Viburnum

Over Viburnum

Gelderse roos, vervolg Dodonaeus, vorm, bomen, soorten, plaats, tijd van bloeien, namen, aard, kracht en werking, medisch, bijvoeging, geschiedenis, historie, etymologie, afkomst,

Joost van Ravelingen, vervolg van Dodonaeus of Dodoens, cruydt-boeck, 1644.

Geschreven en opgezet door Nico Koomen.

HET XXIV. CAPITEL.

Van Water-Vlier.

Gheslacht.

De gheslachten van Water-Vlier zijn tweederhande: een wilt, dat eyghentlijck Swelkenhout heet: ende een dat in de hoven onderhouden wordt.

Ghedaente.

1. Swelckenhout, dat oock Water-Vlier ghenoemt wordt, en is den Gemeynen Vlier niet van bladeren, maer alleen van tacken ende struycken ghelijck: het is veel leeger dan den ghemeynen Vlier, ende wast als een heester. De tacken worden bekleedt met een aschgrauwe schorsse, als den Gemeynen Vlier; ende zijn nu hier nu daer met ettelijcke leden wat verachtigh van den anderen staende onderscheyden; ende zijn oock binnen hol, met veel wit mergh vervult; daerom hebben sy oock min houts: ende dat hout is wit ende breuckingh. De bladeren zijn breedt, kantigh, de Wijngaert-bladeren bijnae ghelijckende, doch kleyner ende sachter. De bloemen komen in kroonkens, oft kranskens voort; van de welcke de uyterste aen haer kanten oft randen grooter zijn, schoon wit van verwe, van vijf bladerkens ghemaeckt, kleyner dan de Filieren: maer de andere bloemkens, die binnen de randen ende in ’t midden staen, zijn veel kleyner. Daer nae volghen de Bezien, de welcke rijp gheworden zijnde, roodt zijn, kleyner dan Wijn-bezien, doch grooter dan de Ghemeyne Vlier-bezien, onlieflijck ende seltsaem, iae gantsch niet behaeghlijck van smaeck: ende daer in schuylen harde platte keernen oft saeden.

2. Van desen Water-Vlier worter noch een ander soorte gevonden, oock maer heesterachtigh oft leegh blijvende; de welcke van struycken, knopachtighe ende met ledekens onderscheyden, ende met wit mergh vervulde tacken, ende oock van kantige oft diep gehoeckte bladeren, de voorbeschreven soorte van Swelckenhout heel ghelijck: dan haer bloemen en komen niet in platte kroonen oft kranssen voort, maer groeyen tsamen ghehoopt in eenen ronden dicken verheven bol oft tros; ende dese zijn allegader van eenerhande grootte, soo dat elcke bijsondere bloeme de grootste oft uyterste ende de kranssen van de voorgaende soorten omringende bloemen gelijckt, van verwe schoon wit, doch sonder reuck. Ende als dese bloemen afghevallen oft gheresen zijn, dan en volghen daer gheen vruchten oft bezien naer.

Plaetse.

1. Swelckenhout wast in vochte waterachtige oft moerasachtige plaetsen: men vindt het oock wel somtijdts aen de haghen ende heggen, rondom de weyen ende beemden oft vochte velden.

2. De ander soorte wast alleen in de hoven, ende schijnt door oeffeninghe ende neerstighe onderhouden sulcks gheworden te zijn. Sy is in Hoogh ende Nederduytschlandt ghemeyn ghenoegh.

Tijdt.

De kroonkens met de bloemen van desen Water-Vlier staen op haer schoonste in de Meymaendt: dan in den Herfst worden de bezien volkomen ende rijp, somtijdts den heelen Winter door op de struycken staen blijvende.

Naem.

Dese soorte van Vlier wordt hier te lande [1324] ghemeynlijck Swelcken ende Swelckenhout geheeten; in ’t Hooghduytsch Waltholder ende Hirschholder; in ’t Fransch somtijdts Obiere; in ’t Latijn Sambucus palustris, oft Sambucus aquatica, dat is Water-Vlier, te weten by de nieuwe cruydt-beschrijvers: want by de oude en vindtmen daer niet met allen van vermaent: want sy en is den Opulus niet, als sommighe qualijck vermoeyen: veel min isse een soorte van Platanus, daerse andere voor aenghesien hebben. Valerius Cordus heetse Lycostaphylos; ende de eerste soorte, die bezien voortbrenght, noemt hy Lycostaphylos femina, dat is Wolfs-bezien Wijfken, ende de Tweede, die onvruchtbaer is, noemt hy Wolfsbezien Manneken, Lycostaphylos mas. Gesnerus schrijft daer aldus van: Die van Sassenlandt noemen dit ghewas Uva Lupina, dat is Wolfsbezien: ende daer van heeft Valerius Cordus den Grieckschen naem Lycostaphylos ghemaeckt.

Aerd, Kracht ende Werckinghe.

De nature, kracht ende werckinghe van dit Swelckenhout ende van sijn bezien is noch ter tijdt onbekent: immers en is van ons niet versocht, noch van iemandt anders aengheteeckent.

BIIVOEGHSEL.

De eerste van dese twee soorten van Vlier is nu van veele Palustris Sambucus femina gheheeten, dat is Water-Vlier Wijfken, als eensdeels gheseydt is: die somtijdts seer schoone vruchten draeght, roodt ende blinckende van verwe, vol wijnigh, maer bitter sap. In Italien heetse oock Sambuco acquatica. Lobel heetse oock Aquatica, dat is Sambucus aquatica umbellata, oft Lycostaphylus Cordi femina, in ’t Engelsch Martis Elder, Ople, ende Dwarfle Planer tree: want haer bladers zijn ghelijcker die van den Acer oft van de Swarte Aelbezien, dan van den Vlier. Sy wast in Italien, Piemondt, Duytschlandt, Vranckrijck ende Enghelandt seer veel aen de stille vloeyende waterkens.

De tweede soorte, mits datse van bloemen dobbel is ende schoon ghelijck een witte Roose, wordt daerom hier te lande veel gheacht, ende Geldersche Roose gheheeten: ende in ’t Latijn van Lobel Sambucus aquatica rosea, sive flore corymboso, Lycostaphylus Cordi mas; andere noemense Sambucus palustris mas, dat is Water-Vlier manneken. Sy is in heeten landen niet ghemeyn; ende schijnt sulcks door oeffeninghe oft konst eerstelijck hier te landen gheworden te zijn; ’t welck blijckt uyt datse soo veel dobbele bloemen draeght, ende geen vruchten. Sy wordt inde hoven ende op drooghe gronden boomachtigh groot.

Noch van de krachten.

Al zijn de bezien van desen Water-Vlier walghelijck van smaeck, nochtans zijnse nut in al ’t ghene daer eenighe afvaginghe van doen is: ende worden veel van de Hoenders ende andere Vogels ghegheten.

HET XXIV. KAPITTEL.

Van watervlier. Gelderse roos. (Viburnum opulus en var. ‘Rosea’)

Geslacht.

De geslachten van watervlier zijn tweevormig, een wilde dat eigenlijk swelkenhout heet en een dat in de hoven onderhouden wordt.

Gedaante.

1. Swelkenhout dat ook watervlier genoemd wordt is lijkt niet op de gewone vlier van bladeren, maar alleen van takken en stammen, het is veel lager dan de gewone vlier en groeit als een heester. De takken worden bekleed met een asgrauwe schors zoals de gewone vlier en zijn nu hier en nu daar met ettelijke leden die wat verachtig van elkaar staan onderscheiden en zijn ook binnen hol en met veel wit merg vervuld en daarom hebben ze ook minder hout en dat hout is wit en breukbaar. De bladeren zijn breed en kantig en lijken bijna op de wijngaardbladeren, doch kleiner en zachter. De bloemen komen in kroontjes of kransjes voort waarvan de uiterste aan hun kanten of randen groter zijn en mooi wit van kleur en van vijf bladertjes gemaakt, kleiner dan de violieren, maar de andere bloempjes die binnen de randen en in het midden staan zijn veel kleiner. Daarna volgen de bessen en als die rijp geworden zijn rood zijn en kleiner dan wijnbessen, doch groter dan de gewone vliesbessen, onlieflijk en zeldzaam, ja gans niet behaaglijk van smaak en daarin schuilen harde platte kernen of zaden.

2. Van deze watervlier wordt er noch een andere soort gevonden die ook maar heesterachtig of laag blijft die van stammen, knopachtige en met leden onderscheiden en met wit merg gevulde takken en ook van kantige of diep gehoekte bladeren geheel op de voorbeschreven soort van swelkenhout lijkt, dan haar bloemen komen niet in platte kronen of kransen voort, maar groeien tezamen gehoopt in een ronde dikke verheven bol of tros en deze zijn allen van een grootte zodat elke aparte bloem op de grootste of uiterste en de kransen van de voorgaande soorten omringende bloemen lijkt en van kleur mooi wit, doch zonder reuk. En als deze bloemen afgevallen of gerezen zijn dan volgen er geen vruchten of bessen na.

Plaats.

1. Swelkenhout groeit in vochtige waterachtige of moerasachtige plaatsen, men vindt het ook wel soms aan de hagen en heggen, rondom de weien en beemden of vochtige velden.

2. De andere soort groeit alleen in de hoven en schijnt door teelt en naarstig onderhouden zulks geworden te zijn. Ze is in Hoog en Nederduitsland algemeen genoeg.

Tijd.

De kroontjes met de bloemen van deze watervlier staan op hun schoonste in de meimaand, dan in de herfst worden de bessen volkomen en rijp die soms de hele winter door op de struiken staan blijven.

Naam.

Deze soort van vlier wordt hier te lande [1324] gewoonlijk swelcken en swelckenhout genoemd, in het Hoogduits Waltholder en Hirschholder, in het Frans soms obiere, in het Latijn Sambucus palustris of Sambucus aquatica, dat is watervlier, te weten bij de nieuwe kruidbeschrijvers want bij de ouden vindt men er geheel niets van vermaant want ze is niet de Opulus zoals sommige kwalijk vermoeden en veel minder is het een soort van Platanus daar andere het voor aangezien hebben. Valerius Cordus noemt het Lycostaphylos en de eerste soort die bessen voortbrengt noemt hij Lycostaphylos femina, dat is wolfsbes wijfje en de tweede die onvruchtbaar is noemt hij wolfsbes mannetje, Lycostaphylos mas. Gesnerus schrijft daar aldus van: ‘Die van Saxen noemen dit gewas Uva Lupina, dat is wolfsbes, en daarvan heeft Valerius Cordus de Griekse naam Lycostaphylos gemaakt.

Aard, kracht en werking.

De nature, kracht en werking van dit swelkenhout en van zijn bessen is nu onbekend, immers is van ons niet onderzocht, noch van iemand anders aangetekend.

BIJVOEGING.

De eerste van deze twee soorten van vlier is nu van vele Palustris Sambucus femina genoemd, dat is watervlier wijfje zoals eensdeels gezegd is die soms zeer mooie vruchten draagt die rood en blinkend van kleur zijn en vol wijnachtig, maar bitter sap. In Italië heet ze ook sambuco acquatica. Lobel noemt het ook Aquatica, dat is Sambucus aquatica umbellata of Lycostaphylus Cordi femina, in het Engels martis elder, ople, en dwarfle planer tree want haar bladeren lijken meer op die van de Acer of van de zwarte aalbes dan van de vlier. Ze groeit in Italië, Piemond, Duitsland, Frankrijk en Engeland zeer veel aan de stille vloeiende watertjes.

De tweede soort omdat ze van bloemen dubbel is en mooi is als een witte roos wordt daarom hier te lande veel geacht en Gelderse roos genoemd en in het Latijn van Lobel Sambucus aquatica rosea, sive flore corymboso, Lycostaphylus Cordi mas, andere noemen het Sambucus palustris mas, dat is watervlier mannetje. Ze is in hete landen niet algemeen en schijnt zulks door teelt of kunst eerst hier te lande geworden te zijn wat blijkt dat ze zoveel dubbele bloemen draagt en geen vruchten. Ze wordt in de hoven en op droge gronden boomachtig groot.

Noch van de krachten.

Al zijn de bessen van deze watervlier walgelijk van smaak, nochtans zijn ze nuttig in al hetgeen daar enige afvegen nodig is en worden veel van de hoenders en andere vogels gegeten.

HET XXI. CAPITEL.

Van Lantana oft Viorne.

Ghedaente.

De Lantana wordt oock onder de leeghe ende neere heesteren gherekent: ende sy geeft uyt haer wortel veele dunne struyckskens oft hautachtighe rijskens, dry voeten hoogh, oft hoogher, eenen duym oft vingher dick, taey, buyghsaem, ende niet licht om te breken, met een witachtighe schorsse bedeckt. De bladeren zijn groot, breedt, rondom ghekertelt oft wat gheschaerdt, de Olmbladeren van grootte ende ghedaente bijnae ghelijckende, maer ruygh ende wolachtigh in ’t aentasten, ende grijsachtigh oft wit van verwe, ter wijlen sy noch groeyen, maer roodtachtigh als sy beginnen te verwelkeren, ende haest afvallen sullen: de welcke altijdt twee teghen malkander overstaende uyt elck lidt oft knoopken van de steelkens spruyten. Daer nae volgen oock tros-ghewijs oft druyf-ghewijs versamelde bezien, van grootte ende ghedaente de Linsen niet seer onghelijck, aen beyde sijden wat inghedouwt oft plat in een ghedrongen, eerst groen, daer nae roodt, ten laetsten als sy rijp zijn swartachtigh oft bruyn van verwe. De wortel spreydt haer selven herwaerts ende derwaerts langhs den risch oft opperste van der aerden, sonder haer selven inde diepte vast te maecken: ende is met een seer taeye schorsse bedeckt.

Plaetse.

Op rouwe dorre ende steenachtighe plaetsen, daer gheen groot gheboomte en pleegh noch en kan wassen, ende oock in de bosschen ende op de gheberghten wordt dit gewas van selfs voortkomende gevonden: ende is soo wel in Italien ende Vranckrijck als in Hooghduytschlandt bekent ende ghemeyn.

Tijdt.

In den Somer sietmen de bloemen van dit ghewas: de bezien oft vruchten worden rijp omtrent den Herfst: de bladeren komen in de Lente voort.

Naem.

De Italiaenen noemen dese heester in hun taele Lantana; de Fransoysen Viorne; ende met anders geen naemen en is sy hier te lande bekent. Men ghelooft, dat dit ghewas het Viburnum soude moghen wesen, daer Virgilius (Bucolicon Ecloga 1.) af vermaent, betoonende dat het een leegh ende neer ghewas moet wesen; ghemerckt dat hy van de stadt Roomen sprekende, seydt dat Roomen soo veel grooter is dan eenigh ander stadt soude moghen wesen, als den Hooghen Cypres-boom, dat leegh ende taey ghewas Viburnum te boven gaedt.

Aerd, Kracht ende Werckinghe.

De bladeren ende bezien van de Lantana zijn verkoelende, verdrooghende ende tsamentreckende van aerdt.

Water oft wrangen Wijn, daer dit gewas met bladeren ende bezien in gesoden is gheweest, is seer nut om de gheswillen van de amandelen, huygh, keele, ende zeerigheden ende ontstekinghen oft verhittinghen van de selve, te genesen oft te verkoelen, alsmen den mondt ende de keele daer mede in ’t beginsel van de sieckten spoelt oft gorgelt: ende dan isse oock seer goedt om het los tandt-vleesch stijf te maecken, ende de loterende tanden vast te maecken.

De selve bladeren ende vruchten in Looghen ghesoden, ende daer mede het hooft ghewasschen, maecken het hayr swart.

De keernen hebben de selve kracht, alsmen die eenen tijdt langh siedt, ende dat water te drincken geeft: ende het poeder van de selve, als sy ghedrooght zijn gheweest, is dienstelijck om allerhanden buyckloop ende oock alle de bloedtganghen te stelpen, ende de vrouwelijcke vloeden op te doen houden.

Sommighe segghen ende versekeren, dat de schorsse van de wortel van dit gewas eenen tijdt langh onder d’aerde ghelaten ende gheweyckt, ende daer nae ghesoden ende ghestooten, bequaem is om daer lijm van te maecken, seer nut om de vogelen mede te vanghen, datmen Vogel-Lijm noemt. (1225)

BIIVOEGHSEL.

De Lantana die in Italien oock Viburno ende misschien oock Viurna; ende op ’t Latijnsch Liburnum; anders Viburnum Matthioli, oft, als sommighe meynen, Speiraea Theophrasti, in ’t Griecks hedensdaeghs Clemaczida. In Vranckrijck heet sy oock Maussane, Riorte, Hardeau, maer meest Viorne; (al is ’t dat Viorna oft Viorne in ’t Fransch den naem van Lijnen is) Lobel noemtse Kleyne Essche; in ’t Latijn Viurna vulgi Gallorus & Ruellii, oft misschien Viburnum Virgilii; in ’t Hooghduytsch Kleyner Malbaum; oft Kleyner Meelbaum by Tragus. Viburna rosarum zijn de Roosen-rancken.

Noch van de krachten.

Wt de struycken van dit gewas trecken sommighe een seer goet water teghen de ghebreken der ooghen.

Andere ghebruycken dit ghewas in al ’t ghene daer tsamentreckinghe van noode is, in ghebreke van Myrtus, Wilden Peerboom ende Sumach: want de bladeren zijn wrangachtigh van smaeck: nochtans de rijpe vruchten maecken den buyck los ende weeck: maer als sy onrijp ende noch wrangh zijn, dan maecken sy hem hardt, ende stoppen allerleyen vloedt. De rijsen oft tacken van dit ghewas zijn soo taey ende buyghsaem, datse seer dienstelijck zijn om alle dinghen vast te maecken ende te binden, daermen de Teenen ende Wilghen rijsen toe ghebruyckt.

HET XXI. KAPITTEL.

Van Lantana of viorne. (Viburnum lantana)

Gedaante.

Lantana wordt ook onder de lage en kleine heesters gerekend en ze geeft uit haar wortel vele dunne struikjes of houtachtige twijgen van negentig cm hoog of hoger, een duim of vinger dik die taai, buigbaar en niet gemakkelijk breken en met een witachtige schors bedekt zijn. De bladeren zijn groot, breed en rondom gekarteld of wat geschaard die bijna op de olmbladeren van grootte en gedaante lijken, maar ruig en wolachtig in het aantasten en grijsachtig of wit van kleur zijn terwijl ze noch groeien, maar roodachtig als ze beginnen te verwelken en gauw afvallen zullen die altijd twee tegenover elkaar staan en uit elk lid of knopje van de steeltjes spruiten. Daarna volgen ook tros of druifvormig verzamelde bessen die van grootte en gedaante veel op linzen lijken en aan beide zijden wat ingeduwd of plat ineen gedrongen zijn en eerst groen, daarna rood en tenslotte als ze rijp zijn zwartachtig of bruin van kleur. De wortel spreidt zichzelf herwaarts en derwaarts langs de ris of opperste van de aarden zonder zichzelf in de diepte vast te maken en is met een zeer taaie schors bedekt.

Plaats.

Op ruwe dorre en steenachtige plaatsen daar geen grote bomen plegen noch kunnen groeien en ook in de bossen en op de bergen wordt dit gewas vanzelf voortkomend gevonden en is zowel in Italië en Frankrijk als in Hoogduitsland bekend en algemeen.

Tijd.

In de zomer ziet men de bloemen van dit gewas, de bessen of vruchten worden rijp omtrent de herfst en de bladeren komen in de lente voort.

Naam.

De Italianen noemen deze heester in hun taal lantana, de Fransen viorne en met geen andere namen is ze hier te lande bekend. Men gelooft dat dit gewas het Viburnum zou mogen wezen daar Virgilius (Bucolicon Ecloga 1.) van vermaant en aantoont dat het een laag en klein gewas moet wezen gemerkt dat als hij van de stad Rome spreekt zegt dat Rome zoveel groter is dan enige andere stad zou mogen wezen zoals de hoge cipresboom dat lage en taaie gewas Viburnum te boven gaat.

Aard, kracht en werking.

De bladeren en bessen van Lantana zijn verkoelend, verdrogend en tezamen trekkend van aard.

Water of wrange wijn daar dit gewas met bladeren en bessen in gekookt is geweest is zeer nuttig om de gezwellen van de amandelen, huig, keel en zeren en ontstekingen of verhitting er van te genezen of te verkoelen als men de mond en de keel daarmee in het begin van de ziekte spoelt of gorgelt en dan is ze ook zeer goed om het losse tandvlees stijf te maken en de losse tanden vast te maken.

Die bladeren en vruchten in loog gekookt en daarmee het hoofd gewassen maken het haar zwart.

De kernen hebben dezelfde kracht als men die een tijd lang kookt en dat water te drinken geeft en het poeder er van als ze gedroogd zijn geweest is nuttig om allerhande buikloop en ook alle bloedgangen te stelpen en de vrouwelijke vloeden op te laten houden.

Sommige zeggen en verzekeren dat de schors van de wortel van dit gewas een tijd lang onder de aarde gelaten en geweekt en daarna gekookt en gestoten geschikt is om er lijm van te maken die zeer nuttig om er vogels mee te vangen dat men vogellijm noemt. (1225)

BIJVOEGING.

De Lantana die in Italië ook viburno en misschien ook viurna en op het Latijn Liburnum, anders Viburnum Matthioli of, als sommige menen, Speiraea Theophrasti, in het Grieks tegenwoordig clemaczida. In Frankrijk heet ze ook maussane, riorte, hardeau, maar meest viorne (al is het dat viorna of viorne in het Frans de naam van Clematis is. Lobel noemt het kleine es, in het Latijn Viurna vulgi Gallorus & Ruellii of misschien Viburnum Virgilii, in het Hoogduits Kleyner Malbaum of Kleyner Meelbaum by Tragus. Viburna rosarum zijn de rozenranken.

Noch van de krachten.

Uit de struiken van dit gewas trekken sommige een zeer goed water tegen de gebreken van de ogen.

Andere gebruiken dit gewas in al hetgeen daar tezamen trekking nodig is in gebreke van Myrtus, wilde peerboom en sumach, want de bladeren zijn wrangachtig van smaak, nochtans de rijpe vruchten maken de buik los en week, maar als ze onrijp en noch wrang zijn dan maken ze hem hard en stoppen allerlei vloed. De twijgen of taken van dit gewas zijn zo taai en buigbaar dat ze zeer nuttig zijn om alle dingen vast te maken en te binden daar men de tenen en wilgentwijgen toe gebruikt.

HET II. CAPITEL.

Van Wilden Laurus-boom

Ghedaente.

Den Tinus oft Wilden Laurus-boom is kleyner ende leegher dan den Tammen: ende heeft langhe, gheknoopte ende in sijdtacken verdeylde tacken, bewassen met breede, gladde, effene ende blinckende bladeren, als Laurus bladeren, doch geenen reuck hebbende, noch oock niet met beurten gheschickt, maer uyt elcken knoop oft lidt altijdt twee teghen den anderen overstaende voortkomende: de bloemkens zijn witachtigh, in kleyne kroonkens op de tsoppen van de steelkens oft sijdtackskens gevoeght, van buyten somtijdts wat peersachtighs oft purpurs hebbende. Daer nae volgen vruchten, de Myrtus baeyen oft bezien van ghedaente ende maecksel ghelijck, maer langhworpigher, ende bijster schoon blauw van verwe.

Veranderinghe. De bladeren ende oock de bloemen van dit ghewas verschillen somtijdts wat van den anderen in langte, smalte ende oock verwe, ende noch in eenighe andere teeckenen. Dan dusdanighe veranderinghen zijn alleen de verscheydentheydt der landen ende des lochts, daer sy onder wassen, toe te schrijven.

Plaetse.

Dit ghewas is hier te lande vremt, ende is daer alleen in sommighe hoven (ende dat seer selden) hier voortijdts ghesien gheweest. Dan de velden ende bouwlanden van Italien ende Spaegnien brengen hem overvloedighlijckende ghenoegh voort, als oock doen sommige andere diergelijcke landen, nae de verscheydentheydt van de welcke dit ghewas somtijdts oock verschillende van ghedaente ghevonden wordt, als voorseydt is.

Tijdt.

Desen Wilden Laurus-boom blijft oock altijdt groen; ende wordt somtijdts op eenen tijdt met bloemen ende met rijpe baeyen versien ghevonden.

Naem.

Dit ghewas heeten wy Wilden Laurus-boom; in ’t Latijn Laurus sylvestris, oft, soo Cato seydt, Laurus sylvatica; maer meest Tinus; in ’t Griecks Daphne agria; in ’t Italiaensch Lauro salvatico; in Spaegnien Uva de perro, van andere Follado; ende van andere Durillo; [1330]

Van desen Wilden Laurus-boom oft Tinus heeft Plinius vermaent in het 15.capitel van sijn 30.boeck: want hy seydt daer aldus van: Tinus wordt van sommige voor een Wilde soorte van Laurus-boom gehouden, van sommighe voor eenen boom op sijn selven, ende van den gheslachte van de Laurus-boom ghenoegh verscheyden. Ende voorwaer hy verschilt in verwe van den Laurier; want sijn baeye oft bezie is blauw.

Aerd, Kracht ende Werckinghe.

Den aerdt ende kracht van desen Wilden Laurier en is van niemanden van de oude schrijvers, iae van Plinius selve niet beschreven oft te kennen ghegheven gheweest.

BIJVOEGHSEL.

De gheslachten van dit ghewas, die alhier in ’t kort van Dodoneus vervatet zijn, heeft Clusius aldus bijsonderlijck beschreven: een medesoorte van de welcke hier nae (by de Vremde ende Indische cruyden) beschreven sal worden, met naeme van Celastrus, nae de beschrijvinghe van Alaternus..

Gheslachten van Tinus uyt Clusius.

1. De eerste soorte noemt hy Tinus primus, ende seydt datse soo hoogh wordt als den Cornoelie-boom Wijfken, hebbende vierkantigh, seer ghetackte rijsen, altijdt groene bladeren, breedt ende groot, als die van Cornoelie Wijfken, doch de Lauwer-bladeren wat ghelijcker, swartachtigh, ende blinckende van verwe, sonder reuck, maer bitter van smaeck, met eenighe tsamentreckinghe: de bloemen zijn vijfbladigh, wit ende welrieckende: de vrucht is wat langher dan de Myrtus bezien, platter hoeckigh, schoon blauw van verwe. Sy wast in Portugael.

2. Een ander soorte noemt hy Tinus secundus; ende die wordt soo hoogh als de voorgaende, met meer ende stercker tacken, met een groene-roodachtighe schorsse bedeckt: daer aen wassen bladeren als die van de voorgaende, maer wat smaller ende langhworpigher, ende met veele aderkens doortoghen, oock teghen malkanderen overstaende: de bloemen, die aen ’t uyterste van de tacken oock kroons-ghewijs wassen, zijn van verwe buytenwaerts wat peerschachtigh, niet soo welrieckende als die van de voorgaende soorte: de vrucht is oock kleyner, volder, ende swarter. Dit is de soorte die Lobel uyt den voorseyden Clusius beschrijft, ende Tynnus Lusitanica Clusij noemt.

3. De derde soorte, Tinus tertius, heeft den selven Clusius in Nederlandt ghesien van ’t Italiaensch saedt groeyen: ende is kleyner van bladeren dan de voorgaende, breeder nochtans dan de ghemeyne Laurier-bladeren, effen, bruyn, altijdt groen: de tsoppen der tacken zijn ghekroont met bloemen die buyten wat peerschachtigh zijn: daer nae volghen doncker blauwe vruchten, kleyner dan d’anders. Sy bloeyt tweemael ’s iaers. De eerste soorte noemen de Portugiesen Uva de perro, als Dodoneus oock vermaent, hoe wel sy noch een ander ghewas met dien naem hebben: de tweede noemen sy Follado, misschien nae de menighte der bladeren: dan de andere Spaegniaerts noemense Durillo, de derde oft Italiaensche soorte heet in Italien Lauro salvatico, seydt Anguillara; omtrent Lanzano heetse Molesso: Bellonius noemtse Lentagine oft Lantagine; in ’t Latijn Laurus inodora, dat is Laurier sonder reuck.

Maer een medesoorte van de selve noemt Lobel Laurus Tynnus caerulea bacca, Laurus Trapezuntica ende Laurus regia Italorum, de hooghde van eenen boom krijghende, draghende kroonkens van veele bezien by een, de Terebinthus saeden oft Wijndruyven ghelijck, maer van verwe bruyn ende klaer blauw: de bloeme is lijfverwigh, soose in Languedock wast by de Scharlaken bezie-boomen. De Spreeuwen eten dese bezien seer geerne: ende men pleegh daer een olie uyt te douwen. Nochtans soo schijnt dese soorte van de Lauro reggio oft Laurus regia der Italiaenen wat te verschillen, die de Italiaensche cruydt-beschrijvers segghen een uytlandtsch ghewas te wesen, ende veel geacht tot cieraet van de hoven, hebbende peersche vruchten, maer witte bloemen, ende veel grooter bladeren dan Laurus bladeren, ende de Citroen bladeren ghelijcker, rondom de kanten wat gheschaerdt, sulcks als Clusius oock beschrijft met de volghende woorden.

Laurocerasus, seydt Clusius, alsoo van my ghenoemt, is uyt Turckijen ghebroght, ende Trebison curmaz oft Trabison curmasi gheheeten, ende daer naer Dactylus Trapezuntina; hoe wel dat hy den Dadel-boom niet en ghelijckt; maer is eenen tamelijcken grooten boom, met een rechte struyck, in veele tacken ghedeylt, met een bruyngroene schelle bedeckt, maer heel groen alsse iongh zijn: daer aen wassen bladeren altijdt groen blijvende, nu hier nu daer ghevoeght, de bladeren van den breedsten Laurier, oft liever de Citroen-bladeren ghelijckende, rondom wat gheschaerdt oft ghetandt, ettelijcke zenuwen van de middelribbe ter sijden uytspreydende, aen de bovenste sijde glat ende blinckende, bleeckgroen alsse iongh zijn, bitter van smaeck als Bitter Amandelen. Tusschen de ionghste bladeren komen langhe steelkens voort, eenen vingher langh, dickachtigh, op kleyner steelkens rustende, elck van vijf witte bladerkens ghemaeckt, in ’t midden veele draeykens hebbende, sonder reuck. De vrucht, soose uyt Constantinopelen ghesonden is, is eys-ghewijs rondt, van grootte als een kleyn Pruymken, bijnae als de vrucht van Sebesten, buyten swart, gerimpelt, vol soet eetbaer vleesch, met een rondt voor spitsch steenken. Een dierghelijcke vrucht van ghedaente, verwe [1331] ende smaeck hadde twee oft dry grauwe platte saeden tusschen het vleesch, sonder eenighe steenkens oft schorsse, niet seer qualijck ghelijckende de saeden van de Lotus Aphricana, die men ghemeynlijck Guiacana noemt. Bellonius schijnt dese soorte oock Cerasus Trapezuntina te willen noemen, oft Laurocerasus, om datse van bladeren den Laurier, ende van vruchten de Kriecken ghelijck; ende seydt datse de Griecken Cromada, de Turcken Cromadia noemen, al oft men Dadel-boom seyde; ende dat het eenen boom is soo groot als eenen Amandel-boom; ende een eetbaere vrucht heeft, het bladt als dat van de Adrachne. Dan sy en is de Cerasus Laurea van Plinius niet: want dat en is anders niet dan eenen Krieckelaer op den Laurier geint, seydt den selven Clusius; noch oock de Lotos secunda Theophrasti, als Dalechampius meynt, die de Lotus Aphricana Matthioli den naem Dactylus Trapezuntia geeft ende Diospyros Theophrasti, maer qualijck, als den selven Clusius ons bewijst.

Eeenen boom met bladeren van Laurocerasus is by de Indische cruyden hier nae ghestelt.

HET II. KAPITTEL.

Van wilde Laurus boom (Viburnum tinus, Prunus laurocerasus)

Gedaante.

Tinus of wilde Laurus boom is kleiner en lager dan de tamme en heeft lange, geknoopte en in zijtakken verdeelde takken die begroeid zijn met brede, gladde, effen en blinkende bladeren als Laurus bladeren, doch hebben geen reuk en zijn ook niet om beurten geschikt, maar uit elke knoop of lid staan er altijd twee tegenover elkaar, de bloempjes zijn witachtig en zijn in kleine kroontjes op de toppen van de steeltjes of zijtakjes gevoegd, van buiten hebben ze soms wat paarsachtigs of purpers. Daarna volgen vruchten die op Myrtus baaien of bessen van gedaante en vorm lijken, maar langwerpiger en bijster mooi blauw van kleur.

Verandering. De bladeren en ook de bloemen van dit gewas verschillen soms wat van de andere in lengte, smalte en ook kleur en noch in enige andere tekens. Dan dusdanige veranderingen zijn alleen aan de verscheidenheid van de landen en de lucht daar ze onder groeien toe te schrijven.

Plaats.

Dit gewas is hier te lande vreemd en is er alleen in sommige hoven (en dat zeer zelden) hier vroeger gezien geweest. Dan de velden en bouwlanden van Italië en Spanje brengen hem overvloedig genoeg voort, als ook doen sommige andere diergelijke landen naar de verscheidenheid er van dit gewas soms ook verschillend van gedaante gevonden wordt, als gezegd is.

Tijd.

Deze wilde Laurus boom blijft ook altijd groen en wordt soms op een tijd met bloemen en met rijpe bessen voorzien gevonden.

Naam.

Dit gewas noemen we wilde Laurus boom, in het Latijn Laurus sylvestris of, zo Cato zegt, Laurus sylvatica, maar meest Tinus, in het Grieks Daphne agria, in het Italiaans lauro salvatico, in Spanje uva de perro en van andere follado en van andere durillo. [1330]

Van deze wilde Laurus boom of Tinus heeft Plinius in het 15de kapittel van zijn 30ste boek vermaand want hij zegt er aldus van: ‘Tinus wordt van sommige voor een wilde soort van Laurus boom gehouden en van sommige voor een boom op zichzelf en verschilt genoeg van het geslacht van Laurus boom’. En voorwaar hij verschilt in kleur van de laurier want zijn baai of bes is blauw.

Aard, kracht en werking.

De aard en kracht van deze wilde laurier is van niemand van de oude schrijvers, ja van Plinius zelf niet beschreven of te kennen gegeven geweest.

BIJVOEGING.

De geslachten van dit gewas die alhier in het kort van Dodonaeus vervat zijn heeft Clusius aldus apart beschreven en een medesoort er van hierna (bij de vreemde en Indische kruiden) beschreven zal worden met naam van Celastrus, na de beschrijving van Alaternus.

Geslachten van Tinus uit Clusius. (Dit naar de grootte van de bladeren die verschillen)

1. De eerste soort noemt hij Tinus primus en zegt dat ze zo hoog wordt als de kornoelje boom wijfje en heeft vierkantige zeer getakte twijgen en altijd groene bladeren die breed en groot zijn als die van kornoelje wijfje, doch meer op de lauwerbladeren lijken, zwartachtig en blinkend van kleur zonder reuk, maar bitter van smaak met enige tezamen trekking, de bloemen zijn vijfbladig, wit en welriekend, de vrucht is wat langer dan de Myrtus bessen, platter hoekig en mooi blauw van kleur. Ze groeit in Portugal.

2. Een andere soort noemt hij Tinus secundus en die wordt zo hoog als de voorgaande met meer en sterkere takken en met een groenroodachtige schors bedekt en daaraan groeien bladeren als die van de voorgaande, maar wat smaller en langwerpiger en met vele adertjes doortogen die ook tegenover elkaar staan, de bloemen die aan het uiterste van de takken ook kroonvormig groeien zijn van kleur van buiten wat paarsachtig en niet zo welriekend als die van de voorgaande soort, de vrucht is ook kleiner, voller en zwarter. Dit is de soort die Lobel uit de voor vermelde Clusius beschrijft en Tynnus Lusitanica Clusij noemt.

3. De derde soort, Tinus tertius, heeft dezelfde Clusius in Nederland gezien dat van Italiaans zaad groeide en is kleiner van bladeren dan de voorgaande, breder nochtans dan de gewone laurierbladeren, effen, bruin en altijd groen, de toppen van de takken zijn gekroond met bloemen die buiten wat paarsachtig zijn en daarna volgen donker blauwe vruchten, kleiner dan de anders. Ze bloeit tweemaal per jaar. De eerste soort noemen de Portugezen uva de perro, als Dodonaeus ook vermaant, hoewel ze noch een ander gewas met die naam hebben, de tweede noemen ze follado, misschien naar de menigte van de bladeren, dan de andere Spanjaarden noemen het durillo, de derde of Italiaanse soort heet in Italië lauro salvatico, zegt Anguillara, omtrent Lanzano heet ze molesso, Bellonius noemt ze lentagine of lantagine, in ’t Latijn Laurus inodora, dat is laurier zonder reuk.

(Prunus laurocerasus) Maar een medesoort er van noemt Lobel Laurus Tynnus caerulea bacca, Laurus Trapezuntica en Laurus regia Italorum die de hoogte van een boom krijgt en kroontjes draagt van vele bessen bijeen die op Terebinthus zaden of wijndruiven lijken, maar van kleur bruin en helder blauw, de bloem is vleeskleurig, zo ze in Languedock groeit bij de scharlaken besbomen. De spreeuwen eten deze bessen zeer graag en men plag er een olie uit te duwen. Nochtans zo schijnt deze soort wat van de Lauro reggio of Laurus regia van de Italianen te verschillen waarvan de Italiaanse kruidbeschrijvers zeggen dat het een buitenlands gewas is en veel geacht tot sieraad van de hoven en heeft paarse vruchten, maar witte bloemen en veel groter bladeren dan Laurus bladeren en meer op citroenbladeren lijken en rondom de kanten wat geschaard zulks als Clusius ook beschrijft met de volgende woorden.

(Prunus laurocerasus) Laurocerasus, zegt Clusius, is zo van mij genoemd en is uit Turkije gebracht en Trebison curmaz of Trabison curmasi genoemd en daarnaar Dactylus Trapezuntina, hoewel dat hij niet op de dadelboom lijkt, maar is een tamelijke grote boom met een rechte stam die in vele takken gedeeld is en met een bruingroene schil bedekt, maar heel groen als ze jong zijn en daaraan groeien bladeren die altijd groen blijven en nu hier en nu daar gevoegd zijn en op de bladeren van de breedste laurier of liever op citroenbladeren lijken en rondom wat geschaard of getand die ettelijke zenuwen van de middelrib terzijde uitspreiden en aan de bovenste zijde glad zijn en blinken, bleekgroen als ze jong zijn en bitter van smaak als bittere amandelen. Tussen de jongste bladeren komen lange steeltjes voort van een vinger lang die dikachtig zijn en op kleinere steeltjes rusten en elk is van vijf witte bladertjes gemaakt die in het midden vele draadjes hebben en zonder reuk. De vrucht zo ze uit Constantinopel gezonden is eivormig rond en van grootte als een klein pruimpje en bijna als de vrucht van sebesten, buiten zwart, gerimpeld en vol zoet eetbaar vlees met een rond en voor spits steentje. Een diergelijke vrucht van gedaante, kleur [1331] en smaak had twee of drie grauwe platte zaden tussen het vlees zonder enige steentjes of schors die veel leek op de zaden van de Lotus Aphricana die men gewoonlijk Guiacana noemt. Bellonius schijnt deze soort ook Cerasus Trapezuntina te willen noemen of Laurocerasus omdat ze van bladeren op laurier en van vruchten op krieken lijken en zegt dat de Grieken het cromada en de Turken cromadia noemen als of men dadelboom zei en dat het een boom is zo groot als een amandelboom en een eetbare vrucht heeft, het blad als dat van de Adrachne. Dan ze is niet de Cerasus Laurea van Plinius want dat is niets anders dan een kriekelaar op de laurier geënt, zegt dezelfde Clusius, noch ook de Lotos secunda Theophrasti, zoals Dalechampius meent, die de Lotus Aphricana Matthioli de naam Dactylus Trapezuntia geeft en Diospyros Theophrasti, maar kwalijk zoals dezelfde Clusius ons bewijst.

Een boom met bladeren van Laurocerasus is bij de Indische kruiden hierna gesteld.

Zie verder: http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl en : http://www.volkoomen.nl/