21 oktober

Over 21 oktober

Heiligen van de dag, naamgeving, etymologie, relikwieën, hun werken en plaats, verering, wonderen, sterven, hoe ze afgebeeld worden,

Uit saints.sqpn.com

21 oktober, H. Hilarion, de heilige is tegen het einde van de 3de eeuw in Tabatha bij Gaza geboren, rond 291. In Alexandrië werd hij tot het christendom bekeerd en ging, door de H. Antonius beïnvloed, in de woestijn waar hij tussen Gaza en Egypte een 22 jaar verbleef. In tegenstelling tot de heilige Anthonius verlangde Hilarion naar eenzaamheid en afzondering. Toen hem het ouderlijk vermogen toeviel, verdeelde hij dit onder de armen en trok zich als zeventienjarige terug in de woestijn van Majuma. Toen de heilige Anthonius stierf, ondernam Hilarion een pelgrimstocht naar Egypte, verrichtte genezingswonderen en bracht hem na vele omzwervingen uiteindelijk naar Cyprus, waar hij op tachtigjarige leeftijd in 371 stierf. De hoofdbron van zijn leven, de Զiata Hilarionisՠvan Hironymus is een door sagen omwonden geschiedenis.

Uit wikipaintings.org

21 oktober, Sint Ursula: Latijn ursus: ‘beer,’

Volgens een populaire middeleeuwse legende is Ursula martelares met 11 000 maagden te Keulen. Deze legende komt het eerst naar voren in de ca. 975 ontstane passio waarin verteld wordt dat de koning van Brittannië, Norhus, en zijn vrouw Daria, de verloving vierde van hun enige dochter met de Britse koningszoon Ethere. Over enkele jaren zou het huwelijk gevierd worden. Hield ze niet van hem of wel? Ze vluchtte in haar nood naar pater Gilda. Hij, die het christendom in haar land gebracht had, zou haar helpen. Ze had beloofd ongehuwd te blijven om de liefde van Christus meer waardig te worden. Gilda zou Ursula op haar plichten gewezen hebben die ze als christelijke huisvrouw en heerseres te vervullen had. Maar ze wist dat de Britten in hun hart meer heiden dan christen waren. De vrome man verhaalde haar ook van Rome. Daar regeerde de grote paus Leo waarvoor zelfs Attilla teruggekeerd was omdat die hem in de majesteit van God aangekeken had. Ursula werd steeds stiller.

Om een oorlog te voorkomen, die in geval van weigering dreigde, ging ze schijnbaar op de voorstellen van haar verloofde in maar eiste van hem overgang tot het christendom en een termijn van drie jaar. Van haar vader vroeg zij het gezelschap van 11 voorname jonkvrouwen, ieder met 1000 begeleidsters en 11 schepen. Haar moeder kon het allemaal niet begrijpen, ze zou haar dochter niet meer zien. Ursula troostte haar en zei: ‘ik zal je parels sturen als ik zelf niet meer terug kan komen. Daaraan zal je zien of ik een gelukkig of een smadelijke dood heb gehad. Komen de parels tot je dan bewijst het dat ik mijn eer heb verloren. Hebben ze echter hun glans bewaard, verheug je dan want dan zal ik God zien.’ Een storm dreef de schepen naar Tiel waarna het gezelschap verder zeilde naar Keulen. Daar kregen ze van een engel opdracht om een pelgrimstocht naar Rome te maken waarom ze verder voeren naar Bazel en vandaar te voet Rome bereikten. Op dezelfde manier gingen ze terug naar Keulen, samen met paus Cyriacus die martelaar wilde worden omdat het door een engel de toekomst voorspeld was, dat juist door de Hunnen belegerd werd. Ursula ‘s blonde haar ontvlamde het hart van de aanvoerder en hij bood haar zijn hand. Ook haar begeleiders werden door de heidenen benaderd. Ze hoefden niet te overleggen, de meisjes wezen de aanvragen van de meestal dronken aanbidders af. Die doodden daarop de jonkvrouwen. Ook Ursula werd toen ze zich weigerde te geven aan de Hunnenvorst met een pijl doorboord. Plotseling dachten de vijanden dat ze door 11 000 soldaten (engelen) gevolgd werden en vluchtten. De bevrijde inwoners van Keulen begroeven de lijken. Een vlammende herfstmorgen lag over het land en toen koningin Daria haar venster opende glinsterde het om haar hele huis van witte parels. Elk glansde groot, kostbaar en zuiver. ‘Verheug je, ik zal God zien,’ de koningin herinnerde haar laatste woorden. Dan liep ze naar buiten om parels te verzamelen. Geen een wilde ze kwijtraken, want het was een kostbaar aandenken aan haar dochter.

In 1106 vond men haar gebeente, de gebeurtenis werd volgens een openbaring aan de abdis Elisabeth von Schonau te beurt gevallen en te boek gesteld.

Later werd deze legende verscheidene malen uitgebreid waarmee ook de verering toenam. De kern van de verhalen ligt wel bij een aantal martelaressen in 304, tijdens Diocletianus. Het grote aantal zou een vergissing zijn doordat men het Romeinse getal IXm de M verkeerd gelezen heeft (XI M= 11 000) waarbij M als duizend gerekend werd of doordat men de naam van Ursulaճ metgezel Undecimilla (de kleine elfde) verkeerd begrepen heeft (undecim milia: elfduizend). De M zal wel voor maagden staan. Niettemin heeft de legende sterk op de volksverbeelding ingewerkt zodat haar verering en daarmee de naam zich sterk verspreidde. Vondel gebruikte de naam in Maeghden.

Een priester zag eens onder een braamstruik bijen bezig die een altaar van was aan het maken waren. Hij bouwde daar een kapelletje. Eens zag hij 's nachts een lange reeks in het wit geklede vrouwen. Kort daarna werd bij het werken de lijken gevonden van drie van de elfduizend maagden uit het gevolg van de H. Ursula. Het kapelletje was het begin van de later zo beroemde Premonstratenzer klooster in Altenberg. Patrones van leraressen en van de Ursulinen, de naar haar genoemde congregatie die door H. Angela de Merici in 1535 werd gesticht.

Columbus noemde de Virgin Islands naar haar en haar maagden. In 1520 rondde Magellaan Cape Virgenes en kwam de straat van Magellaan binnen.

Ze wordt meestal als prinses met kroon afgebeeld. Haar attributen zijn pijl in de hand, hals of borst, een pelgrimsstaf en soms ook een kruisbanier of palmtak als symbool voor haar marteldood. Onder haar mantel schuilen vaak enkele jonge vrouwen. Beschermster van jonge vrouwen, pelgrims en reizende, leraressen en schoolkinderen. Ze wordt aanroepen tegen oorlog en voor een goed huwelijk. Spatroon van Keulen, universiteiten van Keulen, Coimbra, Parijs en Wenen. Sinds 1969 is de heilige echter officieel van de kalender geschrapt.

Gelijk Ursula zingt, zo de winter volindt (Limburgs) Ook:

Zoals het weer van Ursula is, zal ook de winter wezen.

21 oktober, H. Wulflagius van Yvois, (Wulfilak, Valfroy, Vulfilaicus, Vulflagius, Vulfolaic, Vulphy, Walfroy, Wulflagius, Wulflaicus, Wulflaik, Wulphy of Wulpy ook van Trier en Carignan).

Hij was afkomstig uit Lombardije en kluizenaar in Yvois, bij Sedan, de enige westerling die als pilaarheilige probeerde te leven. Toen zijn voeten vrieswonden begonnen te vertonen verbood de plaatselijke bisschop hem op die manier verder te gaan. Hij gehoorzaamde en stichtte het klooster Saint Walfroy waar hij zich terugtrok. Is overleden rond 594. Feest 7 juli (overbrenging relieken naar Yvois) en 21 oktober te Metz en Trier.

Hij wordt afgebeeld in een donker habijt, lange witte baard en staat op een pilaar met ene kruisbeeld in zijn hand. Wordt aangeroepen tegen zweren waar hij zelf veel last van had.

We kennen zijn verhaal uit zijn eigen mond. Hij vertelde het aan de heilige bisschop geschiedschrijver Gregorius van Tours ( 594; feest 17 november); deze tekende het op zijn Geschiedenis van de Franken VIII,15-16: Ԕoen ik verder trok, kwam ik in de stad Carignan [tot 1662 Yvois; sindsdien Carignan op last van Lodewijk XIV; zuidoostelijk van de Franse stad Sedan]; daar werd ik hartelijk verwelkomd door de diaken Wulfilak, die mij meenam naar zijn klooster. Dat ligt op een heuvel zo'n acht mijl buiten de stad. Wulfilak had er een ruime kerk gebouwd die algemeen bekend is vanwege haar relieken van Sint Martinus en andere heiligen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door hem te vragen naar zijn bekering: hoe hij, als geboren Langobarden, ertoe gekomen was in dienst van de Kerk te treden. Eerst wilde hij er eigenlijk niet over beginnen; hij schuwde in alle oprechtheid elke vorm van bekendheid. Ik probeerde bij hoog en bij laag vol te houden dat hij juist wel op al mijn vragen in moest gaan en ik zwoer hem dat ik het aan geen levende ziel ooit zou doorvertellen. Het duurde nog een hele tijd voor hij overstag ging, maar uiteindelijk gaf hij gehoor aan mijn bidden en smeken.

'Toen ik nog een kleine jongen was, begon hij, hoorde ik vertellen over een zekere Sint Martinus [ook Sint-Maarten: 397; feest 11 november]. Ik wist toen zelfs niet eens of hij een beroemde martelaar was dan wel gewoon een bekende man van de kerk, wat voor goeds hij allemaal had gedaan tijdens zijn leven en welke plek bijzonder was geheiligd doordat zijn lichaam daar ter ruste was gelegd. Toch begon ik nachtwaken te houden in zijn naam, en elke cent die ik in handen kreeg, gaf ik weer weg als een aalmoes. Toen ik wat ouder werd heb ik erg mijn best gedaan om letters te leren schrijven. Eerst tekende ik ze zorgvuldig over en gaandeweg begon ik te ontdekken wat ze betekenden, als ze in een bepaalde volgorde stonden. Ik werd een leerling van abt Aredius [ook: Yrieux: 591; feest 25 augustus], en hij moedigde mij aan met hem mee te gaan naar de kerk van Sint Martinus.

Toen het moment was aangebroken om weer vandaar weg te gaan, veegde hij bij wijze van een heilige relikwie wat stof bij elkaar van het gewijde graf. Hij stopte het in een klein doosje en hing dat aan mijn nek. Bij aankomst in zijn klooster bij Limoges borg hij het weg in zijn kapel. Die stof begon zich vanzelf te vermeerderen, zodat het tenslotte niet alleen het hele doosje tot de rand vulde, maar ook zijn uitweg begon te zoeken door alle spleetjes en kieren heen. Dat wonder vervulde mij met grote vreugde met als gevolg dat ik al mijn hoop voor de toekomst stelde op de wondermacht van Sint Martinus.

Vervolgens verhuisde ik naar de omgeving van Trier en op de heuvel waar we ons nu bevinden bouwde ik met mijn eigen handen het onderkomen dat je nu voor je ziet. Ik trof hier nog een beeld van Diana aan dat de bijgelovige bevolking van hier als een afgod vereerde. Ik richtte daartegenover een zuil op waarop ik aldoor met blote voeten bleef staan, hoeveel pijn het me ook ging doen. Toen de winter kwam, begon het zo vreselijk te vriezen dat de nagels van mijn tenen vielen, en dat niet n keer, maar bij herhaling; regen bevroor en hing in pegels van mijn baard zoals was van branden kaarsen druipt. Deze streek staat bekend om zijn koude winters.’

Ik was benieuwd wat hij at en dronk en hoe hij erin geslaagd was die afgodsbeelden op zijn heuvel te vernietigen. ‘het enige wat ik had aan eten en drinken was een stuk brood, wat groenten en een beetje water,’ antwoordde hij.’’D҄e mensen uit de omliggende boerderijen begonnen naar mij toe te stromen en ik vertelde ze telkens maar weer dat Diana niets voorstelde, dat haar beeld geen enkele macht bezat en dat de rituelen die zij rond haar uitvoerden niks uithaalden. Ik probeerde ze duidelijk te maken dat de liederen die zij daarbij in hun bezopen uitspattingen zongen, hun eigenlijk onwaardig waren. In plaats daarvan konden ze beter eer betuigen aan de almachtige God, die hemel en aarde gemaakt had. En ik bad dag en nacht dat de Heer zich zou verwaardigen het beeld naar beneden te laten kletteren en deze mensen te bevrijden van hun valse afgodsdiensten. Gods genade bracht inderdaad verandering te weeg in deze boerenharten, zodat ze stilaan begonnen te luisteren naar wat ik ze te zeggen had: ze keerden hun afgodsbeelden de rug toe en gingen de Heer volgen. Toen heb ik een aantal van hen bij elkaar geroepen en met hun hulp was ik in staat het afgodsbeeld omver te gooien.

Dat was overigens niet zo eenvoudig als het klinkt. Tevoren had ik al de kleinere afgodjes omver kunnen gooien: die gingen nog gemakkelijk. Maar voor Diana’ s beeld kwam er een hele menigte samen; ze bonden er touwen omheen en begonnen eraan te trekken om het naar beneden te krijgen, maar ze kregen het met zijn allen niet voor elkaar. Ik was intussen naar de kerk gerend, had me voorover op de grond gegooid en huilde en bad God om hulp: dat Hij met zijn goddelijke macht zou vernietigen wat mensen op hun eigen houtje niet voor elkaar kregen. Na mijn gebed beëindigd te hebben, ben ik weer naar buiten gegaan, wendde mij tot de werklieden en greep het touw vast. Meteen bij de eerste ruk die we toen gaven, kletterde het beeld tegen de grond. Ik heb het verder met ijzeren hamers verbrijzeld en uiteindelijk tot stof geslagen.

Toen ik naar huis ging om iets te eten, zat mijn hele lichaam van top tot teen onder de kwaadaardige zweren; er was geen plekje meer op mijn hele lichaam te vinden waar ze niet zaten. Ik ging de kerk in en kleedde mij voor het altaar uit tot op het blote lijf. Ik had daar al die tijd een flesje met olie bewaard, dat ik destijds nog uit de St-Martinuskerk had meegebracht. Met eigen handen smeerde ik mijn hele lichaam in met die olie. Toen ben ik gaan slapen. Het was middernacht toen ik weer wakker werd. Toen ik opstond om de vaste gebeden te zeggen, ontdekte ik dat mijn hele lichaam weer gezond was, alsof er nooit ergens ook maar een zweer had gezeten. Toen werd het me duidelijk dat die gezwellen waren veroorzaakt door de haat van de duivel. Hij is zo jaloers dat hij alles in het werk stelt om degenen die God zoeken kwaad te doen.

Naderhand kwamen er een paar bisschoppen. Je zou verwachten dat zij mij eigenlijk met wijsheid en tact hadden moeten aanmoedigen en bevestigen in het goede werk dat ik daar begonnen was. Maar nee, ze kwamen zeggen: 'Het is niet goed waar jij hier mee bezig bent! Zo’n duister figuur als jij is niet te vergelijken met Simeon de Pilaarheilige van Antiochië [Simeon de Styliet: 460; feest 5 januari]. Het klimaat hier is niet geschikt om jezelf op deze manier geweld te blijven aandoen. Kom dus van die zuil af en leef samen met de broeders die je rond je verzameld hebt. ‘Ik wist dat ik een ernstige zonde deed, wanneer ik niet aan bisschoppen gehoorzaamde; dus kwam ik naar beneden, trok mij terug met die broeders rondom mij en at voortaan met hen gemeenschappelijk. Op een dag wist een van die bisschoppen mij over te halen naar een wat verder weg gelegen hofstede te gaan. In de tussentijd stuurde hij werklui met breekijzers, hamers en bijlen die de zuil waarop ik al die tijd had doorgebracht in gruzelementen moesten slaan. Toen ik de volgende dag terugkwam, trof ik alleen nog maar brokstukken aan. Ik heb bitter gehuild, maar nooit heb ik het gewaagd die in stukken geslagen zuil weer op te bouwen, want dan zou ik ongehoorzaam zijn geweest aan een bisschoppelijk bevel. Met als gevolg dat ik mij er tevreden mee heb gesteld tussen mijn broeders te leven tot op deze dag.’

Vervolgens vroeg Gregorius aan Wulfilak nog een aantal wonderen te vertellen die er op het graf van Sint Martinus waren gebeurd.

Op 7 juli 979 werden zijn relieken overgebracht naar Yvois.

Hun zinnebeeldige kruiden zijn de klimop, Hedera helix, en de N. Amerikaanse Silphium asteriscus.

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/