Heksen processen

Over Heksen processen

Oude aantekeningen over Heksen Processen in de Ommelanden en het Oldambt. Mr. J. S. G. Koning.

Weinig toch is er over heksenprocessen in deze provincie bekend. Hetgeen door de heer archivaris Mijnheer H. O . Feith is meegedeeld in de Bijdragen voor Vaderlandse geschiedenis en Oudheidkunde schijnt alles te zijn wat tot nu toe daarvan gevonden werd. Ik acht het daarom niet overbodig enkele oude aantekeningen mee te delen. Het is volgens een aantekening eerst in bezit geweest van Hiddo Jensema en later van J. D. Huningha van Oostwold.

Nota. Deze gruwelijke dingen naar beste wens dat die sinds openbaar geworden zijn en allereerst in den Dam met het toe weten van de tovenaars. Die door toestaan van God almachtig niet langer verholen wilde wezen. Dan dat die boosheid gestraft zou worden.

Anno 1548 toen is het gebeurd in den Dam in een huis waar die boze vijand wonderlijke gebaren in maakte met stenen te smijten en ook met allerlei dingen. En de smijter werd niet gezien. Zo is daar wonder van te zeggen geweest in al den Dam. Alzo dat die man in het huis verborgen was. En ook met zijn wijf die een tovenares was. Dan zoals men zei ze zou het in drie jaren niet gedaan hebben. En ze zou en goede inval gekregen hebben om haar leven te verbeteren. Zo is dat recht daartoe veroorzaakt geworden om dat wijf aan te tasten. Wat geschied is. En dat voornoemde wijf heeft het voort nooit meer gebruikt. En voort die ene de andere tot een voorbeeld als nabuur. (meer anderen zijn als tovenaressen aangeduid, natuurlijk na gepijnigd te zijn die wonderlijke dingen bedreven hadden. En werden verbrand)

En ook zo is daar een tovenaar man gevangen, Aepke Mellens genoemd, die wel tweehonderd rijders per jaar had zo men zei. (Dus vermogend was) en die vrouwen voor genoemd waren daarop gestorven. Dat voor genoemde Aepke hun hoofd heer was. Dan toen men die voor genoemde Aepke pijnigen zou en op de ladder wilde binden om te pijnigen werd hem van de boze vijand de hals gebroken. En dat lichaam werd tot poeder verbrand.

Daar voort daarna tussen Pasen en Pinksteren zijn te Warffum en bij den Dam nog drie tovenaressen verbrand. Die ook wonder dingen belijden gedaan te hebben. Daar men zich wel voor zegenen mag. (Het teken van het kruis te maken)

Nog tussen Pasen en Pinksteren te Godlinze zijn er twee tovenaressen verbrand die ook weel kwaad bedreven hadden. En te Bierum werd een tovenares verbrand. En men zei destijds dat ze de matrone was van die die van tevoren. En zou de anderen dezelfde boosheid geleerd hebben.

En daarna voort na omtrent tien dagen na Pinksteren toen werden er te Midwolde in Vredewold twee tovenaars verbrand. En toen men ze zou uitleiden om op de wagen te brengen zo heeft de ene gevraagd, is dat de wagen waar wij op zullen? Is ze ge antwoordt ja. Metterdaad heeft de boze vijand ze ook de hals gebroken.

Kort daarna de vrijdag na Sacrament toen brak de boze vijand een tovenares op Nienoord in de gevangenis. En werd tot poeder verbrand.

Kort daarna te Dijke in Pietersburen de maandag voor Sint Petrus en Paulus apostels werden daar drie tovenaressen verbrand die zo veel kwaad bedreven hadden als men in een half vel papier beschrijven kon aan beide zijden.

De dinsdag voor de dag van Sint Margaret toen liet Jonker Cristoffer van Eensum die woonde op Nienoord te Midwolde 1 tovenares verbranden bij een ander gericht.

Noch heeft Johan den Holte en Lucas Clant een man laten verbranden die met onredelijke creaturen te doen had. Acte de zaterdag voor S. Jacob apostel.

Noch de woensdag van Sint Petrus een tovenares in Pietersburen verbrand. Die ook beleed veel boosheid gedaan te hebben. En heeft ook meer tovenaressen gebruikt ,dat wonder is zo men zegt.

Daarna de zaterdag voor Sint Laurentius dag toen liet Aepke Onstema een steen metselaar verbranden op het Zuurdijkster Uiterdijk die toen Hansken heette. En was een tovenaar die woonde te Liens in de Marne. En hij plag altijd een werk bij de som aan te nemen. En kon zo veel metselen alleen, zoals men meende, als hem 11 of 111 kalk makers konden aandragen bij hun hals. Dan had hij onzichtbare hulp. Ook zoals men zei zo waar hij eens in het huis gearbeid had daar had hij alle jaren zekere winst uit. En dat door de duivels kunst.

Daarna op Sint Bartholomeus avond liet jonker Cristoffer van Eensum die woonde te Nienoord te Midwolde een tovenares verbrand en Bauwe Rummers genoemd. Die een matrone was van de boosheid voor genoemd, zo men zei. En had ook zo veel boosheid beleden gedaan te hebben daar zich elke Christen mens wel voor zegenen mag. Als van mensen doen te betoveren en ook vele beesten. En het koren op het veld betovert. En ook nog meer tovenaressen bezocht zoals dat gerucht daarvan overal is.

En daarna anno 48 toen heeft het veel vermeerderd. Want anno 47 waren daar zo veel bezig dat de ene de andere heeft beschaamd. (zo men zegt) Want daar waren op ettelijke plaatsen lieden bezig die niet genoemd wilden wezen.

Dan anno vijftig omtrent Sint Jacob toen liet Egbert Bywema en Eeue Heckema Grietmans van Langewold een tovenares vangen die haar zelf meldde en zei dat ze niet zalig kon worden aleer ze haar recht hier ontvangen had. En ze is daarop ook gepijnigd geworden. En heeft beleden zulks te werken en ook veel kwaad had bedreven met toveren, wat men niet zou geloven. En op de avond van onze lieve vrouwe Hemelvaart werd ze te Sebaldeburen tot poeder verbrand.

En dit voort; de persoon heeft ook haar eigen dochter gebezigd. En ook haar dochters kind dat een meisje is van toen (of van elf) jaren, zo men zegt. En haar dochter is gevangen tot Eeue Heckema ’s huis. En de dochter man is ook gebezigd. En is voortvluchtig geworden. Dat een kwaad teken is op zijn zijde waar veel kwaad uit wordt veronderstelt.

Verder anno 1552 werd in Hummerke (;Humsterland) een tovenares verbrand op de uiterdijk in het noordoosten van Ackema huis even de Campen over die genoemd was Katharina toe Mensema die daar woonde en die beleed dat de boze vijand de duivel haar zelf had geleerd en ook met haar had geboeleerd. Die vijand was genoemd Rachger die altijd bij haar kwam als een jonge scheepsgezel. En ze heeft nog ettelijke meer gebezigd, zo ik hoop dat ze haar loon zal krijgen naar haar verdienste. En destijds waren Grietmannen in Hummerke land Balle Hummersma en Audt Sybrants. En dit verder; Katharina stierf in goed berouw. Acte op onze hoogste lieve vrouwe avond te vier Hoogtijden.

Anno verder (etc.) 52, toen waren daar twee mannen gevangen in Hummerke die beschuldigd waren van toverij van Catharina tot Mensema verder, als namelijk Grote Gheert te Barnwerd, Pabe Tritsinge meier. En Catharina voorzegt was daarop gestorven dat ze beide tovenaars waren.

En men zou het wel voorts wel met simpelheid ad gevraagd hebben. Ook zie je hier wel zo veel dat er genoeg uit te merken is. En zo het scheen hadden ze goede vrienden bij de brede. Onder alle grietmannen werd geboden van de Stadhouder en hoofdmannen vanwege Rome keizerlijke majesteit bij de hoogste straffen men zou ze aanzien de brief , los, vrij en leeg laten gaan zonder te pijnigen, zonder enig letsel aan te doen. Ook deze Gheert voor genoemd had lang dat gerucht gehad. En vaak was het hem verweten. En nergens werd het hem met recht verdedigd. Daarom was het een kwade verdenking te hebben.

Nota, de kopie van de heren mandaat dat hierna volgt van woord tot woord en alles inhoudt.

Wij Stadhouder en hoofdmannen der Stad en Ommelanden van Groningen vanwege Rome; Keizerlijke majesteit als hertog van Brabant, Graaf van Holland en erfelijk heer der Stad en Ommelanden voorschreven etc. Gebeden uw onder geschreven vanwege Rome Keizerlijke majesteit; bij ongenade en hoogste bestraffing van de Keizerlijke majesteit; gij van stonden aan zonder enig uitstel zodanige gevangenen als hij in hechtenis hebt zitten. Indien gij geen verder stof of materie hebt dan gij onlangs leden voor ons gebracht hebt wederom uit de gevangenis vrij en los ledig en los te ontslaan. En overal zonder enig letsel of hindernis ze aan te doen laten passeren en dat gij onze mening of laatste afscheid niet na gevolgd te hebben houden we tot gelegener tijd aan ons te bedenken. Dan als gij nog enige stof of materie hebt de gevangene voor aangeroerd en aanroert ons te kennen geven om met de anderen te communiceren. De bode geeft de brief weer bij boete voor geschreven. Geschreven op de 17de dag van december anno 52. Anno 1553 op Sint Antonies avond.

Als op de 16de dag in januari toen werd een tovenaar verbrand te Ezinge. In Middagen land werd Bartoldt Scroer genoemd een Brabander geboren. Die zich onderwond dat hij kon zen zo wie er toveren kon. Onder allen zo had hij een gebezigd, Wibbe Cornelys geheten, met zijn huisvrouw Suttema, meier te Ezinge, woonde naast bij Suttema’ s huis op de Olde Dijk de broer van Grote Gheert in Hummerke. Die tegen de ander gezet worden op hun lijf. En dit voorts; Bartoldt had gezegd dat Cornilys voor genoemd; Anna Suttema, Audt Bauwema huisvrouw, betoverd had zodat ze van een dood geboren kind gescheiden was. Achterna beleed deze voorschreven; Bartoldt dat hij dat zelf en alleen gedaan had. En zei ook dat hij wist van haar niets anders dan goeds. En desgelijks ook van de Hummerse (Humsterland) grote Gheert te Barwerd, dan wat hij gezegd had dat was geschied van haat en nijd. En is daarop gestorven en zei dat daar noch ettelijke tovenaars en tovenaressen waren die in de Marne woonachtig waren. En wel drie of vier onder Onno Tamminge recht. En ook in ettelijke andere rechten in de Marne voorts. En destijds waren rechters te Ezingen de voor geschreven Cornelys Allersma vanwege zichzelf en Johan Hiddinge vanwege Allert Clant te Groningen die bij de Vismarkt woonde. God de heer moet alle dingen ten beste voegen en hij heeft het een lange tijd verminderd.

Summa, dat in Groninger land sinds verbrand 26 tovenaars en tovenaressen in deze zeven jaren voor schreven. God geeft dat het ze goed gaat en de laatste moeten wesen. Zodat de boosheid van de duivel een einde mocht hebben.

Anno 1554 op Sint Bonifatius dag op de 5de dag van juni. Toen werden daar twee tovenares verbrand in het Oldambt. Die ene was een jonge maagd. En de andere was een oude vrouw en die brak de duivel haar hals in de gevangenis en die oude vrouw was zeer vermogend. En die maagd beleed dat die oude vrouw haar zulks geleerd had en haar aan het duivelarij gebracht had. En men zegt dat ze veel kwaads bedreven hadden. En ook hebben ze meer tovenaressen gebezigd. En de Ambt man in het Oldambt thans is Warnier Jarges, Copen Jarges half broeder.

Anno 47 was daar een gevangen uit het kerspel van Zuidhorn Elysabet Micheels genoemd. En haar moeder was in voorleden tijden om toverij om het leven gebracht van de drost te Coevorden, zoals men destijds zei. En die voorschreven Elysabet toen ze gepijnigd werd beleed ze dat ze ettelijke koeien ter dood getoverd had, als namelijk van Bronger Brongersma te Zuidhorn een koe en ook nog veel meer koeien te Zuidhorn en ook op andere plaatsen. Men ging dat aan de lieden vragen hoe de koeien af getoverd werden om de waarheid te weten van het fijne van har koeien voorschreven. En het werd in alle manieren alzo bevonden met de waarheid zoals ze beleden had. En daartoe zo had ze veel gebezigd in Zuidhorn en ook in Noordhorn, ettelijk in Zuidhorn die ok als zeer rijk van erven en goederen waren. En ze een deel lieten denken en vol wilden wezen. Die kwansuis geen naam moesten hebben. Nochtans bij het belijden waren wel 6 of 7 mannen als namelijk heer Peter van Vlitsinge vicaris te Nieuwe Kerk als een notaris, heer Egbertus, pastoor en commissaris van de Nieuwe Kerk, heer Berent, pastoor te Zuidhorn en Egbert Bywema te Faan met meer andere goede mannen. En ook desgelijks ettelijke gebezigd in de kerspel van Nordhorn die ook goed geland en gegoed waren(conclusie). Dat die rijken die men niet noemen moet of dat recht of de rechters die lieden hun eer te beschermen hebben deze voorschreven Elysabet Micheels weer laten gaan. En haar verteringskosten hoog en zeer duur laten betalen. Wat die vrienden liever deden dan naar haar belijden te laten branden. Destijds waren grietmannen in Langewold Rumpt Hekema en Ipe Hayema op het zand. Daarom kan men merken en versta hoe dat de rijken de middelmatige en ook de armen mee voeren; vermaledijde ziekte van toverij bezigden en ook besmet heeft en doen beschermen. Want deze Elysabet voorgezegd zat ook op een groot Oudvader land en molk wel dertig koeien. En hield ook veel mooie paarden na advenant. En was ook bezig op zovele plaatsen van de andere tovenaressen voor hen gebrand. En stierven daar ook op dat Elysabet voorschreven een tovenares was, want ze bij allen ook zulks zelf bekend stond in alle manieren als voorschreven.

En daarmee zo is het een weinig verminderd in gans Groninger land zodat daar niemand meer is aangetast of ook enig meer justitie van gedaan. Alhoewel dat ze bezig waren en in kwade verdenking stonden. Dat moet God almachtig beklaagd wezen. Als het de heer belieft mag het anders gewend worden.

Noch anno 47 zo is daar noch een tovenares geweest te Wasinge huis, (misschien aan het thans gelegen Aduarderdiep bekende Washuis)F enne Jacobs genoemd, die het veer had naar Wasinge huis. En ze had maar een oog. Want ze miste dat rechter oog. En deze voorschreven Fenne was een tijd lang gevangen te Aduard op de poort. Want daar was destijds een onnozele jongen uit de stad Groningen of boor de Boteringepoort woonde die Fenne voorschreven had na gezegd of belezen dat ze een melk tovenares was. En die jonge knecht werd ook aanvankelijk genomen en tegen haar gezet. En destijds was daar een richter te Aduard, een burger uit de stad Groningen die Hermen Elborch was genoemd. En die rechter voorschreven had ook maar een oog en hij miste dat linker ook. Zo mag men zien waar dat rechte volk bij de andere komt (etc.) Similis similem sibi querit. Deze voorschreven Fenne was sterk van vrienden als Egbert bij groot Steentil (brug over het Aduarder diep) dat was haar broeder. En ze had ook vrienden in Groningen wonen. En ook wel vijf volwassen zonen die alle tot mannen gekomen waren. Die alle kwamen te Aduard pochend en opscheppend. En wilden de onnozele jong van het leven hebben en zeiden dat Fenne voorschreven en stelde haar voet en ook de hals tegen de jonge dat hij zulks niet bewijzen kon. In het geval hij zulks niet doen kon zou hij zijn hals verbeurd hebben. En die jongen was zeer zwak van vrienden en ook arm van vrienden. En die richter voorschreven liet Fenne pijnigen met een vossenstaart en streek met een fles en zei hij kon haar niet af pijnigen. Dan men kan denken dat die rechter daartoe werd gekocht van de vrienden van Fenne. Dan de scherprichter zei dat ze een tovenares was want ze had wel twee of drie tekens aan haar dat in alles uitwees dat ze zo een was. Want de scherprichter was in die zaak ervaren zo hij veel ten hoofde (bij het pijnigen) gestaan had zei dat hij wilde zijn leven daarvoor stellen dat ze een tovenares was. Als zulks niet baatte hebben ze de jongen gedreigd te pijnigen of hij zou zeggen hij wist van Fenne niets anders dan goed. Zo die jongen van dat pochen en opscheppen zeer bang werd en had geen troost en dacht zulks heb ik wel te doen. Zei, ik weet van Fenne niets anders dan goed. Daarop is Fenne vrij gelaten (Notate misteria) En de onnozel jongen werd gegeseld. Dat de grote hoop zeer medelijden inboezemde en zeiden dat die jonge geschiede groot onrecht, o iniquus judex. Kort daarna werden meer tovenaressen aangetast in Pietersburen in de Marne die allen gelijk beleden dat Fenne er ook een was. En ze hadden ook de toverij van Fenne geleerde. Zeiden ook van Fenne voort; daartoe waren gedwongen om de boosheid te leren. En ook gaf Fenne voorschreven de ene per dag te loon 6 Groninger penningen en die ander een magerman (soort munt) waarna ze veel boosheid deden. Zulks hoorden de vrienden en zeiden ze Fenne zou haar in Pietersburen aan de dijk wal verontschuldigen. Dan ze trok naar Winsum in alle manieren of ze zich verdingen wilde. En te Winsum komende wist men niet waar Fenne was; stof of vloog. En die anderen stierven daarop waar dat Fenne voorschreven was een Matrone van alle andere tovenaressen. Als het de heer belieft mag het anders gewend worden.

Anno 57 omtrent Sint Bartholomeus toen werd ten Dam een tovenares verbrand die beleed veel kwaad gedaan te hebben. En heeft ook veel meer andere lieden gebezigd van toverij.

Anno etc., 57 omtrent ten hoogste een vrouw. Toen werd een tovenares verbrand ten Dam die destijds heer Rubert (zeker dezelfde Rembertus Bouwsema, priester te Uitwierde, van wiens vervolging vanwege toverij de heer Feith verslag geeft) ook bezigde van toverij. En ook vele andere tovenaressen bezigde. En beleed ook dat ze zelf veel kwaad had bedreven en zei ook dat ze die boosheid terug stelde alsdan liet de boze vijand haar niet ongemoeid of ze moest zulks weer aanheffen en plegen. En toen deze voorschreven persoon uitgevoerd werd om haar justitie te ontvangen zo is heer Rumbert bij haar gekomen en meende zich tegen haar te verontschuldigen en zei; ze zou haar zaligheid bedenken want ze had kwalijks van hem gezegd. Ze antwoorde dat Rummert zou uit haar ogen gaan en maak geen verstoring voor haar zo ze zich nu met God bekommerd had. En wat ze van hem gezegd mocht hebben daar wilde ze op sterven. Want in alle plaatsen daar ze haar dansen en feest gehouden had daar was heer Rumbert altijd bij aan en over geweest. En desgelijks heeft ze ook Fenne te Wasinge weer bezocht.

Anno (etc.) 57 de derde juni toen werden twee tovenaressen de Uithuizen verbrand die beleden dat ze veel kwaad hadden bedreven. En die hebben nog veel meer andere tovenaressen (Vereniging vooral bij de heksendans) gebezigd die met hun altijd in het regiment waren geweest. Als het de heer belieft mocht het anders gewend worden.

Nog anno 57 de 8ste juni toen werden te Uithuizen nog verbrand twee tovenaressen die beleden dat ze veel kwaad hadden bedreven als van mensen en ook beesten. Ook zoals men zegt ze zouden hebben beleden hoe dat ze hadden een creatuur zo groot als een fret die hun melk en boter toe voerde. De duivel had zulks in schijn. Welk dier of fret ze een nam gaven en noemde dat Syertien en als ze dat dier gebruiken wilden zo riepen ze dan Syertien, Syertien en dan zo komt het en gebruiken ze het naar hun manier waarin ze het dan te doen hebben. Als het de heer almachtig belieft die kan het in alles anders voorzien en tot een goed einde wenden. Maar wij moeten God de heer om zijn gratie altijd bidden.

En heer Itens de Oldezijl is rechter geweest te Uithuizen zo deze vier tovenaressen voorschreven werden verbrand.

En anno de 8ste juli werd nog een tovenares verbrand te Sauwerd die ook beleed dat ze veel boze streken mee had helpen bedrijven. En ook altijd met de boze vijand had geboeleerd. Summe summarum allen verbrand in 35.

Zie Verder:

https://Volkoomen.nl