Bupleurum

Over Bupleurum

Doorwas, vorm, kruiden, soorten, plaats, tijd van bloeien, namen, aard, kracht en werking, medisch, bijvoeging, geschiedenis, historie, etymologie, afkomst,

H ET XX. CAPITEL.

Van Deurwas oft Perfoliata, ende oock van Vaccaria.

Gheslachten.

In dit Capitel sullen wy twee verscheyden cruyden beschrijven, die malkanderen eenighsins schijnen te ghelijcken; te weten Perfoliata, ende Vaccaria.

Ghedaente.

1. Perfoliata oft Deurwas heeft eenen dunnen, ronden, kalen ende gladden steel, hoogher dan eenen voet, in meer tacken verdeylt: aen de welcke bladeren wassen in dier voeghen, dat sy de steelen schijnen te omvanghen, al oft sy door de bladeren quamen gedronghen: de bladeren zijn breet, kael, effen, glat, gheribt, ende met vele aderen, bleeck-groen van verwe: op ’t sop van de steelen komen breedachtighe kroonen oft kranssen, uyt de welcke tusschen sommighe kleyne bladerkens vele kleyne bloemkens spruyten, wat geelachtigh van verwe, nae de welcke wat swartachtigh saet volght, grooter dan dat van Paleye. De wortel is slecht ende eenigh, wit, met luttel af hanghende veselinghen.

2. Vaccaria wordt van sommighe voor een medesoorte van Deurwas ghehouden: dese wast hoogher op dan een spanne, met ronde, gheknoopte, effene ende gladde steelkens oft rijskens, in ander sijd-tackskens verdeylt: uyt elck lidt oft knoop spruyten twee langhachtighe bladeren, oock kael ende glat, scherp, recht tegen over den anderen wassende, aen haer onderste oft by den steel soo vast by een staende, dat die twee maer een bladt en schijnen te wesen. Op ’t hooghste van elck rijsken oft tacksken staet een teer roodachtigh bloemken, het welck spruyt uyt een rondt knopken, met dunne vellekens oft lieskens bedeckt, niet seer ongelijck de huyskens van Wilde Christus-oogen oft Wilde Jenettekens; in ’t welcke swart saet rijp wordt, by nae als dat van Melanthium oft Nigelle. De wortel is verdeylt in sommige faselingen, dit gantsche cruydt is soo bleeck-groen, dat het schijnt witachtigh te wesen.

Plaetse.

1. Deurwas groeyt van selfs in sommighe ackers, koren-velden ende besaeyde landen. Het wast oock in de beemden ende by de kanten van de weyen, [143] in Italien, Duydtschlandt, ende Behemen: elders wordt het in de hoven ghesaeydt.

2. Vaccaria wort oock over al in de velden ende ghebouwde landen ghevonden; besonder op vette ackers.

Tijdt.

Deurwas bloeyt meestendeel in Hoeymaendt ende Ooghstmaent; ende als het saet rijp is, soo vergaet dat cruydt gheheel, ende en blijft des winters nimmermeer over.

Vaccaria bloeyt van ’t beginsel van den Somer tot in den Herfst toe; daerentusschen wordt het saet rijp.

Naemen.

1. Dit cruydt wordt Perfoliata oft Perfoliatum in ’t Latijn van de nieuwe Cruydt-beschrijvers geheeten, om dat de steelen uyt de bladeren schijnen te komen, ende daer door te dringen: om die selve oorsake is ’t in Nederduytsch oock Deurbladt oft Deurwas gheheeten; ende in ’t Hooghduytsch Durchwachss ende Bruchwurtz; in ’t Fransch Perfoliate; in ’t Enghelsch Thorouw ware.

2. Vaccaria wort dese andere soorte gheheeten: Gesnerus heeftse liever Perfoliata rubra, dat is Rood Deurwas, ghenoemt: Valerius Cordus noemtse Tamecnemum. Sy spriet-ooghen seer, die meynen dat het Glastum oft Weede is, oft eenighe medesoorte daer van : want sy is heel onbequaem tot de verwerije, noch en gheeft gheensins eenighe blauwe verwe van haer, als de Weede pleegh te doen.

Aerd.

Deurwas is tamelijcken warm, maer nochtans een weynigh droogher; als wesende wat bitterachtigh ende t’ samentreckende van kracht.

Kracht ende Werckinghe.

Deurwas wordt gherekent onder de dingen die de wonden heelen ende genesen konnen.

Men gheeft het water, daer dit cruydt in gesoden is geweest, oft het poeder daer van, den ghenen die ghescheurt oft ghequetst zijn, oft van hooghe ghevallen.

Het wordt seer ghepresen in de breuckingen ende scheurselen oft sinckinghen der darmen, sonderlinghen van de ionghe kinderen.

’T selve is oock seer goedt om den uytpuylenden navel van de ionge kinderen, versch met meel ende wijn gestooten, ende papsghewijse daer op gheleyt, wederom te doen keeren, ende die weder innewaerts te doen vertrecken.

In de selve maniere gheneest het oock de krop-sweeren ende klieren van den hals.

BIIVOEGHSEL.

Somwijlen heeft dit cruydt lustiger bloemen ende aerdiger ronde kroonkens. Het wordt veel gevonden aen de kant van de Maes: dan elders wordt het van de lief-hebbers in de hoven gesaeyt. Sijne geele bloemen komen uyt sommighe knopkens als sterren ghesproten. ’T saet is van smaeck termentijnachtigh, dat van den Hypericum oft Clymenum ghelijckende.

Met dit cruydt hebben de soorten van Cerinthe groote ghelijckenisse; maer daer van sullen wy handelen, als wy van Maru sullen spreken.

1. Enghelschen ghehauvvden Deurvvas met bladers van Steckrapen, wordt van Lobel beschreven, ende in ’t Latijn Perfoliata Napifolia Anglorum, siliquosa genoemt. Clusius noemt het Brassica campestris, dat is Veldt-Koole; in ’t Spaensch Collejon, alsoo veel te segghen als Kleyn-Koolken. Maer al is ’t dat het van sommighe voor een soorte van Deurwas ghehouden is, nochtans schijnt het te wesen van twijfelachtighe natuere tusschen de Winter-kersse, Bunias ende Deurwas; ’t welck oock veel ghevonden wordt, maer meest in ’t gheberghte van de heete landen, hebbende grooter, langher, rouwer, ghelijvigher ende stijver bladers, die een weynigh uytgheholt zijn, ghelijck die van de Dentillaria: oock seer langhe, dunne hoeckachtighe hauwkens hebbende, die van de Koolen oft Violieren ghelijckende. Den smaeck en is gheensins bijtende noch scherp. Dit cruydt is van ons in ’t Capitel van de Wilde Koole beschreven.

2. Kleyn Deurvvas is de Groote seer ghelijck, ende wast veel in Duringherlandt.

3. Ghekrolde oft Ghekronckelde Deurvvas komt somwijlen voordt van het saet van ’t ghemeyn Deurwas, seght Camerarius, die dat Perfoliata crispa oft muscosa noemt, om dat de bloemen mosachtigh ende ghekrolt zijn: maer sy en krijghen gheen saet, als meest alle de dobbele bloemen niet en doen.

4. Bergh-Deurvvas blijft des winters over, ende is scherp van smaeck. De bloemkens zijn veel by een in een bladigh huysken oft hoosken. Camerarius beschrijft dat, en noemt het Perfoliata montana.

5. Alderkleynste Deurvvas, van Fabius Columna in Apulien ghevonden, ende Perfoliata minima Bupleuri folio ghenoemt, heeft smalle langhworpighe, dry duymbreedden langh, gheladde, hardachtighe bladeren, inde lenghe met zenuwen beset, doncker groen op vet landt, maer bleecker groen op dorren grondt, altijdt twee teghen een aen ’t leeghste van den steel staende: welcken steel enckel is, een span hoogh, dun, kantigh, in ’t midden met weynigh bladerkens over ander staende beset: op ’t sop heeft hy als eenen krans van bladeren, ghelijck ghemeyn Deurwas: daer onder staen vijf sterrewijs ghevoeghde bladerkens, als Myrtus bladeren, knorselachtigh [144] daer tusschen komen kranskens van vijf oft min kleyne geele bloemkens by een, oock vijf-bladigh, elck twee saden begrijpende. Het is bitter van smaeck.

Vaccaria wordt van Lobel Wilde Weede ghenoemt, hoewel dat Dodoneus daer teghen is; den selven Lobel noemt dat oock Ocymioïdes, in ’t Engelsch Couvv basill: als van ons in ’t Bijvoeghsel van de Weede breeder vermaent is.

Kracht ende Werckinghe.

Deurwas (besonder de kleyne die in Duringerlandt groeyt) wordt seer krachtigh ghevonden om den overwas van ’t ghebeente oft van de zenuen te verdrijven, daer op gheleyt, kleyn ghestooten zijnde.

De groene bladeren van Deurwas ghestooten ende op de wonden gheleydt ghenesen die.

’T selve doet oock ’t saet ghepoedert, in de selve maniere ghebruyckt.

Met Propolis op alle uyt-wassen ende wratten gheleydt, verdrijft die, ende belet die grooter te worden.

Het water van dit cruydt ghedistilleert bedwinght alle voordtloopende sweeren, roodhont ende brandighe zeeren; ende de sweeringhen van den navel.

Vaccaria heeft gheene, oft immers tot noch toe van niemandt beschreven krachten.

HET XX. KAPITTEL.

Van deurwas of Perfoliata en ook van Vaccaria. (Bupleurum rotundifolium, Vaccaria hispanica)

Geslachten.

In dit kapittel zullen we twee verschillende kruiden beschrijven die elkaar enigszins schijnen te gelijken, te weten Perfoliata en Vaccaria.

Gedaante.

1. Perfoliata of deurwas heeft een dunne, ronde, kale en gladde steel die hoger is dan dertig cm en in meer takken verdeeld waaraan bladeren groeien op die manier dat ze de stelen schijnen te omvangen als of ze door de bladeren kwamen gedrongen, de bladeren zijn breed, kaal, effen, glad, geribd en met vele aderen en bleekgroen van kleur, op de top van de stelen komen breedachtige kronen of kransen waaruit tussen sommige kleine bladeren vele kleine bloempjes spruiten die wat geelachtig van kleur zijn waarna wat zwartachtig zaad volgt, groter dan dat van polei. De wortel is recht en enig, wit en met weinig afhangende vezels.

2. Vaccaria wordt van sommige voor een medesoort van deurwas gehouden, deze groeit hoger op dan een zeventien cm met ronde, geknoopte, effen en gladde steeltjes of twijgjes die in ander zijtakken verdeeld zijn en uit elk lid of knoop spruiten twee langachtige bladeren, ook kaal, glad en scherp die recht tegenover elkaarr groeien, aan haar onderste of bij de steel staan ze zo vast bijeen dat die twee maar een blad schijnen te wezen. Op het hoogste van elk twijgje of takje staat een teer roodachtig bloempje wat uit een rond knopje spruit die met dunne velletjes of vliesjes bedekt is en veel lijkt op de huisjes van wilde Christusogen of wilde jenettekens waarin zwart zaad rijp wordt, bijna als dat van Melanthium of nigelle. De wortel is verdeeld in sommige vezels en dit ganse kruid is zo bleekgroen dat het witachtig schijnt te wezen.

Plaats.

1. Deurwas groeit vanzelf in sommige akkers, korenvelden en bezaaide landen. Het groeit ook in de beemden en bij de kanten van de weiden [143] in Italië, Duitsland en Bohemen, elders wordt het in de hoven gezaaid.

2. Vaccaria wort ook overal in de velden en gebouwde landen gevonden en vooral op vette akkers.

Tijd.

Deurwas bloeit meestal in juli en augustus en als het zaad rijp is vergaat dat kruid geheel en blijft ‘s winters nimmermeer over.

Vaccaria bloeit van het begin van de zomer tot in de herfst toe en daartussen wordt het zaad rijp.

Namen.

1. Dit kruid wordt Perfoliata of Perfoliatum in het Latijn van de nieuwe kruidbeschrijvers genoemd omdat de stelen uit de bladeren schijnen te komen en daardoor te dringen en om diezelfde oorzaaak is het in Nederduits ook deurbladt of deurwas genoemd en in het Hoogduits Durchwachss en Bruchwurtz, in het Frans perfoliate, in het Engels thorouw ware.

2. Vaccaria wordt deze andere soort genoemd en Gesnerus heeft ze liever Perfoliata rubra, dat is rode deurwas, genoemd. Valerius Cordus noemt ze Tamecnemum. Ze steekt de ogen zeer die menen dat het Glastum of wede is of enige medesoort ervan want ze is geheel ongeschikt tot de ververij en geeft ook geenszins enige blauwe kleur van zich als de wede plag te doen.

Aard.

Deurwas is tamelijk warm, maar nochtans wat droger omdat ze wat bitterachtig en tezamen trekkende van kracht is.

Kracht en werking.

Deurwas wordt onder de dingen gerekend die de wonden helen en genezen kunnen.

Men geeft het water, daar dit kruid in gekookt is geweest of het poeder er van, aan diegene die gescheurd of gekwetst zijn of van hoog gevallen.

Het wordt zeer geprezen in de breuken en scheuringen of verkoudheid der darmen, vooral van de jonge kinderen.

Hetzelfde is ook zeer goed om de uitpuilende navel van de jonge kinderen, vers met meel en wijn gestampt en papsgewijs er op gelegd, terug te laten keren en die weer naar binnen te laten gaan.

Op dezelfde manier geneest het ook de kropzweren en klieren van de hals.

BIJVOEGING.

Soms heeft dit kruid mooiere bloemen en aardiger ronde kroontjes. Het wordt veel gevonden aan de kant van de Maas, dan elders wordt het van de liefhebbers in de hoven gezaaid. Zijn gele bloemen komen uit sommige knopjes als sterren gesproten. Het zaad is van smaak terpentijnachtig en dat van Hypericum of Clymenum gelijk.

Met dit kruid hebben de soorten van Cerinthe grote gelijkenis, maar daarvan zullen we handelen als we van Marum zullen spreken.

(Conringia orientalis) 1. Engelse deurwas met hauwen en bladeren van stekrapen wordt van Lobel beschreven en in het Latijn Perfoliata Napifolia Anglorum, siliquosa genoemd. Clusius noemt het Brassica campestris, dat is veldkool, in het Spaans collejon wat zoveel betekent als klein kooltje. Maar al is het dat het van sommige voor een soort van deurwas gehouden is, nochtans schijnt het van twijfelachtige natuur te wezen tussen winterkers, Bunias en deurwas, wat ook veel gevonden wordt maar meestal in het gebergte van de hete landen en heeft grotere, langere, ruwere, steviger en stijvere bladeren die wat uitgehold zijn als die van Dentillaria en ook zeer lange, dunne bekachtige hauwtjes hebben die van de kolen of violen gelijk. De smaak is geenszins bijtend, noch scherp. Dit kruid is van ons in het kapittel van de wilde kool beschreven.

2. Klein deurwas is de grote zeer gelijk en groeit veel in Duringerland.

3. Gekrulde of gekronkelde deurwas komt soms voort van het zaad van het gewoon deurwas, zegt Camerarius, die dat Perfoliata crispa of muscosa noemt omdat de bloemen mosachtig en gekruld zijn, maar ze krijgt geen zaad zoals meest alle dubbele bloemen niet doen.

(Bupleurum angulosum) 4. Berg deurwas blijft ‘s winters over en is scherp van smaak. De bloempjes zijn veel bijeen in een bladig huisje of doosje. Camerarius beschrijft dat en noemt het Perfoliata montana.

(Bupleurum odontites) 5. Allerkleinste deurwas is van Fabius Columna in Apulië gevonden en Perfoliata minima Bupleuri folio genoemd, het heeft smalle langwerpige, drie duimbreed lang, gladde, hardachtige bladeren die in de lengte met zenuwen bezet zijn, donker groen op vet land, maar bleker groen op dorre grond die altijd twee tegen een aan het laagste van de steel staan, welke steel enkel is en acht cm hoog, dun en kantig, in het midden met weinig bladeren die tegenover de andere staan bezet, op de top heeft het als een krans van bladeren als gewoon deurwas en daaronder staan vijf stergewijs gevoegde bladeren als Myrtus bladeren, korzelig en [144] daartussen komen kransjes van vijf of minder kleine gele bloempjes bijeen, ook vijfbladig die elk twee zaden omvatten. Het is bitter van smaak.

Vaccaria wordt van Lobel wilde wede genoemd, hoewel dat Dodonaeus daar tegen is, dezelfde Lobel noemt dat ook Ocymioïdes, in het Engels couw basill als van ons in het bijvoegsel van wede uitvoeriger vermaand is.

Kracht en werking.

Deurwas (vooral de kleine die in Duringerland groeit) wordt zeer krachtig gevonden om den overgroei van het gebeente of van de zenuwen te verdrijven, daarop geleid als het klein gestampt is.

De groene bladeren van deurwas gestampt en op de wonden gelegd genezen die.

Hetzelfde doet ook het zaad verpoedert op dezelfde manier gebruikt.

Met Propolis op alle uitwassen en wratten gelegd verdrijft die en belet die groter te worden.

Het water van dit kruid gedistilleerd bedwingt alle voortlopende zweren, rode hond en brandende zeren en de zweren van de navel.

Vaccaria heeft geen of immers tot noch toe van niemand beschreven krachten.


HET XIV. CAPITEL.

Van Bupleurum.

Gheslachten.

De soorten van Bupleurum zijn tweederley; een met smaller, ende een met breder bladeren.

1. ‘Tgheslacht van Bupleurum met smaller bladeren schiet by de dry voeten oft meer in de hooghte op, met sijn ronde, gheknopten ende in veele verscheyden sijd-tacken verspreyde steelen: aen elck een lidt oft knoop van dese steelen wassen langhworpighe smalle bladeren, hebbende veele strepen, die als ribben in de lenghde van den rugge der selver staen, breeder nochtans dan de bladeren van ’t Gras. Op de tsoppen van de steelen oft sijd-tacksken komen kleyne bloemkens voorts, als Dille-bloemen, geel van verwe, krans-ghewijs oft kroons-gewijs gheschickt ende uytgespreydt: nae de welcke volght langh ende dun saedt, als dat van Deurwas. De wortel is dun, in ettelijcke tacken verdeylt.

2. Het ander geslacht van Bupleurum heeft breeder ende korter bladeren, doch oock met diergelijcke strepen als ribben in de lenghde doorreghen; te weten sommighe uyt de wortel spruytende, sommighe neffens den steel voortkomende: welcken steel rondt is, geknoopt, dicker ende korter. De bloemkens zijn insgelijcks oock geel: dan de kranskens oft kroonkens van de selve zijn wat grooter, oft wijder uytgespreydt: ’t saedt is oock wat grooter. De wortel is langhworpigh, dick, van buyten bruyn oft swartachtigh.

Plaetse.

Dit ghewas groeyt op de berghachtige plaetsen, aen de steenachtige kanten van de loopende wateren, rivieren ende beecken. De eerste soorte, met smaller bladeren, is seer gemeyn ende overvloedigh wassende omtrent de riviere Meyn gheheeten in Hooghduytschlandt. Dan beyde de soorten groeyen op verscheyden plaetsen van Beemerlandt: ende de tweede met veel breeder bladeren wast in sonderheydt op de rotsen ende in steenachtighe rouwe hooghe plaetsen. Men vindt het oock wel elders soo wel in Hooghduytschlandt als in Spaegnien.

Tijdt.

Dese cruyden bloeyen in Hoymaendt ende Oogstmaendt: daer nae wordt haer saedt rijp.

Naemen.

Wy noemen dit ghewas Bupleurum, te weten de eerste soorte Buplerum angustifolium, dat is Buplerum met smalle bladeren; de ander Buplerum alterum latifolium, oft Ander Bupleurum met breede bladeren. Dat wy ’t dien naem gheven, komt by, om dat beyde dese soorten niet qualijck over een en komen met de beschrijvinghe van Bupleurum die Plinius geeft in het 22. [988] capitel van sijn 22.boeck. Boupleuron, seydt hy, wordt van de Griecken gerekent voor een van de cruyden die van selfs groeyen; met eenen steel van dry voeten hoogh; met veele lange bladeren, ende een hooft oft kroone als die van Dille. De tweede soorte, te weten die met breeder bladeren, noemt Valerius Cordus Isophyllon: dan wien van de oude schrijvers hy daer in ghevolght magh hebben, dat is my onbekent. Veel noemen ’t Elaphoboscum, andere Gratia Dei, dan wy hebben elders een ander oprechter Elaphoboscum, ende noch elders een ander Gratiola Dei beschreven; de welcke van dit cruydt veel verschillen.

Aerd.

Het saedt van Bupleurum is droogh ende warm tot in den tweeden graed, soo het schijnt.

Kracht ende Werckinghe.

Men prijst het saedt van Bupleurum seer teghen de steken ende beten van de Slanghen, als Plinius betuyght, ende Nicander in sijn boeck Theriaca.

Men wascht oft baeyt de wonden ende quetsuren met de ghesoden bladeren van dit gewas, mits daer wat Orega oft Moerbezien bladeren by doende.

De selve bladeren zijn goedt tot de naegeboorte oft naewee van de vrouwen, oft het sap van de selve met Wijn vermenght, ende van buyten opgheleydt oft ghestreken.

Op de klieren ende kropsweeren worden de selve bladeren oock nuttelijck gheleydt, met Sout vermenght zijnde, als Plinius daer van schrijft: die oock verhaelt, dat het Bupleuron van Hippocrates seer ghepresen was om in de spijse te ghebruycken.

BIIVOEGHSEL.

Dit ghewas heeft eenighe ghelijckenisse met het Heptapleurum daer Plinius af vermaent, seydt Lobel, ende wordt in Languedock over al groeyende ghevonden; dan de wortel van de eerste soorte is omtrent een kleynen vingher dick, swartachtigh, van smaeck ende reuck die van ’t Verckens-Venckel ghelijckende; als oock ’t saedt is. Hy noemt het Bupleurum van Montpelliers ende van de Herbaristen.

De tweede soorte, seydt Lobel, wordt van sommighe Hasen-ooren ghenoemt, om dat de breede boven scherpe oft spitse bladeren een weynigh hol oft gedraeyt staen, in ’t Latijn Auricula Leporina; dan het Scorpioens-cruydt is van sommighe soo ghenoemt: sy heet oock Panax Chironium Tragi; in ’t Hooghduytsch Wundtkraut. Dit is het Elasphoboscum van Montpelliers; ende en is anders niet dan een spijse van de herten, seydt Lobel, veel van het Elasphoboscum Dioscorides verschillende.

Allerkleynste Bupleurum, in ’t Latijn Bupleurum tertium minimum van Fabius Columna gheheeten, heeft een dunne, kleyne, geveselde, geelachtighe, houtighe soete wortel, voortbrenghende eenen dunnen van onder af ghetackten steel, ten hooghsten anderhalven voet langh: bewassen by beurten met bladeren die eenen verheven rugh hebben, voor spits, doch niet stekende, binnen hol, aschverwigh, dry vinghers breedden langh, veel smaller dan Vlas-bladeren: uyt de schooten der selver komen korte sijd-steelkens, draghende op hun tsop kleyne kranskens van vier oft vijf bladerkens, met dichte kleyne geele bloemkens, ende daer nae tweevoudigh bruyn saedt als Anijs. Het bloeyt eerst van boven, als de krans-cruyden pleghen: daer nae gaet het allenghskens tot beneden toe: ende bloeyt soo den heelen somer door. De bladeren, bloemen ende saedt, ghekauwt zijnde, zijn wat bitter specerijachtigh, ende heet van smaeck. Al is het een kleyn ghewas, nochtans soo is het wonderlijcken seer geladen met saet.

Veranderinghe. Men vindt het oock met eenen enckelen steel, sonder tacken.

Sedum Petraeum, met bladeren oft bloemen van Bupleurum, is in het Bijvoeghsel van Sedum beschreven, al is ’t dat het in sommighe dinghen het Bupleurum ghelijckt.

Brycorrhyes van Candien staet te ondersoecken, oft dat de soorte van Bupleurum oft Melanthium best ghelijckt.

Noch van de krachten.

Het Bupleurum, seydt Nicander, en is in de medicijne niet onbequaem: want daer in is den smaeck ende reuck eenighsins van den Hypericon, die met een matelijck warmte drooghachtigh is. Tragus seydt dat de tweede soorte nut is tot al ’t ghene daer het Panax Chironium in oude tijden goedt toe geacht wierdt: ende houdtse voor een goedt wondtcruydt.

Het water, daer dit cruydt in ghesoden is, wordt nuttelijck ghedroncken teghen den steen ende ’t graveel.

HET XIV. KAPITTEL.

Van Bupleurum. (Bupleurum falcatum en Bupleurum rotundifolium)

Geslachten.

De soorten van Bupleurum zijn tweevormig, een met smaller en een met breder bladeren.

1. Het geslacht van Bupleurum met smaller bladeren schiet bij de negentig cm of meer in de hoogte op met zijn ronde, geknopte en in vele verschillende zijtakken verspreide stelen en aan elk lid of knoop van deze stelen groeien langwerpige smalle bladeren die vele strepen hebben die er als ribben in de lengte van de rug staan en breder nochtans dan de bladeren van gras. Op de toppen van de stelen of zijtakjes komen kleine bloempjes voorts als dillenbloemen die geel van kleur en krans of kroonvormig geschikt en uitgespreid zijn waarna lang en dun zaad volgt als dat van deurwas. De wortel is dun en in ettelijke takken verdeeld.

2. Het ander geslacht van Bupleurum heeft breder en korter bladeren, doch ook met diergelijke strepen als ribben in de lengte doorregen, te weten sommige die uit de wortel spruiten en sommige die naast de steel voortkomen welke steel rond is, geknoopt, dikker en korter. De bloempjes zijn insgelijks ook geel, dan de kransjes of kroontjes er van zijn wat groter of wijder uitgespreid, het zaad is ook wat groter. De wortel is langwerpig, dik en van buiten bruin of zwartachtig.

Plaats.

Dit gewas groeit op de bergachtige plaatsen aan de steenachtige kanten van de lopende wateren, rivieren en beken. De eerste soort met smaller bladeren groeit zeer algemeen en overvloedig omtrent de rivier die Meyn heet in Hoogduitsland. Dan beide soorten groeien op verschillende plaatsen van Bohemen en de tweede met veel breder bladeren groeit vooral op de rotsen en in steenachtige ruwe hoge plaatsen. Men vindt het ook wel elders en zowel in Hoogduitsland als in Spanje.

Tijd.

Deze kruiden bloeien in juli en augustus en daarna wordt hun zaad rijp.

Namen.

Wij noemen dit gewas Bupleurum, te weten de eerste soort Buplerum angustifolium, dat is Buplerum met smalle bladeren, de ander Buplerum alterum latifolium of ander Bupleurum met brede bladeren. Dat we het die naam geven komt omdat beide deze soorten niet slecht overeen komen met de beschrijving van Bupleurum die Plinius geeft in het 22ste [988] kapittel van zijn 22ste boek. ‘Boupleuron, zegt hij, wordt van de Grieken voor een van de kruiden gerekend die vanzelf groeien met een steel van negentig cm hoog met vele lange bladeren en een hoofd of kroon als die van dille’. De tweede soort, te weten die met breder bladeren, noemt Valerius Cordus Isophyllon, dan wie van de oude schrijvers hij daarin gevolgd mag hebben is me onbekend. Velen noemen het Elaphoboscum en andere Gratia Dei, dan we hebben elders een andere echter Elaphoboscum en noch elders een ander Gratiola Dei beschreven die van dit kruid veel verschillen.

Aard.

Het zaad van Bupleurum is droog en warm tot in de tweede graad, zo het schijnt.

Kracht en werking.

Men prijst het zaad van Bupleurum zeer tegen de steken en beten van de slangen, als Plinius betuigt en Nicander in zijn boek Theriaca.

Men wast of baadt de wonden en kwetsingen met de gekookte bladeren van dit gewas mits er wat Origanum of moerbeibladeren bij te doen.

Die bladeren zijn goed tot de nageboorte of naweeën van de vrouwen of het sap er van met wijn vermengt en van buiten opgelegd of gestreken.

Op de klieren en kropzweren worden die bladeren ook nuttig gelegd als ze met zout vermengd zijn, als Plinius er van schrijft die ook verhaalt dat het Bupleuron van Hippocrates zeer geprezen was om in de spijs te gebruiken.

BIJVOEGING.

(Bupleurum falcatum subsp. cernuum) Dit gewas heeft enige gelijkenis met het Heptapleurum daar Plinius van vermaant, zegt Lobel, en wordt in Languedock overal groeiend gevonden, dan de wortel van de eerste soort is omtrent een kleine vinger dik, zwartachtig en van smaak en reuk die van varkensvenkel gelijk als ook het zaad is. Hij noemt het Bupleurum van Montpelliers en van de herboristen.

(Bupleurum rigidum) De tweede soort, zegt Lobel, wordt van sommige hazenoren genoemd omdat de brede boven scherpe of spitse bladeren wat hol of gedraaid staan, in het Latijn Auricula Leporina, dan het schorpioenskruid is van sommige zo genoemd en ze heet ook Panax Chironium Tragi, in het Hoogduits Wundtkraut. Dit is het Elasphoboscum van Montpelliers en is niets anders dan een spijs van de herten, zegt Lobel, die veel van het Elasphoboscum Dioscorides verschilt.

Allerkleinste Bupleurum, in het Latijn (Bupleurum tenuifolium) Bupleurum tertium minimum van Fabius Columna genoemd, heeft een dunne, kleine, gevezelde, geelachtige, houtige zoete wortel die een dunne en van onder af vertakte steel voortbrengt die ten hoogste vijf en veertig cm lang is en om beurten begroeid met bladeren die een verheven rug hebben die voor spits, doch niet steken en binnen hol en askleurig en drie vingers breed lang zijn en veel smaller dan vlasbladeren, uit de schoten er van komen korte zijsteeltjes die op hun top kleine kransjes van vier of vijf bladertjes dragen met dichte kleine gele bloempjes en daarna tweevoudig bruin zaad als anijs. Het bloeit eerst van boven zoals de kranskruiden doen en daarna gaat het geleidelijk aan tot beneden toe en bloeit zo de hele zomer door. De bladeren, bloemen en zaad gekauwd zijn wat bitter specerijachtig en heet van smaak. Al is het een klein gewas, nochtans is het zeer wonderlijk geladen met zaad.

Verandering. Men vindt het ook met een enkele steel zonder takken.

Sedum petraeum met bladeren of bloemen van Bupleurum is in het bijvoegsel van Sedum beschreven al is het dat het in sommige dingen op Bupleurum lijkt.

Brycorrhyes van Kreta staat te onderzoeken of dat op de soort van Bupleurum of het beste op Melanthium lijkt.

Noch van de krachten.

Het Bupleurum, zegt Nicander, is in de medicijnen niet ongeschikt want daarin is de smaak en reuk enigszins van Hypericon die met een matige warmte droogachtig is. Tragus zegt dat de tweede soort nuttig is tot al hetgeen daar het Panax Chironium in oude tijden goed toe geacht werd en houdt het voor een goed wondkruid.

Het water daar dit kruid in gekookt is wordt nuttig gedronken tegen de steen en niergruis.

HET XVIII. CAPITEL.

Van Seseli van Eyhiopien.

Gheslacht.

Het oprecht Moorsch Seseli, oft Seseli van Ethiopien, is een boomachtigh oft heesterachtigh gewas, dat is harde oft houtachtighe steelen hebbende. Dan met dien naem isser hedensdaeghs noch een ander cruydt bekent, ’t welck niet hardt oft houtachtigh, maer teer ende cruydtachtigh is, ende onstercke steelen heeft, ende daerom voor gheen heester, maer alleen voor een cruydt te houden is. Dese beyde sullen van ons nu beschreven worden.

Ghedaente.

1. Seseli van Moorenlandt is een heesterachtigh ghewas, met houtachtighe, swartachtighe ende somtijdts oock, maer selden, wel wat roodachtighe steelkens, omtrent de dry voeten hoogh: de sijd-steelen zijn anderhalven voet langh: de bladeren zijn langhworpigh, kael ende glat, tamelijcken breedt, bleeckachtigh groen, ende wat nae den witachtighen treckende, langer dan de Veyl-bladeren, maer die van Hooghduytsch Memmekens cruydt oft Geyten-bladt veel beter ghelijckende. De kranskens brengen geele bloemkens voort. Het saedt is grooter dan het Venckel-saedt. De wortel is langh, die veele iaeren in ’t leven blijft, als oock doet het gantsche ghewas.

2. Dat ander cruydtachtigh ghewas, ’t welck van sommighe by het gheslacht van het Moorsch Seseli gherekent wordt, is nae sijn ghedaente Cruydtachtigh Seseli van Ethiopien gheheeten, ende dat met goede reden: want het heeft wel eenen steel die somtijdts oock wel by de dry voeten hoogh wordt: dan die en is gheensins houtachtigh oft heesterachtigh, noch en blijft des winters nimmermeer in ’t leven, maer verdrooght eer den winter aenkomt. De bladeren zijn wijdt, van veelen aen een hanghende ende vergadert, als zijn die van de Water-Eppe, van de welcke elck bladt bijsonder breedt is, aen de kanten rondom scharigh ende ghekerft. De kranskens draghen witte bloemkens. Het saedt is liesachtigh oft kafachtigh, breedt, langhworpigh, witachtigh, van reuck ende smaeck als het saedt van de Angelica. De wortel is van buyten bruyn oft swartachtigh, van binnen wit, aenghenaem van reuck.

Plaetse.

1. Het Heesterachtigh Seseli van Ethiopien wordt in Vranckrijck ghevonden op de steenachtighe gewesten aen de Zee gheleghen, omtrent Marsilien, ende voorts oock op andere plaetsen van Languedock. [503]

2. Het Cruydtachtigh Seseli van Ethiopien wordt in Italien ende Hooghduytschlandt ghevonden.

Tijdt.

Seseli van Ethiopien staet met sijn bloemen ende saedt in de Ooghstmaendt ende Hoymaendt.

Naem.

1. De Eerste van dese twee is het oprecht Seseli Aethiopicon van de Griecken: in ’t Latijn noemtmen ’t oock Aethiopicum Seseli: ende tot onderschil van het ander, Seseli Aethiopicum frutex, dat is Heesterachtigh oft Boomachtigh Seseli van Ethiopien, oft Moorsch Seseli met houtachtighe steelen. De Egyptenaers pleghen ’t op ’t Griecks Kyonos phrice te noemen, dat is in ’t Latijn Canis horror.

2. Het ander cruydtachtigh gewas is voor het oprecht Seseli Aethiopicum van Fuchsius, van Tragus, ende oock somtijdts van Matthiolus ghehouden gheweest: dan het voorgaende heesterachtigh gewas is het recht Seseli van Ethiopien. Daerom hebben wy dit tegenwoordigh cruydt den toenaem Seseli herbaceum oft Seseli Aethiopicum herba ghegheven, dat is Cruydtachtigh Seseli van Eyhiopien, oft Moorsch Seseli, met cruydtachtighe steelen. Dan om onse meyninge van dit cruydt klaerlijck te kennen te gheven, soo dunckt my datmen dat eer voor de Libanotis van Theophrastus sal moghen houden, dan voor een gheslacht van Seseli: want hy seydt dat de Libanotis bladeren heeft als die van Water-Eppe, maer grooter dan die, ende eenen steel omtrent anderhalve voet hoogh; ende bovendien een witte rouwe langhworpighe vrucht; sulcks als het saedt van dit cruydt daer wy nu af handelen gantschelijck is.

Aerd, Kracht ende Werckinghe.

Het Moorsch Seseli wordt in alles even krachtigh ghehouden als het Seseli van Marsilien: daerom de gene die weten willen watmen met dit ghewas doen kan, moghen het voorgaende Capitel lesen, daer wy het Seseli van Marsilien beschrijven.

BIIVOEGHSEL.

Niet alleen het saedt van dit heesterachtigh Moorsch Seseli, ’t welck swart ende langhworpigh is, maer oock de gheheele plante heeft eenen specerijachtighen scherpen heylsaemen bitteren smaeck, ende heeft oock van boven tot in ’t onderste van de wortel, die houtachtigh is, eenen lieffelijckende ende soeten reuck.

Bellonius seydt dat het in Provencen Cachebugade heet.

De tweede soorte van dit Seseli wast veel in Hongarijen, Stiermarckt, ende meer andere omligghende landen, seydt Clusius: alwaer de bladeren somtijdts een palme groot zijn: het saedt is langhworpigh ende kantigh. De wortel is soet van smaeck, daer nae wat bitterachtigh: van ghedaente is sy de wortel van Ferula ghelijck, boven aen naest den steel met eenen bruynen krans van rouw hayr besett, bijnae als dien van Verckens-Venckel oft Voghels-nest, met eenen medicinalen oft specerijachtighen reuck, langh-levende. Het is den tweeden Daucus van Fuchsius alsoo ghelijck als den Seseli Aethiopicum; ende daer van hebben wy in ’t Capitel van Libanotis ghesproken. Den Hooghduytschen naem Weysz Hirtzwurtz is van sommighe in ’t Latijn Alba Cervaria overgheset, dat is Witte Herte-wortel; in onse tael heet het nochtans Harst-wortele, nae den reuck van Harst die de wortel heeft: in ’t Enghelsch is het oock Witte Harte-roote gheheeten.

Daer is oock noch een andere mede-soorte van ’t selve ghewas, oock van ons in ’t Capitel van Libanotis vermaent; wiens bladeren meer in ’t ghetal zijn, ende dickwijls in twee-en-twintigh bladeren ghedeylt worden, doch kleyner dan die van de voorgaende soorte, aen d’een sijde bleeck-groen blinckende, aen d’ander heel aschverwigh, aen de kanten niet alleen ghekertelt, maer oock diep ghesneden: anders is dit ghewas ’t voorgaende heel ghelijck. Men noemt het in ’t Hooghduytsch Schwartz Hirtzwurtz, in ’t Latijn Nigra Cervi radix; in onse taele heet het nochtans oock Harst-wortel.

Seseli Aethiopicum met seer welrieckende saedt is ghesien gheweest te Cassel in den Hof van den Landt-grave: het saedt was niet alleen van reuck, maer oock van smaeck den Caneel ghelijck: de bladeren waren die van de Akeley bijnae ghelijck, maer noch veel grooter. Het wordt oock Seseli montanum gheheeten, als de volghende.

Tweede Bergh-Seseli van Clusius is een soorte van dit Seseli van Aethiopien, te weten van de tweede soorte: want sy heeft oock eenighe gelijckenisse met den tweeden Daucus van Matthiolus, oft de Tweede Libanotis van Fuchsius. Sommighe landt-lieden heeten ‘t Sante Peters wurtzel in ’t Hooghduytsch.

Aerd, Kracht ende Werckinghe.

Dioscorides schrijft, dat het saedt van Seseli van Ethiopien veel beter reuck heeft, ende veel krachtigher is dan dat van Seseli van Marsilien.

Dit saedt van Seseli van ons beschreven is seer goedt om by de Theriakelen te doen. ‘Tselve saedt met drooge Vijghen ende Venckel in wijn ghesoden ende gedroncken, iaeght uyt den lijve alle overvloedigheden die de watersucht veroorsaecken moghen.

‘Tsaedt van Seseli in een sacksken ghedaen, ende warm ghemaeckt, geneest de koude vloeden des hoofts, van buyten opgheleydt zijnde, ende in sonderheydt de verstijvinghe van den hals. De selve sackskens in stercken wijn gesoden ende opgeleydt versoeten de colijcke, ende ontdoen alle windachtigheden.

‘Tselve saedt met de wortelen beletten ’t opstijgen des moeders; ende zijn seer goedt tegen alle inwendighe ghebreken des lichaems.

De bladeren met de wortelen gestooten ende warm opgheleydt, ontdoen alle soorten van klieren ende koude gheswillen.

De wortel van Seseli in wijn gesoden is goedt teghen alle vergift, ende hindernisse die van Scheerlinck, Bilsen, Heul ende diergelijcke cruyden ende vergiftighe dinghen komt.

Het Italiaensch Seseli is van krachten ende ghedaente de Sermontaine ghelijck; ende is goedt tegen den rijsenden steen, ende teghen de koude vloeden der vrouwen.

“Twater van dit heele ghewas gedistilleert wanneer dat staet en bloeyt, de swaerte van twee oncen ghedroncken, versoet de buyckpijn, de colijcke, de verstoptheydt der milten, de droppel-pisse, ende alle ghebreken van de nieren, blase, ende lever.

HET XVIII. KAPITTEL.

Van Seseli van Ethiopië.(Bupleurum fruticosum, Laserpitium latifolium)

Geslacht.

Het echte Moorse Seseli of Seseli van Ethiopië is een boomachtig of heesterachtig gewas, dat is het heeft harde of houtachtige stelen. Dan met die naam is er tegenwoordig noch een ander kruid bekend wat niet hard of houtachtig is, maar teer en kruidachtig en zwakke stelen heeft en daarom voor geen heester maar alleen voor een kruid te houden is. Deze beide zullen van ons nu beschreven worden.

Gedaante.

1. Seseli van Morenland is een heesterachtig gewas met houtachtige, zwartachtige en soms ook, maar zelden, wel wat roodachtige steeltjes en omtrent negentig cm hoog, de zijstelen zijn vijf en veertig cm lang en de bladeren zijn langwerpig, kaal en glad, tamelijk breed, bleekachtig groen en trekken wat naar het witachtige, langer dan de klimopbladeren maar lijken veel beter op die van Hoogduits memmekens kruid of geiteblad. De kransjes brengen gele bloempjes voort. Het zaad is groter dan het venkelzaad. De wortel is lang die vele jaren in het leven blijft zoals ook doet het ganse gewas.

2. Dat andere kruidachtig gewas wat van sommige bij het geslacht van het Moors Seseli gerekend wordt is naar zijn gedaante kruidachtig Seseli van Ethiopië genoemd en dat met goede reden want het heeft wel een steel die soms ook wel bij de negentig cm hoog wordt dan die is geenszins houtachtig of heesterachtig, noch blijft ‘s winters in het leven maar verdroogt eer de winter aankomt. De bladeren zijn wijd en van velen aaneen hangende verzameld als zijn die van de watereppe waarvan elk blad apart breed is en aan de kanten rondom geschaard en gekerfd. De kransjes dragen witte bloempjes. Het zaad is liesachtig of kafachtig, breed, langwerpig en witachtig, van reuk en smaak als het zaad van Angelica. De wortel is van buiten bruin of zwartachtig en van binnen wit en aangenaam van reuk.

Plaats.

1. Heesterachtig Seseli van Ethiopië wordt in Frankrijk op de steenachtige gewesten gevonden die aan de zee gelegen zijn omtrent Marseille en voorts ook op andere plaatsen van Languedock. [503]

2. Het kruidachtig Seseli van Ethiopië wordt in Italië en Hoogduitsland gevonden.

Tijd.

Seseli van Ethiopië staat met zijn bloemen en zaad in augustus en juli.

Naam.

(Bupleurum fruticosum) 1. De eerste van deze twee is het echte Seseli Aethiopicon van de Grieken, in het Latijn noemt men het ook Aethiopicum Seseli en tot onderscheidt van het andere Seseli Aethiopicum frutex, dat is heesterachtig of boomachtig Seseli van Ethiopië of Moors Seseli met houtachtige stelen. De Egyptenaars plegen het op het Grieks Kyonos phrice te noemen, dat is in het Latijn Canis horror.

2. Het andere kruidachtig gewas is voor het echte Seseli Aethiopicum van Fuchsius, van Tragus en ook soms van Matthiolus gehouden geweest, dan het voorgaande heesterachtig gewas is het echte Seseli van Ethiopië. Daarom hebben we dit tegenwoordig kruid de toenaam Seseli herbaceum of Seseli Aethiopicum herba gegeven, dat is kruidachtig Seseli van Ethiopië of Moors Seseli met kruidachtige stelen. Dan om onze mening van dit kruid duidelijk te kennen te geven denk ik dat men dat eerder voor de Libanotis van Theophrastus zal mogen houden dan voor een geslacht van Seseli want hij zegt dat de Libanotis bladeren heeft als die van watereppe, maar groter dan die en een steel omtrent vijf en veertig cm hoog en bovendien een witte ruwe langwerpige vrucht zulks als het zaad van dit kruid daar we nu van handelen gans is.

Aard, kracht en werking.

Het Moors Seseli wordt in alles even krachtig gehouden als het Seseli van Marseille en daarom diegene die weten willen wat men met dit gewas doen kan mogen het voorgaande kapittel lezen daar we het Seseli van Marseille beschrijven.

BIJVOEGING.

Niet alleen het zaad van dit heesterachtig Moors Seseli wat zwart en langwerpig is, maar ook de gehele plant heeft een specerijachtige scherpe, heilzame bittere smaak en heeft ook van boven tot in het onderste van de wortel die houtachtig is een lieflijke en zoete reuk.

Bellonius zegt dat het in Provence cachebugade heet.

De tweede soort van dit Seseli groeit veel in Hongarije, Stiermark en meer andere omliggende landen, zegt Clusius, waar de bladeren soms een tien cm groot zijn, het zaad is langwerpig en kantig. De wortel is zoet van smaak en daarna wat bitterachtig en van gedaante is ze de wortel van Ferula gelijk en bovenaan naast de steel met een bruine krans van ruw haar bezet bijna als die van varkensvenkel of vogelnest met een medicinale of specerijachtige reuk, lang levend. Het is de tweede Daucus van Fuchsius alzo gelijk als de Seseli Aethiopicum en daarvan hebben we in het kapittel van Libanotis gesproken. De Hoogduitse naam Weysz Hirtzwurtz is van sommige in het Latijn Alba Cervaria overgezet, dat is witte herte wortel en in onze taal heet het nochtans hars wortel naar de reuk van hars die de wortel heeft, in het Engels is het ook witte harte-roote genoemd.

(Peucedanum cervaria) Daar is ook noch een andere medesoort van hetzelfde gewas dat ook van ons in het kapittel van Libanotis vermaand is wiens bladeren meer in het getal zijn en dikwijls in twee en twintig bladeren gedeeld worden, doch kleiner dan die van de voorgaande soort en aan de ene zijde bleekgroen blinken en aan de ander heel askleurig en aan de kanten niet alleen gekartelt maar ook diep gesneden, anders is dit gewas het voorgaande heel gelijk. Men noemt het in het Hoogduits Schwartz Hirtzwurtz, in het Latijn Nigra Cervi radix en in onze taal heet het nochtans ook harswortel.

Seseli Aethiopicum met zeer welriekend zaad is gezien geweest te Cassel in de hof van de landgraaf, het zaad was niet alleen van reuk, maar ook van smaak kaneel gelijk, de bladeren waren die van de akelei bijna gelijk, maar noch veel groter. Het wordt ook Seseli montanum genoemd als de volgende.

(Seseli libanotis) Tweede berg Seseli van Clusius is een soort van dit Seseli van Ethiopië, te weten van de tweede soort want ze heeft ook enige gelijkenis met de tweede Daucus van Matthiolus of de Tweede Libanotis van Fuchsius. Sommige landlieden noemen het Sante Peters wurtzel in het Hoogduits.

Aard, kracht en werking.

Dioscorides schrijft dat het zaad van Seseli van Ethiopië veel betere reuk heeft en veel krachtiger is dan dat van Seseli van Marseille.

Dit zaad van Seseli van ons beschreven is zeer goed om bij de teriakels te doen. Hetzelfde zaad met droge vijgen en venkel in wijn gekookt en gedronken jaagt uit het lijf alle overvloedigheden die de waterzucht veroorzaken mogen.

Het zaad van Seseli in een zakje gedaan en warm gemaakt geneest de koude vloeden van het hoofd als het van buiten opgelegd wordt en vooral de verstijving van de hals. Die zakjes in sterke wijn gekookt en opgelegd verzoeten de maagpijn en op te lossen alle winderigheden.

Hetzelfde zaad met de wortels beletten het opstijgen van de baarmoeder en zijn zeer goed tegen alle inwendige gebreken van het lichaam.

De bladeren met de wortels gestoten en warm opgelegd op te lossen alle soorten van klieren en koude gezwellen.

De wortel van Seseli in wijn gekookt is goed tegen alle vergif en hindernis die van scheerling, bilzen, heul en diergelijke kruiden en vergiftige dingen komt.

Het Italiaans Seseli is van krachten en gedaante de Sermontaine gelijk en is goed tegen de rijzende steen en tegen de koude vloeden van de vrouwen.

Het water van dit hele gewas gedistilleerd wanneer dat staat en bloeit de zwaarte van twee ons gedronken verzoet de buikpijn, maagpijn, verstopping van de milt, druppelplas en alle gebreken van de nieren, blaas en lever.

Zie verder: http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl en : http://www.volkoomen.nl/