050 Ende alset die vijf koninge hebben verstaen, Doe riepensi op haer liede daer nare, Datsise hem niet lieten ontvaren; Maer si waren wel gereden, Ende ontreden hem so verre ter steden, 30055 Datsi quamen an enen molen naer, Daer een groet water liep vorwaer, Daer broekete ombewas; des moesten si Te sachter varen, ende daerby Verhaelden sy die vijf koninge daer 30060 Ende vijfhondert Sennen, wet vorwaer, Ende braken haer speer op hem daer nu; Entie koninck Ysores dorstac, secgic iu, Des koninck Lottes ors, dat doet daer vel; Maer die koninck Lot spranc op, also wel, 30065 Ombe hem te werene. Doe Gawyn sach, Dat sijn vader te voet daer lach, Was hy byna daer verwoet; Hy sloech sijn ors, met groter spoet, Ende stac Monadine dor den lichame: 30070 “Nu vaer”, zeidi, “ins Duvels name, Want du hores tharer geselscap groet”; Diegene viel van den orse doet. Doe trac hi Caliburnuse, sijn swaert, Ende bescudde sinen vader, ter vaert, 30075 Daer meer dan veertich Sennen over waren; Hi sloech hem die arme af, twaren, Ende hande ende been, ende sloech daer So vreeslike slage, dat daernaer Nieman tegen hem [en] dorste komen; 30080 Die sinen vader meende hebben genomen, Dien cloefde hi dat hovet ten tanden toe, Ende gaf sinen vader dat ors alsoe; Ende sine broeder wrachten wonder Onder den Sennen daer bysonder; 30085 Si quamen toten vader naer, Ende doe si vergadert waren daer, Wrachtensi sulke noet onder hem nu, Dat nieman en mochte vertellen iu. Maer den Sennen quam soccoers doe groet, 30090 In allen syden, in groten hoep; Ende als dit die koninck Lot gesach, Riep hi sine kinder, al dat hi mach, En zeide: “tes wel tijt, dat wy nu Enwech varen, dat secgic iu, 30095 Ende en es gene wijsheit, dat wy beiden; Want omb enen slach in der waerheden, Dien wy hem mogen geven, sonder waen, Sullen wyre meer dan veertich ontfaen; Maer laet ons varen henen ter stede, 30100 Ende es, dat si ons volgen mede, Wy sullen ons onderwylen keren dan, Alse wy des stede hebben, ende stryden an”. 336 Doe daden si hem te wegewaert, Ende voeren over dwater mettervaert. 30105 Ende doese die vier koninge en wech sagen varen, Waren si des herde erre, twaren, Ende riepen: “dieve ende mordenaren, Aldus en zuldy ons niet ontvaren; Entie koninck Clarioen, hi sat nu 30110 Op dat paert Gringalet, daer ic af zeide iu Hiervor, dat so goet was vorwaer, Ende was vor dander gereden daer, Ene bogenscote verre, dat wet, Ende heer Gawyn sach an, dat Gringalet 30115 Daer vliegende quam als een vogel snel, Ende dat behagede hem so wel, Dat hi hemselven zeide ter vaert, Hadde hi nu alsulken paert, Hi en gavet niet om die beste stede, 30120 Die die koninck Artur hadde mede; Ende doe begon hi sachte te rydene Entesgenen al luttel tontbidene; Ende doe Gawyn sach, dat hi hem by was, Doe keerde hi hem ombe thant nadas, 30125 Entie koninck quam op hem alsoe, Ende stac sijn speer ontwe doe, Ende heer Gawyn sloechne weder saen Dor den helm ene wonde, sonder waen, Dat hi ter aerden in ommacht viel daer 30130 Ende heer Gawyn, die nam daernaer Dat [paert] Gringalet ende voerdet saen Ten briele, dat daer by was gestaen. Ende sijn vader reet altoes vorwaert, Ende en dachte niet achterwaert, 30135 Ende sine drie kinder volgeden mede; Ende heer Gawyn bleef daer ter stede, Achter hem, sodat sine niet En konden gesien; maer Gawyn nu siet Sine knechte, die daer brachten saen 30140 Haer tellende paerde, daer hi af, sonder waen, Sere verblide; doe beete hi ter stede Ende gaf hem sijn ors te leidene mede, Ende sat op dat [ors] Gringalet; Ende hi hiet se varen ongelet 30145 Na sinen vader, want hi woude beiden Ombe te wetene die waerhede Waer die Sennen henen souden varen; Maer dat was ombe niet, dat hi beide, Want doe si vonden den koninck Clarioen twaren, 30150 In ommacht licgende, blevensi doen Ombe hem alle, ende meenden daer, Dat hi doet hadde gewesen vorwaer; Si dreven so groten rouwe dordas, Dattet Heer Gawyn hoerde, daer hi was. 30155 Dus bleef Gawyn lange houdende daer In den briel om te siene, ocht daernaer Hem ieman soude volgen nu; Ende sijn vader reet henen, secgic iu, Tote daer hi in enen bosc soude ryden; 30160 Doe sach hi achterwaert tien tyden, Ende en sach heren Gawyne doe niet. Doe zeide hi: “wat es my gesciet? Ic hebbe nu al verloren mijn ere!” Die kinder zeiden: “wat es iu, here?” 30165 Doe zeide hi: “lieve kinder, ic secget iu, Gawyn, iu broeder, gebreket my nu, By Gode, hi es doet, ende ic wil mede Alhier nu sterven oec ter stede, Ende en wil na hem leven niet”. 30170 Doe zeide Agrawein, als hi dit siet: “Here, ocht God wil, hi en hevet gene noet, En verslaet iu niet, hi en es niet doet”. Al die wile, dat hi hem meslaet alsoe, Quamen die vijf knechte geryden toe, 30175 Ende brachten heren Gawyns ors daer; Ende alse die koninck sach vorwaer, Kande hi se wael. Doe sprac Garies Ende vragede, waer sijn broeder es: “Here, wy lietene in den briele ter stede, 30180 Daer hielt hi opten besten orse mede, Dat in der werlt es, dat hi daer Enen koninge af wan, vorwaer; Hi ontbiet iu dat gy henen rijt, Hi sal iu te hant by wesen nu ter tijt”. 30185 Als die koninck Lot hoerde tien tyden Dat hi levede, was hi des blyde; Ende heer Gawyn, die nu sach mede, Dat hem die Sennen niet volgeden ter stede, Volgede sinen vader met gewoude 30190 Ombedat hi hem dat ors togen woude, 337 Ende hi quam daer si dreven rouwe groet; Daer sach hi enen Senne al bloet, Die enen spiet hadde in der hant Die groet was, sij iu bekant, 30195 Ende dat yser was lanc anderhalven voet Ende scerp; als heer Gawyn dit verstoet Reet hi derwaert, wat hi kan, Ende nam den spiet daer den man Met sulker cracht, dat hine mede 30200 Daer ter aerden tumelen dede, Ende reetne doet oec daernaer, Ende ontreet hem ondankes allen daer; Maer also alsi hem navolgeden doe, Sloech hire veertiene doet alsoe. 30205 Dus reet hi enwech daer ter stede, Entie Sennen volgeden hem mede; Ende ember alsi daer quamen te na, Sloech hire enen doet, als ic versta, Ochte twee. Aldus voer hi daer 30210 Met keerne ende ridene, wet vorwaer, So lange dat hi gereden quam An den bosc, daer hi sinen vader vernam, Die daer met sinen kindren hout Ende sijnre daer beide met gewout. 30215 Doene die koninck Lot sach komen Gawyne, ende oec hevet vernomen, Datten die Sennen jagen alsoe: “Lieve kinder, wat houdy?” zeide hi doe, “Gy sult derwaert met sporen slaen, 30220 Ende uwen broeder in staden staen”. Doe reet hi selve voren daer, Ende sine kinder volgeden hem naer; Doe ontmoete hem sijn sone echt: “Lieve kint”, zeidi, “gy hebbet onrecht, 30225 Dat gy my dus verwerket ende iu broeder mede; Wat Duvel lust iu nu ter stede Onder dese Sennen te blivene allene? Meendy se alle doden gemene? Al sloechdy telken slage enen doet, 30230 Nochtan en soudy haren hoep In ener maent niet konnen verslaen. “Here”, zeide heer Gawijn doe saen, “Ic hebbe gewonnen een ors ter stede, Ic engeve dat niet, by myner Kerstenhede, 30235 Ombe den casteel te Glacedoen; Ende ombedat ic dat proeven woude doen, So keerdic weder onder hem, Here! Nu varewy ende ic en begeve iu heden mere Ombe negeen dinc, dat my gevallen mach”. 30240 Als die koninck Lot dat sach, Dat tijt was te vaerne mede, “Varewy”, zeidi, “want nu ter stede Es dat tijt, want dat es nacht toe”. Daer namen si vier spere doe 30245 Den Sennen daer, sij iu bekant, Ende reden also henen te hant. Ende mettien datsi dus henen sceden, Quamen daer seven Sennen gereden, Ende elc een speer in der hant alsoe, 30250 Ende quamen op Garies gereden toe; Entie twe stakene in die syde, Dander twe opten scilt tien tyden, Die derde twe dor die manicle met Van den halsberge; die sevende, wet 30255 Stac sijn ors dor den lichame Doet, sodat si beide tsamen Ter aerden vielen. Dat sach daer Die koninck Lot, ende meende naer, Dat hi doet hadde gewesen: 30260 “Ach my!” zeidi, “nu sullen na desen Dese vier broeder sceden nu; Gawyn, dese scade komet van iu: Haddy met ons enwech gereden, Sone waer hi hier niet bleven ter steden”. 30265 Die wile dat hi sprac aldaer, So stont Garies op daernaer, Want hi was die vromeste, sijt seker das, Dan enech van den vieren was Sonder Gawyn; doe hi op was thant, 30270 Nam hi sijn swaert in sine hant Ende ginc hem weren, ende sloech daer Van den sevenen enen daernaer Dor die slinke side alsulc een gat, Dat hi ter aerden doet viel nadat; 30275 Ende hi sloech enen andren af den arm, Dat hi metten scilde al warm Ter aerden quam gevallen ter stede; Ende heer Gawyn sloech daer enen mede, Dat hi hem dat hovet clovede doe 30280 Toten tanden. Doe voer hi toe 338 Ende nam dat ors, ende dader op sitten daer Sinen broeder, ende wet vorwaer Dat die koninck Lot, ende sine ander broeder met Dander drie versloegen, dat wet, 30285 Entie sevende vloe, als hi dat sach; Ende Garies volgede hem, al dat hi mach, Ende verhaeldene an enen berge mede, Ende stacken doet aldaer ter stede; Doe keerde hi weder tsinen vaderwaert. 30290 Als hi daer quam, redensi ter vaert Enwech; wantet was den avende by. Doe die Sennen sagen, datsy Enwech reden, keerdensi haestlye doen. Ende quamen gereden daer Clarioen 30295 Lach ende hadde doen binden sine wonden Doe vragedi hem tenselven stonden, Ocht si die glotoene hadden gevaen, Die hem sulken scade hadden gedaen; Si zeiden neen si, niet ter stede; 30300 Des was die koninck rouwech mede. Dus keerden si tharen gesellenwaert, Entie koninck Lot voer enwech ter vaert, Ende sine kinder met overmoet; Haer wapene waren al bebloet, 30305 Ende haer orse van bloede nat, Ende in haren scilden menech gat; Diese also hadde ryden gesien, Hem mochte wel al gruwen van dien. Dus redensi tote achter dat boscelijn, 30310 Daer haer knapen metten rossiden sijn; Doesi daer quamen redensi alsoe In den bosc vorwaert doe, Tote in die nacht, in langen doen, Entie maen sceen herde scoen; 30315 Si quamen tenes forestiers huse doe Die drie sone hadde toe, Ende een wijf hovesc ende vroet, Ende dat hues sterc ende groet; Ende daer ginc ene grachte ombe wijt, 30320 Al vol waters, oec wasset ter tijt Wel geplankiert, ende met dornen mede So dicke ombeset, dat daer ter stede Nembermeer nieman hadde gemoet, Dat daer een hues binnen stoet. 30325 Daer quam die koninck Lot ter poerten toe, Ende cloppede so lange daervor doe, Dat der forestiers sone een quam naer Ombe te siene wie clopte daer; Ende hi vragede wie si waren, 30330 Ende si antwoerden hem daernare: “Wy zijn ridder van desen lande, Ende varen aldus nu te hande Ombe ene boetscap te doene, God weet”. Hi hietse wellekomen ende ontdade gereet 30335 Die poerte, ende lietse inkomen alsoe; Doe beetensi neder, ende men nam doe Haer paerde, ende dadese wel te gemake, Want daer was genoech van alrehande sake; Si waren geleit in die sale saen, 30340 Daer si wel waren ontfaen Van den forestier ende sinen wyve mede; Si brachten warm water daer ter stede, Daer men die heren mede ginc dwaen; Doe brachte men elc enen mantel saen, 30345 Die men hem ombehinc doe si waren Ontwapent, ende daernare Ginc men eten, daer hem nadas Herde vele gedient nu was. Die forestier hadde twe dochter scone, 30350 Die daer dienden wel te lone Van den wine, ende haer broeder mede Dienden ter taflen, wel ter stede, Vor den koninck Lot ende sine kinder, Ende vor den waert ende sijn wijf ginder, 30355 Die saten ter taeflen, syde an syde. Men was daer over den etene blyde; Ende na den etene zeide die waert: “Gy heren, een dinc hebbic sere begaert, Waer dat iu wille nu ter tijt, 30360 Te vragene waer gy vaert ende wie gy zijt; Dat gy my woudet berechten nu”. Die koninck Lot zeide: “so biddic iu, Dat gy my ierst secget daerby Wies dit foreest ende dit lant sy”. 30365 “Sekerlyc, here!” zeide hi te hant, “Dat es koninck Clarioens van Nortomberlant, Ende ic ben sijn forestier ende sijn man Ende hoedet van syner wegen dan, 339 Entese knape, die hier dienen nu, 30370 Sijn myne sone; oec secgic iu: Dese twe ioncfrouwen mede, God weet, Sijn myne dochter”. Doe zeide gereet Die koninck Lot: “heer waert, dat wet, Die koninck Clarioen en mochte niet bet 30375 Dit ambacht bestadet hebben nu, Dan an iu kinder ende an iu, Want si scinen hovesc ende vroet”. “Trouwen”, zeide die waert, “si sijn goet, Dat sal hem vromen; oec hebben sy 30380 Mage, es datsi daer slachten by, Si mogen daerby tere komen; Oec sijnsi some, hebbic vernomen, In des koninck Arturs hof, in trouwen, Metter koninginnen, mijnre Vrouwen, 30385 Onthouden, ende sijn haer ridder mede; Ende men zeide my oec gerede, Dat heer Gawyn ware hovetman, Des koninck Lottes sone, nu voertan, Over al die nuwe ridder daer”. 30390 Doe vragede die koninck Lot naer, Wie hem bestonde daer alsoe: “By Gode, here, ic secget iu”, zeide hi doe, “Mijn wijf es suster, sijt seker des, Miranges van Porlegues, 30395 Ende si es nichte Ecgerikes met, Ende Keyadijns, des clenen, dat wet, Ende Ywen van Lioneel es Mijns omes sone, sijt gewes, Des borchgraven van Crenefoert, 30400 Ende ic selve hadde landes mede voert Genoech te veroerberne nu, Maer die Sennen, dat secgic iu Hebbent my verwoestet alsoe”. Die koninck Lot vragede hem doe, 30405 Hoe hi hiet, ende hi zeide nadas: “Here, ic hete Mynoras Van den nuwen casteel van Nortomberlant”. “Trouwen”, zeide die koninck Lot tehant “Alle die gy genoemt hebbet nu, 30410 Die kennic wael, dat secgic iu Dat goede ridder sijn; oec woudic mede, Dat die koninck Clarioen, hier ter stede, By my sate als gy nu doet”. Doe vragede die waert metter spoet, 30415 Ocht hi met hem bekant dan weer, “So begaer ic meer van uwen heer, Te wetene, dan ic eer dede, Wie gy sijt”. Doe zeide ter stede Die koninck Lot: “ic salt iu secgen saen: 30420 Ic ben die koninck Lot, sonder waen, Entese vier sijn myne sone nu”. “Ach my, here!” zeide die waert, “ic secge iu, Dat ic my scame utermaten seer, Dat ic iu niet en hebbe, heer, 30425 Meer eret nochte meer gefesteert”. Doe woude opstaen die weert, Die daer sat by sijnre syden doe; “Sit al stille”, zeide die koninck daertoe, “Gy hebbet sovele gedaen ter stede, 30430 Dat gy ons verwonnen hebbet daermede Ember meer, ende iu masniede met Sal des te bet varen, dat wet”. “Help, here”, zeide hi, “wat soecdy in dit lant?” “Ic kome hier”, zeide die koninck te hant, 30435 “Sprekene tegen die baroene, Ombe te makene ene soene, Ende ombe overeen te dragene ter ure Metten stouten koninck Arture, Datsi die Sennen uten lande slaen”. 30440 Doe vragede Minoras den koninge saen, Waer hi die barone sal vinden nu? “TAronsteel in Scotlant, secgic iu, Daer sal icse vergadren alle nadas”. “By Gode”, zeide doe Minoras, 30445 “Ic salt mynen here wel secgen openbaer, Wistic te wat dage dat waer”. Die koninck zeide also, dat hy In Sente Bartholomeus dage daer sy; Doe gelovede hem daer Minoras, 30450 Dat hi die boetscap sal doen nadas. Daerna sijnsi opgestaen, Ende men ginc doe ombe slapen saen, Want die gaste moede waren Van vechten ende van ryden, twaren; 30455 Si sliepen toten dage ter stede. Nu laticse licgen slapen mede, Ende sal iu van den koninck Pelles Ende van sinen broederen secgen nades. |
[332] Hoe koning Loth en heer Gawein koning Arthurs boodschap doen tot de baronnen. Hier zeg het avontuur mede, 29750 Dat koning Loth kwam nu ter plaatse En sprak: “Heer”, tot koning Arthur, “Dat was wel tijd nu ter uur, Dat we dachten aan de heilige christelijkheid Die de Sennen nu ter plaatse 29755 Allemaal bederven, zeg ik u; Ze hebben twee steden verjaagd nu De lieden daaruit en soms verslagen, En van hun zijn er zoveel, dat men ze verjagen Kwalijk zal mogen, tenzij alzo, 29760 Dat men een vrede mocht bejagen daartoe Tussen de baronnen en u, heer, Een jaar duren in alle keren, Dat we op de Sennen voeren, God weet, En de ene hielp dan de andere gereed, 29765 Zodat we ze verdreven voortaan; En mochten we de vrede maken dan Tussen u en de baronnen, wel en goed, En kunnen we het niet, dat elk dan doet Zijn best”. Toen zei de koning gelijk: 29770 “Bij God, ik wilde dat het was gedaan Op deze manieren, maar de baronnen Zijn zo hovaardig en zo koen, Dat diegene, die men zou zenden daar, Moest zijn erg uitstekend, 29775 Eer ze daar iets van hielden, weet God”! “Heer”, zei hij, koning Loth, “Ze hebben zo’n grote schade gehad nu, Ze zullen op deze manieren, zeg ik u, Erg graag de vrede ontvangen”. 29780 “Nu regel”, zei de koning gelijk, “Wie deze boodschap mag doen gereed”. Toen zei koning Ban ter plaatse: “Wil me geen ondank verwijten koning Loth, Dan zou ik dan zeggen, zo helpt me God! 29785 Dat daar niemand zo goed toe is Als hij, want hij bekend met hen is, En ook weet hij de wegen beter, Dan iemand die hier is ter plaatse. “Ge zeg het ware”, zei Arthur toen; 29790 Toen sprak daar de koningin toe, En zei: “hier is niet binnen zo’n man, Die de wegen goed kent, en daaraan Zo was dat ook minder schade nu, Dat men een matige ridder verloor, zeg ik u”. 29795 “Dame”, zei de koning gelijk, “Ik ken de baronnen zo gedaan, En zo overmoedig, dat niemand daar Gehoord zou zijn, weet voorwaar, Die van mijn land waar”. 29800 Toen zei koning Loth, die heer, Dat hij daar dan varen zou gereed Sinds ze dat overeen kwamen, God weet, “En ik zal met me leiden snel, God weet, mijn kinderen alle vier”. 29805 “Bij God”, zei koning Bohort meteen, “Dan durft niemand die leeft, je te ontzien”. Toen koning Arthur zag, dat hij Zijn kinderen hem wilde wezen bij, Toen vreesde hij voor Gawein erg zeer; 29810 Toen zei de koningin: “heer, Wees niet bang om zijn kinderen niet iets, Laat ze met hem varen omtrent, Want als God het wil, ze zullen daar Geen nood hebben; ook weet, voorwaar, 29815 Zo ge daar meer vrienden hebt mede Zo ze de vrede meer ter plaatse Bejagen zullen met hun hart nu”. “Vrouw”, zei hij, “ik hou me aan u”. Toen zei koning Loth, zonder wachten, 29820 Hij wilde zich heimelijk bereiden, En hij ontbood zijn kinderen daar. Toen zei Arthur tot hem daarnaar De dingen, zoal ze daar waren gedaan; Hij zei: “lieve neven, ge moet samen 29825 Met uw vader varen te ene plaats Vanwege uw nut”. Ze zeiden gereed, Dat zij het graag deden, God weet; Koning Loth zei toen gereed: “Gawein, lieve kind, gij en uw broeders nu 29830 Gelijk gaat en bereid u, Dat het ons niets ontbreekt daarbij”. “Hoe”, zei Gawein, “wat zullen we Anders voeren nu in deze vaart Dan onze wapens en ons paard? 333 29835 We zullen voeren pakpaarden nog malien, Wat zou hiervan veel zijn taal, We zullen ‘s nacht vertrekken in de eerste slaap En elk beveelt daar zijn knaap, Dat hij zich bereidt alzo, 29840 Dat men een goede dagvaart doet, Te dusdanig gebruik zou men niet Dag of nacht letten, wat dus geschiedt”. De koning zei: “neef, ge zegt het ware”. Dus scheiden ze hiermede van daar, 29845 En heer Gawein ging tot de koningin gelijk En bad haar en liet verstaan, Dat ze voor zijn gezellen goed waar, Want hij wist wel al openbaar, Dat hem konings ridders onthouden zijn, 29850 “En als ik weg ben en die broeders van mij Dan zullen ze een toernooi willen maken, Ik bid u, laat niet toe die zaken”. Ze zei toen tot Gawein, dat nimmermeer Toernooi zal zijn voort meer, 29855 De ene tegen de ander zal doen, Wat ze hiervoor hebben besproken, En dat die koning heeft mijn vriendschap mee, Dan zal ze niets geschieden, dat weet”. Toen scheidde ze uit de zaal ter vaart, 29860 En elk ging tot zijn herberg waart, En men ging slapen daarnaar. Maar wie er nu scheidde van daar, Gwinemar, de neef van de koningin, weet dat, Hij ging niet ver van de stad, 29865 Maar hij bleef spreken telkens maal, In een kleedruimte bij de zaal, Tegen Morgein, die zuster was Van koning Arthur, zij het zeker dat, Die daar zat en maakte ter plaatse 29870 Koning Loth’s vrouw, haar zuster mede, Een huif van gouddraden goed. Deze Morgein was eenvoudig en verstandig, En erg behaaglijk; maar ze was Erg bruin in dat aanzicht, zoals ik las; 29875 Maar ze was beminnelijk en welgemanierd mee En ze zong ook goed, dat weet; Maar ze was de wulpste mede, Die men wist in enige plaats, En ze kon van astronomie in het gevoeg, 29880 Want Merlijn had het haar geleerd genoeg En nog meer leerde hij, zoals u al Dit boek hierna wel zeggen zal; En ze was van goud en van zijde Dat beste werkwijf, dat men te die tijden 29885 Vond in enig land; ook had zij Dat mooiste haar nu daarbij, En de mooiste handen mee, En dat liefste lijf, dat weet, Dat enige vrouw hebben mocht toen; 29890 Ook had ze andere dingen daartoe, Dat ik niet wil zeggen u; Ook was ze vals, dat haar wel staat nu, Ze was welsprekend mede gereed, En ze lispelde al weinig, God weet; 29895 En goedertieren was ze boven alle ding Zolang als dat het goed met haar ging, Maar als ze vertoornd was op enige man, Dan was daar geen verzoenen aan; Dat scheen wel aan de koningin, 29900 Die ze minnen zou met alle zinnen Met recht, want ze haar broeders vrouw was, En ze deed haar grote schande aan na dat, Zodat men daar van sprak haar hele leven, Zoals u dit boek wel zal uitgeven 29905 Hierna, waarom dat was. Nu is Gwinemar gekomen na dat Tot Morgein, en begroette haar daar, En ze bedankte hem zeer daarnaar; Hij nam de gouddraad in de hand, 29910 En vroeg Morgein al gelijk, Wat ze daarvan zou maken toen; En ze begon naar hem te zien alzo, En begon haar te behagen wel, Want hij was van hoofse taal 29915 En een mooie ridder mede, En haar beviel wel ter plaatse Zijn woord en al zijn wezen. Ze spraken zolang tezamen van deze, En kwamen overeen zo na dat ding, 29920 Dat ze hem voor haar vriend ontving, En ontzei hem voort nadat Geen ding, die hij haar bad; Daarna omhelsde ze en kuste mede 334 Zodat ze daar ontstak ter plaatse, 29925 En hij wierp haar op een bank daar, Die stond bij hem, en daarnaar Deed hij haar dat zoete spel, Dat menigeen begeert, ge weet wel Zo wat ik bedoel ter plaatse; 29930 Ze waren dus gewillig alle beide, Daarbij was dat eerder gedaan; Dus heeft de ene de ander zijn min ontvangen, En ze bleven voortaan vrienden groot En beminnende zeer zonder echtgenoot. 29935 Die nacht bleef hij bij haar Tot bij de dag, en daarnaar Stond hij op en beval haar nu Onze Heer, zeg ik u. Dus beminden ze elkaar lange tijd, 29940 Zodat niemand het wist, dus zeker zij, Uitgezonderd Jenover, de koningin, Die hen sinds bracht in zulke zin, Dat hij sinds scheiden moest van haar; Om dit haatte Morgein haar zo zeer, 29945 Zodat ze de koningin deed Menige moeite, te menige plaats, Dat ze niet wilde laten mee Zolang als ze leefde, dat weet, Zoals ge hierna wel zal verstaan. 29950 Ik laat dit nu en zal aanvangen Te spreken van koning Loth mede, En zijn kinderen, die nu ter plaatse In de eerste slaap zijn opgestaan, En gingen zich bereiden samen; 29955 Ze namen vijf van de beste paarden daar, Die in de stal stonden, en lieten ze naar De vijf knechten leiden nu, Goed met ijzer bedekt, zeg ik u; Toen voeren ze heimelijk alzo, 29960 En heer Gawein vroeg zijn vader toen, Al waar ze het beste mochten rijden “De passen en de wegen te deze tijden Zijn nu zo vol Sennen voorwaar”. Toen zei heer Gawein daarnaar: 29965 “We varen het beste te Aronsteel in Schotland, Dat is de geheimste weg, zij u bekend, Die we komen mogen nu ter plaatse, En die plaats staat in het bos mede; Treken we derwaarts, dat lijkt mij, 29970 Dat ons het allerbeste nu zij”. De vader zei ook: “naardien dat het staat, Lijkt het me de beste raad, En we zullen dan varen bij het kasteel Van Serpine en bij een deel 29975 Door het bos van Espinoie mede, En op de rivier van Saverne, ter plaatse, En door de vlakte van Cambenic na dit, En door de stad van Norgales, Die van koning is Tradelians, 29980 En van daar tot Aronsteel gelijk, Dat in drie mijlen na de Sennen is”; En de kinderen beloofden allen na dit Aldus voeren ze tot de dag toe, Van de ene sprekende en alzo 29985 En van de andere mede, dat zeg ik u, En lagen in bossen en in kluizen nu, En voeren, zo ze geheimste konden, Acht dagen; toen voeren ze te die stonden Tot Rodestock in het plein; 29990 Daar ontmoeten hen twaalfduizend Sennen, Die brachten zevenhonderd christenen gevangen Die ze gebonden hadden, zonder waan, Met de voeten onder de paardenbuik mede, En sloegen ze met stokken zeer ter plaatse; 29995 En deze voerde koning Sorbores En Clarioen en koning Ysores En Malaquijn en Salabruyn mee; En Ysores voerde een paard Gringalet, Dat men alzo noemde, dat paard, door dat 30000 Omdat het zo bijzonder goed was: Men galoppeerde het wel gereed Tien mijlen, eer het enig zweet Uit het lijf ging, of eer het hem daar De flanken sloeg, weet voorwaar. 30005 Nu is koning Loth daar gekomen, En de Sennen hebben hen vernomen, En zagen wel, dat het christenen waren. Heer Gawein sprak tot zijn vader daarnaar: “Heer, zitten we op onze paarden mede, 30010 En elk pijnigt zich nu ter plaatse, Dat we ze mogen breken hiervoor, Zodat we aan de andere zijde komen door”. En dit was omtrent de noen En koning Loth voer, in dit doen, 335 30015 Voor, en mijnheer Gawein reed naar, En zijn broeders, weet voorwaar, En de Sennen riepen gelijk: “Vast, geef u op gevangen, En zeg het ons wie ge bent mede, 30020 En wat ge jaagt hier ter plaatse”. Toen zeiden ze hen, dat ze waren Koning Arthurs mannen, te waren, “Die ons om een boodschap zendt nu En nimmermeer zeggen we dit u”. 30025 Toen zeiden diegene: “rij niet voort, Want we behoeden de wegen, zijde en oord, Vanwege koning heer Godbrands, dat weet, En van Oriens ook, die we mee Voeren deze roof en deze gevangen, 30030 En nu mede begint ons te verlangen Dat we u naar hem voeren mogen”. “Dat is waar”, zei de koning, “mocht ge daartoe komen, Dat ge ons vervoeren kon nu”. “Dat zal niet lang toe zijn, zeg ik u, 30035 Want vast geef op u gevangen”. “Bij God, dat is zo gelijk niet gedaan”, Zei heer Gawein daar ter plaatse. Toen ze dit hoorden, lieten ze mede Op koning Loth lopen daar; 30040 En koning Loth en zijn kinderen voorwaar, Reden op hen met kracht groot, En elk stak daar een dood In de eerste steek, en daarnaar De andere en de derde voorwaar, 30045 En doorbraken hun schaar, God weet, En reden alzo weg gereed, En toen de anderen ze weg zagen rijden, Hielden ze op hen zeer te die tijden, En begonnen ze te jagen samen, 30050 En toen de vijf koningen het hebben verstaan, Toen riepen ze op hun lieden daarnaar, Dat ze hen niet lieten ontkomen; Maar ze waren goed gereden, En ontreden hem zo ver ter plaatse, 30055 Zodat ze kwamen aan een molen daarnaar, Daar een groot water liep voorwaar, Daar broekland om was; dus moesten ze Zachter varen, en daarbij Haalden hen in de vijf koningen daar 30060 En vijfhonderd Sennen, weet voorwaar, En braken hun speer op hen daar nu; En koning Ysores doorstak, zeg ik u, Koning Loth’s paard, dat dood daar viel; Maar koning Loth sprong op, alzo wel, 30065 Om zich te verweren. Toen Gawein zag, Dat zijn vader te voet daar lag, Was hij bijna daar verwoed; Hij sloeg zijn paard, met grote spoed, En stak Monadine door het lichaam: 30070 “Nu ga”, zei hij, “in duivels naam, Want u behoort tot hun gezelschap groot”; Diegene viel van het paard dood. Toen trok hij Caliburnus, zijn zwaard, En behoedde zijn vader, ter vaart, 30075 Daar meer dan veertig Sennen over waren; Hij sloeg hen de armen af, te waren, En handen en benen, en sloeg daar Zulke vreselijke slagen, dat daarnaar Niemand tegen hem durfde te komen; 30080 Die zijn vader meende te hebben genomen, Die kloofde hij dat hoofd tot de tanden toe, En gaf zijn vader dat paard alzo; En zijn broeders wrochten wonder Onder de Sennen daar bijzonder; 30085 Ze kwamen tot de vader daarnaar, En toen ze verzameld waren daar, Wrochten ze zo’n nood onder hen nu, Dat niemand het mocht vertellen u. Maar bij de Sennen kwam hulp toen groot, 30090 Aan alle zijden, in grote hoop; En toen dit koning Loth zag, Riep hij zijn kinderen, alles dat hij mag, En zei: “het is wel tijd, dat we nu Weg gaan, dat zeg ik u, 30095 Het is geen wijsheid, dat we wachten; Want voor een slag in de waarheid, Die we hen mogen geven, zonder waan, Zullen we er meer dan veertig ontvangen; Maar laat ons varen heen ter plaatse, 30100 En is het, dat ze ons volgen mede, We zullen ons soms omkeren dan, Als we dus tijd hebben, en strijden aan”. 336 Toen deden ze zich te weg waart, En voeren over het water met een vaart. 30105 En toen de vier koningen ze weg zagen varen, Waren ze erg boos, te waren, En riepen: “dieven en moordenaars, Aldus zal ge ons niet ontvaren; En koning Clarioen, hij zat nu 30110 Op dat paard Gringalet, daar ik van zei u Hiervoor, dat zo goed was voorwaar, En was voor de anderen gereden daar, Een boogschot ver, dat weet, En heer Gawein zag aan, dat Gringalet 30115 Daar vliegend aankwam als een vogel snel, En dat behaagde hem zo wel, Zodat hij tot zichzelf zei ter vaart, Had hij nu zulk paard, Hij gaf niet om de beste steden, 30120 Die koning Arthur had mede; En toen begon hij zacht te rijden En op diegene wat te wachten; En toen Gawein zag, dat hij hem bij was, Toen keerde hij zich gelijk om na dat, 30125 En de koning kwam op hem alzo, En stak zijn speer in twee toen, En heer Gawein sloeg hem weer gelijk Door de helm een wond, zonder waan, Zodat hij ter aarde in onmacht viel daar 30130 En heer Gawein, die ontnam hem daarnaar Dat paard Gringalet en voerde het gelijk Tot de brug, dat daarbij was gestaan. En zijn vader reed altijd voorwaarts, En dacht niet aan achterwaarts, 30135 En zijn drie kinderen volgden mede; En heer Gawein bleef daar ter plaatse, Achter hem, zodat ze hem niet Konden zien; maar Gawein nu ziet Zijn knecht, die daar bracht gelijk 30140 Hun telgang paard, daar hij van, zonder waan, Zeer verblijdde; toen steeg hij af ter plaatse En gaf hem zijn paard te leiden mede, En zat op dat paard Gringalet; En hij zei ze te gaan zonder letten 30145 Naar zijn vader, want hij wilde wachten Om te weten de waarheid Waar de Sennen heen zouden varen; Maar dat was om niet, dat hij wachtte, Want toen ze vonden koning Clarioen te waren, 30150 In onmacht liggen, bleven ze toen Om hem alle, en meenden daar, Dat hij dood had geweest voorwaar; Ze dreven zo’n grote rouw door dat, Dat heer Gawein het hoorde, daar hij was. 30155 Dus bleef Gawein zich lang ophouden daar Op de brug om te zien, of daarnaar Hem iemand zou volgen nu; En zijn vader reed henen, zeg ik u, Tot daar hij in een bos zou rijden; 30160 Toen zag hij achterom te die tijden, En zag heer Gawein toen niet. Toen zei hij: “wat is mij geschied? Ik heb nu geheel verloren mijn eer!” Die kinderen zeiden: “wat is u, heer?” 30165 Toen zei hij: “lieve kinderen, ik zeg het u, Gawein, uw broeder, ontbreekt me nu, Bij God, hij is dood, en ik wil mede Alhier nu sterven ook ter plaatse, En wil na hem leven niet”. 30170 Toen zei Acgravein, als hij dit ziet: “Heer, als God het wil, hij heeft geen nood, En versla u niet, hij is niet dood”. Al de tijd, dat hij zich misbaar maakte alzo, Kwamen de vijf knechten gereden toe, 30175 En brachten heer Gaweins paard daar; En toen de koning die zag voorwaar, Herkende hij die goed. Toen sprak Garies En vroeg, waar zijn broeder is: “Heer, we lieten hem op de brug ter plaatse, 30180 Daar was hij op het beste paard mede, Dat er in de wereld is, dat hij daar Van een koning af won, voorwaar; Hij gebied u dat ge henen rijdt, Hij zal gelijk bij u wezen nu ter tijd”. 30185 Toen koning Loth hoorde te die tijden Dat hij leefde, was hij dus blij; En heer Gawein, die nu zag mede, Dat hem de Sennen niet volgden ter plaatse, Volgde zijn vader met geweld 30190 Omdat hij hem dat paard laten zien wilde, 337 En hij kwam daar ze dreven rouw groot; Daar zag hij een Senne al bloot, Die een spies had in de hand Die groot was, zij u bekent, 30195 En dat ijzer was lang anderhalve voet En scherp; toen heer Gawein dit verstond Reed hij derwaarts, wat hij kon, En nam de spies daar van de man Met zo’n kracht, dat hij hem mede 30200 Daar ter aarde tuimelen deed, En reed hem dood ook daarnaar, En reed weg ondanks allen daar; Maar alzo toen ze hem navolgden toen, Sloeg hij er veertien dood alzo. 30205 Dus reed hij weg daar ter plaatse, En de Sennen volgden hem mede; En immer als ze hem daar kwamen te na, Sloeg hij er een dood, zoals ik versta, Of twee. Aldus voer hij daar 30210 Met keren en rijden, weet voorwaar, Zolang dat hij gereden kwam Aan het bos, daar hij zijn vader vernam, Die zich daar met zijn kinderen ophoudt En op hem wachtte met geweld. 30215 Toen koning Loth zag komen Gawein, en ook heeft vernomen, Dat de Sennen hem jaagden alzo: “Lieve kind, wat hou je?” zei hij toen, “Ge zal derwaarts met sporen slaan, 30220 En uw broeders bijstaan”. Toen reed hij zelf voor daar, En zijn kinderen volgden hem na; Toen ontmoette hem zijn zoon echt: “Lieve kind”, zei hij, “ge hebt onrecht, 30225 Dat ge me aldus bewerkt en uw broeders mede; Wat duivel nog aan toe ter plaatse Onder deze Sennen te blijven alleen? Meende je ze allen te doden alleen? Al sloeg je elke slag er een dood, 30230 Nochtans zou je hun hoop In een maand niet kunnen verslaan. “Heer”, zei heer Gawein toen gelijk, “Ik heb gewonnen een paard ter plaatse, Ik geef dat niet, bij mijn christelijkheid, 30235 Om het kasteel te Glasgow; En omdat ik dat beproeven wilde doen, Zo keerde ik weer onder hen, heer! Nu gaan we en ik verlaat u heden niet meer Om geen ding, dat me gebeuren mag”. 30240 Toen koning Loth dat zag, Dat het tijd was te varen mede, “Varen we”, zei hij, “want nu ter plaatse Is dat tijd, want dat is nacht toe”. Daar namen ze vier speren toen 30245 Van de Sennen daar, zij u bekent, En reden alzo heen gelijk. En meteen dat ze dus heen gingen, Kwamen daar zeven Sennen gereden, En elk een speer in de hand alzo, 30250 En kwamen op Garies gereden toe; En twee staken hem in de zijde, De andere twee op het schild te die tijden, Die derde twee door de mantel mee Van het harnas; de zevende, weet 30255 Stak zijn paard door het lichaam Dood, zodat ze beide tezamen Ter aarde vielen. Dat zag daar Koning Loth, en meende daarnaar, Dat hij dood had geweest: 30260 “Ach mij!” zei hij, “nu zullen na deze Deze vier broeders scheiden nu; Gawein, deze schade komt van u: Had ge met ons weg gereden, Zo was hij hier niet gebleven ter plaatse”. 30265 Die tijd dat hij sprak aldaar, Zo stond Garies op daarnaar, Want hij was de dapperste, zij het zeker dat, Dan enige van de vier was Uitgezonderd Gawein; toen hij op was gelijk, 30270 Nam hij zijn zwaard in zijn hand En ging zich verweren, en sloeg daar Van de zeven een daarnaar Door de linkerzijde zo’n gat, Zodat hij ter aarde dood viel nadat; 30275 En hij sloeg een andere af de arm, Zodat hij met het schild al warm Ter aarde kwam gevallen ter plaatse; En heer Gawein sloeg daar een mede, Zodat hij hem dat hoofd kloofde toen 30280 Tot de tanden. Toen voer hij toe 338 En nam dat paard, en liet er op zitten daar Zijn broeder, en weet voorwaar Dat koning Loth, en zijn andere broeders mee De andere drie versloegen, dat weet, 30285 En de zevende vloog, toen hij dat zag; En Garies volgde hem, alles dat hij mag, En haalde hem in bij een berg mede, En stak hem dood al daar ter plaatse; Toen keerde hij weer tot zijn vader waart. 30290 Toen hij daar aankwam, reden ze ter vaart Weg; want het was de avond bij. Toen de Sennen zagen, dat zij Weg reden, keerden ze haastig toen. En kwamen gereden daar Clarioen 30295 Lag en had laten verbinden zijn wonden Toen vroeg hij hen terzelfder stonden, Of ze die gluiperd hadden gevangen, Die hem zo’n schade had gedaan; Ze zeiden neen ze, niet ter plaatse; 30300 Dus was die koning rouwig mede. Dus keerden ze tot hun gezellen waart, En koning Loth voer weg ter vaart, En zijn kinderen met overmoed; Hun wapens waren geheel bebloed, 30305 En hun paarden van bloed nat, En in hun schilden menig gat; Die hen alzo had rijden gezien, Hij mocht wel geheel gruwelen van die. Dus reden ze tot achter dat bosje, 30310 Daar hun knapen met de paarden zijn; Toen ze daar kwamen reden ze alzo In het bos voorwaarts toen, Tot in de nacht, in lange doen, En de maan scheen erg mooi; 30315 Ze kwamen bij een boswachters huis toen Die drie zoons had toen, En een vrouw hoofs en goed, En dat huis sterk en groot; En daar ging een gracht omheen wijdt, 30320 Geheel vol water, ook was het die tijd Goed betimmerd met planken, en met dorens mede Zo dik omzet, dat daar ter plaatse Nimmermeer iemand had vermoed, Dat daar een huis binnen stond. 30325 Daar kwam koning Loth tot de poort toe, En klopte zolang daarvoor toen, Dat de boswachters zoon kwam daarnaar Om te zien wie klopte daar; En hij vroeg wie ze waren, 30330 En ze antwoorden hem daarnaar: “We zijn ridders van dit land, En varen aldus nu gelijk Om een boodschap te doen, God weet”. Hij heette ze welkom en opende gereed 30335 De poort, en liet ze binnenkomen alzo; Toen stegen ze af, en men nam toen Hun paarden, en ze deden hun gemak, Want daar was genoeg van allerhande zaken; Ze werden geleid in de zaal samen, 30340 Daar ze goed werden ontvangen Van de boswachter en zijn vrouw mede; Ze brachten warm water daar ter plaatse, Daar men de heren mee ging wassen; Toen bracht men elk een mantel gelijk, 30345 Die men hen omhing toen ze waren Ontwapend, en daarnaar Ging men eten, daar hen na dat Erg veel gediend nu was. De boswachter had twee dochters mooi, 30350 Die daar bedienden goed te loon Van de wijn, en haar broeder mede Dienden de tafels, goed ter plaatse, Voor koning Loth en zijn kinderen, En voor de waard en zijn vrouw ginder, 30355 Die zaten ter tafel, zijde aan zijde. Men was daar van het eten blij; En na het eten zei de waard: “Gij heren, een ding heb ik zeer begeerd Was dat uw wil nu ter tijd, 30360 Te vragen waarheen ge vaart en wie ge bent; Dat ge me wil zeggen nu”. Koning Loth zei: “zo bid ik u, Dat ge me eerst zegt daarbij Van wie dit bos en dit land zij”. 30365 “Zekerlijk, heer!” zei hij gelijk, “Dat is van koning Clarioens van Northumberland, En ik ben zijn boswachter en zijn man En behoedt van hem de wegen dan, 339 En deze knapen, die hier bedienen nu, 30370 Zijn mijn zonen; ook zeg ik u: Deze twee jonkvrouwen mede, God weet, Zijn mijn dochters”. Toen zei gereed Koning Loth: “heer waard, dat weet, Koning Clarioen mocht niet beter 30375 Dit ambacht besteed hebben nu, Dan aan uw kinderen en aan u, Want ze schijnen hoffelijk en goed”. “Vertrouw”, zei de waard, “ze zijn goed, Dat zal ze verblijden; ook hebben zij 30380 Verwanten, is het dat ze daar gelijken bij, Ze mogen daarbij tot eer komen; Ook zijn ze soms, heb ik vernomen, In koning Arthurs hof, in vertrouwen, Met de koningin, mijn vrouwe, 30385 Opgehouden, en zijn haar ridders mede; En men zei me ook gereed, Dat heer Gawein was een hoofdman, Koning Loth’s zoon, nu voortaan, Over alle nieuwe ridders daar”. 30390 Toen vroeg koning Loth erna, Wie hem bestonden daar alzo: “Bij God, heer, ik zeg het u”, zei hij toen, “Mijn vrouw is zuster, zij het zeker dit, Miranges van Porlegues, 30395 En ze is nicht van Ecgerikes mee, En Keyadijns, de kleine, dat weet, En Ywein van Lioneel is Mijn ooms zoon, zij het gewis, De burchtgraaf van Crenefoert, 30400 En ik zelf had land mee voort Genoeg tot het gebruik nu, Maar die Sennen, dat zeg ik u Hebben het me verwoest alzo”. Koning Loth vroeg hem toen, 30405 Hoe hij heette, en hij zei na dat: “Heer, ik heet Mynoras Van het nieuwe kasteel van Northumberland”. “Vertrouw”, zei koning Loth gelijk “Alle die ge genoemd hebt nu, 30410 Die ken ik goed, dat zeg ik u Dat het goede ridders zijn; ook wilde ik mede, Dat koning Clarioen, hier ter plaatse, Bij mij zat zoals gij nu doet”. Toen vroeg de waard met een spoed, 30415 Of hij met hem bekend dan was, “Zo begeer ik meer van u heer, Te weten, dan ik eer deed, Wie ge bent”. Toen zei ter plaatse Koning Loth: “ik zal het u zeggen gelijk: 30420 Ik ben koning Loth, zonder waan, En deze vier zijn mijn zonen nu”. “Ach mij, heer!” zei de waard, “ik zeg u, Dat ik me schaam uitermate zeer, Dat ik u niet heb, heer, 30425 Meer geëerd of meer feest gedaan”. Toen wilde opstaan de waard, Die daar zat bij zijn zijde toen; “Zit al stil”, zei de koning daartoe, “Ge hebt zoveel gedaan ter plaatse, 30430 Zodat ge ons overwonnen hebt daarmee Immer meer, en uw mannen mee Zullen dus beter varen, dat weet”. “Help, heer”, zei hij, “wat zoekt u in dit land?” “Ik kom hier”, zei de koning gelijk, 30435 “Spreken tegen de baronnen, Om te maken een verzoening, En om overeen te komen ter ure Met de dappere koning Arthur, Zodat ze de Sennen uit de landen slaan”. 30440 Toen vroeg Minoras de koning gelijk, Waar hij de baronnen zal vinden nu? “Te Aronsteel in Schotland, zeg ik u, Daar zal ik ze verzamelen alle na dat”. “Bij God”, zei toen Minoras, 30445 “Ik zal het mijn heer wel zeggen openbaar, Wist ik te welke dag dat waar”. De koning zei alzo, dat hij In Sint Bartholomeus dag (24 augustus) daar zij; Toen beloofde hem daar Minoras, 30450 Dat hij de boodschap zal doen na dat. Daarna zijn ze opgestaan, En men ging toen om te slapen gelijk, Want de gasten moe waren Van vechten en van rijden, te waren; 30455 Ze sliepen tot de dag ter plaatse. Nu laat ik ze liggen slapen mede, En zal u van koning Pelles En van zijn broeders zeggen na dit. |
340 Van des koninck Pelles sone, ende van den koninck Otten ende van sinen kinderen. Daventure zecget, dat die koninck Pelles 30460 Hadde enen sone, die niet ridder en es, Die out was wel vijftien iaer, Die scone was vorwaer; Ende als hem sijn vader vragede ter stede, Welke tijt hy ridder woude werden mede; 30465 Doe zeide hi: “als ene die beste die es In der werlt ridder maket, sijt gewes; Ende oec willic hem dienen drie iaer Eer hi my ridder maket vorwaer, Dat ic genoech van wapene kan”. 30470 “So staet iu lange te beidene dan”, Zeide die vader. Hi sprac: “in weet, Ic sal den ridder wel proeven gereet An mynen ome, an sinen wonden, Die nieman en mach genesen ten stonden, 30475 Dan die beste ridder een, Desgelike en vint men negeen, Daer sal icken leiden ombe des”. “Neen”, zeide die koninck Pelles, “Dat en verstondy niet een twint, 30480 Hy moet by der aventuren komen omtrint Ende moet selve na den Grale vragen, Eer hem des ieman sal gewagen, Dat mijn dochter hoedet vorwaer, Die noch maer en hevet seven iaer, 30485 Ende oec moet werden gewonnen een kint Van den besten ridder, dien men vint; Ende daer moeten sy drie toe sijn overal, Daer men den helegen Grael winnen sal, Ende sy moeten suver ende rene wesen”. 30490 “Here”, zeide dat kint na desen, “Ic wil ryden te koninck Arturs hove; Men secget my dat daer van den meesten love Ridder sijn van der werlt, dat wet, Ende daer es oec mijn neve met, 30495 Heer Gawijn, des koninck Lottes sone, secgic iu, Die der bester ridder een es nu Die in der werlt levet ter stede, Tot hem willic varen ende dienen mede, Opdat hi des gehenghet; ende es hy 30500 Alsulc, als men secget my, Van allen dogeden, sonder waen, So willic van hem wapene ontfaen”. “Lieve sone”, zeide doe die koninck Pelles, “Also menech wech alse tot daer es, 30505 Sone mochte dat nieman nu lyden, Want die Sennen, nu ten tyden, In den wegen licgen overal; Ende bander syde, als ic iu secgen sal, Es so groet twedracht, ter stede, 30510 Van den baronen van den lande mede Enten koninck Artur, dat ic nu Nembermeer blide waer, secgic iu, Vor desmaels dat ic iu wiste gesont”. “Lieve vader”, zeide die sone terstont, 30515 “Wy sijn alle in der aventuren, Wy en mogen niet eer der doet verbueren Vor die tijt, dat Onse Here nu Ons gehouden hevet, secgic iu, Ende oec en sal ic sterven niet 30520 Eer si komet”. Ende alse dit siet Die vader, zeide hi: “lieve sone, Ic sie wel, gy wilt trecken na datgone Daer gy nu anekomen sijt, Ende dat es my lief nu ter tijt, 30525 Dat gy na hem trecket gereet, Ende bander syden eest my leet, Dat gy derwaert wilt varen nu, Want ic en mene nember levendich sien iu Nu secget my”, zeide die vader daernare 30530 “Wie wildy dat met iu sal varen?” “Here, ic en wil maer enen knape mede, Die my geselscap houde ter stede; Maer gereet my wapene goet, Ende een ors sterc ende groet”. 30535 Doe zeide die koninck Pelles: “God weet, Hier es tuwer behoef genoech bereet”. Des andren dages en woude tkint Langer beiden niet een twint, Entie vader gaf hem daer 30540 Goede wapine ende een ors naer, Ende een tellende paert, dat hi reet, Ende enen vrome knape, God weet; Ende doe sy beide gereet waren Namen si orlof sonder maren, 30545 Ende reden also enwech van daer, Lange tijt, datsi vorwaer Nieman ontmoeten die hem dade iet. 341 Dus redensi ende en lieten niet, Ende quamen in dlant van Rodestoc mede 30550 In ene valeye, daer si, ter stede, Vonden ene fonteine scoen ende diep, Die dor die valeye doe liep, Ende hi hiet die borne van den Pyne. Daer lach Pinoras met Malaquyne; 30555 Die koninge, ende waren daer gebeet, Ende voeren met vijfhondert Sennen gereet, Ter statwaert van Clarence nu, Daer dertich koninge lagen, secgic iu, Entese voerden veertich somermet spisen 30560 Welgeladen, na hoerre wysen; Ende si waren daer opten borne geseten Van den Pyne ende souden eten, Ende lieten haer paerde daer weiden gaen, In der ouwe; want, sonder waen, 30565 Dat was heet, wantet was Omtrent myddach; ende thant nadas Datsi ten eten waren geseten daer, Quam dat kint, ende sijn knape naer, Op hem gereden; doe wart hy vervaert 30570 Ende heescede sine wapene, ende ter vaert Wapendi hem, ende sat op sijn ors alsoe Ende hi hiet sinen knape doe, Dat hi vor [hem] soude ryden, Ende beval hem, datsi niet en biden 30575 Sine bringense levendech ochte doet gevaen; Doe ging hi na hem ryden saen, Ende tkint hadde een scerp speer, Maer hi en hadde genen schilt ter weer Ende eer hi iet verleden was, 30580 Hoerde hi sere roepen nadas Die Sennen, ende zeiden: “knape, gy Moet wederkeren, ende oec daerby Ons geven iu ors ende iu wapene mede, Ende gy moet oec komen ter stede 30585 Tmynen heren, die zijn geseten Onder genen Pyne ende eten”. Dat kint hoerdese, maer het reet Altenen vorwaert gereet, Ende en antworde niet mettien; 30590 Ende alse die Sennen dit versien, Dat hi so sere ginc henen ryden Volgeden si vaste na, tien tyden; Ende alse die knape sach komen by, Keerde hi hem ombe, ende tkint vry; 30595 Ende een van den Sennen quam vor daer, Ende reet ten kindewaert daernaer Met enen groten spere, sonder waen, Ende meende tkint afsteken saen, Maer hi gemiste, ende tkint reet weder, 30600 Ende stacken dor den lichame, dat hi neder Ter aerden van den orse viel doet. Dat kint trac wt sijn swaert goet, Ende reet weder synen walop gereet; Entie Sennen, dient herde leet 30605 Was, dat hy hem soude ontryden, Si volgeden hem vaste na, tien tyden; Ende tkint voer henen haestelike, Ende bat Onsen Here vriendelike, Dat Hine hoeden moeste van der doet, 30610 Van vancnesse ende van alre noet. Entiegene volgeden hem ember toe, Also sere alsi ryden mochten doe, Ende verhaeldene ende staken daer Haerre tiene op hem daernaer; 30615 Die some misten, ende some gerakeden sy, Ende som braken si haer speer daerby, Maer hi stac daer enen onder die kele alsoe, Dat hi ter aerden doet viel doe, Ende daerna den andren, ende ter stede 30620 Brac doe sijn speer mede; Doe trac hi sijn swaert ende ginc slaen, Ende versloech die tiene alle saen, Want God halp hem, sijt seker das; Ende alsi sach datter hem te vele was, 30625 Sloech hi sijn ors vaste met sporen, Ende reet na sinen knape, die was voren; Noch volgeden si hem vaste mede, Ende verhaeldene in der valeyen ter stede, Daer hi sinen knape hadde verhaelt; 30630 Ende si riepen: “vaste, nu betaelt!” Ende als Pinoras ende Malaquijn sien Haer liede niet wederkeren mettien, Sijn si opgeseten alle bede, Ende volgeden met horen lieden mede, 30635 Ende vonden opten wech daernaer Die dode lichgende harentaer; 342 Doe vragedensi wie dat hadde gedaen? Si zeiden: “die knape, die hier nu saen Vorreet”; “ende waer is hi?” zeidensi doe. 30640 Doe leidensise ter valeyen toe, Daer hi vacht tegen die Sennen nu, Diene niet en konden gevaen, secgic iu. Doe riep Pinoras: “vaste, rijt an! Sal ons nu ontgaen een man, 30645 Die ons desen scade hevet gedaen?” Doe sloegen si met sporen saen; Nu moetene God helpen uter noet! Beringensine, hy es gevaen ochte doet, Maer Onse Here staet altoes by 30650 Sinen vrient, waer dat hi sy, Die ane Hem gelovet ter ure; Hier sende hem God scone aventure, Ende daerombe secht men, lude ende stille, Wien dat God helpen wille, 30655 Hem en mach nieman scaden een twint; Want, rechte alse nu omtrint, Quam hem die koninck Lot te helpe saen, Als ic iu hier sal doen verstaen, Die met Minoras, den forestier, lach, 30660 Als ic iu hier vor dade gewach. Des andren dages was die koninck opgesaen Ende sine vier kinder, sonder waen, Ende wapenden hem, ende namen orlof doe An den waert ende an die waerdinne toe 30665 Ende dankeden hem sere; ende Minoras Reet wtwaert mede een sticke nadas, Met sinen vier sonen mede gereit, Daer hi doe was herde gemeit; Entie vijf sciltknechte reden vor doe, 30670 Ende haer orse leiden ende droegen toe [Haer] helme, scilde, ende speren, Die Minoras hadde gegeven den Heren. Doe hi een sticke hadde gereden daer, Dadene die koninck Lot keren naer, 30675 Ende beval hem, dat hi in negenen doene En liete, hi en sprake den koninck Clarioene, Ende zeide hem sine boetscap gereet. Minoras sprac: “ic en latet niet, God weet, Ic salse herde getrouwelyc doen” 30680 Doe nam orlof die baroen Ende reet thueswert met sinen kindren doe; Ende doe hi thues quam, sende hi toe Sine sone den koninck Clarioene, Ombe die beetscap daer te doene, 30685 Ende si daden die boetscap also daernaer, Dat die koninck gelovede te komen daer. Ende doe die koninck Lot gesceden was Van Minoras, reet hi nadas Dor den foreest so lange nu, 30690 Dat primetijt was, secgic iu, Eer hi daer wtquam; doe quam hy Op een scone velt daerby, Dat tote Rodetock duerde naer; Ende doe si vortquamen, gemoeten si daer 30695 Lydonase, des kindes knape, Daer ic hier voeraf hielt sprake, Die tegen die Sennen vacht ende street; Nu brachte dese tegen hem gereet Des kindes somer ende sijn rosside mede, 30700 Ende weende jamerliken ter stede, Ende zeide: “Marie, edele Vrouwe, Helpet ons nu wt desen rouwe!” Dit riep hi herde dicke daer, Ende sloech sine hande te gader naer; 30705 Entie koninck Lot ende sine kinder mede Worden des gewaer ter stede, Ende hem ontfermede des sere doe; Ende Agrawein reet voert alsoe Toten knape ende vragedem daer, 30710 Waerombe hi makede alsulc mesbaer? Hi zeide: “here, ic wene dus sere Ombe enen den scoensten ionchere, Die in der werlt levet, God weet, Dien nu die quade Sennen gereet saen 30715 In gener valeyen hebben bestaen, Ende, God en helpe hem, si sullen hem Doet hebben!” - Doe vragede hi daernaer, Agrawein, werwaert hi opten wech waer? “Here, tArturs hovewaert, ter stede, 30720 Ombe heer Gawine te dienen mede”, Daer men hem vele dogeden af hevetgeseit, Ende also dat hi wil, in der waerheit, Dattene nieman ridder en make nu Dan mijnheer Gawein, dat secgic iu. 343 30725 Ende doe riep hi weder: “ach, arme Here! Ic weet wel, ic en siene nembermere!” Doe vragedem Agrawein daernaer, Wt wat lande hi geboren waer? Hi zeide, Listonas, na datgone, 30730 Hi es des koninck Pelles sone Van Lystonois. Doe zeide Agrawein: “Hoert, lieve broeder, heer Gawein, Wat scoenre aventuren beidet na iu!” “Ic hebbet wel verstaen”, zeidi nu. 30735 Doe bondensi haer helme naer Ende saten op haer orse daer; Doent Lidonas sach, vragede hy, Wie sy waren. Doe zeiden sy, Datsi van Arturs masnieden waren, 30740 Hi zeide, Lidonas, twaren: “Sone willic niet vor ryden, Ic en sal so lange eer ontbiden, Dat ic sal sien hoe dat vergaet”. “Sone doet”, zeide die koninck Lot geraet, 30745 “Maer vaert buten wegens houden saen Thent gy siet, hoe dat sal vergaen”. Die knape zeide: “ic sal doen alsoe”. Ende bindien datsi spraken, doe Sagen sijt kint komen gevloen, 30750 Ende sijn swaert al bloet hebben doen In sijnre hant; ende hem volgeden naer Wel twehondert Sennen, diene iagen daer; Ende hi keerde onder tyden ombe alsoe Ende dien hi dan gerakede doe, 30755 Dien sloech hi, dat negene wapine Helpen en mochten daer in scine; Ende als hi een sticke dan was gereden, Bleef hi weder houdende ter steden, Ende sloech op hem. Dus leidise tsamen 30760 Thent si opten koninck Lot quamen; Ende doent dese vive komen sach Al gewapent, riep hi, al dat hi mach: “Doer God, gy heren, helpet my, Gy siet wel, dat des groet noet sy, 30765 Ende laet iu mijns ontfermen mede!” - “Gyne hebbet gene noet”, zeidensi ter stede Doe sloegensi in, ende Agrawein Sloecher daer enen so opten plein Dor den scilt ende dor halsberch mede, 30770 Dat hi doet viel daer ter stede; Ende Garies stac enen dor den lichame, Dat hi viel doet in des Duvels name; Entie koninck Lot zeide te Gaheries Ende te Gawyne: “haest iu na des, 30775 Siet, waer beide iu broeder sijn In den strijt”. Doe zeide tjonkerlijn: “Here, wie zijdy, die helpet my, Entese heren, die iu staen by?” “Ic bent, die koninck Lot”, zeide hi ginder, 30780 Entese vier sijn myne kinder, Ende siet daer dengenen, dien gy soeket nu, Ombe te dienen ende ridder te maken iu”. Des was die ionchere herde blyde, Ende leide sine hande te gader tien tyde, 30785 Ende dankede Gode sere, tien stonden, Dat hy heren Gawine hadde vonden. Doe vragede hi, hoe hijt wiste, daernaer “Dat ic Gawine soecken vaer?” “Ic weet wel”, zeide hi, ende tier tijt 30790 Sloech hi vorwaert in den strijt, Entie jonchere volgede hem naer, Ende elc stac enen doet aldaer. Doe die koninck Lot, ende sine kinder mede, Haer spere tebroken hadden ter stede, 30795 Trocken si haer swaert, ende streden daer Alse ontbondene liebaerde, wet vorwaer; Entie ionchere volgede ember toe, Ende mijnheer Gawyn hadde getogen doe Caliburnuse, daer hi mede sloech voert, 30800 Ende makede onder die Sennen groet moert; Ende Gaheries met Agraweine Hadden geiaget twintich Seinen So verre, datsi quamen nadas Opten koninck Pinoras, 30805 Die met hondert Sennen quam daer; Ende doe hi vernam openbaer, Datter maer twe en was, doe reet hy Op hem met sinen lieden, ende sy Reden weder in hem alsoe, 30810 Ende sloegen doet twe Sennen doe. Doen omberingeden tien Sennen daer Agrawine, ende sloegen naer Alle op hem, dat sine mede 344 Ter aerden brachten daer ter stede; 30815 Ende Gaheries omberingeden daer Tien ander Sennen, wet vorwaer, Maer hi halp Agraweine so seer, Daer nu te voet stont die heer, Die hem weerde metten swaerde doe, 30820 Dat hem nieman en quam daertoe, Hi en sloechen, dat hi neder viel daer. Doe quam mijnheer Gawyn naer, Ende sloech so vreeslike slage mede, Dat nieman so koene was ter stede 30825 Dat hi siner slage dorste ontbiden; Ende tkint, dat mede wilde stryden, Van hem sloech sulke slage, met gerochte Dat elken mensce helpen mochte. Doe geviel dat mijnheer Gawyn 30830 Daer ontmoete Malaquyn, Die der bester ridder een was mede, Die men wiste teneger stede; Ende hi hielt boven Agraweine saen Ende haddene gerne daer gevaen, 30835 Ende heer Gawein sloechne opten helm doe Ende clovedene toten tanden toe. Als dat die jonchere sach ter stede, Gebenedyede hi den arm mede, Die sulken slach slaen konde; 30840 Doe nam hi tors terselver stonde Ende gaf dat sinen broeder Agrawine Die daer op spranc, sonder pine, Ende reet met sinen broeder in den strijt; Ende Pinoras, des seker sijt, 30845 Was nu in droefheden herde groet Ombe sinen broeder, die was doet; Hi nam die giserme met beiden handen, Ende sloech den koninck Lot te hande Op sinen helm, dat hine storten dede, 30850 Daerna sloech hi Gaheries mede, Dat hi oec ter aerden lach; Doe dit mijnheer Gawyn sach, Was hi so erre ombe dese dinge, Dat hi verwoeden woude sonderlinge, 30855 Ende reet op Pinoras ende sloechen daer Dor den scilt ende optie scouder vorwaer Dat hine doersloech toten gordele toe, Ende hi viel doet, entie jonchere nam doe Dat ors ende brachtet Gaheries saen, 30860 Die daer op spranc, sonder waen; Ende doe nam hi dat ors nadas, Daer die koninck Lot afgesteken was, Ende gaf hem dat weder daernaer, Die daer scier op sat. Doe reden si daer 30865 Onder die Sennen in den hoep, Ende quetseden er vele, ende sloegen doet; Entie Sennen waren in sulken vresen Ombe haer heren die doet waren, vor desen, Datsi hem niet meer en weerden daer, 30870 Ende gingen alle vlien daernaer; Ende Wandalis, haer drossate, riep doe Waerombe datsi vlien alsoe? “Wreket beide iu heren an die glotoen! Hier en esser maer sesse, in desen doen, 30875 Enter uwer es noch vierhondert ter uren; Fy, dat gyse vor iu laet geduren Aldus lange; des moechdy iu Scamen!” - Aldus dadi se keren nu; Maer heer Gawein ginc slaen in hem doe 30880 So vreeslic, dat hi daer alsoe Meer dan sevene in dat gemoet Doet sloech ende warp onder voet. Ende doe die Sennen dit gesagen, Dat mense dodet ende so ginc iagen, 30885 Vloensi in den bosc, dene hier dander daer, Daer ontbeide nieman den andren vorwaer, Si vermaledyeden dure mede, Dat sise ie gemoeten ter stede, Want en waren negene liede dat, 30890 Dat waren “Duvele”, meenden si bat, “Uter Hellen, die ons slaen nu, Wanten esser maer sesse, secgic iu; Dit en gesciede niemanne meer, Daerombe sijnt Duvel, die ons slaen seer; 30895 Si en mochten van menscen niet sijn Gewonnen nochte geboren, in scijn, Want negeen aertsce mensce en mochtet doen”. Dit zeiden si onder hem, doesi vloen. Dus verdreefse heer Gawein daer, 30900 Ende si ne fineerden oec niet vorwaer, Vor datsi in dat heer alle quamen Te Clarence, daer dat lach te samen 345 Ende telden hem, hoe groten scade Dat hem ses ridder nu daden, 30905 Wantsi hadden haer twe koninge doet Ende horen drossate mede in der noet, Ende menegen andren ridder met, “Wyne weten tgetal niet, dat wet”. Ende alse dit hoerde Hargodabrant, 30910 Wart hi so erre daer te hant, Dat hi wel ontsinnet was daernare, Wantsi beide sine mage waren; Hi vermaledyede dure te samen, Datsi ie in dat lant quamen, 30915 Wantsi hadden also groten scade ontfaen. Hier swigic nu van hem saen, Ende sal spreken van den koninck Lot, Die nu blide was, weet God, Ende sine kinder mede, twaren, 30920 Dat die Sennen gesconfiert waren, Ende si den jonchere hadden verloest Van den Sennen, ende getroest. Doe gingensi ten someren daernaer, Die die Sennen bracht hadden daer, 30925 Die si te Clarencewaert meenden doe mede; Hebben gevoert. Nu vragede alsoe Die koninck Lot, wat men daer doen sal Doe seide heer Gawyn daer ter stede: “Men sendese Minoras, onsen waert, 30930 Want hi es herde wel waert, Hi ontfinc ons wel ende diende mede, Ende tes wel bestadet nu ter stede, Ende beter es dat hise hebbe, twaren, Dan si hier verloren waren”. 30935 “By Gode”, zeide die koninck Lot ter uren, “Gy secget wel; wie salse hem vueren?” Die jonchere zeide: “here” nadas, “Mijn knape salse voeren, Lidonas, Ende een van uwen knapen mede”. 30940 Doe beval men hem tween ter stede Die boetscap te doene, ende datsy Den wech weder volgeden daerby Te Rodestock; si zeiden daernaer, Si zouden hem volgen; ende aldaer 30945 Voerdensi die somer alle ter stede; Want die knape leidese mede Te Minoraswaert met veertich orsen groet Die si daer dreven, met groter spoet, Dene an den ander gekoppelt daer. 30950 Doesi te Minoras quamen naer, Waren si herde wel ontfaen; Minoras was blyde, sonder waen, Van desen presente, van deser ere, Ende dankede den heren herde sere; 30955 Entie knape volgeden saen Horen heren ende keerden, sonder waen, Te Rodestocwaert, so si best konden, Daer die koninck Lot, tenselven stonden, Ende sine kinder vor nu waren; 30960 Ende onderwegen, daer si dus varen, Vrageden si den jonchere, wie hi es, Ende wanen geboren, sijt seker des; Die jongelinc zeide: “ic ben geheten Elisier, here, wildy dat weten, 30965 Ende mijn vader, sijt seker des, Es geheten koninck Pelles Van Listenois; oec ben ic met Des koninck Aleins neve, dat wet, Van den foreinen lande, ter stede, 30970 Entes koninck Pellinors oec mede, Die twaelf sonen hevet scoene, Die vrome sijn ende koene, Daer dene af es in koninck Arturs hof, Ombe te dienen daer ombe lof, 30975 Ende ombedat hi wapene soude ontfaen; Dit sijn myne neven, sonder waen, Ende ic vaer te koninck Arturs hovewaert, Ombe heer Gawyn te soekene ter vaert, Ende ombe hem te dienen mede, 30980 Ende, Goddanc, ic hebbene vonden, ter stede, Eer dan ic meende hebben gedaen; Ende wil hi my nu onthouden saen In der manieren, dat hy my sal maken Ridder, als ic hem vermanen sal der saken, 30985 So blive ic met hem ende diene hem nu”. Heer Gawyn zeide: “lieve kint, ic secget iu, Gy zijt my herde wellekomen mede, Ende ic onthoude iu gerne, ter stede, In deser manieren, wet vorwaer”. 30990 Aldus redensi sprekende daer Thent in die nacht, dat sine vonden No hues no hof te dien stonden, Dan een foreest, wijt ende groet; 346 Daer redensi in met groter spoet, 30995 Ende omtrent myddernacht vonden sy Ene cluse ende enen clusener vry, Ende si kloppeden vor sine poerte daer, Dat mense in liet daernaer; Ende doe si in waren komen, 31000 Gingensi haer paerde begomen, Ende daden hem die gereide af doe, Ende lietense gaen weiden alsoe In dat gras, des genoech daer was; Daer en was geen ander bedde, sijt seker das. 31005 Doe gingensi eten ende, doer die noet, Moesten si daer eten born ende broet, Want die heremite [en] hadde anders niet; Daernaer gingen si slapen, siet, Ende sliepen alle vaste hier, 31010 Sonder Heer Gawyn ende Elisier, Dese en sliepen niet ter stede. Doe hoerdensi jamerlike clage mede Van enen ridder ende ener vrouwen, Die daer vor gingen met rouwen, 31015 Des heren Gawyne ontfermede met; Hi hiet doe lecgen op sijn Gringalet Sijn gereide, ende Elisier dadet gereet, Ende brachte hem tors vor hem geleet; Ende heer Gawyn was gewapent wel, 31020 Ende sat op dat ors snel Ende reet enwech; ende Elisier Reet hem na dapperlike hier. Doe quamen si in ene valeye alsoe, Die ene halve myle duerde doe; 31025 Daer hoerde Gawyn grote clage ende gekrijt Entie klage was aldus ter tijt: “God, Here! dor iu grote ontfermechede, Waer hebbic dit vernoy verdient mede, Dat men my doet?” - Ende bat Gode daer, 31030 Dat Hi hem die doet geve naer, “Want ic waer vry liever doet Dan tlevene in deser noet”. Dit was een ridder al naket mede, Sonder ene broec haddi an ter stede, 31035 Ende vijf poitier sloegene daer Met harden riemen, wet vorwaer, Dat hem dat bloet ter rucge nederliep. Ende bander syde ene joncfrouwe riep Lude ende ontfermelike van dien: 31040 “Ach, onsalige, wat sal dijns gescien? Sente Marie, edele Vrouwe, helpet my! Eer liet ic my doden, eer ic gestade dy, Dat gy soudet licgen by my ter stede”. Ende alse heer Gawyn dit hoerde mede, 31045 Wisti wel, datsi in groter noet was. Hine wiste te welker syden, nadas: Hem ontfermede die ridder sere, Die joncfrouw ontfermede hem noch mere, Datsi nu verkracht soude wesen, 31050 Si en hadde soccoers; doe dacht hi van desen, Ende dachte dat beter weer, Dat hi die joncfrouwe bescudde eer; Doe volgedi der joncfrouwen, wat hi kan, Die ember doe riep voertan: 31055 “Sancta Maria, koninginne, bescuddet my!” - Ende doe heer Gawyn hem quam by, Sach hi, dat een poytier hadde daer Die joncfrouwe geleget daernaer An daerde, ende sloechse daer te hant 31060 Sere met siner gewapender hant; Si kreet, ende zeide: “gy moget my Doden, ander dinc en krijgdy daerby”. Ende ombedat so nam hi se naer, Ende sleepte se ende trac se by den haer, 31065 Dat des hem vele bleef in der hant; Ende mijnheer Gawyn quam doe gerant, Ende riep lude: “heer poytier, Trouwen iu wille blyvet achter hier”. Doe sach diegene achterwaert, 31070 Ende riep die met hem waren, ter vaert, Datsi den ridder weren mede. Daer reet haer sesse tegen hem ter stede, Ende zeide: “heer ridder, wat eest nu? Hebbewy ienege hoede iegen iu?” 31075 “Ja, gy”, zeide doe heer Gawijn, “Want ic wil der joncfrouwen fijn Helpen tegen wien dat es nu, Ende ic ontsecge hem ende iu”. Doe dorbrac hi diegene daernaer, 31080 Ende stac dengenen, wet vorwaer, Dor den lichame, dat hi viel doet; Doe quamen diegene metten hoep Op heren Gawyne gereden alsoe, Ende staken alle op hem doe; 31085 Ende heer Gawyn hadde tswaert getogen, 347 Ende sloech den iersten, ongelogen, Enen slach op dat hovet boven, Dat hine toten kinne hevet gecloven, Enten andren den arm af mede, 31090 Enten derden dat hovet ter stede, Enten vierden oec alsoe, Enten vijften sloech hi toten halse toe, Entie reste vloe al dat hi mach. Doe heer Gawijn dat gesach, 31095 Voer hi ter joncfrouwen, sonder beiden, Ende sette se vor hem int gereide; Entiegene die daer ontvloe, Quam te sinen gesellen doe, Die lagen ende sliepen ende rasten hem daer; 31100 Doe riep diegene vaste daernaer: “Gy ridder, slaepdy? Wat gaet iu ane? Hier hevet iu een ridder Sorbitane Doetgeslagen, en onse gesellen mede, Entie vrouwe bescut; volgewy hem ter stede”. 31105 Doesi dit hoerden, waren sy Herde erre, ende volgeden hem daerby Wat si mochten, wet vorwaer, Ende binnen desen dit was daer, Dat Gawyn die ioncfrouwe bescudde mede 31110 Was Elisier gevaren ter stede, Daer die ses poitiere den here, Den ridder, hadden geslagen so sere, Dat hi opten benen niet en konde staen, Ende was ter aerden gevallen saen, 31115 Ende en konde gespreken niet een woert; Doen Elisier dit siet ende hoert, Riep hi: “hoerenkinder, wat tyet gy nu Den edelen manne? wat hevet hi iu Mesdaen, dat gyne dus torment?” 31120 Doene diegene hoerden spreken omtrent, Vragedensi: “wat gaet des iu an? Wyne latens dor iu niet dan”. “Neen”, zeide Elisier, “dat sallic iu proeven”. Hi hadde een speer na sijn behoeven 31125 In siner hant, ende sloech naer Sijn ors met sporen, ende stac daer Den enen van den sessen doet, Den andren gaf hi enen slach so groet, Dat hi doet viel oec mettien; 31130 Doe gingen dander boeve vlien, Dene hier ende dander daer In dat dicke wout daernaer. Dus verloes hise, hine wiste waer. Doe quam hi ten ridder ende dadene daer 31135 Achter hem sitten, die blyde was; Doe reet Elisier soeken nadas Heer Gawyne; maer hine hevet niet Verre gereden, daer hine siet Vechten tegen dertich ridder met; 31140 Ende hi hadde die ioncfrouwe neder geset, Entie ridder liepen hem op sere; Doen Elisier sach sinen here Dus vechten, dade hi den ridder naer Afsitten, ende reet optiegene daer 31145 Met sinen speer, die noch doe geheel was, Ende stac daer enen soe, sijt seker das, Dat hi doet ter aerden vel; Daerna gerakedi den andren so wel Dor die kele, dat men dat yser sach bloet 31150 Bander syden, ende hi viel doet. Maer heer Gawyn hadde gehouwen so Ende geslagen, dat hyre daer doe Sevene gedodet hadde; ende Elisier mede Trac sijc swaert wt siner scode, 31155 Want sijn speer tebroken was; Hi ginc nu slaen in den tas, Ende clovede sulken daer sijn hovet, Toten tanden toe, des gelovet; Ende alse mijnheer Gawyn sach doe, 31160 Dat hem Elisier halp alsoe, Sloech hi vreeslyc in hem daer, Ende zeide: “gebenedyet moetstu sijn vorwaer, Want machstu leven, ic sie wel dan, Dattu werdes een goet man”. 31165 Aldus vochtensi beide doe, Ende sloegen al doet, dat hem quam toe, Datter maer vier ontvloe daer In den wout, dat dicke was vorwaer. Daerna dade Elisier den ridder cleder an, 31170 Die hi daer nam enen doden man, Ende brachte hem een paert, ende mede Oec der ioncfrouwen, ende dadese ter stede Daerop sitten, ende voeren alle vier, ter vaert, 348 Rechtevoert ten heremitenwaert; 31175 Ende heer Gawyn vragede naer Der ioncfrouwen, wanen si waer? Si zeide, si waer suster der joncfrouwen Van Rodestock, by haerre trouwen, “Entese ridder es mijn neve mede, 31180 “Ende gistren avent quamewy bede Van enen foreeste, dat wy hebben nu Dat Taverges heet, secgic iu, Ende souden te Rodestocwaert ryden, Entie nacht quam ons an, tien tyden, 31185 Ende wy verdoelden daer, God weet, Ende quamen daer dese verrader gereet Waren, ende souden gaen eten doe; Ende doe si ons sagen, liepensi ons toe; Ende mijn neve en hadde negene wapene an 31190 Ende daer men ons aldus op ran, Sloech hyre haerre enen doet; Daerombe dadensi hem pine groet Ende vingene ende ontcledene mede, Ende geseldene te meneger stede; 31195 Ende alsi my vercrachten wouden, En liet hi hem so niet verbouden, Hine sloechse metten vuesten daer; Wat pinen si hem daden, wet vorwaer, Hi halp my so hi beste konde, 31200 Doe namen si sesse ter stonde Ende leidene ende sloegen alsoe Als gy wel saget beide toe. Nu biddic iu, here, dat gy secget my, Wie gy zijt ende wat gy sochtet hierby?” 31205 Heer Gawyn zeide: “joncfrouwe”, nades, Wy zijn uten lande van Logres, Ende varen ombe enen orbaer nu, Die niet te secgen es, secgic iu”. Dus redensi so lange, datsi quamen 31210 Tes heremiten hues, daersi tsamen Haer gesellen vonden slapen noch doe; Doe beettensi daer neder alsoe, Ende daden den orsen den breidel af, Ende Elisier hem grases genoech gaf, 31215 Want des daer binnen genoech was mede; Doe gingensi alle slapen ter stede, Ende lagen toten dage toe. Die koninck Lot, hi riep ierstwerf doe Garies, dat hi opstonde naer; 31220 Doe sach die koninck licgen daer Ene joncfrouwe ende enen ridder mede Tuscen Gawine ende Elisier ter stede, Die vaste lagen ende sliepen nu; Des wonderdem sere, secgic iu; 31225 Doe riep hi heren Gawine saen: “Lieve sone”, zeidi, “gy sult opstaen, Dat es hoge opten dach, secgic iu”. Entie ridder entie ioncfrouw sijn nu Ontsprongen, ende stonden op aldaer, 31230 Entie koninck Lot vragede naer, Wanen datsi komen waren: “Here”, zeidensi, “wyne weten twaren, Maer si twe hebben ons bescuddet mede, Ende brachten ons alhier ter stede, 31235 Daer men ons woude nemen tleven, Dien God dat hemelrike moete geven, Datsi ons so wel bystonden”. “Welc waren si”, vragedi ten stonden, Die iu bescudden?” Doe zeiden si saen: 31240 “Here, dese twe, die hier staen”. Doe vragedi hem daer al te male, Van tale ende [van] weder tale, niet, Hoe die dinc waren gesciet. Doe teldensi dat al, ende en lietens 31245 Van den beginne, hoe dat quam toe. Daerna satensi op alle doe, Ende reden te Rodestock te samen; Ende doesi daer quamen, Doe sagensi die stat te wonder ane, 31250 Ombedatsi scone was van gedane; Doe leidese die ridder, die gevaen was, Toten castelewaert alle nadas, Daer mense nu in hevet gelaten; Daer wordensi ontfaen wel utermaten, 31255 Entie suster ruende der Vrouwen toe Ic en weet wat, ende daerna doe Dade hem die Vrouwe grote feeste daer; Entie borchgrave quam oec daernaer, Ende hietse welkome, ende leidese saen 31260 In ene kamer, daersi af hebben gedaen Haer wapene, ende daerna mede Ginc men eten daer ter stede; Daer was hem herde wel gedient, Gelijc dat een doet sinen vrient; 31265 Want die ioncfrouwe dade verstaen 349 Den borchgrave ende haerre suster saen Al haer sticke, ende hoe mense hadde gevaen, Ende hoe si van hem bescut waren saen. Ombedit dade men hem een groet ere, 31270 Ende diende hem oec vele te mere. Die borchgrave vragede daernaer Den koninck Lotte, wie hi waer? Doe zeide hi: “here, ic ben Lot, die koninck Van Orcanien, in ware dinc 1275 Zijn dese myne vier kinder mede”. Doe spranc die borchgrave op, ter stede, Ende dade ene grote feeste, secgic iu, Ende vragedem, waer hi voere nu. Hi zeide, hi voer ombe vrede ende soene 31280 Van koninck Arturs wegen an die baroene So lange, dat die Sennen, twaren, Uten lande verdreven waren. Doen hi dit hoerde, was hi blyde Ende dankedes Gode sere, tien tyden; 31285 Doe vragedi waer hi ierst soude varen: “TAronsteel in Scotlant”, zeide hi, “twaren, Ende oec soudic iu gerne bidden mede, Dat gy nu woudet senden, ter stede, Enen bode an den koninck, dien men heet 31290 Metten hondert riddren, dat hi gereet In Onser Vrouwen dage kome daer ic sy, In September, tAronsteel te my, Ende dat hi des niet en late, ter stede, Want ic ende al die prinsen mede 31295 Sullen daer sijn”. Doe zeide die borchgrave: “Iu boetscap sal ic wel doen hier ave, Want ic sal morgen senden daer”. Aldus spraken si onder hem naer, So lange dat slapetijt was; 31300 Doe ginc men slapen scier nadas, Ende sliepen daer toten morgen vroe; Doent dach was stondensi op doe Ende namen oerlof an die waren daer, Ende reden henen also naer. 31305 Ende doe hi van daer gesceden was, Sende die borchgrave nadas Enen knape, die dade verstaen Den koninck metten hondert riddren saen, Datten die koninck Lot groete seer, 31310 Ende zeide hem voert no min no meer Als hem die boetscap was geladen. Die koninck ontfincne wel met staden, Ende zeide, hi soude gerne komen Ombe koninck Lots wille, hebbic vernomen, 31315 Want hi haddene lief, sijt seker das; Entie koninck Lot, die gesceden was Van den borchgrave ende wechreet mede, Ende alle syne vier kinder, ter stede, So lange redensi sekerlike 31320 Datsi quamen bi Cambenike; Daer hoerdensi een groet gekrijt Ende groet geroep, tier tijt, Ende si sagen sulc vier daernaer Ochte tlant ombe al ontsteken waer, 31325 Ende en was geen wonder al riepensi soe, Want tien dusent Sennen hadden hem doe Genomen al datsi hadden ter stede, Ende tlant verbernt daertoe mede, Ende hadden vele liede gevaen; 31330 Die hertoge was oec, sonder waen, Wtgetogen met drie dusent man, Ende hadde hem lange gestreden an; Maer int inde was hi sconfiert doe Ende van den velde gejaget toe; 31335 Des hi so erre was, ter stede, Dat hi verwoeden meende mede; Ende doe die koninck Lot so na quam, Dat hi die Sennen daer vernam, Bant hi sinen helm, ende sine kinder mede, 31340 Ende reden tener brucgen ter stede, Daer die hertoge al vliende street. Dit was den koninck Lot herde leet, Dat hine aldus tachter sach; Des sloech hi in, al dat hi mach, 31345 Ende reet met crachte over die brucge daer Met sinen kindren, wet vorwaer, Maer sine lieten hem niet kennen nu; Ende doese dhertoge sach, secgic iu, Datsi optie Sennen oec streden, 31350 Ende hise niet en kende ter steden; Doe hielt hi stille, ende zeide: “God, Here! Waerombe en berady my niet mere, Want ic ben gesconfiert, dat en sy Dat Gy iu genade toget an my; 31355 Ende bandersyde al dat goet mede 350 Dat wy hebben, voerdensi met hem, ter stede Ende dit was al onse rijcheit te hant, Die ons was bleven in onse lant”. Doen hi dus Gode sine bede dede, 31360 Sach hi waer vijf ridder ter stede In die Sennen vergadert waren; Doe riep hi op sine liede daernare Datsi wederkeren omtrent, Want God hevet hem soccoers gesent. 31365 Doense dhertoge vergadert hadde daer, Voer hi hem thelpene naer, Daer die vijf ridder wrachten wonder, Dat nieman van den Sennen bysonder Ontbeiden en dorste, so groet waren 31370 Haer slage, die si sloegen, twaren, Wantsi dodent al dat vor hem was; Ende dhertoge quam an hem nadas Met sinen lieden vergadert daer; Doe wart die strijt groet ende swaer, 31375 Maer en hadden die ses gesellen gedaen Dhertoge en hadde niet mogen staen, Enter Kerstene maer driedusent was Enter Heidene tiendusent, sijt seker das; Ende in den strijt, daer si dus waren, 31380 Quamen opten hertoge gevaren Die koninck Dodales ende Orientes, Ende Moydas ende Brandales; Dese vier opten hertoge staken Tenemale, dat hoer spere braken, 31385 Ende dene stac dat ors dor den bueck weder Dat metten hertoge doet viel neder; Daer wart die dranc so groet saen, Dat dhertoge wart gevaen, Ende voerdene enwech. Doe dit vernam 31390 Die koninck Lot, wart hi herde gram, Ende sine kinder, ende reden derwaert; Heer Gawyn warp sinen scilt ter vaert Ter aerden, ende nam sijn swaert Caliburnuse, dat hi hadde waert, 31395 Met beiden handen, ende sloech Moydas Toten tanden toe, sijt seker das, Ende Brandales sloech hi mede Den arm af, aldaer ter stede, Entiegene vloe doen in dat heer, 31400 Bytende ende morrende als een beer; Ende Gaheries sloech Orientes Dat hovet af, ende si daden nades Sovele, dat dhertoge was daer Bescut van hemlieden naer. 31405 Ende heer Gawyn gaf Dodales enen slach, Dat men hem lever ende longer sach, Ende als die Sennen sagen daernare, Dat haer heren alle doet waren, Vloensi, wat si mochten, daer, 31410 Entie Kerstene volgeden hem naer, Ende sloegenre sovele doet nu, Dat wonder waer te secgene iu. Doe die strijt was al gedaen, Quam die hertoge ten koninck Lot saen 31415 Ende bat hem vriendelic, dat hi naer Hem zeide, wie hi waer. Doe zeide die koninck Lot: “Mijns namen in loechende noit, weet God, Ende gy zoudet my te rechte welkinnen 31420 Want in herde menegen sinnen Hebbewy gehat quaet ende goet tsamen: Coninck Lot heet men my by namen, Entese vier ridder, die hier staen, Sijn mine kinder, sonder waen”. 31425 Doe was dhertoge utermaten blyde Ende hi helsedene vriendelic tien tyden, Ende festeerdese utermaten seer, Ende dankede ende lovede Onsen Heer, Dat hi hem sulc soccoers hadde gesent, 31430 “Want en waerdy niet komen omtrent Met uwen kindren, ic waer ter stede Doet bleven, ende al mijn volc mede; Want gy hebbet hier wonder gewracht Met uwen kindren, die gy hier bracht”. 31435 Dus voeren si sprekende onder hem nadat Tote Cambenic in die stat, Daer si metten vingeren waren gewyset Ende van den lieden sere gepryset, Ende zeiden, datsi geweest hadden saen 31440 Gesconfiert, en haddensi gedaen. Dus redensi onder hem te samen Thent si vor die sale quamen, 351 Daer beettensi, ende Elisier Pijnde hem sere te dienen hier 31445 Heren Gawyne, want hi dade ter stede Sijn paert op, ende ontwapendene mede, Enten koninck Lot, wet vorwaer. Ende al die wyle, datsi stonden daer, Quam Elisiers knape van Minoras, 31450 Den forestier, daer hi gesent was, Ende zeide, dat hise groete seer Ende hem allen dankede van der eer, Die si hem hadden gedaen ter stede, Ende sijn wijf ende sine kinder mede. 31455 Ende hierbinnen was dat eten gereet, Ende men ginc daer eten, God weet. Daer dade dhertoge den heren te gemake Van eten, van drinken, van alre sake, Daer hi hem mede mochte doen ere. 31460 Na den eten vragede dhere Den koninck Lot, hoe sine kinder heten: “Heer hertoge”, zeidi, “ic doe iu dat weten; Die outste, die hetet Gawein, Ende dander, die hetet Agrawein, 31465 Die derde Gaheries, die vierde Garies; Entese jongelinc, sijt seker des, Es eens edelen koninges kint mede, Ende komet dienen, nu ter steden, Gawyne, mynen sone, ombedat hi leren 31470 Wil met hem wapene hanteren”. “So helpe my God!” zeide dhertoge doe, “Dit komet hem van hogen herte toe, Van edeler aert, ende moet hi noch leven. Men sal hem noch prijs geven, 31475 Want hi es vroem ende koene”. Doe vragede dhertoge, na desen doene, Den koninck, hoe dat komet, “dat gy nu Dus hemelyc varet onder iu?” Die koninck Lot zeide: “gy sultet weten: 31480 Gy siet wel, dat die Sennen hebben beseten Al onse lande, wyde ende syde mede, Ende doen ons grote pijnlichede, Ende verderven die Kerstenheit, secgic iu, Ende mochtewy enegen raet hebben nu, 31485 Dat wy se verdreven, dat waer ons goet, Gy wetet wael, ende sijt mede vroet, Dat wy se niet en konnen verdryven mede, Want wy hebbens ons twewerf pijnt gerede, Ende en halp ons niet een twint; 31490 Wat dunket iu best dat men begint? Ic hebbe genomen van desen doene Een perlement van den koninck Clarioene Ende tegen den koninck metten C. ridders met, In Onser Vrouwen dage, dat wet, 31495 In Speltmaent, ende oec mede So sullen komen dan ter stede Alle dander prinsen ombe dat, Tote Aronsteel in die stat, Ende daer nemen enen raet, daer wy 31500 Die Sennen mogen verdriven by”. Doe zeide dhertoge: “by Gode, Here, Ons en lettet negeen dinc mere Dan onse sonden, die wy hebben gedaen An den koninck Artur, sonder waen; 31505 Want sint dat wy tegen hem orlogen, Sijn die Sennen int lant getogen, Ende met minen wille, so sullewy An den koninck Artur versoenen daerby, Ende doen dat wy sculdech sijn nu 31510 Hem te doene, want ic secget iu, Sint dat hi gesacreert koninck es Ende datten die biscop na des, Entie paepscap, ende tgemene volc met, Gekoren hebben, ende oec, dat wet, 31515 Dat die van Bonewic ende van Gaunes Met hem sijn, sone hebben wy des Engene macht, dat wy hem niet Connen gescaden ocht ontsetten iet”. “Hebdy dit gepryset?” zeide die koninck Lot, 31520 “Ja, ic”, zeide hi, “also helpe my God!” - “So salt te hant versoenet sijn zeide hy “Tuscen hem ende iu, ende my, Want ic en heles iu niet ter stede, Ic ben versoent ende sijn vrient mede, 31525 Als die hem vorwaert mesdoet van al, Dat hi my dat mede doen sal”. “Hoe”, zeide dhertoge, “sijdy versoent dan?” “Ja, ic”, zeide hy, by Sente Jan” “Ende hoe es dat daertoe komen?” 31530 Doe ginc hem die koninck Lot nomen Ende zeide hem al die gescienesse daer, Dat hem gesciet was vorwaer, Ende hoe sine kinder van hem gesceden waren, 352 Ende haer moeder gevaen hadde daernare 31535 Ende hoe hi daertoe bedwongen was Van Gawine, sinen sone, sijt seker das, Dat hi wart koninck Arturs man; Ende aldus telde hijt al daeran. Doe spraken si voert sovele daer, 31540 Dat dhertoge gelovede daernaer, Dat hi tAronsteel soude komen; Oec hebbensi an hem vernomen, Dat die vrede vermyddes hem niet blyven sal Van den koninck Artur, groet ende smal. 31545 Doe si lange gesproken hadden daer, Gingen die heren slapen naer, Ende sliepen toten dage toe. Doent dach was, stondensi op alsoe Ende gingen messe horen saen; 31550 Ende doe die messe was gedaen, Zeide die koninck Lot an den hertoge mede: “Dat waer goet, dat wy senden ter stede An koninck Uriens ende an ko. Anguissant, An koninck Ventres ende an ko. Tradeliant, 31555 Ende baden hem van onser wegen tsamen, Datsi in Onser Vrouwen dage quamen In September tAronsteel gereet, Ende dat wy daer sullen sijn, God weet; Ende datsi tegen ons komen, hoe dat gaet”. 31560 Dit dochte den hertoge een goet raet, Ende men nam boden, die waren snel, Die die boetscap daden wel An al die heren, datsi daernaer Alle geloveden te komene daer. 31565 Ende alle dese wile, dat die boden waren Die bodescap te doene, so es gevaren Die koninck Lot met sinen kindren nu Van Cambenic, dat secgic iu; Ende dhertoge voer met hem wtwaert 31570 Den wech, sprekende metter vaert, Ende doe keerdi weder ende ginc hem bereiden Alse den koninck te volgene, sonder beiden, Entie koninck hielt sinen wech na des Rechte den wech te Norgales; 31575 Daer lagensi ene nacht alsoe, Des andren dages stondensi op vroe, Ende reden so lange datsi quamen thant TAronsteel in Scotlant. Daer lagen si doe twe dage tsamen 31580 Eer daer ienege prinsen quamen, Ende daden hem te gemake daer. Doe quamen die prinsen alle naer, Ende gingen te rade daer, ter stede; Ende heer Gawein, die daer was mede, 31485 Sprac dat woert aldaer ter stat, Want des hem sijn vader; die koninck, bat: “Gy heren”, zeide hi, “wy sijn hier gesent Van des koninck Arturs wegen omtrent, Daer wy mede sijn nu ter stede, 31590 Die iu ontbiedet, ende biddet mede, Dat gy sine vrient sult sijn openbaer, Want hi gerne duwe waer, Ende dat gy hem vrede gevet nu Thent te Kerstavende, des biddewy iu, 31595 In der manieren, dat wy die Senen Mochten verdryven onder ons gemene Uten lande; ende gave God ons sege, Dat wyse konden verdriven enwege, Conde men die soene gemaken dan, 31600 Dat gy daerna versoendet dan. Des es gegeven nu ten stonden Dat gewin, datsi van allen sonden Ende van mesdaet sullen fijn Quyte wesen, die daer ten stryde sijn”. 31605 Alle die prinsen hebben wale Vernomen mijnsheren Gawyns tale; Doe vragedensi den koninck Lot sonder beiden, Wat hi tesen dingen zeide? Die koninck Lot zeide: “het en wart nie ere 31610 Meerre doget ontboden van enen here; Wetet wel, dat ics niet en secge daerby Ombedat ic sijn geswoerne man sy; Want also lange als gy hebbet nu, Tegen hem geweest, es dat mesvallen iu, 31615 Entie Sennen en waren oec niet In dat lant komen nembermere iet, Haddewy wael overeen gedragen; Ende oec hebbewy gehat dese plagen Ombe onse sonden, die wy hebben gedaen”. 31620 “Hoe”, zeide die koninck Uriens saen, “Zijdy Arturs man worden nu, So hebdy ontrouwecheit gedaen, secgic iu; 353 Want gy haddet met ons gesworen mede”. Doe zeide die koninck Lot ter stede: 31625 Ic ben niet ongetrouwe, hiermet, Want ic dades mijns ondankes, dat wet, Ende op dien dat icken iu node Meest gescadet meende hebben, by Gode, So dadic hem manscap na datgone, 31630 Ende dat dade my al Gawyn, mijn sone”. Doe telde hi hem sine gescienesse al, Die hem gesciede, groet ende smal. Doe die prinsen verstonden nadas, Hoe dat met hem gevaren was, 31635 Zeidensi, dat hine mochte niet el; Daer waren, die wouden, dat hem gesciet wel Ware, gelijc dat hem gesciet was; Doe spraken si so lange nadas, Datsi te rade worden daer, 31640 Datsi vrede gaven daernaer; Ende Gawyn hevet haer trouwe ontfaen, Vasten vrede thoudene, sonder waen. Doe zeide hi hem den dach daer sciere Te komene in den plein van Salesbiere; 31645 Maer si zeiden hem, als die Sennen waren Gesconfiert, dat hem daernare Die koninck Artur tegen hem dade voert. Doen Heer Gawyn hoerde dese woert, Zeide hi hem allen openbare: 31650 “Gy barone, nu horet hare, Als dat komet, dat gy hem arch wilt doen, Ic sal dan hebben sulc ware soen, Dat hi des te rechte niet met allen Te doene sal hebben met iu allen; 31655 Ende dat dreget hem sulc oec mede, Die noch blyde sal sijn, by myner waerhede, Dat hi sijn gemoede sal verkrygen mogen”. Som die prinsen hierombe lachende togen Van quaetheit meer dan van ander dinc; 31660 Maer van den hondert riddren die koninck Niet en dregede daer ter stat, Hi zeide hi soude komen nadat TAlrehelegen messe, dat daer komet sciere, Met al sijnre macht te Salesbiere; 31665 Daerna zeide elc prinse alsoe. Mettesen namen si orlof doe Ende voeren thoren landewaert, Ende gereiden hem vaste metter vaert Tegent orloge dat komen sal. 31670 Nu swige ic van desen heren al, Ende sal iu voert secgen ter ure Van den koninck Arture. |
[340 ]Van koning Pelles zoon en van koning Otten en van zijn kinderen. Het avontuur zegt, dat koning Pelles 30460 Had een zoon, die niet ridder is, Die oud was wel vijftien jaar, Die mooi was voorwaar; En als zijn vader hem vroeg ter plaatse, Welke tijd hij ridder wilde worden mede; 30465 Toen zei hij: “als een van de beste die er is In de wereld ridder me maakt, zij het gewis; En ook wil ik hem dienen drie jaar Eer hij me ridder maakt voorwaar, Zodat ik genoeg van wapens kan”. 30470 “Zo staat u lang te wachten dan”, Zei de vader. Hij sprak: “ik weet, Ik zal de ridder wel beproeven gereed Aan mijn oom, aan zijn wonden, Die niemand mag genezen ten stonden, 30475 Dan de beste ridder een, Dergelijks vindt men geen, Daar zal ik heengaan dit”. “Neen”, zei koning Pelles, “Dat verstond hij niet een wind, 30480 Hij moet per avonturen komen omtrent En moet zelf naar de Graal vragen, Eer hem daar iemand van zal gewagen, Dat mijn dochter behoedt voorwaar, Die nog maar heeft zeven jaar, 30485 En ook moet worden gewonnen een kind Van de beste ridder, die men vindt; En daar moeten zij drie toe zijn overal, Daar men de heilige Graal winnen zal, En ze moeten zuiver en rein wezen”. 30490 “Heer”, zei dat kind na deze, “Ik wil rijden tot koning Arthurs hof; Men zegt me dat daarvan de meeste lof Ridders zijn van der wereld, dat weet, En daar is ook mijn neef mee, 30495 Heer Gawein, koning Loth’s zoon, zeg ik u, Die de beste ridders is nu Die er in de wereld leeft ter plaatse, Tot hem wil ik varen en dienen mede, Opdat hij dus toestaat; en is hij 30500 Alzo, zoals men zegt mij, Van alle deugden, zonder waan, Dan wil ik van hem wapens ontvangen”. “Lieve zoon”, zei toen koning Pelles, “Alzo menige weg als er tot daar is, 30505 Zo mocht dat niemand nu rijden, Want de Sennen, nu ten tijden, In de wegen liggen overal; En aan de andere zijde, zoals ik u zeggen zal, Is er zo’n grote tweedracht, ter plaatse, 30510 Van de baronnen van de landen mede En koning Arthur, dat ik nu Nimmermeer blij was, zeg ik u, Voor deze keer dat ik u wist gezond”. “Lieve vader”, zei de zoon terstond, 30515 “We zijn allen in de avonturen, We mogen niet eerder de dood verduren Voor de tijd, dat Onze Heer nu Ons gehouden heeft, zeg ik u, En ook zal ik sterven niet 30520 Eer ze komt”. En toen dit ziet De vader, zei hij: “lieve zoon, Ik zie wel, ge wil vertrekken naar datgene Daar ge nu aangekomen bent, En dat is me lief nu ter tijd, 30525 Dat ge naar hem trekt gereed, En aan de andere zijde is het me leed, Dat ge daarheen wil varen nu, Want ik meen nimmer levend te zien u Nu zeg het me”, zei de vader daarnaar 30530 “Wie wil je dat er met u zal varen?” “Heer, ik wil maar een knaap mede, Die me gezelschap houdt ter plaatse; Maar bereidt mijn wapens goed, En een paard sterk en groot”. 30535 Toen zei koning Pelles: “God weet, Hier is tot uw behoefte genoeg bereid”. De volgende dage wilde het kind Langer wachten niet iets, En de vader gaf hem daar 30540 Goede wapens en een paard daarnaar, En een telgaand paard, dat hij reed, En een dappere knaap, God weet; En toen ze beiden gereed waren Namen ze verlof zonder wachten, 30545 En reden alzo weg van daar, Lange tijd, dat ze voorwaar Niemand ontmoeten die hen deed iets. 341 Dus reden ze en lieten niet, En kwamen in het land van Rodestoc mede 30550 In een vallei, daar ze, ter plaatse, Vonden een fontein mooi en diep, Die door de vallei toen liep, En hij heet de bron van de Pijn. Daar lag Pinoras met Malaquyne; 30555 De koningen, en waren daar afgestegen En voeren met vijfhonderd Sennen gereed, Ter stad waart van Clarence nu, Daar dertig koningen lagen, zeg ik u, En deze voerden veertig pakpaarden met spijzen 30560 Goed beladen, naar hun wijze; En ze waren daar op de bron gezeten Van de Pijn en zouden eten, En lieten hun paarden daar weiden gaan, In de schaduw; want, zonder waan, 30565 Dat was heet, wan het was Omtrent middag; en gelijk na dat Dat ze tot het eten waren gezeten daar, Kwam dat kind, en zijn knaap daarnaar, Op hen gereden; toen werd hij bang 30570 En eiste zijn wapens, en ter vaart Wapende hij zich, en zat op zijn paard alzo En hij zei zijn knaap toen, Dat hij voor hem zou rijden, En beval hem, dat hij niet wachtte 30575 Ze hem brengen levend of dood gevangen; Toen ging hij na hem rijden gelijk, En het kind had een scherpe speer, Maar hij had geen schild tot verweer En eer hij iets gereden was, 30580 Hoorden ze zeer roepen na dat De Sennen, en zeiden: “knaap, gij Moet terugkeren, en ook daarbij Ons geven uw paard en uw wapens mede, En ge moet ook komen ter plaatse 30585 Tot mijn heren, die zijn gezeten Onder die Pijn en eten”. Dat kind hoorde ze, maar het reed Altijd voorwaarts gereed, En antwoordde niet meteen; 30590 En toen de Sennen dit zagen, Dat hij zo zeer ging heen rijden Volgden ze hem vast na, te die tijden; En toen de knaap hen zag komen nabij, Keerde hij zich om, en het kind vrij; 30595 En een van de Sennen kwam voor daar, En reed tot het kind waart daarnaar Met een grote speer, zonder waan, En meende het kind af te steken gelijk, Maar hij miste, en het kind reed weer, 30600 En stak hem door het lichaam, zodat hij neer Ter aarde van het paard viel dood. Dat kind trok uit zijn zwaard goed, En reed weer zijn galop gereed; En de Sennen, die het erg leed 30605 Was, dat hij hen zou ontkomen, Ze volgden hem vast na, te die tijden; En het kind voer heen haastig, En bad Onze Heer vriendelijk, Dat Hij hem behoeden moest van de dood, 30610 Van gevangenis en van alle nood. En diegene volgden hem immer toe, Alzo zeer als ze rijden mochten toen, En haalden hem in en staken daar Hun tienen op hem daarnaar; 30615 Die soms misten, en soms raakte zij, En soms braken ze hun speer daarbij, Maar hij stak er daar een onder de keel alzo, Zodat hij ter aarde dood viel toen, En daarna de andere, en ter plaatse 30620 Brak toen zijn speer mede; Toen trok hij zijn zwaard en ging slaan, En versloeg de tien alle tezamen, Want God hielp hem, zij het zeker dat; En toen hij zag dat het hem te veel was, 30625 Sloeg hij zijn paard vast met de sporen, En reed naar zijn knaap, die was voren; Nog volgden ze hem vast mede, En haalden hem in bij de vallei ter plaatse, Daar hij zijn knaap had ingehaald; 30630 En ze riepen: “vast, nu betaal!” En toen Pinoras en Malaquijn zien Hun lieden niet weerkeren meteen, Zijn ze opgestaan alle beide, En volgden met hun lieden mede, 30635 En vonden op de weg daarnaar De doden liggen hier en daar; 342 Toen vroegen ze wie dat had gedaan? Ze zeiden: “die knaap, die hier nu gelijk Voorreed”; “en waar is hij?” zeiden ze toen. 30640 Toen leiden ze hen tot de vallei toe, Daar hij vocht tegen de Sennen nu, Die hem niet konden vangen, zeg ik u. Toen riep Pinoras: “vast, rij aan! Zal ons nu ontgaan een man, 30645 Die ons deze schade heeft gedaan?” Toen sloegen ze met sporen gelijk; Nu moet God hem helpen uit de nood! Begaan ze hem, hij is gevangen of dood, Maar Onze Heer staat altijd bij 30650 Zijn vriend, waar dat hij zij, Die aan Hem gelooft ter ure; Hier zond hem God mooie avontuur, En daarom zegt men, luid en stil, Wie dat God helpen wil, 30655 Hem kan niemand schade een wind; Want, recht zoals nu omtrent, Kwam hem koning Loth te hulp gelijk, Zoals ik u hier zal laten verstaan, Die met Minoras, de boswachter, lag, 30660 Zoals ik u hiervoor deed gewag. De volgende dag was de koning opgestaan En zijn vier kinderen, zonder waan, En wapenden zich, en namen verlof toen Aan de waard en aan de waardin toe 30665 En bedankte hen zeer; en Minoras Reed naar buiten mee een stuk na dat, Met zijn vier zoons mee gereed, Daar hij toen was erg gemint; En de vijf schildknechten reden voor toen, 30670 En hun paarden leiden en droegen toe Hun helmen, schilden en speren, Die Minoras had gegeven de heren. Toen hij een stuk had gereden daar, Liet koning Loth hem keren daarnaar, 30675 En beval hem, dat hij in geen doen Liet, hij sprak koning Clarioen, En zei hem zijn boodschap gereed. Minoras sprak: “ik laat het niet, God weet, Ik zal het erg getrouw doen” 30680 Toen nam verlof die baron En reed thuis waart met zijn kinderen toen; En toen hij thuis kwam, zond hij toe Zijn zoons aan koning Clarioen, Om die boodschap daar te doen, 30685 En ze deden die boodschap alzo daarnaar, Zodat de koning beloofde te komen daar. En toen koning Loth gescheiden was Van Minoras, reed hij na dat Door het bos zolang nu, 30690 Dat het priemtijd was, zeg ik u, Eer hij daaruit kwam; toen kwam hij Op een mooi veld daarbij, Dat tot Rodetock duurde daarnaar; En toen ze voortkwamen, ontmoeten ze daar 30695 Lydonase, de kind knaap, Daar ik hiervoor van hield spraak, Die tegen de Sennen vocht en streed; Nu brachten deze tegen hem gereed Het kind zijn wagen en zijn ros mede, 30700 En weende jammerlijk ter plaatse, En zei: “Maria, edele Vrouw, Help ons nu uit deze rouw!” Dit riep hij erg vaak daar, En sloeg zijn handen tezamen daarnaar; 30705 En koning Loth en zijn kinderen mede Worden het dus gewaar ter plaatse, En hen ontfermde dus zeer toen; En Acgravein reed voort alzo Tot de knaap en vroeg hem daar, 30710 Waarom hij maakte zo’n misbaar? Hij zei: “heer, ik ween dus zeer Om een van de schoonste jonkheren, Die er in de wereld leeft, God weet, Die nu de kwade Sennen gereed gelijk 30715 In die vallei hebben bestaan, En, God help hem, ze zullen hem Gedood hebben!” - Toen vroeg hij daarnaar, Acgravein, waarheen hij op weg waar? “Heer, te Arthurs hof waart, ter plaatse, 30720 Om heer Gawein te dienen mede”, Daar men veel deugden van heeft gezegd, En alzo als dat hij wil, in de waarheid, Dat niemand hem ridder maakt nu Dan mijnheer Gawein, dat zeg ik u. 343 30725 En toen riep hij weer: “ach, arme heer! Ik weet wel, ik zie hem nimmermeer!” Toen vroeg Acgravein hem daarnaar, Uit welk land hij geboren waar? Hij zei, Lidonas, na datgene, 30730 Hij is koning Pelles zoon Van Listonois. Toen zei Acgravein: “Hoor, lieve broeder, heer Gawein, Welke mooie avonturen wachten op u!” “Ik heb het wel verstaan”, zei hij nu. 30735 Toen bonden ze hun helmen daarnaar En zaten op hun paarden daar; Toen Lidonas dat zag, vroeg hij, Wie ze waren. Toen zeiden zij, Dat ze van Arthurs mannen waren, 30740 Hij zei, Lidonas, te waren: “Zo wil ik niet verder rijden, Ik zal zo lang eerst wachten, Dat ik zal zien hoe dat vergaat”. “Zo doe”, zei koning Loth gereed, 30745 “Maar vaar buiten de wegen te houden gelijk Tot ge ziet, hoe dat zal vergaan”. De knaap zei: “ik zal het doen alzo”. En binnendien dat ze spraken, toen Zagen zij het kind komen gevlogen, 30750 En zijn zwaard geheel bloed hebben doen In zijn hand; en hem volgden daarnaar Wel tweehonderd Sennen, die hem jaagden daar; En hij keerde ondertussen alzo En die hij dan raakte toen, 30755 Die sloeg hij, zodat geen wapens Helpen mochten daar in schijn; En toen hij een stuk dan was gereden, Bleef hij zich weer ophouden ter plaatse, En sloeg op hen. Dus leidde hij ze tezamen 30760 Totdat ze op koning Loth kwamen; En toen deze vijf hem komen zag Geheel gewapend, riep hij, al dat hij mag: “Door God, gij heren, help mij, Ge ziet wel, dat het dus grote nood zij, 30765 En laat u me ontfermen mede!” - “Ge hebt geen nood”, zeiden ze ter plaatse Toen sloegen ze in, en Acgravein Sloeg er daar een zo op het plein Door het schild en door harnas mede, 30770 Zodat hij dood viel daar ter plaatse; En Garies stak er een door het lichaam, Zodat hij dood viel in de duivels naam; Ene koning Loth zei tot Guheries En tot Gawein: “haast u na dit, 30775 Ziet, waar beide uw broeders zijn In de strijd”. Toen zei het jonkertje: “Heer, wie bent ge, die helpt mij, En deze heren, die u staan bij?” “Ik ben het, koning Loth”, zei hij ginder, 30780 En deze vier zijn mijn kinderen, En ziet daar diegenen, die ge zoekt nu, Om te dienen en ridder te maken u”. Dus was die jonkheer erg blij, En legde zijn hand tezamen te die tijd, 30785 En bedankte God zeer, te die stonden, Dat hij heer Gawein had gevonden. Toen vroeg hij, hoe zij het wisten, daarnaar “Dat ik Gawein te zoeken vaar?” “Ik weet wel”, zei hij, en te die tijd 30790 Sloeg hij voorwaarts in de strijd, En de jonkheer volgde hem daarnaar, En elk stak er een dood aldaar. Toen koning Loth, en zijn kinderen mede, Hun speren gebroken hadden ter plaatse, 30795 Trokken ze hun zwaard, en streden daar Als los gemaakte leeuwen, weet voorwaar; En de jonkheer volgde immer toe, En mijnheer Gawein had getrokken toen Caliburnus, daar hij mee sloeg voort, 30800 En maakte onder de Sennen grote moord; En Guheries met Acgravein Hadden gejaagd twintig Sennen Zo ver, zodat ze kwamen na dat Op koning Pinoras, 30805 Die met honderd Sennen kwam daar; En toen hij vernam openbaar, Dat er maar twee waren, toen reed hij Op hen met zijn lieden, en zij Reden weer in hen alzo, 30810 En sloegen dood twee Sennen toen. Doen omringden tien Sennen daar Acgravein, en sloegen daarnaar Alle op hem, zodat ze hem mede 344 Ter aarde brachten daar ter plaatse; 30815 En Guheries omringden daar Tien andere Sennen, weet voorwaar, Maar hij hielp Acgravein zo zeer, Die daar nu te voet stond die heer, Die zich verweerde met het zwaard toen, 30820 Zodat er niemand bij hem kwam daartoe, Hij sloeg, zodat hij neer viel daar. Toen kwam mijnheer Gawein daarnaar, En sloeg zulke vreselijke slagen mede, Dat niemand zo koen was ter plaatse 30825 Dat ze op zijn slagen durfden te wachten; En het kind, dat mee wilde strijden, Van hem sloeg zulke slagen, goed bezorgd Dat elke mens zich helpen mocht. Toen gebeurde dat mijnheer Gawein 30830 Daar ontmoette Malaquyn, Die een van de beste ridders was mede, Die men wist te enige plaats; En hij hield boven Acgravein gelijk En had hem graag daar gevangen, 30835 En heer Gawein sloeg hem op de helm toen En kloofde hem tot de tanden toe. Toen dat de jonkheer zag ter plaats, Zegende hij de arm mede, Die zo’n slag slaan kon; 30840 Toen nam hij het paard terzelfder stonde En gaf dat zijn broeder Acgravein Die daarop sprong, zonder pijn, En reed met zijn broeder in de strijd; En Pinoras, dus zeker zij, 30845 Was nu in droefheden erg groot Om zijn broeder, die was dood; Hij nam de bijl met beide handen, En sloeg koning Loth gelijk Op zijn helm, zodat hij hem neerstorten deed, 30850 Daarna sloeg hij Guheries mede, Zodat hij ook ter aarde lag; Toen dit mijnheer Gawein zag, Was hij zo boos om deze dingen, Zodat hij verwoedde wilde bijzonderling, 30855 En reed op Pinoras en sloeg hem daar Door het schild en op de schouder voorwaar Zodat hij hem doorsloeg tot de gordel toe, En hij viel dood, en de jonkheer nam toen Dat paard en bracht het Guheries gelijk, 30860 Die daarop sprong, zonder waan; En toen nam hij dat paard na dat, Daar koning Loth van afgestoken was, En gaf hem dat weer daarnaar, Die daar snel op zat. Toen reden ze daar 30865 Onder de Sennen in de hoop, En kwetsten er veel, en sloegen ze dood; En de Sennen waren in zo’n vrees Om hun heren die dood waren, voor deze, Zodat ze zich niet meer verweerden daar, 30870 En gingen alle vlieden daarnaar; En Wandalis, hun drost, riep toen Waarom dat ze vlieden alzo? “Wreek beide uw heren aan die smeerlap! Hier zijn er maar zes, in deze doen, 30875 En van de uwe zijn er nog vierhonderd ter uren; Foei, dat ge ze voor u laat duren Aldus lang; dus mag zich u Schamen!” - Aldus lieten ze zich keren nu; Maar heer Gawein ging slaan in hen toen 30880 Zo vreselijk, zodat hij daar alzo Meer dan zeven in die ontmoeting Dood sloeg en wierp onder de voet. En toen de Sennen dit zagen, Dat men ze doodde en zo gingen jagen, 30885 Vlogen ze in het bos, de ene hier en de ander daar, Daar wachtte niemand op de andere voorwaar, Ze vermaledijde daar mede, Dat ze hen ontmoetten ter plaatse, Want dat waren geen lieden dat, 30890 Dat waren “duivels”, meenden ze beter, “Uit de hel, die ons slaan nu, Want er zijn er maar zes, zeg ik u; Dit gebeurt door niemand meer, Daarom zijn het duivels, die ons slaan zeer; 30895 Ze mogen van mensen niet zijn Gewonnen of geboren, in schijn, Want geen aardse mens mocht dat doen”. Dit zeiden ze onder hen, toen ze vlogen. Dus verdreef ze heer Gawein daar, 30900 En ze eindigden ook niet voorwaar, Voordat ze in dat leger allen kwamen Te Clarence, daar dat lag tezamen 345 En vertelden hem, hoe grote schade Dat hen de zes ridder nu deden, 30905 Want ze hadden hun twee koningen gedood En hun drost mede in de nood, En menige andere ridder mee, “Wij weten het getal niet, dat weet”. En toe dit hoorde Hargodabrant, 30910 Werd hij zo boos daar gelijk, Dat hij wel uitzinnig was daarnaar, Want ze beide zijn verwanten waren; Hij vermaledijde het uur te samen, Dat ze in dat land kwamen, 30915 Want ze hadden alzo grote schade ontvangen. Hier zwijg ik nu van hen samen, En zal spreken van koning Loth, Die nu blijde was, weet God, En zijn kinderen mede, te waren, 30920 Dat die Sennen geschoffeerd waren, En ze de jonkheer hadden verlost Van de Sennen, en getroost. Toen gingen ze tot de pakpaarden daarnaar, Die de Sennen gebracht hadden daar, 30925 Die ze te Clarence waart meenden te doen mede; Hebben gevoerd. Nu vroeg alzo Koning Loth, wat men daarmee doen zal Toen zei heer Gawein daar ter plaatse: “Men zendt deze te Minoras, onze waard, 30930 Want hij is het erg wel waard, Hij ontving ons goed en bediende mede, En het is wel besteed nu ter plaatse, En beter is dat hij ze heeft, te waren, Dan dat ze hier verloren waren”. 30935 “Bij God”, zei koning Loth ter uren, “Ge zeg het goed; wie zal het naar hem voeren?” De jonkheer zei: “heer” na dat, “Mijn knaap zal ze voeren, Lidonas, En een van uw knapen mede”. 30940 Toen beval men hen twee ter plaatse De boodschap te doen, en dat zij De weg weer vervolgden daarbij Te Rodestock; ze zeiden daarnaar, Ze zouden hen volgen; en aldaar 30945 Voerden ze de pakpaarden allen ter plaats; Want de knapen leidden ze mede Te Minoras waart met veertig paarden groot Die ze daarheen dreven, met grote spoed, De ene aan de ander gekoppeld daar. 30950 Toen ze te Minoras kwamen daarnaar, Waren ze erg goed ontvangen; Minoras was blij, zonder waan, Van deze presentie, van deze eer, En bedankte de heren erg zeer; 30955 En de knapen volgden gelijk Hun heren en keerden, zonder waan, Te Rodestoc waart, zo ze het beste konden, Daar koning Loth, dezelfde stonden, En zijn kinderen voor nu waren; 30960 En onderweg, daar ze dus varen, Vroegen ze de jonkheer, wie hij is, En waarvan geboren, zij het zeker dit; Die jongeling zei: “ik ben geheten Elisier, heer, wil ge dat weten, 30965 En mijn vader, zij het zeker dit, Is geheten koning Pelles Van Listenois; ook ben ik mee Koning Aleins neef, dat weet, Van het buitenland, ter plaatse, 30970 En koning Pellinors ook mede, Die twaalf zoons heeft schoon, Die dapper zijn en koen, Daar de ene van is in koning Arthurs hof, Om te verdienen daar om lof, 30975 En omdat hij wapens zou ontvangen; Dit zijn mijn neven, zonder waan, En ik ga te koning Arthurs hof waart, Om heer Gawein te zoeken ter vaart, En om hem te dienen mede, 30980 En, Goddank, ik heb hem gevonden, ter plaatse, Eerder dan ik meende te hebben gedaan; En wil hij me nu houden gelijk In die manieren, dat hij me zal maken Ridder, als ik hem vermanen zal de zaken, 30985 Dan blijf ik met hem en dien hem nu”. Heer Gawein zei: “lieve kind, ik zeg het u, Ge bent me erg welkom mede, En ik hou u graag, ter plaatse, Op deze manieren, weet voorwaar”. 30990 Aldus reden ze en spraken daar Tot in de nacht, zodat ze vonden Geen huis of hof te die stonden, Dan een bos, wijdt en groot; 346 Daar reden ze in met grote spoed, 30995 En omtrent middernacht vonden zij Een kluis en een kluizenaar vrij, En ze klopten voor zijn poort daar, Zodat men ze inliet daarnaar; En toen ze waren ingekomen, 31000 Gingen ze hun paarden verzorgen, En deden hen de zadels af toen, En lieten ze gaan weiden alzo In dat gras, dus genoeg daar was; Daar was geen ander bed, zij het zeker dat. 31005 Toen gingen ze eten en, door die nood, Moesten ze daar eten bronwater en brood, Want de heremiet had anders niet; Daarnaar gingen ze slapen, ziet, En sliepen allen vast hier, 31010 Uitgezonderd heer Gawein en Elisier, Deze sliepen niet ter plaatse. Toen hoorden ze jammerlijk klagen mede Van een ridder en een vrouw, Die daarvoor gingen met rouw, 31015 De heer Gawein ontfermde zich mee; Hij zei toen te leggen op zijn Gringalet Zijn zadel, en Elisier deed het gereed, En bracht hem het paard voor hem geleid; En heer Gawein was gewapend wel, 31020 En zat op dat paard snel En reed weg; en Elisier Reed hem na dapper hier. Toen kwamen ze in een vallei alzo, Die een halve mijl duurde toen; 31025 Daar hoorde Gawein grote klagen en gekrijs En dat klagen was aldus ter tijd: “God, Heer! door uw grote ontferming, Waar heb ik dit verdriet aan verdiend mede, Dat men mij doet?” - En bad God daar, 31030 Dat Hij hem de dood geeft daarnaar, “Want ik was vrij liever dood Dan te leven in deze nood”. Dit was een ridder geheel naakt mede, Uitgezonderd een broek had hij aan ter plaatse, 31035 En vijf pooiers sloegen hem daar Met harde riemen, weet voorwaar, Zodat hem dat bloed van de rug neer liep. En aan de andere zijde een jonkvrouw riep Luid en ontfermend van die: 31040 “Ach, onzalige, wat zal u geschieden? Sint Maria, edele Vrouw, help mij! Eerder liet ik me doden, eer ik toesta u, Zodat ge bij me zou liggen ter plaatse”. En toen heer Gawein dit hoorde mede, 31045 Wist hij wel, dat ze in grote nood was. Hij wist niet te welke zijde, na dat: Hem ontfermde de ridder zeer, Die jonkvrouw ontfermde hem nog meer, Dat ze nu verkracht zou wezen, 31050 Ze had hulp; toen hij dacht van deze, En dacht dat het beter was, Dat hij de jonkvrouw behoedde eer; Toen volgde hij de jonkvrouw, wat hij kan, Die immer toen riep voortaan: 31055 “Sint Maria, koningin, behoed mij!” - En toen heer Gawein hen kwam nabij, Zag hij, dat een pooier had daar De jonkvrouw gelegd daarnaar Op de aarde, en sloeg haar daar gelijk 31060 Zeer met zijn gewapende hand; Ze krijste, en zei: “ge mag mij Doden, ander ding krijg je niet daarbij”. En omdat zo nam hij haar daarnaar, En sleepte haar en trok haar bij het haar, 31065 Zodat er dus veel van bleef in zijn hand; En mijnheer Gawein kwam toen gerent, En riep luid: “heer pooier, Vertrouw uw wil blijft achter hier”. Toen zag diegene naar achter waart, 31070 En riep die met hem waren, ter vaart, Dat ze de ridder weren mede. Daar reden hun zes tegen hem ter plaatse, En zei: “heer ridder, wat is het nu? Hebben wij enige hoede tegen u?” 31075 “Ja, gij”, zei toen heer Gawein, “Want ik wil de jonkvrouw fijn Helpen tegen wie dat is nu, En ik ontzeg het hem en u”. Toen doorbrak hij diegene daarnaar, 31080 En stak in diegene, weet voorwaar, Door het lichaam, zodat hij viel dood; Toen kwamen diegene met een hoop Op heer Gawein gereden alzo, En staken alle op hem toen; 31085 En heer Gawein had het zwaard getrokken, 347 En sloeg de eerste, ongelogen, Een slag op dat hoofd boven, Zodat hij hem tot de kinnebak heeft gekloven, En de andere de arm af mede, 31090 En de derde dat hoofd ter plaatse, En de vierde ook alzo, En de vijfde sloeg hij tot de hals toe, En de rest vloog al dat hij mag. Toen heer Gawein dat zag, 31095 Voer hij tot de jonkvrouw, zonder wachten, En zette haar voor hem in de zadel; En diegene die daar ontkwam, Kwam tot zijn gezellen toen, Die lagen en sliepen en rusten hen daar; 31100 Toen riep diegene vast daarnaar: “Gij ridders, slaapt gij? Wat gaat u aan? Hier heeft een ridder Sorbitane Dood geslagen, en onze gezellen mede, En die vrouw behoed; volgen we hem ter plaatse”. 31105 Toen ze dit hoorden, waren zij Erg boos, en volgden hem daarbij Wat ze mochten, weet voorwaar, En binnen deze dit was daar, Dat Gawein de jonkvrouw behoedde mede 31110 Was Elisier gevaren ter plaatse, Daar de zes pooiers de heer, De ridder, hadden geslagen zo zeer, Zodat hij niet op de benen kon staan, En was ter aarde gevallen gelijk, 31115 En kon spreken niet een woord; Toen Elisier dit zag en hoorde, Riep hij: “hoerenkinderen, wat doe je nu De edele man? wat heeft hij u Misdaan, dat ge hem dus pijnigt?” 31120 Toen diegene hoorden spreken omtrent, Vroegen zei: “wat gaat u dus aan? Wij laten het door u niet dan”. “Neen”, zei Elisier, “dat zal ik u beproeven”. Hij had een speer naar zijn behoeven 31125 In zijn hand, en sloeg daarnaar Zijn paard met sporen, en stak daar De ene van de zes dood, De andere gaf hij een slag zo groot, Zodat hij dood viel ook meteen; 31130 Toen gingen de andere boeven vlieden, De ene hier en de andere daar In dat dikke woud daarnaar. Dus verloor hij ze, hij wist niet waar. Toen kwam hij bij de ridder en liet hem daar 31135 Achter hem zitten, die blij was; Toen reed Elisier om te zoeken na dat Heer Gawein; maar hij heeft niet Ver gereden, daar hij hem ziet Vechten tegen dertig ridders mee; 31140 En hij had de jonkvrouw neer gezet, En de ridders liepen hem op zeer; Toen Elisier zag zijn heer Aldus vechten, liet hij de ridder daarnaar Afzetten, en reed op diegene daar 31145 Met zijn speer, die nog toen heel was, En stak daar een zo, zij het zeker dat, Zodat hij dood ter aarde viel; Daarna raakte hij een andere zo wel Door de keel, zodat men dat ijzer zag bloot 31150 Aan de andere zijden, en hij viel dood. Maar heer Gawein had gehouwen zo En geslagen, zodat hij er daar toen Zeven gedood had; en Elisier mede Trok zijn zwaard uit zijn schede, 31155 Want zijn speer gebroken was; Hij ging nu slaan in de groep, En kloofde een daar zijn hoofd, Tot de tanden toe, dus geloof het; En toen mijnheer Gawein zag toen, 31160 Dat hem Elisier hielp alzo, Sloeg hij vreselijk in hen daar, En zei: “gezegend moet u zijn voorwaar, Want mag u leven, ik zie wel dan, Dat u wordt een goede man”. 31165 Aldus vochten ze beide toen, En sloegen alles dood, dat hen kwam toe, Zodat er maar vier ontkwamen daar In het woud, dat dik was voorwaar. Daarna liet Elisier de ridder kleden aan, 31170 Die hij daar nam van een dode man, En bracht hem een paard, en mede Ook de jonkvrouw, en liet ze ter plaatse Daarop zitten, en voeren alle vier, ter vaart, 348 Recht voort tot de heremiet waart; 31175 En heer Gawein vroeg daarnaar De jonkvrouw, wie ze waar? Ze zei, ze was zuster van de jonkvrouw Van Rodestock, bij haar trouw, “En deze ridder is mijn neef mede, 31180 “En gisteren avond kwamen we beide Van een bos, dat we hebben nu Dat Taverges heet, zeg ik u, En zouden te Rodestoc waart rijden, En de nacht kwam ons aan, te die tijden, 31185 En we verdwaalden daar, God weet, En kwamen daar deze verraders gereed Waren, en zouden gaan eten toen; En toen ze ons zagen, liepen ze op ons toe; En mijn neef had geen wapens aan 31190 En daar men aldus op ons rende, Sloeg hij er van hun een dood; Daarom deden ze hem pijn groot En vingen en ontkleden mede, En geselde op menige plaats; 31195 En toen ze mij verkrachten wilden, Liet hij hen het niet doen zonder vrees, Hij sloeg hen met de vuisten daar; Welke pijn ze hem deden, weet voorwaar, Hij hielp mij zo hij het beste kon, 31200 Toen namen ze zes ter stonde En leiden en sloegen hem alzo Zoals ge wel zag beide toe. Nu bid ik u, heer, dat ge zegt mij, Wie ge bent en wat ge zocht hierbij?” 31205 Heer Gawein zei: “jonkvrouw”, na dit, Wij zijn uit het land van Londen, En varen om een nut nu, Die niet te zeggen is, zeg ik u”. Dus reden ze zolang, zodat ze kwamen 31210 Tot de heremiet zijn huis, daar ze tezamen Hun gezellen vonden slapen nog toen; Toen zetten ze daar neer alzo, En deden de paarden de breidel af, En Elisier hen gras genoeg gaf, 31215 Want dat daarbinnen genoeg van was mede; Toen gingen ze alle slapen ter plaatse, En lagen tot de dag toe. Koning Loth, hij riep de eerste keer toen Garies, dat hij opstond daarnaar; 31220 Toen zag de koning liggen daar Een jonkvrouw en een ridder mede Tussen Gawein en Elisier ter plaatse, Die vast lagen en sliepen nu; Dus verwonderde het hem zeer, zeg ik u; 31225 Toen riep hij heer Gawein gelijk: “Lieve zoon”, zei hij, “ge zal opstaan, Dat is laat op de dag, zeg ik u”. En de ridder en de jonkvrouw zijn nu Opgesprongen, en stonden op aldaar, 31230 En koning Loth vroeg daarnaar, Waarvan dat ze gekomen waren: “Heer”, zeiden ze, “we weten het niet te waren, Maar zij twee hebben ons behoed mede, En brachten ons alhier ter plaatse, 31235 Daar men ons wilde nemen het leven, Die God dat hemelrijk moet geven, Omdat ze ons zo goed bijstonden”. “Welke waren ze”, vroeg hij terstond, Die u behoeden?” Toen zeiden ze gelijk: 31240 “Heer, deze twee, die hier staan”. Toen vroeg hij hen daar allemaal, Van taal en van antwoord, iets, Hoe die dingen waren geschied. Toen vertelden ze dat alles, en niets lieten 31245 Van het begin, hoe dat kwam toe. Daarna zaten ze op allen toen, En reden te Rodestock te samen; En toen ze daar kwamen, Toen zagen ze die stad met erwondering aan, 31250 Omdat ze mooi was van gedaante; Toen leidde de ridder ze, die gevangen was, Tot het kasteel waart allen na dat, Daar men ze nu in heeft gelaten; Daar worden ze ontvangen goed uitermate, 31255 En de zuster rende op de vrouw toe Ik weet niet wat, en daarna toen Deed hen die vrouw grote feesten daar; En de burchtgraaf kwam ook daarnaar, En zei ze welkom, en leidde ze gelijk 31260 In een kamer, daar ze af hebben gedaan Hun wapens, en daarna mede Ging men eten daar ter plaatse; Daar werd hen erg goed bediend, Gelijk dat een doet zijn vriend; 31265 Want de jonkvrouw liet verstaan 349 De burchtgraaf en haar zuster samen Al haar stukken, en hoe men haar had gevangen, En hoe ze van hen behoed waren gelijk. Om dit deed men hen een grote eer, 31270 En bedienden hen ook veel meer. De burchtgraaf vroeg daarnaar Aan koning Loth, wie hij waar? Toen zei hij: “heer, ik ben Loth, de koning Van Orkney, in ware ding 31275 Zijn deze mijn vier kinderen mede”. Toen sprong de burchtgraaf op, ter plaatse, En deed een grote feest, zeg ik u, En vroeg hem, waarheen hij voer nu. Hij zei, hij voer om vrede en verzoening 31280 Vanwege koning Arthurs aan de baronnen Zolang, dat de Sennen, te waren, Uit het land verdreven waren. Toen hij dit hoorde, was hij blij En bedankte God zeer, te die tijden; 31285 Toen vroeg hij waar hij eerst zou varen: “Te Aronsteel in Schotland”, zei hij, “te waren, En ook zou ik u graag bidden mede, Dat ge nu wil zenden, ter plaatse, Een bode aan de koning, die men heet 31290 Met de honderd ridders, dat hij gereed Op Onze Vrouwen dag komt daar ik ben, In september, te Aronsteel tot mij, En dat hij het dus niet laat, ter plaatse, Want ik en alle prinsen mede 31295 Zullen daar zijn”. Toen zei de burchtgraaf: “Uw boodschap zal ik wel doen hier van, Want ik zal morgen zenden daar”. Aldus spraken ze onder hen daarnaar, Zolang dat het slaaptijd was; 31300 Toen ging men slapen snel na dat, En sliepen daar tot de morgen vroeg; Toen het dag was stonden ze op toen En namen verlof aan die waren daar, En reden heen alzo daarnaar. 31305 En toen hij van daar gescheiden was, Zond de burchtgraaf na dat Een knaap, die liet verstaan De koning met de honderd ridders gelijk, Dat hem koning Loth groette zeer, 31310 En zei hem voort min of meer Zoals hem die boodschap was gedaan. De koning ontving hem wel met stade, En zei, hij zou graag komen Vanwege koning Loth, heb ik vernomen, 31315 Want hij had hem lief, zij het zeker dat; En koning Loth, die gegaan was Van de burchtgraaf en weg reed mede, En al zijn vier kinderen, ter plaatse, Zolang reden ze zekerlijk 31320 Zodat ze kwamen bij Cambenic; Daar hoorden ze een groot gekrijs En groot geroep, te die tijd, En ze zagen zulk vuur daarnaar Of het land alom ontstoken waar, 31325 En het was geen wonder al riepen ze zo, Want tienduizend Sennen hadden ze toen Genomen alles dat ze hadden ter plaatse, En het land verbrand daartoe mede, En hadden veel lieden gevangen; 31330 Die hertog was ook, zonder waan, Uitgetrokken met drie duizend man, En had hen lang gestreden aan; Maar op het einde was hij geschoffeerd toen En van het veld gejaagd toe; 31335 Dus hij zo boos was, ter plaatse, Dat hij verwoedde meende mede; En toen koning Loth zo erna kwam, Zodat hij de Sennen daar vernam, Bond hij zijn helm, en zijn kinderen mede, 31340 En reden tot een brug ter plaatse, Daar de hertog al vliedende streed. Dit was koning Loth erg leed, Dat hij hem aldus ten achter zag; Dus sloeg hij in, alles dat hij mag, 31345 En reed met kracht over de brug daar Met zijn kinderen, weet voorwaar, Maar ze lieten zich niet herkennen nu; En toen de hertog ze zag, zeg ik u, Dat ze op de Sennen ook streden, 31350 En hij ze niet herkende ter plaatse; Toen hield hij stil, en zei: “God, Heer! Waarom beraad ge me niet meer, Want ik ben geschoffeerd, dat tenzij Dat Gij uw genade toont aan mij; 31355 En aan de andere zijde al dat goed mede 350 Dat we hebben, voeren ze met hen, ter plaatse En dit was al onze rijkheid gelijk, Die ons was gebleven in ons land”. Toen hij dus God zijn bede deed, 31360 Zag hij waar vijf ridder ter plaatse In de Sennen verzameld waren; Toen riep hij op zijn lieden daarnaar Dat ze teruggingen omtrent, Want God heeft hen hulp gezonden. 31365 Toen de hertog ze verzameld had daar, Voer hij hen te helpen daarnaar, Daar de vijf ridders wrochten wonder, Dat niemand van de Sennen bijzonder Op wachten durfde, zo groot waren 31370 Hun slagen, die ze sloegen, te waren, Want ze doden alles dat voor hen was; En de hertog kwam aan hen na dat Met zijn lieden verzameld daar; Toen werd de strijd groot en zwaar, 31375 Maar hadden de zes gezellen niet gedaan De hertog had het niet mogen weerstaan, En van de christenen er maar drieduizend wrens En van de heidenen tienduizend, zij het zeker dat; En in de strijd, daar ze dus waren, 31380 Kwamen op de hertog gevaren Koning Dodales en Orientes, En Moydas en Brandales; Deze vier op de hertog staken Te ene maal, zodat hun speren braken, 31385 En de ene stak dat paard door de buik weer Zodat het met de hertog dood viel neer; Daar werd de drang zo groot gelijk, Zodat de hertog werd gevangen, En voerden hem weg. Toen dit vernam 31390 Koning Loth, werd hij erg gram, En zijn kinderen, en reden derwaarts; Heer Gawein wierp zijn schild ter vaart Ter aarde, en nam zijn zwaard Caliburnus, dat hij had waard, 31395 Met beide handen, en sloeg Moydas Tot de tanden toe, zij het zeker dat, En Brandales sloeg hij mede De arm er af, al daar ter plaatse, En diegene vloog toen in dat leger, 31400 Bijtend en morrend als een beer; En Guheries sloeg Orientes Dat hoofd af, en ze deden na dit Zoveel, dat de hertog was daar Behoed van hen lieden daarnaar. 31405 En heer Gawein gaf Dodales een slag, Zodat men bij hem de lever en longen zag, En toen de Sennen zagen daarnaar, Dat hun heren allen dood waren, Vlogen ze, wat ze mochten, daar, 31410 En die christenen volgden hen daarnaar, En sloegen er zoveel dood nu, Dat het een wonder was te zeggen u. Toen de strijd geheel was gedaan, Kwam de hertog tot koning Loth gelijk 31415 En bad hem vriendelijk, dat hij daarnaar Hem zei, wie hij ws. Toen zei koning Loth: “Mijn naam verloochen ik nooit, weet God, En ge zou me te recht goed kennen 31420 Want in erg veel zinnen Hebben we gehad kwaad en goed tezamen: Koning Loth noemt men mij bij namen, En deze vier ridders, die hier staan, Zijn mijn kinderen, zonder waan”. 31425 Toen was de hertog uitermate blij En hij omhelsde ze vriendelijk te die tijden, En onthaalde ze uitermate zeer, En bedankte en loofde Onze Heer, Dat hij hem zo’n hulp had gezonden, 31430 “Want was ge niet gekomen omtrent Met uw kinderen, ik was ter plaatse Dood gebleven, en al mijn volk mede; Want ge hebt hier een wonder gewrocht Met uw kinderen, die ge hier bracht”. 31435 Dus voeren ze sprekende onder hen nadat Tot Cambenic in de stad, Daar ze met de vingers waren nagewezen En van de lieden zeer geprezen, En zeiden, dat ze geweest hadden gelijk 31440 Geschoffeerd, hadden ze niet gedaan. Dus reden ze onder hen te samen Tot ze voor de zaal kwamen, 351 Daar stegen ze af en Elisier Pijnigde zich zeer te dienen hier 31445 Heer Gawein, want hij deed ter plaatse Zijn paard af, en ontwapende mede, Koning Loth, weet voorwaar. En al de tijd, dat ze stonden daar, Kwam Elisiers knaap van Minoras, 31450 De boswachter, daar hij van gezonden was, En zei, dat hij ze groette zeer En hen allen bedankte van de eer, Die ze hem hadden gedaan ter plaatse, En zijn vrouw en zijn kinderen mede. 31455 En hierbinnen was dat eten gereed, En men ging daar eten, God weet. Daar deed de hertog de heren te gemak Van eten, van drinken, van alle zaken, Daar hij hen mee mocht doen eer. 31460 Na het eten vroeg de heer Aan koning Loth, hoe zijn kinderen heten: “Heer hertog”, zei hij, “ik laat u dat weten; Die oudste, die heet Gawein, En de ander, die heet Acgravein, 31465 De derde Guheries, de vierde Garies; En deze jongeling, zij het zeker dit, Is een edel konings kind mede, En komt dienen, nu ter plaatse, Gawein, mijn zoon, omdat hij leren 31470 Wil zich met wapens te hanteren”. “Zo help me God!” zei de hertog toen, “Dit komt hem van een hoog hart aan, Van edele aard, en moet hij nog leven. Men zal hem nog prijs geven, 31475 Want hij is dapper en koen”. Toen vroeg de hertog, na dit doen, De koning, hoe dat komt, “dat gij nu Dus heimelijk gaat onder u?” Koning Loth zei: “ge zal het weten: 31480 Ge ziet wel, dat de Sennen hebben bezet Al onze landen, wijd en zijd mede, En doen ons grote pijnlijkheden, En bederven de christelijkheid, zeg ik u, En mochten we enige raad hebben nu, 31485 Zodat we ze verdreven, dat was voor ons goed, Ge weet wel, en bent mede bekend, Dat we ze niet kunnen verdrijven mede, Want we hebben ons tweemaal gepijnigd gereed, En het hielp ons niet een wind; 31490 Wat lijkt u het beste dat men begint? Ik heb genomen van deze doen Een gesprek met koning Clarioen En tegen de koning met de honderd ridders mee, Te Onzer Vrouwen dag, dat weet, 31495 In september, en ook mede Zo zullen komen dan ter plaatse Alle andere prinsen om dat, Te Aronsteel in die stad, En daar nemen een raad, daar wij 31500 De Sennen mogen verdrijven bij”. Toen zei de hertog: “bij God, Heer, Ons let geen ding meer Dan onze zonden, die we hebben gedaan Aan koning Arthur, zonder waan; 31505 Want sinds dat we tegen hem oorlogen, Zijn de Sennen in het land getrokken, En met mijn wil, zo zullen wij Aan koning Arthur verzoenen daarbij, En doen dat we schuldig zijn nu 31510 Hem te doen, want ik zeg het u, Sinds dat hij gewijde koning is En dat de bisschop na dit, En de papen, en het gewone volk mee, Gekozen hebben, en ook, dat weet, 31515 Dat die van Bonewick en van Gaunes Met hem zijn, zo hebben we dus Enige macht, zodat we hem niet Kunnen beschadigen of ontzetten iets”. “Heb je dit geprezen?” zei koning Loth, 31520 “Ja, ik”, zei hij, “alzo help me God!” - “Dan zal het gelijk verzoend zijn zei hij “Tussen hem en u, en mij, Want ik verheel het u niet ter plaatse, Ik ben verzoend en zijn vriend mede, 31525 Als die hem verder misdoen zal, Dat hij mij dat mede doen zal”. “Hoe”, zei de hertog, “ben je verzoend dan?” “Ja, ik”, zei hij, bij Sint Jan” “En hoe is dat daartoe gekomen?” 31530 Toen ging hem koning Loth noemen En zei hem de hele geschiedenis daar, Dat hem gebeurd was voorwaar, En hoe zijn kinderen van hem gescheiden waren, 352 En ze hun moeder gevangen had daarnaar 31535 En hoe hij daartoe gedwongen was Van Gawein, zijn zoon, zij het zeker dat, Dat hij werd koning Arthurs man; En aldus vertelde hij het geheel daaraan. Toen spraken ze voort zoveel daar, 31540 Dat de hertog beloofde daarnaar, Dat hij te Aronsteel zou komen; Ook hebben ze van hem vernomen, Dat de vrede vermits hem niet blijven zal Van koning Arthur, groot en smal. 31545 Toen ze lang gesproken hadden daar, Gingen de heren slapen daarnaar, En sliepen tot de dag toe. Toen het dag was, stonden ze op alzo En gingen mis horen gelijk; 31550 En toen de mis was gedaan, Zei koning Loth aan de hertog mede: “Dat was goed, dat we zenden ter plaatse Aan koning Uriens en aan koning Anguissant, Aan koning Ventres en aan koning Tradeliant, 31555 En bidden hen vanwege ons tezamen, Dat ze op Onzer Vrouwen dag kwamen In september te Aronsteel gereed, En dat we daar zullen zijn, God weet; En dat ze bij ons komen, hoe dat gaat”. 31560 Dit dacht de hertog een goede raad, En men nam boden, die waren snel, Die de boodschap deden wel Aan alle heren, zodat ze daarnaar Allen beloofden te komen daar. 31565 En alle deze tijd, dat de boden waren Die boodschap te doen, zo is gevaren Koning Loth met zijn kinderen nu Van Cambenic, dat zeg ik u; En de hertog voer met hem buiten waart 31570 De weg, sprekend met een vaart, En toen keerde hij weer en ging zich bereiden Om de koning te volgen, zonder wachten, En de koning hield zijn weg na dit Recht de weg te Norgales; 31575 Daar lagen ze een nacht alzo, De volgende dag stonden ze op vroeg, En reden zolange zodat ze kwamen gelijk Te Aronsteel in Schotland. Daar lagen ze toen twee dagen tezamen 31580 Eer daar enige prinsen kwamen, En deden hun gemak daar. Toen kwamen de prinsen alle daarnaar, En gingen te raad daar, ter plaatse; En heer Gawein, die daar was mede, 31485 Sprak dat woord al daar ter plaatse, Want dus hem zijn vader; de koning, bad: “Gij heren”, zei hij, “we zijn hier gezonden Vanwege koning Arthurs omtrent, Daar we mee zijn nu ter plaatse, 31590 Die u ontbiedt, en bidt mede, Dat ge zijn vriend zal zijn openbaar, Want hij graag de uwe waar, En dat ge hem vrede geeft nu Tot Kerstavond, dus bidden we u, 31595 Op die manieren, dat we die Sennen Mochten verdrijven onder ons algemeen Uit het land; en gaf God ons zege, Dat we ze konden verdrijven weg, Kon men die verzoening maken dan, 31600 Dat ge daarna verzoend bent dan. Dus is gegeven nu ten stonden De winst, zodat ze van alle zonden En van misdaad zullen fijn Kwijt wezen, die daar te strijden zijn”. 31605 Alle prinsen hebben wel Vernomen mijnheer Gawyns taal; Toen vroegen ze koning Loth zonder wachten, Wat hij tot deze dingen zei? Koning Loth zei: “er wordt niet eerder 31610 Meer deugd geboden van een heer; Weet wel, dat ik het niet zeg daarbij Omdat ik zijn gezworen man zij; Want alzo lang als ge bent nu, Tegen hem geweest, is dat misvallen u, 31615 En de Sennen waren ook niet In dat land gekomen nimmermeer iets, Waren we goed overeen gekomen En ook hebben we gehad deze plagen Om onze zonden, die we hebben gedaan”. 31620 “Hoe”, zei koning Uriens gelijk, “Ben je Arthurs man geworden nu, Dan heb je ontrouwheid gedaan, zeg ik u; 353 Want ge had met ons gezworen mede”. Toen zei koning Loth ter plaatse: 31625 Ik ben niet ontrouw, hiermee, Want ik deed het tegen mijn wil, dat weet, En opdat ik uw node Meest beschadigd meende te hebben, bij God, Zo deed ik hem manschap na datgene, 31630 En dat deed me al Gawein, mijn zoon”. Toen vertelde hij hen zijn geschiedenis al, Die hem gebeurde, groot en smal. Toen de prinsen verstonden na dat, Hoe dat met hem gevaren was, 31635 Zeiden ze, dat hij kon niet kon anders; Daar waren, die wilden, dat het hen gebeurde wel Was, gelijk dat het hem gebeurd was; Toen spraken ze zolang na dat, Zodat ze te rade worden daar, 31640 Dat ze vrede gaven daarnaar; En Gawein heeft hun trouw ontvangen, Vast vrede te houden, zonder waan. Toen zei hij hen de dag daar snel Te komen in de vlakte van Salisbury; 31645 Maar ze zeiden hem, als de Sennen waren Geschoffeerd, dat ze daarnaar Koning Arthur tegen hem deden voort. Toen heer Gawein hoorde dit woord, Zei hij hen allen openbaar: 31650 “Gij baronnen, nu hoort hier, Als dat komt, dat ge hem erg wil doen, Ik zal dan hebben zo’n ware verzoening, Dat hij dus terecht geheel niet Te doen zal hebben met u allen; 31655 En dat bedreigt hem sommige ook mede, Die nog blij zal zijn, bij mijn waarheid, Dat hij zijn gemoed zal verkrijgen mogen”. Sommige van de prinsen hierom lachend tonen Van kwaadheid meer dan van ander ding; 31660 Maar van de honderd ridders die de koning Niet dreigde daar ter plaatse, Hij zei hij zou komen nadat Te Allerheilige mis, dat daar komt snel, Met al zijn macht te Salisbury; 31665 Daarna zei elke prins alzo. Met deze namen ze verlof toen En voeren naar hun land waart, En bereiden zich vast met een vaart Tegen de oorlog die komen zal. 31670 Nu zwijg ik van deze heren al, En zal u voort zeggen ter ure Van koning Arthur. |
Van den koninck Artur, ende van Merlyne; ende hoe hem die heren gereiden. Daventuer secget hier ter stede, Dat Artur ende sijn wijf mede 31675 Leiden een goet leven nadas, Sint dat van daer gesceden was Die koninck Lot ende sine kinder mede, Die hem nu ontboden ter stede, Dat die vrede genomen waer; 31680 Des was die koninck blyde daer. Ende doe die boetscap komen was, Des andren dages vro nadas, Doe die dach was opgegaen, Was Sagrimor opgestaen, 31685 Ende Galescins ende Dodinas Van Garloth, sijt seker das; Entese wel gewapent waren Ende wouden in den bosce spelen varen, Ombe aventure te soekene daer. 31690 Doesi in den foreest quamen daernaer, Hoerdensi die vogelyne singen, Datsi verblyden van dien dingen. Ende bander syden waren drie ridder mede Van der Tafelronden wtgereden ter stede, 31695 Ende waren met andren wapenen openbaer Gewapent, dan metten horen daer, Ombedatsi niet [en] wouden sijn bekent, Ende reden in den bosc om dat gent, Ocht si der koninginnen ridder iet vinden souden 31700 Ombedatsise gerne proeven wouden. Dene was Agradein, Lias broeder Des roden, van vader ende van moeder, Die sint den koninck Artur, vorwaer, Orlogede dicke ende menech iaer, 31705 Alse iu dit boec sal secgen hierna; Dander was Morian, alsic versta, 354 Entie derde was Signoras, Die een herde goet ridder was. Dese voeren in den foreest ter stede, 31710 Wantsi hadden dicke horen secgen mede, Dat waer dwout van aventuren. Doe quamensi gereden ter uren, Daer vier wegesceden stonden doe, Daer sciedensi hem nu alsoe, 31715 Ende elc es enen wech gereden. Bindat si sijn in desen steden, Was Merlijn tote Blasise komen, Diene wel ontfinc, hebbic vernomen, Ende dade hem grote feeste daer; 31720 Doe zeide hi Blasise daernaer, Dat vrede waer nu ter ure Van den prinsen enten koninck Arture, Ende datsi alle vergaderen souden Opten plein van Salesbiere met gewoude 31725 Tegen die Sennen. Doe vragedi daer, Blasys, Merlyne daernaer Ocht si liede genoech hebben nu? “Neen si”, sprac Merlijn, secgic iu, “Maer dese sullen hem thelpe komen, 31730 Die van Carmelide, hebbic vernomen, Entie van kleine Bertanien met, Entie van Lambale, dat wet, Dat des koninck Amans was, Dat Gosegose hielt lange vordas; 31735 Ende als die koninck Artur wel sal varen, So willic halen, sonder sparen, Des koninck Bans liede gereet Ende Bohortes liede, God weet, Ende salse alle doen komen sciere 31740 In den plein van Salesbiere; Ende oec sullen daer van meneger stede Liede komen, ombe haer sonden mede, Ende oec mede, ic wil gy dat wet, Ombe der heleger kerken wet; 31745 Ende men sach nie so groten strijt Alse daer sal sijn, des seker sijt, Entie Kerstene en verdriven nembermeer Die Sennen, die barone en sijn eer Versoent tegen den koninck Artuer”. 31750 Doe zeide Blasys tot Merline tier uer: “Lieve Merlyn, ic weet wel omtrint Van ener joncfrouwen, die gy mint, Daer die prophecie op vallen sal, Die gy my hier vorgesecht hebbet al; 31755 Daerby, lieve Merlijn, hoedet iu Van der wolvinnen, die binden sal nu Den lewe, want ic ontsiet herde sere”. Merlijn zeide doe: “By onsen Here, Het naket den tyden, dat moet gescien”; 31760 Doe zeide hi tot Blasise mettien: “Maket iu dese letter, so suldy al Weten, hoe men daermede sal Mogen varen”; ende hi makedese doe, Entese letteren begonnen alsoe: 31765 “Dit sijn daventuren van den lande, Die begonden, als ict bekande, By den wonderliken lewe al; Entiegene die se scoren sal, Moet sijn koninges kint ende koninginnen mede, 31770 Ende moet hebben renechede, Ende daertoe [sijn] die beste ridder met, Die in der werlt es, dat wet”. Ende dus dade hi vele letteren maken, Ende sloechse an den crucen na der saken 31775 Die an den wege stonden daer, Daer daventure soude gescien naer; Entie letteren en mochte nieman afdoen Dan diegene, dieselve baroen, Die daventure tinde sal bringen; 31780 Ombe dit varen te willeger tien dingen Die ridder daventure te soeken met; Aldus wert bedwongen die lewe, dat wet”. “Hoe”, zeide Blasys, “en kan ic daer anders iet Toe gedoen?” - “Neen gy, niet”, 31785 Zeide Merlijn doen, ende nadien Vragede hi, ocht hijt soude mogen sien? “Ja gy”, zeide hi, “ende dander wonder mede”. Doe nam Merlijn die brieve ter stede, Die Blasys hadde gescreven daer, 31790 Ende nam an hem orlof naer, Ende sette die brieve an die cruce mettien Derwaert daventure soude gescien. Danen voer hi in Bertanien clene Tote Leoncen ende tote Phariene, 31795 Die hem grote feeste daden daer; 355 Ende si vrageden hem daernaer: “Ic ben komen”, zeide hi, “ombe iu; Gy moet varen te Salesbiere nu Over die zee met also vele lieden, 31800 Als gy bede wt moget gebieden; Daer suldy vinden menegerhande tale Van menegen lande, secgic iu wale; Ende daer suldy over ene syde logieren Ende niet trecken, in negener manieren, 31805 Vor dat ic wederkome tot iu daer; Ende doet ember maken, vorwaer, Iu grote banier, wit ende mede Een roet cruce in mydden, ter stede, Sonder meer enege ander dinge; 31810 Ende alle die prinsen sonderlinge Sullen hebben dusdane baniere vorwaer; Ende dene en sal van den andren niet weten daer, Datsise aldus sullen voeren te dien, Ende grote betekenesse sal daeraf gescien”. 31815 Ende Leonce ende Pharien zeiden doe, Datsi gerne souden doen alsoe; Ende doe vragede Leonce also houde, Wie haer lant nu hoeden soude? Merlijn zeide doe: “Lambiges, 31820 Phariens neve, sijt seker des, Ende Banys, Graciaens neve, dat wet; Ende gy sult dat volc leiden met, Ende Graciaen ende Anthiomes, Ende Phariens mede ende Dyones; 31825 Ende onthout alle diegene mede, Die gy om penninge vint ter stede”. Sy seiden, si soudent wel doen, God weet; Doe nam Merlijn orlof gereet Ende voer te Nimianen mede. 31830 Die hem grote feeste dede; Entese joncfrouwe mynde hi so sere nu, Dat hi haer leerde, secgic iu, Al datsi woude; ende danen voer hi In dlant van Lambane, ic secget iu vry; 31835 Dat was dat lant, dat die koninck Bohoert An den koninck Amant wan, ende voert Sine liede dade werden koninck Arturs man. Te Carmelide voer hi dan, Ende dade sine boetscap hem allen daer 31840 Van des koninck Arturs wegen, vorwaer, Ende hem allen beval hi ter stede, Datsi ene witte banier brachten mede, Ende een roet cruce in midden al; Ende Merlijn beval doe Nabunal, 31845 Die drossate was van koninck Amans lant Dat Gosegosen was komen thant, Want hi koninck Amans sone was, Dat hi vergaderde sijn volc nadas, Ende hise leide te Salesbiere. 31850 Gosegosen bat hi des oec sciere; Hy zeide, dat hi dat gerne soude doen; Hi was een herde vroem baroen, Ende hi hadde oec sere gemynt vordas Jenovren, die Arturs wijf nu was, 31855 Ende haddese gerne te wyve gehat mede Hadde hi ridder gewesen, ende oec ter stede Was dat belet omdat sijn vader alsoe Orlogede iegen horen vader doe; Oec haddene die koninginne daeran 31860 Liever dan enegen andren man, Al die wile, datsi ioncfrouwe was; Ende dickewile hadde dene den andren vordas Boden onder [hem] daer mede gesent Alse dat dene den ander ment. 31865 Dese Gosegoes ende Nabunal mede, Sijn drossate, gereiden hem alle bede Met horen lieden herde sciere, Ende voeren in den plein van Salesbiere; Ende Leonce ende Pharien [mede], 31870 Die nu oec bereit sijn [ter stede], Ende Graciaen ende Anthiomes, Dese hadden veertichdusent man nades; Ende doen die tijt was, trocken si ter stede, Ende voeren over die zee oec mede, 31875 Ende quamen te Salesbiere gevaren, Daer die tien Princen komen waren, Met al den volke datsi verkrigen konden. Ende Merlijn was bindien stonden, Doe hi sine boetscap hadde gedaen, 31880 Toten koninck Artur gereden saen, Ende opten selven dach, hebbic vereest, Dat die ses ridder voeren in den foreest Ombe aventure, als gy mochtet horen In den boec lesen hiervoren. 31885 Ende doe Merlijn vor den koninck quam gaen, Wart hem grote feeste gedaen, 356 Entie koninck dade hem neven hem sitten doe. Doe sprac Merlijn den koninck toe, Dat hi sine liede ontbode al, 31890 Die hi konde hebben, groet ende smal, “Want gyne hebbet geen letten, sonder waen, Ende weet, dat den orber wel wert gedaen, Die koninck Lot, ende oec sijn broeder mede, Van verren lande ende van meneger stede 31895 Hebben liede getrocken ombe komene daer”. Doe vragede die koninck Artur naer Wat liede dat daer nu quamen? Merlijn zeide: “daer komen tsamen Tien prinsen met al hoerre macht, 31900 Ende daer sullen komen met hoerre cracht Koninck Bans liede, ende sijns broeder mede”. Doe vragedem die koninck Ban ter stede, By wien dese dinge sijn gedaen? Merlijn zeide: “by my, sonder waen, 31905 Ic hebbet Leoncen ende Phariene geheten, Oec hebbensi veertichdusent man op geseten”. Des waren die twe koninge blyde. Oec zeide hi ten koninge Artur tien tyden Dat daer soude komen Nabunal also wale 31910 Uten koninckrike van Lambale, Daer die koninck Amant here af was, Dien die koninck Bohoert doet sloech vordas. Ende Gosegoes, sijn sone, komet mede nades, Die noch niet ridder en es; 31915 Ende iu komet die macht van Carmelide Die Cleodalis nu brenget ten tyden; Entie koninck Leodegan en komet niet, Maer die ridderscap komet; - nu besiet, Dat gy my wel loent dese dinc!” - 31920 “Merlijn”, zeide doe die koninck, “Ik en weet wat lone hier geven iu; Maer ic wil, dat gy vorwaert nu Al heer sijt over mijn lant; Want overmiddes iu, lye ic wel te hant, 31925 Dat ic here ben worden gerede”. “Here”, zeide doe Merlijn ter stede, “Waerna saechdy, doe ic hier in quam nu?” “Merlijn”, zeide hy, “dat secgic iu: Ic sach na drien riddren, die hier leden 31930 Ende in genen wout vor ons reden; Wety iet, wie si sijn ter stonden?” “Dat sijn drie ridder van der Tafelronden”, Zeide Merlijn, “entie om grote doerheden Nu ten woude sijn gereden; 31935 Ic secget iu oec, dat si nie so wale Soccoers hadden te doene tenen male Alsi sullen, eer si wederkomen”. Doe die koninck dit hevet vernomen, Vragedi Merline, wie si waren? 31940 Ende Merlijn zeide doe: “here, twaren, Dene es Aggravadein, sijt seker das, Dander Moriaval ende Signoras, Ende si sullen in den woude vinden nu Der koninginnen ridder drie, secgic iu, 31945 Diese op sullen lopen daer. Nu sendet hem haestelic ieman naer, Die se scede eer si doet bliven, Want dene soude den andren ontliven”, “Help!” zeide die koninck, “wie mach daer ryden?” 31950 Die koninginne zeide doe ten tyden: “Heer, Ywen ende Keye ende Griflet”. Merlijn zeide: “gy ne moget niet bet Doen dan die koninginne secht ter stede”. Men riepse ende dade se wapenen mede, 31955 Ende Merlijn wijsde hem, waer dat sy Ryden souden; voert zeide hy: “Gy sult varen ten iersten cruce toe In den foreest, ende daerby alsoe Suldy vinden ses ridder vechtende mede 31960 Entie suldy sceden ter stede”. Doe haestensi hem, ende reden daernaer Ten crucewaert; maer wet vorwaer Sine komen daer nember so saen, Men en sal daer menegen slach eer slaen. 31965 Ende alle die wyle datsi dus reden, So sal ic iu secgen voert, ter steden, Van der koninginnen riddren, die nu quamen In den foreest, daer si vernamen Enen sconen plein; daer beeten sy 357 31970 Ombe hem daer iet te rastene by. Doe zeide Galescins: “gave God mede, Dat heer Gawyn ende sine broeder ter stede Hier waren, so soudewy varen sien Die Sennen”. Dodinas zeide mettien, 31975 Daer te vaerne en waer niet goet, Want daer menech pas tuscen stoet, Dat herde quaet te wanderne waer. Bindien datsi spraken daer, Quamen die ridder van der Tafelronden 31980 Ende ontlicsenden van wapenen tien stonden, Ombedat mense niet kennen soude; Ende Sagrimor vragede also houde Sinen gesellen, ochtsise kenden iet, Ende si antworden, neen si, niet. 3198 Doe zeide thant Aggravadein: “Ic sie drie ridder op genen plein, Daer my leet af waer nu, Behieldensi haer orse, secgic iu”. Doe zeide Moriaval tier ueren 31990 Hi zouder een met hem vueren; Enter koninginnen ridder saten op daer Ende setten haer helme op daernaer, Ende reden enwech, want sine wouden niet Negeen quaet doet nieman iet, 31995 Hine begondes an hem ierstwerf dan; Entie van der Tafelronden riepen hem an: “Aldus en suldy ons niet ontryden, Gy moet ember joesteren nu ten tyden, Ocht gy moet iu perde ons geven, 32000 Dus moechdy keren, behouden iu leven”. “Hoe”, zeide Sagrimor, “sijdy rovers dan. Dat gy ons aldus spreket an? Ic wane nochtan, dat gy des niet vele Te beter sout hebben, dat gy in desen spele 32005 Op ons sult winnen”. “So hoet iu mede, Want wy ontsecgen iu hier vrede”. Dit zeiden die ridder van der Tafelronden: Doe reet dene opten andren tien stonden, Ende braken haer glavien mede; 32010 Doe worden daer neder gesteken ter stede Die ridder alle drie van der Tafelronden; Enter koninginnen ridder beeten tien stonden, Ende gingen vechten op hem te voet; Dus stredensi op hem met groten overmoet 32015 Van primetijt toter nonen toe; Enter koninginnen ridder wonnen doe Dat velt opten andren daernaer; Ende en waer niet gekomen daer Heer Ywen, ende sine gesellen, tien stonden, 32020 Die ridder van der Tafelronden Waren daer doet bleven ter stede. Heer Ywen ende Keye ende Griflet mede Sagen die van der Tafelronden nu So sere tonder, secgic iu, 32025 Datsi niet en konde geduren. Doe riep mijnheer Ywen tier uren: “Des es genoech, ic kome hare Ombe borge te werden”. Doe sach daernare Sagrimor ende kende Ywene saen; 32030 Doe zeide hi: “here, sonder waen, Ic soude meer dor iu laten, God weet!” Doe beete mijnheer Ywen gereet Ende scietse daer, ende scout se seer, Ende zeide: “gy doet iu selven groet onneer, 32035 Dat gy dese dinc nu doet”. “Hoe”, zeide Sagrimor, “dochte iu goet, Dat wy hem onse orse laten nemen? Dat ne moete God nember getemen, Dat wy ons sullen laten roven, 32040 Daer wy dat ember keren mogen, Ende hoe soudewy vor ieman dorren komen Ocht men ons onse orse hadde genomen? Oec soude hi oevele dorren verweren Sijns gesellen, diene soude sceren, 32045 Die sijns selves niet weren en dorste!” Doe zeide Heer Ywen sonder vorste: “By Gode, here, sine dadent in gere felhede”. “Wie sijn si dan?” zeide Galescins mede; “Dat sijn die ridder van der Tafelronden”, 32050 Doe nande hi se alle drie tien stonden. “By Gode”, zeide Griflet, “so dadensi quaet Ende onhovescheit ende overdaet; Want si ons wel kenden openbaer, Ende wy hem niet, wetet vorwaer, 32055 Wantsi ontlicsent waren nu”. “Laet varen dese tale, biddic iu”, Zeide heer Ywen, “ende sit op ter vaert, 358 Ende laet ons varen te hovewaert”. Doe saten si alle op tien stonden, 32060 Entie ridder van der Tafelronden Waren serech, ende daertoe mede Waren si sere gequetset ter stede; Ende onderwegen verspracse daer Mijnheer Ywen, ende zeide daernaer: 32065 “Dat was ene fine gechede, Datsi hadden begonnen ter stede”! “Laet varen”, zeide Keye tien stonden, “Een anderwerf sullen die van der Tafelronden Varen wreken them gereet”. 32070 Doe loechen si alle, God weet. Dus voeren si te Logres in die stat Entie gewonde ridder voeren nadat In haer herberge ende ontwapenden hem daer, Ende daden hem te gemake naer, 32075 Wantsi hadden des wel te doene nu; Ende dander voeren te hove, secgic iu, Daer si den koninck entie koninginne vonden Ende Merlijn, staende noch tien stonden, Enten koninck Ban, die ombe die saken 32080 Vor den veinstren stonden ende spraken Tegen Merlyne, ende van menegen dingen; Entie ses ridder, die gingen Hem ontwapenen daernaer; Ende doesi ontwapent waren daer, 32085 Quam heer Ywein vor den koninck Ende vor die koninginne, na die dinc, Entie koninginne vragede hem, twaren, Hoe in den bosce nu waer gevaren? “Vrouwe”, zeide hi, “ic salt secgen iu”; 32090 Doe telde hi dat vor den drien koningen nu Ende vor Merlyne, hoe hi daer vant Drie tegen drie vechtende thant, Ende zeide hoese Keye bescermde daer. Doe loechensi alle sere daernaer; - 32095 Want die koninck Artur was erre des. “Wety waerombe dese onminne es?” Zeide Merlijn toten koninge doe; “Neen ic”, zeide hi. “Ic secget iu alsoe, Waerombe datsi komen es nu: 32100 Dat es van nyde, secgic iu, Ombedat denen beter willen sijn mede Dan dander; om dese nydichede Proeven si hem, wet vorwaer”. Doe vragedensi onder hem daernaer, 32105 Welc die beste waer ter stede Van al der koninginnen riddren mede. Die koninginne zeide, dat sijn al haer ridder ter stonden, Want die ridder van der Tafelronden Brachtesi met haer in dat lant. 32110 Doe zeide die koninck Ban te hant: “Die beste ridder dat es Gawijn, Hi es goet te kennen fijn”. Doe zeidensi alle dat waer waer. Die koninck Artur zeide daernaer, 32115 Tierst dat Gawyn quame in dat lant Hi zoudene geselle maken thant Metten heren van der Tafelronden. Merlijn zeide: “gy sult beiden ten stonden Dat die Sennen verdreven sullen wesen”. 32120 Doe lieten si hare tale van desen Ende gingen eten, ende na slapen; Entes andren dages sende knapen Die koninck Artur al sijn lant duer Ende dade gebieden terselver uer, 32125 Al diegene die wapene mochten dragen Datsi thant na dien dagen Quamen in den plein van Salesbiere; Dus daden die boden die boetscap sciere In al dat lant, wyde ende syde. 32130 Ende binnen desen selven tyden, Leide Merlijn die drie koninge Toten drien riddren die daer niewelinge Gewondet lagen in der stat, Ende doesi daer quamen nadat, 32135 Scout se die koninck Artur sere, secgic iu, Ombe haer doerheit, die si daden nu. Si zeiden, sine kondens hem onthouden niet, Ende hoe dat toequam dit verdriet; Entie wyle, datsi dat deden, 32140 En kondensy hem niet gehoeden ter steden. Doe sende die koninck ombe sine meester daer, Die zeiden doe, datsise daernaer Binnen achte dagen sullen genesen; Doe beval hise te Gode na desen 32145 Ende hiet, datsi hem volgeden tien tyden, 359 Ten iersten datsi mochten ryden. Dus sciet die koninck van hem, ende quam In die sale, daer hi vernam Vele ridder, die gerne hadden nu 32150 Enen tornoy gemaket, secgic iu, Ombedat heer Gawyn daer niet en was; Si hadden gerne gewroken, sijt seker das, Haer gesellen, die gequetset waren. Doe zeide die koninginne daernare, 32155 Dat nembermeer en sal gescien Datsi ondertuscen sullen nadien Tornieren dene tegen den andren nu; “By der trouwen, die ic ben sculdech iu, Ende mynen here den koninck mede”, 32160 Zeiden die ridder doe ter stede, So woudensi dat nu laten voertan, Sint dat haer leet waer dan. Daerna geboet die koninck, sonder waen, Hem allen, datsi hem bereiden saen, 32165 Want hi wil varen sciere Ten pleinewaert van Salesbiere. Doe bereidensi hem alle metter vaert, Entes andren dages trocken si derwaert, Entie koninck Artur entie koninginne met, 32170 Entie koninck Ban ende sijn broeder, dat wet, Entie ridder van der Tafelronden, Ende al dander ridder ter stonden Volgeden hem, ende reden te samen, So lange datsi te Salesbiere quamen. 32175 Daer sloegensi haer getelt alle sciere By ener herde sconer riviere; Ende Keye hadde dat groete teken bracht Dat al wit was an enen scacht, Ende een roet cruce daerin mede, 32180 Enten drake daeronder ter stede; Also woudet Merlijn, sijt seker das. Doe die koninck Artur gelogiert was, Quamen hem liede in allen sinnen toe Entie nyemaer, die ember alsoe 32185 Vor den manne lopet, wyde ende syde, Si quam onder die Sennen nu ten tyden; Die spiere, die zeiden, dat die Bertoene al Te Salesbiere waren, groet ende smal, Ende menech ander prince mede; 32190 Maer sine wisten niet gerede Waerhenen datsi wouden varen. Die koninck Hargodabrant ontboet daernare Die negentien koninge vor hem nadat, Die Clarence hadden belegen, die stat, 32195 Ende zeide, dat hi hadde vernomen Dat die Kerstene waren gekomen In den plein van Salesbiere, ende datsy Hem daden gaderen, “ende daerby So es goet, dat wy ons wachten, 32200 Beide by dagen ende by nachten, Datsy op ons niet en komen nadien, Wy ne sijn daertegen wel vorsien; Ende als men metten onsen vorder vaert, Datsi dan varen so wel bewaert, 32205 Ende oec met so menegen man, Datsi nieman ontsien daeran”. An desen raet hieldensi hem daer, Ende elc voer tsinen tenten naer, Ende geboden horen lieden na desen, 32210 Datsi nach tende dach gereet souden wesen Tegen haer viande, ochtsi iet quamen, Datsi bereit waren te samen; Ende dit dadensi weten den Sennen thant Werwaert datsi lagen in dat lant, 32215 Ende ontbodense, datsi quamen daer; Entie vor Windeberes lagen, vorwaer, Ontbodensi alle, wyde ende syde, Datsi tot hem quamen tien tyden, Ende si dadent. Dus quamenre daer 32220 Vor Clarence sovele daernaer, Datsi vijf mylen, in dien dagen, Alle ombe die stat lanc lagen. Nu swiget dit boec van desen, Ende sal iu van den Kerstenen lesen. |
Van koning Arthur en van Merlijn; en hoe de heren zich voorbereiden. Het avontuur zeg het hier ter plaatse, Dat Arthur en zijn vrouw mede 31675 Leiden een goed leven na dat, Sinds dat van daar gescheiden was Koning Loth en zijn kinderen mede, Die hem nu ontboden ter plaatse, Dat de vrede genomen was; 31680 Dus was de koning blij daar. En toen de boodschap gekomen was, De volgende dag vroeg na dat, Toen de dag was opgegaan, Was Sagrimor opgestaan, 31685 En Galescins en Dodinas Van Garloth, zij het zeker dat; En ze goed gewapend waren Wilden ze in het bos spelen varen, Om avonturen te zoeken daar. 31690 Toen ze in dat bos kwamen daarnaar, Hoorden ze de vogeltjes zingen, Zodat ze verblijden van die dingen. En aan de andere zijden waren er drie ridders mede Van de tafelronden uitgereden ter plaatse, 31695 En waren met andere wapens openbaar Gewapend, dan met die van hun daar, Omdat ze niet wilden zijn bekend, En reden in het bos om dat ginds, Of ze de koningin ridders iets vinden zouden 31700 Omdat ze hen graag beproeven wilden. De ene was Agradein, Lias broeder De rode, van vader en van moeder, Die sinds koning Arthur, voorwaar, Beoorloogde dik en menig jaar, 31705 Zoals u dit boek zal zeggen hierna; De andere was Morian, zoals ik versta, 354 En de derde was Signoras, Die een erg goede ridder was. Deze voeren in het bos ter plaatse, 31710 Want ze hadden vaak horen zeggen mede, Dat was het woud van avonturen. Toen kwamen ze gereden ter uren, Daar vier wegwijzers stonden toen, Daar scheiden ze zich nu alzo, 31715 En elk is een weg gereden. Binnen dat ze zijn in deze plaatsen, Was Merlijn tot Blasys gekomen, Die hem goed ontving, heb ik vernomen, En deed hem groot feest daar; 31720 Toen zei hij Blasys daarnaar, Dat vrede er was nu ter ure Van de prinsen en koning Arthur, En dat ze allen verzamelen zouden Op de vlakte van Salisbury met geweld 31725 Tegen die Sennen. Toen vroeg daar, Blasys, Merlijn daarnaar Of ze lieden genoeg hebben nu? “Neen ze”, sprak Merlijn, zeg ik u, “Maar deze zullen hen te hulp komen, 31730 Die van Carmelide, heb ik vernomen, En die van kleine Bretagne mee, En die van Lambale, dat weet, Dat van koning Amans was, Dat Gosegose behield lang voor dat; 31735 En als koning Arthur goed zal varen, Dan wil ik halen, zonder sparen, Koning Bans lieden gereed En Bohort’s lieden, God weet, En zal ze alle laten komen snel 31740 In de vlakte van Salisbury; En ook zullen daarvan te menige plaats Lieden komen, vanwege hun zonden mede, En ook mede, ik wil dat ge weet, Vanwege de heilige kerk wet; 31745 En men zag niet zo’n grote strijd Als daar zal zijn, dus zeker bent, En de christenen verdrijven nimmermeer De Sennen, als de baronnen zijn niet eerder Verzoend met koning Arthur”. 31750 Toen zei Blasys tot Merlijn te dat uur: “Lieve Merlijn, ik weet wel omtrent Van een jonkvrouw, die ge mint, Daar de profetie op vallen zal, Die ge me hiervoor gezegd hebt al; 31755 Daarbij, lieve Merlijn, behoed u Van de wolvin, die binden zal nu De leeuw, want ik ontzie het erg zeer”. Merlijn zei toen: “Bij Onze Heer, Het raakt de tijden, dat het moet geschieden”; 31760 Toen zei hij tot Blasys meteen: “Maakt u deze brieven, dan zal ge al Weten, hoe men daarmee zal Mogen varen”; en hij maakte ze toen, En deze brieven begonnen alzo: 31765 “Dit zijn de avonturen van het land, Die begon, zoals ik het kende, Bij een wonderlijke leeuw al; En diegene die ze scheuren zal, Moet zijn een konings kind en koningin mede, 31770 En moet hebben reinheden, En daartoe zijn de beste ridder mee, Die er in de wereld is, dat weet”. En dus liet hij veel brieven maken, En sloeg ze aan kruisen na de zaken 31775 Die aan de weg stonden daar, Daar het avontuur zou geschieden daarnaar; En die brieven mocht niemand er afdoen Dan diegene, diezelfde baron, Die het avontuur ten einde zal brengen; 31780 Om dit gaan te bewilligen tot die dingen Die ridder die het avontuur zoeken mee; Aldus wordt bedwongen de leeuw, dat weet”. “Hoe”, zei Blasys, “kan ik daar anders iets Toe doen?” - “Neen gij, niet”, 31785 Zei Merlijn toen, en nadien Vroeg hij, of hij het zou mogen zien? “Ja gij”, zei hij, “en het andere wonder mede”. Toen nam Merlijn de brieven ter plaatse, Die Blasys had geschreven daar, 31790 En nam van hem verlof daarnaar, En zette die brieven aan het kruis meteen Derwaarts daar het avontuur zou geschieden. Vandaar ging hij in Bretagne klein Tot Leonse en tot Pharien, 31795 Die hem grote feesten deden daar; 355 En ze vroegen hem daarnaar: “Ik ben gekomen”, zei hij, “om u; Ge moet varen te Salisbury nu Over de zee met zoveel lieden, 31800 Als ge beide uit mag ontbieden; Daar zal ge vinden vele soorten taal Van veel landen, zeg ik u wel; En daar zal ge aan een kant logeren En niet vertrekken, op geen manieren, 31805 Voordat ik weerkom tot u daar; En laat immer maken, voorwaar, Uw grote banier, wit en mede Een rood kruis in het midden, ter plaatse, Uitgezonderd meer enig ander ding; 31810 En alle prinsen bijzonder Zullen hebben dusdanige banieren voorwaar; En de ene zal van het van de andere niet weten daar, Dat ze die aldus zullen voeren te die, En grote betekenis zal daar van geschieden”. 31815 En Leonse en Pharien zeiden toen, Dat ze graag zouden doen alzo; En toen vroeg Leonse alzo te houden, Wie hun land nu behoeden zou? Merlijn zei toen: “Lambiges, 31820 Phariens neef, zij het zeker dit, En Banys, Graciaans neef, dat weet; En ge zal dat volk leiden mee, En Graciaen en Anthiomes, En Phariens mede en Dyones; 31825 En hou al diegene mede, Die ge om penningen vindt ter plaatse”. Ze zeiden, ze zouden het wel doen, God weet; Toen nam Merlijn verlof gereed En voer te Nimianen mede. 31830 Die hem grote feesten deed; En deze jonkvrouw minde hij zo zeer nu, Zodat hij haar leerde, zeg ik u, Alles dat ze wilde; en vandaar voer hij In het land van Lambane, ik zeg het u vrij; 31835 Dat was dat land, dat koning Bohort Van koning Amant won, en voort Zijn lieden liet worden koning Arthurs man. Te Carmelide voer hij dan, En deed zijn boodschap hen allen daar 31840 Vanwege koning Arthur, voorwaar, En hen allen beval hij ter plaatse, Dat ze een witte banier brachten mede, En een rood kruis in het midden al; En Merlijn beval toen Nabunal, 31845 Die drost was van koning Amans land Dat Gosegosen was gekomen gelijk, Want hij koning Amans zoon was, Dat hij verzamelde zijn volk na dat, En hij ze leidde te Salisbury. 31850 Gosegosen bad hij dus ook snel; Hij zei, dat hij dat graag zou doen; Hij was een erg dappere baron, En hij had ook zeer gemind voor dat Jenover, die Arthurs vrouw nu was, 31855 En had haar graag tot vrouw gehad mede Had hij ridder geweest, en ook ter plaatse Was dat belet omdat zijn vader alzo Oorloogde tegen haar vader toen; Ook had de koningin hem daaraan 31860 Liever dan enige andere man, Al de tijd, dat ze jonkvrouw was; En vaak had de ene de andere voor dat Boden onder hen daarmee gezonden Zoals dat de ene de andere mint. 31865 Deze Gosegosen en Nabunal mede, Zijn drost, bereiden zich allebeide Met hun lieden erg snel, En voeren in de vlakte van Salisbury; En Leonse en Pharien mede, 31870 Die nu ook bereid zijn ter plaatse, En Graciaen en Anthiomes, Deze hadden veertigduizend man na dit; En doen het tijd was, vertrokken ze ter plaatse, En voeren over de zee ook mede, 31875 En kwamen te Salisbury gevaren, Daar de tien prinsen gekomen waren, Met al het volk dat ze krijgen konden. En Merlijn was binnen die stonden, Toen hij zijn boodschap had gedaan, 31880 Tot koning Arthur gereden gelijk, En op dezelfde dag, heb ik gehoord, Dat de zes ridder voeren in dat bos Om avonturen, zoals ge mocht horen In het boek lezen hiervoor. 31885 En toen Merlijn voor de koning kwam gaan, Werd hem groot feest gedaan, 356 En de koning liet hem naast hem zitten toen. Toen sprak Merlijn de koning toe, Dat hij zijn lieden ontbood al, 31890 Die hij kon hebben, groot en smal, “Want ge hebt geen letten, zonder waan, En weet, dat tot het gebruik goed wordt gedaan, Koning Loth, en ook zijn broeder mede, Van verre landen en van vele steden 31895 Hebben lieden getrokken om te komen daar”. Toen vroeg koning Arthur ernaar Welke lieden dat daar nu kwamen? Merlijn zei: “daar komen tezamen Tien prinsen met al hun macht, 31900 En daar zullen komen met hun kracht Koning Bans lieden, en zijn broeder mede”. Toen vroeg koning Ban ter plaatse, Bij wie zijn deze dingen gedaan? Merlijn zei: “bij mij, zonder waan, 31905 Ik heb het Leonse en Pharien gezegd, Ook hebben ze veertigduizend man opgezeten”. Dus waren de twee koningen blij. Ook zei hij tot koning Arthur te die tijden Dat daar zou komen Nabunal alzo wel 31910 Uit het koninkrijk van Lambale, Daar koning Amant heer van was, Die koning Bohort dood sloeg voor dat. En Gosegoes, zijn zoon, komt mede na dit, Die nog niet ridder is; 31915 En bij u komt de macht van Carmelide Die Cleodalis nu brengt ten tijden; En koning Leodegan komt niet, Maar de ridderschap komt; - nu beziet, Dat ge me wel beloont deze dingen!” - 31920 “Merlijn”, zei toen de koning, “Ik weet niet welk loon hier te geven u; Maar ik wil, dat ge voorwaarts nu Geheel heer bent over mijn land; Want vanwege u, belijd ik wel gelijk, 31925 Dat ik heer ben geworden gereed”. “Heer”, zei toen Merlijn ter plaatse, “Waarna keek u, toen ik hierin kwam nu?” “Merlijn”, zei hij, “dat zeg ik u: Ik zag naar drie ridders, die hier reden 31930 En in dat woud voor ons reden; Weet ge iets, wie ze zijn ter stonden?” “Dat zijn drie ridders van de tafelronden”, Zei Merlijn, “en die om grote domheden Nu in het wild zijn gereden; 31935 Ik zeg het u ook, dat ze niet zo goed Hulp hadden te doen te ene male Zoals ze zullen, eer ze wederkomen”. Toen de koning dit heeft vernomen, Vroeg hij Merlijn, wie ze waren? 31940 En Merlijn zei toen: “heer, te waren, De ene is Aggravadein, zij het zeker dat, De andere Moriaval en Signoras, En ze zullen in het wild vinden nu Van de koninginnen ridders drie, zeg ik u, 31945 Die ze op zullen lopen daar. Nu zendt hen haastig iemand na, Die ze scheidt eer ze dood blijven, Want de ene zou de andere ontlijven”, “Help!” zei de koning, “wie mag daar rijden?” 31950 De koningin zei toen ten tijden: “Heer, Ywein en Keye en Griflet”. Merlijn zei: “ge mag het niet beter Doen dan de koningin zegt ter plaatse”. Men riep ze en liet ze wapenen mede, 31955 En Merlijn wees hen, waar dat zij Rijden zouden; voorts zei hij: “Ge zal varen tot het eerste kruis toe In dat bos, en daarbij alzo Zal ge vinden zes ridder vechtende mede 31960 En die zal je scheiden ter plaatse”. Toen haasten ze zich, en reden daarnaar Te kruis waart; maar weet voorwaar Ze komen daar nimmer zo gelijk, Men zal daar menige slag eerder slaan. 31965 En alle tijd dat ze dus reden, Zo zal ik u zeggen voort, ter plaatse, Van de koninginnen ridders, die nu kwamen In dat bos, daar ze vernamen Een mooi plein; daar stegen ze af 357 31970 Om zich daar iets te rusten bij Toen zei Galescins: “gaf God mede, Dat heer Gawein en zijn broeder ter plaatse Hier waren, dan zouden wij varen om te zien De Sennen”. Dodinas zei meteen, 31975 Daarheen te varen was niet goed, Want daar menig pas tussen stond, Dat erg slecht te bewandelen was. Binnen die dat ze spraken daar, Kwamen de ridders van de tafelronden 31980 En bedekten hun wapens te die stonden, Zodat men ze niet herkennen zou; En Sagrimor vroeg alzo te houden Zijn gezellen, of hij ze kenden iets, En ze antwoordden, neen ze, niet. 31985 Toen zei gelijk Aggravadein: “Ik zie drie ridders op dat plein, Daar me leed van was nu, Behielden ze hun paarden, zeg ik u”. Toen zei Moriaval te die uren 31990 Hij zou er een met hem voeren; En de koninginnen ridders zaten op daar En zetten hun helmen op daarnaar, En reden weg, want ze wilden niet Geen kwaad doen niemand iets, 31995 Hij ging hen de eerste keer niet aan dan; En die van de tafelronden riepen hem aan: “Aldus zal ge ons niet ontkomen, Ge moet immer spelen nu ten tijden, Of ge moet uw paard ons geven, 32000 Dan mag ge keren en behouden uw leven”. “Hoe”, zei Sagrimor, “ben je rovers dan. Dat ge ons aldus spreekt aan? Ik meen nochtans, dat ge dus niet veel Te beter zou hebben, dat ge in deze spelen 32005 Op ons zal winnen”. “Zo behoed u mede, Want we ontzeggen u hier vrede”. Dit zeiden de ridder van de tafelronden: Toen reed de ene op de andere te die stonden, En braken hun lansen mede; 32010 Toen werden daar neer gestoken ter plaatse De ridders alle drie van de tafelronden; En de koninginnen ridders wachten te die stonden, En gingen vechten op hen te voet; Dus streden ze op hen met grote overmoed 32015 Van priemtijd tot de noen toe; En de koninginnen ridders wonnen toen Dat veld op de anderen daarnaar; Was niet gekomen daar Heer Ywein, en zijn gezellen, te die stonden, 32020 De ridders van de tafelronden Waren daar dood gebleven ter plaatse. Heer Ywein en Keye en Griflet mede Zagen die van de tafelronden nu Zo zeer ten onder, zeg ik u, 32025 Zodat ze het niet konden verduren. Toen riep mijnheer Ywein te die uren: “Dus is genoeg, ik kom hier Om borg te worden”. Toen zag daarnaar Sagrimor en herkende Ywein gelijk; 32030 Toen zei hij: “heer, zonder waan, Ik zou meer door u laten, God weet!” Toen bad mijnheer Ywein gereed En scheidde ze daar, en schold ze zeer, En zei: “ge doet u zelf grote oneer, 32035 Dat ge deze dingen nu doet”. “Hoe”, zei Sagrimor, “dacht u goed, Dat we hen onze paarden laat nemen? Dat moet God nimmer toestaan, Dat we ons zullen laten beroven, 32040 Daar we dat immer keren mogen, En hoe zouden we voor iemand durven komen Als men ons onze paarden had genomen? Ook zou hij zoveel durven verweren Zijn gezellen, die ze zouden scheren, 32045 Die zichzelf niet verweren durfde!” Toen zei Heer Ywein zonder aarzeling: “Bij God, heer, zij deden het in die felheden”. “Wie zijn ze dan?” zei Galescins mede; “Dat zijn de ridders van de tafelronden”, 32050 Toen noemde hij ze alle drie te die stonden. “Bij God”, zei Griflet, “dan deden ze kwaad En onhoffelijkheid en overdaad; Want ze ons wel kenden openbaar, En wij hen niet, weet voorwaar, 32055 Want ze zonder teken waren nu”. “Laat varen deze taal, bid ik u”, Zei heer Ywein, “en zit op ter vaart, 358 En laat ons varen te hof waart”. Toen zaten ze alle op te die stonden, 32060 En de ridders van de tafelronden Waren bezeerd, en daartoe mede Waren ze zeer gekwetst ter plaatse; En onderweg spraken ze daar Mijnheer Ywein, en zei daarnaar: 32065 “Dat was een fijne gekheid, Dat ze hadden begonnen ter plaatse”! “Laat varen”, zei Keye te die stonden, “Een andere keer zullen die van de tafelronden Varen om te wreken zich gereed”. 32070 Toen lachten ze alle, God weet. Dus voeren ze te Londen in de stad En de gewonde ridders voeren nadat In hun herberg en ontwapenden zich daar, En deden hun gemak daarnaar, 32075 Want ze hadden het wel nodig nu; En de anderen voeren te hof, zeg ik u, Daar ze de koning en de koningin vonden En Merlijn, staande nog te die stonden, Ent koning Ban, die om die zaken 32080 Voor het venster stonden en spraken Tegen Merlijn, en van menige dingen; En de zes ridders, die gingen Zich ontwapenen daarnaar; En toen ze ontwapend waren daar, 32085 Kwam heer Ywein voor de koning En voor de koningin, na dat ding, En die koningin vroeg hem, te waren, Hoe het in het bos nu was gevaren? “Vrouw”, zei hij, “ik zal het zeggen u”; 32090 Toen vertelde hij dat voor de drie koningen nu En voor Merlijn, hoe hij daar vond Drie tegen drie vechten gelijk, En zei hoe Keye ze beschermde daar. Toen lachten ze alle zeer daarnaar; - 32095 Want koning Arthur was boos dus. “Weet ge waarom deze onmin is?” Zei Merlijn tot de koningen toen; “Neen ik”, zei hij. “ik zeg het u alzo, Waarom dat het gekomen is nu: 32100 Dat is van nijd, zeg ik u, Omdat de ene beter wil zijn mede Dan de andere; om deze nijdigheid Beproeven ze hen, weet voorwaar”. Toen vroegen ze onder hen daarnaar, 32105 Welke de beste was ter plaatse Van alle koninginnen ridders mede. De koningin zei, dat zijn al haar ridders ter stonden, Want de ridders van de tafelronden Bracht ze met haar in dat land. 32110 Toen zei koning Ban gelijk: “De beste ridder dat is Gawein, Hij is goed te kennen fijn”. Toen zeiden ze alle dat het was waar. Koning Arthur zei daarnaar, 32115 Ten eerste dat Gawein kwam in dat land Hij zou hem gezel maken gelijk Met de heren van de tafelronden. Merlijn zei: “ge zal wachten ten stonden Totdat de Sennen verdreven zullen wezen”. 32120 Toen lieten ze hun taal van deze En gingen eten, en erna slapen; En de volgende dag zond knapen Koning Arthur al zijn land door En liet gebieden terzelfder uur, 32125 Al diegene die wapens mochten dragen Dat ze gelijk na die dagen Kwamen in de vlakte van Salisbury; Dus deden de boden die boodschap snel In dat hele land, wijd en zijd. 32130 En binnen deze zelfde tijden, Leidde Merlijn de drie koningen Tot de drie ridders die daar net Gewond lagen in de stad, En toen ze daar aankwamen nadat, 32135 Schold koning Arthur ze uit zeer, zeg ik u, Om hun domheid, die ze deden nu. Ze zeiden, ze konden zich onthouden niet, En hoe hen dat toekwam dit verdriet; En de tijd, dat ze dat deden, 32140 Konden ze zichzelf niet behoeden ter plaatse. Toen zond de koning om zijn dokter daar, Die zei toen, dat ze daarnaar Binnen acht dagen zullen genezen; Toen beval hij ze tot God aan na deze 32145 En zei, dat ze hem volgden te die tijden, 359 Ten eerste dat ze mochten rijden. Dus scheidde de koning van hen, en kwam In de zaal, daar hij vernam Veel ridders, die graag hadden nu 32150 Een toernooi gemaakt, zeg ik u, Omdat heer Gawein daar niet was; Ze hadden zich graag gewroken, zij het zeker dat, Hun gezellen, die gekwetst waren. Toen zei de koningin daarnaar, 32155 Dat het nimmermeer zal geschieden Dat ze ondertussen zullen nadien Toernooien de ene tegen de andere nu; “Bij de trouw, die ik schuldig ben u, En mijn heer de koning mede”, 32160 Zeiden de ridders toen ter plaatse, Zo wilden ze dat nu laten voortaan, Sinds dat het hun leed was dan. Daarna gebood de koning, zonder waan, Hen allen, dat ze zich bereiden samen, 32165 Want hij wil varen snel Te vlakte waart van Salisbury. Toen bereiden ze zich alle met een vaart, En de volgende dag vertrokken ze derwaarts, En koning Arthur en de koningin mee, 32170 En koning Ban en zijn broeder, dat weet, En de ridders van de tafelronden, En alle andere ridders ter stonden Volgden hem, en reden te samen, Zolang zodat ze te Salisbury kwamen. 32175 Daar sloegen ze hun getal alle snel Bij een erg mooie rivier; En Keye had dat grote teken gebracht Dat geheel wit was aan een schacht, En een rood kruis daarin mede, 32180 En de draak daaronder ter plaatse; Alzo wilde het Merlijn, zij het zeker dat. Toen koning Arthur gelogeerd was, Kwamen hem lieden in alle zinnen toe En het nieuws, dat immer alzo 32185 Voor de mannen loopt, wijd en zijd, Ze kwam onder de Sennen nu ten tijden; Die spionnen, die zeiden, dat de Britten al Te Salisbury waren, groot en smal, En menige andere prins mede; 32190 Maar ze wisten niet gereed Waarheen dat ze wilden varen. Koning Hargodabrant ontbood daarnaar De negentien koningen voor hem nadat, Die Clarence hadden belegerd, die stad, 32195 En zei, dat hij had vernomen Dat de christenen waren gekomen In de vlakte van Salisbury, en dat zij Zich lieten verzamelen, “en daarbij Zo is het goed, dat we ons wachten, 32200 Beide bij dagen en bij nachten, Zodat ze niet op ons komen nadien, We zijn daartegen goed voorzien; En als men ze ontmoet in onze verdere vaart, Dat ze dan varen zo goed bewaard, 32205 En ook met zo menige man, Zodat ze niemand ontzien daaraan”. Aan deze raad hielden ze zich daar, En elk voer tot zijn tenten daarnaar, En geboden hun lieden na deze, 32210 Dat ze nacht en dag gereed zouden wezen Tegen hun vijanden, of ze iets kwamen, Dat ze bereid waren te samen; En dit lieten ze weten de Sennen gelijk Waar dat ze lagen in dat land, 32215 En ontboden ze, zodat ze kwamen daar; En die voor Windeberes lagen, voorwaar, Ontboden ze alle, wijd en zijd, Dat ze tot hen kwamen te die tijden, En ze deden het. Dus kwamen er daar 32220 Voor Clarence zoveel daarnaar, Zodat ze vijf mijlen, in die dagen, Al om die stad lang lagen. Nu zwijgt dit boek van deze, En zal u van de christenen lezen. |
Hoe die Princen alle vergaderden te Salesbiere, ende hoe die vrede gemaket wart tuscen den Princen enten koninck Artur. 32225 Daventure secht hier nu sciere Dat in den plein te Salesbiere Alle die princen vergaderen nu. Dierste daeraf, dat secgic iu, Dat was dhertoge (Escan, wetic, 360 32230 Die hertoge was) van Cambenic, Die daer brachte negendusent man, Wel gewapent ende vrome daeran; Daerna quam Tradeliant Van Cornuale al te hant, 32235 Ende brachte elve dusent man doen; Daerna quam die koninck Clarioen Met achte dusent man, ende hy Brachte ene witte baniere daerby En een roet cruce daer ter stede, 32240 Ende so daden alle dandren mede, Ende hi logierde by den koninck daer Van den hondert riddren, wet vorwaer; Daerna quam die koninck Beliant Met tiendusent riddren te hant; 32245 Daer [na] quam die koninck Carados, tien stonden, Die geselle was van der Tafelronden, Maer sint dat die twist ierst began, En woude hi niet komen onder Arturs man; Hi brachte tiendusent man na des; 32250 Doe quam die koninck Brangores, kere, Die daer quam om Onsen Here, Ombedat hi den Heidenen woude doen Ende brachte met hem tien dusent man; Doe quam Minoras daeran, 32255 Des koninges drossate van Driende, Dien die koninck Lac daer sende, Ombedat perdoen te beiagen, hoe dat gaet, Dat wtgegeven hadde die legaet Van Godeshalven overal in dlant, 32260 Ende hi brachte met hem, sij iu bekant, Sevendusent man, die vrome waren; Daerna quam koninck Pelles drossate gevaren Met sesdusent man, die hi daer, Ombe den wille Godes sende; ende naer 32265 Quam koninck Pellinors drossate met, Dien die koninck sende, dat wet, Met sesdusent man, om God vorwaer. Doe quam des koninck Aleins drossate daer Met sesdusent man, die hi ter stede 32270 Sende ombe God; doe quam mede Galaat der Gigantinnen sone, Van den verren eilande was diegone, Hi brachte ombe Gode tien dusent man; Daerna quam saen Agigner an, 32275 Die Clamadens drossate was, Met vijfdusent man, sijt seker das; Ende doe dese ses prinsen alle waren Gelogiert, die ombe Gode quamen ge varen, Doe gingen die tien baroene 32280 Telken princen, na desen doene, Ende festierdense ende dankeden hem sere, Datsi daer komen waren, ende oec mere Ombe haer lant te helpen verweren. Ende doe komen waren al dese heren, 32285 Doe quam die koninck Cleolas, Met sevendusent man, sijt seker das; Daerna quam dhertoge Belias, Met sevendusent man, als ict las; Doe quam daerna Marganores, 32290 Die des koninges drossaet van Sorelois es, Met sevendusent man; ende alle dese Quamen ombe Gode, daer ic af lese. Doe quam Merlijn tArture, den koninck, Ende zeide tot hem, na dese dinc: 32295 “Nu, besie, koninck Artur, edel ende vry, Wat God hier gedaen hevet doer dy, Die iu gesant hevet ter stede, Ombe iu te helpene entie Kerstenhede, So scoen soccoers; te recht suldy 32300 Hem danken ende loven, waer datsy”. Die koninck antwoerde, alse wy dat weten: “God”, zeide hi, “en hevet niet vergeten Sijns sondaers, dat scijnt wel an my: Vor ende na, waer dat oec sy, 32305 Hevet Hy by my gestaen in scijn, Des moete Hy dusentvout gedanket sijn, Ende noch sal Hy by my staen, Des gelovic vaste, sonder waen, Want ic my altemale in Sine genade 32310 Sette van allen dingen, vro ende spade, Ende bydien, dat Hy behoude mede Myne siele ende lichame, telker stede”. Merlijn zeide: “den gueden gelove, dien gy Altoes hebbet, sal iu staen by, 32315 Ende ic radiu, dat gy ember mere, In uwen gelove voert vast blivet, here, Ende dat sal iu overal doen verwynnen”. “Merlijn”, zeide hi, “dat moete God kinnen 361 Dat ic Gode nembermeer af en ga 32320 Hoe dat met my met anxte sta”. “Here”, zeide doe echt Merlijn, “nu moety Besien, in wat manieren dat gy Dese princen, die hier sijn komen, Hoe gy dese nu sult begomen”. 32325 Die koninck zeide: “ic sal werken by iu, Want sonder uwen raet, dat wetet nu, En soudic des wel niet kunnen bestaen”. “Here”, zeide Merlijn, “gy sult nu gaen Ten groten heren, die hier ter stede 32330 Comen sijn, ende danken hem mede Van den groten troeste, dat sy iu Bracht hebben; ende sonderlinge danket nu Dengenen, die iu man niet en sijn; Ende God en dade nie”, zeide Merlijn, 32335 Negenen prince so vele eren met, Die ie in die werlt quam, dat wet, Dat hi so vele goede liede hadde mede, Alse hier vergadert sijn ter stede; No nember meer en komet daerna nu 32340 So menech goet man, secgic iu, In desen plein, no hier omtrint, Dan alse doet sal slaen dat kint Den vader, entie vader tkint mede; Ende dat sal sijn op dese selve stede, 32345 Ende dan sal dlant van Bertanien al Sonder haer ende hem bliven, groet ende smal, Ende nembermeer en wert die scade verstoert, Ende opten selven dach oec voert Sullen alle byscope in rouwe verkeren, 32350 Dat en sal sijn geen wonder, daer die heren Ende so menech edel baroen Horen inde sullen doen; Ende ic secget iu oec, sijt seker das, Dat nie so grote batalie en was 32355 Alse dese sal sijn nu ter stede”. Doe die koninck dit hoerde mede, Dat die vader tkint doet soude slaen Ende tkint den vader, doe dachte hi saen, Op dese dinc, ende wart verseert 32360 Hierombe ende sere verveert, Ombedat dlant [sonder] oer solde meer Bliven voert, ende sonder heer. Doe bat hi Merlyne vriendelic saen, Dat hi hem dese dinc dade verstaen 32365 Claerlyc, want hijt gerne wiste nu. Merlijn zeide: “here, ic secget iu: Iu ne staet des te weten nembermeer Dan van den libarde, daer ic af zeide eer, Die sonder crone sal wesen, 32370 Ende met hem sal bringen na desen Drie lewen, entie derde en sal Niet gecroent sijn, ende daer al Sullen die drie doet slaen, ter stede Dat quade geslachte van Logres mede; 32375 Niet meer en vraget my”, zeide hi doe, “Maer vaert ten baronen voert alsoe Als ic iu gesecht hebbe”. “Gerne” zeide hy; Doe sat hi op ende nam hem by Den koninck Bohort enten koninck Ban, 32380 Ende Sagrimor ende Keyen voertan, Ende Ywene den groten ende Gaheries, Ende Galescins ende Garies; Met desen voer die koninck Artur nu Van tenten te tenten, secgic iu, 32385 Ende dankede elken prince nadas Sonderlinge, dat hi daer komen was. Ende al die wile, dat Artur dit dede, Sal ic iu secgen voert, ter stede, Van den koninck Lot, die hadde nu 32390 Die princen vergadert, als ic zeide iu; Ende als die princen komen waren Te Salesbiere, sijnsi daernare In des koninck Lottes tenten komen mede, Ende vergaderden daer alle ter stede; 32395 Daer dade dene den andren feeste groet. Doe gingen daer sitten die genoet Op ene coetse, rike ende diere; Doe si daer saten in der manieren Ende spraken daerna saen, 32400 Quam Merlijn onder hem gegaen; Ende alsine sagen stondensi op aldaer, Ende hietene wellekomen daernaer; Hi dankedes hem ende zeide ter stede: “God, die overal macht hevet mede, 32405 Moete hier geven sine macht nu Die Sennen te verdriven onder iu, Die iu hier groten scade doen”. “By God”, zeiden die baroen, 362 “Die scade es groet nu van desen”. 32410 “Ende hi soude noch meerre wesen, En dade dat scone soccoers mede, Dat ons God gesent hevet ter stede, Van goeden lieden, die hier sijn komen Ombe Onsen Here, hebbic vernomen; 32415 Des zijdy hem sculdech te danken nu”, Zeide Merlijn, “oec secgie iu Dat gy onder iu een groet orloge Inden sult met uwen vermogen Ja, opdat wy alle waren, ter stede, 32420 Van ener partie, die hier sijn mede, Ende anders salt oevele vorwaert gaen; Ende ene goede sake waert, sonder waen, Ons allen, dat die vrede ter ure Gemaket waer tuscen iu ende Arture, 32425 Die onser aller here oec es, Wy soudens te meer ontsien dordes”. Doe sprac daertoe die koninck Lot: “Gy heren”, zeidi, “also helpe my God, Merlijn hevet wel gesecht openbaer, 32430 Want iu eerlyc die vrede waer In Gode enter werlt mede, Ende nembermeer in gener stede En accordeerdy also eerlyc, secgic iu”. Die koninck Uriens verhief hem nu 32435 Van erren moede, ende zeide daerby: “Hoe Duvel, heer koninck, wat segdy? Wy hebben enen vrede gegeven, Thent dat die Sennen sijn verdreven, Ende alsi verdreven waren vortan 32440 Soudewy doen dat ons goet dochte dan, Ende gy sult ons met andren dingen Met uwer talen hiertoe bringen? Overmyddes my en doe ic des twint, Ic en weet niet wat dander sullen doen omtrint, 32445 Maer dadensi dat, ic soude secgen daernare Datsi alle menedech waren”. “In trouwen”, zeide die koninck Ventres “Ic en make nembermeer vrede nades, Dat en sij overmyddes iu ende dander mede”. 32450 Dus zeidensi alle doen ter stede, Des die koninck Lot herde erre was, Maer hi sweech, ende nadas Sprac Merlijn: “gy heren, ic secget iu, Die bolgenscap en waer niet goet nu”. 32455 Ende al die wile datsi spraken Op ende neder van desen saken, Quam die koninck Artur entie koninck Ban Entie koninck Bohort ter tenten an, Daer die prinsen metten koninck Lot waren; 32460 Entie koninck Lot spranc op, twaren, Doe hi den koninck Artur sach daer, Ende zeide: “gy heren, siet hier vorwaer Minen here, den koninck Artuer”. Doe sprongensi alle op ter uer, 32465 Ombedat hi koninck was, maer wet Dat hi se eer alle gegroet hadde met Eer si daer op waren gestaen, Ende zeide herde vriendelike saen: “Wellekomen moete dese geselscap wesen!” 32470 Ende si antwoerden alle na desen, Dat hem God moeste lonen mede. Doe gingensi alle sitten ter stede. Ende daer dankede hem die koninck seer, Datsi daer komen waren nu meer 32475 Ombe sijnre veden wille, dordat sy Die Sennen verdriven sullen daerby, “Die groten scade hebben gedaen Der Kerstenheit; nu laet ons saen Tenen inde trecken ende gereiden”. 32480 “Here”, zeide die koninck Lot sonder beiden, “Daer laet Merline gewerden mede, Hi sal ons wysen ende wegen ter stede, Dat hi ons hetet sullewy doen”. Doe volgedens alle die baroen, 32485 Ende loedent op Merline daer; Doe scieden die princen daernaer, Entie koninck voer te sijnre tenten doe, Entie princen geleiden hem alle doe Te sijnre tenten, ende keerden dan. 32490 Entie koninck Artur entie koninck Ban, Entie koninck Bohort ende Gawein, Ende Merlijn ende heer Iwein Gingen tenen rade nu staen; Doe zeide Merlijn tot hem saen: 32495 “Gy heren”, sprac hi, “ic secget iu, Dat heer, dat hier komen es nu, Hevet wel rastens te doene; 363 Nu laet rasten dese baroene Twe dage, ende en maendage vroe 32500 Sullewy trecken te Clarence toe, Want daer al die Sennen sijn, sijt gewes, Die lagen vor der stat te Windeberes, Entie diegene hadden gesconfiert, Si souden dander onlange geviert 32505 Hebben, sine souden sijn gevloen; Nu sal ict den princen weten doen, Datsi en manendage alle sijn bereet”. Hieran hieldensi hem doe, God weet, Ende alle dese wile sagen si komen sciere 32510 Heren Gawyns knape Elisiere, Des koninck Pelles sone, ende zeide Tote mynen here Gawine, sonder beiden: “Here”, zeide hi, “nu biddic iu, Dat gy mijn gelof doet nu, 32515 Dat was alsic iu bade die sake, Dat gy my ridder zoudet maken, Want ic soude gerne proeven my Op dese Sennen myne ridderscap vry; Want ic en werde nember ridder, sij iu bekant, 32520 Gyne maket my ridder metterhant”. Doen Heer Gawyn dit hevet verstaen, Zeide hi tot synen knape saen: “Lieve vrient, ic salt gerne doen nu, Want gy sijt des wel waert, secgic iu. 32525 Doe makedine des anderen dages ridder daer Met groter ere, wet vorwaer; Entie koninck dade hem ere, lude ende stille, Dor sijnre groter geboert wille Daer hi af was komen; oec hadde geseit 32530 Heer Gawyn van sijnre groter vromecheit, Die hi hadde gedaen vordas. Des dages doen hi ridder worden was, Dadene Artur ten etene sitten dan Tuscen hem enten koninck Ban, 32535 Daer wel gedient was met feesten nu. Des andren dages quam Merlijn, secgic iu, Toten koninge, ende zeide hem naer, Dat hi hem thant gereide daer Alse morgen te vaerne, “ende hoedet iu 32540 Dat gy dat nieman laet weten nu, Waer gy varen sult; oec suldy, Waer ic vor vare, volgen my, Ende ic sal den princen gaen secgen mede, Datsi hem gereiden ter stede”. 32545 Die koninck zeide: “Merlijn, doet al uwen wille Van al onsen dingen, lude ende stille”; Ende Merlijn es ten princen gegaen, Ende dade hem dese dinc verstaen, Die hem wapenden des morgens vroe; 32550 Ende elc prince, die daer was doe, Dadi ene witte baniere voeren daer Ende een roet cruce daerin, vorwaer; Ende doesi alle bereit waren, Sat Merlijn op enen loifere, twaren, 32555 Die hoge was, ende voerde mede Des koninck Arturs baniere ter stede, Ende reet vor al dat heer daer, Ende al die heren volgeden naer, Ende reet aldus te Clarencewaert, 32560 So hi best konde in der vaert, Dat die koninck Hargodabrant Met twintech koningen belegert hevet thant; Ende hi hadde gesent sine voederaren Optie twintech mile, twaren, 32565 Alombe, die dlant sere roveden nu; Ende ene partie was komen, secgic iu, Vor den casteel van Garlot dordas, Dattie beste casteel nu was, Dien die koninck Ventres hadde doe; 32570 Ende vor desen casteel waren komen alsoe Vier koninge metten Sennen daer, Die vele liede hadden vorwaer, Die groten roef hadden gerovet; Entie van binnen, des gelovet, 32575 Waren wtgetogen [tot] hem ter stede, Ombe den roef te bescuddene mede; Daer blever in beiden syden vele doet, Maer int inde moesten, dor die noet, Die van Garlot den roef laten 32580 Enten castelewaert vlien utermaten: Ende doe belagen si den casteel ter stat, Entie vier koninge swoeren dat, Datsi nembermeer en doen keer, Sine hebben den casteel gewonnen eer. 32585 Doe die koninginne dat gesach, 364 Dat men den casteel aldus belach, Haddesi groten anxte ende vragede ter stede Den drossate, wat si daer doen mochte mede; Doe was haer raet, datsi onder hem beden 32590 Des nachtes uten castele souden sceden Ende tenen poerteken ryden, ter vaert, Dat daer ginc ter rivierenwaert, Ende souden op een ander hues varen, Dat daer in ses mylen stont nare 32595 Dat men ten Bescudde hiet doe; Ombedat daer Vertegier bescut was soe Van der doet, so hiet hi also nu. Die vrouwe ende haer drossate, secgic iu, Entie twe knape sonder meer, in scyne, 32600 Voeren wt enen poertekine; Maer die Sennen hadden daer Spieres geset, wetet vorwaer, Ombe den casteel, telker stede; Daer wart die vrouwe gevaen mede, 32605 Entie drossate geslagen doet; Ende elc knape daer ontscoet Sere gewont, ende quamen gevloen Op dat heer, dat Merlijn geleide doen Ende doe die knape die baniere sagen 32610 Entie rode cruce daerin gewagen, Wisten si wel dat Kerstene waren, Ende reden koenlic tot hem daernare, Ende dreven groten rouwe daer. Doe reet Merlijn an hem daernaer; 32615 Doe hi den rouwe hoerde alsoe, Vragede hi, wat hem ware doe? Doe teldensi, hoe die koninginne, ter stede, Van Garlot gevaen es, ende mede Haer drossate geslagen doet, 32620 Ende van den rove, die was groet, Dien die Sennen hadden, sonder waen, “Welken wech varensi? secget my saen!” “Here al ter brucgen van der kautsiden toe”. Merlijn riep met luder stemme doe: 32625 “Volget my, want sine sullen, secgic iu, Die koninginne niet en wech voeren nu”; Ende hi sloech sinen loifre met sporen Ende reet wat hi mochte, voren, Ende heer Gawyn volgede hem vaste an, 32630 Ende Elisier, entie koninck Ban Ende koninck Bohort; ende elc hadde daer Sine batalie met hem, ende daernaer Redensi so sere, datsi, sonder waen, Den roef nu verhaelden saen, 32635 Die vierdusent Sennen geleiden ter stede. Doe bat Elisier Gawine ene bede, Ende zeide: “here, ic bidde iu, Dat gy my dierste joeste gevet nu, Want ic en street sint niet dat ic ridder was”. 32640 Heer Gawein zeide al lachgende nadas: “By Gode, ic wilt gerne doen”; Mettien sloech wt die baroen, Ende riep optie Sennen: “gy, laet hier Den roef, al waerdy noch al so fier!” 32645 Dit hoerde Dioles, ende reet op hem daer, Dat sijn speer brac daernaer, Ende Elisier stac dengenen alsoe. Dat hi ter aerden doet viel doe, Ende sijn speer brac, ende hi nam tswaert, 32650 Ende sloech koninck Brandons drossate ter vaert Opten helm, dat hine doe, Clovede toten scouderen toe. Doe zeide heer Gawyn tot Merlijn: “Onse nuwe ridder hevet in scijn 32655 Wel begonnen!” - “Gy secget waer”, Zeide Merlijn, “hi salt noch hiernaer Bet doen dan hi nu hevet gedaen”. Doe creieerde Merlijn sijn teken saen; Doe sloech heer Gawyn in ter stede 32660 Ende al sijn geselscap mede; Daer sloegen si menegen Senne doet, Ende si moesten laten, dor die noet, Horen roef, ende gingen vlien, twaren, Te Garlotwaert, daer dander waren. 32665 Daer vor lach die koninck Pignores Ende Pincenas ende Maglores, Ende Brames; dese vier koninge mede Daden den casteel stormen, ter stede, Met groter cracht, alse die verbolgen waren. 32670 Doe sagensi komen gevloen, twaren, Die Sennen; doe lieten si daer Dat stormen, wetet vorwaer, Ende reden jegen diegene die quamen 365 Ongebatalgiert altsamen, 32675 Ende alsi sagen dat volc mede, Dat Merlijn brachte geleit ter stede, Had hem wonder, wanen komen mochte Also vele volkes, als hi daer brochte; Ende si vergaderden in hem daernaer, 32680 Want si oec vele liede hadden daer. Ende heer Gawyn entie koninck Ban Ende koninck Bohort ende Elisier daeran Ontfingense herde fierlyc nu; Daer wart die strijt groet, secgic iu, 32685 Ende Merlijn voer van ringe te ringe, Ende riep: “vaert hem toe sonderlinge!” Ende doe die strijt alremeest was, Doe riep die koninck Pignoras Veertich man van sinen besten riddren daer, 32690 Datsi die koninginne namen daernaer Van Garlot, ende voerdense te hant Toten koninck Hargodabrant, Die vor den stat van Clarence was. Dese namen die koninginne nadas, 32695 Ende voerdense te Clarencewaert; Entie koninck Pignores mettervaert In den strijt al sloech daer neder Wat vor hem quam, voert ende weder, Ende dade den Kerstenen scade groet. 32700 Doe heer Gawyn dit sach al bloet, Zeide hi tot hem selven saen: “Levede dese lange, sonder waen Hi zoude ons groten scade doen hier”. Dat hi dit zeide, hoerde Elisier, 32705 Die gerne altoes by Gawine was, Hi horte in ende verhief nadas Sijn swaert met beiden handen doe; Doe sloech hi Pignores alsoe, Dor den helm, ende dor die coifie mede, 32710 Dat hine clovede, daer ter stede, Toten tanden toe. Doe zeide Merlijn: “Diegene hevet vrede gegeven in scijn”. Dit zeide hi tot heren Gawine doe; Heer Gawyn zeide: “my dunket alsoe, 32715 God ende Onse Vrouwe moet ons mede Desen geselle behoeden ter stede!” Doe sloech hi in die Sennen daernare, Die ombe horen here droevech waren; Entie koninck Ban sloech oec nadas 32720 Doet den koninck Pincenas. Ende doe Merlijn sach, dat ondergingen Die Sennen, riep hi, na dien dingen, Den koninck Ban ende Gawine sciere gevaen Ende Leoncen ende Elisiere, 32725 Ende zeide, dat die koninginne voerden Veertich Sennen tClarencewaert saen, “Ende verliesewy se, dat zoude ons wesen Dickewerven verweten na desen; Laet ons na hem nu varen mede; 32730 Vaste varet voer ter stede Wy volgen iu opten voet gereet”. Ende Merlijn, die dus vor nu reet, Hem volgeden hondert ridder goet, Op aventure ocht hem enech gemoet 32735 Comen mochte van Sennen bander syden. Al die wile datsi dus henen ryden, Waren die Sennen, die voerden nu Die koninginne van Garlot, secgic iu, Wel twe mylen van den heer komen, 32740 Ende hebben enen sconen bosc vernomen, Daer ene scone fonteine stont daer, Onder enen lauwerboem al ront; Daer voerensi ombe hem te verkoelne Ende setten die koninginne af naer 32745 Van den paerde opten borne ter stede; Ende si riep ende weende sere mede Ende makede den meesten rouwe, Dien ie mochte maken ene vrouwe, Ende nieman en konde haer getroesten twint, 32750 Ende si riep: “koninck Ventres!” omtrint “Hier scedet die grote minne nu, Die tuscen my es ende iu, Ende en mene iu nembermeer sien!” Doe viel si in ommacht mettien; 32755 Ende alsi weder bekomen was, Trac si haer haer ende wranc nadas Haer hande so ontfermlike mede, Dat den ridder ontfermede ter stede Van den rouwe die si dreef nu. 32760 Bindien es komen, secgic iu, Heer Gawyn ende hoert desen rouwe, Ende zeide: “gy heren, gy laet die Vrouwe! 66 Maer wildy nu varen uwer straten Ombedat iu leet scijnt utermaten 32765 Haer verdriet, so willewy iu Onbestreden laten varen nu, Ende tlijf laten ontdragen na desen, Opdat gyse met ons laet nu wesen”. Pignores drossate zeide, Margondes, 32770 Dat hem dit die beste raet es, Dat mense hem geve sonder stryden. Dander zeiden te dien tyden, Si souden daer eer alle blyven doet, Eer sise hem gaven clene ocht groet. 32775 “Gy sultse geven”, zeide Gawyn doe, “Ondankes iu alle!” ende sloech in alsoe Ende trac sijn swaert, ende gaf daer Den iersten enen slach so swaer, Dat hem thovet af viel mede. 32780 Doe liepen hem die Sennen op, ter stede, Maer si en hadden negeen doen daeran, Haerre en was maer veertich tegen hondert man; Dus blevensi daer scier alle doet Sonder Margondes, hi ontscoet 32785 Ende barch hem in enen hage daer; Ende heer Gawyn ende sine gesellen naer Gingen ter koninginnen ende troesten se sere. Die Vrouwe zeide doe: “wie zijdy, here?” “Vrouwe”, zeide hi, “ic ben Gawijn”, na datgone, 32790 “Iu neve, des koninck Lottes sone, Ende dit ander es die koninck Ban, Ende dit sijn onse gesellen voertan”. Doe was die Vrouwe herde blyde, Ende dankede hem sere tien tyden, 32795 Datsise verloest hadden daer; Si saten op een rosside daernaer, Ende voeren met haer also, ter vaert, Wat si konden ten herewaert, Dat die Kerstene gesconfiert hadden nu, 32800 Ende quamen vliende, secgic iu, Op heren Gawyne ende sine gesellen mede, Ende sine konden gevlien te gener stede, Sine moesten ember op hem komen; Dier was vijfdusent, hebbic vernomen; 32805 Maer Brangores, die koninck, sijt seker des, Dickewile ombe gekeert nu es, Ende weerde hem herde stoutelike daer; Want wie dat hem quam so naer Dat hine gerakede metten swaerde, 32810 Hi moeste besoeken daer die aerde; Ende als heer Gawyn dit sach mede, Dat hi ridderlike vacht ter stede, Doe dachte hi dat een edel man sy, Een koninck ochte een hertoge vry. 32815 So reet hi themwaert, ende sprac doe Herde hovesclike den koninge toe: “Heer ridder”, zeide hi, “gy sijt vroem ende koen, Zijdy hertoge ocht koninges soen”? “By mijnre wet”, zeide Brangores, 32820 “Ic ben koninck van Sassen, sijt seker des, Als van ere partien, ende neve met Des koninck, Hargodabrant, dat wet, Dat die rikeste es, die men weet, Entie machtigeste oec gereet”. 32825 Doe antworde heer Gawein ter stede; “Dat scijnt wel an uwer vromechede, Dat gy van edelen geslachte sijt; Maer waerdy Kersten nu ter tijt, Dat waer vrome al te groet; 32830 Ende ic secge dat gerne, ombedat iu doet Verlenget waer; want iu doet my leet es”. “Gy spreket my wonder, zeide Brangores, “Ic waer vry liever doet, dan ic waer Een Kersten man nu voert naer”. 32835 “Daertoe suldy thant komen”, zeide Gawein doe, Ende hi trac sijn swaert alsoe, Ende sloech hem dat hovet af daernaer. Doe die Sennen sagen, dat daer Haer here doet was, doe waren sy 32840 Alle sere gesconfiert daerby, Ende pijnden hem sere te werene nu, Maer en verstont hem niet, secgic iu, Want die Kerstene jagedense overal Ende sloegense doet, groet ende smal. 32845 Des dankeden die Kerstene Onsen Here; Daerna quam Gawein, die sere Gevochten hadde, entie koninck Ban 367 Ende Merlijn, ende presenteerden voertan Den koninck Ventres sijn wijf ter stede, 32850 Ende telden hem hoe sise bescudden mede. Des was die koninck Venter blide; Ende dat heer reet doe ten tyden Te Clarencewaert wat si konden. Hier swiget dit boec, ten stonden, 32855 Van den koninck Artur ter stede nu, Ende sal van Margondes secgen iu, Die onder den hage verborgen lach, Alsic hier vor dade gewach. |
Hoe de prinsen alle verzamelden te Salisbury en hoe die vrede gemaakt werd tussen de prinsen en koning Arthur. 32225 Het avontuur zegt hier nu snel Dat in de vlakte te Salisbury Alle prinsen verzamelen nu. De eerste daarvan, dat zeg ik u, Dat was hertog Escan, weet ik, 360 32230 Die hertog was van Cambenic, Die daar bracht negenduizend man, Goed gewapend en dapper daaraan; Daarna kwam Tradeliant Van Cornwall al gelijk, 32235 En bracht elf duizend man toen; Daarna kwam koning Clarioen Met acht duizend man, en hij Bracht een wit banier daarbij En een rood kruis daar ter plaatse, 32240 En zo deden alle anderen mede, En hij logeerde bij de koning daar Van de honderd ridders, weet voorwaar; Daarna kwam koning Beliant Met tienduizend ridders gelijk; 32245 Daarna kwam koning Carados, te die stonden, Die gezel was van de tafelronden, Maar sinds dat de twist eerst begon, Wilde hij niet komen onder Arthurs man; Hij bracht tienduizend man na dit; 32250 Toen kwam koning Brangores, leger, Die daar kwam om Onze Heer, Omdat hij de heidenen wilde aandoen En bracht met hem tien duizend man; Toen kwam Minoras daaraan, 32255 Konings drost van Driende, Die koning Lac daar zond, Omdat pardon te bejagen, hoe dat gaat, Dat uitgegeven had die legaat Van Godswege overal in het land, 32260 En hij bracht met hem, zij u bekent, Zevenduizend man, die dapper waren; Daarna kwam koning Pelles drost gevaren Met zesduizend man, die hij daar, Vanwege de wille Gods zond; en daarnaar 32265 Kwam koning Pellinors drost mee, Die de koning zond, dat weet, Met zesduizend man, om God voorwaar. Toen kwam koning Aleins drost daar Met zesduizend man, die hij ter plaatse 32270 Zond om God; toen kwam mede Galaat de giganten zoon, Van de verre eilanden was diegene, Hij bracht om God tien duizend man; Daarna kwam samen Agigner aan, 32275 Die Clamadens drost was, Met vijfduizend man, zij het zeker dat; En toen deze zes prinsen alle waren Gelogeerd, die om God kwamen gevaren, Toen gingen de tien baronnen 32280 Tot elke prins, na dit doen, En deed ze eer en bedankten hen zeer, Dat ze daar gekomen waren, en ook meer Om hun land te helpen verweren. En toen gekomen waren al deze heren, 32285 Toen kwam koning Cleolas, Met zevenduizend man, zij het zeker dat; Daarna kwam de hertog Belias, Met zevenduizend man, zoals ik het las; Toen kwam daarna Marganores, 32290 Die konings drost van Sorelois is, Met zevenduizend man; en alle deze Kwamen om God, daar ik van lees. Toen kwam Merlijn tot Arthur, de koning, En zei tot hem, na dit ding: 32295 “Nu, bezie, koning Arthur, edel en vrij, Wat God hier gedaan heeft door u, Die u gezonden heeft ter plaatse, Om u te helpen en de christelijkheden, Zo’n mooie hulp; te recht zal gij 32300 Hem bedanken en loven, waar dat zij”. De koning antwoordde, zoals we dat weten: “God”, zei hij, “heeft niet vergeten Zijn zondaars, dat schijnt wel aan mij: Voor en na, waar dat ook zij, 32305 Heeft Hij bij me bijgestaan in schijn, Dus moet Hij duizendvoudig bedankt zijn, En nog zal Hij me bijstaan, Dus geloof ik vast, zonder waan, Want ik me helemaal in Zijn genade 32310 Zet van alle dingen, vroeg en laat, En omdat, dat Hij behoudt mede Mijn ziel en lichaam, te elke plaats”. Merlijn zei: “dat goede geloof, die gij Altijd hebt, zal u staan bij, 32315 En ik raad u, dat ge immer meer, In uw geloof voort vast blijft, heer, En dat zal u overal laten overwinnen”. “Merlijn”, zei hij, “dat moet God kennen 361 Dat ik God nimmermeer af ga 32320 Hoe dat het met mijn angst sta”. “Heer”, zei toen echt Merlijn, “nu moet gij Bezien, op welke manieren dat gij Deze prinsen, die hier zijn gekomen, Hoe ge deze nu zal begunstigen”. 32325 De koning zei: “ik zal werken bij u, Want zonder uw raad, dat weet nu, Zou ik dus niet goed kunnen bestaan”. “Heer”, zei Merlijn, “ge zal nu gaan Tot de grote heren, die hier ter plaatse 32330 Gekomen zijn, en hen bedanken mede Van de grote troost, dat zij u Gebracht hebben; en bijzonder bedank nu Diegenen, die uw man niet zijn; En God deed niet”, zei Merlijn, 32335 Geen prins zoveel eer meer, Die er in de wereld kwam, dat weet, Dat hij zoveel goede lieden had mede, Zoals hier verzameld zijn ter plaatse; Een nimmermeer komt daarna nu 32340 Zo vele goede mannen, zeg ik u, In deze vlakte, of hier omtrent, Dan als dood zal slaan dat kind De vader, en de vader het kind mede; En dat zal zijn op deze zelfde plaats, 32345 En dan zal het land van Brittannië al Zonder die en hem blijven, groot en smal, En nimmermeer wordt de schade verstoord, En op dezelfde dag ook voort Zullen alle bisschoppen in rouw verkeren, 32350 Dat zal geen wonder zijn, daar die heren En zo menige edele baron Hun einde zullen doen; En ik zeg het u ook, zij het zeker dat, Dat er niet zo’n grote slag was 32355 Als deze zal zijn nu ter plaatse”. Toen de koning dit hoorde mede, Dat de vader het kind dood zou slaan En het kind de vader, toen dacht hij gelijk, Aan dit ding, en werd bezeerd 32360 Hierom en zeer bang, Omdat het land zonder hen zou meer Blijven voort, en zonder heer. Toen bad hij Merlijn vriendelijk gelijk, Dat hij hem dit ding liet verstaan 32365 Duidelijk, want hij het graag wist nu. Merlijn zei: “heer, ik zeg het u: U nee staat dus te weten nimmermeer Dan van de luipaard, daar ik van zei eerder, Die zonder kroon zal wezen, 32370 En met hem zal brengen na deze Drie leeuwen, en de derde zal Niet gekroond zijn, en daar al Zullen de drie dood slaan, ter plaatse Dat kwade geslacht van Londen mede; 32375 Niet meer vraag me”, zei hij toen, “Maar vaar tot de baronnen voort alzo Zoals ik u gezegd heb”. “Graag” zei hij; Toen zat hij op en nam hem bij Koning Bohort en koning Ban, 32380 En Sagrimor en Keye voortaan, En Ywein de grote en Guheries, En Galescins en Garies; Met deze voer koning Arthur nu Van tent tot tent, zeg ik u, 32385 En bedankte elke prins na dat Bijzonder, dat hij daar gekomen was. En al de tijd, dat Arthur dit deed, Zal ik u zeggen voort, ter plaatse, Van koning Loth, die had nu 32390 Die prinsen verzameld, zoals ik zei u; En toen de prinsen gekomen waren Te Salisbury, zijn ze daarnaar In koning Loth’s tent gekomen mede, En verzamelden daar alle ter plaatse; 32395 Daar deed de ene de ander feest groot. Toen gingen daar zitten die genodigden Op een bank, rijk en duur; Toen ze daar zaten op de manieren En spraken daarna gelijk, 32400 Kwam Merlijn onder hen gegaan; En toen ze hem zagen stonden ze op aldaar, En zeiden hem welkom daarnaar; Hij bedankte hen en zei ter plaatse: “God, die overal macht heeft mede, 32405 Moet hier geven zijn macht nu De Sennen te verdrijven onder u, Die u hier grote schade doen”. “Bij God”, zeiden de baronnen, 362 “De schade is groot nu van deze”. 32410 “En hij zou noch meerder wezen, Deed niet die mooie hulp mede, Dat ons God gezonden heeft ter plaatse, Van goede lieden, die hier zijn gekomen Om Onze Heer, heb ik vernomen; 32415 Dus moet ge Hem bedanken nu”, Zei Merlijn, “ook zeg ik u Dat ge onder u een groot oorlog Eindigen zal met uw vermogen Ja, opdat we alle waren, ter plaatse, 32420 Van een partij, die hier zijn mede, En anders zal het euvel verder gaan; En een goede zaak was het, zonder waan, Ons allen, dat de vrede ter ure Gemaakt was tussen u en Arthur, 32425 Die onze aller heer ook is, We zouden het te meer ontzien door dit”. Toen sprak daartoe koning Loth: “Gij heren”, zei hij, “alzo help me God, Merlijn heeft goed gezegd openbaar, 32430 Want u eerlijk de vrede was In God en de wereld mede, En nimmermeer in geen plaats Overeen gekomen alzo eerlijk, zeg ik u”. Koning Uriens verhief zich nu 32435 Van boze moed, en zei daarbij: “Hoe duivel, heer koning, wat zeg jij? Wij hebben een vrede gegeven, Totdat de Sennen zijn verdreven, En als ze verdreven waren voortaan 32440 Zouden we doen dat ons goed dacht dan, En ge zal ons met andere dingen Met uw taal hiertoe brengen? Vanwege mij ik doe geen niets, Ik weet niet wat de anderen zullen doen omtrent, 32445 Maar deden ze dat, ik zou zeggen daarnaar Dat ze alle mijneedig waren”. “In vertrouwen”, zei koning Ventres “Ik maak nimmermeer vrede na dit, Dat tenzij vanwege u en de andere mede”. 32450 Dus zeiden ze alle toen ter plaatse, Dus koning Loth erg boos was, Maar hij zweeg, en na dat Sprak Merlijn: “gij heren, ik zeg het u, Die verbolgenheid was niet goed nu”. 32455 En al de tijd dat ze spraken Op en neer van deze zaken, Kwam koning Arthur en koning Ban En koning Bohort tot de tent aan, Daar de prinsen met koning Loth waren; 32460 En koning Loth sprong op, te waren, Toen hij koning Arthur zag daar, En zei: “gij heren, ziet hier voorwaar Mijn heer, koning Arthur”. Toen sprongen ze alle op ter uur, 32465 Omdat hij koning was, maar weet Dat hij ze eerder al gegroet had mee Eer ze daar op waren gestaan, En zei erg vriendelijk samen: “Welkom moet dit gezelschap wezen!” 32470 En ze antwoorden alle na deze, Dat hem God het moest belonen mede. Toen gingen ze alle zitten ter plaatse. En daar bedankte hen de koning zeer, Dat ze daar gekomen waren nu meer 32475 Om zijn vrede wil, doordat zij De Sennen verdrijven zullen daarbij, “Die grote schade hebben gedaan De christenheid; nu laat ons samen Tot een einden trekken en bereiden”. 32480 “Heer”, zei koning Loth zonder wachten, “Daar laat Merlijn geworden mede, Hij zal ons wijzen de wegen ter plaatse, Dat hij ons zegt zullen we doen”. Toen volgden alle baronnen, 32485 En beloofden het op Merlijn daar; Toen scheiden de prinsen daarnaar, En de koning voer tot zijn tent toen, En de prinsen begeleiden hem alle toen Tot zijn tent, en keerden dan. 32490 En koning Arthur en koning Ban, En koning Bohort en Gawein, En Merlijn en heer Iwein Gingen tot een raad nu staan; Toen zei Merlijn tot hen gelijk: 32495 “Gij heren”, sprak hij, “ik zeg het u, Dat leger, dat hier gekomen is nu, Heeft wel rust nodig; 363 Nu laat rusten deze baronnen Twee dagen, en maandag vroeg 32500 Zullen we vertrekken tot Clarence toe, Want daar al die Sennen zijn, zij het gewis, Die liggen voor de stad Windeberes, En die diegene hebben geschoffeerd, Ze zouden de andere niet lang geleden gevierd 32505 Hebben, sinds ze zouden zijn gevlogen; Nu zal ik het de prinsen weten laten, Dat ze op maandag alle zijn gereed”. Hieraan hielden ze zich toen, God weet, En alle deze tijd zagen ze komen snel 32510 Heer Gaweins knaap Elisier, Koning Pelles zoon, en zei Tot mijnheer Gawein, zonder wachten: “Heer”, zei hij, “nu bid ik u, Dat ge mijn belofte doet nu, 32515 Dat was als ik u bad die zaken, Dat ge me ridder zou maken, Want ik zou graag beproeven mij Op deze Sennen mijn ridderschap vrij; Want ik wordt nimmer ridder, zij u bekent, 32520 Als ge me niet maakt ridder met de hand”. Toen heer Gawein dit heeft verstaan, Zei hij tot zijn knaap gelijk: “Lieve vriend, ik zal het graag doen nu, Want ge bent het dus wel waard, zeg ik u. 32525 Toen maakte hij hem de volgende dag ridder daar Met groter eer, weet voorwaar; En de koning deed hem eer, luid en stil, Door zijn grote geboorte wil Daar hij van was komen; ook had gezegd 32530 Heer Gawein van zijn grote dapperheid, Die hij had gedaan voordat. De dag doen hij ridder geworden was, Liet Arthur hem te eten zitten dan Tussen hem en koning Ban, 32535 Daar goed gediend werd met feesten nu. De volgende dag kwam Merlijn, zeg ik u, Tot de koning, en zei hem daarnaar, Dat hij zich gelijk bereidde daar Als om morgen te varen, “en behoed u 32540 Dat ge dat niemand laat weten nu, Waar ge varen zal; ook zal gij, Waar ik voor ga, volgen mij, En ik zal de prinsen gaan zeggen mede, Dat ze zich bereiden ter plaatse”. 32545 De koning zei: “Merlijn, doe al uw wil Van al onze dingen, luid en stil”; En Merlijn is tot de prinsen gegaan, En liet hen deze dingen verstaan, Die zich wapenden ‘s morgens vroeg; 32550 En elke prins, die daar was toen, Liet hij een wit banier voeren daar En een rood kruis daarin, voorwaar; En toen ze alle bereid waren, Zat Merlijn op een ruin, te waren, 32555 Die hoog was, en voerde mede Koning Arthurs banier ter plaatse, En reed voor dat hele leger daar, En alle heren volgden daarnaar, En reed aldus te Clarence waart, 32560 Zo hij het best kon in de vaart, Dat die koning Hargodabrant Met twintig koningen belegerd heeft gelijk; En hij had gezonden zijn fourageurs Op die twintig mijlen, te waren, 32565 Alom, die het land zeer beroofden nu; En een partij was gekomen, zeg ik u, Voor het kasteel van Garlot door das, Dat het beste kasteel nu was, Die koning Ventres had toen; 32570 En voor dit kasteel waren gekomen alzo Vier koningen met de Sennen daar, Die veel lieden hadden voorwaar, Die grote roof hadden geroofd; En die van binnen, dus geloof het, 32575 Waren uitgetrokken tot hem ter plaatse, Om de roof te behoeden mede; Daar bleven er aan beide zijden veel dood, Maar op het einde moesten, door de nood, Die van Garlot de roof laten 32580 En tot het kasteel waart vlieden uitermate: En toen belegerden ze het kasteel ter plaatse, En de vier koningen zwoeren dat, Dat ze zich nimmermeer laten keren, Ze hebben het kasteel gewonnen eer. 32585 Toen de koningin dat zag, 364 Dat men het kasteel aldus belegerde, Had ze grote angst en vroeg ter plaatse De drost, wat ze daar doen mocht mede; Toen was zijn raad, dat ze onder hen beide 32590 ‘s Nachts uit het kasteel zou scheiden En tot een poortje rijden, ter vaart, Dat daar ging ter rivieren waart, En zou naar een ander huis varen, Dat daar zes mijlen stond daarnaar 32595 Dat men de Beschutting noemde toen; Omdat daar Vertegier beschut was zo Van de dood, zo heet hij alzo nu. Die vrouw en haar drost, zeg ik u, En de twee knapen zonder meer, in schijn, 32600 Voeren uit een poortje; Maar de Sennen hadden daar Spionnen gezet, weet voorwaar, Om het kasteel, te elke plaats; Daar werd die vrouw gevangen mede, 32605 En de drost geslagen dood; En enkele knapen daar ontkwamen Zeer gewond, en kwamen gevlogen Op dat leger, dat Merlijn leidde doen En toen die knapen dat banier zagen 32610 En het rode kruis daar in gewagen, Wisten ze wel dat het christenen waren, En reden koen tot hem daarnaar, En dreven grote rouw daar. Toen reed Merlijn naar hen daarnaar; 32615 Toen hij de rouw hoorde alzo, Vroeg hij, wat hen was toen? Toen vertelden ze, hoe de koningin, ter plaatse, Van Garlot gevangen is, en mede Hun drost geslagen dood, 32620 En van de roof, die was groot, Die de Sennen hadden, zonder waan, “Welken weg varen ze? Zeg het me gelijk!” “Heer al tot de brug tot de steenweg toe”. Merlijn riep met luide stem toen: 32625 “Volg mij, want ze zullen, zeg ik u, De koningin niet weg voeren nu”; En hij sloeg zijn paard met sporen En reed wat hij mocht, voren, En heer Gawein volgde hem vast aan, 32630 En Elisier, en koning Ban En koning Bohort; en elk had daar Zijn bataljon met hem, en daarnaar Reden ze zo zeer, zodat ze, zonder waan, De roof nu inhaalden gelijk, 32635 Die vierduizend Sennen begeleiden ter plaatse. Toen bad Elisier Gawein een bede, En zei: “heer, ik bid u, Dat ge me dat eerste spel geeft nu, Want ik streed niet sinds dat ik ridder was”. 32640 Heer Gawein zei al lachend na dat: “Bij God, ik wil het graag doen”; Meteen sloeg uit die baron, En riep op de Sennen: “gij, laat hier De roof, al was ge nog al zo fier!” 32645 Dit hoorde Dioles, en reed op hem daar, Zodat zijn speer brak daarnaar, En Elisier stak diegene alzo. Zodat hij ter aarde dood viel toen, En zijn speer brak, en hij nam het zwaard, 32650 En sloeg koning Brandons drost ter vaart Op de helm, zodat hij hem toen, Kloofde tot de schouder toe. Toen zei heer Gawein tot Merlijn: “Onze nieuwe ridder is in schijn 32655 Goed begonnen!” - “Ge zegt het waar”, Zei Merlijn, “hij zal het nog hiernaar Beter doen dan hij nu heeft gedaan”. Toen creëerde Merlijn zijn teken gelijk; Toen sloeg heer Gawein in ter plaatse 32660 En zijn hele gezelschap mede; Daar sloegen ze menige Sennen dood, En ze moesten laten, door die nood, Hun roof, en gingen vlieden, te waren, Te Garlot waart, daar de andere waren. 32665 Daarvoor lag koning Pignores En Pincenas en Maglores, En Brames; deze vier koningen mede Lieten het kasteel bestormen, ter plaatse, Met grote kracht, zoals die verbolgen waren. 32670 Toen zagen ze komen gevlogen, te waren, De Sennen; toen lieten ze daar Die bestorming, weet voorwaar, En reden tegen diegene die kwamen 365 Niet in bataljons alle tezamen, 32675 En toen ze zagen dat volk mede, Dat Merlijn bracht geleid ter plaatse, Had het hen verwonderd, waarvan het komen mocht Zoveel volk, zoals hij daar bracht; En ze verzamelden zich daarnaar, 32680 Want ze ook veel lieden hadden daar. En heer Gawein en koning Ban En koning Bohort en Elisier daaraan Ontvingen ze erg fier nu; Daar werd de strijd groot, zeg ik u, 32685 En Merlijn voer van ring tot ring, En riep: “ga op hen toe apart!” En toen de strijd het allergrootst was, Toen riep koning Pignoras Veertig man van zijn beste ridders daar, 32690 Dat ze de koningin namen daarnaar Van Garlot, en voerden haar gelijk Tot koning Hargodabrant, Die voor de stad van Clarence was. Deze namen de koningin na dat, 32695 En voerden haar te Clarence waart; En koning Pignores met een vaart In de strijd alles sloeg daar neer Wat voor hem kwam, voort en weer, En deed de christenen schade groot. 32700 Toen heer Gawein dit zag al bloot, Zei hij tot zichzelf gelijk: “Leefde deze lang, zonder waan Hij zou ons grote schade doen hier”. Dat hij dit zei, hoorde Elisier, 32705 Die graag altijd bij Gawein was, Hij hortte zijn paard en verhief na dat Zijn zwaard met beide handen toen; Toen sloeg hij Pignores alzo, Door de helm, en door de bedekking mede, 32710 Zodat hij hem kloofde, daar ter plaatse, Tot de tanden toe. Toen zei Merlijn: “Diegene heeft vrede gegeven in schijn”. Dit zei hij tot heer Gawein toen; Heer Gawyn zei: “me lijkt het alzo, 32715 God en Onze Vrouw moet ons mede Deze gezel behoeden ter plaatse!” Toen sloeg hij in de Sennen daarnaar, Die om hun heer droevig waren; En koning Ban sloeg ook na dat 32720 Dood koning Pignoras. En toen Merlijn zag, dat ondergingen De Sennen, riep hij, na die dingen, Koning Ban en Gawein snel te gaan En Leonse en Elisiere, 32725 En zei, dat de koningin voerden Veertig Sennen te Clarence waart samen, “En verliezen we haar, dat zou ons wezen Vaak verweten na deze; Laat ons naar hen nu varen mede; 32730 Vaste vaart voor ter plaatse We volgen u op de voet gereed”. En Merlijn, die dus voor nu reed, Hem volgden honderd ridders goed, Op avontuur of hen enige ontmoeting 32735 Komen mocht van Sennen aan de andere zijde. Al de tijd dat ze dus heen rijden, Waren de Sennen, die voerden nu De koningin van Garlot, zeg ik u, Wel twee mijlen van het leger gekomen, 32740 En hebben een mooi bos vernomen, Daar een mooie fontein stond daar, Onder een laurierboom al rond; Daar voeren ze heen om zich te verkoelen En zetten de koningin af daarnaar 32745 Van het paard op de bron ter stede; En ze riep en weende zeer mede En maakte de meeste rouw, Die ooit mocht maken een vrouw, En niemand kon haar troosten iets, 32750 En ze riep: “koning Ventres!” omtrent “Hier scheidt de grote minne nu, Die tussen mij is en u, En ik meen u nimmermeer te zien!” Toen viel ze in onmacht meteen; 32755 En toen ze weer bekomen was, Trok ze haar haar en wrong na dat Haar handen zo ontfermend mede, Zodat het de ridders ontfermde ter plaatse Van de rouw die ze dreef nu. 32760 Binnen die is gekomen, zeg ik u, Heer Gawein en hoort deze rouw, En zei: “gij heren, ge laat die vrouw! 366 Maar wil ge nu varen uw straten Omdat u het leed schijnt uitermate 32765 Haar verdriet, zo willen wij u Onbestreden laten varen nu, En het lijf laten ontdragen na deze, Opdat ge haar met ons laat nu wezen”. Pignores drost zei, Margondes, 32770 Dat hen dit de beste raad is, Dat men ze hen geeft zonder te strijden. De andere zeiden te die tijden, Ze zouden daar eerder allen blijven dood, Eer ze hem haar gaven klein of groot. 32775 “Ge zal haar geven”, zei Gawein toen, “Ondanks u alle!” en sloeg in alzo En trok zijn zwaard, en gaf daar De eerste een slag zo zwaar, Dat hem het hoofd af viel mede. 32780 Toen liepen op hem de Sennen, ter plaatse, Maar ze hadden geen doen daaraan, Van hun waren er maar veertig tegen honderd man; Dus bleven ze daar snel allen dood Uitgezonderd Margondes, hij ontkwam 32785 En verborg zich in een haag daar; En heer Gawein en zijn gezellen daarnaar Gingen ter koningin en troosten haar zeer. Die vrouw zei toen: “wie bent gij, heer?” “Vrouw”, zei hij, “ik ben Gawein”, naar datgene, 32790 “Uw neef, koning Loth’s zoon, En deze andere is koning Ban, En dit zijn onze gezellen voortaan”. Toen was die vrouw erg blij, En bedankte hem zeer te die tijden, 32795 Dat ze haar verlost hadden daar; Ze zat op een ros daarnaar, En voeren met haar alzo, ter vaart, Wat ze konden te leger waart, Dat de christenen geschoffeerd hadden nu, 32800 En kwamen vliegende, zeg ik u, Op heer Gawein en zijn gezellen mede, En ze konden vlieden tot geen plaats, Zijn moesten immer op hem komen; Van die waren er vijfduizend, heb ik vernomen; 32805 Maar Brangores, de koning, zij het zeker dit, Vaak omgekeerd nu is, En weerde zich erg dapper daar; Want wie dat hem aankwam zo daarnaar Zodat hij hem raakte met het zwaard, 32810 Hij moest zoeken daar de aarde; En toen heer Gawein dit zag mede, Dat hij ridderlijk vocht ter plaatse, Toen dacht hij dat het een edele man is, Een koning of een hertog vrij. 32815 Zo reed hij tot hem toe, en sprak toen Erg hoffelijk de koning toe: “Heer ridder”, zei hij, “ge bent dapper en koen, Bent ge hertog of konings zoon”? “Bij mijn weten”, zei Brangores, 32820 “Ik ben koning van Saxen, zij het zeker dit, Als van een partij, en neef mee Koning, Hargodabrant, dat weet, Die de rijkste is, die men weet, En de machtigste ook gereed”. 32825 Toen antwoordde heer Gawein ter plaatse; “Dat schijnt wel aan uw dapperheid, Dat ge van edel geslacht bent; Maar was ge christen nu ter tijd, Dat was dapperheid al te groot; 32830 En ik zeg u dat graag, omdat uw dood Verlengd is; want uw dood me leed is”. “Ge spreekt me wonder, zei Brangores, “Ik was vrij liever dood, dan ik was Een christen man nu voortaan”. 32835 “Daartoe zal je gelijk komen”, zei Gawein toen, En hij trok zijn zwaard alzo, En sloeg hem dat hoofd eraf daarnaar. Toen de Sennen zagen, dat daar Hun heer dood was, toen waren zij 32840 Alle zeer geschoffeerd daarbij, En pijnigden zich zeer om te verweren nu, Maar dat bestond hen niet, zeg ik u, Want de christenen jaagden ze overal En sloegen ze dood, groot en smal. 32845 Dus dankten de christenen Onze Heer; Daarna kwam Gawein, die zeer Gevochten had, en koning Ban 367 En Merlijn, en presenteerden voortaan Koning Ventres zijn vrouw ter plaatse, 32850 En vertelden hem hoe ze haar behoeden mede. Dus was koning Ventres blijde; En dat leger reed toen te die tijden Te Clarence waart wat ze konden. Hier zwijgt dit boek, ten stonden, 32855 Van koning Arthur ter plaatse nu, En zal van Margondes zeggen u, Die onder de haag verborgen lag, Zoals ik hiervoor deed gewag. |
Van Margondes, ende hoe die koninck Artur alle die Sennen sconfiert. Nu secget daventure voert: 32860 Doe Margondes hevet gehoert, Dat hy, Gawein, enwech was Ende sine gesellen, sat hy nadas Op sijn ors ende reet te Clarencewaert, Ende doen hi daer quam, reet hi ter vaert 32865 Tote Hargodabrande, ende zeide daernare Dat die voederare gesconfiert waren, Die lagen te Garlot, ende some doet. Doe die koninck dit verstoet. Was hi serech ende rouwech des. 32870 Doe spranc op die koninck Gondofiles Ende sprac: “here, willic varen besien Wat daer es? - Ende binnendien Quam gereden Simarus mede, Die hem zeide, aldaer ter stede, 32875 Dat die voederer gesconfiert waren Entie vier koninge doet, twaren; Doe wart Hargodabrant erre das, Dat hi welna verwoedet was, Ende hi viel in ommacht mede 32880 Ombe die vier koninge, daer ter stede, Wantsi sine naeste mage waren; Ende doen hi verkomen was daernare, Zeidi toten koninck Gondofiles, Dat hise wreken voere nades. 32885 Hi zeide, dit woude hi vangen an, Ende nam met hem vijftichdusent man, Ende makede daeraf batalien nu, In elker batalie tien dusent, secgic iu: Die koninck Salibruen ende Margoen 32890 Leiden dierste batalie doen; Dhertoge Lavoer entie koninck Orbores Leiden dander batalie nades; Die koninck Grangolis ende Meliadus, Die koninck, leiden die derde aldus; 32895 Die vierde leide die koninck Brandolijn, Entie drossate Malaquijn; Entie vijfte leide Gondofiles, Ende sijn broeder, sijt seker des; Dese vijf scaren voeren mettervaert 32900 Den rechten wech te Garlotwaert, Thent hem ontmoete dat heer dat Merlijn Tegen hem brachte geleit in scijn, By ener scoenre praierien; Daer hadde Merlijn gevisiert sine partien 32905 In seven te delen oec daernaer: Daer beval hi dierste scaer Den koninck Venter enten hertoge Escant, Enten koninge Tradeliant, Met dertich dusent mannen mede; 32910 Dander scaer geleide ter stede Die koninck Lot entie koninck Ban Entie koninck Bohort, ende oec daeran Die koninck metten C. riddren, God weet, Met dertichdusent man gereet; 32915 Galescins leide die derde, dat wet, Ende sijn drossate Galescinans met, Ende oec die koninck Albas Ende dhertoge Belias; Dese hadden dertichdusent man; 32920 Die koninck Clarioen quam daeran Metter vierder scaren al; Daer was mede die koninck Nabunal Ende oec die koninck Belinan; Dese hadden dertichdusent man. 32925 Die vijfte leide te dien tyden Cleodalis, die drossate van Carmelide, Entie koninck Carados mede, Met dertichdusent man ter stede. Die seste leide Aginegeros daer, 32930 Des koninck Clamadens drossate vorwaer, Ende koninck Pelles drossate daerby; Dertichdusent man hadden sy. Heer Gawyn ende sine broeder, sijt seker des, 368 Entie koninck Brangores, 32935 Entie koninck Lacs drossate, ten stonden, Entie heren van der Tafelronden Waren metten koninck Artuer In sire batalie, die men ter uer Niet hadde mogen tellen nu, 32940 So menich was daerin, secgic iu. Die seven scaren gemoeten vorwaer Die Sennen iegen hem komende daer; Ende als die koninck Salebruen sach Die Kerstene, sloech hi daerin, wat hi mach. 32945 Ende dhertoge Escant quam daer iegen Met siner batalien vreeslyc gedregen; Daer wart van slagen groet geclanc, Wat helpet dat ict makede lanc? Die Kerstene gingen hem so vreeslyc ane 32950 Ocht sise genomen hadden doet te slane, Ja, datter van vijftichdusent mede Maer sevendusent bleef ter stede; Maer si hadden hem vercocht also, Dat des menech Kersten wart onvro, 32955 Ende menege vrouwe gemaket mede Weduwe, ende oec wesen ter stede, Die onberaden bleven nades. Ende doe dhertoge entie koninck Gondofiles Sagen dat haer liede waren doet, 32960 Voeren si te zeewaert, dor die noet, Die daer in twe mylen na was. Doe die koninck Artur gewaer wart das Volgedi hem met al sinen heer, Dat hi daer hadde, tot op dat meer, 32965 Daer diegene twe galeyen vonden, Die hem vitalie brachten tien stonden; Daer sijn die Sennen ingegaen, Maer eer si daerin quamen, sonder waen, Wasser menech geslagen doet 32970 Ende verdroncken, in der noet; Want die scepe voeren van daer, Si ne dorsten niet beiden vorwaer, Ende voeren, daer se daventure geleide, Diese wonderlyc hier verspreide. 32975 Ende doensi aldus nu waren ontreden, Keerde die koninck Artur ter steden, Daer die strijt hadde gewesen. In enen plein sloegensi na desen Haer tenten ende daden hem te gemake, 32980 Ende aten ende dronken, na die sake, Ende rasten hem tote des morgens vroe; Doe stondensi op ende wapenden hem doe, Ende voeren gereet te Clarencewaert. So lange voerensi in der vaert, 32985 Datsi haer tenten sagen ter ure; Doe zeide Merlijn toten koninck Arture: “Here, heden es die dach komen, Daer een inde af wert genomen: Ocht al gewonnen ocht al verloren. 32990 Laet sien, hoe suldy uwen toren Wreken optiegene die iu Menegen scade hebben gedaen vor nu; Heden sal men sien daeran Wie met speren gesteken kan, 32995 Ende wie met swaerden kan houwen; Men sal heden wel scouwen Wie hier goet ridder sal wesen; Daerombe biddic iu alle na desen, Dat gy iu so proevet ter stede, 33000 Dat tgoede lant van Logres mede Sine ere niet en verliese daerby”. Ende gemennlic alle geloveden sy Datsi des haer macht souden doen, Merlijn zeide doe vor al die baroen: 33005 “Ons sal goet gescien noch heden Maer ic wil, dat gy nu ter steden” Zeidi tot al den baronen naer, “Dat gy my hier gelovet openbaer, Entie koninck Artur te voren mede, 33010 Wat ic wille, te doene ter stede”. Si zeiden, si wouden dat gerne doen; Daer gaf hem sijn trouwe elc baroen Entie koninck Artur, dat elc soude Doen wat hi gebode ende woude. 33015 Doe zeide Merlijn: “dit es die dach in scijn, Dat dlant van Bertanien gedestrueert sal sijn, God en helpe ons, Onse Here! Ende onse viande en werden nembermere Verdreven, gy ne hebbet gemaket ter ure 33020 Gerechte soene jegen den koninck Arture, Ende tes oec mijn geloef van iu, Dat gy soene iegen hem maket nu”. Doe dit verstonden die baroene 369 Was sulc blyde van desen doene, 33025 Ende sulken wasset leet; maer nochtan Hieldensi sijn geloef daeran, Ende versoenden alle ter stede, Ende worden Arturs man oec mede, Ende ontfingen haer lant daernaer; 33030 Doe was grote blyscap daer. Doe dit gedaen was, doe redensi Te Clarencewaert, dat stont daerby, Daer nu die Sennen stormden sere, Entie van binnen setten hem ter were; 33035 Daer waren xl dusent man. Merlijn was nu komen daeran Met sijnre banieren in die Sennen doe; Hi dade hem in vier syden riden toe, Ende dade die tenten al slaen daer neder 33040 Overal in den heer, voert ende weder. Entie Sennen, die nu vor der stat waren, Ende hieraf niet en wisten, twaren, Si hoerden dit gerochte ter stede Ende haer tenten vallen mede; 33045 Doe wordensi verscricket saen, Ende lieten haer stormen staen, Ende liepen derwaert met groter gere, Ende riepen haer teken alle sere; Daer began die strijt sterc ende stout, 33050 Daer vergaderde met groter gewout Dene in den andren naer; Si braken hare spere daer, Doe gingensi houwen metten swaerden; Daer wart menech geslagen ter aerden 33055 Daer bleef menech doet, sijt seker das, Ende tegen enen Kersten, die daer was, So waren daer vier Sennen, God weet; Nieman en quam, daer men street Also vreeslyc, als men daer dede; 33060 Daer wart afgesteken ter stede Menech Kersten in der noet; Daer bleef oec menech Senne doet, Ende oec man ende paert dorhouwen; Des was Hargodabran in groten rouwe, 33065 Ende nam een sterc speer in die hant, Ende reet op Cleoles te hant, Den koninck, die stout ende koene was, Die tegen hem oec reet nadas; Daer stac elc opten andren alsoe, 33070 Dat haer speer braken doe, Ende si sockeerden metten lichamen, Datsi ter aerden vielen tsamen Metten orsen; doe blevensi daer Lange licgende, wet vorwaer, 33075 Dattie orse op hem lagen nu; Oec waren si in ommacht, secgic iu. Doe wart groet die batalie mede Ombe te bescuddene dheren bede; Ende als die Sennen vergaderden daer, 33080 Entie Kerstene mede daernaer, Daer wart hermonteert Hargodabrant; Maer dusent Sennen, sij iu bekant, Worden eer geslagen doet, Enter Kerstene hondert, in der noet, 33085 Eer si Cleoles hermonteerden mede, Die sinen arm brac ter stede, Daer hi van den orse viel ter stat; Sine liede waren droevech ombe dat, Ende voerdene uten heer daernaer. 33090 Doe bat hi sinen drossate daer, Dat hi met sinen lieden maer Int heer rede ende haer leidesman waer, Dus redensi int heer den drossate volgen, Ombe haren here seer verbolgen, 33095 Wantsi braken doen in den hoep, Ende si sloegen enen koninck doet; Si wraken so anxtelic horen here, Dat mense daerombe prijsde sere. Die strijt wart groet ende sorgelyc, 33100 Entie Kerstene dadent so wel sekerlyc, Dat men daer ember af spreken sal. Ende Merlijn, die dese batalie al Troeste, ende voer hier ende daer, Hy zeide: “gy heren, nu es openbaer 33105 Die dach, daert al gelecget an; Nu sal men sien, wie vrome es dan”. Ende als die ridder Merlyne horen, Dade hem elc nu daer te voren, Ende gingen slaen daer vreeslike slage; 33110 Ende als die van der stat dit sagen, Datsi getroestet worden nu, Trocken si alle wt, secgic iu, Ende sloegen in die Sennen naer, 370 Ende wrachten wonder met wapene daer; 33115 Maer si vonden die Sennen van groter weer, Ende sloegen doet menegen Kersten heer, Ende sine hadden niet mogen duren, En hadden die princen gedaen ter uren, Die so vrome waren mede, 33120 Ende so vreeslike slage sloegen ter stede, Datse nieman en mochte ontstaen. Ende Merlijn stokedese alle saen Overal, ende lietse niet geduren; Hi hadde een hout ter uren 33125 In der hant, ende reet metten orse, Ende dorbrac altenen die porse, Ende riep so lude, dat ment tier uer Horen mochte alt heer duer: “Heden, gy heren, es die dach, 33130 Dat hem elc ridder proeven mach, Wat hi nu waerdich mach wesen”. Doen die ridder hoerden van desen, Ginc daer iegelyc togen sine cracht, Maer so wie dat daer wel vacht, 33135 Die koninck Artur dadet noch also wel; Want sine slage waren so fel, Dat hi man ende ors mede Overmiddes clovede daer ter stede. Ende heer Gawyn entie van der Tafelronden, 33140 Entie nuwe ridder oec tien stonden, Ende alle die barone dadent soe, Dat hem die Sennen niet meer doe En konden geweren, ende gingen vlien. Daer bleven doetgeslagen mettien 33145 Alle die koninge, die daer waren, Met Hargodabrande, sonder vive, twaren, Dat was Oriens en Franxabres Ende Tornicans ende Trapixes Dammirael, ende Trebehan; 33150 Ende Hargodabran met dertichdusent man, Dese vloen gesconfiert ende mat Ende quamen optie zee nadat, Daer haer scepe stonden vorwaer, Entie Kerstene iagedense tote daer 33155 Ende hieldense so kort opter zee Datsi die helchte versloegen ende mee, Sonder dat daer verdranc, secgic iu, Eersi gescepen konden nu; Ende doesi gescepet waren daer, 33160 Voerensi met rouwe enwech naer Ombe haer groet verlies, sonder waen, Datsi in den stride hadden ontfaen. Nu swiget dit boec van desen, Ende sal van den koninck Artur lesen, 33165 Ende van den princen oec ter stede, Die daer waren ten stride mede. |
Van Margondes en hoe koning Arthur alle Sennen blameert. Nu zegt het avontuur voort: 32860 Toen Margondes heeft gehoord, Dat hij, Gawein, weg was En zijn gezellen, zat hij na dat Op zijn paard en reed te Clarence waart, En toen hij daar kwam, reed hij ter vaart 32865 Tot Hargodabrant, en zei daarnaar Dat de voedselhalers geschoffeerd waren, Die lagen te Garlot, en sommige dood. Toen de koning dit verstond. Was hij bezeerd en rouwig dus. 32870 Toen sprong op koning Gondofiles En sprak: “heer, wil ik gaan om te bezien Wat daar is? - En binnendien Kwam gereden Simarus mede, Die hem zei, al daar ter plaatse, 32875 Dat de voedselhalers geschoffeerd waren En de vier koningen dood, te waren; Toen werd Hargodabrant boos om dat, Zodat hij bijna verwoed was, En hij viel in onmacht mede 32880 Om de vier koningen, daar ter plaatse, Want ze zijn naaste verwaten waren; En toen hij bijgekomen was daarnaar, Zei hij tot koning Gondofiles, Dat hij ze wreken zou na dit. 32885 Hij zei, dit wilde hij vangen aan, En nam met hem vijftigduizend man, En maakte daarvan bataljons nu, In elk bataljon tien duizend, zeg ik u: Koning Salibruen en Margoen 32890 Leiden het eerste bataljon toen; Hertog Lavoer en koning Orbores Leiden het andere bataljon na des; Koning Grangolis en Meliadus, Die koning, leidde de derde aldus; 32895 Die vierde leidde koning Brandolijn, En de drost Malaquijn; En de vijfde leidde Gondofiles, En zijn broeder, zij het zeker dit; Deze vijf scharen voeren met een vaart 32900 De rechte weg tot Garlot waart, Tot hen ontmoette dat leger dat Merlijn Tegen hen bracht geleid in schijn, Bij een mooie vlakte; Daar had Merlijn geregeld zijn partijen 32905 In zeven te verdelen ook daarnaar: Daar beval hij de eerste schaar Aan koning Venter en hertog Escant, En koning Tradeliant, Met dertig duizend mannen mede; 32910 De andere schaar begeleide ter plaatse Koning Lot en koning Ban En koning Bohort, en ook daaraan De koning met de honderd ridders, God weet, Met dertigduizend man gereed; 32915 Galescins leidde de derde, dat weet, En zijn drost Galescinans mee, En ook koning Albas En de hertog Belias; Deze hadden dertigduizend man; 32920 Koning Clarioen kwam daaraan Met de vierder schaar al; Daar was mede koning Nabunal En ook koning Belinan; Deze hadden dertigduizend man. 32925 Die vijfde leidde te die tijden Cleodalis, de drost van Carmelide, En koning Carados mede, Met dertigduizend man ter plaatse. De zesde leidde Aginegeros daar, 32930 Koning Clamadens drost voorwaar, En koning Pelles drost daarbij; Dertigduizend man hadden zij. Heer Gawein en zijn broeder, zij het zeker des, 368 En koning Brangores, 32935 En koning Lacs drost, ten stonden, En de heren van de tafelronden Waren met koning Arthur In zijn bataljon die men ter uur Niet had mogen tellen nu, 32940 Zoveel was daar in, zeg ik u. Die zeven scharen ontmoeten voorwaar De Sennen tegen hen komen daar; En toen koning Salebruen zag De christenen, sloeg hij daar in, wat hij mag. 32945 En de hertog Escant kwam daartegen Met zijn bataljon vreselijk gedreven; Daar werd van slagen groot geklank, Wat helpt het dat ik het maakte lang? De christenen gingen hen zo vreselijk aan 32950 Of ze voorgenomen hadden hen dood te slaan, Ja, zodat er van vijftigduizend mede Maar zevenduizend bleven ter plaatse; Maar ze hadden zich verkocht alzo, Zodat dus menige christen werd droevig, 32955 En menige vrouw gemaakt mede Weduwe, en ook wezen ter plaatse, Die onberaden bleven na dit. En toen de hertog en koning Gondofiles Zagen dat hun lieden waren dood, 32960 Voeren ze te zee waart, door die nood, Die daar twee mijlen ver van was. Toen koning Arthur gewaar werd dat Volgde hij hen met zijn hele leger, Dat hij daar had, tot op de zee, 32965 Daar diegene twee galeien vonden, Die hem voedsel brachten te die stonden; Daar zijn de Sennen ingegaan, Maar eer ze daarin kwamen, zonder waan, Was er menigeen geslagen dood 32970 En verdronken, in de nood; Want die schepen voeren vandaar, Ze durfden niet te wachten voorwaar, En voeren, daar het avontuur ze geleidde, Die ze wonderlijk hier verspreidde. 32975 En toen ze aldus nu waren ontkomen, Keerde koning Arthur ter plaatse, Daar de strijd was geweest. In een vlakte sloegen ze op na deze Hun tenten en deden zich hun gemak, 32980 En aten en dronken, na die zaken, En rusten tot ‘s morgens vroeg; Toen stonden ze op en wapenden zich toen, En voeren gereed te Clarence waart. Zolang voeren ze in de vaart, 32985 Dat ze hun tenten zagen ter ure; Toen zei Merlijn tot koning Arthur: “Heer, heden is de dag gekomen, Daar een einde van wordt genomen: Of ge al gewonnen of al verloren. 32990 Laat zien, hoe zal ge uw toorn Wreken op diegene die u Menige schade hebben gedaan voor nu; Heden zal men zien daaraan Wie met speren steken kan, 32995 En wie met zwaarden kan houwen; Men zal heden wel aanschouwen Wie hier een goede ridder zal wezen; Daarom bid ik u alle na deze, Dat ge u zo beproeft ter plaatse, 33000 Dat het goede land van Logres mede Zijn eer niet verliest daarbij”. En algemeen alle beloofden zij Dat ze dus hun macht zouden doen, Merlijn zei toen voor al die baronnen: 33005 “Ons zal goed gebeuren nog heden Maar ik wil, dat ge nu ter plaatse” Zei hij tot alle baronnen daarnaar, “Dat ge me hier belooft openbaar, En koning Arthur tevoren mede, 33010 Wat ik wil, te doen ter plaatse”. Ze zeiden, ze wilden dat graag doen; Daar gaf hem zijn trouw elke baron En koning Arthur, dat elk zou Doen wat hij gebieden wilde. 33015 Toen zei Merlijn: “dit is de dag in schijn, Dat het land van Brittannië vernield zal zijn, God help ons, Onze Heer! En onze vijanden worden nimmermeer Verdreven, als ge niet hebt gemaakt ter ure 33020 Echte verzoening tegen koning Arthur, En het is ook mijn geloof van u, Dat ge verzoening tegen hem maakt nu”. Toen dit verstonden de baronnen 369 Waren sommige blij van dit doen, 33025 En sommigen was het leed; maar nochtans Hielden ze zich aan hun belofte daaraan, En verzoenden alle ter plaatse, En worden Arthurs man ook mede, En ontvingen hun land daarnaar; 33030 Toen was grote blijdschap daar. Toen dit gedaan was, toen reden zij Te Clarence waart, dat stond daarbij, Daar nu de Sennen bestormden zeer, En die van binnen zetten zich te verweer; 33035 Daar waren 40 duizend man. Merlijn was nu gekomen daaraan Met zijn banier in de Sennen toen; Hij liet hen aan vier zijden rijden toe, En liet de tenten al slaan daar neer 33040 Overal in het leger, voort en weer. En de Sennen, die nu voor de stad waren, En hiervan niets wisten, te waren, Ze hoorden dit gerucht ter plaatse En hun tenten vallen mede; 33045 Toen werden ze verschrikt gelijk, En lieten hun bestorming staan, En liepen derwaarts met grote gang, En riepen hun tekens alle zeer; Daar begon de strijd sterk en dapper, 33050 Daar verzamelde zich met groot geweld De ene in de andere daarnaar; Ze braken hun speren daar, Toen gingen ze houwen met de zwaarden; Daar werd menigeen geslagen ter aarden 33055 Daar bleef menigeen dood, zij het zeker dat, En tegen een christen, die daar was, Zo waren daar vier Sennen, God weet; Niemand ontkwam, daar men streed Alzo vreselijk, zoals men daar deed; 33060 Daar werd afgestoken ter plaatse Menige christen in de nood; Daar bleef ook menige Senne dood, En ook man en paard doorhouwen; Dus was Hargodabrant in grote rouw, 33065 En nam een sterke speer in de hand, En reed op Cleoles gelijk, De koning, die dapper en koen was, Die tegen hem ook reed na dat; Daar stak elk op de andere alzo, 33070 Dat hun speren braken toen, En ze stoten tezamen met het lichaam, Zodat ze ter aarde vielen tezamen Met de paarden; toen bleven ze daar Lang liggen, weet voorwaar, 33075 Omdat de paarden op hen lagen nu; Ook waren ze in onmacht, zeg ik u. Toen werd groot de slag mede Om te behoeden de heren beide; En toen de Sennen verzamelden daar, 33080 En de christenen mede daarnaar, Daar werd hergegroepeerd Hargodabrant; Maar duizend Sennen, is u bekend, Werden eerder geslagen dood, En van de christenen honderd, in de nood, 33085 Eer Cleoles ze hergroepeerde mede, Die zijn arm brak ter plaatse, Daar hij van het paard viel ter plaatse; Zijn lieden waren droevig om dat, En voerden hem uit het leger daarnaar. 33090 Toen bad hij zijn drost daar, Dat hij met zijn lieden maar In dat leger reed en hun leidsman was, Dus reden ze in het leger om de drost te volgen, Om hun heer zeer verbolgen, 33095 Want ze braken toen in de hoop, En ze sloegen een koning dood; Ze wreekten zo angstig hun heer, Dat men ze daarom prees zeer. De strijd werd groot en zorgelijk, 33100 En de christenen deden het zo goed zekerlijk, Dat men daar immer van spreken zal. En Merlijn, die deze slag al Troostte, en voer hier en daar, Hij zei: “gij heren, nu is openbaar 33105 De dag, daar alles ligt aan; Nu zal men zien, wie dapper is dan”. En toen de ridders Merlijn horen, Deed zich elk nu daar tevoren, En ging slaan daar vreselijke slagen; 33110 En toen die van de stad dit zagen, Dat ze getroost worden nu, Trokken ze alle uit, zeg ik u, En sloegen in de Sennen daarnaar, 370 En wrochten wonders met wapens daar; 33115 Maar ze vonden de Sennen van groot verweer, En sloegen dood menige christen heer, En ze hadden het niet mogen verduren, Hadden die prinsen niet gedaan ter uren, Die zo dapper waren mede, 33120 En zulke vreselijke slagen sloegen ter plaatse, Zodat niemand ze mocht ontgaan. En Merlijn stookte deze op alle samen Overal, en liet ze niet duren; Hij had een hout ter uren 33125 In de hand, en reed met het paard, En doorbrak allemaal die groepen, En riep zo luid, dat men het te die uur Horen mocht het hele leger door: “Heden, gij heren, is de dag, 33130 Dat zich elke ridder beproeven mag, Wat hij nu waard mag wezen”. Toen de ridders hoorden van deze, Ging daar ieder getuigen zijn kracht, Maar zo wie dat daar goed vocht, 33135 Koning Arthur deed het nog alzo wel; Want zijn slagen waren zo fel, Dat hij man en paard mede Doormidden kloofde daar ter plaatse. En heer Gawein en die van de tafelronden, 33140 En de nieuwe ridders ook te die stonden, En alle baronnen deden het zo, Zodat de Sennen zich niet meer toen Konden verweren, en gingen vlieden. Daar bleven dood geslagen meteen 33145 Alle koningen, die daar waren, Met Hargodabrant, uitgezonderd vijf, te waren, Dat was Oriens en Franxabres En Tornicans en Trapixes Dammirael en Trebehan; 33150 En Hargodabrant met dertigduizend man, Deze vlogen geschoffeerd en mat En kwamen op de zee nadat, Daar hun schepen stonden voorwaar, En de christenen jaagden ze tot daar 33155 En hielden ze zo kort op de zee Zodat ze de helft versloegen mee, Uitgezonderd die daar verdronken, zeg ik u, Eer ze inschepen konden nu; En toen ze ingescheept waren daar, 33160 Voeren ze met rouw weg daarnaar Om hun grote verlies, zonder waan, Die ze in de strijd hadden ontvangen. Nu zwijgt dit boek van deze, En zal van koning Arthur lezen, 33165 En van de prinsen ook ter plaatse, Die daar waren te strijden mede. |
Van den koninck Ban ende van den koninck Bohort, ende hoe Hestor gewonnen wart. Dhistorie seghet: doe die Seynen Verdreven waren uten pleine, Dat Artur logierde nadas 33170 Opten plein, daer die strijt was, Entie barone alle mede; Doe dade die koninck Artur, ter stede, Den baronen tgoet delen naer, Datsi gewonnen hadden daer, 33175 Dat des hem selven niet es bleven; Ende doent al enwech was gegeven, Redensi met blyscapen in die stat. Daer rastensi hem vijf dage nadat, Entes sesten dages sciedensi daer, 33180 Ende elc prince voer tsinen lande naer, Ende scieden van Artur met groter eren, Ende daer bleven dander heren, Die koninck Ban entie koninck Bohoert Entie koninck Lot also voert. 33185 Heer Gawijn entie van der Tafelronden Reden metten koninck Artur, tien stonden, Te Carmelot, daer si waren ontfaen Met groter feesten, sonder waen, Van der koninginnen Jenovren, sijt seker das, 33190 Ende van al den volke dat daer was. Doe quam Merlijn ten koninck Artuer: “Here”, zeidi, “gy hebbet nu ter uer Iu lant gesuvert van den Sennen quaet, Ende iu lant es in vrede, dat verstaet, 33195 God zijs gelovet hondertfout, Gyne dorret ontsien kracht no gewout, Des moechdy wel laten varen dan Den koninck Bohort enten koninck Ban 371 Tharen landewaert, als gy dat gebiet, 33200 Wantsi ne quamen in langen tyden daer niet, Ende si en sagen haer wijf noch kinder mede Lange niet; oec hebbensi ter stede Enen quaden fellen viant, Die gerne verderven soude haer lant, 33205 Dat es die koninck Claudes es hem gevee, Ende si moeten lyden nu die zee Ende sullen waernemen tharen lande”. Die koninck Artur sprac te hande: “Merlijn, mochtet wesen, dheren vry 33210 Bleven my liever hier met my Dan si enwech voeren; want, dat wet, Nieman en mochtet verdrieten met Van sulker geselscap thebbene nu”. Merlijn zeide: “here, dat secgic iu, 33215 Dat moet ember aldus wesen”. Dus sciedensi van den koninge mettesen, Ende namen orlof ende voeren van daer; Ende Merlijn, diese minde vorwaer, Voer met hem ende geleidese alsoe. 33220 Ende opten iersten avent geviel hem doe, Datsi tenen castele quamen ter uren Die besloten was met sterken muren, Die dick waren, ende herde hoe; Daer stonden inne drie sterke torre doe 33225 Ende wel gehordiert al ombe, vorwaer; Entie gracht was vol water daer, Die ombe den casteel ginc ter tijt, Ende wel hondert voete oec wijt; Ende daer ginc ombe een maras 33230 Herde diep, dat twe mylen lanc was; Ende nieman mochte ten castele komen Dan tenen wege, hebbic vernomen, Die so smal was ende so enge, Datter maer twe sonderlenge 33235 Neven een in konden geryden; Die wech was gemaket, tien tyden, Ter stat met stenen, ende ter stat Met groten planken, ende onder dat Liep [een] groet water, dat men daer 33240 Niet over [en] mochte ryden, vorwaer, Hadde men die planken afgedae; Daer liep een groet water, sonder waen, Maer dat en droech gene scepe ter stede; Ende an den voete van den wege mede 33245 Stont een pijnboem, herde groen, In enen pleine, groet ende scoen; Entie pijnboem was wijt ende breet, Dat daer onder hadden gereet Wel hondert geseten, in ware dinc; 33250 Ende een yvoren hoern hinc An enen telge van den pyne, Met enen ketene sylverine; Entie joesteren ocht geherberget wilt wesen, Hi moet dat hoern blasen ombe desen. 33255 Entie koninck Ban entie koninck Bohoert Ende Merlijn, die quamen voert, Ende haer geselscap, tot an den pijn, Ende besagen dat hoern fijn. Doe zeide daer die koninck Ban: 33260 “tEn es sonder sake niet, wetet dan Dat dit hoern hanget hier”. Si sagen den casteel, die was fier Ende sterc ende sere goet in scyne; Doe vrageden die twe koninge Merlyne 33265 Ocht hi iet wiste, hoe dat heet nu? Merlijn zeide: “hi heet, secgic iu, Die casteel van den marasse, ende es Eens herde vromen ridders, sijt gewes, Ende heet Agravadein, die swarte man”. 33270 “By Gode”, zeide doe die koninck Ban, “Van Agravadein hebbic dicke gehoert; Hi mach wel sijn van groten accoert, Die so scone herberge hout mede; Ic woude wy geherberget waren ter stede, 33275 Opdat den heren lief waer alsoe”. Merlijn zeide: “daer komewy wel toe, Maer engeen vremt ridder mach daer komen, Hi en hebbe dat hoern ierst genomen Ende geblasen”. - “So willic dat dan 33280 Blasen”, zeide die koninck Ban, “Opdat gijt radet”, zeidi te Merlyne. “Daer leget iu an engene pyne, Nocht oec angest”, zeide Merlijn doe. Die koninck Ban zeide nu daertoe: 33285 “Nu licge daeran dat mach mede, Ic sal dat hoern blasen ter stede”. Doe nam dat hoern daer die here, 372 Ende blies dat so lude ende so sere, Dat ment in den casteel hoerde doe; 33290 Ende anderwerven blies hi alsoe, Ende derdewerven oec daernaer; Want die casteel was verre van daer. Dit hadde onwaert Aggravadine, Dat hi so haestelic blies in scine, 33295 Ende heescede sine wapene saen, Ende wapende hem, sonder waen, Ende es toten pyne gereden, Daer die koninge hielden ter steden, Ende vragede van verre wie si waren. 33300 Die koninck Ban zeide daernare: “Wy sijn ridder ende bidden iu, Ocht gy ons herbergen moget nu, Ende waert iu lief, wy souden gerne mede Onse paerde wateren hier ter stede”. 33305 “Wanen zijdy?” zeide doen Aggravadijn; “Wy sijn zeide doe Merlijn “Som van Gaules, dat men hout Van den koninck Artur met gewout” “By Gode, gy hebbet enen goeden here”, “Ende enen den stoutsten koninck daerby zeide hy, Die nu levet ende oec es mijn heer, Ende om sinen wille sallic iu nu meer Goede herberge doen”. “Ende fijn Danc hebbet, here”, zeide Merlijn. 33315 Doe keerde Aggravadein ter stede, Ende hiet, datsi hem volgeden mede. Daer leidise tote den casteel toe, Daer si voer beetten alsoe, Ende hi nam die koninge by der hant, 33320 Ende leidese in ene camer thant, Daer si hem ontwapenden saen. Ende al die wile quamen daer gegaen Drie scone joncfrouwen, daer dene af was Agravadeins dochter, sijt seker das, 33325 Ende dander waren sine nichten mede; Elke brachte enen mantel ter stede, Scarlaken gevoedert met herminen, Ende si gaven horen heren den sinen, Ende elken koninge enen daeran. 33330 Doe merkede sere die koninck Ban Die joncfrouwen, die scone waren, Maer boven dandren merkedi daernare Aggravadeins dochter, wantsi was Die scoenste verre, sijt seker das; 33335 Ende Merlijn besachse sere doe, Endesi behagede hem so wel daertoe, Dat hi zeide: “en dade Nimiane, Daer ic minen sin gelecht hebbe ane, Ic soudese minnen boven alle wijf, 33340 Ende ic soude noch te nacht haer scone lijf Handelen ende in mynen arm lecgen; Maer ic moet my selven wedersecgen Ombe die minne van myner vriendinnen; Maer sint icse selve niet [en] mach minnen, 33345 Sal icse doen minnen den koninck Ban Ende sinen wille oec hebben daeran”. Doe makedi een espriment ter stede, Daer die koninck begonde minnen mede Entie joncfrouwe hem weder alsoe; 33350 Ende bindien datsi daer stonden doe, Bekande Aggravadein die koninge bede; Doe dadi hem grote feeste mede, Ende hietse wellekomen wesen; Dat eten was bereet binnen desen, 33355 Ende men ginc eten in der sale nadas, Die wijt ende groet ende scone was; Entie koninge namen haren waert doe, Ende settene tuscen hem alsoe, Ende sijn wijf, die scone was, mede; 33360 Entie drie joncfrouwen dienden ter stede Vor den koningen, ende Merlijn Diende metten ioncfrouwen fijn, Die hemselven hadde nu gemaket Een jongelinc scone ende welgemaket, 33365 Ende hadde an enen roc, ombedit, Ondersneden roet ende wit, Ende hadde enen gordel ombe van syden Met goude beslagen te dien tyden, Ende een almonier al van goude 33370 Also alsine hebben woude; Hi diende vor den koningen op sinen knien; Hi was daer herde sere besien Van dengenen, die waren daer; Want daer en kendene nieman vorwaer 33375 Dan die twe koninge, ende oec meer Besagene die ioncfrouwen seer 373 Ombe sijnre groeter scoenheit wille; Maer Agravadeins dochter, lude ende stille, Hadde haer ogen altoes opten koninck Ban; 33380 Sine konde daer niet gekeren van, Si wart dickewile roet ende blanc; Detentijt dochte haer veel te lanc, Si stont als ene dien vaket: “O wi”, dachte si, “ocht ic nu al naket 33385 In sinen arme lage! Ach, my! Wanen quam my dese gedochte, o wi! Dat ic optesen gedinc nu achte!” - Des leide si daer nu al haer gedachte An den koninck Ban, sonder waen; 33390 Ende dit hevet Merlijn al gedaen. Ende bander syden oec die koninck Ban Mindese weder, dat hi voertan En wiste, wat hem was gesciet: Hi sat ende dacht, ende en at niet, 33395 Hi was droevech ende erre mede, Dat hi so minnen moeste ter stede Die ioncfrouwe, ende hi en wiste niet wi Hoe hi an minne nu komen sy; Hi hadde ene ionge scone vrouwe, 33400 Dier hi gerne woude houden trouwe, Ende bander syden was hi wel ontfaen te gader Ende geherberget metter ioncfrouwen vader, Die hem grote ere hevet gedaen; Ombe dit dochte hem dat sere mesdaen, 33405 Ende oec dochtet hem grote quaethede, Sochte hi an haer dorperhede: “Niet meer onneren en konde ik hem gedoen Dan ic hem sine dochter ontspoen!” - Dus vacht hi tegen hemselven daernaer, 33410 Ende zeide hi woude hem hoeden vor haer, Dat hire negene dorperhede An soude steken; ende Merlijn zeide tWaer ombe niet sijn gedochte nu, “Dat en sal niet gaen”, zeide hi, “an iu, 33415 Wantet waer scade in allen sinnen, tKint, dat hi an haer sal winnen, Bleve dat achter; want dat sal Dlant van Bertanien verhogen al Met sijnre groter vromechede”. 33420 Dit zeide Merlijn tegen hemselven mede. Doe die taefle waren opgedaen, Sijnsi ten vensteren gestaen Ombe wtwaert te siene, want daer scone was; Daerna gingensi slapen scier nadas 33425 By der salen in ene kamer geraket, Daer die ioncferen hadden twe bedde gemaket, Scone ende rikelic gepariert mede; Daer gingen die twe koninge slapen, ter stede, Entie waert ginc slapen saen, 33430 Entie ioncfrouwen sijn te bedde gegaen In ene camer, die stont alsoe, Dat men daer des waerts kamer ginc toe. Ende alsi dus [gaen] slapen waren, Begonde Merlijn sine conjuracie, twaren, 33435 Ende dade alle, die daer waren, slapen Binder sale, ridder ende knapen, Sonder die koninc entie ioncfrouwe saen; Dese waren met minnen so bevaen, Datsi slapen niet en konden; 33440 Ende Merlijn quam bindien stonden In die camer daer die ioncfrouw inne was, Ende namse by der hant, ende zeide nadas: “Staet op, scone, ende gaet met my Toten genen die so begaert nu dy, 33445 Dat hy geduren niet en kan”. Ende si spranc op ende dade doen an Een hemede ende enen pelles diere; Ende Merlijn leidese uter kameren sciere Vor hoers vaders bedde heen, ter stede, 33450 Ende vor der ander ridder bedde mede; Maer hi dadese so vaste slapen, met allen, Al hadde men den torre ombe doen vallen, Sine hadden niet ontsprongen van desen, Aldus haddese Merlijn belesen. 33455 Doe leidese voert Merlijn dan In die camer daer lach die koninck Ban, Daer het herde clare in was. Doe zeide Merlijn tot hem nadas: “Siet dese ioncfrouwe, heer koninck Ban, 33460 Daer gy nu sult winnen an Enen sone, daeraf komen sal Menege aventure, groet ende smal”. Doe die koninck die ioncfrouwe sach saen, Ende Merlijn aldus hevet verstaen, 374 33465 Nam hy die ioncfrouwe by der hant, Ende leidese by hem al te hant, Want hy ne konde dat ontsecgen niet, Hine wiste, wat hem was gesciet; Hadde hi gewetet wel in sinen sin, 33470 Hi en haddet gedaen ombe geen gewin; Ende Merlijn ginc wter kameren daer, Entie ioncfrouwe dade wt daernaer Horen pels ende hoer hemede mede, Ende hi namse in sinen arm ter stede, 33475 Ende si hem weder, ende helseden ende kusten Als diegenen, dien des wel luste, Ja, ende also vrylike in scijn, Alse ochtsi tien jaer hadden gesijn Tsamene. Dus haddese Merlijn daer 33480 Begadet ende betovert, vorwaer; Dus lagen si toten dage toe. Doe quam Merlijn weder alsoe Ende zeide, dat tijt waer saen, Datsi weder op soude staen; 33485 Si nam haer hemede ende horen pels Ende dadet an, si ne hadde niet els; Doe nam die koninck een vingerlijn, Ende gaf dat doen der ioncfrouwen fijn, Ende zeide, dat sijt hielde ter stede, 33490 Ende ombe syner vrientscap oec mede; Si nam dat ende stact in haer hant, Ende Merlijn leidese in haer camer thant, Ende si ginc op haer bedde saen. Daer haddesi enen sone ontfaen, 33495 Daer sint Lancelot mede dreef nadas Grote feeste, ombedat hi was So goeden ridder, als dit boec sal Hier namaels secgen, groet ende smal. Ende alsi te bedde hadde geleit 33500 Die joncfrouw, ginc hi mede gereit Op sijn bedde, ende dade daernaer Al die toverie, die hi gedaen hevet daer, Ende doen ontsprongensi alle saen; Die dach was hoge opgegaen 33505 Entie knape stonden op ter vaert Ende gingen trossen ende sadelen die paert, Ende Merlijn es ten koninck Ban gegaen, Die nu ter stede es opgestaen, Ende verkomen es van sijnre toverie, 33510 Hem hadde groet wonder van sijnre vryerie, Die hi des nachtes hadde gedreven; Sijn groet wille, die hem was gegeven, Die was hem nu al vergaen; Hi dachte dat hem Merlijn hadde gedaen 33515 Ombe der ioncfrouwen wille, want hi en wet niet, Hoe dat toe quam, ocht hoe tes gesciet. Doe die koninge op waren gestaen, Quam die waert tot hem gegaen, Ende alle drie die ioncfrouwen mede, 33520 Ende groeten die koninge daer ter stede, Ende si dankeden hem weder daernaer; Entie koninck Ban sach op sine amie daer, Ende si op hem weder alsoe, Haer hovet nederwaert geslagen doe, 33525 Als die haer sere scamede das, Dat haer des nachtes gesciet was, Omdatsi sinen wille so geringe dede; En hadde gedaen die toverye mede, Sine hadde sijns willen niet gedaen; 33530 Ende van dier uren voert, sonder waen, Minde sine meer dan ienegen man, Ende zeide iegen haer selve dan: “Sint my een koninck nam mijn ere, So en geraket my man nember mere, 33535 Die sider es, dan hi, God weet; Endesi behielt wel horen eet; Want haer en genakede nie sint man. Doe namse vriendelic die koninck Ban Metterhant, ende sprac daernare: 33540 “Joncfrou”, zeide hi, “ic moet nu varen, Ende waer ic ben, des hebdy verdient, Dat ic iu ridder ben ende vrient, Ende [iu] minnen sal mijn leven voertan; Nu hoedet iu voert vor alle man, 33545 Ende denket op my, des biddic iu, Want gy hebbet een kint ontfaen nu, Daer gy af hebben sult blyscap ende ere, Want dit sal werden een groet here”. Dit hadde hem Merlijn gesecht wale. 33550 Die ioncfrouwe antworde met bloder tale”, Ende scaemde haer, ende zeide doe: “Here, sint dat my staet alsoe, So moete my God daer blyscap mede Geven dor Sine ontfermechede 375 33555 Meerre dan ic hebbe te sceden van iu, Want so swaer minne en sciede nie eer nu; Ende sint wy sceden moeten dan, Sal ic my troesten so ic beste kan, Ende God moete my troesten voertmeer, 33560 Ende es dat ic te lijve blyve, heer, Als ic van den kinde blyve dan, Sal ic enen spiegel sien voertan An dat kint in gedencnesse van iu”. Metter tale namse die koninck nu 33565 In sinen arm, al suchtende mede, Ende nam orlof an haer ter stede; Entie twe koninge ende Merlijn Dankeden den waert der herbergen fijn, Dat hise lieflyc hevet ontfaen. 33570 Dus sciedensi van daer nu saen, Ende reden so lange, onder hem tsamen. Datsi toter zee quamen; Daer scepedensi over ende voeren mede. Doe redensi so lange daer ter stede, 33575 Datsi quamen te Bonewic binnen, Daersi waren ontfaen met minnen. Doe blevensi achte dage onder hem daer; Des negenden dages quam Merlijn daernaer, Ende nam an die koninge oerlof, 33580 Ende an al die daer waren in den hof, Ende voer te siner lievenwaert ter stede, Die hem grote feeste nu dede, Want elc den anderen minde seer; Ende hy wijsde haer nu noch meer 33585 Ende leerde, dan hi iemanne dede. Dus bleef hi achte dage daer ter stede, Doe sciet hi te hant van haer Ende voer te Blasise daernaer, Sinen meester, daer hi welkomen was; 33590 Ende Merlijn telde hem nadas Al dat sint gesciet was, die dinc, Sint hi lestwerf van hem ginc; Ende Blasys settet in gescrift mede. Hier swiget dat boec van hem ter stede 33595 Ende van allegader den gesellen, Ende ic sal iu nu voert tellen Van groten stryde, alsic versta, In den boeke, dat komet hierna. |
Van koning Ban en van koning Bohort en hoe Hestor gewonnen werd. De historie zegt het: toen de Sennen Verdreven waren uit het plein, Dat Arthur logeerde na dat 33170 Op de vlakte, daar die strijd was, En de baronnen alle mede; Toen liet koning Arthur, ter plaatse, De baronnen het goed verdelen daarnaar, Dat ze gewonnen hadden daar, 33175 Zodat dus hemzelf niets is gebleven; En toen alles weg was gegeven, Reden ze met blijdschap in de stad. Daar rusten ze vijf dagen nadat, En de zesde dag scheiden ze daar, 33180 En elke prins voer tot zijn land daarnaar, En scheiden van Arthur met grote eer, En daar bleven de andere heren, Koning Ban en koning Bohort En koning Loth alzo voort. 33185 Heer Gawein en die van de tafelronden Reden met koning Arthur, te die stonden, Te Carmeloet, daar ze werden ontvangen Met grote feesten, zonder waan, Van koningin Jenover, zij het zeker dat, 33190 En van al het volk dat daar was. Toen kwam Merlijn tot koning Arthur: “Heer”, zei hij, “ge hebt nu ter uur Uw land gezuiverd van de Sennen kwaad, En uw land is in vrede, dat verstaat, 33195 God zij geloofd honderdvoudig, Ge durft te ontzien kracht of geweld, Dus mag ge wel laten varen dan Koning Bohort en koning Ban 371 Tot hun land waart, als ge dat gebied, 33200 Want ze kwamen in lange tijden daar niet, En ze zagen hun vrouw nog kinderen mede Lang niet; ook hebben ze ter plaatse Een kwade felle vijand, Die graag bederven zou hun land, 33205 Dat is koning Claudes is hen teveel, En ze moeten gaan nu de zee En zullen waarnemen tot hun land”. Koning Arthur sprak gelijk: “Merlijn, mocht het wezen, de heren vrij 33210 Bleven me liever hier met mij Dan ze weg gingen; want, dat weet, Niemand mocht het verdrieten mee Van zo’n gezelschap te hebben nu”. Merlijn zei: “heer, dat zeg ik u, 33215 Dat moet immer aldus wezen”. Dus scheiden ze van de koning met dezen, En namen verlof en voeren vandaar; En Merlijn, die ze beminde voorwaar, Voer met hen en begeleide ze alzo. 33220 En op de eerste avond gebeurde hen toen, Dat ze tot een kasteel kwamen ter uren Die omsloten was met sterke muren, Die dik waren, en erg hoog Daar stonden in drie sterke torens toen 33225 En goed geordend al om, voorwaar; En de gracht was vol water daar, Die om het kasteel ging ter tijd, En wel honderd voeten ook wijd; En daar ging om een moeras 33230 Erg diep, dat twee mijlen lang was; En niemand mocht tot het kasteel komen Dan te ene weg, heb ik vernomen, Die zo smal was en zo eng, Dat er maar twee apart 33235 Naast elkaar konden rijden; Die weg was gemaakt, te die tijden, Ter plaatse met stenen, en ter plaatse Met grote planken, en onder dat Liep een groot water, zodat men daar 33240 Niet over kon rijden, voorwaar, Had men die planken er afgedaan; Daar liep een groot water, zonder waan, Maar dat droeg geen schepen ter plaatse; En aan de voet van de weg mede 33245 Stond een pijnboom, erg groen, In een vlakte, groot en schoon; En die pijnboom was wijd en breed, Zodat daaronder hadden gereed Wel honderd gezeten, in waar ding; 33250 En een ivoren horen hing Aan een twijg van de pijn, Met een ketting van zilver; En die spelen of geherbergd wil wezen, Hij moet die horen blazen om deze. 33255 En koning Ban en koning Bohort En Merlijn, die kwamen voort, En hun gezelschap, tot aan de pijnboom, En bezagen de horen fijn. Toen zei daar koning Ban: 33260 “Het is niet voor niets, weet dan, Dat deze horen hangt hier”. Ze zagen het kasteel, die was fier En sterk en zeer goed in schijn; Toen vroegen de twee koningen aan Merlijn 33265 Of hij iets wist, hoe dat heet nu? Merlijn zei: “het heet, zeg ik u, Dat kasteel van het moeras, en is Van een erg dappere ridders, zij het gewis, En heet Aggravadein, de zwarte man”. 33270 “Bij God”, zei toen koning Ban, “Van Aggravadein heb ik vaak gehoord; Hij mag wel zijn van groot akkoord, Die zo’n mooie herberg houdt mede; Ik wilde dat we geherbergd waren ter plaatse, 33275 Als dat de heer lief was alzo”. Merlijn zei: “daar komen we wel toe, Maar geen vreemde ridder mag daar komen, Hij heeft de horen niet eerst genomen En geblazen”. - “Zo wil ik dat dan 33280 Blazen”, zei koning Ban, “Opdat gij het aanraadt”, zei hij tot Merlijn. “Daar ligt u aan enige pijn, Nog ook angst”, zei Merlijn toen. Koning Ban zei nu daartoe: 33285 “Nu leg daaraan dat mag mede, Ik zal die horen blazen ter plaatse”. Toen nam de horen daar die heer, 372 En blies dat zo luid en zo zeer, Dat men het in het kasteel hoorde toen; 33290 En nogmaals blies hij alzo, En een derde keer ook daarnaar; Want het kasteel was ver van daar. Dit was onwaardig voor Aggravadein, Dat hij zo gauw blies duidelijk, 33295 En hees zijn wapens samen, En wapende zich, zonder waan, En is tot de pijnboom gereden, Daar de koningen zich ophielden ter plaatse, En vroeg van ver wie ze waren. 33300 Koning Ban zei daarnaar: “Wij zijn ridders en bidden u, Of ge ons herbergen mag nu, En was het u lief, we zouden graag mede Onze paarden wateren hier ter plaatse”. 33305 “Vanwaar ben je?” zei toen Aggravadein; “Wij zijn, zei toen Merlijn “Soms van Gaules, dat men houdt Van koning Arthur met geweld”. “Bij God, ge hebt een goede heer”, “En een van de dapperste koning daarbij zei hij, Die nu leeft en ook is mijn heer, En om zijn wil zal ik u nu meer Goed herbergen doen”. “En fijn Dank heb je, heer”, zei Merlijn. 33315 Toen keerde Aggravadein ter plaatse, En zei, dat ze hem volgden mede. Daar leidde hij ze tot het kasteel toe, Daar ze voor wachten alzo, En hij nam de koningen bij de hand, 33320 En leidde ze in een kamer gelijk, Daar ze zich ontwapenden gelijk. En al de tijd kwamen daar gegaan Drie mooie jonkvrouwen, daar de ene van was Agravadeins dochter, zij het zeker dat, 33325 En de andere waren zijn nichten mede; Elke bracht een mantel ter plaatse, Scharlaken gevoerd met hermelijn, En ze gaven hun heer de zijne, En elke koning een daaraan. 33330 Toen bemerkte zeer koning Ban De jonkvrouwen, die mooi waren, Maar boven de anderen bemerkte hij daarnaar Aggravadeins dochter, want ze was Die mooiste ver, zij het zeker dat; 33335 En Merlijn bezag ze zeer toen, En ze behaagde hem zo goed daartoe, Zodat hij zei: “deed niet Nimiane, Daar ik mijn zin gelegd heb aan, Ik zou haar beminnen boven alle wijf, 33340 En ik zou nog vannacht haar mooie lijf Handelen en in mijn arm leggen; Maar ik moet mezelf weerzeggen Vanwege de minne van mijn vriendin; Maar sinds ik haar zelf niet mag beminnen, 33345 Zal ik haar laten beminnen koning Ban En zijn wil ook hebben daaraan”. Toen maakte hij een spreuk ter plaatse, Daar de koning begon te minnen mede En de jonkvrouw hem weer alzo; 33350 En binnendien dat ze daar stonden toen, Herkende Aggravadein de koningen beide; Toen deed hij hen groot feest mede, En zei ze welkom te wezen; Dat het eten was bereid binnen deze, 33355 En men ging eten in de zaal na dat, Die wijd en groot en mooi was; En de koning nam hun waar toen, En zette ze tussen hem alzo, En zijn vrouw, die mooi was, mede; 33360 En de drie jonkvrouwen bedienden ter plaatse Voor de koningen, en Merlijn Bediende met de jonkvrouwen fijn, Die zichzelf had nu gemaakt Een jongeling mooi en welgemaakt, 33365 En had aan een rok, om dit, Ondersneden rood en wit, En had een gordel om van zijden Met goud beslagen te die tijden, En een band al van goud 33370 Alzo zoals hij het hebben wilde; Hij diende voor de koningen op zijn knieën; Hij werd daar erg zeer bezien Van diegenen, die waren daar; Want daar kende hem niemand voorwaar 33375 Dan de twee koningen, en ook meer Bezagen de jonkvrouwen hem zeer 373 Vanwege zijn grote schoonheid wil; Maar Aggravadeins dochter, luid en stil, Had haar ogen altijd op koning Ban; 33380 Zij kon zich daar niet keren van, Ze werd vaak rood en wit; De etenstijd dacht haar veel te lang, Ze stond als een die duizelt: “O wi”, dacht ze, “als ik nu geheel naakt 33385 In zijn armen lag! Ach, mij! Waarvan kwam me deze gedachte, o wi! Dat ik op dit ding nu acht!” - Dus legde ze daar nu op al haar gedacht Aan koning Ban, zonder waan; 33390 En dit heeft Merlijn alles gedaan. En aan de andere zijde ook koning Ban Beminde haar weer, zodat hij voortaan Niet wist, wat hem was geschied: Hij zat en dacht, en at niet, 33395 Hij was droevig en boos mede, Dat hij zo minnen moest ter plaatse Die jonkvrouw, en hij en wist niet hoe Hoe hij aan minnen nu gekomen is; Hij had een jonge mooie vrouw, 33400 Die hij graag wilde houden trouw, En aan de andere kant was hij goed ontvangen tezamen En geherbergd met de jonkvrouw haar vader, Die hem grote eer heeft gedaan; Om dit dacht hij dat zeer was misdaan, 33405 En ook dacht het hem grote kwaadheden, Zocht hij aan haar dorpsheden: “Niet meer oneer kon ik hem doen Dan ik hem zijn dochter ontnam!” - Dus vocht hij tegen zichzelf daarnaar, 33410 En zei hij wilde zich hoeden voor haar, Dat hij haar geen dorpsheden Aan zou steken; en Merlijn zei Het was om niet zijn gedachten nu, “Dat zal niet gaan”, zei hij, “aan u, 33415 Want het was schade in alle zinnen, Het kind, dat hij aan haar zal winnen, Bleef dat achter; want dat zal Het land van Brittannië verhogen al Met zijn grote dapperheden”. 33420 Dit zei Merlijn tegen zichzelf mede. Toen die tafels waren afgedaan, Zijn ze tot het venster gestaan Om naar buiten te zien, want het daar mooi was; Daarna gingen ze slapen snel na dat 33425 Bij de zaal dat die kamer raakt, Daar de jonkvrouwen twee bedden hadden gemaakt, Mooi en rijk opgemaakt mede; Daar gingen de twee koningen slapen, ter plaatse, En de waard ging slapen gelijk, 33430 En de jonkvrouwen zijn te bed gegaan In een kamer, die stond alzo, Dat men daar dus naar de waard kamer ging toe. En toen ze dus aan het slapen waren, Begon Merlijn zijn betovering, te waren, 33435 En liet allen, die daar waren, slapen Binnen de zaal, ridders en knapen, Uitgezonderd de koning en die jonkvrouw gelijk; Deze waren met minnen zo bevangen, Dat ze niet slapen konden; 33440 En Merlijn kwam binnen die stonden In de kamer daar die jonkvrouw in was, En nam haar bij de hand, en zei na dat: “Sta op, mooie, en ga met mij Tot diegene die zo begeert nu u, 33445 Dat hij het niet verduren kan”. En ze sprong op en deed toen aan Een hemdje en een pels duur; En Merlijn leidde haar uit de kamer snel Voor haar vaders bed heen, ter plaatse, 33450 En voor de andere ridders bedden mede; Maar hij liet ze zo vast slapen, met allen, Al had men de toren om laten vallen, Ze waren niet opgesprongen van deze, Aldus had Merlijn hen belezen. 33455 Toen leidde haar voort Merlijn dan In die kamer daar lag die koning Ban, Daar het erg helder in was. Toen zei Merlijn tot hem na dat: “Ziet deze jonkvrouw, heer koning Ban, 33460 Daar ge nu zal winnen aan Een zoon, daarvan komen zal Menige avontuur, groot en smal”. Toen de koning die jonkvrouw zag gelijk, En Merlijn aldus heeft verstaan, 374 33465 Nam hij de jonkvrouw bij de hand, En legde haar bij hem al gelijk, Want hij kon dat ontzeggen niet, Hij wist niet, wat hem was gebeurd; Had hij het geweten in zijn zin, 33470 Hij had het gedaan om geen gewin; En Merlijn ging uit de kamer daar, En de jonkvrouw deed uit daarnaar Haar pels en haar hemdje mede, En hij nam haar in zijn arm ter plaatse, 33475 En zij hem weer, en omhelsden en kusten Zoals diegenen, die het dus wel lusten, Ja, en alzo vrijelijk in schijn, Alsof ze tien jaar hadden geweest Tezamen. Dus had Merlijn ze daar 33480 Begaan en betoverd, voorwaar; Dus lagen zei tot de dag toe. Toen kwam Merlijn weer alzo En zei, dat het tijd was gelijk, Dat ze weer op zouden staan; 33485 Ze nam haar hemdje en haar pels En deed het aan, ze had niets anders; Toen nam de koning een ring, En gaf dat toen de jonkvrouw fijn, En zei, dat zij het hield ter plaatse, 33490 En om zijn vriendschap ook mede; Ze nam dat en stak het aan haar hand, En Merlijn leidde haar in haar kamer gelijk, En ze ging op haar bed sgelijkamen. Daar had ze een zoon ontvangen, 33495 Daar sinds Lancelot mede dreef na dat Grote feesten, omdat hij was Zo’n goede ridder, zoals dit boek zal Hier later zeggen, groot en smal. En toen hij te bed had gelegd 33500 De jonkvrouw, ging hij mede gereed Op zijn bed, en deed daarnaar Alle toverij, die hij gedaan heeft daar, En toen sprongen ze op alle gelijk; De dag was hoog opgegaan 33505 En de knapen stonden op ter vaart En gingen trossen en zadelen de paarden, En Merlijn is tot koning Ban gegaan, Die nu ter plaatse is opgestaan, En bekomen is van zijn toverij, 33510 Hem had het groot verwonderd van zijn vrijerij, Die hij ‘s nachts had bedreven; Zijn grote wil, die hem was gegeven, Die was hem nu geheel vergaan; Hij dacht dat hem Merlijn het had gedaan 33515 Vanwege de wil van de jonkvrouw, want hij weet niet, Hoe dat toen kwam, of hoe het is geschied. Toen de koningen op waren gestaan, Kwam die waard tot hen gegaan, En alle drie jonkvrouwen mede, 33520 En begroeten de koningen daar ter plaatse, En ze bedankten hen weer daarnaar; En koning Ban zag op zijn geliefde daar, En zij op hem weer alzo, Haar hoofd neerwaarts geslagen toen, 33525 Zoals een die haar zeer schaamt dat, Dat haar ‘s nachts gebeurd was, Omdat ze zijn wil zo licht deed; Had niet gedaan die toverij mede, Zij had zijn wil niet gedaan; 33530 En van die uren voort, zonder waan, Beminde ze hem meer dan enige man, En zei tegen haar zelf dan: “Sinds een koning nam mijn eer, Zo raakt me een man me nimmer meer, 33535 Die ridder is, dan hij, God weet; En ze behield wel haar eed; Want haar raakte niet meer aan een man. Toen nam haar vriendelijk koning Ban Met de hand, en sprak daarnaar: 33540 “Jonkvrouw”, zei hij, “ik moet nu varen, En waar ik ben, dus heb je verdiend, Dat ik uw ridder ben en vriend, En u minnen zal mijn leven voortaan; Nu behoed u voort voor alle man, 33545 En denk aan mij, dus bid ik u, Want ge hebt een kind ontvangen nu, Daar ge van hebben zal blijdschap en eer, Want dit zal werden een grote heer”. Dit had hem Merlijn gezegd wel. 33550 De jonkvrouw antwoordde met bange taal”, En schaamde zich, en zei toen: “Heer, sinds dat het me staat alzo, Zo moet me God daar blijdschap mede Geven door Zijn ontferming 375 33555 Meer dan ik heb te scheiden van u, Want zo’n zware minne scheidt niet eerder nu; En sinds we scheiden moeten dan, Zal ik me troosten zo ik het beste kan, En God moet me troosten voort meer, 33560 En is dat ik levend blijf, heer, Als ik van het kind blijf dan, Zal ik een spiegel zien voortaan Aan dat kind in gedachtenis van u”. Met deze taal nam de koning haar nu 33565 In zijn arm, al zuchtend mede, En nam verlof aan haar ter plaatse; En de twee koningen en Merlijn Bedankten de waard van de herberg fijn, Dat hij ze lieflijk heeft ontvangen. 33570 Dus scheiden ze van daar nu gelijk, En reden zo lang, onder hen tezamen. Zodat ze tot de zee kwamen; Daar scheepten ze in en voeren mede. Toen reden ze zo lang daar ter plaatse, 33575 Zodat ze kwamen te Bonewick binnen, Daar ze werden ontvangen met minnen. Toen bleven ze acht dagen onder hen daar; De negende dag kwam Merlijn daarnaar, En nam aan de koningen verlof, 33580 En aan alle die daar waren in de hof, En voer tot zijn geliefde waart ter plaatse, Die hem grote feesten nu deed, Want elk de andere beminde zeer; En hij onderwees haar nu nog meer 33585 En leerde, dan hij iemand deed. Dus bleef hij acht dagen daar ter plaatse, Toen scheidde hij gelijk van haar En voer tot Blasys daarnaar, Zijn meester, daar hij welkom was; 33590 En Merlijn vertelde hem na dat Alles dat sinds gebeurd was, die ding, Sinds hij de laatste keer van hem ging; En Blasys zette het in geschrift mede. Hier zwijgt dat boek van hem ter plaatse 33595 En van alle gezellen, En ik zal u nu voort vertellen Van grote strijd, zoals ik versta, In het boek, dat komt hierna. |
Hier begint dat boec van den koninck Artur ende van den koninck Rione, ende van Merlyne mede. Hier secht voert daventure 33600 Van den koninck Arture, Die nu lach te Carmeloet, Hi ende sijn wijf met blyscap groet: Doe die koninck Ban entie koninck Bohoert Van hem scieden, als gy gehoert 33605 Hebbet hiervoer wel horen lesen, Begonde te naken binnen desen Dat koninck Artur te houden plach Hof op Onser Vrouwen dach. Doe zeide Gawyn, dat hi woude 33610 Dat hi hof houden soude; Doe zeide Artur, die koninck vry: “Nu willic dat hier komen te my Al myne barone, des sijt vroet, Die lant van my houden ende goet; 33615 Ic wil weten myne macht, Ende wie onder my es ende op my acht; Daerombe willic, dat elc ontboden sy Hi wone verre ochte by, Ende dat elc sijn wijf bringe mede 33620 Ocht sine amye, hier ter stede”. Heer Gawyn zeide; “nu behaechdy my, Dit komet wt enen goeden herte vry; Nu biddic u, sint gy hebbet wille Dese dinge te doene, lude ende stille, 33625 Dat gy dat so angaet voertmere, Dat gy des hebbet lof ende ere”. “By Gode, neve”, zeide die koninck, “Ic wil so begaden dese dinc, Dat men daer ember meer af sal spreken 33630 Totedat die werelt sal gebreken”. Doe dade die koninck letteren scriven, Ende en liet nieman achterbliven, Noch baroen noch ridder mede, Hi en ontbodene te komene ter stede, 33635 Also lief alsi sine minne hadden nu, Ende sine vrientscap thebbene, secgic iu, Datsi in Onser Vrouwen dage tsamen In half Ogeste tsinen hove quamen Te Carmelot, ende elc in sine partie 376 33640 Sijn wijf brachte ocht sine amye. Entie boden reden doen overal, Ende daden haer bodescap groet ende smal Toten princen enten anderen heren, Die alle geloveden te komene met eren; 33645 Doe gereide hem elc daernaer Alse ten hove te komene daer So si eerlicst mochten ende konden, Ende elc voerde sijn wijf tien stonden Met hem, die ene hadde ter stede, 33650 Ende die engene hadde, die voerde mede Sine amye; dus quam er so vele daer, Dattie tiende deel, wet vorwaer, In die stat te Carmelot en konden Niet geherbergen te dien stonden, 33655 Ende moesten haer tenten slaen mede In den plein, buten der stede; Entie koninck Artur entie koninginne Ontfingense met herde groter minne, Ende gaven hem gichte menechfoude 33660 Beide van sylver ende van goude, Ende cleder ende sydene lakene gereet, Nadat elc waert was, God weet. Ende in Onser Vrouwen avende, twaren, Doe die vesperen gesongen waren 33665 In Sente Stevens kerke daerna saen, Es men te hove eten gegaen Van der nonen, sijt seker das, Ombedat Onser Vrouwen vastene was; Maer die koninginne entie hoge barone 33670 Aten doen alle in haren pavelonen, Ombedatsi in die stat niet [en] konden komen. Entie koninginne Jenovre hevet genomen Haer suster des koninck Lottes wijf ter stede, Entes koninck Uryens wijf mede, 33675 Entes koninck Ventres desgelijc; Dit waren Arturs suster sekerlijc Van sijnre moeder halven, secgic iu; Des koninck Bans wijf ginc mede nu Entes koninck Bohortes wijf van Gaunes, 33680 Ende hertoginnen ende gravinnes nades Ende vrouwen ende joncfrouwen mede. Hiermede ginc sitten in ene stede Die koninginne Jenovre, sijt seker das, Daer hem wel gedient was; 33685 Oec waren daer ten hove komen Alle die menestreel, hebbic vernomen, Die daer wonende waren in den ryke, Clene ende groet, arm ende ryke; Ende daer dienden oec hertogen ende graven 33690 Die rike waren van goede, van haven; Dit was wel recht ende sede, Dat te sulken hove, dat houden dede Die koninck Artur, die so machtig was, Sulke liede dienden ten hove dordas 33695 Ombe hem ere mede te doene; Na den etene gingen die baroene Ende corteden daer die tijt harentaer Thent men slapen ginc daernaer. Des andren daechs doe si op waren gestaen, 33700 Die barone, sijn si gegaen Te messe in Sente Stevens kerke, Daer hem hoechtijt songen papen ende clerke Van Onser Vrouwen, ende daer was Dofferande groet, sijt seker das; 33705 Entie koninck Artur entie koninginne Droegen krone, oec waren daerinne Ses ende twintich cronen in der kerken nu, Onder koningen ende koninginnen, secgic iu, Want die koninck Artur was daer 33710 Self dertiende van cronen vorwaer, Coningen die onder hem waren ter stede Sonder hertogen ende graven mede, Ende ander barone menegerhande, Die daer waren in allen landen, 33715 Die men van Artur hielt vorwaer. Doe die messe was gesongen daer, Ginc die koninck Artur in sine sael, Entie koninge altemael Volgeden hem entie koninginnen, 33720 Ende al gekroent als vorstinnen Met goudenen cronen herde diere. Die tafelen waren bereit sciere Entie koninck Artur es daertoe geseten, Ende twaelf koninge by hem vermeten, 33725 Ende elc sine crone op dat hovet, Ende haer wijf mede, des gelovet; Ende elke koninginne voertan Was geset by horen man; 377 Entie hertoge entie graven vermeten 33730 Waren tener ander taflen geseten, Entie ander princen entie barone Moesten eten in den pavelone; Want daer waren so vele heren nu, Dat mense niet gesetten konde, secgic iu. 33735 Daer makeden die menestrele sovele Van horen melodien, van horen spele, Dat men nie en hoerde desgelyke Op negenen hove in ertryke. Ende doe Keye, die drossate, brachte daer 33740 Dat ierste gerechte, sach men daernaer Waer vor die tafle quam gegaen Die scoenste forme, sonder waen, Die si ie sagen, van man, Ende hadde van samyte enen roc an, 33745 Ende een gordel daerop gegordet smal Van syden, met goude beslagen al Ende met gesteenten, die claerheit geven Gelijc planeten an den trone verheven; Ende sijn hovethaer was cresp ende blont, 33750 Ende ene goudene crone daerop stont, Als [van] een koninck; ende hi hadde ane Scharlakens koussen ende van corduwane Twe witte scoe, alombe ter stede Gebreemt met goutboerden, ende mede 33755 Met gespen van goude fijn; Hi droech ene harpe silverijn Van dieren gewerke, entie snaren Van goude alle getogen waren, Ende daer stont an menech diere steen; 33760 Entie man so utermaten scone sceen, Dat men nie sach sijns gelykes eer; Maer hi was blint, dat ontsettene seer; Nochtan haddi dogen graw ende claer, Ende een wit hondekyn leidene daer 33765 Met ener corden van goude, Daer diere stene inne stonden menichfoude; En dit hondekijn brachtene nu Vor koninck Arturs tafle, secgic iu; Ende als hi daer was vorgestaen, 33770 Harpedehi enen rey daer saen In Bertoens; dat lude so wale Dat hen allen dochte in der sale Dat eenrehande hemelsc geluet waer; Ende al dat daer was, hoerde daernaer. 33775 Dus laticse nu haer feeste driven, Ic sal daer iu hierna meer af scriven, Want ic moet nu, in desen doene, Voert secgen van den koninck Rioene. |
Hier begint dat boek van koning Arthur en van koning Rioen en van Merlijn mede. Hier zegt voort het avontuur 33600 Van koning Arthur, Die nu lag te Carmeloet, Hij en zijn vrouw met blijdschap groot: Toen koning Ban en koning Bohort Van hem scheiden, zoals ge gehoord 33605 Hebt hiervoor wel horen lezen, Begon te komen binnen deze Dat koning Arthur te houden plag Hof op Onze Vrouwen dag. Toen zei Gawein, dat hij wilde 33610 Dat hij hof houden zou; Toen zei Arthur, de koning vrij: “Nu wil ik dat hier komt tot mij Al mijn baronnen, dus wees bekend, Die land van me houden en goed; 33615 Ik wil weten mijn macht, En wie onder mij is en me acht; Daarom wil ik, dat elk ontboden zij Hij woont ver of nabij, En dat elk zijn vrouw brengt mede 33620 Of zijn geliefde, hier ter plaatse”. Heer Gawein zei; “nu behaagt ge mij, Dit komt uit een goed hart vrij; Nu bid ik u, sinds ge hebt wil Deze dingen te doen, luid en stil, 33625 Dat ge dat zo aangaat voort meer, Zodat ge dus hebt lof en eer”. “Bij God, neef”, zei de koning, “Ik wil zo begunstigen dit ding, Dat men daar immer meer van zal spreken 33630 Totdat het de wereld zal ontbreken”. Toen liet de koning brieven schrijven, En liet niemand achterblijven, Nog baron nog ridder mede, Hij ontbood hen te komen ter plaatse, 33635 Alzo lief als ze zijn minne hadden nu, En om zijn vriendschap te hebben, zeg ik u, Dat ze te Onzer Vrouwen dag tezamen In half augustus te zijn hof kwamen Te Carmeloet, en elk in zijn partij 376 33640 Zijn vrouw bracht of geliefde. En de boden reden toen overal, En deden hun boodschap groot en smal Tot de prinsen en de andere heren, Die allen beloofden te komen met eren; 33645 Toen bereide zich elk daarnaar Als tot het hof te komen daar Zo ze het fatsoenlijkste mochten en konden, En elk voerde zijn vrouw te die stonden Met hem, die er een had ter plaatse, 33650 En die er geen had, die voerde mede Zijn geliefde; dus kwam er zoveel daar, Dat het tiende deel, weet voorwaar, In de stad Carmeloet konden Niet herbergen te die stonden, 33655 En moesten hun tenten opslaan mede In de vlakte, buiten de plaats; En koning Arthur en de koningin Ontvingen ze met erg grote minne, En gaven hen giften menigvuldig 33660 Beide van zilver en van goud, En klederen en zijden lakens gereed, Naar dat elk waard was, God weet. En in Onzer Vrouwen avond, te waren, Toen de vesper gezongen werd 33665 In Sint Stevens kerk daarna gelijk, Is men te hof eten gegaan Van de noen, zij het zeker dat, Omdat Onzer Vrouwen vasten was; Maar de koningin en de hoge baronnen 33670 Aten toen alle in hun paviljoenen, Omdat ze in de stad niet konden komen. En koningin Jenover heeft genomen Haar zuster de koning Loth’s vrouw ter plaatse, En koning Uriens vrouw mede, 33675 En koning Ventres desgelijks; Dit waren Arthurs zusters zekerlijk Van zijn moeders kant, zeg ik u; Koning Bans vrouw ging mede nu En koning Bohort’s vrouw van Gaunes, 33680 En hertoginnen en gravinnen na dit En vrouwen en jonkvrouwen mede. Hiermee ging zitten in een plaats Koningin Jenover, zij het zeker dat, Daar hen goed gediend was; 33685 Ook waren daar te hof gekomen Alle minstrelen, heb ik vernomen, Die daar woonden in het rijk, Klein en groot, arm en rijk; En daar dienden ook hertogen en graven 33690 Die rijk waren van goed, van have; Dit was wel recht en zede, Dat te zulke hof, dat houden deed Koning Arthur, die zo machtig was, Zulke lieden bedienden te hof doordat 33695 Om hem eer mee te doen; Na het eten gingen de baronnen En korten daar de tijd hier en daar Totdat men slapen ging daarnaar. De volgende dag toen ze op waren gestaan, 33700 Die baronnen, zijn ze gegaan Te mis in Sint Stevens kerk, Daar met hoogmis zongen papen en klerken Van Onze Vrouw, en daar was De offerande groot, zij het zeker dat; 33705 En koning Arthur en de koningin Droegen kronen, ook waren daar in Zes en twintig kronen in de kerk nu, Onder koningen en koninginnen, dat zeg ik u, Want koning Arthur was daar 33710 Zelf de dertiende van de kronen voorwaar, Koningen die onder hem waren ter plaatse Uitgezonderd hertogen en graven mede, En andere baronnen in vele vormen, Die daar waren in alle landen, 33715 Die men van Arthur hield voorwaar. Toen de mis was gezongen daar, Ging koning Arthur in zijn zaal, En de koningen allemaal Volgden hem en de koninginnen, 33720 En allen gekroond als vorstinnen Met gouden kronen erg duur. Die tafels waren bereid snel En koning Arthur is daartoe gezeten, En twaalf koningen bij hem vermetel, 33725 En elk zijn kroon op dat hoofd, En zijn vrouw mede, dus gelooft; En elke koningin voortaan Was gezet bij haar man; 377 En de hertogen en graven vermetel 33730 Waren tot een andere tafel gezet, En de andere prinsen en baronnen Moesten eten in het paviljoen; Want daar waren zoveel heren nu, Dat men ze niet plaatsen kon, zeg ik u. 33735 Daar maakten de minstrelen zoveel Van hun melodieën, van hun spelen, Dat men niet hoorde dergelijks Op geen hof in aardrijk. En toen Keye, de drost, bracht daar 33740 Dat eerste gerecht, zag men daarnaar Wat voor de tafel kwam gegaan De schoonste vorm, zonder waan, Die ze ooit zagen, van een man, En had van fluwelen een rok aan, 33745 En een gordel daarop gegord en smal Van zijde, met goud beslagen al En met gesteenten, die helderheid geven Gelijk planeten aan de troon verheven; En zijn hoofdhaar was gedraaid en blond, 33750 En een gouden kroon daarop stond, Als van een koning; en hij had aan Scharlaken kousen en van Cordovaans leer Twee witte schoenen, alom ter plaatse Gebraamd met gouden boorden, en mede 33755 Met gespen van goud fijn; Hij droeg een harp zilveren Van dure bewerking, en de snaren Van goud alle getrokken waren, En daar stond aan menige dure steen; 33760 En die man zo uitermate mooi scheen, Dat men niet zag zijn gelijke eerder; Maar hij was blind, dat ontzette hen zeer; Nochtans had hij de ogen grauw en helder, En een wit hondje leidde hem daar 33765 Met een koord van goud, Daar dure stenen in stonden menigvuldig; En dit hondje bracht hem nu Voor koning Arthurs tafel, zeg ik u; En toen hij daar was voorgestaan, 33770 Harpte hij een rei daar gelijk In Bretons (Brits) ; dat klonk zo goed Dat ze allen dachten in de zaal Dat het een soort hemels geluid waar; En alles dat daar was, hoorde daarnaar. 33775 Dus laat ik ze nu hun feesten drijven, Ik zal u daar hierna meer van schrijven, Want ik moet nu, in deze doen, Voort zeggen van koning Rioen. |
Hoe die koninck Rioen dat lant van Carmelide wynnen woude. Daventure secget hier iu 33780 Van den koninck Rione nu, Doen hi quam in sijn lant nadas Van Leodegan hi gesconfiert was, Daerne die koninck Artur verdreef, Ende al sijn volc verslagen bleef; 33785 Doen hi thues quam, swoer hi daernaer, Dat hi nembermeer blyde en waer, Hine haddet gewroken op Leodegan; Doe sende hi sine letteren voertan Tot allen dien, die onder hem hoeren 33790 Entie wapene mochten voeren, Datsi quamen tot hem ter stede. Doe quamen daer negen koninge mede, Ende al haer macht met snelre vaert; Daermede voer hi te Tornassewaert 33795 In dat lant van Carmelyde; Onderwegen namen si haer pryde, Ende beruden ende roveden dat lant. Ende Cleodales, die was valiant, Des koninck Leodegans drossate, 33800 Hi hevet vernomen dese ommate, Ende es met twintichdusent man Hemelic nu gekomen an, Ende street hem stoutelike an daer, Ende nam hem al horen roef daernaer, 33805 Ende voerdene te Tornasse in die stat, Ende sloet toe die poerten nadat; Entie koninck Rioen belach die stede Alomme met sinen lieden mede, Ende dade pavelone ende tenten slaen 33810 Ende die stat doe stormene saen; Entie koninck Leodegan, die daerinne was, Ende Cleodales, si voeren nadas Hemelike ute tenen winkette, 378 Ende een deel liede met hem, sonder letten, 33815 Ende quamen op Solinas tenten daer, Die si ter aerden worpen daernaer; Ende namen gout ende silver tien stonden Ende al datsi in den tenten vonden, Ende voerdent in die stat voertmeer; 33820 Des waren dander toernech seer. Doe swoer die koninck Rioen mede, Hi soude so vaste belicgen die stede, Dat hi se winnen sal, ende voertan Tsinen wille hebben Leodegan. 33825 Doe togen si achterwaert na dien doene Ende gingen licgen in haer paveloene, Ende lieten haer stormen staen; Dus lagensi vijf dage, sonder waen, Datsi ter statwaert niet en doen. 33830 Bindien vernam die koninck Rioen, Dattie koninck Artur hadde verdreven Alle die Sennen, ende sere ware verheven, Ende dat hi hof soude houden nadat In Onser Vrouwen dage in der stat 33835 Tote Carmelot, ende al sine baroen; Doe zeide weder die koninck Rioen: “Nu laetse hoven, maer wet van dien, Dat ickene sal varen besien, Tierst dat ic Leodegan hebben gevaen, 33840 Met sovele lieden, wetet sonder waen Dat hi niet [en] sal konnen geduren; Maer woude hi komen tot my ter uren, Die wile dat ic hiervore bem Ende bade my genade, ic soude tot hem 33845 Ontfermnesse hebben, ende ontfinge dan Sijn lant van my ende worde mijn man”. “Here”, zeiden sine liede doe saen, “Sendet daer boden ende doet hem verstaen, Dat hem beter es, dat hi iu man blivet, 33850 Dan gyne dodet ochte slants verdrivet”. Daer dade een letter maken die koninck Rioen, Dat hi dade besegelen doen Met sinen segele, ende oec mede Met tien koninge segele, ter stede; 33855 Doe riep hi enen ridder aldaer, Dien hi wel getrouwede vorwaer, Ende dade hem sweren, dat hi sal Den koninck Artur geven bovenal Die letteren in die hant alsoe 33860 Ende nieman anders; dit swoer hi doe. Doe nam hi die letter ende ter vaert Reet hi daermede te Carmelot waert, Ende een knape voer met hem daer; Entie koninck Rioen bleef daernaer 33865 Voer die stat van Torenasse, secgic iu; Hi geboet sine liede te wapene nu Ombe te stormene die stat, Want herde onwaert hadde hem dat, Datsi se houden souden enege tijt, 33870 Dach ochte ure, des seker sijt; Want hem dochte dat hi hadde daer Meer ridder in den heer, wet vorwaer, Dan in den lande algader voer waren Man ende wijf ende kinder, twaren, 33875 Al waren si alle vergadert mede. Oec zeide hi tsinen ridderen ter stede Dat al te groet lachter waer, Datsi die stat belagen daer, Ende datsise opten eersten dach 33880 Niet en wonnen eer mense belach, “Ende te min sullewy gepryset wesen Hier ende in ander lant na desen, Ende men salt houden vor blodechede”. Doe dit die princen hoerden ter stede, 33885 Scaemden si hem des herde sere, Wantsi vruchten, dat haer here Se vor blode soude houden naer. Doe gingensi hem wapenen alle daer, Ombe te stormene nu die stat. 33890 Entie daer binnen waren, wetet dat, Waren vroem, ende goede liede mede, Ende weerden vromelic haer stede, Ende worpen daer menegen doet, Ende scoeten wtwaert in den hoep; 33895 Entie koninck Leodegan ende Cleodales, Gwinemar, Herviel, ende Mares, Ende Brune, dese ses barone, Voeren wt striden iegen den koninck Rione, Die gewonnen hadde ene barbacane, 33900 Ende vijftien seriante voerde danen, Die si gevangen hadden optien dach. Doe Cleodales dit gesach, Liet hi lopen sijn ors tier stonde 379 Ende stac op Argante, wat hi konde, 33905 Dat hine dorreet ter stat Metten speer, ende hi viel nadat Ter aerden doet. Doe sine liede dit sagen, Wart daer tgerochte ende tclagen So groet ombe horen here daer, 33910 Datsi haer wonnen lieten naer; Ende Cleodales ende sine gesellen mede Bescudden die XV seriante ter stede, Ende voerdense in die stat alsoe, Ende sloten haer poerten toe; 33915 Ende dander droegen Argante daer In koninck Rioens tente daernaer, Die des herde droevich ende erre was. Nu latic dit, ende secge nadas Van den bode, die te koninck Artur reet, 33920 Die so lange reet, God weet, Dat hi in Onser Vrouwen dage quam Te halver Ogest, als ic vernam, Te Carmelot in die sale saen, Doe Keye quam metten gerechte gegaen, 33925 Ende doe die blinde scone man Vor den koninck Artur harpen began, Daer ic iu hier voer af zeide. Nu quam die ridder, zonder beiden, Ende vragede Keyen welc Artur waer; 33930 Ende Keye wijsdene hem daer. Hi ginc vor hem ende sprac doe, Daert alle diegene hoerden toe, Die in der sale waren geseten: “Koninck Artur”, zeide hi, “ic late dy weten, 33935 Dat ic niet en groete hier dy, Want mijnhere en bevalt niet my; Maer ic sal secgen wat hi ontbiedet iu, Ende als gijt wetet, doet daermede nu Dat dijn herte dy wysen sal; 33940 Ende woutstu doen mynen raet van al, Daer soude dy af komen groet ere, Ende wilstu dat doen min no mere, So moetstu ende dijn volc verdreven sijn”. Artur loech ende zeide “bode fijn!” - 33945 “Lieve here”, zeide die blinde speleman, En hout iu een twint hier niet an, Etet ende laet ons blyde wesen, Ende als men geten hevet, so hoert na desen”. Doe loechen si alle die daer waren 33950 Ombe den blinden speelman, twaren; Doe zeide Artur ten bode na des: “Secht iu boetscap, die iu bevolen es, Iu en sal daeraf niet mescien”. Doe began diegene mettien, 33955 Ende zeide: “koninck Artur, my sent te dy Die meester van al Kerstenhede sy, Dat es die koninck Rioen, wetet dat, Die nu belecht hevet Tornasse, die stat, In den koninckryke van Carmelyde, 33960 Met tien koningen nu ten tyden, Ende van den negenen heeft hi ter stede Haer baerde metten vellen mede; Nu ontbiedet dy mijn here, dattu dan Tot hem komes ende werdes sijn man, 33965 Ende hi sal wesen aldus dijn here, Ende dat sal dy sijn groet ere”. Doe hi dit gesecht hadde daer, Gaf hi hem die letteren naer, Ende zeide, dat se hem sijn heer sende nu; 33970 Doe gafse die koninck Artur, secgic iu, Den aertsebiscope Durbrices, Diese opbrac ende las nades So hoge, datsijt alle wale Hoerden, die waren in der sale. 33975 Dus began die letter in dat gemene: “Ic ben koninck Rioen, die here ben allene, Groet ende smal, van al Occident; Ic doe te wetene elken omtrent, Die dese letteren hoeren lesen, 33980 Dat ic [met] negen koningen in myner vresen, Ende met al horen volke, wetet dat, Hebbe belegen Tornasse, die stat; Entese negen koninge hebbic mede Gewonnen met mijnre vromechede, 33985 Ende hebbe haer baerde metten velle met Onder enen mantel geset Van roden samyte, ende hebbet gedaen, Ombedat men daerby sal mogen verstaen, Dat icse verwonnen hebbe ter stede; 33990 Ende nu es mijn mantel gereet mede Sonder een snoer; des willic van dy, Dattu dinen baert nu sendes my, Want du edel ende machtech best nu, 380 So willic van dinen baerde, secgic iu, 33995 Enen snoer; want dat sal sijn, An myne hande ende an mijn aenscijn, Dat openbaerlikeste an mynen live es; Ende ombedattu oec scone best, Also als die liede secgen van dy, 34000 So sende dynen baert tenen snoere my, Met tween ochte drien den lievesten te hant, Die gy nu hebbet in al iu lant; Ende dan komet selve ende werdet mijn man, So moechdy iu lant behouden dan 34005 In rasten ende in vreden mede; Ende en wiltu des niet doen ter stede, So rume dijn lant ende makedy henen dan; Want als ic verdreven hebbe Leodegan, So sal ic te dy ember komen, 34010 Ende dinen baert nemen te diner on vromen, Want ic salne dy af doen villen Dines ondankes, ende niet dines willen, Ende dit moet ember van dy wesen”. Doe die biscop dit hadde gelesen, 34015 Gaf hise den koninge, die erre was sere, Ombedat hi dit ontboet den here. Die bode zeide: “wat wiltu doen nu? Wiltu doen dat mijn here ontbiet iu? Secget my dat ende laet my varen”. 34020 “By Gode”, zeide Artur ten bode, twaren, “Du machs wel varen nu voertmere, Minen baert en kriget hi nembermere, Also lange alsic leve vorwaer”. Die blinde speelman sprac daernaer: 34025 “Vaer henen ende verlaet ons dijn gedingen Ic sal uwen here den baert doen bringen, Eer hi des woert sal weten dan, Dat hi nembermeer voertan Baert en begaert van ieman el; 34030 Dese truwant benemet ons al onse spel; Vare henen ten Duvel bevolen saen!” - Dus es die ridder van daer gegaen Ende reet te Tornassewaert te hant, Daer hi den koninck Rioen nu vant, 34035 Dien hi sine bodescap zeide saen, Gelijc dat hyse hadde verstaen. Doe swoer die koninck Rioen mede, Also vro als hi gevaen heeft ter stede Den koninck Leodegan, hi sal tier uer 34040 Met sulker kracht varen op koninck Artuer Dat hine vaen sal ochte verdriven. Dit latic nu aldus bliven, Ende secge iu van den etene voert, Daer gy hiervoer af hebbet gehoert. 34045 Die koninck Artur, ende sine barone mede, Saten ende aten met fijnre blijthede, Ombe die tale, die zeide vortan Toten bode die blinde man, Die metter harpen stont noch daer, 34050 Ende began therpene voert daernaer, So scone ende so wel utermaten, Dat sine besagen, die daer saten Te groten wonder an sijn spel; Si hoerden so nauwe daerna, wetet wel, 34055 Datsi op dander menestrele Een twint niet en achten van horen spele; Ende Artur wonderde sere daeran; Wanen dat quam sulc speelman; Nochtan soude hine te rechte wel kinnen, 34060 Want hine hadde, in menegen sinnen, Vor desmaels dicke gesien. Ende doe men geten hadde nadien, Entie taflen waren opgedaen, Quam die blinde man vor Artur gegaen 34065 Ende zeide: “here, ocht dat iu wille sij nu, So gevet my mynen loen, biddic iu, Van mynen dienste”. - “By Gode, dat sy”, Zeide die koninck, “wat wiltu van my? Secge my dat, ic salt geven dy nu, 34070 Ocht ic dat met eren mach geven iu”. “Here”, zeide hi, “gyne sult hebben van al Gene onneer van dat ic iu bidden sal, Want ic bidde iu, dat gy Iuwen standaert laet voeren my 34075 Int ierste orloge, daer gy sult komen in”. Die koninck zeide: “vrient, meer no min Sone mochte dat nu niet gescien, Want gyne konnet niet gesien, Ende ten waer my eerlyc niet, 34080 Dat een blint man, die niet en siet, Minen standaert voerde met gewoude, Die al dat heer met rechte sien soude”. 381 “Ach, here!” zeide die blinde na des, “God, die een geware leider es, 34085 Sal my geleiden, die my voer nu Wt menegen anxte geleit heeft, secgic iu, Ende wet wel, het sal iu vrome wesen”. Hem allen wonderde sere van desen; Doe besach hem die koninck Ban seer 34090 Ende hem gedochte van wanen eer, Hoe hem Merlijn gedient hadde vordas Als een jongelinc scone ten maras In den casteel; doe dachte hi daer, Dat nieman el dan Merlijn waer; 34095 Doe zeide die koninck Ban tot Artuer: “Here, doet sine bede nu ter uer, Want hine scinet der mannen niet, Dien men soude ontsecgen iet”. “Hoe”, zeide die koninck Artur, “wat sechdy? 34100 Wat vordele mochte ons licgen daerby, Dat een speleman, een blint man, Onse baniere soude voeren voertan, Die hem bewegen en kan no bekeren? Dese bede ontsecgic hem wel met eren, 34105 Want ten es geen dinc, dat men soude doen Niemanne geven, men kende den persoen”. Doe dit die koninck gesecht hadde daer, Haddensi den harper verloren naer, Sine wisten, waer hi gevaren was. 34110 Des was Artur erre dordas, Want hi wiste wel dat was Merlijn; Hem was leet, dat hi die bede sijn Niet en hadde gedaen vorwaer; Ende al diegene, die waren daer, 34115 Hadden hem wonder, waer hi gevaren was. Die koninck Ban zeide tot Artur nadas: “Here, gy soutene met rechte openbaer Kennen in wat manieren hi waer”. “Gy secget waer”, zeide Artur ter stont, 34120 Maer hi dade hem leiden enen hout, Ombedat so en kande icken niet alsoe”. “Wie was dat?” zeide Heer Gawyn doe. “Dat was Merlijn, onse meester”, zeide hy. “Ic geloves wel”, zeide Gawijn daerby, 34125 Want hi hevet hem dicke ontmaket mede, Dat doet hi al ombe spelechede”. Die wile datsi dus spraken, saen Quam daer een clene kint gegaen, Dat al graw hadde dat haer, 34130 Ende sonder baert, wet vorwaer, Ende quam fierlyc in sinen ganc, Ende en was maer derdenhalven voet lanc; Hi brachte op sinen hals daer alsoe Ene grote matsue gedragen doe, 34135 Ende ginc vor den koninck Artuer, Ende groette hem ende dander tier uer, Ende zeide: “gereit iu, koninck koen, Te varene tegen den koninck Rioen, Ende gevet my iu teken te voerne, here!” 34140 Die by den koninck stonden loechen sere, Doe si dit hoerden van den kinde. Die koninck zeide doe met geninde, Al lachgende: “scone iongelinc! Ic orlove iu gerne dese dinc, 34145 Dat gijt nu voert, sijt seker das”. Hi dachte wel, dat Merlijn was. “Danc hebbet”, zeide tkindekijn, “Want dat sal an my wel bestadet sijn”; Hi beval se te Gode, ende ginc dan, 34150 Ende nam weder sine forme an, Die hi thebbene altenen plach; Doe voer hi henen, al dat hi mach, In koninck Bannes lant ende Bohortes met; Ende hieraf en wiste nieman, dat wet, 34155 Dat hi dese dinc dus dede; Daer sprac hi Leoncen ende Pharien mede, Ende beval hem beiden te samen, Datsi met al haren lieden quamen Te Carmeloet. Doe zeiden die baroen, 34160 Datsi dat gerne zouden doen; Doe voer hi in skoninck Uryens lant Ende tallen den baronen mede thant, Ende zeide horen lieden altsamen Datsi binnen viertien dagen quamen 34165 Tote Carmeloet gewapent wale. Doe sciet Merlijn van hem na der tale, Ende voer enwech te Carmeloet alsoe, Ende was daer eer vespertijt doe; Dus haddi tuscen none ende vesper nu 34170 Alle dese boetscap gedaen, secgic iu, 382 Ende es vor den koninck Artur gestaen, Die hem daer nu vragede saen, Waerombe hi hem hadde ontmaket soe, Datten dat hondekijn leide doe? 34175 Merlijn zeide: “al barch ic my omtrent, Gy soudet my met rechte hebben bekent”. “Gy secget waer”, zeide die koninck alsoe, “Haddic kennesse in my gehat doe; Maer neen, ic en dachte op iu niet daer”. 34180 Doe levedensi met vrouden daernaer; Ende sanderen dages dadi al te male Die princen komen in die sale, Die koninck Artur, ende zeide hem mede Dat elc prince, doe gebieden ter stede, 34185 In sijn lant orloge, ende vergadere dan Van sinen lieden so hi meest kan, “Want ic moet te helpe varen Den koninck Leodegan, sonder sparen, Mijns wives vader, der koninginnen”. 34190 Doe dadem Merlijn daer bekinnen, Dat hi te Gaunes ende te Bonewijc, Ende al der princen landen desgelijc, Hevet gesecht dese dinge nu, “Ende si sullen alle hier komen tote iu”. 34195 “Welke tijt dady dat?” zeide die koninck; “Rechte nu, here, in ware dinc Come ic danen, ende sint etentijt Hebbic overal geweest, des seker sijt”. Doe dit die koninck entie princen hoerden, 34200 Wonderde hem sere van dien woerden, Ende bleven met blyscapen groet daernaer Totedat haer liede quamen daer, Ende thent si alle vergadert waren. Nu latic hieraf die tale varen, 34205 Ende sal iu hier nu secgen voert Van dat den stryde toebehoert. |
Hoe koning Rioen dat land van Carmelide winnen wilde. Het avontuur zegt hier u 33780 Van koning Rioen nu, Toen hij kwam in zijn land na dat Van Leodegan hij geblameerd was, Daar koning Arthur hem verdreef, En al zijn volk verslagen bleef; 33785 Toen hij thuis kwam, zwoer hij daarnaar, Dat hij nimmermeer blij was, Hij had zich gewroken op Leodegan; Toen zond hij zijn brieven voortaan Tot alle die, die onder hem horen 33790 En die wapens mochten voeren, Dat ze kwamen tot hem ter plaatse. Toen kwamen daar negen koningen mede, En al hun macht met snelle vaart; Daarmee voer hij te Tornasse waart 33795 In dat land van Carmelide; Onderweg namen ze hun prooi, En berooiden en roofden dat land. En Cleodales, die was snel, Koning Leodegans drost, 33800 Hij heeft vernomen deze misdaad, En is met twintigduizend man Heimelijk nu gekomen aan, En streed hem dapper aan daar, En nam hen al hun roof daarnaar, 33805 En voerde het te Tornasse in die stad, En sloot de poorten nadat; En koning Rioen belegerde die stede Alom met zijn lieden mede, En liet paviljoenen en tenten slaan 33810 En de stad toen bestormen gelijk; En koning Leodegan, die daar in was, En Cleodales, ze voeren na dat Heimelijk uit te een hoek, 378 En een deel lieden met hem, zonder letten, 33815 En kwamen op Solinas tenten daar, Die ze ter aarden wierpen daarnaar; En namen goud en zilver te die stonden En alles dat ze in de tenten vonden, En voerden het in de stad voort meer; 33820 Dus waren de anderen toornig zeer. Toen zwoer koning Rioen mede, Hij zou zo vaste belegeren die stede, Dat hij ze overwinnen zal, en voortaan Tot zijn wil hebben Leodegan. 33825 Toen trokken ze achteruit na dit doen En gingen liggen in hun paviljoen, En lieten hun bestorming staan; Dus lagen ze vijf dagen, zonder waan, Dat ze ter stad waart niets doen. 33830 Binnendien vernam koning Rioen, Dat koning Arthur had verdreven Alle Sennen, en zeer was verheven, En dat hij hof zou houden nadat In Onze Vrouwen dagen in de stad 33835 Te Carmeloet, en al zijn baronnen; Toen zei weer die koning Rioen: “Nu laat ze hoven, maar weet van die, Dat ik heen zal varen en bezien, Ten eerste dat ik Leodegan heb gevangen, 33840 Met zoveel lieden, weet zonder waan Dat hij het niet zal kunnen verduren; Maar wilde hij komen tot mij ter uren, De tijd dat ik hiervoor ben En bad me om genade, ik zou tot hem 33845 Ontferming hebben, en ontving dan Zijn land van mij en wordt mijn man”. “Heer”, zeiden zijn lieden toen gelijk, “Zendt daar boden en laat hem verstaan, Dat het voor hem beter is, dat hij uw man blijft, 33850 Dan ge hem doodt of uit het land verdrijft”. Daar liet de een brief maken die koning Rioen, Dat hij liet bezegelen toen Met zijn zegel, en ook mede Met tien koningen zegels, ter plaatse; 33855 Toen riep hij een ridder aldaar, Die hij wel vertrouwde voorwaar, En liet hem zweren, dat hij zal Dat koning Arthur geven bovenal Die brieven in de hand alzo 33860 En niemand anders; dit zwoer hij toen. Toen nam hij die brieven en ter vaart Reed hij daarmee te Carmeloet waard, En een knaap voer met hem daar; En koning Rioen bleef daarnaar 33865 Voor de stad van Torenasse, zeg ik u; Hij gebood zijn lieden te wapenen nu Om te bestormen die stad, Want erg onwaardig had hem dat, Dat ze het houden zouden enige tijd, 33870 Dag of uren, dus zeker bent; Want hij dacht dat hij had daar Meer ridders in het leger, weet voorwaar, Dan er in het land allen voor waren Man en vrouw en kinderen, te waren, 33875 Al waren ze alle verzameld mede. Ook zei hij tot zijn ridders ter plaatse Dat al te groot lachen was, Dat ze de stad belegerden daar, En dat ze die op de eerste dag 33880 Niet wonnen eer men ze belegerde, “En minder zullen we geprezen wezen Hier en in andere landen na deze, En men zal het houden voor bangigheden”. Toen dit de prinsen hoorden ter plaatse, 33885 Schaamden ze zich dus erg zeer, Want ze vreesden, dat hun heer Ze voor bang zou houden daarnaar. Toen gingen ze zich wapenen alle daar, Om te bestormen nu die stad. 33890 En die daarbinnen waren, weet dat, Waren dapper, en goede lieden mede, En weerden dapper hun stede, En wierpen daar menigeen dood, En schoten naar buiten in de hoop; 33895 En koning Leodegan en Cleodales, Gwinemar, Herviel en Mares, En Brune, deze zes baronnen, Voeren uit te strijden tegen koning Rioen, Die gewonnen had een buitenpost, 33900 En vijftien bedienden voerde vandaan, Die ze gevangen hadden op die dag. Toen Cleodales dit zag, Liet hij lopen zijn paard te die stonde 379 En stak op Argante, wat hij kon, 33905 Zodat hij hem doorreed ter plaatse Met de speer, en hij viel nadat Ter aarde dood. Toen zijn lieden dit zagen, Werd daar het gerucht en het klagen Zo groot om hun heer daar, 33910 Dat ze zich overwinnen lieten daarnaar; En Cleodales en zijn gezellen mede Behoeden de 15 bedienden ter plaatse, En voerden ze in de stad alzo, En sloten hun poorten toe; 33915 En de anderen droegen Argante daar In koning Rioens tent daarnaar, Die dus erg droevig en boos was. Nu laat ik dit, en zeg na dat Van de bode, die tot koning Arthur reed, 33920 Die zolang reed, God weet, Dat hij ten Onzer Vrouwen dag kwam Te half augustus, zoals ik vernam, Te Carmeloet in die zaal gelijk, Toen Keye kwam met de gerechten gegaan, 33925 En toen die blinde mooie man Voor koning Arthur te harpen begon, Daar ik u hiervoor van zei. Nu kwam die ridder, zonder wachten, En vroeg Keye welke Arthur waar; 33930 En Keye wees hem daar. Hij ging voor hem en sprak toen, Daar al diegene hoorden toe, Die in de zaal waren gezeten: “Koning Arthur”, zei hij, “ik laat u weten, 33935 Dat ik niet groet hier u, Want mijnheer beval het niet mij; Maar ik zal zeggen wat hij ontbied u, En als gij het weet, doe daarmee nu Dat uw hart u wijzen zal; 33940 En wil u doen mijn raad van al, Daar zou u van komen grote eer, En wil u dat doen min of meer, Dan moet u en uw volk verdreven zijn”. Arthur lachte en zei “bode fijn!” - 33945 “Lieve heer”, zei de blinde speelman, En hou u niets hier aan, Eet en laat ons blij wezen, En als men gegeten heeft, zo hoor naar deze”. Toen lachten ze allen die daar waren 33950 Om de blinde speelman, te waren; Toen zei Arthur tot de bode na dit: “Zeg uw boodschap, die u bevolen is, U zal daar van niets misgaan”. Toen begon diegene meteen, 33955 En zei: “koning Arthur, mij zendt tot u Die meester van alle christenheden is, Dat is koning Rioen, weet dat, Die nu belegerd heeft Tornasse, die stad, In het koninkrijk van Carmelide, 33960 Met tien koningen nu ten tijden, En van de negen heeft hij ter plaatse Hun baarden meteen laten villen mede; Nu ontbied u mijn heer, dat u dan Tot hem komt en wordt zijn man, 33965 En hij zal wezen aldus uw heer, En dat zal voor u zijn grote eer”. Toen hij dit gezegd had daar, Gaf hij hem die brieven daarnaar, En zei, dat ze hem zijn heer zendt nu; 33970 Toen gaf ze koning Arthur, zeg ik u, De aartsbisschop Durbrices, Die ze openbrak en las na dit Zo luid, zodat ze het allen wel Hoorden, die waren in de zaal. 33975 Dus begon die brief in dat algemeen: “Ik ben koning Rioen, die heer ben alleen, Groot en smal, van al dat Westen; Ik laat weten elk omtrent, Die deze brieven horen lezen, 33980 Dat ik met negen koningen in mijn vrees, En met al hun volk, weet dat, Heb belegerd Tornasse, die stad; En deze negen koningen heb ik mede Overwonnen met mijn dapperheden, 33985 En heb hun baarden met de vellen mee Op een mantel gezet Van rode fluweel, en heb het gedaan, Omdat men daarbij zal mogen verstaan, Dat ik ze overwonnen heb ter plaatse; 33990 En nu is mijn mantel gereed mede Uitgezonderd een snoer; dus wil ik van u, Dat u uw baard nu zendt aan mij, Want u edel en machtig bent nu, 380 Zo wil ik van uw baard, zeg ik u, 33995 Een snoer; want dat zal zijn, Aan mijn handen en aan mijn aanschijn, Dat het openbaarste aan mijn lijf is; En omdat u ook mooi bent, Zoals de lieden zeggen van u, 34000 Zo zend uw baard tot een snoer mij, Met twee of drie van de liefste gelijk, Die ge nu hebt in al uw land; En dan kom zelf en wordt mijn man, Dan mag u uw land behouden dan 34005 In rust en in vrede mede; En wil u het dus niet doen ter plaatse, Zo ruim uw land en maak je heen dan; Want als ik verdreven heb Leodegan, Dan zal ik tot u immer komen, 34010 En uw baard nemen tot uw onvrede, Want ik zal hem u eraf laten villen Tegen uw wil, en niet uw wil, En dit moet immer van u wezen”. Toen de bisschop dit had gelezen, 34015 Gaf hij ze de koning, die boos was zeer, Omdat hij dit ontbood de heer. De bode zei: “wat wil u doen nu? Wil u doen dat mijn heer gebied u? Zeg me dat en laat me varen”. 34020 “Bij God”, zei Arthur tot de bode, te waren, “U mag wel gaan nu voort meer, Mijn baard krijgt hij nimmermeer, Zo lang als ik leef voorwaar”. De blinde speelman sprak daarnaar: 34025 “Ga heen en verlaat ons uw gedingen Ik zal uw heer de baard laten brengen, Eer hij dit woord zal weten dan, Zodat hij nimmermeer voortaan Baard begeert van iemand elders; 34030 Deze trawant beneemt ons al ons spel; Vaar heen te duivel aanbevolen gelijk!” - Dus is die ridder van daar gegaan En reed te Tornasse waart gelijk, Daar hij koning Rioen nu vond, 34035 Die hij zijn boodschap zei gelijk, Gelijk dat hij ze had verstaan. Toen zwoer die koning Rioen mede, Alzo vroeg als hij gevangen heeft ter plaatse Koning Leodegan, hij zal dan op dat uur 34040 Met zo’n kracht varen op koning Arthur Dat hij hem vangen zal of verdrijven. Dit laat ik nu aldus blijven, En zeg u van het eten voort, Daar ge hiervoor van hebt gehoord. 34045 Koning Arthur, en zijn baronnen mede, Zaten en aten met fijne blijheid, Om de taal, die zei voortaan Tot de bode de blinde man, Die met de harp stond nog daar, 34050 En begon te harpen voort daarnaar, Zo mooi en zo goed uitermate, Dat ze hem bezagen, die daar zaten Te grote verwondering aan zijn spel; Ze hoorden hem zo nauw daarna, weet wel, 34055 Zodat ze op de andere minstrelen Niets achten van hun spel; En Arthur verwonderde het zeer daaraan; Waarvandaan dat kwam zo’n speelman; Nochtans zou hij hem te recht wel kennen, 34060 Want hij had hem, in menige zinnen, Hiervoor vaak gezien. En toen men gegeten had nadien, En de tafels waren opgedaan, Kwam de blinde man voor Arthur gegaan 34065 En zei: “heer, als dat uw wil is nu, Zo geef me mijn loon, bid ik u, Van mijn dienst”. - “Bij God, dat zij”, Zei de koning, “wat wil u van mij? Zeg me dat, ik zal het geven u nu, 34070 Als ik dat met eer mag geven u”. “Heer”, zei hij, “ge zal hebben van al Geen oneer van dat ik u bidden zal, Want ik bid u, dat gij Uw standaard laat voeren mij 34075 In de eerste oorlog, daar ge zal komen in”. De koning zei: “vriend, meer of min Zo mag dat nu niet geschieden, Want ge kan niet zien, En het lijkt me eerlijk niet, 34080 Dat een blinde man, die niet ziet, Mijn standaard voerde met geweld, Die dat hele leger met recht zien zou”. 381 “Ach, heer!” zei de blinde na dit, “God, die een ware leider is, 34085 Zal me begeleiden, die me voor nu Uit menige angst geleid heeft, zeg ik u, En weet wel, het zal u goed wezen”. Hen allen verwonderde het zeer van deze; Toen bezag hem koning Ban zeer 34090 En hij dacht van gedachte eerder, Hoe Merlijn hem gediend had voor dat Als een jongeling mooi te moeras In het kasteel; toen dacht hij daar, Dat het niemand anders dan Merlijn waar; 34095 Toen zei koning Ban tot Arthur: “Heer, doe zijn bede nu ter uur, Want hij schijnt de man niet, Die men zou ontzeggen iets”. “Hoe”, zei koning Arthur, “wat zeg jij? 34100 Welk voordeel mocht ons liggen daarbij, Dat een speelman, een blinde man, Ons banier zou voeren voortaan, Die zich niet bewegen kan en niet keren? Deze bede ontzeg ik hem wel met eren, 34105 Want het is geen ding, dat men zou doen Niemand te geven, men kende de persoon”. Toen dit de koning gezegd had daar, Hadden ze de harpist verloren daarnaar, Ze wisten niet, waar hij gevaren was. 34110 Dus was Arthur boos door dat, Want hij wist wel dat het was Merlijn; Hem was het leed, dat hij de bede van hem Niet had gedaan voorwaar; En al diegene, die waren daar, 34115 Hadden zich verwonderd, waar hij gegaan was. Koning Ban zei tot Arthur na dat: “Heer, ge zou hem met recht openbaar Herkennen in welke manieren hij waar”. “Ge zegt waar”, zei Arthur ter stond, 34120 Maar hij liet zich leiden met een hond, Omdat zo herkende ik hem niet alzo”. “Wie was dat?” zei Heer Gawein toen. “Dat was Merlijn, onze meester”, zei hij. “Ik geloof het wel”, zei Gawein daarbij, 34125 Want hij heeft zich vaak veranderd mede, Dat doet hij alles om speelsheid”. De tijd dat ze dus spraken, gelijk Kwam daar een klein kind gegaan, Dat geheel grauw had dat haar, 34130 En zonder baard, weet voorwaar, En kwam fier in zijn gang, En was maar drie en een halve voet lang; Hij bracht op zijn hals daar alzo Ene grote halsdoek gedragen toen, 34135 En ging voor koning Arthur, En begroette hem en de anderen te dat uur, En zei: “bereid u, koning koen, Te varen tegen koning Rioen, En geef mij uw teken te voeren, heer!” 34140 Die bij de koning stonden lachten zeer, Toen ze dit hoorden van het kind. De koning zei toen met dat doel, Al lachende: “mooie jongeling! Ik veroorloof u graag dit ding, 34145 Dat gij het nu voert, zij het zeker dat”. Hij dacht wel, dat het Merlijn was. “Dank heb”, zei het kindje, “Want dat zal aan mij wel besteed zijn”; Hij beval ze aan tot God, en ging dan, 34150 En nam weer zijn vorm aan, Die hij te altijd te hebben plag; Toen voer hij heen, alles dat hij mag, In koning Ban’s land en Bohort mee; En hiervan wist niemand, dat weet, 34155 Dat hij dit ding dus deed; Daar sprak hij Leonce en Pharien mede, En beval hen beide te samen, Dat ze met al hun lieden kwamen Te Carmeloet. Toen zeiden de baronnen, 34160 Dat ze dat graag zouden doen; Toen voer hij in koning Uriens land En tot alle baronnen mede gelijk, En zei die lieden alle tezamen Dat ze binnen veertien dagen daar kwamen 34165 Tot Carmeloet gewapend wel. Toen scheidde Merlijn van hen na die taal, En voer weg tot Carmeloet alzo, En was daar voor vespertijd toen; Dus had hij tussen noen en vesper nu 34170 Al deze bootschappen gedaan, zeg ik u, 382 En kwam voor koning Arthur te staan, Die hem daar nu vroeg gelijk, Waarom hij zich had veranderd zo, Dat hij dat hondje leidde toen? 34175 Merlijn zei: “al verborg ik me omtrent, Ge zou me met recht hebben herkent”. “Ge zegt waar”, zei de koning alzo, “Had ik kennis in me gehad toen; Maar neen, ik dacht aan u niet daar”. 34180 Toen leefden ze met vreugde daarnaar; En de volgende dag lieten ze allemaal De prinsen komen in de zaal, Koning Arthur, en zei hem mede Dat elke prins, laat gebieden ter plaatse, 34185 In zijn land oorlog, en verzamelen dan Van zijn lieden zo hij meest kan, “Want ik moet te hulp varen Koning Leodegan, zonder sparen, Mijns vrouw haar vader, de koningin”. 34190 Toen liet Merlijn hem daar bekennen, Dat hij te Gaunes en te Bonewick, En alle prinsen landen dergelijks, Heeft gezegd deze dingen nu, “En ze zullen allen hier komen tot u”. 34195 “Welke tijd deed ge dat?” zei de koning; “Recht nu, heer, in ware ding Kom ik er vandaan, en sinds etenstijd Ben ik overal geweest, dus zeker zij”. Toen dit de koning en de prinsen hoorden, 34200 Verwonderde het hen zeer van die woorden, En bleven met blijdschap groot daarnaar Totdat hun lieden kwamen daar, En tot ze alle verzameld waren. Nu laat ik hiervan de taal varen, 34205 En zal u hier nu zeggen voort Van dat tot de strijd toebehoort. |
Hoe die koninck Artur den koninck Rione doet sloech, ende van Merlyne. Daventure seghet na desen doen, Die koninck Artur ende alle sijn baroen Varen te Carmelidewaert 34210 Met menegen ridder onvervaert, Ende Merlijn voerde sijn teken daer. Dus voeren si so lange daernaer, Datsi in ener dachvaert nu quamen Daer die koninck Rioen lach tsamen 34215 Vor der stat te Tornasse in den plein. Doe zeide Merlijn heren Gawein Ende Ywene ende Sagrimor: “gy, Waer ic ben, sijt altoes by my”. Si zeiden, datsi dat gerne daden; 34220 “So volget my”, zeide hi, “dan met staden, Gy ende al dat heer ter stede, Thent wy ter batalien komen mede”. Doe quamensi an dat heer gereden Ende Merlijn die sloech in ter steden, 34225 Die die banier hadde in der hant, Daer die drake an stont valiant, Die vlamme ende vier so groet wtgaf, Dat des koninck Rioens liede daeraf Worden sere versaget dordas; 34230 Ende Heer Gawein, die by Merlyne was, Die een speer hadde in der hant, Hi gemoette koninck Pharioen thant, Ende stacken dor den lichame soe, Dat hi ter aerden doet viel doe. 34235 Doe zeidi: “dese hevet gegeven ter stede Mijns oems baerde nu ter stede”. Doe vergaderdensi in beiden syden; Daer wrachten wonder in dien tyden Heer Gawein ende sine broeder, ten stonden, 34240 Entie ridder van der Tafelronden. Maer die koninck Rioen, die nu ter ure Nieman en begeert dan den koninck Arture, Entie koninck Artur, wetic wel, Begeerten oec meer dan ieman el, 34245 Dene versach den andren in den rinc; Doe sloech dene opten andren, na die dinc, Met haren orsen, watsi konden, Ende braken haer speer tien stonden; Doe trockensi haer swaerde daernaer, 34250 Ende ondersloegen hem so lange daer, Dat haer helme ende haer scilde mede Te sticken vielen alle bede, Ende dene sloech den andren, tien stonden, Dor den halsberch grote wonden, 34245 Ende haerre negeen en was Hi ne was oec moede, sijt seker das; 383 Ende alse die koninck Rioen sach, Dat hem Artur so sere op lach, Ende hem so wel weerde tegen hem daer, 34260 Doe wart hi vertsaget daernaer; Want hine meende niet dat enech man, Die tote doen ie lijf gewan, Hadde mogen vor hem duren iet; Hi zeide themselven, als hi dit siet, 34265 Dat hi nie so goeden ridder en sach; Ombedit hi hem nu sere ontsach, Ende zeide: “koninck Artur, tes scade van dy, Want nie [en] vacht ridder tegen my, Die so goet was in der heerlicheit mede 34270 Als du best, dunket my ter stede, Ende dijn koene herte sal dy nu Hier doen sterven, secgic iu, Dat van dy groet scade es; Ende daerombe biddic dy dor des, 34275 Ombe dyne grote vromechede by, Dat du dy opgeves verwonnen my, Ombe dijn leven te behoudene al bloet Optie vorwaerde, die ic dy ontboet, tEs, dattu my dinen baert sult geven, 34280 Want ic haddene liever in dijn leven Dan als du doet best, nu ter stede, Blevestu hier doet ende al dijn volc mede”. Doe die koninck Artur dit hevet gehoert, Scaemdi hem sere deser woert, 34285 Datse hoerden sovele edeler liede, Ende zeide: “my en lust in negenen tyden Bet te vechtene dan my doet nu; Soudic my verwonnen geven iu, Dat waer wonder al te groet; 34290 Maer weert iu, ocht gy zijt doet, Dat secgic iu al ongespaert”. Mettien hief hi op sijn swaert Ende meendene opten helm slaen, Maer hi winkede besyden saen, 34295 Ende metten slage, dien hi na hem gaf, Sloech hi den orse den hals af, Ende si vielen bede ter aerden neder; Ende doe koninck Rioen opstaen woude weder, Gaf hem Artur enen slach, die liep 34300 In die scouder vier vinger diep; Entie koninck Rioen viel weder naer Van den slage. Doe dit sach daer Artur, spranc hi vor den paerde, Ende nam hem, daer hi lach opter aerde 34305 Metten helme, ende bracken hem wt, Ende verhief dat swaert ende sprac overluet, Hine gave hem op daer gevaen, Hi soude hem dat hovet afslaen; Doe zeide hi, hine gave hem nembermeer 34310 Verwonnen, hi soude oec sterven eer, Dan hi des lien soude nu mede. Als die koninck sach, dat hi ter stede Niet verwonnen hem op en gaf, Sloech hi hem sijn hovet daer af, 34315 Daer alle diegene toesagen, twaren, Die daer in den velde waren. Doe dit dander koninge sagen, Die daer metten koninck Rione lagen, Dat haer here dus es verslegen, 34320 En woudensi niet meer strides plegen, Ende gaven hem op ende al tvolc mede, Dat daer belegen hadde die stede, Ende worden koninck Arturs man, Ende ember meer te blivene voertan, 34325 Ende ontfingen haer goet ende haer lant Al te male van siner hant, Ende keerden weder in rasten ende in vreden Thoren landewaert, thoren steden, Ende voerden met hem den koninck Rioen, 34330 Ende groevene daer na sinen doen, Ende met wene ende met serechede. Entie koninck Artur voer in die stede Te Tornasse met feesten groet, Ende sine princen ende sine genoet 34335 Waren blyde ombe dese dinck; Si daden ontwapenen den koninck, Ende daden besien sine wonden Ende wel verbinden te dien stonden, Ende bleven in der stat nadas, 34340 Thent hi al genesen was, Met groter feesten, secgic iu, Ombe die victorie, die hem nu Onse Here hevet gegeven daer. Ende doe hi genesen was naer, 34345 Voer hi weder te Carmelot waert; Daer voer met hem twe dachvaert 384 Die koninck Leodegan, dor sine ere; Doe keerde weder die grote here Ende nam orlof an Artur, sinen sone, 34350 Ende daerna an al die barone. Ende doesi dus gesceden waren. Es Artur te Carmelot gevaren, Daer die koninginne Jenovre was Ende dander koninginnen, sijt seker das, 34355 Die daer ontbeiden hore manne nu, Die met Artur quamen, secgic iu; Daer dreef men nu feeste groet Vier dage dor, sonder genoet, Ende opten vijften dach sciedensi daer, 34360 Ende elc voer tsinen lande daernaer, Ende sijn wijf met hem ende syne amye. Entie koninck Artur ende sine partye Voeren in die stat van Logres, Daer hi lange inne bleef na des, 34365 Met sinen wive; daer waren tien stonden Die heren van der Tafelronden, Ende heer Gawein ende sine gesellen met, Ende Merlijn was daer mede, dat wet. Daerna quam Merlijn, op ene ure, 34370 Ende zeide toten koninck Arture “Here”, zeide, “nu vorwaert suldy Myner wel ontberen, ic secge iu wi: Iu lant es wel in vrede nu Ende ombe dit mach ic wel varen van iu”. 34375 Doe die koninck Artur dit hoerde, Was hi droevech van den woerde, Want hine lief hadde, alse recht was, Ende bat hem sere te blivene dordas; Merlijn zeide: “ten mach nu niet wesen”, 34380 Maer hi soude wederkomen na desen, Welke tijt, dat hijs hadde te doen. Doe zeide Artur, die koninck koen: “Merlijn, ic hebbe uwer te doen al tenen, Ic woude gy niet meer van my voeret henen, 34385 Ende sonder iu en kan ic gedoen niet”, Merlijn zeide: “here, en ontsiet iu niet, Ic sal tuwen oerbaer tyde genoech sijn”. Doe sweech die koninck een luttelkijn, Ende dacht daerombe; doe zeide hy: 34390 “Lieve Merlijn, nu berechtet my Te wat orbaer suldy te tyde komen, Woudy dat orbaer my nu nomen, Ic soudes te bet te gemake wesen”. “Here”, zeide Merlijn nu na desen, 34395 “Ic salt iu secgen: een lewe, die es, Ener berinnen sone, sijt seker des, Entie een lupaert wan, God weet, Sal lopen in dlant van Logres, gereet; Dit es dat orbaer, dat ic mene nu”. 34400 Ende hiermede sciet hi enwech, secgic iu, Sonder meer te secgene daer; Entie koninck bleef daernaer Tongemake, ombedat hi van desen Dingen niet [en] wiste, wat mach wesen. 34405 Nu swiget dit boec van koninck Arture, Ende secget van Merlijn voert ter ure. |
Hoe koning Arthur koning Rioen dood sloeg en van Merlijn. Het avontuur zegt het na dit doen, Koning Arthur en al zijn baronnen Varen te Carmelide waart 34210 Met menige ridder onvervaard, En Merlijn voerde zijn teken daar. Dus voeren ze zolang daarnaar, Zodat ze op een dagreis nu kwamen Daar koning Rioen lag tezamen 34215 Voor de stad Tornasse in het plein. Toen zei Merlijn heer Gawein En Ywein en Sagrimor: “gij, Waar ik ben, bent gij altijd bij mij”. Ze zeiden, dat ze dat graag deden; 34220 “Zo volg me”, zei hij, “dan met stade, Gij en al dat leger ter plaatse, Tot we tot de slag komen mede”. Toen kwamen ze bij dat leger gereden En Merlijn die sloeg er in ter plaatse, 34225 Die de banier had in de hand, Daar de draak aan stond dapper, Die vlammen en vuur zo groot uitgaf, Dat koning Rioens lieden daar van Worden zeer bang door dat; 34230 En Heer Gawein, die bij Merlijn was, Die een speer had in de hand, Hij ontmoette koning Pharioen gelijk, En stak hem door het lichaam zo, Dat hij ter aarde dood viel toen. 34235 Toen zei hij: “deze heeft gegeven ter plaatse Mijns ooms baard nu ter plaatse”. Toen verzamelden ze aan beide zijden; Daar wrochten wonderen in die tijden Heer Gawein en zijn broeder, ten stonden, 34240 En de ridders van de tafelronden. Maar koning Rioen, die nu ter ure Niemand begeert dan koning Arthur, En koning Arthur, weet ik wel, Begeerde hem ook meer dan iemand elders, 34245 De ene zag op de andere in de ring; Toen sloeg de ene op de andere, na dat ding, Met hun paarden, wat ze konden, En braken hun speren te die stonden; Toen trokken ze hun zwaarden daarnaar, 34250 En sloegen hen zo lang daar, Dat hun helmen en hun schilden mede Te stukken vielen alle beide, En de ene sloeg de andere, te die stonden, Door het harnas grote wonden, 34245 En van hen er geen was Hij ook moe was, zij het zeker dat; 383 En toen koning Rioen zag, Dat Arthur zo zeer op hem lag, En zich zo goed verweerde tegen hem daar, 34260 Toen werd hij verschrikt daarnaar; Want hij meende niet dat enige man, Die hij tot dan toe ooit lijf won, Had mogen voor hem standhouden iets; Hij zei tot zichzelf, toen hij dit ziet, 34265 Dat hij niet zo’n goede ridder zag; Om dit hij hem nu zeer ontzag, En zei: “koning Arthur, het is schade van u, Want niet vocht een ridder tegen mij, Die zo goed was in de heerlijkheid mede 34270 Zoals u bent, lijkt me ter plaatse, En uw koene hart zal u nu Hier laten sterven, zeg ik u, Dat van u grote schade is; En daarom bid ik u door dit, 34275 Om uw grote dapperheid hierbij, Dat u zich opgeeft als overwonnen door mij, Om uw leven te behouden al bloot Op die voorwaarde, die ik u ontbood, Is, dat u me uw baard zal geven, 34280 Want ik had u liever in leven Dan als u dood bent, nu ter plaatse, Bleef u hier dood en al uw volk mede”. Toen koning Arthur dit heeft gehoord, Schaamde hij zich zeer dat deze woord, 34285 Dat het hoorden zoveel edele lieden, En zei: “mij lust in geen tijden Beter te vechten dan me doet nu; Zou ik me overwonnen geven u, Dat was een wonder al te groot; 34290 Maar verweert u, of ge bent dood, Dat zeg ik u al zonder sparen”. Meteen hief hij op zijn zwaard En meende hem op de helm te slaan, Maar hij wenkte bezijden gelijk, 34295 En met de slag, die hij naar hem gaf, Sloeg hij het paard de hals af, En ze vielen beide ter aarde neer; En toen koning Rioen opstaan wilde weer, Gaf hem Arthur een slag, die liep 34300 In de schouder vier vingers diep; En koning Rioen viel weer daarnaar Van de slag. Toen dit zag daar Arthur, sprong hij voor het paard, En nam hem, daar hij lag op de aarde 34305 Met de helm, en brak hem er uit, En verhief dat zwaard en sprak overluid, Hij gaf zich over daar gevangen, Hij zou hem dat hoofd afslaan; Toen zei hij, hij gaf zich nimmermeer 34310 Overwonnen, hij zou ook sterven eerder, Dan hij dus belijden zou nu mede. Toen de koning zag, dat hij ter plaatse Zich niet overwonnen gaf, Sloeg hij hem zijn hoofd daaraf, 34315 Daar al diegene toezagen, te waren, Die daar in het veld waren. Toen dit de andere koningen zagen, Die daar met koning Rioen lagen, Dat hun heer dus is verslagen, 34320 Wilden ze niet meer strijd plegen, En gaven zich op en al het volk mede, Dat daar belegerd hadden die stede, En worden koning Arthurs man, En immer meer te blijven voortaan, 34325 En ontvingen hun goed en hun land Allemaal van zijn hand, En keerden weer in rust en in vrede Tot hun land waart, tot hun steden, En voerden met hen koning Rioen, 34330 En begroeven hem daarna in zijn doen, En met wenen en met zeerheden. En koning Arthur voer in die stede Te Tornasse met feesten groot, En zijn prinsen en zijn genodigden 34335 Waren blij om dit ding; Ze lieten ontwapenen de koning, En lieten bezien zijn wonden En goed verbinden te die stonden, En bleven in de stad na dat, 34340 Tot hij geheel genezen was, Met grote feesten, zeg ik u, Om de victorie, die hem nu Onze Heer heeft gegeven daar. En toen hij genezen was ernaar, 34345 Voer hij weer te Carmeloet waart; Daar voer met hem twee dagreizen 384 Koning Leodegan, door zijn eer; Toen keerde weer die grote heer En nam verlof aan Arthur, zijn zoon, 34350 En daarna aan alle baronnen. En toen ze dus gescheiden waren. Is Arthur te Carmeloet gevaren, Daar koningin Jenover was En de andere koninginnen, zij het zeker dat, 34355 Die daar wachten op hun mannen nu, Die met Arthur kwamen, zeg ik u; Daar dreef men nu feesten groot Vier dagen door, zonder genodigden, En op de vijfde dag scheiden ze daar, 34360 En elk voer tot zijn land daarnaar, En zijn vrouw met hem en zijn geliefde. En koning Arthur en zijn partij Voeren in de stad van Londen, Daar hij lang in bleef na dit, 34365 Met zijn vrouw; daar waren te die stonden De heren van de tafelronden, En heer Gawein en zijn gezellen mee, En Merlijn was daarmee, dat weet. Daarna kwam Merlijn, op een uur, 34370 En zei tot koning Arthur “Heer”, zei, “nu verder zal gij Mij wel ontberen, ik zeg u waarom: Uw land is wel in vrede nu En om dit mag ik wel gaan van u”. 34375 Toen koning Arthur dit hoorde, Was hij droevig van de woorden, Want hij hem lief had, alzo recht dat was, En bad hem zeer te blijven doordat; Merlijn zei: “het mag nu niet wezen”, 34380 Maar hij zou weerkomen na deze, Welke tijd, dat hij hem nodig had te doen. Toen zei Arthur, de koning koen: “Merlijn, ik heb u nodig altijd, Ik wilde dat ge niet meer van me gaat heen, 34385 En zonder u kan ik doen niets”, Merlijn zei: “heer, ontzie u niet, Ik zal tot uw nut op tijd genoeg zijn”. Toen zweeg de koning een weinig, En dacht daarom; toen zei hij: 34390 “Lieve Merlijn, nu bericht mij Tot welk nut zal ge ter tijd komen, Wil je dat nut me nu noemen, Ik zou beter op mijn gemak wezen”. “Heer”, zei Merlijn nu na deze, 34395 “Ik zal het u zeggen: een leeuw, die is, Een berinnen zoon, zij het zeker dit, En die een luipaard won, God weet, Zal lopen in het land van Londen, gereed; Dit is dat gebruik, dat ik bedoel nu”. 34400 En hiermede scheidde hij weg, zeg ik u, Zonder meer te zeggen daar; En de koning bleef daarnaar Ongemakkelijk, omdat hij van deze Dingen niet wist, wat het mag wezen. 34405 Nu zwijgt dit boek van koning Arthur, En zegt van Merlijn voort ter ure. |
Van Merlyne, ende van den koninck Flualis, ende van den koninck Artur, ende van anderen dingen. Hier seghet daventure voert nadas, Doe Merlijn van Artur gesceden was, Doe voer hi te Jerusalem, ende lette niet, 34410 Tenen koninge die Flualis hiet, Die machtech ende groet was mede, Maer hi was een Sarrasijn ter stede; Entie koninck hadde vergadert nu Alle die wyseste van den lande, secgic iu, 34415 Ende zeide: “gy heren, ic hebbe iu ter stede Ontboden, ende gy zijt hier komen mede Ombe mijn gebot, ende gy en wetet niet Waerombe ic iu ontboden hebbe iet, Ende ic salt iu secgen, waerombe dat sy: 34420 Ic lach op ene nacht, ende doe docht my Dat ic die koninginne hadde vorwaer Vaste in mynen arme aldaer, Ende doesi in mynen arme lach Docht my, dat ic twe vliegende serpente sach 34425 Ende elc serpente hadde twe hoet, Ende si waren vreeslyc ende groet, Ende elken voer uter kelen mede Een groet brant daer ter stede, Ende al myne sale verluchte daer; 385 34430 Ende dene serpent nam my daernaer Met sinen voete in myne lanke binnen, Ende dander nam die koninginne, Die in mynen arme lach alsoe, Ende voerden ons in den vorst van der sale doe; 34435 Ende doesi ons gedragen hadden daer, Trocken si ons die bene daernaer, Entie arme wten lichame mede, Ende worpense neder daer ter stede, Dat ene hier, tander ginder alsoe; 34440 Ende doesi ons ontledet hadden, doe Quamen daer achte clene serpentekine Ende droegen onse lede, docht my, in scine Opten tempel, ende trockense daer Al te sticken, ende daernaer 34445 Lieten ons die grote serpente doe Opter salen daerboven alsoe, Ende ontstaken daerna die sale, Ende verbernden ons al te male Tascen, entie wint mede 34450 Droech dascen in elke stede, Die in deessiden der zee was. Dit was mijn droem, ende dordas Dat hi my vreeslyc dunket nu, So hebbic hier ontboden iu, 34455 Ende bidde iu, ocht hier ieman es, Die my vroet kan gemaken des; Waer ieman, die mijt bedieden konde, Ic woude hem sweren hier ter stonde, Dat ic hem myne dochter wil geven 34460 Ende half mijn goet in mijn leven, Ende na myner doet altemale omtrint; Ende hevet hi een wijf, die mijt ontbint, Hi sal sijn here over mijn lant daerby, Also lange alsic leve, ende over my”. 34465 Als dit die vroede liede hoerden bloet, Den droem entie gichten, die hy boet, Hadde hem des wonder, wat mach wesen; Dene zeide een dinc van desen Dander een ander, als hem dochte, 34470 By gelijke dat wesen mochte. Nu was Merlijn oec onder hem daer, Maer nieman en sach ene, wetet vorwaer, Ende hi sprac so hoge dese tale, Dat sijt alle hoerden in der sale: 34475 “Coninc Flualis, nu hoer na my Ic sal dinen droem wel bedieden dy”. Doe die koninck dit hoerde daernaer, Sach hi alombe, wie dat waer Die dat gesecht hadde, ende also wale 34480 Sagen daerna dander in der sale, Maer nieman en kondene gesien, Nochtan was hi onder hem. Mettien Zeide hi voert: “koninck, hoer dinen droem: Die twe serpente, nu neem des goem, 34485 Entie vier hovede hadden mede, Ende vlamme ende vier wtworpen ter stede, Dat zijn vier kerstene koninge, die iu Dit lant sullen verbernen nu; Ende datsi dy ende dijn wijf droegen met 34490 Boven in den vorst, dat wet, Van der sale, dat sal sijn Datsi sullen hebben al dlant dijn Toten poerten van der stede; Ende dattie serpente dine vier lede 34495 Wttogen, ende dinen wive met, Bediedet, dat gy uwer quader wet Vertyen zult ende kersten werden naer; Ende dat die achte serpente quamen daer Ende dine lede ende dines wives namen, 34500 Ende opten tempel droegen tsamen, Dat es, dat dine liede sullen vlien In Dianen tempel nadien, Ombe hem te behoudene daer; Ende datsi dine lede scoerden daernaer, 34505 Ende dijns wives oec ter stede, Dat zijn dine kinder, die men mede Verbernen sal in Dyanen kerke saen; Ende datsi dy ende dijn wijf lieten gaen In dat palas, betekent dat gy mede 34510 Gesuevert sult sijn in Kerstenhede; Ende dat die serpente verbernden die sale, Betekent dat dy te dien male Een pennincwaert goets niet en bliven sal Van dinen quaden goede, groet ende smal, 34515 Van dat du heves in dese wet; Ende dat gy tascen verbernt waert met, 386 Sal sijn, dat gy gesuvert sult wesen Van al uwen sonden voert na desen In water van der Kerstenhede; 34520 Ende dat uwe asce vloech mede Overal int lant besiden der zee, Dat sal sijn, dat gy noch mee Kinder sult winnen in kerstene wet, Die goede ridder sullen werden met, 34525 Ende geeert sullen sijn in meneger stat; Dit es dijn droem, ic secge dy dat”. Aldus sciet Merlijn doe van daer, Enten koninck hadde groet wonder naer, Van der stemmen die hi hadde gehoert. 34530 Ende Merlijn die reet weder voert Te Logreswaert, daer die koninck Artur was Entie koninginne mede, sijt seker das, Diene ontfingen met feesten groet; Entie wyle dat men hier over stoet, 34535 Quam ene joncfrou op enen muel saen Ende brachte met haer enen dwerch, sonder waen, Den alrelelijcsten, die ie gesien Was in den hof ende anderswaer tot dien: Hi was crepel ende leetlyc mede, 34540 Entie wymbraen groet ter stede, Enten baert swarter dan een rave, Ende sloech hem toter borst daer ave, Ende thaer swart ende lanc som, Entie scouder hoge ende crom, 34545 Den bulte voer ende achter in een, Die hande groet ende corte been; Entie joncfrouwe was ionc ende scoen Ende si beette vor der salen, na dien doen, Ende nam den dwerch in horen arm daer 34550 Ende settene van den paerde daernaer, Ende leidene vor den koninck Artuer, Ende groetene hovesclike ter uer, Also alsi wel sprekende konde; Die koninck dankedes haer ter stonde. 34555 Doe zeide die ioncfrou: “here, ic kome tot u, Ombe die grote niemaer die lopet van iu, Ombe iu te bidden ene gichte mede; Want nyemaren loepen van iu ter stede. Dat negene joncfrou falgiert gereet 34560 Van dingen, die si iu biddet, God weet; Want men hout iu vor den besten man Van der werlt; ende ombe dese dinc dan Ben ic gekomen tot uwen hove nu, Ombe ene gichte te biddene iu; 34565 Nu siet, ocht gyse wilt geven my”. “Joncfrou, biddet wat gy wilt”, zeide hy, “Gyne sult daeraf niet falgieren Opdat ment doen mach met eren”. “Here, dat en sal iu geen onnere sijn: 34570 Ic bidde iu, dat gy mijn edele minnekijn, Desen ionchere, dien ic hebbe by der hant, Hier ridder nu maket al te hant; Hi es des wel waert in allen doen, Want hi es vroem ende koen. 34575 Ende van edelen geslachte ende fijn, Ende soude lange ridder hebben gesijn, Hadde hi gewilt, van den koninck Pelles Van Listenois, die een goet man es; Mijn lief en wilt, ende hevet met 34580 Gesworen, dat hi nembermeer, dat wet, Ridder en wert, here, dan van iu; Ende daermede biddic des iu sere nu, Dat gyne ridder maket voertmere”. Die koninck begonde lachene sere, 34585 Ende alle die waren in der sale; Doe zeide Keye tot haer dese tale: “Joncfrou, ic rade iu, dat gy iu mynnekijn Vaste by iu hout, want hier sijn Diegene diene iu stelen zouden hier, 34590 Ombedat hi scone es ende fier”. “Here”, zeide si, “die koninck es so goeden man, Hine sal my geen onrecht laten doen daeran”. “By Gode”, zeide die koninck, “joncfrouwe, Hier en sal iu gescien geen ontrouwe”. 34595 “Here”, zeide si, “dat love iu God, Onse Here! Nu maket mijn lief ridder, des biddic iu sere”. “Joncfrou, ic ben des bereit ter steden”. Mettien quamen daer twe knape gereden, Die twe scilde brachten van sable met 34600 Ende drie luperde van goude daerin geset, Ende gekroent met lasure, ende mede Hinc een swaert ant artson ter stede; 387 Entie ander knape leide een ors daer, Dat scone was ende openbaer, 34605 Entie breidel was gouden met; Ende dreven enen somer vor hem, dat wet, Met tween cofferen, ende quamen ten hove in. Ende bonden haer paerde an enen pyn Die in den hof stont, ende daernaer 34610 Ontsloten si haer coffer, ende trocken wt daer Enen halsberch wit als die snee, Want hi was sylveryn, ende noch mee So was hi van dobblen malyen, Ende twe coffien van sylverinen talyen 34615 Ende enen sylverinen helm, al vergout; Si gingen in die sael met gewout, Daer die koninck Artur doe sat ende at. Doese die ioncfrou sach komen, nadat Zeide si: “here, wildy niet doen myne bede? 34620 Ic hebbe hier nu algader ter stede Dat ten ridder behorende es nu; Maket mijn lief ridder, des biddic iu”. “Gerne joncfrou, gaet sitten eten”. “Here”, zeide si, “ic doet iu weten, 34625 Ic en ete hier nu nembermeer, Mijn lief en sij iu ridder eer”. Ende doe men geten hadde daernaer, Trac die ioncfrou wt enen almoniere daer Twe vergulde sporen, ende zeide: 34630 “Here, ontkommert my, sonder beiden, Want ic ben hier al te lange nu”. Doe quam Keye voert, secgic iu, Ende woude hem die sporen spannen thant; Die joncfrou gegreep hem metterhant, 34635 Ende vragede wat hi meende daermede? “Ic wilne ridder maken ter stede”, Zeide doe Keye, “met myner hant”. “Met dyner hant?” zeide die ioncfrou valiant, “Ende du best die onwaertste van den hove, 34640 Ende mynnestwaert van allen love! Dat en moet nember gescien, Dat men dyne hant daeran sal sien, Ocht iemans hant dan des koninges vry, Want hi hevet gelovet my; 34645 En dade hijs niet, so haddi mede My verraden ende doet ter stede; Negeen man en soude gerinen nu Also hogen prince, dat secgic iu Metterhant, alse mijn lief es, 34650 Hine waer edel koninck, sijt seker des”. “By Gode”, zeide die koninck Artur doen “Ic sal hieraf uwen wille doen”. Doe nam die koninck den rechter spoer Ende spien hem den dwerge daervoer, 34655 Entie joncfrou den andren, God weet; Die koninck wapendene al op gereet, Ende gorde hem dat swaert ende sloechen mede In den hals, ende zeide ter stede: “God moet iu maken [een] goet man”. 34660 “Here, suldy daer niet meer toe doen dan?” Sprac die ioncfrou. “Neen ic”, zeide die koninck. “Ach, here!” zeide si, “biddet hem een dinc: Dat hi nu voert mijn ridder sy”. Die koninck bats hem; doe zeide hy, 34665 Dat hy gerne soude doen sine bede. Doe namen si orlof beide ter stede, Ende al gewapent ginc doe die clene man Op sijn ors sitten, entie ioncfrou dan Op horen muel, ende daden daernare 34670 Haer knape thoren landewaert varen; Si ende haer lief reden enwech daernaer, Ende quamen rydende, wet vorwaer, In enen foreest onder hem beden. Doe si dus waren henen gesceden, 34675 Bleef die koninck Artur ende Merlijn mede, Ende Gawyn ende dander gesellen ter stede In der salen, die sere loechen saen, Ombedatsi den dwerch so minde, sonder waen. “By Gode”, zeide doe die koninginne, 34680 “My hevet wonder, datsy haer minne So leetliken creature hevet gegeven, Want ic en sach in al mijn leven So leetlikes niet, ende si es scone sere, Ende wel pryseswaert vor elken here, 34685 Ende hi donket my een Duvel ocht een Vrouwe”, zeide Merlijn, “si en es niet half Bedrogen an siner lelichede, Want sine grote koene vromechede Doet, dat sine lief hevet, secgic iu; 388 34690 Want so koenen vleesc en saechdy nie vor nu; Ende hi es eens koninges sone wtverkoren, Ende ener koninginnen welgeboren, Ende sine grote vromecheit Verdrivet een deel siner lelecheit, 34695 Ende sine goedertierenheit mede; Noch suldy horen van siner vromechede Eer iet lanc, dat secgic iu”. Maer ic moet ter stede secgen nu Van den keyser van Rome, God weet, 34700 Hoe hi tegen Artur, den koninck, street. |
Van Merlijn en van koning Flualis en van koning Arthur en van andere dingen. Hier zegt het avontuur voort na dat, Toen Merlijn van Arthur gescheiden was, Toen voer hij te Jeruzalem, en lette niet, 34410 Tot een koning die Flualis heet, Die machtig en groot was mede, Maar hij was een Sarracijn ter plaatse; En die koning had verzameld nu Alle wijzen van het land, zeg ik u, 34415 En zei: “gij heren, ik heb u ter plaatse Ontboden, en ge bent hier gekomen mede Om mijn gebod, en ge weet niet Waarom ik u ontboden heb iets, En ik zal het u zeggen, waarom dat het is: 34420 Ik lag op een nacht, en toen leek mij Dat ik de koningin had voorwaar Vast in mijn armen aldaar, En toen ze in mijn armen lag Dacht ik, dat ik twee vliegende serpenten zag 34425 En elk serpent had twee hoofden, En ze waren vreselijk en groot, En bij elk voer uit de keel mede Een grote brand daar ter plaatse, En mijn hele zaal verlichte daar; 385 34430 En het ene serpent nam me daarnaar Met zijn voeten in mijn flanken binnen, En de andere nam de koningin, Die in mijn armen lag alzo, En voerden ons in de nok van de zaal toen; 34435 En toen ze ons gedragen hadden daar, Trokken ze ons de benen daarnaar, En de armen uit het lichaam mede, En wierpen dat neer daar ter plaatse, Dat ene hier, het andere ginder alzo; 34440 En toen ze ons ontleed hadden, toen Kwamen daar acht klein serpentjes En droegen onze leden, leek me duidelijk Op de tempel, en trokken ze daar Geheel in stukken, en daarnaar 34445 Lieten ons die grote serpenten toen Op de zaal daarboven alzo, En ontstaken daarna de zaal, En verbranden ons helemaal Tot as, en de wind mede 34450 Droeg de as in elke plaats, Die in deze zijde van de zee was. Dit was mijn droom, en doordat Dat het me vreselijk lijkt nu, Zo heb ik hier ontboden u, 34455 En bid u, of hier iemand is, Die me bekend kan maken dit; Was er iemand, die me het uitleggen kon, Ik wil hem zweren hier ter stonde, Dat ik hem mijn dochter wil geven 34460 En half mijn goed in mijn leven, En na mijn dood alles omtrent; En heeft hij een vrouw, die mij het oplost, Hij zal heer zijn over mijn land daarbij, Zolang als ik leef, en over mij”. 34465 Toen dit die verstandige lieden hoorden bloot, De droom en de giften, die hij bood, Hadden ze zich dus verwonderd, wat dat mag wezen; De ene zei een ding van deze De andere een ander, zoals hij dacht, 34470 Bij vergelijking dat wezen mocht. Nu was Merlijn ook onder hen daar, Maar niemand zag hem, weet voorwaar, En hij sprak zo hoog deze taal, Dat ze het alle hoorden in de zaal: 34475 “Koning Flualis, nu hoor naar mij Ik zal uw droom goed uitleggen u”. Toen de koning dit hoorde daarnaar, Zag hij alom, wie dat waar Die dat gezegd had, en alzo wel 34480 Zagen daarnaar de andere in de zaal, Maar niemand kond hem zien, Nochtans was hij onder hen. Meteen Zei hij voort: “koning, hoor uw droom: De twee serpenten, nu neem dus waar, 34485 En die vier hoofden had mede, En vlammen en vuur uitwierpen ter plaatse, Dat zijn vier christen koningen, die u Dit land zullen verbranden nu; En dat ze u en uw vrouw wegdroegen mee 34490 Boven in de nok, dat weet, Van de zaal, dat zal zijn Dat ze zullen hebben al uw land Tot de poorten van de steden; En dat het serpent uw vier leden 34495 Uittrokken, en van uw vrouw mee, Betekent, dat ge uw kwade wet Zal afstaan en zal christen worden daarnaar; En dat de acht serpenten kwamen daar En uw leden en van uw vrouw namen, 34500 En op de tempel droegen tezamen, Dat is, dat uw lieden zullen vlieden In Diana’s tempel nadien, Om zich te behoeden daar; En dat ze uw leden verscheuren daarnaar, 34505 En van uw vrouw ook ter plaatse, Dat zijn uw kinderen, die men mede Verbranden zal in Diana’s kerk gelijk; En dat ze u en uw vrouw lieten gaan In dat paleis, betekent dat ge mede 34510 Gezuiverd zal zijn in christelijkheden; En dat de serpenten verbranden de zaal, Betekent dat u te die maal Een penning waard goed niet blijven zal Van uw kwade goed, groot en smal, 34515 Van dat u heeft in deze wet; En dat ge tot as verbrand was mee, 386 Zal zijn, dat ge gezuiverd zal wezen Van al uw zonden voort na deze In het water van de christelijkheid; 34520 En dat uw as vloog mede Overal in het land bezijden de zee, Dat zal zijn, dat ge noch meer Kinderen zal winnen in christelijke wet, Die goede ridders zullen worden met, 34525 En geëerd zullen zijn in vele plaatsen; Dit is uw droom, ik zeg u dat”. Aldus scheidde Merlijn toen vandaar, En de koning had grote verwondering daarnaar, Van de stem die hij had gehoord. 34530 En Merlijn die reed weer voort Te Londen waart, daar koning Arthur was En de koningin mede, zij het zeker dat, Die hem ontvingen met feesten groot; En de tijd dat men hierover stond, 34535 Kwam een jonkvrouw op een muilezel gelijk En bracht met haar een dwerg, zonder waan, De allerlelijkste, die niet gezien Was in de hof en ergens anders tot die: Hik was kreupel en lelijk mede, 34540 En de wenkbrauwen groot ter plaatse, En de baard zwarter dan een raaf, En sloeg hem tot de borst daarvan, En het haar zwart en lang soms, En de schouder hoog en krom, 34545 De bult voor en achter ineen, De handen groot en korte been; En de jonkvrouw was jong en schoon En ze steeg af voor de zaal, na dat doen, En nam de dwerg in haar arm daar 34550 En zette hem van het paard daarnaar, En leidde hem voor koning Arthur, En begroette hem hoffelijk ter uur, Zoals een die goed spreken kon; De koning bedankte haar ter stonde. 34555 Toen zei de jonkvrouw: “heer, ik kom tot u, Vanwege dat grote nieuws die loopt van u, Om u te bidden een gift mede; Want nieuws loopt van u ter plaatse. Dat geen jonkvrouw faalt bij u gereed 34560 Van dingen, die ze u bidt, God weet; Want men houdt u voor de beste man Van de wereld; en om dit ding dan Ben ik gekomen tot uw hof nu, Om een gift te bidden u; 34565 Nu ziet, of ge het wil geven mij”. “Jonkvrouw, bid wat ge wilt”, zei hij, “Ge zal daar van niet falen Opdat men het doen mag met eren”. “Heer, dat zal u geen oneer zijn: 34570 Ik bid u, dat ge mijn edele minnaartje, Deze jonkheer, die ik heb bij de hand, Hier ridder nu maakt al gelijk; Hij is het dus wel waard in alle doen, Want hij is dapper en koen. 34575 En van edel geslacht en fijn, En zou al lang ridder hebben geweest, Had hij gewild, van koning Pelles Van Listenois, die een goede man is; Mijn lief wil niet, en heeft me 34580 Gezworen, dat hij nimmermeer, dat weet, Ridder wordt, heer, dan van u; En daarmee bid ik dus u zeer nu, Dat ge hem ridder maakt voort meer”. De koning begon te lachen zeer, 34585 En allen die waren in de zaal; Toen zei Keye tot haar deze taal: “Jonkvrouw, ik raad u, dat ge uw minnaartje Vast bij u houdt, want hier zijn Diegene die hem van u stelen zouden hier, 34590 Omdat hij mooi is en fier”. “Heer”, zei ze, “de koning is zo’n goede man, Hij zal me geen onrecht laten doen daaraan”. “Bij God”, zei de koning, “jonkvrouw, Hier zal u geschieden geen ontrouw”. 34595 “Heer”, zei ze, “dat looft u God, Onze Heer! Nu maak mijn geliefde ridder, dus bid ik u zeer”. “Jonkvrouw, ik ben dus bereid ter plaatse”. Meteen kwamen daar twee knapen gereden, Die twee schilden brachten van sabel mee 34600 En drie luipaarden van goud daar in gezet, En gekroond met lazuur, en mede Hing een zwaard aan de knop ter plaatse; 387 En de andere knaap leidde een paard daar, Dat mooi was openbaar, 34605 En de breidel was goud met; En dreven een wagen voor hen, dat weet, Met twee koffers, en kwamen te hof in. En bonden hun paarden aan een pijnboom Die in de hof stond, en daarnaar 34610 Openden ze hun koffer, en trokken uit daar Een harnas wit als sneeuw, Want hij was zilver, en nog meer Zo was hij van dubbele maliën, En twee bedekkingen van zilveren insnijdingen (?) 34615 En een zilveren helm, geheel verguld; Ze gingen in de zaal met geweld, Daar koning Arthur toen zat en at. Toe hij de jonkvrouw zag komen, nadat Zei ze: “heer, wil ge niet doen mijn bede? 34620 Ik heb hier nu alles ter plaatse Dat tot een ridder behoort nu; Maak mijn lief ridder, dus bid ik u”. “Graag jonkvrouw, ga zitten eten”. “Heer”, zei ze, “ik laat u weten, 34625 Ik eet hier nu nimmermeer, Mijn lief is uw ridder eerder”. En toen men gegeten had daarnaar, Trok die jonkvrouw uit een gordel daar Twee vergulde sporen, en zei: 34630 “Heer, verlos mij zonder wachten, Want ik ben hier al te lang nu”. Toen kwam Keye voort, zeg ik u, En wilde hem de sporen spannen gelijk; De jonkvrouw greep hem bij de hand, 34635 En vroeg wat hij bedoelde daarmee? “Ik wil hem ridder maken ter plaatse”, Zei toen Keye, “met mijn hand”. “Met uw hand?” zei die jonkvrouw vlug, “En u bent de onwaardigste van het hof, 34640 En de minste waard van alle lof! Dat moet nimmer geschieden, Dat men uw hand daaraan zal zien, Of iemands hand dan van de koning vrij, Want hij heeft beloofd mij; 34645 En deed hij het niet, zo had hij mede Mij verraden en gedood ter plaatse; Nee geen man zou doen nu Alzo hoge prins, dat zeg ik u Met de hand, zoals mijn lief is, 34650 Hij is een edele koning, zij het zeker dit”. “Bij God”, zei koning Arthur toen “Ik zal hiervan uw wil doen”. Toen nam de koning de rechter spoor En spelde hem de dwerg daarvoor, 34655 En de jonkvrouw de andere, God weet; De koning wapende hem geheel op gereed, En omgorde hem dat zwaard en sloeg hem mede In de hals, en zei ter plaatse: “God moet u maken een goede man”. 34660 “Heer, zal ge daar niet meer toe doen dan?” Sprak de jonkvrouw. “Neen ik”, zei de koning. “Ach, heer!” zei ze, “bid hem een ding: Dat hij nu voortaan mijn ridder is”. De koning bad het hem; toen zei hij, 34665 Dat hij graag zou doen zijn bede. Toen namen ze verlof beide ter plaatse, En geheel gewapend ging toen die kleine man Op zijn paard zitten, en de jonkvrouw dan Op haar muilezel, en lieten daarnaar 34670 Haar knapen tot hun land waart varen; Zij en haar lief reden weg daarnaar, En kwamen rijdend, weet voorwaar, In een bos onder hen beiden. Toen ze dus waren heen gescheiden, 34675 Bleef koning Arthur en Merlijn mede, En Gawein en de andere gezellen ter plaatse In de zaal, die zeer lachten gelijk, Omdat ze de dwerg zo minde, zonder waan. “Bij God”, zei toen de koningin, 34680 “Me heeft verwonderd, dat ze haar minne Zo ‘n lelijk creatuur heeft gegeven, Want ik zag in mijn hele leven Niet zo’n lelijkerd, en zij is mooi zeer, En wel te prijzen waar voor elke heer, 34685 En hij lijkt me een duivel of een Vrouw”, zei Merlijn, “ze is niet half Bedrogen aan zijn lelijkheden, Want zijn grote koene dapperheden Doet, dat ze hem lief heeft, zeg ik u; 388 34690 Want zo’n koen vlees zag u niet voor nu; En hij is een konings zoon uitverkoren, En een koningin goed geboren, En zijn grote dapperheid Verdrijft voor een deel zijn lelijkheid, 34695 En zijn goedertierenheid mede; Nog zal ge horen van zijn dapperheden Al gauw, dat zeg ik u”. Maar ik moet ter plaatse zeggen nu Van de keizer van Rome, God weet, 34700 Hoe hij tegen Arthur, de koning, streed. |
Van den koninck Artur ende van den keyser Lucet. Ons secget daventure nu Van den keyser van Rome, secgic iu, Dat hem onwaert hadde groet, Dat hi den tsyns so dicke ontboet 34705 Tot Artur, dat hi nie hem sende daer, Gelijc hi sculdich waer, vorwaer; Want tien tyden was ene sede, Dat die van Gaule, ende ander lande mede, Senden horen tsyns alle iare 34710 Te Rome; maer nie sint daernare Dat die koninck Artur wart koninck, So en wilde hi senden, om geen dinc, Den tsins; want hi zeide daernaer, Dat hi niemanne tsins sculdech waer 34715 Dan Gode, ende sijn lant en stoet Te genen dienste. Ombe dit so doet Lucius sijn orloge gebieden nu, Ende quam met groten heer, secgic iu Ende met stouten mede alsoe, 34720 Dor Lomberdyen te Logres toe, Dat des koninck Arturs was, God weet; Si bernden daer ende roefden gereet, Ende doen ontboden die liede van daer Den koninck Artur, wet vorwaer, 34725 Dattie Romeine daer sijn int lant, Ende stichten daerinne roef ende brant. Doe dit die koninck Artur vernam, Vergaderde hi sijn heer, ende quam Te Logreswaert, by Merlijns rade mede. 34730 Ende doe hy by Logres quam ter stede, Quam Merlijn ten konink Artur voertan Enten koninck Bohort enten koninck Ban, Ende riet hem, dat hy ten keyser sende Dat hi sijn lant rumede met genende, 34735 Ocht hi ontseide hem. Doe zeide Gawijn Hi wilde daertoe die bode sijn Met sinen broederen ende Ywen mede Ende met Sagrimor. Doe zeide ter stede Die koninck, dat niet en mochte sijn; 34740 “Here, laetse varen”, zeide Merlijn, “Coenlyc, daer en es geen angest an”; Daer gaf hem die koninck orlof dan, Ende Gawyn reet met sinen gesellen tsamen So lange datsi ten keyser quamen. 34745 Doe ginc Gawyn daer die keyser was, Ende sprac hem aldus an nadas: “Heer Keyser”, sprac hi, “secht my te hant, Waerombe bestu komen in mijns omes lant, Ende hebt dat gebernt? Ic wil gy dat wet, 34750 Dat gy ie in dat land quamet met, Dat so stoutelike wert verwaert, Ende eer gy ons daerwt ontvaert, So en zoudy om half die werlt niet Willen, dat gy daer in quamet iet” 34755 Doe zeide die Keyser: “wie bestu dan, Die my dus daer spreket an?” - Ic ben Gawyn, des koninck Arturs neve, Die ombe dy wel clene geve”. “Ja”, zeide die keyser, ende riep saen 34760 Sine man, dat sine souden vaen; Doe sprongensi op ende omringeden daer Heren Gawine ende sine gesellen naer; Ende heer Gawyn trac sijn swaert ter stede, Ende alle sine gesellen mede, 34765 Ende gingen houwen slage so groet, Datsi daer menegen sloegen doet; Maer si waren bedwongen daernaer, Datsi die plaetse moesten rumen daer, Want der Romeyne so vele was; 34770 Ombedit ontbraken si hem nadas Ende reden haerre straten nu; Maer dander volgeden hem, secgic iu, Ende heer Gawyn keerde hem dicke doe Tegen hem ende street hem toe. 34775 Ende bindesen quam Merlijn gegaen Toten koninck Artur, ende zeide saen: 389 “Here, twaer goet, dat gy sendet ter tijt Heren Gawyne soccoers, want die strijt Es begonnen tegen des Keysers man”. 34780 Doe sende die koninck daerheen dan Sesdusent ridder wel te gerake mede, Die tegen die bode reden ter stede; Doe sagen si sovele liede komen gevaren. Dat al die velde bedecket waren 34785 Van dien, die die boden jageden daer; Doesi dit sagen, redensi daernaer In die Romeyne. Doe wart die strijt Sterc ende groet te dier tijt. Daer was een Romeyn, die Petrinus hiet, 34790 Die den onsen dede groet verdriet; Hy was sterc ende hielt den hoep Van den Romeynen, ende sloech doet Menegen ridder; doe dit sach Heer Gawyn, hadde hijs swaer verdrach, 34795 Ende nam sine gesellen bysyden daer, Ende zeide tot hen: “wy hebben vorwaer Desen strijt begonnen ter stede, Gaet dat so wel, so hebbewijs danc mede Ende gevallet anders, so sullewy 34800 Ondanc hebben, ende daerby Moetewy desen Petrinus doet slaen, Ocht den koninck Artur geven gevaen, Ocht anders so en mogewy niet Sonder groet verlies ontgaen, wats gesciet; 34805 Ende ombedit biddic, dat gy volget my Waer ic vare”. Si zeiden: “dat sy!” - Doe sloech hi te Petrinuswaert, Ende sine gesellen volgeden ter vaert, Ende finierden niet eer si quamen daer, 34810 Ende Sagrimor vergaderde daernaer An hem, ende namne in sinen arm doe, Ende liet hem daer mede vallen alsoe Ter aerden, als die hem betrouwede daer Tsinen gesellen, ende hielten daernaer 34815 So vaste in sinen arm oec met Dat hi beroeren en konde een let; Ende doe dit die Romeyne sagen, Quamen si vaste derwaert geslagen, Ombe hem te bescuddene daer; 34820 Doe wart die strijt groet ende swaer. Daer dade Heer Gawyn sovele ter stede, Dat hi Sagrimor geredde mede, Entie Romeyne sconfierde saen; Daer wart Petrinus gevaen 34825 Ende ander ridder vele in der noet, Ende vele sloegensi haerre oec doet; Entiese daer nu hadden gevaen Brachtensi den koninck Artur saen, Die hem des wiste groten danc, 34830 Ende men voerde dese eer iet lanc In dat lant van Bonewyc gevaen, Daer si seker waren, sonder waen. Nu was die keyser een droevech man Ende weende van groten rouwe dan 34835 Ombedat sine liede waren doet, Ende som gevaen in groter noet, Ende ombe koninck Evander meer; Daerombe hadde hi groet seer, Ombedat hi niet en weet daerby, 34840 Ocht hi doet ocht gevaen sy; Ombedit dachte hi na wel sere Tegen den koninck te komene mere In stryde, ende hierombe mede Toech hi achterwaert van der stede, 34845 Ende ombe tontbeidene siner liede daer, Die hem noch komen souden naer; Maer die koninck Artur volgedem also Al die nacht, dat hi des morgens vro Quam daer die keyser hadde gelegen, 34850 Ende sine tenten hadde ontslegen, Ende al gereet was te vaerne henen; Maer als hi vernam, diegene, Dat koninck Artur daer was tien tyden, Wiste hi wel, dat hy moeste stryden 34855 Ochte vlien, wats hem gesciet, Ende hi ontvloe om al die werlt niet. Doe ginc hi sijn volc ordinieren. Te strydewaert ende batalgieren, Ende quam jegen den koninck Artur doe, 34860 Ende Artur tegen hem weder alsoe, Ende elc sloech daer ten andren waert, Wat gelopen konden haer paert; Daer wart menech speer gebroken ontwee, Daer vlogen die pyle so dicke als snee, 34865 Dat daer dene opten andren scoet: Daer blever in beiden syden menech doet, 390 Ende Herman, die here van Tryple, der stede, Was in heren Gawyns geselscap mede, Ende Hartvel, dien daer een knecht scoet 34870 Met ener gavelote dan te doet. Ende doen Artur sach, dat die Romeyne So lange geduerden in den pleine, Wantsi van des morgens toter noene Gevochten hadden in stouten doene; 34875 Doe riep hi met erren moede groet: “Wat eest, gy Bertoene, dat gy nu doet? Vaert vorwaert, later negeen ontgaen, Want ic ben Artur, die, sonder waen, Dit velt en rume om genen man; 34880 Volget my, ende denket vorwaert dan Om die grote vromecheit, die gy Dicke gedaen hebbet dor my! Dat es al niet, dat wy vochten tot nu; Dit sijn die heren, dat secgic iu, 34885 Die al die werlt willen dwingen Ende onder haer balgie bringen; Hier mach men prijs an winnen ende ere; Ic en kome van desen velde nembermere, Ic en hebbe victorie optie Romeine! 34890 Heden es die dach, wetet algemeine, Dat ic sterven sal ocht leven, Eer ic die Romeine wil begeven”. Mettien sloech hi in hem daernaer, Ende wat hi gerakede sloech hi daer 34895 Doet ocht daer neder ter stede; Doen ontmoete hi den koninck Hestor mede, Dien sloech hi daer sijn hovet af; Daerna hi enen slach gaf Den koninck Polipliore van Meden, 34900 Ende cloefdene toten gordele ter steden. Ende heer Gawyn nu vergadert was An den Keyser, dien hi nadas Dat hovet afsloech, dat ter aerden vel Enten lichame mede also wel; 34905 Ende doe die Romeine dit sagen, Dat die keyser was verslagen, Ende haer koninge oec ter stede, Gingensi alle vlien mede, Entie Bertoene ende haer hoep 34910 Volgeden hem ende sloegense doet; Si versloegense doe, wetet vorwaer, Also vele alsi wouden daer. Artur was der victorien blide sere, Die hem gegeven hadde Onse Here, 34915 Ende alle die daer doet waren bleven, Dadi opten kerchof graven beneven, Ende in abdyen, enten Keyser mede Sende hi te Rome daer, ter stede, Ende ontboet den Romeynen overluet, 34920 Dat waer haer tsyns ende haer tribuet, “Dien die van Bertanien daer senden iu, Dien gy hem dickewile hebbet vor nu Geheescet; aldus komensi betalen; Es ieman die hem meer wil halen, 34925 Men sal hem geven sulc payment Gelijc dat men iu nu sent”. Doe hi dit dus hadde gedaen, Nam hi raet an die princen saen, Wat hi doen soude nu mere. 34930 Die princen baden hem alle sere, Dat hi Merlyne rades vrage nu; Doe riet hem Merlijn, secgic iu, Dat hi niet vorder en voere mede, Maer bleve houden opter stede 34935 Drie dage ochte vier nadien; Daer soude noch ander wonder gescien. Nu swiget dit boec hier nadat Ende secht van Artur ende van ener cat. |
Van koning Arthur en van keizer Lucet. Ons zegt het avontuur nu Van de keizer van Rome, zeg ik u, Dat hij onwaarde had groot, Dat hij de accijns zo vaak ontbood 34705 Tot Arthur, dat hij het hem niet zond daar, Gelijk hij schuldig was, voorwaar; Want te die tijden was er een zede, Dat die van Frankrijk, en andere landen mede, Zenden hun accijns alle jaren 34710 Te Rome; maar niet sinds daarnaar Dat koning Arthur werd koning, Zo wilde hij niet zenden, om geen ding, De accijns; want hij zei daarnaar, Dat hij niemand accijns schuldig waar 34715 Dan God, en zijn land stond Tot hem geen dienst. Om dit zo laat Lucius hem oorlogen gebieden nu, En kwam met groot leger, zeg ik u En met dappere mede alzo, 34720 Door Lombardije tot Londen toe, Dat dus van koning Arthurs was, God weet; Ze branden daar en roofden gereed, En lieten ontbieden de lieden van daar Koning Arthur, weet voorwaar, 34725 Dat de Romeinen daar zijn in het land, En stichten daarin roof en brand. Toen dit koning Arthur vernam, Verzamelde hij zijn leger, en kwam Te Londen waart, bij Merlijns raad mede. 34730 En toen hij bij Londen kwam ter plaatse, Kwam Merlijn tot koning Arthur voortaan En koning Bohort en koning Ban, En raadde hen aan, dat hij tot de keizer zend Dat hij zijn land ruimde met diegenen, 34735 Of hij ontzei het hem. Toen zei Gawein Hij wilde daartoe die bode zijn Met zijn broeders en Ywein mede En met Sagrimor. Toen zei ter plaatse De koning, dat het niet mocht zijn; 34740 “Heer, laat ze gaan”, zei Merlijn, “Koen, daar is geen angst aan”; Daar gaf hen de koning verlof dan, En Gawein reed met zijn gezellen tezamen Zolang zodat ze bij de keizer kwamen. 34745 Toen ging Gawein daar de keizer was, En sprak hem aldus aan na dat: “Heer Keizer”, sprak hij, “zeg me gelijk, Waarom bent u gekomen in mijn ooms land, En hebt dat gebrand? Ik wil dat ge weet, 34750 Dat als ge iets in dat land kwam meer, Dat zo dapper wordt bewaard, En eer ge ons daaruit ontvaart, Zo zou ge om de halve wereld niet Willen, dat ge daarin kwam iets” 34755 Toen zei de Keizer: “wie bent u dan, Die me aldus daar spreekt aan?” - Ik ben Gawein, koning Arthurs neef, Die om uw wel klein geeft”. “Ja”, zei de keizer, en riep gelijk 34760 Zijn mannen, dat ze hen zouden vangen; Toen sprongen ze op en omringden daar Heer Gawein en zijn gezellen daarnaar; En heer Gawein trok zijn zwaard ter plaatse, En al zijn gezellen mede, 34765 En gingen houwen slagen zo groot, Zodat ze daar menigeen sloegen dood; Maar ze werden bedwongen daarnaar, Zodat ze de plaats moesten ruimen daar, Want van de Romeinen er zo veel waren; 34770 Om dit gingen ze weg na dat En reden hun straten nu; Maar de anderen volgden hen, zeg ik u, En heer Gawein keerde zich vaak toen Tegen hen en streed hen toe. 34775 En binnen deze kwam Merlijn gegaan Tot koning Arthur, en zei gelijk: 389 “Heer, het was goed, dat ge zendt ter tijd Heer Gawein succes, want de strijd Is begonnen tegen de keizers man”. 34780 Toen zond de koning daarheen dan Zesduizend ridders goed geraakt mede, Die naar de boden reden ter plaatse; Toen zagen ze zoveel lieden komen gevaren. Dat de hele velden bedekt waren 34785 Van die, die de boden jaagden daar; Toen ze dit zagen, reden ze daarnaar In de Romeinen. Toen werd de strijd Sterk en groot te die tijd. Daar was een Romein, die Petrinus heet, 34790 Die de onzen deed groot verdriet; Hij was sterk en hield de hoop Van de Romeinen, en sloeg dood Menige ridder; toen dit zag Heer Gawein, had hij een zwaar verdrag, 34795 En nam zijn gezellen bezijden daar, En zei tot hen: “we zijn voorwaar Deze strijd begonnen ter plaatse, Gaat dat zo goed, dan hebben we dus dank mede En valt het anders, dan zullen wij 34800 Ondank hebben, en daarbij Moeten we deze Petrinus dood slaan, Of koning Arthur geven gevangen, Of anders dan mogen we niet Zonder groot verlies ontgaan, wat er dus geschiedt; 34805 En om dit bid ik, dat ge volgt mij Waar ik ga”. Ze zeiden: “dat zij!” - Toen sloeg hij te Petrinus waart, En zijn gezellen volgden ter vaart, En eindigden niet eerder dan ze kwamen daar, 34810 En Sagrimor verzamelde daarnaar Bij hem, en nam hem in zijn arm toen, En liet hem daarmee vallen alzo Ter aarde, zoals een die zich vertrouwde daar Tot zijn gezellen, en hield hem daarnaar 34815 Zo vast in zijn arm ook mee Dat hij verroeren kon geen lid; En toen dit de Romeinen zagen, Kwamen ze vast derwaarts geslagen, Om hem te behoeden daar; 34820 Toen werd de strijd groot en zwaar. Daar deed heer Gawein zoveel ter plaatse, Zodat hij Sagrimor redde mede, En de Romeinen schoffeerden gelijk; Daar werd Petrinus gevangen 34825 En andere ridders veel in de nood, En veel sloegen ze van hun ook dood; En die ze daar nu hadden gevangen Brachten ze koning Arthur gelijk, Die hen dus wist grote dank, 34830 En men voerde deze eer iets lang In dat land van Bonewick gevangen, Daar ze zeker waren, zonder waan. Nu was de keizer een droevige man En weende van grote rouw dan 34835 Omdat zijn lieden waren dood, En soms gevangen in grote nood, En om koning Evander meer; Daarom had hij groot zeer, Omdat hij niet weet daarbij, 34840 Of hij dood of gevangen is; Om dit dacht hij na wel zeer Tegen de koning te komen meer In strijd, en hierom mede Trok hij naar achteren van de plaats, 34845 En om te wachten op zijn lieden daar, Die hem nog komen zouden naar; Maar koning Arthur volgde hem alzo De hele nacht, zodat hij dus ‘s morgens vroeg Kwam daar de keizer had gelegen, 34850 En zijn tenten had weg gedaan, En geheel gereed was te gaan heen; Maar toen hij vernam, diegene, Dat koning Arthur daar was te die tijden, Wist hij wel, dat hij moest strijden 34855 Of vlieden, wat er dus gebeurt, En hij ontvloog om de hele wereld niet. Toen ging hij zijn volk ordenen. Te strijd waart en in bataljons, En kwam tegen koning Arthur toen, 34860 En Arthur tegen hem weer alzo, En elk sloeg daar tegen de andere waart, Wat lopen konden hun paarden; Daar werd menige speer gebroken in twee, Daar vlogen de pijlen zo dik als sneeuw, 34865 Dat daar de ene op de andere schoot: Daar bleven er aan beide zijden menigeen dood, 390 En Herman, de heer van Tryple, de stede, Was in heer Gaweins gezelschap mede, En Hartvel, die daar een knecht schoot 34870 Met een werpspies dan te dood. En toen Arthur zag, dat de Romeinen Zo lang weerstonden in die vlakte, Want ze van ‘s morgens tot de noen Gevochten hadden in dappere doen; 34875 Toen riep hij met boos gemoed groot: “Wat is het, gij Britten, dat ge nu doet? Ga voorwaarts, laat er geen ontgaan, Want ik ben Arthur, die, zonder waan, Dit veld ruimt om geen man; 34880 Volg me, en denk voorwaarts dan Om de grote dapperheid, die gij Vaak gedaan hebt voor mij! Dat is al niet, dat we vochten tot nu; Dit zijn de heren, dat zeg ik u, 34885 Die de hele wereld willen dwingen En onder hun heerschappij brengen; Hier mag men prijs aan winnen en eer; Ik kom van deze velden dan nimmermeer, Ik heb victorie op die Romeinen! 34890 Heden is de dag, weet algemeen, Dat ik sterven zal of leven, Eer ik de Romeinen wil begeven”. Meteen sloeg hij in hen daarnaar, En wat hij raakte sloeg hij daar 34895 Dood of daar neer ter plaatse; Toen ontmoette hij koning Hestor mede, Die sloeg hij daar zijn hoofd af; Daarna hij een slag gaf Koning Polipliore van Medië, 34900 En kloofde hem tot de gordel ter plaatse. En heer Gawein nu verzameld was Aan de keizer, die hij na dat Dat hoofd afsloeg, zodat hij ter aarde viel En het lichaam mede alzo wel; 34905 En toen de Romeinen dit zagen, Dat de keizer was verslagen, En hun koningen ook ter plaatse, Gingen ze alle vlieden mede, En de Britten en hun hoop 34910 Volgden hen en sloegen ze dood; Ze versloegen ze toen, weet voorwaar, Zoveel als ze wilden daar. Arthur was met de victorie blijde zeer, Die hem gegeven had Onze Heer, 34915 En allen die daar dood waren gebleven, Liet hij op het kerkhof begraven benevens, En in abdij, en de keizer mede Zond hij te Rome daar, de stede, En gebood de Romeinen overluid, 34920 Dat was hun accijns en hun tribuut, “Die die van Brittannië daar zenden u, Die ge hen vaak hebt voor nu Geëist; aldus komen ze betalen; Is er iemand die meer wil halen, 34925 Men zal hem geven zo’n betaling Gelijk dat men u nu zend”. Toen hij dit dus had gedaan, Nam hij raad van de prinsen gelijk, Wat hij doen zou nu meer. 34930 Die prinsen baden hem alle zeer, Dat hij Merlijns raad vraagt nu; Toen raadde Merlijn hem aan, zeg ik u, Dat hij niet verder zou voeren mede, Maar bleef ophouden op die plaats 34935 Drie dage of vier nadien; Daar zou nog een ander wonder geschieden. Nu zwijgt dit boek hier nadat En zegt van Arthur en van een kat. |
Hoe die koninck Artur street tegen ene vreeslike catte. Hier secht dit boec: doe waren leden 34940 Drie dage, zeide Merlijn ter steden: “Here, over gene lac es uwes te doen Want daer en es negeen man so koen, Die daer dorst wanderen om enen viant, Die in enen berge woent in dat lant”. 34945 “Hoe”, zeide die koninck, “eest maer een man, Wat soudewy alle derwaert dan?” - “Neen, here”, zeide doe Merlijn saen, “Dat es eene catte, een Duvel, sonder waen, Die so vreeslyc es tansine mede, 34950 Men sach nie desgelykes in gener stede”. “God, Here, genade!” zeide die koninck, “Wanen mach komen alsulken dinc?” 391 “Here”, zeide Merlijn, “des es vier iaer, Ter Opvaert Onses Heren, wet vorwaer, 34955 Dat een viscer ter Losanen quam Te viscene in den lac, alsic vernam, Ende warp sijn nette in den lac voertmere. Ende gelovede den iersten visc Onsen Here, Dien hi daer soude vaen nu mede; 34960 Doe vinc hi enen sconen snoec ter stede Die dertich scellinge mochte waert wesen; Doe zeide hi: “God, dune sals niet hebben desen, Maer du sals hebben nu den naesten; Hi warp sijn nette in met haesten, 34965 Ende vinc enen betren dan dierste was; Doe zeide hi: noch sal God beiden nadas, Want den derden sal ic hem geven; Echt warp hi sijn nette daer beneven, Ende vinc een clene swart kattekijn; 34970 Doe zeide die viscer: dit [en] mach niet sijn, Dat kattekyn sal ic behouden met, Want entrouwen, God, ic wil gy dat wet, Ic hebbe wel te doene der catten, Ic hebbe thues vele muse ende ratten. 34975 Hi hielt se so lange, datsi verbeet ter stede Hem ende sijn wijf ende sine kinder mede; Doe liepsi an enen berch in dlant daer, Daer si noch sint hevet gewesen daernaer, Ende verbijt ende dodet, nacht ende dach, 34980 Al datsi daerop ervaren mach; Ende si es eislyc ende groet mede. Gy sult daer varen, ende vertroesten ter stede Die goede liede ende helpen uter noet”. Dit hadde den baronen wonder groet, 34985 Ende zeiden, twaer een miracle vorwaer Van Onsen Here, ombedat die viscer daer Niet en dade dat hi gelovede Gode. Doe hiet die koninck, dat men gebode, Dat men trossen soude ende laden, 34990 Ende ten lakewaert varen met staden. Dus voerensi derwaert, ende vonden daer lant Dlant verwoestet, verre ende naer, Want daer en dorste nieman wonen int Doe voerensi tot an den berch thant; 34995 Daer dade die koninck logieren, ter stede, Ene halve myle na den berch mede; Daer nam die koninck met hem doe Den koninck Lot ende Gawine daertoe, Ende sine broeder ende Merlyne mede; 35000 Si wapenden hem ende reden, ter stede, Opten berch daer die catte was. Doe wijsde hem Merlijn dat hol nadas, Ende zeide doe toten koninck Artuer: “In dat hol es die felle creatuer”. 35005 “Hoe salsi wtkomen”? zeide Artur saen; “Si sal sciere wt komen gegaen”, Zeide Merlijn, “maer hoedet iu naer, Si sal iu vreeslyc oplopen daer”. “Nu vaert achterwaert”, zeide Artur doe; 35010 Ende si dadent, ende Merlijn ginc toe, Ende wispelde sere, secgic iu; Entie catte, die dat hoerde, quam nu Uten hole gescieten na desen; Si meende, dat een beeste hadde gewesen; 35015 Si hadde honger ende voer ten koningewaert. Ende alset die koninck sach, hielt hi ter vaert Sijn speer daertegen, ende meende se daermede Doersteken; maer si nam dat yser ter stede Ende tracket so sere, dat die koninck wel naer 35020 Gevallen was, ende metten wringen daer, Dat die koninc wranc dat speer alsoe, Brac sijn speer af dat yser doe; Doe warpet die koninck uter hant, Ende trac sijn swaert ende deckedem te hant 35025 Metten scilde; entie catte spranc daernaer Op hem ende meende ne verworgen daer; Maer die coninc scoetse metten scilde weder, Datsi ter aerden viel doe neder Maer si was thant weder op hem gevlogen, 35030 Entie koninck hadde tswaert getogen, Ende sloech haer een sticke af in dat hoet; Maer die hernenpanne en hadde gene noet, Want dat was hart, dat hi des niet Ontginnen en konde, wat gesciet. 35035 Nochtan viel si van den slage neder, Maer si spranc tehant op weder, Ende namne by den scoudren na dien dingen, 392 Dat die clawen dor den halsberch gingen, Ende intie scouder oec daernaer; 35040 Ende si scoerde den halsberch daer, Datsi wel driehondert malien mede Uten halsberch scoerde ter stede, Sodat hem dat rode bloet Wt sinen scouderen ter stede vloet, 35045 Ende dat hy byna gevallen was; Ende hi liep der catten op nadas, Daersi sat haer poten ende lickede mede Van den bloede; doe sine sach ter stede Tot haer komen, scoet si hem toe 35050 Ende meendene vor begripen doe; Maer hi warp haer den scilt tegen; Daer hevetsi haer clawen ingeslegen, Datsi den scilt al te male dorsloech Enten koninck so na haer droech, 35055 Dat hi byna was daer neder; Maer die koninck hielten so vaste weder, Datsine hem niet konde ontrecken daer; Ende hi nam sijn swaert daernaer, Ende sloech haer die vorenste voete af doe 35060 Ende si viel op daerde; doe liep hi toe, Die koninck, ende liet den scilt vallen saen Ende meende die catte echter slaen, Maer si scoet hem int aensicht daernaer, Ende begreepne metten achtersten voeten daer, 35065 Ende metten tanden, ende beeten doe Dat hem tbloet verspranc alsoe. Doe nam hi tscerpe van sinen swaerde, Ende meendese dorsteken metter vaerde; Ende doesi dat swaert gevoelde saen, 35070 Lietsi haer vallen ende lieten gaen; Maer si bleef metten clawen daer In den halsberge houden naer, Ende thovet hinc doe nederwaert; Doe sloech die koninck mettervaert 35075 Dachterste been af ter stede, Entie buec viel ter aerden mede, Ende creet so lude, dat ment van daer Hoerde daer dat heer lach vorwaer, Dat ene halve myle was; 35080 Des menegen sere wonderde, sijt seker das, Die dat in den heer hoerden naer, Die meenden, dat die Duvel waer; Doe begansi te wentelen na desen, Ende hadde gerne in haer hol gewesen; 35085 Maer die koninck liep haer tegen doe, Ende si warp haer op met crachte alsoe, Ende woude opten koninck springen; Entie koninck stacse, na dien dingen, Tuscen die dye, dat al dor ginc. 35090 Doe quam Merlijn tot hem, na die dinc, Ende dander, ende vrageden hoet hem stoet? “Wel, want ic en hebbe gene noet Van den Duvel, dien ic hebbe doet; Ic en quam nie in meerre noet 35095 Noch in meerre angest mede, Sonder van den gigante ter stede, Dien ic vor Carmelyde doet sloech; Die dade my oec groet ongevoech, Eer icken dode met gewelt”. 35100 Doe namen die heren sinen scilt Ende besagen die voete, die daerinne staken, Ende in den halsberch, na dien saken, Ende zeiden, si en sagen nie desgelike; Doe voeren si ten heerwaert dapperlike, 35105 Daer men feest hadde om der catten doet. Ende doe die princen sagen so groet Die voete, entie clawen so lanc met, Waren si alle vertsaget, dat wet, Van den groten wonder van dien; 35110 Doe leidensi den koninck mettien In sine tente ende ontwapendene daer Ende besagen dat gebetene naer, Ende dat gekrassede van den clawen met, Dat diepe in dat vel ginc, dat wet; 35115 Doe wiesc men hem dat herde scone, Ende legde hem sulc dinc daerop, na datgone, Dat hem tfenijn al wttrac mede, Ende hine liet sijn ryden niet ter stede, Want des andren dages reet hi te Gaulewaert; 35120 Enten scilt dade hi in der vaert Voeren, daer die voete inne waren; Ende dander voete dade hy daernare In een coffer lecgen daer Ombe te togene, gevielet, daernaer; 35125 Enten berch, die te voren hiet mede 393 Die berch van der Losanen, hi heten dede Den berch van der Catten voert; Ende ember meer sint, na die woert, Wart hi die berch van der Catten geheten. 35130 Hier swiget dit boec, als wy dat weten, Van der Catten nu voert ter ure, Ende sal secgen van Merline ende van Arture. |
Hoe koning Arthur streed tegen een vreselijke kat. Hier zegt dit boek: toen was geleden 34940 Drie dagen, zei Merlijn ter plaatse: “Heer, daar langs is het voor u te doen Want daar is geen man zo koen, Die daar durft te wandelen om een vijand, Die in een berg woont in dat land”. 34945 “Hoe”, zei de koning, “is het maar een man, Wat zouden we allen derwaarts dan?” - “Neen, heer”, zei toen Merlijn gelijk, “Dat is een kat, een duivel, zonder waan, Die zo vreselijk is te aanzien mede, 34950 Men zag niet dergelijks in geen plaats”. “God, Heer, genade!” zei de koning, “Waarvan mag komen zulk ding?” 391 “Heer”, zei Merlijn, “dus is het vier jaar, Ter Opstijging van Onze Heer, weet voorwaar, 34955 Dat een visser te Lousanne kwam Te vissen in het meer, zoals ik vernam, En wierp zijn netten in het meer voort meer. En beloofde de eerste vis aan Onze Heer, Die hij daar zou vangen nu mede; 34960 Toen ving hij een mooie snoek ter plaatse Die dertig schellingen mocht waard wezen; Toen zei hij: “God, u zal niet hebben deze, Maar u zal hebben nu de volgende; Hij wierp zijn netten in met haast, 34965 En ving een betere dan de eerste was; Toen zei hij: nog zal God wachten na dat, Want de derde zal ik hem geven; Echt wierp hij zijn netten daar benevens, En ving een klein zwart katje; 34970 Toen zei die visser: dit mag niet zijn, Dat katje zal ik behouden mee, Want vertrouw, God, ik wil dat ge weet, Ik heb wel te doen met katten, Ik heb thuis veel muizen en ratten. 34975 Hij hield het zolang, zodat ze verbeet ter plaatse Hem en zijn vrouw en zijn kinderen mede; Toen liep het naar een berg in het land daar, Daar ze noch sinds heeft gewezen daarnaar, En bijt en doodt, nacht en dag, 34980 Al dat ze daarop ervaren mag; En ze is ijselijk en groot mede. Ge zal daar varen, en vertroosten ter plaatse De goede lieden en helpen uit de nood”. Dit hadden de baronnen verwondering groot, 34985 En zeiden, het was een mirakel voorwaar Van Onze Heer, omdat de visser daar Niet deed dat hij beloofde God. Toen zei de koning, dat men gebood, Dat men trossen zou en laden, 34990 En naar het meer zou gaan met stade. Dus voeren ze derwaarts, en vonden daar land Het land verwoest, ver en nabij, Want daar durfde niemand te wonen in Toen voeren ze tot aan de berg gelijk; 34995 Daar liet de koning logeren, ter stede, Een halve mijl na de berg mede; Daar nam de koning met hem toen Koning Lot en Gawein daartoe, En zijn broeder en Merlijn mede; 35000 Ze wapenden zich en reden, ter plaatse, Op de berg daar die kat was. Toen wees hem Merlijn dat hol na dat, En zei toen tot koning Arthur: “In dat hol is dat felle creatuur”. 35005 “Hoe zal ze er uitkomen”? zei Arthur gelijk; “Ze zal er snel uit komen gegaan”, Zei Merlijn, “maar hoedt u daarnaar, Ze zal vreselijk op u lopen daar”. “Nu ga naar achteren”, zei Arthur toen; 35010 En ze deden het, en Merlijn ging toe, En lispelde zeer, zeg ik u; En die kat, die dat hoorde, kwam nu Uit het hol geschoten na deze; Ze meende, dat het een beest had geweest; 35015 Ze had honger en voer te koning waart. En toen het de koning zag, hield hij ter vaart Zijn speer daartegen, en meende het daarmee Doorsteken; maar ze nam dat ijzer ter plaatse En trok het zo zeer, dat de koning bijna 35020 Gevallen was, en met wringen daar, Dat de koning wrong die speer alzo, Brak zijn speer af totdat ijzer toe; Toen wierp de koning het uit de hand, En trok zijn zwaard en bedekte zich gelijk 35025 Met het schild; en de kat sprong daarnaar Op hem en meende hem te verwurgen daar; Maar de koning beschutte zich met het schild weer, Zodat ze ter aarde viel toen neer Maar ze was gelijk weer op hem gevlogen, 35030 En de koning had het zwaard getrokken, En sloeg van haar een stuk af in dat hoofd; Maar de hersenpan had geen nood, Want dat was hard, zodat hij dus niet Ontgaan kon, wat er geschiedt. 35035 Nochtans viel ze van de slag neer, Maar ze sprong gelijk op weer, En nam hem bij de schouder na die dingen, 392 Zodat de klauwen door het harnas gingen, En in de schouder ook daarnaar; 35040 En ze scheurde het harnas daar, Zodat ze wel driehonderd maliën mede Uit het harnas scheurde ter plaatse, Zodat hem dat rode bloed Uit zijn schouder ter plaatse vloeit, 35045 En dat hij bijna gevallen was; En hij liep op de kat na dat, Daar ze zat haar poten te likken mede Van het bloed; toen ze hem zag ter plaatse Tot haar komen, schoot ze op hem toe 35050 En meende hem voor te grijpen toen; Maar hij wierp haar het schild tegen; Daar heeft ze haar klauwen ingeslagen, Zodat ze het schild geheel doorsloeg En de koning zo tot haar droeg, 35055 Zodat hij bijna was daar neer; Maar de koning hield zich zo vast weer, Zodat ze hem niet kon wegtrekken daar; En hij nam zijn zwaard daarnaar, En sloeg haar de voorste voeten er af toen 35060 En ze viel op de aarde; toen liep hij toe, Die koning, en liet het schild vallen gelijk En meende de kat echter te slaan, Maar ze schoot hem in het aanzicht daarnaar, En greep hem met de achterste voeten daar, 35065 En met de tanden, en beet hem toen Zodat hem het bloed ontsprong alzo. Toen nam hij het scherpe van zijn zwaard, En meende haar aan door te steken met een vaart; En toen ze dat zwaard voelde gelijk, 35070 Liet ze zich vallen en liet gaan; Maar ze bleef met de klauwen daar In het harnas vasthouden naar, En het hoofd hing toen naar beneden waart; Toen sloeg de koning met een vaart 35075 Het achterste been er af ter plaatse, En de buik viel ter aarde mede, En krijste zo luid, dat men het van daar Hoorde daar dat leger lag voorwaar, Dat een halve mijl was; 35080 Dus menigeen zeer verwonderde, zij het zeker dat, Die dat in het leger hoorden daarnaar, Die meenden, dat het de duivel waar; Toen begon ze te wentelen na deze, En had graag in haar hol geweest; 35085 Maar de koning liep op haar tegen toen, En ze wierp zich op met kracht alzo, En wilde op de koning springen; En de koning stak het, na die dingen, Tussen de dijen, zodat het geheel doorging. 35090 Toen kwam Merlijn tot hem, na dit ding, En de anderen, en vroegen hoe het hem stond? “Wel, want ik heb geen nood Van de duivel, die ik heb gedood; Ik kwam niet in meer nood 35095 Nog in meer angst mede, Uitgezonderd van de gigant ter plaatse, Die ik voor Carmelide dood sloeg; Die deed me ook groot ongenoegen, Eer ik hem doodde met geweld”. 35100 Toen namen die heren zijn schild En bezagen de voeten, die daarin staken, En in het harnas, na die zaken, En zeiden, ze zagen niet dergelijks; Toen voeren ze tot het leger waart dapper, 35105 Daar men feest had om de kat zijn dood. En toen de prinsen zagen zo groot Die voeten en de klauwen zo lang mee, Waren ze alle verschrikt, dat weet, Van dat grote wonder van die; 35110 Toen leiden ze de koning meteen In zijn tent en ontwapenden hem daar En bezagen die beten daarnaar, En dat krassen van de klauwen mee, Dat diep in dat vel ging, dat weet; 35115 Toen waste men hem dat erg schoon, En legde hem zo’n ding daarop, na datgene, Dat bij hem het venijn geheel uittrok mede, En hij liet niet zijn rijden ter plaatse, Want de volgende dag reed hij te Gaule waart; 35120 En het schild liet hij in de vaart Voeren, daar de voeten in waren; En de andere voet liet hij daarnaar In een koffer leggen daar Om te getuigen, gebeurde het, daarnaar; 35125 En de berg, die te voren heette mede 393 De berg van de Lousanne, hij heten liet De berg van de katten voort; En immer meer sinds, na dat woord, Wordt hij de berg van de katten genoemd. 35130 Hier zwijgt dit boek, zoals we dat weten, Van de katten nu voort ter ure, En zal zeggen van Merlijn en van Arthur. |
Van den koninck Artur, ende hoe Merlijn besloten wart, daer hi nember wt mach komen. Daventure secget nu vorwaert, Dat die koninck voer te Bonewicwaert, 35135 Daer men die Romeine hadde gesent, Die in den stride sijn gevaen omtrent; Ende doe Leonce ende Pharien vernamen Die koninge komen, ontfingensise tsamen Blidelike, met feesten groet; 35140 Ende doe verteldensi hem al bloet Van den castele van der marsen mede, Hoe si hem opliepen ter stede, Doe si die gevane voerden daer, Ende daervor souden trecken vorwaer; 35145 “Wy moesten se met pyne bescudden ter tijt, Ende hadden tegen hem groten strijt”. Des was die koninck Artur erre Ende zeide, hi soudet sonder merren Op hem doen wreken so sere, 35150 Dat en gesciede hem niet mere. Doe riep hi heren Gawine saen, Ende hiet hem varen, sonder waen, Toten castele van der marsen mede, Ende hi sovele doe ter stede, 35155 Dat hi den casteel nedervelle daernaer, Dat diegene, die behoren daer, Also gekastyet werden ter ure, Datsi niet meer en doen tegen Arture, Hem en sal des gedenken daernare, 35160 Datsi daerombe so gekastyet waren. Doe dade Heer Gawijn opsitten daer Tien dusent man, ende voer daernaer Vor den casteel, ende wan hem saen, Ende dadene breken, sonder waen, 35165 Al te sticken, ende vinc daer Die daeroppe waren, ende sendese naer Te Bonewic ten koninck Arture, Die hem dade sweren op die ure, Datsi nembermeer mesdaden voertan 35170 Tegen hem noch tegen den koninck Ban, Noch tegen den koninck Bohort mede; Entie van Rome oec ter stede Dadi datselve sweren oec daer; Ende daermede liet hise quijt vorwaer 35175 Ende te Romewaert varen also; Hierombe was daer menech vro. Ende binnen datsi daer dus waren, Quam een bode tot Artur gevaren, Diene liet verstaen daeran, 35180 Dat doet waer die koninck Leodegan; Ombedit gereide Artur sine vaert Alse te ridene tsinen landewaert, Ende nam orlof an die koninge bede. Daer weendensi onder hem ten gescede, 35185 Want dene den andren oec nadien Nembermeer daerna en soude sien, Dat al te groet scade was Datsi al te hant storven nadas, Alse iu dit boec sal secgen hiernaer. 35190 Doe die koninck Artur gesceden es van daer, Reet hi met sinen lieden te Logreswaert, Daer hi die koninginne vant beswaert Ombe horen vader, die doet was; Maer die koninck troestese, ende nadas 35195 Namen orlof die grote heren daer An den koninck, ende voeren thueswaert naer, Entie koninck dankedem sere doe; Ende Merlijn bleef met hem alsoe Ene lange tijt, wetet vorwaer, 35200 Dat hi en sciet van daer. Ende alse hi lange daer hadde gewesen, Quam hi voer den koninck na desen, Ende zeide: “here, ic moet nu Tote Blasise varen, secgic iu”. 35205 Doe bat hem die koninck also houde, Dat hi thant wederkomen soude, Entie koninginne bat hem des mede, Ende zeide, si behoeveden siner ter stede, “Want gy hebbet den koninck, 35210 Naest Gode, gemaket in ware dinc”. Doe zeide die koninck te Merlyne daernare: 394 “Lieve vrient, gy wilt nu enwech varen, Ende in mach iu niet houden nu Boven uwen wille, dat secgic iu, 35215 Maer wetet wel, dat ic tonrasten sal sijn, Thent gy weder sult komen, Merlijn!” - “Here”, zeide doe Merlijn nadien, “Hierna en suldy my nembermeer sien”. “Help, lieve Merlijn, wat zegdy? 35220 Hoe mochty aldus sceden van my?” “Dat moet aldus sijn”, zeide hi, “here! Dat es mislyc van mynen wederkere”. Doe wart die koninck sere verveert, Ende Merlijn voer enwech verseert, 35225 Ende weende sere in siner vaert, Ende reet also te Blasisewaert, Diene vriendelike ontfinc. Doe vertelde hi Blasise al die dinc, Die den koninck Artur enten baroen 35230 Gesciet waren in allen doen; Ende doe sette hi dat in gescrifte daer, Ende by hem wetewy dat vorwaer. Ende doen hi daer achte dage geweest hevet met, Nam hi an Blasyse orlof, dat wet, 35235 Ende zeide, hi ne sagene nembermeer, Want hi moeste bliven voertmeer Met siner lieve, ende hine soude daer Nember mogen keren van haer, Noch hi ne soude des hebben macht |
Van koning Arthur en hoe Merlijn opgesloten werd daar hij nimmer uit mag komen. Het avontuur zegt nu verder, Dat de koning voer te Bonewick waart, 35135 Daar men de Romeinen had gezonden, Die in de strijd zijn gevangen omtrent; En toen Leonce en Pharien vernamen Dat de koningen komen, ontvingen ze hen tezamen Blij, met feesten groot; 35140 En toen vertelden ze hen alles bloot Van het kasteel van de moerassen mede, Hoe ze hen opliepen ter plaatse, Toen ze de gevangenen voerden daar, En daarvoor zouden vertrekken voorwaar; 35145 “We moesten ze met pijn behoeden ter tijd, En hadden tegen hen grote strijd”. Dus was koning Arthur boos En zei, hij zou het zonder wachten Op hem doen wreken zo zeer, 35150 Dat het gebeurde hem niet meer. Toen riep hij heer Gawein gelijk, En zei hem te varen, zonder waan, Tot het kasteel van de moerassen mede, En hij zoveel doet ter plaatse, 35155 Dat hij het kasteel neervelt daarnaar, Dat diegene, die behoren daar, Alzo gekastijd worden ter ure, Zodat ze niets meer doen tegen Arthur, Hen zal dat dus gedenken daarnaar, 35160 Dat ze daarom zo gekastijd waren. Toen liet heer Gawein opzitten daar Tien duizend man, en voer daarnaar Voor het kasteel, en overwon hen gelijk, En liet het afbreken, zonder waan, 35165 Geheel stuk, en ving daar Die daar op waren, en zond deze daarnaar Te Bonewick tot koning Arthur, Die hen liet zweren op dat uur, Dat ze nimmermeer misdeden voortaan 35170 Tegen hem of tegen koning Ban, Nog tegen koning Bohort mede; En die van Rome ook ter plaatse Liet hij datzelfde zweren ook daar; En daarmee liet hij ze gaan voorwaar 35175 En te Rome waart varen alzo; Hierom was daar menig vrolijk. En binnen dat ze daar dus waren, Kwam een bode tot Arthur gevaren, Die hem liet verstaan daaraan, 35180 Dat dood was koning Leodegan; Om dit bereide Arthur zijn vaart Als te rijden tot zijn land waart, En nam verlof aan de koningen beide. Daar weenden ze onder hen bij het scheiden, 35185 Want de ene de andere ook nadien Nimmermeer daarna zou zien, Dat al te grote schade was Dat ze alle gelijk stierven na dat, Zoals u dit boek zal zeggen hiernaar. 35190 Toen koning Arthur gescheiden is van daar, Reed hij met zijn lieden te Londen waart, Daar hij de koningin vond bezwaard Vanwege haar vader, die dood was; Maar de koning troostte haar, en na dat 35195 Namen verlof de grote heren daar Aan de koning, en voeren thuis waart daarnaar, En de koning bedankte hen zeer toen; En Merlijn bleef met hem alzo Een lange tijd, weet voorwaar, 35200 Dat hij scheidde vandaar. En toen hij lang daar had gewezen, Kwam hij voor de koning na deze, En zei: “heer, ik moet nu Tot Blasys varen, zeg ik u”. 35205 Toen bad hem de koning alzo te houden, Dat hij gelijk weerkomen zou, En de koningin bad hem dus mede, En zei, ze behoeven hem ter plaatse, “Want ge hebt de koning, 35210 Naast God, gemaakt in ware ding”. Toen zei de koning tot Merlijn daarnaar: 394 “Lieve vriend, ge wil nu weg varen, En ik mag u niet houden nu Boven uw wil, dat zeg ik u, 35215 Maar weet wel, dat ik onrustig zal zijn, Tot ge weer zal komen, Merlijn!” - “Heer”, zei toen Merlijn nadien, “Hierna zal ge me nimmermeer zien”. “Help, lieve Merlijn, wat zeg jij? 35220 Hoe mag ge aldus scheiden van mij?” “Dat moet aldus zijn”, zei hij, “heer! Dat is misselijk van mijn weerkeren”. Toen werd de koning zeer bang, En Merlijn voer weg bezeert, 35225 En weende zeer in zijn vaart, En reed alzo te Blasys waart, Die hem vriendelijk ontving. Toen vertelde hij Blasys alle dingen, Die koning Arthur en de baronnen 35230 Gebeurd waren in alle doen; En toen zette hij dat in geschrift daar, En via hem weten we dat voorwaar. En toen hij daar acht dagen geweest heeft mee, Nam hij aan Blasys verlof, dat weet, 35235 En zei, hij zag hem nimmermeer, Want hij moest blijven voort meer Met zijn lieve, en hij zou daar Nimmer mogen keren van haar, Nog hij zou dus hebben macht |
35240 Te scedene van haer, dach nochte nacht Doe weende Blasys sere nu, Ende zeide: “sint so es, so biddic iu, Dat gy daer niet en vaert ter stede, Ende hout iu by den koninge mede”. 35245 “Dat en mach niet zijn”, zeide Merlijn, “Die minne, die ic drage in den herte mijn, En sal my niet laten sceden van haer”. Doe sciet hi van Blasyse daernaer, Ende es tsiner lieven gekomen saen, 35250 Diene blidelike hevet ontfaen. Daer bleef hi ene lange tijt by haer; Ende altoes vragedise hem daernaer Van sijnre konst ende van sinen done, Ende hi leerde haer des sovele, na datgone, 35255 Dat men hem hielt vor enen sot, Ende elc man, die dat doet, so helpe my God! Ende si sette dat in gescrifte, groet ende smal, Ende doen hi haer geleert hadde al Datsi hem vragede, groet ende clene, 35260 Doe dachtesi, hoe si, na datgene, Hem onthouden mochte embermeer. Doe begansi hem te smekene seer, Ende zeide: “my gebreket een dinc nu, Dat ic gerne leren woude van iu, 35265 Soetelief, gy moet my leren voertan, Hoe ic mochte besluten enen man Sonder torre ocht sonder mure mede, Ocht sonder yser, ocht oec, ter stede, Sonder houtwerc enegerhande, 35270 Dat hi nembermeer uten lande Komen en mochte, tenwaer by my”. Doe Merlijn dit hoerde, knickede hy Metten hovede ende versuchtede sere. Doe vragedesi: “waerombe versuchty, here?” 35275 “Ach, joncfrouwe”, zeide hi, “ic secget iu: Gy wilt my hier besluten nu, Ende ic ben so met uwer minnen bevaen, Dat ic al uwen wille, sonder waen, Doen moet”. Doe namsine vriendelijc 35280 In horen arm, en zeide: “sekerlijc, Gy zoudet met rechte myne sijn, Want ic ben altemale iu eygijn, Ende hebbe gelaten moeder ende vader, Ombe iu thebbene allegader 35285 In mynen arm; nacht ende dach, Denkic ombe mynne, ende ic en mach Negene krygen dan van iu, No blyscap gene mede nu, Gyne doetse my hebben in scyne, 35290 Sint dat ic iu eigen ben ende gy myne; So es recht, dat ic doe uwen wille, Ende gy den mynen, lude ende stille”. By Gode”, zeide Merlijn, “gy secht waer! Nu secht my, wat gy wilt, daernaer”. 35295 “Ic salt doen, here”, zeide doe sy, “Dat gy leert nu maken my Ene scone stat, daer ic mochte in, By liste van arten, meer no min, Enen man besluten alsoe 395 35300 Dat daer nieman en mochte komen toe, Ende dat hi daer nember wt mochte gaen; Daer soudewy, ic ende gy, sonder waen, Inne sijn also lange als gy gebiet”. “Joncfrouwe, dit en willic laten niet; 35305 Dit sal ic doen”. “Neen, here”, zeide si doe, “Ic wil dat gy my dat leret alsoe, Dat ic dat selve mach doen mede”. Doe leerde hi haer dat, daer ter stede, Ende si settet in gescrifte aldaer; 35310 Ende doe sijt gescreven hadde naer, Was si des blyde, ende toende hem saen Een vriendelyc gelaet, sonder waen. Niet lange daerna geviel, datsy Spelen gingen, sy ende hy, 35315 In den woude van Broceliande mede; Doe quamen si op ener hage ter stede Van speeldoernen, die scone was; Doe gingen si bede sitten nadas In den scade, ende Merlijn leide doe 35320 Sijn hovet in horen scoet alsoe, Ende sy began hem te clowene daernaer, So lange, dat hi ontslapende wart daer; Ende si stont op ende ontstal hem mede, Ende nam horen wimpel ende ginc omb die stede, 35325 Ende makede enen rinc ombe Merlyne Ende began te lerene alombe in scine, Alse haer Merlijn leerde vordien; Si dade haer teken daer mettien Negenwerf, ende ginc al ombe daer, 35330 Doe ginc si weder sitten daernaer, Ende leide sijn hovet op horen scoet; Al hemelijc si dit nu doet. Doe ontspranc hi, als hem dochte Dat hi was in den besten torre, die mochte 35335 Wesen in ertrike op ener roetsen mede, Daer hi op lach, die hem dochte ter stede Die beste, die hi ie sach mede. Doe zeide Merlijn tot haer ter stede: “Gy hebbet my bedrogen, joncfrouwe fijn! 35340 Opdat gy met my niet wilt sijn Altoes als ic iu begerende sy, Want nieman en hevet macht dan gy, Dese dinc tontdoene”. Zy zeide nu: “Soete lief, ic sal hier komen tot iu 35345 Dicke genoech, ende gy sult my In uwen arm lecgen, ende doen daerby Al uwen wille”. Maer nie sint mede En quam Merlijn uter stede, Daerne sijn lief besloet alsoe, 35350 Nocht ieman mochte hem komen toe; Maer si ginc wt ende in, daer si woude. Dus hevetsi hem daer in horen behoude Besloten also, na horen wille. Hier swiget daventure stille 35355 Van Merlyne meer te secgene ter ure, Ende sal secgen van den koninck Arture. |
35240 Te scheiden van haar, dag of nacht Toen weende Blasys zeer nu, En zei: “sinds het zo is, zo bid ik u, Dat ge daar niet vaart ter plaatse, En hou u bij de koning mede”. 35245 “Dat mag niet zijn”, zei Merlijn, “De minne, die ik draag in het hart van mij, Zal me niet laten scheiden van haar”. Toen scheidde hij van Blasys daarnaar, En is tot zijn geliefde gekomen gelijk, 35250 Die hem blij heeft ontvangen. Daar bleef hij een lange tijd bij haar; En altijd vroeg ze hem daarnaar Van zijn kunst en van zijn doen, En hij leerde haar dus zoveel, na datgene, 35255 Dat men hem hield voor een zot, En elke man, die dat doet, zo help me God! En ze zette dat in geschrift, groot en smal, En toen hij haar geleerd had al Dat ze hem vroeg, groot en klein, 35260 Toen dacht ze, hoe ze, na datgene, Hem houden mocht immermeer. Toen begon ze hem te smeken zeer, En zei: “mij ontbreekt een ding nu, Dat ik graag leren wil van u, 35265 Zoetelief, ge moet me leren voortaan, Hoe ik mag opsluiten een man Zonder toren of zonder muur mede, Of zonder ijzer, of ook, ter plaatse, Zonder houtwerk enigerhande, 35270 Zodat hij nimmermeer uit het land Komen mocht, tenzij bij mij”. Toen Merlijn dit hoorde, knikte hij Met het hoofd en zuchtte zeer. Toen vroeg ze: “waarom zucht u, heer?” 35275 “Ach, jonkvrouw”, zei hij, “ik zeg het u: Ge wil me hier opsluiten nu, En ik ben zo met uw min bevangen, Dat ik al uw wil, zonder waan, Doen moet”. Toen nam ze hem vriendelijk 35280 In haar armen, en zei: “zekerlijk, Ge zou met recht de mijne zijn, Want ik ben helemaal uw eigen, En heb verlaten moeder en vader, Om u te hebben helemaal 35285 In mijn armen; nacht en dag, Denk ik om minne, en ik mag Geen krijgen dan van u, Nog blijdschap geen meer nu, Ge laat ze me hebben in schijn, 35290 Sinds dat ik uw eigen ben en gij de mijne; Zo is het recht, dat ik doe uw wil, En gij de mijne, luid en stil”. Bij God”, zei Merlijn, “ge zegt waar! Nu zeg mij, wat ge wilt, daarnaar”. 35295 “Ik zal het doen, heer”, zei toen zij, “Dat ge leert nu maken mij Een mooie plaats, daar ik mocht in, Bij list van kunst, meer of min, Een man opsluiten alzo 395 35300 Dat daar niemand in mocht komen toe, En dat hij daar nimmer uit mocht gaan; Daar zouden wij, ik en gij, zonder waan, In zijn zolang als ge gebied”. “Jonkvrouw, dit wil ik laten niet; 35305 Dit zal ik doen”. “Neen, heer”, zei ze toen, “Ik wil dat ge me dat leert alzo, Zodat ik dat zelf mag doen mede”. Toen leerde hij haar dat, daar ter plaatse, En ze zette het in geschrift aldaar; 35310 En toen zij het geschreven had daarnaar, Was ze dus blij, en toonde hem gelijk Een vriendelijk gelaat, zonder waan. Niet lang daarna gebeurde, dat zij Spelen gingen, zij en hij, 35315 In het woud van Broceliande mede; Toen kwamen ze op een haag ter plaatse Van meidorens, die mooi was; Toen gingen ze beide zitten na dat In de schaduw, en Merlijn legde toen 35320 Zijn hoofd in haar schoot alzo, En ze begon hem te strelen daarnaar, Zolang, zodat hij begon te slapen daar; En ze stond op en ontstal hem mede, En nam haar wimpel en ging om die plaats, 35325 En maakte een ring om Merlijn En begon te leren alom duidelijk, Zoals haar Merlijn haar leerde voordien; Ze deed haar teken daar meteen Negen maal, en ging alom daar, 35330 Toen ging ze weer zitten daarnaar, En legde zijn hoofd op haar schoot; Al heimelijk ze dit nu doet. Toen sprong hij op, omdat hij dacht Dat hij was in de beste toren, die mocht 35335 Wezen in aardrijk op een rots mede, Daar hij op lag, die hij dacht ter plaats De beste, die hij niet zag mede. Toen zei Merlijn tot haar ter plaatse: “Ge hebt me bedrogen, jonkvrouw fijn! 35340 Omdat ge met mij niet wilt zijn Altijd als ik u begeerde, Want niemand heeft macht dan gij, Dit ding los te maken”. Ze zei nu: “Zoete lief, ik zal hier komen tot u 35345 Vaak genoeg, en ge zal mij In uw armen leggen, en doen daarbij Al uw wil”. Maar niet sinds mede Kwam Merlijn uit de plaats, Daar zijn lief hem opsloot alzo, 35350 Nog iemand mocht hem komen toe; Maar ze ging uit en in, daar ze wilde. Dus heeft ze hem daarin gehouden Opgesloten alzo, naar haar wil. Hier zwijgt het avontuur stil 35355 Van Merlijn meer te zeggen ter ure, En zal zeggen van koning Arthur. |
Hoe koninck Artur Merlyne laet soeken, ende van den dwerge. Ons secget daventure voert, Dat koninck Artur sere was te stoert Omdat Merlijn van hem gesceden was, 35360 Ende nembermeer meende sien nadas; Dus beide hi seven iaer na hem alsoe, Ocht hi iet soude komen hem toe; Doe wart hi so met denken overladen tien tyden, Dattene nieman en kon verblyden. 35365 Doe vragede Gawyn den here daer Op ene tijt, wat hem wel waer Dat hi so droevech altenen es? Die koninck Artur zeide nades: “By Gode, neve, ic hebbe groten toren, 35370 Ombdat ic Merlyne hebbe verloren, Ende mene hi nembermeer en komet niet; Want doen hi hier van my sciet, Zeide hi, dat leste soude sijn mettien, Dat icken ember meer soude sien; 35375 Ende hi ne loech my oec niet vordat, Ende ombe dit gelove ic des veel te bat, Ende, by Gode, ic verlore my liever nu Die stat van Logres, dat secgic iu, Dan ic Merlyne verlore ter stede; 35380 Ic bidde iu, neve, ombe getrouwichede, Dat gyne nu vaert soeken te hant, Ocht hi ergen is in dit lant”. “Des ben ic gereet”, zeide Gawyn doe 396 “Ende oec sweric iu by ridderscap toe, 35385 Dat icken een iaer ende enen dach Soeken sal, ocht icken iet mach Vinden ende vernemen bindien”. Dit selve swoer Sagrimor mettien Ende Ywen ende Gaheries 35390 Ende Agrawein ende Garies, Ende tote vijf ende twintech ridder mede, Die alle voeren te Logres, ter stede, By des koninges wille Merlyne soeken nu. Dus redensi te gader, secgic iu, 35395 Tote datsi tenen cruce quamen, Daer drie wege sceden gingen tsamen; Daer sciedensi hem in drien mede, Ende elc voer sinen wech ter stede. Dus laticse nu varen alle saen 35400 Ende sal iu secgen van den dwerch, sonder waen, Daer ic iu dat hier vor af liet, Doen hi van den hove sciet, Ende hi ridder was gemaket alsoe. Hi ende sine amye quamen doe 35405 In enen wout gereden daernaer, Ende voeren daerin harentaer Van des morgens toter vespertijt toe; Daerna quamen si bede doe Uten foreeste, daert scone was, 35410 In enen groenen plein nadas; Doe quam een ridder gereden daer, Ende si wijsdene den dwerge naer; Doe zeide die dwerch: “en roeket iu, Coenlike rydet henen nu”. 35415 “Hi sal my willen nemen”, zeide si doe, “Ende met hem enwech voeren alsoe”. “En ontsiet iu niet”, zeide die naen; Mettien so riep die ridder saen: “Wellecomen moete mijn ioncfrou wesen! 35420 Nu hebbic gevonden dat ic vor desen Lange tijt hebbe begaert”. Dit hadde den dwerge onwaert, Doen hi dese woerde verstoet, Ende antwoerde met reden wel behoet: 35425 “Here, en sijt niet te haestich nu! Al te sere mochty haesten iu, Al drijfdy dus feeste menechfout, Noch en hebdy se niet in iuwer gewout” “Ic mach wel feest dryven nu, 35430 Want ic salse thant hebben, secgic iu”. Ende doe die dwerch dit gesach, Dat anders niet sijn en mach, Nam hi synen scilt ende deckede hem daer, Dat men hem niet en sach vorwaer, 35435 Ende sette den speer onder den arm alsoe; Entie been waren hem so cort doe, Dat hem twe gate dor dat gereide daer Gemaket waren, daer hi daernaer Dat ors dorsloech met sporen, twaren, 35440 Want hem die bene te kort waren, Datsi dat gereide niet en konden gelyden. Doe riep hi opten ridder tien tyden: “Hoet iu!” entie ridder scaemde hem das; Ombedat die dwerch so clene was 35445 Hadde hem onwaert, dat hi soude Tegen hem ioesteren, ende hielt met gewoude Sine glavie opwaert met, den scilt Hielt hi daertegen met gewelt Entie dwerch stacken daer 35450 Dor den scilt, ende reet op hem daernaer Metten scouderen, ende ontmoetene soe, Dat hi ende dors ter aerden viel doe. Ende metten valle brac hi, ter stede, Sine scouder; entie dwerch mede 35455 Overreet hem ende quetsedene sere, Dat hi lach al wten kere. Doe riep die dwerch die ioncfrou daer, Dat sine afholpe daernaer; Ende si namne in horen arm alsoe, 35460 Ende settene optie aerde doe, Ende hi toech swaert ende ginc staen Boven den ridder ende trac hem af saen Den helm, ende zeide hi soude hem daer Dat hovet af slaen, hine gave hem daernaer 35465 Op verwonnen; ende doe hi dit sach, Die daer seer gequetset doe lach, Gaf hi hem op, ende bat genade saen. “So moety dan varen”, sprac die naen “Ten koninck Artur, ende secht hem dan, 35470 Dat iu daer sent die clene man, Dien hi ridder makede met genende, Ende ic iu in sine gevancnesse sende”. 397 Doe sekerde hi hem dat in trouwen daer; Doe hiet hine opstaen daernaer 35475 Ende derwaert varen; doe zeide hi saen, Dat hi niet op en mochte staen, “Want ic hebbe die scouder ontwe nu; Maer woudy varen, des biddic iu, Bander syde desen pleine, ende herberget daer 35480 In mijnre woninge, ende secht daernaer Minen knapen, datsi my halen, sonder waen.” “Dat wil ic gerne doen”, zeide die naen. Doe ginc hi ter ioncfrouwen mede, Diene op sijn ors sette ter stede, 35485 Ende reden ter woningewaert alsoe, Daer si wel ontfaen waren doe; Daer liepen die knape tegen hem daernaer, Ende daden se beten ende ontwapendene daer Ende daden se in die sale gaen, 35490 Ende gaven hem enen mantel ombe saen. Doe zeide hem die dwerch, dat haer here In den pleine gequetset lage sere, Ende datsi ne halen. Doe namen si daer Een orsebaer, ende voeren om hem naer, 35495 Ende leidene daerop, ende voerdene mede, Thueswaert, ende ontwapenden hem sine lede, Ende bereidene, so si best konden, Ende vrageden, wie hem dat dade, tien stonden; Hi zeide: een ridder, hi ne weet niet das, 35500 Hine dorste van scanden niet lien wiet was Ende dat hem een dwerch hadde gedaen. Ende hi dade daer doe den naen, Al die feeste, die hi mochte daer, Van etene, van drinkene; ende daernaer 35505 Ginc men slapen, ende sliepen nadas Totdat hoge opten dach was; Doe stondensi op, entie ioncfrouwe saen Ginc ende wapende den naen, Als diene minde herde sere. 35510 Doe gingensi in die camer toten here, Ende boden hem goeden dach alsoe, Ende namen an hem orlof doe Ende dankeden hem van siner herbergen; Doe gingensi thoren paerden naer, 35515 Entie ioncfrouwe nam doe den naen, daer; Ende settene in sijn gereide saen, Ende reden tEstrogorrewaert nadas. Entie ridder die gequetset was Dachte sine trouwe te quytene daer, 35520 Ende dade hem voeren op ene orsebaer Te Caredol waert, daer die koninck Artuer Met groter geselscap was ter uer; Entie ridder dade hem dragen nadat, Daer die koninck Artur nu sat ende at; 35525 Hi groete den koninck ende al die daer waren, Ende zeide toten koninge daernare: “Here, ombe mine trouwe thoudene nu, Ben ic van eens ridders wegen tot iu Comen in iu genade, die nu hevet my 35530 Verwonnen”. Die koninck vragede, wie hy sy “Die iu hier sent in gevancnesse mede?” “Here”, zeide hi, “ic sie wel dat ic ter stede Myne grote scande moet secgen iu; Maer ombe myne trouwe thoudene nu, 35535 Sal ic dat secgen; want ic mynde, here, Ene ioncfrouwe utermaten sere, Die so overscone es Ende eens koninges dochter, sijt seker des; Ende my geviel hiervor, dat ic quam 35540 Al gewapent daer ic vernam Enen dwerch entie ioncfrouwe mede, Die van iu quamen ter stede; Ende doen icse komen sach metten naen, Verblyde mijn herte daerombe saen, 35545 Dat nieman meer met haer was; Ende ic zeide ende riep sere nadas, Datse my God gesent hadde daer; Entie dwerch zeide doe daernaer, Dat ic my niet sere en haeste ter stede, 35550 Wantet soude anders sijn daer mede Dan ic meende; ende ic, die alsoe Mynen wille meende vorderen doe, Haeste my, ende reet ter ioncfrouwenwaert; Entie dwerch nam tspeer mettervaert, 398 35555 Ende reet te mywaert, wat hi mochte; Ic hilt mijn speer stille, want my dochte Dat onneer waer; doe stac hy my, Dat ic ter aerden viel daerby, Ende myne scouder ontwe mede; 35560 Doe beete hi ende woude ter stede Mijn hovet met enen swaerde af slaen; Here, doe moeste ic my geven gevaen, Ende gelovede met trouwen daer In uwe gevancnesse te komene daernaer”. 35565 “By Gode”, zeide die koninck omtrent, “Hi hevet iu in goede gevancnesse gesent; Maer secht my, wie hi es, die naen”. “By Gode, here”, zeide die ridder saen, Hi es sone des koninck Brangores 35570 Van Estrogorre, die machtich es”. Die koninck zeide: “gy secget waer; Maer my wondert sere openbaer, Dat Onse Here gaf sulke vrucht heme”. Die ridder zeide: “Onses Heren geteme 35575 Sijn wonderlike; want moeder ende vader Verdienen des dickewile beide gader, Dat hem dus gedane dinc gesciede met; Die kinder verdienent oec mede, dat wet; Want hi was een dat scoenste kint, 35580 Dat men iergen vant omtrint, Ende doen hi hadde dertien jaer, Gesciede hem dit al openbaer; Ende hi es maer xxij jaer out mede, Nochtan scijnt hi veertich iaer ter stede; 35585 Ende daer hi na heet, die koninck Evadan, Secget dat hi niet ouder en es”. Voertan Vragede hem die koninck, hoe dat hem sciet? “By Gode, here, zeide hi, “ombedat hy niet Mynnen en woude ene ioncfrouwe mede, 35590 Makedesi hem van toernecheit dus ter stede; Maer die dach es getermineert, hebbic vernomen, Dat hi weder in sine forme sal komen; Nu hebbic myne lofte gedaen, Aldus gevic my iu hier gevaen”. 35595 “Vrient, ic scelde iu quijt”, zeide die koninck, Maer secget my uwen name, ombe die dinc. “Here, men heet my Tradeliant, sijt gewes, Ende ben pete des koninges van Norgales, Die my sinen name van vrienscap gaf; 35600 Here, nu begeric uwen orlof daeraf, Dat ic hene moge varen nu mere”. Die koninck zeide: “vaert met Onsen Here!” Doe namene sine knape sciere Ende droegen hem weder in sijn lettiere, 35605 Ende voeren thoren landewaert saen, Doe wart daer gesproken van den naen Vele, ende van siner vriendinnen mede; Die koninck zeide daer ter stede, Dat vrome waer, quame hi alsoe 35610 Weder in sine forme daertoe; Daerna zeide die koninginne: “Ic wane dit wel weet sine vriendinne, Ende ombedat mint sine te meer”. “Ic gelovedes wel”, zeide die heer. 35615 Hier swiget dit boec van hem nu mede, Ende secget voert van Yweine ter stede. |
Hoe koning Arthur Merlijn laat zoeken en van de dwerg. Ons zegt het avontuur voort, Dat koning Arthur zeer was verstoord Omdat Merlijn van hem gescheiden was, 35360 En nimmermeer meende te zien na dit; Dus wachtte hij zeven jaar op hem alzo, Of hij iets zou komen tot hem toe; Toen werd hij zo met denken overladen te die tijden, Dat niemand hem kon verblijden. 35365 Toen vroeg Gawein de heer daar Op een tijd, wat hem wel waar Dat hij zo droevig altijd is? Koning Arthur zei na dit: “Bij God, neef, ik heb grote toorn, 35370 Omat ik Merlijn heb verloren, En denk hij nimmermeer komt niet; Want toen hij hier van mij scheidde, Zei hij, dat het de laatste zou zijn meteen, Dat ik hem immer meer zou zien; 35375 En hij beloog me ook niet voordat, En om dit geloof ik het dus veel beter, En, bij God, ik verloor me liever nu De stad van Londen, dat zeg ik u, Dan ik Merlijn verloor ter plaatse; 35380 Ik bid u, neef, om getrouwheid, Dat ge hem nu gaat zoeken gelijk, Of hij ergens is in dit land”. “Dus ben ik gereed”, zei Gawein toen 396 “En ook zweer ik u bij ridderschap toe, 35385 Dat ik hem een jaar en een dag Zoeken zal, of ik hem iets mag Vinden en vernemen binnendien”. Ditzelfde zwoer Sagrimor meteen En Ywein en Guheries 35390 En Acgravein en Garies, En tot vijf en twintig ridders mede, Die alle voeren te Londen, ter stede, Vanwege konings wil Merlijn te zoeken nu. Dus reden ze tezamen, zeg ik u, 35395 Totdat ze bij een kruis kwamen, Daar drie wegen scheiden tezamen; Daar scheiden ze zich in drieën mede, En elk voer zijn weg ter plaatse. Dus laat ik ze nu varen alle gelijk 35400 En zal u zeggen van de dwerg, zonder waan, Daar ik u dat hiervoor van liet, Toen hij van het hof scheidde, En hij ridder was gemaakt alzo. Hij en zijn geliefde kwamen toen 35405 In een woud gereden daarnaar, En voeren daarin hier en daar Van ‘s morgens tot de vespertijd toe; Daarna kwamen ze beide toen Uit het bos, daar het mooi was, 35410 In een groene vlakte na dat; Toen kwam er een ridder gereden daar, En ze wees de dwerg ernaar; Toen zei de dwerg: “kan het u wat schelen, Koen rij heen nu”. 35415 “Hij zal mij willen nemen”, zei ze toen, “En met hem weg voeren alzo”. “Ontzie u niet”, zei de kleine; Meteen zo riep die ridder gelijk: “Welkom moet mijn jonkvrouw wezen! 35420 Nu heb ik gevonden dat ik voor deze Lange tijd heb begeerd”. Dit was voor de dwerg onwaardig, Toen hij deze woorden verstond, En antwoordde met rede wel behoed: 35425 “Heer, bent niet te haastig nu! Al te zeer mocht ge haasten u, Al drijf je dus feesten menigvuldig, Nog hebt ge haar niet in uw geweld” “Ik mag wel feest drijven nu, 35430 Want ik zal haar gelijk hebben, zeg ik u”. En toen de dwerg dit zag, Dat het niet anders zijn mag, Nam hij zijn schild en bedekte zich daar, Zodat men hem niet zag voorwaar, 35435 En zette een speer onder de arm alzo; En de benen waren hem zo kort toen, Dat er voor hem twee gaten door dat zadel daar Gemaakt waren, daar hij daarnaar Dat paard door sloeg met de sporen, te waren, 35440 Want hem de benen te kort waren, Zodat ze dat zadel niet konden lijden. Toen riep hij op de ridder te die tijden: “Hoed u!” en de ridder schaamde zich dat; Omdat de dwerg zo klein was 35445 Had hij onwaarde, dat hij zou Tegen hem spelen, en hield met geweld Zijn lans opwaarts mee, het schild Hield hij daartegen met geweld En de dwerg stak hem daar 35450 Door het schild, en reed op hem daarnaar Met de schouders, en ontmoette hem zo, Dat hij en het paard ter aarde viel toen. En met de val brak hij, ter plaatse, Zijn schouder; en de dwerg mede 35455 Overreed hem en kwetste hem zeer, Zodat hij lag al uit de kom. Toen riep de dwerg die jonkvrouw daar, Dat ze hem er af hielp daarnaar; En ze nam hem in haar armen alzo, 35460 En zette hem op de aarde toen, En hij trok een zwaard en ging staan Boven de ridder en trok hem af gelijk De helm, en zei hij zou hem daar Dat hoofd afslaan, of hij gaf zich daarnaar 35465 Overwonnen; en toen hij dit zag, Die daar zeer gekwetst toen lag, Gaf hij hem over, en bad genade gelijk. “Zo moet ge dan varen”, sprak de kleine “Tot koning Arthur, en zeg hem dan, 35470 Dat u daar zendt die kleine man, Die hij ridder maakte met dat doel, En ik u in zijn gevangenis zend”. 397 Toen verzekerde hij hem dat in vertrouwen daar; Toen zei hij hem op te staan daarnaar 35475 En derwaarts te varen; toen zei hij gelijk, Dat hij niet op kon staan, “Want ik heb de schouder verschoven nu; Maar wil ge gaan, dus bid ik u, Aan de andere zijde van deze vlakte, en herberg daar 35480 In mijn woning, en zeg daarnaar Mijn knapen, dat ze me halen, zonder waan.” “Dat wil ik graag doen”, zei de kleine. Toen ging hij ter jonkvrouw mede, Die hem op zijn paard zette ter plaatse, 35485 En reden tot de woning waart alzo, Daar ze goed ontvangen waren toen; Daar liepen de knapen naar hem daarnaar, En lieten ze afgaan en ontwapenden daar En lieten ze in de zaal gaan, 35490 En gaven hen een mantel om gelijk. Toen zei hen de dwerg, dat hun heer In de vlakte gekwetst lag zeer, En dat ze hem halen. Toen namen ze daar Een draagbaar, en voeren om hem daarnaar, 35495 En legden hem daarop, en voerden hem mede, Thuis waart, en ontwapenden hem zijn leden, En bereiden hem, zo ze het beste konden, En vroegen, wie hem dat deed, te die stonden; Hij zei: een ridder, hij weet niet dat, 35500 Hij durfde van schande niet te bekennen wie het was Dat hem dat een dwerg had gedaan. En hij liet daar toen de kleine, Al de feesten, die hij mocht daar, Van eten, van drinken; en daarnaar 35505 Ging men slapen, en sliepen na dat Totdat het laat op de dag was; Toen stonden ze op, en de jonkvrouw gelijk Ging en wapende de kleine, Als een die ze beminde erg zeer. 35510 Toen gingen ze in de kamer tot de heer, En boden hem goede dag alzo, En namen aan hem verlof toen En bedankte hem van zijn herberg; Toen gingen ze tot hun paarden daarnaar, 35515 En de jonkvrouw nam toen de kleine, daar; En zette hem in zijn zadel gelijk, En reden te Estragorre waart na dat. En de ridder die gekwetst was Dacht zijn trouw te kwijtschelden daar, 35520 En liet zich vervoeren op een draagbaar Te Caredol waart, daar koning Arthur Met groot gezelschap was ter uur; En de ridder liet zich dragen naar dat, Daar koning Arthur nu zat en at; 35525 Hij groette de koning en alle die daar waren, En zei tot de koning daarnaar: “Heer, om mijn trouw te houden nu, Ben ik vanwege een ridders tot u Gekomen in uw genade, die nu heeft mij 35530 Overwonnen”. De koning vroeg, wie hij was “Die u hier zendt in gevangenis mede?” “Heer”, zei hij, “ik zie wel dat ik ter plaatse Mijn grote schande moet zeggen u; Maar om mijn trouw te houden nu, 35535 Zal ik dat zeggen; want ik minde, heer, Een jonkvrouw uitermate zeer, Die zo over mooi is En een konings dochter, zij het zeker dit; En me gebeurde hiervoor, dat ik kwam 35540 Geheel gewapend daar ik vernam Een dwerg en die jonkvrouw mede, Die van u kwamen ter plaatse; En toen ik haar komen zag met de kleine, Verblijde mijn hart daarom gelijk, 35545 Dat niemand meer met haar was; En ik zei en riep zeer na dat, Dat God haar me heeft gezonden daar; En de dwerg zei toen daarnaar, Dat ik me niet zeer haastte ter plaatse, 35550 Want het zou anders zijn daarmee Dan ik meende; en ik, die alzo Mijn wil meende te bevorderen toen, Haastte me, en reed ter jonkvrouw waart; En de dwerg nam de speer met een vaart, 398 35555 En reed tot mij toe, wat hij mocht; Ik hield mijn speer stil, want ik dacht Dat het oneer waar; toen stak hij mij, Zodat ik ter aarde viel daarbij, En mijn schouder stuk mede; 35560 Toen steeg hij af en wilde ter plaatse Mijn hoofd met een zwaard af slaan; Heer, toen moest ik me geven gevangen, En beloofde met trouw daar In uw gevangenis te komen daarnaar”. 35565 “Bij God”, zei de koning omtrent, “Hij heeft u in goede gevangenis gezonden; Maar zeg me, wie hij is, die kleine”. “Bij God, heer”, zei de ridder gelijk, Hij is de zoon van koning Brangores 35570 Van Estragorre, die machtig is”. De koning zei: “ge zegt waar; Maar me verwondert zeer openbaar, Dat Onze Heer gaf zulke vrucht hem”. De ridder zei: “Onze Heer dingen 35575 Zijn wonderlijk; want moeder en vader Verdienen dus vaak beide tezamen, Dat hen dusdanige dingen gebeuren mee; De kinderen verdien het ook mede, dat weet; Want hij was een van de schoonste kinderen, 35580 Die men ergens vond omtrent, En toen hij had dertien jaar, Gebeurde hem dit al openbaar; En hij is maar 22 jaar oud mede, Nochtans schijnt hij veertig jaar ter plaaste; 35585 En daar hij naar heet, die koning Evadan, Zegt dat hij niet ouder is”. Voortaan Vroeg hem de koning, hoe dat hem gebeurde? “Bij God, heer, zei hij, “omdat hij niet Minnen wilde een jonkvrouw mede, 35590 Maakte ze hem van toornigheid aldus ter plaatse; Maar die dag is bepaald, heb ik vernomen, Dat hij weer in zijn vorm zal komen; Nu heb ik mijn belofte gedaan, Aldus geef ik me u hier gevangen”. 35595 “Vriend, ik scheld het u kwijt”, zei die koning, Maar zeg me uw naam, om dat ding. “Heer, men noemt me Tradeliant, zij het gewis, En ben peet van de koning van Norgales, Die me zijn naam van vriendschap gaf; 35600 Heer, nu begeer ik uw verlof daarvan, Dat ik heen mag varen nu meer”. De koning zei: “ga met Onze Heer!” Toen namen zijn knapen snel En droegen hem weer in zijn draagbaar, 35605 En voeren tot hun land waart gelijk, Toen werd daar gesproken van de kleine Veel, en van zijn vriendin mede; De koning zei daar ter plaatse, Dat dapper was, kwam hij alzo 35610 Weer in zijn vorm daartoe; Daarna zei de koningin: “Ik meen dit wel weet zijn vriendin, En omdat bemint ze hem te meer”. “Ik geloof dat dus wel”, zei die heer. 35615 Hier zwijgt het boek van hem nu mede, En zegt voort van Ywein ter plaatse. |
Van heren Ywene ende van den dwerge, ende hoe heer Gawyn verwandelt wart tenen dwerge, ende hoe dat hi quam, daer hi Merlyne toesprac. Hier secget dhistorie van Yweine; Doe hi gesceden was van Gaweine, Quam hi, ende sine gesellen daernaer, 35620 Int wtgaen van enen foreeste; daer Gemoeten si ener joncfrouwen, gereden Op enen muel, die daer ter steden Groten rouwe dreef ende trac haer haer Met groten vlocken wt vorwaer, 35625 Ende riep: “wat sal mijns gescien, Als ic dengenen verloren sal sien, Die my boven al die werlt minde, Ende dor myne vrientscap met geninde Sine grote scoenheit hevet verloren?” 35630 Doen heer Ywein dit begonde horen, 399 Ontfermede hem des, ende reet derwaert Ende vragede, wat haer waer, ter vaert. Doe zeidesi: “hebt mijns genade nu, Edele here, ende mijns amyses, biddic iu, 35635 Dien vijf ridder te dode slaen Onder genen berge”. Doe zeide hi saen Toter joncfrouwen: “wie es iu amys?” “Die dwerch, des koninges sone Brangorys”, Zeide die ioncfrou, “dien die koninck Artuer 35640 Nuwelinge ridder makede ter uer”. Heer Ywein zeide: “joncfrouwe, swiget nu! By der trouwen, die ic ben sculdech iu, Mach ic daer te tyde nu komen, Hem en wert dat lijf niet genomen”. 35645 “Ach, here!” zeidesi, “groten danc, Maer gy ne moget maken niet lanc Suldy te tyde komen daer”. Doe reet heer Ywein vaste daernaer, Ende quam gereden, daer die naen 35650 Vreeslike street, sonder waen, Tegen twe ridder; want hi hadder drie Afgeslagen van der partie, Dat er hem negeen ten stonde Van der aerden verheffen konde; 35655 Want den enen haddi, in der were, In dat die gesteken metten spere, Enten andren in die scouder mede, Dat hi hem ontledet hinc ter stede; Den derden haddi, daer te hande, 35660 Dat hovet geclovet toten tanden. Doene Ywen sach stryden so vromelike, Zeide hi, dat scade waer sekerlike, “Dat hi so clene es, want hi es koene Ende van goeden herte, daer des es te doene”; 35665 Ende heer Ywein reet derwaert seer; Maer eer daer nu konde komen die heer, Haddi den vierden geslagen ter aerde Ende overreet hem metten paerde; Ende als die vijfte sach, dat hy 35670 Allene was, haddi angest daerby, Ende woude doe vlien herde saen; Maer hi hielten so kort, die naen, Met slagen, dat hine dodet hadde daer, En hadde heer Ywein geweest vorwaer, 35675 Die hem hovesclike bat alsoe, Dat hijt liete varen; want hi daertoe Wel sach wat daer was gesciet. Ende als die dwerch dit hoerde ende siet, Antwoerde hi heren Ywein hovesclike nadas 35680 Want hi herde hovesc was: “Here, eest iu wille, dat ict late staen”? “Jaet”, zeide mijnheer Ywein saen, “Ende God danke iu mede daeran”. Die dwerch sprac: “gy scijnt so goeden man, 35685 Ic wille gerne iu bede doen nu”. Doe quam die ridder, secgic iu, Tot heer Yweine ende dankeden naer, Dat hine nu bescut hadde daer; Doe boet hi tswaert den dwerge, sonder waen, 35690 Ende dander, die daer leveden, saen. Daer dadese die dwerch alle vier varen In koninck Arturs gevancnesse, twaren, Ende si voeren van des naens wegen daer, Ende mijnheer Ywein sciet daernaer, 35695 Ende sine gesellen van den naen Ende van der joncfrouwen, ende voeren saen Enwech, ende sochten Merlyne thant In meneger stat, in menech lant. Maer sine vonden van hem gene niemaren 35700 Des si herde droevech waren; Tende van den jaer quam elc nadas Te hove, ende telde wat hem gesciet was, Entie koninck Artur dadet al mede In gescrifte setten ter stede. 35705 Entie wile, daer wy dit af tellen, Dat Ywene dit gesciede, ende sine gesellen, Quam heer Gawyn gereden tener stede, Ende oec al sine gesellen mede; Daer woude hi datsi hem scieden alsoe, 35710 Ende elc allene voertrede doe, Want hine woude also nember varen; Ene doe si alle gesceden waren, Quam heer Gawein varende allene In een scone foreest gemene, 35715 Ende hi dachte ombe Merline, na die dinc, So sere, hi ne wiste wat hem overginc; Ende doe hi twe mile hadde gereden, 400 Quam ene joncfrou tegen hem ter steden Op ene scone tellende paert; 35720 Ende heer Gawyn so in gedochte vaert Dat hi haerre vergat te groetene doe; Doe si vor hen heen was, keerde si alsoe Ende zeide: “by Gode, ten es niet waer, Dat men van iu secget openbaer: 35725 Men secget, heer Gawijn, dat gy sijt Die beste ridder, die es ter tijt Entie hovescte oec daermede, By Gode, dat es gelogen alle bede, Maer gy sijt die dorperste, dien ic weet, 35730 Want gy my ontmoetet, God weet, Allene in midden enen woude nu, Ende niet so vele en oetmoediget iu, Dat gy my gegroet haddet mede, Ende gesproken tegen my ter stede; 35735 Sijt seker, iu sal mesvallen om des, Gy ne woudet om die stat van Logres, Noch ombe half dat konincrike mede”. Heer Gawein scaemde hem sere ter stede, Ende antwoerde der ioncfrouwen nadas, 35740 Als ene, die sere verscamet was: “Ioncfrouwe, ic dachte omb een dinc nu, Dat ic soeken vare, ic bidde iu Dat gij mijt vergevet”. Si zeide doe: “Gy sult dat iersten bekopen soe, 35745 Dat gy daer vele scanden ende onneren Af sult hebben, eer gy weder sult keren, Maer ic en secge niet, dat iu altoes sal duren; Ende dattu nu vaers soeken ter uren, Dat en saltu int konincrike van Logres 35750 Niet vinden; maer, sijt seker des, In clene Bertanien suldy daeraf horen; Nu slaet vorwaert vaste met sporen, Enten iersten, dien gy moetet nu, Dien moety geliken, des onnic iu, 35755 Thent gy my weder siet vorwaer”. Ende heer Gawein reet henen van daer, Ende hi en was niet gereden ene myle Dat hi ontmoete terselver wyle Den dwerge enter ioncfrouwen mede, 35760 Daer ic hier voraf zeide, ter stede, Die die vier ridder sende ten koninck Artuer; Ende nu was, op dese selve uer, Die dach van der Triniteit, Heer Gawein groetese, ende hevet geseit: 35765 “God geve iu beden saligen dach!” Si zeiden weder: “God, diet wel doen mach, Geve iu geluck ende goede aventure!” - Ende niet lange na der ure, Quam die dwerch weder, nadas, 35770 In sine forme, daer hi te voren in was, Ende van ouder tweeendetwintich jaren Scone ende goet geledet, twaren, Dat hi sine wapene wt, na datgene, Moeste doen, ombe datsi waren clene. 35775 Ende doe dit sijn lief sach, Was si die blideste, die wesen mach; Si namne in den arm te hant daer, Ende custene hondertwerf daernaer; Si waren blyde utermaten sere, 35780 Ende dankeden Gode, Onsen Here, Dat hem aldus nu was vergaen; Heren Gawyne dankeden sijs sere saen, Die hem saligen dach ontboet, Daer si blyscap af hadden groet. 35785 Dus redensi henen onder hem daer, Ende heer Gawijn reet oec vorwaer; Maer hi en was niet drie myle gereden, Dat hem sine mouwe, daer ter steden, Van sinen halsberch over die hande hinc, 35790 Ende sijn halsberch, na die dinc, Wart hem te lanc drie voete daernaer, So cort ende so clene wart hi daer; Sine yserne cousen waren overeen Twe voete langer dan die been, 35795 Ende sijn scilt sloech hem mede Toten voeten. Doe zeide hi ter stede; “Dit es, dat my die ioncfrouwe, onthiet”; Hi was so erre, doe hi dat siet, Dat hi hem welna verslagen hadde mede; 35800 Ende in deser groter onverduldechede Reet hi so lange, dat hi quam Uten foreeste, daer hi een cruce vernam, Daer een steen by stont; doe voer hi daer Ende beete, ende begonde daernaer 35805 Sinen halsberch te korten ter stede, Ende oec sine mouwe mede, Ende sine riemen van den scilde met, 401 Ende van sinen swaerde oec, dat wet, Ende bant sinen halsberch, so hi best konde 35810 Ende dadene an, ende sat ter stonde Op sijn paert so erre daernaer, Dat hi hem liever doet waer Dan hi levede. Dus voer hi henen, Sijn mesval clagedi altenen. 35815 Ende daer hi aldus clagende reet, Hoerdi besyden hem, God weet, Ene stemme sere roepende. Doe sach hy Derwaert, daert hem dochte by; Maer hi en sach gene creature daer 35820 Dan enen roeck sach hi daernaer, Al ront, dicke, ende hoge mede; Daerna hoerdi noch ter stede Ene stemme secgen tot hem mettien: “Heer Gawein, en mestroest iu niet van dien: 35825 Dat gevallen moet, dat moet wesen”. Heer Gawein sach al ombe na desen, Ende als hi dit dus hevet verstaen, Haddi gerne dor den roeck gegaen, Maer hi en konde, ende doe zeide hy: 35830 “God, Here! ende wie noemt hier my Met mynen name, nu ter stede?” “Hoe”, zeide die stemme, “wat es dy mede Dattu my nu wils kennen niet? Wat es dy”, zeide hi, “nu gesciet, 35835 Du plages my wel te kennen hiervor, Aldus varet nu al die werlt dor Want van den dinc, die men niet hanteert, Daer es men vollec afgekeert, Entie proverbie es waer, die men seit, 35840 Want die hof scuwet, God weet, Dhof scuwet hem weder daerby, Ende aldus es dat nu met my: Doen ic den koninck Artur diende Ende iu, ende ander sine vriende, 35845 Was ic gemint van iu ende andren mede, Ende ombedat ic den hof gelaten hebbe, ter stede, Ben ic onbekant met andren ende met iu, Ende met rechte en soude men nu dlant”. My dat niet doen, sij iu bekant, |
Van heer Ywein en van de dwerg en hoe heer Gawein veranderd werd tot een dwerg en hoe dat het kwam daar hij Merlijn toesprak. Hier zegt de historie van Ywein; Toen hij gescheiden was van Gawein, Kwam hij, en zijn gezellen daarnaar, 35620 In het uitgaan van een bos; daar Ontmoeten ze een jonkvrouw, gereden Op een muilezel, die daar ter plaatse Grote rouw dreef en trok haar haar Met grote vlokken uit voorwaar, 35625 En riep: “wat zal van mij geschieden, Als ik diegenen verloren zal zien, Die me boven alles in de wereld beminde, En door mijn vriendschap daardoor Zijn grote schoonheid heeft verloren?” 35630 Toen heer Ywein dit begon te horen, 399 Ontfermde hij zich dus, en reed derwaarts En vroeg, wat haar was, ter vaart. Toen zei ze: “heb mijn genade nu, Edele heer, en mijn geliefde, bid ik u, 35635 Die vijf ridders ter dood slaan Onder die berg”. Toen zei hij gelijk Tot de jonkvrouw: “wie is uw geliefde?” “De dwerg, konings zoon Brangorys”, Zei de jonkvrouw, “die koning Arthur 35640 Net ridder maakte ter uur”. Heer Ywein zei: “jonkvrouw, zwijg nu! Bij de trouw, die ik ben schuldig u, Mag ik daar op tijd nu komen, Hem word dat lijf niet genomen”. 35645 “Ach, heer!” zei ze, “grote dank, Maar ge mag het maken niet lang Zal ge op tijd komen daar”. Toen reed heer Ywein vast daarnaar, En kwam gereden, daar de kleine 35650 Vreselijk streed, zonder waan, Tegen twee ridders; want hij had er drie Afgeslagen van de partij, Zodat van hen geen te ene stonde Van de aarde verheffen kon; 35655 Want de ene had hij, in het verweer, Gestoken met een speer, En de andere in de schouder mede, Zodat hij hem ontleed hing ter plaatse; De derde had hij, daar gelijk, 35660 Dat hoofd gekloofd tot de tanden. Toen Ywein hem zag strijden zo dapper, Zei hij, dat het schade was zekerlijk, “Dat hij zo klein is, want hij is koen En van goed hart, daar dus is het te doen”; 35665 En heer Ywein reed derwaarts zeer; Maar eer hij daar nu kon komen bij die heer, Had hij de vierde geslagen ter aarde En overreden met het paard; En toen de vijfde dat zag, dat hij 35670 Alleen was, had hij angst daarbij, En wilde toen vlieden erg gauw; Maar hij hield hem zo kort, die kleine, Met slagen, zodat hij hem gedood had daar, Had heer Ywein er niet geweest voorwaar, 35675 Die hem hoffelijk bad alzo, Dat hij hem liet gaan; want hij daartoe Wel zag wat daar was geschied. En toen de dwerg dit hoorde en ziet, Antwoordde hij heer Ywein hoffelijk na dat 35680 Want hij erg hoffelijk was: “Heer, is het uw wil, dat ik het laat staan”? “Ja”, zei mijnheer Ywein gelijk, “En God dankt u mede daaraan”. De dwerg sprak: “ge schijnt zo’n goede man, 35685 Ik wil graag uw bede doen nu”. Toen kwam die ridder, zeg ik u, Tot heer Ywein en bedankte hem daarnaar, Dat hij hem nu beschut had daar; Toen bood hij zijn zwaard aan de dwerg, zonder waan, 35690 En de anderen, die daar leefden, gelijk. Daar liet de dwerg ze alle vier varen In koning Arthurs gevangenis, te waren, En ze voeren van de kleine weg daar, En mijnheer Ywein scheidde daarnaar, 35695 En zijn gezellen van de kleine En van de jonkvrouw, en voeren gelijk Weg, en zochten Merlijn gelijk In menige stad, in menig land. Maar ze vonden van hem geen nieuws 35700 Dus ze erg droevig waren; Op het einde van dat jaar kwam elk na dat Te hof, en vertelde wat hem gebeurd was, En koning Arthur liet dat alles mede In geschrift zetten ter plaatse. 35705 En de tijd, daar we dit van vertellen, Dat Ywein dit gebeurde, en zijn gezellen, Kwam heer Gawein gereden te ene plaats, En ook al zijn gezellen mede; Daar wilde hij dat ze zich scheiden alzo, 35710 En elk alleen voortreed toen, Want hij wilde alzo nimmer varen; En toen ze alle gescheiden waren, Kwam heer Gawein te gaan alleen In een mooi bos algemeen, 35715 En hij dacht aan Merlijn, naar dat ding, Zo zeer, hij wist niet wat er over hem ging; En toen hij twee mijl had gereden, 400 Kwam een jonkvrouw tegen hem ter plaatse Op een mooi telgaand paard; 35720 En heer Gawein was zo in gedachte ter vaart Dat hij haar vergat te groeten toen; Toen ze hem voorbij was, keerde ze alzo En zei: “bij God, het is niet waar, Dat men van u zegt openbaar: 35725 Men zegt, heer Gawein, dat ge bent De beste ridder, die er is ter tijd En de hoffelijkste ook daarmee, Bij God, dat is gelogen alle beide, Maar ge bent de burgerlijkste, die ik weet, 35730 Want ge mij ontmoette, God weet, Alleen in het midden van een woud nu, En niet zoveel ootmoedigde ge u, Dat ge me gegroet had mede, En gesproken tegen mij ter plaatse; 35735 Zij het zeker, het zal u misvallen om dit, Dat ge niet wilde om de stad van Londen, Nog om dat halve koninkrijk mede”. Heer Gawein schaamde zich zeer ter plaatse, En antwoordde de jonkvrouw na das, 35740 Zoals een, die zeer beschaamd was: “Jonkvrouw, ik dacht aan een ding nu, Dat ik zoeken ga, ik bid u Dat ge het me vergeef”. Ze zei toen: “Ge zal dat eerst bekopen zo, 35745 Zodat ge daar veel schande en oneer Van zal hebben, eer ge weder zal keren, Maar ik zeg niet, dat het u altijd zal duren; En dat u nu gaat te zoeken ter uren, Dat zal u in het koninkrijk van Londen 35750 Niet vinden; maar, zij het zeker dit, In klein Bretagne zal ge daarvan horen; Nu slaat voorwaarts vast met sporen, En de eerste, die ge ontmoet nu, Op die moet ge lijken, dat gun ik u, 35755 Tot ge me weer ziet voorwaar”. En heer Gawein reed heen van daar, En hij had niet gereden een mijl Dat hij ontmoette dezelfde wijl De dwerg en de jonkvrouw mede, 35760 Daar ik hiervoor van zei, ter plaatse, Die de vier ridders zendt tot koning Arthur; En nu was, op ditzelfde uur, De dag van de Triniteit, Heer Gawein begroette ze, en heeft gezegd: 35765 “God geeft u beiden zalige dag!” Ze zeiden weer: “God, die het wel doen mag, Geeft u geluk en goede avonturen!” - En niet lange na dat uur, Kwam de dwerg weer, na dat, 35770 In zijn vorm, daar hij tevoren in was, En van ouderdon twee en twintig jaren Mooie en goed geleed, te waren, Zodat hij zijn wapens uit, na datgene, Moest doen, omdat ze waren te klein. 35775 En toen dit zijn lief zag, Was ze de blijdste, die er wezen mag; Ze nam hem in de armen gelijk daar, En kuste hem honderd maal daarnaar; Ze waren blij uitermate zeer, 35780 En dankten God, Onze Heer, Dat hem aldus nu was vergaan; Heer Gawein bedankten ze het zeer gelijk, Die hem zalige dag ontbood, Daar ze blijdschap van hadden groot. 35785 Dus reden ze heen onder hen daar, En heer Gawein reed ook voorwaar; Maar hij had geen drie mijlen gereden, Dat hem zijn mouw, daar ter plaatse, Van zijn harnas over de handen hing, 35790 En zijn harnas, na dat ding, Werd hem te lang drie voeten daarnaar, Zo kort en zo klein werd hij daar; Zijn ijzeren kousen waren overeen Twee voeten langer dan dat been, 35795 En zijn schild sloeg hem mede Tot de voeten. Toen zei hij ter plaatse; “Dit is, dat me die jonkvrouw, zei”; Hij was zo boos, toen hij dat ziet, Zodat hij zich bijna verslagen had mede; 35800 En in deze grote ongeduldigheid Reed hij zo lang, zodat hij kwam Uit het bos, daar hij een kruis vernam, Daar een steen bij stond; toen voer hij daar En bad, en begon daarnaar 35805 Zijn harnas te korten ter plaatse, En ook zijn mouwen mede, En zijn riemen van het schild mee, 401 En van zijn zwaard ook, dat weet, En bond zijn harnas, zo hij het beste kon 35810 En deed het aan, en zat ter stonde Op zijn paard zo boos daarnaar, Dat hij liever dood waar Dan hij leefde. Dus voer hij heen, Zijn misval klaagde hij alleen. 35815 En daar hij aldus klagend reed, Hoorde bezijden hem, God weet, Een stem zeer roepen. Toen zag hij Derwaarts, daar het hem dacht bij; Maar hij zag geen creatuur daar 35820 Dan een rook zag hij daarnaar, Geheel rond, dik en hoog mede; Daarna hoorde hij nog ter plaatse Een stem zeggen tot hem meteen: “Heer Gawein, mistroost u niet van die: 35825 Dat gebeuren moet, dat moet wezen”. Heer Gawein zag alom naar deze, En toen hij dit dus heeft verstaan, Was hij graag door de rook gegaan, Maar hij kon het niet, en toen zei hij: 35830 “God, Heer! wie noemt hier mij Met mijn naam, nu ter plaatse?” “Hoe”, zei de stem, “wat is er met u mede Dat u me nu wil kennen niet? Wat is u”, zei hij, “nu geschied, 35835 U plag me wel te kennen hiervoor, Aldus ga nu de hele wereld door Want van de dingen, die men niet hanteert, Daar is men volledig van afgekeerd, En de profetie is waar, die men zegt, 35840 Want die het hof schuwt, God weet, Het hof schuwt hem weer daarbij, En aldus is dat nu met mij: Toen ik koning Arthur diende En u, en andere zijn vrienden, 35845 Was ik bemind van u en andere mede, En omdat ik het hof verlaten heb, ter plaatse, Ben ik onbekend met andere en met u, En met recht zou men nu het land”. Me dat niet doen, is u bekend, |
35850 Opdat trouwe ende doget regeren Doe heer Gawein dese stemme hoerde, Verstont hy wel by dien woerde, Dat Merlijn was, ende zeide nu: “Met rechte soudic wel kennen iu, 35855 Want eer menige, sonder waen, Hebbic hiervor van iu ontfaen; Ic bidde iu, here, laet my iu sien”. “Dat en mach”, zeide hi, “niet gescien, Dat gy my ember meer moget sien overeen, 35860 Ochte spreken voert man negeen, Nadien, dat gy hier scedet van my; Want nieman en hevet macht, dat hy Voertmeer hier moge komen iet, Dan myne vriendinne, als sijt gebiet. 35865 Ende tes my leet, dat so moet wesen, Want ic en hebbe gene macht van desen, Dat ic daer iet tegen kan gedoen overeen; Want in der werlt en es torre negeen So vast, als daer ic besloten ben in; 35870 Nochtan so en es hi meer no min Van stene, van houte, van yser mede; Maer hi es by der lucht besloten ter stede By cracht van arten, ende meer no min So en mach daer nieman wt nochte in 35875 Sonder mijn lief, die geselscap hout my Alset haer genoeget ende haer wille sy”. “Hoe”, zeide Gawein, “lieve Merlijn! Hoe komet, dat gy aldus moet sijn? Ende en kondy iu selve gehelpen niet 35880 Met gener behendecheit, die gy pleget, [iet]? Ende gy waert die vroedeste, dien men wiste In der werlt, van alrehande liste!” Doe zeide Merlijn: “lieve here, ic was, Die sotteste van der werlt, sijt seker das, 35885 Want ic wiste al dit te voren, Ende liet my een wijf so verdoren, Dat ic se liever hadde dan my; Want ic leerde mynen lieve daerby Dat ic gevaen ben, ende my en mach 35890 Nembermeer verlosen, nacht no dach, Negeen mensche, die nu levet, Thent mijn leven inde hevet”. “By Gode”, zeide heer Gawein ter stede, “Des ben ic rouwech, ende mijn oem mede, 35895 Die iu soeken doet, als hi dit weet, Sal hem dat wesen herde leet”. 402 “Ach, mijn lieve Artur!’ zeide Merlijn nu, “Nembermeer so ne sie ick voert iu Nochte gy my; want dat es om niet, 35900 Wie hem des pijnde voert, ieman iet; Ende waerdy van my gekeert voertan, Nembermeer so ne hoerde my man Nochte oec wijf spreken gemene Sonder myne vriendinne allene; 35905 Nu keert weder ende groet my sere Den koninck Artur, mynen lieven here, Entie koninginne, ende al die barone, Ende tellet mijn wesen al dengonen Van den hove, ic bidde iu des; 35910 Gy sult den koninck vinden te Cardoles Ende alle die gesellen oec ter stede, Die my met iu voeren soeken mede. Ende voert, heer Gawein, so secgic iu, Dat gy iu niet en wantroestet nu 35915 Van dat iu hier vor gesciet es, Want gy sult die ioncfrouwe, sijt gewes, In den foreeste vinden; en latet niet, Gy en groetet se hovesclike, als gy se siet; Nu vaert te Gode”, zeide Merlijn saen, 35920 “Ende Onse Here moete den koninge bystaen Enter koninginnen enten gesinde mede Ende al den lande, dorpen, ende steden”. Doe sciet heer Gawein rouwech ende blyde: Blyde was hi ombedat hem tien tyde 35925 Merlijn gesecht hadde, dat hy Themselven soude komen daerby; Ende rouwech was hi als te voren, Dat hy Merline dus hadde verloren. Dus reet hi vaste te Caredolwaert, 35930 Ende quam gereden mettervaert In den wout, daer hi die ioncfrouwe ontmoete Hier voer, die hy niet en groete; Daer sach hi besyden twe ridder staen Al gewapent, ende hielden gevaen 35935 Ene ioncfrouwe onder hem beden daer, Ende gelieten hem, ocht si se daer Verkrachten souden; maer si ne haddens nu, Negenen wille, dat secgic iu; Maer si dadet hem doen ter stede 35940 Ombe heren Gawine te proevene mede, Ende si wranc haer hande menechfoude, Ende gebaerde ocht men se verkrachten woude. Doen heer Gawein dit sach te hant, Riep hi: “gy zijt doet, als gy in dit lant 35945 Ioncfrou verkrachten wilt, dat toehoert Den koninck Artur”; dus reet hi voert, Entie ioncfrouwe riep doe mettien: “Heer Gawein, nu sal ic wel sien, Ocht in iu es so vele vromechede, 35950 Dat gy my komet bescudden, ter stede, Van deser scanden”. Hi zeide mettien: “By Gode, joncfrouwe, iu ne sal gescien Negene scande, daer ict letten kan”. Dit hadde den riddren, van sulken man, 35955 Onwaert, ende sprongen op daernaer, Ende bonden haer helme, wet vorwaer; Entie joncfrouwe haddese versekert vordien, Dat hem van hem niet en soude messcien; Ende alsi haer helme hadden verbonden, 35960 Zeiden si: “onwaerdige naen”, tien stonden, “Ende sotte wicht, gy zijt nu doet; Maer wat soudewy an sulken cloet, Ocht an also onwaerdigen man, Alse du best, benyden dan, 35965 Anders sloegewy dy te hant doet!” Ende doen heer Gawein dit verstoet, Dat sine naen hieten daer, Ende also verspraken oec daernaer, Hadde hijs groten rouwe ter stede, 35970 Ende antwoerde dus hem beden mede: “By Gode, also onwaert ic dunke iu, Ic ben hier komen te scanden nu Ende tuwer groter onneren mede; Sit op iu orse beide ter stede, 35975 Want dat waer onneer socht ic iu Tors, ende gy te voet sijt nu”. Doe zeiden dander: “[gy] verlaet iu sere Op iu selven, dat gy ons nu mere Op onse orse wilt laten sitten hier; 35980 Al sijdy clene, gy sijt fier In iu woert”. Ende Gawyn zeide doe: “Ic verlate my op Gode, ende daertoe 403 Op myne kracht eer gy hier sult sceden, Dat gy daerna, onder iu beden, 35985 Nembermeer in koninck Arturs lant Wijf en verkrachtet, sij iu bekant, Also sal ic iu begaden hier!” Doe saten op die ridder fier Op haer orse, ende zeiden met overmoede 35990 Tot heer Gawyne, dat hi hem hoede, Hi waer nu doet. Doe sloegen sy Met sporen theren Gawyne daerby, Ende braken bede haer spere ter stede; Heer Gawein stac den enen mede, 35995 Dat hine tumelen dade ter aerden, Ende overreeten daer met sinen paerde; Doe woude hi den ander metten swaerde slaen, Doe riep die joncfrouwe: “Gawein, laet staen! Des es genoech, en doet daer niet meer toe”. 36000 “Joncfrouwe”, zeide hi, “wildy dat alsoe?” “Ja ic”, zeide si. Heer Gawein zeide saen: “Joncfrou, dor uwen wille latict staen Nu meer, en dade iu bede, Ic soudese doet slaen ocht sy my mede; 36005 Want si hebben my groten lachter gedaen Ende scande gesecht; wantsi my naen Ende onwaert hieten mede daernaer; Nochtan zeidensi een deel waer, Want ic ben dat onwaerdeste dat es, 36010 Endet gesciede my in den woude vordes, Dies es wel ses maende leden”. Doe begonde te lachgene, ter steden, Die ioncfrou, entie ridder beide; Daerna si tot heren Gawyne zeide: 36015 “Heer Gawein, die iu mochte genesen, Wat soude sijn loen daeraf wesen?” “Joncfrou, die my genase, wetet wale, Ic gave hem myselven al te male, Ende al dat ic mochte verwinnen daertoe 36020 In deser werlt”. Si zeide doe: “Gyne sult daer so vele niet om geven nu, Maer gy moet my enen eet doen, secgic iu, Alsulc als ic iu secgen sal”. “Joncfrou, wat gy wilt, ic doe dat al, 36025 Secht uwen wille, ic ben gereet Daeraf te doene al uwen eet”. “Gy sult my sweren”, zeide si saen, By dien ede, dien gy hebbet gedaen Iuwen ome, den koninck Artuer, 36030 Dat gy nembermeer, in negener uer, Daer vrouwe ocht ioncfrou uwes hevet te doene, Begeven en sult in genen doene, Gyne sult haer helpen na uwer macht, Dat sy dach eder nacht. Amen. 36035 [Ende] waer gy vrouwe ochte ioncfrou ontmoet, Dat gyse ember ierstwerf groet Ocht gy kont”. Doe zeide Gawein saen: “Joncfrou, dit wil ic iu loven gaen Alse een wettech ridder gereet”. 36040 “Ende aldus”, zeidesi, “nemic den eet; Maer breecdy dien ember na desen, Gy soudet weder aldus wesen”. Ende daerna las si haer woert, Alse te dien dingen behoert; 36045 Ende niet lange daerna, sonder waen, Braken al die riemen saen, Daer sine wapene mede waren gebonden, Ende syne yserne cousen, ten stonden, Ende hi wart alse hi vor was; 36050 Ende als hi geware wart das, Beette hi van den paerde daernaer, Ende knielde vor die ioncfrouwe daer, Ende zeide, dat hi hoer ridder waer Also lange hi levede naer. 36055 Doe dadesi opstaen den heer, Ende dankede hem der hovesceit seer; Ende dit was die joncfrou, sonder waen. Die hem dat mesval hadde gedaen. Entie ioncfrouwe voer van daer, 36060 Entie twe ridder met hoer daernaer; Maer heer Gawein bleef noch toe Ende lengede sine wapene doe, Ende herbantse al te male Ende bereide hem al te wale, 36065 Ende sat daerna op sijn paert, Ende reet also te Caredolwaert, 404 Ende quam daer rechte terselver uren, Daer vertelt hadden haer aventuren Heer Ywein, Sagrimor, ende haer gesellen, 36070 Die hem in der vaert gevellen; Ende alse Gawein komen was, Wart daer groet feeste dordas Onder den gesellen, hebbic vernomen, Om dat si alle waren gekomen, 36075 Die Merlyne hadden gesocht mede. Dus es Gawein oec gestaen ter stede Ende vertelde sine aventure al, Die hem gesciede, groet ende smal; Hi telde van der joncfrouwen saen, 36080 Die hem gemaket hadde een naen, Om dat hise niet en groete ter steden, Daer si jegen hem quam gereden; Hi telde daerna van Merlyne, Hoe hine vant in ener woestyne, 36085 Daer hi besloten blivet emmermere, Ende hoe hi groete sinen here, Den koninck, ende sine vrouwe met, Ende al die gesellen oec, dat wet; Ende hoe ne een wijf hevet besloten, 36090 Vertelde hi daer al den genoten; Hi seide voert, hoe hi verquam, Ende sine forme weder annam, “Ende wart weder, als gy siet nu”. Des wonderde sere, secgic iu, 36095 Al dengenen van der salen, Ende hadden hieraf vele talen. Maer Artur entie koninginne Waren nu in droeven sinne, Ommedat sine daer hadden verloren, 36100 Daeromme hadden si groten toren; Si vloecten sijnre amyen menechwerven, Datsi quader doet moeste sterven, Datsine dus besloten hevet. Aldus die koninck met rouwen levet. 36105 Ende alsi stonden met deser tale, So quam Evadan in die sale Van der oude van xxij iaren; Ende was een scone man, twaren, Ende so edel mede, tien stonden, 36110 Dat men genen scoenren hadde vonden, Ende hielt by der hant sine vriendinne, Ende quam vor Artuer met sinne, Ende groetene hovesclike daer, Entie koninck dankede hem daernaer. 36115 Doe zeide Evadan: “here, kendy my iet?” “By Gode, heer ridder, nenic niet”, Zeide die koninck, “ic en sach iu niet eer. “Entrouwen”, zeide die ridder, “heer, Gy hebbet my gesien vor nu 36120 Al [en] kendy my niet, secgic iu; Maer doe gy my lestwerf saget ter stede, Entese joncfrou, die hier staet mede, Doe was ic hier in sulc abijt, Die my daer in sach, doe ter tijt, 36125 Ende my sage nu voertan, Hi soude my oevele kennen dan”. “By Gode”, antwoerde die koninck saen, “Vrient, also verre ic kan verstaen, En sach ic iu niet, dunket my nu”. 36130 “Here”, zeide hi doe, “gedenket niet iu, Dat hier ene joncfrouwe quam gereden, Ende enen naen brachte ter steden, Dien gy ridder makedet alsoe”. “Jaet”, sprac die koninck doe; 36135 “Hi hevet my”, sprac die koninck daer, “Vijf ridder gesent vorwaer, Ende in vancnesse, wetet dan, Die hi in stryde al verwan Ende met syner vromecheit onder dede”. 36140 Doe zeide die ridder daer ter stede: “Here”, ic ben die naen, dieselve man, Die die vijf ridder verwan, Ende iu sende die also gevaen; Ende oec ben ic dieselve naen, 36145 Dien gy ridder makedet ter stat, Ende siet hier die ioncfrouwe, dies iu bat; Ende sonder twivel, ic wasset oec mede, Die iu die v. ridder sende ter stede; Van den iiij sachet her Ywein, 36150 Die my vant vechtende in een pley, Opten avent van der Triniteit, Daer icse alle vier verwan gereit; Men vrages hem ocht hijs iet sach, Hi es, dies iu berechten mach”. 36155 Doe lyede des heer Ywein al bloet, Ende zeide, dat hi der enen sloech doet, 405 “Die daer bleef licgende, sijt seker das, Want er vive over hem doe was, Entie vier sende hi iu gevaen”. 36160 Doe zeide Evadan voert saen: “Here, des andren dages omtrent myddach Quam ic gereden, daer ic sach Heer Gawein, dien ic gemoete daer; Hi groete ons, ende wy hem daernaer, 36165 Ende zeide, daer hi ons liet daer beneven, Dat ons God salecheit moeste geven; Ende Hi dadet, want also saen Als hem dat woert uten monde was gegaen, Verkeerde mijn gedaente ter stede, 36170 Ende quam in dese forme mede, Daer gy my nu siet in staen; Want te voren was ic een naen, Ongescapen ende lelyc; Ende ic wane wel sekerlyc, 36175 Dat my by sijnre tale ende bede Onse Here warp wt mijnre scamelhede, Daer ic te voren in hadde gewesen; Nu dankic Gode sere van desen, Ende heer Gawein danckic mede” 36180 Doe vragedem die koninck ter stede, Van wat lieden dat hi waer, Ende hoe hi hiete oec daernaer; Ende hi zeidet den koninge also voert. Als gijt hier vor hebt gehoert. 36185 Doe dit die koninck verstont tien tyde, Ende heer Gawein, waren sijs blyde Entie koninck ontfinckene te dien stonden, Vor enen geselle van der Tafelronden, Entie ioncfrouwe bleef daer bynnen, 36190 Van der uren, metter koninginnen Met vrouden voert al hoer leven. Van Merline [en] vindic niet meer bescreven In dat Walsc, ende om die saken En willics niet meer in Dietsce maken, 36195 Want hem hevet een wijf gevaen, Daer hi nemmer en mach ontgaen, No emmermeer vernemet van hem man; Wat mach men daer meer af secgen dan? Negeen dinc, so help my God, 36200 Dan dat hi was een fijn sot; Al heet hi vroet ende conde vele, Nochtan heeften een wijf, by horen spele, Datsi hem toende menechfoude, Bracht int nette daer si woude; 36205 Daerby en was met niet so vroet man, Opdat daer wives herte alteen leide an, Si en hoendene wel int leste. Nu moet God ons geven tbeste Altoes te doene van allen saken. 36210 In Hem so indet mede mijn maken Desen boec van Merlyne, Dat ic dichte met mire pyne; Int jaer Ons Heren, wiens wondert, Doe men screef dertien hondert 36215 Ende xxvj, opten witten donredach, Die in der weken vor Paescen gelach, Doe was dit boec geint, Daer men scone jeesten in vint. Explicit, Deo gratias. |
35850 Opdat trouw en deugd regeren Toen heer Gawein deze stem hoorde, Verstond hij wel bij die woorden, Dat Merlijn het was, en zei nu: “Met recht zou ik wel kennen u, 35855 Want menige eer, zonder waan, Heb ik hiervoor van u ontvangen; Ik bid u, heer, laat me u zien”. “Dat mag”, zei hij, “niet geschieden, Dat ge me immer meer mag zien overeen, 35860 Of spreken voort man geen, Nadien, dat ge hier weggaat van mij; Want niemand heeft macht, dat hij Voortaan meer hier mag komen iets, Dan mijn vriendin, als zij het gebied. 35865 En het is me leed, dat het zo moet wezen, Want ik heb geen macht van deze, Dat ik daar iets tegen kan doen overeen; Want in de wereld is er toren geen Zo vast, als daar ik besloten ben in; 35870 Nochtans zo is hij meer nog min Van steen, van hout, van ijzer mede; Maar hij is bij de lucht besloten ter plaatse Bij kracht van kunsten, en meer of min Zo kan daar niemand uit nog in 35875 Uitgezonderd mijn lief, die gezelschap houdt mij Als het haar vergenoegt en het haar wil is”. “Hoe”, zei Gawein, “lieve Merlijn! Hoe komt het, dat ge aldus moet zijn? En kon ge uzelf helpen niet 35880 Met geen handigheid, die ge pleegt, iets? En ge was de verstandigste, die men wist In de wereld, van allerhande list!” Toen zei Merlijn: “lieve heer, ik was, De zotste van de wereld, zij het zeker dat, 35885 Want ik wist al dit te voren, En liet me een vrouw zo gek maken, Dat ik haar liever had dan mij; Want ik leerde mijn geliefde daarbij Dat ik gevangen ben, en me mag 35890 Nimmermeer verlossen, nacht of dag, Geen mens, die nu leeft, Tot mijn leven een einde heeft”. “Bij God”, zei heer Gawein ter plaatse, “Dus ben ik rouwig, en mijn oom mede, 35895 Die u zoeken laat, als hij dit weet, Zal hem dat wezen erg leed”. 402 “Ach, mijn lieve Arthur!’ zei Merlijn nu, “Nimmermeer zo zie ik voort u Nog hij mij; want dat is om niet, 35900 Wie zich dus pijnigde voort, iemand iets; En bent ge van mij gekeerd voortaan, Nimmermeer zo hoort me een man Nog ook vrouw spreken algemeen Uitgezonderd mijn vriendin alleen; 35905 Nu keert weer en groet me zeer De koning Arthur, mijn lieve heer, En de koningin, en alle baronnen, En vertel mijn wezen al diegenen Van het hof, ik bid u dit; 35910 Ge zal de koning vinden te Caredol En alle gezellen ook ter plaatse, Die met u voeren mij te zoeken mede. En voort, heer Gawein, zo zeg ik u, Dat ge u niet wanhoopt nu 35915 Van dat u hiervoor gebeurd is, Want ge zal die jonkvrouw, zij het gewis, In het bos vinden; en laat het niet, Ge begroet haar hoffelijk, als ge haar ziet; Nu ga met God”, zei Merlijn gelijk, 35920 “En Onze Heer moet de koning bijstaan En de koningin en de zijnen mede En het hele land, dorpen en steden”. Toen scheidde heer Gawein rouwig en blij: Blij was hij omdat hem te die tijde 35925 Merlijn gezegd had, dat hij Tot zichzelf zou komen daarbij; En rouwig was hij als te voren, Dat hij Merlijn dus had verloren. Dus reed hij vast te Caredol waart, 35930 En kwam gereden met een vaart In het woud, daar hij de jonkvrouw ontmoette Hiervoor, die hij niet groette; Daar zag hij bezijden twee ridders staan Geheel gewapend, en hielden gevangen 35935 Een jonkvrouw onder hen beiden daar, En lieten hen, of ze haar daar Verkrachten zouden; maar ze niet hadden nu, Geen wil, dat zeg ik u; Maar ze lieten het hen doen ter plaatse 35940 Om heer Gawein te beproeven mede, En ze wrong haar handen menigvuldig, En gebaarde of men haar verkrachten wilde. Toen heer Gawein dit zag gelijk, Riep hij: “ge bent dood, als ge in dit land 35945 Jonkvrouwen verkrachten wil, dat toehoort Aan koning Arthur”; dus reed hij voort, En de jonkvrouw riep toen meteen: “Heer Gawein, nu zal ik wel zien, Of er in u is zo veel dapperheden, 35950 Dat ge me komt behoeden, ter plaatse, Van deze schande”. Hij zei meteen: “Bij God, jonkvrouw, u zal geschieden Geen schande, daar ik het beletten kan”. Dit hadden de ridders, van zo’n man, 35955 Onwaardig, en sprongen op daarnaar, En bonden hun helmen, weet voorwaar; En de jonkvrouw had ze verzekerd voordien, Dat ze van hem niet zouden misgaan; En toen ze hun helmen hadden opgebonden, 35960 Zeiden ze: “onwaardige kleine”, te die stonden, “En zot wicht, ge bent nu dood; Maar wat zouden we aan zo’n kloot, Of aan alzo onwaardige man, Als u bent, benijden dan, 35965 Anders sloegen we u gelijk dood!” En toen heer Gawein dit verstond, Dat ze hem kleintje noemen daar, En alzo spraken ook daarnaar, Had hij grote rouw ter plaatse, 35970 En antwoordde dus hen beiden mede: “Bij God, alzo onwaardig ik lijk u, Ik ben hier gekomen te schande nu En tot uw grote oneer mede; Zit op uw paarden beide ter plaatse, 35975 Want dat was oneer bezocht ik u Te paard, en gij te voet bent nu”. Toen zeiden de andere: “ge verlaat u zeer Op uw zelf, dat ge ons nu meer Op onze paarden wil laten zitten hier; 35980 Al ben je klein, je bent fier In uw woord”. En Gawein zei toen: “Ik verlaat me op God, en daartoe 403 Op mijn kracht eer ge hier zal scheiden, Dat ge daarna, onder u beiden, 35985 Nimmermeer in koning Arthurs land Vrouwen verkracht, zij u bekent, Alzo zal ik u begaan hier!” Toen zaten op die ridders fier Op hun paarden, en zeiden met overmoed 35990 Tot heer Gawein, dat hij zich hoedt, Hij was nu dood. Toen sloegen zij Met sporen tot heer Gawein daarbij, En braken beide hun speren ter plaatse; Heer Gawein stak de ene mede, 35995 Zodat hij hem tuimelen deed ter aarde, En overreed hem daar met zijn paard; Toen wilde hij de andere met het zwaard slaan, Toen riep die jonkvrouw: “Gawein, laat staan! Dus is genoeg, doe daar niet meer toe”. 36000 “Jonkvrouw”, zei hij, “wil ge dat alzo?” “Ja ik”, zei ze. Heer Gawein zei gelijk: “Jonkvrouw, door uw wil laat ik het staan Nu meer, en deed u niet uw bede, Ik zou ze dood slaan of zij mij mede; 36005 Want ze hebben me zeer belachelijk gedaan En schande gezegd; want ze me kleine En onwaardig noemen mede daarnaar; Nochtans zeiden ze een deel waar, Want ik ben de onwaardigste dat is, 36010 En het gebeurde me in het woud voor dts, Dat is wel zes maanden geleden”. Toen begon ze te lachen, ter plaatse, Die jonkvrouw, en de ridders beide; Daarna ze tot heer Gawein zei: 36015 “Heer Gawein, die u mocht genezen, Wat zou zijn loon daarvan wezen?” “Jonkvrouw, die me genas, weet wel, Ik gaf hem mezelf helemaal, En alles dat ik mocht overwinnen daartoe 36020 In deze wereld”. Ze zei toen: “Ge zal daar zoveel niet om geven nu, Maar ge moet me een eed doen, zeg ik u, Al zulke zoals ik u zeggen zal”. “Jonkvrouw, wat ge wilt, ik doe dat al, 36025 Zeg uw wil, ik ben gereed Daarvan te doen al uw eed”. “Ge zal me zweren”, zei ze gelijk, Bij die eed, die ge hebt gedaan Uw oom, koning Arthur, 36030 Dat ge nimmermeer, in geen uur, Daar een vrouw of jonkvrouw u heeft nodig, Begeven zal in geen doen, Ge zal haar helpen naar uw macht, Dat zij dag of nacht. Amen. 36035 En waar ge vrouw of jonkvrouw ontmoet, Dat ge ze immer de eerste keer groet Als ge kan”. Toen zei Gawein gelijk: “Jonkvrouw, dit wil ik u beloven gaan Als een wettig ridder gereed”. 36040 “En aldus”, zei ze, “neem ik de eed; Maar breek je die immer na deze, Ge zal weer aldus wezen”. En daarna las ze haar woord, Zoals tot die dingen behoort; 36045 En niet lang daarna, zonder waan, Braken alle riemen gelijk, Daar zijn wapens mee waren gebonden, En zijn ijzeren kousen, ten stonden, En hij werd zoals hij voor was; 36050 En toen hij gewaar werd dat, steeg hij hij van het paard daarnaar, En knielde voor die jonkvrouw daar, En zei, dat hij haar ridder waar Alzo lang hij leefde daarnaar. 36055 Toen liet ze opstaan de heer, En bedankte hem de hoffelijkheid zeer; En dit was de jonkvrouw, zonder waan. Die hem dat misval had gedaan. En de jonkvrouw voer van daar, 36060 En de twee ridders met haar daarnaar; Maar heer Gawein bleef nog toe En verlengde zijn wapens toen, En herbond ze allemaal En bereidde zich geheel wel, 36065 En zat daarna op zijn paard, En reed alzo te Caredol waart, 404 En kwam daar terecht dezelfde uren, Daar vertelt hadden hun avonturen Heer Ywein, Sagrimor en hun gezellen, 36070 Die hen in de vaart gebeurden; En toen Gawein gekomen was, Werd daar groot feest door dat Onder de gezellen, heb ik vernomen, Omdat ze alle waren gekomen, 36075 Die Merlijn hadden gezocht mede. Dus is Gawein ook gestaan ter plaatse En vertelde zijn avonturen al, Die hem gebeurden, groot en smal; Hij vertelde van de jonkvrouw gelijk, 36080 Die hem gemaakt had een kleine, Omdat hij haar niet begroette ter plaatse, Daar ze tegen hem kwam gereden; Hij vertelde daarna van Merlijn, Hoe hij hem vond in een woestijn, 36085 Daar hij opgesloten blijft immermeer, En hoe hij groette zijn heer, De koning, en zijn vrouw mee, En alle gezellen ook, dat weet; En hoe een vrouw hem heeft opgesloten, 36090 Vertelde hij daar alle genodigden; Hij zei voort, hoe hij veranderde, En zijn vorm weer aannam, “En werd weer, zoals ge ziet nu”. Dus verwonderde zeer, zeg ik u, 36095 Al diegenen van de zaal, En hadden hiervan veel talen. Maar Arthur en de koningin Waren nu in droeve zin, Omdat ze hem daar hadden verloren, 36100 Daarom hadden ze groten toorn; Ze vervloekten zijn geliefde menige keer, Dat ze een kwade dood moest sterven, Omdat ze hem opgesloten dus heeft. Aldus de koning met rouw leeft. 36105 En toen ze stonden met deze taal, Zo kwam Evadan in die zaal Van de ouderdom van 22 jaren; En was een mooie man, te waren, En zo edel mede, te die stonden, 36110 Dat men geen mooiere had gevonden, En hield bij de hand zijn vriendin, En kwam voor Arthur met zin, En begroette hem hoffelijk daar, En de koning bedankte hem daarnaar. 36115 Toen zei Evadan: “heer, ken ge me iets?” “Bij God, heer ridder, neen ik niet”, Zei de koning, “ik zag u niet eer. “Vertrouw”, zei die ridder, “heer, Ge hebt me gezien voor nu 36120 Al kende ge me niet, zeg ik u; Maar toen ge me de laatste keer zag ter plaatse, En deze jonkvrouw, die hier staat mede, Toen was ik hier in zulke habijt, Die me daarin zag, toen ter tijd, 36125 En die me zag nu voortaan, Hij zou me nauwelijks herkennen dan”. “Bij God”, antwoordde de koning gelijk, “Vriend, alzo ver ik kan verstaan, Zag ik u niet, lijkt me nu”. 36130 “Heer”, zei hij toen, “herinner niet u, Dat hier een jonkvrouw kwam gereden, En een kleine bracht ter plaatse, Die ge ridder maakte alzo”. “Ja het”, sprak de koning toen; 36135 “Hij heeft mij”, sprak de koning daar, “Vijf ridders gezonden voorwaar, In gevangenis, weet dan, Die hij in strijd geheel overwon En met zijn dapperheid ten onder deed”. 36140 Toen zei die ridder daar ter plaatse: “Heer”, ik ben die kleine, dezelfde man, Die de vijf ridders overwon, En u zond die alzo gevangen; En ook ben ik dezelfde kleine, 36145 Die ge ridder maakte ter plaatse, En zie hier die jonkvrouw, die u bad; En zonder twijfel, ik was het ook mede, Die u de 5 ridders zond ter plaatse; Van de 4 zag het heer Ywein, 36150 Die me vond vechtend in een plein, Op de avond van de Triniteit, Daar ik ze alle vier overwon gereed; Mar vraag hem of hij iets zag, Hij is, die u het berichten mag”. 36155 Toen belijdde dus heer Ywein al bloot, En zei, dat hij de ene sloeg dood, 405 “Die daar bleef liggen, zij het zeker dat, Want er vijf over tegen hem toen was, En de vier zond hij u gevangen”. 36160 Toen zei Evadan voort gelijk: “Heer, de volgende dag omtrent middag Kwam ik gereden, daar ik zag Heer Gawein, die ik ontmoette daar; Hij groette ons, en wij hem daarnaar, 36165 En zei, daar hij ons liet daar benevens, Dat ons God zaligheid moest geven; En Hij deed het, want alzo gelijk Toen hem dat woord uit de mond was gegaan, Veranderde mijn gedaante ter plaatse, 36170 En kwam in deze vorm mede, Daar ge me nu ziet in staan; Want tevoren was ik een kleine, Ongeschapen en lelijk; En ik meen wel zekerlijk, 36175 Dat me bij zijn taal en bede Onze Heer wierp uit mijn schamelheid, Daar ik tevoren in had gewezen; Nu dank ik God zeer van deze, En heer Gawein dank ik mede”. 36180 Toen vroeg de koning ter plaatse, Van welke lieden dat hij waar, En hoe hij heette ook daarnaar; En hij zei het de koning alzo voort. Zoals ge hiervoor hebt gehoord. 36185 Toen dit de koning verstond te die tijden, En heer Gawein, waren ze dus blij En de koning ontving hem te die stonden, Voor een gezel van de tafelronden, En de jonkvrouw bleef daar binnen, 36190 Van de uren, met de koningin Met vreugde voort al hun leven. Van Merlijn vind ik niets meer beschreven In dat Waals, en om die zaken Wil ik niets meer in Diets maken, 36195 Want hem heeft een vrouw gevangen, Daar hij nimmer mag van ontgaan, Nog immermeer verneemt van hem een man; Wat mag men daar meer van zeggen dan? Nee geen ding, zo help me God, 36200 Dan dat hij was een fijne zot; Al heet hij verstandig en kon veel, Nochtans heeft hem een vrouw, bij haar spel, Dat ze hem toonde menigvuldig, Bracht in het net daar ze wilde; 36205 Daarbij was er niet zo’n verstandige man, Opdat daar een vrouwenhart altijd leidt aan, Ze behoeden zich wel tenslotte. Nu moet God ons geven het beste Altijd te doen van alle zaken. 36210 In Hem zo eindigt mede mijn maken Dit boek van Merlijn, Dat ik dichte met mijn pijn; In het jaar Onze Heer, wie het verwondert, Toen men schreef dertien honderd 36215 En 26, op witte donderdag, Die in de week voor Pasen lag, Toen was dit boek geëindigd, Daar men mooie verhalen in vindt. Explicit, Deo gratias. |