Belgisch kruidboek
Over Belgisch kruidboek
Belgisch kruidboek of de Gentsche hovenier. L. A. Delathauwer, Gent. Geeft details over het gebruik, kweken, verzorgen en oogsten van diverse kruiden. Uit; https://books.google.nl/books/about/Het_Belgische_kruidboek_of_de_Gentsche_h.html?id=V_xBAAAAcAAJ&redir_esc=y

Voorwoord, inleiding wordt niet gemaakt. Staat in redelijk Nederlands, waar nodig wordt dit aangepast.
Kaempferia, in ’t Frans Kempfere, in ’t Latijn Kaempferia, is onder de familie van het indiaans Bloemriet gesteld en onder de 1ste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, III., planten die met een meeldraadje per bloem en maar een stampertje hebben .
De lange Kaempferia (Kaempferia longa van Jacquin, (nu Kaempferia rotunda) is een lang levende plant van de Indiën die met dikke, vlezige wortels groeit en grote, mooie bladeren die van boven groen zijn en langs onder een roodachtig kleur hebben die uit die wortels in mei gewoonlijk een schacht spruit, door andere gevolgd, waarop zich meest in juni 6 of 7 eenbladige bloemen in bloeischeden vertonen die purperachtig en zeer liefelijk met wit, rood en zwartachtig violet geaderd zijn.
De Kaempferia galanga van Linnaeus is een lang levende kruid plant van de Oost-Indiën met dikke wortels en grote, eivormige bladeren zonder steel. Deze twee planten die sedert 1816 alhier te lande zijn ingevoerd moeten hier in de warme serre gekweekt worden en kunnen door de gebobbelde wortels vermenigvuldigd worden. Zij worden, met de Kaempferia rotunda in de Indiën veel in de velden geplant ,om alle slag van kruid etende dieren mee te voeden waardoor ze van de vette aard van hun wortels en bladeren zeer voedzaam zijn, maar te walgachtig om van de mensen gegeten te kunnen worden. Ze worden hier om een wonderlijk mooie bloemen van veel liefhebbers geacht.
KAARDENDISTEL, Volderskaarden, in het Frans Cardère, Chardon à foulon, Chardon à bonnetier, in 't Latijn Dipsacus, is onder de 12de klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld der pijpbloem dragende kruid planten; door Jussieu onder de familie van de Steekdistels en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kaardendistel (Dipsacus fullonum van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die alhier in Vlaanderen en ook in de provincie Antwerpen in de moerassen en kanten der vochtige velden groeit, van het zaad dat zich gewoonlijk door de overstromende waters zich verspreid, met getakte stengels van omtrent een meter hoog, bladen zonder steel die getand en gekerfd en witachtig zijn; bloeit hier meest in juli met blauwachtige purperen bloempjes die tussen des tekende bollen op de toppen groeien.
De tamme Kaardendistel (Dipsacus fullonum subsp. sativus van Linnaeus) verschilt weinig in gedaante met de voorgaande, tenzij door de omgebogen schilfertjes. Men vindt deze plant ook veel in het wild groeien te Zwijnaarde en Meerlebeke in de moerassen en kanten der bebouwde landen aan de Schelde, bij Gent; ze vertoont zich meest met bleek blauwe purperachtige bloempjes.
De gekerfde Kaardendistel (Dipsacus laciniatus van Linnaeus, onbekend) die men ook in Vlaanderen in sommige vochtige bossen vindt wordt veel in Frankrijk, Duitsland en elders in de velden gekweekt..
De kleine Kaardendistel (Dipsacus pilosus) en de wilde Kaardendistel (Dipsacus sylvestris van Linnaeus) groeien ook in België̈ op sommige plaatsen in de belommerde en vochtige bossen.
Al deze planten zijn tweejarig; het eerste jaar schieten ze maar bladeren en het tweede stengel die kaarden voortbrengen . De drie eerst gemelde groeien met holle stengels die door scherp-stekende doorntjes bezet zijn en lopen, waaraan elke twee grote lange bladeren groeien zo dicht aan de stelen rond vast zijn dat de dauw en het water dat van de regen valt daarop vast blijft liggen zonder af te druipen. Op het bovenste der stelen groeien die lange stekende bollen die gewoonlijk Kaarden worden genoemd en in de herfst geheel hun rijp worden en verzameld worden en in de fabrieken dienen om wollen lakens en veel andere stoffen mee te kaarden. Deze planten hebbende Griekse naam Dipsacus, die in het Vlaams Dorstkruid betekent , gekregen omdat , zo als we gezegd hebben , de bladeren zo dicht aan de stengels gesloten zijn dat ze altijd het regenwater blijven behouden. Men vindt in de werken van Plinius dat de wortels van de Kaardendistels in de wijn gekookt, fijn gestoten en tot een zalfje bereid, de kloven, fistels en lopende gaten van de aarsdarm genezen als men die daar dikwijls mede bestrijkt; de bladeren worden ook gestoten en gebruikt om de aambeien te genezen. De kundige Lobel zegt dat de tamme Kaardendistels een droge kracht bezitten en tegen de kanker en voort etende zweren mogen gebruikt worden. Het sap van de bladeren in de oren gedaan brengt de wormen om die soms het gehoor beletten; het gedistilleerd water der bladeren is zeer nuttig om de zeren van de mond en de tanden te zuiveren; maar alle delen van deze planten mogen inwendig niet genomen worden omdat ze een hevige dorst verwekken. De wormpjes die men gewoonlijk in de bolletjes van de kaarden vindt, werden ten tijde van Lobel gebruikt om de vierdaagse koorts en de gezwellen en zweren te genezen. Men ziet nog heden die wormpjes door de vissers opzoeken om als aas in hun vishaken te doen om er vissen mee te vangen.
KAASJES KRUID, Wilde Maluwe, in ’t Frans Mauve, in 't Latijn Malva, is onder de 1ste klasse ,6de
sectie der klokvormige bloem planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Maluwe planten en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige, planten die met veel meeldraadjes in een bundel verenigd bloeien en met verscheidene helmstijltjes bloemen.
De planten van deze soort zijn zeer talrijk en bezitten meest alle in de Vlaamse taal verschillende namen ; derhalve zal ik elke van deze planten volgens hun Vlaamse naam op hun plaats beschrijven ,en hier enkel die noemen welke onder de naam van Kaasjes kruid of Papel bladeren zijn bekend en zo hier te lande als elders groeien .
Het welriekend Kaasjes kruid (Malva moschata van Linnaeus) is een lang levende kruidplant van Europa die in België̈ en elders in vette gronden, op onbebouwde velden, aan de kanten der wegen, in de hoven, aan de tuinen en op vochtige plaatsen in het wild groeit met niervormige, brede, groene en gladde bladeren, aan de kanten een weinig gekerfd, die aan de wortels groeien waaruit alle jaren verscheidene stengels spruiten die soms wel 50 of 60 centimeters hoog groeien met verspreide blaadjes en waarop meest van juni tot in de herfst zeer lieflijke bleek purperen roze bloemen bloeien met korte steeltjes die vijf bloembladen in de kelken hebben en ronde platte bolletjes met vliezen bedekt voort brengen, welke de gedaante van een klein kaasje verbeelden en veel zaadjes bevatten. Dit Kaasjes kruid verschilt van het Sigmaars kruid of de Winterrozen (Malva alcea) door de stengel die veel kleinere groeien en doordat de bloemen een zeer aangename Ambrosia reuk verspreiden; maar ze bezitten dezelfde deugden.
Het Kaasjes kruid of wilde Maluwe (Malva sylvestris) is een tweejarige kruid plant van Europa die in België̈ en elders aan alle kanten in de velden ,hoven en wegen groeit, met gewelfde stelen en bladstelen, puntachtige bladeren in zeven vliezen verdeeld en recht gebogen stengels die het tweede jaar uit de wortels schieten en waarop van juni tot in september dubbele bloemen met 3 of 4 bloembladen bloeien die een zeer lieflijk bleek purper roze kleur hebben en zaadjes met vliezen bedekt voort brengen, welke een zeer klein kaasje verbeelden. Het Kaasjes kruid met ronde bladen (Malva rotundifolia van Linnaeus ) is een eenjarig kruid plant, die in België̈ en elders in hoge en droge onbebouwde gewesten en velden groeit met recht buigende stengels, ronde, hartvormige bladeren, in vijf vliezen verdeeld, en bloemen op de stelen die ook zaadjes met vliesjes bedekt voortbrengen.
Het Kaasjes kruid of wilde gekrulde Maluwe, is een plant die men hier gewoonlijk Papelbladeren noemt (Malva crispa van Linnaeus), is een eenjarige kruid plant van Syrië̈ die om zijn deugden ten tijde der Kuisvaarders uit Azië̈ in Europa is over gebracht en in Vlaanderen en elders in België̈ veel in het wild groeit door het zaad dat door de vogels ten alle kanten wordt verspreid en wel meest in vette gronden, aan de huizen, tuinen, hoven en kanten de vochtige bossen, met een stengel van omtrent 70 of 80 centimeters hoog en stelen met rondachtige, hoekige bladen, rondom in een gekruld; bloeit hier meest in september met kleine bloempjes waarop ook kleine kaasjes volgen met vliezen bedekt die veel zaadjes bevatten.
Malva tournefortiana van Linnaeus is een eenjarige kruid plant, die veel in het zuiden van Frankrijk in de velden en aan de bergen groeit, waar Tournefort die eerst heeft ontdekt en die ook de naam van die kundige man behouden heeft. Deze plant groeit met liggende stengels, lijnvormige bladen aan de wortels in vijf verdeeld en bladstelen die langer dan de bladeren zijn; de bloemkransen van deze bloemen zijn omtrent drie of vier maal langer dan de bloemkelken.
Het is, zegt de doctor De Chaux ,in de tamme en wilde Maluwe of Kaasjes kruid dat men al de slijmachtige eigenschappen vindt om de gebreken en pijnen des lichaam te verzachten en de verrotte Deelen uit het lijf te verdrijven. Het Kaasjes kruid in de spijs gebruik geeft redelijk veel voedsel; het sap van dit kruid maakt den buik week, verwekt een zachte kamergang en verjaagt alle kwade vochtigheid uit het lijf. De bladeren egstoten en opgelegd zijn dienstig om alle steken en kwetsingen en de stralen van alle ongedierte te genezen; het sap van dit kruid met olijf- olie bereid en daarmede gestreken, verdrijft alle schilfers, sproeten, plekken en onzuiverheden van het vel en doet het wild vuur, zweren en verbranding spoedig genezen, hetgeen men ook verricht met enkel het kruid en de bladeren stoten en daarop te leggen. Het water waarin het Kaasjes kruid gekookt is wordt ook veel in klysma’s gebruikt; het wordt ook veel aan de koeien, na het kalveren en tegen het bloed pissen, te drinken gegeven, om de knagingen en ruwigheden van de blaas moeder te verzachten.
De Maluwe of Papelbladen, zegt Clusius, zijn, goed gestoten, zeer dienstig om op de gezwellen en harde verzweringen en wonden te leggen; die bladeren, wortels en zaad zijn zeer dienstig in melk, wijn of water gekookt om de gebreken van de longen de heesheid der uitterende mensen te verhelpen.
De bladeren met zout gegeten, zijn goed tegen de pijnen en zweren van de nieren en blaas; de bloemen van het Kaasjes kruid worden ook veel in het kokende water geweekt en als thee gedronken; ze worden door afkooksel in al de borst verzachtende geneesmiddelen met voordeel gebruikt. Dit kruid neemt ook deel inde siroop van de doctor Trousseau ,die te Rennes door de kloosterzusters wordt bereid en wordt in veel andere geneesmiddelen gebruikt.
KALEBAS , i n 't Frans Calebassier , Courge , in ’t Latijn Cucurbita, is onder de 1ste klasse, 7de sectie der klokvormige kruid planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Meloenen of Kauwoerden en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige eenbroederige, met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die op een stengel aangetroffen worden.
De flesvormige Kalebas (Cucurbita lagenaria van Linnaeus) is een eenjarige kruid plant van Zuid -Amerika die hier en elders door de liefhebbers in de hoven wordt gezaaid, onder de Pompoenen is gerangschikt en op de wijze van de Komkommers wordt gekweekt. Daar ik de krachten van de Pompoen met zijn medesoorten op zijn plaats zal beschrijven zal ik hier enkel melding maken van de Kalebas. Het brengt op dezelfde plant mannetjes en wijfjes bloemen voort, groeit met ranken en steeltjes en grote, brede, hoekige, witachtige bladeren en bloeit met witte bladige bloemen die uit de schoot der bladeren spruiten en flesvormige vruchten voortbrengen die van gedaante verschillen, soms als flessen met lange halzen en dan met brede buiken en langs boven wat smaller groeien en meest in de herfst rijp worden. Na het plukken haalt men er de binnenste vlezige gedeelten uit waarna de houtachtige schors een taaie hardheid als leer verkrijgt en dicht is die alle soorten van dranken kan inhouden en van de pelgrims, soldaten en reizigers veel wordt gezocht om met dranken te vullen het binnenste vlees van deze vruchten is koud van aard tot in de tweede graad. Het sap met olie van rozen vermengd verzoet de pijn van de verzworen ogen en is zeer goed om in de ontstoken rode ogen te druipen; het vlees is goed om als pappen op de brandige gezwellen , blaren en andere vurige delen te leggen; het geneest ook de hoofdzweren van de kinderen, maar de binnenste gedeelten van dit vlees gegeten geven aan het lijf weinig voedsel.
Deze Kalebassen worden veel in de hoven van Italië, Spanje, Frankrijk en elders gekweekt om de prieëlen te bekleden daar ze door hun lommerrijke, lange ranken en bladeren en hun witte, lieflijke bloemen een mooie versiering maken.
KALFSVOET, Koortswortel, in ’t Frans Pied de veau, in het Latijn Arum ,is onder de 3de klasse,1ste sectie van Tournefort gesteld, der planten die met figuur-gedaanten bloeien; door Jussieu onder de familie van de Aroïden en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige, veelmannige, met mannetjes en wijfjes bloemen op een stengel.
De gevlekte Kalfsvoet (Arum maculatum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de hoge bossen groeit, veel omstreeks Oosterzele, Eename en elders in Vlaanderen groeit en zonder stengels alle jaren uit de wortels spruit met effen donker groene blinkende bladeren die breed naar de steel, langs boven spit en soms zwartachtig of geelachtig zijn gevlekt; in de lente schiet er meest een steel uit waarop in mei purperen geelachtige knotjes groeien die vuile, witachtige bloempjes geven. Men vindt er een medesoort van die zonder geplekte bladerengroei. De bladen van deze beide soorten gelijken zeer goed aan een piekijzer en hebben ook bijna de gedaante van een Serpentstong.
De slangkleurige Kalfsvoet (Arum dracunculus (Dracunculus vulgaris) van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zuid-Europa die veel in België in de bloemhoven wordt gekweekt en groeit met geknobbelde wortels en grote, vingervormige, gladde, donker groene bladeren aan de wortels, waaruit kruidachtige stengels schieten die bespikkeld zijn, en de kleur van een slangenvel hebben, omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeien en op die toppen hier in juli bloemen bloeien die als hoorntjes langs een kant zijn gerold , een purperachtig donker violette kleur langs binnen hebben en groenachtig wit van buiten zijn.
De vliegen vangende Kalfsvoet (Arum muscivorum of Arum crinitum (Helicodiceros muscivorus)) is een langlevende kruidplant van Egypte, met grote, dikke wortels, in twee verdeelde groene bladen, die alle jaren uit de wortels spruiten en kruidachtige stengels, die uit de scheden groeien waarop in april hier meest hoornvormige bloemen bloeien die een geelachtig wit kleur hebben, met boorden als hoorntjes gerold en van binnen met meeldraadjes en haartjes versierd waaraan de vliegen die door de dood lijfachtige geur welke die bloemen inhouden er naar aangelokt worden, vast blijven, hetgeen zeer wonderbaar is om te aanschouwen.
De serpentkleurige Kalfsvoet (Arum dracontium van Linnaeus (Arisaema dracontium) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die bijna aan de slangkleurige Kalfsvoet gelijkt; ze wordt hier ook in de bloemhoven gekweekt. De Kalfsvoet van Ethiopië (Arum of Calla aethiopica (Zantedeschia aethiopica) is een langlevende kruidplant, die onder de 7de klasse van Linnaeus is gesteld, Heptandria monogynia, planten die met zeven meeldraadjes en een stampertje bloeien. Het groeit hier met grote, pijlvormige, groene bladen en lange, gerolde bladstelen, waaruit in februari stengels schieten die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien en waarop in maart witte bloemen beginnen te bloeien, langs binnen met gele meeldraadjes versierd die de vorm van een hoorntje hebben en een aangename geur verspreiden.
Al deze planten worden hier meest in de volle grond geplant alwaar ze nieuwe jonge bladeren en wortels schieten, omtrent de 10 oktober weer in potten verplant, en voorts in de winter in de oranje huizen of matige serres gezet alwaar ze gewoonlijk vroeger bloemen. Ze kunnen door het zaad worden vermenigvuldigd; maar gelijk dit zaad hier zeldzaam rijp kan verkrijgen worden die planten meest door struikscheiding aangekweekt. Men vindt nog verscheidene andere soorten van Kalfsvoet die in Oost en West Indiën en ook in Afrika groeien waarvan sommige lijsten er welt ot30verschillende bevatten..
Van al deze Kalfsvoeten zijn er enkel twee soorten die om hunne nuttige deugden zijn bekend: van den gevlekte Kalfsvoet (Arum maculatum) die hier te lande groeit, werden voor deze de wortels in het water gekookt, en nadat het water afgegoten was met de spijzen gemengd om de slijmerigheid van de borst goed te doen lossen, voor degenen die met de longziekte, tering en kwade langdurige hoest waren gekweld.
De wortels van de slangkleurige Kalfsvoet (Arum dracunculus) werd ook inde geneesmiddelen voor de benauwdheid, longziekte en terende mensen gebruikt; maar het schijnt dat die middelen heden borst wel te doen lossen, voor degenen die met de longziekte, tering en kwaden langdurige hoest waren gekweld.
De wortels van de slangkleurige Kalfsvoet (Arum dracunculus)werd ook inde geneesmiddelen voor de benauwdheid, longziekte en terende mensen n gebruikt; maar het schijnt dat die middelen heden zijn verworpen en door andere krachtigere middelen zijn vervangen die aan die ziekten meer toepasbaar zijn.
De Kalfsvoeten die in Egypte en in de Indiën groeien, (Colocasia) bezitten een voedzame kracht, maar zijn scherp van smaak en worden wel als slijm poeders op de wijze van de Maniok wortels, gebruikt. De wortels worden opgezocht van de beren, wolven en andere vlees vretende dieren die ze 's winters eten.
KALMIA, in ’t Frans Kalmia, in ’t Latijn Kalmia, is onder de familie van de Oleanderboom gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vind ter heden veel verscheidene soorten van die door de zorg onzer bloemisten uit het zaad zijn gewonnen.
De Kalmia met brede bladen (Kalmia latifolia van Linnaeus) is een langlevend mooi heester-houtgewas van Noord-Amerika en Virginie, dat in struiken, vertakt, wel omtrent 1 meter hoog groei met altijd blijvende groene mooi blinkende, gladde bladeren die eivormig, scherp en zeer lommerrijk zijn; bloeit meest in juni en ook soms in de herfst met trossen op de toppen en allerliefste, klokvormige roze bloemen die inde bloemkelken mooi zijn gespikkeld.
De smalbladige Kalmia (Kalmia angustifolia van Linnaeus)is een langlevend houtgewas van Amerika dat in struiken groeit, zeer vertakt met smalle bladeren ,en omtrent 1 meter hoog groeit met dunne stengels ,roze bloemtrossen en kleine, klokvormige, gespikkelde bloempjes ,die ook in juni en dikwijls in de herfst bloeien. De Kalmia polifolia schijnt hiervan een medesoort te zijn.
De Kalmia glauca (Kalmia polifolia) is een langlevende kleine heester houtgewas van Amerika dat in struiken groeit, maar omtrent 40 centimeters hoog en hier meest in mei bloeit met bloemtrosjes en lieflijke roze bloemen.
De wollige Kalmia (Kalmia hirsuta) bloeit hier meest in september met purperachtige bloemtrossen en wollige bloemkelken.
Men vindt nog de Kalmia lucida, Kalmia oleaefolia, Kalmia pumila, Kalmia humilis, Kalmia floribunda (Pieris floribunda? Anderen zijn onbekend) en meer andere soorten die allen van Amerika hier te lande zijn ingevoerd; maar het is meest uit het zaad van Kalmia latifolia dat men de mooiste en medesoorten verkregen heeft. Men zaait het dun heide grond zodra het zijn rijpheid bekomen heeft op teilen of in potten met 1 of 2 centimeters aarde bedekt. De zaailingen moeten gewoonlijk twee winters in de oranjehuizen verblijven eer men die op hun verblijfplaats verplant. De Kalmia’ s kunnen ook door inleggers van het jonge hout en door uitlopers vermenigvuldigd worden; maar om mooie bloemen te dragen moe ten ze allen in den heigrond, in de open lucht zonder belommering, worden gekweekt. De krachten van deze mooie bloemdragende houtgewassen zijn mij niet bekend.
KALMOES WORTEL, Welriekende Kalmoes, in ’t Frans Calmus aromatique, in ’t Latijn Acorus, is door Jussieu onder de familie van de lis-en welriekende planten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De welriekende Kalmoes wortel (Acorus calamus van Linnaeus) is een lang levende lis plant van Europa die in België en elders in de staande en lopende waters en ook veel bij Gent in de Brugse Vaart groeit en als een lis alle jaren in de lente uit de wortels spruit met ronde scheden ,stengel omvattende bladeren en rolvormige bloeischeden door bloempjes bedekt, met kleine, blote bloemblaadjes zonder steeltjes die tezamen als katjes bloeien en zaadhuisjes in drie hutjes verdeeld voortbrengen; de wortels en alle delen van deze plan zijn zeer welriekend. Dit is gelijk de ware Kalmoes wortels hier te lande groeien, en welke, volgens deze beschrijving iedereen wel kan kennen.
De grasbladige Kalmoes wortel (Acorus gramineus van de Hortus Kew) is een lang levende kruid plant van China die ook in sommige kruidhoven ,in vette vochtige gronden wordt gekweekt en nog zeer zeldzaam hier te lande is verspreid; het heeft de gedaante van het gewone riet.
De eerst gemelde is om zijn deugden van over zeer oude tijden hier bekend: de wortels in poeiers of op alle andere wijze gebruikt, houden een overvloedige buikzuivering in; ze worden door de apothekers veel met andere medicijnen bereid en ook van de paarden meesters gebruikt om de paarden en muilezels van de snotterigheid te genezen. Deze wortels met suiker in een drank of wijn bereid zijn ook zeer dienstig om de galblaas te herstellen en de geelzucht te genezen; ze worden ook als buik- lossing voor sommige anderdaagse koortsen gebruikt; maar te veel in eens daarvan ingenomen, kan ook de ingewanden ver hitten en kwade gevolgen veroorzaken. Derhalve, om alle misbruiken te vermijden is het zeer nodig dat een kundige geneesmeester de dosis aan de zieken voorschrijft, terwijl veel onkundige die wortels op jenever laten trekken en daarvan te veel in eens drinken, hetgeen hindering in plaats van voordeel kan veroorzaken. Deze wortels zijn ook zeer goed om tussen de pelterijen, wollen lakens en klederen te leggen waar ze door hun reuk alle ongedierte en kleerwormen verdrijven.
KAMELLIA, Japanse roos, China roos, in ‘t Frans Camellia, Rose du Japon, in ’t Latijn Camellia , is door Jussieu onder de familie van de Oranjebomen gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige met veel helmdraden, slag van planten wiens meeldraadjes in een bundel verenigd zijn door het samengroeien der helmdraden.
De Camellia of Japanse Roos (Camellia japonica van Linnaeus ,is een lang levend, klein , boomachtig gewas van China en Japan, dat met vertakte stam hier omtrent 1 1/2 meter hoog groeit met gladde en scherp getande groene. Bladeren en meest in april, met allerliefste dubbele roze bloemen bloeit.
De Japanse Roos (Camellia sasanqua van Linnaeus) is een lang levend boomachtig gewas van Japan met altijd blijvende, gladde, groene bladeren op de randen stomphoekig getand, dat hier meest in maart begint te bloeien met zeer mooie bloemen die gewoonlijk maar enkel zijn; het is van de bladen van deze plant dat de Chinezen een kostelijke thee maken die in China zeer wordt geacht. Ten tijde van den kundige leraar Linnaeus waren in Europa enkel deze twee soorten bekend; maar men heeft sedert 30 of 40 jaren deze mooie planten zodanig vermenigvuldigd en op een kundige wijze door het zaad aangekweekt zodat wij heden bij onze bloemisten, hoveniers en liefhebbers wel 800 verschillende soorten en medesoorten met allerlei gedaanten van bladeren, kleuren, enkele, half-enkele en dubbele bloemen vindt, waaronder men rooskleurige, rode, witte ,bonte gestreepte bloemen bemerkt die meest allen door onze kundige kwekers uit het zaad gewonnen of uit vreemde landen hier bijeen verzameld zijn. Gelijk mijn werk te uitvoerig zou worden indien ik al de namen die de Camelia’ s van de kwekers hebben verkregen wilde vermelden ,zal ik mij bepalen met te zeggen dat men de lijsten met al de namen, gedaanten en kleuren der bloemen daarbij aangemerkt, hier kan bekomen bij onze bijzonderste bloemisten die zich bemoeien met die plant voort te kweken en naar alle vreemde landen te verzenden alwaar ze heden onder de naam van Gentse Camellia’ s zijn bekend.
De Camellia’ s worden op de wijze van de Oranjebomen gekweekt en op verscheidene wijzen geënt; ook door het zaad, op teilen, in fijne goed bewerkte heide grond vroeg in de lente in de oranjehuizen gezaaid en door afzetsels, bouturen, op lauwe broeibakken in potten ,onder het glas vermenigvuldigd, hetgeen men van in maart met de voorjarige jonge oogstscheuten verricht en ook in augustus met de lentescheuten van hetzelfde jaar, veel op dezelfde wijze uitoefent om die in de herfst nog wortel te kunnen doe vatten; om hierin goed te slagen snijdt men gewoonlijk aan de eerste oude knop bot van die jonge takjes, door een ronde snee het oude hout tot bijna tegen de knop bot af die men dan inde potten, goed met fijne heigrond gevuld, vast toe stampt en vervolgens die potten op de broeibakken in de run of zaagsel bijna tot boven het trekglas bedekt, zet; wel zorgen dat als die afzetsel wortel hebben gevat die in andere potten te verplanten en die tegen de zonnestralen te beschermen en op tijd water te bezorgen; want hoe meer me n de Camellia’ s op belommerde plaatsen kweekt, hoe mooier, blinkender en levendiger de bladen zich vertonen. Men moet ook wel opletten dat de Camellia 's winters in de oranjehuizen of kamers worden bewaard; maar het is veel beter als men die in een matige serre kan plaatsen alwaar ze beter hun bloemknoppen behouden en vroeger in de lente met volmaakte bloemen bloeien omdat de koude en weinige lucht en ook de grote warmte dikwijls de bloemknoppen doen afvallen. Derhalve moet men trachten die planten ’s winters een goede standplaats te bezorgen en na het bloeien die op een belommerde plaats zetten alwaar de zonnestralen ze niet kunnen hinderen en op tijd die veel met koeienmest en water besproeien; alzo blijven de bladeren altijd mooi blinkend groen en maakt dat dit boomgewas veel grotere knoppen en volmaaktere bloemen voortbrengt.
KAMFERBOOM , Kamfer – Laurier, in ’t Frans Laurier-Camphier, in ‘t Latijn `Laurus camphora, is onder de familie van de Laurierbomen gesteld en onder de klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, slag van planten die met negen meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kamferboom (Laurus camphora van Linnaeus (Cinnamomum camphora)) is een slag van Laurier die in China ,Japan en elders in de Indiën groeit en hier in de oranjehuizen of matige serres wordt gekweekt; het groeit met vertakte stam en altijd blijvende, dikke, eivormige, blinkende, verniste bladen en bloeit hier meest in juni en juli met trosvormige aren en bloemkelkjes zonder kransen, met kleine, witte, ronde bloempjes die ronde, donkere purperachtige steenvruchten met een kerntje voortbrengen.
Het is uit de wortels van deze Kamfer Laurier dat men in de Indiën de beste kamfer maakt die er op de volgende wijze wordt uitgehaald : Men snijdt die wortels eerst in kleine stukjes en laat die dan in een ijzeren pot ,in de gedaante van een distilleerketel met een aarden helm bekroond, in het water koken; in het bovenste van die ijzeren pot zijn koorden van rijst stro gemaakt, schuins gevlochten en de krachten van de kamfer door de damp van het kokende water meegesleept, dringen ineen en verdikken op die koorden, waarop ze enige kleine grijsachtige kamferbroodjes vormen, die er worden afgenomen en alzo naar Europa gezonden, alwaar ze door de apothekers of scheikundigen van alle vreemde stoffen gezuiverd worden. De zuivere kamfer brandt gewoonlijk met een klare, witachtige vlam en houdt veel vluchtige olie in. De geneesmeesters zijn het tot heden nog niet eens over de soort van medicijnen waarin ze met voordeel de kamfer meest kunnen gebruiken; maar het wordt vaan alle ervarene geneesheren als een aandrijvend en ook als een verzachtend, pijn stelpend, verversend en slaapverwekkend middel geacht.
De kamfer, zegt de hoogleraar Chrétie van Montpellier, een der verstandigste geneesheren van dezen tijd, aan de binnenste delen der dij ingewreven stelpt op een voordelige wijze de pijn van een langdurig reuma, de verkouden zinkingen, het sciatica, de heupjicht en de ontsteking der blaas.
Een dooier van een ei goed met kamper ingewreven stelpt de pijn en geneest de verstopping der vrouwen borsten; een pilletje daarvan ingenomen doet de geklonterde melk afscheiden en verminderen. De doctor Alibert schrijft dat hij met de kamfer inwendig te gebruiken, verscheiden maal de onvrijwillige en pijnlijke opgerichte roede, ,als ook de razende moeder kwaal heeft gestild. Al de geneesheren zijn het bijna eens en zeggen dat de kamfer de eigenschap bezit om de gebreken der natuur delen en de gezwellen der blaas en pis vaten te genezen en op het sciatica een krachtig uitwerksel dat onbetwistbaar is heeft; dat de fijne kamfer ook zeer voordelig schijnt om de huizen of kamers te beroken, alwaar besmettelijke ziekten heersen. Men neemt gewoonlijk 12 greintjes om de inwrijven op het binnenste der dijbeen te verrichten en de dosis om inwendig te nemen verschilt van 12tot 16 greintjes, volgens de staat der zieken. De kamfer bezit ook een verrotting belettende en besmettelijke ziekten verdrijvende kracht.
De Kamfer-Laurier wordt alhier op de wijze van de gewone witte Laurier vermenigvuldigd.
KAMILLEBLOEM, Kamille kruid, in ’t Frans Camomille, in ’t Latijn Anthemis, door Tournefort Chaemoelum genoemd en onder zijn 14de klasse,3de sectie gesteld der Straalbloemen; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige velachtige overbodige; planten die door de meeldraadjes op de kopjes verenigd bloeien en uit verscheidene bloempjes zijn samengesteld, bloemkelken die als een halve bol zijn geschikt en in meer dan vijf bloemstralen hebbe, en stroachtige vruchtbodems, zonder pluimpjes bekroond, voortbrengen.
Het verheven Kamille kruid (Anthemis nobilis van Linnaeus (Chamaemelum nobile)) is een langlevende kleine kruid plant van Europa die om zijn deugden in perken en boorden in de hoven wordt geplant en bij de aarde groeit met kleine gevleugelde ,lijnvormige, scherpe blaadjes; bloeit meest van juni tot in augustus met kleine, dubbele, witte bloempjes die de vorm van een zilveren knopje hebben en zeer sterk ruiken; het kruid verspreidt ook een aangename geur. Deze Kamille bloemen houden zeer veel vluchtige olie en kamfer in en bezitten een aandrijvend middel om tegen de afgaande koortsen te gebruiken; door hun warme natuur zijn ze ook zeer goed om de zenuwen te herstellen. De bloemknoppen van dit Kamille kruid, vers of droog in het kokende water geweekt en als thee gedronken worden zeer geacht om de buikpijn die soms door koliek en rommelingen in de is vergezeld te stelpen; en laten de steen en het graveel rijzen en gemakkelijk pissen en verzachten de pijn der zijde. Het Kamille kruid en de bloemen met witte wijn bereid, zijn zeer dienstig om de aanvallende koortsen te verdrijven: twaalf van die bloemen omtrent een halve liter water gekook ten gedronken is genoeg om die koortsen aanstonds te stelpen; Clusius zegt dat de Kamillebloemen, met ajuin bereid, wel de vallende ziekte genezen. Er wordt ook een olie met de Kamille bloemen gemaakt, die tegen de voormelde kwalen wordt gebruikt; de Kamille bloemen gedronken zijn ook zeer goed om de vrouwen hun natuurlijke krachten, na het baren, te doen herkrijgen, de weedom te verzachten en alle smarten weg te nemen; ze worden ook in de baden gebruikt.
Het Ververs-Kamille kruid (Anthemis tinctoria van Linnaeus) is een langlevende kruid plant van Noord-Europa die op sommige plaatsen in de zuidelijke delen van België, Duitsland en e elders in ’t wild groeit en hier ook in de kruidhoven wordt gekweekt; het groeit met gevleugelde, getande en gekerfde bladen en stengels van omtrent 40 of 50 centimeters hoog, waarop van juni tot in oktober grote ,donkere bloemen bloeien die zeer mooie gele stralen in de ronde der bloemkelken hebben en waarvan alle delen een mooie verf bevatten
Het stinkende Kamille kruid of wilde Kamillebloem (Anthemis cotula van Linnaeus) is een eenjarig kruid dat in Vlaanderen en elders in België in de velden groei met stengels, gele meeldraadjes, witte stralen in de kelk en kegelvormige vruchtbodem; het is stroachtig en behaard en alle zijn delen houden een stinkende geur in en bezitten de krachten van het Moederkruid, waarop die plant ook gelijkt.
De Veld-Kamillebloem (Anthemis arvensis van Linnaeus),die ook veel in Vlaanderen in de velden groeit gelijkt wel aan de voormelde, uitgezonderd dat de zaadjes met kroonwerkjes zijn gerand; het houdt ook dezelfde krachten in.
Men kweekt hier nog in de bloemhoven de Arabische Kamille- bloem (Anthemis arabica?) van Algiers, die van juli tot september met lieflijke oranjekleurige bloemen bloeit. De Anthemis rigescens van Willdenow (Cota triumfetti subsp. triumfetti) en de Anthemis nigricans van Donn, (Cota triumfetti subsp triumfetti) worden hier om hun mooie bloemen in de hoven gekweekt. Alle deze planten worden door struikscheiding en door het zaad vermenigvuldigd, en willen in alle gronden zeer goed aarden.
KAMPERNOELIE , Paddenstoel, Wolvenbrood, in het Frans Champignon, in ’t Latijn Agaricus, is onder de 17de klasse, eerste III.. sectie van Tournefort gesteld , der kruiden die noch zichtbare bloemen noch vruchten dragen; door Jussieu onder de familie van de Kampernoelies en onder de24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia, planten die verborgen bloemen en vruchten dragen.
Deze wonderbare planten, waaronder men zeer veel verschillende soorten vindt ,die in Europa en elders groeien en waarvan de onderzoeking en beschrijving nog onvolledig is, zijn zeer talrijk in hun medesoorten; men vindt in sommige kruidkundige lijsten meer dan 300 verscheidene soorten beschreven en de heer Vaillant allee ,in een werk dat hij over de Kampernoelies heeft geschreven, telt er 160 die enkel omtrent Parijs groeien, waarvan soms op 30 er maar 2 eetbaar zijn en al de andere min of meer een vergiftige kracht inhouden; derhalve is het zeer zorgelijk voor de onkundige mensen die geen volmaakte kennis van de eetbare Kampernoelies hebben die te plukken, daar ze zich in gevaar stellen van dikwijls een vergiftige voor een eetbare te plukken, omdat de kleuren waar die planten meest kenbaar aan zijn soms de besten kenner kunnen doen twijfelen; want, bij voorbeeld, de ware oranje Kampernoelie, die voor goed en eetbaar wordt herkend is dusdanig gelijk aan de valse oranje, die nochtans een spoedig dodelijk vergift inhoudt, dat de beste kenner zich zeer gemakkelijk daar aan zou kunnen misgrijpen . Alzo is het ook met vele andere soorten, de ene eetbaar en de anderen vergiftig, die weinig verschillen.
De ware eetbare oranje Kampernoelie, die gewoonlijk in het Latijn Agaricus, Amanita aurantiaca wordt genoemd, (Agaricus bisporus) groeit in de bossen, met van boven een geel, effen, mooi oranje kleur ; de valse oranje Kampernoelie, Agaricus, Amanita unicaria, (?) heeft ook een effen geel kleur, maar valt soms binnen zijn wasdom met witte en geelachtige plekjes, vooral als die enige dagen ouderdom bekomen heeft.
De Kampernoelies, ,Amanita bulbosa alba, (Mycena bulbosa) Amanita citrina, (Amanita citrina) Amanita viscidus ,(Suillus viscidus) die hier in de weiden, bossen en elders groeien, rond bolachtig groeien en, een groen geel kleur hebben en witte plekjes verkrijgen, zijn ook zeer geweldig vergiftig. De Kampernoelie (Boletus perniciosua ?)die zeer goed aan den Boletus edulis, die eetbaar is, gelijkt ,is ook zeer vergiftig, groeit in de bossen en elders en is langs boven donker bruin en van binnen rood. De Kampernoelies Agaricus fuliguionus en Agaricus herpeticus , (??) die hier ten alle kanten groeien met lorken zwam en nagelpoeder-kleur van boven bedekt, zijn ook zeer bedrieglijk en moeten juist op tijd als ze uit de aarde spruiten en met kennis geplukt worden; ;anders loopt men gevaar van in het eten ongevallen te ontmoeten die kwade gevolgen kunnen hebben.
De Kampernoelie( Agaricus fumitaris van Linnaeus?),die op de mesthopen en elders groeit wordt vers geplukt en ook van sommigen in de warme landen gegeten. Maar die voor de beste Kampernoelie van veel liefhebbers wordt geacht, is de Agaricus edulis, (Boletus edulis) die in Frankrijk, omtrent Parijs, veel wordt gekweekt en de enigste is van al de Kampernoelies ,die men zonder vrees van vergeven te zijn mag eten, vooral als die op tijd wordt geplukt; het heeft eerst van boven een witachtig bruin en langs binnen een vuil witte kleur en verkrijgt door de lucht een donker- bruin of naar het geel hellende kleur.
In g val van vergiftiging door de Kampernoelies veroorzaakt, hetgeen men maar te dikwijls inde dagbladen bemerkt dient men aanstonds de zieken veel zoete melk of olie met wijnen en enige druppels zwavelzuur er in gemengd te drinken te geven, in afwachting dat men een kundige doctor er bij roept om den zieken alle nodige hulp toe te brengen.
Men kweekt gewoonlijk de Agaricus edulis en de Agaricus campestris van Linnaeus, die hier ook in de moerassen groeit ,en in sommige landen veel gegeten wordt, op de volgende wijze : Men neemt het paardenmest met de keutels, goed door de paardenpis doorweekt, wat men daartoe acht of tien dagen in de stal onder de paarden laat liggen van de tijd totdat het door elkaar is gemengd, en leg dit buiten op een hoop van omtrent 2 meters breed en 50 centimeters dik of hoog, maar wel van het hooi en andere vuiligheid gezuiverd, alwaar men het zestien of achttien dagen inde volle lucht laat en als het droog wordt met water besproeit; daarna legt men dit mest in een kelder of in een besloten plats ,op omtrent 50 of 60 centimeters dikte en nadat het wit beschimmeld is, bedekt men het met 5 of 6 centimeters vette en fijne aarde; vervolgensmet 6 of 7centimeters stro bedekken stopt men wel alle luchtgaten van den kelder of plaats toe, en enige tijd daarna beginnen de Kampernoelies daarop onder het stro boven te schieten Men moet de Kampernoelies op deze wijze gekweekt, zachtjes plukken en afdraaien om de wortels van de jonge planten, die altijd aangroeien, niet te hinderen ;aldus kan men wel drie maanden lang Kampernoelies van dezelfde mest plukken. Men kan ook op een andere wijze de Kampernoelies winnen, met de paardenmest in de winter in een kelder te laten liggen tot dat het geheel beschimmeld is en dit met de lente op een warme hoop mest te leggen met 10 of 12centimeters aarde bedekt; wel drie maanden lang zullen er veel goede Kampernoelies op groeien die door de lucht beter en smakelijker worden en op tijd geplukt goed eetbaar wezen.
KANEELBOOM,, in 't Frans Laurier cannellier, in 't Latijn Laurus cinnamomum, is onder de familie van de Laurierbomen gesteld en onder de 9de klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, planten die met negen meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kaneelboom (Laurus cinnamomum van Linnaeus, (Cinnamomum verum) is een langlevend boomgewas van Ceylon dat heden in de Oost- en West-Indiën zeer veel wordt gekweekt en hier in de warme serres als een klein boompje groeit, zeer vertakt met lange, eivormige ,blinkende en geribde toegespitste bladen en trosvormige aren op de toppen, met kleine, witachtige bloempjes die een zeer zoete aangename geur verspreiden. Het is van de tweede schors dat de beste kaneel komt die de handel naar Europa gezonden wordt; het zijn die kaneelstokjes die hier in poeiers worden bereid en als specerij in de keukens gebruikt .
De kaneel bezit een welriekende, vluchtige olie en veel run en wordt derhalve als een stoppend en slijm verdrijvend middel geacht; het is zeer dienstig voor den langdurige buikloop, de langdurige vallingen en om de longspieren aan te drijven; het doet ook zachtjes de fluimen lossen en uitwerpen. De kaneel, schrijft de doctor Dubois van Rochefort, met kina en rabarber gemengd ,is een der beste middelen om de flauwe magen aan te drijven en de spieren der maag te bewegen; met rijst water bereid en daarvan gedronken kan het zachtjes stoppen en aanprikkelen.
De Kaneelboom (Laurus persea, (Persea americana)van de Antillen Eilanden, verschilt zeer weinig van den voor vermeld, tenzij door de vruchten die een peerachtige gedaante en een violette kleur hebben en een zeer aangename smaak bevatten; ze worden in de eilanden waar ze hun rijpheid verkrijgen veel gegeten.
De Cassia-Kaneelboom (Laurus cassia) (Cinnamomum cassia) is hier ook sedert enige jaren bekend.
Al deze Kaneelbomen moeten hier in de warme serres ge kweekt zijn en kunnen door inleggers en afzetsels, op warme broei bakken vermenigvuldigd worden.
KANKERBLOEM , Schurftbloem, Wilde Melkdistel, in het Frans Hypocharide, in 't Latijn Hypochaeris, door Tournefort Hieracium genoemd en onder zijn 13de °klasse,1ste sectie gesteld, der half bloemdragende planten; door Jussieu onder de familie van de Cichorei en Andijvie en onder de 20ste klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige-veelachtig gelijk bloeiende.
De gevlekte Kankerbloem (Hypochaeris maculata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die veel in Vlaanderen en elders in België, aan alle kanten in de droge moerassen, ,weiden en hoven groeit, in struiken met lange, eivormige, getande bladeren, bij de wortels ten gronde gestrekt, waaruit alle jaren in mei bloot een van boven vertakte stengels schieten, die omtrent 25 centimeters hoog groeien en waarop roodachtig getekende en geschelpte bloemkelken groeien, die bijna de gehelen zomer gele bloemen dragen, met stroachtige vruchtbodem, welke aan de Pisbloemen zeer goed gelijken en zaadjes met pluimpjes bekroond dragen die door de wind naar alle kanten vliegen en zo zichzelf vermenigvuldigen. De gladde Kankerbloem (Hypochaeris glabra van Linnaeus) is e en langlevende kruidplant van België die in Vlaanderen en elders in de velden groei met puntige en bochtig getande bladeren, blote, vertakte stengels en kleine, gladde, overeen liggende bloemkelken, waarop bijna geheel de zomer kleine gele bloempjes bloeien, welke zaadjes ook door de pluimpjes naar alle kanten vliegen.
De Wortel-Kankerbloem (Hypochaeris radicata) is ook een langlevende kruidplant van België, die aan alle kanten in de moerassen en elders wast en alle jaren uit de wortels spruit; het groeit met plompe, oneffen, bremvormige bladeren, blinkende, blote, vertakte stengels, omtrent20 centimeters hoog en een weinig geschulpte bloemkelken op de steeltjes, waarop grote bloemkransen en bijna de gehele zomer gele bloemen bloeien.
De Zwitserse Kankerbloem (Hypochaeris helvetica van Linnaeus (Onosma helvetica?) groeit veel in Zwitserland tussen de gebergten met lansvormige, getande bladen en enkele stengels met bladen bekleed; bloeit met hoog gele, eenbladige bloemen.
Deze Kankerkruiden of gewone wilde Melkdistels zijn zeer verkoelende van aard en bezitten bijna de krachten van het Papenkruid en Pisbloem kruid, maar zijn meer verdrogende van aard en zeer bitter van smaak; derhalve worden ze zeer weinig in de huishoudens als toekruid gebruikt, maar door hun melkachtig sap, zijn die kruiden zeer goed om de koeien, geiten, konijnen ,enz., te voeden die er zeer op verlekkerd zijn; ze worden hier te lande ook veel wilde Melkdistels en Konijnenkruid genoemd. Dit kruid in pappen op de verzweringen van kankers of gezwellen gelegd doet die zonder pijn weldra openbreken en het melkachtig sap van deze planten op de wratten gedruppeld doet die in korten tijd verdwijnen. Eindelijk, dit kruid wordt in verscheidene gebreken op de wijze van het Papenkruid gebruikt.
KAPPERBOOM in ’t Frans Caprier, in ’t Latijn Capparis, is onder de 6de klasse,5de sectie der roosvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kappers en onder de 13de o klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, slag van planten die van twintig tot honderd helmstijltjes op de kelk vastgehecht en maar een stampertje hebben.
De gewone Kapper boom (Capparis spinosa van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Zuid-Europa en de oosterse landen dat hier in struiken groeit, gerankt met dunne takjes, ronde, gehele bladeren en bladstelen verenigd en beschermd door twee krom gebogen doorns, die na het vallen der bladen scherp prikkelen; bloeit hier meest in juni met zeer lieflijke, grote, witte bloemen die lange meeldraadjes in de kransen en gewoonlijk vier bloembladen in de kelken hebben en bessen voortbrengen met een schors bedekt die een hutje en veel zaadjes inhouden. De bloemknoppen van deze Kappers worden gewoonlijk in Frankrijk en elders geplukt en verzameld eer de bloemen zich ontsluiten en met Venkel en zout ingelegd om ’s winters in de keuken met de spijzen te gebruiken op de wijze als men hier met de bloemknoppen van de brem doet; ze worden als toekruid met olie en azijn gegeten. In Frankrijk drijft men een grote handel in die Kappers die naar vreemde landen worden gezonden, en voor zeer gezond zijn geacht, vooral voor de mensen die met het scheurbuik, graveel of steen zijn gekweld. Ze zijn ook zeer goed tegen de gezwellen en gebreken van de milt en kunnen ook de koortsen verdrijven; het zaad van de Kappers, in den azijn gezoden en warm in de mond gehouden stilt de tandpijn. De wortels worden ook door afkooksel of in poeiers als afdrijvend middel tegen de verstopping in de onderbuik en voor de bleekzucht gebruikt.
De Kapper bomen worden meest door het rijpe zaad in de herfst op teilen, in de oranjerieën vermenigvuldigd om nadien te verplanten en ’s winters in de oranjehuizen tegen de koude te bevrijden. Maar men zou die ook wel aan de hoeken in het Zuiden, aan de muren, tussen de andere leibomen kunnen planten met de takken bij de grond af te snijden en de struiken wel met zorg te dekken die gemakkelijk alle jaren hoog uitschieten en ook veel uitlopers geven.
KAPUCINE-KERS, Indiaanse Kers, in ‘t Frans Caрucine, fleur potagère, in 't Latijn Tropaeolum, van Tournefort Cardamindum en onder zijn11de klasse, 2de sectie gesteld der planten die met figuur, gedaante en bloemen; door Jussieu onder de familie van de Geraniums en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De kleine Kapucijnen-Kers (Tropaeolum minus van Linnaeus) is een eenjarige plant van Peru die in het jaar 1580 eerst in Europa is overgevoerd; het groeit met rankachtige stengels en schildachtige bladen en bloeit hier bijna de gehelen zomer met vijf ongelijke, scherpe bloembladen en sootren die geel-achtig en met borstelige haren zijn bekleed; de bloembladen zijn getand en met haartjes gerand.
De grote Kapucijnen Kers (Tropaeolum majus van Linnaeus) is een eenjarige plant van Peru die sedert 1684 in Europa is overgebracht; het groeit hier met lange, gerankte en zwakke stengels en schildvormige bladeren; bloeit van juni tot in de herfst, ook met gele bloemen die aan de eerst gemelde zeer goed gelijken en zaadjes in groene vliesjes bewimpeld voortbrengen, welke op de wijze van de Komkommers worden ingelegd om met de spijzen als toekruid te eten. Men plukt die gewoonlijk groen als ze de grootte van een erwt verkregen hebben; in Frankrijk en elders worden ze veel op de wijze van de Kappers bereid om ’s winters te eten. De bloemen eb stelen die een prikkelende en aangename smaak bevatten worden ook vers als toekruid met de salade en andere spijzen gebruikt. Het sap wordt ook uit de stengels, bladeren en bloemen geperst en als een scheurbuik genezend middel van de zeevaarders gebruikt. Deze Kapucijnen- Kers bezit dezelfde krachten en al de eigenschappen die de Fontein-Kers inhoudt en is derhalve onder de moeskruiden gesteld. De bloemen van de Kapucijnen Kers vertonen in den zomer een wonderbaar verschijnsel dat Mevrouw Linnaeus zelf eerst in haar hof, in de maand juli
heeft bemerkt: als het binnen de dag mooi, helder zonneschijn heeft gemaakt dan ziet men omtrent den avond in het midden van deze bloemen gedurig een blinkend licht schitteren dat als een glinsterend elektriciteit vuur sprankelt. Het schijnt dat dit licht, wat omtrent zonsondergang uit die bloemen straalt, eigen is aan een stof die door de zonnestralen getroffen wordt en brandt naar mate dat die bloemen zich 's avonds sluiten. Deze Kapucijnen Kersen worden vroeg in de lente in de bloemhoven gezaaid om prieëlen te bekleden of aan stokken te leiden daar ze door hun mooie gele bloemen de hoven in den zomer fraai versieren. Men kweekt hier nog in de warme serres de dubbele Kapucijnen- Kers (Tropaeolum flore pleno) die met aller lieflijkste, dubbele, hoog gele bloemen de gehelenzomer bloeit, door afzetsels wordt vermenigvuldigd en altijd levend blijft.
KARWEI, in ;’t Frans Carvi , Girole, in het Latijn Carum , is onder de 7deo klasse,1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia umbellatae, planten die met vijf meeldraadjes en twee stampertjes kroonvormig bloeien.
De Karwei (Carum carvi van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België en elders in de vette velden en moerassen, aan de kanten der lopende rivieren die 's winters overspoelen groeit met gevleugelde bladen en holle stengels die van boven vertakt en met kleine blaadjes bekleed zijn en omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeien, waarop meest in juni kroonvormige geschikte, witte bloempjes en wijde kransjes bloeien die zwartachtige, lange zaadjes voortbrengen, welke de gedaante van het Anijs zaad hebben. De wortels van deze plant zijn lang en dik, wit geelachtig van kleur en sappig en hebben de smaak van de Pastinaken. Men vindt deze plant veel in de Leer moerassen van Gent; het groeit ook veel te Moortzele en Scheldewindeke, in de moerassen aan de beek en wordt om zijn deugd ook in sommige kruidhoven gezaaid; het wordt in sommige landen als de Spinazie bereid en in de keuken gebruikt. Het zaad van de Karwei is warm en droog van aard tot bijna in de derde graad, heeft een matige scherpe eigenschap en bijt een weinig op de tong; maar het heeft een aangename smaak, verdrijft de winden, verteert de spijzen, verwarmt de maag en maakt een goede adem; het wordt ook op de wijze van het Anijs zaad met de jenever gedistilleerd en ook in sommige landen veel met brood in koeken gebakken, waaraan het een aangename smaak verschaft .De wortels van dit kruid worden van de zwijnen gretig gezocht en zijn zeer dienstig om hen van het ongans vuur te bevrijden. Dit kruid heeft in onze taal de naam van Karwei uit de Griekse naam Caros verkregen en bij de apothekers wordt het zaad gewoonlijk Carui genoemd.
KASTANJEBOOM , in ’t Frans Chataignier, in ‘t Latijn Castanea, is onder de familie van de Ahorn bomen gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige met veel meeldraadjes; er zijn mannetjes en wijfjes bloemen, ie op dezelfde boom gescheiden zijn.
De tamme Kastanjeboom (Castanea vesca van Willdenow (Castanea sativa) is een langlevend boomgewas van Zuid-Europa dat in België in dreven en bossen wordt geplant en zeer dik en hoog groeit, met langwerpige, lansvormige, getande en gekerfde bladeren. Men vindt er de volgende medesoorten van die waardig zijn hier gekweekt te worden : de koninklijke witte, de groene, de pourtalonne die gewoonlijk drie kerntjes inde schulpen heeft met grote, rondachtige vruchten en de Kastanje-Marron die gewoonlijk maar een kern in de schulpen heeft, welke rondachtig, dik en zeer smakelijk is. Het is meest van dezen Marronboom , dat men in Zuid-Frankrijk, Italië en elders op de gewone Kastanjebomen ent die aldus door het af enten verbeteren en grote vruchten voortbrengen. Deze enten aarden hier ook zeer goed op de gewone Kastanjebomen en geven vruchten die men voor Lyons Marrons kan laten doorgaan. Ik heb die proeven op mijn gewone Kastanjes gedaan met enten die ik uit Zuid-Frankrijk had medegebracht en krijg alle jaren vruchten die de grootte van de Lyons Marrons hebben; maar die bomen zijn in een rij geplant en goed beschermd tegen de koude noordelijke winden die dikwijls in het bloeien het teelt- stof der bloemen doen mislukken en beletten dat die bomen vruchten dragen gelijk in de warme landen. Ik moet hier doen opmerken dat al deze soorten van Kastanjebomen van natuur een goede ,vruchtbare grond beminnen; want in vaste, stijve of pot aardachtige gronden doen ze slechte voortgang.
De lage trosachtige Kastanjeboom (Castanea chincapin (=Castanea pumila) en de dwerg-Kastanjeboom (Castanea pumila van Willdenow) zijn van Noord-Amerika en kunnen ook zeer wel onze luchtgesteldheid weerstaan; ze dragen vruchten die een weinig kleiner zijn, maar van een zeer aangename smaak en worden bij sommige liefhebbers in de tuinen geplant.
Het voort kweken der Kastanjebomen geschiedt meest door de vruchten die men ’s winters in het droge zand te meuken zet en met het voorjaar in goeden grond, omtrent 20 centimeters van elkaar en 7of 8 centimeters diep plant en na 2 of 3 jaren groeien voorts op 50 of 60 centimeters vierkant van elkander verplant, maar eerst de penwortels naar behoren afsnijdt waardoor ze beter hun groeikracht hervatten. De ondervinding heeft me geleerd dat men geen jonge Kastanjes voor de winter mag verplanten, maar wel in maart of april. De Kastanjes worden veel tot spijs in de huishoudens gebruikt; ze zijn smakelijk en lekker, om als vulsel in de kiekens, ganzen, kalkoenen, eendvogels, enz., te doen.
In sommige plaatsen van Savoie, Italië, Frankrijk en elders, waar deze bomen veel in de bossen en aan de bergen groeien worden de vruchten zeer veel als spijs gegeten : als er gebrek aan granen is of in dure tijden leven er een grote menigte mensen van deze vrucht die ze braden en eten of wel malen en brood van bakken; met welk meel ze ook goede pappen koken en koeken maken .Men kan de Kastanjes lang vers bewaren, met ze op hopen te leggen en met veel zand te overdekken zodat er geen lucht bij kan komen die ze laat bederven. Men plant heden veel bossen en rijen van die Kastanjes die zeer voordelig zijn en aan de kwekers een groot inkomen opleveren; want de takken van 6 of 7 jaren zijn zeer kostbaar tot het maken van hoepels, om vaten, tonnen, wijnstukken en kuipen te binden; het hout van de dikke bomen is heel hard en wordt veel geacht tot allerlei timmerwerk, voor balken in huizen, planken, latten, kassen ,ribben en kliphout, om wijnstukken en andere vaten, tonnen, enz., mee te maken.
KASTANJE-EQUINA BOOM, Indiaanse Kastanje, Paarde- Kastanje, Wilde Kastanje, in 't Frans Marronnier d' Inde, in ’t Latijn Aesculus, door Tournefort Hippocastanum genoemd, is onder de familie van den Ahorn boom gesteld , en onder de 7de klasse van Linnaeus, Heptandria monogynia, bomen die met zeven meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben
De Kastanje-Equina boom (Aesculus hippocastanum van Linnaeus ) is een grote langlevend boom gewas van Oost Indiën, dat in het jaer1550 eerst naar Wenen, in Oostenrijk werd overgebracht en sedert vandaar in geheel Europa is verspreid, alwaar het zeer goed aard en een dikke en hoge boom wordt die spitsvormige, zeer vertakt groeit, met bladstelen waaraan zeven geribde en fijn getande bladeren groeien die in de zomer zeer lommerrijk versieren; het bloeit hier meest in mei met witte, purperachtig gespikkelde bloemen die een zeer aangename en welriekende geur verspreiden.
De Pavia Kastanje Equina boom (Aesculus pavia van Linnaeus) van Amerika is een langlevende grote boom die van gedaante en bladeren op de voormelde gelijkt maar acht meeldraadjes in de bloemkransen heeft.
Deze bomen groeien in het land van hun afkomst wel 20 of 25 meters hoog en worden hier vermenigvuldigd door de rijpe vruchten, die men in de herfst verzameld en vroeg in het voorjaar, nadat ze ‘s winters in het zand te meuken gestaan hebben, geplant; na 3 of 4 jaren verplant men die weer op een goede verblijfplaats, enkel de penwortels wat inkorten waardoor ze weldra hun groeikracht hervatten. Het hout van deze bomen is zeer week en voos en derhalve weinig goed voor timmerwerk; de vruchten zijn zeer bitter van smaak en worden door de mensen niet gegeten; maar gekookt en het water daarvan af ge goten, lossen ze zeer gemakkelijk van de schil en gestampt of droog gemalen zijn ze zeer voedzaam voor de varkens, geiten en koeien die er wel melk van geven; ze zijn ook zeer dienstig om in de voeding der paarden en ezels te mengen ,vooral om de n hoest en benauwdheid te genezen; waardoor ze ook in sommige streken den naam van Paarden Kastanje verkregen hebben .Die vruchten worden ook zeer geacht voor de werkdieren die bloed spuwen en met een kwade hoest gekweld zijn; gedroogd en daarna in poeiers gestampt, met gerstemeel en azijn gemengd en een pap of pleister van gemaakt, zijn ze zeer dienstig voor de gezwollen vrouwenborsten; dit poeier, zegt de geneesheer Amaury Duval, met lijnzaad meel in kokend water geweekt en op het fondement gelegd is een der beste middelen om de pijn van de aambeien te stelpen die het weldra doet verdwijnen.
De knopbotten, eer de bladen zich beginnen te ontwikkelen, bezitten een vette olie waarmede men sedert enige jaren aambei zalf maakt die zeer geacht wordt; die olieachtige vette stof wordt veel door de reukmaker met andere ruikende stoffen bereid om het haar zwart en te laten groeien.
Men kweekt hier nog in sommige lusthoven tot afwisseling der bloemdragende houtgewassen de Aesculus flava van Willdenow; de Aesculus macrostachya , van Michaux of Aesculus parviflora van de Hortus Kew., en de Aesculus ohioensis, (Aesculus glabra) van het eiland Ohio die allen uit Amerika alhier zijn overgevoerd en door inleggers, uitlopers of door de vruchten worden vermenigvuldigd.
KATOENBOOM , Katoen plant, in ’t Frans Catonnier, Arbre à coton. In ’t Latijn Gossypium, van Tournefort Xylon, en onder zijn 1ste klasse, 6de sectie gesteld der klokvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Maluwe planten en onder de16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige, slag van planten wiens meeldraadjes in een bundel verenigd bloeien en verscheiden stijltjes hebben.
De Katoenboom (Gossypium arboreum van Linnaeus) is een langlevend, half houtachtig plantgewas van de Indiën, dat met houtachtige stam, handvormige bladeren en lansvormig zaad- vliesjes groeit en bloeit met dubbele bloemkelken, van binnen met drie bloembladen die zaadhuisjes voortbrengen in vier hutjes verdeeld en met lange wollen omwindsels bekleed, welke het katoen zijn dat hier en elders tot het kaarden, spinnen en weven wordt gebruikt.
De Katoenplant (Gossypium religiosum (?)van Oost-Indiën ,is een langlevend houtachtig gewas met vertakte en zwart gespikkelde stam, scherpe bladen en drie zaad liesjes die van onder een kliertje hebben en ook bloemen en zaadhuisjes, met veel lange wol omwonden, voortbrengen.
Deze twee Katoenplanten worden hier in sommige warme serres gekweekt en door het zaad, uitlopers en afzetsels vermenigvuldigd.
Men vindt nog andere van die belangrijke planten die heden in Oost- en West-Indiën en andere warme landen worden gekweekt en volgens de warmte der luchtgesteldheid der plaatsen, alwaar ze geplant worden, meer of minder katoen voortbrengen, zoals; de Gossypium hirsutum, die in de Barbados groeit, de Gossypium latifolium ((Cochlospermum gossypium)) en de Gossypium Barbadense die veel in de beide Indiën groeien.
Het Katoenkruid (Gossypium herbaceum) is een eenjarige kruidplant van Amerika die ook alle jaren veel wordt gezaaid. De nuttige eigenschappen van deze belangrijke planten zijn van iedereen goed bekend, om daarvan een uitvoerige beschrijving te geven.
M. De Rohr, natuurkundige die op last van het Zweeds staatsbestuur 20 jaren in Amerika heeft verbleven , om de kweek der Katoenplanten na te sporen, schrijft dat het klimaat van Europa geen warmte genoeg bezit om deze kostbare planten te kunnen kweken. Nochtans M. Delasterie, na al de warme gewesten van Europa doorreisd te hebben is van een geheel ander gevoelen; hij zegt in zijn werk over die planten geschreven dat de Katoenplant met voordeel in Sicilië, Calabrië, Malta en in de warme gewesten van Spanje gekweekt wordt, alwaar men sedert verscheidene jaren, en gedurende de duurte der katoen wol grote plantages heeft aangelegd. Mr Felix Beaujour die verscheidene jaren in Griekenland heeft verbleven verzekert dat het klimaat van Zuid-Frankrijk voordeliger is dan dat van Macedonië, alwaar veel Katoenplanten worden gekweekt.
KATOEN GRAS ,in 't Frans Herbe à coton, in 't Latijn Filago, is door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia necessaria, noodzakelijke veelwijverij of noodzakelijke samenhelmige, een slag van planten die met veel meeldraadjes versierd bloeien; de bloemen van de schijf zijn tweeslachtig, die van de omtrek vrouwelijk.
Het Veld-Katoengras (Filago arvensis van Linnaeus) is een eenjarige grasachtige plant van Europa die in België en elders op vele plaatsen in 't wilde groeit met trosvormige aren op de stengels en kegelvormige bloempjes, die zijdelings hellen en zonder vruchtbodem of pluimbosjes bekroond groeien. Deze plant bezit in al zijn delen een mooie gele kleur en wordt in vele landen, na het bloeien, verzameld en van de ververs gebruikt om alle slag van zijde en andere stoffen geel te verven.
Het klein Katoengras (Filago pygmaea van Linnaeus (nu Filago minima) is een eenjarig grasachtig kruid dat veel in Vlaanderen en elders in de droge grachten groei, maar geen bijzondere krachten bezit.
De Filago germanica (Filago vulgaris) groeit veel in Duitsland, Zwitserland en elders in 't wild; maar het is alleen de Filago arvensis die een gele verf inhoudt.
KATTENKRUID, Nipte, in ’t Frans Cataire, Herbe aux chats, in ‘t Latijn Nepeta, van Tournefort Cataria; door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
Men vindt heden 18 verschillende soorten van dit kruid die in Europa en elders groeien en waarvan ik er enkel drie zal beschrijven die nuttige en heilzame delen inhouden en ook voor geneesmiddelen worden gebruikt.
Het gewone Kattenkruid (Nepeta cataria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Europa die in Vlaanderen en in de provincie Antwerpen veel op vochtige plaatsen, aan de wegen, in de moerassen en grachten groeit met gestreepte stengels die alle jaren uit de wortels spruiten, aan de toppen vertakt zijn en omtrent 50 centimeters hoogte bekomen, en met hartvormige, getande en aan de boorden gekerfde bladen; bloeit van juli tot in september met aren trosjes op de toppen, die bleekgele en witachtige bloemen hebben .Geheel dit kruid is met wolachtig grijze dons bekleed en zeer zacht bij het aantasten; het wordt ook veel om zijne deugden in de Kruidhoven bij de medicijn planten gekweekt.
Het violetkleurig Kattenkruid (Nepeta violacea van Linnaeus ?) is een langlevende kruidplant van Spanje waarvan het zaad in het jaar 1579 eerst aan Clusius werd gezonden die deze plant alom in België heeft verspreid; het wordt hier in de bloemhoven gekweekt en groeit met stengels en bladstelen omtrent 30 of 40 centimeters hoog, en hartvormige, lange, getande bladeren; bloeit met ronde aren of trosjes en violetachtige bloempjes.
Het gebobbeld Kattenkruid (Nepeta tuberosa van Linnaeus (Nepeta nuda) is een langlevende kruidplant van Spanje en werd van Clusius Menthastrum tuberos aradile genoemd; hij had die plan te Wenen in Oostenrijk uit het zaad dat hij van Spanje had verkregen gewonnen en heeft die vandaar ook in de Nederlanden verspreid. Her wordt hier in de zomer in de volle grond geplant, maar kan zeer moeilijk onze winterse koude weerstaan; derhalve is het zeer voorzichtig de struiken in potten in de oranjehuizen te bevrijden.
Deze kruiden worden meest door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd, en ook door het zaad, vroeg inde lente, op teilen, in de oranjerie gezaaid en vandaar in de volle grond verplant. Die drie soorten van Kattenkruid zijn heet en droog van aard scherp van smaak en door hun aangename reuk worden ze zeer geprezen om de langdurige hoofdpijn te verdrijven; ze worden ook veel voor de smet der maag en voor moeder kwalen gebruikt; ze genezen nog al de gebreken die uit de slijmachtige en ruwe vochtigheden en van de winden komen. Het sap van dit kruid met wijn of honingwater gedronken is zeer goed voor diegenen die geborsten en van hoog gevallen of geslagen zijn. Het Kattenkruid, zegt Clusius ,in de badstoven gedaan en daarin de vrouwen gebaad verwekt de maandstonden en bevordert de vruchtbaarheid. In sommige streken van Spanje, Italië en elders worden de jonge toppen en bladen als toekruid met de salade en moeskruiden gegeten waaraan die een aangename smaak geven, de eetlust verwekken, door hun lieflijke geur de hersenen versterken en ook het ingewand verzachten.
Dit kruid heeft de naam van Kattenkruid verkregen omdat de katten in zijn aangename reuk behagen schijnen te vinden, want ze strelen zich gewoonlijk rond dit kruid en eindigen met zich daarin te wentelen en er de toppen en bladeren van te eten. Bij de apothekers wordt dit kruid gewoonlijk Nepeta genoemd, en is van sommigen ook hier te lande wilde Munt geheten.
KEIZERSKROON, Paas lelie, Kievitsbloem, in 't Frans Fritillaire , in 't Latijn Fritillaria ,is onder de 9de klasse,4de sectie der leliebloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Licht bloem-planten, onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Keizerskroon (Fritillaria imperialis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Perzië die in België in de bloemhoven wordt gekweekt en groeit met groene ,gehele bladen en stengels die van in februari uit de bloembollen spruiten omtrent 60 centimeters hoog en waarop meest in april rondom de bovenste toppen wonderbare, klokvormige bloemen hangen die hol zijn; in het onderste gedeelte der bloemkelken bloeien de meeldraadjes die de lengte van de bloemkransen hebben; de bloembladen zijn gespikkeld, gelijken op de kievitspluimen en vertonen zich zeer lieflijk met groenachtige kransen die de vorm van een kroon hebben. Men heeft enige medesoorten door het zaad verkregen; die witachtige, gele, dubbele en enkele bloemen hebben; maar de bloemen van deze plant, uit het zaad gewonnen, veranderen soms van kleur; ze zijn dikwijls geel, bleek geel, geelachtig bruin, gespikkeld. Deze Keizerskroon is eerst door Clusius in het jaar 1576 uit Wenen naar België gezonden, alwaar het heden alom is verspreid en alle 3 of 4 jaren door bloembol scheiding in nieuwe verse grond wordt verplant; dan draagt de plant veel mooiere bloemen.
De Perzische Keizerskroon of Kievitsbloem (Fritillaria persica van Linnaeus) is een langlevende bloembol plant van Perzië ,die met een stengel en veel langwerpige, zonder steel bladeren, omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeit en hier in mei bloei, met trossen en 20 of 25 mooie, grote , blauwachtige, violet gespikkelde bloemen.
De bont gestreepte Keizerskroon (Fritillaria meleagris van Linnaeus ) is een langlevende plant van Europa die met dunne stengels en smalle, scherpe bladeren, maar omtrent 20 of 25 centimeters hoog groeit en meest in april bloeit met gespikkelde, bonte bloembladen, die aan de pluimen van een parelhoen gelijken Men heeft hier en elders door het zaad veel verscheiden soorten van die planten bekomen die heden onder de volgende namen zijn bekend :Fritillaria flora luteo pleno, Fritillaria flora rubra pleno, F. coccinea, F. maxima, F. aureovariegata, F. Williams en meer andere die in Nederland zijn gewonnen, door de handel veel worden verspreid en om hun mooie bloemen worden gekweekt. De krachten van deze bloemen en bollen zijn tot heden van niemand bekend noch beschreven.
KELKBLOEN, in ’t Frans Calycanthe,, in het Latijn Calycanthus, is door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloem- planten gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria polygynia, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen en verscheidene of veel stampertjes hebben .
De Kelkbloem van Carolina (Calycanthus floridus van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van de Carolina Eilanden, dat in struiken, zeer vertakt wel 1 ½ meter hoog groeit met bruinachtige grijze schors, hout dat zeer welriekend is, en grote ,eivormige, donkergroene, over elkander staande bladeren; bloeit van mei tot in juli, met purper bruine bloemen die als fluweel zijn gekleurd en waarvan de bloemkelken en kransen gedeeltelijk om hellen en een krans verbeelden waardoor de plan zijn naam verkregen heeft uit het Griekse Kalix- Anthos, dat in onze Vlaamse taal Kelkbloem betekent.
De Kelkbloem met blinkende bladeren (Calycanthus laevigatus (Calycanthus occidentalis) is ook een langlevende heester gewas van Noord-Amerika dat met helder bruine bloemen en witte kopjes op de meeldraadjes bloeit.
De kleine Kelkbloem (Calycanthus nanus) van Amerika , groeit hier een derde kleiner, maar heeft lange, blinkende bladeren en kleine bloemen die een aangename geur verspreiden.
De Kelkbloem van Japan (Calycanthus praecox van Linnaeus (Chimonanthus praecox?) bloeit maar met vijf helmstijltjes en heeft verscheidene stampertjes; derhalve zou ze moeten onder de 5de klasse van Linnaeus gesteld zijn.
Men vindt hiervan nog een medesoort met grote bloemen (Calycanthus praecox grandiflorus), van Japan, met blinkende, lansvormige bladeren die gewoonlijk met geelachtige ,ronde bloemen, langs binnen gerold, bloeit.
Deze planten worden om hun aangename reuk, hier veel inde lusthoven onder de andere bloemdragende houtgewassen gekweekt en door uitlopers, die ze genoeg geven, vermenigvuldigd; ze kunnen ook door het rijpe zaad ,dat men vroeg in de lente op een bijzondere plaats zaait, aangekweekt worden.
De bloemen worden veel verzameld en door de reukwerkers gebruikt om riekende water mede te maken en het haar te parfumeren.
KEMELHOOI, riekende Bies, in ‘t Frans Pature de chamaeu, in ‘t Latijn Schoenanthus, is onder de familie van de Biezen gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Kameel hooi (Schoenanthus of Juncus odoratus van Dodonaeus (Cymbopogon schoenanthus) , is een langlevende plant van Afrika die in Algiers en elders in Arabië veel in de woestijnen groeit, in struiken met grasachtige, dikke, stijve stengels, die aan de wortels schelpvormig te samen in elkander zijn gewonden en van boven met voorwaarts gebogen, spitse, dunne, uitgespreide bladeren die zeer blinkende zijn; het groeit wel 30 of 40 centimeters hoog, gelijkt wel aan het Rietgras of Bieze, en bloeit met bleek- rode, geelachtige bloemen met kafachtige bloemschubbetjes die langs buiten rood en langs binnen wolachtig zijn en de reuk van den Cyperus of Rietgras hebben. De bladeren van deze planten gestoten of tussen de vingers gewreven, verspreiden een zeer aangename reuk die de hersenen doet bewegen. De jonge toppen van de planten worden in Afrika en elders in de hete landen verzameld en vers en droog als hooi gebruikt om de kamelen te voeden. De dromedarissen, de kamelen en andere grote kruid etende dieren die in de woestijnen verkeren voeden zich meest met de jonge loten van die planten en weiden die soms tot aan de wortels af.
Deze plant wordt in sommige kruidhoven van Italië gekweekt, maar kan hier onze koude winters niet weerstaan en moet in de oranjerie bevrijd zijn; het kan door het rijp zaad en door wortel- scheiding vermenigvuldigd worden.
KEMP, Kennip, Hennip, in ’t Frans Chanvre, in ‘t Latijn Cannabis, is onder de 15de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Netels en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizige met vijf helmstijltjes; de mannetjes en wijfje bloemen zijn afzonderlijk op twee verschillende planten aanwezig, het wijfje draagt geen vruchten als het mannetje daarvan te ver verwijderd bloeit en het aldus het teelt stof van het mannetje niet vat; men noemt die gewoonlijk in de kruidkundige termen Kemphaan en Kemphin. De Kemphaan bloeit met meeldraadjes in de kelkjes , zonder kransjes, en draagt geen vruchten; de Kemphin bloeit met eenbladige en zijdelings open bloemkelkjes, zonder kransjes, en brengt twee geschelpte vruchten of zaden tussen elke bloemkelk voort.
De Kemp (Cannabis sativa van Linnaeus) is een eenjarig houtachtig kruidgewas van Perzië dat van over zeer oude tijden in Europa en alhier in België is ingevoerd en alle jaren in de velden, hoven en elders in mei wordt gezaaid; het groei met spitsvormige stengels meer dan 1 1/2 meter hoog en ruwe, gevleugelde bladeren.
De kweek en al de heilzame deugden van deze plant zijn iedereen goed bekend om die alhier op te noemen, men zou ten anderen hierover een geheel boekdeel kunnen schrijven; zo als voor eerst de wijze van den Kemp te kweken, rootten en bewerken om die tot het spinnen te bereiden en linnen, zeilen en alle slag van koord werk mede te maken. Het Kemp zaad , waarvan men olie maakt, dient ook om alle slag van pluimgedierte te voeden, wordt zeer nuttig op verschillende wijzen in de geneesmiddelen gebruikt, en is bij de apothekers onder den naam van Chenevis bekend. De verkoel drank die men van dit zaad maakt nadat men het in poeiers gestampt heeft is een der verzachtendste middels om in alle vurige ontstekingen met voordeel te gebruiken; pappen daarvan gemaakt, zijn zeer dienstig om op de vurige en harde gezwellen te leggen; dit zaad in witte wijn lang geweekt en gedronken geneest de verstopping van de lever; maat teveel daarvan ingenomen klimt naar het hoofd en verwekt een domme slaap; daarom wordt het hennep zaad met voorzichtigheid inwendig gebruikt. De jonge stengels van de Kemp in de kamers waar veel vlooien zijn gelegd, doen die vluchten en sterven, en als men de Kemp in het water kookt en er de huizen of kamers mee wast verdrijft dit water alle vlooien, wormen en andere ongedierte; dit water aan de paarden te drinken gegeven, drijft alle wormen uit de buik af, het gedistilleerd water van het Kemp zaad of kruid geneest ook alle zweren en gezwellen van het hoofd en is nog zeer goed om op de jicht te leggen; de takken van de Kemp in de bedsteden gelegd, verdrijven de weegluizen, enz.
KERSENBOOM, Kerselaar, Kriekenboom, Kriekelaar, in het Frans Guignier, Cerisier, in ’t Latijn Prunus cerasus, is door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemdragende bomen gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, bomen die met twintig en meer helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Ik zal eerst de Kersenboom beschrijven omdat de krieken gewoonlijk op de Kersenbomen geënt worden en de kiempjes van die vruchten geplant, altijd maar wilde kersen voortbrengen, welke aan die der moederplanten zeldzaam gelijken, maar nochtans soms ook sappige en smakelijke vruchten zijn; ik zal ook die met dubbele bloemen vermelde welke in de lusthoven als versiering om hun lieflijke bloemen worden geplant. Men vindt onder dit slag de grote rode Spaanse Kersen en de witte Kersen die nooit rood worden, maar zeer smakelijk zijn; de grote zwarte Kersen die zeer sappig en smakelijk zijn en de Sint-Jan Kersen die vroeg hun rijpheid verkrijgen.
De bonte Kersenboom (Bigarreautier),met witte geelachtige vruchten en die met gele vruchten; de mooie Rochmont met grote vruchten met helder rood oppervliesjes naar de kant der zon en geel aan de schaduw; de bonte Kersen met gele vruchten van België; de grote bonte rode en vele andere die zeer sappig en zoet zijn en een verversende smaak inhouden, worden hier allen om hun goede vruchten in april op de wilde stammen van de gewone Kersen geënt.
De Kersen met dubbele bloemen (Prunus cerasus floro pleno (Prunus padus), bloeien hier meest in april met aller mooiste dubbele, wit gespikkelde bloemen die de hoven lieflijk versieren.
De Vogelkersen met dubbele bloemen (Cerasus silvestris floro pleno, bloeien in het begin van mei, met mooie wit gespikkelde bloemen, in tuiltjes verenigd die wel op de dubbele Ranonkels gelijken en waaronder men enige medesoorten vindt, die kleine dubbele bloemen dragen. Al die Kersenbomen met dubbele bloemen dragen geen vruchten, uitgezonderd de Wijn-Kersen en de Gulden-Monds-Kersen die halve dubbele bloemen hebben en vruchten voortbrengen; ze worden ook allen op de stammen van de gewone wilde Kersen in de kloven geënt.
De Kriekenboom (Prunus cerasus van Linnaeus) is een lang- levende boom van Azië die uit Bithinië ,na de veldslag van Nicodemie 75 jaren voor Christus geboorte door de beroemde en vermaarde Lucullus, Romeinse consul en bevelhebber van het leger van Azië eerst naar Italië is gezonden en vandaar in Frankrijk en verder in België is verspreid geworden alwaar het tot heden om zijne gezonde vruchten gekweekt wordt. Onder den nam van Krieken worden heden veel soorten begrepen, die van elkander enigszins in gedaante, kleur en smaak verschillen, en ook bekend zijn onder de naam van Krieken, Morellen, Griotten, Waterlozen, Brugse Krieken met korte stelen, noordse en Brusselse Krieken, Portugezen, mond- morencise Krieken, Montreuilse Krieken die bij Parijs gewoonlijk vroeg rijpen en hier Waterlozen worden genoemd welke allen een geurige, wijnachtige smaak inhouden. Men vindt onder de Morellen en Griotten die aan de muren worden gekweekt, de grote koninklijke Morellen, de blauwe Morellen, de muskadel Morellen, enz.
De Kriekenboom met trosjes (Cerasus padus (Prunus padus) van Italië ,die maar omtrent 2 o f3 meter hoog groeit met groen levende bladeren bloeit in mei met mooie trossen en witte bloemen, die bittere zwarte vruchten geven, waarvan de medesoort, Cerasus padus rubra, kleine rode bittere vruchten voortbrengt.
De welriekende Kriekenboom (Cerasus mahaleb) van Italië, bloeit in juni ,met bloemtrossen en zeer welriekende, witte bloemen; maar de vruchten van deze boom zijn niet eetbaar.
Alle de gemelde Krieken worden hier in maart of april op de gewone Kersenbomen geënt en willen in onze matige luchtstreek wel aarden, maar begeren van natuur een goeden verse ongemeste grond en willen in kleiachtige grond niet aarden; ook als ze geplant worden waar andere Krieken- of Kersenbomen gestaan hebben willen ze niet groeien, en eindigen met te kwijnen en na enige jaren te sterven, hetgeen ik dikwijls bij het planten van die heb bemerkt. Wanneer de Kriekenbomen beginnen gom uit te werpen is dit doorgaans een teken van hunne zwakheid waarna ze dikwijls eindigen met te verdrogen. Bij het verplanten van de geënte Krieken of Kersen moet men naar evenredigheid der wortels het hout of-- takken inkorten en voort bij het planten ze goed met aarde tussen de wortels voorzien omdat de minste holligheid of lucht die in de put blijft de wortels doet schimmelen. Bij het snoeien als de bomen wel hun groeikracht hebben gevat mag men nooit de jonge takken te veel inkorten, maar wel de oude takken alle 3 of 4 jaren van boven insnoeien; dan maakt de boom mooi gewas en zijn de vruchten smakelijker.
De Krieken, Kersen en Morellen zijn rauw zeer verversende, inzonderheid in hete tijden; want zij verkoelen en verslaan den dorst, verkwikken en worden voor zeer gezond geacht. Zij dienen ook voor de keuken om verscheidene lekkernijen mede te bereiden. De Krieken of Morellen met suiker gekonfijt zijn zeer aangenaam en mogen zo wel van de zieken als gezonden genuttigd worden; ze versterken het hart en lessen de dorst.
Men maakt ook met de Morellen een aangename ratafia waartoe men eerst de stelen afsnijdt, dan de vruchten op brandewijn met kandij suiker en een stokje of twee kaneel enigen tijd laat trekken, en aldus een lekkere drank bekomt. In Duitsland, Zwitserland en elders waar veel Krieken groeien wordt er een geestrijk water mee gedistilleerd waartoe men eerst de rijpe Krieken met de kerntjes klein stampt, dan in een kuip laat gisten en te samen distilleert of overhaalt, hetgeen een goeden geestrijke drank verschaft die onder de naam van Kirsche wasser is bekend. Men maakt met de Morellen ook een goede wijn en in de wijnlanden wordt het sap met sommige wijnen gemengd om er een mooie kleur en een aangename smaak aan te geven. Het sap van de Krieken en zwarte Morellen wordt ook veel gebruikt om kriek bier te maken en faro mee te bereiden, daar het aan al die bieren een aangename smaak verschaft. Het krieken sap wordt ook inde medicijnen gemengd; met suiker gekookt en gezuiverd kan hete enige jaren tegen het bederf bewaren.
KERVEL, Kervel kruid, in 't Frans Cerfeuil, Aiguille, in ’t Latijn Scandix, is onder de 7de
klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormig geschikte bloemdragende planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het riekende Kervel kruid (Scandix odorata van Linnaeus (Anthriscus cerefolium) is een langlevende kruid plant van de Alpen Gebergten die in België ook in de zuidelijke provinciën groeit, veel in de kruidhoven wordt gekweekt en een aangename geur verspreid. Het Kervelkruid (Scandix cerefolium van Linnaeus) is een eenjarige kruid plant die hier veel in de moeshoven alle jaren wordt gezaaid en als toekruid in de keuken om zijn goede smaak wordt gebruikt .Deze kostelijke kruid plant bezit zeer vele deugden, de wel riekende geur die deze plant bevat wordt toegeschreven aan een zeer gele olie, door de heer Thomson ontdekt die er de bestaande krachten van heeft bemerk. Het sap van de Kervel, zegt hij, is een uitmuntend pis afdrijvend middel en zeer goed om door alle waterzuchtige mensen gebruikt te worden. De doctor Desbois van Rochefort, schrijft dat dit sap noodzakelijk moet gebruikt worden, om in de verstoptheid der lever spieren en de geelzucht, een ware goeden uitslag te bekomen; het is ook een goed middel om in pleister bereid het koningszeer en de kliergezwellen te genezen. Dit kruid en de wortels worden ook in pleister bewerkt om de gezwellen der vrouwenborsten en de verstoptheid der geklonterde melk, na het gevolg van een kraambed te verdrijven. De droge Kervel, in poeier gestampt en met honig en zoet varkens vet bereid, geneest den beginnende kanker en het voort eten van de zeren; de wortels op witte wijn laten trekken zijn zeer goed voor de mensen die met de steen of graveel zijn gekweld.
Men zaait gewoonlijk de Kervel in maart of april in goede bereide aarde aan de zonnekant ,in de moeshoven; het bloeit nog binnen het jaar en brengt zaad voort. Men zaait voort deze Kervel van mei tot in september om in de keuken te gebruiken; het zaad kan men drie jaren bewaren. De Scandix odorata wordt ook door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
De gewone Kervel (Scandix anthriscus (Anthriscus sylvestris) groeit hier in Vlaanderen aan de hagen.
De Naaldenkervel (Scandix pecten (Scandix pecten-veneris) zal ik in een bijzonder artikel beschrijven.
KEULE, Boonkruid, Kuen, in 't Frans Sariette, in 't Latijn Satureja ,is onder de 4de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen e naakt zaad dragen.
De Hof-Keule (Satureja hortensis van Linnaeus) is een eenjarige kruid plant van Italië die in België veel in de moeshoven wordt gezaaid en groeit met een vertakte stengel omtrent 20 centimeters hoog, en tweebladige steeltjes waarop van juli tot in de herfst witachtige, purper roze en ringvormige geschikte bloempjes bloeien; deze plant waarvan al de delen een welriekende geur bevatten is warm en droog van aard n wordt derhalve als toekruid bij de salade en om andere moeskruiden, zo als platte Bonen en peulvruchten in te leggen in de keukens gebruikt; het geeft een aangename smaak .
Dit kruid, dat warm gemaakt is en van buiten op den buik gelegd doet de wurgingen, krimpingen en opstijgingen der moeders die door winderigheid veroorzaakt zijn in korte tijd ophouden en verdwijnen. Deze Keule zaai die wel op de plaats waar die eens gestaan heeft zichzelf uit.
De Berg-Keule (Satureja montana van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruid gewas van Italië dat hier in de Kruidhoven door wortelscheiding in de lente wordt vermenigvuldigd; het bezit ook een warme smaak.
De Winter-Keule (Satureja thymbra van Linnaeus) wordt hier inde oranjehuizen gekweekt en door afzetsels vermenigvuldigd. Al de delen van deze plant verspreiden een aangename geur; het is zeer scherp op de tong en wordt veel in Italië en elders als peper inde spijzen gebruikt; in poeiers bereiden met wijn gedronken geneest het de gebreken van de borst en longen, pleisters met tarwemeel daarmee gemaakt en op de heupen gelegd zijn zeer dienstig voor het sciatica.
KINA, Koortsbast, in ’t Frans Quinquina, Cascarille, in ’t Latijn Cinchona, is door Jussieu onder de familie der planten die een rode kleur bevatten inhouden gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kina of Koortsbast (Cinchona officinalis van Linnaeus) is een langlevend groot boomgewas van Peru dat met altijd blijvende, langwerpige, ronde bladen, die van onder harig zijn groeit, met bladstelen die op de takken regt overeen staan; bloeit in Peru met trosvormige aren op de stelen en eenbladige, kleine bloemkelkjes die klokvormig in drie zijn getand en trechtervormige bloemkransen, die rond gepijpt en veel langer dan de bloemkelken zijn. De Kina (Cinchona cariboea van Linnaeus) (Cinchona caribbaea) is een langlevend boomgewas van Amerika dat met lange, eivormige, groene bladeren groeit en bloemen voort brengt met lange meeldraadjes die uit de bloemkransen hangen en een zoeten geur verspreiden.
De bloemtros dragende Kina (Cinchona corymbifera van Linnaeus ?) is een langlevend boomgewas van Amerika dat veel in de eilanden Quito, Papayan, Nieuw-Granada en elders groeit, met langwerpige, lansvormige bladeren en met bloem trosjes bloeit. Zijn schors houdt een zeer bittere smaak in en gelijkt ook van krachten op de Cinchona officinalis van Peru. Deze boomschorsen worden voor de anderdaagse koortsen gebruikt; het is door de kunstscheidingen dat de heren Pelletier en Caventon al de heilzame krachten van de Kina hebben ontdekt: enige greintjes van Sulfaat de Quinquina of Koortsenbast zuur, is voordeliger dan een grote dosis van die Kina schors in poeiers gestampt; zeven of acht greintjes van die Sulfaat in de tussen tijd dat de koortsen zich ontwikkelen ,aan de zieken bezorgd beletten de koortsen of doen die tenminste op een opmerkelijke wijze verachteren. De Sulfaat van de Kina, zegt de doctor Guersent heeft een wonderbare kracht en is meer samentrekkend dan de Kina in poeiers, om de werken de spieren te herstellen en ook voordeliger om in de rotte koortsen te gebruiken, inzonderheid die van de vuile dampen de verhitting en ook van besmettelijke ziekten voortkomen. De krachten van den Kina zijn maar in het kaar 1638 in Europa bekend gemaakt; maar al de deugden van die Koortsenbast waren van over zeer oude tijden door de inboorlingen van Peru gekend. De gravin Del Cinchon, echtgenoot van den onderkoning van Peru, was langen tijd met de koortsen gekweld: de gouverneur van Loxa die dit vernam zond haar een pakje met Kina poeiers ,waarvan de deugden hem door een Indiaanse heelmeester waren aanbevolen als een koortsen verdrijvend middel dat aldaar te lande was gebruikt. Na het innemen van die poeiers werd de gravin Del Cinchon van de ziekte bevrijd en bij haar terugkeren naar Europa bracht ze een grote menigte van dit poeier mee wat ze Spanje uitdeelde en al diens krachten kenbaar maakte; waardoor die bomen sedert in ’t Latijn de naam van Cinchona behouden hebben.
In het jaar 1649 ontvingen de eerwaardige paters Jezuïeten te Rome een grote menigte van dit poeier door hun zendelingen uit Amerika over gebracht die ze aan alle kanten in Italië uit menslievendheid verspreidden. Ten dien tijde was de Kina maar onder de geheime geneesmiddelen van sommigen bekend en werd eerst Gravinne-poeder en Jezuïeten- poeier genoemd. Vervolgens heeft de heer doctor Talbot van Sydenham, het recept met al de geheime middelen om de Kina te gebruiken aan de koning Lodewijk XIV verkocht die ze gans openbaar heeft doen maken. Dus vervolgens is Europa aan de gravin Del Cinchon, aan de Jezuïeten en ook aan Frankrijk al de weldaden verschuldigd die de Kina sedert die tijd ten nut der mensen heeft bewerkt.
KLAVER, in 't Frans Treffle, in 't Latijn Trifolium, is onder de 10de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met tien meeldraadjes bloemen, in twee groepen gescheiden .
Volgens Linnaeus rangschikking vindt men er 48 soorten van, die een of tweejarige en ook langlevende kruid planten zijn en waarvan er 22 verschillende soorten in Vlaanderen en elders in België groeien.
De Winkel -Klaver (Trifolium officinale van Linnaeus (Melilotus officinalis) is een tweejarige kruid plant van Europa, meest Steenklaver genoemd, die hier ten allen kanten in de velden groeit en waarvan ik een apart artikel zal schrijven.
De Klaver met rode bloemen (Trifolium incarnatum van Linnaeus) is een eenjarige plant van Italië die heden in België̈ veel wordt gezaaid en in juli met aller mooiste scharlaken bloemen bloeit.
De Moeras Klaver (Trifolium pratense) is een langlevende kruid plant die veel in de moerassen groeit.
De Alpen Klaver (Trifolium alpestre) groeit meest in België aan de bergen en onbebouwde landen.
De middelmatige Klaver (Trifolium medium van Linnaeus) is een langlevende plant die hier meest in de bossen groeit .
De Aardbei Klaver (Trifolium fragiferum) en de Berg- Klaver (Trifolium montanum) zijn twee langlevende planten, die in Vlaanderen in de moerassen op droge plaatsen groeien.
D e Hop Klaver ( Trifolium agrarium van Willdenow (Trifolium aureum ) is een eenjarige plant, die hier in de moerassen groeit.
De neerliggende Klaver (Trifolium procumbens (Trigonella procumbens) en de draadvormige Klaver (Trifolium filiforme van Linnaeus (Trifolium micranthum) zijn twee eenjarige planten die in de droge velden groeien.
De geelachtige witte Klaver (Trifolium ochroleucum van Linnaeus) groeit meest op droge plaatsen aan de heide.
De Klavers die men meest in België zaait om droog en groen de kruid etende delen te voeden zijn de kruipende Klaver (Trifolium repens) en de purperen Klaver (Trifolium purpureum, (Trifolium rubens) die met lange dikke stengels en veel bladen aan de knoppen der stelen groeien, meest driebladig en somtijds vierbladig groeien, kroonvormig geschikt zijn, roodachtige en sommige witachtige bloemen dragen en veel zaad voortbrengen. Men kan die dikwijls drie of vier maal het tweede jaar afmaaien, en vers of droog gebruiken om de koeien, paarden, schapen, ezels, enz., mede te voeden. Ze worden alle jaren in de velden, moerassen en elders gezaaid, en men laat ook de toemaat van de koeien en andere kruid etende dieren afweiden.
De grote sterk riekende Klaver (Trifolium magnum, acutum odoratum van de oude Kruid beschrijvers of Trifolium bituminosum, Trifolium asphaltaeum)(Psoralea bituminosa) is een eenjarige kruid plant van Zuid-Europa , die in België uit Sicilië en Italië is overgebracht en alhier bij sommige liefhebbers alle jaren in de lente om zijn deugden in de officinale kruidhoven wordt gezaaid; het groeit met een stengel, lange, dunne bladstelen en drie spitse, donker groene bladen omtrent 1 meter hoog, waartussen nog zijtakjes uitspruiten die de bloemstelen vormen waarop van juli tot in september haarachtige, bleekgele bloempjes bloeien die een sterk riekende geur verspreiden en aan de welriekende Steen- Klavers enigszins gelijken. Deze bloempjes worden, terwijl ze bloeien, verzameld; ze bezitten een warme en droge kracht tot in de derde graad gelijk de Bitumen, daarom genezen ze de pijn in de zijde die uit verstoptheid zijn oorsprong heeft en verwekken de maandstonden; die bloempjes op olie folie laten trekken zijn zeer goed om de verbranding te genezen en een zalf mee te maken die onder den naam van bloempjes olie is bekend.
Hippocrates en andere beroemde Griekse Kruiden kenners hebben de eigenschappen van deze sterk riekende Klavers beschreven en zeggen dat ze goed zijn tegen de vallende ziekte en derdendaagse koortsen; dat ze niet alleen de maandstonden verwekken, maar ook de vrucht en nageboorte doen voortkomen, als een vrouw na het baren niet goed gezuiverd is; daarom mogen bevruchte vrouwen die nooit gebruiken noch er zelfs aan rieken.
De bladeren of bloemen gestoten en met azijn opgelegd zijn goed voor degenen die van vergiftige of venijnige dieren gebeten zijn. Die de jicht of kramp heeft neemt een handvol van deze Klavers, in brandewijn geweekt, om de leden mee te smeren en goed te wrijven waardoor ze spoedig genezen. Het gedistilleerd water van gans dit kruid is zeer dienstig om al de voorzegde gebreken te genezen. De bloemen van al die Klavers zijn zeer aangenaam voor de bijen die er ook veel honig uithalen; maar de Klavers zijn koud en droog van aard, en de jonge bladen bezitten veel koolstofzuur (acidecarbonique) welk de kruid etende dieren en vooral de koeien soms kan doen opzwellen en droevige voorvallen veroorzaken .
Men heeft bemerkt dat de voeding met verse jonge klavers , door de gisting in de maag der kruid etende dieren, een zeker gedeelte van dit koolstofzuur vormt, hetgeen die opzwelling der dieren veroorzaakt. Niets is dan zo noodzakelijk als een middel bij de hand te hebben om de dieren te doen innemen en dat gas te kunnen doen verminderen. Zulk een eenvoudig middel is Ammoniak (Alcali volatil) met enkel een lepel van die Ammoniak in een glas water te mengen en dit die opgezwollen dieren te doen inzwelgen, bekomt men een goede uitval, ziet men geleidelijk aan die opzwelling verminderen en op minder dan een uur die dieren geheel in hun natuurlijke staat herstellen. Ik nodig alle eigenaars en al wie belang in de landbouw stelt uit zo een gemakkelijk en nuttig middel ten platteland aan de pachters te willen meedelen en hun aan te moedigen dit te gebruiken waardoor men de droevige gevolgen van de opzwelling der kruid etende dieren kan verhelpen; want het is heden algemeen bekend dat dit eenvoudig middel ten hoogste dit doel bereikt. Maar de landbouwers zijn nog dikwijls slaven van voorvaderlijke overleveringen; want nog velen als die ongelukkige opzwelling aan hun koeien voorvalt maken een doorboring in de linker zijde der maag vliezen, juist boven het punt van de buik in de maag, om alzo een uitgang aan dat gas geven die de maag en de darmen hevig doet optrekken en scheuren; maar deze bewerking kan de beesten doen sterven en als ze daarvan genezen blijven ze nog lange tijd kwellen, vermageren en eindigen met bijna geen melk meer te geven.
Ik heb zelf de krachten van de Ammoniak bemerkt op tien koeien die door het eten van jonge verse Klavers in september opgezwollen waren; negen zijn er mee genezen ,en enkele een is geborsten, ter oorzaak dat er geen Ammoniak genoeg bij de hand was en men die heeft kunnen gebruiken. Een ander persoon van mijn kennis heeft ook de Ammoniak op twee van zijn koeien die van de Klavers opgezwollen waren ,gebruik en daarmede een goede uitslag bekomen.
M. Thénard heeft ook deze wijze van de Ammoniak te gebruiken om de opgezwollen kruid etende dieren te genezen aan de leraars der Vee artsenij school te Alfort kenbaar gemaakt die er de uitwerkende krachten van hebben bevestigd. Niet tegenstaande dit zo heilzame als gemakkelijk middel schrijft men nog in een der laatste nummers van een vee artsenij- kundig blad door de heer Girard zoon voor zijn dood uitgegeven van een middel welk de doctor Ranque van Orleans, tegen het opzwellen der kruid etende dieren heeft ontdekt; zie hier het voorschrift; Neem 1 liter wijngeest aan 18 graden (Alcohol) 3 decigram ganzenvoet (Chenopodium botrys) 7 decigram toppen van koude Pepermunt (Mentha piperita) 3 decigram Sassafras laurier (Sassafras albidum ) 3 decigram Nardus zaad (Nigella sativa of arvensis) die men tezamen in een distilleer fels, goed toegestopt, bij het vuur 36 uren laat trekken en dat 17 of 18 greintjes wel riekende Kamfer likeur bij meng, daarna door een fijne doek laat lopen en dan in een fles doet die men goed toestopt om te bewaren. Men geeft van die drank aan de opgezwollen kleine dieren een lepel en aan de grote kruid etende dieren drie lepels en als het opgezwollen niet aanstonds vermindert geeft men ze nieuwe dosis. Dit recept kan zeer goed in sommige voorvallen als hulpmiddel dienen; maar de ervarene veeartsen en landbouwers kunnen veel gemakkelijker zich bedienen van de Ammoniak, dien algemeen bij de apothekers te vinden is en terwijl een lepel met een glas water ingegeven, voldoende is om de opgezwollen dieren te helpen.
KLAVERZURING, Zuurklaver, Zuurkruid, Koekoeksbrood, in ’t Frans Alleluja, Pain de Coucou, Oxalide, in ;’t Latijn Oxalis , door Tournefort Oxys genoemd en onder zijn 1ste klasse, 8ste sectie gesteld der klokvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Ooievaarsbekken en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en vijf stampertjes hebben .
De veelkleurige Klaverzuring (Oxalis versicolor van Linnaeus) is een e kleine bloembol plant van de Kaap ,die met veel stengeltjes, elk met drie hartvormige blaadjes bekroond, alle jaren in de winter uit de bloembolletjes schiet en met steeltjes waarop meest in april bloempjes met vijf witachtige roze blaadjes bloeien die met zeer lieflijke roodachtige boordjes gespikkeld zijn.
De Geiten voet Klaverzuring (Oxalis caprina van Linnaeus ?) is een langlevende kleine bloembol plant van Ethiopië die met stengels en grotere bladeren dan de voormelde alle jaren uit de bloembolletjes spruit en van april tot in juni bloeit met dubbele en enkele geelachtige bloemen die een aangename reuk verspreiden.
De purperen Klaverzuring (Oxalis purpurea van Linnaeus) is een langlevende bloembol plant van Afrika, die met schachtjes en donker groene, ronde blaadjes groeit en met mooie purperachtige bloempjes bloeit.
De violetachtige Klaverzuring (Oxalis violacea van Linnaeus) is een langlevende bloembol plant van Canada die met kruidachtige schachtjes en donkergroene blaadjes groeit en met zeer mooie violette bloem trosjes bloeit.
De kamvormige Klaverzuring (Oxalis pectinata van Willdenow?) is een langlevende kruid plant van de Kaap die met zeer bladerige stengels groeit e waarvan de bolachtige wortels veel in de warme landen met vlees en andere spijzen worden gegeten.
Men kweekt hier nog de vlees kleurige Klaverzuring (Oxalis incarnata van Linnaeus) en de Oxalis asinina ?van Willdenow, die beiden van de Kaap oorsprong zijn.
Het geel Koekoeksbrood (Oxalis Alleluja), dat door de nieuwe kruidkenners Oxalis corniculata wordt genoemd schijnt volgens Linnaeus een eenjarige plant van Italië̈ te zijn; maar volgens den Hortus Gandavensis, (Gent) is die Oxalis corniculata een langlevende zeer kleine plant die in Vlaanderen en elders in België̈ ten alle kanten in de velden en landen groeit met stengels door drie blaadjes bekroond die van in maart of omtrent april uit de aarde spruiten en wel 12 tot 14 centimeters hoog groeien en ook met blote steeltjes die uit de wortels schieten en waarop meest in mei kleine witte bloempjes bloeien die veel zaadjes voortbrengen welke in heel kleine zaadhuisjes, gelijk zakjes zijn besloten. Het witte Koekoeksbrood (Oxalis acetosella van Linnaeus) is een langlevende kleine kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders ten alle kanten op belommerde plaatsen in de bossen groeit met stengels door kleine hartvormige blaadjes en fijne haartjes bekleed en waarop meest in mei witte vijfbladige bloempjes bloeien; maar die soms medesoorten voortbrengt welke blauwachtige bloempjes hebben. Deze twee gemelde Koekoeksbroden werden van de oude kruidkenners Trifolium acetosum flore alba en Trifolium acetosum lutea geheten.
De Klaver zuring en die van vreemde landen alhier zijn overgevoerd worden in de winters meest in potten in de oranjerie gekweekt, alwaar ze vroeg bloemen. Ze bezitten dezelfde zurigheid als de Hof zuring en ook veel potas zuur om in de geneesmiddelen te gebruiken. De kunstscheiders hebben sedert enigen tijd ondervonden dat het potas zuur wat men uit de Koekoeksbroden trekt veel krachtiger en vervolgens aan de zieken voordeliger is.
Het koekoeksbrood wordt veel door afkooksel en als verkoelende drank aan de zieken bevolen; het sap daaruit gehaald is zeer dienstig aan de mensen en kinderen die met koningszeer, klier gezwellen en langdurige vel ziekten gekweld zijn; dit sap overgehaald bezit dezelfde zure krachten als de Wolfsmelk, Duivelsmelk en de Bryonia wortels. Dit kruid is hier te lande om zijn deugden zo bekend dat de landlieden het gaan opzoeken om als toekruid te eten er kruidkoek nee te bakken en tot bloedzuivering te gebruiken. Het water waarin dit kruid gekookt i is zuivert de mond en stelpt de dorst.
KLEEFKRUID, Onze Lieve Vrouwe Bedstro ,in 't Frans Gratteron, in 't Latijn Galium, is door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf inhouden gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Kleefkruid (Galium aparine van Linnaeus) is eenjarige kleine kruidplant van Europa die in België̈ ten alle kanten in de velden, bouwlanden, grachten, wegen en hagen groeit met dunne, vierkante, vertakte stengels en lange, smalle bladen die rondom de stelen stervormig zijn geschikt en op de Meekrap gelijken en waarop meest in juli witte bloempjes bloeien die zaadjes met klisachtige, ruwe haartjes bedekt voortbrengen welke aan de kleren en schapen kleven.
Gans dit kruid is ruw en kleeft aan al wat het aanraakt ;het werd derhalve van de oude Kruidkenners Philanthropos genoemd. Men vindt dit kruid heden in veel rangschikkingen onder de Caille-lait, Onze Lieve Vrouwe Bedstro beschreven; maar het Kleefkruid heeft een bijzondere kracht en Lobel zegt dat het gedistilleerdwater van geheel dit kruid zeer goed is drie of vier lepels daags daarvan ingenomen om allerhande vloeden en teelt loop te stelpen; het wordt ook met nut te drinken gegeven aan de mensen die met de rodeloop en de geelzucht gekweld zijn; het sap is ook bekwaam om de hitte van de kanker te verzachten; het poeier van het droog kruid is zeer goed in de bloedende wonden gedaan om die te doen helen en zuiver te genezen.
KLEIN BORZEKRUID, Peperwortel, in ’t Frans Drave. in ’t Latijn door Tournefort Alysson lunaria genoemd; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, vier machtigen, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvormige vruchten met schelpjes voortbrengen.
Het Muur-Klein Borzekruid (Draba muralis van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België̈ en elders te alle kanten op de oude muren en tussen de steenspleten groeit met witte wortels en veel eivormige blaadjes waaruit dunne, roodachtige stengels ,van omtrent 25 centimeters hoog, spruiten die met twee of drie zijstelen en bladeren zonder stelen groeien en waarop meest in juli bloempjes met witte bloem- kransen bloeien, die eironde vruchten voortbrengen met roze zaadjes die in het midden als borzekens blijven staan. Al de delen van dit gewas hebben een zeer scherpe smaak.
Het vroeg Klein Borzekruid (Draba verna van Linnaeus) is ook een eenjarige kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België̈ in de zandachtige velden en op droge plaatsen groeit met gekerfde en getande bladen en blote schachten waarop meest vroeg in de lente tweebladige witte bloempjes bloeien die op de kleine Bergvlier gelijken.
De Draba alpina van Linnaeus ie een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die veel in Italië̈ en elders groeit met blote schachten, gehele, lansvormige bladeren en witte bloemen die op de Bergvlier gelijken.
Het zaad van deze planten is zeer heet van smaak, scherp bijtend op de tong en warm van aard; het werd in de oude tijden, eer de peper was bekend, veel met allerlei spijzen gemengd, en wordt heden nog door sommige bergbewoners in Savoie gebruikt.
KLEIN KLISKRUID, Bedelaars Luizen, in ' t Frans Lampourde, in ' t Latijn Xanthium, is door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia pentandria, eenhuizige met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die op dezelfde stam afzonderlijk bloeien.
Het Klein Kliskruid (Xanthium strumarium van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België̈ en elders veel in het wild groeit en hier meest aan de grachten ,kanten en uitgedroogde poelen die ’s winters onder water staan en ook soms in de droge, woeste velden groeit met grote, hartvormige, gekerfde, bleek groene bladeren, hoekige, vertakte zwart gespikkelde en getekende stengels en verspreide stelen omtrent 30 of 40 centimeters hoog met bloempjes die op bijzondere okselstelen groeien en de toppen omvatten en wel gauw uitvallen en meest in augustus ruwe vruchten voort brengen die als de klissen ook aan de kleren en haar blijven hangen en soms de gedaante van de Plataan vruchten hebben waarop ze zeer goed gelijke, het sap en kruid van geheel deze plant worden gebruikt om de kliergezwellen te genezen. Het heeft de Latijnse naam van Strumaria verkregen omdat die plant de kropzweren geneest en is Xanthium genoemd omdat het een stof bezit die het haar rood kan doen worden; ten dien einde worden de vruchten verzameld en wel met water geweekt om er het hoofd mee te wassen.
KLEIN PENNINGKRUID, Scheefbloem, in ‘t Frans Ibéride, in 'Latijn Iberis door Tournefort Thlaspidium genoemd; is door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en kleine peulvruchten voortbrengen.
Het Klein Penningkruid dat alle maanden bloemt (Iberis semperflorens van Linnaeus) is een langlevend, half-houtachtigkruid- gewas van Sicilië̈ en Perzië̈ dat hieromtrent 20 centimeters hoog groeit, met een stengel en veel dunne zijtakjes en kleine, wigvormige, verspreide blaadjes; bloeit met bloemtrosjes en vier witte bloemblaadjes die kleine peulvruchten voortbrengen welke op het Kers zaad wel gelijken.
Het Gibraltar Klein Penningkruid (Iberis gibraltaria van Linnaeus) is ook een langlevend houtachtig kruidgewas van Gibraltar, dat met een stengel en getande bladen op de toppen groeit en met witte bloempjes bloeit. Deze twee planten moeten hier ’s winters in de oranjehuizen zijn bevrijd en kunnen door het zaad, afzetsels en inleggers vermenigvuldigd worden.
Het altijd groen Klein Penningkruid (Iberis sempervirens van Linnaeus) is een half-houtachtig kruidgewas van Griekenland dat met kleine stengels en altijd blijvende, groene, scherppuntige, lijnvormige bladeren groeit en hier meest in juni met bloemtrosjes en witte bloempjes bloeit.
Het steen Klein Penningkruid (Iberis saxatilis van Linnaeus) is een houtachtig kruidgewas van de Alpen gebergten dat met lansvormige, dikke bladeren groeit en ook meest in juni bloemtrosjes en witte bloempjes voortbrengt.
Het zonneschermig Klein Penningkruid (Iberis umbellata van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die hier in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met een vertakte stengel omtrent 20 of 25 centimeters hoog met lansvormige, scherpe blaadjes; het bloeit bijna de gehelen zomer met trossen en veel witte bloempjes die veel ronde peulvruchten met zaadjes voortbrengen. Men vindt er enige medesoorten van met roodachtige en roze bloempjes; waar deze gewassen eens gestaan hebben zaaien ze zich veel zichzelf uit. .Deze laatste drie planten worden hier in de hoven gekweekt en on hun liefelijke bloemen geacht.
Het bitter Klein Penningkruid (Iberis amara van Linnaeus)is een eenjarige kruidplant, die hier in België̈ in de droge, zandachtige velden en onbebouwde landen groeit met vertakte stengel en lansvormige bladeren die aan de wortels scherp getand en gekerfd zijn; het bloeit met trosjes op de toppen en witte bloempjes die veel zaad voortbrengen.
Het Klein Penningkruid met blote stengels (Iberis nudicaulis van Linnaeus (Teesdalia nudicaulis) is een eenjarige kruidplant die ook in Vlaanderen en elders in België̈ groeit met bochtige bladeren en blote stengels.
Het welriekend Klein Penningkruid (Iberis odorata van Linnaeus groeit meest in Zwitserland en Italië̈ en wordt hier ook in sommige kruidhoven gezaaid en met dolken verplant. De welriekende wortels van dit kruid met zoet varkensvet bereid, zijn door hun warme en brandende aard zeer dienstig om op de heup te leggen van degenen die het jicht of heupjicht hebben; de bladeren met Alantwortels gestoten genezen niet alleen de heupjicht en sciatica, zegt Dodonaeus, maar ook de miltzucht en allerlei schurft en krabben (Zie Dodonaeus Kruidboek 24ste kapittel, bladzijde 119).
KLIMME, Maagden- Wijngaard, Maagdenpalm, in ‘t Frans Vigne-Vierge, in 't Latijn Cissus, van Tournefort Vitis en ook Ampelopis quinquefolia genoemd, door Jussieu onder de familie van de Wijngaard ranken gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De vijfbladige Klim (Cissus quinquefolia (Parthenocissus quinquefolia) is een langlevend rankgewas van Noord-Amerika dat met lange ranken en zeer mooie groenblinkende en vijf-vingervormige bladen, op de ranken verspreid groeit die omtrent de herfst een purperachtig rode kleur verkrijgen; maar de bloemen zijn van weinig belang. Deze nieuwe plant wordt hier meest geplant om de zomerhuizen en prieëlen mee te bekleden die ze door hun mooie groen blinkende bladen zeer lommerrijk versiert en wordt op de wijze van de Klimop door inleggers vermenigvuldigd. De zure Klim (Cissus acida (?) van Linnaeus) is een langlevend rankgewas van Amerika dat met donkergroene en gladde, eivormige bladeren groeit en hier inde warme serres wordt gekweekt. De Klim met ongelijke bladeren (Cissus heterophylla Parthenocissus heterophylla ) is een langlevend rankgewas van Amerika, dat hier enkel sedert enige jaren is bekend en groeit met mooie geschakeerde bladen. Deze twee laatst gemelde planten verschillen maar weinig van de Wijndruiven, tenzij door de veelheid der vruchten die eenzadig zijn en hier in ons klimaat zeldzaam hun rijpheid verkrijgen. Om aangename en rijpe vruchten te bekomen zouden ze hier in een goede matige of warme serre moeten gekweekt worden. Gelijk sommige van die planten en vooral de Heterophylla, aller mooiste geschakeerde bladeren voortbrengen, worden ze van veel liefhebbers geacht en door inleggers vermenigvuldigd.
KLIMOP, Veil, Heft bladen, Heilloof, in ‘t Frans Lierre, in ‘t Latijn Hedera, is door Jussieu onder de familie van het Geitenblad gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Klimop (Hedera helix van Linnaeus) is een langlevend houtachtig rankgewas van Europa dat te alle kanten in België̈ en elders aan de bomen en muren groeit met eivormige, donker- groene bladeren op de ranken verspreid die zeer lommerrijk groeien; bloeit meest in juli met vijf lange bloemblaadjes en brengt ook in den herfst zwartachtige bessen voort, met vijf kiempjes in de vruchten en zaadjes die met vel vliesjes bekleed zijn. Deze Klimop groeit hier soms wel 18 meters hoog en grijpt met zijn kleine worteltjes, die zich aan de ranken bevinden, de tronken, muren en bomen vast, welke het weldra in enige jaren met zijn groene bladeren en lieflijke bessen versiert. De bessen en bladeren vers gepluk worden veel in de medicijnen bereid. De groene bladeren van de Klimop in wijn gezoden helen de grote wonden en zweren en genezen de kwade, voorts etende zeren. De bladeren zijn ook zeer nuttig voor de mensen die fistels dragen om de etter gaten open te houden. De groene bladeren in de azijn geweckt doen de eksterogen op de voeten zachtjes verdwijnen. De bloemen vers geplukt, met was, citroenen en olie vermengd en als pleister gebruikt doen de verbranding zeer goed genezen. De bessen drijven de maandstonden aan en op wijn geweekt en gedronken jagen het graveel en de steen af; maar te veel daarvan gebruikt beroert de zinnen. Het water dat men door een afgesneden rank uit de plant trekt en in een fles laat druppen doodt de luizen en neten. De bladeren van den Klimop worden ook van de geiten, herten en veel andere kruid etende dieren gezocht die daarvan goede melk geven.
Men vindt nog bij sommige liefhebbers den Klimop van Canada (Hedera quinquefolia van Linnaeus (Parthenocissus quinquefolia?), met zijn mooie vijfvoudige, klein getande en groene eivormige bladeren die met draadvormige meeldraadjes bloeit en trossen met geplekte bessen in drie verdeeld, voortbrengt. Deze beide planten worden door de zaden en inleggers vermenigvuldigd.
KLISSE, Groot Klissenkruid, Dokkebladen, in ’t Frans Bardane, Glouteron, in 't Latijn Arctium, door Tournefort Lappa genoemd; door Jussieu onder de familie van de as makende kruiden gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige, 1ste orde, planten die tweeslachtige bloemen dragen die zowel inde stralen als rond de omgang geschikt zijn en met verscheidene meeldraadjes met hun helmknopjes samengegroeid bloeien.
Het Klissenkruid (Arctium lappa van Linnaeus) is een twee- jarige plant van Europa die in België̈ in de onbebouwde velden groeit met bladstelen en hartvormige bladeren die uit de wortels spruiten, waaruit nadien stengels schieten, die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien en waarop de klissen in augustus groeien en die kleven en ook aan het haar blijven hangen.
De Klis of Dokkebladen (Arctium bardana van Willdenow) (Arctium lappa) is een tweejarige plant van Europa die in Vlaanderen en elders veel aan de wegen en grachten in vette en onbebouwde landen en boomgaarden groeit met grote bladstelen, lange, hartvormige bladen en vertakte stengels die te midden uitschieten en waarop ook klissen groeien die op de voormelde gelijken. Deze planten groeien met dikke wortels door zwarte schors bedekt die een vette, slijmachtige stof inhouden, heet van aard zijn en matig drogen en verteren; die wortels gestoten zijn zeer dienstig om op de kropzweren en kliergezwellen te leggen: twee ons van die wortels, zegt de kundige geneesheer Percy, in een liter water gekookt en gedeeltelijk warm ingenomen, is een zweet verwekkend middel. Deze wortels worden ook apart voor vele ziekten bij de apothekers bereid als om de haarworm, krauwel, hoofdzeer, dauwworm der kinderen en het schurft te genezen. Deze planten hebben, om de eigenschappen die ze inhouden, in sommige landstreken den naam van Schurft kruid verkregen. De heer Percy meldt dat hij het sap uit die wortels en kruid heeft geperst en nadien gebruikt om de zweren tot etter aan te drijven en zonder littekens te genezen. Hij schrijft dat hij een half glas van dit sap met omtrent zoveel olijf olie en een weinig mijnlood, met zoet vet heeft gemengd en daarvan een groene haarzalf heeft gemaakt waarmee hij al de voormelde gebreken met de besten uitslag heeft genezen.
De geneesheer Richard schrijft dat de wortels en jonge uitspruitsels van dit Klissenkruid in het water gekookt zeer goed als spijs de Schorseneren en Aderkruid kunnen vervangen en op dezelfde wijze bereid en gegeten ook de smaak en het voedsel van de Artisjokken hebben. Deze planten worden hier in de Kruidhof der Hoogeschool door het zaad vermenigvuldigd en zijn hier te lande van overouds bekend.
KLOKBLOEM, Klokskenskruid, Halskruid, Belvedere, in het Frans Campanule, in ;t Latijn Campanula, is onder de 1ste klasse, 8ste sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van het Halskruid en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Volgens Linnaeus rangschikking vindt men 64 verscheidene soorten van die planten die in Europa en elders groeien; gelijk de bloemen en het kruid maar zeer weinig nuttige delen inhouden en nergens in de medicijnen worden gebruikt, zal ik enkel deze beschrijven die om hun lieflijke bloemen hier in de hoven worden gekweekt en ook in sommige streken in het wilde groeien.
De Alpen Klokbloem (Campanula alpina) is een langlevende kruidplant van Zwitserland met kleine stengels die van mei tot in juli bloeit met mooie ,grote klokvormige bloemen die een lieflijk blauwe kleur hebben.
De Klokbloem met perzikbladen (Campanula persicifolia van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in struiken groeit met stengels van omtrent 40 centimeters hoog en van juni tot in augustus bloeit met lieflijke dubbele blauwe of witte bloemen volgen de medesoorten die men door het zaad daaruit bekomen heeft.
De Klokbloem met windsels (Campanula trachelium) is een langlevende plant met scherpe, hartvormige bladeren en stengels die omtrent 50 centimeters hoog groeien; bloeit in juni en juli met dubbele blauwe bloemen; er zijn ook medesoorten die dubbele witte bloemen dragen.
Het groot Klokskenskruid (Campanula grandiflora van Linnaeus) (Platycodon grandiflorus) is een langlevende plant van Siberië̈ die met vertakte stengels groeit en scherpe, zonder stelen, getande bladeren die aan twee zijden scherp en aan de toppen der stengels vast zijn; bloeit hier meest in juli met aller mooiste grote enkele donker blauwe bloemen die met witachtige stralen stervormig zijn waarvan men zeer mooie dubbele bloemen door het zaad heeft verkregen.
De Klokbloem met brede bladen (Campanula latifolia van Linnaeus) is een langlevende plant van de Alpen gebergten; het groeit hier met lansvormige bladen en stengels die omtrent 60 tot 70 centimeters hoog groeien en waarop van juni tot in juli aller mooiste zuiver witte bloemen groeien die als aren aan de toppen bloeien.
De Klokbloem met hartvormige bladen (Campanula carpatica) is een nieuwe kruidplant van de Krapach berg (Karpaten?) die hier met zeer lieflijke blauwe bloemen in juli bloeit.
D e Hof -Klokbloem (Campanula medium van Linnaeus) is een tweejarige plant van Duitsland die hier in de hoven wordt gezaaid en groeit met gestrekte, gewolde bladen aan de wortels waaruit het tweede jaar vertakte stengels schieten die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien en meest van juni tot in augustus grote, blauwe, klokvormige bloemen dragen; men kan door het zaad ook witte en dubbele bloemen verkrijgen en die ze met in potten in de oranjerie te plaatsen bijna geheel de winter doen bloeien.
De Klokbloem met lijnvormige bladen (Campanula linifolia van Willdenow is een langlevende kruidplant van Oostenrijk die hier bijna van juni tot in september bloeit met aller liefste bleek blauwe bloempjes.
De gele Klokbloem (Campanula aurea van Linnaeus) een Ipomoea? is een langlevend, houtachtig kruidgewas, dat met lansvormige bladeren en stengels van omtrent 60 centimeters hoog groeit en van augustus tot in september bloeit met trosvormige aren en grote, gele oranje bloemen die smal verdeeld hangen. Deze plant moet hier ’s winters in de oranjerie bevrijd zijn.
Het spitsvormig Halskruid (Campanula pyramidalis van Linnaeus) is een kruidplant van Italië̈ die van daar eerst in België̈ in het jaar 1589 aan Clusius, door den eerwaardige heer Gregorius van Reggio gezonden is geweest, en alsdan onder de naam van Pyramidalis villosa latifolia was bekend. De wortels zijn witachtig en blijven veel jaren over; soms worden ze door ouderdom heel dik en knoopachtig; er groeien eerst hartvormige groen blinkende, getande en gekerfde bladeren aan en er spruiten spitsvormige stengels uit die alle jaren vergaan, en wel soms 1 meter hoog groeien met lansvormige bladeren; bloeit van juli tot in september met klokvormige, bleek blauwe bloemen die de stengels bijna van onder tot boven bekleden en een pyramide verbeelden; men vindt er een medesoort van die er zeer goed op gelijkt.
Deze planten worden, zodra het zaad rijp is, op een goede standplaats gezaaid en nadien met dolken verplant; ze moeten veel water in de droge seizoenen hebben en om er alle jaren mooie bloemen van te verkrijgen moet men in de lente een of twee wortels van de struiken die in de grond blijven, afsnijden en die in potten planten en voor dat ze beginnen te bloemen in de schaduw in de huizen of in de oranjerie plaatsen.
De Campanula nitida van de Hortus Kew is een langlevende plant van Amerika die hier ook in de kruidhoven wordt gekweekt.
De Campanula rapunculoides, de Campanula glomerata en de Campanula cervicaria, allen van Linnaeus, groeien veel in België̈ in de bossen en droge moerassen. Al deze Klokkruiden worden meest door struikscheiding en door het zaad vermenigvuldigd.
KLOKSKENSKRUID VAN CANARIEN, in 't Frans Canarine, in ’t Latijn Canaria, door Tournefort Campanula genoemd; door Jussieu onder de familie van de Klokbloemen gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria digynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
Het Klokskenskruid (Campanula of Canaria campanula van Linnaeus) (Canarina canariensis) is een langlevende plant van de Canarische eilanden die veel in het eiland Madera groeit van waar het naar België̈ is overgebracht; het groeit met kleefachtige en door lijm bedekte bladeren en vertakte stengels, omtrent 1 meter hoog; bloeit van in januari, maar doch meest in maart, met zeer mooie grote, gele, klokvormige bloemen en bloembladen wiens boorden gestraald en saffraanachtig gestreept zijn; ze brengen zaadhuisjes met zes hutjes en veel zaadjes voort. Deze Canaria campanulata verschilt enkel van de Klokjesbloemen door de natuurlijke delen daar de Klokbloemen vijf meeldraadjes en een stampertje hebben ,terwijl deze bloem zes meeldraadjes en twee stampertjes heeft . Deze mooie plant die men bij verscheidene van onze kundige bloemkwekers kan verkrijgen moet in ons klimaat in de matige serre gekweekt worden en kan in den herfstdoor uitlopers en struikscheiding vermenigvuldigd worden.
KNAVEL, Kreupelgras, in ’t Frans Gnavelle, in ’t Latijn Scleranthus, van Tournefort Alchimilla en onder zijn 15de klasse, 4de sectie gesteld der planten die met meeldraadjes zonder bloembladere bloeien; door Jussieu onder de familie van de Porselein en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria digynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De eenjarige Knavel (Scleranthus annuus van Linnaeus) is een eenjarig, klein kruidgewas van Europa dat zeer veel in Vlaanderen en elders in België̈ in de onbebouwde landen en velden, op zandachtige, droge en vochtige plaatsen, meest van juni tot in oktober wordt gevonden en groeit met dunne stengeltjes langs de aarde verspreid welke in zeer veel knoopjes als lidjes zijn verdeeld en een roodachtig kleur hebben; er groeien zeer veel kleine blaadjes aan en er bloeien van in juli tot augustus kleine geelachtige witte hoopjes op die aan elk knoopje vormig verzameld en zo menigvuldig zijn, dat al de stengeltjes van dit gewas er geheel mee beladen en bijna door de zaadjes die in de bloemkelkjes zonder zaadhuisjes groeien bedekt zijn; waardoor die plant in de volkstaal de naam van Duizendkoren heeft bekomen.
De overblijvende Knavel of Kreupelgras (Scleranthus perennis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België̈ op vochtige en droge plaatsen aan alle kanten in de velden en open lucht groeit met dunne en veel geknoopte stengels die omtrent 10 of 14 centimeters hoog groeien met zij zijtakjes waaraan veel kleine, smalle blaadjes groeien en waarop hier, meest in juli, kleine graskleurige bloempjes bloeien die veel zaadjes voortbrengen; dit hele gewas is grijsachtig wit en schijnt een medesoort van het Varkensgras te wezen.
Deze kruidplanten hebben een merkelijk verdrogende kracht en zijn zeer goed om de wonden te doen helen en toe te sluiten. De kruiden gezoden en met enigen drank ingenomen worden zeer krachtig gevonden, zegt Lobel, zoals het Breukkruid, om de scheuringen der darmen te helen; men heeft menige mensen van dergelijke gebreken zien genezen door die kruiden enkel als afkooksel te gebruiken. Ze zijn om hun deugden van over zeer oude tijden hier van sommige landlieden bekend en worden tot verzachting der darmen en tegen den buikloop en rode loop hier te lande gebruikt. Het poeier van die kruiden met wijn gedronken kan de te lange achter blijvende pis verwekken en drijft ook de steen van de nieren en blaas. Het water van dit kruid gedistilleerd en acht dagen gedronken opent alle verstopping en geneest volkomen de geelzucht; het zaad kan ook de wormen der jonge kinderen doden.
De vruchtbare Knavel (Scleranthus polycarpos van Linnaeus) (Scleranthus annuus subsp. polycarpos) groeit meest in Zuid-Frankrijk, Italië̈ en elders in 't wild en wordt ook voor dezelfde gebreken in de geneesmiddelen gebruikt.
KNOOPGRAS, Lidgras, Schaapgras, Lammergras, in het Frans Fétuque, in 't Latijn Festuca, door Tournefort Gramen genoemd, is door Jussieu onder de familie van de grasplanten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het Knoopgras dat op de Dravik gelijkt (Festuca bromoides van Linnaeus) is een eenjarig gras dat veel in Vlaanderen in de velden groeit.
Het Schaapgras of Lammergras (Festuca ovina) is een langlevend gras dat in België̈ en elders op droge plaatsen in de velden en op de bergen groeit.
Het rood Knoopgras (Festuca rubra van Linnaeus) is een langlevend gras dat meest op droge plaatsen groeit.
Het rattesteert Knoopgras (Festuca myuros van Linnaeus) (Vulpia myuros) groeit veel in Vlaanderen op droge plaatsen en onbebouwde landen. De volgende soorten, die allen onder de langlevende grasplanten zijn, groeien in België̈ en elders : De Festuca decumbens van Linnaeus, (Danthonia decumbens) wordt in de dorre weiden gevonden; de Festuca amethystica (?) groeit hier in de droge bossen; de Festuca elatior groeit in de moerassen; de Festuca dumetorum (?) groeit ook in de bossen; de Festuca duriuscula groeit in de droge moerassen; de Festuca fluitans van Linnaeus, (Glyceria fluitans) groeit hier in de vochtige grachten; de Festuca glauca wordt hier in de moerassen gezaaid.
Al deze Knoopgrassen worden door de schapen, paarden, ezels, koeien en andere kruid etende dieren om hun hardheid, de zoete stof die ze inhouden en goede voeding, zo wel droog als groen, willig en gretig gezocht; de hazen zijn er zeer op verlekkerd. Veel van die harde grassen worden in de moeras landen gezaaid daar de paarden die om hun zoete en aangename smaak bij voorkeur droog en groen eten.
KOEKOEKSBLOEM, Moeraskers, kleine Waterkers, bittere Kers, in ’t Frans Cresson des prés , in ’t Latijn Cardamine , is onder de 5de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten, en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtigen, planten wiens bloemen vier grote en twee kleine helmstijltjes hebben en schildvormige peulvruchten dragen.
De Koekoeksbloem (Cardamine pratensis van Linnaeus) is een langlevende kleine kruidplant van Europa die met bladsteeltjes aan de wortels en veel rondachtige, gevleugelde blaadjes groeit waar tussen in de lente gewoonlijk twee dunne midden stengels uitspruiten die omtrent 25 centimeters hoog groeien, waaraan kleine, dunne blaadjes groeien die op de Waterkers gelijken en waarop hier meest van in april tot in mei, veel witachtige, vierbladige bloempjes bloeien. Men vindt deze plant veel in Vlaanderen en elders in België̈ op vochtige, lage plaatsen in de moerassen en de kanten der grachten die ’s winters overstromen.
De Koekoeksbloem of bittere Kers (Cardamine amara van Linnaeus)is een langlevende kruidplant die ook in België̈ veel in de moerassen en bossen groeit.
De Cardamine impatiens is een tweejarige plant die veel op de bergen en in de bossen groeit.
Deze koekoeksbloemen bezitten al de krachten van de Waterkers en kunnen ook het scheurbuik genezen; het sap van het Koekoeksbloem-kruid gebruikt om het hoofd te wassen, doodt al de luizen en neten. De koeien, als ze van dit kruid eten, geven veel melk en zeer goede, vette boter van. Deze Koekoeks bloemen worden om hun deugden in de kruidhoven door struik scheiding gekweekt.
KOELREUTERIA, in ’t Frans Koelreuteria, Savonnier , in 't Latijn Koelreuteria, is door Jussieu onder de familie van de Zeepboom gesteld en onder de 8se klasse van Linnaeus, Octantandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Koelreuteria met trosvormige aren (Koelreuteria paniculata van de Hortus Kew) is een langlevend boomgewas van China dat in het land van zijn afkomst met stam en takken versierd wel 8 meters hoog groei ,met oneffen gevleugelde bladeren op wiens stengeltoppen van juli tot in september trosvormige aren, met zeer lieflijke gele bloemen versierd bloeien.
De Koelreuteria paullinoïdes (Koelreuteria paniculata var. apiculata?) is ook een langlevende boom van China die wel van gedaante en bloemen op de voormelden gelijkt. Deze bomen zijn enkel sedert het jaar 1810 in Europa bekend en worden heden veel in de zuidelijke delen van Frankrijk en elders in de lusthoven geplant die ze door hun mooie, lommerrijke bladeren en aangename bloemen zeer verfraaien. Ze kunnen door het rijpe zaad hier in de lente ,in goeden grond, worden gezaaid, maar moeten de eerste drie jaren en ’s winters in potten in de oranjerie zijn bevrijd; nadien kan men ze in den volle grond planten, zorgen van de eerste jaren de wortels met dorre bladen te bedekken; ze kunnen ook door afzetsels en inleggers vermenigvuldigd worden. De krachten die deze bomen inhouden zijn mij niet bekend.
KOETARWE, in ’t Frans Blé de Vache, in ’t Latijn Melampyrum, is door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere meeldraadjes bloeien en zaadjes dragen die in een zaadhuisje besloten zijn .
De Veld-Koetarwe (Melampyrum arvense van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België̈ ten alle kanten in de velden groeit in struikjes met rood gevlekte bladeren, gekleurde, getande en met haartjes beklede bloemblaadjes, gebogen, kegelachtig geschikte aren en rode bloempjes die hier in de zomer bloeien.
De Moeras-Koetarwe (Melampyrum pratense van Linnaeus) is een eenjarige plant die hier en elders in de moerassen groeit met vertakte stengels en getande bloemblaadjes; brengt meest in juli aren en geelachtige rode bloempjes voort die in de pijpjes der kransjes witachtig zijn; de twee zaadjes van deze planten zijn gebult.
De hanenkamvormige Koetarwe (Melampyrum cristatum van Linnaeus) is een eenjarige plant die hier veel in de bossen en droge moerassen groeit.
De Bos-Koetarwe (Melampyrum sylvaticum) groeit hier meest op de bergen en inde bossen in Vlaanderen omtrent Maldegem, Ename en Ronse.
De Koetarwe wordt ook wel op sommige plaatsen in de moerassen en droge landen gezaaid om groen en droog de koeien, ossen, paarden en andere kruid etende dieren te voeden. Het zaad van dit kruid met spijzen of dranken ingenomen beroert de hersenen, maakt het hoofd zwaar en verwekt de dronkenschap, maar niet zo geweldig als de Dolik (Lolium) schijnt te doen. Dit zaad wordt veel van de vogels gezocht en overal verspreid.
KOFFIEBOOM, in ‘t Frans Caféier ,in het Latijn Coffea, is door Jussieu onder de planten die rode verf inhouden gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Arabische Koffieboom (Coffea arabica van Linnaeus) is een langlevend plantgewas van Arabië̈ dat in zijn natuurlijk land soms wel 5 meters hoog groeit met kruisvormige, vertakte stengels en blinkende eivormige bladeren, op de boorden fijn gevlamd en meest in juli en augustus bloeit met trossen en witte bloemen die een zoete aangename geur bijna als die van de Jasmijnen hebben en roodachtige vruchten met twee boontjes voortbrengen die hier in België̈, in onze warme serres hun rijpheid verkrijgen.
De Amerikaanse Koffie boom (Coffea occidentalis van Linnaeus) (Senna occidentalis) is een langlevende plant van Zuid-Amerika, die maar vruchten met een boontje voortbrengt.
De kapitein Philibert heeft over enige jaren nog een nieuwe soort van het eiland Bourbon meegebracht die men de Koning van de Koffie noemt.
De Koffie verschilt van deugden en smaak, gewoonlijk volgens de warmte der gewesten en landen waar het wordt gekweekt: de aller beste Koffie komt van de provincie Yemen, een landschap gelegen aan de kust der Roode Zee en ook vooral van omtrent de stad Moka; het is hier onder de naam van Arabische Koffie en Mokka bekend en wordt ook elders in Azië̈ gekweekt. De Koffie wordt heden in Oost- en West-Indiën geplant en door den handel naar Europa overgevoerd. Gebrand en nadien gemalen zijn bekomt men met het poeier door het kokende water zachtjes doorweekt, een welsmakende drank die de geest der mensen versterkt. De Koffie na het eten ingenomen doet spoedig en gemakkelijk de spijzen verteren en bezit een aandrijvende kracht die de geest verkwikt. De ongebrande Koffie wordt dikwijls ook met voordeel in poeiers voor de afgaande koortsen in de geneesmiddelen gebruikt; maar men moet zich in alle slag van verhitte en ontstoken ziekten daarvan onthouden en matig gebruiken omdat te veel uitgeweekte Koffie gedronken de zenuwen en spieren verflauwt.
De Koffie boom kan door het zaad, in de warme serres hier in goede welbereide aarde gezaaid en door inleggers vermenigvuldigd worden, het brengt alle jaren veel vruchten voort en vele van onze bloemkwekers bezitten die plant met dubbele bloemen.
KOLOKWINT, Bitterappel, Kwint-Appel, in 't Frans Coloquinte, in 't Latijn Cucumis colocynthis, is onder de familie van de Meloenen en Komkommers gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige, planten met bloemen van het mannetje- en wijfjes geslacht die op dezelfde stengel afzonderlijk bloeien en wiens meeldraadjes in een bundel verenigd zijn.
De Kolokwint of Bitterappel (Cucumis colocynthis van Linnaeus)(Citrullus colocynthis) is een eenjarige kruidplant van Afrika die ook veel in Indië̈, Klein-Azië̈, omtrent Aleppo en elders groei, en alhier in sommige kruidhoven wordt gekweekt; ze wordt door de nieuwe Kruid beschrijvers onder de Pompoenen en Komkommers gesteld en groeit met gerankte stengels, veel bladeren en geelachtige bloemen die rondachtige vruchten voortbrengen, welke de grootte van een Oranjeappel hebben en wiens vlezige gedeelten wit en sponsachtig zijn, een onmatig bittere en wrange smaak inhouden en een der snelste en geweldigste purgeermiddelen bezitten: twee of drie greintjes daarvan ingenomen is voldoende om een overvloedige buiklossing te verwekken. De beste Kolokwint die men hier bij apothekers verkoopt, komt van Aleppo en Smyrna; het wordt vooral gebruikt voor de hersenkoortsen en beroerende hoofdziekten die met leeg hoofdigheid zijn vergezeld om de kwade vochten uit het hoofd naar de verteerbuizen af te leiden en alzo de ziekte te doen scheiden; maar een weinig teveel van die Kolokwint ingenomen is een dodelijk vergif en kan de zieke snel doen sterven. De heer Orfila stelt de Kolokwint onder de 1ste klasse van de dodelijk verhittende vergif en zegt dat hij daarmee verscheidene proeven heeft gedaan en met een weinig de dosis te vermeerderen, spoedig de dood op de dieren heeft verhaast. Om de Kolokwint in de medicijnen te gebruiken kan men niet te voorzichtig zijn, omdat te weinig daarvan ingenomen geen uitwerking verricht en de zieken den buik doet opzwellen en te veel de dood verhaast. De kiempjes van de Kolokwint worden hier in de lente vroeg op warme bakken geplant en nadien in de volle grond met dolken verplant.
KOMKOMMER, in ’t Frans Cocombre ,in ' t Latijn Cucumis, is onder de 1ste klasse, 7de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Pompoenen en Meloenen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige met bloemen van het mannetjes- en wijfjes geslacht.
De Komkommer (Cucumis sativus van Linnaeus) is een eenjarige plant van de Oost-Indiën die hier en elders alle jaren in de lente in de moeshoven wordt gezaaid; het groeit met lange, twijgachtige, vertakte ranken en ruwe stengels langs de aarde verspreid, met kleine klauwiertjes versierd en rondachtige, kantige, grote, ruwe en rond geschaarde bladeren; bloeit in de zomer van juli tot september met bleek gele klokvormige bloemen die bij de oksels der bladstele die zeer lang zijn uitspruiten; waarop de vruchten volgen die eerst groen zijn en als ze rijp zijn geel worden, meest vers en groen worden geplukt en met azijn, witte peperbollen, kruidnagels, venkel en laurierbladen gekookt en opgelegd en zeer veel als toekruid met de spijzen worden gebruikt. De Komkommers zijn zeer verkoelende van aard, maar bezitten weinig voedsel; de bladeren en stelen met wijn gestoten en op de puisten van het aangezicht en vel gelegd doen die genezen; het zaad van de Komkommers gepeld en met zoete melk of witte wijn ingenomen doet het water lossen en is ook zeer goed als iemand de blaas van binnen gekwetst of verstopt heeft; met gerstewater gezoden verdrijft het de hitte van de lenden en verminder de brand en dorst van hete koortsen. De komkommers worden in sommige landen ook op de wijze van de Meloenen vroeg in de lente in broeibakken geplant om daarvan vroeg in ’t jaar verse vruchten te bekomen.
KONINGINNENBOOM, Strelitzia, in ' t Frans Strelitzia, in ’t Latijn Strelitzia, is onder de familie van de Bananenbomen gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Koninginnen boom (Strelitzia reginae van Willdenow) is een langlevend kruidachtig boomgewas van Afrika dat met bladstelen van omtrent 60 centimeter en bladeren van 34 of 40 centimeters lang aan de wortels groeit waaruit een kruidachtige schacht schiet die met geschulpte scheden is voorzien die purperachtig geboord zijn en de stam bekleden die meer dan 1 meter hoog groeit en waarop van in mei tot juli witte bloemen bloeien, waarvan drie verdelingen een mooie geelachtig kleur en de drie andere een mooie blauwe kleur hebben, hetgeen deze plant de warme serres zeer lieflijk doet versieren.
De reusachtige Koninginneboom (Strelitzia gigantea) is een langlevende, grote plant van Afrika; het groeit met zeer brede bladeren van omtrent 2 meters lang.
Men vindt hier nog bij onze bloemisten de Strelitzia juncifolia (Strelitzia juncea) met zeer lange en brede bladeren; de Strelitzia angustifolia met lange, scherpe bladeren, de Strelitzia farinosa, (Strelitzia reginae subsp. reginae) met lange, brede bladeren, met witachtig meel, de Strelitzia humilis met kleine bladeren. Deze mooie langlevende kruidgewassen die hier in sommige grote warme serres worden gekweekt kunnen door uitlopers vermenigvuldigd worden. Ze groeien meest in de woestijnen en wildernissen van Afrika alwaar de bladeren gretig worden opgezocht van de olifanten, kamelen, Rhinoceros en andere grote, wilde kruid etende dieren die in de woestijnen verkeren, zich met die bladeren voeden en de struiken tot aan de wortels afknagen.
Deze kruidplanten hebben de naam van Koninginnenboom verkregen om hun mooie verheven wasdom.
KOOL, Sloor, Veld-Kool, Wilde Kool, Koolzaad, in ’t Frans Colza, Chou colza, in ’t Latijn Brassica campestris, is door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, vier magtigen, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvruchten met schelpjes voortbrengen.
De Veld-Kool (Brassica campestris van Linnaeus) (Brassica rapa)is een eenjarige kruidplant van Europa die in België̈ en elders in de velden wordt geplant en groeit met fijne wortels en vertakte stengels wel 1 meter hoog met eenparige, hartvormige bladeren zonder steel die op de stengels groeien, waarop meest van het begin van mei zeer veel gele bloempjes bloeien die schelpjes met ronde zaadjes voortbrengen waarvan men veel olie bekomt die op veel verscheidene wijzen wordt gebruikt om te branden, zeep mee te maken, enz. De bladen vers geplukt zijn ook zeer dienstig om op de harde gezwellen en zweren te leggen en alle diepe wonden te genezen. As van het Koolstro gebrand en met wit van eieren gemengd geneest de verbranding, loog daarvan gemaakt, geneest het wild vuur en is goed om het hoofd te wassen. Deze Veldkolen worden hier meest in augustus gezaaid om in oktober te verplanten; ze kunnen maar omtrent 16 graden koude weerstaan.
De Rapen of Veld-Sloren die ook onder de Kolen gesteld zijn, zal ik in het artikel der Rapen beschrijven.
KOOL, Savoie, Krap-Kool, Spruitkool, Bloemkool, Rode Kool, Kabas- Kool, in ‘t Frans Chou, in ’t latyn Brassica, door Tournefort, Napus, Rapa, Eruca en onder zijn 5de klasse gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemenplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en ook peulvruchten met schelpjes voortbrengen.
De Kolen die men hier gewoonlijk in de moeshoven kweekt geven ons door het zaad een grote menigte verschillende soorten daar het bloemstof der meeldraadjes bij het bloeien van de ene op de andere vliegt en ook van de bijen wordt overgedragen. Als men van de Kolen zuiver en onvermengd zaad wilt bekomen behoeft men de struiken van elke soort voor het zaaien bestemd wel afzonderlijk te planten of ze verlopen en alzo heeft men sedert enige eeuwen in Europa zeer veel soorten verkregen waarvan sommige nieuwe lijsten wel honderd verscheiden vermelden. Ik zal dus enkel hier deze noemen die voor de heilzaamste en voedzaamste geacht en hierin de moeshoven geplant worden.
De grote, rode, Belgische Kool (Brassica sativus rubra) (Brassica oleracea var. rubra of convar. capitata var. rubra) die soms rode Sluitkool genoemd wordt (Brassica rubra capitata) i s een zeer grote soort die zich zeer dicht sluit .
De Krul-Kool (Brassica crispa) groeit met gekronkelde bladeren die zich zeer wonderlijk sluiten.
De Brusselse Kool (Brassica brabantia) (Brassica oleracea var. gemmifera) groeit zeer groot met gekrulde bladeren en brengt spruiten aan de stengels of stam voort.
De witte, grote Sluitkool (Brassica capitata alba en ook Brassica imperalis genoemd) (Brassica oleracea var capitata alba) is de grote, witte Kool die in Duitsland Sauerkraut wordt genoemd, zeer groot en dik groeit, klein wordt gesneden en met ruikende kruiden opgelegd om ’s winters in de keuken te gebruiken, hetgeen inde noordelijke landen als een heilzaam middel wordt geacht voor de mensen die met het scheurbuik zijn besmet; die Sauerkraut wordt vooral door de zeevaarders op hun lange reizen gebruikt.
De Oostenrijkse Kool (Brassica austriaca)(Conringia austriaca) wordt ook veel in Duitsland en elders gekweekt.
De Bloemkool (Brassica culiflora) (Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis) waarvan de geslotene bloemen een lekkere en gezonde voedzame spijs inhouden, wil hier in goede, vochtachtige gronden wel aarden.
De Raapkool (Brassica rapae caulis) (Brassica napus var. napus ) en de Kabuiskool (Chou cabus ) (Brassica oleracea convar. capitata) worden veel in West- Vlaanderen omstreeks Rijsel in de velden geplant om ’s winters de kruid etende dieren te voeden. De volgende Koolen hebben meest allen de naam behouden van de landstreken waar ze uit het zaad gesproten zijn :de Kool van Milaan, de Savoie kool, de Braunschweig Kool, de Windzorse (?) Kool, de Duitse Kool, de York Kool met drie kropjes en de Laplandse Kool die het eerste jaar kroppen en het tweede jaar veel zaad voortbrengen.
De Noordelijke Koolboom (Brassica arborea Steud) (boomachtige vorm ?) groeit veel in Lapland, Finland en elders in de noordse landen, wel 2 meters hoog; de inwoners van die streken gebruiken de bladeren die een scheurbuik verdrijvend middel bezitten als spijs en uit het zaad wordt een olie gemaakt om in de huishoudens te gebruiken. Alle soorten van Koolen zijn verdrogende en samentrekkende van aard en bezitten salpetergeest; maar door het koken in het water verliezen ze die salpeter stof, op zulke wijze dat het water waarin ze3 gezoden worden al deze kracht naar zich trekt. Derhalve maakt het water waarin de Kolen gezoden in de buik week en verwekt een zachte kamergang. Het is ook wonderlijk goed om de gebreken der lidmaten te verhelpen, allerhande verse wonden te zuiveren en voort etende, kankerachtige zweren te genezen, als men die dikwijls met dit sap wast. De rode Kolen worden gewoonlijk voor de gezondste geacht en als spijs om de gebreken van het lichaam te verhelpen gebruikt. Het sap van de rode Kolen wordt ook in klysma’s gebruikt om de buik week te maken. Eindelijk, de Kolen die gewoonlijk de winter moeten doorbrengen worden hier meest van het begin van augustus tot oktober gezaaid om in november op hun standplaats te planten; maar bij koude winters bevriezen ze soms , want de Kolen kunnen maar 15 of 16 graden koude weerstaan; daarom is het beter de jonge planten samen te tafelen en ’s winters met dorre bladeren te bedekken en vroeg in de lente op hun verblijfplaats te planten.
De zomer-of eenjarige Koolen, gelijk de Bloemkolen en Savoie worden meest vroeg in de lente en verder in de zomer gezaaid, om naar de wil de vruchten daarvan in de keuken te gebruiken.
KOPBLOEM, in ’t Frans Céphalanthe, in ’t Latijn Cephalanthus, is door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf bezitten gesteld en onder de 4ede klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kopbloem (Cephalanthus occidentalis van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Noord-Amerika dat hier in struiken met roodachtige vertakte stengels omtrent 1 ½ meter hoog groeit met lansvormige bladeren; bloeit hier van juli tot in augustus met trechtervormige, kleine witte bloempjes op de toppen verenigd die spitsachtige zaadhuisjes en vruchtbodem met wollige zaadjes voortbrengen.
Deze plant heeft zijn naam van Kopbloem uit het Griekse Kephale, Kop, en anthos; een bloem verkregen, al zijn delen houden een rode verf in. Deze mooie plant met zijn lieflijk gewas kan zeer goed onze winterse koude weerstaan, wil in de lusthoven en op schaduwrijke plaats zeer goed groeien en kan door het zaad, zodat het zijn rijpheid heeft verkregen, vermenigvuldigd worden, alzo ook door inleggers die na tweejaren wortel hebben gevat en men dan in de lente verplant.
KORAALBLOEM, Paternosterboom, wilde Moerbei, in het Frans Arbre à Chapelet, Faux sycomore, Azedarach bipinné, Arbre saint, Lilas des Indes, Margousier, in 't Latijn Melia, is door Tournefort onder de 21ste klasse, 3de sectie gesteld der bomen die roosvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de Koraalbloem of wilde Vijgenboom en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Koraalbloem (Melia azedarach van Linnaeus) is een zeer groot boomgewas van Ceylon dat in Italië̈, Frankrijk en elders in de warme landen wel 16 meters hoog groeit met 12 of 14 onregelmatige takken en gevleugelde bladeren die bijna aan die van de es boom gelijken; bloeit meest in juli met trossen op de toppen en mooie blauwachtige witte bloemen met violette pijpjes die een zeer welriekende geur verspreiden en geelachtige vruchten voortbrengen, welke gevaarlijk zijn en een olieachtige eigenschap bezitten waarvan men goede wassen kaarsen kan maken en welke kerntjes worden gebruikt om paternosters van te maken. De jonge takjes en bladeren bezitten een mooie zwarte verf die door de stof ververs zeer wordt geacht. Deze boom kan onze luchtgesteldheid ’s winters niet weerstaan en moet derhalve hier in de oranjehuizen bevrijd worden.
De altijd groene Koraalbloem (Melia azedarach sempervirens van Swartz ) is een langlevende boom van Jamaica die met kleinere bladeren groeit en veel bloemen draagt welke donker van kleur zijn en een sterken geur verspreiden. Deze bomen kunnen door het zaad in de matige serres of in de oranjerie worden vermenigvuldigd; men kan er hier bij verscheidene onze bloemisten jonge planten van bekomen.
KORAAL BOOM, in ’t Frans Arbre de Corail, Arbre du Ciel, in ’t Latijn Erythrina, door Tournefort Corallodendron bijgevoegd, is door Jussieu onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met tien meeldraadjes in twee groepjes verdeeld of in twee lichamen samengegroeid, met twee zaadvliesjes in de bloemkelken en lange kransen als standaard bloeien.
De Koraalboom (Erythrina corallodendron van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van de Antillen Eilanden dat met een stam, met doorns bekleed, in het land van zijn afkomst tamelijk hoog groeit met donkergroene bladeren zonder doorns die omtrent de middag schijnen te slapen en zich verenigen; bloeit hier meest in juni met rechte aren op de toppen en zeer lieflijke bloemen die de kleur van het Koraal hebben en peulvruchten op de wijze van de Boonboom voortbrengen.
De glans rijke Koraalboom (Erythrina fulgens) (Erythrina americanum) is een langlevend heestergewas van Zuid-Amerika dat alhier sedert enige jaren is over gebracht en in juni met veel mooie, lange rood blinkende bloemen bloeit die ook peulvruchten dragen.
Deze twee mooie houtgewassen moeten hier in de warme serres gekweekt worden en kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden.
De kruidachtige Koraalplant (Erythrina herbacea van Linnaeus) is een langlevend kruidgewas van de Carola Eilanden dat hier met enkele, houtachtige stengel die jaarlijks uit de wortels spruiten en donkergroene bladeren groei; bloeit met aren en zeer mooie koraal rode bloemen die peulvruchten voortbrengen.
Onze bloemisten hebben onlangs van West-Indien nog de volgende soorten van die Koraalbomen verkregen: de Erythrina crista galli, Erythrina major, ? Erythrina floribunda, ? Erythrina hendersonii, ? Erythrina laurifolia, ? Erythrina picta, ? Erythrina marginata ? enz., die hier allen in de matige serre of in een goede oranjerie worden gekweekt met aller mooiste koraal kleurige bloemen bloeien en nog zeldzaam zijn verspreid; ze kunnen allen door het rijpe zaad in de lente op teilen in de gemengde heigrond in de matige serres worden gezaaid. De peulvruchten dienen in de warme eilanden om alle slag van gedierten mee te voeden.
KORAALKRUID, Koraalmos, in ’t Frans Coraline, in ‘t Latijn Corallina of Fucus Corallina, is door Jussieu onder de familie van het Zeewier gesteld en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia algae, een slag van planten die noch zichtbare bloemen noch vruchten dragen.
Het Koraalkruid (Fucus corallina) (Corallina officinalis) is een langlevend kruid gewas dat op de steenrotsen, klippen, schelpen en op de koraal in de zee groeit met dunne en zeer harde stengels, gelid en wijd verspreid die soms aan de schelpen in de zee en aan de koraal vast blijven hangen en een wit en ook soms een roodachtig kleur hebben. Dit kruid wordt bij de apothekers Corallina genoemd, heeft een ziltige en brakken smaak, is zeer verdrogend van kracht en bezit een heilzaam middel om de wormen in den buik te doden en af te drijven; het wordt derhalve in poeiers gebruikt en door de geneesheren voorgeschreven in een grotere of mindere hoeveelheid, volgens de ouderdom der kinderen of bejaarde mensen en met honing of siroop ingegeven.
Een ander Koraalkruid (Muscus carollaides) (Sertularia operculata) groeit ook in de zee.
Het Zeewier (Fucus volubilis van Linnaeus) (Zostera soort) groeit ook veel in de Middellandse Zee alwaar de Koraal groeit en daar het door zijn lange, dunne stengels over de Koraal- of Parelbanken zwiert en de parelvissers dikwijls hindert wordt het ook inde volkstaal Koraalkruid genoemd.
KORIANDER, in ’t Frans Coriandre, in ’t Latijn Cpriandrum , is onder de 7de klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroon dragende bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien, twee stampertjes hebben en kroonvormige bloemen dragen.
De Koriander (Coriandrum sativum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Italië die in België die aan de grond is gewend en veel in de moeshoven wordt gezaaid; het groeit met ronde, dunne, vertakte stengels omtrent25 centimeters hoog, met gesnedene en gekerfde bladeren op de bladstelen, en bloeit meest in augustus met veel witte bloempjes met wijde kransjes die kroonvormig zijn geschikt en ronde zaadjes voortbrengen welke in de herfst rijp zijn en alsdan verzameld worden om te bewaren.
De Koriander die met teelballetjes bloeit(Coriandrum testiculatum van Linnaeus) (Bifora testiculata) is een eenjarige kruidplant van Europa, die in België en elders in de velden groeit en van stengels en bladeren wel op dn eerst gemelde gelijkt, maar wiens bloemen op de toppen der stengels kroonvormig en als zijn geschikt; ze dragen twee lange en twee kortere vruchten en zaadjes en worden hier ook in sommige kruidhoven gezaaid. Het verse kruid, de bladeren en zaad van de Koriander hebben een zeer stinkende geur en zijn niet alleen geweldig verkoelend, maar vers ingenomen kunnen ook dodelijk zijn want ze maken een ruwe stem, benemen het verstand en veroorzaken leegheid van het hoofd; te veel in eens daarvan ingenomen ,verwekt een dolle dronkenschap die de mens zeer hinderlijk kan wezen; maar het koriander zaad dat droog geworden is en zijn stinkende reuk verloren heeft is matig heet en droog van aard, wordt voor het bereiden eerst in de azijn geweekt en nadien gedroogd en alzo meest gebruikt om de medicijnen te bewaren en ook op het vlees met de azijn gesproeid om het van de wormen en ongedierte te bevrijden. Het Koriander zaad, onder het Koren gelegd bevrijdt dit van de motten; een dag in de azijn geweekt en daarmee den vloer in de kamers of huizen besproeit verdrijft het al de vlooien.
KRACHTWORTEL, Panaces wortel, in ' Frans Ginseng, in 't l Latijn Panax , is door Jussieu onder de familie van gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtige-tweehuizige met mannetjes en wijfjes bloemen en tweeslachtige (Hermaprodites) De mannetjes bloempjes zijn met vijf getande bladen in de kelkjes, vijf bloemblaadjes in de kransjes en vijf meeldraadjes die kroonvormig geschikt bloeien; de wijfjes bloemkelkjes zijn geheel met vijf bloemblaadjes en meeldraadjes in de kransen die ook kroonvormig geschikt bloeien.
De vijfbladige Krachtwortel (Panax quinquefolium van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van China, Canada en Noord-Amerika die van over enige eeuwen in Europa is bekend. Het wordt heden om hare heilzame deugden veel in Italië, Duitsland, Frankrijk en hier in België in de kruidhoven gekweekt en groeit met een ruwe stengel wel 60 of 70 centimeters hoog waaraan gewoonlijk lange stelen en vijfvoudige, donkergroene bladeren verdeeld groeien; op de toppen der stengels bloeien hier meest in juli veel gele bloemen die brede en platte zaadjes voortbrengen. De wortel is lang en wit; uit de stengels van deze plant wordt er in de hete zomermaanden, door insnijding, een sap getrokken, at zeer hard is, en op de Opopanax gelijkt, een verwarmende smaak inhoudt en een sterke reuk heeft. Het sap dat hier te lande uit de Krachtwortel-stelen vloeit is zo krachtig als dit wat men van vreemde landen doet komen om de wonden te helen en inwendig te gebruiken, om de gescheurdheid en kwetsuren te genezen en de druppelpis, rommelingen in de buik en weedom te stelpen; maar dit wat uit vreemde landen komt is heter en meer verwarmend van krachten en pleisters daarvan gemaakt zijn zeer dienstig o m de gezwellen, bloedzweren, klaporen en klieren te doen openbreken. Onze smeerwortels (Symphytum officinalis), die hier te lande zo galgemeen groeien bezitten dezelfde krachten.
De eerste Krachtwortels werden hier te lande in 1560 gezaaid door Pieter Caudenberg, apotheker te Antwerpen die er van in de zestiende eeuw veel proeven mee heeft verricht en werden als dan Panax syriacum genoemd. Sedert zijn ze in België en elders verspreid en kunnen door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden; de levende wortels kunnen onze koude winters wel weerstaan.
KRAAGDRAAGBLOEM, Been zaadplant, in ’t Frans Portecollier, Ostéosperme à collier, in’;t Latijn Osteospermum, is door Jussieu onder de familie van de Straalbloem planten gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia necessaria,samenhelmigen,4de orde, noodwendige veelwijverij; planten die met vijf meeldraadjes bloeien met de meelkopjes verenigd. De bloempjes in de stralen zijn tweeslachtig, en die rond de stralen wijfjes.
De Kraagdraag bloem of Been zaadplant (Osteospermum moniliferum)(Chrysanthemoides monilifera) is een langlevend heester-houtgewas van Ethiopië dat met stammen wel 1 ½ meter hoog groeit met altijd groene, dikke, eivormige, kromme bladeren en meest in juli bloeit, met kleine gele gestraalde bloemen die aller mooiste rode beenachtige zaadjes voortbrengen die aan de bewerkte koraal gelijken en gebruikt worden om paternosters en halssieraden te maken.
Men kan hier bij onze bloemisten de volgende soorten bekomen: de tweekleurige Kraagdraagboom (Osteospermum bicolor ) Dimorphoteca?) van de Kaap die met zeer mooie tweekleurige, gestraalde bloemen bloeit; de Osteospermum pisiferum van Linnaeus, ? ook van de Kaap en de Osteospermum pinnatifidum van L' Heritier ? van Afrika. Maar deze mooie houtgewassen die allen beenzaad dragen kunnen 's winters ons klimaat niet weerstaan en moeten dus vervolgens in de oranjerie bevrijd worden; ze kunnen door het kern zaad in de heigrond gezaaid en door afzetsels en inleggers op warme broeibakken onder het glas vermenigvuldigd worden.
KRAANBEK, Kraanhals, in ’t Frans Bec de Grue, Geranium, in ’t Latijn Geranium, is door Jussieu onder de familie van de Ooievaarsbekken en Reigersbekken gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Monadelphia decandria, tweebroederige; planten die met tien meeldraadjes en kopjes bloeien, die door de draadjes in twee groepjes of broedertjes gescheiden zijn. Men vindt op sommige bloemlijsten de Kraanbekken, Geranium, de Ooievaarsbekken, Pelargonium en Reigersbekken, Erodium, allen onder elkaar gesteld daar ze nochtans wel van gedaante, natuur delen en namen verschillen; derhalve zal ik elke soort van die planten, volgens de Vlaamse taal, in hun bijzonder artikel beschrijven. Die planten zijn heden door het zaad zodanig vermenigvuldigd dat men op sommige lijsten wel 400 soorten vindt die allen door de kweekers verschillende namen hebben verkregen; ze bloeien op de stelen der stengels met tien meeldraadjes door kopjes versierd, vijf gelijke bloemblaadjes in de bloemkelkjes en kransje ,en lange, klierachtige melige draadjes van onder in de honing kelkjes die vruchten met vijf blote schelpjes voortbrengen welke niet geschroefd noch gebaard zijn, maar wel op de Kraanbekken gelijken, waardoor die plant uit het Griekse Geranos zijn naam verkregen heeft; het wordt hier ook te lande om hun vijf schelpvormige vruchten Vijfvingerkruid genoemd daar ze nochtans met dit kruid geenszins in krachten overeenkomt. Men vindt van die Kraanbekken zeer veel soorten en medesoorten ,die in de bloemhoven worden gekweekt en ook in ’t wild groeien.
De Moeras, Kraan (Geranium pratense van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die met korte stengels en schildvormige, geribde bladen groeit en hier meest in juni bloeit met zeer lieflijke purperachtige blauwe dubbele bloemen en waarvan men veel medesoorten vindt, die met enkele roze, wit gespikkelde en blauwachtige bloemen in het wild groeien.
De netvormige geribbelde Kraanbek (Geranium striatum)bloeit van juni tot in september met witte bloemen, door kleine rode adertjes in de bloembladen gestreept.
De Kraanbek met dikke wortels( Geranium macrorhizum van Linnaeus) is een langlevende plant van Italië die hier van juni tot in september met veel roodkleurige bloemen bloeit.
De zilverachtige Kraanbek( Geranium argenteum) is van Zuid- Frankrijk en groeit met dikke wortels, lange bladstelen en bladeren van onder met witten zijdeachtige dons bedekt; groeit met korte stengels waarop in juli hier meest grote, rode, geaderde en in de lengte gestreepte bloemen bloeien.
De asachtige Kraanbek (Geranium cineraceum?) van de Pyreneeën Gebergten die hier in juni bloeit met rode bloemen, mooi purperachtig op de bloembladen geaderd.
De Kraanbek die op de Wol wortels gelijkt (Geranium aconitifolium ?) is een langlevende plant van de Alpen Gebergten die met mooie purperachtige witte en purper getekende bloemen groeit.
Al de volgende Kraanbekken worden in België veel in de lusthoven geplant: De Geranium sanguineum van Linnaeus die in België ook in de bossen groeit, met bladeren en stengels die jaarlijks uit de levende wortels spruiten; de Geranium phaeum van Linnaeus, komt van Zwitserland; de Geranium nodosum, die een stinkende geur bezit ,komt voort van Frankrijk; de Geranium sylvaticum van Linnaeus, groeit in Vlaanderen en elders veel in de bossen en hagen; de Geranium maculatum van Linnaeus komt van Noord-Amerika; de Geranium pyrenaicum van Linnaeus ,is van Zuid-Frankrijk; de Geranium lancastriense van de Hort. Cant,? en Geranium prostratum (Geranium sanguineum var. prostratum) zijn langlevende planten van Engeland die met aller mooiste bloemen bloeien; ze worden hier allen in de volle grond in de hoven gekweekt en ook veel in potten die ’s winters in de oranjehuizen worden bevrijd en kunnen doorafzetsels in potten, bloot zonder glas in lichte gemengde grond vermenigvuldigd en ook vroeg in de lente gezaaid worden waardoor men veel variëteiten kan bekomen.
De Kraanbekboom (Geranium anemonefolium of palmatum van Willdenow ?) is een langlevend, klein boomgewas van Madera dat met aller mooiste, grote jasmijn kleurige bloemen bloeit en hier in de matige serre of in de oranjerie moet gekweekt worden.
De Geranium carolinianum van Linnaeus? is een eenjarige plant van Virginië die hier in de lente in de bloemhoven wordt gezaaid en zeer lieflijke bloemen draagt.
Men vindt nog van die eenjarige Kraanbekken, de volgende soorten die alle in België in 't wilde groeien : de Geranium lucidum groeit hier in de belommerde bossen en op steenrotsen; de Geranium molle groeit in de heide; de Geranium columbinum groeit in Vlaanderen meest in de hagen; de Geranium dissectum en Geranium rotondifolium groeien hier meest in de landen en velden ;de Geranium pusillum groeit ook in de heide; de Geranium robertianum groeit meest in de bossen.
De Geranium purpureum van Willdenow is een tweejarige kruidplant die in de hoven en bossen en op steenhopen groeit.
In de oude tijden werd het gestoten kruid van sap van Geranium robertianum gebruikt om op bloedige wonden te leggen, maar het schijnt dat dit middel heden door andere krachtiger is vervangen; de Geranium maculatum, volgens de doctor James Mease, bezit een bloedstelpend middel en wordt inwendig gebruikt.
KRAKEBEZIE, Bosbes, Myrthe, in het Frans Myrtille, Airelle, in 't Latijn Vaccinium, van Tournefort Vitis idaea, Oxycoccos genoemd en onder zijn 20ste klasse, 6de sectie der eenbladige bloemplanten gesteld, door Jussieu onder de familie van de Heide planten en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben. Men vindt veel verscheidene soorten van die gewassen in België die ook in de lusthoven en elders worden gekweekt.
De Kraakbes of kleine Mirte (Vaccinium myrtillus van Linnaeus) is een langlevend klein heester-houtgewas van Europa dat met vertakte stampjes in Vlaanderen, Brabant en elders in sommige lommerachtige bossen en op bergen groei ,en omtrent 25 of 30 centimeters hoogte verkrijgt met eivormige en getande blaadjes en meest in mei bloeit met bosjes en witte roze bloempjes die als belletjes zijn geschikt en in september donker blauwachtige bessen voortbrengen; me bemerkt soms tien meeldraadjes in deze bloemen. De bessen die een wijnachtige smaak inhouden worden rijp veel gegeten en het sap wordt ook in sommige landen met wijn gemengd waaraan het een mooie kleur en een aangename smaak verschaft. De jonge toppen en bladeren van deze kleine Mirt bezitten een mooie grijze verf die met een weinig aluin gemengd van de wol ververs veel wordt gebruikt om allerhande zijde en wollen stoffen grijs te verven.
De Kraakbes of Bergdruif en gestreepte Mirt (Vaccinium vitis-idaea van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa dat veel in de Alpen gebergten en elders in Italië groeit en hier in de heigrond in de hoven wordt geplant; het groeit met vertakte stammetjes, omtrent 70 of 80 centimeters hoog, met eivormige, groene, rondachtige bladeren, van onder gerold en bloeit meest in mei met bloemtrosjes en witte en roze gespikkelde bloempjes die bessen voortbrengen die op de zwarte Druif gelijken waardoor deze plant en naam van Berg- druif heeft verkregen. Het sap van de Bessen dat een aangename smaak inhoudt wordt in de wijnlanden met de wijn gemengd.
De Mirte met grote bessen (Vaccinium macrocarpon van de Hortus Kew.) is een langlevend heester-houtgewas van Noord-Amerika dat meer dan 1 meter hoog groeit, met langwerpige en blinkende bladen en bloeit met bloemtrosjes en rolvormige witte bloemen, met rood- en blauw gespikkelde bloemkelkjes die grote eetbare bessen voortbrengen die een donkerblauwe kleur hebben.
De Vaccinium amoenum (Vaccinium corymbosum var. amoenum) en de Vaccinium disomorphum ? zijn ook van Noord-Amerika, gelijken wel van bladen en bloemen aan die met grote bessen en worden hier ook in de lusthoven gekweekt.
De Vaccinium uliginosum van Linnaeus groeit veel in Zweden, Duitsland en op sommige plaatsen in het zuiden van België in de belommerde bossen van de Ardennen en brengt ook goede en sappige eetbare bessen voort.
De Mirt Kaneberg (Vaccinium oxycoccos van Linnaeus) is een struikheester-houtgewas dat in België op sommige plaatsen in de heide groeit, met stengels bij den grond gestrekt en roosachtige bloempjes die bessen voortbrengen die een scherp zure smaak inhouden; ze worden derhalve als bijtende zuurheid in de verf gebruikt.
De Mirte met lange meeldraadjes (Vaccinium stamineum van Linnaeus ?) is een langlevend hout gewas van Noord-Amerika.
De Vaccinium arctostaphylos,(Arctostaphylos uva-ursi) de Vaccinium frondosum ? en de Vaccinium ligustrinum van Linnaeus, zijn van Noord-Amerika en worden hier alle in de lusthoven geplant.
De Mirte boom (Vaccinium arboreum) (Oxydendrum arboreum?) die wel omtrent 6 meters hoog groeit met een vertakte stam en klierachtige, eivormige, scherpe bladen, bloei tin juni ,met bloemtrossen en veel klokvormige bloemen, in vijf verdeeld die zwartachtige bessen voortbrengen, die in de geneesmiddelen worden gebruikt om de beweging der spieren en zenuwen aan te drijven en zeer worden geacht om de vallingen te genezen.
Al deze Kraakbessen of Mirte planten kunnen onze koude winters, in de vollengrond met heigrond gemengd wel weerstaan en door het zaad vermenigvuldigd worden. De Mirten die hier ’s winters in de oranje huizen worden bevrijd zal ik onder het artikel der Mirtebomen beschrijven omdat ze meest onder de naam van Mirtebomen bekend zijn.
KRANSBLOEM, mooie Kransbloem in ’t Frans Gandasuli , in 't Latijn Hedychium, is onder de familie van het indiaans Bloemriet gesteld en onder de 1ste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, planten die met een meeldraadje bloemen en maar een stampertje hebben.
De mooie Kransbloem (Hedychium coronarium van Curtis) (Hedychium coccineum?)is een langlevende kruidplant van de Oost-Indiën die hier met lange onder gewolde bladen van omtrent 20 of 25 centimeters lang en met enkele gebladerde stengels wel 60 of70 centimeters hoog groeit en meest van juli tot in september bloeit, met aren op de toppen en mooie witachtige en gele bloemen die een aangename, zoete geur verspreiden.
De mooie Kransbloem met lange bladeren (Hedychium angustifolium?) is een langlevende kruidplant van de Indiën met geknobbelde wortels en smalle, lange bladeren die meest in augustus bloeit, met aren op de toppen en zeer lieflijke rode, oranje- kleurige bloemen die een zoete geur inhouden.
Deze planten die nog zeldzaam in den handel zijn verspreid moeten hier in de warme serres gekweekt zijn en kunnen door struikscheiding en uitlopers die uit de wortels spruiten vermenigvuldigd worden. De krachten van deze planten zijn mij niet bekend, maar ze worden in de Indiën gebruikt om de kruid etende dieren te voeden. Onze bloemisten hebben hier onlangs nog nieuwe soorten van de Indiën verkregen.
KRIEKEN OVER ZEE, Jodenkersen, Hondsblaas, Winter Kersen, in 't Frans Coqueret, Cerises d'outre-mer, in 't Latijn Physalis, door Tournefort Alkekengi genoemd en onder zijn 2de klasse, 7de sectie der trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Nachtschade en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Krieken over zee(Physalis peruviana van Linnaeus) is een langlevend, klein boomachtig gewas van Lima met groene schors, dat zeer vertakt omtrent 60 of70 centimeters hoog groeit met hartvormige, blijvende bladen en sappige bessen voortbrengt die eerst groen zijn, maar in den winter een geelachtig rode kleur verkrijgen. Deze Krieken over zee zijn heden hier te lande van iedereen goed bekend.
De Krieken over zee (Physalis viscosa van Linnaeus? )is een langlevende kruidplant van Virginië die met kruidachtige stengels en grasachtige, plompe, gewolde bladeren hier in de vollen grond groeit met bloemtrosjes bloeit en ook sappige bessen voortbrengt.
De Krieken over zee (Physalis alkekengi van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die met vertakte stengels en grasachtige bladeren groeit en bloemkelken draagt die een lieflijk rode kleur verkrijgen. Deze plant wordt in Vlaanderen in de bossen op vette gronden, weiden, bouwlanden en steenhopen gevonden en brengt omtrent de herfst rijpe bessen voort. De vruchten en het sap van de Krieken over zee zijn koud van aard maar hebben, volgens de oude Kruid beschrijvers de krachten van de Nachtschade, openen de verstoptheid van lever en nieren, zuiveren ook de blaas en doen pissen als ze met kennis van een ervaren doctor voorgeschreven worden. Een Spaanse kruidkenner en doctor, de heer Serapio, die deze plant in zijn taal Vexiga deperro noemt en hierdoor zeker de Physalis viscosa van Linnaeus wilt zeggen schrijft dat die Krieken over zee een scherpzuren smaak inhouden en goed zijn om tegen de steen en graveel te gebruiken, en naar de Nachtschade (Belladonna) wel aarden. Hij voegt er bij dat de kern der vruchteng gestampt en met kennis voorgeschreven de buik beroert en week maakt, de wormen uit het lijf verdrijft en de kracht heeft om van het overvloedig slijm te zuiveren; nochtans de kundige Orfila stelt die onder de Solanum merisie ,die een slaap verwekkend vergif inhoudt. Deze planten kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden.
KRIEKLAURIER, Laurierkers, Kerslaurier, Amadel-laurier, Wilde Laurier, in ‘t Frans Cerisier, Laarier-Cerise, Laurier-Amandier, in ’t Latijn Cerasus, Laurocerasus, is door Jusieu onder de familie van de Roos-Lauruer of Oleanderboom gesteld en onder 12de
klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, planten die met twintig helmstijltjes bloemen die op de kelk zijn vastgehecht en maar een stampertje hebben.
De Kers- of Krieklaurier (Prunus laurocerasus van Linnaeus) staat in zijn rangschikking onder de Pruimbomen gesteld en deze wilde Laurier werd van Trapezunte in Turkije in het jaar 1576 alhier in België overgevoerd vanwaar het in Europa is verspreid; het groeit in struiken, vertakt wel omtrent 2 meters hoog ,met altijd groene, blinkende, taaie bladeren en bloeit in mei met trosjes en kleine witte bloempjes die in de warme gewesten kleine, zwartachtige kriekjes voortbrengen. De bladen van deze wilde Laurier bezitten een aangename amandel geur en een blad alleen met een liter zoete melk gekookt doet de melk een amandel smaak verkrijgen; maar indien men er een meerder aantal voor een liter melk van gebruikt zou het een gevaarlijk en dodelijk vergift kunnen worden; gelijk men in1843 in de dagbladen heeft gelezen dat verscheidene mensen door onvoorzichtig te veel bladeren daarvan in de melk te koken spoedig gestorven zijn (1). Het is uit deze boom dat het beste zuur wordt getrokken dat hier onder de naam van Acide prussique (Pruisisch zuur) is bekend en een geweldig vergift inhoudt .Dit boomgewas ,dat door zijn groen blinkende bladeren onze lusthoven zeer versierd wordt hier door inleggers en uitlopers vermenigvuldigd worden, maar kan geen 17 graden koude weerstaan of bevriest, maar spruit weer uit de wortels als men he tin de lente op tijd afkapt. Deze boom werd door Ch. Clusius, in de XVI eeuw Trapezuntiac erasus genoemd, alsof hij Trapezuntse Krieken wilde zeggen omdat die bomen in het land van hun afkomst veel vruchten op de wijze van de Krieken voortbrengen, waaruit men een zuur sap trekt dat als bijtende stof in sommige verven wordt gebruikt.
De Portugese Krieklaurier (Azarero of Prunus cerasus lusitanica en Prunus lusitanica van Linnaeus) is een lang levende heester-boomgewas van Portugal, dat onder den naam van Laurier de Portugal is bekend in de bergen en velden van Portugal, Spanje en elders veel in het wild groeit en hier veel in de lusthoven wordt gekweekt , en met vertakte stam wel omtrent 2 meters hoog groeit met altijd blijvende groen blinkende bladeren, zeer lommerrijk versierd; bloeit van in mei tot juli met trosjes op de toppen en zeer lieflijke witte bloempjes die zich op het groen goed verheffen. Deze mooie plant werd door Lobel Tynus lusitanica clusy genoemd. Deze lieflijke gewassen die door hun bladen en bloemen de Engelse hoven zeer versieren kunnen door inleggers, die wel wortel vatten, en door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden; maar de jonge planten moeten hier de eerste 3 of4 jaren ’s winters worden bevrijd omdat die geen 16 graden koude kunnen weerstaan.
1, Men vindt hierover in de Uitgelezene natuurkundige Verhandelingen, 1ste deel, bladzijde 131,, een brief geschreven door T. Madden , doctor te Dublin, aan de heer C. Mortimer, doctor, behelzende het verhaal van een vrouw en een jonge heer die door een enkele teug van het gedistilleerd water van deze Kerslaurier te drinken gestorven zijn; welk de gemelde heer Madden aanleiding gaf om proeven over de kracht en hoedanigheid van dit gedistilleerd water te doen op honden die men enige ons daarvan op verscheidene keren inspoot waarvan dezelve zware stuip trekkingen verkregen en kort daarop kwamen te sterven. Dergelijke proeven heeft naderhand, volgens dezelfde Natuurkundige Verhandelingen, bladzijde 150, ook de heer D. Mortimer voor de koninklijke Maatschappij te Londen op honden gedaan met hetzelfde gevolg van het sterven die dieren; waaruit de vergiftige aard van dit gewas openbaar is. Ofschoon, zegt de schrijver, het gebruik der bladeren in melk, voor een enkele keer, in kleine hoeveelheid genomen of met andere dingen gemengd worden de mens niet altijd aanstonds dodelijk is, zo blijkt nochtans dat een dagelijks gebruik van zodanige Kerslaurier te uiterste schadelijk en gevaarlijk is en voor zwakker mensen de dood verhaasten moet; hij voegt er tenslotte nog bij dat hem bericht is dat een zekere heer en zijn vrouw die dat gebruikten, beiden lam gestorven zijn.
KROMHALS, Blaaskruid, Alkanna wortel, in ‘t Frans Grippe, Orcanette, in 't Latijn Lycopsis, door Tournefort Pulmonaria, Buglossum, Echioides genoemd; door Jussieu onder de familie van de Bernagie gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Kromhals of Blaaskruid (Lycopsis vesicaria van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Europa, die hier alle jaren in de lente in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met achterover vallende, ruwe, vertakte stengels, omtrent 40 centimeters hoog en stelen met de bladeren naar de aarde gebogen die van gedaante aan het Longkruid, Ossentong en Slangenkruid gelijken; bloeit van juli tot in de herfst met zeer mooie blauwachtige stervormige bloempjes met zwartachtige meeldraadjes die de bloemhoven zeer lieflijk versieren. De kransen zijn gepijpt en omgebogen en de vruchten die in de bloemkelken groeien zijn als blaasjes waardoor die plant ook de naam van Blaaskruid verkregen heeft.
De Veld-Kromhals (Lycopsis arvensis van Linnaeus) (Anchusa arvensis) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België op veel plaatsen in de velden en zandachtige landen groei met stengels en lans vormige bladen met ruwe haartjes bekleed en ook blauwachtige bloempjes en blaasachtige zaadjes voortbrengt.
De oosterse Kromhals (Lycopsis orientalis van Linnaeus?) groeit veel in Italië en elders in warme landen.
Deze planten zijn opmerkelijk vochtig van aard, maar warm en middelmatig koud van krachten; ze worden op de wijze van de Bernagie gebruikt; de wortels, takjes en zaad gestoten en met wijn gedronken maken goed bloed en zijn goed voor de derdendaagse koortsen. Deze planten worden hier gewoonlijk vroeg in de bloemhoven gezaaid en met dolken verplant.
KRUIDNAGELBOOM, Nagelboom ,in 't Frans Giroflier ,in 't Latijn Caryophyllus, is door Jussieu onder de familie van de Mirte bomen gesteld en onder de 1de ° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige die van twintig tot honderd meeldraadjes en maar een stampertje hebben.
De Kruidnagelboom (Caryophyllus aromaticus van Linnaeus) (Syzygium aromaticum) is en langlevend boomgewas van de Indiën dat veel in de Molukse Eilanden groeit en bloeit met vier bloembladen in de kransen en dubbele, vierbladige kelken, die bessen met een kerntje voortbrengen. Deze plant geeft de welriekende Kruidnagels die door de handel alhier worden overgevoerd, en de bloembotten zijn welke men plukt eer de bloemen zich ontwikkelen. De beste Kruidnagels zijn zwartachtig bruin van kleur; ze worden als toekruid met de spijzen bereid, maar weinig in de geneesmiddelen gebruikt; dat niettegenstaande bezitten ze aandrijvende eigenschap die de spijzen doet verteren en een aangename smaak verschaft. Deze bomen zijn zeer zeldzaam in Europa te vinden; de enigste die ik daarvan heb ontmoet, was in de warme serres van de koninklijken Kruidhof te Parijs .In het land van hun afkomst worden ze door het kern zaad en door uitlopers vermenigvuldigd.
KRUISBLOEM, Melkkruid, Kruisdagbloem, im ’t Frans Polygale, Herbe à lait, in 't Latijn Polygala, is onder de 3de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der bloemen die met figuur- gedaante bloeien; door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid, en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia octandria ,tweebroederige planten die met acht helmstijltjes bloemen, maar door de meeldraadjes verenigd en door de draadjes in twee groepjes of lichamen verdeeld.
Men vindt heden veel soorten van deze planten die van vreemde landen hier zijn overgevoerd en in de oranjerie worden gekweekt; derhalve zal ik eerst beschrijven die hier in het wilde groeien en ook in de bloemhoven geplant worden.
De Kruisbloem met Palmboombladen (Polygala chamaebuxus van Linnaeus) (Chamaebuxus alpestris) is een langlevend klein heester-houtgewas van Oostenrijk dat met overhellende, vertakte stengels, omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeit en van jun tot in september bloeit met drie of vier grote geelachtige bloemen die op de toppen der bloembladen purper zijn getekend.
De gewone Kruisbloem (Polygala vulgaris van Linnaeus) is een kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België in de droge landen en heide groeit met levende wortels en stengels en hellende stelen ,met lijnvormige, puntige bladeren bekleed; het gelijkt op de Linzen en bloeit van juli tot in september met trosjes en gekamde bloempjes op de toppen die een blauwachtig of donker violette kleur hebben, vleugelachtig maar reukloos zijn.
De bittere Kruisbloem (Polygala amara van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die hier ook in de droge velden en landen groeit en zeer goed op de gewone gelijkt, maar door zijn bittere smaak daarvan verschilt .
Deze planten werden van Lobel Melkkruid genoemd, en hij zegt dat ze de melk in de vrouwenborsten vermeerderen.
De volgende Kruisbloemen worden hier ’s winters in de oranjerie bevrijd: de Polygala myrtifolia, een langlevende heester- houtgewas van de Kaap; de Polygala oppositifolia ? van Linnaeus, ook van de Kaap; de Polygala bracteolata ? van Linnaeus en de Polygala heisteria die ook van de Kaap komen; de Polygala attenuata, (Senega cymosa) P. cordifolia, ? P. grandiflora (Polygala chamaebuxus var. grandiflora) die met de aller mooist gevleugelde en gekleurde bloemen bloeien, zijn allen langlevende heester- gewassen van Afrika die men hier bij onze bloemisten kan verkrijgen en door het rijpe zaad in de heigrond in matige serres kunnen gezaaid en door afzetsels en inleggers op lauwe broeibrakken, in den gemengde heigrond vermenigvuldigd worden en allen zeer lang in de zomer bloemen.
KRUISDISTEL, witte Distel, Onze Lieve Vrouwe Distel ,in ’t Frans Panicaut, in ’t Latijn Eryngium, is door Jussieu onder de familie van de kroonvormig geschikte planten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben en van gedaante op de Distels gelijken.
De Kruisdistel (Eryngium planum van Linnaeus)i is een langlevende plant die in België in de bossen groeit.
De zee kruisdistel, Eryngium maritimum) groeit meest aan de zee duinen.
De Veld-Kruisdistel (Eryngium campestre) groeit in België meest aan de zandachtige wegen.
De Alpen Kruisdistel (Eryngium alpinum van Linnaeus) groeit veel in Zwitserland en draagt donkerblauwe bloemen.
De Eryngium tricuspidatum van Linnaeus van Oost-Europa, wordt hier in de bloemhoven gekweekt. De Eryngium Bourgati van de Hortus Kew wordt hier ook in de bloemhoven geplant.
De Eryngium azureum ? met hemels blauwe bloemen komt van Frankrijk; de Eryngium aquaticum van Linnaeus, komt van Virginië. Al deze planten waarvan de stengels omtrent 1 meter hoog groeien, zijn medesoorten van mooie Distels en maar aangenaam om in grote hoven te kweken ze bezitten al de deugden die de Distels inhouden en worden hier meest op de wijze van de Astrantia in de bloemhoven gezaaid en nadien op hun verblijfplaats in de lente verplant.
KRUISKRUID, Sensum, in ’t Frans Séneçon, in 't Latijn Senecio, is onder de 14de klasse, 1ste sectie der Kruisbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syn genesia polygamia superflua, samenhelmige, 2de orde, overbodige veelwijverij of overbodige samenhelmige die met meeldraadjes en stampertjes verenigd bloeien.
Men vindt heden op de rangschikkingen van sommige Kruidbeschrijvers wel 80 soorten van die planten die hier en in vreemde landen groeien en door het zaad verspreid worden.
Het gewone Kruiskruid (Senecio vulgaris van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant die ten alle kanten groeit en hier onder de naam van Sensum door iedereen is bekend..
Het kleefachtig Kruiskruid(Senecio viscosus van Linnaeus)is een eenjarige kruidplant die meest in België aan de wegen en op droge plaatsen groeit.
Het Bos-Kruiskruid (Senecio sylvaticus van Linnaeus)is een eenjarige kruidplant die in de vochtige bossen groeit.
De Senecio squalidus is ook een eenjarige kruidplan die aan de muren en op de daken groeit.
De volgende zijn onder de langlevende planten van Linnaeus gesteld:
Het Kruiskruid met raket bladeren (Senecio erucifolius) groeit in België langs de kanten der bergen.
Het Poel-Kruiskruid( Senecio paludosus) (Jacobaea paludosa) groeit in de velden die 's winters overvloeien.
Het Woud -Kruiskruid (Senecio nemorensis) groeit in België in de bossen.
Het heidens Kruiskruid (Senecio saracenicus) (Senecio fluviatilis) wordt alhier in de bergachtige bossen gevonden en de Senecio doria groeit in de vochtige bossen.
Al deze soorten van Kruiskruiden worden van de landlieden gestoten en het sap met zoete boter bereid en als pap gekook om op de vurige wonden en gezwellen te leggen. Dit sap met wierook of was gemengd is zeer goed om de vuile vurige kwetsuren en ettergaten zuiver te genezen. Het Kruiskruid met karnemelk gekookt is zeer dienstig om de gezwellen der dieren mee te baden en er op te leggen; het verdrijft de vurigheid. Dit kruis met Tasjeskruid en Muur gemengd is goed om ’s winters de vogels te voeden, die geheel het jaar in hun muit verblijven; het is ook zeer dienstig om als verkoeldrank aan de varkens te geven die met vurigheid besmet zijn.
Het Kruiskruid of Sint Jakobskruid (Senecio jacobaea van Linnaeus)(Jacobaea vulgaris) is een langlevende plant van Europa die in Vlaanderen en elders in de moerassen groeit en meest in juli bloeit met lieflijke gele bloemen waarvan al de delen veel potas bevatten.
Het Kruiskruid van vreemde landen dat hier om hun mooie bloemen in de hoven en serres wordt gekweekt (Senecio elegans van Linnaeus),is een tweejarige kruidplant van de Kaap die in de lente in de bloemhoven wordt gezaaid en van in juli tot in de winter in de oranjerie bloeit met mooie dubbele en enkele purperen, roodachtige, blauwe en violette bloemen die verscheidene medesoorten door het zaad voortbrengen waaronder men donker rode verkrijgt.
De Senecio doronicum van Linnaeus en een langlevend kruid plant van de Alpen gebergten die hier in de bloemhoven wordt geplant en met mooie bloemen bloeit.
De Kruiskruid boom (Senecio halimifolius van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van de Kaap, dat hier omtrent 3 meters hoog groeit, met vertakte stengels en altijd groene en wit gespikkelde bladen; bloeit in september met trosjes en witte bloemen.
Men vindt nog de Senecio longifolius, ? Senecio rigidus, Senecio nerifolius, ? Senecio cordifolius, cinerascens, discolor? die hier allen bij onze bloemisten verkrijgbaar zijn en onlangs alhier van de Kaap overgevoerd, meest in de matige serres worden gekweekt om vroeg te bloeien; ze kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden.
KRUISWORTEL, Herfst Gentiaan, in ’t Frans Croisette, in 't Latijn Valantia, door Tournefort Cruciata aparine genoemd; door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf inhouden gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelachtige-eenhuizige.
De Kruiswortel (Valantia cruciata van Linnaeus) (Gentiana cruciata) is een lang levende kruidplant van Europa die in Zwitserland, Italië, Duitsland en in België aan de hoogste bergen en in de hagen groeit en hier in sommige kruidhoven wordt geplant het groeit met stengels en bladeren met ruwe haartjes bedekt die op de Gentiaan wel gelijken, maar groter groeien; bloeit meest in juli met geelachtige en soms saffraankleurige bloempjes. Deze planten die een mooie rode verf bezitten worden in veel landen verzameld om allerhande stoffen rood mee te verven. De Kruiswortel (Valantia aparine van Linnaeus?) is een eenjarige kruidplant die in Duitsland en elders veel op droge plaatsen en bergen en ook in België in zandachtige streken groeit met donkergroene bladeren en gele bloempjes, met vier bloembladen en vier meeldraadjes in de kransen waarvan de stampertjes dikwijls mis bloeien. Deze plant wordt van de varkens willig gegeten en de zwijnenhoeders in Duitsland en elders zoeken die plant om de zwijnen te voeden en hun van het Sint Antonius vuur en andere dergelijke kwalen te genezen; de wortels zijn geelachtig van kleur en bitter van smaak.
KRULVAREN, Vrouwenhaar, Venushaar, in ’t Frans Adianthe, in ’t Latijn Adiantum, is onder de 16de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld der planten die bloemloos groeien; door Jussieu onder de familie van het Varen kruid en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia filices, planten die met verborgene bloemen en vruchten groeien.
Het Krulvaren (Adiantum capillus-veneris van Linnaeus) is een kleine langlevende kruidplant van Oost-Europa die in de lente alle jaren uit de wortels spruit, en groeit met dunne, roodachtige bruine stengels en vertakte bladstelen, omtrent 12 of14 centimeters hoog, met kleine, gesnipperde, wigvormige en rondom gekartelde bladeren op de stengels gescheiden die op de Korianderbladen gelijken maar kleiner zijn; aan de wortels zijn veel dunne haarachtige vezeltjes die zijdelings groeien. Deze plant groei meest in Zuid-Frankrijk, Italië, Duitsland en elders aan de oude vervallen muren, langs de wegen, op steenachtige en vochtige plaatsen, aan de waterlopen, poelen en bronnen en wordt ook op sommige plaatsen in België omtrent Luik, Chaudfontaine, in de Ardennen en rond Namen gevonden. Sommige apothekers en veel kruidzoekers nemen dikwijls dit Vrouwenhaar (Capillus-veneris) voor de Steenruit die van stengels en bladen daarop wel gelijkt; maar doch meer hier in Vlaanderen aan de wegen, waterputten en bronnen groeit. Dit Krulvaren heeft in het Latijn de naam van Adiantum verkregen omdat de bladen nooit vochtig worden, maar altijd blinkend en glad blijven en droog schijnen te wezen.
Dit Vrouwenhaar bezit een verdrogende hitte en een middelmatigen koude aard, en is zeer nuttig om de dikke, taaie, slijmerigheden van de borst en longen te doen rijpen en uit te spuwen; met enigen drank ingenomen wordt het tegen het graveel en steen zeer geacht; het kruid groen gestoten of het sap daaruit gehaald wordt gebruikt om de kropgezwellen en hals klieren te verteren. Dit kruid wordt veel in Zuid-Frankrijk en elders om de buikloop en bloedspuwing te stelpen ingenomen. Het water waarin dit kruid gekookt is wordt zeer geacht om het hoofd mee te wassen en de schurft te genezen; het doet het haar spoedig weer groeien. Deze plant wordt in de kruidhoven van de Hogeschool alhier gekweekt en door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
KUISBOOM, Abrahamsboom, Kuislam, Zeewilg, in 't Frans Agnus castus, Gattilie, in ’t Latijn Vitex, Agnus castus, door Tournefort onder de 20ste klasse,4de sectie gesteld der bomen die eenbladige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de Vijgenbomen en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen wiens zaadjes in een zaadhuisje besloten zijn en bessen met vier kerntjes voortbrengen.
De gewone Kuisboom (Vitex agnus castus van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Zuid-Europa, dat hier heestervormig, maar omtrent 1 meter hoog groeit met zwakke, gebogen takjes die een witachtige schors hebben en overeen staande, vingervormige, gekerfde en getande bladen; bloeit meest van juli tot in september met lange aren op de toppen en zeer lieflijke, heldere, kleine violette bloempjes die eetbare bessen voortbrengen.
De Kuisboom met gekerfde bladen (Vitex incisa van Lamarck) (Vitex negundo var. incisa) en de Vitex negundo van Linnaeus zijn beiden van China; hun bladeren zijn witachtig en zeer goed ruiken; ze worden hier ’s winters in de oranjerie bevrijd.
Men heeft langen tijd aan de vruchten van den eerst gemelde Kuisboom een gewaande eigenschap toegekend en gemeend dat die bessen een middel bezaten ,om de venus lust te stelpen en het bijslapen te verbieden; maar de koninklijke maatschappij van geneeskunde te Parijs heeft vele onderzoekingen daarover gedaan en ondervonden dat de siroop die men met die bessen bereidt geen venuslust vermindert, maar veel vluchtige olie bevat en kracht bezit om de venusliefde te verwekken en dat ze door hun welriekende geur en smaak, meer aandrijven dan verversend is. Deze bemerking heeft de kruidkundige Lobel ook van in de XVI eeuw in zijn werk gedaan en geschreven dat de vruchten en het zaad van den Kuisboom de bijslapen lust vermeerderen, gelijk het zaad van de Ruit, zegt hij dezelfde lust beneemt; maar hij zegt verder dat de mensen daarin verschillend zijn.
De bladeren en vruchten van den Kuisboom zijn warm en droog tot in de derde graad en derhalve inwendig genomen zeer bekwaam zijn om al de winden van de buik en moeder te doen scheiden. De vruchten en het zaad worden in sommige landen ook gegeten en met de spijzen gebruikt; dit zaad opent de verstopping van de lever en milt en geneest de gebreken der moeder; met dit zaad wordt ook een vluchtige olie gemaakt die in de geneesmiddelen wordt gebruikt om de vermoeide en verkouden leden mee te strijken. Deze Kuisbomen kunnen door uitlopers en inleggers en door het zaad vermenigvuldigd worden, maar moeilijk onze koude winters weerstaan; daarom moeten ze in de oranjerie bevrijd of in dn volle grond met stro of dorre bladeren bedekt zijn.
KWEEAPPELBOOM, Kweeboom, Kweeperenboom, in 't Frans Coignassier, in ’t Latijn Cydonia of Pyrus cydonia, is door Jussieu onder de familie van de planten die roosvormige bloemen dragen gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen en vijf stampertjes hebben.
De gewone Kweeappelboom (Cydonia vulgaris van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa dat van over zeer oude tijden in België is bekend en waarvan men de mannetjes en wijfjes zeer goed kan onderscheiden. De gedaante van deze bomen, bloemen en bladeren zijn van iedereen wel bekend om die allen te beschrijven. De eerste gewone soort van deze Kweeappels is rondvormig en wordt laat in de herfst rijp. De tweede soort is groter, iets langer en wat puntig naar de steel, gelijk de Peren, en wordt meer geacht. De derde soort is de vroege Portugese Kweepeer die men in 't Latijn Cydonia lusitanica ? noemt die mooie grote bloemen en dikkere vruchten draagt, een lekkere smaak en een geurig vlees hebben .
Ik heb hier nog de Chinese Kweeboom (Cydonia chinensis) (Wel een Chaenomeles) verkregen die in mei met zeer mooie, grote, rooskleurige bloemen bloeit, maar geen vruchten geeft.
De Japanse Kweeboom (Cydonia japonica) (Chaenomeles japonica) bloeit van in september tot in de winter met aller lieflijkste scharlaken bloemen, maar geeft hier ook geen vruchten. Men heeft nog een nieuwe soort uit het zaad verkregen die te Parijs in de Kruidhof wordt gekweekt en zeer grote vruchten draagt welke een zoete geur en een aangename smaak hebben.
De Kweebomen zijn van een groot belang in de warme landen alwaar de vruchten wel hun rijpheid verkrijgen; ze dienen om allerlei konfijten, goede geestdranken en kwee water te maken die door de handel verzonden worden. Men ziet in Zuid-Frankrijk de oevers der Durance en andere stromende waters die ’s winters overspoelen bijna geheel met die bomen beplant. De Kweebomen groeien ook veel natuurlijk in hoog Duitsland, omtrent de Donau en elders aan de lopende wateren, bossen en kanten der sloten en grachten. Om hier te lande goed rijp te worden begeren ze geen schaduw van andere bomen die hun de volle zon beletten. Ze schieten met hunne wortels niet diep in de grond en worden voort gekweekt door het zaad, uitlopers of inleggers en ook door het stekken van jonge scheuten in de verse aarde die zeer gemakkelijk wortel vatten; ze worden ook geënt op paradijs-, citroen-, peer- en andere bomen, en willen niet veel gesnoeid noch ingekort worden.
De Kweeperen worden in de medicijnen veel gebruikt en op verscheidene wijzen in de keuken bereid, als gestoofd of met peren gemengd tot compote, marmelade, taarten en zo wel vers als droog, in suiker of honing gekonfijt.
Om die vruchten vers te konfijten neemt men de beste en rijpste; men schilt die en snijdt ze in kwarten; men neemt er de klokhuizen wel uit en laat die enige tijd in water weken; na goed gespoeld te zijn laat men ze in vers water op een zacht vuur zo lang koken totdat ze beginnen mals en zacht te worden waarna men die uit het water neemt op een teems laat uit druppelen en dan door de teems steekt; men doet dan bij 1 kilo kweemoes 1 kilogram suiker en laat het zachtjes op het vuur koken tot dat het een behoorlijke dikte verkregen heeft en het suiker goed spint; men doet het dan n een pot om te verkoelen en dit konfijt vervolgens met papier, in de brandewijn geweekt, goed overdekt en gesloten kan verscheidene jaren bewaren.
Zie hier de wijze hoe me in Frankrijk het kwee water maakt : Men neemt van de vruchten naar wil die men in een ijzeren mortier klein stampt en als het sap daaruit geperst is langzaam laat koken met een weinig kaneel en drie of vier kruidnagels erbij; nadat het sap de helft verkookt en koel geworden is perst men het op nieuw door een fijne doek; daarna doet men er omtrent half zoveel goede wijn of Franse brandewijn bij en suiker naar mate men het begeert zoet te hebben, waarna men het enige dagen op een warme plaats laat staan trekken. Indien men dit helder en klaar begeert kan men het door vloeipapier laten lopen en dan op flessen trekken. Al deze konfijtte en likeuren van de Kweeappels gemaakt zijn zeer geacht ,zowel voor gezonde als zieke mensen; ze versterken de maag en verkwikken de zieken, als ze daarvan met mate gebruiken. De Kwee is ook zeer stoppend en samentrekkend van natuur; derhalve wordt dit gekonfijte ook tegen de buikloop en rodeloop gebruikt. Men maakt ook wijn van de Kweeappels die onder de naam van Vinun cydonite is bekend en een olie die bij de apotheken Oleum cydoniorum wordt genoemd en veel met de medicijnen wordt bereid om de maag te versterken en de zwangere vrouwen te verkwikken. Eindelijk,, men zou over al de heilzame deugden van deze Kweebomen wel een geheel boekdeel kunnen schrijven.
KWENDEL, Wilde Tymus, Onze Lieve Vrouwe Bedstro, in ’t Frans Serpolet, Thym à odeur de citron, in ’t Latijn Thymus serpyllum, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen . De Kwendel (Thymus serpyllum van Linnaeus) is een langlevende kleine kruidplant van Europa die in België en elders ten alle kanten in de heide, droge velden ,weiden en op de bergen groeit met stengeltjes van omtrent 10 of 12 centimeters lang die dikwijls aan de aarde met vezeltjes vast liggen en veel kleine, groene blaadjes aan de steeltjes verspreid die op de Tijm gelijken; op de topjes der stengels groeien eerst kleine ronde knopjes waaruit kleine roodachtige purpere bloempjes spruiten die bijna de gehelen zomer bloeien. Deze plant brengt zeer veel medesoorten voort waarvan velen met witte bloempjes bloeien en meeldraadjes die langer dan de kransjes zijn; sommigen houden een aangename reuk in en anderen zijn reukloos. De Kwendel of wilde Thymus (Thymus acynos van Linnaeus) (Thymus vulgaris) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België, Frankrijk en elders ook veel op de heide en droge velden groeit met veel kleine, rechte, vertakte stengeltjes en scherpe, groene, getande en gekerfde blaadjes; bloeit bijna de gehele zomer met purper rode bloempjes op de toppen der stengeltjes rangvormig geschikt. De Alpen Kwendel (Thymus alpinus) groeit meest in de gebergten van Zwitserland. Deze wilde Thymus wordt veel, terwijl het bloeit, verzameld, met de pakjes van de Zwitserse val- dranken gemengd en bij de apothekers, onder de naam van Serpyllum erectum, verkocht (Zie het artikel van het Wondkruid).
De Kwendel is warm en droog van aard tot in de derde graad en wordt derhalve veel inwendig genomen en als verkoeldrank gebruikt; doch het doet geweldig zweten, stelpt de koeldrank gebruikt; doch het doet geweldig zweten, stelpt de druppelpis en breekt de steen van de blaas; het gedistilleerd water dat binnen de zomer met dit kruid en bloemen wordt gemaakt is zeer dienstig, zegt Lobel, om de pijn van het hoofd te verzachten en het gezicht te verklaren. De reuk van de Kwendel- bloemen en kruid verjaagt alle vergiftige gedierten. Men bemerkt dat die planten nooit door enig hoegenaamd ongedierte worden aangerand, derhalve is het Kwendel kruid ook zeer dienstig om in de kleerkasten te leggen.
LABLAD of Klimboon van de Indiën, in ’t Frans Dolique, in 'Latijn Dolichos, door Tournefort Phaseolus genoemd en onder zijn 10de klasse, 2de sectie gesteld der planten die vlier bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de peulvruchten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, twee- broederige, met tien meeldraadjes gescheiden, maar in twee groepjes of in twee afzonderlijke lichamen samengegroeid.
Het Lablad (Dolichos lablad van Linnaeus) (Lablab purpureus) is een eenjarige plant van Egypte die met windende ranken, op de wijze van de Klimbonen, wel 2 meters hoog klimt met bladeren en drie kleine gespletene blaadje, en die hier meest van juli tot in september bloeit, met trossen en zeer mooie purperachtige violette bloemen, die rondachtige en lange, omgebogen peulschilpen voortbrengen met zwart- en wit gezoomde bonen gevuld welke een goed voedsel inhouden. Deze bonen worden van over eeuwen in Egypte geplant, maar kunnen in ons klimaat niet goed hun rijpheid verkrijgen; ze worden hier om hun lieflijke bloemen in de hoven geplant.
De volgende soorten worden in de Indiën en andere warme landen veel gekweekt: Het Lablad van de Indiën en van Amerika (Dolichos ensiformis van Linnaeus) Phaseolus?)met bijna rechte stengels, dat zwaardvormige peulvruchten als een goot en bonen met vliezen bedekt voortbrengt komt van de Indiën en wordt veel in Zuid-Amerika geplant om de volkeren te voeden.
Het Asperge Lablad (Dolichos sesquipedalis van Linnaeus) (Vigna unguiculaya subsp. sesquipedalis) is een eenjarige plant van Amerika die met windende ranken groeit en veel in het eiland S. Domingo wordt geplant hey brengt rondachtige en blinkende peulschilpen voort, soms van omtrent 25 of 30 centimeters lang en bonen die zeer goed zijn om groen en droog te eten.
De Dolichos tetragonolobus van Linnaeus (Tetragonolobus maritimus?) groeit meest in de Oost-Indiën met windende ranken en brengt zeer veel vierhoekige peulvruchten voort.
De Dolichos altissimus van Linnaeus? is ook van de Indiën en groeit met windende ranken en langs beide kanten gladde en met haartjes bedekte gelijke bladeren; brengt trossen en zeer lieflijke violette bloemen en trosvormige peulvruchten voort.
Men vindt hier bij sommige liefhebbers het langlevend Lablad (Dolichos pruriens van Linnaeus) (Mucuna pruriens) van de Oost-Indiën, dat in de warme serres wordt gekweekt, en groeit met windende stengels en donkere bladeren met haartjes bedekt; het bloeit met trossen en rondachtige standaards in de bloemkransjes die minder dan de voormelde zijn, en brengt trosvormige peulvruchten voort die bolsters als goten dragen .
De Dolichos lignosus van Linnaeus ?met levende windende, zeer ruwe stengels en lijnvormige bladeren is een plant van de Oost-Indiën, die hier om zijn mooie bloemen in de oranjerie gekweekt en door het zaad vermenigvuldigd wordt. Men bemerkt nog onder die windende planten den Dolichos van Japan, (Glycine max) met wiens bonen men die vermaarde saus bereidt die onder den naam van Soja cause is bekend en te Parijs en elders veel met het vlees wordt gegeten. Meer dan 20 soorten van Oost- en West- Indiën zijn in België bekend.
LACHENALIA, in ’t Frans Lachenale, in ’t Latijn Lachenalia is onder de familie van de Lelieplanten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Lachenalia met hangende bloemen (Lachenalia pendula van Willdenow ?) is een langlevende bloembol plant van Kaap de Goede Hoop die hier in potten in de oranjerie wordt geplant waaruit de bollen twee bladeren spruiten en een vaste schacht die van onder rood gespikkeld, in het midden groen en van boven purperachtig is, waarop in april alle mooiste bloemtrossen met lange, gepijpte bloemen bloeien die van buiten op de bloembladen een mooi levend rood en van binnen een donkere purperachtig kleur hebben.
Men vindt alhier bij onze bloemisten en liefhebbers de volgende mooie nieuwe soorten die allen van de Kaap en van Ethiopië zijn overgevoerd: De Lachenalia met lansvormige bladen (Lachenalia lanceaefolia?) met zeven of acht lansvormige, groen blinkende bladeren en schachten die omtrent 25 centimeters hoog groeien waarop hier in mei bloemtrosjes bloeien met mooie Lila bloempjes die van binnen en buiten een lieflijke purperachtige kleur hebben.
De gespikkelde Lachenalia (Lachenalia punctata) bloeit ook met trossen en aller lieflijkste purperen of lila met bruin gespikkelde bloemen.
De Lachenalia pallida, met bleek kleurige bloemen, de Lachenalia luteola met geelachtige bloemen, de Lachenalia angustifolia met smalle bladeren en gespikkelde bloemen, de Lachenalia purpureocoerulea, met blauwachtige purperen bloemen, de Lachenalia quadricolor, met vier verschillende kleuren van bloemen, de Lachenalia orchioides, ook met blauwe bloemen, de Lachenalia tricolor met driekleurige bloemen en de Lachenalia hyacinthoides van Willdenow ?, zijn allen van de Kaap. De bloembollen, waarvan de krachten niet bekend zijn, worden hier in den heigrond in potten vroeg in de winter in de oranjehuizen of in de matige serres geplant alwaar ze dikwijls van april beginnen te bloeien en door bloembol scheiding vermenigvuldigd worden.
LACHNAEA, in ’t Frans Lachnée, in ‘t Latijn Lachnaea, is door Jussieu onder de familie van de Miserieboom gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Lachnaea met gewolde topjes (Lachnaea eriocephala van Linnaeus) (Onbekende plant, ook in Google)is een langlevend klein heester-houtgewas van Ethiopië dat met vertakte stengels en eenzame, gewolde topjes omtrent 30 centimeters hoog groeit met veel kleine lijnvormige blaadjes in vier lagen kruisvormig op de stengels geschikt; bloeit hiervan in maart in de matige serres met twintig of vijf-en-twintig witte ,trechtervormige bloempjes op de toppen, zonder kelken, met vier bloembladen inde kransjes en gele meeldraadjes die zich op het wit zeer verheffen en bessen met een kerntje voortbrengen.
De Lachnaea purpurea en de Lachnaea conglomerata van Linnaeus zijn ook twee langlevende heester-houtgewassen van de Kaap hier bij A. Verschaffelt, L. Van Houtte, De Saegher en verscheidene andere bloemisten worden gekweekt, ook met aller liefste bloemen in april bloeien en bessen voortbrengen die de krachten van de Miserie bessen bezitten. Deze planten kunnen door het kern zaad in de heigrond in de oranjehuizen op belommerde plaatsen worden gezaaid en door afzetsels en inleggers op de wijze van alle andere gewassen van de Kaap in de heigrond vermenigvuldigd worden.
LAGERSTROEMIA, in ’t Frans Lagerstroemia, in 't Latijn Lagerstroemia, is door Jussieu onder de familie van de Wederik- planten gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia veelhelmige ,planten die met twintig tot honderd helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Lagerstroemia van de Indiën (Lagerstroemia indica van Linnaeus) is een langlevend en zeer bevallig heestergewas van China dat in vertakte struiken met roodachtige gele schors en donkergroene, eivormige bladeren omtrent 1 meter hoog groeit en hier meest van augustus tot in oktober bloeit met trosvormige aren op de toppen en zeer lieflijke, purperachtige rode, klokvormige bloemen met zes bloembladen in de kelken gekrolde kransjes en zeer veel meeldraadjes waarvan zes langer dan de bloembladen zijn en deze plant zeer lieflijk versieren. Deze mooie plant met hare lieflijke bloemen is tot heden nog de enigste van zijn slag die in Europa is bekend; ze kan door uitlopers en inleggers vermenigvuldigd worden, maar moet in de matige serres ten minste gedurende de koude seizoenen verblijven en drie maanden in het heetste van de zomer in de volle lucht geplaatst en op tijd met water besproeid worden.
LAGUNEA , in ’t Frans Lagunée , in het Latijn Lagunea, is onder de familie van de Malva planten gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige, met meer dan twaalf meeldraadjes door de helmdraadjes in een bundel verenigd zijn.
De schilferachtige Lagunea (Lagunea squamosa) (Laguna is onbekend) is een langlevend, nieuw, klein boomgewas van Nieuw-Holland dat sedert enige jaren alhier is ingevoerd en groeit met takken door witte dons bedekt en altijd blijvende langwerpige, dikke, taaie bladen, wel omtrent 3 meters hoog; bloeit hier van juli tot in augustus met grote violetachtige, roze bloemen die zeer aangenaam zijn en de reuk van de fijne Malva bloemen hebben. Deze plant kan door het rijp zaad in de oranjehuizen op teilen in de heigrond gezaaid en door inleggers vermenigvuldigd worden; maar er moet in ons klimaat ‘’s winters in de matige serres of in de oranjerie verblijven en op de wijze van de Gordonia gekoesterd worden. Onze bloemisten hebben van deze mooie planten alreeds verscheidene jonge kwekelingen verkregen.
LAMBERTIA, in ’t Frans Lambertia, in ‘t Latijn Lambertia , is onder de familie van den Zilverboom gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De versierende Lambertia (Lambertia formosa) is een langlevend heester-houtgewas van Nieuw-Holland (Australië) dat zeer vertakt groeit met lijnvormige en witte, zilverachtige bladeren omtrent 1meter hoog ,en van in april hier in de matige serres bloeit met aller mooiste karmijn roze bloemen, die zeer lieflijke blauwe meeldraadjes hebben. Onze bloemisten hebben van Nieuw- Holland nog de volgende soorten verkregen: De Lambertia fruticosa?, Lambertia Prothaea?, Lambertia nectarifera?, Lambertia oleifolia ?met olijfbladen, Lambertia propinqua? ,die allen met aller mooist bloemen hier inde lente bloeien en men bij onze bloemkweekers kan bekomen. Deze mooie gewassen moeten hier in de matige serres in den heigrond worden gekweekt en kunnen door inleggers of afzetsels op warme broeibakken onder het glas vermenigvuldigd worden. De krachten welke deze lieflijke planten inhouden zijn mij niet bekend.
LAMMERKENSOOR, Algoede, wilde Melde, in 't Frans Orvale, Toutebonne, in ’t Latijn Atriplex, ook wel Totabona ,is onder de familie van de Melde gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelachtige -eenhuizige, met tweeslachtige bloemen, Hermaphroditus met mannetjes en wijfjes die nu op een stengel dan afzonderlijk op twee stengels aanwezig; maar met tweeslachtige bloemen gemengd zijn.
De Lammerkensoor (Atriplex of van de oude Kruidbeschrijvers Olus aureum) (Chenopodium bonus-henricus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in Frankrijk, Duitsland, België en elders ,op veel plaatsen aan de wegen, hagen, velden, onbebouwde landen en steenachtige gronden groeit met dikke, geelachtige wortels, stengels die omtrent 30 of 40 centimeters hoog groeien en driehoekige bladen die van onder tot boven aan de stengels groeien en op de Kalfsvoet gelijken; bloeit meest in juli op de toppen met grasachtige bloempje s die druifvormig ineengedrongen zijn en zaadjes gelijk de Melde voortbrengen.
De bladen, in vette grond, komen zeer breed en lang en gelijken op de smalle Patich of gewone Paarden Zuring wortel. De bladeren van de Lammerkensoor zijn matig droog, verwarmend en zuiver makend van aard; met andere moeskruiden in de spijzen of stamppot gebruikt maken ze de buik week en verwekken de n kamergang. De bladeren groen gestoten en op verse of oude vuile wonden gelegd doen die helen en zuiver genezen. Ofschoon dit kruid in de buik winden veroorzaakt wordt het door de bergbewoners van Zwitserland, Savoie en elders verzameld en als de Melde en Spinazie gebruikt of ook als Warmoes bereid om als spijs te nuttigen; de bladeren gezoden zuiveren zacht den buik en kunnen tot een purgatie verstrekken. Dit kruid wordt gewoonlijk aan alle kanten in Frankrijk Toutebonne, Algoede, geheten en ook wel in de moeshoven gezaaid; het werd van de oude Kruidbeschrijvers Scharlei genoemd.
LANTANA, in ’t Frans Lantana, in het Latijn Lantana, is door Jussieu onder de familie van de Kuisboom gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten wiens bloemen met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloeien en zaadjes in een zaadhuisje besloten voortbrengen.
De windende Lantana (Lantana involucrata van Linnaeus) is een klein heester-boomgewas van Zuid-Amerika dat met witte, katoenachtige en wigvormige bladen groeit en van mei tot in augustus bloeit met kleine, roosachtige, witte bloempjes op de topjes verenigd die vruchten met nootjes voort brengen.
De Lantana camara van Linnaeus is een langlevend heester- gewas van de Antillen eilanden dat met vertakte stengels, zonder doorns groeit en bijna de gehelen zomer bloeit met kroonvormig geschikte bloempjes op de toppen die een mooie oranje kleur verkrijgen, maar een onbevallige geur bezitten.
De welriekende Lantana (Lantana suaveolens?) is een langlevend heestergewas van Zuid-Amerika dat hier van mei tot in september met witte bloempjes op de toppen bloeit die een zeer aangename reuk verspreiden.
Men vindt hier nog bij onze bloemisten de Lantana violacea met violette bloemen; de Lantana flava met gele bloemen. L. Van Houtte, Alex
Verschaffelt, Van Geert en andere boom kwekers hebben hier nog den Lantana aurantia super en de Lantana Yongii (Wel cv’s) die onder het Varen kruid zijn gesteld van Zuid- Amerika verkregen, met de Lantana nivea van de Indiën, die met door doorns bedekte takjes groeit en kleine witte bloempjes voortbrengt, welke een aangename geur verspreiden. Deze mooie gewassen die in het land van hun afkomst eetbare nootjes dragen moeten hier in de matige serres worden gekweekt en kunnendoor inleggers en afzetsels op de wijze van de Justitia, in potten in de heigrond vermenigvuldigd worden.
LARKENBOOM, Lorkenboom, Larikspar, Larix boom, in het Frans Mélèze, in 't Latijn Pinus larix, is onder de familie van de bomen die kegelvormige vruchten dragen gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige- eenbroederige met mannetjes- en wijfjes- bloemen.
De Larkenboom (Pinus larix van Linnaeus)(Larix decidua) is een langlevende grote boom van de Alpen gebergten die in België veel in de bossen, lusthoven en dreven wordt geplant; deze mooie harsachtige boom groeit pyramide wijze vertakt met zeer veel korte, puntachtige, lijnvormige blaadjes ,in hullen op de oude en jonge takken die en mooie aangename groen vertonen zich hier meest op het einde van april ontwikkelen en een welriekende geur verspreiden.
De Larkenboom van Corsica (Pinus laricio van Lamarck) en de Larkenboom van Siberië (Larix siberica) worden hier sedert 30 jaren ook in de lusthoven en heden veel in plantages en bossen geplant daar ze door hun lieflijk groen het gezicht zeer verheugen.
De kostelijke Larkenboom van de Alpen die enkel sedert omtrent 50 jaren hier veel wordt geplant bezit zeer veel nuttige deugden. Het hout dat bijna onbederfelijk is wordt gebruikt om huizen en schip timmerwerk mee te maken; door zijn effen bewerking, schikt het zich zeer goed om gebinten, trappen, zolderingen en alle slag van meubels en schrijnwerk te maken. De schors bezit ook veel run en wordt van de leertouwers in Zwitserland en elders gebruik ,om de eikenschors te vervangen. He tis uit deze Larkenbomen dat men de beste hars trekt die hier onder de naam van Venetiaanse terpentijn is bekend en veel in de geneesmiddelen wordt gebruikt. Het is ook uit de wilde Larkenboom (Larix europaea)dat de gewone Manna wordt getrokken die hier onder de naam van Briançon Manna bij de apothekers is bekend en zeer veel in de geneesmiddelen als buikzuivering en tegen de langdurige vallingen wordt gebruikt. De Larkenbomen die op de tijd van 30 of 40 jaren hoog en dik worden willen hier in alle droge en lichte zandachtige gronden zeer goed aarden en om hun duurzame en onbederfelijke hout dat als men het na het zagen een rijd in het water legt nooit van de wormen wordt aangerand verdienen ze hier meer geplant te worden. Ze kunnen op de volgende wijze zeer gemakkelijk voort geteeld worden: Men plukt gewoonlijk de rijpe kegels in november, laat die op een droge plaats geheel drogen en trekt vervolgens het zaad uit de schelpjes, wat men in de lente op goede standplaatsen, in de hoven in zandachtige heigrond zaait, binnen de twee eerste jaren van alle onkruid goed zuivert en ’s winters met wat dorre bladeren of stro bedekt en het derde jaar in de lente gewoonlijk verplant: ze begeren in hun jeugd weinig gesnoeid te worden. Men kan ook dit zaad vroeg in de winter op warme broeibakken, in de heigrond, in de oranjehuizen zaaien en voorts in de zomer omtrent augustus met dolken verplanten; met die zaailingen een weinig te besproeien zullen ze ook wel hun groeikracht hervatten. Onder alle hars gevende bomen is de Larkenboom de enigste die ’s winters zijn bladeren laat vallen.
LASERKRUID, Magudaris, in ’t Frans Laser, in ‘t Latijn Laserpitium, is onder de 7de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige geschikte of zonnescherm dragende bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het breedbladig Laserkruid (Laserpitium latifolium van Linnaeus ( is een langlevend kruid van Europa dat in Vlaanderen en elders in België in de droge bossen en velden op sommige plaatsen groei met stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten en met hartvormige, gekerfde, uitgesneden en getande bladen die zeer goed van gedaante op de Eppe gelijken; bloeit meest in juli en het zaad dat omtrent de Hondsdagen rijp is wordt door de wind en de vogels verspreid.
Het Frans Laserkruid (Laserpitium gallicum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die meest in Zuid-Frankrijk en Italië groeit en ook om zijn deugden in de kruidhoven wordt gekweekt.
De Laserpitium angustifolius groeit meest in Zuid-Europa; de Laserpitium ferulaceum van Linnaeus groeit veel in Egypte, Afrika en elders; de Laserpitium simplex van Linnaeus wordt meest inde Alpen, Zwitserland en Zuid-Frankrijk gevonden; ze zijn in alle landen van over zeer oude tijden om hun deugden bekend. Het sap uit de stelen en wortels van het oprecht Laser kruid getrokken is zeer heet van aard en ook merkelijk verwarmend van kracht; dit kruid op enige wonden of gezwellen gelegd is sterk naar zich trekkend en bekwaam om alle uitgroeiende vlees, knobbels, wratten, wennen, builen te doen verteren en genezen, zo Dodonaeus getuigt. Lobel schrijft dat het Laserkruid, wat in Zuid-Frankrijk, omtrent Marseille groeit en in zijn tijd Laserpitium silphium werd genoemd, een kruid is dat grote wortels heeft en van binnen wit en langs buiten grauw vol welriekende sap die op de Dille, Venkel en Angelica wortels gelijken en een goede reuk en smaak hebben. Het Laser sap wordt uit de wortels en stelen getrokken; het is roosachtig, helder en aangenaam van smaak .De Laser die in Italië en Griekenland groeit werd voortijds niet alleen door de apothekers in de medicijnen gebruikt, maar diende ook in de keukens om als spijs te eten zo Plinius ook schrijft. De Laser zegt Lobel, is heet en droog tot in de derde graad; de wortel in de spijs gedaan hinderen de blaas en kunnen moeilijk verteerd worden. Het sap, met zoete amandels of zachte dranken ingenomen is goed tegen den hoest en verouderd pleuris; het Laser sap geneest de geelzucht en is goed om de gespannen zenuwen en gekrompen leden te verhelpen .
Met honing ingenomen is de Laser zeer goed tegen de vallende en stuiptrekkende ziekten; het Laser sap verdrijft ook de koude, huiverachtige koortsen en van hetzelfde met peper, gember, ruit bladeren en honig gemengd wordt de Electuariuın gemaakt die tegen de vierdaagse koortsen wordt gebruikt. De gom van de Laser, zegt Lobel, is ook zeer goed tegen alle beten van venijnige gedierten, kwetsingen van pijlen en steken van lansen die met venijn bestreken zijn en om de beten van de dolle of razende dieren te verhelpen. Dodonaeus heeft ook alle krachten van het Laser kruid en wortels in zijn Kruidboek, bladzijde 516, beschreven en voegt erbij dat de Laser, met Spaans groen vermengd, het kwade en overvloedig vlees dat in de neusgaten groeit geneest en de kwade schurft weg neemt; dat het met azijn, peper of wijn gemengd en het hoofd daarmee de gewassen de schurft geheel geneest en het haar weer doet groeien; maar de stinkende Laser, die uit Syrië komt is niet zo goed of bekwaam als die hier van Zuid-Frankrijk en Italië gezonden worden. Dit kruid wordt hier in de Kruidhof van onze Hogeschool door de zorg van de heer Donkelaar, gekweekt en door het zaad en wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
LASIOPETALUM, in ’t Frans Lasiopétale, in ’t Latijn Lasiopetalum, is onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben. De Lasiopetalum met purperen bloemen (Lasiopetalum purpureum?) is een nieuwe, langlevend klein boomgewas van Indiën, dat sedert enige jaren alhier is overgevoerd, en heestervormig groeit met gewolde takjes, steelschubbetjes en lansvormige, gevliesde bladen; bloeit hier van mei tot in juni met trosjes en zeer lieflijke violette bloempjes die bessen voortbrengen die de krachten van de Wegedoorns bezitten.
Onze voornaamste bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën alhier de volgende soorten verkregen: de Lasiopetalum macrocarpum en Lasiopetalum pulchellum?, met hun mooie bloemen die op hun lijsten nog een10franken ieder aangetekend staan;de Lasiopetalum quercifolium, Lasiopetalum ferrugineum, Lasiopetalum solanaceum?, Lasiopetalum pubescens ?en Lasiopetalum spec. Nova”, die nog zeer zeldzaam in de handel zijn verspreid en nog tot 15 franken elk worden verkocht, maar de Lasiopetalum dumosum en de Lasiopetalum purpureum kan me voor 1 frank ieder bekomen. Ald ezeplanten moeten hier in de matige serres worden gekweekt en kunnen door inleggers in de heigrond op lauwe broeibakken en door afzetsels vermenigvuldigd worden.
LATUWSALADE, Kropsalade, wilde Latuwe, in het Frans Laitue, in ' t Latijn Lactuca, is onder de 13°klasse,1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Andijvie en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige veelachtige gelijk bloeiende. Alle bloempjes zijn tweeslachtig en bij gevolg allen gelijk vruchtbaar.
De Kropsalade (Lactuca capitata) (Lactuca sativa var. capitata) is een eenjarige kruidplant van Europa die hier alle jaren vroeg in de lente in de moeshoven wordt gezaaid, met gebobbelde bladen groeit, die de kroppen in hun midden sluiten en een goeden melkachtige smak bevat.
De Latuwe (Lactuca sativa van Linnaeus) is ook een goede eenjarige salade die hier in de moeshoven vroeg en laat in de zomer wordt gezaaid.
De Krulsalade (Lactuca crispa) (Lactuca sativa var. crispa) is ook een eenjarige plant die hier veel om zijn goede smaak in de moeshoven wordt gezaaid. De roomse Salade (Lactuca romana)( Lactuca sativa var. longifolia) waarvan men enige medesoorten vindt die zeer melkachtig zijn en een aangename smaak inhouden wordt hier ook veel alle jaren gezaaid.
De Spaanse Kropsalade (Lactuca scariola van Linnaeus) en een medesoort, die men Lactuca passafolia heet zijn bladeren die roodachtig gespikkeld of gevlekt zijn, worden hier ook veel in de moeshoven gezaaid. De medesoorten dragen dikwijls de namen van het landschap alwaar ze door het zaad gewonnen zijn; gelijk de Bataafse, Dauphinése, Berlijnse Salade, enz.
De Romeinse Ezelsoor (Lactuca longifolia) wordt in de hoven gezaaid en het zaad kan vijf jaren voor het zaaien bewaren.
De wilde Latuwe (Lactuca virosa van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België op droge plaatsen aan de wegen, kuilen en velden groeit en door Orfila onder de 2de klasse der vergiftige slaap verwekkende planten is gesteld.
De overblijvende Latuwe (Lactuca perennis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de velden en onbebouwde plaatsen in het wild groeit met uitgesneden en gekerfde bladen, van achter geribd, en stengels met stekende haartjes bezet; het groeit omtrent 25 centimeters hoog, met steeltjes op de topjes verdeeld en bloeit meest in juli op de wijze van de tamme Latuwe. Al de tamme Sla planten die hier in de hoven worden gezaaid bezittende krachten van de Andijvie en de wilde Latuwe heeft, volgens verscheidene oude en nieuwe Kruidbeschrijvers, de krachten van het Kankerkruid.
LAURIERBOOM, in ’t Frans Laurier, in ’t Latijn Laurus, is onder de 20ste klasse,1ste sectie der een bloem bladige bomen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Laurieren en onder de 9de klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, planten die met negen helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De gewone Laurierboom (Laurus nobilis van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Italië, Griekenland en Oost- Europa, dat in België van over zeer oude tijden is bekend; het groeit, volgens de grond en standplaats, tamelijk hoog, met altijd blijvende, groene lansvormige bladen en bloeit soms in september met kleine, kroonvormige bloempjes, met dubbele, tweevoudige kopjes en door klapvliezen omwonden .Deze Laurier boom die in Griekenland en andere warme landen veel bloemen en vruchten draagt wordt door de nieuwe Kruidbeschrijvers Laurus officinalis genoemd omdat de vruchten en bladeren, die een welriekende geur inhouden, voornamelijk in de keuken met de spijzen worden bereid; maar te veel in eens daarvan gebruikt kan de gezondheid krenken omdat de vruchten en bladeren een zeker gedeelte vergiftige eigenschappen bezitten.
De Laurier bladeren in de schaduw gedroogd kunnen een jaar hun krachten behouden; die bladeren met mate in de spijzen of op een andere wijze ingenomen doen zweten en verdrijven de waterzucht; met wijn genomen drijven ze de pis af en breken de steen in de lendenen blaas. Olie van de Laurierboom gedistilleerd wordt door kundige geneesheren voorgeschreven om de pijn der borst en leden te verhelpen die door de koude veroorzaakt is; die olie stelpt ook de koliek van de buik en de gebreken van de nieren, milt en lever; men leest in Dodonaeus Kruidboek, bladzijde 1329 date reuk van de Laurierboom zeer nuttig is om de vallende ziekte te beletten; het werd in de oude tijden ook om de pest te vermijden in de huizen gebrand. De bladeren van de Laurier geknauwd doen de dronkenschap verdwijnen.
Goed kan weerstaan waarvan de mannetjes bloemen vijf bladeren en acht meeldraadjes in de kelken hebben en de tweeslachtige slechts met zes meeldraadjes bloeien.
De Laurus glauca ? van Thunberg is een langlevend boomgewas van Japan en wordt, zo als de Laurus aromatica, (Cinnamomum?) canariensis, (Laurus novocanariensis) Persea, (Persea americana) australis, hier bij onze bloemisten in de oranjehuizen gekweekt; de Laurus cassia, (Cinnamomum cassia) L. mexicana en de L. cinnamomum (Cinnamomum verum) van de Oost-Indiën worden hier inde warme serres gekweekt en op de wijze van de gewone Laurier op warme broeibakken vermenigvuldigd.
LAVAS, Levesse, Peterselie van Macedonië, in ‘t Frans Livéche, in het Latijn Ligusticum, is door Jussieu onder de familie van de kroonvormige geschikte bloemplanten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digyna, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De Lavas of Levesse (Ligusticum levisticum van Linnaeus) (Levisticum officinale) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die hier om zijn heilzame deugden in veel kruidhoven wordt geplant; het groeit met stengel, die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, van boven vertakt en wel omtrent 1 meter hoog, bladstelen en bijna steel omvattend, boven uitgesnedene en aan de kanten gekerfde blaadjes die een blinkende, groenachtig kleur hebben; bloeit hier meest in juli met geelachtige bloemen met ronde kransen die langwerpige gestreepte zaadjes voortbrengen, welke in september rijp worden.
De Griekse Lavas (Ligusticum peloponensis van Linnaeus), (Laserpitium peloponnense) die wel op het Jichtkruid gelijkt, komt van Griekenland en wordt in België, Oostenrijk, Frankrijk en elders veel in de hoven gekweekt.
Beide deze planten worden door het zaad en door struikscheiding in de lente vermenigvuldigd; ze hebben bijna de gedaante van de grote Eppe en bezitten ook de krachten van het Laserkruid, waarop ze enigszins gelijken en ze om hun verdrogende aard en vooral van het zaad van over zeer oude tijden bekend. De wortels hebben bijna de kracht van de Angelica droog in poeiers gestampt kan men die in spijzen als peper gebruiken; ze versterken de koude maag en doen de spijzen en overvloedige vochten verteren. Het zaad blijft drie jaren zijn sterke reuk en kracht behouden. De wortels met het zaad in poeiers gestampt en met wijn gedronken drijven de zwarte gal en geelzucht uit het lichaam; het zaad gegeten of met wijn gedronken stelpt de pijn in de bui en darmen, geneest de gezwellen en maakt een goede maag; ’s morgens ingenomen doet het purgeren en met wijn en water gezoden en het sap daarvan gedronken opent het de verstopping van de lever en milt en verwekt ook de maandstonden. Een verstandige heelmeester ten platteland heeft altijd Lavas in zijn hof om in tijd van nood daarvań te kunnen gebruiken. Lobel in zijn Kruidboek zegt dat de Ligusticum alterum Belgarum, (Valeriana saliunca) die in België in vochtige, vette gronden groeit en die hij in het wilde omtrent Luik heeft vinden groeien dezelfde krachten heeft van deze die in de hoven geplant zijn; hij spreekt ook van het zaad dat hier bij de apothekers van Smyrna gezonden wordt en ook dezelfde krachten bezit. Linnaeus doet dezelfde bemerking, bladzijde 30en in het boek van M. Baubin, bladzijde 257 wordt hetzelfde bevestigd.
LAVENDEL, Lavendelkruid, in ’t Frans Lavande, in ‘t Latijn Lavandula, is onder de 4de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld, der lipvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Lipbloem dragende planten en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De gewone Lavendel(Lavandula spica van Linnaeus) )Lavandula latifolia)is een houtachtig kruidgewas van Zuid-Europa dat in België en elders in de kruidhoven wordt gekweekt; het groeit met vertakte stengels omtrent 30 centimeters hoog met langwerpige, lans- en lijnvormige bladeren die aan de knopjes der stelen overeen staan, een grijsachtig witte kleur hebben en op de Rozemarijn goed gelijkt’ bloeit hier meest in juni met aren op de toppen der stelen en blauwe bloemen die een zeer bezwarende reuk inhouden.
De Lavendel met getande bladen (Lavandula dentata van Linnaeus) en de Lavandula abrotanoïdes van Willdenow, (Perovskia abrotanoides ?) zijn van Spanje en Amerika en worden hier ook in de oranjehuizen gekweekt.
Er wordt van de gewone Lavendel een water gedistilleerd dat zeer nuttig is voor de losse hoofdpijn en tandpijn en gebruikt wordt om de lamme leden mee te strijken. De bloemen van die Lavendel met Muskaatnoten en kruidnagel poeier gemengd genezen de hartklopping, de geelzucht en de pijn in het hoofd. Lavendel olie onder de naam van Spic olie bekend is zeer sterk en welriekend en wordt vooral uitwendig tegen de gekrompen leden en verdoofde zenuwen gebruikt; maar de middelen met de Lavendel bloemen bereid worden zeer zeldzaam inwendig gebruikt omdat de Lavendel te krachtige, verhitten en aanprikkelende eigenschappen bezit; maar het wordt met welriekende azijn veel in de medicijnen gemengd. De Lavendel in het water gezoden en daarin de kleren of hemden gewassen doet al de luizen, ongedierte en kleerwormen door den reuk sterven; de bloemen in de wijn gezoden drijven de pis en de nageboorte af en zijn zeer goedvoorde pijn inde maag. De Lavendel wordt hier door struikscheiding in de lente vermenigvuldigd.
LECHENAULTIA, In ’t Frans Lechenaultie, in ’t Latijn Lechenaultia, is onder de familie van de Miserie boom gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, slag van planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. De Lechenaultia formosa is een nieuw klein heester-houtgewas van de Kaap dat met dunne vertakte stengels maar omtrent 20 of25 centimeters hoog groeit en zeer veel in de zomer bloeit met allerliefste, geelachtige roze bloempjes.
Men kan nog de volgende mooie soorten van die gewassen bij onze bloemisten bekomen: de Lechenaultia biloba, met hemels blauwe bloempjes die twee hutjes hebben; de Lechenaultia multiflora? die bijna de gehele zomer bloeit met zeer lieflijk gekleurde bloempjes; de Lechenaultia Drummondi, (wel een cv.) met zeer mooi violette bloempjes; de Lechenaultia oblata? van de Kaaр. Ze worden hier allen om hun zeldzame bloemen gekweekt, maar kunnen onze koude winters niet weerstaan en moeten in de matige serres in de heigrond worden gekweekt en op de- zelfde wijze als de Lachnea op lauwe broeibakken vermenigvuldigd en ook door het rijp zaad in den fijne heigrond gezaaid worden.
LEDERTOUWERSBOOM, in ’t frans Redoul, in 't Latijn Coriaria, is door Jussieu onder de familie der planten van een onzeker zetsel gesteld en onder de 22steo klasse van Linnaeus, Dioecia decandria ,tweehuizige-tienmannige die op den een boom al mannetjes- en op de andere al wijfjes- bloemen dragen en met tien meeldraadjes bloeien.
De Ledertouwersboom met mirtebladen (Coriaria myrtifolia van Linnaeus) is een langlevend boom gewas van Zuid-Frankrijk dat in de warme landen tamelijk hoog groeit met langwerpige eivormige bladeren en meest in juni bloeit met lieflijke bloemen waarvan de mannetjes vijf bloembladen hebben en de wijfjes bessen voortbrengen die de heer Orfila onder de slaap verwekkende planten stelt. De vruchten bezitten de krachten van de Nachtschade bessen en Doorn- of Steekappel zaad; maar de schors bezit veel run die dient om het leer te bereiden. Dit boom- gewas kan hier onze koude winters niet weerstaan en moet in de oranjehuizen bevrijd zijn; het wordt in de warme landen door uitlopers, inleggers en door het zaad vermenigvuldigd.
LEDON, in 't Frans Ledon, in ’t Latijn Ledum ,is door Jussieu onder de familie van de Oleanders gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Moeras Ledon (Ledum palustre van Linnaeus) (Rhododendron tomentosum. Al de volgende soorten zullen nu wel Rhododendron heten) is een lang levend, klein, houtachtig heestergewas van Noord-Europa dat in de Nederlanden en ook in Vlaanderen en de provincie Antwerpen, aan de zoutachtige poelen en kanten der zee groeit en op de Cistus roos enigszins gelijkt maar langere zwarte bladeren aan de stelen der stengels heeft die gewold en met een taaie, lijmachtige stof zijn besmeerd en wiens boorden gekroezeld zijn; bloeit meest in juli met witte bloemen die op kleine rozen gelijken, maar elk met een bijzonder klein zwart plekje versierd zijn dat ze zeer lieflijk en behaaglijk maakt en tamelijk grote zaadhuisjes met vijf hutjes voortbrengen die zich langs onder openen.
De breedbladige Ledon of Thee van Labrador (Ledum latifolium van de Hortus Kew), is een langlevende heester houtgewas van Noord-Amerika dat hier omtrent 60 centimeters hoog groeit met stengels en langwerpige bladeren en met kroonvormige geschikte witte bloemen op de toppen der stelen bloeit. Al de delen van deze plant bezitten een welriekende geur ende bladeren worden heden veel als thee gebruikt.
De Ledon met Tijm bladeren (Ledum thymifolium)en de Ledon met Busboom bladeren (Ledum buxifolium van de Hortus Kew) is een langlevend heestergewas van de Hudson golf dat met al de gemelde soorten hier in de volle grond, in de lusthoven en bloemtuinen, wordt geplant; ze kunnen door uitlopers en inleggers vermenigvuldigd worden.
De bloemisten hebben alhier nog onlangs van Amerika den Ledum folium aureis verkregen die met zeer lieflijke welriekende bloempjes bloeit.
De bladeren van de Ledon werden van de oude Kruidbeschrijvers meest Laudanum genoemd en van de apothekers Lapdanum geheten en veel gebruikt om welriekend water mee te distilleren en berokingen te doen; dit welriekende water wordt zeer geprezen om het uitvallen van het haar te beletten en de gebreken der moeder te genezen. Die Laudanum wordt meest met witten wijn en rozen water bereid en rein gemaakt.
LEEUWENMUIL, in ’t Frans Gueule de Lion, Muflier des jardins, in ’t Latijn Antirrhinum, is onder de 3de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van het Klierkruid en onder de14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaadjes voortbrengen in een zaadhuisje besloten.
Men vindt heden zeer veel soorten van Leeuwenmuilen, die veel in de bloemhoven worden gezaaid en ook in het wild groeien, die van iedereen bekend zijn, derhalve zal ik slechts noemen die de merkwaardigste zijn.
De grote Leeuwenmuil (Antirrhinum majus van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die hier in de bloemhoven groeit met bloemen op de toppen die de gedaante van leeuwenmuiltjes hebben en waaronder men veel verscheidene kleuren vindt, zo als roodachtige, purperen, witte en gele die allen door het zaad gewonnen zijn en van kleuren veranderen.
De lijnbladige Leeuwenmuil (Antirrhinum linaria van Linnaeus) (Linaria vulgaris) is een langlevende kruidplant van Europa die in België veel aan alle kanten op droge plaatsen en onbebouwde velden groeit met rechte stengels en overeen staande, lansvormige, geslotene bladeren; bloeit hier in juli met aren op de topjes en zonder stengel en overeen liggende gele bloempjes.
De Antirrhinum cymbalaria van Linnaeus (Cymbalaria muralis) is een langlevende plant die in België meest aan de oude muren en op de daken groeit en met witte rood getekende bloemen bloeit.
De purperen Leeuwenmuil (Antirrhinum purpureum) is een langlevende plant die in België in de droge velden en aan de wegen groeit en ook in Italië veel wordt gevonden.
De Antirrhinum monspessulanum ? van Linnaeus is een langlevende plant van Frankrijk die Ch. Van Hoorebeke ook in Vlaanderen in de velden heeft gevonden; het groeit met blinkende stengels en dichte, lijnvormige bladen en bloeit met aren op de topjes der steeltjes en bloempjes die de gedaante van muiltjes hebben.
De Antirrhinum orontium van Willdenow (Misopates orontium) is een eenjarige kruidplant, die in België ten alle kanten in de droge velden groeit en met rode bloemen bloeit die hier in de volkstaal Doodshoofden zijn geheten.
De Antirrhinum elatine van Linnaeus (Kickxia elatine) is een eenjarige kruidplant die hier meest in de Velden groeit. Men vindt no gander die eenjarige planten die hier en elders in het wilde groeien de Antirrhinum spurium , A. versicolor, A. arvense, A. pelisserianum en A. elegans van Desfontaines die van Spanje komt. (Allen onbekend) De Antirrhinum siculum en Antirrhinum sempervirens van Willdenow die hier in de oranjehuizen gekweekt en door het zaad vermenigvuldigd worden houden de krachten van het Klierkruid in.
LEEUWENVOET ,Leeuwenklauw, in ’t Frans Pied de Lion, in ’t Latijn Alchemilla, is onder de 15de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De gewone Leeuwenvoet (Alchemilla vulgaris van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders in de velden, op zandachtige gronden, heuvels en bergen groeit met stelen en gevliesde bladeren aan de wortels verdeeld, waaruit alle jaren in mei stengels spruiten die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien en meest in juni bloeien met gele en dikwijls roodachtige purperen bloemen, zonder kransen, die een zaadje voortbrengen.
De Alpen Leeuwenvoet (Alchemilla alpina van Linnaeus) groeit meest in de Alpen gebergten met vingervormige, getande en gekerfde bladen.
De vijfbladige Leeuwenvoet (Alchemilla pentaphyllea van Linnaeus) (Geum rivale) is een langlevende kruidplant die veel in Zwitserland op de heuvels en bergen groeit met zeer veel gladde en gevleugelde bladeren.
De Leeuwenvoet (Alchemilla aphanes van Willdenow) (Aphanes arvensis) is een eenjarige kruidplant die in Vlaanderen in de droge velden groeit.
Deze kruiden bezitten een verdrogende en samentrekkende kracht en de oude Kruidkenners zeggen dat ze gestoten en op de gezwellen en zweren gelegd die doen genezen. Maar de Leeuwenvoet door Clusius en Dodonaeus beschreven is heden het Bergroerkruid van Willdenow dat men voor deze Leeuwenvoet (Leontopetalon en Pilosella) (nu Leontopodium alpinum) noemde en onder de 19de klasse van Linnaeus is gesteld.
De Leeuwenvoeten worden ook in de kruidhoven gekweekt en door het zaad en struikscheiding in de lente vermenigvuldigd. Men heeft ten tijde van Plinius en van Matthioli veel gewaande krachten aan die planten toegeschreven, zo als dat dit kruid aan den hals gehangen de kracht had om een ander tot liefde te verwekken en zelfs te dwingen.
LELIE, Lelieplant, in 't Frans Lis, in 't Latijn Lilium, is onder de 9de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Lelieplanten en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt heden wel 100 verschillende soorten van Lelies die in de vier delen der wereld groeien en hier meest alle bij onze bloemisten verzameld zijn en om hun mooie bloemen worden gekweekt, zoals: De Lilium eximium,- macranthum,- atrosanguineum,- aurantiacum,- superbum,- bulbiferum, folia arg.- Broussartii, lancifolium album,- Kamtschatcense vera,- Canadense,- rubrum,- candidum,- floram maculataa,- folia variegata,- flora pleno,- Chalcedonicum,- concolor, croceum, - varietas, - excelsum,- Japonicum, van Brown;- Lilium lanciferum, nova, met zijn uitmuntende mooie bloemen;- Lilium punctatum,- roseum,- lancifolium rubra, sp.- specios. Pallidum met hun mooie bloemen;- Lilium longiflorum,- maculatum,- monadelphum verum,— pendulum,- philadelphicum verum,- pomponium,- superbum pyramidale,- testaceum, excelsum,- tigrinum,- Thunbergianum,- umbellatum,- Martagon,- Pensylvanicum,— Pyrenaicum, (Zie Volkoomen.nl bij Lilium) en veel andere met mooie kleuren en klokvormige bloemen. Vele van die planten worden in het begin van januari in potten in de heigrond in de matige serres geplant alwaar ze vroeg in de lente bloemen; deze die men gewoonlijk ’s winters in dn lichte volle grond laat, bloeien meest in juli. Ze worden allen door aangroei der bloembollen vermenigvuldigd en moeten ten minste alle drie jaren, als hun stengels en bladeren verdroogd zijn , in de herfst in nieuwe grond verplant worden.
D e Leliebollen bezitten veel stijfsel meel, dat men door de kunstscheiding daar uittrekt en op de wijze van den ameldonk in de medicijnen gebruikt; dat stijfsel meel bezit ook een suikerachtig vluchtig zout van een scherp inhoudend beginsel. De Leliebollen worden in sommige landen rauw als de ui en Look gegeten; het is wel bewezen dat ze een verwarmende kracht en een zeer aanhitsend middel inhouden en de wormen uit het lijf verdrijven.
LELIE VAN DE INCA’S, in ’t Frans Pélégrine, Alstroemère , Lis des Incas, in ’t Latijn Alstroemeria, is door Jussieu onder de familie van de Narcissen bloem en Paaslelie gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, die op de wijze van de Leliebloemen bloeien.
De Lelie van de Inca’ s (Alstroemeria pelegrina van Linnaeus) is een langlevende plant van Peru die met gebobbelde wortels en stengels van omtrent 30 centimeters hoog groei met blinkende, zonder steel gebogen bladeren voorzien die kruisvormig zijn geschikt; bloeit hier van juni tot in oktober met drie of vier witte, roze en purper gestreepte bloemen op de toppen die oneffen bloembladen hebben.
Men vindt hier bij onze bloemisten de Alstroemeria ligtu van Linnaeus, Alstroemeria acutifolia, bomorea, (Bomarea caldasii) Alstroemeria aurea versicolor, die aller mooiste bloemen dragen.
De Lelie van de Inca’ s met aderstrepen (Alstroemeria lineata?), groeit kleiner, maar met zeer mooie bloemen die een aangename zoete geur verspreiden.
Deze planten moeten op een goede belommerde standplaats in de oranjerie worden gekweekt en kunnen met zorg, door wortelscheiding, in oktober na het bloemen vermenigvuldigd worden; men kan ze ook door het rijpe zaad in de heigrond op teilen of in potten zaaien en met dolken verplanten, welke zaailingen op tijd besproeid het derde jaar bloemen dragen; maar men moet wel zorgen dat de slakken de bladeren en de muizen de wortels niet aanranden, want door de zoete smaak die deze planten inhouden zijn ze daarop zeer verlekkerd.
LEPELBLAD, Lepelkruid, in ’t Frans Cochléaire, in ‘t Latijn Cochlearia ,is onder de 5deo klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, vier machtigen, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvruchten met schelpjes, door zaadjes gevuld, voortbrengen.
Het gewone Lepelkruid (Cochlearia officinalis van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België op droge velden en aan de muren der huizen groeit met fijne wortels en veel lange stelen, met brede, blinkende, rondachtige, dikke en wat uitgeholde bladeren die op een houten lepel gelijken en hoekig zijn en waar tussen meest in april de stengels uitspruiten die omtrent 20 tot 25 centimeters hoog groeien en meest in mei witte bloempjes dragen waarop de schelpjes volgen die met zaadjes zijn gevuld welke op het Kers zaad gelijken.
Het Engels Lepelkruid (Cochlearia anglica) is een tweejarige plant die met veel eivormige en scherpe lansvormige bladen aan de wortels groeit en stengels die hoger dan de voormelde groeien; bloeit ook in mei met witte kleine bloempjes.
Het Lepelkruid of Meer-Radijs (Cochlearia armoracea van Linnaeus) (Armocacia rusticana) is een langlevende plant van Europa die in België en elders aan de kanten der vochtige grachten en poelen groeit met lansvormige bladen aan de wortels en stengels, waarop de bladeren doorzichtig en gekerfd zijn; bloeit in juli ook met witte bloempjes die schelpjes voortbrengen.
Het Lepelkruid (Cochlearia draba van Linnaeus) is ook een langlevende plant die in België aan de kanten der grachten groeit met lansvormige en stengel omvattende getande bladen en ook wel in mei witte bloempjes draagt.
Het schijnt dat elk land zijn Lepelkruid bezit, dat door de Voorzienigheid is geschikt om de mensen van het scheurbuik te genezen omdat de Cochlearia danica, van Linnaeus, in Denemarken, de Cochlearia glastifolia in Hoog-Duitsland ,de Cochlearia coronopus veel in Frankrijk en de Cochlearia groenlandica zeer veel in IJsland groeit; vele van die planten worden hier door het zaad in de kruidhof der Hogeschool gekweekt.
Het Lepelkruid is merkelijk warm en droog van aard ,tot in de tweede graad; met wijn of melk gezode n en ettelijke dagen achtereen gedronken is het zeer nuttig om het scheurbuik te genezen en ook om het verzworen en gezwollen tandvlees te verhelpen. Het Belgisch en Engels Lepelkruid zijn met dezelfde krachten begaafd en ook ten tijde der Romeinen hier bekend : Julius Cesar, die door de Belgische boeren over de krachten van die kruiden onderwezen was heeft die gebruikt om zijn zieke krijgslieden te genezen. Het sap wordt heden in sommige landen veel uit het kruid geperst en zuiver of flessen gedaan verzonden en door de scheepvaarders op hun lange reizen gebruikt om het scheurbuik te genezen; dit sap is ook zeer nuttig gedronken, tegen de gezwollen milt en verstopping; het kruid met azijn gestoten verdrijft de witte en zwarte plekken die door ziekten op het lichaam komen. Het Lepelkruid in het water gezonden is goed tegen de vuile zweren; de bladeren worden ook groen, met boter en brood, op de wijze van de Kers gegeten en de wortels van het Lepelkruid gedroogd, in poeiers geraspt en met azijn bereid kunnen zeer goed de Mosterd vervangen.
LEPTOSPERMUM, in ’t Frans Leptospermum, in 't Latijn Leptospermum ,is onder de familie van de Myrtus boom gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, planten wiens bloemen meer dan twintig helmstijltjes hebben en maar met een stampertje bloeien.
De volgende Leptospermum zijn langlevende heester- en laag stammen boomgewassen van Nieuw-Holland (Australië) die over enige jaren alhier zijn overgevoerd ; ze groeien met altijd blijvende, groene, kleine bladeren en bloeien meest in juli met witte, gespikkelde bloempjes die op de Myrtus bloemen zeer goed gelijken en een welriekend geur verspreiden: de Leptospermum scoparium van Smith, een mooie langlevend heestergewas dat met zeer lieflijke bloempjes, met lange meeldraadjes die uit de bloemkransjes hangen, bloeit; de Leptospermum thea van Willdenow (zelfde als de vorige, de rest is nog onbekend)die bladeren als de thee draagt; de Leptospermum pubescens van Willdenow met harige bladeren; de L. Lanigerum die met dons bedekte bladen groeit; de Leptospermum flavescens, L. melaleuca thea ,L. triloculare en de Leptospermum rubricaule, die hier allen in de oranje huizen ’s winters worden bevrijd. Deze kostelijke langlevende gewassen begeren op lommerachtige standplaatsen in de heigrond gekweekt te worden, maar moeten in de zomer dikwijls besproeid zijn; ze kunnen door jonge loten van eenjarige scheuten en afbinding of insnijding, op warme broeibakken en onder het glas en ook door inleggers en afzetsels vermenigvuldigd en door het rijpe kern zaad in de lente gezaaid worden om voort in de herfst in potten te verplanten. Deze lieflijke planten worden om hun aangename reuk van veel liefhebbers geacht.
LEVERBALSEM, in ’t Frans Erinée , in ’t Latijn Erinus, van Tournefort Agerathum en door Jussieu onder de familie van het Luiskruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en wiens zaad in een zaadhuisje besloten is.
De Alpen Leverbalsem(Erinus alpinus van Linnaeus) is een langlevende plant van de Alpen gebergten die veel in Zwitserland, Duitsland en elders groeit en hier inde bloemhoven wordt gekweekt; het groeit met enkele stelen maar omtrent 12 centimeters hoog en spatelvormige bladeren; bloeit van in april tot juni met trosjes en veel purperachtige roze bloemen die bijna geheel de lengte der stengels versieren, klokvormige kelkjes en trechtervormige bloemkransjes hebben en overhellende zaadhuisjes met twee hutjes, door zaadjes gevuld, voortbrengen.
De Leverbalsem van Peru (Erinus peruvianus van Linnaeus) en de gekerfde Leverbalsem (Erinus laciniatus van Linnaeus) (Schinus molle of Myroxylon balsamum of Protium ?) zijn twee kruidplanten van Peru die hier bij sommige liefhebbers in de oranjerie worden gekweekt; maar de Leverbalsem van de Alpen kan zeer goed onze koude winters weerstaan en wordt meest in de lente in verse grond gezaaid en in de herfst door struikscheiding vermenigvuldigd. Het kruid van de Leverbalsem is zeer verkoelend en plag tegen de gebreken der Lever gebruikt te zijn.
LEVERKRUID, in ’t Frans Hépatique, Aigrimoine, in ' t Latijn Agrimonia, is onder de 6de klasse, 9de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria digynia, planten wiens bloemen met twaalf tot twintig helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het edel Leverkruid (Agrimonia eupatoria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten aan de wegen en veel in de moerassen, op vochtige en droge plaatsen groeit met een stengel en bladstelen van omtrent 60 centimeters hoog, met gevleugelde en oneffen bladeren, op de bladstelen verdeeld , die enigszins op de Hennep bladeren gelijken, maar zachter en donkerder groen zijn; op de toppen der stengels bloeien meest van juni tot in augustus gele bloemen die zaden met haartjes voort brengen die aan de kleren en wol der schapen blijven kleven. Deze plant groeit veel omstreeks Doornik en Aat en wordt ook te Waarschoot gevonden.
Het welriekende Leverkruid (Agrimonia odorata van den Hortus Kew)(Agrimonia procera) is een langlevende kruidplant die Ch. Van Hoorebeke in Vlaanderen in de bossen en elders op droge gronden heeft ontdekt.
Het eerst gemelde Leverkruid is van over zeer oude tijden in Europa bekend en heeft den naam van Eupatoria verkregen van de koning Eupator die eerste de kracht van deze officinale plant heeft ontdekt. Het kruid is van de oude en nieuwe Kruidkenners beschreven en om zijn heilzame deugden vermaard; het is matig tezamen trekkend en heet van aard, opent de verstopping van de besloten lever, doorsnijdt de slijmerige delen en geeft aan de lever een versterkende kracht. Het leverkruid in het water gezoden, met honing bereid en ettelijke dagen gedronken, helpt de leverzuchtige mensen, opent de nieren en stelpt het bloed plassen; met wijn gekookt geneest het de rode loop. Het kruid en bladeren met azijn en varkenslies gestampt en opgelegd verdrijft de kanker, het kwade zeer, de haarworm, de wratten en oude zweren en geneest de beten der slangen. Het sap van het Leverkruid, schrijft Lobel, met zout en azijn gemengd, geneest het schurft; het water van dit kruid gedistilleerd, gelijk heden door de kunstscheiders veel geschiedt, is zeer dienstig om de hoest te stillen en de borst te reinigen en met rozen water en azijn bereid om tegen de hete ziekten en koortsen te gebruiken. Het poeier van dit kruid wordt ook in de holle en diepe wonden gedaan. Men vindt dit kruid in veel hoven geplant om het tegen al die gebreken bij de hand te hebben en naar mate te kunnen gebruiken.
LIMODORUM, in ’t Frans Limodorum ,in ’t Latijn Limodorum, is door Jussieu onder de familie van het Standelkruid gesteld en onder de 20ste klasse van Linnaeus, Gynandria diandria, helmstijlige, plantendie met twee meeldraadjes bloeien, met de stampertjes tot een lichaam samengegroeid zonder aan de vruchtbodem te kleven.
De Limodorum van Tankerville (Limodorum Tankervilliae van Willdenow) (wel een cv.) is een langlevende kruidplant van China ,die met geknobbelde wortels groeit en schachten met geplooide bladeren die uit de scheden schieten en omtrent 45 centimeters hoog groeien; bloeit hier meest van april tot in mei met zeer bevallige trossen op de toppen en grote bloemen met zes bloembladen waarvan vijf langs buiten zuiver wit en langs binnen bruin zijn en de zesde een mooie purperbruin kleur heeft en op de wijze van hoorntjes zijn gerold.
De Limodorum van Willdenow of Orchis abortiva van Linnaeus (Limodorum abortivum) is een langlevende kruidplant van Europa met gebobbelde en gevezelde wortels met stengels zonder bladen groeit en hier in de zomer bloeit met violette bloemen, met ronde ,lipvormige honingkelkjes. Deze plant groeit veel in Vlaanderen in de bossen en droge velden.
De eerst vermelde Limodorum wordt hier geheel het jaar in de run en in de warme serres gekweekt; de tweede soort werd van de oude Kruidbeschrijvers Cynomorion genoemd en hier Standelkruid of ook Hondsschacht in de volkstaal geheten. Deze plant die ook veel in Italië en elders aan de zee duinen en bergen groeit wordt op de wijze van de Asperge als moeskruid gegeten; maar het schijnt nochtans, volgens Plinius ,dat dit kruid veel te heet van aard is om inwendig als voedsel te gebruiken, terwijl de koeien, geiten en schapen dit veel dit kruid eten en daarvan ritsig worden. Dit kruid heeft zijn naam uit het Griekse Limos verkregen.
LIMOENBOOM, Adamsappel, in 't fransch Limonier, in 't latyn Citrus Limon, van Tournefort Citrus aurantium Limon en is door Jussieu onder de familie van de Oranjebomen gesteld en onder de 18de klasse van Linnaeus, Polyadelphia icosandria ,die met meeldraadjes op dezelfde wijze als de Citroenboom bloeien.
De Limoen boom, Limon malum genoemd,(Citrus aurantiifolia) is een langlevend boomgewas van Azië dat op de wijze van de Oranjebomen groeit, maar nochtans van vruchten verschilt; de Limoen appels zijn zeer welriekend, maar bitterachtig van smaak en warm en droog van natuur; het witte vlees dat naast de schellen ligt is zeer koud van aard en het binnenste sappig vlees verkoelt van kracht; de kern der vruchten zijn ook zeer bitter van smaak. De Limoenen worden in vele landen op de Citroenbomen geënt waarop ze zeer mooie en smakelijke vruchten dragen. Het sap uit de Limoen appels met wijn, suiker en water gemengd is zeer verkoelend; maar de vruchten rauw gegeten verkouden de maag en kunnen buikpijn veroorzaken. Dit sap met witte wijn gedronken breekt dn steen in de nieren en blaas en drijft het graveel af. De Limoen vruchten in schijfjes gesneden, met zout of rozen water besproeid en met vlees gegeten versterken de maag. Het sap gebruikt om het vel te wassen geneest de schurft en rappigheid en doet de plekken en sproeten verdwijnen; het doet ook de inktplekken die op het lijnwaad zijn weg gaan. De siroop van dit sap gemaakt en ettelijke dagen ingenomen is zeer goed tegen de pest en verdrijft de hete en koude koortsen. Het sap wordt veel in de warme landen uit die vruchten geperst, naar vreemde gewesten verzonden en veel door de schipvaarders op hun lange reizen gebruikt om de matrozen van het scheurbuik te genezen; dit sap met Berberis sap en honig gemengd is zeer goed om de brandplekken en andere zeren van het aanzicht te verdrijven en het vel zuiver te verschonen. Eindelijk het Limoensap bezit de krachten van het Citroen sap en kan de Citroen in al zijn delen vervangen. De Limoen bomen kunnen hier op Citroen-, Granaat-, witte Moerbei-, Peren- of Hulst bomen, dicht bij de grond geënt worden waarop het onze winterse koude beter weerstaan en alzo de wortels aan geen verrotting onderhevig zijn; echter worden ze hier meest van de winterse koude bevrijd in de oranjehuizen.
LIMONIA, in ’t Frans Limonia, in ‘t Latijn Limonia, is door Jussieu onder de familie van de Oranjebomen gesteld, door de nieuwe Kruidbeschrijvers onder de Nachtviolieren en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Limonia met drievoudige bladen (Limonia trifoliata van Linnaeus) (Citrus x limonia) is een laagstammig boomgewas van de Indiën dat met dunne takjes en drievoudige bladen met klierachtige vliesjes en tweevoudige doorntjes groei ,en meest van mei tot in juni bloeit met drie of vier bloembladen in de kelken en witte alleenstaande bloemen die een zoete geur verspreiden en ronde, kleine vruchten als bessen voortbrengen die de smaak van de Oranje- Appels en Limoenen hebben en hier in de warme serres wel hun rijpheid verkregen.
Onze bloemisten hebben nog onlangs de Limonia spectabilis (een var.) van Indiën verkregen die zeer bloemen en zoete, smakelijke vruchten draagt, maar nog zeer zeldzaam in den handel is verspreid; het wordt nog bij Alex. Verschaffelt tot 50 franks verkocht. Men vindt nog op sommige bloemlijsten de Limonia monophylla van Linnaeus die van Ceylon voortkomt.
Deze planten worden hier in de warme serres door het zaad vermenigvuldigd en het sap van hun vruchten wordt op de wijze van de Citroenen gebruikt.
LINDEBOOM, in ’t Frans Tilleul, in ’t Latijn Tilia, is onder de 21ste klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld der bomen die rozen bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der Linden en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige, planten die met twintig tot honderd helmstijltjes bloeien en maar een stampertje hebben.
Men vindt verscheidene soorten van Linden bij de Kruidkundigen aangetekend; doch die allen waarschijnlijk maar verscheidenheden van een en dezelfde soort zijn en echter van gedaante verschillen.
De Belgische Linde (Tilia europaea van Linnaeus) is een langlevende boom van Europa die hier van over zeer oude tijden te goed is bekend om geheel diens gedaante te beschrijven. Al de Lindebomen bloeien met bloemkelkjes, in vijf verdeeld, met vijf bloemblaadjes in de kransjes die rondachtige, droge zaadhuisjes, op de wijze van besjes, in vijf hutjes verdeeld voortbrengen.
De smalbladige Lindeboom (Tilia parvifolia) (Tilia cordata) groeit ook wel in België , als mede de Lindeboom van Amerika (Tilia americana van Linnaeus) en de gehaarde Lindeboom (Tilia pubescens van de Hortus Kew.), van Carolina Eilanden die met brede en door haartjes bedekte bladeren zeer lommerrijk versierd is.
De gewone Linde met brede grote bladen (Tilia platyphyllos) werd van de oude Kruidkundigen Tilia foemina folio majore en de Steenlinde Tilia faemina folio minore genoemd. Ze dragen allen zeer welriekende bloemen en worden door de bijen veel gezocht om er hun honing en was uit te halen. Al deze Linden, door hun mooie, lommerrijke ,groene, zuivere bladeren, welke de rupsen nooit aanranden, zijn zeer geschikt om de wandelingen en dreven te beplanten en worden gebruikt om prieëlen mee te beklede daar men ze gemakkelijk op alle wijzen kan leiden. Het hout, de schors, bladeren en bloemen der Lindebomen bezitten veel heilzame deugden die van over zeer oude tijden zijn bekend en waar omtrent het al de Kruidbeschrijvers wel eens zijn. Voor eerst, het lindenhout is wit en week, effen, glad en taai en wordt ook niet ligt van de wormen aangetast; derhalve is het tot het beeldhouwerswerk zeer dienstig en wordt door de draaiers en schrijnwerkers veel geacht. De schors van de Linde wordt veel gebruikt om matten, korven, koorden en touwen te maken en als bindsels om allerlei bomen te oculeren. Het binnenste van de schors, in de boomolie gekookt, geeft een zeer goede zalf om de wonden en verbranding te genezen. De bladen en schors van de Linde zijn matig warm en samentrekkend van kracht; de binnenste schors met azijn gemengd en daarmee ettelijke dagen het vel gewassen geneest de kwade ruigheid, witte krauwen en allerlei schurft. De Linde bloemen, in de bloeitijd verzameld, worden droog en vers als thee in het kokende water geweekt en als zweet verwekkend middel gebruikt, welk gedronken ook zeer goed is om de hete koortsen te verdrijven. Het water, van het linden bloeisel gedistilleerd, gedronken geneest de vallende ziekte en is ook zeer dienstig voor het draaien van het hoofd en beroerdheid en voor de kinderen die door stuiptrekkingen zijn aangerand; dat water is ook uitmuntend goed om de vrouwen gauw van kind te doen verlossen en om de ogen te zuiveren. Men kan te dien einde uit de Lindebloemen een konserf maken. Het gedistilleerd water, door afkooksel uit dit bloeisel getrokken met enige druppels lavendel olie bereid is het beste middel om het baren der vrouwen te bevorderen. De jonge takken met de bladknoppen in het water gekookt en gedronken is een goed middel voor de waterzuchtige mensen. De vermenigvuldiging der Lindebomen geschiedt hier meest door inleggers van de jonge bomen die men grond waart buigt en met enige haken bij de aarde vast maakt en de takjes met aarde tot op de toppen bedekt; het eerste en tweede jaar vatten ze wortel, waarna men die van de moederplant afsnijdt om voort in de kwekerij te verplanten. Ze worden ook veel door uitlopers voort gekweekt en kunnen door het rijpe zaad ook vermenigvuldigd worden, waaruit men medesoorten met grote, bonte en witachtige bladeren verkregen heeft. Men vindt hier nog de Tilia argentea, Tilia rotundifolia ? en de Tilia alba? die bij sommige liefhebbers worden gekweekt.
LINNAEA, Linneuskruid, in 't Frans Linnée, in' t Latijn Linnaea, door Tournefort Campanula genoemden onder zijn 1ste klasse,8ste sectie gesteld der klokvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van het Geitenblad en van anderen onder de Kappers en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die twee lange en twee kortere helmstijltjes hebben en zaadjes dragen die in een zaadhuisje besloten zijn.
De Linnaea borealis van Linnaeus is een langlevend heester houtgewas van Zwitserland dat hier struikvormig maar omtrent 30 of 35 centimeters hoog groeit met dunne, liggende takjes en vele altijd blijvende, mooie groene, rondachtige blaadjes; bloeit hier meest in mei op de toppen met zeer bevallige, overhellende, witachtige rooskleurige bloempjes als belletjes die van boven in de kelkjes in vijf zijn verdeeld en klokvormige kransjes hebben, droge bessen in drie hutjes verdeeld voortbrengen en een aangename geur verspreiden. Deze mooie plant met zijn welriekende bloemen is aan de kundige leraar Linnaeus opgedragen en heeft zijn naam behouden; het wordt als versiering in de heigrond in de lusthoven gekweekt en door inlegging der jonge takjes op belommerde plaatsen vermenigvuldigd. Men heeft tot heden nog door het zaad geen medesoorten van deze lieflijke plant verkregen.
LINZE, in ’t Frans Lentille, in ’t Latijn Ervum lens, is onder de 10de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige met tien meeldraadjes die in twee groepjes gescheiden of tot twee afzonderlijke lichamen zijn samengegroeid.
Dee Linze (Ervum lens van Linnaeus)(Lens culinaris) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Frankrijk die alle jaren in de moeshoven vroeg in de lente wordt geplant en ook uit de hand gezaaid; het groeit met kleine stengeltjes maar 10 o f15 centimeters hoog en steeltjes met langs beide zijden smalle blaadjes; het gelijkt op de Vitse en bloeit meest in juli met kleine, vlindervormige, purperachtige bruine bloempjes die platte, ronde peulvruchten voort brengen en gewoonlijk drie Linzen inhouden die drie jaren goed blijven en een krachtig voedsel bezitten. De Linzen gekookt en als de erwten bereid ,zijn zeer stoppend, versterken de maag en zijn bekwaam om de buikloop te stelpen; gepeld en van al hun schellen gezuiverd en als stamppot gebruikt verdrogen en stoppen ze de vloeden der vrouwen, zo Galenus getuigt; maar ze zijn moeilijk om verteren en veroorzaken dromen en zwaar grof bloed. Men vindt onder de Linzen veel medesoorten; ze begeren een droge, zandachtige grond en worden droog en groen als spijzen gebruikt, veel gemalen en met tarwe gemengd en als brood gebakken dat een goede smaak heeft en een aangenaam voedsel verschaft .De Linzen worden in Engeland, Frankrijk en elders veel op de oorlogsschepen gebruikt om de zeelieden te voeden. Het kruid van de Linzen wordt ook groen en droog als voeding aan al de kruid etende dieren gegeven die er veel melk van geven.
LIPARIA, in ’t Frans Liparis, in ‘t Latijn Liparia, is door Jussieu onder de familie van de bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17°de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten met tien meeldraadjes tot twee lichamen samengegroeid.
De bolronde Liparia (Liparia spherica van Linnaeus) (Liparia splendens?) is een lang levend heester-houtgewas van Afrika dat hier omtrent 1 ½ meter hoog groeit met stekende, lansvormige bladeren en van mei tot in juni op de toppen bloeit met zeer lieflijke gele, ineengedrongen bloemen die rondachtige peulvruchten voortbrengen.
De Liparia met lansvormige bladen (Liparia lanceolata van Linnaeus?) is een kleiner heester-houtgewas van de Kaap, met schrale takjes en lijnvormige bladeren ,dat van juni tot in juli bloeit met zeer mooie, bevallige, gele bloemen, waarvan de peulvruchten hier wel hun rijpheid verkrijgen.
De wollige Liparia (Liparia villosa van Linnaeus?) is een langlevend heestergewas van Ethiopië met eivormige en door witte dons bedekte bladeren en met mooie bloemen, in busseltjes verzameld.
De laatst genoemde bevallige plant gelijkt zeer goed op de Indigo plant (Indigofera sericea) die ook met witte zijdeachtig dons bedekt groeit en waarvan het zaad ook een blauwe verf inhoudt.
Deze planten moeten hier ’s winters in de oranjerie bevrijd zijn en kunnen door afzetsels, op lauwe broeibakken en onder het glas, in de heigrond en ook door het rijp zaad vermenigvuldigd worden.
De Liparia sericea en de Liparia umbellata? van Linnaeus die ook van Afrika voortkomen worden hier bij sommige bloemisten gekweekt.
LISPLANT, Lisbloem, Pinksterbloem, in ‘t Frans, Glaieul, in ' t Latijn Iris, is onder de 8ste klasse, 2de sectie der Lelie planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Lisbloemen en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Lis planten bloeien allen met zes ongelijke, lipvormige, open bloembladen in de kransen die van binnen zijn getekend en met haartjes en baardjes versierd. Men vindt verscheidene soorten die in de bloemhoven worden geplant, langlevende planten zijn, weinig van gedaante verschillen maar met velerhande kleuren bloemen.
De Duitse Lisbloem (Iris germanica van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Duitsland die met altijd blijvende, brede bladeren en schachten van 40 of 50 centimeters hoog groeit en meest in juni bloeit met vijf of zes bloemen op de toppen die een zeer mooie donker blauwe kleur hebben en waarvan men zeer veel medesoorten vindt die met blauwachtige, witte, purperen violette en gele kleuren bloeien en allen een mooie groene verf inhouden die in veel landen wordt gebruikt om alle soorten van stoffen groen te verven.
De Lisbloem met verscheidene kleuren (Iris versicolor van Linnaeus) is een langlevende plant van Noord-Amerika die met hoge bloem pijpjes en mooie rechte bloembladen hier in juni bloeit.
De Lisbloem van Suze (Iris susiana van Linnaeus) is een langlevende plant van Azië die met stengels wel 40 centimeters hoog groeit en met donker grijze en purperen gekloven bloemen bloeit die van binnen donkerbruin en dik gebaard zijn en de gedaante van een paddenmuil hebben.
De Lisbloem (Iris squalens van Linnaeus?) komt van Zuid- Europa en bloeit in de lente met bloemen die een zoete, aangename reuk verspreiden.
De gele Lisbloem(Iris flavescens) groeit met stengels maar 20 centimeters hoog en draagt hier dikwijls in maart en ook soms in september mooie gele en bruinrode gestreepte bloemen. De Lisbloem van Perzië (Iris persica van Linnaeus)groeit met stengels maar 20 centimeters hoog en bloeit hier meest in april eer de bladeren zich vertonen met zeer lieflijke bloemen met drie blauwachtige witte bloembladen die langs binnen met een purperen fluweelachtige plek en een oranje streep getekend zijn.
De Lisbloem met dikke wortels (Iris tuberosa van Linnaeus) is een langlevende plant van het Oosten die hier in de oranjerie huizen vroeg in de lente bloei met donker groene bloemen die langs binnen purper ,geel en rood en langs buiten met een purperen fluwelen plek getekend zijn.
De laag blijvende Lisbloem (Iris pumila van Linnaeus) is een plant van Oostenrijk die met altijd blijvende bladeren en stengels maar 12 of 14 centimeters hoog groeit en meest in april bloeit met purperachtige blauwe bloemen die de gedaante van vliegende vogeltjes hebben. Men vindt er veel medesoorten van met purperen violette, witte en andere gekleurde bloemen.
De gefronst Lisbloem (Iris fimbriata van Ventenat?) is een langlevende plant van China die met dikke wortels en stengels groeit en hier in mei bloeit met hemelsblauwe bloemen en fijn gevlamde boorden die langs binnen geel gespikkeld zijn en gefronste vruchtbodem hebben; het moet hier 's winters in de oranjehuizen bevrijd worden.
De zwaardvormige Lisbloem (Iris xiphioides van Redouté?)?is een langlevende plant van Spanje met hoge stengels en brede bladeren die hier in juni bloeit en wiens mooie bloembladen met verschillende kleuren getekend zijn.
Men vindt hier nog de Iris cristata en de Iris halophila van de Hortus Kew die van de Amerika en Siberië oorspronkelijk zijn; de Iris plicata van Lamarck, ?van Oostenrijk; de Iris swertii van Lamarck, ?van Holland en de Iris sambucina van Linnaeus ? van Zuid-Europa.
De Iris pseudoacorus van Linnaeus wordt ook in België inde grachten gevonden en de Iris foetidissima van Linnaeus wordt veel in Frankrijk gevonden.
De Iris xiphium van Linnaeus, is een plant van Spanje, gelijk de Iris xiphioides waaruit men door het zaad al die mooie medesoorten gewonnen heeft die door de kwekers en bloemisten de volgende namen hebben verkregen waar onder ze op hun lijsten zijn bekend; de Iris Procris met donker purperen bloemen; Iris Salamander, met purperen gevlamde bloemen; Iris Koningskleed, met donkere violette bloemen; Iris Arsinoë met mooie blauwe bloemen; Iris Hecube, met zuivere witte bloemen; Iris zwarde Abend, met bruinachtige purperen bloemen; Iris Bucheval, met rode bonte bloemen en de Iris nec plus ultra met zeer lieve, purperen gespikkelde bloemen die allen onder de gewone naam van Iris anglica in de Nederlanden worden verkocht en naar vreemde landen verzonden.
De Iris biflora (Iris lusitanica biflora) die in Spanje en Portugal veel in de bergen groeit wordt hier ook in de bloemhoven gekweekt; maar van al deze lisbloemen die tot versiering der hoven hier door het zaad en struikscheiding worden vermenigvuldig is de Iris florentina van Linnaeus, van Zuid-Europa vooral om zijn deugden in de geneesmiddelen vermaard. De verse wortels zijn vol sap en geweldig warm van aard; maar gedroogd en in poeier met zoet vet of was gesmolten bezitten ze de eigenschap om de hardnekkigste steenzweren en vurigste brandknoppen open te trekken en ettergaten te zuiveren. De wortel van de Iris in poeier met wijn gedronken opent de verstopping en is goed voor de waterzuchtige mensen; dit poeier doet ook niezen en zuivert de hersenen. De Iriswortel in de wijn gekookt, met wierook vermengd en warm opgelegd, trekt alle splinters en doornen uit de zweren. In poeiers ingenomen verdrijft het alle dikke en taaie slijmen uit het lichaam en kan ook de geelzucht genezen. De wortels worden veel in de wijn gehangen waaraan ze een aangename geur en smaak verschaffen; op de biertonnen gestoken behouden ze het langen tijd zoet en aangenaam van smaak. Het poeier van die wortels wordt in sommige landen met het meel gemengd en met het brood gebakken waaraan het een goeden smaakt geeft. De heer De Caux schrijft dat een half lood pulver van de Iris met wijn gedronken de dikke slijmen van de gal, longen en borst door de kamergang afdrijft en dat de reukwatermakers die wortels gebruiken om aan dit water een vel zuiverende kracht te geven. Lobel en Dodonaeus hebben ook al de nuttige krachten van die Lis wortels beschreven welke men allen in het Kruidboek van de laatste genoemde schrijver van bladzijde 385 tot 391 aangetekend vindt.. alle geneeskundigen schrijven dat de wortels van sommige Lis planten een buik zuiverende kracht bezitten.
LOBELIA, in' t Frans Lobélie ,in ’t Latijn Lobelia, door Tournefort Rapuntium trachelium genoemden onder zijn 2de klasse, 3de sectie gesteld; door Jussieu onder de familie der klokvormige bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Deze planten, waarvan men heden veel verscheidene soorten vindt zijn opgedragen aan de vermaarde Thomas Lobel wiens naam ze hebben behouden. Ik zal deze beschrijven die hier in de vollen grond worden geplant.
De Lobelia cardinalis van Linnaeus, is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die met enkele stengels een weinig gewold omtrent 50 centimeters hoog groeit met eivormige bladeren; bloeit van juli tot in september met lange trosjes en veel lieflijke bloemen op de toppen der stelen die een blinkend rood scharlaken kleur hebben.
De Lobelia siphilitica van Linnaeus komt ook van Amerika, groeit hier met een stengel omtrent 40 of 50 centimeters hoog en bloeit met aren op de toppen en blauwe bloemen, ook van juli tot in september.
De Lobelia met fijne haartjes bekleed (Lobelia hirsuta?) is ook van Noord-Amerika; het groeit met zwakke, vertakte stengels en bloeit meest in angustus, met witachtige bloemen op de toppen.
De Lobelia fulgens van Curtis is een langlevende plant van Noord-Amerika die hier met mooie rode blinkende bloemen van juli tot in september bloeit.
De Lobelia Dortmanna van Linnaeus, van Europa, groeit veel in België aan de kanten der stromende waters met een blote stengel en lijnvormige bladen die op de Salie gelijken en draagt meest in augustus tweevakkige, blauwe violette bloempjes .
De Lobelia urens van Linnaeus groeit ook in Vlaanderen en Zeeland met rechte stengels en rondachtige, getande en gekerfde bladen die doorzichtig en lansvormig zijn; bloeit meest in augustus met trossen en violette bloempjes. Deze twee laatst- gemelde planten gelijken zeer goed op het Halskruid en volgens de oude Kruid beschrijvers bezitten ze dezelfde krachten.
De Lobelia splendens (Lobelia cardinalis) is een nieuwe kruidplant van Mexico die hier met stengels omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeit en meest van juli tot in oktober bloeit met trossen en zeer lieflijke rode blinkende bloemen; maar deze plant moet hier ‘s winters in de oranjerie bevrijd worden.
Me vindt bij onze bloemisten nog de volgende soorten die met zorg in de bloemhoven worden gekweekt en alle onder de langlevende kruidplanten zijn gesteld; sommigen worden in de oranjerie bevrijd; (Cv’s) Lobelia Althontoweriensis,- arborescens, - aurantiaca,- Belgica,- bellidifolia,- Cavanillesiana,— Cobughii,- coeruleagrandiflora,- Dracocephaloïdes,- for mosa,- gracilis,- heterophylla major,- hybrida,- Limburgensis,- Makoyi,- Miller,- Phoenicea nova,- pulchella,- stellata,- superba,- coccinea,- tupa coccinea,— violacea,- auzurea,- coccinata ,- ignea,- robusta,- serotina,- Wallanisis,- Vulcan,- unidentata,- sanguinea vera ,en meer andere die allen de naam van Lobelia hebben verkregen. Al de Lobelia ’s worden op de wijze van het Klokkenkruid vermenigvuldigd; maar het rijpe zaad wordt onder het glas op belommerde plaatsen gezaaid en van daar met dolken verplant; de zaailingen moeten de eerste winters in de oranjerie verblijven om voorts met zorg in de zomer in de vollen grond te verplanten. De Lobelia longiflora, is, volgens Haller, vergiftig; zijn melk brandt op de tong en in de trekpleisters het heeft een stinkende reuk.
LODDIGESIA, in ’t Frans Loddigesia, in ’t Latijn Loddigesia, is onder de familie der planten die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige met tien meeldraadjes tot twee afzonderlijke lichamen samengegroeid. De Loddigesia met Klaverzuringbladeren (Loddigesia oxalidifolia) (Hypocalyptus) is een nieuwe kleine heester hout gewas van de Kaap met stengels, dunne takjes en zeer veel blaadjes drie te samen op de stelen verspreid; bloeit hier van april tot in mei met korte bloemtrossen op de toppen en zeven of acht mooie purperen bloempjes die zeer bevallig zijn. Deze lieflijke plant die men bij sommige bloemisten hier kan bekomen kan door het zaad in de fijne heigrond in de oranjerie gezaaid en door inleggers vermenigvuldigd worden; mar om mooie bloempjes te dragen moet het in de matige serre of in een goede oranjerie in de heigrond gekweekt worden.
LOMATIA, in ’t Frans Lomatie, in ‘t Latijn Lomatia, is door Jussieu onder de Embothrium planten en de familie van de Zilverbomen gesteld en onder de 4de klassevan Linnaeus,Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De volgende gewassen die men hier bij Alex. Verschaffelt en veel andere bloemisten vindt zouden bij het artikel van de Embothrium moeten beschreven zijn; maer deze nieuwe planten van Nieuw-Holland (Australië) worden hier Lomatia genoemd en zijn nog zeer zeldzaam in de handel verspreid; derhalve worden ze nog op de bloemkwekerij lijsten van 6 tot 40 franken aangetekend: De Lomatia cordata?, Lomatia glauca?, Lomatia illicifolia, Lomatia longifolia?, Lomatia spec. Nova?. Ze worden op de wijze van de Embothrium door inleggers in de heigrond gekweekt (Zie het artikel van den Embothrium, 2de deel, bladzijde 151)
LONGKRUID, Onze vrouwen Melkkruid, in 't Frans Pulmonaire, in 't Latijn Pulmonaria, is onder de 2de klasse, 4de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Bernagie en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
H et Winkel Longkruid dat in de geneesmiddelen wordt gebruikt (Pulmonaria officinalis van Linnaeus, is een langlevende kruidplant van Europa die in België op belommerde plaatsen in sommige bossen en op bergen groeit en alle jaren in de lente uit de wortels spruit met ruwe, rondachtige, hartvormige bladeren die ook op de stengels groeien die met fijne haartjes zijn bekleed; bloeit in juni met purperachtige blauwe bloemen, hoge bloemkelken en trechtervormige kransen op de toppen der stengels op de wijze van de Smeerwortels.
Het Longkruid van Virginië (Pulmonaria Virginica van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Amerika die hier ook in de kruidhoven wordt geplant en groeit met bladstelen aan de wortels en lange bladeren waar tussen in de lente stengels uitspruiten die hier meest in mei kleine, blauwachtige witte en soms roodachtige bloempjes dragen.
Het Longkruid van Siberië (Pulmonaria Siberica) (Mertensia sibirica?)is een langlevende plant met hartvormige bladen wiens stengels hier meest in juni trosjes met kleine blauwe bloempjes dragen.
Het Longkruid met smalle bladen (Pulmonaria angustifolia) is een langlevende kruidplant van Zwitserland die in België in de vochtige bossen groeit en in de bloemhoven wordt geplant; het groeit met lansvormige bladen aan de wortels en stengels waarop in juni ook roodachtige blauwe bloempjes bloeien.
Het Winkel-Longkruid (Pulmonaria officinalis) dat hier ook in de kruidhoven wordt geplant kan men door zijn witachtige gele vlekjes op de bladeren uit al de andere soorten zeer gemakkelijk herkennen. Deze plant is hier om zijn deugden van over oude tijden goed bekend, en werd voor deze met witte Heemstwortels in het water gekookt om de bloedspuwingen te stelpen. Het sap van dit afkooksel wordt nog heden voor de long gebreken geprezen en dit kruid in poeiers met siroop of honig bereid wordt ook voor dezelfde gebreken ingenomen. Er wordt ook een water met dit kruid gedistilleerd dat de apothekers met siroop bereiden gebruikt om de bloedspuwing en andere longziekten te genezen. De bladeren van dit kruid, schrijft Clusius, zijn ook zeer goed om, gelijk de Sleutelbloemen, met de kruidkoeken en eieren te bakken en met warmoes te bereiden om alzo in de keuken te eten en voor de hele longen te gebruiken. Deze planten worden door het zaad en wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
LONGMOS , Longkruid, Steenleverkruid, Steenmos, IJslands mos Mosroos, in ‘’t Frans Lichen d’ Islande, in ‘t Latijn Lichen, is onder de 16de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van het Zeegras en onder de 24ste klas van Linnaeus, Cryptogamia algae, bedekt bloeiende-vierslachtige, planten die verborgen bloemen en vruchten dragen.
Dit Longkruid is een slag van Mos dat op de tronken der bomen, takken, bladeren, droog en rot hout en ook op veel plaatsen op de aarde, tussen het Mos, op de stenen, rotsen en lommerachtige streken en zelfs ook die van de zon beschenen worden en in Europa in het wild groeit. Men vindt er heden wel 200 soorten van; de kundige leraar Linnaeus stelt in zijn rangschikking 140 soorten die allen, uitgezonderd 6, in Europa groeien en waarvan vele de landvruchten en bomen hinderen en derhalve ook in de volkstaal Leprozen worden genoemd. Slechts 3 soorten zijn om hune nuttige deugden bekend; ten eerste: het bladerige Steenleverkruid of IJslands Mos (Lichen islandicus van Linnaeus), (Cetraria islandica en Marchantia polymorpha) die velen menen in IJsland te groeien; maar die een langlevende kruidplant van Europa is welke veel in België groeit op beschaduwde, vochtige en droge steenachtige plaatsen, aan de wegen, bossen en elders aan den grond met bladen gelijk vis schelpen, rond getand en met haartjes gerand; brengt meest in juni zijn bladen voort die in september worden verzameld en vers en droog in de geneesmiddelen gebruikt.
De kunstscheiders hebben in deze plant een slijm poeier of gom bemerkt die een bitterachtige smaak bezit. Dit kruid, met suiker of honing gekookt is een borst verzachtend middel om de terende mensen te helpen : dit slijm poeier ingenomen, zegt de doctor De Caux, is een middel om de spieren en zenuwen aan te drijven; het poeier van de IJslandse Mos wordt ook in de tabletten van de gelei gemengd, en door het koken geweekt om de zieken te geven. De IJslandse Mos wordt ook veel in de gezondheid-chocolade bewerkt en voor de borstzieken gebruikt. Men heeft sedert enige jaren gezocht om dit Longekruid ook met het brood te bakken en er koekjes mee te bereiden waarvan de Noordelijke volkeren alreeds gebruik maken.
Het Longkruid of Steenleverkruid met de vruchtbodem op de bladen ingesloten dat hier in de volkstaal Mosroos wordt genoemd is de Lichen pulmonaria van Linnaeus, (Lobaria pulmonaria) een langlevend plant van Europa die veel in Vlaanderen en elders in België groeit op droge plaatsen en velden en onbebouwde, lommerachtige streken, onder de bomen en op steenachtige gronden waar het Mos gewoonlijk groeit met bladen bij elkaar aan den grond gebogen, glad en plomp, schildvormig getand, slijmachtig van boven, van onder met witte dons die soms bleek zijn en ook een bruinachtig kleur verkrijgen.
Dit Longkruid is koud, zeer verkoelend en weinig samentrekkende van aard; het wordt voor krachtig en nut gehouden om de ontsteking en zweren der leve ren andere verhittingen die uit de gal zijn oorsprong nemen te geneze, en op de wijze van den IJslandse Mos bereid en gebruikt.
Volgens de abt Hocquart, leraar in de Wis- en Kruidkunde, wordt dit Steenleverkruid ook voor de bloedloop geacht en men vindt in zijn Flore du département de Jemmape beschreven dat het zeer dienstig is om de Hop in het bier te vervangen.
Het Longkruid of Steenmos voor de ververs (Lichen parellus?) is een langlevend bladerig kruid van Europa dat in België en elders op steenachtige gronden en belommerde plaatsen, op de Eiken- en andere bomen en op de heide groeit; het wordt in de volkstaal Leproos en Verversroos genoemd en groeit met geschelpte, witte, holle schildjes, plomp en bleek gebladerte en alle zijn delen houden een mooie rode kleur in; derhalve wordt het in vele landen verzameld om de stoffen rood te verven.
Om mijn lezer een egedachte te geven van de menigvuldigheid van de Longkruiden en Steenmossen zal ik hier enige beschrijven die in België aan alle kanten groeien; maar waarvan ik de krachten niet ken;:
De Leproze (Lepra antiquorum) is een zwartachtige korst of Mos die op de stenen en standbeelden groeit; het melkachtig Longkruid (Lichen lactea)(Xanthocarpia lactea) (Allen onbekend) is een korst of wit melig Mos die op de tronken der bomen groeit; het groen Longkruid (Lichen botryoide? en Lichen bissus virridis van Linnaeus) groeit op de aarde, in de bossen en op de vochtige muren; de Lichen obscura van Linnaeus die een grijze gele kleur heeft groeit op de schors der oude bomen; de Lichen cinnabarium groeit puistachtig, met een bruine kleur op de schors der Wilgen en Beuken- bomen; de Lichen alba flavescens groeit meest op de schors der Eiken; de Lichen cornicularia, die ook bladerig groeit meest op de aarde tussen Mos op droge plaatsen; de Lichen jubatus van Linnaeus die met meeldraadjes groeit en een grijze kleur heeft hangt meest aan de Lorkenbomen en Es; de Lichen cladonia subulatus van Linnaeus groeit met rechte stengeltjes meest in de bossen onder het Mos; de Lichen subfuscus van Linnaeus groeit op de schorsen en stenen; de Lichen patellaria groeit op de stenen; de Lichen patellaria leucoplaca groeit op de Populieren; de Lichen candelaris groeit op het rot hout en de vochtige muren; de Lichen parientinus van Linnaeus met een mooie gele kleur groeit ook op de muren en tronken der bomen; eindelijk, de Lichen peltata groeit op de schors der Vlierbomen. Al de andere soorten worden ook op rot hout, de schors van de bomen, takken, stenen enz., aan alle kanten gevonden.
LOOK, Hof-Look, Knoflook, in ’t Frans Ail, in ’t Latijn Allium, is onder de 9de klasse, 4de sectie der Lelie planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Affodillen en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes helmstijltjes en een stampertje bloemen.
De Hof-Look (Allium sativum van Linnaeus) is een langlevende bolplant van Sicilië, Italië, enz., die hier alle jaren vroeg in de lente in de moeshoven wordt geplant en veel knolachtige bollen voortbrengt. Deze Look kan ook door het zaad worden vermenigvuldigd, waardoor men medesoorten bekomt die het tweede jaar hun natuurlijke grootte verkrijgen, om in de keukens te gebruiken.
De Spaanse Look (Allium scorodoprasum van Linnaeus) is een langlevende bolplant van Duitsland die hier meest Rocambolle wordt geheten en ook vroeg in de lente wordt geplant.
Beide soorten als toekruid met het vlees en andere spijzen in de keuken bereid worden als aandrijvend middel geacht om de spijzen te verteren. De Look is voornamelijk zeer goed voor de kloeke mensen die zich bijna met rauw vlees en ongegist brood voeden; maar het is geenszins voordelig aan de mensen die een flauwe maag hebben en met de zenuwziekte gekweld zijn. De Look, rauw gegeten bezit veel vluchtige olie die door het koken verdwijnt en is voordelig aan de personen die met wormen gekweld zijn. Een klister Look in de azijn geweekt en in de mond gehouden wordt als een behoedmiddel aangezien tegen de betrappende en besmettelijke ziekten. De Look wordt tegen het scheurbuik en waterzucht gebruikt; de azijn die gewoonlijk in t Frans Vinaigre des quatre voleurs wordt genoemd is met Look samengesteld. De Look wordt heden veel in de geneesmiddelen gemengd en ook voor de benauwdheid gebruikt.
LOTUSBOOM, Netelboom, in ’t Frans Micocoulier, Alizier, n ’t Latijn Celtis, is onder de 21ste klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld, de bomen die roosvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der planten die met katjes bloeien en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polyandria monoecia, veelachtige- eenhuizige.
De zuidelijke Lotusboom (Celtis australis van Linnaeus) is een groot boomgewas van Zuid-Europa dat hier in België op de wijze van het Violen hout in de volle grond in de lusthoven wordt geplant en groeit met groene, eivormige, scherpe bladeren wel 12 of 14 centimeters hoog met lange takken en blinkende schors; bloeit hier meest in mei met weinig bevallige bloemen die zwarte droge vruchten voortbrengen; men vindt er enige medesoorten van die met geschakeerde bladeren groeien.
De Westersche Lotusboom (Celtis occidentalis van Linnaeus) is een langlevende boom van Noord-Amerika die hier ook we l8 of 10 meters hoog groet met zeer vertakte effen, ruwe , groen blinkende bladeren en meest in mei bloeit met kleine groene bloempjes in bundels verenigd die mooie bessen, rood als Krieken, voortbrengen.
De Lotusboom van de Oost-Indien (Celtis orientalis van Willdenow) (Trema orientale) groeit hier maar 4 of 5 meters hoog, zeer vertakt met brede, eivormige bladeren.
De Lotusboon met hartvormige bladen (Celtis cordata van Desfontaines?) en de Lotusboom met dikke bladen (Celtis crassifolia van Lamarck?) zijn mooie bomen van Noord-Amerika die met gewolde takken en zeer lange, hartvormige bladeren groeien die een aangename donker groene kleur hebben.
De Chinese Lotusboom (Celtis chinensis) en de Celtis missisippiensis van Amerika worden heden in Europa ook veel geplant Al deze bomen kunnen door het rijpe zaad op vochtige standplaatsen hier gezaaid worden en na de zaailingen drie of vier jaren in enige kwekerij goed gekoesterd en ’s winters met dorre bladeren bedekt zijn kan men die reeds het vijfde jaar in de lente op hun verblijfplaats planten. Er worden heden in Frankrijk en elders veel lus bossen en dreven mee geplant.
Het hout van deze bomen, dat zeer hard, taai en gesloten is, wordt van de meubelmakers zeer geacht om alle slag van fraaie meubels te maken.
LUISKRUID , in ’t Frans Pédiculaire, Herbe aux Poux, in ’t Latijn Pedicularis, is onder de 3de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van het Luiskruid en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
Het Moeras-Luiskruid (Pedicularis palustris van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België in al de provinciën op vochtige plaatsen in de moerassen groeit met vertakte stengels en met smalle, lange bladeren die meest in juli bloeit met eeltachtige gestipte bloemkelken en scheve, gelipte bloemkransjes die roodachtig purper en op de wijze van de ratels geschikt zijn, maar puntige, schuine zaadhuisjes voortbrengen met twee hutjes en zaadjes met vliesjes bedekt.
Het Bos-Luiskruid (Pedicularis sylvatica van Linnaeus) groeit ook in België aan alle kanten in de vochtige bossen met vertakte stengels, scheef hoekige ,blinkende bloemkelken en hartvormige gelipte bloemkransjes die roodachtig en soms wit zijn.
Deze planten worden wel gewoonlijk Luiskruid genoemd, maar bezitten dezelfde krachten niet als het zaad van de gewone Ridderspoor (Delphinium staphisagria) om de luizen van het hoofd te doen verdwijnen. Het Moeras-Luiskruid door het vee gegeten verwekt de bloed pis.
LIJNDOTTER, Vlasdoder, in ’t Frans Cameline, in ‘t Latijn Myagrum ,is onder de 5de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten wiens bloemen vier grote en twee kleine helmstijltjes hebben en peulachtige vruchten voortbrengen die veel zaad inhouden.
De Lyndotter (Myagrum sativum van Linnaeus) (Camelina sativa) is een eenjarige zaaiplant van Europa die in België en vooral veel in West-Vlaanderen, in Noord-Frankrijk en Duitsland alle jaren op het einde van mei in de velden wordt gezaaid om het zaad dat veel olie inhoudt; het groeit met spilvormige wortels en ronde stengel op de toppen vertakt omtrent 60 centimeters hoog met ruwe, haarvormige bladen waarvan de onderste langwerpig plomp en bijna spatelvormig, wel 8 centimeters lang groeien en die op de stengels groeien bijna half stengel omvattend oorvormig en met zeer veel haartjes zijn gerand; bloeit meest in juli met veel gele bloempjes die eironde, kleine schelpjes met zeer veel roodachtige gele zaadjes voortbrengen.
Behalve het grote voordeel van de olie die men uit die plant kan trekken bezit het nog een draadachtige stof, gelijk de Hennep en het Vlas ,maar die nochtans niet zo goed schijnt te zijn. Men kan van deze plant op drie maanden het zaad in oogsten; het wil in alle bewerkte landen zeer goed groeien, maar wordt meest met voordeel in de landen gezaaid alwaar ’s winters de vruchten bevroren zijn, gelijk, bij voorbeeld het Koolzaad of andere vruchten die 's winters vergaan. Men neemt gewoonlijk drie kilogrammen van dit zaad voor een hectare land te bezaaien. Deze olie plant is zeer voordelig omdat de bladeren en bloemen nooit aangerand worden van de aardvlooien en andere ongedierte die soms de zomer olie dragende planten zodanig verwoesten dat ze geheel de oogst doen mislukken. Het rijp worden van deze planten kan men aan de gele schelpjes zeer goed bemerken; men trekt die alsdan op de wijze van het vlas met de hand uit, en laat de plant op hopen drogen om nadien op een dorskleed op de wijze van het Koolzaad te bewerken. De olie die van die planten voortkomen brandt zeer helder en verspreidt een aangename geur; de koeken die er van voortkomen worden gebruikt om de koeien te voeden en het land te bestrooien; maar het zaad van deze planten kan slechts een jaar zijne uitspruitende kracht behouden. Het oude zaad wordt ook in dure tijden gemalen en onder het meel gemengd om er brood me te bakken en ook veel gebruikt om alle slag van pluimgedierte te voeden. De Lijndotter is zeer nadelig aan het vlas wiens groeikracht het belet; derhalve moet een landbouwer wel zorgen als hij Lijnzaad koop dat er geen Lijndotter zaad ingemengd is en van dit kruid op tijd uit het vlas te doen weren.
De pluimvormige Vlasdoder (Myagrum paniculatum van Linnaeus) (Neslia ppaniculata) is ook een eenjarige kruidplant die in België in de velden groeit en als onkruid aan alle kanten in de velden verspreid en het vlas zeer kan hinderen.
LIJSTERBESBOOM, Sorbenboom, Kwalsterboom, Over- Esboom, Vogelsbessen, Berg-Es, Sperwerboom, in het Frans Sorbier, Cormier, in het Latijn Sorbus, is onder de 21ste klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria trigynia, twintig helmige, planten wiens bloemen met twintig en meer helmstijltjes bloeien die op de kelk zijn vast gehecht en drie stampertjes hebben.
De Over-Es boom (Sorbus aucuparia van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van Europa dat veel in België in de bossen groeit en ook om zijn welriekende bloemen in de lusthoven wordt geplant; het groeit omtrent 4 à5 meters hoog met gevleugelde, gladde bladeren; bloeit meest in juni met witte bloemtrossen die een aangename reuk verspreiden en draagt in september zeer mooie koraal rode bessen die tot in de winter op de takken blijven hangen.
De Bastaard-Lijsterbes boom (Sorbus hybrida van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Gotland en Noord-Europa dat met gevleugelde of gevinde bladen van onder katoenachtig wit groeit, ook in juni witte bloemtrossen draagt en rode puntige bessen voortbrengt.
De Amerikaanse Over-Es boom (Sorbus americana) is een nieuw boomgewas van Amerika dat heden veel in sommige lusthoven wordt geplant en groeit met gevleugelde, groene bladen en mooie welriekende bloemtrossen die zeer lieflijke, grote, rood blozende bessen voortbrengen die in de herfst de hoven versieren.
De tamme Sorben boom of Sperwer boom (Sorbus domestica van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van Europa waarvan men enige medesoorten vindt met gevleugelde en van onder witachtige bladeren; ze worden om hun eetbare en smakelijke vruchten in België, Frankrijk en elders in de hoven op bijzondere plaatsen geplant en groeien met een zeer vertakte stam tamelijk hoog, met gevleugelde bladeren en bloeien meest in mei met welriekende, witte bloemtrossen die peervormige, mooie rode bessen voortbrengen die in de herfst met de eerste kleine vorst, evenals de Mispels een aangename smaak verkrijgen en in Frankrijk veel worden geperst om goede ciderdranken mede te bereiden en ook worden gebruikt om Franse brandewijn te maken of te distilleren. Van de bessen met suiker of honing bereid kan men een goed konfijt maken dat voor zeer gezond en voedzame wordt geacht; dit konfijt verwekt de eetlust, versterkt de maag en is zeer dienstig voor de mensen die aan de buikloop onderworpen zijn; het wordt, zegt de heer Buchan, in sommige ziekten als stoppend middel en om de zwakke magen te herstellen gebruikt. De gewone wilde bessen worden ook veel in sommige landen in de herfst verzameld om brandewijn mee te distilleren. Het hout van de gewone Over-Es bomen, dat zeer hard is en effen slijt, wordt door de schrijnwerkers en draaiers veel gebruikt; die bomen worden meest door het zaad der bessen in de lente gezaaid en de tamme Sorben boom hier meest op de gewone Over-Es boom geënt of geoculeerd.
Op de bergachtige plaatsen van Italië, Frankrijk, Duitsland enz., mooie men van die bomen die wel 7 meter hoog groeien en door hun welriekende bloemen in mei en hun rode bessen in oktober een mooie versiering maken. Men vindt van deze bomen verscheidene medesoorten die echter niet verschillen dan door de gedaante, grootte en kleur der vruchten waarvan sommige rond ,andere peervormig min of meer rood zijn.
De tamme Sorben boom kan ook op Doorn-Peer en Kwee stammetjes geoculeerd worden waarop de bessen zeer groot groeien en een aangename smaak verkrijgen.
MAAGDELIEVEN, Kersouwe, Paasbloem, in ’t Frans Paquerette, petite Marguerite, in 't Latijn Bellis perennis, is onder de 14de klasse, 3de sectie der Straalbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige, 2de orde, overbodige veelwijverij.
De Madelieven (Bellis perennis van Linnaeus) is een langlevende, kleine kruidplant van Europa die ten alle kanten in België in de moerassen en elders groeit met vezelachtige wortels en gladde, vette bladeren die rondom wat langwerpig en weinig aan de kanten gekerfd zijn en voor het grootste deel langs de aarde liggen; tussen die bladeren meest in april veel blote schachtjes uitspruiten die met bloemknopjes groeien en hun midden geelachtige, witte en rood gespikkelde bloempjes bloeien die soms met witte purperachtige stralen zeer lieflijk in de lente de moerassen en velden versieren.
De tamme Maagdelievekens of Kersouwen gelijken wel van gedaante op de wilde; ze worden in de bloemhoven rond de boorden der perken geplant waar men die dubbele rode rooskleurige, purperen en rood gespikkelde bloemen met groene harten te midden van andere kleuren ziet voortbrengen.
Men vindt onder die slag de Bellis purpurea? en Bellis coccinea van Willdenow? die van Zuid-Amerika oorspronkelijk zijn, die in zomers in de volle grond geplant maar ’s winters in de oranjerie bevrijd worden. Men neemt die planten hier meest alle jaren in de herfst uit de grond om ze tezamen met dorre bladeren tegen de strenge koude en vochtigheid te bedekken en weer vroeg in de lente te planten; ze kunnen ook door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden.
De wilde en tamme madelieven hebben in hun bladeren een verkoelende kracht en zijn koud en droog van natuur. Lobel schrijft dat het sap van de Madelieven of het water daarvan gedistilleerd zeer goed is voor degenen die van binnen geborsten of gescheurd zijn. Het kruid en de bloemen van de wilde Madelieven in het water gezoden en gedronken zijn zeer goed tegen de koortsen en werden derhalve van de oude Kruidbeschrijvers Consolida minores genoemd omdat ze ook de wonden helen en genezen. De Madelieven met Bijvoet gestoten verdrijven de kroppen en klieren van de hals en zijn ook goed om op alle andere hete zweren en verhitte lopende ogen te leggen. Dit kruid met Maluwebladen gestoten en papvormig gebruikt verdrijft de hete gezwellen van de mannelijkheid en doet de etter- zweren genezen; de bladeren worden veel in sommige landen bij de Moeskruiden en Salade gedaan en met vleessop gegeten; ze maken de buik week en veroorzaken een zachte kamergang.
De blauwe Madelieven (Bellis caerulea van Lobel en Clusius) (Globularia vulgaris) die omtrent Montpellier en elders in het zuiden van Frankrijk groeien en zeer mooie blauwe aangename bloemen dragen bezitten ook dezelfde krachten, zegt Clusius.
MAAGDENKRUID , Maagdenpalm, Vinkoorde, in 't Frans Pervenche, Vignevierge, in ’t Latijn Vinca, door Tournefort Pervinca genoemd en onder zijn 2de klasse, 1ste sectie gesteld der trechtervormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie der Hondendood planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia die met vijf helmstijltjes en een stampertje bloeien.
De grote Maagdenpalm (Vinca major van Linnaeus) is een langlevende heester-houtgewas van Spanje dat in struiken vertak hier omtrent 40 of 70 centimeters hoog groeit met tankachtige stengels en altijd blijvende, groene, blinkende, rondachtige bladeren; maar in koude winters wel soms zijn bladen laat vallen en meest in juni en soms in september bloeit met blauwachtige, witte, trechtervormige bloemen en twee scheve blaadjes recht gebogen die blote zaden voortbrengen en waarvan men enige medesoorten vindt, de ene met geschakeerde en de andere met witte bonte bladeren.
De kleine Maagdenpalm (Vinca minor van Linnaeus) is een langlevend klein heestergewas van Europa dat in België ten alle kanten in de bossen groeit en waarvan men zeer veel medesoorten vindt die met geschakeerde, witte, bonte, geelachtige bladeren groeien en met enkele en dubbele ,blauwachtige, witte, rode en violette bloemen vroeg in de lente bloeien.
Deze planten die op belommerde plaatsen in de lusthoven worden gekweekt kunnen door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd worden. Van de grote Maagdenpalm worden in sommige landen scheerhagen gekweekt die door hune welriekende bloemen en mooie bladeren de hoven versieren. Lobel schrijft dat de Maagdenpalm het bloeden uit de neus stelpt en volgens de Italiaanse Kruidbeschrijvers worden de bladeren in de Zwitserse valdranken als thee gebruikt om de vrouwen van kind niet te misvallen; maar de nieuwe Kruidbeschrijvers zeggen dat de kleine Maagdenpalm een los, buik zuiverend en zweet verwekkend middel bezit, en tegen de krimpingen der darmen zeer dienstig is. De bloemen en steeltjes of de bessen van de Maagdenpalm, enige tijd in de wijntonnen gehangen, maken denomgeroerde troebele wijn zeer helder.
Men vindt nog bij onze bloemisten de Vinca rosea (Catharanthus roseus) en Vinca alba (wel de vorm albus) van de Indiën die hier in de warme serres worden gekweekt en ook door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd worden.
MAANKERN, in ’t Frans Menisperme, in 't Latijn Menispermum, is door Jussieu onder de familie van de Menisperme- planten gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia dodecandria, tweehuizige en twaalf helmige met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht. De mannetjes bloeien met vier bloembladen, ronde kelken en acht bloembladen in de kransen die gewoonlijk zestien gekleurde meeldraadjes hebben, en de wijfjes hebben dezelfde kelken en kransen, maar enkel acht meeldraadjes.
De Canadese Maankern (Menispermum canadense van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Canada en ook van Siberië ,dat hier zeer goed in de lusthoven onze koude winters kan weerstane; het groeit met mooie schildvormige, rondhoekige, hartvormige, lommerrijke bladeren ,ie door hun lieflijk groen en Engelse hoven zeer versieren.
De Virginie Maankern (Menispermum virginicum van Linnaeus”) is een langlevend kreupel-houtgewas van Virginië en Canada dat met schildvormige en door vliesjes verdeelde bladeren zeer lommerrijk groeit en ook zeer goed onze koude winters kan weerstaan. Beide deze planten brengen mooie bessen voort die de lusthoven zeer verheffen. De krachten van deze gewassen zien mij niet bekend; ze kunnen door de bessen die maar een kern inhouden in de lente worden gezaaid en ook door inleggers en uitlopers vermenigvuldigd worden.
Sommige Kruidbeschrijvers spreken nog van den Menispermum japonicum, ?de Menispermum cocculus (Cocculus trilobus) en Menispermum crispum” van Java, die allen in de Indiën groeien en hier in de warme serres zouden moeten gekweekt worden.
MAGNOLIA , in 't frans Magnolier, in 't Latijn Magnolia, is door Jussieu onder de familie van de Tulpenbomen gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige, wier meeldraadjes van twintig tot honderd op de vruchtbeginsels zijn vastgehecht en wiens bloemen verscheidene stampertjes hebben.
De Magnolia met grote bloemen (Magnolia grandiflora van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van Florida dat hier wel 3 meters hoog groeit met groene, grijze schors en dikke, eivormige bladeren die wel 15centimeters lang groeien ,van boven groen en van onder wit melig zijn; bloeit van juli tot in september met witte welriekende bloemen en zes of zeven bloembladen die zich rond open spreiden en waarop de meeldraadjes met hunne roodblozende kopjes een mooie versiering maken . Deze Magnolia kan moeilijk onze koude winters weerstaan en wordt in de oranjerie bevrijd.
De Magnolia glauca van Willdenow (Magnolia virginiana) is een laag stammig boom gewas van Virginië dat hier omtrent 2 meters hoog groeit met langwerpige en langs onder witachtig melige bladeren en meest van juli tot in september bloeit met witte bloemen en gele meeldraadjes die een zeer aangename reuk verspreiden.
De Magnolia Tompsonia((Magnolia x thompsoniana) die ook met welriekende bloemen van juli tot in september bloeit is een medesoort van de Glauca door het zaad verkregen.
De Magnolia acuminata van Linnaeus, is een langlevende boom van Noord-Amerika die hier tamelijk hoog groeit met puntige groene bladeren en in juni grote, brede, blauwachtige groene bloemen draagt die reukloos zijn en waarvan de Magnolia maxima, die met geheel lange en brede bladen groeit een medesoort schijnt te wezen.
De Magnolia tripetala of Magnolia umbellata (Magnolia tripetala) is een langlevende boom die wel 3 meters hoog groeit met veel grote, zonneschermachtige en gebogen bladeren, en in augustus hier meest grote witte bloemen draagt met tien of twaalf bloembladen, maar die een onbevallige geur hebben .
De Magnolia met zeer grote bladen (Magnolia macrophylla van Michaux) is een langlevende boomgewas van Noord-Amerika, dat zeer lommerrijk groeit met bladen van omtrent 60 centimeters lang en25 breed die van boven mooi groen en van onder witachtig zijn en meest in augustus grote bloemen draagt met witte bloembladen die langs binnen en van onder purperachtig getekend zijn.
De Magnolia purpurea van Curtis (Magnolia liliiflora)is een langlevend heester gewasgewas van China, dat in struiken maar omtrent 1 meter hoog groeit en hier in mei tot in september bloeit met purperachtige gestreepte bloemen waarvan de Alexandria, te Gent door Alexander Verschaffelt uit het zaad gewonnen, een medesoort is.
De Magnolia cordata van Muehlenberg i(Magnolia acuminata var. subcordata)s ook van Noord-Amerika en groeit met hartvormige bladeren en draagt geelachtige bloemen.
De Magnolia discolor van Ventena ? en de Magnolia obovata van Willdenow zijn van China en dragen hier witte violette bloemen.
D e Magnolia pumila? en de Magnolia fuscata ? van Andrews zijn insgelijks van China en moeten hier ’s winters in de oranjerie bevrijd worden.
De Magnolia auriculata van Michaux (Magnolia fraseri) is een langlevend boom gewas van Carola dat hier zeer goed onze koude winters kan weerstaan. Men vindt nog den Magnolia soulanciana (Magnolia x soulangeana) en veel andere medesoorten, die uit het zaad zijn gewonnen en allen om hunne mooie bladeren en aangename bloemen worden gekweekt.
De Magnolia yulan van Desfontaines (Magnolia denudata) is een langlevend hout gewas van China dat met grote eivormige bladeren omtrent 2 of 3 meters hoog groeit, en hier meest in april bloeit met zeven of acht witte bloembladen die zich dikwijls vertonen eer ze hun bladeren ontwikkeld hebben. De bladeren van dezen Magnolia yulan worden in China veel gebruikt om met de thee te mengen en er een zware gewicht aan te geven.
De Magnolia’ s worden meest door het rijpe zaad in de warme serres ,op teilen of bakken met fijne heigrond gevuld, vroeg in de lente gezaaid en na twee of drie jaren de jonge planten in potten gekoesterd te hebben tracht men die in de zomer aan de lucht te gewennen om nadien in de heigrond te verplanten; ze worden ook door uitlopers afzetsels en inleggers vermenigvuldigd; maar velen vatten bij de inlegging een wortel gelijk, bij voorbeeld de Magnolia macrophylla die vooral door het zaad moet vermenigvuldigd worden; velen van deze planten, gelijk de purpurea, ovata, lanceolata, stricta, ferruginea en variëteit elliptica moeten ’s winters in de oranjehuizen bevrijd of goed met dorre bladeren in de volle heigrond bedekt worden.
MAHERNIA, in ‘t Frans Mahernia, in 't Latijn Mahernia, is door Jussieu onder de familie van de Lindebomen gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria pentagynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en verscheidene stampertjes hebben.
De Mahernia met veervormige bladeren (Mahernia pinnata van Linnaeus) (Nu Hermannia pinnata) is een langlevend heester-houtgewas van de Kaap dat met drie maal gevleugelde bladeren groeit en meest in juni rood gele bloemen draagt met vijf getande bloembladen in de kelken en hartvormige honingkelken op de draadjes geplaats die zaadhuisjes in vijf hutjes verdeeld voortbrengen.
Onze bloemisten hebben onlangs van de Kaap nog de volgende soorten verkregen:
De Mahernia met gladde smalle blaadjes (Mahernia glabra) (Hermannia glabrata) , die hier met kleine, lieflijke gele bloempjes groeit waervan de onderste delen der bloembladen met groen zijn versierd.
De Mahernia odorata (Hermannia odorata) met zeer bevallige, gele, klokvormige bloemen die een zeer welriekende geur verspreiden.
De Mahernia incisa ? van Willdenow, een mooi langlevend heester boomgewas van de Kaap dat met gekerfde, kleine, blinkende bladen groeit en met zeer mooie rood blozende bloemen bloeit.
Deze planten die hier in de matige serres worden gekweekt bloeien soms in april en geven ook dikwijls in oktober nog hun tweede bloemen. Ze gelijken van gedaante op de Hermania’ s, maar kunnen onder dezelfde familie niet gesteld worden omdat de honingkelken zeer verschillend zijn en worden hier meest door afzetsels en uitspruitsels in de heigrond op warme broeibakken op de wijze van de andere planten van de Kaap de Goede Hoop vermenigvuldigd.
MAHONIEBOOM, Acajou boom, Anacardie boom, Nierenboom, in 't Frans Acajou, Bois d'Acajou, in 't Latijn Anacardium, is door Jussieu onder de familie van de Terpentijn bomen gesteld en onder de 9de klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, bomen die met negen helmstijltjes bloemen en maar De Mahonieboom (Anacardium occidentale van Linnaeus) is een langlevende boom van Amerika die in de Indiën zeer dik groeit en daar veel bloemen draagt die met vijf gestraalde bloembladen in de kelken en tien meeldraadjes bloeien waarvan een verminkt is, niervormige, vlezige noten op de vruchtbodems voortbrengen, die als men ze bij ze brandende kaars nadert een zonderling licht geven. Die vruchten worden hier bij de apothekers Anacardus of Pediculus elephantis, Olifantsluis, genoemd; ze zijn bruin van kleur en gelijke ook een mensen hart, en houden een kern in als een amandel waartussen en de uiterste schors een scherpe, hete, roze kleurige olie gevonden wordt. Men houdt deze vruchten voor droog tot in de derde graad en heet tot in de vierde graad; derhalve zijn ze zeer schadelijk, ja, dodelijk om inwendig te gebruiken; want bloot op het vel gelegd zijn ze zeer brandend en doen blaren trekken. Ze worden gebruikt om de kropklieren en andere harde gezwellen open te trekken. De gemelde olie wordt met zorg en voorzichtigheid gebruikt om de holle tanden die gestadig pijn veroorzaken in de mond te verbranden. De Indiaanse geneesheren schrijven nog zeer veel krachten aan die vruchten toe en vreemde bedriegers steken deze vrucht op het punt van een mes en houden die zo in de kaarsen en daar het bij het branden een vreemd geluid geeft willen ze alzo aan de bijgelovige mensen te toekomstige voorvallen voorzeggen. De Acajou bomen die door de handel alhier worden gezonden zijn van de meubelmakers zeer geacht om alle slag van sieraad werken te maken die door de ouderdom een zeer mooie bruin gevlamde kleur verkrijgen. Deze boom wordt in de warme landen door het kern zaad vermenigvuldigd.
MALPIGHIA, in ’t Frans Malpighier, in ’t Latijn Malpighia, is door Jussieu onder de familie der Malpighiaceën gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria trigynia, planten die met tien helmstijltjes bloemen en drie stampertjes hebben.
De Malpighia met gladde bladen (Malpighia glabra van Linnaeus) is een zeer lieflijk heester-houtgewas van Jamaica dat in struiken zeer vertakt hier in de matige serres wel omtrent 1 meter hoog groeit met gladde, blinkende, eivormige, groene bladeren en meest van februari tot in juli bloeit met mooie rode bloemtrosjes en fijn gevlamde bloemblaadjes die kroonvormig zijn geschikt en blozende rode bessen voortbrengen die drie kerntjes in de zeevruchten hebben.
De Malpighia met granaat bladeren (Malpighia punicefolia) is een nieuw langlevend heester-houtgewas van de West-Indiën dat hier van mei tot in juli bloeit met kroonvormige geschikte bloemtrosjes en purperachtige bloempjes die mooie rode besjes voortbrengen welke een aangename smaak bezitten en zeer lekker om et eten zijn.
De Malpighia met grote bladen (Malpighia macrophylla”) is ook een nieuw langlevend heestergewas van de Indiën dat met kroonvormige trosjes bloeit en witte bloempjes die mooie grote bessen voortbrengen.
De Malpighia met steeneiken bladeren(Malpighia coccifera van Linnaeus) is een langlevend, klein boomgewas van de West- Indiën dat hier met aller mooiste dubbele bloemen bloeit die witte en rooskleurige gestreepte bloembladen hebben.
De brandende Malpighia (Malpighia urens van Linnaeus) is een langlevend, klein boomgewas van Zuid-Amerika met eivormige bladeren die van onder met een menigte zijdeachtige en puntstekende haartjes bedekt zijn; bloeit meest van juli tot in oktober met witte purperachtig gestreepte bloemen.
Men kweekt hier nog de Malpighia angustifolia met smalle bladeren; de Malpighia myrtifolia, met Mirtebladen; de Malpighia nitida, et blinkende groene bladeren; de Malpighia ilicifolia”, met Hulst bladeren; de Malpighia glandulosa, met klierachtige bladeren en onze kundige bloemkweker L. Van Houtte heeft onlangs nog van de Havana de Malpighia spec. ex. Verkregen die hier in 1844 voor de eerste maal ten toon is gesteld en met aller lieflijkste bloemen bloeit.
De vruchten van die Malpighia’ s die hier inde warme serres wel hun rijpheid verkrijgen hebben een aangename smaak en worden in het land van hun afkomst vers gegeten en ook opde wijze van de Morellen opgelegd om in de keuken te gebruiken. Deze mooie gewassen kunnen hier door het kern zaad van de rijpe bessen in de warme serres gezaaid en door afzetsels en uitspruitsels in potten in den heigrond op warme broeibakken onder het glas vermenigvuldigd worden. Ze moeten bijna geheel het jaar in de warme serres verblijven en hebben dn naam van Malpighia bekomen naar die van de heer Malpighi die eerst de plant in Europa heeft overgebracht en verspreid.
MALROUWE, Malruvie, Witte Andoren, in ’t Frans Marrube, in ‘t Latijn Marrubium, is door Jussieu onder de familie der lipvormige kruidplanten gesteld en onder de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De Malrouwe plant (Marrubium vulgare van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders omtrent de hagen, muren, wegen, bebouwde en onbebouwde landen, op vette gronden aan alle kanten groeit en volgens de standplaats dikwijls van gedaante verschilt; het groeit meest met witachtige, vierhoekige stengels, gelid, omtrent 35 centimeters hoog ,met rondachtige, gerimpelde, grijze, gewolde bladeren en aan de kanten gekerfd en met witachtig dons bedekt die aan de leden der stengels groeien; bloeit hier meest van juli tot augustus met grijze witachtige bloemen die rondom de knopen of leden der stengels ringvormig staan bloeien. Geheel dit kruid en de bloemen verspreiden een zoete aangename reuk die op Muscus gelijkt. Deze plant wordt om zijn deugden hier in de kruidhoven gekweekt.
De Griekse Malrouwe (Marrubium pseudodictamnus van Linnaeus) is en langlevend kruid gewas van het eiland Kreta dat hier in de kruidhoven wordt gekweekt, maar 's winters in de oranjehuizen in potten wordt bevrijd.
De zwarte wilde Malrouwe (Ballota nigra van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die veel in Vlaanderen aan de wegen en hagen groeit met zeer scherpe bloemkelken; het bezit in al zijn delen een mooie zwarte verf.
De witte wilde Malrouwe (Ballota alba van Linnaeus) (Cv. Van Ballota nigra) is een langlevende plant die hier ook veel in de hagen groeit met stengels en hartvormige bladen zonder verdeling, getand en gekerfd.
De Malrouwe is ook door Lobel en Clusius en zelfs door Plinius beschreven; ze zeggen dat die plant, met wortels van Lisbloemen en blauwe Iris ingenomen zacht doet lossen en alle vochtige taaie slijmen die op de borst verzameld zijn verjaagt.
De bladeren van de Malrouwe, zowel uitwendig als inwendig gebruikt verzoeten de pijn in de zijde; in azijn geweekt genezen ze de voorts etende kriebels. Het sap uit dit kruid en bladen geperst geneest de geelzucht; het gedistilleerd water uit die bladeren getrokken is zeer goed om tegen de schurft en andere onzuiverheden van het vel te gebruiken. Er wordt ook van de Malrouwe een stroop gemaakt, die zeer wordt geprezen tegen de gebreken der longziekten. Het sap uit die bladen geperst wordt in de zon dik en stijf en met witte wijn gemengd en de ogen daarmee gestreken maakt het gezicht helder; maar het schijnt dat de Ballota alba of de witte Malrouwe de nieren en blaas kan hinderen.
MALUWEPLANT, in ’t Frans Mauve, Lavatère, in ' t Latijn Lavatera, door Tournefort Althaea malva genoemd en onder zijn 1ste klasse der klokvormige kruidplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Maluwe en Kaasjeskruid en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige die met meeldraadjes en stampertjes op de wijze van de Heemstwortels, bloemen en vruchten gelijk het Kaasjeskruid voortbrengen.
De Maluwe met grote bloemen (Lavatera trimestris van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Spanje met hartvormige, vertakte bladen en vele grote witte of rooskleurige bloemen.
De gestippelde Maluwe (Lavatera punctata van Willdenow) (Malva punctata)is een eenjarige kruidplant van Italië die hier alle jaren in de lente in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met stengels omtrent 60 centimeters hoog en hartvormige, doorzichtige bladeren; bloeit van juli tot in september met witte, rode en rooskleurige, klokvormige bloemen die door het zaaien dikwijls van kleuren veranderen; het wordt ook, gelijk de Malva crispa, Papelbladen genoemd omdat het dezelfde krachten bezit.
De boomachtige Maluwe (Lavatera arborea van Linnaeus) is een tweejarig kruidgewas van Spanje dat hier ’s winters in de oranjerie wordt bevrijd.
De Lavatera micans, (Malva subovata subsp. subovata) L. olbia, L. triloba, L. lusitanica, ? L. maritima zijn al kruidachtige houtgewassen die in Spanje en Portugal groeien en hier in de oranjerieën worden gekweekt. Men vindt nog onder de Maluwen de Malva Abutiloides van Linnaeus, (Abutilon abutiloides), Malva fragrans, (Vaak synoniem voor Malva moschata of Malva sylvestris) M. capensis ,(Anisodontea capensis) M. virgata, M. miniata van Willdenow (Wel vorm van Malva moschata) die langlevende, houtachtige gewassen zijn van de Kaap en hier’ s winters in de oranjehuizen worden bevrijd. Eindelijk de Malva augusta van de Hortus Kew (Wel een cv.) en de Malva vitifolia van Cavanille,(Kitaibelia vitifolia) zijn langlevende houtachtige gewassen van Mexico die hier in de oranjehuizen worden gekweekt.
Al deze inlandse en uitheemse gewassen hebben elk ik in het land van hun afkomst de krachten die hier het Kaasjeskruid en de Maluwe (Althaea) bezitten; maar worden hier meest om hun bloemen gekweekt.
MANCENILLENBOOM, Vergiftboom, in 't Frans Mancenillier, Arbre vénéneux, in ’t Latijn Hippomane mancinella, is door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelkplanten gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige, eenbroederige, planten met mannetjes en wijfjes of vrouwelijke bloemen welke op een stengel aangetroffen worden; de mannetjes bloemen zijn katjes en hebben twee bloembladen in de kelken zonder kransje en de vrouwelijke bloempjes hebben drie bloemblaadjes in de kelken zonder kransje en een stempel die in drie is verdeeld; ze brengen vruchten met drie schelpjes en met nootjes gevuld voort.
De Mancenillen boom (Hippomane mancinella van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van de Indiën dat veel in het eiland Suriname en elders in Amerika groeit en in België in de bloemtuinen van sommige Hogescholen wordt gekweekt; groeit in zijn jeugd heestervormig met eironde, getande en gezaagde bladen die van onder door twee kliertjes zijn versierd. Deze boom die een zeer vergiftig sap inhoud werd eerst door Linnaeus in zijn Diss. alt. De plant. Surinam beschreven. Boerhaave, die de Mancenillen boom in de Leidsche bloemtuin kweekte getuigt, Praelect.de morb. nerv. Bladzijde 232 dat zijne melk zelfs in onze koude gewesten van zo’n vreselijke uitwerking is dat het door het vel of de huid te raken alleen vele onheilen verwekt. Hij verhaalt dat iemand, nadat hij de stoelgang gelost had zijn aars reinigde met een blad van deze struik waardoor een ontsteking en vervolgens het heet vuur in de darmen gekregen heeft dat, naar de bovendelen voortlopende dn man heeft doen sterven. Toen de Nederlanders eerst de kolonie van Suriname in 't bezit gekregen hadden hebben ze waargenomen dat enige mensen stierven omtrent het einde des zomers en voornamelijk diegenen welke zich des nachts in de bossen begaven. Nadat ze daarvan de oorzaak onderzocht hadden bevonden ze dat dit onheil door de hitte der zon voortkwam uit de uitwasemingen van de Mancinella boom die aldaar overvloedig in de bossen groeide, waarom ze al die heestergewassen uitgeroeid en de bossen door de vlam verwoest hebben waardoor de lucht gezuiverd en gezond is geworden.
De Hura crepitans, die onder dezelfde familie en dezelfde rangschikking van Linnaeus wordt gesteld en veel in Mexico en Suriname groeit bezit ook een scherp schadelijk sap, welk, zegt M. Ray ,in deo ogen vallen iemand in zes dagen geheel blind maakt; daarom als men alhier in de bloemtuinen of serres van die vergiftige gewassen ontmoet kan men ze met niet te veel voorzorg vermijden.
MANGOBOOM ,in 't Frans Mangier, in 't Latijn Mangifera, is door Jussieu onder de familie van de Terpentijn bomen gesteld, en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Mangoboom (Mangifera indica van Linnaeus) is een lang levend boomgewas van de Indien dat vertakt, met enkelvoudige bladen groeit met vierbladige bloembladen in de kransen bloeit en niervormige noten voortbrengt die in de Indiën veel gegeten en op de wijze van de Okkernoten gebruikt worden.
Er wordt ook uit die bomen door insnijding der schors tot op het spek een terpentijn gehaald.
Onze kundige bloemkweker Alex. Verschaffelt heeft onlangs van de Indiën de Mangifera glabrata?, M. glauca (Mangifera caesia) en M. Lawrenceana (wel een cv.) verkregen die nog zeer zeldzaam bekend zijn en hier nog voor 10 franken worden verkocht.
Deze gewassen worden in het land van hun afkomst door de kernnoten geplant; maar kunnen hier ook door inleggers en afzetsels op lauwe broeibakken, onder het glas, vermenigvuldigd worden. Ze moeten hier inde matige serres ten minste van oktober tot het einde van mei verblijven, alwaar ze in mei dikwijls bloeien en om hun mooie bloemen van veel liefhebbers zeer geacht worden.
MANIOK, Maniokswortel, Geneesboom, Batatuswortel, in het Frans Manioc, Médecinier,, in ’t latijn Jatropha, door Tournefort Ricinoides bijgevoegd is door Jussieu onder de familie der Wolfsmelkplanten gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia ,eenhuizige, eenbroederige, met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die op dezelfde boom afzonderlijk bloeien; de mannetjes bloemen zijn met vijf bladen in de kransjes en tien meeldraadjes in de trechtervormige bloemen en de wijfjes hebben vijf open bloembladen in de kransje, en brengen zaadhuisjes met drie hutjes en een zaadje voort.
De Maniokboom (Jatropha acuminata) (Jatropha integerrima) is een nieuw langlevend heester-boomgewas van het eiland Cuba dat hier zeer vertakt groeit met vedelachtige, toegespitste bladen en meest van juli tot in september bloei met bloemtrosjes op de toppen en zeer lieflijke, kleine, rood blozende bloempjes die van gedaante zeer goed op de Jatropha pandurifolia van Willdenow gelijken.
De Maniok wortel (Jatropha manihot van Linnaeus) (Manihot esculenta) is een langlevend heestergewas van de Antillen Eilanden met dikke wortels, zacht en geknobbeld en zeer vertakte stam en hartvormige, blinkende bladen op de toppen met lansvormige vliesjes; bloeit hier in de warme serres van juni tot in augustus met trossen en mooie roodachtige bloemen. De wortels van dit wonderbare gewas, die in het land van zijn afkomst zeer dik groeien, worden eerst van al hun vergiftige delen door het vuur gezuiverd en nadat ze goed gemalen of geraspt zijn wordt het meel met water op de wijze van koeken en brood bereid om de slaven en inwoners van sommige eilanden te voeden.
De Maniok of Geneesboom (Jatropha curcas van Linnaeus) is een langlevend gewas van Brazilië dat zeer vertakt groeit met hartvormige, getande bladen die sterk prikkelen; het zijn de vruchten van dit gewas die zoveel in de geneesmiddelen worden gebruikt.
De getande Maniok (Jatropha multifida van Linnaeus) is een n langlevend gewas van Zuid-Amerika, met vele, altijd groene, grote, handvormige en borstelachtige bladen; bloeit met bloemtrossen en veel rood blozende bloempjes die rode vruchten voortbrengen.
De Maniok met Wolfswortel-bladen (Jatropha napifolia) bloeit met kleine bloemtrosjes en mooie witte bloempjes.
De stekelachtige Maniok (Jatropha urens van Linnaeus) is een langlevend gewas van Brazilië met hartvormige, getande bladen, door puntstekende haartjes bedek ,die als de netels bijten en prikkend zijn; bloeit van mei tot juli met lieflijke witte bloempjes. De vier laatst gemelde gewassen bezitten een heilzame en buik zuiverend middel.
De kruidachtige Maniok (Jatropha herbacea van Linnaeus) (Cnidosculus urens) en de Jatropha moluccana, (Aleurites moluccanus) Jatropha gossypiifolia, Jatropha pandurifolia, die alhier onlangs zijn ingevoerd, worden onder de verzamelingen van onze bloemisten bij de versierende planten gesteld en moeten bijna het gehele jaar in de warme serres verblijven; ze kunnen zeer goed door het zaad, uitlopers en afzetsels op warme broeibakken vermenigvuldigd worden.
MANSBAARD, in 't Frans Herbe barbue ,in ’ t Latijn Andropogon, door Tournefort Gramen, is door Jussieu onder de familie der Grasplanten gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelachtige-eenhuizige, met tweeslachtige en mannetjes en wijfjes bloemen die een zaadje voortbrengen.
Men vindt, volgens Linnaeus rangschikking, vijf-en-twintig soorten en twee medesoorten van deze familie, die in de vier delen der wereld groeien en waarvan slechts twee soorten hier in de kruidhoven worden gekweekt.
De Mansbaard (Andropogon ischaemum van Linnaeus)(Bothriochloa ischaemum) is een langlevens grasachtige gewas van Zuid-Europa dat hier in de kruidhof der Hogeschool wordt gekweekt en in struiken groeit met smalle, scherpe, groene bladen en stengels van omtrent 25 of 30 centimeters hoog waarop meest in juli vingerachtige aren met wit blinkende, purperachtige, stengel loze bloempjes en wolachtige stelen groeien. Ch. Van Hoorebeke heeft die ook in België in de weiden en op de bergen gevonden.
De zilverachtige Mansbaard (Andropogon argenteum van Decandolle) (Bothriochloa saccharoides) is een langlevende grasachtige plant van Mexico; het wordt hier ook in de kruidhof der Hogeschool gekweekt, maar kan onze winterse koude moeilijk weerstaan en moet derhalve in de oranjerie bevrijd worden.
De bloempjes en zaad van die planten worden als thee gedronken en tegen de verstoptheid gebruikt; dit kruid wordt ook gestoten of gekookt en zeer heet tussen doeken op de zijde gelegd om de pijn der milt te verdrijven; het is ook zeer goed tegen de krimping in de buik, zegt Lobel, die de eerst gemelde Mansbaard veel in het Zuiden van Frankrijk tussen de wijngaarden heeft vinden groeien. Ze worden hier door het zaad en struikscheiding in de lente vermenigvuldigd.
MANSOREN, Hazelwortel, in ’t Frans Cabaret, in ‘t Latijn Asarum ,is onder de 15de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld, der planten die bloemen met meeldraadjes dragen; door Jussieu onder de familie van de Holwortels en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, twaalfhelmige wiens bloemen meer dan twaalf helmstijltjes en maar een stampertje hebben.
D e Mansoren (Asarum europaeum van Linnaeus) is een kruidplant van Europa die met levende wortels in België op donkere en belommerde plaatsen in de bossen en gewoonlijk onder de Hazelnootstruiken groeit met gladde, groene, niervormige, plompe bladen die op een mansoor gelijken, op stelen bij de aarde die alle jaren vroeg in de lente uit de wortels spruiten waartussen bladen en stelen bij de wortels en mest in juli bruine purperachtige bloemen groeien die de gedaante van Bilzenzaad-huisjes hebben en kleine, kantige, ruwe zaadjes voortbrengen.
Deze plant wordt ook om zijn heilzame deugden in de kruidhoven geplant alwaar de wortels dikker worden en zich wijd door elkaar in de aarde verspreiden; ze zijn scherp van smaak, maar hebben een lieflijke reuk, bezitten een zuiverend en zacht braakmiddel, zonder samentrekking, en verdrijven door het braken een kamergang alle taaie, dikke, slijmachtige gele gallen kwade vochten uit het lijf, zonder beroering van de buik .Eer hier de Ipecacuanha van Amerika was bekend werden de wortels en bladen alleen ten dien einde gebruikt. Deze wortels en bladen gestoten of het sap daaruit gehaald op de voorts etende kankerachtige gezwellen gelegd, beletten de ontsteking en voorteten. Al de oude en nieuwe Kruidbeschrijvers komen over de krachten die deze plant inhoudt zeer goed overeen en zeggen dat de wortelsmet bier of wijn gezoden en ettelijke dagen gedronken al de inwendige pijn uit het lichaam en de heupen verdrijft; dat de wortels en bladen in poeiers gestampt en met honing en warm water ingenomen zacht doen purgeren, de maandstonden afdrijven, de druppelpis beletten en de lenden en blaas versterken. Het sap in de ooghoeken gedrupt, verdrijft de vliezen en schemering der ogen. Het zaad wordt ook van sommige geneesheren voor dezelfde gebreken gebruikt en ook met honing en wijn bereid; de bladen enkel langs buiten op de rode loop en de ogen gelegd genezen de etterachtige schellen: hetzelfde doet ook het gedistilleerd water, dat men daaruit trekt. Geheel dit kruid in de loog gekookt en het hoofd mee gewassen versterkt het geheugen. De wortels en bladen worden meest in juli verzameld en nadien in de schaduw gedroogd om naar wil te gebruiken.
Men kweekt hier nog in den kruidhof der Hogeschool den Asarum canadense en de Asarum virginicum van Linnaeus die van Canada oorspronkelijk zijn; ze groeien met niervormige, puntige bladen en worden hier meest door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
MARENTAK, Mistel, Eksternest, wit Vogellijm, in 't Frans Guii, in ’t Latijn Viscum, is door Jussieu onder de familie van het Geitenblad gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia tetrandria, tweehuizige- vierhelmige, met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die op de ene boom al mannetjes- en op de andere al wijfjes bloemen dragen en met vier helmstijltjes bloeien.
De Marentak, wit Vogellijm of Mistelboom (Viscum album van Linnaeus) is een heesterachtige plant van Europa die op een andere boom groeit met kleine ,rankachtige stengels en zeer vertakt en in zijtakjes verdeeld die over elkaar groeien met zeer bleek groene schors zijn bedekt en langwerpige, dikke, bruinachtige groene bladen hebben waartussen op de rankjes der takjes aan de knoopjes meest in mei kleine, geelachtige bloempjes groeien die kleine, rondachtige, doorzichtige, lijmachtige, taaie bessen voortbrengen welke een klevend vocht inhouden.
Deze plant heeft geen wortels, maar hangt aan de takken van sommige bomen en men vindt die hier wel soms op de takken der Appelbomen groeien en ook op de Wilgen stronken , Perenbomen en andere. Hetgeen zeer wonderbaarlijk schijnt is dat de bessen in de aarde gezaaid nooit zullen voortkomen, maar alleen op de takken der bomen groeien en dan nog enkel als het zaad door enige vogels gegeten en door de buik en darmen van die dieren gedreven zijn en door hen op de takken uit gelost wordt; maar die planten worden wel om hun wonderbare gewassen door inlegger in de aarde, die men op de takken der bomen vooral bereidt om ze wortel te kunnen doen vatten en ook door afzetsels vermenigvuldigd. De lijm die uit de bessen van de Marentakken geperst wordt is om zijn klevende en taaie delen Viscum ixica genoemd en op het vel gelegd zeer warm en scherp bijtende van zaad. Deze lijmachtige stof bezit een zo sluitende en samentrekkende kracht dat die inwendig genomen het lichaam kan toesluiten en dodelijke gevolgen veroorzaken; maar de bladeren of vruchten uitwendig gebruikt halen uit de holle wonden de etterachtige, kwade brandstof. Er wordt ook een zalf mee gemaakt en vogelteer mee bereid. De kunstscheiders weten daarmee veel goeds te verrichten. Men wil aan de volkeren doen geloven dat de Marentakken aan den hals van een zwangere vrouw gehangen haar belet van kind te misvallen; men heeft er nog veel andere dingen van geschreven die heden als fabels worden aangezien. Men zegt dat de heidense priesters in de oude tijden die Marentakken in hun voorzeggingen gebruiken. De eerste dag van het jaar vergaderden de Galliërs op een daartoe bestemde plaats om uit de handen der Druïden de geplukte Marentakken te ontvangen.
MARJOLEIN ,in ’t Frans Marjolaine, in ' Latijn Origanum majoranoïdes, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gestel, en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen. De edele Marjolein (Origanum majoranoïdes van Linnaeus) (Oraganum majorana) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België alle jaren in de lente meest in de moeshoven wordt gezaaid, graag in de oude, goed gemeste gronden groeit en ook kan verplant worden; het groeit met ineengedrongen stengels omtrent 18 of 20 centimeters hoog met zachte, witachtige haartjes bedekt en rondachtige, eivormige, plompe bladen; op de topjes der stengels bloeien meest in juli aren met kleine, witte, lipvormige bloempjes die naakte, wolachtige zaadjes voortbrengen welke op de Orego gelijken en uitnemend welriekend zijn.
Deze plant wordt veel als toekruid in de spijzen gebruikt en is warm en droog van aard tot in de derde graad. Het kruid gedroogd, fijn in poeier gestampt en door den neus opgehaald doet niezen, versterkt de hersenen en geheugen en trekt al de kwade vochten uit het hoofd; pleisters van de edele Marjolein met olie en was gemaakt verteren de koude gezwellen en zijn goed om op de leden die ontwricht geweest zijn te leggen; het wordt ook met brandzalven gemengd. De olie van Marjolein wordt zeer geacht voor de leden van binnen en buiten te verwarmen; de Marjolein in de spijzen gebruikt drijft de pis af, verwekt de eetlust en doet de maandstonden aandrijven ,zegt Lobel; het werd van de oude Kruidbeschrijvers Amaracus genoemd en is heden onder de Orego planten gesteld (Zie het artikel van den Orego).
De Marjolein wordt voor een der best geurende inlandse planten geacht ;in de medicijnen kan ze ook in poeiers om inwendig te nemen met Angelica wortels voorgeschreven en met honig bereid worden; maar dit kruid wordt meest door afkooksel en overhalen gebruikt; een vluchtige olie wordt er ook uitgetrokken en met vijf of zes druppeltjes in eens voorgeschreven.
Men vindt die plant om zijn deugden als aandrijvend middel in zeer veel Kruidboeken beschreven.
MARTYNIA, in ’t Frans Bicorne, Cornaret, in ‘t Latijn Martynia, is door Jussieu onder de familie van de Trompetbloem gesteld, en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloeien en wiens zaadjes in een zaadhuisje besloten zijn.
De langlevende Martynia (Martynia perennis van Linnaeus),(Gloxinia perennis) die heden van de nieuwe Botanisten Gloxinia maculata genoemd wordt is een der aller mooiste ,langlevende kruidplant van Zuid- Amerika die hier met enkele stengels en getande bladen groeit en meest in de warme serres van mei tot in juli bloeit met zeer lieflijke, langachtige, donker blauwe, klokvormige bloemen, met uitnemende mooie violette boorden. Ze moet hier in de run in de warme serres door wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
De Martynia of Gloxinia met twee meeldraadjes (Martynia diandra) (Martynia annua) is een aller mooiste eenjarige zaad plant van Mexico die met stengels en hartvormige bladen omtrent 40 centimeters hoog groeit en hier van juni tot in oktober bloeit met zeer lieflijke blauwe en rooskleurige gespikkelde, klokvormige bloemen ,die een zeer aangename geur verspreiden.
Men heeft hier uit zaad verscheidene medesoorten bekomen; onze bloemisten Alex. Verschaffelt en veel andere kwekers bezitten in hun serres de volgende soorten: de Gloxinia alba, Sinningia tubiflora “Alba’) Gloxinia caulescens, (Var. van Sinningia speciosa) G. Discolor ,(Sinningia speciosa) G. grandiflora, (Oude naam voor Sinningia speciosa) G. hirsuta, (Sinningia hirsuta of Kohleria hirsuta) G. hybrida,(Hybriden van Sinningia speciosa) G. macrophylla, G. Rubra bicolor, G. Speciosa (Sinningia speciosa) en meer andere met lieflijke goede ruikende bloemen. Ze moeten hier in de warme serre in de gemengde heigrond worden gezaaid: het is spijtig dat die mooie bloemplanten onze koude lucht niet kunnen weerstaan; ze zouden onze hoven zeer fraai versieren.
MAURANDIA, in ‘t Frans Maurandie, in ‘t Latijn Maurandia,, is onder de familie van het Speenkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De altijd bloeiende Maurandia (Maurandia semperflorens) Maurandya semperflorens of scandens) is een nieuw langlevend rankgewas van Mexico dat hier met dunne stengels, omtrent 2 meters lang groeit ,met lange bladstelen die gelijk de hechtrankjes het latwerk of stokken vast grijpen en spiesvormige, groene, mooie bladen op de ranken verspreid; bloeit hier van juni tot in augustus ,met uitnemende lieflijke, eenbladige, gepijpte, violette bloemen die in de lengte mooi purperachtig rood gestreept zijn.
Onze kundige bloemkweker L. Van Houtte heeft onlangs van die lieflijke gewassen nog de Maurandia antirrhiniflora en Maurandia barclayana van de West-Indiën verkregen en men vindt bij veel andere bloemisten de Maurandia usteria scandens, (Asarina scandens) die enkel in lichte gronden op een goede standplaats aan de muren hier onze winterse koude kan weerstaan en derhalve meest in de oranjehuizen wordt bevrijd. Die uitnemende mooie gewassen welke in de warmelanden veel worden geplant om de prieëlen te bekleden kunnen door het rijpe zaad op warme bakken in de lente gezaaid en door inleggers en afzetsels op de wijze van de Trompetbloemen vermenigvuldigd worden.
MEEKRAP, Meeplant , in ’ t Frans Garance, in t Latijn Rubia, is onder de 1ste klasse, 9de sectie der klokvormige planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der planten die rode verf inhouden en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar één stampertje hebben.
De rode verf inhoudende Meekrap (Rubia tinctorum) is een kruidplant van Italië die met levende wortels groeit, stengels met haartjes bekleed en langwerpige, smalle ,ruwe bladen die alle jaren aan de stelen groeien; het bloeit in den zomer op de toppen der stengels met ronde, bleek gele bloempjes die kleine, ronde, roodachtige zaadjes voort brengen. Het wordt hier in de velden en bouwlanden gekweekt en droog gemalen om tot rode verf te dienen. Die plant wordt zowel in het Noorden als in het Zuiden van Europa gekweekt en kan zeer goed onze koude winters weerstaan. Het schijnt dat het van over zeer oude tijden in België is bekend omdat men in de kronieken beschreven vindt dat de Atrebaten, oude bewoners van de provincie Frans -Vlaanderen, onder Julius Cesar zeer vermaard waren om hunne stoffen die ze met de Meekrap rood verfden. Ten tijde van Olivier de Serres was alreeds de kweek van de Meekrap in Vlaanderen verspreid; hij zegt dat Vlaanderen zijn natuurlijke land is alwaar men door die kweek een groot voordeel kan bekomen.
De Meekrap (Aligaris bakir) (Cv.?)is een langlevende plant van Griekenland die heden in België ,door onzen Minister van binnenlandse zaken waarvan men alle jaren zaad van kan bekomen, zeer wordt aangeprezen en die door alle doenlijke middelen de kweek van deze plant aangemoedigd omdat de verf die er van komt een mooie levendig rood kleur verschaft en dat het ook voor het planten de voordeligste schijnt te zijn.
Een onzer kundigste kwekers en vernuftigste fabrikanten, de heer Verplancken, te Gent , heeft over het kweken van de Meekrap een groot boekdeel geschreven en in 't licht gegeven waarin hij al de uitnemende voordele, die deze planten in België verspreiden, heeft bekend gemaakt, met de wijze van die te zaaien en te kweken en de nuttigheid die de Meekrap bezit heef aan de dag gebracht; derhalve zal ik mij bepalen met te zeggen dat de wortels in poeiers, ook in de geneesmiddelen worden gebruikt om de pis af t e drijven en de verstopping van de nieren en lever te openen en in het bier gezoden en daarvan gedronken voor zeer goed worden geacht om van binnen de gekwetste scheuringen te genezen. Het sap van die wortels in de oren gedaan is goed om de pijnen van de oorlap te herstellen. De heer Peleguer heeft in zijn werken over de landbouw te Parijs, in 1819 bij Michaud gedrukt, 3de deel ,bladzijde 579 tot 604, ook de wijze van de Meekrap te kweken met al de voordelen die het inhoudt, beschreven; hij zegt dat de Meekrap van in het jaar 1275 , te S. Denis, bij Parijs werd gekweekt ,en dat men voor het zaaien altijd vers zaad moet gebruiken om kloeke planten te bekomen; want dat het overjarig zaad maar flauwe en zwakke planten voortbrengt. De kundige landbouwer en kruidbeschrijver Duhamel zegt ook dat men de wortels van de Meekrap niet te veel jaren in de aarde mag laten en dat de jonge wortels van drie jaren oud de mooiste rode verf geven; maar die de planten hier gelieven in het groot te kweken kunnen zich best bedienen van het vernuftig werk van den heer Verplancken die zich geheel zijn leven met dien kweek en handel heeft bemoeid.
MEELBLOEM , Lauwerstin, Sneeuwbal, Lijsterbessen, Kleine Es, in 't Frans Viorne, Laurier-Tin, Fleur de farine, in 't Latijn Viburnum, door Tournefort Viburnum tinus opulus genoemd en onder zijn 20ste klasse, 6de sectie gesteld der bomen die eenbladige bloemen hebben; door Jussieu onder de familie van het Geitenblad en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia , planten die met vijf helmstijltjes bloemen en drie stampertjes hebben.
De Meelbloem(Viburnum tinus van Linnaeus) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Zuid-Europa dat hier met een vertakten stam en rode jonge scheuten aan de wortels meer dan 1 meter hoog groeit met altijd blijvende, eivormige, blinkend groene bladen en van april tot in mei bloeit met zeer veel mooie rooskleurige bloemtrosjes, welke nadat de kransjes zich geopend hebben zeer lieflijke witte meelbloemen dragen. Men vindt er de volgende medesoorten van: Viburnum tinus hirsutum met langs onder witte gewolde bladen; Viburnum tinus lucidum, met langwerpige, gladde, blinkende en langs onder witte gewolde bladen met witte meelbloemen die eerst groen en nadien zwarte bessen voortbrengen .
De Lauwerstin met wit bonte, lansvormige en op de boorden gewolde bladen (Viburnum tinus strictum) is van de Oost-Indiën. Het Lijsterbessen (Viburnum opulus van Linnaeus) groeit hier in de bossen en wordt ook in de lusthoven geplant. Deze plant heeft Over Es bladen en klierachtige bloembladen en draagt in den herfst rode bessen die van de lijsters worden opgezocht.
De Sneeuwbal (Viburnum opulus var. sterilis) (“Roseum’) is ook van sommige Viburnum opulus flora globosa genoemd; het wordt hier meest in de lusthoven geplant en groeit heestervormig in struiken ,omtrent 2 meters hoog met gladde, gelipte bladen; bloeit hier in mei met grote mooie witte Sneeuwballen die in sommige streken ooi Zoutvat-Rozen zijn genoemd.
De gewone Meelbloem (Viburnum lantana van Linnaeus) is een heester-boomgewas van Europa dat veel in België in de lusthoven wordt geplant en omtrent 1 meter hoog groeit in struiken, vertakt, met gescharde iep bladen, rondom gekerfd die ruw en wolachtig zijn en een grijsachtig witte kleur hebben; draagt meest in juni witte bloemtrosjes op de toppen der takken en brengt rode bessen voort die bij hun rijpheid zwart worden en een samentrekkende kracht inhouden. Er wordt ook een mooie bruine verf uit de schors getrokken waarvan de doctor en kruidkenner, M. Thiébaut de Berneaud, in zijn werk, Bot. physiologie végétale, bladzijde 194, melding maakt.
De meelbloemen, Viburnum nudum, Viburnum prunifolium, Viburnum dentatum van Linnaeus die van Virginië oorspronkelijk zijn, worden hier ook om hun mooie gewassen en witte bloemtrosjes in de Engelse hoven geplant.
De Viburnum pyrifolium,? (Viburnum prunifolium) (Viburnum obovatum) met Perenboom bladen en de Viburnum punicifolium met Granaatboom bladen zijn twee langlevende heestergewassen van Amerika die door hun bladen en bloemen de lusthoven, onder de andere groene gewassen zeer fraai versieren, maar de Viburnum van Madera moet hier ’s winters in de oranjerie worden bevrijd. De vermenigvuldiging van deze planten geschiedt door uitlopers en inleggers der jonge takken welke binnen een jaar voldoende wortels maken en daarna verplant kunnen worden; de jonge takken van sommige dezer planten zijn zeer taai en buigzaam en kunnen derhalve op de wijze van de wilgen gebruikt worden.
MEESTERWORTEL, in ’t Frans Impératoire, in ‘t Latijn Imperatoria, is onder de 7de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld, der planten die Zonneschermbloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de kroon dragende bloemplanten en onder de 5de
klasse van Linnaeus, Pentandria umbellatae, die op de wijze van de Pastenakels bloeien.
De Meesterwortel (Imperatoria ostruthium van Linnaeus)(Peucedanum ostruthium) is een langlevende kruidplant van Oostenrijk die in Italië, Zwitserland en elders groeit, en hier om zijn heilzame deugden in veel kruidhoven wordt geplant; het groeit bijna op de wijze van de tamme Angelica met stelen aan de stengels en brede, gekerfde bladen; bloeit hier meest in juni met kleine witte bloempjes die op de toppen der stengels kroonvormig zijn geschikt en zaadjes voortbrengen die zeer goed op Dille zaad gelijken. De wortels groeien dwars ze in de aarde en zijn scherp ven smaak, welriekend en vol van en bruinachtig zwart en langs binnen geelachtig van kleur. Die wortels zijn ook heet van krachten warm en droog tot in de tweeden graad : met wijn gezoden doen ze zweten en gemakkelijk pissen en zijn goed tegen de waterzucht en krimping der leden, als ook om de maandstonden te verwekken en de taaie slijmen van de longen te verdrijven. Die wortels fijn gestoten en met olie vermengd zijn zeer goed om op de blauw geslagene plekken teleggen; de wortels en bladen, in de wijn gezoden en gedronken, genezen de inwendige wonden, zuiveren de moeder en jagen de nageboorte af en alle de kwade vochten uit het lichaam, zegt Dodonaeus. De Meesterwortels worden ook Negenkracht genoemd omdat ze negen jaren hun krachten blijven behouden. Eindelijk, die wortels bezitten dezelfde krachten als de Laserpitium en worden, volgens de oude en nieuwe Kruidbeschrijvers, op dezelfde wijze gebruikt. Ze worden hier meest door wortelscheidingen door het rijpe zaad in de lente vermenigvuldigd.
MEIBLOEM, Meilelie, Daglelie, Salomonszegel, in ‘t Frans Muguet, Lis de Mai, Lis des Vallées, in 't Latijn Convallaria, is door Jussieu onder de familie van de Aspergeplanten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, die met meeldraadjes en stampertjes op de wijze van de Lelies bloeien.
De Meibloem, (Convallaria majalis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de hoven en bossen groeit met rondachtige, lansvormige bladen en blote schachtjes die in mei meest bloeien met trosjes en klokvormige witte belletjes die een welriekende geur verspreiden en waaronder men enige medesoorten met dubbele witte bloempjes vindt.
De kransvormige Meibloem (Convallaria verticillata) groeit ook veel in België in de vochtige bossen te Moortsele in Vlaanderen en elders met ringvormige geschikte bladen en groenachtige witte, trechtervormige bloempjes die ook in mei meest bloeien.
De Meibloem of Salomonszegel (Convallaria polygonatum van Linnaeus) (Polygonatum multiflorum of odoratum) groeit met stengels en twee verschillende stam omvattende bladen en bloeit ook in mei met eenbladige witte bloempjes die blauwachtige bessen voortbrengen.
De Meibloem of grote Salomonszegel (Convallaria multiflora van Linnaeus) (Polygonatum multiflorum) groeit hier in de bossen met ronde stengels en stam omvattende bladen ,en bloeit in mei met witte trechtervormige bloempjes die rode bessen voortbrengen.
De Meibloem met twee bladen (Convallaria bifolia van Linnaeus) (Maianthemum bifolium) groeit met hartvormige in vier verdeelde bladen en bloeit in mei met aren en witte belletjes die maar vier meeldraadjes hebben.
De Japanse Meibloem (Convallaria japonica) (Ophiopogon japonicus) en de trosvormige Meibloem (Convallaria racemosa van Linnaeus) met de Convallaria spicata van Thunberg (Liriope spicata) worden hier allen in de bloemhoven gekweekt, bloeien in mei met bloemen die een aangename zoete geur verspreiden en zijn hier meest onder den naam van Witte Muguet bekend.
In de oude tijden, eer al de welriekende planten van de Indiën hier bekend waren werden de Meibloemen gebruikt om welriekende waters mee te distilleren die zeer nuttig waren om de rode lopende ogen te genezen, de ontstekingen der kwade zweren te verdrijven, de klopping van het hart en zenuwen te stillenen tegen de beroerdheid der vallende ziekte en stuiptrekking der jonge kinderen , als ook om de hersenen en geest te herstellenen de verlorene spraak weer te krijgen zeer voordelig werden gebruikt. De wortels van de tweebladige Meibloem werden in poeiers bereid en zeer nuttig geacht om pestachtige gezwellen en klapogen te genezen; maar het schijnt, volgens de heer De Caux dat die middelen heden verworpen zijn en door andere vervangen die krachtigere uitwerksels hebben; hij zegt dat die bloemen en wortels een zeer krachtig niesmiddel inhouden, en de bloemen vers in de wijn of azijn enigen tijd in de zon latende trekken zeer goed zijn voor de duizelingen en zwijmelingen van het hoofs, om de hersenen en het geheugen te versterken en ook tegen de beroerdheid zeer dienstig is. Al de Meibloemen worden hier vroeg in de lente door wortelscheiding vermenigvuldigd.
MELALEUCA, in ’t Frans Melaleuque, in ’t Latijn Melaleuca, is door de nieuwe Kruidkenners onder de Myrtebomen gesteld en onder de 18de klasse van Linnaeus, Polyandria icosandria, veelbroederige, met twintig helmdraden .
De Melaleuca is een langlevend boomgewas met lage stammen van Nieuw-Holland (Australië) dat hier heestervormig met dunne rankjes en zeer vertakt groeit met altijd blijvende bladen en zwarte stammen waarvan sommige takken een witachtige schors hebben waardoor die plant zijn naam uit het Grieks Melas en Leukas, dat in onze taal wit en zwart wil zegge n , heeft verkregen. Het is op de dunne hangende takjes van dit heester gewas dat hier meest in juli de bloemen bloeien die weinig kleur, maar lange, mooie, purper violette meeldraadjes hebben die de bloemen zeer verheffen en zaadhuisjes voortbrengen in drie hutjes verdeeld die half door de geschelpte bloemkelken en bessen zijn bedekt waardoor ze zeer bevallig schijnen; maar als die planten, welke in hun jeugd wonderbaarlijk mooi blinkend zijn enige ouderdom beginnen te krijgen verliezen ze hun bladen. De volgende soorten waarvan ik enkel de namen zal opgeven worden alle bij onze bloemisten en liefhebbers ’s winters in de oranjehuizen gekweekt: de Melaleuca stypheloides, van Willdenow; Melaleuca ericifolia,- nodosa,- thymifolia met rood violette bloemen;- Melaleuca coronata,-(Melaleuca cordata) squarrosa met purper rode bloemen;- Melaleuca angustifolia met witte bloemen en zeer mooie meeldraadjes;- Melaleuca speciosa (Leptospermum speciosum) met purperachtige bloemen en lieflijke meeldraadjes;- Melaleuca splendens, (Melaleuca fulgens)- fulgens,- neriifolia,-(Melaleuca linariifolia) virgata, (Sannantha virgata) - coccinea,- decussata,- flavescens(Leptospermum flavescens) en de Melaleuca viridiflora, allen van Nieuw-Holland. Ze kunnen wel door de jonge loten van de eenjarige scheuten op de wijze van de Leptospermum op warme broeibakken in de heigrond vermenigvuldigd worden en moeten in de matige serres of in een goed oranje huis ’s winters worden bevrijd.. De krachten van deze mooie zijn mij niet bekend.
MELASTOMA, in ’t Frans Méastome, in ‘t Latijn Melastoma, door Tournefort Grossularia genoemd; door Jussieu onder de familie van de Melastoma, Kruisbessen en Johansbessen gesteld en onder de 10o klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, die met tien helmstijltjes bloemen en een stampertje hebben.
De Melastoma malabathrica van Linnaeus is een heesterachtig boomgewas van Sri-Lanka dat hier inde warme serres wordt gekweekt en groeit met vierhoekige gewolde stammen en ruwe, scherpe, eivormige, geribde, door wol bedekte bladen; bloeit hier meest in juli met vier of vijf klokvormige bloembladen in de kelken die een mooi purperachtig kleur hebben en donkere purperen vruchten voortbrengen die zeer smakelijk zijn maar bij het eten de mond zwart make, waardoor die plant zijn naam verkregen heeft, uit het Grieks Melas, zwart, en Stoma, mond, alsof men in onze taal zwarte mond bessen wilde zeggen.
De Melastoma cymosa is een nieuw langlevend heester-boom- gewas van de Antillen Eilanden dat hier met lieflijke purperen bloemtrosjes en tien mooie meeldraadjes in de bloemkransjes bloeit en zwarte purperachtige bessen voortbrengt.
De Melastoma grossularioides van Linnaeus is een langlevend heester-houtgewas van Suriname dat met scherpe, eivormige, getande en dubbel geribde bladen groeit, purperachtige bloemen en purperachtige vruchten voortbrengt die door de bloemkelken ten dele zijn bewimpeld en op de Kruisbessen wel gelijken.
Velen onzer bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën de volgende soorten verkregen: de Melastoma barbata?,- floribunda, -polyanthum,- robusta,- sanguineum,- discolor,- sp. Java die onlangs van Java alhier is over gevoerd en de Melastoma sanguineum, die hier voor de eerste maal, in 1844,door Amb. Verschaffelt ,in de Casino tentoon werd gesteld.
Al deze langlevende mooie gewassen, waarvan de rijpe vruchten een aangename sappige smaak inhouden en op de wijze van de Johansbessen (aalbes) kunnen worden gebruikt, moeten in de warme serres gekweekt zijn en kunnen door uitlopers, inleggers en afzetsels in potten, op warme broeibakken en onder het glas in de run vermenigvuldigd worden.
MELDE of Milde, Tamme Melde, Wilde Melde , in' t Frans Arroche des Jardins, in ' tlatyn Atriplex, is onder de 15de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Melde en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelachtige-eenhuizige met tweeslachtige en mannetjes en wijfjes bloemen op dezelfde plant op verscheidene planten waarvan de tweeslachtige, op de wijze van het Kruiskruid, met vijf meeldraadjes bloeien.
De Hof-Melde (Atriplex hortensis van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Azië die hier alle jaren in de lente in de moeshoven wordt gezaaid en groeit met lange, recht op groeiende stengels die soms beneden rond en in ’t opperste vierkantig zijn met veel aangroeiende zijtakjes en lange, brede, spitse bladen die gladachtig en zacht zijn; bloeit hier meest in juli op de lengte der stelen met veel ineengedrongen kleine, gele bloempjes en veel zaadjes die druifvormig verzameld en samen gehoopt en in velletjes als blaadjes gesloten zijn. De bladen zijn dikwijls in hun jeugd witachtig van kleur alsof ze met meel bestrooid waren.
Men vindt hier ook de rode Melde( Atriplex rosea van Linnaeus), een eenjarige kruidplant van Spanje, die een medesoort van de voorgarende schijnt te zijn en veel in de moeshoven gezaaid wordt; de bladeren van deze Melde worden in alle landen van Europa veel in de keukens gebruikt; met warmoes en Zurkel gekookt en gegeten maakt het de buik zacht. Die Melde gezoden en op bloedzweren of hete gezwellen gelegd doet die zachtjes verdwijnen .
De gestipte Melde (Atriplex laciniata) en de piekvormige Melde (Atriplex hastata van Linnaeus) groeien hier overal in de bebouwede landen en velden in ’t wild en zijn door de landlieden hier meest Meiboom genoemd; ze worden in hare jeugd veel van de arme mensen opgezocht om als voedsel in de keukens te gebruiken en als een geelzucht verdrijvend middel en om de verstoptheid van de lever te openen gebezigd.
De uitgespreide Melde (Atriplex patula) groeit hier meest in de landen en hagen.
De Strand-Melde (Atriplex littoralis van Linnaeus) groeit hier veel aan de kanten der velden en grachten.
Al die Melden lopen licht door de buik en hebben een verterende kracht; ze worden allen, zowel de tamme als de wilde, groen verzameld om de varkens te voeden en die van ziekten te bevrijden. Het water waarin de Melde gekookt is geweest verdrijft al de vlekken en plekken van het aangezicht. Het zaad van de Melde, zegt Lobel, in het water gekookt en met honig ingenomen is zeer goed om tegen de geelzucht te gebruiken, verkoelt de lever, verjaagt het slijm en verwekt zachtjes een buik lossing.
MELIKGRAS, in ‘t Frans Mélique, in ’t Latijn Melica, door Tournefort Gramen genoemd; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het Melik gras met ronde haartjes(Melica ciliata van Linnaeus) is een grasplant van Europa, ie met levende wortels ten alle kanten op de hoge en droge plaatsen in België groeit omtrent 40 à 50 centimeters hoog groeit met wit gestreepte korte bladen, ronde witte aren en geelachtige witte bloempjes die met blinkende, zijdeachtige haartjes en witten dons zijn voorzien.
Het eenbloemig Melik gras (Melica uniflora van Retz),dat met strohalmen wel 48 centimeters hoog groeit dat groeit hier meest in de belommerde bossen met aren en twee bloemblaadjes in de kelkjes die tweeslachtig zijn
Het hellende Melik gras (Melica nutans van Linnaeus) groeit hier meest op de bergen en heiden, met strohalmen die wel 60 centimeters hoog groeien en gebogen ,hangende aren die een bruine kleur hebben.
Het blauwachtig Melik gras (Melica caerulea van Linnaeus) dat zeer goed voor het zaaien in de vochtige moerassen gelijkt groeit hier nochtans ook op droge plaatsen met dunne strohalmen omtrent 1meter hoog, smalle, lange bladen die maar een knop bij de wortels hebben en ronde aren op de toppen die bontgroen en violetachtig blauw zijn, waardoor deze plant zijn familie naam heeft verkregen. Men maakt in Italië, Zwitserland en elders met het zaad van deze plant een soort van brood dat dient om de duiven en ander gevogelte te voeden.
Het verheven Melik gras (Melica altissima) groeit veel in het Noorden van Europa en het spitsvormig Melik gras (Melica pyramidalis) groeit ook in België; deze planten worden droog en groen tot voeding der kruid etende dieren verzameld en de pluimachtige aren dienen om bezems mee te maken.
MELISSE , in 't Frans Melissot, in 't Latijn Melittis, door Tournefort Melissa ,is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus , Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloeien en naakt zaad dragen.
De Melisse met bijen kruid of Citroen kruid bladen (Melittis melissophyllum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België in de bossen groeit met stengels en lange vertakte stelen waaraan de bladstelen groeien met ronde, diep gekerfde bladen die op de Melisse gelijken, maar in ’t wild wel omtrent 50 centimeters hoog groeien; het bloeit hier meest in juli met witte bloemen die op de Dovenetels gelijken maar wat kleiner zijn met gele meeldraadjes die de bloemkransjes tussen de bovenste lipjes versieren .
De oude Kruidbeschrijvers zeggen dat het sap van deze plant goed is om in de wonden van het hoofd te druppelen; het wordt hier ook in de kruidhof der Hogeschool gekweekt en door het zaad en wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
MELOENBOOM, in ’t Frans Papayer, in ’t Latijn Carica, door Tournefort Papaya bijgevoegd; door Jussieu onder de familie der Pompoenen en Kauwoerden gesteld en onder de 22de klasse van Linnaeus, Dioecia decandria, tweehuizige-tienhelmige die op de ene boom al mannetjes en op de andere al wijfjes bloemen dragen; het wijfje brengt geen vruchten voort als het mannetje er te ver van verwijderd bloeit. De Meloenboom (Carica papaya van Linnaeus) is een langlevend boomgewas dat in de Indiën tamelijk dik en wel 2 ½ of 3 meters hoog groeit en hier in de warme serres wordt gekweekt; groeit met bochtige bladen in vliesjes verdeeld die op lange stelen groeien en de gedaante van de Violenboom-bladen hebben, maar meer en dieper zijn gekerfd; bloeit op bijzondere steeltjes die tussen de bladstelen schieten met witte geelachtige bloempjes, druifvormig bijeen verzameld die van maaksel op de Vlierbloempjes gelijken. De mannetjes bloeien zonder bloemkelken ,met trechtervormige kransjes, in vijf blaadjes verdeeld en meeldraadjes in de gepijpte kransjes; de wijfjes hebben de bloemkelken in vijf delen getand, de bloemkransjes met vijf blaadjes en de bovenste einden van de stampertjes in vijf getekend; ze dragen alleen vruchten met veel zwart blinkende kernen die aan de stam op de takken verspreid hangen, rondachtig zijn en de gedaante van een kleinen Meloen hebben die eerst een groenachtig, maar bij het rijpen een gele kleur verkrijgen, een zoete aangename smaak bezitten en een zeer welriekende geur inhouden; ze worden in de Indiën veel gegeten en ook met suiker gekonfijt en met azijn bereid om in de keukens met de spijzen te gebruiken.
Men vindt nog de stambloem en de Meloenboom (Carica cauliflora van Willdenow) (Vasconcellea cauliflora) die veel in het eiland Caracas groeit; en onze bloemist L. Van Houtte heeft onlangs alhier van de Indiën de Meloenbomen Carica Carolina princeps?, Carica catesbaei latifolia (Citrus latifolia) en Carica ceropegia stapeliaeformis (Ceropegia stapeliiformis) verkregen die hier allen in de warme serres worden gekweekt; ze kunnen door het kernzaad en door afzetsels, op de wijze van de Meloenen met zorg vermenigvuldigd worden.
MELOENPLANT ,in 't Frans Melon, in ’t Latijn Cucumis ,is onder de 1ste klasse, 7de sectie van Tournefort gesteld der bloemplanten die klokvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der Kauwoerden en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige-eenbroederige met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die op dezelfde stengels aangetroffen worden.
De Meloen plant (Cucumis melo van Linnaeus) is een eenjarige plant van Azië die sedert zeer oude tijden in Europa is bekend en om zijn welriekende en smakelijke vruchten in België en elders alle jaren vroeg in de lente in broeikassen of bakken geplant wordt en volgens de graden warmte, de luchtgesteldheid en de zorg die men er aan toebrengt aangename sappige vruchten geeft; ze rijpen hier veel beter als ze op de Citrullen of Pompoenen geënt zijn dan als ze uit het zaad voortkomen.
De Meloenplanten die men in het Zuiden van Frankrijk en elders in de warme landen meest natuurlijke in de vollen grond kweekt zijn de gesuikerde en de Tours Meloenen die zeer goed ruiken; maar ze zijn als alle anderen aan het verlopen onderworpen. Derhalve heeft men heden door het zaad de volgende soorten verkregen: de Karmelieten-Meloen met zijne grote vruchten die een zeer aangename smaak inhouden; de Ananas-Meloen met zijn welriekende vruchten en als die goed rijp zijn een goede smaak bezitten; de Coulommier en de Honfleur-Meloenen met hun brede geribde vruchten die ook de Suikermeloen, met kleine, geribde, vleesachtige vruchten die een zeer aangename smaak inhouden. De Cantaloupe-Meloen (1), met zijn uitwendige pokken die een welriekende geur bezit, wordt meest omstreeks Parijs gekweekt en kan hier ook te lande best zijn rijpheid verkrijgen; maar de Portugese- en de Oranje-Meloenen die hier ook wel in de warme broeibakken hun rijpheid verkrijgen en een aangename smaak inhouden worden hier bij voorkeur om hun vleesachtige, sappige vruchten geplant.
Al de Meloenen zijn zeer verversend en verkoelend van kracht en doen de uitzweten van het vel en de vochtigheid verminderen; ze veroorzaken een buiklossing en als men er te veel in eens van zou eten zijn ze bijna onverteerbaar en kunnen een geweldigen kamergang doen ontstaan. Niettegenstaande dit, bezitten de Meloenen een water lossend middel; ze worden ook in de warme landen tegen de koortsen die uit de galachtige vochten voortkomen en voor de hete lever en nieren gebruikt. Het zaad gekonfijt en met suiker of honing ingenomen verzacht de smart van de nieren en doet de steen en graveel rijzen; maar de Meloenen, door hun slijmachtig sap bezitten weinig voedsel en zijn r auw en zonder suiker of wijn nadelig voor de mensen die een flauwe maag hebben.
Het zaad van de Meloenen kan voor het planten wel tien jaren goed blijven; het oudste wordt voor het beste aangezien en de voort teling geschiedt hier meest op de volgende wijze : men plant gewoonlijk het Meloen zaad van in maart in warme broeibakken met glazen ramen, van onder met veel eikenbladen en van boven met vers paardenmest belegd, door omtrent 10 centimeters aarde bedekt. Nadat de jonge planten vier of vijf bladen hebben bekomen kan men die weder onder het glas of glazen klokken in dezelfde aarde verplanten en die bij zacht weer en op tijd lucht bezorgen; als die planten vier zaadlobben hebben verkregen snijdt men de twee laatste boven hun oksel af: op deze wijze komen de jonge scheuten bij de stengel en maken maar een aparte rank en opdat de planten lucht zouden kunnen vatten en hu groeikracht bevorderen zet men als het weer zacht en warm genoeg schijnt te zijn de klokken of glazen langs een kant 5 of 8 centimeters open omdat de moeder rank, terwijl ze groeit, meer kracht zou verkrijgen. Men zorgt al de wilde scheuten die tussen de knoppen en bladeren uitspruiten op tijd te weren; de bijzondere moederranken, waarop de vruchten moeten groeien, mogen zich ook niet te lang uitbreiden en moeten van alle onnodige scheuten op tijd gezuiverd worden; men mag slechts op iedere moederrank drie of vier vruchten laten, ,want als men er teveel op de ranken laat groeien zijn ze zonder geur of smaak.
Eindelijk, om goede vruchten te bekomen, moet een Meloen-kweker alle mogelijke zorg aanwenden en ook de planten soms ’s morgens of ’s avonds wel zacht op de bladeren volgens de noodzakelijkheid besproeien. Als de vruchten beginnen te rijpen laatst men die gewoonlijk op pannen of witte kalkachtige stenen, waar de zon goed op treft om te beletten dat de vruchten een aarde smaak zouden verkrijgen .Men plukt gewoonlijk de Meloenen als ze hun volle rijpheid bekomen hebben, hetgeen men aan de reuk der vruchten zeer goed kan bemerken, want de rijpe geur der Meloenen kan men van verre genoeg wel ruiken. Ik heb op die wijze de Meloenen gekweekt en altijd goede en smakelijke vruchten bekomen. (1)Het schijnt dat de Cantaloupe-Meloen zijn naam heeft verkregen van het dorp Cantalupi, bij de stad Rome gelegen, alwaar deze soort eerst van over oude tijden gekweekt werd en waarvan men heden de Cantaloupe kleine Prescott, Cantaloupe grote Prescott. Cantaloupe argenté, de Cantaloupe boule de Siam en de groene vroege Cantaloupe bekomen heeft.
MENTZELIA, in ’t Frans Mentzelia, in ’t Latijn Mentzelia, is door de nieuwe Kruidkenners onder de familie van het Ezelkruid kruid gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige, planten die met twintig tot honderd helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De oneffen Mentzelia (Mentzelia aspera van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Amerika dat hier in struiken zeer vertakt groeit met puntige groene bladen en meest in de matige planthuizen van september tot in november bloeit met zeer lieflijke, mooie bloemen op de toppen der takjes die een mooie levend, roodachtig saffraan kleur hebben. De Mentzelia met overeen staande haartjes bedekt (Mentzelia hispida)is een nieuw langlevend heestergewas van Mexico dat slechts hier sedert enige jaren is bekend; groeit met scherpe, harige bladen en bloeit ook van september tot in november met roodachtige saffraan bloemen die vijf bloembladen in de kelken en kransjes hebben en ronde zaadhuisjes met veel zaadjes voortbrengen.
Onze bloemkweekers hebben nog onlangs van Amerika de Mentzelia stipitata verkregen die met zeer lieflijke roodachtige bloemen hier in september bloeit. Deze bevallige planten waarvan ik de krachten niet ken kunnen door het zaad, in verse heigrond gezaaid en door afzetsels en uitspruitsels vermenigvuldigd worde, maar moeten 's winters in de matige serres verblijven.
MENZIESIA, in ‘t Frans Menziesia, in ‘t Latijn Menziesia, is onder de familie van de planten die roosvormige bloemen dragen gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben. De Menziesia met Polium bladen (Menziesia polifolia van Pirolle) (Andromeda polifolia) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Europa, dat alhier door onze bloemisten onder de naam van Erica daboecia en ook Erica daboebii is bekend; dit mooie bevallig heestergewas groeit met een dunne stam en veel takjes omtrent 40 of 50 centimeters hoog met altijd blijvende groene bladen die van boven donkergroen, een weinig op de boorden gerold en met haartjes bedekt en van onder geheel wit katoenachtig zijn; boeit hier meest in juni met zeer lieflijke bloemtrosjes en mooie rooskleurige, eivormige bloemen
Men vindt bij onze bloemkwekers de Menziesa flora alba, (mogelijk Menziesia ferruginea “Alba”) de Menziesia globularis (Rhododendron pilosum) van Noord-Amerika; de Menziesia herbacea die aller mooiste bevallige bloemen dragen. Deze planten kunnen hier zeer goed onze koude winters weerstaan en worden op de wijze van de Kalmia’ s meest door het zaad ,in de heigrond, op teilen, in de oranjehuizen gezaaid en voort in de volle lucht in de heigrond geplant.
METHONICA, in ’t Frans Methonique, in ’t Latijn Methonica, is onder de familie van de Lelieplanten gesteld, en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes en een stampertje op de wijze van de Lelies bloeien.
De prachtige Methonica (Methonica superba)(Gloriosa superba) is een langlevende kruidplant van Malabar die met dikke, geknobbelde wortel in de aarde groeit die alle jaren uit de wortels spruiten en omtrent 1 meter hoog groeien met spitse bladen, die door hechtrankjes eindigen; bloeit hier in de warme planthuizen van juli tot in september met zeer mooie gele vergulde bloemen die zes lieflijk gekleurde meeldraadjes hebben.
De heerlijke Methonica (Methonica gloriosa),(Gloriosa superba) die onze bloemisten ook onlangs van Malabar hebben verkregen groeit insgelijks met geknobbelde wortels, klimmende stengels en spitsvormige bladen met hechtrankjes voorzien die aan de steunstokken kleven ;bloeit van jul tot in oktober met aller mooiste gele vergulde bloemen. Deze mooie bloemplanten zijn nog zeer zeldzaam verspreid en moeten hier in de warme serres worden gekweekt; men zet die gewoonlijk na het uit bloeien uit de potten in het droge zand te meuken om in februari in de heigrond te planten. Ze kunnen door wortelscheiding in de run op warme broeibakken vermenigvuldigd worden. De wortels bezitten een slijm stof waarvan men ameldonk kan bereiden en worden gebruikt om klisterwater uit te trekken.
METROSIDEROS, in ’t Frans Metrosidéros, in ’t Latijn Metrosideros, is onder de familie van de Mirteboom gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintig helmige, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen die op de kelk zijn vastgehecht en maar een stampertje hebben.
Men vindt er heden verscheidene soorten van die van Nieuw- Holland (Australië) alhier zijn overgevoerd; het zijn alle zeer mooie lang levende heester-houtgewassen die vertakt en omtrent 1meter hoog groeien met altijd blijvende, welriekende bladen en meest in juli bloeien met glans rijke bloemen en roodblinkende meeldraadjes die de bloemtakken rondom versieren en een pompon der grenadiers verbeelden.
Men vindt bij onze bloemisten de volgende soorten die alle met mooie meeldraadjes versierd meest van juni tot in augustus bloemen: de Metrosideros saligna van Smith (Callistemon salignus) met wilgenbladen en purperachtige rode bloemen; de Metrosideros lanceolata van Smith met lansvormige bladen en mooie levende purperachtige bloemen; de Metrosideros lophanta van Vent. (Metrosideros excelsea) (Metrosideros excelsea) Met dikke bladen die zeer weinig van dn Metrosideros crassifolia (Melaleuca glauca ) verschilt; de Metrosideros floribunda van Smith (Metrosideros excelsea) met lange bladen en mooi rood blinkende meeldraadjes; de Metrosideros latifolia(Melaleuca citrina) met brede bladen en lieflijke rode, purperachtige bloemen; de Metrosideros marginata (Wel een var. van Metrosideros excelsea) met bladen aan de toppen en boorden door randen getekend die met mooie purperkleurige bloemen bloeit; den onregelmatige Metrosideros (Metrosideros anomala), waarvan de bloemen met witte, rode en schoon gele meeldraadjes gemengd een blinkende sieraad verbeelden; de Metrosideros semperflorens die hier bijna de gehele zomer bloeit met mooie levende, roodachtige meeldraadjes; de Metrosideros speciosa (Callistemon speciosus?) met zijn mooie, ,prachtige, verheven bloemen en de Metrosideros lutea Metrosideros polymorpha var. lutea) met zijn purperachtige, blauwe meeldraadjes. Ze worden hier allen op de wijze van de Leptospermum gekweekt en vermenigvuldigd; maar om langdurig planten en weldra bloemen te bekomen vermenigvuldigt men die hier gewoonlijk door middel van uitspruitsels of bouturen van jonge loten op lauwe broeibakken, in potten met fijne heigrond gevuld onder het glas. Deze planten, waarvan de krachten mij niet bekend zijn, worden hier 's winters in de planthuizen of matige goede oranjehuizen bevrijd en om hune bloemen gekweekt.
MEIJERPLANT, Fluweelbloem, Duizendschoon, Kattenstaart, in ’t Frans Amaranthe, in ’t Latijn Amaranthus, is onder de 6de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Fluweelbloemen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia pentandria, eennhuizige-vijfmannige die op de wijze van de kleine Klis bloeien en op dezelfde stengel en mannelijke en vrouwelijke bloemen dragen.
Deze eenjarige zaad planten zijn hier van iedereen goed bekend om hun wijze van groeien en de afbeelding van het kruid, bladen en bloemen te beschrijven; ze worden meest in België door het volk Kattenstaarten genoemd en zijn in de Hortus gandavensis (Gent) van Mussche, Meijerplanten geheten; maar in het Kruidboek van Dodonaeus en Lobel, Fluweelbloemen, uit het Griekse Amarantos en ook in ‘t Frans Passe-velours genoemd. De volgende soorten worden hier alle jaren in de bloemhoven gezaaid:
De Amaranthus tricolor en de Amaranthus melancholicus (vorm van Amaranthus tricolor) van Linnaeus die van de Oost-Indiën oorspronkelijk zijn; de Amaranthus graecizans en de A. hypochondriacus van Linnaeus komen van Virginië; de Amaranthus sanguineus van Linnaeus is van Bahama ‘s; de Amaranthus cruentus van Linnaeus, komt van China; de Amaranthus caudatus groeit in Azië, Amerika en Europa en de Amaranthus blitum groei veel in België in de landen en velden. Al deze planten bloeien hier meest van augustus tot in de herfst dragen zeer lieflijke bloemen die als kattenstaarten hangen; maar de Amaranthus blitum, die hier in de velden groeit, is wel kenbaar genoeg en groeit m t met een vertakte stengel en stompe, eivormige bladen aan de stengels verdeeld en bloeit in hoopjes op de topjes verzameld met driekantige katjes die een vuil witte kleur hebben .
Dodonaeus heeft de krachten van deze planten beschreven en zegt dat de Meijerplanten met bloedrode bloemen en aders goed zijn om de vrouwenvloed te stelpen en de bloedspuwing te genezen; ze werden voordezen met Warmoes in de stamppot gegeten om de buikloop te stelpen. Het Fluweelkruid met de bloemen in regenwater gekookt is zeer dienstig om op de kwetsuren en wonden te leggen; de wortels in den mond gehouden doen de tandpijn stillen en met zoete meiboter gemengd zijn ze zeer goed om brandzalven mede te maken en op de verbranding te leggen.
MIDDAGBLOEM, in ’t Frans Ficoïde, in ' t Latijn Mesembryanthemum, is door Jussieu onder de familie der Vijgenplanten gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, twintig helmige, planten wiens bloemen met twintig en meer helmstijltjes bloeien die op de kelk zijn vast gehecht en vijf stampertjes hebben.
Men vindt onder dit slag van Vetplanten heden wel 200 verschillende soorten waarvan de ene half-houtgewassen zijn en de andere kruidvormig groeien en hier alle in de matige serres en planthuizen worden gekweekt en uit het Grieks, in 't Latijn over gesteld de naam van Mesembryanthemum hebben verkregen die in onze taal Middagbloemen wil zeggen omdat ze enkel ’s middags als de zon schijnt bloeien.. Gelijk vele van deze planten door hun mooie bloemen merkwaardig zijn en de aandacht der liefhebbers verdienen, zal ik slechts hier beschrijven degenen die met de mooiste bloemen bloeien en alle van de Kaap de Goede Hoop in Afrika oorspronkelijk zijn.
De tweekleurige Middagbloem (Mesembryanthemum bicolorum van Linnaeus) (Lampranthus bicolor) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Afrika dat met stengels en priemvormige blaadjes, kegelachtig gepunt, groeit en hier van juni tot in september bloeit met gespikkelde stralen en zeer mooie roodachtige, gele bloemen.
De Nacht-Middagbloem (Mesembryanthemum noctiflorum van Linnaeus) groeit met houtachtige, vertakte stengels omtrent 90 centimeters hoog met korte, rondachtige bladen en bloeit van juni tot in september met witachtige stralen en roodachtige gespikkelde bloemen die zich tegen den avond ontluiken.
De violetkleurige Middagbloem (Mesembryanthemum violaceum)(Lampranthus violaceus) is een langlevende plant van Afrika die met rechte gebogen stengels omtrent 50 centimeters hoog groeit met kleine priemvormige blaadjes en hier meest van mei tot in oktober bloeit met zeer lieflijke violette bloemen.
De puntachtige Middagbloem (Mesembryanthemum echinatum van de Hortus Kew) Delosperma echinatum) is een langlevend houtachtig gewas van de Kaap dat met vertakte stengels en ruwe bladen, met haartjes bedekt, omtrent 60 centimeters hoog groeit en van juni tot in oktober bloeit met mooie stralen en gele bloemen.
De zilverachtige Middagbloem (Mesembryanthemum micans van Linnaeus) (Drosanthemum micans) groeit met zwakke, dunne stengels en zilverachtige, grijze, blinkende, geknobbelde bladen; bloeit van in juni tot oktober met zeer lieflijke, roodachtige, gele, oranjekleurige bloemen.
De haarachtige Middagbloem (Mesembryanthemum hispidum van Linnaeus) (Drosanthemum hispidum)groeit met kleine vertakte stengels en ruwe, rondachtige, lange bladen en bloeit van mei tot in augustus met brede, violette stralen en mooie roze bloemen.
De Middagbloem met grote bloemen (Mesembryanthemum spectabile) (Lampranthus spectabilis) met korte stengels en gladde, driehoekige kegelvormige bladen bloeit hier van juni tot in september met gele stralen en mooie roodachtige bloemen.
De gouden Middagbloem (van Willdenow)(Lampranthus aureus) groeit met vertakte stengels omtrent 1 meter hoog met puntige ,kegelvormige bladen; bloeit hier van maart tot in augustus met bleek gele stralen en vergulde bloemen.
De getande Middagbloem (Mesembryanthemum denticulatum) (Cheiridopsis denticiulata) groeit met kleine, vertakte stengels en langwerpige, getande bladen; bloeit van mei tot in september met roosachtige en rode karmijn bloemen.
De krom sabelige Middagbloem (Mesembryanthemum acinaciforme) (Carpobrotus acinaciformis) groeit met zwakke, houtachtige stengels meer dan 1meter hoog met gebogen sabelvormige bladen die rond stokken worden geleid en bloeit met rode, gele stralen en purperachtige bruine bloemen.
De Mesembryanthemum rubricaule (Ruschia rubricaulis) Mesembryanthemum roseum, (Lampranthus roseus) Mesembryanthemum pulchellum, Mesembryanthemum reflexum, Mesembryanthemum ulimifolia, van Willdenow en de Mesembryanthemum diversifolium, (Aptenia cordifolia) Mesembryanthemum capitatum van Haworth Conicosia pugioniformis subsp. pugioniformis) en meer andere soorten worden hier alle in de matige serres gekweekt; de volgende zijn alle kruidplanten, die men hier meest Vetplaten noemt: De Mesembryanthemum dolabriforme, (Rhombophyllum dolabriforme) Mesembryanthemum deltoides, (Oscularia deltoides) Mesembryanthemum difforme, (Glottiphylum difforme) Mesembryanthemum rostratum van Linnaeus (Cheiridopsis rostrata) en de Mesembryanthemum felinum (Mogelijk Faucaria felina) en Mesembryanthemum murinum van Willdenow; (Stamatium murinum) de Mesembryanthemum ramulosum, (Stomatium murinum) Mesembryanthemum obcordellum, van Haworth, (Conophytum obcordellum) worden hier allen bij sommige liefhebbers van Vetplanten gekweekt en door afzetsels en uitspruitsels in potten en ook door het zaad vermenigvuldigd; ze vatten gemakkelijk wortel.
De eenjarige Middagbloem (Mesembryanthemum crystallinum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Egypte, die hier gewoonlijk in de volkstaal IJsplant wordt genoemd om zijn wonderbare, tepelvormige kristelachtige blaasjes die als blinkend ijs aan de stengels en bladen zeer lieflijk hangen; bloeit hier in augustus met kleine ,witte bloempjes; het zaad in de warme serres rijpt wordt hier vroeg in de lente op broeibakken gezaaid.
De Mesembryanthemum pinnatifidum en de Mesembryanthemum nodiflorum zijn ook eenjarige planten van Egypte die alle jaren vroeg in de lente in de warme serres worden gezaaid. Alle deze planten die weinig nut inhouden worden om hun lieflijke bloemen veel gekweekt.
MIRABELPRUIM, in ’t Frans Myrobolanier. In het Latijn Prunus myrabolana, is door Jussieu onder de familie der roosvormige bloemplanten en Pruimen gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintig helmige, bomen wiens bloemen met twintig en meer helmstijltjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Mirabelboom (Prunus myrobolana van Desfontaine of van sommigen Prunus cerasifera) is een langlevende boom van Noord-Amerika die hier in de tuinen aan de muren en elders wordt geplant, veel in leibomen gekweekte n op den gewone jonge Pruimenboom wordt geënt; bloeit hier in de lente en brengt mooie rondachtige, donker rode vruchten voort welke in augustus rijpen en een aangename, sappige smaak verkrijgen. In Zuid-Frankrijk wordt het om zijn lekkere vruchten veel in de velden geplant om vers en droog in de keuken te gebruiken en ook met de vruchten brandewijn te distilleren.
De Mirabelboom met dubbele bloemen (Prunus spinosa flore pleno?) is een langlevend houtgewas van Noord-Amerika dat hier van veel liefhebbers in de lusthoven wordt geplant om zijn mooie dubbele bloemen; maar men heeft er in ons klimaat geen vruchten van te verwachten zoals in de warme landen en van andere Pruimbomen die nochtans ook dubbele bloemen dragen en ten zelfden tijde goede vruchten voortbrengen. Deze gewassen worden op de wijze van de gewone Pruimen gekweekt en door enting vermenigvuldigd.
MISERIEBOOM, Bergpeperboom, Kellerhals ,in het Frans Garou, Lauréole, Daphne, Bois gentil, in 't Latijn Daphne, door Tournefort Thymelaea genoemd; door Jussieu onder de familie van den Miserieboom gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen een maar een stampertje hebben.
De Miserieboom (Daphne mezereum van Linnaeus is een langlevend heester-houtgewas van Europa dat in België in de bossen omtrent Namen, Luik, Luxemburg en elders groeit en ook hier in de bloemhoven wordt gekweekt; groeit met zwakke, vertakte stammen omtrent 80 centimeters hoog en lansvormige bladen; begint hier meest van februari te bloeien met steelloze, donkere roze bloemen die op de stam en takjes groeien eer de bladen zich vertonen en waarvan men enige medesoorten vindt met witte, rooskleurige, violetachtige bloemen.
De laurierachtige Miserieboom (Daphne laureola van Linnaeus) groeit veel in België, Frankrijk, Duitsland, Engeland en elders op de bergen en bossen en wordt hier ook in de bloemhoven geplant; groeit met lancetvormige, gladde bladen omtrent 70 centimeters hoog en begint van maart te bloeien met korte bloemtrosjes en ronde, geelachtige groene bloemen.
De Bergpeperboom (Daphne cneorum van Linnaeus) is een langlevend klein heester-houtgewas van de Alpen gebergten dat hier omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeit met lijnvormige en soms van in de herfst en geheel de winter bloeit met bloemtrosjes en purperachtige bloemen , die zwartachtige bessen met een kerntje voortbrengen welke een zware verf inhouden.
De Pontische Miserieboom (Daphne pontica van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van Azië; groeit met lancetvormige bladen omtrent 30 centimeters hoog en bloeit hier meest in april met trosjes en veel witachtige gele bloemen die zeer goed riekend zijn.
De Daphne thymelaea (Thymelaea sanamunda)van de Pyreneeën gebergten groeit hier ook omtrent 30 centimeters hoog met lancetvormige bladen en bloeit in mei met witachtige gele bloemen die op de takjes verenigd groeien.
De Daphne Alpina van Linnaeus wordt veel in Zwitserland, Oostenrijk en elders gevonden; groeit hier omtrent 60 centimeters hoog met bleek groene ,lancetvormige bladen op de takken verspreid en bloeit meest in juni met korte bloemtrosjes en witte bloemen die een zoete geur inhouden.
De Miserieboom voor trekpleisters (Daphne gnidium van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van het Zuiden van Frankrijk; groeit hier met vertakte stengels omtrent 1 meter hoog met lijnvormige bladen en bloeit van juni tot in juli met bloemtrossen en kleine purperachtige bloemen die van buiten witachtige bloembladen hebben en een welriekende geur verspreiden.
Men vindt nog bij onze bloemisten de Daphne collina van Smith; de Daphne japonica, Daphne lutetiana met blauwachtige bloemen; de Daphne intusrubra Daphne mezereum ‘Rubra’?) met roodachtige bloemen die hier allen in de volle grond worden gekweekt en door het zaad op teilen in de heigrond en ook door uitlopers, afzetsels en inleggers kunnen vermenigvuldigd worden, maar de eersten winter in de planthuizen moeten bevrijd zijn.
De kundige heer Orfila stelt de Miseriebomen onder de eerste klasse der dodelijke, verhitten en aanprikkelende gewassen; derhalve mogen ze op geen wijze inwendig worden gebruikt; maar de schorsen en vooral van de Daphne gnidium worden met voordeel als trekpleisters in de geneesmiddelen gebruikt. De schors enige tijd in den azijn geweekt en op het vel gelegd doet spoedig zwellen en rode blaren trekken en kan de trekpleisters die met Spaanse Vliegen zijn gemaakt vervangen als me bevreesd is van enige kwade uitwerking van die insecten en vooral om op de natuurlijke teeldelen te leggen; die pleisters veroorzaken ook, gelijk die van de Spaanse Vliegen, een onverdraaglijk jeuksel en kleine puistjes, maar die men weldra door het wassen met water waarin witte Heemstwortelkruid is gekookt kan doen verdwijnen. De Miserieboom-schors wordt ook in de pommade-zalven met zoet vet en was bereid waarmee men ze tezamen laat koken en warm ondereen verbrijzeld totdat er geen klonters meer in zijn; deze pommade-zalf is veel beter voorde mensen die met de zenuwziekte zijn gekweld dan degene van Spaanse Vliegen gemaakt en vooral voor de vrouwen en jonge kinderen. Veel geneeskundigen schrijven dat de bessen een sterk buik zuiverend en tevens een braakmiddel zijn.
MISPELBOOM , Mispelaar, Azarolboom, in 't Frans Néflier, in 't Latijn Mespilus, is door Jussieu onder de familie van de bomen die roosvormige bloemen dragen gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, twintig helmige, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen die op den kelk zijn vastgehecht en vijf stampertjes hebben met vijfbladige bloemkelken en blaadjes die vruchten met vijf kerntjes omringen.
De gewone Mispelboom (Mespilus germanica van Linnaeus) is een langlevende, kleine boom van Europa die in België in sommige bossen, hagen en elders groeit, zonder doorn met lansvormige, langs onder witte bladen; bloeit hier meest in mei, met witte bloemen en gele meeldraadjes die zeer welriekend zijn.
De ongedoornde Mispelboom (Mespilus chamaemespilus van Linnaeus)(Sorbus chamaemespilus) is een langlevend boomgewas van Europa die in Frankrijk, België, Duitsland en elders groeit zonder doorns, met eivormige, gladde en scherp getande bladen, bloemtrosjes op de toppen der takjes en witachtige bloemen.
De Mispelboom met van onder witte, wollige, eivormige bladen (Mespilus cotoneaster van Linnaeus) (Cotoneaster soort) is van Noord-Europa.
De vreemde of buitenlandse Mispelboom met grote vruchten (Mespilus tomentosa van de Hortus Kew.), (Cotoneaster tomentosus) is van Noord- Amerika; het wordt hier meest op witte doorns geënt waarop de vruchten beter hun rijpheid verkrijgen.
De Mispelboom van Japan(Mespilus japonica) (Eriobotrya japonica) die hier geen 14 graden koude kan weerstaan wordt in potten ’s winters in de planthuizen bevrijd.
Al de Mispelbomen worden veel op de Kwee-Appelbomen geënt en ook door het kernzaad vermenigvuldigd; de vruchten zijn koud en droog, samentrekkend van natuur en stoppen de buikloop; men plukt die meest laat in de herfst en laat ze op zuiver stro enige tijd rotten; die vruchten alsdan gegeten zijn samentrekkend en belettende dronkenschap.
De Mispelvruchten en stenen gedroogd, fijn gestampt en met witte wijn of brandewijn ingenomen waarin Peterseliewortels gezoden zijn geweest zijn een der uitmuntendste middels om de steen in de nieren, lenden en blaas te breken. Men maakt van het Mispelboom hout goede stokken met knopen.
MITCHELLA , in 't Frans Mitchella, in 't Latijn Mitchella, is door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf inhouden gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De kruipende Mitchella (Mitchella repens van Linnaeus) is een langlevend rankgewas van Noord-Amerika dat met zwakke, kruipende ranken tamelijk hoog klimt met altijd groen blijvende bladen en hier meest in juni bloeit met witte, trechtervormige bloemen die in de kransen verdubbelen een zeer lieflijke zoeten geur verspreiden en mooie, karmijn rode bessen met vier kiempjes voortbrengen die de gedaante van een mijter hebben en een rode verf geven; ze worden veel van de reukwerkers gebruikt om blanketsel mede te maken. Deze plant, die zich tot heden de enigste van zijn geslacht bevindt kan hier zeer goed onze koude winters weerstaan en wordt tot versiering om de prieëlen te bedekken en traliën mee te bekleden in dn heigrond geplant en door afzetsels en inleggers der jonge ranke die goed wortel vatten vermenigvuldigd; het moet in de heigrond geplant worden of anderszins wil het niet groeien.
MOEDERKRUID, Mater, in ’t Frans Matricaire, in ’t Latijn Matricaria, is onder de 14de klasse, 3de sectie der Straalbloemen van Tournefort gesteld ;door Jussieu onder de familie der bloemtrosjes dragende kruidplanten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige veelachtige overbodige die met meeldraadjes en stampertjes verenigd op de wijze van de Reinvaarn of Wormkruid bloeien.
Het Moederkruid (Matricaria chamomilla van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de velden, hagen, tuinen, op muren en elders groeit met vezelachtige wortels en stengels met veel bladstelen, van boven vertakt en geheel verdeeld en met veel tere ,effen bladen, in veel delen gesneden en aan de kanten gekerfd die alle een bleek groene kleur hebben; op sommige plaatsen groeit die wel 30 of40 centimeters hoog; bloeit hier meest van juni en bijna geheel den zomer met bloemen die in het midden ronde, gele bolletjes en witte stralen rondom de kopjes hebben. Geheel dit kruid is sterk van reuk en zeer bitter van smaak; de bloemen worden hier in hun jeugd verzameld om droog en groen in de medicijnen te gebruiken. De toppen en bloemen van het Moederkruid zijn warm en droog van krachten en worden in de geneesmiddelen als aandrijvend voor de gebreken der baarmoeder gebruikt; ze verwekken, zegt de doctor De Caux, de achterblijvende en dralende maandstonden en drijven de nageboorte af als men het water drinkt waarin die gezoden zijn geweest.
Dit kruid in pappleisters op de buik boven de schaamdelen gelegd belet de opstijging der baarmoeder. Het Moederkruid, zegt Clusius, gedroogd, in poeier met honig ingenomen, purgeert en verdrijft de duizelingen uit het hoofd en de wormen uit de buik.
Men heeft nog het welriekend Moederkruid (Matricaria suavolens van Linnaeus) (Matricaria discodea)dat om zijn deugden alle jaren in sommige landen wordt gezaaid en ook in het wilde groeit, van gedaante op het voorgemelde gelijkt en van Lobel voor den Semen sanctum officinarum gehouden is; het Zee-Moederkruid (Matricaria maritima van Linnaeus), (Tripleurospermum maritima) dat veel aan de kanten der zee, in Frankrijk, België en de Nederlanden groeit; het Berg-Moeder- kruid (Matricaria parthenium van Linnaeus of Pyrethrum parthenium van Willdenow) (Tanacetum parthenium) werd door Clusius Matricaria alpina genoemd en is een langlevende kruidplant ,die veel in Zwitserland, Italië en Zuid-Frankrijk groeit en hierin de kruidhoven wordt gekweekt .Volgens de nieuwe en oude Kruidbeschrijvers houden die allen dezelfde krachten in voor de moeder kwalen en worden gebruikt om de verstoptheid der ingewanden te ontsluiten.
MOERBEZIENBOOM, in 't Frans Murier, in ’t Latijn Morus, is onder de 19de klasse,14de sectie van Tournefort der bomen die met katjes bloeien gesteld; door Jussieu onder de familie der Netels en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia tetrandria, eenhuizige met bloemen van het mannetjes- en wijfjes- geslacht die op dezelfde boom afzonderlijk of op een stengel aangetroffen worden met vier helmstijltjes bloeien.
De witte Moerbeien boom (Morus alba van Linnaeus) is een langlevende boom van China die met hartvormige, blinkende bladen scheef hoekig getand ,zeer lommerrijk groeit en witte, zoete bessen voortbrengt die een aangename smaak inhouden; men heeft er door het zaad wel 25 verschillende medesoorten van verkregen; de bladen dienen tot het voeden der zijde wormen.
De zwarte Moerbeien boom(Morus nigra van Linnaeus) is een langlevende boom van Italië die met hartvormige, ruwe bladen zeer lommerrijk groeit en zeer lekkere zwartachtige bessen voortbrengt die vers en gekonfijt worden gegeten en waarmee een siroop bereid wordt die voor de keelpijn en als borstverzachtend middel voor de terende mensen en veel andere ziekte te herstellen wordt gebruikt.
De Papier- Moerbeien boom (Morus papyrifera van Linnaeus) (Broussonetia papyrifera) is een langlevende boom van Japan die met hartvormige bladen die zeer van gedaante verschillen hier lommerrijk groeit vruchten met haartjes bedekt voortbrengt en wiens bladen in China en elders in de Indiën veel worden gebruikt om papier mee te maken.
De rode Moerbei boom (Morus rubra van Linnaeus) is een langlevende boom van Virginië die met van onder gewolde, hartvormige bladen groeit en met ronde katjes bloeit; deze bomen worden hier allen in de vollen grond geplant en door het zaad, inleggers en uitlopers vermenigvuldigd.
De Ververs- Moerbeien boom (Morus tinctoria van Linnaeus) (Maclura tinctoria) groeit meest in Zuid-Amerika, Brazilië̈ en elders met lommerrijke, langwerpige bladen en doornen aan de oksels der takken bekleed; maar deze boom kan onze koude winters niet weerstaan.
Ik heb al de Moerbeien bomen met hun nuttige delen om de zijde wormen op te voeden om deze kostelijke bomen in België te kweken beschreven in een boekdeel van 176 bladzijden in het jaar 1840 in het licht gegeven waarvan Zijne Majesteit Leopold zich gewaardigd heeft de opdracht te aanvaarden en waarover de Minister der binnenlandse zaken mij door een groot getal inschrijvingen en brieven van eerbewijs en aanmoediging heeft vereerd.
MOGORI of Arabische Jasmijn, in ’t Frans Mogori, Jasmin d 'Arabie, in ’ t Latijn Mogorium, is door Jussieu onder de familie van de Jasmijn boom gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Arabische Jasmijn (Mogorium sambac) (Jasminum sambac) is een langlevend heestergewas van Arabië met altijd groen blijvende, hartvormige bladen dat hier bijna de gehele zomer bloeit met zeer lieflijke, witte, gepijpte bloembladen in acht verdeeld en tien geelachtige meeldraadjes in de bloemkransen, die een zoete, aangename reuk verspreiden en die plant zeer mooi verheffen.
De Mogorium nyctanthes en de Mogorium jasminum sambac (alle twee Jasminum sambac) zijn ook onlangs van Arabië in België overgevoerd; onze kundige bloemisten hebben nog in 1843 enige medesoorten verkregen die met mooie dubbele bloemen in de matige serres bloeien ,alwaar ze moeten gekweekt worden om zich te kunnen ontwikkelen . Deze bloemen worden bij de Arabieren veel gebruikt om welriekende waters mee te distilleren die ze naar vreemde landen verzenden. Deze mooie gewassen die vooral ’s avonds in de matige serres meest hun welriekende geur verspreiden zijn hier nog zeldzaam in dn handel bekend en kunnen door afzetsel sen uitspruitsels in de heigrond op lauwe broeibakken en onder het glas in de run in potten met fijne heigrond gevuld vermenigvuldigd worden.
MOLUKBLOEM, ’t Frans Molucelle, in ’t Latijn Molucella is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De gedoornde Molukbloem (Molucella spinosa van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van de Molukken Eilanden die met stengels wel 1 meter hoog groeit en hartvormige bladen, die van boven rondachtig zijn; bloeit hier van juli tot in september met ringvormige geschikte bloemen, kransjes in twee lippen verdeeld, de ene van boven rooskleurige, de andere bleekgeel en bloeibladen die zeer stekend zijn.
De gladde Molukbloem (Molucella laevis van Linnaeus ) is een eenjarige plant van Syrië met witte, klokvormige bloemkransen. De heesterachtige Molukbloem (Molucella frutescens van Linnaeus)is een kruidplant van Italië die van Perzië̈ oorspronkelijk is en hier bloeit met bloemkelken die trechtervormig zijn.
Deze planten die de bloemperken zeer versieren worden hier meest vroeg in de lente in de bloemhoven gezaaid en op de wijze van de Schildbloemen gekweekt. Dodonaeus heeft in zijn Kruidboek ,bladzijde 126 ,ook de deugden van de Molukbloem met stekende bloemblaadjes beschreven en zegt dat die plant bijna de krachten van de Melisse en het Citroenkruid bezit (Zie het Bijenkruid, eerste deel bladzijde 361).
MONARDA, in ’t Frans Monarde, in ’t Latijn Monarda, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Monarda met buisvormige, hoekige stengels (Monarda fistulosa van Linnaeus) is een langlevende, welriekende kruidplant van Canada die hier in struiken groeit en met ringvormige geschikte en grijsachtige bloemen op de toppen der stengels van augustus tot in september bloeit.
De Monarda didyma van Linnaeus is een kruidplant van Noord-Amerika die hier van juli tot in september bloeit met mooie bloemen op de toppen en zeer lieflijke karmijn kransen die een sterk ruikende geur verspreiden.
De Monarda violacea ,van Amerika, met blauwachtige violette bloemen en de Monarda rugosa van Amerika zijn ook sterk ruikkende kruidplanten die hier omtrent 50 centimeters hoog groeien met mooie bloemkransen op de toppen en rode stralen rond de kelken.
De Monarda purpurea (Var. van didyma) en de Monarda punctata van Linnaeus zijn van Virginië en worden hier in de bloemhoven in de volle grond door struikscheiding, vroeg in de lente vermenigvuldigd; ze moeten alle twee of drie jaren in nieuwe aarde verplant worden en bij koude winters met dorre bladen bedekt zijn. Deze planten hebben dn naam van Monarda verkregen door de heer Monardez die ze eerst uit Amerika naar Europa heeft overgevoerd.
De bloem en het kruid worden met sommige geneesmiddelen bereid.
MONDHOUT, Keelkruid, Rijnwilg, Liguster, in het Frans Troëne, in ’t Latijn Ligustrum, is door Tournefort onder de 20ste klasse, 1ste sectie der eenbladige bloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Jasmijn planten en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, tweemannige, planten wiens bloemen met twee stofdraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
Het gewone Mondhout (Ligustrum vulgare van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa, dat in België, Frankrijk, Duitsland en elders in de bossen groeit ,met takken die recht overeeneind staan en zachte, langwerpige, donker groene bladen; bloeit hier meest in juni met witte bloemtrosjes op de toppen der takjes en kleine bloempjes met vier blaadjes in de bloemkransen die bij dag onbevallig, maar ’s avonds zeer aangenaam ruiken en zwarte bessen voortbrengen; men vindt er enige medesoorten onder, met bonte bladen en witachtige vruchten.
Het Japanse Mondhout (Ligustrum japonicum van Linnaeus) is een langlevend heester gewas van Oost-Indien dat in de lusthoven wordt geplant en met grote bloemtrossen en lieflijke witte bloemen bloeit die een zoete reuk bezitten; ze kunnen hier beiden door het zaad en door uitlopers vermenigvuldigd worden.
De bladen van het Mondhout zijn koud en droog van aard en samentrekkende van kracht; derhalve worden ze van de nieuwe en oude Kruidbeschrijvers zeer geprezen om de gezwellen van de keel en de mond te genezen. Die bladen in weinig water gekookt, of het sap daaruit geduwd en daarmee de mond gewassen of gespoeld zijn zeer dienstig om de mond gezwellen en oude puisten in de keel te genezen; die bladen gestoten en op vurige gezwellen gelegd doen die zachtjes verkoelen en de brand verdrijven. De bloemen op boomolie in de zon getrokken en daarmee een zalf gemaakt zijn voor alle verbrandingen van water en vuur zeer geacht en kunnen ook dienen om vurige wonden te smeren en op vurige bleinen te leggen.
De bessen van dit gewas worden van de merels, lijsters, sneppen en ander gevogelte in den winter veel gezocht. Die rijpe bessen die een mooi rood sap inhouden worden in Frankrijk veel gebruikt om de wijn een roodachtig en aangename kleur te geven en dezelfde bessen, zegt Arsenne Thiebaut de Berneaud, met kalk gemengd, bezitten een mooie blauwkleurige verf die heden gebruikt wordt om veel stoffen blauw te verven. De kolen van dit heesterhout gebrand worden ook veel gebruikt om fijn buskruit mee te maken.
MONDRUIT, Wilde Varen, in ' t Frans Osmunde, in 't Latijn Osmunda, is onder de 16de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der bloemloze planten; door Jussieu onder de familie van het Varenkruid en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia gonopterides, planten die met verborgen bloemen en vruchten groeien of niet zichtbaar zijn.
De Mondruit (Osmunda van Linnaeus of Botrychium van Willdenow) die Linnaeus Osmunda lunaria noemde (Botrychium lunaria) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders veel op sommige plaatsen in de bossen en dikwijls in de vochtige grachten en hoge onbebouwde velden groeit met een dikken wortel en veel verspreide vezels en schachten of stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten en hier omtrent 80 centimeters hoog groeien met veel bladen, vleugelvormig geschikt op de grote Varen enigszins gelijken; deze plant werd van de Alchimisten Lunaria major en van sommige oude Kruidbeschrijvers Filix aquatilis geheten, alsof men Water-Varen kruid zei. Lobel schrijft dat de Osmunda of Mondruit zeer goed is om te gebruiken want het is lieflijk van reuk en warm van aard en heet van smaak. De binnenste wortels, kern van de Osmunda geheten, gekookt en gedronken genezen de miltzucht en verdrijven de buikpijn; de bladen met Varkenslies gestoten en daarmee gestreken of op de gescheurdheid van mensen of kinderen gelegd doen dit op acht dagen genezen. Sommigen zeggen dat de Mondruit ook de krachten van het groot Varen kruid bezit. Deze planten worden hier in den kruidhof van onze Hogeschool gekweekt en door wortelscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd.
MONIKSBAARD, Wrangkruid, Viltkruid, in ’t fransch Barbe de Moine, in ’t Latijn Cuscuta, is door Jussieu onder de familie van de Windeplanten gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria digynia ,planten die met vier stuifdraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het Wrangkruid (Cuscuta europaea van Linnaeus) is een eenjarige zuigplant van Europa die op het Vlas groeit met veel lange vezels en draadjes die als snaren voortkruipen en met verscheidene tuiten als strengen van verward garen groeien, soms zo dik als de hechtrankjes van den Wijngaard groeien en haarvormig dooreen gevlochten, zichzelf rond de stengels van het Vlas winden en er zo vast aankleven dat hierdoor het Vlas omdraait, zijn voedsel geheel onttrokken wordt en versterft; deze plant, die hier in de volkstaal gewoonlijk Ruije, Schorft, Wrangkruid wordt genoemd is een ware gesel die het Vlas zodanig hindert en de groeikracht belet dat enige struikjes van die ondeugdelijke planten een geheel perk met Vlas bezaaid op twee maanden tijd kunnen doen verdrogen, alsof het door het vuur of de bliksemstralen zou verslonden zijn, hetgeen men wel soms hier te lande bemerkt.
Het Wrangkruid wordt meest in juni gevonden en bloeit in juli met ronde bolletjes aan de stengels en kleine, witte bloempjes die zeer veel zaadjes voortbrengen welke meest met augustus rijp worden; dit rijpe zaad kan door zijn zwaarte door de wind niet weg vliegen of verspreid worden en is soms ook met het vreemde Vlas zaad gemengd; het woordje Zuigplant of Parasier dat Linnaeus daarbij heeft gevoegd wil ook zeggen planten die op een andere plant groeien waaruit het sappen en voedsel trekken. Derhalve is het van groot belang voor een landbouwer middelen te gebruiken om dat onkruid in zijn jeugd te verdelgen, het Wrangkruid nauwkeurig in het Vlas op te zoeken eer het begint te bloeien en geen tijd te laten dat die plant zich door het bloemstof zou kunnen vermenigvuldigen en door het rijpe zaad verspreiden. De eenvoudige landbouwers maken hier soms valse gissingen op en zeggen dikwijls dat het vuur hun Vlas vernietigd heeft en dat het hekserij is; maar indien ze dit goed naspeurden zouden ze ook kunnen bemerken dat het enkel die Wrangkruiden zijn die hun Vlas verdelgen en doen versterven.
Het Wrangkruid (Cuscuta epithymum van Linnaeus) is een eenjarige plant die hier ook wel in België, in de Spaanse Klavers groeit; maar gelijk de Klavers binnen de zomer afgemaaid worde ,kan dit kruid zich door zijn bloemen niet voortzetten en de vruchten niet hinderen. Het Wrangkruid, zegt Lobel, wordt van de geneesheren en apothekers meest geprezen omdat het de verstoptheid van lever en milt open ,en met Anijs zaad gemengd de koliek en buikpijn verdrijft.
MONSONIA , in 't Frans Monsonie, in 't Latijn Monsonia, is door Jussieu onder de familie van de Ooievaarsbekken gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia dodecandria, eenbroederige, planten met twaalf meeldraadjes tot een lichaam verenigd.
De versierende Monsonia (Monsonia speciosa van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Afrika die hier met stengels omtrent 25 centimeters hoog groeit en lange bladstelen met gevleugelde bladen; bloeit hier in de matige planthuizen van in april tot mei met aller mooiste rooskleurige bloemen, purperachtig geaderd die van onder met een mooie karmijn rode kleur zijn versierd.
De Monsonia lobata van Willdenow is een langlevende kruidplant van de Kaap die met stengels en eivormige, gevliesde bladen hier wel 30 centimeters hoog groeit; bloeit meest in mei met zeer lieflijke rooskleurige en mooie karmijn rode gespikkelde bloemen met vijf bloembladen in de kelken en kransjes en vijftien stofdraden die deze bloemen versieren en zaadhuisjes met vijf schildjes voortbrengen.
Deze mooie versierende planten kunnen door het zaad en wortelscheiding in het voorjaar op warme broeibakken vermenigvuldigd worden; ze worden in dn zomer meest uit de potten in de heigrond in buiten geplant en ’s winters in de planthuizen bevrijd.
De nuttige krachten van deze planten zijn mij niet bekend.
MOORSBLOEM, in ’t Frans Morée, in ’t Latijn Moraea, is door Jussieu onder de familie der Lisbloemen gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie stuifmeel draadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Moorsbloem met scheden(Moraea vaginata) (Moraea virgata?)waaronder men de Moraea polyanthos van Linnaeus vindt is een langlevende kruidplant van Afrika die met gevezelde wortels en schachten, omtrent 30 of 40 centimeters hoog groeit en gladde, puntige bladen die in scheden op de wijze der Lisbloemen groeien; bloeit van mei tot in juli met zeer lieflijke verheven bloemen, in zes kleuren verdeeld waarvan drie bloembladen mooie witte ende andere drie blauwe, purperen op een gele grond gespikkelde en gekleurde boorden hebben.
De halve ruwe Moorsbloem (Moraea lugens) (Aristea lugens)groeit met stengels en smalle bladen en bloeit meest in juli met bloemen in zes verdeeld waarvan de drie grote bloembladen purper zijn en de andere drie op de topjes zwarte boorden hebben.
Men vindt hier nog bij onze bloemisten de Moraea elegans, Moraea tricolor, Moraea sordescens, Moraea longifolia en de Moraea longiflora met de grote gebaarde Moorsbloem (Moraea africana of Aristea major) (twee verschillende soorten) die met schachten wel 80 centimeters hoog groeit en bladen van 50 of 60 centimeters lang en hier meest in juli bloeit met twee mooie arentrosjes en zeer lieflijke hemel blauwe bloemen en de Moraea of Aristea cyanea die hier meest in april met mooie blauwe bloemen op de toppen bloeit.
Deze planten zijn meest allen van de Kaap en Afrika hier overgevoerd; ze worden inde matige serres of planthuizen gekweekt, door het zaad op warme broeibakken gezaaid en door teelloten en uitspruitsels vermenigvuldigd, waarvan de volgende soorten met ze ’s winters een weinig te dekken in de volle grond kunnen worden geplant : de Moraea chinensis (Iris domestica) van Linnaeus, een kleine kruidplant van China die op de Lisbloem (Iris pumila) wel gelijkt; de Moraea virgata en de Moraea iridioides (Dietes iridioides) die ook op de Lisbloemen gelijken; ze worden ook door de teelloten vermenigvuldigd.
De nuttige delen van deze mooie bloemen zijn mij niet bekend.
MORINDE, in ‘t Frans Royoc, Morinda, in ‘t Latijn Morinda, is onder de familie der planten die een rode verf geven gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten of bomen die met vijf stofdraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De Morinde met Citroenboom bladen (Morinda citrifolia van Linnaeus) is een houtachtig stamgewas van de Indiën dat met eenzame stengel groeit in hier in de warme serres wordt gekweekt en meest in juli bloeit met eenbladige bloemen, in twee blaadjes getekend die vruchten met kerntjes voortbrengen.
De zonneschermige Morinde (Morinda umbellata van Linnaeus) is een langlevende houtachtig stam gewas van de Indien die met rechte stengels en eivormige, puntige bladen groeit en ook eenbladige bloemen en vierkante vruchten met kerntjes voortbrengt. De Morinda royoc van Linnaeus is een langlevend houtachtig stamgewas van Amerika dat met liggende stengels groeit en vierkante bessen met veel kerntjes voortbrengt.
Onze bloemisten hebben nog onlangs alhier van de Indiën de welriekende Morinde (Morinda odorata)(Mogelijk Morinda citrifolia) verkregen die nog zeer zeldzaam is verspreid. De kerntjes van deze vruchten worden in het land van hun afkomst veel gelijk hier de bonen gegeten.
De mooie gewassen die allen in de warme serres worden gekweekt kunnen door het rijpe kernzaad op warme broeibakken gezaaid en ook door uitspruitsels en inleggers vermenigvuldigd worden.
MORINGA, in 't Frans Morine, in 't Latijn Morina, is door Jussieu onder de familie der Dipsacées of Slangenbeten gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, bomen die met twee helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Moringa(van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Perzië̈, dat geknoopt, tamelijk hoog met weinig takken, zeer broos hout, donker groene bladen die op de Linze- bladen gelijken groeit; bloeit met ongelijke bloemkransen en tweebladige bloemkelken; maar de kelken van de vruchten zijn eenbladig en hebben een kern onder de bloemkelken die achthoekige vruchten van 14 centimeters lang en dik als een Radijs, voortbrenge ,die een asgrauw groen kleur hebben, van buiten geel gespikkeld, maar van binnen wit merg met blinkende kernen die de grootte van de Cisters hebben; de bladen bezitten een sterke smaak bijna als die van het Raaploof. Men vindt deze boomgewassen veel in Oost-Indiën, Malabar en elders groeien; ze hebben in de Turkse taal de naam van Morian verkregen en worden in Gazarat Turiaa genoemd; men vindt die hier ook in sommige warme serres. Dit gewas wordt tegen alle vergiftige en besmette lucht zeer geprezen en de vruchten worden in de Indiën gelijk hier te lande de Bonen verkocht en met vlees en veel andere spijzen gegeten; de wortels worden in poeiers gemorzeld en op allerlei beten van kwade en vergiftige dieren van buiten gelegd; en worden zeer geprezen voor de mensen die veel braken en een kwade buikloop hebben. Die wortels waren ten tijde der Kruisvaarders zeer goed bekend en vele van onze landgenoten die de krijgstochten in Azië hadden bijgewoond zijn door het lang gebruik van deze wortels van de Lazarus ziekte volkomen genezen geweest, gelijk men in de oude geschiedenis beschreven vindt. De bomen worden in het land van hun afkomst door het kernzaad vermenigvuldigd.
MOS, Wolfsklauw, Ledmos, Bergmos, Aardmos, Watermos, in ’t Frans Mousse, Patte de Loup, Lycopode de moussen, in’t Latijn Lycopodium muscus, is onder de17 de klasse, 1ste sectie van Tourfort, der bloemloze planten gesteld; door Jussieu onder de familie van het Mos en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogymia musci, planten die verborgen bloemen en vruchten dragen. Het grote Mos (Lycopodium clavatum van Linnaeus) is een mooi langlevend gewas van Europa dat in België op sommige streken, in de belommerde velden en vochtige bossen groeit, met kruipende, vertakte ranken, met kleine, ruwe blaadjes geheel bekleed en dubbele stengels, gelijk klauwen, met ronde aren op de toppen aan de aarde vast met vezeltjes die op de grond liggen. Dit Wolfsklauw-Mos wordt in vele landen verzameld en droog in poeiers fijn gemorzeld; het is uit dit Mos dat men het fijne sulferachtige gele poeier trek, dat een levende vlamstof inhoudt; die hevige vuur vattende stof, die hier onder donder de naam van Sulfer peper is bekend, wordt meest door toneelspelers op de schouwburgen gebruikt om de klare blikkerende vlam in den donker te verbeelden. Dit geelachtig poeier wordt ook veel bij de apothekers gebruikt om pillen in te rollen en in te rollen en voor de mensen en kinderen om de kloven en brand scheuren van het vel te genezen en bloedige wonden te stelpen. Eindelijk men heeft bemerkt dat dit Wolfsklauw-poeier fosforachtig licht geeft en ook bereid kan worden om er capsules mee te maken.
Het Watermos (Lycopodium inundatum van Linnaeus) (Lycopodiella inundata) is een langlevend Mos dat met fijne rankjes in de moerassen grachten, poelen en op vochtige plaatsen groeit met haarachtige verspreide blaadjes en met aren op de topjes. Het Watermos met wijn gezoden is zeer dienstig om op de voeten der mensen te leggen die met jicht gekweld zijn; het verzacht de jichtige smart en wordt ook op de wonden vers gelegd.
Het Aardmos dat op de Heide gelijkt (Lycopodium selago van Linnaeus) (Huperzia selago) groeit in Vlaanderen in de heide en elders op droge plaatsen, in de bossen met vertakte rankje bij de aarde gestrekt en gespletene rankje die een halve maan verbeelden en kleine blaadjes die op acht rijen zijn geschikt. Het Ledmos (Lycopodium selaginoïdes van Linnaeus) Selaginella selaginoides)dat ook op de Heide gelijkt groeit ook in Vlaanderen, in de vochtige bossen en elders. Deze twee planten worden veelgebruikt om bezems mee te make ,en ook in sommige streken verzameld om beddingen mee te vullen.
Het Bergmos (Lycopodium alpinum van Linnaeus) (Diphasiatsrum alpinum) groeit in België, Zwitserland en elders op de bergen en wordt ook in Vlaanderen in de heide gevonden; groeit met rechte stengels, in twee gespletene n scherpe blaadjes in vier rijen geschikt, met steelloze aren op de topjes. De Lycopodium complanatum (Diphasiastrum complanatum) wordt ook in België in sommige bossen gevonden. Deze soorten van Mos hebben een stoppende en verkoelende kracht en zijn goed voor het graveel en de zweren van de nieren te genezen; ze worden in de wijnlanden veel in pakjes in de wijn tonnen gehangen om de wijn van alle bederven is te bewaren.
MOSTERDKRUID, Mosterdzaad, in het Frans Moutarde, Sénevé , in ‘t Latijn Sinapis, is door Jussieu onder de familie der Kruisvormige bloemplanten gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtige, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvruchten met schelpjes dragen.
Het Veld Mosterdkruid (Sinapis arvensis van Linnaeus) is een eenjarige zaadplant van Europa die in België in de hoven en velden omtrent 1 meter hoog groeit met stengels en bladstelen, ruwe, rondachtige bladen die aan de stelen groeien en zijtakjes op de toppen verdeeld en hier meest in juli bloeit met gelachtige bloemen waarop lange, dunne, ruwe peulvruchten volgen, ie ronde geelachtige zaadjes voortbrengen. Het zwart Mosterdkruid (Sinapis nigra van Linnaeus) (Brassica nigra) is ook maar een eenjarige plant die in België in de velden groeit met ruwe stengels en bladstelen op de wijze van de voormelde en gele bloemen draagt die peulvruchten voortbrengen met bruine, zwartachtige zaden gevuld die een scherp bijtende smaak inhouden.
Het wit Mosterdkruid (Sinapis alba van Linnaeus) is een eenjarige plant die in de velden en hoven groeit met stengels, bladstelen en ruwe bladen en met witachtige bloemen bloeit en peulvruchten draagt die zwaardvormig zijn geschikt, lange bekjes hebben, zaad op de wijze van Raapzaad inhouden en een scherpe hete smaak hebben.
Het wilde Mosterdkruid, dat op de Raket gelijkt (Sinapis erucoides van Linnaeus) (Diplotaxis erucoides) groeit aan alle kanten in België en elders in Europa, aan de wegen en velden, maar groeit veel kleiner dan het tamme , et stengels en bladstelen, breed gesneden ruwe bladen en gele, vierbladige bloempjes kruisvormig geschikt waarop ruwe, rondachtige peulvruchten volgen die vol roodachtige zaadjes zijn die een scherpe hete smaak bezitten.
Al deze Mosterdkruiden zaaien veel zichzelf, zelfs in de landen waar ze nooit gestaan hebben. Men heeft ook meermalen bemerkt dat overstroomde landen die binnen de vijftig jaren niet waren bewerkt na twee j aren beploeging met zeer veel Mosterdkruid waren bedekt. Men vindt in de Hist. plantarum germanica dat een groot deel land aan de Mond van de Oder door de zee overstroomd waarop in verscheidene jaren geen vruchten gestaan hadden na het tweede jaar der bewerking bijna geheel met wit Mosterdkruid was bedekt; dus, volgens deze aanhaling is het zeer waarschijnlijk dat het Mosterdzaad door de wind wordt verspreid en met het zandachtig stoften allen kanten vervliegt en ook door de vogels wordt voort gedragen. Dit zaad kan zes jaren zijn groeikracht behouden en is voor zijn heilzame deugden van over zeer lang bekend; het is heet en droog tot in de derde graad. Dit zaad met azijn gemalen is zeer aangenaam om met vlees of andere spijzen te eten en werkt mede om de spijzen in flauwe magen te verteren. Het Mosterdzaad met Vijgen en Komijn zaad gestoten en alzo ingenomen geneest de waterzucht; met wijn gezoden beneemt het kuchen en de droge hoest; de Mosterd drijft de pis a en stilt de buikpijn.
Vers gemalen en op kwade gezwellen en zweren gelegd doet het die verdrogen en genezen. Het Mosterdzaad gezoden, in een popje gedaan, in azijn gedoopt en met lauw water in de mond gehouden stilt de tandpijn en zuivert de hersenen; het doet veel zeveren en water uit de mond lossen. Het Mosterdzaad fijn gestampt en in de neus opgehaald zuivert de hersenen en doet niezen. Het heeft ook een uittrekkende kracht met olie, zoet vet of was gemengd geneest het de kwade schurft van het hoofd; met azijn gemengd en daarmee het aangezicht of vel gewassen neemt het alle sproeten en vlekken weg. Het Mosterdzaad met bier gekookt en daarmede gegorgeld geneest de kwade kelen. Olie van Mosterdzaad wordt zeer geacht om het sciatica en slappe zenuwen mee te smeren. Het Mosterdzaad verzacht de harde milt en wordt ook in veel voetbaden en als pappleisters gebruikt. Eindelijk het Mosterdzaad bezit zulkdanige deugden om de gebreken der mensen en dieren te helpen en om inwendige en uitwendig te gebruiken dat men daarover een geheel boekdeel zou kunnen schrijven. Men vindt zelfs het Mosterdzaad in het heilig Evangelie beschreven alwaar het woord Gods bij dit zaad vergeleken is. Het tam Mosterdzaad wordt in de moeshoven gezaaid want het wilde zaad is niet zo scherp van krachten.
MOTTENKRUID, zwart Wollen kruid, in ’t Frans Blattaire, Herbe aux Teignes, in 't Latijn Verbascum blattaria, is door Jussieu onder de familie van de Nachtschade gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf stofdraden bloeien en maar een stampertje hebben.
Het Mottenkruid (Verbascum blattaria van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België op sommige plaatsen in de bossen en op potaarde grond groeit en een medesoort van Zwart Wolkruid schijnt te wezen waar het van gedaante wel op gelijkt; maar de bladen van het Mottenkruid zijn groen en glad, met geen wol bedekt , een weinig blinkend, aan de kanten gekerfd en langwerpig; de stengels groeien recht en zijn van boven met kleine takjes verdeeld, waarop van juli tot in september meest gele bloempjes bloeien, maar die soms ook een bleek rode kleur hebben of bruin, purperachtig violet zijn, die rondachtige zaadhuizen als bolletjes met veel zaadjes voortbrengen. Dit kruid wordt hier ook in de bloemhoven in het voorjaar gezaaid alwaar het meest gele bloemen draagt die een onaangename reuk hebben. In zijn bloeitijd geplukt wordt het veel in de kleerkasten en elders gelegd om de kleren en boeken van de motten ,kleerwormen en boekwormen te bevrijden. Lobel zegt dat het Mottenkruid door zijn bitterheid van smaak ook zeer goed is voor de verstopping der ingewanden te gebruiken en dat het de kleine adertjes die hun voedsel uit het bloed halen openen kan. Het Mottenkruid, zegt Dodonaeus, is ook goed om alle zweren te genezen en voor de ontstoken rode ogen te ontzwellen; het heeft de krachten van het Wolkruid om het bloed te zuiveren.
MUURPEPER, Kleine Donderbaard, Hemelsleutel, Parelkruid, i n ’t Frans Orpin. Trique-Madame, in ’t Latijn Sedum, is door Jussieu onder de familie van den Huislook en Hemelsleutel gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, planten die met tien meeldraden bloemen en welke vijf stampertjes of wijfjes delen hebben.
Men vindt veel verschillende soorten van deze planten die hier alle in België in de volkstaal verscheidene namen hebben en om hun heilzame deugden in de medicijnen in den kruidhof der Hogeschool geplant zijn.
De Muurpeper of Parelkruid (Sedum acre van Linnaeus) is een zeer laag, klein en teer kruid, met dunne, korte stengels en veel blaadjes die zeer klein, dik, scherp en vol sap zijn, stelen waarop in de zomer maanden veel kleine, gele bloempjes bloeien en wortels die vezelachtig zijn.
De witte Muurpeper (Sedum album van Linnaeus) is ook een langlevende kruidplant van Europa die in België op de muren en daken groeit, maar ook in de kruidhoven wordt geplant; het gelijkt van stengels en blaadjes wel op de eerst gemelde, maar bloeit met witte bloempjes. Deze twee planten zijn hier veel bij het volk onder de naam van Parelkruid bekend omdat de eenvoudige landlieden die veel met regenwater en een weinig azijn laten weken en het sap daaruit persen om de brandvlekken die als pareltjes op de ogen komen te genezen; die kruiden zijn zeer verwarmend en scherp van krachten en doen de bleinen en brandige, hete puisten, daarmee gewassen of er opgelegd, ook zuiver genezen. Het sap van de Muurpeper met azijn ingenomen doet braken en overgeven, lost alle dikke en grove slijmen en galachtige vochtigheden uit het lichaam; dit bij tijds ingenomen kan zelfs de mens van koortsen en dergelijke langdurige kwalen bevrijden. In de noordse landen, alwaar die planten veel zijn bekend, worden ze voor het scheurbuik en veel andere ziekten gebruikt.
De kleine Donderbaard of Muurpeper (Sedum sexangulare van Linnaeus) groeit veel in België op de muren met dunne stengels door langwerpige, spitse bladen bekleed die op de aarde kruipen en waaruit in mei stengels spruiten die omtrent 10 of 12 centimeters hoog groeien en van juni tot in september, met kroonvormig geschikte, gele bloempjes versierd bloeien.
De Muurpeper (Sedum aizoon van Linnaeus) (Phedimus aizoon) is een langlevend kruid van Siberië ,dat hier in de kruidhoven wordt geplant; het wordt gebruikt om de vurige puisten en gezwellen te genezen; het sap van deze kruiden doet alle vrouwen vloeden die uit hete oorzaken gekomen zijn ophouden en de bladen worden ook gebruikt voor de hete koortsen.
De Muurpeper of Spaanse Smeerwortel (Sedum telephium van Linnaeus) (Hylotelephium telephium) groeit in alle delen van Europa en groeit veel in België in ’t wild op droge en vochtige plaatsen, aan de kanten der bossen en hove, ,in struiken met dikke wortels en stengels met getande, groene bladen, in het geheel omtrent 20 centimeters hoog; bloeit ook in de zomer met bleekgele bloemen op de toppen, al trosjes geschikt.
De wortels van deze plant, zegt de kruidkundige Montegre, bezitten een bijzonder specifiek om de speenaambei pijn te verhelpen; het was Montegre die al de heilzame deugden van deze plant aan de doctor Savares van Italië na de krijsverrichtingen der Franse legers in Egypte, in 1798, heeft kenbaar gemaakt; hij schreef hem dat hij de Sedum telephium aldaar gebruikte om de vurige wonden, lopende gaten, bloedige kwetsuren en zeren der soldaten te genezen, als ook voor de scheuringen en andere besmettelijke toevallen en ziekten. De Hemelsleutel ,Sedum telephium sylvestris genoemd wordt ook in de volkstaal wilde Porselein geheten, waarop het nochtans niet gelijkt, maar een medesoort van de voor vermelde Telephium schijnt te zijn; groeit ook met dikke wortels en struiken, met stengels en blauwachtig groene bladen bekleed; bloeit met purperachtige bleek blauwe bloemen, kroonvormig geschikt en groeit hier ook in ’t wild op lommerachtige plaatsen, aan de wegen, grachten en muren en wordt veel in de hoven geplant; diens wortels bezitten ook dezelfde krachten als voor vermelde.
Deze Hemelsleutels worden hier veel te lande omtrent Sint Jan dag, met de wortels omhoog, in de huizen aan de ribben of stenen muren gehangen alwaar ze zeer lang groen blijven en dikwijls nog bloemen geven.
De Hemelsleutels Sedum reflexum, Sedum dasyphyllum en S. villosum van Linnaeus, groeien ook in België en worden in de kruidhoven geplant; de Sedum pyramidale die met stengels wel 40 centimeters hoog groeit en met witte kleine bloempjes in jul bloeit wordt hier ook gekweekt.
De Hemelsleutel (Trique-Madame of Sedum cepaea van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant die in Frankrijk veel in het voorjaar in de moeshoven wordt gezaaid en als toekruid, op de wijze van de Porselein ,met de spijzen en salade gegeten en voor een verkoelend en zuiverend middel wordt geacht. Al de andere soorten worden meest door wortelscheiding en door het zaad vermenigvuldigd.
MUIZENOOR, in ’t Frans Oreille de Souris, in ’t Latijn Myosotis, is onder de 2de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die trechtervormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der Bernagie en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf stof draadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Muizenoor plant die op het Schorpioenkruid gelijkt (Myosotis scorpioides van Willdenow) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de vochtige moerassen groeit met dunne, kleine stengels en eeltachtige blaadjes; begint hier van mei te bloeien met blauwachtige bloempjes waarvan vele met geel zijn gemengd; ze brengen blinkende zaadjes voort.
De Veld-Muizenoor (Myosotis arvensis van Willdenow) is een eenjarige kleine kruidplant die in België ten alle kanten in de velden groeit in struikjes, et zeer veel fijne gewolde blaadjes die op de muizenoren gelijken waaruit in mei stengels spruiten die in juni met veel kleine bleek blauwe bloempjes bloeien die gewoonlijk gele kransjes hebben.
De kleefachtige Muizenoor (Myosotis lappula van Linnaeus)(Lappula myosotis) is een eenjarige plan, die hier aan en op de oude muren groeit met kleine lansvormige, gewolde blaadjes en lange vertakte stengeltjes waarop meest in juni blauwachtige bloempjes bloeien die puntige zaadjes voortbrengen.
Deze kruiden werden van de oude Kruidkenner Auricula muris genoemd en hebben, volgens hen, de kracht om de steken en beten der schorpioenen te genezen als men die gestoten op de wonde legt. Men heeft bij het opzoeken dikwijls bemerkt en ondervonden dat de schorpioenen zich altijd van dit kruid verwijderden; als men dit op hen legt of hen er mee aanraakt vallen ze in een zwijmeling alsof ze dood waren.
Men kweekt nog in sommige bloemhoven de Moeras Muizenoor (Myosotis palustris) die in struiken met stengels wel omtrent 20 centimeters hoog groeit met smalle blaadjes en aren of trosjes op de toppen der stelen; bloeit meest van mei tot in juni met zeer lieflijke hemelsblauwe bloempjes met gele gestipte kransjes; het wordt door wortelscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd. Deze plant wordt heden vee in de huizen gekweekt en moet veel water hebben.
MUIZENSTAART, in ’t Frans Queude Suris, in ‘t Latijn Myosurus, is onder de 6de klasse, 7deo sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria polygynia, planten die met vijf stofdraden bloemen en verscheidene wijfjes delen of stampertjes hebben.
De kleine Muizenstaart (Myosurus minimus van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België en elders overal in de velden en granen groeit in struiken met lijnvormige blaadjes aan de wortels en eenbladige schachten; bloeit hier meest in juli met lange, rechte, grijsachtige bloempjes die op de toppen der schachtjes de gedaante van een Muizenstaart hebben en ook op de Hondsribbe gelijken; maar de bloemkelkjes zijn open met vijf bloemblaadjes in de kransjes en honigkelkjes, tongvormig en gevleugeld; de meeldraadjes verschillen veel in getal; men vindt er van 5 tot 20 die de kleur van de bloempjes hebben en een lange vruchtbodem die zeer veel zaadjes voortbrengen; die plant wordt hier te lande als onkruid zeer vermenigvuldigd. Het is hier zeer goed bekend en heeft zijn naam uit het Grieks Myosouros verkregen die in onze taal Muizenstaart betekent. De krachten van dit kruid zijn me niet bekend, maar volgens de smaak betuigt het wel aan de Weegbree of Hondsribbe te gelijken.
MUNT, Munt kruid, in ’t Frans Menthe, in ’t Latijn Mentha, is onder de 4de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere stofdraadjes bloemen en naakte zaden dragen.
Het Munt kruid (Mentha sativa van Linnaeus) is een kruid van Zuid-Europa dat in België en elders in de kruidhoven wordt gekweekt en groeit met stengels, omtrent30 centimeters hoog, en eivormige ,puntige, getande en gezaagde bladen; bloeit met ringvormig geschikte bleke bloempjes op de toppen die de stofdraadjes langer dan de kransjes hebben.
De gekrolde Munt (Mentha crispa van Linnaeus ) (Var. van Mentha spicata) wordt in de kruidhoven geplant en groeit ook in de vochtige belommerde bossen met stengels en hartvormige, getande bladen die fijn gevlamd en steelloos zijn en bloeit met witte purperen bloempjes op de toppen die de stofdraden gelijk met de kransjes hebben.
De Pepermunt (Mentha piperita van Linnaeus) wordt hier veel in de hoven geplant en groeit met stengels, bladstelen en eivormige bladen, met zeer welriekende en bleke paarse bloemen op de toppen die de stofdraadjes korter dan de bloemkransjes hebben. Dit Munt kruid schijnt van Engeland oorspronkelijk te zijn; al zijn delen houden veel vluchtige olie in en wordt meest voor de stuiptrekkende ziekten gebruikt. De Watermunt (Mentha aquatica van Linnaeus) groeit veel in België in de waters en grachten met stengels en bladstelen, eivormige, gekerfde en getande bladen en bleke purperachtige bloemen op de toppen die de meeldraadjes langer dan de bloemkransjes hebben.
De Munt met rondachtige bladen (Mentha rotundifolia van Linnaeus) is ook een kruidplant van Engeland die hier in de hoven wordt geplant; groeit met stengels en ronde, gerimpelde, doorzichtige bladen die steelloos zijn; bloeit met langwerpige aren en witte bloempje die een zeer sterk ruikend sap inhouden.
De Citroen-Munt (Mentha citrata van Willdenow) (Mentha x piperita f. citrata) is een plant van Duitsland die hier veel in de kruidhoven wordt geplant en waarvan al de delen een citroengeur bezitten.
De wilde Munt (Mentha sylvestris van Linnaeus) groeit hier veel in de vochtige bossen met stengels en steelloze, langwerpige getande ,gekerfde en wollige bladen; bloeit met aren op de toppen die de meeldraadjes langer dan de bloemkransjes hebben.
De Akker-Munt (Mentha arvensis van Linnaeus) groeit veel in de velden en kanten der wegen met stengels en eivormige, getande bladen; bloeit met ringvormig geschikte, rooskleurige, purperen bloemen op de toppen die de stofdraden gelijk met de bloemkransjes hebben. Men vindt nog de Mentha gentilis (Mentha x gracilis)die hier in de moerassen groeit; de Mentha pulegium van Linnaeus en de Mentha viridis die in de bossen en vochtige plaatsen groeit die in de winter overstroomd zijn.
Al deze Munt kruiden worden hier door de zorg van de heer Donkelaar in de kruidhof der Hogeschool gekweekt. Deze platen zijn warm en droog van krachten en bezitten allen een zeker deel vluchtige olie die het geheugen der mensen versterkt; het is uit de gekrolde Munt dat men het sap trekt om de riekende suikerballetjes mee te maken die men bij de apothekers en elders verkoopt en zo nuttig worden geacht voor de mensen die flauwe magen hebben en de spijzen niet kunnen verteren. Er wordt ook met de vluchtige olie uit die Munt gehaald een zeer aangename likeur gemaakt dat door het overhalen wordt bereid. De Munt is zeer aandrijvend en geneest de weedom; het sap van de Munt met azijn gedronken doodt de ronde wormen; de Munt in het water gekookt, zo wel de wilde als de tamme , zegt Lobel, en drie dagen gedronken doet de pijn en krimping der darmen vergaan’ met wijn gezoden is het zeer dienstig de vrouwen die zware arbeid in het baren hebben. Het kruid met Gerstemeel gemengd doet de zweren vergaan en is zeer goed om op de vrouwenborsten te leggen; het belet de klontering van de melk. De reuk van de Munt maakt de mensen vrolijk en blijmoedig. Het water uit de Munt gedistilleerd doet het bloed lopen uit de neus ophouden. Olie van Munt wordt ook wel met andere medicijnen gemengd om de verstoptheid van lever en milt te openen en de koude slappe magen te verwarmen, de buikloop te stelpen en het braken te beletten. De kaas met water bestreken waarin Munt bladen gezoden of gewonden zijn wordt van bederf bevrijdt. Lobel zegt dat de bladen van de wilde Munt gesloten zeer goed zijn om de beten der dolle honden te genezen; het kruid gestampt is zeer dienstig om op de kropzweren en klieren te leggen.
Het Munt kruid en de bloemen worden meest in de bloeitijd verzameld omdat ze alsdan al de gemelde krachten bezitten om later voor de medicijnen te bereiden en volgens de noodwendigheden te gebruiken.
MUSCARI, Cymboline, Ooievaarslook, in ’t Frans Muscari, in ’t Latijn Muscari, is onder de 9de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld der Leliebloemen; door Jussieu onder de familie van de wilde Lelie en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloem en maar een stampertje hebben.
De Muscari moschatum of Hyacinthus muscari van Linnaeus, is een langlevende bolplant van Azië die hier in de bloemhoven wordt geplant en groeit met lange bladen op de wijze van goten waarop stengels uit de bollen spruiten en ten einde april aren met bolvormige, gele, violette bloemen te samen op bloeien die een welriekende muskus geur verspreiden.
De Muscari racemosum (synoniem met de vorige) is een langlevende bolplant van Frankrijk, die in België ook op sommige plaatsen wordt gevonden; het groeit met groene gebogen bladen en stengels en bloeit meest in april met hemelsblauwe bloempjes op de wijze van druiftrosjes, met belletjes, die een aangename muskus reuk inhouden.
De Muscari monstruosum (Muscari comosum “Monstrosum) met donkergroene en roodachtig getekende bladen bloeit hier van mei tot in juni, met kleine gespikkelde, blauwachtige bloempjes die ook een muskus reuk inhouden. Deze planten kunnen door het zaad en bloembolscheiding op de wijze van de Hyacinthus, Cymboline en Affodillen worden vermenigvuldigd en bezitten de krachten van de Hyacinthus.
De bloemen worden veel Muscus menen dat men er de welriekende muskus uit trekt; maar de rechte Muskus die men bij de apothekers koopt komt van het muskusdier voort; een slag van indiaanse herten die in Tibet, China en elders in de Indiën veel worden gekweekt en de gedaante van een steengeit hebben.
MUSKUSKRUID, in 't Frans Muscatelle, in ' t Latijn Adoxa, door Tournefort Moschatellina genoemd en onder zijn 2de klasse, 7de sectie der trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Steenbreek en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria tetragynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en vier stampertjes hebben.
Het Muskuskruid (Adoxa moschatellina van Linnaeus) is een kleine kruidplant van Europa die hier 's zomers in de kruidhoven wordt geplant en 's winters in potten in de kamers en oranjehuizen en vooral als het bloeit om zijn aangename geur wordt gehouden; het groeit met kleine ,zachte, harige blaadjes en heeft onderaardse, water pas stengels die gedeeltelijk onder de aarde blijven en op het einde van de zomer vergaan waaruit in april nieuwe stengels spruiten en waarop tot in oktober kleine, lieflijke groenachtige bloempjes met gele meeldraadjes en stampertjes bloeien die twee bloem blaadjes in de kelken en vier in de kransjes hebben.
Deze lieflijke kleine plant wordt door wortelscheiding voort gekweekt. De bloemen en het sap van dit kruid worden zeer geacht om welriekende waters mee bereiden.
Men heeft aan die planten de bastaard naam van Amour des Dames toegebracht omdat de juffers er een bijzondere genegenheid voor hebben; dit kruid heeft een verkoelende kracht en kan de huis zeer schoon en zuiver maken als men die daarmee wast.
Niettegenstaande dit kruid van sommige juffrouwen om zijn welriekende geur wordt geacht kan het ook veel pijn in het hoofd veroorzaken en vooral bij mensen die een flauwe gezondheid hebben of met zenuwziekte enigszins gekwek zijn, toch wordt het veel in potjes in de huizen of kamers gekweekt, hoewel het niet gezond is daar dikwijls aan te ruiken.
MUSKAATBOOM. Muskaatnoten, Kruidnoten in ’t Frans Muscadier, in ‘ t Latijn Myristica ,is door Jussieu onder de familie van de Laurierbomen gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige die van twintig tot honderd helmstijltjes of stofdraden en maar een stampertje hebben.
De Muskaatboom (Myristica officinalis van Linnaeus) (Myristica fragrans) is een langlevend boomgewas van de Indiën dat natuurlijke in de Molukken eilanden en elders in de Indiën in de volle grond wordt gekweekt; groeit de hoogte van een Perzikboom, vertakt met altijd blijvende groene bladen die op de Laurierbladen gelijken, maar in het midden meer geribd met korte stelen zonder tanden zijn en ook wel op Oranjebladen gelijken; men vindt er een medesoort van in de Indiën die lange en brede bladen draagt, welke een grijsachtig, groen blinkende kleur hebben en een aangename reuk verspreiden. Deze boom wordt veel in het eiland Bantam en elders in de Indiën gekweekt; het bloeit met klokvormige bloemkelken en vijf bloembladen in de kransen die noten met bolsters bedekt en een kern en een kern in ieder bolstertje voortbrengen die verdrogen en op de wijze van de Okkernoten rijpen en in Indien drie maal per jaar rijp worden. Ik heb in de Kruidhof te Parijs in de warme serres twee soorten van die bomen bemerkt :de Myristica moschata, (Myristica fragrans) met langwerpige bladen en haarloze vruchten en de Myristica tomentosa, (Myristica fragrans) met eivormige, grijsachtige, groene bladen en noten met gewolde bolsters bedekt die meest in de warme eilanden worden gekweekt en door de handel naar Europa en elders worden gezonden. Niettegenstaande die noten een weinig kleiner zijn worden ze meest om hun welriekende geur en aangename smaak in de spijzen gebruikt.
De Muskaatnoten zijn warm en droog van aard tot in de tweeden graad en bezitten een stoppende en samentrekkende kracht; deze noten met mate in de spijzen gegeten verzachten wonderlijk goed alle koude steken en winderigheden in de maag, lever, milt en moeder; ze verhaasten de vertering der spijzen in de maag en op allerlei wijze ingenomen beletten ze het braken, maken een goede adem, versterken de hersenen en het geheugen en verdrijven de druppelpis. Die noten in poeiers met wijn gedronken, zegt de heer De Caux, zijn zeer dienstig voor de koliek, buikpijn en krimping der darmen en in alle verstoppingen der lever en milt; ze worden vooral met oude rode wijn ingenomen om den buikloop en rode loop te stelpen. De Arabische geneesheren doen er ook een weinig Opium bij om de buikloop te stoppen, de gebreken van de nieren en blaas en de heimelijke ziekte van mannen en vrouwen te genezen; maar die noten moeten met mate gebruikt worden omdat ze ook zeer aanhitsend zijn: te veel daarvan ingenomen zouden ze de natuur hinderen.
MIRREBOOM, is een boomgewas die in Arabië, Abessinië groeit en nog aan de Kruidkundigen is onbekend; de ene denken dat het een Amyris is en de andere dat het een Acacia is.
Het is uit deze boom dat een gomhars wordt getrokken die in ’t Frans Myrrhe, in ’t Latijn Myrrha wordt genoemd (Commiphora africana) en naar Europa en elders wordt gezonden en hier van over zeer oude tijden bij de apothekers wordt verkocht, door de geneesheren aan de zieken bevolen en veel in poeiers gebruikt word ,om de spannende spieren en vezels te herstellen, de spijzen in de maag aan te drijven en de gebreken der moeder te genezen. Deze buitenlandse bittere hars is zeer welriekend en wordt ook meest gebruikt om de dode lichamen te balsemen en die onbederfelijk te maken hetgeen lange tijd een geheim is geweest in Europa en door de Egyptenaren alleen was bekend.
De Mirre heeft een welriekende, aangename geur, een bittere en een weinig wrange smaak; de grootste stukken bieden strepen aan dat het gevolg van de opdroging schijnt te zijn en geenszins nagelsteken, zo als het gewone volk zulks verzekert.
De inwoners der landen die de Mirre voortbrengen knauwen die gedurig, zegt men, en gebruiken die veel tegen hun ziekten.
MYRSINE, in ’t Frans Myrsine, in ’t Latijn Myrsine, is door Jussieu onder de familie van dn Brij appelboom gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Myrsine africana van Linnaeus is een langlevend heester boomgewas van Ethiopie dat hier in de matige planthuizen in potten in de heigrond word gekweekt; bloeit hier in de zomer met zeer lieflijke bloemkelken die in twee half uitgesneden tezamen de bloemkransjes vormen; de kransjes zijn met eierstokjes vervul ,en brengen in het land van hun afkomst bessen met een zaad zaadje en nootjes met vijf kerntjes voort; al de delen van deze plant houden, als de Mirt, een welriekende geur in en bezitten ook dezelfde krachten.
Onze kundige plantkweker L. Van Houtte heeft onlangs alhier van de Indiën de Myrsine urvilleae (Myrsine australis?)verkregen die nog zeer zeldzaam verspreid is en op zijn bloemlijst voor 50 franks staat aangekondigd. Alex. Verschaffelt heeft ook de Myrsine crassifolia van de Oost-Indiën verkregen die hij voor 2 franks de plant op zijn bloemlijsten aangeduid heeft.
De Myrsine spec. nova, van Nieuw-Holland, (Australië) (Myrsine novocaledonica?) is hier door Van Geert in 1844 eerst in den Casino tentoon gesteld.
De naam van Myrsine komt uit het Grieks en wil ook in ’t Latijn Myrtus zeggen.
Deze gewassen worden hier op de wijze van de Mirtebomen vermenigvuldigd en moeten ook ’s winters in de planthuizen of in een matige serre bevrijd worden.
MIRTEBOOM, in ’t Frans Myrthe, in ‘t Latijn Myrtus is onder de 21ste klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Mirtenbomen en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintig helmige, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Gelijk de Mirtenbomen zeer veelslachtig zijn en meest alle in onze taal verschillende amen hebben zal ik mij hier bepalen met de gewone Mirtebomen te beschrijven.
De gewone Mirteboom, (Myrtus communis van Linnaeus) is een langlevend, klein heester-boomgewas van Azië en Afrika dat sedert zeer oude tijden in de warme delen van Europa is verspreid en waarvan men door het zaad wel 40 verschillende soorten heeft verkregen die meest alle de namen van de landen en streken, alwaar ze gewonnen zijn, hebben behouden zoals de Romeinse Mirt (Myrtus romana duplex) met dubbele bloemen; de Italiaanse mirt (Myrtus parvifolia); de Andalusië Mirt en de Napels Mirt (Myrtus boëtica en Myrtus tarentina) enz., die in de warme gewesten in de lusthoven worden geplant ,door hun mooie welriekende bloemen en vruchten de Engelse hoven zeer bevallig versieren en aldaar soms wel 4 meters hoog groeien; ze bloeien van mei tot in juli met gespikkelde, roos- en veel andere kleurige bloemen.
Deze Mirten werden voor deze in de geneesmiddelen gebruikt om de spannende zenuwen en spieren te bewegen en verscheidene soorten van langdurige vallingen aan te drijven.
De Katoen-Mirteboom (Myrtus tomentosa?) is een mooie langlevend klein boomgewas van China dat met van onder door witte dons bedekte bladen groeit en meest van juni tot juli hier in de matige planthuizen bloeit met zeer lieflijke, rooskleurige, grote bloemen en rode meeldraadje ,die de bloemen zeer verheffen. Men kweekt nog bij verscheidene bloemisten de Myrtus pimenta (Pimenta dioica) van Oost-Indiën met de Myrtus annularis?, Myrtus bullata, (Lophomyrtus bullata) Myrtus melastomoïdes, (Rhodamnia rubescens) Myrtus tenuifolia, (Austromyrtus tenuifolia) Myrtus trinervia (Rhodamnia trinervia) en veel andere nieuwe soorten van de Indiën die hier sedert drie of vier jaren zijn overgevoerd en door onze bloemisten in de Casino ten toon gesteld.
Al deze Mirte planten worden door afzetsels en inleggers, op lauwe broeibakken in de matige serres vermenigvuldigd en 's winters in de planthuizen bevrijd.
NACHTSCHADE, in 't Frans Belladone, Belle Dame, in ’t Latijn Atropa belladonna, is onder de 1ste klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Nachtschade planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Nachtschade(Atropa belladonna van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België op sommige plaatsen en in de bergachtige bossen bij Tervuren in Brabant en ook in Vlaanderen te Ename, Oosterzele, Moorsele en elders groeit; het groeit met vertakte stengels omtrent 1 meter hoog en donker groene, gehele ,eivormige bladen; bloeit hier meest in juni met klokvormige, roodachtige bruine bloemen die ook een paarse kleur hebben en aan den schoot der bladen uitspruiten; ze brengen donkerrode bessen voort die door de bloemkelken tot hun rijpheid worden vergezeld, eerst groen zijn, dan rood worden en nadien de gedaante van een grote Morelkriek verkrijgen en een mooi rood sap inhouden dat in Italië en elders veel wordt gebruikt om een zeker blanketsel mee te maken waardoor die plant den naam van Belladonna, Vrouwe Schoonheid, heeft verkregen. Maar deze bessen zijn onder de dodelijke slaapverwekkende middelen gesteld en al de delen dezer planten zijn zeer gevaarlijk vooral de vruchten die een hevig vergift bezitten en op de grote zwarte Krieken wel gelijken waardoor de onkundigen zich wel kunnen misgrijpen en dikwijls droevige gevallen veroorzaken. Aangaande de gevaarlijke krachten van die bessen zal ik hier een getrouw en geloofwaardig naricht mededelen. M. de doctor Gaulthier de Claubry schrijft dat hij in het jaar 1813 al de krachtige uitwerksels van de vergiftige bessen der Nachtschadeplanten heeft bemerkt en zegt dat 250 mannen van het 12de
linie regiment die in de gebergten van Zwitserland de vijand vervolgden door onwetendheid van die bessen gegeten hebben de volgende tekens van vergiftiging gaven: ze waren met spannende, uitpuilende en onbeweeglijke oogappels volstrekt ongevoelig in de ogen, zonder beweging van het lichaam, zonder de minste inbeelding of kennis van hun gesteldheid, hadden de ogen zeer ontstoken ten meesten deel met blauwachtig en rood bloed vervuld; sommigen waren als dom en ongevoelig, en verscheidene anderen driftig en als razende dol met een droge mond, tong en keel, zonder iets e kunnen inzwelgen; anderen hadden een grote braaklust zonder te kunnen overgeven; door hun zwakke gesteltenis, zwijmelingen en flauwte van het lichaam was het hun onmogelijk zich te kunnen recht houden ze waren zonder slag in de pols, maar met handen en vingers in een gedurige beweging; velen waren zinneloos en blijgeestig, met onnozele grimlachjes en sprakeloos of met een on uitdrukkelijke en ontstelde stem; ze waren ongevoelig aan hun genezing,en zonder reden of gedachten op hunne voorgaande gesteldheid. Bij het openen der dode lichamen van deze die door het gevolg der Nachtschade- bessen gestorven waren, heeft men gevonden dat de mag zeer ontstoken was en zelfs het vergift het ingewand veranderd had en dat de adervaten der hersenen geheel met bloed waren overladen. Er zijn geen middelen te vinden, zegt de heer Gaulthier de Claubry om de mensen te herstellen die door die vergiftige bessen vergeven worden; men moet dan enkel zich naar die omstandigheden gedragen en alle zachte middelen trachten te gebruiken om de lijdende te helpen, waarvan men zich gewoonlijk bij andere vergiftigingen bedient. Nochtans, zegt dezelfde heer, worden die planten in Duitsland tegen verscheidene ziekten gebruikt, vooral voor de vallende ziekte, voor waterzuchtige mensen en ook om de venus- ziekte en geelzucht te genezen. Ze worden ook in de pleisters bereid en voor de kliergezwellen, koningszeer en bijtende of in etende kankers gebruikt. Maar men kan voor inwendige middelen deze plant met geen voldoende voorzichtigheid gebruiken.
De heer Orfila zegt dat al de vergiftige delen van deze slaap- verwekkende plant op de vezeldraadjes der hersenen meest hun vergiftige krachten uitwerken. Deze plant, die voor deze ook grote Nascaye werd genoemd, kan door het zaad en wortelscheiding in he tvoorjaer vermenigvuldigd worden; men vindt die hier ook in de kruidhof der Hogeschool. (Zie Roques, Phys. méd., en Journal général de médecine, tome XLVIII).
NACHTSCHONE , Salepwortel, Nachtschuim, Schone bij Nacht, in ’t Frans Belle de Nuit, in ’t Latijn Mirabilis jalapa, is onder de 2de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der trechtervormige bloemplanten, door Jussieu onder de familie van de Nictages of Nachtschone en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia ,planten die met vijf stofdraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De Schone bij Nacht (Mirabilis jalapa van Linnaeus) is een kruidplant van Mexico en Peru die met levende wortels hier gewoonlijk in de bloemhoven groeit, in struiken met vertakte stengels en blinkende ,zachte ,hartvormige bladen en meest van juni tot in oktober bloeit met zeer veel trechtervormige bloemen waaronder men ervan veel verschillend kleuren vindt als rode, gele, bonte en witachtig gespikkelde die door het zaad dikwijls veranderen; ze sluiten zich bij dag en ontluiken zich slechts ’s morgens en ’s avonds en brengen zaad in zaadhuizen in hutjes met twee zaadjes verdeeld voort.
Deze plant is hier in België in het jaar 1610 van Peru overgevoerd en werd eerst Xalappa genoemd; volgens de stad in Mexico, vanwaar het eerst gezonden is. De wortels van deze plant zijn langs buiten roodachtig bruin en langs binnen in hun middelste punt gestreept; ze hebben een walgachtige reuk en in poeier gestoten bezitten ze een stinkende geur en bittere smaak. Deze wortels droog in poeier bereid en met water in honing of wijn ingenomen bewerken een zeer geweldige buikloop; derhalve moeten de dosis voor volwassene mensen en kinderen op verschillende wijzen en volgens hun krachten en ouderdom door een ervaren geneesheer voorgeschreven worden; want de hoeveelheid der dosis verschilt zeer, volgens de jaren en natuur krachten der mensen. De beste Jalapwortels die men hier meest bij de apothekers verkoopt komen van Mexico en de Gezondheidsgazette zegt dat het dezelfde wortels zijn als van de Mirabilis jalapa die hier in de kruidhoven groeit; maar dat ze hier in Europa dezelfde krachten, als in de warme landen van Mexico niet kunnen verkrijgen.
Men kweekt hier nog de Nachtschone met lange bloemen (van Linnaeus) een langlevende kruidplant van Mexico die met zwakke, vertakte stengels en kleefachtige, wollige, welriekende bladen groeit en meest van juni tot in oktober bloeit met lange ,witte, smalle, gepijpte bloemen die een welriekende geur verspreiden en de reuk van de oranjebloemen hebben. Gelijk deze plant door zijn zwakheid aan de grond ligt moet het aan steunstokken gebonden worden.
Men heeft uit deze twee planten veel medesoorten door het zaad verkregen die men gewoonlijk Mirabilis hybrida noemt en zich met witte, rode, gele en andere geschakeerde, bevallige bloemen van juni tot in september vertonen en onze bloemhoven zeer mooi versieren. Deze planten worden hier meest alle jaren vroeg in de lente in warme plaatsen of bakken gezaaid en met dolken verplant en ook vermenigvuldigd door de wortels die men in de herfst uit de aarde neemt en op droge plaatsen in de planthuizen of kelders bevrijdt en in ’t voorjaar plant die wel vroeg bloeien.
NAAKTE MEID, Tijdloze, Naekte Vrouw, Hondsdood, in het Frans Colchique, Belletoute Nue, Mort au Chien, in ' t Latijn Colchicum, is onder de 9de klasse,1ste sectie der leliebloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Rietplantenen onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria trigynia, planten die met zes meeldraden bloemen en drie stampertjes hebben.
De Herfst Naakte-Meid of Tijdeloze (Colchicum autumnale van Linnaeus) is een langlevend bolgewas van Europa die in België, Frankrijk, Italië, Duitsland en elders in de moerassen groeit en ook in de vette gronden en weiden met rondachtige bollen, in de lente uit de aarde spruit met korte schachten waarop drie of vier rechte, lange en brede, lansvormige, scherpe, groene bladen groeien waaruit hun midden in de zomer steeltjes spruiten; eerst komen er driekantige dikke en langwerpige blaasjes op die zich in drieën ontluiken en altijd in september geheel verdwijnen en dan spruiten er weer korte steeltjes uit waarop in de herfst bleek blauwe bloemen met bleekgele meeldraadjes versierd bloeien die op de saffraan bloemen gelijken en derhalve van sommigen Bastaard saffraan worden genoemd.
De Berg-Tijdeloze (Colchicum montanum van Linnaeus ) groeit veel in Zwitserland en wordt ook in België in de gebergten der provinciën Luxemburg, Luik en Namen gevonden; het heeft lijnvormige, openen bladen en bloeit in de zomer met bleke roosachtige bloemen waarvan men in Duitsland ook medesoorten vindt met witte bloemen die Colchicum album genoemd worden.
De geschakeerde Tijdeloze (Colchicum variegatum van Linnaeus) is een langlevende bloembol-plant van het eiland Chio en van de Oost-Indiën die hier om zijn lieflijke, mooie purperachtige bloemen, in kleine ruitjes getekend, die in september bloeijen, door bolscheiding vermenigvuldigd wordt.
De Herfst-Tijdeloze wordt door de kundige Orfila onder de 3de klasse der vergiftige planten gesteld: een weinig te veel daarvan ingenomen kan den mens snel doen sterven; maar die bloembollen of het zaad met olie gestampt en daarmee gesmeerd is een der krachtigste middels om de luizen en neten te doden en met olie en was bereid en als een zalf op pleisters gesmeerd verzachten en stelpen ze de pijn in de lenden en als pappleisters met gerstemeel gemengd zijn ze zeer goed om op de verzworen wonden en steken te leggen; ze trekken de splinters en doorns uit het diepste der wonden; die bloembollen met azijn en Brandnetel zaad gestoten verdrijven al de vlekken en littekens van het vel; ze zijn ook zeer dienstig om op alle onrijpe en verharde gezwellen te leggen ,doen weldra al de vurigheid verdwijnen en maken ook de verrekte lenden weer regt. Zie hier op wat wijze de doctor Gabriël Grimaud De Caux die voorschrijft om het jicht, vliegende jicht en reuma, zinking of verkoudheid te helpen: neem 4 ons bloembollen van de Herfst-Tijdeloze en een halve liter rum van 22 graden waarin men die bollen in stukken snijdt en toen dagen laat staan trekken en ’s morgens en ‘s avonds die fles goed klutst waarvan men enkel alle dagen twee kleine koffie lepeltjes in thee van oranjebloemen en suiker gebruikt. Niettegenstaande, zegt de doctor Roques, dat de Herfst-Tijdeloze een geweldig vergif inhoudt kan ze op de volgende wijze voor het reuma en vliegende jicht bereid worden; neem verse Tijdeloze bollen. De zwaarte van een pond en een had en snijdt die in stukken en laat ze tien dagen in een liter goeden wijn met 2 ons Franse brandewijn weken, gebruik daarvan een koffielepeltje daags, hetgeen men vervolgens een weinig mag vermeerderen; maar men moet zorg hebben, zegt ook Gabriël Grimaud, van dit te eindigen als men vindt dat de maag enige verhitting begint te verkrijgen en andere zachtere middelen gebruiken; want teveel daarvan genomen kan ook droevige gevolgen hebben ,gelijk de Franse Gazette der rechtbanken van den 16de februari 1845 ons verhaalt dat Mr. Enault een kleine onpasselijkheid gevoelde en zijn gewone doctor, Mr Vanier ,hem 30 druppeltjes tinctuur van Tijdeloze (Teinture colchique) voorschreef die hij bij de apotheker Coquille zond halen, dat de discipel hem 30 grammen bestelde en dat hij na dit ingenomen te hebben schielijk overleden is. De bolwortels van de Naakte Meid bezitten ook een hevig vergif om de honden en wolven te doden.
NAALDENKERVEL, in ’t Frans Peigne de Venus, Scandix, in ’t Latijn Scandix, Pecten veneris, is ook zo als de Kervel onder de 7de klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld ;door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende kruidplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia umbeltata, zoals de Kervel bloeit.
De Naaldenkervel (Scandix pecten van Linnaeus) (Scandix pecten-veneris) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de velden en granen groeit met vertakte stengels en bladstelen die maar omtrent 20 of 22 centimeters hoog groeien met fijne bruin groene blaadjes die op de Kervel gelijken en meest in juni bloei ,met witte, smalle bloemen, kroonvormig geschikt waarna de zaadhuisjes volgen die kleine paknaalden gelyken waerdoor de plant de naam van Naaldenkervel heeft verkregen en hier veel te lande Naaldenkruid wordt genoemd; het houdt ook een lieflijke reuk in als de Hof kervel, maar is scherper en bitterder van smaak en warm en verdrogende tot in de tweeden graad. De Naaldenkervel wordt ook in Spanje en elders als moeskruid gegeten; gezoden en gedronken opent het de verstoptheid van de lever, nieren en blaas.
De Steenkervel of Haagkervel (Scandix anthriscus van Linnaeus)(Anthriscus caucalis) is een eenjarige kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België veel in hagen, op muren en steenhopen groeit en ook aan de kanten van de velde bij de wilde Kervel wordt gevonden; maar groeit kleiner, met stengels, bladstelen en smalle blaadjes; bloeit meest in mei, met witachtige, rooskleurige bloempjes en vijf bloemblaadjes. Het werd van de oude Kruidbeschrijvers Anthriscus antiquorum genoemd en er wordt in Engeland een water uit deze Kervel gedistilleerd dat als water lossend middel in de medicijnen wordt gebruikt.
NAGELKRUID, in ’t Frans Recise, in ’t Latijn Polycarpon, is door Jussieu onder de familie van de Caryophyllées, Ange- lieren, Ginoffel bloemen gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, planten die met drie helmstijltjes bloemen en drie stampertjes hebben.
Het Nagelkruid (Polycarpon tetraphyllum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Frankrijk die in België, Italië en elders in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met verwarde, omgekeerde, vertakte stengels, maar omtrent 10 of 14 centimeters hoog en viervoudige, spitse blaadjes; bloeit meest in juni met zeer lieflijke, rood gespikkelde bloemblaadjes die aan de Dianthus armeria, Angelier-Rodezelken, wel gelijken. Ch. Van Hoorebeke schrijft dat hij dit bloempje ook in België in de droge velden en wegen heeft gevonden.
Deze plant wordt hier om zijn aangename reuk en lieflijk versierende bloemen vroeg in het voorjaar in de bloemhoven gezaaid en met dolken verplant. Het wordt van sommigen in de volkstaal Kreukensbloem genoemd.
NANDINE, in ’t Frans Nandine, in ’t Latijn Nandina, is onder de familie der Berberis planten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Oost-Indische Nandine (Nandina domestica van Linnaeus) is een langlevende gewas van Japan; het groeit hier heestervormig met dunne stengels, meer dan 1 meter hoog, met driedubbele, gevleugelde bladen en bloeit meest in de matige serre van juni tot in augustus met trosvormige aren en veel kleine ,witachtige bloempjes en zes bloemblaadjes in de kransjes die opdrogen en bessen met twee kerntjes voortbrengen die eetbaar zijn en een samentrekkende verkoelende kracht inhouden en in het land van hun afkomst worden gebruikt om de buikloop te stelpen. Deze plant kan hier door het rijpe zaad in de heigrond gezaaid en door uitlopers vermenigvuldigd worden, maar moet in de matige serre worden gekweekt.
NARCISSE, Narcissenbloem, Paaslelie, Tijdeloze , in 't Frans Narcisse, in 't Latijn Narcissus, is onder de 9de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Narcissen en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. Ze bloeien met trechtervormige honingkelken, stofdraden tussen die kelken en ze zes bloemblaadjes. Men vindt er heden volgens sommige bloemkwekerslijsten wel 60 soorten van die bij veel liefhebbers in de hoven worden gekweekt en waarvan de volgende meest worden geacht.
De Narcis met tweekleuren (Narcissus bicolor )is een langlevende bloembolplant van België die uit het zaad is gesproten en zeer vroeg in de lente bloeit met mooie dubbele, gele honingkelken en sulferachtige ,gele bloembladen, waaronder men medesoorten vindt die witte bloembladen en gele honigkelken hebben.
De Narcis die een muskus reuk inhoudt (Narcissus moschatus) is een grote bloembolplant van Spanje ,die met lange, gepijpte honingkelken hier in april bloemt en waarvan de Narcissus gouanni een medesoort schijnt te zijn.
De Dichters Narcis (Narcissus poeticus van Linnaeus ) is een mooie bloembolplant van Zuid-Frankrijk die met dubbele witte, welriekende bloemen hier meest in mei bloeit en waaruit men door het zaad verscheidene medesoorten heeft verkregen. Ovidius heeft deze plant met de volgende Latijnse verzen vereerd; Iste egosum; sensi,nec ne mea fallit imago: Uror armore mei, flammas moveoque feroque.
De Narcissus pseudonarcissus van Linnaeus is een lang levende bloembolplant van Europa die in België op sommige plaatsen in de bossen en elders groeit met gele, enkele bloemen , meest in mei bloeit en ook in de bloemhoven wordt geplant.
De onvergelijkbare Narcis (Narcissus x incomparabilis van Curtis) is een bloembolplant van Zuid-Europa die met aller mooiste dubbele, gele en witte bloemen bloeit waaruit door het zaad verscheidene medesoorten zijn gesproten.
D e Narcissus jonquilla van Linnaeus is oorspronkelijk van Spanje en bloeit hier in mei met hoog gele bloemen waaronder men ook enkele vindt e een welriekende geur inhouden.
De Narcissus calanthinus (vaak een var. van Narcissus canaliculatus) is van Portugal, de Narcissus orientalis van de Oost-Indiën, de Narcissus odorus en de Narcissus bulbocodium van Linnaeus zijn van Zuid-Europa.
Uit deze en meer andere soorten hebben de bloemkwekers in de Nederlanden en hier wel 30 medesoorten door het zaad verkregen waaronder men op hun bloemlijsten de volgende namen bemerkt; de Narcissus galisthene die met zeer mooie dubbele wit gespikkelde bloemen in mei bloeit, de Narcissus oranje-phenix, met gele, oranje dubbele bloemen, Narcissus grandmonarque, Narcissus état général, Narcissus favorite van Bulink, Narcissus Minerve, Narcissus grand sultan met zeer lieflijke, witte en hoog oranje bloemen; de Narcissus soleil d'or, met aller mooiste gulden bloemen, Narcissus gloria mundi met grote dubbele, witte bloembladen, hoog gele honingkelken en oranje stofdraden; Narcissus multiflore, Narcissus després en veel andere die ook in Frankrijk, Duitsland en Italië in ’t wild groeien in de bloemhoven worden geplant en door bloembolscheiding en door het zaad vermenigvuldigd worden en ook in sommige streken van België, Tijdeloze en Jenetjes worden genoemd.
De Narcis die in de moerassen groeit en wiens bloemen een flauwe geur inhouden wordt door de kunstscheiders in hen bloeien verzameld en door het overhalen een gele gom eruit te trekken en voor sommige ziekten gebruikt; maar deze gomachtige stof, zegt de doctor en Leraar Roques, bezit een vergiftig, zuur, slaapverwekkend middel en een weinig teveel ervan ingenomen zal niet missen op den mens een vergiftigend uitwerking te veroorzaken. De Narcissen bezitten ook een dodelijk vergif voor de honden, gelijk de kundige Orfila ,in zijn verhandeling over de vergiften in' t algemeen, Toxicologie générale, 2de deel ,bladzijde 86, kenbaar maakt en door ondervinding bewijst dat de Narcissen in al hun delen een brandend, inbijtend vergif inhouden, wat niet lang wacht te werken en een spoedige dood kan veroorzaken indien men er enkel enige greintjes te veel van in neemt; maar nochtans, zegt hij verder, als dit door een ervaren doctor, met voorzichtigheid wordt gebruikt houden ze een braak- verwekkend middel in dat op de gesteldheid der zenuwen en spieren der maag schijnt te werken; op de holachtige wonden gelegd zijn de uitwerksels nog krachtiger.
De doctor Dufresnoy van Valenciennes schrijft dat hij met de Narcissen die omtrent Valenciennes in de moerassen en bossen groeien vele proeven heeft gedaan dat hij die met groot voordeel heeft gebruikt tegen de stuipziekte en kinkhoest der kinderen en er een goede uitslag heeft mee bekomen. De heren doctors Armet en Waltecamps verhalen ook dat ze de Narcis die in de moerassen groeit in poeiers met siroop hebben bereid en daarvan een kleine dosis van 12 greintjes aan de jonge kinderen die met stuiptrekkingen en kinkhoest waren gekweld met groot voordeel hebben gegeven; dat die kinderen door een hevige uitbraking veel slijm en etterachtig stof die op de borst waren verzameld hebben overgegeven en op korten tijd geheel hersteld waren.
Voortijds werden de bloembollen van de Narcissen en het kruid tezamen gekneed en uitwendig op de gezwollen borsten der kraamvrouwen gelegd. Die bloembollen met gerstemeel of lijnmeel bereid zijn zeer dienstig om op de verharde zweren en gezwellen te leggen en doen die op korten tijd zonder pijn uitbreken; ze trekken ook alle splinters uit die in de wonden blijven steken; maar de bloemen van de Narcissen in potten of vers geplukt als bloemruikers in de huizen of besloten kamers in het water gezet zijn aan de mensen zeer nadelig; want de reuk alleen kan hun schielijk van gevoel beroven, de pols doen verdwijnen en gevaren veroorzaken; vooral als men 's nacht in een kamer slaapt waar die bloemen zijn kan de reuk zeer gemakkelijk den mens doen verstikken en schielijk van gevoel en beweging beroven; hetgeen men dikwijls in de dagbladen heeft bemerkt waarvan de doctor Remer, lid der geneeskunde faculteit van Parijs, ook verscheidene droevige voorvallen bekend maakt en in een klein boekdeel over de tegen vergiftige middelen geschreven. Eindelijk, de Alchimisten plegen uit die bloemen een water te trekken dat ze gebruikten om voor de vallende ziekte en beroerdheid, het hoofd der zieken te wassen.
Volgens de oude Fabelkunde heeft de Narcis zijn naam verkregen naar een zeer mooie jongeling, Narcissus geheten die zijn eigen gedaante in het water van een bron gezien had en daarop verliefd werd, meende dat het de gedaante van een jonge vrouw was die in ’t water woorden en door het grote verlangen naar die tot een tering gekomen en van d de Goden in deze mooie bloem veranderd was geweest. Derhalve hebben sommige deze bloem in ’t Latijn Narcissus poeticus geheten; maar om deze fabelen te doen verwerpen hebben anderen verzekerd dat deze bloem die naam heeft gekregen naar zijn kracht die het gevoelen beneemt en de leden en zenuwen tot een ongevoelige slaperigheid brengt die men in ‘t Grieks Narce pleegt te noemen. (Vergelijk Narcose)
NARDUS, Spijkplant, Victoriewortel, in ’t Frans Nard, in ‘t Latijn Nardus, door Tournefort Gramen genoemd; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Nardus of Spijkplant (Nardus stricta van Linnaeus) is een langlevende plant van Europa die in België en elders in de heide, droge velden en op bergen groeit met ineen gedrongen stengels langs de aarde gestrekt, bladstelen en zeer veel groene bladen die schilferachtig groeien, van onder smal en van boven langzaam breed zijn; bloeit hier meest in augustus met borstel achtige aren die recht op de toppen bloeien met kleine bleke bloempjes die vers en groen een lieflijke reuk verspreiden en zaadjes voortbrengen die op de Steen-Valeriaan of St. Joris kruid gelijken. Geheel dit kruid is zeer bitter van smaak, warm en droog tot in de eerste en tweede graad naar zich trekkend; sommige Kruidbeschrijvers zeggen dat het van krachten op de wilde Valeriaan of St. Joriskruid gelijkt. Men vindt nog de Nardus gangitis van Linnaeus(Nardostachys jatamansi) die in Zuid-Frankrijk en elders groeit en de Nardus indica (zelfde als de vorige) van Linnaeus die bij sommige liefhebbers wordt gekweekt en groeit met stroachtige stengels veel gebladerd, met rondom roodachtige bruine zijde bedekt; bloeit met hangende, borstelachtige aren, eenzijdig geschikt, die een aangename reuk inhouden; deze planten worden door het zaad vermenigvuldigd.
NARDUSZAAD, Tamme Nigelle ,in 't Frans Nigelle, Quatre épices, Nielle, in 't Latijn Nigella, is onder de 6de klasse 4de sectie der roosvormige planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria pentagynia, veelhelmige die van twintig tot honderd meeldraadjes op het vruchtbeginsel vast gehecht en vijf stampertjes hebben.
Het Narduszaad (Nigella sativa van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Griekenland die hier in de bloemhoven groei in struiken met geknoopte en vertakte stengels omtrent 25 of 30 centimeters hoog en witte wollige bladen; bloeit meest in juli met vijf blauwachtige, witte bloembladen in de kelken die dikwijls tien zaadhuisjes voortbrengen.
Het Narduszaad van Damascus (Nigella damascena van Linnaeus) is een eenjarige plant van Zuid-Europa, die met geknoopte stengels omtrent 30 centimeters hoog groeit mett steelloze, groene lansvormige bladen en van juni tot in september bloeit met zeer lieflijke, witachtige blauwe, fluweelachtige bloemen.
Het Spaens Narduszaad (Nigella hispanica van Linnaeus) komt van Spanje en bloeit hier met mooie rood blinkende bloemen.
Het Veld-Narduszaad (Nigella arvensis van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België en elders in de velden en koren groeit met gestreepte stengels en witte, tere, kleine, uitgesnedene bladen die bijna op de Dille gelijken; bloeit meest in juli met witte, blauwachtige bloemen die zaadhuisjes op de wijze van de Akelei en zwarte zaadjes voortbrengen.
Het Narduszaad dat van de oude Kruidbeschrijvers Melanthimum sativum werd genoemd en hier in het koren groeit ingenomen verdrijft al de winderigheid die de werking der maag beletten, maakt alle taaie en ruwe vochtigheden dun, opent de verstoptheden en drijft de rauwe spijzen aan; derhalve gebruiken sommige eenvoudige landlieden dit zaad in plaats van Ammoniak om hun koeien in te geven, als ze door te veel rauwe klavers te eten opgezwollen of opgelopen zijn; verscheidene boeren hebben mij verzekerd dat het de koeien herstelt. Dit zaad met wijn ingenomen geneest diegenen die benauw op de borst zijn en hun adem niet kunnen halen; gestoten en met azijn op het voorhoofd gelegd verzacht het de hoofdpijn en doet de duisternissen der ogen, door zinkingen veroorzaakt, verdwijnen. Er wordt ook een olie van dit zaad gemaakt die bij de apothekers onder de naam van Oleum nardium is bekend, maar die het hart zeer doet dwalen en te veel daarvan ingenomen kwade gevolgen veroorzaakt.
Het gewone Narduszaad dat men eerst in de ovens laat drogen wordt in sommige streken van Frankrijk veel gebruikt om een goede ameldonk mee te maken en ameldonkmeel te bereiden; het wordt ook veel gebruikt om in dure tijden met Koren te malen. Sommigen denken dat dit gewone Narduszaad het brood zwaar en bitter maakt, maar dit komt gewoonlijk voort als het Koren met het Hof-Narduszaad gemengd wordt; het Veld-Narduszaad wordt in sommige streken van Zwitserland en ook in de gebergten van Savoie veel in de magere landen gezaaid, met het Koren gemengd en gebruikt om brood mee te bakken.
NATERWORTEL-PLANT, in 't Frans Bistorte, in 't Latijn Polygonum bistorta, is onder de familie van Hertstong, Boekweit, Varkensgras en Perzikkruid gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht helmstijltjes bloemen en drie wijfjes delen of stampertjes hebben; ze zijn ook onder de veelhoekige planten begrepen.
De Naterwortel (Polygonum bistorta van Linnaeus) (Persicaria bistorta) is een langlevende kleine kruidplant van Europa die in België en elders in de bossen op vochtige, belommerde plaatsen groeit met kromme, dikke, gerimpelde, roodachtige wortels waaruit alle jaren in de lente geknoopte stengels spruiten met bladen, die op stelen groeien en ook steelloos aan de stengels groeien, breed en spits zijn, op de Hertstong gelijken, met ribben en boven groenachtig zijn; bloeit meest in juni met bleek rode purperachtige bloemen die driekantige, blinkende zaden voortbrengen die op Zurkel gelijkende wortels worden van de oude en nieuwe Kruidbeschrijvers zeer geprezen; ze houden veel zure run in en zijn zeer dienstig, zegt Gabriël Grimaud De Caux, om als stoppend middel voor allerhande bloedgang, buikloop en langdurige witte vloed te gebruiken; ze worden heden, schrift hij, in zijn woordenboek der medicijnen, bladzijde 113, vooral met voordeel gebruikt voor de zaad lozing en de ontsteking der pisbuis nadat de grote vurige gezwellen verdreven zijn; die wortels zijn ook goed om op de kropgezwellen der keel te liggen. Deze plant is in de kruidhof der Hogeschool geplant en wordt door wortelscheiding vermenigvuldigd.
NAVELKRUID, Venus-Navelkruid, in ‘t Frans Nombril de Venus, Cotylet, in ‘t Latijn Cotyledon, is onder de 1ste klasse, 5de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van Huislook en onder de 10de klasse van Linnaeus , Decandria pentagynia, planten die met tien helmstijltjes en vijf stampertjes hebben.
Het Cirkelrond-Navelkruid (Cotyledon orbiculata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Afrika die met een bruinachtige vertakte stengel omtrent 20 of 24 centimeters hoog groeit met platte, dikke, eironde bladen, wit meelachtig en purperen boorden; bloeit hier van juli tot in oktober met zeer lieflijke, purperen bloemen, van binnen mooi gepijpt en langs buiten gerold die trosvormig op de stengels zijn geschikt.
Men vindt nog van deze kruidplanten de Cotyledon paniculata van Linnaeus en onder de houtachtige gewassen de Cotyledon fascicularis van de Hortus Kew, de Cotyledon spuria, Cotyledon hemisphaerica van Linnaeus die allen van de Kaap oorspronkelijk zijn en hier ’s winters in de planthuizen worden gekweekt..
Het rood Navelkruid (Cotyledon coccinea van Cavanille)(Echeveria coccinea) is een langlevend heestergewas van de Canarische Eilanden; het groeit met houtachtige, vertakte stengels omtrent 70 centimeters hoog met brede bladen en bloeit van juli tot in september met bloemtrossen en steelloze, geelachtige, karmijn rode bloemen; in de matige serres bloeit het hier meest van in mei.
De Cotyledon coruscum (Cotyledon orbiculata var. oblonga) is een nieuwe plant van Amerika die hier bij onze bloemisten met zeer mooie bloemen in juli bloeit.
De Cotyledon parmentierii (Cotyledon tomentosa)is een medesoort die in België door de heer Parmentier uit het zaad is gewonnen. Men vindt er onder deze planten die in Italië, Spanje en andere warme landen groeien, gelijk de Cotyledon hispanica die maar een tweejarige kruidplant is en de Cotyledon umbillicus (Cotyledon rupestris) van Linnaeus die veel in Italië, Frankrijk en elders op de bergen en steenrotsen groeit; sommige worden in de bloemhoven door het zaad vermenigvuldigd en ’s winters in de matige serres of in de planthuizen bevrijd.
Clusius heeft al de nuttige delen van deze planten beschreven en zegt dat de wortels en bladen van die kruidplanten gestoten, zeer heilzaam zijn om op de brandpuisten en vurige gezwellen te leggen; dat het sap van die wortels door afkooksel bereid, gedronken de verhitte magen verkoelt en de steen van de nieren en blaas breekt en door de pis afdrijft.
Lobel schrijft ook dat ze de krachten van de donderbladen bezitten en voegt erbij dat de wortels en bladen in de melk gekookt en gedronken de longziekte en gescheurde zweren der darmen, die de rodeloop gewoonlijk veroorzaakt, geneest; dat de wortels ook zeer dienstig zijn om op klieren en kropgezwellen te leggen .
Het Water-Navelkruid(Cotyledon palustris) (Hydrocotyle vulgaris) dat sommige oude Kruidbeschrijvers ook Sedum aquatilis noemen groeit in België o p zeer veel plaatsen in de poelen die ‘s winters overstromen, met dunne, kruipende rankjes, ronde, wigvormige, groene bladen en kleine steeltjes te midden der bladen geplaatst die op het water groeien en waarop meest in juli witte, mooie bloemen bloeien die rondachtig als schoteltjes zijn geschikt. Dit Wild-Navelkruid werd voor deze bij de apothekers voor het oprecht Navelkruid gebruikt om de zwarte popelierzalf mee te bereiden, maar schijnt heden door andere middels vervangen te zijn.
NEDERPALMBOOM, in ’t Frans Palmiernain, Chamérope, in 't Latijn Chamaerops ,is onder de familie van de Palmbomen gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtige-tweehuizige, met tweeslachtige en mannelijke en vrouwelijke bloemen die nu eens op een stengel en dan afzonderlijk op twee stengels aanwezig zijn.
De Nederpalm (Chamaerops humilis van Linnaeus) is een langlevend, klein heestergewas van Zuid-Europa en Azië met altijd groene vingervormige en zwaardvormige bladen die zeer prikkelen en op de wijze van een waaier zijn geschikt.
Onze bloemisten hebben van de kleine Palmboom de Chamaerops hystrix (Rhapidophyllum hystrix) van Guinee en de Indiën verkregen en andere soorten die de heer Von Siebold bij het weerkeren van zijn reis naar Japan heeft meegebracht. Onder deze verzameling bevindt zich een Nederpalmboom die nootjes voortbrengt. De kapitein Philibert heeft ook die Nederpalmboom van de Filipijnen eilanden naar Parijs meegebracht alwaar het in de matige serres van de Kruidhof wordt gekweekt en de Areca nootjes voortbrengt (Areca catechu) die de inwoners van de Indiën Betel planten noemen met kalk van vis schelpen tezamen stampen en als een heilzaam middel tegen de rotte koortsen met voordeel gebruiken. Ze worden hier door inleggers en afzetsels op lauwe broeibakken vermenigvuldigd en 's winters in de planthuizen bevrijd.
NEGELBLOEM, Korenroos, Veldroos, Windkruid, Keukenkruid, in 't Frans Coquelourde, Passefleur, Lampette des Blés, in ’t Latijn Agrostemma, van Tournefort Lychnis genoemd en onder zijn 8ste klasse, 1ste sectie gesteld der Caryophylla; door Jussieu onder de familie der Angelieren en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, planten die met tien meeldraden bloemen en vijf stampertjes hebben. Men vindt onder deze planten drie soorten die in onze taal al verschillende namen dragen.
De Nagelbloem of Korenroos(Agrostemma githago van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België en elders aan alle kanten in het koren groeit en van iedereen goed bekend is; het groeit met vertakte stengels omtrent 50 of 60 centimeters hoog, met smalle, spitse en scherp-afgaande, harige, ruige, witte bladen en bloeit hier meest in juli met purperachtige, bruine, rode en witachtige bloemen die vijf bloembladen in de kelken hebben en zaadhuisjes met zeer veel zwarte zaadjes voortbrengen. Dit zaad dat ook veel ameldonk bezit, wordt onder het Koren gemengd om in sommige landen brood mee te bakken, maar heeft een weinig bittere smaak die nochtans niet onbevallig schijnt te wezen.
Het Keukenkruid (Agrostemma coronaria van Linnaeus) (Silene coronaria) is een tweejarige kruidplant van Italië die hier veel in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met stengels omtrent 35 centimeters hoog en steel omvattende, langwerpige, scherpe ,witte, katoenachtige bladen; bloeit meest van juni tot in september met zeer lieflijke dubbele, rode witte, purperen en karmijn gestreepte bloemen, volgens de medesoorten die door het zaad veranderen. Het is uit dit zaad van die enkele bloemen dat men gewoonlijk dubbele verkrijgt die men ook door afzetsels lange jaren levend kan behouden; ze willen hier in lichte gronden gekweekt worden.
De Veldroos of Windbloem (Agrostemma flos Jovis van Linnaeus) (Silene flos-jovis) is een langlevende kruidplant van Italië die ook in Zwitserland en elders groeit en hier in de bloemhoven wordt gekweekt het groeit met vertakte stengels en gewolde bladen, die wel op de eerst gemelde gelijken en bloeit meest in juli met kroonvormige geschikte bloemen die een purperachtig kleur hebben, n plompe zaadhuisjes met een hutje en zeer veel zwartachtige zaadjes voortbrengen die in de dure tijden ook met het Koren worden gemalen om brood mee te bakken. Het zaad van deze planten is van over zeer oude tijden bekend omdat Hippocrates verhaalt dat de Nagel die onder de Tarwe groeit de maandstonden verwekt en de wormen doodt. Met rozenwater en honing gemengd, zegt Dodonaeus, verzoet ze de pijn van de weedom en stelpt de smart van de moeder.
NETEL, Brandnetel, Tingel, in ’t Frans Ortie, in ‘t Latijn Urtica ,is onder de 15de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Brandnetel en onder de 21ste klasse van Linnaeus Monoecia tetrandria, eenhuizige met vier meeldraadjes. De gedaanten van de Netels die in België groeien zijn van iedereen wel bekend om hier geheel hun wijze van groeien, bladen en bloemen te beschrijven. Daarom zal ik hier enkel de namen vermelden : de Steen-Netel (Urtica pilulifera van Linnaeus ) is een eenjarig kruid plant van Europa die in België veel op de muren en steenhopen groeit; de scherp bijtende Netel, (Urtica urens van Linnaeus) is ook maar een eenjarige plant, die veel in België in de velden, tuinen en hoven groeit; de hete Netel (Urtica dioica van Linnaeus) waarvan de ene mannetjes en de andere wijfjes bloemen dragen, is een langlevende plant van Europa die in België ten alle kanten in de hagen, bossen en velden groeit, het heeft de naam van Urtica bekomen uit het Latijn dat in onze taal brandend betekent. Het is uit deze Netel dat het scherp zure sap komt, wat men tot verhitting op het vel der lamme mensen legt. Het zaad van die Netels, met azijn en mosterd papvormige op de lamme leden alwaar de pijn hevig is gelegd maakt die leden slap en doet de pijn verdwijnen. De gewone landlieden drinken de jonge toppen van die Netels als thee en koken de bloemen en zaad om de witte vloed te stelpen. Men kan ook uit die Netels een draad trekken die op de wijze van het Hennep tot het spinnen wordt bereid om koorden, pakdoek en allerlei provisie-zakken mee te maken. De grote Netel of roomse Brandnetel (Urtica baccifera van Linnaeus) (Urera baccifera) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Amerika dat hier en elders in de kruidhoven wordt geplant; het heeft holle stengels en hartvormige, getande bladen die geheel ruw en met zeer scherp stekende, haarachtige of ruwe brandende wol zijn bedekt; de wijfjes planten brengen met hun beklede bessen voort en geheel deze plant is met zodanige brandende haartjes bedekt die pijlachtig scherp stekend zijn dat ze bij het aanraken, terwijl de zon 's middags schijnt, de mens hevig kan doen in bezwijming vallen.
De hennepachtige Netel( Urtica cannabina van Linnaeus) die in Noord-Europa groeit wordt veel van de inwoners der noordse landen verzameld en op de wijze van Hennep bereid om een draad mee te spinnen, koorden te maken en stoffen te weven. De Urtica capensis van Linnaeus ,groeit veel in Afrika, Egypte en elders; de Urtica novea (Boehmeria nivea) van China met de Baccifera moeten hier ’s winters in de matige serres worden bevrijd. De Urtica stimulans van Linnaeus groeit veel in het eiland Java en elders in de Indiën. Het schijnt dat elk land zijn Netels heeft die uitwendig een hete en stekende kracht hebben en nochtans inwendig genomen een verkoelend middel schijnen te bezitten; het zaad vooral is warme en droog tot in de tweede graad. Dit zaad met azijn in pleisters bereid is zeer goed tegen alle kwade in etende kankerachtige zeren; men maakt ook een wonderbaarlijke goede pleister tegen het sciatica ,de heuppijn en jicht aan de voeten met een handvol Netelbladen en twee handen vol wilde Vlierbladen, die men tezamen gestoten ter plaats alwaar de pijn is legt. Eindelijk, de jonge toppen van de Netels met gepelde Gerst gezoden en gedronken zuiveren de borst, doen alle taaie slijm oplossen en drijven de pis en de steen van de nieren. De Urtica frutescens (Urtica membranacea) en de Urtica japonica (Boehmeria japonica) van Linnaeus die in de Oost-Indiën veel groeien worden op de wijze van hier het Vlas in het water gerot en bereid om lijnwaad en andere stoffen te maken; ze worden in de Indiën Coa genoemd alsof men koopwaren wilde zeggen.
Men vindt weinig planten die in alle landen zo algemeen zijn als de grote Netel, Urtica dioica; nochtans zijn er weinig die zo’n een uitgestrekt nut inhouden. De stengels voor hune volkomen opdrogen afgemaaid, het is te zeggen wanneer ze beginnen een gele kleur te verkrijgen en de bladen verflensen en dan op de wijze van de Hennep of Vlas gerot en bewerkt geven een goede draad om linnen of tenminste koorden mee te maken. In Zweden worden er schier geen andere koorden gebruikt.
De Egyptenaren trekken uit die Netel een zeer fijne draad waarmee ze goed lijnwaad bereiden; ze maken met het zaad en helder brandende olie. De opsteller van de derde reis Van Cock verhaalt dat de inwoners van Kamtsjatka zonder die Netels niet zouden kunnen blijven bestaan; ze maken daar van hun visnetten, hun koorden en garen om hun kleren te naaien en spinnen, tot het maken van linnen bij de lange winterse avonden. De Netel is ook een uitmuntend goed voedsel voor de kruid etende dieren, bovenal voor de koeien die er veel melk en goede boter van geven en opdat de haartjes in de muil van die dieren niet zouden steken laat men die Netels eerst in de lucht verflensen of verwelken; in de stallen onder de beesten gestrooid maken ze ook goede vet.
NETELBOOM, in ’t Frans Micoulier, in ’t Latijn Celtis, is onder de 21ste klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der bomen die met katjes bloeien en onder de23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtige- eenhuizige.
De zuidelijke Netelboom (Celtis australis van Linnaeus) is een grote langlevende boom die in warme landen van Italië en Frankrijk wel 15 meters hoog groeit met veel lange, gebogen takken, blinkende schors en groene, eivormige bladen die bijna op de Iepen boom bladen gelijken, maar niet bekachtig uitgesneden zijn; bloeit veel in april met katjes die vruchten met zwartachtige droge zaadjes voortbrengen.
De West-Indische Netelboom (Celtis occidentalis van Linnaeus) is een langlevende boom van Virginië die nog hoger groeit met blinkende, effen, ruwe bladen en meest in mei bloeit met trossen en kleine groenachtige bloempjes die mooie rode bessen op de wijze van Krieken voortbrengen.
Men vindt nog van de Netelbomen de Celtis cordata (Celtis occidentalis) van Desfontaines en de Celtis crassifolia van Lamarck die van Noord-Amerika komen en zeer mooie met wollige stammen en takken groeien met veel lange, hartvormige, zachte, groene bladen die zeer lommerrijk versieren.
De oosterse Netelboom (Celtis orientalis van Willdenow) (Celtis australis) en de Celtis Tournefortii groeien maar omtrent 6 of 7 meters hoog, vertakt met zeer brede, eivormige bladen. Men kweekt ook de Celtis chinensis (Celtis sinensis) van China en andere soorten van Amerika die al onze koude winters zeer goed kunnen weerstaan en waarmee men heden in Frankrijk, Engeland en elders veel de bossen en rijen beplant. Het hout van deze bomen dat zeer taaie en hard gesloten is wordt van de kunstwerkers veel gezocht om alle slag van fraaie meubelen mee te maken; het voegt zich ook zeer goed tot het draaien. Deze bomen kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden; men zaait die gewoonlijk op goede wel bewerkte gronden en vochtige aarde en bevrijdt ze de eerste drie of vier jaren ’s winters met dorre bladen om vandaar in een kwekerij te verplanten.
NIESKRUID, Sneeuwklokken, in ’t Frans Ellébore, in ‘t Latijn Helleborus, is onder de 6de klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige met veel stampertjes. Het winter Nieskruid (Helleborus hiemalis van Linnaeus)(Eranthis hyemalis)Of Helleborus orientalis) is een langlevende kruidplant van Italië die in België in de bloemhoven wordt gekweekt en groeit met gepijpte stengels omtrent 25 of 30 centimeters hoog, bladen aan de wortels en stelen met zaadvliezen waarop in maart de bloemen groeien die enkel met vijf bloembladen en twee bloemlipjes in de honingkelken, groenachtig geel van kleur zijn en recht gebogen zaadhuisjes met veel zaadjes voortbrengen.
Het zwart Nieskruid (Helleborus niger van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die hier gewoonlijk Kersdagbloem wordt genoemd en met vingervormige, dikke bladen en stengels van 20 centimeters hoog groeit; bloeit van in december tot maart met grote, enkele bloembladen die wit en rooskleurig zijn getekend; het wordt in de volkstaal Sneeuwklokken genoemd.
Het groen Nieskruid (Helleborus viridis van Linnaeus) groeit veel in Frankrijk in de gebergten; de Helleborus foetidus van Linnaeus groeit in België omtrent Namen en Luik in de bergen en bossen; de Helleborus lividus van de Hortus Kew groeit in Corsica en de Helleborus trifolius (Helleborus argutifolius) van Linnaeus komt van Siberië en van Amerika. Alle deze planten worden hier in den kruidhof der Hogeschool gekweekt en meest door struik- en wortelscheiding vroeg in de herfst vermenigvuldigd.
Het winter Nieskruid (Helleborus hiemalis) werd in de oude tijden als braak verwekkend en buikzuiverend middel gebruikt om de zotte en krankzinnige mensen te helpen.
Het groen Nieskruid (Helleborus viridis) dat meest van krachten op het oud Nieskruid gelijkt bezit een zeer geweldig buik- zuiverend en een bijzonder braak verwekkend hulpmiddel dat door de oude geneesheren veel werd gebruikt.
Persius, in zijn schimpdichten, spot met de onwetendheid der doctoren die het Nieskruid voorschrijven zonder er een bijzondere kennis van te hebben. De vermaarde Ovidius heeft ook enige Latijnse verzen aan dit kruid toegewijd en zegt dat het Nieskruid van Anticyra in Griekenland, bij de oude volkeren zodanig was bekend om de krankzinnige mensen te genezen dat het algemeen spreekwoord was, als een mens zwak van geest of in de hersens ziek was dat men hem moest naar Anticyra zenden om door het Nieskruid gezuiverd te worden.
Een plant van zulk groot belang kon bij een zo’n bijgelovig volk als de Grieken in de oude tijden waren niet zonder enige plechtigheid verzameld worden. Theophrastus en Dioscorides hebben al de voorzorgen en de wijze om het Nieskruid in de ziekten te gebruiken beschreven en voorgesteld, hetgeen Plinius letterlijk heeft nageschreven en getrouw verhaalt. Alles hangt af, zegt de doctor Pelletan, zoon ,van de kennis om het Nieskruid met mate te nemen en de krachten te verdelen als men dit voor braak middel of buikzuivering aan de zieken voorschrijft; in de voorgaande tijden, zegt hij, werd het Nieskruid bijzonder voor de ziekten gebruikt die men heden zenuwziekten, mans- ziekten, vallende ziekte, miltzucht, geraaktheid en watervrees noemt en ook om de hersenen der krankzinnigen te herstellen; maar de hedendaagse geneeskundigen hebben het gebruik van deze planten geheel verworpen. Nochtans kan men zijn heilzame krachten niet in twijfel trekken zonder klein achting voor de oude hoog vermagerde geneesheren en kundige mannen van het oude Griekenland, van waar de eerste kennissen in de geneeskunde en de beschrijving van de krachten der planten zijn voortgekomen; de volkomenste aanmerking die ik hier tot voorbeeld kan aanhalen is uit het uitnemend goede werk van M. de doctor Roques, onder de naam van Phytographie française, Franse Plant- of Gewasbeschrijving, verschenen, waarvan het tweede deel in 1840 is uitgegeven en waarin hij zegt dat hij soms het uittreksel van het Nieskruid met kwik en solfer heeft gemengd en na een bloedlating gebruikt om de zinneloze mensen te helpen en ijlkoortsachtige ziekten te bestrijden; hij raadt ook het Nieskruid aan tegen de waterzucht en schrijft de volgende wijze voor om die plant te gebruiken: Neem en ons verse Nieskruidwortels en een handvol Bijvoet of Alsem, laat dit in een liter wijn of bier goed weken en daarvan enige dagen een of twee koffie kopjes ingenomen kan de hardnekkigste afgaande koortsen verdrijven.
Het zwart Nieskruid wordt vooral van de veeartsen en paardenmeesters ten platteland bij voorkeur gezocht omdat het schijnt nog scherper van krachten dan het winter- en het groen Nieskruid te zijn.
NIESWORTEL, Onzer Vrouwen Voorschoot, Witt een Zwarte Nieswortel, in 't Frans Ellébore blanc, Varaire, in 't Latijn Veratrum, is onder de 6de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Rietplanten en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtige- eenhuizige.
De witte Nieswortel (Veratrum album van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zwitserland die met bolachtige, ge-ezelde wortels en een stengel die alle jaren uit de wortels spruit, omtrent 25 centimeters hoog groeit en met steelloze, grote bladen die in vijf of zes verdeeld de stengels omvatten en op de Weegbreebladen gelijken, maar op de wijze van de grote Gentiaan bladen zijn geplooid; bloeit meest in de zomer met witachtige bloemen ,trosvormig geschikt met vijf of zes bloemblaadjes en zes meeldraadjes die zaadhuizen met witte zaadjes voortbrengen.
De zwarte Nieswortel (Veratrum nigrum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Siberië die goed op de eerst gemelde gelijkt ,maar met grotere bladen groeit en groenachtigere bloemen draagt.
De gele Nieswortel (Veratrum luteum van Linnaeus) (Chamaelirium luteum) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika, ook met steelloze bladen aan de stengels en trosvormige gele bloemen.
Alle deze planten bloeien meest in augustus, worden door het zaad en bolscheiding vermenigvuldigd en kunnen zeer goed onze koude winters weerstaan. Ze worden hier meest om hun mooie bloemen gekweekt; want ten eerste, de witte Nieswortels zijn zeer gevaarlijk en door het grote geweld van hun krachten kunnen ze dikwijls de dood verhaasten in plaats van verbetering te verschaffen; die wortels zijn zodanig geweldig van krachten dat ze in poeier of het sap daaruit gehaald, met gerstemeel en honing gemengd of met vlees en suiker gekneed een goed middel zijn om ratten en muizen te doden, hetgeen ik door ondervinding kan verzekeren. De kwakzalvers bedienen zich soms van die wortels die zo dodelijk zijn zonder dat ze er de gevaarlijke krachten van kennen , waardoor ze de zieken, in plaats van ze te genezen ze doen sterven. Ze mengen die Nieswortels met Marjoleinbladen fijn in poeier gestampt om de mensen sterk te doen niezen, hetgeen ook kwade gevolgen kan veroorzaken.
De witte Nieswortel in poeier met honing of siroop gemengd en op een schotel geroerd doet de muggen en vliegen sterven; allen die daarvan eten moeten zwellen en barsten. Witte Nieswortel met loog gezoden zijn zeer goed om de luizen en neten te doden als men de kleren daarin wast of het hoofd daarmee zuivert.
De zwarte Nieswortels zijn ook scherp en in bijtende van krachten en worden van de veeartsen als buik zuiverend middel om de paarden van de snot te zuiveren met andere geneesmiddelen gemengd. Sommige duivenliefhebbers mengen het poeier van die Nieswortels met tarwe om de vreemde duiven die naar hun kot komen te vangen; als die daarvan eten vallen ze zwijmeling en zodanig dat men ze dan met de hand kan vangen. De Nieswortels worden ook in het vel op de borst der paarden en andere dieren gestoken om al de waterachtige gebreken der borst te genezen.
NOTENBOOM, Okkernootboom, Notelaar, Woudnootboom, in 't Frans Noyer, in ’t Latijn Juglans, is onder de19de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld der bomen die met katjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Terpentijnbomen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige-veelmannige.
De Okkernoot boom (Juglans regia van Linnaeus) is een boom van Perzië die in België aan den grond is gewend en ten alle kanten in Europa groeit; het begeert van natuur een droge, vruchtbare grond en een open vrije lucht; want in vochtige, zandachtige en natte stijve kleigronden wil het niet goed aarden; he kan onze winterkoude vrij goed tegenstaan en als de oude bomen beginnen droge takken te krijgen moet men die kandelaren, hetgeen in oktober moet worden verricht; want als men die in het voorjaar afsnoeit verliezen die bomen te geweldig veel sap, hetgeen ze doet kwijnen en versterven. Derhalve moet men zoveel mogelijk de wonden van de Notenbomen met griffellak bedekken. Deze bomen, om veel vruchten te dragen, moeten in de dreven en buiten de hoven op open plaatsen worden geplant; want door hun lommerrijke grote kronen benemen ze de kracht van alle omstaande gewassen. De voortteling dezer bomen geschiedt hier meest door de Noten die men in de winter onder het zand in een matige plaats te meuken zet en met de lente plant. De Noten van die bomen voortkomen dienen tot spijs en worden veel vers gebruikt; ze zijn zeer smakelijk om een glas wijn mee te drinken, zijn voedzaam en maken vers gegeten goed bloed. Er bestaat in ’t Latijn een oud spreekwoord dat zegt : post pisces nuces, post carnea caseus adsit, hetgeen in onze taal betekent; na de vis moet men noten, en na vlees kaas eten.
Volgens sommige schrijvers zijn de Noten een behoedmiddel tegen pest en andere besmettelijke ziekten als ze met wijn en ruit bladen, vijgen en zout dikwijls gegeten worden. Er wordt ook veel goede olie uit de Noten geperst die tot allerlei gebruiken dient, zowel voor brandolie als om de spijzen te bereiden; hoe verser het wordt gebruikt, hoe smakelijker die is; her wordt soms in Zuid-Frankrijk, Italië en elders alwaar die Noten veel groeien met olie van de Olijfbomen gemengd die ze door zijn zoete smaak wel verheft; maar hetgeen men zeer licht kan bemerken met enkel een vinger in de olie van olijven te steken die door de natuurlijke warmte der mensen op de vinger smelt en er van afdruipt en zo de Olijfolie met Notenolie of andere is vervalst zal de laatste druppel zwartachtig schijnen. De droge noten kernen geven ook veel olie die door de fijn schilders wordt gebruikt; het is ook zeer goed om op de lies breuken en gescheurdheid der mensen en kinderen te leggen, welke enige dagen daarmee bestreken zachtjes genezen; maar de droge Noten gegeten, zijn hard om verteren en nadelig voor de flauwe magen. De groene, onrijpe Noten worden ook wel met suiker gekonfijt om in de keuken te gebruiken, welke confituur een zeer aangenaam middel is m de maag en hart der zwakke en zieke mensen te versterken. De buitenste groene bolsters en schillen van die noten worden heden alle jaren groen opgekocht en verzameld om tot verf te bereiden en allerlei stoffen mee te verven waaraan ze een mooie bruinachtig kleur verschaffen en waarvoor die bomen alle andere verf de voorkeur verdienen.
Het hout en wortels worden van de schrijnwerkers, draaiers en meubelmakers zeer gezocht om allerlei mooie bruinkleurige meubels mee te maken. De oude schrijvers en sommige mensen van deze tijd, zonder een ware kennis te zoeken, maar vaak babbelen, zeggen dat de Notenbomen beter vruchten dragen wanneer ze in de herfst, bij het afdoen der rijpe Noten, flink met lange stokken egslagen worden; waaruit die onbeschaafde Latijnse verzen bij de Ouden ontstaan zijn; Nux, Asinus mulier simili sunt lege ligata; Naectria nil fructus faecunt, si verbera cessans; maer niettegenstaande die onstichtelijke woorden zullen die slagen de Notenboom geenszins vruchtbaar maken als het niet met zorg en op een goede standplaats gekweekt wordt.
OLEANDER, Oleanderboom, Rozen-Laurier, in 't Frans Laurier-Rose, Nérion, in ’t Latijn Nerium, door Tournefort onder zijn 20ste klasse, 5de sectie gesteld der bomen die roosvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de Hondsdood planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia ,planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De gewone Oleander (Nerium oleander van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van de Oost-Indiën dat hier in de planthuizen wordt gekweekt en heestervormig vertakt groeit, met lansvormige, puntige, donker groene bladen; bloeit hier meest in juni, met zeer lieflijke, mooie rooskleurige bloemen op de toppen der bloemstelen die scheef hangen, en blaasachtige zaadhuisjes met wolachtige bekroonde zaadjes voortbrengen.
Men heeft er door het zaaien verscheiden medesoorten van verkregen die witte, bleek rooskleurige en roosachtige vleeskleurige bloemen dragen en ook sommige die geschakeerd zijn; ze hebben de geur van de Vanille.
De welriekende Oleander(Nerium odorum van Willdenow)(Nerium oleander) is een langlevend heester-boomgewas van de Indiën dat hier ook in juli met allerliefste roze bloemen bloeit en waarvan me door het zaad ook mooie dubbele en enkele witte en bleek rooskleurige heeft bekomen. Ze worden hier op de wijze van de Guichelaars bloemen gezaaid, maar meest in ons klimaat vermenigvuldigd door inleggers en afzetsels, die zelfs in het water wortel vatten, als men de jonge afgesneden loten in een fles met water steekt. Die Oleanders welke in Italië, Zuid-Frankrijk en andere warme landen in de vrije lucht worden geplant moeten hier, om goed te bloemen, tot in juli in de matige serres bij het glas verblijven. Het sap van de bomen, bloemen en bladen van de Oleanders bezit een geweldig vergif om de honden, ezels, muilezels en meer andere viervoetige dieren te doden. De schapen, geiten en andere kruid etende dieren kunnen die bomen niet weerstaan en als ze alleen de bladen eten of van het water drinken waarin Oleander bladen geweekt zijn, moeten ze ervan sterven; want de Oleanders houden de krachten in van de Zwaluwwortel (Dompte-venin). In de oude tijden doopten de boogschutters de punten hun pijlen in dit sap omdat de wonden daarmee gemaakt zeer dodelijk waren. De liefhebbers van deze planten moeten wel aandacht nemen dat bij het kweken van deze bomen het sap in het snijden eruit vloeit en ook uit de bloemen en bladen druipt geen wonden raakt, want het zou droevige gevallen kunnen veroorzaken en den mens doen sterven. Dit sap wordt ook met siroop als vliegen vergif gebruikt, waarvan ze weldra sterven. In de warme landen worden de bladen veel in de bedsteden gelegd om de vlooien te doden en de wandluizen te verjagen en men ziet ook nooit aardmuizen de Oleanders aanranden, want het sap bezit ook een hevig muizenvergif; de mensen moeten zich wachten van die bomen in hun slaapkamers te plaatsen.
Men vindt hier nog bij sommige liefhebbers de volgende Oleanders: van de Hortus Kew., (Tabernaemontana divaricata) van de Indiën, (volgende zijn cv. ‘s) Nerium atropurpureum, Nerium luteum novum, Nerium Mabirii, Nerium multiflorum, Nerium pomponium, Nerium purpurea, flora pleno, Nerium splendens, Nerium tinctorium, Nerium Ragonot, Nerium Duchesse d' Angoulême, Nerium Henri de France, Nerium Du Sanglet, en zeer veel andere medesoorten die hier in de matige serres worden gekweekt met aller mooiste bloemen de planthuizen versieren en allen op dezelfde wijze als de eerst gemelde vermenigvuldigd worden.
OLMBOOM, Olm, Iepenboom, in 't Frans Orme, Ormille, in 't Latijn Ulmus, is onder de 20ste klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der bomen die met katjes bleoeien en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, bomen die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De Veld- of gewone Olmboom (Ulmus campestris van Linnaeus) is een langlevend groot boomgewas van Europa dat in België en elders ten alle kanten in de bossen en velden groeit en waaronder men heden de vette Olmen vindt, gelijk de Ulmus suberosa van Willdenow die met roodachtige katjes bloeit; de Ulmus effusus van Willdenow, de Ulmus americana van Linnaeus en de kleine Olmboom (Ulmus pumila van Siberiē) die heden allen in België worden gekweekt. Deze bomen zij van iedereen goed bekend om hun hele gedaante van groeien, met hun bladen en bloemen te beschrijven. Ze groeien schielijk en zeer groot op en in onze lage vochtige gronden groeien ze boven alle andere soorten van bomen.
Ik zal enkel de wijze van voort kweken met hun nuttige deugden beschrijven. De Olmbomen kunnen zeer goed onze koude winters weerstaan en vermenigvuldigd worden door het zaad wat gewoonlijk in het voorjaar op de bessen, in de hoven of akkers zaait met 4 0f 5 centimeters aarde bedekt.
Nadat de jonge plantsoenen twee of drie jaren oud geworden zijn en men de penwortels gekort heeft plant men die in de kwekerij 80 of 90 centimeters van elkaar en koestert die tot dat ze groot genoeg zijn om elders op een verblijfplaats te planten. Hoewel men door het zaaien van de Olmen ook medesoorten kan bekomen worden ze alhier te lande meest door inleggers van jonge plantsoenen in het voorjaar vermenigvuldigd, hetgeen op de volgende wijze kan geschieden: men neemt de mooiste boompjes van de vette Olmen en leg alle de takken te gronde bij middel van een haak waarmee men de stam doet buigen en tevens de takken ter neder brengt; dan maakt men aan de hiertoe bestemde takjes enige kerfjes en bedek ze met aarde, zorgt er voor het uiterste einde bloot te laten en daartegen een daartoe geschikt steunstokje recht te zetten; als men die gedurende de zomerhitte nu en dan behoorlijk besproeit schieten al die telgen wortel. Dit is de voordeligste handelswijze om op korte tijd de kweekplaatsen te versieren en men scheidt ze na een of twee jaren van de moederboom om ze in de kwekerij te verplanten.
De Olmbomen worden in België veel rondom de landen, velden en wegen geplant en schieten hun wortels dik en diep in de aarde zonder veel zijwortels te maken. Het hout van de Olmbomen is roosachtig van kleur, zeer hard, taai en fijn van draad en derhalve wordt het hier zeer geacht en van de wagenmakers , molenwerkers en voor affuiten van kanonnen gebruikt; insgelijks tot kabinetten, tafels, stoelen en veel andere huiselijke dingen bewerkt. In sommige landen, waar de weiden voor het vee schaars zijn, worden de Olmbladen als hooi gedroogd om ’s winters de koeien, schapen en geiten mee te voeden die er veel melk van geven; de koeien die hier in de herfst de bladen eten die van de bomen vallen geven zeer smakelijke boter. De Olmbomen zijn alleen schadelijk voor de bijen. Het zaad wordt van de hoenders en ander pluimgedierte gretig gezocht en graag gegeten; ze worden er zeer vet van. De bladen der Olmbomen klein gestoten helen en genezen de verse wonden en met azijn gestoten genezen ze de schurft. Deze bomen zijn ook nuttig in de geneeskunde; want de middelste schors met boomolie gekookt geeft een zeer goede wondolie om allerlei verse wonden te genezen. Hiertoe dient ook en zelfs nog beter het vet of balsemachtig vocht dat men in de blaasjes vindt die men dikwijls op de rug van de bladen van deze bomen ziet; als men de moeite wil nemen van dit vocht te verzamelen kan dit balsemachtig sap drie jaren zonder bederven bewaren; het wordt zeer geprezen om de breuken der kinderen mee te genezen; maar die blaasjes moeten in juni verzameld zijn eer die kleine wormpjes die doorsteken. De Olmen werden ook in de oude tijden Ipenbomen genoemd.
OLIJFBOOM, in ’t Frans `Olivier, in 't Latijn Olea sativa, is onder de 20ste klasse, 2de sectie der eenbloembladige bomen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Jasmijnen en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, bomen die met twee helmstijltjes of stuifdraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Olijfboom (Olea europaea van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Zuid-Europa en Azië,dat in de warme landen tamelijk hoog groeit met veel takken, breed verspreid en vele langachtige, harde, smalle, lansvormige, witachtige bladen; bloeit meest in juni met witte bloemen, druif-of trosvormig op de takken verspreid die vruchten of olijven voortbrengen welke eerst langwerpige, langs buiten groenachtige bessen zijn, maar als ze rijp geworden zijn zwartachtig en van binnen met een vet sap vervuld zijn en in hun midden elk een harden kernsteen hebben. Dit sap wordt uit de rijpe bessen geperst en gewoonlijk olijfolie en boomolie genoemd. De olijf of vruchten worden in de warme landen maar in november rijp en de bomen kunnen geen tien graden koude weerstaan of ze bevriezen geheel tot aan de wortels; derhalve worden ze in de warme gewesten van Italië, Spanje, Zuid-Frankrijk, Griekenland en de daarbij liggende eilanden gekweekt en groeien graag aan de kanten der Middellandse Zee, want vijftig mijlen van daar willen ze niet meer groeien of tenminste geen vrucht meer dragen.
Deze bomen worden door het kernzaad wel gezaaid, maar wachten gewoonlijk zeven of acht jaren eer ze vruchten geven; daarom worden ze meest door inleggers in die warme landen vermenigvuldigd, door uitlopers die aan de voet der oude bomen opschieten voort gekweekt. De Olijfbomen worden ook in de koude lucht gesteldheid op teilen gezaaid en in de planthuizen ’s winters bevrijd; maar brengen hier geen vruchten voort. De onrijpe Olijven zijn koud en samentrekkend van aard en matig warm van krachten; ze worden met de spijzen gebruikt en met zout opgelegd, versterken de werking der maag, verdrogen de vochtigheid en zijn zeer nuttig voor degenen die veel kwijlen en spuwen; ze verwekken de eetlust en nemen het walachtige der spijzen weg. De jonge takjes en bladen zijn ook samentrekkend van natuur en goed om op zweren en brandpuisten te leggen. De olie van de geheel rijpe Olijven is matig warm en aangenaam van smaak. Ze kan lange tijd bewaren en heeft meer kracht om te doen verteren en de borst te verzachten en wordt bij voorkeur met de spijzen en als samentrekkend middel in verscheidene kwalen en ziekten gebruikt. Eindelijk, de olijfolie bezit zo vele krachten en wordt op zo velerlei wijze gebruikt dat men daarover een geheel boekdeel zou kunnen schrijven; derhalve zal ik overgaan tot het beschrijven van de uitheemse Olijfbomen die om hun mooie gewas en bloemen hier in de matige serres worden gekweekt.
De Olijfboom van Amerika (Olea americana van Linnaeus)(Cartrema americana) is een langlevend boomgewas dat met een rechte stam in het land van zijn afkomst wel 4 meters hoog groeit, zeer vertakt met geheel gladde, lansvormige bladen en hier meest in de matige serres in mei bloeit met zeer welriekende gele bloemen die blauwachtige vruchten voortbrengen. De verheven Olijfboom (Olea excelsa van de Hortus Kew) (Picconia excelsa) is een langlevende boomgewas van het eiland Madera dat vertakt wel 4 of 5 meters hoog groeit met bloemen van weinig belang, maar zeer mooie, donker groene bladen die een zeer aangename reuk verspreiden; het wordt derhalve in Spanje en Portugal veel in de lusttuinen en Engelse hoven geplant.
De welriekende Olijfboom (Olea Flagrans van Thunberg) (Osmanthus fragrans) is een klein boomgewas van Japan dat maar omtrent 2 meters hoog groeit dunne en zwakke takken en altijd blijvende grote, eivormige bladen; bloeit meest in juli met trosjes en kleine witte bloempjes die een zeer aangename reuk verspreiden en veel worden gebruikt om de thee en sommige likeuren een lieflijke reuk te geven.
Onze bloemisten kweken hier nog de Olea emarginata van Madagaskar,(Noronhia emarginata) wit op de randen der bloembladen getekend; de Olea undulata, (Olea capensis) de Olea capensis van de Kaap (Zelfde) de Olea salicifolia en de Olea divaricata (Diastella divaricata?) die hier allen in de matige serres of oranjehuizen worden gekweekt en door het zaad of inleggers, op de wijze van de eerst vermelde Olijfbomen, worden vermenigvuldigd.
ONDERHAGE, Kruipterhage, Aardveil, Aardklijf, Sint-Jacobs-rank, in ‘t Frans Lierre terrestre, in ’t Latijnd Glechona, van Tournefort Calamintha, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige planten gesteld en onder de 14de klasse evan Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee korte stofdraadjes bloemen en naakt zaad dragen.
De Onderhage (Glechoma hederacea van Linnaeus) is een lang levende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de hagen, aan de muren, huizen, hoven en kanten der wegen, op belommerde plaatsen groeit met geknoopte rankjes en soms roodachtige stelen, oneffen en ruwachtig gerimpeld, met niervormige, doorzichtige, geribbelde bladen aan de kanten gekerfd die dikwijls geheel het jaar groen blijven aan aan elk knoopje over elkaar staan groeien; bloeit van mei en bijna de gehele zomer met blauwe, paarsachtige bloempjes met bruine helmvormige bloemkelkjes; ze zijn lipvormig, hebben vijf bloemblaadjes groeien aan de rankjes tussen de bladen. De wortels zijn dub, vezelachtig en bruin van kleur; geheel dit kruid is sterk van reuk en bitter van smaak en door die bitterheid kan het de verstopping der ingewanden van mensen en dieren openen of ontsluiten. Eis is bijna geen kruid welke het Opperwezen op de aarde heeft geschapen dat zovele heilzame middelen aan het mensdom verschaft als de Onderhage: dit kruid gewreven en in de oren gestoken belet het tuiten der oren en doet de doofheid verdwijnen. Het sap van dit kruid in holle voort etende gaten en oude zeren gedaan doet die zachtjes genezen. De ranken met de bladen en bloemen van de Onderhage in het water gekookt en gedronken zijn zeer dienstig om tegen de buikloop en rode loop te gebruiken; ze doen de brand uit het lichaam scheiden en het scheiden en het bloed zuiveren, drijven het graveel af, breken de stenen helpen de geelzucht genezen. Al de nieuwe en oude kruidkenners zeggen dat dit kruid in het regenwater gekookt zeer dienstig is om de podagra-pijn te stillen en vooral die daarmee ettelijke dagen baadt en op de vurige plaatsen legt; het sap uit dit kruid geduwd en in de oren gedaan stilt de tandpijn en brengt het verloren gehoor weer; het is ook zeer dienstig om de vurige fistel te laten druppen en doet de wonden en kwetsuren genezen; het Onderhage kruid met Peterselie wortels, savelboom (Juniperus sabina) bladen en wijnsteen met olie of zoete boter gestampt en goed tezamen gemengd is een zeer goed middel, zegt Gabriël Grimau om het als zalf te gebruiken en wordt zeer geacht om het kwaad- zeer, haarworm en alle vurige brandpuisten van het hoofd te genezen. Dit kruid met de gedroogde of verse bloemen ’s morgens als thee gedronken of in kruidkoeken gebakken doet zachtjes lossen en alle kwade vochten verdrijven; het is ook zeer goed voor de benauwde en terende mensen; het zuivert en doet de adem herstellen. De eenvoudige landlieden verzamelen dit kruid en met Kaasjeskruid en Kruiskruid te koken aan hun koeien die bloed pissen te drinken geven en het schoon makel na het kalveren verhaasten. De hooggeleerde heer Willem Van der Meer, te Delft in Holland, heeft in zijn tijd dit kruid ook zeer geprezen en om zijn deugden geroemd; hij schrijft dat het 24 dagen gedronken de zwering der longziekte kan genezen en zeer goed is om de winwendige worden en zweren te verdrijven en om dit kruid nog krachtiger te maken, zegt hij, kan men daarbij voegen Betoniekruid, Meewortels, Guldenroede bladen of Wintergroen en Vijfvingerkruid en tezamen met wijn, rozen water of honing koken en daarvan drinken; het is ook goed om de witten vloed der vrouwen te stelpen. Het sap van de Onderhage, zegt hij, met een doekje opgelegd geneest de in etende zweren die aan de schaamdelen komen als men die eerst afwast met rode wijn of rozen water waarin galnoten gezoden zijn en het water uit gans dit kruid overgehaald bezit al dezelfde krachten. Lobel en Dodonaeus hebben in hun tijd ook al die krachten beschreven.
ONZE LIEVE VROUWE BEDSTRO, in ’t Frans Caille- lait, in 't Latijn Galium, is door Tournefort onder zijn 1ste klasse, 9de sectie gesteld der klokvormige bloembolplanten; door Jussieu onder de familie der planten die rode verf geven en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier mannelijke delen of meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt veel verscheidene soorten van deze planten die in België en elders groeien en ook verschillende namen dragen; in sommige gewesten worden ze Walstro en Walmeester genoemd, hetgeen echter de naam der Asperula is, welke van de nieuwe kruidkenners, sedert Linnaeus, daarvan zijn afgescheiden omdat het Walstro met trechtervormige bloemen groeit en deze planten klokvormige bloemen hebben, maar nochtans weinig van kruid verschillen en als het Kleefkruid groeien; de Kwendel of wilde Thymus werd ook voor deze Onze Lieve Vrouwe Bedstro genoemd daar het nochtans geenszins op deze planten gelijkt,
Het witte Onze Lieve Vrouwe Bedstro (Galium mollugo van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de hagen en grachten groeit met zwakke, gerankte, ruwe stengels en gladde lijnvormige, rondachtige, fijn getande en puntige bladen die langs de aarde liggen; bloeit hier meest in juni met witte bloemen op de stelen der stengels verspreid. Men kan deze plant wel uit al de andere kennen omdat de bladen met acht tezamen aan ieder knoopje der stelen zijn verdeeld. Dit kruid bezit weinig krachten.
Het gele Onze Lieve Vrouwe Bedstro (Galium verum van Linnaeus) is ook een langlevende kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België aan de kanten der grachten en wegen groeit met rankjes, acht lijnvormige bladen en trosvormige bloempjes op de stelen die een witachtig kleur hebben. Deze plant bezit een mooie gele verf en wordt, zegt de heer Thié baut de Berneaud, veel in Zuid-Frankrijk binnen het bloeien verzameld om in de gele verven te gebruiken op de wijze van Galium aparine die een rode verf inhoudt bereid.
De Galium tinctorium van Linnaeus, van Amerika die ook een rode verf zoals de Meekrap inhoudt wordt in sommige landen van Amerika om zijn mooie rode verf gekweekt.
Het water van Onze Lieve Vrouwe Bedstro (Galium palustre) groeit veel in België in de waters en grachten; de Galium uliginosum en de Galium boreale van Linnaeus, groeien meest op vochtige plaatsen in de moerassen; ze worden ook Kleefkruid genoemd, maar verschillen door de bladen die zes bij een aan de knopen der stelen zijn verspreiden brengen witte bloempjes en veel zaadjes voort. Men zegt dat die kruiden de melk doen stollen en runnen; ze worden in vele landen van de kaas bereider gebruikt om de kaas een rode kleur te geven.
ONZE VROUWENSCHOEN, Mariaschoen, Papenschoen, Venusschoen, in ’t Frans Sabot de la vierge, Sabot de Vénus, Cypripede, in ‘t Latijn Cypripedium, door Tournefort Calceolus marianus genoemd en onder zijn 11de klasse, 3de
sectie gesteld der onregelmatige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van het Standelkruid en onder de 20ste klasse van Linnaeus, Gynandria diandria, helmstijlige met twee meeldraadjes, slag van planten waarbij de meeldraadjes met de stamper tot een lichaam zijn samengegroeid.
De Vrouwenschoen of Papenschoen (Cypripedium calceolus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Europa die in Zwitserland, België en elders in de lommerachtige bossen groeit met vezelachtige wortels, stengels die omtrent 25 centimeters hoog groeien en grote, eivormige, geplooide bladen die steelloos aan de stengels zijn verdeeld; bloeit hier meest in juni met een of twee bloemen op een stengel in vijf bloembladen verdeeld waarvan vier lang, spits en violetachtig zijn, het vijfde geelachtig en met een buik is en tezamen een schoen of holleblok vormen; en verspreiden een aangename oranje reuk. De bloembladen zijn soms ook purper rood en bleek of donker paars van kleur. Deze wonderbare plant wordt hier veel in de bloemhoven gekweekt en op de wijze van het Standelkruid vermenigvuldigd.
De Venusschoen met wollige stengels (Cypripedium pubescens) is een nieuwe langlevende kruidplant van Amerika die in juni met zeer lieflijke gele bloemen op de stengels bloeit. Deze plant, die hier in potten moet worden gekweekt, wordt ook wel in Italië gevonden.
De sierlijke Venusschoen (Cypripedium spectabile van Willdenow)(Cypripedium reginae) is een langlevende kruidplant van Canada die met stengels omtrent 30 centimeters hoog groeit en met eivormige, grote, steelloze bladen; bloeit in juni met witachtige bloemen die ook de gedaante van een hollebok hebben. Deze mooie plant was voor de 78ste tentoonstelling der koninklijke Maatschappij van Landbouw en Kruidkunde alhier aangewezen om deel te maken van de planten die op 8 maart 1845 in bloem moesten zijn waarvoor de eerste prijs is toegewezen aan onze behendige bloemist Jan-Baptist De Saegher in de Gruisberg- straat te Gent op wiens bloemlijsten het voor 4 frank aangeduid is en bij die men ook de Cypripedium insigne(Paphiopedilum insigne) en Cypripedium purpuratum (Paphiopedilum purpuratum) met purperen bloemen kan bekomen die hier allen in de volle grond gekweekt en op de wijze van het Standelkruid vermenigvuldigd worden.
Van de krachten van deze kruiden vindt men niet beschreven; ze worden tot versiering der bloemhoven gekweekt.
OGENTROOST, in ’t Frans Euphraise, in ’t Latijn Euphrasia, is onder de 3de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid en onder 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere stofdraden bloemen en wiens zaad in een zaadhuisje besloten is.
De Winkel-Ogentroost die bij de apothekers wordt gebruikt (Euphrasia officinalis van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België en elders aan de wegen, beemden op onbebouwde plaatsen en kanten groeit met een dunne, tere vertakte stengel maar omtrent 15 centimeters hoog met zijdelingse takjes en veel kleine eivormige blaadjes met lijnen getekend en aan de kanten scherp getand; bloeit meest van augustus tot in september met witte, gele en ook wel purper rode gestraalde bloempjes.
De grote Ogentroost( Euphrasia odontites van Linnaeus) groeit ook in België aan de wegen en onbebouwde plaatsen, maar heeft effen lijnvormige blaadjes, geheel getand.
De breedbladige Ogentroost (Euphrasia latifolia van Linnaeus) groeit meest in Zuid-Frankrijk met brede, handvormige bladen, getand en met haartjes bedekt.
De Winkel0Ogentroosr die in Vlaanderen groeit is droog van ard, heet van krachten en bitter van smaak; dit kruid werd voor deze in poeiers gebruikt en ook het sap daaruit gedistilleerd met Vinkel bereid en suiker gemengd om de lopende, vochtig belemmerde ogen te genezen en het gezicht te verhelderen; maar het schijnt dat die middelen nu geheel verworpen zijn want volgens verscheidene oogmeesters is dit sap te in bijtend en prikkelt te zeer op de delen der ogen die de doctor Haller Tutamina oculi noemt; dit gedistilleerd sap kan echter met andere verzachtende oogmiddelen in zalven gemengd worden en wordt op die wijze bij de apothekers verkocht. Dit kruid met wijn gekookt en langs buiten op de ogen gelegd doet al de vurigheid verdwijnen en de ogen verhelderen’ met wijn gekookt en gedronken versterkt ’t geheugen en geneest de geelzucht, maar te veel daarvan ingenomen doet geweldig zweten en kan hinderen en schadelijk aan de mens wezen; doch met mate genomen is het goed, zegt Lobel, v de zwakke en kwellende vrouwen. Deze plant wordt om zijn deugden in veel kruidhoven alle jaren gezaaid.
OOIEVAARSBEK, in ’t Frans Bec de Cigogne, in ‘t Latijn Pelargonium, is door Jussieu onder de familie van de Geranium of Kraaienbek gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia heptandria, eenbroederige met zeven helmdraden.
Deze plant waarvan men heden op sommige bloemlijsten wel 200 verschillende soorten vindt heeft de naam Pelargos uit het Grieks verkregen dat in onze taal Ooievaarsbek betekent; het is van Kaap de Goede Hoop in Afrika oorspronkelijk. De volgende soorten worden hier bij onze bloemisten en liefhebbers gekweekt en op de wijze van de Kraaienbekken en Reigersbekken door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd: de Pelargonium rapaceum van Willdenow; de Pelargonium lobatum van Linnaeus; Pelargonium triste van Linnaeus; Pelargonium flavum van Willdenow; Pelargonium ovale van Willdenow; Pelargonium blattarium van Willdenow; Pelargonium elegans van Willdenow; Pelargonium pulchellum van Curtis; Pelargonium tabulare, Pelargonium alchemilloïdes,- Pelargonium odoratissimum van Linnaeus met zijn rode ,welriekende bloemen; Pelargonium tricolor van Willdenow met zijn driekleurige bloemen; Pelargonium myrrhifolium van Willdenow; Pelargonium lacerum, Pelargonium coriandrifolium van Willdenow; Pelargonium glaucum van de Hortus Kew, Pelargonium lanceolatum van avanille, Pelargonium diversifolium,-Pelargonium stenopetalum, Pelargonium hybridum van Willdenow; Pelargonium betulinum, Pelargonium acetosum, Pelargonium zonale, Pelargonium inquinans van Linnaeus; Pelargonium peltatum, Pelargonium tetragonum,-Pelargonium cucullatum, Pelargonium papilionaceum, Pelargonium vitifolium,-Pelargonium capitatum, Pelargonium hispidum, Pelargonium quercifolium, Pelargonium scabrum, Pelargonium hermanniaefolium, Pelargonium fulgidum, Pelargonium gibbosum van Linnaeus; Pelargonium heterogamum van de Hortus Kew.; Pelargonium monstrum, Pelargonium - lateripes,- Pelargonium cordatum, - Pelargonium angulosum, Pelargonium - acerifolium,- Pelargonium glutinosum, Pelargonium graveolens, Pelargonium tricuspidatum, Pelargonium adulterinum, Pelargonium exstipulatum, Pelargonium ceratophyllum die in de Hortus Kew aangetekend zijn; Pelargonium inodorum, Pelargonium rubens, Pelargonium speciosum, Pelargonium maculatum van de Hortus Cantabrigensis; Pelargonium penicellatum, Pelargonium saniculifolium, Pelargonium grandiflorum, Pelargonium cotyledonis, Pelargonium australe, Pelargonium radula, Pelargonium denticulatum, Pelargonium bicolor, Pelargonium crispum, Pelargonium abrotanifolium van Willdenow; Pelargonium balsameum van Jacquin; Pelargonium formosum Pelargonium quinquevulnerum, Pelargonium lacinatum van Andrews. De Pelargonium’ s die onlangs uit het zaad zijn gewonnen zijn de volgende: Pelargonium denisianum, Pelargonium Schmithii, Pelargonium pavonium van Londen; Pelargonium Duc de Bordeaux, Pelargonium chrisanthemifolium, Pelargonium Welsanum, Pelargonium spectabile, Pelargonium candium, Pelargonium involucratum, Pelargonium scutanum, Pelargonium obscurum, Pelargonium venustum, Pelargonium macrocanthos, Pelargonium Wastonii, Pelargonium opulifolium, Pelargonium saepeflorens, Pelargonium calicium, Pelargonium floridum,- Pelargonium coninum, Pelargonium nervosum, Pelargonium pulcherrium, Pelargonium involucratum, Pelargonium thynnea, Pelargonium incarnatum, Pelargonium grand Commandeur, Pelargoniumgran Amiral, Pelargonium Bayleianum, Pelargonium Robinsonii, Pelargonium solubile, Pelargonium duchesse de Glocester, Pelargonium Bellulum rosetta, Pelargonium imbricatum, Pelargonium versicolor, Pelargonium Husseyanum, Pelargonium duc d' Yorck, Pelargonium atrofuscum, Pelargonium majestum, Pelargonium principressae, Pelargonium Seymouriae en veel meer andere die hier alle om hun wonderlijke en mooie bloemen 's winters in de matige serres worden bevrijd en ‘s zomers in de belommerde planthuizen gezet - om lang hun bloemen te behouden. Plinius verhaalt dat het kruid van de Pelargonium met wijn gekookt en gedronken de vloed stelpt.
ORANJEBOOM, in ’t Frans Oranger, in ’t Latijn Citrus aurantium, is door Jussieu onder de familie van de Limoen en Citroenbomen gesteld, en onder de 18de klasse van Linnaeus, Polyadelphia icosandria, veelbroederige met twintig helmdraden.
De Oranjeboom (Citrus aurantium malum en de Aurantium sinensis van Linnaeus) (Citrus aurantium) is een langlevende boom van de Oost- Indiën en Perzië die van over veel eeuwen in Europa is overgevoerd en aan alle kanten is verspreid; het groeit zeer vertakt wel 2 meters hoog met gevleugelde bladstelen en groene puntige bladen en op zijn dunne takjes bloeien hier meest in juni en juli zeer lieve witte bloempjes die een aangename geur verspreiden.
Men vindt heden hier in België veel medesoorten van de Oranjebomen, zoals den Citrus aurantium mytrifolia van de Indiën; de Citrus aurantium ulyssiponensis van Portugal; de Citrus aurantium amarum en violaceum; den Citrus aurantium multiflorum van Azië; den Citrus aurantium lunatum, van Turkije; de Citrus aurantium nobilis van China en de Citrus aurantium var. malta op wiens stralen der vruchten men een kruis van Malta bemerkt. Ze bloeien meest allen inde maand juni en verkrijgen in de matige planthuizen het volgende jaar in januari, februari en maart hun rijpe vruchten. Al deze Oranjebomen worden hier meest op de wilde Citroenstammen geënt. De bloemen, vruchten en bladen van deze bomen houden een krachtige vluchtige olie in en de welriekende bloemen worden verzameld om er een kostelijke oranjebloem-water mee te distilleren dat, volgens alle nieuwe en oude Kruidkenners en zonder tegenspraak, een uitnemende goede eigenschap bezit om de stuiptrekkingen, spannende spieren en vezeltjes te herstellen. Die bloemen worden ook wel in het kokende water geweekt en als thee gedronken hetgeen de weedom der mensen verzacht en de vrouwen kwalen en zenuwen herstelt. De schillen der Oranje- appels die zeer veel vluchtige olie geven worden in veel landen gebruikt om curaçao mee te maken; die oranje schillen worden ook veel gekonfijt en met suiker opgelegde n houden een goed middel in om de spieren en zenuwen te bewegen en zachtjes aan te drijven. Het sap van de Oranjeappels wordt veel in de medicijnen gemengd, ook met suiker en water bereid en als verversing in veel brandende ziekten gedronken; de oranjevruchten met kanariesuiker of broodsuiker gekonfijt en daarvan gegeten versterken de maag en doen de vezeltjes en spieren bewegen.
De Oranjebomen kunnen door de korrels in het voorjaar worden geplant die alsdan altijd wild hout voortbrengen waarop men ook de tamme kan enten. Alle de Oranjebomen kunnen geen acht graden koude weerstaan en moeten derhalve hier ’s winters in de matige planthuizen bevrijd zijn.
OREGO, Grove Marjolei,, in ’t Frans Origan, in ‘t Latijn Origanum, is onder de 4de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld;door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere stuifdraadjes bloemen en naakt zaad dragen.
Men vindt veel verscheidene soorten van Orego die in België en elders in de kruidhoven worden gekweekt.
De Orego van Egypte (Origanum aegyptiacum van Linnaeus)(Origanum syriacum) is een houtachtig boomgewas van Azië dat heestervormig met kleine, welriekende, wit geschulpte blaadjes groeit en meest in augustus bloeit met aren en kleine, witachtige, rooskleurige bloempjes die een aangename geur hebben.
De Origanum dictamnus van Linnaeus is een langlevend heester-houtgewas van Griekenland dat met langs onder door witte dons bedekte blaadjes groeit en meest in juli bloei, met hangende aren en witachtige rooskleurige bloempjes.
De Origanum pallidum (Origanum onites) van Desfontaines is een langlevend kruidgewas van de Oost-Indiën dat op de wijze van de Marjolein groeit . Deze drie planten moeten hier ’s winters in de matige serres of in de planthuizen in potten bevrijd worden.
De grove Marjolein of wilde Orego (Origanum vulgare van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders in de zandachtige en belommerde plaatsen groeit met stengels omtrent 30 centimeters hoog, n blaadjes door haartjes bekleed die van gedaante op het Bijenkruid gelijken; bloeit meest in augustus met ronde aren of trosjes op de toppen der stengels en roodachtige witte bloempjes, die dikwijls van kleur en meeldraadjes verschillen omdat men er ook met witte bloempjes vindt. Deze plant wordt om zijn deugden hier veel in de kruidhoven gekweekt en door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd. Dit kruid met zoete melk gekookt en gedronken is zeer dienstig voor die welke van het dolle Kervelkruid of ander vergif ingenomen hebben. Het kruid met de bloemen gedroogd en in poeiers gestampt doet niezen, verlicht het hoofd, versterkt de hersenen en geheugen en trekt vele kwade vochten uit het hoofd; met wijn of water gekookt en gedronken, zegt Dodonaeus, doet het pissen verwekt de maandstonden, geneest de geel- en waterzucht en is zeer goed voor een verkouden borst, lammigheid en kwade magen en voor degenen die vergiftige spijzen genomen hebben; het wordt zeer geacht om de beten der slangen en andere venijnige gedierten te genezen. De Orego met vijgen gekookt en enige tijd gedronken is zeer goed om de inwendige kwetsuren, breuken, scheuringen en verknoopte leden te genezen; het sap uit het Orego kruid geperst en met honing ingenomen geneest de vurige brand in de keel, verwekt de eetlust en is goed voor de terende mensen. Er wordt ook een olie uit het zaad van den Orego bereid en in de geneesmiddelen gebruikt om de leden van binnen en buiten te verwarmen en de spannende aderen en hardheid der moeder te strijken. Galenus houdt de grove Marjolein of wilde Orego voor de krachtigste; nochtans zeggen sommigen dat de Griekse die veel in Italië wordt gekweekt de krachtigste is en beter naar de Marjolein aardt.
ORLEAANBOOM, Orellan, in ’t Frans Roucou, in ‘t Latijn Bixa, is onder de 6de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der roosvormige planten; door Jussieu onder de familie der Linde bomen en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige die van twintig tot honderd meeldraadjes en mar een wijfjes deel of stampertje hebben.
De Orleaaboom (Bixa orellana van Linnaeus) is een groot boomgewas van Zuid-Amerika dat hier in de warme serres van de kruidhof der Hogeschool wordt gekweekt. Deze boom wordt in het land van zijn afkomst vooral geplant voor het zaad wat men verzameld en waarmee men een mooie rode verf bereid die naar Europa en elders door de handel wordt verzonden om gelijk de Meekrap allerlei stoffen rood te verven.
Deze boom kan door het zaad, inleggers en afzetsels vermenigvuldigd worden, maar moet in ons klimaat geheel het jaar in de warme serres verblijven.
OSSENOOG, Rundsoog, Koeienoog, Paddebloem, in ;’t Frans Bupthalme, OeiL de Veau, in ’t Latijn Buphthalmum, door Tournefort Asteroïdes genoemd en onder zijn 14de klasse, 2de sectie gesteld der Straalbloemen; door Jussieu onder de familie der bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustranea, samenhelmige-veelechtige- vruchteloze.
De Ossenoog of Rundsoog met grote bloemen (Buphthalmum grandiflorum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in Zuid Frankrijk, Oostenrijk, de zuidelijke delen van België en de provincie Luxemburg groeit en hier in de kruidhoven wordt gekweekt; het groeit met stengels omtrent 30 of 40 centimeters hoog en met smalle alleen staande, lansvormige bladen en bloeit van juli tot in september met zeer lieflijke gele bloemen, zeer mooi geel gestraald.
De Ossenoog met hartvormige bladen (Buphthalmum cordifolium van Wald. en Kitt.) is een langlevende plant van Hongarije die met stengels in bundels verenigd wel 1 meter hoog groeit met grote en kleine enkele bladen; bloeit van juni tot in oktober met veel grote bloemen die een mooie kleur hebben.
Men kweekt hier nog in de bloemtuinen de Ossenoog die op wollige, lansvormige, plompe bladen en trechtervormige bloempjes die de meeldraadjes, welke geel zijn, korter dan de bloemkransjes hebben en waarvan al de delen een rode verf inhouden.
De Ossentong van Italië (Anchusa italica van Retzius) is een tweejarige kruidplant van Italië die hier in de bloemhoven wordt gezaaid; bloeit van juli tot in september met veel lieflijke blauwe bloempjes.
De altijd groene Ossentong (Anchusa sempervirens van Linnaeus )is een langlevende kruidplant van Spanje die ook in ’t wild groeit; het wordt hier en elders om zijn liefelijke blauwe bloemkransjes veel in de bloemhoven geplant.
In Spanje en elders, zegt Clusius, verkoopt men kleine doosjes vol van een zalf met de wortels van de Ossentongen gemaakt en waarmee de vrouwe hun aangezicht blanketten. De wortels met Hysop en Kers gekookt en het sap gedronken doden de lintwormen en brede wormen die de mensen in het lijf groeien waarvoor men meest de officinale Ossentong gebruikt; het wordt ook met wijn gezoden en gedronken tegen de weedom van de nieren en lenden; maar jaagt de vrucht af, zegt Dodonaeus, en derhalve mogen ze van geen zwangere vrouwen gedronken worden. De bladen met honing en meel bereid genezen de verstuikte leden en het water waarin die wortels gezoden zijn in de kamers gesproeid brengt de vlooien om.
OTHONPLANT, in ’t Frans Othonne, in ’t Latijn Othonna, door TournefortJ acoboea genoemd en onder zijn 14de klasse, 1ste sectie der Straalbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19deklasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia necessaria, noodzakelijk veelwijverij of samenhelmige, planten die met meeldraadjes en stampertjes, op de wijze van de Goudsbloemen bloeien.
Men vindt op sommige bloemlijsten 27 soorten van die planten die allen meest van de Kaap en Ethiopië in Afrika oorspronkelijk zijn en waarvan enkel de volgend o m hun mooie bloemen hier bij onze bloemisten worden gekweekt :
De Othonna pectinata van Linnaeus (Euryops pectinatus) is een langlevend houtachtig gewas van Ethiopië met gelid tekende stengels en gevleugelde bladen, gedeeltelijk van de cirkel afgescheiden en kleine lijnvormige blaadjes die tegenover elkaar groeien; bloeit hier meest in de matige serres van in mei met rode bloemkelken en gele gestraalde bloemen die op de Afrikaantjes enigszins gelijken.
De Othonna athanasiae van Jacquin is een langlevende houtachtige kruidplant van de Kaap die draadvormig met stengels en gevleugelde bladen groeit en met ronde bloemkelken en twaalf getande bloemblaadjes bloeit.
De Othonna tagetes (Steirodiscus tagetes) van Linnaeus is een eenjarige kruidplant van de Kaap, die geheel goed in al zijn delen op het Afrikaantje bloemen gelijkt.
De Othonna tenuissima (Crassothonna cylindrica) van Linnaeus is een langlevend hout achtig kruidgewas van de Kaap de Goede Hoop met rechte stengels, talrijke bladen en gestraalde geelachtige bloemen.
De Othonna arborescens van Linnaeus is een langlevend houtachtig boomgewas dat met geheel langwerpige bladen en dikke, vlezige, wollige stengels groei ,en bloemen met gele gespikkelde stralen draagt.
De Othonna digitata wordt hier ook gekweekt.
De bloemen van deze planten zijn zeer zwaar van reuk en hebben bijna de geur van de dolle Kervel en Scheerlingkruid die de mensen in zwijmeling kan doen vallen op de wijze van het Afrikaantje, het hoofd zwaar maakt en dodelijke gevolgen kan hebben: ook hebben we met die bloemen proeven gedaan; die met kaas gemengd en aan een kat gegeven die daarvan zeer opzwol en weinig daarna stierf; ze zijn ook een goed muizen- en rattenvergif. Deze planten kunnen door het zaad in het voorjaar in de planthuizen op teilen, gezaaid en ook door struik- en wortelscheiding en afzetsels vermenigvuldigd worden.
PALMBOOM, Busboom, in ’t Frans Buis, in ' t Latijn Buxus, is onder de 18de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der bomen die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelkplanten en onder de 21sie klasse van Linnaeus, Monoecia tetrandria, eenhuizige-viermannige, planten wier geslachtsdelen in onderscheiden bloemen zijn, maar die toch op dezelfde boom bloeien.
De Palmboom met altijd groene bladen (Buxus sempervirens van Linnaeus),is een langlevend heester-houtgewas van Zuid- Europa dat van over zeer oude tijden in België is bekend, aan alle kanten in de hoven, rond de boorden en als scheerhagen gekweekt en door struikscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd wordt.
Men vindt onder deze heestergewassen de smalbladige Palm (Buxus angustifolia) de Balearen Palm (Buxus balearica van Willdenow) van de Balearen eilanden en meer andere medesoorten met brede bladen die hier in de oranjehuizen, gelijk de heesterachtige Palm (Buxus suffruticosa), (Buxus sempervirens ‘Suffruticosa’) met bonte bladen, worden bevrijd.
De wortels, hout en bladen van de gewone Palmboom met zijn altijd blijvende groene bladen houden een bijzondere eigenschap in en bezitten de krachten van het Pokhout; ze zijn droog en samentrekkende van natuur en worden gewoonlijk door afkooksel in de geneesmiddelen gebruikt; 5 of 6 decagram in een literwater op de helft verkookt is zeer dienstig, zegt Gabriel Grimaud, om voor de langdurige velziekte, koude zinkingen en de Venusziekte te gebruiken. Er wordt ook door de kunstscheiding uit die Palmbomen een zekere olie getrokken die voor de vallende ziekte en moederpijn zeer wordt geprezen en voor de tandpijn wordt gebruikt. Het schijnt, volgens de oude overleveringen, dat dit gewas in onze taal de naam van Palm heeft verkregen omdat men op Palmzondag de takken tot het maken van kransen en tot wijding gebruikt ter gedachtenis der intrede van onze Zaligmaker Jezus Christus te Jeruzalem welke onze Kerk alle jaren op die dag viert; want eerst ,in de oude tijden werd het Bosboom genoemd. Het hout van de Palmboom, dat zeer hard en dicht tis, glad bewerkt en een geelachtig kleur behoudt wordt gebruikt om allerlei fraaie instrumenten van te maken zoals fluiten, haut-bois, zakpijpen, dozen, kabinet werken, kammen, lepels en vorken en van de draaiers en schrijnwerkers zeer geprezen. De gewone Palmboom wordt hier te land om hagen mee te planten door inleggers van de jonge loten vermenigvuldigd.
Pancratium, in ’t Frans Pancratier, in ’t Latijn Pancratium is van Tournefort onder zijn 9de klasse,2de
sectie der Lelie- planten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Narcissen- bloem of Paaslelie en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. Men vindt heden bij onze bloemisten veel verscheidene soorten van die gewassen.
De Antillen Pancratium (Pancratium caribaeum van Linnaeus) (Hymenocallis carinbea) is een langlevende, grote bloembolplant van de Antillen Eilanden die met bladen van omtrent 30 centimeters lang groeit en een schacht die alle jaren uit de bollen spruit en wel 50 centimeter hoog groeit; bloeit hier in de lente en zelfs twee of drie maal binnen het jaar in de warme serres met veel mooie, witte bloemen die een zeer zoete aangename reuk verspreiden.
De Ambon Pancratium (Pancratium amboinense van Linnaeus) (Priophys amboinense) is een langlevende bloembolplant van het eiland Ambon die met schachten omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeit met pijlvormige bladstelen en grote bladen; bloeit hier in de zomer met bloemtrosjes en zes of zeven witte, lange, gepijpte bloemen, ie in vief of zes verdeeld zijn en een aangename geur hebben.
De grote halsvormige Pancratium (Pancratium calathinum) (Ismene nutans) van Zuid-Amerika groeit met blote schachten en lijnvormige bladen, omtrent 50 centimeters hoog en bloeit met twee blote witte bloemen op de toppen die lange gepijpte halzen hebben en een lieflijke reuk verspreiden.
De twee rijen Pancratium (Pancratium distichum) (Hymenocallis littoralis) van Amerika bloeit hier meest in de zomer met zes of zeven mooie witte bloemen langs twee kanten aan de stengen verdeeld die een zeer welriekende zoete geur hebben.
De mooie hoog verheven Pancratium (Pancratium speciosum van Redouté) (Hymenocallis speciosa) de Pancratium amoenum (Hymenocallis caribaea) en de Pancratium mexicanum van Willdenow (Hymenocallis concinna) worden hier allen in de warme serres gekweekt en door bolscheiding vermenigvuldigd.
De Pancratium maritimum van Linnaeus en de Pancratium illyricum van Linnaeus, zijn langlevende, grote bloembolplanten die in Italië, Spanje en elders veel aan de zeekanten groeien en hier in de bloemhoven op de wijze van de Lelie worden geplant, alle jaren in de lente uit de aarde spruiten en in de zomer paarskleurige bloemen dragen. De inwoners van Spanje noemen die planten Cebolla albarana, gelijk de Zee-Ajuin die nochtans van krachten en smaak daarop geenszins gelijkt. De oude Kruidkenners noemden die planten ook Pancratium monspellensium en Asphodille van Montpellier. De inwoners van Spanje en Languedoc houden die voor vergiftige en schadelijke planten die ze nooit plukken en zeggen dat de reuk der bloemen kan doen in bezwijming vallen en voor degenen die ze eten kwade gevolgen veroorzaken.
PANDANUS, in ’t Frans Baquois, Vacoua odorant, in ‘t Latijn Pandanus, is door Jussieu onder de familie der planten van een onzeker zetsel gesteld, en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia monandria, tweehuizige-eenmannige die op een plant al mannetjes en op de andere al wijfjes bloemen dragen.
De welriekende Pandanus (Pandanus odoratissimus van Linnaeus)(Pandanus odorifer) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Ceylon dat hier om zijn welriekende geur in de matige serres wordt gekweekt.
De Pandanus utilis is een nieuw langlevend boomgewas van Madagaskar dat met zijn wortels diep in de aarde schiet en de groeizame kracht krachten voor het voedsel van de stam daaruit haalt; van onder zeer dik en nar boven langzaam dunner en spits groeit met stam omvattende bladen die dikwijls 2 meters lang en wel 20 centimeters breed groeien en op de boorden met roodachtige, puntige doorns zijn versierd; bloemt in de warme landen met steelloze bloeischeden; de wijfjes bloemen zijn zonder kelkjes of kransjes en brengen vruchten voort. Deze planten moeten hier in de warme serres gekweekt worden alwaar ze in potten hun groeikracht niet genoeg kunnen ontwikkelen om vruchten te dragen; ze worden meest door het rijpe zaad dat men van het land van hun afkomst verkrijgt in de warme serres gezaaid en door uitlopers vermenigvuldigd.
Men vindt hier nog andere soorten bij onze bloemkweekers, zoals de Pandanus oeschymene (Wel Pandanus amaryllifolius) en Pandanus polydosa (wel een vorm van de vorige) die in het jaar 1805 door M. Levingston uit de Filippijnen Eilanden naar Europa zijn overgebracht en waaruit men een zeer mooi rietpapier kan trekken en heden ook veel kunstbloemen maakt die door de kunstbloemwerkers bij voorkeur worden gebruikt omdat ze beter hun stand en kleuren behouden. Het was te wensen dat men die mooie versierende bomen hier in de vrije lucht, gelijk in de warme landen, kon kweken; maar ze kunnen geen 6 graden koude weerstaan.
PANIKKOORN, Hirs, Milie, in ’t Frans Panis, Millet, in ’t Latijn Panicum, is onder de 15de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie der Grasplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en maar twee stampertjes hebben.
Het gewone Panikkoorn (Panicum miliaceum van Linnaeus)is een eenjarige zaai plant van de Indiën die in Italië, Frankrijk, Duitsland en België wordt gezaaid; het groeit met geknoopt stro en bladen die op het kleine Riet gelijken en bloeit met aren op de toppen der stelen; het zaad wast met dunne velletjes bekleed is hard, plat en effen en heeft een blinkende bruine kleur; het houdt veel olie in en wordt ook als voedsel gebruikt, maar is stoppend en verdrogende van kracht. Dit zaad met vijgen gemengd verzoet en stelpt de onlijdelijke smart der weedom; gebakken en gegeten geeft het veel voedsel. Volgens de oude Kronieken werd dat Panikkoren in de VIIde eeuw van de Indiën eerst in Europa verspreid.
Het Italiaans Panikkoorn (Panicum italicum) (Setaria italica) groeit met grote stelen die wel 2 meters hoog groeien en langwerpige bladen; op de stelen bloeien dikke, ,lange aren, gelijk krappen, die zeer veel zaad voortbrengen. Het wordt veel in Italië en elders in de warme landen alle jaren in de lente gezaaid om brood mee te bakken en ook ’s winters de pluim gedierten, schapen, geiten en andere kruid etende dieren te voeden.
Het kransvormig Panikkoorn (Panicum verticillatum van Linnaeus) (Setaria verticillata) is ook een eenjarige plant van Zuid-Europa die in Frankrijk en elders in de velden wordt gezaaid en groeit met aren rond de toppen en vierkantige, kleine trosjes, ie ook veel zaad voortbrengen.
Het groenachtig Panikkoorn (Panicum glaucum van Linnaeus) (Pennisetum glaucum) is een eenjarige plant van Italië die ook in Spanje en elders wordt gezaaid.
Het wild Panikkoorn (Panicum crus-galli van Linnaeus) (Echinochloa crus-galli) groeit op sommige zandachtige plaatsen in België met geknoopt stro omtrent 1 meter hoog, met aren die vijfhoekig zijn verdeeld en gebaard kaf; het brengt geelachtig zaad voort.
Men vindt nog het Panikkoorn S. Jobs tranen (Panicum lacryma Jobi (Coix lacryma-jobi) en het groen Panikkoorn( Panicum viridi?) van Zuid-Europa at veel in Duitsland wordt gezaaid en tot voeding van mensen en dieren op de wijze van het Koren wordt gebruikt als ook om er olie van de maken. Het stro dat een zoete smaak inhoudt diens ook veel om de huizen en hutten te dekken en de beesten te voeden.
PANTOFFELBLOEM, in ’t Frans Fleur à pantoufle, Calceolaire, in ’t Latijn Calceolaria, is door Jussieu onder de familie van het Speenkruid gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee stofdraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De gevleugelde Pantoffelbloem (Calceolaria pinnata van Linnaeus) is een kruidplant van Peru die met stengels en gevleugelde bladen groeit en van juni tot in september bloeit met hoog gele bloemen die door zijn gezwollene bloemkransen wel op een pantoffel gelijken
De Pantoffelbloem met effen bladen (Calceolaria integrifolia van Linnaeus) van Amerika, groeit maar omtrent 20 centimeters hoog met stengels en getande en gekerfde bladen en draagt bijna de gehele zomer gele bloemen die een zeer sterken geur inhouden.
De doorbladige Pantoffelbloem (Calceolaria perfoliata) is een plant van Nieuw-Grenada, in Amerika, die met stengels door de bladen pijlvormig groeit en meest in juli bloeit met gele bloemen wiens kelken in vier zijn verdeeld, met gezwollen kransjes die op een pantoffel gelijken.
Deze planten worden door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd, maar kunnen onze koude winters niet weerstaan en moeten in de planthuizen worden bevrijd. Men heeft nog enige soorten van die Pantoffelbloemen van Zuid-Amerika in Europa overgebracht die volgens den heer Thiébaut de Berneaud en andere nieuwe Kruidbeschrijvers in de medicijnen worden gemengd.
PAPENBLOEM, Pisbloem, wild Cichoreikruid, Paardenbloem, Papenkruid, in 't Frans Pissenlit, Dent de Lion, in 't Latijn Leontodon, door Tournefort Dens Leonis genoemd; door Jussieu onder de familie van de Cichorei gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige- veelechtige- gelijk bloeiende.
De Pisbloem(Leontodon taraxacum van Linnaeus) (Taraxacum officinale) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders ten alle kanten in de moerassen, velden en landen op vette plaatsen groeit met wortels en langwerpige, getande bladen, die bij de aarde gestrekt zijn en met holle schachten die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten waarop hier van april tot in juli dikwijls gele bloemen bloeien die een zoete aangename geur hebben en wolachtig bekroonde zaadjes voortbrengen die door de wind ten alle kanten vervliegen.
De wortels zijn lang en langs buiten geelachtig wit en van binnen vol wit melkachtig sa wat men ook in de schachten, bladen en bloemen ziet vloeien als men die snijdt of kwetst. De bittere smaak van dit melkachtig sap betoont genoeg dat dit kruid een verkoelende en scheidende kracht inhoudt. Dit kruid wordt voor geheel gezond geacht en als Salade gegeten; het drijft de pis af, maakt de buik week en is zeer goed voor de mensen die met het graveel gekweld zijn. Men mag vrij dit kruid gebruiken in al hetgeen waarin men de Cichorei en Andijvie nuttig en behulpzaam vindt. Het melkachtig sap, gelijk dat van het Kankerkruid ,kan ook de wratten van het vel doen verdwijnen; het gedistilleerd water van het Papenkruid is zeer goed om de zere ogen mee te baden. Dit kruid gestoten is goed om op de vurige zweren te leggen en wordt in de wonddranken gebruikt; de bloemen worden ook groen en droog in de verkoel drank gekookt. Dit kruid wordt hier veel van de landlieden opgezocht om in de keuken als Salade te gebruiken; het opent de darmen, drijft de pis naar de blaas, doet slapen, zuivert het bloed en wordt met Huiswortels of Donderbladen in pappen gekookt en langs buiten op de ongezonde leden en gezwollen zeren gelegd; met melk gezoden verhelpt het de buikloop en rode loop.
PAPENHOED, Spilboom, Papenmuts, Papenhout in ’t Frans Fusain, Bonnet de prêtre, in ’t Latijn Euonymus, is onder de 21ste klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Sleedoorns en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Papenhoed (Euonymus europaeus van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa dat in België ten alle kanten in de bossen, in struiken met eivormige, steelloze bladen zeer lommerrijk op de takjes verspreid. Het wordt om zijn welriekende witte bloemen en mooie rode vruchten veel in de lusttuinen geplant; de bessen en het kernzaad gestampt houden een mooie gele verf in die in sommige streken van Europa wordt verzameld om aan de stoffen een gele kleur te geven’ de rechte spillen der takjes dienen hier veel om spinrokken mee te maken en worden voor lardeerpriemen gebruikt.
De Papenhoed met brede bladen (Euonymus latifolius van de Hortus Kew) is een langlevend heester gewas van Amerika dat hier veel in de Engelse hoven wordt geplant om zijn mooie rode vruchten die de lusthoven versieren, aan lange stelen hangen, in vijf hutjes zijn verdeeld en een vijfkantige hoed vormen. Die bessen bezitten ook een gele verf.
De wratachtige Papenhoed (Euonymus verrucosus) van Amerika is een heester-boomgewas met ruwe schors en uitgroeiende knobbels bekleed, maar die mooie gele bessen voortbrengt die versierend aan de takjes hangen.
De zwartachtige purperen Papenmuts (Euonymus atropurpureus van de Hortus Kew) is een heester-houtgewas van Noord- Amerika, dat in de lusthoven om zijn lieflijke zwartachtige purperen bessen wordt geplant.
Men vindt nog den Euonymus pyracanthaefolia ? Euonymus carolinensis? en Euonymus angustifolia? die hier allen in de lusthoven geplant en door het zaad en uitlopers vermenigvuldigd worden; maar de witte zilverachtige Papenmuts (Euonymus argentea) van Amerika met zijn mooie bonte geschakeerde bladen en kleine groenachtige bloemen wordt door afzetsels en inleggers vermenigvuldigd en moet hier ’s winters in de oranjehuizen bevrijd of in de vrije lucht goed gedekt zijn.
PAPIERBLOEM in ’t Frans Immortelle à grandes fleurs, Xeranthème, in ’t Latijn Xeranthemum, is onder de14de klasse, 5de sectie, er Straalbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende kruidplanten en onder de 19de klass vean Linnaeus, Syngenesia polygamia super-flua, samenhelmige-veelechtige-overbodige.
De Papierbloem met grote gekroonde bloemen (Xeranthemum speciosissimum) (Syncarpha speciosissima) is een nieuwe tweejarige kruidplant van de Kaap die hier in het voorjaar in hutjes wordt gezaaid en voort met dolken verplant ,en van juli tot in de winter bloeit met mooie gele bloemen en lieflijke witte stralen wiens bloembladen als blinkende papier verbeelden.
De eenjarige Papierbloem (Xeranthemum annuum van Linnaeus) is een eenjarige zaai plant van Italië die hier vroeg in de lente in de bloemhoven wordt gezaaid en met stengels wel 40 centimeters hoog groeit met smalle, witachtige, steelloze bladen en meest van juli tot in november bloeit met enkele witte, violette, grijze en andere gekleurde bloemen, volgens de medesoorten die men door het zaad verkrijgt.
De Papierbloem met mooie bloembladen (Xeranthemum bracteatum), is een nieuwe kruidplant die alhier onlangs van Nieuw-Holland (Australië) is overgevoerd; het groeit met stengels, wel 90 centimeters hoog met lansvormige, donker groene bladen en bloeit van juli tot in den winter met breed gekroonde bloemen die een blinkende geel vergulde kleur hebben en die men in het zand zeer lang kan bewaren.
Men zaait deze planten zeer vroeg in de winter in de oranjerie om in de lente in de vrije lucht te planten en het volgende jaar in de planthuizen te bevrijden. Men kan ze door afzetsels, met zorg, verscheidene jaren behouden.
Men zaait hier nog de Xeranthemum inapertum van Willdenow die van Oostenrijk oorspronkelijk is en veel andere soorten die om hun zeldzame bloemen in de hoven worden gekweekt.
PASSIEBLOEM, in ’t Frans Grenadille, Fleur de la Passion, in ’t Latijn Passiflora, door Tournefort Granadilla genoemd; door Jussieu onder de familie der Kauwoerden of Meloenen gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia pentandria, eenbroederige met vijf helmstijltjes.
D e blauwachtige Passiebloem (Passiflora caerulea van Linnaeus) is een langlevende, rankachtige plant van Brazilië die heestervormig met hechtrankjes wel 4 meters lang uitgestrekt groeit met bruinachtig groene, vingervormige bladen en hier meest van juni tot in oktober bloeit met eenzame en brede okselbloemen, langs binnen met purperachtige cirkels, blauwe franjes in de straalkransen en witte omlopen en wiens geslacht delen enigszins de werktuigen passie van onze Heer vertonen.
De trosvormige Passiebloem (Passiflora racemosa) is ook van Amerika en gelijkt van gedaante wel op de eerst gemelde, maar de bloemen verschillen en hebben purperen franje en stralen die ook de werktuigen der passie van onze Heer verbeelden.
Deze twee planten brengen in de warme landen van Peru zeer goede oranjeachtige gele vruchten voort die sappig zijn, een zeer aangename smaak hebben, vers in Brazilië̈ veel worden gegeten, voor zeer gezond zijn geacht en onder de naam van Granadille vruchten zijn bekend; ze worden tegen de verstoptheid der ingewanden en als buik week makend middel gebruikt.
De volgende soorten van Passie bloemen worden hier bij onze bloemisten in de matige serres gekweekt: De Passiflora alba, Passiflora edulis, Passiflora linearis, Passiflora Milneri hybrida, Passiflora Neely, Passiflora onychina, Passiflora Wollichiana, Passiflora pallida, Passiflora alata van Willdenow; Passiflora rubra van Linnaeus; Passiflora glauca, Passiflora adiantum van Willdenow; Passiflora holosericea, Passiflora incarnata, Passiflora ciliata en meer andere die allen van Zuid-Amerika alhier zijn overgevoerd, door uitspruitsels, afzetsels en inleggers, die zeer licht wortel vatten, vermenigvuldigd en ’s winters in de matige serres gekweekt worden.
PASTINAAK, Witte Wortel, in 't Frans Panais ,in 't Latijn Pastinaca, is onder de 7de klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de zonnescherm dragende kruidplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De Hof-Pastinaak (Pastinaca sativa van Linnaeus) is een twee- jarige plant van Europa die met dikke wortels in de grond groeit, het eerste jaar bladstelen en veel bladen geeft en het tweede stengels van omtrent 80 centimeters hoog en bladstelen met gevleugelde bladen aan de stengels verdeeld; bloeit meest in juli met rondvormig geschikte gele bloemen op de toppen die ronde, platte zaden voortbrengen, welke hier alle jaren in de moeshoven en de velden worden gezaaid.
De Pastinaak (Pastinaca opoponax (Opopanax chironium) van Linnaeus wordt veel in Italië, Frankrijk en Duitsland gezaaid.
De wortels van de tamme Pastinaken zijn zoet en aangenaam van reuk en matig warm en vochtig van aard. Die wortels in de spijzen gebruikt, zijn voedzaam; gezoden en als toekruid bereid maken ze de buik noch week noch hard; ze verdunnen de spijzen, doen pissen en al de overlast van de blaas scheiden; ze verzoeten ook de pijn en verdrijven de winden der weedom en buik: maar, zegt Lobel, ze vermeerderen de lustigheid en vleselijke begeerte der mannen en vrouwen. De bladen met honing gestoten en opgelegd genezen en zuiveren de voort etende zeren. Van het water uit de bladen in mei gedistilleerd, ’s morgens en ’s avonds een glas gedronken of daarmee gestreken is zeer goed tegen de beroerdheid, de geraakte en bevende leden. De Pastinaken kunnen zeer goed onze koude winters weerstaan en worden alhier te lande veel in de lente gezaaid om ’s winters de kruid eten dieren mede te voeden, vooral de koeien die er veel melk en goede boter van geven.
PAUWENSTAART, Tijgerbloem, in ’t Frans Que de paon, Tigridie, in 't Latijn Tigridia, is door Jussieu onder de familie van de Lisbloemen en de Ferraria gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia triandria eenbroederige wiens meeldraadjes tot een lichaam zijn verenigd en die drie stampertjes hebben.
De Pauwenstaart met geschakeerde bloemen (Tigridia pavonia van Redouté) is en kleine langwerpige bloembol plant van Peru en Mexico, die Willdenow Ferraria pavonia noemt; het groeit met geschulpte bloembollen en stengels die omtrent 40 centimeters hoog groeien en puntig geplooide bladen die alle jaren uit die bollen spruiten ;bloeit meest van in juli tot augustus aan iedere stengel met twee of drie holvormige bloemen die te midden cirkelvormig zijn en van boven met ongeregelde straalvormige randen en drie hangende bloembladen die langs buiten een geel rode violette kleur hebben en van binnen geelachtig purper met allerliefste kleuren gepikkeld en getijgerd zij. Deze mooie bloemen worden alhier ook Acht uur bloemen genoemd en kunnen door het rijpe zaad in het voorjaar gezaaid worden waardoor men veel medesoorten kan bekomen; ze worden ook door de bloembolscheiding vermenigvuldigd en op de wijze van de Ferraria na het bloeien in de herfst ’s winters in het droge zand te meuken gelegd om die in het voorjaar op een standplaats in de perken der bloemtuinen te planten (Zie het artikel van de Ferraria).
PEEN, Gele Wortel, Gele Peen, in ’t Frans Carotte, Racine potagère, in 't latyn Daucus, is onder de 7de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de zonnescherm dragende kruidplanten en onder de 5de klasse van Linnaeu , Pentandria digynia, planten die met vijf helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Dee tamme Peen of Gele Wortel (Daucus sativa van Linnaeus) (Daucus carota subsp. sativus) is een tweejarige plant die hier alle jaren in de moeshoven en velden wordt gezaaid en groeit met dikke gele wortels, bladstelen en donker groene, dun uitgesneden bladen en het tweede jaar ook stengels met bladstelen en veel kleine donkergroene, uitgesneden blaadjes heeft; bloeit meest in juli met zonneschermachtige ge trossen en witachtige bloempjes op de toppen die ruwe zaadjes voortbrengen.
De gewone Gele Wortel of Peen (Daucus carota van Linnaeus) is ook een tweejarige plant van Europa die in de moeshoven en velden en alle jaren wordt gezaaid, van gedaante op de eerst gemelde gelijkt, met zeer dikke wortels in de grond schiet en waarvan men door het zaad medesoorten heeft verkregen die met roodachtige gele, witachtige gele en violetachtige, dikke wortels boven en in de aarde groeien; ze worden in het voorjaar vroeg gezaaid om de mensen en dieren te voeden en vooral de koeien, paarden, ezels, varkens en geiten. Alle die wortels worden voor zeer gezond geacht, houden een verkoelende en middelbare warme kracht in en worden veel met vlees sop gegeten. Het zaad en de wortels bezitten een pis afdrijvend middel en zijn bekwaam om de pijn der buik te stelpen; de bladen van die Penen met honing gestoten zuiveren de voort etende zweren en zijn ook zeer goed om op de kwetsuren der benen en schenkels te leggen. Men maakt heden met het sap van de rood gele wortels veel sausen en bereidt er ook een mosterd mee, het kruid van die wortels wordt veel gebruikt om de konijnen te voeden en de hazen zijn er ook op verlekkerd .Eindelijk, al de nuttige deugden van de Penen zijn iedereen goed bekend om daarover meer te schrijven.
PAARDENSTAART, Kattenstaart, Zeedruif, in ’t Frans Éphède , Prél s, Raisin de mer, in ’t Latijn Ephedra, is door Jussieu onder de familie van de bomen die kegelvormige vruchten dragen gesteld en onder de 2ste klasse van Linnaeus, Dioecia monadelphia, tweehuizigee eenbroederige.
De Paardenstaart met een aartje of Zeedruif (Ephedra monostachya van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Siberië dat met dunne geknoopte stam, zeer vertakt in struiken meer dan 1 meter hoog groeit met verscheidene altijd groene, blote stengels aan de stam geschikt waarop meest in de herfst katjes bloeien die zeer lieflijke rode bessen voortbrengen, welke men aan de kinderen geeft om Paternosters te versieren en kransen mee te maken.
De Paardenstaart met twee aren (Ephedra distachya van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Frankrijk dat weinig van het voormelde verschilt, dan door de grootte, daar het wel 3 meters hoogte bekomt, met katjes en zeven meeldraadjes bloeit en dubbel grote, rode bessen voortbrengt.
De hoge Paardenstaart (Ephedra altissima van Desfontaines) is een boomachtig gewas van Barbarijen dat zeer vertakt met hangende draadjes groeit die op een paardenstaart gelijken en bessen geeft die een koraal kleur hebben .
Deze wonderbare mooie en belangrijke gewassen worden meest door inleggers en uitlopers vermenigvuldigd; maar de hoge Paardenstaart (Ephedra altissima) kan moeilijk onze koude winters weerstaan en moet in de matige serres of planthuizen bevrijd worden. Deze gewassen werden door de oude Kruidbeschrijvers Zeedruiven (Uva marina) genoemd. De bessen hebben een zeer samentrekkende kracht; tien van die met wijn ingenomen doen de buikloop en rode vloed stoppen; ze worden ook met pillenen kalfsdeeg (Pâte de mou de veau) bereid om de hoest en benauwdheid, de verzuring en rommeling der buik te helpen en de pis af te drijven.
PAARDENKLAUW, in ’t Frans Cacalie, in ’t Latijn Cacalia , is onder de 12de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der planten die met verscheidene bloemen versierd bloeijen; door Jussieu onder de familie der bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige-veelechtige-gelijk bloeiende.
De Paardenklauw met Goudsbloem-bladen (Cacalia sonchifolia van Linnaeus) (Emilia sonchifolia) is een eenjarige kruidplant van de Indiën die met dunne stengels omtrent 30 of 40 centimeters hoog groeit met de bladen verdeeld groeit en van juni tot in augustus bloeit, met zeer lieflijke bloemtrosjes, ie een mooi hoog rood en geelachtig oranje kleur hebben. Deze plant kan met zorg hier in de vrije lucht onze winters weerstaan en als het door afzetsels in potten, in de oranjerie wordt gekweekt ,kan men die levendig behouden.
De Paardenklauw met Meldebladen (Cacalia atriplicifolia van Linnaeus) (Arnoglossum atriplicifolia) is een langlevende kruidplant van Canada; het groeit met stengels en hartvormige getande bladen en bloeit ook meest in juli met mooie bloemen die vijf bladjes in de bloemkelken hebben.
De welriekende Paardenklauw (Cacalia suaveolens van Linnaeus) (Hasteola suaveolens) is een langlevende kruidplant van Canada die met stengels en spiesvormige, getande bladen groeit en ook in juli bloeit met witte bloemen en zeer mooie gele kopjes op de meeldraadjes der bloemen die lieflijk versieren.
De piekvormige Paardenklauw (Cacalia hastata van Linnaeus) (Parasenecio hastata) is een langlevende kruidplant van Siberië die met een stengel groeit en drielobbige bladen, die puntig, getand en gekerfd zijn; het groeit meer dan 1meter hoog en bloeit hier in juli met witte bloemen wiens kopjes der meeldraadjes een zwarte kleur hebben. Al deze gemelde planten kunnen onze winters weerstaan, maar de volgende soorten moeten in de oranjehuizen bevrijd zijn: de Paardenklauw met houtachtige stengels (Cacalia anteuphorbium van Linnaeus) (Kleinia anteuphorbium) een plant van de Kaap; de Cacalia carnosa van de Hortus Kew (Senecio elegans) met zijn mooie bloemen van Afrika; de Cacalia articulata (Senecio articulatus) van Linnaeus en de Cacalia cylindriaca van Lamarck, (Vernonia cylindrica)zijn houtachtige gewassen van de Kaap die om hunne mooie bloemen hier worden gekweekt; ze kunnen door het zaad in de broeibakken en door afzetsels vermenigvuldigd worden.
PARELZAAD, Parelkruid, Steenkruid, in ’t Frans Grémil, in ’t Latijn Lithospermum, is onder de 2de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Bernagieplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Winkel-Parelzaad (Lithospermum officinale van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België omstreeks Antwerpen, Mechelen en ook in Vlaanderen op droge plaatsen in de velden groeit met drie of vier ruwe, harige stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten en soms langs de aarde liggen met langwerpige, spitse, ruwe, donker- groene bladen en bloemsteeltjes waarop meest de gehele zomer witte, blauwachtige, trechtervormige bloempjes bloeien met vijf bloemblaadjes in de kransjes die een weinig langer dan de bloemkelken zijn en kleine steenachtige vruchten als nootjes voortbrengen.
Het klein of Veld-Parelzaad(Lithospermum arvense van Linnaeus) is een eenjarig kruid van Europa dat veel in Vlaanderen in de velden en bewerkte landen groeit met vertakte stengels en meest in juli bloeit met blauwachtige, ,bleke bloempje die zaad met haartjes bedekt voortbrengen.
Het groot Parelzaad kruid (Lithospermum fruticosum van Linnaeus)(Lithodora fruticosa) is een langlevende plant van Italië die met houtachtige stengels en lijnvormige bladen wel 1 meter hoog groeit en met blauwachtige bloemen bloeit wiens meeldraadjes de lengte van de bloemkransjes hebben.
Deze planten worden om hun deugden in veel kruidhoven gekweekt; het Winkel-Parelzaad dat een zeer levendige, rode verf inhoudt ,wordt in sommige landen van Europa verzameld en bereid om de stoffen rood te verven; het wordt ook in poeier gestampt en met wijn bereid en gedronken; het doet water lossen, breekt de steen van de nieren en blaas en stelpt de druppelpis.
Het kruid van dit Parelzaad, zegt Lobel, wordt zeer geprezen om de vloed van he mannelijke zaad, dat Gonorrhoeae noemt, te doen ophouden; om dit krachtiger te maken wordt het gewoonlijk met witte Amber en Weegbreezaad of -kruid gemengd en door afkooksels gebruikt. Het poeier van dit zaad met wijn gedronken is zeer goed voor de vrouwen die in arbeid gaan vallen; het bezit vooral een hulpmiddel dat het baren aandrijft ;maar het schijnt dat het groot Parelzaad (Lithospermum fruticosum) zo krachtig niet is; derhalve moet me het zaad van het Winkel-Parelkruid gebruiken. Clusius spreekt van een Parelzaad dat hij omtrent Wenen in Oostenrijk heeft gevonden, Lithospermum virgatum (Lithospermum officinale) wordt genoemd en met blauwe, purperachtige bloempjes bloeit; maar volgens de beschrijving zou dit wel op het Winkel-Parelzaad gelijken en ook dezelfde kracht inhouden. Deze planten worden hier in de kruidhof der Hogeschool gekweekt en door het zaad vermenigvuldigd; de groene bladen worden alhier veel door afkooksel als thee gedronken.
PEPERBOOM, in ’t Frans Poivrier, in ‘t Latijn Piper, is door Jussieu onder de familie der Brandnetels gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, die met twee meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
Men vindt heden verscheidene soorten van Peperbomen, planten die in de Oost- en West-Indiën en andere warme landen groeien en hier allen in de warme serres worden gekweekt.
De zwarte Peperboom (Piper nigrum van Linnaeus) is een langlevende boom van de Indiën die zeer vertakt groeit met eivormige, gladde, geribde bladen die tezamen zeventallig op een bladsteel zijn gedragen en zwarte Peperbessen voortbrengt.
De Betel-Peperboom (Piper betle van Linnaeus) groeit met langwerpige in zeven geribde bladen die op tweetandige bladstelen groeien.
De Siriboa-Peperboom(Piper Siriboa van Linnaeus) (var. van Piper betle) groeit met hartvormige in zeven geribde bladen.
De Piper nitidum van Swartz, (Piper geniculatum) groeit meest in de West-Indische eilanden; de Piper acuminatum van Swartz, groeit in de warme landen van Amerika; de Piper magnoliaefolium van Jacquin (Peperomia magnoliifolia) groeit meest in Zuid-Amerika; de Piper umbellatum wordt veel te St-Domingo gekweekt.
Het kruid dat ook Peperbessen voortbrengt (Piper blandum van Willdenow) (Peperomia blanda) is een langlevende kruidplant van Brazilië; de Piper verticillatum van Willdenow(Peperomia verticillata) is van Zuid-Amerika; de Piper pulchellum (Peperomia verticillata) van de Hortus Kew wordt veel in de Antillen Eilanden gekweekt; het Peperkruid (Piper rhomboidale van Desfontaines) Peperomia polystachya) wordt ook veel in Zuid-Amerika gekweekt.
Het is van deze planten en bomen dat de beste peperbessen komen die door de handel naar Europa worden gezonden, hier in poeiers gemalen en als toekruid in velerlei spijzen worden gebruikt. De Peper is zeer warm en verdrogende van kracht en wordt als aanhitsend middel soms in de medicijnen gemengd daar het met de Mosterd van krachten gelijk, maar veel heviger en verhittender is. De Peper in pleisters bereiden voor de reuma op het vel gelegd, doet dit zeer rood worden en eindigt met op het vel veel ziltachtige waterpuisten te doen komen die een tamelijke grootte verkrijgen. Derhalve kan men hierdoor wel bemerken dat te veel Peper inwendig genomen, dezelfde krachten in de maag uitwerkt, aldaar ook waterpuisten verwekt die schadelijke en dodelijke gevolgen kunnen veroorzaken en ook de lever en andere delen der ingewanden doet verhitten. Men moet dus de Peper altijd met mate inwendig gebruiken. De Peperbomen en kruidplanten kunnen door het zaad, afzetsels, inleggers en wortelscheuring in het voorjaar vermenigvuldigd worden ,maar moeten hier het gehele jaar in de warme serres verblijven.
PERENBOOM , Peerboom, Perelaar, in ’t Frans Poirier, in ’t Latijn Pyrus, is onder de 21ste klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld, de bomen die roosvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, bomen die met twintig en meer meeldraadjes bloeien en vijf stampertjes hebben die op de kelk zijn vastgehecht.
De gewone Perenboom (Pyrus communis van Linnaeus) is een langlevende boom van Europa die zeer vertakt groeit en in sommige vette gronden wel 7 of 8 meters hoog met groen blinkende, getande en gekerfde bladen, in mei bloeit met bloemtrosjes en bloemkelken in vijf verdeeld, met vijf bloembladen en vruchten voortbrengt met vijf hutjes die gewoonlijk vijf korreltjes inhouden.
Deze kostelijke Perenboom die door zijn bloemen en vruchten onze hoven zoo mooi versiert brengt ons, volgens de lijsten van sommige kwekers, wel met honderden soorten mede. De leraar Thouin rekent in zijn verzameling 300 verschillende soorten van Peren, en men vind op de naamlijster der kwekers van de Luxembourg te Parijs 200 gemeld. Als men zich wilt gedragen aan sommige catalogussen van koopmannen en kwekers van België, Frankrijk en Duitsland vindt men in hunne verzamelingen nog meer verscheidene soorten; nochtans is het hier door onze behendige kwekers wel bekend dat vele van die soorten hier hun rijpheid niet kunnen bekomen of ten minste geen goede, sappige smaak verkrijgen; derhalve zal ik enkel trachten de beste soorten te melden die ten minste enig belang en voordeel in ons klimaat aanbieden welke ik met veel zorg sedert 20 jaren bijeen verzameld heb en waarmee ik in de tentoonstelling der koninklijke maatschappij van Landbouw en Kruidkunde in de Casino te Gent de 30ste september1843 en in 1845 de ere medaille heb behaald. Aangaande de andere overvloedige soorten die men op de lijsten vindt zal ik mij bepalen met te zeggen dat het altijd weinig voordelig is fruitbomen te kweken die slechte vruchten voortbrengen, vermits degenen die ons goede vruchten verschaffen niet meer van arbeid en kweek kosten en omdat al de Peren hier maar worden gekweekt om in de keuken te gebruiken en rijp te eten. Zie hier de lijst van de beste Peren die in ons klimaat wel hun rijpheid verkrijgen die ik in de Casino heb tentoon gesteld en die alle goed gewas van bomen maken en goed draagbaar zijn:
De Ananas-Peer is een tamelijk grote Peer, rijp in september .
De Bellissime d'été, een mooie sappige Peer, rijp in augustus.
De Poire Madame of Brusselse Lekkerbeet, rijp in september.
De Meloen-Peer is een tamelijke Peer die in september rijpt.
De Dubbele Riet-Peer of Hof-Peer, met lange stelen, rijp in september .
De Caillot rosat of vermiljoen, mooi roodblozende, rijp in september.
De Chair à dame is een zoete, sappige Peer ,die in september rijpt.
De Bergamot, sappige groene, rijp in oktober.
De Bergamot crassane, groen met zwarte vlekjes, rijp in december.
De Bergamot Soulers is een tamelijke Peer, rijp in januari.
De Winter-Bergamot (Bergamot d' hiver), rijp in februari
De Bergamot suisse ronde, met rood en groen, rijp in oktober.
De Grande Bretagne is een grote Peer die in oktober rijpt
De Bon Chrétien d' Automme is groot en rijp in november.
De Kallemine Peer is een grote sappige peer, rijp in oktober.
De Messire Jean is donker groen en rijp in november.
De Fondante of Frans Kaneel Peer is rijp in oktober
De Calebasse musqué is een Grauwe peer, lang van gedaante die in oktober rijp wordt.
De Bergamot dordée en de Bergamot musquée rijpen in september.
De Rousselette de Rheims, een kleine zoete sappige Peer die in september rijpt.
De witte Calabas of Cuisse-madame, een mooie Peer die in september rijpt.
De Peer zonder korrel of Bergamot sans pepin, rijp in de herfst.
De Peer zonder schellen, rijp in oktober.
De Diamant Peer, een mooie groene Peer met zwarte vlekken, rijp in oktober.
De Grand Louis, een zeer grote grijze peer, rijp in oktober.
De Buerre gris of Grauwe Boter Peer, rijp in november.
De Beurre gris d’ Angleterre, een sappige peer die in oktober rijpt
De Bond Chretien d; ete of Graciole, rijp in oktober.
De Marquis de Poederlee, rijp in oktober.
De Zwaanhald, rijp in oktober.
De Louisebonne is een lange grote `Peer die in november rijpt.
De Royale d’ hiver van Pirollle, rijp in januari.
De Trésor d'amour, van Pirolle, rijp in januari.
De Kapucine Peer of Napelse Peer is een roodachtige grote Peer, rijp in januari.
De Ambrette d' hiver of Poire de la Chine, rijp in februari.
De Catillac of Grote Mogol, een zeer grote Peer, rijp in februari.
De Bezy de Chaumontel is een smakelijke gele Peer, rijp in december.
De Orange verte Musquée, rijp in september.
D e Orange d' hiver, een mooie Winter Peer rijp in januari .
De Poire d' Angleterre d'hiver, rijp in februari.
De Wintsor-Peer,e een grote Peer die in oktober rijpt.
De Verte longue of Mouille-bouche, een sappige Peer, rijp in oktober.
De Virgouleuse met korte stelen, rijp in december.
De Saint-Germaini is een lange, groene Peer, rijp in januari.
De Mansuette d' hiver of Winter-Manswede, rijp in februari.
De Poire de Napoléon, een mooie effen groene Peer, rijp in november.
De Passe-Colmar, van Pirolle, rijp in januari.
De Colmar incomparable, een grote Peer, rip in februari.
De Tysjes-Peer is een kleine, maar sappige Peer, rijp in november.
De Martin sec d' hiver is een tamelijk goede Peer, rijp in december.
De Catillac, met dubbele bloem, rijp in februari.
De Angélique de Bordeaux, een mooie Peer, rijp in december .
De Doyenne grise, een sappige kleine Peer, rijp in november.
De Merveille d' hiver, geel en groen, rijp in december.
De Poire d' Austrasie, dubbele Crassane, lijkt op de Kapucine Peer.
D e Sylvange van Duitsland, met groene schel, rijp in december.
De Poire de Siegmur crapeau, met ruwe vellen, rijp in februari .
De Poire Fleur de Marie, Sauvageon greffé, uit het zaad gesproten, rijp in oktober.
De Poire pastorale is een tamelijk grote Peer, rijp in oktober.
De Foppen-Peer, Poire de la force, geel en rood, rijp in januari.
De Jalousie, Peer uit het zaad gesproten, rijp in oktober.
De Frangipane, lang, gebuikt ,glad, geel, rijp in november.
De Graaf van Vlaanderen, rijp in maart, uit het zaad gesproten.
Deze Perenbomen worden door enting en oculatie op zaailingen of wilde stammen voortgezet en men bekomt soms uit het zaad zeer goede soorten die ook voort worden geënt en goede, smakelijke vruchten voortbrengen. Het kweken en de wijze van snoeien der Perenbomen in ons klimaat is van een groot belang: om die bomen een mooi gewas en veel vruchten te doen dragen mag men ze nooit te veel inkorten omdat de meeste Peren doorgaans hun eerste vruchtknoppen aan het einde der takjes voortbrengen; maar de jonge geënte bomen moeten jaarlijks in het voorjaar noodzakelijk ingekort worden om hun een goede schikking en voldoende jonge takken te doen verkrijgen.
De Perenbomen kunnen in leibomen, waaibomen of piramidaal worden gekweekt en als die in leibomen aan de muren in het Zuiden worden geplant zullen ze altijd mooiere, grotere en aangenamere vruchten geven, vooral de Herfst-en Winterperen die dikwijls in ons klimaat hun rijpheid in waaibomen niet kunnen verkrijgen. De Perenbomen gaan met de wortels zeer diep in de grond, derhalve moeten ze in een goede, gebroken, losse, opgevulde aarde geplant worden, wat ook de volmaking der vrucht zeer begunstigt. Een goede hovenier die het planten en snoeien kent zal met weinig moeite de boom volmaakt doen groeien en alle jaren veel vruchten bekomen. .Om het mos van de bomen te weren en het venijn dat soms de stammen aanrandt en door knauwt is het zeer prijselijk dat men alle 4 of 5 jaren die bomen met kalk over wit; dan krijgen ze een mooie, nieuwe, gladde pel en dragen zeer sterk. De Peren worden voor zeer gezond geacht en veel in de keuken, zowel gestoofd en gebakken, als rauw uit de hand gegeten. In Frankrijk en elders wordt er veel peren wijn of poiré met het sap gemaakt. Het hout van de Perenbomen, dat hard, recht en effen is, wordt van de lijstenmakers, schrijnwerkers en draaiers veel gebruikt om alle slag van fraaie meubelen mee te maken die een mooie bruine effen, blinkende kleur verkrijgen.
PEREN VAN JAPAN, in ’t Frans Poirier de Japon, in ’t Latijn Pyrus japonica, is onder de 12de klasse van Linnaeus gesteld, Icosandria pentagynia die met meeldraadjes en stampertjes als de Peren bloeien.
De Perenboom van Japan (Pyrus japonica van Andrews Rep)(Chaenomeles japonica) is een langlevend houtgewas dat in het land van zijn afkomst tot een grote hoge boom groeit, maar hier heestervormig groeit in struiken, zeer vertakt met scherp puntige, verspreide doorns en hier meest van maart tot in mei, eer de bladen zich ontwikkelen, met mooie levende rode bloemen bloei die welriekende vruchten voortbrengen welke in de warme landen veel worden gegeten en hier in de kleerkasten gelegd om aan de kleren een aangename geur te geven en de motten en schietwormen te verdrijven.
De Pyrus japonica “Alba “gelijkt wel op de voor vermelde, maar bloeit met witte bloemen en geelachtige meeldraadjes en brengt ook welriekende vruchten voort.
De Perenboom van de Indiën (Pyrus indica) (Docynia indica) heeft altijd blijvende groene bladen en bloemtrosjes op de toppen die met zeer mooie rooskleurige bloemen hier in mei bloeien.
De Katoen-Perenboom (Pyrus pollveria) van Italië is zeer wonderbaar door zijn met zijdeachtige witte dons bedekte bladen, die een zilverachtig kleur hebben .
De tweemaal bloeiende Perenboom (Pyrus biflora) (var van de gewone peer?)is zeer bijzonder door zijn bloemen, ie in de lente en ook in de herfst bloeien.
De Perenboom met Wilgenbladen (Pyrus salicifolia) is een langlevend klein boomgewas van Siberië dat om zijn mooie geschakeerde bonte bladen en bloemen hier wordt geplant.
De Perenboom met dubbele bloemen (Pyrus flore pleno) en veel andere soorten worden hier in de lusthoven en Engelse hoven tot versiering en aangenaamheid door het korrelzaad uitlopers en inleggers vermenigvuldigd.
PERZIKBOOM, Markatonboom, Perseboom, in ’t Frans Pécher, in ‘t Latijn Amygdalus persicia, is onder de 21ste klasse 7de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemdragende planten en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintig helmige, planten die met twintig en meer helmstijltjes bloemen die op het vruchtbeginsel zijn vastgehecht en maar een stampertje hebben.
De Perzikboom (Amygdalus persica) (Prunus persica)is oorspronkelijk uit Perzië van waar het voor dezen eerst in Italië, Frankrijk en alzo verder in België en elders gekomen is; volgens de rangschikkingen zijn de Perzikbomen als een medesoort van de Amandelboom gehouden omdat ze door de bladen, bloemen en de steen daarmee zeer overeen komen.
De Franse boomkweekers hebben hun naamlijsten meer dan 100 verscheidene soorten van Perzikbomen, maar zeer velen die hier in ons klimaat niet kunnen rijpen; daarom zak ik enkel die soorten beschrijven welke in onze luchtstreek een volle rijpheid bekomen. Het gebeurt ook dikwijls dat een en dezelfde Perzik met verscheidene namen op verschillende plaatsen genoemd wordt; zodat er op verre na niet alzo soorten zijn zoals men op veel naamlijsten beschreven vindt.
De wonderbare Perzik (Admirable )is een grote Perzik, rond van gedaante, bleek en witachtig en langs de zonnekant rood blozend van kleur; zijn vlees is fijn in de mond, heeft een geurige, zoete, wijnachtige smaak, scheidt van de steen en is daar een weinig roodachtig; de bloemen zijn redelijk groot; de boom maakt mooi houtgewas en draagt zeer veel vruchten. Deze Perzik wordt te Montreuil, bij Parijs, zeer geacht en gelijkt wel op de Montagne.
De purpervroege (Pourprée hátive) is een goed groeiende boom met getande bladen en bloeit met mooie rode bloemen; zijn vrucht is van een middelbare grootte, zon waart donker, roodachtig gespikkeld en purper aan den zijkant; zijn vlees is fijn van een welriekende, wijnachtige smaak.
De gele Alberge (Alberge jaune) is niet groot van gedaante, maar wordt om zijn vroege rijpheid van sommigen gekweekt.
De rode Alberge (Alberge rouge),die een geurige verheven wijnsmaak heeft wordt van sommige liefhebbers meer geacht.
De violette Alberge (Alberge violette) is van een middelmatige grootte; zijne vrucht is donker purper op de zon zijde, groenachtig wit en een weinig roodachtig aen de muur zijn vlees heeft een zeer verheven, wijnachtige smaak; bloeit met bleke violetachtige bloemen.
De witte vroege(Avant-pêche blanche) is maar een kleine Perzik; langwerpig van gedaante en geheel wit van kleur; het is zeer geurig van smaak.
De rode vroege (Avant-pêche rouge) is wat groter, rondachtig en mooi rood blozend op de zon zijde; het heeft een geurige smaak; de bloemen zijn groot en roodachtig ,zeer talrijk, maar vallen dikwijls in koude seizoenen af eer de vruchten zich kunnen vormen.
De Antilly blanche is een grote ronde Perzik, wit van binnen en langs buiten bleek rood; zijn vlees is van een aangename smaak; de boom maakt een mooi gewas.
De Belle-garde de Montreuil is een grote mooie Perzik die in onze landen verdient gekweekt te worden; het is van gedaante langer dan rond en bleek rood, blozende aan de zon zijde; het vlees is geelachtig en aangenaam van smaak.
De Pêche Brugnon is een weinig langwerpig rond en glad van vel; zijn kleur is witachtig, aan de zon zijde bruinrood en met spikkeltjes gevlekt; zijn vlees is vast aan de steen die roodachtig, vol sap en van een geurige smaak.
De Chancelière is een mooie, grote Perzik, van gedaante rond en zeer mooi rood blozend op de zon zijde; zijn schil is dun, zijn vlees smeltende en vol van een zeer aangenaam, suikerachtig, verheven sap. De boom maakt mooi gewas en draagt veel vruchten; het wordt te Montreuil, bij Parijs, en ook wel hier te lande voor de beste Perzik gehouden.
De Pêche Chevreuse is een tamelijk grote Perzik; zijn kleur is helder rood en blozend op de zon zijde, zijn vlees is zacht en smeltende, van een zeer aangename geurige smaak als het in droge gronden groeit, maar in vochtige gronden valt ze niet goed. Deze boom is te Chevreux, in Frankrijk, ut de korrelsteen gewonnen.
De Grosse mignonne maakt mooi gewas, met fijn getande bladen, geeft mooie grote rooskleurige bloemen en zeer aangename lekkere sappige vruchten die in Frankrijk veel worden geacht.
De Magdeleine rouge is een medesoort van de laatst vermelde en matig groot; zijn kleur is rood blozend op de zon zijde en groenachtig bij de muur’ het vlees is ook rood omtrent de steen en aangenaam van smaak. Deze boom moet hier te lande een goede grond hebben, anders is de vrucht grond en onsmakelijk, de bloem heeft een hoog rode kleur. De witte en rode Magdeleine-Perzikbomen zijn wel kenbaar aan hun bladen die getand en gekerfd zijn.
De Bourdine of Belle de Narbonne is een zeer mooie Perzik; de boom maakt mooi gewas, groeit hier met tamelijk grote bladen en roosachtige bloemen en draagt hier te lande zeer sterk. De vrucht is groot, naar boven soms wat tepelachtig, naar de zon zijde mooi rooskleurig en bleekwit naar de muur; het heeft een geurige wijnachtige smaak.
De Melcoton tardive is een mooie grote eivormige Perzik wiens schil ligt met wol is overdekt; zijn kleur is witachtig van binen en soms is het een weinig rood blozend van buiten; rijpt hier in hier in september en is van een zeer aangename smaak. De bloem is klein en rood. Men moet deze Perzik boom in het zuiden aan den muur plaatse en er weinig vruchten aan laten of bij koude seizoenen worden ze niet rijp.
De Oranje-Perzik is een grote Perzik, rondachtig van gedaante en geel van kleur; maar aan de zon zijde doorgaans met purper gevlekt; zijn vlees is geelachtig, vast aan de steen die roodachtig is, smeltend in de mond en van een aangenaam, geurige smaak wanneer het goed rijp is; maar in slechte jaren valt het soms wat meelachtig en onsmakelijk.
De Téton de Vénus is een mooie Perzik, van een middel- matige grootte; zijn gedaante is langwerpig rond, het heeft een heel diepe naad alsof ze in twee verdeeld waren; zijn kleur is witachtig en blank, rood blozend op de zon zijde; zijn vlees is smeltend, vol sap en van een heel aangename geurige smaak. Het lijkt wel op de Bourdine, maar wordt hier moeilijk rijp.
Men kweekt hier nog de Royale Perzik die zeer goed op de Admirable gelijkt, de Violette royale, de Zwolse Perzik met zijn mooie dubbele bloemen en grote vruchten en de Italiaanse (Pêche d' Italie), met zijn lange rondachtige vruchten die aan de zon zijde mooi rood blozend en bleek groen aan de muur zijn en een zacht smeltend en aangenaam vlees hebben.
Alle Perziken, om hun hoedanigheden en volmaaktheid te hebben moeten goed rijp maar ook niet overrijp zijn; want overrijp verliezen ze hun smaak en worden soms melig, papachtig of taai; daarom is er veel aangelegen die van pas rijp te plukken. Men kan de rijpheid van de Perziken op de volgende wijze wel ontdekken: men neemt ze met de volle hand zachtjes vast en als het rijp is roert men ze gemakkelijk van de steel los zonder te die te drukken of te vlekken of er de duim op te duwen wat het vlees doet bederven of plekken veroorzaakt. Men kan ook wel de rijpheid bemerken aan de kleur omdat een rijpe Perzik een helder glanzende kleur bekomt .
Om de Perzik goed rijp te doen worden en smakelijk te hebben mag men op de bomen nooit te veel vruchten laten; ze moeten hier te Lande in het Zuiden of Zuidoosten aan de muren geplant en in leibomen worden gekweekt en de muren van boven met ten minste 50 of 60 centimeters breedte zijn bedekt om ze te beschermen tegen de koude regen, sneeuw, hagel en voorts die men hier in ’t voorjaar in de bloeitijd veel heeft zoals de men te Montreuil bij Parijs die bomen kweekt. De `Perzikbomen willen hier in losse, zandachtige gronden wel aarden; ze begeren geen verse paardenmens, maar wel koele vette. Die bomen worden mest voort geteeld door middel van oculeren op jonge witte of zwarte Pruimelaars en Mirabellen hout; want de Perziken splitvormig geënt willen niet lukken; ze worden ook in Frankrijk op Amandelbomen gezet. Een goede hovenier zal nooit andere Perzikbomen planten dan die twee of drie jaar geoculeerd zijn; bij het planten moet men zorgen van die bomen niet te diep in de grond te zetten en de leibomen moeten tenminste 2 meters van elkander zijn geplant, hetgeen van beide zijden 1 meter breedte maakt om de takken goed te kunnen leiden en na het snoeien de grond goed te kunnen omspitten. Gelijk de Perzikbomen hier in ons klimaat maar twintig of vijf en twintig jaren ouderdom bereiken kan men daartussen wel jonge bomen planten om niet snel uit de vruchten te geraken. Het snijden van de Perzikbomen is ook van zeer groot belang, want er is bijna geen boom waartoe meer kunst en oplettendheid nodig is om die goed te snijden. Ten eerste moet men wel zorgen bij het snoeien dat die van onder tot het midden niet te kaal wordt of naakte takken krijgt, dat men de jonge draagbare scheuten naar het midden tracht te brengen om naar onderzoek te leiden en dat men nooit de water- of wilde takken de overhand laat krijgen daar die al de krachten van de boom naar zich trekken, maar die bijtijds wegsnoeien en afknijpen, wat meest in den zomer bij het inbinden geschiedt en als men ziet dat de boom te grote takken uitwerpt moet men die inkorten en al de wonden met griffel lak bedekken; ook al de zwakke en onnodige takken in het voorjaar wegsnoeien, enkel de vruchtdragende takjes behouden en nooit te veel gewas aan den boom laten, want het overvloedig hout doet de boom kwijnen, versterven en slechte vruchten voortbrengen.
Om deze bomen tegen de gevaren der roofdieren en de krul te beschutten is het beste middel die ’s morgens vroeg en ‘s avonds, als de zon verdwenen is, met tabak sap, zeep en zout in het koude water geweekt of water waarin aardappels gekookt zijn enige dagen te besproeien of de schors van witte Moerbeibom takken in het water enige dagen latent rekken en daarmee met een spuit besproeien, gelijk ik in mijn werk over de Belgische Moerbeiboom-planter en Zijdeworm-opvoeder, bladzijde 19, heb gemeld en waarover ik nog op het einde van dit werk een bijzonder artikel zal schrijven.
Het gebruik van de Perzikvruchten is hier wel bekend; de rijpe Perziken rauw gegeten en daarop een glas wijn gedronken zijn zeer aangenaam en verkoelende van kracht; ze kunnen ook op dezelfde wijze als de Abrikozen gekonfijt worden. De bloemen van de Perzikbomen is zeer dienstig voor de mensen die zwaarmoedig en met de miltziekte gekweld zijn en voor verstopping in het lichaam; ze worden met siroop en konserf bereid .De herfst- bladen van de Perzikbomen als thee gedronken zijn zeer goed om in de afgaande koortsen te nemen; uit de kernen der Perzikstenen kan men een aangename Ratafiat maken; door de kernen te stampen en met een weinig Kaneel en Kruidnagel sop brandewijn in de zon te laten trekken en helder over te halen bekomt men een goede smakelijke drank die men gewoonlijk Persico noemt; met water gebruikt versterkt deze likeur de maag en maakt een goede adem; het sap uit de Perzik bladen geperst en in de oren gedaan doodt de wormen in de oren en doet de etterachtige stof daaruit vloeien.
PERZIKKRUID, Persekruid, wilde Wilg, in ’t Frans Persicaire, in 't Latijn Polygonum, is onder de 15de klasse, 2de
sectie van Tournefort gesteld der planten die met meeldraadjes bloemen; door Jussieu onder de familie van de veel knopen planten en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
Het Perzikkruid (Polygonum persicaria van Linnaeus) (Persicaria maculosa) is een eenjarige kruidplant van Europa die in Vlaanderen en elders in België aan de grachten en wegen, op vette gronden in de zomer groeit met veel wortels en ronde, geknoopte stengels, omtrent 25 centimeters hoog; de bladen zijn als die van de Perzikbomen en gelijken ook op de Wilgenbladen waarom dit kruid hier te lande meest wilde Wilg wordt genoemd; de bladen, bloemen en zaad gelijken ook op het Water-Peperkruid, maar de bladen hebben in ’t midden aan bruine zwartachtige plek die ze van het Water-Peperkruid doet verschillen; het bloeit ook in augustus met druifvormige geschikte trosjes, witachtige paarse en ineen gedrongen bloempjes die bruine zaadjes voort brengen. Dit kruid is niet scherp of heet op de tong gelijk het Water-Peperkruid, mar schijnt wat zuurachtig van smaak te wezen. Het werd van Lobel Persicaria pusilla repens genoemden van de oude Kruidkenners Persicaria perpetua geheten. Plinius noemde dit kruid Plumbago naar zijn kracht omdat het sap het gebrek der ogen welk men Plumbum noemt geneest. Dit kruid is zeer verkoelend en gestoten is het zeer dienstig om op de verse wonden te leggen. Men vindt veel schaapherders die het over zich dragen en vooral het sap om de verse wonden en verhittende zeren te genezen; er wordt ook een water uit dit kruid gedistilleerd om in de geneesmiddelen te mengen en als verkoelend middel te gebruiken. Sommige oude geneesheren zeggen dat ze met dit sap de duisterheid der ogen hebben genezen. Hoewel dit kruid ten alle kanten onder het Water-Peperkruid (Persicaria hydropiper) groeit kan men die nochtans goed uit elkaar kennen want men vindt dit Perzik kruid altijd met bruine zwartachtige plekjes op het midden der bladen terwijl men op de Water-Peper geen bemerkt. De eenvoudige landlieden zeggen dat die plekjes voortkomen van het bloed onze Zaligmaker dat dit kruid onder het krui sop de Calvarieberg heeft gestaan en alzo die plekjes behouden heeft. Men noemt ook Perzikkruid met hauwen (Persicaria siliquosa), (Impatiens noli-tangere) het Kruidje roer me niet.
PETERSELIE, Eppe, Hof-Eppe, in ' t Frans Persil, Ache, in ’t Latijn, Apium petroselinum ,is onder de 7de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia umbellata, die met vijf helmstijltjes bloeien en drie stampertjes hebben.
De Hof-Peterselie(Apium petroselinum van Linnaeus)(Petroselinum crispum) is een tweejarige kruidplant van Zuid-Europa en Macedonië waarvan me heden enige medesoorten vind ,die allen in de moeshoven alle jaren worden gezaaid en groeien met tamelijk dikke wortels en gekerfde groene bladen die een aangename geur inhouden en als toekruid in de keuken in velerhande spijzen worden gebruikt. De gedaante van de Peterselie is goed van iedereen bekend en die te beschrijven en de nuttige deugden van geheel dit kruid zijn van over zeer oude tijden in Europa vermaard. De Peterselie is warm en droog van aard tot in de derde graad; het zaad en de wortels worden met witte zoete wijn bereid gedronken en is zeer dienstig tegen de koud pis, om het ingewand te verwarmen en tegen de huiverachtige en schuddende koortsen te gebruiken. De wortels gestoten en pleistervormig de harde gezwellen gelegd doen die verteren; het sap met roet of vet gesmolten en opgelegd doet de wratten en puisten in korte tijd verdwijnen en het zaad met honig ingenomen , zegt Gabriël Grimaud, verwekt de maandstonden der vrouwen, verdrijft en verzacht de pijn en krimpingen der buik en doet de pis afdrijven; de wortels van de grote Hof- Eppe bezitten ook dezelfde krachten. De Peterselie wordt hier meest in de herfst en in de lente in de hoven gezaaid; deze plant is een vergif voor de papegaaien, maar de hazen en konijnen zijn er op verlekkerd. De Peterselie is zeer dienstig voor de ziekten der schapen.
PETUNIA, Betunia, in ‘t Frans Petunie, in ‘t Latijn Petunia, is onder de familie van de Solancees gesteld; planten die tot het geslacht der Nachtschade behoren en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men heeft heden alhier door het zaad wel 60 soorten van verschillende kleuren van deze bloemen verkregen dat langlevende planten zijn als men die ’s winters in potten in de oranjerie bevrijd en die ook zeer gemakkelijk wortel vatten als men ze doorafzetsels of inleggers voortzet; ze willen in ligt grond zeer goed aarden; bloeien in de planthuizen in volle grond bijna geheel de zomer en beginnen dikwijls van in maart in de matige serres te bloemen. Men heeft enkel sedert drie jaren de volgende soorten door het zaad gewonnen ,die allen zeer mooie kleuren voortbrengen.
De Petunia atrosanguinea (Petunia axillaris en violacea met cv. ’s) met levendige rode heldere bloemen Petunia atropurpurea met donker rode en purper violette bloemen, Petunia alba nigrix met witte bloemen die in de bloemkransjes zwart gespikkeld zijn; Petunia grandiflora, - Beauty,- belle Pompadour,- bicolor,- Défiance,- Enchanteresse- elegans superba,- exquisita,- Sapho,-large- lilae,- lady Peel,- lady Sale,- Madonna,- Medora,- Maria Madalena,- mirabilis,- magnarosea,- marginata,- pallida superba,- purpurea striata,- princesse royale,- rosea elegans,- sir Sale,- stiped major,- alba superba,- splendens,- Susanna,- Psyche,- sir Peel,- striata,- triumphans, meer andere soorten die door hun lieflijke bloemen zeer behagen. Men kan het rijpe zaad van deze bloemen vroeg in het voorjaar in hullen in de vrije lucht op goede plaatsen zaaien om nadien met dolken te verplanten; de zaailingen groeien binnen den zomer wel 60 centimeters hoog en bloeien nog van juli tot in oktober wanneer men die in potten zet om ‘t winters in de planthuizen of matige serres te bevrijden. Sommige bloemisten Zaaien die ook in de winter op teilen in de oranjerie om voorts in potten te verplanten en vroeg bloemen te hebben.
PHLOMIS, in ’t Frans Phlomis, in ’t Latijn Phlomis, door Tournefort Leonurus genoemd; door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De Phlomis met gebobbelde wortels (Phlomis tuberosa van Linnaeus) is een langlevende grote kruidplant van Siberië die in struiken met stengels tamelijk hoog groei t met grote, lange, hartvormige bladen en hier van juni tot in september bloeit met violette bloemen , ringvormig geschikt. Deze plant wordt in de bloemhoven gekweekt en alle drie of vier jaren door wortelscheiding verplant; het kan ook door het zaad worden vermenigvuldigd en begeert in droge zomers veel water.
De heesterachtige Phlomis (Phlomis fruticosa van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Europa dat in Sicilië en elders in Italië op de bergen en in de bossen groeit en hier in de planthuizen wordt gekweekt; het groeit heestervormig met kruidachtige stengels en doorzichtige ronde, lansvormige, puntige en wit wollige bladen omtrent 70 centimeters hoog; bloeit meest van juni tot in september met ringvormig geschikte, mooie gele bloemen, die zeer versierend zijn.
De Phlomis met smalle bladen (Phlomis angustifolia)heeft zeer lieflijke gele bloemen; de Phlomis met ijzermalachtige bladen (Phlomis ferruginea)draagt mooie gele bloemen.
De Phlomis leonurus van Linnaeus, (Leonotis leonurus) is een heesterachtig gewas van de Kaap dat met lansvormige, getande en gekerfde bladen groeit en hier juli tot in oktober bloeit met lange bloemtrosjes en gele bloemen en bloemkelken die ringvormig zijn geschikt.
De Phlomis lychnitis van Linnaeus komt van Oost-Europa en groeit met eivormige, puntige bladen maar 30 of3 5 centimeters hoog en bloeit met gele bloemen en zeer mooie gewolde meeldraadjes. Deze planten waarvan ik de krachten niet ken worden ’s winters in de oranjerie bevrijd en door afzetsels en wortelscheiding vermenigvuldigd.
PHYLICA , in 't Frans Phylique, in ' latijn Phylica , is onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Heide-Phylica (Phylica ericoides van Linnaeus) is een langlevend, klein heester-houtgewas van Ethiopië dat in struiken zeer vertakt groeit met veel kleine, lijnvormige blaadjes en hiervan in maart tot in september bloeit met kleine, zuivere, witte bloempjes op de toppen die een zeer aangename geur verspreiden en den reuk van den Amandeldeeg hebben.
De pluimachtige Phylica (Phylica plumosa van Linnaeus) (Phylica pubescens) is een langlevend heestergewas van de Kaap dat met smalle, puntige bladen langs boven wollig groeit en meest in juni bloeit met grote bloemen op de toppen die een lieflijk witte kleur hebben en welriekende zijn. De Phylica met rozemarijnbladen (Phylica rosmarinifolia) van de Kaap bloeit hier in de matige serres van in maart met aren en mooie witte bloemen die welriekend zijn.
De Phylica myrtifolia (Polygala mirtifolia) met mirtebladen en zeer lieflijke bloemen; de Phylica horizontalis (Var. van Phylica plumosa) van de Hortus Cant., de Phylica cordata, Phylica thymifolia,(Phylica polifolia) Phylica lucida met gele bloemen; de Phylica orientalis, (Physochlaine orientalis?)Phylica buxifolia van Linnaeus; de Phylica spicata van Linnaeus die met aren bloeit; de Phylica racemosa (Brunia cordata) die met trossen bloeit; de Phylica ledifolia (Phylica laevifolia?) en de Phylica parviflora van Linnaeus zijn allen van Afrika en worden hier o m hun aangename bloemen in de heigrond gekweekt, ’s winters in potten in n de planthuizen bevrijd op de wijze van alle andere planten van de Kaap door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd.
PILLENKRUID, in ’t Frans Pilulaire, in ’t Latijn Pilularia, is door Jussieu onder de familie van het Varen kruid gesteld en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia hydropterides, slag van planten die verborgen bloemen en vruchten dragen, cirkelvormig en ondoordringbaar zijn.
Het Pillenkruid (Pilularia globulifera van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europadie in België in de heide die 's winters over watert zijn groeit met bolronde wortels, stengels en bladen die op het Varen kruid goed gelijken; het mannetje bloem groeit aan de kanten der bladen en de wijfjes vruchten groeien aan de wortels; de stengels spruiten in de lente alle jaren uit de aarde en de wortels worden in augustus verzameld en gedroogd om nadien in poeiers te malen en pillen mee te bereiden; ze worden van de paardenmeesters veel gebruikt.
PIMELEA, in ’t Frans Pimelée, in ’t Latijn Pimelea, is onder de familie van den Miserieboom gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben . De Pimelea linifolia van Smith, is een langlevend, klein heester-houtgewas van Nieuw-Holland (Australië) dat met lijnvormige bladen aan de takjes verspreid omtrent 20 of 25 centimeters hoog groeit en hier van mei tot in augustus bloeit met bloemtrosjes op de toppen, kleine bloemkelkjes en witachtige bloempjes die zich als een kruis openen en waarvan de meeldraadjes een mooie rozenkleur hebben en zeer lieflijk versieren.
Men vindt bij onze bloemisten de volgende soorten van die planten die allen zeer lieflijke bloemen dragen; de Pimelea arenania, Pimelea decussata (Pimellea ferruginea) met mooie rooskleurige bloemen; de Pimelea diosmaefolia,( Pimelea ferruginea) Pimelea glauca, Pimelea Hendersonii, (Pimela rosea) Pimelea hispida, Pimelea - intermedia, Pimelea ligustrina, Pimelea longifolia, Rimelea rubra (?) Pimelea nana, (Pimelea imbricata var. glabrifolia) Pimelea nivea, Pimelea rosea, Pimelea spectabilis en meer ander die hier allen om hun mooie bloemen in de heigrond, in potten in de oranjerie worden gekweekt en door afzetsels en inleggers op lauwe broeibakken en onder het glas worden vermenigvuldigd. De krachten van deze nieuwe planten zijn mij niet bekend.
PIMPERBEL, in ’t Frans Pimprenelle, in ’t Latijn Poterium, door Tournefort Pimpinella genoemd en onder zijn 2de klasse, 8ste sectie gesteld der trechtervormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie der roosvormige bloemdragende planten en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige- veelmannige.
De Pimpernel (Poterium sanguisorba van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de bossen en op de bergen op steenachtige gronden wordt gevonden en ook veel in de bloem- en kruidhoven wordt geplant; het groeit met hoekige stengels en lange bladstelen, et veel gekerfde bladen en bloeit op de toppen der stengels, meest van juni tot in augustus met trosjes en purperachtige bloempjes die kantige zaadjes als kleine druifjes verenigd voortbrengen: d Pimpernel wortels en het kruid hebben de geur van de Komkommers.
De Pimpernel van Montpellier (Poterium hybridum van Linnaeus) (Sanguisorba hybrida) is een langlevende kruidplant van Zuid-Frankrijk die hier in de bloemhoven wordt gekweekt en groeit met veel wortels, ronde stengels, bladstelen met getande, lange bladen en bloemstelen op de stengels met trosjes versierd die bolvormig zijn geschikt en van juni tot in augustus bloeien met purperachtige bloempjes. Deze tamme Pimpernel wordt in Frankrijk, Duitsland, Italië veel als toekruid in de keukens gebruikt en als de Zurkel bereid, Het sap van deze Pimpernel doet de wonden helen en zuiver genezen; de Pimpernel met azijn en mosterd gemengd en ingenomen doet geweldig zweten, verdrijft de kwade zucht en langdurige hoest, herstelt de borst en stelpt het bloed; derhalve heeft het de naam van Sanguisorba ui het Latijn verkregen en wordt zowel uitwendig opgelegd als door afkooksel ingenomen; de bladen worden gedroogd en als poeiers gebruikt en het sap word tin de kanker zalven gemengd; dit kruid wordt met wijn bereid en gedronken om de verstoptheid der lever en milt te openen. Men vindt door Dodonaeus beschreven dat de Pimpernel ook zeer goed is om tegen de pest en besmettelijke hete koortsen te gebruiken. Dit kruid aan de koeien gegeven doet ze goede melk en boter geven; de bijen halen zeer veel honing uit de bloempjes; maar de wortels, door hun zoete melkachtige smaak, worden van de ongedierte aangerand, zoals molenaars, molkrekels en andere insecten die soms die wortels geheel afknauwen. Deze planten kunnen hier door het zaad en wortelscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd worden.
PIMPERNOOTBOOM, in ’t Frans Staphilier, Nez-Coupé , in 't Latijn Staphylea, door Tournefort Staphylodendron genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
De gevleugelde Pimpernoot boom (Staphylea pinnata van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Zuid-Europa dat in Italië, Duitsland en elders in de bossen en velden groeit en veel in België, voor de verandering der gewassen, in de lusthoven en Engelse tuinen wordt geplant; het groeit tamelijk hoog, vertakt met gevleugelde bladen; de jonge scheutjes en bladen houden een mooie rode verf in die door de kunstscheiders daaruit wordt gehaald en door de ververs om de stoffen rood te verven veel wordt gebruikt.
De driebladige Pimpernootboom (Staphylea trifolia van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Virginië dat hier in de lusthoven en elders wordt geplant en zeer lommerrijk groeit met donker groene bladen en hier meest t' einde mei met witte bloemtrosjes bloeit, met vijf bloemblaadjes in de kelken die in september opgeblazene bolsters met twee ronde noten gevuld, voortbrengen, welke in het land van hun afkomst worden gegeten; maar de noten van die bomen die in Europa groeien zijn waterachtig van aard en vol van overvloedige ruwe vochtigheid; daarom verwekken ze de maag licht tot braken en beroeren het lichaam; derhalve zijn ze hier niet eetbaar en worden ook in geen medicijnen gebruikt ; maar van die vruchten worden er in sommige landen paternosters gemaakt en omdat de schors van de bomen op de wijze van een slang geplekt is zeggen sommigen dat ze de slangenbeten of steken genezen. Deze bomen kunnen door het kernzaad vroeg in de lente geplant, maar meet door uitlopers vermenigvuldigd worden. Het hout dat zeer hard en effen is wordt van de draaiers en meubelmakers geacht om veel versierende werken mee te maken.
PINCNEYA, in ’t Frans Pinckneya, in ‘t Latijn Pinckneya, is door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf geven gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf stofdraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De met dons behaarde Pinckneya (Pinkneya pubescens) is een langlevend nieuw heestergewas van Noord-Amerika dat struikvormig en zeer vertakt en meer dan 1meter hoog groeit met scherpe eivormige, witharige bladen die als met katoen bedekt zijn; bloeit hier bijna geheel den zomer met trosvormige, okselachtige bloemen en op de toppen die tamelijk groot en zeer lieflijk wit en purperachtig gestreept zijn.
Deze mooie plant is enkel sedert enige jaren hier bekend , kan door het zaad, afzetsels en inleggers vermenigvuldigd worden en is bekwaam om in een klimaat een weinig zachter dan onze streken in de vollen grond geplant te worden; maar moet hier ’s winters in de planthuizen bevrijd zijn. De stam en takjes van deze plant bezitten zeer veel sap waaruit de kunstscheiders een rode verf halen die gevaarlijk schijnt om inwendig te gebruiken.
PIOEN, Boom- Pioen, Struik-Pioen, in 't Frans Pivoine, in 't Latijn Paeonia, is onder de 6de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der Ranonkelplanten en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria digynia, veelhelmige die van twintig tot honderd meeldraadjes op het vruchtbeginsel vastgehecht en twee stampertjes hebben.
Men vond enkel over vijftig jaren maar drie soorten van deze planten terwijl men heden op de bloemlijsten van onze behendige kwekers te Gent alleen 114 soorten vindt waaronder velen die van de Indiën en China alhier zijn overgebracht en anderen die uit het zaad zijn gesproten en nog zeldzaam zijn verspreid. Ik zal eerst de Pioenplant die enig nut inhoudt vermelden en van de anderen die men hier bij onze bloemisten vindt, enkel de namen opgeven..
De officinale Pioen (Paeonia officinalis van Linnaeus) is een kruidplant van Zwitserland die met dikke, gebobbelde wortels in struiken, omtrent 50 centimeters hoog groeit met langwerpige, uitgesnedene bladen ,en hier meest in juli bloeit met mooie dubbele rode bloemen.
De Mannetjes Pioen (Paeonia mascula) en de Wijfjes Pioen (Paeonia corallina van Retzius) (Paeonia mascula subsp. mascula) zijn twee kruidplanten van de Alpien gebergten die hier met enkele, bleke, purper achtige bloemen in mei bloeien en mooie geelachtige rode zaadhuizen voortbrengen.
De Paeonia albicans (Paeonia officinalis var. albicans) en Paeonia feminea (Paeonia officinalis subsp. officinalis) zijn mooie dubbele Boerenpioenen die uit het zaad zijn gesproten en hier vel on de bloemhoven worden gekweekt.
De Struik-Pioenen, Paeonia labata, (Paeonia peregrina) met gelipte bladen; Paeonia lacinata? met uitgesnedene bladen en zeer mooie rooskleurige bloemen; de Paeonia anomala van Willdenow en de Paeonia feminea zijn van Siberië en bloeien met rooskleurige bloemen; de Paeonia tenuifolia van Linnaeus, de Paeonia daurica van Willdenow met donkergroene bladen en purperen violette- bloemen; de Paeonia villosa met rode bloemen en de Paeonia hybrida van Willdenow komen van Siberië; de witte Pioen (Paeonia albiflora met acht brede bloembladen en lieflijke witte bloemen; de gefronselde Pioen(Paeonia fimbriata) met dubbele purper gefronselde bloembladen n de Paeonia bysantina met dubbele rode bloemen zijn van Constantinopel. De Chinese Kruid-Pioenen, Paeonia edulis, met welriekende, dubbele bloemen, Paeonia alba chinensis, met mooie, welriekende, zilverachtige, witte, dubbele bloemen; de mooi rode Paeonia ranunculus van China, Paeonia grandiflora, Paeonia lutescens, Paeonia patens, Paeonia amabilis, Paeonia grandiflora, Paeonia speciosa, Paeonia superba,- Paeonia elegans, Paeonia formosa, Paeonia globosa, Paeonia hericartiana, Paeonia lutea, Paeonia papillosa, Paeonia nivalis, Paeonia odorata, Paeonia papaveriflora, Paeonia prolifera tricolor, Paeonia pulcherrima, Paeonia Queen's perfection, Paeonia Reine Hortense, Paeonia rosea delicatissima, Paeonia pallida magna, Paeonia roseo cincta, Paeonia tricolor van Gent/Brugge, Paeonia tricolor flavescens, Paeonia triumphans, Paeonia versicolor, Paeonia Victoire modeste, Paeonia violacea grandiflora en meer andere soorten zijn allen Struik-Pioenen die hier bij onze bloemisten te vinden zijn. De Boompioenen zijn de Paeonia arborea Moutan van China, Paeonia Dellachii Paeonia arborea papaveracea,- Paeonia arborea flora pleno, Paeonia arborea flora pleno roseo, Paeonia flora pleno rubro, Paeonia odorata, Paeonia phoenicea, Paeonia rosa gallica, Paeonia Victoria nive aflora plenae en de wijd vermaarde Pioenboom Arborea carmin pur van L. Van Houtte, te Gent/Brugge Paeonia, Greffe reprise die nog op zijn bloemlijst voor 500 franks staat getekend en welke zeldzame plant nog de de enigste van zijn soort is die zich tot heden in Europa bevindt.
De Paeonia triumphans Gandavensis, Paeonia arborea Napoléon en veel andere soorten zijn bij Alexander Verschaffelt te vinden. De Paeonia arborea elegantissima, de Paeonia arborea Vandermaelii, de Paeonia arborea Demalines met veel andere nieuwe soorten kan men ook bij Van Geer, vader en zoon, bekomen; J.-B. De Saegher en veel andere onzer bloemisten, bezitten ook mooie nieuwe soorten die allen meest door het zaad, uitlopers en afzetsels in de heigrond worden geplant en met een weinig te dekken onze koude winters kunnen weerstaan; ze worden hier veel in potten in de oranjehuizen gekweekt om er vroeger bloemen van te hebben.
De wortels van de Chinese Pioenen bezitten een zoete smaak, maar laten in de mond een zeer bitter overblijfsel, nochtans vindt men bij sommige apothekers nog poeiers die met de wortels der officinale Pioenen gemaakt en als pis afdrijvend middel worden aanbevolen. Het schijnt dat de wortels van de Chinese Paeonia edulis veel als toekruid worden bereid en dat de Chi-zen die voor een voedzame spijs houden en er veel eten. Galenus heeft ook die wortels bereid om de kinderen de stuiptrekkingen te genezen; maar de doctor Roques gelooft aan al die middelen niet en zegt dat de Pioenen geen medicinale eigenschappen bezitten. Niettegenstaande de doctor Peyrilhe die onder de voornaamste geneesmiddelen stelt en dat Hippocrates de moederkwalen en de verstoptheid der ingewanden daarmee genas zegt de gemelde Roques dat al zijn proeven met die wortels gedaan vruchteloos zijn geweest.
De geschiedenis van de Pioenboom (Paeonia arborea Moutan) is zeer wonderbaar en de missionarissen ten tijde van hun zendingen naar Peking hebben er ons een getrouw verhaal van gegeven: Volgens de Chinese Kronieken is die Pioen over meer dan 4000 jaren in de gebergten van Honan, in China ,door een reiziger ontdekt die eerst die mooi plant naar zijn kruidhof heeft doen dragen en aldaar voort gekweekt welke door zijn mooie, glansrijke en zoet riekende bloemen in China vermaard en in alle gewesten der wereld verspreid is geworden. Eindelijk omtrent de VIIste eeuw en na de omwenteling die in China heeft plaats gehad heeft het staatsbestuur van de nieuwe keizer Tang die Pioenboom weer opgehelderd; zelfs de Keizer nam het penseel in de hand om die mooie bloemen naar de natuur te schilderen ten einde die op de tapijten te doen bewerken en daarmee de paleizen te behangen en de pronkzalen te versieren; die de Pioen Moutan werd met ereschriften aan de Keizer opgedragen en de kweek zodanig aangemoedigd dat de Keizer voor de mooiste gekweekte Pioen 100 ons goud beloofde ,en voor de mooiste afgebeelde en best bewerkte ereteken verleende. De Chinezen kweken tot heden nog met grote drift die mooie bloem welke de eersten rang in de keizerlijke bloemhoven heeft en voor de koningin der bloemen wordt geacht. Deze Pioenboom is eerst door de eerwaardige zendelingen bij hun terugreis van China naar Europa overgebracht. Men heeft er door het hybridiseren en vruchtbaar maken met het teeltstof van andere Pioenen zeer veel mooi medesoorten uit verkregen.
PISTACHEBOOM, Terpentijnboom, Pimperboom, in 't Frans Pistachier, in 't latijn Pistacia, door Tournefort Lentiscus genoemd , is door Jussieu onder de familie van de Terpentijnbomen gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizige-vijfmannige.
Men vindt van die bomen verscheidene soorten die in de warme landen groeien : De netvormige Pistacheboom (Pistacia reticulata van Willdenow) (Pistacia vera) is een langlevende boom van Sicilië die in Italië een tamelijke grote boom wordt; de driebladige Pistacheboom (Pistacia trifolia) (Pistacia vera) met zijn drie samengevoegde bladen, komt ook van Italië; de Pistacia vera van Linnaeus, is oorspronkelijk van Perzië en Klein-Azië; de Pistacheboom die op de Terpentijnboom gelijkt (Pistacia terebinthus van Linnaeus) is een langlevende boom van Zuid-Europa; de Pistacia lentiscus van Linnaeus komt van Oost-Europa en groeit met gevleugelde, effen en scherpe, kleine blaadjes.
Al deze bomen worden in de warme streken van Frankrijk, Spanje, Italië en elders in de lusthoven, bossen en dreven geplant, maar kunnen onze winterse koude niet weerstaan en moeten hier nog in de planthuizen bevrijd zijn; de vermenigvuldiging kan door uitlopers en inleggers geschieden; ze worden ook veel door de rijpe kernen geplant die men hier vroeg in het voorjaar in potten in de oranjerie zet. De kernen van de Pistachebomen die een groenachtig kleur hebben, worden meest in poeiers gestampt en als verkoelende kracht in de medicijnen gebruikt. Het hout van deze bomen, dat zeer hard wordt en effen slijt, dient om lardeerpriemen, tandenstokers, breinaalden, dozen en andere kleine fijne houtwerken mee te maken en wordt door de draaiers en snijders veel gebruikt.
PITCAIRNIA, in ’t Frans Pitcairne, in ’t Latijn Pitcairnia , is door Jussieu onder de familie der Lelieplanten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Pitcairnia latifolia is een langlevende kruidplant van de Indiën, met lange bladen, aan de boorden met doorns bezet, en stengels die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien op wiens toppen van mei tot in juli rechte aren bloeien met vele lieflijke, mooie, rood blozende bloemen.
De Pitcairnia bracteata van de Indiën bloeit ook van mei tot in augustus met mooie, rode, levendige bloemen.
De Pitcairnia bicolor van de Indiën groeit met kleine stengels en gehele ,rode, purperachtige bladen voorzien; bloeit meest in november met bloemtrossen op de toppen der stengels en kleine bloempjes die met hemelsblauw op het einde der bloembladen gespikkeld zijn; de Pitcairnia quinqueflora? is hier sedert enige jaren van de West-Indiën overgevoerd; de Pitcairnia species nova (nieuw soort?) van Brazilië̈ die met aller mooiste bloemen groeit, is alhier voor de eerste maal in 1844 door Alexander Verschaffelt in de Casino te Gent tentoon gesteld geweest, de Pitcairnia bromeliaefolia, de Pitcairnia splendens (Pitcairnea flammea var. flammea) en de Pitcairnia undulata van Jamaica zijn ook onlangs alhier door Van Geert en J.-B. De Saegher verkregen.
Al deze planten moeten hier in de matige serres gekweekt w orden; ze kunnen door het zaad en ook door de jonge uitspruitsels in potten op warme broeibakken vermenigvuldigd worden. Diens krachten zijn mij niet bekend.
PITTOSPORUM, in ‘t Frans Pittosporum, in ‘t Latijn Pittosporum is onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Pittosporum undulatum van Ventenat is een langlevend heestergewas van Nieuw-Holland (Australië) dat hier wel omtrent 2 meters hoog groeit met altijd groenblijvende, grote, gladde, eivormige bladen, fijn gevlamd die een welriekende geur verspreiden en hier meest in april bloeit met witte bloemen op de toppen die de geur van de Jasmijnen hebben.
De Pittosporum coriaceum van de Hortus Kew is een heester - boomgewas van het eiland Madera dat met ringvormig geschikte takken en altijd blyvende bladen groeit en meest in mei bloeit met bloemtrossen en witte bloemen die vijf bloembladen in de kelken hebben en een aangename zoute jasmijn reuk verspreiden.
D e Pittosporum chinensis van Desfontaines, (Pittosporum heterophyllum) de Pittosporum tobira van China met zijn medesoorten; de Pittosporum revolutum van Zuid-Azië; de Pittosporum Cunninghamii; (Crotolaria cunninghamii) de Pittosporum glomerata ‘Compacta’ en veel andere soorten van Nieuw-Galles en het Zuiden van Azië worden alhier bij onze bloemisten gekweekt en kunnen door inleggers in de heigronden door het rijpe zaad in broeibakken onder het glas, vermenigvuldigd worden. De nuttige krachten van deze mooie heester-boomgewassen zijn mij niet bekend; ze worden meest om hun versierende bladen en lieflijke bloemen alhier gekweekt, maar moeten ’s winters in de matige serres of planthuizen bevrijd zijn.
PLAANBOOM, Plataanboom, Booghout, in ’t Frans Platane, in 't Latijn Platanus, is door Jussieu onder de familie der bomen die met katjes bloeien gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige-veelmannige.
De oosterse Plaanboom (Platanus orientalis van Linnaeus)is een mooie langlevend gewas van Azië dat natuurlijk in Griekenland en elders groeit, en veel in België wordt geplant; het groeit met vertakte stam tamelijk dik en hoog met zeer lommerrijke groene Esdoornbladen versierd. De westerse Plaanboom( Plantanus occidentalis van Linnaeus) is een langlevende grote boom van Virginië; het wordt heden alhier veel gekweekt en groeit zeer dik, hoog en vertakt met langwerpige Esdoornvormige bladen die zeer lommerrijk zijn.
De Plaanboom met Ahornbladen (Platanus acerifolia van Willdenow)(Platanus x hispanica) is een langlevend boom van de Oost-Indiën die tamelijk hoog groeit met booghoutvormige bladen en een medesoort van den Orientalis schijnt te zijn. Deze bomen kunnen zeer goed onze koude winters weerstane, maar begeren een goede, vette, losse rond; ze worden meest in de dreven om hun lommerrijke en bevallige bladen geplant.
De Plaanboom was bij de oude oosterse volkeren in zeer grote achting waarvan de oude plantkenners gewag maken; onder andere verhaalt Plinius dat een Plaanboom die door ouderdom hol was geworden, omtrent 80 voeten dikte bekomen had, en dat Licinus Martianus, een Romeins veldheer en stadhouder in Syrië in die boom een maaltijd van 18 personen oprichtte en onder zijn schaduw zoeter en geruster geslapen heeft dan hij in een konings paleis met goud, zilver en kostbare tapijten versierd ooit gerust had.
Dezelfde schrijver verhaalt in het 8ste kapittel, boek 24, dat de wortels van de Plaanboom gestoten en op de buik aan de zijde der lever gelegd de pijn en weedom haastig doen vergaan en Quintus betuigt ook in zijn gedichten dat degenen die pijn in de zijde voelen deze wortels gestoten met wijn drinken daarbij terstond baat en verlichting zullen voelen.
Het hout van de westerse Plaanboom is broos en breekachtig, maar dat van de oosterse dient om jokken, bogen, pijlen, enz., van te maken. De vermenigvuldiging van deze bomen geschiedt door uitlopers, op de wijze als van de Iepenbomen en Linden gezegd is. De eerste Plaanbomen zijn in 1576, door Clusius, van Wenen naar België gezonden.
PLATTE ERWT, Wilde Cicer, ’t Frans Gesse, in 't Latijn Lathyrus, is onder de 10de klasse van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der peulvruchtdragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met tien helmstijltjes bloemen en peulvruchten voortbrengen.
De Hof-Cicer of Platte Erwt (Lathyrus sativa van Linnaeus) is een eenjarige plant die hier alle jaren in sommige moeshoven wordt geplant; het groeit met stengels en hechtrankjes, bloeit op de wijze van de Erwten en brengt schelpjes voort met kleine rode peulen gevuld die groen en droog worden gegeten en ook dienen tot meel te vermalen en het vee mee te voeden. Ze worden alhier meest in maart geplant.
De Platte Erwt met brede bladen (Lathyrus latifolius van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zuid-Frankrijk die met stengels omtrent 1 meter lang groeit, met bladstelen, brede bladen en drie hechtrankjes en alhier van juli tot in september bloeit met bloemtrosjes en mooie, grote, purperen, violette en rooskleurige bloemen, waaronder men enige medesoorten vindt met witte en rooskleurige bloemen die zeer lieflijk versieren.
Men heeft nog onder die langlevende Platte Erwten de Lathyrus tuberosus van Linnaeus die hier dikwijls te velde in de potaarde- achtige gronden groeit; de Lathyrus pratensis en de Lathyrus sylvestris van Linnaeus die alhier veel in de moerassen groeit.
De welriekende Platte Erwt (Lathyrus odoratus van Linnaeus) is een eenjarige plant van Sicilië die met ranken omtrent 1 meter hoog aan staken groeit en van juli tot in september bloeit met aren en zeer mooie rooskleurige, blauwe, witte en bonte bloemen die schelpjes met ronde peulen gevuld voortbrengen welke een aangename smaak inhouden.
De wilde Platte Erwten (Lathyrus aphaca en Lathyrus nissolia van Linnaeus) groeien alhier in de granen en moerassen en de Lathyrus hirsutus wordt veel voor voeding der kruid etende dieren alle jaren in de lente te velde gezaaid.
PLATYCHILUM, in ’t Frans Platychilier, in ‘t Latijn Platychilum, is onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, bloemen die met tien meeldraadjes bloeien welke tot twee lichamen zijn samen gegroeid.
De Platychilum celsianum van Cels, (Hovea elliptica) is een langlevend heester- houtgewas dat te Parijs door de heer Cel uit zaad van Nieuw- Holland (Australië) verkregen is gewonnen en alzo den naam van Celsianum heeft verkregen; het groeit met dunne takjes en lansvormige, groene bladen en bloeit alhier meest in april met okselachtige kleine bloemtrosjes aan de toppen der takjes alwaar ze zeer mooie trosvormige aren verbeelden en tot in mei zeer lieflijke blauwe bloemen dragen.
Deze mooie plant die heden bij onze bloemisten zeer is vermaard moet hier in de matige serres gekweekt zijn en kan door het zaad in de heigrond gezaaid en door inleggers vermenigvuldigd worden.
PLATYLOBIUM, in ’t Frans Platylobier, in ‘t Latijnn Platylobium, is onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, bloemen die met tien helmstijltjes of stuifdraadjes bloemen die tot twee lichamen zijn samen gegroeid. De mooie geschulpte Platylobium (Platylobium formosum) is een langlevend heester-boomgewas van Nieuw-Holland ((Australië) dat zeer vertakt met altijd groen blijvende, hartvormige bladen groeit en alhier meest in de planthuizen van in mei bloeit, met zeer bevallige oranje bloemen, waarvan de standaards zeer lieflijk rood karmijn gestraald en mooi gespikkeld zijn.
De gevleugelde Platylobium (Platylobium scolopendrium) (Bossiaea scolopendria)van Nieuw-Holland (Australië) is een langlevende klein boomgewas dat met effen, gebogen takjes en kleine, eivormige, verspreide blaadjes groeit en hier in mei bloeit met mooie standaards zeer lieflijk grote gele bloemen die roodachtig gespikkeld zijn.
De Platylobium met lansvormige bladen (Platylobium lanceolatum) van Nieuw-Holland bloeit alhier meest in juni met zeer lieflijke gele bloemen .
Onze kundige bloemisten hebben nog sedert drie jaren de volgende soorten van Nieuw-Holland verkregen: Platylobium murrayanum, (Platylobium triangulare) Platylobium parviflorum, Platylobium triangulare, Platylobium splendens (PLatylobium formosum?)en meer andere die nog zeldzaam zijn verspreid.
Deze lieflijke houtgewassen die door hunne bloemen zeer behagen kunnen alhier door het zaad vermenigvuldigd en in de heigrond op lauwe bakken onder het glas gezaaid worden om het eerste jaar in de matige serres te verblijven die de volgende jaren op een goede standplaats en ’s winters in de oranjehuizen te bevrijden alwaar ze mooie bloeien.
PLOMPEN, Water-Roos, Waterlelie, in ’t Frans Plateau, Nénuphar, in 't Latijn Nymphaea, is onder de 6de klasse,4de sectie van Tournefort gesteld, er roosvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie der Vosbeet en Zwemkruid en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmige, planten die met twintig tot honderd meeldraadjes bloemen die op het vruchtbeginsel zijn vastgehecht, en maar een stampertje hebben.
De witte Plompen (Nymphaea alba van Linnaeus)is een langlevend Zwemkruid van Europa, dat met wortels in het water groeit en groeit met stelen en grote, ronde, hartvormige bladen, waarvan sommige op het water zwemmen die groen en effen glad zijn. De bloemstelen komen ook uit de wortels voort en dragen alhier meest in juni zeer lieflijke witte bloemen met vee langwerpige, spitse verzamelde bloembladen en in ‘t midden met zeer veel gele meeldraadjes versierd; ze brengen zaadjes in ronde bolletjes gevuld voort die in het diepste der waters vallen en weer uitspruiten, maar ze worden veel van de vissen en andere watergedierten gegeten die zich daarmee voeden.
De gele Plompen (Nymphaea lutea van Linnaeus) (Nuphar lutea) groeien ook ten alle kanten in de staande en stromende waters van België en elders, hebben bijna de bladen als de witte, maar doch wat langwerpiger van vorm, groeien met kantachtige stelen en bloeien in juni met gele bloemen die door vijf bloembladen zijn versierd, veel meeldraadjes hebben en zaadhuisjes voortbrengen met blinkende zaadjes die de grootte van de Tarwe hebben. De wortels van deze plant zijn dik, geknobbeld en met veel dikke vezeltjes behangen.
De blauwe Plompen (Nymphaea caerulea van Curtis) groeien meest in de Indiën, maar worden alhier om hun mooie bloemen bij sommige liefhebbers in het water in de warme serres gekweekt.
De wortels en het zaad van de Plompen hebben een verdrogende kracht en houden zeer veel stijfselmeel of ameldonk in die het ingewand verzacht; derhalve, zegt Dodonaeus, zal men die mogen gebruiken om de onmatige vloeden en buiklopen te stelpen en ze zijn ook zeer nuttig om de rode loop te genezen. Die wortels of het zaad vers gestoten of in poeiers gebruikt zijn ook zeer dienstig om de lopende schurft van het hoofd en kaalheid van het haar te genezen; met teer gemengd zijn ze zeer nuttig om het kwade zeer, het uitvallen van het haar en dergelijke schurft te verhelpen De wortels van de gele Plompen worden met wijn ingenomen door diegenen die gedurig lust tot stoelgang hebben en niet kunnen lossen; dezelfde wortels gestoten zijn zeer dienstig om op de lopende gaten en wonden tel eggen; ze nemen al de plekken en sproeten weg en bezitten een zacht pijnstillend middel. Uit de bloemen van de witte Plompen, die een welriekende geur inhouden, wordt sedert enige jaren een water gedistilleerd dat in de medicijnen, zegt G. Grimaud, tegen de stuipziekten der kinderen wordt gebruikt.
PLUIMBOOM, Melkreukbloem, in 't Frans Frangipanier, in ’t Latijn Plumeria, is door Jussieu onder de familie van de Hondsdood planten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Pluimboom (Plumeria pudica van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Zuid-Amerika dat in het land van zijn afkomst tamelijk groot groeit met eivormige, puntige, groene bladen en alhier in de warme serres wordt gekweekt alwaar het heester-vormig en vertakt groeit en meest in juni bloeit met zeer mooie krom verdraaide gele bloemen met de meeldraadjes in de bloemkransen gesloten die aan een vliesje eigen zijn en een zeer welriekende geur verspreiden .
Men vindt alhier bij onze kweekers de Plumeria rubra van Linnaeus die met rode bloemen bloeit en van Suriname oorspronkelijk is; de Plumeria alba, met witte bloemen van Jamaica en de Plumeria obtusa van Linnaeus van Zuid-Amerika uit welks bloemen een welriekend water wordt getrokken dat door de reukwerkers veel wordt gebruikt om met hun waters en pommades te mengen. Deze planten kunnen door afzetsels op warme broeibakken in de heigrond vermenigvuldigd worden, maar vatten toch moeilijk wortel.
PODALYRIS, in ’t Frans Podalyre, in ‘t Latijn Podalyria, is door Jussieu onder de familie der planten die peulvruchten dragen gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Podalyria australis van Willdenow (Baptisia australis) is een langlevende kruidplant van de Carola eilanden die alhier in struiken groeit met stengels van omtrent 40 centimeters hoog, gepijpte stelen en bladen met drie blaadjes versierd en meest van juni tot in juli bloeit met trosjes en veel bloemen die een mooie blauw en witachtig groen kleur hebben en een bodem die als een goot geschikt is.
De Podalyria alba van Willdenow (Baptisia alba)is ook een langlevende kruidplant van de Carolina, maar die witachtige bloemen draagt. De Podalyria met twee bloemen (Podalyria biflora) is een heester-boomgewas van de Kaap die zeer vertakt en omtrent 1 meter hoog groeit en met wit harig dons bedekte bladen heeft en hier in de planthuizen van in november tot januari bloeit met mooie witte bloemen die dikwijls donker gestreept zijn; ze moet ;s winters in de planthuizen bevrijd zijn..
De zijdeachtige Podalyria (Podalyria sericea) wiens takken met zacht dons bedekt zijn is ook van de Kaap en bloeit alhier meest van juli tot in augustus met zeer lieflijke rooskleurige bloemen .
De Podalyria styracifolia, (Podalyria calyptrata) Podalyria cuneifolia (Podalyria myrtillifolia) met wigvormige bladen, Podalyria hirsuta, Podalyria calyptrata en de Podalyria myrtillifolia van Willdenow, allen langlevende heester houtgewassen van de Kaap en de Podalyria sophorafolia (Wel Podalyria calyptrata) met Brembladen orden hier al op de wijze van de Platylobium in de matige serres in de heigrond gekweekt en vermenigvuldigd. De krachten van deze bevallige gewassen zijn mij niet bekend .
PODOCARPUS, in ’t Frans Podocarpe, in ’t Latijn Podocarpus, is onder de familie der bomen die kegelvormige vruchten dragen gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia monadelphia, tweehuizige-eenbroederige.
De Podocarpus japonicus(Podocarpus macrophyllus) van den Hortus Bogoricus is een langlevend boomgewas van Japan; het groeit met altijd blijvende, groene bladen die van gedaante op het Spaans Hout gelijken. Deze plant is door de heer Von Siebold van Japan in de Nederlanden in 1842 overgebracht en werd voor de eerste maal in 1844 in de tentoonstelling van den Casino met genoegen aanschouwd. In de verzameling der planten van Java die alhier in de Casino door Von Siebold waren gezonden hebben we ook den Podocarpus amara (Sundacarpus amarus) van Blume bemerkt die door zijn mooie groenblijvende bladen zeer versierend is. Onze kundige bloemkweker J. Van Geert vader, had ook in die tentoonstelling den Podocarpus pardii (Podocarpus lawrencii?) van den Hortus Kew gezonden die enkel in 1844 alhier van de Indiën is overgevoerd. Alex. Verschaffelt heeft ook de Podocarpus coriaceus, Podocarpus excelsus (Dacrycarpus dacrydioides) en de Podocarpus longifolius van de Indiën verkregen en J.B. De Saegher heeft onlangs van de Indiende volgende soorten van die mooie boomgewassen ontvangen; Podocarpus foliis variegatis, (een var.) Podocarpus Horsfieldii, (Dacrycarpus imbricatus var. imbricatus) Podocarpus longifolius van China, Podocarpus mucronatus, (Podocarpus purdieanus) Podocarpus pardii,? Podocarpus macrophyllus, Podocarpus nucifer (Torreya nucifera) van Japan en de Podocarpus pungens spicata, (Var.) allen zeer mooie langlevende versierende boomgewassen.
De Podocarpus latifolius en meer andere soorten worden alhier bij L. Van Houtte en bij veel andere bloemisten gevonden en de Podocarpus elongatus van l'Hérit. Is sedert twintig jaren alhier van Java naar onzen kruidhof der Hogeschool overgezonden. Al deze mooie gewassen die de geur van het Spaans Hout inhouden en kegelvormige vruchten dragen kunnen door het rijpe zaad in de heigrond op lauwe broeibakken gezaaid en door afzetsels en inleggers met zorg vermenigvuldigd worden, maar vatten toch moeilijk wortel en worden hier in de matige serres of goede planthuizen 's winters bevrijd.
POELKRUID, Sterplant, in ’t Frans Stellaire des Marais, in ’t Latijn Callitriche, is door Jussieu onder de familie der Waterplanten gesteld en onder de 1ste
klasse van Linnaeus, Monandria digynia, planten die met een meeldraadje bloemen en twee stampertjes of wijfjes delen hebben.
Het Lente-Poelkruid (Callitriche verna van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van België die ten alle kanten in de Nederlanden in de poelen, grachten en vochtige moerassen groeit met gebladerde stengels die alle jaren in het voorjaar uit de wortels spruiten en omtrent 20 of 30 centimeters hoog groeien me langs boven eivormige bladen en meest in juni bloeit met twee bladige witte bloemen zonder bloemkelken die vliesachtige gerande zaadhuisjes voortbrengen die in twee hutjes zijn verdeeld en vier blote zaadjes inhouden.
Het Herfst-Poelkruid (Callitriche autumnalis van Linnaeus(Callitriche hermaphroditica) s ook een langlevende kruidplant die in België aan de kanten der grachten en vochtige plaatsen groeit met stengels en lijnvormige bladen die aan de toppen der stelen tweebladig zijn en met tweeslachtige witte bloemen bloeit.
Het Poelkruid (Callitriche intermedia van Willdenow) groeit ook aan alle kanten in België in de grachten en aan de poelen, met stengels en van boven eivormige en lijnvormige blaadjes en witachtige, tweebladige bloemen.
Die kruiden welke alhier ten plattelande voldoende bekend zijn houden een verkoelende kracht in en werden van de oude Kruidbeschrijvers Alsine aquatica minor genoemd.
POELRUIT, Valse Rabarber, Waterruit, Moeras- Rabarber, in ’t Frans Pihamon, Rhubarbe des pauvres, in ’t Latijn Thalictrum, is onder de 6de klasse, 6de sectie der roosvormige bloemplanten van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der Ranonkelplanten en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige die van twintig tot honderd meeldraadjes hebben welke op het vruchtbeginsel zijn vastgehecht.
Men vindt onder de Poelruit verscheidene soorten die in België en elders in ’t wild groeien en om hun deugd ook in de kruidhoven worden geplant om tot nut der mensen te gebruiken; ze hebben allen vier of vijf bloembladen in de kelken, maar verschillen toch van grootte en gedaante.
De gele Poelruit (Thalictrum flavum van Linnaeus) is een langlevend kruidplant van Noord-Europa die in België veel in de vochtige moerassen en kanten der grachten groeit met een stengel en bladstelen omtrent 30 of 40 centimeters hoog, gekerfde en getande donkergroene bladen en in juli bloeit boven op de toppen der steeltjes met trosachtige, gele, verenigde bloempjes en veel witachtige meeldraadjes die wolachtig grijs zijn. De Poelruit met Akeleibladen (Thalictrum aquilegifolium van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zwitserland die alhier in de bloemtuinen wordt geplant en groeit met gele wortels en stengels met bladen versierd wel omtrent 1 meter hoog; bloeit meest van juni tot in augustus met mooie trosjes op de stelen en geelachtige bloempjes die meer dan zestig meeldraadjes hebben welk door hunne mooie, gele, citroenkleurige kopjes een vederbosje maken dat zich op de groene bladen zeer verheft..
De grote Poelruit (Thalictrum majus van Linnaeus) (Thalictrum minus) groeit alhier veel in de belommerde bossen; de kleine Poelruit (Thalictrum minus) groeit meest in de moerassen met rondachtige stengels in drie verdeelde blaadjes en geelachtige hangende bloempjes; de Thalictrum sibericum (Talictrum aquilegifolium var. sibiricum) ) van Linnaeus, groeit veel in Rusland; de Thalictrum lucidum, groeit meest in Spanje, Frankrijk en elders de Thalictrum medium? van Linnaeus wordt veel in Oostenrijk gevonden en de Thalictrum nigricans van Linnaeus groeit veel in België, Luxemburg en elders in Duitsland alwaar de Thalictrum angustifolium ook wordt gevonden . De Thalictrum simplex met de Thalictrum flavum worden veel in Zweden en Denemarken gevonden. Alle deze soorten worden alhier in de kruidhof der Hogeschool gekweekt en door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.
Het schijnt dat in alle gewesten der wereld die valse Rabarber groeit, want Linnaeus beschrijft de Thalictrum purpurascens van Canada met rode stengels en bloemen met lange violette meeldraadjes. Al deze Poelruiten worden van de apothekers gezocht om in de geneesmiddelen te gebruiken. De wortels hebben een bijtachtige verdrogende kracht en de bladen van de grote Poelruit met moeskruiden gemengd, gekookt en gegeten verweken de buik en verwekken de kamergang. De bladen gestoten en op de oude zeren gelegd doen die zuiver genezen.
Clusius geeft ons te kennen dat de wortels van de kleine en grote Poelruit zeer dienstig zijn om in de baden te gebruiken voor de mensen die met de luisziekte zijn besmet en dat de wortels, het kruid en de bladen in het warm water geweekt en daarmee gewassen de luizen aanstonds doen sterven.
Er wordt ook uit het kruid en bloemen een water gedistilleerd om de oude wonden en zeren te genezen en te doen opdrogen. De kwakzalvers doen met de wortels en kruid vee kunsten ze verkopen dikwijls de wortels in plaats van Rabarber en ook voor zwart Nieskruid en trachten alzo de eenvoudige volkeren te bedriegen; de oude Kruidbeschrijvers zeggen dat de reuk der bloemen zeer goed is om water mee te bereiden en voor de vallende ziekten te gebruiken; maar het schijnt dat dit middel niet krachtig genoeg is omdat het van de nieuwe Kruidbeschrijvers wordt verworpen; de wortels houden een zacht buikzuiverend middel in.
POINCIANA, in ’t Frans Poincillade, in ‘t Latijn Poinciana, is onder de 21°ste klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der bomen die roosvormige bloemen dragen, door Jussieu onder de familie der bomen met peulvruchten en onder de 10de
klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De mooi versierende Poinciana (Poinciana pulcherrima van Linnaeus) (Caesalpinia pulcherrima) is een langlevend boomgewas van Indien dat alhier heestervormig groeit, vertakt met bladstelen, gevleugelde bladen en tweevoudige scherpe doorns op de takjes verdeeld; bloeit meest van juli tot in september, met spitsvormige aren, zeer mooie oranje rode bloemen en tienlange meeldraadjes die de bloemkransen versieren; ze brengen peulvruchten voort.
Me vindt alhier bij onze bloemisten den Poinciana caesalpina (Zelfde) met zijn mooie rode en hoog gele bloemen; de Poinciana Giliesii, (Caesalpinia gilliesii) Poinciana rubra (Delonix regia) en Poinciana regia (als de vorige) en andere soorten die van de West-Indiën alhier onlangs zijn overgevoerd.
De Poinciana caesalpina vesicaria (Caesalpinia pulcherrima) van Linnaeus is bij ons gewoonlijk Brazilië hout genoemd roeit met doornen, kantige bladstelen en groene gevleugelde bladen en bloeit met mooie roodachtige gele bloemen op de wijze van het Brazilië̈ hout ,en geeft ook een mooie rode verf. Deze houtgewassen moeten alhier in de warme serres gekweekt zijn en kunnen door het zaad in de heigrond vermenigvuldigd worden.
POKHOUT, Sakerdaanhout, in ’t Frans Gaiac, Bois-Saint, in ‘t Latijn Guaiacum, is door Jussieu onder de familie van de Ruit planten gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, bomen die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het mooi verheven Pokhout (Guaiacum afrum van Linnaeus of Schotia speciosa) i(Schotia afra var. afra) s een mooi boomgewas dat natuurlijk in Afrika, China, Italië en andere warme landen groeit, zeer vertakt met lommerrijke, gevleugelde bladen op de bladstelen in acht blaadjes verdeeld en welke eivormig, langwerpig, glad, maar toch een weinig ruw zijn; bloeit alhier in de serres van september tot in december met aller mooiste rechte bloemtrossen, gepijpte bloembladen, bloemkelken en kransen die een levendig rood met karmozijn gemengde kleur hebben; het midden der bloemen is met gele, verheven meeldraadjes bekroond hetgeen er aan een zeer bevallig voorkomen geeft.
Het heilig Pokhout (Guaiacum sanctum van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Amerika dat met verscheidene koppels blaadjes groeit, zeer lommerrijk versierd; het heeft ook mooie bloemen met vijf ineen gestoten bloembladen, en brengt zaadhuizen voort.
Het zeer geacht officieel Pokhout (Guaiacum officinale van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van de West-Indiën dat in Jamaica en elders in de warme landen van Zuid-Amerika groeit en alhier in de warme serre wordt gekweekt. Het is uit de wortels, hout en hars van deze boom dat de geneesmiddelen worden getrokken die de doctors als een aanhitsend middel bevelen om de omloop van het bloed te verhaasten en voor de drek te doen scheiden en voor vel ziektes en uitwassen gebruiken. De wortels van het officieel Pokhout, zegt G. Grimaud, worden heden voor de koude zinkingen en Venusziekte veel in pillen bereid en van de ervaren doctors voorgeschreven. Deze bomen kunnen door afzetsels, inleggers en door het zaad vermenigvuldigd worden.
POMPOEN, in ’t Frans Citrouille, Courge, in ‘t Latijn Cucurbita, is door Jussieu onder de familie van de Kauwoerden en Meloenen gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige-eenbroederige.
De Pompoen (Cucurbita citrullus van Linnaeus)(Citrullus lanatus) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Europa die met gerankte en langs de aarde gestrekte stengels, op de wijze van de Meloenen groeit en met gelipte bladen in verscheidene delen gekerfd; de mannetjes- bloem van deze plant bloeit met vijf gele bloembladen in de kelken en kransen met drie draadjes en de wijfjes bloemen hebben de kelken en kransen met vijf getande bloembladen en vijf stampertjes en brengen alleen vruchten met kerntjes voort.
De Cucurbita pepo en de Cucurbita melopepo van Linnaeus zijn alhier bekend door hun grote vruchten die een voedzaam slijmachtig vlees inhouden dat van de landlieden veel in pappen met melk bereid als voedsel wordt gegeten en lichte buik week maken verwekt; te veel daarvan ingenomen, doet een grote buiklossing ontstaan en kan koliek veroorzaken. De Pompoenen, waaronder men veel soorten vindt, worden alhier vroeg in de lente geplant.
PONTEDERIA, in ’t Frans Pontederie, in ‘t Latijn Pontederia, is door Jussieu onder de familie van de Narcissenbloem en Paaslelie gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Pontederia met hartvormige bladen (Pontederia cordata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Virginië in Noord-Amerika, met vezelachtige wortels en dikke, hartvormige bladen op lange bladstele ,die in scheden steken; bloeit alhier meest in mei met aren en steelloze bloemen die een liefelijke blauwe kleur hebben .Deze plant moet hier in de matige serres in het water worden gekweekt.
De eivormige Pontederia (Pontederia ovata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Malabar die onder de familie van de Thalia’s, (Thalia dealbata) daarom zou deze plant onder de 1ste
klasse van Linnaeus, Monandria, moeten gesteld zijn; het groeit met wortels, stengels en eivormige bladen en met zeer lieflijke bloemen op de toppen der stengels.
De Pontederia met spiesvormige bladen (Pontederia hastata van Linnaeus) is een langlevende kruidplan van de Indien met kroonvormige geschikte bloemen, rondachtige honingkelken en bloemkransen met zes bloembladen versierd. Deze mooie bloemrijke gewassen moeten alhier in de matige serres of goede planthuizen worden gekweekt en kunnen op de wijze van de Lisbloemen en Ixia’ s vermenigvuldigd worden.
POPULIER, Abeelboom, in ’t Frans Peuplier ,in 't Latijn Populus, is onder de 19de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der bomen die met katjes bloeien en onder de 22°ste klasse van Linnaeus, Dioecia octandria, tweehuizige-achtmannige.
Men kweekt heden alhier in België veel verscheidene soorten van Populieren; hun groeiwijze, de gedaante van hun bladen en bloemen zijn te goed bekend om die geheel te beschrijven. De witte Abeel-Populier (Populus alba van Linnaeus) groeit ten alle kanten in de bossen met rondachtige, hoekige, getande bladen die van onder met witte dons zijn bedekt.
De Populus latifolia van Linnaeus, de Populus x canescens van Willdenow en de Populus tremula van Linnaeus met witte bladen worden witte Ratelaren genoemd, omdat de bladen dikwijls in de zomer bij zoel weer zonder wind op de bomen klateren.
De Populier van de Archipel (Populus graeca van Willdenow) (Populus tremuloides) wordt alhier ook veel geplant.
De zwarte Populier (Populus nigra van Linnaeus) is van over zeer oude tijden in Europa bekend door zijn taai hout en balsemachtige botknoppen waarvan men de Populierzalf maakt die voor de speen en andere dergelijke kwalen, wonden, slagen en gevallene builen bij de apothekers te bekomen is; maar de Gom Populier (Populus balsamifera) van Noord-Amerika wiens botknoppen een zachte balsemachtige gom inhouden wordt heden bij voorkeur gebruikt om de Populierzalf te maken.
De Populus dilatata van Willdenow (Populus x canadensis) en de Populus. fastigiata (Populus simonii ‘Fastigiata” van Desfontaines worden alhier ook veel geplant; de Populus grandidentata van Michaux, Populus canadensis van Mich.,Populus monilifera (Populus deltoides subsp. monilifera) en Populus angulata van Willdenow (Populus deltoides) die van Noord-Amerika oorspronkelijk zijn worden alhier heden veel geplat omdat ze ras groeien en grote bomen worden.
De Populus anothera schijnt een medesoort te zijn van de Populus balsamifera, die in Canada groeit en hier in de lusthoven veel wordt geplant; het bezit, zegt Linnaeus, een welriekende balsem die uit de botknoppen getrokken worden en hier en elders onder de naam van Goma tacamabaca is bekend en met zoveel nut in de geneeszalven wordt gebruikt. Deze gom bezit ook een zekere tinctuur die op besten brandewijn getrokken en ingenomen een der krachtigste middelen is om de buikloop, de rode loop en de inwendige wonden en zweren te genezen waartoe de zieke gewoonlijk ’s avonds en ’s morgens een of twee lepels van inneemt. Die gom wordt ook veel op boomolie gezet en die olie, waarin de gomknoppen geweekt zijn, is zeer dienstig om allerlei wonden, gezwellen en geslagene of gevallen builen te genezen; het verkoelt de brand en is ook zeer nuttig voor de aambeien of speen en wordt met voordeel gebruikt om de reuma mee te strijken en verscheidene velziekten te genezen.
Men vindt in de oude overleveringen der kinderen van Israël beschreven, dat de aartsvader Jacob die Populierengom tot genezing der schapen van zijn kudde gebruikte.
De Italiaanse Populier (Populus italicum of pyramidalis) (Populus nigra “Italica’) die zo hoog verheven met zijn lommerrijke bladen groeit wordt heden in vele landen rond de buskruit stapels en huizen die andere gevaarlijke brandstoffen inhouden geplant om die van de donder en bliksem te bevrijden; want men heeft sedert enige jaren bemerkt dat die bomen, door hun hoog gewas, de dondervlagen doen scheiden en er nooit van aangerand worden; want hoewel het hout tamelijk zacht is, ziet het nooit van de donder gebroken worden noch er de bliksem op vallen. Eindelijk ,men zou van al de deugden en krachten die de Populierbomen bezitten ,wel een geheel boekdeel kunnen beschrijven; want van de gedroogde schors der witte Abelen kan men ligt brandende toortsen maken en het hout wordt van de beeldsnijders, draaiers en timmerlieden veel gebruikt om vaten, dozen, schotels en planken van te zagen. De vermenigvuldiging dezer bomen geschiedt van de witte Populier en door uitlopers en van al de anderen door stekken der jeugdige takken die diep in de verse vochtige grond wel gauw zijdelings wortel vatten.
POREI,, Prei, in ’t Frans Poireau, Porreau, in ’t Latijn Allium porrum, is onder de 9de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de wilde Lelie en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Hof-Prei (Allium porrum van Linnaeus) is een tweejarige plant van Europa die in de moeshoven alle jaren meest van in maart wordt gezaaid om nadien te verplanten; het groeit met gevezelde wortels en stengels met gladde, groene, scherpe, lansvormige bladen; het kan zeer goede onze koude winters weerstaan en wordt van eenjarige struiken het tweede jaar vermenigvuldigd; in juni schiet het schachten uit die omtrent 70 centimeters hoog groeien en waarop kroonvormige geschikte bloemen bloeien die zwarte zaadjes voortbrengen; dit zaad kan drie jaren voor het zaaien goed blijven.
De Prei heeft de krachten van de Ui, Bieslook; het zaad met azijn op het voorhoofd gesmeerd stilt het bloeden uit de neus. De Preiwortels op witte wijn of goede brandewijn geweekt en bij tijds er van gedronken is zeer dienstig voor de waterzuchtige mensen en wordt als een pis afdrijvend middel geacht. Men vindt in de oude boeken beschreven dat de keizer Nero alle dagen nuchter wat Prei met olie bereid tot zijn ontbijt nam om een goede stem te hebben. Het Prei zaad gestoten en met wijn gedronken stilt de druppelplas en wordt voor de gebreken der waterzucht bereid.
POURRETIA, in ’t Frans Pourretia, in ’t Latijn Pourretia, is door Jussieu onder de familie van de Vlasdoder plant gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De lucht stof Pourretia (Pourretia aeranthos) (Tillandsia aeranthos) is een langlevende kruidplant van Zuid-Amerika die onlangs van Peru alhier is overgevoerd; het groeit met lijnvormige bladen aan de wortels gestrekt die met witten stofachtige dons zijn bedekt en stengels die mar omtrent 12 of 15 centimeters hoog groeien; bloeit met aren en zeer lieflijke kleine blauwe bloempjes die met purperen plekjes zijn versierd.
Deze plant moet alhier in de warme serres in potten met gaten in het droge zand worden geplant en kan door afzetsels , gelijk de Anjers, vermenigvuldigd worden; het bloeit zelfs op planken, gelijk de Naakte Meid( Colchicum). Men kan deze plant bij onze bloemisten alhier verkrijgen, maar het is nog zeldzaam verspreid.
PORSELEIN, Porseleinplant, in ’t Frans Pourpier, in ‘t Latijn Portulaca, is onder de 6de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Porseleinplanten en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, slag van planten die met twaalf meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Hof-Porselein (Portulaca oleracea van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa; het groeit met dikke, vette, sappige, gladde, blinkende en bijna doorschijnende stengels, met zijstelen verdeeld, en dikke, lange, breedachtig, wigvormige, gladde bladen ,waartussen de stelen uitschieten die in de zomer met kleine bleekgele bloempjes op de toppen bloeien die zwart zaad , in groene huisjes besloten, voortbrengen.
De gele tamme Porselein (Portulaca pilosa van Linnaeus) is van Amerika en wordt heden alhier in de moeshoven ook veel gezaaid in goed bewerkte gronden nadat er geen vorst meer te vrezen is; het wordt ook wel in broeibakken gezaaid om voort te verplanten; men bewaart de eerste planten voor het zaad, ,dat wel zeven of acht jaren voor het zaaien kan goed blijven. Een goede hovenier zaait meest de Porselein in mei; het wordt jong in de keuken bereid om met de spijzen te eten en ook veel in potten met zout opgelegd om ’s winters te gebruiken waartoe men het eerst een weinig laat koken, met zout mengt en de potten met een schijf gesmolten boter goed toedekt, hetgeen zelfs de smaak van de Porselein verbeter om ’s winters te eten.
De Porselein is van over zeer oude tijden voor een nuttig gezond voedsel bekend en is zeer dienstig voor de verstopte lever en milt; in de wijn gekookt is het zeer goed voor een verkouden borst en kwade maag; het doet zachtjes de buik lossen, verwekt de eetlust en wordt aan de terende zieken bevolen omdat het de taaie fluimen van de lever zachtjes lost en de bloedspuwing stelpt. Het sap van de Porselein met Arabische gom vermengd en alzo pilvormig ingenomen is zeer nuttig voor degenen die bloed pissen en dit sap met honing gemengd geneest de gebreken van de borst. Gedistilleerd water van Porselein vermag al hetzelfde dat het sap uitwerken kan, maar is vooral nuttig om de tandzweer te verdrijven en alle van de mond te genezen. De bladeren van de Porselein met Gerst moutmeel gemengd ,verkoelen al de ontstekende zeren en zweren en op de rode ogen gelegd verzachten de pijn en verjagen het wild vuur; het is ook goed voor alle verhittingen en harde gezwellen.
PRANGWORTEL , Stalkruid, in 't Frans Arrête-Bœuf, Bugrane, in 't Latijn Ononis, is onder de 10de klasse 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die vlindervormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der planten die peulvruchten voortbrengen en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria ,tweebroederige met tien meeldraadjes.
Men vindt van deze gewassen in sommige rangschikkende lijsten veel verscheidene soorten; ten tijde van Linnaeus waren er alreeds 32 bekend die heden bijna allen bij onze bloemisten gekweekt worden.
De heesterachtige Prangwortel (Ononis fruticosa van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Alpen gebergten dat in struiken vertakt omtrent 60 centimeters hoog groeit met veel lommerrijke lansvormige bladen, met drie blaadjes die een mooie groene kleur hebben en meest alhier in juni bloeit met zeer lieflijke grote purperen bloemen.
De Prangwortel met ronde bladen (Ononis rotundifolia van Linnaeus) is ook een houtachtig kruidgewas van Italië dat met donkergroene, eivormige, getande bladen groeit, bloemkelken met vruchtbodem en driebladen heef en peulvruchten voortbrengt.
De Ononis macrophylla van Linnaeus is een houtachtig kruidgewas van de Kaap’ de Ononis tridentata is een houtachtig kruid van Spanje dat met donkergroene, dikke, in drie getande bladen groeit; de Ononis antiquorum is een langlevend kruidgewas van Zuid-Europa; de Ononis hircina van Willdenow (Ononis hircina f. macrophylla) en de Ononis altissima (Ononis arvensis) van Lamarck, zijn twee langlevende kruidplanten van Duitsland; de Ononis natrix komt van Spanje en moet alhier s winters in de oranjerie of matige serres bevrijd worden’ maar al de andere Prangwortels kunnen onze koude winters weerstaan.
De gedoornde Prangwortel (Ononis spinosa van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België aan de wegen en bouwlanden groeit met stengels door scherpe doorntjes bezet en groene blaadjes die op het S. Janskruid (Hypericum) en Linzen- blaadjes gelijken en in augustus bloeit met paarsachtige, rooskleurige en witte bloempje die op de Erwtenbloempjes gelijken en kleine peulen of hauwtjes voortbrengen met platte ,brede zaden gevuld.
De Veld-Prangwortel (Ononis arvensis van Linnaeus) groeit in België in de landen, in droge velden, aan de wegen en elders in zandachtige gronden met stengels van maar omtrent 25 centimeters hoog en donker groene, eivormige, getande blaadjes; bloeit met purperen bloempjes die dikwijls dubbel zijn. Het werd van de oude Kruidbeschrijvers Resta bovis en Remora aratri genoemd omdat het door zijn wortels de ploeg hinderde en de ossen die de ploeg trokken dikwijls stil liet staan. De wortels van deze planten zijn warm van aard tot in de derde graas en doorsnijdend van krachten , zo Dodonaeus ons in zijn Kruidboek , bladzijde 1165 , betuigt. De schors van deze wortels met wijn ingenomen doet water lossen en breekt de steen en graveel; de wortel smet azijn gekookt en daarmee de mond gewassen doen de tandzweer vergaan; de vermaarde Matthiolus zegt dat die wortels in poeiers enigen tijd ingenomen de vlezige scheuren, in ’t Latijn Carnosus ramex, geneest. Lobel spreekt van de Prangwortels, Ononis natrix, van de gewone met gele bloemen, van de Ononis silvestris (Ononis spinosa subsp. procurrens) en de Ononis spinosa en zegt dat de jonge bovenste toppen van dit gewas veel als de Asperge worden gebruikt en als Salade gegeten; dat ook in vele landen de schors der wortels met suiker of honig wordt bereid, dat er een water wordt mee gedistilleerd en ook poeiers van gemaakt die alle ingenomen de pis verwekken, de verstoptheid van de lever en milt openen en bovenal de steen vermorzelen en afdrijven. Dit kruid wordt ook Stalkruid geheten omdat het water waarin de wortels gezoden zijn, de paarden te drinken gegeven, hun lang opgehouden verstopte pis spoedig afdrijft. Al de Prangwortels kunnen door het zaad en inleggers van jonge loten vermenigvuldigd worden.
PRIEM,, Hondschacht, Smeerkruid, Zomerwortel, Vogelnest, Raap-Priem, Hongerkruid, Bremraap, in ‘t Frans Orobanche, in 't Latijn Orobanche is onder de 3de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die met figuur, gedaanten gelipt bloemen; door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloeien en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De grote Priem of Hondschacht (Orobanche major van Linnaeus) (Orobanche elatior) is een kruidplant van Europa die in België en andere landen in de Klavers, Tarwe, Gerst, Ginst en elders groeit op droge plaatsen met roodachtige, holle en schraal harige stengels van omtrent 25 centimeters hoog die mal en breekachtig zijn en met ronde, bruinachtige, geschulpte blaadjes bekleed; het groeit tamelijk diep in de grond met een dikke wortel en vezeltjes en op het bovenste der schachten bloeien alhier meest van juli tot in september witte, gele kleine bloempjes met wee bloemblaadjes in de kelken en twee gelipte bloemkransjes die zaadhuisjes met veel kleine zaadjes voortbrengen.
De Priem of Vogelnest (Orobanche cernua van Linnaeus) is een kruidplant die in Zuid-Frankrijk groei en die Ch .Van Hoorebeke veel in Vlaanderen heeft ontdekt; het groeit alhier meest in de droge velden, aan de kanten der heide en hoge bossen, te Waarschoot, Lembeke en met geschulpte bladen aan de wortels en dunne, gebogen stengels maar omtrent 18 centimeters hoog; deze plant wordt meest van de landlieden Anblad geheten.
De Priem of Vogelnest (Orobanche elatior of Orobanche laevis van Linnaeus) (laatste is Orobanche caryophyllacea) groeit veel in België in de droge landen en bossen, in de Ginst en Bremen, met wortels die op een vogelnest gelijken en waaruit gewoonlijk in juni twee of drie stengels spruiten, die omtrent 20 centimeters hoog groeien en schraal zijn op welke toppen ook bleke, geelachtige, witte bloempjes trosvormig bloeien die geen lipjes hebben en veel zaadjes voortbrengen.
De Priemen (Orobanche major) die alhier meest in de Klavers groeien worden onder de zuigplanten (parasieten) gesteld, het is te zeggen planten die op een andere groeien, en hun stuifzaad bij het bloeien op de teeldelen en op de bloemen van een andere plant doen vatten; het stuifzaad of het bloemstof van die Hondschachten vat in het bloeien meest de eierstokken of het stampertje der Klaverbloemen die het aldus vruchtbaar maakt; als men dan dit Klaverzaad zaait dat met het bloemstof van die Hondschachten is bevrucht zal het altijd min of meer Priemen voortbrengen. Het teelstof van die Priemen neemt ook op het eierstok van de gele Wortels en op de bloemen van de Brem of Ginst, waardoor ze ook Bremrapen genoemd zijn. Dit teelstof wordt ook zelfs door de bijen en andere vliegende diertjes die van bloem tot bloem heen en weer zweven, overgedragen.
Volgens mijn bemerking die ik sedert enige jaren heb gedaan zullen de Klaverbloemen als ze dit teeltstof vatten altijd zaad geven dat Hondschachten voortbrengt; want de Priemen brengen van hun eigen zaad geen planten voort; niettegenstaande sommigen denken dat dit zaad zich aan het Klaverzaad vastplakt en alzo weer in die Klavers voortkomt; maar ik kan mijn lezers door ondervinding verzekeren dat het zaad der Priemen nooit uitspruit omdat ik in het bijwezen van verscheidene personen die belang stelden om er de uitslag van te kennen die zaad vier achtereenvolgende jaren heb gezaaid op een bijzondere plaats en dit zaaisel heb nagespeurd zonder het land te beroeren, maar wel van het onkruid te zuiveren en met zorg alle pogingen gedaan om dit Priemzaad te doen uitschieten en nooit mijn doel heb bereikt; maar het Anblad en de Vogelnest (Orobanche cernua en Orobanche laevis en ramosa), die geen zuigplanten zijn, spruiten uit hun eigen zaad voort, groeien hier en elders meest in zandachtige gronden ,heide en bossen en worden zeldzaam in de beploegde landen gevonden. De heer J.-L. Van Aelbroeck, een onzer vernuftigste Landbouwkenners geeft in zijn Werkdadige Landbouwkunst der Vlamingen, bladzijde 262 tot 281 een klare beschrijving van die Priemen (Orobanche major) met alle wijze om de Klavers van de Priemen te bevrijden en die uit het Klaverzaad te weren. Die verlichte man heeft zich niet alleen bepaald met die Priemen te beschrijven, maar heeft ook aan zijn medeburgers al de voordeligste wijzen om hun landen te bewerken en de beste middels om vruchten te zaaien en daaruit nut te trekken voorgeschreven en medegedeeld. We zijn hem een openbare hulde verschuldigd voor de pogingen welke hij heeft aangewend om het welvaren van zijn vaderland te helpen bevorderen, want het begunstigen van de landbouw is onophoudelijk het voorwerp van zijn betrachting geweest. Wijlen de heer Ch. Van Hoorebeke heeft ook over de Priemen een klein boekdeel in ’t Frans en te Gent in 1818 gedrukt geschreven waarin hij de wijze van groeien van die gewassen en de middels om ze uit de Klavers te verdelgen heeft ontwikkeld. Nog vele anderen hebben daarover geschreven; maar het enigst middel om die Priemen te verwoesten is van eer ze beginnen te bloeien die uit de Klavers te doen trekken omdat het heden en volgens proeven en opmerkingen goed is bekend dat die zuigplant met zijn stuifzaad dat overvloedig is de Klaver bloemen in het bloeien vruchtbaar maakt en het zaad wel zeven jaren in de grond blijft.
PRIEMGRAS, in ’t Frans Stipe, in ’t Latijn Stipa, is door Jussieu onder de familie van de Caryophylleën gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie stofdraden bloeien en twee stampertjes hebben. Men vindt van dit Priemgras veel soorten zoals de Stipa pennata en de Stipa juncea die met baarden groeien en veel in Frankrijk en elders, om de moerassen aan te leggen en de kruid etende dieren te voeden en ook onder de Pimprenelle (Astragalus tragant) en Vogelvitsen, met de Coronilla, Anthyllis en Cisterrozen op bergachtige streken worden gezaaid om door de schapen en andere kruid etende dieren tel aten afweiden.
Het Priemgras (Stipa capillata) groeit veel in België in sommige velden; de Stipa tenacissima en de Stipa membranacea (Vulpia membranacea) van Linnaeus, groeien veel in Spanje en Zuid-Frankrijk aan de bergen en worden ook groen en droog gebruikt o m de kruid etende dieren te voeden.
PROSTANTHERA, in ’t Frans Prostranthera, in ‘t Latijn Prostranthera, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De Prostanthera lasyanthis van de Hort. Brit is een langlevend mooi heester- boomgewas van Nieuw Galles, dat vertakt met lansvormige, getande bladen groeit en alhier meest van juni tot in juli bloeit, et trosvormige aren op de toppen en zeer mooie witachtige bleke violette bloemen die een purper kleur verkrijgen .
De Prostanthera violacea van Nieuw-Holland (Australië) met zijn mooie bevallige violette bloemen is alhier enkel in1843 bij onze bloemisten overgebracht.
Deze lieflijke gewassen ,die nog zeldzaam verspreid zijn, moeten hier in de matige serres worden gekweekt en kunnen door uitspruitsels en afzetsels, die goed wortel vatten, vermenigvuldigd worden.
PRUIMBOOM, Pruimen, Pruimelaar, in ’t Frans Prunier, in ’t Latijn Prunus ,is onder de 21ste klasse, 7de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bomen die roosvormige bloemen dragen en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintig helmige, planten die met twintig en meer meeldraadjes bloeien die op den kelk zijn vastgehecht en maar een stampertje hebben.
De Pruimboom(Prunus domestica van Linnaeus) is een lang levend boomgewas van Azië en dn zeeboezem van Perzië vanwaar het eerst in Italië en vandaar elders in Europa ten alle kanten is verspreid en waarvan men heden wel 100 verschillende soorten vindt die meest uit het kernzaad zijn gesproten en in Zuid- Frankrijk, Italië, Spanje en andere warme landen worden gekweekt; maar waarvan er velen zijn wiens vruchten in ons klimaat niet goed hun rijpheid kunnen verkrijgen. Derhalve zal ik me bepalen met de soorten te nomen die alhier best hun rijpheid bekomen, voor de smakelijkste zijn geacht en meest allen hun naam door de kwekers hebben verkregen.
De vroege Amelie-Pruim is een tamelijk grote Pruim die een blauwachtig witte kleur heeft.
De Franse Abrikoos-Pruim of dubbele witte Boeren-Pruim is langer dan rond en vaak met violette vlekken gestipt; zijn vlees is sappig en van een aangename, geurige smaak.
De prinses Abrikoos-Pruim heeft een geelachtig kleur met rode vlekjes naar de zonzijde; zijn vlees is zacht en sappig en van een geheel geurige, verhevene smaak.
De enkel witte Boeren-Pruim verschilt zeer weinig van de dubbele, wordt tamelijk groot en heeft een aangename, verheven smaak, vooral als het in leibomen aan de muren wordt gekweekt.
De blauwe Boeren-Pruim is blauwachtig violet; zijn vlees is een weinig smeltachtig, maar zuur van smaak.
De gele Brignole is van gedaante lang en rond; zijn sap is sappig, maar iets zuurachtig van smaak.
De violette Brignole is kantig en zwartachtig van kleur; het wordt alhier laat rijp; maar in leibomen aan de muren geplant, alwaar ze goed rijpt, is het zeer goed om te konfijten, te drogen of op te leggen.
De Cerisette-Pruim is matig groot en helder rood van kleur; zijn vlees is zacht en sappig en heeft een geurige smaak; het wordt hier te lande veel gekweekt.
De rode Damascus-Pruim is een matig grote Pruim, van gedaante rond en kantig en heeft een violet roodachtig kleur; zijn vlees is vast en sappig en heeft een geurige, aangename suikerachtige smaak.
Men vindt witte Damassen, zwarte vroege Damassen, grote Brusselse Damassen en Tours Damassen die een blauw achtig violette kleur hebben, allen een aangename smaak inhouden en alhier goed hun rijpheid verkrijgen en vooras als ze in leibomen aan de muren worden gekweekt.
De Diaprée rouge is een langwerpige Pruim, tamelijk groot en rood violet van kleur; zijn vlees is zacht en sappig en als het zeer rijp is heeft het een zoete aangename smaak; het rijpt gewoonlijk in augustus.
De grote gulde Mirabelle-Pruim is lang en rondachtig, met een groen geel kleur; zijn vlees is sappig en van een geurige smaak .
Men kweekt ook alhier de witte Mirabelle met een geelachtig witte kleur, maar doorgaans rood gestippeld, het wordt zeer geacht om te konfijten.
De witte Eierpruim is zeer groot van gedaante en geelachtig wit van kleur, maar zijn sap is doorgaans iets zuur of scherpachtig van smaak; het kan in waaibomen maar in september zijn rijpheid verkrijgen.
De Rode eierpruim is een mooie grote Pruim die veel op de gewone Pruimbomen wordt geënt; zijn vlees is zacht en van een geurige smaak; het wordt alhier op het einde van augustus wel rijp.
De Reine Claude ,een der beste Pruimen, is rondachtig en wit geelachtig, iets naar het groen hellend van kleur, zijn vlees is vast en sappig en geheel los aan de steen en als het goed rijp is heeft het een aangename suikerachtige smaak. Deze Pruim is onder de regering der koningin Clotilde in Frankrijk uit het kernzaad gewonnen; het wordt alhier meest op de gewone Pruimbomen geënt en ook wel in leibomen gekweekt ,alwaar het op het einde van augustus gewoonlijk rijp wordt. Men kan uit de kernen van de Reine Claude medesoorten bekomen ,zoals die met violetkleurige vruchten en anders.
De royale Pruim en de Cyprus Pruim met zijn mooie grote violetachtig heldere vruchten die een zoete sappige smaak inhouden worden heden hier ook geplant.
De S. Catharine Pruim is een tamelijke Pruim; zijn kleur is blauwachtig en zijn vlees vast; het heeft een aangename sappige smaak en wordt alhier dikwijls op het einde van september rijp; derhalve wordt het meest gebruikt om te konfijten en droog op te leggen.
De Pruimboom met dubbele bloemen(Prunus flore pleno)wordt alhier meest om zijn mooie dubbele bloemen gekweekt die in april zeer lieflijk de lusthoven versieren.
Men vindt nog op sommige nieuwe lijsten de volgende Pruimbomen :Prunus brigantina van de Carolina; Prunus virgiiniana, Prunus reclinata, (Prunus serrulata?) Prunus cocomilia, Prunus canadensis en meer andere soorten die alhier heden veel worden gekweekt.
De Pruimbomen begeren een goede, verse, vruchtbare, onbemeste, zandachtige grond; want in kleiachtige aarde worden de vruchten zowel nie tryp. De beste Pruimen worden alhier te lande voortgezet door middel van zuiging of oculering;want het enten in de spleet of kloof wil op deze bomen niet zo goed vatten; men oculeert die meest op jonge plantsoenen die uit de stenen gewonnen zijn welke men gewoonlijk vroeg in het voorjaar plant nadat ze in de winter met zand te meuken gestaan hebben. Die bomen welke uit stenen gewonnen zijn brengen ook wel soms goede smakelijke vruchten voort, zonder geënt te worden, gelijk meest al de soorten van Pruimen eerst door het planten der stenen voortgekomen zijn; maar de enten doet altijd die vruchten verbeteren. De Pruimbomen willen niet veel gesnoeid wezen, vooral de stambomen omdat ze daardoor veel minder vruchten dragen; men snoeit derhalve alleen het slecht ondeugend hout weg ,alsmede de takken die verwarring geven en te overvloedig zijn om de overige wat meer de lucht en de zon te doen genieten. De Pruimen worden zowel rauw als droog gegeten, op verscheidene wijzen in de keuken bereid en als een verzachtend buikzuiverend middel gebruikt .In Italië, Frankrijk en elders worden de Pruimen veel in ovens gedroogd om nadien naar de vreemde landen te verzenden. De gedroogde Pruimen met senebladen en suiker gekookt, een weinig manna daarin gemengd, dan door een fijne doek gehaald en dit sap warm ingenomen of met die Pruimen gegeten is een der zachtste buik lossende middelen, zo voor kinderen als bejaarde mensen.
PSORALEA, in 't Frans Psoralée, in 't latyn Psoralea, is door Jussieu onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige met tien helmdraden.
De welrickende Psoralea (Psoralea odoratissima) is een langlevend heester-boomgewas van de Kaap dat zeer vertakt en zeer lommerrijk met veel kleine blaadjes groeit en alhier in de matige serres meest in mei bloeit met zeer lieflijke witachtige grijze bloemen die een zoete aangename geur verspreiden.
De Lijmachtige Psoralea (Psoralea bituminosa van Linnaeus )(Bituminaria bituminosa) is een klein heester-boomgewas van Italië dat zeer vertakt met donkergroene zwart geplekte bladen en drie kleine gladde blaadjes groeit en meest van juli tot in september bloeit met zeer mooie blauwe bloemen op de toppen der jonge takjes welke peulvruchten voortbrengen. Het sap van dit mooie lijmachtig gewas is door de Italiaanse Kruidkenners beschreven en dient om in de schurftzalven te gebruiken.
De klierachtige Psoralea of thee van Paraguay (Psoralea glandulosa van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Peru dat met altijd blijvende groene bladen, drie kleine, lansvormige blaadjes en ruwe steeltjes groeit en alhier in de planthuizen van juni tot in augustus bloeit met trossen en zeer lieflijke witachtige blauwe bloemen. De jonge blaadjes van dit gewas zijn onder den naam van thee van Paraguay bekend en bezitten de krachten en bijna de geur van de Ruit.
De Psoralea tetragonoloba (Cyamopsis tetragonoloba) van Linnaeus is een langlevend heester-boomgewas van de Indien dat met een krom gebogen vertakte stam en donker groene, getande bladen groeit en meest in juni bloeit met aren en blauwachtige kleine bloempjes. Dit gewas schijnt een medesoort van de Indigoboom te wezen omdat die ook een blauwe verf inhoudt.
De Psoralea met doorns (Psoralea aculeata van Linnaeus) is een langlevend gewas van Ethiopië dat met kleine, groene blaadjes, met een puntig doorntje versierd, groeit en meest in juli bloeit, met zeer lieflijke, blauwe, witachtige of roodachtige violette bloemen.
Men vindt hier nog bij onze bloemisten de Psoralea pinnata, Psoralea rotundifolia, (Otholobium rotundifolium) Psoralea pubescens. (Otholobium pubescens) Psoralea spicata, (Otholobium spicatum) Psoralea Palestina (Bituminaria paleastina) van Linnaeus, Psoralea verrucosa van Willdenow die van de Kaap voortkomt en veel andere nieuwe soorten die alhier als Psoralea pubescens (Otholobium pubescens) er in de oranjerie of matige serres worden gekweekt en op de wijze van de Platylobium kunnen vermenigvuldigd worden; ze willen in lichte en gemengde grond goed aarden, moeten in de zomer bij droge seizoenen wel water hebben. Maar ‘s winters met weinig water besproeid zijn.
Ptelea, in ’t Frans Ptéléa , in ’t Latijn Ptelea, is door Jussieu onder de familie der Terpentijnbomen gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Ptelea met drie bladen (Ptelea trifoliata van Linnaeus )is een klein langlevend boomgewas van Noord-Amerika dat met zeer veel takken versierd groeit en drie langwerpige, bleek groene bladen op de takjes verspreid en hier in juli bloeit met trosjes en groenachtige bloemen die gevleugelde zaadjes, op de wijze van de Olmen, voortbrengen.
De gevleugelde Ptelea (Ptelea pinnata van Linnaeus)(Zanthoxylum pinnatum) is een langlevend klein boomgewas van het eiland Norfolk dat zeer lommerrijk met gevleugelde, onpare bladen groeit. Deze twee mooie gewassen kunnen zeer goed onze winterse koude weerstaan en worden veel in Engeland, Frankrijk en elders in de lusthoven geplant daar ze door hun mooie groene bladen en bloemen onder de andere houtgewassen de Engelse hoven zeer lieflijk versieren. Ze kunnen door het rijpe zaad vroeg in het voorjaar in vers bewerkte grond gezaaid en ook door inleggers vermenigvuldigd worden; en willen alhier in goede gronden zeer goed aarden; het hout dat zeer effen en glad is dient om alle slag van sieraad werken mee te maken.
PULTENAEA, in 't Frans Pultenée, in 't Latijn Pultenaea, is door Jussieu onder de familie van den Zilverboom gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Pultenaea stipularis van Smith, Flora Hol., is een langlevend heester-boomgewas van Nieuw-Holland (Australië) met lijnvormige bladen en kleine, gele bloemen.
Sedert enige jaren hebben onze bloemisten de volgende soorten van die planten verkregen waarvan verscheidene nog zeldzaam zijn verspreid en aller lieflijkste bloemen dragen :de Pultenaea biloba (Pultenea scabra) PPultenaea candida, Pultenaea daphnoïdes, Pultenaea flexilis,- Pultenaea mucronata, - Pultenaea nana (een cv. of Pultenaea daena)(, Pultenaea stricta, Pultenaea subumbullata, (Almaleea subumbellata) Pultenaea thymifolia, (Pultnaea elliptica var. thymifolia) Pultenaea paleacea, Pultenaea polifolia, Pultenaea vestita en meer andere die onlangs van de Indiën in België zijn overegervoerd en alhier in de oranjehuizen of matige serres om hun mooie bloemen gekweekt en op de wijze van de Ptatylobien kunnen vermenigvuldigd worden. De nuttige krachten van deze aangename gewassen zijn mij niet bekend.
PURGEERKRUID, Purgeerwinde, in ’t Frans Scammonée liseron ,in ' t Latijn Convolvulus scammonia, is onder de 1ste klasse, 3de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Winde ,en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Purgeerkruid (Convolvulus scammonia van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Azië ,die met windende, zwakke stengels aan staken groeit met ronde stelen en pijlvormige, verdeelde en verminkte bladen en in de warme landen meest van in juni bloeit met drie klokvormige bloemen op de stengels verspreid. Deze plant wordt alhier op de wijze van de Winde gekweekt en er wordt een gomachtige hars uitgetrokken die een zo’n geweldig en schielijk buik lossend middel inhoudt dat enige greintjes daarvan ingenomen voldoende is om een overvloedige buikzuivering te verwekken; maar de heer Orfila stelt dit sap onder de verhittende middelen die de verteerbuizen der ingewanden kunnen beschadigen en niettegenstaande die aanmerking van deze kundige heer wordt dit verhittende sap nog van sommige doctors in de purgeermiddelen van Leroy gebruikt. Diegomachtige hars, welke men alhier bij de apothekers verkoopt komt meest van Smyrna en Azië alwaar die plant natuurlijk groeit; het kan hier in de kruidhoven door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
De Purgeerwinde me roodachtige wortels (Convolvulus turpethum van Linnaeus) (Operculina turpethum) is een langlevende plant van Ceylon die met dikke, vierkantige stengels en veel stelen met hartvormige, hoekige bladen groeit; het sap uit de wortels en stengels getrokken bezit ook dezelfde purgerende en afdrijvende krachten. Deze plant wordt meest door wortelscheiding en het zaad vermenigvuldigd.
PIJLRIET, in 't Frans Maranta, in 't Latijn Maranta, is door Jussieu onder de familie van het Indiaans Bloemriet gesteld en onder de 1ste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, planten die met een meeldraadje bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Pijlriet met gestreepte bladen (Maranta zebrina) (Alocasia zebrina) is een nieuwe rietvormige plant van de Antillen Eilanden die met gepijpte stengels tamelijk hoog groeit en groene, zwartachtige met geel gestreepte bladen heeft, die omtrent 25 centimeters lang en 15 centimeters breed groeien; bloeit alhier in de warme serres in april met aren op de toppen en zeer lieflijke witte, violet en blauw gestreepte bloemen die uit blauwachtige bloeischede spruiten welke zeer aangenaam die bloemen versieren.
Het Galanga-Pijlriet (Maranta galanga? van Linnaeus) is een langlevende rietplant van de Indiën die alhier in de warme serres in het water moet gekweekt zijn alwaar het met enkele stengels en grote, lange, steelloze bladen groeit en volgens de warmte meest in april bloei met zeer bevallige witachtige violet en blauw fijn gestreepte bloemen die met de bloeischeden vergezeld groeien.
Men vindt nog bij sommige liefhebbers het rietvormig Pijlriet( Maranta arundinacea) van Zuid-Amerika en de Maranta comosa (Goeppertia comosa) van Linnaeus die van Suriname oorspronkelijk is. Al deze mooie gewassen worden in de warme serres gekweekt en door uitlopers die ze voldoende voortbrengen vermenigvuldigd.
PIJNBOOM, Pijnappel-boom, Harsboom, Sparrenboom, in het Frans Pin, in ’t Latijn Pinus, is door Tournefort Abies pinus genoemd en onder zijn 19de klasse, 3de sectie gesteld der bomen die met katjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de bomen die kegelvormige vruchten dragen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizige-eenbroederige. De Sparrenbomen, onder de Pijnbomen bekend, groeien meest in Italië, Zuid-Frankrijk, Spanje en andere warme landen en worden ook ten alle kanten in België in de lusthoven geplant. De wilde Sparrenbomen groeien ook in België, Duitsland, Polen, Rusland, Zweden, Engeland en andere noordse landen en ook veel in de Nederlanden alwaar ze op de wijze van de Dennenbomen door het zaad voort gekweekt worden.
De gewone Pijnboom (Pinus rubra) (Pinus sylvestris var. sylvestris) is een langlevend boomgewas van Zwitserland dat met rode schors, donker groene bladen en mooie takken versierd tamelijk hoog groeit.
De Corsicaans Pijnboom (Pinus laricio van Lamarck)(Pinus nigra subsp. laricio) is afkomstig van Corsica en groeit zeer verheven met groene gekrolde en slangvormig gedraaide bladen die wonderbaar die boom versieren .
De tamme Pijnboom (Pinus pinea van Linnaeus) is een mooi langlevende boomgewas van Zuid-Frankrijk dat piramidevormig met lange groene bladen, tamelijk hoog groeit en grote kegelvormige vruchten voortbrengt wiens zaden een amandel smaak hebben en veel in het Zuiden worden gegeten en ook in de geneesmiddelen gebruikt; maar deze boom kan in ons klimaat niet goed onze koude winters weerstaan.
De Pijnboom met punt stekende bladen (Pinus rigida) is een mooie boom van Noord-Amerika die piramidevormig groeit met dunne, lange en puntige bladen en grote kegelvormige, geschulpte vruchten voortbrengt.
De Wierook-Pijnboom (Pinus taeda van Linnaeus) is een tamelijk grote boom van Noord-Amerika die met veel spek en dikke schors groeit en waaruit men door insnijden tot op het spek geweldig veel wierook doet vloeien en verzamelt om die in de kerken te branden en die ook in sommige geneesmiddelen wordt gebruikt.
De gele Pijnboom (Pinus mitis) (Pinus echinata) van Noord-Amerika groeit tamelijk verheven met holle, hangende, fijne bladen die zeer versieren en brengt zoete vruchten voort; maar deze boom kan in de vrije lucht in zijn jeugd onze koude winters niet weerstaan.
De Pinus pendula (Pinus strobus ‘Pendula”) van Willdenow is ook van Noord-Amerika en groeit met hangende takken tamelijk hoog en donker roene bladen die de lusthoven zeer versieren.
De Pijnboom van Aleppo in Azië (Pinus halepensis van de Hort. Kew.) is een zeer mooie heestervormige boom die met lange, smalle, zeer lieflijke hangende donker groene bladen groeit en alhier ’s winters in de planthuizen moet bevrijd zijn..
De Weymouth' s Pijnboom (Pinus strobus van Linnaeus) werd eerst door Lord Weymouth uit Noord-Amerika naar Engeland overgevoerd en vandaar in Europa verspreid; het wordt alhier een hoge dikke boom en groeit met gladde schors die een witachtig groene kleur heeft en rond piramidevormig vertakt met veel naaldvormige groene bladen zeer lommerrijk versierd die alle jaren omtrent mei afvallen en door nieuwe bladen vervangen worden en aldus strooisel genoeg geeft om zijn eigen te kunnen vetten; maar het hout is zacht en broos en wordt weinig geacht.
De Cembro-Pijnboom (Pinus cembra van Linnaeus) is een mooi boomgewas van Italië dat zeer vertakt met langs boven groene en langs onder wit zilveren bladen groeit , kegelvormige vruchten voortbrengt waarvan de korrels een zoete amandelsmaak bezitten en op de wijze van de amandelkernen wordt bereid om in de geneesmiddelen te gebruiken.
De Zee-Pijnboom (Pinus maritima van Lamarck) is een lang levende grote boom van Zuid-Europa die met hangende takken zeer lommerrijk gebladerd groeit en in de warme landen grote kegelvormige vruchten voortbrengt en waaronder men de Pinus maritima minor vindt die alhier in de lusthoven en elders wordt geplant.
De trosvormige Pijnboom (Pinus racemosa van de Hortus Kew.) (Pinus contorta?) is een boom van Noord-Amerika waarvan de wijfjes bloemen op de toppen der takken soms wel 25 kegelvormige vruchten geven met korrels die een zoete smaak inhouden. Deze boom schijnt ook een medesoort van den Zee-Pijnboom te zijn.
De Mugho-Pijnboom, (Pinus mughus van Willdenow) (Pinus mugo mughus) is van de Alpen gebergten en groeit maar omtrent 2 meters hoogmet hangende takken en zeer lieflijke groene bladen.
De Dwerg-Pijnboom (Pinus pumilio) (Pinus mugo var. pumilio) van Griekenland groeit ook zeer klein, et mooie groene bladen en is zeer lieflijk om alhier in de grasperken te planten.
De Moeras-Pijnboom (Pinus palustris) en de Pinus australis (zelfde als vorige) van Amerika zijn zeer mooie grote bomen die alhier in waterachtige en vochtige gronden zeer goed aarden.
De Balsem-Pijnboom (Pinus balsamea van Linnaeus) (Abies balsamea) is een langlevende boom van Amerika die niet dik of hoog groeit en veel wierook inhoudt; het heeft bladen die langs onder wit zijn, een welriekende geur verspreiden en als men die stoot een balsem reuk geven.
Onze bloemisten en bloemkwekers hebben van die bomen zeer veel nieuwe soorten uit Amerika en elders verkregen waaronder de Pinus tenuifolia(Pinus yunnanensis var. tenuifolia) Pinus macrocarpa,, (Pinus coulteri) Pinus dacrydium taxifolium, (Prumnoptitys taxifolia) Pinus canariensis, Pinus longifolia, (Pinus roxburghii) Pinus palustris en meer andere die in de oranjerie of matige serres alhier ’s winters worden bevrijd.
De gewone Pijnbomen die hier te lande groeien zijn zeer taai; hun hout is zeer dienstig om allerlei timmerwerk, masten voor de schepen te maken en huizen mee te bouwen; er wordt ook inde noordse landen, even als uit de Dennenomen, veel pek, hars, teer en terpentijn uit getrokken en op verscheidene wijzen bereid; van de schors ent takken die ook veel pek en hars inhouden worden in de noordse landen veel toortsen gemaakt die een helder brandend licht geven; want in de noordse landen, vooral bij de Laplanders, vindt men schier geen ander licht. In Amerika worden ook veel de jonge toppen van de Pijnbomen gebruikt om de Hop te vervangen in het bier dat onder de naam van Prucebier is bekend.
De schors en bladen van de Pijnbomen die in de warme landen groeien bezitten, zeg de doctor Emery in zijn werk over de voedzame planten, een samentrekkend geneesmiddel en het korrelig zaad van de tamme soorten, dat alhier bij de apothekers uit de warme landen wordt gezonden, houdt een aangename smaak in en vooral als het nog versch. is. Die korrels, welke door de warmte van de oven uit de kegelvruchten worden gehaald, worden in Italië en elders tot na spijs, gelijk hier de Amandels, gegeten; ze worden voor zeer gezond geacht en als voedzame spijs aan zwakke en krachteloze mensen bevolen, ook veel gebruikt om marsepein, macaroni mee te bakken en veel met bittere Amandels gemengd; uit die korrels wordt ook een olie geperst die in veel geneesmiddelen de olie van de zoete Amandels vervangt als borst verzachtend middel, om de verloren krachten der zieke mensen te herstellen en ook als pis afdrijvend middel zeer wordt geprezen. De terpentijn van de Pijnbomen of het zaad uit de kegelvruchten gehaald en gestampt, met was vermeng en op pleisters gespreid is zeer geacht om rijpe zweren te openen en te zuiver zonder littekens te genezen. Men vindt veel van die olie bij onze apothekers die van Italië alhier wordt overgezonden om de Pate d' amandes te maken in de medicijnen te gebruiken.
De Pijnbomen worden op de wijze van de Dennenbomen en Sparren door het zaad vermenigvuldigd en moeten ook in september gesnoeid worden; want indien ze in het voorjaar te veel gesnoeid worden verliezen ze hun sap, hetgeen dikwijls de jonge bomen doet kwijnen; maar in september gesnoeid geven ze nog sap genoeg om hun wonden voor de winter te bedekken.
RABARBER, Rhubarbe, in ’t Frans Rhubarbe, in ‘t Latijn Rheum, door Tournefort Rhabarbarum genoemd en onder zijn 1ste klasse, 4de sectie der klokvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie der Polygonées of veelhoekige planten en onder de 9de klasse van Linnaeus, Enneandria trigynia, planten d ie met negen meeldraden bloeien en drie stampertjes hebben. Men vindt heden verscheidene soorten van Rabarber die allen van vreemde landen oorspronkelijk zijn en alhier in de kruid- hoven worden gekweekt , onder de langlevende planten gesteld zijn, alle jaren in de lente uit de wortels spruiten en met bladen en stengels groeien.
De Rabarber (Rheum rhaponticum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Azië die met dikke wortels en stengels groeit en met gerimpelde bladstelen en grote, groene, gladde bladen groeit; de stengels spruiten meest in mei uit en brengen gewoonlijk trosvormige aren met witte bloempje die groenachtig zijn voort.
De Tartaarse Rabarber (Rheum tataricum van Linnaeus) is een kruidplant van China die met halfronde, hoekige bladstelen en grote, hartvormige, gladde, rondachtige bladen groeit waaruit de wortels meest in mei dikke stengels spruiten die trosvormige aren en witachtige gerimpelde bloemen dragen. De wortels van deze plant worden voor de beste in de medicijnen geacht en zijn onder de naam van Moskou Rabarber bekend.
De handvormige Rabarber (Rheum palmatum van Linnaeus) is ook van China en groeit met handvormige, scherp uitgesneden, grote bladen.
De ineengedrongen Rabarber (Rheum compactum van Linnaeus) is van China en groeit met plompe, rondachtige, gladde, groene, getande bladen.
De Bastaard-Rabarber (Rheum x hybridum van de Hort. Kew) komt van Azië en Tartarije; groeit met dikke wortels en hartvormige, scherpe bladen waaraan de bladstelen gewoonlijk in drie getand. staan
De mooi versierende Rabarber(Rheum ribes van Linnaeus) is een langlevende grote kruidplant van Klein-Azië en Perzië die met zeer veel korrelachtige grote bladen groeit en wiens stelen en bladeren, die een verversende en smakelijke spijs inhouden om hun aangename smaak veel in Azië worden gegeten; derhalve wordt die ook in de hoven der herbergen geplant alwaar de karavaandrijvers en reizigers 's nachts verblijven en ze als verkoelend voeding middel gebruiken. Deze plant is alhier nog zeldzaam verspreid, maar men vindt ze in de kruidhof der Hogeschool te Gent alwaar het door de zorg van de bestuurder, de heer Donkelaer, door het zaad in potten onder het glas, in de matige broeibakken wordt gezaaid om vandaar in de volle grond en vrije lucht te verplanten en de eerstvolgende winters die tegen de koude te bevrijden.
De fijn gevlamde Rabarber (Rheum undulatum van Linnaeus) is afkomstig van China en Siberië; groeit met mooie gevlamde bladen die de inwoners van Siberië en andere noordse landen als spijs gebruiken en er zich van bedienen als een verzachtend en buik zuiverend middel.
De Engelsen gebruiken de schillen der stengels en ribben der bladstelen van de Rheum palmatum om in de taarten te bakken en andere spijzen mee te bereiden.
Men heeft alhier bij onze bloemisten de Rheum emodi (Rheum australe) en de Rheum tetragonum (Epilobium tetragonum?) van de Oost-Indiën verkregen.
Al deze Rabarberplanten kunnen door het rijpe zaad vermenigvuldigd, maar meest in het voorjaar door wortelscheiding voortgezet worden.
De nuttige krachten van de Rabarber wortels in de geneesmiddelen zijn van over zeer oude tijden bekend; ze worden mees tin september verzameld en goed in de zon gedroogd en behouden drie jaren hun krachten; er wordt van die wortels veel teinture de Rhubarbe gemaakt. Ervarene geneesheren bevelen de Rabarber in kleine dosis van tien of twaalf greintjes van die wortel in poeier gestampt aan al de zieken wiens verteer buizen door de lange duur van de ziekte verzwakt zijn. Als men een buik zuivering wil bekomen neemt men twee of drie gros van dit poeier en met zes ons water geweekt maakt dit een goed buik lossende uitwerksel om jonge kinderen te doen purgeren; om dit aangenamer te maken wordt het gewoonlijk met siroop gemengd .De Rabarber met Pepermunt in wijn genomen heeft een bijzondere kracht op de mensen die van hoog vallen of die uiterst verschrikt zin dit op tijd genomen bevrijdt dikwijls de mens van toekomende ziekten. De Rabarber in brandewijn geweekt en er soms een glaasje van ingenomen doodt de wormen, verdrijft de gal en opent de eetlust; want het verjaagt de slijmachtige stoffen door de kamergang. De teinture van Moskou Rabarber wordt veel in sommige geneesmiddelen gebruikt.
RADIJS, Rammenas, in ’t Frans Radis, Rave, Raifort, in ’t Latijn Raphanus, is onder de 5de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtige, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvruchten dragen.
De tamme Radijs (Raphanus sativus van Linnaeus) is een tweejarige plant van China die alhier alle jaren in de moeshoven in het voorjaar wordt gezaaid, het eerste jaar zijn eetbare Rammenassen en het tweede rondachtige peulvruchten met zaadjes geeft, waaronder men grote zwarte Winter-Rammenassen en andere kleuren vindt die in augustus worden gezaaid om binnen de winter te kunnen eten en koeken van te bereiden.
De gestaarte Radijs (Raphanus caudatus van Willdenow) is een eenjarige plant die in het voorjaar in de hoven, broeibakken en elders op warme plaatsen wordt gezaaid om vroeg in de lente daarvan te kunnen eten en waaronder men rode, violette, witte, gele en veel andere kleuren vindt die ook vroeg en laat in de moeshoven worden gezaaid en binnen het jaar hun zaad nog voortbrengen.
De Raphanus raphanistrum van Linnaeus groeit in België in het wild.
Al deze Radijzen of Rammenassen worden voor zeer gezond geacht; de Radijzen met mate gegeten breken de steen en met de bladen gegeten openen ze de verstopping van de lever en milt. De schillen van de Rammenassen met honing en azijn gestampt en dit tezamen ingenomen dienen voor sommige mensen die een flauwe maag hebben tot een zacht braakmiddel; het zaad gestampt en 's morgens met lauw water gedronken doet zachtjes de slijmen en gal van de maag scheiden en overgeven.
De meer gemelde doctor G. Grimaud spreekt van een geneesmiddel dat veel in Engeland wordt gebruikt en zegt dat om de steen en het graveel in de blaas te verdrijven als ook om de pijn in de lenden te stillen die dikwijls door de steen in de blaas veroorzaakt wordt men de schillen van de Winter-Radijzen neemt met 3 of 4 decagram Mispel-kernstenen fijn in poeier gestampt welke men tezamen tien of twaalf uren lauw in witte wijn of goede brandewijn laat weken en dan na overgehaald en door papier gevloeid te zijn r ’s morgens en ’s avonds een roemertje van inneemt hetgeen de lijdende helpt die met de steen of het graveel gekweld zijn en de ingewanden van alle last en ongesteldheden zuivert. Men kan ook de schillen van de Radijs drogen en in poeiers bereiden om die altijd met witte Wyn te kunnen gebruiken. De Rammenassen fijn gestoten, zijn ook goed om op de verbranding te leggen en het sap waarin de Radijzen gekookt zijn met loog en kalkwater gemengd is zeer dienstig om op de verbranding te leggen. Uit de wilde Radijs werd ten tijde van Lobel een water gedistilleerd dat men gebruikte tegen het graveel.
RAAP, Veldloof, in ’t Frans Navet, in ’t latijn Brassica napus, is onder de kruisvormige bloemplanten en onder de klasse en medesoorten van de Kolen gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtige die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvruchten met veel ronde zaadjes vervuld dragen die olie inhouden.
De gewone Raap (Brassica napus van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die meest alle jaren in juli in de velden wordt gezaaid en groeit met grote, ruwe, brede, langwerpige groene bladen die over beide zijden diep ingesneden en gekerfd zijn; in de volgende lente spruit er een vertakte stengel tussen waarop in mei kleine gele bloempjes bloeien en daarna volgen kleine schelpjes den als die rijp zijn kleine bruine zaadjes gelijk het Koolzaad inhouden: de wortels die een rondachtige bol vormen zijn de Raap waaronder men veel medesoorten door het zaad heeft bekomen die langachtig al spinnen en rondachtig zijn, meest in de aarde witte schellen hebben en boven de aarde groenachtig zijn; ze zijn van binnen met wit sappig vlees vervuld wat rauw, gezoden of gebraden en met andere spijzen gegeten wordt en voor zeer gezond is geacht. Men heeft alhier sedert enige jaren nog een medesoort verkregen door het zaad dat met het natuurlijke bloemstof der zwarte Rammenassen was vruchtbaar gemaakt waaraan men de naam van zwarte Raap (Napus nigrum) heeft gegeven omdat ze ook zwarte schellen heeft, maar toch zeer zoet van smaak is; het groeit met grote ronde bollen en een vast sappig vlees.
Men vindt nog andere medesoorten die met langwerpige en gevezelde bollen groeien, maar zo vast van vlees noch zo smakelijk niet zijn; men noemt ze gewoonlijk wilde sterke Rapen.
Alle Rapen beminnen de koude en worden zoet va smaak omtrent de winter tijd want alsdan gaat alle vochtigheid van de bladen naar de wortel. Om de Rapen de gehele winter goed te behouden verzamelt men die meest in november en na de bladeren tot aan de bollen afgesneden te hebben legt me die in een pur onder de aarde om voorts binnen de winter in de keuken te bereiden; de zorgvuldige boeren ploegen die met de bollen tot bijna boven de bladen in de aarde om ze alzo tegen de winterse vorst te bevrijden, wel bemerken dat de Rapen geen 12 graden koude kunnen weerstaan en door dit middel die altijd in gereedheid te hebben om hun koeien te voeden die daarvan veel zoete melk en boter geven, want de Rapen zijn bekwam om veel zog in de borsten te doen verkrijgen en daarenboven zijn ze wat afdrijvende van aard en doen de pis verwekken en lossen.
Het water waarin de Rapen gezoden zijn met suiker of honing bereid is zeer dienstig voor een kwade hoest’ de Rapen gebraden of gestoofd mogen van alle mensen gegeten worden, behalve van degenen die aan winden onderhevig zijn. Het Raapzaad kan twee jaren zijn krachten behouden om te zaaien en te stampen om er olie mee te maken; dit zaad is warm en droog tot in de derde graad en een half drachme daarvan met suiker en witten wijn aan de kinderen ingegeven doet de mazelen en pokken uitslaan en verschijnen. Het Raapzaad met mede of honing ingenomen wordt ook geprezen voor degenen die zouden vergiftigd zijn. Sommige messenmakers verzekeren dat al de messen en zwaarden die in het Raapzaad water getemperd worden de snee zo hard hebben dat ze door ijzer kunnen snijden Het zaad van de sterke Rapen met Malrove gekookt en daarvan het sap enigen tijd gedronken geneest, zegt Dodonaeus, de geel- en waterzucht; hetzelfde zaad, zegt Lobel, doorsnijdt de slijmen en verdroogt; het wordt ook gebruikt om het aangezicht wit te maken en gebezigd in sommige riekende waters en pommades.
RAFNIA, in ’t Frans Rafnia, ,in ’t Latijn Rafnia, is door Jussieu onder de familie van de planten die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met tien meeldraadjes bloemen die tot twee afzonderlijke lichamen zijn samengegroeid en peulvruchten voortbrengen.
De plompe Rafnia (Rafnia retusa) (Templetonia retusa)is een nieuw langlevend heester-boomgewas van Nieuw-Holland (Australië) dat sedert enige jaren in Europa is overgevoerd en vertakt groeit met donkergroene wigvormige bladen; bloeit alhier in de oranjehuizen van april tot in mei met zeer lieflijke grote purperachtige bloemen die tien mooie meeldraadjes hebben.
De Rafnia met drie bloemen (Rafnia triflora) van Nieuw- Holland, is een heester-houtgewas, dat vertakt met slijmachtige, hartvormige, donkere bladen groeit, n meest in juni bloeit met grote gele bloemen en gekleurde meeldraadjes.
De Rafnia crotalaria triflora (Crotalaria triflora) is een klein boomgewas van het eiland Nieuw-Galles, het groeit ook met slijmachtige groene hartvormige bladen en bloeit alhier meest in juli met geheel grote gele bloemen en tien verhevene meeldraadjes, die zeer bevallig zijn.
Deze mooie nieuwe gewassen, waarvan de peulvruchten in het land van hun afkomst eetbaar zijn en veel worden gebruikt om de pluimgedierten te voeden, kunnen alhier door het zaad in de heigrond, op teilen, in de oranjehuizen gezaaid en door uitspruitsels en inleggers op lauwe broeibakken, onder het glas vermenigvuldigd worden, maar moeten ’s winters in potten in de planthuizen of matige serres bevrijd zijn.
RAKET, Fontein-Kers, gewoon Lepelkruid, in 't Frans Roquette, Cresson, Sisymbre, in 't Latijn Sisymbrium, is onder de 5de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtigen, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en kleine hangende peulvruchten dragen.
Men vindt veel verscheidene soorten van Raketten die ook van sommigen Waterkers en wild Lepelkruid worden geheten.
De Raket of Fonteinkruid (Sisymbrium nasturtium van Linnaeus ) is een langlevende kleine kruidplant van Europa die in België en elders in de grachten, vochtige moerassen, staande en lopende waters en bronnen groeit met gevleugelde, kleine, hartvormige blaadjes, waaruit in april gewoonlijk drie stengeltjes spruiten die omtrent 15 of 20 centimeters hoog groeien en waarop meest in mei witte bloempjes bloeien die kleine hangende peulvruchten dragen.
Het wild Fonteinkruid of Raket (Sisymbrium sylvestre van Linnaeus)(Rorippa sylvestris) is ook een langlevend kruid dat alhier aan het water en vochtige kanten der grachten en wegen groeit met lansvormige, getande en gekerfde bladen; bloeit in juni met gele bloempjes die lange, ronde en gebogen peulvruchten voortbrengen.
De Aarde- en Water-Raket (Sisymbrium amphibium) (Rorippa amhibia) is een langlevend kruid van België dat op de aarde en ook in het water groeit met getande, gekerfde en gevleugelde bladen; draagt meest in mei gele bloempjes en brengt neer hellende peulvruchten voort.
De Muur-Raket (Sisymbrium tenuifolium van Linnaeus) (Diplotaxis tenuifolia) is een langlevende kruidplant van Europa; groeit meest op de oude muren met bladstelen en drie gevleugelde blaadjes die lijnvormig en getand zijn; bloeit in mei met tamelijk grote bloemkransen en gele bloemen.
De wijd uitgestrekte Raket (Sisymbrium strictissimum van Linnaeus) groeit veel in Duitsland, Zwitserland, België en Luxemburg met veel lansvormige, getande en uitgesneden bladen op de stengels die zeer vertakt zijn, wel omtrent I meter hoog groeien en meest in mei gele bloemen dragen.
Men vindt nog de volgende Raketten die maar eenjarige planten zijn: de Sisymbrium Sophia, (Descurainia sophia) die gewoonlijk alhier de Wijsheid der Heelmeesters wordt genoemd omdat ze die veel in de geneeskunde gebruiken; ze groeit veel in België in zandachtige velden met korte stelen en gevleugelde bladen die vaneen gescheiden zijn; bloeit meest in juni met gele bloempjes waarvan de bloemblaadjes kleiner dan de bloemkelken zijn; de Sisymbrium palustre v(Rorippa palustris) van Willdenow, groeit veel in België in de moerassen; de Sisymbrium murale van Linnaeus, groeit op de oude muren; de Sisymbrium irio van Linnaeus, groeit alhier aan de kanten der velden.
Deze kruiden zijn warm tot in de eerstenen droog tot in de tweede graad, bezitten een samentrekkende kracht en worden op de wijze van de Kers en het Lepelkruid om de scheurbuik en andere kwalen te genezen geacht; want het sap wordt nuttig gedronken om de gezwollene milt, de verstopping der lever en de scheurbuik te genezen; dit sap wordt meest door afkooksel uit die planten getrokken en ook voor vuile zeren en zweren van de mond gebruikt; het kruid gestoten en met Gerstemeel gemengd doet op 10 uren de zwarte en vurige plekken, die soms op het vel komen, vergaan, vooral als dit met azijn bereid en er lauw opgelegd wordt; dit kruid wordt ook veel als de Salade met andere spijzen gegeten en bereid.
RANONKEL, Hanenvoet, in 't Frans Renoncule, in 't Latijn Ranunculus, is onder de 6de klasse, 7de sectie der roosvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige, planten die van twintig tot honderd meeldraadjes op het vruchtbeginsel vastgehecht en veel stampertjes hebben.
Men vindt heden meer dan 500 soorten van die langlevende planten, ie alle met verschillende kleuren van bloemen bloeien en sedert enige jaren uit het zaad gesproten zijn.
De wilde Ranonkels hebben de Latijnse naam van Ranunculus uit Rana, in het Vlaams Vors (kikker) verkregen omdat ze op de vochtige en moerassige plaatsen groeien waar gewoonlijk de kikvorsen verkeren.
De Turkse Ranonkels zijn heden ook zeer vermenigvuldigd; men kan van die bloembollen, met alle verschillende soorten van kleuren gemengd bij onze bloemist L. Van Houtte voor 50 franks de honderd verkrijgen; zijn gewone bloembollen verkoopt hij maar voor 5 franks de honderd.
De heren bloemkweekers Verschaffelt, J. Van Geert, vader en zoon, J.-B. De Saegher, Verleeuwen en veel anderen bezitten ook mooie gekleurde bloemen bloeien waaronder de Ranunculus aconitifolius, Ranunculus alpestris, Ranunculus ficaria flora pleno, Dubbele vorm van Ficaria verna?) Ranunculus amplexicaulis, Ranunculus hybridus, Ranunculus glacialis, Ranunculus gramineus, Ranunculus illyricus, Ranunculus x lacerus, Ranunculus montanus, Ranunculus parnassifolius, Ranunculus pedatus, Ranunculus plataniifolius, Ranunculus rutaefolius, Ranunculus pyrenaeus en meer andere die van Azië oorspronkelijk zijn en allen om hun lieflijke bloemen worden gekweekt.
De Ranunkel (Ranunculus Thora van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergte, die hier in de bloemtuinen wordt geplant,en groeit met drie gelipte niervormige, doorzichtige bladen op de stengels; bloeit in mei, met gekleurde bloemkelken en lansvormige, gele bloembladen die geheel gevaarlijk zijn en een in bijtende scherpe kracht bezitten. Allioni, een Italiaanse leraar, stelt die onder het getal der hevigste vergiftplanten. De Ranonkel Thora heeft zijn naam uit het Grieks woord Phthora, dat in onze taal vernieling wil zeggen verkregen; men vindt deze plant ook veel ten alle kanten in België in het wild groeien en diens vergiftige sap is van over zeer oude tijden bekend; wanten vindt in de geschiedenis dat de oude Belgische en Franse volkeren ten tijde der Romeinen zich wapende met pijlen die ze de vijanden toe wierpen met het sap van de Ranonkel Thora bestreken om alzo de wonden vergiftigd en dodelijk te maken. De Turkse wapens van Damascus worden ook om die vergiftigd te maken met het sap van de Ranonkels van Azië getemperd. De kundige Lobel verhaalt dat in de voorgaande tijden het sap uit de Ranonkel Thora in de lente werd getrokken en in ossen-hoornen gedaan, om alzo de jagers te dienen die om wolven, vossen en andere wilde dieren mee te vergeven. Dit vergiftig sap is nog veel gevaarlijker in de wonden dan inwendig genomen omdat alle wapens, pijlen, schichten en zwaarden die ermee bestreken of getemperd zijn dodelijke kwetsuren maken: de doctor Dalechamp verzekert dit door proeven; hij schrijft dat hij met een speld, met Ranonkel-sap bestreken, een duif heeft gestoken die daarvan seffens in bezwijming gevallen en gestorven is. Volgens het schrijven van Plinius, zou de Ranunculus limeum africanum ook al hetzelfde vergift bezitten.
De gulden Knop-Ranonkel (Ranunculus acris van Linnaeus) die in België aan de wegen, moerassen en elders groeit met ronde stelen in drie gekerfde bladen en boven op den stengel lijnvormige, grote bladen, bolachtig geschikte kelken en gele bloempjes draagt is ook zeer gevaarlijk en vooral voor de kruid etende dieren die er bloed van kunnen pissen als ze die vers eten. Die lijnvormige, brede, scherpe blaadjes, of zijn sap op het vel gelegd trekken hevige en opzwellende ontstekingen die door waterpuisten worden gevolgd; men gebruikt hier nog te lande dezelfde blaadjes om de Spaanse vliegen op de vesicatoria te vervangen. De doctor Roques raadt de mensen aan die de Spaanse vliegen vrezen omdat ze te veel op het vel prikkelen trekpleisters van de Ranunculus acris te gebruiken die ook zeer goed zijn voor het langdurig jicht, de heuppijn, het sciatica en de tandpijn en voor mensen die met de zenuwziekte zijn gekweld die de voorkeur bij de geneesmeesters verkregen hebben; maar veel kwakzalvers hebben een beklaaglijk misbruik van het sap gemaakt ,en dor het aan de zieken aan te bevelen bij hen de koortsen en leeghoofdigheid verwekt; ook als men die plaasters met geen voldoende voorzichtigheid gebruikt kan het sap diep in het vlees dringen en kwade gevolgen of de kanker veroorzaken: een ervarene doctor, na dat hij die pleisters heeft gelegd geneest aanstonds de wond met balsem van Peru.
De oude kruid beschrijver Dioscorides spreekt van een Ranonkel die in Sardinië groeit, welke ingenomen of daarvan gegeten stuiptrekkingen en dolgeest verwekt en bij de zieken een krimping der lippen veroorzaakt, welke op een grimlach gelijkt waarvan de uitdrukking sardonische lach voortkomt; Vergilius maakt ook melding van dit kruid en schrijft: Immo, ergo Sardos videar tibi amarior herbis.
De doctor Dalechamp gelooft dat het de Ranunculus sceleratus is, een eenjarige kruidplant die in België aan alle kanten in de grachten en op vochtige plaatsen groeit ,met handvormige bladen aan de wortels die op de stengels vingervormig zijn en ronde, langachtige, gele bloemen draagt. De doctor Paulet is ook van gedachte dat het die boze Ranonkel moet wezen.
De Gras-Ranonkel (Ranunculus gramineus van Linnaeus) die in België ten alle kanten in het gras groeit met rechte, gladde, ronde stelen en drie of vier gele blinkende bloemen die op de Boterbloempjes wel gelijken, bezit ook een in bijtend en vergiftig sap’ me bemerkt dat de koeien die door de zuurheid van dit sap bloed kunnen pissen zich altijd van dit kruid verwijderen.
De Ravenvoet-Ranonkel (Ranunculus repens van Linnaeus) groeit veel in de velden met kruipende stengels en grote lijnvormige bladen en draagt in de zomer gele bloemen; volgens het verhagel van sommige schrijvers wordt dit kruid in Rusland gekookt en als moeskruid gegeten. De Water-Ranonkels (Ranunculus aquatilis, Ranunculus fluviatilis en de Ranunculus hederaceus van Linnaeus) zijn langlevende planten die in België in de waters, grachten en rivieren groeien met gekerfde en uitgesnedene bladen, waaronder ook de Ranunculus capillaceus (Ranunculus aquatilis var. capillaceus) is; ze dragen witte bloemen.
De bolachtige Ranonkel (Ranunculus bulbosus van Linnaeus) groeit alhier veel in de moerassen en weiden met rechte stengels en veel verspreide bladen; bloeit meest in april met hellende bloemkelkjes en gele bloemen.
Al deze Ranonkels houden meer of min een vergiftig sap in en vers gegeten zijn ze zeer gevaarlijk voor de kruid etende dieren; maar het schijnt dat die planten onder het hooi gedroogd hun vergiftigende krachten verliezen.
De Aziatische Ranonkels die alhier in de bloemhoven worden geplant zijn eerst door de Kruisvaarders in de twaalfde eeuw van het Heilig Land in België overgevoerd en alom verspreid; ze werden ten die tijde veel in Azië gekweekt: maar nadat ettelijke jaren deze kweek in Turkije verzuimd was geweest heeft de grootvizier Cara-Mustapha, onder de regering van Mahomet IV, die weer opgebeurd en al de mooiste Ranonkels van geheel Azië in de bloemhof van het keizerlijk paleis verzameld en zag dat de Sultan er behagen in had en zijn aandacht op die mooie bloemen vestigde, schreef aan alle landvoogden van geheel het Turkse rijk om de mooiste Ranonkels naar de hof te zenden. Toen al deze mooie planten in de hof van het paleis verenigd waren werd de Keizer zo jaloers van al van zijn vrouwe en er werd aan de dienaars stipt verboden die uit het paleis te laten gaan; maar dit bevel was nutteloos aangezien deze bloemen reeds door de Kruisvaarders in België waren verspreid. Sedert die tijd worden ze in onze bloemhoven gekweekt en onze behendige hoveniers weten die zowel door het zaad en bloembolscheiding te vermenigvuldigen dat ze hun tot een nijverheidstak dienen en heden verzenden ze die zelfs tot in Turkije e andere vreemde landen.
Het is bijzonder uit de Ranonkel van Azië of van Mauritanië wiens bloemen na het uitbloeien in het onderste gedeelte met zwarte draadjes zijn bedekt in de warme zomers veel zaadjes inhouden dat men door het zaaien een zo grote menigte mooie dubbele en ook enkele bloemen verkrijgt die alle verschillende kleuren voortbrengen; maar dit zaad blijft soms wel 45 of 50 dagen zonder uitschieten in de aarde. Dit wordt hier in het voorjaar verricht en de jonge planten moeten in de eerste winter een weinig boven de aarde met stro zijn bedekt; het volgende jaar schieten ze meest allen bloemen waarvan de liefhebber de mooiste dubbele behouden om in potten te planten. De Ranonkels willen op vochtige en belommerde plaatsen zeer goed groeien en begeren alle drie jaren verplant te worden zonder de wortels te beschadigen.
RATEL, Hanenkammetjes, in ’t Frans Crête de Coq, in ’t Latijn Rhinanthus, door Tournefort Pedicularis Elephas genoemd en onder zijn 3de klasse der planten die bloemen met figuur gedaanten dragen gesteld; door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De gele Ratel (Rhinanthus crista-galli van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België veel in de wegen, moerassen, beemden, velden, bouwlanden en in het koren groeit met kleine, dunne, gevezelde wortels en rechte, dunne stengels die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien met smalle, gekerfde en rondom gelande bladen en alhier meest van in juni en geheel de zomer bloeit, met geelachtige soms witte bloemen die rondom het opperste der zijsteeltjes groeien en gewoonlijk vier gebuikte bloemblaadjes in de kelken, langs boven gelipte ineen gedrongen bloemkransjes hebben en brede bruine zaadjes met velletjes of blaasjes bedekt voortbrengen.
De Rhinanthus Elephas van Linnaeus is een eenjarige kruidplant die in Italië groeit.
De Rhinanthus Trixago (Bellardia trixago) van Linnaeus groeit meest in Zuid- Frankrijk en wordt ook in sommige moerassen in België gevonden.
De Ratel met kleine bloemen (Rhinanthus parviflora) (Rhinanthus minor) is een eenjarige kruidplant die Ch. Van Hoorebeke in België op zandachtige plaatsen heeft gevonden; het groeit op de wijze van de gele Ratels, maar bloeit met dove witte bloemen die weinig glans hebben.
Alle Ratels die alle jaren zichzelf in de magere velden en moerassen vermenigvuldigen worden als onkruid aanzien; het schijnt dat het kruid en de bladen een samentrekkende zure smaak inhouden omdat de kruid etende dieren zich daar altijd van verwijderen; het hooi gedroogd en ’s winters aan de kruid etende dieren te voeden gegeven doet ze gewoonlijk ruwe en lange haren en luizen krijgen. Sommige oude Kruidbeschrijvers zeggen dat het zaad van die Ratelen aan de hanen voorgeworpen, zen zeer spoedig tot het kamp vechten verwekt en tot een lange strijd aanhitsen kan. Dit onkruid is nergens toe nuttig noch om enige deugden te gebruiken, maar zeer schadelijk voor de moerassen, landen en wegen waar het jaarlijks groeit; want het is moeilijk om verdelgen, tenzij men de plaatsen waar het groeit goed met vette en mest bestrooid, wanneer het na enige tijd achter blijft en door andere vruchten of het gras overweldigd wordt; want men ziet dit onkruid nooit in vette vochtige moerassen groeien, maar wel in magere weiden groeien.
REIGERSBEK, in ’t Frans Bec de Héron, in ’t Latijn Erodium, is door Jussieu onder de familie van den Kraanbek en Ooievaarsbek gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Modadelphia pentandria, eenbroederige, planten die met vergroeide stofdraden bloemen en vijf helmdraadjes hebben.
Sommige kruidkenners stellen die plant tezamen met de Kraan- en Ooievaarsbekken, maar de Ooievaarsbekken bloeien met zeven stuifdraden en de Kraaienbekken met tien omdat de Reigersbekken mar vijf meeldraadjes hebben. Ze hebben hun naam uit het Griekse Erodios bekomen dat in het Vlaams Reigersbekken betekent. Men vindt er heden zeer veel soorten van die op de wijze van de Kraan-en Ooievaarsbekken door het zaad zijn vermenigvuldigd.
De Erodium hymenodes van Willdenow is een langlevende kruidplant van Barbarije; de Erodium chamaedryoides van L’ Her is een langlevende plant van Corsica; de Erodium incarnatum (Pelargonium incarnatum) van Willdenow is een langlevend houtgewas van de Kaap; de Erodium arduinum? van Linnaeus komt ook van de Kaap; de Erodium romanum en de Erodium malacoides zijn ook langlevende planten van Italië. Uit al deze planten zijn door het zaad meer dan 60 medesoorten gesproten die alle verschillende bloemen dragen en door de kweekers verschillende namen hebben verkregen; ze worden in de planthuizen gekweekt alwaar ze vroeg in de lente en dikwijls tot in augustus bloeien met geschulpte honingkelken en vijf bloembladen in de kelken en kransen die vijf gebekte schelpjes voortbrengen welke op de reigersbekken wel gelijken waardoor ze den naam van Reigersbek verkregen hebben.
Men vindt nog van die Reigersbekken welke onder de eenjarige planten zijn zoals: de Erodium moschatum van Linnaeus die in de Oost- en West-Indiën groeit en ook veel in Rusland wordt gevonden; de Erodium gruinum die veel in Duitsland, Italië en Spanje groeit en de Erodium acutarium (Erodium cicutarium?) van Linnaeus die in België in zandachtige woeste landen groeit met stengels, veel bladstelen en plompe, gevleugelde, uitgesneden bladen; draagt in juni roodachtige roze bloemen. Men vindt die Reigersbekken nergens om hun nuttige deugden beschreven, maar ze worden meest om hun mooie bloemen gekweekt.
REINVAARN, Tente, Wormkruid, in ’t Frans Tanaisie, in ’t Latijn Tanacetum, is onder de 12de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld, der planten die door verscheidene bloempjes versierd zijn; door Jussieu onder de familie van de planten die bloemtrosjes dragen en onder de 1de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige-veelechtige die met overtollige meeldraadjes bloemen.
De gewone Reinvaarn (Tanacetum vulgare van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die ten alle kanten in België en elders groeit met stelen en gevleugelde, ingesneden, getande en gekerfde bladen en in de zomer bloeit met gele bloemknopjes die hun bloemstralen enkel in het heetste van de zomer vertonen.
De Reinvaarn met gekrulde bladen(Tanacetum crispum) (Cv.) groeit ook in België, met stengels, bladstelen, gekrulde, gekerfde en getande bladen en draagt in de zomer bloemknoppen met kleine gele bloemen die als de gewone een zeer welriekende geur inhouden.
De Balsem-Reinvaarn (Tanacetum balsamita van Linnaeus) van Zuid-Frankrijk, groeit met stengels, bladsteeltjes, ronde, getande, gekerfde bladen en geelachtige bloemknopjes die zich inden zomer openen en een welriekende geur verspreiden.
Deze planten, zoo als ook de Tanacetum sibiricum worden alhier in sommige kruidhoven gekweekt. Volgens de nieuwe en oude Kruidkenners hebben de Reinvaarn een worm verdrijvende kracht; ze zijn bitter van smaak, heet en droog van aard. Het kruid, de bloemen of het zaad met wijn of bier gekookt en gedronken drijft de steen af en is goed voor het pijnlijk water lossen; de bloemknoppen als thee in het kokende water geweekt en gedronken of op witte wijn laten trekken zijn zeer dienstig voor de kinderen die met wormen gekweld zijn; dit kruid wordt veel in de pannenkoeken gebakken en met eieren gegeten waaraan het een aangename smaak geeft; het zaad met suiker en rode wijn ingenomen is goed voor de bevruchte vrouwen. Er wordt ook uit dit kruid en de bladen in juli een water gedistilleerd, Athanasia genoemd, dat gebruikt wordt voor de steen, het graveel en om de wormen af te drijven. .Het Geneeskundig Magazijn schrijft zeer veel deugden aan dit kruid toe en zegt dat de vrouwen in Engeland dit veel gebruiken om het misvaren te beletten en de pijn in de zenuw aderen te stillen, dit stampen om op de dikke voeten teleggen voor de schaamdelen en leden gebruiken.
M e n vindt nog bij sommige bloemisten de heesterachtige Reinvaarn (Tanacetum suffruticosum (Oncosiphon suffruticosus) van de Kaap) die 's winters in de planthuizen moet worden bevrijd. Het Reinvaarn kruid bezit zeer veel loogzout en potas als het gebrand wordt.
RESEDA, Italiaanse Raket, in ’t Frans Réséda odorant t , Herbe d'Amour, in 't Latijn Reseda, is onder de 11de klasse, 1ste sectie der onregelmatige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Kappers en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria trigynia, twaalfhelmige,, slag van planten wiens bloemen van twaalf tot twintig helmstijltjes en drie stampertjes hebben.
De welriekende Reseda(Reseda odorata van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Afrika die in Egypte natuurlijk groeit en alhier vroeg in het voorjaer wordt gezaaid alwaar het eens gezaaid geweest is alle jaren zichzelf zaait en vooral als men het zaad laat rijpen. Deze kruidplant ,die door zijn aangename reuk iedereen goed behaagt wordt veel in potten geplant en 's winters in de planthuizen bevrijd; met enkel de jonge zijtakjes wat te weren, kan men die plant, die bijna altijd bloemt, verscheidene jaren behouden. Het kruid en de bloemen van die lieflijke plant worden om hun aangename en bevallige reuk veel in de kleerkasten gelegd en verdrijven de motten en schietwormen. Ze worden ook gebruikt om de zijden stoffengeel te verven.
De Wouw-Reseda (Reseda luteola van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België aan de wegen en velden groeit met gehele, lansvormige bladen die langs beide zijden van onder een tand hebben en op wiens stengels meest in juli groenachtige gele bloemen bloeien die vier blaadjes in de bloemkelken hebben. De bloemen en jonge toppen van de Wouw-Reseda bezitten een afdrijvend zweet verwekkend middel.
De gele Reseda of Wouw (Reseda lutea van Linnaeus) is een tweejarige plant van Europa die in België op droge plaatsen aan de steenrotsen en oude muren groeit met vertakte stengel, die omtrent 50 centimeters hoog groeien en gevleugelde bladen waarvan de bovenste in drie delen gelipt zijn; bloeit hier meest in julyimet geelachtige groene bloemen waarvan al de delen een vaste gele verf inhouden.
De grijsachtige blauwe Reseda of Wouw (Reseda glauca van Linnaeus) groeit meest in de Pyreneeën gebergten. De Reseda phyteuma van Linnaeus heeft Ch. Van Hoorebeke ook in Vlaanderen gevonden; het groeit met stengels en gehele bladen, van boven in drie blad lobben verdeeld en draagt in juli ook gele bloemen met grote bloemkelken, in zes bloembladen verdeeld, ie open zaadhuisjes voortbrengen.
Linnaeus schrijft nog van de Wouw of Reseda canescens, (Sesamoides interrupta) Reseda fruticulosa, Reseda undulata? en meer andere soorten die in Spanje groeien, maar mij niet bekend zijn.
REUGGRA, in ’t Frans Flouve, in ‘t Latijn Anthoxanthum, door Tournefort Gramen genoemd; is door Jussieu onder de familie der Grasplanten gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria digynia, planten die met twee meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het welriekend Reukgras (Anthoxanthum odoratum van Linnaeus ) is een langlevende grasplant van Europa die met lange ronde aren op de toppen der stengels bloeit en als die rijp zijn een geelachtig kleur verkrijgen en gemaaid en met hooi gedroogd daaraan een welriekende geur verschaffen. Geheel de stelen en bladen, tot aan de wortels bezitten een zeer aangename geur die op de reuk van de gewone Steenklaverbloemen wel gelijkt; door die zoete aangename reuk kan men die grasplant uit alle andere wel onderscheiden .Dit Reukgras dat hier in mei bloeit wil in alle gronden aarden, maar toch begeert het bij voorkeur een droge open plaats ,want in vochtige moerassen die lang en dikwijls onder water staan ,blijven zijn bladen klein en witachtig, gerold en effen geel, de stengels blijven zwak en de struiken komen in het geheel niet hoog; maar op droge plaatsen maakt die plant een grote struik en wordt van alle kruid etende dieren, die er zeer op verlekkerd zijn, gretig gezocht. Het droge hooi waarin de grasplant gemengd is behoudt altijd een welriekende geur die de eetlust van de kruid- etende dieren verwekt omdat het hooi van de vochtige moerassen alwaar deze plant slecht kan groeien nooit zo’n aangename reuk heeft. Deze plant wordt veel onder alle andere grasplanten in de droge moerassen gezaaid om groen en droog de kruid etende dieren te voeden.
RHEXIA, in ’t Frans Rhexia, in ‘t Latijn Rhexia, is onder de familie van de Melastoma planten gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Dee Rhexia holosericea is een langlevende kruidplant van Brazilië die met vertakte stengels meer dan 1 meter hoog groeit met geheel zijdeachtig wollige en toegespitste, eivormige bladen; bloeit alhier in de matige serre meest in juni met trosvormige aren en zeer lieflijke blauwe bloemen die de topjes der takjes versieren..
De Rhexia van Virginië (Rhexia virginica) is een langlevende plant die in dit gewest in de moerasachtige gronden groeit met wollige vierkantige stengel, die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien met groene, roodachtig gestreepte, eivormige bladen; bloeit hier in de warme serres in juni, met okselachtige, mooie karmijnrode bloemen.
Onze bloemisten hebben nog de Rhexia speciosa, met andere nieuwe soorten van Mexico verkregen die aller mooiste bloemen dragen.
Deze lieflijke nieuwe planten met hun mooie versierende bloemen kunnen door het zaad in de heigrond, op belommerde plaatsen in de warme serre worden gezaaid om nadien in potten te verplanten en binnen de zomer in de oranjerie op plaatsen waar weinig zon komt te kweken. De Rhexia van Virginië kan in den zomer in de vrije lucht in de volle grond geplant een ’s winters in de oranjerie of matige serres bevrijd worden. De krachten van deze planten zijn me niet bekend.
RHODODENDRON, in ’t Frans Rhododendron, in ‘t Latijn Rhododendrum, is onder de 20ste klasse, 4ode sectie van Tournefort gesteld der eenbladige bloemplanten; door Jussieu onder de familie der Oleanders en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De roestige Rhododendron (Rhododendron ferrugineum van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van de Alpen gebergten da struikvormig omtrent 2 meters hoog groeit met altijd blijvende ,langs boven groene en la
De Rhododendron hirsutum van Linnaeus is ook van de Alpen gebergten en groeit in struiken maar omtrent 50 of 60 centimeters hoog met altijd groene bladen en bloeit in juni met roze roodachtige bloemen waarvan men enige medesoorten vindt die ook in juni en september bloeien.
De Rhododendron chamaecistus van Linnaeus, is een langlevend mooi houtgewas met altijd blijvende bladen dat van Oostenrijk oorspronkelijk is; bloeit alhier in juni met mooie vleeskleurige bloemtrossen en zeer lieflijke rooskleurige gestipte bloemen.
De Rhododendron ponticum van Linnaeus , is van Klein-Azië een Zuid-Rusland; bloeit hier vroeg in de lente en mooie levendige purperachtige roze bloemen.
De Rhododendron punctatum van Willdenow, is van Noord- Amerika en groeit met langs boven groene en langs onder geroeste bladen; bloeit in juni met rooskleurige trossen en bleek roze bloemen.
De Rhododendron maximum van Linnaeus is een langlevende mooi houtgewas van Virginië; het bloeit alhier meest van in mei met mooie rooskleurige en witte bloemen.
De Rhododendron dauricum van Linnaeus is van Siberië en bloeit alhier met rooskleurige en witte gestipte bloemen.
De Rhododendron caucasicum van Willdenow, komt van den berg Kaukasus.
De Rhododendron Kalmia (Kalma latifolia) groeit maar omtrent 30 centimeters hoog met kleine, groene, palmvormige blaadjes en bloeit meest in juni met bloemtrosjes en veel rooskleurige kleine bloempjes op de toppen der takjes.
De Rhododendron salicifolium en de Rhododendron azalea’ s worden hier ook veel geplant.
Als deze Rhododendron’ s kunnen zeer goed onze koude winters weerstaan en vooral als ze in de heigrond worden geplant;; want in gewone gronden willen ze niet aarden.
Onze behendige bloemkwekers hebben heden alhier te Gent uit het rijpe zaad dat gewoonlijk op teilen in de fijne heigrond gezaaid en 's winters inde oranjehuizen de eerste jaren wordt bevrijd, wel duizend mooi medesoorten van die Rhododendron’ s gewonnen die bijna allen met onderscheidene gedaanten van bladen groeien en verschillende kleuren van bloemen dragen waaronder witte, purperen, violette, rooskleurige, rode, enz., zijn die onze lusthoven schilderachtig verheffen en met hun altijd groen blievende bladen zomer en winter de perken versieren, in het voorjaar meest worden verplant en door de kwekers allerhande namen hebben verkregen die te uitvoerig zouden zijn om hier allen te vermelden.
Men heeft in België zeer veel nieuwe soorten van China bekomen die enkel sedert enige jaren alhier zijn overgevoerd en onder de naam van Rhododendrum arboreum zijn bekend. Deze merkwaardige mooie gewassen met hun altijd mooie langlevende bladen en uitmuntende lieflijke bloemen waaronder er mooie verheven rooskleurige, witte, rode en andere kleuren zijn, beginnen in de matige serres vroeg in het voorjaar te bloeien; men vindt de volgende nieuwe soorten (en Cv’s)op de lijsten van onze behendige bloemisten gemeld. De Rhododendron arboreum alba, Rhododendron Aitoni, Rhododendron altaclarence grandiflora, Rhododendron altaclarence roseum, Rhododendron splendens en Rhododendron triumphans, Rhododendron amabile, Rhododendron aureo-latum, Rhododendron Beaton's superbum, Rhododendron Bedfordi novum, Rhododendron Belfasti, Rhododendron Britanniae, Rhododendron Browni, Rhododendron Burggravianum, Rhododendron calamistratum, Rhododendron Campbelli, Rhododendron cardinale, Rhododendron Celsonia, Rhododendron Clyto, Rhododendron Cliveanum, Rhododendron coccineum, Rhododendron elegans en Rhododendron superbum, Rhododendron Drak, Rhododenduon Desmon, Rhododendron villii, Rhododendron fastuosum, Rhododendron Fischeri, Rhododendron formosum, Rhododendron Frazeri, Rhododendron fulgens, Rhododendron Georgeanum,- Rhododendron Harringtoni,- Rhododendron Hartwigii,- Rhododendron Guillaumell, Rhododendron Hodgesis uperbum, Rhododendron incomparabile, Rhododendron Julianum, Rhododendron Knighti triumphans, Rhododendron Lawsoni, Rhododendron Lindleyi, Rhododendron Louisianum, Rhododendron mirabile novum, Rhododendron Mechelynckii, Rhododendron nobleanum , Rhododendron pulchrum, Rhododendron petiveri en Rhododendron superbum, Rhododendron picturatum, Rhododendron phoeniceum speciosum, Rhododendron refulgens, Rhododendron regium, Rhododendron rigidum novum, Rhododendron Rival Scarlet, Rhododendron Robertii, Rhododendron Rodriguezi atrosanguineum, Rhododendron rosaceum, Rhododendron speciosum, Rhododendron sir John Broghton, Rhododendron Smithii, Rhododendron spectabile, Rhododendron superbum novumen splendens, Rhododendron tinctum, Rhododendron Torringtoni, Rhododendron tigrinum coccineum roseum, Rhododendron triumphans London,- Rhododendron venustum fastuosum, Rhododendron venustissimum, Rhododendron Wiltoni, Rhododendron Wilhelminum,- Rhododendron Wilmorgeanum, Rhododendron Woodsii,- Rhododendron Youngii, Rhododendron Younghii superbissimum, Rhododendron aureum, Rhododendron barbatum, Rhododendron carneum, Rhododendron elegantissimum en veel andere die in 1844 alhier van de Indiën zijn overgebracht.
Al deze mooie Rhododendrum arborea worden alhier meest bij onze kweekers op de gewone jonge Rhododendron’ s geënt of door het zaad, gelijk alle andere Rhododendrum ‘s in de fijne heigrond op warme broeibakken in de schaduw de matige serres gezaaid om vandaar in potten te verplanten; ze kunnen in de vrije lucht onze winterse koude niet weerstaan en worden meest in de matige serres of goede planthuizen bevrijd waar ze vroeg bloemen.
RHODORA, in ’t Frans Rhodora, in ’t Latijn Rhodora, is door Jussieu onder de familie van de Oleanderbomen gesteld die met roosvormige bloemen groeien en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. De Rhodora canadensis (Rhododendron canadense) van Linnaeus is een langlevend klein heester-boomgewas van Canada dat alhier in de vrije lucht in de heigrond wordt geplant en vertakt groeit omtrent 50 centimeters hoog; bloeit meest van april tot in mei in bundelbloemen op de toppen der takjes die een lieflijk purperachtig kleur hebben. Het wonderbaarste van deze plant is dat ze haar bloemen zeer fraai vertoont eer de bladen zich ontwikkelen; ze kan op de wijze van de Kalmia’ s door het zaad vermenigvuldigd worden en door haar vroeg bloeien schikt ze zich zeer goed om in de bloemperken en lusthoven te planten.
RIDDERSPOOR, Leeuwerikenvoet, Dolfijnbloem, in ‘t Frans Pied d' Alouette, in 't Latijn Delphinium, is onder de 11de klasse, 2de sectie der onregelmatige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria trigynia, veelhelmige, planten die van twintig tot honderd meeldraadjes op het vruchtbeginsel vastgehecht en drie stampertjes hebben.
M en vindt heden verscheidene soorten van die kruidplanten; de ene zijn langlevende en de andere moeten alle jaren in de bloemtuinen gezaaid worden.
De verheven Ridderspoor (Delphinium elatum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Siberië die in struiken met stengels, meer dan 1 meter hoog groeit en met groene gekerfde bladen aan de stelen en wortels verdeeld; bloeit hier meest van juni tot juli, met aren en piramidevormige trossen en zeer mooie dubbele, hoog blauwe bloemen waarvan men verscheidene medesoorten vindt met enkele en dubbele bloemen.
De Ridderspoor met grote bloemen (Delphinium grandiflorum van Linnaeus) is ook een langlevende kruidplant van Siberië die met zeer gebladerde stengels 80 centimeters hoog groeit; bloeit alhier in juni, met lange aren op de toppen en aller mooiste blauwe bloemen.
De Bastaard-Ridderspoor (Delphinium hybridum van Willdenow) is een langlevende kruidplant van Rusland die met stengels omtrent 60 centimeters hoog groeit met gekerfde en uitgesneden bladen; bloeit hier in juni met zeer lieflijke blauw gespikkelde bloemen.
De Delphinium aconitifolium van Linnaeus is een langlevende kruidplant van Spanje die met stengels omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeit; bloeit meest in juni met donker- blauwe eenbladige honingkelken die donkere zaadhuisjes voortbrengen.
Men heeft van deze planten die op de wijze van de Pioenen worden gezaaid de volgende medesoorten verkregen die allen langlevende zijn en aller mooiste verschillende blauwkleurige bloemen dragen die geen gedaante van Sporen hebben, zoals de Dolfijnbloemen gewoonlijk bloeien: De Delphinium Barlowii (Cv’s)is door zijn mooie bloemen zeer vermagerd; Delphinium cheilanthum, Delphinium grandiflorum maximum, Delphinium grandiflorum, Delphinium floro-pleno , Delphinium flore pleno en Delphinium flore rubro, Delphinium hirsutum, Delphinium -- halmii, Delphinium perenne, Delphinium pictum, Delphinium Requienii, Delphinium chinense, Delphinium albo, Delphinium flore lilacino, Delphinium tricolor, Delphinium flore pallide coeruleo en meer andere die uit het zaad zijn gesproten.
De Delphinium Ajacis (Consolida ajacis) van Linnaeus is een eenjarige kruidplant van de Dauphiné gebergten die met gekerfde en uitgesnedene bladen groeit en stengels van omtrent 6 0of 70 centimeters hoog; bloeit alhier meest in juli met aarvormige bloemtrossen, dubbele en ook enkele bloemen waaronder grijze, roodachtige, rooskleurige, witte, violette en met andere kleuren zijn die ook van sporen en op de vleugels verschillen en waarvan de kleine Ridderspoor (Delphinium nana) (Consolida ajacis ‘Nana”)een medesoort is.
De luizen vergiftige Ridderspoor (Delphinium staphisagria van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van het Zuiden van Frankrijk die met stengels en gekerfde, handvormige bladen groeit; bloeit hier meest van juli tot in augustus, volgens de medesoorten, met blauwachtige bloemen die vier bloembladen in de kelken hebben en honingkelken die korter dan de bloembladen zijn en plompe zaad hutjes met veel zaadjes voortbrengen.
Het zaad van de Riddersporen Ajacis en Staphisagria heeft een bittere scherp brandende smaak;12 of 13 greintjes daarvan ingenomen, zegt Grimaud de Caux, is voldoende om een geweldige braking en purgering te verwekken en als dit in meerdere dosis zou worden genomen kan het zeer droevige gevallen veroorzaken en de mens vergiftigen, gelijk men door proeven op beesten gedaan heeft bewezen. Sedert heeft men het inwendig gebruik van dit zaad ten ene male verworpen; de kundige Orfila noemt die plant Staphisagrie, Herbe aux poux, en stelt het onder de dodelijke vergiften; hij zegt dat het zaad zeer krachtig is om uitwendig te gebruiken en luizen, vlooien en ander ongedierte mee te doden. Dit zaad in poeiers gestampt en in de azijn geweekt is zeer goed om het hoofd en de kleren te reinigen en werd derhalve van de oude Kruidkenners Herba pedicularis genoemd. De bloemen werden ook met rozenwater bereid om de rode lopende ogen mee te genezen. De vergiftige krachten van het zaad komen voort , zegt de doctor Feneulle, uit een loog-zoutachtige stof die het inhoudt en in de geneeskunde bekend is onder de naam van Delphine, een witachtig sap dat uitnemend bitter en zuur smaakt, in het water niet smelt, maar wel in vluchtige vochten zoals wijn en andere geestrijke dranken. Sommige Kruidkenners denken dat de Delphinium aconitifolium ook een vergiftige kracht bezit. De Delphinium consolida (Consolida regalis) van Linnaeus, een eenjarige plant die in België in de velden en weiden groeit, schijnt ook een zuur-bittere smaak in te houden omdat al de kruid etende dieren zich van de plant verwijderen zonder ze aan te raken of te eten.
RIETGRAS, Aardamandel, in ’t Frans Souchet, in ’t Latijn Cyperus, is onder de 15de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die met drie meeldraadjes bloeien of bloem bladloze planten; door Jussieu onder de familie van de Boterbloemplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Rietgras of eetbare Aardamandel (Cyperus esculentus van Linnaeus) is een langlevende grasplant van Egypte die ook in Italië groeit met stroachtige, driehoekige stengels die maar 30 centimeters hoog groeien en veel bladen kroonvormig geschikt en puntig lang die op een zaag gelijken. Deze plant groeit met gebobbelde, overeen liggende wortels die de grootte van een Amandel hebben en op een klein Aardappeltje gelijken; ze zijn eetbaar en houden een goeden smaak in.
Het schijnt dat deze plant die hier in de kruidhof der Hogeschool wordt gekweekt van de oude volken was bekend, omdat men in de heilige Schriftuur beschreven vindt dat de aartsvader Jacob pappen van de Cyperus esculentus maakte en aan zijn kinderen te eten gaf.
Het Rietgras of Papierriet van den Nijl (Cyperus papyrus van Linnaeus) is een langlevende rietplant van Egypte die ook in Sicilië groeit met driekantige ,rietachtige stelen of stengels, met vlokachtig merg gevuld dat een lijmachtige stof inhoudt waarmee de inwoners van Egypte zeer goed schrijfpapier maken; deze plant moet alhier in de warme serre gekweekt zijn.
Het slijmachtig Rietgras (Cyperus viscosus van Willdenow) (Cyperus elegans subsp. elegans) komt van Zuid-Amerika en wordt hier ook in de matige serres gekweekt.
Het indiaans Rietgras (Cyperus alternifolius en Cyperus paniculatus van Linnaeus) dat zeer lieflijk met bloemtrossen bloeit groeit meest in Madagaskar en elders in de Indiën.
Het kastanjeachtig Rietgras (Cyperus castanea van Willdenow) groeit veel in de Oost-Indiën.
Men heeft hier ook in België het lange Rietgras (Cyperus longus van Linnaeus) dat inde poelen, grachten, staande en lopende waters groeit met driehoekige gebladerde schachten, kroonvormig geschikte bloemen, blote stelen en achtereenvolgende aren.
Deze planten worden meest in het voorjaar door wortelscheiding en ook door het zaad vermenigvuldigd.
RIETGRAS, Waterlis, Waterlint, in ’t Frans `Ruban d’ eau, in ’t Latijn Sparganium, is onder de 1de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Donzen en Waterplanten ,en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia triandria, eenhuizige driemannige.
Het vertakte Rietgras of Waterlis (Sparganium ramosum van Willdenow) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de vijvers, staande en lopende waters groeit met veel geknoopte wortels en lange, smalle bladen die langer en smaller dan het geel Lis zijn en waartussen effen, gladde stengels zonder knopen uitspruiten, ie omtrent 1 meter hoog groeien op wiens toppen van in juni tot in augustus trossen met mooie bleekroze, witachtige bloempjes bloeien die in ’t midden geel saffraanachtig gekleurde meeldraadjes hebben en kleine ronde bolletjes met kleine zaadjes vervuld voortbrengen.
Het hoog Rietgras (Sparganium erectum van Linnaeus) groeit ook in België in de poelen en lopende waters met driekantige rechte bladen en vertakte stengels die alle jaren uit de wortels spruiten en begint in juni te bloeijen met bleekroze, witachtige bloemen.
Het eenvoudig Rietgras(Sparganium simplex van Willdenow) groeit ook in België en elders in de poelen en staande waters.
Het Waterlis (Sparganium natans van Linnaeus) groeit in België inde grachten en poelen met platte, liggende bladen. Ik heb het weinig zien bloeien.
De oude Kruidbeschrijvers noemden het Rietgras Gladiolus aquatilis, hetgeen Waterlis wil zeggen. Dit kruid bezit een verkoelende kracht. De wortels en het zaad, zegt Dodonaeus, werden inde oude tijden ingenomen om de beten der slangen te genezen; maar de nieuwe Kruidbeschrijvers hebben die middelen verworpen en door andere vervangen die krachtigere uitwerking hebben.
RIETPLANT, gewoon Riet, in ’t Frans Roseau, Canne, in ’t Latijn Arundo, is onder de 15de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben. Het gewone Riet (Arundo phragmites van Linnaeus) (Phragmites australis) is een langlevende plant van Europa die in België in de vochtige moerassen, poelen aan de kanten van de waters groeit. Dit Riet jong en groen afgemaaid is een goede voeding voor de koeien die er veel melk en boter van geven; het is ook zeer goed om de paarden te voeden; als het te oud geworden is kan het maar dienen als strooisel, om de huizen mee te dekken en van de bloempluimen bezems te maken.
Het Zand-Riet (Arundo arenaria van Linnaeus) (Ammophila arenaria) groeit in België en elders aan de zee duinen met veel wortels, geknoopte stengels en gerolde, scherppuntige, gestreepte bladen. Dit Riet, door de veelheid van zijn wortels, schikt zich zeer goed om aan de kanten der zandachtige lopende waters te zaaien en de beweging van het zand en uitstroming te beletten; dit jonge Riet wordt van de kruid etende dieren gretig gezocht.
Het Pluimriet (Arundo calamagrostis van Linnaeus) (Calamagrostis canescens) groeit in België veel in de vijvers en poelen en ook in sommige vochtige bossen. Ik moet hier doen bemerken dat de kruid etende dieren zich daarvan verwijderen, tenzij als ze door de honger gedwongen zijn; want het is hun zeer nadelig, omdat ze daarvan een hoest kunnen behouden; het wordt veel van de bezem- makers gezocht.
Het Berg-Riet (Arundo epigejos van Linnaeus) (Calamagrostis epigejos) groeit veel in België op de bergachtige plaatsen en wordt ook jong van de koeien, paarden schapen en andere kruid etende dieren gezocht.
Het Spaans Riet (Arundo donax van Linnaeus) groeit meest in de zuidelijke delen van Europa, op sommige plaatsen wel 3 meters hoog, met dikke, geknoopte, gepijpte, harde, effen schachten en stam omvattende, brede, spitse groene bladen. Dit Riet wordt alle jaren bij de aarde afgesneden en dient om kammen voor de wevers, bobijnen voor de spinners en horden om vruchten op te drogen, vissers hengels, roeden en veel andere werken van te maken. In Zuid-Frankrijk, Spanje en elders koken de kraamvrouwen dit Riet en drinken het gekookt sap om hun zog te vermeerderen; ze zeggen dat als ze dit drinken hun jonge kinderen aan het zuur van hun melk niet onderhevig zijn. Deze plant wordt door wortelscheiding vermenigvuldigd en kan met die bij koude winters een weinig met dorre bladen te bedekken zeer goed ons klimaat weerstaan.
Het Bamboe Riet, (Arundo Bambos van Linnaeus) (Bambusa bambos) groeit meest in de warme landen van de Indiën alwaar het een grote inkomst aan de planters verschaf en wordt veel gebruikt om wandelstokken en alle soorten van sieraad werken mee te maken.
Rivina, in ’t Frans Rivina, in ’t Latijn Rivina, is door Jussieu onder de familie van de Meldeplanten gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De kleine Rivina (Rivina humilis van Linnaeus) is een langlevend klein heester-boomgewas van Amerika dat met eivormige bladen groeit. Geheel deze plant is met grijsachtige groene en witten dons bedekt; het bloeit in de warme serres in april met bloemtrosjes en kleine witte bloempjes waarna zeer mooie bolvormige rode bessen volgen die zeer bevallig zijn en een groot deel van ’t jaar op de plant blijven.
De Rivina laevis (Rivina humilis) van Linnaeus is een heester-houtgewas van Amerika dat in struiken groeit met gladde, hartvormige bladen die dikwijls een roodachtig gemengd kleur hebben; bloeit met trossen en kleine witte bloempjes die vruchten met een levendig rode kleur voortbrengen.
De purperen Rivina (Rivina purpurascens) is een nieuw langlevend heester-houtgewas van Brazilië dat door sommigen Rivina brasiliensis wordt genoemd; het bloeit met witachtige bloempjes die purperen bessen, in de vorm van Linzen, voortbrengen.
De Rivina paniculata (Salvadora persica var. persica)van Linnaeus is een langlevend klein boomgewas van Perzië dat met trosvormige aren, op de wijze van de druiventrossen bloeit.
Al deze mooie houtgewassen moeten alhier in de warme serres ren worden gekweekt en kunnen door het zaad van de rijpe bessen in de serres, op lauwe broeibakken vroeg in het voorjaar gezaaid worden; de zaailingen, die het tweede jaar dikwijls al bloemen dragen, versieren de serres door hun bevallige lieflijke bessen.
ROELLA, in ‘t Frans Roella, in 't Latijn Roella, is door Jussieu onder de familie van de klokvormige bloemplanten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Roella met haartjes gerand (Roella ciliata van Linnaeus) is een langlevende kleine plant van Afrika die boomvormig en zeer vertakt groeit met lijnvormige bladen, aan de randen met veel haartjes versierd en meest alhier in juli bloeit met trechtervormige bloemkransen en mooie violette bloemen die langs binnen wit zijn, zeer bevallige meeldraadjes hebben en ronde zaadhuisjes, in twee hutjes verdeeld, voortbrengen.
De Roella reticulata (Cullumia reticulata) van Linnaeus is een langlevend gewas van de Kaap met bladen door haartjes versierd die op de Gorteria wel gelijkt.
De Roella muscosa van Linnaeus is een langlevende kruidplant van de Kaap die met veel eivormige, getande bladen groei t en stengels die mooie trechtervormige bloemen op de toppen dragen.
Al deze planten moeten alhier in de matige serres of in goede oranjehuizen gekweekt zijn en kunnen door inleggers en afzetsels in de heigrond vermenigvuldigd worden.
ROERKRUID ,Hof-Roerkruid, wild Roerkruid, rood Melizoen-kruid, Wolgras, in ’t Frans Gnaphale des Jardins, in ‘t Latijn Gnaphalium, door Tournefort Elychrysum genoemd; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende kruidplanten gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen-veelechtige-overbodige.
Men vindt heden zeer veel soorten van deze planten; ten tijde van Linnaeus waren er alreeds 58 bekend, die sedert zodanig zijn vermenigvuldigd dat men op sommige lijsten wel 70 soorten vindt, waaronder veel nieuwe Papier- en Strobloemen zijn die ik in ’t artikel der Strobloemen zal melden, mij hier bepaal met deze te beschrijven die men hier en elders gewoonlijk Roerkruid en Rood Melizoenkruid noemt.
Het Roerkruid met witte zilverachtig dons bedekt (Gnaphalium dioicum van Linnaeus) (Antennaria dioica) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de belommerde heide en droge velden groeit en ook inde bloemtuinen wordt gekweekt; het groeit met lijnvormige blaadjes op de aarde gestrekt waaruit in mei stengeltjes met witte zilverachtige dons bedekt spruiten die maar omtrent 10 of 12 centimeters hoog groeien en waarop van juni tot in september roodachtige lieve bloemtrosjes bloeien.
De Gnaphalium divica rosea van Jan Verschaffelt (Cv.)gelijkt wel van bladen en stengels op den voor vermelde, maar draagt zeer lieflijke rooskleurige bloemtrosjes die zaadjes met witte zilveren wol bedekt voortbrengen.
Het Zand-Roerkruid (Gnaphalium arenarium van Linnaeus)(Helichrysum arenarium) is een langlevend klein wit kruid dat alhier in de droge zandachtige velden groeit.
Het Roerkruid van Virginië (Gnaphalium margaritaceum van Linnaeus) (Anaphalis margaritacea) is van Amerika, maar groeit in België op de bergen en in sommige bossen en bloeit met witte bloemen die gele bloemstralen hebben.
Het Roerkruid dat op de Filago wel gelijkt (Gnaphalium sylvaticum van Linnaeus) (Omalotheca sylvatica) is een plant van Zwitserland die ook in de zuidelijke delen van België in de droge bossen groeit in struiken met witachtige bloempjes op de stengels en ook andere die met bleek gele bloempjes bloeien.
Het oosters Roerkruid (Gnaphalium orientale van Linnaeus) (Helichrysum orientale) groeit met altijd blijvende, lijnvormige blaadjes en enkele stengels van omtrent 25 centimeters hoog; bloeit van mei tot in augustus met trosjes en gele blinkende bloemen.
Het bolvormig Roerkruid (Gnaphalium eximium van Linnaeus) (Syncarpha eximia) groeit met eivormige, gesloten bladen, stengels en geschulpte roze roodachtige bloemkelken en gele bloemen; wordt alhier in de bloemtuinen door het zaad en struikscheiding vermenigvuldigd.
Het Roerkruid dat in België groeit is verdrogend en samentrekkende van kracht; het water dat van dit kruid gedistilleerd wordt is zeer geprezen, zegt Dodonaeus, tegen de kanker en vooral van de borsten, want het belet de verborgene kankers tot zweren te komen als men dit water met een linnen doek alle dagen daarop legt. Veel geneesmeesters gebruiken ook de bladen van de Mansoren (Asarum europaeum) om dit water dat voor de kanker te verdrijven wordt geacht mee te maken. Lobel zegt dat het gewone Roerkruid in zijn tijd werd geprezen om de rode loop (melizoen) en de melkziekte te genezen. Het Roerkruid in wijn gezoden geneest niet alleen de eerst gemelde ziekte, maar ook allerlei overvloedige krankheden der vrouwen en stopt de buikloop.
Rogge, in 't Frans Seigle, in 't Latijn Secale, is onder de 15de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie stofdraden bloeien en drie stampertjes hebben.
De Winterrogge (Secale cereale van Linnaeus) is een kruidplant die allejaren alhier in de herfst te velde wordt gezaaid en veel gelijkenis met de Tarwe heeft, maar er toch enigszins van verschilt. Men erkent wel de Rogge ae de stengels, bladen en langwerpige, platachtige aren die zeer zijn gebaard en van weerszijden twee lagen hebben en verenigde bloeibloempjes die tezamen met twee kaf vliesjes in de bloemkelkjes zijn geschikt; het graan dat langachtig en bijna van boven rondachtig puntig is in de bloemkransjes rijp wordt en een bruinachtig kleur verkrijgt scheidt licht uit de aren.
Men vindt ook de Zomerrogge (Secale orientale van Linnaeus ,die van de Egeïsche zee afkomstig is en de kleine Zomer- Rogge (Secale creticum) van Griekenland die alhier meest in het voorjaar wordt gezaaid.
De Roggeplant is minder moeilijk om kweken dan de Tarwe en wil in alle diep bewerkte gronden zeer goed aarden en vooral als die 's winters niet onder water staan, want te veel koude vochtigheid kan de Rogge doen kwijnen; maar in alle andere gronden waar de wortels diep uit de grond hun voedsel kunnen trekken begeert het bij alle andere eenjarige planten gezaaid te zijn en kan zeer goed onze winterse koude weerstaan’ het is ook zeer voordelig om er voort in de lente klavers in te zaaien en het volgende jaar nadat die Klavers gediend hebben om de kruid etende dieren te voeden dit land te bewerken en er Tarwe in te zaaien. Nadat de Rogge die hier meest in juli zijn rijpheid verkrijgt afgepikt en nadien ingeoogst is wordt het land alwaar die Rogge heeft gestaan meest aanstonds gebruikt om er Rapen in te zaaien. De gewoonte die men in sommige landstreken van België heeft van de Rogge ondereen met de Tarwe te zaaien is zeer tegenstrijdig aan de rechte regel omdat die granen dezelfde natuur van grond niet begeren en ook terzelfder tijd hun rijpheid niet verkrijgen; want dikwijls scheelt het alhier 18 of 20dagen dat de Rogge eerder dan de Tarwe rijpt; derhalve is het zeer moeilijk die tezamen af te pikken, zonder de ene of de andere te hinderen, want de Rogge die te rijp op het veld staat verliest bij het afpikken zijn graan en de Tarwe te vroeg afgepikt geeft weinig meel. Het is dus het voordeligste elk op zijn bijzonder land te zaaien en nadien te mengen om mastelein en brood en andere koeken mee te bakken.
Het graan van de Rogge, dat een kloek voedsel inhoudt, dient om bier jenever, gortebrij te maken, brood te bakken dat aan de mensen en dieren een gezond voedsel verschaft en de verstoptheid der darmen opent. De Rogge gemalen bezit ook veel slijm poeier en dient om ameldonk en pappen mede te maken; het fijne van de Rogge wordt vooral met honing in deeg bewerkt om peperkoeken mee te bakken waarvan die van Gent door geheel België en de Nederlanden zijn vermaard.
De Rogge wordt ook wel alhier gezaaid om groen de kruid etende dieren te voeden en het stro dat bij het rijp worden een zekere taaiheid en buigzaamheid bekomt wordt veel gebruikt om huizen mee te dekken, matten, hoeden en andere sieraad werken mee te vlechten en ook voor bindsels in de hoven.
Eindelijk, al de deugden, nuttige voedzame delen en verdere heilzame krachten die deze plant bezit zijn van iedereen goed bekend om ze alhier te verhalen omdat men er een geheel boekdeel van zou kunnen schrijven.
ROOS, Rozelaar, Rozenboom, Wilde Roos, Hondsroos, in het Frans Rose, Rosier, in ’t Latijn Rosa ,is onder de 21ste klasse, 8ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten en onder de 12de klasse van Linnaeus Icosandria polygynia, twintighelmige, planten die van twintig tot honderd en meer helmstijltjes of stofdraden en verscheidene stampertjes hebben.
De Rozen zijn langlevende gewassen die van over zeer oude tijden in Europa zyn bekend; ten tyde van Linnaeus werden er alhier van de gewone Boeren-Rozen en andere van Europa slecht 20 verschillende soorten gevonden, terwijl men er heden meer dan 100 bij onze liefhebbers en bloemisten vindt, zonder de Chinese en Bengaalse Rozen te rekenen, die enkel sedert een halve eeuw alhier zijn overgevoerd en ten alle kanten in Europa zijn verspreid en waarvan men heden bij onze bloemkwekers te Gent meer dan 1000 verscheidene kan bekomen. De heer Louis Van Houtte alleen telt op zijn lijsten omtrent 800 soorten die hij secties verdeeld zoals de Pimpernel Rozen, Kapucine Rozen, dubbele mooie gele, witte Rozen, Damast-Rozen, Mosrozen, Rozen met honderd bladen, Rozen met altijd groene bladen, Muskaten-Rozen, Banks-Rozen, Rozen met veel bloemen, Rozen met grote of kleine bladen, de Hybriden met grote bladen, Rozen die met bloemblaadjes boven de bloemen bloeien, Thee-Rozen van de Indiën, Bengaalse Rozen waarvan hij wel 150 soorten vermeldt, Lawrenceana Rozen, Noisettes Rozen, Rozen die altijd bloeien, Portland Rozen en al zijn gehybridiseerde Rozen die hij door het zaad heeft bekomen en waarvan elke zijn naam op zijn lijst heeft. Onze bloemist Coene bezit ook een mooie verzameling van die Rozen waarmee hij in de tentoonstelling van de Casino te Gent in 1842 de ereprijs heeft behaald. De heren bloemkwekers Verschaffelt, Van Geert ,J.-B. De Saegher en veel anderen hebben met hun Rozen verscheidene malen in de tentoonstellingen die in veel steden van België plaats hebben gehad de eerste prijzen behaald.
Men heeft sedert enige jaren te Parijs, in de kwekerij van de Luxemburg, uit het zaad meer dan 300 soorten en medesoorten verkregen die allen met hun namen op de lijsten zijn gemeld en waaronder men drie bijzondere uitstekende namen bemerkt, namelijk :de Roos van Spaendonk, de Roos van Dael en de Roos Redouté, drie wijd vermaarde Belgische bloemschilders aan wie men te Parijs, als een bewijs van hun mooie kunst die Roozen heeft opgedragen en die men in België, Frankrijk en elders bij meest alle liefhebbers ontmoet.
Omdat men al de namen van duizend en meer Rozen op de bloemlijsten van onze kweker die ze aan alle liefhebbers meedelen vindt zal ik mij bepalen met die te noemen welke voor het mensdom nuttig zijn: de Roos van Kamtsjatka, de Roos cinanmomea (Rosa majalis) van Linnaeus van Zuid-Europa, de Rosa muscosa (Rosa x centifolia “Muscosa) met de gewone dubbele welriekende Boeren-Roos zijn van over zeer oude tijden om hun heilzame deugden in de medicijnen bekend: men kan er rozen siroop, rozenwater om de zere ogen mee te wassen, rozen azijn en wel riekende waters uit bereiden die een stoppende en verkoelende kracht inhouden en voor de witte vloed, zaadloop, buikvloed en veel andere kwalen worden bevolen; er wordt ook veel conserven met die rozenbloemen gemaakt en ook een olie uit getrokken; het rozenwater wordt veel in de marsepein koeken en andere lekkere spijzen gebruikt. De roodblozende vruchten die de Hondsroos (Rosa canina of Rosa eglanteria (Rosa rubiginosa) van Linnaeus) draagt worden als ze rijp zijn verzameld en door de apothekers een confituur mee gemaakt die onder de naam van Cinorrhodonis is bekend en als stoppend geneesmiddel wordt gebruikt. Zeer veel soorten van Rozen worden ook heden op die wilde Egelantiers-Roos geënt.
De wijze om uit alle Rozen, zowel Chinese als Bengaalse, door het zaad nieuwe verschillende soorten te winnen, bestaat enkel op in de juiste tijd als de bloemen hun levende spanning hebben bekomen die met de stuifdraden of meeldraadjes van andere bloemen vruchtbaar te maken en wel dit stuifzaad op de stampertjes of wijfjes natuur delen der bloemen bij het bepoederen te doen vatten gelijk het ik in het 1ste deel bladzijde 81 aangewezen heb en het vruchtbaar gemaakte rijpe zaad in zijn zaadhuisje of vrucht goed te laten drogen en dit in het voorjaar in potten of op teilen in de fijne goed bereide heigrond te zaaien en met zorg die in de oranjerie te plaatsen om voorts in potten te verplanten en te koesteren tot dat die jonge zaailingen bekwaam zijn om in de vrije lucht te zetten en voorts in de volle grond te planten; zeer velen van die Chinese en Bengaalse Rozen kunnen onze koude winters niet weerstaan en moeten met dorre bladen worden bedekt of in potten in de planthuizen zijn bevrijd alwaar ze veel vroeger bloemen; want die buiten blijven staan, niet tegenstaande men ze goed bedekt, worden dikwijls door de koude en vochtigheid gehinderd. De gewone Boeren- en Provence rozen worden alhier meest door inleggers en uitlopers die ze voldoende geven vermenigvuldigd.
ROSMARIJN, Rozemarijn, in ’t Frans Romarin ,in 't Latijn Rosmarinus, is onder de 4de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De officinale Rozemarijn (Rosmarinus officinalis van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Spanje dat in België veel ten alle kanten in de bloemtuinen wordt gekweekt en zeer vertakt wel omtrent 1 meter hoog groeit met lijnvormige groene blaadjes die van onder witachtig zijn; bloeit meest in juni, met bleke, witachtige blauwe bloempjes die een welriekende geur verspreiden. Geheel deze plant, zowel de bladen als bloemen, bezit een aangename reuk die de hersenen verkwikt en de pijn van het hoofd verdrijft. .Al de oude en nieuwe Kruidkenners zeggen dat de Rozemarijn van de edelste planten is; de jonge takjes met bladen of bloemen in de wijn of bier gekookt en daarvan met mate gedronken is een der heilzaamste middels om de flauwe maag aan te hitsen en de eetlust te verwekken; het ververst het bloed, doet de achterblijvende maandstonden verhaasten, verkwikt het hartzeer, drijft de pis af en verjaagt de kwade vochten uit het lichaam. De Rozemarijn, zegt Grimaud de Caux, is bijzonder goed om de gekwetste baarmoeder te genezen; door afkooksel warm ingenomen doet het geweldig zweten en kan de geelzucht genezen; het sap uit het jonge kruid of bloemen gestampt en met honing gemengd is zeer dienstig om aan de ogen te strijken: het verdrijft de donkerheid en verheldert het gezicht. De jonge takjes met de bladen fijn gestoten ,in de azijn geweekt en daarmee de mond en tanden gewreven stilt de tandpijn e doodt de wormen die zich soms in de tanden bevinden. Er wordt ook een olie uit het kruid en bloemen getrokken en veel balsem mee gemaakt die op de wijze van zalf bereid als pleisters om de aambeien te genezen wordt gelegd. Er wordt nog een water uit die plant gedistilleerd om het hoofd en lamme lenden mee te wrijven. Eindelijk, de Rozemarijn bladen worden ook in poeier gestampt om in de bloedige wonden te strooien. Van het hout worden ook tandenkoters en andere kleine sieraad werken gemaakt die door de aangename reuk die het hout altijd behoudt van de juffrouwen veel worden gezocht.
Die welriekende en edele Rozemarijn kan door de jonge scheuten in de verse aarde op belommerde plaatsen te steken en die op tijd te besproeien wel wortel kunnen vatten; men kan het ook op laauwe broeibakken vermenigvuldigen, maar het moet hier ’s winters beschud worden omdat het geen veertien graden koude kan weerstaan.
ROTTE, Zee-Rotte, Zeemee, in 't Frans Crucianelle, in het Latijn Crucianella ,door Tournefort Rubeola genoemden onder zijn 2de klasse, 3de sectie der trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie der planten die rode verf in houden en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Rotte of Zeemee (Crucianella maritima van Linnaeus) is een langlevend kruid van Zuid-Frankrijk dat ook in Italië, Spanje, Frankrijk en België aan de zeekanten groeit met houtachtige over elkander liggende stengels die teer en vierkantig zijn en waaraan ruwe groene baadertjes groeien die kruisvormig aan de knoopjes der stengels zijn geschikt en enigszins op het Kleefkruid gelijken; bloeit meest van mei tot in augustus met bleke geelachtige bloempjes die als kroontjes rondom de toppen der stengels zijn geschikt. Deze plant werd van de oude Kruidbeschrijvers Rubia maritima genoemd.
De Rotte met mooie versierende roze bloempjes (Crucianella cruciata stellosa) (Phuopsis stylosa) is een langlevende kleine kruidplant van Zuid-Europa die met geknoopte stengeltjes bij de aarde over elkaar groeit en gewoonlijk aan elk knoopje der stengels zeven lijnvormige groene blaadjes heeft; bloeit alhier meest van mei tot in augustus met kroonvormig geschikte bloemtrosjes die een zeer mooie roosachtige kleur hebben en met verhevene stampertjes zijn versierd. Deze lieflijke plant, van sommigen Crucianella stylosa genoemd, kan zeer goed onze winterse koude weerstaan en wordt veel in de bloemtuinen geplant die ze door zijn langdurige bloemen zeer lieflijke versiert. Het kan door struikscheiding in de lente vermenigvuldigd worden.
Men vindt nog de eenjarige Zeerotte met smalle bladen(Crucianella angustifolia van Linnaeus) van Montpellier die alle jaren vroeg in het voorjaar in de bloemhoven wordt gezaaid en groeit met ruwe stengels en zes of meer lijnvormige, rechte bladen; bloeit met aren op de toppen die op Gerst gelijken.
De Crucianella patula is een langlevende plant, die veel in Spanje groeit. .Al de Kruidbeschrijvers houden die gewassen voor goede wondkruiden; ze zijn een weinig samentrekkend en droog- makend van krachten. De Rotte, door zijn bitterheid van smaak, verjaagt uit het lichaam de vuile vergaderingen en slijmachtige overvloedige vochten, verwekt de eetlust en helpt de spijs verteren. De Rotte gezoden, zegt Clusius, en het water daarvan gedronken is goed om de verstoptheid der borst ,maag, aderen en gans het ingewand te ontsluiten; het wordt ook als wondkruid ingenomen voor die van hoog gevallen zijn en bloed spuwen en veel met Rozenwater gemengd en tot zalf gemaakt om de verharde leden mee te strijken.
RUDBECKIA, in ’t Frans Rudbeckia, in ’t Latijn Rudbeckia, van Tournefort Corona solis genoemd en onder zijn 14de klasse, 2de sectie der straalbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustranea, samenhelmige, veelechtige, vruchteloze. Men vindt heden de volgende soorten van die lieflijke kruidplanten:
De ingesneden Rudbeckia(Rudbeckia laciniata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die wel omtrent 2 meters hoog groeit met vertakte stengels en brede, vingervormige bladen en alhier meest in juni bloeit met grote, gele bloemen op de toppen.
De purperachtige Rudbeckia (Rudbeckia purpurea van Linnaeus )(Echinacea purpurea) is ook van Noord-Amerika en groeit met stengels en langwerpige bladen; bloeit meest van juli tot in augustus met grote bloemen, bruine lange midden knopjes en gulden meeldraadjes met veel lange purperen stralen die zeer mooi versieren.
De gevingerde Rudbeckia(Rudbeckia digitata van Willdenow) (Ratibida pinnata) is een langlevende kruidplant van Amerika die kleiner dan de voor vermelde groeit.
De Rudbeckia Drummondia (Cv. Of Rudbeckia drummondii) is een nieuwe langlevende kruidplant die met zeer lieflijke bloemen in juli bloeit.
De Rudbeckia hirta van Linnaeus is een tweejarige kruidplant die omtrent 1 meter hoog groeit.
De Rudbeckia triloba is een langlevende kruidplant die alhier in juli met zeer lieflijke bloemen bloeit.
Al deze mooie gewassen, waarvan ik de krachten niet ken, kunnen zeer goed onder alle andere kruidplanten, in de bloemtuinen onze koude winters weerstaan en begeren een goede lichte grond; ze kunnen door wortelscheiding en door het zaad inde lente vermenigvuldigd worden.
RUELLIA, in ’t Frans Ruellie, in ‘t Latijn Ruellia is door Jussieu onder de familie van de Berenklauwplanten gesteld, en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, planten die met twee lange en twee korte helmstijltjes bloeien en wiens zaadjes in een zaadhuisje besloten zijn.
De Ruellia met eivormige bladen (Ruellia ovata) is een mooie, nieuwe langlevende plant van Mexico die met vijf bloembladen in de kelken, trechtervormige bloemkransen en zeer lieflijke blauwe bloemen, met meeldraadjes in twee verenigd alhier in de warme serres meest in juli bloeit.
De witte melkachtige Ruellia (Ruellia lactea van Willdenow) is een langlevende kruidplant van Mexico; het bloeit alhier in de warme serres in augustus met aller mooiste witte bloemen.
De Ruellia met grote blauwe bloemen (Ruellia varians) (Eranthemum pulchellum) en de Ruellia eranthemum pulchellum (zelfde) zijn twee planten van de Indien met gerankte, hoekige stengels en ruwe, eivormige, geribde bladen die even wijd groeien; bloeit alhier meest in mei met aren en lieflijke blauwe bloemen die een purperachtig kleur verkrijgen.
De mooie prachtige Ruellia (Ruellia formosa van Curtis Bot. Mag) (Ruellia elegans) is een langlevende kruidplant van Brazilië die meest in juli bloeit met zeer mooi roodblozende bloemen.
Men heeft onlangs bij onze bloemisten nog de Ruellia infundibuliformis, (Crossandra infundibuliformis) Ruellia sabiniana, Strobilanthes sabiniana) Ruellia paniculata, Ruellia balsamica (Hygrophila balsamica) en andere soorten van de Indiën verkregen die hier allen in potten in goed vermengde heigrond in de warme serres worden gekweekt en door uitspruitsels, afzetsels en het rijpe zaad kunnen vermenigvuldigd worden.
RUIT, Tamme Hof- of Wijnruit, in ’t Frans Rue, in ;t Latijn Ruta ,is onder de 6de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der roosvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Ruitplanten en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes die bloemen en maar een stampertje hebben.
De sterk ruikende tamme Hof-Ruit (Ruta graveolens van Linnaeus)i is een langlevende kruidplant van Oost-Europa die met houtachtige stengels groeit en met uitgesneden, groene bladen, lommerrijk versierd op wiens takjes meest in juli zijdelingse bleke, geelachtige bloemen bloeien. Deze plant wordt om zijn nuttige en heilzame deugden veel in de kruidhoven door wortelscheiding vermenigvuldigd. Het schijnt dat elk land zijn soort van Ruit heeft om in de medicijnen te gebruiken want de Ruta patavina groeit veel in Italië omtrent Padua; de Ruta pinnata met gevleugelde, lansvormige bladen groeit meest in Spanje; de Ruta chalepensis van Linnaeus komt van Afrika, en groeit veel in Egypte; maar deze planten kunnen onze winterse koude niet weerstaan, en moeten derhalve in de planthuizen worden bevrijd. De Ruit (Ruta graveolens) is sterk van reuk, heet, bitter van smaak en verdrogend van krachten; het is van alle ervaren doctors en kunstscheiders bekend dat de Ruit zeer veel vluchtige olie bezit die op wat delen van het lichaam wordt gelegd een werkende aanprikkeling veroorzaakt. Het sap wordt veel in de trekpleisters met zalf gemengd en het gestoten kruid met gerstemeel in de pappen gebruikt om de heuppijn en jicht te stillen.
De Ruit, zegt de doctor Roques, in zjjn verhandeling over de kruiden met een behoorlijke hoeveelheid ingegeven is een zeer geschikt middel voor de menschen die met den bloedloop en bloedvloed zijn gekweld. Dit Ruit kruid op Franse brandewijn getrokken en op het vel zachtjes ingewreven verwarmt de koude delen van het lichaam die door het reuma of sciatica zijn besmet. De geneesheren hebben dikwijls bemerkt, zegt G. Grimaud de Caux, dat een stukje neteldoek in het sap van de Ruit geweekt en op de holle delen van de borst der zieken gelegd een prikkeling verwekt diede borst weldra ontlast en een toeval van longziekte kan doen verdwijnen; maar de Ruit inwendig genomen verdroogt zeer de natuur delen; het sap in de neus gedaan stelpt het bloeden en met rozenwater of rozenazijn gemengd is het zeer dienstig voor alle voort etende zeren en indien men er het hoofd mee smeert verdrijft het de pijn en verheldert het gezicht. De Ruit gestoten en met wijn bereid en dit helder door een doekje laten vloeien is zeer goed voor die vergiftige Kampernoelie of enige andere vergiftige spijzen ingenomen hebben. De eenvoudige landlieden stampen de Ruit met honing en azijn om op de navel der kinderen te leggen hetgeen de wormen in de buik doodt en afdrijft. De olie van Ruit heeft ook al die krachten.
RIJST, Rijsplant, in ’t Frans Riz, in ’t Latijn Oryza, is onder de 15de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der planten die met stuifdraden bloeien; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria digynia, planten die met zes meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
De tamme Rijstplant (Oryza sativa van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van de Indiën met wortels die op de Tarwe gelijken, rechte, ronde, geknoopte stengels die omtrent 1 meter hoog groeien en lange, dikke, gestreepte bladen; bloeit op de toppen der stengels met trosvormige aren en purperachtige bloempjes die hard, wit, puntig graan voortbrengen dat ingegroefde bloemkelken besloten is. Deze plant is van over zeer oude tijden in China, Azië en andere warme landen bekend; het dient tot dagelijks voedsel aan de volkeren en iedereen kent de goed Rijst van de Carola Eilanden die in verscheidene zuidelijke delen van Europa, zoals in Spanje, Italië, Savoie en elders wordt gezaaid.
Men heeft ook veel medesoorten van de Rijst planten verkregen die in alle warme delen der wereld, meest in vochtige landen aan de lopende waters die dikwijls overvloeien worden gezaaid.
Men vindt in de Indien langlevende Rist planten(Oryza perennis) die in het water groeien en door het zaad en uitlopers vermenigvuldigd worden.
De kweek der Rijst planten is in de warme gewesten zeer voordelig omdat het aan de inwoners een grote inkomst verschaft en dat de Rijst die een zeer voedzame en zachte spijs inhoudt en een aangenaam stoppend middel bezit door de volkeren van die streken tot brood wordt gebakken zoals men hier het Tarwemeel gebruikt; ook in veel gewesten van Europa wordt gewonlijk een zevende gedeelte gepelde Rijst ,met tarwe meel gemengd hetgeen het brood zwaarder en voedzamer maakt en een aangename smaak aan verschaft. De Rijst wordt ook veel als voedzaam geneesmiddel aan de mensen die door een ziekte zijn afgemat bevolen als welriekend in de melkroom bereid en met kaneelwater als verkoel drank gebruikt. Eindelijk, de Rijst die alhier door de koophandel wordt overgevoerd is zeer nuttig om tot velerlei spijzen te bereiden en als voedsel voor het mensdom te gebruiken.
Men vindt in het verslag van M. Arnal, lid der Academie te Parijs, geschreven dat de kapitein Philibert laatst een Rijst boom naar Frankrijk heeft gebracht uit Cochinchina die volgens de beschrijving goed met het klimaat van Zuid-Frankrijk zou overeen komen en waaruit ze denken in het vervolg veel nut te kunnen trekken. De heer M. D. Peluguer schrijft ook in zijn verhandeling over de landbouw van een langlevende Rijst plant die M. Poivre van Cochinchina naar de Franse eilanden heeft gebracht die maar in het water kan worden gekweekt kleine Rijst voortbrengt en derhalve weinig wordt geplant.
Zie hier op wat wijze men in Piëmont, Italië, Spaeje en andere warme landen van Europa de Rijst kweekt: De gewone Rijss begeert van natuur een goede zware grond waarvan de binnenste lagen toelaten het water boven te kunnen houden omdat het gedurende zijn wasdom een zekere hoeveelheid vruchtbare vochtigheid moet hebben. Men verzekert in Italië ook dat de ijst altijd het beste zal groeien en de volmaaktste granen zal voortbrengen in de landerijen die zoutachtig en aan de kanten der zee gelegen zijn; maar de Rijst plant om goede vruchten te dragen vereist binnen het jaar terwijl het groeit vier of vijf maanden een hoge warme luchtgesteldheid, derhalve kan het maar in 45 tot 46 graden Noorder breedte gekweekt worden; daarboven moeten de landerijen om de Rijst te zaaien op een zodanige wijze zijn geschikt dat men de gronden op tijd naar wil overal kan onderwater zetten; het stromende water uit de rivieren wordt bij voorkeur op alle ander ten dien einde geacht; de landen om den Rijst te zaaien mogen ook door geen bomen belommerd zijn. Na eerst de grond goed bewerkt en binnen de winter geploegd te hebben en dat het met de lente door de warmte der zon een voldoende bereiding voor het zaaien bekomen heeft begint me in april het Rijst graan met de hand te zaaien dat men eerst zes-en-dertig uren in het water te weken heeft gezet om het uitspruiten te verhaasten’ nadat dit zaaien geheel is volbracht wordt op de wijze van het tarwe land de grond geëgd, gesleept en toegerold; als deze bewerkingen geëindigd zijn wordt het water op het rijst land, omtrent 6 of 7 centimeters hoog, gelaten op zo’n wijze dat het bovenste van dit land geheel is verdekt; wanneer de eerste bladen van de Rijst splanten beginnen boven uit het water te verschijnen heeft men zorg dit water geleidelijk aan te verhogen in die voege dat de bovenste bladen gestadig op het water vlotten totdat de strohalm of stengel zich ten dele ontwikkeld hebben en enige knopen hebben bekomen en sterk genoeg zijn om zich zonder water regch te kunnen houden; dan wordt het water van dit Rijst land getrokken totdat men bemerkt dat de planten een geelachtig kleur beginnen te verkrijgen wanneer men ze weder nieuw water geeft dat men wel tot 9 of 10 centimeters hoog laat vloeien; na deze tweede maal het water afgelaten te hebben tracht men de planten van alle onkruid te zuivere en terwijl ze bloeien wordt het water op nieuw weer 12 of 14 centimeters hoog op het land gezet. Vervolgens, wanneer men bemerkt dat het stro en de aren beginnen te rijpen hetgeen men gemakkelijk zien kan aan de gele kleur dat ze verkrijgen laat men het water geheel van het rijst land laat aflopen en nadat de grond gedroogd is begint men de Rijst, zoals als de andere graanvruchten, in augustus in te oogsten. De rijst aren worden met een sikkel van de strohalmmen gesneden, in bussels gebonden, in de schuren of schelven te drogen gelegd n dan gedorst, gewand en door de zift gezuiverd en op de zolders en open plaatsen en dikwijls totdat het geheel droog is, gelijk andere granen geroerd; het wordt dan Rizon of grijze Rijst genoemd omdat he nog van zijne kafvliesjes voorzien is; en na gepeld te zijn wordt het witte Rijst genoemd. De Rijst isseen der beste voortbrengselen die de aarde kan opleveren, zowel door den overvloed van graan als door de hoge prijs waaraan het in Europa verkocht wordt; jammer dat zo’n kostelijk gewas in ons klimaat niet kan groeien.
SAFFLOER, Wilde Saffraan, Bastaard-Saffraan, in ‘t Frans Carthame, Safran bâtard, in 't Latijn Carthamus, is onder de 12de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van het Askruid en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige-veelechtige-gelijk bloeiende.
De Saffloer (Carthamus tinctorius van Linnaeus) is een eenjarige zaaiplant van Egypte die in de zuidelijke delen van Europa natuurlijk groeit en zelfs het klimaat van het Zuiden van België is die plant niet nadelig; het wordt veel in Frankrijk, Italie, Duitsland en elders alle jaren vroeg in het voorjaar gezaaid nadat de vorst die jonge planten niet meer kan hinderen en groeit met spilvormige wortels en vertakte stengels omtrent 50 of 60 centimeters hoog met overhoekse en alleenstaande, eivormige, prikkelachtige, getande bladen; bloeit van in juli tot 't einde van augustus ,met geelachtige rode bloemen op de toppen der takjes die olieachtige zaadjes voortbrengen. De bloemen van de Saffloer worden binnen het bloeien alle dagen, als het helder weer is ,wel twee maanden lang verzameld en op belommerde plaatsen alwaar de lucht doorvliegt gedroogd en nadien in zakken of kassen gevuld en tegen de vochtigheid en het verderf bevrijd om voort als verf te gebruiken.
Er zijn twee kleurende eigenschappen in de bloemen van de Saffloer: de ene is een gele verf die in het water oplost en de andere een rode verf die zich door zeep of loogzout (alkali) ontbindt; die Saffloer geeft aan de zijde en andere stoffen een zeer mooie roze en hoogrood kleur, maar die weinig vast zijn want ze kunnen het wassen met zeeploog noch de lucht en zon niet weerstaan; niettemin het katoen met die Saffloer geverfd, met witte zeeploog gewassen en in de schaduw gedroogd, verliest weinig deze kleur en als men dit aanstonds in het zuurachtig water met citroensap vermengd spoelt en laat weken, dan verkrijgt dit katoen een mooie jasmijn kleur. Veel gekleurde waters en blanketsels voor de juffrouwen worden door de Saffloerbloemen gemaakt. Het mooie rood dat de schilders gebruiken en rouge végétal of vermillon d'Espagne noemen, wordt ook met de meeldraadjes van die bloemen gemaakt. Men koopt jaarlijks veel Saffloer in Egypte en elders in Zuid-Europa om alhier bij de ververs in de fabrieken te gebruiken. Ofschoon deze plant voor het verven dient wordt het in sommige landen in veel spijzen gebruikt om er een aangename kleur aea te geven. De Joden en Turken eten schier geen andere spijzen dan met Saffloer bereid. De bloemen van dezer plant hebben in de medicijnen de krachten van de Saffraan en het zaad door afkooksel bereid is een hevig buik zuiverend middel; er wordt ook veel olie van gemaakt die eertijds bij de apothekers Cnicelaeon werd geheten. Het zaad wordt veel gebruikt om de vogels te voeden en is onder de naam van Papagaai zaad bekend; het kan zijn krachten wel drie jaren behouden en twee jaren voor het zaaien goed blijven. Deze gewassen kunnen moeilijk verplant worden.
SAFFRAAN, in ’t Frans Safran, in ’t Latijn Crocus, is onder de 8ste klasse, 2de sectie der Lelieplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Lisbloemen en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De tamme Saffraan (Crocus sativus van Linnaeus) is een bolplant van Azië die in Belgie, Frankrijk, Italië en Duitsland wordt gekweekt; het groeit met lijnvormige bladen, een schelpige bloeischeden en bloeit alhier meest in september met purperachtige violette bloemen; en roodachtige oranje stempels die de bloemen voortbrengen is de Saffraan die in de handel wordt verkocht om inde keukens te gebruiken.
De Lente-Saffraan(Crocus vernus van Linnaeus) is een langlevende bolplant van de Alpen gebergten; het groeit met korte bladen en kleine schachtjes en bloeit meest van februari tot in april met geel vergulde bloemen. Men heeft door het zaad veel medesoorten van deze bolplant verkregen die met effen gele, violet gele, blauwachtig gele, purper gele, witte, grijze en geel en veel andere gekleurde bloemen bloeien.
Men vindt er ook veel met dubbele bloemen die allen meest in de lente bloeien waaronder de Saffraan van Suze (Crocus susianus) (Crocus angustifolius) met gele bloemen en purperen strepen; de Crocus sulphureus, de Saffraan van Mesiën (Crocus maesiacus van Italië) (Crocus flavus subsp. flavus) de Saffraan van Napels (Crocus neapolitanus) en meer dan honderd medesoorten zijn die in België en elders uit het zaad zijn gesproten en door de bloemkwekers allen verscheidene namen hebben verkregen.
De Herfst-Saffraan (Crocus autumnalis of Crocus officinalis van Linnaeus),(Crocus sativus) die in september bloeit en wiens welks bloemen en meeldraadjes zo’n aangename geur bezitten is heet en wat samentrekkende van krachten; die Saffraan matig gebruikt verkwikt de hersenen, verheugt de mens, verwekt de eetlust, begunstigt de bewerking der moeilijk aandrijvende magen, verkoelt de spieren en verwekt de maandstonden. De Saffraan, zegt G. Grimaud de Caux, wordt veel voor een kwade hoest, pleuris en verstoptheid der lever en milt geprezenen is goed voor de waterzuchtige mensen en benauwde zieken. Men plag de Saffraan veel te gebruiken om er gele verf mee te maken; de beste Saffraan die men hier in de winkels en bij de apothekers verkoopt komt meest van de zuidelijke delen van Europa . Al die Saffranen kunnen door het rijpe zaad in de verse grond vermenigvuldigd worden, ze moeten ’s winters met dorre bladen bevrijd zijn en brengen vroeg in de lente veel jonge bollen voort die alle drie jaren van elkaar kunnen gescheiden worden en mooiere grote bloemen als men die in de herfst in potten plant; met die enkel 12 of 14 centimeters van elkander te plaatsen brengen ze meer jonge bloembollen voort.
SALIE, Saliekruid, Savie, in ’t Frans Sauge, in ’t Latijn Salvia, is onder de 4de klasse,1ste sectie van Tournefort gesteld ;door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee stuifdraden bloemen en maar een stampertje hebben. De Winkel-Salie (Salvia officinalis van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Zuid-Europa, dat alhier in de kruidhoven wordt geplant en in struiken groeit met stengels omtrent 30 centimeters hoog, en spitse, eivormige, groene bladen die geheel gekerfd, doorschijnend en gerimpeld zijn; bloeit meest in juli met aren op de toppen der stelen, puntige bloemkelken oneffen bloemkransen en lipvormige bloembladen die een purperachtig blauw kleur hebben.
Deze welriekende plant is door zijn gebruikt warme en droge krachten die het geheugen en de zinnen versterken en voor de pijn in het hoofd en beroerdheid wordt gebruikt, van over zeer oude tijden bekend; in de spijzen gegeten zuivert het de darmen en verwekt den eetlust; met zoete melk gekookt en gedronken is het goed voor de pijn in de keel; met bier of wijn gezoden zeer dienstig voor de kwade magen en lauw gedronken goed voorde longzucht, verstopte lever, krampen en beroerdheid. De Salie wordt ook veel me de Lavendel gemengd om riekende water te distilleren en met Alsem gekookt en tegen de bloedloop gebruikt.
Men vindt heden zeer veel soorten van Salie die alhier in de zonnehuizen s‘ winters worden bevrijd zoals de Salvia coccinea van Linnaeus met zijn mooie welriekende bloemen die van Florida in Amerika over enige jaren alhier is overgevoerd; de Salvia fulgens van Willdenow van Mexico; de Salvia canariensis, van de Canarische eilanden; de Salvia aurea van de Kaap; de Salvia paniculata van Linnaeus van Afrika; de Salvia patula (Salvia argentea) van Desfontaines ,van Barbarije.
Onze bloemisten hebben nog van de Indiën de volgende soorten verkregen: Salvia cardinalis, (wel een cv.) Salvia confertiflora, Salvia Grahami, (Salvia microphylla) Salvia hians, Salvia prunelloides, Salvia reglia, Salvia tubifera longiflora (Salvia tubeifera)en veel andere met zeer lieflijke bloemen versierd die door het zaad, afzetsels en uitspruitsels vermenigvuldigd worden .
De wilde Salie (Salvia pratensis) en de Bos-Salie (Salvia sylvestris) groeien in de moerassen en velden; de Salvia verticillata en de Salvia glutinosa van Linnaeus groeien in België in de bossen en bloeien in juli met donker blauwe bloemen die lijmachtige machtige bloemkransen hebben.
SANDERBOOM, in ‘t Frans Santal, Bois de Santal , in ’t Latijn Santalum, is door Jussieu onder de familie van de wilde Ezel- plant gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, bomen die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt in de Oost- en West-Indien de witte Sandelboom (Santalum album van Linnaeus) die aldaar dik en groot groeit, vertakt met lommerrijke groene bladen en in die warme landen meest in januari bloeit met vier bloeibladen in de kelken, in vier getand en vier donkerblauwe bloembladen die eikels of vruchten met veel kerntjes voortbrengen die de kelken tot hun rijpheid vergezellen.
Men vindt in de Indiën drie soorten van die bomen met wit, rooskleurig en bleekgeel hout; het bleekgeel hout heeft een aangename reuk en wordt derhalve meest door den handel naar Europa gezonden om alle slag van sieraad werken en fraaie meubelen mee te maken die een welriekende geur behouden; mar gelijk dit hout door de hoge prijs van het overvoeren dikwijls zeldzaam is en wat kostbaar valt wordt het heden veel door het Palmhout en Vlierhout die in Europa groeien vervangen. Het bleekgeel Sandelhout is koud van aard en verkoelend van kracht en wordt derhalve bij de apothekers in poeiers bereid en voor hete magen dat door de scherpheid der gal voortkomt ingenomen; het wordt ook tegen de klopping der hart in de geneesmiddelen bereid en voor de hete koortsen gebruikt; ook met suiker genut en in andere medicijnen gemengd om den onmatige bloedgang te stelpen. Dit hout wordt in de Indiën veel in poeiers gemalen en alzo verzonden. De bomen kunnen door het kernzaad vermenigvuldigd worden.
SANIKEL, Wondkruid, in ’t Frans Sanicle, in ’t Latijn Sanicula, is onder de 7de klasse, 9de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia ,planten die met vijf stuifdraden en twee stampertjes bloeien.
De Sanikel of officinale Wondkruid (Sanicula europaea van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België in de bossen op belommerde plaatsen groeit en meest op vette, vochtige gronden wordt gevonden; het groeit met roodachtige wortels die naar boven dikachtig zijn, langwerpige, dunne bladstelen en ronde, diep gekerfde, in vijf delen gesnedene bladen die bruin- groen van kleur, blinkende, glad, gescheurd en aan de boorden of kanten roodachtig zijn en waartussen meest in mei een of twee bijna blote stengels uitspruiten die maar omtrent 25 centimeters hoog groeien waarop in juni kleine, ronde, witte, steelloze, vereenigde bloempjes bloeijen en ruwe vruchten die op de wol der schapen en kleren blijven kleven. De bladen van deze plant blijven de gehele winter even groen en worden van de koude niet gehinderd. De Sanikel is warm en droog van krachten, een weinig bitter van smaak maar samentrekkend van aard. Het sap van deze plant gedronken of uitwendig gebruikt geneest allerhande wonden en kwetsuren. De Sanikel in het water met Kervel gezonden en als verkoelende drank enige dagen gedronken stopt het bloedspuwen en geneest de bloedloop; het kruid in het water gezoden en papvormig op de gezwellen gelegd geneest de zweren; de wortels en het kruid met water en honing gekookt zijn zeer heilzaam gedronken om de gescheurdheid, gekwetste longen en inwendige zeren te genezen; de bladen worden veel gedroogd als poeier met de medicijnen gemengd en als zeer nuttig voor de gemelde gebreken gebruikt. Deze plant wordt om zijn deugden ook in de kruidhof der Hogeschool gekweekt.
SANSEVIERIA, in ’t Frans Sansevièr e, in ’t Latijn Sansevieria, is door Jussieu onder de familie der Lelieplanten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Sansevieria met steelloze bloemen (Sansevieria carnea van Andrews) (Reineckea carnea)is een langlevende kruidplant van China; het groeit met geknobbelde wortels, schachten die omtrent 25 centimeters hoog groeien en smalle ,lange schedevormige bladen en bloeit meest in juni met aren op de schachten en zeer lieflijke witachtige rooskleurige bloemen die een zoete aangename reuk verspreiden. Deze plant kan wel onze koude winters weerstaan en wordt door afzetsels als de Anjers vermenigvuldigd.
De Sansevieria zeylanica van Willdenow is een langlevende plant van Ceylon; het groeit met geknobbelde wortels en schachten met lange fijn gevlamde bladen en bloeit meest in juni met aren op de toppen en witte welriekende bloemen die vooral ’s avonds in de matige serres een zoete geur verspreiden.
De Sansevieria guineensis van Willdenow is een langlevende plant van de kust van Guinee; het bloeit ook met aren op de toppen der schachten en welriekende witte bloemen, kort gepijpt.
Deze twee laatst vermelde planten worden meest van sommige liefhebbers in de warme serres in de heigrond, op de wijze van de Anjers, door afzetsels vermenigvuldigd; maar anderen kweken die planten in de matige serre of in een goede oranjerie, alwaar ze ook zeer mooie bloemen dragen.
SASSAFRASBOOM, in ’t Frans Sassafras,, in ’t Latijn Laurus sassafras, is door Jussieu onder de familie van de Laurierbomen gesteld en onder de 9de klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, bomen die met negen helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Sassafrasboom (Laurus sassafras van Linnaeus) (Sassafras albidum) is een tamelijk boomgewas van Virginië en van de Carola Eilanden; het groeit met verschillende groene bladen, de een effen en de andere uitgesneden en bloeit meest van mei tot in juni met trossen en kleine gele bloempjes, waarvan de mannetjes vijf bloemblaadjes en acht stuifdraadjes en de tweeslachtige bloempjes maar zes meeldraadjes hebben. Toen de Spanjaards eerst die boom in Florida ontdekten werd die voor de Kaneelboom aangezien omdat de schors ook een zeer welriekende geur en scherpe smaak als de kaneel heeft. Deze maakt van de vier houtgewassen die als zweet verwekkende middelen voor de Venus- ziekte worden gebruikt. Het water waarin voornamelijk de schors van de wortels gekookt is, wordt om de pokken, verstoptheid der lever, miltzucht en koortsen die van de koude voortkomen te genezen met voordeel gebruikt. Het hout dat ook een anijsachtige reuk bezit wordt door afkooksel in de medicijnen gebezigd. Deze bomen die alhier van over veel jaren van Amerika zijn overgevoerd kunnen op de wijze van de Laurier gekweekt en door uitlopers, inleggers en het zaad vermenigvuldigd worden.
SAVELBOOM, Zevenboom, Zavelboom, in ’t Frans Sabine. Savinier, in ’t Latijn Juniperus sabina, is onder de 18de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der boomn die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie der gewassen die kegelvormige vruchten dragen en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia monadelphia, tweehuizige-eenbroederige.
De Savelboom (Juniperus sabina van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa dat met altijd groene blaadjes versierd omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeit vooral de mannetjes Savelboom (Sabina mascula); (Juniperus sabina) (Junipers sabina “Femina’ of tamariscifolia)maar de wijfjes Savelboom (Sabina femina) ligt meest met de stam vertakt bij de grond uitgebreid.
Deze plant wordt veel tot versiering der lusttuinen, door inleggers en stekken van jonge takken in de grond voort gekweekt.
De Savelbomen groeien in de oost- en zuidelijke delen van Europa, Griekenland, Rusland en elders natuurlijk in de bergen en bosschen op beschaduwde gronden in het wild; derhalve willen ze hier ook op belommerde plaatsen zeer goed aarden. De jonge takjes en bladen van de Savelbooen hebben een bittere zuurachtige smaak en een sterk ruikende geur; ze worden als een spoedig en zeer aandrijvend geneesmiddel gebruikt, hebben een schielijke uitwerking op de natuur delen der mensen en een bijzondere kracht om de achterblijvende maandstonden te verhaasten. Een ervaren geneesheer zal er nooit gebruik van maken als hij bemerkt of denkt dat er enige bevruchting bij de vrouwen zou kunnen wezen. De Savelboom in wijn of bier gezoden en gedronken maakt een goede maag, stilt de pijn in de darmen, drijft de pis af, lost het water en verdrijft de geel-en waterzucht; de jonge takjes en bladen worden veel gedroogd en in poeier gestampt die dezelfde krachten bezitten. De veeartsen en paardenmeesters gebruiken zeer veel die jonge takjes in poeiers of klein gesneden om de paarden en andere dieren van de droes, snottering en hoest te genezen. Deze gewassen zijn door hun uitwerkende kracht van veel landlieden zeer goed bekend; daarom behoren de hoveniers zich wel te wachten die zonder onderscheid aan ieder vrouwspersoon te geven als ze er naar vraagt; vermits ze er soms een zeer kwaad gebruik van kan maken. De jonge takjes en bladen worden zeer nuttig gebruikt om allerlei schurft te genezen; met ongezouten boter of zoet varkensvet gekookt wordt er een zalf van gemaakt die niet alleen het schurft geneest, maar ook zeer dienstig is om vuile zweren, kankers en lopende koude wonden te genezen. De jonge takjes of bladen in het drinken der hoenders gelegd als ze de pip hebben genezen die op twee of drie dagen.
SCHARENKRUID,, Sikkelkruid, in 't Frans Sarrète, in 'l Latijn Serratula, van Tournefort Jacea genoemd en onder zijn 12de klasse, 2de sectie gesteld; door Jussieu onder de familie van het Askruid en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige-veelechtige-gelijk bloeiende.
Het gele verf inhoudende Scharenkruid (Serratula tinctoria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België in de donkere bossen, weiden en op sommige plaatsen aan de bouwlanden groeit; het groeit met stengels van omtrent 50 of 60 centimeters hoog en harde, gevleugelde bladen met harige boorden; op de toppen der stengels groeien meest in juni witte geschulpte bloemkelken die in augustus roodachtige purperen bloemen dragen die op sommige Wegdistels gelijken. Deze plant die een mooie helder gele verf inhoud, wordt in Frankrijk , Italië en elders binnen het bloeien verzameld om er de verf uit te trekken, die aan de zijde en wollen stoffen een zeer lieflijke geel kleur verschaft.
Het Veld-Scharenkruid(Serratula arvensis van Linnaeus) (Cirsium arvense) groeit ook in België en elders in de velden, aan de kanten der wegen met stengels en getande, stekende bladen, maar die soms veranderen en gladde of langs onder witachtige bladen en ronde bloemkelken zonder stekers voortbrengen; bloeit meest in juni met rode purperachtige bloemen die op de Wegdistels en op de Vlokkenbloem (Centaurea jacea) gelijken.
Het geaard Scharenkruid (Serratula spicata van Linnaeus)(Liatris spicata) is een langlevende kruidplant van Amerika die alhier in de bloemhoven wordt geplant en groeit met stengels en lijnvormige bladen rondom met haartjes bekleed; bloeit meest in september met aren of trossen en mooie steelloze, violette bloemen die zijdelings hangen.
De Serratula quinquefolia van Willdenow is een langlevende plant van de Caucasiche gebergten in Azië en wordt hier in de kruidhof der Hogeschool gekweekt.
Deze planten kunnen door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd zijn hetgeen in de lente wordt verricht.
De vermaarde doctor en kruidkenner Matthiolus zegt dat de Serratula met witte wijn gezonden en gedronken zeer nuttig is voor de mensen die van hoog gevallen zijn en de leden verstuikt hebben; want het ontdoet het geronnen bloed. De wortels en het kruid gestoten en er pleisters mee gemaakt of papvormig opgelegd kunnen de breuken, gescheurdheid en wonden genezen.
SCHARLEIPLANT, Italiaanse dovenetel, in ’t Frans Orvale, in ’t Latijn Horminum, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige kruidplanten gesteld en onder de 14de klassevan Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De Scharleiplant (Horminum pyrenaicum van Linnaeus) is een langlevende kleine kruidplant van de Pyreneeën gebergten die alhier in de kruidhoven wordt geplant, en in struiken groeit met stengels maar omtrent 22 of 25 centimeters hoog met veel hart vormige blaadjes die geribd en getand zijn; bloeit hier meest van het begin der makend mei tot in juni met tien gestreepte bloemkelken en grote lipvormige bloemkransjes die een zeer lieflijke blauwachtig rood kleur hebben en zeer goed van gedaante op de Dovenetel-bloem (Lamium orvala) van Italië gelijken die de oude kruidbeschrijvers ook Horminum orvala noemden en hier ook van april tot in juni bloeit met witte en purperachtige rooskleurige bloemen en gele meeldraadjes,die de bovenlipjes der bloemen zeer lieflijke versieren. Deze plant die veel in de boom tuinen door struikscheiding wordt vermenigvuldigd werd ook eertijds Tota bona genoemd en volgens de nieuwe en oude kruidkenners bezit ze al dezelfde krachten en wordt op dezelfde wijze voor verscheidene ziekten gebruikt; maar het zaad is aandrijvend van natuur en matig droog van aard.
SCHILDBLOEM, in ’t Frans Galane, Chélone, in ‘t Latijn Chelone, is door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De gladde Schildbloem (Chelone glabra van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Canada die met hoge stengels groeit en bladstelen met lansvormige getande bladen; bloeit op de stemgels, meest hier in september met aren en witte bloemen.
De scheve Schildbloem (Chelone obliqua van Linnaeus) is een langlevende plant van Virginië die kleiner groeit en in de zomer zeer lieflijke levendige purper rode bloemen draagt.
De gebaarde Schildbloem (Chelone barbata van Willdenow)(Penstemon barbatus) is een kruidplant van Mexico die met veel grijsachtige groene bladen aan de wortels groeit waartussen in mei stengels uitspruiten,die omtrent 20 of 25 centimeters hoog groeien en waarop van juni tot in september trosjes bloeien met zeer mooie rode gepijpte bloemen. Men heeft van deze Schildbloem door het zaad wel 50 medesoorten verkregen die allen meest verschillend gekleurde bloemen voortbrengen en men bij de bloemist Jan Verschaffelt kan bekomen.
De klokvormige Schildbloem (Chelone campanulata) (Chelone obliqua) groeit tamelijk hoog en bloeit met aren op de toppen der stengels en aller lieflijkste klokvormige bloemen die van buiten purper zyn en van binnen een witachtig kleur hebben. Deze twee laatst gemelde Schildbloemen moeten 's winters in de planthuizen bevrijd zijn en worden door het zaad vroeg in het voorjaar op warme broeibakken gezaaid, voorts in potten gekweekt en ’s zomers in de volle grond geplant.
Men heeft nog bij onze bloemisten de Chelone speciosa (Var. van Chelone obliqua net als de volgenden) met mooie blauwe bloemen; Chelone antverpiensis (Antwerpen) en Chelone rodigasii verkregen.
SCHILDKRUID, wilde Kers, in ’t Frans Clypeole, in 't Latijn Peltaria, is onder de 5de
klasse; 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten wiens bloemen vier grote en twee kleine helmstijltjes hebben en peulvruchten met zaden gevuld voortbrengen.
Het Schildkruid (Peltaria alliacea van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die in Italië, Oostenrijk en in de zuidelijke delen van België groeit en alhier in de kruidhoven wordt geplant; het groeit met vertakte stengels omtrent 25 of30 centimeters hoog met langwerpige, steel omvattende bladen en bloeit meest in mei met witte bloempjes die schildvormige peulvruchten voortbrengen welke plat en rond zijn en de gedaante van een schildje hebben; in Frankrijk worden ook Schildkruid genoemd: de wilde Kers (Clypeola jonthlaspi van Linnaeus); de Clypeola maritima (Lobularia maritima) die veel in Zuid- Frankrijk groeit en de Clypeola tomentosa (Aurinia saxatilis) , een eenjarige kruidplant die veel in Italië groeit met stengels en door witte dons bedekte bladen die ook platte ronde peulvruchten voortbrengen welke op schildjes gelijken het zaad van de Schildkruiden of Wilde Kers is scherp en bijtend van smaak, warm en droog van aard; het doet de gezwellen die van binnen in het lichaam gegroeid zijn uitbreken en verwerkt ook de maandstonden; maar dit moet met kennis door een ervaren doctor worden gebruikt omdat de wilde Kers zoo heet en sterk werkend is dat ze bloed doet afgaan als er te veel van ingenomen wordt; derhalve mogen de zwangere vrouwen die niet gebruiken. Het zaad van de wilde Kers (Clypeola jonthlaspi van `Linnaeus) die in Hongarije veel groeit is goed om tegen de vergiften en pest te gebruiken; de Duitse doctors, die alhier het land doorlopen, willen er dikwijls veel kunsten mee verrichten, maar die soms wel tegenstrijdig aan de natuurlijke middelen zijn.
SCHINUS, in ’t Frans Schinus, in ’t Latijn Schinus, is door Jussieu onder de familie van den Terpentijnboom gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia decandria, tweehuizige-tienmannige.
De Schinus molle van Linnaeus is een tamelijk grote boom van Peru die alhier in de matige serres heesterachtig groeit, vertakt met gevleugelde, getande en doorkerfde bladen wiens stelen op de toppen enigszins langer dan van onder zijn; bloeit hier meest in juni met trosjes en kleine lieflijke witte bloempjes.
Het wonderbaarlijkste van deze gewassen is dat ze geheel, zowel het hout als de bladen en bloemen, een zeer sterke pepergeur hebben en als men era aan ruikt zeer geweldig doen niezen. De bladen gedroogd en in poeiers gestoten hebben in het land van hun afkomst de krachten van de peper. Deze planten worden meest door inleggers en afzetsels vermenigvuldigd en 's winters in de matige serres of in goede oranjehuizen gekweekt.
SCHORPIOENSTAAART, Schorpioenkruid, in ’t Frans Chenillette, in 't Latijn Scorpiurus, van Tournefort Scorpioides, is door Jussieu onder de familie der planten met vlindervormige gedaante of peul dragende bloemen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige wiens bloemen met tien stuifdraden voorzien zijn.
Men vindt alhier drie soorten van die eenjarige kruidplanten die van Zuid-Europa oorspronkelijk zijn en alle jaren in de bloemtuinen worden gezaaid om hun wonderbare peulvruchten die door diepe lid verdelingen zijn gebroken, rond gerold en een rups of schorpioenstaart verbeelden; ze worden derhalve ook Rupsenkruid genoemd.
Het eerste Schorpioenkruid (Scorpiurus vermiculata van Linnaeus) groeit met stengels die bij de grond liggen en langwerpige groene bladen weinig in getal; als die plant in het voorjaar wordt gezaaid draagt het meest in juli gele bloempjes op de steeltjes die peulvruchten met lidjes en schelpjes bekleed en rond ineen gekruld voortbrengen.
De tweede soort van Schorpioenkruid (Scorpiurus muricatus van Linnaeus) is van Oost-Europa, groeit een weinig hoger met stengels en bladen die op de Porselein gelijken; bloeit met gele bloempje ,die peulvruchten voortbrengen met scherpe haartjes bedekt, in lidjes verdeeld en rond gekruld.
De derde soort van Schorpioenstaart (Scorpiurus sulcata van Linnaeus) (Scorpiurus muricatus var. sulcatus) groeit veel tussen de wijngaarden en beemden in Duitsland en Frankrijk ,en wordt alhier ook in de hoven gezaaid; het heeft ruwe met haar bedekte stengels en blade, die geheel rond de boorden met scherp stekende haartjes zijn bekleed; bloeit in juni met gele bloempje ,die ook ronde gekrulde peulvruchten voortbrengen.
SCHORPIOENSTAART, Wrattenkruid, Zonnewinde, Zonnebloem, in ’t Frans Heliotrope, in ’t Latijn Heliotropium, is onder de 2de klasse, 4de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Bernagie en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Schorpioenstaart die alhier gewoonlijk Heliotroop wordt genoemd (Heliotropium peruvianum van Linnaeus),(Heliotropium arborescens) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Peru dat met veel lange vertakte stengels omtrent 50 centimeters hoog groeit met bladstelen en langwerpige, ronde, ruwe, wollige bladen die van weerszijde groen en met fijne lijnen getekend zijn; bloeit bijna geheel de zomer ,met trosjes op de toppen der stengels die dikwijls een halve maan vormen en witachtige bloemen met blauwachtige bloemkransen voortbrengen die een zeer lieflijke vanille geur verspreiden. Men heeft door het zaad er enige medesoorten van verkregen die met zeer aangename, witte, welriekende bloemen bijna geheel het jaar in de planthuizen bloeien.
De Heliotroop met grote bloemen (Heliotropium grandiflorum van Desfontaines of Heliotropium corymbosum van Curt.) (Heliotropium arborescens)is ook een langlevend houtachtig gewas van Peru dat weinig van de gedaante van het voormelde verschilt, maar wiens bloemen veel minder min reuk inhouden. Die planten welke door het zaad, afzetsels en inleggers op lauwe broeibakken vermenigvuldigd worden, vrezen alhier de winterse koude en vochtigheid en moeten derhalve in de oranjerie of matige serres zijn bevrijd. Deze planten door hun aangename welriekende bloemen zijn van iedereen bekend en worden van alle liefhebbers gezocht.
Men vindt nog eenjarige kruidplanten van die soort zoals de Heliotropium parviflorum en dn Heliotropium indicum van Linnaeus die van de Indiën zijn en alle jaren vroeg in de lente in de bloemhoven worden gezaaid en ook een aangename reuk inhouden.
De Schorpioenstaart van Europa (Heliotropium europaeum van Linnaeus) is ook een eenjarig kruidplant die in België op droge zandachtige plaatsen in de velden groeit met eivormige bladen, geheel met ribjes gewold en van sommigen hier te lande Kreeftkruid wordt genoemd. De oude kruidbeschrijvers heten dit kruid Heliotropium minos tricocium ,en Lobel zegt dat het zeer dienstig is som de kruipende kanker, vuile zeren en zweren te genezen. Deze plant die in dn zomer trosvormige aren en witte bloempjes draagt en ook een paarse verf inhoudt in de hoven gezaaid en in de holen der mieren gestoken doet die diertjes allen sterven en wordt Scorpius herba genoemd. Men vindt dit kruid ook door Dodonaeus beschreven; het werd alsdan Heliotropium solsequium, Zonnewinde, geheten; een handvol van dit kruid, zegt die schrijver, in het water gekookt en gedronken verdrijft de galachtige slijmen en de kwade vochtigheid der lichaam.
SCHORPIOENWORTEL, in ’t Frans Doroniqye, Doronic, in;’ Latijn Doronicum, is onder de14de, 1ste sectie van Tournefort gestel ,der planten die Straalbloemen dragen; door Jussieu onder de familie der bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige-veelechtige-overbodige.
De Schorpioenwortel met hartvormige bladen (Doronicum pardalianches van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die in België, Duitsland en elders in sommige bergachtige bossen groeit en alhier in de bloemtuinen wordt gekweekt; het groeit met wortel die de gedaante van schorpioenen hebben waaruit in het voorjaar bleekgroene, hartvormige, plompe bladen spruiten en meest in april ronde stengels uitschieten die maar omtrent 30 centimeters hoog groeien en waarop met het begin van mei geschulpte bloemkelken met dubbele bloemstralen en hoog gele lieflijke bloemen bloeien.
De Schorpioenwortel met Weegbreebladen (Doronicum plantagineum van Linnaeus ) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België in de bergachtige bossen groei, en ook in de bloemhoven wordt geplant; het groei tmet eivormige ,puntachtige, getande bladen en bloeit t' einde van april met gele bloemen op de stengels met geschulpte bloemkelken, maar met enkele stralen.
De Doronicum bellidiastrum (Aster bellidiastrum) groeit veel in Zwitserland, Duitsland en ook in het Zuiden van België in de bossen met blote enkele stengels en eenbladige gele bloemen.
De Doronicum glutinosum (Grindelia glutinosa) van Willdenow is een langlevend houtachtig gewas van Mexico dat hier inde oranjerie om zijn mooie bloemen wordt gekweekt.
De eerst gemelde Schorpioenwortel werd van de oude Kruidbeschrijvers Aconitum pardalianches genoemd en van de oude Grieken Strangulator leopardi geheten omdat de wortels en het kruid, zo men zei, de panters, wolven, beren en andere wilde dieren doden. De apothekers gebruiken veel de wortels van de Doronicum pardalianches in plaats van de Wolfswortels om de vergiftige middelens voor honden en andere viervoetige dieren te n.
Clusius heeft dit kruid ook onder de naam van Doronicum beschreven; hij zegt dat het aan de mensen niet schadelijk is en dat de jagers in Oostenrijk het tegen de draaiingen van het hoofd gebruiken. Eindelijk ,Lobel heeft dit kruid insgelijks beschreven n is ook van mening dat het aan de mensen niet nadelig is, maar alleen de viervoetige dieren kan doden. De Schorpioenwortels worden meest in de hoven, die ze door hun lieflijke gele bloemen zeer versieren, door wortelscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd.
SCHURFTKRUID, Stoebe, Kwezeltjes, in ’t Frans Scabieuse, in ’t Latijn Scabiosa, is onder de 12de klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kaardendistels en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Schurftkruid (Succisa pratensis( dat in België groeit wordt ook in sommige provincies Duivelsbeet (Scabiosa morsus diaboli) genoemd. Zie het artikel der Duivelsbeet, 2de deel, bladzijde 125 .Het Schurftkruid van den Kaukasus (Scabiosa caucasica) is een langlevende kruidplant van Azië die alhier als versiering in de bloemhoven wordt geplant; het groeit met enkele stengels omtrent 50 centimeters hoog met scherpe bladen en bloeit meest van juni tot in augustus met grote, eenzame, hemelsblauwe bloemen; het kan door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
Het Alpen Schurftkruid (Scabiosa alpina van Linnaeus) (Scabiosa japonica var. alpina) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die bundelvormig met gevleugelde bladen groeit en met stengels van meer dan 1 meter hoog waerop alhier in juli gele bloemen bloeijen. Het gesternd Schurftkruid (Scabiosa stellata van Linnaeus) (Lomelosia stellata) is een eenjarige zaaiplant van Spanje die in het voorjaar in de bloemtuinen wordt gezaaid en meest in juli mooie witte bloemen draagt met zwarte stralen.
Het Kwezeltjes-Schurftkruid (Scabiosa atropurpurea van Linnaeus) is een tweejarige lant van de Indien die van iedereen is bekend en jaarlijks in de bloemtuinen wordt gezaaid; het bloeit van juli tot ik oktober met zeer lieflijke donker purperen bloemen op de stelen die kleine witte topjes op de bloemblaadjes hebben en zeer mooi de perken versieren.
Het Veld-Schurftkruid (Scabiosa arvensis van Linnaeus) (Knautia arvensis) dat in de geneeskunde wordt gebruikt is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de velden, bossen en op droge plaatsen groeit met gevleugelde bladen aan de wortels gelijk uitgesneden en wollige stengels, waarop van juni tot in augustus purperachtige bloemen bloeien die zeer lieflijk zijn.
Het Duivenhals kleurige Schurftkruid (Scabiosa columbaria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België op zandachtige droge plaatsen in de moerassen en velden groeit met eironde, doorzichtige bladen aan de wortels die aan de stengels gevleugeld en stijf harig zijn; bloeit van juni tot in augustus met lieflijke bleek purperen bloemen op de stelen.
Het Schurftkruid (Scabiosa leucantha van Linnaeus) (Cephalaria leucantha) is een langlevende plant van Zuid-Europa die met bladstelen en lijnvormige gevleugelde bladen groeit en met geschulpte, overeen liggende bloemkelken en witachtige, ronde bloemen bloeit.
Het Schurftkruid dat alhier te lande groeitis van over zeer oude tijden om zijn deugden bekend en werd voor dezen Aposteum-kruid genoemd. Het is warm en droog van natuur en groen of droog in het water gekookt en met honing of suiker gedronken zeer goed voor de longziekte en kwade hoest. De bladen gestoten en op de gezwellen gelegd doen die genezen; het is zeer dienstig om het schurft, pestachtige gezwellen en klaporen op korte tijd te doen verdwijnen en verteren. Het sap ingenomen doet zweten en wordt, zegt Dodonaeus, voor de hete en besmettelijke koortsen gebruikt.
SELDERIJ,, Selder, in 't Frans Céleri cultivé, in 't Latijn Apium, is onder de 7de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der kroonvormige of zonneschermen bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vijf helmstijltjes bloeien en drie stampertjes hebben.
De Selderij (Apium graveolens van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Italië die alhier in het voorjaar in de moeshoven wordt gezaaid; het groeit met bladstelen en wigvormige, getande bladen en het tweede jaar met stengels en kroonvormige, witachtige bloemen zonder stelen geschikt; alle hun delen houden een aangename geur in. Men vindt heden onder de Selderijplanten verscheidene medesoorten die uit het zaad zijn gesproten zoals de kleine Selderij,met gekerfde en uitgesnedene bladen; de witte Turkse Selderij en de gekrulde die zeer aangenaam van smaak zijn met dikke geknolde wortels wordt ’s winters veel gestoofd en met de Salade gegeten; de violette Selderij met zijn dikke geribde bladen en grote struiken wordt ook heden veel in de moeshoven geplant. Alle Selderij heeft van natuur een aandrijvende kracht, doet zweten en de vertering der spijzen verhaasten, doodt de wormen in het lijf, maakt jong bloed en is zeer dienstig voor die van binnen gekwetst zijn. De Selderij bezit de krachten van de Hof-Eppe, Peterselie genoemd; men zaait alhier gewoonlijk de Selderij van in januari op warme broeibakken onder het glas om die vroeg in april te kunnen in voren, op 18 centimeters afstand, verplanten en vroeg in de herfst in de keuken te gebruiken; het tweede zaaisel wordt gewoonlijk in maart verricht om in mei te verplanten en de volgende winter te eten, in koude winters moet het wel tegen de vorst bevrijd worden omdat die in ons klimaat geen 12 graden koude kan weerstaan.
SENEGROEN, Ingroen, in ’t Frans Bugle, in ’t Latijn Ajuga, van Tournefort Bugula, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten wiens bloemen tweelange en twee korte meeldraden hebben en naakt zaad dragen; bovenste lipjes van de bloemkransjes zijn zeer klein en de meeldraadjes langer dan het bovenste der bloempjes.
Het kruipend Zenegroen (Ajuga reptans van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België en in de Nederlanden veel in de vochtige moerassen en bossen groeit met gladde groene bladen aan de kruipende rankjes waaruit in mei stengeltjes spruiten die omtrent 12 of 14 centimeters hoog groeien en waarop meest van het begin der maand mei tot het einde van juni blauwachtige bloempjes bloeien die op de Bruinelle enigszins gelijken.
Het spitsvormig Zenegroen (Ajuga pyramidalis van Linnaeus) groeit veel in België, Duitsland en elders en wordt alhier in de kruidhoven geplant; het heeft grote bladen aan de wortels en wollige spitsvormige stengels die vierhoekig zijn; bloeit meest in juni met blauwachtige bloemen. Men vindt medesoorten van die planten die witachtige bloemen dragen.
Het oosters Zenegroen (Ajuga orientalis van Linnaeus) wordt alhier in de oranjerie gekweekt; het Alpen Zenegroen(Ajuga alpina) groeit meest in Zwitserland. Deze planten werden bij de oude Kruidbeschrijvers Consolida media genoemd en worden bij de apothekers alhier meest Bugula geheten; Matthiolus schrijft dat die ook Laurentina genoemd worden. Het Zenegroen is heet, verdrogend en opmerkelijk samentrekkend van aard. Men prijst het zeer in de breuken, scheuringen en verpletteringen der leden of delen van het lichaam; derhalve wordt het gezoden in de dranken voor die gevallen of van binnen of buiten gekwetst zijn en op de blauw gestoten builen gelegd. Matthiolus, Clusius en Dodonaeus zeggen dat het sap van het Zenegroen de kanker geneest, als die eerst met honing en rozenwater gezuiverd wordt. Het water waarin het Zenegroen gezoden is geweest geneest de vervuilde zweren der mond en tandvlees als men den mond daarmee spoelt. Het kruid gestoten en het sap wordt ook veel voor de wonden gebruikt. Deze planten worden in de kruidhoven door wortelscheiding vermenigvuldigd.
SERISSA , in 't Frans Serissa, in 't Latijn Serissa, is onder de familie der gewassen die rode verf geven gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De stinkende Serissa (Serissa foetida van Willdenow) (Serissa japonica) is een langlevend heester-houtgewas van Japan dat zeer vertakt omtrent 70 of 80 centimeters hoog groeit met kleine, scherpe en altijd blijvende groene bladen en alhier in de oranjerie van juli tot in september bloeit met kleine, witte, steelloze en eenzame bloempjes die vier of vyf gekleurde stuifdraden hebben; als men die bloemen wrijft geven ze een stinkende geur. Men vindt van deze gewassen medesoorten die dubbele bloemen dragen.
Sedert enige jaren heeft men nog van Japan de Serissa lycium foetidum en de Serissa buchosia caprosmoïdes (Serissa japonica cv’s) bekomen die ook altijd blijvende groene bladen hebben en met lieflijke dubbele witte bloemen van juli tot in september bloeien. Deze houtgewassen moeten hier ’s winters in de planthuizen bevrijd zijn en kunnen door uitlopers, afzetsels en inleggers vermenigvuldigd worden. Volgens de nieuwe Kruidkenners bezitten de jonge planten een mooi rode scharlaken verf.
SERPENTSTONG , Pijlkruid, Serpentskruid, in 't fransch Fléchière , Sagittaire, Langue de Serpent, in ’t Latijn Sagittaria, is door Jussieu onder de familie van het Waterriet gesteld en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige-veelmannige.
De Serpentstong (Sagittaria sagittifolia van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en in de Nederlanden in de poelen, staande en lopende waters, beken en vijvers groeit met witte wortels waaruit alle jaren in mei stelen spruiten met pijlvormige bladen die op een serpentstong gelijken en driehoekig spits zijn en daartussen in juni een gladde, ronde, effen, holle middenstengel uitspruit die meest in juni drie bijeen staande witte bloempjes draagt met drie bloembladen en roodachtige meeldraadjes waarna ronde, scherpe, groene, bijeen gedrongen bolletjes volgen.
Soms groeit geheel dit gewas omtrent 30 of 40 centimeters boven het water en soms blijft het lager met smallere bladen, volgens de grond waarin het stand heeft gevat. Dit kruid schijnt van klein belang te wezen, maar sommige oude Kruidkenners willen verzekeren dat het al de krachten van de Water-Weegbree bezit. Het is koud van aard en zeer droog van smaak, erhalve samentrekkende van krachten. Deze planten worden om hun zeldzame bladen van sommige liefhebbers in het water gekweekt.
SESELIKRUID, in ’t Frans Séséli, in ’t Latijn Seseli, door Tournefort Foeniculum genoemd en onder zijn 7de klasse, 2de sectie gesteld; door Jussieu onder de familie der planten die kroonvormige of zonnescherm bloemen dragen en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia umbellata, plantendie met vijf helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het Berg-Seseli kruid (Seseli montanum van Linnaeus) is een langlevende kruid dat in België in de bergachtige bossen en elders groeit met bladstelen en tweemaal gevleugelde, kleine, langwerpige bladen aan de wortels waaruit in mei stengels spruiten die omtrent 60 centimeters hoog groeien die ook met gevleugelde bladen rondom de knopjes zijn bekleed en in takjes zijn verdeeld waarop meest in juni witte bloempjes bloeien die zaadjes en ronde, gestreepte vruchtjes met blaadjes gewonden voortbrengen.
Het groenachtig Seseli kruid (Seseli glaucum van Linnaeus) (Seseli tortuosum) groeit in België in de droge bossen en velden met vertakte bladstelen en stengelomvattende, blinkende bladen die in gedaante weinig van de voor vermelde verschillen.
Het eenjarig Seseli kruid(Seseli annuum van Linnaeus) groeit ook veel in België ten alle kanten in de droge moerassen met geknoopte, gladde stengels, ruwe bladstelen en dubbel gevleugelde bladen en bloeit in juli met witte bloempjes.
Het steenklip Seseli kruid(Seseli petraeum) is een langlevende kruidplant van de berg Kaukasus in Azië die alhier in de bloemtuinen wordt gekweekt; het groeit met stengels omtrent 1 meter hoog en zeer fraaie getande bladen en bloeit meest in juni met lieflyke kroonvormig geschikte bloemen die een mooie purper kleur hebben. Deze mooie plant wordt door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
De Seseli turbith (Athamanta turbith) van Linnaeus is een langlevende plant van Oostenrijk die alhier in de kruidhoven wordt geplant en bloeit met ingewonden en wollige bloemstijltjes en bloempjes die gestreept zaad voortbrengen, welk een geweldig purgeermiddel bezit.
De Seseli saxifragum? van Linnaeus groeit veel in Zwitserland omtrent het meer van Geneve en de Seseli petraeum van Linnaeus groeit veel in Frankrijk op de Pyreneeën gebergten.
Het Berg-Seseli kruid door Clusius beschreven heeft veel gelijkenis met de Berg-Seseli van Marseille, (Seseli massiliense) hetgeen Matthiolus ook getuigt. Het zaad van dit Seseli kruid is zeer goed voor de inwendige gebreken en belet het opstijgen der moeder. De bladeren en wortels gestoten en warm opgelegd ontdoen alle soorten van klieren en koude gezwellen. De Seseli wordt meest met wijn gezoden en voor de buikpijn, koliekn en verstoptheid der milt gebruikt.
SIDA , in ’t Frans Sida, in ’t Latijn Sida, van Tournefort Abutilon genoemd en onder zijn 1ste klasse, 6de sectie der klokvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Maluwe planten en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige met vele helmdraden. Linnaeus telt in zijn rangschikking 28 soorten die meest in beide Indiën groeien en veel hier bij onze bloemisten inde oranjerie worden gekweekt.
De Sida met Jokboombladen (Sida carpinifolia van Willd.) (Sida acuta) is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Canarische eilanden dat hier bijna de gehele zomer bloeit met kroonvormige geschikte gele bloemen die aan de oksels der bladstelen groeien; het wordt op de wijze van de witte Heemstwortels gekweekt.
De Sida Abutilon (Abutilon theophrasti) van Linnaeus is een eenjarige kruidplant van de Indiën die in de hoven wordt gezaaid en groeit met bladstelen en ronde, hartvormige bladen die op de Althea gelijken; bloeit meest in mei als die in het voorjaar wordt gezaaid met trosvormige en tweebladige gele bloemen. Deze plant was ten tijde van Dodonaeus reeds bekend en hij schrijft dat ze de krach van de witte Heemst inhouden en wonden genezen kan. Er wordt in Italië een water mee gedistilleerd en zelfs met wijn gedronken om het graveel te breken en de droppelpis te stelpen.
SILENE, in ’t Frans Silène ,in ' t Latijn Silene, van Tournefort Lychnis, (Silene) is door Jussieu onder de familie van de Anjers gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria trigynia, planten die met tien meeldraadjes bloeien en drie stampertjes hebben.
Men vindt heden meer dan 60 soorten van Silene die allen eenjarige zaaiplanten zijn welke hier in de bloemtuinen vroeg in het voorjaar worden gezaaid, en waarvan enkel de Silene fruticosa van Linnaeus, een houtachtig kruidgewas van Sicilië, alhier in de oranjerie wordt gekweekt en de Silene bupleuroides van Linnaeus van Perzië en de Silene paradoxa ,van Italië, langlevende kruidplanten zijn die tot versiering in de bloemhoven worden geplant. Men vindt ook van die eenjarige Silenen in België in het wild groeien zoals de Nacht-Silene (Silene noctiflora) en de hellende Silene (Silene nutans) die met hun bedekte stengels heeft en met zijdelingse, witachtige rode, tweebladige bloemen die aan een kant hellen bloeit. Al de anderen, zoals de Silene ciliata van Wild. Silene dichotoma, Silene vespertina, (Silene latifolia subsp. alba) Silene disticha van Willd. Silene bellidifolia van Jacq., Silene undulata van de Hortus Kew., Silene armeria van Linnaeus, Silene muscipula die ook de vliegen vangt en de Silene bipartita (Silene colorata) worden tot versiering alle jaren in de perken der bloemtuinen gezaaid en zijn van sommige bloemisten ook Schildbloemen genoemd omdat als de bloembladen open zijn kroonvormige een schildje verbeelden. Men bekomt door het zaad nog alle jaren nieuwe soorten die veel verschillend gekleurde bloemen dragen en zeer lieflijk zijn.
SILPHIUM, In ’t Fans Silphium, in ’t Latijn Silphium, is door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia necessaria, samenhelmige-veelechtige-noodwendige.
De Silphium met getande bladen (Silphium laciniatum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Mississippi in Amerika die met stengels omtrent 2 of 3 meters hoog groeit en met grote getande bladen; bloeit alhier van augustus tot in oktober met grote gele bloemen op de toppen.
De Silphium met hartvormige bladen (Silphium terebinthinaceum van Linnaeus) groeit met stengels van 1meter hoog met hartvormige bladen en bloeit van juli tot in september met gele bloemen.
De Silphium met doorboorde bladen (Silphium perfoliatum van Linnaeus)groeit met stengels van omtrent 2 meters hoog en lansvormige bladen die als doorstoken schijnen en draagt ook van augustus tot in oktober mooie gele bloemen.
Men kweekt hier nog de Silphium connatum van Linnaeus, ie met verenigde bladen groeit; de Silphium trifolium met donkergroene bladen; de Silphium scabrum van Linnaeus met ruwe bladen; de Silphium solidaginoides van Linnaeus van Virginië die van stengels, bladen en bloemen wel op de Zonnebloemen gelijkt; de Silphium trilobatum (Sphagbeticola trilobata) met wigvormige bladen die allen omtrent 1 ½ meter hoog groeien in augustus gele bloemen dragen, door wortelscheiding in het voorjaar en door het zaad vermenigvuldigd worden.
Deze planten schikken zich goed om in de lusthoven bij andere hoog groene gewassen te planten daar ze door hune grote bloemen de hoven zeer versieren. De oude Kruidbeschrijvers gaven ook de naam van Silphium aan het Laser kruid dat nochtans veel door gedaante en krachten van deze planten verschilt.
SINT ANTONIUS LAURIER, Bastaard-Wederik, Sint Antonius Teenrijs, in ’t Frans Epilobe, gewoonlijk Laurier saint Antoin, Osier de saint Antoine, in ’t Latijn Epilobium, door Tournefort Chamoenerion genoemd en onder zijn 6de klasse, 7de sectie der roosvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van het Ezelkruid en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia ,planten die met acht gebogen meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Sint Antonius Laurier( Epilobium spicatum of angustifolium van Linnaeus)(Epilobium ciliatum) is een langlevend gewas van Europa, dat in België op sommige plaatsen in de heide groeit met stengels die meer dan1 meter hoog zijn en alle jaren in de lente uit de wortels spruiten; het heeft lange, scherpe, lansvormige bladen met aders gestreept en bloeit van juni tot in september met rooskleurige bloemen op de toppen. Men vindt er enige medesoorten van die purperachtige, rooskleurige en witachtige bloemen dragen; dit mooie versierend gewas wordt veel in de lusthoven geplant.
De Sint Antonius Laurier met Rozemarijn bladen (Epilobium rosmarinifolium) (Chamaenerion dodonaei) groeit met kleinere stengels, maar veel grotere mooie purperachtige rooskleurige bloemen.
Het wollige Sint Antonius Teenrijs (Epilobium hirsutum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België op vochtige plaatsen aan de kanten der grachten en waters groeit met wollige vertakte stengels en stam omvattende, eironde, lansvormige, getande en gekerfde, een weinig gladde, gestreepte bladen; draagt meest in juli kleine rooskleurige purperen bloempjes. De haarachtige Sint Antonius Laurier (Epilobium pubescens van Linnaeus) (Epilobium parviflorum) groeit in België in de moerassen met enkele stengels en steelloze ,lansvormige, getande bladen, langs beide zijden met witachtige haartjes bekleed en bloeit met kleine purperachtige rooskleurige bloempjes .
Men vindt nog de Epilobium tetragonum die alhier in sommige bossen groeit met vierhoekige stengels en lansvormige, getande bladen die ook in juli purperachtige rooskleurige bloemen draagt.
De Epilobium palustre groeit meest in de vochtige moerassen, aan de poelen met rechte stengels en scherpe, lijnvormige bladen aan de stelen verdeeld en draagt ook in juli kleine purperen bloempjes.
De Epilobium montanum is een tweejarig plant die in de bergachtige bossen groeit en meest in juni bloeit met purperen bloempjes.
Het zaad van deze planten bezit een welriekende olie die bij het stijven zeer verdikt. De kruiden en wortels, zegt Lobel, bezitten bijna de krachten van de n Bastaard-Wederik. Ze worden door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
SINT JANSKRUID, Mansbloed, Sint Pieterskruid, in ’t Frans Mille-pertuis, in ’t Latijn Hypericum, door Tournefort Androsaemum ascyrum genoemd, is door Jussieu onder de familie van het Sint Janskruid gesteld en onder de 18de klasse van Linnaeus, Polyadelphia polyandria, veelbroederige met veel helmdraden.
Het groot Sint Janskruid of Mansbloed (Hypericum hirsutum van Linnaeus) is een langlevende houtachtige kruidplant van Europa die in België veel in de bossen en droge velden groeit met ronde stengels, langs boven vertakt en kleine, eironde blaadjes, een weinig met haartjes wollig; als men die blaadjes tegen de zon of lucht houdt schijnen ze met duizend gaatjes doorboord te zijn, gelijk ook die van al de volgende soorten. Dit kruid groei alhier met zijn stengels omtrent 40 of 50 centimeters hoog en bloeit van juni tot in september met gele bloemen .
Het spitsvormig Sint Janskruid (Hypericum pyramidatum) van Canada, groeit net vertakte stengels omtrent 30 of40 centimeters hoog en bloeit ook inden zomer van Sint Jansdag tot in september met gele bloemen.
Het Sint Janskruid met grote bloemen (Hypericum calycinum van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Griekenland; het groeit met stengels van maar omtrent 30 centimeters hoog en bloeit met zeer grote brede gele bloemen.
De Hypericum balearicum van Mahon, bloeit ook geheel den zomer met mooie gele bloemen.
De Hypericum prolificum van Willdenow is ook een houtachtige kruidplant van Noord-Amerika; het bloeit met lieflijke gele bloemen. Deze planten worden alhier in de kruidhoven gekweekt en door wortelscheiding vermenigvuldigd.
Men vindt alhier de Hypericum quadrangulare (Hypericum tetrapterum) van Linnaeus die in de moerassen groeit ,en ook rond Sint Jansdag gele bloempjes met drie of vier bloembladen draagt. De Hypericum tomentosum van Linnaeus groeit meest in de vochtige bossen; de Hypericum pulchrum groeit in de droge bossen en velden; de Hypericum montanum en Hypericum perforatum groeien oook in België op de bergen en droge velden en dragen insgelijks gele bloemen.
De Hypericum elodes van Linnaeus groeit in de vochtige moerassen en poelen, met liggende, ronde, wollige stengels en rondachtige, wollige bladen; bloeit van juni tot in augustus met driebladige gele bloemen.
De Hypericum chinense van Retz is een houtachtige kruidplant van China die hier in de oranjerie in potten wordt gekweekt en met zeer mooi hoog gele bloemen bloeit.
De Hypericum coris van Linnaeus die van Zuid-Europa voortkomt, een levendige rode verf bezit en alhier in de oranjerie 's winters moet bevrijd zijn wordt veel in Zuid-Frankrijk en Italië, waar het natuurlijk groeit, na het bloeien verzameld om linnen ,wollen lakens en andere stoffen rood te verven..
Het Mansbloed (Hypericum androsaemum) van Italië moet ook ’s winters in de oranjerie bevrijd zijn.. Deze kruiden werden van de oude Kruidkenners Androsaemum genoemd, hetgeen in onze taal Mansbloed betekent en zijn van alle Kruidbeschrijvers voor warm en droog tot in de derde graad gehouden. Het groot Sint Janskruid en de bloemen, met veel andere van deze soorten, worden groen en droog gebruikt.
Er wordt ook door de kunstscheiding een olie uit het kruid, de bloemen en het zaad getrokken, die met wijn, Venetiaanse terpentijn en saffraan wordt bereid en ook met gom, olijfolie en wierook gemengd om de kwade zweren, verkouden leden, spannende zenuwen, gezwellen en jicht te genezen ; met de jonge toppen en bloemen wordt ook een balsem gemaakt die met olijfolie en rozen knoppen tezamen wordt bereid en men in de zon laat trekken en bewaart om nadien te gebruiken.
Het sap der bladen en bloemen van de Hypericum heelt de wonden, doodt de wormen van de paarden en vooral als men ze eerst wat Leverkruid (Agrimonia eupatoria) te eten geeft, Lobel, Clusius, Dodonaeus en Plinius zijn van hetzelfde gevoelen over de krachten van de gewassen en zeggen dat het kruid, de bloemen en het zaad gekookt en met witte wijn gedronken de derdedaagse koortsen verdrijft, de stenen van de nieren afjaagt, zeer goed is tegen het bloedspuwen en de pleuris genezen kan.
Onze eenvoudige landlieden verzamelen de bloemen en jonge toppen omtrent Sint Petrusdag en drogen die om geheel het jaar in het water te koken en als thee te drinken.
SINT JORISKRUID, Speerkruid, Baldriaan, Valeriaan, in ’t Frans Valeriane, in ’t Latijn Valeriana, is onder de 2de klasse, 3de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie helmstyltjes bloemen en maar een stampertje hebben. Men vindt verscheidene soorten van dit Speerkruid, waarvan vooral de twee volgende in de medicijnen vermaard zijn: Het Winkel-Speerkruid (Valeriana officinalis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die ten alle kanten in België in de vochtige moerassen, bossen en aan de grachten en waters groeit met bladstelen en gevleugelde, getande bladen en waaruit alle jaren in mei een gerimpelde stengel spruit ie langs boven vertakt omtrent 1 meter hoog groeit en op wiens toppen van juni tot in juli witte of rooskleurige bloemen bloeijen die een aangename reuk inhouden. Deze plant die om zijn deugden veel in de kruidhoven wordt gekweekt is en van de oude en nieuwe Kruidschrijvers zeer geacht; de wortels, bladen en bloemen bezitten een middel tegen de stuiptrekkingen en een zenuw stillende kracht. De wortels worden veel door afkooksels in de anderdaagse koortsen gebruikt en de bloemen worden in kokend water als thee aan bevolen; de wortels worden ook gedroogd en als poeier voor de gemelde ziekten gebruikt.
Het Sint Joriskruid met afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke bloemen (Valeriana dioica van Linnaeus) is een langlevende plant van Europa die op sommige plaatsen in België in ’t wild groeit en veel in de kruidhoven wordt geplant; het groeit met gevleugelde bladstelen gerimpelde stengels omtrent 60 of 70 centimeters hoog en bloeit in juli met vleeskleurige bloemen die alle op de ene plant mannelijke en op de andere vrouwelijk zijn. Deze plant bezit dezelfde krachten als het Winkel-Sperkruid.
Het tam Speerkruid of Engelse Valeriaan (Valeriana phu van Linnaeus) is een langlevende plant van de Elzas die hier veel in de kruidhoven wordt gekweekt; het groeit met dikke wortels en stelen, met lange, eivormige, groene bladen aan de wortels verdeeld, waaruit meest in mei gladde stengels spruiten die omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeien en in juni witte bloemen op de toppen der stelen dragen die een zeer welriekende geur inhouden. Deze plant, die zoveel heilzame deugden bezit, wordt gebruikt voor mensen en kinderen die met stuiptrekkingen en zenuwkrimpingen gekweld zijn; de wortels of bladen een gestoten en op de vurige gezwelle of wonden gelegd doen die zuiver zonder litteken genezen. De bladen en wortels vers gestoten en opgelegd verzachten de hoofdzweren en genezen de brandpuisten en met wijn bereid genezen ze de aambeien en andere zeren. De bloemen worden ook als afkooksel als thee gedronken, zegt G. Grimaux, voor de geelzucht, borstkwalen en andere pestilente ziekten en kwalen.
Het Pyrenees Speerkruid (Valeriana pyrenaica van Linnaeus) van Zuid-Frankrijk groeit ook in sommige bergachtige bossen van België, en de Valeriana supina van Linnaeus die in de Alpen gebergten groeit wordt hier ook in sommige kruidhoven gekweekt,en meest door wortelscheiding en zaad vermenigvuldigd.
Het rood Sint Joriskruid of rode Valeriaan (Valeriana rubra van Linnaeus) van de nieuwe Kruidbeschrijvers meest Centranthus ruber genoemd schijnt een medesoort te zijn die om zijn lieflijke bloemen in de bloemtuinen wordt gekweekt; het groeit met groenachtige, lansvormige bladen en vertakte stengels omtrent 45 of 50 centimeters hoog en bloeit met bloemtrossen op de toppen en zeer veel kleine rode, lila of witachtige bloempjes die maar een stuifmeeldraadjes hebben en zouden derhalve in de 1ste klasse van Linnaeus moeten gesteld zijn. Men heeft van deze plant door het zaad enige medesoorten verkregen; het kan moeilijk in de vrije koude lucht onze winters weerstaan; daarom is het zeer prijselijk enige struiken in de planthuizen te bevrijden.
SLANGENHOOFD, Slangenkop, in ’t Frans Vipérine, in ’t Latijn Echium, is onder de 2de klasse, 4de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de fami- lievan de Bernagie planten,en onder de 5o klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf stuifdraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Slangenhoofd met grote bloemen (Echium grandiflorum) is eeen tweejarige kruidplant van de Kaap die met vertakte stengels wel 1 meter hoog groeit en met lansvormige, wollige bladen; bloeit alhier meest van juni tot in augustus met blauwachtige rooskleurige bloemen.
Men kweekt alhier de Echium strictum van Linnaeus die van Tenerife oorspronkelijk is, de Echium candicans van Linnaeus, een langlevend houtachtig kruidgewas van Madera en de Echium giganteum van de Canarische eilanden met helder blauwe en rooskleurige bloemen volgens de medesoorten. Deze planten moeten 's winters in de oranjehuizen bevrijd zijn en kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden.
Het gewone Slangenhoofd (Echium vulgare van Linnaeus) is een tweejarige plant die in België en elders op droge plaatsen in de velden groeit en ook aan de wegen en kanten der bossen groeit met geknobbelde, ruwe, harige stengels en langwerpige, lansvormige bladen met haartjes bekleed; bloeit meest in juli met zijdelingse aren op de toppen en blauwachtige bloemen, die soms witachtig of purper en rooskleurig gespikkeld zijn. Deze plant werd voor deze in de geneesmiddelen gemengd en als borst verzachtend middel gebruikt. Er werd ook uit de bloemen een water gedistilleerd en conserven van gemaakt om het hart te versterken, het bloed te zuiveren en de brandende koortsen te verzachten en het zaad met melk of wijn gekookt en gedronken om in de vrouwenborsten veel melk te doen komen.
Deze plant, ie een mooie blauwe verf bezit wordt in Italië, Zuid-Frankrijk en elders verzameld en met mondhout en levende kalk door de kunstscheiding bereid om alle slag van stoffen blauw mee te verven.
SLEEDOORN, Wegedoorn, Rijnbessen, wilde Pruimen, in het Frans Nerprun, in ’t Latijn Rhamnus, van Tournefort Rhamnus, Frangula, Alaternus, Zizyphus, Paliurus, door Jussieu onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, bomen die met vijf stofdraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De buik zuiverende Slee- of Wegedoorn (Rhamnus cathartica van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Europa dat veel in Belgie aan de wegen, hagen en bossen groeit met rechte takken door dorens bekleed en eironde bladen; bloeit in mei met witte bloemen die in oktober zwartachtige vruchten voortbrengen die in november rijen en een zuur sappige smaak inhouden en een buik zuiverend middel bezitten.
De verwende sleedoorn (Rhamnus infectoria van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Zuid-Europa; het groeit met omgekeerde vertakte stam die van boven met dorens zijn verspreid en met eironde bladen die van onder wit wollig zijn; bloeit in april met vier bloembladen in de kelken die een drinkbeker zonder tanden vertonen.
De Rijnbes boom (Rhamnus alpinus) van de Alpen gebergten groeit zonder doren en heeft doorzichtige bladen.
De Alaternus- Sleedoorn (Rhamnus alaternus van Linnaeus) is een langlevende boom van Zuid-Frankrijk die alhier wel 3 meter hoog groeit zeer vertakt met kleine, eironde, dikke groene, blinkende bladen en getande boorden; bloeit van maart tot in mei met mooie bloemtrosjes en groenachtige bloemen die de lusthoven zeer versieren.
De Sleedoorn met smalle bladen (Rhamnus alaternus angustifolius) en de Rhamnus alaternus hispanicus van Spanje groeien met lange onder witte bladen.
De medesoorten van die heestergewassen zijn de Rhamnus alaternus variegatus die gevlekte bladen draagt. De Rhamnus alaternus alba variegatus en de Rhamnus alaternus maculatus die ook met gevlekte, geschakeerde bladen groeien en in de lusthoven tot versiering geplant en door het kernzaad en uitlopers vermenigvuldigd worden.
De Rhamnus infectoria en Rhamnus saxatilis van Linnaeus die zeer klein heestervormig in Zuid-Frankrijk groeien zijn onder de naam van Ververs-Wegedoorns bekend. De bessen van deze twee planten worden in de herfst verzameld om de zijde en andere stoffen mee te verven waaraan ze een vast gele kleur geven. Die verf wordt ook van de fijnschilders gebruikt.
De bessen van de Rhamnus catharticus en van de Rhamnus alaternus maculatus die in België en elders groeien worden als een krachtig bik zuiverend middel in de medicijnen gebruikt.
In sommige landen bedienen veel mensen zich van die bessen om hun lichaam te zuiveren; maar te veel daarvan ingenomen kan kwade gevolgen veroorzaken en de buikloop verwekken.
Het sap van die bessen wordt bij de apothekers met siroop bereid en door de doctors in de medicijnen voorgeschreven; het bezit een samen trekkende kracht. Die bessen worden in Frankrijk ook veel in de wijn geworpen die die klaar en helder te maken.
SLEUTELBLOEM, Priembloem, Kalvertong, in ’t Frans Primère , in ’t Latijn Primula, door Tournefort Primula veris, Auricula ursis genoemd en onder zijn 2de klasse 2de sectie der trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wederikplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf stuifdraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De Sleutelbloem (Primula veris van Linnaeus) is alhier van iedereen gekend, n groeit meest in de vochtige bossen, moerassen en elders op belommerde plaatsen met veel ruwe, getande bladen aan de wortels die op een kalfstong gelijken; met het begin van april spruiten er schachtjes uit die soms maar 10 of 15 centimeters hoog groeien en van april tot in mei gele bloemen op de stelen dragen die een aangename geur verspreiden. Men heeft door het zaad vele verscheiden medesoorten verkregen die met zeer lieflijke rooskleurige, rode, witte en andere gespikkelde bloemen bloeien.
De Sleutelbloem met grote bloemen (Primula grandiflora) (wel Primula rosea “Grandiflora”) groeit ook in België op sommige plaatsen in ’t wild met eironde langwerpige bladen aan de wortels waaruit meest in april verscheidene schachtjes spruiten die korter dan de bladen groeien en meest op het einde van april zeer lieflijke grote bloemen dragen die verscheidene mooie kleuren hebben. Men heeft dor het zaad en het vruchtbaar maken van die bloemen met stuifmeeldraadjes der Berenoren en van andere bloemen veel verschillende gekleurde bloemen verkregen waaronder mooie dubbele zijn die de bloemhoven in de lente zeer versieren.
De Sleutelbloemen zijn droog van aard; het water waarin de wortels gezoden zijn wordt veel gebruikt van degenen die met de steen in de nieren of blaas gekweld zijn en het sap der bladen wordt zeer nuttig gegeven aan die welke van binnen of buiten enig lid gescheurd of verstuikt hebben. De vrouwen van Italië laten die bloemen in witte wijn weken en wasser er 's morgens en 's avonds hun aangezicht mee hetgeen het vel blinkend maakt en de rimpels en fronselen van het aangezicht weg neemt.
SMAKBOOM, Sumakboom, in ’t Frans Sumac, in 't Latijn Rhus, door Tournefort Rhus toxicodendron cotinus genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Terpentijnbomen gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, bomen die met vijf meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
Men vindt heden 26 soorten van die booen die in België, Frankrijk, Italië, Spanje, Griekenland en elders natuurlijk op de gebergten en in de bossen groeien en alhier in de lusthoven tot versiering worden geplant.
De Koorts-Sumakboom (Rhus typhina van Linnaeus) is een langlevende heester-boomgewas van Virginie die in de lusthoven wordt geplant en met zeer lange, uitgebreide wortels in boompjes groeit omtrent 2 meters hoog, vertakt met bladstelen en gevleugelde bladen die lansvormig aan de bladstelen in 12 of 14 blaadjes verdeeld zijn; bloeit in de zomer met trosvormige, groene grappen die nadat de bladen vallen een mooi rood amaranthekleur verkrijgen en geheel de winter de takken versieren.
De gele verf Sumakboom (Rhus cotinus van Linnaeus) (Cotinus coggygria) is een langlevend heester-boomgewas van Italië dat in struiken vertakt groeit met lange bladstelen en enkele, eironde bladen en trosvormig bloeit met veel witte bloempjes die in de herfst een rode kleur verkrijgen. Dit houtgewas bezit een mooie gele verf; het wordt vooral in Italië, Zuid-Frankrijk en elders geplant, het hout op de wijze van den Meekrap gemalen en door de ververs van zijde en andere stoffen gebruikt.
De Leertouwers-Sumakboom (Rhus coriaria van Linnaeus) van Europa groeit in België, Spanje, Italië en elders wel 3 of 4 meters hoog met ruwe bladstelen en gevleugelde bladen die op de Iepenbladen gelijken, eerst geelgroen zijn en in de herfst een purper kleur verkrijgen; bloeit in juli met trosvormige, ineen gedrongene, groenachtige bloempjes.
De Rhus vernix (Toxicodendron vernix) van Linnaeus van Noord-Amerika; de Rhus toxicodendron, Rhus radicans van Linnaeus, ook van Amerika worden hier en elders in de lusthoven geplant.
De welriekende Smakboom (Rhus suaveolens van de Hortus Kew.)(Rhus aromatica var. aromatica) van Amerika en de Rhus glabra worden ook alhier geplant.
De Rhus tomentosa, (Searsia tomentosa) Rhus viminalis, Rhus lucida (Searsia lucida) van de Hortus Kew die van de Kaap oorspronkelijk zijn moeten ’s winters in de planthuizen bevrijd worden.
Al deze boomgewassen bezitten veel run en verf en worden vooral van de leertouwers gebruikt om het leer te bereiden; de jonge wortels, schors en takken die jaarlijks uit de wortels spruiten worden bij de grond afgesneden, gedroogd, vervolgens klein gemalen en gebruikt om het Spaans marokijn leer, dat zo vermaard is, te bereiden, waartoe dit veel beter is dan de schors van de Eikenbomen.
De Sumakboom of Vergifboom(Rhus toxicodendron van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Virginië en Canada dat omtrent 1 ½ meter hoog groeit met drievoudige bladen die ovaal ,hoekig, ingesneden en wollig zijn. Het hout en al de delen van deze plant worden voor zeer vergiftig gehouden, zo in het behandelen als bij het bewerken en het branden. Derhalve wordt dit gewas nergens voor gebruikt en heden uit de bloemtuinen verworpen daar het toch door zijn groenachtige bloemen die zich in juli openen zeer weinig glans verschaft. Van al deze gemelde planten is het maar de gewone Sumakboom (Rhus radicans van Linnaeus) die veel in Canada groeit, wiens bladen tot geneesmiddelen kunnen dienen en nog moeten die met voorzichtigheid door een ervaren geneesheer voorgeschreven worden; maar velen van de andere soorten worden gebruikt voor verven te maken.
SMEERWORTEL, Waalwortel, in ’t Frans Consoude, in het Latijn Symphytum, is onder de 2de klasse, 4de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Bernagieplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De heilzame Smeerwortel of Waalwortel(Symphytum officinale van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België aan de kanten der grachten en wallen groeit met tamelijk dikke, zwartachtige wortel ,die van binnen witachtig zijn en met eironde, lansvormige, ruwe bladen die op de stengels verdeeld zijn; deze plant bloeit alhier meest van juni tot in juli met purperachtige bloemen die buikachtig en als pijpjes gerold zijn, rond de boord gesloten en priemvormige bloemstralen die lansvormig en elzenachtig geschikt zijn. Men vindt verscheidene medesoorten van die Waalwortel die met witte bloemen bloeien en ook witte wortels hebben.
De Smeerwortels zijn van over zeer oude tijden om hun heilzame deugden in de geneesmiddelen bekend; ze werden voor dezen Consolida major genoemd en van sommigen grote Waalwortels(Symphytum majus) in Engeland worden ze Ezelsoren geheten omdat de onderste bladen op de oor van een ezel gelijken, en Smeerwortels genoemd omdat de wortels een smerig vet bezitten. Die wortels gekneusd of geschraapt en op een linnen doek pleistervormig op de steenzweren of vurige gezwellen gelegd doen die open breken en zuiver genezen. Met boonmeel gemengd en papvormig op de gescheurdheid van kinderen of grote mensen gelegd doen ze die spoedig genezen; ze zijn ook zeer krachtig in de zoete melk gekookt of door afkooksel met suiker of honing bereid, om degenen die bloedspuwen te genezen en zeer dienstig om de zweren en zeren der longen en de hoest te verhelpen; ze ruimen en lossen de fluimen. Er wordt bij de apothekers met die wortels een siroop bereid door ze met honing en suiker te mengen die voor de borstkwalen wordt gebruikt en ook de vloed der vrouwen stelpt en goed is om de bewerking der spieren en vezels te herstellen en terende mensen te genezen. De landlieden koken die wortels en mengen dit kooksel met zoet varkensvet om de gescheurdheid van hun jonge kinderen te genezen. Deze gewassen kunnen door het zaad dat ze genoeg geven en door wortelscheiding vermenigvuldigd worden en zaaien ook veel zichzelf uit.
SNEEUWBLOEM, Sneeuwboom, in ’t Frans Flocon de Neige, Chionante, in 't Latijn Chionanthus, is door Jussieu onder de familie van de Jasmijnboom gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Sneeuwbloem (Chionanthus virginicus van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Virginië en Noord-Amerika dat alhier in de lusthoven wordt geplant en in struikeng vertakt groeit met grote, tegenovergestelde, eironde en mooie groene bladen ;bloeit hier mees in juni met okselachtige slappe bloemtrosjes en zeer veel witte bloempjes die tussen de andere groene plantgewassen de lusthoven mooi versieren en purperachtige vruchten met gestreepte kerntjes gevuld voortbrengen. Deze plant wil in ons klimaat in vochtige goede grond en op belommerde plaatsen wel aarden en kan door inleggers, die maar het tweede jaar wortel vatten en nadien van de moederplant afgescheiden worden en door het zaad of kerntjes der vruchten in de planthuizen op teilen vermenigvuldigd worden; maar de jonge planten moeten eerst twee of drie jaren ’s winters in de oranjerie verblijven. Deze heestergewassen worden heden veel van sommige liefhebbers op Essenboom-stammen en Over-essen geënt waarop ze zeer goed treffen.
SOLANDRA , in 't Frans Solandra, in 't Latijn Solandra, is door Jussieu onder de familie van de Nachtschade planten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Solandra met grote bloemen (Solandra grandiflora van Curtis Botanical Magazine) is een langlevende heester-boomgewas van de Antillen eilanden dat vertakt omtrent3 of 4 meters lang groeit ,met windende ranken en grote, eironde, langwerpige bladen; bloeit alhier meest in de warme serres van in mei met zeer mooie klokvormige bloemen, ie van binnen purper en langs buiten groen gestreept zijn, een zoete aangename geur verspreiden en vruchten voortbrengen die de grootte van een ei verkrijgen en de smaak van de Komkommers inhouden.
Onze bloemisten hebben van de Indiën de volgende soorten bekomen: de Solandra guttata, Solandra multiflora (Cv.?), Solandra floribunda (Solandra maxima?) die met aller mooiste bloemen bloeien. Deze planten moeten in de warme serres gekweekt zijn en kunnen daar het zaad en afzetsels vermenigvuldigd worden.
Linnaeus maakt ook melding van een Solandra lobata (Hibiscus lobatus)van de Kaap afkomstig die hij onder de 16de klasse, Monadelphia polyandra heeft gesteld, welke veel gelijkenis met de Solandra Napaea heeft en door Jussieu onder de familie van de Maluweplanten wordt gesteld.
SOPHORA, in ’t Frans Sophora, in ‘t Latijn Sophora, is door Jussieu onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Sophora japonica of Sophora alopecuroides (Styphnolobium japonicum) van Linnaeus die in het land van zijn afkomst tamelijk groot groeit maar alhier, door uitlopers en inleggers vermenigvuligd een heester gewas blijft, groeit met mooie groene schors en zeer lieflijk versierende takjes en veel bladstelen met gevleugende mooie groene bladen; bloeit meest in juli met trosjes en witachtige bloemen..
De Sophora tetraptera van de Hortus Kew., is een heester- houtgewas van Ceylon en de Sophora macrophylla van de Hort. Kew., komt van Nieuw-Holland;(Australië) beiden bloeien alhier in mei met mooie trosjes en lieflijk gele bloemen, maar kunnen in ons klimaat maar omtrent 12 graden koude weerstaan. Er zijn heden twee medesoorten van de Japanse Sophora, de Sophora variegata en de Sophora pendula; de ene met gevlekte bladen en de tweede met zeer lieflijke hangende takken die zeer mooi zijn om in de lusttuinen te planten. De Sophora tinctoria (Baptisia tinctoria) van Linnaeus is een langlevend boomgewas dat veel in Virginië groeit met ronde bladstelen, donkergroene, steelloze, gladde bladen, starvormige steelschubbetjes en een verf inhoudt
De heer Martius van Munich die een reis naar Brazilië heeft gedaan verhaalt dat hij aldaar van die Sophora ‘s heeft bemerkt waaruit als men er ’s avonds bij donker insnijdt een sap vloeit, dat een blauwachtig licht geeft; dat het sap van al die gewassen een licht gevende stof bezit en men uit die bomen een god fosfor stof kan trekken De peulvruchten worden veel gebruikt om de pluim gedierten te voeden.
SPAENDONCK (VAN) in ’ t Frans Spaendoncéa, in 't Latijn Spaendoncea, is door Jussieu onder de familie van de bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tienm eeldraedjes bloemen en maar één stampertje hebben.
De Van Spaendonck boom met Tamarinde bladen (Spaendoncea tamarindifola van Desfontaines) is een langlevend heester- boomgewas van Abessinië̈ in Afrika dat met mooie takken groeit en bladstelen met altijd blijvende bladen zeer lommerryk versierd; bloeit meest van september tot in oktober met mooie witte, brede bloemen die een helder roze kleur verkrijgen.
Deze mooie bevallige plant is door den vermaarde kruid- kenner en hoogleraar Desfontaines aan den wijd beroemde Belgische bloemschilder Van Spaendonck opgedragen en heeft alzo den naam van Spaendoncea verkregen. Dit heestergewas kan in de vrije lucht onze koude winters niet weerstaan, moet alhier in de planthuizen bevrijd zijn en wordt op lauwe broeibakken onder het glas in de heigrond gezaaid; het eerste jaar moet het 's winters in de matige serre verblijven en de volgende jaren in de oranjerie worden gekweekt, het kan ook door afzetsels op warme bakken vermenigvuldigd worden.
SPAANSE KLAVER, in ’t Frans Luzerne, in ’t Latijn Medicago, is onder de 10de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der planten die vlindervormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht dragende planten en onder de 17de
klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten wiens meeldraadjes, veranderlijk in getal, door hun helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen zijn samen gegroeid en tien stampertjes hebben.
De tamme Spaanse Klaver (Medicago sativa van Linnaeus) is een langlevende plant van Europa die in België en elders in de moerassen en velden wordt gezaaid en met gladde, rechte stengels en veel groene blaadjes aan de knoopjes verdeeld groeit; groeit; bloeit met trosjes op de stelen en violetachtige bloemen; er zijn ook medesoorten die blauwachtige bloempjes dragen.
De zeisvormige Spaanse Klaver (Medicago falcata van Linnaeus) is een lang levende kruidplant die in België, Spanje, Frankrijk enz., in de droge moerassen en velden wordt gezaeid en groeit met gebogen stengels en groene verdeelde bladen; bloeit met trosjes en gele bloempjes die halve maanvormige peulvruchtjes voortbrengen. De bloemen van deze Klavers zijn voor de bijen zeer aangenaam en bezitten de krachten van de Beemd-klavers en worden groen en droog gebruikt om de kruid etende dieren te voeden; men maait die af als ze in hun volle bloei zijn en al hun nuttige voedzame krachten bezitten. De Spaanse Klavers op tijd van alle onkruid gezuiverd, de lege plaatsen met jonge planten aangevuld en met vette aarde of as en kalk bestrooid kunnen wel 8 jaren lang twee of drie maal per jaar afgemaaid worden; ze verschaffen aan de paarden en koeien een goed voedsel en doen deze laatste veel melk en goede boter geven .
Men vindt ook de Spaanse Klaverboom( Medicago arborea van Linnaeus) die in Azië, Italië en andere warme landen natuurlijk groeit. Maar hier ’s winters in de planthuizen wordt bevrijd ; dit heesterachtig houtgewas groeit met driebladige kleine blaadjes die altijd groen op de takjes blijven en bloeit meest van juni tot in augustus ,met zeer lieflijke gele bloemen. Deze plant kan door inleggers , afzetsels een het zaad vermenigvuldigd worden.
De eenjarige Spaanse Klavers die in Frankrijk en elders in de droge velden en op de bergen, om de schapen en andere kruid etende dieren te voeden, veel worden gezaaid zijn de volgende soorten van Willdenow :Medicago tornata van Italië, Medicago orbicularis, Medicago turbinata, Medicago ciliaris, Medicago coronata, Medicago marina, Medicago lupulina, Medicago scutellata die allen meest gele bloemen dragen en vroeg in het voorjaar in de magere landen worden gezaaid.
SPAANSE PEPER, in ‘t Frans Piment, in ’t Latijn Capsicum, is onder de 2de klasse, 7de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Nachtschade planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De eenjarige Spaanse Peper (Capsicum annuum van Linnaeus) is eenjarige kruidplant van Zuid-Amerika waarvan men verscheidene medesoorten vindt met lange en rondachtige grote vruchten die geel zijn, op de Tomaten gelijken en als toekruid in de spijzen worden gebruikt; ze houden een aanhitsende krachten en een prikkelende smaak in. Om er al hier rijpe vruchten van te bekomen moet het zaad vroeg in het voorjaar op warme broeibakken gezaaid en vervolgens op warme plaatsen aan de muren, zuidwaarts, worden verplant; op deze wijze kunnen de vruchten in ons klimaat hun volle rijpheid verkrijgen.
De bes dragende Spaanse Peper (Capsicum baccatum van Linnaeus) is een houtachtig kruidgewas van de Indien dat met gladde stengels en neer hellende stelen groeit.
De dikke Spaanse Peper (Capsicum grossum van Linnaeus)(Grossum Group) is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Indiën dat dikke vruchten draagt.
De heesterachtige Spaanse Peper (Capsicum frutescens van Linnaeus) is een langlevend houtachtig gewas van de Indiën dat met ruwe stengels en dubbele bladstelen groeit en kegelvormige, krom gebogen vruchten draagt die bij het rijpen geelachtig rode kleur verkrijgen.
De violette Spaanse Peper (Capsicum violaceum van Desfontaines) (Capsicum pubescens) is ook een houtachtig kruidgewas van China dat sedert enige jaren in Europa is overgevoerd en mooie violette vruchten draagt. Deze vier laatst gemelde planten moeten alhier in de warme serres gekweekt worden en kunnen door het zaad ,dat zich inde rijpe vruchten bevindt, vermenigvuldigd worden.
De vruchten van de Spaanse Peper worden veel gebruikt om sausen mee te maken of gedroogd en in poeiers bereid op verscheidene wijzen in de spijzen gebruikt. Door hun verwarmende krachten doen ze alle taaie vochten der maag scheiden en de spijzen verteren; het poeier van de Spaanse Peper pleistervormig gebruikt is zeer goed voor de heupjicht en allerlei jicht en wordt ook voor de lamme leden gebruikt. De inwoners van Zuid-Amerika gebruiken dit Peperpoeder met tabak- bladen om de beten van alle vergiftige dieren te genezen.
SPARRMANNIA in ’t Frans Sparmannia, in ’t Latijn Sparmannia, is door Jussieu onder de familie van de Lindebomen gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, planten die met twintig en meer meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Sparmannia africana van Linnaeus is een klein heester- houtgewas van Afrika dat alhier in de matige serres wordt gekweekt en met grote, brede, hartvormige bladen groeit; bloeit meest van maart tot in mei met 30 of 40 mooie, brede scherm-ragende bloemen kroonvormig met gele helmknopje, die de witte bloemkransen zeer lieflijk versieren. Deze mooie plant is tot heden de enige van zijn soort bekend en ook nog zeldzaam verspreid; het kan door het zaad, uitspruitsels en bouturen, op de wijze van veel andere planten van de Kaap, in de heigrond vermenigvuldigd worden.
SPEENKRUID, Klierkruid, Water-Helmkruid, Beekschuim, groot Speenkruid, in ’t Frans Scrophulaire , in ’t Latijn Scrophularia, is onder de 3de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der kaakvormige bloemen met onregelmatige bloemkransen; door Jussieu onder de familie van het Speenkruid en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
Het stinkende groot Speenkruid of Helmkruid (Scrophularia nodosa van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders ten alle kanten in de vochtige bossen, aan de grachten, weiden op lommerachtige plaatsen groeit met hoekige, plompe stengels die alle jaren uit de wortels spruiten en omtrent 50 centimeters hoog groeien met hartvormige, gezaagde en geribde bladen die puntachtig zijn en hier meest in juli bloeit met groenachtige bloempjes die een zwart purper kleur verkrijgen.
Het Water-Helmkruid of Klierkruid (Scrophularia aquatica van Linnaeus) (Scrophularia auriculata) is een tweejarige kruidplant van Europa die veel in België aan de vochtige grachten en moerassen groei, met hoekige stengels, bladstelen en plompe, hartvormige bladen; bloeit met trosjes op de stengels met vijf bloemblaadjes in de kelken, ronde bloemkransjes en dove bloempjes die zaadhuisjes in twee hutjes verdeeld voortbrengen.
Deze twee kruidplanten hebben in Frankrijk sedert het beleg van La Rochelle in ’t jaar 1570 de naam van Herbe du siége, Belegeringskruid, verkregen omdat er geen andere medicijnen te vinden waren om de gekwetste krijgslieden te genezen. Het groot Speenkruid wordt zeer geprezen om harde gezwellen, klieren, kropzweren en de speen of aambeien te genezen. De wortels van dit kruid gezuiverd, met zoete boter gestoten, vijftien dagen goed toegestopt in de zone laten staan trekken en nadien tezamen gesmolten en door een doek geperst maakt een beste zalf om de aambeien te genezen, kliergezwellen te openen en wonden te zuiveren. Het schijnt dat elk land zijn Speenkruid bezit, want het Speenkruid met Vlierbladen (Scrophularia sambucifolia) is een langlevende kruidplant die veel in Spanje groeit; het Speenkruid met gladde bladen (Scrophularia lucida van Linnaeus) met blauwe bloemen groeit veel in Griekenland; het rode Speenkruid (Scrophularia coccinea van Linnaeus) (Russelia coccinea) groeit veel in Zuid- Amerika en bloeit met aren en zeer lieflijke rode bloemen. Deze drie laatste planten worden alhier bij sommige bloemisten in de oranjerieën gekweekt en door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
SPEURIE, Speurkruid, Sporie, Spurrie, in 't Frans Spergule, Spargoute, in 't Latijn Spergula, is onder de 6de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der roosvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de anjerachtige planten en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, planten die met tien meeldraadjes bloeien en vijf stampertjes hebben.
De Veld-Spurrie (Spergula arvensis van Linnaeus) is een eenjarige kleine kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten inde velden groeit en veel op sommige plaatsen wordt gezaaid; het groeit met steeltjes door veel blaadjes versierd maar omtrent 15 centimeters hoog n bloeit met witachtige bloempjes die vijf gehele bloemblaadje hebben en kleine, eironde zaadjes voortbrengen die in een hutje met vijf bolstertjes bedekt gesloten zijn. De vijfhelmige Spurrie (Spergula pentandra van Linnaeus) is ook een eenjarige kleine kruidplant die veel in België op droge zandachtige plaatsen in de velden groeit met steeltjes door zeer veel blaadjes omringd; bloeit met witte bloempjes, ie van vijf tot tien meeldraadjes hebben.
De stinkende Spurrie (Spergula nodosa van Linnaeus) (Sagina nodosa) is een langlevende kleine kruidplant die in België in de zandachtige en vochtige velden groeit met enkele blinkende stengels en puntige blaadjes die recht over elkaar aan de steeltjes verdeeld zijn; het draagt dove witte bloempjes.
De Spergula saginoides (Sagina saginoides) van Linnaeus is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de velden, moerassen en elders groeit met enkele, liggende, lange steeltjes en zeer veel lijnvormige blaadjes die blinkende zijn; bloeit met doof kleurige bloemblaadjes die langer dan de bloemkransjes zijn. A l deze Spurrie’ s die zeer veel zaadjes voortbrengen worden door de wind en de vogels verspreid, maar het zaad van de Veld- Spurrie (Spergula arvensis) en van de Spergula pentandra worden veel verzameld om in de velden op droge zandachtige gronden in de zomer te zaaien en in de herfst de koeien, ossen, schapen, geiten en andere kruid etende dieren mee te voeden waarvan vooral de koeien zeer veel melk en goede vette boter geven; want de Spurrie boter wordt bij voorkeur geacht om in de huishoudens te gebruiken. Het zaad is ook zeer goed om ’s winters de hoenders, duiven en andere pluimgedierten te voeden. De vermaarde Lobel schrijft dat het Spurrie kruid of het sap uitermate goed is om de koude pis en druppelpis te verhelpen en ook zeer dienstig om in de zoete melk te koken of door afkooksel als thee te drinken voor de vrouwen die jong van kind zijn en weinig zog hebben.
SPHAEROLOBIUM, in ’t Frans Sphaerolobier, in ‘t Latijn Sphaerolobium, is door Jussieu onder de familie van de bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige met tien helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen samengegroeid.
De Sphaerolobium vimineum is een nieuw langlevend klein boomgewas van Nieuw-Holland (Australië) dat rietstokvormig met een fijnen vertakte stam en ranken groeit met lijnvormige bladen en alhier in de matige serre van me tot in juli bloeit met mooie trossen en gele bloemen die zeer lieflijk rood getekend zyn en peulvruchten voortbrengen welke in de Indiën worden gebruikt om het vee en de pluimgedierten te voeden. Dit lieflijk heester-boomgewas dat in het land van zijn afkomst tamelijk hoog groeit kan alhier door het rijpe zaad in de heigrond en door afzetsels op lauwe broeibakken vermenigvuldigd worden.
SPIGELIA, in 't Frans Spigelia, in ’t Latijn Spigelia is door Jussieu onder de familie van de Gentiaan planten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. De Spigelia marilandica van Linnaeus is een langlevende kleine kruidplant van Maryland die in struiken met vierhoekige stengels omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeit en met overeen staande bladen aan de stengels, die steelloos zijn; bloeit alhier meest van juni tot in juli en soms tot in augustus met aarvormige trosjes op de toppen der stengels en gepijpte, trechtervormige bloemen die van boven in vyf geelachtig groene kleine bloemblaedjes verdeeld zijn, langs buiten een zeer mooie rode karmijn kleur hebben en een zeer aangename zoete geur inhouden. Deze mooie kruidplant kan wel onze koude winters weerstaan, maar wordt toch ook veel inde oranjerie in potten gezet om vroeg in de lente te bloemen en kan door het zaad, afzetsels en struikscheiding vermenigvuldigd worden. De jonge zaailingen moeten het eerste jaar ’s winters in de oranjerie huizen verblijven en worden meest in de heigrond op belommerde plaatsen gezaaid.
SPINAGIE, in’ t Frans Épinard, in ' t Latijn Spinacia ,is onder de 15de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld der planten die bladloze bloemen dragen en met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van het Meldekruid en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizige -vijf- mannige.
De Hof-Spinazie (Spinacia oleracea van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Azië die van over vele eeuwen in Europa is bekend en gewoonlijk in de herfst tot in mei in de moestuinen alle jaren wordt gezaaid; als die in de winter in diepe groeven wordt gezaaid en een weinig met dorre bladen bevrijd, kan het goede de koude weerstaan. De Spinazie groeit gewoonlijk met dunne, vezelachtige wortels n donkergroene bijna driehoekige bladen op de stelen en stengels die eivormig spits zijn en veel sap inhouden; de stengels die uit de wortels spruiten, ook met dergelijke bladen bekleed, zijn rond en hol, groeien omtrent 30 centimeters hoog en brengen bloempjes op de toppen en zaadjes voort die druifvormig gebogen hangen; zo gauw het zaad zijn rijpheid verkregen heeft rukt men de planten uit zonder het zaad op de grond te laten vallen; het kan drie jaren voor het zaaien goed blijven. De Spinazie is een lekker en verkoelend moeskruid, wordt jong veel in de keuken gebruikt en is zeer dienstig voor de hoest en aamborstige mensen; het water waarin de Spinazie gezoden is gedronken maakt de buik week en de bladen op de gezwellen gelegd doen de brand scheiden. Er wordt ook een water uit de bladeren gedistilleerd en met sulfer bereid om de voort etende zeren te genezen en de roodheid van het aangezicht te verdrijven.
SPIRAEA, van sommigen Druifjes-Wilg genoemd, in Frans Spirée , in ’t Latijn Spiraea, van Tournefort Ulmaria , Filipendula, Barba caprae; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten gesteld en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, planten die met twintig en meer meeldraden bloemen die op de kelken zijn vastgehecht en vijf stampertjes hebben.
Men vindt heden zeer veel soorten van die planten die heestervormig of als kreupelhout en ook met kruidachtige stengels groeien; daarom zal ik eerst die beschryven welke alhier heestervormig groeien; De Spiraea chamaedryfolia is een heester-houtgewas van Siberië dat met korte bloemtrosjes op de toppen en veel mooie kleine, witte, verenigde bloempjes bloeit.
De Spiraea met bladen van het Sint Janskruid (Spiraea hypericifolia van Linnaeus) is een zeer mooi heester-houtgewas van Canada dat alhier meest in mei met witte bloemen bloeit.
De Spiraea met blinkende bladen (Spiraea laevigata van Linnaeus) is een heester-houtgewas van Siberië dat in mei bloeit met trosjes op de takken en veel kleine bloempjes die zeer lieflijk versieren.
De Spiraea met doorzichtige bladen (Spiraea crenata van Linnaeus), is een houtgewas van Hongarije dat in mei bloemtrossen op de toppen en 25 tot 30 mooie witachtige kleine bloempjes draagt.
De Spiraea met iepenbladen (Spiraea ulmifolia van Willdenow) (Spiraea chamaedryfolia) is een houtgewas van Carniola bloeit in mei met korte bloemtrosjes en witte bloemen met lange blaadjes en zeer veel meeldraadjes die de bloemen versieren.
De Spiraea met Zwalkenboombladen (Spiraea opulifolia van Linnaeus)(Physocarpus opulifolius) is van Noord-Amerika en bloeit van mei tot in juni met gesloten bloemtrosjes op de toppen n40 of 45 kleine witte, verenigde bloempjes.
De Spiraea met Overes bladen(Spiraea sorbifolia van Linnaeus) (Sorbaria sorbifolia) is ook van Siberië, en bloeit meest in juni met lange bloemtrossen op de toppen en veel kleine ineengedrongene witte bloempjes.
De Spiraea met Wilgenbladen (Spiraea salicifolia van Linnaeus) is een kreupelhout van Siberië dat van in juni tot juli bloeit met bloemtrosjes op de toppen en veel kleine, verenigde bloempjes die een wit en roodvlees kleur hebben. Deze plant groeit alhier bijna in alle lusthoven en sommige landlieden gebruiken de bladen als thee, maar ze houden een verdrogende kracht in en kunnen pijn in de keel veroorzaken.
De Spiraea met door wit katoen bedekte bladen (Spiraea tomentosa van Linnaeus) is van Noord-Amerika en bloeit van augustus tot in september met spitsvormige trossen op de toppen en zeer lieflijke, kleine, rooskleurige, verenigde bloempjes.
De Spiraea met drie gelipte bladen (Spiraea trilobata) en de Spiraea alpina met witte aren en lieflijke bloempjes worden ook in de lusthoven geplant.
De volgende zijn kruidachtige planten waarvan velen in het wilde groeien, ook in de bloemtuinen worden gekweekt en alle jaren met stengels uit de wortels spruiten: De Spiraea aruncus (Aruncus dioicus) van Linnaeus is een langlevende kruidplant van Duitsland die met stengels omtrent 1 meter hoog groeit met vijf maak gevleugelde bladen en alhier meest van juni tot in juli bloeit, met aren of trossen en zeer lieflijke ineen gedrongen witte bloemen die een zoete geur inhouden.
De Spiraea filipendula (Filipendula vulgaris) avn Linnaeus is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de moerassen en bossen groeit met dikke, gevezelde wortels en ronde, kleine bladstelen, met gevleugelde en getande blaadjes en stengels die omtrent 30 of 40 centimeters hoog groeien waarop meest in juli bloemtrossen met zeer veel witte bloempjes bloeien en waarvan men medesoorten vindt die purperachtige dubbele bloemen hebben.
De Moeras-Koningin (Spiraea ulmaria van Linnaeus) (Filipendula ulmaria) groeit ten alle kanten in België en elders in de vochtige moerassen met iepenbladen die op de bladstelen gevleugeld zijn en stengels die omtrent 1 meter hoog groeien waarop meest van juni tot in juli bloemtrossen bloeien en zeer welriekende bloemen. Men heeft er veel medesoorten van met gevlekte bladen en witte dubbele bloemen. Al de delen van de Spiraea ulmaria bezitten een hoog zwarte verf en worden in sommige landen verzameld en door de ververs gebruikt. Uit die welriekende bloemen wordt een water gedistilleerd om in de medicijnen te gebruiken. De Spiraea lobata en de Spiraea trifoliata worden alhier ook in de bloemtuinen geplant.
Onze bloemisten hebben sedert 1842 de volgende soorten van de Indiën verkregen: Spiraea argentea, (Spiraea x arguta?) Spiraea Lindleyana, (Buddleja lindleyana) Spiraea picta,? Spiraea- venusta (Filipendula rubra “Venusta”) De Spiraea carnea (Spiraea cineraria ‘Grefsheim’) ? van de Hort. Gall., is door M. Van Geert zoon in 1843 tentoon gesteld. Men heeft onder de verzameling van M. Von Siebold te Leiden in de tentoonstelling van de Casino te Gent in 184 de volgende nieuwe soorten bemerkt: Spiraea prunifolia, Spiraea flore pleno (cv.) van Siebold, Spiraea rupestris van Siebold, Spiraea japonica van Siebold die hij in de Oost-Indiën heeft verzameld en naar Europa overgebracht. Al deze planten die om hun mooie bloemen in de lusthoven en bloemtuinen worden gekweekt kunnen door uitlopers en struikscheiding vermenigvuldigd worden.
SPLITSKRUID, in ’t Frans Corydale, in ’t Latijn Corydalis is door Jussieu onder de familie der Slaapbol planten gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia hexandria, tweebroederige, planten die met hun meeldraden of helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen zijn samengegroeid en zes stampertjes hebben.
Het Splitskruid (Corydalis formosa) is een langlevende kruidplant die in Frankrijk uit het zaad van de Duivenkervel is gesproten en nog enigszins op zijn moederplant gelijkt; het groeit met bladen als de Duivenkervel en liggende, schilferachtige stengels en bloeit meest in mei, et trosjes op de toppen en zeer lieflijke rooskleurige bloemen. Deze mooie plant moet alhier in de heigrond gekweekt en ’s winters in potten in de planthuizen bevrijd worden en kan door struik- en wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
SPORKENBOOM, Pijlhout, in ’t Frans Bourdaine, in ‘t Latijn Rhamnus, is onder de 21ste klasse van Tournefort gesteld der bomen die roosvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de Wegedoorns en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraden en een stampertje bloeien.
De Sporkenboom (Rhamnus frangula van Linnaeus) (Frangula alnus) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Europa dat in België, Duitsland, Frankrijk, Engeland, enz., in de bossen groeit en alhier in sommige lusthoven wordt geplant; het groeit zonder doorns ,heestervormig met geheel donker groene bladen; bloeit het einde mei et witachtige bloemen die eerst rode en dan zwarte bessen voortbrengen waaruit men een mooie groene verf maakt, die in den handel onder de naam van sap- groen (vert de vessie) is bekend en door de ververs zeer wordt gezocht om wo en andere stoffen groen te verven; de schors bezit ook een geelkleurige verf. Dit heester-houtgewas werd van de oude Kruidbeschrijvers zwart Elzenhout(Alnus nigra) genoemd en sommigen hier te lande noemen het zwart Hondenhout en Hondenbessen en om de rechte scheuten van zijn takken wordt het Pijlhout geheten. Het hout, dat zeer hard is, kan dienen voor draaiers en pijlmakers en tot veel andere werken worden gebruikt. De kolen van dit hout worden zeer geacht om fijn buskruit te maken; voorts heeft dit gewas in de geneeskunde ook zijn nuttigheid, want de middelste schors gedroogd bezit een goed purgerend middel en wordt voor de waterzucht en anderdaagse koorts gebruikt’ de verse schors in het water gekookt en gedronken bezit een braakmiddel en de binnenste schors met zoete boter of varkensvet gekookt en met azijn gestampt geeft een zalf die dagelijks daarmee twee of drie maal gestreken het schurft verdrijft. Dit houtgewas wordt door de bessen en uitlopers voortgezet en als kreupelhout gewas aanschouwd.
STANDELKRUID, Handekens, Kullekenskruid, Wijwatekruid, in ’t Frans Orchis, Satyrion, Limodore, in ’t Latijn Orchis is onder de 12de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der onregelmatige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Orchideeën en onder de 20ste klasse van Linnaeus, Gynandria diandria, helmstijligen met twee meeldraadjes.
Er zijn bijna geen planten waarvan men zoveel verschillende soorten vindt als van het Standelkruid; diens beschrijving zou een geheel boekdeel vereisen. Ik zal dus enkel enige soorten aanhalen die in België groeien en wiens wortels nuttige en voedzame krachten inhouden.
Het tweebladig Standelkruid (Orchis bifolia van Linnaeus) (Platanthera bifolia) groeit in België in de bossen en moerassen met dunne ,lange spoortjes en witachtige open bloemblaadjes met lansvormige lipjes in de honingkelkjes.
Het spitsvormig Standelkruid (Orchis pyramidalis van Linnaeus) (Anacamptis pyramidalis) groeit in de vochtige moerassen en ten alle kanten in België met driebladige lipjes in de honingkelkjes en bloeit met veel rode bloempjes.
Het toneel gekke Standelkruid (Orchis morio van Linnaeus) groeit ook in de moerassen en bossen en bloeit met vier gelipte bloemblaadjes die rood, wit en rooskleurig gevlekt zijn.
Het mannetjes Standelkruid (Orchis mascula van Linnaeus) groeit in de vochtige bossen, bloeit met vier gelipte, getande bloemblaadjes en lieflijke rode bloempjes.
Het hellende Standelkruid (Orchis laxiflora) (Anacamptis laxiflora) bloeit met drie gelipte bloemblaadjes, in twee verdeeld, en doorzichtige bloempjes die als aren zijdelings hangen en een roodachtig kleur hebben; enige medesoorten dragen gevlekte bloempjes.
Het gehelmd Standelkruid (Orchis militaris van Linnaeus) groeit in de belommerde bossen met hellende bloemen in vijf lipjes verdeeld die een helmpje vormen en rooskleurig met purper gevlekt zijn.
Het Standelkruid met handjesvormige wortels en brede gevlekte bladen (Orchis latifolia van Linnaeus) groeit in de moerassen en bosschen met kegelvormige bloemtrosjes op pijpachtige stengels die rood gevlekte bloempjes dragen. Men vindt enige medesoorten van deze plant die wit, purper en rooskleurig-wit gespikkeld zijn.
Het gevlekt Standelkruid (Orchis maculata van Linnaeus) (Dactylorhiza maculata) groeit veel in België in de belommerde bossen en tussen het kreupelhout, met stengels en zwart gevlekte groene bladen; bloeit meest in juni met bloemlipjes in drie verdeeld, kegelvormig geschikte bloemtrosjes en zeer veel witte bloempjes met zwarte vlekjes versierd die een aangename reuk inhouden.
Het lang gespoord Standelkruid (Orchis conopsea) (Gymnadenia conopsea) bloeit op de stengels met hellende bloempjes in drie gelipt die een roodachtig leur hebben.
Het groen Kullekenskruid (Orchis viridis of Satyrium viride van Willdenow) Dactylorhiza viridis) groeit in België in de vochtige moerassen en velden met handvormige wortels, langwerpige, plompe bladen, bloemkelkjes op de toppen der stengels verenigd met lipjes in drie verdeeld en groenachtige bloempjes.
Het stinkende Kullekenskruid (Satyrium hirsinum of tragorchis) (Himantoglossum hircinum) bloeit kegelvormig met lieflijke rode bloempjes.
Het Standelkruid met brede gevlekte bladen (Satyrium maculatum) (Neotinea maculata) schijnt een medesoort van het gevlekt te zijn omdat de bloempjes daarvan weinig verschillen.
Het witachtig Kullekenskruid (Satyrium albidum) (Pseudorchis albida) het zwartachtig Kullekenskruid (Satyrium nigrum 9Gymnadenia nigra) van Willdenow) en het bolvormig Kullekenskruid (Satyrium globosum? van Linnaeus) groeien ook in België in de bossen.
De Orchis sambucina groeit meest op de bergen en in belommerde bossen; het welriekend Kullekenskruid (Orchis odoratissima van Linnaeus) groeit in sommige moerassen omtrent Dinant en Namen en wordt ook veel in Duitsland gevonden.
De Orchis ornithis en de Orchis pallens (orchis pallens) groeien meest in Oostenrijk, Hongarijë en elders.
Niettegenstaande al deze gemelde Standelkruiden in ’t wild groeien worden ze ook om hun lieflijke bloempjes op lommerachtige plaatsen in de bloemtuin en in de heigrond geplant en door het zaad en bolwortels vermenigvuldigd; maar het zaad moet aanstonds, nadat het zijn rijpheid verkregen heeft, gezaaid worden.
De tropische Standelkruiden die van de warme landen alhier worden overgevoerd moeten in de warme serres gekweekt zijn. De wortels van meest al de soorten van Standelkruid worden egstoten en op harde gezwellen gelegd en in sommige landen gebraden en gegeten gelijk die van de Ajuin bollen. Die van het Standelkruid dat in Hoog-Duitsland groeit worden in de oosterse landen gedroogd en ten alle kanten bij de apothekers gezonden; ze zijn alhier onder de naam van Salep wortel bekend en worden voor de voor de medicijnen in poeiers bereid, houden een welriekende en aangename geur in en bezitten een voedzame kracht die gemakkelijk in de maag der zieken verteert, de hoedanigheden van de palmdeeg heeft en zo verzachtende als de Steen-Klaverbloemen is. Eindelijk, de wortels van het Handekens kruid worden gedroogd en met wijn bereid om tegen allerhande buikloop en rode loop en ook voor de derdendaagse koortsen te gebruiken. Alle geneeskundigen schrijven dat de wortels dezer planten den minnelust verwekken en voedzame krachten inhouden.
STAPELIA, in ’t Frans Stapélie, in’ t latyn Stapelia, is onder de 1ste klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld der klokvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Hondendood planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraden bloemen en twee stampertjes hebben..
De wollige Stapelia (Stapelia hirsuta van Willdenow) is een langlevend houtgewas van de Kaap de Goede Hoop dat in struiken met vierhoekige, spitsvormige, doornige, vertakte stengels maar omtrent 40 centimeters hoog groeit en dikke leerachtige bladen heeft; bloeit alhier meest in de matige serres van april tot in juni met zeer wonderbare bloemen die vijf bloembladen in de kelken en hebben in ’t midden een cirkel rond stampertje, rond wat met de meeldraadjes een ster verbeelden.
De Stapelia met grote bloemen (Stapelia grandiflora van Willdenow) is ook van de Kaap en bloeit alhier in de matige serres van juni tot in augustus met haartjes rond de bloembladen en grote ,donkerbruine purperachtige bloemen.
De veelkleurige of geschakeerde Stapelia (Stapelia variegata van Willdenow (Orbea variegata) en ook van Linnaeus) is een houtgewas van de Kaap met veel bloemen en bruinkleurige bloembladen die groenachtig geschakeerd zijn waardoor het de naam van Paddenbloemen heeft verkregen.
Men vindt alhier bij onze bloemisten: de Stapelia asterias van Willdenow, Stapelia réelinata, Stapelia caespitosa, Stapelia geminata, (Piaranthus geminatus) Stapelia concinna, Stapelia reticulata, (Huernia guttata subsp. reticulata) Stapelia radiata, Stapelia conspurcata, (Orbea variegata) Stapelia marmorata, Stapelia planiflora, (Orbea variegata) Stapelia juvencula 9Stapelia hirsuta var. vetula) die allen van de Kaap oorspronkelijk zijn in de matige serres op de wijze van alle andere houtgewassen van de Kaap in de heigrond moeten gekweekt zijn en op dezelfde wijze kunnen vermenigvuldigd worden. Deze planten mogen ’s winters bijna geen water hebben en in de zomer weinig besproeid zijn. De bloemen van deze gewassen zijn aller lieflijkst, maar hun reuk is stinkend; nochtans worden ze van veel liefhebbers gekweekt.
STEEKPALM , Muisdoorn, Slagersbezem, Alexandrië Laurier, in 't Frans Fragon, in 't Latijn Ruscus, is onder de 1ste klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der planten die klokvormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der Aspergeplanten en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia syngenesia ,tweehuizige-samenhelmige.
De gewone Steekpalm of wilde Mirt (Ruscus aculeatus van Linnaeus) is een langlevend heestergewas dat in België, Frankrijk, Duitsland en elders in de droge bossen groeit met houtachtige stengel die omtrent 60 of 70 centimeters hoog groeien en steelloze, kleine, eironde, ruwe, punt stekende blaadjes en alhier van juli tot in november bloeit met witte bloempjes die met steeltjes in het midden der blaadjes gehecht zijn.
De Steekpalm, Slagersbezem of Alexanderse Laurier(Ruscus hypophyllum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Italië die met stengels en kleine lange blaadjes zonder stekers groeit en witte bloempjes draagt die onder de bladen met steeltjes vast gehecht zijn.
De wilde Steekpalm of Muisdoorn (Ruscus racemosus van Linnaeus) groeit ook in Europa en bloeit met bloemtrosjes op de toppen en bloempjes die tweeslachtig zijn.
De driebladige Muisdoorn (Ruscus trifoliatus) (Ruscus hypophyllum) van het eiland Zante in Morea is een heester-houtgewas dat omtrent 60 of 70 centimeters hoog groeit met drievoudige, ovale, gespitste bladen en van boven bloeit met naakte bloemen.
De buigzame Muisdoorn (Ruscus flexuosus ) (Ruscus aculeatus) is een heesterachtig gewas van Italië dat omtrent 1 ½ meter hoog groeit met buigzame stengels en ovale, gespitste bladen; bloeit meest in juli met groene en witte bloemen die kleine bessen voortbrengen welke met het begin van de winter een mooie bleekrood kleur verkrijgen. Al deze gewassen blijven alhier in de winter hun bladen behouden ,en begeren in een losse grond en op een warme standplaats geplant te worden.
Deze planten worden tot versiering in de bloemtuinen en lusthoven geplant en door uitlopers en struikscheiding vermenigvuldigd. De wortels van den eerst vermelden Steekpalm zijn matig warm van aard en bezitten, zegt Dodonaeus, een krachtig pis afdrijvend middel; ze worden met voordeel gebruikt om de steen in de nieren te breken en het graveel af te drijven en met wijn gekook zijn ze nuttig om de taaie slijmen van de borst en longen gemakkelijk te doen lossen. De bladen, wortels en bessen van de Slagersbezem in wijn of bier gekookt worden in de geneeskunde gebruikt.
STENBREEK, Bevernel, Donderbaard, in ’t Frans Cassepierre, Saxifrage, in 't Latijn Saxifraga, is onder de 6de klasse, 3de sectie der roosachtige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Steenbreek en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria digynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
Men vindt heden in België wel 30 soorten van die Steenbreken, die allen langlevende planten zijn, alhier in de bloemtuinen om hun bloemen en heilzame deugden gekweekt en ten meesten deel in de geneesmiddelen worden gebruikt.
De Bevernelwortel (Saxifraga crassifolia van Linnaeus) (Bergenia crassifolia) is een langlevende kruidplant van Siberië die met altijd groen blijvende, dikke, grote, eironde, gladde bladen aan de wortels groeit ,waaruit alle jaren in april bladerloze schachten spruiten die omtrent2 5 of 30 centimeters hoog groeien en trosvormige bloemen dragen welke een zeer lieflijk roze kleur hebben en een welriekende geur verspreiden. Deze kostelijke plant is zeer dienstig om pleisters te maken, de wonden te bedekken en zijgaten, vuurknoppen en fistels te verbinden daar de gladde vette bladen de wonden verkoelen en de ettergaten en verzweringen zuiveren zonder enigen brand te trekken. Deze bladen, zegt Em. Rousseau, lid der Academie van Parijs, bezitten veel kostelijke eigenschappen door het waterachtig, zoet en voedend sap dat ze inhouden om alle wonden en lopende gaten te verzachten; de wortels gedroogd, worden ook in poeiers gebruikt. De landlieden heten deze plant ook gewoonlijk Rabarber .
De schaduw gevende Steenbreek (Saxifraga umbrosa van Linnaeus) is een langlevende plant van de Alpen geberchten met brede gevleugelde bladen aan de wortels en stengels die omtrent 20 of 25 centimeters hoog groeien; bloeit alhier meest in mei ,met bloemtrossen op de toppen en kleine witte bloempjes die rood afgestipt zijn.
De wollige Steenbreek (Saxifraga hirsuta) van Zwitserland groeit met bladstelen en niervormige bladen die gekarteld zijn en behaarde stengels die meest in mei veel kleine witte bloempjes, die rood gespikkeld zijn, dragen.
De Steenbreek met ronde bladen (Saxifraga rotundifolia van Linnaeus) van de Alpen gebergten groeit met fijn wollige stengels en bloeit meest van mei tot in juni met witte bloemen die purper gespikkeld zijn.
De spitsvormige Steenbreek (Saxifraga pyramidalis) (Saxifraga cotyledon var. pyramidalis)van de Pyreneeën gebergten groeit met dikke, bloeischede vormige bladen en stengels die omtrent 40 centimeters hoog groeien; bloeit van mei tot in juli met spitsvormige bloemtrosjes en zeer veel witte bloempjes.
De Saxifraga cotyledon is ook van de Alpen gebergten; het groeit met groen- en wit gevlekte bladen en bloeit op de stengels in juni met witte bloempjes.
Me vindt nog bij onze bloemisten de volgende soorten de Saxifraga Aizoon (Saxifraga paniculata “Aizoon’) van Willdenow , Saxifraga androsacea, Saxifraga autumnalis, (Saxifraga hirculus) Saxifraga biflora, Saxifraga bryoides, Saxifraga caesia, Saxifraga ciliaris, Saxifraga ceratophylla, (Saxifraga pendactylis subsp. pendactylis) Saxifraga granulata ‘Plena’, Saxifraga ligulata alba, (Mogelijk Saxifraga x apiculata ‘Alba’) Saxifraga rosacea, Saxifraga speciosa, (Saxifraga oppositifolia “Speciosa”?) Saxifraga sarmentosa, Saxifraga x patens, Saxifraga striata, (Saxifraga crustata?) Saxifraga hypnoides, die allen door struikscheiding en afzetsels in het voorjaar vermenigvuldigd worden, door hun lieflijke bloemen de bloemtuinen versieren en nuttige medicijnen inhouden. De wortels en het kruid der Steenbreek in bier of wijn gekookt en daarvan gedronken zuivert de nieren, breekt de steen in de blaas, drijft het graveel af en is zeer dienstig voor de druppelpis waardoor deze planten de naam van Saxifraga, in onze taal Steenbreek, hebben verkregen.
STEENKLAVER , witte Klaver, in 't Frans Treffle Melilot, in ’t Latijn Trifolium, is door Jussieu onder de familie der planten die peulvruchten dragen gesteld en onder de 7de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met hun helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen zijn samengegroeid en tien stampertjes hebben.
Men vindt onder de planten die gewoonlijk Steenklavers worden genoemd zeer veel verschillende soorten.
De Trifolium of Melilotus officinalis van Linnaeus is een eenjarige kruidplant van Europa die in België met rechte, gebladerde stengeltjes groeit, met blote trosjes bloemt en peulvruchten met ruwe en puntige zaadjes voortbrengt.
De Trifolium fragiferum wordt ook Steenklaver genoemd en anderen geven die naam aan de Geitenruit (Galega officinalis van Linnaeus).
De witte Steenklaver (Melilotus albus) werd ook van de oude Kruidbeschrijvers Sertula campana genoemd.
Men vindt alhier ook de welriekende Steenklaver die met gele bloemen meest in juni bloeit en van sommige oude Kruidkenners Melilotus officinarum werd geheten.
STEENKRUID, in ’t Frans Alysse, in 't Latijn Alyssum, is onder de 5de klasse, 3de
sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten die met vier grote en twee kortere helmstijltjes bloemen en schelpjes of hauwtjes voortbrengen.
Het Steenkruid dat men gewoonlijk het gouden Korfje noemt (Alyssum saxatile van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Griekenland dat alhier met kruipende, korte stengels en zeegroene, lansvormige bladen groeit en meest van in mei tot in de herfst bloeit met trosjes op de toppen en zeer veel kleine, lieve gele bloempjes die samen verenigd een korfje verbeelden. Men heeft door het zaad verscheidene medesoorten verkregen die met geschakeerde bladen groeien.
Het doornig Steenkruid (Alyssum spinosum van Linnaeus) is een houtachtig kruidgewas dat in België op sommige droge plaatsen in de bosschen en steenachtige velden groeit en met gele bloempjes in de zomer bloeit.
Het Berg-Steenkruid (Alyssum montanum van Linnaeus) groeit meest op de bergen en steenachtige droge velden met kruid- achtige stengels en afgestipte, lansvormige, ruige, geribde bladen en bloeit ook met gele bloemen. Plinius zegt dat de Alyssum, die in Griekenland groeit, door afkooksel werd te drinken gegeven aan de mensen die van dolle honden gebeten waren, maar geen andere Kruidbeschrijvers maken ergens gewag van die krachten en het Steenkruid van Griekenland wordt hier tot versiering in de bloemtuinen geplant en kan door het zaad, afzetsels en wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
STEENLINDE, in ’t Frans Filria. In ’t Latijn Phillyrea, is onder de 20°ste klasse, 1ste
sectie van Tournefort gesteld der bomen met eenbladige bloemkransen; door Jussieu onder de familie van de Jasmijnen en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De Steenlinde met smalle bladen (Phillyrea angustifolia van Linnaeus) is een kreupel-boomgewas van Zuid-Europa dat in België en elders in de lusttuinen wordt geplant en vertakt groeit omtrent 3 meters hoog met altijd blijvende groene, lansvormige bladen; bloeit meest van in april met okselvormige bijeen verzamelde bossjes en groenachtige bloempjes. Men vindt er enige medesoorten van, de ene met doorns en de anderen met schuine bladen.
De Steenlinde met brede bladen (Phillyrea latifolia van Linnaeus) is een kreupel-houtgewas van Italië dat boomvormig met rechte takken groeit, met brede, getande en gezaagde bladen.
De Phillyrea buxifolia, (Phillyrea angustifolia) met Palmbladen, Phillyrea oleaefolia (Phillyrea media) met Olijfboom bladen en Phillyrea ligustrifolia(Phillyrea latifolia) met Mondhout bladen schijnen medesoorten te zijn van de middelbare Steenlinde (Phillyrea media van Linnaeus) die met eironde bladen groeit; de effen Steenlinde (Phillyrea laevis?) verschilt maar van de voormelde door zijn effen, blinkende, verniste bladeren.
Het hout van de middelbare Steenlinden bezitten een zeer mooie gele verf die in sommige landen veel wordt gebruikt om de stoffen geel te verven. Deze mooie gewassen met hun altijd blijvende bladen kunnen in België de koude winters wel weerstaan, maar bij een zeer harde vorst laten ze hun bladen soms vallen; ze kunnen door het kernzaad der bessen in het voorjaar gezaaid en door inleggers en uitlopers vermenigvuldigd worden en schikken zich zeer goed door hun groen blinkende bladen om die in de lusthoven te planten.
STAARTMOS, Poelmos, in ’t Frans Charahne, Lustre, in het Latijn Chara, is door Jussieu onder de familie van het Zwemkruid gesteld n onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monandria eenhuizige met een meeldraadjes.
Het gewone Staartmos (Chara vulgaris van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België in de poelen en vijvers groeit met blinkende stengels en langs binnen getande bladen; geheel deze plant heeft een witachtig kleur.
Het viltig Staartmos (Chara tomentosa van Linnaeus) groeit ook veel in België in de vijvers met doornige bladen, die eivormig op de stengels groeien.
Het Staartmos met zwakke gelede stengels zonder doornen die van boven doorschijnende zijn (Chara flexilis),(Nitella flexilis) is ook een eenjarige kruidplant, die in België veel in sommige waterpoelen en stilstaande waters groeit.
Deze kruiden werden van de oude Kruidbeschrijvers Chara lapsana genoemd; maar de Lapsana van Linnaeus of Lampsana van Tournefort is onder de familie van de Chicorei gesteld, en diens wortels worden met melk gedronken en op de wijze van de Hederik gebruikt, terwijl het Staartmos een verkoelend kruid schijnt te zijn dat de kracht van de Waterviolieren inhoudt; nochtans wordt dit Staaartmos heden voor geen gebreken of ziekten gebruikt.
STEKENDE WINDE, in ’t Frans Salsepareille, in ’t Latijn Smilax, is door Jussieu onder de familie van de Asperge planten gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia hexandria, tweehuizige-zesmannige.
De Stekende Winde (Smilax sarsaparilla van Linnaeus) s een langlevend, rankachtig, klimmend houtgewas van Peru dat met hoekige en door doorns bezette stengels kronkelend aan de naburige staken of lichamen klimt en met puntige, eironde bladen, zonder stekers op de stengels verdeeld die in drie delen geribd zijn; bloeit met witte bloemen zonder kransen, maar die zes bloembladen in de kelken hebben en welriekende rode bessen voortbrengen die in de herfst hun rijpheid verkrijgen. Deze plant wordt in Zuid-Frankrijk, Italië en andere warme landen om hun nuttige krachten veel gekweekt, maar kan alhier onze koude winters niet weerstaan.
De Smilax aspera van Linnaeus groeit veel in Spanje en elders; de Smilax hastata en de Smilax pubera (Smilax bona-nox) groeien veel in Amerika en worden hier allen ’s winters in de oranjerie gekweekt en door het kernzaad en inleggers vermenigvuldigd.
De wortels en schors van de Stekende Winde bezitten een zweet verwekkend middel; maar de krachtigste dezer planten is de Sarsaparilla, die in Brazilië̈, Nieuw-Spanje en Peru groeit, in Europa bij de apothekers wordt bereid en met Pokhout, Steenbreek of China wortels wordt gemengd of alleen gebruikt. De doctor Guersent zegt dat het een goed middel is om de Venusziekte te genezen als men het de zieken door afkooksel te drinken geeft. De wortels van de Sarsaparilla worden ook veel in poeiers bereid en met kaneel, gember, anijs zaad en suiker gemengd; verder worden de jonge spruiten als Salade en op de wijze van Asperge gegeten en voor geheel gezond geacht.
STENANTHERA, in ’t Frans Stenanthère, in ’t Latijn Stenanthera, is onder de familie van de Wegedoorns gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De Stenanthera pinifolia is een mooi, langlevend, klein boomgewas van Van Diemens land; (Autralie) het groeit vertakt met veel draadvormige, zeegroene blade, en bloeit alhier in de planthuizen meest van mei tot in juni met okselvormige bloemen die gelijk waterpas zijn gesneden en gepijpt, een zeer lieflijk karmijn, gele en witte kleur hebben en wiens bloembladen groenachtig op de boorden versierd zijn. Deze wonderbare plant is sedert enige jaren in België overgevoerd en niettegenstaande dit kleine boomgewas van omtrent de 64 graden Noorderbreedte oorspronkelijk is moet het alhier nog ’s winters in de oranjerie worden bevrijd en kan op de wijze van de Epacris en andere heiplanten van Nieuw- Holland door afzetsels en uitspruitsels, met zorg op lauwe broeibakken en belommerd in de heigrond en door het rijp zaad op teilen vermenigvuldigd worden.
STERANIJS, in ’t Frans Badiane, Anis étoilé ,in 't Latijn Illicium, is door Jussieu onder de familie van de Magnolia’ s gesteld en onder de 1de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelmannige-veelwijvige, slag van planten die meer dan twintig meeldraden en een groot getal stampertjes hebben. De rode Steranijs (Illicium floridanum van Linnaeus) is een aller mooiste heester-houtgewas van Florida dat zeer vertakt met altijd blijvende, groen blinkende, scherpe bladen groeit en alhier in de oranjerie meest in mei bloeit met mooi, alleenstaande bloemen op de toppen die een rode kleur hebben en zoete, aangename vruchten op lange stelen voortbrengen welke als een bek gesloten zijn.
De Steranijs met kleine bloemen (Illicium parviflorum van Ventenat) is ook een klein heester-houtgewas van Florida dat alhier in juni bloeit met kleine, witachtige, gele bloemen.
De Steranijs van China (Illicium anisatum van Linnaeis) is een langlevend klein boomgewas dat alhier in de planthuizen ’s winters bevrijd wel omtrent 3 meters hoog groeit, zeer vertakt met altijd blijvende groene, scherpe bladen die op de Laurier- bladen enigszins gelijke en van in mei tot juni bloeit met alleenstaande bloemen die weinig verheffen. Al de delen van dit houtgewas bezitten een welriekende geur; het kan met zorg 12 graden koude weerstaan en wordt rond Parijs en elders in Frankrijk in de volle grond geplant en door inleggers vermenigvuldigd; maar de eerst vermelde moeten in de heigrond gekweekt worden.
De Steranijs en vooral de Illicium anisatum, bezit een aangename smaak en al de welriekende delen trekken op de natuurlijke Anijs; sedert dat de eigenschappen van dit klein boomgewas in Frankrijk zijn bekend wordt het veel met de zoete dranken en likeuren gedistilleerd ,en de Anisette van Bordeaux er veel mee gemaakt; het kan zeer goed het Anijs zaad vervangen.
STERRENBLOEM, Sterrenkruid, in ’t Frans Astère, in 't Latijn Aster, is onder de 14de klasse, 1ste sectie der straalbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige-veelechtigen- overbodige.
Men vindt alhier zeer veel van die Sterrenbloemen die in de oranjerie en in de volle grond worden geplant; derhalve zal ik eerst die beschrijven welke in de bloemtuinen worden gekweekt. De Sterrenbloem van de Alpen gebergten (Aster alpinus van Linnaeus) groeit met spatelvormige bladen en stengels van omtrent 25 centimeters hoog en bloeit van juli tot in augustus met helderblauwe bloemstralen en gele midden knopjes.
De Zee-Sterrenbloem (Aster tripolium)(Tripolium pannonicum) is een tweejarige kruidplant van Frankrijk; het groeit met lansvormige bladen en stengels van omtrent 70 of 80 centimeters hoog en bloeit van juli tot in september met blauwe stralen en gele verenigde midden knopjes.
De Amellus-Sterrenbloem (Aster amellus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa; het groeit met lansvormige, ruwe bladen en stengels van omtrent 1 meter hoog en bloeit van augustus tot in september met veel bloemtrosjes en mooie blauwe bloemstralen die gele midden knopjes hebben.
De Sterrenbloem met hartvormige bladen (Aster cordifolius van Linnaeus) (Symphyotrichum cordifolium) is een langlevende plant van Noord-Amerika; het bloeit meest in augustus met stralen en witte bloemen.
Het Sterrenkruid met Erica bladen (Aster ericoides van Linnaeus) (Symphyotrichum ericoides) is ook van America en bloeit in augustus met witte bloemen.
De Sterrenbloem van Siberië (Aster sibericus van Linnaeus) (Eurybia sibirica) groeit met stengels van omtrent 60 centimeters hoog en bloeit van juli tot in september met grote bloemtrosjes en helder blauwe bloemen..
Het Sterrenkruid met gespikkelde bloemen (Aster punctatus) (Galatella punctata) is een kruidplant van Hongarijë; het bloeit met trosvormige aren en bloemen met donker violette bloemstralen.
De Sterrenbloem van Nieuw0Engelenas (Aster Novae-angliae van Linnaeus) groeit met stengels wel 1 meter en half hoog en bloeit met trosvormige aren en veel blauwe violette bloemen.
Het opmerken waardige Sterrenkruid (Aster spectabilis van Amerika) (Eurybia spectabilis) groeit met stengels van omtrent 60 centimeters hoog en bloeit van augustus tot in september met mooie blauwe bloemen.
Het versierende Sterrenkruid (Aster decorus van Amerika) 9Symphyotrichum laeve var. laeve) groeit met stengels van 1 meter hoog en bloeit meest in september met veel grote mooie purper violette bloemen.
Het Sterrenkruid met Amandel bladen (Aster amygdalus?) van Amerika bloeit in september met zeer veel witte bloemen.
Het Sterrenkruid met Dragonbladen (Aster dracunculoides van Willdenow) Galatella of Symphyotrichum) is een langlevende plant van Noord-Amerika; het bloeit alhier met bloemtrosjes en veel kleine violette bloempjes.
Het reusachtig Sterrenkruid (Aster puniceus) (Symphyotrichum puniceum) van Amerika groeit met stengels van wel 2 meters hoog en bloeit van augustus tot in oktober met grote bloemstralen die purper of roodachtig volgens de medesoorten zijn.
De Sterrenbloem met rode stengels (Aster rubricaulis van Lamarck) (Symphyotrichum laeve var. laeve) is ook van Amerika; het groeit met stengels van 1 meter hoog en bloeit van augustus tot in oktober met blauwe bloemstralen en gele verenigde midden knopjes.
Het Sterrenkruid met grote bloemen (Aster grandiflorus) (Symphyotrichum grandiflorum) met veel alleenstaande, purperachtige witte bloemen op de toppen; de Aster mutabilis, (Aster spectabilis?) Aster divaricatus, Aster novi-belgii, Aster tardiflorus, (Symphyotrichum x tardiflorum) Aster umbellatus, Aster hyssopifolius, (Felicia hyssopifolia) Aster linifolius (Seriocarpus linifolius) worden hier allen in de volle grond gekweekt en door wortelscheiding vermenigvuldigd.
De Chinese Sterrenbloem of Reine Marguerite (Aster chinensis van Linnaeus) (Callistephus chinensis) is een eenjarige kruidplant die vroeg in het voorjaar in de bloemtuinen wordt gezaaid en waarvan men enkele en dubbele gestraalde bloemen met verschillende kleuren bekomt en met midden knopjes door verscheidene kleuren gespikkeld die zeer lieflijk de bloemperken versieren en van augustus tot in oktober bloeien. Men heeft kleine medesoorten verkregen die vroeger bloemen.
De Sterrenbloemen die alhier in de matige serres worden gekweekt zijn de Aster calendulaefolius, (Aster cordifolius ‘ittle Carlow”) een langlevend houtachtig kruidgewas dat met stengels vertakt groeit van juni tot in juli bloeit, met violette bloemen, wiens midden knopjes mooi geel zijn; de Aster argophyllus (Olearia argophylla) van Nieuw-Holland (Australië) en de Aster argenteus (Symphyotrichum sericeum) van Noord-Amerika; ze worden door afzetsels vermenigvuldigd en in de gemengde heigrond gekweekt.
STERRENMUUR, valse Muur, Water-Sterrenkruid, in 't Frans Stellaire, in ‘’t Latijn Stellaria, door Tourneforts Alsine genoemd en onder zijn 6de klasse, 2de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Anjers en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria trigynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben. De volgende soorten van Sterrenmuur bloeien met vijf open bloembladen in de kelken die in twee verdeeld zijn en brengen zaadhuisjes met een hutje en zeer veel zaadjes voort.
De Bos-Sterrenmuur (Stellaria nemorum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de vochtige bossen groeit met bladstelen, hartvormige bladen en vertakte waarop in de zomer witte bloemen bloeien die als trosvormige aren op de takjes der stengels geschikt zijn.
De Holostea-Sterrenmuur (Stellaria holostea van Linnaeus) groeit ook in België in sommige bossen met lansvormige bladen, zeer fijn gezaagd en getand en bloeit met trosvormige aren en witte bloempjes die op de Weegbree gelijken.
De grasachtige Sterrenmuur (Stellaria graminea van Linnaeus) groeit in België op droge plaetsen, onbebouwde velden en op de daken met lijnvormige bladen en bloeit met trosvormige aren op de stelen en witte kleine bloempjes.
De Moeras-Sterrenmuur (Stellaria palustris van Linnaeus) groeit in België aa de kanten der vochtige grachten en moerassen met lijnvormige bladen en bloeit met trosvormige witte bloempjes. De Water-Sterrenmuur (Stellaria alsine van Willdenow) is een eenjarige kruidplant die aan de poelen, stromende waters en vochtige plaatsen groeit.
De Zand-Sterrenmuur( Stellaria arenaria van Linnaeus) (Arenaria leptoclados) is een eenjarige kruidplan die in België veel in de droge velden groeit.
Deze planten werden van sommige oude Kruidbeschrijvers Holostium genoemd en Herba Stellaria aquatica, Water-Sterrenkruid geheeten; ze houden een bitteren smaak in als de Weegbree en schijnen een samentrekkende kracht te hebben; ingenomen verdrijven ze de wormen uit het lijf.
STEVIA, in ‘t Frans Stevia, in ’t Latijn Stevia, is door Jussieu onder de familie der Straalbloemen die met veel bloempjes versierd bloeien gesteld en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige-veelechtige-gelijk- bloeiende.
De Stevia met gezaagde bladen (Stevia serrata van Willdenow of Ageratum punctatum) is een langlevende kruidplant van Mexico die met verspreide bladen en stengels maar omtrent 30 centimeters hoog groeit en alhier van juli tot in augustus bloeit met bloemtrosjes op de toppen en trechtervormige witte bloemen die gesloten zijn.
De Stevia met Hysop bladen (Stevia hyssopifolia van Willdenow) (Stevia philippiana) is een langlevende kruidplant van Zuid-Amerika; het groeit met tegenover staaende bladen en stengels van omtrent 50 of 60 centimeters hoog; bloeit meest in augustus met bloemtrosjes en mooie rooskleurige bloemen.
De Stevia met eironde bladen(Stevia ovata van Willdenow) is een langlevende plant van Mexico; het groeit wel omtrent 1meter hoog met vertakte stengels en tegenover staande bladen en bloeit meest in augustus met kroonvormig geschikte bloemen die een lieflijk violetachtig roze kleur hebben.
De trosvormige Stevia (Stevia paniculata) is ook van Zuid- Amerika en groeit met lansvormige bladen en stengels van omtrent 1 meter hoog, die langs boven vertakt zijn; bloeit van augustus tot in september met trosvormige witte bloemen.
De Stevia met lansvormige bladen (Stevia lanceolata) groeit met stengels van meer dan 1 meter hoog en lansvormige, smalle bladen en draagt in september lieflijke rooskleurige bloemen.
De Stevia met Spaens hout-bladen (Stevia ivaefolia van Willdenow) (Stevia serrata) van Mexico bloeit in september met trosvormige bloemen die een mooie roze kleur hebben.
De Stevia purpurea van Willdenow bloeit meest in september met zeer lieve purperen bloemen.
Deze mooie planten die in den zomer onze bloemtuinen zo fraai versieren moeten alhier ’s winters bij zeer koude seizoenen in de planthuizen worden bevrijd en kunnen in lichte grond op schotels of in lauwe bakken in de oranjehuizen worden gezaaid. De eerste jaren met zorg gekoesterd kan men die het tweede jaar in de vrije lucht planten, maar toch moeten ze ’s winters bevrijd en met dorre bladen gedekt zijn. De krachten van deze planten zijn mij niet bekend.
STEWARTIA , in ‘t Frans Stewartia, in ‘t Latijn Stewartia, is door Jussieu onder de familie van de Lindebomen gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige, planten die met de meeldraden en helmknopjes tot een lichaam verenigd zijn en een groot getal stampertjes hebben.
De Swertia malacodendron van Linnaeus is een kreupel- of heester houtgewas van Virginie dat alhier in de oranjerie ‘s winters wordt bevrijd en recht, zeer vertakt groeit met grote, eironde bladen; bloeit van juni tot in augustus met steelloze, okselachtige, grote witte bloemen ,die purper gevlekt en getekend zijn. Dit mooie gewas, dat zich tot heden zonder medesorten bevindt, kan in de heigrond op schotels gezaaid en door inleggers vermenigvuldigd worden; de jonge planten, na 2 of 3 jaren in de oranjehuizen gekoesterd te zijn, kunnen op goede standplaatsen in de heigrond geplant worden; maar ze moeten vooral voor de lente koude bevrijd zijn omdat die koude de bloemknoppen hindert en ze alsdan binnen de zomer geen volmaakte bloemen geven. Eindelijk, iedere behendige bloemkweker kan licht bemerken dat als er enige van die uitheemse gewassen door de koude in onze luchtgesteldheid gehinderd wordt hij daaraan een betere standplaats moet bezorgen en die in de planthuizen of op een andere wijze bevrijden terwijl zeer velen van die vreemde gewassen onze koude winters niet kunnen weerstaan.
STINKBOOM of Chinese Zonnescherm, in’ t Frans Sterculier, in ’t Latijn Sterculia, is door Jussieu onder de familie van de Maluwplanten gesteld, en door sommige nieuwe Kruidkenners onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia; maar Linnaeus zelf heeft dit gewas onder zijn 21ste klasse, Monoecia monadelphia, eenhuizige-eenbroederige gesteld.
De Stinkboom met Plaanboombladen (Sterculia platanifolia van Linnaeus) is en langlevend boomgewas van China en Japan dat in het land van zijn afkomst wel 4o f5 meters hoog groeit met schrale bloten stam ,op de toppen vertakt en veel lommerrijke bladen versierd; moet hier in de oranjerie worden bevrijd alwaar die boom maar omtrent 3 meters hoogte bekomt en meest in juli bloeit met trosvormige bloemen die weinig van belang zijn. Deze boom wordt meest om zijn mooie lommerrijke bladen en om de verzameling te vervullen door veel liefhebbers in de oranjehuizen, op de wijze van de Oranjebomen gekweekt, en wordt in de warme landen als Zuid-Frankrijk, Italië en elders veel als versiering bij de andere boomgewassen in de lusthoven geplant en door inleggers vermenigvuldigd.
STOFFELIER, Giroffelbloem, Giroffelplant, Steenviolier, in 't fransch Girofflée, Quarantaine, in 't latyn Cheiranthus, van Tournefort Leucoium hesperis genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Kruisbloemen gesteld en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtige planten die met vier lange en twee kortere meeldraadjes bloemen en peulvruchten of hauwtjes dragen.
Men vindt zeer veel soorten van deze planten die eenjarig, tweejarig en ook langlevende zijn alhier bijna in al de bloemtuinen worden geplant en waarvan men door het zaaien zeer veel dubbele en enkele, in alle soorten van kleuren, heeft verkregen die door hun aangename reuk onze bloemhoven zeer lieflijk versieren en iedereen wel bekend zijn. Derhalve zal ik er enkel een korte beschrijving van mededelen.
De Stoffelier die gewoonlijk Zes weken noemt omdat het dikwijls zes weken na het zaaien bloemen geeft (Cheiranthus annuus van Linnaeus) is een eenjarige plant van Europa waaruit men door het zaad purperen, rode, witte, rooskleurige, violette en veel anderen verkrijgt.
De Griekse Giroffelbloem (Cheiranthus graecus of de Hesperis aestiva) (Hesperis matronalis) van Oost-Europa wordt ook alle jaren in de bloemtuinen gezaaid en groeit met gladde bladen, rooskleurige, rode of witte dubbele bloemen, volgens de medesoorten.
De Hof-Stoffelier (Cheiranthus incanus van Linnaeus))(of Matthiola incana) is een langlevende plant van Spanje die alhier ook langlevend blijft als het ‘ s winters in potten in de oranjerie wordt bevrijd en waarvan men door het zaad rooskleurige, purperen, violette, rode, witte en anders gekleurde dubbele en enkele bloemen heeft verkregen die een zeer aangename welriekende geur verspreiden en alle jaren vroeg in de lente of in augustus worden gezaaid om 's winters in potten in de planthuizen te zetten en waarvan men de enkele bloemen voor het zaad kweekt. De jonge planten van deze soort, die dubbele bloemen zullen dragen, zijn gemakkelijk uit de enkele te kennen, omdat al degenen die dubbele bloemen zullen geven in de mond genomen buigen en tussen de tanden als katoen blijven en dat die met enkele bloemen tussen de tanden kraken en breken.
De Steenviolier, gele Stoffelier of Giroffelbloem (Cheiranthus cheiri van Linnaeus)(Erysimum cheiri) is een tweejarige plant van Europa die alle jaren in den zomer wordt gezaaid en het tweede jaar vroeg in de lente welriekende bloemen draagt. Men verkrijgt door het zaad zeer veel medesoorten van met brede bloembladen en bruinachtige gele kleuren die de bloemtuinen in de lente versieren en om hun aangename geur ook vel in potten worden gekweekt om de huizen, vensters en kamers te versieren; bij zeer koude winters moeten deze jonge planten met dorre bladen bevrijd of in de planthuizen bewaard worden want ze kunnen geen 12 graden koude weerstaan.
De Giroffelbloem of Violier( Cheiranthus mutabilis van L' Hér.) (Erysimum mutabile) is een langlevende houtig gewas van Madera dat alhier in de matige serres wordt gekweekt en bloeit met lieflijke gele dubbele fluweel bloemen die een zeer welriekende geur verspreiden; als men op tijd de toppen der takjes na het bloeien inkort draagt het bijna de gehele zomer bloemen .
De Cheiranthus fruticulosus (Matthiola fruticulosa) van Spanje en de Cheiranthus cheirifolia variegata, (Erysimum cheiri “Alba”) met dubbele bloemen, worden ook in de matige serres gekweekt en door afzetsels vermenigvuldigd.
De Zee violier (Cheiranthus maritimus van Linnaeus)(Malcomia maritima) is een eenjarige plant van het eiland Mahon; het wordt alle jaren in de lente gezaaid waardoor men ook dubbele en enkele bloemen van verschillende kleuren heeft bekomen.
Al de Violieren werden van de oude Kruidbeschrijvers Leucoion genoemd, niet naar de witte bloemen, maar omdat de stengels, takjes en bladen gewoonlijk witachtig zijn en Hesperis omdat de bloemen 's nachts lieflijker ruiken dan bij dag. Al de enkele Violieren, die zaad voortbrengen , worden in sommige landen gekweekt om uit het zaad een olie te stampen die een mooi brandende licht geeft. De bloemen van de Violieren in water gezoden en gedronken, zegt Clusius, zijn goed voor degenen die de adem niet goed kunnen halen; ze doen zweten, verwekken de maandstonden en doen de pis lossen; die bloemen lange tijd in de azijn geweekt worden in de tijd van de pest gebruikt om er dikwijls aan te ruimen, ook in besmette tijden met de spijzen gemengd. Het water waarin de bloemen van de Steenviolieren gezoden zijn geweest of het gedistilleerd water verhelpt alle gebreken der lever en nieren, zuivert het bloed en verzoet de smart der inwendige delen; het sap van dit kruid zuivert de wonden en geneest de vuile zeren. De bladen en het kruid van de Steenviolieren bezitten een groene verf die door de schilders en waterververs gebruikt wordt.
STOKROOS, Malva, Sigmaarskruid, in 't Frans Rose trémière , Rose de Gueldre, in ’t Latijn Althaea rosa, door Tournefort Alcea genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Maluwe planten gesteld en onder de 16de klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, eenbroederige met veel helmdraden.
De Stokroos (Althaea rosea van Willdenow) is een tweejarige plant van China en Oost-Indiën die alhier in het voorjaar in de bloemtuinen wordt gezaaid; het groeit met gebogen en hoekige bladen en stengels die het tweede jaar uitspruiten, door de bladen vergezeld en wel omtrent 1 ½ meter hoog groeien waarop van juni tot in september steelloze bloemen bloeien, waaronder men dubbele en enkele, rooskleurige, violette, rode , witte, gele, sulferachtige, donker purperen en veel andere vindt. Deze plant, door zijn brede bladen en dikke mergachtige stengels vat veel wind; derhalve wordt het veel aan stokken tegen het vallen vast gebonden, waardoor het de naam van Stokroos verkregen heeft, want zonder steunstokken kunnen die zwakke stengels niet recht blijven staan.
De Althaea of Alcea rosea chinensis (Hibiscus rosa-sinensis) van Cavanilles is ook een tweejarige plant van China die veel kleiner groeit met brede, rondachtige, doorzichtige bladen en stengels van omtrent 50 of 60 centimeters hoog; bloeit van juli tot in oktober spitsvormig met mooie dubbele bloembladen die met purper en wit gevlekt zijn en medesoorten die geheel wit zijn.
Men heeft alhier nog van de Indiën de Stokroos met Vijgenboom- bladen verkregen (Althaea ficifolia) die van de eerst gemelde maar door zijn bladeren verschilt.
De bloemen van de Stokrozen en vooral van de eerste die alhier te lande zeer veel groeien zijn van over veel jaren om hun heilzame deugden bekend; ze orden vers en droog gebruikt en met de bladen in de voetbaden gedaan trekken ze de vochtigheid en dampen uit het hoofd;de bloemen en bladen in het water gekookt zijn zeer goed om de harde gezwellen mee te baden en de gezwollene aders te genezen. De bloemen, het zaad en de wortels in melk of Wijn gekookt en met honing of suiker gemengd en gedronken zijn zeer goed voor de heesheid in de keel en langdurige hoest en verdrijven ook het graveel. Het zaad van de Stokrozen, zegt G. Grimaud, bij de spijzen gedan is zeer dienstig voor de terende mensen; het doet zachtjes de kwade taaie slijmen lossen. De wortels, bladen en bloemen met Gerstemeel vormig bereid doen de harde gezwellen, de steen en de bloedzweren zachtjes riepen en open breken. Er wordt ook een vel zuiverend water met de bloemen bereid en een konserf gemaakt waartoe de bloemen en het zaad gebruikt worden.
STORAXBOOM, in ’t Frans Aliboufier, in ’t Latijn Styrax, is onder de 20ste klasse, 2de sectie der bomen met eenbladige bloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Dadelboom en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, bomen die met tien meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
De officinale Storaxboom (Styrax officinalis van Linnaeus) is een langlevend kreupel-houtgewas van Italië dat in struiken, zeer vertakt omtrent 3 meters hoog groeit met overeen stakende, eironde bladen ,die langs onder een mooi zeegroen kleur hebben en meest in juli bloeit met trosjes en mooie witte bloemen die trechtervormige kransen hebben en vruchten met nootjes en twee kerntjes voortbrengen.
De gladde Storax boom (Styrax laevigatum van de Hort. Kew) is een langlevend mooi houtgewas van Noord-Amerika dat veel in de Carolina groei, en alhier als sieraadboom in de lusthoven wordt geplant; het groeit met grote, gladde bladen die zeer lommerrijk zijn, maar de bloemen hebben weinig glans.
De Storaxboom met grote bladen en bloemen (Styrax grandiflorum) is een tamelijk kreupel-houtgewas van de Carolina dat alhier ’s winters in de oranjehuizen moet bevrijd zijn; het bloeit meest in juni met trosjes op de toppen en twee of drie verenigde zeer lieflijke witte bloemen die een zoete, aangename geur verspreiden.
Deze planten kunnen door het zaad en uitlopers voort gekweekt worden. Volgens de beschrijving wordt er uit den officinale Storax boom een roodachtige bruinen balsem getrokken die een zeer aangename reuk bezit en op de wijze van de Peruviaanse balsem wordt gebruikt. Er wordt ook met die balsem in Italie, Frankrijk en elders een maagdenmelk bereid die door de vrouwen gebruikt wordt om hun aangezicht en vel een zeer mooie glans te geven en zacht te maken. Die balsem wordt ook in de geneesmiddelen gebruikt om de maagaders te herstellen, de verhitting der ingewanden en mond te verdrijven en benauwde mensen te helpen en wordt daartoe in siroop of honing gemengd.
STROBLOEM, Papierbloem, in 't frans Immortelle commune, in ’Latijn Xeranthemum ,is onder de 14de klasse, 5de sectie der Straalbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der trosbloemen en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige-veelechtige- overbodige .
De eenjarige Strobloem (Xeranthemum annuum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Oostenrijk die in het voorjaar in de bloemtuinen wordt gezaaid en groeit met smalle, witachtige bladen en door dons bedekte stengels omtrent 30 centimeters hoog; bloeit van juni tot in oktober met bloemen op de toppen waarvan men zeer veel medesoorten vindt die witachtig, rooskleurig, rood, grijs, violet en anders gekleurd zijn.
De ongeopende Strobloem (Xeranthemum inapertum van Willdenow) is een eenjarige plant van Italië die ook veel verschillend gekleurde bloemen voortbrengt.
De vergulde Strobloem (Xeranthemum bracteatum) is een kruidplant van Nieuw-Holland (Australië),die met stengels en lansvormige bladen wel 60 centimeters hoog groeit en van juni tot in november en bijna geheel het jaar in de planthuizen bloeit met mooie gekroonde gele bloemen waarvan men medesoorten vindt die goudachtige bloemtrossen dragen.
De Xeranthemum speciosissimum (Syncarpha speciosissima) en Xeranthemum variegatum (Syncarpha variegata) met andere soorten worden heden alle jaren veel in de bloemhoven gezaaid en ’s winters in de matige serres gesteld alwaar ze soms langlevend blijven. Men kan aan die bloemen, door de damp van het sterk water, verschillende kleuren verschaffen; ze kunnen verscheidene jaren bewaren en er worden veel straalkransen en straalkronen mee gemaakt om de altaren, huize en kamers te versieren. Sommige liefhebbers zaaien die in broeibakken om vroeg in de lente er bloemen op te hebben.
STRUTHIOLA, in 't Frans Struthiole, in 't latijn Struthiola, is door Jussieu onder de familie van de Miserieboom gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Struthiola myrtifolia (Polygala myrtifolia) is een langlevend boomgewas van Algiers dat met veel kleine Mirtebladen zeer lommerrijk groeit en alhier in de matige serres van maart tot in juni bloeit met zeer mooie gepijpte bloemkelken en witte bloemen die een zoete aangename reuk inhouden en droge bessen met veel zaadjes voortbrengen die van onder met zijde zijn versierd.
De gewimperde Struthiola (Struthiola ciliata) is een heestergewas van Afrika ;het groeit met kleine blaadjes, rond de randen gehaard, en bloeit alhier meest in mei, met witte en rode bloemen die een zeer bevallige en welriekende geur verspreiden.
De overeen liggende Struthiola (Struthiola imbricata) (Struthiola striata) is ook een heester-houtgewas van Afrika; het groeit met kleine, zeer gesloten, lommerrijke blaadjes en bloeit alhier van in april tot september met mooie witte bloempjes en gepijpte bloemkelken.
De Struthiola erecta (Struthiola dodecandra) wordt alhier ook in de matige serres gekweekt. Al deze mooie kleine boomgewassen zijn alhier sedert 17 jaren van Afrika overgevoerd; maar ze vrezen de vochtigheid en koude regen die ze doet versterven; daarom moeten ze vroeg in den herfst en tot laat in de lente in de matige serres of oranjehuizen verblijven;’ ze kunnen door afzetsels , inleggers en uitspruitsels op lauwe broeibakken onder het glas in de hei-grond vermenigvuldigd worden; de krachten van deze gewassen zijn mij niet bekend.
SUIKERRIET, in ’t Frans Canne à sucre, In ’t Latijn Saccharum, van Tournefort Arundo en onder zijn 15de klasse, 3de
sectie gesteld der planten die met meeldraden bloeien; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het officieel Suikerriet (Saccharum officinarum van Linnaeus) is een rietgewas van de Indiën met rietpijpen, door sponsachtig merg gevuld, die omtrent 5 of f 6centimeters dik in de rondte en wel 2 meters hoog groeien met lansvormige, gladde bladen aan de knopjes; bloeit met lange gebogen haartjes, die de bloemkelkjes vervangen, welke deze soort niet heeft.
Men heeft nog het Violet-Suikerriet (Saccharum officinarum violaceum) van de Indiën en de Saccharum otahitens van Othahiti, in Amerika, waarvan enige planten voor de verandering der gewassen uit liefhebberij in de warme serres der Hogeschool te Gent worden gekweekt. Deze kostelijke planten die in de warme landen van Oost- en West-Indiën natuurlijk groeien kunnen alhier door uitlopers en verminking der lid delen die men aan de knopen afsnijdt en in potten zet, met vette aarde gevuld, op belommerde warme broeibakken vermenigvuldigd worden; in het begin dikwijls besproeid vatten ze wel wortel.
De Suikerrietplanten die van ouds in Azië, Syrië, Egypte en Arabië werden gekweekt zijn eerst in de 14de eeuw naar Napels en Sicilië overgevoerd alwaar de inwoners die wel haast hebben voortgeplant en er grote voordelen hebben uitgetrokken. In het jaar 1420 dat de prins Hendrik van Portugal dit bemerkte heeft dit Suikerriet eerst naar Madera, Spanje, Portugal en de Canarische eilanden overgezonden van waar het wel haast naar St-Domingo, de Antillen eilanden en in andere warme gewesten van Zuid-Amerika werd verspreid en die natuurlijke luchtgesteldheid heeft gevat. Het schijnt dat Spanje weer de kweek van het Suikerriet gaat aanvangen ,want men heeft sedert het jaar 1844 grote plantages in Andalusië̈,, Valencia en Grenada aangelegd alwaar het klimaat voor het Suikerriet zeer voordelig schijnt te wezen. De Fransen hebben sedert de overwinning van Algiers ook veel plantages dit land geschikt die door de regering begunstigd niet zullen vertoeven een goede uitval te bekomen.
De Saccharum ravennae van Linnaeus wordt vooral meest in Italië geplant en kan zeer goed de lucht van dit land weerstaan terwijl het alhier inde oranjehuizen ook zeer goed aardt.
De Saccharum Alhazier ? is een langlevende heester-houtgewas dat veel in Egypte wordt gekweekt; het bezit ook veel suiker en wordt om zijn machtige kracht in de medicijnen gemengd om de kwade hoest en de langdurige vallingen te genezen; maar het suiker van de Canarische eilanden gaat voor de zoetheid alle andere suikers verre te boven en wordt bij voorkeur in de medicijnen gebruikt.
SUIKERWORTEL, in ’t Frans Chervis, Gyrole, Berle, in 't latijn Sium, van Tournefort Sisarum Ammi, is door Jussieu onder de familie van de zonnescherm dragende planten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia ,planten die met vief helmstijltjes bloeien en twee stampertjes hebben. De Suikerwortel (Sium sisarum van Linnaeus) is een langlevende plant van China die sedert verscheidene eeuwen in Europa in de moeshoven wordt gezaaid en op de wijze van het Adderkruid en de Schorseneer wortels wordt gekweekt; het groeit met dikke, gesuikerde wortels, bladstelen en gevleugelde bladen bijna sleufvormig gelijk de Pastinaak en bloeit op de toppen der stengels met donkere bloempjes. Deze eetbare wortels die een flauwe suikerachtige smaak inhouden en als de Biet rapen veel suiker bezitten kunnen zeer goed onze koude winters weerstaan, worden veel in sommige landen gekweekt en op de wijze van de gele Wortels en met de spijzen gegeten.
SWAINSONIA, in ’t Frans Swainsonia, in ’t Latijn Swainsonia, is onder de familie van de bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige met tien helmdraden die tot twee afzonderlijke lichamen samen groeien.
De Swainsonia met Kornoeljeboom-bladen (Swainsona coronillaefolia) is een langlevend, klein boomgewas van Nieuw-Holland (Australië) dat sedert enige jaren in België is overgevoerd; het groeit met veel kleine blaadjes zeer lommerrijk versierd en bloeit alhier van juni tot in september met mooie bloemtrosjes ,rooskleurig en purper op de toppen.
De Swainsonia met Geitenruit-bladen (Swainsona galegifolia) van Nieuw-Holland draagt zeer hoog rode bloemen die een zeer bevallige en aangename reuk verspreiden.
Onze bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën de volgende soortenbekomen: de Swainsona astragalifolia, (Swainsona lessertiifolia) Swainsonia atropurpurea, (Cv., ook de volgende?) Swainsoni coccinea? en Swainsona purpurea die allen zeer mooie en welriekende bloemen dragen. Deze bevallige houtgewassen, die in boompjes kunnen gekweekt zijn, kunnen in de n heigrond, op lauwe broeibakken in de matige serres gezaaid en ook door inleggers en afzetsels vermenigvuldigd worden; maar ze zijn zeer moeilijk om wortel te vatten.
SWENBLAD, Zevenblad, in ’t Frans Tormentille, in ’t Latijn Tormentilla ,is onder de 6de klasse, 7de sectie van Tournefort gesteld, der roosachtige bloemplanten; door Jussieu onder de familie der roosvormige bloemdragende planten en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria polygynia, planten die met meer dan twintig meeldraden op de kelken bloeien en een groot getal stampertjes hebben.
Het officieel Swenblad of Zevenblad (Tormentilla erecta van Linnaeus) (Potentilla erecta) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de belommerde bossen en grasachtige plaatsen groeit, met tamelijk grote, geknobbelde en gevezelde wortels die van buiten zwartachtig en van binnen rood zijn en waaraan eerst bladstelen met donkere bladen groeien en voorts in de lente zwakke, dunne stengels uitspruiten met rondom elk knoopje zeven steelloze blaadjes die gekerfd of gesnipperd zijn; bloeit van juni tot in augustus op de toppen der stelen met gele bloemen, die vier bloembladen hebben en vier ronde zaadjes voortbrengen welke droog de vruchtbodems vergezellen. De wortels van deze plant mogen ten alle tijden van het jaar worden verzameld en worden veel gedroogd en meest bij de apothekers in poeiers gebruikt; ze zijn veel krachtiger dan het Vijfvingerkruid, want ze doen zweten en zijn van overouds om hun deugden bekend; die poeiers worden tegen de hete besmettelijke kwalen gebruikt en zijn ook zeer bekwaam om in al de delen der lichaam het bloeden te doen ophouden. De Tormentil wortels in poeiers met rode wijn ingenomen, zeggen Lobel en Dodonaeus, zijn zeer goed tegen de onmatige vloed der vrouwen en met zachte dranken genomen stelpen het bloedspuwen en allerhande bloedgang; de wortels en bladen gezoden en het sap gedronken is goed tegen de koortsen, opent de verstopping der lever en geneest de geelzucht. De wortels in poeiers met het wit van eieren gebakken en gegeten stelpt het overvloedig braken en is goed tegen de ziekte die men gewoonlijk Cholera noemt; die wortels zijn ook zeer dienstig om zweren, lopende gaten en voort etende zeren te genezen en als stoppend middel worden ze met het zaad van de Weegbree bereid ,ook tezamen in het water gekookt en zeer krachtig bevonden, zegt Clusius, om het misvallen van kind te beletten. Deze plant wordt om zijn deugden in de kruidhof der Hogeschool gekweekt en kan door het zaad en de wortels voortgezet worden.
SWERTIA, in ’t Frans Swertia, in’ t Latijn Swertia, door Tournefort Gentiana genoemd en onder zijn 1ste klasse, 1ste sectie der klokvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Hondsdoodplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De Swertia met altijd groene bladen (Swertia perennis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Oostenrijk van de Alpen gebergten die in België en elders in de bloemtuinen wordt geplant en groeit met bleek groene, eironde bladen aan de wortels waaruit in de lente stengels spruiten die niet zeer hoog groeien en in de zomer bloeien met klokvormige bloemkelken en vijf gestrekte bloemblaadjes in de kransjes die op de Gentiaan bloemen gelijken, maar zweetgaatjes hebben die van onder in de vruchtbodems der kransjes zijn. Dit mooie heilzame kruidgewas wordt voor bekwaam gehouden om de wonden en de gescheurdheid der jonge kinderen te genezen en werd van de oude Kruikenners in ’t Latijn Butyri radix genoemd alsof men Smeerwortels wilde zeggen en ook van sommigen Pinguicula gesneri geheten. Dit kruid groeit veel in Oostenrijk en wordt door de zwijnenhoeder van Duitsland gekapt en aan de varkens te eten gegeven om die tegen het Sint Antoniusvuur en al dergelijke gebreken die tijden van sterfte onder de varkens komen te behoeden. Men kan deze plant bij veel bloemisten te Gent verkrijgen; het wordt ook in de Kruidhof der Hoogeschool gekweekt en door wortelscheiding vermenigvuldigd.
TABAK , in 't Frans Tabac, in ’t Latijn Nicotiana, is door Tournefort onder zijn 2de klasse, 1ste sectie der planten die trechtervormige bloemen dragen gesteld; door Jussieu onder de familie der Nachtschadeplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en mar een stampertje hebben.
De Tabakplant (Nicotiana tabacum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Amerika die in het jaar 1560 eerst door M. Nicot, afgezant van Frankrijk bij het koninklijk hof van Portugal in Europa werd gebracht en alom verspreid; het groeit alhier met mergachtige stengels en steelloze, eironde bladen die lansvormig verdunnen. De planten die men voor zaad laat opschieten groeien omtrent 1 meter hoog en bloeien meest in augustus met trechtervormige bloemkelken en witachtige paarse bloemen met hellende meeldraden die zaadhuisjes en zeer veel zaadjes voortbrengen .Die plant is in België sedert het jaar 1580 genaturaliseerd en men vindt er heden de volgende soorten van; de Nicotiana rustica, Nicotiana paniculata, Nicotiana glutinosa van Peru, Nicotiana urens (Wigandia urens) en Nicotiana pusilla (Nicotiana plumbaginifolia) , die in Virginië veel worden geplant met nog meer andere waarvan men zaad bij de Minister der binnenlandse zaken te Brussel kan verkrijgen.
Om mooie fijne Tabak te verkrijgen worden die planten vroeg in het voorjaar op lauwe broeibakken in de oranjehuizen gezaaid en omtrent mei in de vrije lucht geplant die alsdan vroeger in den herfst hun rijpheid bekomen; want als men die maar in de lente in den volle grond zaait en omtrent Sint Jansdag verplant loopt men gevaar dat ze soms bij koude en vochtige seizoenen in ons klimaat hun rijpheid niet verkrijgen en altijd een groene smaak behouden. De jonge planten worden gewoonlijk op 40 centimeters van elkaar verplant, binnen de zomer goed gekoesterd en op tijd de jonge scheuten uitgepluisd, hetgeen aan de Tabakbladen kracht en zwaarte geeft en de smaak verbetert; dit gewas kan gemakkelijk de waarde van den grond waar het geplant wordt opleveren. Men vindt bijna geen planten waarin heden zoveel handel gedreven wordt; de stelen met de bladen worden op verscheidene wijzen bewerkt en door de mensen gebruikt; maar de Tabak, zegt de kundige heer Orfila van Parijs, bezit een scherp slaap verwekkend middel dat meest op de hersens der mensen werkt, duizelingen of bedwelming met loshoofdigheid kan veroorzaken en te veel inwendig genomen vergiftig is. De Tabak uitwendig gebruikt, is zeer nuttig om de oude kankerachtige en voort etende zeren, klieren, kropzweren, zwellingen, blutsingen, kwetsuren te genezen en wordt ook voor de schurft gebruikt en de Tabak bladen worden zeer geacht om de jicht te verzachten. De Indianen maken bolletjes met de droge bladen en zeeschelpen fijn gestoten om die bij het reizen in de mond te houden en zich van dampen, scheurbuik, honger en dorst te bevrijden; ze gebruiken ook de groene bladen of het sap om hun oude wonden en zeeen te genezen en dragen het sap van de Tabak in een hoorn als ze ten strijde gaan om het in de wonden te doen die door vergiftige schichten of pijlen gemaakt zijn. Dit sap geneest de beten van de dolle honden als het daaraan aanstonds opgelegd wordt. Men geneest ook de pestachtige kolen die soms na de pestachtige ziekten volgt met dit sap en de wonden als die niet zeer diep zijn kunnen er op twee of drie dagen mee genezen. De Tabakbladen warm op de navel gelegd verdrijven de pijn van de buik, maag en moeder en vooral als die door koude en winden veroorzaakt zijn. De zuivere droge bladen of het poeier daarvan hebben dezelfde krachten tegen de voorzegde gebreken.
Aangaande de rook van dn Tabak, de doctor Degaglia verhaalt in de Annali universali medicina, vol. L XVIII dat hij zichzelf door de beroking met de Tabak van het jicht heeft genezen en nadien met hetzelfde middel veel andere mensen die met jicht waren besmet heeft geholpen. Het Tabak roken is voor sommigen gezond; men zegt dat het de honger en dorst doet vergaan, dat men door het rook en of snuiven de krachten der hersenen en ogen kan behouden en dat dit het gezicht verscherpt. Er wordt ook een olie van het Tabakzaad gedistilleerd en een zalf met de Tabak gemaakt om de puisten en schellen van de ogen weg te nemen. De Tabak wordt ook als klisteer spruit middel met voordeel gebruikt en bezit nog een insecten verdrijvende kracht; want in water geweekt is het zeer dienstig om de gewassen die van teekjes aangetast zijn te besproeien. Sommigen achten de Tabak die hier in België groeit beter voor al die voorzegde gebreken dan de droge Tabakbladen die men van Amerika verkrijgt. De Tabak in poeier of in snuif gemalen wordt aan sommige mensen uitwendig voorgeschreven om de slijmen en vochtachtige waters te verdrijven.
TAMARINDENBOOM, in ’t Frans Tamarinier, in ’t Latijn Tamarindus, is door Jussieu onder de familie der bomen die peulvruchten dragen gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. Veel nieuwe Kruidkenners stellen de Tamarindeboom onder de16de klasse van Linnaeus, Monadelphia triandria, eenbroederige, planten wiens meeldraden samengroeien en die drie stampertjes hebben.
De Tamarindeboom (Tamarindus indica van Linnaeus) is een langlevend boomgewas dat in Oost- en West-Indiën en elders groeit met een zeer vertakte stam die in het land van zijn afkomst wel 3 of 4 meters hoog groeit en altijd groen blijvende bladen op lange bladstelen ,langs beide zijden geschikt en tegen elkaar overeen staan enigszins op de bladen van het Wijfje-Varen gelijken die zich altijd naar de zon wenden en zeer lommerrijk versieren, na zonsondergang zich sluiten en ’s morgens weer open gaan. Die bladen zijn zeer zuurachtig, maar aangenaam van smaak en bekwaam om er zure sausen mee te maken. Die bomen bloeien in de lente met witte bloemen die op de Oranjeappel-bloemen gelijken, een aangename reuk inhouden en kromme, dikke hauwen of peulvruchten voortbrengen waarvan de vlezige gedeelten met suiker worden bereid en ingelegd om als een lekkere spijs te eten en ook in de geneesmiddelen te gebruiken. De Tamarindevruchten verkoelen en drogen tot in de derde graad en hebben een wijnachtige smaak; ze worden vooral geprezen om de verstopte galachtige stof in het ingewand te oplossen, verheugen het hart, verdrijven de zwaarmoedigheid, genezen de pleuris en alle ziekten die van grote hitte komen. Er zijn bijna geen vruchten, zegt de doctor Grimaux, die zoveel verversende middelen inhouden; door afkooksel bereid zijn ze zeer voordelig aan de zieken die met brandende galachtige koortsen besmet zijn; ze genezen de geelzucht, blussen de hitte van de maag, lever en nieren, stoppen de vloed en stelpen de zaadloop. De Tamarindevruchten, die ook afdrijvend zijn als men ze door afkooksel als buikzuiverend middel wil bereiden, mogen nooit in een koperen ketel gekookt worden en moeten altijd in aarden verlode potten bereid zijn; want ze slepen het vergift van het koper me hetgeen pijn in de darmen kan veroorzaken. Het water waarin Tamarindevruchten gekookt zijn gedronken is zeer goed voor de kinderen die mazelen en pokken hebbe, en als dit van de oude mensen moet gebruikt worden wordt er gewoonlijk om hun maag niet te beschadigen ,wat sap van Alsem bij gedaan. Het merg van de Tamarinde wordt ook in suiker bewaard, hetgeen de Indianen op hun reizen door de woestijnen bij zich dragen om te eten en de dorst mee te verkoelen. De Tamarindebomen moeten alhier in de warme serres worden gekweekt en door het zaad dat men van de warme landen verkrijgt of door inleggers, die langzaam wortel vatten, vermenigvuldigd worden.
TAMARISBOOM, in ‘t Frans Tamarisc, in ‘t Latijn Tamarix, door Tournefort Tamariscus bijgevoegd, is door Jussieu onder de familie der Porselein gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
De Franse Tamarisboom (Tamarix gallica van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Zuid-Frankrijk dat in België en elders in de lusthoven wordt geplant en als kreupelhout groeit, in struiken bij de grond vertakt maar omtrent 2 meters hoog die kleine langwerpige, dunne bladen dragen welke een grijsachtig kleur hebben en van buiten soms dwars gekerfd zijn; bloeit meest met vijf bloembladen in de kelken en witachtige, wollige bloemen die een paarsachtige kleur verkrijgen en zaadhuisjes met drie schelpjes die zich openen en zaadjes met pluimpjes bekroond inhouden voortbrengen.
De Duitse Tamarisboom (Tamarix germanica van Linnaeus) (Myricaria germanica) groeit veel in Duitsland, Zwitserland, Italië en elders en kan alhier onze winterse koude vrij goed weerstaan. De bloemen van dit boomgewas zijn tienbladig en de meeldraden eenbroederige (monadelphia) dat is in een bundel verenigd.
De grote Tamarisboom die in Griekenland, Syrië en Egypte groeit werd van de oude Griekse Kruidbeschrijvers Myrice hemeros genoemden de vruchten worden in Egypte Chermasel geheten.
De Tamarix gallica, floribus pentandris (met vijf meeldraden) van Linnaeus, is in zijn Medicijnboek, bladzijde 154 vermeld en heeft ook zijn nuttigheid in de geneeskunde. De schors, vooral van de wortels, het hout en de bladen zijn samentrekkende worden geprezen voor de verstopping der ingewanden en daaruit voortkomende gebreken als miltzucht, winden, waterzucht, en dient ook om de bloedgangen en buikloop te stelpen; de wijn, waarin de jonge bladen en scheuten gezoden zijn is zeer dienstig om de mond mede te wassen en de vuile tandzweren te genezen; dit gezoden sap, zegt Lobel, stopt de vloed der vrouwen. De vruchten of noten van de grote Tamarisboom zijn zeer nuttig om in plaats van galnoten gebruikt worden; ze zijn ook voordelig voor degenen die bloed spuwen en voor de vrouwen die hun maandstonden te overvloedig hebben. Clusius beschrijft ook de Zee-Tamarix die hij Myrica marina noemt, welke in de zee tussen de schelpen der oesters en mosselen vastgroeit, maar mij niet is bekend.
Het hout van den Tamarisboom, dat geheel hard is, wordt in de gewesten waar het veel groeit tot allerlei draai- en andere kleine sierlijke werken gebruikt; de vermenigvuldiging van den Tamarisboom geschiedt door uitlopers of door inleggers der jonge takje welke men vervolgens niet voor twee of drie jaren afnemen mag omdat ze langzaam wortel vatten. Men kan ook van die jonge planten scheerhagen maken die in vochtige, zandachtige en niet bemeste gronden zeer goed aarden.
Tandkruid, in ’t Frans Dentelaire, in ’t Latijn Plumbago, is onder de 2de klasse 5de sectie van Tournefort gesteld der trechtervormig bloemplanten; door Jussieu onder de familie van het Tandkruid en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben . Deze soort behelst houtachtige en kruidachtige planten.
Het Tandkruid van de Kaap de Goede Hoop (Plumbago capensis van de Hortus Kew.)(Plumbago auriculata) is een langlevend, klein, houtachtig heestergewas dat zeer vertakt, met stengels , korte blad stelen en eironde groene bladen groeit en alhier meest in de oranjehuizen van augustus tot in december bloeit met trosvormige aren en zeer lieflijke trechtervormige bloempjes .
De Tandkruidplant met blauwe bloemen (Plumbago coerulea) (Plumbago auriculata) van de Indiën is een nieuw heester-houtgewas, dat met zeer veel zwakke, dunne stengel sen korte bladstelen groeit en van september tot in december bloeit met lange aren op de toppen en zeer mooie trechtervormige bloemen die een hemelse blauwe kleur hebben.
Het Tandkruid met rooskleurige bloemen (Plumbago rosea van Linnaeus) (Plumbago indica) is een langlevende houtachtig gewas van de Indien dat met veel geknoopte stengels omtrent 1 meter hoog groeit en met aren op de toppen en zeer mooie rooskleurige bloemen bloeit.
Het klimmende Tandkruid (Plumbago scandens), van de Antillen Eilanden groeit met klimmende stengels en bloeit van juli tot in september met aren op de toppen en mooie witte bloemen.
Het Tandkruid van Ceylon (Plumbago zeylanica van Linnaeus) bloeit ook met witte bloemen.
Deze planten die alhier in de oranjerie of matige serres worden gekweekt kunnen door het zaad in de heigrond en door uitlopers of wortelscheiding vermenigvuldigd worden.
Het Tandkruid van Europa (Plumbago europaea van Linnaeus) is een langlevend kruidgewas van Zuid-Europa at in België in veel bloemtuinen wordt geplant en in struiken met dikke wortels groeit waaruit in mei stengels spruiten met gladde, lansvormige, steelloze bladen; bloeit met aren en witte bloempjes, rooskleurig getekend. Aangaande de naam van Plumbago die deze laatste plant van sommige Kruidkenners heeft verkregen schrijft Lobel dat de Beta sylvestris in Italië ook Plumbago wordt genoemd, dat de wortels en kruid een zoete salpeterachtige smaak inhouden en het sap daarvan met honing gemengd zeer dienstig is om langs de neusgaten op te halen alle kwade slijmerige vochten uit de hersenen te trekken en de pijn van het hoofd te doen verdwijnen; de wortels worden in Italië wel onder de as gebraden en met de spijzen gegeten en verdrijven de stank van adem en mond. Voor het overige worden die gewassen gekweekt om hun mooie bloemen die de oranjehuizen en bloemhoven zeer lieflijk versieren en van veel liefhebbers bemind.
TARWE, in ’t Frans Froment, in ’t Latijn Triticum, is onder de 15de klasse., 3de sectie van Tournefort gesteld der plantend die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie der Grasplanten en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Men vindt heden verscheidene soorten van Tarwe planten die alhier van over veel eeuwen zijn ingevoerd.
De samengestelde Tarwe (Triticum compositum van Linnaeus) (samengesteld, beter Triticum compactum)is een eenjarige plant van Egypte die volgens de beschrijving eerst door de Romeinen voor Jezus Christus geboorte in België werd gebracht en alom verspreid. Gelijk veel kundige mannen over het kweken en het nut der Tarwe boekdelen hebben geschreven denkt het me nutteloos te zijn dit te herhalen, te meer daar de wijze van die te kweken en gebruiken van eenieder zeer goed bekend is. Deze soort van Tarwe groeit met samengevoegde aren, ineen gesloten en gebaard en wordt meest in oktober gezaaid.
De Zomertarwe (Triticum aestivum van Linnaeus) is oorspronkelijk van Napels en sedert verscheidene eeuwen in België genaturaliseerd.
De gezwollene Tarwe (Triticum turgidum van Linnaeus) wordt van over zeer oude tijden in België gezaaid.
De gewone rode Tarwe (Triticum polonicum van Linnaeus) komt van Polen en wordt veel in Duitsland en elders voor den winter gezaaid.
De Spelt-Tarwe (Épautre, Triticum spelta van Linnaeus) is ook van over zeer oude tijden bekend in Belgie; men vindt er een medesoort van die kleine Spelt wordt genoemd en meest in de lente wordt gezaaid, vooral vochtige landen. De Spelt- planten zyn tweeslachtig (hermaphroditum);het mannetje bloeit met midden knopjes, het wijfje heeft de bloemblaadjes met een zwart vlekje tussen de boven topjes getekend.
Men heeft sedert 1814 nieuwe Tarwe van Lamas, in Amerika, verkregen die in Frankrijk veel wordt gezaaid en vroeg in de zomer zijn rijpheid verkrijgt; maar wel op de Tarwe van Philadelphia? gelijk die met lange gebaarde aren maar weinig gesloten groeit.
De Tarwe van Talavera (Var.)wordt in Engeland zeer geacht en men begint die ook in veel streken van België te zaaien.
THEEBOOM, Thee, in ’t Frans The, in ’t Latijn Thea, is door Jussieu onder de familie der Oranjebomen gestel en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, planten die van twintig tot honderd meeldraden op het vruchtbeginsel vastgehecht en maar een stampertje hebben. Men vindt heden zeer veel soorten van den Theeboom die in Oost- en West-Indiën en elders in de warme landen natuurlijk groeien.
De Bou-Theeboom (Thea bohea van Linnaeus) (Var. van Camellia sinensis); is een aller mooist heester-houtgewas van China, dat vertakt met korte bladstelen en altijd blijvende, gladde, eironde bladen, stomp getand en meer dan 1 meter hoog groeit en alhier meest in september bloeit met zeer veel okselvormige witte bloemen die zes bloembladen in de kransen hebben; de vruchten en de zaden kunnen in de oranjehuizen wel hun rijpheid verkrijgen; sedert enige jaren wordt die alreeds in Zuid-Frankrijk in de vrije lucht geplant en op de wijze van de Oranjebomen door het zaad, uitlopers, inleggers en afzetsels vermenigvuldigd.
De groene Theeboom (Thea viridis (groen) van Linnaeus)(Camellia sinensis) is ook van China, maar verschilt door zijn bloemen die negen bloembladen in de kransen hebben.
Men vindt de volgende soorten van Thee die in China en elders in de warme eilanden groeien Fine Thee, Poudre àc canon, Hayswen-Skine-Thee, Tonkai, Sonlo-Thee, Peckao, Soatehong-Thee, Uxem-Thee, Congo-Thee, Campoy-Thee en Bohe-Thee. De Thee werd eerst door de Hollandse Oost-Indische Handelsmaatschappij in ’t jaar 1641 in Europa van China overgebracht; weinig daarna heeft de vermaarde doctor Tulpius, die alsdan burgemeester te Amsterdam was, die kostelijke plant voor de gezondheid van zijn landgenoten aanbevolen en al de eigenschappen die het inhoudt kenbaar gemaakt; het werd als een heilzaam middel in Holland aangenomen; enigen tijd daarna heeft de doctor Bontekoe, leraar en geneeskundige in het hier voren keurvorstendom van Brandenburg, al de nuttige voordelen, de eigenschappen en hoedanigheden van den Thee beschreven in een werk waarin hij alle pogingen heeft aangewend om den Thee in Europa te verspreiden en die vreemde bladen te doen gebruiken die, zegt hij, het leven der mensen verlengen en een der beste hulpmiddelen tegen de afgaande koortsen zijn. De doctor en zeer vermaarde hoogleraar Hufeland verzekert dat de Thee, zuiver met rum gemengd en met matigheid gedronken een behoedmiddel is tegen alle besmettelijke ziekten. De doctor Cranaen zegt dat de Thee, in het kokende water geweekt, zeer gezond is in al de delen van het lijf een aangename, zachte warmte verspreidt, de waterzucht kan genezen en goed is om de verstopte lever en milt te openen en de pijn van het hoofd te verdrijven; maar er is in al deze verhalen, zegt de doctor Murry, meer lichtgelovigheid dan waarheid. Ten tijde van den wijdvermaarde hoogleraar Boerhaave ontstond er in Holland ten opzichten van den Thee een grote twist, want de doctors Cranaen en Bontekoe die de Thee zodanig hadden aangeprezen, werden van veel andere doctors en kundige leraars beschuldigd van te veel die plant ten voordele der Hollandse handelmaatschappij te hebben geroemd en er krachten te hebben aan toegeschreven die het ten gehele niet bezat. De hoogleraar en geneeskundige Boerhaave bestreed, in een beknopt werk, de krachten van de Thee en het gebruik werd veel verminderd; nochtans de doctor Gimmerman beveelt het gebruik van den Thee aan degenen die aan de koude lucht en dampen blootgesteld zijn omdat het door zijn natuurlijke warmte de uitzweten verhaast en de vermoeienis van het lichaam en de pijn in het hoofd verdrijft, de maag aandrijft, de eetlust verwekt en matig gebruikt de ingewanden door het zweten van slijm ontlast. De doctor Geoffroy beveelt ook de Thee voor de overvloedige buiklopen om als tegen vergiftig middel te gebruiken; het is zeer goed, zegt hij, voor degenen die met de steen en graveel gekweld zijn. De doctor Morat beveelt ook in sommige ziekten de Thee, maar enkel 4 gram in ½ liter gekookt water geweekt; want de grote theedrinkers zijn mager en zwak, krijgen zwarte tanden en zijn bleek en loodachtig van kleur. De Fransen drinken weinig Thee en hebben het gebruik daarvan aan de Chinezen, Engelsen en Hollanders overgelaten. De kruidkundige M. Gallais en veel eerwaardige Paters die als zendelingen de reis naar China hebben gedaan komen in hun verhalen zeer goed overeen en zeggen dat de Chinezen om gewicht en een welriekende geur aan hun Thee te geven die met verscheidene soorten van andere welriekende bladen bewerken, en vooral met Olijfbladen en bloemen van de Camellia sasanqua, Magnolia yulan, (Magnolia denudata) Nyctanthes sambac, (Jasminum sambac en Nyctanthes arbor-tristis) ster Anijs enz., vermengen. Veel kundige mannen schrijven dat er maar twee soorten van Thee in China groeien en dat al de andere namen van de wijze der bewerking en gereed maken en van de gedeeltes der provincies alwaar die Thee wordt bereid voortkomen en dat iedere Theeboom drie soorten en verschillende kleuren voortbrengt. De eerste Thee zijn de nieuwe bladen die op de jonge Theebomen geplukt worden; de tweede soort zijn de bladen die nadien op die bomen uitspruiten; eindelijk, de derde soort zijn de bladen die de laatste uitschieten. De bladen op de toppen der takjes zijn zacht, in het midden een weinig ruw en op het onderste der takken grover. Nadat de Chinezen naar behoren de verschillende keuzen van die soorten hebben gedaan leggen ze de bladen in damppotten om de groeikracht in het water daaruit te doen dampen daar die zo scherp en bijtend is dat de mensen die tot de bewerking worden gebruikt dikwijls van de geur alleen ongemakkelijk worden; nadien strooien ze die bladen op koperen of ijzen en ook op aarde gebakken platen om ze op die wijze door het vuur te doen krimpen, roesten en krullen; ze worden met de hand ineen gerold tot dat ze geheel droog zijn. De fijne groene Thee wordt in de schaduw gedroogd en de zwarte ook wel in de zon. De Thee die door de lucht zijn welriekende geur verliest wordt van de Chinezen in kasten of tonnen goed toegesloten verzonden. De kunstscheiders hebben door de ontleding van de Thee bewezen dat het veel galnootzuur, run en een harsachtige gom inhoudt waarin het galnootzuur zo overvloedig is dat de Thee met ijzerzwavelzuur bereidt zeer goede inkt voortbrengt; te veel daarvan ingenomen kan dus de gezondheid hinderen.
De Thee die men meest alhier in de handel vindt is de zwarte en groene Thee die heden in veel verscheidene eilanden wordt gekweekt .De Nederlanden hebben sedert menigvuldige jaren in Batavia en elders grote plantages aangelegd die in deugd de Thee van China evenaren.
THUNBERGIA, in ‘t Frans Thunbergia, in ‘t Latijn Thunbergia is door Jussieu onder de familie van de Berenklauw planten gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloeien en zaad voortbrengen dat in een zaadhuisje besloten is.
De Thunbergia met riekende bloemen (Thunbergia fragrans) is een nieuw klimmend heester-houtgewas van de Indiën dat in het land van zijn afkomst verscheidene meters hoog klimt en alhier in de warme serres maar omtrent 1 ½ meter hoog groeit met eironde, hartvormige bladen die van boven groen en langs onder viltig zijn; bloeit in de zomer met zeer lieflijke, grote, witte, dubbele bloemen met groenachtige geaderde vliesjes die in de Indien een aangename reuk verspreiden en alhier nochtans reukloos zijn.
De Thunbergia capensis van Linnaeus is sedert lange tijd alhier bekend.
Onze bloemisten hebben enkel sedert enige jaren de volgende soorten van de Indiën bekomen: de Thunbergia alata, Thunbergia aurantiaca, (vorm van de vorige?) Thunbergia leucantha, (Thunbergia alata) Thunbergia coccinea, Thunbergia grandiflora, Thunbergia hawtayneana en Thunbergia versicolor (Thunbergia alata) met hun mooie bloemen die in het jaar 1843 alhier overgevoerd en in 1844 door Alex. Verschaffelt in de Casino tentoon werd gesteld.
Deze mooie gewassen die met hun bladen en bloemen de lusthoven versieren kunnen, als ze vroeg bloemen en het zaad zijn rijpheid verkrijgt op teilen in de fijne heigrond in de warme serres worden gezaaid en vatten ook gemakkelijk door inleggers en afzetsels wortel; maar de grond waarin ze worden gezaaid moet vochtig gehouden zijn. De krachten van deze liefelijke gewassen zijn mij niet bekend.
TOVERESKRUID, Stevenskruid, in ’t Frans Circée, in 't Latijn Circaea, is onder de 6de klasse, 9de sectie van Tournefort gesteld der roosvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van het Ezelskruid en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Tovereskruid (Circaea lutetiana van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België omtrent Oudenaarde, Doornik en elders in de bossen, moerassen en kanten der velden groeit met stengels die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien en ondoorschijnende, eironde, puntige, gelijk- getande bladen die met zachte haartjes voorzien zijn; bloeit meest van mei tot in juni met trosjes en blauwachtige witte bloemen, die zaadhuizen in twee hutjes verdeeld voortbrengen. Deze plant wordt ook veel in de bloemtuinen gekweekt en door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
Het Alpen Tovereskruid (Circaea alpina van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten die alhier in de bloemhoven wordt geplant; het groeit met omliggende stengels en blinkende, hartvormige, getande bladen en bloeit met blauwachtige bloemen. Deze plant wordt ook in België in de gebergten omtrent Namen op droge plaatsen gevonden. Men twijfelt aan de krachten van deze plant en de oude Kruidkenners zeggen dat ze op de Mandragora aardt; maar de nieuwe Kruidbeschrijvers hebben dit verworpen.
TORENKRUID, in ‘t Frans Tourette, in ‘t Latijn Turritis, is onder de 5de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliquosa, viermachtige, planten die met vierlange en twee kortere meeldraadjes bloemen en vruchten met hauwtjes of peulvruchten voortbrengen.
Het stekelharig Torenkruid (Turritis hirsuta van Linnaeus) (Arabis hirsuta) is een tweejarige kruidplant van België die in de droge moerassen en bossen op veel plaatsen groeit met spatelvormige, gehaarde bladen aan de wortels en steelloze bladen die de stengels omvatten; het bloeit meest in juni met witte bloemen op de toppen die lange peulen voortbrengen. Men vindt er medesoorten van die gele bloemen dragen.
Het niet behaarde Torenkruid (Turritis perfoliata glabra van Linnaeus) (Arabis glabra) groeit met getande en wollige bladen aan de wortels; maar de bladen die de stengels omvatten zijn niet behaard. Deze plant groeit veel in België aan de muren en droge moerassen en bloeit ook met witte en sommige met geelachtige bloemen.
Het Alpen Torenkruid (Turritis Alpina van Linnaeus) (Arabis glabra) groeit veel in Zwitserland en in Zuid-Frankrijk. Deze planten werden van de oude Kruidbeschrijvers Turrita major plateau geheten omdat de stengels spitsvormig als torretjes of naaldjes groeien; de bladen dezer gewassen zijn zeer sterk van smaak en de bloemen en zaad scherp bijtende op de tong en op de wijze van het Mosterdzaad verwarmend.
TOURNEFORTIA, in ’t Frans Tournefortia, in ‘t Latijn Tournefortia, is door Jussieu onder de familie van de Bernagieplanten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Tournefortia mutabilis is een langlevend klein boomgewas van Amerika dat zeer vertakt en in het land van zijn afkomst tamelijk hoog groeit en alhier in de warme serres van t' einde maart tot in mei bloeit met lange, scheefgebogen aren en witte gepijpte bloemen zeer lieflijk met donker violette kleuren gestreept die eerst groenachtige bessen voortbrengen welke een wit doorschijnende kleur verkrijgen.
De Tournefortia humilis van Linnaeus, (Euploca humilis) is een klein heester- boomgewas van Amerika dat met lansvormige, steelloze bladen groeit en bloeit met scheef hellende, omgebogen aren en wit gestreepte bloemen die bessen voortbrengen welke ook dikwijls van kleur veranderen.
Men vindt bij onzebloemisten de Tournefortia lucida (Myriopus volubilis) met mooie blinkende bladen; de Tournefortia scabra met ruwe oneffen bladen; de Tournefortia hirsutissima met door haar bedekte bladen; de Tournefortia laurifolia (Myriopus maculatus) met Laurierbladen.
De Tournefortia suffruticosa van Linnaeus, (Tournefortia fruticosa) is een houtachtig gewas van Jamaica met stengels en lansvormige, witte bladen.
De Tournefortia argentea van de Indiën, groeit met zijdeachtige plompe, eironde bladen en stengels die met aren en witte gestreepte bloemen lieflijk versierd zijn.
Al die mooie gewassen die om hun liefelijke bloemen zeer worden geacht zijn opgedragen aan de wijdvermaarde kruidkenner Tournefort die alle planten in zijn tijd bekend in klassen en secties heeft verdeeld.
Deze planten kunnen door het kernzaad uit de rijpe bessen in de warme serres op teilen in de fijne heigrond worden voort gekweekt terwijl ze door inleggers enz., te moeilijk wortel vatten. De jonge planten moeten het eerste jaar in de serre verblijven.
TOUWGRAS, in 't Frans Périploque, in 't Latijn Periploca, is door Tournefort onder zijn 1ste
klasse, 5de sectie der klokvormige bloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Hondendood- planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar twee stampertjes hebben.
Het Grieks Touwgras (Periploca graeca van Linnaeus) is een langlevend, rankachtig houtgewas van Griekenland dat wel 10 meters lang groeit met kronkelende stengels en veel mooi groen-blinkende, eironde bladen; bloeit meest van juni tot in juli met rondachtige oksel bloemtrosjes en purperen zwartachtige bloemen van een onaangenamen geur. Deze plant wordt door inleggers voortgezet en veel geplant, om door zijn lommerrijk groen prieëlen, muren en tronken mee te bekleden; door zijn afkerende deur verwijdert het de muggen, motten, vliegen en mieren en kan in ons klimaat zeer goed de koude winters weerstaan.
Het Touwgras met smalle bladen(Periploca angustifolia) is een langlevend rankachtige houtgewas van Oost-Indien dat maar omtrent 2 meters hoog groeit met altijd blijvende smalle bladen, en meest van juni tot in juli bloeit met bloemtrossen en witte bloemen die met brede purperen boorden zeer lieflijk zijn versierd. Deze mooie plant kan onze winterse koude niet weerstaan en moet derhalve in de planthuizen bevrijd zijn.
Het Afrikaans Touwgras (Periploca africana van Linnaeus) (Periploca angustifolia)? van de Kaap wordt alhier ook in de oranjerie gekweekt en op de wijze van de eerst vermelde vermenigvuldigd.
TRACHELIUM, in ’t Frans Trechelie, in ’t Latijn Trachelium, is onder de 2de klasse, 3de sectie van Tournefort, de trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van het Klokjeskruid en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Trachelium met blauwe bloemen (Trachelium caeruleum van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Algiers die ook veel in Italië groeit en alhier door vele liefhebbers alle jaren vroeg in de lente in bloemtuinen wordt gezaaid; het groeit met eironde, getande en gezaagde bladen en het tweede jaar met vertakte stengels die van juli tot in augustus bloemtrosjes dragen met veel kleine, mooi gepijpte bloempjes die een zeer lieflijk hemel blauw kleur hebben. Deze mooie kruidplant die in de zomer de bloemperken versiert moet ’s winters in de planthuizen worden bevrijd en kan door afzetsels in de lente op de wijze van het Guichelheil (Anagallis), voortgezet worden. De oude Griekse Kruidbeschrijvers zeggen dat dit kruid de krachten van het Halskruid bezit en de wortels klein gestoten en met meel van Lupinus gebruikt al de vlekken en sproeten van het vel verdrijven; het water uit de wortels gedistilleerd wordt in Italië bereid om het aangezicht te wassen en de huid blinkend en rein te maken.
TRADESCANTIA, Eendagsbloem, in ' t Frans Éphémère, in ’t Latijn Tradescantia, door Tournefort Ephemerum genoemd en onder zijn 9de klasse, 3de sectie der Leliebloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Rietplanten en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Tradescantia of Eendagsbloem van Virginië (Tradescantia virginiana van Linnaeus ) is een langlevende kruidplant van Amerika die met stengels en stam omvattende, blinkende, lansvormige bladen, omtrent3 0 of40 centimeters hoog groeit; bloeit met bloemtrossen op de toppen der stengels tussen de bladen verenigd van juni tot in oktober met driekantige, purperachtige blauwe bloembladen; men heeft door het zaad medesoorten verkregen die purperachtige witte bloemen dragen.
De rooskleurige Eendagsbloem (Tradescantia rosea) (CV.)van Noord-Amerika groeit kleiner en bloeit met zeer lieflijke rooskleurige bloemen.
Onze bloemisten hebben nog van Amerika de Tradescantia splendens en de Tradescentia flora rubro pleno (Cv.’s) verkregen die met zeer mooie bloemen van juni tot in september bloeien. Deze planten kunnen zeer goed onze koudė winters weerstaan en worden door afzetsels en wortelscheiding voortgezet.
De Eendagsbloem met twee kleuren(Tradescantia discolor) (Tradescantia spathacea of var. van zebrina) is een langlevende kruidplant van Zuid-Amerika die met steelloze bladen op de stengels groeit, welke van onder purper zijn en alhier bijna de gehelen zomer in de warme serres bloeit met purperen bloemscheden en zeer veel witte bloempjes. Deze plant wordt door afzetsels, op de wijze van de Anjers, vermenigvuldigd. De krachten van deze gewassen zijn mij niet bekend.
TRECHTERWINDE, Schone bij dag in ’t Frans Ipomée, Liseron, in 't Latijn Ipomoea, door Tournefort Quamoclit genoemden onder zijn 2de klasse, 1ste sectie der trechtervormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie der Winde- planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Trechterwinde (Ipomoea quamoclit van Linnaeus) is een eenjarige zaaiplant van de Indiën die met windende en vertakte stengels omtrent 3 meters hoog klimt, met gevleugelde bladen en van juli tot in september bloeit met zeer mooie hoog rode trechtervormige bloemen.
De scharlaken rode Trechterwinde(Ipomoea coccinea) is een eenjarige plant van de Antillen eilanden die met vertakte, hoekige stengels, eerdan2 meters hoog klimt met bladstelen en hartvormige bladen; bloeit van juli tot in september met levendige rode, klokvormige bloemen.
De purperen Trechterwinde (Ipomoea purpurea) van Amerika groeit met groene, hartvormige bladen en bloeit ook van juli tot in september met purperen bloemen; er zijn medesoorten die witte, violette en rooskleurig gestreepte, klokvormige bloemen dragen.
De geelachtige Trechterwinde (Ipomoea luteola van Jacquin) is een eenjarige plant van de West-Indiën die alhier in hulletjes wordt gezaaid en maar 25 centimeters hoog groeit; het bloeit van juli tot in oktober met zeer lieflijke blauwe en witte bloemen, die zich bij dag openen.
De Ipomoea bicolor (Ipomoea tricolor) wordt ook alle jaren gelijk de voormelde Trechterwinde vroeg in de lente in de bloemhoven gezaaid; maar de volgende soorten worden alhier in de matige serres gekweekt.
De trosvormige Trechterwinde (Ipomoea paniculata) (Ipomoea mauritiana) is een lang levende plant van het eiland S.-Mauritius die met geknobbelde wortels en stengels tamelijk hoog groeit en bladen in zeven vliesjes verdeeld heeft; bloeit van juli tot in september met trosvormige aren en zeer lieflijke, klokvormige bloemen die van onder purper, in ’t midden wit rooskleurig zijn en breed rooskleurige boorden hebben.
De Ipomoea heterophylla (Ipomoea polymorpha?) en Ipomoea mutabilis (Ipomoea indica) van het eiland Cuba groeien met stengels wel 3 meters hoog en drielobbige bladen en bloeien van juli tot in oktober met trosjes en zeer mooie rooskleurige en blauwe bloemen.
De merkwaardige Trechterwinde (Ipomoea insignis) van de Indiën groeit met geknobbelde wortels en kruidachtige stengels en bloeit met trosvormige bloemen die van binnen een mooi rood en van buiten een lieflijk roze kleur hebben.
De Ipomoea venosa van het eiland Bourbon klimt wel 7 of 8 meters hoog en bloeit van oktober tot in december met grote mooie witte, klokvormige, gepijpte bloemen.
Onze bloemisten hebben nog onlangs van Zuid-Amerika de volgende soorten bekomen: Ipomoea ficifolia, Ipomoea batatas, Ipomoea Haylockii, (Cv.) Ipomoea horsfalliae, Ipomoea Humboldtii, (Cv.)Ipomoea hybrida, (kruising) Ipomoea learii, - Ipomoea longiflora, Ipomoea mexicana, - Ipomoea rubra coerulea, (Cv.) Ipomoea Sellowiana, (Acca sellowiana) Ipomoea smilacifolia en meer andere die alhier in de warme serres gekweekt en door inleggers en uitspruitsels vermenigvuldigd kunnen worden. Deze planten schikken zich zeer goed rond de serres te leiden daar ze door hun bloemen een mooie versiering maken.
TRITOMA, in ‘t Frans Tritome, in ‘t Latijn Tritoma, is door Jussieu onder de familie van de Lelieplanten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De bloemtros dragende Tritoma (Tritoma uvaria )(Kniphofia uvaria) is een langlevende bloembolplant van de Kaap, ie met bladen en blote schachten omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeit en met altijd blijvende, lange, puntige, getande bladen aan de bloembollen; bloeit van juli tot in september met grote mooie hangende bloemtrossen op de toppen der schachten en gepijpte bloemen die een aller mooiste hoog rood blozende kleur hebben.
De Tritoma media (Kniphofia sarmentosa) van Redouté is een langlevende plant van Afrika met rechte, purperachtige schachten en grote gladde bladen aan de bloembollen; bloeit meest van februari tot in april met bloemtrossen op de toppen der schachten en oranje bloemen wiens boorden met geel en groen verdeeld zijn.
De kleine Tritoma( Tritoma pumila) (Kniphofia pumila) is ook een bloembol plant van de Kaap die met kleine schachten groeit en alhier van september tot in november bloeit met bloemtrosjes en mooie gele saffraankleurige bloemen; de bovenste bloemknoppen beginnen eerst te bloeien.
Deze mooie bloembolplanten, die nog zeldzaam verspreid zijn moeten alhier in de matige serres of oranjehuizen in den gemengde heigrond worden gekweekt en kunnen door het rijp zaad en jonge aanwassen die aan de bloembollen groeien of telgloten voortgezet worden.
TROLBLOEM, Europese Hanenvoet, in ’t Frans Trolle, in 't Latijn Trollius, door Tournefort Helleborus genoemd en onder zijn 6de klasse, 6de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige, planten die meer dan twintigen wel tot honderd meeldraden en een groot getal stampertjes hebben.
De Trolbloem (Trollius europaeus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten; het groeit met handvormige bladen aan de wortels en stengels die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien en bloeit alhier van april tot in juni op de toppen der stengels met grote, blinkende, gele bloemen die 14 bloembladen in de kransen en honingkelken hebben, rond als een bol geschikt zijn en ronde zaadhuisjes met veel zaadjes voortbrengen.
Deze mooie plant werd van de oude Kruidbeschrijvers onder het Ranonkel geslacht gesteld omdat het dezelfde krachten inhoudt en ook van bloemen en bladen daaraan wel gelijkt; het wordt alhier veel om zijn mooie bloemen in de hoven geplant en kan door het zaad in de vermengde heigrond op belommerde plaatsen en door wortelscheiding vroeg in het voorjaar vermenigvuldigd worden.
TROMPETBLOEM, in ’t Frans Bignone, in ‘t Latijn Bignonia, is onder de 3de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der kaakvormige onregelmatige bloemen; door Jussieu onder de familie van de Trompetbloemen en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De scharlaken Trompetbloem (Bignonia radicans van Linnaeus) is een rankachtig houtgewas van Noord-Amerika dat met klimmende ranken, hechtrankjes, bladstelen en eironde, groene bladen wel 12 meters hoog groeit; bloeit van juli tot in september met trossen en grote eenbladige, lange, gepijpte, purperachtige bloemen die donker fluweelachtig zijn. Deze plant is de mooiste van alle gewassen om prieëlen enz., te bekleden.
Men vindt enige medesoorten die kleiner en korter groeien, maar toch ook zeer fraai versieren met mooie roodachtige trompetvormige bloemen.
De klimmende Trompetbloem (Bignonia capreolata van Linnaeus) is een heester-houtgewas van de Antillen eiland; het groeit met stengels maar omtrent 2 meters hoog met bladstelen, hartvormige, puntige bladen en hechtrankjes; bloeit meest van juni tot in augustus met okselbloemen die van binnen geelachtig en langs buiten een bruine kaneelkleur hebben.
De altijd groen blijvende Trompetbloem (Bignonia sempervirens van Linnaeus) (Gelsemium sempervirens) is een langlevend houtgewas van Virginië; het groeit met gekronkelde, dunne takjes en groen blinkende, grijsachtige bladen; bloeit van juni tot in juli met steelloze okselbloemen die trechtervormig rond zijn en een mooie gele kleur hebben en de aangename reuk der Steenviolieren bezitten.
Deze gewassen kunnen wel onze koude winters weerstaan en worden meest aan de muren en om de prieëlen en tralies mee te bekleden geplant..
De Trompetbloem van China (Bignonia chinensis of Bignonia grandiflora van Willdenow) (Campsis grandiflora) en de Bignonia pandorea (Pandorea jasminoides) van Andrews zijn langlevende heester gewassen die om hun mooie bloemen ’s winters in de oranjerie worden gekweekt alwaar ze gewoonlijk in de lente met mooie trossen en gepijpte, witte en purper gestreepte bloemen bloeien.
Men vindt nog de Trompetbloem van de Kaap (Bignonia capensis) die alhier in de vrije lucht wordt geplant. Deze planten kunnen door inleggers en afzetsels in de heigrond vermenigvuldigd worden.
TUBEROOS, Hof-Tuberoos, in ’t Frans Tubéreuse, in ‘t Latijn Polyanthes, door Tournefort Hyacinthus genoemd en onder zijn 9de klasse,1 sectie der Lelieplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Tijdloze en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Hof-Tuberoos (Polianthes tuberosa van Linnaeus) is een langlevende bloembolplant van Ceylon waarvan de bloembol- windsels boven op de vlezige knobbelen met vliesjes bekleed zijn; het groeit met lange, groene bladen en een schacht van omtrent 1 meter hoog op wiens toppen in de herfst lange aren bloeien met gebogen, trechtervormige, eenbladige bloemen, in zes verdeeld, die een zoete aangename geur verspreiden. De Tuberoos met witte bandvormig gestreepte bladen, is een medesoort die half dubbel en geheel dubbele bloemen draagt. Deze mooie bloembolplanten worden alhier in de matige serres in de vermengde heigrond geplant en op de wijze van de Tritoma vermenigvuldigd.
TULPEN, Tulpenbollen, Tulipen, in ’t Frans Tulipe, in het Latijn Tulipa, is onder de 9de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld de lelieachtige bloemen; door Jussieu onder de familie der Lisbloemen en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt heden bij verscheidene bloemisten in België en in de Nederlanden wel 600 verschillende soorten van Tulpen die allen meest uit het zaad gesproten zijn.
De Tulp van Gessner (Tulipa gesneriana van Linnaeus) is een langlevende bloembolplant van Cappadocië; het groeit met eironde, lansvormige bladen en schachtjes met recht staande bloem op de toppen. Deze plant heeft de naam van Gesneriana verkregen omdat de heer Gessner die eerst van Cappadocië heeft ontvangen; het werd in België in ’t jaar 1559 overgebracht van Zwitserland alwaar de kruidkenner Gessner alsdan gevestigd was.
De welriekende Tulp (Tulipa suaveolens van Willdenow) is een langlevende bloembolplant van Zuid-Europa.
De Tulipa Breyniana (Homeria breyniana) van Linnaeus is een langlevende bloembolplant van Ethiopië; het groeit met lijnvormige bladen en schachtjes met veel bloemen.
De Tulipa met twee kleuren van Linnaeus komt van Perzië.
De Tulipa sylvestris van Linnaeus groeit veel in ’t wild omtrent Montpellier.
De Tulipa gallica (Tulipa sylvestris subsp. sylvestris) bloeit met groene, scherpe bloembladen en rode toppen.
Uit deze soorten zijn al de mooie medesoorten gesproten die heden tot meer dan 600 belopen en allen verschillende namen dragen welke men op de bloemlijsten van veel kwekers in Belgie en in de Nederlanden vind, en waarvan de Haarlemse bloemisten veel nieuwe mooie soorten hebben gewonnen die ze van 30 tot 600 franken verkopen.De bloemkwekers s en liefhebbers van Geraardsbergen, in Oost-Vlaanderen,hebben ook aller mooiste nieuwe medesoorten verkregen die zeer goed met de Haarlemse Tulpen kunnen mededingen;nochtans stellen die behendige bloemkwekers de prijzen van die mooie nieuwe Tulpen van 2 tot 20 franken daar sommigen nochtans door hun liefelijke kleuren de Haarlemse wel overtreffen.
Ik heb in de tijd bij de heer Blondel te Ninove, in Oost- Vlaanderen, een verzameling van meer dan 400 soorten zien bloeien, die voor het grootste deel in België waren gewonnen en op zijn bloemlijst veel namen van onze inlandse liefhebbers een bloemkwekers bemerkt. De eerwaardige heer prost van Droogenbroeck, nu pastor te Schoonaarde bij Dendermonde, bezit een aller mooiste verzameling van die inlandse Tulpen die hij meest allen met zorg uit het zaad heeft bekomen, en waarvan hij mij enige van zijn mooiste heeft meegedeeld. De heer Everaerd, burgemeester te Lovendegem, heeft een aller mooiste collectie van inlandse en buitenlandse Tulpen verzameld waaronder zich nieuwe soorten bevinden die nog zeer zeldzaam verspreid zijn. De heer Ottevaere, te Evergem heeft ook een wonderbare mooie verzameling van nieuwe inlandse en buitenlandse soorten die hij alle jaren, terwijl ze bloeien, aan het publiek met veel goedwilligheid toont. Verscheidene onzer bloemisten bezitten ook zeer mooie nieuwe verzamelingen die ze bij de honderd verkopen en alle jaren zeer veel naar vreemde landen verzenden.
De mooiste Tulpen die door de liefhebbers meest worden geacht zijn die welke met klokken recht op de toppen der stelen, met zes bloembladen in de kransen bloeien, door de zon of de wind niet omvallen en met verscheiden kleuren in de bloembladen versierd zijn. De Tulpen moeten gewoonlijk 12 jaren oud zijn eer ze goed zaad voor het zaaien voortbrengen. De grote liefhebbers van Tulpen, om hun bloemen lang te behouden en die tegen de zon en de regen te bevrijden en het zaad beter te doen rijpen spannen gewoonlijk tenten over de bloemperken; nadat ze een lange tijd gebloeid hebben ziet men de vliesjes der zaadhutjes van boven openbarsten en bemerkt men de roodachtige zaadjes die men als ze rijp zijn afsnijdt en op papier tezamen met de omwindsels laat drogen en zuivert om in september zonder uitstel te zaaien, want als men tot januari wacht komt dat zaad niet meer voort; men kan dit zaad wel op teilen zaaien, maar het is te prijzen dit in groeven van omtrent 3 of 4 centimeters breed en 2 of 3 diep in zandachtige aarde in de vrije lucht te doen. De aarde mag niet gemest zijn en als het zaad eens in de groeven goed verdeeld vraagt het ’s winters geen zorg meer, tenzij het boven de 12 graden zou vriezen, dan moet het gedekt worden met dorre bladen. Dit zaad blijft gewoonlijk tot in maart of april zonder uit te schieten in de aarde, volgens de meer of minder voordelige lente, en als het eens boven d aarde uitgeschoten is moet men met zorg de jonge planten van alle onkruid zuiveren en bij droge seizoen goed besproeien. Er zijn wel sommige zaadjes die niet van boven uitschieten, maar toch in de aarde hun bloembolletjes maken. Verder in de zomer, nadat de bladen van die jonge planten beginnen te verdrogen neemt men die tezamen met de niet uitgeschoten uit de aarde om in papieren zakjes te bewaren en het volgende jaar in september weer op 4 centimeters afstand te planten. Alle jaren kweekt men die op dezelfde wijze voort en als de bladen geel en droog worden neemt men die met zorg uit de grond om in oktober in droge aarde of zandachtige grond te planten. Gewoonlijk geven die bloembollen maar in de vijfde lente van hun ouderdom veel bloemen en het is maar het zesde jaar dat de bloemkrans hun volmaakte kleur krijgen; men vindt soms nog wel het zevende jaar dat die bloemen van kleur veranderen. De Tulpen worden alhier in het voorjaar meest geplant en de Tulpenbollen in sommige landen in de Salade met olie en azijn als ui gebruikt daar ze goed van smaak en niet walgachtig zijn; maar sommige Kruidbeschrijvers willen verzekeren dat ze te krachtig en te aandrijvend zijn en te veel de lust tot bijslapen vermeerderen. De baron Van Haller merkt aan dat de wortels van de wilde Tulpen te scherp zijn, een kwaadaardige reuk hebben en braking verwekken.
TUPELOBOOM, in ’t Frans Tupelo, in ’t Latijn Nyssa, is door Jussieu onder de familie van den witten Jujubenboom gesteld en onder de 23o klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtige-tweehuizige.
De Water-Tupeloboom (Nyssa aquatica van Linnaeus) is een mooie langlevend boomgewas van Noord-Amerika dat in het land van zijn afkomst wel 20 of 25 meters hoog groeit en in België maar tot 10 of 12 meters hoog groeit met uitgesnedene, langwerpige, puntige, groene bladen zeer lommerrijk versierd en meest van juni tot in juli bloeit met zeer lieflijke bloemen die op de purperen Magnolia wel gelijken en nootjes de grootte van een olijf voortbrengen.
De Bos-Tupeloboom (Nyssa sylvatica) van Noord-Amerika, groeit maar 8 meters hoog, vertakt met lansvormige bladen en bloeit met groenachtige bloemkelken die rode vruchten de grootte van een olijf met een nootje voortbrengen.
Men vindt nog de witachtige Tupeloboom (Nyssa candicans van Willdenow) (Nyssa ogecha) en de tweebloemige Tulpeloboom (Nyssa biflora van Willdenow) van Amerika die in België in de lusthoven worden geplant en alhier in ’t jaar 1776 van Amerika zijn over gebracht. Deze bomen kunnen door het kernzaad uit de rijpe vruchten in vette grond op teilen of in potten worden gezaaid; ze moeten de eerste jaren ’s winters in de planthuizen verblijven om die langzaam in de zomer aan de lucht te gewonnen en enige jaren op hun verblijfplaats in goeden diep gedolven grond te verplanten.
TURKSE TARWE, Spaanse Tarwe, Milie van de Indiën, in ’t Frans Maïs , Blé de Turquie , Blé d’ Inde, Espagne, in 't latyn Zea, is onder de 15de klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld der bloem bladloze planten wier bloemen geen eigenlijke bloemkransen hebben zoals de Grassen; door Jussieu onder de familie der Granen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia triandria, eenhuizige die met mannelijke en vrouwelijke bloemen bloeien welke op een stengel aangetroffen worden.
De Turkse Tarwe (Zea mais van Linnaeus)i is een eenjarige graanplant van Peru in Zuid-Amerika die heden in België alle jaren veel wordt geplant en groeit met uitgestrekte, gevezelde wortels, dikke, rechte, lid verdeelde, zachte, mergachtige stengels van omtrent 1 ½ meter hoog en schedevormige, overeen staande, langwerpige ,donker groene, gegroefde bladen. De mannelijke en vrouwelijke bloemen zijn op dezelfde stengel van elkander gescheiden; de mannetjesbloemen maken die mooie trosvormige aren welke men boven op[ de toppen der sten bemerkt; de wijfjes bloemen zijn steelloos en okselachtig onder de mannetjes omtrent in ’t midden van de stengel en vormen en krol ronde aar en zijn met verscheidene wambuisjes of onder bekleed-els omwonden die een zijdeachtige kwispel van verscheiden kleuren verbeelden waaraan de wijfjes natuur delen vast hangen die door het mannetjes teeltstof van op de kruin der plant hun bevruchting verkrijgen of ontvangen en welke bloempjes zeer veel rondachtige zaden, groot als een erwtje, voortbrengen, in 10 of 12 rijen in de lengte geschikt en elke rij gewoonlijk van 36 graantjes; op elke steng groeien van 2 tot 3 aren die ongeveer tezamen 700 granen kunnen geven. Naar mate de rijpheid van die zaden vermeerdert openen zich de omwindsels op zo’n wijze, dat men geheel de gekleurde zaden kan bemerken die gewoonlijk met hun draadjes de aren tot hun volle rijpheid vergezellen. Deze kostelijke plant die van Amerika in het begin der 16de eeuw in België werd overgevoerd moet als een der voordeligste en voedzaamste onzer granen aanschouwd worden zowel voor de mensen als om de dieren te voeden.
Kleuren der granen. - Er bestaan verscheidene medesoorten of variëteiten van Turkse Tarwe, waarvan de bijzonderste de geelzadige is die algemeen verspreid en de minst moeilijk om in ons klimaat te planten schijnt te zijn en in middelbare landerijen goed groeit. De witte Turkse Tarwe is ook een medesoort die in ons klimaat van september of in het begin van oktober zijn rijpheid verkrijgt; het groeit met een stengel in goede gronden wel 3 of 4 meters hoog met lange, dikke aren en zeer veel zaden die alle jaren aan de kwekers een goede oogst verschaffen. De rode Turkse Tarwe is een zeldzame medesoort waarvan de granen gewoonlijk in kleur verschillen en soms blauw, zwartachtig, violet en bontachtig gespikkeld zijn; maar dit verschil is meest aan het klimaat en de grond waarin het geplant wordt toe te schrijven. Men vindt nog een variëteit die twee maandelijkse Turkse Tarwe wordt genoemd, omdat het gewoonlijk maar 60 of 70 dagen nodig heeft om zijn rijpheid te bekomen; maar de zaden zijn kleiner dan van de andere soorten en worden derhalve meest bestemd om het pluim gedierte te voeden. De kweek van deze vroege soort kan in ons klimaat van een zeer groot nut wezen. De landerijen die men het algemeen verkiest om de Turkse Tarwe te planten kunnen veel aan hun opbrengst toebrengen; want, uitgezonderd de gele soort die zich met een geringe grond geneert, moeten al de andere om een goede uitslag te bereiken in de beste landerijen gekweekt worden. Deze planten, door hun overvloedige gevezelde wortels die zich ver rond de stengen verspreiden begeren een diep bewerkte en goed geroerde grond; zelfs de nieuwe diep omgeploegde bossen en moeras gronde zijn voor die planten zeer gunstig. Eindelijk, hun opbrengst is altijd meest volgens de zorg die men er voor heeft en de natuur der gronden waarin ze gekweekt worden.
Klimaat; Ofschoon de lange tijd en de warmte die de Turkse Tarwe gewoonlijk nodig heeft om een volmaakte rijpheid te bekomen tot heden de kweek in het groot in de noordelijke delen van België enigszins belet heeft daar onze zomers soms geen warmte genoeg opleveren om deze kweek te verrichten zien we nochtans met genoegen dat dit aan de kweek van de vroege gele en twee maandelijkse soorten geen hinder toebrengt en dat ok voor de andere soorten de warme zomers de koude kunnen vergoeden; ten andere wordt de Turkse Tarwe heden in sommige landen waar meer koude dan in onze landen heerst gekweekt.
Tijd en wijze van zaaien. De zaaitijd van de Turkse Tarwe moet altijd uitgesteld worden totdat het bovenste der aarde door de invloed der zon een voldoende warmte heeft verkregen om het uitspruiten te verhaasten en men geen vorst meer te vrezen heeft, hetgeen in onze gematigde lucht gesteltenis maar in het begin van mei kan geschieden om het graan in het einde van september nog rijp te worden .Men moet ook bij het zaaien een goede keus van het zaai graan doen, zoveel mogelijk elk jaar van zaaigraan veranderen en altijd trachten dit van de laatsten oogst te gebruiken dat me tot de tijd van zaaien aan de aren vast laat omdat de kiemen niet te veel uitdroging zouden ondergaan hetgeen nadelig aan hun ontwikkeling kan wezen. Om dit te vermijden kiest men altijd het middelste gaan van de aren alwaar de Turkse Tarwe de mooiste en best gevoed is; wel in aandacht nemen dat het tweejarig graan nooit zo goed voor he zaaien als die van het laatste jaar kan aanschouwd worden. Het zaaigraan 24 uren in het water door geweekt is altijd zeer nuttig: het verhaast de uitspruiten en het lichte graan dat boven zwemt kan men dan gemakkelijk van het goede graan scheiden om er de pluim gedierten mee te voeden. Dit zaaigraan 10 of 20 uren in het kalkwater of ruwe zoute water gedompeld is ook zeer nuttig tegen de verwoesting der insecten en voordelig tegen de koren brand die ook soms de Turkse Tarwe aanrandt.
Er bestaan verscheidene wijzen om de Turkse Tarwe te zaaien: wanneer de landen vooraf goed bereid of gemest zijn kan men met de hand het graan in de voren der ploegen omtrent of 7 centimeters diep leggen en dan daartussen drie sneden van de ploeg ruimte laten en weer in de vierde snee of voor van de ploeg hetzelfde verrichten, op zo’n wijze dat de planten ongeveer 70 centimeters van elkaar staan; maar de beste wijze, hoewel het zeer kostbaar is, maar die toch alle akkerlieden zonder paarden kunnen verrichten is van de Turkse Tarwe in kleine putjes te planten ,die men met de spade regelmatig recht op gelijke afstand 6 of 7 centimeters diep in de aarde maakt; men legt 2 graantjes in elk putje en bedekt die dan met aarde van het volgende putje. Ogenblikkelijk na het planten moet men het land met de egge verscheidene maal lang en dwars door trekken en met de rol goed toe leggen. Indien men zodra de jong planten 9 of 10 centimeters hoogte bekomen hebben bemerkt dat er meer dan een plant uit de putjes gesproten is, kan men met de hand de ene van die eruit trekken en op de lege plaatsen op open plaats verplanten, wel zorgen van al de nodeloze planten weg te nemen en de kloekste op zo’ n wijze te schikken dat ze altijd omtrent 70 centimeters van elkander staan, hetgeen in goede vruchtbare landerijen wel 90 centimeters mag wezen; derhalve zijn er veel landbouwers die zich misgrijpen als ze denken veel graan te oogsten met die planten dicht te laten staan groeien daar dit dikwijls de stralen der zon belet en verder de stengels in plaats van 3 of4 aren, maar 1 of 2 zwakke aren voortbrengen.
Zorg bij het opkweken. Terwiel de Turkse Tarwe groeit is niets zo voordelig om de stengels te versterken en veel mooie aren met volwassen graan te verkrijgen als de bewerking en zuiver houden der gronden, hetgeen men terwijl de Turkse Tarwe groeit drie maal moet herhalen. Het voornaamste dezer bewerking is het land goed te bebouwen ,van alle onkruid te zuiveren en de stengel van onder frisheid te geven om nieuwe wortels te make die ze tegen het geweldig schudden der winden en onweders versterken. Men begint ten eerste met de omspitten of uitwieden van het onkruid, zodra men de overtollige planten heeft uitgetrokken en al de andere goed heeft geplaatst. De tweede zuivering of omspitten moet gebeuren als de planten omtrent 32 of 33 centimeters hoogte hebben bereikt; dan legt men de aarde hoopvormig rondom aan de wortels bij elke voet van de stengels hetgeen onze landbouwers ophullen noemen. De derde zuivering of bewerking wordt meest verricht als de planten beginnen de aren te vormen en hun granen te maken. Het gebeurt dikwijls dat die planten aan de onderste lid delen en wortels uitspruitsels voortbrengen die men zorgvuldig moet af- snijden en aan de beesten te voeden kan geven; ook moet men zorgen de mis groeide en laatst gegroeide aren die toch hun volle wasdom niet kunnen verkrijgen af te weren om de groei der hoed gegroeide te bevorderen. Het is maar na deze drie gemelde bewerkingen dat men tussen de lege spatie die men bij het planten van de Turkse Tarwe moet laten verscheidene soorten van Struikbonen die niet klimmen of Kolen, Savoie en Aradappels mag planten en ook Rapen of andere planten die de Turkse Tarwe voordelig zijn en tot voedsel kunnen dienen zaaien. De Turkse Tarwe is ook van vele vijanden gekweld die hun wasdom dikwijls hinderen en zich met die planten voeden zoals huis- en wilde gedierten waartegen een akkerman wel moet waken, vooral wanneer ze hun rijpheid verkrijgt; het is ook gelijk veel andere vreemde planten en der ongestadig lucht gesteldheid gevoelig en lijdt veel van de koude seizoenen, overmatige vochtigheden langdurige droogte, vooral ten tijde dat het bloeit, want de langdurige koude regen kan grotendeels het mislukken der aren en granen veroorzaken. De Turkse Tarwe is ook dikwijls aan de korenbrand onderhevig. In sommige landstreken snijdt men na het bloeien de toppen der onderste stengels af om de beesten te voeden en de rijpheid der granen te verhaasten; maar men kan deze handeling niet genoeg misprijzen, daar het gevolg daarvan, in plaats van voordelig, altijd nadelig aan de aren en granen moet wezen omdat dit de omloop en beweging van het sap belet belet dat de granen moet voeden. Sommigen zijn ook van gedacht dat een groot deel van het blad moet aftrekken om de krachten der aren te vermeerderen, hetgeen ook zeer tegenstrijdig is, want de Turkse Tarwe moet meer dan alle andere planten hun bladen behouden, daar deze rond de stengen een soort van trechter vormen die de dauw van de dampkring bevat en elk blad als een waterbakje is dat door de natuur geschikt is schijnt o m de verversing aan die planten te geven van de aren en granen tot hun rijpheid te voeden. Men mag dus maar de bladen afplukken als de Turkse Tarwe geheel zijn rijpheid bekomen heeft en de bovenste toppen dan ook afsnijden die alsdan nog aan de beesten een goed voedsel verschaffen. Voornamelijk in Italië, Spanje en Zuid-Frankrijk worden de paarden en muilezels met de bladen en toppen ‘s winters gevoed.
Tijd der inoogsting. De Turkse Tarwe doet zijn rijpheid zien aan de opdroging van een groot deel der bladen en stengen die een witachtig kleur verkrijgen en aan de omwindsels der aren die er zeer van verwijderen op zo’ n wijze dat men de blinkende gekleurde granen gewoonlijk wel kan zien hetgeen alhier te lande maar 4 maanden na het zaaien plaats heeft Men wint bijna altijd met de aren aan de stengen enige dagen in de zon te laten drogen waardoor het graan zijn volmaakte wasdom schijnt te verkrijgen dar het overblijvende sap der stengen nog altijd naar de aren dringt. In sommige koude landen, waar de Turkse Tarwe zijn rijpheid slecht bekomt wordt het op ovens gedroogd, maar dit verslechterd altijd de hoedanigheid der granen; ze verliezen hun glans, de pelletjes zijn droog en de meelachtige delen broos; het doet ook de kiempjes van het graan te veel opdrogen om weer te planten. Wanneer men ziet dat de granen op verschillende aren een zekeren graad van rijpheid hebben bekomen plukt men de aren met hun stengen af en legt die terwijl ze drogen in huis, in de schuur of op een overdekte plaats in kleine hoopjes open te drogen en roert die terwijl ze drogen verscheidene maal opdat de omwindsels der aren niet zouden beschimmelen, hetgeen de deugd der granen verslechterd en hun een bitteren smaak doet verkrijgen; nadat de omwindsels volkomen droog zijn trekt of snijdt men de aren van hun stengen en legt die op de zolder onder een afdak; men laat de aren zolang met het graan vast totdat men die tot het gebruik schikt; men kan die ook om goed te drogen op de zolders 10 of 20 tezamen aan lange stokken hangen en bij deze bewerking de rijpe aren van de onrijpe scheiden welke laatste men eerst gebruikt om de beesten en pluim gedierte te voeden omdat die het eerste bederven. e stengen, die na het inoogsten te velde bleven e en om hun houtachtige aard door de beesten niet gegeten worden kan men uit trekken en nadat ze goed gedroogd zijn gebruiken om de oven te heten of in de keuken te verbranden. Behalve dat ze grote hitte geven houden ze nog veel potas in die zeer goed is om linnen en andere stoffen mee te bleken of te wassen. Wanneer men de Turkse Tarwe begeert te gebruiken of te verkopen lost men de granen uit de holligheid der aren, hetzij met de hand of met die tegen de lemmet van een plomp mes af te schrabben of onder de voeten met holblokken af te stampen; maar altijd op zo’ n wijze dat men de granen niet breekt.
Wanneer nu de Turkse Tarwe af gekorreld is want men die om ze van de pelletjes en andere vuiligheid te zuiveren en zet de granen in zakken op een zolder waar soms een lopende lucht heerst opdat de kalanders en andere nadelige insecten hun eieren daarin niet zouden kunnen afleggen.
Wanneer men dit graan tot meel doet malen moet het volkomen droog zijn omdat het anderszins te zeer aan de molenstenen kleeft en de meelbuidel bij het teemsen te veel besmeert; indien men het malen tehuis kon verrichten of dit graan door een gortmolen op de wijze van de Gerst kon pellen dan zou men wel een derde meel meer bekomen. De zemelen van dit meel zijn zeer voordelig om de huisdieren te voeden. Men kan van het meel van de Turkse Tarwe in zakken op droge koele plaatsen gezet een jaar lang tegen het bederf bewaren.
Men kan op verschillende wijzen de Turkse Tarwe voor het voedsel der mensen en huisdieren gebruiken; maar gelijk het meel aan kleefachtige stof ontbreekt kan men dit in goed huisbrood niet verwerken zonder e een derde Tarwemeel bij te vermengen; men kan ook in dure tijden er brood van bakken door het met een derde deel Havermeel en de helft Gerstemeel met een vierde Tarwemeel verschaft een brood bijna zo goed als van zuivere Tarwe; als er Roggemeelvoorde helft inkomt is het brood te vast en heeft gewoonlijk een flauwen smaak.
De Turkse Tarwe verschaft aan de mensen een zo gezonde als aangename en goede spijs, hetzij om soep, melkpap, kruidkoeken of beschuit mee te maken. De pasteibakkers gebruiken het meel om meeldeeg, meelreep, gortebrij en fijne koekjes mee te maken. Men zegt dat het meel van de Turkse Tarwe in soep bereid bij voorkeur tot spijs moet dienen aan de personen die den steen en het graveel in de blaas schromen en zeer dienstig is voor mensen die door een geraaktheid zijn aangetast. In de zuidelijke delen van Europa wordt er veel melk- en brei pap mee gekookt wat de Italianen gewoonlijk Polenta noemen. De Amerikanen maken met de Turkse Tarwe een sterke geestrijke drank die ze in hun taal Atole heten en die de brandewijn vervangt. Eindelijk, in alle landstreken wordt er uit de Turkse Tarwe allerlei nut gehaald, hetzij om er bier mee te brouwen of geestrijke dranken te maken; ook als die granen bijna rijp zijn worden ze in sommige landen op de wijze van de Erwten in de keukens bereid en verschaffen met mate gegeten een goed voedsel. De Turkse Tarwe wordt van alle huisdieren zeer bemind; men kan die ook in de velden of moerassen zeer dicht zaaien en jong afmaaien om groen de beesten te voeden waarvan de koeien veel melk en boter geven. Het graan van de Turkse Tarwe, voornamelijk de gele, gestampt of ten minste in het water enige tijd geweekt wordt van alle beesten met grote gretigheid gezocht ;de pluimgedierten worden er zeer gauw vet van. Het vlees van degenen die ermee gevoed zijn is fijn mals en lekker om te eten, de varkens die met de Turkse Tarwe gevet zijn uitnemend goed; de kapoenen, kuikens, ganzen eendvogels enz., met dit graan gevet zijn zeer kostelijk om te eten. Er bestaat nog een grote spaarzaamheid in die granen om de dieren te voeden, in het water te laten kiemen of een weinig in het water te laten koken. Geen dieren op arde weigeren die granen te eten tot de karpers en veel andere vissen toe zijn er op verlekkerd. Eindelijk, dit graan kan de haver voor de paarden en andere werkdieren vervangen; het is meest in de zuidelijkste delen van Europa, Griekenland, Turkije dat men daarvan gebruik maakt. Men bemerk wel dat dit graan door zijn hardheid meer dan andere granen de tanden der paarden verslijt, maar men kan dit nadeel verminderen met dit graan 24 uren voor het voeden in het water te weken.
Men vindt nog een nieuwe soort van Turkse Tarwe, Zea curagua (Zea mays, subsp. mays) genoemd, een eenjarige plant die van Chili in België is overgevoerd en veel in het land van zijn afkomst wordt gekweekt; maar het schijnt dat die aan ons klimaat zo voordelig niet is als al de andere gemelde soorten die in onze luchtgesteldheid kunnen gekweekt worden.
Suiker vindt men bij het overhalen of distilleren van het onrijp Turks Koren en zeer veel stijfsel in het rijpe graan.
TWEEBLAD, Bastaard-Standelkruid, in ’t Frans Ophrys, in ’t Latijn Ophrys, van Tournefort Archisnidus genoemd en onder zijn 12de klasse, 3de sectie der Pijpbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van het Standelkruid, en onder de 20ste klasse van Linnaeus, Gynandria diandria, manwijvige met twee meeldraadjes.
Al de volgende soorten van Tweebladen groeien met een stengel en twee steelloze bladen die de stengel omtrent in ’t midden omvatten.
Het mannen gedaante Tweeblad (Ophrys anthropophora van Linnaeus(Orchis anthropophora) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de belommerde bossen en bergen groeit met geknobbelde, ronde worteltjes en stengels die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien; bloeit van juni tot in juli met lange aren en geelachtige witte bloempjes in twee verdeeld, die de gedaante hebben van een mens die aan de kop gehangen schijnt.
Het Spinnenkop-Tweeblad (Ophrys arachnites van Willdenow) (Ophrys apifera) groeit in België in de vochtige bossen met stengels en bloeit meest in juli met aren en roodachtige groene en langs binnen geel gestreepte bloempjes die op een spinnenkop gelijken.
Het bijen gedaante Tweeblad (Ophrys apiflora)(Ophrys apifera) groeit in België in de moerassen en bossen met stengels en bloeit in juni met aren en purperachtige zwart en geel gestreepte bloempjes die een bij verbeelden.
Het vliegen gedaante Tweeblad (Ophrys musciflora) (Ophrys muscifera) groeit in België in de moerassen en bloeit met bloempjes die zwart purper en langs binnen bruinachtig en blauw gevlekt zijn en wiens bloemblaadjes een vlieg verbeelden.
Het Zomer-Tweeblad (Ophrys aestivalis van Lamarck) (Spiranthes aestivalis) groeit in België in de vochtige bossen.
Het Tweeblad met dubbele bladen (Ophrys ovata) (Neottia ovata) groeit in België in de bergen en dalen die belommerd zijn met brede bladen en stengels die omtrent 20 of2 5centimeters hoog groeien en bloeit mees in juli met aren en groene bloempjes.
Deze planten die allen met langlevende wortels in de grond blijven worden in de bloemtuinen op de wijze van het Standelkruid vermenigvuldigd en om hun wonderbare bloempjes gekweekt. Ze werden van de oude Kruidbeschrijvers Bifolium pseudo-orchis ,Bastaard-Standelkruid genoemd; maar de nieuwe Kruidkenners heten die heden Ophrys. Sommigen zeggen dit kruid bekwaam is om de wonden en kwetsuren te doen helen en dergelijke kwalen zuiver te genezen.
TWEETAND, Waterhennep ,in ’t Frans Bident, in ' t Latijn Bidens, is onder de 12de klasse, 3de sectie der Pijpbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis ,samenhelmige-veelechtige- gelijk bloeiende.
De Tweetand met drie verdelingen (Bidens tripartita van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België op vochtige plaatsen in de grachten en lage gronden groeit met bladstelen en vingervormige, getande bladen en roodachtige rechte stengels; bloeit meest in juli met donker geelachtige, kleine, eenbladige bloempjes.
De hellende Tweetand (Bidens cernua van Linnaeus) is ook een eenjarige kruidplant die in België in de vochtige grachten groeit met lansvormige, stengel omvattende bladen, puntig getand en meest in juli bloeit met donker gele, hellende bloemen, die hoge zaadjes voortbrengen.
De kleine Tweetand (Bidens minima van Linnaeus) is een medesoort ,die in België bij de poelen en vochtige moerassen groeit, zeer klein met stengels van maar omtrent 12 of 16 centimeters hoog, lansvormige, steelloze bladen en rechte, geelachtige bloempjes. De oude Kruidbeschrijvers zeggen dat dit kruid en wortels gezoden en opgelegd de krampen der zenuwen en leden genezen.
TIJM, Tymus, in ‘’t Frans Thym, in ’t Latijn Thymus, door Tournefort Serpyllum thymbra genoemd en onder zijn 4de klasse der mondvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere meeldraadjes bloemen en naakt zaad dragen.
De gewone Tijm (Thymus vulgaris van Linnaeus) is een langlevend klein houtachtig gewas van Europa dat in België en elders veel in de hoven wordt geplant; het groeit met ineen gerolde, eironde blaadjes en bloeit met aren en ringvormig geschikte bloempjes. Men vindt er veel medesoorten van met brede blaadjes en met geschakeerde bladen die allen een welriekende geur verspreiden. De wijze van kweken dezer planten die iedereen behagen geschiedt meest door struikscheiding hetgeen men in de lente verricht. De Tijm is door zijn nuttige deugden van over zeer oude tijden alhier bekend: met Zoethout in wijn of water gekookt en gedronken is het bekwaam om de pis en maandstonden te verwekken, drijft de nageboorte af, zuivert het ingewand en is zeer nuttig om al wat in de borst en longen verborgen steekt te verdrijven; de Tijm met honing in het water gezoden is ook zeer goed voor de mensen die de adem niet kunnen halen en om de pijn in de zijde en de kinkhoest te verdrijven, het lost de slijmen en drijft de wormen uit het lijf; met azijn gestoten en op verse koude gezwellen van buiten gelegd maakt het die murwe en rijp, verteert en ontdoet al he geronnen en geklonterd bloed De `Tijm wordt ook veel in de spijzen gedaan waaraan het een welriekende geur maar een bitterachtige smaak geeft; het wordt nog gebruikt om de ogen die duister geworden zijn te verhelderen en ook in pleisters om de heuppijn te verzachten.
VALSE VANILLE, Boomwortelaar, in ’t Frans Fausse Vanille, in ’t Latijn Epidendrum, is door Jussieu onder de familie van het Standelkruid gesteld, n onder de 20ste
klasse van Linnaeus, Gynandria diandria, helmstijligen met twee meeldraadjes.
De schelp-slakachtige Valse Vanille (Epidendrum cochleatum van Willdenow) (Prosthechea cochleata) is een houtachtig gewas van De Antillen eilanden dat met twee lansvormige bladen aan de wortels en schachten van omtrent 35 of 40 centimeters hoog groeit en bloeit met bloemtrosjes, bloemstelen en groenachtige bloemen waarvan de bovenste bloembladen violet en wit gestreept zijn. Deze mooie wonderbare plant wordt alhier om zijn lieflijke bloemen en vruchten in de warme serres gekweekt en op de wijze van de Vanille vermenigvuldigd.
Linnaeus telt in zijn rangschikking acht-en-dertig soorten van Valse Vanille waarbij hij zijn natuurlijke Vanille onder de naam van Epidendrum vanilla ook meldt. Ze groeien meest allen in Amerika, Azië en Afrika; sommigen worden in de Kruidhof te Parijs en bij enige liefhebbers gekweekt.
VANILLE, Banilie, in 't Frans Vanille, in 't Latijn Vanilla, is door Jussieu onder de familie van het Standelkruid gesteld en onder de 20ste klasse van Linnaeus ,Gynandria diandria, manwijvige-tweemannige.
De Vanille of Banilie (Vanilla aromatica van Willdenow) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Zuid-Amerika dat heden in de Antillen Eilanden, Brazilië̈ en andere warme landen van de Indien is verspreid en waarmee de inwoners van die streken een grote handel drijven. De zoete aangename reuk die de Vanille uitwasemt is de meest welriekende van alle geuren. De inboorlingen van Zuid-Amerika maken van de peulschellen pakjes die zen het kokende water een weinig laten baden, dan 24 uren in de lucht laten drogen en nadien in de olie van den Acajouboom dompelen om die altijd zacht te behouden en ze tegen de ongedierte te bevrijden; want als die vruchten ten dele hun vochtigheid verloren hebben beginnen ze te rimpelen en verliezen alzo een vierde gedeelte van hun grootte. Derhalve worden ze weer eer ze in potten gedaan worden met olie bestreken hetgeen hun goede reuk en vastigheid bewaart ;de langste peulschellen worden altijd van de kenners voor de beste gehouden. De Vanillevruchten worden gewoonlijk in kleine loden doosjes gedaan en alzo van Amerika naar vreemde landen verzonden. .De heer Karel Morren, hoogleraar der Kruidkunde bij de Hogeschool van Luik, heeft in het jaar 1842 een tak met de vruchten van de Vanille naar de tentoonstelling der koninklijke Maatschappij van Landbouw en Kruidkunde te Gent gezonden die hij in de warme serre had gewonnen. De Vanille moet alhier in de warme serres in een gestadige hitte van 12 tot 24 graden worden gekweekt en kan door inleggers en afzetsels op warme broeibakken vermenigvuldigd worden. De Vanille, die een welriekende en aangename smaak bezit heeft een bijzondere kracht om de spieren en zenuwen te doen bewegen en is zeer dienstig voor de mensen die met de miltzucht gekweld zijn en ook om alle zenuwziekten te herstellen; het wordt veel met chocolade, room van zoete melk en veel andere spijzen bereid en voor de flauwe magen zeer geprezen; maar te veel en te dikwijls daarvan inwendig genomen kan het door zijn hete aard en aandrijvende krachten de maag verflauwen; derhalve is het te prijzen die matig te gebruiken.
VARENKRUID, Engelzoet, Mannetjes-Varen, Varengenst, in ’t Frans Fougère, Polypode, in ’t Latijn Polypodium., Aspidium, door Tournefort Polypodium, Filix, Lonchitis, Filicula genoemd en onder zijne 16de klasse, 1ste sectie der bloemloze planten gesteld; door Jussieu onder de familie van het Varenkruid en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia filices, planten die verborgen en bedekt bloeien en wiens bloemen niet zichtbaar en duidelijk zijn. Men vindt onder het Varenkruid zeer veel verscheidene soorten die in de vier werelddelen groeien; in de rangschikking van Linnaeus alleen vindt men er 7 8 soorten die allen verschillende toenamen voeren; derhalve zal ik maar enkel beschrijven die om hun nuttige en heilzame deugden zijn bekend en een welriekende geur inhouden.
Het Mannetjes-(Polypodium filix-mas van Linnaeus of Aspidium filix mas van Willdenow) (Dryopteris filix-mas) groeit in België veel op open luchtige plaatsen in de bossen, weiden, gebergten, steenachtige velden en onbebouwde gewesten, met langlevende, grote, ruwe, harde wortels en groeit met bladstelen en bleek- groene zwaar ruikende bladen die maar omtrent 40 of 45 centimeters hoog groeien vleugelvormig uitgespreid staan als van veel blaadjes aan een midden steeltje hangend verzameld; elk blad is bijzonder vederachtig, aan de kanten geschaard, rondom gelijk een zaag gekarteld, op de rug met vuile stipjes als zeer dun stof verspreid, welk stof sommigen voor het zaad aanzien; de wortels zijn zwartachtig en met gevezelde haartjes voorzien. De eerste schors van die wortels geschrabd en de tweede geraspt worden in een pot om te bewaren opgelegd. Men legt die opgelegde schors met mosterd op de pols en ververst die alle drie uren, hetgeen de schellen op de ogen, met den pols van de tegenover gestelde kant te nemen op de tijd van zes maanden geneest zegt bij ondervinding M. de doctor Vorsselmans te Antwerpen. Maar de wortels van het Mannetjes Varenkruid worden heden meest met rozenwater bereid om het vel rond de ogen te bestrijken.
Het Wijfjes-Varenkruid (Polypodium Filix femina van Linnaeus of Aspidium filix femina van Willdenow) (Athyrium filix-femina) groeit in België ook in de bossen en elders, gelijk het Mannetjes-Varenkruid, maar groeit met een enkele stengel, langs buiten hoekachtig gestreept en langs binnen met merg gevuld en heeft bovenwaarts bladstelen en veel gevleugelde bladen. De wortels kruipen onder de aarde, zijn maar omtrent een kleine vinger dik en houden een zware reuk in. Het Wijfjes-Varenkruid gelijkt door zijn wortels geenszins op het Mannetjes-Varen, maar wel door de bladen; het heeft dezelfde krachten als deze laatste en met wijn gekookt en gedronken kan de ronde wormen uit de buik drijven en de gal en slijmerigheid uit het lijf verjagen.
De reuk of rook van het Varenkruid verjaagt de slangen ,en de bladen in het bedstro gelegd verdrijven de wandluizen en tussen de kleden gedaan de motten; het Varenkruid gedroogd wordt door de Engelse geneesheren aanbevolen om de matrassen te vullen en de kinderen op te slapen die met kliergezwellen of andere ziekten zijn besmet.
De gewone Eiken-Varen (Polypodium vulgare) en de Polypodium dryopteris (Polypodium vulgare) van Linnaeus die in de bossen groeien worden ook veel gebruikt om in de bedsteden te leggen.
De Berg-Varen (Polypodium regium van Linnaeus of Aspidium regium van Willdenow) (Cystopteris fragilis subsp. fragilis) groeit meest in België in de bergen en hoge bossen.
De Polypodium fragile van Linnaeus of Aspidium fragile van Willdenow Cystopteris fragilis) groeit meest in de bergachtige vochtige bossen. De Kunstscheiders hebben in alle deze Varenkruiden veel run en bijtende galnootzuur gevonden die kan dienen om het leer mee te bereiden.
Me vindt alhier bij onze bloemisten de volgende uitheemse soorten van Varenkruiden: de Acrostichum alcicorne, (Platycerium alcicorne) Acrostichum flageliferum, (Bolbitis heteroclita) Adiantum concinnum, Adiantum cuneatum, Adiantum formosum, Adiantum reniforme, Allantodia umbrosa, (Diplazium caudatum) Allosorus sagittatus, (Pellaea sagitttate) Aneimia fraxinifolia, (Anemia phyllitidis )Aspidium chrysolobum, Ctenitis falciculata) Aspidium crinitum, (Dryopteris wallichiana subsp. wallichiana) Aspidium molle, (Christella dentata) Aspidium nitens, (Asplenium nitens) Aspidium patens, Thelypteris patens) Aspidium trifoliatum (Tectaria heracleifolia) van Java, Asplenium dissectum?, Asplenium palmatum (Acer?), Asplenium pubescens, Thelypteris decurtata subsp. decurtata) Blechnum brasiliense, Cheilanthes hirsuta, Cheilanthes profusa, (Cheilanthes kunzei) Cheilanthes microphylla, Cibotium schiedei, Cystopteris auto Maria (Cv. Van Cystopteris fragilis?) , Dicksonia rubiginosa, Diplazium decussatum, Gymnogramme calomelanos, (Pityrogramma calomelanos) Gymnogramma chrysophylla, (Pityrogramma chrysophylla) Gymnogramma distans, PItytogramma colomelanos) Lycopodium cuspidatum, (Lycopodium clavatum?) Lygodium scandens, (Lygodium flexuosum) Microsorium irregulare, (Microsorum punctatum) Nephrodium exaltatum, (Nephrolepis exaltata) Niphobolus sinensis, (Pyrrosia lingua) Polypodium angustifolium, (Campyloneurum angustifolium) Polypodium aureum, (Phlebodium aureum) Polypodium billardierii, (Notogrammitis billardierei) Polypodium falcatum, (Cyrtomium falcatum) Polypodium juglandifolium. Polypodium laevigatum, (Phanerophlebia juglandifolia) Polypodium nereifolium, {Polypodium vulgare)? Polypodium ramosum, (Cv. Van Polypodium vulgare) Pteris biaurita, Pteris chrysocapa, (Onychium siliculosum) Pteris geranifolio, (Pteris grandifolia?) Pteris palmata, (Doryopteris palmata) ) Pteris vespertilionis (Histiopteris incisa)en meer andere die alhier in de warme serres worden gekweekt en door wortelscheiding voortgezet. Men heeft in de september-tentoonstelling van het jaar 1844 in de Casino te Gent nog wel zeventig nieuwe soorten van de Indiën bemerkt die door onze behendige bloemisten, de heren Alexander en Ambrosius Verschaffelt, Van Geert vader, J. B. De Saegher, L. Van Houtte en meer andere kundige kwekers waren ten toon gesteld.
VELDAJUIN Vogelmelk, in ’t Frans Oignon des Champs,, Ornithogale, in 't Latijn Ornithogalum, is onder de 9de klasse, 4de sectie der lelieachtige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Affodillen en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. De spitsvormige Veldajuin (Ornithogalum pyramidale) is een langlevende bloembolplant van Portugal; het groeit met lange, smalle bladen en schachtjes van omtrent 20 of 25 centimeters hoog en bloeit met aren en witte stervormige bloemen; na het bloemen neemt men de bollen uit de aarde om in de herfst weer te planten.
De Veldajuin met bloemtrosjes (Ornithogalum umbellatum van Linnaeus) groeit in België in de velden met smalle lange bladen en schachtjes van maar omtrent 12 of 15 centimeters hoog en bloeit in mei met bloemtrosjes en witte stervormige bloemen die zich ten elf uur ’s morgens openen en zich ten vier uren sluiten.
De Veldajuin met gele bloemen (Ornithogalum luteum van Linnaeus) (Gagea lutea) groeit in België in de bossen en velden met bladen en schachtvormige stengels en bloeit met veel gele bloemen.
De Veldajuin van de Pyreneeën gebergten (Ornithogalum pyrenaicum van Linnaeus) groeit in België in sommige bossen met schachten en lange bloemtrosjes op de bloemstelen en gele bloemen.
De kleine Veldajuin (Ornithogalum minimum van Linnaeus) (Gagea minima) groeit in België in de velden, moerassen enz., met kleine, hoekige schachten die bloot maar 12 centimeters hoog groeien en bloeit in mei met vertakte bloemtrosjes en scherpe gele bloembladen. Hoewel deze planten alhier in het wilde groeien worden ze tot versiering in de bloemhoven geplant en de volgende soorten in de oranjerie gekweekt.
De Ornithogalum arabicum van Linnaeus is een langlevende bolplant van Egypte; het groeit met dikke gegroefde bladen en stengels die omtrent 30 centimeters hoog groeien en bloeit in juni met bloemtrossen en zes witte bloembladen die zeer lieflijk groen en geel zijn gevlekt.
De Ornithogalum revolutum (Ornithogalum thyrsoides) van de Kaap bloeit met trosjes bloemen die een witte en gele kleur hebben en een welriekende geur verspreiden.
De Ornithogalum miniatum (Ornithogalum dubium) met blozende, rode en gele en de Ornithogalum thyrsoides met bleekgele bloemen, worden in potten in de matige serres gekweekt.
De bloembollen van den witten Veldajuin die hier te lande groeit zijn zeer heilzaam om de verse wonden te genezen en de gele Veldajuin wordt ook in pleisters of pappen bereid en voor de voort etende zeren gebruikt. Op sommige plaatsen in de vreemde landen worden ze op de wijze van de Look gegeten en velen zeggen dat ze dezelfde krachten inhouden; ze worden door bloembolscheiding vermenigvuldigd.
VELDGRAS, in 't Frans Agrostis, in 't Latijn Agrostis, is door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die m et drie meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
Het witte Veldgras (Agrostis alba van Linnaeus)(Agrostis gigantea) is een langlevende grasplant die in België groeit met kruipende stengels en ruwe, stijve bladen; het groeit alhier in de vochtige moerassen die ’s winters onder water staan; derhalve wordt ze laat in de zomer rijp maar brengt toch zeer goede welriekend hooit voort dat een aangename smaak inhoudt.
Het Honds-Veldgras (Agrostis canina van Linnaeus) groeit in België in de vochtige moerassen met liggende, vertakte gebladerde stengels en bloeit met geslotene trosjes die een purperachtige kleur hebben. Het hoi van deze soort is zeer zoet van smaak.
Het gesloten Veldgras (Agrostis stricta)(Calamagrostis stricta) is van Amerika alhier over enige jaren ingevoerd en wordt heden veel in de vochtige moerassen en elders gezaaid. Het hooi dat daarvan voortkomt bezit een aangename smaak. De kruid etende dieren zijn er zeer op verlekkerd.
Het uitspruitende Veldgras (Agrostis stolonifera van Linnaeus) groeit in België in de vochtige moerassen en zandachtige plaatsen en bloeit met gebaarde aren; het wordt om de scherpe en wijd- lopende wortel die de velden en moerassen zeer hinderen verworpen, maar toch in sommige vochtige weiden die langen tijd onder water staan gezaaid alwaar het veel hooi voortbrengt.
Het Veldgras of Vrouwenhaar-gras (Agrostis capillaris van Linnaeus) groeit in België op droge en vochtige plaatsen in de moerassen met vertakte bebladerde stengels maar omtrent 30 centimeters hoog en verschaft, als het gedroogd is een aangename voedsel voor de kruid etende dieren.
Het kort Veldgras (Agrostis pumila van Linnaeus)(Agrostis capillaris) groeit meest in de bossen en velden en is zeer zoet van smaak .
Het ringvormig Veldgras (Agrostis verticillata van Willdenow) (Polypogon viridis) wordt veel in de moerassen en weiden gezaaid, groeit tamelijk hoog en wordt droog en groen veel aan de kruid etende dieren gegeven en om zijn zoete smaak en welriekende geur bij voorkeur geacht.
VELDSALADE , Korensalade, Sint Joriskruid, in 't Frans Mache, Doucette, in 't Latijn Valerianella, is door Jussieu onder de familie van de Valeriana en Kaardendistel gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. Alhoewel sommige kruidbeschrijvers deze Veldsalade onder het Sint- Joriskruid stellen heb ik er een bijzonder artikel van gemaakt.
De Veldsalade (Valerianella locusta van Linnaeus) groeit natuurlijk in België in de velden en wordt veel alle jaren in augustus in de moeshoven gezaaid om ’s winters als salade te gebruiken; men trekt die planten gewoonlijk in ’t einde van april uit en laat er enige opschieten om het zaad te kunnen oogsten/ dit zaad goed droog in papieren zakken gedaan kan 7 jaren voor het zaaien zijn kracht behouden.
Men vindt enige medesoorten van die Veldsalade die met rondachtige en bredere bladen groeien en ook met witte bloemen bloeien.
De Hof-Veldsalade (Valerianella olitoria van Linnaeus) (Valerianella locusta) is ook een eenjarige kruidplant die in België in de velden groeit en in de moeshoven in de herfst wordt gezaaid; het groeit met gehele bladen, halve maanvormige stengels en witte bloempjes die blote zaadjes voortbrengen.
De blaasvormige Veldsalade (Valerianella vesicaria van Linnaeus) wordt veel in Zuid-Frankrijk gezaaid; de Valerianella coronata van Linnaeus komt van Portugal; de Valerianella radiata van Noord-Amerika en de Valerianella discoidea van Linnaeus worden alhier in de moeshoven gezaaid en als salade gegeten. Al deze Veldsalades bezitten dezelfde krachten als het Sint Joriskruid en Speerkruid.
VARKENSGRAS, Duizendknopen, Kreupelgras, in 't Frans Renouée , Bistorte, Centinoïdes , in ’t Latijn Polygonum, door Tournefort Fagopyrum bistorta genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Boekweit en veelhoekige planten gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht meeldraadjes bloeien en drie stampertjes hebben.
Het sledevormig Varkensgras of Duizendknoop (Polygonum aviculare van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten langs de wegen groeit met zwakke, geknoopte stengels die vertakt langs de aarde liggen en kleine lansvormige, groene, gladde blaadjes die beurtelings aan de knoopjes groeien; bloeit alhier meest in september met kleine rooskleurigebloempjes die veel zaadjes voortbrengen welke door de wind ten alle kanten vervliegen. Dit Varkensgras dat een zuurachtige smaak inhoudt wordt van de zwijnen en sommige andere kruid etende dieren gretig gezocht, behalve de schapen; het bezit een heilzame en samentrekkende kracht, is van over zeer oude tijden door veel landlieden om zijn deugden bekend en wordt in vurige tijden door afkooksel als thee bereid om de pijn der ingewanden te verzachten die door de buikloop veroorzaakt zijn. Het Varkensgras gestoten en op de kwetsuren gelegd doet die zuiver genezen en het sap wordt er ook uitgeperst en door de apothekers met andere medicijnen gemengd; dit kruid wordt alhier ook van sommige landlieden Onnozel kinderkruid, Bloedloopkruid en Mussentong geheten; maar de natuurlijkste naam bij alle Kruidkenners is Varkensgras.
De wilde Boekweit (Polygonum convolvulus van Linnaeus) (Fallopia convolvulus) die ten alle kanten in de velden met rankjes groeit en zaadjes bijna als Boekweit voortbrengt wordt ook van sommigen Varkensgras genoemd, hoewel het nochtans daarop niet gelijkt.
VARKENSVENKEL, Varkensstaart, in 't Frans Queuede Pourceau, in ’t Latijn Peucedanum, is onder de 7de klasse, 4de 4osectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de schermdragende bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
De officinale Varkensvenkel (Peucedanum officinale van Linnaeus) is een langlevende kruidplan die in België in de vochtige moerassen groeit met geknoopte stengels die omtrent 60 centimeters hoog groeien en bladstelen die vijf maal zijn verdeeld en op drie wijzen van elkander gescheiden met lijnvormige bladen; bloeit meest van juni tot in juli met kleine gele bloempjes, kroonvormig geschikt, die dunne, langwerpige zaadjes voortbrengen. De wortels van deze plant, die sap inhouden groeien de moerassige gronden wel omtrent ½ meter diep. Deze plant die ook veel in Duitsland, Italië, Frankrijk en elders groeit die groeit soms met bredere bladen en grotere bloemen en wordt om zijn deugden in de kruidhoven geplant. Als dit kruid jeugdig staat te groeien vloeit er gewoonlijk aan de knopen der stengels een gomachtige traan uit ,die ook wel soms in de warme landen door insnijdingen of op verscheidene andere wijzen daaruit wordt getrokken; dit sap of gomachtige stof met goede azijn en olie van rozen bereid en van buiten daarmee gestreken is zeer dienstig, zegt Dodonaeus in zijn Kruidboek bladzijde 510, om de volgende gebreken te genezen: de slapende en razende ziekte, de draaiingen en verouderde zwijmelingen van het hoofd, de vallende ziekte, de langdurige hoofdpijn en wordt ook voor de beroerdheid en geraaktheid der leden, de kramp, lammigheid, spannende zenuwen en heuppijn gebruikt. Dit bereide vocht voor de neus gehouden en geroken is zeer dienstig voor de vrouwen die door opstijging der moeder van zichzelf in onmacht vallen. Dit sap met azijn alleen vermengd en in de oren gedrupt doet de pijn en bedwelming van het hoofd verdwijnen, verdrijft de tandpijn en zuivert de mond. Dit sap met een warm ei ingenomen is zeer goed tegen de hoest en belemmering op de borst en wordt zeer geprezen om de krimping der darmen te genezen en alle opblazing van winden te verdrijven;. het verjaagd de grove taaie slijm door de kamergang. Clusius schrijft dat de wortels van Varkensvenkel bijna de krachten van het kruid hebben en het sap zeer dienstig om het gebroken of gescheurdheid der jonge kinderen te strijken en op de hoog uitgegroeide navel te binden; dit sap met Ruit en zoete amandeles of olie van Dille zaad gemengd en langs buiten op de verkouden plaatsen ingewreven doet alle kwade vochten uitzweten.
Men vindt nog in België de Moeras-Varkensvenkel (Peucedanum Silaus van Linnaeus),die alhier in de vochtige moerassen groeit met zwakke, hoekige stengels met windsels voorzien en bladstelen met gevleugelde bladen die uitgesneden regt over elkaar groeien; bloeit ook in juni met geelachtige bloemen, maar verschilt toch van gedaante en krachten van de officiële .
De Varkensvenkel van de Elzas (Peucedanum alsaticum van Linnaeus)groeit in de oost- en zuidelijke delen van België, Zwitserland, Duitsland en elders. Deze planten worden meest in de kruidhoven door wortelscheiding voortgezet.
VERNISBOOM, in ’t Frans Ailanthe, Vernis du Japon, in ‘t Latijn Ailanthus, is onder de familie van de Terpentijnbomen gesteld en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtige-eenhuizige .
De Japanse Vernisboom (Ailanthus glandulosus) (Ailanthus altissima) is een langlevend boomgewas van Japan dat in het land van zijn afkomst wel 16 of 17 meters hoog groeit en in Europa maar omtrent 12 meters hoog groeit, zeer vertakt met grote bladstelen en gevleugelde bladen die van onder met een eikel voorzien zijn en een mooie donkergroen kleur hebben, maar in den herfst een rode kleur verkrijgen en een lieflijke versiering maken; bloeit in Europa meest in augustus met trosvormige aren en groenachtige bloemen. Deze boom wordt veel in Frankrijk geplant en schikt zich zeer goed om lommerrijke dreven mee te planten; om hun rode bladen die zich in de herfst vertonen worden die boomen heden veel omtrent Parijs in de bossen, Engelse hoven en wandelingen geplant; ze kunnen door uitlopers en het zaad vermenigvuldigd worden. Het is uit deze bomen dat door insnijding de Japanse vernis wordt getrokken die door de schilders veel wordt gebruikt. Het hout van deze bomen dat een witachtig geel kleur verkrijgt wordt van de schrijnwerkers en meubelmakers zeer geacht. Deze bomen die enkel sedert enige jaren in Europa bekend zijn groeien alhier zeer ras en worden in enige jaren groot en lommerrijk, vooral als ze in diepe goed bewerkte gronden worden geplant.
VINGERHOEDSKRUID , Onze Lieve Vrouwe Handschoen, in ’t Frans Digitale, Gant de Notre Dame, in ’t Latijn Digitalis, is onder de 3de klasse, 3de sectie van Tournefort gesteld der kaakvormige of eenbladige onregelmatige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van het Speenkruid of Klierkruid en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee korte en twee lange helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
Het purper Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België in de bergachtige bossen en in de bloemhoven groeit in bosjes, met eironde, scherpe, katoenachtige, witte, gerimpelde bladen en enkele stengel die omtrent 1 meter hoog groeit, en meest van juli tot in september bloeit met eenzijdige trossen en zeer veel bloemen die purperachtig rood en van binnen bruin gevlekt zijn; men bekomt door het zaad medesoorten die witte en anders gekleurde bloemen dragen.
Het goud geel Vingerhoedskruid (Digitalis aurea) is een langlevende plant van Zuid-Frankrijk waarvan de bloemen een mooie gele blinkende kleur hebben.
Het gemengd Vingerhoedskruid (Digitalis ambigua van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Oost-Europa die alhier in de bloemtuinen wordt geplant en groeit met harige, wollige bladen en stengels van omtrent 1 meter hoog; bloeit van juni tot in juli met mooie, grote, gele en purper gevlekte bloemen en wordt door het zaad en afzetsels vermenigvuldigd.
Het Vingerhoedskruid van de Canarische Eilanden (Digitalis canariensis van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas; het groeit met altijd blijvende wit wollige bladen en vertakte stengels die omtrent 70 of 80 centimeters hoog groeien; bloeit meest van juni tot in juli met aren op de toppen en veel mooie, gesloten oranjekleurige bloemen die zeer lieflijk versieren .
De Digitalis obscura van Linnaeus is een langlevende plant van Spanje ,die met donkerrode bloemen bloeit.
De Digitalis ferruginea van Linnaeus groeit veel in Italië en bloeit met gele roestkleurige bloemen.
Deze drie laatst vermelde planten moeten alhier ’s winters in de oranjehuizen bevrijd, in de heigrond vroeg in de lente gezaaid en voort in potten geplant worden.
Het purper Vingerhoedskruid heeft door zijn eigenschappen bij de geneeskundigen verschillende gedachten doen ontstaan; velen zijn van gevoelen dat die plant de beweging van de pols vertraagt, de afscheiding der pis vermeerdert en in een grote dosis in eens ingenomen, een dodelijke slaap kan veroorzaken; het wordt derhalve van de ervaren doctoren met voorzichtigheid in de medicijnen voor de waterzucht en hart pijn gebruikt; want dit kruid is zeer hinderlijk en bezit een kwade en ondeugende eigenschap die enig vergif in zich heeft. Men heeft in de dag bladen gelezen dat een huishouden welk de bladen in de kruidkoeken met meelbloem en eieren had gebakken na daarvan gegeten te hebben zeer krank is geworden, geweldige brakingen heeft gevoeld, maar door tegenvergiftige middelen gelukkig daarvan is hersteld. Ik heb ook dikwijls bemerkt dat de kuikens die het rijpe zaad eten daarvan in bedwelming vallen en enige dagen ontsteld zijn; niettemin worden die planten om hun lieflijke bloemen alle jaren veel in de bloemtuinen gezaaid.
VIOLETTE , Hof-Violette, Engelse Violette, in 't Frans Violette des Jardins, Pensée anglaise, in 't latyn Viola, is onder de 11de klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld der onregelmatige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Cistus roos,en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraden bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt heden wel vierhonderd verscheidene soorten door het zaad gewonnen waarmee onze behendige bloemisten in zeer veel tentoonstellingen van België de eerste prijzen hebben behaald en die ze bij de honderd in verschillende kleuren van die planten voor 70 francs verkopen, volgens de keus der liefhebbers en waarvan al de namen op hun bloemlijsten genoemd staan. Om mijn werk niet te wijdlopig maken zal ik enkel enige van de die Violen beschrijven die tot nut der mensen dienen en door hun welriekende geur in de geneesmiddelen worden gebruikt.
De welriekende langlevende Violette (Viola odorata van Linnaeus) groeit in België in de hoven, aan de hagen, bossen en elders zonder stengels met korte, kruipende rankjes en hartvormige bladen en bloeit meest van april met blauwe lieflijke bloempje, waarvan men medesoorten vindt die met witte bloemen in mei bloeien.
De Moeras-Viool (Viola palustris) groeit in België in de vochtige moerassen zonder stengels, et niervormige bladen en bloeit in mei met blauwachtige asgrauwe bloemen.
De Honds-Viool (Viola canina) groeit op lommerachtige plaatsen met hartvormige, langwerpige bladen en bloeit meest in april met witachtige violette bloemen.
De Berg-Viool (Viola montana) is ook een langlevende kruidplant die met kleine stengeltjes en hartvormige bladen op de berge en in de droge bossen bloeit met bleke, blauwachtige bloempjes.
De palmvormige Viool (Viola palmata van Linnaeus) die van Virginië alhier is overgevoerd wordt veel in de bloemtuinen geplant en groeit zonder stengels, met palmvormige bladen, en bloeit met blauw violette bloemen.
De driekleurige Viool (Viola tricolor van Linnaeus) is een eenjarige kleine kruidplant die in de velden en hoven groeit met gladde, hoekige stengeltje, en langwerpige, doorschijnende bladen op de steeltjes gevleugeld; bloeit geheel de zomer met violette, bonte en witte gele bloemen; de Veld-Viool (Viola arvensis) is er een medesoort van.
De Hof-Viool of Engelse Viool waarvan men heden met honderden verscheidene soorten en verschilende kleuren van bloemen door het zaad heeft verkregen zijn meest uit de Viola rothomagensis (Viola hispida) van Desfontaines en de Viola cornuta van Linnaeus gesproten; bij vochtige seizoenen worden ze in de heigrond geplant alwaar ze ook wel zichzelf zaaien, maar toch mees in het voorjaar worden gezaaid om nadien in potten te planten of in de vollen grond te laten; ze kunnen moeilijk onze koude winters weerstaan.
De welriekende Viool (Viola odorata van Linnaeus) werd eerst ten tijde der Romeinen in België van Italië overgebracht; de bloemen die alhier meest in april worden geplukt om riekende waters mde te distilleren en siroop te bereiden bezitten een borstverzachtend middel en worden gebruikt voor de buikpijn, kwalen der kinderen en zieke mensen. Het sap uit de driekleurige of Veld-viool, zegt de doctor Buchan in zijn Kruidbeschrijving, geperst en gestoten is zeer dienstig om op de vurige gezwellen en wonden te leggen en de brand te verdrijven; dit sap wordt ook met de oogzalven gemengden het zuiver sap alleen doet de vlekken der ogen verdrijven, de brand verkoelen en het gezicht versterken; hetgeen Gabriël Grimaud de Caux in de Gezondheidsgazette ook getuigt en door veel andere geneeskundigen is bevestigd.
VLAMBLOEM, in ’t Frans Phlox, in ’t Latijn Phlox, is door Jussieu onder de familie van de Griekse Polemonium gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. De soorten van Vlambloemen zijn zeer talrijk en men vindt er heden in de bloemtuinen onze liefhebbers zeer veel die meest allen rooskleurige, rode, witte en purperachtige violette bloemen dragen.
De stervormige Vlambloem (Phlox divaricata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die met dunne stervormige stengels maar omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeit met steelloze bladen en alhier meest in juni bloeit met trossen en trechtervormige bloemen die een appelbloesemkleur hebben.
De priemvormige Vlambloem (Phlox subulata van Linnaeus) is van Virginië; het groeit bundelvormig met altijd blijvende bladen en bloeit in mei met rooskleurige, purperachtige, stervormige bloemen die van onder donker purper zijn.
De kruipende Vlambloem (Phlox reptans) (Phlox stolonifera) bloeit meest in mei met bloemtrosjes en zeer welriekende, roodachtige, blauwe bloemen .
De welriekende Vlambloem (Phlox suaveolens van de Hortus Kew.) (Phlox subulata) is van Nord-Amerika en bloeit van juli tot in september met bloemtrossen en veel witte welriekende bloemen waarvan men een medesoort met bonte bladen vindt.
De gladde Vlambloem (Phlox glaberrima) bloeit in augustus met hangende bloemtrosjes en zeer mooie purperachtige, levendige bloemen.
De Vlambloem met smalle bladen(Phlox setacea van Linnaeus) is van Virginië en bloeit van juli tot in september met zeer mooie rooskleurige bloemen.
De wollige Vlambloem(Phlox pilosa van Amerika) bloeit in juli met bloemtrossen en mooie lila bloemen.
De Vlambloem met houtachtige stengels (Phlox suffruticosa van Willdenow) is ook van Amerika en bloeit alhier van juli tot in september met bloemtrossen en zeer mooie, roodachtige, lila, welriekende bloemen; als men die in de planthuizen kweekt behoudt ze zijn stengels.
De eironde Vlambloem (Phlox ovata van Linnaeus) (Phlox latifolia) van Amerika bloeit met donker rode bloemen.
De Phlox caroliniana van Linnaeus, bloeit van juli tot september met bloemtrossen en mooie purperachtige bloemen.
De gevlekte Vlambloem (Phlox maculata van Noord-Amerika) groeit met veel stengels, bruin gevlekt, en bloeit van augustus tot in oktober met lange trossen en welriekende, jasmijn kleurige bloemen.
De Phlox paniculata groeit met hoge stengels bloeit van augustus tot oktober met mooie bloemtrossen en lila bloemen. De Vlambloem met gekruiste bladen (Phlox decussata) (Phlox paniculata vormen) loeit met grote bloemtrossen en roodachtige lila bloemen soms tot in oktober.
Al deze langlevende, mooie bloemplanten die in België veel in de bloemhoven tot versiering worden gekweekt kunnen onze koude winters wel weerstaan en worden door struikscheiding in de lente voortgezet.
VLAS, Vlasplant, in 't Frans Lin, in 't Latijn Linum, is onder de 8ste klasse, 1ste sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de anjerachtige bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus ,Pentandria pentagynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en vijf stampertjes hebben .
Het gewone Vlas (Linum usitatissimum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant die in België van over zeer oude tijden is bekend; het groeit met eenzame stengels, boven aan de topjes vertakt en doorzichtige bladsteeltjes met kleine lancetvormige blaadjes in vette en goed bewerkte gronden omtrent 85 of 90 centimeters hoog en bloeit alhier meest in juni met zeer lieflijke hemelsblauwe bloempje op de takjes die vijf bloemblaadjes in de kelkjes hebben en zaadhuisjes in vijf bolstertjes verdeeld welke tien puntige bruine zaadjes inhouden voortbrengen. Deze kostelijke plant is de enige op de gehele aardbodem die door rijn draadvormige bast zoveel nuttige voordelen aan het mensdom verschaft, de landbouwers om hun moeite zo mild beloont en door alle slag van bewerking in België wel aan een miljoen mensen zo mannen, vrouwen en kinderen werk bezorgt. Om al de nuttige voordelen die deze plant bezit aan te halen zou men een boekdeel moeten schrijven, maar veel kundige landgenoten hebben dit reeds voor mij gedaan. M. D'Hondt D' Arcis, heeft in een beknopt werk geheel de wijze van kweken, zaaien, roten en bewerken beschreven, en al de deugden van deze plant aan het publiek kenbaar gemaakt. Dit werk is in ‘t jaar 1820, bij G. De Busscher en zoon op den Calanderberg te Gent gedrukt, uitgegeven en door het bestier beloond. M. Van Aelbroeck, in zijn Werkdadige Landbouwkunst der Vlamingen te Gent bij J. Snoeck-Ducaju in het jaar 1823 gedrukt heeft geheel de wijze van het land te bewerken, om het Vlas te zaaien, voeden en kweken en al wat het voordeligste is beschreven en aan zijn landgenoten kenbaar gemaakt.
Men zaait veel in België drie soorten van Vlas: het koud Riga Zaad-Vlas, het fijn Vlas en het groot grof Vlas dat zich gewoonlijk wel 30 centimeters diep met de wortels in de grond uitstrekt; derhalve moet het Vlas in een diepe goed bewerkte en gebrokene aarde worden gezaaid, hetgeen in België heden veel van in de maand maart en met het beginne van april wordt verricht; want hoewel het Vlas van Perzië in Azië oorspronkelijk is kan het alhier de lente koude weerstaan en in het voorjaar gezaaid is het veel minder aan de zuigplanten die op een andere groeien, aan de herfst vlooien die het aanranden en andere kwalen die het soms verdelgen onderworpen; want die insecten die bij warme seizoenen de planten afbijten als ze uit de aarde spruiten, kunnen alsdan die jonge planten niet hinderen terwijl ze zich maar meest zich in mei vertonen en door de zon hune kracht verkrijgen; als die insecten het Vlas aantasten, meen ik dat het beste middel o m die te verdelgen is de jonge Vlasplanten met hout-as te bestrooien, hetgeen dezelfde tijd de groeikracht bevordert. Het Lijnzaad wordt meest toot olie gestampt en diens om te branden, door de fijnschilders en ook in de medicijnen wordt gebruikt. Het meel van de lijnkoeken wordt veel gebezigd om de koeien en varkens te voeden en als pappen bereid om op de brand zeren en zweren te leggen, kropgezwellen en ettergaten te openen en alle vurige wonden te zuiveren daar het zacht alle vurigheid naar zich trekt; een weinig Lijnzaad met witte Heemstwortels, suiker en vijgen in het water gekook, en het sap gedronken is zeer dienstig voor de mensen die door bloedspuwingen zijn gekweld; dit eenvoudig middel doet de ingewanden verzachten en de open geborsten adertjes zuiver genezen. .Eindelijk, de lijnolie wordt ook in de brandzalven gebruikt en doekjes daarin geweekt op de omgeslagen leden uitwendig gelegd.
De langlevende Vlasplant(Linum perenne van Linnaeus) groeit meest in België in de weiden en op droge plaatsen, met stengels en lansvormige bladen die op het gewone Vlas wel gelijken. Het wild klein Vlas (Linum tenuifolium van Linnaeus) groeit veel in België in de moerassen, velden en droge platsen met stengels en ruwe stijf harige lijnvormige verspreide bladen en bloeit meest in juni met purperachtige bloemen.
De purgerende Vlasplant (Linum catharticum van Linnaeus) groeit in België aan de kanter der droge bossen en velden met halve maanvormige stengels en overeen staande, eironde lansvormige bladen en bloeit in juni met witte bloemen. Deze eenjarig kruidplant bezit een buikzuiverende kracht.
Het Zee-Vlas (Linum maritimum van Linnaeus) groeit meest aan de zee duinen en bloeit in juli met gele, gulde bloemen, waarop de Linum gallicum van Linnaeus ,die in Frankrijk en Zuid-België ook groeit en gele bloemen draagt wel gelijkt; ze worden ook in de bloemtuinen om hun lieflijke bloemen geplant.
De Vlasboom(Linum suffruticosum van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Spanje dat alhier in de planthuizen wordt gekweekt en meest in april bloeit met witte bloemen waarvan het onderste gedeelte der bloembladen violet gespikkeld is.
De Vlasboom (Linum trigynum van Curtis) is een langlevend houtachtig gewas van de Kaap; het bloeit alhier in mei met gele bloemen. Deze plant wordt in de Indiën op de wijze als hier de Hennep bereid en gebruikt om stoffen van de bast of schors te weven. Deze twee laatstgemelde kunnen door het zaad in de oranjerie op lauwe bakken vermenigvuldigd worden; onze bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën de Linum flavum en Linum quadrifolium bekomen die op dezelfde wijze om hun mooie bloemen in de matige serres gekweekt en vermenigvuldigd worden.
VLASLELIE, in ’t Frans Phormion, Lin de la nouvelle Zélande, in 't Latijn Phormium, is door Jussieu onder de familie van de Affodille gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Vlaslelie (Phormium tenax van Linnaeus) is een langlevende lisachtige plant van Nieuw-Zeeland die de kapitein Cook eerst heeft ontdekt. Deze plant wordt gewoonlijk in onze taal Vlaslelie genoemd daar die nochtans op het Vlas geenszins gelijkt; het groeit met dikke, geknobbelde, geknoopte, oneffen gevezelde wortels vertakt in de grond; in het land van zijn afkomst dat tussen de 47 graden Zuiderbreedte ligt aan de kanten der zee en vochtige, zandachtige plaatsen die soms door het zoutachtig water ondervloeien; maar wordt in ons klimaat meest in potten geplant en groeit op de wijze van de Lisbloemen met brede, schedevormige bladen aan de wortels, ineen gedrongen die wel 10 centimeters breed en meer dan 1 meter lang en recht gebogen groeien, mooi groen en in de lengte een weinig gestreept zijn. Door die van het merg te scheiden en met zeep in het water vijf uren te laten uitkoken kan men er een fijn gehekeld Vlas van bekomen dat uitermate sterk is om allerlei stoffen mee te maken. Tussen de bladen van deze plant spruit gewoonlijk een stengel uit die wel omtrent 2 meters hoog groeit en warop zeer veel gele bloemen bloeien die trosvormig zijn geschikt en waarop drievlakkige zaadhuisjes volgen die platte, dunne, zwarte zaadjes inhouden.
Weinige planten die spinbare draadjes bezitten zijn bij hun ontdekking met zoveel lof aangekondigd geweest. De kapitein Cook heeft al de nuttige voordelen die men uit de draad stof kan trekken beschreven en zegt dat de inwoners van Nieuw-Zeeland daarmee al hun kleding stoffen weven, visnetten breien en touwwerk voor de schepen, koorden, enz., draaien die zeer sterk en voordeliger dan die van hennep of vlas zijn; de stof daarvan gemaakt, heeft een wit satijnachtig kleur. Door verscheidene opmerkingen hebben de Kruidkenners gevonden dat die plant onder de 47 graden Noorderbreedte, het is te zeggen in Europa kan groeien en men begint heden omtrent Parijs daarmee proeven te doen en die in zandachtig gronden te planten’ maar ’s winters dekt men die nog een weinig tegen de koude om ze langzaam aan het klimaat te gewennen. Men heeft in Zuid-Frankrijk alreeds grote plantages daarmee aangelegd. De Vlaslelie behoudt het gehele jaar, zowel ’s winters als zomers, zijn balden en kan door zijdelingse uitlopers, wortelscheiding en door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden; maar de jonge zaailingen moeten de eerste jaren ’s winters in de matige serres verblijven en in de vermengde heigrond gekweekt zijn. Zie hier de wijze om de bladen van de Vlaslelie door het kokende water van de gom, het merg en andere onnodigheidn te zuiveren en er goed vlas stof uit te bekomen; Men snijdt gewoonlijk op het einde der maand september bij voorbeeld 12 kilogrammen der mooiste en onbevlekte bladen die men in twee pakken verdeeld en 8 of 10 dagen in een beneden plaats van het huis in de schaduw legt, dan een voor een in de lengte te midden met de punt van een mens van onder tot boven in twee splitst en dan van elkaar scheidt op zo’ n wijze dat elk blad in vier riempjes verdeeld is die men, volgens het groeien, punt bij punt in bundeltjes verdeelt met een klein koordje goed gesloten te samen bindt in een ketel die de lengte van die gescheiden bladen heeft leg, en met water vult,waarin voor iedere 12 kilogrammen bladen 1 ½ kilo zeep moet gebroken worden; opdat de gesplitste riempjes goed zouden overzieden legt men er gewoonlijk enig gewicht op en na 5 uren gekookt te hebben spoelt en die riempjes die alreeds draadjes zijn geworden in het lopende water o ze te zuiveren en laat ze in de lengte drogen om nadien tot stof of koorden op de wijze van het Vlas te bereiden.
VLIEGENVANGERSPLANT, Vliegenval, in ’t Frans Dionaea , Attrape-mouche, in 't Latijn Dionaea, is door Jussieu onder de familie van de Steenbreek gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Vliegenvanger (Dionaea muscipula van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Amerika die in de Carola eilanden in de moerassen en elders groeit en alhier in de matige serres wordt gekweekt; het groeit met bladen aan de wortels gestrekt en stengels die omtrent 25 centimeters hoog groeien en bloeit meest in juli met bloemtrosjes op de toppen en witte bloemen met vijf bloembladen in de kelken die op de onderste delen der bloembladen een roze kleur hebben en bultige zaadhuisjes met zeer veel zaadjes gevuld voortbrengen. Deze wonderbare plant,die door de Voorzienigheid zo is geschikt dat het vliegen en andere kleine ongedierte in zijn bloemkelken vangt terwijl het bloei, heeft in zijn bloembladen van onder en boven klierachtige scherpe prikkels die ineen krimpen, de vliegen door de zoetn geur der bloemen en zijn honingachtige meeldraadjes aangelokt, vast grijpen en doorsteken. Zo gauw de vliegen doorstoken zijn ontsluit ze de bloemkransjes en men ziet die diertjes dood ter aarde liggen, hetgeen die plant de naam van Vliegenvanger(Muscipula) heeft doen verkrijgen. Het wordt van veel liefhebbers gezocht en moet alhier in vochtige turfachtige gronden geplant en ’s winters in potten in de matige serres bevrijd worden; het kan door afzetsels en struikscheiding, hetgeen in het voorjaar verricht wordt, vermenigvuldigd zijn.
VLIERBOOM, in ’t Frans Sureau, in ’t Latijn Sambucus, is onder de 20ste klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld, er bomen die eenbladige bloemkransjes dragen; door Jussieu onder de familie van het Geitenblad en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
De Vlierboom met zwarte bessen (Sambucus nigra van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Europa; het groeit zeer vertakt omtrent 3 of 4 meters hoog met bladstelen, gevleugelde en getande, fijn gezaagde bladen en bloeit meest in mei met witte bloemen op de toppen die in vijf zijn verdeeld en een welriekende geur verspreiden en in september rijpe bessen voortbrengen; men vindt enige medesoorten die witte bonte bladen dragen.
De Vlierboom met Peterseliebladen (Sambucus laciniata van Linnaeus)(Cv. Laciniata”) is ook een langlevend heesterboomgewas van Japan dat in België in de lusthoven wordt geplant en vertakt groeit met bladstelen en gevleugelde bladen die op de Peterselie gelijken; bloeit in juni met witte bloemen die in vijf zijn verdeeld, maar zeer weinig bessen voortbrengen.
De Vlierboom met trosjes (Sambucus racemosa van Linnaeus) is een langlevende boom van Zuid-Europa; het groeit in België op de bergen en in de bossen en bloeit met roodachtige bloemtrosjes en witte verenigde bloemen.
De Vlierboom van Canada (Sambucus canadensis van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas dat in de lusthoven wordt geplant en met witte welriekende bloemen bloeit.
De wilde Vlierboom (Sambucus ebulus van Linnaeus) is een langlevend kruidgewas dat in België op vochtige plaatsen en aan de hagen en kanten der waters groeit en meest in juni op de toppen witte, purperachtige bloemen draagt die in drie zijn verdeeld.
Van al deze Vliergewassen wordt de zwarte Vlierboom (Sambucus nigra) om zijn heilzame en nuttige deugden bij voorkeur geplant; want men vindt bijna geen gewas dat door de wortels, schors, bladen, bloemen en bessen aan het mensdom zoveel krachtige middelen verschaft. Men kan, ten eerste van die Vlierbloemen een goede azijn maken om in het huishouden bij de spijzen te gebruiken welke zeer gezond is, de eetlust verwekt en de spijzen helpt verduwen; die azijn uitwendig gebruikt is zeer dienstig om de roos, hete gezwellen, ontstekingen en hoofdpijn te doen verdwijnen. De bloemen vers of droog, worden op verscheidene wyzen in allerlei ziekten als een brand verdrijvend middel gebruikt ; met mate als thee in kokend water geweekt gedronken verwarmen ze de ingewanden, doen zweten en bezitten een buik zuiverende kracht.
Men kan ook van de Vlierbloemen een conserf maken die zachtjes doet lossen en dikwijls in het huishouden bij kleine ongesteldheden te pas komt. De gedroogde Vlierbloemen, in een linnen zakje gedaan en enigen tijd in de wijn gehangen, geven er een aangename en muskadel smaak aan; de jonge, tere uitspruitsels en vooral die van het voorjaar kunnen in de pannenkoeken of groenkoeken gebakken en voor meidrank worden gebruikt; de jonge spruiten in de azijn gelegd kunnen het gehele jaar naar begeerte dienen om op alle wijzen te gebruiken; ze purgeeen zachtjes, zuiveren het lichaam en bloed en zijn bijzonder zeer goed voor mensen die veel gallig slijm en waterige vochtigheid in zich hebben; maar te veel inwendig daarvan genomen kan de maag ontstellen; derhalve moet het met mate gebruikt worden. De binnenste schors van de Vliertakken of de bloemen in zoete of andere met melk en suiker gekookt is zeer dienstig voor mensen die roosachtig zijn; dezelfde schors in het water, bier of wijn, met Kaneel en Anijs zaad gekookt en dagelijks daarvan twee of drie roemers gedronken geneest de waterzuchtige mensen. De binnenste schors in de olie van Olijven gedaan en bij het vuur laten staan trekken is een der beste middels voor de brand en allerlei vurige ontstekingen, men kan ook in plaats van olijf olie dit met een weinig brandenwijn en kamfer bereiden en voor dezelfde kwalen gebruiken. De gemelde schors met olijfolie en zoete boter gekookt is een der kostelijkste middelen om de verbrande delen te genezen. De verse Vlierbladen worden ook voor het podagra of voeteuvel gebruikt, waarvan de doctor Pauli, in zijn Quadriparticum Botanicum melding maakt .Uit de rijpe bessen wordt zo wel door de apothekers als in sommige huishoudens, ene siroop of rob gemaakt die zeer dienstig is voor de verkoudheid, zinkingen, benauwdheid langdurige vallingen enz., want het doet zweten en verdrijft daardoor de gemelde ongemakken; Vlier rob is ook zeer dienstig om tegen de buikvloed en rode loop te gebruiken; daarom is het zeer prijselijk voor goed gestelde huishoudens, altijd die siroop in gereedheid te hebben. Zie hier de wijze om die te maken: men neemt gewoonlijk de rijpe Vlier bessen, perst of wringt er het sap uit, doe zulks door een doek of haren teems en vervolgens in een ijzeren ketel of kasserol, laat het daarna over het vuur zachtjes koken totdat het de dikte van stijve siroop bekomen heeft; men moet dit sap dikwijls met een lepel afschuimen en gedurig roeren, vooral op het laatste opdat het niet aanbrandt en als het wel zuiver uitgekookt schijnt voegt men er naar evenredigheid om het van pas zoet te maken wit suiker bij, laat het dan weer koken en wanneer het wel gauw door het suiker verdikt en gans gekookt is giet men die siroop in stenen potten en koud geworden doet men er een weinig brandewijn boven op om ze tegen beschimmeling te bewaren; nadat die siroop in potten, boven met papier goed toe gebonden en op een droge plaats gezet is kan het wel drie jaren tegen het verderf goed bewaard blijven om vervolgens in de gemelde kwalen de grootte van een Okkernoot in eens te gebruiken; de doctor Ricord schrijft dat hij ook die siroop als zweet verwekkend middel in de medicijnen om de Venusziekte en Reuma te genezen heeft bevolen. De Vlier bessen gedroogd en vervolgens op goede brandewijn of jenever gezet en enige tijd laten trekken, daarbij een weinig kaneel, kruidnagels en suiker voegen om het van pas zoet te hebben en door een fijne doek te laten vloeien geeft een mooie rode likeur dat als zeer gezond is geacht voor de gemelde gebreken wordt gedronken.
Er groeit soms aan de stam en de takken van de oude Vlierbomen een soort van zwam (amadou) of kampernoelje die gewoonlijk Judasoren wordt genoemd en ook zijn nuttigheid in de medicijnen heeft; want die zwam in het regenwater met rozenbloemen enige tijd geweekt is wordt zeer geprezen om zere en ontstoken ogen te genezen. Al de gewone Vlierbomen bezitten nuttige deugden, behalve de wilde Vlier, Hadik en Berg-Vlier genoemd die nadelige en schadelijke hoedanigheden bezit en derhalve niet inwendig mag genomen worden omdat het de ingewanden verhit. Het hout van de gewone oude zwarte Vlierbomen is geelachtig van kleur; het wordt veel gebruikt van de draaiers om allerlei sierlijke werken van te maken en ook om de pluggen voor de schoenmakers van te snijden. De vermenigvuldiging der gewone en andere Vlierbomen geschiedt door uitlopers en stekken in de aarde der jonge takken die goed wortel vatten; ze kunnen ook in het voorjaar worden gezaaid waaruit men mooie medesoorten bekomt.
VLOKKENBLOEM, Duizendkruid, Sterrendistel, in ’t Frans Grand Centaurée , Jacée, in ’t Latijn Centaurea, door Tournefort onder zijn 12de klasse, 2de sectie der eenbladige Pijpbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van het Asschekruid en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustranea, samenhelmige-veelechtige-vruchteloze.
Men vindt heden, volgens Linnaeus rangschikking, 68 soorten van die bloemen die in Europa en andere werelddelen groeien, verscheidene gedaanten en kleuren van bloemen voortbrengen en waarvan velen in de bloemtuinen om hun lieflijke bloemen worden geplant.
De welriekende Vlokkenbloem (Centaurea amberboi) (Amberboa moschata) is een eenjarige kruidplant van Azië die alhier vroeg in de lente alle jaren wordt gezaaid; het bloeit van juli tot in oktober met grote, gele, gebaarde bloemen die een aangename reuk inhouden.
De Muskus-Vlokkenbloem (Centaurea moschata van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Griekenland die in het voorjaar wordt gezaaid en bloeit met grote witte bloemen die een Muskus reuk inhouden.
De Centaurea crupina (Crupina vulgaris) van Linnaeus, is een eenjarige plant van Afrika; het bloeit met geschulpte bloemkelken en zeer lieflijke wit en rood gespikkelde bloemen.
De grote Vlokkenbloem (Centaurea centaurium van Linnaeus) (Centaurium erythraea) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten.
De Centaurea aurea is van Zwitserland en groeit met eironde, geschulpte bloemkelken.
De Berg-Vlokkenbloem (Centaurea montana van Linnaeus)is een langlevende kruidplant van Zwitserland die alhier veel in de bloemtuinen wordt geplant en van juni tot in september bloeit met grote bloemen met blauwe stralen die op de Korenbloemen gelijken.
De Centaurea cyanus en Centaurea scabiosa van Linnaeus zijn langlevende kruidplanten van België die in Vlaanderen en elders veel in de droge moerassen groeit met bruine, harige, geschelpte bloemkelken en van juli tot in oktober bloeit met roodachtige gespikkelde bloemen.
De Centaurea jacea van Linnaeus groeit ten alle kanten in België in de droge weiden en moerassen met hoekige, vertakte stengels en lansvormige bladen en bloeit van juli tot in september met ruwe bloemkelken, rood- en wit gespikkelde meeldraadjes en rooskleurige bloemstralen.
De witte Vlokkenbloem (Centaurea alba) (Centaurea montana “Alba” groeit veel in Zuid- Frankrijk, Spanje en elders.
De Centaurea rhapontica (Rhaponticum scariosum) groet veel in de Alpen gebergten met dikke wortels die op kleine raapjes gelijken.
De Centaurea benedicta van Linnaeus, is een tweejarige kruidplant van Spanje die alhier in de hoven wordt gezaaid en groeit met witte gevlekte bladen en stengels die het tweede jaar witachtige bloemen dragen. Deze plant wordt alhier Cortex benedicte genoemd en van sommigen Onze Lieve Vrouwe Distel geheten.
De Vlokkenbloem of Sterrendistel (Centaurea calcitrapa van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant die in België langs de wegen en elders groeit met harige stengels, steelloze, gevleugelde en getande bladen en bloemkelken met dubbele stekers die witachtig zijn; bloeit van juli tot in september met rode bloemen waarvan men enige medesoorten vindt en waarmee de Centaurea nigra ook zeer veel gelijkenis heeft. De zaadbodem na het bloeien is gewoonlijk met witte wolachtige vederbosjes bekroond .
Men vindt nog bij onze bloemisten te Gent de volgende Vlokkenbloemen: Centaurea atrosanguinea, (Centaurea atropurpurea) Centaurea coelolepis, Centaurea nigricans flora alba, (Centaurea montana “Alba”) Centaurea ochroleuca, Centaurea orientalis, Centaurea ruthenica, Centaurea atropurpurea, Centaurea suaveolens, Centaurea glauca, (Amberboa glauca) Centaurea dealbata (Psephellus dealbatus) en meer andere soorten die om hun mooie versierende bloemen door de liefhebbers worden gekweekt.
De Sterrendistel(Centaurea calcitrapa) wordt veel als verkoel- drank, om de verborgen ziekten te genezen, door afkooksel gebruikt hetgeen een groten indruk, zegt de doctor Chomel, op al de teeldelen heeft en een kostelijk middel inhoudt om de rugpijn door het graveel veroorzaakt te stelpen. Men verzekert door verscheidene proeven met de wortels van die Sterrendistel gedaan dat ze door afkooksel gebruik de anderdaagse koortsen verdrijven en de kina vervangen kunnen. G. Grimaux zegt dat de wortels van Centaurea benedicta dezelfde krachten als de Sterrendistel bezitten.
De blauwe Roggebloem of Vlokkebloem (Centaurea cyanus van Linnaeus) die alhier zo algemeen alle kanten met zijn mooie hemelsblauwe bloemen in de velden in juli bloeit wordt veel in sommige landen gebruikt m een oogwater uit te distilleren dat tot de genezing der zieke ogen alleen geen krachten genoeg bezit en meest met het sap van de Muurpeper of Hemelsleutel Sedum acre van Linnaeus) wordt vermengd.
Al de Vlokkenbloemen worden meest door zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
VLOKRUID, Vijfvingerkruid, Zilverkruid, Vijfblad, in het Frans Quintefeuille, Herbe aux Puces, in 't Latijn Potentilla, door Tournefort Quinquefolium genoemd ,en onder zijn 6de klasse, 7de sectie gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosachtige bloemplanten en onder de 12de klasse van Linnaeus, Icosandria polyginia, planten die meer dan twintig meeldraadjes op de kelk vastgehecht en een groot getal stampertjes hebben.
Men vindt alhier te lande en elders verscheidene soorten van dit kruid de ene met gevleugelde en de andere met vijf vingervormige bladen die bijna allen verschillend in België worden genoemd Het heesterachtig Vlokruid( Potentilla fruticosa van Linnaeus) (Dasiphora fruticosa) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Siberië; het groeit met stengels en zeven bladstelen omtrent 60 of 70 centimeters hoog en witachtig gevleugelde bladen; bloeit meest van juli tot in september met gele bloemen die op de topjes in een bundel verenigd zijn. Deze plant wordt door uitlopers in de bloemhoven vermenigvuldigd.
Het zilverkleurig Vijfvingerkruid (Potentilla anserina van Linnaeus) is een langlevende kleine kruidplant die in België ten alle kanten aan de wegen en grachten groeit met liggende rankjes en bladstelen met gevleugelde , getande en gezaagde bladen die soms een wit en soms een groenachtig kleur hebben; bloeit geheel de zomer met gele bloemen.
Het Zilverkruid of Vijfvingerblad (Potentilla argentea van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België op hoge en droge velden, rotsen en aan de oude muren groeit met kleine witte rechte stengels en bladstelen met vijf vingervormige bladen die wigvormig geschikt zijn en van onder een zilverachtig kleur hebben; bloeit in de zomer met bloemtrosjes en gele bloemen.
Het Vlokruid of Lente-Vijfvingerkruid (Potentilla verna van Linnaeus) is een langlevende plant die in België in de bossen en droge velden groeit met bladstelen en vijf vingervormige, scherp getande bladen aan de wortels; de bladen aan de stengels zijn bleek rood; bloeit gewoonlijk in april met gele bloembladen.
Het wit Vijfvingerkruid (Potentilla alba) groeit in België in de droge heide en bossen en bloeit met witte bloemen die op de Aardbei bloem enigszins gelijken.
Het kruipend Vijfvingerkruid (Potentilla reptans van Linnaeus groeit veel in België in de droge moerassen, weiden en aan de kanten der grachten met kruipende stengels, bladstelen en vijfbladige, eironde bladen die wigvormig geschikt zijn; bloeit met donkergele bloembladen.
De Potentilla pensylvanica van Canada, Potentilla recta van Oostenrijk, Italië en Zwitserland; de Potentilla fragarioides met de Potentilla opaca (Potentilla heptaphylla) worden alhier in de Kruidhof der Hogeschool gekweekt alwaar men ook de Potentilla splendens?, Potentilla monspeliensis (Potentilla norvegica ssp. Monspeliensis) en Potentilla nitida vindt met de Potentilla grandiflora van Zwitserland die allen om hun deugden in de officinale kruidhoven door wortelscheiding worden vermenigvuldigd. Deze kruiden hebben uit het Grieks de naam van Potentilla verkregen naar de uitmuntende kracht die ze hebben om de steen te breken en inwendige wonden te genezen. Het zilverkleurig Vijfvingerkruid (Potentilla anserina) en de Potentilla argentea bezitten, zegt G. Grimaux ,een samentrekkende kracht en zijn zeer dienstig om tegen de rodeloop en onmatige buikloop te gebruiken, de langdurige witten vloed te stelpen en de vrouwelijke krankheid te genezen; ze worden meest door afkooksel in wijn of water bereid en gedronken. In het jaar 1793, ,nadat het Franse leger in België was gedrongen en de rodeloop zich had verspreid gebruikten onze arme landlieden bijna geen andere medicijnen om zich van pestachtige ziekte te genezen. Die kruiden in poeiers gestampt en op het afgewreven vel of open kwetsuren der paarden, ossen, ezels of andere werkdieren gestrooid genezen die wonden. Met dit poeier en azijn de mond gewassen maakt de losse tanden vast. Het Zilverkruid of Vijfvingerblad (Potentilla argentea) bezit ook een zwarte verf die dienen kan om alle stoffen een mooie zwarte kleur te geven. Ik moet hier doen opmerken dat in sommige landstreken veel onkundige mensen de Ooievaarsbekken ook Vijfvingerkruid noemen daar ze nochtans van gedaante noch van krachten geenszins aan het ware zilverachtig Vijfvingerkruid gelijken.
VOGELKOP, in 't Frans Passerine, in 't Latijn Passerina, door Tournefort Thymeloea genoemd , is door Jussieu onder de familie van de Miserieboom gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, bomen die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Vogelkop met draadvormige bloemen (Passerina filiformis van Linnaeus) is een langlevende boomgewas van Ethiopië dat in Algiers en elders in Afrika groeit en alhier in de matige serres wordt gekweekt. Het groeit met een zeer vertakte stam omtrent 2 meters hoog, met kleine, lijnvormige blaadjes in vier lagen geschikt; bloeit meest in juni met okselvormige bloemen die vier bloembladen in de kransen hebben en meeldraadjes die door hun lieflijk, goudachtig, gele kleur de bloemen mooi verheffen; ze brengen kernzaad, met schors omwonden voort.
De Vogelkop met grote bloemen (Passerina grandiflora van Linnaeus)(Lachnaea grandiflora) is een heester-houtgewas van Afrika dat zeer vertakt maar omtrent 1 meter hoog groeit met kleine, lijnvormige blaadjes en van mei tot in juni bloeit met eenzame, witachtige, steelloze bloemen op de takjes geschikt.
De Passerina hirsuta (Thymelaea hirsuta) met wolachtige haartjes bekleed, de Passerina uniflora (Lachnaea uniflora) van de Kaap met blauwe bloemen en nog andere soorten worden bij onze bloemisten in de matige serres gekweekt, en door uitlopers, inleggers en afzetsels vermenigvuldigd. Deze gewassen die volgens veel Kruidbeschrijvers de krachten van de Miserieboom bezitten worden in geen medicijnen gebruikt; maar het kernzaad wordt aan de vogels te eten gegeven.
VOGELVITSE, in ’t Frans Lotier, in ’t Latijn Lotus, is onder de 10de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld der vlindervormige of peul dragende bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht dragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die tien stampertjes hebben met de helmdraden tot twee lichamen samengegroeid.
De Vogelvitse met kleine hoorntjes (Lotus corniculatus van Linnaeus ) is een langlevende kruidplant die in België ten alle kanten groeit met zwakke, hellende stengels die naar de toppen verdunnen en in de zomer bloeit met gele, welriekende bloemen die roodachtige peulvruchten voortbrengen.
De Peul-Vogelvitse (Lotus siliquosus(Tetragonolobus siliquosus) van Linnaeus) groeit meest in België in de vochtige moerassen.
De Vitse met vier peulvruchten (Lotus ervum tetraspermum) Vicia tetrasperma of Ervum tetraspermum) is een eenjarige plant van Italië die veel in de velden onder de voeding der kruid etende dieren wordt gezaaid; het bloeit met witachtige bloemen die gelijk de Erwten rondachtige peulvruchten voortbrengen.
De wollige Vitse (Lotus hirsutum) is een eenjarige kruidplant die in België in de velden groeit en ook in hagen, bossen enz.,, groeit en witachtige bloemen draagt.
Al deze planten worden aan de kruid etende dieren groen en droog gegeven, ook onder het hooi gemengd, waaraan ze een goede geur verschaffen en zijn een goed voedsel voor het vee; de peulvruchten worden van geen mensen gegeten, maar wel gebruikt om het pluimgedierte te voeden; het meel van de Vitsen wordt in de pleisters met azijn bereid en warm op de brandgezwellen gelegd.
De uitheemse Vogelvitse (Lotus jacobaeus van Linnaeus) is van het eiland Sint Jacobus; groeit met houtachtige stengel en bloeit met bloemen die op de Leeuwmuiltjes gelijken. Deze plant wordt alhier bij sommige liefhebbers in de matige serres gekweekt en door het zaad vermenigvuldigd.
VOLKAMERIA, in 't Frans Volcamier in 't Latijn Volkameria, is door Jussieuw onder de familie van de Gattilierboom of Kuisboom gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De Japanse Volkameria (Volkameria japonica van Linnaeus of op sommige bloemlijsten Volkameria cordifolia) (Clerodendrum japonicum) is een mooi wollig langlevend boomgewas van de Indiën dat zonder doorns met fijn gevlamde, ,hartvormige bladen versierd groeit en alhier in de warme serres meest van mei tot in september bloeit met spitsvormige bloemtrosjes en brede, dubbele bloemen die van onder wit en langs boven purperachtig zijn, een aangename reuk inhouden en vruchten met twee beenachtige kerntjes voortbrengen . De Volkameria zonder doorns (Volkameria inermis van Linnaeus) (Clerodendrum inerme) is een langlevende kreupel-houtgewas van de Indien, het groeit zeer vertakt met lommerrijke bladen en bloeit me lange, witte, gepijpte bloemtrossen die een zeer aangename zoete geur bezitten.
Onze behendige bloemkweekers hebben nog onlangs van Amerika en de Indiën de volgende soorten verkregen : Volkameria aculeata van de Antillen eilanden, Volkameria ligustrina van St-Mauritius, Volkameria scandens (Glossocarya scandens) van Ceylon met zijn gespleten takken, bladstelen met rondachtige, hartvormige bladen en zeer lieflijke trosvormige bloemen die op de toppen der takjes bloeien.
De Volkameria met smalle bladen (Volkameria angustifolia)(Volkameria aculeata) van de West-Indien wordt veel in Amerika gekweekt voor het hout waaruit men een mooie geelachtige verf trekt die dient om verscheidene stoffen geel te verven; maar al deze houtgewassen kunnen ons koude klimaat niet weerstaan en worden alhier om hun mooie bloemen in de warme serres gekweekt en door het kernzaad in de lente op broeibakken of door inleggers, uitspruitsels, enz., op de wijze van de Clerodendrum vermenigvuldigd.
KIKKERBEET, kleine Plompen, in ’t Latijn Hydrocharis, door Tournefort Morsus ranae genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Plompen of Waterplanten gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia enneandria, tweehuizige-negenhelmige.
De Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België ten alle kanten in de poelen, lopende en staande waters groeit met gevezelde, draadvormige wortels aan den grond vast en kruid dat op het water zwemt met gehele ronde bladen die op het water liggen en op een kleine Mansoor gelijken waartussen die bladen gewoonlijk steeltjes uitspruiten die omtrent 8 of 10 centimeters hoog groeien en waarop meest in juni zeer veel lieve, driebladige witte bloemen bloeien die te midden geelachtige meeldraadjes in de vruchtbodem gehecht hebben en het water waarin ze bloeien zeer lieflijk versieren. Dit kruid wordt Kikkerbeet genoemd omdat de kikvorsen er zich veel in behagen en er hun zaadslijm in afleggen. De palingen eten dit ook 's winters veel als spijs. Sommige kruidkenners hebben aan dit kruid al de eigenschappen van de Water-Linzen (Lenticulis aquae) toegeschreven omdat het dezelfde smaak bezit; het heeft ook de krachten van het Fonteinkruid en kan op dezelfde wijze gebruikt worden. De oude Kruidbeschrijvers noemden dit kruid ook kleine Water-Plompen, maar het is van bladen en bloemen toch veel kleiner.
VROUWENSPIEGEL, wilde Klokjes, in’ t Frans Campanula doucette. Miroir de Vénus, in ’t Latijn Campanula speculum, is onder de familie van de Klokjes bloemen gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Vrouwenspiegel(Campanula speculum of Speculum veneris van sommige Kruidbeschrijvers)(Legousia speculum-veneris) is en eenjarige kruidplant die in Brabant en elders in België in de bebouwde vette velden, in het koren, tarwe, enz., groeit met kleine vertakte wijd lopende uitgespreide stengels en met langwerpige, doorzichtige bladen; bloeit alhier meest van juni tot in met vijfbladige, klokvormige, enkele bloemen die een roodachtige kleur hebben, later purperachtig worden en zeer lieflijk zijn: deze bloemen openen zich ’s morgens en sluiten zich weer ’s avonds.
Deze plant groeit met dunne gevezelde wortels en wordt oom zijn lieflijke klokvormige bloemen alhier Vrouwenspiegel genoemd; maar heeft geen bekende eigenschappen om enige gebreken te genezen en wordt derhalve nergens toe gebruikt dan om als onkruid de kruide etende dieren te voeden.
VIJFSPITSENKRUID, in ’t Frans Penthorée , in ’t Latijn Penthorum, is door Jussieu onder de familie van den Huislook gesteld en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en vijf stampertjes hebben..
Het Vijfspristenkruid (Penthorum sedoides van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Virginië die alhier in de kruidhof der Hogeschool in de vrije lucht wordt geplant en van gedaante op de Muurpeper gelijkt; bloeit meest van juni tot in juli met vijf bladen in de bloemkelken zonder honingkelk en brengt zaadhuisjes voort met vijf spitse punten die in vijf hutjes verdeeld zijn waardoor het de naam van Vijfspitsenkruid heeft verkregen. Sommige nieuwe Kruidbeschryijers zeggen dat die plant in het lan van zijn afkomst de krachten van de Muurpeper bezit. Het wordt alhier door wortelscheiding en door het zaad in de lente vermenigvuldigd.
VIJGENBOOM, in ’t Frans Figuier, in ‘t Latijn Ficus, is door Jussieu onder de familie van de Netelboom gesteld, en onder de 23ste klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtige twee huizige.
Men vindt in Azië, Afrika, Italië, Zuid-Frankrijk, Spanje en elders verscheidene soorten van Vijgenbomen, maar die in onze luchtstreek niet kunnen volwassen, noch de vruchten alhier hun rijpheid verkrijgen; de soorten die hier te lande best kunnen aarden zijn de volgende en nog moeten ze s’ winters bevrijd zijn.
De Vijgenboom (Ficus carica van Linnaeus) is een langlevende boom van Azië en Zuid-Europa die lange, witachtige vruchten draagt, welke dikwijls een groenachtig witte kleur verkrijgen; de ronde witte Vijg die een medesoort schijnt te zijn en meest in de herfst zijn rijpheid alhier bekomt wordt ook veel geplant.
De violette Vijg (Ficus violacea) (CV.?) is een redelijk grote langwerpige Vijg; zijn gedaante is naar evenredigheid niet zeer dik of gebuikt, zijn als het rijp is dat is blauw purper met groen gemengd; zijn sappige vlees is rood en heeft een aangename smaak.
Al de andere medesoorten van de Vijgen, die de volgende namen dragen, kunnen in ons klimaat niet rijp worden of moeten in de matige of warme serres worden geplant, zoals de Ficus palmata van Willdenow van Arabië, Ficus nymphaeifolia van Linnaeus, Ficus lucida van de Hortus Kew, Ficus glaucophylla (Pilea glaucophylla of een CV. ?) en Ficus rubiginosa van Desfontaines, Ficus indica en Ficus racemosa van Linnaeus, Ficus scandens van Lamarck en veel anderen.
De Vijgenbomen die in ons klimaat kunnen groeien begeren van natuur een vette goed bemeste droge warme grond en een vrije open lucht; derhalve plant men die doorgaans in de hoeken tegen muren oost- en zuidwaarts geplaatst zonder de takken aan de muren vast te want die bomen willen in volle vrijheid groeien. De voortteling kan geschieden door het zaad en door afscheuring der jonge uitlopende spruiten of door inleggers die het eerste jaar wortel vatten. Aan de Vijgenbomen is er maar weinig te snoeien; men neemt alleen in het voorjaar de dorre takken weg alsmede de uitlopers; ook om goede vruchten te bekomen moet men in den zomer de langste jonge takken die in het voorjaar gesproten zijn wat inkorten. De Vijgenboom verdient onze aandacht te boeien door het wonderbare verschijnsel dat het aan ons biedt; het is de enige boom wiens vruchten en bloemen omringen en verbergen; want door een wonderbare schikking der natuur zijn er de vruchten veel eerder dan de bladen en vertonen ze zich lange tijd eer het sap door de warmte der lente zich in beweging zet zonder voorafgaande te bloemen of bloeien; waarom men voor dezen gemeend heeft dat de Vijgenboom de enige was die ten geheel geen bloemen voortbracht; doch latere onderzoekers hebben waargenomen dat de Vijg zijn bloem inwendig in de vrucht aan het uiterste einde heeft omdat men daar tegen het rijpen der vruchten een kleine opening en binnenwaarts vezeltjes, welke de stampertjes of wijfjes-natuurdelen zijn gewaar wordt. Het is dan het overblijvende sap dat zich voor de winter in de boom en takken zet en de eerste groei der vruchten doet uitwerpen. De twee vruchten groeien later aan de voet of oksels der bladstelen en eindelijk de bladen die een twed enieuwe sap uitspruiten en worden de voedstermoeders der vruchten voor het toekomende jaar. Opmerkelijk is de wilde Vijgenboom waarvan de inwoners van Griekenland en andere warme landen alwaar men die mest kweekt zich bedienen om de vruchten van de tamme Vijgenboom vroeger te doen rijpen en overvloediger vruchten te doen dragen; van welke wilden Vijgenboom reeds de natuurkenners in de aller vroegste tijden gewag en gebruik gemaakt hebben (Zie Plinius, Lib. 15). In de zomertijd leven in de vruchten van dezen gemelde wilde Vijgenboom een slag van insecten die daarin eitjes leggen waaruit een soort van vliegende wormen voortkomt die naar de vruchten der tamme Vijgen overvliegen als ze daar dicht bij staan en er hun voedsel uit halen, ten dien einde door de opening die de Vijg, tegen zijn rijp worden, aan ’t uiterste einde maakt en naar binnen in de vrucht kruipt hetgeen naar me bevonden heeft de vruchten vroeger doet rijpen en smakelijker worden. Ingevolge nu van deze ondervinding nemen de inwoners van de gemelde warme gewesten in den zomer wanneer ze zien dat de wormpjes beginnen uit de vruchten te vliegen de takken van de wilde Vijgenbomen en binden die aan de tamme vast opdat de wormpjes het verrichten en diens vruchten zouden aanranden en hun voorgemelde uit werking verrichten; wat ze gedurende twee maanden lang, met zorgvuldigheid en tot hun profijt waarnemen; de Kruidbeschrijvers noemen dit gewoonlijk caprificatie of kunstmatige bevruchting; maar de hoogleraar Linnaeus en zijn navolgers hebben deze caprificatie nauwkeuriger onderzocht en zijn daar omtrent van een geheel ander gevoelen; ze beweren dat de Vijgen meest in alle warme en matige luchtstreken kunnen groeien zonder die bewerking te onderstaan. Nochtans de vermaarde Tournefort die de kunstmatige bevruchting der Vijgen in de Griekse eilanden zelf gezien heeft verhaalt dat de Vijgenbomen aldaar door die behandeling, wel tien maal meer vruchten geven dan in Frankrijk.
De Vijgenbomen groeien in de warme landen zeer groot en dik en de vruchten als die goed rijp zijn worden voor zeer voedzaam geacht; men eet die veel in de wijnlanden ' s morgens tot een ontbijt met andere ontnuchterende spijzen en de droge Vijgen die uit de warme landen naar onze haven met schepen gezonden worden zijn in de oven of hete zon gedroogd en behouden door middel van bijeenvoeging hun zoete, geurige smaak en worden met velerlei spijzen op verscheidene wijzen gegeten. Verscheidene schrijvers van reizen naar het Oosten verhalen dat de Vijgen in gerstebrood en met Turks Koren vermengd en gebakken het voornaamste voedsel der boeren en monniken of berg-kloosterlingen van Aziatisch Turkije zijn. Men vindt alhier velerlei soorten van gedroogde Vijgen in de winkels te koop; ten eerste, de Korf-Vijgen, aldus geheten omdat ze in grote korven alhier gezonden worden en meest de Violette-Vijgen zijn; ten tweede, de Kist-Vijgen, gewoonlijk de witte Vijgen die met laurierbladen bedekt tot hier gezonden worden; ten derde, de Kabas-Vijgen. Omdat ze in nette korfjes gezonden worden.
De droge Vijgen worden als zeer dienstig geacht voor zwangere vrouwen als ze daarvan dagelijks enige eten en er zich matig van bedienen; ze worden ook in de welgestelde keuken bereid en tezamen met Amandelen, Rozijnen en specerijen vermengd kan men daarvan een smakelijke voedzame spijs en lekker kaas bekomen. Het hout van de Vijgenboom is van weinig nut om te bewerken, maar men zegt dat de takjes met het vlees gekookt het geheel week en mals doen worden ;het hout gebrand geeft een witte rook ,en de as met rozenwater en was gemengd is zeer goed om de verbranding te genezen; deze as wordt in loog bereid om de schurft en voort etende zeren als kanker mee te wassen en te zuiveren. Vijgenbomen kunnen geen zeven of acht graden koude weerstaan, derhalve om in ons klimaat in de vrije lucht te bekomen moeten die bomen neer gebogen met de takken grondwaarts gelegd en goed met stro of mest tot in de lente bedekt worden; om dit gemakkelijk te kunnen verrichten snijdt men alle drie of vier jaren de dikste takken af die met de lente weer uitspruiten.
Vitkruid, in 't Frans Paronique, in 't Latijn Illecebrum, is van Tournefort Paronychia genoemd; door Jussieu onder de familie van de Meijerplant gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het ringvormig Vitkruid (Illecebrum verticillatum van Linnaeus) is een kruidplant van Europa die in België aan de vervallen muren, stenen, zandachtige kanten, in de bouwlanden, aan de beemden en velden groeit met kleine bladen aan de wortels die bijna op de Muur gelijken waartussen in mei zeven of acht dunne tedere steeltjes uitspruiten die maar omtrent 8 of 10 centimeters hoog groeien en ter aarde vallen en waarop meest in juni witte ringvormig geschikte bloempjes bloeien die veel platte zaadhuisjes in ieder van welke gewoonlijk maar een zaad is voortbrengen. Deze plant verdwijnt door de hitte der zon van in augustus :derhalve zijn veel Kruidzoekers van gevoelen dat het maar een eenjarig kruid is.
Het Vitkruid (Illecebrum paronychia van Linnaeus) (Paronychia argentea) is een langlevende kleine kruidplant van Zuid-Frankrijk die in België in de provinsies Namen, ,Henegouwen en elders wordt gevonden; het groeit met omvallende stengels en kleine blaadjes en bloeit in juni met mooie blinkende bloempjes die vijf bloemblaadjes in se kelken hebben.
Het heesterachtig Vitkruid (Illecebrum suffruticosum van Linnaeus) (Paronychia suffruticosum) is een langlevende houtachtig gewas van Spanje dat alhier in sommige kruidhoven wordt geplant en ’s winters in de planthuizen moet bevrijd zijn; bloeit meest in mei ,met vijf bloembladen in de bloemkelken en tien meeldraadjes, waarvan vijf misbloemen en met geen helmknopjes zijn voorzien.
Het Vitkruid is van over zeer oude tijden om zijn deugden bekend omdat Matthiolus en Lobel in hun kruidkundige werken daarvan melding maken. Lobel noemde dit kruid Paronychia alsinefolia die met de bladen op de Muur gelijkt,en de eerst gemelde is die hier te lande groeit; hij zegt dat dit kruid dun en fijn van delen, verdrogende van kracht en gans niet bijtachtig is; zoals alle dingen moeten wezen om de fijt aan de nagels der handen te genezen; waardoor dit kruid de naam van Vitkruid (Paronychia) verkregen heeft; Dodonaeus doet bijzonder opmerken dat het Vitkruid welk aan de oude muren pleeg te groeien daarvoor meest wordt gebruikt.
USTERIA, in ’t Frans Usteria, in ’t Latijn Usteria, is onder de familie van het Speenkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere meeldraadjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is.
De Usteria met klimmende hechtrankjes (Usteria scandens, door sommigen Maurandia semperflorens genoemd)(Maurandya scandens) is van Mexico alhier overgevoerd, n groeit met zwakke, dunne stengels wel omtrent 2 meters hoog, en bladstelen met spiesvormige bladen die een lieflijk kleur hebben; de bladstelen kleven zich op de wijze van hechtrankjes aan de stokken waartegen ze geplant worden; bloeit van april tot in september met uitmuntende mooie eenbladige, gepijpte ,violette bloemen die in de lengte met een mooie scharlaken en purperachtig kleur zijn gestreept. Deze nieuwe plant die zeer goed onze koude winters kan weerstaan, vooral als het in het zuiden aan de muren of op een goede standplaats in lichte droge grond in de bloemtuinen wordt geplant, schikt zich zeer goed om de tralies of prieëlen te bekleden en kan door het zaad en afzetsels op de warme broeibakken voortgezet worden; maar de jonge planten moeten de eerste jaren ’s winters in de planthuizen verblijven en kunnen vervolgens op de wijze van de Trompetbloem geplant worden.
UVULARIA, in 't Frans Uvulaire, in 't Latijn Uvularia, is door Jussieu onder de familie van de Lisbloem planten gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Uvularia van China (Uvularia chinensis)(Disporum cantoniense var. cantoniense) is een kleine lang- levende kruidplant die over twintig jaren in België werd gebracht; het groeit met lansvormige bladen en kleine stengels waarop van mei tot in juni okselbloemen bloeien, drie of vier verenigd, die een roodachtig bruin en violette kleur hebben.
De Uvularia perfoliata van Linnaeus, is een langlevende kruidplant van Canada met peervormige bladen, met zes bloembladen in de kransen en korte meeldraadjes in de honingkelken.
De Uvularia amplexifolia van Linnaeus is een langlevende plant van Europa met gladde stengels en steelo mvattende bladen die in de bossen der zuidelijke delen van België groeit.
Deze planten worden alhier in de heigrond in de bloemtuinen door wortelscheiding in het voorjaar vermenigvuldigd, behalve de Uvularia van China die in potten in de oranjehuizen wordt gekweekt en aldaar vroeg in de lente bloemt. De krachten van deze planten zijn mij niet bekend.
WACHENDORFIA, in ’t Frans Wachendorfia, in ‘t Latijn Wachendorfia, is door Jussieu onder de familie van de Lisbloem- planten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie helmstijltjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De Wachendorfia met trosvormige bloemen (Wachendorfia thyrsiflora van Linnaeus) is een langlevende bloembolplant van de Kaap de Goede Hoop die met dunne lange bladen groeit en waaruit een kleinen schacht spruit op wiens toppen meest in mei bloemtrossen bloeien met wel 17 of 18 verenigde bloemen die een mooie gele kleur hebben.
De Wachendorfia met grasvormige bladen (Wachendorfia graminifolia van Linnaeus) (Wachendorfia paniculata) bloeit alhier meest in juli met open bloemtrosjes die op de toppen als aren bloeien en zes ongelijke bloembladen in kransen hebben.
Deze planten worden alhier bij onze bloemisten om hun mooie bloemen gekweekt en moeten in de heigrond geplant zijn; ze worden in potten, op de wijze van de andere bloembolplanten van de Kaap in de matige serres vermenigvuldigd. De wortels van de Wachendorfia bezitten een scherpte waerdoor ze een buik- zuivering verwekken.
WALSTRO, Kllis, in 't Frans Asperule, Rubéole, in het latyn Asperula, door Tournefort Galium, Aparine, Cruciata genoemd, is door Jussieu onder de familie van de planten die rode verf inhouden gesteld en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
Het welriekend Walstro (Asperula odorata van Linnaeus) (Galium odoratum) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in het wilde groeit en ook in de kruidhoven wordt geplant; het groeit met ruwe , wakke stengels en lansvormige blaadjes, acht bij acht bijeen verzameld aan de knoopjes der stengels; bloeit meest van mei tot in juni met witte bloempjes op de topjes der steeltjes : deze topjes met de bloemen worden als thee in de verkoeldranken geprezen.
Het roodachtig Walstro (Asperula cynanchica van Linnaeus) groeit in België in de droge moerassen en woeste velden met stengels en lijnvormige blaadjes, vier bij vier aan de knoopjes der stengels; bloeit in juni met purperachtige witte bloempjes die in vier verdeeld zijn.
Het Ververs-Walstro (Asperula tinctoria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België op de droge plaatsen aan de kanten der velden groeit met krachteloze, zwakke stengels en lijnvormige blaadjes, zes bij zes verzameld, maar die in ’t midden aan de knoopjes soms in vier verdeeld zijn; zijn witte of rode bloempjes zijn ook maar gewoonlijk van drie bloemblaadjes. Deze kruidplant bezit een mooie rode verf en wordt in Frankrijk, Zwitserland en elders in juli verzameld en gedroogd.
Het Veld-Walstro (Asperula arvensis van Linnaeus) is een eenjarige plant, die veel in de droge zandachtige velden wordt gevonden. Dit kruid wordt ook in sommige streken Walmeester genoemd. Het welriekend Walstro in de wijn gekookt versterkt het geheugen en vervrolijkt de geest.
WANDLUISKRUID, stinkend Lis kruid, in ’t Frans Herbe aux Punaises, Glaïeul, in ’t Latijn Iris foetidissima, is onder de familie van de Lis planten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het stinkend Wandluiskruid (Iris foetidissima van Linnaeus) is een langlevende Lisplant die in Italië, Zuid-Frankrijk in het wild groeit en in België nergens dan in de kruidhoven wordt gevonden. Dit stinkende kruid groeit met dikke, ronde, geknoopte en gevezelde wortels en donkergroene zwartachtige, zwaardvormige bladen waartussen hoekige schachten uitspruiten die maar 20 of 25 centimeters hoog groeien en meest in juli bloeien met zeer lieflijke hoog purperen bloemen die roodachtige bruine ronde zaden, gelijk bolletjes, voortbrengen. De wortels van deze plant zijn scherp en zeer brandend van smaak, warm en droog van nature tot in de derde graad. Dodonaeus schrijft dat de wortels de kracht hebben om de wonden, breuken en kwetsuren te genezen, alle splinters en scherpe dingen die in de wonden mogen steken daaruit te halen; hij zegt dat de wortels met azijn gestoten en op de koude gezwellen, kropklieren en andere ontstekingen gelegd die doen scheiden en genezen. De Hoogduitse en Nederlandse Kruidkundigen hebben aan dit kruid de naam van Wandluiskruid gegeven omdat geheel dit gewas zo nuttig en bekwaam is om de wandluizen te doden of te verjagen als men met het sap van die plant de plaatsen bestrijkt waar de wandluizen groeijen, bloeien en zich verschuilen. Deze plant wordt op de wijze van het Liskruid door wortelscheiding in het voorjaar voortgezet.
WATER-DUIZENDBLAD, in ’t Frans Volant d’ eau, in ‘t Latijn Myriophyllum, is door Tournefort onder de 5de
klasse,8 8ste sectie der Kruisbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Waterbloem en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizige met veel meeldraadjes.
Het Duizendblad met aren (Myriophyllum spicatum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de poelen, grachten, traag lopende en staande waters groeit met veel dunne worteltjes die aan de aarde schijnen gehecht te zijn, bladstelen en duizend uitgespreide blaedjes waartussen blote stengeltjes in mei uitspruiten waarop in juni witte bloempjes komen die in ’t midden een gele kleur hebben en een zoete geur verspreiden; geheel deze plant schijnt op het water te drijven, maar is nochtans met de kleine dunne worteltjes aan de grond gehecht.
Het ringvormige geschikte Water-Duizendblad of Water-Violier (Myriophyllum verticillatum van Linnaeus)i is ook een langlevende plan ,die in Vlaanderen, de provincie Antwerpen, Brabant en elders in België groeit in staande waters, vijvers, grachten en poelen met zijdelingse vezeltjes en bladstelen waaraan fijne groene blaadjes groeien die zacht en glad zijn en wel op de Venkelblaadjes gelijken en waartussen in mei blote stengels uitspruiten ,die omtrent 8 of 10 centimeters boven het water groeien en ringvormige geplaatste bloemsteeltjes hebben waarop meest in juni gele bloempjes met witte bloemblaadjes komen die tweeslachtig zijn. De mannetjes bloemen groeien op het bovenste topje en de wijfjes bloemen op het onderste der stengels.
Dit Water-Duizendblad is verdrogend en wat samentrekkend van krachten’ het kan goed gebruikt worden voor alle verouderdere en verse zweren, hetzelve geneest de fistels en lopende gaten, stelpt het bloeden, heelt de wonden en wordt veel met olie in zalf vermengd en als pleisters of ook vers gestoten op de wonden gelegd. Men noemt dit kruid ook in sommige streken Water-Sterrenkruid en Wolfstaart. De landbouwers alhier verzamelen in de zomer veel van die kruiden om hun landen mee te vetten en zelfs groen aan de aardappelstruiken te leggen waaraan ze door de verse verkoeling een goede vetheid verschaffen; het volgende jaar kan men in die velden nog zeer goede vruchten winnen.
WATER-DUIZENDKNOOP, in ’t Frans Pesse, in t Latijn Hippuris, is door Jussieu onder de familie van de Waterplanten gesteld en onder de 1ste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia ,planten die met een meeldraadje bloemen en maar een stampertje hebben.
De gewone Water-Duizendknoop (Hippuris vulgaris van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa, die in België en in de Nederlanden in de bronnen, poelen, grachten en lopende waters groeit met stengels die alle jaren vroeg in de lente uit de wortels spruiten en omtrent 25 centimeters hoogte bekomen en met elzenvormige, puntige bladen aan de knoopjes groeien die acht en acht aan de stengels zijn verdeeld en bijna lijnvormig, puntig zijn ;bloeit zonder bloembladen of bloemkelkjes, maar met tweelobbige blaadjes en brengt kleine hutjes met een zaadje gevuld voort.
De vierbladige Water-Duizendknoop (Hippuris tetraphylla van Linnaeus) is een kruidplant van Zweden die ook in de Nederlanden en Oost-Vlaanderen groeit, in de poelen der Polders en vochtige moerassen, langs de Neder-Schelde met vier langwerpige plompe bladen en stengels die op de Scheurbies of Paardenstaart wel gelijken. Deze planten bezitten een koude en droge aard en komen in krachten veel met het Paardenstaart-kruid overeen, hetgeen de hooggeleerde Clusius ook getuigt, die zegt dat ze de krachten van de Paardenstaarten hebben en op dezelfde wijze kunnen gebruikt worden.
WATERHANENVOET, Wilde Ranonkel, in ’t Frans Genouillette, i ’t Latijn Ranunculus aquatilis, is door Jussieu onder de familie van de Ranonkelplanten gesteld en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmige-veelwijvige. De Water-Hanenvoet (Ranunculus aquatilis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die veel in België ten alle kanten in de vochtige grachten, traag lopende waterstromen en beekjes groeit met dunne, ronde en rechte stengels, geheel versnipperde bladen onder het water en boven het water met geheel andere rondachtige, schildvormige bladen eond de kanten geschaard zijn; bloeit alhier meest in mei met witachtige, welriekende bloemen die de gedaante van de Hanenvoeten hebben en zaadjes die in ruwe bolletjes zijn voortbrengen. Deze plant groeit bijna op de wijze van de Water-Boterbloem waarvan ze in krachten nochtans zeer verschillend schijnt te wezen; omdat het een inbijtende en verhitte aard heeft en de kruid etende dieren die er veel van eten kan doen bloed pissen. Derhalve mag dit kruid geenszins inwendig gebruikt worden want het sap, door zijn bijtende krachten, kan de natuur hinderen en dodelijk zijn.
WATERKLAVER, Boksboon, in ’t Frans Ménianthe, Trèfle d' eau, in ’t Latijn Menyanthes, is onder de 2de
klasse, 1ste ectievan Tournefort gesteld der trechtervormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Wederikplanten en onder de 5de
klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben .
De driebladige Waterklaver (Menyanthes trifoliata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België en elders in de poelen, staande waters en vochtige moerassen groeit met stengels en bladstelen waarop driebladige, donkergroene, blinkende bladen groeien en omtrent in het geheel 15 of 20 centimeters hoogte bekomen; bloeit alhier meest in juli met langs binnen gebaarde bloemkransjes en witte bloemen.
De drijvende Waterklaver (Menyanthes nymphoides van Linnaeus) (Menyanthes peltata) groeit ook veel in België en in de Nederlanden in struiken aan de grachten, in de poelen en ook in de staande waters, met bladstelen en hartvormige, gehele bladen; bloeit op de toppen der stelen die tussen de bladstelen komen meest in juli met gele bloembladen.
De Waterklaver die men alhier gewoonlijk Drieblad noemt is warm en droog van aard; deze plant is van over vele eeuwen door zijn heilzame krachten bekend en kan door zijn samentrekkende aard de vuile slijmerige vochten uit het lichaam door de kamergang doen scheiden. De inwoners der Nederlanden waar het scheurbuik veel heerst zeggen en geloven vast door ondervinding dat ze na dikwijls veel andere middelen gebruikt te hebben altijd tot de Waterklavers moeten weerkeren om zich van die ziekte tę genezen. Er wordt ook van het sap een likeur gemaakt; maar onze eenvoudige landlieden plukken die bladen met de bladstelen en wortels en laten ze enige tijd op brandewijn of jenever weken om van tijd tot tijd ‘smorgen een ruimertje van te drinken hetgeen den eetlust verwekt en een zachte buikzuivering veroorzaakt. Het sap wordt ook uit die plant geperst en bij de apothekers met honing of siroop bereid hetgeen zeer dienstig is om het scheurbuik en geelzucht te verdrijven. Deze plant wordt om zijn deugden in de kruidhof der Hogeschool te Gent gekweekt en kan door het zaad en wortelscheiding voortgezet worden.
WATERNOOT, Waterkastanje , Minkijzer, in 't Frans Macre, Herse, Châtaigne d’ eau, in ’t Latijn Tribulus, door Tournefort Tribulus aquaticus genoemd en onder zijn 6de klasse, 6de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wijnruit en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Waterkastanje (Tribulus terrestris van Linnaeus) (Trapa natans) is een eenjarige plant van Europa die in België, Duitsland en elders op sommige plaatsen in de waters groeit met zeer lange gevezelde wortels die aan den grond vast zijn, bladstelen en zes geaderde bladen die niervormig, halfrond zijn en waartussen in de zomer zwakke stengels groeien die in juli meest bloeien met vijf open bloembladen die bultig verheven stekelachtige zaadhuizen voortbrengen in twee tot vijf hutjes verdeeld door noten met kerntjes op de wijze van de Kastanje gevuld die de gedaante van een voetijzer hebben, in de herfst hun rijpheid verkrijgen en wel de grootte van omtrent 10 centimeters in de ronde bekomen. Zodra die noten hunne volle rijpheid hebben verkregen vallen ze door hun zwaarte in het water. Derhalve moet men die vruchten op tijd trachten te plukken om ze smakelijk en goed te kunnen eten.
De grote Waterkastanje (Tribulus maximus van Linnaeus) groeit meest in de eilanden van Jamaica en Tribulus cistoides van Linnaeus groeit meest in Zuid-Amerika.
De Waterkastanjes kunnen ruw even als de noten gegeten worden en ook onder de as op de wijze van de tamme Kastanjes gebraden zijn; ze bezitten een krachtig aangename voedsel,en worden in sommige streken van Duitsland, Frankrijk en elders fijn gestoten en soms met brood gebakken of in de spijzen gebruikt. De bladen die een onbindbaar stoppend geneesmiddel inhouden worden van de kruidverkopers opgezocht en naar de apothekers gezonden om in de medicijnen te gebruiken.
WATERPEPER, kleine wilde Wilg, in ’t Frans Curage, in ’t Latijn Polygonum hydropiper, is door Jussieu onder de familie van de Boekweitplant en het Varkensgras gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Waterpeper (Polygonum hydropiper van Linnaeus) (Persicaria hydropiper) is een eenjarige kruidplant van Europa die veel in België ten alle kanten in de grachten die 's winters vol water stromen, poelen, vochtige plaatsen en landen groeit met ronde, effen veel geknoopte stengels die op sommige plaatsen omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeien met zijdelingse scheutjes en takjes wateren langwerpige, bleekgroene bladen groeien die op het Perzikkruid gelijken en waartussen aan de knoopjes der stelen meest in augustus ,langachtige ineengedrongen trosjes bloeien met veel mooie vleeskleurige witachtige bloempjes die een purper kleur verkrijgen waarop bruinachtige, brede, kleine zaadjes volgen. Dit kruid dat alhier zo overvloedig groeit heeft een medesoort die en zoete bevallige reuk bezit. Het ganse Peperkruid is zeer scherp en heeft een hete smaak die naar die van de Peper aard. De bladen en het zaad van het Water-Peperkruid gestoten en opgelegd ,verteren de koude gezwellen en oude hardigheden van het lichaam; ze doen ook het geronnen bloed van de blauwe plekken door slagen of vallen veroorzaakt scheiden. De kundige Lobel heeft dit kruid ook beschreven,en geeft ons de volgende krachten te kennen: Dit kruid, zegt hij, is warm en droog tot in de derden graad; het sap van dit kruid in de oren gedaan doet de wormen sterven die er soms in zijn; het kruid het kruid met de bloemen dienen zeer goed om de fistels, de aambeien vijg gezwellen, wratten enz., te genezen en op alle kwade, verouderde vuile zweren en lopende gaten te leggen; het wordt ook in klisters tegen de rode loop gebruikt. De bladen van dit kruid in koud water gestreken en op de kwade zweren gelegd, zowel van de mensen als van de beesten, nemen terstond alle vurige pijn weg en genezen ook de kwetsuren en gezwellen der paarden die onder de zadels komen dikwijls door lange reizen en door vermoeidheid veroorzaakt met enkel dit kruid vers enige dagen daarop te leggen. Dit kruid inde bedsteden gelegd doet al de wandluizen sterven en wordt derhalve ook van sommigen in Frankrijk Wandluiskruid genoemd; het gezouten spek rondom daarmee bekleed wordt van alle wormen bevrijd; dit kruid met regenwater gezoden en op de zere ogen gelegd neemt de etterachtige vochten van de dragende ogen weg en doet het gezicht ophelderen.
Het Water-Peperkruid (Polygonum amphibium van Linnaeus) (Persicaria amphibia) is een langlevende kruidplant die in België in de velden en bouwlanden groeit, en waarvan een medesoort in de staande en lopende waters groeit die alhier onder de naam van Ridsigkruid is bekend; groeit met geknoopte, gladde stengels en gladde bladen en bloeit met eironde aren en vijf rooskleurige meeldraadjes met de stampertjes in de helft verdeeld .De wortels en geheel deze plant hebben een hete peperachtigen smaak die op de tong zeer scherp bijtende is. De landlieden zeggen dat als de kruid etende dieren er van eten ze daarvan ridsig worden.De medesoort die in de bebouwde landen als onkruid groeit bloeit zeer zeldzaam.
Men vindt nog de Polygonum lapathifolium van Linnaeus (Persicaria lapathifolia) die in België in de grachten en op vochtige plaatsen groeit met stengels en bladen, die de gedaante van de Zurkel hebben en met aren en zes rooskleurige meeldraadjes bloemt.
WATERPORSELEIN, in ’t Frans Pourpier d’ eau, Montie, in ’t Latijn Montia, is door Jussieu onder de tamme Porselein gesteld en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, planten die met twee meeldraadjes bloeien en drie stampertjes hebben.
De Waterporselein (Montia fontana van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België op vochtige plaatsen groeit met stengels en bladen die op de tamme Porselein enigszins gelijken en in juli bloeit met twee bloemblaadjes in de kelkjes en eenbladige kransjes; het brengt zaadhuisjes met een hutje in twee bolstertjes verdeeld en veel zaad voort. Deze wilde Porselein is niet zo sappig als de Hof-Porselein .Lobel die het ook beschreven heef zegt dat het in de warme landen zo koud van aard niet is als degene die in de noordse gewesten groeit, maar heet van smaak en die alhier te landen groeit heeft een ziltige en braakachtige smaak en een verkoelende aard. Dit kruid in den mond geknauwd maakt de lotsse tanden vast en doet de zwellingen van het tandvlees vergaan; het sap er uit gehaald, is zeer dienstig om den mond van de scheurbuik te zuiveren en de tanden vastigheid te doen bekomen; het water daaruit gedistilleerd is ook zeer nuttig om de wormen der jonge kinderen zonder pijn te verdrijven, vooral als de kinderen daardoor met koortsen gekweld zijn; want dit water en sap verkoelen matig de grote hitte en verdrijven niet alleen de wormen maar beletten de bederf en de verrotting der ingewanden en darmen.
WATERRANONKEL, in ' t Frans Broualle, in ’t Latijn Browallia, is door Jussieu onder de familie van het Klierkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en zaad dragen dat in een zaadhuisje besloten is. De verhevene Waterranonkel (Browallia elata van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Peru die alhier jaarlijks in de bloemtuinen in de lente wordt gezaaid en groeit met vertakte stengels omtrent 60 centimeters hoog en lansvormige bladen; bloeit van juli tot in september met aller mooiste ronde blauwachtige purperen bloemen met de bloembladen zeer lieflijk gepijpt. De vallende Waterranonkel (Browallia demissa van Linnaeus) (Browallia americana) is een kruidplant van Amerika die in de lente alhier wordt gezaaid; groeit met zwakke en vallende stengels die aan stokjes worden gebonden, en bloeit van juli tot in september met blauwachtige violette bloemen die zeer lieflijk geel gespikkeld zijn. Deze lieflijke kruidplanten worden van veel liefhebbers om hun mooie bloemen gezaaid en in de bloemhoven met dolken verplant; ze zijn ook zeer voordelig om in potten te kweken.
WATERVENKEL, Watereppe, in 't Frans Phellandrie, in ’t Latijn Phellandrium, is onder de 7de klasse 1ste sectie van Tournefort gesteld, der schermdragende bloemplanten; door Jussieu onder de familie der zonneschermen bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
De Watervenkel (Phellandrium aquaticum van Linnaeus)(Oenanthe aquatica) is een tweejarige kruidplant van Europa; het groeit meest in België ten alle kanten in de staande en lopende waters, vijvers, grachten, poelen en beken met dikke wortels en holle, geknoopte stengels die zeer vertakt omtrent 50 of 60 centimeters boven het water groeien met veel bladsteeltjes en zeer veel groene blaadjes die op de Hof-Eppe of Peterselie gelijken; bloeit van juni tot in juli met kleine witte bloempjes die kroonvormig verenigd geschikt zijn en bruinachtige zwarte zaadjes voortbrengen welke een welriekende geur inhouden, in augustus hun rijpheid bekomen en alsdan verzameld worden om aan de apothekers te verkopen; het is wel onder de naam van Watereppe-zaad bekend, maar wordt meest Phellandrium-zaad geheten. Men vindt in de Annales de Littérature médicale étrangère, door de heer hoogleraar Kluyskens opper-heelmeester van het Burgerlijke Krijgs-Gasthuis te Gent, uitgegeven dat het zaad van de Water- venkel een bijzondere heilzame deugd inhoudt die in vroegere jaren door de doctor Delange ,om de inwendige zweren der lever te genezen werd gebruikt; en sedert dat dit zaad met zoveel voordeel door de doctor D' Hert van Berlijn in de terende ziekten is gebruik een algemeen middel geworden is om die kwade ziekten te genezen. De hoogleraar Hufeland heeft ook in de tijd die deugd bevestigd. De Nederlandse kundige doctor Schuurman heeft in een aanmerking over de krachten van dit zaad al diens deugden kenbaar gemaakt. (Zie het Geneeskundig Magazijn, 4de deel, 21ste stuk, bladzijde 77) De vermaarde doctor Thuessink schrijft volgens zijn eigen ondervinding dat dit welriekende zaad een slaapverwekkende deugd en een oplossende kracht bezit, de pis afdrijft, zweten verwekt en een licht middel voor de stuipziekte inhoudt; dit zaad, zegt die leraar, voor de zwering der lever en tering ingenomen geneest die verzwering door de bijzondere balsemachtige stof die het inhoudt (Zie het Geneeskundig Magazijn, 3de deel, 2de stuk, bladzijde 137) Men kan dit zaad met salpeter en suiker of zoete- melk in poeiers gebruiken. Veel andere doctors, zoals Michaelis, zeggen dat dit zaad gedronken de pis doet lossen, het graveel en de steen doet rijzen en voor de gebreken der blaas zeer dienstig is, hetgeen Frank en veel andere geneeskundigen ook getuigen.
WATERVIOLIER, Waterpluimen, in ’t Frans Plumeau d' eau, in 't Latijn Hottonia, is door Jussieu onder de familie van de Wederikplanten gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Waterviolier (Hottonia palustris van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Europa; het groeit in België ten alle kanten in de grachten, vijvers, poelen, alwaar de Water- Duizendbladen gewoonlijk groeien waarop ze van bladstelen en bladen gelijkt, maar toch door wortels, stengels en bloemen verschilt; het groeit met bladstelen en veel blaadjes ringvormig en gevleugeld geschikt en bloeit meest met witte bloemen en bekervormige bloemkransen met de meeldraadjes in de pijpjes der kransjes gesloten die zaadhuisjes met een hutje voortbrengen.
Ik heb een mooie medesoort van die plant te Moortsele, Oost-Vlaanderen, in de vijvers gevonden die met stengels 5 of 7 centimeters boven het water groeit en met zeer lieflijke roodachtige bloemen van omtrent 3 of 4 decimeters hoog bloeit. Deze planten hebben een verkoelende kracht, maar worden nergens in de medicijnen gebruikt; nochtans hebben de bloemen een aangename bevallige reuk en bloeien gewoonlijk terzelfder rijd als de Water-Duizendbladen.
WATERWORTEL, Rode Steenbreek, in ’t Frans Oenanthe, Filipendule, in 't Latijn Oenanthe, is door Tournefort onder de 7de klasse, 2de sectie der schermdragende bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie der zonneschermen bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
De buisvormige Waterwortel (Oenanthe fistulosa van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de moerassen en elders op steenachtige plaatsen groeit met zeer veel gebobbelde wortels waaruit alle jaren in de lente stengels spruiten waaraan de bladen gevleugeld en de bladstelen draadvormig zijn geschikt; bloeit meest in juni met witte kroonvormige bloemen die op de Pastinaken gelijken.
De Waterwortel met Varkens-Venkelbladen (Oenanthe peucedanifolia van Willdenow) is een langlevende plant die in België omstreeks Doornik en Oudenaarde aan de Kluizenberg groeit met dubbel gevleugelde bladstelen aan de wortels die lijnvormig zijn en stengels waaraan gevleugelde blaadjes groeien waarop meest in juni witte bloemen komen die kroonvormig bloeien.
De wortels van de Oenanthe fistulosa werden voor dezen in het water gekookt en gedronken om de pis af te drijven, hetgeen heden schijnt verworpen te zijn.
De saffraanachtige Waterwortel (Oenanthe crocata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België op vochtige plaatsen met de wortels onder het water groeit, met stengels en veel ingesneden bladen die plompachtig zijn; bloeit meest in juli met witte, kroonvormige geschikte bloemen. De wortels en geheel deze plant bezitten een inbijtend vergiftig sap dat aan de mensen zeer nadelig is en aan het vee dat ervan eet droevige ongevallen kan veroorzaken; de schaapherders welke die plant kennen laten dit kruid hun schapen nooit aanranden; derhalve was het te wensen dat al de landbouwers dit kruide zouden kennen om er hun koeien van te verwijderen.
WEDERIJK, in ’t Frans Salicaire, in ’t Latijn Lythrum, door Tournefort Salicaria genoemd en onder zijn 6de klasse 3de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Salicaires en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, planten die van twaalf tot twintig meeldraadjes en maar een stampertje hebben.
De officinale Wederik met Wilgenbladen (Lythrum salicaria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België aan de kanten der grachten, waters en elders groeit en ook in de bloemhoven wordt geplant; het groeit met rechte, vierhoekige vertakte stengels omtrent 55 of 60 centimeters hoog met vier donker groene bladen aan ieder knoopje die hartvormig, scherp en langwerpig zijn en bloeit meest in juli met aren en purperachtige rode bloemen die twaalf bloemblaadjes in de kelken, zes bloemblaadjes op de kransjes hebben en zaadhuisjes met veel zaadjes voortbrengen.
De Wederik met Hysop bladen (Lythrum hyssopifolia van Linnaeus) is een eenjarige plant die in België omstreeks Brugge en elders in de moerassen groeit en meest in juli bloei, met in acht tot twaalf getande bloemkelken, zes purperachtige bloembladen en vier of vijf meeldraadjes.
De Wederik met schrale stengels (Lythrum virgatum van Linnaeus) groeit in België omtrent Spa en in Duitsland en wordt in de bloemhoven geplant; het groeit met hoge stengels en lansvormige bladen en bloeit van juli tot in augustus met aren op de toppen der bloemstelen en zeer lieflijke purperachtige bloemen die twaalf meeldraadjes hebben.
Deze planten worden door het zaad en uitlopers vermenigvuldigd en volgens veel oude en nieuwe Kruidbeschrijver heeft de officinale Wederik (Lythrum salicaria) een bloedstelpende kracht en dot dir kruid in de neus gestoken het nloeden ophouden. Het sap wordt veel uit die plant gehaald, by de apothekers in de medicijnen gemengd en als bloedstelpend middel gebruikt; de wortels in de wijn gekookt en gedronken zijn goed voor de maag en het bloedspuwen en stelpen de onmatige vloeden der vrouwen; ze zijn ook zeer dienstig om tegen de rodeloop of rode melizoen (zelfde) te gebruiken.
WEDERIK, Jodenkruid, in ’t Frans Lysimachie, in ‘t Latijn Lysimachia, is onder de 2de klasse 6de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wederik en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt van deze planten verscheidene soorten die in het wild groeien en ook om hun bloemen als versiering in de bloemtuinen worden geplant.
De gestippelde Wederik (Lysimachia punctata van Linnaeus) groeit in België op vochtige plaatsen aan de waters, poelen en moerassen die ’s winters overstromen met drie of vier tegen overeen staande, lansvormige en lijnvormige bladen en rechte, enkele, harige stengels die omtrent 40 of 50 centimeters hoog groeien; bloeit van i juni tot augustus met lieflijke gele bloemen die dikwijls gestippeld zijn.
De Wederik met Bacchusspies-bloemen (Lysimachia thyrsiflora van Linnaeus) groeit in België in de vochtige moerassen met lansvormige bladen en vierhoekige stengels die omtrent 35 of 40 centimeters hoog groeien en bloeit van juli tot in september met eironde trosjes en kleine gele verenigde bloempjes.
De Wederik van Kaukasus (Lysimachia verticillata van Linnaeus) (Lysimachia punctata) groeit in de bloemtuinen met bladstelen, ringvormige geschikte bladen en stengels die vierhoekig en wollig zijn; bloeit van juni tot augustus met bloemtrosjes op de toppen en mooie gele bloemen.
De Wederik met Wilgenbladen (Lysimachia ephemerum van Linnaeus)is van Siberië en bloeit alhier in de bloemhoven van juli tot in septembe ,met aren op de toppen en witte bloemen. De Wederik die op het Penningkruid gelijkt (Lysimachia nummularia van Linnaeus), groeit in België in de moerassen met kleine bladstelen, eironde bladen en stengels die een weinig bij de aarde liggen en bloeit in den zomer met okselvormige gele bloemen .
De gewone Wederikplant (Lysimachia vulgaris van Linnaeus) is ook een langlevende kruidplant van Europa; het groeit in België met lansvormige bladen en stengels die omtrent 50 centimeters hoog groeien en bloeit van juli tot in september met trosjes op de toppen en lieve gele bloemen.
Al deze planten kunnen door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd worden; de laatst vermelde (Lysimachia vulgaris) bezit een mooie bruine verf en wordt heden zegt Mr A. Thiébaut de Berneaud veel in sommige landen binnen het bloeien verzameld om aan stoffen een bruine kleur te geven.
WEDE, In ’t Frans Guède, Pastel, in ’t Latijn Isatis, is onder de 5de klasse, 1ste sectie der eenbladige Kruisbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruis dragende bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten die met vier grote en twee kleine helmstijltjes bloemen en peulvormige vruchten dragen.
De Ververs-Wede (Isatis tinctoria van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die natuurlijk in Frankrijk en elders aan de zeekanten groeit met harde, gevezelde wortels die recht in den grond schieten en rechte stengels, aan de toppen vertakt die omtrent 80 of 90 centimeters hoog groeien met lansvormige, groen blinkende en blauwachtige bladen die van onder tot boven de stengels versieren; bloeit op de bovenste bladstelen met trossen en gele bloemen waarop peulvruchtjes met een zaadje volgen. Men vindt twee medesoorten van die plant, de ene met geel zaad en de andere met violet blinkende zaad dat twee jaren voor Lysimachia vulgaris het zaaien goed kan blijven. Het is uit de balden van deze planten dat men de mooie blauwkleurige verf haalt die heden den Indigo vervangt. De Wede wordt ook gezaaid om de kruid etende dieren te voeden en op de wijze van de Rapen gekweekt; maar het begeert een goede wel bewerkte grond, niet te vochtig of droog en alwaar het Vlas gewoonlijk groeit. Deze planten worden met voordeel in Frankrijk, Duitsland, België en elders in het voorjaar gezaaid, maar in de warme landen geschiedt dit meest in de herfst; nochtans kan die plant, gelijk de Rapen, een 12 graden koude weerstaan. Voor het zaaien laat men het zaad enige uren in het water weken en als de Wede in maart wordt gezaaid kan men de bladen beginnen af te snijden hetgeen gewoonlijk als de bladen beginnen geelachtig te worden beurtelings alle maanden wordt verricht tot in oktober; die bladen worden in kuipen gedaan en met water begoten om ze door de gisting tot pasteldeeg te bereiden. Veel kruidkundige mannen hebben al de voordelen die men door het kweken der Wede kan bekomen met de wijze om mooie vaste blauwe verf uit de bladen te trekken beschreven en aan het publiek medegedeeld .
De Alpen Wede (Isatis alpina van Willdenow) is een langlevende plant die veel in de Alpen gebergten groeit. Ch. Van Hoorebeke heeft die ook in België op droge plaatsen vinden groeien.
De Spaanse Wede (Isatis lusitanica van Linnaeus) wordt veel in Spanje en Portugal gezaaid en groeit met doorzichtige bladen aan de wortels en met witte stengels waaraan de bladen pijlvormig zijn. Deze plant wordt aan de kruid etende dieren voor voedsel gegeven.
WEEGBREE, Hondsribbe, Weversblad, in ’t Grans Plantain, in ‘t Latijn Plantago, is onder de 2de klasse, 2de sectie der eenbladige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Weegbree en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De officinale Weegbree (Plantago major van Linnaeus) is een langlevende plant van Europa die in België langs de wegen groeit met eironde, gladde bladen aan de wortels en ronde schachtjes die maar 10 of 12 centimeters hoog groeien; bloeit in augustus met aren en overeenstaande, kleine, witachtige bloempjes die veel zaadjes voortbrengen.
De middelbare Weegbree (Plantago media van Linnaeus) groeit in België in de onvruchtbare, droge velden en wegen,met eironde, langwerpige bladen, een weinig wollig; bloeit in juni op de toppen der schachtjes met ronde aren en zeer gesloten witachtige bloempjes. De Hondsribbe (Plantago lanceolata van Linnaeus) groeit in de velden, moerassen en elders met lansvormige bladen en hoekige schachtjes die met ronde geslotene aren bloot bloeien.
De Plantago crassa van Willdenow, groeit veel in Oostenrijk.
De Plantago maxima van de Hortus Kew. ,groeit in Siberië.
De Zee-Weegbree (Plantago maritima van Linnaeus) groeit meest aan de kanten der zee.
Al deze plant =en zijn om hun heilzame deugden van over zeer oude tijden bekend, bezitten een verkoelende kracht en dienen om alle kwade zeeen, zinkingen, verrottingen en verhittingen te genezen, als ook om tegen de rode loop en dergelijke bloedvloeden te gebruiken. De officinale Weegbree doet alle bloedloop ophouden; het heelt alle wonden en open gaten en is goed voor alle zweren, zowel oude als verse; het zaad en wortels hebben ook een dergelijke kracht, maar zijn wat droger dan de bladen. Geheel de plant wordt ook uit- en inwendig door afkooksel gebruikt om de smart der lever en nieren te stelpen :onder al de soorten van Weegbree is de officinale met grote bladen (Plantago major) de beste en mag tegen alle onmatige vloeden en bloedlopen gebruikt worden. Er wordt ook een sap uit dit kruid gehaald dat voor al die gemelde kwalen met voordeel worden gebruikt en de bladen met azijn gestoten zijn zeer nuttig om op allerlei gezwellen, zweren en kwetsuren te leggen. Eindelijk, men zou van al de nuttige krachten die de Weegbree bezit , een boekdeel kunnen maken , want dat edel kruid wordt ook gebruikt tegen het bloedspuwen, bloed pissen, overvloedige maandstonden, braking en derdendaagse koortsen en als wonddrank door afkooksel ingenomen. De Hondsribbe wordt ook zeer geprezen om de puisten van de mond, beten der dieren en wonden te genezen. Men vindt al de planten die alhier in het wild groeien en ook om hun deugden in de kruidhof der Hoogeschool te Gent gekweekt.
WESTRINGIA, in ’t Frans Westringie, in ‘t Latijn Westringia, is onder de 4de klasse der mondvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de gelipte bloemplanten die onregelmatige bloemkransen dragen en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen.
De Westringia rosmarinifolia (Westringia fruticosa) van Andrews Repository of Cunila fruticosa van Willdenow is een mooie langlevend klein heester-boomgewas van Nieuw-Holland (Australië) zeer vertakt dat meer dan 1 meter hoogte bekomt en groeit met Rozemarijnboom-bladen, die in vieren verdeeld, rond de takjes geschikt en donsachtig wit wollig zijn; bloeit alhier tweemaal per jaar, in de lente en ook in de herfst in de matige serres met allerliefste, witte, gepijpte bloembladen die reukloos, maar toch zeer bevallig zijn.
De Westringia triphylla is ook een heestergewas van Nieuw- Holland Dat zeer vertakt met drie rijen bladen groeit en bloeit met zeer mooie witte bloemen.
Onze bloemkwekers hebben nog onlangs van Nieuw-Holland de Westringia dampieri en veel andere soorten bekomen die allen zeer lieflijk versierende bloemen dragen. Deze gewassen kunnen door het rijpe zaad in de vermengden heigrond op schotels in de matige serres vroeg in het voorjaar worden gezaaid en ook door inleggers en uitspruitsels op lauwe broeibakken vermenigvuldigd worden, maar moeten alle twee of drie jaren in nieuwe heigrond in de matige serres verpot worden.
WIKKE, Vitse, Krok, Duivenboon, wilde Wikke, in het Frans Vesce, in ’t Latijn Vicia, is onder de 10de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der vlindervormige of peulvrucht dragende bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht dragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met hun meeldraadjes tot twee afzonderlijke lichamen zijn samengegroeid en tien stampertjes hebben.
Men vindt veel verscheidene soorten van die planten welke alle in België, zo in de velden als in het wild groeien.
De Krok of wilde Vitse (Vicia cracca van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die met zwakke stengels en lansvormige witachtige bladen omtrent 1meter hoog groeit en in de zomer van juni tot juli op de bloemstelen overeen liggend rode purperachtige, vlindervormige bloempjes draagt.
De Vicia dumetorum van Linnaeus groeit met langlevende wortels en stengels van omtrent 1 meter lang, hechtrankjes met brede, eirond gepunte blaadjes en getande steelschubbetjes; bloeit in juli, met hangende bloemtrosjes en roodachtige purperen bloemen. Men vindt deze plant veel in België in de bossen, bergen en op woeste plaatsen in ’t wild groeien.
De volgende soorten zijn allen eenjarige zaailanden: De Vicia ervilia van Willdenow of Vicia ervum ervilia van Linnaeus, groeit in de droge zandachtige velden.
De Vicia sepium van Linnaeus, groeit aan de hagen, kanten en korenvelden met stengels, bladstelen en drie of vier eironde blaadjes bijeen; bloeit van juli tot in augustus met lieflijke roodachtige bloempjes.
De Wikke of witte Duivenboontjes(Vicia pisiformis van Linnaeus) wordt veel in de velden onder de voedering gezaaid en groeit met stengels en veel eironde blaadjes die van boven aan de stengels steelloos zijn ; bloeit met bloemtrosjes en gele bloemen die tamelijke peulvruchten voortbrengen welke in vele landen worden gemalen en met het brood gebakken, als ook gebruikt om het vee te voeden.
De Wikke of Vitse die op de platte Erwt wel gelijkt (Vicia lathyroides van Linnaeus) groeit alhier in de droge velden en kanten en bloeit meest in mei met blauwe, roodachtige bloempjes die dikwijls dubbel zijn.
De Wikke met gele bloemen(Vicia lutea van Linnaeus) groeit in België op droge plaatsen ,in de moerassen en bossen en wordt veel in de voeding der kruid etende dieren gebruikt omdat het drie maal per jaar na het afmaaien weer uit de wortels spruit.
De Vicia alba zoals de Vicia pisiformis van Linnaeus wordt ook veel in de velden onder de voeding der kruid etende dieren gezaaid.
De gewone Vitse (Vicia sativa van Linnaeus) is alhier van ouds te lande bekend en groeit met zwakke stengels en steelschubbetjes met plompe bladen waarop men een zwart plekje bemerkt; bloeit met roodachtige, purperen en witte bloemen die veel peulvruchten voortbrengen waarvan de boontjes in sommige landen met het brood worden gebakken en het kruid, droog en groen, tot voeding der kruid etende dieren dient. Deze Vitse wordt bijzonder meest onder de voedering met Haver en Koren gezaaid waarvan de koeien veel melk en goede boter geven; de boontjes dienen ook om pleisters en pappen mee te maken.
WILDE BASILICUM, in ’t Frans Basilic sauvage, in 't Latijn Clinopodium, is onder de 4de klasse, 3de sectie der gelipte bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten, en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemachtige, planten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen en naakt zaad dragen.
De gewone Wilde Basilicum (Clinopodium vulgare van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België op droge, steenachtige plaatsen groeit met stengels van onder tot boven vertakt, omtrent 14 of 16 centimeters hoog, en eironde, kleine blaadjes aan de knoopjes der stelen die op de Thymus gelijken; bloeit alhier meest in augustus met ronde aren en roodachtige bloempjes, oprijzende haartjes en borstelachtige bloemblaadjes die bijna hoofdjes verbeelden .Geheel deze plant heeft een aangename reuk en wordt met den witachtige wilde Basilicum (Clinopodium incanum van Amerika) (Pycnanthemum incanum) in de kruidhoven om zijn deugden geplant. Matthiolus die deze wilde Basilicum ook heeft beschreven zegt dat die plant in de wijn gekookt en gedronken de buikloop en onmatige vloeden stelpen kan en zeer dienstig is om de inwendige scheuringen te genezen en de nageboorte af te drijven; ettelijke dagen gedronken verwekt het de maandstonden, hetgeen Clusius ook heeft betuigd.
Deze planten kunnen door het zaad en wortelscheiding in de lente voort gekweekt worden.
WILDE CICER, Hof-Cicer, in ’t Frans Gesse, Clandestine, in ’t Latijn Lathraea, door Tournefort Clandestina genoemd, is door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid gesteld en onder de 14de klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemachtige, lanten die met twee lange en twee kortere helmstijltjes bloemen.
De verborgen Wilde Cicer (Lathraea clandestina van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België in de belommerde bossen groeit met vertakte stengels en meest in juni bloeit met roodachtige bloemen die recht uit de aarde spruiten en daardoor de naam van Clandestina of verborgen bloemen hebben verkregen.
De schubachtige Wilde Cicer (Lathraea squamaria van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de bergen en bossen groeit met enkele stengels en meest in mei bloeit met hangende bloemkransen en drie gelipte bloembladen die een roodachtig kleur hebben.
De Hof-Cicer (Lathraea sativa) (wel Lathraea clandestina of Cicer artietinum? Omdat het gezaaid wordt) is een eenjarige plant van Frankrijk die alle jaren in de lente in de moeshoven wordt geplant en wiens vruchten op de wijze van de Erwten in de huishouding wordt gegeten.
De Wilde Cicer (Lathraea phelypaea van Linnaeus) (Cistanch plhelypaea) is een langlevende kruidplant van Portugal die alhier in de bloemhoven wordt geplant en bloeit met mooie open klokvormige bloemkransen.
De wilde Cicer (Lathraea anblatum van Linnaeus?) is een langlevende kruidplant van Oost-Indiën die alhier in de bloemtuinen wordt gekweekt en bloeit met zeer lieflijke gelipte bloemkransen.
Deze planten worden door wortelscheiding in de bloemhoven in de lente voort gekweekt; men vindt ze in Linnaeus Kruidboek en Rangschikking, bladzijde 437 beschreven en zijn door Jussieu onder het Luizenkruid gesteld: derhalve zeggen sommigen dat ze de krachten van dit kruid ook inhouden, maar die zijn nergens beschreven en van mij niet bekend.
WILDE KERVEL, in ‘t Frans Faux Cergeuil, in ‘t Latijn Chaerophyllum is onder de 7de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld der schermdragende bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de zonnescherm dragende planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
De Wilde Kervel (Chaerophyllum sylvestre) (Anthriscus sylvestris) van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België meest aan de vochtige heuvels, kanten der grachten en bossen groeit met buisvormige, gerimpelde , gegroefde, met fijne haartjes bedekte, gladde, vertakte stengels, aan de knoopjes een weinig gezwollen die geheel hol zijn en bladstelen met veel donkergroene blaadjes die op het Scheerlingkruid-bladen wel gelijken; bloeit alhier in het einde van april met witte bloemen die kroonvormig zijn geschikt; deze plant die wel 80 centimeters hoog groeit heeft bijna de reuk van de tamme Kervel.
De overhellende Wilde Kervel (Chaerophyllum temulum van Linnaeus) is maar een tweejarige kruidplant die in België meest aan de hagen en kanten groeit , met ruwe, harige en vertakte stengels, aan de knoopjes gezwollen, omtrent 40 of 50centimeters hoog; bloeit meest in juni met witte bloemen die kroonvormig zijn geschikt.
Deze planten die op het Scheerlingkruid gelijken werden van de oude Kruidkenners Myrrhae of Conila genoemd en de wortels werden in de oude tijden in de holle tanden gestoken en geknauwd om de tandpijn te genezen; maar de Wilde Kervel heeft dodelijke toevallen veroorzaakt.
WILDE LELIE, in ’t Frans Albuca, in ’t Latijn Albuca, is door Jussieu onder de familie van de Affodillen gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De witte Wilde Lelie ( Albuca alba)(Ornithogalum maximum( is een langlevende bloembol plant van de Kaap die met smalle lange bladen aan de wortels groeit en waaruit in augustus stengels spruiten die omtrent 1 meter hoog groeien; bloeit van september tot in oktober met aren op de toppen en zes witte bloembladen, die een groenachtige kleur hebben.
De gele Wilde Lelie (Albuca major van Linnaeus) is een lang levende kruidplant van de Kaap; het groeit met stengels die omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeien en bloeit meest in juni met aren op de toppen en zeer mooie gele bloemen.
De kleine Wilde Lelie (Albuca minor van Linnaeus) en de Albuca cornuta (Albuca canadensis) van de Kaap met de Albuca spiralis en de Albuca viscosa worden alhier in de oranjehuizen in potten gekweekt en ook in het voorjaar op de wijze van de Tulpen in de vrije lucht geplant. De bloembollen worden van de inboorlingen der westelijke gedeelten van Afrika of Kaffers, op de wijze van de Look en Ajuin geplant om in de keuken met andere sijzen te eten’ maar die planten worden alhier om hun mooie versierende bloemen gekweekt.
WILD MOESKRUID, Tepelkruid, in 't Frans Lapsane , in ’t Latijn Lapsana, door Tournefort Lampsana genoemd en onder zijn 13de klasse, 2de sectie der Tong- of Lintbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Andijvie en onder de 19de
klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, planten die met de meeldraadjes of helmknopjes tezamen groeien en op de wijze van de Cichorei bloeien.
Het gewone Wild Moeskruid (Lapsana communis van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België in de velden, langs de wegen, bouwlanden en op droge plaatsen groeit met dunne gevezelde wortels, zachte bladen die op de gewone ronde Rapen enigszins gelijken, maar kleiner en toch zo ruw in 't aantasten niet zijn en dunne, vertakte stengels omtrent 40 centimeters hoog; bloeit bijna de gehele zomer met hoekige bloemkelken op de toppen en veel kleine, gele bloempjes tezamen vergaderd.
Het Wild Moes- of Schellenkruid (Lapsana pusilla van Willdenow of Hyoseris minima van Linnaeus) (Arnoseris minima) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Europa die op de wijze van de Rapen in de velden en moeshoven, in de herfst en ook vroeg in het voorjaar wordt gezaaid; het groeit met witte wortels die dik zijn en op de Radijzen gelijken en eertijds de Romeinen Wilde Steek-Rapen noemden. De bladen van deze plant zijn zeer zenuwachtig geribd en van onder ruw en liggen aan de wortels op de aarde verdeeld, zoals het Raaploof gewoonlijk groeit; vervolgens spruiten er veel stelen uit die ook met bladen aan de zijstelen zijn voorzien; bloeit in de zomer met witte bloempjes op de toppen die kleine zwartachtige streepjes hebben en dunne schelpjes als peulvruchten voortbrengen. Dat Wild Moeskruid wordt in de hoven op vette plaatsen dicht bij elkaar gezaaid en om het mals en geel te kunnen eten veel in de aarde getafeld; het houdt een sterke smaak in mar wordt toch door het koken en stoven verbeterd en voor zeer voedzaam geacht. Het gewone Wild Moeskruid wordt niet gegeten, maar het wit melkachtig sap dat uit de stelen en bladen vloeit heeft een verdrogende kracht en is zeer dienstig om de verzworen borsten en tepels te genezen; derhalve heeft dit kruid in sommige streken van België de naam van Tepelkruid verkregen.
WILDE SPURRIE, in ’t Frans Espargoute sauvage, in het Latijn Holosteum, door Tournefort Alsine genoemd en onder zijn 6de klasse, 2de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Anjers en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria trigynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en drie stampertjes hebben.
De kroonvormig geschikte Wilde Spurrie (Holosteum umbellatum van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa, die gewoonlijk in België in de velden en aan de muren groeit met lijmachtige, klevende bladen smal zijn en op de witte Weegbree gelijken en waartussen in april stengels uitspruiten die meest van mei tot in juni met witte, kroonvormige geschikte bloempjes bloeien. Deze plant groeit meest in Henegouwen en wordt zeldzaam in Vlaanderen gevonden; het heeft een verdrogende en samentrekkende kracht en Clusius, die het ook heeft beschreven, zegt dat het de breuken en scheuringen geneest.
WILDE WIJNGAARD, Brionie, in ’t Frans Brione, Couleuvrine, in 't Latijn Bryonia, is onder de 1ste klasse, 7de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Pompoen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eennhuizige-eenbroederige, planten die met vergroeide stofdraden bloeien.
De witte Wilde Wijngaard (Bryonia alba van Linnaeus) is een langlevend rankgewas van Europa dat in België in de bossen op bergachtige plaatsen en aan de hagen groeit en in de hoven wordt geplant; groeit met dikke, gevezelde wortels en windende, zwakke rankje met hechtrankjes, gelijk de Wijngaard die alle jaren wel 2 of 3 meters hoog klimmen met handvormige, groene bladen die ruw zijn; bloeit in juli met witachtige bloemen die in de herfst zwarte bessen voortbrengen.
De tweehuizige Wilde Wijngaard (Bryonia dioica van Willdenow) groeit ook in België, Duitsland en elders in de bossen; verschilt weinig in gedaante met de voor vermelde, tenzij door de bloemen en meeldraadjes die tezamen paarvormig bloeien en rode bessen voortbrengen.
De witte Wilde Wijngaard wortels zijn van over zeer oude tijden om hun deugden in de geneesmiddelen bekend; die wortels, zegt de doctor Richard, kunnen zeer goed in de geneesmiddelen voor een sterke buikzuivering de Jalap vervangen en dientengevolge op alle wijzen , vers of droog of in poeiers worden gebruikt. Men bedient er zich van, zeg hij, in poeiers van zes- en-dertig greintjes en I ons van de verse wortels op 8 ons witte wijn geweekt maakt een grote buikzuivering; deze met Mosterdzaad in pappen bereiden opgelegd genezen alle vurige keelgezwellen, zijn zeer goed tegen het Sciatica of jicht en doen het vel zijn natuurlijk kleur verkrijgen. Deze wortels worden alhier te lande van de landslieden op jenever geweekt en daarvan een klein romertje gedronken, kan een geweldige buikzuivering verwekken; derhalve moeten die wortels met voor- dacht gebruikt worden. De bladen en bessen van de witte Wilden Wijngaard hebben ook eene scherp bijtende kracht. Deze planten worden door wortelscheiding voortgezet.
WILDE WIJNGAARD of Smeerwortel, in ’t Frans Taminier, in 't Latijn Tamus, is onder de 1ste klasse, 7de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Asperge planten en onder de 22ste klasse van Linnaeus ,Dioecia hexandria, tweehuizige-zesmannige met bloemen van het mannetjes- en wijfjes geslacht die zes meeldraadjes hebben.
De Wilde Wijngaard of Smeerwortel (Tamus communis van Linnaeus)(Dioscorea communis) is een langlevend rankgewas van Europa dat in België , Duitsland, Italië, Frankrijk en elders in de bossen groeit met dikke wortels en tamelijk hoge, rode, rankachtige stengels, met gekloven schors die als winden naar boven klimmen, en hechtrankjes die zich rond het hout vast draaien; heeft hartvormige bladen die pijlachtig puntig zijn en op de Klokjes Winde gelijken; bloeit alhier meest in juni met kleine, witachtige, welriekende bloempjes die trosvormig afhangen en eerst groenachtige bessen voortbrengen die op de wijze van de Druiven groeien en in oktober rijpen en een mooi hoog rode kleur verkrijgende mannetjes bloemen zijn geelachtig van kleur.
De wortels van deze planten zijn warm en droog van krachten en bezitten een lijmachtig sap en als ze in stukken gesneden worden blijven ze aan de vingers hangen. Deze wortels met wijn of water gezoden en heet daarvan een roemertje ingenomen doen door de kamergang de wateren en kwade vochten overvloedig uit het lichaam lossen; ze zijn ook zeer dienstig voor water- en geelzuchtige mensen: maar te veel in eens daarvan ingenomen, zou kunnen het bloed in de nieren verhitten. Die wortels vers geschrabd en met een doek op de blauw geslagen of gestoten plekken gelegd doen ze spoedig verdwijnen en al het geronnen bloed scheiden. De bladen zijn ook zeer goed om op de kropklieren te leggen. De bessen van dit gewas worden geperst en het sap daaruit gehaald is zeer goed o m de sproeten en vlekken van het vel mee te wassen en van alle brandt zeren te zuiveren; het wordt ook in welriekende waters bereid. Men kan ook de bessen als purgeermiddel gebruiken met die op wijn of brandewijn te laten weken en enkel daarvan 's morgens een klein roemertje ingenomen verwekt een buiklossing. De wortels worden gretig gezocht van de varkens die ze uit de grond halen en geheel opvreten, hetgeen hun tot voedsel en medicijnen dient; derhalve als men die planten aan de hagen of kanten plaatst waar varkens verkeren worden ze daarvan gewoonlijk uit gehaald en opgegeten.
Deze plant werd van de oude Griekse Kruidbeschrijvers Ampelos agria genoemd, dat is in ’t Latijn Vitis sylvestris en van sommige apothekers Sigillum Beatae Mariae, dat is Onze Lieve Vrouwe Zegel, maar wordt heden Tamus genoemd.
WILG, Wilgenboom, Teenboom, Rijsboom, in ’t Frans Saule, in ‘t Latijn Salix, is onder de 19de klasse, 6de sectie van Tournefort gesteld, der bloem bladloze bomen die katjes dragen; door Jussieu onder de familie van de bloemen die met katjes bloeien en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia diandria, tweehuizige- tweemannige die met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht met twee meeldraadjes bloeien. Men vindt heden wel 60 soorten van Wilgenbomen die allen in België bij veel liefhebbers in de lusthoven en elders worden geplant. Gelijk de gedaante van die Wilgen van eenieder wel is bekend zal ik enkel deze noemen die enige nuttige delen inhouden en ook tot versiering worden gekweekt.
De gewone witte Wilgenboom (Salix alba van Linnaeus), die in België wel 14 meters hoogte en 2 meters in de ronde dikte bekomt draagt witte, wollige, lansvormige, getande bladen. De welriekende Wilg (Salix pentandra van Linnaeus)groeit in België op vochtige plaatsen met rode takken en blinkende, eironde, welriekende bladen; bloeit met vijf meeldraadjes.
De Treurwilg (Salix babylonica van Linnaeus) (Salix x sepulcralis)is een langlevende boom van het Oosten die in België op vochtige plaatsen wel 10 of 12 meters hoog groeit met veel zwakke en lange gebogen takjes en veel groene, lijnvormige bladen en door zijn hangende takken op een schilderachtige wijze de lusthoven zeer lieflijk versiert.
De Teenboom (Salix viminalis van Linnaeus) groeit in België aan de kanten der grachten en stromende waters, zeer vertakt met geelachtige groene schors en lange witachtige bladen. De zwarte Wilg (Salix nigra van Willdenow) is van Amerika en groeit in België met zwarte schors.
De Wilg met bruine schors (Salix caprea van Linnaeus) groeit in België tamelijk hoog met broze takken en groeit zowel op droge als op vochtige plaatsen.
De purperachtige Wilg (Salix purpurea van Linnaeus) groeit in België kreupelvormig omtrent 3 meters hoog met takken en gele schors en schikt zich zeer goed om voor wissen en banden te gebruiken.
De gele Teenboom (Salix vitellina van Linnaeus)(Salix alba subsp. vitellina) groeit in België in de vochtige moerassen en heeft ook een gele schors; het wis hout is zeer taai en buigzaam.
De Duin-Teenboom (Salix arenaria van Linnaeus) (Salix repens) groeit in België met dunne en korte takjes die zich zeer goed voor bindsels en hof gerief schikken.
De Teenboom met Mirtebladen (Salix myrtilloides van Linnaeus) is van de Alpen gebergten en wordt ook in België geplant.
De zilveren Wilg (Salix argentea van Amerika) (Salix repens var. argentea) groeit met door witte dons bedekte bladen en wordt alhier als versiering in de lusthoven geplant; wil in zandachtige gronden zeer goed aarden.
De Teenboom met roodachtige schors (Salix x rubra van Linnaeus) groeit in België aan de waters, in de vochtige moerassen en wordt alhier veel geplant voor zijn taaie buigende takjes die zeer veel tot bindsel en wis hout dienen.
De Teenboom (Salix x persicifolia van Andr.)wordt om zijn zeer mooie groene Perzikbladen in de lusthoven geplant.
De Wilgenboom met Olijfboombladen (Salix olivacea van Willdenow), (Salix purpurea) die met Iepenbladen (Salix ulmifolia) (Salix caprea) de Salix serpillifolia van de Alpen gebergten van Willdenow; de Salix russelliana (Var. van Salix x fragilis) van Engeland; de Salix lapponum van Lapland; de Salix angustifolia (Salix elaegnos ‘Angustifolia) van de Kaspische Zee; de Salix riparia, Salix mollissima van Willdenow die van Duitsland afkomstig zijn worden alhier allen in de lusthoven tot versiering geplant. De Teenboom met grijze schors (Salix cinerea) die met Rozemarijn bladen (Salix rosmarinifolia) en veel andere soorten worden alhier ook in de vochtige moerassen gekweekt. Al deze Teenbomen schikken zich zeer goed om alle slag van sieraad werken als korfjes, manden, enz., mee te make en ze worden veel van de wagenmakers, timmerlui, kloofkappers enz., te gebruiken en door beeldsnijders zeer gezocht om alle soorten van beelden en mooie werken mee te maken. De kolen van het hout dienen ook om buskruit te bereiden en potloden van te maken.
De gewone Wilgenboom (Salix vulgaris of Salix alba, foliis lanceolatis van Linnaeus) bezit zeer veel heilzame krachten en is nuttig in de geneeskunde; ten eerste, de jonge takjes en bladen door afkooksel gedronken zijn zeer dienstig voor de buikloop en de bloedspuwing, alsmede voor het verhit bloed en onmatige geilheid; de bladen in de voetbaden gedaan zijn zeer nuttig voor de vermoeide mensen want ze verwekken de slaap en zoete rust. De fijne schors van de Wilgenboom kan zeer goed de Kina vervangen; het wordt sedert vele jaren in de gasthuizen gebruikt daar de ondervinding heeft bewezen dat het een koortsen verdrijvend middel inhoudt. Sedert enigen tijd hebben de kunstscheiders een bitter doorschijnend poeier uit die schors getrokken die volgens sommigen dezelfde deugden als de Kina bezit en heden onder de naam van Salicine bekend is. Voor dat de Kina van Amerika was ontdekt was die Wilgenschors zeer vermaard als een der krachtigste middels om de koortsen te verdrijven; dienvolgens heeft get altijd zijn nuttigheid in de geneeskunde gehad. Het water op ’t einde van met uit de Wilgen- bladen gedistilleerd heeft al dezelfde krachten en wordt heden voor de pijn in de nieren en om de wormen te verdrijven gebruikt.
De voortkweken van al deze vermelde Wilgenboom geschiedt meest door middel van takken in de aarde te planten die gewillig wortel vatten en in alle vochtige gronden zeer goed aarden.
WINDE, Warkruid, Wrangkruid, Klokjes-Winde, Schone bij Dag, in ’t Frans Liseron, Belle de Jour, in ’t Latijn Convolvulus, is onder de 1ste klasse, 3de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld ;door Jussieu onder de familie van de Winde en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt veel soorten van Winden die om hun lieflijke bloemen worden gekweekt: De driekleurige Winde (Convolvulus tricolor van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Spanje die alhier in de bloemtuinen in het voorjaar wordt geplant en groeit met zwakke stengels en lansvormige bladen; bloeit van juni tot in september met zeer veel brede, klokvormige okselbloemen die in de kelken gele en klare blauwe randen, te midden witte bloembladen hebben, en zich ’s avonds sluiten; worden meest in de broeibakken gezaaid en met dolken verplant.
De wilde Veld-Winde (Convolvulus arvensis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België ten alle kanten in de velden en landen groeit met liggende, windende stengels en bladstelen met pylvormige scherpe bladen; bloeit bijna geheel de zomer met purperen, witte en soms rood gevlekte klokvormige bloempjes die een zoete Amandelreuk verspreiden.
De grote witte Klokjes-Winde (Convolvulus sepium van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België in de hagen en kanten groeit met veel wijd lopende witte wortels en windende stengels die zeer hoog klimmen, met groene, pijlvormige bladen en vierhoekige bloemstelen waarop van juni tot in september eenbladige witte klokjes bloeien die hartvormige bloeibladen hebben. De Winde van Siberië (Convolvulus sibericus van Linnaeus) (Convolvulus cneorum) en de Convolvulus nil zijn tweejarige kruidplanten die alhier om hun mooie gekleurde klokvormige bloemen worden gezaaid. De satijnachtige Winde (Convolvulus cneorum van Linnaeus) is een mooi klein heestergewas van Oost-Indiën dat met altijd groen blijvende lansvormige bladen groeit die gesatineerd en met zilverachtige witte dons bedekt zijn; bloeit bijna de gehele zomer met klokvormige bloemen op de toppen die een lieflijke witte en roze kleur hebben.
De lijnvormige Winde (Convolvulus linearis van Linnaeus) groeit met witachtige smalle bladen en bloeit in de zomer met bleke rooskleurige bloemen.
De twee laatst vermelde planten moeten alhier 's winters in de matige serres bevrijd zijn en kunnen door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden.
Onze bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën verkregen de Convolvulus pentanthus (Jacquemontia pentantha) en Convolvulus batatas (Ipomoea batatas) die als klimmende planten inde matige serres worden gekweekt.
Veel Kruidbeschrijvers zijn van gevoelen dat de grote witte Klokjes-Winde en die met smalle lijnvormige bladen met de krachten van de stekende Winde (Smilax) overeenkomen; er wordt in Italië een water uit die bloemen gedistilleerd dat dient om het vel te wassen en te verzachten.
WINTERGROEN, in 't Frans Pyrole, in 't Latijn Pyrola, is onder de 6de klasse, 4de
sectie der roosachtige, eenbladige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Heiplanten en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Wintergroen met ronde bladen (Pyrola rotundifolia van Linnaeus) is een kleine kruidplant van Europa die in België in het wild in de vochtige bossen groeit, en meest in de bloemhoven wordt geplant; groeit met eivormige ,ronde bladen bij de wortels, waartussen kleine stengels uitspruiten waarop van juni tot juli kleine trosjes met witte, lieve bloempjes bloeien die een aangename reuk hebben.
Het klein Wintergroen (Pyrola minor) groeit in België en elders in de vochtige velden en bossen met plompe bladen en stengels die omtrent 25 centimeters hoog groeien en bloeit met kleine trosjes en witte bloempjes.
Het gevlekt Wintergroen (Pyrola maculata van Linnaeus) (Chimaphila maculata) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika; het groeit met stengels van omtrent 35 of 40 centimeters hoog met langwerpige, donkergroene, getande bladen die van boven wit gevlekt en van 1 onder purperachtig en ringvormig zijn geschikt; bloeit van juli tot in augustus met tweevoudige witte en rooskleurige bloemen op elke bloemstee die mooie gele helmknopjes hebben.
Deze lieflijke planten moeten op belommerde plaatsen in de heigrond zijn geplant en kunnen door het zaad vermenigvuldigd worden; de grote hitte zou ze doen versterven als ze op geen belommerde plaatsen worden gezaaid. Het Wintergroen dat Clusius Pyrola minor noemt werd voor deze Pyrola fructicans geheten; men houdt dit kruid voor droog van natuur tot in de derde graad en koud tot in de tweede en is derhalve zeer dienstig om alle verse wonden en vuile zeren te genezen; dit kruid gestoten en opgelegd zuivert van binnen en buiten alle wonden en zeren. Het sap of bladen van dit kruid zegt Clusius, met Zenegroen en boomolie gemengd en als zalf bereid is zeer goed om tegen de fistels en verbranding te gebruiken. Een lepel van dit sap vol met wijn gedronken geneest de bloedloop. Het Wintergroen met Waalwortel gezoden en gedronken is zeer goed voor de ontstoken en zwerende nieren te zuiveren; dit kruid wordt veel in de wondendranken gebruikt, ook veel droog in poeiers gestampt en bij de apothekers verkocht om in de lopende wonden te strooien.
WITSENIA, in ’t Frans Witsenia, Corymbe, in ‘t Latijn Witsenia, is door Jussieu onder de familie van de Lisbloemen (Iris) gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Witsenia met bloemtrosjes (Witsenia corymbosa) (Nivenia corymbosa) is een langlevende lis plant van de Kaap die over enige jaren alhier is overgevoerd; bloeit meest van juli tot in augustus met bloemtrosjes, lange gepijpte bloembladen en zeer lieflijke hemelsblauwe bloemen die bruinachtig gestreept zijn.
De Witsenia maura is een langlevende lis plant van Afrika die veel in Algiers groeit en meest in juni bloeit met zes bloembladen in de bloemkransen die rood en op de randen getekend zijn.
Deze planten worden alhier om hun lieflijke bloemen gekweekt, 's winters in de oranjerie bevrijd en met de lente weer in de bloemperken geplant alwaar ze een mooie versiering maken; ze worden op de wijze van de Amaryllis voort gekweekt.
WOLBLOEM , Wolkruid, Toortskruid, Franse Tabak, in het Frans Molène, Bouillon blanc, in 't Latijn Verbascum, is onder de 2de klasse, 6de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Nachtschade planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Wolbloem (Verbascum thapsus van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België langs de wegen en velden groeit en in de bloem- en kruidhoven wordt gezaaid; groeit met gestrekte bladen, van beide kanten wit wollig, die ook de stengels vergezellen en het tweede jaar wel 1 meter hoog groeien; bloeit van juni tot in september met bleekgele bloemen.
Het Wolkruid (Verbascum thapsoides van Linnaeus) (Verbascum phlomoides?) is ook een tweejarige plant die in België aan de wegen groeit en van gedaante wel op de Wolbloem gelijkt.
Het zwart Wolkruid (Verbascum nigrum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in België aan de wegen en bossen groeit met bladstelen, langwerpige, hartvormige bladen en eenvoudige stengels; bloeit in den zomer met gele bloemen en purperachtige wollige meeldraadjes.
Het Wolkruid dat op de Koekoeksbloem gelijkt (Verbascum lychnitis van Linnaeus) groeit in België in de bergachtige bossen met langwerpige, wigvormige en hoekige stengels, met trosvormige aren op de stelen en witte geelachtige bloemen.
Het ijzerroest Wolkruid (Verbascum ferrugineum van de Hortus Kew.) (Verbascum nigrum) is een langlevende kruidplant van Zuid- Europa die alhier in de kruidhoven wordt gekweekt.
Het Vossenstaart-Wolkruid (Verbascum alopecurus) 9Verbascum nigrum subsp. nigrum) groeit veel in België omtrent Luik en elders in de Ardennen.
Het Motten-Wolkruid (Verbascum blattaria van Linnaeus) is een tweejarige plant die in België in de bossen, in pot aardachtige gronden groeit (Zie voor de krachten het Mottenkruid).
Onder al de Wolkruiden is de Verbascum thapsus of Bouillon blanc en vooral om zijn heilzame deugden zeer vermaard. De gele bloemen van dit kruid worden in juli verzameld en door de apothekers in de steden verkocht en als thee door het kokende water geweekt om de geest daaruit te trekken; dit gedronken is een goed behulpzame middel voor langdurige vallingen en borst ziekten en wordt heden van zeer veel ervaren geneeskundigen voorgeschreven, om de ontsteking der longvaten en het etter- spuwen te genezen en ook voor de koortsen die gewoonlijk de grote vallingen vergezellen gebruikt. De bladen van alle Wolkruiden in het water gezoden zijn zeer nuttig om op de koude gezwellen, kropklieren en op de ontstekingen der ogen van buiten te leggen; die afgekookte bladen, zegt G. Grimaud, zijn zeer dienstig voor de mensen die inwendige pijn en drukking in het afgaan hebben hetgeen dikwijls door de opzwelling van de darmen de bloedgang veroorzaakt. De bladen van het zwart Wolkruid gestoten en warm op de klaporen gelegd doen die gauw verdwijnen; met azijn gestoten zijn ze zeer dienstig om op de krop- en bloedzweren te leggen en blauw geslagene plekken te genezen. De wortels van het wit Wolkruid worden ook in den wijn gekookt en voor den rode loop en buikloop met honing bereid; de bloemen van dit kruid worden ook met olyfolie in de zon gezet en enige tijd daarin getrokken zij ze zeer goed om de schurft, verbrandheid en alle gebreken en ontsteking van het vel te genezen. De landlieden van Italië en elders gebruiken het sap van het Wolkruid om de melk daarmee te doen runnen.
WOLDISTEL in 't Frans Laitron laineux, in 't Latijn Andryala, door Tournefort Hieracium genoemd en onder zijn 13de klasse, 1ste sectie der Lintbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Cichoreiwortels en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige, 1ste orde, planten die met meeldraadjes en stampertjes op de wijze van de Salade en Boksbaard bloeien.
De gevleugelde Woldistel (Andryala pinnatifida van de Hortus Kew.) is een tweejarige kruidplant van het eiland Madera die in Spanje, Portugal en elders in de moeshoven wordt gezaaid en groeit met tamelijk dikke en gevleugelde wortels die een aangename smaak inhouden en veel op de wijze van de Cichorei in de keuken worden gegeten; maar deze plant kan alhier onze koude winters niet weerstaan.
De Woldistel (Andryala lanata van Linnaeus)(Andryala integrifolia) is een langlevende kruidplant van Zuid-Europa die in Italië, Duitsland en elders natuurlijk groeit en alhier om hun mooie bloemen met gele stralen versierd in de serres worden gekweekt.
De Woldistel (Andryala ragusina van Linnaeus) is een lang levende kruidplant van de Archipels eilanden, in de Egeïsche Zee; groeit met stengels en lansvormige, scherp getande bladen die met witte dons bedekt zijn; bloeit met donker wollige bloempjes op de vruchtbodem gehecht. Deze plant moet alhier ’s winters in de planthuizen bevrijd zijn en kan door het rijpe zaad vermenigvuldigd worden.
WOLFSMELK , Tithymallen, Duivelsmelk, in het Frans Euphorbe, in 't Latijn Euphorbia, door Tournefort Tithymalus genoemd en onder zijn 1ste klasse, 3de sectie der klokvormige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelk, en onder de 11de klasse van Linnaeus, Dodecandria trigynia, planten die met twaalf tot twintig meeldraadjes bloemen en drie stampertjes hebben.
Men vindt in Linnaeus rangschikking 70 soorten van de Wolfsmelkplanten die in Europa en andere werelddelen groeien waarvan ik eerst zal beschrijven die in België groeien.
De kleine Wolfsmelkplant (Euphorbia exigua van Linnaeus) is een eenjarig kruid dat meest in de velden in het Koren groeit met vertakte stengels en lijnvormige bladen; bloeit in mei ,met kroonvormige bloemen op de bloemstelen die een groen geelachtig kleur hebben.
De Wolfsmelk of Duivelsmelk (Euphorbia peplus) is een eenjarig kruid dat in de kruidhoven en bebouwde velden groeit met vertakte stengels en eironde verspreide blaadjes; bloeit meest in juni met geelachtige bloemen op de bloemstelen, kroonvormig geschikt.
De Wolfsmelk of Springkruid (Euphorbia lathyris van Linnaeus) is een tweejarig kruid dat in de hoven en velden groeit met stengels en lancetvormige bladen; bloeit in juni met kroonvormige geschikte bloemen die een geelachtig kleur hebben.
De Koren-Wolfsmelk (Euphorbia segetalis) is een eenjarig kruid dat in de velden in het Koren groeit met stengels en lijnvormige bladen; bloeit ook met geelachtige bloemen die kroonvormig zijn geschikt.
De Duivelsmelk (Euphorbia helioscopia van Linnaeus) groeit in de velden met wigvormige, getande bladen en bloeit met kroonvormige geschikte bloemen op de bloemstelen die een halve maan vormen en bloemblaadjes in drie verdeeld. Het sap van deze eenjarige is zeer inbijtend.
De Bos-Wolfsmelk (Euphorbia sylvatica van Linnaeus) (Euphorbia amygdaloides) is een langlevend kruid dat in de vochtige, belommerde bossen groeit met plompe en weinig wollige bladen; bloeit in mei met vijf kroonvormige geelachtige bloembladen die rondachtig een halve maan vormen.
De Amandel-Wolfsmelk (Euphorbia amygdaloides van Linnaeus) is een langlevende kruidplant die in de bossen op vuile plaatsen groeit; bloeit in juni met zes kroonvormige bloemstelen en geelachtige bloembladen.
De Wolfsmelk met Cipresbladen (Euphorbia cyparissias)groeit aan de kanten der velden, op droge plaatsen met stengels van boven vertakt; bloeit met zonnescherm kronen, negen tot vijftien stralen en gekruiste bloembladen die een geelachtig kleur hebben.
De breedbladige Wolfsmelk (Euphorbia platyphyllos van Karel Van Hoorebeke)wordt ook op zandachtige plaatsen in de velden gevonden.
De Gracht-Wolfsmelk (Euphorbia palustris van Linnaeus) groeit in de grachten en moerasachtige moerassen met lansvormige bladen en schrale stengels, van boven vertakt; bloeit met kroonvormige geschikte bloemen en veel gele bloembladen. De Euphorbia esula van Linnaeus, groeit ook alhier in de droge bossen.
Deze zijn al de Wolfsmelk- of Duivelsmelk-planten die in België groeien en waarvan in 't algemeen het sap een scherp bijtende kracht inhoudt; degenen die dat onkruid plukken moeten vermijden van met de handen, waaraan dit sap blijft kleven, ergens het aanzicht of ogen aan te raken want dit zou zeer hinderlijk kunnen wezen; men mag ook dit kruid aan geen kruid etende dieren te voeden geven en vooral de koeien die er gewoonlijk bloed van pissen. De schaapherders die de gevaren van dit kruid kennen zullen hun kudden altijd er van verwijderen.
De volgende Wolfsmelk-planten worden alhier om hun mooie versierende bloemen in de bloemhoven en oranjehuizen gekweekt; onze bloemisten hebben die van vreemde gewesten verkregen: De Euphorbia mellifera en de Euphorbia longifolia zijn langlevende houtachtige gewassen van de Canarische eilanden met lijmachtige Oleanderbladen; bloeien meest in juli, met Bacchus-staftrosjes op de toppen en veel bruinachtige bloemen.
De hoog rode Wolfsmelk (Euphorbia punicea) is een langlevend houtgewas dat onlangs van Jamaica is overgevoerd; het groeit met lansvormige bladen en bloeit meest in de matige serres van in februari met lieflijke hoog rode bloemen die een mooie versiering maken.
De Euphorbia Brioni, Euphorbia Jacquiniflora fulgens, (Euphorbia fulgens) Euphorbia pulcherrima, (Kerstster) Euphorbia alba, (CV. Mogelijk van Euphorbia horrida var striata “Alba’) Euphorbia splendens (Euphorbia milii var. splendens) worden alhier in de warme serres gekweekt; de Euphorbia adenopoda, Euphorbia aleppica, Euphorbia paralias worden in de vrije lucht in de bloemtuinen gekweekt; de Euphorbia clava, Euphorbia antiquorum, Euphorbia canariensis, Euphorbia officinarum, Euphorbia polygona, Euphorbia mauritanica (van Afrika), Euphorbia tithymaloides, Euphorbia cyathophora (van Amerika) en meer andere soorten worden alhier in de matige serres gekweekt en kunnen door het rijpe zaad en afzetsels vermenigvuldigd zijn; ze moeten in de zomer veel water hebben.
Het sap van al die Wolfsmelk-planten op het vel gelegd trekt blaren die de bedelaars soms wel gebruiken om alzo de meedogendheid der goede mensen op zich te trekken; maar ze moeten zich wel wachten van dit sap daarop te lang te laten liggen want het zou door zijn in etende kracht kwade gevolgen veroorzaken. De vruchten of het kruid van de Wolfsmelk enkel op de vijvers geworpen kan de vissen in bezwijming doen vallen en op het water drijven alsof ze dood waren.
WOLFS- of WATER MALROUWE, in ’t Frans Lycope, Marruhe d'eau, in ’t Latijn Lycopus is onder 4de klasse, 2de sectie der eenbladige gelipte bloemplanten van Tournefort gesteld;door Jussieu onder de familie der gelipte bloemplanten en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Moeras-Watermalrouwe (Lycopus europaeus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de moerassen en kanten der bergen groeit met bochtige bladen die getand en gezaagd zijn en stengels waarop meest in juni witte bloemen bloeien met vijf gepijpte bloemblaadjes in de kelken en vier bloemblaadjes in de kransjes, die vier stompe zaadjes voortbrengen.
De recht staande Watermalrouwe (Lycopus exaltatus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zwitserland; groeit in België in de bossen omtrent Bergen en bij Doornik met hoge stengels en gevleugelde bladen die van onder getand en gezaagd zijn; bloeit meest in juli met witte bloemen die rood gespikkeld zijn. Deze plant wordt ook om zijn mooie bloemen in de kruidhoven geplant en door het zaad vermenigvuldigd.
De heer Arsenne Thiebaut de Berneaud in zijn verhandeling over de langlevende gewassen zegt dat de Wolfs-Watermalrouwe van Europa of Lycopus europaeus in Zwitserland, Italië, Frankrijk en elders binnen de tijd van het bloeien veel verzameld en bereid wordt om allerlei stoffen zwart te verven en dat de ververs daarmee de zijden stoffen een vast, mooie blinkend zwarte kleur geven (Zie zijn Verhandeling over de langlevende gewassen te Brussel in de Vlaamse straat in het jaar 1838 door de Maatschappij der Kunsten en Wetenschappen gedrukt).
WOLFSWORTEL, Monnikskap, Paterskap, in’ t Frans Aconit, in ’t Latijn Aconitum, is onder de 11de klasse, 2de sectie der onregelmatige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Ranonkels en onder de 13de klasse van Linnaeus, Polyandria trigynia, veelhelmige die met twintig tot honderd meeldraadjes bloemen op het vruchtbeginsel vastgehecht en drie stampertjes hebben.
De gewone Wolfswortel (Aconitum napellus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die van Zwaben oorspronkelijk is; het groeit met langwerpige, dikke wortels, die van buiten zwartachtig en van binnen witachtig zijn en waaruit in het voorjaar stengels spruiten die omtrent 1 meter hoog groeien met rondom donkergroene, gladde diep gekerfde en geschakeerde bladen die soms van onder witachtig zijn; van boven ’t midden der stengels komt op de toppen komen de bloemknoppen die alhier meest van ’t einde van mei tot in juli bloeien met mooie donkerblauwe bloemen uit vijf bloembladen samengesteld waarvan van de twee bovenste een weinig verheven zijn en op die wijze een helmpje of paterskapje verbeelden; ze brengen gewoonlijk in september rijp zaad in hangende schelpjes voort.
Deze plant heeft in het Latijn de naam van Napellus verkregen omdat de wortels van gedaante op de lange Rapen gelijken. Het werd door de oude Griekse Kruidbeschrijvers Toxicum genoemd en van de barbaarse volkeren Tora geheten om de hinderlijke krachten van het sap waarmee ze hun schichten en andere wapens bestreken en waarvan al degenen die er mee geschoten of gekwetst werden moesten sterven; want de Wolfswortel zijn voor de mensen en viervoetige dieren een hevig dodelijk vergif. Al degenen die de wortels, kruid, bladen of bloemen inwendig gebruiken lopen gevaar daar aanstonds van te sterven. Men moet een grote lust voor de bloemen hebben om zulke gevaarlijke en vergiftige plant in de bloemtuinen te kweken alwaar mensen en onnozele kinderen verkeren terwijl de reuk der bloemen alleen al voldoende is om een geheel huisgezin te doen treuren, gelijk het meermaals is geschied aan jeugdige kinderen die uit genegenheid die mooie bloemen aanranden zonder de krachten der vergiftige delen te kennen, daaraan ruiken of in de mond nemen en aanstonds daarvan in bezwijming zijn gevallen. De wortels bezitten nog een spoediger vergif dan de bloemen; men heeft sedert menigvuldige jaren veel droevige voorvallen in de dagbladen bemerkt, van geheel huishoudens die door het misgrijpen en eten van deze wortels schielijk dood zijn gevallen. De doctor Roques te Parijs in zijn verhandeling over de planten geeft te kennen dat in Frankrijk een grote menigte mensen door die Wolfswortel vergeven zijn; hij schrijft ook van veel droevige gevallen die in Engeland zijn gebeurd en beveelt derhalve een iedereen zulke vergiftige plant uit de bloemtuinen te verwerpen: men moet dientengevolge met schrik bevangen wezen wanneer men die plant alhier te lande zoveel in de bloemhoven ziet groeien bij mensen die geen gedachte van zijn vergiftige kracht hebben. De wijd vermaarde leraar Orfila heeft met de Wolfswortels verscheidene proeven op de honden gedaan en hij schrijft dat hij nooit zulk spoedig en geweldig vergift heeft bemerkt waarvan de uitwerksels zo krachtig zijn en het leven zo schielijk benemen dat er geen tijd genoeg bestaat om tegenvergift te kunnen gebruiken. Volgens de beschrijving heeft men in de tijd te Praag in Bohemen op bevel van Keizer Ferdinand I, broeder van Keizer Karel, op de veroordeelden ter dood ook met die Wolfswortels proeven gedaan die geen twijfel over hun vergiftige krachten en spoedige uitwerksels hebben nagelaten. Het schijnt dat die vergiftige plant bij de oude volkeren zodanig was bekend dat ze het woord Aconitum in plaats van vergift gebruikten. De doctor Pallas, te Rijsel, schrijft ook van een geheel huisgezin te Hallewijn, bij Menen, dat met de Wolfswortels op jenever te laten weken en daarvan 's avonds een glaasje te drinken vergeven is, waaraan, zegt hij, geen tegenvergift heeft kunnen helpen. Dezelfde droevige voorvallen hebben te Sint Laureins, in Oost-Vlaanderen, over drie jaren plaats gehad alwaar twee mensen van de Wolfswortels op jenever geweekt hadden gedronken en aanstonds overleden zijn. M de hoogleraar M., kunstscheider bij de Hogeschool te Gent, heeft mij ook gezegd dat de droevige voorvallen welke te Wondelgem op de 4 april 184 5zyn gebeurd toe te schrijven zijn aan Wolfswortels die in jenever waren geweekt en dat die drie ongelukkige mensen, waarvan de dagbladen melding hebben gemaakt, vergeven zijn met dit sap te drinken.
De geschakeerde Wolfswortel (Aconitum variegatum) is waarschijnlijk een medesoort van de voormelden; het bloeit alhier meest in augustus met blauwe en wit geschakeerde bloembladen die zeer lieflijk de bloemtuinen versieren en waarvan men door het zaad nog een medesoort heeft verkregen die met blauwe amethist of porseleinkleurige bloemen in juli bloeit.
De Wolfswortel met grote bloemen (Aconitum cammarum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Styrië die alhier in de kruidhoven wordt gekweekt; bloeit van juli tot in september ,met blauwe roodachtige bloemen die vijf stampertjes hebben.
De Wolvendood-Wolfswortel (Aconitum lycoctonum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten; groeit met stengels en handvormige wollige bladen die bijna altijd glad zijn; bloeit meest in juli met gele bloemen waaruit men door het zaad medesoorten met hoog gele bloemen heeft bekomen. Deze Wolfsdood wortels die voor mensen, tamme en wilde dieren zeer dodelijk zijn worden van de inwoners der Alpen gebergten en elders door de wolvenjagers in het rauwe vlees gestoken en de wolven voor geworpen en als ze en andere wilde dieren daarvan eten sterven ze terstond.
De Wolfswortel (Aconitum anthora van Linnaeus) groeit in de Pyreneeën gebergten.
De Wolfswortel (Aconitum ochroleucum van Willdenow) is van Siberië en de Aconitum uncinatum is van Noord-Amerika; ze worden alhier in de bloemtuinen geplant.
Al deze Wolfswortels, die min of meer vergift inhouden, worden door het zaad en wortelscheiding vermenigvuldigd.
WOLLEGRAS, Mattengras, in ’t Frans Linaigrette, in ‘t Latijn Eriophorum, door Tournefort Linagrostis genoemd is door is door Jussieu onder de familie van de Boterbloemplanten gesteld en onder de 3de o klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en maar een stampertje hebben.
De Wollegrasplant met een aar (Eriophorum vaginatum van Linnaeus) is een langlevende grasplant die in België en elders in de vochtige, onvruchtbare moerassen groeit, met ronde strohalm stelen die in scheden steken; bloeit met aren en overeen liggende, oneffen stro kaf blaadjes die zaadjes met wol bekroond voortbrengen.
Het Wollegras met vlakke bladen (Eriophorum polystachion) groeit in België in de turf moerassen en poelen, met stro halmstelen en snijdende bladen; bloeit met verscheidene aren op de stelen.
Het dun Wollegras (Eriophorum gracile van Linnaeus) groeit alhier ook in de vochtige moerassen met dunne driehoekige stro stelen en veel aren die met zijdeachtige wol bedekt zijn.
Deze planten die een zure smaak bezitten worden van de kruid etende dieren weinig gezocht, maar in vele landen verzameld en gedroogd om matten, kabasjes en veel ander sieraad- werken mee te vlechten die zeer lang durend zijn.
WONDKRUID, Wondmiddelkruid, ,in ’t Frans Vulnéraire, in ’t Latijn Anthyllis, door Tournefort Vulneraria, Barba Jovis, Frinacea, Ebenus genoemd en onder zijn 10de klasse der vlindervormige of peulvruchtdragende planten gesteld; door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederge wiens helmdraden zijn samen gegroeid, met tien meeldraadjes, die ook met hun helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen samen bloeien.
Het Winkel-Wondkruid (Anthyllis vulneraria van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België in de bergen en bossen groeit met wollige stengels, gevleugelde bladen, oneffen zaadvliesjes en tweevoudige gele bloemen op de toppen met gebuikte bloemkelken die in juni bloeien en peulvruchten voortbrengen.
Het Wondkruid of Jupitersbaard (Anthyllis barba-jovis van Linnaeus) is een houtachtige kruidplant van Italië die in België in de kruidhoven wordt geplant ‘en ’s winters in de planthuizen bevrijd; groeit met gevleugelde en wollige bladen en houtachtige stengel met witte zijdeachtige bladen; bloeit meest in mei met bloemtrosjes op de toppen en mooie kleine gele bloempjes.
Men kweekt nog de Anthyllis hermanniae van Azië en de Anthyllis erinacea (Erinaceae anthyllis) van Spanje die bloeien met bloemen welke op de Geitenklavers wel gelijken.
De Anthyllis montana is een langlevende kruidplant die veel in Zuid-Frankrijk, Zwitserland en elders groeit alwaar de Anthyllis tetraphylla (Tripodion tetraphyllum) ook wordt gevonden en de Anthyllis heterophylla (Anthyllis vulneraria subsp. vulneraria) van Linnaeus insgelijks veel groeit.
Deze kruidplanten worden, terwijl ze bloeien, van de inwoners der Alpen gebergten geplukt en droog met papier omwonden om naar vreemde landen bij de apothekers en kruidmengers te verzenden om in verscheidene ziekten als verkoeldrank te gebruiken die onder de naam van Zwitserse Valdrank is bekend; maar die kruiden, zegt de doctor Richard, worden dikwijls in veel wondziekten gebruikt waaraan ze geheel tegenstrijdig zijn omdat de kruid verkoper van de Alpen gebergten die vervalsen en met wilde Oregon (Origanum vulgaris), Katoenkruid (Gnaphalium), wilde Tijm, gulden Roedekruid, Duizendbladen, Hoefbladen, riekende Kliskruid en Haagappel-kruid (Arbutus uva-ursi) vermengen die allen in de verkoeldranken genomen te aanhitsend en nadelig voor de wonden zijn.
Het Wondkruid dat alhier om zijn mooie bloemen wordt gekweekt kan door het rijpe zaad, inleggers en uitlopers in de matige serres worden vermenigvuldigd.
WORMKRUID, Zeeverzaad, (meest voor een Artemisia soort) Cipreskruid, in ’t Frans Santoline, Petit Cyprès, in ’t Latijn Santolina, is onder de 12de klasse, 4de sectie van Tournefort gesteld, der pijpbloem planten; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmige met vijf meeldraden onderlinge met hun helmknopjes te samen gegroeid, gelijk de Lavendelbloemen.
Het Wormkruid (Santolina chamaecyparissus van Linnaeus) is een langlevend klein houtachtig boomgewas van Zuid-Europa dat in Italië en elders in de warme landen natuerlyk groeit maar alhier ‘’s winters in de planthuizen moet bevrijd zijn; groeit zeer vertakt omtrent I meter hoog met altijd groen blijvende fijn getande blaadjes bloeit meest in augustus met bloemtrosjes op de toppen van iedere bloemsteel en witte bloempjes die op de vruchtbodem geel in het midden zijn.
Het Zee-Wormkruid (Santolina maritima van Willdenow of Athanasia maritima van Linnaeus), is een langlevende kruidplant van Zuid-Europa,die alhier in de kruidhoven wordt geplant en groeit met stengels omtrent 60 centimeters hoog met fijne groene, lansvormige, kleine, doorzichtige blaadjes; bloeit meest in augustus met witte bloemstralen en gele bloempjes op den vruchtbodem gehecht die op de Reinvaarn gelijken.
Het Wormkruid met Rozemarijn bladen (Santolina rosmarinifolia van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van Europa. Deze drie soorten kunnen zeer moeilijk onze koude winters weerstaan en moeten derhalve in de planthuizen worden bevrijd. Het zaad en de jonge takjes van die planten bewijzen genoeg door hun bitteren smaak en ster kriekende geur dat e y een worm verdrijvend middel inhouden; het beste Zeeverzaad, dat bij de apothekers wordt verkocht komt voort van de Santolina chamaecyparissus die ook lage Cipres wordt geheten. Dit zaad met wijn of spijzen ingenomen is zeer krachtig om de wormen van de buik te doden en af te drijven; het wordt meest met honing of witte zoete wijn bereid om alzo de mensen en kinderen in te geven. Het Cipreskruid wordt door afzetsels en inleggers op lauwe broeibakken vermenigvuldigd en het Zee-Wormkruid kan door struikscheiding voort gekweekt worden.
WIJNPALM, Wijnpalmboom, in ’t Frans Borassus in het Latijn Borassus, is onder de familie van den Dadelboom gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia hexandria, tweehuizige-zesmannnige, planten die zes meeldraadjes en bloemen van het mannetjes- en wijfjes geslacht, afzonderlijk op twee stengels, gelijk de Dadelboom dragen.
De Wynpalmboom die met bladen op de wijze van een waaier groeit (Borassus flabellifer van Linnaeus) is een langlevend houtachtig boomgewas van Oost-Indiën dat alhier in de warme serres wordt gekweekt en groeit met schilferachtige stam omtrent 3 meters hoog en waaiervormige bladen waartussen aan de takken in juliwitachtige bloemen bloeien die vruchten op de wijze van de Dadelboom voortbrengen. De vruchten worden in de Indiën met de spijzen gegeten; ook met suiker opgelegd zijn ze als verzachtend borstmiddel aanbevolen, en hebben een samentrekkende kracht. Derhalve worden ze in de Indiën ook gedroogd en als stoppend middel gebruikt; maar versch. en rijp gebruikt zijn ze moeilijk om te verteren.
De Wijnpalmboom kan alhier door uitlopers en door het zaad worden vermenigvuldigd, maar moet altijd in de warme serres verblijven en toch brengt het moeilijk rijpe vruchten voort.
XIMENESIA, in ’t Frans Ximenesia, in ‘t Latijn Ximenesia, is door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten gesteld en de 19de klasse van Linnaeus, Sngenesia polygamia superflua, samenhelmige 2de orde, planten die met tweeslachtige bloempjes op de schijf of vruchtbodem samen bloeien met vijf meeldraadjes onderling met hun helmknopjes samengegroeid.
De Ximenesia encelioides (Verbesina encelioides) van Cavanilles is een eenjarige kruidplant van Mexico die alhier vroeg in het voorjaar in de planthuizen wordt gezaaid om verder met dolk in de bloemtuinen te verplanten; bloeit meest van juli tot in september, volgens dat die plant vroeg in d e lente gezaaid wordt , met roodachtige bloemen op de vruchtbodem en zeer lieflijke bloemstralen die soms door het zaaien van kleur verschillen.
Deze mooie bloemplant, waarvan ik de krachten niet ken, is enkel sedert enige jaren van Amerika alhier overgevoerd en wordt in de Kruidhof der Hogeschool gezaaid.
XIMENIA, in ’t Frans Ximenia, in ‘t Latijn Ximenia, is door Jussieu onder de familie van de Oranjebomen gesteld en onder de 8ste klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Ximenia americana van Linnaeus is een langlevend klein boomgewas van Amerika met mooie langwerpige groene bladen zeer lommerrijk versierd; bloeit meest in juni met wollige bloemkelken en vier gerolde bloembladen en brengt vruchten als nootjes met veel kerntjes voort welke een bitterachtige smaak bezitten.
Dit lieflijk houtgewas wat in het land van zijn afkomst tamelijk hoog groeit wordt om zijn mooie welriekende bloemen die een aangename geur verspreiden veel in Zuid-Frankrijk en andere warme landen als versiering in de lusttuinen en Engelse hoven geplant en door inleggers en uitlopers voort gekweekt; maar kan alhier in België zeer moeilijk onze koude winters weerstaan en moet in de planthuizen bevrijd zijn of met stro of dorre bladen bedekt worden.
IJZERHOUT, in ’t Frans Argan, Bois de Fer, in 't Latijn Sideroxylon, is door Jussieu onder de familie van den Breiappel- boom gesteld en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, bomen die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De IJzerhoutbomen groeien meest in de Oost- en West-Indiën, Afrika en andere warme landen alwaar de volgende soorten zich bevinden; De IJzerhout boom die op de Boksdoorn gelijkt (Sideroxylon lycioides van Linnaeus), is een langlevend boomgewas van Canada ,dat in het land van zijn afkomst tamelijk hoog en dik groeit, met scherpe doorns op de takken verspreid en zwakke, lansvormige bladen; bloeit meest in mei met tien bloemblaadjes in de kransen die enkel getekend zijn en brengt bessen met vijf kerntjes gevuld voort. Het hout van deze boom wordt om zijn natuurlijke harde eigenschap en mooie zwartachtig kleur veel gebruikt om stokken, staven, roeden en alle slag van sieraad werken mee te maken. Men begint deze bomen ook sedert enige jaren in Italië, Spanje en andere warme landen van Europa te planten; ze worden door uitlopers, afzetsels, inleggers en door het kernzaad voort gekweekt, maar kunnen alhier te lande onze winterse koude niet weerstaan.
De zwartachtige IJzerhoutboom (Sideroxylon melanophleum van Linnaeus)(Myrsine melanophloeos) is een boomgewas van de Kaap dat alhier in de matige serres wordt gekweekt en heestervormig groei met altijd groen blijvende, lansvormige bladen die zeer lommerrijk versieren en hoekige stelen waarop in mei de bloemen bloeien die op deze van de voor vermelde gelijken.
De IJzerhoutboom zonder doorns (Sideroxylon inerme van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Ethiopië dat met altijd groen blijvende, eironde bladen groeit.
De IJzerhoutboom met doorns (Sideroxylon spinosum)groeit meest in Malabar. Deze beide boomgewassen worden door sommige liefhebbers in de matige serres gekweekt.
IJZERKRUID, IJzerhard,, in ’t Frans Verveine, in ‘t Latijn Verbena, is onder de 4de klasse, 3de sectie der lipvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kuisboom en onder de 2de klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Voor deze waren hier te landen maar twee soorten van IJzerkruid bekend, maar men heeft byijonze bloemisten zeer veel nieuwe soorten van Amerika verkregen waarvan de volgende om hun lieflijke bloemen alhier worden gekweekt.
Het gestrekt IJzerkruid (Verbena stricta van Ventenat) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die met vertakte stengels en steelloze blaadjes omtrent 30 centimeters hoog groeit en bloeit van juni tot in augustus met aren op de toppen der bloemstelen en zeer lieflijke blauwachtige, violette bloemen die een aangename reuk inhouden welke de hersens verheugt.
Het IJzerkruid met drie bladen (Verbena triphylla van L' Héritier) (Aloysia triphylla) is een langlevend heester-houtgewas van Chili, in Amerika, dat alhier omtrent 1 meter hoog groeit en waarvan de gekneusde bladen die sommige mensen als Thee gebruiken een sterke citroengeur verspreiden; bloeit meest in juli met trosjes op de toppen en veel kleine witte bloempjes die een zeer welriekende geur inhouden.
Het IJzerkruid met netelachtige bladen (Verbena urticifolia van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die bijna geheel de zomer met trosjes bloeit en met rode, violette en witte bloempjes die zeer welriekend zijn.
Het IJzerkruid (Verbena melindres van Amerika) bloeit lange tijd in de zomer met mooie levendige, hoog rode, zeer welriekende bloemen.
Men kan bij onze bloemkwekers de volgende soorten bekomen die meest allen uit het zaad zijn gewonnen: (Meest allen cv.’ s) de Verbena Alexandria, Verbena Alphonso,- Verbena amabilis,- Verbena Anna, Verbena – antwerpiensis, Verbena grandiflora, Verbena superba, Verbena Barnesii, Verbena Burleyana, Verbena leyana, Verbena Chandlerii, Verbena Davisonii, Verbena delicata, Verbena Edmondii, Verbena Fergussonii, Verbena Groomii, Verbena Hylandsii, Verbena Ingramii, Verbena insignis, Verbena King, Verbena Knightii, Verbena lactea, Verbena londoniensis, Verbena mirablis, Verbena Mortlocks superba, Verbena Nelsonii, Verbena Nevenii coerulea, Verbena odoratissima, Verbena picta nova, Verbena Prince Royal, Verbena Queen, Verbena roseaelegans, Verbena Reibii, Verbena sanguinea, Verbena Smithii, Verbena speciosa, Verbena superba lilac, Verbena purpurea, Verbena – triumphans, Verbena,- tuberosa (is onlangs alhier van Chili door Mr L. Van Houtte te Gent/Brugge overgevoerd); Verbena Van Geertii, Verbena variegata, Verbena vesta met zeer veel andere die hier allen in de planthuizen gekweekt en door het zaad, inleggers en afzetsels op lauwe broeibakken onder het glas vermenigvuldigd kunnen worden, maar moeten in de lente en bij droge seizoenen veel water hebben .
Het officinale IJzerkruid (Verbena officinalis van Linnaeus) is een tweejarige kruidplant van Europa die in België op steenachtige droge plaatsen groeit met getande bladen en eenzame vertakte stengel die dikwijls bij de aarde ligt; bloeit meest in juli met trosjes, draadvormige aren en zeer veel rode witachtige bloempjes die vier meeldraadjes in de kransjes hebben en een zeer lieflijke geur inhouden. Dit officinale IJzerkruid heeft een verdrogende kracht, waarbij ook een matig verkoelende en samentrekkende eigenschap gevoegd is; in het water gezoden en gedronken kan het de koliek en krimping van den buik verdrijven en de steen van de nieren en blaas afdrijven: dit kruid, zegt Dodonaeus, in de wijn gezonden en gedronken is zeer goed voor de inwendige gebreken der lichaam en opent de verstopping van de lever, nieren en longen. Er wordt ook een welriekend water uit de bloemen van het IJzerkruid gedistilleerd en met rozenwater vermengd om de pijn van het hoofd te stelpen en de duisterheid der ogen te verhelderen. Het IJzerkruid dat in Amerika groeit wordt van de Indianen zeer geacht en veel als hulpmiddel gebruikt.
ZAAGKRUID, Paardsijzer, in ’t Frans Biserrule in ‘t Latijn Biserrula, door Tournefort Pelecinus genoemd en onder zijn 10de klasse, 5de sectie der vlindervormige planten gesteld; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht dragende planten en onder de 17de klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederige, planten die met hun helmdraden tot twee afzonderlijke lichamen samen bloeien en tien meeldraadjes hebben. Het Zaagkruid (Biserrula pelecinus van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Zuid-Frankrijk die veel in Italië, Spanje en elders groeit alwaar het alle jaren in de velden en weiden op de wijze van de Hanenkoppen wordt gezaaid om groen en droog aan de kruid etende dieren te geven; het groeit met dunne, zwakke verspreide stengels en tere bladen die op de Hanenkop (Hedysarum) gelijken, maar kleiner van gedaante zijn; bloeit meest in juni met bleke roodachtige bloemen die op de Tragant of Astragalus enigszins gelijken en langs de stelen groeien waarna langwerpige peulvruchten volgen die krom en platachtig zijn en aan de ene zijde ettelijke diepe randen en gekerfde verdelingen hebben die bijna rond zijn en op kleine hoefijzers gelijken; ze werden derhalve door de oude Kruidbeschrijvers in ‘t Latijn Ferrum equum geheten dat in onze taal Paardenijzer betekent. Dit kruidgewas heeft in al zijne delen de krachten van het Belletjeskruid of Hanenkop en wordt meest om de kruid etende dieren te voeden in de velden op de wijze van de Vitsen gezaaid.
ZAGGE, Zegge, Water-Ruiterskruid, in ’t Frans Laiche, in ’t Latijn Carex, door Tournefort Cyperoides genoemd en onder zijn 15de klasse, 5de sectie gesteld der bloemblad loze planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de Boterbloemen en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Monoecia triandria, eenhuizige-driemannige, planten die met drie meeldraadjes bloeien.
Men telt in Linnaeus rangschikking 45 soorten in 6 klassen verdeeld die allen meest in Europa groeien:
1o De Zegge met een enkel aartje (Carex pulicaris van Linnaeus) een langlevende grasplant die in België in de vochtige moerassen grachten groeit en met mannetjes- en wijfjes bloemen bloeit.
2o Zeggen met enkele aartjes die van boven mannetjes- en wijfjes bloemen met twee stempels dragen; de Zand Zegge (Carex arenaria) die op zandachtige plaatsen en lopende waters groeit.
De Moeras-Zegge (Carex vulpina) die in de waterpoelen groeit en geelachtig bloeit. De ruwe stekende Zegge (Carex muricata) groeit in de vochtige moerassen. De Carex divulsa van Willdenow groeit in de vochtige bossen. De Zegge die met bloemtrosjes bloeit (Carex paniculata van Linnaeus) groeit in de moerassen en staande waters en bloeit met bijna geschulpte aren die bruine en witachtige baarden hebben.
3o Zeggen met wijfjes bloemen met drie stempels van boven: de Carex cyperoides (Carex bohemica) groeit in de grachten en poelen. De gele Zegge (Carex flava van Linnaeus)groeit in de vochtige moerassen en bloeit met ronde, steelloze, gesloten aren; de mannetjes bloemen zijn lijnvormig en dragen scherpe zaadhuisjes. De lange Zegge (Carex elongata) groei in de bossen en bloeit met 10 tot12 ronde aren bijeen gevoegd. De Berg-Zegge (Carex montana van Linnaeus) groeit op de bergen en bossen met blote stelen en steelloze wijfjes aren; de mannetjes dragen wollige zaadhuisjes. De draadvormige Zegge (Carex filiformis)(Carex tomentosa) groeit meest in de moerassen en bloeit met langwerpige aren.
4 °Zeggen met verscheidene eenslachtige aren en twee stempels; de zwakke Zegge (Carex gracilis) (Carex acuta) groei in de moerassen en bloeit met 2 of 3 mannetjes aren en 3 of 4 wijfjes aren en scherpe schelpjes op de topjes der ronde stelen. De dunne Venushaar-Zegge (Carex capillaris) groeit in de vochtige moerassen; de mannetjes bloeien met rechte aren en de wijfjes hebben langwerpige hangende aren. De Carex pseudocyperus van Linnaeus groeit in de grachten met ruwe driekantige strooien stengels en bloeit met hangende aren die rond en tweeslachtig zijn. De Carex distans groeit in de moerassen.
5° Zeggen met eenslachtige wollige aren: De vroegtijdige Zegge (Carex praecox van Willdenow) groeit in de heide en droge bossen en bloeit met twee of drie lange wijfjes aren die bijna steelloos zijn; de vruchten zyn gehaard en driehoekig rond. De Pillen-Zegge (Carex pilulifera van Linnaeus) groeit in de bossen en bloeit met twee of drie wijfjes aren, rondachtig ineen gedrongen. De Heide-Zegge (Carex ericetorum) groeit ook in de heide met ronde ineen gesloten wijfjes aren en korte schelpjes. De lage Zegge (Carex humilis) groeit met ronde stengels die veel korter dan de bladen zijn en bloeit met twee aren en drie of vier verspreide bloempjes; de vruchtbodem is wit met bruine ribben versierd. De bruine Zegge (Carex spadicea) (Carex frigida) bloeit met drie wijfjes aren op de stelen die draadvormig en langwerpig gepunt zijn.
6 °Zeggen met twee of verscheidene mannetjes aren: De Zaad- Zegge (Carex lithosperma) (Scleria lithosperma) bloeit met trosvormige aren. De Carex glauca bloeit met twee of drie ronde hangende wijfjes aren met gepunte schelpjes. De harige Zegge( Carex hirta) bloeit met verscheidene mannetjes- en drie wijfjes aren op de stelen die langwerpig en tweepuntig zijn.
Al de Zegge planten bezitten een zuur wringende smaak die aan de koeien, schapen, paarden en andere kruid etende dieren zeer nadelig schijnt; sommige n van die planten worden gebruikt om matten en veel andere fraaie werken van te vlechten.
ZANDKRUID, Zandplant, in het Frans Sabline, Arénaire, in het Latijn Arenaria, door Tournefort Alsine genoemd en onder zijn 6de klasse, 2de sectie der roosachtige bloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Anjers en onder de 10de klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, planten die met tien meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben. Het Balearen Zandkruid (Arenaria balearica) is een langlevende kruidplant van het eiland Mahon die veel in Italië, Spanje en elders groeit en alhier in de bloemtuinen rond de perken in de lente wordt geplant; bloeit van mei tot in juni met zeer lieflijke witte bloemen die de boorden der bloemhoven versieren. Deze plant moet hier ’s winters in de oranjehuizen bevrijd worden.
Het Zandkruid met grote bloemen (Arenaria grandiflora)van de Balearen eilanden, schijnt een medesoort van de voormelde te zijn en bloeit met mooie grote witte bloemen; het kan door het zaad en wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd worden.
De Zandkruiden die op veel plaatsen in België groeien, zijn de volgende:
De Arenaria laricifolia van Linnaeus, een langlevende kruidplant die veel in de gebergten en droge velden omtrent Oudenaarde, Doornik en elders groeit met vertakte stengels en blaadjes die op de Lorkenboom-bladen gelijken; bloeit meest in juni met witte bloempjes en harige bloemkelken die vijf bloembladen hebben en zaadhuisjes met veel zaadjes voortbrengen.
Het Zandkruid met Jeneverboom-bladen (Arenaria juniperina) een langlevend kruid dat in de vochtige velden groeit heeft ook witte bloemen met vijf bloembladen in de kelken; bloeit in juli.
Het Zandkruid met lansvormige bladen (Arenaria lanceolata van Willdenow) groeit in de droge velden en bergen omtrent Namen, Luik en elders alwaar de Arenaria saxatilis van Linnaeus ook veel wordt gevonden.
De volgende Zandkruiden die allen maar eenjarige zaaiplanten zijn worden ook in België gevonden:
Het drie ribben Zandkruid (Arenaria trinervia van Linnaeus)die in Vlaanderen in de droge bossen groeit met geribde bladstelen en eironde, gevlekte bladen; bloeit meest in juli met eenzame witte bloemen.
Het Zandkruid met tijmvormige bladen (Arenaria serpyllifolia) groeit veel in Henegouwen, Vlaanderen en elders in de velden op zandachtige plaatsen met bijna eironde blaadjes die steelloos en scherp zijn; bloeit met witte bloempjes waarvan de bloemkransjes korter dan de kelkjes zijn.
Het rood Zandkruid (Arenaria rubra van Linnaeus) groeit veel ten alle kanten in de heide van de Kempen en elders met draadvormige blaadjes en steelschubbige vliesjes die in scheden steken; de Arenaria tenuifolia en Arenaria ciliata worden aldaar ook veel gevonden.
Het Zandkruid dat op het Hoornkruid gelijkt (Arenaria cerastioides) groeit veel omstreeks Doornik aan de berg van de H. Drievuldigheid met lange ronde stengels en korte, scherpe, gladde bladen die hoornachtig zijn geschikt; bloeit meest in juli met witte bloemblaadjes die korter dan de bloemkelken zijn; de stengels zijn gewoonlijk maar met twee bloemen versierd.
Al deze Zandplanten, waarvan sommige in de bloemtuinen worden gekweekt, bezitten volgens de oude en nieuwe Kruidbeschrijvers de krachten van de Hertshoorn-planten en worden op dezelfde wijze in de medicijnen gebruikt.
ZANTHOXYLUM, Tandpijn-boom, Hercules-knots, in het Frans Clavalier, Arbre du mal de Dent, in ’t Latijn Zanthoxylum, Clava Herculis, is door Jussieu onder de familie van de Terpentijnboom gesteld en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizige die met vijf meeldraadjes bloemen.
De Zanthoxylum met Essen boomvormige bladen (Zanthoxylum fraxinifolium van Willdenow)(Zanthoxylum americanum) is een langlevend boomgewas van Noord-Amerika, dat in België, Engeland en elders in de lusthoven wordt geplant en groeit met vertakte stam omtrent 4 meters hoog met scherp stekende verspreide korte doorns en met purperachtige bladen zeer lommerrijk versierd; bloeit alhier meest in april met bloemen die weinig zichtbaar zijn, maar zwart blinkend zaad voortbrengen dat een mooie onderscheiding is op de purperen schelpen, wanneer die bijna open zijn maakt.
Dit lieflijk boomgewas dat tot versiering in de Engelse hoven wordt geplant wil in alle gronden zeer goed aarden en kan op half belommerde plaatsen worden gezaaid en door inleggers voort gekweekt zijn; het schikt zich zeer goed om op veel andere bomen te enten.
ZEEAJUIN , in 't Frans Scille, in 't Latijn Scilla, door Tournefort Ornithogalum, Lilio hyacinthus genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Affodil gesteld en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt verscheidene soorten van Zee ajuin die allen in de bloemtuinen worden geplant.
De tweebladige Zee ajuin (Scilla bifolia van Linnaeus) is een langlevende kleine bloembolplant van Frankrijk die in het zuiden van België in sommige bossen groeit met lijnvormige bladen en korte stengels; bloeit alhier meest in april met aren op de toppen en zeer lieflijke blauwe bloempjes waarvan men enige medesoorten door het zaad heeft bekomen die witte en rooskleurige bloempjes dragen.
De bevallige Zee ajuin (Scilla amoena van Oost-Indiën) groeit met bultige, groenachtige gele bloembollen, zeer lange groene bladen en hoekige schachten die omtrent 25 centimeters hoog groeien; bloeit meest in mei met lange stervormige bloemen in zes verdeeld die een zeer bevallig hemelsblauw kleur hebben.
De Zee ajuin met kroonvormig geschikte bloemen (Scilla umbellata) (Scilla verna) van Zuid-Europa groeit met kleine bloembolletjes en lijnvormige bladen met korte stengels; bloeit alhier in mei kroonvormige met vijf of zes zeer lieflijke blauwe stervormige bloempjes.
De Italiaanse Zee ajuin (Scilla italica) (Hyacinthoides italica) groeit met holle rechte bladen en stengels van omtrent 16 of 18 centimeters hoog; bloeit in mei met aren en zeer bevallige blauwe bloempjes die een aangename geur inhouden.
De Zee ajuin van Peru (Scilla peruviana van Linnaeus) groeit met tamelijk grote bloembollen, lange brede bladen aan de wortels en blote stengels die omtrent 25 centimeters hoog groeien; bloeit in mei met bloemtrosjes en veel mooie blauwe bloemen.
De Zee ajuin met klokvormige bloemen (Scilla campanulata) (Hyacinthoides hispanica) is een langlevende bloembolplant van Spanje die met holle, langwerpige bladen van omtrent 25 centimeters lang groeit; bloeit in juni met hangende trosjes op de stengels en blauwe violette bloemen. Deze planten en de volgende moeten ’s winters in de planthuizen bevrijd worden.
De Zee ajuin (Scilla maritima van Linnaeus)9Drimia maritima of Urginea maritima) is een langlevende bloembolplant van Zuid-Europa die met langwerpige holle bladen en schachten van omtrent 80 centimeters hoog groeit; bloeit alhier in augustus met aren en zeer veel kleine, rode, mooie bloempjes.
Al deze Zee ajuin-planten begeren een lichten zandachtige grond, kunnen in de herfst gezaaid en alle twee of drie jaren door de spruiten van de bloembollen gescheiden en met de herfst vermenigvuldigd worden. De mooie bevallige Scilla amoena werd van Constantinopel in ’t jaar 1590 in België over gevoerd. De bloembollen van de Zee ajuin zijn warm en droog tot in de derde graad, scherp en sterk van smaak; gebraden en met honing of olie ingenomen, zegt Lobel, doden ze en jagen af de lange en brede wormen en maken de buik wee. Honing van Zee ajuin (Oxymel sciliticum) geneest de verstoptheid en de gezwellen van de milt, belet alle verrotting in ’t lichaam, bewaart de gezondheid, maar maakt de mens mager. Het gedistilleerd water van de Zee ajuin kan de muizen doden; de bloembollen gestoten en met zijn en broodvermengd en op de fijt gelegd doen die zacht genezen.
ZEEDOORN, in ’t Frans Argousier, Epine marine, in ‘t Latijn Hippophae door Tournefort Rhamnoides bijgevoegd, door Jussieu onder de familie van de witte Jujube gestel en onder de 22ste klasse van Linnaeus, Dioecia tetrandria, tweehuizige, planten met bloemen van het mannetjes en wijfjes geslacht die met vier stampertjes bloeien.
De Duindoorn (Hippophae rhamnoides van Linnaeus)is een langlevende heester-houtgewas van Europa dat in België op veel plaatsen in de bossen groeit en omtrent 2 meters hoog met gebogen takken doornen tussen de bladen verspreid en lansvormige, witachtige bladen, van onder en boven roestachtig gevlekt; bloeit alhier meest in mei met witachtige bloemen die weinig glans hebben en zwarte bessen voortbrengen.
De Canadese Duindoorn (Hippophae canadensis van Linnaeus) (Shepherdia canadensis?) is een langlevend heestergewas van Canada dat in België en elders in de lusthoven wordt geplant en groeit zonder dorens met vertakte scheuten door roestachtig dons bedekt en eironde bladen die van boven groen en van onder witachtig zijn; bloeit meest in mei met witte bloemen, die zwartachtige bessen voortbrengen.
Deze twee gewassen kunnen door het kernzaad der bessen, inleggers en uitlopers voort gekweekt worden en willen in lichte grond zeer goed aarden
De bladen van de Duindoorn hebben een droge en verterende krach ,en werden voor dezen gebruikt om het wild vuur en de roos te genezen; deze bladen klein gestoten en pleistervormig op de zeren gelegd zijn zeer dienstig om de voort etende zweren te zuiveren.
ZEEGRAS, Wier, in ’t Frans Ulve, Algue, in ’t Latijn Ulva, van Tournefort Fucus genoemd en onder zijn 17de klasse,2de
sectie gesteld der planten die noch bloemen noch vruchten dragen; door Jussieu onder de familie van het Zeewier en onder de 24ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia algae, planten wier bloemen niet zichtbaar en duidelijk zijn en de vruchtbeginsels op de vliesjes door zichtbaar wezen.
Het Pauwenstaart-Zeegras (Ulva pavonia)groeit diep in de zee, zeer lang met effen niervormige, gegroefde, steelloze bladen die kruiselings over elkaar liggen.
Het kroonvormig geschikte Zeegras (Ulva umbilicalis van Linnaeus) (Porphyra umbilicalis) groeit in de zee met effen, kringvormige, steelloze en schildvormige taaie bladen.
Het hellende Zeegras (Ulva lumbricalis) (Champia lumbricalis) groeit in het diepste der zee met buisvormige geknoopte stengels.
Het ineengedrongen Zeegras (Ulva compressa van Linnaeus) groeit in de zee met geknobbelde en vertakte stengels. Het geribd Zeegras (Ulva rugosa van Linnaeus)(Splachnidium rugosum) groeit in de zee ,met gebobbelde, vertakte en geribde stengels.
De Ulva latissima (Saccharina latissima) groeit in de West-Indische Zee met langwerpige, effen stengels, fijn gevlamd en groene vliesjes.
Het Sla-Zeegras (Ulva lactuca) groeit in de West-Indische Zee..
De Ulva lanceolata (Ulva linza) groeit in de Oceanen.
Het Labyrint-Zeegras (Ulva labyrinthiformis van Linnaeus) (Spirulina labyrinthiformis) groeit veel in de Middellandse Zee.
De Ulva pruniformis (Nostoc commune) groeit in de meren en staende waters van Zweden.
De Ulva granulata van Linnaeus, (Botrydium granulatum) groeit in de rivieren en stromende waters van België, omtrent Antwerpen in de Schelde met bolvormige stengels die met een groen merg zijn gevuld.
Deze planten in as bereid, bezitten ook een loogzout gelijk het Zoutkruid dat zo krachtig niet schijnt te zijn, maar toch op dezelfde wijze wordt gebruikt.
ZEEHAVER, in ’t Frans Elymedes Sables, in ‘t Latijn Elymus, door Tournefort Gramen genoemd is door Jussieu onder de familie van de grasplanten gesteld en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraadjes bloeien en twee stampertjes hebben.
De Hond-Zeehaver (Elymus caninus van Linnaeus of Triticum saepinum van Lamarck) is een langlevende grasplant van Europa die in België aan de hagen, kanten en moerassen groeit met geknoopte stro stengels, gebogen en geslotene aren en rechte aartjes zonder kraag, met vijf lange gebaarde bloei bloempjes.
De Europese Zeehaver (Elymus europaeus van Linnaeus) (Hordelymus europaeus) groeit in België veel in Henegouwen met rechte aren die van gedaante zeer goed op de Gerst gelijken, maar toch kleiner zijn.
De Zand-Zeehaver (Elymus arenarius van Linnaeus)groeit in België aan de zee duinen en elders op zandachtige plaatsen omtrent Antwerpen; de stro achtige stengels hebben een witachtig kleur; bloeit in juni met aren zonder baarden; de zijdelingse bolsters zijn langer dan de bloeien.
De stekelige Zee haver (Elymus hystrix van Linnaeus) (Leymus arenarius) groeit ook in België omstreeks Ronse en in Henegouwen op zandachtige plaatsen. Deze planten worden in sommige streken ook Moeras haver genoemd omdat ze veel in de droge moerassen, weiden en heide worden gezaaid om groen en droog aan de kruid etende dieren te geven; hoewel die weinig voedsel inhouden worden ze zeer veel van de schapen bij voorkeur opgezocht.
ZEEKOOL, wilde Kool, in ’t Frans Chou marin, in ’t Latijn Crambe, is onder de 5de klasse, 1ste sectie der kruisbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten en onder de 15de klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermachtige, planten die met zes meeldraadjes bloeien waarvan vier lang en twee korter zijn die peulvruchten of hauwtjes voortbrengen.
Men vindt heden de volgende soorten van die Zeekolen die in België, Engeland, Duitsland, Frankrijk, Spanje en elders in ’t wild groeien en ook om hun deugd in de kruidhoven worden gekweekt:
De Tartaarse Zeekool (Crambe tatarica van Willdenow) is een langlevende plant van Hongarije die veel in Rusland en elders groeit, van bladen, stengels en bloemen zeer goed op de Veldkolen gelijkt en alle jaren zeer veel lange peulvruchten voortbrengt die alhier voor Siberische zijn bekend.
De oosterse Zeekool (Crambe orientalis van Linnaeus) groeit met een gladde stam en oneffen bladen en bloeit met witte bloemen.
De Spaanse Zeekool(Crambe hispanica van Linnaeus) is een eenjarige plant die in Spanje, Italië en elders veel aan de zee- duinen groeit met gebobbelde stam en bladen.
De gewone Zeekool (Crambe maritima van Linnaeus) groeit veel aan de westerse zeekanten in Engeland, Frankrijk en elders met gladde stam en bladen die van gedaante een Kool gelijken; het groeit natuurlijk aan de zee alwaar het zichzelf zaait. Men heeft bevonden dat die plant door de zee baren en de wind in het zand verborgen smal op gesproten en hoog gegroeid, en dat de stam en bladen die gewoonlijk hard en taai zijn zacht, sappig en goed voor het eten geworden waren; sedert die tijd kweekt me die planten veel in Engeland , Frankrijk en België,in de moeshoven en het verschaft in februari, maart en april een uitmuntend goed voedende groensel. Men kan de Zeekolen in mei of in augustus in diep bewerkten grond in de moeshoven zaaien hetgeen op de volgende wijze verricht wordt: Men maakt putten op omtrent 35 of 40 centimeters afstand waarin men een handvol mest met drie of 4 zaadjes legt en met aarde bedekt; nadat ze boven de aarde gesproten zijn laat men maar enkel de mooiste planten die men op tijd goed besproeit, n van de teekjes, hondsluizen, aardvlooien en andere insecten bevrijdt en wanneer die planten van bladen veranderen moet men ze met vet besproeien. Men kan deze planten op de wijze van alle Kolen zaaien, verplanten en door afzetsels vermenigvuldigen; van de zaailingen geniet men twee jaren vruchten die een gezond voedsel verschaffen. De bladen op de gezwellen gelegd doen die helen en de ontsteking scheiden.
ZEEPKRUID, in 't Frans Saponaire, in 't Latijn Saponaria, van Tournefort Lychnis (Koekoeksbloem) genoemd; door Jussieu onder de familie van de Anjer bloemplanten gestel ,en onder de 10de klasse van Linnaeus, Decandria digynia planten die met tien meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
Het officinale Zeepkruid (Saponaria officinalis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die op veel plaatsen in België groeit aan de wegen en kanten der droge grachten en bergen en ook veel in de bloemtuinen wordt geplant; groeit met stengels van omtrent 25 centimeters hoog en lansvormige, eironde bladen en bloeit van juli tot in september met bolronde bloemkelken en dubbele bloemen die een roosachtig wit kleur hebben; het heeft veel witachtige, wijd lopende wortel die als penen verspreid zijn.
De wortels en bladen van deze plant in het water gestampt brengen een wit schuim als zeep voort en worden veel in de gebergten van Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië en elders gebruikt om de hemden, lijnwaad en andere kleding stukken mee te wassen; men gebruikte voortijds dit Zeepkruid meer dan heden om het schurft, haarworm, koningszeer en ingekankerde Venus- ziekte te genezen. De wonderbare schikking der Voorzienigheid heeft die plant met vele nuttige delen voor den mens begaafd: de wortels van het Zeepkruid in het water gezoden en met honing gedronken openen de verstoptheid der lever, genezen de geelzucht en verjagen alle kwade vochten door de kamergang; die met Gerstemeel gekookt kunnen dienen om pleisters te maken en op alle slag van vurige gezwellen te leggen. Er wordt ook met het sap van de wortels een zalf met honing gemaakt om de ogen te verhelderen en het gezicht te versterken.
Deze plant wil in alle gronden zeer goed aarden en kan door wortelscheiding en uitlopers voort gekweekt worden.
ZEESALDE, Kali, in ’t Frans Salicorne, in ’t Latijn Salicornia, is door Jussieu onder de familie van de Melde gesteld en onder de 1ste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, eenhelmige, planten die met een meeldraadje bloemen en maar een stampertje hebben.
De kruidachtige Zeesalade (Salicornia herbacea van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa die in België in de poelen en aan oude zee duinen groeit met geknoopte en vertakte stengels omtrent 60 centimeters hoog met twee uitgesnedene bladen aan de stelen verdeeld en samengeperst; bloeit meest in de zomer met gelede aren op de toppen en donkere verenigde bloempjes die maar een meeldraadje hebben.
De Heester-Zeesalade (Salicornia fruticosa van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Europa dat in België, Frankrijk, Engeland en elders langs de zeekanten, maar meest in de warme gewesten en aan de Middellandse Zee groeit met rechte stengels van omtrent 50 centimeters hoog.
De Arabische Zeesalade (Salicornia arabica)groeit meest aan de Arabische Zee.
De Siberische Zeesalade (Salicornia foliata) (Kalidium foliatum) groeit meest in Siberië.
De Russische Zeesalade (Salicornia caspica van Linnaeus) (Kalidium caspicum) groeit veel aan de oevers der Kaspische Zee.
Deze planten worden in sommige landen veel in de kruidhoven gekweekt om tot as te branden en alkalizout van te maken; die as die een hardigheid verkrijgt ,wordt door den handel naar de glazenfabrieken verzonden om aldaar fijn gestampt en gesmolten tot stof te dienen om e glazen, vaten, kroezen en kristal en versierwerken mee te maken; welke as als het heet in den oven gesmolten is een vettigheid geeft die altijd boven drijft, aan het glas een malsheid geeft en koud gewordende hardheid van een steen verkrijgt. Die stof wordt gewoonlijk in de Nederduitse taal Bloem van Kristal en ook Glassmout genoemd.
Het kruid en al de delen van de Zeesalade zijn zeer heet en droog van aar en de as daaruit getrokken is nog veel heter en droger, zelfs tot in de vierde graad, dientengevolge heeft het een brandende kracht; van dit kruid enkel een weinig inwendig genomen kan zeer nadelig en gevaarlijk wezen en vooral voor de bevruchte vrouwen omdat het zeer geweldig de maandstonden verwekt en zowel de dode als levende vrucht kan afjagen; derhalve is het strikt verboden dit kruid inwendig te gebruiken zonder een kundige en ervaren doctor te rade te gaan, ,want het purgeert en zuivert zodanig het lichaam dat een weinig daarvan aan de waterzuchtige mensen voorgeschreven al het water en de slijmen die zich in het lijf bevinden door de kamergang en pis afjaagt.
De as van dit kruid met boomolie vermengd en daarvan zeep gemaakt wordt zeer geacht om de mensen te wassen die met het kwade zeer en schurft zijn besmet en om de brand van het vel te doen verdwijnen. De oude en nieuwe Kruidbeschrijvers komen daarin wel overeen om te zeggen dat men dit kruid nooit veel inwendig mag geven daar het kan dodelijk aan het lichaam wezen ; Orfila heeft het ook onder de verhittende planten gesteld die het mensdom hinderen.
ZEEVENKEL, in ’t Frans Christe marine, in ’t Latijn Crithmum, is onder de 7de klasse, 4de sectie der schermdragende bloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de zonnescherm dragende bloemplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia umbellata, planten die met vijf meeldraadjes bloeien, twee stampertjes hebben en kroonvormig geschikte bloemen dragen.
De gewone Zeevenkel (Crithmum maritimum van Linnaeus) is een langlevende kruidplan van Europa die in België omtrent Antwerpen en aan de kanten der Schelde groeit met een vertakte stam omtrent 40 centimeters hoog, met bladstelen en vette, dikke, lansvormige bladen in kleine deeltjes gesneden die lang en smaller dan die van de Porselein zijn; bloeit meest in juli op de toppen der stelen met veel witte bloempjes die kroonvormig geschikt zijn op de wijze van de Venkel voortbrengen.
De bladen van deze plant hebben een aangename specerijachtige smaak; de bloemen zijn zeer welriekend en de wortels hebben een lieflijke reuk. De bladen van dit kruid worden in sommige landen met andere moeskruiden gezoden, ook met Salade in de huishoudens gegeten en als toekruid met velerlei spijzen gebruikt; ze worden ook in pekel met azijn op de wijze van de Kappers opgelegd om met andere spijzen te eten waaraan ze een aangename smaak verschaffen; ten dien einde wordt die plant veel in Frankrijk, Italië en elders in de moes hoven gezaaid. De bladen zijn ook zeer nuttig voor de lever, milt en nieren want ze ontsluiten alle verstoptheid der ingewanden en verwekken de eetlust; het sap van de Zeevenkel met honing- water gedronken drijft de galachtige, slijmerige en ook de overvloedige waterachtige vochten uit het lijf. De bladen, zaad of wortels in de wijn gezoden en gedronken doen water lossen en genezen de druppelpis.
ZEEWIER, Zeegras, Wier, in ’t Frans Varec, in ‘t Latijn Fucus, is onder de 17de klasse, 2de sectie van Tournefort gesteld, der planten die noch zichtbare bloemen noch vruchten dragen; door Jussieu onder de familie van de Algues of het Zeegras en onder de 21ste klasse van Linnaeus, Cryptogamia algae, planten wier bloemen niet zichtbaar en duidelijk zijn.
Het eivormig Zeewier (Fucus uvarius van Linnaeus) (Botryocladia botryoides) is een langlevend Gras dat in de Aziatische zeeën groeit met draadvormige, lange, vertakte stengels en kromme, eironde ineen gedrongen bladen.
Het zwemmende Zeewier groeit in de zee met lange, draadvormige, vertakte stengels, lansvormige, getande bladen en ronde vruchtbeginsels op de stelen.
Het Zeewier (Fucus lendigerus van Linnaeus) (Sargassum cymosum) groeit in de zee omtrent de Ascension-Eiland met draadvormige lange vertakte stengels, lansvormige, getande, gezaagde bladen en getroste vruchtbeginsels met gebobbelde peulen.
Het schroefvormig Zeewier (Fucus turbinatus van Linnaeus) (Turbinaria turbinata) groeit met draadvormige, gelijk vertakte stengels, vrucht beginnende trosjes en schroefvormige blaasjes die schildvormig op een blad en hartvormig doorschijnend zijn; groet meest in de Baltische zee en Siberische zeeën.
Het kronkelende Zeewier (Fucus volubilis van Linnaeus) (Osmundaria volubilis) groeit in de Middellandse Zee met windende stengels en effen doorboorde, getande bladen.
Het blaas Zeewier (Fucus vesiculosus van Linnaeus) groeit meest in de Atlantische Zee.
Het schroefvormig Zeewier (Fucus spiralis van Linnaeus) groeit meest in de Oceaan.
Het gegroefd Zeewier(Fucus canaliculatus van Linnaeus)(Pelvetia canaliculata) groeit met geheel effen, gespletene bladen die gegroefd en lijnvormig zijn en gebobbelde plompe vruchtbeginsels in twee verdeeld; groet meest in de westerse zeeën.
Het lang Zeewier (Fucus elongatus) (Himanthalia elongata) groeit omtrent Engeland en in de Noordzee met gelede zeer lange stengels en draadvormige bladen.
Het korrelvormig Zeewier (Fucus granulatus van Linnaeus) (Gongolaria usneoides) groeit meest in de West-Indische Zee.
Het uitgestrekte Zeewier (Fucus tendo) (dierlijke substantie) groeit meest in de Chinese zeeën .
Het geel Zeewier (Fucus flavus van Linnaeus)(Thaumasia flava) groeit in de Zuiderzee en elders, sponsachtig recht vertakt met hoekige, getande bladen.
ZILVERBOOM, in ’t Frans Protée , in ’t Latijn Protea, Tournefort Globularia genoemd en onder zijn 12de klasse,4de sectie der Pijpbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Zilverboom en onder de 4de klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, bomen die met vier meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Men vindt heden op verscheidene naamlijsten meer dan 60 verschillende soorten van deze gewassen die in de westelijke delen van Afrika groeien en ’s winters alhier in de planthuizen bevrijd worden.
De witte Zilverboom (Protea argentea van Linnaeus) (Leucadendron argenteum) is een mooi langlevend houtgewas van de Kaap dat met een vertakte stam omtrent meters hoog groeit en lansvormige, witte verzilverde bladen die met fijn dons bedekt zijn; bloeit met geschulpte bloemkelken en grote, witte met dons bedekte bloemen die omtrent 8 of 9 centimeters lang en 6 centimeters breed zijn.
De mooi versierende Zilverboom (Protea speciosa van Willdenow) is een zeer lieflijke langlevende boom van de Kaap die met geheel zijdeachtige met witte dons bedekte en langwerpige gladde bladen groeit; bloeit met geschulpte bloemkelken en bloemen op de toppen der takken die een zwart, bruin en gele kleur hebben.
De zwartbladige Zilverboom(Protea lepidocarpodendron) is een langlevend kreupelhoutgewas van Afrika, at met rooskleurige geboorde bladen groeit; bloeit met geschulpte bloemkelken met zwart bruine en gele bloemen die witte wenkbrauwen hebben.
De Zilverboom met brede bladen (Protea latifolia) (Protea eximia) groeit groter dan de voormelde en draagt rooskleurige geschulpte bloemkelken .
De over mooie Zilverboom (Protea pulchella) (Protea burchellii) is zeer merkwaardig door zijn lieflijke mooie bloemen.
De hartvormige Zilverboom(Protea cordata van Linnaeus)heeft bloemkelken met een mooi rood levendige kleur.
De Zilverboom met lange bladen (Protea longifolia van Andrews)groeit met langwerpige bladen en bloeit met zwart gevlekte bloemkelken en purper violette bloemen die als kwispels hangen en waarvan men enige medesoorten vindt die hol blokvormig zeer lieflijk bloemen.
De Zilverboom met katoenachtige bladen (Protea lagopus van Linnaeus) (Paranomus lagopus) bloeit zeer lieflijk met aren.
Eindelijk vindt me alhier bij onze bloemisten nog de volgende soorten: de Zilverboom met Pijnboombladen (Protea pinifolia); de Zilverboom met Wilgenbladen (Protea saligna) (Faurea saligna), de Zilverboom met priemvormige bladen (Protea prolifera), (Spatalla prolifera) de Zilverboom met gladde, langwerpige, scherpe bladen (Protea pallens), (Leucadendron chamelaea) de Zilverboom met grote bloemen (Protea grandiflora), (Protea nitida) de Zilverboom met bijlvormige bladen (Protea triternata( (Serruria triternata) ,en veel andere soorten van de Kaap die alhier bij veel liefhebbers van uitheemse gewassen worden gekweekt.
Deze Zilverbomen kunnen door het rijpe zaad in de heigrond op belommerde plaatsen in de matige serres op teilen gezaaid op de wijze van de Kalmia in potten verplant en ook door inleggers en afzetsels in de heigrond vermenigvuldigd worden.
M aar zowel de jonge als oude planten moeten ’s winters in de oranjerie bevrijd en met zorg gekoesterd worden; ze begeren 's winters weinig water.
ZINNIA, in ’t Frans Zinnia, in ’t Latijn Zinnia, os onder de 14de klasse, 2de sectie der Straalbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtrosjes dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmige-veelechtige-overbodige.
De veelbloemige Zinnia (Zinnia multiflora van Linnaeus) (Wel een vorm van Zinnia elegans) is een eenjarige kruidplant van Louisiana (in Amerika) die alhier vroeg in de lente in de bloemtuinen wordt gezaaid en groeit met vertakte stengels omtrent 30 of 35 centimeters hoog met scherpe, steelloze bladen; bloeit van in augustus tot in oktober met veel bloemen, levendig rode bloemstralen en gele midden knoopjes; enige medesoorten bloemen met gele stralen.
De sierlijke Zinnia (Zinnia elegans van Willdenow of Zinnia violacea van Andr.)i is een eenjarige kruidplant van Mexico die alhier in het voorjaar gezaaid wordt en meest in september bloeit met zeer lieflijke bleke violette bloemen.
De Zinnia met omgekeerde bloemen (Zinnia tenuiflora of Zinnia revoluta van Cavanilles) is een eenjarige plant van Mexico die in de bloemtuinen wordt gezaaid en meest in september bloeit met hoog rode, kleine bloempjes.
Men heeft van deze Zinnia ‘s door het zaaien verscheidene medesoorten verkregen die allen op de wijze van de Oost-Indische Sterrenbloemen in hullen gezaaid en met dolken verplant worden en door hun liefelijke bloemen in de herfst de hoven fraai versieren.
ZONNEBLOEM, in 't Frans Soleil, Tournesol, in 't Latijn Helianthus, door Tournefort Corona solis genoemd en onder zijn 14de klasse, 2de sectie der Straalbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtros dragende planten en onder de 19de klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustanea, samenhelmige-veelechtige-vruchteloze.
De Zonnebloem met veel bloemen (Helianthus multiflorus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Noord-Amerika die in België groeit met tamelijk grote hartvormige bladen en veel stengels die alle jaren uit de wortels spruiten en omtrent 1 ½ meter hoog groeien; bloeit van augustus tot in september, met mooie dubbele gele bloemen; er zijn medesoorten die met half dubbele bloemen bloeien.
De Zonnebloem met zwartachtige purperen stengels (Helianthus atrorubens van Noord-Amerika) groeit met eironde gestippelde bladen en zwartachtige purperen stengels die omtrent 2 meters hoog groeien; bloeit van augustus tot in oktober met mooie gele bloemen.
De verheven Zonnebloem (Helianthus altissimus van Noord- Amerika) groeit met vertakte stengels meer dan 2 meters hoog; bloeit van augustus tot in oktober met zeer lieflijke, gele, blinkende bloemen die zeer mooi de bloemhoven versieren.
De eenjarige Zonnebloem (Helianthus annuus van Linnaeus) is een kruidplant van Peru en Mexico die met grote hartvormige, ruwe bladen en dikke stengels groeit welke soms wel 3 meters hoog groeien; bloeit alhier van juli tot in september met grote gele bloemen die wel 20 centimeters in de rondte hebben en zich altijd naar de zon wenden (waardoor die plant in 't Frans de naam van Tournesol verkregen heeft) en veel zaad voortbrengen dat in Amerika en heden alhier veel wordt gebruikt m de papegaaien en ander pluimgedierte te voeden; de kuikens zijn er zeer op verlekkerd en worden er spoedig vet van.
De langlevende dezer planten worden door wortelscheiding in de lente voort gekweekt en de eenjarige wordt vroeg in de lente in de bloemtuinen gezaaid; men heeft er een kleinere medesoort van bekomen die maar omtrent 25 centimeters hoog groeit en zich zeer goed schikt om in potten te planten; ze moeten terwijl ze bloeien zeer veel water hebben.
ZONNEDAUW, in ’t Frans Rosée du Soleil, in ’t Latijn Drosera, door Tournefort Rosa solis genoemd en onder zijn 6de klasse, 2de sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kappers en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria pentagynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en vijf stampertjes hebben.
De Zonnedauw met ronde bladen (Drosera rotundifolia van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant van Europa, ie veel in België in de moerassen, poelen en turfmoerassen groeit met platte, ronde bladen met rode haartjes bedekt en schachtvormige stengels aan de wortels die omtrent 16 of 18 centimeters hoog groeien; bloeit meest in juli, met witachtige bloempjes welke eenhuizig zijn en veel zaadjes voortbrengen in vijf schelpjes besloten die zich van boven openen.
De Zonnedauw met langwerpige bladen (Drosera longifolia van Linnaeus) is een eenjarige kruidplant die meest in België in de vochtige turfmoerassen groeit ,en van gedaante, vooral de bladen, wel op de voormelde gelijkt; ze worden beide in sommige streken ook in de lopende waters gevonden.
Die kruiden worden alhier te lande meest Ritsig- en Lopig- kruid genoemd omdat het vee zoals koeien, geiten, schapen enz., met daarvan te eten ritsig en heet worden; ze zijn zeer scherp en brandend van aard, heet en droog tot in de vierde graad: derhalve mogen ze nooit inwendig gebruikt worden. De schaapherders welke die kruiden kennen zullen nooit hun schapen laten weiden waar die groeien. De bladen van die kruiden gestoten, met zout gemengd en op het vel gelegd, trekken aanstonds blaasjes en bleinen en kunnen in etende zeren en droevige gevolgen veroorzaken aan de landlieden die ze soms gebruiken. Een kruidzoeker die zijn aandacht op die plant met ronde bladen gelieft te vestigen zal ook wel bemerken dat de ronde blaadjes met scherp stekende haartjes geboord en van boven met slijmachtig vocht bedekt zijn en wanneer de vliegen of andere ongedierte zich daarop neerzetten verheffen zich de haartjes door de beweging, doorkruisen zich met die der andere zijde en vormen alzo een slag van net waaronder de vliegen gevangen blijven en door de hitte der haartjes en het slijmachtig vocht spoedig sterven. Men kan uit de Zonnedauw met lange bladen, door het distilleren in het water, een mooie blinkende gele verf trekken die wordt gebruikt om stoffen te verven.
ZOUTKRUID, Weedas, in ’t Frans Soude, in ’t Latijn Salsola, door Tournefort Kali genoemd, is door Jussieu onder de familie van de Melde gesteld en onder de 5de
klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben.
Me vindt 16 soorten van deze plant waarvan er enkel vier dienen om as te maken die in de fabrieken en bij de apothekers wordt gebruikt en welke in de hoven en velden worden gezaaid.
Het Hof-Zoutkruid (Salsola sativa van Linnaeus) (Salsola kali) is een eenjarige plant van Spanje die met korte, bolronde, gladde bladen en vertakte stengels omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeit; bloeit op de toppen met vijf bloembladen in de kelken zonder bloemkransen en brengt zaadhuisjes met veel geschelpte zaadjes voort. Deze plant wordt veel in Spanje, aan de kusten van de Middellandse Zee alle jaren vroeg in de lente inde velden gezaaid en brengt de meeste en de beste weedas (soda) voort die in de handel gebruikt wordt; het is voor de inwoners van de zuidelijke delen van Spanje en vooral in de landstreken van Alicante een bron van rijkdom.
Het gewone Zoutkruid (Salsola soda van Linnaeus is een eenjarige kruidplant van Zuid-Europa die met lange bladen en rechte, rood blinkende en vertakte stengels wel omtrent 70 centimeters hoog groeit met steelloze smalle bladen aan de stengels verspreid; bloeit met kleine donkere okselbloempjes die ronde zaadhuisjes met veel zwarte zaadjes gevuld voortbrengen. Deze soort van Zoutkruid groeit natuurlijk in de warme landen aan de kanten der Middellandse Zee, wordt veel in Zuid-Frankrijk en Languedoc aan de boorden der vijvers en lopende waters alle jarenvroeg in de lente gezaaid en verschaft een grote opbrengst aan de kwekers’ men gebruikt de vruchten om ‘s winters het vee te voeden, en van het overige wordt er as gemaakt die voor een zeer goed loogzout (alkaline) is geacht.
De Salsola kali en Salsola tragus van Linnaeus zijn eenjarige kruidplanten van Zuid-Europa die veel in het wild aan de kanten der Middellandse Zee groeien met stengels en doornachtige ruwe bladen; ze worden door de inwoners van de zeekusten verzameld om loogzout van te maken welk door de handel naar vreemde landen verzonden wordt om door de artsenij bereider in de geneesmiddelen te vermengen. Het is gewoonlijk met het begin van september dat de kwekers die kruiden afsnijden welke na enige dagen te velde gedroogd te zijn op brede ijzeren roosters worden gebrand en als ze koud geworden zijn harde klompen vormen die in stukken gebroken door de koophandel verzonden worden. Dit loogzout (alkali) wordt vooral gebruikt in de glas- en kristal gieterijen, door de ververs en zeepzieders; de kunstscheiders hebben er een groot voordeel weten uit te trekken en er verscheidene namen aan toegebracht; het wordt in de medicijnen voor een bijzonder middel gebruikt, als ook het zuur zout en het zwavelzuur van de weedas, maar moet door een ervaren doctor voorschreven worden; want het kruid alleen is zeer heet en droog van kracht en de gebrande as is nog veel heter en droger, tot in de vierde graad: een weinig van dit kruid ingenomen purgeert, lost de pis en verwekt de maandstonden; maar als men er te veel van neemt kan het dodelijk wezen.
ZURKEL , Hofzurkel, Peerdik, Patientie kruid, Paardenzurkel, in ’t Frans Oseille, Patience, in ’t Latijn Rumex, van Tournefort Acetosa lapathum genoemd en onder zijn 15de klasse, 2de sectie gesteld der bloembladloze planten die met meeldraadjes bloeien; door Jussieu onder de familie van de veelhoekige planten, zoals de Boekweit, en onder de 6de klasse van Linnaeus, Hexandria trigynia, planten die met zes meeldraadjes bloeien en drie stampertjes hebben.
De Hof zurkel of Patientie kruid (Rumex patientia van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de moeshoven wordt gekweekt en met langwerpige, eironde bladen groeit en stengels waarop het tweede jaar zonder bloemblad klapvliesjes bloeien. Men vindt enige medesoorten van deze Hof- zurkel die op de stelen grote, langwerpige, bleekgroene bladen dragen en men kan door het zaaien dat alhier in mei wordt verricht, veel medesoorten bekomen. De rode Zurkel of Drakenbloed (Rumex sanguineus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België in de vochtige moerassen groeit en ook in de kruidhoven wordt geplant; groeit met hartvormige, puntige bladen die met aders rood gevlekt zijn en veel rood sap inhouden; bloeit op de toppen der stengels met tweeslachtige bloempjes en gehele klapvliesje, waarvan enkel een zaad voortbrengt .
De Paarden zurkel (Rumex x acutus van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa die in België veel in de vochtige moerassen en elders in vette gronden groeit met dikke, geelachtige wortels en grote, langwerpige, hartvormige, scherpe bladen; de bloempjes zijn ook tweeslachtig en bloeien meest ongelijk met getande klapvliesjes.
De Waterzurkel (Rumex aquaticus van Linnaeus) groeit in België, aan de kanten der staande en lopende waters met lang levende wortels en grote, gladde, donkergroene, hartvormige, langwerpige bladen; bloeit op de stengels met tweeslachtige bloempjes en klapvliesjes waarvan de zaadjes met pluimbosjes bekroond zijn.
De Zee zurkel (Rumex maritimus) groeit in België aan de Schelde en zeekanten met lijnvormige bladen en bloeit met getande klapvliesjes.
De wilde Zurkel(Rumex acetosa van Linnaeus) groeit in België in de moerassen met pijlvormige, langwerpige bladen en bloeit meest in mei met roodachtige bloempjes die tweehuizig zijn en blote klapvliesjes hebben.
De Schapen zurkel (Rumex acetosella van Linnaeus) is een kleine langlevende kruidplant die in België ten alle kanten in de droge landen en velden groeit met lans- en spiesvormige bladen; bloeit meest in mei op de stengels met roodachtige groene bloempjes die blote klapvliesjes hebben.
De Zurkel met ineen gekrompen bladen (Rumex crispus)is een langlevend kruid dat in België in de vochtige moerassen groeit met lansvormige, scherpe en fijn gevlamde bladen; bloeit in de zomer met klapvliesjes en zaadjes.
De Bos zurkel (Rumex nemolapathum van Linnaeus) (Rumex conglomeratus) groeit in België, Engeland en Duitsland in de bossen, met hartvormige en lansvormige bladen die van boven aan de stengels fijn lancetvormig zijn gevlamd; bloeit met gehele, lijnvormige klapvliesjes die ringvormig aan de vertakte stengels zijn geschikt en veel zaadjes voortbrengen.
De gevlamde Zurkel (Rumex induratus van Desfontaines) is een langlevende kruidplant van Siberië die alhier in de kruidhoven wordt geplant.
De Moeras zurkel (Rumex hydrolapathum van de Hortus Kew) groeit meest in Engeland in de moerassen en vochtige moerassen. De Zwitserse Zurkel (Rumex alpinus) groeit veel in de Alpen gebergten en wordt ook in België in de omstreken van de Ardennen gevonden; groeit met plompe, hartvormige, geribde bladen en bloeit op de topjes der stengels met blote klapvliesjes; de bloempjes zijn tweeslachtig. Men bemerkt deze plant om zijn dikke wortels en grote, lange, bleekgroene, geribde bladen; het gelijkt zeer goed op de Rabarber en wordt alhier in de kruidhoven geplant alwaar het een grote struik maakt.
Al de Zurkelplanten hebben een verkoelende eigenschap: de bladen gezoden in de voorspijzen of met moeskruid ingenomen maken de buik week en verwekken een zachten kamergang; gedroogd hebben ze ook een samentrekkende kracht en zijn zeer gezond geacht voor mensen en kruid etende dieren ; vooral de bladen van de Hof zurkel of Patientie kruid (Rumex patientia) worden meest voor de mensen bereid met andere moeskruiden gegeten; ze zijn zeer dienstig voor verhitte magen en voor die met het scheurbuik zijn gekweld, verwekken de eetlust, ver- zachten de brand in de vurige en hete koortsen, zuiveren het bloed en stelpen de dorst als ze in karnemelk gezoden worden. Het zaad gestoten en in rode wijn genomen, stopt de buikloop en geneest de rode loop; de Hof zurkel met wijn gekookt is ook zeer dienstig om de schurft en de jeuk mee te wassen; maar in dergelijke kwalen wordt de Schapen zurkel bij voorkeur gebruikt; de Drakenbloed-Zurkel bezit ook dezelfde krachten. Het Zurkel sap is zeer nuttig om bij velerlei spijzen en dranken te doen waaraan het een aangename smaak verschaft.
De Hof zurkel kan in mei door het zaad, waaruit men veel medesoorten kan bekomen, vermenigvuldigd worden; maar wordt meest door struikscheiding alle twee of drie jaren voort gekweekt en verplant’ om lang te duren mag men die planten zaad laten dragen, maar wel op tijd afsnijden. De Hof zurkel kan op de wijze Van de Porselein opgelegd worden om ’s winters in de keuken te gebruiken.
ZWALUWWORTEL, Venijndwang, in ’t Frans Domptevenin, Asclepiade, in ’t Latijn Asclepias, is onder de 1ste
klasse, 5de sectie van Tournefort gesteld der klokvormige bloemplanten; door Jussieu onder de familie van de Hondendood-planten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en twee stampertjes hebben. Men vindt heden veel soorten van deze planten welke van Amerika en uit de Indiën alhier zijn overgevoerd en om hun mooie bloemen gekweekt worden. De Zwaluwwortels die aan onze luchtgesteldheid kunnen weerstaan, zijn de volgende :
De Zwaluwwortel van Syrië (Asclepias syriaca van Linnaeus) is een langlevende kruidplan die van Noord-Amerika in Europa is overgevoerd en groeit met kruipende, gevezelde wortels en veel rechtstaande katoenachtige stengels omtrent 1 meter en half hoog die alle jaren ’s winters verdorren en met de lente opnieuw uit de wortels spruiten; groeit met ovale, lansvormige, overeen staande dikke bladen die zeer zacht bij het aanranden zijn en bloeit met roodachtige bloemen welke als een scherm op de topjes der stengels zijn geplaatst en na het bloeijen vervangen worden door langwerpige, puntige, in 't midden dikke zaadhuisjes die zeer veel platte zaadjes inhouden welke met zijdeachtige dons of vederbosjes van een mooi wit zilverachtig kleur bewimpeld zijn waardoor dit gewas de naam van valse Katoen- plant verkregen heeft. Niettegenstaande deze plant van Syrië en Egypte afkomstig is kan het in ons klimaat aan de koude winters zeer goed weerstaan en verscheidene proefnemingen hebben bewezen dat het met groot voordeel in onze luchtgesteldheid kan gekweekt worden: er zijn zeer weinige planten die zoveel nut kunnen voortbrengen en bijna geen die meer de aandacht onzer landbouwers verdienen; diens kweek doet heden een gedurige voortgang in Silezië, Duitsland en elders waar de boeren ondervonden hebben dat 1 hectare gewoon zandachtig land met deze planten bezaaid wel drie of vier maal meer waarde kan op brengen dan met vlas of andere veldvruchten. Deze plant, zegt de heer Rozier in zijn Memorie over de kruiden, is zeker de eerste die in ons klimaat het Katoen kan vervangen of ten minste de prijs van die doen verminderen.
Een lichte, goed beploegde grond, van alle onkruiden gezuiverd, schijnt zeer voordelig om de Zwaluwwortels van Syrië te kweken; men kan deze planten zeer gemakkelijk door het zaad, uitlopers en wortelscheiding vermenigvuldigen, maar de wijze van aankweken welke de voordeligste schijnt te wezen is van die in de lente in gelijke rijen omtrent 50 centimeters van elkander te planten en genoeg tussenruimte te laten om de eerste jaren het onkruid met de spa of ploeg te kunnen verdelgen; op het einde van twee of drie jaren is die tussenruimte doch geheel met de wortels doorgroeit, op zulke wijze dat geheel de brok land in den zomer door het uitkomen der stengels op een Hennep stuk gelijkt. Wanneer de planten nu geheel uitgebloeid zijn beginnen de zaadhuisjes zich te openen: als men dit bemerkt snijdt men de stengels tegen de grond af en men laat ze in de zon of in open schuren drogen; nadat ze enigszins opgedroogd zijn scheidt men de wol of watten van het zaad welke men afzonderlijk in manden of zakken op droge plaatsen bewaart en de stengels, van de zaadhuisjes en watten ontbloot, worden in busseltjes gebonden en op de wijze van de Hennep op het Vlas in 't water geroot en navolgen op dezelfde wijze bewerkt. De gehekelde stof welke deze planten voortbrengen is een fijne witte draad en bekwaam om alle soorten van linnen en andere stoffen mee te maken; het wordt veel met zijde vermengd om fluwelen, moltons, satijnen hoeden enz., mee te fabriceren, als ook om kouden van te weven. De watten worden veel gebruikt om de kledingstukken op te vullen; niettegenstaande hun wol korter dan het katoen is wordt deze watten ook gesponnen en als vlokzijde of feneselle door veel fabrikanten gebruikt.
Volgens de beschrijving van M. Sonnini wordt er in Noord- Amerika met de bloemen van deze planten een goed suiker geraffineerd welk een bruine kleur behoudt; het zou nochtans hier kunnen dienen als het witte suiker zeldzaam is. De bijen zoeken de bloemen op om er honing uit te pompen en het zaad wordt gebruikt om het pluimgedierte mee te voeden dat er zeer verlekkerd op is.
De viltige Zwaluwwortel (Asclepias tomentosa) is een langlevende plant van Noord-Amerika die met stengels omtrent 1 meter hoog groeit met korte bladstelen en langwerpige, hartvormige bladen; bloeit meest van juli tot in augustus met veel kroonvormige geschikte en bolvormige rooskleurige bloemen die een aangename lieflijke reuk hebben.
De Inkarnaat-Zwaluwwortel (Asclepias incarnata van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Amerika die met vertakte stengels meer dan 1 meter hoog groeit met lansvormige bladen; bloeit meest in juli met veel kleine zonnescherm-bloemen die een purperachtig rode kleur hebben en een zoete geur inhouden.
Deze planten kunnen door wortelscheiding en door het rijpe zaad in de heigrond voort gekweekt worden; maar de jonge planten moeten de eerste winters bedekt zijn of in de planthuizen worden bevrijd.
De geknobbelde Zwaluwwortel (Asclepias tuberosa van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zuid-Amerika, die groeit met verspreide, wollige stengels en lansvormige bladen; bloeit alhier meest in juli, met wonderbare mooie kroonvormige geschikte bloemen die een roodachtig gele kleur hebben. Wordt op de wijze van de voormelde voort gekweekt, maar moet de gehele winter in de matige serres of oranjerieën verblijven; kan door inleggers en afzetsels vermenigvuldigd worden.
De vleeskleurige Zwaluwwortel (Asclepias carnosa) (Hoya carnosa)is een langlevend klimmend houtachtig gewas van China dat groeit met gekronkelde en van aan de wortels vertakte stengels verscheidene meters lang, met eironde dikke bladen die een groen blinkende kleur hebben; bloeit alhier in de warme serres van juni tot in augustus en soms wel drie of vier maanden aan de oksels van de takjes met kroonvormig geschikte, kleine lieflijke witte bloempjes die in ’t midden purperachtig zijn.
Deze lieflijke plant, ie in de warme serres wordt gekweekt kan door inleggers, die gemakkelijk genoeg wortel vatten, vermenigvuldigd worden.
De Asclepias Tweediana (wel een cv.) klimt ook zeer hoog met houtachtige, gerankte stengels en wordt op dezelfde wijze in de warme serres gekweekt.
De Melk-Zwaluwwortel (Asclepias lactifera van Linnaeus) (Gymnema lactiferum) is een langlevend klimmend rankgewas van Ceylon dat in de Indien veel in ’t wild in de bossen groeit met stengels die zeer hoog groeien en eironde bladen; bloeit met kroonvormig geschikte korte bloemen die in ’t midden een andere kleur hebben en vruchten voortbrengen die een melkachtig sap inhouden welk een langzaam vergif is; diegene die dit sap inwendig gebruiken moeten er van kwellen en eindigen met te sterven.
De Europese Zwaluwwortel (Asclepias vincetoxicum van Linnaeus) (Vincetoxicum hirundinaria) is een langlevende kruidplant van Europa die in het zuiden van België groeit in de bossen, bergen, enz., en ook in de kruidhoven wordt geplant; groeit met rechte stengels omtrent 60 of 70 centimeters hoog, et donkergroene, eironde en puntige bladen die van onder gebaard zijn en bloeit meest in juli met witte bloemen die te midden een zwartachtige kleur hebben.
De zwarte Zwaluwwortel (Asclepias nigra van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Zuid-Frankrijk die alhier in sommige kruidhoven wordt geplant en meest in juli bloeit met zwarte bloembladen die in ’t midden een andere kleur hebben.
De wortels van die kruiden, welke in Europa van ouds zijn bekend, zijn warm en droog van krachten en werden voor dezen in poeiers met wijn genomen om de krimping en weedom der buik te verdrijven en voor de steken der slangen gebruikt. De bladen gestoten zijn zeer god om op de zwerende borsten te leggen en de schaamdelen te genezen. Het poeier, zowel van de bladen al van de wortels, in de vuile verrotte zeren gestrooid geneest die zachtjes. Clusius schrijft dat de Zwaluwwortels aan de vliegen zo hinderlijk zijn dat als ze maar op de bloemen zitten terstond dood vallen en dat de wortels met water en gras gekookt en gedronken de wormen in den buik ombrengen. Eindelijk, de oude Griekse Kruidbeschrijvers hebben veel nuttige deugden aan de wortels toegeschreven. Deze plant werd voor dezen Dwangvenijn genoemd en tegen de beten der venijnige dieren gebruikt.
ZWARTE WINDE, in ’t Frans Soldanelle, in ’t Latijn Soldanella, is onder de 1ste klasse, 3de sectie der klokvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wederikplanten en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
De Zwarte Winde (Soldanella alpina)i is een langlevende kruidplant van de Alpen gebergten, die groeit met kleine, niervormige bladen aan de wortels en bloemstelen die omtrent 14 of 16 centimeters hoog roeien; bloeit in de matige serres meest in april met drie of vier zeer lieflijke, kleine, klokvormige bloempjes die een wit en soms een purperachtig violetkleur hebben.
Deze plant wordt op de wijze van het Varkensbrood vermenigvuldigd en veel liefhebbers kweken het in de oranjerieën om in de lente vroeg bloemen te hebben’ maar nochtans met die ’s winters en weinig te bevrijden en met dorre bladen te bedekken kan het zeer goed onze koude winters weerstaan. Deze plant wordt in de Alpen gebergten als toekruid gebruikt en met ander moeskruid bereid; maar wij hebben alhier te veel andere voedzame moeskruiden om van zulke kleine plant gebruik te maken.
ZWAARDKRUID in 't Frans Glaieul, in 't Latijn Gladiolus, is onder de 8ste klasse, 2de sectie der lelieachtige bloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Lis en onder de 3de klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het gewone Zwaardkruid (Gladiolus communis van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Duitsland die met kleine bloembolletjes groeit waaruit alle jaren in de lente stengels spruiten die 30 centimeters hoog groeien; bloeit alhier meest in juni, net aren op de toppen die zijdelings hellen en veel mooie rooskleurige en bleekrode bloemen die zeer lieflijk versieren. Men vindt enige medesoorten die witachtige rode bloemen dragen.
De Gladiolus byzantinus is een langlevende bloembol plant van Constantinopel die met stengels en zwaardvormige bladen omtrent 20 centimeters hoog groeit; bloeit alhier meest in juni met zeer veel mooie rode bloemen.
Het met haartjes bedekte Zwaardkruid (Gladiolus hirsutus van Willdenow) is een langlevende bloembolplant van Afrika, die groeit met stengels en zwaardvormige bladen met zachte haartjes bedekt ,en bloeit met zeer lieflijke rooskleurige bloemkransen. De Gladiolus floribundus en Gladiolus pyramidalis worden veel in de bloemtuinen om hun mooie bloemen gekweekt en in potten geplant om in de lente in de matige serre bloemen te hebben.
Het Kardinaal-Zwaardkruid (Gladiolus cardinalis van Redouté) is een langlevende kruidplant van de Kaap die met stengelomvattende bladen, op de wijze van het lemmet van een zwaard, omtrent 30 centimeters hoog groeit; bloeit van jul tot in september met eenzijdige aren en grote scharlaken rode bloemen die drie bloembladen hebben welke van binnen driehoekig zijn gevlekt en een mooie witte ster zouden verbeelden indien de andere bloembladen ook gevlekt waren.
Men kan bij onze bloemisten de volgende soorten bekomen die allen meest in potten in de matige serres ’s winters worden gekweekt en waarvan velen onlangs van de Kaap en van Amerika zijn overgevoerd en aller mooiste bloemen dragen: de Gladiolus alatus, Gladiolus angustus, Gladiolus bicolor, (Gladiolus murielae) Gladiolus carneus ‘Grandiflora Painted Lady”, Gladiolus Colvillei, Gladiolus cuspidatus, (Gladiolus undulatus) Gladiolus elegans?, Gladiolus formosissima (Sprekelia formosissima), en de Gladiolus Gandavensis (Gent) die alhier te Gent bij Alex. Verschaffelt uit het zaad gesproten en nog zeldzaam verspreid is; - (Verder alle cv.) de Gladiolus Queen Victoria die onlangs uit het zaad gewonnen is; de Gladiolus rosea mundii, Gladiolus triumphans, Gladiolus versicolor, Gladiolus hybridis, Gladiolus Adelaïde, Gladiolus - Belvédère, Gladiolus Candollei, Gladiolus Beauté rouge, Gladiolus Esmeralda, Gladiolus Gretry, Gladiolus Hermannii, Gladiolus imperialis, Gladiolus majestuosus, Gladiolus splendens, Gladiolus viridis, Gladiolus tubatus, Gladiolus Watsonius en meer andere.
Al deze lieflijke planten met hun mooie bloemen kunnen op teilen in de oranjerie gezaaid en vervolgens in potten verplant worden en moeten ’s winters in de matige serres verblijven; men kan die ook op broeibakken onder het glas en op belommerde plaatsen zaaien.
ZWIJNSBROOD, Varkensbrood, in 't Frans Pain de pourceau, in ’t Latijn Cyclamen, is onder de 2de klasse, 7de sectie der trechtervormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wederik en onder de 5de klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vijf meeldraadjes bloemen en maar een stampertje hebben.
Het Europees Varkensbrood (Cyclamen europaeum van Linnaeus) is een langlevende kruidplant van Europa ie veel in Frankrijk, Duitsland, België en elders in de bossen groeit; wordt alhier in de kruidhoven geplant en groeit met niervormige , donkergroene en wit gevlekte bladen aan de wortels waaruit meest in april schachten spruiten die omtrent 20 centimeters hoog groeien en witte purperachtige bloempjes voortbrengen; men vindt er heden veel medesoorten van die met enkele en dubbele bloemkransen bloeien die reukloos zijn.
Het Perzisch Varkensbrood (Cyclamen persicum van de Hortus Kew.) is langlevende kruidplant van het eiland Cyprus dat alhier ’s winters in de oranjehuizen wordt gekweekt en hartvormige bladen heeft die van boven groen en van onder purperachtig zijn; bloeit meest van in maart met rode of witte bloemen volgens de medesoorten die welriekende zijn.
Het Varkensbrood met Klimopbladen (Cyclamen hederifolium van de Hortus Kew) is een langlevende kruidplant van Italië die alhier in de vrije lucht wordt geplant; bloeit meest in mei met witte en rode bloemen die een aangename reuk hebben.
Hett Varkensbrood van Cos (Cyclamen coum) is een langlevende kruidplant van Griekenland die alhier inde kruidhoven wordt geplant en met niervormige bladen groeit die van boven groen en van onder purper zijn; bloeit meest in april met rode bloemen en brede bloembladen die zeer lieflijk versieren.
Deze planten worden veel in den herfst in potten geplant om ’s winters in de groenhuizen te zetten alwaar ze dikwijls van in februari beginnen te bloemen; ze kunnen in het voorjaar worden gezaaid en worden ook voort gekweekt door de gebobbelde wortels in vier stukken gesneden waaraan een oog bot moet blijven om aanstonds te planten; dit kan alle drie jaren verricht worden.
Men noemt deze plant Varkensbrood omdat de varkens de wortels opzoeken en geheel uit de aarde halen en opvreten; in sommige streken van Duitsland en Frankrijk worden deze wortels als geneesmiddel aan de zwijnen gegeven om er de vurige brand mee te verdrijven; maar door de mensen inwendige genomen zijn ze zeer gevaarlijk, ja zelfs dodelijk voor degenen die er van eten. Deze wortels werden voor dezen gestoten om op de klier- en kropgezwellen te leggen en gebruikt voor de aambei te genezen welke ze openen en de vurige brand uittrekken; het sap der wortels werd met honing gemengd om het gezicht te verhelderen, de puisten in het aanzicht en de kleine gezwellen van het hoofd te genezen. Het Varkensbrood bezit ook een buik zuiverende kracht.
Eerste Hoofstuk over de Krachten der Planten.
De krachten of macht der gewassen die in ’t Latijn facultates genoemd zijn de inwendige krachten niet waardoor ze leven, groeien, bloeien en vruchten voortbrengen, maar degenen die ze in het mensen lichaam verrichten.
Deze krachten zijn tweeërlei: sommigen van die veranderen of verkeren ’s mensen lichaam en werken op enige leden of delen.
Anderen geven voedsel en dienen om te voeden en de stof van het lichaam vermeerderen en te onderhouden. Alle gewas dat dergelijke krachten in enige van zijn delen heeft is voedsel en wordt derhalve in 't Latijn alimentum geheten; maar degenen die het lichaam verkeren en enige ziekte kunnen overwinnen worden medicamenta (medicijn- drogen, winkel- of officinale planten) genoemd.
De krachten van de medicijn planten zijn velerhande; sommige van die zijn eerste en tweede kracht gerekend; daarna komen die welke men de derde kracht heet; de laatste, welke van de andere drie niet voortkomen, worden vierde kracht genoemd, Deze eerste krachten komen van de vier elementen der wereld, te weten, vuur, lucht, water en aarde zonder toedoen van iets anders. Daarom houdt men die ook voor de grond kracht van het plantenrijk, uitgezonderd de vierde kracht welke geen openbare of merkelijke eigenschap heeft.
Voorde eerste houdt men de krachten die verwarmen, verkoelen, vochtig maken, droog maken en voorts alle die uit de samenvoeging van deze voortkomen zoals warm en vochtig of warm en droog, koud en vochtig of koud en droog maken. Tussen deze krachten is een andere middelmatige kracht welke van die aard is dat ze haar vocht naar de gesteltenis van hetgeen waarbij het gevoegd wordt vermeerdert. Want al hetgeen tot stof van dranken of medicijnen gebracht wordt is niet van een soort hoedanigheid of even hoog en werkelijk van krachten en sommige van die met er iets anders bij te voegen verwarmen, verkoelen, verdrogen en bevochtigen zachter dan de anderen; sommigen doen hetzelve wat meer en anderen door weken, overhalen of distilleren, zijn geweldiger van kracht.
Deze verscheidenheden van krachten worden verschillend begrepen en door vier verscheidene graden verdeeld: de eerste graad bevat al de krachten welke van de middelmatige of van de matige zeer weinig verschillen of afwijken, op zo’n wijze dat ze ons lichaam wel veranderen, maar niet merkelijk; zodat men enige bewijzen van doen heeft om met redenen te betonen dat ze iets uitgewerkt of gedaan hebben, gelijk de olie van rozen die van zo’n krachten is dat ze degenen die verhit of verbrand zijn verkoelt, maar nochtans degenen die verkouden zijn hinderlijk is; waaruit wel blijkt dat ze meer verkoelt dan verwarmt. Nochtans vindt men daarin geen geweldige verkoeling, maar wel een die de middelmatige gesteldheid naast bij komt. Op dezelfde wijze moet men oordelen van de krachten welke van een matige gesteltenis, enigszins naar de hitte, vochtigheid of droogte afgeweken of geklommen zijn.
Tweede graad. De tweede hoogte van de krachten is in de dingen die merkelijk droog, nat, koud of warm kunnen maken; ze hebben geen bewijs van doen om dat te betonen zoals men bij sommigen vindt.
Derde graad. Tot de derde hoogte klimmen degenen die de krachten van de voorgaande hebben, nochtans niet al te geweldig zijn.
Vierde graad. De vierde en allerlaatste hoogte is van alle diegenen die met geweld hun werking weldra of straks ten einde brengen en zeer ver van de middelmatigheid afgeweken zijn; te weten, onder de hete planten die zeer scherp en brandend zijn en op het naakte vel of huid blaartjes trekken en schurft maken; onder de koude die het gevoelen der mensen verdoven en benemen. Men vindt geen die in de vierde graad droog en tezamen ook niet brandend zijn.
Terwijl de krachten op de plant niet zichtbaar staan geschreven zo vallen ze ook niet aanstonds in het oog van een kruidkenner; dezelfde plant kan ook dikwijls tot een verschillend gebruik dienen; maar voor dat men die gebruikt is het zeer noodzakelijk al de natuurlijke eigenschappen eerst te kennen en niet de plant te leren uit het gebruik; want bijvoorbeeld iemand die eerst de Wolfswortel (Aconitum napellus) aantreft zonder daarvan onderricht te zijn kan niet weten dat het vergiftig en dodelijk is.
Wie zal zeggen als hij de Nachtschade (Atropa belladonna)op zo’n mooie wijze met zijn rijpe vruchten versierd ziet staan dat die plant zo vergiftig en gevaarlijk is?
Daarom al de eigenschappen van dergelijke vergiftige planten worden nooit dan door de leerwijze bewezen; want de proefneming zou men ten al te dure prijs gekocht hebben. Derhalve is ook niets aangenamer aan een leerling in de Kruidkunde dan het opgeven van een soortelijk onderscheid om met de eerste opslag te bemerken of het heilzame, nuttige, voedzame of vergiftige planten zijn en wat nut men daaruit kan trekken. Om die allen goed te onderscheiden heb ik bij het grootste getal winkel- planten het woord officinaal gevoegd; want het past niet dat een kruidkundige bij de apothekers gaat om de planten te leren kennen; maar het is nodig dat een apotheker door een kruidkenner onderricht wordt.
TWEEDE HOOFDSTUK over de reuk der planten.
God heeft door zijne voorzienigheid aan de mens het zintuig van de reuk geschonken om over de gesteldheid en de aard van enige dingen te oordelen, hoewel die toch nooit zo zeker en zo vast is als de smaak.
Er zijn nochtans sommige reuken welke ons noch min noch meer bewegen als de smaak; want al wat zuur is en vooral de Azijn verwekt den reuk: zo doen ook de scherpe planten als Look, Ajuin, enz., welke niet alleen de smaak, maar ook de reuk lastig vallen. Soms ook worden de krachten van ettelijke dingen uit de reuk alleen bekend zonder de hulp van de smaak gelijk het gebeurt met het mest welk het niet betaamt te proeven als ook de spijzen die door verrotting bedorven zijn.
Voorts het stof van de riekbare planten die onze geest en de hersenen verheugen komt gewoonlijk van de dampen en rook die door de hitte van de zon veroorzaakt worden. Veel natuurkenners zeggen dat de reuken die men in de planten ontmoet niet alleen van de warmte, maar ook van de koelte voortkomen; dat de welriekende planten waarin enige bijtachtige stof gevoeld wordt meest al warm van aard zijn en die enigszins naar het zuur rieken voor koud van natuur te houden zijn. Sommigen willen door de reuk de kenmerken van een plant onderscheiden; maar dit onderscheid is nooit duidelijk, want de reuken veranderen in een bloem zeer licht en volgens de standplaats alwaar het bloeit; op de Alpen is de reuk van de bloemen gewoonlijksterker; die elders zonder geur zijn geven aldaar dikwijls een aangename reuk, bijvoorbeeld de bloemen van de Androsace, enz. De Look die bij ons een sterke reuk heeft ruikt weinig in Italië; er zijn zelfs bijna zoveel onderscheidene soorten van reuken als er bloemen bestaan. Dat er zelfs zoveel onderscheidene soorten van reuken zijn als riekende lichamen, ook in dezelfde soort blijkt uit de honden die hun meester op de reuk uit een grote menigte verzamelde mensen zullen vinden. Daarboven kunnen de reuken niet bepaald en dus onder de kenmerken der geslachten niet aangenomen worden; want de reuk die voor een kind walgelijk is die is dikwijls aangenaam voor een bejaarde vrouw; een boer die in een apothekers- winkel komt zal door den specerij reuk als in bezwijming vallen daar hem de reuk van de koeiendrek nimmer zal vervelen. Hetgeen wij van de reuk gezegd hebben vinden e ook in de smaak, het is een bekend gezegd dat men over de reuk of smaak niet twisten moet.
DERDE HOOFDSTUK over de smaak.
De smaken waaruit men de krachten der gewassen, vruchten en drogerijen kent zijn veel zekerder dan de reuken. De smaken die men in het plantenrijk bemerkt zijn negen in getal.
De drie eerste zijn warm, te weten: scherp, bitter en zout; de tweede drie zijn koud: wrang, zerp en zuur; de drie laatste zijn middelmatig tussen de koude en hitte als zoet, vetachtig en laf of smakeloos.
Men noemt gewoonlijk scherpe smaak (acris)die sterk in het proeven is en op de tong bijt, in de mond nijpt en geweldig verhitte brandt zoals de peper, enz.
De bittere smaak (amarus) is niet zo heet als de scherpe; maar toch alle bittere smaken zijn warm en droog van krachten die alle overvloedige vochten weg nemen en beletten dat er in ‘t lijf verrotting komt; zoals de algemene spreekwijze zegt: bitter in de mond maakt het hart gezond.
De zoute smaak (salsus) heeft ook een verdrogende kracht, en is daarbij een weinig samen trekkend, maar ook doordringend, afvegend en zuiverend door welke kracht die ‘t vlees, vis enz., bewaart.
De wrange smaak (acerbus) is zeer scherp en wringt de tong die ze ongelijk verdroogt, ruw en oneffen maakt; de wrange gewassen zijn geheel koud van aard en hard van stof en derhalve moeilijk om verteren zoals de onrijpe Peren, Appels, Druiven en meer andere vruchten die het lichaam hinderen en onze natuurlijke goede vochten benemen.
De zerpe smaak (austerus) is ook wrang, maar wat zachter en aangenamer en ook wat koud en droog; maar op de tong niet zo wringend noch ruw. Zeer veel vruchten en andere dingen worden tussen wrang en zerp gesteld omdat ze van zerp dikwijls zoet kunnen worden.
De zure smaak (acidus) bijt zonder enig gevoel van hitte op de tong, met de omliggende delen van den mond en de keel; zijn kracht is geweldig door de fijnheid en dunheid der stof zoals de azijn. Alle zure stoffen en vruchten of dranken zoals de citroenen, limoenen enz., verkoelen en doordringen licht en hebben een toenijpende kracht. Alzo zijn ze niet ontstekend noch scherp en onder de derde hoogte van hitte gesteld. Door hun koude en samentrekkende aard drijven ze alle vloeden van het lichaam terug; daarboven door hun verdrogende kracht bedwingen en stelpen ze alle uitbreking van het bloed.
De zoete smaak (dulcis) is aangenaam en lieflijk, verheugt de tong en is door geen merkelijke eigenschap vergezeld. Alle zoete stoffen ontdoen en oplossen, maken ruim en breed, verzachten de ruwigheden, bevorderen en helpen de tering en verduwing der spijzen en hebben een vochtige eigenschap welke met onze aard en wezen overeenkomt; ze zijn ook matig warm van kracht, want geen dingen die zoet zijn worden voor koud van aard aangezien, hoewel men nochtans iets zoet vindt kan dat koudachtig zijn, te weten, hetgeen waterachtig van stof is.
De vette of smeerachtige smaak(pinguis) is zonder enige merkelijke hitte, dikwijls ook een zoeten smaak hebben. Deze bestaat in een middelmatige stof tussen de grove en fijne gesteld zijn die vochtig is, maar toch niet waterachtig en tussen de hitte en koude gesteld wordt .De vette smaak is niet alleen in het roet of olie van sommige dingen, maar ook in de witte Maluwe, Heemstwortels enz. Ook alle vette planten verwijden, vermurwen, bevochtigen en effenen alle ruwigheid en brengen die in hun eerste stand.
De laffe smaak (insipidus) van sommigen exqualis genoemd die onsmakelijk, doof of plat zou mogen heten wordt voor geen opmerkelijke smaak gehouden aangezien het door geen werkelijke smaak is vergezeld die het gevoel beweegt gelijk in sommige vruchten zoals de Pompoen, Kauwoerden, Meloenen, Spelt Gerst, Tarwe ,enz. De stof van deze vruchten is wel grof en dik, maar nochtans niet aardachtig of droog noch nijpend noch samentrekkende, maar wel met enige vochtigheid voorzien.
Dit is het getal der ongemengde smaken waardoor van het wezen en gesteldheid van de stof der gewassen en ook alle andere geneesmiddelen geoordeeld wordt. Ik moet hier nog bijvoegen ,dat meest in onze kindse jaren ons behaagt al wat zoet is, maar in de rijpere jaren beminnen wij wat scherp is. Alle planten die in 't wild groeien zijn gewoonlijk hard, bitter of wrang van smaak; maar worden door de kweking zachter en zoeter zoals de Appels, Peren, Aalbessen enz., die in de hoven gekweekt zijn zo zacht en smakelijk worden dat velen zouden denken dat ze een bijzondere soort zijn. Veel andere planten worden ook daardoor zeer aangenaam van smaak, bijvoorbeeld de wilde Chicorei verliest door het kweken in de moeshoven voor het grootste gedeelte zijn bitterheid. Aldus is het kenmerk van den smaak ontleend ook zeer onzeker voor degenen die daardoor een plant wit rangschikken, want de smaak is dikwijls zo bedrieglijk dat men daarop alleen niet bouwen mag.
VIERDE HOOFDSTUK, over de kleuren der Bloemen.
De kleuren der bloemen werden eertijds bij de oude Kruidkenners ook voor een vast kenmerk der soorten aangenomen; doch dit is zeer onzeker en veranderlijk, want in de bloemen is niets zoo standvastig als de kleuren. De violette, rode, purperen en blauwe bloemen veranderen zeer licht en dikwijls in witte en andere kleuren; voornamelijk op de Alpen nemen ze witte kleuren aan; gelijk bijvoorbeeld die van den Leverbalsem en de Silene; zo ook de meeste soorten van het Klojeskruid die door de zonnestralen dikwils veranderen. Veel planten die blauwe bloemen dragen veranderen gewoonlijk in purperachtige kleuren; zoals het Chicoreikruid, Zenegroen, Salie, Muizenoor, enz.; de bleek blauwachtige bloemen gaan gewoonlijk over tot een roodachtige kleur; maar de Pimpernel, Saxifraga, Duizendblad enz., die gele bloemen dragen veranderen zelden van kleur en nog veel zeldzamer de bleek gele; het is derhalve de gele kleur dat in de zonnescherm bloemen vooral ten aanzien van het kenmerk, volgens de baron Haller, moet opgegeven worden; hierom onderscheiden ook sommige kruidkenners, wegens de gele kleuren de Lente-Helenium en het Sterrenkruid; en in het stelsel van Heister wordt de gulden Roedeplant (Virga aurea) van de zilveren onderscheiden. Echter ondergaat deze regel duizend uitzonderingen zelfs in de samengestelde bloemen; men ziet zulks ook inde Cymboline, Anemonen, Ranonkels, Anjers enz.; dat nog meer merkbaar is in de Balsaminen die aan een en dezelfde plant bloemen van onderscheidene kleuren dragen. Hetgeen plaats heeft omtrent de kleuren der bloemen bemerkt men ook ten aanzien van die der vruchten, van de zaden, van de wortels en van de bladen. Derhalve is ’t schier onmogelijk voor een kruidkenner juist al de onderscheidene kenmerken te beschrijven omdat zeer veel planten op dezelfde stengels verscheidene kleuren van bloemen dragen en ook dikwijls door hun stand van kleur veranderen.
VIJFDE HOOFDSTUK, over de geboorte plaats en de bloeitijd van de Planten.
De geboorteplaats der planten onderscheidt ook de soort niet; de plaats en gesteldheid maakt wel enig verschil in het groeien, bloeien en het voortbrengen van de vruchten, maar toch verandert de naam der plant niet. Echter is het altijd voor een kruidleraar zeer voordelig wanneer men bij de soorten onderscheiding de geboorteplaats gevoegd vindt; want een bloemist of hovenier leert daaruit op wat wijze alle planten moeten gezaaid worden; bijvoorbeeld als ik zeg, het is een west- of Oost-Indische plant, dan kan hij wel denken dat het zaad op lauwe broeibakken moet gezaaid worden; derhalve is het zeer voordelig de geboorteplaats erbij te voegen. Doch dit doet niets tot een soorten onderscheid, bijvoorbeeld de Weegbree (Plantago)groeit ook in Frankrijk en Italië, doch moet daarom niet voor een andere soort gehouden worden dan die in Lapland, Rusland en elders groeien; het Erigeron van Canada groeit ook veel natuurlijk langs de wegen in België. Vele planten trekken uit de warme landen naar de koude gewesten, gelijk de baron Haller in Zwitserland ontdekt heeft, dat de oosterse planten aan de Europese grenzen en sommige planten van de Alpen gebergten gewoon zijn af te zakken naar de Valleien, gelijk bijvoorbeeld de Gentiana en veel andere planten die zowel inwoners van Zweden, België, Duitsland als van de Alpen zijn.
Tournefort en andere kruidkenners hebben aangemerkt dat dezelfde planten die op het hoogste der zuidelijke Alpen groeien ook in de noordelijke weiden van Europa gevonden worden; de Empetrum nigrum groeit op het hoogste der bergen en ook in de lage en moerassen, waaruit blijkt dat geheel het onderscheid van het land en de grond ontleend ,ijdel is. Wat den bloeitijd der planten betreft, dezelve komt ook in het soortelijk onderscheid niet in aanmerking; het is wel waar dat een groot getal planten een zekere tijd van bloeien en groeien houden, bijvoorbeeld zeer veel Afrikaanse planten bloeien alhier op het laatste van de herfst. En de Alpen planten bloeien meest in de vroege lente; doch door de kweking veranderen de lente- in herfstplanten en door de geleende warmte bloeien dikwijls de herfstplanten in de lente. Wat het landschap tot de tijd van bloeien betreft, het is zeer goed bekend bij voorbeeld dat het groen Nieskruid en de Miserieboom in België in de maand februari bloeien, maar in Zweden in april; de grote Boterbloem bloeit in ons land in de maand maart terwijl het in Upland in mei en in Lapland in juni bloeit. Er zijn sommige soorten die in de herfst hun bloem geven en andere in de lente zoals de Naakte meid (Colchicum) het Varkensbrood en de Crocus enz., die deze wel nooit te buiten gaan zo lang ze onder dezelfde luchtgesteldheid bloeien, maar van bloeitijd veranderen wanneer ze naar andere gewesten overgebragt worden. Immers heeft Linnaeus de Herfst-Naakte meid (Colchicum autumnale)welke in België altijd in de herfst bloeit, naar Lapland overgebracht alwaar het eerste jaar in augustus bloeide en het tweede jaar in juni en geen vruchten voortbracht eer het een lenteplant was geworden.
Veel planten die een zekere tijd van de dag of vaste uren in ’t bloeien waarnemen veranderen die tijd wanneer ze onder een verschillende luchtgesteldheid groeien; veel andere planten openen hun bloemen wanneer het helder weer is en de zon schijnt; maar als er een mistig en regenachtig weer opkomt sluiten ze die weldra, gelijk bijvoorbeeld de Tulpen, Winde ,enz. Sommige planten bloeien alleen ’s nachts en enigen bloeien slechts een etmaal; doch dit moet men niet voor een grondig kenmerk van ’t soortelijk onderscheid houden; omdat er oneindig duidelijk voor handen zijn.
Men mag zich ook bij 't soortelijk onderscheid niet bedienen van de duur der planten, tenzij die zeer klaarblijkelijk is; de warme landen, waar het altijd zomer is, leveren planten op die zoals ik in de loop van dit werk gezegd heb, aldaar veel jaren overblijven en tot grote bomen opschieten en bij ons nauwelijks een jaar overblijven.
ZESDE HOOFDSTUK, over de middelen om de ongedierte die voor de gewassen nadelig zijn te verdelgen.
De tuinen en planten, niettegenstaande de grootste zorg, zijn nog dikwijls door een grote menigte ongedierte gekweld; we zullen alhier trachten de bijzonderste middelen aan te halen waardoor we ons van die schadelijke dieren kunnen ontlasten.
$ 1ste Middel om de rupsen te verdelgen.
Het zekerste middel om de rupsenpopen te verwoesten is van al de ringetjes en eiernestjes die de vlinders gewoonlijk ten einde de zomer aan de takjes en het bovenste der bomen vasthechten goed af te snijden en aanstonds te verbranden opdat ze niet weer zouden kunnen uitbroeien; maar niettegenstaande deze zorg bemerkt men dikwijls in de lente veel ongedierte die van de ene boom op de andere zweven en rupsjes voort brengen die aan de fruiten, bloemen en bladen zeer hinderlijk zijn. Om deze rupsen, door de vlinders in de lente verspreid, te vernielen kunnen de landbouwers en hoveniers witte Moerbeiboom schors en bladen, met potas en bruine zeep ,omtrent veertien dagen in het water laten weken, en dan met dat nat de bomen die besmet zijn met een grote spuit besprenkelen; het ongedierte ervan geraakt zwelt dadelijk en valt dood ter aarde neer. Sedert menige jaren heb ik met het beste gevolg deze verrichting op al mijn fruitbomen beproefd; wel te verstaan nochtans dat de dageraad en zonsondergang voor dergelijke besproeiing tot richtsnoer dienen moet omdat de rupsen ’s nachts doorgaan doorgaans in hullen verzamelen en door de warmte der dag er uit kruipen en zich verspreiden.
De schors der Moerbeiboom ten tijde van het rijzen van het vocht is insgelijks zeer nuttig om rupsen te verdrijven; hiertoe ontbloot men in de lente een jong takje dat men van de boom snijdt en windt die schors om de stam van de bomen die men tegen het ongedierte wenst te beschermen; want voor dusdanige windsels houden ze zich stil als afkerig voor den geur van het sap.
De landbouwers van onze streken die jaarlijks ooggetuige zijn van de rampen door de rupsen en andere insecten toegebracht zullen, hoop ik, een zo’n eenvoudig middel in het werk stellen om zich van die gesel hun fruitbomen te ontlasten.
Hadden wij in onze luchtstreek geen oneindig getal vogels die zich met rupsen voeden zo de mens niet jaarlijks een getal verdelgde die op de planten en gewassen kruipen; ware het niet dat ze zich onder elkaar verslinden en er een grote hoeveelheid jaarlijks verdelgd wordt door de hagedissen, kikvorsen, padden, vleermuizen, mollen, stekelvarkens, goud- en Spaanse vliegen, spinnenkoppen, kevers en meer andere ongedierte door de natuur als hinderpaal tegen de vermenigvuldiging der rupsen bestemd, dan zouden we zeer te betreuren zijn omdat niet alleen iedere lente de bladen onzer bomen en moeskruiden, maar ook voor de herfst al onze lekkere vruchten er door zouden verdwijnen. Echter het hier aangewezene eenvoudig en gemakkelijk middel heeft mij ten volle overtuigd dat het krachtig kan meewerken om de rupsen verwoesten; want bij mijn verrichting met dit nat heb ik altijd wel geslagen en al mijn fruitbomen van die gesel bevrijd.
$ 2. Middel om de spinnenkoppen te verdelgen.
De spinnenkoppen die gewoonlijk netjes en draadjes maken m vliegen te vangen doen aan de planten in de moeshoven en aan de bomen weinig schade: integendeel eten ze veel ongedierte die de planten dikwijls hinderen; maar er bevindt zich een andere soort van spinnenkoppen, Wandel-spinnenkop genoemd die altijd bij de lente en in de zomer zich op de aarde bewegen en verscheidene jonge planten en zaaisels aanranden, vooral de jonge gele wortels waarvan ze meest de jonge bladstelen aanvallen om er het zoete vocht uit te pompen, hetgeen die jonge planten weldra doet verslensen. Die wandel-spinnenkoppen zijn soms bij droge seizoenen in de hoven en velden zo menigvuldig dat ze geheel de jonge zaaisels van veel planten verdelgen; maar gelijk die spinnenkoppen de koude vochtigheid vrezen ,is het beste middel om die te verdrijven van enige dagen die jonge zaaisels een lichte besproeiing te geven, vooral ’ s avonds als het weer warm en droog is totdat die planten twee of drie bladen bekomen hebben; het water waarin schouwroet geweekt is geeft meer kracht en doet die spinnenkoppen weldra sterven; de eenvoudige landbouwers onzer streken gebruiken ook water uit de grachten waar Elzenhout rond staat en de Elzenblad in geweekt worden waarmee ze tot het verdrijven van die spinnenkoppen en andere ongedierte een goede uitslag bekomen.
$ 3. Middel om de molkrekels of veenmollen te verdelgen.
De molkrekel, in ’t Frans Courtilière of Taupe-grillon, is een ongedierte dat aan de planten in de moeshoven en aan de wortels der fruitbomen zeer veel schade toebrengt; vooral vindt men die molkrekels omtrent de vijvers, grachten, staande en lopende waters en als de hoven of bomen aan die vochtige kanten zijn geplaatst ziet men dikwijls de planten en bomen door de molkrekels die de vochtigheid zoeken en de wortels afbijten op een zodanige wijze aangerand worden dat de planten verslensen en de bomen geen vruchten dragen. Het eenvoudigste middel om die te verdelgen is van de wortels der planten en bomen in de lente soms te besproeien met water waarin visdrek met vellen en ingewanden geweekt zijn die men bij een visverkoper gemakkelijk kan verkrijgen en waaraan de veenmollen niet kunnen weerstaan, maar er weldra van vluchten en omkomen.
Men kan ook die molkrekels op een andere wijze verdelgen met effen potten half vol water en daarboven een weinig olie in de aarde pas onder het bed of trede waar die ongedierte verkeren of schuin aan de gaten te plaatsen op z’on wijze dat als de molkrekels door hun treden of gaten kruipen erin vallen en door de olie aanstonds versmachten. Men kan ook in de maand mei of in juni potjes met van onder een weinig hooi en langs binnen met honing bestreken aan de gaten plaatsen met gras-rus van omtrent de breedte van die potjes bedekt die in ’t midden een kleine opening moet hebben en ’s avonds besproeid worden; de molkrekels die vooral de vochtigheid en de honing beminnen kruipen ’s nachts daarin en ’s morgens kan men die doden. Het is in onze luchtstreken op het einde van mei of begin van juni dat de molkrekels koppelen en omtrent de avond, na zonsondergang, gekoppeld vliegen; gelijk hun Vlugt door de zwaarte zeer traagzaam is en ze nooit geen 10 meters ver vliegen zonder zich op de aarde te zetten om het mannetje en wijfje zijn teeltstof over te zetten kan men die zeer gemakkelijk met een vlinder netje vangen. De vette delen der molkrekels dienen om een zalf met olijfolie bereid mee te maken die voor kwetsuren en verbranding wordt gebruikt. Het beste middel dat alhier in de lente wordt gebruikt om de molkrekels te vangen, is van een zekere hoeveelheid water met olie vermengd tezamen in de gaten waarin de molkrekels nestelen te gieten dar ze aanstonds door dit nat daaruit naar boven komen en door de laag olie kruipen die hen spoedig doet sterven en geheel de nest der jonge molkrekels verwoest. Men kan ook langs de muren waar ’s nachts de molkrekels verkeren grote potten of omgekeerde klokken, 3 of 4 centimeters diep onder de effen grond plaatsen, half vol met water als ’s nachts de molkrekels of aardmuizen daar lopen vallen ze erin zonder er te kunnen uitkruipen.
Wanneer het mannetje e paring met het wijfje heeft volbracht schikt het wijfje een galerij van omtrent 50 centimeters diep in de aarde waarboven ze zijdelings een tweede maakt van 20 centimeters diep die cirkelrond is en tot schuilplaats dient waarin ze haar eitjes aflegt die gewoonlijk tot 200 belopen. Het is in die bovenste zijdelingse galerij dat men moet zoeken om de eitjes te verdelgen of de uitgebroeide jongen te vinden die in het nest verzameld liggen.
$ 4. Middel om de aardwormen , pierwormen of teken te verdelgen.
De naam van wormpje geven de natuurkenners aan een der zes hoofddelen van het dierenrijk waartoe ze alle zodanige levende schepselen brengen die kop noch poten hebben; en onder de dieren waaraan men in het algemeen de naam van wormen geeft zijn er die de planten verwoesten. Deze laatste zijn van drievormige soort ; aardwormen, pierwormen en kruidwormen die men ook wolfswormen en graswormen noemt. Om de pierwormen te verdelgen, wanneer het vochtig zacht weer in de maand mei en juni voordat de zon opstaat en ’s avonds twee uren na zonsondergang terwijl ze boven de aarde aaneen gekoppeld liggen. Men neemt gewoonlijk om die wormen op te zoeken een blinde lantaarn en heeft een grote schaar in de hand waarmee men die in twee snijdt. Men werpt in een pot al degenen die uit de aarde en gedeeltelijk nog in de gaten zijn om aan de kuikens te geven die er zeer op verlekkerd zyn. Het gewoonlyk gebruik der landlieden is van met een spade de pierwormen in twee te stampen, maar daarmee sterven ze niet geheel want het einde van het hoofd tot aan de organen blijft gewoonlijk leven en brengt een nieuw deel voort. Als men deze bewerking in de lente verricht men veel hun vermenigvuldiging. Men kan ook die wormen met een spade vangen die me alwaar veel pierwormen zijn omtrent 20 of 25 centimeters diep in de aarde steekt en gedurig beweegt waardoor allen die zich daar omtrent bevinden uit de grond kruipen die men in een pot werpt.
Men kan de aardwormen en kruidwormen op de volgende wijze verdelgen en uit de aarde doen komen: Men neemt gewoonlijk 35 of40 verse bolsters van groene Okkernoten met enige jonge bladen die men tezamen enige dagen in het water laat weken; men besproeit dan daarmee de planten, door die wormen aangetast en de grond omtrent waar ze verkeren; door de bitterheid van dit nat vluchten ze weldra. Dit middel is zeer voordelig om de aardbijen van die wormen te bevrijden.
$ 5. Middel om de mieren te verdelgen.
De mier wordt door de natuurkenners in het dierenrijk als een bloedloos diertje aanschouwt; dit vlijtig diertje dat ons een voorbeeld geeft hoe men zomers leven moet is niettemin voor vele planten en vruchten zeer nadelig en dikwijls zeer moeilijk om verdelgen. Alwaar veel mierennesten zijn plaatst men op de aarde een kistje met een weinig Alsemkruid gevuld dat men met nat besproeit en voor wiens reuk de mieren vluchten. Water met olie gemengd en in de nesten gegoten maakt op de mieren dezelfde uitwerking als op de molkrekels en met dit water en olie kan men zeer licht de mierennesten overstromen; maar het eenvoudigste middel is van in de mierengaten kokend water te gieten dat de mieren met hun eitjes weldra verbrandt en geheel het nest verdelgt. Wanneer de gelegenheid dit niet toe laat hangt men aan de fruitbomen flesjes met honingwater gevuld waarin ze kruipen en wel gauw versmoren. Men kan ook de mierennesten met een spade omwerpen en met een pot met een weinig honing bestreken overdekken ;al de mieren kruipen in die pot waarna men die in het water versmoort.
Om de mieren te beletten op de fruitbomen te klimmen maakt men met vogelteer of olieverf een ringvormige linie rondom de boom, van omtrent 6 centimeters breed, waar ze nooit over kruipen; of men windt een streng gekamde wol rondom de stam die ze belet op de bomen te stijgen. Eindelijk, kan men een zekere hoeveelheid goudkevers( carabes dorés )in de hoven waarin veel mieren verkeren zetten die gedurig de mieren en andere ongedierte verwoesten, zonder ooit de levende gewassen aan te tasten, maar enkel miereneters zijn. Afkooksels v an Tabak, Okkernoten, Vliemboombladen Ruit kruid en andere wrange, bittere en bijtende planten en kalk met piswater in de mierennesten gegoten verwoesten ook al die ongedierte.
$ 6 .Middel om de slakken en schelpslakken te verdelgen.
De slak is een bekend slag van wormen dat deels zonder schaal en deels met schaal is; men vindt van die ongedierte velerlei soorten zoals aardslakken, boom slakken, hof slakken, hoornslakken, huisslakken enz., die in de moeshoven velden en elders, dikwijls aan de planten veel schade toebrengen. Het beste middel om die te verdelgen is van de jonge planten met ongebluste en fijne kalk te bestrooien; de slakken die daarop kruipen om de planten af te eten kleven door hun vette vochtige aard aan de kalk die ze verbrandt en doet sterven. Men kan ook bij zacht en regenachtig weer met de lente en in de herfsttijd, kleine hoopjes zemels van afstand tot afstand plaatsen waar rondom de slakken verzamelen en die gretig eten zodat men die gemakkelijk kan verdelgen met er enige kalk op te strooien; men kan ook in de moeshoven noordwaarts 2of 3 centimeters hoog enige plankjes leggen; deze ongedierte die altijd de koelte en vochtigheid zoeken kruipen er onder om bij dag de hitte der zon te vermijden. M e n vindt sommige dieren die zich met veel slakken voeden; een der bijzonderste hiervan is het stekelvarken dat op de dag rust maar ‘s nachts gedurig de hoven en velden doorloopt om slakken te vangen. Indien men enige van die stekelvarkens omtrent de moeshoven plaatst ziet men wel haast de slakken schier geheel verdwijnen. Dit eenvoudig middel heb ik sedert verscheidene jaren beproefd om mijn hoven van dit ongedierte te zuiveren. Ofschoon de slakken in de velden zeer veel vijanden hebben zijn er nog sommige jaren dat ze door de insecten etende dieren niet kunnen verslonden worden, het Koren, Koolzaad en veel andere jonge vruchten en gewassen te velde afeten en dikwijls maar door de grote koude vorst ’s winters verdelgd worden.
$7.Middel om de mollen en aardmuizen te verdelgen.
De mol is een bekend dier dat de aarde opwerpt en aldus vele verwoestingen in de velden en hoven veroorzaakt. De aardmuis of veldmuis (mulot) is ook een bekend dier dat de erwten en veel andere planten verwoest. Om die beiden te verdelgen neemt men gewoonlijk vier ons Turkse tarwe meel, een ons kopergroen of koperroest met drie ons ongebluste kalk, twaalf ons zeekreeft-schelpen en vier ons lavendelolie, tezamen fijn met een weinig regenwater gestampt totdat het een deeg vormt wat men in pilletje bereidt en die pilletjes in de mollengaten en aardmuizen holen plaatst waarvan die dieren eten en aanstonds sterven.
De mollen wroeten gewoonlijk 's morgens vroeg, 's middags en ’ s avonds voor zonsondergang. Eer ze zich in beweging stellen stampt men de molshopen toe en blijft zonder de minste beweging te maken met een spade in de hand erbij staan; zodra men ziet dat de mol werkt om zijn molshoop te herstellen steekt men met de spade onder die beweging die men kortom boven de aarde werpt. Men kan ook in de mollen gaten vier of vijf noten in de zeeploog gekookt of braaknoten plaatsen, waarop de mollen zeer verlekkerd zijn en bij het eten spoedig van sterven. Men plaatst ook potten drie centimeters diep onder de gaanderijen der mollen, half vol water, waarin ze gewoonlijk als ze hun gaten doorlopen vallen en verdrinken. Onze landlieden gebruiken ook veel soorten van mollenvallen om die dieren te vangen die dikwijls aan de vruchten in de hoven en velden veel schade toebrengen.
De aardmuizen die bij zomer tijd omtrent een halve meter diep in de aarde wonen verzamelen meest in oktober in de hoven en velden in nesten van vijf of zes mannetjes en wijfjes bijeen die gewoonlijk drie vlucht gaten hebben om in hun nesten te vluchten; men stopt twee dezer gaten goed toe en met het derde vol water te gieten, komen al de aardmuizen bedwelmd uit die men alsdan zeer gemakkelijk kan doden. Dit middel wordt hier te lande gewoonlijk muizen uitgieten genoemd. Byna geen ongedierte brengt meer schade aan de oogst toe als de aardmuizen en mollen omdat ze in weinige dagen het jong gezaaide Vlas dikwijls omwroeten.
$8. Middel om de ratten en muizen te verdelgen.
Het beste middel om de ratten en muizen te verdelgen is ten eerste goede katten te houden; het tweede middel is ook van ratten- en muizen vallen te gebruiken met lokaas voorzien waarop die schadelijke dieren zeer verlekkerd zijn. Men kan ook in de stallen of schuren alwaar die dieren verkeren een koperen ketel plaatsen, half vol water, waarboven men enig kaf met Tarwe- zemels strooit die ze zoeken te eten en daartoe in den ketel springen; hun klauwen in het gladde koper niet kunnende dringen eindigen ze met te versmoren.
Men kan ook een wijnstuk te midden doorzagen waarvan men de helft plat met de grond in de aarde zet, met omtrent 16 centimeters water gevuld en boven met goed gepaste planken dicht waarin een wip of bascule maakt op zo’ n wijze schikt dat die kan omtuimelen en weer toevallen. Men bindt dan op de ene zijde van die wip, met een fijn draadje, het lokaas vast, en als de ratten of muizen daarop kruipen tuimelen ze van de wip in het water welke wip weer toevalt en ze aldus in het water versmachten.
Men kan de ratten en muizen ook vernielen met rattenvergift te gebruiken; mar dit middel moet met zorg worden gebruikt ,en het vergif op een plaats gelegd worden waar geen katten, honden, noch andere vierpotige dieren verkeren, noch kinderen aan kunnen raken. Die schadelijke dieren die het koren en . veel andere voedzame granen verkwisten leven ten koste van de landbouwers; derhalve moeten ze alle pogingen aanwenden om die te kunnen ter dood brengen.
$9.Middel om de molenaars of meikevers te verdelgen.
Molenaars of kevers is een algemene benaming van gekorven, gevleugelde ongedierte die eerst witte wormen zijn en dan harde dekschilden verkrijgen; omdat dit ongedierte om de schade welke het door zijn afknaging aen het plantenrijk toebrengt het meest bekend is wordt het van sommigen knauwworm en kauwen genoemd.
Om de witte wormen, meikevers of molenaers te verdelgen maakt men met een stokje scheve kleine gaatjes onder de wortels der planten welke van dit ongedierte aangerand of aangetast worden waarin men loog van lijnzaadmeel gemaakt tot boven vol stort. Men besproeit of begiet ook de oppervlakte der aar waar de planten aangetast worden met hetzelfde nat. Men kan ook met een plantstok in de vaste grond grotere gaten maken en half vol met die loog gieten; wanneer die ongedierte daar willen overkruipen vallen ze er in zonder er te kunnen uitvluchten want hun beweging is zeer traag. Het is genoeg eens per dag die gaten te bezoeken om die schadelijke wormen te doden en aan de kiekens voor te werpen die er zeer op verlekkerd zijn. Men ziet veel die witte wormen de Aardbij planten aantasten, de wortels geheel afknagen en die zodanig hinderen dat ze geen vruchten dragen; maar met die planten in de herfst ten lente met oude zeeploog, waarin het lijnmeel gekookt wordt, te besproeien kan men zich zeer gemakkelijk van al dit ongedierte ontmaken; hetgeen ik met voordeel sedert verscheidene jaren heb verricht. De kiekens, eendvogels en veel ander pluimgedierte verslinden ook zeer veel molenaars die hun een krachtig voedsel verschaffen waarvan ze veel eieren leggen, maar waardoor ze tot broeden genegen zijn.
$10.Middel om de wespen of appelbijen en paardenwespen te verdelgen.
De wesp is een bekend insect waarvan men verscheidene soorten telt zoals akkerwespen, boswespen, steenwespen, veldwespen, bastaardwespen, honingwespen, moerwespen, werkwespen enz. Twee afzonderlijke soorten, alhier te lande onder den naam van appelbijen (guépes)en paardenhorzels (frelons)bekend brengen aan de rijpe vruchten dikwijls veel schade toe en het is zeer moeilijk om die te verdelgen. Het beste middel is, als men een wespennest met het begin van de zomer aan de takken of in de gaten der bomen, holen enz., bemerkt, van dit ongedierte met een handvol stro aanstonds te verbranden. Wanneer men hun nesten die verscheidene gaatjes hebben waar ze kunnen uitvluchten boven in de muren der gebouwen of gaten vindt zorgt men die gaatjes me mortel of potaarde toe te stoppen, uitgezonderd het grootste dat men open laat waarin men een dunne doek, langs de ene zijde drie of vier maal in de gesmolten sulfer gedoopt, zo diep mogelijk dringt en op zo de ene wijze sluit zodat de wespen er niet uit kunnen vluchten; dan steekt men het vuur aan die sulferlont welke damp of rook zich naar binnen in de nesten verspreidt en al die ongedierte doet versmachten.
Als men de wespen in de aarde bemerk is het gemakkelijk die te verdelgen : met enkel het bovenste van dir nesten met een spade te ontbloten en er kokend water in te gieten zal dit ongedierte wel gauw verbrand zijn; maar al deze bewerkingen en middelen van verwoesting moeten 's avonds na zonsondergang worden verricht.
Men vindt bijna geen ongedierte dat zoveel schade bij hete zomers aan de Druiven, Appels en Peren veroorzaakt als de wespen; derhalve om die te vernielen is het ook zeer voordelig van aan die bomen met vruchten geladen enige flesjes half vol honigwater of siroop te hangen waarin de wespen weldra kruipen en versmoren, hetgeen altijd het getal der nesten voor de toekomende lente vermindert; want het zijn maar gewoonlijk de moederwespen die zich in de strooien daken der huizen en gaten verbergen en op die wijze aan onze koude winters kunnen weerstaan. Volgens de natuurkenners kan een van deze moeders vijfhonderd jongen voortbrengen die men meest met het begin der lente op de botten der Peren- en Essenbomen vindt en met een vlinder- of kapelnetje kan vangen omdat hun vlucht nog een zeer trage beweging heeft; de gewone wespen zijn dikwijls bij hete seizoenen zo overvloedig in de fruithoven verspreid dat ze op weinige dagen al de Druiven en andere vruchten beschadigen.
$ 11 . Middel om de kleine insecten zoals scharlakenluizen, wandluizen, boomvlooien, kermes enz., te verdelgen.
His is dikwijls voor een behendige hovenier zeer moeilijk al de kleine insecten die sommige planten hinderen te verdelgen; hiertoe wast me die met afkooksels van tabak of me n bereidt op de volgende wijze een water: ten eerste een ½ kilogram zwarte zeep; ten tweede een ½ kilogram sulfer; ten derde een1/2 kilogram tabak met afkooksels van Okkernoot- en Vlierboombladen vermengd; het vierde van 1 kilo zout ,1 kilogram Bos Kampernoelie of Paddenstoelen met omtrent 40 of 45 liters water die men in twee verdeelt en de helft in een kuip giet om de zeep en kampernoelies fijn te verbrijzelen; men kookt dan afzonderlijk de andere helft water omtrent twintig minuten met de tabak en sulfer in een helder doekje gewonden om op de grond van de ketel te houden en roert die gedurig met een stok. Men giet dan dit tezamen in de kuip, goed dooreen geroerd; na enige dagen gestaan te hebben zal dit nat beginnen te rieken, maar hoe ouder het is hoe betere uitwerking het veroorzaakt om de planten mee te wassen en van dat ongedierte te zuiveren. de hoge bomen met dit nat te besproeien bedient men zich van een spuit of handpomp met kleine gaatjes op het ene einde doorboord; deze bewerking die in mei op de kostelijke planten en fruitbomen verscheidde malen verricht wordt zullen die van gene dezer ongedierte worden aangetast en zelfs de kleine wandluizen die men gewoonlijk Tijgers noemt en op de rug van sommige plantbladen, maar meest op de Perenboombladen leven, het sap en merg daaruit pompen en de bladen met de vruchten voor hun natuurlijke rijpheid doen afvallen kunnen ook aan dit gemelde nat niet weerstaan.
Sommigen maken een loog waarin sulferbloem en gebluste kalk gekookt wordt die zeer goed schijnt om de stammen en takken der bomen mee te wassen, maar niet de botten nog de bladen omdat het die delen hindert en verbranden kan tenzij die delen dit in januari of nooit later dan februari verricht of voordat de botten, bladen en bloemen zich vertonen op geen schade aan de vruchten of bomen toe te brengen.
$ 12. Over de middelen om de Perzikbomen tegen boomluizen of hondsluizen, teekjes, memeltjes, krinkel of krul te behoeden.
De krinkel of krul, in 't Frans Cloque, is een slijmachtige ziekte ,door overvloedige kleine ongedierte veroorzaakt die in ’t algemeen meest in de lente zich op de `Perzikbomen zetten en de knopbotten en jonge bladen te enenmale ontsieren en een zwartachtig kleur doen verkrijgen; dikwijls zijn ze met zeer veel groenachtige memeltjes bedekt die de val der bladen en het mislukken der vruchten veroorzaken en soms de bomen zodanig kwellen dat ze ervan versterven. Men ziet soms die ziekte zich zo schielijk openbaren dat ze in 24 uren al de bladen aentast,en de memeltjess op de slijmachtige jonge bladen overvloedig vastgehecht zijn zonder dat men die enigszins heeft zien voort komen.
Volgens mijn nauwkeurige opmerkingen vertoont de krul zich meest in ons klimaat t' einde april, soms wel vroeger of later, volgens de warme seizoenen bij dag door hete zon en 's nachts door koude vorst en hinderlijke noordse winden vergezeld die wij dikwijls omtrent dit seizoen geweldig beproeven, de bladen gans beroeren, de ribben doen fronsen en door de koude het sap doen verdikken, hetgeen geheel de beweging van de omloop verstopt en belet dat het sap zich door gans de boom verspreidt. Het gebeurt menigmaal dat enkel de bladen op de knop hot gekruld en de andere bladen gezond zijn: bij dit laatste geval heeft dikwijls de krul geen kwaad gevolg; maar wanneer het grootste gedeelte der bladeren gekruld zijn dan ziet men altijd de botten en bladen afvallen en de vruchtbotten bij hetzelfde seizoen mislukken op een zodanige wijze dat die kwaal niet alleen op dit zelfde ogenblik aan de bomen nadelig is, maar die nog het volgende jaar zeer kan hinderen. Sommigen willen ons doen geloven dat de krul zelf van de natuur der bomen voortkomt omdat ze somss bemerken dat van verscheidene bomen nevens elkaar geplant de ene van de krul bevrijd en de andere er van aangetast wordt; maar dit is heden door jaarlijkse opmerkingen geheel anders bevonden; want als die kwaal zich aan een muur met Perzikbomen beplant in dat gemelde seizoenen vertoont en als men aanstonds daartegen geen hulpmiddelen gebruikt ziet men weldra al de bomen aan den muur aangetast worden. Anderen zeggen ook dat er geen middelen bestaan om de bomen tegen die kwaal te behoeden dan met de gekrulde bladen af te plukken; maea dezen bederven de vruchten en bomen op zo’ n wijze dat ze nooit geen vruchten kunnen bekomen; want ze doen het kwaad nog vermeerderen omdat ze daarmee geheel de omloop van het sap beletten die de bladen en vruchten het voedsel moet verschaffen; het was dan beter dat ze de besmette takjes met de gekrulde bladen geheel afsneden.
Nu ga ik mijn lezers de middelen voorschrijven die ik op mijn Perzikbomen sedert veelvuldige jaren heb te werk gesteld om die krul te verdrijven; ik neem gewoonlijk een kuip waarin omtrent 60 of 70 lieters nat in kan gestort worden en verzamel in die kuip het water waarin aardappel gekookt zijn geweest; ik doe er 1 kilogram snuiftabak bij, het vierde van 1 kilogram zeep met het vierde van 1 kilogram zout en wat roet of bitter uit de schouw daarbij gevoegd hetgeen ik tezamen eer de krul zich vertoont, 10 of 12 dagen laat gisten en er soms nog wat water wel bij roer; hoe meer dit stinkt hoe beter. Zodra dan enig vertoon van de krul mijn Perzikbomen aantast begin ik, zonder een dag te verlieze, omtrent de avond met een spuit ge heel die besmette bomen en ook alle andere, die aan dezelfde muur staan om het kwaad te voorkomen goed te besproeien en na twee of drie maal dit eenvoudig middel verricht te hebben ziet men de krul verdwijnen en alle ongedierte onder de bomen dood liggen. Dit na hindert geenszins de bladen noch vruchten, integendeel ziet men de jonge bladen mals opgroeien.
Gedurende mijn buitenleven heb ik nog een andere proefneming gedan om de krul te voorkomen en mijn Perzikbomen van alle ongedierte te zuiveren; bij mijn navorsing heb ik ondervonden dat er veel levende planten waren die een scherp, wrange bijtend sap inhouden dat allen het ongedierte hindert zonder de bladen of vruchten der bomen te beschadigen; dan heb ik het afkooksel van Okkernootbladen en Vlierboombladen met witte Moerbeien schors genomen en afkooksel van aardappelwater met een vierde van 1 kilogram zout en twee of drie liters tabak sap gebruikt dat omtrent 50 liters nat uitmaakt en die afkooksels tezamen in een kuip laten gisten; met dit vocht heb ik met een spui ’s avonds voor zonsondergang mijn Perzikbomen besproeid hetgeen ook spoedig de krul verdrijft en alle ongedierte, zo wel gevleugeld als ongevleugeld, verdelgt en dood onder de boom doet vallen.
Gelijk elke hovenier wel bemerkt dat de krul de bomen geweldig verzwakt moet men de wortels enig voedsel bezorgen, nieuwe goede aarde aanbrengen en met koele vetten om de groeikracht te bevorderen. Die bomen om goede vruchten te dragen moeten ’s avonds bij hete zomers dikwijls met koud water besproeid worden.
ZEVENDE HOOFDSTUK. Over de ziekten der Planten.
Planten en dieren zijn beiden levende wezens wiens zending op de aarde tegenovergesteld is. Even als de dieren gaan de gewassen gedurende de loop van hus leven tot drievormige standen over; ze komen voort, groeien aan en houden zich enigen tijd staande in een volwassen toestand, nemen af en eindigen met te sterven; beletten van dit te geschieden is de mens onmogelijk .De dood is een ziekte waaraan al de levende wezens onderworpen zijn; maar er zijn gesteldheden die het natuurlijke samen stelsel der planten krenken, de tijd van hun door de natuur bepaald bestaan verkorten en op welke de kunst van kweken min of meer invloed kan te weg brengen; het zijn die gesteldheden die men eigenlijk ziekten der planten noemt. Men heeft ten allen tijde gezien dat de planten aan werktuigelijke ontsteltenis onderworpen zijn, zelfs dat deze ontsteltenis met degenen der dieren eigen konden vergeleken worden. Doorgaans onderscheidt men de ziekten der planten in twee verdelingen : 1o diegenen wier oorzaken inwendig zyn; 2o die wier oorzaken uitwendig zijn. Geen ontstaan doorgaans uit de gebreken der grond, het slecht plantsoen en mangel aan sap en wortels; deze menigmaal komen uit de tegenstrijdigheid der jaargetijden, de warmte of koude, de vochtigheid of droogte; kortom die dieren wanneer ze de bladen vreten, de knoppen of botten afbijten, de schors der stam en wortels wegknagen veroorzaken insgelijks ziekten aan de planten waardoor ze kunnen versterven en hun leven verkort worden; derhalve moeten ook alle gewassen op tijd gekoesterd en zuiver gehouden worden en moet men die van alle nadelen trachten te bevrijden.
$1.Over de witte kwaal of witte smet.
De witte kwaal of witte smet (le blanc) de landbouwers hebben deze benaming aan twee soorten van zeer verschillende ziekten, die van dezelfde oorzaken niet afhangen, gegeven. De eerste vertoont zich door witte onregelmatige plekken aan de bladen, struiken takken en zelfs de vruchten der bomen en aan verschillende andere planten komen; die plekken verspreiden zich dikwijls tot aan de wortels. Deze ziekte welke vooral de bladen en knoppen der Perzik- en andere fruitbomen aanrandt wordt gewoonlijk witte kwaal of Lazerij genaamd; men eigent die toe aan kleine zuigplanten van het geslacht der Kampernoelie welke min of meer witte wollige tinten door hun vereniging uitmaken. Ze vertragen de wasdom der bomen, doen de ontwikkeling van hun vruchten ophouden, beletten hen zelfs van vruchten voort te brengen en doen ze soms sterven. Men moet zich tegen die vermenigvuldiging voorzien door het wegnemen der daarmee besmette bladen en takjes; maar dit is niet altijd gemakkelijk, vermits het soms nodig zou zijn bijna al de bladen weg te nemen of het ganse getakte weg te snoeien; het is aan de hovenier van ten dien opzichten zich te gedragen volgens het belang dat hij in het behouden der bomen of planten stelt. Bruine zeep en tabak sap waarmee men met een borstel de bomen door die kwaal aangerand wast schijnt hiertegen een zeer goed geneesmiddel te zijn.
Men heeft opgemerkt dat bij regenachtige jaren en vochtige of mistachtige seizoenen de bomen meest aan de witte kwaal onderhevig waren ;dit valt ongetwijfeld hieraan toe te schrijven dat deze omstandigheden meer zeker de kiem der planten die dat veroorzaken ontwikkelen.
Het tweede slag van witte kwaal wordt door op de bladen en jeugdige knoppen haperende waterdruppels voortgebracht waarop deze gewoonlijk een orgaan vernieling veroorzaken die de kleur en groeikracht van hun uitwendige beneemt en het met overzaaide witte vlekjes doet voorkomen. Men kan die kwaal ook met zeep ,Tabak sap, afkooksels van Okkernoot- en Vlierboombladen en Aardappelwater verdrijven door de bomen hiermee met een spuit dikwijls vroeg in het voorjaar te besproeien.
$ 2. Over de verbranding of verberning der planten.
Verbranding of verberning: dit woord heeft in de praktijk of oefening der hoveniers verscheidene betekenissen: de schors van de stam van een boom tegen een muur aan al de hitte en vinnigheid der zuiderzon blootgesteld is onderworpen aan te - splijten, te schilferen en te verdrogen hetgeen de takken van het grootste gedeelte van het hun tot voedsel noodzakelijk sap berooft en hun versterving altijd verhaast. Er komen gevallen voor waarin de op zichzelf staande fruitbomen ook door dit slag van verbranding besmet worden; wanneer bijvoorbeeld men een jeugdig boompje uit het midden van een dicht bos of aan de gelegenheid van het noorden onttrekt om het in een vlakte te verplanten; diens schors die aan het uitwerksel der rechtstreekse zonnestralen niet gewend is, dit is te zeggen ten dele smal opgegroeid en is dus vervolgens malser en verdort naar de kant van het zuiden toe scheidt zich dikwijls na verloop van zeer weinig dagen van de stam af hetgeen de boom in zijn groei zeer hindert.
De afwisseling van vorst, sneeuw, ijzel enz., brengt ook dikwijls aan de bomen veel schade toe. Er worden bomen gevonden die aan dit slag van verbranding meer dan andere onderworpen zijn; onder de fruitbomen moet men de Abrikoos en vooral de Perzikbomen aanhalen.
Het hulpmiddel voor die kwaal is voordat ze hol geworden zijn de schors te zuiveren, ze te schrabben tot in het pit en de wonden die deze bewerking maakt wel met griffellak of St-Fiaker zalf te bestrijken; maar beter is het nog deze ziekte met schutsels te voorkomen door de bomen met stromatten te bekleden op een wijze evenwel dat de lucht erin en rond kan lopen.
Een ander slag van verbranding wordt dikwijls op de lei- evenals de waaibomen tot zelfs in de kwekerijen bemerkt; dit is de verdroging van de toppen der takken gedurende de hevige hitte der zomer; het heeft altijd voor oorzaak de grote droogte van de grond en dorre wind; het beste hulpmiddel voor dit letsel is van de slechte aard die aan de stam van de boom ligt door goede vette aarde te vervangen; hem een voldoende vochtigheid te verlenen om de opklimmende kracht van het sap te vermeerderen ten einde de uitwaseming te herstellen. Men kan deze ziekte dikwijls ook vorkomen met koemest rondom de bomen in te spitten of met vette alen in de herfst of lente te besproeien; ook nog met stro, mos of varen op de grond voor het tijdstip der grote hitte te leggen.
Een derde slag van verbranding is die welke door water, dauw, rijp enz., wordt voortgebracht; de ondervinding in al de landstreken van België bewijst dat er maar een over grote dauw door een warme zonneschijn vergezeld moet voorkomen om al de jeugdige bladen van zekere bomen te vlekken. Het meeste deel onzer fruitbomen zijn aan deze kwaal zeer onderhevig als ook hun vruchten en vooral die in het Oosten geplaatst staan en in waaiers groeien. Er zijn jaren dat de oogst der Moerbei bladen door die oorzaak mislukt.
De bladen en vruchten worden onmiddellijk na de uitdamping van de dauw op de plaats welke elk droppeltje bezet heeft gewoonlijk wit of geel; vervolgens wordt de plaats zwart en schijnt in zijn samenstelling als gekrompen toe, het is te zegen dat het oppervlies opgelicht en de celachtige aaneenschakeling omgekruld en taai geworden is; een klein getal vlekjes zijn wel zonder hindering, maar wanneer ze op de fruitbomen te zeer vermenigvuldigd zijn dan bestaat er ophouden in de natuurlijke bewerking van het leven en vooral in de omloop van het sap en hieruit volgt het afvallen der bloemen of de val der vruchten en zelfs dikwijls de versterving der plan of tenminste altijd een verminderde grootte of dikte en minder smaak in de vruchten; wan stam, takken en bladen worden door die verbranding gehinderd. De verliezen welke de landbouwers jaarlijks hierdoor ondergaan zijn zeer aanmerkelijk ofschoon ze door de menigte weinig opgemerkt worden .
Men heeft op drievormige wijzen het verschijnsel der verwoesting door die waterdruppels of ijsbolletjes die aan de bomen blijven hangen uitgelegd; enigen hebben gezegd dat het sproetel zijn welke even als vele brandspiegels de zonnestralen terugkaatsen of breken en al de stippen waarop ze hun grondpunt vestigen verzengen; anderen dat het koude verzamelingen zijn die de doorwaseming belet hebben; verder en ten laatste dat het een begin is van afgietsel of gisting. Immers wat er van zijn mag grijpt deze derde slag van verbranding alhier te lande geen plaats of ten minste zijn diens uitwerkingen merkelijk verminderd wanneer men de dauw waarmee de bomen of planten beladen zijn afschudt voor aleer de zond de tijd gehad heeft op de bladeren te verwarmen. Men kan ook om die te voorkomen paardenstro met dorre bladen of nat gemaakte stro branden op een wijze dat de rook de zonnestralen onderschept en de rijp smelten doet; of enkel zijn toevlucht nemen tot een kunstige warmen regen welke de bolrondheid der dauwdruppels of ijsbolletjes vernietigt. Wat de leibomen betreft het is zeer gemakkelijk hen tegen die ziekte te behoeden met die enkel vooral in de lente wanneer de dauw meest voorkomt helder linnen pakdoek of andere beschutting waar de lucht in kan doordringen te behangen.
§3.Over de koren bederven of koren-masscher en de boom verrotting.
De kwaal, in ’t Frans carie genoemd naar het Latijnse caries wat eigenlijk veen verrotten betekent wijst twee geslachten van zeer nadelige ziekten voor de planten aan: de ene is de koren bederf en de andere de boom-verrotting.
1o Koren-bederf. De geduchtste ziekte voor de Tarwe zo algemeen verspreid is het bederf en de bedorvene Tarwe- zaden die verschillen weinig in schijn met de onbeschadigde; maar indien men er een met de vingers drukt in plaats van een wit en droog meel te bekomen wordt er slechts een bruinachtig zwart stof in gevonden, smeerachtig bij de aantasting, smakeloos wat een stinkende geur uitgeeft; dit stof met een vergroot- glas nagezien biedt een menigte in dikte ongelijke kleine bolletjes aan. Bij hun rijpheid is dit bedorven graan zeer licht en zwemt boven het water. Men kan de Korenplanten die bedorven zaden moeten opleveren van in de bloei tijd zeer gemakkelijk herkennen; want diens bladeren zijn van een donkerder groen dan degene die goede zaden voortbrengen; later worden de strohalmen glansloos. Indien men een aangedane Koren aan aanziet voor aleer het uit zijn kaf vliesje of bewimpeling spruit bevindt men dat al de meeldraadjes slap, de bovenste hangende stampertjes zonder angels zijn en het vruchtbeginsel alreeds de reuk der bederf heeft. Zeer gemakkelijk is het om wanneer de aren zich vertonen de bedorvene van de niet beschadigde te onderscheiden; ze zijn blauwachtig, de bast is min of meer door witte stippeltjes gemerkt, het kiempje behoudt zijn vlekjes en de kaf vliesjes zijn dunner; wel gauw door de voortgang van de groei verbreden en klissen zich de bedorvene Koren naren uit een, de korrel zwelt, het kaf vliezige pit wat het besluit neemt vooreerst een askleur en vervolgens een bruine kleur aan. De geur welke zeverspreiden is voor degenen die hem kennen licht om op te merken vooral voor een waarnemer die de akkers doorloopt wanneer dit koren uitgebloeid staat want hun rijpheid is gewoonlijk vroeger dan die der gezonde aren; men vindt ook menigmaal gezonde aren op de halmen waarop er zich bedorvene voordoen. Eindelijk speurt men er ook dikwijls half gezonde en half rotte op.
De ouden en de gewone man te lande schrijven het rotten of vertering der granen aan de gisting of walm (uitwasening) toe die vanuit de aarde opstijgt, aan dauw of om zo te zeggen aan ziltige regens aan met uitwasemingen vermengde nevels, aan hete blakende winden enz., maar velen dit voorwerpt als wiskundigen navorsen hebben er in dezer voege een betere verklaring aan gegeven: wanneer een grote mist, dauw of koude motregen een zeker aantal kleine droppelen op de planten gelaten heeft en de zon die bars bestraalt worden die droppeltjes zo veel scherp inbijtende vergrootglazen wiens middelpunt zich rechtstreeks op de bladen en korrels richt die wezenlijk verschroeit of bederft. Inderdaad zijn dikwijls op de vruchten die kleine knopjes zichtbaar welke schijnen stippen te wezen als door een brandglas verzengd; maar meestendeels merkt men geen spoor van de brand in Koren aan en evenwel zijn zaadkorrels bederven.
De hedendaagse natuurkundigen staan voor dat ze ontdekt hebben dat de koren-verrotting niets anders is dan een menigte van een schimmel of mos gelijkende zuigplantjes van het geslacht der Kampernoelie die tussen de vezeltjes van het Koren schieten deze plantjes een menigte worteltjes vast hetgeen oorzaak wordt dat de en lens blijven. De door de wind aangevoerde zaden waar de zuigplantjes hechten zich aan de stammen der planten vast, kiemen daar en geholpen zijn door een vochtigheid met warmte vergezeld vermenigvuldigen zich op een onbekrompen wijze en baren oneindige verwoestingen.
De volgende proefondervinding van M. Prevost schijnt vooral het algemene goed dunken weg gedragen te hebben, nopens de oorzaken der koren-verrotting ten voordele der zuigplanten; hij heeft de bolletjes die van de rotting aangedaan waren in gedistilleerd water aan de gematigdheid van 16 graden van het honderdgradig weerglas (Thermomètre centigrade) gelegd. Deze zijn op staande voet van ’t dubbele opgezwollen en hebben naderhand een bobbeltje uitgeworpen welk zich meer of min uitgerekt heeft, zulks is te zeggen tot vijf of zes maal hun middellijn. Deze bobbel heeft vervolgens aan zijn uiteinde, zich in vijf, zes en zelfs in acht takjes verdeeld. Soms waren deze onderverdelingen zonder steeltjes aan de bolletjes vast; ander malen schoten ze takjes uit; deze takjes stelden dikwijls na verloop van een zeker getal dagen schijnbare geledingen voor of liever oneindig kleine on bespoten graantjes en ter zelfder tijd hebben de bolletjes ingezakt geschenen en hebben vakjes of samen vloeiingen laten zien die ongetwijfeld tevoren de korrels besloten of beter de half gevormde vormige knopjes die men voor niet anders dan eigenlijk voor het zaad der plant kan aanzien. Deze bolletjes welke het stof of masscher van de bederf uitmaken zijn dan volgens deze daad zaken tot half wasdom gekomene Kampernoelies welke van node hebben zich in andere omstandigheden te bevinden om hun ontwikkeling en voortzetting te kunnen voleinden.
Wat er ook van de aard der koren plaag zijn mag, is het een algemene waarneming dat deze ziekte vooral de zwakke te laat gezaaide Koren aantast, en welke gevolgen later tot aren schieten; dat ze plaats heeft in de koele, regenachtige veranderlijke weer en voorjaren zonder wind om reden dat de planten een mals samenstel in deze omstandigheden minder aan de indruk van de dampkring weerstaan. Hoe dusdanig het zijn mag, al hetgeen de dauw en vorst der lente begunstigt als de nabijheid van een laag en moerassig oord, de natte gronden enz., al hetgeen de uitdamping der vochtigheid belet ,gelijk bij voorbeeld de al te hoog opgeschoten hagen, de dikke of dicht getakte bomen, de hoge muren welke den wind tegenhouden enz., vermeerderen de gevaren van de koren plaag.
Integendeel, zijn de droge luchten van de bossen ver verwijderde streken, enz., doorgaans minder aan dergelijke uitwerksels van deze ziekte onderworpen; kortom, bestaan er landstreken alwaar de koren plaag geheel en al onbekend is.
De koren plaag komt voor, sterft en wordt herboren door het terugkeren van dezelfde omstandigheden welke het bij zijn aanvankelijk begin hebben voortgezet, namelijk van al de ongunstige omstandigheden; de vermeerdering eenmaal tot stand gekomen is het besmettelijk en het zaad blijft een altijd bestaande oorzaak van besmetting. Indien de kiemen der koren plaag niet uitgedoofd worden door de gunstigheid van het jaargetijde of door de bereiding van het Koren met kalkwater alvorens men het zaait zal die zich uitbreiden en eindigen met verschrikkelijk te worden. Het gebeurt soms dat zonder enige voorzorg vanwege de landbouwers de plaag van het een tot he andere jaar staakt en dit is men alsdan verschuldigd aan de heilzame invloed der jaargetijden; gelijk ziet men de landziekten, veeziekten, gele ziekten, koortsen en pest eensklaps hune verwoestingen afbreken door de enkele verandering van de gesteldheid der dampkring die daarop een grote invloed uitwerkt. Men heeft alhier te lande dikwijls bemerkt dat er zich meer bedorven koren aren vertonen in een verse net beploegden grond dan in onder zaad liggende landerijen zoals ook in een akker alwaar het graan diep begraven was geweest. Het is niet gemakkelijk deze daad zaak uit te leggen, anders dan door een overtolligheid van vochtigheid. Indien veel voorbeelden de zwarigheid van het zaaien bewijzen op verse beploeging, veel andere bewijzen ook degene van de grond slecht te bebouwen hem de beploeging en diepe bewerking te ontsparen ,en hem te rechte tijd niet diep genoeg te spaden; want het is gekend dat het Koren met de wortels wel 34 centimeters diep zijn voedsel uit de grond trekt. Deze daad zou men op geen heldere wijzze kunnen aanmerken dan met twee delen van eenzelfde stuk land te scheiden alwaar het ene diep bewerkt is; men zal inderdaad licht zien wat verschil het slecht bebouwen doet; het ene deel geeft niet zulke grote aren en graan als het ander.
Wat de late zaaisels betreft en vooral de Tarwe leveren deze meer de koren plaag op en dit is zeer ligt om te vatten; het laat gezaaide gewas heeft zich niet voldoende kunnen versterken om aan de invloed van de winter te weerstaan en de besmettelijkheid van de koren plaag te boven komen; want het gaat met de gewassen als met de dieren; zwakke gesteldheden bezwijken dikwijls onder de landziekten, integendeel staan de kloeke die beter uit. Eindelijk, randt de koren plaag lichter de Koren van de koude noordse landen dan die van de warme zuidelijke landen aan.
Aan zovele oorzaken welke op de voortbrenging en ontwikkeling der koren plaag invloed hebben stellen we een enig middel tegen om die voor te komen, dit is de bekalken die door wassen van dit Koren geschiedt. Zie hier de bewerkstelling: Indien het Koren met de bederf plaag besmet is kan het geenszins om gezaaid te zijn, gebruikt worden; dan na de bekalken ondergaan te hebben moet men het vervolgens in een ruim of stromende water wassen. Deze wassen geschiedt met het graan welk in een mand gevuld is sterk tussen de handen te wrijven en vervolgens in de zon tel aten drogen. De hoeveelheid kalkiemen tot het bekalken der Koren dient te bezigen verschilt veel in evenredigheid van zijn hoedanigheid. Men doet doorgaans in een bak zes ons goede ongebluste kalk voor een halve liter loogwater waarin voldoende zout gedaan is; deze loog dient gemaakt te worden uit goede houtas ; men laat daarin het zaai graan gedurende vier-en-twintig uren ten langste genomen weken; men draagt zorg de vuiligheid en bedorvene korrels er af te vissen en men zaait dit gewassen graan na het weer gedroogd te hebben de volgende dag; indien nochtans men hierin door enige omstandigheden belet was zal men zorg dragen het met een schop verscheidene malen goed te roeren en op deze wijze kan het zich enige dagen in goede stand bewaren.
Zeewater is verkiesbaar boven andere tot het vervaardigen der loog; men moet ook behoedzaam zijn dat er geen stof of masscher van andere kiemen van besmetting zich bij het gewassen graan vermengd, want dit zou een nieuwe oorzaak tot de koren kwaal kunnen worden. Deze wassen is altijd te prijzen om alle granen te zaaien vermits ze het zaad tegen mest en vochtigheid voor de ontkieming versterkt. Deze eenvoudige bewerking vervult het dubbel oogmerk van de kiem der koren plaag uit te roeien bij al dien deze bestaat en is het zaak deze niet bestaat kan het hun voortteling voorkomen. Al de landbouwers zouden van de belangrijkheid van dit gebruik overtuigd moeten zijn en dit nooit verzuimen zo gauw ze een enkel bedorven koren aar ontmoeten dat in deze landstreek gewoonlijk Grim- of Masscher-Koren aar genoemd wordt en ze bij hun inzameling wel kunnen bemerken. De koren plaag en besmettelijkheid kan zich ook vooral door de bewerking der dorsen voortzetten; hierbij moet men geloven dat bij al dien men de gezonde aren, een voor een, in een veld uitzoekt en die afzonderlijk dorst om te zaaien men geen of winig weinig verrotting zou hebben; want natuurlijk is het altijd uit het mooiste zaad dat de mooiste Koren voorkomen.
Ik heb door verscheidene herhaalde proefnemingen ondervonden dat de vreemde Tarwe van Kalken en omstreeks Dendermonde bij ons te Waarschoot gezaaid de drie eerste jaren geen bederf of grim zoals zo als de Tarwe die men veel volgende jaren te voren had gezaaid onderhevig was; waaruit men kan besluiten dat de landbouwers om weinig of geen grom in de Tarwe te ontmoeten te minste alle vier jaren van zaaigraan moeten veranderen; waaruit ze alle jaren wel 20 % voordeel kunnen trekken.
Wanneer in de graanschuur door de vlegel slagen het bedorven stof uit de bewimpeling verdreven wordt vliegt dit rond en kleeft zich over de gehele uitgestrektheid der gezonde zaden welke er zich aan blootgesteld vinden, vast en vooral aan het tegenovergestelde einde van de kiem alwaar een slag van wolligheid het ophoudt.
De Tarwe in deze gesteldheid wordt gespikkeld Koren genoemd ter oorzaak van zijn zwartachtig kleur wat dit bedorven stof ze geeft; men kan bij de eerste oogopslag dit bemerken en de graankooplieden, bakkers, molenaars en landbouwers die goed ervaren zijn bedriegen er zich nooit aan; die Tarwe verliest altijd van zijn waarde op de markten een en wordt altijd minder verkocht dan diegene die geen grim heeft..
Het vernuft der mensen heeft ook wel middelen gevonden om dit grim Koren helder en zuiver te maken en weer te verkopen en sommigen kopen dit gespikkelde graan goedkoop om het, na het opgeklaard te hebben, weer te verkopen. De meest algemeen gebruikte middelen om dit te zuiveren bepalen zich tot twee; het eerste bestaat in het gespikkeld Koren in met water gevulde bakken te wassen; het naderhand omroeren en het water vernieuwen totdat het bijna helder uitkomt; men kan het geleidelijk in korven doen en in de stroom van een rivier houden, i nacht nemen van het om te roeren en het vervolgens in de zonneschijn te laten drogen terwijl men het op dors kleden of lakens uitspreidt enz.
Het tweede middel vordert meer zorg en tijd dan het eerste; men zeeft het gespikkeld Koren door een zeef van koperdraad met een helleden platte grond en wiens gedaante alhier bekend is; men herhaalt dit verscheidene malen naar mate het meer of min gespikkeld is. Dikwijls na twintig keer zeven ondergaan te hebben is het vuile grim stof nog niet voldoende afgescheiden. Met het een of andere van deze middelen te gebruiken bekomen de kooplieden en landbouwers wel hun doelwit om dit Koren te verkopen; maar toch kunnen ze het nooit op de wijze zuiver genoeg krijgen om het weer te zaaien want er blijft altijd enig stof van dit grim aan de granen vastgehecht en zolang een landbouwer koren in zijn veld bemerkt die met het grim zijn besmet moet hij alle jaren het Zaaikoren bekalken, hetgeen het enigste middel schijnt om dit grim of masker te doen verdwijnen. Ware het dat alle landbouwers deze bekalken met zorg verrichtten, men zou wel gauw deze koren plaag zien staken.
2o De boom-bederven is een ziekte die ook Carie wordt genoemd, en deze plaag die bij het dierenrijk dezelfde naam heeft is een verrotten van het hout die het midden der boom bederft en eindigt met geheel den boom te doen versterven. De oorzaak van de deze verrotting is nog niet geheel bekend want een kwetsuur kan op een zekere wijze door de vochtigheid voortkomen en een grote wonde veroorzaken die dn boom doet verrotten. De ouderdom der boom brengt ook dikwijls dergelijke uitwerksels mede. Gewoonlijk begint deze verrotting van aan de krop der wortels vanwaar het langzaam naar de kruin opklimt, natuurlijk de takken aanrandt en doet verdrogen. Deze takken die afgekapt worden dringt het vuur der takken die alreeds van hun levend sap zijn beroofd voort in de boom die we gauw door de regen, koude vochten, enz., rot; bij deze omstandigheden kan men wel de verrotting doen ophouden of tenminste doen verachteren en de wonde met potaarde, mortel of St-Fiakers zalf en bij al dien de kwetsuur te groot is met griffellak toe stoppen; maar als dit door de ouderdom voortkom zijn al die middelen vruchteloos; voor de wonden echter die men bij het afsnoeien van de groene takken verricht zijn ze zeer te prijzen want ze beletten de vochtigheid die dikwijls de verrotting veroorzaakt in de boom te dringen.
De oppervlakkige verrotting is degene welke boven aan de takken begint; door die tot aan het levende hout af te kappen en met griffellak goed toe te stoppen kan men die doen ophouden.
§ 4. Over dn korenbrand of meeldauw.
Zeer langen tijd hebben de kruidkenners en landbouwers de korenbrand, et de verrotting van de Tarwe door grim of masscher verward; maar de nieuwe Kruid- en natuurkenners hebben deze ziekte geheel anders bevonden en bemerkt dat dit twee verschillende plagen zijn welke men zeer gemakkelijk uit elkaar onderscheiden kan. Deze kwal die ook ieder jaar aan de landbouwer een groot verlies toebrengt is heden in ’t algemeen onder de naam van korenbrand of meeldauw bekend.
Bijna al de grasplanten die strohalmen dragen zoals de Haver, Gerst, Spaanse Tarwe enz., worden van die kwaal beschadigd; vooral als die planten op vochtige plaatsen, aan de kanten der moerassen enz., groeien zijn ze gewoonlijk meer aan deze ziekte onderworpen. Men weet dat de korenbrand door een zuigplant wordt veroorzaakt welke onder de familie der Kampernoelie wordt gesteld en van het slag Uredo is waarvan M. Ch. Morren, leraar bij de Hogeschool te Luik, schrijft en zegt dat die ook zeer veel andere gewassen aantast; het teeltstof van deze zuigplanten dringt in de oppervliesjes der granen en verwoest de kiem met de meelachtige delen waaruit het zijn voedsel neemt. Deze soort van Kampernoelie zet zich gelijk alle andere planten door het teeltzaad voort, maar het is te geloven dat zijn ontwikkeling misschien door andere omstandigheden, zoals bij voorbeeld de ziekte der planten waarop ze zich gewoonlijk zet, wordt veroorzaakt; men kan gemakkelijk de zwarte korenaren bemerken die met deze brand zijn besmet en dit zwarte stof, met een vergrootglas aanschouwt, biedt een weinig slijmachtige kleine bolletjes aan die anders niet schijnen te zijn dan de botjes der zaadvormin, die de soorten moeten voortbrengen en met de rijpheid hun zwarte kleur verkrijgen; dan klieven die kaf vliesjes open en dit zwarte stof zet zich voort op de gezonde granen. Bij het volgende jaar kan ieder bolletje een nieuwe Kampernoelie voortbrengen die ten nadele van het Koren groeit en een groot verlies aan de landbouwers veroorzaakt. Het zwarte stof van deze korenbrand is uitermate lichtt, het zwemt zelfs op het water,en kan zeer gemakkelyk door de wind van de ene plant op de andere vliegen; het kleeft aan de benen der mensen en dieren die het overdragen, het vliegt door de velden en zet zich weer op de planten en granen. Dit zwarte stof heeft geen reuk zoals het masscher van de Tarwe, maar het neemt zeer licht de kleur van grim aan verbrandt zeer hevig het Koren te velde en in de schuren. Volgens verscheidene bemerkingen is de Haver, Spelt, Gerst en Spaanse Tarwe meest aan dezen korenbrand onderworpen.Het zekerste middel om deze kwaal te voorkomen is van de natuur kiempjes van deze Kampernoelie te verdelgen door het bewassen van den kalk op de wijze als men voor het zaaien van de Tarwe verricht; maar deze bekalken moet voor de Haver sterker zijn omdat hun kaf vliesjes dikker en enigszins harder dan de pellen van de Tarwe zijn.
Deze bekalken waarmee men deze kwaal zeer gemakkelijk kan voorkomen kost aan de landbouwers geen lange tijd noch zware moeite. Men kan zich geen denkbeeld vormen van de verschrikkelijke verwoesting die alle jaren door die kwaal te lande geschiedt.
S.5. Over de beschimmeling en kanker der bomen.
Men kan zich moeilijk een denkbeeld vormen van al de kwalen wateren de planten en bomen in hun levenstijd aan onderworpen zijn; het was een grote dwaling te denken dat de mensen en dieren maar alleen met ziekten zijn gekweld, want er zijn ook veel ziekten die de planten en bomen hinderen en hun geheel doen versterven; ten eerste, de beschimmeling der wortels en stammen is een ziekte die door de verzameling van de vezelige draadjes die door de vochtigheid verrotten gewoonlijk voorkomt; maar deze beschimmeling der bomen wordt ook als teken der zwakheid beschouwd. Men noemt deze ziekte beschimmelde wortels omdat deze door breking en wonden daaraan dikwijls door onachtzaamheid toegebracht in de grond beschimmelen, rondom de schors witachtig zijn, maar in ’t midden een zwarte kleur verkrijgen; men bemerkt ook soms dat de kwaal door de stand en vochtige grond kan voortkomen; maar als deze door de kwetsuren voortkomt zal een behendige hovenier wel- gauw die beschimmelde wortels van de aarde ontbloten en alle beschadigde delen tot op het levende hout zuiver afsnijden met goede aarde die weer bedekken en bij tijds een vette besproeiing daaraan toebrengen, volgens dat hij ziet dat dit nodig i som de boom, welke door die kwaal verzwakt is, zijn groeikracht te doen hervatten. Wanneer al de wortels daarvan zijn aangetast is het beter de boom geheel uit te roeien om geen nutteloos werk te verrichten die door een andere te vervangen, want de beschimmeling verzwakt ongevoeglijk de bomen en mint hen tot een gehele versterving uit. Deze ziekte kan soms wel de boom enige jaren van de gehele verrotting weer houden; maar de boom kwijnt, de knopbotten zijn zwak en weinig gevoed, de bloemen eer ze hun vruchten maken vallen gewoonlijk af; wanneer ze nog vruchten kunnen verkrijgen zijn die klein, dikwijls met wormpjes doorstoken, ,zonder smaak en vallen voor hun rijpheid af; de bladen verliezen hun groene kleur, worden geel en vallen vroeger in de herfst dan die van de gezonde bomen af.
De kanker is ook een ziekte die door de scherp inbijtende vocht de organen hindert en verscheidene delen der grote boomgewassen verwoest.
De kanker is dikwijls het gevolg van de vochtigheid van de grond; maar een blutsing of een slecht genezen wond kan ook de kanker veroorzaken. Het beste middel voor een hovenier om die te verhelpen is de wonde af te krabben en met griffellak goed te sluiten. Voor dezen trachtte men de kanker te genezen met koemest, hooi en kool as daarop te leggen en boven een doek van wol of linnen op te binden; maar sedert dat het griffellak uitgevonden is, waarmee men zeer goed dit doel bereikt zijn de oude middelen verworpen. Wanneer de kanker alreeds het binnenste der boom heeft verrot en geen afkrabbing mogelijk is tracht men het verrot hout daaruit te halen; men steekt dan in die wonde een stuk zwam met goed sulferbloem bepoeierd en steekt het vuur daaraan om dit verrot hout te verbranden; men stopt dan deze wonde met een wollen stopsel dat men met mortel van kool as en potaarde gemaakt goed bedekt en volgens noodzakelijkheid kan vernieuwen totdat die wonde zuiver toe en geheel genezen is en de boom met enige vet rond de wortels te geven dikwijls zijn groeikracht hervat.
$6. Over de spoor of bederf der Rogge.
Een kwaal welke op de Rogge verschijnt en voor de gewichtigste wordt aangezien is de spoor of het bederf in de Rogge die nochtans ook soms veel andere grasplanten besmet, maar toch vooral meest de Rogge aantast. Deze ziekte wordt gewoonlijk Spoor genoemd omdat de granen daarvan aangetast langer en krommer dan de andere zijn en op de spoor van een haan gelijken; men vindt soms aren welke maar een graantje bedorven hebben en andere waar er twee, drie, vier en wel tot vijftien gespoord zijn. Wanneer er maar weinig graantjes in een Rogge aar bedorven zijn schijnt dit daarvan niet te lijden; maar als er zich te veel in een aatje bevinden is het ineen gekrompen en de strohalmen zijn zwak en worden gewoonlijk voor hun tijd rijp. .Alle pogingen die de natuurkenners tot heden hebben aangewend om de oorsprong van deze kwaal te ontdekken zijn gans vruchteloos geweest. Men bemerkt 1o dat die spoor kwaal zich vooral vertoont in de vochtige koude landen bij regenachtige jaren en bedompte bedekte lucht die blij het bloeien de groei belet. 2 ° dat de Rogge die in februari of maart wordt gezaaid daaraan meer dan degene in de herfst gezaaid onderworpen is; 3o dat de velden aan de vrije open lucht en winden blootgesteld er minder aan onderworpen zijn dan de lage besloten velden met hagen, kanten en bomen omringd; 4o dat die kwaal ook meer in nieuw omgeploegde landen dan in de oude bewerkte gronden verschijnt.
Men kan daaruit vermoeden dat de hoeveelheid der spoorziekte bovenmate veranderlijk is en waarlijk niets is er regelmatig ten die opzicht bepaald, het is gewoonlijk met het begin van de zomer dat die ziekte zich vertoont, het is te zeggen na het bloeien en langen tijd nadat de vruchtmaking geëindigd is; echter is het tijdstip van de verschijning ook zeer veranderlijk.
Sommigen zeggen dat die kwaal door de insecten veroorzaakt wordt; anderen geloven dat die door de kleine wormpjes die men soms in de bemerkt voortkomt. Sommigen hebben geschreven dat ze van de beschimmeling in de vochtige koude aarde voortkomt, terwijl zeer veel ervarene landbouwers die kwaal aan de mist en nevel toewijzen en waarlijk men ziet die meest alhier te lande bij donkere regenachtige jaren en in vochtige velden waar de zon door mist en damp verhinderd zich binnen het bloeien en vruchtmaking der Rogge weinig vertoont.
Kortom, volgens verscheidene waarnemers zijn die besmette granen bij gebrek van bevruchting zacht en monsterachtig; maar waarom vindt men in de Roggenaren zoveel graantjes die op de twee einden mis bloei hebben waarin me nochtans geen spoorziekte noch bedorven graantje bemerkt ? Het blijkt dat velen die over de kwaal hebben geschreven nog over diens oorzaak in de onwetendheid zijn.
De landbouwer weten maar te goed hoe zeer die kwaal aan de oogst der Rogge nadelig is en had men nog maar alleen de vermindering van den oogst te vrezen; maar het brood met die besmette Rogge gebakken heeft een erger gevolg voor de arme landlieden die daarvan moeten eten daar die Rogge in het binnenste een donker wit meel van een zeer zure scherpe aard heeft. Wanneer dit bedorven graan met andere gezonde Rogge in meel gemalen wordt veroorzaakt het brood dat daarvan komt dikwijls een verschrikkelijke ziekte die men gewoonlijk te lande het koud vuur en droge kanker noemt en soms een vreselijke verwoesting onder de mensen en dieren die van dit brood eten voortbrengt; maar veel behendige landbouwers die wel die gevaren kennen zoeken altijd middelen om die bedorven Rogge van de gezonde te scheiden, hetzij door een zift met brede gaatjes van kalfsvel gemaakt, hetzij met de besmette Rogge verscheidene malen door de windmolen te drijven alwaar die kleine bedorvene graantjes met het kaf doorvliegen; maar als die voor de markt is geschikt wordt het zo nauwkeurig niet nagezien. Sommige ervaren landbouwers hebben bemerkt dat de Rogge voor het zaaien op de wijze van de Haver, Gerst en Tarwe bekakt nooit zoveel van die kwaal besmet was, hoewel nochthans deze ziekte zeer verschillend van het grim of masscher der Tarwe en korenbrand der Haver is. ntussen dat men van de pogingen der landbouwers en waarnemers enige middelen tot voorkomen van die kwaal mag verwachten mag men geen voorzorg sparen om alle jaren nieuwe zuivere Rogge te zaaien en ook van zaaigraan te veranderen.
$ 7. Over de honigdauw of zoete honig.
De honigdauw is een gesuikerde stof die soms gans de planten bedekt, in het water niet smelt, met de zoete honig wordt vergeleken, maar toch meer op de manna gelijkt en die de bladen, bloemen, stengels en zelfs de botjes van het meeste deel der planten bij hete zomers uitzweten. Volgens vele natuurkenners is de slijmerige zoete honing stof welke op de bladen enz., van zekere gewassen verschijnt een voortbrengsel van de planten zelf welk bij het uitvloeien ze zeer nadelig is; 1° ze berooft die planten die alreeds door de uitzweten verflauwd zijn, een deel van zijn zelfstandigheid ;2o ze belet het opslokken van het gas der dampkring, enz. De bijen, mieren en aardvlooien die op de zoete honigdauw zeer verlekkerd zijn pompen ook het sap en terzelfde tijd de groeikracht uit die planten.
De zwakke planten die in droge magere gronden groeien zijn meest aan het uitzweten van deze honigdauw onderworpen; maar toch de zeer hete droge zomers maken vooral een grote indruk op dit uitzweten; want dan ziet men ook veel de kloekste planten daarvan aangetast; waeruit en kan besluiten dat de honigdauw een ziekte is die soms van de overlast van gezondheid voortkomt, gelijk het uitzweten bij de mensen; maar het verlies van dit sap is altijd nadelig aan de planten; het belet de vruchten hun grootte en wasdom te verkregen en doet ze voor hun volle rijpheid afvallen; men bemerkt bij jaren alsdie honigdauw overvloedig verschijnt dat de bomen in de kwekerij zeer weinig groeien. Alle voedering planten met de honigdauw bezwaard zijn zeer nadelig aan de kruid etende dieren.
De honigdauw maakt op de granen ook een grote indruk en het is niet zelden als men de granen daar veel van aangetroffen ziet dat men slecht koren bemerkt en een gedeelte van den oogst verliest.
Vele schrijvers bieden een grote menigte middels aan om de planten tegen de honigdauw te behoeden; er is echter geen ander middel in de macht der mensen dan de bladen, stengels, enz., goed met koud water te besproeien; maar op wat wijze al de planten en bomen in de hoven, boomgaarden enz., en het koren te velde besproeid? Het beste is dan de regen te verwachten die de honigdauw doet smelten welke evenwel soms door zijn lijmachtige stof nog enige overblijfsels op de gewassen laat, tenzij ze een grote stortregen met hevige wind vergezeld de honigdauw meesleept en de planten daarvan geheel ontlast. Bij jaren dat de hemel door wolken is verduisterd ontmoet men weinig honigdauw, als ook bij regenachtige jaren.
In de matige luchtstreken ziet men weinig honigdauw: dit is wel een blijkbaar bewijs dat dit door de hitte der zomer voortkomt en van de planten zelf wordt uitgezweet.
$ 8 . Over de verroesting der planten.
De verroesting is een ziekte der granen en van sommige andere gewassen die zich door gele vlekjes op de stengels en bladen vertoont. Deze roest stelt zich vooral meest op de gewassen wier bladen waterpas of een weinig scheef geplaatst en wolachtig zijn; maar men bemerkt die zelden op de bladen welke effen, glad en goed gesloten groeien. Men heeft die kwaal lange tijd toegewezen aan de dauw, mist of nevel waarop dikwijls in de zomer een hete zonneschijn volgt; maar die voor gedragene stelsels zijn heden door veel waarnemers verworpen; want vele nieuwe natuurkenners hebben bemerkt dat de roestende vlekjes die zich op de stengels en bladen vertonen niet anders dan kleine Kampernoelie zijn ,die zich op de planten voortzetten en ten nadele van die gewassen leven. Deze ziekte werd voornamelijk aan de dauw, mist of nevel toegeschreven omdat het weinig van den korenbrand of meelbrand verschilt en zich meest bij regenachtige jaren vertoont op de koren in de velden die aan de moerassen, bossen of palen gezaaid worden.
Wanneer de strohalmen en bladen maar een weinig van de roest zijn aangetast schijnt die ook weinig indruk op de voortbrengsels der granen te verrichten; maar wanneer er vele van die vlekjes op de bladen zijn verslinden ze het grootste gedeelte van het levende sap tot de voeding der stengels en vrucht bestemd die altijd kleiner blijven; het graan mis groeit en versterft in de aren eer het de gehele rijpheid verkregen heeft.
Alle middelen tot heden voorgesteld om het Koren tegen deze ramp te behoeden zijn nutteloos geweest; kundige landbouwers hebben enkel bemerkt dat het Koren in droge, vlakke, open velden aan de winden en zon blootgesteld gezaaid minder aan deze kwaal onderworpen was dan hetgeen wat aan de moerassen, bossen, staande waters enz., gezaaid was.
De hooi verroesting, waaraan de grasplanten die in de moerassen groeien sommige jaren door de overstroming van het water onderworpen zijn wordt ook van veel landbouwers ten onrechte met deze ziekte verward; dit is eigenlijk geen kwaal, maar komt voort van het water dat te lange tijd op de moerassen blijft staan, et gras bederft en een stinkende hoedanigheid aan het hooi doet verkrijgen welke aan de kruid etende dieren soms een ziekte veroorzaakt; maar dit hooi met een vlegel goed gedorst of met een stok die verroesting uitgeslagen verschaft wederom aangenaam voedsel; en als dit te zeer verrot is kan men het voor strooisel der dieren gebruiken daar het een goede mest om de landen te vetten verschaft.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de Kalanders, korenworpjes en korenbijters.
De Kalanders onder de familie van de schild diertjes (Coleoptera tetramera) (Elacistelmis tetramera) gesteld zijn sedert verscheidene eeuwen bekend en brengen een kleine soort van wormpjes voort die ten nadele van het koren leven en somn zeer grote schade aan de landbouwers veroorzaken daar ze gehele hopen koren zodanig verslinden dat er op de graanzolders bijna niets meer dan de zemels of pelletjes overblijft.
Sedert enige jaren hebben de natuurkenners veertien soorten van die kalanders bemerkt die allen, volgens de zaadkorrels der gewassen die ze aantasten, verschillende benamingen hebben. Men noemt heden kalanders de wormpjes die het graan aanranden en deze hebben hun seizoenen, gelijk alle andere insecten die van gedaante veranderen en bij het warme jaargetijde gestadig tot hun vermenigvuldiging werken. Nadat ze het grote doel der natuur vervuld hebben verdwijnen ze zoals de andere insecten die eieren baren en wormpjes worden genoemd. Het is gewoonlijk nadat ze door de warmte uitgebroeid zijn dat ze meest beginnen de granen te verslinden en een ware ramp voorde landbouwers en graankopers zijn. Deze graankalanders zijn wormpjes zonder pootjes met negen ringen op het lijf, de kop fijn geschulpt met een kinnebak voorzien; hun lijf is rond, omtrent 2 streepjes dik en ½ streep breed; de kleur van de korenkalanders is gewoonlijk bruinachtig zwart; ze zijn zonder vleugeltjes of hoorntjes bekroond. Met de eerste warmte der lente of met het begin van de maand mei komen de kalander die op de graanzolders verborgen zijn uit de planken, balken, muren enz., op de hopen koren gekropen alwaar ze paren en het wijfje haar eitjes legt; maar deze paring kan maar bij een warmte van 8 of 9 graden geschieden, want als het koud op de zolder is blijven ze gewoonlijk zonder beweging; maar in de gestelde warmte van 8 of 9 graden kruipen de wijfjes altijd 10 of 12 centimeters diep in de hoop koren om hun eitjes te baren; ze leggen nooit meer dan een eitje op ieder graantje af dat ook altijd in het groefje zeer bij het kiempje geschiedt en waarop het door een slag van gom vast gemaakt is.
De jonge kalanders of kleine wormpjes kruipen, volgens de warmte, de zesde of zevende dag uit de eitje en gelijk ze zich op de fijnste delen der graantjes bevinden beginnen ze aanstonds te knauwen en voedsel naar hun gesteldheid te vinden; gewoonlijk in twintig dagen hebben deze wormpjes geheel het binnenste meel van dit graantje verslonden. Ze vormen alsdan een nimfje dat na tien of veertien dagen uit het pelletje of bewimpeling van het graantje door het gaatje kruipt. Vier of vijf dagen nadat ze uit die bewimpeling gekropen zijn paren de jonge mannetjes weer met de wijfjes die opnieuw beginnen eitjes te baren; hetgeen dikwijls nog binnen de zomer er de koude begint een of twee malen op dezelfde wijze geschiedt; want volgens de tabellen van verscheidene waarnemers is de vermenigvuldiging der kalanders op zo’n wijze geschikt dat ieder paar binnen de vijf zomermaanden, het is te zeggen, van de 1ste mei tot het einde van september meer dan zes duizend kalanders kan voortbrengen; wel te verstaan nochtans als dat enkel paar zich in een warmte van 14 of 15 graden bevindt: men moet dus niet verwonderd wezen van soms een groten hop koren in weinige maanden verslonden te zien.
Om de tegenwoordigheid der kalanders in het koren te kennen heeft men maar een handvol graan van de hoop te nemen; men zal zeer goed de kleine gaatjes van die wormpjes in het graan bemerken en met daarin te blazen zullen de ledige van de hand vliegen of in het water geworpen de holle boven zwemmen. Men vindt gewoonlijk de kalanders op de graanzolders meer naar de zuidkant van de warme muren dan naar de noordzijde der hopen koren; ze zoeken ook altijd de donkerste plaatsen van de hoop alwaar ze rust vinden, want de grote klare lucht en lopende koude winden doen ze gewoonlijk vluchten; maar ze kunnen een warmte van 60 graden weerstaan; en eens die wormpjes binnen de graantjes gesloten zijn ze bijna van allen uitwendige invloed bevrijd. Men kan twintig maal de hoop koren verschieten, zonder dat ze zich daarover bekommeren, en indien de graanzolders met sterk riekende geur van terpentijn of dodelijk gas vervuld zijn kan dit hun niet meer hinderen. Het is aan de grote koude en de grote warmte die hen kan verdelgen; maar gelijk die warmte van 70 graden moet zijn verdroogt het de uitspruitende krachten van de granen die voor het zaaien niet meer kunnen gebruikt worden, maar enkel voor de bewaring en voeding der mensen dienen; niettemin is het brood daarmee gebakken zo goed smakend niet.
Het is dan voor het begin van het uitbroeien der wormpjes van de kalander ,dat de landbouwers en graankopers moeten zorgen die te verdelgen; gelijk de kalanders als de koude begint niet meer bekwaam zijn te eten noch eieren te baren of zich voort te zetten heeft men dan in 't algemeen voorgesteld de warmte door koude te vervangen een wind- of luchtgever op de graanzolders te plaatsen die voor het paren in mei en voorts in de zomer op tijd in beweging gebracht die insekten doet vluchten en verstijven, hun belet hun eitjes te leggen en nadeel aan het graan toe te brengen.. Derhalve is het ook zeer te prijzen langs beide zijden der graanzolders vensters te maken waar een lopende wind doorvliegt; de granen, terwijl de kalanders paren, dikwijls door de ziften of windmolen gedreven en met de schop verschoten geeft ook soms een voldoende uitwerking; want de kalanders beminnen enkel rust en de gedurige omroeren der granen kwelt ze. Ze eindigen met de hoop koren te verlaten en nar de muren, enz., te kruipen waar men die met een bezem kan bijeen vangen en met de voeten dood stampen, hetgeen hoogst gemakkelijk is omdat die diertjes eens geraakt lange tijd zonder beweging blijven. Het voordeligste om al deze gemelde middelen te bewerken ,heb ik gezegd, is die ten einde april of met het begin van mei te verrichten, want nadat de kalanders hun eieren hebben gelegd is het altijd zeer moeilijk die te verdelgen. Men heeft nog onlangs een nieuw middel voorgesteld om de kalanders te beletten hun eitjes in het koren af te leggen, welk enkel hierin bestaat van het droge uitgedorste koren met het begin van april in zakken van omtrent 2 hectoliters groot te vullen en die op horden of kleine nieuwe latten, omtrent 10 centimeters hoogte van de planken, op dn zolder te plaatsen en staken tussen te voegen : de kalanders die zich op de zolders bevinden kunnen door het lijnwaad van die zakken niet bijten om hun eitjes te leggen die de groef van het graantje moeten hebben om te kunnen uitbroeden; de wormpjes die zonder pootjes zijn en dezelfde dag hun geboorte moeten eten moeten op deze wijze allen van gebrek sterven. .
De Korenkalanders tasten meest de Tarwe, Rogge en ook de Spaanse Tarwe aan; de Gerst en Have r die met hun dikke pelen of bloei kolf rond blijven worden zelden van die wormpjes aangetast. Het koren door de kalanders beschadigd door dn windmolen of wan gezuiverd en gemalen om brood mee te bakken doet de mens geen hinder, maar behoudt toch minder voedsel en een slechteren smaak dan het zuiver koren dat van geen kalanders is aangetast.
De Rijsskalanders verschillen zeer weinig van de Graankalanders, tenzij door enige kleine rode vlekjes die ze op de schildjes hebben; anderszins hebben ze dezelfde gedaante, grootte en wijze van leven; maar moeten tot hun voortteling veel meer warmte dan de korenkalanders hebben.
De kalander der grasplanten heeft bovenop het lijf een donker groen blauwachtige kleur en is van onder zwart; het is een weinig dikker dan de voormelde; zijn wormpjes leven in de koolstengen die ze op alle wijzen doorboren. Er is maar een middel om die te verdelgen, dat is van terwijl die kalanders paren onder iedere koolstruik een handdoek te spannen en er dit ongedierte te doen opvallen en verder te verbranden.
De Pruimkalanders zijn zwart, hun hoorntjes zijn roestachtig; ze hebben twee bobbeltjes op het lijf met het schildje gestreept, en zijn 1 streep lang. Ze leggen hun eitjes op de pruimelaars bladen; de kleine wormpjes van die eitjes vormen op die bladen een roodachtig bobbeltje waaruit zeer veel insecten komen die de bladen en vruchten hinderen.
De Hazelnootkalanders hebben de pootjes getand en een dunnen snuiter die bijna zo lang als hun lijf is; hun lijf is omtrent 3 strepen rondachtig lang en van een roosachtig kleur; ze leggen hun eitjes op de tedere nootjes; de jonge wormpjes doorboren de schelpjes en leven ten nadele van de korrels die ze soms zodanig verslinden dat er bijna niets goed voor het eten overblijft. Die wormpjes, na hun volwassen kruipen van die noten in de aarde alwaar ze in een nimf veranderen en nadien volmaakte insecten worden, ie het volgende jaar weer in de maand juni verschijnen en op de jonge nootjes vliegen om hun eitjes te baren.
De Kriekkalanders zijn bruin met een grijs schild en de schelpjes van dezelfde kleur; hun pootjes zijn puntig scherp; hun lengte is van 1 ½ streep; ze leggen hun eitjes op de Krieken en Kersen; het zijn de wormpjes die van die eitjes voortkomen die de Kersen bederven en dikwijls beletten van ze met smaak te eten/ men vindt nooit meer dan een wormpje in ieder van die vruchten.
De Appelkalanders hebben hun lijf gewolkt en hun pootjes scherp gewapend; de groottei s als die van de Kriekkalanders; ze leggen hun eitjes op de botten en bloemen van de Appelbomen; de wormpjes die in de bloemknopjes uitbroeien beletten dikwijls die bloemen zich te ontwikkelen. Wanneer men die bloembladen onregelmatig mis bloeien ziet is het de oorzaak van die wormpjes die de bloemen hinderen en de vruchten doen mis groeien wat gewoonlijk voor hun rijpheid afvallen en een bitteren smaak hebben. Er is nochtans een ander insect dat ook dezelfde uitwerksels op de Appels verricht.
De Populierkalanders hebben zwarte borsten en al hun pootjes getand; ze zijn omtrent 2 strepen lang en leggen hun eitjes in de groefjes van de Populierbladen; de wormpjes uitgebroeid hinderen zeer de bladen en doen ze een krimpen verkrijgen.
De springende kalanders zijn maar 1 streep lang; ze baren hun eitjes op de bladen van de olmen, eiken en verscheidene soorten van wilgen; de wormpjes die daarvan voortkomen voeden zich met de oppervliesjes en het sap der bladen die ze gedeeltelijk doorboren; dit ongedierte vliegt zeer goed.
De kalanders die het hout doorboren zijn langachtig met de borstschild behaard en de schild gestreept met een grijze kleur; de wormpjes van deze kalanders leven in het eikenhout dat begint te verrotten. Men vindt nog veel andere soorten die weinig belang hebben en zelden in onze matige luchtstreek te vinden zijn, maar veel in de warme landen van Zuid-Europa, Azië, Afrika verkeren en de vruchten doorboren.
NEGENDE HOOFDSTUK. Over de sprinkhanen en krekels.
De sprinkhanen en krekels zijn van een en hetzelfde geslacht; ze worden onder de familie van de gevleugelde dieren (Orthoptera) gesteld en in het Latijn Acridium genoemd om het gedruis dat ze ’s avonds doen horen; het lijf van de krekel is ineengedrongen, hun kopjes zes kantig en even wijd met draadvormige hoorntjes bekroond; hetgeen ze vooral van de sprinkhanen doet verschillen die borstelachtige en langere hoorntjes hebben.
Het geruis van de krekels dat me dikwijls in de zomer 's avonds hoort komt voort van het wrijven van hun achter dij tegen hun schelpjes en vleugels. Dit ongedierte brengt de helft van zijn leven in de gedaante van wormpjes over die alsdan zonder vleugels of schilden zijn en ook in nimfjes veranderen; onder deze twee vormen eten ze en bewegen zich en worden een volmaakte krekel. Het mannetje nadat het enige dagen met het wijfje heeft gekoppeld, sterft; het wijfje nadat ze haar eitjes heeft gelegd ondergaat hetzelfde lot. Sommige wijfjes leggen hune eitjes met het begin van de herfst in de aarde; andere tussen en op de stengels der planten alwaar die ’s winters hun hardigheid bekomen en het volgende jaar met de eerste warmte der lente uitbroeien; de jonge wormpjes kruipen wel gauw op de tedere groene planten die hun het voedsel verschaffen en groeien langzaam aan op een wijze dat men ze maar in het midden van de zomer volmaakte krekels ziet.
Deze ongedierte zijn in de warme landen van Azië, Afrika en de zuidelijke delen van Europa zeer overvloedig; ze vliegen soms met zodanige grote benden en hopen verzameld dat als ze zich neerzetten ze een grote verwoesting op de groene planten veroorzaken. Men vindt zelfs beschreven dat ze soms in de zomer in zulke grote hopen samen vliegen dat ze de zon verduisteren; soms uit Afrika over de zee komen gevlogen en zich in Italië en Zuid-Frankrijk neerzetten alwaar ze gehele landstreken vernielen; maar deze verwoesting ziet men zeer zelden in België geschieden. De soorten die me alhier te lande bemerkt verschillen merkelijk in grootte met de sprinkhanen die in de woeste landen van Azië en Afrika leven.
Als dit ongedierte alhier uit de droge velden vliegt en op de bebouwde landen hun eitjes komt te leggen worden die eitjes gewoonlijk alle jaren met het bewerken der land omgeploegd en op zo’n wijze verdelgd dat het ze schier onmogelijk is uit te broeden. En zich te vermenigvuldigen gelijk in de woeste landen. Deze ongedierte hebben alhier nog zeer veel vijanden: de stekelvarkens en veel andere viervoetige dieren leven ten dele met die insecten; de vogels, kiekens, kikvorsen enz., zijn er zeer op verlekkerd. De sprinkhanen kunnen ook als lokaas dienen om vissen te vangen.
De uitwijkende krekels die hun land verlaten worden gewoonlijk door reizende sprinkhanen genoemd; die grote krekels die men soms in de warme streken van België vindt zijn omtrent 6 centimeters lang; hun kinnebak is blauwachtig zwart; de borstschilden zijn gewoonlijk groenachtig en als een gootje van weerszijde gesloten; hun schildjes zijn bruinachtig geel met donkere vlekjes voorzien; deze krekels of sprinkhanen worden in België meest in de moerassen en bossen van de Ardennen en omtrent Luik gevonden.
De gestreepte krekels zijn omtrent 4 centimeters lang, ze hebben den borstschild weinig met goten; hune schilden zijn grijs met twee of drie donkere bandjes voorzien; hun vleugels zijn roodachtig zwart; ze bevinden zich meest in België in de zandachtige onbebouwde velden, heide en droge bossen.
De blauwachtige krekels hebben hun borstschilden ook gootvormig geschikt; de schildjes zijn askleurig, hun vleugels zijn blauwachtig met een zwartachtig bandje; ze zyn kleiner dan de voormelde en bevinden zich meest alhier in de droge velden, bossen, enz.
De vlaskrekels hebben groene schilden en een geel streepje, de poten zijn roodachtig; het is de grootste van al de krekels; die bevindt zich alhier te lande in de vochtige moerassen.
De groenachtige krekels hebben een kruisje op hun borstschilden; hun vleugels zijn van een bruinachtig groen met hoog groen geboord ze worden gewoonlijk in de moerassen en weiden gevonden.
De vale krekels hebben een bruinachtig kleur; hun hoorntjes eindigen met een knopje; ze zijn maar 6 of 7 streepjes lang. Deze krekels zijn zeer algemeen in de heide en op droge plaatsen en worden derhalve ook heikrekels genoemd.
Men geeft gewoonlijk de naam van sprinkhanen aan een soort van ongedierte die ook onder de familie van de Orthoptera of gevleugelde schilddieren en onder het slag der krekels zijn en de bladen der gewassen in de warme landen zo schielijk afeten dat ze soms in weinige uren gehele landstreken verwoesten.
Na de dood dezer sprinkhanen wasemt er soms een damp uit die in de hete landen aan de mensen en dieren dikwijls besmettelijke ziekten veroorzaekt. Deze sprinkhanen baren ook hun eitjes in de herfst op de wijze van de krekels.
De merkwaardigste en algemeenste sprinkhanen die in Europa zich bevinden zijn de volgende:
De groene sprinkhanen die omtrent 6 centimeters lengte hebben; hun kleur is van een mooi groen, hun schilden zijn langer dan de buik; de eileider van het wijfje vormt een en lange platte houwer.
De groene knauwende sprinkhanen zijn een weinig kleiner dan de voormelde; hun kleur is groen met bruine vlekjes op de twee kanten van de buik; de eileider van het wijfje is krom en vormt een sabel. Deze soort bijt zeer toe, maar hun beet is niet gevaarlijk.
D e zadel dragende sprinkhanen bevinden zich meest in Frankrijk in de wijnbergen en andere warme gewesten van Zuid-Europa. Deze sprinkhanen maken ’s avond in de zomer een eentonig geruis dat men met moeite van dit der krekels onderscheiden kan. Het gevogelte zoekt veel de sprinkhanen en krekels; maar als die te veel voor hun voedsel gebruiken of alle dagen daarvan eten worden hun eieren zwart en verkrijgen een bittere smaak. De vogels krijgen er dikwijls een buikloop van die hun een ziekte veroorzaakt waarvan ze vaak sterven. Al de krekels en sprinkhanen vliegen en springen.
TIENDE HOOFDSTUK. Over het boommos.
Het mos dat op de bomen groeit hindert al de delen die het bedekt op zo’n wijze dat het de uitzweten der inwendige vochten belet. Dit mos, waarin de kleine insecten als boomluizen enz., zich verbergen groeit gedurig aan en dringt met zijn gevezelde worteltjes door de schors tot op het spek van de stam en de takken der bomen en trekt een gedurige vochtigheid naar zich die dikwijls de eerste verrotting der bomen veroorzaakt. De veelheid van het mos is een bijzondere ramp voor alle fruitbomen want het doorknaagt ze en berooft die gewoonlijk van de nodige gedeelten van het natuurlijk sap, belet die bomen goede volwassene vruchten te dragen en eindigt dikwils met die geheel te doen sterven.
Men heeft verscheidene middels voorgesteld om dit mos te verdelgen, ten eerste: als het vochtig weer is dit mos met een houten mes van de boom te krabben; maar men heeft sedert enige jaren betere middelen gevonden: Men ontbloot de wortels rondom de boom en stort in die put een grote kuip loog van as gemaakt; men bemerkt dat het mos aan deze besproeiing alle jaren in de maand maart of april verricht zeer zelden weerstaat.. Men kan ook dit mos op een andere zeer gemakkelijk wijze doen verdwijnen met enkel de stam der bomen tot in de takken alle drie of vier jaren met kalk en water met een borstel te over witten. Een behendige hovenier die deze eenvoudige middelen aan zijn fruitbomen op tijd bezorgd is zeker van een grote en mooie vruchten te bekomen en voor zijn moeite rijk beloond te worden. Deze bewerking doet niet alleen het mos met de vezelwortels verdwijnen, maar al de kleine ongedierte zoals boomluizen enz., vluchten. Als dit mos door de magere grond voortkomt,hetgeen een goede hovenier wel kan bemerken moet hij trachten de slechte aarde door goede vette te vervangen en zorgen die bomen met vette loog of koeier soms te besproeien of vet geteerd mest rondom de wortels in de herfst in spitten. Al deze bewerkingen op tijd verricht ziet men het mos geheel verdwijnen en de bomen een gladde effen schors verkrijgen en mooie vruchten voort brengen die smakelijker en aangenamer zijn. Sommigen zeggen eindelijk dat men die bomen om ze van het mos te genezen met een mes van boven tot beneden door het mos en schors moet snijden om die zuigplanten te krenken wanneer die geheel de stam bedekken. Deze bewerking doet wel het sap bewegen, maar toch het mos niet verdwijnen; wij bepalen ons dus met te herhalen dat het beste middel is de bomen met kalkwater te witten en dit alle drie of vier jaren te verrichten.
ELFDE HOOFDSTUK.
Over de Fruitboom teelt en aanleggen van Boomplanterijen.
Omdat de lust tot het voorttelen van alle slag van fruitbomen in België bijna algemeen is en het voordeel welk men daaruit kan trekken noodwendig een uitgebreide kennis daarvan vereist zo heeft dit mij aangemoedigd nog een kortbondige verhandeling op te stellen over de fruitbomen die in onze luchtstreek de winterkoude kunnen verduren. Men verzamelt eerst de rijpe en goed gevormde kernen van de vruchten die men op een aparte plaats in de hof in goed bemeste tuinaarde zet; verder kiest men een stukje bouwland dat niet te hoog nog te laag gelegen is maar wat open ligt om van alle zijden aan de lucht eene vrije toegang te verschaffen. Een goede grond die uit gelijken delen met leem, klei of zand gemengd is en zich in een matige staat van vruchtbaarheid bevindt voldoet aan al de vereisten voor een jonge boomplanterij; maar het is zeer voordelig ,dat men een zodanig stukje bouwland in de onmiddellijke nabijheid van huis verkies vanwaar een kweker het overzie kan; daarbij heeft men het genoegen als de jonge boompjes daarin geplant staan zich gedurig in hun groei te kunnen verlustigen en zich gemakkelijk daarin te begeven omdat er gedurig een boomkwekerij iets na te zien of te verrichten is. De bewerking van een zodanig stukje bouwland moet noodzakelijk een geheel jaar eer men de jonge boompjes daarin plant geschieden. Wanneer de grond zeer rijk in mest aarde is behoeft men voor het omspitten niet veel mest te gebruiken, maar is de grond te schraal of te mager dan moet men bij het omploegen in de herfst wel mesten om het land in het voorjaar met ander gewas wat een verse bemesting goed verdraagt te verbeteren; voor de winter, wanneer de eerste gewassen geoogst zijn spit men dit land ten minste omtrent 1 meter diep, wel zorgende van de onderste grond naar boven te brengen; als die zeer slecht is moet men het in de winter met mest bestrooien dat door de vochtigheid van regen, sneeuw enz., goed doorweekt; die grond dan in het voorjaar ondiep omgespit is zeer goed om met aardappelen te beplanten en wordt door het aanaarden en vetten van deze gewassen zeer vruchtbaar gemaakt. Na het inoogsten der aardappelen dient men den grond nog wat te effenen om dan terstond met jonge boompjes bezet te worden.
Veel behendige boomkwekers verzetten de jonge boompjes uit de zaaiplaats in de herfst die altijd in lichte, droge zandachtige gronden de beste tijd schijnt te zijn; maar op zware en vochtige klei- en leemachtige grond waarde jonge boompjes door de natte en vorst kunnen beschadigd worden door het los vriezen der jonge worteltjes enz., kan men ook tot het verplanten het vroeg voorjaar verkiezen. Bij het verplaatsen der jonge boompjes in de planterij zet men die regelmatig langs den draad of lijn op omtrent 50 of 55 centimeters van elkaar welke afstand men ook voor der rijen van elkaar moet nemen ,waarbij men in ’t oog moet houden van de rijen van het zuiden naar het noorden te doen lopen omdat de zonnestralen er alsdan beter op treffen. Hoewel de jonge boompjes in de eersten tijd zoveel plaats niet nodig hebben is toch die afstand zeer voordelig omdat ze zich daardoor later beter ontwikkelen kunnen en men bij het verplanten de wortels niet zou beschadigen. Als de jonge boompjes hun groeikracht hernomen hebben kan men tussen de ruimte of afstand der jonge stammetjes aardappelen planten of alle andere eenjarige moeskruiden zetten welke door hun schaduw, ranken en klauwiertjes de ontwikkeling der jonge boompjes niet kunnen hinderen Bij het planten der jonge stammetjes is het niet nodig de putten groter te maken dan de wortels zijn omdat de grond, vooraf diep omgespit, los genoeg is om de wortels zich daarin te ontwikkelen; maar na de penwortels een weinig ingekort te hebben zonder de jonge vezeltjes te schenden is het zeer voordelig dat ze even geplant worden, gelijk ze in de zaaiplaats gestaan hebben. Bij het uitnemen en weerplanten der zaailingen moet men behoedzaam te werk gaan: men mag ze niet uittrekken, maar met de spade opnemen; dan snoeit men de stammen naar mate dit nodig schijnt en de penwortels op de helft naar mate ze lang zijn. Men tracht bij het verplanten een bevalliger voorkomen aan de planterij te geven met de grootste en zwaarste langs achter te plaatsen en gedurig tot de kleinere en zwakkere langs voren af te dalen.
Eer men aan het planten gaat spant men de draad of lijn over het midden der putten opdat de jonge boompjes volkomen in een rechte linie zouden staan, hetgeen altijd een versiering aan de planterij geeft. Als men de jonge boompje in de putjes plaatst spreidt men de wortels naar hun natuurlijke loop uit; men brengt er de goede grond met de handen tussen zonder die heen en weer te schudden. Bij het vast treden van de grond moet men ook zeer voorzichtig te werk gaan en het is zeer te prijzen de aarde rond de wortels vast te spoelen door die zo lang met water te begieten als er bij het wegzakken der aarde holtes ontstaan welke men gedurig met andere aarde vult en opnieuw met water begiet ,totdat er geen holligheden meer komen. Er bestaat geen betere wijze om zowel grote als kleine bomen bij het verplanten vast te doen staan en de ondervinding heeft ons doen zien dat men hierdoor zelfs reeds vrij oud bejaarde bomen nog laat in de herfst verplanten kan en bijna zeker zijn dat ze goed zullen groeien. Men heeft bij deze wijze waardoor men ook bij zeer langdurige droogte van het begieten verschoond blijft slechts de bovenste losse aarde goed vast te trappen.
De zwakke achtergeblevene jonge boompjes der zaaiplaats die nog niet genoeg aangegroeid zijn om in de planterij te kunnen worden neemt men insgelijks allen uit met de spade; men besnoeit ze volgens noodzakelijkheid boven en beneden en plaatst die op een afzonderlijk plantbed wat op dezelfde wijze als de zaaiplaats toebereid in rijen van omtrent 22 centimeters afstand van elkaar en op dezelfde ruimte in de rijen. Hier worden op dezelfde wijze als de voor vermelde behandeld; door het zuiver wieden, los maken van de grond en gedurig met water of soms met vette te begieten zullen ze doorgaans zoveel aangroeien dat men ze het volgende jaar in de boomplanterij plaatsen kan en bij de hand heeft om als er dan enige in de planterij mislukken die te vervangen.
Men bekomt soms van de wilde stammen goede en grote soorten van vruchten die enkel met op andere tamme alreeds geënte bomen te enten vergroten van smaak zeer verbeteren en dikwijls nog ook van gedaante veranderen; want de ondervinding heeft mij bewezen dat als men een wilde of Winterpeer op een witte Kalebas-Peer ent ze niet alleen van gedaante verandert, maar ook enigszins de smaak der laatste verkrijgt en vroeger in dn herfst rijp wordt. Zo is het ook met een Winterpeer die met stenen in zijn vlezige delen groeit; die met enkel op een Zomerpeer te enten zal men in zijn vruchten geen steentjes meer ontmoeten omdat het sap van die tamme alreeds geënte zomervrucht zich in die wintervrucht zet en geheel doet veranderen. De wilde stammen van de boomplanterij waarvan men onzeker is welke vrucht ze geven zullen kan men ter plaats met goede uitgekozen tamme vruchten enten. Voor de meest gebruikelyke wyze van enten verzoek ik mijn lezers zich naea het eerste boekdeel,19de hoofdstuk, bladzijde 94 te wenden alwaar ze alles zullen beschreven vinden; want elke hovenier doet pogingen om daarmee het beste nut te bereiken en goede vruchten voor de huishoudelijke gebruiken te verkrijgen. Men weet dat het enten in ons klimaat meest in het voorjaar in de maand april geschiedt en de oculatie meest van in juli tot het einde van augustus wordt verricht, volgens de vervroeging van het seizoen en de bijzondere soorten van boomgewassen waarin het sap vroeger of later in beweging is.
Eindelijk , omdat de manier van dit te verrichten reeds beschreven is denk ik niet nodig iets meer daarvan te moeten melden; maar toch moet ik hier bijvoegen dat de bekwaamste tijd tot het zaaien van fruitbomen en andere gewassen door zaadkorrels in maart, april of zodra de grond van de vorst bevrijd is, wat opgedroogd en bewerkbaar is. Ook kunnen de gewassen als ze niet te teder zijn verplant worden, indien het voor een droge grond is, op het einde van oktober of in november zo ras de bladen vallen; doch indien het voor een zeer natte grond is kan die verplanting ook in het voorjaar geschieden.
Terwijl ik hier van het zaaien en planten van jonge bomen spreek zal ik trachten aan te tonen hoe men de bomen snoeit: de Pijn, Masten, Dennen en veel andere bomen die ’s winters hun groene bladen behouden en veel sappige terpentijn bezitten verdienen onder alle bomen meest de aandacht der kwekers te vestigen omdat die door het afkappen der takken in de lente of in het voorjaar meest hun terpentijn laten lopen en te dicht aan de stam afgekapt niet gauw overgroeien, maar de wonden aan den regen en vochtige damp kring der lucht te lang bloot staat tot groot nadeel der bomen die daardoor kunnen verrotten of verkankeren; hetgeen geen plaats heeft als men die bomen in september dicht aan de stammen afsnoeit wanneer het lopen van de sappen en terpentijn begint op te houden en ze nog voor den winter sappige terpentijn genoeg geven om de wonde zelf te bedekken hetgeen belet dat de regen en lucht er nog invloed kan op hebben. Sommigen om het vloeien van het sap uit de wonden te beletten kappen de takken met knoesten (chicots) omtrent 10 of 12 centimeters van de stam a, en denken dat het gelaten knoestje of stokje zal verteren en zonder schade in de boom groeien; dit zijn die stekjes welke men menigmaal in die bomen vindt waarmee men nooit effen werk kan maken en die weren veroorzaken welke men bij het schaven in de dennenplanken ontmoet. Het is ook zeer te prijzen die bomen maar alle vijf of zes jaren op te snoeien of wachten totdat de oude wonden geheel overgroeid zijn en ook telkens maar de onderste takjes af te houwen.
Geheel anders is het met de bomen gelegen welke 's winters hun bladen laten vallen en in onze landstreken zeer weelderig groeien: bij het snoeien moet men altijd vroeg in de lente niet ver van de stam, maar dicht en kort daar tegen de takken afkappen omdat deze bomen de afgehouwen plaats door het rondom groeiende hout en de schors in weinige jaren bedekken en eer dan ez zouden kunnen verrotten of verkankeren; hetgeen ook gebeurt al was de plaats daar de tak afgekapt is enige centimeters door het midden breed; niet dat ik wil zeggen dat het even goed is een dikke tak van de boom af te kappen waardoor he kan verrotten; neen, maar dat het soms noodzakelijk is zulke dikke takken af te kappen om de bomen een meerdere lengte en hoogte van stam te doen verkrijgen. Indien het nodig is zulke dikke takken van een fruitboom af te houwen ,moet men trachten de wonde aanstonds met griffellak toe te stoppen. Om mooie, rechte alleen staande bomen te kweken moet men die van jongs af aan beginnen te snoeien en zorgen van al de onnodige takken te weren die de groei der jonge bomen kunnen hinderen; doch als men er ontmoet die door onachtzaamheid van een ander verzuimd zijn en reeds groot geworden zijn en dikke takken hebben dan moet men met voorzorg te werk gaan en er niet te veel grote takken tegelijk van weg snoeien vooral als die bomen enige ouderdom verkregen hebben; maar men kan die van langzaam aan en niet op een keer dicht tegen de stam afkappen; dan twee of drie jaren hierna zal me n ook de andere overgeblevene dikke takken afhouwen en verder geleidelijk aan sommige takjes inkorten welke nog zullen uitschieten: anders zou de boom te veel lijden door aanstonds al zijn takken te verliezen. Door die wijze van snoeien zal de boom hoger opschieten; maar men moet zorgen dat het zoveel top- of kapkruin behoudt als de lengte van de stam opdat het omtrent de helft van de gehele boom zou uitmaken.
Eindelijk bij het snoeien der jonge of oude bomen zal men in 't algemeen in het oog houden van geen boom op een jaar geheel af te snoeien gelijk men het zou willen hebben; men zal eer men begint die boom aandachtig aanzien en overwegen hoe ver het zou mogen of kunnen gesnoeid worden om die tot zijn bestenwelstand te brengen; dit met aandacht gedaan te hebben zal men he eerste jaar twee of drie van de dikste takken afhouwen, hetzij deze de benedenste of de bovenste waren; het volgende jaar, of ook twee of drie jaren hierna, zal men wederom de dikste takken afkappen, zo ver als men graag die boom snoeien zou, en aldus zal men geleidelijk aan de dunne ook afhouwen en sommige uitstekende takken inkorten opdat die boom te beter zou opschieten en langer van stam worden.
Men zal ook menigmaal uit de jonge geplante poten als ze treuren de takjes afkappen en op z’n wijze snoeien dat ze een nieuwn top schieten. Nooit mag een kweker te lang wachten van de bomen te beginnen snoeien; dit geschiedt gevoeglijk als ze nog jong zijn omdat als ze alsdan veel beter opschieten en omgroeien en de arbeid en kosten ook veel minder zijn.
Bij dit alles mag men niet vergeten dat veel fruitbomen alle jaren in de lente van hun jonge wilde loten die dikwijls uit de takken schieten moeten gezuiverd worden om goede vruchten te bekomen. De onkosten hiervan zijn niet groot en men wint die toch altijd dubbel in de aangenaamheid der vruchten.
TWAALFDE HOOFDSTUK. Over de Aardappel kwaal en besmetting en dure tijden in België ontstaan.
Wij hebben in de loop van dit werk bewezen dat de planten, zo wel als de mensen en dieren, soms ook aan ziekten onderhevig waren; wij vinden eerst de ziekte der aardappelen van het jaar 1775 waarvan onze jaarboeken gewag maken en die door de heer Van Bavegem, doctor te Baasrode (Oost-Vlaanderen) in zijn memorie beschreven is; een ziekte die men als dan den krul noemde omdat de bladstelen en bladen van de aardappels krulden. Sedert dit tijdstip is die verhandeling in alle landbouwkundige werken overgeschreven en te zeer bekend om er hier nog verder gewag van te maken. Vandaar komen we over tot het jaar 1816 wanneer de maanden juni, juli, en september zo regenachtig waren dat men de graanoogst niet dan met grote moeite en zwaar beschadigd kon binnen schuren. Door die aanhoudende regen en dampige lucht waren de aardappels mislukt en ten dele in de vochtige akkers en lage landen verrot; deze die men nog kon inoogsten waren van zeer geringe hoedanigheid waaruit een ongemene duurte en een wezenlijke hongersnood ontstond. De Tarwe en Rogge bereikten de hoogste prijzen waartoe men ze immer in deze eeuw heeft zien staan; de aardappelen die voor de mensen eetbaar waren werden van 14 tot 15 francs de zak verkocht, een prijs waarin ze nooit gestaan hadden. Deze duurte van granen en aardappelen maakte een nadelige invloed op al de andere eetwaren.
In onderscheidene steden van België, Holland, Frankrijk, enz., werden de graanhandelaars en bakkerswinkels aangevallen en geplunderd .Om de behoeftige en werkende klasse te ondersteunen deed Willem I, koning der Nederlanden, voor vier miljoenen guldens granen die hij in Rusland had doen kopen ter markt brengen; dan men het begin van het jaar 1817 zag men de graan prijzen merkelijk dalen en al het andere eetwaar aan de gewone prijs komen. Van het jaar 1817 tot in 1833 zag men de prijzen der granen beurtelings rijzen en dalen; de Tarwe werd van 16 tot 20 francs, en de Rogge van 9 tot1 4 frans de hectoliter verkocht. Toen de wet van 1834 was uitgegeven om zei men, de graanprijzen te verbeteren en de landbouwer enig gewin te verschaffen toefde men niet tee bemerken dat men slechts de belangen der grondeigenares had bevoordeeld die uit de verbetering der graanprijzen gelegenheid namen om de landbouwers hogere pachtlonen af te dwingen; door deze verhoging van pacht was op zes jaren tijjd de gemiddelde prijs der Rogge zo hoog gestegen dat het die van de Tarwe evenaarde, terwijl de prijs van de Tarwe byna verdubbelde; nochtans was er geen merkelijk slechte oogst geweest .In 1839 bereikte de Tarwe de prijs van 25 francs de hectoliter en was de invoer bijna bestendig vrij. Ondertussen bespeurde men sedert die in de prijzen van Tarwe en Rogge een gedurige neiging tot dalen en er was veel kans dat het brood, tot vreugde en voldoening van burgers en werklieden, wederom goedkoop zou geworden zijn; maar die hoop duurde niet lang door de verschrikkelijke aardappel ziekte die zich in 1845 vertoonde. Wel haast zocht elke professoren landbouwkundige de oorsprong van die ziekte naar zijn vermogen uit te leggen; sommigen deelden in het gevoelen dat de oorzaak van het kwaad moest gezocht worden in een microscopisch mos of schimmel, van het geslacht der Kampernoelie onder de naam van Botrytis bekend die zodanig klein zijn dat die met het blote oog niet onderscheiden kunnen worden en men een vergrootglas moet gebruiken om die Botrytis, die enigszins maar grauwe vlekjes zijn, door de vochtigheid gevormd te kunnen bemerken of zien. Anderen aanzagen die plaag als een kwaad luchtverschijnsel en beweerden dat ze de 24 juli 1845, was de de eerste der Hondsdagen onder de gedaante van een witte wolk over het land was gekomen. Sommigen noemden deze kwaal droge kanker ,en zeiden dat het ten uiterste gevaarlijk was de aardappelen te eten welke van die waren aangetast want dat ze de stank van vers gesnedene Kampernoelie hadden en dat de dieren weigerden er van te eten, hetgeen vervolgens toch geheel anders werd bevonden omdat de meestal de landbouwers in onze gewesten hun beesten meer hebben gevoederd zonder dat ze er enig kwaad gevolg van hebben beproefd. De aardappelziekte is gedurende de loop van die tijd mijn bijzondere studie geweest ten einde de oorzaak van deze ramp te leren kennen: na vele opmerkingen,heb ik wel ondervonden dat het geen natuurlijke ziekte was waarmee de aardappelen besmet waren maar enkel een kwaal die meest van de dampkring was voortgekomen. Voor dat die ziekte zich begon te vertonen hadden wij bijna van den 10 tot den 22 juli gedurende een dampachtige bedekte lucht. De zon schoot daaruit omtrent de middag zijn zo hete stralen dat het weerglas om een of twee uren de namiddag in de zon geplaats tot 36 centigraden boven zero klom; dan verduisterde weer de zon en begon de koude regen zich tegen de avond en geheel de nacht weer te doen gevoelen op zo’ n wijze dat dat soms ’s morgens om zes of zeven uren het weerglas tot vijf of zes graden boven zero was gedaald. Aan zulke veranderingen van koude en hete luchtgesteldheid, konden de aardappelen met veel andere eenjarige zomervruchten niet weerstaan; die verandering van dampkring binnen de 24 uren had niet alleen de aardappelplant geraakt, maar zeer veel andere gewassen en moeskruiden aangetast zo als de Dahlia ‘s, Melde, Erwten, Spruitkolen, Spinazie, Slabonen enz. Veel andere kruidplanten die zwakke en malse bladen dragen en veel are van de Rogge waren door die kouden regen gevlekt en min of meer met een hoeveelheid ongedierte besmet; zelfs de planten die wollige, ruwe, oneffen bladen dragen zoals de Snij- en Struikbonen, Peren onder de aarde, Helianthus tuberosus enz., waren al enigszins beschadigd.
De Elzenbladen waren in veel streken bruin en met veel zwarte wormpjes bedek, die ze ten dele opvraten. In de velden die rondom met hoge bomen waren beplant die de aardappelen tegen de hete zonnestralen en koude regens beschaduwde heb ik gevonden dat die weinig of geen grauwe vlekjes of wormpjes hadden terwijl in het midden van dezelfde akker de aardappel daarvan geheel aangetast waren. De witte wolk waarvan welke sommigen spraken was bij ons te Waarschoot en door het gehele noordelijk district van Oost- Vlaanderen een donkere witte nevel die de 26 en 27 juli geheel de aarde overdekte en de stengen, bladstelen en bladen van de aardappelen, zowel vroeg als laat geplant, op tweemaal 24 uren tijd zwarte vlekken deed verkrijgen. De gevlekte stengen braken door de wind als glas en waren met zeer veel wormpjes beladen; door den vochtige nevel wasemde er omtrent de avond en 's morgens een damp uit die naar verrotting rook. Het sap van die bedorven drong weldra naar de wortels en knobbels der aardappelen die ok vlekten en ten dele verrotten. De blauwe en rode zaailingen en veel andere aardappels die men alhier mees tin mei plant en met half september hun rijpheid verkrijgen werden meest van dit wonderbaar luchtverschijnsel aangetast; maar de witte, blauwe en rode vroege aardappelen die men gewoonlijk Sint Jans zaailingen noemt en gewoonlijk in maart worden geplant en met de maand juli rijpen waren dit jaar tussen beide gelukt, echter zo meelachtig en aangenaam van smaak niet als naar gewoonte; hoewel ze bij het eten geen braking of buikloop veroorzaakt hebben. Sedert dat de ondervinding bewezen heeft dat de kwaal zich meest na de Hondsdagen, en einde juli of met het begin van augustus vertoonde heb ik al mijn aardappelen, zo wel die vroeg als laat rijpen, van in de maand maart doen planten en de landbouwers door de dagbladen aangemoedigd dit voorbeeld na te volgen; waardoor ik in 1846 en 1847 een goede uitslag en een voordelige aardappeloogst heb bekomen, zonder die voor het planten in het kalkwater te dompelen zoals sommigen ons wilden voorhouden omdat de Botrytis, zeggen zij, oorspronkelijk in het oog van den aardappel nestelt. Beducht was dat de oogbotjes van die aardvruchten door het kalkwater zouden kunnen verschroeien heb ik onder een wagen lading mest, hetgeen we bij ons bij het planten gewoon in de putten met de aardappelen leggen, 6 kilogram gestampt zeezout, klepzout of ruw zout vermengd en daardoor hebben die aardvruchten zonder enige besmetting geheel hun rijpheid ten einde augustus bekomen.
Velen hebben ook in 1845 in de dagbladen over de bewaring der aardappelen geschreven en moedigde alle landbouwers aan de aangetaste aardvruchten aanstonds te doen uitsteken en spoedig de goede uit de besmette te kiezen; maar deze die hun volle rijpheid niet verkregen hadden werden taai en zeer velen van die aardappelen eindigden met te bederven. Ik en sommige landbouwers hebben onze aardappelen tot half september laten te velde staan rijpen, alsdan de goede van de besmette gescheiden die in de kelder op hopen van omtrent 10 hectoliters gestapeld met hout- of kool as maar omtrent 2 strepen of centimeters dik over gestrooid en dan met februari op planken gelegd waardoor ze zonder verrotting goed gebleven zijn. De verrotte of gevlekte aardappelen welke te velde bij het uitdoen in de putten nog gebleven waren schoten in het voorjaar van 1846 tot verwondering van eenieder, zowel als de goede geplante, uit de aarde : sommige boeren lieten die tot proeven staan en ten einde augustus hebben ze er goede aardappelen van ingeoogst.
De ondervinding heeft eindelijk doen kennen dat de aardaappelziekte zich noch in de lente noch in het begin van de zomer vertoont; derhalve is het zee te prijzen om veel soorten van aardappels grotendeels de ziekte te doen ontgaan die vroegtijdig van het einde maart te planten opdat de volwassen in de oogst hetzelfde zou kunnen geschieden voor dat de ziekte zijn verwoestingen uitwerkt, hetgeen gewoonlijk na de Hondsdagen plaats heeft. Men kan niet genoeg de aandacht der landbouwers hierop inroepen, niet alleen ten opzichten van de aardappelen, Negen- wekers of Sint Jans aardappelen genoemd; maar alle soorten behoren in het algemeen vroeg in de lente geplant te worden en zullen altijd goede voeding voor mensen en dieren wezen dan die welke laat in mei of juni geplant worden. Sommigen denken dat de vroege aardappels niet zo goed als de late bewaren; nochtans heeft de ondervinding alreeds het tegenstrijdige bewezen en doen zien dat ze bij het voorjaar de best voor voeding zijn wanneer ze geheel droog ingeoogst en met de winter in de kelders tegen de vorst bevrijd worden. Men heeft ook in ’t algemeen bemerkt dat de beste soort van aardappels uit het zaad gewonnen ten minste na 20 jaren ontaarden of verbasteren en bij het uitspruiten verzwakken het is dan meer dan noodzakelijk dat men van tijd tot tijd nieuwe soorten door het zaaien tracht te winnen. (Zie de wijze van zaaien in het I boekdeel, bladzijde 225).
Zodra de ziekte waarmee de aardappelen waren besmet zich algemeen verspreid had was het onderwerp der bemoeienissen van het gouvernement, de besturen van akkerbouw, de wetenschappelijke maatschappijen en de lieden die zich met de akkerbouw studie ophielden te raadplegen ten einde de oorzaak van deze ramp en de maatregelen om die te verhelpen te leren kennen. De provinciale commissie van landbouw te Antwerpen was eenparig van gevoelen in hun verslag dat de kwaal door den dampkring was voortgekomen; vele andere commissies van België waren van dezelfde gedachte. Ondertussen had het mislukken van de aardappeloogst op de granen en al de andere eetwaren terug gewerkt en een algemene duurte van de eerstgenoemde levensmiddelen veroorzaakt.
Om de bekommering der bevolking eniger mate te bedaren of gerust te stellen werd de regering verplicht buitengewone maatregelen te nemen; al de Belgische havens werden voor de vrije invoer der granen opengesteld; twee miljoen francs werden door de kamers toegestaan om onder de gemeenten, deels ten titel van leningen en deelt ten titel van onderstand te worden uitgedeeld.
Men had hierbij vooral het oog op de plattelandse gemeenten alwaar vele arbeiders zich voeden met de aardappelen welke ze van hun akkers halen en die door het mislukken van die voedzame vrucht bedreigd waren wezenlijk gebrek te zullen lijden.
Die maatregels en verscheidene andere konden weinig baten. Ondanks de grote toevoer van levensmiddelen bleven deze uitermate duur; in al de steden en gemeenten werden commissies opgerekt om de werkman aan gematigde prijs voor zijn voedsel te bezorgen; niettegenstaande alle voorzorgen was de nood op het platte land zo groot dat vele arme lieden, vooral in Vlaanderen, van honger bezweken. Maar om nog beter de uitgestrektheid van het verlies door de aardappelziekte veroorzaakt, te laten uitmeten ga ik hier uit het verslag der centrale commissie van statistiek, door het gouvernement benoemd, enige veelzeggende cijfer getallen opgeven.
Uit dit verslag blijkt voor eerst dat er in 1845 door geheel België de aardappel kweek zijn beplant geweest 163,700 hectare, dat is 1 op 9 hectaren en ¼ van al de bouwlanden die België bevat..
Volgens de gedane verklaringen der plaatselijke overheden zouden er in 1845 in geheel België niet minder dan 32, 288, 684 hectoliters aardappels bedorven en verloren zijn gerakt terwijl de gewone oogst in de negen provincies van België op 36, 986,584 hectoliters geschat wordt. Het verslag doet ons vervolgens het beloop van het verlies kennen wat het mislukken van de aardappeloogst aan de landbouwers heeft veroorzaakt. De waarde der aardappels slechts op 3 franken de hectoliter rekenen, hetgeen zeker niet overdreven is, dna zou het te kort niet minder dan96, 866, 053 franken bedragen en nog rekent men daarbij niet de nadelige invloed welke het verlies van dit hoog nuttige aardvrucht op de ganse landbouw bij het mesten, voeden der beesten en andere bronnen lands rijkdom heeft moeten uitoefenen.
Wij zijn nu tot 1846 gevorderd wanneer de mislukking van de Rogge oogst de arme werklieden nog meer bezwaarde; want de Rogge was bij het bloeien zodanig mislukt dat men van de 100 schoven koren slechts 1 halve hectoliter graan bekwam. Dit heeft dan ook in 1847 ten gevolge gehad dat het roggebrood wat de arme werkman tot dagelijks voedsel verstrekt zo onmatig in prijs klom dat een roggebrood van 4 kilogram in juni 1847 tot 75 centen werd verkocht; om deze hoge prijs te doen begrijpen is het genoeg de uiterste prijzen der granen op de markten van België hier aan te halen. De inlandse Rogge werd van 38 tot 39 francs de hectoliter en de Tarwe van 48 tot 49 francs de hectoliter verkocht. Dan was de ellende in Vlaanderen op afschuwelijk hoog gestegen dat de arme werkman, die slechts een dagloon van 60 centen wonnen, en nog zeer velen die door de omstandigheden van de dure tijd geen werk hadden weer van honger bezweken. Weldoende en liefdadige burgers, rijke mededogend edellieden en priesters kwamen die noodlijdende bij om ze onderstand en voedsel te bezorgen; waarbij ook uitmuntte Zijne Hoogwaardigheid de heer Lodewyk-Joseph Delebecque, bisschop van Gent die een kommissie oprichtte om d giften van de goedhartige mensen te ontvangen en aan de arme hongerlijdende uit te delen. Deze en vele andere hulpmiddelen bedaarde de werklieden in onze verschillende gewesten waar de hongersnood heerste en dank zij al deze voorzorgen mogen wij tot eer van onze arme werklieden zeggen dat weinige wanorders werden begaan; enkel enige bakkerswinkels werden aangevallen, maar door de voorzorg onze stadsregering was de rust weldra hersteld; veel granen werden voor een goedkope prijs ter markt gesteld om het brood te doen dalen. Toen de vroeg geplante nieuwe aardappelen met het begin der mand juli 1847 ter markt kwam werd die maar voor 6 francs de 100 kilogrammen verkocht. De Roggeoogst was dit jaar zo goed gelukt dat men van honderd schoven 1 ½ hectoliter graan bekwam en op voorstel van lands hoge regering werd de termijn voor de vrije invoer van allerlei eetwaren door de kamers voor een jaar verlengd; daarmee was alles vreedzaam.
De haven van België waren met dure granen opgestapeld; de graanhandelaars moesten met hun dure eetwaren de daling van de prijzen der markten ondergaan; de Rogge werd door die overvloed zo goedkoop dat het in de maanden november en december 12 à 13 francs de hectoliter en de Tarwe 20 francs gold. Deze dure tijd doet mij nog de prijzen der granen in mijn jeugdige jaren herinneren: toen ik ,in 1794 en 1795 de ouderdom van dertien jaren had bereikt heerste er ook in Frankrijk, waarmee België alsdan verenigd was, een wrede hongersnood.
Te Gent, Brussel, Antwerpen en veel andere steden stonden de mensen in het koudste van de winter van ’s morgens zeven uren tot namiddag voor de deuren der bakkers en een assignaat van 5 francs aanboden ten einde een brood van 2 pond te kunnen bekomen, welk vaak meer zemelen en boonmeel dan graanmeel bevatte; veel arme lieden die zulk slecht brood niet konden krijgen moesten ongetroost weg gaan; de municipaliteit of stadsregering had in alle steden bakkerijen gesticht alwaar men brood tegen assignaten kon krijgen, maar dat stonk en was geen menselijk eten.
T e Gent en in veel andere steden had men tegen het midden van november1794, bijna in geen drie maanden graan ter markt zien brengen. Het was nochtans niet dat de granen mislukt waren; maar men wilde dit toeschrijven aan de vrees der boeren- lieden van hun paarden en wagens door de Franschen te zien geprest worden. Het graan was dan in de steden zo duur dat de Franse staatsregering verplicht was het maximum op de granen te stellen: op Nieuwjaarsdag 1795 deed de municipaliteit in alle steden afkondigen dat al de molenaars gehouden waren het onder hen berustende graan aan de bakkers weer te geven; want men scheen de molenaars te verdenken de graanvoorraad der bakkers in bewaring te houden. In hoe verre dit vermoeden gegrond was blijkt niet, maar wel dat het maximum waaraan de granen mochten verkocht worden, het papieren geld en de veelvuldige afeisen of rekwisitie en gedwongen leningen de hoofdoorzaken der schaarsheid van de granen waren daar ze al de boeren in een gedurige vrees houden en de toevoer der levensmiddelen verhinderden; want toen twee maanden later het maximum en de rekwisitie werden afgeschaft, waarvan bescheid werd gegeven in al de omliggende dorpen ten plattelande en de boeren lieden werden uitgenodigd met hun eetwaren vrij naar de stad te komen zag men de granen en andere eetwaren in overvloed ter markt brengen.
Bij het volgende jaar was de Rogge op de markt van Gent zo goedkoop dat het Roggebrood meer dan tot de helft prijs verminderde, dit duurde zo tot in 1811 wanneer de Tarwe in Frankrijk door de hitte mislukte en men verplicht was granen in België en elders in de Nederlanden te halen; toch bij dit mislukken der granen was er een volkomen rust, want Napoleon, om alle wanorde te beletten en de bekommering der volkeren enigermate te bedaren nam buitengewone maatregelen; hij stelde een maximum of hoogste prijs aan welke men de granen mocht verkopen daarbij werden al de Franse havens voor de vrije invoer der granen en andere levensmiddelen open gesteld waardoor dee graanprijzen merkelijk daalden.
In het jaar 1812 was in oktober de Tarwe en Rogge zo overvloedig goed gelukt en zo goedkoop dat het brood meer dan de helft in prijs verminderde; het was in geheel het Frans keizerrijk een vruchtbaar jaar met overvloed van Rogge Tarwe, Gerst, Haver, enz., waarna 1813 volgde dat ook zeer voordelig in graanoogst was.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Over het zaaien, roten en bewerken van het vlas.
Het is niet nodig het grote voordeel en de nuttigheid van het kostelijke Vlas hier aan te halen omdat die alreeds beter zijn beschreven dan ik zou kunnen doen; ik zal enkel trachten aan ten tonen hoe het beste kan gewonnen worden. Men weet zeer goed dat in geen vreemde landen en zelf sin onze provincie Brabant, Henegouwen, Antwerpen enz., waar ook Vlas wordt gezaaid net zo goed en fijn van stof als hetgene wat in Oost- en West-Vlaanderen gewonnen wordt waaruit het fijnste voor de linnenfabrieken van Engeland, Frankrijk, enz., met grote onkosten getrokken wordt; maar ook de handeswijze is dezelfde niet: buiten Vlaanderen is het algemeen gebruik van het Vlas te velde veel te rijp te laten worden, en daarboven de gronden slecht te bewerken, het eigen inlands grewonnen zaad te gebruiken en het Vlas dun te zaaien.
Om goede fijne Vlas te winnen moet men een jaar of twee tevoren voor de grond zorgen en daartoe de beste kiezen waarop in geen zeven jaren Vlas heeft gestaan. In zware, stijve, natte landen moet men de grond zeer diep omspitten en de aarde goed breken om het natte te doen doorzinken en de vrije doorgang aan de Vlaswortels te geven welke meer dan 33 centimeters diep hun voedsel uit de aarde trekken of omtrent half zo diep in de grond lopen als de hoogte die het Vlas boven de grond groeit. In de lichte landen begeert het Vlas ook een diep bewerkte grond en wil een zachte fijn gebroken aarde. Zo in de lichte als zware landen is het ook niet onverschillig welke gronden men kiest; want in de lichte landen wordt het Vlas veel na de Rogge en Rapen gezaeid en in de zware landen neemt me veel die waar Haver of Aardappelen en soms waar het jaar tevoren Tarwe gestaan heeft die men met november in bedden bewerkt, met de winter laat braak liggen en omtrent maart zeer diep omploegt waarin men met weinig vette zeer goede fijn Vlas wint.
Wanneer men del lichte gronden alwaar de Rogge gestaan heeft voor het zaaien van Vlas schikt moet men vooraleer er Rapen in te zaaien het land goed mesten en die Rapen voor de 10 of 15 december trachten te weren; dan brengt men op die grond omtrent 18 voeren koemest per hectare dat men wel open strooi en in kleine hoog verheven bedden omploegt; vervolgens laat men dit land tot in het begin van maart liggen om er alsdan een tweede beploeging aan te geven en de eg erdoor te trekken om het klein te breken en van het onkruid te zuiveren; gewoonlijk ten einde maart of omtrent april geeft men het een derde bewerking met de ploeg waarop men er vette uiteen verteerde hoop mest, daartoe bereid, huismest over strooit. Kan men dergelijk mest niet genoeg bekomen ,men neemt in plaats as of hout as van de beste soort, Het land dat hiermee bestrooid is moet men er de eg doortrekken of die vette inslepen; dan zes of acht dagen daarna het Vlas zaaien, met de omgekeerde egge kruisvormige inslepen en met de rol het gezaaid land effen hard toeleggen.
Tot het zaaien moet me trachten van het beste Riga zaad te bekomen of wel dat het eerste jaar uit het Riga zaad in het land van Waas of omstreeks Dendermonde gewonnen is. Verder moet men alle twee jaren van zaad veranderen en trachten het Vlas behoorlijk dik te zaaien omdat het anders te grof pijl groeit. Men mag er geen andere vruchten dan Wortels of Klavers in zaaien.
Men rekent gewoonlijk 12 kilogrammen Klaverzaad of ½ kilogram Wortelzaad per hectare om ’t Vlas te zaaien dat men tezamen met het lijnzaad licht over sleept en met de rol goed toeleg ,om alzo beter in de lichte landen zijn vocht te behouden ; maar in de zware elanden van het land van Aalst en elders wordt de grond niet zo hard toegedaan omdat de minste regen die te hard zou sluiten en de voortgang van het Vlas zou kunnen hinderen; derhalve in zware gronden wordt het Vlas meest op bedden van omtrent 4 meters breed gezaaid opdat de regen e zou kunnen aflopen ,terwijl men dit in lichte landen en op vlakke gronden zonder enige verdeling van bedden zaait en met de rol hard toelegt. Voor het zaaien van 1 hectare land moet men gewoonlijk 184 kilogrammen lijnzaad gebruiken, min of meer, naar de deugd van het zuivere onvervalste Riga of eenjarig inlands zaad; en ook volgens de goeden aard van de grond; maar toch is het altijd beter wat te dik dan te dun te zaaien want, zoals gezegd is, het Vlas verliest bij het dunne zaaien zijn fijnheid.
Er is zeer veel aan gelegen goed zaad te gebruiken; het zwaarste zaad van gelijke grootte en dat een helder bruin kleur heeft is altijd het beste om te zaaien. He lijnzaad dat vers van Riga komt is altijd verkiesbaar en als het Vlas daarvan het eerste jaar gezaaid goed en mooi rijp zaad geeft acht men het ook in sommige streken goed om het volgende jaar te zaaien.
Alle landstreken , heb ik gezegd , hebben hun wijze van zaaien en hun landen te schikken en die met verschillende vetten te bereiden: in het district van Kortrijk wordt het mooiste Vlas van gans België gewonnen, dat bij de vreemdelingen om de fijnheid van zijn stof, wordt geacht en meest wordt gebruikt om kant garens te spinnen; daar waar dat mooie kostelijke Vlas groeit gebruikt men alleen oliekoeken van koolzaad en koe- met paardenmest gemengd. Men neemt daar gewoonlijk voor 1 hectare land ,waarin zich nog een goede halve vette van een voorgaande vrucht bevindt ,tot 1500 of 1550 oliekoeken; men werpt die in een aal put waarin men ze tien of veertien dagen laat weken of smelten, dan wel met de aal en water onder elkaar roert en de grond tot het zaaien van Vlas geschikt mee overgiet. Voor natte gronden doem sommigen die Koolzaad koeken met Heulzaad koeken tezamen stampen om alzo op die natte koude landen te strooien hetgeen de grond zee verwarmt; op deze vette sproeien ze hun aal die ze drie of vier dagen laten indrogen waarna ze er de omgekeerde eg verscheiden maal doortrekken, met de rol de grond sluiten en zeer vroeg, soms van in mart , hun Vlas zaaien. Omstreeks Roeselare en Izegem zaait men veel het Vlas in de Haverstoppels die men voor de winter omploegt waarop sommigen dezelfde hoeveelheid oliekoeken gebruiken als de landbouwers omtrent Kortrijk; anderen strooien er omtrent 7 0 of 7 5 vaten as per hectare over; sommigen vetten dit land voor den winter met schapenmest zoals als in de zware landen van het arrondissement Iperen hetgeen men zegt voor killige of natte gronden zeer goed te wezen; maar in droge landen wordt het schapenmest misprezen omdat dit het Vlas te vroeg doet riepen.
In de omtrek van Tielt zaait men ook de Vlas na de Haver waar men de grond voor het zaaien van die Haver diep doet omspitten, dan voor de winter ook de Haverstoppelen omploegen en schier maar alleen met oliekoeken en aal vet .Sommigen hebben aldaar sedert enige jaren de gewoonte aangenomen van hun Vlas met het begin van mei te zaaien; ze zeggen dat de stof in hun gronden alzo beter en zachter is, hetgeen ik niet zal betwisten; maar nochtans in alle gewesten waar vroeg gezaaid wordt ziet men het mooiste Vlas groeien en de beste stof winnen; toch als de grond niet goed gemest en door de vette daarop gestrooid niet goed verwarmd is of geen vette heeft om het Vlas wel ras te doen opgroeien hebben deze die in dergelijke gronde met laat te zaaien minder voor de koude nachten te vrezen. In het land van Waas en omstreeks Dendermonde wordt meest huisjesmest of beer, as en soms Hennep oliekoeken gebruikt voor het vette der Vlasakkers. Elk handelt aldaar volgens de landen, dn goeden staat van na vette en de aard der gronden die aldaar zeer verschillend zijn’ voor de kille gronden gebruiken ze meest as of Hennep oliekoeken en dikwijls ook Koolzaad oliekoeken; in de lichte landen wordt er veel koemest.
Het Vlas dat omtrent 4 of 5 centimeters lang is moet van het onkruid zeer goed gezuiverd worden, wat men later nog eens of tweemaal zal doen, naar mate het daarin groeit; er is niets aea gelegen dat het door het wieden of zuiveren van het onkruid heel plat en hard wordt gekropen, want dit is zeer goed en het is hierom dat men het land na het zaaien hard met de wel of rol toelegt. Om mooi Vlas te winnen is het ook nodig het van onkruid wel zuiver te houden ,want het onkruid kan het doen versterven.
Als het Vlas nu bloeit en met zijn blauwe kroon versierd gestaan heeft bemerkt men wel gauw dat de zaadbollen sluiten en als dit begint te rijpen ziet men gewoonlijk de stengen van het Vlas van onder een geelachtig kleur verkrijgen; dan moet een landbouwer wel opmerkzaam zijn, want die het te vroeg gaat plukken zal weinig zaad inoogsten en die het te rijp uittrekt zal stuurse harde grof Vlas hebben en nog meer in deugd verliezen, want hetgeen men wint in het zaad verliest men dubbel in het Vlas. Het is deze begeerlijkheid om veel zaad te winnen die veel landbouwers zodanig verblindt dat ze nooit fijn Vlas noch zachte stof hebben.
Het Vlas dat uitgeplukt is wordt eerst en vooral door een werktuig, Repel genoemd, de zaadbollen afgetrokken; dan wordt het in kleine bundeltjes van omtrent twee grepen dik gebonden en aanstonds in het water gelegd om te roten: men moet goed toezien dat men na het repen niet te lang wacht om het Vlas in ’t water te leggen en het niet op elkaar laat liggen heet worden, want dit is voor het Vlas zeer schadelijk.
Hier dient ook in acht genomen te worden dat men het Vlas in de root niet te dik op elkaar legt; want zo gebeurt het, dat het bovenste de warmt van de lucht heeft genoeg geroot is en het onderste niet; verder moet men het zo in de root leggen gelijk het groeit want hoe rechter men het Vlas in de root kan stellen hoe beter; men moet ook altijd zorgen dat het met de toppen omhoog staat; het Vlas dat aan de toppen harder is dan aan de wortels moeten natuurlijk de toppen aan de lucht geplaatst zijn alwaar ze de warmte der zon kunnen genieten en alzo in een vereiste evenredigheid de hele stengel van het Vlas moet roten; zo handelen zal altijd het Vlas van boven en van onder gelijk roten. Tot het roten moet men het vetste en beste water gebruiken dat van onder modderachtig en van boven helder is en diep genoeg om het Vla te kunne instaan; het beste water is dat omtrent een Elzenkant gelegen is daar de Elzebladen aan het Vlas een mooie blauwachtig kleur toebrengen; er mag geen mos of groen op wezen: als zulks daarop is moet het gezuiverd worden. Het voornaamste is dat men de root putten zo afdamt dat er door zware regens geen drift in de root kan komen; want dat vermagert zodanig het water dat het Vlas er door zeer benadeeld wordt. Indien men dusdanige waters omtrent de Elzenkanten niet kan vinden kan men alsdan Elzenbladen doen plukken en die tussen en over het Vlas strooien omdat door deze bladen het water blauw wordt; verder doden deze bladen de maaien of wormpje welke soms in zulke wateren gevonden worden en dikwijls aan het Vlas een grote schade veroorzaken. Men legt dan op dit Vlas enig stro en daarboven enige stokken of planken en gewicht van stenen of aarde om het Vlas onder water te houden; dit wordt in sommige streken zeer onachtzaam volbracht; men legt dikwijls teveel Vlas in een rootput naar evenredigheid van zijn grootte; daarboven nemen sommige boeren met de schop het slijk en zand uit de grond van de put om bovenop het Vlas te leggen; maar indien ze dachten wat schade ze daarmee aan hun Vlas toebrengen zouden ze zich wel wachten van zulks te verrichten; want natuurlijk het Vlas met dit koude slijk gedekt is kan de warmte van de lucht en de zon op de harde toppen van de bovenstee van den steng geen invloed hebben terwijl het onderste der stengen reeds te veel geroot is; daarbij nog het vuile slijk en zand dat tussen het Vlas dringt beschadigt de deugd en kleur van het Vlas meer dan vele landbouwers zouden geloven.
Hoelang het Vla in de root liggen moet kan niet bepaald worden en is heel verschillend volgens de rootputten waarvan de ene veel warmer is dan de andere; zodat het in sommige maar acht dagen en in andere wel tien of twaalf dagen moet liggen; toch als reeds zeven of acht dagen geroot heeft moet men alle dagen het gaan nazien en een bundeltje uit de root nemen en het open leggen om te zien of het genoeg geroot is. Hieraan is voor een landbouwer zeer veel gelegen omdat het geheel de sterkte van het Vlas daarvan afhangt; w sant te lang in het water te liggen verliest het zijn sterkte en verrot. Vervolgens moet men hier goed zorg dragen en op het laatste het zeer dikwijls nazien twee maal per dag omdat de tijd van roten van niemand juist kan bepareld worden aangezien dit zeer veel afhangt zowel van de warme dagen als van de root putten en van de rijpheid van het Vlas. Doch dit is een algemene regel dat het Vlas zo lang moet in ’t water liggen totdat de lemmet van boven tot onder afscheidt; en als men dit ondervindt moet men hetgeen een uur langer in de root laten liggen, want bij gebrek van dit goed te gade slaan wordt er zeer veel Vlas bedorven.
Het Vlas dan genoeg en van pas geroot is wordt op de sprei of bleek gelegd welk dient om het van zijn vuiligheid te zuiveren of om het, als het niet genoeg geroot is verder te roten of witter te bleken. Aldus twee of drie weken op de sprei gelegen hebben moet het omgekeerd worden opdat het aan de onderste kant ook bleken zou; en als het lint of vlas aan de stengen begint los te hangen en goed droog is bindt men dit in grote bundels en haalt het binnen in de schuren om met gelegenheid gebraakt en gezwingeld te worden wateren ook zeer veel gelegen is; want hoe langer men wacht van het te zwingelen, hoe sterker het Vlas gewoonlijk wordt. Bij het braken en zwingelen moet men wel opletten van de toppen niet te veel af te trekken en het Vlas te doen lijden, waardoor het veel korter wordt.
Zo als hierboven is gezegd heeft elke landstreek zijn wijze van zaaien hetgeen ook op verschillende plaatsen van Vlaanderen ten opzichten van het roten plaats heeft; te Harelbeke en rondom Kortrijk, Menen, langs de Leie enz., heeft men een andere wijze van roten en het Vlas te bewerken.
Daarboven als men het Vlas door een goede werkman met de hand gezwingeld op de markt doet verkopen, al men altijd een hogere prijs bekomen dan van het Vlas door de molens gezwingeld, hetgeen een kundige Vlaskoopman bij het aantasten en ook altijd op heet eerste gezicht zal kennen. Behalve dat het zwakker en korter wordt verliest het nog door de geweldige slagen der zeilen van de molen van zijn deugdzame en malse spinbare stof. Het Vlas wordt ook wel door het zwingelen met de hand geslagen, maar toch zo geweldig niet dat het enige hindering kan ondergaan.
Volgens het hierboven gemelde zijn er twee soorten van zaden die van het Riga lijnzaad alhier worden ingeoogst: het eerste dat van het groene Vlas wordt afgereept en het tweede welk van het gedroogd Vlas wordt afgedaan dat altijd beter voor het herzaaien is dan het eerste welk dikwijls geheel zijn rijpheid niet bekomen heeft. Het zaad dat van Riga voortkomt is goed voor te herzaaien en zal gewoonlijk het tweede jaar meer zaad dan het eerste jaar voortbrengen terwijl men bemerkt dat het beste Riga zaad alhier het eerste jaar met een stam en zonder takjes groeit, maar het tweede met veel zijtakjes groeit en derhalve meer zaadbollen en zaad geeft, maar toch door de vertakte toppen het Vlas korter en slechter wordt; daarom is het altijd beter voor een landbouwer die begeert mooi Vlas te winnen dat hij Riga zaad of lijnzaad van elders uit het Noorden voor het zaaien gebruikt.
Het zaad dat men van het inlands Vlas opdoet kan altijd dienen voor lijnolie van te stampen en wordt meer in deugden dan andere oliezaden geacht; de lijnkoeken die ervan voortkomen zijn de aller beste om het hoornvee te vetten, vooral de koeien die er veel melk van geven. Ik zou hier wel enige aanmerkingen over de uitvoer van het Vlas aanhalen, maar omdat het gouvernement een commissie heeft benoemd, die met die handeling steeds bezig is zal ik zwijgen.; hoop dat die kundige mannen niet zullen nalaten de belangen van Vlaanderen welvaren na te zien en de uitvoer van het groene Vlas te verbieden dat de Fransen en Engelsen van de boeren te velde komen kopen en groen zonder roten naar hun landen voeren omdat er zo veel arme mensen ten alle kanten in Vlaanderen in overvloed zijn die voor dezen allen met het Vlas te bewerken voortreffelijk brood wonnen en nu schier allen zonder werk en zonder middelen van bestaan zijn. etc.
Einde.
Zie verder: