Gart der Gesundheit

Over Gart der Gesundheit

Garten der Gesundheyt, tuin van gezondheid, garden of health, Ortus of Hortus sanitatis, 1485. Voor de oorspronkelijke tekst, zie Missouri Botanical Garden Received Library. http://www.biodiversitylibrary.org/item/29685#

De randen zijn soms moeilijk te zien. Daar wordt  een verwachte letter in gezet. Woorden worden op het eind van de regel samengevoegd, soms staat er niets, soms een / teken.

Ook komen er geregeld verwisselde pagina’s voor, vooral de kapittels vanaf 50 tot 200. Waarschijnlijk is dit gebeurd tijdens het kopiëren. Of het stond zo al origineel in het boek. Die stukken zullen zo goed mogelijk bij elkaar gevoegd worden. Er zijn namelijk geen paginanummers.

Het was lastig te typen vanwege al die þ,ÿ, ü etc. Ook omdat de meeste woorden op verschillende manieren gespeld worden. Verder lijkt de tekst en woordkeus veel op die van Herbarius in Dyetsche.
Het voorwerk van Gart der Gesundheit gaat duidelijk tot in de 1470 jaren terug. De opdrachtgever was Bernard von Breidenbach (rond 1440-1497) een bekende Domheer uit Mainz. Daarnaast nam er aan deel de bekende uitgever Peter Schöffer, een voormalige medewerker van Gutenberg die ook verantwoordelijk was voor de Latijnse Herbarius, (in Nederlands de Herbarius in Dyetsche).

Algemeen wordt aangenomen dat samenvatter (Compilator) van de ‘ Gart’ de Frankfurter stadsarts Johann Wonnecke von Kaub (Johann von Cube) was (rond 1430-1501-04) was wiens naam verschijnt in kapittel 76 onder het kapittel Bolus armenus. Dat wordt echter door sommigen betwijfeld, waarschijnlijk omdat Cube in die plaats aangehaald wordt als zijn meester; ’dick mal versůcht an vil enden vonn mir meyster Johan von cube’. Op het eind staat; ‘ Gedrukt en voleindigd deze Herbarius door Hannsen Schônsperger in de keizerlijke stad te Augsburg in het midden van de week na de witte zondag Anno 1400 en in het 82ste jaar.’

Op de titel van blad [2]b staat: Und nennen dises bůch zu latein Oτtus sanitatis, auf teütsch· Ein gartten der gesundtheÿt. Het is uitgegeven ca. 1485 te Strassburg.

Het werk is een goede aanvulling op, en een gedeeltelijke vertaling van, de Latijnse uitgave van 1484 en is twee keer zo dik als deze uitgave. Deze herbarius werd een aantal keren herdrukt, met verschillende titels, zoals 1492: Gaerde der Suntheit, 1507-1509: Herbary oder Kruyterbuch, en 1508: Herbarius zu teutsche und von allerhand kreutter. De 'Gart' kreeg veel gevolg en grote invloed op latere kruidboeken. Samen is de 'Gart' er in 60 uitgaven, daarvan alleen 13 in de Incunabula tijd, en van 15de tot de 18de eeuw nagedrukt, overzet of bewerkt (onder andere door Echarius Eucharius Rößlin d. J.und Adam Lonitzer verschenen. Ook wordt er veel van besproken bij Dodonaeus bij van Ravelingen.

Er staan 379 afbeeldingen van planten in. Erhard Reuwich (ook Rewich, Reuwick, Reewyck) uit Utrecht heeft een deel van de illustraties gemaakt. Terwijl de tekst van de ‘ Gart’ al in 1483 vast gesteld was en aan de bewerker overhandigd was lagen er nog niet alle tekening van Reuwich er. Verder zouden er nog later bijgevoegd worden vooral die "Ausbeute" , een Palestina reis die Breindenbach met Reuwich vanaf 1483 ondernam. Gelijk daarbij konden kwalitatief goede afbeeldingen van Middellandse zeeplanten verwacht worden. Schöffer bracht al voor de terugkeer van de reizigers het boek uit. Wel tegen de oorspronkelijke planning ging er een maar vierde deel van de afbeeldingen op Rewich terug. Ze vertonen voornamelijk planten die in voorjaar en vroeg zomer bloeien. De kwaliteit was voor die tijd zeer goed. De andere illustraties zijn duidelijk snel gemaakt en zijn weinig natuurgetrouw. Voor een deel gaan ze op handgeschreven voorbeelden terug.

De Gart bevat alle medische kennis van die tijd. Zoals vele andere herbals denkt men dat het een samenvatting is uit vele bronnen. Naast andere bronnen diende Konrad von Megenbergs ‘ Buch der Natur en de 'Ältere deutsche Macer', een overzetting en bewerking van de 'Macer floridus' een leergedicht van Odo von Meung (= Otto von Meudon; 11de eeuw) als tekstbasis. De 'Macer floridus' lag van de 13de eeuw in een Thüringische -Schlesische proef overzetting en bewerking en was wijd verspreid. Een manuscript van de 'Macer' lag ook bij Johannes Wonnecke von Kaub voor.

Dit is een van de twee incunabula (boeken die gedrukt zijn voor 1501). Der Gart was de eerste herbal die niet in Grieks of Latijn was geschreven, maar in de gewone Duitse taal; hoewel, omdat het in Beierse dialect is, is het nog steeds moeilijk voor moderne lezers.

Der Gart geeft in alfabetische volgorde elke bekende ziekte of lijden op en geeft onder elk het hoofdstuk aan waar in dit hoofdstuk goede remedies besproken worden. In toevoeging hierop is er een index die de medische "simples" opnoemt die de enkelvoudige of hoofdingrediënten vormen waarvan samengestelde mengsels gemaakt werden. Er zijn 435 kapittels met 382 over planten, 28 kapittels over mineralen en 25 dierlijke producten, een kapittel over uroscopie, een methode om de urine van een patiënt te analyseren om een diagnose van zijn ziekte vast te stellen.

Voorrede. 

Offt und vil habe ich bey mir selbs betrachtet die wundersamen weercke des schôpfers d naturen·wie er an den anbeginne d hymmeln hat beschaffen und gezieret mit schŏnen leüchtenden sternen·den er zů einfliessen in alles dz under dem hymmel ist·krafft und macht gegeben hat· (Auch wie er darnach die vieτ element beschaffen hat. Das feüer hÿczig und trucken·die lüfft heÿþ und feücht·daz wasser kalt und feücht·dz erdtrich trucken und kalt·yegklichem sein natur gegeben· (Auch wie d selb groþs meister d natur darnach die kreüter mangerley nature·und allerley geschlăcht d thiere·und zůleczt den menschen und allen creaturen dz edlest·gemachet hat und beschaffen·Domit ein fiele mir die wunndersame oτdnung· die d schŏpffer den selben seinen creaturen hat egeben·also das alles dz und dem hymmel wesen hat sein natur von und durch die stern empfăcht und halttet· (Auch daz in einem ÿegklichen das in den obgemelten vier elementen entspτinget· wăchþt·lebt·od schwebt·es seÿ ărcz·gestein·gekreüt·oder thiere·sind vermüschet die vier natur d element·hÿcze·kelte·feüchtigkeÿt·und truckenheÿt· Und also zů veτmercken ist die berürten vier natur auch in dem menschlichen kŏτper vermüschet od vermennget sind in einer maþ und temperament bequem des menschen leben und natur·In wŏlcher masse od pτopoτtion od temperament die weÿl d mensch steet·ist er frisch und gesundt·So er aber trÿtt od fellt auþ dem temperament odeτ maþs der vier naturen·daz dann geschicht so die hycz gancz über handt nÿmbt·und arbeÿtet die keltte zů tempffen·oder widerumb die kelte die hÿcze anhebet zů underdτucken·oder d mensche vol kalteτ feüchtigkeit wirt od seiner feüchtigkeit über die maþs entseczet·fellet d mensch von not wegen in kranckheÿt und nåhnet dem tode·Orsache aber solches eegemeldeten bτuches der vier naturen temperament·in wŏlchem des menschen gesundtheit und leben steet·sind vil ÿeczund des hymmels gifftig und verboτgen einflüþs wider des menschen natur·dann d ummsteend lufft unreÿnigkeit und vergifftigung·Nun unbequem speÿsen oder tranck· Od bequeme·aber nit in rechter maþ od zeit genommen·Fürwar als leichte wolt ich dir zelen die bletter auff den baumen od die santkôτner in dem mǒτe·als ich dir erzelen und erklåren solt alle die ding die ein ursach sind abfallens von dem temperamentt d vier naturen und ein anfange des menschen kranckheyt darumb so umbsteen….sent unnd al… und fàrliche. [9] .ist er seiner gesundtheit oder lebens gancz sicher· Do ich soliches betrachten was·fiele mir auch ein wie der schôpffer der natur·der uns in solche fårlicheyt geseczet hat·wider mit einen andern genådigklich fürsehen hat·daz ist mit allerleÿ geschlåchten kreüter·thieren·und andern creaturen·den er krafft und macht gegeben hat·die obberůrten vier naturen·widerbτingen würcken geben und tempffen·Ein kraut hÿcziget·das ander kůlet·ÿegkliches nach dem grad seiner naturen und complexion·Des geleÿchen vil ander creaturen auff dem erdtrich und in dem wasser dem menschen durch den schôpffer der naturen sein leben auff entheltet.

Durch wôlcher kreüter und creaturen krafft der kranck mensche in den vieτ naturen temperament und zů seines leÿbes gesundtheit wider mag kommen·Seÿd ein mal aber der mensche auff erden nit grôssers nitt edlers schaczes gehaben mag dem seines leÿbes gesundtheÿt· Lieþs ich mich beduncken·das ich nicht erlichsers nit nüczers oder heÿligers wercke oder arbeÿt begeen môchtte·dann ein bůch zůsamen bτingen darinnen vil der kreüter·und ander creaturen krafft und naturen mit jren rechten farben und gestalt würden begrÿffen·zů aller welt trost unnd gemeynem nucze ….ach hab ich foli… lassen anfa…. ster in der…. meiner begierde auþ den bewårten meistern in der erczneÿ·Galieno·Avicenna·Serapione·Diascoτide·Pandecta·Plateario·und andern vil kreüter krafft und naturen in ein bůch zůsamen hat bτacht·Und do ich auff entwerffung unnd kuuterfeÿung der krütter gangen bÿn in mittler arbeÿtte·vermercket ich dz vil edler kreüter sind die in disen teütschen landen nit wachsen·darumb ich die selben in jrer rechten farbe unnd gestalt anders nicht entwerffen mochtte dem von hôτen sagen·Deþhalben ich solichs angefangens werck unvolkommen und in der feder hangen lieþ so lang biþ ich zů erwerben genad und ablaþ mich fertiget zů ziehen zů dem heyligen grab·auch zů dem berge sÿnai·do der lieben junckfrauwen sant katherinen kôτper rastet und růwet·Doch das solliches edles angefangens und unvolkommens wercke mit hÿnderstellig belÿbe·Auch das do mein fart nicht allein zů meiner selen heyle·sunder aller welte zů staten môchte kommen·Name ich mit mir einen maler vonn vernunfft und handt subtil und behende·Und so wir von teütschen landen gereÿþet haben durch wålhische landt Histriam·und darnach durch die Schlavonei odeτ Wÿndische landt·Croacien·Albaney·Dalmacien·Auch durch die krÿechischen lande·Coτson·Moτeam·Candiam·Rodiþ·und Cypτien·bÿþ in das gelobet lande·unnd auch do in die heÿlig [10] en stat Jherusalen und von dannen durch klein arabien gegenn dem berge sÿnai·van dem berge sÿnai gegen dem roten môre·gegen calcair·Babylonien und auch Allexandτiam in egipten·und von dannen wider in Candien·in durchwandτung solcher künigreÿch unnd landen·Ich mit fleysse mich erfaren hab der kreüter do selbst·und die in jeren rechten farben und gestaltten lassen kunterfeÿen und entwerffen.

(Und nach dem mit gots hilff wider in teütsche landt und heim kommen byn· Die groþ liebe dye ich zů disem wercke hab gehadt·hat mich bewegt dat zů vollenden·als nun mit der gottes hilff volbτacht ist· (Und nennen dises bůch zů latein Oτtus sanitatis·auff teütsch·Ein gartten der gesundtheÿt·In wôlchem gartten man findet vierhundert und fünff und dτeyssig kreüter·mitt andern creaturen krafft und tugenden·zů des menschen gesuntheit dienend·und gemeÿnlich in den apotecken zů erczneÿ gebτauchet werden·under disen bej vierd halbhunnderten mit jren farben und gestalten als sÿ hie erscheÿnen·und auff das es aller welt gelerten und leyen·zů nucz kommen müge·hab ich es in teütsch lassen machen·

(Dises bůch wirdt geteÿlet in fünff teÿl·(Das erst·ist die voτrede ÿeczund hie berűrt·(Das ander teÿl·ist von den nachfolgenden kreütern·und ander creaturen krafft und tugent in oτdnunge des alphabets·(Das dτyt teÿl wirt sein ein register von kreüteren zů laxieren und zů krefftigen·(Item von den wol riechenden· (Item von den gummi·(Item von den früchten·samen·und wurczeln. (Item von edlem gestein·(Item von den thieren und was von jn entspτinget·und also was zů erczneÿ dient gemeynigklichen·(Das vierde teÿl·von allen farben des harms·und was ein ÿegkliche farbe bebeütet·

(Das fünfft teyl und dz leczte wirt sein ein register behend zů finden von allen gebτesten und kranckheÿten der menschen wie die sein mügen·

(Nun farhÿn im alle landt du edler und schôner gartt·du ein ergeczung den gesunden·ein trost hoffnung und hilffe den krancken·der deinen nucz dein fruchtbeτkeyt genůg auþspτechen müge·lebt kein mensche· (Ich dancke dir schôpffer hymmels und d erden·der du den kreütern in disen garten begrÿffen·krafft und macht gegeben hast·das du mir solche genad·disen schacz d byþher der gemeÿn begraben unnd verτboτgen ist gewesen·hast vergünnet an den tag zů bτingen·Dye sej ere und lobe ÿeczund und zů ewigen zeÿten Amen· (·a·iij·) [11, 12]

Vaak en veel heb ik bij mezelf beschouwd de wonderbare werken van de schepper der natuur hoe hij aan het begin de hemel heeft geschapen en versierd met mooie lichtende sterren dat het tot invloed van alles dat er onder de hemel is kracht en macht gegeven heeft. Ook hoe hij daarna de vier elementen geschapen heeft. Dat vuur heet en droog, de lucht heet en vochtig, dat water koud en vochtig, dat aardrijk droog en koud, iedereen zijn natuur gegeven. Ook hoe dezelfde grote meester van de natuur daarna die kruiden van vele naturen en allerlei geslachten van dieren en tenslotte de mensen en alle creaturen de edelste gemaakt heeft en geschapen. Daarmee viel me in de wonderbaarlijke ordening die de schepper ervan zijn creaturen heeft gegeven alzo dat alles dat aan de hemel is zijn natuur van en door de sterren ontvangen heeft en houdt. Ook dat in iedereen dat in de boven vermelde vier elementen ontspringt, groeit, leeft of zweeft, hetzij erts, gesteente, kruiden of dier, zijn vermengd die vier naturen der elementen, hitte, koudheid, vochtigheid en droogte. En alzo te bemerken is zijn de aangeroerde vier naturen ook in het menselijke lichaam vermengd of gemengd in een maat en temperament bekwaam voor dat mensen leven en natuur. In welke maat of proportie of temperament de tijd dat de mens staat is hij fris en gezond. Zo hij echter treedt of valt uit het temperament of maat van de vier naturen, dat dan geschiedt zo de hitte gans overhand neemt en arbeidt om de koude te dempen of wederom de koudheid de hitte aanheft te verdrukken of de mens vol koude vochtigheid wordt of zijn vochtigheid over de maat zet, valt de mens vanwege nood in ziekte en nadert de dood. Oorzaak echter van zulke eerder vermelde breuk der vier naturen temperament waarin de mensen gezondheid en leven staat, zijn veel krachten van de hemel giftig en verborgen invloed tegen de mensen natuur dan de omstaande lucht, onreinheid en vergiftiging en nu ongeschikte spijzen of drank. Of bekwame, maar niet in rechte maat of tijd genomen. Voorwaar even gemakkelijk wil ik u vertellen van de bladeren op de bomen of de zandkorrels in de zee zoals ik u vertellen en verklaren zou al die dingen die een oorzaak zijn van het afvallen van het temperament van de vier naturen en een aanvang van de mensen ziekte. daarom zo omstaan….zendt en al… en gevaarlijk.(vlek) [9] .is er zijn gezondheid of leven gans zeker. Toch zal ik betrachten wat en voel me ook een als de schepper der natuur die ons in zulke gevaarlijkheid gezet heeft en weer met een andere genade voorzien heeft, dat is met allerlei geslachten van kruiden, dieren en andere creaturen die hij kracht en macht gegeven heeft die boven beroerde vier naturen weer te brengen, werken, geven en dempen. Een kruid verhit, dat andere verkoeld, elk naar de graad van zijn natuur en samengesteldheid. Desgelijks van veel andere creaturen op het aardrijk en in het water zodat de mensen door de schepper der natuur zijn leven ook behoudt.

Door welke kruiden en creaturenkracht de zieke mens in de vier naturen temperament en tot zijn lijf gezondheid weer mag komen. Is eenmaal echter de mens op de aarde mag hij niet grotere en niet edelere schat hebben dan zijn lijf gezondheid. Liet ik me bedenken dat ik niet eerlijkers, niets nuttiger of heiliger werk of arbeid begaan mocht dan een boek tezamen brengen daarin veel van de kruiden en andere creaturenkracht en naturen met hun echte kleuren en gestalte worden begrepen tot aller wereld troost en algemene nut (vlek) ook heb ik foli… laten aanva…. ster in de…. mijn begeerte uit de bewaarde meesters in de artsenij, Galenus, Avicenna, Serapio, Dioscorides, Pandecta, Platearius en andere veel kruidenkracht en naturen in een boek tezamen heb gebracht. En toen ik ook ontwerpen en kleuren ging de kruiden bij mijn arbeid bemerkte ik dat er veel edele kruiden zijn die in deze Duitse landen niet groeien, daarom ik dezelfde in hun echte kleur en gestalte anders niet ontwerpen mocht dan van horen zeggen. Derhalve ik zulks aangevangen werk onvolkomen en in de veer hangen liet zo lang tot ik tot verwerven genade en aflaat me vervaardigde ze te zien naar het Heilige Graf, ook tot de berg Sinaï daar de lieve jonkvrouw Sint Catherina lichaam ligt en rust. Doch dat zulke edel aangevangen en onvolkomen werk niet achterstallig blijft. Ook doe ik mijn reis niet alleen tot mijn zielenheil, vooral de hele wereld tot dienst mag komen nam ik met me een schilder van verstandige hand, subtiel en handig. En zo we van Duitse landen gereisd hebben door Wallisch land Hongarije en daarna door Slovenië of Wendische land, Kroatië, Albanië, Dalmatië. Ook door de Cyrische landen, Korfu, Moream, Kreta, Rhodos en Cyprus tot in dat beloofde land en ook zo in de heilige [10] plaats Jeruzalem en vandaar door klein Arabië tegen de berg Sinaï. van de berg Sinaï tegen de Rode Zee, tegen Cairo, Babylonië en ook Alexandrië in Egypte en vandaar tegen Kreta, in doorwandelen zulke koninkrijken en landen. Ik met vlijt me ervaren heb de kruiden daarvan en die in hun rechte kleur en gestalte laten kleuren en ontwerpen.

En na dan met Gods hulp weer in Duitse land en huis gekomen ben. De grote liefde die ik tot dit werk heb gehad heeft me bewogen dat te voleinden zoals nu met Gods hulp volbracht is. En noem dit boek in Latijn Ortus sanitatis, op Duits Ein gartten der gesundtheyt’’. In welke tuin men vindt vierhonderdenvijf en dertig kruiden met andere creaturenkracht en deugden tot de mensen gezondheid dienen en algemeen in de apotheken tot artsenij gebruikt worden. Onder deze bij vier en half honderd met hun kleuren en gestalten zoals ze hier verschijnen en opdat het alle wereld geleerden en leken tot nut komen mag heb ik het in Duits laten maken.

Dit boek wordt gedeeld in vijf delen. Dat eerste is de voorrede, nu hier aangeroerd. Dat andere deel is van de navolgende kruiden en andere creaturenkracht en deugd in ordening des alfabet. Dat derde deel wordt een register van kruiden te laxeren en te versterken. Item van de wel riekende. Item van de gom. Item van de vruchten, zaden en wortels. Item van edele stenen. Item van de dieren en wat van hen ontspringt en alzo wat tot artsenij dient algemeen. Dat vierde deel van alle kleuren van het plassen en wat elke verf betekent.

Dat vijfde deel en de laatste wordt een register handig te vinden van alle gebreken en ziekten der mensen wat die zijn mogen.

Nu ga heen in alle landen u edele en schone tuin, u een trouw der gezonden, een troost, hoop en hulp de kranke die uw nut en uw vruchtbaarheid genoeg uitspreken mogen, leeft geen mens. Ik dank u schepper hemel en de aarden dat u de kruiden die deze tuin begrijpt kracht en macht gegeven heeft dat u mij zulke genade, deze schat die tot nu algemeen begraven en verborgen is geweest heeft vergund aan de dag te brengen. U zei eer of lof nu en tot in eeuwige tijden. Amen.[11,12]

Beyfůsz erst Capit

Arthemisia mater herbarum Arivosa·ampolata Bτitanica Campanaria· Metricaria·minoτ latine· Melenoff Zantes Thagetes Leptafelos·

(Die wirdigen meister Avicenna Diascoτides·beschτeiben uns von disem kraut·und spτechen·daz arthemisia seÿ ein kraut und geleychet dem wermůt und der stabwurcz an der gestalt·allein das beÿfůþ bτeÿttere bletter hat. Die bleter sind auþwenig weiþ und jnnwenig grǔn·unnd haben einen starcken gerauch und bitter·Dises kraut hat lang stengel. Die blůmen daran geleÿchen den camillen blůmen· Unnd heysset darumb arthemisia· wann d künig mansolei genant het ein hausfrauwen die hieþs Arthemisia· die wolt das dises kraute auch also genennet würd·vmb tugent willen die dise künigin an disen kraut befund· (Der meister plinius spτicht·daz diþs kraut vor hÿn geheÿssen hat parthenis·

(Ysidoτus in dem·xvij·bůch genant ethÿmologiarum·spτicht das Arthemisia seÿ ein kraut und seÿ von dem heÿdnischen volcke dÿane consecriert woτden·und von den also geheýssenn·wann dyana in grecum ist als vil gespτochen als arthemis· (Platearius spτicht·das dises kraut ist heÿþ und trucken in dem dτitten grad· (Die bleter bτaucht man in der erczneÿ und selten die wurczel·und sind grǔn besser genüczet dann dürτ· (Platearius spτicht das beÿfůþ gůt seÿe den frawen zü jrer sucht genant menstruum·Unnd wôlche frau das zů rechter zeyt nicht hat·die soll den beÿfůþ sieden mit wein und sol den trincken·d hilfft on zweyfel· (Es hilffet auch ob sy sich domit in dem bad zům dÿckeren mal bået unden auff beÿdenthalben den nabel. (Der meister diascoτides spτicht·Wŏlche frauwe wee mit einem kÿnde geet od in arbeÿt ligt eins kindes·seüdet sÿ den beÿfůþ mit wein od mit bier und den also trincket·sÿ genÿset zůhandt· Oder bindet man jr das gesoten kraut an jr rechtes diech sÿ genÿset zůhant. Man sol auch zůhandt wenn das kÿndt geboren wirt das kraut abnemen·sau (a·iiij·) [13] met man nich·des·das bτăcht grossen schaden· (Wŏlche frawe ein todtes kÿnd in jrem leyb hete·die trinck von beÿfůþ·sÿ wirt des kÿndes sanfft ledig· (Item Diascoτides in dem capittel arthemisia spτicht auch·Weer den beÿfůþ nüczet das jm vergifftte und zauberey nit geschaden müge·Im schadet auch nicht ob ein thiere das nicht sÿnnig wăre jn beÿsset· (Item. Wer beÿfůþs in seinem hauþ hat·dem mag d teüfel keinen schaden zůfũgen·

(Item· Wer der beÿfůþ wurcz an seinen halþ tregt·kein vergifftig thiere mag jm nit geschaden. (Und ob ein vergifftig thiere einen schaden zůgefŭget hăte·d trincke des safftes von beÿfůþs·er genÿset zůhandt. (Die wirdigen meister spτechen gemeÿinigklich·das do sey zweÿer hant bejfůþ·der ein ist rot an dem stÿl·d ander ist weÿþ· (Wõlche staw jr sucht genant menstruum leydet über die zeÿt·die sol der roten beÿfůþ bletter sieden in wein und dem trincken. Weret aber die sucht menstruum zelang·so sol sÿ des weÿssen beyfůþ bletter sieden in wein und also nüczen·es vergeet jr zůhandt· (Item beÿfůþ genüczet mit wein·machet wol hårmen· (Diascoτides· beÿfůþ d ist fast gůt für den stein wenn man den bulfert·unnd das bulfer nüczet mit eppich wasser·und das also getruncken· (Beÿfůþ mitt wein gesoten und den getruncken vertreÿbet alle die suchte die do werend ist an der stat der weyber die do kÿndt geberen·es sey geschwulst oder anders. (Wer den beÿfůþ beÿ jm tregt wenn er wandert·der wirt nit mūd·

(Item· Wer der beÿfůþ wurczlen über die thoτ des hauþs legt·od henckt·dem hauþ mag nichcz übels oder ungeheürigkeit zůgefūget werden· (Der hochgelert meister Galienus spτicht·dz beÿde beÿfůþ rot und weÿþ gůt sey dan frawen genüczet wenn es jn not seÿ· Und auch fast wol bekomme den·die den stein haben in den lenden· (Der meister Plinius in seinem·xv·bůch in dem capitel arthemisia·spτicht·das arthemisia die etwan geheyssen ist parthenis·sey zweÿer handt·eine hat bτeÿte bleter·die and dünnere und kleinere·und haben beyd ein natur und tugent· (Item Diser meister in seinem·xxvj·bůch spτicht auch·Wer beÿfůþ bey jm hab so er über felt gee·der werde nit mūd·und jm schadet auch d gang nit in den gelÿdern· (Er spτicht auch in dem selbigen capitel·das Arthemisia gestossen und gemüschet mit feygen und mirτa ÿegklichs ein quintin und das geleget in wein und den getruncken·erwõrmet den kaltten magen· (Er spτicht auch·dz dises krautes wurczel eingenommen so festigklichen laxieren ist und purgieren·das das kynd in můter leybe nitt beleyben müge·es seÿ todt od lebentig· (Der meister Platearius spτicht·das dises krautes bleter bequemer seÿen in der erczneÿ denn die wur [14] czel·und grunn mer nücz denn dürτ· Und seÿ sunderlich gůt genüczt den unfruchtbern frauen· (Item. Beÿfůþ und dÿllsamen gebulferet und vermenget·ist gůt wider die feüchtblattern·darauff geleget·oder auff beülen hynder den oτen·darvoτ so sol man das mit einer schτepff sleten blůtend machen·und darauff das bulfer legen. (Item beÿfůþ ist seer bestopfung der gelÿder auffthůn·als milcze und lebern die do von einer kalten materien kommet·also genüczet·Nÿmm beÿfůþ und hyrþzungen ÿegklichs ein handt vol und wenig wermůt in wein gesoten·und mit zucker sūþ gemachet· (Diser tranck ist auch gůt wider die geelsucht· so man darzů ist vermengen wenig tausent guldin genant centaurea·Und was nach dem getranck über beleÿbt von kreüttern sol man do warm legen auff die milcz·Das selb ist auch gůt so die milcz auswendig geschwollen ist· (Item beÿfůþ und wulle genant taxus barbatus gesoten mit wein und also warm darauff gesessen·ist gůt dem der arþsdarm auþgeet·

1. (2) Bijvoet, eerste kapittel. (Artemisia vulgaris (1)

Arthemisia; mater herbarum, Arivosa, ampolata, Brittanica Campanaria, (6) Metricaria minor Latijn, Melenoff Zantes Thagetes (5) Leptafelos.

De eerwaardige meesters Avicenna en Dioscorides beschrijven ons van dit kruid en spreken dat Artemisia een kruid is en lijkt op alsem en staafkruid aan de gestalte(3), alleen dat bijvoet bredere bladeren heeft. De bladeren zijn aan de buitenkant wit en inwendig groen en hebben een sterke reuk en zijn bitter. Dit kruid heeft lange stengels. De bloemen daaraan lijken op de kamille bloemen. En heet daarom Artemisia want de koning Mansolei genaamd had een huisvrouw die heette Artemisia en die wilde dat dit kruid ook alzo genoemd werd vanwege de deugd die deze koningin aan dit kruid bevond· De meester Plinius spreekt dat dit kruid voorheen parthenis genoemd is geweest.

Isidorus in het 17de boek genaamd ethiÿmologiarum spreekt dat Artemisia een kruid is en dat ze van de heidense volkeren aan Diana gewijd werd en van hen alzo genoemd want Diana in Grieks is zoveel gesproken als Arthemis. Platearius spreekt dat dit kruid heet en droog is in de derde graad. De bladeren gebruikt men in de artsenij en zelden de wortels en zijn groen beter genuttigd dan droog· Platearius spreekt dat bijvoet goed is voor de vrouwen voor hun ziekte genaamd menstruatie. En welke vrouw dat op de rechte tijd niet heeft die zal de bijvoet koken met wijn en zal dan drinken, het helpt zonder twijfel. Het helpt ook als ze zich daarmee in bad vele malen baadt en vooral bij de navel. De meester Dioscorides spreekt; Welke vrouw in pijn met een kind gaat of in arbeid ligt van een kind, kookt ze de bijvoet met wijn of met bier en dan alzo drinken, ze geneest gelijk. Of bindt man haar het gekookte kruid aan haar rechter dij, ze geneest gelijk. Man zal ook gelijk als dat kind geboren wordt dat kruid afnemen, [13] zou men het niet doen dat bracht grote schade. Welke vrouw een dood kind in haar lijf heeft die drinkt van bijvoet, ze wordt dat kind zacht kwijt. Item Dioscorides in het kapittel Artemisia spreekt ook; (7) Wie bijvoet nuttigt dat hem vergif en toverij niet beschadigen mogen. Hem schaadt het ook niet of een dier dat niet venijnig is hem bijt. Item. Wie bijvoet in zijn huis heeft die mag de duivel geen schade toebrengen.

Item. Wie bijvoet kruid aan zijn hals draagt, geen vergiftig dier kan hem niet beschadigen. En als een vergiftig dier een schade toegevoegd had die drinkt het sap van bijvoet, hij geneest gelijk. De eerwaardige meesters spreken algemeen dat er twee soorten bijvoet zijn, de ene is rood aan de steel, de ander is wit. Welke vrouw aan de ziekte genaamd menstruatie leidt over de tijd, die zal de rode bijvoet bladeren koken in wijn en die drinken. Duurt echter die ziekte menstruatie te lang dan zal ze de witte bijvoet bladeren in wijn koken en alzo nuttigen, het vergaat haar gelijk. Item bijvoet genuttigd met wijn maakt goed plassen. Dioscorides; bijvoet is erg goed voor de steen als men het verpoedert en dat poeder nuttigt met selderij water en dat alzo gedronken· Bijvoet met wijn gekookt en dan gedronken verdrijft alle die ziekten die er zijn aan de plaats van de vrouwen die een kind baren, hetzij gezwellen of anders. (2) Wie bijvoet bij hem draagt als hij wandelt, die wordt niet moe.

Item. Wie bijvoet wortels over de deur van het huis legt of hangt, dat huis mag niets kwaads of onbehoorlijkheid toegevoegd worden. De zeer geleerde meester Galenus spreekt dat beide bijvoet rood en wit goed zijn voor de vrouwen genuttigd als het hen nood is. En ook erg goed bekomt het die de steen hebben in de lenden. De meester Plinius in zijn 15de boek in het kapittel Artemisia spreekt dat Artemisia de soms genoemd is parthenis dat die tweevormig is, ene heeft brede bladeren, de ander (6) dunnere en kleinere en hebben beide een natuur en deugd. Item. Deze meester in zijn 26ste boek spreekt ook; (2) Wie bijvoet bij hem heeft zo hij er over veld gaat, die wordt niet moe en hem schaadt ook het gaan niet in de leden. Hij spreekt ook in hetzelfde kapittel dat Artemisia gestoten en gemengd met vijgen en mirre, van elk een quintin, en dat gelegd in wijn en dat gedronken verwarmt de koude maag. Hij spreekt ook dat dit kruid de wortel ingenomen zo sterk laxeert en purgeert zodat het kind in moeder lijf niet blijven mag, is het dood of levend. De meester Platearius spreekt dat dit kruid bladeren beter zijn in de artsenij den de wortel [14] en groen meer nuttig dan droog. En is uitzonderlijk goed genuttigd de onvruchtbare vrouwen. Item. Bijvoet en dille zaden gepoederd en vermengt is goed tegen die vochtblaren, daarop gelegd, of op builen achter de oren, daarvoor zo zal men dat met een scherpe snee bloedend maken en daarop dat poeder leggen. Item, bijvoet is zeer de verstopping van de leden openend zoals milt en lever die van een koude materie komt alzo genuttigd; Neem bijvoet en hertstong van elk een hand vol en weinig alsem in wijn gekookt en met suiker zoet gemaakt. Deze drank is ook goed tegen de geelziekte zo men daartoe vermengt weinig duizend gulden kruid genaamd Centaurea. En wat er na de drank over blijft van kruiden zal men dan warm leggen op de milt. Datzelfde is ook goed zo de milt uitwendig gezwollen is. Item bijvoet en wol genaamd Verbascum gekookt met wijn en alzo warm daarop gezeten·is goed die de aarsdarm uitgaat.

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Het kruid dat in het Grieks Artemisia genoemd is heeft dezelfde naam bij de Latijnen ook en eer dat men dat zo noemde werd het in het Grieks Parthenis genoemd, zoals Plinius verhaalt. Apuleius verzekert dat het ook Parthenion genoemd is. Dit kruid heeft zijn naam verkregen van koningin Artemisia, huisvrouw van koning Mausolus van Carië die dit kruid zeer lief en uitgekozen had en het gebruik ervan het meest openbaar of kennelijk gemaakt heeft zodat het zijn oude naam verloren en in plaats van die de naam van de koningin aangenomen heeft. Sommige andere zeggen dat bijvoet in het Grieks en in het Latijn Artemisia genoemd is naar de Godin Diana die ook Artemisia genoemd wordt en dat alleen daardoor omdat dit kruid zeer bijzonder voor de gebreken van de vrouwen is waarvan de heidenen Diana overste en Godin gemaakt hebben.’

De reden daarvoor is de gunstige werking op vrouwenziektes en zijn vele geneeskrachtige eigenschappen. (In christelijke tijd werd Artemisia vervangen door een van de H. Margareta’s, meestal de H. Margaret van Antiochië.) Ook Plinius weet te berichten dat de Artemisia vooral vrouwenziektes geneest en zegt dat koningin Artemisia, de vrouw van koning Mausoleus, het kruid dat daarvoor parthenis genoemd werd haar naam gegeven heeft. Vele leiden, gaat Plinius verder, de naam af van Artemis Ilithya (gezond helpster) naar het gebruik van deze plant bij vrouwenziektes’.

Waarschijnlijk is de plant zo genoemd naar de Griekse Godin Artemisia, de dochter van Zeus en Leto, de godin van de kuisheid, geboorte en jacht.

(2) Bijvoet, de Duits Beifuss, werd vroeger dan als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of men stopte bijvoet in de schoenen en maakte daardoor de voet onvermoeibaar. Het vermoeidheidsgevoel wordt veroorzaakt door het warm worden van onze voeten. Voor ons gevoel gaan onze voeten gloeien Zo zegt Plinius al dat een reiziger geen vermoeidheid (artemes) zal voelen als hij een takje van bivot in zijn schoenen heeft. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden.

(4) Dodonaeus doelt wel op Artemisia campestris subsp. campestris als hij spreekt: De tweede soort van bijvoet heeft de toenaam gekregen van Leptophyllos in het Grieks, in het Latijn Tenuifolia, dat is smal van bladeren’.

(5) Thagetes. Die naam heeft vermoedelijk de naam gegeven aan het afrikaantje of Tagetes. Dodonaeus. ‘De nieuwe schrijvers stellen vele geslachten van bijvoet want ze rekenen mater en reinvaarn ook onder de soorten van bijvoet. Fuchsius heeft Flos Africanus of de Tunisbloemen ook hierbij willen hebben’.

(6) Brittanica Campanaria, omdat het op de vlaktes van Engeland groeit? Metricaria minor, kleine Matricaria of klein moederkruid?, Zantes, eiland in de Ionische zee, Leptafelos.




Stabwurcz ii Capit

Abτotanum·Das woτt ist in grexum und in latinsum also genennet·Hesum ist es genant in arabischen·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hesum·idest Abτotanum·spτicht·dz dises kraut seÿ zweÿer hant·eins ist freülich·daz ander månlich·und sind beÿde einander geleÿch·an d gestalt·und an der tugent·allein die freülich hat weiþ blůmen·und die månlich gelb blůmen,und geleÿch dem saffran.

(Der meister Plinius in seinen·xxj·bůch spτicht·das stabwurcz hab einen gůten gerauch· (Diþ kraut hat fast kleine bleter· und [15] vil stengeln·und auch gar klein blümen und einen kleinen samen. (Der meister Avicenna in seinem andern bůch·spτicht·daz stabwurcz sei heyþ an dem ersten grade und trucken an dem anderen· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Abτotanum·spτicht·das stabwurcz gebτennet und gebulfert und dz gemüschet mit ŏle·von råtich gemachet·und das geschmieret auff die kal stat·machet har wachþsen· (Item stabwurcze machet auch wachþen dem bart der lancksam herfür kumbt·domit bestrichen·mit namen·nymme stabwurczsafft mit dÿll ôle veτmenget·davon den bart oder die stat geschmieret do man har begeret· (Stabwurcz resolvieret apostemen die kalte feüchtigkeit in jne haben genant flegmatica·gesoten mit kütenkern und also genüczet· (Stabwurcz gegrůset und getruncken mit wein·behŭtet den menschen voτ d suchtt genant paralisis· (Auch ist es gůt wider das gegicht d gelÿder die grůse darauff geleget· (Platearius Stabwurcz gesoten mit baummôl·und dz haubt domit bestrÿchen·benÿmmet die kelte des haubtes·und wirt warm davon· (Stabwurcz mit wein und zucker gesoten und getruncken macht einen warmen magen d erkaltet ist von dem schleÿm genant zů latein flegma. (Stabwurcz seüberet den frawen jr sucht genantt menstruun·mit wein gesoten und getruncken·(Stabwurcze mit eppe und zucker gesoten und darvon genüczet·bτicht und treÿbt auþ den stein d in der blasen wåchset und nÿeren·und wid dem kalten siechtumb ist es gůt·(Item ól von stabwurcz gemachet·und sich domit und dem nabel geschmieret·machet hármen· (Stabwurcze getruncken mit wein·ist gůt für vergifft·(Item der gerauch von stabwurcz·vertreÿbt die schlangen die in den heüsern wonen. (Von d wurczel dÿck getruncken sterben die spôlwůrm·oder mitt wenig milch stabwurcz safft gemenget· (Avicenna spτicht·wo man stabwurcz hÿn streüet·do beleÿbt kein vergifftig thier·und wôlches do beleÿbt·das styrbt· (Diascoτides spτicht·das stabwurcz bτing dem frawen jr zeÿt genant menstruum·die gebulfert und mit wein getruncken·und in wenig mirτa vermenget· (Der rauch von stabwurcz vertreibt die schlang·in dem hauþ· (Von stabwurcz getruncken·ist gůt dem d do gebÿssen ist von gifftigen thieren. (Dem die augen schweren von hycz d sol nemen stabwurcz ein quintin·und ein weÿsse bτosen bτotes·und sol das sieden in wasser und sol die augen domit båen·es zeühet auþ die hÿcz·und vertreÿbt das augen schwer· (Von d bitterkeit die die stabwurcze in jr hat·sterben die spolwŭrm·davon genommen auff ein halblot· (Serapio spτicht·das stabwurcz genüczet verczeret überflüssig feüchtigkeit die in den dårmen sind davon ein kranckheÿt kummt ge [16] nant colica passio·das ist·das darm gesücht· (Item·Stabwurcz gesoten mit wasser unnd wein mit ysop und leckricz·mit zucker sǔþ gemachet·ist seer gůt wider süchtung der lungen und bτust·so die sucht kommet von kelte·und auþwendig sol man schmieren die bτust mit buttern od mit einer salben genant ungentum dÿalthee·Darnach sol man nüczen pillen von agarico·Darnach ist gůt zů nüczen ein sterckung genant dyapenidion·oder dÿaris salomonis· (Item stabwurcz mit olei·und salcz zůsamen gestossen·und auff den pulþ hende und fŭsse geleget·ist gůtt wider das fieber·

Staafkruid, 2de kapittel. (1) (Artemisia abrotanum)

Abrotanum. Dat woord is Grieks en in Latijn alzo genoemd. Hesum is het genoemd in Arabisch.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hesum, id est Abrotanum, spreekt dat dit kruid tweevormig is (2), een is vrouwelijk en de ander mannelijk en zijn beide gelijk aan elkaar aan de gestalte en aan de deugd, alleen de vrouwelijk heeft witte bloemen en de mannelijk gele bloemen gelijk de saffraan.

De meester Plinius in zijn 21ste boek spreekt dat staafkruid een goede reuk heeft. Dit kruid heeft erg kleine bladeren en [15] veel stengels en ook erg kleine bloemen en kleine zaden. De meester Avicenna in zijn andere boek spreekt dat staafkruid heet is aan de eerste graad en droog aan de andere. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Abrotanum spreekt dat staafkruid gebrand en gepoederd en gemengd met olie van radijs gemaakt en dat gesmeerd op de kale plaats maakt haar groeien (3). Item staafkruid maakt ook groeien de baard die langzaam tevoorschijn komt, daarmee bestreken, met name; neem staafkruid sap met dille olie vermengt, daarmee de baard of die plaats gesmeerd daar men haar begeert. Staafkruid lost op gezwellen die koude vochtigheid in hen hebben genaamd flegmatici, gekookt met kweekern en alzo genuttigd. Staafkruid vergruisd en gedronken met wijn behoedt de mensen voor de ziekte genaamd paralysie. Ook is het goed tegen dat jicht der leden dat gruis daarop gelegd. Platearius; Staafkruid gekookt met olijvenolie en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de koudheid van het hoofd en wordt warm daarvan. Staafkruid met wijn en suiker gekookt en gedronken maakt een warme maag die verkouden is van de slijm genaamd in Latijn flegma. (4) Staafkruid zuivert de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, met wijn gekookt en gedronken. Staafkruid met Apium en suiker gekookt en daarvan genuttigd breekt en drijft uit de steen die in de blaas groeit en nieren en tegen de koude ziekte is het goed. Item olie van staafkruid gemaakt en zich daarmee de navel gesmeerd maakt plassen. Staafkruid gedronken met wijn is goed voor vergif. (6) Item de reuk van staafkruid verdrijft de slangen die in de huizen wonen. Van de wortel vaak gedronken sterven de spoelwormen, of met weinig melk staafkruidsap gemengd. Avicenna spreekt; waar men staafkruid heen strooit daar blijft geen vergiftig dier en welke er blijft die sterft. Dioscorides spreekt dat staafkruid brengt de vrouwen hun tijd genaamd menstruatie, die gepoederd en met wijn gedronken en in weinig mirre vermengt. (5) De rook van staafkruid verdrijft de slangen in het huis. Van staafkruid gedronken is goed hen die gebeten is van giftige dieren. Die de ogen zweren van hitte die zal nemen staafkruid een 1,67 gram en een wit bros brood en zal dat koken in water en zal de ogen daarmee baden, het trekt uit de hitte en verdrijft dat ogenzweer. Van de bitterheid die staafkruid in hem heeft sterven de spoelwurmen, daarvan genomen een half lood. Serapio spreekt dat staafkruid genuttigd verteert overvloedig vochtigheid die in de darmen zijn daarvan een ziekte komt genaamd [16] colica passio, dat is de darmen ziekte. (6) Item. Staafkruid gekookt met water en wijn met hysop en zoethout en met suiker zoet gemaakt is zeer goed tegen ziekte van de longen en borst zo die ziekte komt van koudheid en uitwendig zal men smeren de borst met boter of met een zalf genaamd ungentum dialthee. Daarna zal men nuttigen pillen van agarico. Daarna is het goed te nuttigen een versterking genaamd diapenidion of diaris salomonis. Item staafkruid met olie en zout tezamen gestoten en de pulp op handen en voeten gelegd is goed tegen de koorts.

(1) Dodonaeus; Dit kruid wordt in het Grieks Abrotonon genoemd en met die naam is het bij de Latijnen en in de apotheken bekend’.

(2) Dodonaeus: “Averone, naar het zeggen van Dioscorides, is tweevormig van geslacht, te weten wijfje en mannetje die met de naam van grote en kleine averone overal bekend zijn. De vrouwelijke heette Artemisia campestris. Waarschijnlijk was abrotanum een naam voor meerdere struiken met een aangename geur.

(3) Tegen het uitvallen van het haar (dat heet alopecia) en schurft of roos van het hoofd (dat heet tineam) kun je averone net als alsem gebruiken om de baard of elders waar je graag haar had hiermee te bestrijken om het haar of de baard sneller te laten groeien: ‘Neem hiertoe het sap van averone en meng het met dillenolie of olie van kamelenhooi’.

(6) Tegen ontsteltenis van de borst ie uit koude oorzaken ontstaan is kook je averone, hysop en zoethout in water, met fijne suiker maak je het zoet en drink hier van. Van buiten bestrijk je de borst met meiboter of om de materie in de borst meer te vermurwen met een zalf van Althaea.

(4) Het sap van averone dat je op de wijze van een klysma zet (dat is een pessarium) laat bij de vrouwen hun menstruatie komen, de moederkoek waar de vrucht in het lichaam rust en de dode vrucht worden uitgeworpen en de gesloten baarmoeder geopend. Het geneest de slijmachtig blaren in de baarmoeder of vulva.

(5) Als je averone in de hoeken van het huis legt verdrijft het venijnige dieren of besproei er het huis mee of laat de rook het huis doortrekken. In wijn gekookt is averone zo ook goed tegen gif.

(3) Als haargroeimiddel werd het al door Avicenna aanbevolen. Staafkruid werd vroeger gebruikt in een pommade waarvan geloofd werd dat het de haargroei zou stimuleren en kaalheid zou voorkomen, vandaar ook de Engelse naam old man. De Engelse bijnaam lad's love
is gebaseerd op hetzelfde idee. Jonge mannen gebruikten dit kruid om baardgroei te bevorderen zodat ze ouder zouden lijken

wôτmůt iii Capit

Absinlhium latine·Gτece Absinthion·Arabice Saricon·

(Die meister in der erzcneÿ sprechen·das wôτmůt seÿ heÿþ in dem ersten grad·und trucken im dem andern· (Platearius spτichet·das wôτmůt ein widerwårtige naturen an jr hab·wann sÿ laxiert und stopffet und die zwei sind wider einander· Und darumb spτicht er·das wermůt genüczet sol werden mit vermüschung·und das angesehen werde gebτesten des menschen·wann ist es sach das die natur des mennschen verstopffet wår·so sal man der wôτmůt zůgeben ding die jr die natur beneme der stopffung·und allein laxiere·Ist es aber sache das die natur zů vil flüþsig wåre·so sol man dem wôτmůtt nemen die natur des flusses·und zůgeben ding die do stopffen·

(Hierinn mercke eben·wilt du den menschen stopffen mit wermůt·so bτauche die mitt eþsich oder mit wein· (Wilt du aber den menschen laxieren mit wôτmůt ·so bτauche die mit hônige oder zucker· (Avicenna spτicht das der saffte von wôτmůt fast stercker seÿe zů nüczen denn das kraute·wann der saffte der ist do heysser in dem ersten grad denn das kraut·

(Wer wermůt safft trincket ze [17] hen tag nach einander·und auff ein mal vier quintin mit zucker vermenget·der selb safft verczeret yctericiam·das ist die geschwulst·unnd benymmet auch dem menschen also genüczet ÿdτopisum·das ist die wassersucht·

(Und also genüczet zeühet vil feüchtigkeit von dem milcz und lebern· Johannes mesue·spτichet·das wermůt stercket dem magen und die leber·unnd bτinget lust zů essen·und machet gesunt die verstopfften kranckheyt·als dann ist die geelsucht unnd die wassersucht· (Wermůt tôdtet die wŭrm in dem bauch·und treÿbet sÿ auþ måchtigklichen wann man davon machet ein pflasteτ also·Nÿmme wermůt vier lot·eüfoτbie ein halb lot·gebτennett hÿrþkoτn ein lot·und ein lot hasengallen·und darunder gemüschet hônig·und darauþ ein pflaster gemachet·und das geleget auff den bauch· (Item·Wer daz kaltt lange zeÿt gehabt hatt·der nücze zů frummen den safft von wermůt mit zucker vermenget·er genÿset davon zůhandt· (Wermůt safft vermenget mit pferþichkeren·und in die oτen getråfft·machet sterben die wŭrm in den oτen. (Wermůt reÿniget den magen und lebern von deτ gallen genant colera·und zeühet zů zeiten die selben feüchtung auþ mit den hårmen·(Auch behŭtet wermůt dem menschen voτ füllung des geblŭtes in dem leÿbe·mit wein gesoten und des tags auff ein male nŭchter getruncken auff vier lot. (Wermůt wasser gemüscht under tinten·behŭtet dz papier voτ den meüsen und wŭrmen do mit geschτiben· (Wermůt ist fast gůt und nücz den zerknüscheten gelÿdern·wenn man darzů thůt oder vermüschet hônig·und ein wenig gůts weins und gestossen kümmel·und darauff gelegt geleÿch einem pflaster· (öle von wermůt gemachet und in die oτen gelassen·bτingt widerumb dz gehôrde·(Item Wermut mit eþsig gemenget und den mund mit gewåschen·machet einen wolriechenden mundt· (Die meister spτechen·das wermůt sterck fast den magen·also vertreÿbt sÿ alles das in dem magen bôþ ist.

(Wermůt und eppich kraute·eins als vil als des andern·gestossen und den safft getruncken mit zucker und mit sŭssem holcz safft vermenget·vertreibt asma dz ist dz schwår åtmen· (Wermůt getruncken mit eþsig·hilfft dem geschwollen milcz· (Wermůt gestossen und das safft gemenget mit hônig·und an die augen gestrÿchen·machet sÿ klar· (Wermůt gesoten mit baummôl und domit den bauch bestrichen·das hilfft dem krancken magen und der bôsen lebern. (Item wermůtsafft mit hônig vermenget·ist gůt wider die trunckenheytt·Und wermůtsafft ist auch gůtt feauwen feüchtigkeit zů bewegen·die zů mann zeÿt bestopffet ist·vermenget mit beyfůþ safft·und auch mit ein weinig mirτa und auch hônig·darauþ gema [18] chet ein zapffen in jr schame geleget als Avicenna und Serapio und Pandecta sind bewåren. (Item Wermůtsafft und poτris safft genant boτago·und tausent guldin blůmen·genant centaurea·gesotten mit geyschenn milchmolcken·mit zucker sŭþ gemachet·ist gůt wider des milczs süchtung·und wider das fieber· (Item Wermůt gesoten in laugen mit stabwurcze·domitt das haubt gewåschen·ist gůt wider die har auþfallung·genant alopicia·

(1) Alsem, 3de kapittel.

Absinthium Latijn, Grieks Absinthion, Arabisch Saricon. (Arthemisia absinthium)

De meesters in de artsenij spreken dat alsem heet is in de eerste graad en droog in de andere. Platearius spreekt dat alsem een tegengestelde natuur aan hem heeft, (2) want ze laxeert en stopt en die twee zijn tegen elkaar. En daarom spreekt hij dat alsem genuttigd zal worden met vermenging en dat aangezien worden de gebreken des mensen, want is het zaak dat de natuur des mensen verstopt was zo zal men de alsem geven dingen die haar die natuur benemen van de verstopping en alleen laxeren. Is het echter zaak dat die natuur te veel vloeiend was dan zal men de alsem nemen van de natuur van de vloed en toe geven dingen die je stoppen.

Hierin merk even, wil u de mensen stoppen met alsem zo gebruik die met azijn of met wijn. Wil u echter de mensen laxeren met alsem, zo gebruik die met honing of suiker. Avicenna spreekt dat het sap van alsem erg sterk is te nuttigen dan dat kruid want het sap dat is zo heter in de eerste graad dan dat kruid.

Wie alsem sap drinkt [17] zeven dag na elkaar en op een maal vier quintin met suiker vermengt, datzelfde sap verteert yctericiam, dat is dat gezwel, en beneemt ook de mensen alzo genuttigd hydropisis, dat is die waterziekte.

En alzo genuttigd trekt het veel vochtigheid van de milt en lever. Johannes Mesue spreekt dat alsem versterkt de maag en de lever en brengt lust te eten en maakt gezond de verstopte ziekte zoals dan is de geelziekte en de waterziekte. (3) Alsem doodt de wormen in de buik en drijft ze uit machtig als men daarvan maakt een pleister alzo; Neem alsem vier maal 16,7 gram, Euphorbium een half van 16,7gram, gebrand Panicum koren een 16,7 gram en een 16,7 gram hazengal en daaronder gemengd honing en daaruit een pleister gemaakt en dat gelegd op de buik. Item.Wie dat koude lange tijd gehad heeft die gebruikt te verbeteren het sap van alsem met suiker vermengt, hij geneest daarvan gelijk. (3) Alsem sap vermengt met perzikkernen en in de oren gedruppeld maakt sterven de wormen in de oren. Alsem reinigt de maag en lever van de gallen genaamd colera en trekt in tijd diezelfde vochtigheid uit met het plassen. Ook behoedt alsem de mensen voor vulling van het bloed in het lijf, met wijn gekookt en per dag in een maal nuchter gedronken op vier lood. (3) Alsem water gemengd met een inkt behoedt dat papier voor de muizen en wormen, daarmee geschreven. Alsem is erg goed en nuttig de gekneusde leden als men daartoe doet of vermengt honing en een weinig goede wijn en gestoten komijn en daarop gelegd gelijk een pleister. Olie van alsem gemaakt en in de oren gelaten brengt terug dat gehoor. Item, alsem met azijn gemengd en dan de mond mee gewassen maakt een welriekende mond. De meesters spreken dat alsem versterkt erg de maag, alzo verdrijft ze alles dat in de maag kwaad is.

Alsem en selderij kruid, de een als veel als de andere, gestoten en het sap gedronken met suiker en met zoethoutsap vermengt verdrijft astma, dat is dat zware ademen. Alsem gedronken met azijn helpt de gezwollen milt. Alsem gestoten en dat sap gemengd met honing en aan de ogen gestreken maakt ze helder. Alsem gekookt met olijvenolie en daarmee de buik bestreken dat helpt de zieke maag en de kwade lever. (4) Item alsemsap met honing vermengt is goed tegen de dronkenschap. (5) En alsemsap is ook goed vrouwen vochtigheid te bewegen die ze in te veel tijd verstopt is, vermengt met bijvoetsap en ook met een weinig mirre en ook honing, daaruit gemaakt [18] een pen en in haar schaam gelegd zoals Avicenna en Serapio en Pandecta sinds beweren. Item. Alsemsap en bernagiesap, genaamd Borago, en duizend gulden bloemen, genaamd Centaurium, gekookt met geiten melkwei en met suiker zoet gemaakt is goed tegen de miltziekte en tegen de koorts. Item. Alsem gekookte in loog met citroenkruid en daarmee dat hoofd gewassen is goed tegen de haar uitval genaamd alopicia.

(2) Het heeft krachten die met elkaar in tegenstelling zijn, namelijk om te ontsluiten of te laxeren vanwege zijn hitte of bitterheid en samen te binden of te verstoppen vanwege zijn grove substantie. Afgaande op het uiterlijk ben je gemakkelijk van oordeel dat het de tegengestelde werking heeft, daarom moet je het niet geven wanneer het plantmateriaal niet bereid of klaar gemaakt is.

(3) Als je het sap van alsem en de olie uit de kernen van perziken in de oren doet doodt dat de wormen.

(4) Tegen dronkenschap is het goed om het sap van alsem met honing in te nemen.

(5) Een pessarium (dat is een soort van instrument in de baarmoeder net zoals een klysma in de aars) van raapolie waar alsem en bijvoet in gekookt is laat bij de vrouwen hun menstruatie komen’.

 

Knoblach iiii Capi.

Allium latine Scoτdon vel stoτdeon grece·Thaum arabice·

(Galienus spτicht·das knoblach seÿ heÿþ unnd trucken in dem dτitten grad· (Platearius und ander meister spτechen·das er seÿ warm und trucken bey dem vieτden grad· (Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel Thaum·spτicht·daz do seÿ zweÿer handt knoblach·der ein wild der ander zam·unnd haben beÿd geleÿch ein natur· (Avicenna·spτicht·das knoblach benemme und verdτucke die geschwulste des menschen in dem leÿbe woo die seÿe·der geessen·Und weychet auch geschweren·und ôffnet sÿ·und zeühet fast auþ den eytter·die gesoten und darüber geleget· (Mit knoblach safft geschmieret das haubte tôdtet die leüse unnd auch die nÿþs darauff wachþend·und ist auch gůt wider die har auþfallung genannt alopicia· (Knoblach åschen mit hônig gemüschet unnd auff die haut gestrichen·benymmet die bôsen gestalt der haut·moτfea genant· (Dise åschen also genüczet heÿlet bôse geschwere dÿe geôffnet sind·darein gestreüet·(Item knoblach åschen mit hônig unnd meÿischen buttern gemenget machet ein reÿne glate haut·die mit reüdigkeit und auþseczigkeit überzogen ist·sich domit bestrÿchen nach dem bade·

(Item knoblach ist schedlichen den augen· (Item knoblach gesotten und den genüczet·machet helle stymmen·und benÿmmt den alten hůsten·und reyniget die bτust den sÿ erkalt ist· (Knoblach gesoten [19] mit seinem kraut mit wein und den getruncken·machet fast wo hårmen·und bτingt auch also genüczet den frawen jr sucht genant menstruum· (Und zeühet auch auþ secundinam·dz ist die ander geburd·den bauch domitt bestrichen·oder den gerauch des knoblachs sol die fraw unden herauf zů jrer scham lassen tempffen·und sol auff einen gelôcherten stůl siczen·und sich unden umb bedecken·(Platearius spricht·Wer mit frawen zůschaffen haben will·der meÿde knoblach·wann er verdτucket den samen genannt sperma·das ist·die natur des mannes·und wôlcher darüber sich nôtiget·dem entsteett davon grosse kranckeÿt· (Wôlcher überzogen wåre mit bôser kalter feüchtung·jnnwenig oder auþwendig des leÿbes·der eþse dick knoblach· (Kein vergifftiges their stÿcht den menschen d jn genüczt hat mit wein. (Wen ein unsynniger hundt gebÿssen het·der neme knoblach·feÿgenbletter·camillen blůmen·ÿegkliches geleÿch vil·und siede die in wasser·und stosse die·und mache darauþ ein pflaster·und lege es auff des thieres byþs·er genÿset zůhanndt· (Knoblach gerauche vertreÿbet aller handt wŭrm die vergifft beÿ jnen tragen· (Knoblach gesotten mitt eþsig·und jn getruncken mit hônig wasser genant mulsa·vertreÿbet die spôlwŭrm und aller hanndt wŭrm in dem bauche·

(Knoblach in baummôl gesoten·heÿlet vergifftig bÿþs an beÿnen und an andern gelydern des leÿbes· (Mit diser salben vertreÿbet man den bõsen ungemach und geschwulst·auþswendig daran gestrichen· (Item knoblach gesotten mit milch·und die getruncken·benÿmmt peripleumoniam·das ist ein geschwer auff der lungen· (Diascoτides spτichet·Weer die wassersucht habe die von kalter materien kummt·genant yposarca·d neme knoblach und centaurien·und sÿede die in wein unnd trincke den·er genÿset· (Item Pitagoτas ein meister spτicht·Das knoblach gestossen·darunnder gemüschet coτiander·und also genüczett mit wein·vertreybet das lenden wee·und hilfft auch dem der do schwår åtmet·Also genüczet d selbig tranck weychet den bauch. (Item knoblach mit bonen gesotten und zerstossen·und darunder gemüschet baummôle·oder maiþsamen ôle·und darauþ gemachet ein salben·dise salb dienet fast wol·die schlåff genant tempoτa mit bestrychen für das haubtwee· (Item knoblach d mag leychtlichen verwandelet werden in fenein also·Nÿmm den samen davon und såe jn·davon wirtt knoblach·von dem selben knoblach nÿmm den samen unnd såe jn auff das zweÿet mal·dz thů fünff oder sechþ male·so ist der leczte verwandelt in fenÿn·Darum sol man dem knoblach pflanczen und nit såen·und geschicht gemeÿnigklich von dene [20] gårtnern·wiewol sÿ die ursach nit enwissen· (Item. Wer dÿck mal und ståtigs knoblach ÿþset bτinget das haubtweetumb·und ist auch bτingen unreynigkeÿt des geblŭtes·genannt lepτa. Auch ist knoblach besund bôþs roch geessen den augen· (Item knoblach gesoten oder gebτaten mit mastix·und bertrum gebulferet·davon das maul gewaåschen·ist gůt wider die zeenweetagen· (Item. Knoblach ist gůt den arbeÿtenden menschen die ståtiges wasser trincken·und eþsend auch kalte unverdeüliche speÿþ. Darumb spτechen die lerer·das knoblach sej ein triackel der bauren·Wann knoblach ist rechtfertigen und gůt machen das wasser genüczet von den bauren·

Knoflook 4de kapittel. (Allium sativum)

Allium (1) Latijn, Scordon vel stordeon Grieks, Thaum Arabisch.

Galenus spreekt dat knoflook heet en droog is in de derde graad. Platearius en andere meesters spreken dat het warm en droog is bij de vierde graad. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Thaum spreekt dat er zijn twee soorten knoflook, (2) de ene wild en de andere tam en hebben beide gelijk een natuur. Avicenna·spreekt dat knoflook beneemt en verdrukt de gezwellen des mensen in het lijf waar die zijn, het gegeten. En weekt ook zweren en opent ze en trekt erg uit de etter, die gekookt en daarover gelegd. Met knoflooksap gesmeerd het hoofd doodt de luizen en ook de neten die daarop groeien en is ook goed tegen de haaruitval genaamd alopicia. Knoflook as met honing gemengd en op de huid (3) gestreken beneemt de kwade gestalte van de huid, morfeem genaamd. Deze as alzo genuttigd heelt kwade zweren die geopend zijn, daarin gestrooid. Item knoflookas met honing en meiboter gemengd maakt een reine gladde huid die met ruigheid en uitslag overtrokken is, zich daarmee bestreken na het bad.

Item knoflook is schadelijk de ogen. Item knoflook gekookt en dan genuttigd maakt heldere stem en beneemt het oude hoesten en reinigt de borst als ze verkouden is. (5) Knoflook gekookt [19] met zijn kruid met wijn en dan gedronken maakt erg goed plassen en brengt ook alzo genuttigd de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie. En trekt ook uit secundina, dat is de nageboorte, de buik daarmee bestreken of de reuk van knoflook zal die vrouw van onderaf naar haar schaam laten dampen en zal op een aarden stoel zitten met gaten en zich onder om bedekken. (6) Platearius spreekt; Wie met vrouwen te doen hebben wil die vermijdt knoflook want het verdrukt de zaden genaamd sperma, dat is de natuur van de man, en welke daarvan zich nuttigt die ontstaat daarvan grote ziekte. Welke overtrokken was met kwade koude vochtigheid, inwendig of uitwendig van het lijf, die eet vaak knoflook. (7) Geen vergiftig dier steekt de mens die het genuttigd heeft met wijn. Als een dolle hond gebeten heeft, die neemt knoflook, vijgenbladeren, kamillebloemen, van elk gelijk veel, en kook die in water en stoot die en maak daaruit een pleister en leg het op dat dieren beet, hij geneest gelijk. Knoflookgeur verdrijft allerhande wormen die vergif bij hen dragen. Knoflook gekookt met azijn en opgedronken met honingwater genaamd mulsa verdrijft de spoelwormen en allerhande wormen in de buik.

Knoflook in vijgenolie gekookt heelt vergiftige beet aan benen en aan andere leden des lijf. Met deze zalven verdrijft men het kwade ongemak en gezwellen, uitwendig daaraan gestreken. Item knoflook gekookt met melk en die gedronken beneemt peripneumonie, dat is een zweer aan de longen. Dioscorides spreekt; Wie de waterziekte heeft dat van koude materiën komt, genaamd yposarca, die neemt knoflook en Centaurea en kook die in wijn en drink het, hij geneest. Item Pythagoras, een meester, spreekt; Dat knoflook gestoten en daarin gemengd koriander en alzo genuttigd met wijn verdrijft dat lendenpijn en helpt ook die er zo zwaar ademt. Alzo genuttigd dezelfde drank weekt de buik. Item knoflook met bonen gekookt en gestoten en daaronder gemengd olijvenolie of boommoszadenolie en daaruit gemaakt een zalf, deze zalf dient erg goed de slaap, genaamd tempora, mee bestreken voor die hoofdpijn. (2) Item knoflook die mag lichtelijk veranderd worden in venijn alzo; Neem de zaden daarvan en zaai het, daarvan wordt knoflook, van dezelfde knoflook neem de zaden en zaai het voor de tweede keer, dat doe je vijf- of zesmaal, dan is de laatste verandert in venijn. Daarom zal men de knoflook planten en niet zaaien en gebeurt gewoonlijk van den [20] tuinders, hoewel ze de oorzaak niet goed weten. Item. Wie vele malen en steeds knoflook eet brengt dat hoofdpijn en is ook brengen onreinheid van het bloed genaamd lepra. Ook is knoflook bijzonder boos rauw gegeten voor de ogen. Item knoflook gekookt of gebraden met mastiek en bertram poeder, daarvan de muil gewassen is goed tegen die tandpijndagen. Item. (4) Knoflook is goed de arbeidende mensen die staand water drinken en eten ook koude onverteerbare spijzen. Daarom spreken de leraar dat knoflook een teriakel is van der boeren. Want knoflook is rechtvaardigen en goed maken dat water genuttigd van de boeren.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt in onze taal loock genoemd en tot verschil van de wilde geslachten tam look, in het Latijn en in de apotheken Allium en Allium sativum, in het Hoogduits Knoblauch. In het Grieks heet het Scorodon. In het Grieks, zegt Lobel, is het Scorodon genoemd omdat het de mens tot uitrekken beweegt met gapen en geeuwen dat in het Grieks Scorodonismos heet wat het doet omdat het enige sterke reuk van zich geeft en in de mond een onlieflijke scherpte geeft als men dat eet en drijft de onnutte vuile dampen naar de huid’.

(2) Allen spreken van twee soorten knoflook. Platearius spreekt van allium domesticum en allium silvestre. De tweede is Allium scorodoprasum die in de Gart in kapittel 358 verschijnt en hier dus ook besproken wordt.

(3) Tegen het uitvallen van het haar dat uit stinkende vochtvermenging voortkomt: ‘Meng gestampte knoflook met de olie van laurierbes of met het droesem (dat is het dikke van de vlasolie) en daar mee bestrijk je die plaats’.

4. Drieakel (4) is knoflook, het corrigeert en verbetert het water dat na het eten gedronken wordt, daarom is het voor de scheepslui die dikwijls slecht water drinken goed om te gebruiken.

(6) En verdroogt wulpsheid en lost grote wind op en verstopping.

 (7) En geneest dolle hondenbeten en giftige beten, gepleisterd. En het is goed tegen de pijn die van verkoudheid komt zoals triakel.




Odermynge Das fünfft Capitel

Agrimonia ferτaria minoτ latine·Argemonia grece·scelen arabice·

(Der meister Platearius und ander meister in dem capitel Agrimonia·spτechend·das dises kraut seÿ heÿþ unnd trucken in dem zweÿeten grad· (Diascorides·Odermynge grŭn gestossen·und also getruncken·vertreibet die erhabnen pestilencz in dem menschen·Unnd also genüczet·vertreÿbet sÿ alle geschwere jnnerlich. (Odermynge ist gůt dem die gestochen sind von vergifftigen thieren·als von schlangen des safftes getruncken·Und ob ein tobender hundt einen gebÿssen het·der neme odermÿnge und grüþ die·und lege sÿ darauff·er genÿset·(Odermynge safft getruncken·vertreÿbet das bauchwee· (Odermynge grŭn und frÿsch gestossen·und auf die bôsen geschwere geleget·danon sich erhebet der wolff·er genÿset·(Odermÿnge gemüschet mitt eþsig vertreÿbt die wårczen daτ auff geleget geleych einem pflaster·(Wer ein bôses milcz håt der bτauch odermÿnge und hÿrþzung in der kost·er genyset·

(Die wurczel von odermynge gesoten mit wein und den genüczet·ist gût den erlammten gelÿderen·(Der meister Galienus spricht·daz odermÿnge fast gůt sej dem der den krebs hat·der sol odmynge eþsen in aller kost er ge [21] nÿset davon· (Odermÿnge nÿmet hÿn alle unreÿnigkeit des menschen es seÿ auff dem haubt oder allenthalben an dem leÿbe·domit gezwagen und gewåschen· (Odermÿnge vertreÿbt den harwŭrm·die grůþ darauff geleget·(Item allen zerknüscheten gelÿdern ist die grůse saft gůtt·darauff gebunden· (Odermÿnge heylet schleg und zerschlagne gelÿder·mit dem safft darauf gestrychen· (Item wôlcher ermŭdet wår von vil geen der bade die fŭþ mit odermÿnge·er wirt davon leychtlichen widerumb geen werden· (Von odermÿnge getruncken·vertreybet allen schmeτczen in dem leÿbe· (Item. Odermynge ist fast gůt für den stein domit gebadet in einem schweiþ bade·der do gewachþen ist von hycze und von der dürτe·als denn sind die colerici· (Item Odermÿnge ist gůt wid die bestopffung der gelyder jnnwenig·wann odermÿnge ist enge bestopffung weÿt machen·darumb so ist es wol machen hårmen· (Item Odermynge safft mit sauer ampffer wasser vermenget·ist gůtt genüczt wider verhÿczet apostemen genannt antrox·und auch wider apostemen mit der pestilencz vermenget· (Item odermÿnge wasser mit thncien vermenget·unnd zů den augen genüczet ist die augen gesundt machen und erklåren·

(1) Agrimonie. Het vijfde kapittel.

Agrimonia ferraria minor Latijn, Argemonia Grieks, scelen Arabisch. (Agrimonia eupatoria)

De meester Platearius en andere meesters in het kapittel Agrimonia spreken dat dit kruid heet en droog is in de tweede graad. Dioscorides; Agrimonie groen gestoten en alzo gedronken verdrijft die verheven pest (4) in de mensen. En alzo genuttigd verdrijft ze alle zweren innerlijk. Agrimonie is goed die gestoken zijn van (4) vergiftige dieren zoals van slangen, het sap gedronken. En als een dolle hond een gebeten heeft die neemt agrimonie en vergruis die en leg het daarop, hij geneest. Agrimonie sap gedronken verdrijft de buikpijn. Agrimonie groen en vers gestoten en op die kwade (5) zweren gelegd, daarvan zich verheft de huidsmet, hij geneest. Agrimonie gemengd met azijn verdrijft de wratten, dat opgelegd gelijk een pleister. (2) Wie een kwade milt heeft die gebruikt agrimonie en hertstong in de kost, hij geneest.

De wortel van agrimonie gekookt met wijn en dan genuttigd is goed de verlamde leden. De meester Galenus spreekt dat Agrimonia erg goed is die de kanker heeft, die zal agrimonie eten in alle kost, hij [21] geneest daarvan. Agrimonie neemt heen alle onreinheid van de mensen, hetzij op het hoofd of geheel aan het lijf, daarmee gedweild en gewassen. Agrimonie verdrijft de haarwormen, het gruis daarop gelegd. Item alle gekneusde leden is dat gruissap goed, daarop gebonden. Agrimonie heelt slagen en geslagen leden, met het sap daarop gestreken. Item wie vermoeid was van veel gaan die baadt de voeten met agrimonie, hij wordt (5) daarvan lichtelijk wederom gaande worden. Van agrimonie gedronken verdrijft alle pijnen in het lijf. Item. Agrimonie is erg goed voor de steen, daarmee gebaad in een zweet bad, die zo gegroeid is van hitte en van de droogte zoals dan zijn de galachtige. Item. Agrimonie is goed tegen de verstopping van de leden inwendig want agrimonie is enge verstopping wijder maken, daarom zo is het goed om plas te maken. Item. Agrimonie sap met zuringkruid water vermengt is goed genuttigd tegen verhitte gezwellen genaamd antrax (3) en ook tegen gezwellen met de pest (4) vermengt. (4) Item agrimonie water met thucia vermengt en tot de ogen genuttigd is de ogen gezond maken en verhelderen.

(1) Dodonaeus; ‘In het Grieks en Latijn heet dit kruid Eupatorium, Plinius noemt het Eupatoria. Het heeft ook sommige onechte namen, te weten Hepatorium en Hepatites. Daar is nochtans noch een ander kruid Eupatorium door Apuleius genoemd, te weten Malrove. Daar is ook een ander Hepatorium in de apothekerswinkels zo genoemd dat gewoonlijk gebruikt wordt wat Eupatorium adulterinum heet of boelkenskruid.

(3) Als je het groen stampt en samen met zuringwater drinkt is het goed tegen kwade puisten (als antrax) (b) en tegen beten van serpenten of dolle honden en als je het aan de buitenkant legt helpt het daar ook goed tegen’.

(4) Het helpt tegen gif en giftige dieren, dus ook tegen pest.

Herbarius in Dyetsche; ‘(5) Tegen pijnen en gezwellen van de leden meng je het sap van Agrimonia met meel van fenegriek, met bolus armeniacum (dat is rode aarde) en met zwijnenvet en gebruik het.

eppich vi Capitel

Apium latine·Gτece Selvium. Arabice Kaspar vel karsi·

(Der meister Platearius spτichet·das eppich seÿ heyþ unnd trucken bey dem dτytten grad.

(Der wirdig meister Avicenna spτicht·das eppich seÿ warm in dem ersten grad·und trucken in dem zweÿeten grad·und d same von eppich mer genüczt weτde in der erczney denn das kraut oder die würczel· (Dises kraute geleÿchet den kerbeln.und hat weÿsse blŭmmlein.(Mercke·Wenn man schτeÿbet in den recepten apium·so meÿnend dye årczte den samen und nit dz kraut noch die wurcz. (Eppich samen gebulfert und eingenommen mit råtich wasser·machet wol hårmen [22] und zerbτicht dem steiu inn d blasen und auch in den lenden· (Item Avicenna spτicht·das in d wurczel mer krafft seÿ denn in dem samen·und der same mer krafft hat denn das kraut· (Der meister ÿsaac in seinen bůch genant de dietis particularibus in dem capitel apium spτicht·Das eppich gemüschet mit wein sŭþe gemacht mit honig genant mellecrat machet den menschen wol hårmen· (Und also genüczet bτingt auch die kranckeit der frawen genant menstruum· (Eppich also genüczet machet wol dåuwen. (Plinius. Eppich wurczel gesoten mit wein und den getruncken treibet auþ den steine in der blasen und auch in den lenden· (Diascoτides in dem capitel Apium spτicht·das der samen von eppich fast gůt seÿ dem der nit hårmen mag· (Item die wurczeln von eppich gesoten in wein und den getruncken treÿbt anþ dem menschen vergifft·Und also genüczet benÿmmet das bτechen genant vomitum·und ôffnet den zerschwollen magen· (Der meister galienus in dem bůch genant de agricultura spτicht·das eppich samen bτing lust den mannen und auch den frawen·und d ursachen halb ist es verboten zů nüczen den ammen die kinder seügen·wann von grosser begirde der eppiche samen bτingt zů unkeüscheit benÿmmt er den ammen die milch und fallen die kind darnach in groþ kranckheit· (Eppich samen genüczet machet einen wolriechenden mundt·Darumbe wôlicher mit fürsten oder mit herren reden wolt d mag voτhÿn epich bτauchen in der kost· (Wervon sucht sein farbe verloτn hett d esse eppich samen tåglich in der kost sÿ wirt im wider kommen· (Epich samen mit fenchel safft und also genüczet hilffet der geschwollen milch in den bτüsten·also das sÿ darnach nit schwerent· (Dises hilfft auch der siechen lebern und milcz· (Des geleichen ist epich mit petersilg wurczel mit wein gesoten den wassersüchtigen gůt die von kalter materien kommet. (Eppich safft mit dem weissen eines eyeþ zerschlagen und mitt wercke also ein pflaster auff die wunden gelegt·seübert sÿ· (Galienus spricht·Wõlche frauwen kinder tragen die sollen epich samen meÿden·wann an des kindes leÿb werden davon unreÿn plattern· (Auch spτichet Galienus. Eppich dicker mal genüczet ist die fallend zucht bτingen·Unnd schwanger frawen sollen nit nüczen eppich·wann es ôffnet die flüþs des ungeboτnen kindes ee es die zeit begreiffet· (Und frauwen de kinder sind seügen sollen nit nüczen eppich·auff daz sÿ nit unsining werden od die fallend sucht nit überkommen·wann epich ist tåmpff in das haubt übersich bewegen· (Item.Eppich unnd stabwurczel gesotten in laugen davon gezwagen ist gůt für daz har auþ fallen genannt alopicia.(b.j) [23]

Selderij 6de kapittel.

Apium Latijn, (1) Grieks Selvium. Arabisch Kaspar vel karsi. (Apium graveolens)

De meester Platearius spreekt dat selderij heet en droog is bij de derde graad.

De waardige meester Avicenna spreekt dat selderij warm is in de eerste graad en droog in de tweede graad en het zaad van selderij meer genuttigd wordt in de artsenij dan (2) dat kruid of de wortel. Dit kruid lijkt op de kervel en heeft witte bloempjes. Merk: Als men schrijft in de recepten Apium dan bedoelen de artsen de zaden en niet dat kruid noch het kruid. Selderij zaden gepoederd en ingenomen met radijswater maakt goed (3) [22] plassen en verbreekt de steen in de blaas en ook in de lenden. Item, Avicenna spreekt dat in de wortel meer kracht is dan in de zaden en de zaden meer kracht hebben dan dat kruid. De meester Isaac in zijn boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Apium spreekt dat selderij gemengd met wijn en zoet gemaakt met honing genaamd mellecratum maakt de mensen goed plassen. En alzo genuttigd brengt het ook de ziekte der vrouwen genaamd menstruatie. Selderij alzo genuttigd maakt goed verteren (verduwen). Plinius: Selderij wortel gekookt met wijn en dan gedronken drijft uit de steen in de blaas en ook in de lenden. Dioscorides in het kapittel Apium spreekt dat de zaden van selderij erg goed is die niet plassen mag. Item de wortels van selderij gekookt in wijn en dan gedronken drijft uit de mensen vergift. En alzo genuttigd beneemt dat braken genaamd vomitum en opent de gezwollen magen. De meester Galenus in het boek genaamd de agricultura spreekt dat selderijzaden brengt lust de mannen en ook de vrouwen en vanwege die oorzaak is het verboden te nuttigen de voedsters die kinderen zuigen want van grote begeerte der selderij zaden brengt het tot onkuisheid en beneemt de voedsters de melk en valt dat kind daarna in grote ziekte. Selderijzaden genuttigd maakt een welriekende mond. Daarom wie met vorsten of met heren reden wil die mag voorheen selderij gebruiken in de kost. Wie van ziekte zijn kleur verloren heeft die eet selderijzaden dagelijks in de kost, het zal hem weer komen. Selderijzaden met venkelsap en alzo genuttigd helpt de gezwollen melk in de borsten alzo dat ze daarna niet zweren. (6) Dit helpt ook de zieke lever en milt. Desgelijks is selderij met peterseliewortel met wijn gekookt de waterzuchtige goed die van koude materie komt. Selderijsap met het witte van een ei doorslagen en met (doek) werk alzo een pleister op de wonden gelegd zuivert ze. Galenus spreekt; (4) Welke vrouwen kinderen dragen die zullen selderijzaden mijden want aan het kind lijf worden daarvan onreine plaatsen. Ook spreekt Galenus: Selderij dikwijls genuttigd is de vallende ziekte brengen. En zwangere vrouwen zullen niet nuttigen selderij want het opent de vloed van de ongeboren kinderen eer de tijd rijp is. En vrouwen die kinderen zuigen zullen niet nuttigen selderij opdat ze niet onzinnig worden of de vallende ziekte niet overkomen want selderij is damp in dat hoofd over zich bewegen. Item. (5) Selderij en staafwortel gekookt in loog en daarmee gedweild is goed voor dat haar uitvallen genaamd alopicia. [23]

(1) Dodonaeus; ‘In het Latijn is dit gewas Palustre Apium of, zo Gaza schrijft, Paludapium genoemd alsof men broek eppe zei, in de apotheken alleen Apium zonder enige toenaam, in het Grieks Elaeoselinon of liever Eleioselinon en in onze taal gewoonlijk eppe en soms joffrouw-merck, in het Hoogduits Epffich’.

Apium is afgeleid van apon: een Keltisch woord voor ‘water’, een waterplant. De naam verbasterde van apium (eigenlijk een plant die door de bij (apis) bij voorkeur bezocht wordt) tot het Midden-Nederlands eppe en midden-Hoogduits Eppe en Eppich of Epffich.

 (3) Het heeft de kracht om oprispingen en gezwellen te ontbinden, verstoppingen te openen en tevens om de pijn te verzachten. (e )Er zijn vele eppesoorten zoals de tamme die in de hof groeit en de wilde die in het wild groeit, ook is er nog een andere die in het water groeit. Het zaad, eppezaad genoemd, moet je in medicijnen doen want dat heeft de meeste kracht, het is goed tegen een stinkende mond.

Ook is eppe goed tegen verstopping van de lever (a) en van de (6) milt die uit koude zaken komen.

(5) Tegen het uitvallen van het haar: ‘Neem loog en daarin kook je eppe en averone en daar mee was je het hoofd’.

(4) Eppe sterkt en maakt een geneigdheid tot de vallende ziekte, (c) daarom zegt Galenus dat vrouwen die kinderen dragen dit moeten vermijden want het ontbindt de stof waar de vrucht in het lichaam mee gebonden is. Het maakt in de vrucht blaren en schurft.

wilden eppich vii Ca

Aium silvestre latine·

(Die meister spτechen·das dises sey ein kraut haÿþ und trucken beÿ dem dritten grade·(Dises wechþt geren beÿ den faulen wassern do die frôsch wonen·(Auch nemen etlich dises apium risus·wann der mensche der dises nüczet in den leÿbe der lachet also seer das er davon stirbt·(Darumbe dienet diþes wol melancolicis·das ist·denen die kaltter und truckner natur sind und wenig freüd haben von natur·und gern mit jn selbþ reden·Aber voτ allen dingen rat jch das mit in den leÿb zůnemen·der ursachenhalb das die frôsche und krotten darauff leÿchen und andere vergifftige thier·(Auch jst dises kraut von natur also das ein ÿegklich vergifftig thier davon nitt kumbt es hab seine nature darauff gewoτffen van freüden und küczlung seines samens·(Von disem kraut beschreÿbet uns diascoτides·und sprichet·das dises kraut beneme unnd heÿle acrocoτdines·das sind lichdoτn oder wårczen auff den zehen an den fŭssen·(Auch nemen etlich meister dises poτrt·Diþs kraut zerknüschet und auff gelegt geleÿch nem pflaster·(Disses krautes safft benÿmmet den frawen jr geschwulst an dem brüsten darauff geleget mitt eÿbisch wurczelen·(Der same dises krautes vermage alle dise obgeschribne stucke·und der same jst nit also soτgklich zů nüczen in den leÿbe alþ dann ist das kraut·(Von disem samen getruncken ist fast nücze denen die den viertågklichen ritten haben·den mit wein eingenomen und machet wol hårmen·(Auch benÿmmet der samen die verstopffung des milczes unnd der lebern· [24]

Wilde selderij, waterhanenvoet, 7de kapittel.

Apium silvestre(1) Latijn. (Ranunculus sceleratus)

De meesters spreken dat dit een kruid is dat heet en droog is bij de derde graad. Dit groeit graag bij het vuile water daar de kikkers wonen. Ook noemen ettelijke dit Apium (2) risus want de mens die dit nuttigt in het lijf die lacht alzo zeer dat hij daarvan sterft. Daarom dient dit goed melancholische, dat is die van koude en droge natuur zijn en weinig vreugde hebben van natuur en graag met zichzelf reden. Maar voor allen dingen raad ik dat niet in het lijf te nemen, vanwege de oorzaak dat die kikkers en padden daarop liggen en andere vergiftige dieren. Ook is dit kruid van natuur alzo dat ieder vergiftig dier daarvan niet komt het heeft zijn natuur daarop geworpen van vreugde en gauw zijn zaden. Van dit kruid beschrijft ons Dioscorides en spreekt dat dit kruid beneemt en heelt acrocordines, dat zijn likdorens of wratten op de nagels aan de voeten. Ook noemen ettelijke meesters dit porrt. Dit kruid gekneusd en opgelegd gelijk een pleister. Dit kruid zijn sap beneemt de vrouwen hun gezwellen aan de borsten daarop gelegd met heemstwortels. De zaden van dit kruid vermag alle deze opgeschreven stukken en het zaad is niet alzo zorgelijk te nuttigen in het lijf als dan is dat kruid. Van deze zaden gedronken is erg nuttig diegene die de vierdaagse koorts hebben, dan met wijn ingenomen en maakt goed plassen. Ook benemen de zaden de verstopping van de milt en de lever. [24]

(1) Zie kapittel 6 over de verschillende soorten Apium.

Dodonaeus: ‘Deze kruiden voeren eigenlijk de Latijnse naam Ranunculus en de Griekse Vatrachion of Batrachion als of men kikkerkruid zei, soms ook Selinon agrion, in het Nederduits heten ze hanenvoet, in het Hoogduits ook Hanenfusz.

(2). Het gewas lijkt wel wat op selderij, Apium en doordat het krampen in het gezicht veroorzaakte was de naam vroeger Apium risus; lachselderij. Die stof zit vooral in de onrijpe zaden. In het eiland Sardinië groeit een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen die een stuipachtig vertrekken van de mond teweegbrengt, risus Sardonius. Ranunculus thora en Ranunculus sceleratus werden door de Romeinen sardonia genoemd omdat ze prikkelden tot een sardonische stuiplach. Bij de oerbevolking van Sardinië bestond het gruwelijke gebruik om de ouden mensen te doden, daarbij zou gelachen worden. Dat was de beruchte risus Sardonius, een krampachtig lachen waar de ziel niet aan deelneemt.

bauern eppich

viii capitel

Apinm rusticum latine·

(Die meÿster spτechen das diþ kraut heÿþ und trucken seÿ beÿ dem vierden grade·und wirt von etlichen genant Apiuz regale d ursachen halb das es rechtfertiget alle andere kreüter mit denn es denn genüczet wirt auff zů lôsen uud zûbτechen den stein in dem lenden·(Diþ kraut gestossen und gemüscet mit weÿn domitt die kalt haut gewåschen bτingt dar ein natürliche hÿcz·(Diþ krantes safft heÿlet den krebs den gemüschet mit eþsig und darauff gelegt geleich einem pflaster·ix·tag nach einander·(Von disem kraut gemachet ein laug un dz haubt damit gewåschen benÿmbt die schŭpen auff dem haubt und machet har wachþen·(Der safft dises krauts dienet fast wol dem reüdigen menschen·die haut domitt bestrichen·und benÿmbt die geschwulst des bauches behendigklich·

(1) Boeren selderij, 8ste kapittel.

Apium rusticum Latijn. Watermerk. (Sium latifolium)

De meesters spreken dat dit kruid heet en droog is bij de vierde graad en wordt van ettelijke genaamd Apium regale, vanwege de oorzaak dat het rechtvaardigt alle andere kruiden waarmee het dan genuttigd wordt op te lossen en te (2) breken de steen in de lenden. Dit kruid gestoten en gemengd met wijn en daarmee die koude huid gewassen brengt daar een natuurlijke hitte. Dit kruid zijn sap heelt de kanker dan gemengd met azijn en daarop gelegd gelijk een pleister 9 dagen na elkaar. Van dit kruid gemaakt een loog en dat hoofd daarmee gewassen beneemt de schilfers op het hoofd en maakt haar groeien. Het sap van dit kruid dient erg goed de ruige mensen, de huid daarmee bestreken en beneemt de gezwellen van de buik behendig.

Dit is weer een van de soorten van Apium of eppe die bij Herbarius in Dyetsche en Herbarijs alleen genoemd worden, verder niets. Zie kapittel 6.

(1) Apium rusticum; van de boeren, vandaar bauern eppich.

 

feuchtblatern eppich.

ix capitel

Apium emoτrodiarum latine· (Die meÿster spτechen gemeynigklich das diþ kraut seÿ heÿþ und trucken·an dem vierden grad. Unnd dienet für den fluþ genant emoτroidalis·das ist ein fluþ in dem afftern gemüschet mitt feüchtblattern· (Für disem fluþ sol (b.ij) [25] dises krant gestossen werden und davon gemachet ein pflaster und darauffe geleget·heylet den on zweÿfel· (Auch mag dises kraut genüczet werden zů vunnden die seer blůten·darauff geleget mit eþsig und rosenwasser· (Dises kraut gesoten mit wein und domit gewåschen die unreÿnen haut moτfea genant·reinigt die von grunt und machet die glat und schôn. (Die wurczel dises krautes gedoτret darnach die gestossen zů bulfer·und dises in ein faule wunden oder fleÿsch gestreüet eczet das auþ on allen wee tag· (Und sunderlich sol disses kraut genüczet werden mit den erczneÿenn die do dienen zů den feüchtblattern·sÿ hilffet on allen zweÿfel die von grundt auþ verzeren·

Speenkruid,

9de kapittel. (Ficaria verna)

Apium emorrodiarum Latijn. De meesters spreken algemeen dat dit kruid heet en droog is aan de vierde graad.  En dient voor de vloed genaamd emorroidalis, dat is een vloed in de achterste gemengd met aambeien. Voor deze vloed zal [25] dit krant gestoten worden en daarvan gemaakt een pleister en daarop gelegd, het heelt dan zonder twijfel. Ook mag dit kruid genuttigd worden tot wonden die zeer bloeden, daarop gelegd met azijn en rozenwater. Dit kruid gekookt met wijn en daarmee gewassen de onreine huid morfea genaamd reinigt die van grond af aan en maakt die glad en schoon. De wortel van dit kruid gedroogd en daarna die gestoten tot poeder en dit in een vuile wond of vlees gestrooid eet dat uit zonder alle pijndagen. En vooral zal dit kruid genuttigd worden met de artsenijen die je dienen tot de aambeien, ze helpt zonder alle twijfel die van grond uit verteren.

Zie kapittel 6 voor een Apium soort.

(1) Dodonaeus; ‘Dit eerste kruid wordt in het Dietse groot speenkruid genoemd, in het Hoogduits Grosz feigwurtzenkraut’.

Speenkruid, speen is de gouden ader, de hamorrhoide, de Franse herbe aux hemorroides. In oud-Hoogduits was het Vigwurz, midden-Hoogduits Vicwurz of Vicwarz, staat in de gelijke betekenis met vic, vergelijk Italiaans fico: vijg, uit die verkorte vorm is Feigwurz ontstaan.

Holwurcz x capitel

Aristologia latine Accanug arabice vel Carabuth·Ariston grece vel fetalogos Apiston vel pavodτicia·

(Die meister spτechen·das do seÿ zweÿer hant aristologia die ein lang·die ander rotund·und sind beyd heÿþ in dez ersten grad unnd trucken in dem andern· (Serapio spτicht·das die rotunde holwurcze hatt bletter geleich d gundelreben und lange stengel die geen auþ einer wurczel·Dises hat ein weisse blůmen die ist jnwendig rot und stinckt unnd hat ein runde wurczel· (Es ist auch ein andere holwurcz die runde wnrczeln hat und bletter als rauten und ein blůmen die bτaun ist·Und spτichet auch das do sind zweÿerleÿ gestaltt der holwurcz genant aristologia·Die lange månlich·die rotund freülich·Und die rotund holwurcze bτaucht man fast mer in d erczeneÿ dann die langen·und die wurczel davon mer dannn die bletter. (Item·die wurczel sol man auþ graben in dem winter voτ d zeit ee die blůmen herfür kumbt die selb wurczel hat vil tugent in ir wann sy verzeret und treÿbt aus vergifft·und die wurzeln mag man halten zweÿ jar unversert an ierer krafft·Wer do fast keÿchet genant asmaticus·der nem holwurcz und wenig encian und leckricz·und müsche das mit hônig·und mache darauþ ein müschung genant electuarius·und [26] nücze das·es hilfft· (Wôlicher hett epilentiam·das ist die fallent sucht·oder das gegicht in den gelÿdern·d neme holwurcz zwei lot und ein gummi genant eufoτbium und bibergeÿl ÿegkliches ein quintin·unnd siede das mitt banmôle·und schmierbe domitt den ruck meÿsel von dem halþ biþ auff den afftern es hilffet·(Holwurcz gebulfert und gemüschet mit eþsig·ist gůt den reüdigen domit gewåschen·(Holwurcz gebulfert und in die faulen wunden gestreüet·heÿlet sÿ·und verzert das faul fleisch darin. (Holwurcze heÿlet fisteln·die fisteln voτhin geweschen mit laug gemacht von bircken åschen oder mit alaunwasser·und darnach darein gestreüet holwurcz es hilffelt·(Wen ein frau geberen sol ir kinde·der siede man holwurcze mit wein und mit baumôle·und bestreÿche sÿ auff dem bauche·sÿ genÿþt zůhanndt das kinde seÿ tod oder lebentig·(Diascoτides spτicht·das holwucz getruncken mit wein heÿlet vergifftig bÿþs und vergifftig tråncke·(Also genützt·vertreÿbt sÿ secundinam das ist·die ander geburd·(Holwurcz ist gůt genüczet den frau so sÿ kindt gewinnen mit mirra und pfeffer gemüscht· (Also genüczet vertreÿbt sÿ das kalte·(Sÿ jst auch gůtt pleureticis·das ist·ein geschweere umb die bτust· (Item holwurcz und aloe paticum gebulfert und mit kalch und hônig vermenget·ist gût für den krebs in der nasen. (Item holwurcz gebulfert mit hôning vermenget·ist gůt wider die faulung des mundes und zanfleÿschþ. (Item holwurcz gestossen·und mit dÿptam wurcze gebulferet·mit hônig vermenget in einer salben weÿse·und auff wunden geleget·ist beűlen und doτnen auþ d wunden ziehen·

Holwortel, 10de kapittel.

Aristologia (1) Latijn, Accanug Arabisch vel Carabuth, Ariston, Grieks vel fetalogos Apiston vel pavodricia. (Corydalis cava)

De meesters spreken dat er zijn (2) twee soorten Aristolochia, de ene lang en de ander rond en zijn beide heet in de eerste graad en droog in de andere. Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel. Er is ook een andere holwortel die ronde wortels heeft en bladeren als ruit en een bloem die bruin is. En spreekt ook dat er twee gestalten van holwortel zijn genaamd Aristolochia. De lange mannelijk, de ronde vrouwelijk. En die ronde holwortel gebruikt man vast meer in de artsenij dan die lange en de wortel daarvan meer dan de bladeren. Item, die wortel zal men uitgraven in de winter voor de tijd eer die bloemen tevoorschijn komt, diezelfde wortel heeft veel deugd in zich want ze verteert en drijft uit vergift en die wortel mag men houden twee jaar ongedeerd aan haar kracht. (3) Als je erg kucht, genaamd astmaticus, die neemt holwortel en weinig gentiaan en zoethout en meng dat met honing en maak daaruit een mengsel genaamd likkepot en [26] nuttig dat, het helpt. Wie epilepsie heeft, (4) dat is de vallende ziekte of dat jicht in de leden die neemt holwortel twee lood en een gom genaamd Euphorbia en bevergeil, van elk een quintim, en kook dat met olijvenolie en smeer daarmee den ruggenwervel van de hals tot op het achterste, het helpt. (5) Holwortel gepoederd en gemengd met azijn is goed de ruigte daarmee gewassen. (6) Holwortel gepoederd en in de vuile wonden gestrooid heelt ze en verteert dat vuile vlees daarin. Holwortel heelt etterwonden, die etterwonden daarvoor gewassen met loog gemaakt van berkenas of met aluinwater en daarna daarin gestrooid holwortel, het helpt. Als een vrouw baren zal haar kind dan kookt men holwortel met wijn en met olijvenolie en bestrijk haar op de buik, ze geneest gelijk, dat kind is dood of levend. Dioscorides spreekt dat holwortel gedronken met wijn heelt vergiftig beten en vergiftige dranken. (7) Alzo genuttigd verdrijft ze secundinam, dat is die andere geboorte. Holwortel is goed genuttigd de vrouw zo ze kind wint met mirre en peper gemengd. Alzo genuttigd verdrijft ze dat koude. Ze is ook goed pleuris, das is een zweer om de borst. Item holwortel en Aloë paticum gepoederd en met kalk en honing vermengt is goed (8) voor de kanker in de neus. Item holwortel gepoederd en met honing vermengd is goed tegen die vervuiling van de mond en tandvlees. Item holwortel gestoten en met diptamkruid gepoederd en met honing vermengt in een zalf wijze en op wonden gelegd is builen en dorens uit de wonden trekken. (3)

1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is in Hoogduitsland Holwurtz, in Nederduitsland hool-wortel genoemd, in het Latijn Radix cava, te weten de eerste is eigenlijk Radix cava of Radix cava major, dat is grote holwortel.

(2) ‘Serapio spreekt dat die ronde holwortel heeft bladeren gelijk de hondsdraf en lange stengels die gaan uit een wortel. Deze heeft een witte bloem die is inwendig rood en stinkt en heeft een ronde wortel’. Het is dus geen klimplant want de bladeren gaan uit de wortel. Ook de afbeelding laat meer een plant zien als Corydalis cava. De andere holwortel zie je in het volgende kapittel, dat is dan Aristolochia longa die naar de tekst een lange steel heeft. Die heet bij Bock en andere oude Duitse schrijvers dan ook Hohlwurz.

(5) Tegen schurft meng je het poederachtige mengsel dat samengesteld is uit het poeder van de ronde holwortel, het sap van zuring en aardrook en wat Aloë, levermos en ongebluste kalk en olie van laurierbes.

(4) Tegen vallende ziekte en jicht. ‘Neem twee delen van de gebroken ronde holwortel; van bevergeil een deel; levende zwavel en Euphorbia, van elk een half deel; meng het tezamen met olie van bevergeil en met was en maak er een zalf van, die strijk je wat op de ruggengraat, te weten achter aan het nekhaar van boven naar beneden’.

(7) Wijn waar deze ronde holwortel met Asarum en selderij in gekookt en gedronken is laat bij de vrouwen hun stonden komen, het verdrijft de levende en dode vrucht met de moederkoek waar het in rust. 

(3) Tegen astma is het goed om de wijn te drinken waarin de ronde holwortel met hysop en zoethout in gekookt is.

(8) Het poeder van deze wortel dat met het poeder van Aloë en levende kalk in honing gemengd is is goed tegen kankerachtige zweren in de neus.

(6) Het poeder hiervan dat met het poeder van dictamnus en honing tezamen gemengd is trekt dorens uit want deze ronde wortel heeft de kracht om af te drogen, te verfijnen, te verdunnen en aan te trekken.

osterluczie xi Capitel

Aristologia longa·(Die wirdigen meyster Avicenna Galienus Diascoτides Platearius und Plinius spτechen·das die lange holwurcz seÿ warm an dem dτitten grade und trucken an dem andern grade·Die lange holwurcz hat einen langen styl und bletter daran die geleychen den blettern an der haselwurcze·allein das osterlucien oder holwurcz blet (V.iij.) [27] ter weÿcher sind an dem griffe·Die wurzel ist lang geleÿch den petersilgen wurczeln. (Plinius spτicht·das beÿde osterlucien die lang und die rund gebulfert und darunder gemüschet mirren ÿegklichs geleich vile·und dises genüczet ein quintin mit warmeτ wein reÿniget die můter genant matrix·von ierer unflåtigkeite·und treÿbet auþ die todt geburt. (Für das podogram nÿm wegbτeÿte eÿbisch wurczeln und lange holwurczel ÿegklichs geleich vile·und müsche darunder hônig und lege das auff den gebτesten es senfftiget und mÿndert den wetagen·Die osterluczie ist fast gůt den faulen wunden·des bulfers darein gestreüwet·(Wôlches pfård gewundet wirt von vil reiten oder tragen·d streüe des bulfers von diser osterlucien in die wunden und schlage darauff pfårdes mÿst·es heÿlet zů handt·

(Platearius. Nÿmm osterlucien und aloe paticum ÿegkliches geleich vil·und müsch darunder rosen hônig·und mache darauþe ein pflaster·Diþs pflaster ist gůt genüczet allen alten schåden·alþs dan ist der krebþ·fistel·d wolff·wie die sein mügen an den beÿnen und anderþwo·heÿlet es senfftigklich darauff gelegt und die schåden oder gebτesten sollen voτhÿn geseüberet werden mit weinstein ôle·oder mit wasser darin mirra gesotten ist·(Dises also genüczet benÿmmet die ausseczigkeit·(Diascoτides·osterlucien gebulfert und gemüschet mit hônigwasser und das getruncken·benÿmbt asma·das ist das keychen und raumet die bτust·(Wer einen pfeÿle in seÿnen leÿbe hett der neme beÿde osterluczien und dÿptamus ÿegkliches geleÿch vil·Und seüde dises in gůtem wein und seÿhe den weine durch ein reÿnes tůch·und trinck dem des abents und des moτgens·und lege die gesoten kreuter auff dz loch do der pfeÿl in ist·es zeüchte herauþ senfftigklichen und heÿlet zů handt·(Item osterluczÿ ist gůt für den kürczen atem der do kommet von schleÿmiger feüchtigkeit in der bruste saugende genant asma humidum·Nÿm zweÿ teÿl osterluczÿ und ein halb teÿl encian mit einen halben teÿl schwårtelwurcz gebulfert mit gescheümten hônig vermenget davon genüczet·(Auch ist osterluczÿe gůt wider fenÿn·der gethiercze und wider gebÿþs d fenÿnnige gethiercz·uÿm osterluczien bulfer mit rauten safft vermenget darauff geschmieret·[28]

(1) Pijpbloem, 11de kapittel.

Aristologia longa. Pijpbloem. (Aristolochia longa) De eerwaardige meesters Avicenna, Galenus, Dioscorides, Platearius en Plinius spreken dat de lange holwortel warm is aan de derde graad en droog aan de andere graad. De lange holwortel heeft een lange steel en bladeren daaraan die gelijken op de bladeren aan de hazelwortel, alleen dat pijpbloem of holwortel [27] bladeren weker zijn aan te pakken. De wortel is lang gelijk de peterseliewortels. (2) Plinius spreekt dat beide pijpbloemen, de lange en de ronde, gepoederd en daarna gemengd mirre en van elk gelijk veel en dit genuttigd een 1,67gram met warme wijn reinigt de baarmoeder genaamd matrix van haar onzuiverheid en drijft uit de dode geboorte. Voor dat podagra neem weegbree, heemstwortels en lange holwortel, van elk gelijk veel, en meng daarmee honing en leg dat op de gebreken, het verzacht en vermindert de pijndagen. (3) De pijpbloem is erg goed de vuile wonden, dat poeder daarin gestrooid. Wiens paard gewond wordt van veel rijden of dragen die strooit dat poeder van deze pijpbloem in de wonden en slaat daarop paardenmest, het heelt gelijk.

(3) Platearius: Neem pijpbloem en Aloë paticum, van elk gelijk veel, en meng daaronder rozenhoning en maak daaruit een pleister. Deze pleister is goed genuttigd alle oude schaden zoals dan is de kanker, etterwonden en de huidsmet waar die zijn mogen aan de benen en ergens anders, het heelt het zachtjes daarop gelegd en de schaden of gebreken zullen voorheen gezuiverd worden met wijnsteenolie of met water daarin mirre gekookt is. Dit alzo genuttigd beneemt de huiduitslag. (4) Dioscorides: pijpbloem gepoederd en gemengd met honingwater en dat gedronken beneemt astma, dat is dat kuchen, en ruimt de borst. Wie een peil in zijn lijf heeft die neemt beide pijpbloemen en Dictamnus, van elk gelijk veel, en kook dit in goede wijn en zeef de wijn door een reine doek en drink dat ‘s avonds en ’s morgens en leg die gekookte kruiden op het gat daar de pijl in is, het trekt het eruit zachtjes en heelt gelijk. (4) Item pijpbloem is goed voor de korte adem die je komt van slijmerige vochtigheid in de borst zuigt genaamd astma humidum. Neem twee deel pijpbloem en een half deel gentiaan met een half deel gladiool gepoederd met geschuimde honing vermengt en daarvan genuttigd. (5) Ook is pijpbloem goed tegen venijn van het gedierte en tegen beten der venijnige dieren, neem pijpbloem poeder met holwortel sap vermengt daarop gesmeerd. [28]

Zie kapittel 10.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Grieks en in het Latijn Aristolochia omdat het op het Grieks ariste tais lochois is, dat is zeer goed voor de vrouwen die gebaard hebben.

(4) Tegen ademgebrek zoals astma uit vochtigheid: ‘Neem twee delen van de lange holwortel, een half grein, en een deel gentiaan met wat poeder van Iris, maak er met afgeschuimde honing een likkepot van en gebruik het als je wilt’.

(5) Het poeder hiervan dat in het sap van ruit of munt en met honing gemengd is helpt tegen gif en venijnige beten van ongedierte.

(3) Het poeder van deze lange holwortel bijt door het vlees heen in wonden en lopende gaten, (fistel, a) als je een verband maakt en dit met honing bestrijkt en daar het poeder op strooit en het zo in lopende gaten steekt.

(2) Om de dode vrucht en de levende met de moederkoek waar de vrucht in ligt kwijt te raken, kook de lange holwortel met peper en mirre en dit neem je in. 

(3) Het poeder van deze wortel dat met de wortel van Iris, dictamnus en honing tezamen gemengd en als een soort zalf gemaakt is trekt uit je lijf wat in wonden of in zweren steekt.



eybisch xii Capi

Altea malva hÿspanica malva·agrestis malva·vÿscus ÿbiscus·Eniscus latine·Arabice Cristotos·Shoboτeticum·Rososamen·Grece molochia Agria·

(Der meister Diascoτides in dem capitel altea spτicht·das die bletter sind rund geleÿche der haselwurcz·und has ein blůmen geleich den rosen·ir wurczel ist lang·und hat vil feüchtung in ir·und ist inwendig weÿþs· (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dez capitel Altea spτicht das altea seÿ heÿsser natur·Und spτicht·das die wurczel gesotten wit dem kraut und auff die herten geschwer gelegt·weychet sÿ·(Eÿbisch bletter gesotten mit baumôle·sind gůt zů aller hand hÿcze anþwendig des leibes als ein pflaster darauff geleget·(Eÿbisch wurczeln gesotten und gemenget mit eþsig·nÿmbt hin moτfeaz·das ist·die bôse gestalten der ausseczigkeÿt·

(Der samen von eÿbich ist vil stercker zů der ÿeczgenanten fücht·wan er weÿchet alle hertte geschwere die do hÿczig sind und heÿlet sere·(Also genüczt·ist er auch fast gůt den zerschwollen gelÿdern·(Eÿbisch wurczel und leÿnsamen gesotten und füro an den halþ gelegt als ein pflaster weichet squinanciam·das ist·eine geschwere in der kelen. (Der samen von eÿbisch nimbt den hůsten der sich erhaben hat von hicze·vund machet fast auþwerffen davon ein tranck gemacht mitt ÿsop und leckricz in wasser od in wein gesoten·(Der samen mit wein gesoten unnd darunder gemüschet baaumôle·vertreÿbt aller handt miþflecken unnder den augen domit gewåchen· (Eÿbich wurczeln gesoten·und geleget do sich ein mensche gebτennet hat·zeühet auþ grosse hicze·

(Und die zerbτochen sind in dem leÿbe sollen bτauchen den samen von eÿbisch und darüber dτucken sÿ genesen davon·(Item wo einen ein beÿn gestochen het d neme eÿbisch wnrczel·uud menge die mit eþsig und streich den dar auff·er genÿset zůhandt·(Eÿbisch wurczel gesoten mit wein und den getruncken·macht fast (v.iiij·) [29] wol hårmen·(Der samen von eÿbisch treybt auþ den stein der in den lenden ligt·(Der meister Serapio spτicht·das der samen von eÿbisch so er frisch ist unnd getrucknet und darnach klein gestossen und gesoten mit eþssig uud domit geschmieret in der sunnen heÿlet moτfeam·das ist ein unreinigkeit der haut eines auþseczigen menschen·(Eÿbisch wurczel gesoten mit wein und den also getruncken ist fast gůt den jnnerlichen gelÿdern die zerbτochenn wåren von schlegen stossen odeτ von fallen·(Item eÿbÿsch wurczel gesoten mit eþsig unnd den muudt mit gewåschen·machett gůt zeen und benÿmbt den schmerczen des zanfleÿsches·

(1) Heemst, 12de kapittel.

Althaea malva hyspanica, Malva agrestis, Malva viscus, Ibiscus, Eniscus Latijn. Arabisch Cristotos, Shoboreticum, Rosozaden. Grieks Molochia agria. (Althaea officinalis)

De meester Dioscorides in het kapittel Althaea spreekt dat de bladeren zijn rond gelijk het mansoor en heeft een bloem gelijk de rozen, haar wortel is lang en heeft veel vochtigheid in zich en is inwendig wit. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Althaea spreekt dat Althaea is van hete natuur. (2) En spreekt dat de wortel gekookt met het kruid en op de harde zweer gelegd ze weekt. Heemstbladeren gekookt met olijvenolie zijn goed tot allerhande hitte uitwendig aan het lijf als een pleister daarop gelegd. (3) Heemstwortels gekookt en gemengd met azijn neemt weg morfeem, das is die kwade gestalte van de huiduitslag.

De zaden van heemst zijn veel sterker tot de net genoemde vochtigheid want het weekt alle harde zweren die je heet zijn en heelt zeer. Alzo genuttigd is het ook erg goed de gezwollen leden. Heemstwortel en vlaszaden gekookt en vooraan de hals gelegd als een pleister weekt squinancie, das is een zweer in de keel. (3) De zaden van heemst neemt dat hoesten dat zich verheven hebben van hitte en maakt erg uitwerpen, daarvan een drank gemaakt met hysop en zoethout in water of in wijn gekookt. De zaden met wijn gekookt en daaronder gemengd olijvenolie verdrijft allerhande misvlekken onder de ogen, daarmee gewassen. Heemstwortels gekookt en gelegd daar zich een mens gebrand heeft trekt uit grote hitte.

En die gebroken zijn in het lijf zullen gebruiken de zaden van heemst en daarover drukken, ze genezen daarvan. Item wie een bij gestoken heeft die neemt heemstwortel en meng die met azijn en strijk die daarop, het geneest gelijk. Heemstwortel gekookt met wijn en dan gedronken maakt erg goed [29] plassen. De zaden van heemst drijft uit de steen die in de lenden ligt. (2) De meester Serapio spreekt dat de zaden van heemst zo het vers is en gedroogd en daarna klein gestoten en gekookt met azijn en daarmee gesmeerd in de zon heelt morfeem, das is een onreinheid der huid van een schurftige mens. Heemstwortel gekookt met wijn en dan alzo gedronken is erg goed de innerlijke leden die gebroken waren van slagen, stoten of van vallen. Item heemstwortel gekookt met azijn en de mond mee gewassen maakt goede tanden en beneemt de pijn van het tandvlees.

(1) Dodonaeus: ‘Het eerste en het gewoonste van deze twee kruiden heet hier te lande witte maluwe en witten huemst, in Hoogduitsland Ibisch, de Grieken noemen het Althaea en Ebiscos of Ibiscos, sommige Arisalthaea en de Latijnen noemen het ook Althaea en Ibiscus, de apothekers Bismalva en Malvaiscus als of men Malva Ibiscus zei.

(3) Tegen morfeem (dat zijn witte of zwarte plekken in de huid) kook je heemstzaad met knoflook en azijn en strijk je daarmee over het gezicht of de huid in de zon want dat roeit die plekken uit. Als je hetzelfde doet, maar met olie, en op die plaats legt is het goed tegen beten van ongedierte en tegen bijensteken.

(2) Tegen zweren van de darmen en blutsingen van de zenuwen kook je witte heemstwortel in wijn en water met wat mastiek.

sauerampfer xiii capi

Acetosa latine·Humat arabice, Grece Oxiolappacium·

(Der meister Paulus spτichet·das acetosa seÿ trucken und kalte in dem dτittenn grade·Unnd der same davon kalt in dem ersten grade·unnd trucken in dem andern·(Die wirdigen meister spτechen·das acetosa sey zweÿer hand·eine groþ die ander klein. Die groþ hat lang stengel und oben daran knôpffe geleiche der grossen kletten und die ist genant Acetosa maioτ·Dÿe kleine hatt kleive bletter die seind feÿþt·und hat einen dünnen style und einen kleinen samen·unnd dises ist genannt accedula oder acetosella und diþ ist auch kalt und truckner natur·und dienet dem heyssen magen und der bôsen lebern und zů dem herczen und bτinget luste zů essen·Aber zů disen allen ist acetosa maioτ besser· (Der meister Serapio spτicht das sauwer ampffer geessen vertreÿbet den unlust und machet den menschen lustig zů essen·(Item sauwer ampffer mit hauþ moþ czůsamen gestossen unnd darunder gemüschet eþsig und gelegt auff das heÿlig feüer oder auff ein enczondet gelÿde·leschet das zů hand. (Item sauer ampffer gestossen und über die augen gelegt geleiche einen pflaster·vertreÿbet·dye geschwulst davon·(Item sauer ampffer heÿlet die flecken an dem leÿb wo die sein mügen·genant moτfea·darauff geleget geleÿch [30] einem pflaster·(Itez also genüczet heylet er den bτant und von disen obgeschrbnen kranckeiten mag man nemen das kraut den samen und wurczeln· (Diascorides·der safft von sauerampfeτ getemperiert mit baum ôle und an das haubt gestrichen das grossen schmerczen hat von hÿcze·benÿmmet die hÿcze·(Item sauerampffer mit wein getruncken od ståtigklich geessen·vertreybt aller hand sucht die do kommen von hicze als die geelsuccht die do kommet von der lebern oder milcze genant ÿctericia·(Das selb hilfft auch den weÿben also getrnncken ob ir sucht zů lang weret genennet menstruum·und sunderlichen von dem samen·(Item d same genüczet vertreybt die spôlwŭrme·( Und ist auch gůt für vergifft·und besunder wider gebÿþs der vergifftigen thiere·als Avicenna und Serapio davon spτechen·Itez der safft von sauerampffer umb die augen gestrichen erleüchtet sÿ· (Die meister sprechen Wer sauer ampffer beÿ jm trage·den steche der tharant nit. (Dises safftes in die oτen gelassen vertreÿbet die geschwulst in den oτen·(Der meister Plinius spτichet·daz do seÿ ein ander kraut das heÿþet hauþwurcze oder hauþlauch·und das hat alle dÿe krafft und tugent in im die der sauer ampffer hat·Und man mage auch das nüczen zů allen den süchten darzů man nüczet sauer ampffer·(Item. Wer sauer ampffer nüczet in einem salath mit eþsig ist die schwindikeit d gallen uberwinden·(Und sauer ampffer wassers mit triackers vermüschet ist gůt wider die pestilencz·(Item sauer ampffer safft ist gůt wider den blůtgange des gedårmes genant dssinteria·

(Dz selb safft ist auch gůt wid den fluþ der guldin adern genant fluxus emoτrodiarin·(Item sauer ampffer safft genüczet·der ist gůt wid die trunckenheit·(Item Avicenna spτicht. Wer sauerampffer wurceln ann seinem halþe tregt dem ist es vertreÿbend dye knoden und beülen an dem halþ.

Zuring, 13de kapittel.

Acetosa (1) Latijn. Humat Arabisch, Grieks Oxiolappacium. (Rumex acetosa)

De meester Paulus spreekt dat acetosa droog en koud is in de derde graad. En het zaad daarvan koud in de eerste graad en droog in de andere. (4) De eerwaardige meesters spreken dat acetosa tweevormig is, een grote en de andere klein. De grote heeft lange stengels en boven daaraan knoppen gelijk de grote klis en die is genaamd Acetosa major. De kleine heeft kleine bladeren en die zijn vast en heeft een dunne steel en kleine zaden en deze is genaamd accedula of acetosella en dit is ook koud en droge natuur en dient de hete magen en de kwade lever en tot het hart en brengt lust tot eten. Maar tot dit alles is acetosa major beter.  De meester Serapio spreekt dat zuring gegeten verdrijft de onlust en maakt de mensen lust tot eten. Item zuring met huismos tezamen gestoten en daaronder gemengd azijn en gelegd op dat heilig vuur of op een ontstoken lid, lest dat gelijk. Item zuring gestoten en over de ogen gelegd gelijk een pleister verdrijft de gezwellen daarvan.  Item zuring heelt de vlekken aan het lijf waar die zijn mogen genaamd morfeem, daarop gelegd gelijk [30] een pleister. Item alzo genuttigd heelt het de brand en van deze opgeschreven ziekten mag man nemen dat kruid, de zaden en wortels. Dioscorides: het sap van zuring getemperd met olijvenolie en aan dat hoofd gestreken dat grote smarten heeft van hitte, beneemt die hitte. Item zuring met wijn gedronken of steeds gegeten verdrijft allerhande ziekte die je (3) komen van hitte zoals de geelzucht die je komt van de lever of milt genaamd ÿctericia. (3) Datzelfde helpt ook de vrouwen alzo gedronken als hun ziekte te lang duurt genoemd menstruatie en vooral van de zaden. Item dat zaad genuttigd verdrijft de spoelwormen. En is ook goed voor vergift en uitzonderlijk tegen beten der vergiftige dieren zoals Avicenna en Serapio daarvan spreken. Item, het sap van zuring om de ogen gestreken verlicht ze. De meesters spreken; Wie zuring bij hem draagt die steekt de tarantella niet. Dit sap in de oren gelaten verdrijft de gezwellen in de oren. De meester Plinius spreekt dat er een ander kruid is dat heet huiskruid of daklook en dat heeft alle de kracht en deugd in hem die de zuring heeft. En man mag ook dat nuttigen tot alle de ziektes daartoe man nuttigt zuring. Item. Wie zuring nuttigt in een salade met azijn is de duizeligheid der gallen overwinnen. En zuringwater met teriakel vermengt is goed tegen de pest. Item zuringsap is goed tegen de bloedgang van de darmen genaamd dysenteria.

Datzelfde sap is ook goed tegen de vloed der gulden aderen genaamd fluxus hemorrodiarium. Item zuring sap genuttigd dat is goed tegen die dronkenschap. Item Avicenna spreekt: Wie zuringwortels aan zijn hals draagt dat is hem verdrijven de knobbels en builen aan de hals.

(1) Dodonaeus; ‘Al deze kruiden worden onder een naam begrepen, in het Grieks Lapathon en in het Latijn Rumex.

(2) En die het eet in de lente maakt goede appetijt en laat zeer hongeren en verdrijft alle hitte. En het is goed gepleisterd op (5) alle druppels en op hete gezwellen.

(3) Tegen de loop van baarmoeder bloedingen wrijf je de wortel en kook die in wijn, het breekt ook de nierstenen en het afschaven van de darmen.

(4) Er worden 2 soorten beschreven, zo ook in Herbarius in Dyetsche.  Lapacium acutum, met scherpe bladeren, de beste. Lapacium rotundum met brede bladeren waar men boter in draagt.

Dylle xiiii capitel [31]

Anetum latine·arabice Debeth. (Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Debet·idest Anetum spτicht·dz anetum allen leüten seÿ wol bekant unnd sein natur ist warme machen in dem leczten des dτitten grades·und trucken machen an dem anfang des audern grades·(Der wirdig meister Avicenna spτichet·das dÿlle genüczt machet wol schlaffen·und sunderlichen das ôle davon an das haubt gestrichen·(Der safft von dil oder dÿl olei ist gůt wider dem wetagen d oτen·darein warm gelassen·(Er spτicht auch·das dÿlle sei schedlich den augen die ståtiklich genüczet·Der same von dil und das kraut·genüczet den frauwen die kinder seügen bτinget jn vil milch·und sunderlich also genüczet mit linsen bτüe·(Wer vil speyet d neme ein teÿl wassers mit dill und ein teil gesotten mit maiþ samn·und die unnder einander gemüschet und des getruncken·benymmbt das vil speyen·(Dÿll gesoten und getruncken·vertreibt des bauches ungemach·(Der samen von dill heilet emoτrodias·dz ist sein chloþ in dem afftern davon entstend die feichtblatern·des bulfers von den samen darein gestreüet·(Dye åschen von dill ist gůt für allen gebτesten des afftern und wetagen des mannes dinger genant testiculus et virga· (Paulus ein meister spτicht in dem capitel von dill·das dill gesotten und genüczet seye fast gůt stranguiriosis·dz ist·do dτŭplingen hårmen·(Item dill gesotten mit zucker·und darunder gemüscht ôll und wein·ist fast gůt der můter genant matrix·unnd nÿmbt hin secundinam·und bringt den frauwen ir kranckeit genant menstruum des getruncken auff zwei quintin·(Platearius·dill gesoten und getruncken·ist fast gůt den die erkaltet sind umb die bτust·(Item der samen von dill·und nesseln samen·ÿegklichs geleich vil gebulfert·und darunder gemüscht mett hônig·und dar auþs gemachet ein pflaster·und gelegt auff die feüch blatern·heÿlet die zů handt·(Der meister genant rabi moÿses·jn dem capitel Anetum spτichte das der dillsamenn vermenget mit mastix·ist gůtt für dz schlicken dz kumbt von einen follen magen·(Plinius spτicht die wurczel gestossen und geleget auff die augen·benÿmmbt die hicze darauþ·(Dill gesotten und darunder gemüschet mastix·benimet das bτechen genant vomitum·(Dill geessen stercket das hirn· und den magen·(Item dill õle ist gůt in wetagen d odern genant artetica·mit d salbeenn genant ungentum die alte vermenget·(Item dillôle mit meiþsamen ôle vermenget·ist machen schlaffen·die stirn damit geschmieret·(Item dill samen·zům dicker mal von dem genüczet d ist des mannes samen verzeren·genennet sperma·Alþ Avicenna und Serapio die meister spτechende [32] Item. Dÿll samen gesotten in wasser darein sollen ftrawen siczen ist gůt wider den weetagen der můter·

Dille 14de kapittel. [31]

Anethum Latijn. (1) Arabisch Debeth. (Anethum graveolens)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Debet, id est Anetum, spreekt dat Anethum alle lieden goed bekend is en zijn natuur is warm maken in de laatste van de derde graad en droog maken aan de aanvang van de andere graad. De waardige meester Avicenna spreekt dat dille genuttigd maakt goed slapen (2) en vooral de olie daarvan aan dat hoofd gestreken. Het sap van dille of dillenolie is goed tegen de pijndagen van de oren, daarin warm gelaten. En spreekt ook dat dille schadelijk voor de ogen is die steeds genuttigd. (3) Het zaad van dille en dat kruid genuttigd door de vrouwen die kinderen zuigen brengt hen veel melk en vooral alzo genuttigd met linzen bouillon. Wie veel spuwt die neemt een deel water met dille en een deel gekookt met boommos zaden en die onder elkaar gemengd en dat gedronken beneemt dat vele spuwen. (4) Dille gekookt en gedronken verdrijft de buik ongemak. (6) De zaden van dille heelt hemorroide, dat zijn kloven in het achterste daarvan ontstaat de aambeien, dat poeder van de zaden daarin gestrooid (6) De as van dille is goed voor alle gebreken des achterste en pijndagen van de mannen ‘s ding genaamd testiculus en virga. Paulus, een meester, spreekt in het kapittel van dille dat dille gekookt en genuttigd erg goed is stranguriosis, dat is die druppelend plassen. Item dille gekookt met suiker en daaronder gemengd olie en wijn is erg goed de baarmoeder genaamd matrix en neemt weg nageboorte en brengt de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie, dat gedronken op twee maal 1,67gram. Platearius: dille gekookt en gedronken is erg goed diegene die verkouden zijn om de borst. Item de zaden van dille en brandnetelzaden, van elk gelijk veel, gepoederd en daaronder gemengd met honing en daaruit gemaakt een pleister en gelegd op die aambeien heelt die gelijk. De meester genaamd Rabbi Moises in het kapittel Anethum spreekt dat de dillenzaden vermengt (4) met mastiek goed is voor dat slikken dat komt van een volle maag. Plinius spreekt; die wortel gestoten en gelegd op de ogen beneemt de hitte daaruit. Dille gekookt en daaronder gemengd mastiek beneemt dat braken genaamd vomitum. Dille gegeten versterkt de hersens en de magen. Item dille olie is goed in pijndagen der aderen genaamd artetica met de zalf genaamd ungentum diealte vermengt. Item dillenolie met boommos zadenolie vermengd is maken slapen, dat voorhoofd daarmee gesmeerd. (5) Item dillenzaden vele malen ervan genuttigd dat is de mannen zaden verteren genoemd sperma. Zoals Avicenna en Serapio die meesters spreken. Item. [32] Dille zaden gekookt in water daarin zullen vrouwen zitten is goed tegen de pijndagen van de baarmoeder.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid in onze taal dille, in het Hoogduits Tillen, in het Grieks Anethon en bij sommige Anekethon, in het Latijn noemt men het ook Anethum.

(2) Herbarius in Dyetsche;Dillenolie dat met olie van papaverzaad gemengd is en op de slapen van het hoofd gestreken wordt laat je slapen’.

Het poeder van dillenzaad dat in soep, vleessap of pap gegeven wordt is goed voor vrouwen want het laat de (3) melk in hun borsten overvloeien.

(4) Omdat dille wordt gebruikt bij het inmaken van augurken heet het ook augurkenkruid. Pickles maakten dille beroemd, het verbetert de spijsvertering.

(5) Het is een slechte zaak om veel dillenzaad te eten want het verteert sperma volgens Avicenna en Serapio.

(6) As van dillenzaad is goed op aambeien van de aars, op de zwerende manlijke roede en op gezwollen ballen te leggen.

Enysz xv Capi

Anisum grece et latine·Aneisuz arabice·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Aneisum spτicht das der åniþ gůt seÿ so er frisch seÿ·und d ist gůt d grosse kõτner hat·(Der meÿster Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel anisuz spτicht·das der åniþ seÿ heiþ und trucken in dem dτitten grade·

(Er sprichet auch das åniþ gůt dem zerblasen antlicz·einen rauch davon gemachet und den gelassen in die naþlôcher·(Er benÿmmet auch also genüczet haubtwee und das schwÿndeln·(åniþ gestossen und gemenget rosen ôl und daz gelassen in die oτen bτinget widerumb das gehôτde. (åniþ dÿll und fenchel samen·bτingen den frawen vil milch·(åniþ genüczet leschet den durst·(åniþ geessen ist gůt der verstopfften lebern·(åniþ geessen macht wol hårmen·(Der meister Galienus in den vj·bůch genant simplicium farmaciarum·in dem capitel Anisum spτichet·das åniþ seÿ durch dτingen die bôsen früchttung·und benÿmmt das bauchwe und verzeret die windt genant vento sitates·(Item åniþ reiniget den frawen ir můter genant matrix von bôser feüchtigkeyt·(åniþ bτinget begierd den frauwen und den mannen·und meret des mannes samen in speÿþe geessen·(åniþ genüczet thůt auff die verstopfften nieren unnd blasen·(åniþ gesotten mit fenchel ist fast gůt den die das katt lange zeit gehabt haben·(åniþ treibet auþ vergifft.(Item åniþ ståtigklichen geessen gibet dem menschen gůte hÿcze·(Item wie man åniþ nüczet so vertreibet er den wÿndt der die dårme verhyrtet und den magen beschwåret·(åniþ gibt gůte hÿtze d lebern·und machet wol deüwen. (Der meister Diascoτides bescheÿbet aüch alle stucke·wie der meister Avicenna vonn dem åniþ beschreÿbet·[33]

(Item· åniþ jst auch gůt wider die sauren reÿczung die do kommet von einen kalten unverdåulichen magen·darczů in sunderheÿt jst gůt åniþ gesoten in wein mit zÿmerÿnden und mit mastix vermenget·(Item wider bestopffung der lebern und des milczes ist gůt åniþ gesoten mit hirczung vermenget·

Anijs, 15de kapittel.

Anisum (1) Grieks en Latijn. Aneisur Arabisch. (Pimpinella anisum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anisum spreekt dat de anijs goed is zo ze vers is en die is goed die grote korrels heeft. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Anisum spreekt dat anijs heet en droog is in de derde graad.

Hij spreekt ook dat anijs goed is het opgeblazen aangezicht, een rook daarvan gemaakt en dan gelaten in die neusgaten. Het beneemt ook alzo genuttigd hoofdpijn en dat duizelen. Anijs gestoten en gemengd met rozenolie en dat gelaten in de oren brengt wederom dat gehoor. Anijs, dille en venkelzaden brengen de vrouwen veel melk. Anijs genuttigd lest de dorst. Anijs gegeten is goed de verstopte lever. Anijs gegeten maakt goed plassen. De meester Galenus in het 6de boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anisum spreekt dat anijs is doordringen die kwade vochtigheid en beneemt dat buikpijn en verteert de wind genaamd vento sitates. Item, anijs reinigt de vrouwen hun baarmoeder genaamd matrix van kwade vochtigheid. (3) Anijs brengt begeerte de vrouwen en de mannen en vermeerdert de mannen zaden in spijs gegeten. Anijs genuttigd doet open de verstopte nieren en blaas. Anijs gekookt met venkel is erg goed die de koude lange tijd gehad hebben. Anijs drijft uit vergif. (2) Item anijs steeds gegeten geeft de mensen goede hitte. Item hoe men anijs nuttigt zo verdrijft het de wind die de darmen verhard en de maag bezwaart. Anijs geeft goede hitte aan de lever en maakt goed verteren. De meester Dioscorides beschrijft ook alle stukken die de meester Avicenna van de anijs beschrijft. [33]

Item, anijs is ook goed tegen die zure oprisping die je komt van een koude onverteerbare maag, daartegen en vooral is goed anijs gekookt in wijn met kaneel en met mastiek vermengt. Item tegen verstopping van de lever en de milt is de goede anijs gekookt met hertstong vermengt.

Aron xvi Capitel

Aron grece·arabice Siri cantica·latine Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minoτ vel Luff minoτ·

(Pandecta in dem capitel Aaron spτicht·das der seÿ heÿþ und trucken in dem ersten grade·(Platearius spτichet·das Aaron seÿe warm und trucken in dem dτitten grade·(Diþ kraut und wurczel und samen nüczet man in årczneÿ·als dann spτicht Diascoτides das die tugent des arons seÿ in dem samen·in der wurczeln·und in dem kraut·(Unnd wenn der eins gemenget wirt mit kůmÿst und darauþ gemachet ein pflaster ist fast gůt podagricis darüber gebunden·(Die wurczel von aaron zeücht auþ vil bôser feüchtigkeit und machet den menschen mager der zů feÿþt ist·die genüczet in der kost·(Die wurczel aaron und das kraut gestoþsen·und den safft getruncken·benÿmt die pestilentz·(Der meÿster Galienus in seinen andern bůch genant de cibis spτicht·das aaron genüczt in d kost ist fast gůt der bestopfften bτust und d bôsen lungen·und treÿbet auþ den groben schleÿm und machet den menschen lustig umb das hercz·(Platearius. Wem die schwarczen bôsen blatern auffbτechen·doch dick und vil des menschen todt sind der esse dises kraut od seiner wurczeln·das senfftmŭtiget jm die bôsen hicze und benymmet das vergifft der blatern und heilet sÿ·(Wer also streng vergiffttet wår oder umbgeben wåre mit der pestilencz·und als ablegig und blôd wåre das er nit reden môchte·der esse die bletter dises krautes mit wenig salczs oder schneÿde die wurczeln des krautes in gesoten hônig·und esse das also hinein·es benÿmbt jm die vergifft und sunderlichen die pestilencz·(Wer verschleÿmet [34] wår in dem magen und bôse fieber darinn hette·d siede die wurczel dises krautes in lautterem wein und laþ den wein kalt werden·darnach stoþ darein glŭenden stahel das der weine zů dem andern mal warm werde·unnd trinck den wein als warm du dem geleÿden magst·d benÿmt dem schlein unnd die bôsen febτes·

(Der selb getranck vertreÿbet auch die melancoleÿ und den schwåren můt des menschen·unnd machet dem menschen gůt geblût.(Item Aron bulfer von d wurczel mit zucker vermenget in einem årbeÿþ bτülein genuczt machet stůlgeng· (Unnd hat auch macht frawen feücktigkeit flŭþsig zůmachen genant menstruum besunder so man ist machen zapfen genant pessaria von mirra und laudano mit aron safft vermenget·die in der frawen scham gelegt ist darzů gůt·(Item ein pflaster gemacht von aron wurczel und kümmel mit olei vermenget ist gůt wider die feüchtblattern·und aron ist auch gůt widden auþgang des arþdarms mit wulle in wein gesoten und wasser und darauff warm gesessen· (Item des menschen antlicz hŭbsche und reÿn zů machen. Nÿmme arom wnrcel gebulferet und fischbeÿn genant ossepie undd bleÿweÿþ ÿegkliches ein lot mit rosen wasser vermenget·davon dz antlicz gewåschen ist darzů gůtt als Diascoτides spτicht·

Arum, 16de kapittel.

Aron Grieks. Arabisch Siri cantica. Latijn Barba aaron vel Jacus vel Serpentaria minor vel Luff minor. (Arum maculatum)

Pandecta in het kapittel Arum spreekt dat het heet en droog is in de eerste graad. Platearius spreekt dat Arum warm en droog is in de derde graad. Dit kruid en wortel en zaden nuttigt man in artsenij als dan spreekt Dioscorides dat de deugd van Arum is in de zaden, in de wortels en in het kruid. En als het eens gemengd wordt met koemest en daaruit gemaakt een pleister is het erg goed podagricis, daarover gebonden. (3) De wortel van Arum trekt uit veel kwade vochtigheid en maakt de mens mager die te vet is, die genuttigd in de kost. De wortel Arum en dat kruid gestoten en het sap gedronken beneemt de pest. De meester Galenus in zijn andere boek genaamd de cibis spreekt dat Arum genuttigd in de kost erg goed is de (5) verstopte borst en de kwade longen en drijft uit de grove slijm en maakt de mensen lustig om dat hart. Platearius: Als de zwarte kwade blaren openbreken dat toch vaak en veel de mensen dodelijk is die eet dit kruid of zijn wortels, dat verzacht bij hem die kwade hitte en beneemt dat vergif der blaren en heelt ze. Wie alzo sterk vergiftigd was of omgeven was met de pest en als verschrikt en bang was dat hij niet reden mocht, die eet de bladeren van dit kruid met weinig zout of snij de wortels van het kruid in gekookte honing en eet dat alzo op, het beneemt hem dat vergift en vooral de pest. (5) Wie verslijmt [34] was in de maag en kwade koorts daarin heeft die kookt de wortel van dit kruid in zuivere wijn en laat de wijn koud worden, daarna stoot daarin gloeiend staal zodat de wijn de volgende keer warm wordt en drink de wijn als warm als je verdragen kan, dat beneemt het slijm en de kwade koorts.

Dezelfde drank verdrijft ook de melancholie en dat zware gemoed des mensen en maakt de mensen goed bloed. Item, Arum poeder van de wortel met suiker vermengt in een erwt bouillon genuttigd maakt stoelgang. (4) En het ook maakt vrouwen vochtigheid vloeiend te maken genaamd menstruatie vooral als men maakt pennen genaamd pessaria van mirre en laudanum met Arumsap vermengt die in de vrouwen schaam gelegd is daartoe goed. Item een pleister gemaakt van Arumwortel en komijn met olie vermengt is goed tegen de aambeien en Arum is ook goed tegen de uitgang des aarsdarm met wol in wijn gekookt en water en daarop warm gezeten. (2) Item de mensen aanzicht mooi en rein te maken; neem Arum wortel gepoederd en visbeen genaamd sepia en loodwit, van elk een 16,7gram, met rozenwater vermengt en daarvan dat aangezicht gewassen is daartoe goed als Dioscorides spreekt.

  Bij de vorige.

(1) Naar Plinius stamt de naam uit Egypte. De Egyptische naam aur of ar: brandend of vurig, de smaak van de plant, werd vertaald in het Grieks als Arum: nuttig, en kwam daarna in het Latijn als aron. Waarschijnlijk werd het woord volksetymologisch met Exodus 4:17 verbonden en werd de kolf met de Aronstaf vergeleken, omdat de naam Aron een gelijke klank bezit. Waarschijnlijker is het dat Colocasia in Egypte de naam van aron had waar deze plant mee vergeleken werd.

(2) Om het gezicht schoon te maken en de huid te zuiveren maak je van de gedroogde wortel een fijn poeder en van os sepia (dat is een been van een vis) meng het met loodwit en rozenwater en daarmee was je het aangezicht.

(3) Vanwege de moeilijkheid om het gif te verwijderen werd het weinig inwendig gebruikt. Toch zie je hier dat blad en wortel inwendig gebruikt werden, wel om mager te worden wat logisch lijkt.

(4) Met het sap van kalfsvoet, laudanum en mirre maak je een pessarium in de baarmoeder om de stonden te laten komen.

(5) De wortel van binnen en van buiten gegeven is zeer goed tegen gezwollen leden die uit grove vochtvermenging ontstaan zijn, (c) met wijnsteen en suiker van binnen en met wijnsteen en gewone olie voor van buiten.

schyszmelde xvii capi

ATriplex latine·Andτafasis grece·arabice Araff·

(Die meister spτechen·das melde seÿe kalt in dem ersten grade und feücht in dem andern·Und dises ist auch die meinunge des wirdigen meisters galieni in den sechþten bůch de simplicibus farmacijs·Diascoτides spτicht dz melde gestossen und gemüschett mit hônig·vertreÿbet das podograme darauff geleget mit eineτ pflaster· (Der samenn vonn melde gemüschet mit hônigwasser genant mulsa unnd getruncken vertreÿbet die geelsucht·

(Die bletter von melde gestossen·dem safft gelegt auff ein etzŭndets fleÿsch od gelÿde an dem leib [35] leschet dz zůhant·(Die do blůt speÿend die mügen bτauchen melde·(Auch die do haben den auþgang ist fast gůt melde gebτauchet in der kost·(Den frawen die gebτesten haben an d můter genant matrix·die sollen melde legen auff dem bauch so stillet sich das wee an der můter·(Melde geessen weÿchet den bauch·und verschwendet manger handt geschwulst·(Melde gestossen und ein pflaster davon gemachet und das gelegt auff ein gestochen gelÿd mit eine doτn oder nagel zeücht das auþ on schaden und heÿlet·(Melde gesotten mit hônig und auff den bôsen nagel gelegt an einem finger oder auff einer zehen des fůþs·benÿmmt den bôsen nagel und machet wachsen einen gůten·(Den samen von melde dick genüczet ist gůt denen die do keÿchen und schwårlichen åtmen. (Melde dick genüczt treibt auþ die spôlwürme·(Serapio spτicht das der samen von melde bτinge vomitum·das ist·sich oben auþ bτechen. Und saget das er gesehen hab einen menschen der von dem samen getruncken hab auff zwei buintin·und hab sich davon gebτochen fast sere·und jm davon entstůnden groþ onmåchtigkeit. (Almansoτis tractatu tercio capitulo de Atriplice·spτicht·das melde weichet den bauch·und jst fast nücze den geelsüchtigen·und auch fast nücze den kinden die do habend ein heÿsse leberen·Item schÿþmelde mit bingelkraut in einem gemŭse gesoten·die bτŭ genüczet machet zů stůle geen·und ist auch weetagen der blasen ab nemen. (Item schÿþmelde genüczet ist gůt wider den roten bauch weetag genant diþsinteria. (Item schÿþmelde mit rômþ kôle und mit bingelkraut gesoten davon genüczet ist das fieber leschen·

Schijtmelde, 17de kapittel.

Atriplex Latijn (1) . Andrafasis Grieks. Arabisch Araff. (Atriplex patula)

De meesters spreken dat melde koud is in de eerste graad en vochtig in de andere. En dit is ook de mening van de eerwaardige meester Galenus in het zesde boek de simplicium farmacarum. (4) Dioscorides spreekt dat melde gestoten en gemengd met honing verdrijft het podogram, daarop gelegd met een pleister. De zaden van melde gemengd met honingwater genaamd mulsa en gedronken verdrijft de geelziekte.

(3) De bladeren van melde gestoten en het sap gelegd op een ontstoken vlees of lid aan het lijf [35] lest die gelijk. Die bloedspuwen die mogen gebruiken melde. Ook die zo hebben de uitgang is het erg goed melde te gebruiken in de kost. (2) De vrouwen die gebreken hebben aan de baarmoeder genaamd matrix die zullen melde leggen op de buik, dan stilt zich die pijn aan de baarmoeder. (3) Melde gegeten weekt de buik en verdwijnt vele soorten gezwellen. Melde gestoten en een pleister daarvan gemaakt en dat gelegd op een gestoken lid met een doorn of nagel trekt dat uit zonder schade en heelt. Melde gekookt met honing en op de kwade nagel gelegd aan een vinger of op een nagel van een voet beneemt de kwade nagel en maakt groeien een goede. De zaden van melde vaak genuttigd is goed die kuchen en zwaar ademen. Melde vaak genuttigd drijft uit de spoelwormen. (6) Serapio spreekt dat de zaden van melde brengen vomitum, dat is zich boven uit braken. En zegt dat hij gezien heeft een mens die van de zaden gedronken heeft op twee quintin en heeft zich daarvan gebraakt erg zeer en hem daarvan ontstond grote onmachtigheid. Almansoris tractatum tercio capitulo de Atriplice spreekt dat melde weekt de buik en is erg nuttig de geelzuchtige. (5) En ook erg nuttig de kinderen die hebben een hete lever. (6) Item schijtmelde met bingelkruid in een groente gekookt en die brei genuttigd maakt tot stoel te gaan en is ook pijndagen van de blaas afnemen. Item schijtmelde genuttigd is goed tegen de rode buik pijndag genaamd dysenterie. Item schijtmelde met Savoye kool en met bingelkruid gekookt en daarvan genuttigd is dat koorts lessen.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden heten hier te lande melde, in Hoogduitsland Milden en Milten. De Latijnse naam is Atriplex en Aureum olus, welke namen in de apotheken ook gebruikt worden, de Griekse naam is Atraphaxis en Chrysolachanon. Dat ander klein wild geslacht wordt in het Hoogduits Kleyn Sceisz milten, in het Nederduits kleine melde of kleine wilde melde’.

(2) Gestampte melde die met heemstwortel gemengd op de baarmoeder gelegd wordt verzacht de menstruatiepijn.

(3) Als melde met heemstwortelen in water gekookt en daarvan een pleister gemaakt en op hete blaren gelegd wordt laat het die verdwijnen.

(4) Leg melde die met honing gewreven is op de jichtzijde van de voet, het geneest jicht.

(5) Tegen geelzucht, vanwege opstopping van de lever of van de milt uit hete zaken, ‘kook melde zaad, andijvie en hertstongen met water, dan doe je er suiker bij zoals (voor eerder) beschreven is’.

(6) Meldezaad dat in radijswater met wat saffraan gemengd wordt waarvan matig lauw een goed deel gedronken wordt laat walgen en niet alleen dat, maar het laat ook schijten.

kuckuszlauch xviii ca

ALleluia vel panis cuculi·grece Lachael·Pandecta capitulo·lxxvj·

(Beschreÿben uns die meister und spτechen dz dises seÿ ein kreütlein und hat in jm scherpffunge oder seürung·Die bletter geleÿchen den klee blåtlein·(Dises kraut heissenn etlich die saueren klee·(Dises kraut wirtt genü [36] czet zů etlichen salben genant nugentum·und sunderlichen in daz ungent marciacion von einem arczat funden ist genant marciatus·ist gůt wider das haubtwtumm und bτust wetumm·und wider bestopffung der lebern unnd milczes·und weetumm des gedåτmes die do kommen von einer kalten ursach· (Plinius in dem capitel Lachael·idest alleluia spτicht·das diþ seÿ kalt und truckner natur und sunderlichen d samen von disem kraut·aber die bletter haben feüchtung in jn·(Plinius. Dises kraut ist fast gůt genüczet zů den blatern in dem munde alcole genant·die dann dem jungen kinden fast gefårde sind und auch alten letuen·also das diþs gekeüwet werde in dem munde·oder der safft von disem kraute darnin gehalten·(Item disser safft heÿlet alle bôse blatern in dem munde·(Item diser saffte heÿlet fisteln in dem munde mitt alaun wasser vermenget·(Dises krant gesotten mit wein und den mundt domit gewåschen benÿmmet das faul fleÿsch darein mit mirra vermenget· (Itez dises kraut dienet den die heÿsser complexion sind·Aber die kaltter natur sind den ist dises nicht nücze·

(1) Klaverzuring, 18de kapittel.

Alleluja vel panis cuculi. Grieks Lachael. Pandecta kapittel 76. (Oxalis acetosella)

Beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is een kruidje en heeft in hem scherpte of zurigheid. De bladeren lijken op de klaverblaadjes. Dit kruid noemen ettelijke zuurklaver. Dit kruid wordt genuttigd [36] in ettelijke zalven genaamd ungentum en vooral in die zalf marciacion van een arts gevonden is genaamd Marciatus, is goed tegen dat hoofdpijn en borstpijn en tegen verstopping van de lever en milt en pijn in de darmen die je komen van een koude oorzaak. Plinius in het kapittel Lachael, id est alleluja, spreekt dat dit koud een droge natuur heeft en vooral de zaden van dit kruid, maar de bladeren hebben vochtigheid in zich. Plinius: (2) Dit kruid is erg goed genuttigd tot de blaren in de mond alcole genaamd die dan voor de jonge kinderen erg gevaarlijk zijn en ook oude mensen alzo dat dit gekauwd wordt in de mond of het sap van dit kruid daarin gehouden. Item dit sap heelt alle kwade blaren in de mond. Item dit sap heelt etterwonden in de mond met aluinwater vermengt. Dit kruid gekookt met wijn en de mond daarmee gewassen beneemt dat vuile vlees daarin met mirre vermengt. Item dit kruid dient die van hete samengesteldheid zijn. Maar die van koude natuur zijn die is dit niet nuttig.

(1) Alleluja vel panis cuculi, panis is brood en cuculi is koekoek, dus koekoeksbrood, kuckuszlauch; koekoekslook. In de apotheken zijn ze bekend met de naam Panis cuculi of Alleluja, hetzij omdat de koekoek dit kruid graag plag te eten, hetzij omdat dit kruid net uit de aarde begint te spruiten of tenminste dan begint te bloeien als men in de kerken meest en gewoonlijk het Alleluia plag te zingen.’

(2) Dodonaeus; ‘Koekoeksbrood is koud en droog van aard en is zeer goed tot de kwade vuile verrotte stinkende zweren of zerigheden van de mond, hoe en op welke manier dat het gebruikt wordt en vooral als men de mond spoelt met het water daar dit kruid in gekookt is.




haselwurcz xix Capi

Azarum grece·aerma arabice·latine Backara·vel Nardus agrestis·

(Der meister galienus und ander meister in dem sechþten bůche genant simplicium farmaciarum·in dem capitel azarum spτechen·das haselwurcz seÿ heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Der meÿster Diascoτides in dem capitel azarum spτichet·das haselwurcz geleÿch seÿ der gundelreben und hat runde bletter unnd hat ein blůmen zwÿschen den blettern und auch gar nahent beÿ d wurczeln·Und die blůmen hatt ein gestalte als die blůmen dem bÿlsamen·[37] Und tregt samen geleÿch dem weinber blettern·(Die wurczel hatt fast einen gůten gerauch unnd ist heÿsser natur·(Avicenna unnd Galienus dise meister spτechen·das haselwurcz tugend habe an der wurczel und nit an dem kraut noch an dem samen. (Avicenna spτicht·das haselwurcze beneme alles wee jnnerlichen des leibes und machet warm die jnneerlichen gelÿder die erkaltet sind davon getruncken·(Item haselwurcz ist fast gůt den wassersüchtigen genüczet als hernach geschτiben steet·Nÿmm haselwurcze ein lot und ein maþs gůtz mosts der erst von der kaltern kommet·und laþ den steen zwen monatt ob d haselwurcze·darnach seÿhe den ab und trincke den des moτgens und des abentz·der ist fast gůt ÿdτopicis ictericis·daz ist dem wassersüchtigen und den geelsüchtigen·Und nÿmmet auch hin also genüczet das kalt wee als das fieber quartane genant·

(Und machet wol hårmen·und stercket die blasen und auch die lenden·uud purgiert oder reÿniget als do thůt elleboτus albus das ist weÿsse nÿeþwurcz nicht also stercklich·(Der meister johannes mesue spτicht·das haselwurczel gůt seÿ und allerbest gemüschet mit kåþwasser und hônigwasser und also genüczt purgit er sÿ den leÿb senfftigklichen·(Haselwurcze nÿmmt hÿn überflüþsige flegma senfftigklich genüczet als oben steet·(Haselwurcz genuczet·nÿmmbt hÿn die alten febτes·(ôle gemachet von haselwurcz und den rÿpp meÿþsel domit geschmieret·macht schwÿczen unnd thůt auff die verstopfften gelÿder unnd machett wol hårmen·(Serapio spτicht das haselwurcz gesoten mit most seÿ fast gůt dem wassersüchtigen also getruncken·und benÿmmt auch also die geelsucht·(Item ein augenwasser genant ein Collirium gemachet von haselwurcze und von thucien benÿmmt dz feel von den augen und machet ein klar gesicht·(Der meister Plinius spτicht·dz haselwurcz gůtt seÿ den frawen zů irer kranckeit menstruum genant·wann sÿ bτinget sÿ·und machet die frauwen auch wol hårmen darüber getruncken· (Item haselwurcz ist also krefftig als gelb liligen genant Acoτus spricht pandecta·darumbe hat haselwurcz macht auff zů lôsen die verstopffunge der leberen und milczes genannt opilatio splenis et epatitis·

(Item haselwurcz unnd hÿrþzungen und sene in wein gesoten ist gôt wider das fieber genant quartana·[38]

Mansoor, 19de kapittel.

Asarum (1) Grieks. Aerma Arabisch. Latijn Backara vel Nardus agrestis. (Asarum europaeum)

De meester Galenus en andere meesters in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Asarum spreken dat mansoor heet en droog is aan de derde graad. De meester Dioscorides in het kapittel Asarum spreekt dat mansoor gelijk is met hondsdraf en heeft ronde bladeren en heeft een bloem tussen de bladeren en ook erg dicht bij de wortels. En die bloemen heeft een gestalte zoals de bloemen van het bilzekruid. [37] En draagt zaden gelijk de druivenbladeren. De wortel heeft een (5) erg goede reuk en is van hete natuur. Avicenna en Galenus, deze meesters spreken dat mansoor deugd heeft aan de wortel en niet aan het kruid noch aan de zaden. (2) Avicenna spreekt das mansoor beneemt alle pijn innerlijk in het lijf en maakt warm de innerlijke leden de verkouden zijn, daarvan gedronken. Item mansoor is erg goed de waterzuchtige genuttigd zoals hierna geschreven staat: Neem mansoor een 16,7 gram en boommos, goede most die net van de kelder komt en laat dat staan twee maanden op de mansoor, daarna zeef het af en drink het ‘s morgens en ’s avonds, het is erg goed hydropisis in icter, dat is de waterzuchtige en de geelzuchtige. En neemt ook weg alzo genuttigd de koude pijn zoals de koorts vierdaagse genaamd.

(3) En maakt goed plassen en sterkt de blaas en ook de lenden en purgeert of reinigt als doet Helleborus albus, dat is witte nieswortel, niet alzo sterk. De meester Johannes Mesue spreekt dat mansoor goed is en allerbest gemengd met kaaswater en honingwater en alzo genuttigd purgeert ze het lijf zachtjes. Mansoor neemt weg overvloeiende flegma zachtjes, genuttigd als boven staat. Mansoor genuttigd neemt weg de oude koorts. Olie gemaakt van mansoor en de ruggenwervel daarmee gesmeerd maakt zweten en doet open de verstopte leden en maakt goed plassen. Serapio spreekt dat mansoor gekookt met most erg goed is de waterzuchtige alzo gedronken en beneemt ook alzo de geelziekte. (4) Item een oogwater genaamd een collirium gemaakt van mansoor en van thucia beneemt dat vel van de ogen en maakt een helder gezicht. (2) De meester Plinius spreekt dat mansoor goed is de vrouwen voor hun ziekte menstruatie genaamd want ze brengt het en maakt de vrouwen ook goed plassen, daarvan gedronken. Item mansoor is alzo sterk als gele lelie genaamd Acorus spreekt Pandecta, daarom heeft mansoor macht op te lossen de verstoppingen van de lever en milt genaamd opilatio splenis et epatitis.

Item mansoor en hertstongen en senna in wijn gekookt is goed tegen die koorts genaamd vierdaagse. [38]

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Nederduits mans-ooren en hasel-wortel, in het Hoogduits Haselwurtz, in het Frans cabaret, in het Spaans azara baccara, in het Latijn Asarum en in het Grieks insgelijks ook Asaron.  Asarum komt van Grieks a,niet’, en saron, ‘vrouwelijk’. De reden kan zijn dat het gewas te giftig is voor zwangere vrouwen. Een andere mogelijkheid is dat het komt van Griekse ase, ‘walging’.

(2) Het geneest alle pijnen van binnen, het laat de stonden bij de vrouwen komen, het laat plassen en wat vanwege de middelmatige slijm afgesloten is geweest lossen, daarom is het goed voor de waterzuchtige, het laxeert de plas.

(3) Asarum reinigt het lichaam weinig zoals Helleborus het doet. Maar Avicenna zegt dat als Asarum in honingwater gekookt wordt ze hetzelfde doet.

(4) Pandecta zegt dat als Asarum in de oogmedicijnen gedaan wordt het de rook van de ogen verfijnt, daarom heldert het gezicht op.

Goldwurcz xx Cap

Affodillus latine·

(Der meister Avicenna spτichet·das goldwurcze habe bletter beÿ nahe als ein lauch·und hatt einen zÿmmlichen stengel·Die wurczel ist lang und rund·und hatt die meisten krafft in jr·Dise wurczel ist heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Goldwurcz machet frôlichen·davon getruncken·und ist durchdτingen die feüchtigkeit·darumb machet sÿ wol hårmen·(Und ist auch nücz dem frawen zů jrer blůmen oder feüchtigkeit so sÿ bestopfet sind die mit warmem wein getruncken·(Goldwurcz und alon gebτennet und gebulfert·und domit geschmÿeret moτfeam·das ist ein bôse raud der ausseczigkeÿt benÿmbt sÿ one zweÿfel mit weinig hônig vermenget·(Goldwurcz gestossen und gemüschet mit wein hessen und gelegt auff die bôsen geschweer·heÿlet seer. (Ein pflaster gemachet von d wurczeln und gersten meel ÿegkliches geleÿch vil·und auff die heÿssen geschweer gelegt zeücht grosse hÿcze darauþ und ôffent und weychet·(Also geleget auff die zerknüscheten gelÿder·heÿlet gar seer·(Den safft von der wurczeln warm gelassen in die oτenn·zeuhet den eÿtter darauþ·(Der safft von der wurczlen mit thucien vermenget·das ist gůt den bôsen fliessenden augen auþwendig gestrÿchen.

(Der safft getruncken mit wein mit zucker vermenget·ist gůt dem der do seer hůstet. (Platearius. Die wurczeln do gemüschet mit weinhessen·ist gůt den schwerenden bτüsten·(Goldwurcz genüczet mit wein·nÿmbt hyn ÿctericiam·das ist die geelsucht·die do kommet von einer kalten materien·(Die blůmm mit wein gemüschet und getruncken reÿniget den magen·Die wurczel gesoten mit weinhessen unnd darauþ gemachet ein pflaster·und die mannes dinger genant testiculi·gelegt·die überzogen seind mit geschwer·heÿlet seer·(Plinius spτicht·das die wurczel gesoten in wasser und das getruncken·wÿechet den bauch·(Den samen und die blůmen in wein gelegt·und den getruncken·ist fast (·c·j·) [39] gůt für vergifft·unnd jm mag kein schlang noch scoτpion geschaden des selben tages·wenn er davon getruncken hat·(Item wylde schwårtelwurczel gebulferet auff unreyn wunden geleget mic gebτennten alaun vermenget·ist faules fleÿsch auþfegen·und die selbig wurczel mit wein gesoten domit unreyn wunden geschwåschen·ist darczů besunder gůt·(Item·Wÿlde schwårtel safft und gundrebe safft zůsamen vermenget und warm in ein oτe gethon ist also gůt wider zeen weetumb·(Item wilde schwårtel wurcz mit stabwurcz in laugen gesoten und domit das haubt gezwagen·ist gůt wÿder das har auþfallung genant alopicia·

Affodillen, 20ste kapittel.

Affodillus Latijn. (1) (Asphodelus ramosus of Asphodelus albus)

De meester Avicenna spreekt dat affodillen hebben bladeren bijna als een look en heeft een aanzienlijke stengel. De wortel is lang en rond en heeft de meeste kracht in zich. Deze wortel is heet en droog aan de derde graad. (2) Affodillen maakt vrolijk, daarvan gedronken, en is doordringen de vochtigheid daarom maakt ze goed plassen. (3) En is ook nuttig de vrouwen tot hun bloemen of vochtigheid zo ze verstopt zijn, die met warme wijn gedronken. Affodillen en aluin gebrand en gepoederd en daarmee gesmeerd morfeem, dat is een kwade ruigte van de huiduitslag beneemt ze zonder twijfel met weinig honing vermengt. (4) Affodillen gestoten en gemengd met wijn hessen en gelegd op de kwade zweren, heelt zeer. Een pleister gemaakt van de wortels en gerstemeel, van elk gelijk veel, en op de hete zweer gelegd trekt grote hitte daaruit en opent en weekt. (3) Alzo gelegd op de gekneusde leden heelt het erg zeer. Het sap van de wortels warm gelaten in de oren trekt de etter daaruit. Het sap van de wortels met thucia vermengt, dat is goed de kwade vloeiende ogen uitwendig gestreken.

Het sap gedronken met wijn met suiker vermengt is goed die zo zeer hoest. Platearius: De wortels gemengd met wijnhessen is goed de zwerende borsten. Affodillen genuttigd met wijn neemt weg icter, dat is de geelziekte die je komt van een koude materie. De bloemen met wijn gemengd en gedronken reinigt de maag. Die wortel gekookt met wijnhessen en daaruit gemaakt een pleister en die mannen ding, genaamd testiculi, gelegd die overtrokken zijn met zweer, heelt zeer. Plinius spreekt dat de wortel gekookt in water en dat gedronken weekt de buik. (5) De zaden en de bloemen in wijn gelegd en dan gedronken is erg [39] goed voor vergif en hem mag geen slang noch schorpioen beschadigen dezelfde dag als hij daarvan gedronken heeft. Item wilde zwaardleliewortel gepoederd op onreine wonden gelegd met gebrande aluin vermengt is vuil vlees uitvegen en dezelfde wortel met wijn gekookt en daarmee onreine wonden gewassen is daartoe vooral goed. Item. Wilde zwaardlelie sap en hondsdraf sap tezamen vermengt en warm in een oor gedaan is alzo goed tegen tandpijn. (6) Item wilde zwaardleliekruid met citroenkruid in loog gekookt en daarmee dat hoofd gedweild is goed tegen dat haaruitval genaamd alopicium.

(1) ) Dodonaeus; ‘‘Dit gewas wordt bij de Grieken Asphodelos genoemd, in het Latijn Asphodelus en daarvan komt de bedorven Nederduitse naam affodille, de Latijnen noemen het ook Albucum of Albucus en Hastula regia.

(2) De asphodelweiden zijn een voorbeeld van overbegrazing door geiten en schapen. Die dorre, woeste en onvruchtbare oorden waren verdorven plaatsen waar duistere verschijningen samenkwamen. Homerus spreekt over de weiden des doods in de Hades, de asphodelweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren.

(3) Het laat plassen, het laat bij de vrouwen hun stonden komen en het verdrijft de pijn die van slagen of stoten komt.

(4) Het poeder van deze wortel is goed tegen verrotte of stinkende zweren.

(4) Het poeder van deze wortel is goed tegen verrotte of stinkende zweren.

Geelb lylyen xxi Ca

Acoτus vel spatella latine·glas patella vel affodτisia·vel venerea·vel pipeτapium grece·Arabice Verolaeg·vel Holhegi·vel Naeg·vel bogog·vel Zweg·

(Der meisteτ Galienus in dem achtende bůch genant simplicium farmaciarum in dem capitel Acoτus·spτicht·das der seÿ heiþ und trucken an dem andern grad·Und Avicenna Serapio Platearius Diascoτides·sind dises auch bewåren. (Item er spτicht das die wurczel von den gelben lÿlgen mer krafft in jnen haben·denn daz kraut oder die blůmen. (Die wurczel hat einen scharpffen rauch mitt einer kleynen bitterkeit·(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Laeg·oder Acorus spτicht·das die bleter von dem gelben lÿlgen sind geleÿch den schwårteln·allein dz die von dem gelben lilien subtiler und bτeyteτ sind und mit weÿsser farb gespiczt scharpff geleÿch einem schwert·und ein blůmm die ist geel geleich dem saffran·und die wurczel ist geleich nahent als die schwårteln·allein sÿ an einander gehenckt sind knodat und auch krumm·und haben auþwenig ein rote farbe·und ein scharpffen rauche·(Diascoτides spτicht·das der safft von der wurczeln fast gůt seÿ den augen und mache sÿ fast klar·(Die wurczel gesoten mit wasser und das getrunncken·ist gůt wider strangwiream·das ist·dye den [40] kalten sichtagen haben·Also genüczet ist es fast gůt pleureticis das ist ein geschwer umb die bτust·(Item wen gebissen het ein schlang·der bτauche diser wutcz in dem tranck·und in der koste·er genyset zůhandt·Das kraute von den gelben lylgen geleget in einen bÿnen stocke do vil bÿnen jnnen sind·die bÿnen beleiben dar jnn·und geben kein flucht·(Der meister Platearius spτicht·der ein bôse lebern oder milcz håtte·der neme ein pfundt gelb lÿlgen wurczel gestossen·und eþsig der gůt unnd scharpff seÿ·ein halbe maþ·und lasse die wurczel darjnn baÿssen dτeÿ tag·Darnach sol man die wurczel mit dem eþsig sieden·also das der eþsig halb ein siede·Darnach sol er den auþtrucken durch ein thůch·und denn darunnder müschen hônig auff sechþ lot·und åber sieden biþ dz der eþsig auch wol ein siede·Dises sol man alle moτgen trincken als lang das weret nŭchtern·es hilfft fast wol·(Wer beÿ jm tregt die wurczel·der gewynnet den blůtgang nicht·dem selbigen thůt auch der krampff nichcz·

(Item·Gelbe lÿlgen wurcz hat ein verczerliche natur·und ist bestopffung der gelÿder lebern und milczes auffthůn·wôlche bestopffung von kelte kommet·(Item·Gelbe lÿlgen wurczeln gelegt in wein der wein ist gůt wider die voτgeschτibnen weetumb·lebern und milczes·Und ist gůt wider die geelsucht·Und für dise kranckeÿte ist auch dises trancke gůt also gemachet·Nÿmme gelbe lilgen wurczel·und hÿrþ zunggen und endivien und sŭþs holcz und kôτbyþ samen oder kerenn mitt wasser gesotten·und durch geschlagen·und sŭþs gemachet.

(Item·Gelbe lÿlgen wurcz mit wein gesoten·ist gůt wider weetumb der můter·so die fruw darauff siczen ist·(Item ist auch gůt wider bestopffung des harmes geelbe lylgen wurczel mitt wein gesotten·davon offt genüczet·

Gele lis. 21ste kapittel

Acorus vel spatella (1) Latijn, Glas patella vel Affodrisia, vel Venerea, vel Piperapium Grieks. Arabisch Verolaeg, vel Holhegi, vel Naeg, vel bogog, vel Zweg. (Acorus calamus)

De meesters Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Acorus spreekt dat het heet en droog is aan de andere graad. En Avicenna, Serapio, Platearius en Dioscorides zijn dit ook beweren. Item, hij spreekt dat de wortel van de gele lelie meer kracht in zich heeft dan dat kruid of de bloemen. De wortel heeft een scherpe reuk met een kleine bitterheid. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Laeg of Acorus spreekt dat de bladeren van de gele lelie zijn gelijk de zwaardlelies, alleen dat die van de gele lelie subtieler en breder zijn en met witte verf gespikkeld en scherp gelijk een zwaard en een bloem die is geel gelijk de saffraan en de wortel is gelijk ongeveer als de zwaardlelies, alleen ze aan elkaar hangt en zijn knopig en ook krom en hebben aan uitwendig een rode verf en een scherpe reuk. (2) Dioscorides spreekt dat het sap van de wortels erg goed is de ogen en maakt ze erg helder. (3) De wortel gekookt met water en dat gedronken is goed tegen strangwiream, dat is die [40] de koude plasdagen hebben. (6) Alzo genuttigd is het erg goed pleuris, dat is een zweer om de borst. Item als een gebeten heeft een slang die gebruikt dit kruid in de drank en in de kost, hij geneest gelijk. Dat kruid van de gele lelie gelegd in een bijenkorf daar veel bijen in zijn, die bijen blijven daarin en geven geen vlucht. (4) De meesters Platearius spreekt die een kwade lever of milt heeft die neemt een pond gele leliewortel gestoten en azijn die goed en scherp is een halve maat en laat de wortel daarin baden drie dagen. Daarna zal men die wortel met de azijn koken alzo dat de azijn half inkookt. Daarna zal het dan uitdrukken door een doek en dan daarna mengen honing op zes lood, maar koken tot de azijn ook goed inkookt. Dit zal men alle morgen drinken zolang dat duurt nuchter, het helpt erg goed. Wie bij hem draagt de wortel die krijgt de bloedgang niet, dezelfde doet ook de kramp niets.

Item. Gele leliekruid heeft een verterende natuur en is de verstopping der leden, lever en milt openend, welke verstopping van koudheid komt. Item. (4) Gele leliewortels gelegd in wijn, die wijn is goed tegen de voorgeschreven pijnen van lever en milt. En is goed tegen die geelziekte. En voor deze ziekte is ook deze drank goed, alzo gemaakt: Neem gele leliewortel en hertstong en andijvie en zoethout en kurbiszaden of kernen met water gekookt en doorgeslagen en zoet gemaakt.

Item. (5) Gele leliekruid met wijn gekookt is goed tegen pijn van de baarmoeder als die vrouw daarop zit. Item, is ook goed tegen verstopping van de plas gele leliewortel met wijn gekookt en daarvan vaak genuttigd.

De gele lis komt al voor in kapittel 195. Dat kan niet verward worden met Acorus calamus want die heeft geen gele bloemen. Maar hier staat ook net als in kapittel 195 een geel bloeiende lisachtige afgebeeld. Zie ook kapittel 127 voor de echte Calamus. Herbarijs; ‘Acorus is heet en droog in de 2de graad en men scheldt het uit voor gladie. (Gladiolus). Ze groeit in vochtige plaatsen en heeft lange brede bladeren als lis en ze draagt gele bloemen als lelies’. De Herbarijs vergelijkt de plant met de lis en zegt dat die gele bloemen heeft. De Gart heeft de bloemen wel nagetekend naar de tekst; ‘meester Serapio … een zwaard en een bloem die is geel gelijk de saffraan’. Dan heeft de Gart heeft Acorus calamus verwisseld met Iris pseudo-acorus. Dan is die in kapittel 21 Acorus calamus waar duidelijk over Acorus gesproken wordt, ook de naamgeving en het gebruik komen overeen.

In kapittel zou dan 195 Iris pseudo-acorus vermeldt staan. Dat omdat men die wel met elkaar vergeleek en ze er alle twee van blad hetzelfde uitzien. Acorus calamus bloeit hier dan ook vrijwel niet.

(2) Het verhelderen van de ogen zal wel van de naamsafleiding komen. Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijtverwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging.

(3) Pandecta zegt dat als iemand gele lis bij zich draagt hij nooit meer last heeft van een bloedende loop of rode bloedgang en ook dat hij geen spierkrampen krijgt.

En het is goed tegen de hardheid van de (4) milt en laat de (5) vrouw haar stonden hebben.

hyrszwurcz xxii ca

Ambτosia latine et grece·

(Der meister Diascoτides spτicht·das do seÿ zweÿer hant hirþwurcz·die kleiner und die grôþser·dise beÿd haben ein natur·und (·c·ij·) (41) ein gestalt allein die wurczel ungeleich sind·wann die grôsser hat lenger wurczeln und wenig fasen daran·die mÿnder hat ein kleine wurczeln und vil fasen daran·Diascoτides und Pandecta spτechen·das ambτosia ist in der gestalt und natur des beÿfůþs·

(Die meister spτechen·dz hÿrþwurcz seÿ heÿþ und trucken von natur·und hat subtile krafftte zů wunden·Dises kraut geleychet an der gestalt der růten·(Platearius spτicht·Wer gewundet wirt von fallen oder von stossen·od wie dz sein mag·dem sol man die wunden wåschen mit wein und sol jm dem ein leÿnen thůch darauff legen·und sol das kraut in einem wasser sieden·und dz wasser wol auþ dem kraut trucken·und sol das also warme auff das leÿnen thůch legen·und senfft bÿnden·dz benymmt d wunden schweren und heÿlet sÿ·und so die wund beginnet zů heÿlen·so sal man dz thůch herab thůn·unnd sol das kraut an dem thůch auf die wunden legen·so heÿlet sÿ·Weer in dem leib wund wår von fallen od sunft·d bulfer dises kraut unnd trincke das bulfere des ersten in warmem wasser·so jm baþ wirt so trincke er des bulfers in warmem wein·es hilfft· Hÿrczwurcze ist ein beylsam kraut·unnd hat sein tugent an d wurczel und an dem kraut·(Dises gebulferet und auf ein durchgestochens hÿren gelegett·zeühet das auff stund an zůsamen·und heÿlet es on schaden·und ist gůt zů allen frischen wunden diþ kraut und wurczel·(Item Ambτosiana ist gůt wider dz gicht genüczet·Nymme ambosian·und schlüsselblůmen und spτinckwurcz·ÿegklichs ein lot·cubeben sammen ein quintim·mit wein gesoten und mit zucker sŭþ gemachet·ist darzů gůt. (Dises tranck ist gůt wider die abnemung d spτach genant paralisis lingue·domit den mundt gewåschen·darumb ist d tranck gůt für den schlag·genant apoplexia. (Item Ambτosian ist gůt wid die wassersucht und geelsucht genant ÿdτopisis·und ÿctericia·mit wein gesoten mit eppich und petersilgen samen vermenget·

Darnach sol man nüczen billen von reubarbar·darnach sol man gebτauchen ein sterckung genant dilacca·(42)

Wilde averuit, 22ste kapittel.

Ambrosia Latijn en Grieks. (Artemisia campestris)

De meester Dioscorides spreekt dat er zijn twee soorten van wilde averuit, de kleinere en de grotere en deze beide hebben een natuur en een gestalte, alleen de wortels zijn ongelijk want de grotere heeft langere wortels en weinig vezels daaraan, de kleinere heeft een kleine wortel en veel vezels daaraan. Dioscorides en Pandecta spreken dat ambrosia is in de gestalte en natuur van de bijvoet.

De meesters spreken dat wilde averuit heet en droog is van natuur en heeft subtiele kracht tot wonden. Dit kruid lijkt aan de gestalte de ruit. Platearius spreekt: Wie gewond wordt van vallen of van stoten of wat dat zijn mag die zal men de wonden wassen met wijn en zal hem dan een linnen doek daarop leggen en zal dat kruid in een water koken en dat water goed uit het kruid drukken en zal dat alzo warm op die linnen doek leggen en zacht binden, dat beneemt de wondenzweren en heelt het en zo die wond begint te helen zo zal man die doek eraf doen en zal dat kruid aan de doek op de wonden leggen, zo heelt ze. Wie in het lijf gewond was iets dergelijks die poedert dit kruid en drinkt dat poeder de eerste in warm water, zo het hem beter wordt zo drinkt hij het poeder in warme wijn, het helpt. Wilde averuit is een heilzaam kruid en heeft zijn deugd aan de wortel en aan het kruid. Dit gepoederd en op een doorstoken hersens gelegd trekt dat van stonde af tezamen en heelt het zonder schaden en is goed tot alle verse wonden, dit kruid en wortel. Item. Ambrosia is goed tegen de jicht genuttigd. Neem ambrosia en sleutelbloemen en springkruid, van elk een 16,7 gram, kubebenzaden een 1, 67gram, met wijn gekookt en met suiker zoet gemaakt is daartoe goed. Deze drank is goed tegen dat afnemen van de spraak genaamd paralisis lingue, daarmee de mond gewassen, daarom is de drank goed voor de slag genaamd apoplexia. Item. Ambrosia is goed tegen de waterziekte en geelziekte genaamd hydropisis en ictericia, met wijn gekookt en met selderij en peterseliezaden vermengt.

Daarna zal men nuttigen pillen van rabarber, daarna zal men gebruiken een versterking genaamd dilacca.

Onduidelijk is de naam hyrszwurcz; hertenkruid. Dat zou op Salvia pratensis kunnen slaan, maar die wordt later aangehaald. Ook zou het Teucrium botrys kunnen zijn, maar de druiventros of botrys wordt er niet bijgehaald, wel dat het een soort van bijvoet is. Dan zou het Artemisia campestris kunnen zijn.

Roszmaryn xxiii ca

Anthos grece·et latine·

(Der meister johannes mesue spτicht·das rosmarin seÿe heÿþ und trucken an dem dτitten grade·Serapio in dem bůch aggregatoτis·spτichet·das rosmarin habe bletter nahent als der fenchel·dann das sÿ bτeÿtter seind an der rosmarin unnd grôber·und haben gůten gerauch·unnd die lenge des stammens ist eines arms oder wenig mer·Und spricht auch das rosmarin auff dem gipffel habe ein weysses semmlein die wurczel ist weyþ·unnd hat auch einen gerauch wie weÿrach·(Der meister Galienus spricht·das roþmarin habe in jme gar groþ tugent·(Dises kraut und hÿrczung geleget über nachte im wein·und den getruncken·benymmet die geelsucht·(Der safft von roþmarÿn gemüschet mit hônig ist auch fast gůt genüczet den tunckeln augen·

(Der meister Diascoτides spricht·das von roþmarin gemachet ein pflaster·und sunderlichen von den bletern·ist fast gůt dem der do hat feüchtblattern hÿnden in dem afftern·wann es weÿcht und heylet seer·(Die wurczel von roþmarin gestossen·unnd auch gemüschet mit hônig und auff die geschweer gelegt weÿchet sÿ zůhand·(Die wurczeln geleget in wein mit kraute tag und nacht·genant paritaria·gesoten und den getruncken·weÿchet den bauch·und benymmet jm daz wee· (Und ist auch also gůt den gifftigen bÿssen an dem leÿb wo die sein mügen·(Also genüczet mit beÿfůþ vermennget·machet wol hårmen·und foτderet die frauwen an jrer kranckheÿt·(Die blůmen von roþmarin sol man nemen·und sÿ bÿnden in ein weisses thŭchlein·und sÿeden in wein und den trincken nŭchtern oder des abents der benymmet vil sücht in dem leyb und mit namen den frauwen an den bτüsten·(Die blůmen gebulferet und die in warmem wein getruncken·machet frôlich gemŭt·und stercket die natur und das geblŭte·und behŭtet den menschen voτ zůfålliger kranckeÿt·

(Von dem holcze gebτennet kolen·und von den stengeln·und die gebulferet·das bulfer in ein seÿden thŭchlein vermachet·und die zeen domit gerÿben·sÿ werden davon frÿsch und weÿþ·und tôdtet die wŭrm darjnn·(Item. Wer das kaltt wee het·d neme der rÿnden von roþmarin·und mache davon einen rauch·und lasse den geen in die nasen·er genÿset·(Die wurczel gesoten in eþsig·und die fŭþ domit gewåschen·behŭtet den menschen doselbst voτ geschwulst unnd voτ dem bodogram·(Wer nŭchter ÿsset der blůmen mit hônigsam und mit ruckem bτote·der ist sicher für die dτŭsen und geschwere und für zůfallende kranckheit. (Item·die bleter von roþmarin vertreÿben den krebþs·darauff geleget·(Item·Ein lôffel (·c·iij·) [43] gemachet von roþmarin holcze·was man domit ÿsset das schmecket gar wol·und machet auch den menschen lustig und frôlich·(Item·Wer nit lustig wår zů essend·der siede roþmarÿn in wasser und trincke des·und müsche seinen wein domit·er wirdt gar lustig·(Wer geschwollen wår an dem leÿbe wo das wåre oder das gegicht håte·der sÿede die bleter in wasser·und lege sÿ in ein dünnes leynens tŭchlein·und bÿnde das darauff·er genyset zůhandt·(Wer von hycze grossen durst leÿdet·der sol sein getranck müschen mit wasser do roþmarin jm gesoten seye·und granat ôpffel·es hilfft on zweÿfel·(Das bulfer von den blůmen also dürτ gestossen·und auch in weÿchen eyern geessen·stercket auch fast die natur des menschen·und machet auch domitt gar gůt geblŭte·(Roþmarin kraut dτeÿ oder vier handt voll geton in ein fåþlein do fünff od sechþs vierteÿl weins ein geet·und darunder gemüschet hagen bůchen spån·unnd auch gůtten most des besten·und den darjnne lassen vergeeren·(Des weins getruncken des moτgens ein gůten trunck·des geleÿchen des abends·der machet auch gar gůtt schôn geblŭte in dem menschen·und bτinget gar grossen luste zů essen·( Und machet auch domit gar frôlich·und vertreÿbet auch alle jnnerliche gebτesten·die do kommen von bôser feüchtigkeyt. (Und stercket auch fast seer dem menschen sein krafft·und benymmet auch gar vil onmåchtigkeiten·(Item·in den apotecken do machet man auch ein electuarium·das ist genant dyanthos·dises ist auch zů allen kranckheÿten gar gůt und auch besser und natürlicher genüczet·(Item·Roþmarin kraut mit wilden bolleÿ oder steinmÿnczen in wein und baumôle gesoten·domit des menschen kôτper geschmieret·ist schweÿþ bτingen·und ist auch gar gůt der schweÿþhalb wider wasser süchtung. Und roþmarin und rauten gesoten in wein·mit wenig pfeffer gemenget ist auch gůt genüczet wider die fallenden sucht genant epilentia·(Auch roþmarin in wein gesoten mitt dyanthos vermennget·ist auch gar gůt wider onmåchtigkeyt·genant sincopis· (Item·Roþmarin mit bertrum genant piretrum·in wein gesoten ist gůt wider die groþkeÿt des zapffens·den mundt domit gegoτgelt·

( Item·Roþmarin unnd melisse in wasser gesoten·die můtter domit gereyniget·machet sÿ leychtlich fruchtbar spτicht Serapio·[44]

Rozemarijn (1) , 23ste kapittel.

Anthos Grieks en Latijn. (Rosmarinus officinalis)

De meester Johannes Mesue spreekt dat rozemarijn heet en droog is aan de derde graad. Serapio in het boek aggregatoris spreekt dat rozemarijn heeft bladeren bijna als de venkel, dan dat ze breder zijn aan de rozemarijn en groter en hebben goede reuk en die lengte des stam is een arm of weinig meer. Hij spreekt ook dat rozemarijn op de top heeft een wit zaadje, de wortel is wit en heeft ook een reuk als wierook. De meester Galenus spreekt dat rozemarijn heeft in hem erg grote deugd. Dit kruid en hertstong gelegd over nacht in wijn en dan gedronken beneemt de geelziekte. (2) Het sap van rozemarijn gemengd met honing is ook erg goed genuttigd de donkere ogen.

(3) De meester Dioscorides spreekt dat van rozemarijn gemaakt een pleister en vooral van de bladeren is erg goed die heeft aambeien achter in het achterste, want het weekt en heelt zeer. De wortel van rozemarijn gestoten en ook gemengd met honing en op die zweer gelegd weekt ze gelijk. (4) Die wortels gelegd in wijn met het kruid glaskruid, genaamd Parietaria, gekookt en dan gedronken weekt de buik en beneemt hem die pijn. En is ook alzo goed de giftige beten aan het lijf waar die zijn mogen. (5) Alzo genuttigd met bijvoet vermengt maakt goed plassen en bevordert de vrouwen aan hun ziekte. De bloemen van rozemarijn zal men nemen en ze binden in een wit doekje en koken in wijn en dan drinken ’s morgens of ’s avonds, dat beneemt veel vocht in het lijf en met name de vrouwen aan de borsten. (7) De bloemen gepoederd en die in warme wijn gedronken maakt vrolijk gemoed en versterkt de natuur en dat bloed en behoedt de mensen voor toevallige ziekte.

Van het hout gebrand kolen en van de stengels en die gepoederd, dat poeder in een zijden doekje vermaakt en de tanden daarmee gewreven, ze worden daarvan fris en wit en doodt de wormen daarin. Item. Wie de koude pijn heeft die neemt de bast van rozemarijn en maakt daarvan een rook en laat dat gaan in de neus, hij geneest. De wortel gekookt in azijn en de voeten daarmee gewassen behoedt de mensen daar zo voor gezwellen en voor de podogram. Wie nuchter eet de bloemen met honing en met roggebrood die is zeker voor de klieren en zweren en voor toevallende ziekte. Item, de bladeren van rozemarijn verdrijven de kanker, daarop gelegd. Item. (7) Een lepel [43] gemaakt van rozemarijnhout en wat man daarmee eet dat smaakt erg goed en maakt ook de mensen lustig en vrolijk. Item. Wie niet lustig is om te eten die kookt rozemarijn in water en drink dat en meng zijn wijn daarmee, hij wordt erg lustig. Wie gezwollen was aan zijn lijf waar dat is of de jicht heeft die kookt de bladeren in water en leg ze in een dun linnen doekje en bind dat daarop, hij geneest gelijk. Wie van hitte grote dorst leidt die zal zijn drank mengen met water daar rozemarijn in gekookt is en granaatappel, het helpt zonder twijfel. Dat poeder van de bloemen alzo droog gestoten en ook in weke eieren gegeten versterkt ook erg de natuur des mensen en maakt ook daarmee erg goed bloed. Rozemarijnkruid drie of vier hand vol gedaan in een vaatje daar vijf of zes vierdeel wijn in gaat en daaronder gemengd haagbeukenspaanders en ook goede most, de beste, en dan daarin laten vergeren. Deze wijn gedronken ‘s morgens een goede dronk en desgelijks op de avond die maakt ook erg goed mooi bloed in de mensen en brengt erg grote lust tot eten. (7) En maakt ook daarmee erg vrolijk en verdrijft ook alle innerlijke gebreken die je komen van kwade vochtigheid. En versterkt ook erg zeer de mensen zijn kracht en beneemt ook erg veel onmachtigheid. Item in de apotheken maakt men ook een likkepot, dat is genaamd dianthos, dit is ook tot alle ziekte en erg goed en ook beter en natuurlijker genuttigd. Item. Rozemarijnkruid met wilde polei of Nepeta in wijn en olijvenolie gekookt en daarmee de mensen lichaam gesmeerd is zweet brengen en is ook erg goed vanwege de zweet tegen waterzucht. En rozemarijn en ruit gekookt in wijn met weinig peper gemengd is ook goed genuttigd tegen de vallende ziekte genaamd epilepsie. Ook rozemarijn in wijn gekookt met dyanthos vermengt is ook erg goed tegen onmachtigheid genaamd sincopis. Item.

Rozemarijn met bertram genaamd Pyrethrum in wijn gekookt is goed tegen de grootheid van de huig, de mond daarmee gorgelen.

(6) Item. Rozemarijn en melisse in water gekookt en de baarmoeder daarmee gereinigd maakt ze lichtelijk vruchtbaar spreekt Serapio.[44]

(1) Dodonaeus; ‘Zowel de Hoogduitsers als de Nederduitsers hebben dit kruid Rosmarein en Rosmarijn genoemd naar de Latijnse naam, in het Grieks heet het Libanotis stephanomatice, in het Latijn Rosmarinum coronarium.

(2) Tegen blindheid die uit grove vochtigheid komt: ‘Neem het sap van rozemarijn met honingwater’.

(3) Tegen bloedige loop die van aambeien komt maak je een pleister van rozemarijnbladeren en weegbreesap.

(4) Tegen krampen in de buik drink je wijn waar rozemarijn en glaskruid in gekookt zijn.

(5) Om te laten plassen en de stonden te laten komen: ‘Neem wijn waar rozemarijn, venkelzaad, peterseliezaad en bijvoet in gekookt zijn’.

Van het sap van rozemarijn met venkelwater en tuchia samen maak je een medicijn die het gezicht verscherpt.

(6) Om de stonden te krijgen en om te ontvangen was je je omtrent de schaamstreek met een spons in water waar rozemarijn met melisse in gekookt is, Serapio’.

(7) Rozemarijn is voor herinnering zegt Ophelia bij Shakespearre. "There's rosemary for you, that's for remembrance. I pray you, love, remember". Ze werden op het graf gelegd, een herinnering. Men gaf de doden een krans ‘omdat ze de strijd met leven geëindigd hadden’

Boberellen xxiiii ca

Alkekengi grece et latine·

(Der meister Serapio spτicht das dises krautes tugent seÿ in der frucht·und nit an dem kraute. Die frucht ist gestalt wie ein kirþ·und ist rot·unnd hat ein haudt darüber geleÿche als ein spÿmen wôppen·Die frucht ist trucken und kalt an dem zweÿeten grad· (Diascoτides·boberellen geessen des abents so man schlaffen wil geen·dτeÿ oder vÿer on gefårlich·sind gůt dem fŭþsweetumb·genant bodogra·(Und zeühet·vil bôser feüchtigkeit von dem menschen durch den harm·Und also genüczet machet sÿ fast wol hårmen·und sind sunderlichen gůt für den stein·und dÿse frucht wirdet gemüschet gar in vil erczeney·und sunderlich wider den stein weetumb· (Boberellen frucht sind auch gar gůt gebτauchet der bôsen lebern blasen und lenden·und benemen alles jr wee mit petersilgen wurcze und steinbτech vermenget·in wein gesoten·(Das kraut von boberellen ÿsset man nit·sunder es soll gebτauchet werden zů pflasteren·die do dienen zů feüchten wunden. (Der saffte von boberellen gestrychen auff die geschwere heilet sÿ zůhandt·(Und des saffttes getruncken·ist gůt den jnnerlichen geschweren·Und zerteÿlet das gelebert blůt in dem leÿbe·(Item·Von boberellen werden gemachet trocisci in der apotecken·die dienen auch fast dem die stein weethumb habend·genant calculosi·Und sunderlichen sind dise trocisci gůtt flegmaticis·das sind die·die volleτ feüchtung sind·und aller andern dÿe der complexion nit sind dienen die boberellen oder was darvon gemachet wirt gar nichtz. (Und darumb sol ein ÿegklicher arczt oder krancker auffmerckung haben·was seiner natur bekommenlich seÿ·Und darumb hat got d allmåchtig manig kraut lassen werden·nit darumb das ein ÿegklich kraut gůt seÿ allen mennschen·sunder allein dem menschen der solichs darff zů seiner not turfft·Als kreüter die do kalter natur sind die hÿcze domit zů benemen·und hÿcziger natur dÿe keltte domit zůbenemen·Und dar (·c·iiij·) [45] umb sol man nit nüczen kelten zů kelte·und hÿcze zů hicze·wann die süchte davon gemeret werden und nymmermer kommen zů gesontheÿt·Als uns beschτeÿben Avicenna und Galienus in jren bŭchern manigfaltigklich·

Krieken over zee(1) , 24ste kapittel.

Alkekengi Grieks en Latijn. (Physalis alkekengi)·

De meester Serapio spreekt dat dit kruid deugd in de vrucht is en niet aan het kruid. De vrucht is gesteld als een kers en is rood en heeft een huid daarover gelijk als een spinnenweb. De vrucht is droog en koud aan de tweede graad. Dioscorides; krieken over zee gegeten ‘s avonds zo men slapen wil gaan drie of vier zonder gevaar zijn goed de voetenpijn genaamd podogra. (2) En trekt veel kwade vochtigheid van de mensen door de plas. En alzo genuttigd maakt ze erg goed plassen en zijn uitzonderlijk goed voor de steen en deze vrucht wordt gemengd in erg veel artsenijen en vooral tegen de steen pijn. Krieken over zeevruchten zijn ook erg goed gebruikt de kwade lever, blaas en lenden en benemen al hun pijn, met peterseliekruid en steenbreek vermengt en in wijn gekookt. (3) Dat kruid van krieken over zee eet men niet, vooral zal het gebruikt worden tot pleisters die je dienen tot vochtige wonden. Het sap van krieken over zee gestreken op de zweren heelt ze gelijk. En het sap gedronken is goed de innerlijke zweren. En verdeelt dat gestolde bloed in het lijf. Item. Van krieken over zee worden gemaakt koekjes in de apotheken die dienen ook erg die de steenpijn hebben, genaamd calculosi. En vooral zijn deze koekjes goed flegmatici, dat zijn diegene die vol vochtigheid zijn en alle andere die deze samengesteldheid niet zijn dienen de krieken over zee of wat daarvan gemaakt wordt geheel niet. En daarom zal elke arts of zieke opmerking hebben wat voor zijn natuur goed is. En daarom heeft God de almachtige vele kruiden laten geworden en niet daarom dat elk kruid goed is voor alle mensen, maar vooral alleen de mensen die zulks doet tot zijn nooddruft. Zoals kruiden die van koude natuur zijn de hitte daarmee te benemen en bij hete natuur de koude daarmee te benemen. En [45] daarom zal man niet nuttigen koudheid tot koudheid en hitte tot hitte want de ziekten daarvan vermeerderd worden en nimmermeer komen ze tot gezondheid. Als ons beschrijven Avicenna en Galenus in hun boeken veelvuldig.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederduitse naam van deze soort van nachtschade is kriecken over zee, de Hoogduitse Schutten, Boberellen, Juden Kirsen, Teuffels Kirsen, de Griekse Strychnos halicacabos en Physalis, de Latijnse Solanum vesicarium en meest Vesicaria alsof men blaaskruid zei omdat deze krieken in huisjes als blaasjes besloten zijn of (als Plinius zegt) omdat dit gewas de blaas nuttig en tegen de steen en niergruis goed is. In de apotheken is het bekend met de naam Alkekengi.

(2) Tegen astma (dat is moeilijk adem halen) en een opgeblazen lever, tegen geelzucht en moeilijk plassen of aandrang tot waterlozing: ‘Neem het sap van alkekengi en het sap van peterselie, van elk een half pond.

(3) Tegen oude oorzweren en opgeblazen zweren: Neem het kruid met de stelen en stamp het stuk en met azijn maak je er een pleister van die je daar op moet leggen.

meysterwurcz xxv ca

Astrens grece·arabice Meu·latine Anetum agreste·

(Plinius in dem capitel Meu·spτicht·Das meisterwurz seÿe heÿþ und trucken an dem andern grad·(Das kraut an der meisterwurcz ist scharpff und dünn·und hat einen weÿchen styl·und ist långelat·und hat wurczeln die sich fast auþτeÿten·und sind knodat und lang·und haben einen gůten gerauch·unnd wenn man sÿ keüwet in dem munde so zeühet sÿ feüchtigkeit an sich geleÿch dem bertram·(Diascorides spτichet·das die tugent der meisterwurcz fast gůt seÿ·

(Die wurczel gesoten in wasser und das getruncken·treÿbett auþ gar vil feüchtigkeit von dem menschen·und benÿmmt auch daz lenden wee·(Dem zů geschwollen magen sind sÿ gůt·die genüczet mit wein·und ist auch reÿnigen den frauwen jr můter genant matrix·daz sÿ dester ee mügen empfahen von dem manne so thůnd darzů melisse und beÿfůþ·(Wer die misch farbe het·d trincke des safftes dises krautes mit tausent guldin vermenget genant centaurea·er genÿþt. (Meisterwurcz mit geτsten mel gesoten und ein pflaster davon gemachet·und geleget über die schwarzen blatern·weÿchet und heÿlet sÿ·(Wer das kaltt wee håte wôlcherleÿe das wåre·der stosse dises krauts ein hant vol oder zwů·und thů darüber gůten wein auff ein halbe maþs·unnd lasse den steen über nacht·darnach seÿhe den wein ab und thů andern wein darüber·und lasse jn steen als voτ·und thů das vier oder fünff nacht·und trincke do des weins alle mal einen trunck er genÿset on zweyfel· (Weer des safftes trincket dem zeühett es vil feüchtigkeit auþ dem haubt und machet es jm leychtmŭtig. [46]

Berendille, 25ste kapittel.

Astrens Grieks. (1) Arabisch Meu. Latijn Anetum agreste. (Peucedanum ostruthium)

Plinius in het kapittel Meum spreekt: Dat berendille heet en droog is aan de andere graad. (5) Dat kruid van de berendille is scherp en dun en heeft een weke steel en is langachtig en heeft wortels die zich erg uitbreiden en zijn knopig en lang en hebben een goede reuk en als men ze kauwt in de mond zo trekt ze vochtigheid aan zich gelijk de bertram. Dioscorides spreekt dat de deugd van de berendille erg goed is.

(2) De wortel gekookt in water en dat gedronken drijft uit erg veel vochtigheid van de mensen en beneemt ook dat lendenpijn. Dan tot de gezwollen magen zijn ze goed die genuttigd met wijn en dit ook (3) reinigen de vrouwen hun baarmoeder genaamd matrix dat ze des te eerder mogen ontvangen van de mannen zo doen ze daartoe melisse en bijvoet. Wie de miskleur heeft die drinkt dat sap van dit kruid met duizend guldenkruid vermengt genaamd Centaurea, hij geneest. (4) Berendille met gerstemeel gekookt en een pleister daarvan gemaakt en gelegd over de zwarte blaren weekt en heelt ze. Wie de koude pijn heeft welke soort dat is die stoot dit kruid een hand vol of twee en doet daarover goede wijn op een halve maat en laat dan staan over nacht, daarna zeef de wijn af en doe andere wijn daarover en laat het staan zoals voor en doe dat vier of vijf nachten en drink die wijn elke keer een dronk, hij geneest zonder twijfel. (5) Wie het sap drinkt die trekt het veel vochtigheid uit het hoofd en maakt het hem lichtmoedig. [46]

Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt in Brabant van de gewone man meesterwortel genoemd, in Hoogduitsland Meisterwurtz en wij hebben het in het Latijn de naam Astrantia gegeven, dan andere noemen het Imperatoria’.

Imperatoria, het meesterkruid, Duitse Meisterwurz, Masterwurz, Engelse masterwort, een vertaling van middeleeuws Latijn magistrantia; meester, omdat aan de plant meesterlijke heilkrachten toegeschreven werden, is meester over verschillende ziektes zodat zelfs Kaiserwurz voor komt.

(2) Dodonaeus; ‘Meesterwortel is heel dun van delen en fijn van stof en daarom zeer geschikt om te doorsnijden, dun te maken, te verteren, te laten zweten en gemakkelijk plassen.

(3) Men gebruikt het niet alleen om de plas, maar ook om de maandstonden te verwekken en om de wurging en opstijging van de baarmoeder te beletten en voorts om de nageboorte en dode vruchten uit te drijven.

(4) Het poeder er van soms omtrent de zwaarte van een drachme of vierendeel lood gebruikt is de waterzuchtige zeer nuttig en diegene die met kramp, trekking van de leden en vallende ziekte gekweld zijn..

(5) Die wortel van dit kruid in wrange wijn gekookt verzoet en verdrijft de smart van de tanden en gekauwd laat het spuwen of kwijlen, dat is laat de waterachtigheid of het slijm van het hoofd op de tong rijzen en daarom wordt ze veel gebruikt en zeer geprezen voor een van de beste middelen die men weet om de (5) hersens door het spuwen van de slijmachtige vochtigheden te verlossen en de mensen die met m. s, hersenbloeding, vallende ziekte en diergelijke gebreken gekweld zijn te genezen.

schlehensafft xxvi ca

Accacia grece et latine·arabice Altarti·

(In dem bůch genant circa instans·in dem capitel Accacia do steet geschτiben dz er sey kalt und trucken in dem dτitten grad·Pandecta spτicht·dz schlehensafft sey kalt in dem zweÿeten grad·und trucken in dem dτitten grad·(Item schlehensafft weret ein ganczes jar unverseert an seiner krafft· (Paulus·wôlchem d hÿnderst darm auþ gieng d sol den bestreichen mit schlehensafft·er geet widerumb hÿnein·(Item·des geleÿchen mag man thůn den frawen den jr můter herfŭr geet·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis spτichet·das schlehensafft gemachet werd von der frucht schlehen genant·und dises geschicht so sÿ nit gar zeÿtig sind·(Der wirdig meister Avicenna spτicht·das schlehensafft stopffe das geblŭte das zů seer fleüsset·und ist gůt dem d do hat das rot·Und benÿmmt dem frauwen jr blůmen die zů seer fleüþt. (Schlehensafft stercket das gesicht·und benÿmmt den fluþ der augen·(Diascoτides spτicht·das schlehensafft den hÿczigen leÿbe fast wol keltte·und beneme die unnatürlichen hÿcze·Und darumb bestopffet sÿ und trücknet den leÿb von flüssen·(Galienus in seinem sechþten bůch genantt simplicium farmacarum·in dem capitel Accacia spτichet·das dez safft geschmÿeret auff ein gesundes gelÿd·das wirt zůhandt trucken und dürτ·(Schlehensafft ist fast gůt genüczet für das heilig feüwer·od für ein entzůndet gelÿde·(Den schwerenden augen von hÿcze darüber gestrychen kület fast wol·(Schlehensafft gestrÿchen an die ende do einer kein har begeret zehaben·machet die selben stat kal und gladt.

(Item Schlehensafft mit wegbτeyte safft vermennget·ist gůt wider den blůtgang der naþen·(Item·Schlehen safft mit dτaganto und mummia in einen eÿeþweÿþ vermenget·unnd auff den magen geleget·und ist gůt wider das brechen genant vomitum·[47]

Slehensap, 26ste kapittel.

Acacia Grieks (1) en Latijn. Arabisch Altarti. (Prunus spinosa)

In het boek genaamd circa instans in het kapittel Acacia daar staat geschreven dat het koud en droog is in de derde graad. Pandecta spreekt dat slehensap koud is in de tweede graad en droog in de derde graad. Item slehensap blijft een geheel jaar onveranderd aan zijn kracht. (2) Paulus; welke de achterste darm uitgaat die zal die bestrijken met slehensap, het gaat wederom terug. Item, desgelijks mag men doen de vrouwen als hun baarmoeder naar voren gaat.

De meester Serapio in het boek aggregatoris spreekt dat slehensap gemaakt wordt van de vrucht slee genaamd en dit gebeurt zo ze niet erg rijp zijn. (3) De waardige meesters Avicenna spreekt dat slehensap stopt dat bloeden dat te zeer vloeit en is goed die de dat rode heeft. En beneemt de vrouwen hun bloemen die te zeer vloeit. Slehensap versterkt dat gezicht en beneemt de vloed der ogen. (4) Dioscorides spreekt dat slehensap het hete lijf erg goed verkoeld en beneemt de onnatuurlijke hitte. En daarom verstopt ze en droogt het lijf van vloeien. Galenus in zijn zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Acacia spreekt dat dit sap gesmeerd op een gezond lid dat wordt gelijk droog en dor. Slehensap is erg goed genuttigd voor dat heilig vuur of voor een ontstoken lid. De zwerende ogen van hitte daarover gestreken verkoelt erg goed. (5) Slehensap gestreken aan het eind daar ene geen haar begeert te hebben maakt dezelfde plaats kaal en glad.

Item. Slehensap met weegbreesap vermengt is goed tegen de bloedgang van de neus. Item. Slehensap met dragant en mummia in een eiwit vermengt en op de maag gelegd en is goed tegen dat braken genaamd vomitum.[47]

(1) Dodonaeus; ‘Deze heester wordt hier te lande slehedoren genoemd en haar vruchten of pruimpjes slehen, in het Hoogduits ook Schlehedorn en Schlehen. In het Grieks heet het Agriococcimelea of Coccimelea agria, dat is Prunus silvestris of wilde pruimboom, de vrucht Agriococcimelon, dat is Prunum sylvestre of wilde pruimen’.

(2) Het sap van deze wilde pruimen is nuttig in alle gebreken die enige tezamen trekking vereisen en is een goede medicijn of baat om alle loop van de buik, vloed van de vrouwen en allerhande bloedgang te stelpen en op te laten houden en plag daarom in de apotheken van deze en andere Duitse landen voor de Acacia gebruikt te worden.

(3) Men vermengt die of haar zaad zeer nuttig bij alle pappen, zalven en pleisters die kracht hebben om te bedwingen, terug te drijven en te stoppen, ze worden gedaan bij alle dingen die tegen de rode loop en (4) allerhande buikloop, krampen, rommeling en tegen cholera gemaakt en bereid worden.

(5) Sleesap op een plaats van de huid gestreken daar men geen haar begeert te hebben maakt die en houdt ze kaal en glad.

Das geel semlein in den rosen xxvii cap

Antera latine et grece·

(Paulus·Diser same ist gůt genüczet den geenden die zůseere zů stůl geen·und die sich zů seer bτechen·den gebulferet und das eingenommen mit hôner bτŭe·

(Dises bulfer ist fast gůt genüczet für flüþ der feüchtblattern·das darauff gestreüwet·(Item dises bulfer gemüschet mit eþsig und also geleget auf ein blůtende wunden·als do ein pfeÿle oder nagel auþgezogen ist·stellet die zůhandt·(Item dz wasser von disem samen mit wegbτeÿte wasser distilleirt·und auch des getruncken·stillet dissinterion·das ist der rote blůtganng·(Auch dises den frawen menstruum behendigklich·(Diser same ist auch kalt und trucken an em andern grad·(Item·Diser same ist auch gar gůt wider den blůtfluþ auþ der nasen·also genüczet·Nÿmme des rosen samen ein lott·tracken blůt terτe sigillate boli armeni·yegklichs ein quintin und menge das auch zůsammen mit eyeþ weÿþ·und menge darzů haþenharr gebulfert·unnd lege dise in die naþlôcher·sund zweyfel es stellet den blůtgang darauþ·

(1) Dat gele zaad in de rozen, 27ste kapittel.

Antera Latijn en Grieks. Stuifmeel en meeldraden van rozen, Rosa.

Paulus. Dit zaad is goed genuttigd diegenen die te zeer (2) te stoel gaan en die zich te zeer braken, dat gepoederd en dat ingenomen met hoenderbouillon.

Dit poeder is erg goed genuttigd voor vloed der aambeien, dat daarop gestrooid. Item dit poeder gemengd met azijn en alzo gelegd op een bloedende wonde zoals je een pijl of nagel uitgetrokken is stelpt die gelijk. Item dat water van dit zaad met weegbreewater gedistilleerd en ook dat gedronken stilt dysenterie, dat is de rode bloedgang. (3) Ook is dit de vrouwen menstruatie behendig. Dit zaad is ook koud en droog aan de andere graad. Item. Dit zaad is ook erg goed tegen de bloedvloed uit de neus alzo genuttigd: Neem de rozenzaden een 16, 7gram, drakenbloed, terra sigillate, bolus armenus, van elk een 1,67gram en meng dat ook tezamen met eiwit en meng daartoe hazenhaar gepoederd en leg dit in de neusgaten, zonder twijfel stilt het de bloedgang daaruit.

 (1) Dodonaeus; ‘Het middelste van de roos, dat zijn de gele draadjes en nopjes die in de rozen groeien, heten in Grieks Anthos ton rhodon en in Latijn Flos Rosae alsof men zei de bloem of bloeisel van de roos, in de apotheken Anthera’.

Herbarijs; ‘Antera, dat is zaad van rozen. En het is goed tegen (2) buikloop en tegen walging.

Dodonaeus; ‘Het zaad en de harigheid die in de knop van de roos zit, ja de gehele knop gedroogd en verpoedert is een bijzondere baat tegen de witte vloed van de vrouwen en ook om de (3) maandstonden te stoppen of tegen de druppelplas en het afgaan van het mannelijk zaad.

mauszoτe xxviii Ca

Auricula muris latine·Anagallus grece·vel mÿoschais·vel xantalia·arabice ÿppia·[48]

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel anagallus·idest auricula muris·spτicht das mauþoτe hat subtile kleÿne bletter·unnd hat auch eþte dÿe sind vier ecket·und tregt samen geleÿch dem coτiander·Und daz kraut ist zweyer hand·eins hat blůmen die sind von farben rôtelat und ist der man·daz andeτ hat blůmen die haben hymmelfarben·und das ist die frawe·und wachþen auch beÿde gar geren an dem steinigen enndenn·unnd auch an den kalen bergen·(Galienus in dem sechþchten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel Anagallus·spτichet·das sÿ beÿde von natur gar trucken sind·und auch ein kleine wÿrme in jn haben·(Diascoτides spτicht·das mauþoτe auch gar gůt sey den wunden aussen an dem leybe·und lassen die nit schweren·darüber geleget·

(Item·Den safft von meüþôτe in dem munde gehalten benymmet den zanschweren·(Meüþoτe safft und schel wurczel wasser·gemüschet mit hônig·ist fast gůt den tunckeln augen·darauff geleget·(Item·Ein pflaster gemachet von meüþoτe·und von wulle mit wein gesoten·und geleget auff den afftern für dem leyb geet·hilfft auch das er wider an sein rechte stat kommet·(Der safft von meüþoτe in die oτen gelassen·benymmet auch das sausen darjnn·und treÿbt auþ die wŭrme in den oτen·(Den safft in die naþlôcher gelassen·machet nÿesen uud reÿniget das haubte von bôser feüchtung·(Der meister Serapio spτichet·das Anagallus·das ist meüþoτe·die do blůmen haben geleÿch der farbe des hymmels seye fast gůt für dem afftern d für den leÿb geet·darauff geleget geleÿch als ein pflaster·Und spτicht auch·das die meüþoτe mit den roten blůmen sej von natur an sich ziehen·Darumbe mag man sÿ bτauchen wo ein pfeyl oder doτn in einem gelÿde steckt·zeühet auch meüþoτ senfftigklich auþ·darauff geleget geleych als ein salben od ein pflaster also gemachet·Nymm meüþoτ safft·und dÿptam safft·unnd magneten stein gebulferet mit schweÿnem schmalcz·vermengt in einer salben weyse·(Item. Meüþoτe und auch gundelreben gestossen oder gequetschet·und in die oτen gethon·ist wider zeen weetumm·(Item·Meüþoτ safft genüczet·ist auch gar gůt wider gebÿþs der fenenygen gethiercz. (Item·Meüþoτsafft mit hônig wasser vermenget·ist auch gůtt wider den bauchweetumb·(Auch ist meüþoτe safft mit wein gesoten·gůt wider die fallenden sucht·(Item·Meüþoτe unnd sprinckwurczel und kümmel gesoten in wein·mit wenig hônige oder zucker vermenget·davon genüczet·ist gůt wider das darmgegicht·[49]

Guichelheil, 28ste kapittel.

Auricula muris Latijn. (1) Anagallus Grieks, vel mÿoschais, vel xantalia. Arabisch ÿppia. [48] (Anagallis arvensis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anagallis, id est auricula muris, spreekt dat guichelheil heeft subtiele kleine bladeren en heeft ook takken die zijn vierkantig en draagt zaden gelijk de koriander. En dat kruid is tweevormig, de ene heeft bloemen die zijn van verven roodachtig en is de man, de andere heeft bloemen die hebben hemelkleur en dat is de vrouw en groeien ook beide erg graag aan de stenige einden en ook aan de kale bergen. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Anagallis spreekt dat (6) ze beide van natuur erg droog zijn en ook een kleine warmte in zich hebben. (5) Dioscorides spreekt dat guichelheil ook erg goed is de wonden buiten aan het lijf en laten die niet zweren, daarover gelegd.

Item. (4) Het sap van guichelheil in de mond gehouden beneemt de tandpijn. Guichelheilsap en stinkende gouwe wortelwater gemengd met honing is erg goed de donkere ogen, daarop gelegd. Item. (7) Een pleister gemaakt van guichelheil en van wol met wijn gekookt en gelegd op het achterste dat voor het lijf gaat helpt ook dat het weer aan zijn rechte plaats komt. Het sap van guichelheil in de oren gelaten beneemt ook dat suizen daarin en drijft uit de wormen in de oren. Het sap in de neusgaten gelaten maakt niezen en reinigt dat hoofd van kwade vochtigheid. (7) De meester Serapio spreekt dat Anagallis, dat is guichelheil, die bloemen hebben gelijk de verf van de hemel erg goed is voor het achterste dat voor het lijf gaat, daarop gelegd gelijk als een pleister. En spreekt ook dat die guichelheil met de rode bloemen van natuur aan zich trekt. (2) Daarom mag man die gebruiken wie een pijl of doorn in een lid steekt dat trekt ook guichelheil zachtjes uit, daarop gelegd gelijk als een zalf of een pleister alzo gemaakt: Neem guichelheilsap en diptamsap en magnetensteen gepoederd en met varkensvet vermengt in een zalfwijze. Item. Guichelheil en ook hondsdraf gestoten of gekwetst en in de oren gedaan is tegen tandpijn. (3) Item. Guichelheilsap genuttigd is ook erg goed tegen beten van de venijnige dieren. Item. Guichelheilsap met honingwater vermengt is ook goed tegen de buikpijn. Ook is guichelheilsap met wijn gekookt goed tegen de vallende ziekte. Item. Guichelheil en springwortel en komijn gekookt in wijn met weinig honing of suiker vermeng en daarvan genuttigd is goed tegen dat darmjicht.[49]

(1) Dodonaeus; ‘‘Guichelheil wordt in het Grieks zowel als in het Latijn Anagallis genoemd, in het Hoogduits Gaucheyl, in het Nederduits guichelheil. Het kan ook wel wezen dat de ouders dit kruid Anagallis, dat is verheugende, genoemd hebben omdat het zeer moedig overal de wegen versiert met aardige bloempjes die zeer lieflijk en lustig zijn om te zien’.

Dodonaeus; ‘Dioscorides zegt dat alle beide guichelheilen een verzoetende of verzachtende kracht hebben, de zweren verhoeden, (2) de stekende scherpe splinters of doornen en diergelijke dingen die in het lichaam vast zijn kunnen uittrekken en het lopende vuur stillen of genezen.

Insgelijks schrijft hij ook dat haar sap het hoofd van binnen purgeren en zuiveren kan als men de keel daarmee spoelt al gorgelend en dat hetzelfde sap dat in de neusgaten gegoten is de (4) tandpijn verdrijft, wel verstaande als men het in dat neusgat giet wat recht tegen over de slechte tand is, dat is het neusgat van die kant daar de smart niet is. En dat als het met honing gemengd is de onzuivere en lopende uitpuilende ogen reinigt en gauw geneest en bovendien de donkere of slecht ziende ogen verheldert.

(3) Hetzelfde sap houdt hij voor goed om de beten van de adders of slangen te genezen wanneer men dat met wijn drinkt en als het op die manier ingenomen is houdt hij dat ook voor nuttig in de gebreken van de lever en van de nieren.

(7) Hij voegt daar noch bij dat de guichelheil met blauwe bloemen de uitvallende aarsdarm indrijven kan en daarentegen die met rode bloemen als daar op gelegd wordt die laat uitkomen of uitvallen.

(6) De guichelheilen hebben een verwarmende en verdrogende kracht zegt Galenus en zuiveren zeer goed, ja in het kort gezegd, ze hebben een verdrogende kracht zonder scherpte waarom ze ook de wonden dicht maken en de vuile zweren helpen. Plinius zegt dat een drachme van het sap met wijn gedronken goed is tegen de (3) slangenbeten. (5) Ze maken goed water en zijn de lever uitermate goed en ook bedwingen ze de voortsetende zweren.

Herbarius in Dyetsche; ‘(6) Dit sap van muizenoor is goed tegen blindheid van de ogen en geneest ook venijnige beten. (4) In de neus gedaan laxeert het de onreinheid van het hoofd. (c)

Met mulsa (dat is wijn en honing tezamen gemengd) te drinken gegeven heelt het wonden en vermurwt het ‘t lichaam.

(7) Het sap hiervan dat met wolkruid in wijn gekookt is is goed tegen het uitgaan van het einde of aars als je er warm in zit.

Als je het drinkt met wijn is het goed tegen vallende ziekte.

Habern xxix Capi

Avena latine·Egilops grece·egilopa·arabice qusir·vel clausir vel dolara· (Der meister Plinius in dem capitel Avena·spτicht·das habern wachþe mitt dem weyczen·und geleychet der selben an jren gewåchþe·allein das habern einen weÿchen stengel hat dann weicz. (Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel qusir·idest Avena·spτichet·dz dises hab bletter geleÿch den früchten·allein das sÿ weÿcher sind·und an dem gipffel der rôτen hat es samen der ist umb henckt mit zweÿen oder dτeÿen rôcken·(Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel Egilops·idest Avena·spτichet·das sein gerauch seÿ starck und auch gar scharpf und sein tugent ist durchdτingen die feüchtung·und verczeren auch die hertten geschweer·dz meel davon darauff geleget geleych als ein pflaster·(Und ist sunderlich gůt den fisteln beÿ den augen. (Ein pflaster gemachet mit habern und darunder gemüschet sŭþs meel·unnd den bôsen grÿndt genant ympetigo·dz ist ein stat d maledeÿ domit gepflestert·heÿlet den·(Item Galienus in dem bůch genant de Cibis·spτicht·das habern seÿ auch ein speÿse der thiere und nit d menschen·es wår dann sach·das also grosse teürung wåre so môchte man wol bτot darauþ machen als ettwan gar dÿck geschehen ist·und diþs bτot gibt auch dem menschen gar kleine speÿþung·und gar wenig geblŭtes·(Item habern gesoten mit wasser·darnach den gestossen und mit hônige gemüschet·machet auch gar gůte hycze·und benymmet die kelte·das geessen wie einen bτeÿen·(Item·Håbτin bτeÿen gekochet mit eþsig·sind fas gůt denen·die do haben grosse hÿcze·(Serapio·Habern weychet die verhertten gelÿder·das meel davon darüber geleget geleÿch einem pflaster·(Item Habern ist gůt genüczet zů aller geschwulst an dem leÿbe·die do kummett von hÿcze·(Item·Ein pflaster gemachet von håbτinem meelbe·unnd das do mit loτbeer ôle vermengt·ist gůt für den grind·und [50] ist hertte apostemen verczeren·die geschwollen sind·Und ist auch gůt wider die fistel des arþsdarms·als Serapio spτicht·

(Item håbτen meel ist auch gar gůt das antlicz des menschen schôn und reÿn machen mit bleyweÿþ vermenget in wasser gesoten·domit auch das antlicz dick male gewåschen·spτicht bartholomeus anglicus de pτopτietatibus rerum·

Haver, 29ste kapittel.

Avena Latijn Egilops. (1) Grieks egilopa. Arabisch qusir, vel clausir, vel dolara. (Avena sativa)

De meester Plinius in het kapittel Avena spreekt dat haver groeit met de tarwe en lijkt daarop aan haar gewas, alleen dat haver een wekere stengel heeft dan tarwe. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel qusir, id est Avena, spreekt dat deze heeft bladeren gelijk de vruchten, alleen dat ze weker zijn en aan de top der stengels heeft het zaden die is omhangen met twee of drie rokken. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Egilops, id est Avena, spreekt·dat zijn reuk sterk is en ook erg scherp en (3) zijn deugd is doordringen de vochtigheid en verteren ook de harde zweren, dat meel daarvan daarop gelegd gelijk als een pleister. En is uitzonderlijk goed de etterwonden bij de ogen. Een pleister gemaakt met haver en daaronder gemengd zoet meel en de kwade hoofdzeer genaamd impetigo, dat is een plaats van de boosaardigheid, daarmee gepleisterd heelt het. Item. (2) Galenus in het boek genaamd de Cibis spreekt dat haver ook een spijs is van de dieren en niet van de mensen, tenzij het zaak was dat er alzo grote duurte was dan mag men wel brood daaruit maken zoals wel erg veel gebeurd is en dit brood geeft ook de mensen erg kleine spijs en erg weinig bloed. (4) Item haver gekookt met water en daarna dan gestoten en met honing gemengd maakt ook erg goede hitte en beneemt de koudheid, dat gegeten als een brei. Item. Haverbrei gekookt met azijn is erg goed diegenen die hebben grote hitte. Serapio: Haver weekt de verharde leden, dat meel daarvan daarover gelegd gelijk een pleister. Item. Haver is goed genuttigd tot alle gezwellen aan het lijf die je komt van hitte. Item. Een pleister gemaakt van havermeel en dat met laurierolie vermengt is goed voor de hoofdzeer en [50] is harde gezwellen verteren die gezwollen zijn. En is ook goed tegen de etterwonden van de aarsdarm zoals Serapio spreekt.

(5) Item havermeel is ook erg goed dat aangezicht van de mensen schoon en rein maken met loodwit vermengt en in water gekookt en daarmee ook dat aangezicht vele malen gewassen spreekt Bartholomeus Anglicus in de proprietatibus rerum.

(1) Dodonaeus; ‘In Brabant heet dit koren haver, in Hoogduitsland Habern, in het Latijn heet het Avena en in het Grieks Bromos’. Avena komt van het Latijnse avena: wat blazen betekent, naar de lange holle halmen die als blaaspijpen gebruikt kunnen worden.

(2) Dodonaeus; ‘Haver, als Galenus zegt, is een voedsel van de beesten en is voor de mens niet geschikt tenzij dat ze door grote en uiterste hongersnood gedwongen worden om er brood van te bakken.

(2) De Gart spreekt er anders over via Galenus.

(4) Pap of brij van haver gemaakt, als Dioscorides betuigt, stopt de loop van de buik.

(5) Havermeel in azijn gekookt neemt de sproeten en littekens van het aanzicht weg, als Plinius betuigt.

Abschlag xxx Capi

Astromum·

(Die meister spτechen auch gemeynigklich·das abschlag sey kalter natur unnd vergifftiger·und ist auch weder gesunden noch siechen menschen zů essen·Wer jn aber essen wil·der lege jn voτ hyn in wein·und lasse jn bayssen zwen tag oder dτeÿ·(Abschlag hat nicht hycze in jm·sunder ein scharpffe feüchtnuþ und von dem tauwe·( Item abschlag sollend die bτauchen oder nüczen die do beladen sind mit febτes·(Item wôlcher einen bôsen mågen håt und åsse abschlag·dem wirt wee davon·(Wisse auch das die natur aller lauch sind getemperieret mit hÿcze·und wachþen alle von feÿchtung und von wÿnden. (Item·alle lauch geessen schaden nit on allein astlauch·der ist unnücz zů essen·(Auch spτechen die meister·das kranck leüt die do beladen sind mit grosser feüchtung meÿden sollen lauch·wann er meret die feüchtung·(Item. Von des lauches tugent stet geschτiben in dem capitel Poτrum·hÿuden de P·do findet man gar vil hübscher tugent von·

Sjalot, (1) 30ste kapittel.

Astromum. (Allium ascolonium)

De meesters spreken ook algemeen dat sjalot van koude natuur is en vergiftig en is ook niet gezonde noch zieke mensen te eten. Wie het echter eten wil die legt het daarvoor in wijn en laat het baden twee dagen of drie. Sjalot heeft niet hitte in hem, uitgezonderd een scherpe vochtigheid van de dauw. Item sjalot zullen die gebruiken of nuttigen die beladen zijn met koorts. Item wie een kwade maag heeft en eet sjalot die wordt ziek daarvan. Weet ook dat de natuur van alle look getemperd is met hitte en ze groeien alle van vochtigheid en van winden. Item, alle look gegeten schaadt niet uitgezonderd alleen sjalot, die is onnut te eten. Ook spreken de meesters dat zieke mensen die beladen zijn met grote vochtigheid mijden zullen look want het vermeerdert de vochtigheid. Item. Van de look zijn deugd staat geschreven in het kapittel Porrum onder de P, daar vind men erg veel leuke deugd van.

(1) Dodonaeus over Allium cepa; ‘In oude tijden had deze uien vele en verschillende namen naar de verscheidenheid van de plaatsen daar ze groeiden, als gezegd is, want sommige heten Cypriae, sommige Sardiae, Cnidiae, Creticae, Samothraciae, Ascoloniae of Pompeianae naar de eilanden, rijken en steden van Cyprus, Sardos, Kreta, Samothracie en ook naar Ascalonon wat een stad van Joodse land was dat anders Pompeiana heet. Caepa Palaestina aut Ascalonica is de scaloegnie of, als andere menen, het bieslook.

schyrling xxxi Ca

Appollonaria·

(Die meister spτechend auch·das dises seÿ gar ein gůt kraut unnd seye von natur hÿczigen·und ist auch gar schedlichen zů nüczen·es wår dann sache·das er gar not wår.wann wôlcher es nüczet·der zerstôτet jme sein geblŭte unnd alle feüchtnuþ und machet auch gar bôse tempfunge in dem leÿbe. (Item·[51] Wer an dem leÿb zerschlagen wåre mit stecken kolben oder anderen dingen oder gefallen wåre·der siede schirling wol in wasser und trincke des·und lege das kraut auch also warm auff die stat do die verseret ist·und bÿnde dann auch ein thůch darüber so zerlåsset sich das gelebert blůtte·das sich zů hauffen gezogen hat·wann sein natur ist das es von einader teÿlet·und zerlasset auch das gelebert geblŭt·(Weer aber von stôssen oder auch von schlegen zwyschen haudt unnd fleÿsch geswyllet·der siede schÿrling und nachtschatten ÿegkliches geleych als vile als des andern·und bestreÿche auch domit die geschwulste·sÿ verzeühet sich gar balde·(Item. Was von jme geschwyllet sucht halber in dem leÿbe·darzů ist dyses kraut schÿrling nicht gůt·wenn die feüchtigkeit auþbτechen sol·die treÿbet es auch hyndersich·und bτåcht vil schaden·(Dises kraut das heÿsset auch nach einem meister genant appolnius·Und diser meister gabe auch dises kraute dem grossen meister Plato·sich domit zů erczneÿend. Und auch domit die gifft vom jm zů treyben·(Item·Wôlcher ein spÿnnen geessen håte der sol auch dises kraut nüczen grūne·mit salz und auch gesoten mit gůtem wein·die gifft zergeet on schaden·( Item·Wôlcher gestochen wåre von einem vergifftigen thier·der mache hievon ein pflaster·und lege es darauff es hilfft·(Dises kraut hat bτeÿte bleter·geleich ungula caballina unnd lange stengel mit gellben blůmen·

Scheerling, 31ste kapittel. (1)

Appollonaria. (Doronicum pardalianches)

De meesters spreken ook dat dit is een erg goed kruid en is van natuur verhitten en is ook erg schadelijk te nuttigen, het was dan zaak dat het erg nood was want wie het nuttigt die verstoort hem zijn bloed en alle vochtigheid en maakt ook erg kwade dampen in het lijf. Item. [51] Wie aan het lijf geslagen was met steken, kolven of andere dingen of gevallen was, die kookt scheerling goed in water en drinkt dat en leg dat kruid ook alzo warm op de plaats die bezeert is en bindt dan ook een doek daarover zo lost zich op dat gestolde bloed dat zich op hopen getrokken heeft want zijn natuur is dat het van elkaar deelt en lost ook op dat gestolde bloed. (2) Wie echter van stoten of ook van slaan tussen huid en vlees gezwollen is die kookt scheerling en nachtschade, van elk evenveel als van de andere, en bestrijkt ook daarmee de gezwellen, ze trekt het erg gauw op. Item. Wie van zich gezwollen ziekte heeft in het lijf, daartoe is dit kruid scheerling niet goed want het zal de vochtigheid uitbreken en drijft dat ook achter zich en brengt veel schade. Dit kruid dat heet ook naar een meester genaamd Appolnius. En deze meester gaf ook dit kruid aan de grote meester Plato, zich daarmee tot artsenijen en ook daarmee dat gif van hem te verdrijven. Item. Wie een spin gegeten heeft die zal ook dit kruid nuttigen groen, met zout en ook gekookt met goede wijn, dat gif vergaat zonder schade. Item. Wie gestoken was van een vergiftig dier die maakt hiervan een pleister en leg het daarop, het helpt.  Dit kruid heeft brede bladeren gelijk ungula caballina en lange stengels met gele bloemen.

(1) Dodonaeus in het kapittel van dodelijke kruiden; ‘Dit kruid heet in het Latijn Aconitum Pardalianches, te weten de eerste soort Aconitum Pardalianches primum, in onze taal plag het behalve de oneigen naam van Doronicum niet bekend te wezen en daarom zullen we het eerste geslacht eerste of kleine Aconitum Pardalianches mogen noemen en het ander tweede of grootste Aconitum Pardalianches, in het Latijn Aconitum Pardalianches alterum en in het Grieks heten ze beide Aconiton.

synaw xxxii Capit

ALchimilla artincilla lencopedion grece·latine·pes leonis sive planta leonis·

(Der meister Platearius spτichet·daz synaw sey heÿþ und trucken an dem andern grad·(Dises kraut weret ein ganczes jar unverseeret in seiner natur·und ist doch frysch besser genüczt denn dürτ·(Plinius. Nymme synau sanickel und heÿdes wundt kraut ÿeklichs ein handt vol·und seüde die in regen wasser·darnach nÿmm der langen regen wŭrm und zerstoþ die und dτucke dÿe [52, verder op pagina 53] feuchtung durch ein…. müsche die unnder d…. wasser·Dises getrunncken·stÿllet alle blůtende wunden·an dem leÿbe·wie sÿ sein mügen·und lege dises kraut auþwendig auff die wunden geleÿch einem pflasteτ die wunde heÿlet feÿn und auch schôn·(Der safft von sÿnawe dτeÿ moτgen nŭchteren ist auch gar gůt epilenticis·daz sind die die den fallende siechtagen haben. Darnach laþ ein adern schlåhen auff der lyncken handt·zwyschen dem zeÿger unnd dem daumen·du genÿsest zůhandt·( Wer einen verwunndeten magen oder bτust håte·der trincke von sÿnaw und sanickel·er genÿset·(Sÿnaw gestossen·und die grůse bestrÿchen durch ein thůch·und under die gemüschet hartenaw od scharlach gebulfert und das getruncken·benÿmmet auch colicam passionem·das ist·das darm gesücht·und domit alle wŭttende geblůtte in dem leÿbe·(Diascorides·(Nÿmm sÿnaw fenchelkraut selbe petersilgen kraut·ÿegklichs ein handt vol·unnd müsche auch darunder åniþ fenchel samen·ÿsop·alantwurcz ÿegkliches zwey lot·und seüde das in zweÿ pfundt wassers·als lang biþ das dτitteÿl ein seüdet·unnd trincke dises·es vertreÿbet alles gelebert blůt·und treÿbet dyses auþ durch den harm unnd durch dev stůglang·

Vrouwenmantel, 32ste kapittel.

Alchimilla (1) artincilla lencopedion Grieks. Latijn pes leonis sive planta leonis. (Alchemilla vulgaris)

De meester Platearius spreekt dat vrouwenmantel heet en droog is aan de andere graad. Dit kruid blijft een geheel jaar onveranderd aan zijn natuur en is toch vers beter genuttigd dan droog. Plinius: Neem vrouwenmantel, sanikel en guldenroede, van elk een hand vol en kook die in regenwater, daarna neem de lange regenwormen en verstoot die en druk die [52] (nu eik, verder op pagina 53) vochtigheid door een…. meng de onder d…. water. (2) Dit gedronken stilt alle bloedende wonden aan het lijf, waar ze zijn mogen, en leg dit kruid uitwendig op de wonden gelijk een pleister, de wond heelt fijn en ook schoon. Het sap van vrouwenmantel drie morgens nuchter is ook erg goed epilepsie, dat zijn die de vallende ziekte hebben. Daarna laat een ader slaan op de linkerhand tussen de aanwijzer en de duim, u geneest gelijk. Wie een verwonde maag of borst heeft die drinkt van vrouwenmantel en sanikel, hij geneest. Vrouwenmantel gestoten en dat gruis gestreken door een doek en onder die gemengd hertshooi of scharlei gepoederd en dat gedronken beneemt ook colicam passionem, dat is de darmziekte, en daarmee alle woedende bloedingen in het lijf. Dioscorides: Neem vrouwenmantel, venkelkruid, salie, peterseliekruid, van elk een hand vol en meng ook daaronder anijs, venkelzaden, hysop, alantkruid en van elk twee lood en kook dat in twee pond water alzo lang totdat het derde deel inkookt en drink dit, het verdrijft alle gestolde bloed en drijft dit uit door de plas en door de stoelgang.

(1) Zo is ook de naam Alchemilla pas in het Latijn van de middeleeuwen gevormd en behoort niet tot de klassieken. In gedrukte schrift vinden we het pas in de Gart der Gesundtheit uit Mainz in 1485 waar in het 32ste kapittel staat, Alchemilla, Synaw. Het wordt hier met de plant Leontopetalon, Leontopodion of leeuwenvoet van Dioscorides gelijk gesteld wat zeker niet de vrouwenmantel is maar meer Leontice leontopetalum, L, (een verwant van Berberis) of de violet bloeiende Roemeria hybrida (verwant met Chelidonium) een akkeronkruid in M. Zeegebied. Dat verklaart ook de namen Lowenfuss die ze in oude kruidenboeken heeft, met de leeuwenvoet heeft ze geen overeenkomst. Linnaeus droeg die naam over op de edelweiss waar het beter op paste dan op de vrouwenmantel.

(2) Ze stelpt het bloed en de maandstonden die onmatig vloeden.




eychbaum xxxiii Ca

Arboτ glandis latine·Hullis arabice·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capittel Hullus·idest arboτ glandis·spτicht·das aller gerauch dises baumes seÿ stopffen·und sunderlich die rÿnden die in der mitte ist dises baumes·Des geleichen die haut die do ist an den eÿcheln·Wÿe dÿse genüczet werden so sind sÿ von natur stopffen und keltten·

(Serapio spτicht·das eÿchelen sind gar gůt genüczet den frauwen die auch zů vil flüssig sind in jrer zeyt·und auch sunderlich die mittel rynden an dem holcze gesoten in wasser und do unden [54, verder op pagina 52]

….(Item das mittel der rynden von dem eÿchbaum und dz mittel von den eÿcheln das do ist zwischen der schalen und der frucht mit einander gesoten in eþsig und wasser·und auff das heÿlig feüwer gelegt als ein pflaster·benÿmet die hycze zůhandt·(Item die bleter von eÿcheln gestossen und auff ein frysche gehauwen wunden geleget zeühet die zůsamen·also daz man die nit hefften darff·(Item wer hÿczig bôþ blatern håt·sÿ ziehen die hÿcz auþ. (Der meister Diascoτides spτichet·das eÿchen holcz gesoten gůt seÿ den·die einen alsen fluþ haben und sunderlichen den·die do blůtt speÿen·das getruncken mit wein·(Item die frawen die lang zeit jr feüchtung gehabt haben·odeτ menstruose gewesen sind·die do mit eÿchen laub gebået unnden auff bereüchet·hilfft sÿ on zweyfel·(Item·Eycheln gebulferet und das getruncken mit wein· benÿmmet die gifft in dem menschen·und treÿbt sÿ auþ durch dem harm·(Item. Ettlich meister spτechen·das die bleter des eychbaumes gar gůt sind zů vil dingen·Der eins gelegt auff ein geschweer·benÿmbt jm die hÿcze·und heÿlet das zůhandt·(Item. Eÿcheln sind haubtwee bτingen und sind den bauch auff blasen·(Item·Eÿchen wurczeln gesoten·mit kŭe milch getruncken ist gůt wider vergifftig medicin·

(Item die frucht von eychbaume ist keltten und trucken beÿ dem .….quercinus hat macht subtil zůmachen·und hat macht zů jm ze ziehen·und feüchtung von einander zeteÿlen·unnd ist warm und trucken in dem dτÿtten grad. (Eÿchen mistel gebulfert und mit harcz vermenget·ist gůt wider verherttung des milczes·und auch mit wachþ vermenget·ist gar gůt wider das gegicht d gelÿder·(Item·Mistel ist zweÿerleÿ·auff dem eÿchen baumen·und auff dem bÿren baumm·Mysteln auff dem eÿchen baume ist auch der beste der do grŭn ist·[53]

Eikenboom, (1) 33ste kapittel.

Arbor glandis Latijn. Hullis Arabisch. (Quercus robur)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hullus, id est arbor glandis, spreekt dat alle rook van deze boom (2) stoppend is vooral de bast die in het midden is van deze boom. Desgelijks de huid die er is aan de eikels. Wie deze nuttigt zo worden zo zijn ze van natuur stoppend en verkoelend.

(3) Serapio spreekt dat eikels erg goed genuttigd zijn de vrouwen die ook te veel vloeiend zijn in hun tijd en ook vooral de middelste bast aan het hout gekookt in water en daar onder [54, verder op pagina 52] ….

Item dat middelste van de bast van de eikenboom en dat middelste van de eikels, dat er is tussen de schalen en de vrucht, met elkaar gekookt in azijn en water en op dat heilig vuur gelegd als een pleister beneemt de hitte gelijk. (4) Item de bladeren van eik gestoten en op een vers gehouwen wond gelegd trekt die tezamen alzo dat man die niet heffen hoeft. (5) Item wie hete kwade blaren heeft, ze trekken de hitte uit. (6) De meester Dioscorides spreekt·dat eikenhout gekookt goed is diegene die een oude vloed hebben en vooral die er bloedspuwen, dat gedronken met wijn. (2) Item de vrouwen die lange tijd hun vochtigheid gehad hebben of menstruatie gewezen zijn, die met eikenloof baden en van onderaf berookt helpt ze zonder twijfel. Item. (7) Eikels gepoederd en dat gedronken met wijn beneemt dat gif in de mensen en drijft het uit door de plas. Item. Ettelijke meesters spreken dat de bladeren van de eikenboom erg goed zijn tot veel dingen. Die eens gelegd op een zweer beneemt het de hitte en heelt dat gelijk. Item. (8) Eikels zijn hoofdpijn brengen en zijn de buik opblazen. Item. Eikenwortels gekookt met koemelk en gedronken is goed tegen vergiftige medicijnen.

Item, de vrucht van eikenbomen is koud en droog bij de .….Quercus heeft macht subtiel te maken en heeft macht tot hem te trekken en vochtigheid van elkaar te verdelen en is warm en droog in de derde graad. Eiken mistel gepoederd en met hars vermengt is goed tegen verharding van de milt (9) en ook met was vermengd is het erg goed tegen de jicht in de leden. Item. (10) Mistel is tweevormig, op de eikenbomen en op de peerboom. Mistel op de eikenboom is ook de beste die er groen is.[53]

(1) Arbor glandis; boom met schaaltjes wat op de eikenappels slaat. Vreemd dat hier geen Quercus staat of het Griekse Drys.

Dodonaeus; ‘De andere soort heet hier te lande eigenlijk eycken-boom, in Hoogduitsland Eichelbaum, De Griekse naam is Drys agria en de Latijnse naam is Robur, maar gewoonlijk Quercus, dan tot verschil van de tamme eik mag men ze Quercus silvestris, dat is wilde eikenboom, noemen.

(3) De bladeren gekookt en de vrouw daarin gezeten stremt menstruatie. (2) En stopt de loop, gedronken.

De gemalen schors van de eiken en de bladeren, dat getemperd met wit van een ei, is goed op gebroken been gepleisterd, ja als het net gebroken is. En benen die uit het lid zijn. Ditzelfde is goed op alle hete plaatsen. (4) En de bloem er van (meel van eikenschors) heelt en verdroogt verse wonden’.

(5) De verse bladeren op de blaren gelegd verkoelen die en op de tong gelegd matigen ze de hitte van de maag.

Hetzelfde breekt de steen en helpt diegene die (6) bloedspouwen en rode loop hebben of bloed plassen of zeren in de darmen hebben, andere geven het te drinken tegen de pest en vergif.

Viscum komt van viscus, ‘vogellijm’, de bessen bezitten een kleverige stof die gebruikt werd als een vogellijm. Engelse mistletoe, mistel, Duits Mistel, oud-Noors miste, ‘uit elkaar gaan’, de gaffelige stengels.

(10) Dodonaeus; ‘Marentakken groeien niet uit de aarde, maar groeien op bomen net zoals schurft of warkruid op de kruiden en heesters en worden meest op de eikenbomen gevonden en op andere eikeldragende bomen, maar soms ook wel op de appelbomen, perenbomen, linden, berken, wilgen, mispelbomen, kweebomen en andere bomen’.

Het verzacht en rijpt blaren als je het met hars mengt met Pinus het vermurmt de hardheid van de (9) milt en verzacht de gewrichten als je het mengt met net zoveel was als van Viscum en dennenhars’.



elephanten lausz

Das xxxiiii Capi

Anacardus latine et grece·

(Die meister spτechen dz·anacardi sind heÿþ und auch gar dτucken in dem vierden grade.

(Dises ist ein frucht eins baumes pediculus elephantis genant·unnd die frucht bτauchet man in der årczneÿ·Dise frucht weret dτeÿssig jare unverseret an jrer krafft·also das sÿ gehalten werde nicht in czů feüchten oder zů dτucken stetten·

(Paulus·wôlicher diser frucht esse so sý blŭet der mŭþ sterben oder er wirt ausseczig von stund.(Dise frucht wechset in jndien an eynem baume obgenant·In dem bŭch Circa instans beschτeiben uns die meÿsteτ und spτechen·Wôlicher diser frucht nüczet alleÿn·das ist on ein zůsacze der můþ auch sterben·oder eτ wirdt ausseczig·(Wôlicher fast vergessen were unnd auch eÿn stumpffe vernunnfft hette·Der neme bibergeÿl eÿn uncz·das ist zwey lot und seüde den in essig der starck und saur seÿe sechþ uncz und thů darzů diser frucht also daz die ausser scheln abe seÿe anderhalb uncz·unnd mische dises also under eÿn ander mit einem spattel dz es ein weinig taugenlich werde·unnd schmiere dich mit disem hinden in dem nacke der moτgens und des abents·du gewÿnnest eÿn gůtte gedechtnuþ genannt memoτien·(Item nÿmm das saffte von diser frucht und menge den mitt auripigmento und streich damit die rauden genant Serpigo es verzeret die·also dz dises balde darnach mit warmem wasser abe gewåschen werd.

(Fûr die moτpheen·dz ist die unreÿn haudt der ausseczigkeit. Nymm selbe wermůt das ÿnder teÿl der coloquintiden ein halbe uncz bulverifier und conficiere sÿ mitt dem safft der anacarden·z·ij·Oder conficiere dises mitt essig und seüde dises geleich eÿnen pflaster und lege es auf die moτpheen.(Item anacardi sôllen genüczet werden wider dye bôsen gedechtnuþ und für die auþseczigkeit.(Item dise frucht ist gůtt sÿnne und vernunfft und gedechtnuþ bτingen·und ist gůtt wider alle kranckheit des hÿrnes die ein uτspzung hatt von einer kalten feüchtigkeit·Darumb ist dise frucht gůte wider weethumb der gelider·als wider das gegicht mit hônig vermenget·Wider dise kranckheÿt voτ geschτiben ist gůt ein sterckung genant confectio anacardina·(Item dise frucht vermenget mit hônig auff warczen geleget ist sÿ vertreÿben·Und ist gůt wider ungestalt d auffeczigkeit do mit geschmiert·Dises ist Serapio und Platearius und ander meÿster beweren·Und dise meÿster spτechen das man dise frucht sol vermengen mit bÿbergeÿl·wann allein sol man sÿ nit nüczen·(d·j·) (55)

(1) Olifanten luis.

Dat 34ste kapittel.

Anacardus Latijn en Grieks. (Semecarpus anacardium)

De meesters spreken dat Anacardium heet en ook erg droog is in de vierde graad.

Dit is een vrucht van een boom pediculus elephantis genaamd en de vrucht gebruikt men in de artsenij. Deze vrucht blijft dertig jaar onveranderd aan haar kracht alzo dat ze gehouden wordt niet in te vochtige of in te droge plaatsen.

Paulus; wie deze vrucht eet zo ze bloeit die moet sterven of hij krijgt (2) huiduitslag van stond af aan. Deze vrucht groeit in Indië aan een boom boven genoemd. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken: Wie deze vrucht nuttigt alleen, (3) dat is zonder een toevoeging, die moet ook sterven of hij krijgt huiduitslag. (4) Wie erg vergeetachtig is en ook een stom verstand heeft die neemt bevergeil een ons, dat is twee lood, en kook dat in azijn die sterk en zuur is, zes ons, en doe daartoe deze vrucht alzo dat de buitenste schellen er af zijn, anderhalf ons, en meng dit alzo ondereen met een spatel zodat het een weinig deugdelijk wordt en smeer je met deze achter in de nek ‘s morgens en ’s avonds, je wint een goede gedachtenis genaamd memorie.(5) Item neem dat sap van deze vrucht en meng dat met arsenicum en strijk daarmee de ruigte genaamd Serpigo, het verteert die alzo dat dit gauw daarna met warm water afgewassen wordt.

(5) Voor de morfeem, dat is de onreine huid van de huiduitslag: Neem salie, alsem, dat binnenste deel van kolokwint, een half ons, verpoeder en meng het met het sap van de Anacardium. Of vermeng dit met azijn en kook dit gelijk een pleister en leg het op de morfeem. Item, Anacardium zullen genuttigd worden tegen de (4) kwade gedachtenis en voor de huiduitslag. Item, deze vrucht is goed geest en verstand en gedachtenis te brengen en is goed tegen alle ziekte van de hersens die een oorsprong heeft van een koude vochtigheid. Daarom is deze vrucht goed tegen pijn van de leden zoals tegen dat jicht met honing vermengt. Tegen deze ziekte voorgeschreven is het goed een versterking genaamd confectio anacardina. Item deze vrucht vermengt met honing op wratten gelegd is ze verdrijven. En is goed tegen slechte vorm van huiduitslag, daarmee gesmeerd. Dit is wat Serapio, Platearius en andere meesters beweren. En deze meesters spreken dat men deze vrucht zal vermengen met bevergeil want alleen zal men het niet nuttigen.

(1) Dodonaeus; ‘Anacardium en in de apotheken Anacardus en is van de Grieken in deze laatste tijden eerst Anacardion genoemd geweest omdat het een vrucht is die op een mensenhart zo van gedaante als van kleur lijkt. ‘‘Dan voorwaar is dat merg en ook de groene vrucht die in zout of anders bewaard wordt niet zeer (2) lieflijk om te eten. Want ze geneest alle pijnlijkheid dat van koude komt en alle (4) ziektes van de hersens en van de zenuwen, de pijn van de lenden en jicht, met honig vermengt en opgestreken en zo opgestreken verdrijft ze de wratten en is goed tegen melaatsheid en versterkt ook de zinnen en het verstand als (3) men de buitenste schors met Castoreum of bevergeil kookt en daarvan een pap maakt en ons daarmee in de nek ‘s morgens en ’s avonds besmeert. Het sap met azijn of arsenicum vermengt geneest het wild vuur en de voortskruipende zeren, (5) de melaatsheid en onzuiverheden van de huid als men de huid daarna afwast met rozenwater.

Mandelbaum xxxv c

Amigdala latine·arabice et grece Lavet·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Lavet id est Amigdala spricht daz do seÿe zweyer handt mandeln·die eine sind sŭsse die anderen bitter·(Der meyster Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel Amigdala spτicht das in den sŭssen mandeln seÿe ein kleine bitterkeit·und die vernymmet man nitt wol umb des willen das die sŭssigkeit in den über triffet·aber so sÿe alt werden so vernÿmmet man die bitterkeit in jne gar wol·(Ir natur ist getemperiert in der würme und feüchtigkeit·(Diascorides in dem capitel Amigdala spτicht das die sŭssen mandeln nitt als vil wercklichkeÿt in jn haben als die bitteren mandeln wenn die bittern machen subtÿl die feüchtigkeyt des menschen unnd machen wol harmen·(Serapio spτicht das die sŭþen mandel heiþ und feücht sind an dem ersten grade·(Mandel geessen mit zucker werden balde verdeüwet·und darumb laxieren sÿ den bauche·(Sŭsse mandeln merent materiam spermaticam das ist die natur des mannes unnd der frauwen.

(Item mandeln geessen·oder in dem munde behalten benÿmmet den schmerczen des zan fleisches·(Gumme von dem mandel baum nüczet man in der årczneÿ geleich dem gummÿ arabicum unnd ist heyþ an seiner natur· (Der meister Galienus spτichet und Platearius das die bittern mandeln genüczet werden in d årczneÿ und die sŭssen in der koste·Und spτicht auch daz die bitter mandeln ziehen auþ gar vil grober feüchtung·(Die bitter mandeln benemen dz milczen schwere·(Die wurczel von dem bittern mandeln baum gesotten und dz antlicz damit gewåschen benemen dÿe flecken dar an·(Bitter mandel gesotten mit essig und rosen ôle und auff die stÿrn gelegt als ein pflasteτ benymmet daz haubt wee·(Mandeln gestossen unnd gemischet mitt hônig und auff die bôsen blatern gelegt senftiget·(Und [56] sunderlichen also gelegt auff die wunden die ein dobender hundt beysset·(Item er spτicht dz die sŭssen mandel fast gůt unnd natürlich sind zů essen und on schaden in allen süchten·Also wann du wilt hon daz sÿ stoppen die flüþ des menschen so magstu sÿ essen gesotten oder wie du wilt des geleichen der milch dar von. Wiltu aber das sÿ nit stoppen oder auch nit laxieren·so tů dar under uve passule dz sind kleÿne rosyn und zucker so laxieren sÿ senfftigklich·(Item sŭþ mandel geessen machen wol schlaffen und harmen·(Mandel gemischet mitt menta benymmet den schmerczen der lenden·unnd benymmet peripleunioniam·dz ist ein geschwere an der lungen davon dann kommet ptysis·das die schwintsůcht des abnemes·und krafft des menschen·(Item sŭþ mandel geessen mitt milch unnd hônig benymmet die leber sucht und den bôsen hůsten und auff blasung des gedårmþ genant colon als Serapio spτichet·(Das gummy von mandelbaum getruncken mit wein benymmet daz blůt speÿen·(Das gummÿ gemischet mit essig und den bôsen grÿnt mit gewaschen genant impetigo benymmet den on zweÿfel·(Das ôle von bitter mandel ist gůt suffocacioni matricis·das ist der moder dÿe auff stosset und feret von einer seÿten zů der andern under dem nabel mit dem selben ôle wol bestrichen·(Das ôle von dem bittern mandel an die schlåffe gestrichen benymmet daz haubt wee und bτinget růwe·(Das bitter mandel ôle warme in dÿe sausende oτen gelassen benymmet das sausen unnd bτinget wider umb dz gehôτe·(Bitter mandel õle gemischet mit hônig und sŭsse holcz unnd rosenôle unnd wachs unnd darauþ gemachet ein salbe und dÿe gestrichen umm die augen reÿniget die und machet sy klare Serapio·(Der meister Rabbi moÿses in dem capitel Amigdala spτicht dz sŭsse mandel bτinget den schlaff und machen getemperiert feüchtung sind fast gesunt zů essen. (In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen daz bitter mandel heiþ sind und trucken an dem andern grade.

(Item better mandeln ôle ist gůt wider dem stein und weetumb der nÿeren und wider den kalten seich auff die lenden unnd nabel geschmieret·Auch bitteτ mandel geessen sind dar für gar gůt. (Item bitter mandel genüczet ist gůt wider die trunckenheyt. Und wann ein frosch bitter mandel ÿsset der stirbet zůhandt Serapio·(Item bitter mandel dick mal genüczet ist die würme in dem bauch veτtreÿben·und eÿn pflaster davon gemachet·und auff den nabel gelegt·ist fast darzů gůt·(d·ij·) [57]

Amandelboom, (1) 35ste kapittel.

Amigdala Latijn. Arabisch en Grieks Lavet. (Prunus dulcis)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Lavet, id est Amigdala, spreekt dat er zijn twee soorten amandelen, de ene zijn zoet, de andere bitter. De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Amigdala spreekt dat in de zoete amandelen een kleine bitterheid is en die verneemt men niet goed vanwege dat de zoetigheid het overtreft, maar zo ze oud worden zo verneemt men de bitterheid in hem erg goed. Haar natuur is getemperd in de warmte en vochtigheid. Dioscorides in het kapittel Amigdala spreekt dat de zoete amandelen niet als veel werkelijkheid in zich hebben zoals de bittere amandelen want de bittere maken subtiel de vochtigheid des mensen en maken goed plassen. Serapio spreekt dat de zoete amandelen heet en vochtig zijn aan de eerste graad. Amandelen gegeten met suiker worden gauw verteerd en daarom laxeren ze de buik. Zoete amandelen vermeerderen materiam spermaticam, dat is de natuur van de mannen en de vrouwen.

Item, amandelen gegeten of in de mond gehouden beneemt de pijnen van het tandvlees. Gom van de amandelboom nuttigt men in de artsenij gelijk de gom Arabicum en is heet aan zijn natuur. (2) De meester Galenus spreekt en Platearius dat de bittere amandelen gebruikt worden in de artsenij en de zoete in de kost. En spreekt ook dat de bittere amandelen trekken uit erg veel grove vochtigheid. De bittere amandelen benemen de miltzweer. De wortel van de bittere amandelboom gekookt en dat aangezicht daarmee gewassen benemen de vlekken daaraan. Bittere amandelen gekookt met azijn en rozenolie en op het voorhoofd gelegd als een pleister beneemt de hoofdpijn. Amandelen gestoten en gemengd met honing en op die kwade blaren gelegd verzacht ze. En [56] vooral alzo gelegd op de wonden die een dolle hond bijt. Item, hij spreekt dat de zoete amandelen erg goed en natuurlijk zijn te eten en zonder schade in alle ziektes. Alzo als u wil houden dat ze stoppen de vloed des mensen dan mag u ze eten gekookt of hoe u wil, desgelijks de melk daarvan. Wil u echter dat ze niet stoppen of ook niet laxeren, zo doe daar een uve passule, dat zijn kleine rozijnen, en suiker bij dan laxeren ze zachtjes. Item zoete amandelen gegeten maken goed slapen en plassen. Amandelen gemengd met munt beneemt de pijnen van de lenden en beneemt peripneumonie, (3) dat is een zweer aan de longen daarvan dan komt ftisis, dat is de duizeligheidziekte van het afnemen en kracht van de mensen. Item, zoete amandelen gegeten met melk en honing beneemt de leverziekte en het kwade hoesten en opblazen van de darmen genaamd colon, zoals Serapio spreekt. Die gom van amandelboom gedronken met wijn beneemt dat bloedspuwen. Die gom gemengd met azijn en het kwade hoofdzeer mee gewassen, genaamd impetigo, beneemt die zonder twijfel. (5) De olie van bittere amandel is goed suffocacioni matricis, dat is de baarmoeder die uitstoot en gaat van ene zijde naar de andere onder de navel, met dezelfde olie goed bestreken. Die olie van de bittere amandel aan de slaap gestreken beneemt de hoofdpijn en brengt rust. (4) Dat bittere amandelolie warm in de suizende oren gelaten beneemt dat suizen en brengt terug om dat gehoor. Bittere amandelolie gemengd met honing en zoethout en rozenolie en was en daaruit gemaakt een zalf en die gestreken aan de ogen reinigt die en maakt ze helder, Serapio. De meester Rabbi Moises in het kapittel Amigdala spreekt dat zoete amandelen brengen de slaap en maken getemperde vochtigheid en zijn erg gezond te eten. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat bittere amandelen heet zijn en droog aan de andere graad.

Item, bittere amandelenolie is goed tegen de steen en pijn der nieren en tegen de koude plas, op de lenden en navel gesmeerd. Ook bittere amandelen gegeten zijn daarvoor erg goed. (6) Item bittere amandelen genuttigd is goed tegen de dronkenschap. En wanneer een kikker bittere amandelen eet dan sterft hij gelijk, Serapio. (4) Item bittere amandelen vaak genuttigd is de wormen in de buik verdrijven en een pleister daarvan gemaakt en op de navel gelegd is erg daartoe goed.[57]

(1) Dodonaeus; ‘Deze boom heet hier te lande amandelboom, in Hoogduitsland Mandelbaum, in het Grieks heet het Amygdale en in het Latijn Amygdalus.

(2) Bittere amandelen zijn goed in de medicijnen, zoete amandelen zijn goed om te eten.

(3) Bittere amandelen zijn goed tegen ademgebrek (dat astma heet) en tegen hoest die uit koude zaken komt als je het zo neemt: ‘Wrijf bittere amandelen, dan doe je er vanwege haar bitterheid suiker bij en maak er een pap van’.

(4) De olie van bittere amandelen is goed tegen doofheid en als je veel bittere amandelen neemt is het goed tegen wormen. Als je er een pleister van maakt en op de navel legt is dit ook tegen hetzelfde goed.

(5) Een pessarium (dat is een instrument als een klysma) van olie van bittere amandelen gemaakt laat bij de vrouwen hun stonden komen als je het in de baarmoeder doet’.

(6) Men zegt ook dat diegene die vijf of zes bittere amandels nuchter inneemt die gehele dag niet dronken zal worden.

Aloe xxxvi Ca

Aloe grece et latine·arabice fabet vel cantarcainar·

(In dem bůch genannt Pandecta in dem dτeÿunddτeissigisten capitel das an hebet Aloe beschτeiben uns die meister und spτechent das Aoe werde gemachet von dem saffte des krautes genant aloen·(Diþ kraut findet man in jndia persia grecia und in apolia·und ist dτeÿer handt aloe·eines ist genant succotrinum·das ander aloe epaticum·dz dτitt aloe caballinum. (Die wirdigen meister spτechent das aloe gemacht werde in mancherleÿ weise·Wann etlich meister wôllent das daz kraut gestossen werde unnd der saffte darauþ getrucket·darnach den safft wol gesotten unnd den gestellet in die sunnen·unnd also gedoτret·Und das oberst in dem safft der also gedoτret ist in der sunnen·nennet man succotrinum. Das in dem mittel liget nennet aloe epaticum·und das ist nit also klare als das erste·Unnd das in dem grunde liget nennet man aloe caballinum·und daz ist gleich als dicke hessen in eÿnen faþ·(Etlich meister spτechen auch dz Aloe seÿ dτeÿer handt eins rot von farbe·das kommet auþ eÿner jnseln in jndia gelegen·die jnsel ist geheissen Scotoτa·dz ander aloe ist schwarcz an der farbe·und kommet auþ dem lande peτsia genant·Das dτitt aloe hatt ein farbe geleich einem granat apffel·und kommet auþ dem lande Arabia genant oder apolia·(Under disen dτeÿen spτechen die meÿster das aloe daz do kommet auþ der jnsel scotoτa seÿ dz beste und diþ sol sein rot unnd durchleüchtig und soll sich bald lassen bτechen und wol riechen unnd gar bitter·Aber doch do selbest steet geschτiben das die eτste meinung die best seÿ do eτ faget wie aloe gemacht seÿ·(Unnd spτechen auch do selbest das Aloe succotrinum das beste seÿ under den selbigen dτeyen·unnd das soll sein an der farbe rôttelicht·und sunderlich wann man dz bτichtet so sol das bulver geleichen dem saffran an der farbe und sol nit zů sere stincken noch zů sere bitter sein·(Das ander dz man [58] nennet epaticum daz sol haben ein farbe gleich einer lebern·und sol schwåczelicht sein an d farbe·und doch nit zů schwarcz und hat lôcheτ an jm geleich den geôffneten adern·(Das dτitt dz man nennnet caballinium dz sol haben ein schwarcz dunckel farbe und sol fast bitter sein unnd ein schweτen bôsen stinckenden gerauch haben·(Merck die meister spτechen das alles das do seÿ von kreütern von wurczeln von gummÿ oder von specereÿen und von natur yegkliches ein gůten oder bôsen gerauch habe·so es dann stercker reüchet an dem gerauche·so es besser ist in der krafft·und so es meer stincket von natur so es auch ye meer stercker ist an seiner kraffte·Auch des geleich was do von natur bitteτ ist·so es meer bitter ist so es stercker ist·Und dÿe meister nement allein auþ aloe wann aloe meer stinckende ist das ist das bôst·unnd das do meer bitteτ ist under dem dz ist das bõst·(Auch sol man wissen wann man schτeibet aloe in die apotecken unnd darzů keÿnen zůsacz thůt·als succotrinum epaticum oder caballinum·so meÿnet man allein succotrinum und die andern nit·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel fabet id est Aloe spτicht das aloe komme auþ einem stamm der habe bleter gleich d wålschen zwÿbel unnd darjnne ist feüchtigkeÿt die ist klebericht und zehe·und so man das angreiffet so beleÿbet dÿe feüchtigkeyt von dem kraute hangen an den henden·Die bleter sind rot und bτeiter wann an den wålschen zwÿbeln. Der stamm geleichet affodillorum·dz ist der goltwurcz stam oder wilde schwårtel·(Dises kraut hat ein starcken schweren gerauch·und ist gar bitter. Diþs wechset vil in arabia unnd in jndia·(Der meister Serapio spτicht auch dz diþ seÿ der beste aloe der do glat seÿ und nit mitt kleinen steinlin vermischet und rot von farben und durchleüchtenden oder klar unnd der sich balde laþs bτechen·Und so man darauþ edemet das er auch balde weich werde·unnd soll auch haben ein gůtten gerauch·In dem bůch circa instans in dem capitel Aloe beschτeiben uns die meister und spτechen das aloe das man nennet caballinum gar dick gefelschet werde·also das man es verkauffet für aloe succotrinum oder epaticum·Und diþs ist gar bôse von den selbigen dÿe den aloe also felschen·Wann solich felschung hat an jm nit die recht krafft und natur des aloe succotrinum oder epaticum· (Auch die meyster allenthalben unns beschτeÿþen wie solich kreüter mit specereÿ en gummÿ gefelschet werden·Umb des willen dz sich ein ÿegklicher wisse dar voτ zů hŭtten und ein ÿegkliches gebτaucht oder genüczet werde nach dem es gůt seÿ·Unnd darum steet (d·iij) [59] geschτiben von aloe wie es gefelschet wirt·und spτechen dÿe meister das ettlich nemen essig und lassen den wol sÿeden und thůn dz rein saffran von oτient·und darzů muscaten gebulveτt oder ander wolriechende speceτeyen·Unnd darnach nemen sÿ aloe caballinum und zerknischen den und thůn den in ein tŭchlein und hencken den in den siedenten essig·und thůn den balde widerumb herauþ unnd lassen den selben essig trucken weτden und dises ist gar schwårlich czů erkennen ob es seÿe succotrinum oder nit·und darumb hab auffmerckunge als oben geschτÿben steet. (Diascoτides und ander meÿster spτechen das aloe seÿe heiþ und trucken an dem andern grade·und spτicht auch dz aloe zů vil dingen gůtt seÿe·(Aloe treibt auþ die bôsen flegma und coleram unnd melancolÿ und ist fast gůt genüczet der kalten bôsen lebern·(Aloe ist gůtte den die do blůt speÿen mitt mastix vermenget·(Aloe genüczet reÿiniget den magen von bôser feüchtigkeit und dz haubt mit einer senfften roτe·(Aloe getemperiert mit starckem wein und rosen ôle benÿmmet das haubtwee des an die stirnen gestrichen·Diþs vertreibet auch dz gucken der augen·(Aloe mit wein und hônig gestossen unnd das gehalten in dem munde hilfft d schwerenden zungen unnd dem schwerenden zanfleisch·(Aloe benymmet asma das ist dz keichen unnd raumet die bτust mitt mastix und sŭþ holcz safft vermenget dar von genüczet·

(Aloe gebulvert unnd das gestreüwet in die wunden heylet sÿ auff stund·Das selbige an die augen gestrichen vertreibet den eÿter dar auþ·(Der meÿster Galienus spτichet das aloe heÿle die grossen alten schaden das bulver darein gestreüwet·(Wer bôse blatern hette an dem gemechte oder frat were dar an d streüwe des bulvers von aloe in dÿe blattern unnd wunden sÿe heilent zůhandt·(Auch ist dises bulver gar gůt zů dem aftern wann do selbs feüchtigkeÿt fliessen ist genant fluxus emoτroidarum·(Aloe gebulvert und das getemperiert mit wasser unnd auff die wunden geleget geleich einem pflaster zeühet sÿ zůsamen unnd heylet sÿ on schaden·(Der meister Johannes mesue spτicht das aloe gemischet mitt dτacken blůt und mitt mirτa unnd die czůsamen gebulvert und das gestreüwet in die faulen wunden oder blatern åczet das faule fleisch auþ on schmerczen. (Aloe gewåschen mit rosen wasser oder fenchel safft unnd das auch gestrichen umb die augen benymmet den fluþ der augen und schirpffet die sÿmie·(Item aloe eingenommen mitt geÿssen milchmolcken benÿmmet auch ÿctericiam das ist die gelesucht·

(Item Johannes mesue spτicht auch dz aloe nit gebτaucht [60] soll werden so es auch fast kalt seÿ·wann es schabet die dårme zů sere und treibet auþ blůt mitt dem stůlgang so der lufft zů vil kalt ist·(Auch spτechen die meisteτ das man aloe nitt bτauchen soll on vermengunge des mastix wann mastix ist jme sein untugent abnemen·(Der meyster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel aloe beschτeibet uns vil von aloe und erzelt sein tugent und sind auch d andern meisteτ meÿnunge als Avicenna Galieni. (Item in dem zwolfften bůch genant speculum naturale vincencij in dem capitel aloe findet man auch vil hübscher tugent von aloe·(Item aloe mit mastix veτmenget in hirczung wasser ist auf thůn bestoppung des milcz und lever·und also genüczet in beÿfůþ wasser ist frauwen feüchtigkeit flüþsig machen genant menstruum·(Item ein quintin aloe unnd ein halb quintin mastix mit wermůt safft vermenget in d wochen zwey male genüczet ist gůt wider wassersüchtigkeit·(Item aloe bulver mit hônig vermenget ist gůt wider die würm·

Aloë, 36ste kapittel.

Aloë Grieks en Latijn (1). Arabisch fabet vel cantarcainar. (Aloë perryi)

In het boek genaamd Pandecta in het drie en zestigste kapittel dat aanheft Aloë beschrijven ons de meesters en spreken dat Aloë wordt gemaakt van het sap van het kruid genaamd Aloë. Dit kruid vindt men in India, Perzië, Griekenland en in Apulië en is drievormig Aloë, (2) een is genaamd (7) succotrinum, de andere Aloë epaticum, de derde Aloë caballinum. De eerwaardige meesters spreken dat Aloë gemaakt wordt in vele wijzen. Want ettelijke meesters willen dat dit kruid gestoten wordt en het sap daaruit gedrukt, daarna het sap goed gekookt en dan gesteld in de zon en alzo gedroogd. En dat bovenste in het sap dat alzo gedroogd is in de zon noemt men succotrinum. Dat in het midden ligt noemt men Aloë epaticum en dat is niet alzo helder als dat eerste. En dat in de grond ligt noemt men Aloë caballinum en dat is gelijk als dikke wijnhessen in een vat. Ettelijke meesters spreken ook dat Aloë drievormig is, een rood van verf dat komt uit een eiland in India gelegen en dat eiland is geheten Socotra, de andere Aloë is zwart aan de verf en komt uit het land Perzië genaamd. De derde Aloë heeft een verf gelijk een granaatappel en komt uit het land Arabië genaamd of Apulië. En van deze drie spreken de meesters dat Aloë dat alzo komt uit het eiland Socotra de beste is en dit zal zijn rood en doorzichtig en zal zich gauw laten breken en goed ruiken en erg bitter. Maar toch daar zelf staat geschreven dat de eerste mening de beste is die zegt hoe Aloë gemaakt is. En spreken ook dezelfde dat Aloë succotrinum de beste is van een van dezelfde drie en dat zal zijn aan de verf roodachtig en vooral als men dat breekt zo zal dat poeder lijken op saffraan aan de verf en zal niet te zeer stinken noch te zeer bitter zijn. Dat andere dat men [58] noemt epaticum dat zal hebben een verf gelijk een lever en zal zwartachtig zijn aan de verf en toch niet te zwart en heeft gaten aan hem gelijk de geopende aderen. Dat derde dat man noemt caballinium dat zal hebben een zwarte donkere verf en zal erg bitter zijn en een zware kwade stinkende reuk hebben. Merk, de meesters spreken dat alles dat er van kruiden is, van wortels, van gom of van specerijen en van natuur elk een goede of kwade reuk heeft en zo het dan sterker ruikt aan de reuk zo het beter is in de kracht en zo het meer stinkt van natuur zo is het ook meer sterker aan zijn kracht. Ook desgelijks wat er van natuur bitter is zo het meer bitter is zo het sterker is. En de meester noemen alleen uitgezonderd Aloë want hoe Aloë meer stinkende is dat is het kwaadste en dat er meer bitter is onder hen dat is dat kwaadste. Ook zal men weten als men schrijft Aloë in de apotheken en daartoe geen toevoeging doet zoals succotrinum, epaticum of caballinum, zo bedoelt me alleen succotrinum en de andere niet. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel fabet, id est Aloë, spreekt dat Aloë komt uit een stam die heeft bladeren gelijk de Waalse bol en daarin is vochtigheid die is kleverig en taai en zo men dat aangrijpt zo blijft die vochtigheid van het kruid hangen aan de handen. De bladeren zijn rond en breder dan aan de Waalse bollen. De stam lijkt op affodillen, dat is het goudkruid stam of wilde zwaardlelie. Dit kruid heeft een sterke zware reuk en is erg bitter. Dit groeit veel in Arabië en in India. De meester Serapio spreekt ook dat dit de beste Aloë is die glad is en niet met kleine steentjes vermengd en rood van verf en doorzichtig of helder en die zich gauw laat breken. En zo men daarop ademt dat het ook gauw week wordt en zal ook hebben een goede reuk. In het boek Circa instans in het kapittel Aloë beschrijven ons de meesters en spreken dat Aloë dat men noemt caballinum erg vaak vervalst wordt alzo dat men het verkoopt voor Aloë succotrinum of epaticum. En dit is erg kwaad van dezelfde die de Aloë alzo vervalsen. Want zulke vervalsing heeft aan hem niet de echte kracht en natuur van Aloë succotrinum of epaticum. Ook de meester geheel ons beschrijven hoe zulke kruiden met specerij en gom vervalst worden. Vanwege dat iedereen weet zich daarvoor te hoeden en van iedereen gebruikt of genuttigd wordt naar het hem goed is. En daarom staat [59] geschreven van Aloë hoe het vervalst wordt en spreken de meesters dat ettelijke nemen azijn en laten dat goed koken en doen daar reine saffraan van Oriënt bij en daartoe muskaten gepoederd of andere welriekende specerijen. En daarna nemen ze Aloë caballinum en kneuzen dat en doen dat in een doekje en hangen dat in de kokende azijn en doen dan gauw weer eruit en laten dezelfde azijn droog worden en dit is erg zwaar te herkennen of het succotrinum is of niet en daarom heb ik opmerkingen zoals boven geschreven staat. Dioscorides en andere meesters spreken dat Aloë heet en droog is aan de andere graad en spreekt ook dat Aloë tot veel dingen goed is. (8) Aloë drijft uit de kwade flegma en coleram en melancholie en is erg goed genuttigd de koude kwade lever. Aloë is goed die bloedspuwen, met mastiek vermengt. Aloë genuttigd reinigt de maag van kwade vochtigheid en dat hoofd met een zachte beweging. Aloë getemperd met sterke wijn en rozenolie beneemt de hoofdpijn, dat aan het voorhoofd gestreken. Dit verdrijft ook het scheel kijken van de ogen. Aloë met wijn en honing gestoten en dat gehouden in de mond helpt de zwerende tong en het zwerende tandvlees. Aloë beneemt astma, dat is dat kuchen en ruimt de borst, met mastiek en zoethoutsap vermengt en daarvan genuttigd.

Aloë gepoederd en dat gestrooid in de wonden heelt ze op stond. Datzelfde aan de ogen gestreken verdrijft de etter daaruit. De meester Galenus spreekt dat Aloë heelt de grote oude schade, dat poeder daarin gestrooid. (3) Wie kwade blaren heeft aan het geslacht of vraat was daaraan die strooit dat poeder van Aloë in die blaren en wonden, ze helen gelijk. Ook is dit poeder erg goed voor het achterste want dezelfde vochtigheid vliedt en is genaamd fluxus emorroidarum. Aloë gepoederd en dat getemperd met water en op de wonden gelegd gelijk een pleister trekt ze tezamen en heelt ze zonder schade. (9) De meester Johannes Mesue spreekt dat Aloë gemengd met drakenbloed en met mirre en die tezamen gepoederd en dat gestrooid in de vuile wonden of blaren eet dat vuile vlees uit zonder pijnen. (4) Aloë gewassen met rozenwater of venkelsap en dat ook gestreken om de ogen beneemt de vloed der ogen en scherpt dat zien. Item Aloë ingenomen met geitenmelkwei beneemt ook ÿctericiam, dat is de geelziekte.

(8) Item, Johannes Mesue spreekt ook dat Aloë niet gebruikt [60] zal worden zo het ook erg koud is want het schaaft de darmen te zeer en drijft uit bloed met de stoelgang zo de lucht te veel koud is. Ook spreken de meesters dat men Aloë niet gebruiken zal zonder vermenging van mastiek want mastiek is hem zijn ondeugd afnemen. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Aloë beschrijft ons veel van Aloë en vertelt zijn deugd en dat is ook de andere meesters mening zoals Avicenna en Galenus. Item, in het twaalfde boek genaamd speculum naturale vincencij in het kapittel Aloë vindt men ook veel leuke deugd van Aloë. Item. (5) Aloë met mastiek vermengt in hertstong water is opendoen de verstopping van de milt en lever en alzo genuttigd in bijvoetwater is vrouwen vochtigheid vloeiend maken genaamd menstruatie. Item een 1,67gram Aloë en een half van 1,67gram mastiek met alsemsap vermengt in de week tweemaal genuttigd is goed tegen waterzuchtigheid. (6) Item Aloë poeder met honing vermengt is goed tegen die wormen.

Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Grieks, Latijn en bij de apothekers en ook in Nederduits Aloë en die naam behoudt het sap ook wat er uitgeperst is en gedroogd overal te koop gebracht wordt.

(7) De aloë is een bestanddeel van vele hoog geroemde en geheime middelen die algemeen onder het volk verspreid waren. Als bittermiddel was het al zeer vroeg bekend. Als oeroude productieplaats gold het eiland Socotra. Historici melden dat Aristoteles, Alexander de Grote overhaalde om het eiland Socotra aan de oostkust van Afrika te veroveren met als doel over voldoende aloë te kunnen beschikken voor de wondverzorging van zijn soldaten. Deze Aloë zou afkomstig zijn uit het eiland Socotra
en werd om die reden A. succotrina Lam. genoemd. De plant die nu onder die naam bekend is komt echter uit de Kaapregionen en is dus niet de aloë van de ouden. De Aloë van Succotrina zou dan A. perryi Baker zijn geweest.

(3) Zweren en schurft van de mannelijke roede geneest het en ook is het zeer goed om het water dat uit koude zaken komt te verdrijven.

(4) Als je Aloë met rozenwater mengt verheldert dat het gezicht en opent het alle verstoppingen van de lever en van de milt.

(5) Menstruatie (dat zijn vrouwen stonden) en heimelijke ziektes laat Aloë komen.

(6) Het poeder van Aloë dat je met honing mengt is goed om de wormen in het lijf te doden volgens Platearius’.

(8) Dodonaeus; ‘Aloë verwekt de kamergang en maakt de buik week, maar boven alles is het een zeer geschikt en aangenaam ding voor de maag zodat het wat dat aangaat geen ander diergelijke te vinden is.

(9) Aloë is voor de mond onbekwaam, maar verzacht de maag en het lichaam met alsemsap of met wijn’.

eyn holcz xxxvii Ca

Aloes lignum vel xiloaloes latine·Aloa vel agalaÿm grece·arabice Hoad·

(In dem bůch genannt Pandecta in dem zweÿunddrτeissigisten capitel dz sich anhebet aloa beschτeiben uns die meyster und spτechen auch das man dyses holcz findet in dem wasser das auþ dem paradeÿþ fleüsset und dises wasser ist beÿ dem hohen Babilonien·(Ettlich spτechen auch das das wasser in dem paradeÿþ treibe dises holcz auþ er dem waren paradeÿþ·Aber man findet kein menschen auff erdtrich der dises für ein warheÿt müge spτechen das dÿses holcz das man in teütschen landen gebτauchet dz es gewachsen habe in dem paradeiþ·(Etlich meÿster spτechen auch das dises holcz wachs auff den hohen bergen beÿ dem paradeyse·und von grossem gewinde und ungewitter falle diþs holcz in das wasser und werde gelendet (d·iiij·) [61] beÿ den hohen babilonien·

(Auch ist es zewissen das do sind etlich betrieger des volkcks die nemen ein wurczel genant camelia die kommen auþ den bergen Amalsie genant·unnd dise wurczel geleichet dem holcz aloe in der farbe in dem gewichte und auch an dem gerauch·und bereÿten dise wurczel also·Sy nemen wein und thůn darein bulver von dem holcz aloe und lassen die wurczel darjnne sieden·und verkauffen dann das für aloe holcz und ist doch nit daz selbig holcz aloes·wann die wurczel camelia ist fast laxieren dem leib wer sÿ bτauchet und soτgklichen zenüczen·Aber lignum aloes hatt die natur nit an jr sunder sÿ ist daz geblŭtte stoppen von überflüssig fliessenden. (Der meister genant cassius felix in dem capitel Aloes beschτeÿbet uns und spτicht das die arabes nemen dises holcz und sieden das in wasser und bτauchen dz selbige wasser zů vil kranckheit und darumb ist zewissen wann diþs holcze gesotten wirt in wasser·oder in wein·so hat es darnach kein krafft in jm·wenn das gesoten wasser zeühet jm sein krafft auþ·Und darumb spτechen die meister dz diþs holcz nit genüczt sol werden in der årczneÿ wann es sere gesoten seÿ·(Der wirdig meister avicenna in seÿnem anderen bůch in dem capitel xiloaloes·auch der meister Rasis·des geleichen ÿsaac und Serapio und platearius spτechen alle sament lignum aloes sey heiþ und trucken an dem anderen grade·(Der meister Diascoτides spτicht dz diþs holcz gebulvert und genüczet gar gůtt seÿ für die blôdigkeit des herczen des magen der lebern unnd auch des hÿrnes·(Des gleichen des zÿtterden herczen·(Auch ist es gůtt den frauwen die sich an jrer kranckheit saument·und sunderlichen für alle kranckheÿt des leibes die du kommet von kelte·(Lignum aloes unnd galien gesoten in wein und den getruncken machet wol deüwen unnd stercket den magen·(Wer diþ holcz leget in wein auff ein halbe lot und lasset den steen über nacht den getruncken benymmet vil kranckheit von dem menschen die do kommet von kelte·

(Item mit disen wein die frauwen unden auff getempffet bτinget menstruum das ist frauwen feüchtigkeit·(Den rauch von lignum aloes in die nasen lôcher gezogen stercket dz hÿrn·(Item nÿmm lignum aloes und någelin und beÿngen von einem hircz hercz genant ossa de coτde cervi ÿegkliches geleich vil und misch dz mit gebeetem bτotte krefftiget die vernunfft des menschen und stercket das hercz·(Item nÿmm diþ obgeschτiben dτeÿ als lignum aloes garioffilat ossis de coτde ceτvi und mische die mitt baum ôle und schmiere eÿnem hanen das haubt damit er krået die ganczen nacht davon·

(Item der meister Cassius fe [62] lix spτicht auch daz lignum aloes stercke den magen und alle jnnerliche gelider und treibe auþ dem magen allein überflüssig feüchtigkeit·(Serapio spτicht dz lignum aloes gar gůt nücz seÿ des bôsen lebern·und benÿmme dissenteriam das ist der auþgang mit blůte·und benÿmmet auch den schmerczen der schultern·dz gebulvert und des eingenommen des moτgens zwey quintin mit wein. (Isaac spτicht dz lignum aloes seÿ gůt den kalten hÿrn und sterck die veτnunfft·(Item lignum aloes gebulveret und auff die wunden gelegt des gemåchtes trucket und heÿlet zůhandt·(Item Avicenna spτicht daz lignum aloes gekeüwet in dem munde benymmet jm den gestanck unnd machet eyn wolriechenden munde·(Item avicenna in dem bûch genant de viribus coτdis spτicht dz lignum aloes steτck fast wol daz hercz und bτinge dem menschen gůtt geblŭte·(Item lignum aloes ist auch lenden weethumb vertreiben mit wein genüczet·Und ist auch gůt wider kranckheÿt der lebern mitt envidien wasser genüczet·und ist auch gůt wider verwundt gedårmcz·

Een hout, 37ste kapittel.

Aloes lignum (1) vel xiloaloes Latijn. Aloa vel agalaÿm Grieks. Arabisch Hoad. (Aquilaria malaccensis, vroeger Aquilaria agallocha)

In het boek genaamd Pandecta in het twee en dertigste kapittel dat zich aanheft Aloa beschrijven ons de meesters en spreken ook dat men (2) dit hout vindt in het water dat uit het paradijs vloeit en dit water is bij het hoge Babylonië. Ettelijke spreken ook dat het water in het paradijs drijft dit hout uit, er was dan paradijs. Maar men vindt geen mensen op aardrijk die dit voor een waarheid mogen spreken dat dit hout dat men in Duitse landen gebruikt dat het gegroeid heeft in het paradijs. Ettelijke meesters spreken ook dat dit hout groeit op de hogen bergen bij het paradijs en van grote winden en onweer valt dit hout in het water en wordt geland [61] bij het hoge Babylonië.

Ook is het te weten dat er zijn ettelijke bedriegers van het volk die nemen een wortel genaamd Camelia die komt uit de bergen Amalsie genaamd en deze wortel lijkt op het hout Aloë in de kleur en in het gewicht en ook aan de reuk en bereiden deze wortel alzo: Ze nemen wijn en doen daarin poeder van het hout Aloë en laten die wortel daarin koken en verkopen dat dan voor Aloë hout en het is toch niet datzelfde hout van Aloë want de wortel Camelia is erg laxerend het lijf die het gebruikt en is zorgelijk te nuttigen. Maar Lignum Aloë heeft die natuur niet aan zich vooral is ze dat bloeden stoppen van overvloedig vloeien. De meester genaamd Cassius Felix in het kapittel Aloë beschrijft ons en spreekt dat de Arabieren nemen dit hout en koken dat in water en gebruiken datzelfde water tot veel ziekten en daarom is het te weten als dit hout gekookt wordt in water of in wijn zo heeft het daarna geen kracht in hem want dat gekookte water trekt hem zijn kracht uit. En daarom spreken de meesters dat dit hout niet genuttigd zal worden in de artsenij want het te zeer gekookt is. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Xiloaloes en ook de meester Rasis en desgelijks Isaac en Serapio en Platearius spreken alle samen dat Lignum Aloë heet en droog is aan de andere graad. De meester Dioscorides spreekt dat dit hout gepoederd en genuttigd erg goed is voor de zwakten van het hart, de maag, de lever en ook de hersens. Desgelijks dat sidderende hart. (3) Ook is het goed de vrouwen die zich aan haar ziekte verzuimt en uitzonderlijk voor alle ziekten van het lijf die u komt van koudheid. Lignum Aloë en Galium gekookt in wijn en dat gedronken maakt goed verteren en versterkt de maag. Wie dit hout legt in wijn op een halve lood en laat het staan over nacht en dan gedronken beneemt veel ziekten van de mensen die ze komen van koudheid.

Item, met deze wijn de vrouwen van onderaf gedampt brengt menstruatie, dat is vrouwen vochtigheid. De rook van Lignum Aloë in de neusgaten gezogen versterkt de hersens. Item, neem Lignum Aloë en kruidnagels en been van een hart van een hert genaamd ossa de corde cervi, van elk gelijk veel, en meng dat met gedesemd brood, (4, 5) het versterkt het verstand des mensen en versterkt dat hart. Item, neem deze opgeschreven drie zoals Lignum Aloë, kruidnagels en ossa de corde cervi en meng die met olijvenolie en smeer een haan dat hoofd daarmee, hij kraait de ganse nacht daarvan.

Item, de meester Cassius [62] Felix spreekt ook dat Lignum Aloë versterkt de maag en alle innerlijke leden en drijft uit de maag alle overvloedige vochtigheid. Serapio spreekt dat Lignum Aloë erg goed en nuttig is de kwade lever en beneemt dysenteria, dat is de uitgang met bloed, en beneemt ook de pijnen van de schouders, dat gepoederd en dat ingenomen ‘s morgens twee maal 1,67gram met wijn. Isaac spreekt dat Lignum Aloë goed is de koude hersens en versterkt dat verstand. Item, Lignum Aloë gepoederd en op de wonden gelegd van het geslacht droogt en heelt gelijk. Item. Avicenna spreekt dat lignum Aloë gekauwd in de mond beneemt hem de stank en maakt een welriekende mond. (4) Item, Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat Lignum Aloë versterkt erg goed dat hart en brengt de mensen goed bloed. Item Lignum Aloë is ook lendenpijn verdrijven, met wijn genuttigd. En is ook goed tegen de ziekte van de lever met andijvie water genuttigd en is ook goed tegen verwonde darmen.

Afbeelding van het paradijs?

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit hout heet in Malakka garro of garoa en het beste calamba of calambac, in het Arabisch agulugen, hoad en haud, in Decan en Guzarata Ud en is hetgeen dat Dioscorides Agallochon noemt en Xyloaloë en dat in het Latijn ook Agallochum, Lignum Xyloaloë genoemd, in het Hoogduits Paradeisz-holtz en Aloës-holtz, in het Frans bois d’aloës’. Pradijshout, rozenhout.

(3) Als men de damp van deze wijn van onder opwaarts laat komen dan zullen de vrouwen hun stonden krijgen. De rook van dit gebrande hout door de neusgaten opgetrokken versterkt de hersens en (5) vermeerdert het verstand. Xyloaloë, zegt Dioscorides, wordt gekauwd of in water gekookt en de mond daarmee gespoeld om een welriekende adem te krijgen.

(2) Maerlant; ‘Aloëals Isidorus zegt, is een boom die te groeien pleegt in Arabië en India. Van zoete reuk zo is hij. Nochtans schrijft Jacob van Vitri dat er niemand in de wereld zij die ooit kwam al waar hij zag zulke bomen in enige dag. Maar haar twijgen, horen wij roepen, komen van bergen gevallen daar aloë bomen staan. En niemand mag er naar toe gaan als opsteekt de wind en die men vangt en vindt met netten, dat is de manier, te Babylonië in de rivier. Hiervan zeggen sommige wijzen dat het komt uit het paradijs bij de rivier die eruit lopen, aldus leert men het kennen en kopen. Dat zwart is ruikt goed, bitter en niet al te fel. Bruin/rood en niet al te zwart en onder de tanden niet al te hard en als men het kauwt, dat de reuk gelijk de (5) hersenen bestookt. Voor het hoofd is het goed, hoor ik gewagen, en daartoe voor de zwakke magen, de lever en het hart mede en voor menige ziekte, (3) menstruatie’s die weg blijven helpt het stoppen wel de wijven.

Gold xxxviii Ca

Aurum latine et grece arabice Daob·

(In dem bůch genant den natura rerum beschτeiben uns die meister die tugent von dem gold·und sunderlichen das dise tugent seÿ heiþ und trucken und kein meister seczet kein grad von jm wann es ist übertreffen in seyner tugent alle kreütter·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel daob spτicht daz gold geriben czů bulver und dz geessen verzeret die auþseczigkeit und stercket alle gelid des menschen·(Der meisteτ halÿ in seÿner andern rede spτicht dz die feülung von golt genüczt steτckt dz hercz·(Item geschaben gold genüczet benymmet das [63] zÿttern des herczen das do kommet van eyner erden feüchtigkeit genant melancolÿ·(Etlich meister spτechen wer do neme ein guldin ring unnd lege den in eim feüwer und streichet damit die flûgel der tauben seÿe kommen balde zů hauþ und bleyben nit auþ·(Item gold ist meer temperiert in seÿner tugent wann kein ander metalle·und weτ sich besoτget in dem gebτesten der ausseczigkeÿt der neme in d wochen zweÿ mal geschaben gold auff ein halb quintin und trinck das ein mit einem lot jecalodium das ist ein electuarium dz do reÿniget die feüchtigkeÿt des ausseczigen menschen·(Gold gemischet mit dem saffte des krautes genant boτago od mit dem bulver genant ossis de coτde cervi und die gemischet mit zucker und das genüczt ist gût sincopizantibus das ist dem die do fast onmechtig sind und davon geschwÿnnen·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Aurum spτicht das golde beneme die melancolÿ von den menschen·Des geleichen die bôsen dτeüme und fantasÿ in dem schlaff·(Item wz mit gold geõffenet wirt an des menschen leibe als mit lassen schτepffen und schneiden das heilet on schaden unnd wechset kein faule fleisch in den selbigen wunden·(Wer goldt in dem munde tregt dem machet es ein gůtten athem·

(Platearius gold hilffet dem zÿtterdem herrczen und benymmet die traurigkeit und ist den gůt genüczet dÿe mitt jn selbest reden unnd fantasieren·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτicht dz gold über alle ander årczneÿ stercke daz hercz und mache ein gůtt frõlich geblŭte·(Der meister Rasis beschτeibet uns in dem achtenden bůch genant speculum natura le vincencij in dem capitel Aurum und spτicht das goldt seÿ allen leiplichen dingen dz edelst auff erden und sey in allen andern dingen ein künig und ein herτe·wann gold mag nit verzeret weτden noch gemÿnderet weder mit eτdtrich mit wasser mit lufft oder mit feüwer·sunder dz feüweτ reÿniget dz gold und benymmet jm den zůsacz und leütert es·unnd das geleüttert reÿn gold wirt nit von dem feüwer gemindert. (Item rein golde dick mal gelescht in wein der wein ist gůtte wider weetumb des milcz·unnd gold gefellet in wein oder in speise genüczet ist gůt wider ausseczigkeÿt·unnd wider onmåchtigkeit des herczen mit beinlin des hirczen herczen in poτriþ wasser vermenget. (Auch ist gefelt goldt gůt genüczet in speÿse oder gemenget mit einem electuarium genant anacadinum oder jeralogodion wider die fallende sucht auch in wein genüczet·[64]

(1) Goud, 38ste kapittel.

Aurum Latijn en Grieks. Arabisch Daob. (Aurum)

In het boek genaamd de natura rerum beschrijven ons de meesters de deugd van het goud en vooral dat deze deugd heet en droog is en geen meester zet er een graad van want het is overtreffen in zijn deugd alle kruiden. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel daob spreekt dat goud gewreven tot poeder en dat gegeten verteert de (2) huiduitslag en versterkt alle leden des mensen. De meester Hali in zijn andere rede spreekt dat het afveegsel van goud genuttigd versterkt het hart. Item geschaafd goud genuttigd beneemt dat [63] sidderen van het hart dat je komt van een aardse vochtigheid genaamd melancholie. Ettelijke meesters spreken wie er neemt een gouden ring en legt die in een vuur en bestrijk daarmee de vleugels van duiven, ze komen gauw naar huis en blijven niet uit. Item goud is meer getemperd in zijn deugd dan een ander metaal en wie zich bezorgt in de gebreken van de (2) huiduitslag die neemt in de week tweemaal geschaafd goud op een half quintin en drink dat in met een lood jecalodium, dat is een likkepot, dat zo reinigt de vochtigheid van de huiduitslag der mensen. Goud gemengd met het sap van het kruid genaamd Borago of met het poeder genaamd been van hertenhart en die gemengd met suiker en dat genuttigd is goed sincoptizantibus, dat is diegene die erg onmachtig zijn en daarvan duizelen. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Aurum spreekt dat goud beneemt de melancholie van de mensen. Desgelijks de kwade dromen en fantasie in de slaap.(3) Item wie met goud geopend wordt aan des mensen lijf zoals met laten, schrapen en snijden, dat heelt zonder schade en groeit geen vuil vlees in dezelfde wonden.Wie goud in de mond draagt die maakt een goede adem.

(4) Platearius; goud helpt het sidderende hart en beneemt de treurigheid en is dan goed genuttigd die met zichzelf reden en fantaseren. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat goud boven alle andere artsenij versterkt dat hart en maakt een goed vrolijk bloed. De meester Rasis beschrijft het in het achtste boek genaamd speculum natura le vincencii in het kapittel Aurum en spreekt dat goud van alle lieflijke dingen de edelste is op aarde en ze in alle andere dingen een koning en een heer is want goud mag niet verteerd worden noch vermindert weer met aardrijk, met water, met lucht of met vuur, uitgezonderd dat vuur reinigt dat goud en beneemt hem de toevoeging en zuivert het en dat gezuiverde reine goud wordt niet van het vuur verminderd. Item rein goud vele malen gelest in wijn, die wijn is goed tegen pijn van de milt en goud gevallen in wijn of in spijs genuttigd is goed tegen huiduitslag en tegen onmachtigheid van het hart, met beentjes van het hertenhart in Borago water vermengt. Ook is geveld goud goed genuttigd in spijs of gemengd met een likkepot genaamd anacadinum of jeralogodion, tegen de vallende ziekte ook in wijn genuttigd. [64]

(1) Goud, in Latijn Aurum of Au, Duits Gold, Engels gold.

Maerlant: ‘Aureum noemen wij goud, Platearius zegt als men het tot poeder wrijft en dan in specerijen doet waar het in blijft, alzo zoals men beschrijft dat het dan de (2) melaatsheid verdrijft en de tong doet genezen. (3) Wonden met goud, zoals wij lezen, die zwellen nimmermeer.

. (4) Verkwikt en versterkt dientengevolge het hart, verheugt het gemoed en is daarom zeer geschikt voor zwaarmoedigheid, hartkloppingen, kwalijkheid en dergelijke.

silber xxxix Ca

Argentum latine·grece fide arabice felch vel fedhe·

(Deτ meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel felch id est argentum spτichet·das silber von natur sÿ kelten und trucken machen·(Silber geschaben unnd gemischet mit weinstein ôleÿ und die bôse reüdigkeÿt damit geschmiert benymmet jr das gucken·(Diþs in die faulen wunden gestrichen verzert das bôþ fleische·(Die meister spτechen dz silber genüczet soll werden zů den salben genant ungenten damit man heilet geschwere und wunden·Item silber hat die natur an jm dz es die wunden zů hauffen zeühet·also daz man die hefften darffe. (Item d wirdig meister Avicenna in dem bůch genant·de viribus coτdis spτicht das silber stercke das hercz unnd machet gůt geblŭtte·

(1) Zilver, 39ste kapittel.

Argentum Latijn. Grieks fide. Arabisch felch vel fedhe. (Argentum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel felch, id est argentum, spreekt dat zilver van natuur koud is en droog maken. Zilver geschaafd en gemengd met wijnsteenolie en de kwade ruigheid daarmee gesmeerd beneemt hem die korst. Dit in de vuile wonden gestreken verteert dat kwade vlees. De meesters spreken dat zilver genuttigd zal worden bij de zalf genaamd ungentem daarmee men heelt zweren en wonden. Item, zilver heeft de natuur aan zich dat het de wonden op hopen trekt alzo dat man die heffen durft. Item de waardige meesters Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat zilver versterkt dat hart en maakt goed bloed.

(1) Zilver, Argentum of Ag, Engels silver, oud Engels seiofor, oud Saksisch silubar, oud Hoogduits Silabar of Silbar en nu Silber.

quecksilber xl Ca

Argentum vivum latine grece ÿdargirus arabice albachest·

(Der meÿster Platearius in seinem bŭch in dem capitel argentum vivum spτicht dz quecksilber seÿ von natur heiþ unnd feücht an dem vierden grade wenn von seiner würcklichkeÿt mag man auch gar wol erkennen dz es von natur seÿe uτsachen halber daz dissolvieret incidiert und auch penitriert dz ist durchtringet·(Auch spτicht Platearius dz etlich halten quecksilber kalt und feücht in dem vierden grade. (Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel albachest id est argentum vivum spτicht das quecksilber seÿ tõdten wann man das eintrincket so zerτeisset es alle innerliche gelider unnd durchtringet mitt grossem schaden·(Item wann quecksilber in ein feür kommet [65] so gibt es vil rauch·der selbe gerauch ist gar schedlich·er bτinget das gegicht in die gelÿder·und benymmet das gesichte und gehôτe·unnd damit machet er bôse vernunfft·(Quecksilber verzeret das faule fleisch in den faulen wunden·unnd zerstôτet die fisteln·und tôdtet die mauþ·und alle thier die daz essen die sterben davon·(Diascoτides spτicht dz die tugent des quecksilbers seÿ fast tôdten die selbige das jn nüczet· Und were es sach das einem getôdt quecksilber in den leib kåme der dτincke geyþ milch darauff und beweg sich hin und her oder der selbige trinck wein d mit senff kraute wermůt und ÿsop gesotten seÿ eτ genÿset davon·(Der meister Paulus·Nÿmm nuþ ôle ein lot und mache das heiþ unnd mische dar under litargirum das ist silber schaume unnd cerusa·dz ist bleÿweiþ ÿegklichs zweÿ quintin unnd darzů uymm eþsig zweÿ lot unnd laþ auch die sieden als lange dz es als dick werde als hônig·unnd wann es kalt wirt so mische dar under quecksilber ein quintin·Dise salbe ist fast gůtt für den erbe grÿnt auff dem haubt und heilet auþ der massen sere·(Item quecksilber mag man tôdten mit nŭchter speicheln oder nÿmm bůchen åschen nûchter speichel und quecksilber und rŭre es under einander·

(1) Kwikzilver, 40ste kapittel.

Argentum vivum Latijn, Grieks ÿdargirus. Arabisch albachest. (Argentum vivum)

De meester Platearius in zijn boek in het kapittel argentum vivum spreekt dat kwikzilver van natuur heet en vochtig is aan de vierde graad want van zijn werkelijkheid mag men ook erg goed herkennen dat het vanwege zijn natuur oorzaak is dat het oplost, indringt en ook penetreert, dat is doordringen. Ook spreekt Platearius dat ettelijke houden kwikzilver koud en vochtig in de vierde graad. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel albachest, id est argentum vivum, spreekt dat kwikzilver dodelijk is als men dat indrinkt dan doorgrijpt het alle innerlijke leden en doordringt het met grote schade. Item, als kwikzilver in een vuur komt [65] dan geeft het veel rook, dezelfde rook is erg schadelijk en brengt dat jicht in de leden en beneemt dat gezicht en gehoor en daarmee maakt het slecht verstand. Kwikzilver verteert dat vuile vlees in de vuile wonden en verstoort de etterwonden en doodt de muizen en alle dieren die dat eten die sterven daarvan. Dioscorides spreekt dat de deugd van kwikzilver is erg dodelijk dezelfde die het nuttigt. En was het zo dat een gedode kwikzilver in het lijf kwam die drinkt geitenmelk daarop en beweegt zich heen en weer of dezelfde drinkt wijn dat met mosterdkruid, alsem en hysop gekookt is, hij geneest daarvan. De meester Paulus: Neem notenolie, een lood, en maak dat heet en meng daaronder litargirum, dat is zilverschuim, en cerusa, dat is loodwit, van elk twee maal 1, 67gram en daartoe neem azijn twee maal 16,7gram en laat ook die koken alzo lang tot het dik wordt als honing en wanneer het koud wordt meng daar kwikzilver in, een 1,67gram. Deze zalf is erg goed voor het erge hoofdzeer op het hoofd en heelt uitermate zeer. Item kwikzilver mag men doden met nuchter speeksel of neem beukenas, nuchter speeksel en kwikzilver en roer het onder elkaar.

(1) Van het metaal kwik werd gedacht dat het een soort zilver was. In sommige talen blijkt dat nog uit de naam die kwik heeft zoals quicksilver in het Engels of kwikzilver (= levend zilver) in wat ouder Nederlands.

deüfels dreck xli Ca

Asa fetida latine anviden·arabice vel heltiff grece Lasar vel selvuim vel silvasilium·

(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Asa fetida beschτeÿben uns auch die meyster unnd spτechen das asa fetida seÿ heiþ unnd dτucken an dem vierden grade·(Item asa fetida ist ein gummy in eÿnem baum gÿenset dem môre·und diser gummÿ wirt gesammelt in dem summer·(Unnd ist darumb geheÿssen asa fetida umb des willen dz es saft sere stincket·und man mag es lange zeÿt halten unverseret in seiner natur·und sol gelegt werden an ein stat die nit zů vil trucken seÿe·[66] als dann ist in den warmen stuben·oder die auch nit zů vil feücht seÿ·als in einem keller·sunder in einem mittel messig stat·

(Sein tugendt ist von einander teÿlen und durchgeen unnd verzeren genamt dissolvieren penetrieren unnd consumieren. (Hie ist zů wissen so Asa fetida meer stincket so es besser ist. (In dem bůch Pandecta in dem capitel anvidem beschτeiben uns die meister unnd spτechen das asa fetida seÿ·ein gummÿ also geheissen unnd ist zweÿer hande·eins hatt ein kleÿnen gerauche und in kleine stang unnd daz heisset asa·Das ander hatt ein zůsacz zů dem asa unnd heisset asa fetida·und das reüchet und stincket fast sere·und ist das recht gummÿ das do fleüsset ausser dem stamm Anviden genant·und spτicht auch do selbest das Asa gemachet werde von dem safft des krautes anviden·und das hat nit als ein starcken gerauch als dz gummÿ das darauþ fleüþset das man heisset asa fetida·(Diascoτides in dem capitel genant silvium id est Asa fetida spτicht das asa fetida ble dem magen unnd mache den auff stoþen und ist unverdaugenlichen·und ist der blasen gar schedlich·(Asa fetida gemischt mit bücken unslet unnd das gesoten in essig und gelegt als ein pflaster wo das gesüchte wŭttet hilffet fast wol·(Diascoτides spτicht auch das asa fetida gar dick gefelschet werde·wann ettlich nemen Serapinium und daz ist ein gummÿ und darzů nemen sÿ bonen mele und machen daz under ein·diþ ist geleich wie asa fetida an dem gerauche geschmack und auch an der gestalt·unnd verkauffen das dar voτ unnd dises hat kein krafft hinder jm als asa fetida·unnd werden die leüte damit betrogen·(Item asa fetida mit pfeffer und essig gemischet unnd mit gestrichen die flüssigen augen umb heτ also das nicht in das auge komme hilffet on zweÿfel·(Item nÿmm asam fetidam und mische den mit weyrauch und halt das in dem munde benymmet das zene wee·(Item asa fetida gemenget mit essig benymmet polipum das ist ein geschwere der nasen·(Wer umbgeben were mit der kranckheit epilencia genant dz ist die fallende sucht od apoplexia dz ist d schlag d neme asam fetidam ein scrupel daz ist als vil als·xx·gersten kôτner wegen und darzů pfeffer kôτner zwen scrupel dz ist als vil als·xl·gersten kôτner wegen unnd senff kôτner ein quintin·und dises zesamen gebulvert und dz in der wochen zweÿ mal genüczet nüchtern mit lavendel wasser wer dises also bτauchet d darf sich der obgeschτiben kranckheit des selben mundes nit besoτgen·Diþs sol geschehen in dem ersten vierteÿl des monetz·(Deτ meÿster Serapio spτicht auch das man asam fetidam bereÿtten sol mit fenchelsamen eppich [67] samen oder was samen du darffest der dir nůczen mage czů der kranckheÿt es seÿ was kranckheÿt es wôlle magstu asam fetidam dar under mischen unnd darzů weinig salz so ist er dem magen gůtt unnd machet wol deüwen und laxieret·Aber alleyn genüczet ist er dem magen schedlich und auch dem haubt·(Asa fetida in dem munde gehalten machet gar vil speicheln darjnne·(Item wer in einer stuben den leüten gar ein grosse schalckheit wil beweisen der neme asam fetidam und lege daz in die kachel wann der warm wirt so kommet davon der bôste gerauch das in der stuben nÿemandt beleÿben mag·aber diþ solt du dich nit fleissen wann dem haubt grosser schaden davon kommet·(Item pillilen gemachet von asa fetida und die des abents ein genommen mitt dem sÿrop gemachet von feÿhelen benemen das keichen unnd raumen dÿe bτuste unnd machen oben auþwerffen was bôses in dem magen und bτust ist·(Item asa ist gůt vermenget mit pfeffer und mit essig unnd darmit geschmieret die bôsen flecken oder geschwåre des antliz genannt cancer unnd warczen pτicht AviCenna·(Item asa genüczet in einem weichen eÿ ist gůt wider den hůsten und auch wider weethumb des milcz und wider geschwere der bτust genant pleuresis·unnd ist auch gůtt wider wassersüchtigkeÿt mitt eppich wasser vermenget genüczet pandecta·(Item asa fetida gesotten in wein und durch geschlagen mit hônig oder zucker vermenget ist gůt wider das fieber quotidian als Platearius spricht·

(1) Duivelsdrek, 41ste kapittel.

Asa fetida Latijn, anviden Arabisch vel heltiff. Grieks Lasar vel selvuim vel silvasilium. (Ferula assafoetida)

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Assafoetida beschrijven ons ook de meesters en spreken dat Assafoetida heet en droog is aan de vierde graad. Item, Asafoetida is een gom van een boom aan de andere kant van de zee en deze gom wordt verzameld in de zomer. En is daarom geheten Assafoetida vanwege dat het sap zeer stinkt en men mag het lange tijd houden onveranderd in zijn natuur en zal gelegd worden aan een plaats die niet te veel droog is [66] zoals dan is in de warme kamer of die ook niet te veel vochtig is zoals in een kelder, vooral in een middelmatig plaats.

Zijn deugd is van elkaar delen en doorgaan en verteren, genaamd dissolveren, penetreren en consumeren. Hier is te weten zo Assafoetida meer stinkt zo het beter is. In het boek Pandecta in het kapittel anvidem beschrijven ons de meesters en spreken dat Assafoetida een gom is en alzo geheten en is tweevormig, een heeft een kleine reuk en een kleine stank en dat heet Asa. De andere heeft een toevoeging tot de Asa en heet Assafoetida en dat ruikt en stinkt erg zeer en is dat echte gom dat zo vloeit uit de stam Anviden genaamd en spreekt ook dezelfde dat Asa gemaakt wordt van het sap van het kruid Anviden en dat heeft niet als een sterke reuk als de gom dat daaruit vloeit dat men noemt Assafoetida. Dioscorides in het kapittel genaamd silvium, id est Assafoetida, spreekt dat Assafoetida blaast de maag en maakt dan uitstoten en is onverteerbaar en is de blaas erg schadelijk. Assafoetida gemengd met bokkentalk en dat gekookt in azijn en gelegd als een pleister waar die ziekte woedt helpt erg goed. Dioscorides spreekt ook dat Assafoetida erg vaak vervalst wordt want ettelijke nemen Serapinium en dat is een gom en daartoe nemen ze bonenmeel en maken dat ondereen, dit is gelijk als Assafoetida aan de reuk, smaak en ook aan de gestalte en verkopen dat daarvoor en deze heeft geen kracht achter hem zoals Assafoetida en worden de mensen daarmee bedrogen. Item, Assafoetida met peper en azijn gemengd en mee gestreken de vloeiende ogen omheen alzo dat er niets in dat oog komt helpt zonder twijfel. Item, neem Assafoetida en meng het met wierook en hou dat in de mond, het beneemt de tandpijn. Item, Assafoetida gemengd met azijn beneemt polipum, dat is een zweer van de neus. Wie omgeven was met de ziekte epilepsie genaamd, dat is de vallende ziekte, of apoplexia, dat is de slag, die neemt Assafoetida een 0,065gram, dat is zoveel als 20 gerstekorrels wegen, en daartoe peperkorrels, twee maal 0, 065gram, dat is zoveel als 40 gerstekorrels wegen, en mosterdkorrels, een 1,67gram, en deze zaden gepoederd en die in de week tweemaal genuttigd ‘s morgens met lavendelwater, wie dit alzo gebruikt die durft zich de opgeschreven ziekte dezelfde maand niet bezorgen. Dit zal gebeuren in het eerste vierde deel van de maand. De meester Serapio spreekt ook dat men Assafoetida bereiden zal met venkelzaden, selderijzaden [67] of welke zaden u durft die u nuttig zijn tot de ziekte, hetzij welke ziekte als u wil mag u Assafoetida daaronder mengen en daartoe weinig zout, dan is het de maag goed en maakt goed verteren en laxeert. Maar alleen genuttigd is het de maag schadelijk en ook het hoofd. Assafoetida in de mond gehouden maakt erg veel speeksel daarin. Item wie in een kamer de mensen een erg grote schalksheid wil bewijzen die neemt Assafoetida en leg dat in de kachel want als het warm wordt zo komt daarvan de kwaadste reuk zodat in de kamer niemand blijven mag, maar dit zal u zich niet vlijen want het hoofd grote schade daarvan komt. Item pillen gemaakt van Assafoetida en die ‘s avonds ingenomen met de siroop gemaakt van violen benemen dat kuchen en ruimen de borst en maken boven uitwerpen wat kwaad in de maag en borst is. Item, Assafoetida is goed vermengd met peper en met azijn en daarmee gesmeerd de kwade vlekken of zweren van het aangezicht genaamd kanker en wratten spreekt Avicenna. Item, Assafoetida genuttigd in een week ei is goed tegen het hoesten en ook tegen pijn van de milt en tegen zweren van de borst, genaamd pleuris, en is ook goed tegen waterzuchtigheid met selderijwater vermengd genuttigd, Pandecta. Item, Assafoetida gekookt in wijn en doorgeslagen met honing of suiker vermengt is goed tegen de koorts quotidian zoals Platearius spreekt.

Dodonaeus; ‘Avicenna zegt dat de ene soort van Asa die foetida genoemd wordt omdat ze naar prei schijnt te ruiken en de ander Asa odorata’.

Uit het melkachtige sap van deze plant komt de Gummi asa foetida of Gummi-resina asa foetida: duivelsdrek, Duitse Duvelsdreck of Teufelsdreck. Mogelijk van Spaans azafedida van Perzisch aza: gom, en Latijn foetida: stinkend.

kraft mele xlii Ca

Amidum vel amilum latine Apoÿoÿs grece·arabice viste·

(Der meÿster Cassius felix genant spτicht daz kraft mele seÿ von natur warme und feücht und in disem getemperiert·Dises wirt gemachet als hernach geschτiben steet·(Nymm weiczen als vil du wilt unnd thů dem in eÿn frisch kalt wasser unnd laþ dem weicz auch darjnne ligen funff nacht unnd den des tages gar dick rŭren under ein unnd alle tage eyn frisch wasser der über thůn·Nach dem fünfften tage soll man das wasseτ reÿn abe seÿhen also das man auch dem weicz nit under einander rŭre das kein klein mit gang·und daz alleτ leste wasser dz dar ab [68] geet soltu thůn in einem reinklich geschirτe·dem weÿcz soltu stossen und durch ein tůch streichen geleich einem pfeffer unnd ye des wassers ein weinig dar under mischen daz es dester baþ durch gee·Dises durch gestrichen soltu stellen in die sunnen unnd das trucken lassen werden und alle male dz wasser abe schütten so hast du dann krafft mele·unnd heisset darumb Amidum wann es wirt gemachet au malen genant factum amidum sine mola·Ettlich machen krafft mele auþ gersten als Platearius spricht·Und dises ist der meyster meÿnung das krafft mele seÿe das man machet von

weÿcze·(Diascoτides spτicht das amilum gůt seÿ dem die flüssigs haubt haben also das jn dÿe augen alle zeÿt trieffen und benymmet die selben schôτffkeÿt die in dem augen ist genant asperitas oculoτum·(Amidum ist auch sunderlichen gůtte den die do blůte auþwerffen dar von mitt wasser ein sauffgyn gemachet·

(Amilum ist gůte den die ein flüssigen bauch haben·(Amilum ist auch gůt den hennen die den hůsten haben daz gemischet mit gersten mele mit zucker vermenget·(Item mandeln milch gemischet mit krafft mele stopfet gar wol den flüssigen menschen die den durchgange haben·(Amilum gemischet mit penidien kôτner krefftiget alle gelider des menschen·(Der meister Seτapio spτichet das amilum gůt sey den genüczet die flüssige augen haben·(Item krafft mele getruncken mit mandel milch benymmet das blůt speÿen unnd benymmet die schirpffung der kelen·(Item amilum gemischet mit geÿþ milch und die genüczet machet frich blůt und benymmet dem menschen die flüþ.

(Item amidum genüczt rohe briniget würme in dem bauch spricht Serapio·unnd so man ist krafft mele keüwen in dem munde unnd leget es auff ein rasende hundt gebisse ist darzů gůte·(Item kraft mele ein nacht in wasser gebeÿþt unnd gesotten mit sŭþ mandel ôle und mit zucker vermenget ist gůt zů dem apostemen der bτust·

(1) Krachtmeel, 42ste kapittel.67

Amidum vel amilum Latijn. Apoÿoÿs Grieks. Arabisch viste. (Triticum dicoccum, emmer)

De meester Cassius Felix genaamd spreekt dat krachtmeel van natuur warm en vochtig is en in deze getemperd. (2) Dit wordt gemaakt zoals hierna geschreven staat: Neem tarwe zoveel u wil en doe dat in een fris koud water en laat de tarwe ook daarin liggen vijf nachten en op de dag erg veel roeren onder een en alle dagen een fris water daarover doen. Na de vijfde dag zal men dat water rein afgieten alzo dat men ook de tarwe niet onder elkaar roert zodat geen kleine meegaat en dat allerlaatste water dat daaraf [68] gaat zal u doen in een rein vat, de tarwe zal u stoten en door een doek strijken gelijk een peper en dat water een weinig daaronder mengen zodat het er des te beter door gaat. Deze doorgestreken zal u stellen in de zon en dat droog laten worden en alle maal dat water afgieten, dan heeft u dan krachtmeel en heet daarom (1) Amidum want het wordt gemaakt op molens genaamd factum amidum sine mola. Ettelijke maken krachtmeel uit gerst zoals Platearius spreekt. En deze is de meesters mening dat krachtmeel is dat men maakt van tarwe. (4) Dioscorides spreekt dat Amilum goed is die een vloeiend hoofd hebben alzo dat hen de ogen alle tijd druppelen en beneemt dezelfde schurftheid die in de ogen is genaamd asperitas oculorum. Amidum is ook uitzonderlijk goed die zo bloed uitwerpen, daarvan met water een soepje gemaakt.

Amilum is goed die een vloeiende buik hebben. Amilum is ook goed de hennen die de hoest hebben, dat gemengd met gerstemeel en met suiker vermengd. Item amandelmelk gemengd met krachtmeel stopt erg goed de vloeiende mensen die de doorgang hebben. Amilum gemengd met (suiker) penidienkorrels versterkt alle leden van de mensen. De meester Serapio spreekt dat amilum goed is dan genuttigd die vloeiende ogen hebben. Item krachtmeel gedronken met amandelmelk beneemt dat bloedspuwen en beneemt de (3) scherpte van de keel. Item, amilum gemengd met geitenmelk en dat genuttigd maakt vers bloed en beneemt de mensen de vloed.

Item, amidum genuttigd rauw brengt wormen in de buik spreekt Serapio en zo men krachtmeel kauwt in de mond en leg het op een razende hondenbeet is daartoe goed. Item krachtmeel een nacht in water gebaad en gekookt met zoete amandelolie en met suiker vermengt is goed tot de gezwellen van de borst.

(1) Dodonaeus: Men noemt dit korenwerk in het Grieks Amylon omdat het zonder molen (die men in het Grieks Myle noemt) bereid wordt en daarvan hebben de apothekers een bedorven naam Amydum gemaakt die de Brabanders in ameldonck veranderen die het ook stijfsel noemen omdat men de vrouwendoeken en ander linnen daarmee wit en stevig maken of stijven kan. In Hoogduitsland heet het Ammeel en Kraftmeel.

Herbarijs; ‘Amidum is heet en vochtig en men maakt het aldus; (2) Men legt tarwe een dag en een nacht in koud bronwater en men zal het vaak roeren totdat het rot (meer fermenteren) en dan zal men het water er uitdoen en zeer stampen en het sap door een kleed duwen. Dan zal men het in de hete zon zetten zodat het water verdroogt en dan zal men er weer koud water in gieten en laten het bezinken en dan weer af gieten. En dat beneden in de bodem blijft dat zal men in de zon zetten en laten drogen en witten en harden. Dat is amylum.

spies glasz xliii Ca

Antimonium latine grece antimonos arabice bitruad·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Bitruad id est antimonium spτicht das dÿses seÿe ein ader der eτden und geleicht dem bleÿ·unnd ist dises die underscheÿd under dem bleÿ unnd antimonio·wann daz bleÿ lasset sich nit czů stossen sunder antimonium stosset man czů bulver·(Item bleÿ schmilczet in dem feüwer antimonium verbτent in dem feüwer. (Diþ ist d beste antimonium d in dem bτach klar ist und nit vermischt mit erdtrich·(Der meister Almansoτis in seinem dτitten unterscheid unnd pandecta in dem capitel antimonium sprechen das antimonium seÿ kalt [69]…….de·(Die meisteτ spτechen wôlicher do hette emoτroidas das ist ein fluþ in dem afftern davon dann entspτingen die fick blatern der neme antimonium und bulver den und streüwe das in den gebτesten es hilfft zehandt. (Daz bulveτ gemischet mit fenediger seÿffen und mit eÿnem wiechen gelassen in dÿe fistelen heÿlet sÿ von grundte auþ·

(Item antimonium dient fast wol czů dem krebs das bulver darein gestreeuwet·(Item antimonium verzert faule fleisch. (Item antimonium gemischet mit apostolicum das ist ein salbe und damit gemacht kleine klôczlin unnd die gestecket in die nasen benymmet polipum dz ist ein fleisch das wechset in der nasen unnd ist gar schedlich.

(Antimonium gebulvert und dar under gebulvert miraboloni citrini und thucien ÿegkliches geleich vil unnd das bulver gemischet mit rosenwasser und darauþ auch gemachet ein augen wasser genant collirium und das über die augen gelegt vertreÿbet das trieffend davon und auch die geschwulst·(Nÿmm wenig baumôle und die necze mitt den safft sanguinaria das ist distelkraut saft und dar under mische dises bulver von antimonio und die wollen stecke in die nasen lôcher das benymmet das blůttent auþ der nasen. (Item Galienus spτicht dz antimonium seÿ von natur kelten und stopffen·Und spτichet auch dz antimonium nem dz überflüþsig fleisch das do wechset in eÿner wunden oder in einem geschwåre und reÿnige die wunden von jrem gestancke mitt mirτa vermenget·(Almansoτ spricht das antimonium benÿmmet rôtte von den augen unnd macht die widerumm lauter mit rosen wasser vermenget. (Der meÿster Paulus in dem capitel antimomum spτicht das antimonium stopffe die blůttende nasen unnd seÿ nücz den augen. Und spτicht auch das etwann die alten fast gebτauchet haben antimonium und das auch gemischet mit fenchel wasser und die augen in der wochen eynes damit bestrichen·Dye selbigen hetten alle zeÿt gůtte gesundte augen·

(1) Spiesglas, 43ste kapittel.

Antimonium Latijn, Grieks antimonos, Arabisch bitruad. (Antimoon)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Bitruad, id est antimonium, spreekt dat dit is een ader der aarde en lijkt (2) op lood en dit onderscheid onder het lood en antimonium want dat lood laat zich niet stoten en vooral antimonium stoot men tot poeder. Item lood smelt in het vuur en antimonium verbrandt in het vuur. Dit is het beste antimonium die in de breuk helder is en niet vermengd met aardrijk. De meester Almansoris in zijn derde onderscheidt en Pandecta in het kapittel antimonium spreken dat antimonium koud is [69]….de. De meesters spreken wie er heeft emorroidas, dat is een vloed in het achterste daarvan dan ontspringen de aambeien, die neemt antimonium en poeder dat en strooi dat in het gebrek, het helpt gelijk. Dat poeder gemengd met Veneetse zepen en met een doek en gelaten in de (3) etterwonden heelt ze van grond uit.

Item, antimonium dient erg goed tot de kanker, dat poeder daarin gestrooid. Item antimonium verteert vuil vlees. Item antimonium gemengd met apostolicum, dat is een zalf, en daarmee gemaakt kleine korrels en die gestoken in de neus beneemt poliep, dat is een vlees dat groeit in de neus en is erg schadelijk.

Antimonium gepoederd en daaronder gepoederd myrobalanen citrini en thucia, van elk gelijk veel, en dat poeder gemengd met rozenwater en daaruit ook gemaakt een (4) oogwater genaamd collirium en dat over de ogen gelegd verdrijft dat druppelen daarvan en ook de gezwellen. Neem weinig olijvenolie en die nat je met het sap Sanguisorba minor, dat is distelkruid sap, en daar onder meng je dit poeder van antimonium en dat wol steek je in de neusgaten, dat beneemt dat bloeden uit de neus. Item, Galenus spreekt dat antimonium is van natuur verkoelen en stoppen. En spreekt ook dat antimonium neemt het overvloedig vlees dat je groeit in een wond of in een zweer en reinigt de wonden van hun stank, met mirre vermengt. Almansor spreekt dat antimonium beneemt het rode van de ogen en maakt die wederom zuiver, met rozenwater vermengt. De meester Paulus in het kapittel antimonium spreekt dat antimonium stopt de bloedende neus en is nuttig de ogen. (4) En spreekt ook dat de ouden erg gebruikt hebben antimonium en dat ook gemengd met venkelwater en de ogen in de week eens daarmee bestreken. Dezelfde hadden altijd goede gezonde ogen.

(1) De naam spiesglas, Duits Spiesglanz (spits glas, de glans) gebruikte eerst Basilius Valentius. Zijn ‘triumfwagen van het antimonium’ is de oudste chemische monografie. De naam stibium, waarvan het symbool Sb. komt werd oorspronkelijk aan het sulfide gegeven. De naam stibniet was al bij de ouden in gebruik. De vrouwen gebruikten het mineraal voor het verven van het haar, de wenkbrauwen etc. en het (4) schijnbaar vergroten van de ogen, vandaar de tweede naam platyophtalmon, Grieks platys: breed, ophthalmos: oog.

In Hebreeuws en Arabische heet het ‘Kohl’, dit woord ging als ‘alcool’ in andere spraken over en werd later op wijngeest overgedragen, vergelijk alcohol. In latere overzettingen van de 16de eeuw werd het antimon.

 Van Beverwijck, ‘Antimone wordt om haar gelijkenis die ze met het (2) lood heeft onder de loodmiddelen beschreven van Dioscorides in 5.59 met de naam van Stimmi en Stibi, net zoals ook van anderen Grieken. Plinius, Marcellus en andere Latijnen noemen het daarnaar Stibium.

(4) Wordt derhalve goed vermengd onder de oogzalven om de zinkingen en lopen ervan tegen te houden, te weten het gekookte dat geen scherpte heeft en gelijke kracht met het gebrande lood heeft. Als het gemengd is onder verse reuzel maakt het dat het gebrande geen puisten opwerpt, stilt de (3) kwade zweren en belet haar voortkruipen. Sommige vrouwen gebruiken het om hun wenkbrauwen bruin te maken.’


Gummy xliiii Ca

Armoniacum latine grece Asios·arabice fasaac·

(Der meyster Serapio spτichet in dem bůch aggregatoτis (70) in dem capitel Fasac·idest armoniacum spτicht·das seÿe ein gummi eines baumes also geheissen·dem baumm beschneÿdet man die eþte und darauþ tropfet armoniacum das gummi·und was auff die erden fellt das wirt vermüschet mit erden und andern kot·und das ist nit also gůt als das do reÿnigklich gesammlet wirt·(Dises hat einen gůten gerauch·und sol haben ein farbe geleÿch einen weÿssen eines eyes dz do gesoten wirdet·und das weÿþ darjn hertt woτden ist·dem selben weÿssen in dem eÿe geleychet armoniacum. (Der meister averτoτis in dem fünfften bůch genant Colliget in dem capitel Armoniacum spricht·das dises sey heyþ an dem dτýtten grad·und trucken an dem ersten grad·(Platearius spτichet·das dises seÿ warm und trucken in dem vierden grad·(Der meister Paulus in dem capitel armoniacum spτicht·das dÿses gůt sey für den alten hůsten·der do kommet von feüchtung·(Auch benÿmmt armoniacum asma·dz ist das keychen·unnd raumet die bτust·in einem eye wenig genüczet·(Pillelen gemachet von armoniacum und die ein genommen mit einen weychen eÿe·fünff od siben pillelen·sind gůt pleüreticis·das ist·ein geschweere umb die bτust·(Nymm armoniacum sal gemma·sal nitrum·yegklichs geleÿch vil·und des safftes von andoτon ein lot darunder·Der armoniacum sol über nacht steen in essig·und darund gemüschet wenig wachþ·und darauþ gemachet ein salben·und wenig rosenôls auch darunder gemüschett·und wo einer het scrofulos·daz sind dinger geleych den wårczen und sind etwa eins gelyds lang die benymmt diþ ungent·die acht tag domit geschmieret·(Nÿmme armoniacum und galbanum·ýekliches geleÿch vil·und leg die in eþsig·und lasse die darjnn steen baÿssen über nacht·darnach müsche bulfer von wôτmůt und von kosten darunder·und thů das under wenig wachþ und mach darauþ ein salben·domit schmiere dz milcze an der lÿncken seÿten under dem herczen·benÿmmt die herttigkeyt des milczes·(Item·Ein rauch gemacht von armoniacum und asa fetida·und galbano·ÿegklichs geleÿch vil·und die frauwen domit gebået unden auff bτinget frauwen feüchtigkeit genannt menstruum·(Nÿmm armoniacum und müsche darunder safft von wôτmůt und trincke das des moτgens nüchtern·es tôdtet die wŭrm in dem bauch·(Auch magst du armoniacum resolviern mit eþsig und den bauch auþwendig domit schmieren·es hilffet auþtreÿben die wŭrm·(Wer do wil dz jm die bôsen zeen auþfallen·also dz er die nit auþ darff lassen bτechen der neme armoniacum mit bÿlsen safft·und schmiere den bôsen zan domit·er fellt auþ on schaden.(·e·j·) (71)

Gom, 44ste kapittel.

(1) Ammoniacum Latijn, Grieks Asios, Arabisch fasaac. (Dorema ammoniacum)

De meester Serapio spreekt in het boek aggregatoris in het kapittel Fasac, id est ammoniacum, spreekt dat het is een gom van een boom alzo geheten, de boom besnijdt men de bast en daaruit druppelt ammoniacum de gom en wat op de aarde valt dat wordt vermengd met aarde en andere rommel en dat is niet alzo goed als dat er rein verzameld wordt. (2) Dit heeft een goede reuk en zal hebben een verf gelijk het witte van een ei dat gekookt wordt en dat witte daarin hard geworden is, hetzelfde witte in het ei lijkt op ammoniacum. De meester Averrois in het vijfde boek genaamd Colliget in het kapittel Ammoniacum spreekt dat dit is heet aan de derde graad en droog aan de eerste graad. Platearius spreekt dat dit is warm en droog in de vierde graad. De meester Paulus in het kapittel ammoniacum spreekt dat dit goed is voor de (3) oude hoest die je komt van vochtigheid. Ook beneemt ammoniacum astma, dat is dat kuchen en ruimt de borst, in een ei weinig genuttigd. Pillen gemaakte van ammoniacum en die ingenomen met een week ei, vijf of zeven pillen, is goed pleuris, dat is een zweer om de borst. Neem ammoniacum, sal gemma, sal nitrum, van elk gelijk veel en het sap van andoren, een 16,7gram, daaronder. De ammoniacum zal over nacht staan in azijn en daaronder gemengd weinig was en daaruit gemaakt een zalf en weinig rozenolie ook daaronder gemengd en wie een heeft (4) scrofulen, dat zijn dingen gelijk de wratten en zijn ongeveer een lid lang, die neemt deze zalf en die acht dagen daarmee gesmeerd. Neem ammoniacum en galbanum, van elk gelijk veel, en leg die in azijn en laat het daarin staan baden over nacht, daarna meng poeder van alsem en van Costus daaronder en doe daar wat weinig was bij en maak daaruit een zalf en daarmee smeer je (5) de milt aan de linkerzijde onder het hart, het beneemt de hardheid van de milt. Item. Een rook gemaakt van ammoniacum en Asa foetida en galbanum, van elk gelijk veel, en de vrouwen daarmee baden van onder uit brengt (6) vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie. Neem ammoniacum en meng daaronder sap van alsem en drink dat ‘s morgens nuchter, het doodt de wormen in de buik. Ook mag u ammoniacum oplossen met azijn en de buik uitwendig daarmee smeren, het helpt uitdrijven de wormen. Wie er wil dat hem de kwade tanden uitvallen alzo dat hij die niet uit durft te laten uitbreken die neemt ammoniacum met bilzekruidsap en smeer de kwade tand daarmee, het valt eruit zonder schade.

(1) Dodonaeus; ‘En dat beste Ammoniacum is (als Dioscorides schrijft) dat vast en zuiver is en geen houtachtige splinters, steenachtig gruis of andere vuiligheid in zich heeft en dat wat bitterachtig van smaak is en in kleine stukjes verdeeld is en vrijwel op wierook lijkt in het aanzien en van reuk trekt het wat naar het Castoreum of beverswijn’.

(2) Dodonaeus; ‘ Deze gom wordt naar dat Orakel van Ammon in het Grieks Ammoniacon genoemd, in het Latijn Ammoniacum en in de apotheken Armonicum en Gummi Armoniacum’.

Dodonaeus; ‘Ammoniacum een vierendeel lood zwaar ingenomen verwekt tot kamergang en jaagt de taaie koude fluimen af en trekt die uit de verre leden naar zich en is daardoor goed tegen de kortheid en (3) benauwdheid van de adem, beslotenheid van de borst, longen, vallende ziekte, jicht, pijn en weedom in de heup die men Sciatica noemt en tegen alle verouderde hoofdpijn, ziekten en gebreken van de hersens, de zenuwen en de uitwendige leden. Deze gom zuivert ook de borst en laat de taaie fluimen rijpen en rijzen, met honing vermengt en gelikt of met water daar gepelde gerst in gekookt is ingenomen. (5) Ammoniacum vermindert ook en geneest de verharde en verstopte milt,(6) jaagt de dode vruchten af en laat water en plas lossen, dan het mag maar weinig tegelijk ingenomen worden want als men deze gom veel of dikwijls gebruikt laat het bloed plassen.

Alumen latine·grece stipterea·arabice Sebel vel Alffar·

(In dem bůch genant Circa instans in dem capitel Alumen·beschτeiben uns die meister und sprechen·das dise seý heÿþ und trucken an dem vierden grad·Avicenna spτicht·das alaun seÿ warem und trucken in dem dτitten grad. (Die meister spτechen auch dz do seÿ dτeÿerleý alaun·Eins nennet man alaun cisson·Das and alumen zuckarum oder rotundon. Das dτÿtt nennet man alumen liquidum·(Item·wenn man schreibt in die apotecken alumen on einen zůsacz·so nymbt man alumen cisson·(Item alaun findet man in den heyssen enden od regionen·und sunderlich an den enden do vil schwebel ist in dem erdtrich·Und dises ist d beþte alaun d do weýþ scharpff ist und klar und ein salczen geschmack hat·und d nit klar ist und fast trŭb ist der ist nit gůtt·(Alaun mag man halten lange zeÿt unverczert an seiner natur·(Diascoτides spτichet·das alaun gebulfert und gemüschet mit regenwŭrmen·und darauþ gemachet ein salb·Dise salb dienet wol zů dem krebþ darüber gestrychen·und darauff geleget als ein pflaster·(Dise salb heÿlet auch fisteln·mit eienen wiechen darein gelassen·Nÿm alaun und salcz yegklichs ein pfunt und thůe darüber wasser als vil du wilt und lasse daz sieden·darnach mache ein schweÿþbad mit glŭden krancken menschen darjn schwÿczen·als dann ist d wassersüchtig mensch·od dem seine gelyder erlemet wåren·od der fast grÿndig wår·und wåsche jn mit dem wasser über allen seinem leÿb hilffet fast wol·(Item·nÿmm baummôle und mache ein wiechen·unnd stoþ den in hônig·streüwe darůber alaun·thůe jn in die fisteln·also das die fistel voτhÿn gereÿniget seÿ und gewåschen mic eþsig·vermüschet mit wenig alaun sÿ heÿlet von grond auþ·(Der meister Serapio spτicht·dz alaun gůt seÿ den tunckeln augen genüczet·und beneme die flecken under dem augen·und eczet dz bôþ faul fleÿsch auþ den wunden·und machet kein faules fleÿsch wachþen·(Item alaun ist fast gůt den geschweren in der kelen·und sunderlich für das blat das einen für die kelen scheüþt·magst du mit einen hülczen stÿlgin des bulfers von alaun mit jnngwer veτmenget·und mit bertrum darein gelassen·es geet hyndsich on zweifel·(Item·auch ist alaun in eþsig zergangen gůt wider die faulung des mundes·den mund domit gewåschen·(Item dz haubt gewåschen mit alaun wasser ist tôdten die leüþe und die nÿþs·(Und alaun wasser ist gůt wider die zeen weetumm·(Auch ist alaun wasser gůt wider dz jucken·und wider den gryndt·[72]

(1) Aluin Latijn, Grieks stipterea. Arabisch Sebel vel Alffar. 45ste kapittel. (Aluin)

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel aluin beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet en droog aan de vierde graad. Avicenna spreekt dat aluin is warm en droog in de derde graad. De meesters spreken ook dat er zijn drie soorten aluin. Een noemt men aluin cisson. Dat andere aluin zuckarum of rotundon. De derde noemt man aluin liquidum. Item, als men schrijft in de apotheken aluin zonder een toevoeging dan neemt men aluin cisson. Item, aluin vindt men in de hete einden of regionen en vooral aan de einden waar veel zwavel is in het aardrijk. En dit is de beste aluin die er wit, scherp is en helder en een zoute smaak heeft en die niet helder is en erg troebel die is niet goed. Aluin mag men houden lange tijd onveranderd aan zijn natuur. (2) Dioscorides spreekt dat aluin gepoederd en gemengd met regenwormen en daaruit gemaakt een zalf deze zalf dient goed tot de kanker, daarover gestreken en daarop gelegd als een pleister. Deze zalf heelt ook etterwonden, met een doek daarin gelaten. Neem aluin en zout, van elk een pond, en doe daarover water zoveel als je wil en laat dat koken, (3) daarna maak een zweetbad met gloeiende zieke mensen daarin zweten zoals dan is de waterzuchtige mens of die zijn leden verlamd waren of die erg hoofdzeer heeft en was hen met het water overal zijn lijf, het helpt erg goed. (2) Item, neem olijvenolie en maak een doek en stoot dat in honing en strooi daarover aluin en doe het in de etterwonden alzo dat die etterwonden voorheen gereinigd zijn en gewassen met azijn en vermengt met weinig aluin, ze heelt van grond uit. De meester Serapio spreekt dat aluin goed is de donkere ogen genuttigd en beneemt de vlekken onder de ogen en eet dat kwade vuile vlees uit de wonden en maakt geen vuil vlees groeien. Item, aluin is erg goed de zweren in de keel en vooral voor dat blad dat een voor de keel schiet mag u met een houten steeltje het poeder van aluin met gember vermengt en met bertram daarin gelaten, het gaat heen zonder twijfel. Item, ook is aluin in azijn opgelost goed tegen het vuil van de mond, de mond daarmee gewassen. Item, dat hoofd gewassen met aluinwater is doden de luizen en de neten. En aluinwater is goed tegen de tandpijn. (4) Ook is aluinwater goed tegen dat jeuken en tegen de schurft. [72]

(1) Aluin, Engels alum, Duits Alaun, midden Nederlands aluun, oud Frans alun, Latijn Alumen. Hiervan is ook het woord aluminium gevormd. Het werd vroeger uit aluinklei gemaakt.

(2) Aluin dat met wat honing gemengd is en in een doek gedaan en als je dit in een fistel of lopend gat steekt helpt het zeer. Maar eerst moet je die kankerzweer met azijn wassen. Tegen het gezwel van het tandvlees zet je het eerst een bus of kop (a) en met vliemen sla je eerst omtrent het hoofd en de schouders en dan was je de mond en het tandvlees met azijn waar aluin in is.

(4) Tegen schurft neem je zwavel, goudschuim of litargirium en aluin, kook het in azijn en olie en daarmee was je de schurft in het bad of in een zweetkuip en daarna was je je geheel in warm water en dan zalf je je wederom.

(3) Een bad van aluinwater is goed tegen waterzucht, tegen schurft en tegen jicht of arthritis/artrose’.

walroτe xlvi Capit

Ambτa grece et latine·Arabice vero Hambar·

(Der meister Serapio in dem bůch aggretoτis in dem capittel hambar·idest Ambτa spτicht·dz dises ambτa wachþ in dem môre geleÿch einem schwammen d auff dem erdtrich wechþt· Er spricht auch·Wenn das meer trŭb wirt von ungewÿtter·so treÿbet das meer stein auþ von dem grund auff·domit treÿbt es stucke auþ von dem ambτa·und würfft dem auff das landt·(Ettlich spτechen auch das ambτa seÿ genant sperma ceti·das ist die natur eines walfÿsches·(Auch spτechen ettlich·das ambτa seÿ ein frucht von einem baume d wåchþt in dem môre·(Ettlich spτechen auch das dises seÿ ein lebern von einem fÿsche in dem môre·(In dem bůch Circa instans in dem capitel Ambτa beschτeiben uns die meister·und spτechen·dz ambτa sol sein weyþ·mag man aber haben der grålat seÿ der ist d beþser·d schwarcz sol gancz nichcz·(Item Ambτa wirt zů zeÿten gefellschet·und nemen etlich lignum aloes gebulfert·und storacen calcamite·und laudanum und thůnd darunder wenig bÿsems und ein wenig ambτams·und resolvieren dises mit rosen wasser·und lassen den dann doτren an der sunnen·Disen solt du also erkennen·Der gefellscht wirdet der låþt sich zertreÿben odeτ malen mit den fingern·aber d recht ambτa nit·(Der meister avicenna in seinem andern bůche in dem capitel Ambτa spτicht·dz ambτa seÿ heÿþ an dem andern grad·und trucken an dem ersten. (Er spτicht auch·das Ambτa gůt seÿ den lamen gelydern·und bekomme den hÿrn wol·und machet ein gůte gedåchtnuþ·unnd raumet die bτust·(Item Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis·spτicht·das ambτa sterck das hercz·(Der meister Almansoτis in dem dτÿtte underscheÿd in dem capitel Ambτa spτichtett·das der seÿ heÿþ von natur·und den genüczet stercket das hÿren und das hercze·(Diascoτides·Nymme ambτam ein quintin·lignum aloes ein lot·osses de coτde cervi zweÿ uncz·das ist vier lot dise sollen alle gemüschet werden und resolviert mit rosenwasser·und darauþ gemachet pillelen die sind fast gůt sincopantibus·das ist·die den schwÿndel haben in dem haubt·und domit grosse onmåchtigkeit·(Item wer die fallenden sucht habe epilentia genant·d neme ambτam·und hyrþhoτn ÿegklichs geleÿch vil·und lege das auff glŭende kolen·und lasse den rauch geen in den halþ·dises hilfft fast wol für diþ yecz genante kranckeit·(Item wenn der frawen jr můter auffstosset·die neme disen ÿesczgenantem rauch unden auff·oben soll sÿ regen asam fetidam also genant·dises stÿllet jr das wee·(Item·Ambτa ist gůt genüczet den alten menschen·die do von natur kalt sind·(·e·ij·) [73] Serapio spτicht·Ambτa stercket das hÿrn und die vernunfft·die do blôd ist von kelte und benymmet die melancoley·

(1) Amber, 46ste kapittel.

Ambra Grieks en Latijn. Arabisch vero Hambar. (Amber)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hambar, id est Ambra, spreekt dat deze amber groeit in de zee gelijk een zwam dat op het aardrijk groeit. Hij spreekt ook: Als de zee troebel wordt van onweer zo drijft de zee steen (1) uit van de grond uit en daarmee drijft het stukken uit van de amber en werpt die op het land. Ettelijke spreken ook dat amber is genaamd sperma ceti, dat is de natuur van een walvis. Ook spreken ettelijke dat amber is een vrucht van een boom die groeit in de zee. Ettelijke spreken ook dat dit is een lever van een vis in de zee. In het boek Circa instans in het kapittel amber beschrijven ons de meesters en spreken dat amber zal zijn wit, mag men echter hebben de korrelachtige die is des te beter en de zwarte doet geheel niets. Item. Amber wordt in tijden vervalst en nemen ettelijke Lignum Aloe gepoederd en Styrax calamite en laudanum en doen daaronder weinig bisam en een weinig amber en lossen dit op met rozenwater en laten het dan drogen aan de zon. Deze zal u alzo herkennen: Die vervalst wordt die laat zich wrijven of malen met de vingers, maar de echte amber niet. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel amber spreekt dat amber is heet aan de andere graad en droog aan de eerste. Hij spreekt ook dat amber goed is de lamme leden en bekomt de hersens goed en maakt een goede gedachtenis en ruimt de borst. Item, Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat amber versterkt dat hart. De meester Almansoris in het derde onderscheidt in het kapittel amber spreekt dat ze heet van natuur is en die genuttigd versterkt de hersens en dat hart. Dioscorides: Neem amber, een 1,67gram, Lignum Aloë, een 16,7 gram, been van het hart van een hert, twee ons, dat is vier lood, deze zullen alle gemengd worden en opgelost met rozenwater en daaruit gemaakt pillen die zijn erg goed sincopium, dat is die de duizeligheid hebben in het hoofd en daarmee grote onmacht. Item wie de vallende ziekte hebben, epilepsie genaamd, die nemen amber en hertshoorn, van elk gelijk veel, en leg dat op gloeiende kolen en laat de rook gaan in de hals, dit helpt erg goed voor die net genoemde ziekten. Item als bij de vrouwen hun baarmoeder uitstoot die nemen deze net genoemde rook van onderop, boven zullen ze gebruiken Ferula asafoetida alzo genaamd, dit stilt bij hun de pijn. Item. Amber is goed genuttigd de oude mensen die van natuur koud zijn. [73] Serapio spreekt: Amber versterkt de hersens en dat verstand die bloot is koudheid en beneemt de melancholie.

Zie kapittel 222.

(1) Barnsteen, 1516, komt voor naast ammer in 1515, midden-Nederlands ammersteen, midden-Hoogduits amber en âmer, midden-Noordduits ammer, Latijn ambra, ambar, uit Arabisch anbar, alambar: grijze amber. Amber is eigenlijk een welriekende harsachtige stof die uit de Oosterse zeeën afkomstig is en vooral als grijze amber (ambre gris) bekend is. Maar in het Westen paste men de naam ook op andere stoffen toe, op het sperma ceti die ook witte amber (ambre blanc) genoemd wordt en op het succinum of het barnsteen dat gele amber (ambre jaune) heet.

Walrore komt wel van de walvis, Walfisc en nu Walfisch.

Alcamia ein baume also genant xlvii ca

Alcamia latine·grece Cypτus·arabice Henne·

(Der meister Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel cypτus·idest Alcamia·spτichet·das dises seÿ ein baumm und wåchset hÿnder dem meere und in cicilia·und dise bleter und blůmen nüczt man in der erczney·(In dem bůch circa instans beschτeyben uns die meister und spτechen das des baumes fast vit steet in cicilia·die selbigen bulferifieren die bleter und blůmen·und schicken das bulfer durch die landt·(Dises bulfer ist schwårczlich von farben·und das mag man vil jar behalten unverseeret an seiner natur. (Der meister paulus Pandecta und Platearius·in dem capitel Alcamia spτechen·das dises sey kalt an dem ersten grad·und trucken an dem anfang des andern grads·Serapio spτichet·das dises bulfer gůt seÿ dem die do haben Alcolam·das sind weÿse blåterlein in dem mund. (Item·Dises bulfer gesoten mit gersten wasser·und gestrychen wo sich einer gebτennet hat·zeü het vil hÿcze auþ·die verhertteten gelÿder oder verlemmten domit bestrÿchen oder gesalbet machet sÿ waych und gelydlich·Unnd dise salben sol auch bereÿtet werden·Nymme baumôle als vÿl du wilt·und müsche darunder des bulfers alcamie·(Platearius spτicht·das alcamia hab alle tugent in jm die dem hat sanguis dτaconis·Unnd wenn man nit gehaben mag Alcamiam·so mage man wol an seiner stat nemen sanguis dτaconis·(Galienus. Alcamia ist gůt genüczet in den erczneÿen die do dienend erisipolis·das ist den die das rot lauffen habend an dem leybe wo das seÿ·Ettlich heÿssen dÿses dz freÿschem·( Dises ist auch sunderlichen gůt alcole·das sind geschweer in dem munde·und wachþen gern in dem mund der jungen kynder·(Wer do will machen ein reÿne hübsche hautt an seinem leÿbe und auch waÿch·d gee in das bade und wåsche die haudt wol mit warmem waþser·Darnach so nÿmme alcamiam des bulfers ein halb lot und eÿþeweÿþ und auch eþsig ÿegklichs geleÿch vil·und temperiere das zůsamen·unnd schmiere dick an dem leÿbe wo du wÿldt und lasse das daran biþ an den andern tag·und an dem andern tag gee aber in das bad·und wåsche das selbig ab und schmiere dich anderweÿd wenn du auþs wilt geen·und lasse das aber al so an dem leybe biþ auff den dτitten tage·an dem selben thů auch also·An dem vierden des geleÿ (74, verder op pagina 80] chen·An dem ersten tag so ist die haudt gar ungeschaffen·an dem andern tag nit als gar·und also darnach ÿe lenger ye hübscher·und beleÿbt auch beståndtlichen. (Wildt du machen rot hare·so nymme alcamiam des bulfers und müsch das mit eþsig und wasser das es law seÿ·unnd schmÿere das har domit·so wirt es rot·(Wilt du aber haben schwarczes har·so müsche das bulfer mit ôle·

Henna, (1) een boom alzo genaamd, 47ste kapittel.

Alcamia Latijn. Grieks Cyprus. Arabisch Henne. (Lawsonia inermis)

De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel cyprus, id est Alcamia, spreekt dat dit is een boom en groeit achter de zee en in Cicilia en deze bladeren en bloemen nuttigt men in de artsenij. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat de boom erg veel staat in Cicilia, diegene verpoederen de bladeren en bloemen en sturen dat poeder door het land. Dit poeder is zwartachtig van kleur en dat mag men veel jaar behouden onveranderd aan zijn natuur. De meesters Paulus, Pandecta en Platearius in het kapittel Alcamia spreken dat dit is koud aan de eerste graad en droog aan de aanvang van de andere graad. (2) Serapio spreekt dat dit poeder goed is diegene die hebben alcolam, dat zijn witte blaartjes in de mond. Item. (3) Dit poeder gekookt met gerstewater en gestreken waar zich iemand gebrand heeft trekt veel hitte uit, de verharde leden of verlamde daarmee bestreken of gezalfd maakt ze week en leedbaar. En deze zalf zal ook bereid worden: Neem olijvenolie zoveel als je wil en meng daaronder het poeder Alcamie. Platearius spreekt dat Alcamia heeft alle deugd in hem die dan heeft drakenbloed. En als men niet hebben mag Alcamia, dan mag men goed in zijn plaats nemen drakenbloed. Galenus: Alcamia is goed genuttigd in de artsenijen die dienen tot erisipolis, dat is dan die de rodeloop hebben aan het lijf waar dat is. (5) Ettelijke noemen deze de freyschem. (2) Dit is ook vooral goed alcole, dat zijn zweren in de mond en groeien graag in de mond van de jonge kinderen. Wie er wil maken een rein en mooie huid aan zijn lijf en ook week die gaat in dat bad en wast de huid goed met warm water. Daarna zo neem alcamia dat poeder een half lood en eiwit en ook azijn, van elk gelijk veel, en temper dat tezamen en smeer dik aan het lijf waar u wil en laat dat daaraan tot aan de volgende dag en de volgende dag ga echter in dat bad en was datzelfde af en smeer je een andere maal als je er uit wil gaan en laat dat echter zo aan het lijf tot op de derde dag en diezelfde dag doe ook alzo. Aan de vierde desgelijks [74, verder op bladzijde 80]. Aan de eerste dag zo is de huid erg ongeschapen, aan de volgende dag niet zo erg en alzo daarna hoe langer hoe beter en blijft ook bestaan. (4) Wil u maken rood haar zo neem alcamia dat poeder en meng dat met azijn en water zodat het lauw is en smeer dat haar daarmee dan wordt het rood. Wil u echter hebben zwart haar, zo meng dat poeder met olie.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is de alcanna of henne van de Arabieren en wordt tegenwoordig ook van de Turken henne genoemd. In het Grieks heet het Cypros en in het Latijn ook Cypros of Cyprus’.

(2) Dodonaeus; ‘De bladeren van alkanna of Cypros hebben een tezamen trekkende kracht, als Dioscorides betuigt.

(3) Water daar deze bladeren in gekookt zijn op de verschouwde of brandende huid gegoten verkoelt de hitte en geneest de verbranding.

(4) Die bladeren gestoten en in het sap van wolkruid of zeepkruid (in het Latijn Herba Lanaria, wat sommige als radijssap vertalen) geweekt maken het haar ros als men het hoofd daarmee wast of strijkt.

operment xlviii ca

Arsenicum grece et latine·Arabice Harnech·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Harnech·spτicht·das do seye zweÿer handt Arsenicum·d ein rot·und der ander cÿtrin farbe·Disen lecztenn bτauchet man in der erczney·und dises ist der beste arsenicum·der so nit vermüschet ist mit erden·(Item d ro arsenicum oder auripigmentum·ist der beste der gancz rot ist geleÿch dem cÿnober·unnd der gerauch geleÿch dem schwebel·

(Item die meister spτechen gemeynigklich·das arsenicum habe vil gifft in jm·und sey schedlich domit umb zůgeen·und arsenicum blåþet auff das antlicz geleych als ob es zerschwollen wåre·des geleÿchen die hennde·(Item·Arsenicum ist heÿþ und trucken an dem vierden grad·

(Der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel arsenicum·spτicht·Das der arsenicum habe mangerley farben·einer ist weyþs·der ander zÿttrin farbe·der dτitt rot·Der beste under den ist·der do hat zytrin farb geleych einem granat apffel·unnd er sich geren låþt bulferifieren·(Diascoτides spτicht·Für das keÿchen·nÿmm arsenicum und lege den auff glŭende kolen·unnd lasse den rauch in dich geen durch einen tråchter·Darnach nymm gůten bewårten triackers·also groþ als ein halbe haselnuþ und zertreybe den in eþsig auff einen trunck·so ist der gerauch nit schedlichen·(Item·Wenn man nüczet arsenicum in den leÿbe·so sol man allwege darnach nüczen triackers oder metrida·(Item. Nymm ein quintin arsenicum und vermüsche den mit einem eÿeþweÿþs·und nücze das·das benymmet den alten bôsen hůstenn·der lange zeÿt geweret hat·(Item auþ ungeleschetem kalck unnd auþ arsenicum·machet man ein (·e·iij·) [81] salben die das har abeczet·also das keins mer an der selben stat gewaschþen mag·und das mach also·Nymme zweÿ lot ungeleschten kalch·und lasse den zergeen in wasser und seüde den·darnach nymm ein halb lot arsenicum·und seüde den mit dem kalch·und wenn du auch wissen wildt ob es genůg gesoten sey·so nÿmm ein federn und stoþs die darein·und bald widerumb darauþ·låþt die federn jr har abgeen·so ist es genůg gesotten·sind sÿ aber noch hertt daran so lasse sÿ baþ sieden·Mitt diser salben magst du dÿe haudt bestreychen an dem leÿbe wo du wilt kein har haben·das eczet dise salben auþ on schaden·und wåchþt an dem selben ende keins mer·Und wenn das hare abkommet an dem andern tage oder an dem dτittenn·so wåsche die haudt doselbst ab mit lauterem wasser·also das die salben rein abkomm anders es fråþ haut und fleysch auff·wenn es die lenge daran belybe·(Item für die bôsen rauden und scharpffen haut.Nÿmme seÿffen zweÿ teÿle und arsenicum das drytteÿl·und müsche das durch einander und mache darauþ ein salben·und domit geschmÿeret die bôsen rauden·oder maledeÿt haudt in einem bade·und lasse die salben ein kleine weÿl daran·und darnach wåsche dich widerumb·also daz die salben reyn ab komme·es hilffett fast wol·wenn es dick geschicht. (Item. Wer einen nagel wil ab eczen von einem finger oder von einer zeehen·der neme ein gummi heÿsset Serapium·und arsenicum ÿegklichs geleÿch vil·und bulferifiere die und müsche die mit nuþs ôle·und lege das auff geleÿch einem pflaster·d nagel feltt ab on schaden·also das darnach bald gewåschen werde die zehen oder der finger mit frÿscher laugen·so der nagel herab kommet· [82]

(1) Arsenicum, 48ste kapittel.

Arsenicum Grieks en Latijn, Arabisch Harnech.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel harnech spreekt dat er zijn twee soorten arsenicum, de ene rood en de andere citroenkleurig. Deze laatste gebruikt men in de artsenij en dit is het beste arsenicum die zo niet vermengd is met aarde. Item, de rode arsenicum of auripigment is de beste die gans rood is gelijk de cinnaber en aan de reuk gelijk de zwavel.

Item, de meesters spreken algemeen dat arsenicum heeft veel (3) vergif in zich en is schadelijk daarmee om te gaan en blaast op dat aangezicht gelijk alsof het gezwollen was en desgelijks de handen. Item arsenicum is heet en droog aan de vierde graad.

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel arsenicum spreekt dat het heeft vele kleuren, een is wit, de andere citroenkleurig en het derde rood. De beste ervan is die er heeft citroenkleur gelijk een granaatappel en die zich graag laat verpoederen. Dioscorides spreekt: Voor dat kuchen, neem arsenicum en leg het op gloeiende kolen en laat de rook in je gaan door een trechter. Daarna neem goede bewaarde triakel alzo groot als een halve hazelnoot en wrijf dat in azijn op een dronk dan is de reuk niet schadelijk, Item Als men nuttigt arsenicum in het lijf dan zal men altijd daarna nuttigen triakel of metridaat. Item. Neem een quintin arsenicum en vermeng dat met eiwit en nuttig dat, dat beneemt dat oude kwade hoesten die er lange tijd geweest is.

Item uit ongebluste kalk en uit arsenicum maakt men een [81] zalf die dat haar afeet alzo dat er geen meer aan dezelfde plaats groeien mag en dat maak je alzo: Neem twee maal 16,7 gram ongebluste kalk en laat dat vergaan in water en kook dat, daarna neem een half van 16,7 gram arsenicum en kook dat met de kalk en als u ook weten wil of het genoeg gekookt is zo neem een veer en stoot die daarin en gauw daarna daaruit en laat de veer het haar afgaan dan is het genoeg gekookt, zijn ze echter noch hard daaraan zo laat het beter koken. Met deze zalf mag u uw huid bestrijken aan het lijf waar u geen haar wil hebben dat eet deze zalf uit zonder schade en groeit aan dezelfde einde geen meer. En wanneer dat haar afkomt aan de volgende dag of aan de derde zo was de huid daar af met zuiver water alzo dat de zalf zuiver afkomt anders vreet het huid en vlees op als het er lang daaraan blijft. Item voor de kwade ruige en scherpe huid: Neem zeep twee deel en arsenicum dat derde deel en meng dat door elkaar en maak daaruit een zalf en daarmee gesmeerd de kwade ruigte of boosaardige huid in een bad en laat de zalf een kleine tijd daaraan en daarna was je weer alzo dat die zalf rein afkomt, het helpt erg goed als het vaak gebeurt. Item. Wie en nagel wil afeten van een vinger of van een tand die neemt een gom heet Serapium en arsenicum, van elk gelijk veel, en verpoeder die en meng die met notenolie en leg dat op gelijk een pleister, de nagel valt af zonder schade alzo dat daarna gauw gewassen wordt de tanden of de vinger met verse loog zo de nagel eraf komt. [82]

(1) Duits Arsenik, van Grieks arsenikos: mannelijk, zo heeft Theophrastus het vanouds bekende arseenmineraal auripigment of geel orpiment genoemd. Het woord ‘operment’ is afgeleid van het Latijnse auripigmentum, ‘gouden kleurstof’.

(2) Al vanouds is het arsenicum bekend, een zwaar vergif dat vele gifmoorden op zijn naam heeft staan. Arsenicum en zijn verbindingen zijn zeer giftig. Het is een rattengif en werkt ook als geneesmiddel.

Herbarijs; ‘Realgar is een soort van aarde, dat zeggen sommigen, en ze liegen want hoe men het maakt zal ik hierna beschrijven. En dit lijkt op orpiment, (arsenicum) en is (3) giftig.

Eszsig clix Capitel

Acetum latine·Gτece Oxi·vel Oxos·Arabice Thall·vel Halrall·

(Der meister Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum·in dem capitel Oxos·idest Acetum spτicht das acetum sej ein vermüschte natur·als warm·kalt·trucken·und feücht·wenn d saft starck ist so [van 83 verder op pagina 74] ist er kalt in dem ersten grad und trucken in dem andern grad.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel thall idest Acetum spτicht·das acetum seÿ subtil in seiner substanczen und an der zůseczung der wÿrme und auch der kelte·aber dorch so übertryfft die keltte die wyrme·

(Diascoτides spτicht·das eþsig kŭle und stopffe·(Item·eþsig mit einem schwammen auff die bôsen blattern gestrÿchen·benymmet die hÿcze darauþ·(Item·acetum ist gůt der můter genant matrix·wenn die für den leÿb geet die domit bestrichen·(Item Acetum ist schedlich dem kalten magen·wann er kŭlet den zeseer also das er darnach nit als wol gedeüwen mag·(Eþsig ist gůt den bôsen geschweren·als do seÿen freÿssam·die guldin adern an dem afftern genanut erisipila emoτrodie foτmice·die domit gestrychen·es hilfft·(Item eþsig gesoten mit hônig·unnd die augen do unden mit geschmieret od herumb·benymmet den eÿttern darauþ·(Item ein schwammen genecztt in eþsig der do voτhÿn geneczet seÿ in rosen ôle und dem auff die stÿrnen geleget·benÿmmet das haubtwee das do kummet von der hÿcze der sunnen·Eþsig distilliert und warem gethon in die oτen tôdtet do die wŭrm darjnnen·(Eþsich also warm getruncken benymmet die vergifften feüchtung in dem leÿbe·(Die zeen gewåschen mit eþsig benÿmmet den schmerczen davon·Wem squinautia oder uvula gefårde wåre·dz ist ein geschweer in dem halþe·od das blat das einem scheüþt für die keelen·der gargarifiere·das heÿsset gegoτgelt mit eþsig·er genýþet davon·(Item·Eþsig warm getruncken benÿmmet do das keychen·(Der meister Paulus in dem capitel Acetum spτicht·das eþsig gemenget mit salcze gůt sey ferneticis·das ist·die tobende sucht in dem haubte·die hennde jnnwendig domit geschmieret·unnd unden die solen an den fŭssen·es hilfft·(Die meister spτechen·Wenn der eþsig findet einen vollen magen so laxieret er·findet er aber einenn låren magen so stopffet er·

(Nÿmme ein gerôþtetes bτot·und stosse das in einen eþsig und schmÿere dem sichen domitt den mundt·leffczen·naþlôcher·und die schlagenden adern·das sind die pulþ·das stercket den siechen fast wol·und bτinget jm grosse krafft·(Wer flüþsig wåre in dem leýbe·oder sich seer oben auþ bτåche·der neme eþsig und siede darjnnen holwurcz oder garioffel·und necze mit dem eþsig einen schwammen·und ist es sach das du jn wilt bτauchen zů dem bτechen·so lege den schwammen also feücht auff den magen·bist du aber flüþsig·so lege jn auf dem bauch under dem nabel·od hynden auff die lenden·(Item Platearius spτicht·das der getranck genant ein sÿropel von eþsig der seÿe fast gůt genüczet den die do (·e·iiij·) [75] haben tercianam und auch zů allen andern febτes·der des moτgens genüczet warm·Und diser sÿropel sol also gemachet werden·nymme zucker als vil du wilt·unde resolvier den in wasser und auch in eþsig·und seüde den also lang biþ er sich henket an die finger so ist es genůg·(Item·Ein getranck gemachet von eþsig und auch von hônig genant Oximel ist fast gůt der heÿssen materien und menschen die do von natur heÿþ sind·und das wirt gemachet in zwen wege·das ein mit hônig·und das wirt genennett Oximel simplex·Und das mache also·Nymme eþsig dz zweÿet teÿl und hônig das dτÿtt teÿle·unnd seüde das zůsamen das er werde also dÿck als hônig·diþ heisset Oximel simplex·Das ander das ist geheýssen Oximel compositum·das selbig mache also·Nymme eppich wurczeln·pettersilgen wurczeln·und fenchel wurczeln·unnd zerknüsche dÿe und lege die do in eþsig einen tage und ein nacht·unnd andem andern tag so seüd die stuck·darnach·so seyhe die durch ein thůch·unnd in den gesÿgnen eþsig so thů hônig das dτÿtteyl·und seüde dem denn den als oben geschτÿben steet·

(81 en verder op 74)

(1) Azijn, 49ste kapittel.

Acetum Latijn, Grieks Oxi vel Oxos, Arabisch Thall vel Halrall.

De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Oxos, id est Acetum, spreekt dat acetum is van een vermengde natuur als warm, koud, droog en vochtig want het sap sterk is dan [van 83 verder op pagina 74] is het koud in de eerste graad en droog in de andere graad.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel thall, id est Acetum, spreekt dat acetum subtiel is in zijn substantie en aan de toevoeging van de warmte en ook de koudheid, maar toch zo overtreft de koude de warmte.

Dioscorides spreekt dat azijn verkoelt en stopt. Item, azijn met een zwam op de kwade blaren gestreken beneemt de hitte daaruit. Item, acetum is goed de baarmoeder genaamd matrix als die voor het lijf gaat, die daarmee bestreken. Item. Acetum is schadelijk de koude maag want het verkoelt die te zeer alzo dat het daarna niet als goed verteren mag. Azijn is goed de kwade zweren, zoals dan zijn freyssam, en de gouden aderen aan het achterste genaamd erisipila emorrodie formice, die daarmee gestreken, het helpt. Item azijn gekookt met honing en die ogen daaronder mee gesmeerd of erom beneemt de etter daaruit. Item een zwam genat in azijn die dan voorheen genat is in rozenolie en dan op het voorhoofd gelegd beneemt de hoofdpijn dat je komt van de hitte van de zon. Azijn gedistilleerd en warm gedaan in de oren doodt de wormen daarin. Azijn alzo warm gedronken beneemt de vergiftige vochtigheid in het lijf. De tanden gewassen met azijn beneemt de pijnen daarvan. Wie squinancie of uvula gevaarlijk is, dat is een zweer in de hals of dat blad dat iemand schiet voor de keel, die gargariseert, dat heet gorgelen, met azijn, hij geneest daarvan. Item. Azijn warm gedronken beneemt je dat kuchen. De meester Paulus in het kapittel Acetum spreekt dat azijn gemengd met zout goed is phrenitis, dat is de verdovende ziekte in het hoofd, de handen inwendig daarmee gesmeerd en aan de zolen van de voeten, het helpt. (2) De meesters spreken: Als de azijn vindt een volle maag dan laxeert het, vindt het echter een lege maag dan stopt het.

Neem een geroosterd brood en stoot dat in een azijn en smeer dan de zieke daarmee de mond, lippen, neusgaten en de slagaders, dat zijn de polsen, dat versterkt de zieken erg goed en brengt hun grote kracht. (3) Wie vloeiend was in het lijf of zich zeer boven uitbraakt die neemt azijn en kook daarin Aristolochia of Geum en nat met de azijn een zwam en is het zaak dat u het wil gebruiken tot het braken zo leg de zwam alzo vochtig op de maag, bent u echter vloeiend zo leg het op de buik onder de navel of achter op de lenden. Item. Platearius spreekt dat de drank genaamd een siroop van azijn die is erg goed genuttigd die [75] hebben de derdedaagse koorts en ook tot alle andere koortsen, ‘s morgens genuttigd warm. En deze siroop zal alzo gemaakt worden: Neem suiker zoveel als u wil en los het op in water en ook in azijn en kook dat alzo lang tot het zich hangt aan de vingers, dan is het genoeg. Item. Een drank gemaakt van azijn en ook van honing genaamd oximel is erg goed de hete materiën en mensen die van natuur heet zijn en dat wordt gemaakt in twee manieren, de ene met honing en dat wordt genoemd oximel simplex. En dat maak je alzo: Neem azijn het tweede deel en honing dat derde deel en kook dat tezamen zodat het wordt alzo dik als honing, dit heet oximel simplex. Dat andere dat is geheten oximel compositum en datzelfde maak je alzo: Neem selderijwortels, peterseliewortels en venkelwortels en kneus die en leg die dan in azijn een dag en een nacht en aan de volgende dag zo kook het stuk, daarna zo zeef die door een doek en in de gezeefde azijn zo doe honing dat derde deel en kook het dan zoals boven geschreven staat.

(1) Eek was de oude naam voor de schors van de eik die looizuur bevat en heeft nu de betekenis van azijn, edik, van Latijn acetum.

(2) Als azijn de maag vol vindt dan laxeert het die, vindt hij die leeg dan herstelt of bedwingt hij het. Azijn is goed tegen (a) phrenitis, (dat is een soort van hete blaar voor in de hersens) die je voelt als je krabt omtrent de palm van de hand of in de holte van de voeten waarin je zout en azijn tezamen in doet volgens Platearius en Serapio etc.’




wasser l Capitel

Aqua latine·grece Ydτos·Arabice Squingihil·

(Der meister ÿpocras in seinem bůch genant de aere·et aqua·spricht·das ein mensche sol auffmerckung haben auff die wasser die er nüczet in der kost und auch in dem getranck·also daz es gůt seÿ an dem gerauch·und leÿchte an dem gewÿcht·und auch klar an der farbe·Wann wer do trŭbe und schwåre wasser trincket die zerschwellen gern an allem jrem leybe·von oben dem antlicze an biþ unnden zů den fŭssen auþ·Unnd machet sunderlichen ein bôses milcz·unnd auch bôse feüchtunge in dem leÿbe·Unnd darumb das man wasser nüczen mŭþ in manger erczneÿe·so soll man hie auffmerckungen haben wôlches wasser do gůt oder bôs seÿ·(Die meister spτechen das es gar bôþ seÿ·unnd dem leÿbe schedlichen wasser getruncken·unnd sunderlichen denen die do [76 gaat verder op pagina 78] sind von kalten naturen·wann das wasser den selbigenn groþse zůfållige kranckheÿt bτinget·und groþs flüsse des leÿbes·als febτes und anderer kranckheÿten vil die sich ziehen zů feüchtung·(Item·die frawen die mit kinden geen und vil wassers trÿncken·die gebeeren schwårlichen jr frucht und mit grosser arbeÿt. (Die frauwen die do vil wassers getruncken haben·die machet es unfertig und flüssig an jrer zeÿt·dardurch jn entsteend groþs onmåchtigkeit·unnd schwÿndel·und so sÿ domit jr hýren zů vÿl keltten·(Darumb so spτicht der meister ÿsaac·das es unmüglichen seÿ·den menschen die sich do in jrer jugent also halten mit überflüþsigem waþser trincken·das sÿ mügen erτeÿchen jr natürlich altter·das jne gegeben ist von got·(Item ÿppocras in dem obgenanten bůche spτicht·das regenwasser balde faul werde·unnd gewynnet balde einen bôsen gerauch·umb des willen·das es von anderen faulen wassern gesamlet wirdet in dem lufft·(Item·das waþser das do fleüsset von dem schnee oder eÿþe·ist alles nit gůtt·wann so ein wasser ein mal gefreüret zů eÿþe·oder das es wirdet zů schnee·so mag es nit mer kommen in sein erste naturen·wann was do klar unnd reÿn·und durchsichtig ist·als bald dÿ keltte das zů eÿþe machet·so ist es darnach nit mer als klar als voτ·Avicenna in dem vierden bůch genant de cura febτium in gemeÿn spτicht·dz man wol müg geben dem d daz kaltt hat kaltes wasser zůtrincken wider dz fieber·das do kommet von der gallen wann es hilfft den selbigen die gallen verdeüwen·und dises dz solt du mercken·also das einem solchen wasser gegeben werde zů rechter zeit·als dann ist wenn jn die febτes verlassen·also das er weder keltte noch hÿcze in jme empfindet·daz ist so er rŭet·abeτ so jn die kelte od hÿcze rŭret·sol man kein wasser noch wein nüczen·wann das febυes dardurch gelengert wirt·(Avicenna in disem selbigen bůch spτicht auch dz warmes wasser fast ee gefrire denn kaltes wasser·(Avicenna in dem eegenantten bůch spτicht·dz kaltes wasser verdeüwe ein feüchtung von gallen genant humoτ colere. (Avicenna doselben spτicht auch·das wasser den menschen nit speÿse·(Item Avicenna in dem ersten bůch doctrina secunda fen secuuda·summa pτima·capitulo tercio spτichet·dz man kein kaltt wasser sol geben dem siechen menschen·wann die feüchtung in jm růwe und grob seÿ·und dz ist unverdeüet·(Item doselben in dem sechczehenden capitel spτicht·das die speÿsung des menschen nicht müg volbτacht werden·on dz wasser·(Item doselbst spτichet er·das spτingende wasser die nit verdeckt sind seÿen die besten·(Item·in dem selben bůch do spτichet auch Avicenna das so das wasser ferτer ist von [79] seinem anfang so es besser ist.

(Avicenna aber indem ersten bůche spτicht. Wôlche wasser in dem summer kalt sind und in dem wynter warm·das sind die beþten·

(Item gesoten wasser machet mynder auffblasen dem daz ungesoten·und auch sich schneller sencket in den leÿbe. (Item Avicenna in dem ersten bůch fenn pτima doctrina tercia capitulo quarto spτichet·das man wol müge wasser tryncken so die materien in dem leÿb verdeüwet seÿ·(Item Avicenna in dem selben bůch fen secunda doctrina secunda·capitulo·xvj·spτicht·dz heysses wasser gůt seý genüczet in colica passione·daz ist in dem darmgesüchte·und auch so sich das milcz erhebt und geschwyllet·(Item·heysses wasser zerstôτet die deüwing und benymmet nit bald den durst·(Item. Avicenna doselben spτicht·das wasser das do stÿlle steet wie das genüczet wirt das ist dem magen schad·(Item. Avicenna doselbst spτicht auch·dz půll wasser machet geschweren auff den milcz·und bτinge auch die wassersucht·(Item·doselben spτicht er auch·das under allen wassern seÿ pullwasser dz bôþt·(Item·Avicenna spτicht do selben·das regenwasser·und sunderlichen das man in dem summer samlet so es donnert und ungewÿtter seÿ·werde gezelet under den beþten wassern·unnd domit man erczneÿ bτauchen mag·

(Item·regen wasser das do gesamlet wirt zů andern zeÿten und nit in dem summer·hyndert die stÿmme·und verstopffet do die bτust·(Der meister Galienus in dem sechþten bůch genant Terapentice·in dem andern capitel spτicht·das lawes wasser bτing dem menschen unlust und auch widerstandt·(Item Galienus in dem sibenden bůch Therapentice·in dem zweÿenden capitel spτichet·das kaltte wasser getruncken schaden allen jnnerlichen gebτesten·Darumb so sol sich ein ÿegklicher krancker mensche voτ kalttem wasser hŭtten·(Galienus in seinem ersten bůche genant de moτte·in dem ersten capitel spτicht·das vil mennschen die do gebadet haben in kaltem wasser daz die gestoτben seýen ee sÿ in jre heüser kamen·

(Diascoτides spτicht·das gesoten wasser mit gersten den menschen nücz seÿ·und zů zeyten ein gůte erczneÿ ist·und darumb ist in aller kranckheÿt gesoten wasser not die do von hÿcze kumbt darumb ist gesoten wasser wid das fieber gůt zetrincken genant tercian·Und spτicht auch·daz under allen wassern regen wasser das aller beþte seÿ·wann es von seiner natur leÿchtigklichen wirt verdeüwet·und wirt bald warm und auch bald kalt von natur·(Item·Under den spτingenden wassern so seÿnd die die beþten die do spτingen gegen der sunnen auffgang·unnd auch gegen dem mittemtag·und die anderen wasser unnd bτunnen dÿe [80, gaat verder op pagina 76] do entspτingen gegen der sunnen nydergange die seind bôþ und bτingen auch vil zŭfålliger kranckeÿt·(Item·Diascoτides in dem capitel Aqua·spτichet·das alle wasser von natur kalt und feücht seyen.

(1) Water, 50ste kapittel.

Aqua Latijn. Grieks Hydros. Arabisch Squingihil.

De meester Hippocrates in zijn boek genaamd de aere et aqua spreekt dat een mens zal opmerking hebben op het water dat hij nuttigt in de kost en ook in de drank alzo dat het goed is aan de reuk en licht aan het gewicht en ook helder aan de kleur. (3) Want wie er troebel en zwaar water drinkt die zwellen graag op aan hun lijf van boven het aangezicht aan tot de voeten toe. En maakt vooral een kwade milt en ook kwade vochtigheid in het lijf. En daarom dat men water nuttigen moet in vele artsenijen zo zal men die opmerking hebben welk water er goed of kwaad is. De meesters spreken dan het erg kwaad is en het lijf schadelijk water gedronken en vooral die [76 gaat verder op pagina 78] zijn van koude natuur want dat water daarvan grote toevallige ziekten brengt en grote vloed aan het lijf zoals koorts en veel andere ziektes die zich trekken tot vochtigheid. Item, de vrouwen die met kind gaan en veel water drinken die baren zwaar hun vrucht en met grote arbeid. Die vrouwen die er veel water gedronken hebben die maakt het onklaar en vloeiend aan hun tijd en daardoor ontstaan hen grote onmachtigheid en duizeligheid zo ze daarmee hun hersens te veel koud maken. Daarom zo spreekt de meester Isaac dat het onmogelijk is de mensen die zich zo in hun jeugd alzo houden met overvloedig water drinken dat ze mogen bereiken hun natuurlijke ouderdom dat hen gegeven is van God. (4) Item Hippocrates in het boven genoemde boek spreekt dat regenwater gauw vuil wordt en krijgt gauw een kwade reuk vanwege dat het van andere vuile waters verzameld wordt in de lucht. (5) Item, dat water dat zo vloeit van de sneeuw of ijs is alles niet goed want zo een water eenmaal bevroren is tot ijs of dat wordt tot sneeuw zo mag het niet meer komen in zijn eerste natuur toen het was zo helder en rein en doorzichtig zo gauw de koude dat tot ijs maakt dan is het daarna niet meer zo helder als daarvoor. Avicenna in het vierde boek genaamd de cura febrium in het algemeen spreekt dat men goed mag geven die de koude heeft koud water te drinken tegen de koorts dat hen komt van de gal want het helpt dezelfde de gal verduwen en dit zal je merken alzo dat zo een zulk water gegeven wordt in de rechte tijd zoals dan is wanneer hem de koortsen verlaten alzo dat hij noch koude noch hitte in hem vindt, dat is zo hij rust, maar zo hem die koudheid of hitte roert zal man geen water noch wijn nuttigen want de koorts daardoor verlengd wordt. Avicenna in hetzelfde boek spreekt ook dat warm water erg eerder bevriest dan koud water. Avicenna in het eerder genaamde boek spreekt dat koud water verduwt een vochtigheid van gal genaamd humor colere. Avicenna dezelfde spreekt ook dat water de mensen niet spijst. Item Avicenna in het eerste boek doctrina secunda fen secunda summa prima capitulo tercio spreekt dat men geen koud water zal geven de zieke mensen want de vochtigheid in hem roert en groot is en dat is onverteerbaar. Item, dezelfde in het zestiende kapittel spreekt dat de spijzing van de mensen niet mag volbracht worden zonder dat water. Item, dezelfde spreekt dat springend water die niet bedekt zijn de besten zijn. Item, in hetzelfde boek daar spreekt ook Avicenna dat zo dat water verder is van [79] zijn aanvang zo het beter is.

Avicenna echter in het eerste boek spreekt: (5) Welke waters in de zomer koud zijn en in de winter warm, dat zijn de besten.

(6) Item gekookt water maakt minder opblazen dan dat ongekookt is en ook zich sneller bezinkt in het lijf. Item Avicenna in het eerste boek fenn prima doctrina tercia capitulo quarto spreekt dat men wel mag water drinken zo de materiën in het lijf verteerd zijn. Item Avicenna in hetzelfde boek fen secunda doctrina secunda capitulo 16 spreekt dat heet water goed is genuttigd in colica passione, dat is in de darmziekte, en ook zo zich de milt verheft en zwelt. Item, heet water verstoort de vertering en beneemt niet gauw de dorst. Item. Avicenna, dezelfde, spreekt dat water dat er stil staat en van wie dat genuttigd wordt dat is de maag schadelijk. Item. Avicenna dezelfde spreekt ook dat poelwater maakt zweren op de milt en brengt ook de waterziekte. Item, ·dezelfde spreekt ook dat van alle waters het poelwater het kwaadst is. Item. (6) Avicenna spreekt, dezelfde, dat regenwater en vooral dat men in de zomer verzamelt zo het dondert en onweer is wordt geteld onder de beste waters en dat men in de artsenij gebruiken mag.

Item, regenwater dat zo verzameld wordt in andere tijden en niet in de zomer hindert de stem en verstopt je de borst. De meester Galenus in het zesde boek genaamd terapentice in het andere kapittel spreekt dat lauw water brengt de mensen onlust en ook tegenstand. Item Galenus in het zevende boek therapentice in het tweede kapittel spreekt das koud water gedronken schaadt alle innerlijke gebreken. Daarom zo zal zich elke zieke mens zich voor koud water hoeden. Galenus in zijn eerste boek genaamd de morte in het eerste kapittel spreekt dat veel mensen die er gebaad hebben in koud water dat die gestorven zijn eer ze in hun huizen kwamen.

Dioscorides spreekt dat gekookt water met gerst de mensen nuttig is en zijn in tijden een goede artsenij en daarom is in alle ziekte gekookt water nodig die je van hitte komt en daarom is gekookt water tegen de koorts goed te drinken genaamd derdedaagse malariakoorts. En spreekt ook dat van alle waters regenwater dat allerbeste is want het van zijn natuur lichtelijk wordt verduwd en wordt gauw warm en ook gauw koud van natuur. Item. (2 Onder de springende waters zo zijn die de besten die er ontspringen tegen de zonsopgang en ook tegen de middendag en de andere waters en bronnen die [80, gaat verder op pagina 76] er zo ontspringen tegen de zonsondergang die zijn kwaad en brengen ook veel toevallige ziektes. Item. Dioscorides in het kapittel Aqua spreekt dat alle waters van natuur koud en vochtig zijn.

(1) H2O, Grieks, hydoor; water: oud-Saksisch, watar. Taaldeskundigen geloven dat er twee wortels zijn van water: *ap- en *wed-. De eerste (bewaart in Sanskriet apah) was "bezielen," verwijst naar het water als een levende kracht; de laatste verwijst naar zijn onbezielde kracht. Aqua, de woorden aa en ee voor een water zijn er vormen van. Aqua is verbonden met vroeg Germaans *akhwo, de bron van oud Engels ea; "river," Gotisch ahua; "river, water," Oud Noors. Ægir, naam van de zeegod, Oud Engels "island; eiland".

 (2) Hippocrates in zijn boek van de lucht, wateren en plaatsen prijst voor het beste dat ontspruit en loopt tegen het opkomen van de zon en vooral in de zomerse dagen en dat ook uit zuivere aarde voortkomt en door geen slijkerige grond loopt, maar dat over zand en stenen vloeit en geen modder mee sleept: (5) dat de winters lauw en zomers koel is waarvan de oorzaak de diepte en dientengevolge de zuiverheid aan de aderen toegeschreven wordt.

(3) Stil staand water en dat uit moerassen gehaald wordt zijn van de allerslechtste.

(5) Sneeuwwater en dat van gesmolten ijs komt wordt mede voor zeer ongezond gehouden.

Plinius zegt op de meer vermelde plaats dat de verbetering voor slecht water is als het tot op de (6) helft gekookt wordt.

Regenwater wordt door Palladius, Averroë etc. boven alle ander water geprezen en vooral zegt Avicenna die zomers met de (6) donder neervalt omdat dit het dunste en lichtste is zoals tevoren ook Hippocrates geleerd heeft in 6 Epid. En het is waar, indien men maar op de dunheid en lichtheid zou willen letten, dat men hetzelfde voor het andere water moet stellen. (4) Maar omdat uit de aarde door de hitte verschillende dampen opgetrokken worden die met regen stof bijbrengen zo schijnt het wel alsof het regenwater niet zo heel zuiver is.

Dannen schwamme.

Das li Capitel

Agaricus grece et latine·Arabice Garicus·

(In dem bůch Circa instans in dem capitel Agaricus·beschτeyben uns die meister und spτechen·das diser schwamme wachþe beÿ den wurczeln der tannen·under findet man vil in lombardeÿ. (Agaricus ist heÿþ in dem andern grad unnd trucken an dem dτitten. (Platearius Johannes mesue spτicht·das es seÿ heyþs in dem ersten grad·und trucken in dem andern grade·(Diser schwammen ist zweÿer handt·der ein månlich·der ander freülichen·Der freülich ist der beste·unnd ist weisser denn der erst mit kleinen lôchlein·und låþt sich gern bτecken·Und hie ist zů mercken das die gůtheyt nit gar an dem bτechen ligt·und darumb merck ob diser vil staubes und melbes von jm gibt·so ist er nit als gůt. Der månlich låþt sich nit gern bτechen·wann er ist zů zåhe·

Den beþten mag man behaltten fünff jare unverseeret an seinen krafft·(Agaricus reÿniget flegma·darnach die melancoleÿ·(Johannes mesue in den capitel Agaricus·spτichet·das di… sey gar nücz in der erczneÿ…. Der beste ist der freülich·(Agaricus ist fast gůt wid die f…. quotidianas·Nymme des so… fumi terτe zwey lot·und mischet darunder agaricum ein lot. gibe dises dem siechen·es hilft on zweÿfel·und dises hat mangen mennschen geholffen das er des kalten gelediget ist·(Für das grymmen in dem leybe·Nymm agaricum zweÿ lot·und müsch das mit wasser darein pappeln feyolein kraut tag unnd nacht daz ist paritaria genant bürczel [77] poτtulaca genant gesoten seÿ und menge dises mit baumôle·und geüþ das unden in den leÿbe mitt einem cristier·es hilfft·(Wôlcher grosses haubtwee hete·der neme byber geyl·squinantum sene und agaricum·ÿegklichs ein halb lot·und siede dises mit gůtem wein·und trincke den des abends und des moτgens mit rate eines arcztes weinig oder výl nach dem dir not seÿ·Oder mit disen obgenanten stucken so mache pillelen·gemüschet mit rautten safft und fenchel safft·unnd nücze die pillelen als do für das haubtwee voτgeschτiben. (Item. Wer nit wol hårmen mag d neme steinbτech·und siede den mit wein·unnd seÿhe es durch ein thůch·und müsche darzů ein halbes lot agaricum·und gibe das dem krancken menschen·(Wid die fisteln·nymm salcz gebτennet in einem tigel·und weinstein und agaricum zůsamen gebulfert mit …honig vermenget·und mit wiechen in die fistel geton·ist sÿ heilen. (Item·Wider die feüchtblattern·Nymme agaricum gebulfert·und müsche es mit erd. sel safft und mit ôle·und lege …warm darauff·

Dennenzwam.

Dat 51tse kapittel.

Agaricus Grieks en Latijn (1). Arabisch Garicus. (Tricholoma psammopus)

In het boek Circa instans in het kapittel Agaricus beschrijven ons de meesters en spreken dat deze zwammen groeien bij de wortels van de dennen en vindt men veel in Lombardije. Agaricus is heet in de andere graad en droog aan de derde. Platearius en Johannes Mesue spreken dat het heet is in de eerste graad en droog in de andere graad. (2) Deze zwam is tweevormig, de ene mannelijk en de andere vrouwelijk. De vrouwelijke is de beste en is witter dan de eerste met kleine gaatjes en laat zich graag breken. En hier is te merken dat de goedheid niet erg aan het breken ligt en daarom merk of deze veel stuift en meel van hem geeft, dan is het niet alzo goed. De mannelijk laat zich niet graag breken want die is te taai.

De beste mag men behouden vijf jaar onveranderd aan zijn kracht. (3) Agaricus reinigt flegma, daarna de melancholie. Johannes Mesue in het kapittel Agaricus spreekt dat dit… is erg nuttig in de artsenij…. De beste is de vrouwelijke. Agaricus is erg goed tegen de vijfdaagse malariakoorts. Neem dit zo… aardrook twee maal 16,7gram en meng daaronder Agaricum een 16,7gram. Geef dit de zieken, het help zonder twijfel en dit heeft vele mensen geholpen zodat hij van de koude bevrijd is. Voor dat grommen in het lijf: Neem Agaricum twee maal 16,7 gram en meng dat met water daarin heemst, violenkruid, glaskruid, dat is Parietaria genaamd, postelein, [77] Portulaca genaamd, gekookt zijn en meng deze met olijvenolie en giet dat onder in het lijf met een klysma, het helpt. Wie grote hoofdpijn heeft die neemt bevergeil, kamelenhooi, senna en Agaricum, van elk een half van 16,7gram en kook dit met goede wijn en drink het dan ‘s avonds en ‘s morgens met raad van een arts, weinig of veel naar dat het je nodig is. Of met deze boven genaamde stukken zo maak pillen gemengd met ruitsap en venkelsap en nuttig de pillen zoals je voor de hoofdpijn voorgeschreven is. Item. (4) Wie niet goed plassen mag die neemt steenbreek en kook dat met wijn en zeef het door een doek en meng daartoe een half lood Agaricum en geef dat de zieke mensen. (5) Tegen de etterwonden; neem zout gebrand in een tegel en wijnsteen en Agaricum tezamen gepoederd met …honing vermengt en met doeken in die etterwonden gedaan is ze helen…Item.Tegen die aambeien: Neem Agaricum gepoederd en meng het met aardselderij sap en met olie en leg het er warm daarop.

Plaatje lijkt helemaal niet op een zwam of paddenstoel, meer een paardenstaart.  De beschrijving is echter van een zwam. Zie kapittel 221.

(1) Dodonaeus: Agaricum of Agaricus heeft anders geen naam in het Latijn bij de apothekers, in het Italiaans, Spaans en in andere talen dan diegene die van de Griekse naam Agaricon verdraaid of bedorven zijn.

(2) Deze Agaricus wordt eigenlijk Fungus larignus genoemd omdat het aan de lorkenboom groeit.

(3) Agaricus laxeert voornamelijk slijm en daarna de zwarte gal, is goed tegen de dagelijkse kwekende of slechte meesters die uit slijmachtige materie komen.

(4) Tegen dysurie (dat is een pijn omtrent de blaas waardoor je dikwijls moet plassen, nochtans met pijn) neem je steenbreek en kook het in wijn waarin je het oplost en het mengt met een half onsje Agaricus en daarvan geef je te drinken.

(5) Tegen fistelen (dat zijn lopende gaten) neem je Agaricus, breek het in tweeën met wijnsteen, dan neem je zout dat op een warme of hete tegel gebrand is en dit meng je tezamen met honing, dan doe je het in een doek en doe je het zo in het lopende gat’.


Schaffmule lii Cap.

Agnus castus·vel Salix marina·vel Arbor abτahe latine·grece Aligos·vel Lÿgos·Arabice Amarickest·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel amarickest idest Agnus castus·spτicht·das dises sey ein baum abτahe·Dyser baum wechþet gern bey dem wasser·und hat lang stengel die sind gar hertt·und låþt sich ungeren bτechen·(Diser baumm bτinget samen der geleÿchet den pfeffer kôτnern·(Galienus spricht·das der samen·die bletter·und die blůmen dises baumes·werden genüczet in der erczneÿ· [78, gaat verder op pagina 82]

(In dem bůch circa instans beschτeibeu uns die meister und sprechen·das die bleter dises baumes genüczet werden und nit die wurczel·Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel agnus castus spτicht·das der seÿ heÿþ an dem ersten grad und trucken an dem andern·(Galienus in dem sechþten bůch Simplicium farmacarum in dem capitel Agnus castus spτicht·das der same und die blůmen dises baumes genüczet werden in d erczneÿ·(Diser baumm ist allzeit grůn·und ist grŭne nüczer dan gedôτret·(Dyse blůmen und bleter sollen gesamlet werden in dem meÿen und in dem herbst·die weren ein jar unverseert an jrer krafft·(Und dises wirt darum geheyssen keüschlamb·wann d same·bleter und blůmen benemen die bôsen unkeüschen gelüste·und machen den menschen keüsch geleÿch dem lamm. (Serapio·Ettliche geÿstlich leüt streüwen dise bletter od blůmen under jre pettstaten·den so haben sÿ in dem schlaff desterbaþ růwe·von bôsen unkeüschen treümen·(Item·Wôlcher dises kraut beÿ jm hat·oder den samen nüczet mit wein·der begerett kein unkeüscheÿt zů volbτingen·Und ein ÿegklicher der dise bleter of blůmen in seinem bette hat·d ist des sicher dz jm kein bôser will oder begierde der unkeüsche zůfellet·(Diser same und blůmen gesoten mit wasser·und die gemåcht domit gewåschen·benymmet das ragen des gemåchttes·(Wider die kranckheÿt genannt gomoτrea·das ist·so do die natur sperma genant von dem menschen geet über seinen willen·deτ siede dise blůmen und bleter in eþsig·und müsche darunder castoτium·das ist bÿbergeýle·und nücze das des abents dτeÿ lõffels vol·und wåsche sich domitt beÿ dem gemåcht und unden die secke·es hilfft on zweÿffel·(Wider das geschweere litargia genant·und das ist ein geschweer an dem hÿndern der hÿrns·Der neme disen samen und eppich samen·und die selben bletter und siede dises mit wasser das gesalczen seÿ·und streÿch sich hÿnden an dem haubt domit·es benÿmmet das geschweer zůhandt.

(Diascoτides. Wôlcher von disem samen trincket oder des yþset·d beleÿbt den selben tag keüsch·(Diser samen genüczet benymmet die wassersucht·(Disen samen kraut und blůmen mügen nüczen man und frawen die unkeüschen begierde domitt zůstÿllen·(Von agno casto lÿse das bůche Pandecta des siben und dτeyssigist capitel·das sich anhebt amarickest·darjnn findest du die warheÿt·und auch domit vil tugent von disem baume·[83]

Kuisheidsboom, 52ste kapittel.

Agnus (1) castus vel Salix marina vel Arbor abrahe Latijn. Grieks Aligos vel Lÿgos. Arabisch Amarickest. (Vitex agnus-castus)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Amarickest, id est Agnus castus, spreekt dat dit is een boom Abraham. Deze boom groeit graag bij het water en heeft lange stengels die zijn erg hard en laat zich niet graag breken. Dezer boom brengt zaden die lijken op de peperkorrels. Galenus spreekt dat de zaden, de bladeren en de bloemen van deze boom worden genuttigd in de artsenij. [78, gaat verder op pagina 82] In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat de bladeren van deze boom genuttigd worden en niet de wortel. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Agnus castus spreekt dat het is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. Galenus in het zesde boek simplicium farmacarum in het kapittel Agnus castus spreekt dat het zaad en de bloemen van deze boom genuttigd worden in de artsenij. Deze boom is altijd groen en is groen nuttiger dan gedroogd. Deze bloemen en bladeren zullen verzameld worden in de mei en in de herfst en die blijven een jaar onveranderd aan hun kracht. (2) En deze wordt daarom genoemd kuislam want het zaad, bladeren en bloemen benemen de kwade en onkuise lusten en maken de mensen kuis gelijk het lam. Serapio: Ettelijke geestelijke mensen strooien deze bladeren of bloemen aan hun legerplaatsen dan zo hebben ze in de slaap des te beter rust van kwade onkuise dromen. Item. Wie dit kruid bij hem heeft of de zaden nuttigt met wijn die begeert geen onkuisheid te volbrengen. En iedereen die deze bladeren of bloemen in zijn bed heeft die is dus zeker dat hem geen kwade wil of begeerte van de onkuisheid toevalt. Deze zaden en bloemen gekookt met water en dat geslacht daarmee gewassen beneemt dat ragen van het geslacht. Tegen de ziekte genaamd gonorroe, dat is de natuur sperma genaamd, van de mensen gaat tegen zijn wil, die kookt deze bloemen en bladeren in azijn en meng daaronder castoreum, dat is bevergeil, en nuttig dat ’s avonds drie lepels vol en was zich daarmee bij het geslacht en onder de zak, het helpt zonder twijfel. (3) Tegen de zweer lethargie genaamd en dat is een zweer aan het achterste van de hersens die neemt deze zaden en selderijzaden en dezelfde bladeren en kook dit met water dat gezouten is en strijk zich achter aan het hoofd daarmee, het beneemt die zweer gelijk.

Dioscorides: Wie van deze zaden drinkt of dat eet die blijft dezelfde dag kuis. Deze zaden genuttigd benemen de waterziekte. Deze zaden, kruid en bloemen mogen nuttigen mannen en vrouwen om de onkuise begeerte daarmee te stillen. Van Agnus castus lees dat boek Pandecta het zeven en dertigste kapittel dat zich aanheft amarickest, daarin vind je de waarheid en ook daarmee veel deugd van deze boom. [83]

(1) Dodonaeus; ‘‘In de apotheken en van de gewone man is dit gewas tegenwoordig hier te lande Agnus castus genoemd, in onze taal cuyslam, maar meest cuyschboom, in het Hoogduits Keuschbaum. In het Latijn Castus of Agnus castus officinarum, in het Grieks heet het Agnos en Lygos, welke namen zoveel betekenen als of men reine boom of kuise boom en naar het Hoogduitse en in onze taal zou zeggen dat zoals Plinius in het 9de kapittel van zijn 24ste boek betuigt omdat de vrouwen van Athene in de feestdagen die ze Thesmophoria noemden hun bedden en bedsteden met deze bladeren bestrooiden om zichzelf en hun mannen in reinheid te behouden’.

Herbarius in Dyetsche; Het heeft de kracht om fijn of zuiver te maken en te veranderen. Het heeft ook de kracht om af te snijden of om de (2) onkuisheid tegen te gaan (dat is minnen zonder dat er zaad gaat) Van deze boom gebruik je in medicijnen de bladeren, bloemen en het zaad.

(2) Tegen het kwijt raken van sperma (natte dromen) is het goed om een pleister te maken van de bloemen of bladeren van deze boom met bevergeil en azijn, leg dit op de mannelijkheid.  (3) Tegen litargiam (dat is een blaar achter in de hersenen): ‘Neem waterwilg, bevergeil, eppe en Salvia, kook het in zout water, daarmee enibroceert of begiet je het hoofd van achteren’, volgens Pandecta en Platearius’.

Bethonien.

Das liii Capitel

(B)Ethonica latine·grece Vectonicon arabice bastarem·vel Castaron·

(In dem bůche Circa instans in dem capitel Bethonica beschτeiben unns die meister und spτechen·das bethonien seÿe heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Der meister Serapio·in dem bůch aggregatoτis in dem capitel bastarem·idest bethonica spτicht·das die bletter grŭn gesamlet sind gůt genüczet in der erczneÿ·des geleÿchen so sÿ gedôτret sind·und wenn man schτeibt in den recepten bethonica so meinet man die bletter davon·(Dises kraut hat einen subtilen stengel·und die lenge des stengels ist eines armes lang·oder ein wenig mer·und d stengel ist vierecket und hat lange waÿche bleter und zÿnnlet geleych dem eychen laube·und hat auch einen gůten gerauch·und die bleter zůnåchst beÿ der erden sind gτôsser denn die ôbern·und an d spÿcz des stengels hat es samen·unnd hat auch ein subtile wurczel·(Der meister Diascoτides spτicht·das die bleter fast gůt sind den zerknüscheten und zerfallen gelÿdern·Die wurczel gesoten in wasser und darauff geleget·(Von dÿsem kraut getruncken·dem mag kein vergifft geschaden·(Wer dem fallenden siechtagen håt·d trÿncke von disem kraut·er genÿset zůhandt·(Wôlcher einen bôsen magen·lebern·und milcz het·die mügen trincken von disem kraut also das darunnder gemüschett werde wenig eþsigs·und hônige· das also getruncken es hilfft. (Also genüczet machet es auch wol deüwen·(Dises krautt geleget in wein über nacht·und den getruncken·ist gůt emoptoicis·das ist den·die do blůt speÿen. (Item·Die do das kaltt haben die sollen do trincken von disem kraut·das gesotten in wein·es hilfft·(Dem wassersüchtigen ein genommen mit hônig wasser·zeühet vil bôser feüchtikeit auþ. Des geleichen dem geelsüchtigen [84]…. foτdert sÿ an jrer zeÿt·(Bethonien gesoten mit wein und dem .geseÿhet·und darunder gemüschet jerapigra galieni auf dτeü quintin·bτinget gůt senfft stůlgång·(Platearius·bethonien…ten mit wein und hônig ist …gůût getruncken ptisicis emo.icis·das ist·die das abnemen …ben·und blůt speyen·(Dem dz haubt zerschlagen oder zerstossen wår·der bulfer dises kraut und streüwe das auff die felle d zeτschlagen haudt·es zeühet die zerbτochen bayn herauþ·und zerteylet daz gelebert blůt. (Wem die augen zerschlagen wåren od zerstossen·der stoþ die bleter von bethonien und lege sÿ über die augen geleich einem pflaster·er genyset zůhandt·(Bethonien safft getemperiert mit rosen ôle und das in die oτen gelassen vertreybt alle schmerczen·(Mit disem ôle bestrÿchen auff de bτuste·benÿmbt das unsanfft åtmen·(Der meister Plinius spτicht·Wer bethonien beý jm trag dem mag kein zaubernuþ geschaden·(Er spτicht auch·das bethonien fast gůt sej genüczet dem der ein bôse farbe hat·und darüber getruncken mit wein·er gewynnet widerumb ein hübsche leÿbliche farbe·(Item·bethonica getruncken mit wein machet wil hårmen·und treybt auþ den stein·

(1) Betonie.

Dat 53ste kapittel

Bethonica Latijn. Grieks Vectonicon. Arabisch bastarem vel Castaron. (Stachys officinalis)

In het boek Circa instans in het kapittel Bethonica beschrijven ons de meesters en spreken dat betonie is heet en droog aan de derde graad. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel bastarem, id est bethonica, spreekt dat de bladeren groen verzameld zijn goed genuttigd in de artsenij, desgelijks zo ze gedroogd zijn en als men schrijft in de recepten Bethonica dan bedoelt men de bladeren daarvan. Dit kruid heeft een subtiele stengel en de lengte van de stengels is een arm lang of en weinig meer en de stengel is vierkantig en heeft lange weke bladeren en getand gelijk het eikenloof en heeft ook een goede reuk en die bladeren het dichtst bij de aarde zijn groter dan de bovenste en aan de spits van de stengels heeft het zaden en heeft ook een subtiele wortel. De meester Dioscorides spreekt dat de bladeren erg goed zijn de gekneusde en gevallen leden, de wortel gekookt in water en daarop gelegd. (2) Van dit kruid gedronken die mag geen vergif beschadigen. Wie de vallende ziekte heeft die drinkt van dit kruid, hij geneest gelijk. (3) Wie een kwade maag, lever en milt heeft die mogen drinken van dit kruid alzo dat daaronder gemengd wordt weinig azijn en honing en dat alzo gedronken, het helpt. Alzo genuttigd maakt het ook goed verteren. Dit kruid gelegd in wijn over nacht en dan gedronken is goed emoptoicis, dat is die er bloedspuwen. Item·. die de koude hebben die zullen drinken van dit kruid, dat gekookt in wijn, het helpt. (4) De waterzuchtige ingenomen met honingwater trekt veel kwade vochtigheid uit. Desgelijks de geelzieken [84] bevordert hen aan hun tijd. Betonie gekookt met wijn en dat gezeefd en daaronder gemengd jerapigra galieni op drie quintin brengt goede zachte stoelgang. Platearius: betonie…ten met wijn en honing is …goed gedronken ftitis, emoricis, dat is die dat afnemen hebben en bloedspuwen. Die in dat hoofd geslagen of gestoten zijn die poedert dit kruid en strooit dat op het vel van de geslagen huid, het trekt de gebroken benen eruit en verdeeld dat gestolde bloed. Wie de ogen geslagen waren of gestoten die stoot de bladeren van betonie en leg ze over de ogen gelijk een pleister, hij geneest gelijk. Betoniesap getemperd met rozenolie en dat in de oren gelaten verdrijft alle pijnen. Met deze olie bestreken op de borst beneemt dat onzachte ademen. (7) De meester Plinius spreekt: Wie betonie bij hem draagt die mag geen toverij beschadigen. Hij spreekt ook dat betonie erg goed is genuttigd die een kwade kleur heeft, daarover gedronken met wijn, hij wint wederom een mooie vleeskleurige kleur. (5) Item, betonie gedronken met wijn maakt veel plassen en drijft uit de steen.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in het Grieks Kestron en ook Psychotrophon, in het Latijn Betonica en bij sommige Vetonica. In de apotheken is het met de Latijnse naam Betonica bekend.

Herbarius in Dyetsche; (5) Het heeft de kracht om de steen in de nieren of de blaas te breken en laat bij de vrouwen hun stonden komen. (3) Ook is het goed tegen pijn van de zijde en tegen verstoppingen van de milt als je de wijn drinkt waar het met hertstongen en venkelwortel in gekookt is. (4) Dezelfde drank, als waar het in gekookt is, daarin kook je de wortel van asperge en Ruscus en dat is bijzonder goed tegen waterzucht die uit koude zaken komt.  (2) Tegen venijnige beten, kook betonie in wijn en leg het daar op. (5) Wijn waar betonie in gekookt is is goed voor de vrouwen die baren en geen koorts hebben. (6) En versterkt het hoofd en is goed tegen hoofdpijn.

(7) ‘Plinius spreekt die betonie over hem draagt die mag geen toverij schaden’.

ochsenzungen liiii ca

Buglossa grece·vel Aleptofilon vel lingua bovis latine arabice Ledenalchaur·

(Der meister Serapio in den dem bůche aggregatoτis in dem capitel lingua bovis idest buglossa·spτicht das dises kraute habe bletter nahend beÿ der erden·und hat ein gestalt geleÿch einer ochsenzungen und ist warm und feüchter natur. (Der wirdig meister Galienus in dem sibenden bůche genant Simplicium farmacarum in dem capitel buglossa·spτicht·das die tugent der ochþenzungen seÿ wenig warm machen und feücht·(Und ist fast [85] gůt genüczet dem lunngen süchtigen und dem der do einen bôsen trucknen hŭsten hat·(Oschþenzungen in wein geleget·und dem gemüscht in hônigwein genant mellecrat·und den getruncken·machet den menschen frôlichen und wolgemůt·(Platearius spτicht·das Buglossa ståtigklichen geessen·und die genüczett mit wein·vertreÿbe die roten colera·die von grosser hÿcze kommet·(Also getruncken·heÿlet sÿ das herczgespan·(Sÿ ist auch gůt genüczet für schedlich bôse feüchtung der lungen·Dises safftes getruncken mitt warmem wasser·hilfft fast wol für die geschwulst an den fŭssen. (Weer das kraut baÿsset mitt wein und den do trincket·der gewÿnnet ein gůte gedåchtnuþs·(Der meister Avicenna in seinem bůch genant de viribus coτdis spτicht·das ochþenzungen genüczet mit wein·stercke fast wol das hercze und machet dem gůt geblŭt·

Ossentong, 54ste kapittel.

Buglossa Grieks, (1) vel Aleptofilon vel lingua bovis Latijn. Arabisch Ledenalchaur. (Anchusa officinalis)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel lingua bovis, id est Buglossa spreekt dat dit kruid heeft bladeren bijna bij de aarde en heeft een gestalte gelijk een ossentong en is warme en vochtige natuur. De waardige meesters Galenus in het zevende boek genaamd Simplicium farmacarum in het kapittel buglossa spreekt dat de deugd van de ossentong is een weinig warm maken en vochtig. (2’ En is erg [85] goed genuttigd de longzuchtige en die er een kwade droge hoest heeft. (3’ Ossentong in wijn gelegd en dat gemengd in honingwijn genaamd mellecratum en dat gedronken maakt de mensen vrolijk en goed gemoed. (4) Platearius spreekt dat ossentong steeds gegeten en die genuttigd met wijn verdrijft de rode gal die van grote hitte komt. Alzo gedronken heelt ze de hartspanning. Het is ook goed genuttigd voor schadelijke kwade vochtigheid van de longen. Dit sap gedronken met warm water helpt erg goed voor de gezwellen aan de voeten. Wie dat kruid baadt met wijn en dan het drinkt die wint een goede gedachtenis. De meester Avicenna in zijn boek genaamd de viribus cordis spreekt dat ossentong genuttigd met wijn versterkt erg goed dat hart en maakt het goed bloed.

(1) Dodonaeus; ‘In deze tijden wordt het eerste van deze twee kruiden in het Latijn en in de apotheken Buglossa en Buglossa domestica of Buglossa vulgaris genoemd en is voor het echte Buglossum in gebruik aangenomen en daarvan is het in het Nederduits buglosse en ossentonghe genoemd of gewone tamme ossentong, in het Hoogduits Ochsenzunge’.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het is heet en nat in zijn eerste kracht, zijn tweede kracht is dat het goed is voor de hoestende mens vanwege de scherpheid van de longen.

(3) De derde kracht van ossentong is om het hart te verblijden als je het met vlees kookt of het in warme moes doet dat in vleessap gekookt is.

(4) De voornaamste kracht van ossentong is om de rode gal en de zwarte gal te reinigen.

Erbsich lv Capitel

Berberis latine·grece Rarach·vel Oxicantum·arabice Amÿberberis·

(In dem bůch circa instans beschτeyben uns die meister und sprechen·dz erbsich sind kalt und trucken an dem andern grad·Und ist ein fruchte eines baumes die ist rund·und långelat von farben rot·(Der baumm do sÿ auff wachþet ist fast scharpff von dôτnen·(Die meister avicenna und Serapio spτechen das die frucht seý rot und långelat·und jnnwenndig der frucht sind kleÿne kôτnlein·Und dise frucht ist man nüczen in der erczneÿ·darauþ trucket man den safft·dem mag man behalten über jar·der ist zů vil din [86] gen gůt. (Der meister Serapio spτicht·des safftes getruncken nymmet hÿn den alten fluþ d můter· und reÿniget sÿ·(Ein pflaster gemachet von d frucht und gelegt auff einen schuþ do ein pfeyl ein geschossen ist an dem leÿbe wo dz wår·zeühet den auþ on schmerczen·(Des geleÿchen einen doren·nagel·od glaþ·die frucht zeknüschet und darauff geleget·

(Item wer sich mit erbsich bestreÿchet auff dem bauch·machet schwÿczen·(Domit also geschmieret den bauch der frawen treÿbet auþ das todt kÿnd·(Item·Erbsich genüczet benymmet den durst·und stercket den magen und die lebern·(Erbsich ist auch gůt den die in jnen haben hÿczige geschweer·Des geleÿchen aussen an dem leÿbe benÿmmet jm die hÿcze·(Erbsich benÿmmt alle kranckeÿt die do kumbt von grossen flüssen des geblŭtes·(Erbsich bτinget dem herczenn fast grosse krafft·und bτinget lust zů essend·und is sunderlichen gůt den die do haben grosse hÿcze·(Item·Auþ d frucht erbsich ist man machen ein syrop mit wasser gesoten und dur geschlagen und sŭþ gemachet mit zucker·ist gůt wider daz fieber und wider die hÿcze d lebern·Auch die frucht von erbsich mit nachtschatten vermenget und auff die lebern geleget·ist lebern kŭlen·(Item Erbsich mit wasser den safft auþ gedruckt und davon moτgens genüczet ist gůt wider das haubtwee Platearius·

Zuurbes, 55ste kapittel.

Berberis Latijn. (1) Grieks Rarach vel Oxicantum. Arabisch Amiberberis. (Berberis vulgaris)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat zuurbes is koud en droog aan de andere graad. En is een vrucht van een boom die is rond en langachtig en van verf rood. De boom daar ze op groeit is erg scherp van dorens. De meesters Avicenna en Serapio spreken dat de vrucht rood is en langachtig en inwendig de vrucht zijn kleine korreltjes. En deze vrucht is het die men nuttigt in de artsenij en daaruit drukt men dat sap en dat mag men behouden over een jaar en dat is tot veel [86] dingen goed. (2) De meester Serapio spreekt dat het sap gedronken neemt weg de oude vloed van de baarmoeder en reinigt die. (3) Een pleister gemaakt van de vrucht en gelegd op een schot daar een pijl in geschoten is aan het lijf, waar dat is, trekt die uit zonder smarten. Desgelijks op een doren, nagel of glas, de vrucht gekneusd en daarop gelegd.

Item, wie zich met zuurbes bestrijkt op de buik maakt zweten. Daarmee alzo gesmeerd op de buik van de vrouwen drijft uit dat dode kind. Item. (4) Zuurbes genuttigd beneemt de dorst en versterkt de maag en de lever. Zuurbes is ook goed die in hen hebben hete zweren. Desgelijks buiten aan het lijf beneemt hem de hitte. Zuurbes beneemt alle ziektes die je komen van grote vloed van bloed. Zuurbes brengt het hart erg grote kracht en brengt lust te eten en is vooral goed die er hebben grote hitte. Item. Uit de vrucht zuurbes kan men maken een siroop met water gekookt en doorgeslagen en zoet gemaakt met suiker en is goed tegen de koorts en tegen die hitte van de lever. (5) Ook de vrucht van zuurbes met nachtschade vermengt en op de lever gelegd is de lever verkoelen. Item. Zuurbes met water en het sap uitgedrukt en daarvan ‘s morgens genuttigd is goed tegen de hoofdpijn, Platearius.

(1) Dodonaeus; ‘In Brabant wordt dit gewas sauseboom of ook suerboom genoemd, in Hoogduitsland Paisselbeer, Saurich, Erbsell en Versich.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het sap van de vrucht met weegbreewater geneest en voorkomt het oude of lange loop en vochtigheid die uit de baarmoeder vloeit. (3) Een pleister dat van de gebroken vrucht van Berberis met het sap van dictamnus of muizenoor gemaakt is trekt pijlen, dorens of andere dingen die in het lijf steken er uit. (4) Het sap van deze vrucht voorkomt dorst die van hitte komt, het versterkt de maag en de (5) lever die vanwege gal onnatuurlijk ontstoken zijn.

(4) Dodonaeus; ‘De groene bladeren van sausenboom dienen om er sausen van te maken voor de spijs net zoals zuring en de saus die daarvan gemaakt wordt of het water daar ze in gekookt zijn is verkoelend en maakt appetijt of lust om te eten.

Poτrich lvi Capit

Boτago latine et grece·

(In dem bůch genant Circa instans·steet geschůibenn das boτrich seÿ heyþ und feücht an dem anfang des ersten grads·Das kraut ist uns wol bekannt·und hat bτeÿte bletter die sind rauch und so sÿ grŭn sind·so bτaucht man sÿ in der erczneÿ und nicht dürτ·Der same ist fast gůt genuczet·und weret zweÿ jar·(Platearius·das kraut gesotten mit wein unnd den getruncken·machet gůt geblŭte·(Die den schwÿndel haben in dem haubt·die sollen nemen den safft von disem kraut und sollen den müschen mit zucker und den trincken·es hilfft fast wol·(Item·für das zytrend (·f·j·) [87] hercz·nÿmm den sÿropel von boτrich safft gemachet und müsche darunder zucker und bulfer von den beÿnen des hÿrþen herczen und nücze das·es hilfft fast wol·

(Item·Weer in jm håt groþse fantaseÿ·und fast seer melancolisiert·und der hohen sucht sich besoτget genant epilentia·d sÿede den safft von boτrich mitt senit·wenn er genůg gesoten hat so sol man jn seÿhen durch ein thůch·und darunder mŭschen den sÿropel gemachet von boτrich·und den getruncken des abends und des moτgens·meret fast wol die vernunfft·und benÿmmt die melancoleÿ·(Item die meister spτechen·das die wurcz kein nücz seÿ in der erczneÿ·Die blůmen rohe geessen·machen gůt geblŭt des geleychen darab getruncken mit wein·(Für die geelsucht·bτauche den sÿropel von boτrich·hilfft fast wol·(Item·die blûmen von boτrich sind gůt zů allen den dingen darzů das kraut gůt ist·und sind fast gůt gedôτret und behalten über jar·(Die blůmen geleget in baum ôle und das gestrÿchen auff das hercze·und auff den magen·gibt grosse krafft·(Boτrich blůmen rohe geessen·und darüber getruncken benÿmbt das hercz zÿttern·und machet den menschen wolgemůt. (Item der sÿropel von boτrich und ochþenzungen nüczet man in der erczeney zů allen den dingen die do krefftigen sind·

Bernagie, (1) 56ste kapittel. (Borago officinalis)

Borago Latijn en Grieks.

In het boek genaamd Circa instans staat geschreven dat bernagie is heet en vochtig aan de aanvang van de eerste graad. Dat kruid is ons goed bekend en heeft brede bladeren die zijn ruw en zo ze groen zijn zo gebruikt man ze in de artsenij en niet droog. Het zaad is erg goed genuttigd en blijft twee jaar goed. Platearius: (2) dat kruid gekookt met wijn en dan gedronken maakt goed bloed. Die de duizeligheid hebben in het hoofd die zullen nemen het sap van dit kruid en zullen dat mengen met suiker en dan drinken, het helpt erg goed. (2) Item, voor dat sidderende [87] hart, neem de siroop van bernagiesap gemaakt en meng daaronder suiker en poeder van de benen van een hertenhart en nuttig dat, het helpt erg goed.

Item. Wie in hem heeft grote fantasie en erg zeer melancholiseert en de hoge ziekte zich bezorgt genaamd epilepsie, die kookt het sap van bernagie met senna en als dat genoeg heeft zo zal man het zeven door een doek en daaronder mengen de siroop gemaakt van bernagie en dat gedronken ‘s avonds en ’s morgens vermeerdert erg goed dat verstand en beneemt de melancholie. Item, de meesters spreken dat de wortel niet nuttig is in de artsenij. De bloemen rauw gegeten maken goed bloed, desgelijks daarvan gedronken met wijn. (3) Voor de geelziekte gebruik de siroop van bernagie, helpt erg goed. Item, de bloemen van bernagie zijn goed tot alle dingen daartoe dat kruid goed is en zijn erg goed gedroogd en behouden over een jaar. De bloemen gelegd in olijvenolie en dat gestreken op dat hart en op de maag geeft grote kracht. (4) Bernagiebloemen rauw gegeten en daarover gedronken beneemt dat hart sidderen en maakt de mensen goedgemutst. Item, de siroop van bernagie en ossentong nuttigt men in de artsenij tot al die dingen die je versterken.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste en gewoonste soort van dit gewas heet in de apotheken borago en in Brabant bernagie, in het Hoogduits Burretsch. Sommige noemen het Porrago.

Herbarius in Dyetsche; (2) Bernagie maakt goed bloed daarom is het gekookt goed voor diegene die van lange ziektes genezen. Ook is het goed tegen hartkramp, tegen het in onmacht gaan en voor de droefgeestige om het met vlees of als stamppot te eten. (3) Tegen geelzucht is het sap goed of kook het kruid met melde in vlees en drink daarvan het sap. (4) Bernagie heeft uit eigen macht de kracht om het hart te versterken, daarom is het water dat daar van gekookt is hartversterkend en doet het goed in veel ziekten.

Muschel also genant

Das lvii Capitel

Blacte bizantia grece·Arabice·achafar·Latine ungula aromatica·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Achafar idest blacte bizantia·spτicht das dises sind muscheln darinn schnecken hauþend·der finndet man vil in dem lande jndia·und auch beÿ den wassern do dann wachset spica nardi·(Dise schnecken heüser sind wolriechend de ursachen halb·das die schneck eþsend darinnen spica nardi·dÿse schnecken heüser werdend gesamlet den summer so das diser verczeret wirt durch die hicze des summers·Diser schneckenheüser farbe ist weÿþ·Und spτechen etlich meister·das die blacte bizantie die do sind babylonien·das die selben nit als gar weÿþ seÿen·sunder mein [88] er schwerczung vermüschet·dyse sind nit also gůt als die auþ jndien·(Der rauch von blacte bizantie reüchet geleÿch castorio·(Avicenna in seinem anderen bůch in dem capitel blacte bizantie·spτichet·das dise do seÿen heÿþ und trucken an dem anderen grade·aber seÿn trückne dÿe ist gar nahendt beÿ dem dτytten grade·(Ir tugent die ist subtile machen·(Der gerauch von blacte bizancie d benÿmmet do dÿe sucht genant epilentiam·das ist die fallende sucht·(Der rauch unden auff gelassen den frawen benÿmmet der můter auffstossen·(Dÿser rauch lôset und reyniget secundinam·das ist die ander geburd·(Galienus in dem capitel Ostracoτum·spτichett·das dises bulfer von blacte bizantie ein genommen mit eþsich· das weÿchet das milcz und verczeret die bôsen feüchtigkeit des milczes· Serapio Pandecta·

Mossel alzo genoemd.

Dat 57ste kapittel

Blacte bizantia Grieks, Arabisch achafar, Latijn ungula aromatica.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Achafar, dat is blacte bizantia, spreekt dat dit zijn mossels waarin slakken huizen, die vindt man veel in het land India en ook bij de waters daar dan groeit spica nardi. (Deze slakkenhuizen zijn welriekend, vanwege de oorzaak dat die slakken eten daarin spica nardi, deze slakkenhuizen worden verzameld in de zomer zodat ze verteerd worden door de hitte van de zomer. Deze slakkenhuizen kleur is wit. En spreken ettelijke meester dat die blacte bizantie die er zijn in Babylonië dat die niet als geheel wit zijn, vooral met [88] wat zwarts vermengt deze zijn niet zo goed zoals die uit India. De rook van blacte bizantie ruikt gelijk bevergeil. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel blacte bizantie spreekt dat deze heet en droog zijn aan de andere graad, maar zijn droogheid nadert bijna de derde graad. Zijn deugd die is subtiel maken. De geur van blacte bizancie die beneemt je de ziekte genaamd epilepsie, dat is de vallende ziekte. De reuk van onderen op gelaten bij de vrouwen beneemt de baarmoeder zijn uitstoten. Deze reuk lost op en reinigt secundinam, dat is de nageboorte. Galenus in het kapittel Ostracorum spreekt dat dit poeder van blacte bizantie ingenomen met azijn dat dit weekt de milt en verteert de kwade vochtigheid van de milt, Serapio en Pandecta.

Ungula betekent hoefvormig en aromatica geurend. Als reuk klauwen, Duftkrallen, Ungues odorati, Opercula purpurea en als Blatte byzantina komen ze in de handel. Het zal wel gaan om hoornachtige waterslakken en vooral van de geslachten Strombus en Murex, Murex inflatus, Strombus lentiginosus en anderen.

Hauszwurcz lviii Ca

Barba jovis latine et grece·

(Die meister spτechen gemeÿnigklichen·das dises kraut uns seÿe wolbekannt und hat kurcze bletter und dycke nahent beÿ d erden und bτeÿttet sich auþ·

Diþs kraut ist fast kalter und feüchter natur·und ist nitt gůt zů eþsen·und geleychet in aller seiner tugent dem krautte sauer ampffer genant·(Dises kraut kŭlet den hÿczigen menschen des safftes auþwendig auff die bτuste geleget mit einem thůch und wenn das trucken wirdet so soll man es widerum neczen·

(Wõlcher man von alters wegen trucken ist an seiner nature (·f·ij·) [89] und gebτesten hat seines natürlichen samen·der lege hauþwurcze in geÿþmilch·als lange byþ sÿ sich zermale durch bÿþs in d milch·darnach seüde die millich·und müsche darunder todteren von eÿern als vil du do wilt·und ÿþse der milch dτeÿ tas od fünff die bτingen widerumb den samen zů gebeeren·Aber dise speÿse ist den frauwen nicht gůt die unfruchtber sind·wann sÿ werden davon nit fruchtber·und ist jne wilder zů jrer natur·(Wer taub wåre·der nemme weÿbes millich die do einen knaben seüget·auff zehen oder zwôlff wochen vergangen nach des kyndes geburd·und thů darzů des saffttes von hauþwurcze·unnd troffpe dτeÿ oder vier tropffenn in die oτen senfftigklichen·unnd thů das dÿck·das gehôrde kommet widerumb on zweÿfel.

(Wem die augen des moτgens zůgebachen wåren·also das man sÿ bôþlich auffbτingen môchte·der wåsche sÿ mit dem saffte der hauþwurcz dτey oder vier moτgen·es hilfft.

Huislook, 37ste kapittel.

(1) Barba jovis Latijn en Grieks. (Sempervivum tectorum)

De meesters spreken gewoonlijk dat dit kruid is ons goed bekend en heeft korte bladeren en dikke bij de aarde en breidt zich uit.

Dit kruid is erg koude en vochtige natuur en is niet goed te eten en lijkt in al zijn deugd op het kruid zuring genaamd. (2) Dit kruid verkoelt de hete mensen, het sap uitwendig op de borst gelegd met een doek en als dat droog wordt dan zal men het wederom natten.

(3) Welke man vanwege oudheid droog is aan zijn natuur [89] en gebreken heeft aan zijn natuurlijke zaden die legt huislook in geitenmelk zolang totdat het zich helemaal doorbijt in de melk en kook daarna de melk en meng daaronder dooiers van eieren zoveel als je wil en eet de melk drie koppen of vijf, die brengen wederom de zaden te baren. Maar deze spijs is de vrouwen niet goed die onvruchtbaar zijn want ze worden daarvan niet vruchtbaar en is hen tegen hun natuur. (4) Wie doof is die neemt vrouwenmelk die een knaapje zuigt en dat een 12 weken vergaan is na het kind geboorte en doe daartoe het sap van huislook en druppel drie of vier druppels in de oren zachtjes en doe dat veel, dat gehoor komt wederom zonder twijfel.

Als de ogen ‘s morgens gesloten waren alzo dat men ze slecht openen mocht die wast ze met het sap van huislook drie of vier morgens, het helpt.

(1) Dodonaeus; ‘De tweede soort van groot Sedum wordt van de gewone man en in de apotheken op het Latijns Jovis barba genoemd en daarna schijnt het in het Nederlands de naam donderbaard gekregen te hebben, dan de Hollanders noemen het huys-look, de Hoogduitsers Hausswurtz en Gross Donderbaer’.

Herbarius in Dyetsche; (2) Donderbaard heeft de kracht om te verkoelen en te veranderen als het met azijn of jus op zeer verhitte blaren of zeer verhitte leden gelegd wordt.

 (3) Maar Hildegard von Bingen waarschuwt tegen Huswurtz omdat die wellust en zelfs waanzin kan veroorzaken, ze prijst huislook aan tegen impotentie bij de mannen, (4) tegen doofheid zal men huislook innemen in melk van en vrouw die van een jongen bevallen is’, dit zien we ook hier in de Gart.

Bruscus ein baum also genant lix Cap

Bτuscus latine et grece·

(Paulus in seinem herbario·in dem capitel de bτusco·spτicht·das diser baum seý doτnat·und hat neben auþ vil eþte·(Dyser baum bτinget frücht rot geleÿch den kÿτþen·(Dise frucht des geleÿchen die bletter habend ein getemperierte wÿrme·als dann Galienus und Yppcras bezeügen in jren bŭchern·(Paulus·den safft von disen blettern in dem mund gehalten·benymmt die feüle darjnn·unnd heÿlet die von stunden an·(Disen safft getemperieret mit milch und umb die augen gestrychen·benÿmmt alles dar [90] auþ und senfftiget und machett ein lautter gesicht·(Diser safft getruncken mit zucker·benÿmbt das blůtspeÿen·und bτÿchet auch den stein in den lenden also genüczet. (Den safft von dÿsem kraut gesoten unnd den getruncken reÿniget do den frauwen jr můter·und bτinget frawen feüchtigkeit genant menstruum·(Das bulfer von der wurczel dises baumes auff bôse wunden gestreüwet darjnn faules fleÿsch wåchþet·heÿlet und frÿscht die zůhandt·(Wem das gemåcht geschwollen wåre·der mache ein pflaster von disen blettern mit rosen ôl gemüschet·und lege das darüber·die geschwulst geet hÿn on schaden·Nymme von disem baume der wurczeln·und ånÿþ·und fenchel·ýegklichs geleÿch vil·und stosse dises zů bulfer·und müsche darunder zucker unnd nÿmme dises fastend ein· einen gůten lôffel vol·es bτynget wÿndt in dem leÿbe·und benÿmmet colicam passionem·dz ist· das grýmmen in dem gedårme·

Bruscus, (1) een boom alzo genaamd, 59ste kapittel.

Bruscus Latijn en Grieks. (Ruscus aculeatus)

Paulus in zijn herbaria in het kapittel Ruscus spreekt dat deze boom is doornig en geeft naast hem uit veel takken. Deze boom brengt vruchten rood gelijk de kersen. Deze vrucht en desgelijks de bladeren hebben een getemperde warmte zoals dan Galenus en Hippocrates betuigen in hun boeken. (3) Paulus, het sap van deze bladeren in de mond gehouden beneemt de vuilheid daarin en heelt de van stonden aan. (2) Dit sap getemperd met melk en om de ogen gestreken beneemt alles daaruit [90] en verzacht en maakt een zuiver gezicht. Dit sap gedronken met suiker beneemt dat bloedspuwen en breekt ook de steen in de lenden, alzo genuttigd. (2) Het sap van dit kruid gekookt en dan gedronken reinigt bij de vrouwen hun baarmoeder en brengt vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie. Dat poeder van de wortel van deze boom op kwade wonden gestrooid daarin vuil vlees groeit heelt en ververst die gelijk. Als dat geslacht gezwollen is die maakt een pleister van deze bladeren met rozenolie gemengd en leg dat daarover, dat gezwel gaat heen zonder schade. Neem van deze boom de wortels en anijs en venkel, van elk gelijk veel, en stoot dit tot poeder en meng daaronder suiker en neem dat vast in een goede lepel vol, het brengt wind in het lijf en beneemt colicam passionem, dat is dat grommen in de darmen.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit gewas heet in onze taal gewoonlijk stekende palm, in het Hoogduits Mauszdorn of Mueszdorn, in het Grieks Oxymyrsine als of men Acuta Myrtus, dat is stekende Myrtus zei of Myrsine agria, Myrtus silvestris, dat is wilde Myrtus en in het Latijn gewoonlijk Ruscum of Ruscus, in de apotheken Bruscus’.

(2) Het sap van de bladeren in de mond gehouden verdrijft de stank en beneemt de vuiligheid er van en heelt de wonden van de mond.

(3) De bladeren en de besjes van de stekende palm zijn van krachten de wortels heel gelijk, zegt Dioscorides, die daarnaast ook zeer nuttig zijn om de maandstonden van de vrouwen te verwekken.



Bernklaw. lx Cap

Bτauca ursina latine

(Die meister spτechen·das dises kraut hab bleter geleÿch als kôle·und sind von einander geleych den klawen an dem beeren. In der mitte wåchþset der same und an der spÿcze

wachþen vil blûmen·die sind scharpff und doτnig·(Dises kraut ist heÿþ und feücht in dem andern grad·in dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·dz

dises krautes tugent seÿ weÿchen senfftigen und zeÿtigen·(Platearius.Bernklauwen bletter gestossen mit schweinem schmalcz ist gůt gelegt auff ein geschweer dz do kommet

von kelte und feüchtigkeit. (Item·Bernklaw ist auch fast (·f·iij·) [91] gůt also geleget auff den geschweren under den armen od beÿ dem gemåcht·wann es senfftigt und weÿchet wol·(Weer ein bôses milcz håte·der neme berenklawen in ôle·und lasse dz baÿssen fünff tag·darnach seýhe das ôle ab und schmiere domit das milcz auþwendig an der lÿncken seiten·es hilfft fast wol·(Item so die bleter frÿsch sind·so mag man sÿ nüczen zů pflastern und salben·(Diascoτides·Für die verhertten und lamen gelÿder·und für das zerschwollen milcz mache dise nachgeschτibne salben. Nymme berenklaw gestossen acht lot·sefelbaume ·selbe· pappelelen·meÿronen·roþmarin· polaÿ·beyfůþ·woτmůt·stabwurcz·ÿegkliches zwû hanndt vol·någelein sechþ lot·zymmetrôτen ein halbs lot·kümmel zwey lot·galgen dτeü quintin·weirauch mastix ÿeklichs vier quintin·weyþ wachþ acht lot·gůten wållischen wein dτeü pfundt·reÿnbårgen speck ein pfund·dise stuck thů alle zůsamen und zerlasse sÿ wol under einander mit einem senfften feüwer·also das die als lang sieden·biþ dz der wein darinnen verczert wirdet·Darnach sol man es abtůn und darunder rŭren wachþ und darauþ machen ein salben·ist fast gůt den obgenanntten kranckheyten.

Berenklauw, (1) 60ste kapittel.

Branca ursina Latijn. (Heracleum sphondylium)

De meesters spreken dat dit kruid heeft bladeren gelijk als kolen en zijn van elkaar gelijk de klauwen aan de beren. In het midden groeit het zaad en aan de spits groeien veel bloemen, die zijn scherp en doornig. Dit kruid is heet en vochtig in de andere graad. (2) In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid deugd is weken, verzachten en rijpen. (3) Platearius: Berenklauw bladeren gestoten met varkensvet is goed gelegd op een zweer dat je komt van koudheid en vochtigheid. Item. Berenklauw is ook erg [91] goed alzo gelegd op de zweren onder de armen of bij het geslacht want het verzacht en weekt goed. Wie een kwade milt heeft die neemt berenklauwen in olie en laat dat baaien vijf dagen, daarna zeef de olie af en smeer daarmee de milt uitwendig aan de linkerzijde, het helpt erg goed. Item, zo de bladeren vers zijn zo mag men ze nuttigen tot pleisters en zalf. Dioscorides. (4) Voor de verharde en lamme leden en voor de gezwollen milt maak deze nageschreven zalf: Neem berenklauw gestoten, acht maal 16,7 gram, savelboom, salie, heemst, majoraan, rozemarijn, polei, bijvoet, alsem, citroenkruid, van elk twee hand vol, kruidnagels en kaneel een half van 16,7 gram, komijn twee maal 16,7gram, galigaan drie maal 1,67 gram, weirook en mastiek, van elk vier maal 1, 67 gram, witte was acht maal 16,7 gram, goede Waalse wijn drie pond, Reinbergen spek een pond, deze stukken doe je alle tezamen en meng ze goed onder elkaar met een zacht vuur alzo dat het zolang kookt dat de wijn daarin verteerd wordt. Daarna zal men het er af doen en daaronder roeren was en daaruit maken een zalf, is goed voor de opgenoemde ziektes.

(1) Dodonaeus;.Dit kruid wordt in het Grieks Spondylion genoemd, in het Latijn insgelijks ook Spondylium, dan in de boeken van Galenus vindt men Spondylon uitgedrukt of geschreven, de apothekers van Hoogduitsland en ook van Nederland plegen dat hier vroeger Branca ursina te noemen en dat in plaats van de echte Branca ursina of Acanthus zeer onbedacht in de klysma’s te gebruiken en daardoor is het gekomen dat de Hoogduitsers dit kruid zonder reden Barenklaw genoemd hebben.

Herbarius in Dyetsche;. (3) Tegen de dorheid van de zenuwen en van de leden, tegen verharde blaren en tegen de hardheid van de milt.

(4) Berenklauw die met geitensmeer en heemstwortel in wat wijn gemengd is is goed tegen pijn van de gewrichten of van de leden, ook is het goed tegen uittrekking van de leden als je het daar op strijkt.

Wasser wegrich

Das lxi Capitel

Barba silvana latine·

(Die meister spτechen·das dyses seÿ ein kraut·und hab bletter geleÿch der wegrich·und wåchþet beÿ dem wasser und do es fast feücht ist·(Dises kraut ist keltten biþ zů dem dτitten grade·(Galienus beschτeÿbet uns von disem kraut·in seinem bůch genant von der tugent·unnd spτicht·das dises kraut gůt seÿ den frauwen månlichen samen zů empfahen·und auch schwanger zů werden·(Auch so saget er indem ob berŭrten bůch und in dem capittel de epilentia·das [92] dises kraut heÿsse centumnervia aquatica·das ist wasser wegrich·(Dises kraut hat Galienus anders zů nichten genüczet dem allein den frawen kynder domit zů empfahen·Darumb so lÿse Galienum in seinem Antidotaria·in dem capittel das sich anhebet Medicamen ad concipiendum·do findt man die warheÿt dises krautes·

Waterweegbree. (1)

Dat 61ste kapittel

Barba silvana Latijn. (Alisma plantago‑aquatica)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de weegbree en groeit bij het water en daar het erg vochtig is. Dit kruid is verkoelend tot de (3) derde graad. Galenus beschrijft ons van dit kruid in zijn boek genaamd van de deugd en spreekt dat dit kruid goed is de vrouwen (3) mannelijke zaden te ontvangen en ook zwanger te worden. Ook zo zegt hij in het boven beroerde boek en in het kapittel de epilentia dat [92] dit kruid heet centum nervia aquatica, dat is waterweegbree. Dit kruid heeft Galenus anders tot niets gebruikt dan alleen de vrouwen kinderen daarmee te ontvangen. Daarom zo lees Galenus in zijn Antidotaria in het kapittel dat zich aanheft Medicamen ad concipiendum, daar vindt men de waarheid van dit kruid.

(1) Dodonaeus;‘In onze taal wordt dit gewas water-wechbree genoemd, in het Hoogduits Wasser Wegerich, al is het zo dat het niet zeer op de echte Plantago of weegbree lijkt. 

Dodonaeus; ‘Dit kruid worden zeer bescheiden krachten toegeschreven want sommige zeggen dat het koud is tot in de (3) derde graad en andere zeggen dat het droog en warm is en daarom zeggen sommige dat het tegenstrijdige krachten heeft, te weten op te lossen en terug drijvende.

Moτen lxii Capitel

Baucia latine et grece·

(Die meister spτechen·das moren sind heýþ an dem mittel des andern grads·und feücht an dem anfange des ersten grads·Der sind zweyer handt·die ein wylde·die ander zame genant domestica·Von der wylden findest du in dem capitel Daucus de d·Und haben grosse tugent in jn·und sÿ sind geleÿch einer natur·(Sÿ machen gůt geblŭte·und bτingen lustige begierden·(Die wurczeln grŭn gesoten und in buttern geschweÿsset·sind fast veτdeüwenlich·aber dürτ sind sÿ nichczen weert·(Item man baÿþset die wurczeln in leÿchtem jngwer·mit zucker vermenget und also genüczet·bτingen sÿ lustige begierde und machen deüwen.

(Auch sind die wurczeln gůtt zů nüczen den mannen·wann sÿ bτingen begerung zů frauwen·(Auch ist man die wurczel sieden mit wasser und durchgeschlagen unnd mit sŭþs mandeln ein bτeylein gemacht darein bÿneen und wenig wurcz vermenget·ist ein gůte speýse zů verdeüwen·(·f·iiij·) [93]

Peen, 62ste kapittel.

Baucia (1) Latijn en Grieks. (Daucus carota, ssp. sativus)

De meesters spreken dat penen zijn heet aan het midden van de andere graad en vochtig aan de aanvang van de eerste graad. (3) En zijn tweevormig, de ene wild en de ander tam, genaamd domestica. Van de wilde vind je in het kapittel Daucus de D. En hebben grote deugd in hen en ze zijn gelijk van een natuur. (3) Ze maken goed bloed en brengen lustige begeerte. De wortels groen gekookt en in boter zweten zijn erg verteerbaar, maar droog zijn ze niets waard. Item, men baadt de wortels in lichte (4) gember en met suiker vermengt en alzo genuttigd brengen ze lustige begeerte en maken verduwen.

(3) Ook zo zijn de wortels goed te nuttigen de mannen want ze brengen begeerte tot vrouwen. Ook is men de wortels koken met water en doorgeslagen met zoete amandelen en een brei gemaakt daarin bijeen en weinig kruid vermengd is en een goede spijs te verduwen. [93]

Zie kapittel 147 voor wilde peen, daar een afbeelding zonder bloem. De afbeelding geeft een gele bloem, maar omgekruld zoals die van Daucus. Diezelfde afbeelding wordt ook voor de pastinaak gebruikt, zie kapittel 328.

(1) Dodonaeus als hij schrijft over wilde pastinaak; (3) ‘De wilde soort van dit gewas noemen we in het Latijn Pastinaca latifolia silvestris, dat is wilde pastinaak met brede bladeren. Sommige die niet weten onder welk geslacht ze dit gewas stellen zouden hebben versierd dat een soort van Panax zou zijn, sommige andere hebben het Baucia en sommige andere Branca leonina genoemd. Maar de Baucia (als Jacobus Manlius betuigt in zijn boek Luminare majus genoemd) is niets anders dan de Pastinaca van Dioscorides en van de andere oude schrijvers, te weten de pastinaak met smalle bladeren en dat is onze gewone peen en caroten’. De naam caroten voor peen is duidelijk genoeg.

Herbarijs; ‘Baucica, dat is pasternake. Pastinaak maakt dik en (2) veel bloed en groen hebben ze meer krachten dan droog, daarom vermeerderen ze weelderigheid. (2) Zinziber conditum, konserf van gember, gemaakt van gember 1 deel, honing 3 delen en 1 deel suiker.

Reynisch kôl lxiii ca

Bleta vel·Beta latine·grece fellon Arabice helck vel Selet.

(Der meister Galienus in dem sechþten bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel bleta spτicht·dz dises sey feüchter und kalter natur·und seÿ ein kost d menschen·(Der safft von reÿnischem kôle eingenommen bτinget stůlgång und beÿsset den magen·und nåmlichen den die do bald empfinden wenn etwas in den magen kummt·und darumm ist d safft dem magen schadlich·Aber das kraut davon gesoten ist manmer lassen denn den safft·(Der meister Diascoτides spτicht·daz bleta gůt seÿ den bôsen milczen·daz gesoten mit senffkraut od senffsamen·(Unnd das safft ist gůt für das gesegnet feüwer·Der safft gelassen in die nasen reyniget das haubt·(Bleta gekocht mit lÿnsen kraut und also geeþsen bτingt stůlgång·abeτ sÿ sind doch beÿde dem magen nicht gůt·(Die wurczel gesoten von reÿnischen kôle und des zwey oder dτeü trôpfflein warm gelassen in dÿ oτen·benÿmmt den schmerczen darjnnen. (Bleta rohe gestossen und das safft auff das kal haubt gestrichen·machet har wachþen und ist die leüse tôdten·(Item dz also gelegt auff die schwaτcz leinzeÿchen·bτingt jn widerumm gůt farben·(Auch ist reynisch kôl safft mit kümmel od dÿllsamen genüczet gůt für den bauchweetumb·genant Colica·[94]

(1) Roomse kool, 63ste kapittel.

Bleta vel Beta Latijn. Grieks fellon. Arabisch helck vel Selet. (Beta subsp. vulgaris)

De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Bleta spreekt dat dit is van vochtige en koude natuur is en een kost der mensen. (2) Het sap van Roomse biet ingenomen brengt stoelgang en bijt de magen en namelijk degene die gauw vinden als er wat in de maag komt en daarom (4) is het sap de maag schadelijk. Maar dat kruid daarvan gekookt is men meer laten dan het sap. (3) De meester Dioscorides spreekt das Bleta goed is de kwade milt, dat gekookt met mosterdkruid of mosterdzaden. En dat sap is goed voor dat heilig vuur. Het sap gelaten in de neus reinigt dat hoofd. Beta gekookt met linzenkruid en alzo gegeten brengt stoelgang, maar ze zijn toch (5) beide de maag niet goed. De wortel gekookt van Roomse kolen en dat twee of drie druppels warm gelaten in je oren beneemt de pijnen daarin. (6) Bleta rauw gestoten en dat sap op dat kale hoofd gestreken maakt haar groeien en is de luizen doden. (7) Item, dat alzo gelegd op een zwart litteken brengt hem wederom een goede kleur. Ook is Roomse biet met komijn of dillenzaden genuttigd goed voor de buikpijn genaamd koliek. [94]

De afbeeldingen in deze en volgende Bleta laten duidelijk 2 verschillende gewassen zien, de eerste is duidelijk een koolsoort, de tweede lijkt meer op een Brassica vorm zoals mosterd, maar kan ook een koolsoort zijn. (5) Herbarius in Dyetsche spreekt over twee soorten, wit en zwart. De Gart zegt dat niet, maar heeft in het volgende kapittel de witte.

(1) Dodonaeus; ‘In het Nederduits heet dit gewas beete, in het Hoogduits Mangoldt, in het Latijn Beta en in het Grieks Seutlon en Teutlon en soms ook wel Teutlion.

1. De eerste soort wordt hier te lande witte biet of gewone biet genoemd, in het Latijn Beta candida.

Theophrastus zegt dat de witte biet Sicelice, dat is Sicula, toegenoemd wordt en daarvan schijnt de naam Sicla gekomen te zijn waarmee de biet van de Barbaren en van de apothekers in veel landen genoemd plag te worden.

2. De tweede soort noemen we eerste rode biet of gewone rode biet, in het Latijn Beta rubra.

3. De derde soort wordt van de Hoogduitsers Rote Ruben, dat is rode raap genoemd, als Fuchsius betuigt.

Herbarius in Dyetsche; (4) Als je teveel biet eet dan bijt het de maag en de darmen, alle beide soorten biet geven volgens Serapio weinig voedsel vanwege de zoutachtigheid die in hen is. (3) Maar de biet is goed om de verstopping in de lever en de milt te openen als je het met hertstongen kookt en eet.

(6) Als je het hoofd met het sap van biet en averone bestrijkt is dat goed tegen alopecia (e) en laat het haar groeien.

(7) En als het gestreken wordt op een litteken, donkere bleekheid of zwartheid van kwetsingen (f) geneest het die volgens Pandecta.

[93] weysz kôl lxiiii cap

Bleta alba latine·

(Die meister spτechen·dz weÿsser kôle feücht seÿ·und wechþt von dem schleÿmm des tawes und der lüfftte·und haben davon jr krefftte·und sind ettwan unnücze dem menschen geessen·wann süchtt kommen davon·unnd das kranck gedårm wirt davon verseeret jnnwenig. Aber starck menschen die starck adern und gedårme haben·den ist es unschedlich. Auch feyþten leüten dem sind dise kreüter schedlichen geessen·wann jr fleÿsch hat vil feüchtung·und von dem saffte der kreüter so gewÿnnen sÿ mer feüchtung·

(Serapio in dem bůche aggregatoτis·in dem capitel Bleta spricht·das der seÿ zweÿer handt weÿþs·und schwarcz·von dem schwarczen sagt und das capitel voτ disem·(Weÿsser kôl ist von natur reÿnigen und abwåschen bôse feüchtunge·Aber der schwarcz ist von natur stopffen·(Wasser darjnne weysser kôle gesoten ist und daz haubt domit gewåschen·benÿmmet die schŭpen auff dem haubt·(Dises kraut ståtigklich geessen·ist nit gůt dem menschen·wann es meret bôse feüchtung gesunden und krancken·

[93] Witte kool, 64ste kapittel

(1) Bleta alba Latijn. (Sonchus oleraceus, beter Brassica oleracea alba, witte kool)

De meesters spreken dat witte kool vochtig is en groeit van het slijm van de dauw en de lucht en hebben daarvan hun kracht en zijn daarom onnuttig de mensen gegeten want ziektes komen daarvan en dat zwakke darm wordt daarvan verteert inwendig. Maar sterke mensen die sterke aders en darmen hebben die is het niet schadelijk. (2) Ook vette mensen die zijn deze kruiden schadelijk gegeten want hun vlees heeft veel vochtigheid en van het sap van de kruiden zo winnen ze meer vochtigheid.

(1) Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Bleta spreekt dat er zijn twee soorten, wit en zwart, van de zwarte zegt het kapittel voor deze. Witte kool is van natuur reinigen en afwassen kwade vochtigheid. Maar de zwarte is van natuur stoppen. Water daarin witte kool gekookt is en dat hoofd daarmee gewassen beneemt de schubben op het hoofd. (2) Dit kruid steeds gegeten is niet goed de mensen want het vermeerdert kwade vochtigheid gezonden en zieken.

Basilien

Das lvc Capitel

Basilicon vel Garioffilatum latine·grece Ozymun·arabice Berengemisch·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel beerengemis.idest Basilicon spτicht·das dises hab kleine bleter und einen gerauch geleÿch den någelein·(Dises kraut das ist heÿþ unnd auch trucken an dem ende des andern grads·(Das kraut und auch der same wirt gebτauchet in der erczneÿ·Und wenn schlechte basilicom [95] genennet wirt odeτ geschτiben in die apotecken·so meÿnet man dem samen·und den machet man in die electuarien·aber in die pflaster do machet man das kraut·(Der sam gelegt in wasser machet daz dÿck und kleberig geleich den küdten. (Das kraut reüchet fast wol·unnd stercket dem menschen das hýren·Aber wôlcher mensch ein kranckes hÿren håte·dem ist der gerauch schedlich·(Der samen sol in dem monat julij gesamlet werden so ist er an dem besten·(Der meister Diascoτides spτicht·das basilien bleter in wasser gesoten und das getruncken·beneme das schwyndeln des haubtes·(Auch für dem selben gebτesten ist das krautte gůt gestanden übernacht in wein und den getruncken·(Wôlcher einen kaltten magen håte·d siede dz kraut in wein od in most solcher wein wirt gar wol rÿechen·unnd wôτmet den magen·und machet fast wol dåuwen·(Wer gebτochen wåre in dem leÿde·der bulfer dises kraut und trincke das ein mit schlehensafft acht moτgen nach einannder·er genÿset·(Item·Basilien reÿniget die matrix·genant die můter die bleter in wasser gesotten und über den bauch geleget·benÿmmet das bauchwee·(Der safft von basilien kraut den frauwen genüczet·fürderet sÿ an jrer geburde·und reÿniget sÿ nach der geburde·(Der grossen gelusten håte zů stůlgang·unnd dises ist ein sunderliche kranckheÿt genennet thenasmon

der siede dz kraute mit wein unnd mit baumôle·und nücze das·er genÿset zůhant. (Den samen gestossen zů bulfer·und das gelassen in die nasen·reýniget das haubte·(Der samen ist auch fast gůt gebτauchet zů den wårczen an dem leÿbe wo die gesein mügen·dz bulfer darein gestreüwet·und zeühet die wurczeln von grund auþ also das keine mer do gewachþen mag an der stat·(Den samen genüczet weychet den bauch·unnd benÿmmet auch die geschwulst des bauches·Der samen genüczet mit wein ist gůtt den frauwen die kÿnder seügen·und meret jn auch die millch·

(Des samens mit wein getruncken benymmet den schmerczen der augen·wie der do gesein mage·(Von dem samen getruncken·ist fast gůt den traurigen menschen und die mit grosser fantaseÿ umbgeend·(Das kraut hat alle obgeschτibne krafft die der samen in jm hat·(Der meister Serapio spτicht·das basilicon seÿe fast gůt dem magen und machet deüwen die groben kost. (Und ist auch gůt der leber und dem herczen·und benÿmmet traurigkeÿt die do kommet van d melancoley·(Basilicon gerauch·der machet das hyren warem·(Basilicon geessen unnd gerochen·ist gůt der verstopfften nasen·(Item·Basilien geessen dz machet ein gůtes gesichte·unnd reÿniget auch domit das haubt unnd benymmet den schnopffen. [96] Item·Mercke das die meister gemeÿnigklichen spτechend das ozimon·das do genannt ist non garioffilatum oder cÿtrarium·seÿe wider do die obgeschτibnen tugent des krautes ozimon garioffilatum genant·unnd auch gancz nit zů bτauchen seÿ·wann sÿ machet das haubt blôd·und machet auch einen bôsen magen unnd ein betrŭbtes gesichte·als Pandecta spτicht·

Basilicum. (2)

Dat 65ste kapittel.

Basielkruid vel Garioffilatum Latijn. Grieks Ozymun. Arabisch Berengemisch. (Ocimum basilicum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel beerengemis, id est basielkruid, spreekt dat deze heeft kleine bladeren en een reuk (1) gelijk de kruidnagels. Dit kruid dat is heet en ook droog aan het einde van de andere graad. Dat kruid en ook dat zaad wordt gebruikt in de artsenij. En als echte basiel [95] genoemd wordt of geschreven in de apotheken dan bedoelt men de zaden en daarvan maakt men een likkepot, maar in de pleisters zo maakt men dat kruid. De zaden gelegd in water maakt dat dik en kleverig gelijk de kwee. Dat kruid ruikt erg goed en versterkt de mensen de hersens. Maar welke mens een zwakke hersens heeft die is de reuk schadelijk. De zaden zullen in de maand juli verzameld worden dan is het ‘t beste. De meester Dioscorides spreekt dat basielkruid bladeren in water gekookt en dat gedronken beneemt de duizeligheid van het hoofd. Ook voor dezelfde gebreken is dat kruid goed gestaan overnacht in wijn en dat gedronken. Wie een koude maag heeft die kookt dat kruid in wijn of in most en zulke wijn wordt erg goed ruikend en verwarmt de (3) maag en maakt erg goed verduwen. Wie gebroken is in het lijf die poedert dit kruid en drink dat in met slehensap acht morgens na elkaar, hij geneest. Item. Basielkruid reinigt de matrix, genaamd de baarmoeder, (3) de bladeren in water gekookt en over de buik gelegd beneemt dat buikpijn. Het sap van basielkruid de vrouwen genuttigd bevordert ze aan hun geboorte en reinigt ze na de geboorte. Die grote lust had tot stoelgang en dit is en bijzondere ziekte genoemd thenasmon, die kookt dat kruid met wijn en met olijvenolie en nuttig dat, hij geneest gelijk. De zaden gestoten tot poeder en dat gelaten in de neus reinigt dat hoofd. De zaden zijn ook erg goed gebruikt tot de wratten aan het lijf waar die zijn mogen, dat poeder daarin gestrooid en trekt de wortels van grond uit alzo dat er geen meer daar groeien mogen aan die plaats. (3) De zaden genuttigd weekt de buik en beneemt ook de gezwellen van de buik. (4) De zaden genuttigd met wijn is goed de vrouwen de een kind zuigen en vermeerdert in hen ook de melk.

De zaden met wijn gedronken beneemt de smarten der ogen, hoe die zijn mogen. Van de zaden gedronken is erg goed de treurige mensen en die met grote fantasie omgaan. Dat kruid heeft alle opgeschreven kracht die het zaad in zich heeft. (3) De meesters Serapio spreekt dat basielkruid erg goed is de maag en maakt verduwen de grove kost. En is ook goed de lever en het hart en beneemt treurigheid die je komt van de melancholie. Basielkruid reuk die maakt de hersens warm. Basielkruid gegeten en geroken is goed de verstopte neus. Item. Basielkruid gegeten dat maakt een goed gezicht en reinigt ook daarmee dat hoofd en beneemt het snuffen. [96] Item. Merk dat de meesters gewoonlijk spreken dat Ocymum dat zo genaamd is non garioffilatum of citrarium is tegen de opgeschreven deugd van het kruid Ocymum garioffilatum genaamd en ook gans niet te gebruiken is want ze maakt dat hoofd bang en maakt ook een kwade maag en een bedroefd gezicht zoals Pandecta spreekt.

Naam.

(2) Dodonaeus;Basilicum wordt van sommige op het Grieks niet Ocimon, maar Ozimon genoemd als of men zei welriekend kruid. Want de twee gewoonste geslachten van basilicum hebben een lieflijke en aangename reuk die de edele marjolein in sterkte of zwarigheid van reuk te boven gaat’.

Ocimum is genomen van ozo: (ozon) reuk en ozein betekent ruiken, naar de krachtige geur van de plant.

Herbarius in Dyetsche; ‘Baselike, Baselicon of osimum. (1) Er zijn twee soorten, de ene heet gariofilatadat het geurt als een anjer en die is heet in de eerste graad en droog in de tweede. (Clinopodium vulgare of Geum urbanum)

4) Als je basilicum met bijvoet en laurierbladeren kookt en dat goed in een spons duwt en dit zo op de baarmoeder legt zuivert het de baarmoeder en laat haar stonden komen.

Balsam kraut

Das lxvi Capi

Balsamina sive Zisimbτium latine·grece Cardamon·arabice Colodes·

(Der meister platearius in seinem herbario·in dem capitel Zisimbτium spτicht·das dises seÿe heyþ und trucken an dem dτÿtten grad·Der ist zweÿer handt·Einer ist geheÿssen d wÿld balsam der ander der zame·und der zame oder d heÿmisch ist uns wol bekant. (Dises kraut hat rotund bletter und waÿche·und einen waÿchen stengel·(Dises krautes tugent ist groþ unnd zů vyl dingen gůt·(Diascoτides spτichet·dz dises krautes tugent zerteÿlet und verczeret bôse feüchtigkeit in dem menschen·(Dises kraut gebulfert und das gemüschet mit råtichwasser unnd des moτgens getruncken nŭchteren einen gůten trunck·benymmet ÿliacam·das ist die lenden sucht od darm gegicht·(Item·dises kraut gebulfert·und darunder gemüschet gersten meel·und ein wenig wassers·und darauþ gemachet einen bτeyen·unnd auff den bauch geleget zwýschen dem gemåchte und zwÿschen dem nabel·verczeret do vil bôser feüchtigkeit in der blasen·unnd auch in den dårmen·(Wer den schnopffen håtte der do von keltte kommen wáre·der nemme balsam bletter unnd thů die do in ein såcklein·und lege daz nachtes auff des haubte·und lasse das darauff lygen die nacht·es benÿmmet dÿr davon den fluþs und machet ein liechtes haubte. [97] (Platearius·balsamkraut gesoten mit wein und getruncken ist fast gůt dem kaltten magen·(Dises kraut also genüczet·ist gůt stranguiriosis·das ist dÿe do trôpfflingen hármen. (Item ein pflaster von disem kraut gemachet unnd geleget zwÿschen das gemåcht und den nabel·benÿmmet die kranckheÿt genantt dyabetica·das ist·dem der harm entgeet on seinen willen·(Von dem krautt getrunckm foτderett die frauwen an jrer zeyt·unnd hilffet auch fast wol an der geburd·unnd reyniget die můtter die do erkaltet ist·(Item·Balsam gesoten mit kleyben und domit das antlicz gewåschenn·ist gůt zů vertreýben die flecken daran·genant lentigines. (Item. Balsam gesoten mit wein unnd vermenget

mit hyrþzungen·ist gůů wider bestopffung der lebern und des milczes·pandecta·

(Item·Gersten meele sauffen mit balsam gebulfert unnd vermenget·ist gût den gebτesten der bτust·

Balsemkruid. (1)

Dat 66ste kapittel.

Balsamina sive Zisimbrium Latijn. Grieks Cardamon. Arabisch Colodes. (Tanacetum balsamita)

De meester Platearius in zijn herbaria in het kapittel Sisymbrium spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad. (2) Het is tweevormig. Een is geheten de wilde balsem, de andere de tamme en de tamme of de inlandse is ons goed bekend. Dit kruid heeft ronde bladeren en weke en groeit aan een weke stengel. Dit kruid deugd is groot en tot veel dingen goed. Dioscorides spreekt dat dit kruid deugd verdeelt en (5) verteert kwade vochtigheid in de mensen. Dit kruid gepoederd en dat gemengd met radijswater en ‘s morgens gedronken nuchter een goede dronk beneemt ÿliacam, dit is de lendenziekte of darmjicht.(3) Item, dit kruid gepoederd en daaronder gemengd gerstemeel en een weinig water en daaruit gemaakt een brei en op de buik gelegd tussen het geslacht en tussen de navel verteert er veel kwade vochtigheid in de blaas en ook in de darmen. (6) Wie de snuf heeft die je van koudheid gekomen is die neemt balsembladeren en doe die in een zakje en leg dat ‘s nachts op je hoofd en laat dat daarop liggen die nacht, het beneemt je daarvan de vloed en maakt een licht hoofd. [97] Platearius, balsemkruid gekookt met wijn en gedronken is erg goed de koude maag. Dit kruid alzo genuttigd is goed stranguiriosis, dat is die er druppelend plassen. Item, een pleister van dit kruid gemaakt en gelegd tussen dat geslacht en de navel beneemt de ziekte genaamd diabetici, dat is die de plas ontgaat tegen zijn wil. (3) Van het kruid gedronken bevordert de vrouwen aan hun tijd en helpt ook erg goed aan de geboorte en reinigt de baarmoeder die er verkouden is. Item. Balsem gekookt met klaver en daarmee dat aangezicht gewassen is goed om te verdrijven de vlekken daaraan, genaamd lentigines. Item. Balsem gekookt met wijn en vermengt met hertstong is goed tegen verstopping van de lever en de milt, Pandecta.

Item. Gerstemeel soepje met balsem gepoederd en vermengt is goed de gebreken van de borst.

‘Een is geheten de wilde balsem, de andere de tamme en de tamme of de inlandse is ons goed bekend. Dit kruid heeft ronde bladeren en weke en groeit aan een weke stengel’. Balsem wordt ook Impatiens balsamita genoemd en dan meestal met toevoeging wijfje, het mannetje is Momordica balsamina. De meest bekende balsem is Tanacetum balsamita met zijn medesoort en balsem Achillea ageratum. De afbeelding lijkt ook niet op Tanacetum balsamita, zo aan het zien heeft het een vierkante stengel en stengelomvattende, ronde bladeren, bijna van vorm als een papaver. Mentha viridis is de balsemmunt. Dan zal de geteelde wel de gekroesde vorm zijn en de wilde de gewone vorm. Onzeker. Naar de zachte bladeren en weke stengel zou je zeggen Impatiens, maar die is zeker niet inlands. Dan blijft de traditionele balsemplant over.

(1) Dodonaeus; ‘‘De eerste van deze twee (2) andere is Achillea ageratum) is hier te lande balseme genoemd, in de apotheken van deze landen Balsamita en Balsamita major. Andere noemen het Costus hortensis. De Fransen noemen het grand coq, andere noemen het grote cost in onze taal.’

Dodonaeus; (6) Ze bedwingt en laat alle zinkingen en katarren ophouden die van het hoofd op de andere leden van het lichaam zinken of vallen en (5) verdroogt die zeer gauw en insgelijks is ze zeer goed om alle rauwe of onrijpe vochtigheden van het lichaam te verteren en tot rijpheid te brengen.

(3) Drie bladeren van dit kruid met brood gegeten in het begin van het noenmaal versterken de maag en maken die gretig tot het eten en helpen de vertering van de spijzen en zijn daarom zeer nuttig de vrouwen die met opstijging van de baarmoeder gekweld zijn.

teschenkraut lxvii ca

Bursa pastoτis·sive pera pastoris· sive sanguinaria centum nodia·sive lingua passerina latine. Grece poligonia·

(Der meister galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel poligonia·spτicht das tåschenkraut seÿ kallt an dem andern grad·unnd trucken an dem anfang des dτÿtten grads·

(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel Centumnodia·idest Bursa pastoτis·spτicht do·das dises kraute habe bletter geleÿch den [98] rauten·allein das die bletter an dem tåschelkraut lenger sind und weÿcher·und hat beÿ einem yegklichen blat samen·und hat weiþ blůmen und rot·unnd die eþtte sind nahend beÿ der erden·

(Diascoτides spτicht·das tåschelkraut seÿ fast gůt dem entzündeten magen·auþwenndig das kraut darauff geleget·(Dises ist auch gůt Herisipile·das ist wider das rot lauffen·(Dyses kraut gestossen und auff den gebτesten geleget·wo grosse hÿcze wåre an dem leÿbe·an wôlchen ennden das wåre·so zeühett es die hÿcze an sich·(Platearius tåschenkrautt genüczet dem der do seer blůtet auþ der nasen oder sunft an dem leýbe·der neme dises krautes safft unnd streÿche jn umb das blůttend gelÿde·es bestopffet das unnd kelttet die hýczigen adern·(Item·Dÿses kraut in der handt gehalten·bestopffet fast seer die blůtennden nasen·(Item·Wer do håte vÿl eÿtters in den oτen·der stosse dises kraut und lasse den safft do warm darein·es benymmet den eÿtter und den selbigen fluþ·

(Dises kraut ist auch fast gůt den frawen·die jrer zeÿt zů vil haben menstruum genannt·das gestossen unnd hÿnden auff dÿe lennden geleget·(Plinius der spτicht·das der safft do von dem kraut getruncken seÿe gůt emoptoicis·das ist·die do blůt speÿen. (Also genüczet machet der saffte wol hårmen·(Tåschenkraute gekochet mit wein und hônige·und auff die frÿschen wunnden geleget·heÿlet sÿ zůhandt.

(Item·Tåschenkraut safft ist leichtigklich heÿlen blůtige wunden·(Item. Dises krautes safft mit hauþ wurczeln vermennget in eþsig·ist leschenn verhÿczete gelÿder·als sant Anthonius feür. (Item·tåschenkraut mitt wein gesotten·ist gůtt wider gebÿþs der fenÿnigen gethiercz·

(1) Tasjeskruid, 67ste kapittel.

Bursa pastoris sive pera pastoris sive sanguinaria, centum nodia sive lingua passerina Latijn. Grieks poligonia. (Capsella bursa-pastoris)

De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel poligonia spreekt dat tasjeskruid is koud aan de andere graad en droog aan de aanvang van de derde graad.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Centum nodia, id est Bursa pastoris, spreekt dat dit kruid heeft bladeren gelijk de [98] ruit, alleen dat de bladeren aan het tasjeskruid langer zijn en weker en heeft bij elk blad zaden en heeft witte bloemen en rood en die takken zijn vlak bij de aarde.

Dioscorides spreekt dat tasjeskruid is erg goed de ontstoken maag, uitwendig dat kruid daarop gelegd. (3) Dit is ook goed herisipile, dat is tegen de rodeloop. (2) Dit kruid gestoten en op de gebreken gelegd waar grote hitte is aan het lijf aan welke einden dat is zo trekt het de hitte aan zich. (3) Platearius, tasjeskruid genuttigd die er zeer bloedt uit de neus of ergens anders aan het lijf die neemt dit kruid sap en strijkt het om dat bloedende lid, het verstopt dat en verkoelt de hete aders. Item. Dit kruid in de hand gehouden verstopt erg zeer de bloedende neus. Item. (4) Wie er heeft veel etter in de oren die stoot dit kruid en laat het sap daar warm in, het beneemt de etter en dezelfde vloed.

(5) Dit kruid is ook erg goed de vrouwen die hun tijd te veel hebben, menstruatie genaamd, dat gestoten en achter op de lenden gelegd. Plinius die spreekt dat het sap dat van het kruid gedronken is goed emoptoicis, dat is die er bloedspuwen. Alzo genuttigd maakt het sap goed plassen. Tasjeskruid gekookt met wijn en honing en op de verse wonden gelegd heelt ze gelijk.

Item. (3) Tasjeskruid sap is lichtelijk helen bloedige wonden. Item. Dit kruid zijn sap met huislookwortels vermengt in azijn is lessen verhitte leden zoals Sint Anthonies vuur. Item, tasjeskruid met wijn gekookt is goed tegen beten van de venijnige dieren.

(1) Dodonaeus; ‘Gewoonlijk noemt men dit kruid in het Latijn Pastoria bursa of Bursa pastoris en Pera pastoris, in het Hoogduits Seckel of Teschelkraut, in het Nederlands borsekenskruid of teskenskruid.

Herbarius in Dyetsche; (2) Deze kruiden zijn zeer goed tegen hete blaren als erisypelas (dat zijn blaren van vurige kleur) en tegen flegmones (dat zijn blaren of puisten die van heet bloed komen) als tasjeskruid met azijn gestampt en daar op gelegd wordt want het weerstaat de materie die naar de blaren toe zou lopen.

(3) Het is ook een prima medicijn tegen diffenterias (dat is een ziekte die de loop rood maakt met afschaven de darmen. (4) Het zaad van tasjeskruid heelt zeer goed de bloedende wonden, het is ook goed tegen zweren in de oren die met vuiligheid vervuld zijn, het etter dat daar in is droogt het op.

stickwurcz oder raselwurcz lxviii Capi [99]

Brionia grece et latine·

(Die meister spτechen·das dÿses kraut sey von natur heÿþs und ist nit nücz zů essen·(Dÿses kraut vertreÿbet schlangen·und kroten·also·Man sol es legen in das feüwer·und sol es bτaten geleÿch als ein rŭben·und denn also warm zerschneÿden zů stucken·so låþt es von jm einen tampffe und gerauch·Wôlche schlang oder krot den rauch reüchet·die wirt geleczt und stÿrbt zůhant·davon·Oder wo vergifftige thyre sind·wenn sÿ des gewar werden·so beleÿben sÿ nit an der stat. (Der selbig gerauch thůt auch dem menschen wee·er hab denn voτhyn geessen rauten·(Wem sein fŭþ von bôsen blatern verseert wåren·d sÿede dises kraut in wasser·und giesse dann dises wasser ab·und lege das krautte auff die seer also warm·und båe auch den fůþ domit·es heÿlet zůhandt·(Wo man vergifft machec.do ist dises kraut schedlich bey·wann es schadt der vergifft und mÿnderet jr krafft·und wenn es bτÿnnet in dem feüwer das d gerauch die vergifft rŭret·so benymmt er d vergifft alle jr krafft. Geleich als wein der sein krafft verleüret so er über nacht in dem geschÿrτe steen beleybt in einer warmen stuben (Der meyster Platearius spτicht·das bτyonia und eberwurcz ÿegklichs geleÿch vil gebulfert·und das gemüschet mit regenwasser·unnd die frawe das eingenommen·hilffet fast wol auffzůlôsen secundinam·das ist die ander geburt·(Item bτÿonia gebulfert unnd die eingenommen in geyþmilch des abendes und nichcz darauff getruncken·treÿbt auþ dem leÿbe schlangen und kroten·die ettwa lang zeyt in dem menschen geweþt sind. (Item·Nymm der wurczel bτÿonia ein quintin scammoneam als schwår als ein gersten koτn wyget·und müsche die mit schelwuτcze safft·und trincke des anderthalbs quintin=es vertreÿbet dÿe pestilencz·und machet den menschen seer schwÿczen·und dises sol geschehen ee der mensche geschåáfft·und sol auch voτhin ein ader spτengen an den enden do sich die pestilencz erhaben hat·und nach dem schwÿczen so sol er dem leÿb jnnwenig reÿnigen also·nymme dyafenicomis dτeü quintin·Electuarium de succo rosarum·unnd dÿaturbit·yegkliches ein quintin·und müsche das undeτ einand mit ein wenig sauer ampffer wasser·oder eingenommenn mit einer ungesalcznen arbeyþbτŭ·und darauff fasten dτeÿ od vier stund·Dises benymmet alle unflåtigkeit die der getranck gesammlet hat in dem leÿbe·(Und hie ist zů wissen daz kein ercznei gehelffen mag zů der pstilencz·es seÿ dem sach das er den leÿbe reÿnige nach einem pestilencze trancke·[100]

(1) Heggenrank of raaskruid, 68ste kapittel. [99]

Brionia Grieks en Latijn. (Bryonia dioica)

De meesters spreken dat dit kruid is van natuur heet en is niet nuttig te eten. (2) Dit kruid verdrijft slangen en padden·alzo: Men zal het leggen in dat vuur en zal het braden gelijk als een raap en dan alzo warm versnijden in stukken dan laat het van zich een damp en reuk. Welke slang of pad de rook ruikt die wordt gelet en sterft gelijk daarvan. Of waar vergiftige dieren zijn en als ze dit gewaar worden zo blijven ze niet aan de plaats. Dezelfde reuk doet ook de mensen pijn, hij had dan voorheen gegeten ruit. Wie zijn voeten van kwade blaren bezeert zijn die kookt dit kruid in water en giet dan dit water af en leg dat kruid op die zeer alzo warm en baadt ook de voeten daarmee, het heelt gelijk. (4) Waar men vergif maakt daar is dit kruid schadelijk bij want het schaadt het vergif en vermindert zijn kracht en wanneer het brandt in het vuur zodat de reuk dat vergif beroert zo beneemt het dat vergif al zijn kracht. Gelijk zoals wijn die zijn kracht verliest zo het over nacht in de schaal staan blijft in een warme kamer. De meester Platearius spreekt dat Bryonia en stengelloze driedistel van elk gelijk veel gepoederd en dat gemengd met regenwater en de vrouw dat ingenomen helpt erg goed op te lossen (3) secundinam, dat is de andere geboorte. (2) Item, Bryonia gepoederd en die ingenomen in geitenmelk ‘s avonds en niets daarop gedronken drijft uit het lijf slangen en padden die wat lang tijd in de mensen geweest zijn. Item. Neem de wortel van Bryonia een 1,67 gra,, scammonea zo zwaar als een gerstekorrel weegt en meng die met stinkende gouwe sap en drink dat anderhalf maal 1,67 gram, het verdrijft de pest en maakt de mensen zeer zweten en dit zal gebeuren eer de mens slaapt en zal ook daarvoor een ader sprengen aan het eind daar zich de pest verheven heeft en na het zweten zo zal hij het lijf inwendig reinigen alzo: Neem dyafenicomis drie maal 1,67gram, electuarium de succo rosarum en diaturbit, van elk een 1,67 gram, en meng dat onder elkaar met een weinig zuringwater of ingenomen met een ongezouten erwten brei en daarop vasten drie of vier stonden. Dit beneemt alle onzuiverheid die de drank verzameld heeft in het lijf. (5) En hier is te weten dat geen artsenij helpen mag tot de pest, tenzij hij dat lijf reinigt na een pestdrank.[100]

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste van deze twee heet hier te lande witte bryonie naar de Latijnse naam Bryonia alba, in het Grieks Ampelos leuce, op het Latijns Vitis alba, als of men witte wijngaard zei, de naam Ampelos, dat is wijngaard, voert ze omdat ze niet alleen van bladeren op de wijngaard lijkt, maar ook omdat ze bessen voortbrengt die als kleine trosjes druiven bijeen staan.

Herbarius in Dyetsche geeft een heel ander verhaal dan de Gart. Maar die zal dit gewas later nog eens herhalen in kapittel 425. Daar als wilder zytwas. Herbarius in Dyetsche gebruikt de naam wilde zewael.

Bynsaugen lxix Ca

Barotus grece et latine

(Die meister spτechen·das dÿses kraut seÿ heÿsser natur·

Wõlcher mennsch grosse hÿcze het·der neme dises kraut und lege es in eþsich·und schlahe das auff die stat do die hycze ist·es benÿmmt die on zweyfel·(Wem die augen tunckel werden und im feel darinnen wachþen·d zÿehe dises kraut mit d wurczel auþ der erden·und lege es über nacht in wasser eines spτingenden bτunnens·unnd darnach das wasser ab·unnd schweÿsse das kraut in einer pfannen mit baummôle·und lege es also warm über die augen·und thů das dτeÿ nacht·dir wirt baþ·(Hie ist zů wissen·dz ettlich lerer darwider sind·das hÿcze beÿ hÿcze gelegt·die ist ÿemer hÿcze bτingen·als feüer bey feüwer geleget machet das feüwer ÿe grôsser·(Hie ist zů mercken in sunderheÿt und in einer kürcze·das dises wol müglichen ist das ein kraute hÿcze beneme das von natur heÿþ seÿ·geleÿcher weÿse als wenn sich eÿner bτennet an einen finger od sunft an einem gelÿd·wo das ist·haltet er das selbig gebτennet gelÿde zů einem feüwer unnd låsset die hÿcz des feüwers daran geen also das einer das kaumm geleýchen kan·die selbig hýcze des feüwers zeühet jm den bτant auþs und auch den schmerczen·(Item. Wirt einer geleczt mit heyssem wasser oder anderer feüchtunge·haltet er das gelÿd in ein heÿþs wasser oder in heÿssen wein·od legt darauff heyþ ôle als heÿþ er es geleÿden mag·es zeühet die hÿcz auþ und senfftiget den schmerczen·Unnd dÿses ist die meÿnung des wirdigen meisters Galieni·Unnd darumb ist das wol müglich·das dises krautte bÿnsauge hÿcze an sich ziehe·und die hÿcze des gelÿdes dardurch gemÿndert werde·(Item. Plinius spτichet·das dises kraut gestossen und geleget auff den gebτesten herisipila genant·dz ist das rot lauffen oder freüschem an einem gelÿd wo das wåre an einem menschen·es zeüht die hycze darauþ·unnd heÿlet von stunden an·[101]

(1) Bijenzuigen, 69ste kapittel.

Barotus Grieks en Latijn. (Lamium album)

De meesters spreken dat dit kruid is van hete natuur.

Welke mens grote hitte heeft die neemt dit kruid en leg het in azijn en sla dat op de plaats waar de hitte is, het beneemt die zonder twijfel. Wie de ogen donker worden en hem vel daarin groeien die trekt dit kruid met de wortel uit de aarde en leg het over nacht in water van een springende bron en daarna dat water af en zweet dat kruid in een pan met olijvenolie en leg het alzo warm over de ogen en doe dat drie nachten, je wordt beter. Hier is te weten dat ettelijke leraars daartegen zijn dat hitte bij hitte gelegd dat is immer hitte brengen zoals vuur bij vuur gelegd maakt dat vuur steeds groter. Hier is te merken in uitzondering en in het kort dat dit goed mogelijk is dat een kruid hitte beneemt dat van natuur heet is gelijkerwijze zoals zich iemand brandt aan een vinger of ergens aan een lid waar dat is die houdt datzelfde gebrande gelid bij een vuur en laat de hitte van het vuur daaraan gaan alzo dat een dat nauwelijks lijden kan, diezelfde hitte van het vuur trekt hem de brand uit en ook de smarten. Item. Wordt iemand gewond met heet water of andere vochtigheid, hij houdt dat lid in een heet water of in hete wijn of legt daarop hete olie alzo heet als hij lijden mag, het trekt de hitte uit en verzacht de smarten. En dit is de mening van de eerwaardige meester Galenus. En daarom is dat goed mogelijk dat dit kruid bijenzuigen hitte aan zich trekt en de hitte van de leden daardoor verminderd wordt. Item. Plinius spreekt dat dit kruid gestoten en gelegd op het gebrek herisipila genaamd, dat is de rodeloop, of brandende zeren aan een gelid waar dat is aan een mens, het trekt de hitte daaruit en heelt van stonden aan. [101]

Bynsaugen is ook een naam voor Melittis melissophylum, maar die werd vrijwel geheel met Lamium vermengd. De afbeelding laat een witte bloem zien met tegenoverstaande bladeren, zoals Lamium album, maar die zien we in kapittel 411 als een dove netel, waarschijnlijk werd Lamium album wel apart gezien. Ook een naam voor Melissa, die zien we in kapittel 250.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze kruiden worden gewoonlijk in het Nederduits dove netels genoemd, in het Hoogduits Tode Nessel en Taube Nessel, in het Spaans hortiga muerta, in het Italiaans ortica morta, in het Frans ortie morte, in het Latijn noemt men ze ook Urtica iners en Urtica mortua. Dan Plinius zegt dat die soort van netels die niet branden of heet is Lamium genoemd wordt’.  (1) Dan de onderste eindjes van de helmgewijze bloemen van de dove netels plegen van de kinderen gezogen te worden om de honingzoete vochtigheid die daar in is (die men in het onderste van veel ander bloemen ook vindt) die nochtans deze bloemen met een onnodige kinderlijke vrees schromen te plukken omdat ze denken dat deze netels de hete netels in het steken of branden omdat ze in de uitwendige gedaante gelijk zijn.

Benesuge en Bensuge in midden Noord Duits, Binesuga en Binisuga in oud Hoogduits.

Buchszbaum lxx Ca

Buxus latine·

(Die meister spτechen gemeynigklich·dz dises seÿ heyþ an dem vierden grad·und feücht an dem anfang des dτiten grads·(Bartholomeus anglicus de pτopτietatibus rerum·spτicht·das buchþbaum ist von kalter und feüchter natur. (Diser baum ist wynter und summer grŭn·und hat einen starcken gerauch·(Wenn dýe schlangen sich verwundet haben so essen sÿ do auch der wurczeln von dem buchþbaum·so werden sÿ widerumb gesundt·(Der meister Diascoτides spτicht·das buchþbaum bletter gedôτret unnd auch wol gebulferet unnd das ein…. men mit lafendel wasser·benymmet maniam·daz ist die hÿrnwŭtigkeit·(Item·Kein mensch sol růwen oder schlaffen under dem buchþbaum·wann dÿ natur widersteet dem gerauch·und wirt davon die vernunfftt gemÿndert·(Platearius spτichet·das buchþbaumen holcz sej gar gůt und sunderliche tugent in jm habe·wann es ist getemperiert in den vier zůsaczungen·in geleÿcher masse·(Wôlcher keüscheÿt begert·der mache dar auþ pater noster und lôffel·und messerhefft·und trag die beÿ jm es benÿmmt jm bôse gelüste·und machet jn keüsch·(Buchþbaume treÿbet auþ den teüfel daz er nit stat haben mag in dem hauþ·Und darumb låþt man es gemeinigklich weÿhen auff den balmtag an vil enden mer dann ander kraut. (Item buchþbaum geschaben und in reÿnem wasser gesotten·davon genüczet ist… den fluþ der stůlgång…. buchþbaume gesoten in laugen·ist das domit gewåschen geýlmachen·Diascoτides·

(1) Buksboom, 70ste kapittel.

Buxus Latijn. (Buxus sempervirens)

De meesters spreken algemeen dat dit is heet aan de vierde graad en vochtig aan de aanvang van de derde graad. Bartholomeus Anglicus de proprietatibus rerum spreekt das buksboom is van koude en vochtige natuur. Deze boom is winter en zomergroen en heeft een sterke reuk. (6) Als de slangen zich gewond hebben dan eten ze zo ook van de wortels van de buksboom en zo worden ze wederom gezond. (2) De meester Dioscorides spreekt dat buksboombladeren gedroogd en ook goed gepoederd en dat ingenomen met lavendelwater beneemt mania, dat is de hersendolheid. Item. (3) Geen mens zal rusten of slapen onder de buksboom want je natuur tegenstaat de reuk en wordt daarvan dat verstand verminderd. Platearius spreekt dat buksbomenhout is erg goed en uitzonderlijke deugd in zich heeft want het is getemperd in de vier toevoegingen in gelijke maat. (4) Wie kuisheid begeert die maakt daaruit rozenkransen, lepels en mesheften en draagt die bij zich, het beneemt hem kwade lusten en maakt hem kuis. (5) Buksboom drijft uit de duivel dat hij niet plaats hebben mag in het huis. En daarom laat men het gewoonlijk wijden op Palmzondag op veel einden en meer dan ander kruid. Item buksboom geschaafd en in rein water gekookt en daarvan genuttigd is… de vloed der stoelgang…. buksboom gekookt in loog is dat daarmee gewassen geil (sap) maken. Dioscorides.

(1) Dodonaeus; ‘Dit geboomte wordt in het Grieks Pyxos en in het Latijn Buxus genoemd, in het Nederduits bucksboom of zoals de gewone man dat kwalijk noemt palmboom, in het Hoogduits Buchszbaum of Bucxbaum’.

Dodonaeus; ‘(2) Nochtans heeft de buksboom in de medicijnen geen gebruik en van zijn werking wordt bij de ouders of andere goed ervaren en verstandige meesters niets bijzonders beschreven gevonden. (3) Want buksboom is niet allen ingenomen voor de hersens kwaad, maar zelfs de vruchten er van, die nochtans niet zeer sterk ruiken, zijn schadelijk, zwaar en moeilijk voor het hoofd en hersens als men ze dikwijls ruikt of voor de neus houdt.. En om dezelfde reden, al diegene die zeggen dat die honig nuttig is tegen de vallende ziekte zijn bedrogen, (3) want men bevindt dat die onder de buksbomen slapen krankzinnig worden of immers daarvan enig letsel in hun verstand behouden zodat ze ook in dwaling zijn die deze bladeren drogen en het poeder daarvan met lavendelwater te drinken geven diegene die los van hoofd zijn of met een lange krankzinnigheid gekweld zijn. Andere koken het schaafsel van dit hout in wijn en drinken dat tegen de onmatige loop of stoelgang. (5) Anderen willen daarmee alle onreine geesten verdrijven en daarom, zeggen ze, worden de takken daarvan in de palmzondagen met andere kruiden omgedragen.

(4) Anderen maken rozenkransen, lepels en hechten tot hun messen van dit hout en dragen die bij zich en geloven dat ze daardoor kuiser leven zullen en vrijer van alle vleselijke lusten.

(6) Als de slangen gekwetst of gewond zijn eten ze de wortel van palmboom, te weten haar weekste vezels en dan worden ze wederom gezond, zo men zegt.

Behem ein wurcz also genant lxxi Capitel

Behem vel lienten arabice·grece·et latine behem·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Behem·spτicht·das diser wurczelen gestalt sind zweÿer handt·rot und weÿþs·(Dise wurczeln bτinget man auþ armenie·unnd haben gůten gerauch·(Avicenna [102, verder op pagina 114] in dem andern bůch in dem capitel behem spτicht dz dise wurczeln sind heÿþ und feücht in dem andern grade·diþ bewert auch serapio·(Dise wurczeln stercken das hercz und benemen des herczen zÿttern und meren materiaz spermaticaz das ist mannes samen spτicht Serapio·(Dise wurczel sol auch genüczet werden zů stercken des menschen natur·und die rote dienet den mannen·die weiþ den fraüwen·(Diser wurczel kreütter wachsen vil gienset dem môτe das krant bτaucht mann nit zů arczneÿe·dise wurczel dienet fast wol für dÿe melancoly und bτinget lust·diþs sind die besten die dicht sind und nit lôchericht·Diþs wurczelen mag man halten zwei jar unversert an jrer natur·auch ist zů wissen das ein same ist genannt ben der gar vil tugent an jme hat in der årczneÿ·der kommet von einen baum der geleichet den ginsten·Dyser baum hat frucht ist geleich den haselnüþ·und wechset in dem landen ethiopia in egipten in jndian und dem lande palesten·Von disem baum und frücht lese avicenna in seinem andern bůch in dem capitel ben·Des geleichen Pandectam in dem capitel balanus do findest du manich hübsche tugent·Von disem samen machet man ôle daz dienet fast wol dem befleckten antlicz mit bôsem unstat der ausseczigkeit. (Diser same dienet wol für dz verhert milcz davon getruncken ståtigs. (Ben ist warm an dem dritten grade und trucken an dem zweiten grade.

(1) Avond- en dag koekoeksbloem, een kruid alzo genaamd, 71ste kapittel

Behem vel lienten Arabisch. Grieks en Latijn behem. (Silene vulgaris)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Behem spreekt dat deze wortels gesteld zijn tweevormig, rood en wit. Deze wortels brengt men uit Armenië en hebben goede reuk. Avicenna (102, verder op pagina 114] in het andere boek in het kapittel behem spreekt dat deze wortels zijn heet en vochtig in de andere graad, dit beweert ook Serapio. Deze wortels versterken dat hart en benemen het hart sidderen en vermeerderen materiam spermaticam, dat is mannen zaden spreekt Serapio. Deze wortel zal ook genuttigd worden om te versterken de mensen natuur en de rode dient de mannen en de witte de vrouwen. Deze wortelkruiden groeien veel grenzend aan de zee, dat kruid gebruikt men niet in de artsenij, deze wortel dient erg goed voor de melancholie en brengt lust, dit zijn de beste die dicht zijn en niet met gaten. Deze wortels mag men houden twee jaar ongedeerd aan hun natuur, ook is het te weten dat een zaad is genaamd ‘ben’ die erg veel deugd aan hem heeft in de artsenij die komt van een boom die lijkt op de brem. (2) (Moringa oleifera) Deze boom heeft vruchten die is gelijk de hazelnoot en groeit in het land Ethiopië, in Egypte, in India en het land Palestina. Van deze boom en vrucht lees Avicenna in zijn andere boek in het kapittel ben. Desgelijks Pandecta in het kapittel balanus, daar vind je veel mooie deugd. Van deze zaden maakt men olie dat dient erg goed het bevlekte aangezicht met kwade uitslag van huiduitslag. Deze zaden dienen goed voor de verharde milt, daarvan gedronken steeds. Ben is warm aan de derde graad en droog aan de tweede graad.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit gewas in het Latijn Beën album, dat is in onze taal wit Beën, de toenaam albus, dat is wit, is er bijgevoegd opdat met het onderscheiden zou van het rode Beën dat gewoonlijk Valeriana rubra of rode valeriaan genoemd wordt’.

Frans behen, van Arabisch behmen, Engelse ben of white ben.

Moringa oleifera, Moringa is de Malabar naam van de plant, morunga.

Dodonaeus; ‘‘Ben is de vrucht van een boom die op Tamarix boom lijkt, zegt Dioscorides, zo groot als een hazelnoot en wiens kern gestoten of geduwd wordt zoals amandels en een vochtigheid van zich geeft die Elaeon Balaninon en in het Latijn Oleum Balanium of Oleum de Ben heet en gebruikt wordt bij de kostbare zalven.

braunellen lxxii capi

BRunella latine et grece·

(Die meÿster spτechen dz diþ kraut sey heyþ und trucken ann dem dτitten grade·(Der meister Isaac spτicht das der safft von disem krautte gemüschet mit rosen wasser und auf dz haubt gelegt vertreibt das wee darjnne·(Ypocras d spτicht dz d safft von disem kraut gemüschet mit wein und den getruncken benymmet dem gifftigen bisch von einem gifftigen thier·(Diascoτides diþ krautt gesotten und gemüschet mit mandeln ôle unnd des safftes vonn (g) [115] granat ôpffel und das genüczet benÿmmec den hůsten der do kommet von hicze·(Item bτunella vertreÿbet dÿ růre oder den schlag und sentiget den magen das gesotten mit eþsig und das geessen·(Item bτaunellen getemperieret mit gersten mel senfftigett die hicz in den augen dar umbe gestrichen·(Das selb also getemperieret vertreibt das weethůmb in dem hals·(Die wurczel gestossen heÿlet auch des tharantes bÿsch dar auff gestrichen·

(Die wurczel mit gersten mell getemperiert vertreibet das heÿlig feüwer·(Der safft mit rosen ôle und mit eþsig temperiert und das siech haubt gestrichen benymmet das wee da von·(Dz kraut gestossen mit eþsig und dar under gemüschet bleÿ weiþ und an die stat gestrichen do hicz ist benÿmmat die. (Item diþ kraut gemüschet mit andern gůten kreüteru und diþ geessen treibet auþe bôse feüchtung durch dem stůlgang·(Von disem kraut wasser distilliert benÿmmet alles wetům in dem munde·und sunderlichen die feüle oder bτaune in dem halþ do mit gegoτgelt unnd auþ gespeyet·oder den mund do mit gewåschen·

(1) Brunel, 72ste kapittel

Brunella Latijn en Grieks. (Prunella vulgaris)

De meesters spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad. De meester Isaac spreekt dat het sap van dit kruid gemengd met rozenwater en op het hoofd gelegd verdrijft de pijn daarin. Hippocrates die spreekt dat het sap van dit kruid gemengd met wijn en dan gedronken beneemt de giftige beet van een vergiftig dier. (2) Dioscorides, dit kruid gekookt en gemengd met amandelolie en dat sap van [115] granaatappel en dat genuttigd beneemt het hoesten dat je komt van hitte. Item, brunel verdrijft de roer of de slag en verzacht de maag, dat gekookt met azijn en dat gegeten. Item, brunel getemperd met gerstemeel verzacht de hitte in de ogen, daarom gestreken. (3) Datzelfde alzo getemperd verdrijft de pijn in de hals. De wortel gestoten heelt ook de tarantella beet, daarop gestreken.

De wortel met gerstemeel getemperd verdrijft dat heilig vuur. Het sap met rozenolie en met azijn getemperd en dat zieke hoofd gestreken beneemt de pijn daarvan. Dat kruid gestoten met azijn en daaronder gemengd loodwit en aan de plaats gestreken daar hitte is beneemt die. Item, dit kruid gemengd met andere goede kruiden en dit gegeten drijft uit boze vochtigheid door de stoelgang. (3) Van dit kruid water gedistilleerd beneemt alle pijn in de mond en vooral die vuile of (1) braune in de hals, daarmee gegorgeld en uitgespuwd of de mond daarmee gewassen.

 (1) Dodonaeus; ‘‘Men noemt dit kruid tegenwoordig op het Latijns Brunella en Prunella, op het Hoogduits Braunellen, op het Nederduits bruynelle. De kruidbeschrijvers komen met elkaar niet goed overeen hoe men dit kruid zou mogen noemen, want sommige noemen het Prunella naar de gedaante van de pruimbladeren. Andere zeggen dat het bruynelle heet omdat het de bruyn geneest al of men zei bruyn helend kruid, ander zeggen dat het bruynelle heet als bruyn-heylighe (Mentha) waarmee ze wat overeenkomst schijnt te hebben. (3) Bruinelle wordt ook zeer goed gehouden tegen de zweren en andere gebreken van de mond en is zeer goed tegen de ziekte van de tong die men gewoonlijk de bruyn noemt, dat is als de tong ontsteekt, zwart, ruw en droog wordt en zeer dik opzwelt

eyn geavats blům

lxxiii Capitel

Balaustia latine·grece balaustion·arabice lulitiar·

(Die meister spτechen das balaustia seÿ ein blůme von einem granat apffel·dise blůmen werden also gesamlet·So diser baume frucht bτinget so werden dÿe blůmen eÿn teyl feüccht und fallen von den baumen·dise blůmen werden gedoτrret und die werentt zweÿ jare unversert an jrer kraffte·Item die schaln von der granat ôpffeln habenn die selbigen tugent die do haben die blůmen. (Item die blůmen sind auch zů stucken gůtt dar zů dann gůtt ist bolus armenus·(Serapio [116, verder op pagina 102] spτicht das dise blůmen sind czů vil sachen gůt und benemen auch des magen auff stossen·(Die blûmen sind auch gût genuczet tenasmom das ist ein krangkeit das einer groþ glust hat zů dem stůlgang und mag doch nit schaffen·der selbige sol von disenn blůmen trincken er genÿset·

(Wôlicher vil auff stossen hett vor dem magen der neme auch der blůmen und der rÿnden von dem granat apffel und stoþ die und seüde sie in eþsig und nÿmme auch ein schwam und mache dem naþ mit dem essig und lege dem auch auff die bτuste er genÿset onn zweyfel·(Der meister avicenna spτichet das die blůmen auch gar gůt seÿen den zenenn die in dem munde gekeüwet und benÿmmet auch das blůdtente zanfleische·(Item die blûme gebulvert heilet auch alt schaden das dar auff gestreüwet·(Item die blůmen machen auch gar gût starck zene und stercken die wagenden zene die blûmen in dem munde gehalten·(In dem bůch circa instans beschreiben uns auch dÿe meister und spτechen das mann auch gar wol müge nemen für den bolum armenum balaustiaz gebulvert·(Aber dises ist ach zů wissen und ist auch der meister meÿnunge das in der arczneÿ nit sol genomen werden eins für das ander·es wåre dann sache das man es auch nÿndert finden môchte·wann gar selten und auch ein wenig krautes od specereÿen an jme hat ein natur geleich dem andern·wan es hat auch alle wegen etwas meer oder mÿnder in seiner natur·(Darumb habe auffmerckung wan du wilt quid pτo seczen ob du do mit auch mügest die arczneÿ in der krafft behalten und dz die auch ir wirdigckeit habe dar czů du sÿ wilt bτauchen·(Diascoτides balaustia ist auch gar kaltte und trucken in dem zweÿten grade·Dise blůmen beleÿbenn auch zweÿ jar unverseret an jrer kraffte·Sie haben auch deie machte zů stercken und zů stopffen dÿe stůlgeng·Und auch wider das bτechen das do kommet von d gallen·Ným balaustien und granatrÿnden gesotten in essig und auff den magen gelegt es hilffet gar wol. Platearius·(gii) [103]

Een granaatbloem.

73ste kapittel.

(1) Balaustia Latijn. Grieks balaustion. Arabisch lulitiar. (Punica granatum)

De meesters spreken dat balaustia is een bloem van een granaatappel, deze bloemen worden alzo verzameld: Zo deze boomvrucht brengt zo worden de bloemen een deel vochtig en vallen van de bomen, deze bloemen worden gedroogd en die blijven twee jaar ongedeerd aan hun krachten. Item, de schalen van de granaatappels hebben dezelfde deugd die hebben de bloemen. Item, de bloemen zijn in stukken goed daartoe dan goed is bolus armenus. Serapio [116, verder op pagina 102] spreekt dat deze bloemen zijn tot veel zaken goed en benemen ook de magen uitstoten. De bloemen zijn ook goed genuttigd tenasmom, das is een ziekte dat iemand grote lust heeft tot de stoelgang en mag het toch niet doen, diezelfde zal van deze bloemen drinken, hij geneest.

Welke veel uitstoten heeft voor de maag die neemt ook de bloemen en de bast van de granaatappel en stoot die en kook ze in azijn en neem ook een zwam en maak die nat met de azijn en leg die ook op de borst, hij geneest zonder twijfel. De meester Avicenna spreekt dat de bloemen ook erg goed zijn de tanden, die in de mond gekauwd, en beneemt ook dat bloedende tandvlees. Item, de bloemen gepoederd helen ook oude schade, dat daarop gestrooid. (2) Item, de bloemen maken ook erg goed sterke tanden en versterken de waggelende tanden, de bloemen in de mond gehouden. In het boek Circa instans beschrijven ons ook de meesters en spreken dat men ook erg goed mag nemen voor de bolum armenum granaatbloemen poeder. Maar dit is ook te weten en is ook de meesters mening dat in de artsenij niet zal genomen worden de ene voor de andere, het is dan zaak dat men het ook nergens vinden kon want erg zelden en ook een weinig kruiden of specerijen aan hen hebben een natuur gelijk de andere want het heeft ook altijd iets meer of minder in zijn natuur. Daarom heb ik opmerking als u wil quid pro zetten of u daarmee ook mag de artsenij in de kracht behouden en dat die ook haar waardigheid heeft daartoe u ze wil gebruiken. Dioscorides, balaustia is ook erg koud en droog in de tweede graad. Deze bloemen blijven ook twee jaar onveranderd aan hun kracht. Ze hebben ook de macht te versterken en te stoppen de stoelgang. En ook tegen dat braken dat je komt van de gal: Neem balaustien en granaatbast gekookt in azijn en op de maag gelegd, het helpt erg goed. Platearius. [103]

Dit is een apart kapittel van granaatbloemen, de granaat zelf komt in kapittel 206.

(1) Dodonaeus; ‘De bloem van de wilde of onvruchtbare granaten heet in het Grieks Balaustion en in de apotheken ook Balaustion’.

Dodonaeus;. (2) Dan daarboven zijn ze ook goed om de loterende of losse tanden vast te laten staan en genezen de zwakheid, vochtigheid of andere gebreken van het tandvlees als men de mond spoelt en het tandvlees wast met het water daar ze in gekookt zijn.

hagendorn lxxiiii ca

Bedugar vel bemedato arabice grece acantis leuce spina alba·

(Serapion in dem bůch aggregatoτis in dem capitel bemedato spτicht das diþ habe bletter geleÿch den weÿssen disteln·die bletter sind doτnecht. Dÿse doτn haben blûmen die haben ein purpuren farbe·Der same geleichet dem wilden saffran·(Plinius in seinem herbario in dem capitel Acantis leuce spτicht das diser hagendoτn seÿ kalt in dem ersten grade unnd mittelmessig an der feüchtunge und truckenheÿt. (Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Bedugar spτichet das in der wurczeln seÿ keltunge und truckene·In dem samen ist hicz und auch subtilunge·Dise tugent ist resolvieren unnd auff thůn verstopffunge des milczes und leber·(Diascoτides von der wurczel getruncken ist gůtt emeptoicis das sind die do blůt speÿen·und machet wol harmen·(Von disem samen getruncken benÿmmett den jungen die lemde an henden und an fūôsen·Wõlcher disen samen beÿ jm treget der darff nit soτgen das jm schaden czů fŭgen mügen vergifftig thier·(Galienus von disem samen getruncken ist gůt spasmatisantibus das ist den der kramp zeühet an den glidern·(Von disem bedugar lese in Pandecta das·xcv·capitel daz an hebt bemedato findest du vil hübscher und bewerter tugent· [104]

Hondsroos, 74ste kapittel.

Bedugar vel bemedato Arabisch. Grieks acantis leuce spina alba. (Rosa canina)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel bemedato spreekt dat deze heeft bladeren gelijk de witte distels, die bladeren zijn doornachtig. Deze dorens hebben bloemen die hebben een purperen verf. Het zaad lijkt op de wilde saffraan. Plinius in zijn herbaria in het kapittel Acantis leuce spreekt dat deze roos koud is in de eerste graad en middelmatig aan de vochtigheid en droogheid. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Bedugar spreekt dat in de wortels is verkoeling en droogte. In de zaden is hitte en ook subtielheid. Deze deugd is oplossen en opendoen verstoppingen van de milt en lever. Dioscorides, van de wortel gedronken is goed emeptoicis, dat zijn die er bloedspuwen, en maakt goed plassen. Van deze zaden gedronken beneemt de jongen de verlamming aan handen en aan voeten. Wie deze zaden bij hem draagt die durft niet bezorgen dat hem schaden toevoegen mogen vergiftige dieren. Galenus, van deze zaden gedronken is goed spasmatisantibus, dat zijn die er de kramp trekt aan de leden. Van deze bedugar lees in Pandecta dat 95ste kapittel dat aanheft bemedato vind je veel leuke en beweerde deugd. [104]


(1) Dodonaeus; ‘De wilde rozen die zo in Brabant heten worden ook in Hoogduitsland Wilde Rosen en Heckrosen genoemd, in het Latijn Rosa silvestris. Plinius heeft het in het 8ste en 25ste boek op het Grieks Kynorodos en Kynoroda genoemd, dat is op het Latijns Rosa canina, als of men hondsroos zei, andere noemen het ook Canina sentis.

balsambaum lxxv ca

Balsamus latine et grece·arabice vero Jeleschem vel Jesse·

(In dem bůch Pandecta in dem ccc·und·lxxiij·capitel genant Jelessem findest du das balsamus ist geheissen der bauz balsami·und balsamum ist geheissen das ôle oder das gumme von dem balsam·(Hie ist zů wissen das das ôle von dem balsam nit ist ein ware ôle·und das bewert mann in vil exempel·zů dem ersten der ursachen halbenn das er meer annhangtt an den wunden dann ander ôle·unnd geleicher weise anhanget als ein dick pflaster·

(Item balsam ist gar leichtlich abe zů wåschen von einem tůch meer dan ander ôle·(Diascoτides spτicht das balsam ein tropffen in wasser gewoτffen fellett zů grunde und dissolvieret siche darjnne und machet das wasser weiþ·und darumb heÿsset den diascoτides lacrimum und nit oleum. Unnd spτichet auch das die tropffen von balsam geleichent milch·(Item es ist zů wissenn das dτeÿ namen sind in grexum die uns die meister beschriben von denn hernach gesaget wirt und vonn ÿegklichez ettwas in sunderheit. Das erste ist geheissen opobalsamum das ist der safft von dem balsam·das ander ist geheissen xilobalsamun das ist das holcz von balsamus das dτitte ist geheissen carpobalsamum und das ist die frucht von balsamus·(In dem bůche genant circa instans in dem capitel balsamus steet geschriben das der baum nit hôher wachs dan zweyer arm hoch unnd der baum wechst beÿ babilonien in dem felde in dem entspτingen sÿben bτunnen unnd wechst sunft an keinen andern ende·unnd wo man dise baume anderþwo hin bτiinget oder pflanczet do bτingen sie wider blůmen noch frucht·In dem summer so beschneÿden die leüte in dem selbigen lande die este und hencken dar ann gleser darjnne fallent tropffen und also wirt gesamelt der balsams safft·und das geschicht in dem huncztagen·darnach nemen sie dÿe abgeschniten zweigelin von dez baum und dürren die und das heissett xilobalsamum·

Darnache gegen dem herbst nemen sie abe die frucht von dem baum und die werent vier jare·darnach hebent sÿe zů faulen·Dise frucht ist alle zeit besser frisch dan alt·und so sÿ deicht ist und nit lôchricht·und die lochericht hat kein krafft sunder die krafft sich darjnne verzeret hat·das holcz von balsaz weret zweÿ jar·darnach hat es keinn krafft me·Und darumb magest dn dises erkennen ob es frisch seÿ also·Nÿm das holcze und bτiche es ist ein wenig saftig so ist es gůt·Ist aber lôchericht und vil mele dar auþ geet dz sol nit mee gůt sein·(Item dye frucht von balsam und das holcze davon ist von natur hiczigen und stercken·Unnd der safft von des balsams baum ist vil stercker wann die ober zweÿ·und der (g·iij) [105] ist heiþ und trucken an dem andern grade·und darumb das der safft von balsam fast dür unnd kostlich ist und hart zů überkommen wirt er in vil wege gefelschet·und die leütte dar durch auch verwert werden er sÿ gůt und gerecht das doch nicht ist·Wie er aber gefelschet wirt beschreibenn uns die meister in vil weg dÿe und hie nit alle erzålt werdenn umb der kürcz willen·(Die meister spτechen das etliche wolriechende kreütter vermüschen in den terpentin und verkauffen dem für balsam·etlich vermüschen terpentin mit oleo nardino·(Itez etlich vermüschen dem terpentin mit ein wenig balsams so reüchet er geleich als balsam.

(Der meÿster Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel Balsamus spτicht daz daz holcze von balsam seÿ heiþ und trucken an dem andern grade·(Die frucht von balsam ist ein wenig heiser dan das holcz·(Der safft ist heisser und me truckner nature·wan das holcz oder die fruchte·(Der meister Plinius in dem capitel balsamus spτicht das d ware balsam groþ tugent an jm habe und wôlicher des in der hant hatt dem geet er durch die hant·(Diascoτides spτicht das balsaz ein scropell das ist so vil alþ zwenczig gersten kôτner wegen in ein maþ weines gethon und dem über nacht lassen steen·diser weine wermet alle jnnerliche glid·und ist sunderlich gůtt den frauwen wann der reiniget jnen die můtter und treibet auþ dÿe todten geburtt und bτinget frauwen feüchtigkeit genant menstruum. (Item mitt baumôlenn balsam jn getruncken und ein pessariuz gemacht und die frauwe des genommen in jre schemde bτinget ir zeit die zehen oder zwôlff iare d enboτen hatt·Pessarium ist eine weiche eins fingers lang geleiche einem zapffen den bτauchen die frauwen in irer schåmde und die man nit·Aber zepfflin die do stůlgang bτingen bτauchen dÿe frauwen und die man hindenn zům affter ein·(Item balsam safft gestrichen under den nabel benÿmmet stranguriam und dissuriam des ist der kalt seich·

(Item wôliche suchte von kelte kommet mag man mit balsaz widerumb bτingen·Wôlicher einen kalten magen hatt d nemdes balsams safft dτeÿ oder vier tropffen unnd trincke die mit einem trunck weins es hilffet on zweiffel. (Wer sich auþwendig an dem leÿb streichet mit balsam der wirt ausseczig·Von allen haubtwee die do kommen von kelte benÿmmet balsam den an dÿe stÿrn gestrichen·(Item wôlicher ein lÿnenzeichen hette von eÿner wunden der streiche balsam dar auff und lege als bτeit wachþ dar auff als das lÿnczeichen iste unnd thů daz zehen tage so wirt ein haut der andern geleiche·

(Für die febτes quartane genante solt du trincken Balsam vier oder fünffe tropffen mitt wein dτeÿ moτgen nach einander also [106] das der leip voτhin gepurgieret seÿ es vergeet zů stundt·Wer dz sausen in den oτen hett der distiliert ein tropffen oder zwen balsams dar jnn es vergeet da von·(Die todten leichnam domit gesalbet behelt die unverzeret·

(Serapio spτicht das der safftt von balsam fast subtÿl seÿ in seÿner tugent und ist warm unnd trücken machen an dem andern grad·(Balsam mit milch getruncken nymmet vergiffte in den leibe·(Balsam ist gůt epilenticis als die dem fallenden siechtagen haben·und auch sunderlichen den die fast keichen auþwendid auff die brust geschmieret·(Die meister spτechen das das holcze von balsam gůtt seÿ den frauwen unden auff mit gereüchet wann es stillet die unrůwe der můter und reÿniget sÿe·(Balsam benymmet das wee der lungen des getrucken mit wein·(Wer geneÿget ist zů dem krampff an wôllchen enden das am leÿbe seÿ der streich balsam do selbest hin der krampff verlasset jne·(Item für die lamen gelÿder und sunderlichen in den gewerben streich balsam do hin er benÿmmec auch ie lemde und erwürmet auch das geblŭdte und stercket die adern. (Balsam ist auch fast gůt peripleumoniacis das ist auch eyn geswere auff der lungen aussenn dar an gestrichen unnd das hin ein getruncken mit wein·(Item balsam gestrichen auff dÿe frŭschen wunden heÿlet auch in einez tage meer wann ander salben in vierzehen tagen·(Balsam behŭtt auch den leÿp voτ bôsez gerauch des zů vierwochen einþs ein wenig ein gemommen als vil alþs ein scorppel weget das isde zwenczig gersten kôτner schwere·(Unnd behŭtet auch den menschen voτ alle zůfellige kranckheÿt also das er nit jnneerlichen faulen mag·(Er behŭtet auch den menscchen voτ ausseczigkeÿt und darumb findet man keinen ausseczigen menschen in deτ selbigen lande do er wechset·

(Item wer balsam nüczet in d zeÿt so die pestilencze regnieret dem ist soτgklicher·der ursachen halben das er fast sere hicziget·wan dat geblŭdte wirt czů geÿle und hiczig und môcht balde der gebτest davon etzündett werden·(giiij) [107]

(10 Balsemboom, 75ste kapittel.

Balsamus Latijn en Grieks. Arabisch vero Jeleschem vel Jesse. (Commiphora gileadensis, vroeger Commiphora opobalsamum)

In het boek Pandecta in het 300 en 73ste kapittel genaamd Jelessem vind je dat Balsamus is geheten de boom Balsami en balsamum is geheten de olie of de gom van de balsem. Hier is te weten dat de olie van de balsem niet is een echte olie en dat beweert men in veel voorbeelden, ten eerste, vanwege de oorzaak dat het meer aanhangt aan de wonden dan ander oliën en gelijkerwijze aanhangt als een dikke pleister.

Item, balsem is erg licht af te wassen van een doek en meer dan ander oliën. Dioscorides spreekt dat balsem een drupje in water geworpen valt op de grond en lost zich daarin op en maakt dat water wit en daarom noemt dan Dioscorides het lacrimum en niet oleum. En spreekt ook dat dropje van balsem lijkt op melk. Item, het is te weten dat er drie namen zijn in Grieks die ons de meesters beschrijven waarvan dan hierna gezegd wordt en van ieder wat apart. De eerste is geheten opobalsamum, dat is het sap van de balsem, dat andere is geheten xilobalsamun, dat is dat hout van balsamus, de derde is geheten carpobalsamum en dat is de vrucht van balsamus. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel balsamus staat geschreven dat de boom niet hoger groeit dan twee armen hoog en de boom groeit bij Babylonië in het veld en in hem ontspringen zeven bronnen en groeit verder op geen andere plaats en waar men deze boom ergens anders heen brengt of plant daar brengt ze geen bloemen noch vrucht. In de zomer zo besnijden de mensen in hetzelfde land de basten en hangen daaraan glazen daarin vallen de druppels en alzo wordt verzameld het balsemsap en dat gebeurt in de hondsdagen, daarna nemen ze de afgesneden twijgen van deze boom en drogen die en dat heet xilobalsamum.

Daarna tegen de herfst nemen ze af de vruchten van de boom en die blijven goed vier jaar, daarna beginnen ze te vervuilen. Deze vrucht is alle tijd beter vers dan oud en zo ze dicht is en niet met gaten en die met gaten heeft geen kracht vooral omdat die kracht zich daarin verteerd heeft, dat hout van balsem duurt twee jaar, daarna heeft het geen kracht meer. En daarom mag je dan dit herkennen of het vers is alzo: Neem dat hout en breek het en is het een weinig sappig dan is het goed. Is het echter met gaten en veel meel daaruit gaat, dat zal het niet meer goed zijn. Item, de vrucht van balsem en dat hout daarvan is van natuur verhitten en versterken. En het sap van de balsemboom is veel sterker dan de bovenste twee en dat [105] is heet en droog aan de andere graad en daarom dat het sap van balsem erg duur en kostbaar is en slecht is te overkomen en wordt het in veel wegen vervalst en de mensen daardoor ook verward worden of het goed en echt is dat toch niet is. Hoe het echter vervalst wordt beschrijven ons de meesters in veel wegen die hier niet alle verteld worden vanwege kortheid wille. De meesters spreken dat ettelijke goedruikende kruiden vermengd worden in de terpentijn en verkopen die voor balsem, ettelijke vermengd met terpentijn met oleo nardino. Item, ettelijke vermengen de terpentijn met een weinig balsem dan ruikt het gelijk als balsem.

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel balsamus spreekt dat dit hout van balsem is heet en droog aan de andere graad. De vrucht van balsem is een weinig heter dan dat hout. Het sap is heter en meer droger natuur dan dat hout of de vrucht. De meester Plinius in het kapittel balsamus spreekt dat de ware balsem grote deugd aan hem heeft en wie dat in de hand heeft die gaat het door de hand. (2) Dioscorides spreekt dat balsem een scrupel, dat is zo veel als twintig gerstekorrels wegen, in een maat wijn gedaan en die over nacht laten staan, deze wijn verwarmt alle innerlijke leden en is vooral goed de vrouwen want het reinigt bij hen de baarmoeder en drijft uit de dode geboorte en brengt vrouwen vochtigheid, genaamd menstruatie. Item, met olijvenolie balsem ingedronken en een pessarium gemaakt en die vrouw dat genomen in haar schaamte brengt haar tijd die tien of twaalf jaar verborgen was. Pessarium is een doek van een vinger lang gelijk een pen en die gebruiken de vrouwen in hun schaamte en de mannen niet. Maar pennen die de stoelgang brengen gebruiken de vrouwen en de mannen achter tot het achtereind. Item, balsemsap gestreken onder de navel beneemt stranguriam en dysurie, dat is de koude plas.

Item, welke ziektes van koudheid komen mogen, men met balsem wederom brengen. Wie een koude maag heeft die neemt balsemsap drie of vier druppels en drink die met een dronk wijn, het helpt zonder twijfel. Wie zich uitwendig aan het lijf strijkt met balsem die krijgt huiduitslag. Van alle hoofdpijn die je komen van koudheid beneemt dat balsem, dan aan het voorhoofd gestreken. Item, wie een litteken heeft van een wond, die strijkt balsem daarop en leg even breed was daarop als dat litteken is en doe dat tien dagen zo wordt de ene huid het andere gelijk.

Voor de vierdaagse malariakoorts genaamd zal u drinken balsem vier of vijf druppels met wijn drie morgens na elkaar alzo [106] dat het lijf daarvoor gepurgeerd is, het vergaat gelijk. Wie dat suizen in de oren heef die distilleert een drupje of twee balsem daarin, het vergaat daarvan. De dode lichamen gezalfd behoudt die onverteerd.

Serapio spreekt dat het sap van balsem erg subtiel is in zijn deugd en is warm en droog maken aan de andere graad. Balsem met melk gedronken neemt vergif in het lijf. Balsem is goed epilenticis zoals die de vallende ziekte hebben en ook vooral die erg kuchen, uitwendig op de borst gesmeerd. De meesters spreken dat het hout van balsem goed is de vrouwen van onderaf berookt want het stilt de onrust van de baarmoeder en reinigt ze. Balsem beneemt de pijn van de longen, dat gedronken met wijn. Wie geneigd is tot de kramp, aan welke einden van het lijf dat is, die strijkt balsem op die plaats heen, de kramp verlaat hem. Item, voor de lamme leden en vooral in de gewrichten strijk balsem daarheen, het beneemt ook de lenden en verwarmt ook dat bloed en versterkt de aderen. (3) Balsem is ook erg goed peripleumoniacis, dat is ook een zweer op de longen, buiten daaraan gestreken en dat ingedronken met wijn. Item, balsem gestreken op je verse wonden heelt ook in een dag meer dan andere zalf in veertien dagen. Balsem behoedt ook het lijf voor kwade reuk, dat in vier weken eens een weinig ingenomen zoveel als een scrupel weegt, dat is twintig gerstekorrels zwaar. En behoedt ook de mensen voor alle toevallige ziektes alzo dat het niet innerlijk vervuilen mag. Het behoedt ook de mensen voor huiduitslag en daarom vindt men geen huiduitslag mensen in hetzelfde land waar het groeit.

(4) Item, wie balsem nuttigt in de tijd zo de pest regeert die is het zorgelijker, vanwege de oorzaak dat het erg zeer verhit want dat bloed wordt te geil en verhit en mag gauw dat gebrek daarvan ontstoken worden. [107]

(1) Dodonaeus; ‘‘Balsem is de naam van een welriekende vochtigheid waarnaar alle goede zalven en oliën die enige bijzondere kracht hebben om de wonden te helen ook balsems genoemd worden. En dit hout heet Xylobalsamum. Het Opobalsamum dat men eigenlijk balsem en in het Arabisch balassan of balessan noemt druipt van dit boompje’.

 Dodonaeus; ‘Onder alle delen van dit balsemboompje heeft de traan of Opobalsamum de meeste kracht, zegt dezelfde Dioscorides, en meest verwarmend want deze balsem op de ogen gestreken neemt de duisterheid en het letsel van het gezicht weg. (2) Met zalf van rozen gemengd geneest het de grote verkoudheid, en jeuk van de vrouwelijkheid, daar opgestreken, verwekt de maandstonden van de vrouwen en jaagt de dode vruchten af. Balsem verdrijft het schudden en beven van de koortsen met strijken en zuivert de vuile zeren en ook verteert het alle rauwe vochtigheden van vuile zweren en blaren. (3) Gedronken laat het water maken en is zeer goed diegene die slecht hun adem kunnen herhalen. Dezelfde balsem wordt met melk ingegeven als men Aconitum gegeten of gedronken heeft of tegen de beten of steken van slangen en vergiftige dieren en wordt gemengd in alle pleisters die verzoeten en murw maken of in de tegenbaten van het vergif. (4) Andere zeggen dat balsem zeer goed is diegene die de vallende ziekte hebben en verbetert alle gebreken van de longen, geneest de vierdedaagse malaria koorts.

rôdelstein lxxvi Cap

Bolus armenus vel lutum armenum.

In dez bůch circa instans in dem capitel bolus armenus beschreÿben uns die meister und spτechen das der seÿ kaltt und trucken an dem andern grade·(Bolus armenus ist ein ader der erden die wirt funden in dez lande armenia genant·Und diþ ist der beste bolus armenus der rott von farbe ist·und nit mancherley farbe an jm und der weret hundert jare unverseret an seiner natur·(Der meÿster Avicenna in dem anderen bůch in dem capitel lutum armenum spτicht das der seÿ rot alþs saffran und ist kaltt in dem ersten grade und trucken in dez anderen. (Bolus armenus ist gůt dem bôsen blatern und geschweren und sunderlich so die pestilencz regnieret·des eingenomen mit anthisien wasser und do mitt den leÿp geschmieret·und jst ein groþ årczneÿ das bulver zů den wunden wôlicher hande die sind·(Bolus armenus ist gůtt getrücken den die do blůt speyen·unnd do mit ptisicis das sind die do haben die schwintsucht des abnemes·Wenn bolus armenus trucknet das geschwere der lungen davon dan entsteet die schwintsucht·(Bolus armenus ist gůt dem frauwen die jr sucht zů vil haben·Und ist sunderlich gůtt d febτes die sich erheben in der pestilencz. (Avicenna spτicht das vil gesunt sind woτden die mit der pestilencze umbgeben wurden die von bolo armeno trucken also·Nÿmm ein vier maþ lauters weins der do seÿ subtÿl und nit zů starcke·und thů dar ein uncz boli armeni das ist zweÿ lot·und müsche dar under rosen wasser ein halbe eichtmaþ und trinck des nŭchtern und des abents·diser tranck benÿmmet on zweÿfel die suchte d pestilencze·(Serapio wôlicher trincker von bolo armeno mit sauer ampfferwasser in der zeit so die pestilencze regniret d iste dar voτ behŭt das jn die nit ann kommet und ist einem ÿegklichen ein gůt verhaltung·

(Item Serapio spτicht das bolus armenus gůt seÿ dissintericis das ist die den auþgange haben mitt dem blůte·des geleichen pleneticis colericis stomaticis·[108] (Item er spτicht auch seÿ es sache das dem nit geholffeen werde von disen obgeschriben krangkheitten der den bolum auch also nüczt als obgeschriben steet den hilffet selten ein andτe årczneÿe oder nýmmer kein andre auþ genommen eÿn golde des lebens genant aurum vite mit seinem zůsacze genüczet ist sunder zweÿffel ein gůte årczneÿ dick mal versůcht an vil enden vonn mir meyster Johan von cube·

(1) Rode steen, 76ste kapittel.

Bolus armenus vel lutum armenum.

In het boek Circa instans in het kapittel bolus armenus beschrijven ons de meesters en spreken dat het is koud en droog aan de andere graad. Bolus armenus is een ader van de aarde en die wordt gevonden in het land Armenië genaamd. En dit is de beste bolus armenus die rood van verf is en niet vele verven aan hem en die blijft honderd jaar onveranderd aan zijn natuur. De meester Avicenna in het andere boek in het kapittel lutum armenum spreekt dat het is rood als saffraan en is koud in de eerste graad en droog in de andere. (2) Bolus armenus is goed de kwade blaren en zweren en vooral zo de pest regeert, dat ingenomen met anthisien (andijvie?) water en daarmee het lijf gesmeerd en is een grote artsenij dat poeder tot de wonden van welke vorm die zijn. (3) Bolus armenus is goed gedronken die bloedspuwen en die met ftisis, dat zijn die hebben de duizeligheid van het afnemen. Want bolus armenus droogt de zweren van de longen en daarvan dan ontstaat de duizeligheid. Bolus armenus is goed de vrouwen die hun ziekte te veel hebben. En is uitzonderlijk goed de koortsen die zich verheffen in de pest. Avicenna spreekt dat veel gezond zijn geworden die met de pest omgeven waren, die van bolus armenus dronken alzo: Neem een vier maat zuivere wijn die subtiel is en niet te sterk en doe daar een ons bolus armenus in, dat is twee maal 16,7 gram, en meng daaronder rozenwater, een halve achtmaat, en drink dat ‘s morgens en ’s avonds, deze drank beneemt zonder twijfel de ziekte de pest. Serapio, wie drinkt van bolus armenus met zuringwater in de tijd zo de pest regeert die is daarvoor behoed zodat hem die niet aankomt en is voor iedereen een goed onderhoud.

Item. (4) Serapio spreekt dat bolus armenus goed is dysenteria, dat is die de uitgang hebben met het bloed, desgelijks pleneticis colericis stomaticis. [108] Item, hij spreekt ook is het zo dat je niet geholpen wordt van deze opgeschreven ziektes die de bolus ook alzo nuttigt zoals opgeschreven staat, dan helpt zelden een andere artsenij of nimmer geen andere, uitgezonderd een goud des levens genaamd aurum vitum met zijn toevoeging genuttigd is zonder twijfel een goede artsenij die vaak beproefd is aan veel einden van mijn meester Johan von Cube.

Bolus armeniacus is ‘aarde uit Armenië’. Het is een soort marmer die vroeger hoog geschat was vanwege haar fijnheid.

Herbarius in Dyetsche; ‘Bolus armenus of rode aarde van Armenië is een soort aarde, (2) het heeft de kracht om samen te trekken en te stoppen. Die Armeense aarde moet je kiezen die geheel rood is.

(3) Armeense aarde is goed tegen het bloed spuwen aldus genomen: ‘Neem gerstewater, los daar op of ontbindt daarin Arabische gom en dragagantum met Armeense aarde’. (4) Hetzelfde is ook goed tegen rode loop als je het met weegbreewater geeft of maak een pleister op de darmen met het wit van een ei, van Armeense aarde en van weegbreezaad.


eyn gummy lxxvii ca

Bdellium latine·grece bdellas·vel bÿdellum arabice Melÿalÿend·

(Die meÿster spτechen das diþ gummÿ seÿ mancherleÿ·Eines ist genant bdellium judaicum und ist ein gumy eines baumes do ist geheissen melealyend und das wechset in dez lande jndia genant·Ein ander bdelliuz das ist geheisen bdellium arabicum und das gummÿ wechset an einem baum in dem lande arabia·(Der meister Serapio spτichet das do seÿ ein ander bdellium und das heiset man bdellium von meka·wann es ist ein baum also geheissen und der wechset in dem lande meka und der baume bτinget frucht dÿe ist süþ und wirt wirt zeytig in dem selben lande·Aber in dem lande Hÿspainenn wechset auch diser baume und die frucht wirt nit zeÿtig in dem lande·und von disem baum fleüsset diþ gummÿ das nennet man bdellium vonn meka·Von disem bdello das do wechset in dem lande meka steet geschriben in dez anfang des bůches·Genesi in dem zweÿten capitel also·quod est in paradiso voluptatis arboτ cuius fructus est satis dulcis·(Der meÿster Avicenna spτicht das diþ bdellium von meka seÿ von natur kelten und trucken machen. (Der mei Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel melealÿend id est bdellium judaicum spτicht das diss gumme seÿ das beste·unnd sunderlichen seÿ das do ist wol riechen und jnwendig weiþe farbe·Das gummÿ ist nitt gůtte das sich da balde lasset bτechen und hole und mürbe und faste stincket so man eÿn rauch do [109] von machet oder daz vermüfcht es mitt holcz stein erden oder ander kat·(Wissent das bdellium es mancherleÿ weise gefelschett wirt·wan etlich nemenn gummÿ von einen kyrþbaum oder bÿren baum oder sunft von einem baum unnd (t)hů darunder eyn wenig bdellium diser hat keinen gůten gerauch unnd stincket so mann do mit reüchet·(Item der wirdig meÿster Avicenna spτicht dz bedellium resolviert gelebert blůtt und weichet und zeitiget hårte geswere·(Die meister platearius pandecta in dez capitel bdellium spτechen das diþ gummÿ seÿ heÿþ an dem andern grade unnd feücht an dem ersten·(Der meister almansoτis in dem dτitten underscheÿd in dem capitel bdellium spτicht das bdellium iudaicum seÿ heiþ von natur·unnd bdellium de meka kalt und trucken·(Serapion bdelliuz stopffet den bauch und stercket den magen und dissolvieret geschweren die sich erheben an der lungen das zerlassen und dar auff geschmieret·

Bdellium gemüschet mit nüchtern speichel und dar auþ gemachet ein pflaster und auff den bauch geleget under den nabel bτicht den stein in der blasen unnd in den lenden·Platearius bdellium in wein gethon und dem getruncken machet wol harmen·(Diascoτides bdellium genüczt machet wol schwiczen·

(Bdellium ist gůt dem der gebissen wirt von einem vergifftigen thier darauff gelegt alþ ein pflaster·

(1) Het is mogelijk dat dit woord ook op een kostbaar gesteente slaat, een hars of volgens sommigen op of Borassus flabellifer, L. deze laatste is een palm die in India groeit en lijkt onwaarschijnlijk.

Hebreeuws bedolach was een aromatische gom die op myrrhe leek en dat uit en boom vloeide. Het zou kunnen komen van Commiphora wrightii, die nu gugul genoemd wordt of Commiphora roxburghii, Engl. die de bdellium van India levert of van C. stocksiana, maar bdellium werd ook voor een Afrikaanse soort gebruikt, C. africana.

(2) Maerlant; ‘Bdellium, als Plinius zegt,’is een boom die pleegt in een land dat Bactria heet te staan.

Dodonaeus; ‘ (3) Met nuchter speeksel nat gemaakt verdrijft het de hardigheden en geneest de gezwellen binnen en buiten de keel. Het wordt gedaan in de week makende zalven die tegen de knobbels en korrels van de zenuwen gebruikt worden, dan om dat daartoe beter te gebruiken zal men dat stoten en met wijn of warm water smelten. (4) Dan is het ook goed genoten van diegene die een moeilijke hoest hebben en die van enige slangen gebeten zijn. Het geneest de breuken en de gespannen, gekwetste en verstuikte zenuwen en leden.

baumwolle lxxviii ca

Bombax vel Cotnm latine·grece coτon arabice Goτon·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Goτonn spτicht das baumwollen gemacht werden von den blůmen diþ baumes und in den blůmen ist samen den nüczet man in der årczneÿ·(Disser baum wechset in cecilien·Die baum sind gestalt geleiche den psersigk baumen·Vonn disem baum und bletter beschreiben uns die meister und sunderlichen Diascoτides unnd spτichet das dises baumes bletter unnd samen vil tugent in jnen haben·und sind heiþ unnd feüchter nature·[110] (Serapion. Der safft von disen blettern stopffet die flüþ od auþgenge der jungen kinde·(Den samen hinein getruncken mit fenchel wasser machet auch gar lustig umb die bτust und benymmet den hůsten·(Das ôle von disen samen und bletter gemachet unnd auch das antlicz do mit gestrichen benÿmmet auch die geschweren und hiczigen blattern und machet das antlücz gar schon vund glat·(Diser same meret die natur des menschen sperma genant und bτinget lust man und frauwen das getruncken mitt wein. (Von der baaum wollen finde ich nit mee wann das die frauwen schleÿer unnd reÿn tůchlin dar auþ spÿnnen·

(1) Katoen, 78ste kapittel.

Bombax vel Cotum Latijn. Grieks coron. Arabisch Goron. (Gossypium arboreum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Goronn spreekt dat katoen gemaakt wordt van de bloemen van deze boom en in de bloemen zijn zaden die nuttigt men in de artsenij. Deze boom groeit in Sicilië. De boom zijn gestalte is gelijk de perzikbomen. Van deze boom en bladeren beschrijven ons de meesters en vooral Dioscorides en spreekt dat deze boom bladeren en zaden veel deugd in zich hebben en zijn heet en vochtige natuur. [110] Serapio. Het sap van deze bladeren stopt de vloed of uitgang van de jonge kinderen. De zaden ingedronken met venkelwater maakt ook erg lustig om de borst en beneemt het hoesten. (2) De olie van deze zaden en bladeren gemaakt en ook dat aangezicht daarmee gestreken beneemt ook de zweren en hete blaren en maakt dat aanzicht erg schoon en glad. (3) Dit zaad vermeerdert de natuur des mensen, sperma genaamd, en brengt lust mannen en vrouwen, dat gedronken met wijn. Van de katoen vind ik niet meer dan dat de vrouwen sluiers en reine doeken daaruit spinnen.

(1) Dit gewas heet in het Grieks Xylon en Gossipion, in het Latijn heeft het ook dezelfde namen, in de apothekerswinkels noemt men het Cotum, in het Hoogduits Baumwoll.

Dodonaeus; (3) Het binnenste of het merg van het zaad helpt diegene die met de hoest gekweld zijn en hun adem niet goed ophalen kunnen en bovendien het verwekt tot de onkuisheid en begeerte des vlees want het vermenigvuldigd het zaad zeer geweldig.

(2) De barbieren gebruiken het katoen ook nuttig om de wonden en zeren te zuiveren als ze de katoen eerst in wijn gelegd hebben en daarna uitgeduwd.

syngrün lxxix Cap

Berwinica latine et grece·

(Die meister spτechen das diþs kraut seÿ heiþ und trucken an dez dτitten grade. Diþ kraut ist winter und summer grŭn·Die farbe der bletter geleichet den buchþbaumen blettern. Dises kraut sol gesamelt werden zwischen den zweÿen unser frauwen tagen assumptionis und nativitatis das ist unser frauwen wurczweÿ vnd ir geburt·Diþ kraut sol gedürret werden an dem lufft und nit an der sunnen·(Sein tugent ist auþtreiben bõse feüchtunge die do kommet von grosser kelte dises gesoten mit wein und den getruncken·(Wôlicher dises kraut bei jm tregt über den hat der teüfeil kein gewalt·(Uber wôlcher hauþdore diþ kraut hangeet darjnne mag kein zaubereÿ kommen kommet sÿ aber in dz hauþ so wenet sÿ dar ein verratten sÿn unnd weichet bald darauþ·Mit disem krautt beweret man in wôlichez menschen bôse geÿste sind wie die bewerung czů geet lasse ich ansteen·Aber on zweifel mage kein bôser geist gewalt in dem hauþ haben darjnne diþ kraut ist und vil besser ist es so es auch geweÿhet wirt mitt andern kreüttern·

(1) Maagdenpalm, 79ste kapittel.

Berwinica Latijn en Grieks. (Vinca minor)

De meesters spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad. Dit kruid is winter en zomergroen. De verf van de bladeren lijkt op de buksbomen bladeren. Dit kruid zal verzameld worden tussen de twee onzer vrouwen dagen, assumptionis en nativitatis, dat is onze vrouwen kruid wijden en haar geboorte. Dit kruid zal gedroogd worden aan de lucht en niet aan de zon. Zijn deugd is uitdrijven kwade vochtigheid die je komt van grote koudheid, die gekookt met wijn en dan gedronken. Wie dit kruid bij hem draagt over hem die heeft de duivel geen geweld. Over welke huisdeur dit kruid hangt daarin mag geen toverij komen, komt het echter in dat huis zo woont daar een verrader is en wijkt gauw daaruit. Met dit kruid beweert men in welke mensen kwade geesten zijn en wie die bewering aangaat laat ik aanstaan. Maar zonder twijfel mag geen kwade geest geweld in het huis hebben daarin dit kruid is en veel beter is het als het ook gewijd wordt met andere kruiden.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit gewas is tegenwoordig hier te lande bekend met de naam vincoorde, maeghdencruydt of maeghdenpalm, in Hoogduitsland Ingrun en Singrun. Zo is de sintflut: vertaald als zondvloed, een zeer grote vloed.

iudenleym lxxx capi

Bitumen judaicuiw latine grece aspaltum·

(Die meÿster spτechen dz dises darumb heiþ bitumen iudaicum [111] wan es gesamelt wirt und funden in dem lannde judea in dem môτe das man nennet das todtt môτr·(Diascoτides spτicht das bitumen judaicum das mann findet in einem pulle in judea unnd der pulle ist geheÿssen alffridin darjnne coaguliert sich ein soliche materie und ist geleich alþs ein leÿme und das heben die leüte in die schiff mitt kraveln und lassen das trucken werden diþs heisset bitumen judaicum unnd verkauffen es dar für·(Diascoτides spτicht auch das bitumen judaicum seÿ auff ein ander gestalt unnd das findet mann auch do selbest und das ist als hert dz es weder feür noch wasser zerbτechen noch zerweichen mage on allein bockes blůt und dz blůtte dan von den frauwen geett so sÿe menstruose sind·Und wil tu das zerbτechen so nÿmme ein wullen faden und mach in naþs mitt den obgeschriben feüchtunge so faret es von ein ander geleicher weÿse als kalck der geleschet wirt mit wasser·(Item diascoτides spτicht das bitumen judaicum benymmet geschwulst das mitt essig gemüschet unnd darüber gestrichen·(Bitumen judaicum gemüschet mit castoτio das ist byber geÿln und damit unden auff gereüchet bτinget den frauwen jre zeit menstruum genant·(Den rauche in die nasen gelassen benÿmmet catarum das ist den schnoppen·(Wen die zene we thůnd der neme bytumen judaicum und halt den in dem munde er geneyset on zweÿfel·(Bitumen judaicum wirt zů zeÿten gefelschet mit harcz den etlich darunder müschen und das benÿmmet jme sein natuur und kraffte·(Cassius felix ein meÿster spτicht das bitumen iudaicum seÿ heiþ an dem ende des dτitten grades und trucken an dem vierden·

(1) Jodenlijm, 80ste kapittel.

Bitumen judaicuim Latijn, Grieks aspaltum.

De meesters spreken dat dit daarom heet bitumen judaicum [111] want het verzameld wordt en gevonden in het land Judea in de zee dat men noemt de Dode Zee. Dioscorides spreekt dat bitumen judaicum dat men dat vindt in een poel in Judea en dat de poel is geheten alffridin daarin coaguleert zich een zulke materie en is gelijk als een lijm en dat heffen de mensen in een schip met kranen en laten dat droog worden en dit heet bitumen judaicum en verkopen het daarvoor. Dioscorides spreekt ook dat bitumen judaicum is van een ander gestalte en dat vindt men ook daar en dat is als hard zodat het geen vuur noch water breken noch weken mag zonder alleen bokkenbloed en dat bloed dat van de vrouwen gaat zo ze menstruatie hebben. En wil u dat breken zo neem een wollen vezel en maak het nat met de opgeschreven vochtigheid dan gaat het vaneen gelijk als zoals kalk dat gelest wordt met water. Item, Dioscorides spreekt dat bitumen judaicum beneemt gezwellen, dat met azijn gemengd en daarover gestreken. Bitumen judaicum gemengd met castoreum, dat is bevergeil, en daarmee van onder gerookt brengt de vrouwen hun tijd, menstruatie genaamd. De rook in de neus gelaten beneemt catarre, dat is het snuffen. Wie de tanden pijn doen die neemt bitumen judaicum en houdt dat in de mond, hij geneest zonder twijfel. Bitumen judaicum wordt sommige tijden vervalst met hars dat ettelijke daaronder mengen en dat beneemt hem zijn natuur en kracht. Cassius Felix, een meester, spreekt dat bitumen judaicum is heet aan het eind van de derde graad en droog aan de vierde.

(1) Bitumen Judaicum. Asphaltus. Jodenasfalt, Jodenpek, Frans, bitume de Judée, Duits Judenleim of Judenpech. Men houdt het er op dat het woord bitumen komt van het Griekse ωιτυς, dat zoveel betekent als Pinus, een den. De oorsprong van deze naam zou gelegen zijn in het feit dat de ouden meenden dat Jodenpek een soort pek was die uit dennen en andere bomen in de zee van Sodom vloeiden, dat is daaruit ontstaan bij de Joden bij de profeet Esdras toen hij van Sodom en Gomorro sprak dat hun land onder pek en as begraven zou worden.

eyn ochs oder riud

lxxxi Capitel

Bos latine·

(Die meÿster spτechen das diþs thier sey fast ungestŭmme und geleichet bey nach dem leüwen mitt seiner stÿmme·Sein fleisch nerett den menschen und krefftiget die gelýder·(Dÿe bτŭhe von ochsenfleische ist fast meer stercken unnd kreftigeenn wann ander vierfüssiger thier fleische unnd darumbe diennet dÿe bτŭhe dar von gar wol krancken menschen·(Der meÿster Plinius [112] in seinem·xxviij·bůch in dem·xj·capitel spτicht das auch nichctes an dem ochsen oder rindt seÿe es werde gebτauchet zů nücz dem menschen·Und auff das kürczest saget auch er das des occhsen mist mitt essig vernüschet und auch auff die gewerbe gelegt der gelÿder darjnne geschwulst oder auch schmerczen seÿ er senfftiget die zů handt·(Item wôlicher ein bôse blatter an seinem leibe hett d môchte auch diþ also dar auff legen es zeühet zů hauffen den eÿter geleÿch einem zÿgpflaster und heilet on schaden·(Und benÿmmet auch also groþ hicze dar durch ein gelide entzündet môchte werden·(Von ochsen mÿst distillieret ein wasser das dienett auch zů geschwulst die hiczig ist zů den augen darüber gestrichen·(Diþs thier ist nit allein nücze den menschen und sunderlich das von jme kommet alþ sein gehoτncz sein hautt do mit man mancherleÿ machet·

(1) Een os of rund.

81ste kapittel.

Bos Latijn. (Bos primigenius taurus)

De meesters spreken dat dit dier is erg onstuimig en lijkt bijna op een (2) leeuw met zijn stem. Zijn vlees voedt de mensen en versterkt de leden. De bouillon van ossenvlees is erg meer versterken en krachtiger dan ander viervoetig diervlees en daarom dient de bouillon daarvan erg goed zieke mensen. De meester Plinius [112] in zijn 28ste boek in het 11de kapittel spreekt dat ook niets aan de ossen of runderen zijn het wordt gebruikt tot nut voor de mensen. En op het kortste zegt hij ook dat de ossenmest met azijn vermengd en ook op de gewrichten gelegd van de leden daarin gezwellen of ook smarten zijn, het verzacht die gelijk. Item, wie een kwade blaar aan zijn lijf heeft die mag ook dit alzo daarop leggen, het trekt op hopen de etter gelijk een trekpleister en heelt zonder schade. Het beneemt ook alzo grote hitte waardoor een gelid ontstoken mocht worden. Van ossenmest distilleert een water dat dient ook tot gezwellen die heet zijn voor de ogen, daarover gestreken. Dit dier is niet alleen nuttig de mensen en vooral dat van hem komt zoals zijn horens en zijn huid daarmee men vele dingen maakt.

(1) Latijn Bos, in Grieks is het bous, ‘rund’. Os, midden-Nederlands osse, in oud-Saksisch en oud-Hoogduits is het Ohso en nu Ochse, een os is een gesneden stier.

(2) Met de stem van een leeuw wordt wel op de wisent gedoeld.

butter lxxxii Capi

Butirum latine·

(Der hochgelert meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel butirum spτicht das butter seÿ warm machen und auch feücht an dem ersten grade butter ist von natur zeÿtigen reÿnigen und auch verzeren die mittelmessiger natur sind unnd nit grober oder hårer natur·(Buteer ist fast gůtt den geschweren hÿnder den oτen die do mitt czů weichen. (Avicenna wôliche frauwe der jungen kÿnde wenglin schmieret mitt buttern so wachseen auch jme sein zene on schmerczen·Auch dienet butter dem geschweren in den oτen unnd auch in dem munde gehalten·

(Butter ist auch gar fast gůtte die gelÿder do mitt geschmeret·und auch die lenden zů senfftigen den schmerczen darjnne·

(Butter gemüschet mit hônig unnd also auch genüczet in den leÿp diennet fast wol pleureticis das siud auch dÿe geschweren in der brust haben·(Des geleÿchen peripleumoniacis das ist die auch geschweren haben an der lungen davon dan ersteet ptisis das ist die geschwintsnccht des abnemes benymmet butter wie oben steet genüczet·(Auch senfftiget und reÿniget butter alle geschweren und auch sünderlichen die schmerczen an heÿmlichen steten wie die auch sein mügen·

(Butter ein genomen mitt der kost senfftiget auch alle jnnerliche gelider·Unnd darumbe sind auch gar wenig leütte in dem landen lenden siech od bτesthafftige des steins die alle zeit butter essen auf bτott voτ dem essen und nach dem essen·Auch mit grossen klumpen in d kost ursachen halben das solichs dar durch sich verzeret und den menschen von solcher materien reÿniget durch den [113] harm und stůlgang·(Item butter genüczet jnwendig unnd auþwenig machet auþwerffen schleÿmige feüchtikeit in d bτust saugende·

(1) Boter, 82ste kapittel.

Butirum Latijn.

De zeer geleerde meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel butirum spreekt dat boter is warm maken en ook vochtig aan de eerste graad. Boter is van natuur rijpen, reinigen en ook verteren die middelmatige natuur zijn en niet grover of harde natuur. Boter is erg goed de zweren achter de oren die daarmee te weken. (2) Avicenna, welke vrouw de jonge kinderen wangen smeert met boter zo groeien ook bij hem zijn tanden zonder smarten. (3) Ook dient boter de zweren in de oren en ook in de mond gehouden.

(4) Boter is ook erg goed de leden daarmee gesmeerd en ook de lenden te verzachten de smarten daarin.

(5) Boter gemengd met honing en alzo ook genuttigd in het lijf dient erg goed pleuris, dat zijn ook die zweren in de borst hebben. Desgelijks op peripneumonie, dat is die ook zweren hebben aan de longen daarvan dan ontstaat ftisis, dat is de duizeligheid van het afnemen, beneemt boter zoals boven staat genuttigd. Ook verzacht en reinigt boter alle zweren en ook vooral de smarten aan heimelijke plaatsen waar die ook zijn mogen.

Boter ingenomen met de kost verzacht ook alle innerlijke leden. En daarom zijn er ook erg weinig mensen in het land lendenziek of borstziek van de steen die alle tijd boter eten op brood voor het eten en na het eten. Ook met grote klompen in de kost vanwege dat zulks daardoor zich verteert en den mensen van zulke materiën reinigt door de [113] plas en stoelgang. Item, boter genuttigd inwendig en aan de buitenkant maakt uitwerpen slijmerige vochtigheid die in de borst zuigen.

(1) Boter, Duits Butter, oud Engels butere, Engels butter, uit Latijn butyrum.

Herbarius in Dyetsche. (3) Boter lost op en rijpt, daarom doe je het op de blaren achter de oren als je die wil vermurwen en rijpen. Boter is goed om op het gezwel van het tandvlees te smeren. (2) Ook om de tanden zonder pijn te laten groeien. Het is ook goed tegen andere blaren in de mond. (4) Je doet het ook in pleisters die goed zijn om de pijn in de lendenen of in ander leden te laten verzachten. (5) Boter met honing gemengd en zo genomen is een grote hulp voor diegene die etter uit de blaren in de borst hebben.


Dausent güldeu

lxxxiii Capitel

Centaurea latine grece anuticem arabice anturion.

(Der wirdig meister Serapio in dez bůch aggregatoτis in dem capitel Antarion spτicht dz zweier hande centaurea sey·eÿne dÿe grôþer·die ander die mÿndere·Dye grôsser hat bletter geleiche dez nuþlaup der grossen und sind grŭn geleich den kôele blettern die man ÿsset·und an den spiczen der bleter gekerbet·Die lenge des stengels ist zweÿer oder dτeyer armen lang·unnd hat auch ein wurczel die ist zweÿer armenn lang·und hatt in jr gar vil feüchtuneg·unnd hatt einen scharpffen gerauch und ist rot an der farbe·(Die farbe des safftes ist geleich alþ blŭtte·Die mÿnder centaurea ist geleich den dosten und wechset gar geren an feüchten steten·Ir stengel ist einer spannen lang und hat auch ein rotte blůmen·Die wurczel ist fast bitter und gar krnmp·die wurczel ist nit nücz zü bτauchen·(Der meister Plinius in dem capitel Centaurea die grôsser und auch dÿe minder sind heiþ und trucken an dem andern grade·(Der wirdig meÿster Galienus spτichett daz centaurea magna daz ist die grôsser seÿ den·frauwen gůtt genüczet zů jrer zeÿt darüber getruncken·Also genüczet ist der trancke gůtt emepcoicis das ist dÿe blůt speÿgen·(Für alle febτes·Nÿmm ein halb lott centaurea gebulvert unnd trinck das hinein mit wein dτeÿ moτgen nŭchtern mit zucker vermenget es hilffet auch garwol·(Platearius centaurea gesotten in wasser auff ein hantfoll unnd das auch getruncken ist gŭtte asmaticis daz ist dem die do keichen·Und benÿmmet auch also genüczet dem alten bôsen. hûsten·(Den safft auch von der wnrczelen eÿn genommen [114, verder op pagina 116] reÿniget auch den magen unnd bτinget auch gar vil stůlgenge·(In dem bůch genannt circa instans steet auch geschryben das man centanream sol samlen so si an hebet zů blŭen·und darnache hencken an ein dunckele stat und nit in dÿe sunnen und also lassen trucken werden·Diþ ist fast gût genüczet über jare zů vil sachen und diþ sunderlrich von der grossen centaurea·(Itez diþ centaurea gesoten mit wein und darunder gemüschet zucker ist fast gůt der verstopten lebern der lenden und milcz und blasen·(Diþ kraut gesotten mit wein und dar under gemüschet baumôle und diþ gelegt auff den bauch zwischen den nabel und dem gemechte benÿmmet grossen lenden wee und ôffnet auch das verstopffet milcze·(Ein salbe gemachet vonn dez safft und dar under gemüschet ôle und wachþ und das milcz auþwendig do mit geschmieret hilffet fast wol·(Item für dÿe verhårte leber und das hårte milcze sol man machen ein sÿropel also·Nÿm den safft von centaurea und eppich wurczel und fenchel wurczel ÿegkliches geleich vil und laþ das sieden in dem safft darnach seÿge es ab unnd trucke die feüchtung wol auþ und darinne zucker das gewichte haltt ungeverlich nach dem dich gelustet wenig oder vil zů machen·

(Diser sÿrop ist auch fast gůtt dem geelsüchtigen getruncken des obents unnd moτgens·(Der meister Johannes mesue spτicht das die wurczel von dem centaurea den safft dar auþ gezogen benÿmmet vil bôser feüchtunge auþ dem menschen und auch bôse gewåsser des safftes ein genommen auff ein halb lot mit baumôle·

(Itez in einem cristiere mag man nüczen dτeÿ quintin mitt baumõle·(Plinius centaurea gemüschet mitt wÿdhopffen blůtt und auch gar ein wenig hônig und das auch des nachtes geleget in ein luceren do ein liecht jn bτýnnet und alle die dar beÿ sten meinen auch es lauffe alles vol steren·(Lese in Pandecta in dem capitel centaurea findestdu auch dises also geschτiben unnd ist auch gar gar manig male bewert worden·

(1) Duizendguldenkruid.

83ste kapittel.

Centaurea Latijn. Grieks anuticem. Arabisch anturion. (Rhaponticum heliifolium en Centaurium erythraea, Rafn.)

De waardige meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Antarion spreekt dat er zijn twee soorten Centaurea, de ene de grotere en de andere de kleinere. (7) De grotere heeft bladeren gelijk het notenloof der grootte en zijn groen gelijk de koolbladeren die men eet en aan de spits van de bladeren gekerfd. De lengte van de stengels is twee of drie armen lang en heeft ook een wortel die is twee armen lang en heeft in hem veel vochtigheid en heeft een scherpe reuk en is rood aan de kleur. De verf van het sap is gelijk als bloed. (8) De kleinere Centaurea is gelijk de marjolein en groeit graag aan vochtige plaatsen. Zijn stengel is een zeventien cm lang en heeft ook en rode bloem. De wortel is erg bitter en erg krom, die wortel is niet nuttig te gebruiken. De meester Plinius in het kapittel Centaurea de grotere en ook de kleinere zijn heet en droog aan de andere graad. De waardige meesters Galenus spreekt dat Centaurea magna, (Rhaponticum) dat is de grotere, is de vrouwen goed genuttigd tot hun tijd, daarover gedronken. Alzo genuttigd is de drank goed emoptoicus, dat is die bloedspuwen. Voor alle koortsen: Neem een half van 16,7 gram Centaurea gepoederd en drink dat in met wijn drie morgen nuchter met suiker vermengt, het helpt ook erg goed. Platearius, Centaurea gekookt in water op een hand vol en dat ook gedronken is goed astmatici, dat is die er kuchen. En beneemt ook alzo genuttigd het oude kwade hoesten. Het sap ook van de wortels ingenomen [verder op pagina 116] reinigt ook de maag en brengt ook erg veel stoelgang. In het boek genaamd Circa instans staat ook geschreven dat men Centaurea zal verzamelen zo ze aanheft te bloeien en daarna hangen aan een donkere plaats en niet in de zon en alzo laten droog worden. Dit is erg goed genuttigd over jaren tot veel zaken en dit vooral van de grote Centaurea. (3) Item, deze Centaurea gekookt met wijn en daaronder gemengd suiker is erg goed de verstopte lever, de lenden, milt en blaas. Dit kruid gekookt met wijn en daaronder gemengd olijvenolie en dit gelegd op de buik tussen de navel en het geslacht beneemt grote lendenpijn en opent ook de verstopte milt. Een zalf gemaakt van het sap en daaronder gemengd olie en was en de milt uitwendig daarmee gesmeerd helpt erg goed. Item, voor de verharde lever en de harde milt zal men maken een siroop alzo: Neem het sap van Centaurea en selderijwortel en venkelwortel, van elk gelijk veel, en laat dat koken in het sap, daarna giet het af en druk de vochtigheid goed uit en daarin suiker dat gewicht houdt ongeveer naar het je lust weinig of veel te maken.

Deze siroop is ook erg goed de geelzuchtige gedronken ‘s avonds en ‘s morgens. (5) De meester Johannes Mesue spreekt dat de wortel van de Centaurea en het sap daaruit gezogen beneemt veel kwade vochtigheid uit de mensen en ook kwaad water, het sap ingenomen op een half van 16, 7gram met olijvenolie.

(4) Item, in een klysma mag men nuttigen drie maal 1, 67gram met olijvenolie. Plinius, Centaurea gemengd met hoppen bloed en ook erg weinig honing en dat ook ‘s nachts gelegd in een lamp daar licht in brandt en alle die daarbij staan menen ook het loopt alles vol sterren. Lees in Pandecta in het kapittel Centaurea vindt u ook deze alzo geschreven en is ook erg veel keer beweerd geworden.

 (1) Dodonaeus; ‘De Nederlanders noemen dit kruid eigenlijk santorie of kleine santorie, de Hoogduitsers Tausentgulden kraut, in het Latijn is het bekend met de naam Centaurium parvum en Centaurium minus.  Duizendguldenkruid verkreeg zijn naam door zijn vele goede eigenschappen en werd vroeger dan ook met honderden ponden tegelijk ingezameld.

In de index van de Gart staat het goed vermeld; ‘tausent gulden’.

(3) Platearius zegt uit de kennis van Galenus dat de santorie een prima medicijn is om de verstoppingen van de lever en de milt zonder letsel te verdrijven, daarom wordt het gekookt zoals nu gezegd is, dan verdrijft het de geelzucht die uit verstoppingen komt .

(4) Met wijn gekookt doodt het de stonden van de vrouwen en de vrucht die daar uit voort komt. Op geen enkele manier zal je het de vruchtbare geven want het doodt de vrucht. Zo’n kooksel met venkelzaad en peterseliezaad laat plassen.

Dodonaeus; ‘(7) ‘De grotere (Rhaponticum) heeft bladeren gelijk het notenloof der grootte en zijn groen gelijk de koolbladeren die men eet en aan de spits van de bladeren gekerfd


Gamillen blůmen

lxxxiiii Capitel

Camomilla latine grece arhenis vel antimus vel leucantimos vel gamilla vel herantemidem·vel camelon vel melantemonn vel crisocomon·arabice bebonig.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel bebonig·id est camomilla spτicht das diþ habe einen langen stengel und klein bletter und weiþ blůmen·geleiche den rauten blůmen·die nüczet man in der årczneÿ zů vil dingen·und die sollen gesamelet werden in dem meÿen und die bτauchen durch das jare·(Der wirdig meister Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel camomilla spτicht das die sind heiþ und trucken an dem ersteu grade·unnd jr tugend ist weich machen und senfftigen·(Gamillen gesotten mit wasser und die geleget auff hårte geschweren weichet unnd senfftiget den schmerczen und treibet auþ den eÿter·(Item gamillen blůmen gelegt in wein über nacht und des getruncken stercket die gewerbe und benÿmmet die lemde·(Gamillen blůmenn gestossen unnd gemuschet mit hônig und das ein genomen bτinget stůlgeng und treibet do mitt auþ vil schleÿm und reniget dem menschen sein gedårm·(Dz haubt gezwagen mit gamillen blůmen stercket das hÿrn unnd benymmet dem haubt und dem hÿrn die bôse feüchtunge die sich darjnne besamelt hat von kelte·

(Platearius gamillen gesotten in wasser und den mundt mit gewåschen und heilet die geschweren darjnne·(Item avicenna spτichet daz dτeÿerleÿ gamillen sind unnd in den alten ist mitten ein goltfarbe knopff unnd der umb sacze des knopffes ist manicher hande farb·etliche mit weissenn blettern·etlich mit schwarczen·etlich mit pfeller farbe unnd sind geleich in jrer nature·(Wôlicher mitt nott harnet der trincke vonn gamillen er genyset·

(Item gamillen gelegt in wein über nacht und des getrunckenn benÿmmet dem magen sein geschwulste unnd machet wol deüwen·(Gamillen gesotten und [118] das getruncken nÿmmet das keichen unnd raumet auch die bτust·und also genüczet ist fast gůt der siechen lebern·(Wôliche frauwe in jr het ein todes kindt die trinck von gamillen blůmen sÿ genÿset unnd wirt des ledig·(Item gamillen blůmen gesotten in wasser und die fŭsse darjnne gehalten benÿmmet auch vil füchte des leybes·(Wôlicher den stein hette der bade mit gamillen dτeÿ od vier male er wirt des ledig senfftigklichen·(Item under allen beÿde kreütern die zů dem stein dienen sind gamillen blůmen dÿe besten·Wenn das wasser dz darjnne gesoten wirdt weichet die lenden·des geleichen die blasen und treibet auch auþ die materie darauþ dann der stein wechset·(Dÿse meÿster Galienus und Serapio spτechen das gamillen blůmen fast wol stercken die gelider unnd nÿmmet dÿe lemde darauþ und sunderlichen daz ôle davon gemachet·(Gamillen blůmen machen dem menschen ein sanfft weiche haut da mit gebadet·(Item gamillen blůmen treiben auþ bôse feüchtung davon getruncken·Auch benemen dise blůmen febτes die sich erheben von bôser feüchtunge·(Item ein pflaster gemachet von gamillen blůmen unnd das gelegt auff die reüdigkeÿt oder flecken an dem leibe benÿmmet die behendigklichen. (Item gamillen blůmen sind sunderlichen gůt dem haubt wee die gesoten in wasser und darauf gelegt·Auch also genüczet benemen die daz haubt wee daz sich erhebet die kelte·(Item gmillen blůmen grŭn gestossen oder mag man die nit grŭn gehaben so nymme der gedoτten und lege die in wasser dτeÿ oder vier tage·darnach wåsch den haubte damit·dises benÿmmet auch vil haubt wee·(Item alle zeit sol man gamillen blůmen haben in d laugen dienet dem haubt auch gar wol und machet gůte vernunfft·(Plinius. Nymm gamillen ôle und schmiere die lamen gelider damitt an eÿner warmen statt senfftiget die fast wol·(Item wôliches mensch jnnerlich zůschwollen wåre od lebersüchtig daz trincke von gamillen blůmen es genÿset auch on zweÿfel·(Wôlicheτ den stein het in den lenden der schmiere sich an einer warme stat mit gamillen blůmen auff den lenden und under dem nabel und sunderlichen nach einem bade er genÿset zehandt·(h·j·) [119]

Kamillebloemen.

84ste kapittel.

Camomilla Latijn. Grieks arhenis vel antimus vel leucantimos vel gamilla vel herantemidem vel camelon vel melantemonn vel crisocomon. Arabisch bebonig. (Matricaria recutita)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel bebonig, id est camomilla, spreekt dat dit heeft een lange stengel en kleine bladeren en witte bloemen gelijk de ruit bloemen, die nuttigt men in de artsenij tot veel dingen en die zullen verzameld worden in de mei en die gebruiken door het jaar. De waardige meesters Avicenna in zijn andere boek in het kapittel camomilla spreekt dat die zijn heet en droog aan de eerste graad en haar deugd is week maken en verzachten. Kamille gekookt met water en die gelegd op harde zweren weekt en verzacht de smarten en drijft uit de etter. Item, kamillebloemen gelegd in wijn over nacht en dat gedronken versterkt de wervels en beneemt de verlamming. Kamillebloemen gestoten en gemengd met honing en dat ingenomen brengt stoelgang en drijft daarmee uit veel slijm en reinigt de mensen zijn darmen. (4) Dat hoofd gedweild met kamillebloemen versterkt de hersens en beneemt het hoofd en de hersens de kwade vochtigheid die zich daarin verzameld heeft van koudheid.

Platearius, kamille gekookt in water en de mond mee gewassen heelt de zweren daarin. Item, Avicenna spreekt dat er drie soorten kamillen zijn en in de oude is midden een goudkleurige knop en de omgang der knop is vele soorten kleur, ettelijke met witte bladeren, ettelijke met zwarte, ettelijke met felle kleur en zijn gelijk in hun natuur. Wie met nood plast die drinkt van kamille, hij geneest.

Item, kamille gelegd in wijn over nacht en dat gedronken beneemt de maag zijn gezwel en maakt goed verduwen. Kamille gekookt en [118] dat gedronken beneemt dat kuchen en ruimt ook de borst en alzo genuttigd is het erg goed de zieke lever. (2) Welke vrouw in zich heeft een dood kind die drinkt van kamillebloemen, ze geneest en wordt het zo kwijt. Item, kamillebloemen gekookt in water en de voeten daarin gehouden beneemt ook veel vocht van het lijf. Wie de steen heeft die baadt met kamille drie of viermaal, hij wordt dat kwijt zachtjes. Item, onder alle beide kruiden die tot de steen dienen zijn kamille bloemen de beste. Zoals dat water dat daarin gekookt wordt weekt de lenden, desgelijks de blaas en drijft ook uit de materie daaruit dan de steen groeit. De meesters Galenus en Serapio spreken dat kamillebloemen erg goed versterken de leden en neemt de (3) verlamming daaruit en vooral de olie daarvan gemaakt. Kamillebloemen maken de mensen een zachte weke huid, daarmee gebaad. Item, kamillebloemen drijven uit kwade vochtigheid, daarvan gedronken. Ook benemen deze bloemen koorts die zich verheffen van kwade vochtigheid. Item, een pleister gemaakt van kamillebloemen en dat gelegd op de ruwheid of vlekken aan het lijf beneemt die behendig. Item, kamillebloemen zijn uitzonderlijk goed de hoofdpijn, die gekookt in water en daarop gelegd. Ook alzo genuttigd benemen die de hoofdpijn dat zich verheft in de koudheid. Item, kamillebloemen groen gestoten of mag men die niet groen hebben die neemt de gedroogde en leg die in water drie of vier dagen, daarna was het hoofd daarmee, dit beneemt ook veel hoofdpijn. Item, alle tijd zal men kamillebloemen hebben in de loog die dienen het hoofd ook erg goed en maakt goed verstand. (3) Plinius: Neem kamilleolie en smeer de lamme leden daarmee aan een warme plaatst, het verzacht die erg goed. Item, welk mens innerlijk gezwollen is of leverziek, die drinkt van kamillebloemen, hij geneest ook zonder twijfel. Wie de steen heeft in de lenden die smeert zich aan een warme plaats met kamillebloemen op de lenden en onder de navel en vooral na een bad, hij geneest gelijk. [119]

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid is in de apotheken op het Latijns Camomilla genoemd, in onze taal camille en camomille-bloemen, in het Hoogduits Camillen. Wij hebben het in het Latijn Chamaemelum vulgare, dat is gewone camomille genoemd omdat van de andere geslachten die niet zo algemeen zijn te onderscheiden.

Vaak wordt het verward met Anthemis nobilis, Roomse kamille. Hier zien we ook dat Avicenna zegt dat er drie soorten zijn. Dioscorides beschrijft 3 soorten kamillen naar de kleur der bloemen.

1) De eerste met gele bloemen, zou Matricaria chamomilla zijn.

2) Die met gele randbloemen, Anthemis nobilis.

3) De derde zou Chrysanthemum parthenium zijn geweest.

Herbarius in Dyetsche (2) De bladeren van matre, groen en droog, zijn als medicijn nuttig om de ontvangenis te volbrengen en is tegen onvruchtbaarheid die van vochtigheid komt.

Herbarijs; (3) En olie er van gemaakt verzacht kwetsingen en pijn van de jicht’.

schelwůrcz lxxxv C

Celidonia latine grece chilidonion arabice hauroch·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hauroch id est celidonia beschτeÿbet uns unnd spτicht das es sey zweyer hande·Eÿne groþ·die ander klein·Die grôsser schelwurcz erscheÿnet wenn die schwalben zů lande kommen und wenn die wider hin enweg fliehen so doτret sÿ widerumb·auch spτechen etlich meister dz diþ kraut genant seÿ celidonia der uτsachen halben das die alten schwalben jren jungen bτingen·unnd geben jne das zeessen so gewinnen sÿ davon zůhandt jr gesicht·(Item celidonia hat ein subtÿlen stengel nitt zů lange·unnd hatt bletter die sind weich geleich dem magsamen unnd hat gele blůmen·Der safft von der wurczel ist geleich dem saffran an der farbe·Diser saffte ist gar scharpff und zû vil dingen gůt und sunderlichen zů den augen·(Der meister Plinius in dem capitel celidonia spτicht das celidonia die klein habe bleter geleich der grossen allein daz an d kleynen feÿchtigkeÿt ist unnd hanget an den henden so man die an tastet·Dises kraut hatt einen starcken gerauch·Dÿser schelwurcz kraffte ist nicht als groþ als der grôsser·Auch nemen die schwalben dÿser schelwurcz nit·aber die grôsser wirt durch sÿ genüczt wie oben steet. Unnd dabeÿ mag man erkennen das die kraffte der grossen ein tugent im jr habe. (Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum·Schelwurcz ist heyþ an dem vierden grade und trucken an dem dτitten·(Item nymm schelwurcz safft gemischet mitt sal aromoniacum und das gelassen in dÿe augen benÿmmet das fell darauþ·und machet sÿ klar. (Item wann schelwurcz blŭwet so soll man sÿ stossen und sieden und sol darnach daz wasser thůn in ein geschirτ und widerumb czů dem feüwer seczen und wol schaumen·unnd wann das einen soth gethůt so soll es darnach gesÿgen werden durch ein tůch [120] und behalt diþ·unnd wôlicher dunckel augen het oder dz scheÿnen der augen der streich diþ darein kein årczneÿ ward nye so gůt·(Wôlicher die gelsucht hett der trinck von schelwurcz er genÿset·(Dÿe wurczel gekeüwet in dem munde ist gůtt dem zan wee·(Mit dem safft d wurczeln gestrichen die ausseczigkeit an dem leibe benymmet die unnd darnach·ix·tag alle moτgen und des abents gebτauchet den sÿropel gemacht von erdtrich oder kaczenkerbeln und die tag alle mit dem safft gestrichen hilffet on zweifel·(Diascoτides in dem capitel celidonia spτicht das der safft gesoten mit hônig seÿ fast gůt genüczet den augen·und benymmet dz fell davon und macht ein lauter gesichte·(Die meister Plinius und Macer beweren alle obgeschτiben stück und spτechen das zweÿeτhande celedonia seÿ·Eine die grôsser·die ander die minder·und sind bede gůt genüczet für alle gebτesten der augen·und beweren daz also und spτechen·Wann der schwalben augen auþgestochen od sunft blint werden so bτingen sÿ jr gesicht widerumb mit disem kraute·geleich als sÿ thůn jren jungen so sÿ noch blint sind·Und auch spτechen sÿ wie die ander meÿsteτ das celidonia hebe an zů wachsen wenn die schwalben zů lande kommen und wirt auch dürτe wann die hin fliehen.

(1) Stinkende gouwe, 85ste kapittel.

Celidonia Latijn. Grieks chilidonion. Arabisch hauroch. (Chelidonium majus)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hauroch, id est celidonia, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig. (2) Een grote en de ander klein. De grote stinkende gouwe verschijnt als de zwaluwen te lande komen en als die weer heen en wegvliegen dan verdort ze wederom, ook spreken ettelijke meesters dat dit kruid genaamd is celidonia vanwege dat de oude zwaluwen hun jongen dat brengen en geven hen dat te eten en zo winnen ze daarvan gelijk hun gezicht. Item, celidonia heeft een subtiele stengel niet te lang en heeft bladeren die zijn week gelijk de papaver en heeft gele bloemen. Het sap van de wortel is gelijk de saffraan aan de verf. (3) Dit sap is erg scherp en tot veel dingen goed en vooral tot de ogen. De meesters Plinius in het kapittel celidonia spreekt dat celidonia die kleine heeft bladeren gelijk de grote, alleen dat aan de kleine vochtigheid is en hangt aan de handen zo men die aantast. Dit kruid heeft een sterke reuk. Deze speenkruid kracht is niet zo groot als die van de grote. Ook nemen de zwaluwen dit speenkruid niet, maar de grotere wordt door hen genuttigd zoals boven staat. En daarbij mag men herkennen dat de kracht van de grote een deugd in hem heeft. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum: Stinkende gouwe is heet aan de vierde graad en droog aan de derde. Item, neem stinkende gouwe sap gemengd met sal amoniacum en dat gelaten in de ogen beneemt dat vel daaruit en maakt ze helder. Item, als stinkende gouwe bloeit dan zal men ze stoten en koken en zal daarna dat water doen in een schaal en wederom op het vuur zetten en goed schuimen en als dat een tijd gedaan is dan zal het daarna gezeefd worden door een doek [120] en behoudt dit en wie (3) donkere ogen heeft of dat schijnen van de ogen die strijkt dit daarin, geen artsenij was niet zo goed. (4) Wie die geelziekte heeft die drinkt van stinkende gouwe, hij geneest. (5) De wortel gekauwd in de mond is goed de tandpijn. (6) Met het sap van de wortels gestreken op de huiduitslag aan het lijf beneemt die en daarna 9 dagen elke morgen en ‘s avonds gebruikt de siroop gemaakt van aardrook of kattenkervel en die dag alles met het sap gestreken helpt zonder twijfel. (3) Dioscorides in het kapittel celidonia spreekt dat het sap gekookt met honing is erg goed genuttigd de ogen en beneemt dat vel daarvan en maakt een zuiver gezicht. De meesters Plinius en Macer beweren alle opgeschreven stukken en spreken dat er twee soorten celidonia zijn. (3) Een de grotere en de andere de kleinere en zijn beide goed genuttigd voor alle gebreken van de ogen en beweren dat alzo en spreken: Als de zwaluwen de ogen uitgestoken of anders blind worden zo brengen ze hun gezicht wederom met dit kruid, gelijk zoals ze doen hun jongen zo ze noch blind zijn. En ook spreken ze zoals de andere meesters dat celidonia begint te groeien als de zwaluwen in het land komen en wordt ook dor als die heen vliegen.

 Dodonaeus; ‘Chelidonium mega heet dit kruid in het Grieks en in het Latijn Chelidonium majus en Hirundinaria major, in de apotheken noemt men het Chelidonia, dan sommige noemen het Celidonium, in het Hoogduits Grosz Scholwurtz, Schelkraut, Schwalbenkraut en Goldtwurz.'

(2) Chelidonium majus, L. (groter, dat in tegenstelling tot de kleinere, Ficaria verna)

(3) Het sap van stinkende gouwe dat daarin ontbonden of gemengd is heet nu tutia.

4) Sommige nemen wijn waar de wortel in gekookt is tegen geelzucht.

Herbarijs; En ze heeft kracht op te lossen en te verteren en uit te trekken de kwade vochtvermenging en tegen die tandpijn van koude zaken zal men deze wortel stampen en op de (5) tand leggen die pijn heeft.

Kerbeln lxxxvi Ca

Cerifolium latine·

(Isaac in dem bůch genant der dietis particularibus in dem capitel Apium beschτeibet uns von disem krautte das es sey heÿþ an dem dτitten grade und trucken an dem andern·(Dises kraut hat ein langen stengel und bleter geleich dem coτiander·(Dises kraut gesotten mitt anderm kraut machet schlaffen·(Von disem kraute getruncken machet wol harmen und bτingt den frauwen jr sucht menstruum genant·(Also genüczt benymmet dem schmerczen der lenden und der blasen. (Auch benÿmmet kerbeln dem weethumb des bauches unnd (h·ij·) [121] bτinget wÿnde·(Des safftes von kerbeln mit essig getruncken nŭchtern sterben die spolwürme. (Kerbeln gebulvert unnd auch gemischet mit hônig und geleget do d krebs wechset heilet jn·(Kerbeln mitt wein getruncken benÿmmet auch das wee in den hüfften·(Dz kraute und stabwurcz gesotten in wasser und auch dar under gemischet essig und das haubt damit gezwagen tôdtet die milben auf dem haubt·und tôdtet auch also gewåschen den harwürm·(Von dem samen getruncken heilet den biþ von einem tobenden hunde die wunden damitt gewåschen·(Die kerbel wurczel mit steinbτech gesoten in wein und den getruncken bτicht den stein in der blasen und machet auch fast wol harmen·(Item keτbeln gesoten in wein und den getruncken zerteÿlet das gelebbert blůt in dem leibe·des geleichen thůt auch dz wasser davon distilliert·

(1) Kervel, 86ste kapittel.

Cerifolium Latijn. (Anthriscus cerefolium)

Isaac in het boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Apium beschrijft ons van dit kruid dat het is heet aan de derde graad en droog aan de andere. Dit kruid heeft een lange stengel en bladeren gelijk de koriander. Dit kruid gekookt met ander kruid maakt slapen. (2) Van dit kruid gedronken maakt goed plassen en brengt de vrouwen hun ziekte, menstruatie genaamd. (6) Alzo genuttigd beneemt de smarten van de lenden en de blaas. Ook beneemt kervel de pijn van de buik en [121] brengt wind. (4) Het sap van kervel met azijn gedronken ‘s morgens sterven de spoelwurmen. (5) Kervel gepoederd en ook gemengd met honing en gelegd daar kanker groeit heelt het. Kervel met wijn gedronken beneemt ook de pijn in het hoofd. Dit kruid en citroenkruid gekookt in water en ook daaronder gemengd azijn en dat hoofd daarmee gedweild doodt de mijten op het hoofd en doodt ook alzo gewassen de haarworm. Van de zaden gedronken heelt de beet van een dolle hond, die wonden daarmee gewassen. (3) De kervelwortel met steenbreek gekookt in wijn en dan gedronken breekt de steen in de blaas en maakt ook erg goed plassen. Item, kervel gekookt in wijn en dan gedronken verdeelt dat gestolde bloed in het lijf, desgelijks doet ook dat water daarvan gedistilleerd.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit gewas wordt hier te lande kervel genoemd, in Hoogduitsland Korffelkraut, Korbel, Kurbel, Korbelkraut of Kerbelkraut.

Herbarijs komt goed met de Gart overeen; ‘Cerfolium, dat is kervel. (2) Het sap van kervel met lauw afkooksel gedronken laat goed urine maken en zuivert de baarmoeder en verzacht de (3) zeerheid van de lever en milt, gedronken en gepleisterd dus verzacht het krampen van de loop die komen van drabbige wind.

(4) En kervel gedronken met azijn doodt de wormen en laat het braken ophouden en stopt de lichte loop. (5) En is goed tegen kanker en diepe etterwond. (6) En als er iemand was die hard was in zijn zijde en het sap dronk en het kruid erop gebonden had, het zou helpen.

wunczerling lxxxvii c

Cicuta latine·grece conisa vel tenela vel comon·arabice succaram·

(Der meister paulus in seÿnem herbario in dem capitel cicuta und Serapio unnd pandecta spτechent dz cicuta von kalter natur wegen die der samen an jme hat tôdtet den menschen der jn nüczet·Aber wann mann jn bτauchen wil so sal man des nücze mit gůtem weissen wein der alt seÿ der benymmet jm dÿe kelte·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Succaram id est cicuta spτicht das der jtam seÿ jnwendig hole und habe vil knoden dar an geleiche dem fenchel stamm·Aber cicuta [122] ist grôsser an dem stengel unnd oben auf dem stamm hat es ein krone daran sind weiþ blůmen. (Der samen geleÿchet Enÿþ·Die wurczel ist auch nicht fast gehefft in das erdtrich und die wurczel ist als kalter natur dz sÿe van kelte das blůtte in dem menschen macht belebberen·aber nüczet man dÿe mitt lauterem wein so schadet sÿ nichts·

(Auch spτicht der wirdig meister Seτapio dz auch der same also grŭne gestossen·unnd den safft darauþ gelassen unnd den gestrichen umb die augen benymmet die fluþ darauþ und machet auch gar ein klares gesichte·(Ein pflasteτ gemachet von dem safft unnd gelegt auff den gebτesten freÿschum herisipila genannt kŭlet unnd seczet den schmerczen·(Wunczerling zerknischet mitt den samen unnd blettern unnd auch darauþ gemachet ein pflaster unnd auff die mannes dinger genant testiculi geleget benÿmmet gelusten czǒ unkeüscheÿt unnd machet auch das gemåcht nit auffsteet und machet auch den samen genant sperma verschwinden also das es ist wider den selben fluþ genant pollucio nocturna·

(Item dÿses pflasteτ geleget auff die bτüste der frauwen verschwindet jr die milch·Und wann das pflaster auch geleget wirt auff die bτust der junkfrawen so wachsen sÿe nichts·(Item Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel comom id est cicuta secundum translationem grecam steet geschτÿben das cicuta seÿ fast sere kelten über die natur des menschen·(Der meister Plinius in dem capitel romsa id est cicuta spτicht das die schlangen die bleteτ fliehent der uτsachen halben das sÿ auch kelten biþ auff den tod·

(Item cicuta warm und auch gar trucken an dem dτitten grade als Platearius spτicht·Und ist auch gar gůt wider den weethumb des milcz gesotten in eþsig und in ôle unnd auch auff das milcz geleget·Item wunczerling und zeÿtloþ gesotten in wein mit ôle vermenget ist gar gůt wider das gegicht der hende und fŭþ·Dises ist auch gar gůt wider das dårme gegicht·und wider den kalten seich diþ auff den bauch und lenden geleget diþ bewert Platearius·(h·iij·) [123]

(1) Gevlekte scheerling, 87ste kapittel.

Cicuta Latijn. Grieks conisa vel tenela vel comon. Arabisch succaram. (Conium maculatum)

(2) De meester Paulus in zijn herbaria in het kapittel Cicuta en Serapio en Pandecta spreken dat Cicuta vanwege de koude natuur van de zaden aan hem doodt de mensen die het nuttigt. Maar als men het gebruiken wil zo zal men dat nuttigen met goede witte wijn die oud is die beneemt hem de koudheid. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Succaram, id est Cicuta, spreekt dat de stam is inwendig hol en heeft veel knopen daaraan gelijk de venkelstam. Maar Cicuta [122] is groter aan de stengel en boven op de stam heeft het een kroon daaraan zijn witte bloemen. De zaden lijken op anijs. (2) De wortel is ook niet erg vast in dat aardrijk en de wortel is alzo koude natuur zodat ze van koudheid dat bloed in de mensen mag stollen, maar nuttigt man ze met zuivere wijn dan schaadt ze niet.

Ook spreekt de waardige meesters Serapio dat ook het zaad alzo groen gestoten en het sap daaruit gelaten en dan gestreken om de ogen beneemt de vloed daaruit en maakt ook erg een klaar gezicht. Een pleister gemaakt van het sap en gelegd op het gebrek rodeloop, herisipila genaamd, verkoelt en verzacht de smarten. (3) Scheerling gekneusd met de zaden en bladeren en ook daaruit gemaakt een pleister en op het mannen ding genaamd testikel gelegd beneemt lust tot onkuisheid en maakt ook dat geslacht niet opstaat en maakt ook de zaden, genaamd sperma, verdwijnen alzo dat het is tegen dezelfde vloed genaamd pollucio nocturna.

Item, deze pleister gelegd op de borst van de vrouwen verdwijnt bij hen de melk. En als die pleister ook gelegd wordt op de borst van de jonkvrouwen zo groeien ze niets. Item, Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel comom, id est Cicuta secendum translationem Grieks, staat geschreven dat Cicuta is erg zeer verkoelend over de natuur des mensen. De meester Plinius in het kapittel romsa, id est Cicuta, spreekt dat de slangen de bladeren vlieden vanwege dat ze ook verkoelen tot op de dood.

Item, Cicuta is warm en ook erg droog aan de derde graad zoals Platearius spreekt. En is ook erg goed tegen de pijn van de milt, gekookt in azijn en in olie en ook op de milt gelegd. (4) Item, scheerling en tijdloos gekookt in wijn en met olie vermengt is erg goed tegen de jicht der handen en voeten. (5) Dit is ook erg goed tegen de darmjicht en tegen de koude plas, dit op de buik en lenden gelegd, dit beweert Platearius.[123]

 (1) In de oude botanische en medische literatuur wordt vaak de gevlekte scheerling, Conium maculatum en de waterscheerling Cicuta virosa niet scherp uit elkaar gehouden. In het algemeen kan men zeggen dat de scheerling van de ouden, het koneion, van de Grieken en de Cicuta van de Romeinen zeker de gevlekte scheerling, Conium, was.

Herbarijs;. (2) Men werkt er nu niet mee want ze is te zeer giftig, ooit deden mensen het in medicijnen toen de mensheid sterker was. (4) En haar zaad is koud en droog en tegen jicht en voetjicht zal men die wortel stoten. En laat sterven alle soorten van wormen. (5) En drank er van gemaakt en gedronken of daarmee de leden gewassen laat scheiden dikke wind die in de huid is.

maurrauten

Das lxxxviii Ca

Capillus veneris vel coτiandτum putei vel capillus poτcinus latine grece adiaton arabice capillus agèl vel capillus agil vel berstegasten·

(Deτ meyster Seτapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel berstegasten id est copillus veneris spτicht dz dises seÿ ein kraut das do hat bletter gleich dem coτiander unnd har gar ein hårten stengel und subtÿle der ist in der lenge eÿner spannen·unnd hatt keýn blůmen·noch frucht noch samen·Die wurczel davon ist kein nûcze·Dÿses kraut wechset geren in dem schaden und an den mauren·unnd in dem tieffen grůben genant speluncken die do feücht sind·

(Item Serapio mit beweτung Galieni die tugent und natur dises krautes ist trucken machen·(In dem bůch genant circa instans in dem capitel capillus veneris steet geschτiben das dises seý kalt unnd trucken getemperiert. (Ein meister genant Stephanus in seÿnem bůch in dem capitel capillus veneris spτicht das dises seÿ von den alten geheÿssen Adiantos oder politruum als dann uns beschτeÿben Dÿascoτides unnd Alexander und spτechen alle gemein das dise dτeÿ namen als capillus veneris adiantos politricum werden genemet für ein kraut als dann ist capillus veneris darvon wir hie schτeiben·(Johannes mesue in seinem bůch in dem capitel Capillus veneris spτicht daz dises kraut auþ dem menschen ziehe die bôsen coleram und auch damit die groben feüchtigkeit·(Item capillus veneris reÿniget auch das geblŭtte und machet dem menschen gůt farbe unnd ein sanfften atem und reÿniget den magen den bauch die leber und daz milcz daruber getruncken·(Item über dises kraut getruncken benymmet den stein in d blasen und auch in den lenden·(Wer sich wåschet auff dem haubt mit wasser od lange darjnne gesoten ist maurτauten macht hare wachsen·Item esche gemacht von maurrauten und in die fistel gelassen [124] heilet sÿ·(Auch reÿniget das bulver dem gebτesten an der heimlichen stat der frauwen·ist maurpfeffer wider den fluþ des blůttes darvon genüczt·und ist auch gůt wider flüþ der stůlgeng mit wegbτeite wasser vermenget unnd genüczet spτichet pandecta·

Muurruit.

Dat 88ste kapittel.

Capillus veneris vel coriandrum putei vel capillus porcinus Latijn. Grieks adiaton. Arabisch capillus agèl vel capillus agil vel berstegasten. ( Adiantum capillus-veneris)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel berstegasten, id est Capillus veneris, spreekt dat dit is een kruid dat heeft bladeren gelijk de koriander en heeft erg een harde stengel en subtiele die is in de lengte zeventien cm en heeft geen bloemen noch vrucht noch zaden. De wortel daarvan is geen nut. Dit kruid groeit graag in de schaduw en aan de muren en in de diepe groeven genaamd spelonken die er vochtig zijn.

Item, Serapio met bewering Galenus de deugd en natuur van dit kruid is droog maken. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Capillus veneris staat geschreven dat dit is koud en droog getemperd. Een meesters genaamd Stephanus in zijn boek in het kapittel Capillus veneris spreekt dat dit is van de ouden geheten Adiantos of Politruum zoals dan ons beschrijven Dioscorides en Alexander en spreken alle algemeen dat deze drie namen als Capillus veneris, Adiantos en Politricum worden genomen voor een kruid zoals dan is Capillus veneris daarvan we hier schrijven. Johannes Mesue in zijn boek in het kapittel Capillus veneris spreekt dat dit kruid uit de mensen trekt de kwade gal en ook daarmee die grove vochtigheid. (3) Item, Capillus veneris reinigt ook dat bloed en maakt de mensen goede kleur en een zachte adem en reinigt de maag, de buik, de lever en de milt, daarvan gedronken. (4) Item, van dit kruid gedronken beneemt de steen in de blaas en ook in de lenden. (2) Wie zich wast op het hoofd met water of loog daarin gekookt is muurruit maakt haar groeien. Item, as gemaakt van muurruit en in de etterwonden gelaten [124] heelt ze. (3) Ook reinigt dat poeder de gebreken aan de heimelijke plaats van de vrouwen, is muurruit tegen de vloed van het bloed, daarvan genuttigd, en is ook goed tegen vloed van de stoelgang met weegbreewater vermengt en genuttigd, spreekt Pandecta.

(1) Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit kruid Adianton, Theophrastus en na hem Plinius noemen het Adiantum nigrum want ze beschrijven twee geslachten van Adiantum, een witte en een zwarte. De laatste, de grotere donkere wordt Trichomanes (Asplenium ruta-muraria) ofwel vrouwenhaar genoemd. De andere is Adiantum capillus‑veneris. Beide zijn ze zeer behulpzaam in alle ziektes van het hoofd en voor het herstellen of het opnieuw groeien van haar.

(2) Herbarius in Dyetsche; Steenrute, vrouwenshaer, minnenhaar of iouffrouwhaar, het is allemaal hetzelfde. (3) Het heeft de kracht die diuretica genoemd wordt (dat is dat het de nieren of blaas ontstopt) Vers is het van grote kracht, droog weinig. (4) Als je het sap van steenruit met venkelzaad en milium solis (dat is parelzaad) in wijn kookt breekt het de steen.

naterwurcz lxxxix c

Colubτina vel serpentaria vel viperina vel collum dτaconis latine grece dτagmentum arabice luff vel dτaguntea vel bleda vel saridaicon vel ascepias·

(Seraio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel luff id est colubτina beschτeibet uns und spricht daz der seye zweÿerhand·Eÿne ist geheissen die groþ naterwurcz·die ander die kleÿne·Die groþ ist geheÿssen colubτina oder serpentaria und die hat krauþe bleter·aber die klein ist genant aaron und die hat schlechte bleteτ·(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel serpentaria spτicht daz die wurczel von d groþen serpentaria subtiler seÿ wenn die von der kleinen und an dem geschmack ist sÿ bitter und heÿþ und trucken an dem dτitten grade·(Johannes mesue in dem capitel luff spτicht dz der seÿ zweÿeτ hande·Eine groþ·die ander klein·Und die groþ hat krause bletter·die klein schlechte·Die grôsser hatt ein wurczel die ist auþwendig eschfar und jnwendig weiþfar·und die klein auþwendig schwarz und jnwendig weiþ·unn die bede haben wurczeln die haben an jne flecken wie die schlangen·dÿe beste zeÿt die wurczeln auþ czů graben ist der meÿ und an dem angeende summeτ·Und die grôsser colubτina ist heisser von natur wenn die klein·(Auch spτicht Galienus daz die bede sind von natur durchtringen unnd subtÿl machen die groben feüchtunge·unnd die groþ ist stercker an jrer krafft wenn die kleÿn·(Johannes mesue naterwurcz ist gůt genüczet dem lendensüchtitigen davon getruncken unnd machet wol harmen und bτingt gelust und begirde und stercket (h·iiij·) [125] die natur des menschen·(Item naterwurcz gebulvert und geessen mit eÿern ist gůt dem keichenden unnd senfftiget die bτust und reyniget die lungen unnd benymmet jr den hůsten·(Den saft von naterwurz in die oτen warm gelassen benÿmmet das sausen darjnn·(Galienus bede naterwurcz gesotten in wasseτ und die ausseczig haut damit gewåschen reÿniget die vin jrem unflat und machet sÿ glat und schône·und besunder das angesicht damit gewåschen benymmet die ausseczigen flecken darvon·(Item naterwurcz gestossen und auff die zeτknischten glider gelegt heýlet sÿ·(Colubτina ist gůtt genüczet den frauwen die sich saumen an jrer zeit·und treÿbet auþ die todten geburt·Und darumb ist es den frauwen nit nücz zû bτauchen so sÿ schwanger sind es wåre dann sach das die zeyt wåre der geburt·(Item colubτina machet hin fliehen die gifftigen thier·Wôlichs mensch die beÿ im hatt dem mag kein gifftig thieτ schaden zůfûgen·(Platearius spτicht das dise wurczel sunderlich gůt seÿ für den gebτesten der bestilencz daz bulver eingenommen mitt tÿriackel unnd endivien wasseτ·(Item wo dise wurczel in eÿnem hauþ ist in dz mag kein gifftig thier kommen·Und wåre es sach dz schlangen darjnne wåren dÿe fliehen behendigklichen darauþ·

(1) Slangenwortel, 89ste kapittel.

Colubrina vel serpentaria vel viperina vel collum draconis Latijn. Grieks dragmentum. Arabisch luff vel draguntea vel bleda vel saridaicon vel ascepias. (Bistorta officinalis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel luff, id est colubrina, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig. Een is geheten de grote slangewortel en de ander de kleine. De grote is geheten colubrina of serpentaria en die heeft gekroesde bladeren, maar de kleine is genaamd Arum en die heeft rechte bladeren. De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel serpentaria spreekt dat de wortel van de grote serpentaria subtieler is dan die van de kleine en aan de smaak is ze bitter en heet en droog aan de derde graad. Johannes Mesue in het kapittel luff spreekt dat er zijn twee soorten. Een grote en de ander klein. En de grote heeft kroezige bladeren, de klein rechte. De grote heeft een wortel die is uitwendig askleurig en inwendig witkleurig en de kleine uitwendig zwart en inwendig wit en die beide hebben wortels die hebben aan hen vlekken zoals de slangen, de beste tijd die wortels uit te graven is de mei en aan de aangaande zomer. En de grote colubrina is heter van natuur dan de kleine. (2) Ook spreekt Galenus dat die beide zijn van natuur doordringen en subtiel maken die grove vochtigheden en de grote is sterker aan zijn kracht dan de kleine. Johannes Mesue, slangewortel is goed genuttigd de lendenzieken, daarvan gedronken, en maakt goed plassen en brengt lust en begeerte en versterkt [125] de natuur van de mensen. Item, slangewortel gepoederd en gegeten met eieren is goed de kuchende en verzacht de borst en reinigt de longen en beneemt hem het hoesten. Het sap van slangewortel in de oren warm gelaten beneemt dat suizen daarin. (3) Galenus, beide slangewortels gekookt in water en die huiduitslag van de huid daarmee gewassen reinigt die en haar onaardigheid en maakt het glad en schoon en vooral dat aangezicht daarmee gewassen beneemt de huiduitslag vlekken daarvan. Item, slangewortel gestoten en op de gekneusde leden gelegd heelt ze. (5) Colubrina is goed genuttigd de vrouwen die zich verzuimen aan hun tijd en drijft uit de dode geboorte. En daarom is het de vrouwen niet nuttig te gebruiken zo ze zwanger zijn tenzij dat het de tijd is van de geboorte. Item, colubrina maakt heen vlieden de giftige dieren. Welk mens die bij hem heeft die mag geen giftig dier schade toevoegen. Platearius spreekt das deze wortel uitzonderlijk goed is voor de gebreken van de pest, dat poeder ingenomen met teriakel en andijviewater. (4) Item, waar deze wortel in een huis is in daar mag geen giftig dier komen. En was het zo dat de slangen daarin waren die vlieden behendig daaruit.

(1) Dodonaeus;‘Naar zijn omgekromde en gekronkelde wortel heeft dit gewas de Latijnse naam Bistorta gekregen als of men tweemaal verdraaide of tweemaal gekronkelde zei. De Hoogduitsers noemen het Naterwurtz.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Serpentine, Serpentaria of Dragontea is de grotere of weelderige

(3) Het sap van slangewortel dat met rozenwater en wat bloem van lood gemengd en in de zon tot de juiste wijze van vochtigheid gebracht wordt en daarmee het aangezicht bestreken maakt een zuivere huid en verdrijft de donkerheid van de huid.

(5) Om de blaar te rijpen en te breken, ook om de stonden te laten komen leg je groene slangewortelbladeren die in olie gekookt zijn op de blaar. Een suppoost die daar van gemaakt is laat de stonden komen.

(4) Maar Albertus die van de krachten van de kruiden spreekt zegt dat als slangekruid met Trifolium (dat is klaverblad) in de aarde begraven wordt het serpenten maakt die rood en groen zijn, daarvan maakt men een poeder dat als het in een brandende lamp gedaan wordt laat schijnen alsof er serpenten zijn’.


hanf xc Cap

Canapus latine·grece canaps arabice vero sechedenchi·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sechedenchi id est canapus spτicht dz dises kraut werde gesået und bτinget samen unnd hatt auch gar ein langen stil unnd lange este und einem starcken gerauch unnd der stamm ist hole·(Paulus canapus ist heiþ und trucken an dem andern grad·(Wôlicher vil feüchtigkeit hette im den oτen und stetigklichen flüþsen der laþ ôle warm darein dz gemacht wirt von disem samen er genÿset·(Dises kraut meret auch das haubt wee der damit handelt und bτinget mani [126] am dz ist die dobesucht·(Platearius·Nÿmm nuþleuffen saffte ein lot wilde selben saft ein halb lott rautten saffte dτeü quintin ÿsop safft dτeü lot·unnd nymme hanfkraut safftes auch vier lot dises misch under einander und nÿmm davon ein halb lott unnd mische dz mit mummia ein halb quintin·zucker candit ein halb lot·rosen zucker ein quintin·und mache darauþ ein tranck unnd trinck dem des abents so du schlaffen wilt geen·und lasse dich wol czů decken das benÿmmet auch alle feüchtunge in dem menschen davon sich erhebt die pestilencz·unnd ist der sicher eÿnen ganczen monat·(Diþ tranck dienet auch wol der wassersuchte und auch der gelesucht·und wôlicher den also ein nÿmmet der darff sich der krangkheÿt keÿner besoτgen·(Item wer hanff samen zů vil nüczet mitt namen die månner den wirt jr natürlich samen vertrucket genant sperma.

(1) Hennep, 90ste kapittel.

Canapus Latijn. Grieks canaps. Arabisch vero sechedenchi. (Cannabis sativa)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sechedenchi, id est canapus, spreekt dat dit kruid wordt gezaaid en brengt zaden en heeft ook erg een lange steel en lange twijgen en een sterke reuk en de stam is hol. Paulus, canapus is heet en droog aan de andere graad. (3) Wie veel vochtigheid heeft in de oren en steeds vloeit die laat olie warm daarin dat gemaakt wordt van deze zaden, hij geneest. (4) Dit kruid vermeerdert ook de hoofdpijn die daarmee handelt en brengt mania aan, [126] dat is de verdovende ziekte. Platearius: Neem notensap een lood, wilde saliesap, een half lood, ruitsap, drie quintin, hysopsap, drie lood, en neem hennepkruid sap, ook vier lood, deze meng je onder elkaar en neem daarvan een half van 16,7 gram en meng dat met mummia, een half van 1,67gram, suikerkandij, een half van 16,7 gram, rozensuiker, een 1,67gram, en maak daaruit een drank en drink dat ‘s avonds zo je slapen wil gaan en laat je goed toe dekken, dat beneemt ook alle vochtigheid in de mens daarvan zich verheft de pest en is er zeker van een gehele maand. Deze drank dient ook goed de waterziekte en ook de geelziekte en wie dat alzo inneemt die hoeft zich over de ziektes niet te bezorgen. (2) Item, wie hennepzaden te veel nuttigt met namen de mannen die wordt hun natuurlijke zaden verdrukt genaamd sperma.

(1) Dodonaeus; ‘In Brabant heet dit gewas kemp, in Hoogduitsland Zamer Hanff, dat is tam kemp, tot verschil van het wild, de Griekse naam is Kannabis.

Herbarius in Dyetsche; (2) Als het sap van hennep te veel gegeten wordt dan verdroogt dit het sperma.

(3) Sommige doen het uitgeduwde sap in de oren wat hun pijn zeer vermindert, Serapio.

Als de wortel van hennep met de wortel van malve en nachtschade kookt en als een soort pleister gebruikt dan is het goed op hete blaren.

De schors van hennep is goed om er koorden of zeilen van te maken.

kürbisz xci Ca

Cucurbita latine grece cucurbita genella vel coloquintida·arabice bara vel hara·

(Dyascoτides in dem capittel coloquintida·id est cucurbita spτicht das kürbiþ habe frucht die sey rott geleich einem hůte·die sol man abe nemen so der same darjnne wol zeÿtig woτden seÿ und das sol geschehen in dem monat september genant und nit ee·(Serapio auctoτitate galieni d geschmack von kürbiþ bletern ist starck und bitter·Diser same treibet auþ die flegma und unverdaulich feüchtung von dem getruncken·In dem bůch genamt circa instans steet geschτiben dz kürbiþ sind kalt und [127] feücht getemperiert·die frucht bτaucht man in der årczneÿ und samen·(Item kürbiþ sol nicht rohe geessen werden sunder gesoten oder gebτaten·(Item diser same genüczet mit wein ist gůtt der ein verstopfftes milcz hette und ein verstopffte leber. (Item der same sol wol gereyniget werden von den aussern rinden und sol den sieden in gersten wasser unnd darnach das wasser abe seÿhen·dz getruncken ist fast gůt dem lebersüchigen und machet wol harmen·Und wåre es sach das der sieche des wassers nicht trincken mochte·so soll man darauþ machen ein sÿrope mit zucker·Diser sÿrope ist auch gůt gebτauchet deτ das febτes hette wôlicher hande es wåre·(Item wôlicher ein hiczige leber het der schabe von der frucht der kürbiþ und truck darauþ den safft und mische dar under essig unnd darnach nÿmm ein tůch unnd necze das darjnne unnd schlage das über die hiczige leber auþwendig an dem leÿbe es hilffet fast wol·(Item die frucht sol man auff hencken und sÿ lassen trucken werden·und so die kelte genahet sol man den samen auþ thůn unnd den reÿben mit salcz das der schleÿme und feüchtigkeÿt darvon komme·unnd die kerne legen an ein truckne stat unnd an kein feüchte stat auff das die feüchtigkeit den samen nit veτderbe als dann balde geschicht·(Disen samen mag man behalten dτeü jar·(Item kürbiþ wasser auff der kinder haubt gelegt ist die hiczige blatern und aposteme daselbst kŭlen·(Diþs wasser geleget auf die wethumb der fŭsse genant podagra ist sÿ senfftigen die von hicze kommet·(Item kürbiþ saffte mitt rosen ôle vermischet ist gůtte wider weethumb der oτen darein warm gethan wôlicher weethumb von hicz kommet·Und mit disem saffte den mundt gewåschen ist gůtt wider dÿe zene weethumb·(Item kürbiþ wasser mit rosenôle vermenget und damit geschmieret die lenden und den ruckmeÿssel ist fast gůt wider die hicz des fiebers·Unnd ist auch gůt wider das freischumb genant erisipila·(Item von gebτanten kürbiþ ist zů heÿlen die geschwår an den heimlichen enden·(Item kürbiþ wasser genüczet ist gůtt wider die hicze des fiebers·und ist auch gůt wider den durst und wider dem hůsten mit zucker vermenget·Daz selbige ist auch dem bauch weich machen zů stůlgengen spτicht Serapio·[128]

(1) Kauwoerden, 91ste kapittel.

Cucurbita Latijn. Grieks cucurbita genella vel coloquintida. Arabisch bara vel hara. (Lagenaria siceraria)

Dioscorides in het kapittel coloquintida, id est Cucurbita, spreekt dat kauwoerden heeft een vrucht die is rood gelijk een hoed en die zal men afnemen zo het zaad daarin goed rijp geworden is en dat zal geschieden in de maand september genaamd en niet eerder. Serapio die aanhaalt Galenus, de smaak van kauwoerden bladeren is sterk en bitter. Dit zaad drijft uit de flegma en onverteerbare vochtigheid, ervan gedronken. In het boek genaamd Circa instans staat geschreven dat kauwoerden is koud en [127] vochtig getemperd, de vrucht gebruikt men in de artsenij en zaden. Item, kauwoerden zal niet rauw gegeten worden uitgezonderd gekookt of gebraden. (2) Item, dit zaad genuttigd met wijn is goed die een verstopte milt heeft en een verstopte lever. (4) Item, het zaad zal goed gereinigd worden van de buitenste bast en zal dan koken in gerstewater en daarna dat water af gieten en dat gedronken is erg goed de leverzieke en maakt goed plassen. En was het zo dat de zieke dat water niet drinken kon dan zal men daaruit maken een siroop met suiker. Deze siroop is ook goed gebruikt in die koortsen van welke vorm ze zijn. Item, wie een hete lever heeft die schaaft van de vrucht van de kauwoerden en drukt daaruit het sap en meng daaronder azijn en daarna neem een doek en nat die daarin en sla dat over die hete lever uitwendig aan het lijf, het helpt erg goed. Item, die vrucht zal men ophangen en ze laten droog worden en zo de koudheid nadert zal man de zaden uit doen en de wrijven met zout zodat er slijm en vochtigheid daarvan komt en de kernen leggen aan een droge plaats en aan geen vochtige plaats zodat de vochtigheid de zaden niet bederft zoals dan gauw gebeurt. Deze zaden mag men behouden drie jaar. Item, kauwoerden water op het kinderhoofd gelegd is de hete blaren en gezwellen daar verkoelen. Dit water gelegd op de pijn van de voeten, genaamd podagra, is ze verzachten die van hitte komt. Item, kauwoerden sap met rozenolie vermengd is goed tegen pijn van de oren, daarin warm gedaan welke pijn van hitte komt. En met dit sap de mond gewassen is goed tegen de tandpijn. Item, kauwoerden water met rozenolie vermengd en daarmee gesmeerd de lenden en de ruggenwervel is erg goed tegen de hitte van de koortsen. En is ook goed tegen de freischam genaamd erisipila. Item, van gebrande kauwoerden is te helen de zweren aan de heimelijke einden. (5) Item, kauwoerden water genuttigd is goed tegen de hitte van de koortsen en is ook goed tegen (3) de dorst en tegen het hoesten, met suiker vermengt. Datzelfde is ook de buik week maken tot de stoelgang spreekt Serapio. [128]

 (1) Dodonaeus; ‘De vruchten van dit gewas heten in onze taal cauwoorden, in het Hoogduits Kurbs. De eerste soort die flesvormige vruchten draagt heet Cucurbita prior, dat is eerste kauwoerden of, als andere zeggen, fles kauwoerden.

Herbarius in Dyetsche; (3) De sappen van deze vier genezen de dorst.

De vier zaden zijn diuretica (a) en daarom zijn ze in medicijn goed.

(4) Deze zaden die van de buitenste schors ontdaan, gebroken en in gerstewater gekookt en dan gezuiverd, met suiker gemengd en zo gedronken worden zijn goed tegen verstoppingen van de lever, van de milt, van de nieren, van de blaas en de blaren van de borst.

(5) Tegen scherpe koortsen, vooral de dagelijkse en de derdedaagse of om de andere dag.

fylczkraut xcii Ca

Cuscuta latine grece haboτasa arabice Easuch·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Easuch id est cuscuta spτicht das dýses kraut hencket sich umb die baume unnd ist gestalt geleich als garn an dem stengel·und an der spiczen hat es ein subtÿle frucht. Man findet es vil in dem flusse. Sein natur ist heiþ an dem ersten grade und trucken an dem andern·(Auch steet geschτiben in dem bůch Pandecta in dem capitel Easuch das dises krauts natur seÿe nach dem baum dar an es hanget und ist der baum heÿsser natur daran es hanget so ist es auch heiþ·Ist er aber kalter natur so ist es auch kalt. (Der meister Serapio mit bewerung Galieni spτichet dz diser same sey gůt der bôsen gallen und beneme das wee der lenden das getruncken mitt selben wein·(Auch reÿniget diser same die aderen die vol feüchtigkeit sind·Und ist auch fast gůt also genüczet für die gelesucht·(Cuscuta ist fast gůt genüczet für das verhart milcz und leber·unnd ôffnet die zůhant mit hirczung gesotten in wein·Und gesoten mit wasser und mit zucker sûþ gemacht ist reynigen ein kalte feüchtung·Und dises ist auch gůt genüczet wider dem kalten seich platearius·

(1) Warkruid, 92ste kapittel.

Cuscuta Latijn. Grieks haborasa. Arabisch Easuch. (Cuscuta epilenum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel easuch, id est Cuscuta, spreekt dat dit kruid hangt zich om de bomen en is gevormd gelijk als garen aan de stengel en aan de spits heeft het een subtiele vrucht. (2) Men vindt het veel in het vlas. Zijn natuur is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. (3) Ook staat geschreven in het boek Pandecta in het kapittel easuch dat dit kruid natuur is naar de boom daaraan het hangt en is de boom van hete de natuur daaraan het hangt zo is het ook heet. Is het echter van koude natuur zo is het ook koud. (4) De meester Serapio met bewering van Galenus spreekt dat dit zaad is goed de kwade gallen en beneemt de pijn der lenden, dat gedronken met saliewijn. Ook reinigt dit zaad de aderen die vol vochtigheid zijn. En is ook erg goed alzo genuttigd voor die geelziekte. (5) Cuscuta is erg goed genuttigd voor de verharde milt en lever en opent die gelijk, met hertstong gekookt in wijn. En gekookt met water en met suiker zoet gemaakt is reinigen een koude vochtigheid. En dit is ook goed genuttigd tegen de koude plas, Platearius.

Cuscuta epithymum komt voor in kapittel 169.

 (1) Dodonaeus; ‘De grootste en dikste soort van dit gewas is in Brabant gewoonlijk schorfte of wranghe genoemd, in Hoogduitsland Filtzkraut, Dottern en Flachsseyden, de apothekers noemen het meest overal Cuscuta, sommige Podagra Lini omdat ze het vlas meest plag te omhelzen.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Cuscuta of podagra is side op het vlas of wranghe in het vlas, het is iets dat op het vlas groeit.en daarna slijm. Aldus een siroop daar van gemaakt: (5) Deze siroop is ook goed om de verstoppingen van de lever, van de milt of van de nieren te openen. Tegen hetzelfde is ook goed om warkruid, hertstong, venkelzaad en peterseliezaad in wijn te koken. Dezelfde drank laat plassen en is goed tegen geelziekte die van de verstopping van de lever of van de milt komt.

(3) De samengesteldheid van warkruid is naar de samengesteldheid van het kruid waar het aan hangt want het wordt heet door het aanhangen aan een heet kruid of boom en wordt koud als het aan een koud kruid hangt, volgens Pandecta’.

Herbarijs; (5) Het opent verstopping van milt, van lever en van gal en met zijn zwaarheid en met zijn hardheid, zo versterkt het de maag en purgeert de aderen van verrotte vochtigheden’.


wegwarten xciii Ca [129]

Cicoτea latine vel sponsa solis vel solisse quia·arabice hondebe·grece Seris vel intuba vel gegucisi·

(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum spτicht das wegwarten seÿ kalter und truckener natur diþ kraute ist gestalt geleich dem fenchel unnd hat oben ein blae blůmen geleich einem stern·

(Serapio mit bewerung Diascoτides spτicht daz dises kraut gesotten in wein unnd geessen machet einen gůten magen und den wol deüwen·(Dises krautes blůmen unnd wurczeln gestossen unnd über das fůþ wee thumb genant podagra geleget geleich einem pflaster benymmet den weethumb zůhant·(Diþ pflaster gelegt auff einem vergifftigen biþ heÿlet den zûhant·(Item diþ pflaster gelegt auf den gebτesten herisipila genant zeühet grosse hicz darauþ·(Ein gummÿ genennet Serapinum und dises gummÿ das man findet an disem stamm unnd mirτa ÿegklichs geleich vil und under einander gemischet mit gamillen ôle und hõnig und darauþ gemacht ein pflaster unnd daz gebunden auff die schemde der frauwen reÿniget jr die můteτ also daz sÿ darnach geberen mage·(Dises kraut und wurczel gestossen unnd trociscos darauþ gemacht dz sind rot schÿblin und die sol man zerteÿlen oder vermischen mit rosen wasser und schmieren die reudigen haut mitt disem wasser heilet die und machet sÿ geladt·(Item sunnen wúrbel saft und endivien saft und auch hriczung safft mit zucker ein tranck gemacht darvon genüczet ist fast gůt wider bestoppung d leber und milcz mit waþser und auch mit wenig essig gesoten·(Darnach sol man nüczen pillilen von reubarbaro und darnach ein sterckung genüczet genant triasandali·

Witlof, 93ste kapittel. [129]

Cicorrea Latijn vel sponsa solis vel solisse quia. Arabisch hondebe. Grieks Seris vel intuba vel gegucisi. (Cichorium intybus)

Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum spreekt dat witlof is koude en droge natuur, dit kruid is gesteld gelijk de venkel en heeft boven een blauwe bloem gelijk een ster.

Serapio met bewering Dioscorides spreekt dat dit kruid gekookt in wijn en gegeten maakt een goede maag en de goed verduwen. (3) Dit kruid zijn bloemen en wortels gestoten en over de voetenpijn, genaamd podagra, gelegd gelijk een pleister beneemt de pijn gelijk. Deze pleister gelegd op een vergiftige beet heelt die gelijk. (40 Item, deze pleister gelegd op het gebrek herisipila genaamd trekt grote hitte daaruit. Een gom genoemd Serapinum en deze gom die men vindt aan deze stam en mirre, van elk gelijk veel, en onder elkaar gemengd met kamilleolie en honing en daaruit gemaakt een pleister en dat gebonden op de schaamte der vrouwen reinigt hun de baarmoeder alzo dat ze daarna baren mag. (5) Dit kruid en wortel gestoten en koekjes daaruit gemaakt, dat zijn rode schijfjes, en die zal men verdelen of vermengen met rozenwater en smeren de ruige huid met dit water heelt die en maakt ze glad. (2) Item, zonnewervel sap en andijviesap en ook hertstong sap met suiker een drank gemaakt en daarvan genuttigd is erg goed tegen verstopping van de lever en milt met water en ook met weinig azijn gekookt. Daarna zal men nuttigen pillen van rabarber en daarna een versterking nuttigen genaamd triasandali.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden alle tezamen met een naam in het Grieks Seris of Serides genoemd en in het Latijn Intyba. Het tweede (eerste is andijvie) geslacht is in het Nederduits cicoreye genoemd, in het Hoogduits Wechwarten dat is weg bewaarder.

Herbarius in Dyetsche; ‘Cicoreije, hemelslotel .Er zijn twee soorten, te weten die in de hof groeit en die in het veld groeit. Die in de hof groeit verkoelt meer dan die in het wild groeit. (2) Het sap van cichorei is zeer goed tegen verstoppingen van de lever en haar hitte als je er een siroop van maakt. 

(4) Hetzelfde is ook goed tegen een blaar die erispilla heet en die van rode gal komt, ook tegen vurige blaren. (3) Het sap van cichorei dat gemengd is met het sap van heemst en primula, met lijnzaadolie en wat saffraan is goed tegen jicht in de voet, het verzacht de pijn.

(5) Cichoreiwater dat met nitrum gemengd is is volgens Pandecta goed tegen morfeem, (dat zijn plekken).

kychern xciiii Ca

Citrullus latine·arabice hake vel rahera·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Rahera auctoτitate Galieni spτichtett das auch die kychern gar kelter sind von natur wann dÿe [130] kürbiþ und spτicht auch do selbest das kÿttern machen bôse feüchtigkeit unnd bôse geblŭtte in den aderen·unnd kommen geren febτes davon wer sÿ ÿsset·und darumb sind sÿ nit zů bτauchen einem ÿegklichen menschen·wann allein die do haben einem hiczigen magen die mügen sÿe bτauchen on schaden·(Item kichern gesoten in wasser ist gůte den dye zerdτŭsen wåren an dem leÿbe von dem kalten wee die damit gewåschen·(Dz selbig wasseτ getruncken benÿmmet den durste und bτinget stůlgang also das man dar under menget zucker daz man nennet electuarium de succo rosarum·(Und solt wissen daz dises getruncken nit gůt ist den menschen die gar verhertet sind in dem leibe·wann diþs wasser ist nitt also krefftig dz es müge eτweichen die hertigkeit in dem leÿbe und darumb wåre es fast schedelich dem menschen wann es bey jm bleibe und nit gewürcken mocht·(Item ÿsaac in dem bůch genennet de dietis particularibus in dem dτitten underscheÿt und in dem capitel citrullus beschτeibet uns daz citrulli vergiftige feüchtigkeÿt machen in dem menschen und sind auch nit balde zů verdeüwen und darumb sind sÿ nit gewonlichen zeessen. Aber das wasser davon gesoten mag man nüczen on schaden·

(1) Keker, 94ste kapittel.

Citrullus Latijn. Arabisch hake vel rahera. (Cicer arietinum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Rahera die aanhaalt Galenus spreekt dat ook de kekers erg kouder zijn van natuur dan de [130] kouwoerden en spreekt ook dezelfde (2) dat kekers maken kwade vochtigheid en kwaad bloed in de aderen en komen graag koortsen daarvan wie het eet en daarom zijn ze niet te gebruiken door elk mens want alleen die er hebben een hete maag die mogen ze gebruiken zonder schade. Item, keker gekookt in water is goed de die klieren hebben aan het lijf van de koude pijn, die daarmee gewassen. Datzelfde water gedronken beneemt de dorst en brengt stoelgang alzo dat men daaronder mengt suiker dat man noemt electuarium de succo rosarum. En zal weten dat dit gedronken niet goed is de mensen die erg verhard zijn in het lijf want dit water is niet alzo krachtig dat het mag weken de hardheid in het lijf en daarom is het erg schadelijk de mensen want het bij hem blijft en niet werken mag. Item, Isaac in het boek genoemd de dietis particularibus in het derde onderscheidt en in het kapittel citrullus beschrijft ons dat citrulli vergiftige vochtigheid maakt in de mensen en zijn ook niet gauw te verduwen en daarom zijn ze niet gewoonlijk te eten. Maar dat water daarvan gekookt mag men nuttigen zonder schade.

(1) Dodonaeus; ‘In onze taal heten deze cicers gewoonlijk gehoekte of kantige ciceren, in het Latijn Cicer Arietinum, alsof men ram cicers zei.

Dodonaeus; ‘‘De ronde of tamme cicers maken lichte kamergang (2) maar veroorzaken veel winden en opblazingen in de darmen en laten ook de kwade kleur van het lichaam vergaan en de goede weerkomen, ze jagen de maandstonden en de vrucht uit het lijf en ze vermeerderen dat zog in de vrouwenborsten.

Walwûrcz xcv Ca

Consolida latine·grece simphitum vel anagulicum·arabice picterion·

(Diascoτides in dem capittel Sÿmphitum id est consolida spricht daz die seÿ zweÿerleÿ·die ein groþ·die ander kleÿn·Dÿe klein hat feÿste bletter und geleichet dem dosten·der stengel daran ist dünne·und hatt este wie holcz·(Der stamm reüchet wol unnd ist sŭsse·Dye wurczel ist lang und rot an der farbe·und ist als dick als ein finger·Die grôsser hat ein scharpffen stamm und zweÿer arm lang·der stamm ist jnwendig hol und hatt lange bletter geleich der ochsen zungen die wurczel ist auþwendig schwarcz und jnwendig weiþfar und [131] kleberig. (Platearius die wurczel gestossen und davon getruncken benymmet auch dz blůt speÿen·(Item dise wurczel gestoþsen und gelegt auff die zerknischten glider heilet die zůhandt·

(Plinius spτicht daz Consolida maioτ habe alle tugent dÿe dann hat cerifolium dz ist kÿrbeln und das kraut von der consolida maioτ hat alle die tugendt die die wurczel an jr hat·(Item die wurczel und auch dz kraut gestossen unnd gelegt auff die schwarczen blatern gleich eynen pflaster zeühet auþ dem eÿter und zeühet damit auþ gelebert blůt das von stossen von fallen oder von schlegen sich erhaben hat.

(Die kleini consolida gesotten mit mulsa reyniget die leber.

(Item eÿn mulsa mache also·Nÿmm acht teÿl wassers und das vierteÿl hônigs und misch darunder die klein walwurcz mit bletern und wurczeln oder wz du wilt do dich dann diþs bůch under weiset und thů auch dise dτeü ding zů hauffen·und laþ dise stuck sieden mit einander d tranck ist fast gůt der lungen und auch der lebern·(Von dÿser wurczeln getruncken mit wein stellet den frauwen jren flusse·Die wurczel gekeüwet benÿmmet den durst·

(1) Smeerwortel, waalwortel, 95ste kapittel.

Consolida Latijn. Grieks simphitum vel anagulicum. Arabisch picterion. (Symphytum officinale)

Dioscorides in het kapittel Sÿmphitum, id est consolida, spreekt dat die zijn tweevormig, de ene groot en de andere klein. De kleine heeft vaste bladeren en lijkt op majoraan, de stengel daaraan is dun en heeft twijgen als hout. De stam ruikt goed en is zoet. De wortel is lang en rood aan de verf en is als dik als een vinger. De grotere heeft een scherpe stam en twee armen lang, de stam is inwendig hol en heeft lange bladeren gelijk de ossentong, de wortel is uitwendig zwart en inwendig wit gekleurd en [131] kleverig. (2) Platearius, de wortel gestoten en daarvan gedronken beneemt ook dat bloedspuwen. (3) Item, deze wortel gestoten en gelegd op de gekneusde leden heelt die gelijk.

Plinius spreekt dat Consolida major heeft alle deugd die dan heeft cerifolium, dat is kervel, en dat kruid van de consolida major heeft alle deugd die de wortel aan zich heeft. (4) Item, de wortel en ook dat kruid gestoten en gelegd op de zwarte blaren gelijk een pleister trekt uit de etter en trekt daarmee uit gestold bloed dat van stoten, van vallen of van slaan zich verheven heeft.

Die kleine consolida gekookt met mulsa reinigt de lever.

Item, een mulsa maak je alzo: Neem acht deel water en dat vierde deel honing en meng daaronder de kleine smeerwortel met bladeren en wortels of wat u wilt dat je dan dit boek onderwijst en doe ook deze drie dingen in hopen en laat dat stuk koken met elkaar, de drank is erg goed de longen en ook de lever. (5) Van deze wortels gedronken met wijn stilt de vrouwen hun vloed. (6) De wortel gekauwd beneemt den dorst.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden in het Grieks Symphyton genoemd, de Latijnen noemen ze Symphytum en Solidago, de apothekers Consolida major en Symphytum majus’. Symphyton zou afgeleid zijn van sumphuo:
tezamen groeien. Wal: toehelen. In de 15de eeuw was de Duitse naam die gross Wallwurz.

Dodonaeus; (2) Ze is ook zeer krachtig om diegene te genezen die bloed spouwen en er een hoest bij gevoegd hebben en kan veel doen in de zweren en zeren van de longen.

(3) Voorts hoe goed dat dit kruid is om de wonden en breuken te genezen en te helen dat is hieruit duidelijk genoeg dat als het met gekapte en klein gesneden stukken van rauw of vers vlees gekookt is die weer tezamen brengt en aaneen maakt, dat is zo vast ineen trekt dat die stukken niet meer verschillende delen, maar veel meer een klont vlees alleen schijnen te wezen.

(6) De wortels gekauwd verdrijven de dorst en genezen de hardheid van de keel. Met bladeren van kruiskruid zijn zeer goed gelegd op allerhande hete zweren en vooral op die van de aarsdarm.

Ajuga reptans is ook een consolida . Zo ook Prunella vulgaris, zie kapittel 72, ook Bellis perennis, zie kapittel 333. Zo zijn er meer consolida’s.

rittersporn xcvi Ca

consolida regalis latine·

(Die meÿsteτ spτechen daz dise blůmen sind heÿþ und auch gar truckener natur unnd haben auch gar vil tugent an jn·(Item dÿse blůmen gestossen zů bulver und dar under gemischet rosen wasser·diþs wasser dienet fast wol den augen darumb gestrichen unnd benymmet die rôte darjnne·(Ritters klůmen dτeÿ in jungkfrauwen wachs gewürcket und an den hals gehencket und damitt sant Otilien ein messe gefrümet od dτeü almůsen umb jren namen geben·oder dτeÿ pater noster andåchtigklichen gebeth odeτ dise dτeÿ gottes dienst alle ge [132] than·Seine augen beleiben gesunt die weÿle der mensch lebet. Und wann dich duncket deine augen bτesthafftig werden solt du diþs wachs beÿ dir halten dτeÿ tage mitt der obgeschτiben bůþ·(Item dise blůmen alle tagen angesehen den selbigen tage kommet dir kein augen wethumb·Und etlich nemen diser blůmen ein büschlin und hencken sÿ über die thoτ der stuben od kammern auff das sÿ darein sehen mügen·(Dise blůmen hatt die lieb jungkfrauwe sant otilia sunderlichen in eren gehabt davon jnen dann solicher gewalte kommen ist·

(1) Ridderspoor, 96ste kapittel.

Consolida regalis Latijn. (Consolida regalis)

De meesters spreken dat deze bloemen zijn heet en ook van erg droge natuur en hebben ook erg veel deugd aan hen. Item, deze bloemen gestoten tot poeder en daaronder gemengd rozenwater, dit water dient erg goed de ogen daarom gestreken en beneemt de roodheid daarin. ‘(2) Ridderspoor bloemen drie in maagdenwas verwerkt en aan de hals gehangen en daarmee Sint Otilia een mis opgedragen of drie aalmoezen onder haar naam gegeven of drie pater nosters aandachtig gebeden of deze drie godsdiensten alle gedaan, [132] zijn ogen blijven gezond de tijd de mens leeft. En als je denkt dat je ogen zorgelijk worden dan zal je deze was bij je houden drie dagen met de opgeschreven boete. Item, deze bloemen alle dagen aangezien, dezelfde dag komt je geen ogenpijn. En ettelijke nemen deze bloemen een bosje en hangen ze over de deur van de kamer of de kamer zodat ze daarin zien mogen. Deze bloemen heeft de lieve jonkvrouw Sint Otilia uitzonderlijk in ere gehad daarvan die dan zulk geweld gekomen is.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederduitsers hebben dit kruid riddersporen genoemd, de Hoogduitsers Ritter sporn omdat de uitstekende horentjes van deze bloem enigszins op de sporen van de ridders zo die in oude tijden waren lijken.

(2) Dodonaeus; ‘Het zaad van de riddersporen (indien ze zo het schijnt voor het tweede geslacht van wild komijn te houden zijn) te drinken gegeven is een zeer krachtige baat om de beten van de slangen te genezen.

Het is het St. Ottilienkraut. De plant was gewijd aan de heilige Ottilie, beschermster van alle lijders aan oogkwalen. Haar beeld heeft 2 ogen op een boek die ze vanwege haar vader uitgehuild heeft. Ze was de dochter van de graaf van Hohenburg en kwam blind ter wereld, maar kreeg het zicht op haar 14de levensjaar. Ze wil van een aardse bruidegom niets weten en wordt zo door haar vader vervloekt. Ze verlaat het slot als de vader en de bruidegom naderen en zinkt in de aarde. Op die plaats ontstaat een bron. Balletjes werden van de bloemen gemaakt die om de hals gedragen als een voorbehoedmiddel tegen oogziektes dienden.

bornwûrcz xcvii ca

Cardo benedictus·grece.Erigion sive erigiron·vel sedum vel senicion vel entriconion vel senacion arabice xhoseam vel anchancidam·

(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel cardo benedictus spτicht das dÿses krauts natur seÿ auffthůn die verstopfften gelider jmm leybe durchtringet und machet auch gar wol harmen·(Diascoτides in dem capitel sedum id est cardo benedictus spτicht das dises kraut wachs auff den dåcheτn und auch in den felsen und hat grŭne bletter die sind dicke feÿst und auch grob·dise bletter sind kalter natur·(Von disen blettern gemachet ein sålse und darunder gemischet sŭssen wein und das auff daz zerschwollen gemåcht gelegt seczt balde die geschwulst·(Item was bôses an dem afftern wåre daz heÿlet dises geleich. [133]

(1) Gezegende distel 97ste kapittel.

Cardo benedictus. Grieks Erigion sive erigiron vel sedum vel senicion vel entriconion vel senacion. Arabisch xhoseam vel anchancidam. (Cnicus benedictus)

De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel cardo benedictus spreekt dat dit kruid zijn natuur is (2) open doen de verstopte leden hun lijf doordringt en maakt ook erg goed plassen. Dioscorides in het kapittel sedum, id est cardo benedictus, spreekt dat dit kruid groeit op daken en ook in rotsen en heeft groene bladeren die zijn dik, vast en ook groot, deze bladeren zijn van koude natuur. Van deze bladeren gemaakt een zout en daaronder gemengd zoete wijn en dat op dat gezwollen geslacht gelegd verzacht gauw die gezwellen. Item, wat kwaads aan de achterste is dat heelt deze gelijk. [133]

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt tegenwoordig meest overal in het Latijn Carduus Benedictus genoemd, van de apothekers Cardobenedictus, in het Hoogduits Besegneter distell en Cardobenedict. 

(2) Dezelfde Cardobenedictus zuivert de vervuilde maag die met hete galachtige vochtigheden verladen is en verzoet of verzacht de smarten er van en vooral als ze door vervuiling, ongesteldheid of enig ander gebrek van de maag zelf hun oorsprong hebben.

ringelblůmen

Das xcviii Ca

Caput monachi sive caparus latine grece kÿnolbaton·arabice hapar·

(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Caparus steet geschτiben das dÿses seÿe heiþ und trucken an dem andern grade·Die rinden wurczel bletter und blůmen dienen alle in der årczneý·Die rinden sol man sammeln an dem angeenden des meÿes und sol die auff hencken und die lassen doτren·die rinden sind fünff jar gůt·Die blůmen sôllen gesammelt weτden so sÿ noch in den knôpffen sind. Wenn man sÿ sich auþ bτeiten so sind sÿ nichts wert·Dise blůmen sol man beÿssen mit salcze und sÿ hin legen die sind auch zweÿ jare gůtt·(Sye steτcken den magen und machen lust zů essen·(Die bôse feüchtigkeÿt in dem magen veτzeren dise blůmen·Den erkalten magen machen sÿ warme·(Die rinde hatt gar groþ tugendt an jr·wann sÿ durchtringet und verzeτet bôse feüchtigkeÿt·(Die rinden gesoten in wein und den getruncken ist fast gůô den lebersüchtigen·(Das bulver von den rinden gemischet mit fenchelsamen saft und den getan under wein unnd ein wenig ôle unnd das gesotten biþ es dicke wirt·unnd darnach thů darzů wenig wachs und mache dar auþ ein salbe·Dise salb ist gûtt genüczet aufwendige an das milcz gestrichen·des geleichen auff den erkalten magen·(Den saft von dem bletern in die oτen gelassen tôdtet die würm darjnn. (Der wirdig meister Avicenna spτicht das die rinden gebulvert und auff die bôsen faulen blatern gelegt heÿlet sÿ·(Ein kristier gemacht von dem saffte des krauts unnd der wurczeln ist fast gůt genüczet den lamen gelidern· [134]

(1) Goudsbloem.

Dat 98ste kapittel.

Caput monachi sive caparus Latijn. Grieks kÿnolbaton. Arabisch hapar. (Calendula officinalis)

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Caparus staat geschreven dat dit is heet en droog aan de andere graad. De bast, wortel, bladeren en bloemen dienen alle in de artsenij. De bast zal men verzamelen in het aangaan van de mei en zal die ophangen en laten drogen, die bast is vijf jaar goed. De bloemen zullen verzameld worden zo ze noch in de knop zijn. Als ze zich uitspreiden dan zijn ze niets waard. Deze bloemen zal men baden met zout en ze heen leggen, die zijn ook twee jaar goed. (3) Ze versterken de maag en maken lust tot eten. Die kwade vochtigheid in de maag verteren deze bloemen. De verkouden maag maken ze warm. De bast heeft erg grote deugd aan hem want ze doordringt en verteert boze vochtigheid. De bast gekookt in wijn en dan gedronken is erg goed de leverzieke. Dat poeder van de bast gemengd met venkelzadensap en dan gedaan in onder wijn en een weinig olie en dat gekookt totdat het dik wordt en daarna doe daartoe weinig was en maak daaruit een zalf. (2) Deze zalf is goed genuttigd uitwendig aan de milt gestreken, desgelijks op de verkouden maag. Het sap van de bladeren in de oren gelaten doodt de wormen daarin. De waardige meester Avicenna spreekt dat de bast gepoederd en op de kwade vuile blaren gelegd heelt ze. Een klysma gemaakt van het sap van het kruid en de wortels is erg goed genuttigd de lamme leden. [134]

Dodonaeus; ‘Deze bloemen worden tegenwoordig hier te lande goudt-bloemen genoemd naar hun goudgele kleur, in het Hoogduits Ringelblumen, in het Latijn wordt het in deze tijden Calendula genoemd omdat het bijna omtrent alle eerste dagen van de maanden (welke dagen in het Latijn gewoonlijk Calendae heten) nieuwe bloemen voort plag te brengen. 

Caput monachi, dat is een naam voor de paardenbloem.

Maerlant; ‘Sponsa solis, dat is goudsbloem. Nat en koud is het dat ik noem. (4) Gegeten en goed gewreven zal men ze tegen venijn geven dat komt van giftige beten. Dat zal men niet vergeten, men zal ze leggen op de wonde. (2) Haar sap is goed tegen het ongezonde van de milt en de lever mede als het komt van hitte die ziekte. 

(3) Sommige eten de bladeren en de bloemen van dit gewas in de salade, maar doen die ook bij het vleessap om dat goede smaak en reuk te geven zo ze zeggen’.

Hundts zungen.

Das xcix Capitel

Cinoglossa grece·Lingua canis latine·

(Die meister spτechen das dyses seÿ ein kraut·und geleichet d wegbτeÿte·allein cÿnoglossa erhabne bletter hat geleÿch einer hundts zungen·(Dises krautt ist kalt und trucken an dem anderen grad·(Und man bτaucht es zů geschweren in dem mund·und zů andern bôsen hÿczigen blattern·an wôlchem ende die wåren an dem leÿbe·(Cÿnoglossa gesoten in wasser·und domit gebadet·benymmt die geÿlkeit von dem menschen·(Item·Nÿmm huntszungen mit eines jungen fryschen hunts herczen mit seiner můter genant matrix·und dises lege wo du wilt·so samelen sich all die hundt die do selben sind·und so man dises legt und sein grosse zehen·so sind die hundt alle schweÿgen·und nit bellen·Unnd bist du dises bÿnden an des hundes halþ·so ist er sich umbwerffen dÿcker mal so lang biþ er zů der erden fellt als wåre er todt·spτicht Albertus de virtutibus herbarum·

(1) Hondstong.

Dat 99ste kapittel.

Cinoglossa Grieks. Lingua canis Latijn. (Cynoglossum officinale)

De meesters spreken dan dit is een kruid en lijkt op weegbree, alleen dat cÿnoglossa verheven bladeren heeft gelijk een hondentong. Dit kruid is koud en droog aan de andere graad. (2) En men gebruikt het tot zweren in de mond en tot andere kwade hete blaren, aan welk eind die zijn aan het lijf. (3) Cynoglossa gekookt in water en daarmee gebaad beneemt de geilheid van de mensen. (4) Item. Neem hondstong met een jong vers hondenhart met zijn baarmoeder genaamd matrix en deze leg je waar je wil, dan verzamelen zich alle die honden daar zijn en zo men dit legt onder zijn grote tanden dan zullen die honden alle zwijgen en niet bassen. En zal u deze binden aan de hondenhals zo zal hij zich omdraaien zo vaak totdat hij op de aarde vals alsof hij dood is spreekt Albertus (Magnus) de virtutibus herbarum.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in het Nederduits hondstong genoemd, in het Grieks Cynoglossos of Cynoglosson, in het Latijn Lingua Canis, in het Hoogduits Hundszungen’.

(1) Herbarius in Dyetsche’ (2) Het sap van hondstong dat met azijn gemengd is geneest de zweren van de mond en andere kwalijke, bedrieglijke zweren.

(3) Als je hondstong met weegbree en tasjeskruid tezamen kookt en daar in een bad neemt is het goed tegen het gomorream. (dat is dat je tegen je wil sperma of je natuur kwijt wordt) (4) Neem hondstong met het hart van een klein kikkertje met zijn matrices of baarmoeder en leg het waar je wilt. En wat later zullen alle honden van die omgeving tezamen komen.

küdten baum

Das C capitel

Citonia latine·Arabice cufa.

(Der hochgeleret wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel citonia·spτi (· f·j·) [135] chet·das dise frucht sey kalt an dem ersten grad·und trucken an dem anfang des andern·Und jr natur ist stercken und krefftigen. (Dises kraut nüczet man in der erczneÿ·Der safft van kütten ist fast gůt asmaticis·das sind die einen kurczen atem haben·und benÿmbt das blůt speyen·(Die keren von kütten geleget in waþser und mit disem wasser gegoτgelt in der kelen·benÿmbt squinantiam·das ist ein geschweer in d kelen·(Dises wasser von dem kernen in dem munde gehalten·benÿmbt den durst·und heÿlet die verwundeten zungen·und kŭlt den hÿczigen magen·

(Dises wasser von den kernen der kütten benÿmbt des magens auffstossen und das bτechen·und stercket den magen·und machett wol deüwen·(Ein latguergen gemachet von kütten krefftiget alle gelÿder des menschen·und benÿmbt unnatürliche hÿcze·

(Platearius. Ein tranck gemachet von kütten und den genüczet des abents·bτinget lust zů eþsen und benymmet trunckenheýt·

(Der meister Rabi moÿses spricht·Wôlche frau kütten ÿþset gebτaten·die machend frôliche kÿnder·unnd kommen gerŭwigklich zů der geburd·(Plinius·Küdten gebτaten und die geeþsen nach dem ÿmmbiþ·machen ein frôlich geblŭte und stercken dz hercze·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel cufa idest cÿtonia mit bewårung Diascoτides spτicht·dz kütten fast gůt sind genüczet dem magen·und machen wol hårmen und sind allzeit besser gebτaten od vermengt mit andern dingen denn rohe·(Item·kütten genüczt benemen vomitum·das ist das bτechen oben auþ·oder des magens auffstossen·wem das gefår wåτ der lasse jm kütten bτaten·unnd die mit hônig eingenommen·hilffet fast wol·(Item das feücht von dem kernen genüczet mit zucker·und das gehalten in der kelen·od in dem munde·heÿlet die verwundten kelen·und benÿmmt die scherpffe der zungen domit·und feüchtet den mundt und verczert den durst·(Item in allen kranckeÿten mage man nüczen dyse frucht und jre latwergen·wann sÿ bτingend dem herczen grosse krafft·und benemen alle unnatürlich hÿcze·und machen dem menschen frýsches geblŭt·unnd stercken das hercze·und alle gelÿder des leybes·(Item in kranckeýt des gedårmes genant colica sol man küdten nicht nüczen·wann sÿ stopffen·(Auch sind die kütten nit gůtt zů nüczen in kranckheyten des fiebers in den man stůlgång begeren ist·[136]

(1) Kweepeer.

Dat 100ste kapittel

Citonia Latijn. Arabisch cufa. (Cydonia oblonga var. maliformis en var. pyriformis)

De zeer geleerde en waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Cydonia spreekt [135] dat deze vrucht is koud aan de eerste graad en droog aan de aanvang van de andere. En zijn natuur is versterken en krachtig maken. Dit kruid nuttigt men in de artsenij. (2) Het sap van kwee is erg goed astmatici, dat zijn die een korte adem hebben, en beneemt dat bloed spuwen. De kern van kwee gelegd in water en met dit water gegorgeld in de keel beneemt squinancie, dat is een zweer in de keel. Dit water van de kernen in de mond gehouden beneemt de dorst en heelt de verwonde tong en verkoelt de hete maag.

(3) Dit water van de kernen van de kwee beneemt de maag uitstoten en dat braken en versterkt de maag en maakt goed verduwen. Een likkepot gemaakt van kwee versterkt alle leden van de mensen en beneemt onnatuurlijke hitte.

Platearius. (4) Een drank gemaakt van kwee en dan genuttigd ’s avonds brengt lust te eten en beneemt dronkenschap.

(5) De meester Rabbi Moises spreekt: Welke vrouw kwee eet gebraden die maakt vrolijke kinderen en komen rustig tot de geboorte. Plinius: Kwee gebraden en die gegeten na de maaltijd maken een vrolijk bloed en versterken dat hart. De meesters Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel cufa, id est Cydonia, met bewering van Dioscorides spreekt dat kwee erg goed zijn genuttigd de maag en maken goed plassen en zijn alle tijd beter gebraden of vermengt met andere dingen dan rauw. Item, kwee genuttigd beneemt vomitum, dat is dat braken bovenuit of de maag uitstoten, als dat gevaar er is laat hem kwee braden en die met honing ingenomen helpt erg goed. Item, dat vocht van de kernen genuttigd met suiker en dat gehouden in de keel of in de mond heelt de verwonde keel en beneemt de scherpte van de tong daarmee en bevochtigt de mond en verteert de dorst. Item, in alle ziektes mag men nuttigen deze vrucht en haar likkepot want ze brengen het hart grote kracht en benemen alle onnatuurlijke hitte en maken de mensen vers bloed en versterken dat hart en alle leden van het lijf. Item, in ziektes van de darmen, genaamd colica, zal men kwee niet nuttigen want ze stoppen. Ook is kwee niet goed te nuttigen in ziekten van koorts waarin men stoelgang begeert.

[136]

Dodonaeus; ‘Deze boom wordt hier te lande quee-boom, quee-appel-boom of quee-peer-boom genoemd, in het Latijn Malus Cotonea, in het Grieks Melea Cydonia, dan ze hebben de naam Cydonia naar een stad in Kreta. De vrucht heet kweeappel, in het Hoogduits Quitten, Quittenopffel, Quittenbaum, Kuttenbaum, Kittenbaum of Kuttenopffels.

Herbarius in Dyetsche; (3) Kweeappelen hebben kracht om wonden te helen en verbieden in het begin de materie om tot een blaar te worden, ze versterken de mond van de maag, zijn goed voor de maag die niet vast houdt en tegen de loop of naar het toilet gaan vanwege haar stoppende werking.

(2) Het sap van kweeappelen is goed tegen bloed spuwen, het zaad er van is goed tegen scherpheid van de keel van binnen, het verzacht de borst en de longen, tegen hetzelfde is muscilago van kwee goed (muscilago is een soort vettigheid of klonterigheid die niet uittrekt).

(4) Kwee is goed tegen het overgeven, tegen dorst en tegen dronkenheid. Siroop van kwee is ook tegen hetzelfde goed.

(5) Vrouwen die in verwachting zijn moeten vele kweeën eten dan zullen ze wijze kinderen voortbrengen, aldus de Engelse botanist Gerard in 1596.



Distel ci Capitel

Cardo latine·

(Der meister Plinius in seinem bůch in dem capitel cardo spτicht das d sind zweyer handt·Eine ist lynd·die ander stÿcht·unnd sind beÿd heÿsser natur·Ir hÿcz ist jåhe unnd erlÿgt doch balde·wann sÿ entsteet von d erden·und dz kraut wáchþt von dem schweÿþ d erden·und d schweÿþ ist auch stechen·wann wie d schweÿþ auþ dem menschen geet und jm grÿselt zwÿschen feel und fleÿsch so er in ångsten ist·Also thů auch das erdtrich·wann es machet kleydeτ von seinem schweÿþ die den menschen zerτen und stechen·(Item dystel als ich gesagt hab das d ist ein teyl lýnd und ein teÿl stechen·die beÿde kreütter sind nitt ûncz zů essen·wann wer sÿ åþ·dem machten sÿ sein blůt kranck und dün und bτåchten dem menschen bôse feüchtung und unreÿn·und würd davon unkrefftig·(Item die dÿsteln die man nennet fehe dÿstlen haben etwas kŭle an jn·(dz wasser davon distillieret·ist gar nücz wer den stechen hett in den seyten. (Des geleÿchen die kôτner davon·neüne genüczett auff ein mal·(Wôlcher also groþs stechen het in dem leÿb daz einen bedeücht davon sterben·d neme feh dÿstelkraut und selbe ein wenig mÿnd und stoþ die und müsch darunder des wassers von fehen disteln und siede dz vierteyl ein·und schlag es durch und mach es sŭþ mit zucker·und trincke das so jn das stecken ankumbt·es vergeet on zweýfel·(·i·ij·) [137]

Distel, 101 kapittel.

(1) Cardo Latijn. (Cynara cardunculus en Cynara scolymus)

De meester Plinius in zijn boek in het kapittel cardo spreekt dat die zijn tweevormig. Een is taai, (3) de ander steekt en ze zijn beide van hete natuur. Hun hitte is hoog en verdwijnt toch gauw want ze ontstaat van de aarde en dat kruid groeit van de zweet der aarde en het zweet is ook steken zoals dan het zweet uit de mensen gaat en hem griezelt tussen vel en vlees zodat er in angst is. Alzo doet ook dat aardrijk als het maakt kleding van zijn zweet die de mensen bezeren en steken. Item, distel zoals ik gezegd heb dat is een deel taai en een deel steken, (2) die beide kruiden zijn niet nuttig te eten want wie ze eet die maken ze zijn bloed zwak en dun en brengen de mensen kwade vochtigheid en onrein en wordt daarvan zwak. (4) Item, de distel die man noemt Mariadistel (Silybum marianum) hebben wat koels aan zich. Dat water daarvan gedistilleerd is erg nuttig wie de steken heeft in de zijde. Desgelijks de korrels daarvan negen genuttigd in een maal. Wie alzo grote steken heeft in het lijf dat hem beducht daarvan te sterven die neemt Mariadistel en salie, een weinig munt en stoot die en meng daaronder het water van hazensla en kook die het vierde deel in en sla het door en maak het zoet met suiker en drink dat zo in als het steken aankomt, het vergaat zonder twijfel. [137]

Cardo of Carduus is een ruim begrip voor stekende planten die ook Echinops omvat. De afbeelding laat meer een soort Dipsacus zien dat ook een soort van Carduus was. Die zien we echter in kapittel 414.

(1) Dodonaeus;’ Dit gewas is in het Latijn Cinara genoemd en dat alleen, als sommige geloven, naar de as (in het Latijn Cineres) die men omtrent de wortels legt om dat beter te laten aarden, Galenus heeft het nochtans in het Grieks Kynara genoemd. In Frankrijk en Nederduitsland heet het artichautz of articiockenen, in Hoogduitsland Strobildorn.

(2) Doch het voedsel of sap dat van deze dingen komt is niet goed, maar onprijslijk en laat geen goed bloed in het lijf groeien. Want de artisjok heeft een grote overvloed van galachtige of warme vochtigheid en haar stof is harder zulks dat uit de stof of vlees zelf van de artisjokken grof, zwaar en melancholisch bloed plag te groeien en van het sap ervan niets anders dan heet en dun galachtig bloed komen zal als blijkt uit het schrijven van Galenus lib. De aliment.facultat.

(3) Dodonaeus; ‘Men vindt eigenlijk geen verschillende of aparte geslachten van Cinara of artisjokken, want de stekelige en doornachtige soort die kardoen heten is niets anders dan een verergerde en afgaande artisjok, gemerkt dat ze van hetzelfde zaad voortkomt daar de gewone en niet stekelige artisjokken van gekomen zijn.

Das cii Capitel

Camepÿtheos·vel camepitis·grece·arabice Hametheos·latine Quercula minoτ·(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel hamepitis spτichet·das dÿses kraute wachþe auff der erden und bτeÿtet sich weÿt umb·Dises kraut sol gesamlet werden mit den samen so er zeÿtig ist·(Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel camepitheos spτicht·das dises sej heyþ an dem andern grad·und trucken an dem dτytten·(Dÿses kraut dienet fast wol den bôsen blattern und geschweren·und sunderlich den zwerschwollen bτüsten die in jn eÿtter haben·das kraut mit dem samen gesoten in wasser und darauff geleget geleÿch einem pflaster·(Platearius·Dises kraut gestossen und darauþ gedτucket die grůse·und dÿ gemüschet mit cassia fistel und dz genûczet·vj·quintin·bτingt senfte stůlgång·und treibet auch do auþs dem mennschen die melancoleý·das ist die jrτdisch feüchtuug·(Die wurczeln von dysem kraut ist gůt den geelsüchtigen siben tag nach einander davon getruncken·(Dises kraut gesoten in wein und gemüschet mit hônig·der frawen das eingegeben bτinget jr jre feüchtung genant menstruum·(Plinius·dises kraut geleget in wein zehen tag·also das es faule darjnnen und darnach den wein gesoten dz er gar ein siede·darnach sol diþ kraut durchgestrÿchen werden geleÿch einem pfeffer·und darnach disen durchgestrÿchen bτeyen müsche mit baumôle und wachþ und darauþ mache ein salben·dise salben dienet wol den bôsen leberen und milczen aussen daran gestrychen·(Dises kraut gebulfert und gemüschet mit hônige·und also nŭchter genüczet tôdtet die wŭrm in dem bauch·und treÿbet sÿ auþ sterklich·(Diþ kraut und hÿrþzungen in wein gesoten ist gůt wider bestopffung lebern und milczes·und wider die geelsucht·Und ist auch fast gůt wider den stein d nÿeren und der blasen·spτicht platearius·[138]

Dat 102 kapittel. Gamander. (Ajuga chamaepitys )

(1) Camepÿtheos vel camepitis Grieks. Arabisch Hametheos. Latijn Quercula minor.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hamepitis spreekt dat dit kruid groeit op de aarde en breidt zich wijdt om. Dit kruid zal verzameld worden met de zaden zo het rijp is. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel camepitheos spreekt dat dit is heet aan de andere graad en droog aan de derde. (5) Dit kruid dient erg goed de kwade blaren en zweren en uitzonderlijk de gezwollen borsten die in hen etter hebben, dat kruid met de zaden gekookt in water en daarop gelegd gelijk een pleister. Platearius. Dit kruid gestoten en daaruit gedrukt dat groene en dat gemengd met Cassia fistula en dat genuttigd zes drachmen brengt zachte stoelgang en drijft ook dan uit de mensen de melancholie, dat is de aardse vochtigheid. De wortel van dit kruid is goed de (4) geelzieke zeven dagen na elkaar daarvan gedronken. (3) Dit kruid gekookt in wijn en gemengd met honing en de vrouwen dat ingegeven brengt hen hun vochtigheid genaamd menstruatie. Plinius, dit kruid gelegd in wijn tien dagen alzo zodat het vervuilt daarin en daarna de wijn gekookt zodat het erg inkookt, daarna zal dit kruid door gestreken en die door gestreken brei mengen met olijvenolie en was en daaruit maak een zalf, (2) deze zalf dient goed de kwade lever en milt, buiten daaraan gestreken. (6) Dit kruid gepoederd en gemengd met honing en alzo nuchter genuttigd doodt de wormen in de buik en drijft ze uit sterk. Dit kruid en hertstongen in wijn gekookt is goed tegen verstopping van de lever en milt en tegen de geelziekte. En is ook erg goed tegen de steen van de nieren en de blaas spreekt Platearius. [137]

(1) Hier komt voor ‘Camepytheos vel camepitis Grieks. Arabisch Hametheos. Latijn Quercula minor’. In kapittel 138;’ Camedreos vel cameb Grieks. Arabisch hamedreos. Latijn quercula minor’.

Het enigste verschil is met de Arabische namen de naam Camepytheos; kleine den, in plaats van kleine eik. Klein verschil, maar de kleine eik geldt voor verschillende planten zoals Veronica chamaedrys en Teucrium chamaedrys. De Index van de Gart zegt; “Camepitheos ýe lenger ÿe lÿeber’. Dat slaat dan op Ajuga chamaepitys. De tekst boven ‘das CII Capitel’ is weggeveegd.

Ik hou het er dan op dat met de naam chamaepytheos Ajuga soorten zijn bedoeld en dat de namen zijn verwisseld.

(1) De grote is Teucrium chamaedrys.

Herbarijs; (2) En verdrijft opblazing en winderigheid van de darmen en scheidt en verdrijft grove vochtvermenging uit de leden, uit de milt en uit de lever. En scheidt en verdrijft dikke vochtvermenging in de geslachtsdelen en ontstopt de lever en de (3) baarmoeder en roept urine en menstruatie en geneest (4) geelzucht op en is goed tegen de vierdaagse malariakoorts.

Herbarius in Dyetsche; Het laat plassen en bij de vrouwen de stonden komen, het geneest de (4) geelzucht en de ziekte van de nieren als nekrosis. (5) Dit sap heeft de kracht om te helen, het vlees te laten groeien en om grote wonden te genezen. Het geneest stinkende gaten en verteert de hardheid van de borst als je met het sap meel van fenegriek, meel van lijnzaad en heemstwortel mengt. (6) Tegen wormen: ‘Neem het poeder van gamander met het sap van santorie en meng het tezamen’.

zwibeln ciii Cap

Cepe latine·grece Bulbus·arabice Basal·

(Der meyster Diascoτides·in dam capitel bullus·idest cepa beschτeibt uns und spτicht·das d sind zweÿer handt·die ein sind rot von farben·die andern weiþ. Und spτicht·das zwÿbeln seind heÿsser natur·und machet dÿe kelen scharpff roch geessen·und erheben den magen·(Zwÿbeln sind gůt genüczet ÿdτopicis·daz sind die wassersüchtigen die von keltte kommet·wann sÿ zertrennend die geschwulst·(Zwÿbeln mit hônig gemüschet·benemmen den schmerczen des bôsenn magens·(Die meister spτechen·das der mensch nit vil zwÿbeln eþse·wann sÿ sind den gelÿdern schad·unnd trücknet zů fast die seüchtung des leybes·(Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel cepa·und Serapio spτechen·das zwÿbeln sind heyþ machen an dem vierden grad·

(Item·Zwÿbeln eczend auff dÿ feüchtblatern·die mitt eþsig gemüschet unnd darüber geleget·(Item·Wôlcher mit zwýbelen bestreÿchet die kalen stat so machet es doselbst har wachþenn·(Serapio spτicht·das die roten zwÿbeln fast stercker seÿend an jrer natur denn die weÿssen·

(Platearius spτicht·das zwÿbeln weÿchen den bauch·und bτingen durst·(Der safft gemüscht mit hônig·und die tunckeln augen aussen an domit geschmiert machet sÿ klar und hübsch·

(Item zwÿbeln gemüschet mit salcze und auff die wårczen geleget heÿlet sÿ von grund auþ·(Item·zwÿbeln gestossen mitt eþsig·und die maledeÿet haudt domit geweschen benymmet die unreÿnen haudt und macht ein gladte haudt·(Plinius spτicht das zwybeln zů vil geessen auff blasen den bauch und bτingen winde·(Zwybeln sind dem magen schad·und bτingen unlust·(Item zwÿbeln geessen benemen den bôsen gerauch des mundes·(Der safft von zwÿbeln in die naþlôcher gelassen·purgiert dz haubt·(Item zwÿbeln gemüschet mit hônig und rauten und salcz ÿegklichs geleÿch vil und dise stuck mit einand gestossen und warm gelassen in die oτen·benymmet jr eÿtter und schweren·(Item·colericis·das sind die die do von natur heÿþ und trucken sind·dem ist zwÿbeln schade·wann sÿ davon ÿe dürτer und hÿcziger werden. Aber flegmaticis·das sind die die do kalt sind von nature·den dienen sÿ wol zů allen zeyten und verczern in jne die überflüþsigen feüchtung·(·i·iij·) [139]

Uien. 103de kapittel.

(1) Cepe Latijn. Grieks Bulbus. Arabisch Basal. (Allium cepa)

De meester Dioscorides in het kapittel bullus, id est Cepa, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, de ene is rood van verf en de andere wit. (3) En spreekt dat uien zijn van hete natuur en maakt je keel scherp, rauw gegeten en verheffen de maag. Uien zijn goed genuttigd hydropisis, dat zijn de waterzuchtige die van koude komt, want ze verdrijven de gezwellen. Uien met honing gemengd benemen de smarten van de kwade maag. (3) De meesters spreken dat de mens niet veel uien eet want ze zijn de leden schadelijk en drogen te erg de vochtigheid van het lijf. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Cepa en Serapio spreken dat uien zijn heet maken aan de vierde graad.

(2) Item. Uien eten op de aambeien, die met azijn gemengd en daarover gelegd. Item. (7) Wie met uien bestrijkt de kale plaats zo maakt het daar haar groeien. Serapio spreekt dat de rode uien erg sterker zijn aan hun natuur dan de witte.

Platearius spreekt dat uien weken de buik en brengen dorst. (8) Het sap gemengd met honing en de donkere ogen buiten aan daarmee gesmeerd maakt ze helder en mooi.

(5) Item, uien gemengd met zout en op de wratten gelegd heelt ze van grond uit. (4) Item, uien gestoten met azijn en die boosaardige huid daarmee gewassen beneemt de onreine huid en maakt een gladde huid. (3) Plinius spreekt dat uien te veel gegeten opblaast de buik en brengen winden. Uien zijn de magen schadelijk en brengen onlust. Item, uien gegeten benemen de kwade reuk van de mond. Het sap van uien in de neusgaten gelaten purgeert dat hoofd.(6) Item, uien gemengd met honing en ruit en zout, van elk gelijk veel, en deze stukken met elkaar gestoten en warm gelaten in de oren beneemt hun etter en zweren. (3) Item, galachtige, dat zijn die er van natuur heet en droog zijn, die is uien schadelijk want ze daarvan steeds droger en heter worden. Maar flegmatici, dat zijn die er koud zijn van natuur, die dienen ze goed in alle tijden en verteren in hen de overvloeiende vochtigheid. [139]

Dodonaeus; in het Latijn Cepa of soms Cepe, in de apotheken ook Cepa en in onze taal aiuyn, in het Hoogduits Zwibel’. (1) In het Latijn komt unionem voor, dit is afgeleid van Latijn union, (em) ‘eenheid’, van unus, ‘een’. Unio is een ui met een steel. Dit is een synoniem voor cepa, het gewone woord voor ui.

Herbarius in Dyetsche; (2) Ui heeft de kracht om te openen en als het op de aars gelegd wordt opent het dan ook de gaten van de buizen van de aambeien, volgens Serapio. (3) Ui blaast op en is slecht te verteren, vooral als het rauw gegeten wordt, gekookt verwarmt het ‘t lichaam en verfijnt de grove slijmachtige vochtvermenging.

(4) Gestampt en met water en ruit gemengd is het goed tegen beten van de dolle honden.

Als je ui met een zwaluwnest en honing mengt is dat goed om van buiten op de blaren van de keel te leggen.

(5) Gemengd met zout en op de wratten gelegd verdrijft het de wratten. Het sap met kippensmeer op de eksterogen of op de hardheden gelegd die van schoenen komen verdrijft het en geneest het.

(6) Tegen het slecht horen, tegen het suizen of het tuiten in de oren is het goed om het sap in de oren te druppelen.

(7) Op het uitvallen van het haar strijk je het sap van ui op die plaats en als je het op de baard strijkt laat het de baard sneller groeien.

(8) Als je ui eet krijg je appetijt van minnen, veel gegeten veroorzaakt blindheid.

Coτiander ciiii capi

Coτiandτum latine·grece Corion·vel coτiamum·arabice daiboτa vel cumbera·

(In dem bůch circa instans in dem capitel coτiandτum beschτeiben uns die meister und spτechen das coτiander seÿ heyþ und trucken an dem andern grad·(Avicenna und Diascoτides spτechen·das es ist von kalter natur·

(Den samen nüczet man in erczneÿ·und der weret zweÿ jaτ unverseeret an seiner natur·

(Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel coτiandτum spτicht das coτiander gůt sey den heyssen geschweren·und sunderlichen einer blatern geheÿssen carbunculus·das ist ein blater die ist schwarcze und fast gifftig·und geleÿchet der pestilencz·und gelÿczeret geleÿch einen karfunckelstein den ein genommen mit eþsig und rosen ôle oder mit hônig·(Coriander ist gůt vertiginosis·daz ist der schwÿndlung des haubts die do kommet von der flegma und melancoleÿ·(Diser samen ist auch gůt genüczett epilenticis·das sind die·die den fallendenndenn siechtagen haben·(Aber doch so sol man sich diþs massen dz des nit zů vil genüczet werde·wann er ist schedlich geleÿch dem býlsen samen·(Item·coτiander ist bôþlicht zů verdeüwen·(Coτiander gedôτret und gebaysset oder überzogen mit zucker·unnd also genüczet stercket den magen·und machet do einen wol riechenden mundt·(Plinius·coτiander gestossen und gemüschet mit hônige und rosen ôle·und die geschweer domit bestrÿchen an dem gemåchte·heÿlet die zůhant·

(Coτiander benÿmbt frauwen gelust genant coitum·unnd die materien des mannes samen genant spermatici wirt durch jn gemÿnderet·Und spτicht Avicenna das coτiander ist abnemmen die macht des mannes sammen den es ist verdτucken·und benÿmmet auch die auffreckunge des mannes růtten·genannt erectio virge·(Item·Wôlcher sich gebτauchet des safftes von coτiander auff ein vierteÿl eines pfundes·der wirdt also kranck unnd onmåchtig und traurig das dar [140] nach zů besoτgen ist der tod·Und darumb sol des gar wenig genüczet werden od gar nichcz·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Daÿboτa genant coτiandrum·spτicht·das coτiander beneme den tampff der auþs dem magen auff steýget in das haubt·Und darumb mügen dÿe do beladen sind mit der fallenden sucht den wol nüczen in d koste·wann die ursach diser sucht ist dz sÿ kommet von dem tampf des magens·der also auffsteygt in das haubt·(Diser same sol nit roh geessen werden die menig·wann er ist schedlich dem geblŭte·Aber gebeÿsset mit eþsig und überzogen mit zucker mag man jnwol nüczen·(Item·das kraut ist gancz nichcz zů bτauchen umb des bôsen gerauches willen den es im jm hat·wann der gerauch ist dem haubt schedelich·(Item coτiander mit eþsig gebaÿþt und nach dem eþsen genüczet ist gůt wider der tåmpffe auffsteigung in das haubt·(Item coτiander mitt eþsig gebaÿþt und gebulfert mit wegbτeÿte safft genüczet ist gůt wider den blůtgang der nasen·(Item coτiander safft mitt eþsig vermenget ist gůt zû kŭlen sant Anthonius feüwer Platearius·

Koriander, 104de kapittel.

(1) Coriandrum Latijn. Grieks Corion vel coriamum. Arabisch daibora vel cumbera. (Coriandrum sativum)

In het boek Circa instans in het kapittel Coriandrum beschrijven ons de meesters en spreken dat koriander is heet en droog aan de andere graad. Avicenna en Dioscorides spreken dat het is van koude natuur.

De zaden nuttigt men in artsenij en dat blijft twee jaar onveranderd aan zijn natuur.

(2) De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Coriandrum spreekt dat koriander goed is de hete zweren en uitzonderlijk een blaar geheten carbunculus, dat is een blaar die is zwart en erg giftig en lijkt op de pest en glinstert gelijk een karbunkelsteen, die ingenomen met azijn en rozenolie of met honing. Koriander is goed vertiginosis, dat is de duizeligheid van het hoofd die je komt van de flegma en melancholie. (3) Deze zaden zijn ook goed genuttigd epilenticis, dat zijn die de vallende ziekte hebben. (7) Maar toch zo zal men zich dit matigen dat dit niet te veel genuttigd wordt want het is schadelijk gelijk de bilzekruid zaden. Item, koriander is kwaadaardig te verduwen. Koriander gedroogd en gebaad of overtrokken met suiker en alzo genuttigd versterkt de maag en maakt je een goed ruikende mond. Plinius, koriander gestoten en gemengd met honing en rozenolie en de zweren daarmee bestreken aan het geslacht heelt die gelijk.

(5) Koriander beneemt vrouwen lust, genaamd coitum, en de materiën van de mannenzaden, genaamd spermatici, wordt door hem verminderd. En spreekt Avicenna dat koriander is afnemen de macht van de mannen zaden en is het verdrukken en beneemt ook de oprekking van de mannenroede, genaamd erectio virge. Item. Wie zich gebruikt het sap van koriander op een vierde deel van een pond die wordt alzo ziek en onmachtig en treurig dat daarna [140] te bezorgen is de dood. En daarom zal dus erg weinig genuttigd worden of geheel niets. (3) Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel daibora genaamd Coriandrum spreekt dat koriander beneemt de damp die uit de maag opstijgt in dat hoofd. En daarom mogen die er beladen zijn met de vallende ziekte die goed nuttigen in de kost want de oorzaak van deze ziekte is dat ze komt van de damp van de maag die alzo opstijgt in dat hoofd. Dit zaad zal niet rauw gegeten worden in hoeveelheid want het is schadelelijk het bloed. Maar gebaad met azijn en overtrokken met suiker mag men het goed nuttigen. Item, dat kruid is geheel niet te gebruiken vanwege de kwade reuk die het in zich heeft want de reuk is het hoofd schadelijk. Item, koriander met azijn gebaad en na het eten genuttigd is goed tegen de damp opstijging in het hoofd. (6) Item, koriander met azijn gebaad en gepoederd en met weegbreesap genuttigd is goed tegen het bloeden van de neus. (4) Item, koriandersap met azijn vermengt is goed te verkoelen Sint Anthonius vuur, Platearius.

(1) Dodonaeus; ‘‘De Nederlanders en de Hoogduitsers noemen dit kruid Coriander, in het Grieks heet het Corion of Coriannon, in het Latijn insgelijks ook Corion en Coriannum, dan de schrijvers van deze onze tijden en de apothekers hebben het Coriandrum genoemd.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het sap van koriander dat met azijn en het sap van donderbaard gemengd is is goed tegen hete blaren. (3) Koriander dat met azijn klaar gemaakt is en dat je na de maaltijd eet voorkomt de opklimming van de luchten om naar het hoofd te komen, daarom wordt de vallende ziekte van zulke opklimmende luchten die naar het hoofd gaan met geurende koriander genezen. Met azijn gemengd is het goed tegen het heilig vuur of ignus sacrum. (5) Als een vrouw het met weegbreewater drinkt dan stopt het terstond haar stonden in het lichaam zoals Pandectus in het kapittel van koriander zegt.

Terwijl de plant zeer onaangenaam ruikt is het zaad zeer aromatisch en behulpzaam als toevoeging om specerijen te combineren. (7) Herbarijs, herbarius in Dyetsche en Maerlant geven het nog geen negatieve werking; ‘Herbarijs; Koriander is heet en droog in de 2de graad en zijn zaad doet men in medicijnen en zijn kruid stinkt zeer. En men houdt het zaad 2 jaar goed. Het heeft kracht zeer te laten verteren en verbetert de maag. En als men het doet in een zakje en dat in wijn kookt en dat warm op de krop van de maag legt laat dit uit de maag walgen’.

(7) Dodonaeus; ‘Het kruid met de bladeren van koriander dat noch vers is, als gezegd is, met zijn zaad geeft een zeer onlieflijke en stinkende reuk van zich en is niet alleen geweldig verkoelend, maar is ook een zeer schadelijk, ja dodelijk vergif en vooral het sap daarvan dat gedronken is want het maakt de stem ruw en hees, beneemt het verstand en veroorzaakt een wonderlijke dolheid die de dronkenschap gelijk schijnt te wezen, ja brengt de mens tenslotte tot de dood.


Geel feyel cv Capi

Cheÿri arabice et grece·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel cheÿri·spτichet·das dises gewåchþe oder kraut mangerleÿ gestalt an jm habe·und sunderlichen an der blůmen·wann d blůmen sind ettlich weÿþs·ettliche geelb·unnd etlich die haben zÿttryn farben·und wôlche blůmen zÿtrÿn farben haben die sind die beþten·und sind besser genüczett in der erczneÿ denn die anderen·(Ettlich meister spτechen·das dise blůmmen geleÿchen an jrer farbe den feÿeln und auch an d gestalt·Und dises ist die underscheÿd under disen feÿeln unnd andern wolriechenden feÿeln dann (·i·iiij·) [141] etlich riechen des tages und des nachtes·Etlich riechen des nachtes und nit des tages·das selbig sind dise feÿeln cheÿri genannt·(Auch so spτechen ettlich meister das dise gelbe feÿeln geleichen de feyeln an jren gerauch und der selbigen d sind etlich weÿþ·und etlich geel·und von dem wir hie sagen·daz selb sind die gelben und die riechen des nachtes fast wol· (Diser feÿeln tugent ist hÿczigen unnd trucken machen·und subtilieren·(Dise blůmen nüczet man in der erczneÿ unnd nit das kraut noch die wurczel. (Dise blůmen gesoten in wasser und das getruncken·treÿbett auþ secundinam·das ist die ander geburd·(Dises also genüczet treÿbet auch auþ die todten geburd·(Dise blůmen gestoþsen und den safft gelassen in die augen·benÿmmet die bôsen flecken darinnen·(Von disen blůmen sollen nit trincken die frauwen die mit kÿndern geend·wann die kÿnder darvon schaden empfiengen·wann es bτingt frauwen feüchtigkeit·genant menstruum·Es wår dann sach das dises geschåhe so die frucht todt wår·oder das die fraw kommen wåre biþ auff das zÿl der geburd·od das die frauwe wår in grosser schwårer arbeÿt·so mügend sÿ wol trincken von disen blümen auff das sÿ got dester ee erlôþe·(Item daz safft von disem kraute mit hônig vermenget·ist gût wider die blattern an dem munde genant alcola·(Item·Dises krautes ôle vermüschet mit leyn ôle·ist die weetagen des milczes stÿllen·und ist die herttikeÿt des milczes weÿchen·Serapio.

(1) Muurbloem, 105de kapittel.

Cheÿri Arabisch en Grieks. (Erysimum cheiri)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel cheiri spreekt dat dit gewas of kruid vele vormen aan hem heeft en vooral aan de bloemen want de bloemen zijn ettelijke wit, ettelijke geel en ettelijke die hebben citroenkleur en welke bloemen citroenkleur hebben dat zijn de besten en zijn beter genuttigd in de artsenij dan de anderen. Ettelijke meesters spreken dat deze bloemen lijken aan hun kleur op de violen en ook aan de gestalte. En dit is het onderscheidt van deze violen en andere goed ruikende violen dat [141] ettelijke ruiken op de dag en ’s nachts. Ettelijke ruiken ‘s nachts en niet op de dag, diezelfde zijn de violen cheiri genaamd. Ook zo spreken ettelijke meesters dat deze gele violen lijken op de violen aan hun reuk en van dezelfde zijn ettelijke wit en ettelijke geel en waarvan dan we hier zeggen dat zijn de gele en die ruiken ‘s nachts erg goed. Deze violen deugd is verhitten en droog maken en subtiele. Deze bloemen nuttigt men in de artsenij en niet dat kruid noch de wortel. (2) Deze bloemen gekookt in water en dat gedronken drijft uit secundinam, dat is de nageboorte. Dit alzo genuttigd drijft ook uit de dode geboorte. (3) Deze bloemen gestoten en het sap gelaten in de ogen beneemt de kwade vlekken daarin. (4) Van deze bloemen zullen niet drinken die vrouwen die met kind gaan want dat kind daarvan schade ontvangt want het brengt vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie. Tenzij het dan gebeurde zo die vrucht dood is of dat die vrouw gekomen is tot de tijd van de geboorte of dat die vrouw is in grote zware arbeid, dan mogen ze goed drinken van deze bloemen als God dat eerder toestaat. Item, dat sap van dit kruid met honing vermengt is goed tegen de blaren aan de mond genaamd alcolam. Item. Dit kruid zijn olie vermengt met vlasolie is die pijnen van de milt stillen en is de hardheid van de milt wekhen, Serapio.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt ook in het Grieks Leucoïon genoemd en Leucoïon melinon, in het Latijn Leucoïum luteum en Viola alba, in het Arabisch keyri, in het Spaans violetas amarilla, in het Nederduits steenviolieren omdat ze zo graag op steenachtige grond groeien en geel violieren, in het Hoogduits Galbe Violaten en soms Gelb Garten Veiel’.

Dodonaeus; (2) Het zaad van steenviolieren een half lood zwaar met wijn gedronken of met honig door een pessarium in de baarmoeder gezet verwekt de maandstonden van de vrouwen en jaagt de nageboorte en dode vruchten af.

(3) Het sap van dit kruid in de ogen gedrupt verteert, verdrijft en neemt alle vlekken, plekken en donkerheid van de ogen.

(4) Steenviolieren gedroogd en in water gekookt laat plassen en geneest de verharde apostumatien of zwellingen van de baarmoeder als men daar een bad van maakt en in een zweetkuip zit of ermee stooft.




Herczgespan

Das cvi Capitel

Cordiaca latine·

(Die meister spτechen das dÿses kraut seý heÿþ und trucken an dem andern grad·(Diascorides spτicht das Coτdiaca habe in jr tugent zů reynigen und zů weÿchen den leybe jnnwenig·

(Dises kraut nüczet man in d erczney·(Item·Dises kraut gesoten mit reÿnisch kôle·und das geessen bτinget den magen senfftigung und machet domit wol deüwen·(Platearius·Dÿses [142] kraut gestossen und den safft genüczet benymmt das wee des herczen·und machet dem herczen gůt geblŭt·(Dises kraut ist gůt dem zyttrenden herczen·das gestossen·und den safft bereytt mit zucker·und den nŭchter ein genommen·(Item·Dises kraut gestossen mit seiner wurczel und das geleget auff die bτust benymmet den zwang an dem herczen und machet auch also genüczet ein reümige bτust. (Item wenn der krampff gefård wåre d nücze dises kraut mit hônigwaþser genant mulsa·er genyset.

(Was mulsa seÿ findest du in dem capitel Consolida maioτ.

(Dises kraute gestossen·unnd auff das gelÿd gelegt do sich erhaben hat d krampff·es vertreÿbet den on zweÿfel·(Der meister ÿsaac spτicht dz dises kraut fast nücz sej den lamen gelydern die domit gewåschen unnd den safft daran gestrÿchen·(Dÿses kraut geleychet an seiner natuτ der nachtschatten in aller jrer tugent·(Aber nit herwiderumb dz kraut nachtschatten geleÿcht dem herczgespan·wann nachtschadten hat tugent an jr die herczgespan nit hat·(Aber doch spτechen die meister wo man herczgespan nit gehaben mag do mag man nemen an jrer stat Solatrum·daz ist nachtschadten·

(1) Hartgespan.

Dat 106de kapittel.

Cordiaca Latijn. (Leonurus cardiaca)

De meesters spreken dat dit kruid is heet en droog aan de andere graad. Dioscorides spreekt dat cordiaca heeft in hem deugd te reinigen en te weken het lijf inwendig.

Dit kruid nuttigt man in de artsenij. Item. Dit kruid gekookt met Savoie kool en dat gegeten brengt de maag verzachting en maakt daarmee goed verduwen. (1) Platearius: Dit [142] kruid gestoten en het sap genuttigd beneemt de pijn van het hart en maakt het hart goed bloed. Dit kruid is goed het sidderende hart, dat gestoten en het sap bereidt met suiker en dan nuchter ingenomen. Item. (3) Dit kruid gestoten met zijn wortel en dat gelegd op de borst beneemt de dwang aan het hart en maakt ook alzo genuttigd een ruime borst. Item, als de kramp gevaarlijk wordt die nuttigt dit kruid met honingwater genaamd mulsa, hij geneest.

Wat mulsa is vind je in het kapittel Consolida major.

(2) Dit kruid gestoten en op dat lid gelegd dat zich verheven heeft van de kramp, het verdrijft dat zonder twijfel. De meester Isaac spreekt dat dit kruid erg nuttig is de lamme leden, die daarmee gewassen en het sap daaraan gestreken. Dit kruid lijkt op aan zijn natuur de nachtschade in al zijn deugd. Maar niet wederom dat het kruid nachtschade lijkt op hartgespan want nachtschade heeft deugd aan zich die hartgespan niet heeft. Maar toch spreken de meesters als men hartgespan niet hebben mag dan mag men nemen in zijn plaats Solanum, dat is nachtschade.

(1) Dodonaeus; ‘In onze tijden wordt het in het Grieks en in het Latijn Cardiaca genoemd, in het Nederduits hertsgespan, in het Hoogduits Hertzgespurr en Hertzgespan. Sommige prijzen dit kruid zeer in de gebreken van het hart en het wordt voor zo krachtig in alle diergelijke ziektes gehouden dat het daarna zijn naam in het Grieks Cardiaca en in het Diets hertsgespan verkregen heeft’.

(2) Dodonaeus; ‚Men zegt dat het de vertrokken en gekrompen leden genezen kan en tegen de kramp zeer krachtig en goed is en ook de beroerdheid geneest.

(3) Dit kruid gedroogd en tot poeder gebracht en daarvan een tijd lang elke avond een lepel vol inneemt is zeer goed voor de benauwdheid.

Costen cvii Capit

Costus grece et latine·arabice hosta·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hosta genant Costus spτicht·das dÿses seÿ ein wurczel·und der ist dτeÿer handt·Eine kumbt auþ dem lande arabia·und die ist weÿsþ und leÿcht·und hat einen gůten gerauch·Die ander kumbt auþ dem lande jndia·und die sind schwarcz·Die dτÿtt kumbt auþ dem lande sÿria·und die hat ein farb geleÿch dem buchþbaumen holcze·Die best under den dτeÿen ist die die do kumbt auþ dem lande arabia·darnach die do kumbt auþ jndia·darnach die auþ dem lande sÿra·(Item·Serapio spτichet·[143] das dise wurczel in mangen weg gefelschet werden mit d wurczel genant Enula campana·dz ist·alant wurcz·und die wirt und dise gemüschet so sÿ dürτ ist·

(Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůche in dem capitel Costus spτicht·dz die seÿ heÿþ an dem dτitten grad unnd trucken an dem andern·(In dem bůch circa instans·beschτeÿbend uns die meister unnd spτechen·das dise wurczeln genant Costi die do kommen auþ arabien werden genüczet in der appotecken·und die sind die besten·also das sÿ sich nit zů bulfer machen lassen wenn man sÿ bτaucht·Dise beleÿben unverseeret zehen jare an jrer natur·(Item Diascoτides·Costus gestossen zů bulfere und gemüschet mit baummôle und den leÿb domit geschmieret benymmet febτem von dem vierden tag genant quartanam·(Auch ist dises also genüczet gůt denen·die das gegicht haben in den fŭssen·oder anderþwo an dem leybe do mit die gesalbet·wann es zeüht auþ die feüchtung von dem grunde unnd erwôτmet die gelyder·(Die wurczeln mit wein genüczet treÿbet auþ dem bauche die bτeÿten würm·(Platearius·Die wurczeln gestossen und gemüschet mit hônig·benÿmbt die flecken von dem antlicz·sich domit geschmieret·(Der meister Avicenna spτicht·das costi sind allen gelÿdern des leÿbes gůt so sÿ erkalttet sind do mag mann sÿ zů bτauchen·(Dise wurczlen geleget in wein und davon getruncken·meren den gelust d unkeüscheyt·(Dise wurczeln ist gût der erkaltteten mûter genant matrix·domit gebadet od gebået unden auff·und die mit wein ein getruncken·(Item·Plinius sprichet·das dise wurczel fast gůt seÿ gesoten mit gebτenntem wein und die lamen gelÿder domit bestrÿchen·wann sÿ durchdτinget die lenden·und wôτmet die selben gelÿder festigklich·

(1) Costen, 107de kapittel.

Costus Grieks en Latijn. Arabisch hosta. (Saussurea costus, Costus speciosus en Saussurea lappa)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hosta genaamd Costus spreekt dat dit is een wortel en die is (2) drievormig. Een komt uit het land Arabië en die is wit en licht en heeft een goede reuk. De ander komt uit het land India en die is zwart. De derde komt uit het land Syrië en die heeft een verf gelijk het buksboomhout. De beste onder de drie is die er komt uit het land Arabië, daarna die er komt uit India en daarna die uit het land Syrië. Item. Serapio spreekt [143] dat deze wortel op vele manieren vervalst wordt met de wortel genaamd Inula campana, dat is alantkruid, en die wordt onder deze gemengd zo ze droog is.

De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Costus spreekt dat dit is heet aan de derde graad en droog aan de andere. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat deze wortels genaamd Costus die komen uit Arabië worden genuttigd in de apotheken en die zijn de beste alzo dat ze zich niet tot poeder maken laten als men ze gebruikt. Deze blijven onveranderd tien jaar aan hun natuur. Item. (3) Dioscorides: Costus gestoten tot poeder en gemengd met olijvenolie en het lijf daarmee gesmeerd beneemt koortsen van de vierde dag genaamd quartanam. (4) Ook is dit alzo genuttigd goed diegenen die de jicht hebben in de voeten of ergens anders aan het lijf, daarmee gezalfd, want het trekt uit de vochtigheid van de grond en verwarmt de leden. De wortels met wijn genuttigd drijft uit de buik de (9) brede wormen. Platearius: (5) De wortels gestoten en gemengd met honing beneemt de vlekken van het aangezicht, zich daarmee gesmeerd. De meester Avicenna spreekt dat Costus is alle leden van het lijf goed zo ze (6) verkouden zijn dan mag men ze gebruiken. Deze wortels gelegd in wijn en daarvan gedronken vermeerderen de (7) lust van onkuisheid. Deze wortel is goed de (8) verkouden baarmoeder genaamd matrix, daarmee gebaad of baden van onderen af en die met wijn ingedronken. Item. Plinius spreekt dat deze wortel erg goed is gekookt met brandewijn en de lamme leden daarmee bestreken want ze doordringt de lenden en verwarmt dezelfde leden zeer.

(1) Dodonaeus; ‘Maar, als Garcias ab Orta schrijft, de echte Costus, in het Arabisch cost, cast, chast of costi, in het Indisch uplot of pucho genoemd groeit niet ver van Guzarate in Oost-Indië vanwaar het veel in andere landen gezonden wordt.

Dodonaeus; ‘Dan allerlei Costus is het beste als hij vers is, wit, vol en vast, droog, niet vermolmt en niet zwaar van reuk, dan scherp van smaak en de tong nijpt en heeft een (6) verwarmende kracht, verwekt en laat plassen en drijft de maandstonden af, (8) geneest de gebreken van de baarmoeder, zowel er op gelegd als in badstoven of berokingen gebruikt. Met wijn en alsem gedronken is het goed tegen de pijn in de borst, trekking, kramp en opblazen en met (7) mede gedronken verwekt tot onkuisheid, met water gebruikt drijft het de (9) brede wormen uit de buik en met olie op de huid gesmeerd eer de (3) koortsen aankomen verbetert het beven en schudden. (4) Het is ook goed tegen allerlei jicht en reuma en wordt ook op de (5) huid gestreken tegen de malligheid en met water of honig gemengd neemt het de sproeten weg en verbetert alle gebreken van de huid in het aanzicht

Hyrszschwammen

Das cviii Capit

Cervibolitus latine·

(Die meister spτechen dz hÿrþschwamme seÿ kalter naturen·und ist dem menschen schedlich zů eþsen und auch dem vyhe·

(Item· Hÿrþschwammen gekeüwet und domit bestrichen do die spÿnn gestichet hilfft fast wol. (Hÿrþschwamm geleget auff einen hÿczigen schaden an dem leibe von was handt der wår zeühet groþs hÿcze auþ·(Wôlche frawen hÿrþschwamme åþs die mit einem kynde gieng·die würde des kÿndes übτig mit schaden jres leÿbes·(Wer do mŭd wáre auff dem wege·åþs er do hÿrþschwammen er würde darvon geng·(Item hÿrþschwammen nŭchtern geessen·d benÿmmet die tunckelheyt der augen· [144] (Hÿrþschwamm gekeüwet und das auff die zerschwollen hoden gestrÿchen benymmet die geschwulste davon·(Wõlche frau wår in kÿndes arbeÿt die neme hÿrþschwamm als groþ als ein årbeiþ und keüwe das halb teÿl·unnd mit dem andern halben teÿl umbstreÿche sÿ den nabel·so gewynnet sÿ das kÿndt bald unnd on grosse arbeyt·(Hie ist zů wiþsen das sich ein yegkliche frawe darvoτ hŭtte die schwanger seÿ das sÿ der nit eþse·noch sich domit bestreÿche·es wår dann an der zeýt d geburd·anders es entstŭnde davon grosser schad·

(1) Hertenzwam.

Dat 108ste kapittel.

Cervi bolitus Latijn. (Elaphomyces cervinus)

De meesters spreken dat hertenzwam is van koude naturen en is de mensen schadelijk te eten en ook het vee.

Item. (2) Hertenzwam gekauwd en daarmee bestreken waar de spin je gestoken heeft helpt erg goed. Hertenzwam gelegd op een hete schade aan het lijdt van welke vorm het is die trekt grote hitte uit. (3) Welke vrouw hertenzwam eet die met een kind gaat die wordt dat kind kwijt met schade van haar lijf. Wie moe is op de weg at hij hertenzwam hij wordt daarvan gaande. Item, hertenzwam nuchter gegeten dat beneemt de donkerheid van de ogen. [144] Hertenzwam gekauwd en dat op de gezwollen ballen gestreken beneemt de gezwellen daarvan. (3) Welke vrouw is in kind arbeid die neemt hertenzwam zo groot als een erwt en kauw dat halve deel en met dat andere halve deel omstrijkt ze de navel, zo wint ze dat kind gauw en zonder grote arbeid. Hier is te weten dat zich elke vrouw daarvoor hoedt die zwanger is das ze het niet eet, noch zich daarmee bestrijkt, het was dan aan de tijd van de geboorte, anders ontstond daarvan grote schade.

(1) Dodonaeus; ‘Hertzwammen groeien meest op plaatsen daar de herten veel komen en zijn buiten bruin, aardkleurig en zo groot als een gewone kaatsbal, wat bultig en oneffen, het vlees is witachtig en binnen vol heel bruin zwartsel. In het Latijn heten ze Tubera cervina, in het Hoogduits eigenlijk Hirtz-brunst, in onze taal ook wel hertsspongien of hirten-spongien en Cervi boletus in het Latijn’.

Dodonaeus; ‘Deze herten sponzen zijn zo koud van aard dat ze de vissen laten sterven als ze in het water geworpen worden en de mensen zelf ook grote schade doen, nochtans zijn er sommige die ze kauwen en leggen ze op de (2) steken of beten van de spinnen en van allerlei kwaad gedrocht en op enige heet gebrek van het lijf gelegd trekken ze de hitte er uit en laten de gezwellen zinken. (3) De vrouwen die van kind niet verlossen kunnen nemen er zoveel tegelijk van als een erwt groot is en kauwen de helft en leggen de andere helft op de navel en ze zullen gemakkelijk baren, zo men zegt. Maar die noch lang te gaan hebben moeten ze niet gebruiken want ze zouden hun kind kwijt worden en zelfs in stervensnood komen.’

Blûtwurcz

Das cix Capitel

Crispula arabice et grece·latine Herba cancri·

(Die meister spτechen·das dises kraut seÿ feuriger natur·und hat doch ein kŭle an jr·(An wôlchem menschen bôse tôdtliche feüchtung entsteet·an wôlchen enden seines leÿbes das seÿ und sunderlich wider das freÿssam und weetagen in den fŭssen·der selbig sol blůtwurczenkraut allzeÿt eþsen·sÿ vertreybet jme solche feüchtung·(Dises kraute gesoten in wein·und den getruncken benymmet das fieber quaτtan·also das er den trincke zwůe stund voτhÿn si jn bedunckt dz fieber ankommen ist·und dises sol geschehen fünff mal nach einander so das fieber kommet·(Wem das gegicht fast wŭttet in dem leÿbe·der bτauche dises kraut in wein·jm wirt baþ·(Wôlcher das heÿþ fieber håt in dem magen der sol dises kraut schneyden in wein·und den warm machen und also warm trincken·es hilffet on zweyfel·(Dises krautt bτauchet man in der salben genant marciaton·und ist gůt für alle kranckheÿt die dise ÿeczgenantte salben berŭren ist· [145]

(1) Zonnewende.

Dat 109ste kapittel.

Crispula Arabisch en Grieks. Latijn Herba cancri. (Heliotropium europaeum)

De meesters spreken dat dit kruid is van vurige natuur en heeft toch een koelheid aan zich. (3) Aan welke mensen kwade dodelijke vochtigheid ontstaat, aan welke einden van zijn lijf dat is en vooral tegen de rodeloop en pijnen in de voeten, diezelfde zal zonnewende kruid altijd eten, ze verdrijft hem zulke vochtigheid. (2) Dit kruid gekookt in wijn en dan gedronken beneemt de vierdaagse koorts alzo dat hij het dan drinkt twee uur voordat hij denkt dat hem de koorts aankomt en dit zal gebeuren vijfmaal na elkaar zo die koorts komt. (4) Wie de jicht erg woedt in het lijf die gebruikt dit kruid in wijn, hem wordt het beter. Wie de hete koorts heeft in de maag die zal dit kruid snijden in wijn en dan warm maken en alzo warm drinken, het helpt zonder twijfel. Dit kruid gebruikt men in de zalf genaamd marciaton en is goed voor alle ziektes die deze net genoemde zalf beroert.[145]

(1) Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit kruid Heliotropion mega of ook Scorpiuros, in het Latijn noemt men het ook zo, te weten Heliotropium en Scorpiuros. Ruellius zegt dat sommige kruideniers het Herba Cancri plegen te noemen, dat is in het Nederduits kreeftkruid’.

Duitse Skorpionschwanz, Krebsblumen. Blûtwurcz is onbekend, naam voor herderstasje, tormentil, smalbladige weegbree en Geranium sanguineum en Geum montanum. De naam herba cancri is voor dit kruid.

Dodonaeus; ‘(3) Als men van dit kruid zoveel als men in een hand doen of omvatten kan in water kookt en dat water drinkt jaagt het de slijmachtige en ook de galachtige vochtigheid des lichaam (in het Latijn bilis en pituitia) van onder af en strekt voor een goede purgatief.

Heliotropium met wijn ingenomen of ook opgelegd geneest de steken van de schorpioenen.

(2) Vier korrels van het zaad met wijn ingenomen voor het aankomen van de vierdaagse malariakoortsen laten ze gans achterblijven als sommige geloven en waar Dioscorides van vermaant.

(4) De bladeren gestampt zijn zeer goed gelegd op jicht en op gebroken en gekwetste leden.

Hetzelfde gestampt en op de buik gelegd kan de vrouwen hun maandstonden laten krijgen en de vrucht afdrijven.

(2) Plinius vertelt dat de Magi of wijzen van Oriënt plegen te gebieden dat diegene die de vierdaagse malariakoorts hebben dit kruid viermaal aan hun lijf binden zouden, die de driedaagse malariakoorts hebben dat driemaal zouden doen met hun eigen handen.


wulkraut cx Ca

Candela sive Taxus barbatus latine·

(Die meister spτechen als pandecta und Platearius·das diþs kraut ist von kalter und truckner natur·(Dises kraut ist gůt gekochet mit andern kreüttern in fleÿsch oder besunder in gemūþ·Und dz geessen benymmet all kranckeÿt des herczen·(Item für die heÿsere in der kelen od an d stymme·und der domit vol ist umb die bτust·d neme wůlkraut und fenchel und sŭþs holcz ÿegklichs geleÿch vil·und siede die in wasser oder in gůtem wein·und seÿhe darnach daz durch ein thůch und müsche darunder zucker und trincke das·es hilfft·(Item Platearius·dises kraut gestossen zů bulfer oder gebτennet zů bulfer und das gestreüwet in die wunden·eczet auþ das faul fleysch. (Item·dises kraut geleÿcht in seiner tugent der osterluczÿ und sunderlichen das bulfer davon·(Item·dises krautes safft mit piretro vermengt und den mund domit gewåschen·ist gůt wÿder die zeen weetumb·(Item·dises krautes bleter mit eþsig vermenget·und geleget auff ein verbτennet gelÿd·es heylet·(Item. Dises krautes blůmen mit wegbτeÿte samen oder kraut gesotten·und auff die feüchtblattern geleget·heÿlet den fluþ d feüchtblattern· [146]

(1) Wolkruid, 110de kapittel.

Candela sive Taxus barbatus Latijn. (Verbascum thapsus)

De meesters spreken zoals Pandecta en Platearius dat dit kruid is van koude en droge natuur. Dit kruid is goed gekookt met andere kruiden in vlees of vooral in moes. En dat gegeten beneemt alle ziektes van het hart. (2) Item, voor dat hese in de keel of aan de stem en die daarmee vol is om de borst die neemt toorts en venkel en zoethout, van elk gelijk veel, en kook die in water of in goede wijn en zeef daarna dat door een doek en meng daaronder suiker en drink dat, het helpt. Item, Platearius; dit kruid gestoten tot poeder of gebrand tot poeder en dat gestrooid in de wonden eet uit dat vuile vlees. Item, dit kruid lijkt in zijn deugd op de pijpbloem en vooral dat poeder daarvan. (3) Item, dit kruid sap met bertram vermengt en de mond daarmee gewassen is goed tegen de tandpijn. Item, dit kruid zijn bladeren met azijn vermengt en gelegd op een verbrand lid, het heelt. Item. (4) Dit kruid zijn bloemen met weegbreezaden of kruid gekookt en op de aambeien gelegd heelt de vloed van de aambeien. [146]

(1) Herbarius in Dyetsche; Wollecruyt, Taxus barbatus of Taxus barbascus is koud en droog van samengesteldheid. Er zijn twee soorten van als man en vrouw, de man is wit en de vrouw is zwart.

(2) Tegen hoest drink je wijn waar het in gekookt is dat met het sap van zoethout gemengd is.

(3) Tegen tandpijn was je de mond of gorgel met het sap hiervan dat met bertram gemengd is.

Als je de bladeren in water kookt is dat goed om op de hardheid en gezwellen van de ogen te leggen.

(4) Als je een spons in wijn duwt waar wolkruid in gekookt is en zo op de lopende aambeien doet helpt het zeer om die te stoppen.

Cippτesz

Das cxi Capitel

Cÿppτessus arabice·grece·et latine·

(Der wirdig meÿster Serapio in dem bůche aggregatoτis·spτicht·Das die bletter von cÿpτessen die rÿnden und auch die nuþs davon genüczet werden in der erczneÿ·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capittel Cÿppτessus spτicht·das d seÿ heÿþ an dem dτyttten grad unnd trucken in dem andern grad·

(Die nuþs von der cÿppτessen sind stercker an jrer krafft dann die bletter ·(Die bletter gesotten in eþsig und auff die wunden geleget·eczet auþ das faule fleÿsch·und reÿniget die·

(Und auch also getruncken so benÿmmet er dissuriam·das ist·der kalten siechtumb·(Item. Die nuþs vonn cÿppτessen dÿe sol man stossen also frÿsch·und man sol auch die thůn in wein·und den also getruncken·das benymmet asmam·das ist dz blůt speÿen·(Item·Die nuþs von cÿppτessen gestossen·unnd auch gemüschet mit feÿgen·und darauþ gemachet einen teyg·Dÿser teÿg benÿmmet den wolff·unnd auch polipum·das ist ein fleÿsch das wechþst an der nasen·daτüber gelegt geleÿch einem pflaster·(Item·Ein pflaster gemachet von den blettern und von der nussen·ist gůt den die do zerbτochenn sind in dem leÿbe·das do darauff gegeleget·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel cÿppτessus spτicht·das die nuþs geleget in wein·und darvon getruncken·benemen dz keÿchen·und auch den alten hůsten.(Item·Von den bletern getruncken mit wein·ist gůt dÿabeticis das ist den·den der harm entgeet über jren willen·(Auch des geleychen so ist der wein gůt stranguiriosis·das ist·die do mit nôten trôpflingen hårmen·

(Platearius spτicht·das do die rÿnden van cÿppτessen fast gût seÿen calculosis·die do gestossen und das bulfer eingenommen mit råtichwasser·treÿbet do den stein auþ den lennden·und auch auþ der blasen·[147]

Cipres.

Dat 111de kapittel.

Cÿppressus Arabisch, (1) Grieks en Latijn. (Cupressus sempervirens)

De waardige meesters Serapio in het boek aggregatoris spreekt dat de bladeren van cipres, de bast en ook de noten daarvan genuttigd worden in de artsenij. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Cupressus spreekt dat het is heet aan de derde graad en droog in de andere graad.

De noten van de cipres zijn sterker aan hun kracht dan de bladeren. De bladeren gekookt in azijn en op de wonden gelegd eet uit dat vuile vlees en reinigt die.

En ook alzo gedronken zo beneemt het dissuriam, dat is de koude ziekte. Item. De noten van cipres die zal men stoten alzo vers en men zal ook die doen in wijn en dan alzo gedronken, dat beneemt (2) astma, dat is dat bloedspuwen. Item. De noten van cipres gestoten en ook gemengd met vijgen en daaruit gemaakt een deeg. Deze deeg beneemt de huidsmet en ook poliep, dat is een vlees dat groeit aan de neus, daarover gelegd gelijk een pleister. Item. (4) Een pleister gemaakt van de bladeren en van de noten is goed die er gebroken zijn in het lijf, dat daarop gelegd. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel cipres spreekt dat de noten gelegd in wijn en daarvan gedronken benemen dat kuchen en ook het oude hoesten. Item. (3) Van de bladeren gedronken met wijn is goed diabetici, dat is die de plas ontgaat tegen hun wil. Ook desgelijks zo is de wijn goed stranguriosis, dat is die er met nood druppelend plassen.

Platearius spreekt dat de bast van cipres erg goed is die nierstenen hebben, die gestoten en dat poeder ingenomen met radijswater drijft de steen uit de lenden en ook uit de blaas. [147]

(1) Dodonaeus: ‘Deze boom wordt in het Grieks Cyparissos of Cypatissos genoemd, in het Latijn Cupressus, in de apotheken Cypressus, in het Nederduits cypresse-boom, in het Hoogduits Cypressenbaum’.

Dodonaeus; (2) Voorts is in de cipresboom niets gebruikelijker dan alleen de vrucht want de nootjes die vers gestoten zijn en in wijn geweekt en die wijn gedronken is goed tegen het hoesten, kuchen, kortheid van adem of benauwdheid als men niet anders dan met uitgerekte hals ademen kan. (3) De bladeren van deze boom doen ook hetzelfde en vooral het sap daaruit geduwd welk sap met wat olie vermengt de schemering van de ogen geneest en de bladeren met grant gemengd en opgelegd genezen de hete zweren die aan de oren komen. (4) Een pleister van deze bladeren en noten gemaakt is goed van buiten opgelegd als er iets van binnen het lijf gebroken is.


wilder galgan

Das cxii Capitel

Cÿperus latine·grede Erisceptron·arabice Sapurios vel sahade·

(Der meister diascoτides in dem capitel Sahade·idest Cÿperus·spτicht·das dises seÿ ein kraut·und hat bletter geleÿch dem lauch·allein das die bletter cyperi ein wenig lenger unnd hertter sind und subtiler·(Dises kraut hat einen stengel eines armes lang·und der ist krumm und knodat·und hat vier ecken·oben an der spÿczen hat dises kleyne bletter und darunder hat es samen·(Dise wurczel geleÿchet der wurczel olive·und der ist do zweÿer handt·Eine ist lanng·die ander rotund und schwarcz. Diser stammen wåchþet geren an den feüchten steten und sunderlichen in den wÿsen·(Die wurczeln nüczet man in d erczneÿ·und die hat einen gůten gerauch·(Dise wurczeln ist heiþ und trucken an dem andern grade·(Der meister Johannes mesue spτicht·das dise wurczel mache gůte vernunfft·und stercke den magen·(Und bτinget dem menschen gůt farben·(Und benÿmmet den bôsen gerauchen des mundes·(Dise wurczeln geleget in baumôle dτeÿ tag od vier·und mit dem ôle die lenden geschmieret daz wôτmet die und benymmet den stein darauþ·

(Item·domit geschmieret dye kalten blasen·wôτmet sÿ unnd machet wol hårmen·(Platearius·Wylder galgan hÿczigett das geblŭt·und darumb sol der ausseczig mensch sich des nit gebτauchen·(Item Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum·in dem capitel Cÿperus spτichet·das dÿse wurczeln fast gůt sey den erkalteten gelÿdern·die geleget in bitter mandel ôle·und den leyb do mit geschmieret und auch von der wurczeln do getruncken mit wein·(Avicenna in seinen bůch genant de viribus coτdis spτichet·dz wilder galgant stercke dz hercze und bτinge dem erkaltten [148] menschen ein gůt frôlich geblŭt·und dienet auch sunderlichen fast wol den die do sind melancolici. (Item diþ wurczeln beyd als dÿ lang und die rund haben ein natur·(Plinius spτicht das dÿse wurczel gestossen zů bulfer·und darunder gemÿschet zucker und hônig·und also gesoten mit ein wenig gůts weins und darnach diser wurczel klein vierecket geschnÿten·und die bτŭ darüber gethon·Dises geleÿchet dem gebayþten ynngwer·und man mag dises halten über jar·und also essen·das wôτmet alle jnnerliche gelÿder·und machet wol deüwen·und scherpffet die vernunfft·

Wilde galigaan.

Dat 112de kapittel.

Cÿperus Latijn, Grieks Erisceptron. Arabisch Sapurios vel sahade. (Cyperus longus)

De meester Dioscorides in het kapittel Sahade, id est Cyperus, spreekt dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de look, alleen dat de bladeren van Cyperus een weinig langer en harder zijn en subtieler. Dit kruid heeft een stengel van een arm lang en die is krom en knopig en heeft vier hoeken, boven aan de spits heeft deze kleine bladeren en daaronder heeft het zaden. Deze wortel lijkt op de wortel olijf en die is er tweevormig. Een is lang, de ander rond en zwart. (Cyperus rotundus) Deze stammen groeien graag aan de vochtige plaatsen en vooral in de weiden. Die wortels nuttigt men in de artsenij en die heeft een goede reuk. Deze wortel is heet en droog aan de andere graad. De meester Johannes Mesue spreekt dat deze wortel maakt goed verstand en versterkt de maag. (3) En brengt de mensen goede kleur. En beneemt de kwade reuk van de mond. Deze wortels gelegd in olijvenolie drie dagen of vier en met de olie de lenden gesmeerd dat verwarmt die en beneemt de steen daaruit.

(4) Item, daarmee gesmeerd de koude blaas verwarmt die en maakt goed plassen. Platearius: Wilde galigaan verhit dat bloed en daarom zal de mens met huiduitslag dat dus niet gebruiken. Item, Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Cyperus spreekt dat deze wortels erg goed is voor de verkouden leden, die gelegd in bittere amandelolie en het lijf daarmee gesmeerd en ook van de wortels zo gedronken met wijn. Avicenna in zijn boek genaamd de viribus cordis spreekt dat wilde galigaan versterkt het hart en brengt de verkouden [148] mensen een goed vrolijk bloed en dient ook uitzonderlijk erg goed die er zijn melancholisch. Item, deze wortels beide, als de lange en de ronde, hebben een natuur. Plinius spreekt dat deze wortel gestoten tot poeder en daaronder gemengd suiker en honing en alzo gekookt met een weinig goede wijn en daarna deze wortel klein vierkantig gesneden en die brei daarover gedaan. Deze lijkt op de gebade gember en men mag dit houden over een jaar en alzo eten, dat verwarmt alle innerlijke leden en maakt goed verduwen en scherpt het verstand.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze kruiden worden hier te lande gewoonlijk wilde galigaan genoemd, in Hoogduitsland Wilder Galgan.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het kooksel van Cyperus dat met steenbreek in wijn en dan met een soort spuit in de mannelijke roede gedaan wordt breekt zeker de steen.

(3) Als je het veel gebruikt geeft het je een goede kleur en geur.

(4) Wijn, waar Cyperus in gekookt is, is goed tegen de druppelende plas, (a) tegen uitgeputheid vanwege een zere blaas en tegen koude met alle zeer, alzo werkt het ook in de nieren.

zymetrinden oder kanel cxiii capitel

Cinamomum latine·Gτece·et arabice Darsen·

(In dem bůch circa instans in dem capitel Cÿnamomum steet geschτiben·das der seÿe heÿþ an dem dτitten grad·und trucken an dem andern·(Die meister spτechen·das dises sey ein rynden eines baums der wechþt in jndia und in europia·Und d ist zweÿer handt·Der ein subtil·und der ander groþ·Die groþ sol genüczet werden in der erczneÿ domit den magen zů reÿnigen·Die subtile sol genüczet werden daz hercz domit zů stercken·Dise rÿnnden sind die besten die do haben einen gůten gerauch und scharpff mit einer süþsigkeit vermüschet und die von farben rot sind·und dÿse rÿnden die do haben ein weisse farbe·odeτ ein schwarcze die sollen nichcz·(Item·zymmetrynden beleÿbt unverseert an seiner nature zehen jar·(Diascoτides spτichet·das zymmetrÿnden getruncken mit wasser treÿbet auþ secundinam·das ist die ander geburde·(Und bτinget auch also genüczet frawen feüchtigkeit menstruum genannt·Zů allen disen dingen ist es mer würcken wenn das bulfer von zymmetrynden gemüschet wirt mit mirτen·(Cynamomum gebulfert und gemüschet mit hônig·benÿmmt die flecken under dem antlicze·oder an dem leÿbe wo die gesein mügen·domit bestrÿchen des abents·und darnach des moτgens widerumm van dem antlicz ab gewåschen·mit rosenwasser·(Item·Zÿm [149] metrÿnden senfftiget den hůsten·benÿmmet catarτum·das ist den schnopffen·(Item cynamomum ist fast gůt genüczet den wassersüchtigen·(Galienus in dem bůche genant de cibis·in dem capitel cynamomum spτicht·daz die rôren benemen bôse feüchtunge in dem menschen·und geben dem magen gůten gerauch·unnd dienet sunderlich wol dem erkaltteten magen·(Item·Zymmetrynden benemen die bôsen feüchtung auf dem haubt und auþ dem magen. (Platearius·Wôllicher cÿnamomum dÿck ÿþset der gewÿnnt ein gůt lauter gesicht·(Avicenna in dem bůch genannt de viribus coτdis·spτicht·das cÿnamomum stercke das hercze·und mache ein gůt geblŭt·

(1) Zymetbast of kaneel, 113de kapittel.

Cinamomum Latijn, Grieks en Arabisch Darsen. (Cinnamomum verum)

In het boek Circa instans in het kapittel Cÿnamomum staat geschreven das het is heet aan de derde graad en droog aan de andere. De meesters spreken dat dit is een bast van een boom die groeit in India en in Europa. En die is tweevormig. De ene subtiel en de ander grof. De grove zal genuttigd worden in de artsenij daarmee (2) de magen te reinigen. De subtiele zal genuttigd worden dat hart daarmee te versterken. Deze bast is de beste die er hebben een goede reuk en scherp met een zoetigheid vermengt en die van verven rood zijn en deze bast die er hebben een witte verf of een zwarte die zullen niets. Item, kaneel blijft onveranderd aan zijn natuur tien jaar. Dioscorides spreekt dat kaneel gedronken met water drijft uit secundinam, dat is de andere geboorte. En brengt ook alzo genuttigd vrouwen vochtigheid, menstruatie genaamd. Tot al deze dingen werkt het meer als dat poeder van kaneel gemengd wordt met mirre. Cinnamomum gepoederd en gemengd met honing beneemt de vlekken onder het aangezicht of aan het lijf, waar die zijn mogen, daarmee bestreken ’s avonds en daarna ‘s morgens wederom het aangezicht afgewassen met rozenwater. Item. [149] Kaneel verzacht het hoesten en beneemt catarrum, dat is de snuf. Item, Cinnamomum is erg goed genuttigd de waterzuchtige. Galenus in het boek genaamd de cibis in het kapittel Cinnamomum spreekt dat de bast benemen kwade vochtigheid in de mens en geeft (2) de maag goede reuk en dient uitzonderlijk goed de verkouden maag. Item. Kaneel beneemt de kwade vochtigheid op het hoofd en uit de maag. Platearius. Wie Cinnamomum vaak eet die wint een goed zuiver gezicht. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat Cinnamomum versterkt (3) dat hart en maak een goed bloed.

(1) Dodonaeus; ‘Deze schors, te weten de binnenste, heet in onze taal caneel, in het Hoogduits Zymmetrinden of Zymmetroerlin, in de apotheken ook Canella en Cinamomum.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het is goed tegen een krachteloze maag die van verkoudheid komt. Het poeder van kaneel wordt met het poeder van karwij in het eten gemengd en gewoonlijk weekt men het in sausen of kruiden om appetijt te krijgen.

(3) Tegen het in onmacht gaan en hartkramp geef je gebroken kaneel met kruidnagels, doe het in een vers ei en neem het zo’.

 

kümel cxiiii capitel

Ciminum latine et grece·Arabice camin·

(In dem bůch genant Pandecta in dem capitel Camyn·beschreÿben uns die meister von manger handt kümmel·Aber hie wirt unns allein beschτiben von dem selben kümmel den wir in teütschen landen gemeÿnigklichen nüczen·und der ist heÿþ und trucken an dem dτÿtten grad·(In dem bůche circa instans in dem capitel cÿminum steet geschτibenn·das dises sey ein kraut unnd daran wåchþet vil samens·unnd den mag man nit felschen unb der menig willen des samens·

(Diser same weret fünff jare unverseerer an seiner natur·

(Diascoτides spτicht·das kümmer in der kost geessen·und davon getruncken stercket die deüwung in dem magen·(Der same gesotten in wein und darunder gemüschet siben gezeÿte genant fenum grecum·benymmet den schmerczen der dårme unnd bτinget wÿnde·(Item·Kümmel gestossen und do gemüschet mit dem weÿssen eines eÿeþ·und das geleget auff die roten augen benymmet die rôte davon·(Kümel gesoten mit wein und darunder gemüschet feygen die trucken sind·und den getrüncken·benymmet den alten bôsen hůsten.

(Kümmel in dem mund gehalten·und den gekeüwer und den atem geblasen wider die augen·machet sÿ klar unnd lautter. (Wenn das blůt an dem leÿbe [150] Wenn das blůte an dem leÿb gelebert wåre von schlegen od fallen oder wie daz wåre der neme das bulver von kümel und müsche das mitt wachs beÿ dem feüwer und lege das darauff·dz zerteÿlet daz gelebert blůt und ist gewis·(Wõlicher kümmel vil nüczet der gewinnet ein bõse farbe·(Wôlicher dem schnopffen het der sich erhaben het von kelte·der neme kümmel gebulvert und loτbeer ÿegklichs geleich vil·und thů daz in ein såcklein und lege dz auff dein haubte·es hilfft on zweÿfel·(Item. Nÿmm kümmel und seude den in wein und lege den also warmen auff den nabel·es benymmet stranguiriam und dissuriam·dz ist den kalten siechtumb und ander vil gebτesten der blasen·(Item Avicenna in seinem andern bůche in dem capitel Cÿminum spricht das kümmel bτinge winde genant ventositates und beneme od verzere die bôsen feüchtung in dem menschen·(Item kümmel mit wasser gesoten und das antlicz damitt gewåschen wirt lauter und klar davon·aber dises sol selten geschehen und nit zů vil·(Kümel gestossen und gemischet mit essig und für die nasen gehalten und gerochen benÿmmt dz blůten auþ d nasen·(Kümmel gemischt mit essig und wasser und dz getruncken·benymmee dz keichen·(Kümel genüczet benymmet dz blůt seichen·und benymmet den zerschwollen bauch·

(1) Kummel of komijn, 114de kapittel.

Ciminum Latijn en Grieks. Arabisch camin. (Cuminum cyminum)

In het boek genaamd Pandecta in het kapittel Camyn beschrijven ons de meesters van vele soorten komijn. Maar hier wordt ons alleen beschreven van dezelfde komijn die we in Duitse landen gewoonlijk nuttigen en die is heet en droog aan de derde graad. In het boek Circa instans in het kapittel Cuminum staat geschreven dat dit is een kruid en daaraan groeit veel zaad en die mag men niet vervalsen vanwege de hoeveelheid van de zaden.

Dit zaad blijft vijf jaar onveranderd aan zijn natuur.

Dioscorides spreekt dat kummel in de kost gegeten en daarvan gedronken versterkt de vertering in de maag. (2) Het zaad gekookt in wijn en daaronder gemengd zevengetijde genaamd foenum graecum beneemt de pijnen van de darmen en brengt winden. Item. Komijn gestoten en dat gemengd met het witte van een ei en dat gelegd op de rode ogen beneemt de roodheid daarvan. Kummel gekookt met wijn en daaronder gemengd vijgen die droog zijn en dan gedronken beneemt dat oude kwade hoesten.

Komijn in de mond gehouden en dan gekauwd en de adem geblazen tegen de ogen maakt die helder en zuiver. Wie dat bloed aan het lijf [150] (3) Wie dat bloed aan het lijf gestold is van slaan of vallen of van wat dat is die neemt dat poeder van kummel en meng dat met was bij het vuur en leg dat daarop, dat verdeelt dat gestolde bloed en is zeker. (4) Wie komijn veel nuttigt die wint een kwade kleur. Wie de snuf heeft die zich verheven heeft van koudheid die neemt komijn gepoederd en laurier, van elk gelijk veel, en doe dat in een zakje en leg dat op je hoofd, het helpt zonder twijfel. Item. Neem komijn en kook die in wijn en leg het dan alzo warm op de navel, het beneemt stranguriam en dysenteria, dat is de koude plas en andere vele gebreken van de blaas. (2) Item, Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Cuminum spreekt dat komijn brengt winden genaamd ventositates en beneemt of verteert de kwade vochtigheid in de mensen. Item, komijn met water gekookt en dat aangezicht daarmee gewassen wordt zuiver en helder daarvan, maar dit zal zelden gebeuren en niet te veel. Kummel gestoten en gemengd met azijn en voor de neus gehouden en geroken beneemt dat bloeden uit de neus. (5) Komijn gemengd met azijn en water en dat gedronken beneemt dat kuchen. Kummel genuttigd beneemt dat bloed plassen en beneemt de gezwollen buik.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste en gewoonste soort van dit gewas wordt van de Nederlanders en Engelse comijn genoemd van ons (tot onderscheid van het ander) tamme komijn, in het Latijn Cuminum of Cuminum sativum, in het Grieks Kyminon en Kymonon hemeron, in de apotheken Cyminum, in het Hoogduits Romischer Kumel’.

Maerlant; ‘Cuminum,
dat is komijn, Platearius zegt, die meester fijn, dat het droog is en heet en dat het de (2) wind verslaat en die zieken van noden men geeft hem wijn daar mee gekookt.

Dodonaeus; (4) Dioscorides voegt er bij dat diegene die geel van huid zijn bleek worden als ze komijn in hun drank gebruiken of daarmee bestreken worden.

weissen kümmel

Das cxv Capitel

Carvi latine grece karunacari·arabice Harnucie·

(Der meister Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel Carvi spτichet·das weÿsser kümmel hab einen scharpffen gerauch und ist getemperiert in seiner tugent·und ist heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Item Carvi treÿbet auþ ventositates daz sind die winde in den dårmen·(Der meyster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel harnucie·id est carvi spτi (k·j·) [151] et·das weÿsser kümmel grôber seÿ an dem samen weder kümmel·und des geleichen an seÿner tugent·(Item carvi treybet auþ die würm in dem bauch·und stercket auch den magen. (Der meister Rasis spτicht dz weÿþser kümmel bekomme dem herczen wol·und beneme den tampf der auþ dem magen steÿget in dz haubte·(In dem bůch circa instans in dem capitel carvi beschreiben uns die meister dz dises kraut und der same also geheissen seÿ und wechst ÿenhalb des mõτes·und in cicilia findet man des die menge·(Weÿssen kümmel mag man halten fünff jare unverseret an seiner natur·

(Der samen sol genüczet werden in der årczeneý·(Von dem samen getrnncken ist fast gůtt dissintericis·das ist dz rot fliessen und stopffet das behendigklich. (Von dem samen geessen stercket den magen und machet wol deüwen. (Wer ein blôdes haubt het d siede weyssen kümmel in einem såcklein und lege auch das auff das haubt er genÿset zůhandt·

(1) Witte kummel.

Dat 115de kapittel.

Carvi Latijn. Grieks karunacari. Arabisch Harnucie. (Carum carvi)

De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Carvi spreekt, dat is witte komijn, heeft een scherpe reuk en is getemperd in zijn deugd en is heet en droog aan de derde graad. Item, (2) Carvi drijft uit ventositates, dat zijn de winden in de darmen. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel harnucie, id est Carvi [151] spreekt dat witte komijn grover is aan de zaden dan komijn en desgelijks aan zijn deugd. Item, Carvi drijft uit de wormen in de buik en versterkt ook de maag. De meester Rasis spreekt dat witte komijn bekomt het hart goed en beneemt de damp die uit de maag opstijgt in dat hoofd. In het boek Circa instans in het kapittel Carvi beschrijven ons de meesters dat dit kruid en het zaad alzo geheten is en groeit aan deze kant van de zee en in Cicilie vindt men dat veel. Witte komijn mag men houden vijf jaar onveranderd aan zijn natuur.

De zaden zullen genuttigd worden in de artsenij. Van de zaden gedronken is erg goed dissintericis, dat is dat rode vloeien, en stopt dat behendig. Van de zaden gegeten versterkt de maag en maakt goed verduwen. Wie een bloot (bang) hoofd heeft die kookt witte komijn in een zakje en leg ook dat op dat hoofd, hij geneest gelijk.

Naam.

(1) Dodonaeus: ‘We noemen dit kruid hier te lande carwi naar de Griekse naam Caros die gekomen is van het landschap Carië daar het met grote menigte plag te groeien zo Dioscorides betuigt. In het Latijn heet het Carum of Careum en in de apotheken Carvi. De Hoogduitsers noemen het Kum, Kummel en Weiszkummel’.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het is goed om het poeder van komijn is in het eten te nemen voor een goede vertering omdat het de winden verdrijft.

Citrum ein baum also genant

Das cxvi Capitel

Citrum latine arabice hatros vel turgi sive obtrogi grece citrum·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hatros spτichet·das citrum kelte und trucken mache an dem andern grade sein same ist bitter·(Diascorides spτicht das diser same geleiche dem samen der bÿren·

(Cÿrus ist ein baume also genant·sein frucht die ist genennet citrum·(Dise frucht hat an jr dτeÿerleÿ gestalt das ist·dz jnnerst in der frucht das ist sauer geleich dem eþsig·unnd das ist [152, verder op pagina 160] von natur kelten·Das mittel in der frucht als zwischen dem marck und der rinden ist warm und feücht von natur·Die rinden von diser frucht ist von natur warm machen und trucken. (Die rinden nüczet man in dez årczeneÿ·(Serapio dise rinden gesoten mit wasser und den mund damit gewåschen machet einem wolriechenden munde·(Dyse rinden geleget beÿ die tŭcher nemen keinen schaden von keinen maden oder andern würmen·

(Avicenna. Der gerauch von disen rinden benymmet den bôsen lufft davon die pestilencz entsteen mag·(Rabbi moÿses spτicht·das die rinden citri sind für all gebτesten des magens·(Dise rinden treÿben auþ den dårmen den schleim·(Averτois in dem capitel Citrum spτicht·das dise rinden fast nücz sind unnd gůt dem magen und der lebern·das bulfer davon eingetruncken mit wein·(Das marck von diser frucht heÿlet die entzündten gelider·(Für dises magst du nemen ein salben genant ungentum citrinum·Dises ungent gestrichen wo die handt an dem leibe abgegangen wåre als von geen von arbeÿten von jucken·dz heilet dise salben gar behendigklichen·Und dienet auch sunderlichen für alle heÿsse geschwulsten geleich der weÿssen salben. (Mit ungento cÿtrino geschmieret under dem angesicht benymmet die ausseczigkeyt·

(1) Citroen, een boom alzo genoemd.

Dat 116de kapittel. (Citrus medica ‘Cedra’)

Citrum Latijn. Arabisch hatros vel turgi sive obtrogi. Grieks citrum.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Hatros spreekt dat Citrus koud en droog maakt aan de andere graad, zijn zaad is bitter. Dioscorides spreekt dat dit zaad lijkt op de zaden van de peren.

Citrus is een boom alzo genaamd, zijn vrucht die is genoemd citrum. Deze vrucht heeft aan zich drie gestalten, dat is; dat binnenste in de vrucht dat is zuur gelijk de azijn en dat is [152, verder op pagina 160] van natuur koud. Dat middelste in de vrucht als tussen het merg en de bast is warm en vochtig van natuur. De bast van deze vrucht is van natuur warm maken en droog. De bast nuttigt men in de artsenij. (2) Serapio, deze bast gekookt met water en de mond daarmee gewassen maakt een goed ruikende mond. (3) Deze bast gelegd bij de doeken nemen geen schade van maden of andere wormen.

(4) Avicenna: De reuk van deze bast beneemt de kwade lucht daarvan de pest ontstaan mag. Rabbi Moises spreekt dat de bast van Citrus zijn voor alle gebreken van de maag. Deze bast drijft uit de darmen het slijm. Averroë in het kapittel Citrus spreekt dat deze bast erg nuttig is en goed de maag en de lever, dat poeder daarvan ingedronken met wijn. Dat merg van deze vrucht heelt de ontstoken leden. Voor deze mag u nemen een zalf genaamd ungentum citrinum. Deze zalf gestreken waar de huid aan het lijf afgegaan was zoals van gaan, van arbeiden, van jeuken, dat heelt deze zalf erg behendig. En dient ook uitzonderlijk voor alle hete gezwellenen gelijk de witte zalf. Met ungento citrino gesmeerd een het aangezicht beneemt de huiduitslag.

(1) Dodonaeus; ‘Het eerste geslacht van deze bomen wordt in het Grieks Malus Medice en Malus Citria genoemd, dat is in onze taal citroenappelboom. De vruchten heten in het Nederduits citroenen, in het Hoogduits Citrin opffel en Citrinaten.

Maerlant; (3) Hun manier is dat men ze doet onder klederen om zoet te blijven en omdat ze wormen zullen verdrijven.

Dodonaeus; ‘(4) De schillen van citroenen weerstaan alle venijn en vergiftigheid en daarom worden ze soms bij sommige soorten van teriakels en diergelijke composities gemengd. (2) Die gekauwd of in de mond gehouden maken een goede en zoet ruikende adem.

Cubeben

Das cxvii capi

Cubebe latine arabice boτongi.

(Der meÿsteτ Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Cubebe beschτeibet uns·dz dises seÿ ein same·und wechþt yenhalben des môτes auff einen baume und der baum hat bleter die sind spiczig geleiche eyner gelenen·(Sein frucht ist rund unnd ein wenig bτeittelatt·und die wechset zwischen den bletern und wenn die zeitig ist so wirt sÿ rotfarb. (Plinius in dem capitel cubebe beschτeibet uns das der do seÿ zweÿer handt·Einer heimisch der ander wilde·(Und spτicht (k·ij·) [161] auch·das dÿses seÿe ein frucht von einen baume in jndia·Die wilden cubeben sind kleiner dann die heimischen·und haben eÿnen scharpffen gerauch geleich den pfefferkôτnern·(Die zåmen cubeben sind besser in der årczneÿ dann die wilden·unnd die sind heiþ und trucken getemperiert. (Serapio beschτeibet uns und spτicht·das von dem samen getruncken machet wol harmen·und fürderet die frawen an jrer zeit·und bτichet auch den stein in der blasen·(item cubeben genüczet benÿmmet die geelsucht. (Seτapio spτicht auch das cubenen geleichen in der erczney d baldτian·(Deτ meisteτ Paulus in dem capitel cubebe spτichet dz cubeben sind gůt dem schnopffen der do von kelte kommet·unnd stercket auch das haubt·(Item ein halb lot cubeben gebulfert genüczt mit poτriþ wasser ist gůt wider dz schwindeln genant sincopis·(Item cubeben gesoten in wein mit roþmarin davon getruncken dz ist gůt wider sandt Valenteins sucht platearius·

Kubeben.

Dat 117de kapittel.

Cubebe Latijn. Arabisch borongi. (Piper cubeba)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel kubeben beschrijft ons dat dit is een zaad en groeit aan de andere kant van de zee op een boom en de boom heeft bladeren die zijn spits gelijk een lans. Zijn vrucht is rond en een weinig breedachtig en die groeit tussen de bladeren en als die rijp is dan wordt ze roodkleurig. Plinius in het kapittel kubeben beschrijft ons dat het is tweevormig. Een geteelde, het andere wild. En spreekt [161] ook dat dit is een vrucht van een boom in India. De wilde kubeben zijn kleiner dan de geteelde en hebben een scherpe reuk gelijk de peperkorrels. De zaden kubeben zijn beter in de artsenij dan de wilde en die zijn heet en droog getemperd. (4) Serapio beschrijft ons en spreekt dat van de zaden gedronken maakt goed plassen en bevordert de vrouwen aan hun tijd en breekt ook de steen in de blaas. Item, kubeben genuttigd beneemt de geelziekte. Serapio spreekt ook dat kubeben lijken in de artsenij op valeriaan. (2) De meester Paulus in het kapittel kubeben spreekt dat kubeben zijn goed het snuffen dat je van koudheid komt en versterkt ook het hoofd. (3) Item, een half van 1,67gram kubeben gepoederd en genuttigd met bernagiewater is goed tegen dat duizelen genaamd sincopis. Item, kubeben gekookt in wijn met rozemarijn en daarvan gedronken dat is goed tegen Sint Valentijns of vallende ziekte, Platearius.

Dodonaeus; ‘Cubeben worden zo in de apotheken genoemd, in het Latijn Cubebae officinarum. Maar in de apotheken heten ze tegenwoordig naar het Arabisch Cubebe en in Indien ook cubebe, quabeb en quabebe chini.

Maerlant; (2) dat ze het hoofd doet tegen koude reuma is het goed. Eten of ruiken daar toe opdat men het op de kolen doet kubeben branden en men door baten de rook ontvangt in de neusgaten. (3) Men zal ze kauwen in de mond lang zodat haar macht ten hersenen gaat die van koudheden zijn aangedaan, zo verbetert zijn kleur samen’.

Dodonaeus; (4) Serapio zegt dat de cubeben met enige drank ingenomen goed laten plassen, de maandstonden bevorderen, de steen in de blaas breken en in vele dingen op de valerianen lijken en veel gegeten de geelzucht genezen.

Cardamomum

Das cxviii ca

Cardamomum latine et grece·arabice cocolla vel heÿll vel Hÿbae·

(In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und sprechen das cardamomum seÿe heiþ und trucken an dem anderen grad·und diþ ist ein frucht eines baumes·die wechþt in babilonien und bτinget frucht in dem meÿen und sind kôτner geleich dem rauten samen·und hat kleine dünne schelffen darjnn d same oder frucht beschlossen ist·Und ist zweÿer handt cardamomum·Einer zåme·d ander wild oder eine die grossen·die ander die minsten und disen so sind die heimischen oder die grossen die [162] besten und mer wolriechenden·und sind an der farb rôtlat und sind scharpff in dem mund mit einer kleinen sŭssung·Die wilden sind nit als gůt unnd die sind kleiner mit einem kleinen gerauche und haben nit also grosse krafte in jn als die heimischen. (Item die heimischen sôllen in d erczneÿ genüczet werden·und wenn man sÿ bτauchen wil in der erczneÿ so soll man die steinlein darauþ lesen und den staub davon werffen·(Item cardamomum weret zehen jar unverseret an jrer natur·(Die meister spτechen·dz cardamomum gůt sind genüczet sincopizantibus dz ist die groþ onmåchtigkeiten haben an jrem herczen und dardurch geswinden·(Auch sind die sunderlichen gůt vertiginosis·dz ist dem leichtigklich schwindelt·darüber getruncken oder jr bulfer genüczet in einer bτŭe und also genüczet stercken sÿ den magen und machen wol deüwen·(Cardamomum gebulfert und darund gemischet lignum aloes und mastix ÿegklichs geleich vil·unnd dz getruncken mit gůtem wein benymmt vomitum das ist des magens auffstossen und dz bechen oben auþ·(Item für dz zÿttren des herczen nÿmm des bulfers ein quintin und trinck das ein mit wein oder in einer bτŭ·es hilft. (Item cardamomum mitt åniþ gemischet unnd den getruncken mit wein bτinget lust zů essen·(Item in allen jnnerlichen kranckheiten die do kommen von kelte mag man nüczen cardamomum die dienen fast wol darzů und sunderlichen den frawen·

Cardamomum.

Dat 118de kapittel.

Cardamomum Latijn en Grieks. Arabisch cocolla vel heÿll vel Hÿbae. (Elettaria cardamomum, Aframomum melegueta)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat cardamomum is heet en droog aan de andere graad en dit is een vrucht van een boom die groeit in Babylonië en brengt vrucht in de mei en zijn korrels lijken op de ruitzaden en heeft kleine dunne schalen daarin dat zaad of vrucht besloten is. En is tweevormig cardamomum. Een tamme en het andere wild of een de grote en de andere de kleine en van deze zo zijn de geteelde of de grote de [162] besten en meer goed ruikend en zijn aan de kleur roodachtig en zijn scherp in de mond met een kleine zoetheid. De wilde zijn niet alzo goed en die zijn kleiner met een kleine reuk en hebben niet alzo grote kracht in zich als de geteelde. Item de geteelde zullen in de artsenij genuttigd worden en als men ze gebruiken wil in de artsenij dan zal men de steentjes daaruit lezen en het stof daarvan werpen. Item, cardamomum blijft tien jaar onveranderd aan zijn natuur. De meesters spreken dat cardamomum goed is genuttigd sincopizantibus, dat is die grote onmacht hebben aan hun hart en daardoor duizelen. Ook zijn die uitzonderlijk goed vertiginosis, dat is die gemakkelijk duizelt, daarvan gedronken of het poeder genuttigd in een brei en alzo genuttigd versterken ze de maag en maken goed verduwen. (3) Cardamomum gepoederd en daaronder gemengd Lignum aloë en mastiek, van elk gelijk veel, en dat gedronken met goede wijn beneemt vomitum, dat is de magen uitstoten en dat braken bovenuit. (2) Item, voor dat sidderen van het hart, neem dit poeder een 1,67gram en drink dat in met wijn of in een brei, het helpt. Item, cardamomum met anijs gemengd en dan gedronken met wijn brengt lust om te eten. Item, in alle innerlijke ziekten die je komen van koudheid mag men nuttigen cardamomum, die dienen erg goed daartoe en vooral de vrouwen.

Dodonaeus: ‘Garcias zegt dat het groot Cardamomum in het Arabisch cacula quebir heet, maar veel verschilt van het Paradijskoren (Aframomum melegueta) en ook van het Cardamomum van de Grieken.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het is goed tegen hartkramp die uit koude zaken komt als je het zo geeft: ‘Neem kardemon en kook het in wijn, dan doe je er wat rozenwater bij en dan drink je het’.

(3) Tegen onverteerbaarheid of slapheid van de maag: ‘Neem het poeder van kaneel met anijs in het eten’.

De tweede soort, zie kapittel 44.

Campher cxix ca

Camphoτa grece et latine arabice camphoτ·

In dem bůch circa instans in dem capitel Camphoτa beschτeiben uns die meisteτ das der seÿ kalt und trucken in dem dτitten grad·Und spτicht daselbst das camphoτa dz seÿ ein safft eines krautes also geheissen·also dann auch spτicht Diascoτides unnd etlich meister meτ·Auch so spτechen etlich das dises sey ein gummi eines grossen baums do sich die leoparden underlegen umb das schadtens willen· (Dise (k·iij·) [163] bleter geleichen unserem ampffer kraut allein das camphoτa baþs reüchet dann ampfferkraute thůt·(Dise bletter samlet man in dem ende des meyen und stosset die und bτesset darauþ den safft·darnach låþt man den trucken werden ane der sunnen·und dises heisset dann campher·und daz ist der beste d lauter reÿn unnd weÿþ ist·Unnd wôlicher rot ist geleich den saffran der ist nit also gůt·(Die meister spτechent auch·das der campher dick und manigs mal gefelschet weτde mit augsteÿn und fürnÿþs·wann die werden under campher gemischt wann wenn augstein unnd fyrnyþ zů samen gemischet wirt·so geleichet es dem campher·und wenn dann darunder gemischet wirt campher so gewinnet es auch den gerauch davon·aber die underscheÿd mag man also erkennen·Wenn augstein gemischet mit fÿrniþ ist gar hertte unnd dick und auch bôþlich zů bτechen und låþt sich bôþlichen zerreiben zwischen den fingern·aber campher der låþt sich balde zerreÿben zwischen den fingern und ist nit hert·(Es ist zů wissent dz campher gar wol verwart sol werden in einem mårmel steinen gefaþs und darzů sol man thůn leynsamen oder hirþ·Und den mag man behalten vierczig jar unveτseret an seiner krafft und tugent·(Der meister Serapio spτicht·das campher allein gerochen oder mit rosenwasser gemüschet oder mit sandeln minderet die lust und begierde zů der unkeüscheit·(Item ein getrancke gemachet von campher also·Nÿmm toτmentill nater wurczen ÿegkliches ein halb lot zymmetrôτen galgan negelein ÿegklichs ein halb quintin und stoþ die zů kleinem bulfer und seüde sÿ mit gůtem fÿrnen wein·darnach seÿhe dem wein ab und thů dann in dem abgesigen wein campher ein quintin und müsche dem under den getranck und trinck den des abents und des moτgens er benÿmmet fluxum dissentericum·das ist den blůtfluþ unnd auch alle flüþs der frawen genant menstruum und auch der manne wie die sein mügen als dann ist der fluþ d guldin adern genannt fluxus emoτrodialis·(Item campher genüczet machet schlaffen·(Item campher benymmet die kranckheiten die do kommen von hicz·und wôlicher zů vil campher nüczet dem erkalten die nÿeren unnd auch die blasen fast sere·(Deτ meisteτ ÿsaac spτicht·daz campheτ gůt seÿ den hiczigen·den gemüschet mit rosen wasser wann er stercket also die sÿnne und alle gelider des leibes·Unnd under allen erczneÿen die do gemacht werden zů stopffen die flüþ des menschen benymmet er fast wol·(Der wirdig meister Avicenna spτicht·wer campher zů vil nüczet d wirt bald graw·d uτsachenhalb wann es die naturen zů vil kŭlet·(Wôlcher haubt [164] wee het von hicze der bτauche campheτ·er genÿset zůhandt.

(1) Kamfer, 119de kapittel.

Camphora Grieks en Latijn. Arabisch camphor. (Dryobalanops aromatica)

In het boek Circa instans in het kapittel Camphora beschrijven ons de meesters dat het is koud en droog in de derde graad. En spreekt dezelfde dat Camphora dat is een sap van een kruid alzo geheten en alzo dan ook spreekt Dioscorides en ettelijke meester meer. Ook zo spreken ettelijke dat dit is een gom van een grote boom waar zich de luipaarden neerleggen vanwege zijn schaduw. De [163] bladeren lijken op onze zuringbladeren allen dat camphora beter ruikt dan zuring doet. Deze bladeren verzamelt men op het eind van mei en stoot die en perst daaruit dat sap en daarna laat men dat droog worden aan de zon en dit heet dan kamfer en dat is de beste die zuiver, rein en wit is. En die rood is gelijk de saffraan die is niet alzo goed. De meesters spreken ook dat de kamfer vaak en menigmaal vervalst wordt met barnsteen en vernis want die worden onder kamfer gemengd want als barnsteen en vernis tezamen gemengd wordt dan lijkt het op de kamfer en als dan daaronder gemengd wordt kamfer zo wint het ook de reuk daarvan, maar het onderscheidt mag men alzo herkennen: Als barnsteen gemengd is met vernis is het erg hard en dik en ook slecht te breken en laat zich slecht wrijven tussen de vingers, maar kamfer die laat zich gauw wrijven tussen de vingers en is niet hard. Het is te weten dat kamfer erg goed bewaard zal worden in een (2) marmeren stenen vat en daartoe zal men doen vlaszaden of hirs. En die mag men behouden veertig jaar onveranderd aan zijn kracht en deugd. (3) De meester Serapio spreekt dat kamfer alleen geroken of met rozenwater gemengd of met sandaalhout vermindert de lust en begeerte tot de onkuisheid. Item, een drank gemaakt van kamfer alzo: Neem tormentil, slangenkruid, van elk een half van 1,67 gram, kaneel, galigaan, kruidnagels, van elk een half van 1,67 gram, en stoot die tot klein poeder en kook het met goede fijne wijn, daarna zeef de wijn af en doe dan in de gezeefde wijn kamfer, een 1,67 gram, en meng dat onder de drank en drink het ‘s avonds en ’s morgens, het beneemt fluxum dysenteria, dat is de bloedvloed en ook alle vloed van de vrouwen, genaamd menstruatie, en ook de mannen waar die zijn mogen zoals dan is de vloed de gulden ader, genaamd fluxus hemorroide. Item, kamfer genuttigd maakt slapen. (4) Item, kamfer beneemt de ziekten die je komen van hitte en wie te veel kamfer nuttigt die verkoelt de nieren en ook de blaas erg zeer. De meester Isaac spreekt dat kamfer goed is de hete, dan gemengd met rozenwater, want het versterkt alzo de geest en alle leden van het lijf.(5) En onder alle artsenijen die gemaakt worden te stoppen de vloed van de mensen beneemt het erg goed. De waardige meester Avicenna spreekt wie kamfer te veel nuttigt die wordt gauw grauw, vanwege de oorzaak dat het de natuur te veel verkoelt. Wie hoofdpijn [164] heeft van hitte die gebruikt kamfer, hij geneest gelijk.

(1) Dodonaeus; ‘Deze gom heet in het Arabisch caphor en cafur en bij andere capur en daarnaar Caphoura in het Grieks, in het Latijn Caphura, in de apotheken Camfora, in het Duits Camfer.

Herbarius in Dyetsche; (5) Kamfer dat gemengd is met het sap van Capsella bursa pastoris (dat is sanguinaria of naar sommige in Hollands tasjeskruid) is goed tegen het bloeden van de neus.  

(4) Kamfer wordt meestal in likkepot gedaan tegen hete ziekten’.

Dodonaeus; (3) Op de klootjes gebonden laat het de vleselijke of onkuise begeerten vergaan. Zelfs (zoals dat Latijnse gedicht uitwijst, ‘Castrat per nares Camphora odore mares) de reuk van kamfer maakt de mannen onvruchtbaar want als men kamfer op het vuur werpt dan zal die rook de man die het door de neus ontvangt lange tijd onlustig, ja ongeschikt tot de vleselijke verzameling maken.

Kyrszbaum

Das cxx capit

Cerasus sive cerasum latine·arabice cerasie grece cerasa·

(Serapio in dem bůche circa instans in dem capitel cerasie·idest cerasa spτichet·das ettlich meister spτechen·daz dises werde geheissen granum regum.

(Hie ist zů mercken das cerasus ist also vil gespτochen als ein baum der kÿrþen·Aber ceτasum das ist die frucht der sind etlich sŭþs·ettlich sauer geleich den holczôpffeln·(Der meÿster Serapio spτichet·das dÿe sŭssen bald veτzeret werden in dem magen·und seind den magen wenig nücz·Die sauren bτingen dem magen lust und machen den mundt frisch·(Die keren sind fast gůt genüczt calculosis das sind die do geneiget sind zů dem stein·(Diascoτides in dem capitel cerasus spτicht·das etliche kÿrþen den bauch stopffend und sunderlichen die zů gar fast sauer sind·Auch so sind etliche die zů sŭþs sind·und darumb so mag man erkennen dise czů bτauchen zů notturft des leibs. (Mit kÿrþen machet man ein confoτtatif genant diaceraseon das mag man nüczen durch dz jar·und wirt also gemacht·nÿmm der sauren kÿrþen und beisse die mit hônig und zucker·und müsche daz durch einander als vil oder wenig du haben wilt vier zehen tag·Darnach thů die kÿrsen auþ und seüde einen getranck genant julep mit sÿropel·von rosen von feÿeln und von sŭssem holcz genant liquiricia·darunder thů würcze nach deinem wolgefallen als dann ist zymmetrinden någelein muscaten muscatblůmen und mische dises mit gar gůtem wein und lasse dises aber darüber steen vierzehen tag. Darnach lasse die kÿrþen trucknen an der sunnen·die magst du feüchte onder trucken zů tische bτingen nach deynem wolgefallen·(k·iiij·) [165]

(1) Kersenboom.

Dat 120ste kapittel.

Cerasus sive cerasum Latijn.Arabisch cerasie. Grieks cerasa. (Prunus cerasus)

Serapio in het boek Circa instans in het kapittel cerasie, id est cerasa, spreekt dat ettelijke meesters spreken dat deze werd geheten granum regum.

Hier is te merken dat cerasus is alzo veel gesproken als een boom der kersen. (2) Maar cerasum dat is de vrucht en daarvan zijn ettelijke zoet en ettelijke zuur gelijk de houtappels. De meester Serapio spreekt dat de zoete gauw verteerd worden in de maag en zijn de maag weinig nuttig. De zuren brengen de maag lust en maken de mond fris. De kernen zijn erg goed genuttigd calculosis, dat zijn die er geneigd zijn tot de steen. (2) Dioscorides in het kapittel cerasus spreekt dat ettelijke kersen de buik stoppen en vooral die te erg zuur zijn. Ook zo zijn ettelijke die te zoet zijn en daarom zo mag men herkennen dit tot gebruik en nooddruft van het lijf. (4) Met kersen maakt man een versterking genaamd diaceraseon en dat mag men nuttigen door het jaar en wordt alzo gemaakt: Neem de zure kersen en baad die met honing en suiker en meng dat door elkaar zoveel of weinig u hebben wil veertien dagen. Daarna doe de kersen eruit en kook een drank genaamd julep met siroop van rozen, van violen en van zoethout genaamd liquiricia, daaronder doe kruiden naar je welgevallen zoals dan is kaneel, kruidnagels, muskaatbloemen en meng die met erg goede wijn en laat dit echter daarover staan veertien dagen. Daarna laat de kersen drogen aan de zon en die mag u vochtig of droog te dis brengen naar uw welgevallen. [165]

(1) Dodonaeus; ‘Al deze bomen heten in het Grieks Kerasos en in het Latijn Cerasus, in het Nederduits kersenboom en krieckenboom, in het Hoogduits Kirschenbaum.

(1) Maerlant; ‘Cerasusdat is de kers, Isidorus zeg het openbaar dat Lucillus, een Romeinse heer, Pontus overwon met grote eer en velde een plaats al tezamen die Cerasa heet bij name en dat hij aldaar in het land de allerbeste kersen vond en bracht ze het eerste over zee en gaf het de naam mee van de stad Cerasa.

saffran cxxi Ca

Crocus latine et grece·arabice Yamfaram·

(Der meister Serapion in dem bůch genant aggregatoτis in dem capitel ÿamfaram·beschτeibt uns von dem saffran unnd spτichet das diser der beste seÿ der frisch und neüwe seÿ und der hat ein hübsche farbe also das die hårlein weÿþfarbe sind von farben mit einer rôte vermischet·und soll sich nit bald lassen bτechen·und wenn man dem zwischen dem henden reÿbet so fårbet er die henden rot·und sol sein eines gůtten gerauchs mit einer scherpfe und dises ist gesagt von dem saffran von oτient. (Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel crocus beschτeibt uns dz der seÿ heiþ an dem andern grad und trucken an dem ersten·(Item saffran weτet fünff jar in einem lideren sacke unverseret an seiner kraft·(Und ist zweÿer handt saffran·Einer ist genant cartamus oder crocus oτtensis·dz ist wilder saffran der auf dem felde oder in den gårten wechþt und den nüczet man zů mangen dingen auþwendig des leÿbes und damit zů fårben·Der ander ist geheissen crocus oτientalis·und den nüczet man in der erczneÿ·(Platearius beschτeibet uns von dem saffran der do genant ist ortensis·dz ist der in dem gårten wechþt und spτicht·daz der gebτauchet werd in der erczneÿ die do machen bτechen oben auþ·(Item Avicenna spτichet dz saffran oτientalis mache ein hübsche farb davon getruncken. (Item saffran der stercket daz heτcze·und machet ein gůt geblŭte·(Saffran genüczt in der kost·machet einem gůten langen atem·und benymmet das keichen. Darumb sôllen pleuretici dz sind die do fast tåmpfig sind in d bτust und ein geschwere darjnnen haben den bτauchen·sÿ genesent zůhandt·(Item die meister sprechen·das saffran bτing unlust zů essen·und benymmet den lust zů essen·aber doch so stercket er den magen umb der hicze willen die er von natur an jm hat·(Item saffran ist auch gůtt dem milcz·(Item saffran bτinget begieτ [166] de zů unkeüscheit·(Item er machet auch fast wol harmen·(Item avicenna in seinem bůche genant de viribus coτdis spricht·dz der saffran stercke das hercze und bτinge dem gůt geblŭte·Und spτicht auch·das saffran weinig genüczet sol werden wann er bτingt also grosse freüde dem herczen das der mensche von freüden stirbt·als Avicenna beý seynen zeýten dick und manigs mal gesehen hat·das also geschehen ist·(Item der meister genant Rabbi moÿses in dem capitel crocus beschτeibt uns dz der saffran mere die gelüst deτ unkeüscheÿt·(Der meisteτ ÿsaac in dem bůch genant de viatico in dem capitel de emigranea spτicht·daz saffran dem haubtwee gůt seÿ·damit gemacht ein pflaster also·Nÿmm saffran und gummi arabicum·eufoτbium mirτa yegklichs geleich vil·und temperiere do dises mit einem eÿeþ weÿþ und lege das voτnen auff das haubte·hilffet fast wol·

(Der meister Paulus in dem capitel de podagra spτicht·das man sol nemen saffran und den mischen mit einem eÿeþ todtern·und rosen ôle unnd auch rosen wasser·unnd mitt einer federn streichen auff die stat do dz bodogram ist es hilfft·

(1) Saffraan, 121ste kapittel.

Crocus Latijn en Grieks. Arabisch Yamfaram. (Crocus sativus)

De meester Serapio in het boek genaamd aggregatoris in het kapittel ÿamfaram beschrijft ons van de saffraan en spreekt dat dit de beste is die er fris en nieuw is en die heeft een mooie kleur alzo dat de haartjes witkleurig zijn van kleur met een roodheid vermengt en zal zich niet gauw laten breken en als men die tussen de handen wrijft dan verft ze de handen rood en zal zijn een goede reuk met een scherpe en dit is gezegd van de saffraan van Oriënt. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Crocus beschrijft ons dat het is heet aan de andere graad en droog aan de eerste. Item, saffraan blijft vijf jaar in een lederen zak onveranderd aan zijn kracht. (2) En er zijn twee soorten saffraan. Een is genaamd Carthamus of Crocus hortensis, (Carthamus tinctorius) dat is wilde saffraan die op het veld of in de tuin groeit en die nuttigt men tot vele dingen uitwendig aan het lijf om daarmee te verven. De andere is geheten Crocus orientalis en die nuttigt men in de artsenij. Platearius beschrijft ons van de saffraan die genaamd is hortensis, dat is die er in de tuin groeit, en spreekt dat het gebruikt wordt in de artsenij die maakt braken bovenuit. Item, Avicenna spreekt dat saffraan orientalis maakt een mooie kleur, daarvan gedronken. Item, saffraan dat versterkt dat hart en maakt een goed bloed. Saffraan genuttigd in de kost maakt een goede, lange adem en beneemt dat kuchen. Daarom zullen pleuretici, dat zijn die er erg dampig zijn in de borst en een zweer daarin hebben, die gebruiken, ze genezen gelijk. Item, de meesters spreken dat saffraan brengt onlust te eten en beneemt de lust te eten, maar toch zo versterkt het de maag vanwege de hitte die het van natuur aan zich heeft. Item, saffraan is ook goed de milt. Item, saffraan brengt [166] begeerte tot onkuisheid. (3) Item, het maakt ook erg goed plassen. Item, Avicenna in zijn boek genaamd de viribus cordis spreekt dat saffraan versterkt dat hart en brengt die goed bloed. En spreekt ook dat saffraan weinig genuttigd zal worden want het brengt alzo grote vreugde het hart dat de mens van vreugde sterft, zoals Avicenna in zijn tijd vaak en menigmaal gezien heeft dat het alzo geschied is. Item, de meester genaamd Rabbi Moises in het kapittel Crocus beschrijft ons dat de saffraan vermeerdert de lust van de onkuisheid. De meester Isaac in het boek genaamd de viatico in het kapittel de emigranea spreekt dat saffraan voor de hoofdpijn goed is, daarmee gemaakt een pleister alzo:Neem saffraan en gom arabicum, Euphorbia en mirre, van elk gelijk veel, en temper dan dit met eiwit en leg dat vooraan dat hoofd, helpt erg goed.

De meester Paulus in het kapittel de podagra spreekt dat men zal nemen saffraan en dat mengen met een eidooier en rozenolie en ook rozenwater en met een veer strijken op de plaats daar de podogram is, het helpt.

Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit gewas Crocos. De Latijnen noemen het ook Crocus en Crocum, de Moren van Afrika geven het de naam zaffaran en daarnaar wordt het in Italië zaffarano genoemd, in het Hoogduits Saffran en hier te lande in het Nederduits saffraen’.

Herbarius in Dyetsche; (2) Er zijn twee soorten van, te weten die in de hoven groeit zonder enige bebouwing en die in de Oriënt (dat is in oostelijke landen, is Curcuma) groeit en die wordt gekweekt.

(3) Tegen onderbuikspijn, tegen aandrang tot waterlozing en het dikwijls plassen met pijn in de blaas kook je saffraan in olie en honing en bestrijk daarmee die plaatsen waar het zeer doet’.

kestenbaum

Das cxxii Capit

Castaneus latine·grece Balanos·

(Die meister spτechent·das diser baum seÿ wunderlicheτ natur deþhalben dz der nit zů kreften kommen mag er hab dann geselschaft·Und wo ein kestenbaume alleÿn wechset der bτinget kein frucht. (Dise frucht wechset geren an den bergen und gar selten auff dem ebnungen·(Casteneen sind kalt und auch trucken an dem mittel des ersten grads. (Iten castaneen rohe geessen machen tempfig umb die bτust·und sind von natur schedlichen geessen rohe und auch gesotten [167] oder gebτaten·wann sÿ allwegen tempfig machen umb die bτust. (Die ausser rinden der fruchte gebulfert unnd gemischet mitt der wurczel reupontica ÿegkliches geleich vil·dz benymmet dem soden des magens·(Item castaneen gedôτret und gebulferet·unnd des eingenommen mit krebþ augen bulfer gemüschet mit eppich wasser machet wol harmen·(Castaneen sind schedlich lungensüchtigen menschen·und bτingen haubtwee·uτsachen halben daz sÿ lancksam verdeüwet werden·(Serapio castaneen geessen gebτaten oder gestoten stopffen und tempffen umb die bτust·und bτingen sterbliche kranckheit d vil geessen·(Die kesten rohe geessen sind besser ze verdeüwen den die eÿcheln·und sind doch gar nahent einer natur und tugent·(Wôliche menschen vil castaneen rohe essend die gewinnent vil leüse an dem leibe und auch an den kleÿdern. (Aber die wider zů vertreiben so ÿsse gestossen lafendel blůmen und lege auch die zů deinen kleidern du wirdest jr gancz ledig zůhandt·

(1) Kastanjeboom.

Dat 122ste kapittel.

Castaneus Latijn. Grieks Balanos. (Castanea sativa)

De meesters spreken dat deze boom is van een wonderlijke natuur omdat het niet tot krachten komen mag dan dat het heeft gezelschap. En waar een kastanjeboom alleen groeit die brengt geen vrucht. Deze vrucht groeit graag aan de bergen en erg zelden op de vlaktes. (3) Kastanjes zijn koud en ook droog aan het midden van de eerste graad. Item, kastanjes rauw gegeten maken dampig om de borst en zijn van natuur schadelijk gegeten rauw en ook gekookt [167] of gebraden want ze altijd dampig maken om de borst. De buitenste bast van de vrucht gepoederd en gemengd met de wortel rabarber, van elk gelijk veel, dat beneemt het koken van de maag. Item, kastanjes gedroogd en gepoederd en dat ingenomen met kreeftogen poeder en gemengd met selderijwater maakt goed plassen. Kastanjes zijn schadelijk longzieke mensen en brengen hoofdpijn, vanwege de oorzaak dat ze langzaam verduwd worden. Serapio, kastanjes gegeten gebraden of gestoten stoppen en dampen om de borst en brengen sterflijke ziekten, dat veel gegeten. (2) De kastanjes rauw gegeten zijn beter te verduwen den de eikels en zijn toch erg nabij een natuur en deugd. Welke mensen veel kastanjes rauw eten die winnen veel luizen aan het lijf en ook aan de klederen. Maar die weer te verdrijven zo eet gestoten lavendelbloemen en leg ook die op uw klederen, u wordt ze gans leeg gelijk.

(1) Dodonaeus; ‘Deze boom heet in het Grieks en in het Latijn Castanos, Castanea en Nux Castanea, in onze taal castanie-boom, in het Hoogduits Kestenbaum en Kastaniebaum. De vruchten zelf heten hier te lande castanien, in Hoogduitsland Kesten.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Kastanjes die op de eikels lijken verteren beter dan de eikels. (3) Kastanjes zijn slecht voor diegene die hoesten en maken hoofdpijn vanwege hun slechtere vertering, hun letsel wordt weg genomen als je ze bakt.

kürbisz oder sehe

Das cxxiii capitel

Coloquintida grece·arabice Haudep sive haudel·latine cucurbita alexandτina vel cucurbita deserti·

(Seapio in dem capitel Haudep·idest coloquintida beschτeibet uns das dises wachse ÿenhalb des môτes zů jherusalem·und geleichet den kurbþen mitt den bletern und auch mit d frucht und spannen sich auf der erden die ôste weÿt und bτeÿt auþ und hat ein frucht groþ als ein [168] hůt und die ist rund und ist soτgklich zůbτauchen·wann sÿ hat jnn vergifft·und darumb ist es tôdten und kürczen den atem·und bτinget groþ onmechtigkeit und ein kalten schweiþ·(Dise frucht wirt gesamelt so sÿ zeÿttig wirt dz ist in dem monat September genant·und ist heiþ an dem dτitten grad und trucken an dem andern·(Coloquintida mag man behalten fünff jar unverseret an seineτ natur und krafft·und aller meÿst in seiner frucht daz ist in dem apffel·(Johannes mesue in dem capitel coloquintida beschτeibt uns do vier ding die zů meÿden sind an diser frucht·(Zů dem ersten ist coloquintida schedlich dem herczen und d lebern wann sÿ stosset auff und würcket schwårlich in dem menschen·(Zů dem andern male so ôffnet sÿ alle adern in dem leib·(Zů dem dτitten machet sÿ auþgeen blůt unden und oben stercklichen und feste·(Zů dem vierden schabet sÿ die gedårm und die gång des harms·und darumb wer do wil gebτauchen coloquintidam der sol aufmerckung haben dz die voτhin gemüschet werden und die tĐdlich kraffte jr beneme·Und darumb wilt du coloquintidam zů dem magen bτauchen so nÿmm des nit über ein halb quintin und mische darunder mastix·so bτinget es nit schaden·(Auch mag man coloquintidam müschen mit tragantum bidellium gummi arabicum. (Item man mag auch coloquintidam also bereÿten dz sein vergifft einem menschen nit schaden bτing·Nÿmm coloquintidam so sÿ zeÿtig sind·dz ist in dem herbst und soll sÿ auff schneiden und darauþ tŭn dem klumpen d darjnnen ligt geleich als es ist in einem kûrbiþ der die beÿ uns wechþt dem selbigen klumpen sol man tůn in hônig wasseτ darjnnen mirτa gesoten seÿ·und coloquintidam das ist den klompen darjnnen lassen sieden ein kleine weÿl und darnach den lassen trucken werden. (Diascoτides spτicht·dz coloquintida eingenommen als groþ als ein haller wÿgt und das gemischet mit hônigwasser reÿniget den leib fast wol von d bôsen flegma dz ist ein kalte feüchtigkeit·(Johannes mesue coloquintida treybet auþ flegma und kleberet feüchtung von grunde d gelider·(Item coloquintida ist fast gůt genüczet dem der fast groþ und alt haubtwee hat und sunderlichen den die do geneÿget sind ad epilentiam und apoplexiam·dz ist zů dem fallende siechtagen und zů dem schlag·(Und ist fast gůt dem keÿchendem und dem der do einen alten hůsten hat. (Item coloquintida ist gůt podagricis und ciaticis·dz ist weetagen in dem arþbeÿne und in dem fŭssen·und auch sunderlichen ÿdτopicis·das ist dem wassersüchtige·[169].mag ma wol nüczen zû sôlichen grossen süchten·Aber doch also das sÿe voτhin bereÿtet werden als oben steet·und das dz selb mit vernunfft geschehe·(Coloquintida auff die můter geleget tôdtet das kindt in můter leÿbe·

(Item coloquintida in essig gemischet und die gemaledeÿeten haut damit gewåschen benÿmmet sÿ on zweÿfel·

(1) Kolokwint of sehe.

Dat 123ste kapittel.

Coloquintida Grieks. Arabisch Haudep sive haudel. Latijn Cucurbita (3) alexandrina vel cucurbita deserti. (Citrullus colocynthis)

Seapio in het kapittel Haudep, id est coloquintida, beschrijft ons dat dit groeit aan de kant van de zee bij Jeruzalem en lijkt op kouwoerde met de bladeren en ook met de vrucht en spant zich op de aarde die takken wijd en breed uit en heeft een vrucht groot als een [168] hoed en die is rond en is (2) zorgelijk te gebruiken want ze heeft in vergif en daarom is het dodelijk en kort de adem en brengt grote onmachtigheid en het koude zweet. Deze vrucht wordt verzameld zo ze rijp is en dat is in de maand september genaamd en is heet aan de derde graad en droog aan de andere. Coloquintida mag men behouden vijf jaar onveranderd aan zijn natuur en kracht en allermeest in zijn vrucht, dat is in de appel. Johannes Mesue in het kapittel coloquintida beschrijft ons de vier dingen die te mijden zijn aan deze vrucht. Tot de eerste is coloquintida schadelijk het hart en de lever want ze stoot op en werkt zwaar in de mensen. Tot de andere maal zo opent ze alle aderen in het lijf. Tot de derde maakt ze uitgaan bloed onder en boven sterk en vast. Tot de vierde schaaft ze de darmen en de gang van de plas en daarom wie het wil gebruiken kolokwint die zal opmerking hebben dat die daarvoor gemengd wordt en de dodelijke krachten haar benemen. En daarom wil u kolokwint tot de maag gebruiken zo neem dit niet over een half quintin en meng daaronder mastiek, dan brengt het niet schade. Ook mag men kolokwint mengen met tragant, bdellium en gom arabicum. (4) Item, men mag ook kolokwint alzo bereiden dat zijn vergif een mens niet schade brengt: Neem kolokwint zo ze rijp is, dat is in de herfst, en zal ze opensnijden en daaruit doen de klompen die daarin liggen gelijk als het is in een kauwoerde die er bij ons groeit, dezelfde klompen zal men doen in honingwater daarin mirre gekookt is en kolokwint, dat zijn de klompen, daarin laten koken een kleine tijd en daarna dat laten droog worden. (3) Dioscorides spreekt dat kolokwint ingenomen alzo groot als een haller weegt en dat gemengd met honingwater reinigt het lijf erg goed van het kwade flegma, dat is een koude vochtigheid. Johannes Mesue, kolokwint drijft uit flegma en kleverige vochtigheid vanuit de grond der leden. Item, kolokwint is erg goed genuttigd die de erg grote en oude hoofdpijn heeft en vooral diegene die er geneigd zijn tot epilepsie en apoplexiam, dat is tot de vallende ziekte en tot de slag. En is erg goed de kuchende en die er een oude hoest heeft. Item, kolokwint is goed podagricis en ciaticis, dat is pijnen in de aarsbenen en in de voeten en ook vooral hydropisis, dat is de waterzuchtige [169] .mag men goed nuttigen in zulke grote ziektes. Maar toch alzo dat ze voorheen bereid worden zoals boven staat en dat datzelfde met verstand gebeurt. (5) Kolokwint op de baarmoeder gelegd doodt dat kind in moeders lijf.

Item, kolokwint in azijn gemengd en die boosaardige huid daarmee gewassen beneemt ze zonder twijfel.

Kolokwint, Midden-Hoogduits heeft wild Kirbs of Kurbis, Engelse bitter gourd, bitter cucumber, Alexandrienappel of colocynth, Duits Coloquintapfel komt van Latijn colocynthis, dit van Grieks kolokunthis.

Kürbisz, zie kapittel 91. Sehe is een onbekend woord, mogelijk een afleiding van zee. Cucurbita deserti, groeit in de desert.

(2) Dodonaeus;’Onze voorvaders noemden het ook Fel terrae en Nex plantarum of Mors in olla, als of men zei aardgal, dood van alle kruiden of dood in de pot omdat dit gewas zo bitter en schadelijk is dat het de naaste kruiden laat sterven.

Herbarius in Dyetsche; (2) Als je alleen kolokwint neemt is het dodelijk. Maar het moet klaar gemaakt worden naar de aanwijzingen van de meester.

Dodonaeus; (4) Om de Coloquintida eensdeels te verbeteren of te temmen dat het de mens niet schadelijk valt zal men haar sterkte bedwingen en matigen door er iets taais en lijmigs bij te doen want daardoor wordt haar hinderlijke kracht en eigenschap wat verduisterd.

Bybergeil

Das cxxiiii Capit

Castoτium latine·grece castoτ vel ansima·arabice anchaian·vel angwibelduftoτ·

(Der meyster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Anguibelduftoτ·id est testiculi castoτij beschτeybet und spricht·das die kommen von eÿnen thiere das heÿsset bÿber·und der lebet in dem wasser und auþ dem wasser·aber doch mer in dem wasser·wann es sůchet unnd hatt auch sein narunge in dem wasser von dem fischen und krebþen·(Diþ thier hat zwen hoden die schneidet man ab und daran hanget ein feüchtung dz steet geleich dem hônig·Dÿses sol man auff hencken und trucken lassen werden an dem schadten und nit an der sunnen also das sÿ voτhin wol gereÿniget werden und auch gewáschen·(Hie ist zeweissen daz bÿbergeÿle von den jungen bÿbern nit also kreftig sind in jrer tugent als ob sÿ wåren in der mitteln maþ jres alters·und die bybergeÿln von den jungen bÿbern sind weÿþs von farben und weich·(Item ein bÿber der fast alt ist der hat nit also gůt bÿbergeylen als d in der mittel maþ ist seines alters·Und hierumb sind dise die besten bÿbergeÿlen die do kommen von einen bÿber d weder zů jung noch zů alt sey·(Item bÿbergeÿlen werden zů zeÿten gefelschet in mangerleÿ weÿse·Etlich nemen die haut von einem bÿber und schaben die und füllen die mit blůt und dôτren dz. Etlich nemen der geÿlen von einem thiere wie das seÿ·und nemen blůt und bulfer von den rechten bÿbergeÿlen umb des gerauchs willen und mischen die under einander und füllen die geÿlen [170] damit und lassen dz also doτren. Etlich thůnd darzů pfeffer daz es scharpff seye auff der zungen als bÿbergeÿlen. Und hierumb sol man sich fürsehen die ze kauffen wann manger damit betrogen wirt·(Bÿbergeÿle der weret siben jar unverseret an seiner kraft·(Und ist zů wissen dz das jnnerteÿl genüczet sol weτden in der erczneÿ und die haut sol man hinwerffen·(Seτapio und Galienus beschτeiben uns das castoτium seÿ heiþ machen in dem dτitten grade und trücknet in dem andern grad·(Diascoτides castoτium gemischet mit rauten und eþsig und dz gelassen in die nasen stercket das hÿrn und benÿmmet dz haubt wee·(Item castoτium getruncken mitt wein ist gůt epilenticis·das ist die den fallenden siechtagen haben. (Item castoτium genüczet dienet zů allen süchten die von kelte kommet·(Platearius wem die zung erlamet also dz er nit gereden mag·der neme castoτium gebulferet und lege sÿ darunder es hilft on zweÿfel. (Wen die sucht oder gegicht an dem leibe trucket wo daz wåre·der neme castoτium und siede dem in wein·und schmiere sich an der selbigen stat·es hilft on zweÿfel·(Serapio spτicht·dz castoτium umb der hicze willen die er in jm hat benýmmet auch spasmum·das ist den krampff·(Item castorium genüczet mit pfeffer und hônigwasser bτinget dem frawen jr feüchtigkeit genant menstruum und treibet auþ die geburt·(Item Avicenna spτicht·das castoτium gůt sey den lamen und gichtigen gelidern die damit geschmieret·(Wôlicher febτes het wie die wåren der trinck castoτium mit wein·sÿ vergeent davon·(Item bÿbergeÿlen bτinget auch gelust und reÿczung czů unkeüscheit·und darumb wer erkaltet wåre dz er nit volbτingen môchte unkeüscheit genant coitum der mag sich mit bÿbergeÿlen widerumb bτingen·des do eingenommen mit wein und die mannes dinger damit gesalbet. (Item bÿbergeÿlen genüczetet wôτmet die kalten natur oder die in jne kranckheit haben die uτspτung halb sich erhaben hat von kelte wie die gesein müge den ist bÿbergeÿl gůt genüczet·Aber wôlicher in jm hicze hett und kranckheiten die von hicze kommen wåren den ist soτgklichen bÿbergeÿlen zů nüczen·[171]

(1) Bevergeil.

Dat 124ste kapittel. (Castor fiber)

Castorium Latijn. Grieks castor vel ansima. Arabisch anchaian vel angwibelduftor.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anguibelduftor, id est testiculi castorii, beschrijft en spreekt dat die komen van een dier dat heet bever en (2) die leeft in het water en uit het water, maar toch meer in het water want het zoekt en heeft ook zijn nering in het water van de vissen en kreeften. Dit dier heeft twee ballen, die snijdt men af en daaraan hangt een vochtigheid die staat gelijk de honing. Dit zal men ophangen en droog laten worden aan de schaduw en niet aan de zon alzo dat ze voorheen goed gereinigd worden en ook gewassen. Hier is te weten dat bevergeil van de jonge bevers niet alzo krachtig zijn in hun deugd zoals ze zijn in de middelste maat van hun ouderdom en het bevergeil van de jonge bevers zijn wit van verven en week. Item, een bever die erg oud is die heeft niet alzo goed bevergeil zoals die in de middelste maat is van zijn oudheid. En hierom is dit het beste bevergeil die je komen van een bever die nog te jong en nog te oud is. Item, bevergeil wordt in sommige tijden vervalst op vele manieren. Ettelijke nemen de huid van een bever en schaven die en vullen die met bloed en drogen dat. Ettelijke nemen het geil van een dier wie dat is en nemen bloed en poeder van het echte bevergeil vanwege de reuk en mengen die onder elkaar en vullen die geil [170] daarmee en laten dat alzo drogen. Ettelijke doen daartoe peper zodat het scherp is op de tong zoals bevergeil. En hierom zal men zich voorzien die ze kopen want velen daarmee bedrogen worden. Bevergeil die blijft zeven jaar onveranderd aan zijn kracht. En is te weten dat het binnenste deel genuttigd zal worden in de artsenij en de huid zal men heen werpen. Serapio en Galenus beschrijven ons dat castorium is heet maken in de derde graad en drogen in de andere graad. Dioscorides, castorium gemengd met ruit en azijn en dat gelaten in die neus versterkt de hersens en beneemt de hoofdpijn. (3) Item, castorium gedronken met wijn is goed epileptici, dat is die de vallende ziekte hebben. Item, castorium genuttigd dient tot alle ziektes (4) die van koudheid komt. (5) Platearius, wie de tong verlamt alzo dat hij niet praten mag die neemt castorium gepoederd en leg het daaronder, het helpt zonder twijfel. Wie de ziekte of jicht aan het lijf drukt waar dat is die neemt castorium en kook dat in wijn en smeer zich aan dezelfde plaats, het helpt zonder twijfel. (6) Serapio, spreekt dat castorium vanwege de hitte die het in zich heeft beneemt ook spasma, dat is de kramp. Item, castorium genuttigd met peper en honingwater brengt de vrouwen hun vochtigheid genaamd menstruatie en drijft uit de geboorte. Item, Avicenna spreekt dat castorium goed is de lamme en jichtige leden, die daarmee gesmeerd. Wie koorts heeft waar dat is die drinkt castorium met wijn, ze vergaan daarvan. Item, bevergeil brengt ook lust en rijzing tot onkuisheid en daarom wie verkouden is zodat hij het niet volbrengen mocht onkuisheid, genaamd coïtus, die mag zich met bevergeil wederom brengen, dat zo ingenomen met wijn en dat mannen ding daarmee gezalfd. Item, bevergeil genuttigd verwarmt de koude natuur of die in hen ziekte hebben die vanwege de oorsprong zich verheven heeft van koudheid, waar dat zijn mag, die is bevergeil goed genuttigd. Maar die in hem hitte heeft en ziekten die van hitte gekomen waren die is het zorgelijk bevergeil te nuttigen. [171]

(1) Castor fiber, van Grieks kastor, ‘bever’. Castor was eigenlijk een stof, ‘castoreum’, die afgescheiden werd door de bever en als middel tegen kwalen gebruikt werd. Of van castreren.

(2) Het was de monniken opgevallen dat de staart van de bever min of meer geschubd is, wat dus op een vis slaat. Vis mag je op vrijdag eten. Vroeger mochten de gelovigen op de vastenvrijdagen alleen vis eten. Doordat een bever zo een vis werd mocht die ook op tafel komen.

Herbarius in Dyetsche; Beversgeil heeft de kracht om te ontbinden, te verteren, te verdunnen en vooral om de zenuwachtige plaatsen te versterken, daarom is het goed tegen (3) vallende ziekte en tegen (4) koude ziekten in het hoofd, het geneest de (5) lamheid van de tong en laat de spraak, die verloren is, ruwweg weer terug komen als het onder de tong opgelost wordt. (6) Het is ook goed tegen lamheid van de leden als je de wijn neemt waar bevergeil, ruit en Salvia in gekookt zijn’.

Cassia fistula

Das cxxv capitel

Cassia fistula latine et grece·arabice chiarzamber·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel chiarzamber·id est cassia fstula beschτeibet uns unnd spτicht das dises sind groþ rôτen haben jnwendig feüchtung und kôτner geleich den benonien und hat jnwendig lameln und wende darzwischen die kôτner ligen·und wôliche rôτen schwår sind das sind die besten·und schwarczrot von farben·und wôlich roτe sere klôppert wenn man sÿ schüttelt die ist nit gůt·wann die feüchtung ist darjnn verdoτret·Sein gerauch ist sŭþ und senfft und ist in seÿner natur geleich getemperieret·und hat in den viersaczungen kein übertreffen·(Item cassia fistula mag man behalten zweÿ jar in seyner tugent unverseret und die feüchtung in dem rôτen und die kôτner sôllen genüczet werden in der årczneÿ·(Der meyster Johannes mesue beschτeibt uns und spτicht dz cassia fistula senftigklich seÿ zů nüczen und on schaden·Und man mag sÿe geben allen menschen jung und alt und auch frauwen die do schwanger wåren den bτåcht es keinen schaden·Cassia fistula machet senfft stůlgang und purgiert langsam·(Item cassia fistula eingenommen mitt rosen wasseτ auf zwey lot bτinget senfft stůlgang und würcket wol in aller kranckheÿt·(Item cassia fistula reÿniget dz geblŭtte und benymmet den durst·(Item cassia fistula reÿniget den magen und treibt auþ der verbτenten gallen und auch bôþ flegma. (Platearius cassia fistula ist für geschweren in der kelen unnd für die keichenden bτust·(Item cassia fistula genüczet låþt den stein in den lenden und in der blasen nit wachþen und treibt den auþ·(Unnd für alle obschτÿbne kranckheyt soll man versteen von der cassia fistula extracten·die findet man alle zeÿt in d apotecken·(Item cassien fistel ist gar gůt wider die strengigkeit des fiebers wann es machet dem weiche stůlgång. [172]

(1) Cassia fistula.

Dat 125ste kapittel. (Cassia fistula)

Cassia fistula Latijn en Grieks. Arabisch chiarzamber. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel chiarzamber, id est Cassia fistula, beschrijft ons en spreekt dat dit zijn (2) grote peulen en hebben inwendig vochtigheid en korrels gelijk de pioen en heeft inwendig lamellen en wanden daartussen de korrels liggen en welke peulen zwaar zijn dat zijn de beste en zwartrood van verven en welke peul zeer klappert als men ze schudt die zijn niet goed want de vochtigheid is daarin verdort. Zijn reuk is zoet en zacht en is in zijn natuur gelijk getemperd en heeft in de vier toevoegingen geen overtreffen. Item, Cassia fistula mag men behouden twee jaar in zijn deugd onveranderd en de vochtigheid in de peulen en de korrels zullen genuttigd werden in de artsenij. De meester Johannes Mesue beschrijft ons en spreekt dat Cassia fistula zacht te nuttigen is en zonder schade. En men mag ze geven alle mensen, jong en oud en ook vrouwen die er zwanger zijn, die brengt het geen schade. (3) Cassia fistula maakt zachte stoelgang en purgeert langzaam. Item, Cassia fistula ingenomen met rozenwater op twee lood brengt zachte stoelgang en werkt goed in alle ziektes. Item, Cassia fistula reinigt dat bloed en beneemt de dorst. Item, Cassia fistula reinigt de maag en drijft uit de verbrande gallen en ook kwaad flegma. Platearius, Cassia fistula is voor zweren in de keel en voor de kuchende borst. Item, Cassia fistula genuttigd laat de steen in de lenden en in de blaas niet groeien en drijft die uit. En voor alle opgeschreven ziektes zal men verstaan van de Cassia fistula extracten die vindt men altijd in de apotheken. Item, Cassia fistula is erg goed tegen de strengheid van de koorts want het maakt een weke stoelgang. [172]

(1) Dodonaeus; ‘De apothekers noemen deze boom of de lange hauwen er van tegenwoordig Casia fistula en Cassia en daarnaar noemen ze hier te lande ook bij de gewone man cassie.

Maerlant; (2) Zijn vrucht is lang als het is rijp en is als het ware een pijp, dat zaad dat in zijn merg ligt die zijn er, als men voor waar zegt, meer dan veertig in een pijp. Zwart en groen en zijn het beste de rijpe, zijn merg daarvan dat is bekwaam want (3) het ontsluit het lichaam.

Cassia lignea cxxvi c

Cassia lignea grece·arabice melochaa·vel melochia·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Melochaa spτicht daz dises holcz wachse in arabia do ander wolriechende baum und gekreüte wachsen·Sein gerauch geleichet den rosen·(Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farcarum in dem capitel cassia spricht·das cassia lignea das seý heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Platearius cassia lignea ist ein rinden oder frucht eines baums der wechþt in babilonia oder nahent dabeÿ·es ist zweÿer handt cassia·eines nennet man cassia lignea·dz ander cassia fistula·Und wenn die arczet schτeibent cassiam on einem zůsacz so meinen sÿ cassiam fistulam. (Item es ist zweÿer hant cassia lignea·Die ein ist an d farb geleich zymmetrinden·die ander ist rôter an der farbe·wann die erste und dise yeczgenant sind die besten·Etlich sind schwarcze·ettlich schwarczrot·ettlich weÿþfarb·dise sind nit gůtt·

(Cassia lignea mag man halten·x·jar unverseret an jrer natur·Dise rinden dienet dem schnopffen oder haubtfluþ catarrus genant der do kommet von kelten also·Nÿmm cassiam ligneam gebulvert und würffe dz bulver auff glŭende kolen und laþ den rauch in die nasen·(Item cassia lignea ist fast ůût epilenticis dz sind die die fallenden sucht haben von disem bulver pilleien gemachet·iiij·gemischet mit dem gummi laudano und wermůt saft also daz die pillelen haben ein quintin·Dise sind fast gůt dem hÿren und die obgenant kranckheit damit zevertreiben·(Wôlicher einen kalten magen het und bôse feüchtung darjnnen wåren von kelte·der nem dises bulvers und mastix und fenchelsamen ÿegklichs geleich vil und trinck dises nüchtern mit wermůt wasser·es hilfft on zweÿffel·[173]

(1) Cassia lignea, 126ste kapittel.

Cassia lignea Grieks. Arabisch melochaa vel melochia. (Cinnamomum aromatica (ook wel Cinnamomum cassia)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Melochaa spreekt dat dit hout groeit in (2) Arabië daar andere goed ruikende bomen en kruiden groeien. Zijn reuk lijkt op de rozen. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel cassia spreekt dat cassia lignea dat is heet en droog aan de derde graad. Platearius, cassia lignea is een bast of vrucht van een boom die groeit in Babylonië of dicht daarbij en is tweevormig cassia, een noemt men cassia lignea en de ander cassia fistula. En als de arts schrijft cassia zonder een toevoeging dan bedoelt hij Cassia fistula. (3) Item er is tweevormig cassia lignea, de ene is aan de kleur gelijk kaneel en de andere is roder aan de verf dan de eerste en deze net genoemde is de beste. Ettelijke zijn zwart, ettelijke zwartrood, ettelijke witkleurig en deze zijn niet goed.

Cassia lignea mag men houden 10 jaar onveranderd aan hun natuur. Deze bast dient het snuffen of hoofdvloed, catarre genaamd, die je komt van koudheid alzo: Neem cassia lignea gepoederd en werp dat poeder op gloeiende kolen en laat de rook in de neus. Item, cassia lignea is erg goed (4) epileptici, dat zijn die de vallende ziekte hebben, van dit poeder pillen gemaakt 4 en gemengd met de gom laudanum en alsemsap alzo dat die pillen hebben een drachme. Deze zijn erg goed de hersens en de opgenoemd ziekte daarmee te verdrijven. Wie een koude maag heeft en kwade vochtigheid daarin die waren van koudheid die neemt dit poeders en mastiek en venkelzaden, van elk gelijk veel, en drinkt dit nuchter met alsemwater, het helpt zonder twijfel. [173]

Dodonaeus; ‘Die naam Cinamomum komt eigenlijk toe aan de beste soort en de slechtste heet in het Latijn en Grieks Cassia en ook Casia. Dan de allerslechtste en zowel dunne als dikke of buitenste houtachtige schors heet Xylocassia, Pseudocassia, Cinamomis, Xylocinnamomum, Pseudocinnamomum, Cassia lignea’.

Maerlant; ‘Cassia ligna, als Plinius zegt, is een boom die te groeien pleegt in (2) Arabië. Zijn bladeren zijn geverfd als purper, geschapen als het jeneverblad. Acht voeten hoog, (240cm) wij lezen dat. (3) Van drie manieren is zijn schors gedaan, beneden wit, moet men verstaan.

Herbarius in Dyetsche; ‘Sennebladeren zijn goed tegen ziekten die uit zwaarmoedigheid komen, (4) tegen vallende ziekte, tegen het in onmacht gaan en ook tegen verstopping van de lever en van de milt.


kalmus cxxvii ca

Calamus aromaticus latine vel canna persidis grece Calamus·arabice Hasap·

(In dem bůch circa instans in dem capitel calamus aromaticus beschτeiben uns die meister und spτechen·das der seÿe heiþ und trucken an dem dτitten grade·Unnd ist ein wurczel eines baumes ÿenhalb des môτes und der ist jnwendig hol und reücht fast starck·unnd des ist zweÿer hant·Einer wechþt in dem land genant persia·und der geleicht von farben einem granat apfel des selbigen wurczel bτauchen wir nit in teütschen landen·Den andern findet man in jndia·und des wurczel ist weÿþfarb·und den nüczen wir in teütschen landen·Und darumb sol man dem kalmuþ auþ erwelen der weÿþ seÿ von farben·Und wenn man jn bτauchet das er sich nit bulfere und sol auch schwår sein an dem gewichte und nit lôcher in jm haben·Diser weret dτeü jar an seiner natur unverseret·(Die meister spτechen dz kalmuþ gůt seÿ dem der einem bôsen magen hat von kelte·der selbig soll nemen dτeü quintin kalmuþ und den mischen mit wermůtsaft und das also eintrincken mit warmen wein·(Item wer nit wol deüwen mag der neme kalmuþ gebulveτt ein quintin und zweÿ quintin zymmetrôτen·die beÿde gebulfert und under ein andend gemischet·dises sol man trincken alle moτgen einen gůten trunck mit wein es hilfft·(Item wôlicher dz hercz zÿttern het d neme ganczen kalmuþ und siede dem in rosenwasseτ und trinck dz des nachtes es hilft·(Item kalmuþ wirt gebeÿsset wie der jngwer. Wer dises nüczet nŭchtern·dem machet es einen wol deüwenden magen·und behŭtet den menschen voτ febτes·(Item kalmuþ gebulvert mit wůlsafft vermenget und warm auff den afftern gelegt ist gůt wider dem auþgang des afftern Platearius·[174]

(1) Kalmoes, 127ste kapittel.

Calamus aromaticus Latijn vel canna persidis. Grieks Calamus. Arabisch Hasap. (Swertia cheyrata, Calamus aromaticus)

In het boek Circa instans in het kapittel Calamus aromaticus beschrijven ons de meesters en spreken dat het is heet en droog aan de derde graad. En is een wortel van een boom aan de andere kant van de zee en die is inwendig hol en ruikt erg sterk en die is tweevormig. Een groeit in het land genaamd Perzië en die lijkt van kleur op een granaatappel en dezelfde wortel gebruiken we niet in Duitse landen. De andere vindt men in India en deze wortel is witkleurig en die nuttigen we in Duitse landen. En daarom zal men de kalmoes uitzoeken die wit is van verven. En als men het gebruikt dat het zich niet verpoederd en zal ook zwaar zijn aan het gewicht en geen gaten in hem hebben. Deze blijft drie jaar aan zijn natuur onveranderd. De meesters spreken dat kalmoes goed is die er een (2) kwade maag heeft van koudheid, dezelfde zal nemen drie maal 1,67gram kalmoes en dat mengen met alsemsap en dat alzo indrinken met warme wijn. Item, wie niet goed (3) verduwen mag die neemt kalmoes gepoederd, een 1,67 gram, en twee maal 1,67gram kaneel en die beide gepoederd en onder elkaar gemengd dat zal men drinken alle morgen een goede dronk met wijn, het helpt. (4) Item, wie dat hart siddert die neemt de ganse kalmoes en kook dat in rozenwater en drink dat ’s nachts, het helpt. Item, kalmoes wordt gebaad zoals de gember. Wie dit gebruikt nuchter die maakt hem een goed (3) verduwende maag en behoedt de mensen voor koortsen. Item, kalmoes gepoederd met toortssap vermengt en warm op het achterste gelegd is goed tegen de uitgang van het achterste, Platearius. [174]

Naar de afbeelding Acorus calamus.

(1) Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijtverwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging.

Zo kunnen we ook kijken naar het tweede deel van de naam Acorus calamus, L.

Het Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees.

De wortel is mogelijk wel verstuurd in een mandje gemaakt van Calamus of riet, zie bij Styrax die in riet vervoerd werd en daarom Styrax calamites heette.

Volgens Roxburgh in zijn Flora Indica is de Calamus aromaticus is het een oude naam voor Gentiana cheyrata Roxb. (Gentiana chirayata), en de kalmoes van de oudheid.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Tegen pijn in de maag en in de darmen uit verkoudheden of winden is kalmoes een zeker experiment of medicijn en geef je een half ons hiervan met sap van alsem en wat wijn wat je tezamen mengt.

(3) Om de vertering te versterken is het goed dat je daar kaneelpoeder bij doet, dan is het beter, hetzelfde is ook goed tegen hartkrampen’.

würmlin also genant

Das cxxviii capi

Cantarides latine et grece·arabice derarie vel trane·

(Die meister beschreiben unns und spτechen das cantarides sind würmlin die sind grŭn und lengelicht die findet man so die frücht blŭet·und die sind zů vil sachen gût und die tôdtet man mit dem dampff der von den eþsig geet·cantarides sind gůt gelegt auff erhaben beŭlen an dem leibe alþ dan haben die ausseczigenn·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel derarie·id est cantarides beschreibet uns und spricht das diþ würmlin gar dicke bewert sind die ausseczigen beŭlen do mitt zů vertreiben die dar auff gelegt mitt eÿnem pflaster es benÿmmet die und machet sie gancz abefallen·(Cantarides jnne getruncken mit weine machet harmen·Ettlich meister spτechen das man sol die coτper der würmlin nüczen und die flŭgel und das haubt hin werffen·Ettlich spτŭchen das man die füþ und die flŭgel hin werffen solle·(Aber Serapio spτicht das er die gebτauchet hab also gancz und nichtes dar von gethan·(Item diþ sind die besten cantarides die man findet in dem weiþ·(Diascoτides spricht das cantarides sind von natur die haut wundt zů machenn und heiþ machen·und darumbe nüczet man die dz sie sollen gechwere machen und lôcher darjnne åczen also daz man die nit auffhauwen noch bτennen darff·Und spτicht auch das cantarides gebulvert den geschwollen menschen gůt seÿ der selbigen ein halb quintin gestossen vermenget mit bockes blůt oder mit mastix und getruncken mitt wein·wenn sie machen dye selbigen sere harmen. (Item cantarides sind heiþ und trucken an dem dτitten grad·(Cantarides gestossen und die gemüschet mit eþsiig und die auffezig haut do mit geschmieret reiniget die·und also genüczet machet auch sere hare wachsen·(Item cantarides gesotten mit ôle und do mit die geschweren gestrichen und darauff gelegt verzeret sÿe und machet sÿe auff bτechen·(l·j) [175]

(1) Spaanse vlieg, alzo genaamd.

Dat 128ste kapittel.

Cantharides Latijn en Grieks. Arabisch derarie vel trane. (Lytta vesicatoria)

De meesters beschrijven ons en spreken dat cantharides zijn wormpjes die zijn groen en langachtig en die vindt men zo de vrucht bloeit en die zijn tot veel zaken goed en die doodt men met de damp die er van de azijn gaat. (2) Cantharides zijn goed gelegd op verheven builen aan het lijf zoals dan hebben die met huiduitslag. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel derarie, id est cantharides, beschrijft ons en spreekt dat deze wormpjes erg vaak gebruikt zijn de huiduitslag builen daarmee te verdrijven, die daarop gelegd met een pleister, het beneemt die en maakt ze gans afvallen. Cantharides ingedronken met wijn maakt plassen. Ettelijke meesters spreken dat men zal dat lichaam van de wormpjes nuttigt en de vleugel en het hoofd heen werpen. Ettelijke spreken dat men de voeten en de vleugels heen werpen zal. Maar Serapio spreekt dat hij die gebruikt heeft alzo gans en niets daarvan gedaan. Item, dit zijn de besten cantharides die men vindt in de weide. Dioscorides spreekt dat cantharides zijn van natuur de huid verwond te maken en heet maken en daarom nuttigt men die zodat ze zullen zweren maken en gaten daarin eten alzo dat men die niet afhouwen noch branden durft. En spreekt ook dat cantharides gepoederd de gezwollen mensen goed is, dezelfde een half van 1, 67gram gestoten en vermengt met bokkenbloed of met mastiek en gedronken met wijn, want ze maken dezelfde zeer plassen. Item cantharides zijn heet en droog aan de derde graad. Cantharides gestoten en die gemengd met azijn en de huiduitslag huid daarmee gesmeerd reinigt die en alzo genuttigd maakt ook zeer haar groeien. Item, cantharides gekookt met olie en daarmee de zweren gestreken en daarop gelegd verteert ze en maakt ze open breken. [175]

(1) Spaanse vlieg, in Duitse Spanische Fliege.

Hun sap trekt blaren op de huid en is zeer vergiftig. Daarom dienen ze voor het maken van trekpleisters en worden in enkele gevallen inwendig als geneesmiddel gebruikt. Het is de Duitse Plasterkafer, een würmlin.

 

kelershalsz cxxic ca

Cocomidion latine·grece camelea arabice mezereon·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Mezereon id est coconidion spτicht das dises seÿ ein kleines beümlin und sein este sind fast gůt feüer mit anzunden·Die este ligen nahent beÿ d erden·(Johannes mesue kellerþhalþ ist faste gůt ÿdτopicis das sind die wassersüchtigen wan dises kraut benÿmmt alles gewåsser in dem leibe·(Johannes mesue in dem capitel mezereon nennet dises kraut rapiens vitam daz ist benemen dem menschen daz leben·(Auch spτicht er das dises mancherleÿe gestalt habe·Etlich cocomidion hat grosser bletter und subtÿle am griff·Etlich hat scharpffe bletter und krause und an der farbe schwarz grŭn. Das von disem keaute das beste gewechþ ist das ist das grŭn bleter hat und nit vermüschet mitt schwercz und auch groþ an der gestalt die andern alþ obgeschriben steet sind nit gůtt·(Dises kraute hatt in jme vergifft und darumb ist es soτgklichen zů bτauchen es wåre dan das diþ fenÿn mit andern stucken benommen wurde·(An wôlichen enden dises beümlin oder kraut wechset alles nader gekrautt das und den esten wechset als weÿt sÿe begrÿffen ist so ist das selbig krautte gifftig·und wôlicher mensch des ein neme der môchte sterben·Und darumb hat Johannes mesue nitt unrecht an dem das er es nennet rapiens vitam·(Diþ kraut ist heiþ und trucken an dem vierdem grade·(Wôlicher diþ kraut nüczen will der sol es voτhin sieden in milch und den schaume darvon werffen·Oder man mag auch dises sieden mit alter hůner bτŭ so ist es on schaden·Ettlich meister spτechen das disen bτaun kleine dτeüblin als du hie sÿ hest die ist man meer nüczen wann das kraut·dises reýniget flegma und melancoleÿ·[176]

(1) Peperboompje 129ste kapittel.

Cocomidion Latijn. Grieks camelea. Arabisch mezereon. (Daphne mezereum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel mezereon, id est coconidion, spreekt dat dit is een klein boompje en zijn takken zijn erg goed vuur mee te ontsteken. Deze takken liggen nabij de aarde. (2) Johannes Mesue, peperboompje is erg goed hydropisis, dat zijn de waterzuchtige, want dit kruid beneemt alle water in het lijf. (3) Johannes Mesue in het kapittel mezereon noemt dit kruid rapiens vitam, dat is benemen de mensen dat leven. Ook spreekt hij dat dit vele vormen heeft. Ettelijke cocomidion heeft grote bladeren en subtiel aan het grijpen. Ettelijke hebben scherpe bladeren en kroezig en aan de kleur zwartgroen. Dat van dit kruid het beste gewas is dat is dat groene bladeren heeft en niet vermengt met zwart en ook groot aan de gestalte, de andere zoals opgeschreven staat zijn niet goed. (3) Dit kruid heeft in hem vergif en daarom is het zorgelijk te gebruiken tenzij dan dat dit venijn met andere stukken benomen wordt. Aan welke einden dit boompje of kruid groeit alles dicht bijstaand kruid dat bij de takken groeit zo breed als ze omvatten zo is datzelfde kruid giftig en welke mens dat inneemt die mocht sterven. En daarom heeft Johannes Mesue niet onrecht aan hem dat hij dat noemt rapiens vitam. Dit kruid is heet en droog aan de vierde graad. Wie dit kruid nuttigen wil die zal het voorheen koken in melk en het schuim daarvan werpen. Of men mag ook dit koken met oude hoender bouillon dan is het zonder schade. Ettelijke meesters spreken dat deze bruine kleine druifjes als u die eet die is men meer nuttigen dan dat kruid en dit reinigt flegma en melancholie. [176]

(1) Dodonaeus; ‘De gewone man noemt dit kruid in Hoogduitsland Zeilant, Zeidelbast, Leuszkraut en Kellerhals, maar in de apotheken van onze landen wordt het eigenlijk Mezereon genoemd.

De Gart spreekt van veel vormen.

(2) Herbarius in Dyetsche heeft alle twee soorten; ‘Laureola of mezereum is heet en droog in de derde graad. Het is een boompje waarvan de zaden in de medicijnen gebruikt wordt en heet drankerszaad (dat is coconidium).

Corallen cxxx capi

Corallus latine·grece lithondendon·arabice bassat·

(Der meister Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel corallus beschreibet uns und spτichet das die wachsen in dem môτe in dem lande Affrica unnd der iste dτeÿer hande·Eine sind rott·die andern schwarz·die dritten weise·und sind von natur kalt an dem ersten grade und trucken an dez andern·(In dem bůch circa instans in dem capitel coτallus beschreÿben uns die meister dz corallen haben ein gestalt des erdtrichs und die findet man in dez môτe in den cavernen beÿ dem hohen bergen und do samelt sich ein schlepericht feüchtung und dÿe hencket sich an dÿe stein und die wirtt dan von jrer eigen natur trucken und hart wann sich das môτe seucket und der werden ein teÿl weiþ und die andern rot die weissen werden nit gebτauchett in der årczneÿ es seÿ dan sach dz man schreibet in dem recepten·Re·coτalli albi et rubei unnd wann man schreÿbet·Re·coτalli on ein zů sacz so meinet man allein die rottn und nit die weissen· und so die rôtter sind von farben so sÿ besser sind und so die weissen weisser sind von farben so sÿ auch besser sind·(Ettlich meister spτechen wer coτallen habe in seinem hauþe in das schlecht kein hagel·(Serapio spτicht das coτallen benemen das blůtspeyen und sind auch gůt genüczet dem der mitt nott neczet·(Und wem die augen trieffen der streiche coτallen darauff·(Item coτallen sind gar gůt scotomie daz sind die alle zeÿt duncket sÿ haben mucken voτ den augen fliegen dÿe augen alle moτgen domitt bestrichen·(Diascoτides spτicht das coτallen gebulvert und getruncken mit regenwasser trucket das milcze und benÿmmet des magen und bauchs weethům·(Item coτallen gebulvert und gemüscht mit gebτant hirczhoτen und das ein getruncken mit regenwasser dienet zů manicherleÿ kranckheÿt des leibes·und sunderlich benÿmmet auch dÿses trancke die bôsen dreÿme und behŭtt den menschen voτ des teüfels anfechtunge·(Und wôlicher coτallen bei jm treget der ist sicher das jmme kein zaubernüþ noch keÿn bôse gespenst schaden müge·(Von der tugendt der coτallen findest du in dem pandeck in dez·lxxxv·capitel das also an hebet bassat·(Item Avicenna in seinem bůch (l·ij·) [177] genant de viribus coτdis spτicht das coτallen stercke das hercz und benemen das herczen zÿttern·

(1) Koraal, 130ste kapittel.

Corallus Latijn. Grieks lithondendon. Arabisch bassat. (Corallium)

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel corallus beschrijft ons en spreekt dat die groeien in de zee in het land Afrika en die is drievormig. Ene zijn rood, het andere zwart, de derde wit en zijn van natuur koud aan de eerste graad en droog aan de andere. In het boek Circa instans in het kapittel corallus beschrijven ons de meesters dat koraal heeft een gestalte van het aardrijk en die vindt men in de zee in de grotten bij de hoge bergen en daar verzamelt zich een schraperige vochtigheid en dat hangt zich aan de steen en die wordt dan van zijn eigen natuur droog en hard als de zee zinkt en die worden een deel wit en de andere rood en de witte worden niet gebruikt in de artsenij tenzij dat men schrijft in de recepten: Recept; coralli albi et rubei, en als men schrijft: Recept; coralli, zonder een toevoeging dan bedoelt men alleen de rode en niet de witte en zo die roder zijn van verven zo ze beter zijn en zo de witte witter zijn van verven zo ze ook beter zijn. Ettelijke meesters spreken wie koraal heeft in zijn huis in daar slaat geen hagel in.(2) Serapio spreekt dat koralen benemen dat bloed spuwen en zijn ook goed genuttigd die er met nood plast. En wie de ogen druppelen die strijkt koralen daarop. Item, koralen zijn erg goed scotomia, dat zijn die altijd denken ze hebben muggen voor de ogen vliegen, de ogen alle morgen daarmee bestreken. Dioscorides spreekt dat koralen gepoederd en gedronken met regenwater droogt de milt en beneemt de maag en buik de pijn. Item, koralen gepoederd en gemengd met gebrande hertshoorn en dat ingedronken met regenwater dient tot vele ziekten van het lijf en vooral beneemt ook deze drank de kwade dromen en behoedt de mensen voor de duivels aanvechting. (3) En wie koralen bij hem draagt die is zeker dat hem geen toverij noch geen kwaad gespenst schaden mogen. Van de deugd van de koralen vindt u in de Pandecta in het 85ste kapittel dat alzo aanheft bassat. Item, Avicenna in zijn boek [177] genaamd de viribus cordis spreekt dat koralen versterken dat hart en benemen dat hart sidderen.

(1) Koraal, in Duits is het Koralle, in Engels coral dat uit oud-Frans coral, uit Latijn corallium, dat uit Grieks korallion stamt dat mogelijk van Semitische afkomst is, Hebreeuws goral, ‘een kleine steen’, vergelijk kraal.

Lithondendon; lithos; steen, dendron; boom.

Herbarius in Dyetsche; ‘.(2) Tegen het bloed spuwen maak je pillen uit twee delen rood koraal en een deel dragagantum dat met gerste water gemengd is, die hou je in de mond en als het opgelost is en vergaan, dan haal je het in’.

Maerlant: (3) Kwade geesten schuwt het al. Het is goed tegen menig misval, gezond is hij het lichaam tegen de fluimen die miskomen’.

merdisteln cxxxi ca

Cretanus latine chτitimon grece·

(Diascoτides in dem capitel chτitimon spτicht das dises kraut wachs beÿ dem môτe an kÿlichten enden und hat weisse bleter und fette mit weissen blůmen·Dises kraut bτinget samen geleich den weiþ kôτnern tritici genantt dÿe dôτret man in dem lufft·der same reüchet fast wol·Paulus in seinem bůch in dem capitel Cretanus spτicht das dises seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grade·

(Der same und wurczel sind faste durch dem harn und treibt auþ den stein·(Mit disem kraut gebadet ist fast nücze strangwiriosis das ist dÿe tropflingen harmen oder die dem kalten seÿch haben·(Diþs kraut gesotten mitt wein und dem getruncken benÿmmet das weethům der lenden. (Fûr das grÿmmen in dem leibe genant colica passio ist fast gůtt dises kraut genüczet mit einem kristier mit bingel krautt saffte vermenget·

(1) Zeedistel, 131ste kapittel.

Cretanus Latijn chritimon Grieks. (Crithmum maritimum)

Dioscorides in het kapittel chritimon spreekt dat dit kruid groeit bij de zee aan kust einden en heeft witte bladeren en vette met witte bloemen. Dit kruid brengt zaden gelijk de tarwekorrels Triticum genaamd en die droogt men in de lucht, het zaad ruikt erg goed. Paulus in zijn boek in het kapittel Cretanus spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad.

Het zaad en wortel zijn erg door de plas en drijft (3) uit de steen. (2) Met dit kruid gebaad is erg nuttig stranguriam, dat is die druppelend plassen of die de koude plas hebben. Dit kruid gekookt met wijn en dan gedronken beneemt de pijn der lenden. Voor dat grommen in het lijf, genaamd colica passio, is erg goed dit kruid genuttigd met een klysma met bingelkruid sap vermengt.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in het Grieks Crithmon of Crithamon genoemd en van Galenus Crethmon, in het Latijn heeft het ook dezelfde namen.

Dodonaeus; ‘(2) De bladeren of zaad of wortels of allen tezamen in wijn gekookt en gedronken maken water en genezen de druppelplas en zijn goed tegen de geelzucht, als Dioscorides betuigt, en verwekken de maandvloed van de vrouwen.

Deze zeer gebruikelijk voor salade want ze leggen die in azijn en zout net zoals men de postelein doet en zo is het uitermate goed voor diegene die kwalijk hun water kunnen maken en zeer nuttig om de (3) steen te breken.

bleyweisz cxxxii capi

Cerusa grece et latine·arabice affid hegi·vel alon fÿregaliroτam.

(Die meister spτechen das bleÿweiþ also gemacht werde·nÿm einen haffen der wol glasseürtt seÿ und thů den halb foll essigs und nÿm bleÿen lameln zweier finger lang mÿnder oder meer darnach du einem hafen hast und mache oben auff den haffen eysen stenglin dar an hencke die lameln unnd bleÿ also das die lameln lôcher haben allenthalben darnach verkleibe den hafen oben wol zů und secz jn an ein feüchte stat als in eÿnen keller unnd laþ den also steen dτeÿe monett·darnach thů dem haffen auff unnd schabe die bleÿen lameln in den haffen und stelle das selbe in dÿe sunnen oder in ein badstuben und laþ es trucken werden und wan es getrucket so geüþ ein wenig wassers darzů unnd laþ es aber trucken werden·unnd das thů [178] als lange und als vil biþ d wirt weiþ und schône in dem haffen·Auch mag man bleÿweiþ machen auff vil ander weg die werden hie nahe gelassen durch der kürcze willen·(Der wirdig meister Avicenna beschreÿbet unns und spτicht das bleÿweiþ seÿ kalte unnd trucken an dem anderen grade·(Bleÿweiþ reÿniget die haut und machet die hübsch und glat·und darumb bτauchen den die frauwen gern zů dem antlicz und bereÿtten den also·Nÿm bleÿweiþ als vil du wilt und müsche darunder rosenwasser und stelle den also in dÿe sunne·und wan das getrucket so thů aber rosenwasser darein als lange und als vil der weiþ genůg wirt und wol riechende·und dises sol geschehen in dem summer·Darnache mache darauþ pillele und schmiere daz antlicz do mit dz wirt schôn und hübsche·Aber die do vil bleÿweiþ nüczen die gewÿnen gern zene wethům und einen übel riechenden mund·(Serapio spτicht das bleÿweiþ mache fleisch wachsen in den wunden·und benymmet das faul fleische darauþ·(Diascoτides spτichett wôlcher bleÿweiþ allein nüczet in dem leip das ist fast soτgklich und stirbet gern da von ursach halben das diþ kommet von bley und bley ettwas vergift in jm hat. (Avicenna spτicht das bleÿweiþ solle genüczet werden auþwendig des leibes und wirt genützet in dÿe pflaster·(Bleÿweiþ benÿmmet acrocoτdines das sind die weichen warczen an der haut und steen gern vil beÿ eine und sind lange und spicz unnd fleischig wie dye ander haut an dem menschen·das gemüschet mit weinstein ôle und eþsig darauff gestrichen·

(1) Loodwit, 132ste kapittel.

Cerusa Grieks en Latijn. Arabisch affid hegi vel alon fÿregalirozam.

De meesters spreken dat loodwit alzo gemaakt wordt: (2) Neem een vat die goed geglazuurd is en doe dat half vol azijn en neem loodlamellen twee vinger lang, min of meer, daarnaar u een vat heeft en maak boven op de vat ijzeren stengels daaraan hang de lamellen en lood alzo dat de lamellen ruimte hebben geheel, daarna kleef het vat boven goed toe en zet het aan een vochtige plaats zoals in een kelder en laat dat alzo staan drie maanden, daarna doe het vat open en schaaf de loden lamellen in het vat en stel datzelfde in de zon of in een badstoof en laat het droog worden en als het gedroogd is zo giet een weinig water daartoe en laat het weer droog werden en dat doe je zo [178] lang en zo veel tot dat het wordt wit en schoon in het vat. Ook mag men loodwit maken op veel andere manieren, die worden hierna gelaten vanwege kortheid wil. De waardige meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat loodwit is koud en droog aan de andere graad. (3) Loodwit reinigt de huid en maakt die mooi en glad en daarom gebruiken dat de vrouwen graag tot het aangezicht en bereiden dat alzo: Neem loodwit zoveel u wil en meng daaronder rozenwater en stel dat alzo in de zon en als dat gedroogd is zo doe echter het rozenwater daarin zo lang en zo veel het wit genoeg wordt en goed ruikend en dit zal geschieden in de zomer. Daarna maak daaruit pillen en smeer dat aangezicht daarmee, dat wordt schoon en mooi. Maar die er veel loodwit nuttigt die gewint graag tandpijn en een kwalijk ruikende mond. Serapio spreekt dat loodwit maakt vlees groeien in de wonden en beneemt dat vuile vlees daaruit. Dioscorides spreekt wie loodwit alleen nuttigt in het lijf dat is erg zorgelijk en sterft graag daarvan, vanwege de oorzaak dat dit komt van lood en lood wat vergif in hem heeft. Avicenna spreekt dat loodwit zal genuttigd worden uitwendig het lijf en wordt genuttigd in de pleister. Loodwit beneemt acrocordines, dat zijn die weke wratten aan de huid en staan graag veel bijeen en zijn lang en spits en vlezig zoals aan de huid van de mensen, dat gemengd met wijnsteen, olie en azijn en daarop gestreken.

(1) Lood, plumbum, Pb, Duits Blei. Cerusa betekent zoveel als ‘loodwit, Duits bleyweisz’. Het is al heel oud dat de vrouwen met de Ceruse, (3) die van wit lood gemaakt wordt, hun aangezicht geblanket hebben.

Herbarius in Dyetsche; (4) Diegene die bloem van lood maken krijgen dikwijls de vallingen de vallende ziekte, de jicht en het fleerfijn (dat is de arthritis/artrose) dat komt door de kwade dampen die van het lood komen.

H. Hildegard weet te berichten; ‘Als een lijk opzwelt dan verdrijft opgelegd lood de zwelling wat terug en leg je het op een levend mens dan zal het (4) lood hem vernietigen omdat de koude in hem doordringt en hem fijn wrijven zal ’.

Wilder safran cxxxiii c

Cartamus arabice·grece gincus vel cincu·latine vero crocus oτtulanus·

(Serapion in dem bůch aggregatoτis in dem capitel cartamus·spτichet das des sind zweÿer hande·Eines heÿmisch·der and wilde·Der heÿmisch hatt bleter die sind scharpff und doτnecht unnd hatt eben haubter geleich den oliven den grôssern·und haben blůmen dÿe geleichen ann der farbe (l·iij) [179] den saffran·Der wilde saffrann stam geleicht beÿ nahe dem heimischen allein diser an dem stam nitt bletter hatt·(Avicenna in seÿnem andern bůche in dem capitell cartamus spτicht das der heimisch seÿ heiþ an dem ersten grade·und trucken an dem andern grade und trucken an dem dτitten·(Johannes mesue in dem capitel cartamns spτicht das der heimisch cartamus den magen schedlich seÿ und bτinge stůgeenge unden und oben und ist fast wider der natur des menschen·Und darumb můþ diser genüczet werden mit zůsacz eines åniþ galgen muscaten blümde die benemen jme seÿn boþheit·sein same reÿingett dem bauch·(Wôlicher beÿ jm treget die heübter do diser same jn wechset der faulet keines scoτpions biþ·aber als balde er jn von jme wurffet so faulet er erst dem bisse des ÿeczgenantem vergifftigen thiers·(Item es ist ein ander cartamus geheissen cattamus jndum disser wirt vermüschett in die årczneÿ die do laxieren·wan er laxieret die feüchtunge flegma und reyniget die wassersüchtigen·

(1) Saffloer, 133ste kapittel.

Cartamus Arabisch. Grieks gincus vel cincu. Latijn vero crocus ortulanus. (Carthamus tinctorius)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Carthamus spreekt dat het is tweevormig. Een geteelde en de ander wild. De geteelde heeft bladeren die zijn scherp en gedoornd en heeft even hoofden gelijk de olijven de grootte en heeft bloemen die lijken aan de verf [179] op de saffraan. De wilde saffraan stam lijkt bijna op de geteelde, alleen deze aan de stam niet bladeren heeft. (2) Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Carthamus spreekt dat de geteelde is heet aan de eerste graad en droog aan de andere graad en droog aan de derde. Johannes Mesue in het kapittel Carthamus spreekt dat de geteelde Carthamus de maag schadelijk is en brengt stoelgang onder en boven en is erg tegen de natuur des mensen. En daarom moet dit genuttigd worden met toevoeging van anijs, galigaan en muskatenbloemen, die benemen hem zijn boosheid, zijn zaad reinigt de buik. Wie bij hem draagt de hoofden daar dit zaad in groeit die voelt geen schorpioenen beet, maar zo gauw hij het van hem werpt zo voelt hij eerst de beet van het net genoemde vergiftige dier. Item, er is een ander Carthamus geheten Carthamus indum, deze wordt vermengd in de artsenij die er laxeren want het laxeert de vochtigheid flegma en reinigt de waterzuchtige.

(1) Dodonaeus; ‘Men plag dit kruid in het Grieks Cnicon en Cnecos te noemen, in het Latijn insgelijks ook Cnecus en Cnicus, in de apotheken heet het Chartamus en bij sommige Crocus hortensis, in het Hoogduits Wilder Saffran’.

Herbarius in Dyetsche; (2) Carthamus opent, droogt af en verstoort, daarom heeft het de kracht om te laten walgen en naar toilet te laten gaan. Het is zeer slecht voor de maag.

(3) De gestampte bloemen die met azijn gemengd zijn zijn goed om op schorpioenen steken te leggen.

grex bech cxxxiiii ca

Colofonia pixericia grece latine pix greca vel resina fusa·arabice ratiemgi.

(Der meister Plinius in dem capitel colofonia beschreibet unns das diþ seÿ geheissen grex beche umb des willen das es die menge in grecia und do selbest her kommet·(Der meister Paulus in dem capitel colofonia spτichet dz der sÿ heiþ an dez dτitten grade und trucken an dem ersten·

(Platearius spτicht das es seÿ warm in dem zweyten grad und trucken in dez ersten. (Colofonia gebulvert und darunder gemüschet bτunnkreþ und hônig und darauþ gemacht ein salbe unnd die lenden damit geschmierett·und benÿmmet auch dissinteriaz das ist der durchgange des geblŭdtes·Wôlicher do wil ein weiþ klar angesicht machen und die hare under dem antlicz vertreÿben der neme sechs lot grex bech zweÿ lot mastix und ein wenig armoniacum und müsche die czů samen und schlage die durch mit kaltem wasser und so du wiltt dÿe hare abe åczen so nÿmme diþ ein wenig unnd lasse es zergeen beÿ dem feür also das es lae seÿe und mach ein pflaster und lege das auff die stat do das hare wechset auff ein stunde oder zwo·darnach thů das pflaster abe so zeühet es dÿe hare mit darnach wåsche das angesichte mitt einem nassen thůch unnd lege das pflaster darüber und du magst es legen über dz angesicht unvd alle male ein stunde oder zwo·unnd darnach das wåschen mit einem nassen thůch dem antlicz wirtt schône·diþ pflaster weret zweÿ jar·(Wer das keichen hett der lege colofoniam auff kolen und [180] laþ den rauch in sich geen er genÿset. (Item colofina gebulveret vermüschet mit wulle safftt und warm auff den afftern geleget machet den afftern wider in sein stat geen·

(1) Grieks pek, 134ste kapittel.

Colofonium pixericia Grieks. Latijn pix greca vel resina fusa. Arabisch ratiemgi.

De meester Plinius in het kapittel colofonium beschrijft ons dat dit is geheten Grieks pek vanwege dat het veel in Griekenland is en vandaar hier komt. De meester Paulus in het kapittel colofonium spreekt dat het is heet aan de derde graad en droog aan de eerste.

Platearius spreekt dat het is warm in de tweede graad en droog in de eerste. Colofonium gepoederd en daaronder gemengd waterkers en honing en daaruit gemaakt een zalf en de lenden daarmee gesmeerd beneemt ook dissinterias, dat is de doorgang van het bloed. Wie er wil een wit helder aangezicht maken en dat haar van het aangezicht verdrijven die neemt zes maal 16,7 gram Grieks pek, twee maal 16,7 gram mastiek en een weinig ammoniacum en meng die tezamen en sla die door met koud water en zo u wil (4) uw haar afeten zo neem dit een weinig en laat het vergaan bij het vuur alzo dat het lauw is en maak een pleister en leg dat op die plaats daar u dat haar groeit op een stonde of twee, daarna doe die pleister er af en zo trekt het uw haar mee, daarna was dat aangezicht met een natte doek en leg die pleister daarover en u mag het leggen over dat aangezicht en elke keer een stonde of twee en daarna dat wassen met een natte doek, het aangezicht wordt schoon, deze pleister duurt twee jaar. (2) Wie dat kuchen heeft die legt colofonia op kolen en [180] laat de rook in zich gaan, hij geneest. (3) Item, colofonia gepoederd en vermengt met toorts sap en warm op het achterste gelegd maakt het achterste wederom in zijn plaats gaan.

(1) Dodonaeus; ‘De beste gesmolten hars kwam van omtrent de stad Colophon in Azië en werd daarom Colophonie genoemd.

Dodonaeus; ‘(2) Colophonie die ook gekookt is op kolen gelegd en die rook ontvangen geneest het kuchen op de borst en die gepoederd en op de (3) aarsdarm gelegd of de rook daarvan ontvangen laat hem wederom in zijn plaats keren als hij gezonken is.

(4) Water daar Colofonie in gekookt is maakt de buik zuiver en laat het overvloedig haar vergaan, dikwijls daarmee gewassen’.


kapren cxxxv Cap

Capparis vel capparus latine arabice hapar·Grece vero kynolbaron·

(Serapion in dez bůch aggregatoτis in dem capitel hapar spτichet das dises wachþ an vil enden und sich beÿ der erden·platearius capparus ist heiþ unnd trucken an dem dτitten grad·Etlich spτechen das diþ sey ein krautte also genant und daz wechset über môτe in apulia. (Dise bleter blůmen rinden und wurczel nüczet man in der årczneÿ·aber die rinde wirt das minder teÿl gebτauchet·die sol gesamelt werden in dem abginde des meÿen unnd dÿe doτren an dem schatten·Dises ist die best rinde die sich nit bulverisieret an dem bτuch·dises weret sÿben jare unverseret an siener natur·(Wider scroffula novellas das seind warczen an dem leÿbe und wachsen gern an dem halþ und auff der scultern und wechet selten eÿn allein sunder vil bei einander·Dise scrofule sind geleich fleischicht wie die hat·und wachsen von dem bôsen humores als de flegmate und melancoleÿ·für diþ seüde diser rinden·und der wurczeln unnd wåsche die scrofule damit vierzehen tage sie fallen abe on schaden·(Darnach mache diþ ungent und schmiere dich damitt·Nÿm einen roten schlangen und hauwe jm dem kopff und dem zagel abe·das überig thů in einem lôcherichten hafen und secze disen bafen in einem ander hafen unnd kleibe den obersten wol zů darzů den andern und secze den understen in ein sieden heiþ wasser und laþ den darjnne steen als lang dich duncket das ôleÿ auþ dem obersten gangenn sey und der schlange verzeret sÿ durch dem dampff des understen hafen·Von diser settunge von dem schlangen und von dem bulver·der wurczel cappare under einander gemüschet heilet do die scoffeln an dem halþ in acht tagen die damit geschmieret·(l·iiiij·) [181]

(1) Kappertjes, 135ste kapittel.

Capparis vel capparus Latijn. Arabisch hapar. Grieks vero kynolbaron. (Capparis spinosa)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hapar spreekt dat dit groeit aan veel einden en dicht bij de aarde. Platearius, capparus is heet en droog aan de derde graad. Ettelijke spreken dat dit is een kruid alzo genaamd en dat groeit over zee in Apulië. Deze bladeren, bloemen, bast en wortel nuttigt man in de artsenij, maar de bast wordt dat mindere deel gebruikt, die zal verzameld worden in het afgaan van de mei en dat drogen aan de schaduw. Dit is de beste bast die zich niet verpoederd aan de breuk, dit duurt zeven jaar onveranderd aan zijn natuur. Tegen scroffula novellas, dat zijn wratten aan het lijf en groeien graag aan de hals en op de schouders en groeit zelden een alleen, vooral veel bij elkaar. Deze scrofulen zijn gelijk vleesachtig wie die heeft en groeien van de kwade humoren zoals flegma en melancholie, voor dit kook deze bast en de wortels en was de scrofule daarmee veertien dagen, ze vallen af zonder schade. Daarna maak deze zalf en smeer je daarmee: Neem een rode slang en hauw hem de kop en de staart af, dat overige doe in een vat met gaten en zet dit vat in een ander vat en kleeft de bovenste goed tot de andere en zet de onderste in een kokend heet water en laat dat daarin staan zolang tot je denkt dat de olie uit de bovenste gegaan is en de slang verteert is door de damp van het onderste vat. Van deze zetting van de slang en van het poeder van de wortel kapper onder elkaar gemengd heelt je de scrofulen aan de hals in acht dagen die daarmee gesmeerd. [181]

(1) Dodonaeus; ‘Hier te lande is dit gewas met de knopjes van de bloemen die niet ontloken of open gegaan zijn niet anders dan cappers genoemd, in de apotheken Cappari, in het Hoogduits Cappren.

kalcq cxxxvi Capi

Calx latine·arabice hoτach·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel horach id est calx beschreibet unns und spτicht das etlich machen kalcke auþ merstein·etlich marmoτen stein und den bτennet man in einem offen als lange das sÿ jnwendig und auþwendig weiþe werden und dan heisset d calx viva·und wan man den thůt in wasser so benÿmmet jme dz wasser sein krafft und ist nit als starcke als so er lebentig ist·(Item etlich machen kalck von eÿerschalen also·Nÿm eÿer schalen und thů die in einem neüwen haffen·und thû die in einem offen do man ziegel jnne bτennet wan diþs wirt van farben geleich als kalcke so hat es genůg und ist er nit also so secze jn widerumb in den offen·diser kalck dienet wol czů salben do man die alten schaden mit heilet·(Itez kalck gemüschet mit rosen wasser und ertrauch wasser und dÿe schebig hautt damit gewåschen benÿmmett die und machet sÿ rein·(Item kalck wasser mit weidåschen gemüschet und ungelesten kalck und darauþ gemacht ein salb benÿmmet die warcen und åczett die von grunde auþ·(Item ein weiþ salbe gemacht von kalck also·Nÿmm bleyweiþ zweÿ lot und kalck ein lot unnd weiþ wachþ darunder gemüschet das disses werde als ein salbe dienet zů vil schaden und heilet sere und sunderlichen gebτesten die faulen und alt sind·Dise salbe heilet dem wolff darauff gelegt als ein pflaster·(Dise salbe heilet die ausseczigkeit die darüber gestrichen·(Item wiltu machen ein gůtte seÿffe die fast weiþe wåschet·so nÿm kalck ein kompff vol und rebe áschen auch alþo vil dar zů nÿmme weid åschen ein halb pfundt und stoþ die zů bulver dise dτeü stuck müsche under ein ander und thů die in einen zuber·und geüþ darüber fünff od sechs eÿmer fol wassers und laþ das steen dτeÿ tage und alle tag soll man diþ under einander rŭren wol·nach den dτeÿen tagen solt du dises wasser oben ab nemen das lauter und doch voτhin pτobieren mitt einer feder en die stoþ darjnne·lasset sie die federn geen so ist die lange gerecht ist des nit so laþ sie lenger auff dem åschen steen·(Und wan dn seÿffen sieden wilt so seÿge das lauter oben ab in einem kessel auffe vier eÿmer dar under thů fünff pfunt unþlete unnd laþ dises siednen zwôlff stuude oder meer·und wann du vernÿmmest das die dicke und zåhe werden so gib ir ein halbez eÿmer foll zů der überigeen laugen und under den halben eÿmer soll müsche ein pffunt salcz und shütte das in die seÿffen und lasse die ein sieden als auff eine halbe stund·darnach hebe die ab und tabuliere die nach deinen willen·(Item calx ist warmen und [182] trucken in dez zweyten grad alþ Platearius spτicht gemischt mit unschlitt und mit ôle und auf faule wunden geleget ist sie heilen. (Item hart aposteman auff zů åczen·Nÿm ungelesten kalck vermenget mitt laugen und trucken abe gesotten und das selbe salcze geleget auff ein hartt aposteme es åczet ein loch dar ein.

(1) Kalk, 136ste kapittel.

Calx Latijn. Arabisch horach.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel horach, id est calx, beschrijft ons en spreekt dat ettelijke maken kalk uit meersteen, ettelijke uit marmersteen en dat brandt men in een oven zo lang dat het inwendig en uitwendig wit wordt en dan heet het calx viva en als men dat doet in water dan beneemt hem dat water zijn kracht en is niet alzo sterk als toen het levend was. Item, ettelijke maken kalk van eierschalen alzo: Neem eierschalen en doe die in een nieuw vat en doe die in een oven daar men steen in brandt want dit wordt van verf gelijk als kalk zo heet dat het genoeg is en is het niet alzo zo zet het weer in de oven, deze kalk dient goed tot zalf daar men de oude schade mee heelt. Item, kalk gemengd met rozenwater en aardrook water en de geschaafde huid daarmee gewassen beneemt die en maakt ze rein. Item, kalkwater met wilgenas gemengd en ongebluste kalk en daaruit gemaakt een zalf beneemt de wratten en eet ze van grond af uit. Item, een witte zalf gemaakt van kalk alzo: Neem loodwit, twee lood, en kalk, een 16,7 gram, en witte was daaronder gemengd zodat dit wordt als een zalf dient tot veel schade en heelt zeer en vooral gebreken die vuil en oud zijn. Deze zalf heelt de huidsmet, daarop gelegd als een pleister. Deze zalf heelt de huiduitslag, die daarover gestreken. Item, wil u maken een goede zeep die erg wit wast, zo neem kalk een kom vol en druivenas ook alzo veel, daartoe neem wilgenas, een half pond, en stoot die tot poeder, deze drie stukken meng je onder elkaar en doe die in een kuip en giet daarover vijf of zes emmers vol water en laat dat staan drie dagen en elke dag zal men dit onder elkaar roeren goed, na de drie dagen zal u dit water boven af nemen dat zuivere en toch daarvoor proberen met een veer en die stoot je daarin, laat ze de veren gaan dan is die lang genoeg en is het niet zo laat het wat langer op de as staan. En als u de zeep koken wil zo zeef dat zuiver boven af in een ketel op vier emmers, daaronder doe vijf pond ongebluste en laat dit koken twaalf stonden of meer en als u verneemt dat het dik en taai wordt zo giet er een halve emmer vol bij de overige loog en onder de halve emmer zal de mengen een pond zout en schudt dat in de zeep en laat die inkoken als op een halve stonde, daarna hef die af en maak het schoon naar uw wil. Item, kalk is warm en [182] droog in de tweede graad zoals Platearius spreekt, gemengd met talk en met olie en op vuile wonden gelegd is ze helen. (2) Item harde zweren op te eten: Neem ongebluste kalk vermengt met loog en droog afgekookt en datzelfde zout gelegd op een harde zweer eet een gat daarin.

(1) Duits loschter Kalk. Calx viva ; levende kalk.

Herbarius in Dyetsche; ‘Calx viva of levende kalk, dat is ongebluste kalk. (2) Kalk dat met vet en olie gemengd is, is goed tegen verrotte blaren.

Wachs cxxxvii capi

Cera latine·vamaach arabice.

(Der meister serapio beschreybet uns auch von dem wachþs und spτichet das diþs zů vil sachen gůtt seÿ auþwendig des leibes und nit jnwendig·und iste in dem mittel getemperiert mit dem vier zůsaczung als an der woτmde an der kelte an der feüchtunge und an der truckung·(Item diþ ist das beste wachþs das do vermüschet ist mit einer rôte unnd ein gerach hat geleich dez hônig.(Diascoτides spτicht dz wachþ von natur weiche dÿ herten geschwåre unnd kůle die also das wachþ geschmieret werde veÿelen ôle oder rosen ôle·(Wachs ist in seiner natur geleich dem hônig·(Item wachs sol man czů keýner årczneÿ nüczen die do dienent in dem leibe sunder aussen an dem leibe mag man es nüczen on schaden·(Wachs weichett dÿe herten geschwåren und macht sÿ zeÿtig und auþgeen und darumbe mag man wachs nüczen zů wunden zů geschwåren zů beülen und zů allen salben mag man nüczen wachs·

(1) Was, 137ste kapittel.

Cera Latijn. vamaach Arabisch. (Cera)

De meester Serapio beschrijft ons ook van de was en spreekt dat dit tot veel zaken goed is uitwendig het lijf en niet inwendig en is in het midden getemperd met de vier toevoegingen zoals aan de warmte, aan de koudheid, aan de vochtigheid en aan de droogheid. Item, dit is de beste was die er vermengd is met een rode en een reuk heeft gelijk de honing. Dioscorides spreekt dat was van natuur weekt de harde zweren en verkoelt die alzo dat was gesmeerd wordt onder violenolie of rozenolie. Was is in zijn natuur gelijk de honing. Item, was zal men tot geen artsenij nuttigen die je dient in het lijf en vooral buiten aan het lijf mag men het nuttigen zonder schade. (2) Was weekt de harde zweren en maakt ze rijp en uitgaan en daarom mag men was nuttigen tot wonden, tot zweren, tot builen en tot alle zalf mag men nuttigen was.

Was, midden-Nederlands wasch, oud-Hoogduits Wahs, nu Wachs, dat met het oud –Engels wax meestal met ‘wassen’ verbonden of met ‘weven’ wordt en betekent dan het ‘weefsel van bijen’.

Herbarius in Dyetsche; ‘Cera of was is het slechtste op de basis van honing, was is voor veel zaken nuttig en is goed in vele medicijnen, in voorraden en in zalven want het heeft (2) kracht om te verwarmen, op te lossen, te openen, te rijpen, aan te trekken, uit te luchten (dat is verluchten) en te verteren.

Camedreen cxxxviii c

Camedτeos vel cameb grece·arabice hamedτeos·latine quercula minoτ·

(Plinius in seinem herbario in dem capitel camedτeos spτichett das dÿses sey ein kraut und seÿne bletter geleichen den eÿchblettern·Sein bleter unnd der same haben purpuren farbe·Diþ kraute sol gesamelt werden an dem ende des meÿes wan so sind die blůmen und das kraut beÿ ein·dÿe wurczel sol hin gewoτffen werden=Diþ kraut ist heiþ und trucken an dem dτitten grade·Galienus in dem·viij·bůch genant simplicium [183] farmacoτum in dez capitel camedτeos spτichet das diþ kraut einen bittern gerauch habe·(Platearius dises krautt benÿmmet dÿe hertunge des wliczes·und machet wol harmen und bτinget dem frauwen ir krackheit genant menstruum·(Diascoτides dises kraute ist fast gůt den wassersüchtigen ÿdτopicis genant an dem anfange diser kranckheit darüber getruncken mit weine des tages dτeÿe mal·(Dises kraut mit seÿnenn blůmen dienet fast wol dem zerknÿsten gelidern die damit gewåschen und der selbig mensch davon getruncken·(Serapio diþ kraut gestossen und auff die fisteln geleget beÿ den augen des geleichen das ôle davon gemacht darjnne gelassen heilet die czů hannt also das der selbig mensch mit der fisteln seÿ kalter und feüchter natur hilffet es wol. Aber die hicziger und truckner natur oder complexion sind ist es unnücz zů allen kranckheiten·

(Dises krantte gesoten mit weine und den getruncken benÿmmet yctericiam das ist die geelsucht·(Item camedτeos gesotten in wein mitt fenchelsamen und senithe ist gůt genüczet wider bestopffung der leber und milcze und thůt mann darzů eppe samen so ist es gůt wider dem kalten seiche und wider den stein·

(Diþ kraut gesoten in wein geleget auff die glider do das gegichte jn liget ist darzů gůt·

(1) Gamander, 138ste kapittel.

Camedreos vel cameb grece. Arabisch hamedreos. Latijn quercula minor. (Veronica chamaedrys)

Plinius in zijn herbaria in het kapittel camedreos spreekt dat dit is een kruid en zijn bladeren lijken op de eikenbladeren. Zijn bladeren en de zaden hebben een purperen verf.(3) Dit kruid zal verzameld worden aan het einde van de mei want dan zijn de bloemen en dat kruid bijeen, de wortel zal heen geworpen worden. (4) Dit kruid is heet en droog aan de derde graad. Galenus in het 7de boek genaamd simplicium [183] farmacarum in het kapittel camedreos spreekt dat dit kruid een bittere geur heeft. Platearius, (2) dit kruid beneemt de verharding van de milt en maakt goed plassen en brengt de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie. Dioscorides, dit kruid is erg goed de (6) waterzuchtige, hydropisis genaamd, aan de aanvang van deze ziekte daarvan gedronken met wijn, per dag driemaal. Dit kruid met zijn bloem dient erg goed de gekneusde leden, die daarmee gewassen en dezelfde mens daarvan gedronken. Serapio, dit kruid gestoten en op de zweren gelegd bij de ogen, desgelijks de olie daarvan gemaakt, daarin gelaten heelt die gelijk alzo dat dezelfde mens met de zweer koud en vochtige natuur is, het helpt hem goed. Maar die van hete of droge natuur of samengesteldheid zijn is het onnut in alle ziektes.

Dit kruid gekookt met wijn en dan gedronken beneemt icter, dat is de geelzucht. Item, camedreos gekookt in wijn met venkelzaden en senna gemengd is goed genuttigd tegen verstopping van de lever en milt en doet men daartoe selderijzaden dan is het goed tegen de koude plas en tegen de steen.

Dit kruid gekookt in wijn en gelegd op de leden waar de jicht in ligt is daartoe goed.

Zie kapittel 102. Ook kapittel 197.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste soort van dit kruid heeft de naam van grote kruipende Bathengel of Chamedrys, in onze tijd noemt men dat in het Latijn Chamaedrys 'als of men leeghe eycke zei.'

Herbarijs (3) En op het einde van de lente zal men ze verzamelen als ze beginnen te bloeien en dan zal men de wortels in de schaduw doen en laten ze drogen en 1 jaar kan men ze goed houden. (5) En diegene die slecht urine kunnen maken en ziek zijn geweest in de lever en in de geslachtsdelen en die de (2) milt verstopt hebben en daar de urine door lijden zou. Kook daartegen camedreos in wijn en in olie en pleister het buiten op de zieke plaatsen’.

geyszblat cxxxix capi

Capτifolium sive mater silvarum latine arabice gimach· grece vero peridemon vel liceos·

(Diascoτides in dem capitel liceos id est capτifolium beschriebet uns und spτicht das diþ krautt habe bletter die sind doτnecht und bτinget grůn kôτner·und wann die gezeÿtigen so sind sie geleiche alþ kÿrsen·(Diþs wechset gerne in dem welden·dises krauttes bletter kôτner unnd wurczel stossett man zůsamen und seüdet die mitt sŭþholcz wasser oder ander wasser biþ es dicke wirt als hônig·Diþs gesoten wasser das dôτret alle fliessende flüþ an dem leÿbe wo die sein mügen·(Disses [184] wasser dienet wol dem bôsen blatern oder gebτesten alþ dan ist d wolff der krebþ darüber gestrichen·(Ettlich meister sprechen daz von dises krauts safft werde gemacht liciuz·was das seÿ findest du in dem capitel de L das siche an hebet licium·(Dises krautt hat ein widerwertig nature an jme wann es ist heisser und kalter natur·Und darumbe dienett diþ nitt zů nüczen in den leib sunder auþwendig des leÿbes zů nüczen ist es on schaden·Und diþs krautes safft genant licium vermenget mit mirra und mitt hônig ist auch gůt zů faulen wunden Pandecta·

(1) Kamperfoelie, 139ste kapittel.

Caprifolium sive mater silvarum Latijn. Arabisch gimach. Grieks vero peridemon vel liceos. (Lonicera caprifolium)

Dioscorides in het kapittel liceos, id est caprifolium, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid heeft bladeren die zijn doornachtig en brengt groene korrels en als die rijp zijn dan lijken ze op kersen. Dit groeit graag in de bossen, dit kruid zijn bladeren, korrels en wortel stoot men tezamen en kookt die met zoethoutwater of ander water tot het dik wordt als honing. (2) Dit gekookte water dat droogt alle vliedende vloed aan het lijf waar die zijn mogen. Dit [184] water dient goed de kwade blaren of gebreken zoals dan is de huidsmet en de kanker, daarover gestreken. Ettelijke meesters spreken dat van dit kruid sap wordt gemaakt Lycium, wat dat is vindt u in het kapittel de L dat zich aanheft licium. Dit kruid heeft een tegengestelde natuur aan hem want het is van hete en koude natuur. En daarom dient dit niet te nuttigen in het lijf en vooral uitwendig het lijf te nuttigen dan is het zonder schade. En dit kruid zijn sap genaamd Lycium vermengt met mirre en met honing is ook goed tot vuile wonden, Pandecta.

(1) Dodonaeus; ‘Dit heesterachtige gewas heet hier te lande geyten-bladt en mammekens-cruydt, in Hoogduitsland Geyszbladt, Speckgilgen, Zaunling, Waldtgilgen.

Herbarijs; (2) En dat kruid geheel gestampt doodt kanker en de diepe etterwond en geneest alle vuile gaten en gezwellen.

Ook de Gart noemt het sap Lycium, maar zegt eerder dat het bladeren heeft die doornachtig zijn, wat niet klopt met kamperfoelie. Dus worden hier vermoedelijk, net als in de Herbarijs, twee planten besproken.

De Gart; ‘Grieks vero peridemon vel liceos’. Dat is dan vertaald als Lycium, zie kapittel 246.

weise steinbreche

Das cxl Capitel

Cauda poτcina sive grana solis sive milium solis vel saxifraga alba latine·

(Die meister spτechen das disses seÿ ein kraut und wechþsett gern an den steinichsten bergen·die hoch sind·Der samen ist rott bey nahe als groþ als erweiþen. (Dises kraut ist heiþ und trucken an dem dτitten grade·d same ist stercker an seÿner kraffte wan das kraut·(Plinius dises krautes samen gestossen zů bulver und ein tag getruncken eÿn quintin bτichet auch den steine in der blasen und auch in denn lenden·und machet wol harmen. (Item nÿm dises sames des geleichen fenchelsamen petersilÿen samen eppich samen ÿegkliches geleich vil und seüd die mit wein und trinck den er treibet vil bôser materien auþ der blasen davon zů zeiten das podagram entstat das ist der fůþ weethům·

(Das bulver von disem samen getruncken mit wein ist gůt stranguiriosis das ist die trôpflingen harmen des geleichen die dem kalten seich haben·(Serapio spτicht das diser same gar gůtte seÿ wie der gebτaucht werde für den stein und sunderlich in einen bade darjnne papplen gamillen dosten und gundelreben gesotten wåre und also diþ bulver dajnne genüczet benÿmmet vil sucht der blasen und auch der lenden·(Disen samen mag man behalten zehen jar unverseret an seiner natur und kraffte·[185]

(1) Witte steenbreek.

Dat 140ste kapittel.

Cauda porcina sive grana solis sive milium solis vel saxifraga alba Latijn. (Lithospermum officinale)

De meesters spreken dat dit is een kruid en groeit graag aan de(2) steenachtige bergen die hoog zijn. De zaden zijn rood en bijna alzo groot als erwten. Dit kruid is heet en droog aan de derde graad en dat zaad is sterker aan zijn kracht dan dat kruid. (3) Plinius, dit kruid zijn zaden gestoten tot poeder en een dag gedronken een drachme breekt ook de steen in de blaas en ook in de lenden en maakt goed plassen. Item, neem dit zaad, desgelijks venkelzaden, peterseliezaden, selderijzaden, van elk gelijk veel, en kook die met wijn en drink dat, het verdrijft veel kwade materie uit de blaas daarvan in tijden het podagra ontstaat, dat is de voetenpijn.

(3) Dat poeder van deze zaden gedronken met wijn is goed stranguriosis, dat is die druppelend plassen, desgelijks die de koude plas hebben. Serapio spreekt dat dit zaad erg goed is wie dat gebruikt wordt voor de steen en vooral in een bad daarin heemst, kamille, majoraan en hondsdraf in gekookt zijn en alzo dit poeder daarin genuttigd beneemt veel ziekten van de blaas en ook de lenden. Deze zaden mag men behouden tien jaar onveranderd aan zijn natuur en kracht. [185]

(1) Dodonaeus; ‘Om de grote hardheid van de zaden worden deze twee eerste kruiden Lithospermon genoemd, dat betekent eigenlijk steenzaad, de Arabieren noemen het Millium Soler, de apothekers en de Italianen milium Solis. De tweede soort noemt men eigenlijk in Nederduits steenzaad en parelkruid, in het Hoogduits Meerhirsen.

(3) Herbarius in Dyetsche; ‘Witte steenbreek, grana solis of milium solis, het zaad heeft de meeste kracht, het is wit, rond en steenachtig.

Sprinckwurcz cxli ca

Catapucia latine·grece cici vel cicei arabice herma vel cathua.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel cathua id est catapucia spτicht das der seÿ zweierhande·eine die grôsser·und ein ander die kleiner·Die grôsser hat bletter geleich den oliven wan das dise ein wenig grôsser sind der stamen ist hol und hatt oben trauben auþ denn truckett man ôle das neennet man oleuz cicinum die kleiner hat ein stengel eÿns arms lang der hat bletter schmal und lang eines fingers·und an dem gipffel dτeÿeckicht samen der ist auþwendig schwarczlicht und jnwendig weiþ· (Der meÿster Platearius spτichet das catapucia seÿ heiþe ann dem dτitten grade unnd feüchte an dem ersten·so man schreÿbt in dem recepten catapucia so meÿnet man die frucht und nit das kraut·

(Dise frucht weret ein jar·sein tugent ist reýinigen flegma·und darnach coleram und melancoliam·(Für die febτes quotidianas nücze diser frucht mit anderen kreüttern als wolffs wurcz genant Esula in wein gesotten mit zucker vermenget·dise benemen die febτes zů hant·Wôlicher bτechen wil oben auþ der neme dise ôle gemachet von disen früchten sÿ treÿben vil bôser materien auþ dem magen die lang zeÿt darjnne gelegen ist·(Für febτes quotidianas·Nÿm diser frucht ein gůt teyl und verwickel die mit kôle kraut daz man ÿsset und thů die zůsamen in einen hafen und lasse sie wol sieden·darnach so bτesse darauþ ein ôle·dises ôle magst du geben einen gesunden oder siechen on schaden·Aber doch soltu dem siechen nitt sagen was ôle diþs seÿ und damitt magst du wol ein siechen betriegen und zwingen zǒ gesuntheit·Aber wan diþ der siech weste so hette er einem grausen dar für unnd môchte nitt zů rechter würckung kommen·(Item oleÿ von spτinckwurcz kôτner ist gůt wider das gegicht·[185]

(1) Springkruid, 141ste kapittel

Catapucia Latijn. Grieks cici vel cicei. Arabisch herma vel cathua. (Euphorbia lathyrus)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel cathua, id est catapucia, spreekt dat er zijn twee soorten, de ene de grotere en een ander de kleine. (6) De grotere heeft bladeren gelijk de olijven want dat deze een weinig groter zijn, de stam is hol en heeft boven trossen waaruit men drukt olie en dat noemt men oleum cicinum, de kleinere heeft een stengel van een arm lang en die heeft bladeren smal en lang een vinger en aan de top driekantige zaden die is uitwendig zwartachtig en inwendig wit. De meester Platearius spreekt dat catapucia is heet aan de derde graad en vochtig aan de eerste en zo men schrijft in de recepten catapucia dan bedoelt men de vrucht en niet dat kruid.

Deze vrucht duurt een jaar, (2) zijn deugd is reinigen flegma en daarna gal en melancholie. (3) Voor de vierdaagse malariakoortsen nuttig deze vrucht met anderen kruiden zoals wolfsmelk genaamd Esula, in wijn gekookt en met suiker vermengt, dit beneemt de koortsen gelijk. (4) Wie braken wil boven uit die neemt deze olie gemaakt van deze vruchten, ze drijven veel kwade materiën uit de maag die lang tijd daarin gelegen is. Voor vierdaagse malariakoorts: Neem deze vrucht een goed deel en verwikkel die met koolkruid dat men eet en doe ze tezamen in een vat en laat het goed koken, daarna zo pres daaruit een olie, deze olie mag u geven een gezonde of zieke zonder schade. Maar toch zal u de zieke niet zeggen welke olie dit is en daarmee mag u wel een zieke bedriegen en dwingen tot gezondheid. Maar als dit de zieke wist dan gruwelde hij daarvan en mocht het niet tot de goede werking komen. (5) Item, olie van springkruid korrels is goed tegen de jicht. [185]

(1) Euphorbia, zie kapittel 170 en kapittel 158.

Dodonaeus;‘In het Grieks wordt dit gewas gewoonlijk Lathyris genoemd.  Hier te lande springkruid en springwortel, in Hoogduitsland Springkraut of Springkorner. De naam springkruid komt omdat de zaden die in drievoudige huisjes groeien door de hitte van de zon als ze rijp zijn er uit springen.

Herbarijs (2) Het heeft kracht melancholie (zwarte gal) te purgeren en de rode gal en purgeert beide opwaarts en nederwaarts.

Herbarius in Dyetsche; (3) Tegen dagelijkse koorts die uit zout slijm komen van welk slijm schurft komt: ‘Neem schijtkruidzaad, hazenoren, aardrook, etc. (5) Als dit met de wortel van klein schijtkruid en met Primula veris (of herba paralisis) gekookt en met wat afgeschuimd honing gemengd is is het goed tegen jicht.

(4) Het maakt klaar om te walgen, ook laat het walgen.

(6) Dodonaeus over Ricinus communis of wonderboom; ‘Voorts zo noemen de Egyptenaars dit gewas in hun taal Cici.

ein geisz cxlii Cap

Capτa latine·

(Die meister spτechen gemeÿnklich das dises thier seÿ eines leichten gemŭtes sunderlichen mitt spτingen·das behendest am lauffen·das scherpffest am gesichte·das sŭssest jm gerauch·das gesundest zů der speÿþ·das aller klůgest mitt seiner kost·(Wann dises thier vernÿmmet sein speyþ nach dem gesicht nach dem gerauche und nach dem geschmack under den kreüttern und den baumen von den es sein kost nÿmmet·(Geÿþ verdent alt zehenn oder zwôlff jar und nit dar über diþ thier treibet unkeüscheit biþ an sein alter·(Von disem thier beschreiben uns die meister und spτechen das der harm von geyþen fast nücz seÿ damitt den steine zů vertreiben des getruncken·

(Diser harm gelassen in die oτen also warm benÿmmet das sausen und schmerzen·über dise krangheit ÿecz genant ist bockes harn besser·Des geleichen sein blůt gedôτret das ist man müschen czů materien die do dienen zů dem stein. Auch ist jung bôcken fleisch leichtlich zů verdeüwen·

(1) Een geit, 142ste kapittel.

Capra Latijn. (Capra hircus)

(2) De meesters spreken algemeen dat dit dier is een van lichtste gemoed en vooral met springen, het behendigste aan lopen, het scherpste aan gezicht, het zoetste aan reuk, dat gezondste tot spijs, dat alles handigste met zijn kost. Want dit dier verneemt zijn spijs naar het gezicht, naar de reuk en naar de smaak van de kruiden en de bomen waarvan het zijn kost neemt. Geiten worden oud tien of twaalf jaar en niet daarover, dit dier drijft onkuisheid tot aan zijn ouderdom. Van dit dier beschrijven ons de meesters en spreken dat de plas van geiten erg nuttig is daarmee de steen te verdrijven, dat gedronken.

(3) Deze urine gelaten in de oren alzo warm beneemt dat suizen en smarten, voor deze ziekte net genoemd is bokkenurine beter. Desgelijks zijn bloed gedroogd dat men mengt tot materiën die je dienen tot de steen. Ook is jong bokken vlees lichtelijk te verduwen.

(1) Grieks chimaira, Latijn Capra, ‘geit’.

Geit, midden-Nederlands gheet en gheit, vergelijk oud-Saksisch get, oud-Hoogduits geiz, nu Geiss.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Capra of een geit is het allersnelst in het lopen, het allerlichtste in het springen, het allerscherpste in het zien, het allerzoetste in de smaak, het allergezondste in het eten en het allerzinlijk in het voedsel want in het gezicht, in de smaak en in de reuk maakt het onderscheid tussen de kruiden en rijsjes of takjes van de bomen van wiens dunne topjes het eet en zich zelve voedt.

(3) Gewarmde geitenpis dat je in de oren druppelt geneest de oorpijn volgens Bartholomeus Anglicus’.


krebs cxliii capitel

Cancer latine·

(Die wirdigen meister spτechen das die bachkrebþ fast nucz sind den krancken zů der kost und sunderlichen den hiczigen. (Die augen der krebþ haben sunderlichen tugent im jn·alþ damitt die hautt weiþ zů machen also nÿmme krebþ augen und stosse die zů bulver und thů darunder eþsig·darnach nym salczwasser und müsche das dar under es wirt weiþ wie milch dises wasser ist geleÿche dem ungento albo das ist ein weisse salbe in der apotecken daz trucket und heÿlet alt gebτesten gar balde·(Die bτŭ gesoten von krebþsen ist gůt den lungensüchtigen und benÿmmet das geschwere von der lungen genant peripleumonia davon gar dick ensteet ptisis das ist die schwintsucht oder das abnemen daz do kommet von dem geschwere der lungen und ist lange weren·

(1) Kreeft. 143ste kapittel.

Cancer Latijn. (Astacus fluviatilis)

De eerwaardige meesters spreken dat de waterkreeft erg nuttig is de zieken tot de kost en vooral de hete. (3) De ogen van de kreeft hebben uitzonderlijke deugd in zich daarmee de huid wit te maken alzo: Neem kreeftogen en stoot die tot poeder en doe daaronder azijn, daarna neem zout water en meng dat daaronder, het wordt wit als melk, dit water is gelijk de ungento albo, dat is een witte zalf in de apotheken dat droogt en heelt oude gebreken erg gauw. (4) De brei gekookt van kreeften is goed de longzieken en beneemt de zweren van de longen genaamd peripneumonie, daarvan erg vaak ontstaat ftisis, dat is de duizeligheidziekte of dat afnemen dat je komt van de zweren van de longen en is lang durend.

(1) De Latijnse naam is Cancer, Grieks karkinos. Daarvan stammen kanker en carcinoom. De ziekte heeft deze naam omdat de vaatvertakkingen gelijkenis vertonen met een kreeft of krab met gespreide poten. In midden-Nederlands was het crevet of creeft en in oud-Hoogduits krebiz, nu Krebs.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Waterkreeften zijn kreeften die in zoet water wonen en die zijn goed om te eten in hete ziektes als je ze braadt en er as van maakt die je mengt met wat gentiaan en het zo met wijn drinkt. Dat is de beste medicijn tegen de beet van dolle honden. Tegen kanker is het ook goed. (4) Gekookte kreeft en het sap daar van gedronken is goed tegen longzweren.

(3) Maerlant’; ‘Cancer, is de kreeft in Waals, in Dietsche de kreeft als en als geklauwd zijn ze met scherpe scharen hebben ze voor staande te waren. Achterwaarts is hun gang. 

Liber Rerum laat ons verstaan en Adelinus die het gelooft, dat men vindt in de oudere hoofden twee witte stenen met rood gemengd, men zegt het, die ze nuttigt in drank dat ze de hartaanval genezen en dit mag wel de waarheid wezen’.

Daub cxliiii capi [187]

Columba latine·

(Die meister spτechen das dÿe tauben alle zeit geren bey dem leüten wonen·on allein die turtell tauben dÿe wonen lieber in denn weiden und in dez felde·(Der turtel tauben fleisch ist nit nücze dem menschen zů essen ursachen halber das solich tauben bald fallen in groþ kranckheit epilentia genant dar durch der mensch ein můtt gewÿnnet und dester schedlicher wåre an seinem leibe·Aber die heimlichen tauben sind nitt als gar ungesundt wie wol der mensche die meÿden sol in aller kranckheit·(Dauben haben geblŭdte under dem rechten flŭgel das dienet gar wol zů årczney·Dises selbig blůtt also warme in dÿe augen gettopffet benymmet den schmerczen und bτichet das fell darjnn·(Mit diesem blůte mag man heilen die beŭlen an dem leÿbe wachþseden dÿe selbigen auff geschnÿten und darein gelassen·

(1’ Duif, 144ste kapittel. [187]

Columba Latijn. (Columba palumbus)

De meesters spreken dat de duiven altijd graag bij de mensen wonen, uitgezonderd de tortelduiven, die wonen liever in de weiden en in dat veld. (3) De tortel duivenvlees is niet nuttig de mensen te eten, vanwege de oorzaak dat zulke duiven gauw vallen in grote ziekte epilepsie genaamd waardoor de mens een gemoed wint en des te schadelijk is aan zijn lijf. Maar de geteelde duiven zijn niet geheel erg ongezond hoewel de mens die mijden zal in alle ziektes. (2) Duiven hebben bloed onder de rechtervleugel dat dient erg goed tot artsenij. Datzelfde bloed alzo warm in de ogen gedruppeld beneemt de smarten en breekt dat vel daarin. Met dit bloed mag men helen de builen die aan het lijf groeien, dezelfde opengesneden en daarin gelaten.

(1) Columba, de Engels columbine en Frans colombine zijn ontleend van Latijns columba.

Duif, midden-Nederlands duve, oud-Saksisch duva, oud-Hoogduits tuba, nu Taube.

Herbarius in Dyetsche; (3) Duivenvlees is moeilijk te verteren en is vet, daarom geeft het grof voedsel. Maar als ze beginnen te vliegen vanwege de vermoeienis dan is haar vlees beter te verteren en hoe ouder ze zijn, hoe harder en slechter het vlees te verteren is’.

Maerlant; Bloed van duiven, zoals ik het weet, van tortelduiven en van zwaluwen mede uitgelaten daar ter (2) plaatse onder de rechtervleugel alleen maakt blinde ogen rein.

kese cxlv capitel

Caseus latine·

(Die witdigen meister spτechen das kese unverdeülich seÿ dem menschen und sunderlichen grossenn schaden bτinge dem jr leber unnd milcz verhartet ist·(Kese machet dem menschen calculosum ver des vil ÿsset und darumb saget und beweret der hochgelert meÿster Constantinus das in einer gemein aller keþ unnücz seÿ aber welcher der milch nahe ist der ist gůtt zinlich geessen·(Keþbrŭ ist dem sichen fast nücz wan sÿ laxeiren und weichen die genge des stůlganþ und krefftiget·dise bτŭ sol gemacht werden von dem bôstenn schåff keþen dye man auch haben mag·(Keþ der vil gesalczen ist der machet auch dem menschen vil zůfelliger kranckheyt·(Zů dez ersten bτinget er den stein unnd machet auch gar bôþlich harmen. Er macht auch dem magen gar unlustig·Er bτinget bôse flüþ des haubts·Darumb ist keþ gar vil geessen zů meÿden auff das nitt bôssers hernach komme·[188]

(1) Kaas, 145ste kapittel.

Caseus Latijn. (Caseus)

(2) De eerwaardige meesters spreken dat kaas niet verduwbaar is de mensen en vooral grote schade brengt als hem de lever en milt verhard is. Kaas maakt de mensen nierstenen wie het veel eet en daarom zegt en beweert de zeer geleerde meester Constantinus dat in het algemeen alle kaas onnuttig is, maar die de melk benadert die is goed zinnig gegeten. Kaasbrei is de zieken erg nuttig want ze laxeren en weken de gang van de stoelgang en versterkt die, deze brei zal gemaakt worden van de wei van schapenkaas die men ook hebben mag. (3) Kaas die veel gezouten is die maakt ook de mensen veel toevallige ziektes. Tot de eersten brengt het de (4) steen en maakt ook erg kwalijk plassen. Het maakt ook de maag erg onlustig. Het brengt kwade vloed van het hoofd. Daarom is kaas erg veel gegeten te mijden opdat er niets boos daarna mag komt. [188]

(1) Kaas, midden-Nederlands case, vergelijk oud-Saksisch en oud-Hoogduits Chasi, tot Kase.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het is grof en moeilijk te verteren en meer stoppend dan laxerend. Het is slecht voor de nieren, voor de lever en voor de milt en vooral is het op deze plaatsen gereed om te verstoppen, daarom zegt Constantijn dat alle kaas slecht is, maar de beste is het dichtst bij de melk staat en dat is verse kaas. (3) Zeer zoute kaas verdroogt zeer en is slecht voor de maag. Maar die niet gezouten is of een beetje die voedt iets meer en geeft het lichaam vochtigheid, voor de maag is het nochtans slecht omdat het lichtelijk in winden verandert als die maag heet is, als die echter koud is dan verandert het vrijwel in zuurheid.


Diptan cxlvi capi

(D)Iptamum latine grece·Batin vel dÿptamonn·arabice Saudenig·

(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτam in dem capitel Dÿptamus beschτeibet das der seÿe heiþ und trucken an dem dτitten grade·(In dem bůch genant circa instans stert geschriben dz dÿptamum seÿ ein wurczel geleich genennet sein ein kraute und wechset an kalten stetten und besund gern an den hohen felþen·Die wurczel davon bτaucht man in d årczneÿ·und der ist zweÿer hande·eine weiþ die ander schwarcze·und haben bede ein nature·aber doch brauchet man die weissenn in der årczneÿ und selten die schwarczen·dise weret ein gancze jare·und die ist dÿe beste die jnwendig hert und gantz ist und nit lôcheritt·auch ist dise die beste dit nit bulver gibt wan man sÿ bτichet·(Diascoτides spτicht das von disser wurtzel getruncken seÿe gůtt den frauwen ir zeit do mitt zů foderen·(Von diser wurczel ist gůtt getruncken ÿdτopicis das ist den wassersüchtigen. (Dÿptamum gemüschet mitt hônig und das genüczet benÿmmett den hůsten·(Dÿptamum gesotten in wasser und damit gewåschen den leib in einem nÿmmett hin ÿctericiam das ist die geelsuchtt·(Dise wurczel gemüschet mitt schwårtel wurczeln und dz bulver gelassen in die nasen reÿniget das haubt·(Der safft vonn dÿptamum des geleichen das bulver heilet uvulam das ist dz blatt in der kelen·(Dÿptamum gemüschet mitt milch und die gelassenn in die oτen benymmet den schmerczen darjnne·(Item diþ krautt von der wurczel dÿptamum gestreüwet in das hauþ machet fliehen die schlangen und vergifftig thier die darjnne sind. (Ein metridat gemacht von dem bulver der wurczeln dÿptamo und dar under gemüschet encian und holwurcz eins als vil des anderen·und darzů bulver von galôffel dises wirt ein schwarcz bulver das sol man müschen mit weine der mitt dÿptan gesoten seÿ·Dises hatt als vil tugent an jm alþ der dτiackerþ. (Der bulver mit dem safft gemenget mit beÿfůþs und darauþ gemacht zapffen und die frauwen dise zapffen unden auff gebτauchet als in scheme treÿbet auþ das todt kindt in dem leib·und auch die ander geburtt secundina genant·(Item nÿm bibergeÿln gebulvert und dyptan ÿegklichs geleiche vil unnd müsche das mitt rauteen safft·dises hilffet die dÿe fallende suchte haben den safft in dÿe nasen gelassen·Item mitt disem safft geschmieret die lamen gelÿder stercket die und macht sie gerade·[189]

(1) Diptam, 146ste kapittel.

Diptamum Latijn. Grieks Batin vel dÿptamonn. Arabisch Saudenig. (Dictamnus albus)

De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Diptamus schrijft dat het is heet en droog aan de derde graad. In het boek genaamd Circa instans staat geschreven dat dÿptamum is een wortel gelijk genoemd en is een kruid en groeit aan koude plaatsen en vooral aan de (2) hoge rotsen. (7) De wortel daarvan gebruikt men in de artsenij en die is tweevormig, een witte en de andere zwart en hebben beide een natuur, maar toch gebruikt men de witte in de artsenij en zelden de zwarte, deze blijft een gans jaar en dat is de beste die inwendig hard en geheel is en geen gaten, ook is dit de beste dit geen poeder geeft als men ze breekt. (4) Dioscorides spreekt dat van deze wortel gedronken goed is de vrouwen hun tijd daarmee te bevorderen. (5) Van deze wortel is goed gedronken Hydropisis, das is de waterzuchtige. Dictamnus gemengd met honing en dat genuttigd beneemt het hoesten. Dictamnus gekookt in water en daarmee gewassen het lijf in een neemt heen ÿctericiam, dat is de geelziekte. Deze wortel gemengd met gladioolwortels en dat poeder gelaten in de neus reinigt dat hoofd. Dat sap van Dictamnus en desgelijks dat poeder heelt uvulam, dat is dat blad in de keel. Dictamnus gemengd met melk en die gelaten in de oren beneemt de smarten daarin. (3) Item, dit kruid van de wortel Dictamnus gestrooid in dat huis maakt vlieden de slangen en vergiftige dieren die daarin zijn. Een metridaat gemaakt van het poeder van de wortels Dictamnus en daaronder gemengd gentiaan en holwortel van de ene zoveel als van de andere, en daartoe poeder van galappel dit wordt een zwart poeder en dat zal men mengen met wijn die met Dictamnus gekookt is. Deze heeft zoveel deugd aan hem als de teriakel. (4) Dat poeder met het sap en gemengd met bijvoet en daaruit gemaakt pennen en die vrouwen deze pennen van onderen gebruikt als in schaamte drijft uit dat dode kind in het lijf en ook de nageboorte secundina genaamd. Item, neem bevergeil gepoederd en vuurwerkplant, van elk gelijk veel, en meng dat met ruit sap, dit helpt die de vallende ziekte hebben, het sap in de neus gelaten. Item, met dit sap gesmeerd de lamme leden versterkt die en maakt ze gereed. [189]

De afbeelding geeft meer een plant zoals Polygonatum. 

(1) Naar de witte wortels in de Herbarijs is dit Dictamnus albus L, (wit, albus kreeg zijn naam niet naar de witte bloemen maar omdat het in de grond een opvallend witte en houtachtige wortel bezit).

(7) Aan Origanum dictamnus worden wel dezelfde krachten toegeschreven, maar dit kruid heet dan ook alba vanwege zijn witte wortels.

(3) Herbarius in Dyetsche; (3) Het heeft de kracht om te ontbinden, te verteren en het venijn tot zich te trekken. Daarom is het vooral goed tegen beten van venijnige dieren. Als je het kruid breekt en mengt met uien sap is het goed op dezelfde beet. (4) Om stonden te laten komen en de dode vrucht met de moederkoek waar het in rust uit te drijven.

(5) Tegen geelzucht, wrijf het lichaam in de zweetkuip in met het afkooksel van dictamnus.

Herbarijs; ‘ (6) Wilt u ijzer of dorens of splinters of naalden uit het lijf halen zonder snijden; Neem dan Dictamnus, Polypodium en hazelaar en stamp het tezamen met vet van een gesneden varken en maak er een pleister van en leg het erop, het zal er uitkomen’.

wilde moreu cxlvii ca

Daucus latine lesar grece·

(In dem bůch genant circa instans beschreÿben uns die meÿster und spτechen das wilde moren sind heiþ und trucken an dez dτitten grade·Und der ist zweyer hande·die ein wilde·die ander zåme·Die wilde hat die grôsten tugent an ir·und ettlich nemenn die daucus creticus und die hatt bletter geleich dez fenchel·des geleichen die zåme·und haben weiþ blůmen·(Diþ kraut sol gesameler werden mitt den blůmen·und die wurczel davon hin werffen·Diþ kraut und blůmen sollen gedoτret werden an dem luffte und nitt in der sunnen·das weret ein jare und nitt darüber·(Platearius wilde moτen gesotten in weine und darunder gemüschet feÿgen als vil man vil und den getruncken benÿmmet den trucken hůsten·(Auch ist diser wein gůtte getrnncken für das keichen. (Dises krautt gesotten in langen oder in wasser das haubt domitt gewåschen benymmet den fluþ des haubts der von kelte kommet·(Diþs krautes dτeÿ hand soll gesotten in wein und darunder gemüschet ôle und das geleget auff den bauch benÿmmet dem harnwinde·und erwürmet auch den magen·(Für das verstopfete mllcz und lebern mache ein sÿroppel von dem kraute und blůmen und müsche dar under safft von fenchel und nücz den das abents und des moτges es hilffet on zweifel·(Item daucns mitt bappeln und bingelkraut gesotten mitt wein und wasser unnd auff den nabel geschlagen ist gůtt wider das dårme gegicht· [190]

(1) Wilde peen, 147ste kapittel.

Daucus Latijn, lesar Grieks. (Daucus carota)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat wilde peen is heet en droog aan de derde graad. En die is tweevormig, de ene wild en de andere tam. De wilde heeft de grootste deugd aan hem en ettelijke noemen die Daucus creticus (Athamanta creticus) en die heeft bladeren gelijk de venkel, desgelijks de tamme, en heeft witte bloemen. Dit kruid zal verzameld worden met de bloemen en de wortel daarvan heen werpen. Dit kruid en bloemen zullen gedroogd worden aan de lucht en niet in de zon, dat blijft een jaar en niet daarover. (2) Platearius, wilde peen gekookt in wijn en daaronder gemengd vijgen zoveel men wil en dat gedronken beneemt de droge hoest. Ook is deze wijn goed gedronken voor dat kuchen. Dit kruid gekookt in loog of in water en dat hoofd daarmee gewassen beneemt de vloed van het hoofd die van koudheid komt. Dit kruid drie handen vol zal gekookt in wijn en daaronder gemengd olie en dat gelegd op de buik beneemt de urine wind en verwarmt ook de maag. (3) Voor de verstopte milt en lever maak een siroop van het kruid en bloemen en meng daaronder sap van venkel en nuttig dat ‘s avonds en ’s morgens, het helpt zonder twijfel. Item, Daucus met kaasjeskruid en bingelkruid en gekookt met wijn en water en op de navel geslagen is goed tegen de darmjicht. [190]

De afbeelding geeft hiervan geen bloemen. Zie kapittel 62 en 328. Daucus carota heeft witte bloemen. Het blijft verwarrend, Gart; ‘Daucus latine; ‘de ene wild en de andere tam. De wilde heeft de grootste deugd aan hem en ettelijke noemen die Daucus creticus’. Dat is pastinaak. Dodonaeus zegt daarvan dat het ook twee soorten heeft, een wilde en tamme. Met de naam vogelnest wordt in Herbarius in Dyetsche toch wel gedoeld op de wilde Daucus. Dan wordt Daucus carota wel Daucus creticus genoemd, dat is Athamanta cretensis. De Herbarijs noemt de wilde als algemeen voorkomend kruid.

(1) Dodonaeus beschrijft de wilde peen ook apart; ‘Dit wilde geslacht van peen of pastinaken met smalle bladeren heet in het Latijn Pastinaca silvestris en Pastinaca silvestris tenuifolia, dat is wilde pastinaak met smalle bladeren, in het Grieks Staphylinos agrios. De apothekers houden het voor Daucus en plegen dat met goede reden en ook niet zonder voorspoed in plaats van de echte Daucus te gebruiken. (Athamanta)

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Tegen ademgebrek van verkoudheid, drink wijn waar peen met droge vijgen en zoethout in gekookt is als die ontsteltenis zonder koorts is, maar is het (niet) zonder dan kook je hetzelfde met water zonder wijn. 

(3) Diezelfde drank of siroop opent ook de verstoppingen van de lever van de milt en de weg waar de plas of urine door gaat. Die zelfde drank  zuivert de baarmoeder en droogt haar overvloedigheid af zonder pijn. Of tegen hetzelfde, maak een pessarium (dat is een soort klysma) van water in de baarmoeder  daar doe je het poeder van peen bij met wat mirre en dit kook je in olie en dan doe je het in de baarmoeder.


sanickel cxlviii Ca

Diapensia grece·latine feτraria maioτ sive consolida minoτ sive sanicula·

(Die wirdigen meister gemeinklichen beschτeyben uns von disem kraute und spτechen auch das es von natur seÿ heiþ und hat gar vil reÿnigkeit an jme·sein safft ist auch gar senfft und linde·(Item wer gewundet wurde der trincke disen saft auþ unnd trincke den mit kerfeln wasser so heÿlet auch dye wunde jnwendig gar und gancze·(Item sanickel gedürret unnd auch gebulvert dises bulver ein gancz jare·(Item wer einen bôsen magen hette·und die gedårme in jm verschlÿmet wåren der neme dyses bulver und mische das mit hônig und liquiricien unnd rüre das under einander und trinck dz mit wein des abents so du schlaffen wilt geen es reýinget auch alle jnnerliche unfletigkeÿt unnd sunderlichen den magen·(Item in dem summer so zeühe dises kraut auþ mit d wurczeln und seüde das jn wasser·und seÿhe es durch ein tůch und mische auch darunder rosen zucker und hônig und trincke dz es laxieret senfftigklichen und treÿbet auch gar vil schleÿmes auþ der schlange zeÿt in dem leibe in dem magen unnd auch in den gedårmen gelegen ist·

(Item sanickel unnd wintergrŭn und sÿnnauwe dise dτeü stücke gesoten in wein und den getruncken verzeret alle gelebert blůtt in dem menschen on schaden·(Item in allen wunttrencken sol genüczet werden sanickel·(m·j·) [191]

(1) Sanikel, 148ste kapittel.

Diapensia Grieks. Latijn ferraria major sive consolida minor sive sanicula. (Sanicula europaea)

De eerwaardige meesters algemeen beschrijven ons van dit kruid en spreken ook dat het van natuur is heet en heeft erg veel reinheid aan hem, zijn sap is ook erg zacht en zacht. (2) Item, wie gewond wordt die drinkt dit sap uit en drinkt die met kervelwater, zo heelt het ook je wonden inwendig erg en gans. Item, sanikel gedroogd en ook gepoederd, dit poeder een gans jaar. (3) Item, wie een kwade maag heeft en die darmen in hem verslijmt zijn die neemt dit poeder en meng dat met honing en zoethout en roer dat onder elkaar en drink dat met wijn ‘s avonds zo u slapen wil gaan, het reinigt ook alle innerlijke ongestadigheid en vooral van de maag. Item, in de zomer zo trek dit kruid uit met de wortels en kook dat in water en zeef het door een doek en meng ook daaronder rozensuiker en honing en drink dat, het laxeert zachtjes en drijft ook erg veel slijm uit dat lange tijd in het lijf, in de maag en ook in de darmen gelegen is.

Item, sanikel en wintergroen en vrouwenmantel, deze drie stuk gekookt in wijn en dan gedronken verteert alle gestolde bloed in de mensen zonder schade. (2) Item, in alle wonddranken zal genuttigd worden sanikel. [191]

(1) Dodonaeus; ‘‘Men noemt dit kruid gewoonlijk op het Latijns Sanicula of ook somtijds Diapensia, in het Hoogduits en Nederduits Sanikel of Sanickel.

Dodonaeus; ‘(2) Het sap van sanikel gedronken en van buiten gebruikt heelt en geneest allerhande wonden en kwetsingen, zowel van binnen als van buiten.

(3) Sanikel in water of in wijn gekookt en te drinken gegeven stopt het bloedspouwen en geneest de rode loop.

(2) Men doet dit kruid veel bij die dranken die men de gekwetste lieden ingeeft en daarom wonddranken noemt.



ein saft also genant

Das cxlix Capit

Diagridion grece et latine·

(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Diagridion beschτeiben uns die meister und spτechen daz dises seÿ heiþ unnd trucken an dem anderen grade·Unnd ist ein saffte eins krauts dz wechset gÿenset dem môτe und gleichet an seiner gestalt der spτinckwurcz·Und diþ wirt gesamelt in dem huncztagen also·Die selbigen leüt schneÿden dÿe spiczen oben abe so fleüsset darauþ milch die lassen sÿ trucken werden an der sunnen und das heisset dann diagridion·(Ettlich meÿster spτechen das dÿse milch fürhin gesoten sol werden und darnach gedôτret in der sunnen·(Item diagridion wirt in manchen weg gefelschet·wann etlich die nemen die milch titimalli und mischen darunder ein wenig diagridion und so ist diþ starck in seiner würckung und soτgklichen zů nüczen·etlich mischen die milch titimalli mit grecksum beche den gebulverisieret etlich nemen kleine stücklin von der colofonia und mischen die under den diagridion und verkauffen den dar für·Ein ÿegklicher meτck eben waz er kauff·(Item diser ist der beste d weiþ ist und schwarczlecht und klar und lasse sich balde bτechen·Und wie wol colofonia auch der gleichen sich lasset bτechen so ist colofonia herter in dem bτuch wann diagridion. (Item diagridion hat ein bittern gerauch und der ist getemperiert und senfft·aber d zů gar bitter ist der ist gefelschet und nit gerecht·(Item disen dÿagridion sol man auþeτwôln d mit der speichel auþ dem mund zů treiben werden mag und sich verwandelt in ein weisse farbe. (Die meister spτechen dz diagridion reÿniget coleram darnach flegma darnach melancolÿ. (Item etlich meister spτechen dz diagridion und scammonea purgieτe eÿns geleich dem andern aber diagridion purgiert senffter wann scammonea·und darumb sol alle zeÿt mÿnder scammonea genomen werden wann diagridon [192] (Wilt du machen ein gůt senft laxative·Nÿmm dÿagridion ein halb quintin stomaticum confoτtativum ein quintin und mische die under ein und nÿmm diþ ein mit kesebτŭ dises laxieret wol on schaden·(Item diagridion ist scammoneam bereiten mit eÿnem quidden gebτaten und ist nuczlichen zů nüczen dann rohe scammonea·

(1) Een sap alzo genaamd.

Dat 149ste kapittel.

Diagridion, Diagridium Grieks en Latijn.

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Diagridion beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet en droog aan de andere graad. En is een sap van een kruid dat groeit grenzend aan de zee en lijkt met zijn gestalte op het springkruid. (Convolvulus scammonia, dan het klaargemaakte sap) En dit wordt verzameld in de hondsdagen alzo: Dezelfde mensen snijden de toppen boven af en zo vloeit daaruit melk en die laten ze droog worden aan de zon en dat heet dan diagridion. Ettelijke meesters spreken dat deze melk voorheen gekookt zal worden en daarna gedroogd in de zon. Item, diagridion wordt in vele manieren vervalst want ettelijke die nemen de melk Tithymallus en mengen daaronder een weinig diagridion en zo is dit sterk in zijn werking en zorgelijk te nuttigen, ettelijke mengen de melk Tithymallus met Grieks pek, dan gepoederd, ettelijke nemen kleine stukjes van de Griekse pek en mengen die onder de diagridion en verkopen het dan daarvoor. Eenieder merkt even wat hij koopt. Item, dit is de beste die wit is en zwaarachtig en helder en laat zich gauw breken. En wie goede Griekse pek of dergelijk zich laat breken zo is de Griekse pek harder in de breuk dan diagridion. Item, diagridion heeft een bittere reuk en die is getemperd en zacht, maar die erg bitter is die is vervalst en niet echt. Item, deze diagridion zal man uitzoeken die met het speeksel uit de mond te drijven is en zich verandert in een witte verf. De meesters spreken dat diagridion reinigt gal, daarna flegma en daarna melancholie. Item, ettelijke meesters spreken dat diagridion en scammonia purgeren eens gelijk de andere, maar diagridion purgeert zachter dan scammonia en daarom zal altijd minder scammonia genomen worden dan diagridon. [192] Wil u maken een goede zachte laxatief: Neem diagridion, een half van 1,67gram, stomaticum confortativum, een 1,67 gram, en meng die ondereen en neem dit in met kaasbrei, dit laxeert goed zonder schade. Item, diagridion is scammonia bereiden met een kwee gebraden en is nuttiger te nuttigen dan rauwe scammonia.

(1) Zie kapittel 370. Herbarius in Dyetsche; ‘Klaargemaakte scammonia heet dyagridium’. Het is een sap van Convolvulus scammonia. Na het verbeteren in een kweeappel heet het scammonia.

Diagridium of diagredion; traan, omdat het van de wortels drupt als een traan, stamt uit het woord dacrydion.

Dragantum cl ca

Dτagantum sive blanta gummi dτaganti latine·grece acantos vel pede rota vel melanphilos arabice hahe vel chachita vel astuded·

(Die wirdigen meyster spτechen das dÿe kalt seÿ in dem andern grade unnd feücht in dem ersten·Und diþs ist ein gummÿ und fleüsset gÿenset dem môτe auþ einem baum·und von hicz der sunnen wirt dises dürτe und also ein gummÿ·Unnd dÿses ist dτeÿerhande·Eÿnes weiþ klare und reÿn·unnd das ist das beste·das ander rot von farben und das ist nit als gůt·dz dτitte hat farbe gleich der erden·(Daz weiþ sol genüczet werden zů dem erczneÿen die do kŭlen·und das weret zehen jar unverseret an seiner natur·(Wôllicher fast dempffig wer umb die bτust d neme gersten wasser unnd thů darein dτagantum und gummi arabicum ÿegkliches gleich vil unnd trincke des es hilffet·(Für den alten bôsen hůsten·Nÿmme den safft von sŭþholz und vermenge darein dτagantum und laþ dz steen ein nacht·darnach seÿhe das durch eyn tůch und nÿmm dann bulver dτaganti und mache pillelen·Diser pillelen nymm under die zungen und laþ die in dem munde zeτgeen unnd schlicke die speichel mit hinein der hůst seczt sich in kürcz·und machen lustig umb die bτust·und also genüczet benemen sÿe den durst·(Item wôlicher hette ein groþ erhaben leffczen also das fleisch dar an wŭchse gleich den warczen dez neme dτagantum und resolvier den in rosenwasser und mische darunder amidum dz ist kraft mele und lege das darauff als ein pflaster es hilffet·(Wilt du machen ein weiþ hübsch an (m·ij·) [193] gesicht so nÿmm dτagantum und rosen wasser und mische die zů samen unnd mische ein wenig darunder campffer und necze baumwollen darjnne und streiche darmitt dein angesichte es wirt gar schône und hübsch·

(1) Dragantum, 150ste kapittel.

Dragantum sive blanta gom draganti Latijn. Grieks acantos vel pede rota vel melanphilos. Arabisch hahe vel chachita vel astuded. (Astragalus tragacanthus)

De eerwaardige meesters spreken dat dit koud is in de andere graad en vochtig in de eerste. En dit is een gom en vloeit grenzend aan de zee uit een boom en van de hitte van de zon wordt dit droog en alzo een gom. En deze is drievormig. (2) Een is wit, helder en rein en dat is de beste, het andere rood van verf en dat is niet alzo goed, de derde heeft verf gelijk de aarde. De witte zal genuttigd worden tot de artsenijen die je verkoelen en dat blijft tien jaar onveranderd aan zijn natuur. (3) Wie erg dampig is om de borst die neemt gerstewater en doe daarin dragantum en gom arabicum, van elk gelijk veel, en drink dat, het helpt. Voor het oude kwade hoesten: Neem het sap van zoethout en vermeng daarin dragantum en laat dat staan een nacht, daarna zeef dat door een doek en neem dan poeder dragantum en maak pillen. Deze pillen neen onder de tong en laat die in de mond vergaan en slik dat speeksel niet in, de hoest zet zich in kort en maakt lustig om de borst en alzo genuttigd benemen ze de dorst. Item, wie heeft een grote verheven letsel alzo dat vlees daaraan groeit gelijk de wratten die neemt dragantum en lost dat op in rozenwater en meng daaronder amidum, dat is krachtmeel, en leg dat daarop als een pleister, het helpt. Wil u maken een wit en mooi [193] gezicht zo neem dragantum en rozenwater en meng die tezamen en meng een weinig daaronder kamfer en nat katoen daarin en bestrijk daarmee uw aangezicht, het wordt erg schoon en mooi.

Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit gewas Tragacantha als of men in het Latijn Hirci spina of in onze taal bocksdoren zei. De traan of gom die uit de wortel vloeit wordt ook Tragacantha genoemd en in de apotheken Gummi Tragacantha of met een bedorven naam Gummi Dragaganti of Dragantum en daarnaar in onze taal gom dragant’.

Herbarius in Dyetsche, Dragagantum is goed tegen de droogte van de (3) borst als je het in gerstewater met Arabische gom mengt.

Maerlant;. (2) De beste is wit en puur en er zijn van rode natuur, maar dat is niet altijd zo goed als dat het bij natuur doet. Verhit en verkoelt mede de mensen in hun ziekte. (3) Maar die de borst niet heeft goed ziet dat hij het van dragantum doet twee delen en de ander azijn, dan is het dragantum fijn, dit is voor de borst de medicijn en nuttig tegen menige pijn alzo dan het verdroogt want het dan zijn macht wel getuigt’.

Dateln cli Capi

Dactilus latine arabice potab·(Der meister Averτois in seÿnem fünfften bůch genant colliget in dem capitel Dactilus spτicht das diser baum den er nennet dactilanum und die frücht sind fast stopffen die milcz und auch die lever·und die rinde dises baumes ist meer stopffen wann die andern. (Rabbi moÿ in dem capitel dactilus spτicht dz datteln machen dem menschen bôþ feüchtunge unnd bτingen haubtwee unnd stopffent oder verhartent dÿe leber und bτingen ein fluþ genant Emoτroidas das sind fickblater·(Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel pothab idest Dactilus spůicht das die machen dem menschen gar grob geblŭte und sunderlichen den die hicziger natur sind·und darumb sôllen die heisser natur sind unnd geneÿget zů haubt weethumb und auch gar hiczig lebern haben datteln meÿden·(Wôlicher auch fast flüssig wer an dem stůlgange der môchte datteln essen er genÿset·(Dateln sind heiþ und feücht an dem andern grade·(Etlich meister spτechen das die datteln auch gar gůtt sind die in den kalten landen wachsen·Aber die in dem mittelmessigen landen wachsen sind lenger gůtte zůhalten· [194]

(1) Dadels, 151ste kapittel.

Dactilus Latijn. Arabisch potab. (Phoenix dactylifera)

De meester Averrois in zijn vijfde boek genaamd colliget in het kapittel Dactilus spreekt dat deze boom die hij noemt dactilanum en de vrucht zijn erg stoppend de milt en ook de lever en de bast van deze boom is meer stoppend dan de anderen. Rabbi Moÿses in het kapittel dactilus spreekt dat dadels naken de mensen kwade vochtigheid en brengen hoofdpijn en stoppen of verharden de lever en brengen een vloed genaamd hemorroide, dat zijn aambeien. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel pothab, id est Dactilus,(2) spreekt dat die maken de mensen erg grof bloed en vooral die van hete natuur zijn en daarom zullen die van hete natuur zijn en geneigd tot hoofdpijn en ook erg hete lever hebben dadels meiden. Wie ook erg vloeit aan de stoelgang die mag dadels eten, hij geneest. Dadels zijn heet en vochtig aan de andere graad. Ettelijke meesters spreken dat de dadels ook erg goed zijn die in de koude landen groeien. Maar die in de middelmatige landen groeien zijn langer goed te houden. [194]

(1) Dodonaeus; ‘Deze boom heet in onze taal dadelboom, in het Grieks Phoenix, in het Latijn Palma.

De vrucht zelf heet hier te lande dadelen, in Hoogduitsland Dattelen, in de apotheken Dactylus.

(2) Herbarijs; ‘Dactili zijn vochtig en heet in de 2de graad en maken grof bloed en zijn pijnlijker te verduwen dan droge vijgen’.

Felrisz clii Ca

Dens leonis latine·

(Die meisteτ spτechen das dises seÿ ein kraut und bleter geleich dem kraute rabenfůþ·und wechset auch gar geren under den eÿchbaumen·(Dises kraute ist heiþ und auch trucken an dem zweÿten grade·(Felrÿþ sall gesammelt werden in dem ende des meÿes·(Dises kraut gestossen unnd gemischet mitt hauþwurcz und nachtschaden unnd auff ein entzündende glůte geleget heylet das zůhandt·(Der saffte von felrÿþ in dÿe augen gelassen benÿmmet auch das fel darjnnie·unnd dises sol geschehen in dem zů nemenden des monetz unnd alle mal die augen fürhin gewåschen mitt fenchel wasser·(Dises kraute mit der wurczel an den hals gehencket dem geschweren die augen auch nit·(Von disem kraute distillieτet wasser und ettwann dicke die augen auch damit geneczet dienet fast wol. (Item diþs kraut dient auch gar wol zů wundt trencken.

(Item diþs krautte gestossen unnd auff ein zeÿtig geschwer gelegt bτichet es auff on allen weethumb·(Item diþ kraut hatt meÿster Wilhelmus eÿn wuntarczet gewest fast lieb gehabt umb seiner tugent willen und darumb hat er es geglichen einem leüwen zan genannt zů latein dens leonis·(m·iij·) [195]

(1) Paardenbloem. 152ste kapittel.

Dens leonis Latijn. (Taraxacum officinale)

De meesters spreken dat dit is een kruid en bladeren gelijk het kruid ravenvoet (Coronopus ruelli) en groeit ook erg graag onder de eikenbomen. Dit kruid is heet en ook droog aan de tweede graad. Paardenbloem zal verzameld worden in het einde van mei. Dit kruid gestoten en gemengd met huislook en nachtschade en (2) op een ontstoken lid gelegd heelt die gelijk. (3) Het sap van paardenbloem in de ogen gelaten beneemt ook dat vel daarin en dit zal geschieden in het toenemen van de maan en elke keer die ogen voorheen gewassen met venkelwater. Dit kruid met de wortel aan de hals gehangen die zweren de ogen ook niet. Van dit kruid distilleert water en wat vaak de ogen ook daarmee genat dient erg goed.(4) Item, dit kruid dient ook erg goed tot wonddranken.

Item, dit kruid gestoten en op een rijpe zweer gelegd breekt het open zonder alle pijnen. Item, dit kruid had meester Wilhelmus, een wondarts geweest, erg lief gehad vanwege zijn deugd en daarom heeft hij het vergeleken met een leeuwentand en genaamd in Latijn dens leonis. [195]

De bladeren zijn scherp en ver ingesneden zodat de slippen aan de scheurkies van de leeuw doen denken, dens leonis, vandaar leeuwentand, Lowezahn of in midden-Hoogduits Lewenzan, nu Löwenzahn.

Herbarijs (2) En die ontstoken ledematen hebben is het beter daar te mengen met bolus Armeniacus'.

Dodonaeus; (3) Door deze zeer afvegende, verterende en zuiverende kracht kan het sap van deze kruiden dat in de ogen gelaten wordt de vellen of schellen er van weg nemen, maar sommige letten er wel op dat ze dat in het wassen van de maan doen en de ogen tevoren goed met venkelwater reinigen. Andere zeggen dat papenkruid alleen met de wortel aan de hals gehangen en gedragen geen zweer in de ogen laat komen.

(4) De verse wonden genezen gauw als men ze wast met het water daar dekankerbloemen in gekookt zijn en het gedistilleerd water van dit kruid dient ook wel tot de wonddranken.

durchwachs cliii ca

Dises kraut nennen etlich meister czů latein herba perfoliata und hat in jm vil hübscher tugent als sunderlichen für dem bτuch der kinde des samen geessen und das kraute auff den bτuch geleget·(Wôlichem kinde der nabel zů ferτ auþgienge dem soll man binden diþs kraut unn samen darauff er geet zůhant wider eÿn·(Wôlicher gebτochen wer also das der bτuch nit über das jare weret der bade fürhin mit disen kreütern als paritaria das ist tag und nacht pentasilon dz ist fünff blat gamillen ÿe lenger ÿe lieber camepitheos genant ÿegkliches eÿn gůtte handt foll oder zwo·also dz du alle mal dτeÿ stund auff einander badest und diþ sol geschehen dτey tag nach einander und alle mal in dem bade disen samen von disem kraut einnemen auff ein halb lot·unnd nach dem bad sich schmieren mit diser salben·Nÿmm gamillen ôle ein halb lot und thů darunder dises krauts safft ein lot unnd des bulvers van dem samen zweÿ lot und mische dises under ein wenig wachs daz dises weτde ein salbe unnd dises schmieτen sol geschehen acht tage d bτuch heilet on zweÿfel·

(1) Doorwas, 153ste kapittel. (Bupleurum rotundifolium)

Dit kruid noemen ettelijke meesters in Latijn herba perfoliata en heeft in hem veel leuke deugd zoals vooral voor de breuk van de kinderen, dat zaad gegeten en dat kruid op de breuk gelegd. Welk kind de navel te ver uitgaat die zal men binden dit kruid en zaden daarop, het gaat gelijk weer terug. Wie gebroken was alzo dat de breuk niet over dat jaar duurt die baadt voorheen met deze kruiden zoals Parietaria, das is glaskruid, pentasilon, dat is vijfblad, kamille, zenegroen, Ajuga chamepitys genaamd, van elk een goede hand vol of twee alzo dat u elke keer drie stonden op elkaar baadt en dit zal geschieden drie dagen na elkaar en elke keer in het bad deze zaden van dit kruid innemen op een half lood en na het bad zich besmeren met deze zalf: Neem kamilleolie, een half van 16,7gram, en doe daaronder dit kruid zijn sap, een 16,7 gram, en het poeder van de zaden, twee maal 16,7 gram, en meng dit onder een weinig was zodat dit wordt een zalf en dit smeren zal geschieden acht dagen, de breuk heelt zonder twijfel.

Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt Perfoliata of Perfoliatum in het Latijn van de nieuwe kruidbeschrijvers genoemd om dat de stelen uit de bladeren schijnen te komen en daardoor te dringen en om diezelfde oorzaak is het in Nederduits ook deurbladt of deurwas genoemd en in het Hoogduits Durchwachss en Bruchwurtz.

Dodonaeus; (2) Het wordt zeer geprezen in de breuken en scheuringen of verkoudheid der darmen, vooral van de jonge kinderen.

alantwurcz cliiii ca

(E)Nula campana latine·grece ellemum·arabice rasin vel ÿlsaran.

(Serapio in dem bůch aggregatoris in dem capitel Rasyn id est Enula auctoτitate·Dÿascoτides beschτeibet uns das diþ seÿ ein kraut scharpff und långelicht an den bletern·unnd hatt ein jtam der ist nicht zů kleÿn·Sein wurczel ist groþ und wol riechende und ist rot an der farbe·und ist gestalt beÿnoch als naterwurcz unnd wechset an den bergen und an den feüchten steten und wechset auch geren in den gårten·(Dýse wurczel bτauchet man in der årczneÿe·[196] Und dises sol auþgegraben werden an dem angeenden summer und auch sÿ trucken lassen werden auff das sÿ nit verderbe von der feüchtunge die sÿ in jr hat·Die wurczel werent auch dτeü jare unverseret an jrer natur·(In dem bůche circa instans beschτeiben uns die meister dz enula campana seÿ heiþ an dem ende des dτitten grades·unnd auch feücht an dem ersten·

(Diascoτides spτicht auch dz alant wurcze gestossen und darunder gemischet hônig und darauþ gemacht ein latwerge und die genüczt ist auch fast gůt für den hůsten·(Deτ meister Serapio spτicht das alantwurcze hab auch gar groþ tugent im jr wann sÿ benÿmmet die grobe feüchtigkeit von dem menschen und benÿmmet auch damit dz lenden wee·(Alantwurcz eτwermet auch die erkalten gelider des weins getrnncken der mit alatwurcz bereÿt wirt·

(Alantwurcz gesoten in wein unnd auch daruuder gemischet zucker benýmmet das keÿchen und machet auch gar wol harmen·(Also genüczet fodert es auch die frauwen an jrer zeÿt·(Item alantwurcz ist gar gůt genüczet für vergifft und auch sunderlich für vergifftig bisse. (Item die bletter von alantwurcz gesotten in wein·unnd auch darauþ gemacht ein pflaster unnd auff die lamen gelÿder geleget erwermet auch die also das sÿ balde do entpfinden gesuntheÿt·(Platearius alantwurcz benÿmmet auch den zoren und traurigkeit und stercket auch den magen und treibet auch auþ die überflüssig feuchtigkeÿt mit dem harm·(Alant wein getruncken hat alle obgeschτiben stück an jm·Unnd hie ist auch zewissen das alle gesoten weim oder wein mit kreütter gemachet sind besser getruncken zů dem moτgenessen wann zů dem abent essen·Unnd dises ist auch die lere des meÿsters Pauli in dem capitel Vinum. (Item dises kraut gesoten mit dem kraut nacht unnd tag genant mit ôle vermenget unnd auff den bauch warme geleget ist das dárme gegicht stillen genant colica·Und under dem nabel geleget ist auch gar gůt wider dem kalten seich Platearius·(m·iiij·) [197]

Alant, 154ste kapittel.

Enula campana Latijn. Grieks ellemum. Arabisch rasin vel ÿlsaran. (Inula helenium)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel rasyn, id est Inula, haalt aan Dioscorides en beschrijft ons dat dit is een kruid en scherp en langachtige in de bladeren en heeft een stam die is niet te klein. Zijn wortel is groot en wel riekend en is rood aan de verf en is gevormd bijna als de slangewortel en groeit graag aan de bergen en op vochtige plaatsen en groeit ook graag in de tuin. Deze wortel gebruikt men in de artsenij. [196] En deze zal uitgegraven worden in de aangaande zomer en ook het droog laten worden zodat ze niet bederft van de vochtigheid die het in zich heeft. De wortel blijft ook drie jaar onveranderd aan zijn natuur. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters dat Inula campana is heet aan het eind van de derde graad en ook vochtig aan de eerste.

(2) Dioscorides spreekt ook dat alant gestoten en daaronder gemengd honing en daaruit gemaakt een likkepot en die genuttigd is ook erg goed voor het hoesten. (3) De meester Serapio spreekt dat alant heeft ook erg grote deugd in hem want ze beneemt de grove vochtigheid van de mensen en beneemt daarmee de lendenpijn. Alant verwarmt ook de verkouden leden, de wijn gedronken die met alant bereid wordt. (4) Alant gekookt in wijn en ook daaronder gemengd suiker beneemt dat kuchen en maakt ook erg goed plassen. Alzo genuttigd bevordert het ook de vrouwen aan hun tijd. Item, alant is erg goed genuttigd voor vergif en ook vooral voor vergiftige beten. (5) Item, de bladeren van alant gekookt in wijn en ook daaruit gemaakt een pleister en op de lamme leden gelegd verwarmt ook die alzo dat ze gauw ontvangen gezondheid. (6) Platearius, alant beneemt ook de toorn en treurigheid en versterkt ook de maag en drijft ook uit de overvloedige vochtigheid met de plas. Alantwijn gedronken heeft alle opgeschreven stukken aan hem. En hier is ook te weten dat alle gekookte wijn of wijn met kruiden gemaakt zijn beter gedronken in het morgen eten dan bij het avondeten. En dit is ook de leer van de meester Paulus in het kapittel Vinum. (7) Item, dit kruid gekookt met het kruid glaskruid genaamd en met olie vermengt en op de buik warm gelegd is de darmjicht stillen genaamd koliek. En onder de navel gelegd is ook erg goed tegen de koude plas, Platearius. [197]

(1) In de Liber Avicennae wordt elne en campana samengetrokken tot Ellecampana, een woord dat is blijven voortleven rond Brugge en Kortrijk in Anekampane. De Gart; 'Alantwurcz. Enula campana latine. Herbarius in Dyetsche; ‘Alant, enula’. Herbarijs; 'Enula campana of hallant’.

Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt hier te lande galant-wortele genoemd, in Hoogduitsland Alantwurtz.

Herbarius in Dyetsche; (5) Het is goed tegen alle letsels en koude pijnen, ook tegen opblazende winderigheid en tegen pijn die van blutsingen of stoten van knekels of een groep zenuwen komt als je er een pleister van  maakt.(3) Die voor genoemde pleister is goed tegen pijn die langs de zijde naar beneden gaat en ischialgie genoemd wordt.) (2) Ook is het goed tegen hoest. (7) Tegen pijn in de maag en in de darmen, tegen onderbuikspijn, tegen aandrang tot waterlozing en koliek die uit koude zaken komt maak een suikerwerk. (4) Als je het afkooksel van alant met het zaad van asperge en witte steenbreek (dat is Lithospermum) drinkt laat het plassen en bij de vrouwen hun stonden komen. (8) Clusius schrijft dat hij met water uit alantwortel zeer veel mensen die met schurft, puisten, klieren en vlekken waren besmet heeft genezen.

weiss senf clv Ca

Eruca latine·grece euzonium arabice gergit·

(Der meister paulus beschτeibet uns in seinem bůch in dem capitel Eruca daz dises seÿ zweÿeτ hande·eins wilde·das ander zåm·das zåm ÿsset man unnd pflanczet es in die garten und ist gestalt beÿnoch als der recht senff·Eruca ist heiþ und feücht in dem grade·den samen unnd die bleter bτauchet man in der erczneÿ·(Der meister Galienus spτicht das eruca gesotten und geessen meret sperma das ist die natur des menschen davon dann kommet die fruchte und bτinget winde und machet ragen oder auff steen daz gemechte·(Auch spτicht er dz weiþser senff und mit namen der zåme sterckliche hicz bτing unnd darumb ist den haubt nit nücz gebτôuchet oder allein gekocht oder mit andern kreütern gekochet als mit lactuken oder mitt kõlen schadet es nicht·und also gekocket unnd geessen bτinget den ammen vil milch·(Serapio spτichet das Eruca geessen machet wol harmen·ud weichet den bauch·unnd stercket den magen und machet wol deüwen. (Platearius der safft von eruca gemischet mit einer ochssen gallen und auff die narben od lÿnenzeichchen gestrichen machet die selbe haut der andern geleich·(Den safft gemischet mit hônig oder der same unnd das haubt damit gestrichen und des vil geessen tôdtet die nÿsse auff dem haubt·(Item Diascoτides in dem capitel daz dises vil geessen bτinge das bauchstechen·(Und spτicht auch das der same alle die tugent hab die das kraut in jm hab·(Die wurczel von eruca gesoten und die gestossen und auff die zerbτochen oder zeτknisten beÿn gelegt zeühet den schmerczen davon·

(Der same gestossen und mit genüczet ist gůt für alle vergiftig biþ· [198]

Raket, 155ste kapittel.

(1) Eruca Latijn. Grieks euzonium. Arabisch gergit. (Eruca sativa)

De meester Paulus beschrijft ons in zijn boek in het kapittel Eruca dat dit is tweevormig, een wilde en de andere tam, de tamme eet men en plant die in de tuin en is gevormd bijna als de echte mosterd. Eruca is heet en vochtig in de graad, de zaden en de bladeren gebruikt men in de artsenij. (2) De meester Galenus spreekt dat Eruca gekookt en gegeten vermeerdert sperma, dat is de natuur des mensen, daarvan dan komt de vrucht en brengt winden en maakt ragen of opstaan van dat geslacht. (3) Ook spreekt hij dat raket en met name de tamme sterk hitte brengt en daarom is het dat hoofd niet nuttig gebruikt of alleen gekookt of met andere kruiden gekookt zoals met sla of met kolen schaadt het niet en alzo gekookt en gegeten brengt de voedsters veel melk. Serapio spreekt dat Eruca gegeten maakt goed (5) plassen en weekt de buik en versterkt de maag en (6) maakt goed verduwen. Platearius, het sap van Eruca gemengd met ossengal en op de litteken of lijnteken gestreken maakt dezelfde huid de andere gelijk. Het sap gemengd met honing of dat zaad en dat hoofd daarmee gestreken en dat veel gegeten doodt de neten op het hoofd. Item, Dioscorides in het kapittel dat dit veel gegeten brengt dat buiksteken. En spreekt ook dat het zaad al de deugd heeft die dat kruid in zich heeft. (4) De wortel van Eruca gekookt en die gestoten en op de gebroken of gekneusde benen gelegd trekt de smarten daarvan.

Het zaad gestoten en mee genuttigd is goed vuile vergiftige beet. [198]

Sinonoma Bartholomei geeft bij Eruca; Sinapis albus’. Dat kan slaan op Sinapis alba. Het is mogelijk dat de ouden werkelijk doelden op Eruca die meer in Z. Europa voorkomt en veel lijkt op deze plant.

De Gart; ‘De meester Paulus beschrijft ons in zijn boek in het kapittel Eruca dat dit is tweevormig, een wilde en de andere tam, de tamme eet men en plant die in de tuin en is gevormd bijna als de echte mosterd’. Dan is de tamme wel Eruca en die laatste is die gewoon in de tuin groeit als onkruid en is Sinapis alba.

(1) Eruca komt mogelijk van het Latijn urere: branden, een verwijzing naar de hete zaden. Of van erudere: uitknabbelen, omdat deze plant een hete en bijtende smaak heeft.

Bij Fuchs heet het weis zam Senff. Zie kapittel 352 over Senff.

(2) Eruca geniet van oudsher een reputatie als afrodisiacum. Volgens Plinius, Dioscorides, Ovidius en Columnella diende het om vleselijke lusten op te wekken.

(3) Dodonaeus; ‘(2) Raket in de spijs gebruikt maakt ook lust tot bijslapen en er wordt geloofd dat ze het menselijk zaad vermeerdert.

(6) Alle soorten van raket worden rouw gegeten om de spijs te verteren, de slappe maag te versterken en de appetijt of eetlust te laten wederkeren. (4) De wortel van raket gekookt en gestoten en op een gebroken of gekneusd been gelegd trekt de smart er uit en haalt ook de splinters en gebroken beentjes er uit.

leberkraut clvi ca

Epatica latine·arabice azemalsakar sive azezalsakasar·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel azezalsakar idest epatica auctoτitate Galieni beschτeibet er uns dz dises kraut wachs an feüchten steten do es steÿnicht ist und nit an warmen stetten do die sunne hin scheÿnet·Dises kraut hat gar lange tropfen wassers von dem dauwe auff jm ligen·(Dises krautte ist ruudt und auch zemelicht geleich eÿnem stern so es groþsere bletter hatt so es besser ist·Dises kraut ist kalt und trucken an dem ersten grade. (Item von disem krautte getruncken ist fast gůt der bôsen lebern und erfrischet die·(Platearius epatica ist fast gůt für daz verstopffet milcz und auch für dýe verstopffte leber die sich erhaben hat mit hicz·(Item für alle kranckheit die do kommen von hicze ist fast gůt darzů gebτauchet leberkraut wann es kŭlet senfftigklich unnd ist auch getemperieret an seineτ complexien·(Epatica geleget auff die hiczigen geschwår kület sÿ und treibet auch davon die hicz·(Ein pflaster gemachet von dem kraute unnd den frauwen geleget für jr schåme benymmet den fluþ menstruum genant.

(Epatica in wein geleget und darüber getruncken benÿmmet die gelesucht· [199]

(1) Lieve vrouw bedstro, 156ste kapittel.

Epatica Latijn. Arabisch azemalsakar sive azezalsakasar. (Galium odoratum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel azezalsakar, id est epatica, haalt aan Galenus en beschrijft het ons dat dit kruid groeit aan vochtige plaatsen waar het steenachtig is en niet aan warme plaatsen waar de zon op schijnt. Dit kruid heeft erg lange druppels water van de dauw op hem liggen. Dit kruid is ruig en ook tamelijk gelijk een ster en zo het grotere bladeren heeft zo het beter is. Dit kruid is koud en droog aan de eerste graad. Item, van dit kruid gedronken is erg goed de kwade lever en verfrist die. Platearius, epatica is erg goed voor de verstopte milt en ook voor de verstopte lever die zich verheven heeft van hitte. Item, voor alle ziektes die je komen van hitte is erg goed daartoe gebruikt levermos want het verkoelt zachtjes en is ook getemperd aan zijn samengesteldheid. Epatica gelegd op de hete zweer verkoelt ze en drijft ook daarvan de hitte. Een pleister gemaakt van dit kruid en de vrouwen gelegd voor hun schaamte beneemt de vloed menstruatie genaamd.

Epatica in wijn gelegd en daarvan gedronken beneemt de geelziekte. [199]

Hepatica of steenlevermos komt voor in kapittel 314. Naar de afbeelding is dit en walstroachtige en de naam leberkraut komt wel van lebkraut.

(1) Hepatica komt van Latijn hepaticus, dit van Grieks hepar, lever’.

wilde selbe clvii Ca

Eupatoτium latine·grece eupatoτion vel volucrum maius arabice gafit·

(Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Eupatoůium beschτeibet uns das dises seÿ von dem wolriechende kreütern·unnd hatt bleter die sind geleich den blettern pentaffilon das ist fünff blat kraut·und sind an dem enden gleich als ein sege gekerffet ist. Eupatoτium ist heÿþ an dem ersten grade und trucken an dem andern·(Die beste zeÿt des krauts zů sameln ist an dem ende des meÿen und der safft auch umb die selbige zeÿt·(Diascoτides spτicht das eupatorium fast gůt seÿ genüczet für die lebersüchtigen·(Item die grŭn wilde selb ist vil besser genüczet dann die dürτe·(Item der safft von wilde selbe sol gesoten werden mit castoτio das ist bÿbergeÿl das ist gůt damit geschmieret die lamen gelider·Nÿmm eupatoτium zweÿ lot und seüde den mit eppich safft und gibe es den wassersüchtigen zů trincken des moτgens und des abentz ez genÿset davon·und also genüczet tôdtet es die würme in dem bauch·

Leverkruid, 157ste kapittel.

Eupatorium Latijn. Grieks eupatorion vel volucrum majus. Arabisch gafit. (Eupatorium cannabinum)

De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Eupatorium beschrijft ons dat dit is van de goed ruikende kruiden en heeft bladeren die zijn gelijk de bladeren pentafilon, dat is vijfblad, en zijn aan het eind gelijk als een zaag gekerfd is. Eupatorium is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. De beste tijd om dit kruid te verzamelen is aan het eind van mei en het sap ook om dezelfde tijd. Dioscorides spreekt dat Eupatorium erg goed is genuttigd voor de leverzieke. Item, het groene leverkruid is veel beter genuttigd dan de droge. Item, het sap van leverkruid zal gekookt worden met castoreum, dat is bevergeil, dat is goed daarmee gesmeerd de lamme leden. (4) Neem Eupatorium twee maal 16,7 gram en kook dat met selderij sap en geeft het de waterzuchtige te drinken ‘s morgens en ’s avonds, hij geneest daarvan, en alzo genuttigd doodt het de wormen in de buik.

Onder veldsalie of wilde selbe wordt meestal Salvia pratensis verstaan. De Gart zegt nogal verwarrend in kapittel 347; ‘En als men schrijft in een recept Salvia dan bedoelt men de tamme en zo men schrijft Eupatorium dan bedoelt men de wilde. Item, hier is te weten dat Eupatorium in echte ware geschriften van alle meesters van de artsenij niet is geheten wilde salie, dan Eupatorium heet leverkruid en lilifagus heet wilde salie, waarom echter de artsen noemen die Terminum Eupatorium voor wilde salie laat ik hier staan’. Herbarius in Dyetsche; ‘Eupatorium is geen wilde Salvia zoals zovele zeggen, want leverkruid of Eupatorium groeit veel hoger, zijn bladeren, noch zijn smaak lijken op wilde Salvia. Hetzelfde zegt ook Symon Ianuensis in de brief van Eupatorium en ook Pandecta in het kapittel van Eupatorium’.

De afbeelding in de Gart lijkt niet op het leverkruid, meer op een salie, maar de tekst geeft weer: ‘dat dit is van de goed ruikende kruiden en heeft bladeren die zijn gelijk de bladeren pentafilon, dat is vijfblad, en zijn aan het eind gelijk als een zaag gekerfd is’. Dat slaat dan beter op Eupatorium en zo wordt hier waarschijnlijk Eupatorium cannibium bedoeld.

(1) Dodonaeus; ‘Gewoonlijk heet dit kruid Hepatorium, sommige noemen het ook Eupatorium. Lenardt Fuchs noemt het Eupatorium adulterinum als of men bastaard agrimonie zei. Van sommige wordt het Cannabina genoemd vanwege de gelijkenis die het heeft met de bladeren van hennep. In het Hoogduits noemt men het S. Kunigund kraut of Wasserdost.

(2) Herbarijs; ‘Enpatorium, dat is wilde saelgie of hindelope. (2) En het is goed tegen jichtigheid. En men zal nemen castoreum (bevergeil) en wilde salvia en zal het koken met het sap van kolen en zal het drinken. (3) En dit kruid is goed tegen alle ziektes van de lever.

Herbarius in Dyetsche; (4) Tegen waterzucht die uit koude zaken stamt en de geelzucht als dit uit verstopping van de lever en de milt komt: ‘Neem leverkruid etc.

wolfs milch clviii ca

Esula latine·grece pinas vel peplus arabice scebτan·

(Der meister paulus in seinem bůch in dem capitel esula beschτeibet uns dz die sey heiþ und trucken an dem dτitten grad·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel scebτan idest esula auctoτitate·Diascoridis beschτeibet uns und spτicht dz diþ hab ein stamm eines armes lang und auþgebτeitet und vil knoden daran·und hat kleine subtÿle bleter gleich dem bÿnien und hat klein blůmen die haben purpur farbe·und hat ein samen d ist bτeit gleich dem linsen und hat ein weisse grobe wurczel die ist [200] vol milch·daz beste an der wurczel ist die rinde davon·die best zeÿt die wurczel auþ zů graben ist an dem angeenden meÿen·die milch ist auch gar soτgklich eingenommen·wan sÿ bτinget schaden dem herczen der lebern und dem magen·und zerbτichet die aderen in dem menschen·unnd bτinget auch gern dz kalt wee. Und darumb wer die wolffes milch bτauchen wil der můþ darunder thûn oder mischen etwas das jm die vergifft beneme als do ist safft van endivien und eþsig oder safft von nachtschaden kraut unnd also wirt jr natur der vergifft genommen unnd ist dem menschen kein schade·Und darumb kommet manich mensch von seinem leben die solich erczneÿen bτauchen von wolffes milche oder von spτinckwurcz. (Die meister spτechen das solichs kein erczneÿ seye sunder vergifft·und darumb nÿmm rat von einem weisen arczet d dich underτichten müge wz dir nucz oder schaden bτinge·(Johannes mesue spτicht dz esula vermischet mit nachtschaden saffte auþtreib sterckelich die bôse feüchtigkeit des eingenommen auff zweÿ quintin mitt zucker vermenget·(Esula also genüczet ist gůt den wassersüchtigen·

(Item die rinde davon gestoþsen unnd darunder gemüschet zucker von feÿeln und des eingenommen mitt hônig wasser genannt mulsa laxieret stercklich·(Platearius esula veτzeret auch den leib unnd machet dürτe·unnd verzeret auch die natur des menschen·(Item für die wassersucht· Nÿmme auch safft von fenchel kraut und seüde auch dem gar wol darnach seÿhe den durch ein tůch und thû darunder bulver von der rinden wolffes milch ein halb quintin und mische auch darunder zucker und mache darauþ ein tranck. (Diser tranck ist auch gar fast gůt und treibet auþ gengklichen gar vil bôser feüchtigkeyt die den menschen lange zeÿt geirτet habent und benymmet auch die wassersucht on zweÿfel·[201]

(1) Wolfsmelk, 158ste kapittel.

Esula Latijn, Grieks pinas vel peplus. Arabisch scebran. (Euphorbia esula)

De meester Paulus in zijn boek in het kapittel esula beschrijft ons dat dit is heet en droog aan de derde graad. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel scebran, id est esula, haalt aan Dioscorides en beschrijft ons en spreekt dat dit heeft een stam van een arm lang en uitgebreid en veel knopen daaraan en heeft kleine subtiele bladeren gelijk de pioen en heeft kleine bloemen die hebben purperen verf en heeft zaden die zijn breed gelijk de linzen en heeft een weke grote wortel die is [200] vol melk, dat beste aan de wortel is de bast daarvan, de beste tijd de wortel uit te graven is aan de aangaande mei, (2) de melk is ook erg zorgelijk ingenomen want ze brengt schade het hart, de lever en de maag en verbreekt de aderen in de mensen en brengt ook graad de koude plas. En daarom wie de wolfmelk gebruiken wil die moet daaronder doen of mengen iets dat hem dat vergif beneemt zoals het sap van andijvie en azijn of sap van nachtschade kruid en alzo wordt zijn natuur het vergif ontnomen en is de mensen geen schade. En daarom komen vele mensen van zijn leven die zulke artsenijen gebruiken van wolfsmelk of van springkruid. De meesters spreken dat zulks geen artsenij is zonder vergif en daarom neem raad van een wijze arts die je onderrichten mag wat je nuttig is of schade brengt. Johannes Mesue spreekt dat esula vermengd met nachtschade sap uitdrijft sterk de kwade vochtigheid, dat ingenomen op twee drchme met suiker vermengt. Esula alzo genuttigd is goed de waterzuchtige.

Item, de bast daarvan gestoten en daaronder gemengd suiker van violen en dat ingenomen met honingwater genaamd mulsa laxeert sterk. Platearius, esula verteert ook het lijf en maakt droog en verteert ook de natuur van de mensen. Item, voor die waterziekte: Neem ook sap van venkelkruid en kook ook die erg goed, daarna zeef het door een doek en doe daaronder poeder van de bast wolfsmelk, een half drachme, en meng ook daaronder suiker en maak daaruit een drank. Deze drank is ook erg goed en drijft uit gans erg veel kwade vochtigheid die de mensen lange tijd bezeerd hebben en beneemt ook de waterziekte zonder twijfel. [201]

Zie kapittel 141.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze kruiden worden tegenwoordig in de apotheken Ezula of Esula genoemd, dan de eerste soort heet Ezula major of grote Ezula en de tweede Ezula minor of kleine Ezula en beide worden van de Arabische dokters Alscebran of Alscobran of alleen Scebran genoemd.

Herbarius in Dyetsche; ‘Cleijn sporie of Esula minor’. Hildegard von Bingen bespreekt in 2 afzonderlijke kapittels Wulffesmilch, die Wolfsmilch en Brachwurtz, die Garten- und Sonnenwendwolfsmilch. Euphorbia helioscopia zou dan de kleine Brachwurtz zijn.

Herbarius in Dyetsche; (2) Diegene die heet van samenstelling zijn zullen dit niet gebruiken want die krijgen koorts, wat volgens Serapio al veel mensen ondervonden hebben.

Herbarijs: (3) Esula is een kruid dat op Linaria lijkt, dat is padde vlas. En het is een soort van tithymalus.

ein frucht der mirabolanen

clix Ca

Emblici grece et latine amleg arabice·

(Johannes mesue capitulo dem mirabolanis spτicht das mirabolani emblici sind der erczneÿ das sÿ stercken den magen das heτcz und alle glider des leybes·(Pandecta in dem capitel Amleg idest Emblici steet geschτiben das dise sind kalt und trucken an dem ende des dτitten grats. (Die meister spτechen gemeinklich das dises sind frücht von einem baum in jndia·und der sind fünfferleÿ gestalt und ÿegkliche hat sunderlichen tugent an jr und einem sunderlichen namen als diþ zwen verþ auþweÿsen·Mirabolanoτum species sunt quinqz bonoτum Citrinus kebulus belliricus emblicus indus·Von disen früchten beschτeiben uns die meister vil hübscher tugent von dem auch geschτiben steet in dem·cclxxiij·capitel das sich an hebet mirabolani·(Avicenna in dem bůch de viribus coτdis spτicht dz dise frücht sind kalte und trucken·(Johannes mesue spτicht dz emblici und bellirici gar nahe einer natur sind dise bede machen dz hare auf dem haubt schwarcz die gebulvert und das haubt damit gewåschen. Dise lassen dz har nit auþ fallen. (Emblici treiben auþ die bôse feüchtung genant flegma·und dienet dem hirn fast wol·und machet gůt memoτien·Wann man in der erczneÿ emblici nit haben mag so mag man an jre stat nemen bellirici und herwider und für die bellirici mag man nemen emblici·(Item emblici bulver vermenget mit wulle safft und auff die fickblattern geleget ist darzů gůt·

(1) Een vrucht van de Mirobalanen, 159ste kapittel

Emblici Grieks en Latijn. amleg Arabisch. (Terminalia catappa, belerica, citrina en chebula, Phyllanthus emblica)

Johannes Mesue in het kapittel van mirobalanen spreekt dat mirabolani emblici zijn de artsenij dat ze versterken de maag, het hart en alle leden van het lijf. Pandecta in het kapittel Amleg, id est Emblici, staat geschreven dat deze zijn koud en droog aan het einde van de derde graad. De meesters spreken algemeen dat dit is een vrucht van een boom in India en die zijn vijfvormig gesteld en elk heeft aparte deugd aan hem en aparte namen zoals deze twee spreuken bewijzen. Mirabolanorum species zijn quinqe bonorum, citrinus, kebulus, belliricus, emblicus en indus. Van deze vruchten beschrijven ons de meesters veel leuke deugd waarvan dan ook geschreven staat in het 273ste kapittel dat zich aanheft mirabolani. Avicenna in het boek de viribus cordis spreekt dat deze vruchten zijn koud en droog. Johannes Mesue spreekt dat emblici en bellirici erg dicht bij een natuur zijn en deze beide maken dat haar op het hoofd zwart, die gepoederd en dat hoofd daarmee gewassen. (2) Deze laten dat haar niet uitvallen. Emblici drijft uit de kwade vochtigheid genaamd flegma en dient de hersens erg goed en maakt goede memorie. Als men in de artsenij emblici niet hebben mag dan mag men in haar plaats nemen bellirici en daartegen voor de bellirici mag men nemen emblici. Item, emblici poeder vermengt met toorts sap en op de aambeien gelegd is daartoe goed.

Zie ook kapittel 273.

Terminalia, is afgeleid van terminus, ‘de bladen staan in trossen op het eind, terminus, van de takken’.

Dodonaeus;Ze heten Myrobalani als welriekende noten of eikels, doch heel oneigenlijk, want het zijn geen soorten van eikels, zegt Lobel, en ook geen welriekende vruchten en ook niet geschikt om in zalven te gebruiken, maar behoren eerder onder de geslachten van perziken of pruimen gesteld te worden. 

Herbarius in Dyetsche; ‘Mirobalani zijn allen tezamen koud en droog in de tweede graad. Er zijn vijf soorten van, te weten citrini, kebuli, indi, emblici en bellirici.

augentrost clx Ca

Eufragia latine·arabice herba adhill·

(Der meister paulus beschτeibet uns in seinem bůch in dem capitel eufragia und spτicht·dz diþs seÿ ein kraut und seÿ gleich an dem stam dem ÿsop allein die stengel von augendτoste haben ein vielfarbe und hat nit este·und kleine bleter und hat blůmen die sind weiþfarbe·(Diascoτides [202] spτicht das dises kraut anders nÿendert gebτaucht sol werden dan zů den augen· (Von dem kraut wasser gebτant und die augen damit gewåschen machet sÿ fast klare und stercket dz gesicht·Item dises kraut gestossen und den safft gestrichen umb die augen machet sÿ klare und schône·

(1) Ogentroost, 160ste kapittel.

Eufragia Latijn. Arabisch herba adhill. (Euphrasia officinalis)

De meester Paulus beschrijft ons in zijn boek in het kapittel eufragia en spreekt dat dit is een kruid en ze lijkt aan de stam op de hysop, alleen de stengels van ogentroost hebben een veelkleurig en heeft geen twijgen en kleine bladeren en heeft bloemen die zijn witkleurig. (2) Dioscorides [202] spreekt dat dit kruid anders nergens gebruikt zal worden dan tot de ogen. Van het kruid water gebrand en de ogen daarmee gewassen maakt ze erg helder en versterkt dat gezicht. Item, dit kruid gestoten en dat sap gestreken om de ogen maakt ze helder en schoon.

(1) Dodonaeus; ‘Al lang geleden is dit kruid Eufrasia genoemd geweest, Sommige noemen dit gewas Ocularis en Ophthalmica al of men oogkruid zei omdat het voor de ogen zo nuttig en behulpzaam is en daarom wordt het ook van de Hoogduitsers Augentrost en van de Nederduitsers ogentroost genoemd.

Dodonaeus; (2) Ogentroost wordt in de gebreken van de ogen zeer geprezen en veel gebruikt.

Attich clxi Ca

Ebulus latine·grece meation arabice cameactis vel jacta·

(Deτ meister Plinius in dem capittel Cameactis beschτeÿbet uns und spτicht dz do seÿ zweÿerhande cameactis·eins actis das ander cameactis·und versus·Sambucus en actis sed ebulus en cameactis·In disem verþ findest du underscheid·wann dz woτt actis bedeütet uns holder von dem findenstu in dem capitel sambucus in dem pandeck de S oder cameactis das ist ebulus und heisset zů teütsche attich. (Attich ist ein kraut und ist minder wann holder·die bleter steen nahet beÿ ein·und die geleichen den mandeln bletter·wann dz sÿ ein wenig lenger sind und haben eynen schweren gerauch·und an dem esten in der hôhe hat es kronen gleich dem holder·und hat auch blůmen und samen gleich dem holder·und hat este die sind in der dicke eines fingers·(Der meister Diascoτides spτicht das attich die wesserige feüchtung in dem bauch beneme davon getruncken·(Attich gesoten und geessen geleich als kôle erweichet den verhårten bauch·die este und die krone von attich haben geleich natur dem kraut·(Die wurczel von attich ist den wassersüchtigen die aller beste erczneÿ dÿe man finden mag davon getruncken·(Die wurczel in wasser gekochet und den frawen damit unden auffgehebet benymmet die hertte der můter genant matrix·(Die bleter gesoten in wasser und das getruncken benymmet den trucken hůsten·(Und ist auch gůt dem do hat squinanciam das ist ein geschwere in der kelen·(Den die uvula hindert das ist das blat das für die kele scheüffet der garganisier mit disem wasseτ mit wenig bertrum vermenget er genÿset zůhandt·[203] (Item attich ist von warmer unnd truckener complexion·

(Item das saft von attich darjnne veτmenget wolffes milch wurzel gebulvert und zucker ist gůt zů nüczen wider dat fieber quotidian·(Und ist auch gůt wider das gegicht und weethumb der fŭsse podτagra genant platearius·

Kruidvlier, 161ste kapittel.

Ebulus Latijn. Grieks meation. Arabisch cameactis vel jacta. (Sambucus ebulus)

De meester Plinius in het kapittel Cameactis beschrijft ons en spreekt dat dit er zijn twee soorten cameactis, een actis en de andere cameactis en versus Sambucus en actis sed ebulus en cameactis. In deze spreuk vind u onderscheidt want dat woord actis betekent bij ons vlier en van die vind u in het kapittel Sambucus in de Pandeck de S, of cameactis dat is ebulus en heet in Duits attich. Kruidvlier is een kruid en is kleiner dan de vlier, de bladeren steen dicht bijeen en die lijken op de amandel bladeren dan dat ze een weinig langer zijn en hebben een zware reuk en aan de twijgen in de hoogte heeft het kronen gelijk de vlier en heeft ook bloemen en zaden gelijk de vlier en heeft twijgen die zijn in de dikte van een vinger. De meester Dioscorides spreekt dat kruidvlier de waterige vochtigheid in de buik beneemt, daarvan gedronken. Kruidvlier gekookt en gegeten gelijk als kolen weekt de verharde buik, de twijgen en de kronen van kruidvlier hebben gelijke natuur als het kruid. (3) De wortel van kruidvlier is de waterzuchtige de allerbeste artsenij die men vinden mag, daarvan gedronken. (2) De wortel in water gekookt en de vrouwen daarmee van onderaf gebaad beneemt de hardheid van de baarmoeder, genaamd matrix. (4) De bladeren gekookt in water en dat gedronken beneemt de droge hoest. (5) En is ook goed die er heeft squinancie, dat is een zweer in de keel. Die de uvula hindert, dat is dat blad dat voor de keel schuift, die gorgelt met dit wasser met weinig bertram vermengt, hij geneest gelijk. [203] Item, kruidvlier is van warme en droge samengesteldheid.

Item, dat sap van kruidvlier daarin vermengt wolfsmelkwortel gepoederd en suiker is goed te nuttigen tegen de vierdaagse malariakoorts. En is ook goed tegen de jicht en pijn van de voeten podagra genaamd, Platearius.

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Hier te lande wordt dit kruid hadich genoemd, in Hoogduitsland Attich. Zijn oude namen, te weten in het Grieks, zijn Chamaeacte, dat is lage vlier, in het Latijn Ebulus of Ebulum of naar de Griekse Humulis Sambucus, dat is lage of nere vlier’.

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Adick of ebulus is heet en droog van samengesteldheid, het verdroogt, het maakt vlees en verandert of verteert sterk.

(3) Tegen waterzucht (b) dat uit koude zaken komt.

(4) Tegen oude hoest: ‘Neem wijn waar kruidvlier met zoethout in gekookt is’.

(5) Tegen blaren in de keel is bijzonder goed het sap van kruidvlier, weegbreewater en wat bertram dat met wat honing van rozen tezamen gemengd en gegorgeld wordt.

ackeley clxii Ca

Egilops vel Egilopa grece·arabice kusir·vel klausir vel dolara·

(Diascoτides spτicht daz ackeleÿ seÿ ein kraut und habe bleter geleich den weyssen sunder das die ackeleÿen bletter weicheτ sind unnd oben hat es heübter darjnn der same wechset und umbzogen mit heübelin·(Galienus in dem sechsten bůch simplicium farmacarum in dem capitel egilops spůicht daz sein gerauche seÿ gar scharpffe·unnd sein tugent ist auch durchtringen und verzeren die harten geschwer unnd ist auch fast gůt für die fisteln an wôlichen enden sÿ sein mügen am leibe das kraut gestossen unnd den saffte darein gelassen·(Item wilt du heÿlen den bôsen grÿndt an dem leÿbe behendigklich so nÿmme ackeleÿ und weÿczen mele und mische die under einander mit weinstein ôle und streiche damit die haut an dem leibe der grÿndt heýlet davon zůhandt·[204]

(1) Akelei, 162ste kapittel.

Egilops vel Egilopa Grieks. Arabisch kusir vel klausir vel dolara. (Aquilegia vulgaris)

Dioscorides spreekt dat akelei is een kruid en heeft bladeren gelijk de tarwe uitgezonderd dat de akeleien bladeren weker zijn en boven heeft het hoofdjes daarin het zaad groeit en ombogen met hoofdjes. Galenus in het zesde boek simplicium farmacarum in het kapittel egilops spreekt dat zijn reuk is erg scherp en zijn deugd is ook doordringen en verteren de harde zweer en is ook erg goed voor de etterwonden aan welke einden ze zijn mogen aan het lijf, dat kruid gestoten en het sap daarin gelaten.(2) Item wil u helen de kwade schurft aan het lijf behendig zo neem akelei en tarwemeel en meng die onder elkaar met wijnsteenolie en strijk daarmee die huid aan het lijf , de schurft heelt daarvan gelijk. [204]

(1) Dodonaeus; ‘‘De nieuwe kruidbeschrijvers hebben dit kruid Aquileia en Aquilina genoemd op het Latijns, dan hier te lande noemt men het akeleyen, in Hoogduitsland Agley en Ageley.

(2) Tegen de onzuiverheid en schurft en schilfers van het hoofd gebruikt men zeer nuttig het sap van dit kruid dat met azijn vermengd is als men dat hoofd eerst met zout water gewassen heeft.

yfen oder ebich

Das clxiii Capit

Edera arboτea latine grece cissos·

(Die meister spτechen dz edera darumm also geheissen werde uτsachen halber dz die geÿþ oder die jungen scheflin das kraute gern essen darvon edera sein namen hat ab edondo·Auch spτechen sÿ dz edera darumb heÿþ seÿe wann es gibt den geÿssen die es essen vil milch·(Edera hat lang este unnd hanget sich an wo es wechset·(Item edera schlinget sich auf ein andern baum oder warzů es sich gesellet hat und schleichet sich damitt gar in vil wurczeln·es treget auch selten frucht oder blŭt darumb dz es kalter natur ist·und wechet gern an kalten stetten·Aber so es frucht tregt so saugt er alle feüchte auþ der wurczeln daran es sich gesellet hatt·(Dises kraut stincket fast und ist alle zeÿt grŭnn·(Der meyster Diascoτides spτicht dz der safft von edera gelassen in dÿe nasen reÿniget das haubt von bôsen flüssen. (Item edera mit ôle gesoten und in die oτen gelassen benymmet den schmerzen darauþ·(Item die bleter mitt wein gesoten und den getruncken benymmet hicz die den menschen understeet zů entzúnden·

(1) IJf of klimop.

Dat 163ste kapittel.

Hedera arborea Latijn. Grieks cissos. (Hedera helix)

De meesters spreken dat Hedera daarom alzo geheten werd vanwege de oorzaak dat de geiten of de jonge schapen dat kruid graag eten en daarvan edera zijn naam heef, ab edondo. Ook spreken ze dat edera daarom geheten is want het geeft de geiten die het eten veel melk. Hedera heeft lange takken en hangt zich aan wie het groeit. Item, Hedera slingert zich op een andere boom of waartoe ze zich vergezeld heeft en slaat zich daarmee erg in met veel wortels, het draagt ook zelden vrucht of bloeit, (2) daarom dat het van koude natuur is en groeit graag aan koude plaatsen. Maar zo het vrucht draagt zo zuigt het alle vochtigheid uit de wortels daaraan het zich vergezeld heeft. Dit kruid stinkt erg en is altijd groen. (4) De meester Dioscorides spreekt dat het sap van Hedera gelaten in de neus reinigt dat hoofd van kwade vloeden. (4) Item, Hedera met olie gekookt en in de oren gelaten beneemt de smarten daaruit. Item, de bladeren met wijn gekookt en dan gedronken beneemt hitte die den mensen in staat stelt te ontsteken.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt hier te lande veyl genoemd, in Hoogduitsland Ephew en in het Latijn Hedera, in het Grieks Kittos en Kissos. In het Hoogduits Schwartzer Eppich en Maur Epheu of Baum Epheu. 

Hedera komt van Grieks hedra, ‘zitten’, het zit steeds vast op zijn gastheer. Mogelijkerwijs is het ook verwant met haedus, ‘bokje, omdat ze die als voer dient.

Iwa, Iwe en dergelijke namen zijn vroeger voor de klimop en Taxus gelijknamig.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Haar wortel is van een koude natuur, het raakt de aarde, het groeit koud, haar bladeren blijven lang groen en die zijn van een bittere, bitterzuurachtige of stoppende smaak.

(3) Tegen doofheid neem je sap van klimop en meng het met olie van bittere amandelen en doe dit er in.

(4) Als je het sap in de neus doet reinigt dit het hoofd en verzacht de hoofdpijn.

gundelrebe clxiiii ca

Edera terτestris latine·grece camecissos·

(Diascoτides in dem capitel camecissos spτicht dz diþs haben bleter die sind gekernet und rotunde und wechset auff der erden·und bτeitet sich weit umb her·Sein blůmen sind gleich dem basilien blůmen an der gestalt·dises kraut wirt genüczet zů erczney und die wurczeln nit·Dise bleter gesoten in wasser und das getruncken benÿmmt ÿctericiam dz ist die gelesucht·Diþ ist ein gůt bad kraut für dem stein in dem lenden und für die sucht d fŭsse podagra genant·(Gundelreb hat zweierleÿ substanz·die ein ist von kalter natur·die and ist von [205] warmer natur als Pandecta spτicht·(Item gundelrebe mitt essig gesoten und auff das milcz gelegt ist die auff lauffung des milczes stillen·(Item gundelrebe safft in die oτen getan bτinget das hôren und ist auch gůt wider zene weethumb Pandecta in dem capitel Scissos·

(1) Hondsdraf, 164ste kapittel

Hedera terrestris Latijn. Grieks camecissos. (Glechoma hederacea)

Dioscorides in het kapittel camecissos spreekt dat dit heeft bladeren die zijn gekerfd en rond en groeit op de aarde en breidt zich wijdt om uit. Zijn bloemen zijn gelijk de Basilicum bloemen aan de vorm en dit kruid wordt genuttigd in de artsenij en de wortels niet. (2) Deze bladeren gekookt in water en dat gedronken beneemt icter, dat is de geelziekte. Dit is een goed badkruid voor de steen in de lenden en voor de ziekte van de voeten podagra genaamd. Hondsdraf heeft tweevormige substanties, de ene is van koude natuur en de ander is van [205] warme natuur zoals Pandecta spreekt. Item, hondsdraf met azijn gekookt en op de milt gelegd is het oplopen van de milt stillen. (3) Item, hondsdrafsap in de oren gedaan brengt dat gehoor en is ook goed tegen tandpijn, Pandecta in het kapittel Scissos.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit gewas tegenwoordig gewoonlijk in onze taal onderhave, in het Latijn Hedera terrestris, dat is eerdt-veyl, in het Hoogduits Grundelrab en Grundreb. 

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Van onderhave of edra terrestris worden de bladeren in de medicijnen gebruikt. (3) Het sap van hondsdraf dat in de neus gedaan wordt laxeert het hoofd en verzacht de hoofdpijn.

weisse nieszwurcz

Das clxv Capitel

Elleboτus vel poliziron grece·arabice cherbachen·latine velatrum·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel cherbachen idest Elleboτus spτicht dz der seÿ zweÿer hande eine weÿþ·die ander schwarcz. (Die weiþ nÿesþwurcz hat bletter beÿ nahe als wegerich oder kôle bleter allein dz sÿ kürczer sind an der weÿssen nieþwurcz und sind schwarcz mit einer kleiner rôte vermischet und hat ein stamm beÿnahe zweyer spannen lang·und hat wurczeln die sind subtile gleich den zwibeln wurczeln. Dise wurczel lasset sich geren bτechen und der soll man nit zů vil bτauchen·wann sÿ von natur dem menschen bestrompet od ersticket·(Die schwarcze nÿeþwurcz die hatt bletter die sind fast grŭn und an den ist scherpff und hatt einen kurczen stengel und weiþ blůmen·dÿse wurczel hat auch vil zasen gleich den zwibeln wurczeln dise wurczel bτauchet man in der erczneÿ.

(Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel Elleboτus beschτeibet uns von disen beÿden wurczeln als von der schwarzen und der weissen·und spτicht dz die beÿde heiþ und trucken sind an dem dτitten grade·Und dise beide wurczeln dienen wol den ausseczigen menschen die gesoten und damit dem leib gewåschen·Auch mügen die ausseczigen davon trincken wann sÿ reinigen die jnnerlichen glider und treiben jnnerlich auþseczige feüchtigkeit auþ durch bτechen und durch stůlgenge und des gleichen durch dem harm·Der meister Serapio spτicht dz die schwarcz nieþwurcz gebulvert und dz in die fisteln gelassen die verhertet sind benymmet die hertigkeit und heilet davon zůhant. [206] (Den mundt gewåschen mitt dem wasser do die schwarcz wurcze in gesoten ist·reÿniget die zeen und benymmt davon dz faul fleysch und tôdtet die wŭrm darjnnen. (Der meister ÿpocras spτicht·das die schwarzwurcz treÿbet auþ melancoleÿ durch den stůlgang·das ist dz schwår jrdisch geblŭt in dem menschen·Und die weÿþ nieþwurcz benÿmmet die melancoleÿ durch das bτechen oben auþ·(Der meister Avicenna spτicht·das schwarze nÿeþwurcz mit eþsig gesoten und den leÿb domit geschmieret benymmet die ausseczigkeit und die stinckenden hertten haut machet sÿ waÿch·und heÿlet also den grynd·und verczeret die wårczen an wôlichen enden die gesein mügen an dem leÿbe·(Und spτicht auch dz es fast gůt seÿ den ausseczigen von der schwarczen nÿeþwurczel·sÿ machet stůlgång·und von der weÿssen die machett das er sich oben auþbτeche·(Schwarcze nÿeþwurcz gesoten in eþsig·und in die oτen gelassen·benÿmbt dz sausen darinn·und stercket dz gehôτde·und ist fast gůt genüczt dem menschen die fantasey und bôse gedåncken haben·(Schwarcze nÿeþwurcz geleget in wein·und den darüber lassen steen zwů od dτeÿ stund·und darnach den abgesÿgen und ein wenig gesoten ist gůt getruncken des abents so einer schlaffen geet·der wein reiniget alle jnnerliche gelÿder von bôser feüchtikeit·und benymmt domit das haubtwee·und benÿmbt die tobenden sucht mania genant und benymmt den schwÿndel des haubtes·(Der meister Johannes mesue beschτeibt uns·dz dÿ weyþs nÿeþwurcz sol genüczet werden d ursachen halb·wann sÿ bestrompt gern den menschen.

(Die schwarcz wurczen mügen bτauchen die starcken menschen und nit die do blôd sind von nature·(Diþ wurczeln sollen gebτauchet werden in dem meyen so sind sÿ dem menschen mÿnd schad denn zů andern zeyten·(Die meister beschτeÿben uns gemeÿnigklich von disem wurczeln und spτechen das die weÿþ an jrer krafft stercker seÿ denn die schwarcz·(Item die frawen die jn håten todte kÿnder·die mügen trincken von der weÿssen nÿeþwurcz·oder geleget an die heÿmlichen stat treÿbet die auþ måchtigklich·(Item weysse nÿeþwurcze gelassen in die naþlôõcher·reyniget dz haubte·und treybet domit auþ vil füchte des haubtes·(Item für all weetagen d augen ist dises bulfer gůt·und under andere salben gemüschet die zů den augen dienen·(Item·weÿsse nÿeþwurcz gebulfert und gemüscht mit weissem melb·machet do sterben die meüþ die dz eþsen·(Daz selbig mit milch gemenget sterben dÿe fliegen·(Weÿsse nÿeþwurcz vertreybet die sucht tertanum genennet·Tertanus ist ein suchte die dem menschen die sehen adern zesamen zeühet·(Item·nÿeþwurcze gesoten mit petrooleo·und dz bodogram domit gesalbet daz ist (·n·j·) [207] ein sucht der fŭþs·benymmet dÿe zůhandt·(Schwarcze nÿeþwurcz benÿmmet febτes quartanas·das ist den viertågklichen rÿten d do lange zeÿt geweret hat in dem menschen·davon getruncken mit wein mit ein wenig zucker vermenget·(Der meister Plinius spτicht·daz gar nücz sej ein getranck von weysser nÿeþwurcz gemachet·den jhenen die do haben den viertåglichen ryten. Und spτicht auch das die selbigen sich wol sollen hŭτen voτ einem bôsen regiment der kost und des getrancks·und sollen sich voτhyn sechþ tag wol temperieren mit waycher und wolgedeüweter kost·und des abents sollen sÿ gancz nichcz essen wenn sÿ dem getrancke des moτgens ein nemen wôllen·Es sol auch lautter weter sein·und on wÿnde und auch warm·und doch nit zů warem und auch in einem gůten zeÿchen·Und wer des nit thet dem bekåme weÿsse nÿeþwurcze nit wol·(Auch spτicht Plinius das diþ wurczel voτhÿn gesoten sol werden in lÿnnþen oder gersten meel·oder in hônerbτŭ·und darnach den alten starcken leüten gegeben zů bτauchen·und also ist sÿ unschedlich·(Diser meister verbeütt auch do den jungen kÿnderen und den alten krancken leüten·und den jhenen die zů vil mager wåren·das sÿ sich hŭtten sollen voτ der weyssen nÿeþwurcze. Aber wenn es jnen not wåre so môcht man jn das eingeben mit hônigwasser genant mulsa.Man sol do der weÿssen nieþwurcze allein nit mer nemen zů einem male dann zweÿer pfenning gewÿcht·Aber mitt einem zůsacze so mag man das gewÿcht wol bessern·(Wilt du tauben fahen mit der hende·so seüde weysse nÿeþwurcz mit weÿczen also lang biþ das der weÿcz zerbτichet·gibe es åndten oder tauben zů essen·du fåhest sÿ mit der handt kürczlichen darnach·

(Item·Die meister spτechend das die schwarcz nÿeþwurczen unden auþstreÿbe mit dem stůlgang die bôsen feüchtung in dem menschen·(Die schwarcz nÿeþwurczel sol man sieden in lÿnnþen·und zwier also vil einnemen als der weÿssen·daz ist vier pfenning gewÿcht·und die nÿmm ein mit eÿer todtern·(Von schwarczer nÿeþwurcze getruncken vertreÿbet alle kranckheÿtt der jnnerlichen gelÿder·(Ein pflaster gemachet von der schwarczen nÿeþwurcz·und gelegt auf die maledeÿet haudt·heÿlet sÿ on zweyfel·(Wôllicher do verstopffet und vol wåre umb die bτust·der siede diser kreüter von schwarczwurcz mit wein unnd mit hônig·und seÿhe es durch ein thůch·unnd trincke das des abentz so du schlaffen wilt geen das machet die bτust senfft und reÿniget auch den magen·unnd was bôser feüchtung in dem kôτper ist die mÿnderet es·(Weer das gegicht håte oder die geschwulst an den fŭssen oder an dem leÿbe·wo das do wåre·der stoþ [208] se dise kreütter weÿþwurcz und schwarczwurcz und seÿhe das safft durch ein thůch·unnd trincke das mit wein nŭchteren·es vertreÿbet das gegicht und die geschwulst·(Item·für die geelsucht trincke von disem saffte so du geessen hast·du wirdest davon entlediget·unnd gewÿnnest ein hübsche farbe·(Item weÿsse nÿeþwurczen safft in die fisteln gelassen·ist sÿ wol fegen und heilen·Pandecta·

(1) Wit nieskruid.

Dat 165ste kapittel.

Elleborus vel poliriron Grieks. Arabisch cherbachen. Latijn velatrum. (Veratrum album)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel cherbachen, id est Elleborus, spreekt dat dit is tweevormig, de ene wit en de ander zwart. Dat witte nieskruid heeft bladeren bijna als weegbree of koolbladeren, alleen dat ze korter zijn aan het witte nieskruid en zijn zwart met een kleine roodheid vermengt en heeft een stam bijna vierendertig cm lang en heeft wortels die zijn subtiel gelijk de uienwortels. Deze wortel laat zich goed breken en die zal men niet te veel gebruiken want ze van natuur de mensen afstompt of verstikt. De zwarte nieswortel die heeft bladeren die zijn erg groen en aan het eind is het scherp en heeft een korte stengel en witte bloemen, deze wortel heeft ook veel vezels gelijk de uienwortels, deze wortel gebruikt men in de artsenij.

Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Elleborus beschrijft ons van deze beide wortels zoals van de zwarte en de witte en spreekt dat die beide heet en droog zijn aan de derde graad. En deze beide wortels dienen goed de huiduitslag mensen, die gekookt en daarmee het lijf gewassen. Ook mogen die huiduitslag daarvan drinken want ze reinigen de innerlijke leden en drijven innerlijk huiduitslagachtige vochtigheid uit door braken en door stoelgang en desgelijks door de urine. De meester Serapio spreekt dat dit zwart nieskruid gepoederd en dat in de etterwonden gelaten die verhard zijn beneemt de hardheid en heelt daarvan gelijk. [206] De mond gewassen met het water daar het zwarte kruid in gekookt is reinigt de tanden en beneemt daarvan dat vuile vlees en doodt de wormen daarin. De meester Hippocrates spreekt dat de zwarte drijft uit melancholie door de stoelgang, dat is dat zware aardse bloed in de mensen. En dat witte nieskruid beneemt de melancholie door het braken bovenuit. De meester Avicenna spreekt dat zwarte nieswortel met azijn gekookt en het lijf daarmee gesmeerd beneemt de uitslag en de stinkende harde huid maakt ze week en heelt alzo de schurft en verteert de wratten aan welke einden die zijn mogen aan het lijf. En spreekt ook dat het erg goed is tegen huiduitslag van de zwarte nieswortel, ze maakt stoelgang en van de witte die maakt dat het zich boven uitbraakt. Zwarte nieswortel gekookt in azijn en in de oren gelaten beneemt dat suizen daarin en versterkt dat gehoor en is erg goed genuttigd de mensen die fantasie en kwade gedachtes hebben. Zwarte nieswortel gelegd in wijn en dat daarover laten staan twee of drie stonden en daarna dat afgezeefd en een weinig gekookt is goed gedronken ‘s avonds zo iemand slapen gaat, de wijn reinigt alle innerlijke leden van kwade vochtigheid en beneemt daarmee de hoofdpijn en beneemt die verdovende ziekte mania genaamd en beneemt de duizeligheid van het hoofd. De meester Johannes Mesue beschrijft ons dat de witte nieswortel (niet) zal genuttigd worden vanwege de oorzaak want ze verstompt graag de mensen.

De zwarte zijn kruid mogen gebruiken de sterke mensen en niet die er bang zijn van natuur. (2) Deze wortels zullen gebruikt worden in de mei, dan zijn ze de mensen minder schadelijk dan in andere tijden. De meesters beschrijven ons algemeen van deze wortels en spreken dat de witte aan zijn kracht sterker is dan de zwarte. Item, de vrouwen die in zich hebben een dood kind die mogen drinken van de witte nieswortel of gelegd aan de heimelijke plaats, drijft die uit machtig. Item, witte nieswortel gelaten in de neusgaten reinigt dat hoofd en drijft daarmee uit veel vocht uit het hoofd. Item, voor alle pijnen van de ogen is dit poeder goed en onder andere zalf gemengd die tot de ogen dienen. Item, witte nieswortel gepoederd en gemengd met tarwemeel maakt zo sterven de muizen die dat eten. Dezelfde met melk gemengd sterven de vliegen. Witte nieswortel verdrijft de ziekte tertanum genoemd. Tetanus is een ziekte die de mensen die fijne aderen tezamen trekt. Item, nieswortel gekookt met petroleum en de podogram daarmee gezalfd, dat is [207] een ziekte der voeten, beneemt die gelijk. Zwarte nieswortel beneemt de koorts quartanas, dat is de vierdaagse malariakoorts die je lange tijd geweest is in de mensen, daarvan gedronken met wijn met een weinig suiker vermengt. (3) De meester Plinius spreekt dat erg nuttig is een drank van witte nieswortel gemaakt diegenen die er hebben de vierdaagse malariakoorts. En spreekt ook dat dezelfden zich goed zullen hoeden voor een kwaad regiment van de kost en de drank en zullen zich voorheen zes dagen goed temperen met weke en goed verteerbare kost en ‘s avonds zullen ze gans niets eten wanneer ze de drank ‘s morgens innemen willen. Het zal ook zuiver weer zijn en zonder wind en ook warm en toch niet te warm en ook in een goed teken. En wie dat niet doet die bekomt witte nieswortel niet goed. Ook spreekt Plinius dat deze wortel voorheen gekookt zal worden in linzen of gerstemeel of in hoenderbouillon en daarna de oude sterke mensen geven te gebruiken en alzo is ze onschadelijk. Deze meesters verbiedt ook dat de jongen kinderen en de oude zwakke lieden en diegenen die veel te mager zijn dat ze zich hoeden zullen voor de witte nieswortel. Maar als het hen nood is dan mag men hen dat ingeven met honingwater genaamd mulsa. Man zal van dat witte nieskruid alleen niet meer nemen in een keer dan twee penning gewicht. Maar met een toevoeging dan mag men dat gewicht wel verbeteren. Wil u duiven vangen met de handen, zo kook witte nieswortel met tarwe alzo lang tot de tarwe breekt en geef dat aan eenden of duiven te eten, u vangt ze met de hand kort daarna.

Item. De meesters spreken dat de zwarte nieswortel van onder uitdrijft met de stoelgang de kwade vochtigheid in de mensen. De zwarte nieswortel zal men koken in linzen en schier alzo veel innemen als de witte, dat is vier penning gewicht, en die neem je in met eierdooiers. Van zwarte nieswortel gedronken verdrijft alle ziekten van de innerlijke leden. Een pleister gemaakt van de zwarte nieswortel en gelegd op de boosaardige huid heelt ze zonder twijfel. Wie er verstopt en vol is om de borst die kookt deze kruiden van zwarte met wijn en met honing en zeef het door een doek en drinkt dat ‘s avonds zo u slapen wil gaan, dat maakt de borst zacht en reinigt ook de maag en welke kwade vochtigheid in het lichaam is die vermindert ze. Wie de jicht heeft of de gezwellen aan de voeten of aan het lijf, waar dat is, die stoot [208] deze kruiden, de witte en zwarte, en zeef dat sap door een doek en drink dat met wijn nuchter, (4) het verdrijft de jicht en die gezwellen. Item, voor de geelziekte drink van dit sap zo u gegeten hebt, u wordt daarvan geleegd en wint een mooie kleur. Item, witte nieswortelsap in de etterwonden gelaten is ze goed vegen en helen, Pandecta.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas met zijn medesoort wordt in onze taal witte nieswortel of wit nieskruid genoemd, in het Hoogduits Weisse Nieswurtz. In het Grieks heet het Helleboros leucos of soms Elleboros leucos, in de apotheken Helleborus albus.

Herbarius in Dyetsche; (2) De oude dokters waren gewend om de witte Helleborus te gebruiken zoals wij het nu met scammonia doen want de lichamen leken toen veel sterker te zijn en konden haar geweld goed verdragen, maar nu zijn ze krachteloos en zwakker zodat ze Helleborus, noch zijn geweld niet zouden kunnen verdragen, ja, met grote voorzichtigheid zou je het in medicijnen mogen geven die hiermee gesterkt worden. Daarom zal je zieke, nog magere lieden vooral geen Helleborus album geven en aan hen die nauw of smal in de borst zijn zal je het ook niet geven want het laat met geweld overgeven en van onder zeer kwijt worden, maar slijmachtige vette lieden die gemakkelijk en zonder letsel overgeven mag je het geven, nochtans met grote voorzichtigheid. (3) Venkelwater met oxymel (dat is azijn en water tezamen gekookt waar witte Helleborus een nacht in geweekt heeft) is goed tegen dagelijkse koorts die van fleuma vitreum (b) komen. (4) Hetzelfde is ook goed tegen pijnen in de leden of gewrichten, tegen jicht in handen en voeten en tegen jicht.

schwarcz niesswurcz

Das clxvi Capitel

Elleboτus niger grece·arabice Melampolion·

(Die meister beschτeÿbent uns vil von der schwarczenn nÿeþwurczen als du dann do gehôτt hast in dem capitel vor disem·

Und dises ist darumb von den arabischen geheÿþsen Melampolion·wann es was ein man der hieþ Melampus·der hett do thôchteren die waren nicht sÿnnig·also das sÿ behafttet waren mit der kranckheÿt genant mania·das ist die tobende sucht die machet er do gesundt mit dyser wurczeln·(Ander tugent die sÿ an jr hat·die findest du do in dem voτderen capitel Elleboτus albus genant·(·n·ij·) [209]

(1) Zwarte nieswortel, Kerstkruid.

Dat 166ste kapittel.

Elleborus niger Grieks. Arabisch Melampolion. (Helleborus niger)

De meesters beschrijven ons veel van de zwarte nieswortel zoals u dan gehoord hebt in het kapittel voor deze. En deze is daarom door de Arabieren genoemd (2) Melampolion, want er was een man die heette Melampus en die had dochters en die waren niet zinnig alzo dat ze behept waren met de ziekte genaamd mania, dat is de verdovende ziekte, die maakt hij gezond met deze wortels. Andere deugd die ze aan zich heeft die vind u in het vorige kapittel Elleborus albus genaamd. [209]

(1) Dodonaeus; ‘Voorts zo wordt het zwart nieskruid in het Latijn Helleborus niger en Veratrum nigrum genoemd, in het Grieks Elleboros melas en van sommige Melampodion, in het Hoogduits Schwartz Nieswurtz.

(2) Dodonaeus; ‘‘De oorzaak van de naam Melampodion is omdat het eerst van Melampus gevonden of in kennis gebracht en gebruikt is geweest want hij (zo de ouders geloofd hebben) heeft de razende en dolle dochters van Proetus met deze kruiden eerst gepurgeerd en daardoor geholpen of tot hun zinnen en oude verstand wederom terug gekeerd was.

Gensz zungen

Das clxvii Capi

Endivia latine·

(In dem bůch Circa instans in dem capitel Endivia beschůeiben uns die meister und spůechen·dz dises kraut seÿ von natur kaltt und trucken an dem andern grade. Die bletter und den samen bůauchet man in der erczneÿ·und die wurczel dienet nit in d erczneÿ·(Dise bleter so sÿ grŭn sind haben vil tugent an jn·Aber dürτe sind sÿ nit zů bτauchen·(Item. Endivia stercket das hercze dz siech ist von hÿcze·Und ist auch gût d hÿczigen lebern und milczen·(Für die geelsucht·Nÿmme des sÿropels ein mit endivia gemachet·es hilffet mit hÿrþzungenwasser vermenget·(Diser sÿropel benÿmmet auch tercianam·das ist dz fieber des dτýtten tags. (Item·den safft von den bletteren gelegt auff die hyczigen blatern zeühet die hÿcze darauþ und kŭlet die fast wol·(Item zů dem heÿssen geschweren stoþs dises kraut und lege das darauff·es hilfft fast wol·(Dises gelegett auþwenig auff den leyb benymmt die hÿcze der lebern·(Item wenn man das kraut nit grůn gehaben mag so sol man nemmen den samen und den zerknüschen unnd also legen auff einen hÿczigen schaden·es hilfft on zweyfel·

(1) Andijvie.

Dat 167ste kapittel.

Andijvie Latijn. (Cichorium endivia)

In het boek Circa instans in het kapittel andijvie beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is van natuur koud en droog aan de andere graad. De bladeren en de zaden gebruikt men in de artsenij en die wortel dient niet in de artsenij. Deze bladeren zo ze groen zijn hebben veel deugd aan zich. Maar droog zijn ze niet te gebruiken. Item. (2) Andijvie versterkt dat hart dat ziek is van hitte. (3) En is ook goed de hete lever en milt. Voor die geelziekte: Neem de siroop in met andijvie gemaakt, het helpt met hertstongenwater vermengt. Deze siroop beneemt ook tercianam, dat is de derdedaagse malariakoorts. Item, het sap van de bladeren gelegd op de hete blaren trekt de hitte daaruit en verkoelt die erg goed. Item, tot de hete zweren stoot dit kruid en leg dat daarop, het helpt erg goed. Dit gelegd aan de buitenkant op het lijf beneemt de hitte van de lever. Item, als men dat kruid niet groen hebben mag dan zal men nemen de zaden en die kneuzen en alzo leggen op een hete schade, het helpt zonder twijfel.

(1) Dodonaeus; ‘‘Het eerste geslacht heet hier te lande endivie, in Hoogduitsland Scariol en in het Grieks noemt men het Seri hemeros, in het Latijn Intybum sativum en bij sommige Endivia, Op sommige plaatsen van Nederland plag de andijvie gansen-tonghe te heten en in het Latijn Lingua anserin’.

(2) Herbarijs; ‘Endivia en scariola is bijna gelijk en is koud en droog in de eerste graad. En de bladeren zal men leggen in medicijnen.

(1) Dodonaeus; ‘‘De eerste soort wordt hier te lande hasen-lattouwe genoemd, misschien naar de voor vermelde naam die Apuleius dit kruid geeft, in Hoogduitsland Hasenkohl en op het Latijns Brassica Leporina.

Saw dysteln

Das clxviii Capi [210]

Endivia silvestris latine·

(Die meister spτechen·das dise dÿstel sind kalt unnd feücht an dem dτÿttenn grad·(Diser dÿstlen wachþent vil auff dem fellde under der frucht·Ire bleter sind scharpff und stechen der sÿ angreyfft. (Dises kraut gestossen und den safft darauþ gelassen·benÿmbt crisipilam·das ist ein hicziger fluþ an dem leybe also genant·(Wilde dÿsteln benemen die hÿcze des gemåchtes·die gesoten mit wasser und domit daz gemácht gebáet·(Dises krautes safft dienet fast wol in dÿe salben domit zů kŭlen·(Unnd für alle hyczige gebτechen auþwenig des leybes dienet d safftt wol·Diser safft benÿmmet alle hÿczige geschwulste darauff gestrychen·

(1) Melkdistel.

Dat 168ste kapittel. [210]

Andijvie silvestris Latijn. (Sonchus oleraceus)

De meesters spreken dat deze distel is koud en vochtig aan de derde graad. Deze distel groeit veel op de velden onder de vruchten. Zijn bladeren zijn scherp en steken als je ze aangrijpt. Dit kruid gestoten en het sap daaruit gelaten beneemt crisipilam, dat is een hete vloed aan het lijf, alzo genaamd. Melkdistels benemen de hitte van het geslacht, die gekookt met water en daarmee dat geslacht baden. Dit kruid zijn sap dient erg goed in de zalf daarmee te koelen. (2) En voor alle hete gebreken aan de buitenkant van het lijf dient dat sap goed. Dit sap beneemt alle hete gezwellen, daarop gestreken.

Zie kapittel 334.

(1) Dodonaeus; ‘‘De eerste soort wordt hier te lande hasen-lattouwe genoemd, misschien naar de voor vermelde naam die Apuleius dit kruid geeft, in Hoogduitsland Hasenkohl en op het Latijns Brassica Leporina. Zeugdistel, Duits Saudistel, midden Hoogduits Sewdistel en Sudistel, Saumelde bij Cordus.

Dodonaeus; (2) Dan hetzij dat men ze eet, hetzij dat men haar bladeren en stelen groen gestoten papvormig van buiten oplegt zijn ze zeer nuttig om alle harde zwellingen en verhitting te verkoelen omdat ze merkelijk koud van aard zijn en daarom zijn ze zeer goed op alle ontstekingen, verhitting en hete zwellingen gelegd.

Die fasen auf den kleen

clxix capitel

Epitimum latine·grece Epitimon·arabice Athemon·

(Die wirdigen meister beschτeiben uns·das dises seÿ heÿþ und trucken an dem andern grad·Etlich meister spτechen an dem dτitten grad·Dises wåchþt an heissen und an feüchten steten·Die blůmen bτauchet man in d erczney·(Diascoτides spτichet·das epitimum reÿniget und purgieret flegma·und melancoleÿ·mit den selben stucken gemüschet die zů der melancoley dienen·

(Epitimum sol für sich selber nit gebτauchet werden oder allein·sunder mit stucken vermüschet·als dann ist lapis lasuli·dz ist mit lasur steine·od pillule de fumo terτe·das ist von erdrauch. (In den bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister ein recept für die quartan also·Nymme dτitthalb lot epitimum·und seüde die in wasser und seÿhe denn daz wasser durch ein tůch·und müsche darunder lasurstein·und gib das dem sichen zů trincken. (Diser tranck ist auch fast gůt den jhenen·die do haben emoτrodias·das ist ein fluþ in dem afftern·davon gemeÿnigklich kommend feüchtblatern·Mitt disem stuck ist manger gesundt gemachet woτden und davon entlediget·Wôlcher do hette einen haubtschwÿndel der von melancoleÿ kåme·der mache jm einen sÿropel von senyth·unnd diser (·n·iij·) [211] blůmen bleter·und darund müsch zucker als vil du wilt·

(Diser sÿropel ist gůt dem milcz davon denn die melancoleÿ entspringet·(Epitimum gesoten mit wein und ôle und gelegt zwÿschen das gemåchte und dem nabel·benymmet stranguiriam·dz ist dz trôpflingen hårmen·(Der meister johannes mesue spτicht·dz epitimum gůt seÿ für dz hercz zÿttern·und ist fast nuczlich den verstopften milczen davon groþ kranckeit entsteend in dem haubt mit fantasey·(Und spτicht auch dz es seÿ ein wol bewårte erczneÿ für den krebþ und für die ausseczigkeÿt·und benÿmbt febτem quartanam·(Es ist zů wissen·das epitimum nit sol gebτaucht weτden in dem summer·(Der meister Avicenna beschτeybet uns und spτicht·das epitimum benem die zerschwollen und auffgelauffen haudt an dem menschen von bôser feüchtikeit·und ist fast gůt den jhenen die d krampff seer rŭret·(Epitimum sol ein genommen werden andeτhalb lot mit hônig und wenig salcz·und treybt stercklich auþ die melancoleÿ·und behŭtet den menschen voτ ausseczigkeyt· (Item·Epitimum·und senÿth·und hyrþzung·gesoten mit wein darein vermenget gestoþsen baÿn von einen hÿrþen hercze·ist gůt wider das hercz weetumb. Und ist auch gût wid die melancoleÿ des hyrns Platearius·

(1) Klein warkruid. De vezels op de klaver. 169ste kapittel.

Epitimum Latijn. Grieks Epitimon. Arabisch Athemon. (Cuscuta epithymum)

De eerwaardige meesters beschrijven ons dat dit is heet en droog aan de andere graad. Ettelijke meesters spreken aan de derde graad. Dit groeit aan hete en vochtige plaatsen. De bloemen gebruikt men in de artsenij. (2) Dioscorides spreekt dat epitimum reinigt en purgeert flegma en melancholie met dezelfde stukken gemengd die tot de melancholie dienen.

Epitimum zal op zichzelf niet gebruikt worden of alleen, uitgezonderd met stukken vermengt zoals dan is lapis lazuli, dat is met lazuursteen, of pillen van fumo terre, dat is van aardrook. (3) In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters een recept voor de vierdaagse malariakoorts alzo: Neem drie en een half lood epitimum en kook die in water en zeef dan dat water door een doek en meng daaronder lazuursteen en geef dat de zieke te drinken. Deze drank is ook erg goed diegenen die er hebben hemorroide, dat is een vloed in het achterste daarvan gewoonlijk komen aambeien. Met dit stuk zijn vele gezond gemaakt geworden en daarvan geleegd. Wie er heeft een hoofdduizeligheid die van melancholie komt die maakt hem een siroop van senna en deze [211] bloemen en bladeren en daaronder meng je suiker zoveel als je wil.

Deze siroop is goed de milt waarvan dan de melancholie ontspringt. Epitimum gekookt met wijn en olie en gelegd tussen dat geslacht en de navel beneemt stranguriam, dat is dat druppelend plassen. De meester Johannes Mesue spreekt dat epitimum goed is voor dat hart sidderen en is erg nuttig de verstopte milt daarvan grote ziektes ontstaan in het hoofd met fantasie. En spreekt ook dat het is een goed bewaarde artsenij voor de kanker en voor de huiduitslag en beneemt de vierdaagse malariakoorts. Het is te weten dat epitimum niet zal gebruikt worden in de zomer. De meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat epitimum beneemt de gezwollen en opgelopen huid aan de mensen van kwade vochtigheid en is erg goed diegenen die de kramp zeer roert. Epitimum zal ingenomen worden anderhalf lood met honing en weinig zout en drijft sterk uit de melancholie en behoedt de mensen voor huiduitslag. Item. Epitimum en senna en hertstong gekookt met wijn daarin vermengt gestoten been van een hertenhart is goed tegen de hartenpijn. En is ook goed tegen de melancholie van de hersens, Platearius.

Zie kapittel 92.

Dodonaeus behandelt het warkruid als Cuscuta, "dat is wranghe of schorfte". Het zonderlinge, dat de plant geen groene bladeren en wortels heeft, weet hij evenmin als zijn tijdgenoten te verklaren. De geleerden konden dit niet doorgronden en de eenvoudige vlasboer brengt het Boze in het spel.

Herbarijs; ‘ Epitinum is heet en droog in de 3de graad en het is gevormd als bloemen en windt zich om een kruid dat tijm heet en groeit graag in hete landen en in hete plaatsen. (2) En heeft kracht melancholie (zwarte gal) te purgeren en fluimen en gal. (2) En daarom is het goed tegen vierdedaagse koortsen en is wat laxerend in het werk’.

ein gummi also genant

clxx Capitel

Eufoτbium latine·grece Eufoτmÿon·arabice Afarbion·

(Die wirdigen meister spτechen·als Serapio diascoτides und Plinius·das eufoτbium seÿ ein gummi fliessend auþ einem baume in jndia·Unnd dises ist fast scharpff in dem munde·Die selbigen leüt in jndia die sammlend dises gummi also·Sÿ nemmen ein bocks haudt oder eines anderen thieres haudt·und machen die gar schôn·und machen die do umb den baumm und werffen mitt glanczen an den baumen·woo er denn gewundt wirt do laufft ein safft darauþ geleicherweÿþ als [212] auþ einer wunden das blůtt·und die weil diser safft also laufft so genåhnen sÿ dem baum nit·dann der safft ist als scharpff dz er von d scherpff den menschen tôttet·und diþs geschicht in dem hunds tagen und wenn dises gummi getrucknett von d hÿcz d sunnen·so nemen sÿ dz ab·dz heÿþt denn Eufoτbium·(Die meister spτechen auch·daz kein besser gummi seÿ von natur und allen gummi dann dises·(In dem bůch circa instans in dem capitel eufoτbio·beschτeiben uns die meister und spτechen·dz dises seÿe heyþ und trucken an dem vierden grade·Das best eufoτbium sol nit vermüscht sein mit erden·und sol sein lauter·dann dz auff die erden fleüsset dz wirt vermüschet mit d erden·und dz ist nit also reÿn als dz auff die hautt fleüþt·darumb ist dises dz best dz reyn und klar ist und dz do hat ein rôtlate farb·und dises weret·xl·jare unverseeret an seiner krafft·(Dises gummi wirt dick gefelschet mit einem gummi genant sarcoculla·und gummi arabicum od dτagantum·und vermüschen die darunder·Dises hat die krafft nit an jm die denn haben sol eufoτbium·(Johannes mesue spτicht·daz eufoτbium reÿnige und treÿbe die bôsen flegma auþ von grund·Unnd ist kein besser ding darzů denn eufoτbium·die flegma auþ zů ziehen auþ dem gewerben und auþ allen gelÿdern·

(Eufoτbium gemüschet mit baumôle·und die wassersüchtigen gelyder domit geschmieret·hilfft seer. (Dises auf die lebern und milcz geschmieret·benÿmmit den schmerczen davon·(Eufoτbium in die nasen gelassen machet fast nyeþen und zeühet vil bôser feüchtunge auþ dem haubt·(Eufoτbium gemüschet mit olea de spyca und die stirn domit bestrichen und oben auf dem haubt·benÿmmt die geschweer auf dem haubt genant litargia frenesis·und machet gůt sÿnn·und benÿmmt auch also gestrichen an dem halþ squinantiam·dz ist ein geschweer in dem halþ·(Auch spτichtt Johannes mesue dz eufoτbium behalten müg werden·xl·jar·und ist alt besser denn frÿsch·wann so es ÿe frÿscher ist so ist es mer gifftig denn so es alt ist·und dz merck dobeÿ dz man dem gummi nit genåhnen tar so es auþ dem baumm fleüþt·als oben steet·

Een gom alzo genaamd.

170ste kapittel.

(1) Euphorbium Latijn. Grieks Euformÿon. Arabisch Afarbion.(Excoecaria agallocha)

De eerwaardige meesters spreken zoals Serapio, Dioscorides en Plinius dat Euphorbia is een gom vloeiend uit een boom (2) in India. En dit is erg scherp in de mond. Dezelfde mensen in India die verzamelen deze gom alzo: Ze nemen een bokkenhuid of een andere dierenhuid en maken die erg schoon en maken die zo om de boom en werpen met lansen aan de bomen en waar die dan gewond wordt daar loopt er een sap daaruit gelijkerwijze als [212] uit een wond dat bloed en de tijd dit sap alzo loopt zo naderen ze de boom niet, dan het sap is alzo (3) scherp dat het van de scherpte de mensen doodt en dit geschiedt in de hondsdagen en als deze gom gedroogd is van de hitte der zon zo nemen ze het af en dat heet dan Euphorbia. De meesters spreken ook dat er geen betere gom is van natuur en alle gommen dan deze. In het boek Circa instans in het kapittel euforbio beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet en droog aan de vierde graad. Dat beste Euphorbia zal niet vermengd zijn met aarde en zal zijn zuiver, dan dat op de aarde vloeit dat wordt vermengd met de aarde en dat is niet alzo rein zoals dat op die huid vloeit, daarom is deze de best die rein en helder is en die er heeft een roodachtige verf en deze blijft 40 jaar onveranderd aan zijn kracht. Deze gom wordt vaak vervalst met een gom genaamd Penea Sarcocolla en gom arabicum of dragantum en vermengen die daaronder. Deze heeft de kracht niet aan zich die dan hebben zal Euphorbia. Johannes Mesue spreekt dat Euphorbia reinigt en drijft de kwade (4) flegma uit van de grond af aan. En is geen beter ding daartoe dan Euphorbia om het flegma uit te trekken uit de wervels en uit alle leden.

Euphorbia gemengd met olijvenolie en de (5) waterzuchtige leden daarmee gesmeerd helpt zeer. Dit op de lever en milt gesmeerd beneemt de smarten daarvan. (6) Euphorbia in de neus gelaten maakt erg niezen en trekt veel kwade vochtigheid uit het hoofd. Euphorbia gemengd met olea de spica en dat voorhoofd daarmee bestreken en boven op het hoofd beneemt de (7) zweer op het hoofd genaamd litargia phrenitis en maakt goede geest en beneemt ook alzo gestreken aan de hals squinancie, dat is een zweer in de hals. Ook spreekt Johannes Mesue dat Euphorbia behouden mag worden 40 jaar en is oud beter dan vers, want zo het verser is zo is het meer giftig dan zo het oud is en dan merk daarbij dat men de gom niet naderen durft zo het uit de boom vloeit zoals boven staat.

Dodonaeus; ‘De Griekse en Latijnse schrijvers hebben dit eerste gewas Euphorbion of Euphorbium genoemd, Plinius noemt het ook soms Euphorbia. Het sap voert insgelijks dezelfde naam en wordt in de apotheken ook Euphorbion of Euforbion genoemd.

Herbarius in Dyetsche; ‘Euphorbia of Euphorbium is een gom van een boom in (2) Indië waarvan het gom in de hondsdagen verzameld wordt. Euphorbium heeft de kracht om (4) tot zich te trekken en slijm te purgeren, het is ook goed tegen jicht en het jicht in de handen en voeten.

Gebτent ercz clxxi ca

Es ustum latine·grece Calcus vel calcucecaumenam·vel culcostaumenan·

(Die meister spτechen das dises sey heyþ und trucken an dem vierden grad·(Dises reÿniget melancoliam·und darumb machet man es in die pflaster die do dienen zů den milczen darauþ denn entspτinget melancoleÿ·(Es ustum eczet auþ faul fleysch. (Es ustum gemüschet mit hônig und mit seÿffen·und dises gelassen in ein fistel·heÿlet sÿ zůhandt·

(Wôlcher den gebτesten het genant bolipus·das ist ein fleysch wechþt in der nasen·d neme es ustum·und strewe es auff ein pfla (·n·iiij·) [213] ster genant axicroceon·oder auf ein apostolicum unnd lege das darauff·es eczet das ab und heÿlet es on zweýfel·

Gebrand erts. 171ste kapittel.

(1) Es ustum Latijn. Grieks Calcus vel calcucecaumenam vel culcostaumenan.

De meesters spreken dat dit is heet en droog aan de vierde graad. Dit reinigt melancholie en daarom maakt men het in de pleister die je dienen tot de milt daaruit dan ontspringt melancholie. (2) Es ustum eet uit vuil vlees. (3) Es ustum gemengd met honing en met zeep en dit gelaten in een etterwonde heelt ze gelijk.

(2) Wie het gebrek heeft genaamd polypus, dat is een vlees dat groeit in de neus, die neemt es ustum en strooi het op een pleister [213] genaamd axicroceon of op een apostolicum en leg dat daarop, het eet dat af en heelt het zonder twijfel.

Es komt wel van aes; koper. Aes ustum is de naam van gebrand koper en is nu bekend als koperoxide. Het werd gebruikt door Paracelsus en zijn opvolgers. Een preparatie zou giftig zijn, maar werkt als een bactericide.

Herbarius in Dyetsche, ‘Viride eris noemen sommige mensen Spaans groen. Het is heet en droog, (2) het verteert het overvloedig vlees waar dit is en vooral in de neus als het met honing gemengd is. (3) Met honingwater geneest het de lopende gaten en verbetert het verrotte tandvlees en verbetert het verkankerde vlees.

Elephanten zan

Das clxxii capitel

Ebur latine·

(Die meister spτechen·das ebur heisse eines elephanten zan·darumb ist des elephanten figuren hie geseczet·umb seines gelyds willen das gar in manger erczneÿ genüczt wirt·auch gar grosse tugent darjnn erfunden ist·

(Von disem zan geschabet bulfer und das gemüschet mit rosenõle·und populeonis und darczů ein wenig wachþ·und gemachet geleich einem pflaster heylet panaricium·dz ist ein geschwer in d wurczel des nagels an fŭssen und an den henden·darauff geleget geleÿch einem pflaster·heÿlt das zůhandt·(Mit disem geschabnen bulfer gezwagen dz haubte·machet har wachþen·(Dises bulfer eingetruncken mit eþsich·benÿmmt epilentiam·dz ist die fallenden sucht·(Wôlcher eines elephanten hautt leget auff die gelyder darjnn das gegicht wŭttet·benÿmmt den schmerczen in einer nacht allen·und stercket die gelÿder daz darein kein gegicht kommen mag·(Item·eins elephanten baÿn gebτennet und gebulfert unnd dises bulfer ein genommen mit bockþ harm·bτichet den stein in den lenden und in d blasen on allen schaden und weetagen und dises sol geschehen dτeÿ mal nach einand. (In dem capitel spodium findest du auch von dem elephanten·Und spodium ist kalt in dem dτitten grad und trucken in dem ersten·Und spodium das ist·elephanten baÿn gebτennet·

(1) Olifantentanden, ivoor.

Dat 172ste kapittel

Ebur Latijn.

De meesters spreken dat ebur heet een olifantentand, daarom is de olifant figuur hier gezet vanwege dat lid dat erg in vele artsenij genuttigd wordt en ook erg grote deugd daarin gevonden is.

Van deze tand geschaafd poeder en dat gemengd met rozenolie en populeonis en daartoe een weinig was en gemaakt gelijk een pleister heelt panaritum, dat is een zweer in de wortel van de nagel aan voeten en aan de handen, daarop gelegd gelijk een pleister en heelt dat gelijk. Met dit geschaafde poeder gedweild dat hoofd maakt haar groeien. Dit poeder ingedronken met azijn beneemt epilepsie, dat is de vallende ziekte. Wie een olifantshuid legt op de leden daarin dat jicht woedt dat beneemt de smarten in een nacht geheel en versterkt de leden zodat daarin geen jicht komen mag. Item, een olifant been gebrand en gepoederd en dit poeder ingenomen met bokkenurine breekt de steen in de lenden en in de blaas zonder alle schade en pijnen en dit zal geschieden driemaal na elkaar. In het kapittel spodium vindt u ook van de olifant. En spodium is koud in de derde graad en droog in de eerste. En spodium dat is olifant been gebrand.

Zie kapittel 371 voor spodium.

(1) Olifant, in Duits is het Elefant, als Elephas was het ivoor een belangrijk handelsartikel al bij de oude Ethiopiërs, Homerus vermeldt het onder die naam.

Blůtstein clxxiii Ca

Ematites lapis latine·grece litos ematitos·arabice Sedeneg·

(Serapio libτo aggregatoτis capitulo Sedeneg·idest lapis ematites·spτicht·das diser steyn seÿ an der farbe geleÿch dem blůt. Blůtstein ist von natur stopffen und trucken machen und ist keltten·(Platearius·diser stein ist kalter und truckner natur·(Dises steins findet man vil in den landen gegen d sunnen auffgang. (Diser stein in die handt genommen so die nasen blůtet·styllett das blůten in d nasen·(Disen stein gebulfert und gemüschett mit tåschelkrautsafft und dises [214] in die naþlôcher gestrÿchen·benÿmmet das blůten darauþ·

(Wer blůt speyet der neme dises steins bulfer gemüschet mit rosenwasser und darzů gummi arabicum·und darauþ pillelen gemachet·Dise pillelen eingeschlicket ein quintin benymmt dz blůtspeÿen·(Wôlcher den blůtgang håte d neme eines eÿes weÿþs und eþsig ÿegklichs zweÿ lot·rosenôle vier lot·des bulfers von disem stein ein lot·und lasse dises undem ein mit einen clistier·es hilffet·(Für den fluþ genant menstruum nücz dises bulfer mit wegrich safft es stopffet den weissen und den roten fluþ d stawen·

(Für all flüsse des leÿbes die einen urspτung haben von hycz od überflüssiger feüchtung nücz disen stein er stopffet behendiklich.

(1) Bloedsteen, 173ste kapittel.

Ematites lapis Latijn. Grieks litos ematitos. Arabisch Sedeneg. (Hematiet)

Serapio libro aggregatoris capitulo Sedeneg, id est lapis ematites, spreekt dat deze steen is aan de verf gelijk het bloed. Bloedsteen is van natuur stoppen en droog maken en is verkoelend. Platearius, deze steen is van koude en droge natuur. Deze steen vindt men veel in de landen tegen de zonsopgang. (2) Deze steen in de hand genomen zo de neus bloedt stilt dat bloeden in de neus. Deze steen gepoederd en gemengd met tasjeskruidsap en dit [214] in die neusgaten gestreken beneemt dat bloeden daaruit.

Wie bloed spuwt die neemt deze steen zijn poeder gemengd met rozenwater en daartoe gom arabicum en daaruit pillen maken. Deze pillen ingeslikt een quintin beneemt dat bloedspuwing. (3) Wie de bloedgang heeft die neemt eiwit en azijn, van elk twee maal 16,7 gram, rozenolie, vier maal 16,7gram, het poeder van deze steen, een 16,7 gram, en laat dit onderin met een klysma, het helpt. (4) Voor de vloed genaamd menstruatie, nuttig dit poeder met weegbreesap, het stopt de witte en de rode vloed van de vrouwen.

Voor alle vloed van het lijf die een oorsprong hebben van hitte of overvloedige vochtigheid, nuttig deze steen die stopt behendig.

Het is het Duitse Glanzeisenerz vanwege de gewoonlijke hoge glans van de kristallen. Het is herkenbaar doordat het staalgrijze haematiet op ongeglazuurd aardewerk een rode streep weergeeft. Bij het slijpen zal er dan rood gekleurd water uit vloeien wat op bloed lijkt, vandaar dat het ook wel bloedsteen genoemd wordt.

Herbarius in Dyetsche;Emathites, die sommige bloedsteen noemen, is koud en droog. (3) Het is een soort steen die de kracht heeft om rode loop (dat is de rode bloedgang) te stoppen als je een pleister van het poeder van bloedsteen met het wit van een ei en rozenolie en azijn maakt en dit op de darmen legt. (4) Hetzelfde is goed tegen de verborgen loop of stonden van de vrouwen als je het met het sap of het water van weegbree mengt. (2) Hetzelfde, zegt men, is ook goed tegen het bloeden van de neus als je het met het sap van tasjeskruid in de neus doet.

Edus clxxiiii Capit

Edus latine·

(Die meister spτechen gemeÿniklichen·dz dises thier klein und feÿþt seÿ·und ist gar lustlich sein fleysch·und bτingt dem menschen gůt geblŭt und ist verdeüwlich. (Von disem thiere beschτeÿbet uns ÿsidoτus in seinem zwôlfften bůch und spτicht·dz dises seÿ getemperiereter natur·also das es weder zů heÿþ noch zů heÿþ noch zů kaltt·weder zů feücht noch zů truckner natur ist·(Dises thieres haudt machen gesund die bÿþ d tobenden hund also warm darauff geleget·(Dises thieres har gebτennet·und einen rauch domit gemachet·diser rauch treÿbet hÿn die schlangen und andere vergifftige thiere·(Von diser haudt gemachet bτust thŭcher sind gesundt allen menschen wynter und summer·

Bokje of gesneden lam, 174ste kapittel.

(1) Edus Latijn. (Ovis aries)

De meesters spreken algemeen dat dit dier klein en vet is en is erg lustig zijn vlees en brengt de mensen goed bloed en is verteerbaar. Van dit dier beschrijft ons Isidorus in zijn twaalfde boek en spreekt dat dit is getemperde natuur alzo dat het nog te heet, nog te koud, nog te vochtig, nog van te droge natuur is. Dit dier zijn huid maken gezond de beet der dolle hond alzo warm daarop gelegd. Dit dier zijn haar gebrand en een rook daarmee gemaakt, deze rook verdrijft heen de slangen en andere vergiftige dieren. Van deze huid gemaakt borstdoeken zijn gezond alle mensen winter en zomer.

Herbarius in Dyetsche; ‘Hedus, Edulus, een hueke of Edus genoemd en in het Latijn Ab ededo, van eten, omdat het veel eet.

fenchel clxxv Capi

(F)Eniculus latine

Arabice Bazienis vel Haienegi vel Hakasmech·

(Die wirdigen hochgelerten meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Feniculus beschτeibt uns und spricht·das der seÿ heÿþ und trucken an dem andern grad·Den samen das kraut die rÿnden und auch die wurczel bτauchet man [215] in d erczneÿ.Den samen sol man samlen in dem angeenden monat des herbtes·den mag man halten dτeü jar·Die rÿnden und wurczlen sol man samlen an dem angeenden monat des meÿen·Und die weren ein jar·Wenn man in einem recept findet geschτiben maratrum·so meÿnet man den samen von fenchel· (Der meister Diascoτides spτicht·das den frawen gar gůt sey fenchel geessen die kÿnder seügen·wann er meret jn die milch. (Fenchelsamen geessen machet wol hårmen und reyniget die frawen an jrer sucht·(In dem bůch circa instans steet geschτiben· das fenchel fast gůt seÿ den verstopfften hertten milczen und lebern·und auch den die mit not neczen·Unnd er ist auch fast gůt den die den stein haben·Und wåre es sache das die ÿeczgenant kranckheyt kåme·von hÿcze·so sol man die rÿnden von fenchel und die wurcz sieden in wein·und den nüczen des abents und moτgens so man schlaffen wil geen·(Item·fenchel geessen stercket den magen·und machet wol deüwen·Des geleichen thůt das bulfer von fenchel samen·(Den safft von fenchelsamen geton in ein zÿnen geschirre·und das darinnen lassen steen fünffczehen tage·darnach mag man es bτauchen zů den augen·als das jucken der augen·do ist es ein gewÿþe kunst·(In den safft geton ein wenig aloe paticum·und das lassen steen an der sunnen in einem zÿnen geschirτe fünffczehen tag··unnd das über das aug geleget wie ein coloτium. (Der meister Diascoτides spτichet·das die wurczln gůt seÿe gekochet mit hônig und geessen·machet gesundt den menschen d do gebÿssen wåre von einem tobenden hund·(Der safft von fenchelkraut in der sunnen gedôτret·ist gůt zů allen den gebτesten der augen·(Von dem samen genüczet so er noch grŭn ist dienet auch fast wol zů allen sachen d augen·(Der ÿeczgenant safft ist gůt dem genüczet der do hått die geelsucht·(Der safft von d wurczeln ist zů vil dingen gůtt·Aber doch allermeÿst sol er genüczet werden für die augen.

(Der safft van fenchelkrautte gemüscht mit hônig und warm in die oτen gelassen·machet dar jnnen sterben die wŭrm·(Die wurczeln gekochet mit geersten meel unnd mit wein·unnd das getruncken·hilffet fast wol den wassersüchtigen·(Fenchel in wein oder in wasser gesoten und das do getruncken·benÿmbt den stein in der blasen·(Es hilffet auch den frauwen die an jrer zeÿte verjrτet sind·(Wôlcher veτzseeret wår an siener scham wo von das wåre·der siede fenchelwurczeln in wein und båe sich domit·es hilfft on allen zweÿffel·(Fenchel mit eþsig gesoten und auff die frÿschen wunnden geleget·so sÿ von schlegen oder von stõssen sind·es vertreÿbet sÿ.

(Item·Wõlcher fenchelsamen ståtigklichen ÿþset·der jungett· [216] (Item·Wisse das under allen kreütern unnd wurczeln ist den bÿnen kein blůmen als genåme als von disem kraut·Weer fenchelkraut stosset·und den bÿnen stock mit dem saffte bestreychet·die bÿnen beleyben gar gern dar jnnen·(Der meister Plinius spτicht·das der safft von fenchel mit hônig getemperiert und in die augen geton·vertreÿbet dÿe tunckelheÿt der augen·

(1) Venkel, 175ste kapittel.

Feniculus Latijn. Arabisch Bazienis vel Haienegi vel Hakasmech. (Foeniculum vulgare)

De eerwaardige zeer geleerde meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Feniculus beschrijft ons en spreekt dat het is heet en droog aan de andere graad. De zaden van dat kruid, de bast en ook de wortel gebruikt men [215] in de artsenij. De zaden zal men verzamelen in de aangaande maand van de herfst en die mag men houden drie jaar. De bast en wortels zal men verzamelen aan de aangaande maand van mei. En die duren een jaar. Als men in een recept vindt geschreven (2) maratrum, dan bedoelt men de zaden van venkel. (5) De meester Dioscorides spreekt dat de vrouwen erg goed is venkel gegeten die kinderen zuigen want het vermeerdert in hen de melk. (4) Venkelzaden gegeten maakt goed plassen en reinigt de vrouwen aan hun ziekte. (6) In het boek Circa instans staat geschreven dat venkel erg goed is de verstopte harde milt en lever en ook die met nood plassen. En het is ook erg goed die de steen hebben. En was het zo dat de net genoemde ziekte komt van hitte dan zal men de bast van venkel en het kruid koken in wijn en dat nuttigen ‘s avonds en ‘s morgens zo men slapen wil gaan.(8) Item, venkel gegeten versterkt de maag en maakt goed verduwen. Desgelijks doet dat poeder van venkelzaden. (3) Het sap van venkelzaden gedaan in een zinken ketel en dat daarin laten staan vijftien dagen en daarna mag men het gebruiken tot de ogen zoals dat jeuken van de ogen, dat is een zekere kunst. In het sap gedaan een weinig Aloë paticum en dat laten staan in de zon in een zinken ketel vijftien dagen en dat over de ogen gelegd als een oogzalf. De meester Dioscorides spreekt dat de wortels goed is gekookt met honing en gegeten maakt gezond de mensen die er gebeten (7) waren van een dolle hond. (3) Het sap van venkelkruid in de zon gedroogd is goed tot alle gebreken van de ogen. Van de zaden genuttigd zo het noch groen is dient ook erg goed tot alle zaken van de ogen. Dat net genoemde sap is goed die genuttigd die er heeft de geelziekte. Het sap van de wortels is tot veel dingen goed. Maar toch allermeest zal het genuttigd worden voor de ogen.

Dit sap van venkelkruid gemengd met honing en warm in de oren gelaten maakt daarin sterven de wormen. (9) De wortels gekookt met gerstemeel en met wijn en dat gedronken helpt erg goed de waterzuchtige. Venkel in wijn of in water gekookt en dat zo gedronken beneemt de steen in de blaas. Het helpt ook de vrouwen die aan hun tijd verward zijn. Wie bezeerd is aan zijn schaamte, waarvan dat is, die kookt venkelwortels in wijn en baadt zich daarmee, het helpt zonder alle twijfel. Venkel met azijn gekookt en op de verse wonden gelegd zo ze van slaan of van stoten zijn verdrijft ze.

Item. Wie venkelzaden steeds eet die verjongd. [216] Item. Weet dat onder alle kruiden en wortels is de bijen geen bloem alzo aangenaam als van dit kruid. Wie venkelkruid stoot en de bijenkorf met het sap bestrijkt, de bijen blijven erg graag daarin. (3) De meester Plinius spreekt dat het sap van venkel met honing getemperd en in de ogen gedaan verdrijft de donkerheid van de ogen.

Dodonaeus; ‘Dit kruid is hier te lande venkel genoemd, in het Hoogduits Fenchel, in het Frans fenoil, welke namen allen gemaakt en bedorven zijn of verdraaid van de Latijnse Foeniculum en die naam wordt tegenwoordig ook in de apotheken gebruikt.  (2) Bij Dioscorides heette het (2) , naar het slachtveld waar de Grieken, 490 v. Chr. een overwinning behaalden op de Perzen, dus een ‘slachtveld op het venkelveld’.

(9) Herbarius in Dyetsche; ‘Venkel of feniculus is heet en droog in de tweede graad.(4) Het heeft de kracht die diuretica genoemd wordt. (dat is om de urineweg te openen) (3) Het zaad, de bladeren en de wortels zijn in de medicijnen nuttig om de ogen of het gezicht te verbeteren: ‘Neem venkelzaad, sap van stinkende gouwe en gebroken kalmijn of zinkerts, meng het tezamen en maak daar een oogzalf van’.

(5) Als de vrouwen van venkel de wortel of de bladeren eten laat het in hun borst melk komen. (6) Tegen verstopping van de lever en van de milt: ‘Neem wijn waar venkel, Ruscus, aspergein gekookt is, dat verteert ook winden’. (7) Hetzelfde is ook goed tegen de beet van dolle honden.

(8) Om de vertering te versterken en de walging te verdrijven die uit koude zaken komt: ‘Neem wijn waar venkelzaad met munt in gekookt is’.

(9) Tegen waterzucht die uit koude zaken komt: ‘Neem wijn waar venkel, herfsttijloos (dat is Hermodactylus) en de wortel van schijtkruid in gekookt is, dat meng je met suiker’.

erdrauch oder kaczen kerbeln clxxvi Ca

Fumus terτe latine·grece Capnos·arabice Steng·vel Sterig. (In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister·dz erdrauch der seÿ heÿþ an dem ersten grad und trucken an dem anderen·Unnd heÿsset darumb erdtrauch·wann es wechþt auff deτ erden von dem groben tampffe des erdtrichs·und steet auf dem erdtrich geleÿcherweÿse als rauch der übersich geet·(Dises kraut ist geleÿch den wÿlden moren zů latein pastenaca agrestis genannt·Allein das die bletter kleiner sind an dem erdtrauche·und mer bitter dann pastenaca. Die wurczeln ist weyþfarb·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sterig mit bewårung Diascoτides·beschτeibt uns und spτichet·das erdtrauch gebτauchett sol werden in der erczneÿe so sÿ noch grŭn ist·und so sÿ ye grŭner ist·so sÿ ÿe besser ist·Unnd wenn das kraut dürτ ist so hat es kein krafft mer in jm·

(Erdtrauch benymmet von dem menschen die melancoleÿen davon gar groþs kranckheyt kommen·als ausseczigkeit und reüdigkeit·und bτingen auch bôþe flegma·(Item·Erdtrauch saffte genommen zweÿ lot·und dar undeτ gemüschet zucker und daz eingenommen mit warmer bτŭe·benÿmmet die bôsen reüdigkeit vonn dem mennschen·Unnd zů disem safft so magst du wol nemen dτeü lot fenchelsamens· [217] (Item·Nÿmm nuþs ôle und müsche darunder ein wenig eþsigs·und nÿmm darzů safft von erdtrauch ein gůt teÿl·mach darauþ ein salben und schmiere dich domitt an dem leyb in dem bad·diþs benymmet von dem menschen bôþe reüdigkeit und besund ausseczigkeit·(Des safftes in d wochen dτeymal nŭchtern getruncken·ist gůt den ausseczigen sein kranckheÿt domit zů mÿndern·(Für die wassersucht·nÿmme safft von erdtrauch und der rÿnden von wolffs milch·yegkliches zweÿ quintin·und des eingenommen benÿmmt von dem menschen bôse feüchtigkeit durch schwÿczen·und benÿmmet domit die wassersucht·(Für dz bodogram·Nymm zwei quintin hermodactili·das sinnd zeytlosen·und thů die gebulfert under den safft des erdtrauches und siede das und lege das auf die fŭþ·beÿmmt on zweÿfel das bodogram·(Dises kraut gesoten und geessen oder darvon getruncken·benÿmmt vil kranckheÿt durch den harm·(Item erdtrauch safft mit hyrþzungen wasser und mit zucker vermenget·ist gůt wider bestopffung lebern und milczes die ein ursach hat von einer kalten materien·Platearius·

(1) Aardrook of kattenkervel, 176ste kapittel.

Fumus terre Latijn. Grieks Capnos. Arabisch Steng vel Sterig. (Fumaria officinalis)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters dat aardrook die is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. En heet daarom aardrook want het groeit op de aarde van de grove damp des aardrijk en staat op het aardrijk gelijkerwijze als rook die over zich gaat. Dit kruid is gelijk de wilde peen in Latijn pastenaca agrestis genaamd. Alleen dat de bladeren kleiner zijn aan de aardrook en meer bitter dan Pastinaca. De wortel is witkleurig.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Sterig met bewering van (2) Dioscorides beschrijft ons en spreekt dat aardrook gebruikt zal worden in de artsenij zo ze noch groen is en zo ze groener is zo ze beter is. En als dat kruid droog is dan heeft het geen kracht meer in hem.

Aardrook beneemt van de mensen de melancholie daarvan erg grote ziektes komen zoals huiduitslag en ruigheid en brengen ook kwaad flegma. (5) Item. Aardrooksap genomen twee lood, en daaronder gemengd suiker en dat ingenomen met warme bouillon beneemt de kwade ruigheid van de mensen. En tot dit sap zo mag u goed nemen drie maal 16,7 gram venkelzaad. [217] Item. Neem notenolie en meng daaronder een weinig azijn en neem daartoe sap van aardrook een goed deel en maak daaruit een zalf en smeer je daarmee aan het lijf in het bad, dit beneemt van de mensen kwade ruigheid en vooral huiduitslag. Het sap in de week driemaal nuchter gedronken is goed de huiduitslag zijn ziekte daarmee te verminderen. Voor de waterziekte: ·Neem sap van aardrook en de bast van wolfsmelk, van elke twee maal 1,67 gram, en dat ingenomen beneemt van de mensen kwade vochtigheid door zweten en beneemt daarmee de waterziekte. Voor dat podagra: Neem twee maal 1, 67gram hermodactili, dat is tijdeloze, en doe die gepoederd onder het sap van aardrook en kook dat en leg dat op de voeten, beneemt zonder twijfel dat podagra. (3) Dit kruid gekookt en gegeten of daarvan gedronken beneemt veel ziekte door de urine. (4) Item, aardrook sap met hertstongwater en met suiker vermengt is goed tegen verstopping van de lever en milt die een oorzaak heeft van een koude materie, Platearius.

(1) Dodonaeus; ‘Grijsecom en duivekervel wordt dit gewas in het Nederduits genoemd, in het Hoogduits Erdtrauch, Taubenkropff, Katzenkervel.

Herbarius in Dyetsche; (2) Zijn voornaamste kracht is om de zwarte gal te zuiveren of te purgeren en daarna zoute slijm en rode gal, ook is het diuretica (dat is om de urineweg te openen) daarom is het goed tegen melaatsheid en tegen waterzucht die uit koude zaken komen. 

(3) Als je het sap van aardrook met het poeder van witte steenbreek of met het kruid dat steenbreek heet mengt laat het plassen.

Tegen putrefactie of bederving in de mond of van het tandvlees was de mond met het sap van aardrook.

(4) Tegen verstopping van de lever of de van milt dat uit koude zaken komt meng het sap van aardrook met suiker.

(5) Tegen schurft, meng het sap van aardrook met zwavel en olie van laurierbes. Pandecta en Platearius’.

sibengezeytde

Das clxxvii Capi

Fenugrecum latine·grece Buczeron aut buthun·vel tÿlis·arabice Balba vel alcula·

(Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel fenugrecum·beschτeybett uns unnd spτicht·das der same sey heÿþ an dem ennde des ersten grads·unnd trucken an dem ersten·Und sein krafft und tugent ist waÿchen und senfftigen·(Der wirdig meister Diascoτides spτicht·das fenugrecum saft gůt seÿ für die geschweeren die domit auff zůthůnd und zů waÿchen·und darzû sol man nemen das meele von fenugrecum·gemenget mit eÿeþ todtern·unnd [218] darauf gelegt·(Das kraut gekochet und über die geschwer gelegt·zeÿtiget sÿ·(Das krautt mit wein und ôle gebaÿsset fünfczehen tag·und darnach gesoten und gesÿgen durch ein thûch und darunder gemüschett ein wenig wachþ das es werde als ein salben·und auch darunder meel von fenugrecum·Dises ist die aller beste salben geschweeren domit zů waychen die man finden mag·(Item dise salbe geschmieret auf geschwulsten benymmet die·(Avicenna spτichet auch·das fenugrecum gestoten mit rosen ôle und den leyb domit geschmieret machet dem ein hübsche farbe·Und benÿmmt auch den übelriechenden mundt·Und benÿmmet auch dem leybe gestanck d do kummbt von faulem schweÿþ·Er spτicht auch daz das meel von fenugrecum seÿ fast gůt auff die heyssen geschweren gelegt·daz meel gemüschet mit rosen ôle. (In dem bůch genant circa instans·steen auch dise stuck die oben berŭrt sind.

(1) Zevengetijdenkruid.

Dat 177ste kapittel.

Fenugrecum Latijn. Grieks Buczeron aut buthun vel tÿlis. Arabisch Balba vel alcula. (Trigonella foenum‑graecum)

De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel fenugrecum beschrijft ons en spreekt dat het zaad is heet aan het eind van de eerste graad en droog aan de eerste. (2) En zijn kracht en deugd is weken en verzachten. De waardige meester Dioscorides spreekt dat fenugrecum sap goed is voor de zweren die daarmee open te doen en te weken en daartoe zal men nemen dat meel van fenugrecum gemengd met eierdooiers en [218] daarop gelegd. Dat kruid gekookt en over die zweer gelegd rijpt ze. Dat kruid met wijn en olie gebaad vijftien dagen en daarna gekookt en gezeefd door een doek en daaronder gemengd een weinig was zodat het wordt als een zalf en ook daaronder meel van fenugrecum. Dit is de allerbeste zalf zweren daarmee te weken die men vinden mag. Item, deze zalf gesmeerd op gezwellen beneemt die. Avicenna spreekt ook dat fenugrecum gestoten met rozenolie en het lijf daarmee gesmeerd maakt die een mooie kleur. En beneemt ook de kwalijk ruikende mond. En beneemt ook de lijf stank de je komt van vuil zweet. Hij spreekt ook dat het meel van fenugrecum is erg goed op de hete zweren gelegd, dat meel gemengd met rozenolie. In het boek genaamd Circa instans staan ook deze stukken die boven aangeroerd zijn.

Asch clxxviii Capi

Fraxinus latine·grece Dÿrdan arabice Lusach·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Dÿrdan·idest Fraxinus·beschτeÿbt uns und spτicht·das dises sey ein baum und hat an dem ôþten schoten geleÿch den lÿnnþen und wenn man die schoten dôτret so wachþen wŭrmlein darjnn dÿ sind geleych den wŭrmlein dÿe man findet in den bonen·(Der meister Paulus in dem capittel fraxinus spτicht·daz der sej kalt und trucken an dem andern grad. (Diascoτides spτichet·das die wurczel dises baumes den frischen wunden gůt seÿ·die gesoten in wasser und die wunden domit gewåschen·(Item die rynden von disem baumm also frÿsch auff ein wunden gebunden zeühet sÿ zesamen·also dz man die nit hefften darff·(Die rÿnden gesotten in wein und den getruncken verczeret die bôsen flegma in dem menschen·auch die kranckeÿt davon sich die haudt an dem menschen erhebt·(Item Galienus in dem bůch genant dÿnamidiarum in dem capitel de passionibus splenis·beschτeybt uns und spτicht·das dises baumes rÿnden gesotten in wein und getruncken von dem der ein hertes milcz håt·es waýcht on zweÿfel·Und bewåret diþ also und spτicht·wenn man d rynden einer saw gebe zů essen neün tag nach einander·und wenn die getôdtet wirt so siehe dann nach dem milcz so findest du dz milcz nit halbs beÿ d saw·Und darumb ist wol zů gelauben dz dise rÿnden dienen zů dem milcz·(Item die rÿnden von fraxino gesoten in eþsig und mit einem schwammen auff den magen gelegt ist gůt wider das bτechen oben auþ·(Und ist auch gůt wider den blůtgang genant dissinteria·auff dem bauch geleget·[219]

(1) Es, 178ste kapittel.

Fraxinus Latijn. Grieks Dÿrdan. Arabisch Lusach. (Fraxinus excelsior)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Dÿrdan, id est Fraxinus, beschrijft ons en spreekt dat dit is een boom en heeft aan de takken peulen gelijk de linzen en als men die peulen droogt dan groeien (2) wormpjes daarin die zijn gelijk aan de wormpjes die men vindt in de bonen. De meester Paulus in het kapittel Fraxinus spreekt dat het is koud en droog aan de andere graad. (3) Dioscorides spreekt dat de wortel van deze boom de verse wonden goed is, die gekookt in water en de wonden daarmee gewassen. Item, de bast van deze boom alzo vers op een wond gebonden trekt die tezamen alzo dat men die niet heffen hoeft. De bast gekookt in wijn en dan gedronken verteert het kwade flegma in de mensen en ook die ziekte daarvan zich de huid aan de mensen verheft. Item, Galenus in het boek genaamd dÿnamidiarum in het kapittel de passionibus splenis beschrijft ons en spreekt dat deze boom zijn bast gekookt in wijn en gedronken van die er een (4) harde milt heeft het weekt die zonder twijfel. En beweert dit alzo en spreekt als men de bast een zeug geeft te eten negen dagen na elkaar en als die gedood wordt dan zie dan naar de milt dan vind je dat de milt niet half is bij de zeug. En daarom is het goed te geloven dat deze bast dient tot de milt. Item, de bast van Fraxinus gekookt in azijn en met een zwam op de maag gelegd is goed tegen dat braken bovenuit. En is ook goed tegen de bloedgang genaamd dysenteria, op de buik gelegd. [219]

(1) Dodonaeus; ‘Wij noemen dit gewas in onze taal seven-ghetijden-cruydt, in het Hoogduits Sieben gezeiten omdat het zeven maal per dag de reuk verliest en weer krijgt of immers verandert, als gezegd is, in het Latijn Trifolium odoratum, dat is welriekende klaver. 

(2) Herbarius in Dyetsche; ‘Fenu-grecum of feni grieck of Griex hoy is heet en droog, het heeft de kracht om te helen, te rijpen en te relaxen of te ontsluiten.

Dodonaeus; ‘Deze boom wordt in het Grieks Melia genoemd en in het Latijn Fraxinus, in het Nederduits esschen en esschen-boom, in het Hoogduits Eschenbaum en Eschenholtz of ook Steyneschen.

Herbarius in Dyetsche; ‘Esschen of Fraxinus, de schors en (3) vettigheid die als een paddenstoel in de essenboom groeit die zijn goed als medicijn. Het heeft de kracht als het vers is om verse wonden te genezen.

(4) Om de milt onbedrieglijk en zonder twijfel te verdunnen en te verkleinen:

(2) De vochtigheid die in de twijgen groeit moet je nemen om daar mee het gezicht te wassen, het geneest de vuile plekken in het gezicht en droogt ze van deze vochtigheid.


Benedicten wurcz

Das clxxix Capi

Filla grece et latine·

(Die wirdigen meister spτechen·daz dise wurczel seÿ heyþ und trucken biþ an den vierden grad. (Dise wurczel ist auþwendig rot von farben und jnnwenig weiþ und ist eines arms lang und schlecht als ein kerczen. (Dise wuτczel dienet fast wol flegmaticis ÿdτopicis·und ÿctericis·dise gesoten mit wein und des moτgens den do nŭchtern getruncken·

(Item·Wôlche fraw groþ wetagen hette in dem leÿbe geleych als ob sÿ kÿnden wolt·die trincke von disen wurczeln dτeÿ moτgen·es hilfft·(Item·Wôlicher gifft in jm håte·der schneÿde diþ wurczeln fast klein·und schick sÿ in den leÿb er genÿset on zweifel. (Item wo dise wurczel in einem garten steet·d genåhet kein vergifftig thiere·als weÿt und als lang sÿ die geriechen kan·

(Platearius spτicht·das benedicten wurcz sunderlichen in jne grossen tugent haben und dÿenen wol den wassersüchtigen mit hônigwasser eingenommen·des geleÿchen den geelbsüchtigen mitt rauten safft·(Wôlcher bey jm tregt dise wurczel·dem mag do kein gifftig thiere keinen schaden zůgefügen·(Platearius·wo dise wurczel in einem hauþe ist·do mag d teüfel nichcz geschaffen·und fleühet sÿ·Und darumb ist sÿ gebenedeÿet für alle anndere wurczeln· [220]

(1) Benedictenkruid.

Dat 179ste kapittel.

Filla Grieks en Latijn. (Geum montanum)

De eerwaardige meesters spreken dat deze wortel is heet en droog tot aan de vierde graad. Deze wortel is uitwendig rood van verf en inwendig wit en is een arm lang en recht als een kaars. Deze wortel dient erg goed flegmatische, hydropsie en icter, deze gekookt met wijn en ‘s morgens dan nuchter gedronken.

Item. Welke vrouw grote pijn heeft in het lijf gelijk alsof ze een kind baart die drinkt van deze wortels drie morgens, het helpt. Item. Wie gif in hem heeft die snijdt deze wortels erg klein en schikt ze in het lijf, hij geneest zonder twijfel.(2) Item, waar deze wortel in een tuin staat daar nadert geen vergiftig dier zo wijdt en lang als ze die ruiken kan.

Platearius spreekt dat benedictenkruid vooral in hem grote deugd heeft en dient goed de waterzuchtige met honingwater ingenomen, desgelijks op de geelzieken met ruitsap. Wie bij hem draagt deze wortel die mag een giftig dier geen schade toevoegen. Platearius, waar deze wortel in een huis is daar mag de duivel niets doen en vliedt hij. En daarom is ze gebenedijd voor alle andere wortels. [220]

Zie kapittel 205 over benedicta, negelin kraut, Geum, voor Cnicus benedictus, zie kapittel 97. De afbeelding geeft een plant als Geum urbanum weer, dan wel met witte bloemen. De afbeelding in kapittel 205 is heel anders en zeker geen Geum. Filla zou kunnen komen van Caryofillate. Het gebruik van Geum urbanum komt in dit kapittel echter niet met deze beschrijving overeen.

Het zou dan ook Geum rivale kunnen zijn. Wilde Benedictenwurz, Waldbenedict bij Bock in 1539 of Geum montanum die ook Benediktenkraut heet.

Dodonaeus; (2) Sanamunda is van een oude naam die luidde: "Quis sanat et mundat", ‘hij die geneest en zuivert’. De Duitse Heyl aller Welt is nu bekend. Het kruid is gezegend boven alle andere krui­den, geen venijnige beest kan de drager beschadigen. In de Latijnse uitgave van de Gart komt deze regel voor in kapittel 205 en wordt het avancia ge­noemd, dit is het origineel van het moderne Frans avance en Engelse avens, mogelijk van Grieks enentia, ‘een tegengif’


Bonen clxxx Capi

Faba latine·grece Liamus·arabice Hakille·

(Der meister ýsaac in dem bůch genant de dietis particularibus in dem capitel Faba beschτeibet uns und spτicht·das die grŭnen bonen kaltt und feücht sind von natur in dem ersten grade·(Item·Wer seer bonen yþt dem machen sÿ bõse feüchtigkeit und bτingen vil wÿnd den menschen und sÿ sind dem magen schedlichen·Und spτicht auch dz die bonen so sÿ alt seÿen so seyen sÿ kalter und truckner complexion an dem ersten grad·(Der meister Galienus spτicht·das bonen unverdeülich sind·und zerschwôllen den menschen·Und spτicht auch daz die ihenen die do fast bonen eþsen den machen sÿ einen bôsen unverdeülichen magen·(Item man mag sÿ wol eþsen·und doch nit zů vil noch ståtigklichen·(Item bonen reÿnigen die eüssern gelÿder an dem menschen als die hautt domit gewåschen·und wer sein haudt mit bonen reynigen will·der neme das meel von bonen und bτauche das·(Wer bonen eþsen wil der müsche darunder kümel oder mÿnczen oder dosten·benymmet jn das sÿ dem magen nit geschaden mügen·(Der meister Diascoτides spτicht·das bonenmeel gemüschet mit sibengezeÿte samen meel·und auff das geschweer geleget hÿndeτ den oτen heÿlet es zůhandt·Und also under die augen gestrichen mit rosenwasser·benymmet die feüchtigkeit und flecken darund·(Der meister Rabbi moÿses spτicht·das bonen das gemŭte oder die vernunfft des menschen zerbτeche·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hakille·idest faba·beschτeibt uns und spτicht·das der gerauch von den rÿnden der bonen seÿe stopffen·und habe eiu getemperierte kelte in jne·Und spτicht·daz bonen gesoten in wasser und die zerstoþsen·und darunder gemüschett reynbårgen speck ist fast gůt bodagricis·die fŭþ domit geschmieret·(Bonen gesotten mit eþsig und hônig und auff die geschweeren geleget in den gewerben waÿchet sÿ·(Item bonenblŭen wasser das do distilliert seÿ·das antlicz domit gewåschen·od anderþwo an dem leybe·macht jn schôn und hübsch·(Item bonen genüczet bτingen ein grobe jrdische feüchtigkeit·und einen bôsen getampff der dem haubt schedlich ist·und darumbe bτingen sÿ bôþ treüme·und wenn sÿ gesotten oder gebτaten sind·so wirdet jr boþheÿt gemÿndert·[221]

(1) Bonen, 180ste kapittel.

Faba Latijn. Grieks Liamus. Arabisch Hakille. (Vicia faba)

De meester Isaac in het boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Faba beschrijft ons en spreekt dat de groenen bonen koud en vochtig zijn van natuur in de eerste graad. Item. (2) Wie zeer bonen eet die maken ze kwade vochtigheid en brengen veel wind de mensen en ze zijn de maag schadelijk. En spreekt ook dat de bonen zo ze oud zijn zo zijn ze kouder en drogere samengesteldheid aan de eerste graad. De meester Galenus spreekt dat bonen onverteerbaar zijn en zwellen de mensen op. En spreekt ook dat diegenen die erg bonen eten die maken ze een kwade onverteerbare maag. Item, men mag ze goed eten en toch niet te veel noch steeds. (3) Item, bonen reinigen de buitenste leden aan de mensen zoals de huid daarmee gewassen en wie zijn huid met bonen reinigen wil die neemt dat meel van bonen en gebruikt dat. Wie bonen eten wil die mengt daaronder kummel of munt of majoraan dat beneemt het zodat ze de maag niet beschadigen mogen. De meester Dioscorides spreekt dat bonenmeel gemengd met zevengetijde zadenmeel en op de zweer gelegd achter de oren heelt het gelijk. En alzo onder de ogen gestreken met rozenwater beneemt die vochtigheid en vlekken daaronder. De meester Rabbi Moises spreekt dat bonen dat gemoed of dat verstand van de mensen verbreekt. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hakill, id est faba, beschrijft ons en spreekt dat de reuk van de bast van de bonen is stoppend en heeft een getemperde koudheid in zich. En spreekt dat bonen gekookt in water en die gestoten en daaronder gemengd Reynbargen spek is erg goed podagricis, de voeten daarmee gesmeerd. Bonen gekookt met azijn en honing en op de zweer gelegd in de wervels weekt ze. Item, bonenbloemenwater dat gedistilleerd is en dat aangezicht daarmee gewassen of ergens anders aan het lijf maakt het schoon en mooi. Item, bonen genuttigd brengen een grove aardse vochtigheid en een kwade damp die het hoofd schadelijk is en daarom brengen ze kwade dromen en als ze gekookt of gebraden zijn dan wordt hun boosheid vermindert. [221]

(1) Dodonaeus; ‘De gewone grote bonen worden in onze taal eigenlijk boonen genoemd, in Hoogduitsland Bonen, wij noemen ze Faselus in het Latijn en in het Grieks, de Italianen noem ze fana, alsof men Faba in het Latijn zei.

Herbarius in Dyetsche; (3) Water, waar bonen in gekookt zijn dat met zetmeel gemengd is, verzuivert het aangezicht, het water van de bloemen van bonen is goed tegen blindheid van de ogen’.

Herbarijs; ‘Fabe, dat zijn bonen. En zijn van koude samengesteldheid en van droge. (2) En laten het lichaam zwellen met wind en maken kwaad bloed en stoppen de loop.

Gewandt bonen

Das clxxxi Cap

Faba inversa latine·

(Die meister spτechen·dz dises seÿ ein kraut und hat bτeÿte bleter nahend als boberellen alkekengi genant·(Dises kraut tregt bonen die seind gestülpet·Sein stengel ist eines arms hoch. (Von disen bonen gemacht ein salben unnd die gemüschet mitt spangrŭn·und safft von sÿnaw·und ungenüczet wachþ·Dise salben geleget auf ein faule wunden geleych einem pflaster·zeühet darauþ das faul fleÿsch·und frÿschet die wunden in dτeÿen tagen on allen schmerczen·(Meister wilhalm ein wundarczt gewesen·beschτeÿbet uns von einer salben also·Nÿmme des safftes von disen bonen·des geleÿchenn von den blettern·ein pfund hauþwurcz safft·osterluczye blettern safft·yegkliches dτeü lot·spangrŭn·holwurczen gebulfert ÿegkliches ein lot·und dises under einander gemüschet mit baummôle·und ungenüczet wachþ·Dise salben hat grosse tugent jn jr· wunden domit zů heylen unnd altt gebτesten·(Ein anderer meister Petrus genant·der hatt do under dise salben gemüschett bτanttlattich safft·unnd domitt mangen gottes lone verdienet·(222)

Gedraaide bonen.

Dat 181ste kapittel.

Faba inversa Latijn. ( Laburnum anagyroides)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft brede bladeren bijna als krieken over zee alkekengi genaamd. Dit kruid draagt bonen die zijn gestulpt. Zijn stengel is een arm hoog. Van deze bonen gemaakt een zalf en die gemengd met Spaans groen en sap van vrouwenmantel en maagdenwas. Deze zalf gelegd op een vuile wond gelijk een pleister trekt daaruit dat vuile vlees en verfrist de wonden in drie dagen zonder alle smarten. Meester Wilhelm, een wondarts geweest, beschrijft ons van een zalf alzo: Neem het sap van deze bonen, desgelijks van de bladeren, een pond, huislooksap, Aristolochia bladerensap, van elk drie maal 16,7gram, Spaans groen, holwortel gepoederd, van elk een 16,7 gram, en deze onder elkaar gemengd met olijvenolie en maagdenwas. Deze zalf heeft grote deugd in hem wonden daarmee te helen en oude gebreken. Een andere meester, Petrus genaamd, die heeft onder deze zalf gemengd hoefbladsap en daarmee veel Gods loon verdiend.

Er zijn verschillende planten die faba inversa heten of gedraaide of omgekeerde bonen.

Dodonaeus over Hylotelephium telephium; ‘Ze noemen het ook Fabaria. De Italianen noemen het faba grassa, fanagrassa, fana inversa en fabaria’. De afbeelding lijkt er niet op.

Dodonaeus; ‘Faba inversa zijn de Dulle-bezien oft Groote Nachtschade: andere houden de Anagyris voor Fabago Belgarum, anderen Capparis Fabago, zijn de Kappers met hauwen’. (Zygophyllum fabago)

Zie ook nummer 419 over Atropa. Dit is wel de Laburnum anagyroides.

rot steinbreche

Das clxxxii capitel

FIlipendula·latine·grece Fisalidos·patrisciria·vel viscago·

(Die wirdigen meister spτechen·das dises seÿ ein kraut unnd wåchþt ÿenhalb des meeres in dem lande Apulia·Und die wurczel bτaucht man in der ercznei. (Dise wurcze sol gegraben werden so der herbst ein ende hat·und weret zehen jar·Das kraut geleÿchet der petersilgen·die wurczeln haben knoden·(In dem bůch genant circa instans in dem capitel filipendula beschτeyben uns die meister·das dises seÿ heýþs und trucken an dem vierden grad. (Dises krauttes wurczeln ist fast gůt gebτauchet für dem stein·Des geleychen stranguiriosis·das ist die mit not neczen·und die lenden sucht haben·(Für dise gebτesten mag man nücze die electuarien·die man nennet filo antropos·die machet man in d apotecken·und wirt gemachet von diser wurczeln·(Das bulfer von diser wurczel eingenommen mit wein·ist gůt den die einen kalten magen haben·und nit wol deüwen mügen·(Der meister Diascoτides spτicht·dz dises bulfer gůt seÿ wideτ die fallenden sucht·das genüczet in der koste·(Für das keÿchen·Nÿmm dises bulfer und enczian·yegklichs gelÿch vil·unnd nücze das in der kost·es hilfft on allen zweyfel·

(1) Knolspirea.

Dat 182ste kapittel.

Filipendula Latijn. Grieks Fisalidos patrisciria vel viscago. (Filipendula vulgaris)

De eerwaardige meesters spreken dat dit is een kruid en groeit aan deze kant van de zee in het land Apulië. En de wortel gebruikt men in de artsenij. Dit kruid zal opgegraven worden zo de herfst een einde heeft en blijft tien jaar goed. Dat kruid lijkt op peterselie, de wortels hebben knopen. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Filipendula beschrijven ons de meesters dat dit is heet en droog aan de vierde graad. (2) Dit kruid zijn wortel is erg goed gebruikt voor de steen. Desgelijks stranguriosis, dat is die met nood plassen, en die lendenziekte hebben. Voor deze gebreken mag men nuttigen de likkepot die men noemt filoantropos, die maakt men in de apotheken en wordt gemaakt van deze wortel. Dat poeder van deze wortel ingenomen met wijn is goed die een koude maag hebben en niet goed verduwen mogen. (3) De meester Dioscorides spreekt dat dit poeder goed is tegen de vallende ziekte, dat genuttigd in de kost. Voor dat kuchen: Neem dit poeder en gentiaan, van elk gelijk veel, en nuttig dat in de kost, het helpt zonder alle twijfel.

(1) Dodonaeus; (1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt gewoonlijk Filipendula of Philipendula en in het Hoogduits Rot steinbrech, al of men rode steenbreek zei, en Wildgarben, dat is wild duizendblad,

(2) Dodonaeus;’ Het water daar de wortel van de echte Filipendula in gekookt is laat plassen en drijft het niergruis af, helpt diegene die hun water niet goed lossen kunnen en die al druppelende plassen.

(3) Voorts zijn de wortels van de echte Filipendula zeer nuttig in de vallende ziekte en zwijmelen of draaiingen van het hoofd en hebben een bijzondere kracht om de stenen uit de nieren en de slijmerigheid uit de blaas te scheiden.

farnkraut

Das clxxxiii Cap

Filex latine·grece Dÿopistri·vel pteris arabice Saraex·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Saraex mit bewårung Diascoτides beschτeibet uns und spτichet·das dises kraut wachþ an den bergen und an den felþeten ennden·und hat kein blůmen noch frucht·und hat bleter die bτeiten sich auþ·und geleÿchet polipodio·das ist engels sŭþ kraut. Die wurczeln ist schwarcz und lang·und hat vil kleiner wurczeln an jr·und in der wurczeln ist die tugent die do dienet in d erczney·(Dise wurczel ist bitter·unnd der ist zweÿer handt·(o·j·) [223] Eine die månlich·die ander die freülich·von der månlich gestalt haben wir ÿeczgehôτt·Die freülich farn hat bletter geleÿch der ersten·allein die steülich vil eþt an jr hat und die bletter steend hôher und weÿter von dem stammen dann an der ersten·und hat lang wurczel·Die wurczel ist rot mit einer kleinen schwercze. Und ein teÿl der wurczeln sind also rot als blůt·Dise ist an jrer natur ein klein mynder denn die erst·(Die månlich ist von nature auþziehen bôse feüchtigkeÿt·und trücknet und treybet auþ unreÿn flüsse jnnwenig des leybes·Und stercket auch domit des menschen natur·(Dise wurczel gebulfert und getruncken mit wein und hônig genant mellecrat·machet sterben die wŭrm in dem bauche·und tôdtet gern das kyndt in můter leÿbe·und darumb sollen die schwangern frawen dise wurczeln meÿden·es wár dann sach das dises not wår zů d todten geburd oder zů der andern geburd·(Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacaτum in dem capitel Filex beschτeÿbt uns und spτichet·das farnkraut habe sein tugent an d wurczeln·Und spτicht domit dz dise wurczel gůt seÿe genüczett mit mellicrat gemacht von wein und hônig·und treÿbet auþ die wŭrm die in dem bauch lannge zeÿt gewesen sind·

(1) Varens.

Dat 183ste kapittel.

Filex Latijn. Grieks Dÿopistri vel pteris. Arabisch Saraex. (Dryopteris filix-mas, Athyrium felix-femina)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Saraex met bewering Dioscorides beschrijft ons en spreekt dat dit kruid groeit aan de bergen en aan de rotsachtige einden en heeft geen bloemen noch vrucht en heeft bladeren die breiden zich uit en lijkt op Polypodium, dat is engelzoet. De wortel is zwart en lang en heeft veel kleine wortels aan zich en in de wortel is de deugd die je dient in de artsenij. (2) Deze wortel is bitter en die is tweevormig. [223] Ene de mannelijke en de ander de vrouwelijke, van de mannelijke vorm hebben we net gehoord. De vrouwelijk varen heeft bladeren gelijk de eerste, alleen de stoel veel takken aan zich heeft en de bladeren staan hoger en wijder van de stam dan aan de eerste en heeft lange wortels. Die wortel is rood met een klein zwartigheid. En een deel van de wortels zijn alzo rood als bloed. Deze is aan haar natuur een klein minder dan de eerste. De mannelijke is van natuur uittrekken kwade vochtigheid en drukt en drijft uit onreine vloeden in het lijf. En versterkt ook daarmee de mensen natuur. (3) Deze wortel gepoederd en gedronken met wijn en honing genaamd mellecrat maakt sterven de wormen in de buik en doodt graag dat kind in moeders lijf en daarom zullen de zwangere vrouwen deze wortels mijden, tenzij dat het hen nood was bij een dode geboorte of bij de andere geboorte. Galenus in het achtste boek genaamd Simplicium farmacarum in het kapittel Filex beschrijft ons en spreekt dat varen heeft zijn deugd aan de wortels. En spreekt daarmee dat deze wortel goed is genuttigd met mellicratum gemaakt van wijn en honing en drijft uit de wormen die in de buik lange tijd geweest zijn.

Dodonaeus; ‘‘Naar de lering van de oude schrijvers is het varenkruid tweevormig van geslachten, te weten mannetje en wijfje en deze twee voeren eigenlijk de naam van varen. Het eerste van deze twee kruiden heet hier te landen varen manneken, in Hoogduitsland Waltfarn en Watfarn menle, de Latijnse naam is Filix mas, de Griekse Pteris of Pterion en soms Blechnon. (dat is Dryopteris filix-mas Scott, mannetjesvaren, Duits Farnkrautmannlein). 

2. De andere soort noemen wij Nederlanders in onze taal varen wijfken, in het Hoogduits Waltfarn weiblin en Gross Farnkraut, in het Latijn Filix femina en in het Grieks Thelypteris en Nymphaea pteris’. Dat is Athyrium filix-femina Roth, wijfjesvaren, Duits Frauenfarn.

2. Varenkruid wijfje heeft een gelijke kracht met het mannetje, zegt Galenus, en Dioscorides.

(3) Dodonaeus; De wortel van varen mannetje het gewicht van een halve ons tegelijk met mede of honigwater gedronken drijft de brede of platte wormen uit het lijf, zegt Dioscorides.

Brenkraut

Das clxxxiiii capit

Flammula latine·

(In dem bůch genant circa instans in dem capitel flammula beschτeiben uns die meister und sprechen·das dises kraut seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grad und sein tugent ist hÿczigen. Dises kraut sol genüczet werden so es grŭn ist und nit dürτ·(Wôlcher ein herttes geschweer hått an seinem leybe und das nit zeitig wår und zů eÿtter greÿffen wolt·der neme bτenkraut unnd stosse das und thů darunder ein wenig ôle und lege das darauf es weÿchet unnd eczet das auff zůhandt·(Item·Nÿmme ôle von rosen gemachet und thů das [224] in ein glaþ·und müsche darund flammulam gestossen und secze das an die sunnen in den hunds tagen auff dτeyssig tag·Dises ôle ist fast gůt geessen in d kost auff ein quintin·den die das lennden wee heten genant ÿliaca·Des geleÿchen die quartanam heten. (Dises ôle ist auch fast gůt dem lamen gelÿdern·die domit geschmieret genant artetica·(Item. Dises ôle ist auch fast gůt genüczet mit einem clistier·wann es benymmet do den stein in den lennden und auch in der blasen·

(1) Egelkolen, brandkruid.

Dat 184ste kapittel.

Flammula Latijn. (Ranunculus flammula)

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel flammula beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad en zijn deugd is verhitten. Dit kruid zal genuttigd worden zo het groen is en niet droog. (2) Wie een harde zweer heeft aan zijn lijf en dat niet rijp is en tot etter grijpen wil die neemt egelkolen en stoot dat en doe daaronder een weinig olie en leg dat daarop, het weekt en eet dat op gelijk. Item. Neem olie van rozen gemaakt en doe dat [224] in een glas en meng daaronder flammula gestoten en zet dat in de zon in de hondsdagen op dertig dagen. Deze olie is erg goed gegeten in de kost op een drachme die de lendenpijn heeft genaamd iliaca. Desgelijks op die vierdaagse malariakoorts heten. Deze olie is ook erg goed de lamme leden, die daarmee gesmeerd, genaamd artetica. Item. Deze olie is ook erg goed genuttigd met een klysma want het beneemt je de steen in de lenden en ook in de blaas.

Zie kapittel 219 voor de andere flammula.  Het kan ook zijn dat Ranunculus bulbosus bedoeld is.

(1) Dodonaeus; ‘‘In onze taal heet dit gewas eghel-koolen, in het Latijn Flammula en Ranunculus Flammula, dat is vlam of vier-cruydt omdat het zeer heet en als een vlam op de tong brandt.

klein schwerteln oder wilde schwerteln das

clxxxv Capitel

Fagasmon grece·latine Gladiolus segetalis·

(Die meister spτechen·das dises seÿ ein kraut und hat bleter geleych den schwårtteln·allein das sÿ nit als gar groþ seind·

(Dise bletter sind scharpff und spÿczig·und bτingen blůmen die sind an der farbe purpuren.

(Dises kraut hat zwů wurczelen beÿ einander steend·und die sind klein und werden nit groþ. Die ein wurczeln beleÿbt auff d erden·und ist geleÿch als petersilgen wurczeln und rotund·

Die ander wechþt in die erden·dise wurczel ist man nücze zů d erczney·(Die ôberst wurczlen die do wechþet auff der erden benÿmmet alle geschwulst die sich erhaben hat von hÿcze·die gesoten und darauff geleget geleÿch einem pflaster·(Dise yeczgenante wurczeln in wein gesoten und darunder gemüschet weÿrach unnd also warm geleget auff ein wunnden darinnen ein pfeÿl doτn oder ein spýczig holcz wåre zeühet das auþ zůhandt·(Dises also geleget auff einem finger darinnen der wurm wŭttet benÿmmet die weetagen und zeühet den do auþ on schaden.

(Die wurczeln die do wåchþt in die erden sol nit genüczet werden geleych der ôbersten·(Und ist hie zů mercken das in geleÿcherweÿse die wurczel die auff der erden wechþet von disem kraut nicht mag von natur in die tyeffe der erden gewachþen·also låþt sÿ nichcz in einer wunnden (·o·ij·) [225] darinnen dann stecket ein pfeyl doτn oder ettwas anders·sÿ zeühet es übersich·(Also thůt die wurczel an diser hangenden die in die erden wechþt widersÿns·und zeühet als auff den grundt·domit sÿ vermüschet wirt·Und darumb sol die leczt wurczel genüczet werden den grundt eines bebτesten domit zůheÿlen·als denn sind fisteln die do obenn auff der handt gar klein scheÿnen·und doch jnnwenig tÿeff und weÿt und sich fressen·für dise sol man nemmen diser wurczeln die in die erden wechþt ein lot·und darund müschen spangrŭn·unnd weinstein ôle yegklichs ein quintin·und das do darauff legen geleÿch einem pflaster·es sůchet den grundt und heylet on alle andere erczneÿ·und dises ist also bewårt woτden·(Auch so hat dise wurczeln kraffte geleÿch den lÿlien zwybeln·(Auch domit zůweÿchen und auch auff zů bayþsen ein geschweere daz man aufhauwen oder bτennen mŭþt·

(1) Kleine of wilde gladiool.

Dat 185ste kapittel

Fagasmon Grieks. Latijn Gladiolus segetalis, (Gladiolus italicus, vroeger Gladiolus segetum)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de zwaarden, alleen dat ze niet alzo erg groot zijn.

Deze bladeren zijn scherp en spits en brengen bloemen die zijn aan de verf purper.

(2) Dit kruid heeft twee wortels bij elkaar staan en die zijn klein en worden niet groot. De ene wortel blijft op de aarde en is gelijk als peterseliewortels en rond.

De ander groeit in de aarde en deze wortel zijn het die men nuttigt tot de artsenij. (3) De bovenste wortel die er groeit op de aarde beneemt alle gezwellen die zich verheven hebben van hitte, die gekookt en daarop gelegd gelijk een pleister. Deze net genoemde wortel in wijn gekookt en daaronder gemengd wierook en alzo warm gelegd op een wond waarin een pijl, doren of een spits hout in is trekt dat uit gelijk. Deze alzo gelegd op een vinger daarin de worm woedt beneemt de pijnen en trekt die eruit zonder schade.

De wortel die er groeit in de aarde zal niet genuttigd worden gelijk de bovenste. En is hier te merken dat in gelijke wijze de wortel die op de aarde groeit van dit kruid niet mag van natuur in de diepte der aarde groeien alzo laat ze niets in een wond [225] daarin dan steekt een pijl, doren of wat anders, ze trekt het tot zich. Alzo doet de wortel die aan deze hangt die in de aarde groeit het tegenovergestelde en trekt als uit de grond daarmee ze vermengd wordt. En daarom zal de laatste wortel genuttigd worden de grond van een gebrek daarmee te helen zoals dan zijn etterwonden die boven op de huid erg klein schijnen en toch inwendig diep en wijdt en zich omvreten, voor deze zal men nemen deze wortel die in de aarde groeit, een lood, en daaronder mengen Spaans groen en wijnsteenolie, van elk een drachme, en dat daarop leggen gelijk een pleister, het zoekt de grond en heelt zonder alle andere artsenij en deze is alzo beweerd geworden. Ook zo heeft deze wortel kracht gelijk de leliebollen. Ook daarmee te weken en ook op te bijten een zweer dat men afhouwen of branden moet.

Zie kapittel 195.

De afbeelding in de Gart lijkt niet op een gladioolachtige, maar er staat toch; ’ De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de zwaarden (gladiool), alleen dat ze niet alzo erg groot zijn.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid gewoonlijk Gladiolus in het Latijn, in het Grieks Xiphion, welke namen zoveel betekenen als of men zwaard of zwaardje zei.

(3) Dodonaeus; ’De opperste wortel van Gladiolus heeft een natrekkende, verterende en ook verdrogende kracht als Galenus schrijft.

meter clxxxvi Cap

Febτifuga latine·(Die meister spτechen gemeÿnigklichen·das dises kraut seÿ heÿsser natur·(Meter genüczet in der kost·oder das krautt auþwendig auff den bauch geleget benÿmmet das darmgesüchte·(Item·Meter gekochet mit wasser unnd auch darunder gemüschet schmalcz unnd semmlen meel·und darauþ gemachet ein suppen und die geessen benymmet alles das wee daz in den dårmen ist·und wôτmit domit den magen unnd treÿbet auþ vil bôses schleÿmms·(Die suppen also genüczet reÿniget den frauwen jr kranckheýt menstruum genant unnd treÿbet vil bôser materien [226]

(1) Mater, 186ste kapittel.

Febrifuga Latijn. (Tanacetum parthenium)

De meesters spreken gewoonlijk dat dit kruid is van hete natuur. Mater genuttigd in de kost of dat kruid uitwendig op de buik gelegd beneemt de darmziekte. Item. Mater gekookt met water en ook daaronder gemengd vet en zemelmeel en daaruit gemaakt een soep en die gegeten beneemt al de pijn dat in de darmen is en verwarmt daarmee de maag en drijft uit veel kwaad slijm. (2) Die soep alzo genuttigd reinigt de vrouwen hun ziekte menstruatie genaamd en drijft veel kwade materiën. [226]

Mater wordt bijvoet genoemd, mater herbarum; ‘moeder der kruiden’. Febrifuga; koorts verdrijvend. Febrifuga is ook een naam voor duizendguldenkruid.

Herbarius in Dyetsche vindt het ook verwarrend; ‘Mater, bijvoet, Artemisia of Matricaria, het heet ook anders, de ‘Moeder der Kruiden’ zegt Pandecta. Bijvoet is heet en droog in de derde graad. Pandecta zegt dat Artemisia bijvoet is, maar die is al vermeld is in het twaalfde kapittel en Matricaria, dat is mater, waarvan men hier spreekt zijn een en hetzelfde. Ik, overzetter van het boek, zeg dat het verschillende kruiden zijn maar het is een geslacht van dezelfde krachten in verschillende vormen’. Zie kapittel 84.

Vaak wordt het verward met Anthemis nobilis, Roomse kamille. Die worden alle twee in Herbarius in Dyetsche vermeld. Dodonaeus vindt dat dit kruid in krachten op bijvoet lijkt.

(1) Dodonaeus; ‘Dioscorides noemt dit kruid Parthenion, Galenus en zijn navolger Paulus Egineta noemt dat Amaracos of Amaracon. Ja, ook Dioscorides zelf betuigt dat moederkruid van sommige Amaracum en ook Leucanthemon genoemd is. De nieuwe schrijvers en die dichter bij onze tijden komen noemen dit kruid (dat is het Parthenium van Dioscorides) (2) Moederkruid is de gebreken en ziektes van de baarmoeder zeer behulpzaam, het verwekt de te lang achterblijvende en dralende maandstonden, jaagt en drijft de nageboorten en de dode vruchten af.

Byrcwurcz Das

clxxxvii Capitel

Ferula latine·grece Marchiti·vel Enterion·

(Die wirdigen meister spτechen das dise wurczel mer kalter natur sey denn heysser·(Der meister Diascoτides in dem capitel ferula spicht·dz dise wurcz gůtt sey den jhenen die do blůt speyen·davon getruncken·Und ist auch gůt für vergifftig bÿþ mit wein eingenommen·(Ferula gestossen und auff die blůtenden wunden geleget stillet dz blůten·Wer übτige feüchtigkeit het in seinem leÿb d neme bÿrckwurcz zwey lot·unnd stosse die biþ auff dz safft·und tů es in einen reÿnen hafen·und geüþ gůten lautern wein darüber und trincke des tranckes fünffczehen tag so du geessen haft und darnach schlaffen wilt geen·(Dises verschwendet die feüchtigkeit und hilfft ein ganczes jare·(· o·iij·) [153]

(1) Reuzenvenkel. Dat

187ste kapittel

Ferula Latijn. Grieks Marchiti vel Enterion. (Ferula communis, subsp. communis)

(2) De eerwaardige meesters spreken dat deze wortel van meer kouder natuur is dan heet. (3) De meester Dioscorides in het kapittel Ferula spreekt dat dit kruid goed is diegenen die er bloedspuwen, daarvan gedronken. En is ook goed voor (4) vergiftige beten, met wijn ingenomen. Ferula gestoten en op de bloedende wonden gelegd stilt dat bloeden. Wie overige vochtigheid heeft in zijn lijf die neemt berkkruid, twee maal 16, 7gram, en stoot die tot op het sap en doe het in een rein vat en giet goede zuivere wijn daarover en drinkt die drank vijftien dagen zo u gegeten hebt en daarna slapen wil gaan. Dit verdwijnt de vochtigheid en helpt een gans jaar. [153]

(1) Dodonaeus; 

De grootste en gewoonste van deze twee kruiden wordt in het Latijn Ferula genoemd en in onze taal heeft het ook geen andere naam dan gewone Ferula of grote Ferula, de Grieken noemen het Narthex. De oude Nederlandse namen zijn perckwortel of palmitory-wortel’. Byrckwurz zal wel geen berkenkruid betekenen maar eerder naar de gom als een pekkruid.

(2) Dodonaeus; ‘Het merg van Ferula of beter het hartje van de steel is naar het zeggen van Galenus deelachtig van enige tezamen trekkende kracht, dan het zaad van Ferula verwarmt en maakt dun of fijn.

(2) Het hartje van Ferula of het merg uit de groene stelen genomen is zeer nuttig diegenen die (3) bloedspouwen en met enige bloedgang of braken van bloed gekweld zijn of enige andere buikloop hebben.

[153] wůndtkraut

Das clxxxviii Cap

Filago latine·vel Cartifilago·vel Lappirus·arabice Loτchedi vel Loτchti·

(Der meister Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum·beschτeÿbett uns und spτicht·das dises kraute nit allein sol gebτauchet werden·sunder gemüschet mit eþsich oder mit wein unnd dann legen umb die frÿschen wunden und nit darauff·Dises machett das fleÿsch wachþen unnd heÿlet sÿ zůhandt·(Item Avicenna beschτeibt uns und spτicht·das dises kraut gebτennet zů åschen·und darnach das bulfer gestreüwet in die frÿschen wunden das heÿlet sÿ gar balde·(Dises bulfer gemüschet mit eþsig und das lassen steen also lang biþ dz bulfer getrucknet in dem eþsich·dÿses bulfer gelassen in die fisteln und in alle bôse schåden reÿniget die fast wol und heÿlet auch die zůhandt·

[153] (1) Wondkruid.

Dat 188ste kapittel.

Filago Latijn vel Cartifilago vel Lappirus. Arabisch Lorchedi vel Lorchti. (Hylotelephium. Filago vulgaris)

De meesters Galenus in het achtste boek genaamd Simplicium farmacarum beschrijft ons en spreekt dat dit kruid niet alleen zal gebruikt worden, vooral gemengd met azijn of met wijn en dan leggen om de (2) verse wonden en niet daarop. Die maakt dat vlees groeien en heelt ze gelijk. Item, Avicenna beschrijft ons en spreekt dat dit kruid gebrand tot as en daarna dat poeder gestrooid in de verse wonden dat heelt ze erg gauw. (3) Dit poeder gemengd met azijn en dat laten staan alzo lang tot dit poeder droogt in de azijn, dit poeder gelaten in de etterwonden en in alle kwade schade reinigt die erg goed en heelt ook die gelijk.

Filago is een viltkruid zoals Filago vulgaris. Dat is een viltkruid en gebruikt tegen het roer. De afbeelding laat een meer vlinderbloemige plant zien zoals het echte wondkruid, Anthyllis vulneraria of beter naar de wortel Hylotelephium.

Ook het gebruik van onze Filago is meer voor zweren en vooral innerlijke zweren (3) .

(1) Dodonaeus; ‘De nieuwe kruidbeschrijvers hebben dit kruid Filago genoemd. Het schijnt dat dit gewas een geslacht van Gnaphalium is en om die oorzaak wordt het ook van sommige Gnaphalion genoemd, de Hoogduitsers noemen het Rûrkraut. Dodonaeus echter bij verschillende Indiaanse of andere vreemde namen van gewas wiens gedaante niet bekend is en met sommige Griekse, Italiaanse, Franse en ook Duitse namen die niet meer in gebruik zijn.; ‘Wondkruid schijnt de Filago te wezen’.

Ein kraut also genant

Das clxxxix Capi

Floτamoτ grece et latine·

(Die meister spτechen·das dises sey ein kraut·und seÿ zweÿer handt·Eins ist månlich·das ander freülich·Das månlich dz hat einen dünnen stÿl·und hatt bletter die sind lang unnd spÿczig geleÿch den holler bletteren·und hat einen dünnen samen·

Das freülich hat einen stenngel wie kôle die man ÿþset·und dises ist eines arms lang·Es hat blůmmen die sind grŭn und auch weiþ und hat einen schwarczen sammen·Die wurczeln dÿe ist eines daumen dÿck·unnd es wåchþet geren auff dem fellde. [154] (Der meister Plinius spτicht·das dise beÿd von natur kalt und trucken seyen an dem dτitten grade·(Diascoτides spτicht·das dise beyde gar nahet haben ein natur·Aber doch die freülich mer kelter·und die månlich mer trücknet·(Dises kraut gesoten und auff die zerknüschten gelider geleget benymmet dz gelebert blůt und heÿlet das zůhandt·(Dises kraut gesoten in wein und unden auff gebået·das benÿmmet emoτrodias·das seÿnd flüsse in dem afftern·(Dises also genüczet ist auch gůt tenasmom·das ist der·do geluste hat zů dem stůlgang und doch nichcz geschaffen mag·(Der meister Platearius spτicht·das dises krauttes wurczeln in dem munde gehalten·benymmet den zeen weetagen. (Dise wurczeln gestossen und gemüschet mit meÿen butteren·und darauþ gemachet ein salben·sÿ dienet fast wol für hycze dar auff gestrÿchen·

(1) Een kruid alzo genaamd. Amarant.

Dat 189ste kapittel.

Floramor Grieks en Latijn. (Amaranthus caudatus)

De meesters spreken dat dit is een kruid en is tweevormig. Een is mannelijk en de andere vrouwelijk. De mannelijk die heeft een dunne steel en heeft bladeren die zijn lang en spits gelijk de vlierbladeren en heeft dunne zaden.

De vrouwelijk heeft een stengel als de kool die men eet en deze is een arm lang. Het heeft bloemen die zijn groen en ook wit en heeft zwarte zaden. Die wortels hiervan is een duimdik en groeit graag op het veld. [154] De meester Plinius spreekt dat deze beide van natuur koud en droog zijn aan de derde graad. Dioscorides spreekt dat deze beide vrijwel gelijk hebben een natuur. Maar toch de vrouwelijke meer koudheid en de mannelijke meer droog. Dit kruid gekookt en op de gekneusde leden gelegd beneemt dat (2) gestolde bloed en heelt dat gelijk. Dit kruid gekookt in wijn en van onder gebaad dat beneemt emorrodias, dat zijn vloeden in het achterste. Dit alzo genuttigd is ook goed tenasmom, dat is die er lust heeft tot de stoelgang en toch niet maken mag. De meester Platearius spreekt dat dit kruid zijn wortels in de mond gehouden beneemt de tandpijn. Deze wortels gestoten en gemengd met meiboter en daaruit gemaakt een zalf dient erg goed voor hitte, daarop gestreken.

Dodonaeus; Dit kruid, als gezegd is, wordt in het Grieks Amarantos bij Plinius genoemd omdat het niet gauw vergaat of verflenst al of men het onverflensbaar kruid noemde, dan het heeft een eigen naam hier te lande, te weten flouweelbloemen, in het Hoogduits Sanunatblumen, Tausentschon, Floramor.

Dodonaeus; ‘ Daarom is het oordeel te weerleggen en te verachten, ja uit te lachen van diegene die willen verzekeren, dat onze purperen fluweelbloemen (2) het bloed stelpen en de rode loop en andere diergelijke vloeden en ziekten genezen kunnen.

Eerdberen

Das cxc Capitel

Frage latine·

(Die wirdigen meister spτechen·das erdbeeren sind kalt und feücht an dem dτitten grad·und die naturen der frücht die findet man auch an dem kraut·Dises kraut hat subtile stengel und kurcze·und geleÿchet der odermÿnge allein das erdbeer kraut grôssere und lengere bletter hat·Diþs kraut weret ein ganczes jar und nit darüber·(Plinius spτichet·das erdbeeren kraut gar gůt seÿ domit zů baden für den stein·

(Auch ist das wasser davon distillieret gůt getruncken für den stein·und machet wol hårmen·(Wer groþ lennden wee håtte·(·o·iiij·) [155] der neme erdbeeren kraute dτey oder vier handt vol und siede dz in wasser und båe sich domit unden auff unnd schmiere sich darnach mit diser salben·Nÿmme dÿldeÿ ein lot·und müsche darunder hônig ein halb lot·unnd wachþ ein quintin unnd mache darauþ ein salben·Dise salbe die dienet gar wol zů den lenden und waÿchet die verhertten materj darjnnen·und machet fast wol hårmen·(Der meister Platearius spτicht·das dise frucht dienet dem menschen und benÿmbt unnatürliche hÿcze·und ist sunderlichen gůt Colericis das sind die do von natur heÿþ und trucken sind·unnd sunderlichen die frucht den selbigen kŭlung und feüchtung bτinget·(Item. Erdbeeren safft und wegbτeÿte wasser ÿegklichs acht lot·rosen hônig zweÿ lot·maulbeersafft ein lot·weÿsses hunds mÿst genant album grecum unnd palustien·ÿegklichs ein quintin·menge dise materien zůsammen mit wenig eþsigs·unnd den mundt domit goτgeln·ist gůt wideτ die apostemen in der keelen genannt squinantia·(Item·Erdbeeren wasser ist gůt wider des mennschen seer schwÿczen·

(1) Aardbeien.

Dat 190ste kapittel

Frage Latijn. (Fragaria vesca)

De eerwaardige meesters spreken dat aardbeien zijn koud en vochtig aan de derde graad en de natuur van de vrucht die vindt men ook aan het kruid. Dit kruid heeft subtiele stengels en korte en lijkt op de agrimonie, alleen dat aardbeienkruid grotere en langere bladeren heeft. Dit kruid blijft een gans jaar en niet daarover. (3) Plinius spreekt dat aardbeienkruid erg goed is daarmee te baden voor de steen.

Ook is dat water daarvan gedistilleerd goed gedronken voor de steen en maakt goed plassen. Wie grote lendenpijn heeft [155] die neemt aardbeienkruid drie of vier hand vol en kook dat in water en baadt zich daarmee van onderaf en smeer zich daarna met deze zalf: Neem dille een 16, 7gram en meng daaronder honing, een half van 16, 7gram, en was, een 1, 67 gram, en maak daaruit een zalf. Deze zalf die dient erg goed tot de lenden en weekt de verharde materie daarin en maakt erg goed plassen. De meester Platearius spreekt dat deze vrucht dient de mensen en beneemt onnatuurlijke hitte en is vooral goed galachtige, dat zijn die van natuur heet en droog zijn en vooral de vrucht daarvan (5) verkoelt en vochtigheid brengt. Item. (4) Aardbeiensap en weegbreewater, van elk acht maal 6, 7 gram, rozenhoning, twee maal 16, 7 gram, moerbeisap, een 16, 7 gram, witte hennen mest genaamd album grecum en granaatbloemen, van elk een 1, 67gram, meng deze materiën tezamen met weinig azijn en de mond daarmee gorgelen is goed tegen de zwellen in de keel genaamd squinancie. (2) Item. Aardbeienwater is goed tegen de mensen zeer zweten.

Fragaria vesca, L. (eetbaar) en Fragaria moschata, Duch. (muskus geurend)

Dodonaeus; ‘De vruchten of bessen van dit gewas heten hier te lande eerdtbezien, in Hoogduitsland Erdbeeren.

Herbarius in Dyetsche; (2) Tegen het zweten en hitte: ‘Kook aardbei en als je in het kooksel van aardbei ook dragagantum mengt dan is het goed tegen dorst’.

(3) Tegen niergruis: ‘Neem wijn waar aardbei, peterseliezaad en steenbreek in gekookt zijn’. (4) Tegen zweren van de mond meng je het sap van aardbei met honing van rozen.

feygen cxci Capit

Ficus latine·grece Sÿca·arabice Cui·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Cui·idest ficus·beschτeibt uns und spτicht·das der seÿen zweÿer hand·Ettlich sind wÿlde·ettliche heÿmisch·Die heimischen feygen sind auch zweyerhandt·ettlich frÿsch und feücht·und etlich alt und trucken. Und spτicht das die trucknen besser sind dan die frÿschen·Und dises sind die besten under den trucknen feÿgen die do fleÿsich sind und nit zůgar dürτ·Dise feÿgen sind heÿþ am dem anfang des ersten gradz und trucken an dem anfang des [156] andern grads·Und jr andere tugent ist das sÿ zeÿtigen und verczeren·(Der meister Diascoτides spτicht·das feÿgen bequåme sind der lungen·die gesotten mit ýsop und wasser und dz getruncken. (Disen getranck also genüczet benymmet den alten hůsten·unnd auch den alten schaden d lungen·(Und sunderlich so bemenen feÿgen peripleumonia·das ist ein geschweer auff der lungen davon dann kommet ptisis·das ist die schwÿndtsucht genant das abnemen·(Feÿgen gesoten mit siben gezeÿte samen und gerstenwasser·und die frawen domit gebåwet unden auff den jr můter nit an jrer rechten stat lÿgt·sÿ genýset zůhandt·(Item·Feÿgen gesoten und gestossen·und darunder gemüschet schwårttel wurczeln und darauþ gemachet ein pflaster und auff die herten geschweere geleget·waÿchet und heÿlet die·(Item·feygen gesotten in wein und darnach gestossen und darunder gemüscht gersten meel und wôτmůt·und darauþ gemachet ein pflaster·und das geleget auff den bauche des wassersüchtigen·benÿmmett jm die geschwulste·(Der meister Galienus in dem achtenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem apitel Sÿca idest ficus beschτeibt uns und spτicht·das feÿgen benemen geschwulst und sind bald durchdτingen den leÿbe·und darumb so dienen sÿ wol der geschwulst die do kommet von wassersucht·(Item·Galienus in seinem andern bůch genannt de cibis in dem capitel Ficus spτichet·das feygenn dem leybe gar kleyne speÿsung geben·und wer der do vil nüczet dem machen sÿ ein luck fleÿsch·und nit zů dychte·unnd blåen jm den bauch geleÿch den bonen·unnd machend dem menschen bôses geblût·

(Der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Ficus beschτeibet uns und spτichet·das der seÿ dτeÿer handt·Etlich weyþ von farben·ettliche rot·und etlich schwarz·und spτicht das die weyssen gůt sind und darnach die roten·unnd zů dem dυitten die schwarczen·und dÿe do gancz zeytig sind under dene die sind die besten und mynder schade·(Auch spτicht Avicenna·das feygen bôses geblŭt machen in dem menschen·und machen leüþ wachÿen wer der vyl ÿþset·(Der meister ysaac in dem bůch genant de dietis particularibus in dem capitel Ficus spτicht·daz under allen früchten feÿgen mer zů loben sind·aber jr feüchtung machet den mennschen grobes geblŭt·(Feÿgen gestoþsen und darunder gemüschet hônig unnd darauþ gemachet ein pflaster und auff die hertten geschweren geleget·waychet die·(Der meister Diascoτides inn dem capitel ficus beschτeibt uns und spτicht·daz der safft von den ôþten des feÿgenbaumes auff eines vergittigen thieres bÿþs geleget heylet es on zweÿfel·(Item·Disen safft genüczet zů [157] d ausseczigkeit und uch zů dem bôsen grÿnnde·wie der wåre an dem leÿbe·domit geschmieret hilfft wol on allen zweÿfel·(Diser safft sol gesamlet werden so die frucht gar schier zeÿttig ist auff dem baume·(Die feygen gesotten mit ÿsop·unnd die des moτges nüchtern genüczet·sind fast gůt für die pestilencz·(Unnd also genüczet benemen sÿ do die wassersucht·(Unnd sind auch also genüczet gůt epilenticis·dz ist die do den fallenden siechtagen haben·

(1) Vijgen, 191ste kapittel.

Ficus Latijn. Grieks Sÿca. Arabisch Cui. (Ficus carica)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Cui, id est Ficus, beschrijft ons en spreekt dat ze zijn tweevormig. Ettelijke zijn wilde en ettelijke inlands. De inlandse vijgen zijn ook tweevormig, ettelijke vers en vochtig en ettelijke oud en droog. En spreekt dat de droge beter zijn dan de verse. En dit zijn de beste van de droge vijgen die er vlezig zijn en niet te erg droog. Deze vijgen zijn heet aan de aanvang van eerste graad en droog aan de aanvang van de [156] andere graad. En hun andere deugd is dat ze rijpen en verteren. (4) De meester Dioscorides spreekt dat vijgen bekwaam zijn de longen, die gekookt met hysop en water en dat gedronken. Deze drank alzo genuttigd beneemt dat oude hoesten en ook de oude schade van de longen. En vooral zo benemen vijgen peripneumonie, dat is een zweer op de longen daarvan dan komt ftisis, dat is de duizeligheid genaamd dat afnemen. Vijgen gekookt met zevengetijde zaden en gerstewater en de vrouwen daarmee gebaad van onder op als hun baarmoeder niet op de goede plaats ligt, ze geneest gelijk. Item. Vijgen gekookt en gestoten en daaronder gemengd Iris wortels en daaruit gemaakt een pleister en op de harde zweren gelegd weekt en heelt die. Item, vijgen gekookt in wijn en daarna gestoten en daaronder gemengd gerstemeel en alsem en daaruit gemaakt een pleister en dat gelegd op de buik van de waterzuchtige beneemt hun de gezwellen. De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Syca, id est Ficus, beschrijft ons en spreekt dat vijgen benemen gezwellen en zijn gauw doordringen het lijf en daarom zo dienen ze goed de gezwellen die je komt van waterziekte. Item. (2) Galenus in zijn andere boek genaamd de cibis in het kapittel Ficus spreekt dat vijgen het lijf erg kleine spijs geven en wie er veel nuttigt die maken ze een licht vlees en niet te dicht en blaren in de buik gelijk de bonen en maken de mensen kwaad bloed.

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Ficus beschrijft ons en spreekt dat het is drievormig. Ettelijke wit van verf, ettelijke rood en ettelijke zwart en spreekt dat de witte goed zijn en daarna de rode en als derde de zwarte en die er gans rijp zijn van die zijn de beste en minder schade. (2) Ook spreekt Avicenna dat vijgen kwaad bloed maken in de mensen en maken luizen groeien die er veel eet. De meester Ysaac in het boek genaamd de dietis particularibus in het kapittel Ficus spreekt dat onder alle vruchten vijgen meer te loven zijn, maar hun vochtigheid maakt de mensen grof bloed. Vijgen gestoten en daaronder gemengd honing en daaruit gemaakt een pleister en op de harde zweren gelegd weekt die. (3) De meester Dioscorides in het kapittel Ficus beschrijft ons en spreekt dat het sap van de bast van de vijgenboom op een vergiftig dierenbeet gelegd heelt het zonder twijfel. Item. Dit sap genuttigd tegen [157] huiduitslag en ook tot de kwade hoofdzeer, waar het is aan het lijf, daarmee gesmeerd helpt goed zonder alle twijfel. Dit sap zal verzameld worden zo de vrucht erg schier rijp is op de boom. De vijgen gekookt met hysop en die ‘s morgens nuchter genuttigd zijn erg goed voor de pest. En alzo genuttigd benemen ze je de waterziekte. En zijn ook alzo genuttigd goed epileptici, dat is die de vallende ziekte hebben.

Dodonaeus;Dodonaeus; ‘Het gewone geslacht van deze bomen heet hier te lande vijgh-boom, in Hoogduitsland Feigenbaum, in het Grieks Sycea of Syce.

Maerlant; (2) Plinius zegt, die meester fijn, dat ze kwaad zijn voor vele lieden want hij zegt er bij bovendien ongezonde lieden moeten het mijden vijgen te eten te alle tijden. (3) Zijn witte sap, dat wil men weten, is nuttig tegen serpentenbeten. Droge vijgen zijn goed om te eten, ze veroorzaken dorst in het lichaam en zijn goed voor de wegen van de (4) longen, de blaas, de nier, de gebrekkige in de adem en de ongezuiverde.

koτnblůmen

Das cxcii Capitel

Floτes frumentoτum latine·

(Die meister spτechen·das dise blůmen wachþen in dem koτen und der sind ettlich an der farbe blaw·ettlich bτawn·und ettlich weÿþ·Diser blůmen kraut oder wurczeln nüczet man gar wenig zů erczneÿen dem menschen in dem leýbe·Aber auþswendig des leÿbes mag man die nüczen in dτeÿerleÿ wege·nach dem und auch sÿ dτeÿ farben haben·(Zů dem ersten die blawen do gemüscht mit spangrŭn·und die auf ein faule fleyschige wunden geleget·verczeret das do gar bald. (Die bτaunen koτnblůmen gemüschet mit bolo armeno·unnd umb die wunden geleget·daz benÿmmet die hÿcze darumb.

(Die weÿssen koτnblůmen gemüschet mit bleÿweýþ·und auch baumôle und darauþ gemachet ein pflaster·kŭlet unnd heÿlett alle hÿczige blattern·(Item·Die blawen und die bτaune korenblůmen gedôτret·Das bulfer machet dem zucker hubsche farbe·Das zucker domit gemachet mag man nüczen on schaden in den leýbe· [158]

(1) Korenbloemen.

Dat 192ste kapittel

Flores frumentorum Latijn. (Centaurea cyanus)

De meesters spreken dat deze bloemen groeien in het koren en er zijn ettelijke aan de verf blauw, ettelijke bruin en ettelijke wit. (2) Deze bloemen, kruid of wortels nuttigt men erg weinig in de artsenij de mensen in het lijf. Maar uitwendig het lijf mag men die nuttigen in drie manieren naar dat ze ook drie kleuren hebben. Tot de eerste de blauwe die gemengd met Spaans groen en die op een vuile vleeswond gelegd verteert die dat erg gauw. De bruine korenbloemen gemengd met bolus armenus en om de wonden gelegd, dat beneemt de hitte daarom.

De witte korenbloemen gemengd met loodwit en ook olijvenolie en daaruit gemaakt een pleister verkoelt en heelt alle hete blaren. Item. De blauwe en de bruine korenbloemen gedroogd en dat poeder maakt de suiker mooie kleur. Dat suiker daarmee gemaakt mag men nuttigen zonder schaden in het lijf. [158]

(1) Dodonaeus; ‘‘De eerste en algemeenste soort van deze bloemen worden gewoonlijk hier te lande korenbloemen en ook soms roggebloemen genoemd omdat ze in het koren en vooral tussen de rogge plegen te groeien, de Hoogduitsers noemen het ook Kornblumen en Blaw Kornblumen.

(2) Dodonaeus; ‘De aard van deze bloemen en haar krachten is noch niet goed bekend en onderzocht, gemerkt dat ze nergens in de medicijnen gebruikt worden.

Johanns blůmen

Das cxciii Capitel

Floτes sancti Johannis latine·(Die meister spτechen·das dise blůmen sind von natur getemperieret·unnd werden zů einer kranckheit genûczet genant Amoτ hereos·das ist ein soτgfållige begierde des mannes zů einer frawen·oder einer frauwen zů einem mann·Ettlich meister die spτechen·das dises seÿe teüfels liebe und nit menschlichen·Darumb wôlicher ein sollicher melancolicus wåre·also das er weder tag noch nacht rŭwe hatte in seinem haubte·und allzeÿt gern beÿ frawen sein wolte·der selbig neme zů jm diser blůmen sein fantaseÿ unnd bôser willen der wirt gewandelt zů gŭttem·Unnd du solt auch domit gedencken die keüscheÿt sant Johannsen·und jm opffern einen pater noster und ein Ave Maria·du wirdest erlôset von diser bôsen melancoleÿ on allen zweÿfel. Paulus·

(1) Valkruid.

Dat 193ste kapittel. (Arnica montana)

Flores sancti Johannis Latijn.

(2) De meesters spreken dat deze bloemen zijn van natuur getemperd en worden tot een ziekte genuttigd genaamd Amor hereos, dat is een zorgvuldige begeerte van de man tot een vrouw of een vrouw tot een man. Ettelijke meesters die spreken dat dit is duivelsliefde en niet menselijk. Daarom wie zo’n melancholicus is alzo dat hij nog dag nog nacht rust heeft in zijn hoofd en altijd graag bij vrouwen zijn wil, diezelfde neemt tot hem deze bloemen en zijn fantasie en kwade wil die wordt veranderd in een goede. En u zal ook daarmee gedenken de kuisheid Sint Johannes en hem offeren een pater noster en een Ave Maria, u wordt verlost van deze kwade melancholie zonder twijfel. Paulus.

Hypericum perforatum wordt algemeen als Sint Jansplant aangezien.  De afbeelding laat een asterachtige zien en waarschijnlijk wel Arnica.

Het valkruid zou gevonden worden op St. Johannisdag, 24 juli, vandaar dat het een sonnwend- of Johannisblume is.

(2) De eerste vermelding van onze plant is bij H. Hildegard te vinden waar ze zegt dat de plant wolfesgelegena onze Arnica is. 

Maar naar H. Hildegard en de Gart dat het in die beroemde nacht het meest werkt om liefde tussen man en vrouw op te wekken. Dan komt de naam Wolverley van Wohl; welzijn, en verleiden.

Hyrttenpfeyff das

Cxciiii capitel [159]

Fistula pastoτis·sive Arnoglossa maioτ·vel Almea latine grece Damasimon arabice Carzumbτum·

(Diascoτides in dem capitel almea spτichet·das dises seÿe ein kraut und spannet sich auff die erden geleÿch der wegrich·dises hat grŭn blůmen·Sein wurczel ist waych und wechþt gern beÿ den wassern·(Die wurczel dises krautes gesotten mitt wein und hônig und den getruncken benÿmmet den roten fluþ dissinteria genant·Also genüczet benymmet er auch den weetagen zwyschen den schulttern·(Avicenna in seinem andern bůche in dem capitel fistula pastoτis spτicht·das dises krautes tugent sej verczeren apostemen die verhertet wåren·darauff geleget. (Von disem kraut und wurczeln getruncken·bτichet den stein in den lenden·(Dise wurczeln heÿlet die geschweeren in den dårmen·die genüczet mit baummôle unnd hônigwasser·(Dises kraut ist warm und feücht an dem andern grad. Galienus·

Engelwortel, dat

194ste kapittel. [159]

Fistula pastoris sive Arnoglossa major vel Almea Latijn. Grieks Damasimon. Arabisch Carzumbrum. (Angelica sylvestris)

Dioscorides in het kapittel almea spreekt dat dit is een kruid en spant zich op de aarde gelijk de weegbree, deze heeft groene bloemen. Zijn wortel is week en groeit graag bij het water. De wortel van dit kruid gekookt met wijn en honing en dan gedronken beneemt de rode vloed, dissinteria genaamd. Alzo genuttigd beneemt het ook de pijnen tussen de schouders. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel fistula pastoris spreekt dat dit kruid deugd is verteren gezwellen die verhard waren, daarop gelegd. Van dit kruid en wortels gedronken breekt de steen in de lenden. Deze wortel heelt de zweren in de darmen, die genuttigd met olijvenolie en honingwater. Dit kruid is warm en vochtig aan de andere graad. Galenus.

Dodonaeus; ‘In de middeleeuwen heette het ook Fistula pastoris. Van de holle stengels werden wel fluiten gemaakt door de herders, Duitse Hirtenpfiff.

Schluttenkraut oder Geelb schwerteln das cxcv Capitel

(G)Ladiolus latine·grece dexeris·(Die meister spτechen dz diþs kraut keinen stengel hab·und hat bletter die wachþen auþ der wurczeln die geleÿchen do eines schwerttes lamel·und ist zweÿer handt·Eins wechþt an trucknen steten·und hat do ein hoge blůmen die ist waÿch und wolriechend·das ander das wåchþt an wåsserigen steten·unnd hat auch ein hohe blůmen die ist geel farb·und hat ein knodete wurcz die sicht man ob d erden·die wurczel ist kaltes und feüchtter na [160] tur·(Ein pflaster gemacht von der wurczeln·und darunder gemüschet hônig und ôle·und das geleget auff das zerschollen milcze·es hilfft·(Ettlich meister spτechen auch·daz gelbe schwårtel wurczel seý heyþ und trucken an dem andern grad·unnd hat grôssere krafft an der wurczeln dann an dem kraut oder an dem samen·(Item schwårtel wurczeln sind nicht gůt zů essen·sunder man sil jre wurczeln schneiden zů kleinen stucken oder scheibelein·unnd sol die thůn an ein schnůr·also das ein stuck daz ander nit anrŭre·unnd hencke sÿ auff das sÿ trucken werdend an dem lufft und nit an der sunnen·(Schwårttelwurczel in wein gesoten und den getruncken stillet den hůsten·und gibt gůte geschmack waran die geton wirt·(Diser wurczeln bulfer getruncken mit wein·vertreÿbet do den frauwen das schweeren an den bτüsten·(Der meister Diascorides der spτicht·das dise wurczlen gestossen unnd darunder gemüschet die wurczeln Centaurea·das ist tausent guldin·unnd darunder gemüschet hônig und eþsig·und das geleget über dÿe zerknüscheten gelÿder do ist es fast gůt·(Auch also genüczett ist fast gûtt stranguiriosis·das ist do do mit not neczend·oder tropflingen hårmen·das gelegt auff den bauch hilfft fast wol·(Der samen von schwårttelwurczeln gestossenn unnd auch gemüschet mit eþsig ist fast gůtt dem·der do ein bôses milcz hat. (Die wurczel mit wein getruncken ist fast gůt dem der do gifftt beÿ jm håtte·wann es das vergifft von natur verczeret·

(Der meister plinius spτichet das geelbe schwårttel wurczeln in wein geleget und den getruncken·ist fast gůtt dem der do ettwas vergifftiges geessen håtte. Also genuczet bτinget den frauwen jr zeyt menstruum genant. (Schwåttel wurczeln gestossen und geleget auff ein loch do ein pfeÿle jnnen wåre oder ein doτen·zeühet jn auþ von stunden an·(Item·Geelb lÿlgen gesotten in wasser·unnd mit rot cÿceren vermenget·und durch geschlagen unnd sŭþs gemachett mit zucker·Davon genüczet·ist gůt wider die geelsucht genantt ÿctericia·Und ist auch gůtt wider bestopffung des milczes·als platearius spτicht· [verder op pagina 227]

(1) Iris of geel zwaard, lis, dat 195ste kapittel. (Iris pseudoacorus)

Gladiolus Latijn. Grieks dexeris.

De meesters spreken dat dit kruid geen stengel heeft en heeft bladeren die groeien uit de wortels en die lijken op een zwaard lemmet en is tweevormig. Een groeit aan droge plaatsen en heeft een hoge bloem die is week en goed ruikend, de andere dat groeit aan waterige plaatsen en heeft ook een hoge bloem, die is geelkleurig en heeft een knopige wortel die ziet men op de aarde, die wortel is koud en vochtig natuur. (verder op blad 226) Een pleister gemaakt van de wortels en daaronder gemengd honing en olie en dat gelegd op de gezwollen milt, het helpt. Ettelijke meesters spreken ook dat gele iriswortel is heet en droog aan de andere graad en heeft grotere kracht aan de wortels dan aan het kruid of aan de zaden. Item, iriswortels zijn niet goed te eten, vooral zal men hun wortels snijden in kleine stukken of schijfjes en zal die doen aan een snoer alzo dat het ene stuk de andere niet aanroert en hang ze op zodat ze droog worden aan de lucht en niet aan de zon. Iriswortel in wijn gekookt en dan gedronken stilt het hoesten en geeft goede smaak waaraan die gedaan wordt. Deze wortel zijn poeder gedronken met wijn verdrijft bij de vrouwen de zweren aan de borsten. De meester Dioscorides die spreekt dat deze wortels gestoten en daaronder gemengd de wortels van Centaurea, dat is duizend guldenkruid, en daaronder gemengd honing en azijn en dat gelegd over de gekneusde leden dat is erg goed. Ook alzo genuttigd is het erg goed stranguriam, dat is die er met (2) nood plassen of druppelend plassen, dat gelegd op de buik helpt erg goed. De zaden van Iris gestoten en ook gemengd met azijn is erg goed die er een kwade milt heeft. De wortel met wijn gedronken is erg goed die er gif bij hem heeft, want het dat vergif van natuur verteert.

De meester Plinius spreekt dat gele iriswortels in wijn gelegd en dan gedronken is erg goed die er wat vergif gegeten heeft. (3) Alzo genuttigd brengt het de vrouwen hun tijd menstruatie genaamd. (a) Gladioolwortels gestoten en gelegd op een gat daar een pijl in is of een doren trekt hem uit van stonden af aan. Item. Iris gekookt in water en met rode Cicer vermengt en doorgeslagen en zoet gemaakt met suiker en daarvan genuttigd is goed tegen de geelziekte genaamd icter. En is ook goed tegen verstopping van de milt zoals Platearius spreekt. [verder op pagina 227]

De gele lis komt al voor in kapittel 21. Dat kan niet verward worden met Acorus calamus want die heeft geen gele bloemen. Maar hier staat ook net als in kapittel 21 een geel bloeiende lisachtige afgebeeld. Zie ook kapittel 127 voor de echte Calamus.

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘De gewone man noemt dit kruid hier te lande geel lisch, in Hoogduitsland Galb Schwertel en ook Drachenwurtz.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Kalmoes laat plassen en de stonden van de vrouwen komen, vooral als je ’s morgens en ‘s avonds telkens een half glas drinkt van de wijn waarin kalmoes met Asarum gekookt is dat met wat afgeschuimde honing zoet is gemaakt en wat na de zuivering in een doek overblijft moet je op de buik leggen want het maakt de (3) baarmoeder gereed om de stonden te laten komen.

pfremen oder gynst

Das cxcvi Capit

Genesta latine·

(Der meister Johannes mesue spτicht·das pfremen wachþen in den wålden und hab lang stengel·unnd die lassen sich fast wol umb wÿnden und bτechen nit bald·Auch so bÿndet man holcz domit zů gebünden·und tragen blůmen die sind rund unnd geelb·und bτingen auch samen. (Diascoτides spτicht das dises kraut seÿe heÿþ und trucken an dem andern grad·Der samen ist heÿsser natur·(In den blůmen und an dem stengel ist überflüþsige feüchtigkeit·Und darumbe zeühet e vil feüchtigkeit vonn dem menschen durch bτechen·(Von dem samen und blůmen getruncken mit hônigwasser genant mulsa·treybet auþ vil feutigkeit durch schwÿczen·

(Item Johannes mesue beschreÿbet uns auch und spτicht·dz pfremen blůmen gestossen und gemüschet mit rosen hônig odeτ mit waÿchen eÿern·und das genüczet reyniget die dårm und nÿeren und machet fast wol hårmen·und treybet den stein auþs in den nÿeren unnd auch in der blasen·Und wer den samen bτauchet oder blůmmen·dem låþt es den stein nitt verhertten in dem menschen·(Wer des samens und der blůmen dÿck nüczet der bedarff sich nit besoτgen voτ dem bodogram·das ist do ein suchtt in den fŭssen·(Der meister Paulus spτichet·das der samen von genesta seÿ fast gůt den frauwen gebτauchet zů jrer kranckheit·und benÿmmet do den fluþ der do lange zeyt in jnen geweret hat·und reyniget auch also genüczet die matrix· [228]

(1) Brem of genist.

Dat 196ste kapittel.

Genesta Latijn. (Cytisus scoparius)

De meester Johannes Mesue spreekt dat brem groeit in de wouden en heeft (5) lange stengels en die laten zich erg goed ombuigen en breken niet gauw. Ook zo bindt men hout daarmee tot bundels en dragen bloemen die zijn rond en geel en brengen ook zaden. Dioscorides spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de andere graad. De zaden zijn van hetere natuur. In de bloemen en aan de stengel is overvloeiende vochtigheid. En daarom trekt het veel vochtigheid van de mensen door braken. Van de zaden en bloemen gedronken met honingwater genaamd mulsa drijft uit veel vochtigheid door zweten.

Item, Johannes Mesue beschrijft ons ook en spreekt dat brembloemen gestoten en gemengd met rozenhoning of met weke eieren en dat genuttigd reinigt de darmen en nieren en maakt erg goed plassen en drijft de steen uit in de nieren en ook in de blaas. En wie de zaden gebruikt of bloemen die laat het de steen niet verharden in de mensen. Wie de zaden en de bloemen vaak nuttigt die hoeft zich niet bezorgd te maken voor het podagra, dat is een ziekte in de voeten. (2) De meester Paulus spreekt dat de zaden van Genista zijn erg goed de vrouwen gebruikt tot hun ziekte en beneemt hen de vloed die lange tijd in hen geduurd heeft en reinigt ook alzo genuttigd de baarmoeder. [228]

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘Dit heesterachtig gewas wordt hier te lande brem genoemd, in Hoogduitsland Pfriemen, in Frankrijk genest.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (3) Bremzaad is heet, maar in de bloemen en twijgen is het overvloedig vochtig met insnijdende macht, daarom laat het walgen of overgeven. (4) Alle delen van brem zijn verstorend, insnijdend, maken fijn en laat plassen, breekt de steen, ruimt de baarmoeder of laat de stonden komen.

Gamandτe

Das cxcvii Capit

Gamandτum latine·

(Die wirdigen meister spτechen das dises kraut seÿ heÿþ und trucken an dem dτÿtten grad·Ettliche meister spτechen auch·daz dises kraut seÿ heÿsser natur und feÿþt·und sey niemant nücz weder menschen noch vÿhe·und machet das geblŭt in dem menschen fast dünn·und mynderet dz und meret unflåtigkeit·(Weer den kleinen grýndt håtte an seinem leÿbe zwÿschen feel und fleÿsch·der stosse dises kraut mit alttem schmeer und salbe sich domitt so heÿlet er·Und so er ettlicher massen heÿl ist·oder anhebt zů heylen so sol er sich darnach nit mer schmieren·wann es leczet jm do sein haudt und geblŭt in dem leÿbe·(Wôlcher zerbτochen wåre in dem leÿbe·der mag von dÿsem kraut trincken·(Gamandτia mit hônig gestossen·und auf einen alten schaden geleget wie d wår·es heÿlet und seübert fast wol·(Den safft mit hônig getemperiert und in die augen geton·benymmet die tunckelheit der augen und machet sÿ klar·

(Gamandτia gestossen und getemperiert mit baumôle und dem leÿb domit gesalbet·vertreÿbett den bôsen frost·und bτingt dem leybe gar gůte hycze·(Wer dises kτaut beÿ jm tregt den hassen die leüt·[229]

(1) Gamander.

Dat 197ste kapittel.

Gamandrum Latijn. (Teucrium chamaedrys)

De eerwaardige meesters spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad. Ettelijke meesters spreken ook dat dit kruid is van hetere natuur en vochtig en is niemand nuttig nog mensen nog vee en maakt dat bloed in de mensen erg dun en vermindert dat en vermeerdert ongesteldheid. Wie de kleine schurft heeft aan zijn lijf tussen vel en vlees die stoot dit kruid met oud vet en zalft zich daarmee, zo heelt het. En zo hij enigermate heelt is of begonnen te helen zo zal hij zich daarna niet meer smeren want het let hem zijn huid en bloed in het lijf. Wie gebroken is in het lijf die mag van dit kruid drinken. Gamander met honing gestoten en op een oude schade gelegd, waar dat is, heelt en zuivert erg goed. (3) Het sap met honing getemperd en in de ogen gedaan beneemt de donkerheid van de ogen en maakt die helder.

(5) Gamander gestoten en getemperd met olijvenolie en het lijf daarmee gezalfd verdrijf de kwade koude en brengt het lijf erg goede hitte. (2) Wie dit kruid bij hem draagt die haten de mensen. [229]

Zie kapittel 102 en 138.

Dodonaeus; ‘‘In het Grieks heet dit kruid Chamaedrys, er zijn sommige die het Teucrion noemen naar het zeggen van Plinius en Dioscorides.

(2) In Duitsland gelooft men dat het plukken een storm zal veroorzaken. Donnerblume, Gewitterblume, Wetterblumel en Frauenbiss.

Herbarius in Dyetsche; Het zuivert, het laxeert, het verteert de winden en verdunt de grove vochtvermenging. Daarom is het ook goed tegen verstoppingen van de lever, van de milt en van de (3) baarmoeder.

galgan cxcviii Ca

Galanga latine·arabice Galangen·

(Ettlich meister spτechen·das dises seÿ ein baum·ettlich spτechen das dises seÿ ein frucht·Aber Diascoτides spτicht·dz dises seÿ ein wurczel·die findet man in dem land persia·beÿ einen baume galangen genant·Dise wuτczel weret fünff jar unverseeret. Und dises ist die beste die do ist rôtlat und schwår·und sich nit bulferifiert wenn man die bτÿchet·und sol auch einen scharpfen gerauch haben auff d zungen und die do weÿþs ist und leycht die ist nit gůt. Ir tugent ist starck und verczeren. Die wurczeln werden zů zeÿten gefelschet mit andern wurczeln die darunnder gemüschet werden·(Item etlich felschen galgan also·Sy nemen galgan und bulferifiern den und nemen denn wurczlen die galgan geleÿchen an der farbe·und legen die in eþsig darein pfeffer vermüschet ist·und lassen die baÿssen über nacht·darnach thůn sÿ den eþsig von dem wurczeln·und vermüschen die wurczeln mit dem gestossen galgan·umbe des gerauchs willen den dann die wurczeln an sich ziehen von dem bulfer des galgan·(Der meister Serapio in den bůch aggregatoτis in dem capitel galangan spricht·das dises seÿe ein adern in der erden gestalt geleÿch cassielignee·und diser adern rÿnden ist rôtlat an d farbe·und die ist geheÿssen galanga·Dises ist heiþ und trucken an dem dτitten grad. (Der meister Diascoτides spτichet·daz dise wurczel seÿ gůt genüczet zů allen kranckheÿten die do kommen von kelte·(Galange sterken den magen und machen wol deüwen·und benemen dem magen den schmerczen der do kommet von kelte·(Die gesoten in wein und den getruncken des abents und moτgens·(Galgan gelassen in die naþlôcher sterckt das hÿrn·(Galgan ist gar gůt dem zÿttrenden herczen·(Wer vil onmåchtig ist und geneyget zů dem schwÿndel·der nücze galgan mit wegrich safft·er genyþt. (Wer einen übelriechenden mund håte d siede galgan in wein·und trincke den·er wirt wol riechen·und reyniget das stinckend geblüt jnnerlichen=(Serapio spricht·das galgan mache dem menschen einen wolriechenden athem und beneme vil bôser feüchtung in dem leybe·und machet wol deüen von der hycze willen die er von natur hat·(Johannes mesue spτicht·das galgan gůt seÿe für das darmgesücht·(Galgan genüczet mit dem safft boτaginis·benÿmbt vil onmåchtigkeit des herczen· [230]

(1) Galigaan, 198ste kapittel.

Galanga Latijn. Arabisch Galangen. (Alpinia galanga)

Ettelijke meesters spreken dat dit is een boom, ettelijke spreken dat dit is een vrucht. Maar Dioscorides spreekt dat dit is een wortel en die vindt men in het land Perzië bij een boom galangen genaamd. Deze wortel blijft vijf jaar onveranderd. (4) En deze is de beste die er is roodachtig en zwaar en zich niet verpoedert als men die breekt en zal ook een scherpe reuk hebben op de tong en die er wit is en licht die is niet goed. (3) Zijn deugd is versterken en verteren. (2) De wortels werden in tijden vervalst met andere wortels die daaronder gemengd worden. Item, ettelijke vervalsen galigaan alzo: Ze nemen galigaan en verpoederen die en nemen dan wortels die op galigaan lijken aan de verf en leggen die in azijn daarin peper vermengd is en laten die baden over nacht, daarna doen ze de azijn van de wortels en vermengen de wortels met de gestoten galigaan vanwege de reuk die de wortels aan zich trekken van het poeder van de galigaan. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel galigaan spreekt dat dit is een ader in de aarde gesteld gelijk Cassia ligna en deze ader bast is roodachtig aan de verf en die is geheten galanga. Deze is heet en droog aan de derde graad. De meester Dioscorides spreekt dat deze wortel is goed genuttigd tot alle ziektes die je komen van koudheid. (6) Galigaan versterkt de maag en maakt goed verduwen en beneemt de maagpijn die je komt van koudheid. Die gekookt in wijn en dan gedronken ‘s avonds en ’s morgens. (5) Galigaan gelaten in de neusgaten versterkt de hersens. (7) Galigaan is erg goed het sidderende hart. Wie veel onmachtig is en geneigd tot duizeligheid, die nuttigt galigaan met weegbreesap, hij geneest. Wie een slecht ruikende mond heeft die kookt galigaan in wijn en drinkt het dan, hij wordt goed ruikend en reinigt dat stinkende bloed innerlijk. Serapio spreekt dat galigaan maakt de mensen een goed ruikende adem en beneemt veel kwade vochtigheid in het lijf en maakt goed verduwen vanwege de hitte die het van natuur heeft. Johannes Mesue spreekt dat galigaan goed is voor de darmziekte. Galigaan genuttigd met het sap van Borago beneemt veel onmacht van het hart. [230]

(1) Dodonaeus; ‘Welke bladeren, bloemen en zaad deze wortels voortbrengen wordt niet te volle beschreven gevonden, maar de grote wordt van vele gehouden voor de echte Acorus, dan ze heet meest Galanga major, Galanga crasse. De kleine heet bij sommige Cyperus Babylonicus en in de apotheken eigenlijk Galanga, in het Hoogduits Galgenwurtz of Galien. Zie Cyperus voor de andere galgan, kapittel 112.

Maerlant; Vijf jaar leest men dat je het bewaart en als ze gekleurd zijn, zijn ze oud. (4) Die bruin/rood is, hard en zwaar en scherp van smaak is de beste, dat is waar. (2) Men mag ze vervalsen, zoals je het verstaat, zoals dat men bij kruidnagels doet, maar dat men ze met peper vernieuwt. (5) Haar reuk maakt de hersens gezond en zo maakt ze een wel smakende mond. Wulpsheid wekt ze in de zomerstonden. 

(6) Om de vertering te versterken en de pijn van de maag uit koude zaken en winden te verdrijven neem je wijn waar galigaan in gekookt is.

(7) Tegen hartkramp en het in onmacht gaan neem je galigaanpoeder met het sap van bernagie’.

Encian cxcix Cap

Genciana latine·grece narcauz arabice sontziana·

(Der meister Diascoτides in dem capitel genciana beschreibet uns und spτichet das genciana funden seÿ woτden durch den keýser geheissen ÿllericus in dem lande genant genciana und do hat er diser wurczeln den namen gebenn·(Dise vurczel die hatt eÿnen stamme der hat bletter die sind geleiche den welschen nussen und auch solichen gerauche·und ander spiczen sind sie von ein geteilet geleiche als ein sege·(Der stam ist zweÿer arm lang und knochticht·und diser stam hat samen geleich den kernen in dem ôpffeln·die wurczel geleichnet der aristologia longa genant osterloczy·und die ist deicht und bitter und wechset gern auff den hohen bergen do es feücht ist und schetten hat·(Diþ ist auch die meÿnung des meisters Serapionis in dem bůch aggregatoτis in dem capitel genciana und beschτeibet uns geleicher weÿse wie diascoτides·

(Der meister Paulus in dem capitel genciana spτicht das die sei heiþ und trucken an dem dτitten grade·(In dem bůch circa instans beschreiben uns die meÿster und spτechen das genciana seÿe eine kraut und hatt ein wurczel dÿe nÿmmet den namen dem krautt. (Die wurczel wirt genüczet in der årczeneÿ und nit das krautt. (An dem ende des meÿes samelet man die und lasset sie trucken werden die weret vier jare unverseret an jrer natur·Und diþ ist die beste die deicht ist und herte unnd sich nit bulverisieret so man sie bτichet·jr farbe sol seine geleich einem granat åpffel·und die ein bleich tunckel oder schwarcze farb hat die ist nit gůt.

(Auch ist dises die beste die faste bitter ist·Genciana hat tugent zů dissolvieren consumieren attrahieren genant von einander zů teÿlen und zů verzeren und zů jm feüchtung zů ziehen und auf zů thůn·(Der meister serapio spτicht das er nÿe kein besser årczney gesehen habe zů dem biþ d dobende hunde dan genciana und diþ sol man auch dem selbigen zů (p·j·) [231] trincken geben also·Nÿmme encian ein quintin und stoþ dem und müsche darunder mirre ein quintin und nymme auch darzů kreþs augen die do gebτant sinnd und in dem bechn gelossen sind und seüde auch dise stuck mit weine und trincke den dτeÿ moτgez nache einander es hilffet on zweiffel·(Item encian ist gůtt genüczet für vergifft·(Der meister Diascoτides spτicht das enciann vertreibe die schlangen·(Wôlicher zerknÿste gelÿder hett d neme des bulvers von encian und müsche darunder baumôle und streich das darauff er genÿset on zweifel·(Dise wurczel gelegett in wasser fünff tage·darnach sol man wasser mitt der wurczelen wol sieden und also lassen steen dτeÿ tage·darnach sol man das wasser aber eÿns sieden das es als dick werde als hônig und das dan machen in ein zÿnnen geschÿrte·Dises wasser benÿmmet alle flecken an dem leibe dar auf gestrichen·und sunderlichen die flecken an den augen das darein gelassen·

(1) Gentiaan, 199ste kapittel.

Genciana Latijn. Grieks narcauz. Arabisch sontziana. (Gentiana lutea)

De meester Dioscorides in het kapittel gentiaan beschrijft ons en spreekt dat gentiaan gevonden is geworden door de keizer geheten Yllericus in het land genaamd Gentiaan en die heeft deze wortel de naam gegeven. Deze wortel die heeft een stam die heef bladeren die zijn gelijk de walnoot en ook zo’n reuk en aan de spits zijn ze vaneen gedeeld gelijk als een zaag. De stam is twee armen lang en knopig en deze stam heeft zaden gelijk de kernen in de appels, de wortel lijkt op Aristolochia longa, genaamd holwortel, en die is dicht en bitter en groeit graag op de hoge bergen waar het vochtig is en schaduw heeft. Dit is ook de mening van de meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel gentiaan en beschrijft ons gelijkerwijze zoals Dioscorides.

De meester Paulus in het kapittel gentiaan spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat gentiaan is een kruid en heeft een wortel die neemt de naam van het kruid. De wortel wordt genuttigd in de artsenij en niet dat kruid. Aan het einde van mei verzamelt men die en laat ze droog worden en die blijft vier jaar onveranderd aan zijn natuur. En dit is de beste die dicht is en hard en zich niet verpoederd zo men die breekt, zijn kleur zal zijn gelijk een granaatappel en die een bleek, donkere of zwarte verf heeft die is niet goed.

Ook is dit de beste die erg bitter is. (2) Gentiaan heeft deugd op te lossen, consumeren, aan te trekken genaamd, van elkaar te delen en te verteren en tot hem vochtigheid te trekken en open te doen. De meester (3) Serapio spreekt dat hij geen betere artsenij gezien heeft tot de beet van de dolle honden dan gentiaan en dit zal men ook diezelfde te [231] drinken geven alzo: Neem gentiaan, een 1, 67gram, en stoot die en meng daaronder mirre, een 1, 67gram, en neem ook daartoe kreeftogen die gebrand zijn en in de beker opgelost zijn en kook ook deze stuk met wijn en drink dat drie morgens na elkaar, het helpt zonder twijfel. Item, gentiaan is goed genuttigd voor vergif. De meester Dioscorides spreekt dat gentiaan verdrijft de slangen. Wie geneusde leden heeft die neemt dit poeder van gentiaan en meng daaronder olijvenolie en strijk dat daarop, het geneest zonder twijfel. (4) Deze wortel gelegd in water vijf dagen, daarna zal men water met de wortels goed koken en alzo laten staan drie dagen, daarna zal men dat water echter inkoken zodat het zo dik wordt als honing en dat dan maken in een zinken vat. Dit water beneemt alle vlekken aan het lijf, daarop gestreken en vooral de vlekken aan de ogen, dat daarin gelaten.

(1) Dodonaeus; ‘Gentius de koning van Illyrië of Slovenië heeft de krachten van dit kruid eerst bevonden en gemerkt en daarom voert het naar hem de naam Gentiane in het Grieks, de Hoogduitsers Entzian en Bitterwurtzel.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het heeft de kracht om te ontbinden, te verteren, tot zich te trekken en het is diuretica. (dat het ’t plassen bevordert)

(3) Tegen venijnige beten, geef te drinken van het poeder van gentiaan met het sap van munt.

(4) Als je het poeder van gentiaan met het poeder van Aloë en levermos mengt geneest het de bijtende en bedrieglijke zweren.

(5) Tegen slechte adem: ‘Neem wijn waar gentiaanwortel en Iriswortel met zoethout in gekookt zijn’.

negelin cc capi

Gariofilus grece et latine·arabice harmusil.

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel harmusil id est gariofilius beschreibet uns und spτicht das dyses seÿ ein frucht·und das holcz von der frucht bτauchet man czů vil stucken·(Negelin kommen auþs dem land jndia und die haben oben knôpff geen und sind gleich alþ zene und diþ sind die besten die do haben ein rotte farbe·und sunderliche sind dz auch die besten die man von dem bauz nÿmmet ÿe ein nach der ander·(Der meister Avicenna in seinen andern bůch in dem capitel safat id est gariofilus spτicht dz (232) diþs seÿ ein frucht eins baumes in einer jnsel in dem lande jndia und die sind heiþ und truckenn an dem dτitten grade·(In dem bůch genant circa instans beschreiben uns die meister und spτechen das gariofili werden gesamelt in dem summer so sÿ zeÿtig sind·und werent zehen jare unverseret an jrer natur·unnd dÿe sol man behalten an stettenn dÿe nit zů trucken sind anders sÿ verdoτren·Auch an stetten die nitt zû feücht sind anders sÿe verschÿmmelen und verderben eezeÿt. Und diþ sind die besten die oben an dem knôpflin bτeitt sind und ein klein feütunge im jn haben wan man sie trucket mit den fingern·(Gariofili werden dicke gefelschet wan etlich nemen negelin die nitt nücze sind und thůn dÿe in ein faþ das fechütung in jme hat und binden dise in eÿn thůche und lassen dan die hangen über nacht in dem luffte des moτgens machen sÿ die truckenn das dÿe feüchtung nitt als gar mergkliche seÿ·aber die sind gůtt zů kennen an dem gerauch gen den gůtten·Ettlich felschen die also sÿe nemen die besten negelin und stossen die klein und vermengen die mitt eþsig der do gar starcke ist und müschen auch dar under gůten starcken wein und bÿnden dan die negelin die nitt nücz sind in ein tůch und lassen die also ligen über nacht unnd so nemen dann die bôsen någelin den gerauche von den gůtten also das sÿ kaume sind zů erkennen·Aber dÿe also gemachet werden die weren nitt über zwenczig tage ann dem starcken gerauch sunder sÿ nemen alle tag an jrem gerauch und geschmack abe·(Item d Serapio spτichet das gariofili gůtt sind in die årczneÿ wan sie dz gesicht scherpffen wan sÿ nemen auch das tunckel gesicht und machen das klare·(Item rasis spτichet das gariofili gůt sind dem magen und auch der leberen und stercken das hercze und stopffen dem bauche·und machen auch gar wol deüwen. (Der meister Isaac spτichet wer do trincket von gariofili ein halb quintin mitt milche fastende dem stercket es sein natur und bringet begirde und luste czů frauwen·(Der meister Avicenna spτichet das gariofili machen dem leib ein gůtten gerauch und benemen auch das tunckel gesichte und erklaren das und stercket den magen und dÿe leber und benemen vomitum das ist das bτechen·(·pij) (233)

(1) Kruidnagels, 200ste kapittel.

Gariofilus Grieks en Latijn. Arabisch harmusil. (Syzygium aromaticum, vroeger Caryophyllus aromaticus)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel harmusil, id est gariofilius, beschrijft ons en spreekt dat dit is een vrucht en dat hout van de vrucht gebruikt men tot veel stukken. Kruidnagels komen uit het land India en die hebben boven knoppen gaan en zijn gelijk als tanden en dit zijn de besten die er hebben een rode verf en vooral zijn dat ook de beste die men van de boom neemt de ene na de andere. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel safat, id est gariofilus, spreekt dat dit is een vrucht van een boom in een eiland in het land India en die zijn heet en droog aan de derde graad. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat gariofili worden verzameld in de zomer zo ze rijp zijn en blijven tien jaar onveranderd aan hun natuur en die zal men behouden aan plaats die niet te droog is, anders ze verdrogen. Ook op plaatsen die niet te vochtig zijn anders ze verschimmelen en verderven eertijds. En dit zijn de beste die boven aan de knopjes breed zijn en een kleine vochtigheid in zich hebben als men ze drukt met de vinger. (2) Gariofili worden vaak vervalst want ettelijke nemen kruidnagels die niet nuttig zijn en doen die in een vat dat vocht in zich heeft en binden deze in een doek en laten dan die hangen over nacht in de lucht en ‘s morgens maken ze die droog zodat de vochtigheid niet als merkbaar is, maar die zijn goed te herkennen aan de reuk tegen de goede. Ettelijke vervalsen die alzo, ze nemen de beste kruidnagels en stoten die klein en vermengen die met azijn die erg sterk is en mengen ook daaronder goede sterke wijn en binden dan de kruidnagels die niet nuttig zijn in een doek en laten die alzo liggen over nacht en zo nemen dan de kwade kruidnagels de reuk van de goede aan alzo dat ze nauwelijks te herkennen zijn. Maar die alzo gemaakt worden die blijven niet over twintig dagen aan de sterke reuk en vooral nemen ze elke dag van hun reuk en smaak af. Item, Serapio spreekt dat gariofili goed zijn in de artsenij want ze dat gezicht scherpen want ze nemen ook dat donkere gezicht en maken dat helder. (3) Item, Rasis spreekt dat gariofili goed zijn de maag en ook de lever en versterken dat hart en stoppen de buik en maken ook erg goed verduwen. De meester Isaac spreekt wie er drinkt van gariofili een half quintin met melk vast die versterkt het zijn natuur en brengt begeerte en lust tot vrouwen. De meester Avicenna spreekt dat gariofili maakt het lijf een goede reuk en beneemt ook dat donkere gezicht en verheldert dat en versterkt de maag en de lever en beneemt vomitum, dat is dat braken.

(1) Dodonaeus; Groffels naghelen van deze tijden zijn in het Grieks ook Caryophyllon genoemd, maar oneigenlijk, want de oude Grieken kenden ze niet.

Maerlant;. (2) Dit is de vervalsing die men er toe doet, men neemt kruidnagels goed die van scherpe smaak zijn en breekt ze tot poeder fijn en daar doet men toe sterke azijn en daartoe wel riekende wijn.

Herbarius in Dyetsche; ‘Gariofoli of groffelsnagelen hebben kracht om te versterken uit hun goede geur en kracht en om te ontsluiten en te verteren vanwege hun kwaliteit. (3) versterkt de vertering zeer als het gekookt wordt met mastiek in wijn en zo gedronken.


Gumwi arabicum

Das cci capitel

Gummi arabicum latine arabice Sanigliarabi·

(In dem bůch circa instans in dem capitel gummi arabicum beschreiben uns die meister das dises seÿ ein gummÿ das ist heiþ und feüchet an dem ersten grade und heisset darumb arabicum wan es wirt funden in arabien·und ist dτeÿerhande gummy arabicum·Eÿns ist weiþ und das ist das best und das nüczet man in dem årczneÿen die do kelten·und sunderlich czů dem dÿadτagantum·Das and ist rôtelicht und auch klar und dises bτauchet man in der årczneÿ das dτitte ist gestalt von farben geleich einem apffel der nit gar rott ist oder weiþ·und ist nit gůte als die andern zweye·Wann man schreibet in einez recept gummÿ arabicum album·(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel saniglia rabi das ist gummÿ arabicum beschreibet uns und spτichet das diþs wachþs in arabia auff den schlehen baumen·und sein farbe ist klar als ein glaþ und weiþ und wôliches rauchet geleich dem beche das ist nit gůt·(Gummÿ arabicum stopffet den flüssigen bauche unnd ist zŭsamen fügen dÿe dårme·und benÿmmet tenasmonem das ist wer mit not zů stůlgeet und alle zeÿt gelust hatt und doch nit schaffen mag·(Gummÿ arabicuz ist gůt genüczt für den hůsten und für die geschwere an der lungen. (Item wer tunckel augen hat der trinck von gummÿ arabicum es machet dem menschen ein gůt gesicht·(Gummÿ arabicum nüczet man in der årczeneÿ die den menschen laxieren und so wirt das laxative von dem gummÿ arabicum gerechtfertiget·und benÿmmet den laxative sein scherpff dar durch dick der mensche gelecziget wirt jnwendige·des leibs also das er in manchez jar kein gesunde tag haben kan·wen es ist gar soτgklichen und kummerlichen einen menschen d jnnerlich gelecziget wirt von einez laxative das zů sere wurcket und heilet gar langksam·unnd darumbe soll mann fürsichtig seÿne wann der arczet den menschenn [234] laxiert also das das laxative nit zů starck sey oder bereitet sÿ nach des menschen natur und getemperiert sÿ mit stucken die das rechtfectigen·(Wôlicher ein scharpff zunge het der neme gummÿ arabicum unnd lege den in wasser und schmiere dan die selbige feüchtung auff die zunge sÿ heÿlet dar von·(Wôlicher sich sere bτichet der neme gnmmÿ arabicum und mache dem zů bulver·und müsche dar under zÿmetrôren·trinck das mit wein er genÿset on zweifel·(Wôlicher do blůtt speyet der trinck gummÿ arabicuz mitt wegericht safft es hilfet·(Wôlicher mit not neczett·der trinck gummÿ arabicum mitt rosen wasser oder mit regenwasser·(Wôliche frauwe jr zeÿt zů vil het die nücze gummÿ arabicum gemüschet mit tracken blůt und mit rosen wasser und darauþ gemacht ein pessarium das ist ein zapffen geleget in der frauwenn scheme·(Item pessarium ist gemacht von baumôle und lange als ein finger und darümb geschmieret die ÿeczgenant stuck also das es werde geleich einem zapfen und das bτauchen die frrauwen jn ir schemde und darumb ist underscheit under einem pessiarium und suppositoτium·wan die pessaria bτauchen die frauwen in jr schemde und die suppositoτia hinden in die afftern oder diþs ist die underscheit wan die frauwen brauchen allein pessaria und nitt die man·aber suppositoτia bτauchen frauwen unnd man.

(1) Arabische gom.

Dat 201 kapittel

Gom arabicum Latijn. Arabisch Sanigliarabi. (Acacia nilotica, vroeger Acacia arabica)

In het boek Circa instans in het kapittel gom arabicum beschrijven ons de meesters dat dit is een gom dat is heet en vochtig aan de eerste graad en heet daarom arabicum want het wordt gevonden in Arabië en er zijn drie soorten gom arabicum. Een is wit en dat is de beste en dat nuttigt men in de artsenij die je verkoelen en vooral tot diadragantum. De ander is roodachtig en ook helder en deze gebruikt men in de artsenij, de derde is gesteld van verven gelijk een appel die niet erg rood is of wit en is niet zo goed als die andere twee. Als men schrijft in een recept gom arabicum album. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel saniglia rabi, dat is gom arabicum, beschrijft ons en spreekt dat dit groeit in Arabië op de slee bomen en zijn kleur is helder als een glas en wit en welke ruikt gelijk het pek dat is niet goed. Gom arabicum stopt de vloeiende buik en is tezamen voegen de darmen en beneemt tenasmone, dat is wie met nood te stoel gaat en alle tijd lust heeft en toch niet doen kan. Gom arabicum is goed genuttigd voor het hoesten en voor de zweren aan de longen. Item, wie donkere ogen heeft die drinkt van gom arabicum, het maakt de mensen een goed gezicht. Gom arabicum nuttigt men in de artsenij die de mensen laxeren en zo wordt die laxatief van de gom arabicum gerechtvaardigd en beneemt het laxatief zijn scherpte daardoor vaak de mens beschadigd wordt inwendig van het lijf alzo dat hij in vele jaren geen gezonde dag hebben kan want het is erg zorgelijk en kommerlijk een mens die innerlijk bezeerd wordt van een laxatief dat te zeer werkt en heelt erg langzaam en daarom zal men voorzichtig zijn als de arts de mensen [234] laxeert alzo dat de laxatief niet te sterk is of bereidt het naar de mensen natuur en tempert het met stukken die dat rechtvaardigen. (2) Wie een scherpe tong heeft die neemt gom arabicum en leg dat in water en smeer dan dezelfde vochtigheid op de tong, die heelt daarvan. Wie zich zeer braakt die neemt gom arabicum en maak die tot poeder en meng daaronder kaneel en drink dat met wijn, hij geneest zonder twijfel. Wie er bloed spuwt die drinkt gom arabicum met weegbreesap, het helpt, Wie met nood plast die drinkt gom arabicum met rozenwater of met regenwater. (3) Welke vrouw haar tijd te veel heeft die nuttigt gom arabicum gemengd met drakenbloed en met rozenwater en daaruit gemaakt een pessarium, dat is een pen gelegd in de vrouwen schaamte. Item, pessarium is gemaakt van olijvenolie en lang als een vinger en daarom gesmeerd dat net genoemde stuk alzo dat het wordt gelijk een zetpil en dat gebruiken de vrouwen in hun schaamte en daarom is het onderscheid van een pessarium en suppoost, want de pessaria gebruiken de vrouwen in hun schaamte en de suppoost achter in het achterste onder, dit is dat onderscheid want de vrouwen gebruiken alleen pessaria en niet de mannen, maar suppoost gebruiken vrouwen en mannen.

Dodonaeus;‘Dit doornachtig gewas wordt zelfs in het Grieks Acacia van deze tijden zo genoemd en in het Latijn ook Acacia.

De gom is bij normale temperaturen in water oplosbaar en geeft zo een dikke kleverige substantie. Het werd medische gebruikt en was een bestanddeel van de tinte, een kleurmiddel.

Maerlant; (2) Platearius schrijft haar macht is groot want wie de tong heeft scherp en kwaad, Platearius geeft hem raad dat hij gom in het water doet totdat het smelt en oplost.

Herbarius in Dyetsche; (3) Het poeder van deze gom met drakenbloed gepoederd en in rozenwater gemengd is goed tegen vrouwenstonden (dat is menstruatie) en tegen een bloedende loop van het lichaam’.



Ein gumwi also genant

Ccii Capitel

Galbanum latine·grece maratetus·arabice hene albege vel Asat vel·

(Die meister spτechen das diþ seÿ ein gummÿ eines stams·und dises ist das beste das do klar ist und das do geleichet olibano und Armoniaco·(Disses gummÿ hencket sich an die henden so man das angreiffet·Diþ gummÿ wirtt gar dicke gefelschet mitt harcze·und mit zerknÿsten bonen und mit armoniaco·(In dem bůch circa instans in dem capitel galbanum beschreiben uns die meÿster unnd spτechen das diþs seÿ heiþ an dem dτitten grade unnd feüchte ann dem ersten·In dem (p·iij·) [235] summer samelt man diþ gummi von einem stamme·Ettlich hauwen in den stam so get safft auþ das wirt auch gar hårte von der sunnen·und diþ ist das beste gummÿ das do weiþ ist unnd lautter und das do geleichet armoniaco. Diþs gummÿ weret lange zeÿt an seiner natur unverseret·

(Der miester Dÿascoτides beschreibet uns in dem capitel galbanum das dises gummÿ gůt seye für das keÿchen des eingenommen dτeü quintin mit wechen eyren oder mit gersten wasser·(Wer do hett ein geschwere in dez haubet der neme galbanum und lege den auff glŭenden kolen und lasse auch den rauch in die nasen lôcher geen es hilffet·(Itez wôlicher frauwen die můûter anff feret als von eÿner stat zů der andern oder die für dem leib geet die neme galbanum und armonicaum ÿegkliches geleich vil unnd werffe dises auff glŭende kolen und lasse den dampff unden auf geen·(Item wôlicher ein hartes milcz hett der neme galbanum und lege den in eþsig dτeÿe tage und seüde den darjnn mit dem gummÿ und darnach seÿhe den eþsig abe und musche darunder baumôle und rŭre dises mit einem spatel und mache darauþ ein pflaster und lege es auff das milcze.

(Plinius wôliche frauw jr zeite nitt hette die neme galbanum und mastix unnd lasse die auch zergeen in ôle und duncke banmwollen in das ôle und mach dar auþ ein pessarium das ist ein zapffen in die schemde der frauwen. (Item wer bôse geschwere hette an seinem leÿbe der lege galbanum darauff die zeÿtiget zů hande·(Platearius galbanum auff kolen geleget und den rauch mit einez tråchter auff den bôse zan gehalten und den also dar gelaþen benÿmmet auch dem zan seÿnen schmerczen·(Item es ist zů mercken das galbanum voτ hÿne gereÿnigeet soll werden ee man den nücze in der årczneÿ also·Nÿmme galbanum und zerlasse dem in einer pfannen und schüdte den in ein kalt wasser zo zertrennet sich der unflat unnd das unreÿn davon und das lauter und das rein von galbano felt zů grunde. (Item man mag es auch seÿen dürch ein tůch so bleibet das unreýn in dem tůch und das klare geet dar durch·(Item wer würm in dem bauch hette d nücze dÿe pillelen die von galbano gemachet sind es tôdte sie und geneÿset davon·[236]

Een gom alzo genaamd.

202de kapittel.

(1) Galbanum Latijn. Grieks maratetus. Arabisch hene albege vel Asat vel. (Ferula gummosa)

De meesters spreken dat dit is een gom van een stam en deze is de beste die er helder is en dat lijkt op olibanum en ammoniacum. Deze gom hangt zich aan de handen zo men dat aangrijpt. Deze gom wordt erg vaak vervalst met hars en met gekneusde bonen en met ammoniacum. In het boek Circa instans in het kapittel galbanum beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet aan de derde graad en vochtig aan de eerste. In de [235] zomer verzamelt men deze gom van een stam. Ettelijke houwen in de stam en zo gaat sap eruit en dat wordt ook erg hard van de zon en dit is de beste gom dat zo wit is en zuiver en dat lijkt op ammoniacum. Deze gom blijft lange tijd aan zijn natuur onveranderd.

De meester Dioscorides beschrijft ons in het kapittel galbanum dat deze gom goed is voor dat kuchen, dat ingenomen drie drachme met weke eieren of met gerstewater. (2) Wie er heeft een zweer in het hoofd die neemt galbanum en leg dat op gloeiende kolen en laat ook de rook in de neusgaten gaan, het helpt. (4) Item, welke vrouw de baarmoeder uit gaat als van ene plaats tot de andere of die voor het lijf gaat die neemt galbanum en ammonicam, van elk gelijk veel, en werpt dit op gloeiende kolen en laat de damp van onder op gaan. Item, wie een harde milt heeft die neemt galbanum en leg dat in azijn drie dagen en kook dat daarin met de gom en daarna zeef de azijn af en meng daaronder olijvenolie en roer dit met een spatel en leg het op de milt.

(4) Plinius, welke vrouw haar tijd niet heeft die neemt galbanum en mastiek en laat die ook vergaan in olie en drenkt katoen in die olie en maakt daaruit een pessarium, dat is een pen in de schaamte der vrouw. (3) Item, wie kwade zweren heeft aan zijn lijf die legt galbanum daarop, die rijpt het gelijk. Platearius, galbanum op kolen gelegd en de rook met een trechter op de kwade tand gehouden en dat alzo daargelaten beneemt ook de tand zijn smarten. Item, het is te merken dat galbanum voorheen gereinigd zal worden eer men die nuttigt in de artsenij alzo: Neem galbanum en los dat op in een pan en schudt die in een koud water dan scheidt het ongeschikte en onreine daarvan en dat zuivere en dat reine van galbanum valt naar de grond. Item, men mag het ook zeven door een doek en zo blijft dat onreine in de doek en dat heldere gaat erdoor. Item, wie wormen in de buik heeft die nuttigt de pillen die van galbanum gemaakt zijn, het doodt ze en geneest daarvan. [236]

Dodonaeus; ‘‘Galbanum is een gom (of sap) dat ook van een geslacht van Ferula die in Syrië groeit. Deze gom heet, in het Latijn en in de apotheken Galbanum.

Maerlant; (3) Goed galbanum is puur en wit en zweren laat uitbreken dit. (2) Die lethargie heeft doet slapen of dolen leg galbanum op kolen en laat de rook, het is zijn bate, slaan in zijn neusgaten. Zijn reuk laat serpenten vlieden, men purgeert reuma meteen’.

Galopfel cciii capi

Galla latine·grece cicidos vell halapsa vel lapsana·arabice haffes·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel galla spτichet das man die neme von den baumen so sie noch nitt zeitig sind und sunderlich die do deicht und schwere und nit lôcherit sind·unnd diþ sind auch dÿe besten und die nüczet man in de årczneÿ·Die grŭnen gall ôpffel sind fast bitter unnd jr gerauche ist stopffen·(In dem bůch circa instans in dem capitel Galla beschreiben uns die meyster und spτechen das do sind zweier hande galôpffel·Dÿe ein sind groþ leichte und lôcherit und die sind nichts wert·und haben kein kraffte in jn·Diee andern findet man in dem landen Asia und affrica und die selbeu sind klein und nit lôchericht und das sind die besten·ir tugent ist stopffen·(Plinius spτichet das diser frucht vil wachþs in Sÿria und egÿpten unnd do selbest ist jr die menge·(Galôpffel sind kalt und trucken an dez andern grade·(Wôlicher einem flüssigen bauch het der neme galôpffel und das weiþ von einem eÿe und eþsiig und müsche das zů samen und mach darauþ ein pflaster und lege es auff dem bauche·(Item mau mag auch dyses bulvers ein nemen mit regenwasser es stopffet fast·(Platearius wer sich sere bτech oben auþs der neme galôpffel und seüde die in eþsig und regenwasser und necze darjnne ein tůch und schlage das aussen auff den magen·

(Item wôliche frawe jr zeÿtte zů vil hette die neme galôpffell und siede dÿe in regenwasser und müsche dar under wegerich safft und mache mit baumôle ein pessarium das ist ein zapffen und neme das in jre scheme es stopffet und hilffet auch fast wol·(Item wer do fast blŭdtet auþ der nasen der müsche galôpffel mit wegerich saffte oder mit dåschen krutte safft und necze ein tůch darjnne und stoþ es in die nasen·

(Item ein pflaster gemachett von galôpffeln gemüschet mit einem eÿes weiþ und auff den schlaff geleget hilfft fast wol unnd stopffet das lauffen geblüdte·(Cassius felix ein meister spτicht (p·iiij·) [237] das bulver von galôpfel gestrichen auf die wunden benÿnpt jr blüdten und machet sÿ zů samen geen also dz man sÿ nit darff hefften. (Item wer do wil schwarcze hare wil machen der nem galôpffel die da deicht und schwere sind und nit lôcherrit und seüde die in ôle und seye dan diþs ôle durch ein tůh und laþe es darnach trucken werden an der sunnen und nÿmme dan disses bulvers und seÿde diþ mit regenwasser und wasche dein hare da mit oder den bart er wirt schwarz·(Item dises bulver vermüschet mit blůt stille wasser genant sanguinaria und in die naþlôcher gethan stillet das blůt·

(Item das mittel in den galôpffeln auff einen gelôcherten zann geleget ist dar zů gůt·Item galôpffel gebulvert und auff faul bôþ wunden geleget ist das faul fleische auff beÿssen und die wunden reÿnigen·

(1) Galappel, 203 kapittel.

Galla Latijn. Grieks cicidos vell halapsa vel lapsana. Arabisch haffes.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel galla spreekt dat men die neemt van de bomen zo ze noch niet rijp zijn en vooral die er dicht en zwaar en geen gaatjes heeft en dit zijn ook de beste en die nuttigt men in de artsenij. De groene galappels zijn erg bitter en hun reuk is stoppen. In het boek Circa instans in het kapittel galla beschrijven ons de meester en spreken dat er zijn twee soorten galappels. De ene zijn groot, licht en met gaten en die zijn niets waard en hebben geen kracht in zich. Die andere vindt men in de landen Azië en Afrika en diezelfde zijn klein en niet met gaten en dat zijn de besten, hun deugd is stoppen. Plinius spreekt dat deze vrucht veel groeit in Syrië en Egypte en daar is nu ook de menigte. Galappels zijn koud en droog aan de andere graad. Wie een vloeiende buik heeft die neemt galappels en dat witte van een ei en azijn en meng dat tezamen en maak daaruit een pleister en leg het op de buik. Item, men mag ook dit poeder innemen met regenwater, het stopt erg. Platearius, wie zich zeer braakt boven uit die neemt galappels en kookt die in azijn en regenwater en nat daarin een doek en sla dat uit op de maag.

Item, welke vrouw haar tijd te veel heeft die neemt galappels en kook die in regenwater en meng daaronder weegbreesap en maak met olijvenolie een pessarium, dat is een pen, en neem dat in haar schaamte, het stopt en helpt ook erg goed. Item, wie er erg bloedt uit de neus die mengt galappels met weegbreesap of met tasjeskruidsap en nat een doek daarin en stoot het in de neus.

Item, een pleister gemaakt van galappels gemengd met een eiwit en op de slaap gelegd helpt erg goed en stopt dat lopende bloeden. Cassius Felix, een meester, spreekt [237] dat poeder van galappel gestreken op de wonden beneemt hen dat bloeden en maakt ze tezamen gaan alzo dat men ze niet hoeft te heffen. Item, die zwart haar wil maken die neemt galappels die er dicht en zwaar zijn en niet met gaten en kook die in olie en zeef dan deze olie door een doek en laat het daarna droog worden aan de zon en neem dan dit poeder en kook dit met regenwater en was je haar daarmee of de baard, het wordt zwart. Item, dit poeder vermengt met bloedkruid water, genaamd Sanguisorba minor, en in de neusgaten gedaan stilt dat bloed.

Item, dat middelste in de galappels op een tand gelegd met gaten is daartoe goed. Item, galappels gepoederd en op vuile kwade wonden gelegd is dat vuile vlees uit bijten en de wonden reinigen.

(1) De galnoten heten in het Grieks Cecis en in het Latijn Galla en in onze taal galnoten, zoals gezegd is, in de apotheken en in Italië ook Galla, in het Hoogduits Galopffel.

ein stein also genant

Das cciiii Capitel

Gagates latine et grece·

(Dyascoτides spτichet das dÿses seÿe ein edel gestein der geleichet an seÿner gestalt dem augsteine·(Disen stein findet man auch in dem lande Bτitania beÿ dem staden des môτes·auch findet man dÿser stein gar vil in engelland. Etlich diseer stein sind von farben schwarcz·Etlich gele unnd gar dnrchleütig·dise sinde anen bede gůt genüczet in der erczneÿ. (Albertus spτicht das diser steine beneme des teüfels macht den an dem leibe getragen·

(Item wôlicher disen stein an zündet der bτennet in wasser od in was feüchtikeit den leget verleschet er nitt·(Diser stein geleget in wasser dτey tage diþ wasser getruncken ein frauwe dÿe ein kindt sol geberen wirt vonn stund erlôset von der geburt·Item ein meister Enax genant spτichet in seynem lapidario das dÿses seÿ ein edel gestein seÿner tugent halben·wen er benÿmmet alle teüfels melancole·(Item wiltu wissen ob ein ein junckfrauwe sey oder nit so nÿmme diþ steÿnes und zerstoþ jn zů bulver und gebe dises einer jungckfrrauwen jr unwissnden wÿe du kanst ist sÿ ein reÿne jungckfrauw so helte sÿ dem beÿ jr·ist sÿ keÿn so můþ sÿ von stund jren harn ab schlagen wider jren willen·Von dÿsem stein lese daz bůch Pandecta das·ccccvj·capitel findest du die warheit· [238]

Een steen alzo genaamd.

Dat 204de kapittel.

(1) Gagates Latijn en Grieks. Git of gagaat.

Dioscorides spreekt dat dit is een edele steen die lijkt aan zijn gestalte op de barnsteen. Deze steen vindt men ook in het land Brittannië bij de plaatsen aan de zee, ook vindt men deze steen erg veel in Engeland. Ettelijke van deze stenen zijn van kleur zwart. Ettelijke geel en erg doorzichtig en deze zijn alle beide goed genuttigd in de artsenij. (3) Albertus spreekt dat deze steen beneemt de duivel zijn macht, dan aan het lijf gedragen.

Item, wie deze steen aansteekt dan brandt het in water of in welke vochtigheid het dan ligt blust het niet. (2) Deze steen gelegd in water drie dagen en dit water gedronken een vrouw die een kind zal baren wordt van stonden verlost van de geboorte. En een meester, Enax genaamd, spreekt in zijn lapidario, dat dit is een edelsteen vanwege zijn deugd want het beneemt alle duivelse melancholie. (4) Item, wil u weten of het een jonkvrouw is of niet zo neem deze steen en stoot die tot poeder en geef dit een jonkvrouw haar onwetend als u kan, is ze een reine jonkvrouw dan houdt ze het bij zich, is ze dat niet dan moet ze van stonden af haar plas afzetten tegen haar wil. Van deze steen lees dat boek Pandecta dat 406de kapittel vind u de waarheid. [238]

(1) Git of gagaat heet in Duits Gagat of Gagatkohle, (=Pechkohle, Schwarzer Bernstein, Schwarzer Agtstein of Agstein)  van Grieks gagates lithos; steen gagaat, waarschijnlijk is de naam afkomstig van Gagas in Lycië, een rivier in Turkije.  De Duitse schrijvers verwarren het met amber alsof het er een soort van is. (vanwege zijn elektrische kwaliteiten)

Maerlant: (2) Vrouwen die menstruatie breken die laat hij gelijk genezen. Maar hij wacht zich wel van deze die met het grote euvel (epilepsie) is besmet en als hij het ruikt kan hij aardig snel vallen en daar de (3) kwade geest uitroepen, ze zwijgen als ze de rook ruiken. (4) Met het water, zoals dat men zegt, is het dat men maagden te proeven pleegt’.

negelin kraut oder benedicta ccv capi

Garioffilata latine·grece lapagum·

(Die meister spτechen das dyses seÿ ein kraut und geleichet d odermÿnge an den blettern und hat ein wurczel die reücht geleich den negelin gariofili genantt. (Item etlich meister heissen gariofillata sana munda oder enancia oder pes lepoτis oder oculis lepoτis·Gariofilata ist heÿþ und auch trucken an dem andern grad. (Item garioffilatum heiþt ein confect gemachet auþ negelin·

(Item in dem bůch circa instans beschreÿben uns die meÿster und spτechen das garioffilata gar vil tugent in jm habe und doch dÿe bletter meer dan die wurczel·

(Die bletter nüczet man in d erczneÿ und gar selten die wurczell·So die bletter frisch sind so baben sye vil meer tugent in jn wan so sie alt sind. (Garioffilata getrucket werent nit lenger dan eine jar·(Diascoτides dises krautt gestossen und den safft gelassen in die fisteln heilet sÿe·(Auch dienet dÿser safft gar wol der bτesthafftig wåre in dem mund·(Itez garioffilata und tag und nacht genant paritaria gesotten in regenwasser und die geleget voτn und hinden auff den bauch benemen das krümmen·(Item wôlicher ein bôsen magen het und nit wol deüwen môchte der siede garioffilata in wein und trincke den·(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτnm in dem capitel lapagum idest gariofilata seu oculus lepoτis beschreÿbet uns und spτich das dises kraute den menschen fast sere dôτre·

(Und davon getruncken benÿmmet den fluþ des hauptes wie d sein mag·[239]

(1) Nagelkruid of Benedicta, 205de kapittel.

Gariofilata Latijn. Grieks lapagum. (Geum urbanum)

De meesters spreken dat dit is een kruid en lijkt op agrimonie aan de bladeren en heeft een wortel die ruikt gelijk de kruidnagel, gariofili genaamd. Item, ettelijke meesters noemen het gariofillata (2) sana munda of enancia of pes leporis of oculis leporis. Gariofilata is heet en ook droog aan de andere graad. Item, garioffilatum heet een confectie gemaakt uit kruidnagels.

Item, in het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat garioffilata erg veel deugd in hem heeft en toch de bladeren meer dan de wortel.

De bladeren nuttigt men in de artsenij en erg zelden de wortel. Zo de bladeren vers zijn zo hebben ze veel meer deugd in zich dan zo ze oud zijn. Garioffilata gedroogd duurt niet langer dan een jaar. (3) Dioscorides, dit kruid gestoten en het sap gelaten in de etterwonden heelt ze. Ook dient dit sap erg goed de gebrekkig is in de mond. Item, garioffilaten en glaskruid, genaamd Parietaria, gekookt in regenwater en dat gelegd voor en achter op de buik beneemt dat krommen. (4) Item, wie een kwade maag heeft en niet goed verduwen mocht die kookt garioffilata in wijn en drinkt het dan. De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacorum in het kapittel lapagum, id est gariofilata seu oculus leporis, (5) beschrijft ons en spreekt dat dit kruid de mensen erg zeer droogt.

(6) En daarvan gedronken beneemt de vloed van het hoofd waar dat zijn mag. [239]

Zie kapittel 179 over benedictenkruid.

(1) Herbarius in Dyetsche; ‘Gariofilaet, Gariofelcruyt, Gariofilata, Sanamuda, Avancia of Lapagus dat is allemaal hetzelfde. 

(4) Om de vertering te versterken, ook tegen pijn van de maag of van de darmen en tegen wind die uit koudheid komt kook nagelkruid, munt en galigaan in wijn.

(6) Tegen hoofdpijn van winden dat uit koude zaken komt kook nagelkruid en koriander in wijn.

(3) Het sap van nagelkruid dat je met wat Spaans groen in de lopende gaten doet geneest de lopende gaten.

Tegen koliek en de onderbuikspijn, kook wijn waar kaneel en hazenoren in zijn en drink het.

(5) Als je het sap van nagelkruid met weegbreewater mengt droogt het zeer en de vochtigheid van het lichaam verdroogt het genoeg, Pandectus in het kapittel van nagelkruid’.

granat opfel ccvi ca

Granatum latine vel poma granata·grece malum punicum·arabice hoτnam·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hoτnam id est granatum beschreibat uns und spτicht das sind zweÿer hande·ein sind sauer·die andern sŭsse·und die sauren sind kalte und trucken an dem anderen grade·und die sŭssen kalt an dem ersten und feücht an dem anderen grade·(Der wirdig meister avicenna in seinem andern bůch in dem capitel granatum beschreibet uns und spτichet das die sauren granat ôpfell genüczt nemen hin coleram nigram und sunderlich die mit wein gesotten unnd den getruncken. (Die kôτner in den granat ôpffelen gemüschett mitt hônig und die bôsen hiczigen blatern damitt geschmierett zeühet vil hicze darauþ·Die sŭssen granat kôτner sind besser dan die ersten und die kern sind alle zeit besser dan die schelczen·Dÿe kern von dem sŭssen gestossen und die gemüschet mit hônig und die blatern damit gschmiert hinder den oτen hilffet und heilet die·

(Die kern der sŭssen sind dem magen gůt·aber die kerne d sauren sind dem magen schedlich·

(Der meister avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτichet das granat ôpffel sterckent das hercze und die lebern unnd sunderlichen die sūssen·(Serapio spτicht das die sauren granat ôpffel machen harmen und sind gůt dem das schwindel gefeerd ist·[240]

(1) Granaatappel, 206de kapittel.

Granatum Latijn vel poma granata. Grieks malum punicum.Arabisch hornam. (Punica granatum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hornam, id est granatum, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, een is zuur en de andere zoet en de zure zijn koud en droog aan de andere graad en de zoete koud aan de eerste en vochtig aan de andere graad. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel granatum beschrijft ons en spreekt dat de zure granaatappel genuttigd neemt heen coleram nigram en vooral die met wijn gekookt en dan gedronken. (2) De korrels in de granaatappels gemengd met honing en de kwade hete blaren daarmee gesmeerd trekt veel hitte daaruit. De zoete granaatkorrels zijn beter dan de eerste en de kernen zijn alle tijd beter dan de scherpe. De kernen van de zoeten gestoten en die gemengd met honing en de blaren daarmee gesmeerd achter de oren helpt en heelt die.

De kernen van de zoeten zijn de maag goed, maar de kernen van de zuren zijn de maag schadelijk.

De meester Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat granaatappel versterkt dat hart en de lever en vooral de zoete. Serapio spreekt dat de zure granaatappel maakt plassen en zijn goed die de duizeligheid gevaarlijk is.[240]

Zie kapittel 73 voor granaatbloemen.

Dodonaeus;‘Dit gewas heet in het Latijn Malus Punica. De vrucht of appel van dit gewas heet ook in het Grieks Rhoa of Rhoea, in het Latijn Malum Punicum, in de apotheken Malum Granatum of Pomum Granatum, in Hoogduitsland Granat opffel’.

Herbarius in Dyetsche; Het sap met honing gemengd is goed tegen (2) zweren van de mond.

scharlach ccvii cap

Gallitricum sive centrum galli latine·grece et arabice gerebotanum·

(Der meister Plinius beschreibet uns und spτicht das dises sÿ gar ein scharpffs kraut czů nůczen in dem leibe·Dÿses krautte hatt einem scharpffen gerauch und wechþet gar geren in den gårten. (In dem bůch circa instans in dem capitel gallitricum steet geschrÿben das seÿ heiþ und trucken an dem andern grade·(Item dises krautt gesoten mit waþer und die frauwe damit unden auff gehebet reÿniget die můter und bτinget jr kranckheit·(Diascoτides diþ krautes samen ist fast gůtte den augen den gestossen und mitt fenchel safft darein gelassen·

(Dÿser same benÿmmet auche ein kranckheit der augen genant Nicabτius oder alÿahar das ist so der mensch des tages nit sicht und sicht doch des nachtes d soll disen samen beÿ jm tragen und des nücze mitt fenchel wasser und die augen damitt streichen als obgeschrÿben steet·(Platearius diser bleter genüczet neŭn tage nach einander des ersten tages eins den andern zwey·den dτitten dτeÿ und also biþ anff dem neünten tage neŭn bletter der wirt ledig aller febτes die manich jare und tage geweret haben·

(Dise bletter gesoten in weine und den getruncken bτingt winde den dårmen·(Item schrlach saffte genüczet mitt steinbτech samen ist auch gůt für dem steine·

(1) Scharlei, 207de kapittel.

Gallitricum sive centrum galli Latijn. Grieks en Arabisch gerebotanum. (Salvia sclarea)

De meester Plinius beschrijft ons en spreekt dat dit is erg een scherp kruid te nuttigen in het lijf. Dit kruid heeft een scherpe reuk en groeit graag in de tuin. In het boek Circa instans in het kapittel gallitricum staat geschreven dat het is heet en droog aan de andere graad.(2) Item, dit kruid gekookt met water en de vrouw daarmee van onder af gebaad reinigt de baarmoeder en brengt haar ziekte. (3) Dioscorides, dit kruid zijn zaden zijn erg goed de ogen, dan gestoten en met venkelsap daarin gelaten.

Dit zaad beneemt ook een ziekte der ogen genaamd nicabrius of aliahar, dat is zo de mens op de dag niets ziet en ziet toch ’s nachts, die zal deze zaden bij hem dragen en dat nuttigen met venkelwater en die ogen daarmee bestrijken zoals opgeschreven staat. Platearius, deze bladeren genuttigd negen dagen na elkaar, de eerste dag een, de tweede twee, de derde drie en alzo tot op de negende dag negen bladeren, die wordt leeg van alle koortsen die vele jaren en dagen geduurd hebben.

Deze bladeren gekookt in wijn en dan gedronken brengt wind de darmen. Item, scharleisap genuttigd met steenbreekzaden is ook goed voor de steen.

Dodonaeus; ‘De eerste en gewoonste soort van deze kruiden is hier te lande van de Nederduitsers gewoonlijk scharleye genoemd, van de Hoogduitsers Scharlach, de apothekers noemen het Gallitricum in het Latijn.

Herbarijs; ‘Gallitricum of centum galli. (2) En dit kruid gekookt in wijn en de vrouwe daarmee beneden gewassen en gestoofd zuivert de baarmoeder wat van het kind achterblijft’.

(3) Het zaad zwelt op in water en deze zachte spanen werden in de ogen gedruppeld die dan gaan tranen en zo werd het gezicht geschoond of werd een vervelende irritatie verwijderd

wilder scharlach

Das ccviii capi

Gallitricum agreste latine·

(Dÿe meister spτechen gemeinklich das kraut habe alle eÿgenschafft mit dem foτden allein daz diþ nitt dienet zů dem febτis alþ hie voτ steet·Diþs ist warm und trucken an dem ende des andern grades·und sol genüczet werden·zů den augen geleich dem erstenn·Auch spτechenn die meister das diþ gar nahe tugent hab geleich dem kraut genant verbena· [241]

(1) Veldsalie.

Dat 208ste kapittel.

Gallitricum agreste Latijn. (Rhinanthus alectorolophus)

De meesters spreken algemeen dit kruid heeft alle eigenschappen met de vorige, alleen dat dit niet dient tot de koortsen zoals hiervoor staat. Dit is warm en droog aan het eind van de andere graad en zal genuttigd worden tot de ogen gelijk de eerste. Ook spreken de meesters dat dit erg gelijke deugd heeft gelijk het kruid genaamd (2) Verbena. [241]

Zie kapittel 157 en 207.

(1) Dodonaeus; ‘De Nederlanders noemen dit onkruid ratelen en gele ratelen,  en daarvan is het in het Latijn ook Crista Galli en Gallinacea Crista genoemd, in het Hoogduits Gal Rodel.

(2) Dan is dit de hanenkam waar Herbarius in Dyetsche over sprak; ‘Hanencam, Gallitricum of Centrum galli is heet en droog en is de eerste soort van Verbena. Hanenkam heeft kracht om de baarmoeder te purgeren.

hyrsen ccix capitel

Geguers grece·latine milium arabice dochen·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel dochen id est milium spτichet das diþs seÿe ein same eins krauts und dem nüczet man in der kost·diser same bτinget dem menschen dÿe allerminst krafft under allen gekoτten kosten·(Diser same machtt mager den menschen und doτret alle feüchtigkeit des menschen·diser same ist kalt machen an dem ersten grade und trucken an dez andern·(Disen samen hindenn auff die hufft geleget benÿmmet den fluþ dissenteria genant·Auch also genüczet stopffet er dem frauwen menstruum wan es czů vil geet·(Plinius hÿrsen gesotten mit gersten wasser und also auff den nabel geleget biþ auf dz gemecht benÿmmet ein kranckheit genant diabetica das ist so d harm wider eines menschen willen geet·Das gleichen benÿmmet er stranguiriam das ist das tropflingen harmen also auff geleget·

(1) Hirs, 209de kapittel.

Geguers Grieks. Latijn milium. Arabisch dochen. (Panicum miliaceum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel dochen, id est milium, spreekt dat dit is een zaad van een kruid en die nuttigt men in de kost, dit zaad brengt de mensen de allerminste kracht onder alle korenachtige kosten. Dit zaad maakt mager de mensen en droogt alle vochtigheid van de mensen, dit zaad is koud maken aan de eerste graad en droog aan de andere. Deze zaden achter op de heup gelegd beneemt de vloed dysenteria genaamd. Ook alzo genuttigd stopt het de vrouwen menstruatie als het te veel gaat. Plinius, hirs gekookt met gerstewater en alzo op de navel gelegd tot op het geslacht beneemt een ziekte genaamd diabetica, dat is zo de urine tegen een mens zijn wil gaat. Desgelijks beneemt het stranguriam, dat is die druppelend plassen, alzo opgelegd.

(1) in het Hoogduits Hirse. Sommige geloven dat het Milium genoemd is in het Latijn omdat het zo vruchtbaar is dat van een korrel wel duizend plegen voort te komen als of men Millium zei, dat is duizend graan, want (als Lobel betuigt) elk graan brengt wel drie maatjes graan voort. Het heet in Duitsland ook wel Hirsen en Hirst’.


grasz ccx capitel

Gramen latine grece agrostis·arabice negen vel thel·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Negen id est gramen spτicht das diþ sÿ kalt und trucken an dem anfang des ersten grades·(Diascoides spτichett wan die hunde sich wôllen purgieren so essen sÿ graþ·(Avicenna in seinem anderu bůch in dem [242] capitel gramen spτicht das graþ gesoten in wasser und das getruncken zeühet den stein auþ d blasen·Des geleichen thůt auch die wurczel·(Der same von graþ genüczet mit wein machet harmen·(Diascoτides spτicht wôlicher eÿn verhartes milcz hette d siede graþ und den samen und lege diþs auff also warm du enpfindest balde hilff·graþ gesotteen in wein und den getruncken benÿmmet dissuriam das ist d kalte seÿch·oder also warm auff dem bach geleget ist auch dar zů gůtt. (Wasser darauþ distillieret und das getruncken tôdtet die würme in dem leibe·Dises wasser würcket baþ ann den jungen kindenn wan an deen alten leüten·

(1) Gras, 210 kapittel.

Gramen Latijn. Grieks agrostis. Arabisch negen vel thel. (Elytrigia repens)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Negen, id est gramen, spreekt dat dit is koud en droog aan de aanvang van de eerste graad. (2) Dioscorides spreekt als de honden zich willen purgeren dan zo eten ze gras. Avicenna in zijn andere boek in het [242] kapittel gramen spreekt dat gras gekookt in water en dat gedronken (3) trekt de steen uit de blaas. Desgelijks doet ook de wortel. Dat zaad van gras genuttigd met wijn maakt plassen. (5) Dioscorides spreekt wie een verharde milt heeft die kookt gras en de zaden en leg dit op alzo warm, u ontvangt gauw hulp, gras gekookt in wijn en dan gedronken beneemt dissuriam, dat is de koude plas of alzo warm op de buik gelegd is ook daartoe goed. (4) Water daaruit gedistilleerd en dat gedronken doodt de wormen in het lijf. Dit water werkt beter aan de jonge kinderen dan aan de oude lieden.

Gras is een duidelijke omschrijving, maar van gras zijn er veel soorten. Dodonaeus; ‘De eerste soort van dit gras wordt van de landlieden in Brabant peen genoemd en van andere ledt-gras, in het Grieks Agrostis.

Herbarius in Dyetsche is vrijwel gelijk met de Gart; ‘(5) Tegen dysurie (dat is dat je nu wat plast en over een uur noch wat): ‘Neem water waar gerst en de wortels van peterselie in gekookt zijn’. Als je dat drinkt geneest het dysurie, (3) het breekt de steen, het geneest de wonden van de blaas, het laat plassen en heelt, geneest de vochtigheid of de reuma van de buik. (2) Als de honden zich willen purgeren of reinigen dan eten ze dit kruid.

(4) Als je het sap van gerst met wat gebroken averone (of averode) en wat honing tezamen drinkt is dit goed vanuit zijn eigen kracht tegen wormen.

ein hane oder henne

Das ccxi capitel

Gallus sive gallina latine arabice gigeg·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel gigel id est gallus vel gigegi id est gallina spτicht daz die jungen henlin die noch nit gefogelt haben gůt sind zů essen und rechtfertigen die natur des menschen·(Die hen gesotten und geessen so sÿ junge ist meret dem menschen sein natur sperma genant·(Avicenna in seÿnen andern bůch in dem capitel gallina et gallus spτicht das die gůte sind fürhin geiaget hin unnd her und darnach das haubt ab gehauwen·und so sÿ entweidet sind sol man darein thůn salcz und dan sieden also das zweÿ oder dτeü wasser davon versoten sind·daz überig dienet den krancken fast wol getrnncken·(Der meÿster ruffus spτichet daz diþ die besten hanen sind zů essen die noch nitt gekrået haben·und die hennenu die besten die noch niet eÿer geleget haben und sunderllchen krancken leüten·(Averτois in dem bůch colliget in dem capitel de carnibus spτichet das under alleine gefogelts jung hŭner fleisch das beste seÿ und fast temperieren die complexien des menschen·(Dye bτŭ von hŭnern bτinget dem menschen gůt vernunfft·(Merck junge hanen zů koppen gemacht so sÿe noch nit gefogelt haben siud gůt distilliert so sÿ sechþs oder acht jar alt sind und ÿe elter ÿe besser·die distilliere also·Nymme eine alten koppen unnd ropsse jme die federen auþ also das du jn nitt vil bτŭest in heissem wasser·darnach hacke jn mit bein und fleisch als klein du magest·darüber streüwe dÿe besten specereien als dan ist diamargariton dianchos diarodon abbatis diambτa diamusci dulcis electuariuz de gemmis·Darzů nÿm die besten gebτanten wasser als dan sind aque boτaginis buglosse melisse salvie·Auch mag man darein thůne ducaten golt reÿnisch golt so wirt er dester krefftiger·Disses wasser gibt dem kancken groþ krafft und temperieret jme sein natur zů gesuntheit·[243]

Een haan of hen.

Dat 211 kapittel.

(1) Gallus sive gallina Latijn. Arabisch gigeg.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel gigel, id est gallus, vel gigegi, id est gallina, spreekt dat de jongen kippen die noch niet gevogeld hebben goed zijn te eten en rechtvaardigen de natuur des mensen. De hen gekookt en gegeten zo ze jong is vermeerderd de mensen zijn natuur, sperma genaamd. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel gallina en gallus spreekt dat die goed zijn voorheen opgejaagd heen en weer en daarna dat hoofd afgehouwen en zo ze ontwijd zijn zal men daarin doen zout en dan koken alzo dat twee of drie (derde deel) water daarvan verkookt is, dat overige dient de zieke erg goed, gedronken. De meester Ruffus spreekt dat dit de beste hanen zijn te eten die noch niet gekraaid hebben en de hennen de besten die noch niet eieren gelegd hebben en vooral zieke lieden. Averrois in het boek colliget in het kapittel de carnibus spreekt dat onder alle gevogelte jong hoendervlees dat beste is en erg tempert de samengesteldheid van de mensen. De bouillon van hoenders brengt de mensen goed verstand. Merk jonge hanen tot koppen gemaakt zo ze noch niet gevogeld hebben zijn goed gedistilleerd zo ze zes of acht jaar oud zijn en hoe ouder hoe beter, die distilleer je alzo: Neen een oude kop en ruk hem de veren uit alzo dat u hem niet te veel broeit in heet water, daarna hak je hem met been en vlees zo klein u mag, daarover strooi je de beste specerijen als dan is diamargariton, dianchos, diarodon abbatis, diamber, diamusci, dulcis electuarium, de gemmis. Daartoe neem het beste gebrande water zoals dan zijn aque boraginis, buglosse, melisse, salie. Ook mag men daarin doen dukaten, goud, reinisch goud, zo wordt het des te krachtiger. Dit water geeft de zieken grote kracht en tempert hem zijn natuur tot gezondheid. [243]

(1) Haan. In midden-Nederlands was het hane, in oud-Saksisch en oud-Hoogduits Hano (nu Hahn (vergelijk hen en hoen, Huhn) 

Kip, vergelijk het midden-Nederlands kippen: uitbroeden, men kan denken aan het open pikken van de schaal, of de lokroep.

Kloekhen of klokhen is zo genoemd naar haar geluid, in Duits Henne

zeitlosz ccxii capitel

(H)Ermodactilus latine·grece achimeron vell colinticon·arabice stuagen vel surumen·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sturagen id est hermodactilus beschτeibet uns und spτicht das dises seÿ ein krautt und blŭet ann dem ende des herbst monets·und hatt ein weisse blůmen unnd ist geleich gestalt der blůmen ann dem safran·und hatt ein wurczel die ist schwarcz und vermüscht mitt einer kleinen rôtte·

(Die wurczel ist jnwendig weiþse und sŭþe an dez gerauch und ist fol feüchtigkeit·(Die wurczel ist rund beÿ nahe alþ die zwibelen·(Der meister galienus spτichet das dise wurczel von zeitlosen machen stůlgenge und sunderlich das wasser darjnnen sÿ gesotten werden·(Der meister paulus in dem capitel hermodactilus spτichet dz hermodactilus seÿ heiþ und trucken an dem anfang des andern grades·(Platearius spτicht das es sey warm und trucken in dem dτitten grade·Und sprichet auch das die tugent von zeitlosen sind reÿingen und auff lôsen·(Zeitlosen sind gůtt genüczet den gienen die daz gegicht haben und benemen sunderlich die sucht in den fŭssenn·

(Item nÿmme den safft von fenchel und seüde den mitt hônige under disen gesoten hônige soll man müschen vier lott fenchelsamen und sucker als vil du wilt und darauþ machen ein latwerge·Dise latwerge mag man bτuchen in dem tage oder in d nacht wan man wil unnd darauffe zwo stund fasten ist fast gůt podagricis das ist die das gesuchte haben in den füssen und verzerent damitt alle lemde an dem leÿbe·(Item zeÿtlosen gebulvert und gemüschet mit venediger seÿffen und gemacht ein weichen mitt baumwollen·und den in dÿe fisteln gelassen also das dz bulver mit der seÿffen dem weichen hange es heilet die on zweifel·(Johannes mesue spτicht wôlcher zeitlosen vil nüczet der wirt feÿste an seinem leibe und meret die natur des menschen·Und spτicht auch das zeitlosen saft gůt sind gebulvert und das gestrüwet auff alt [244] wunden wan es verzeret faulle fleisch darjnne und erfrischet die von grunde·(Item zeitlosen gebulvert und auff fanle wunden gelegt ist sÿ reÿnigen·(Item zeitlosen gebulvert mit fenchelsamen und wilde saffran samen in wein gesoten mit wenig zucker vermenget ist gůt wider lenden und dårmen weethůmb genant ÿliaca und colica Platearius·

(1) Tijdelozen, 212ste kapittel

Hermodactilus Latijn. Grieks achimeron vell colinticon. Arabisch stuagen vel surumen. (Colchicum autumnale)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sturagen, id est hermodactilus, beschrijft ons en spreekt dat dit is een kruid en bloeit aan het einde van de herfstmaand en heeft een witte bloem en is gelijke gestalte de bloemen van de saffraan en heeft een wortel die is zwart en vermeng met een kleine roodachtigheid.

De wortel is inwendig wit en zoet aan de reuk en is vol vochtigheid. De wortel is rond bijna zoals de uien. De meesters Galenus spreekt dat deze wortel van tijdelozen maken stoelgang en vooral dat water daarin ze gekookt worden. De meester Paulus in het kapittel hermodactilus spreekt dat hermodactilus is heet en droog aan de aanvang van de andere graad. Platearius spreekt dat het is warm en droog in de derde graad. (2) En spreekt ook dat de deugd van tijdeloze zijn reinigen en op lossen. (3) Tijdeloze zijn goed genuttigd diegenen die de jicht hebben en benemen vooral de ziekte in de voeten.

Item, neem het sap van venkel en kook dat met honing en onder deze gekookte honing zal men mengen vier lood venkelzaden en suiker zoveel u wil en daaruit maken een likkepot. Deze likkepot mag men gebruiken op de dag of in de nacht als men wil en daarop twee stond vasten is erg goed podagricis, dat is die de ziekte hebben in de voeten, en verteert daarmee alle verlamde aan het lijf. (4) Item, tijdelozen gepoederd en gemengd met Veneetse zeep en gemaakt een doek met katoen en dan in de etterwonden gelaten alzo dat het poeder met de zeep aan de doek hangt, het heelt die zonder twijfel. Johannes Mesue spreekt wie tijdelozen veel nuttigt die wordt vast aan zijn lijf en vermeerdert de natuur des mensen. En spreekt ook dat tijdeloze sap goed is gepoederd en dat gestrooid op oude [244] wonden want het verteert vuil vlees daarin en verfrist die van grond af aan. Item, tijdeloze gepoederd en op vuile wonden gelegd is ze reinigen. (5) Item, tijdelozen gepoederd met venkelzaden en Carthamus zaden en in wijn gekookt met weinig suiker vermengt is goed tegen lenden en darmenpijn genaamd iliaca en koliek, Platearius.

De afbeelding laat echter een distelachtige plant zien of meer een paardenbloem. Het is dus geen Iris tuberosus. De omschrijving is wel die van een herfstbloeiende Crocus of Colchicum. Maar die bloeien zonder blad.

 (1) Dodonaeus; ‘Dit kruid is van Dioscorides in het Grieks Colchicon genoemd naar het landschap Colchis daar het veel groeit, andere Grieken noemden het Ephemeron.

Hermodactylus, hierbij betekent Grieks hermos, ‘alleen’, en daktulos, ‘een vinger’, een verwijzing naar de bol. Het kan ook Hermes (Mercury) vingers betekenen. Digitus betekent ook ‘gevingerd’.

Herfst‑tij‑de‑loos, Duitse Herbstzeitlose, behoort tot de tijdelozen omdat het schijnbaar eerst bloeit en pas veel later, in het voorjaar, de plant en vrucht komt.

Herbarius in Dyetsche; ‘(3) De witte Hermodactylus is goed tegen jicht in de voet, maar de rode doodt zegt Serapio. Hetzelfde zegt ook Mesue.

(4) De gebroken wortel van Hermodactylus die met wat honing gemengd is verdroogt oude zweren en veegt ze af.

(2) De wortel heeft de kracht om tot zich te trekken, te verteren en te ontbinden.

(5) Tegen onderbuikspijn en koliek als er geen scherpe koorts is, neem venkelwater waar de wortel van Hermodactylus in gekookt is.

schluszelblomen

Das ccxiii Capi

Herba paralisis latine·

(Die meister spτechen das diþs krautt seÿ heiþer unnd truckner natur·Und spτechen das die blůmen heben an zů blŭen in dem winter·und neÿgen sich gen der erden·und hand weiþ blůmen·Dises kraut brauchet man zů keÿner årczneÿe meer wan zů dem gegicht an dem leÿbe wie das sein mag und wie das gebτauchet wirt so benÿmmet es den selbigen schmerzen·Doch ist es aller beste gestossen oder zerknÿst und über denn siechtumb geleget·Auch ist es faste gůtt gesotten in wein und den getruncken für das gegicht·

(1) Sleutelbloemen.

Dat 213ste kapittel.

Herba paralisis Latijn. (Primula veris)

De meesters spreken dat dit kruid is van hete en droge natuur. En spreken dat de bloemen heffen aan te bloeien in de winter en nijgen zich tegen de aarde en heeft witte bloemen. (2) Dit kruid gebruikt men tot geen artsenij meer dan tot de jicht aan het lijf, waar dat zijn mag en door wie dat gebruikt wordt, zo beneemt het dezelfde zijn smarten. Toch is het allerbest gestoten of gekneusd en over den ziekte gelegd. Ook is het erg goed gekookt in wijn en dan gedronken voor de jicht.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt deze kruiden gewoonlijk in het Latijn Primula Veris omdat ze wel de eerste zijn van alle kruiden die in de lente uit de aarde plegen te spruiten of ten minsten omdat ze van de eerste zijn die bloeiend gevonden worden. (2) Men noemt ze soms Arthetica en Herba Paralysis omdat deze kruiden zo goed en krachtig zijn om de weedom van de leden en van de zenuwen te verzoeten.

In de Gart is Primula veris de madelief, Bellis perennis, zie kapittel 333.

storckenschnabel

Das ccxiiii capitel

Herba rubea·

(Die meister spτechen gemeinklich das diþ kraut seÿ gemüster natur als an der kelte und feücht. [245 en 246, twee gelijke pagina’s] (Für den stein nymme dÿsses kraut und steinbτech ÿegkliches vil unnd seüde die in wasser·und seÿhe es auch durch ein tůche·darnach mach ein schweÿþbade und nÿm auch haberstroe·und seüde das in wasser und geüsse damit dÿe glŭenden stein·und wan er an hebet zů schwiczen so trinck des wassers von stoτckes schnabel gesotten und das sol auch geschehen zů dτeÿe malen nach einander der stein bτichet senfftigklichen in dem menschen·

(Item wôlicher beschwert wåre am geblŭdte und alle zeit traurig wåre der nücz dises krautte und dar zů boley und rauten ÿegkliches geleich vil und bulver die und ÿsse mitt brot es sterckt auch das hercz unnd machet es frôlich·

(1) Ooievaarsbek.

Dat 214de kapittel. (Geranium robertianum)

Herba rubea.

De meesters spreken algemeen dat dit kruid is van gemengde natuur zoals aan de koudheid en vochtigheid.[245 en 246, twee gelijke pagina’s] (2) Voor de steen, neem dit kruid en steenbreek, van elk (even) veel, en kook die in water en zeef het ook door een doek, daarna maal een zweetbad en neem ook haverstro en kook dat in water en begiet daarmee de gloeiende stenen en als men begint te zweten zo drink dat water van reigersbek gekookt en dat zal ook geschieden tot drie maal na elkaar, de steen breekt zachtjes in de mensen.

(3) Item, wie bezwaard is aan bloed en elke dag treurig is die nuttigt dit kruid en daartoe polei en ruit, van elk gelijk veel, en poeder die en eet het met brood, het versterkt ook dat hart en maakt het vrolijk.

Storckenschnabel kan gelden voor Erodium cicutarium, ook voor Geranium robertianum. Herba rubea, waar rubea rood betekent. Het gebruik komt het meest met Geranium robertianum van Dodonaeus overeen. 

Dodonaeus; ‘Naast de naam Sanguinaria, bloedkruid of bloedwortel wordt dit gewas ook met een naam die alle soorten van kranenvoet gemeen is in het Hoogduits Storken-schnabel genoemd.

Herbarijs; ‘Herba roberti (4) droogt wonden en diepe etterwonden en kanker en vuile gaten. En is goed in wonddranken en ook de buitenkant daarmee wonden of dat zeer gewassen’.

hopfen ccxv capi

Humulus sive volubilis magna latine

(Der meister Johannas mesue spτichet das hopffen seÿe heiþer und truckner natur an dem grade und ist auch von natur auff lôse zeÿtigen und auff zů thůn geschweren am leibe wôlicherleÿ dÿe sein mügen·(Item hopffen genüczet treÿbet auþ melancoleÿe das ist das schwere geblŭdte von dem menschen·(Item den safft von hopffen warm in dÿe oτen gelassen benÿmmet den eÿter darauþ und das schweren·(Hopffen und hirczunge unnd senithe gesotten in wein und den getruncken benÿmmet das kalt wee quartana genant·Auch ist hopffenn fast gůtt genüczet und davon getruncken die das keÿchen haben und verstopffet sind umb die bτuste·(Item hoopffen in weine gesoten ist gůt wider die gelsucht und wassersucht und ist laxieren·Und hopffen in wein gesotten und geleget auff das milcz ist den weethům des milczes balde hin nemen·[247]

(1) Hop, 215de kapittel.

Humulus sive volubilis magna Latijn. (Humulus lupulus)

De meester Johannes Mesue spreekt dat hop is van hete en droge natuur aan de graad en is ook van natuur oplossen, rijpen en open te doen zweren aan het lijf welke die zijn mogen. (2) Item, hop genuttigd drijft uit melancholie, dat is dat zware bloed van de mensen. Item, het sap van hop warm in de oren gelaten beneemt de etter daaruit en dat zweren. Hop en hertstong en senna gekookt in wijn en dan gedronken beneemt de (3) koude ziekte, quartana genaamd. Ook is hop erg goed genuttigd en daarvan gedronken die dat kuchen hebben en verstopt zijn om de borst. (4) Item, hop in wijn gekookt is goed tegen de geelziekte en waterziekte en is laxerend. En hop in wijn gekookt en gelegd op de milt is de pijn van de milt gauw heen nemen. [247]

Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt in onze taal hoppe en hoppe-cruydt genoemd, in het Hoogduits Hopffen.

Herbarijs; ‘ (2) Hop lost op of laxeert de gele gal, zuivert en verteert het bloed, het blust de hitte van het bloed. Kaaswei, waar in hop te weken is gelegd, is zeer goed om dat te doen.

(4) Deze siroop is goed tegen geelzucht en de waterzucht die van hete zaken komen. (3) Die siroop, aldus gezegd, is goed tegen koliekachtige koortsen en koortsen van het bloeden, het laxeert de verbrande koliek en opent licht de verstopping van de lever, van de milt en de kleine gaatjes.


harn kraut ccvi C

Herba uτinalis latine

(Die meister spτechen das dises kraute seÿ heiþ uud trucken an dem dτitten grade

Dyses kraute hatt ein stengel zweÿer spannen lang und wechset nit darüber·sein blůmen sind gele unnd geleichen beÿ nahe schlüssel kraut blůmen herba paralisis genant·(Diþs kraute ist auff lôsen und verzeτen alle verschleimten materien in der blasen und lenden davon der stein wechset·(Wilhelmus ein meister spτicht diþs krauts wurczel und blůmen gesotten mit wein und den getruncken des abents und auch des moτgens benýmmet allen weethumb d blasen und lenden und treÿbet auþ den stein entpfintlich·

(Dises krauttes wurczel gestossen und also weich geleget zwischen den nabel und das gemecht benymmet diabeticam passionem das ist so der harm geet über menschen willen·auch also genüczet benymmet dise wurczel dissuriam das ist den kalten seich. Auch stranguiriam das ist so der mensch trôpflingen harmet und mit grossem schmerczen·Zů disen leczsten zweÿen soll dÿse wurczel gemischet werden mit baumôle·aber zů dem ersten ist des nit not·Hie ist zů mercken so die ÿeczgenantem kranckheiten kommen von kelte so dienet diþ kraut fast wol·kommen sÿ aber von hicz so dienet diþ kraut nit·(q·j) [248]

(1) Stalkruid, 216de kapittel.

Herba urinalis Latijn. (Ononis arvensis)

De meesters spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad.

Dit kruid heeft een stengel vierendertig cm lang en groeit niet daarover, zijn bloemen zijn geel en lijken bijna op sleutelbloemen Primula veris genaamd. (3) Dit kruid is op te lossen en verteren alle verslijmde materiën in de blaas en lenden daarvan de steen groeit. Wilhelmus, een meester, spreekt dit kruid wortel en bloemen gekookt met wijn en dan gedronken ‘s avonds en ook ‘s morgens beneemt alle pijn van de blaas en lenden en drijft uit de steen ontvankelijk.

(2) Dit kruid zijn wortel gestoten en alzo week gelegd tussen de navel en dat geslacht beneemt diabeticam passionem, dat is zo de plas gaat zonder mensen wil, ook alzo genuttigd beneemt deze wortel dissuriam, dat is de koude plas. Ook stranguriam, dat is zo de men druppelend plast en met grote smarten. Tot de laatste twee zal deze wortel gemengd worden met olijvenolie, maar tot de eerste is dit niet nodig. Hier is te merken zo de net genoemde ziektes komen van koudheid zo dient dit kruid erg goed, komen ze echter van hitte dan dient dit kruid niet. [248]

Zie kapittel 235, daar komt Linaria voor als harn of plaskruid, Urinaria. De afbeeldingen verschillen wat, toch lijken ze wat op elkaar, elk met gele bloemen, de laatste meer met een omgebogen kapje zodat die meer lijkt op een Linaria. Dan is deze Ononis, hoewel er niet van dorens gesproken wordt.

Dodonaeus; ‘In Brabant wordt dit gewas pranghwortel genoemd of ook stal-cruydt, in Hoogduitsland Hauwhechell, Ochsenkraut en Stalkraut.

Stal is een oud Duits woord voor urineren en werd om die reden gegeven aan vee, een goed plaskruid.

Dodonaeus; ‘(3) De schors van deze wortels met wijn vermengt en ingenomen laat water lossen en breekt de steen.

bilsensamen ccxvii C

(H)Usquiamus latine grece simphoniaca·arabice benge vel eiffozium.

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel benge idest jusquiamus beschreibet uns und spτicht dz dτeÿerhande bilsen kraut seÿe·Das ein hat blůmen die sind rôtelichet und ein schwarczen samen·und hat ein hårten scharpfen stengel. Das ander bilsen krautte hatt weiche bleter und weich blůmen und samen der ist rôtelicht·von disen zweÿen sol man sich hŭten wann sÿ machen den menschen tobendig und tôdten·und dise zweÿ sôllent zů keiner erczneÿ gebτauchet werden·Das dτitt bilsen kraut hatt feÿste bletteτ die sind vol feüchtung·die blůmen sind weiþ und hat samen der ist weiþ und wechset nahe beÿ den baumen und nahe beÿ dem bechen·der same wirt genüczet in der erczneÿ·Wåre es aber sache dz man des gleichen nit haben mocht so sol man nemen des bilsen kraut mit den roten blůmen·(Der meisteτ Diascoτides spτicht das jusquiamus habe ein groben stengel und bτeytte bleter und lengelicht und beÿ dem stengel hat es heτüber die sind vol samen·(Der saft von bilsensamen ist gůt dem der do nit zůschaffen haben mag mit seiner frawen wann es bτingt lustunge und reÿczung·(Daz saft in die oτen gelassen macht sterben die würme·(Bilsen kraut gestossen und darunder gemischet gersten mele und geleget auff ein geschwulst die sich erhaben hat von hicze benÿmmet sÿ czů hant·(Die wurczel gesoten von bilsen kraut mit eþsig und den in dem munde gehalten benymmet dz zene wee·(Plinius der same grŭn gestossen und den saft davon auþ getrucket der ist gůt gestrichen über eÿterichten augen unnd benymmet den eÿter davon zûhant·(Wer den samen oder daz kraut esse rohe dem wåre es ein vergifft·Den frauwen des samens getruncken also dz er gemischt werde mit hônigwasser genant mulsa benÿmmet jn dz fliessenden von der můter·(Platearius der same gestossen und gemenget wit wein gelegt auf die schwerenden bτust der frauwen hilffet wol·den samen gemenget mit mulsa dz getruncken ist gůt dem die do blůt speÿen. (Item bilsen ist kalt in dem dτitten grade und trucken in dem zweiten grade platearius pandecta. (Item bilsen samen gebulvert mit frawen milch und mitt einem eÿes weiþ und mit wenig eþsig vermenget und umb den schlaff gestrichen macht schlaffen·auch môcht men dar für die fŭsse wåschen mit wasseτ darjnne bilsenkraut gesoten ist platearius.[249]

(1) Bilzekruid, 217de kapittel.

Usquiamus Latijn. Grieks simphoniaca. Arabisch benge vel eifforium. (Hyoscyamus niger)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel benge, id est jusquiamus, beschrijft ons en spreekt dat er drie soorten bilzekruid is. (5) De ene heeft bloemen die zijn roodachtig en een zwart zaad en heeft een harde scherpe stengel. Dat andere bilzekruid heeft weke bladeren en weke bloemen en zaden die zijn roodachtig, van deze twee zal men zich hoeden want ze maken de mensen verdovend en doden, en deze twee zullen tot geen artsenij gebruikt worden. Dat derde bilzekruid heeft vaste bladeren die zijn vol vochtigheid, de bloemen zijn wit en heeft zaden die zijn wit en groeit nabij de bomen en nabij de beken, het zaad wordt genuttigd in de artsenij. Was het echter zo dat men desgelijks die niet hebben mocht dan zal men nemen het bilzekruid met de rode bloemen. De meester Dioscorides spreekt dat jusquiamus heeft een grove stengel en brede bladeren en langachtig en bij de stengel heeft het dozen die zijn vol zaden.(2) Het sap van bilzekruidzaden is goed die niets te doen hebben mag met zijn vrouw want het brengt lust en prikkeling. (7) Dat sap in de oren gelaten maakt sterven de wormen. (6) Bilzekruid gestoten en daaronder gemengd gerstemeel en gelegd op een gezwel dat zich verheven heeft van hitte beneemt ze gelijk. De wortel gekookt van bilzekruid met azijn en dan in de mond gehouden beneemt de (8) tandpijn. (9) Plinius, het zaad groen gestoten en het sap daarvan uitgedrukt dat is goed gestreken over etterige ogen en beneemt de etter daarvan gelijk. (4) Wie de zaden of dat kruid eet rauw die is het hem een vergif. (10) De vrouwen die zaden gedronken alzo dat het gemengd wordt met honingwater genaamd mulsa beneemt hun dat vloeien van de baarmoeder. Platearius, het zaad gestoten en gemengd met wijn en gelegd op de zwerende borst van de vrouwen helpt goed, de zaden gemengd met honingwijn en dat gedronken is goed die er bloedspuwen. Item, bilzekruid is koud in de derde graad en droog in de tweede graad, Platearius en Pandecta.(3) Item, bilzekruidzaden gepoederd met vrouwenmelk en met een eierenwit en met weinig azijn vermengt en om de slaap gestreken maakt slapen, ook mag men daarvoor de voeten wassen met water daarin bilzekruid gekookt is, Platearius.

Dodonaeus; ‘In onze taal heet dit gewas bilsen-cruydt, in het Hoogduits ook Bilsenkraut.

Maerlant; ‘Jusquiamus, is zeer koud en is een kruid van groot geweld. (3) Diegene die moeilijk kunnen slapen, neem zijn bladeren of zijn zaden en stamp en bindt het dan aan de slaap, is het wijf of man, hij zal rusten is het dag en nacht. (4) Men geeft ze niemand die geen vijand is het zaad te eten, hij bleef dood of hij viel in een slaap zo groot alzo dat het met hem miskwam en gemakkelijk tot lethargie kwam. (2) (De Gart zegt het tegenovergestelde) (8) Olie hier van is een waarde en aardig goed tegen het tandzeer als die dingen van hitte komt en tegen menige dingen niet genoemd’.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (5) Er zijn drie soorten van bilzekruid waarvan de zwarte de ergste is en daarna de rode. Maar de witte is gezond en is diegene die in de medicijnen gebruikt wordt.  

(7) Olie of het sap van bilzekruid dat je lauw in de oren doet verzacht de pijn van de oren.

(8) Tegen tandpijn was je de mond met het sap van bilzekruid dat met azijn gemengd is of met wijn waar bilzekruid, bertram en wat azijn in gekookt is.

(9) Het sap van haar bladeren dat op de ogen gedaan wordt geneest haar pijn en voorkomt dat de vochtvermenging naar de ogen komt.

(10) Een pessarium dat van het sap van bilzekruid met haar bladeren gemaakt is is goed tegen menstruatiepijn en voorkomt ook dat de stonden gaan vloeien.

wegholler ccxviii C

Iuniperus vel granum iunipeτi latine·grece arceotides·arabice habilhaloch·

(Dez meister diascoτides spricht das wegholler heiþ unnd trucken sind an dem dτitten grade·unnd spτichet auch das dÿe fruchte des baumes seýe fast lustlich zů halten in dem munde unnd treÿbe auþ bôsen lufft.

(Item iuniperus heisset weghollernbaum und ist ein kriechisch woτt und ist so vil gespτochen als ein feüerbaum·wann in grexum heisset pirfeüwer als dann spτicht der meister Isidoτus und davon kommet das woτt Juniperus darumb dz der baum dz feüer lange behaltet wenn wann man glŭenden kolen mit des baumen esche bdecket so weret es ein gancz jare in dem feüwer unverloschen·(Der meistde Avicenna beschτeibet uns und spτicht das wegholler baum seÿ geleich ein cipτessen baum·darumb heisset man den weghollerbaume in der geschτiffte ein felt cÿpτessen·der baum wechset in dem landen gegen der sunnen auffgang also groþ das man daselbest mitt bawet·(Weghollern frucht verzert bôþ feüchtigkeit in dem menschen wie die genüczet werden·(Daz ôle von wegholler dienet fast wol zů lemde die do kommet von kelte und das mache also·Nÿmm zwen erden hessen die verglaþeüert sind und secze die über einander den obersten hafen soll man füllen mit wegholler holcz unnd das klein geschniten seÿ·und zwischen dem zweÿen hefen soll sein ein lôchericht bleche also das das oberst holcz nitt fallen müge in den understen·Die zwen hefen sôllen wol vermachet werden das kein rauche darauþ kommen müge und die seczen in dz erdtrich und der oberst soll nit gancze in der erden steen unnd umb den obersten hafen soll gemachet werden ein kole feüeτ und wann das holcz jnwendig erhiczet so fleüsset das ôle auþ dem obersten hafen·(Plinius das ôle ist gar gůt für das gegicht an dem leibe damit geschmieůet den ruckmeÿssel und hatt manichen menschen geholffen·(q·ij·) [250] Das ôle ist auch gůt epilenticis dz ist die den fallende siechtagen haben den rucken damit geschmieret·Es ist auch gůtt für die melancoleÿ dz ôle geessen in der kost·Es benymmet auch die sucht des jngeweitz·(Der meister platearius spτicht das diþ ôle gar gûtte seÿ getrauffet in die oτen·und benymmet die taubheÿt darjnne·dises ôle dÿenet aller kranckheit an dem leÿbe die do kommen von der kelte·(Item weghollern holcz benymmet den bôsen lufft darauþ gemacht ein rauch als dann uns beschτeibet ÿpocras dz er beÿ seinen tagen in einer statt gesessen was genant harabet·und also ein groþ sterben in der welt wz daz kaume der zehende mensch bleibe do gebot er allem seinem volck in der ÿeczgenanten statt das sÿ solten abe hauwen dÿe weghollerbaum und die legen auþwendig umm die stat und in alle gassen und die anzünten und bτennen·dises theten die selbigen leüt als lange das sterben waret·In der selbigen stat starbe kein mensch an der pestilencz und sunft in dem ganczen künigreich kein stat od doτff nit auþgenommen stoτben die leüt gengklich·Und darumb ist von natur weghollern holcz verzeren den bôsen lufft·und dises mag man mercken beý disem exempel·(Item wegholler in wein gesoten ist gůt wider den kalten seich und lenden weethumb.

(1) Jeneverbes, 218de kapittel.

Iuniperus vel granum iuniperi Latijn. Grieks arceotides. Arabisch habilhaloch. (Juniperus communis)

De meester Dioscorides spreekt dat jeneverbes heet en droog is aan de derde graad en spreekt ook dat de vrucht van de boom is erg lustig te houden in de mond en drijft uit kwade lucht.

Item, Juniperus heet jeneverbesboom en is een Grieks woord en is zo veel gesproken als een (7) vuurboom want in Grieks heet het altijd vuur zoals dan spreekt de meester Isidorus en daarvan komt dat woord Juniperus daarom dat de boom dat vuur lang behoudt als wanneer men gloeiende kolen met de boomas bedekt dan blijft er een gans jaar in het vuur ongedeerd. De meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat jeneverbesboom is gelijk een cipres boom, daarom noemt men de jeneverbesboom in de geschriften een veldcipres, de boom groeit in de landen tegen de zonsopgang alzo groot dat men daarvan meebouwt. (2) Jeneverbesvrucht verteert kwade vochtigheid in de mensen als die genuttigd worden. (4) De olie van jeneverbes dient erg goed tot verlammingen die je komen van koudheid en dat maak alzo: (3) Neem twee aarden potten die geglazuurd zijn en zet die over elkaar, de bovenste pot zal men vullen met jeneverbeshout en dat klein gesneden is en tussen de twee potten zal een kleine blik zijn met gaten alzo dat het bovenste hout niet vallen mag in de onderste. Die twee vaten zullen goed gemaakt worden zodat geen rook daaruit komen mag en die zetten in dat aardrijk en de bovenste zal niet geheel in de aarde staan en om de bovenste pot zal gemaakt worden een koolvuur en als dat hout inwendig verhit dan vloeit de olie uit het bovenste vat. (4) Plinius, die olie is erg goed voor de jicht, aan het lijf daarmee gesmeerd de ruggengraat en heeft vele mensen geholpen. [250] (5) De olie is ook goed epileptici, dat is die de vallende ziekte hebben, de rug daarmee gesmeerd. (6) Het is ook goed voor de melancholie, die olie gegeten in de kost. Het beneemt ook de ziekte des ingewand. De meester Platearius spreekt dat deze olie erg goed is gedruppeld in de oren en beneemt de doofheid daarin, deze olie dient alle ziekte aan het lijf die je komen van de koudheid. Item, jeneverbeshout beneemt de kwade lucht, daaruit gemaakt een rook zoals dan ons beschrijft Hippocrates dat hij in zijn dagen in een plaatst gezeten was genaamd Harabet en alzo een grote sterfte in de wereld was dat nauwelijks de tiende mens overbleef, toen gebood hij al zijn volk in de net genoemde plaats das ze zullen afhouwen de jeneverbesbomen en die leggen uitwendig om die plaats en in alle gaten en die aansteken en branden, dit deden dezelfde mensen zolang dat het sterven duurde. In dezelfde plaats stierf geen mens aan de pest en sinds in het ganse koninkrijk geen plaats of dorp niet uitgenomen stierven de mensen geheel. En daarom is van natuur jeneverbeshout verteren de kwade lucht en dit mag men merken bij dit voorbeeld. Item, jeneverbes in wijn gekookt is goed tegen de koude plas en lendenpijn.

Dodonaeus; ‘Genever wordt in het Grieks Arceuthos en in het Latijn Juniperus genoemd en die naam is in de apotheken gebruikelijk, in het Arabisch arconas en archencas, in het Hoogduits Wechholter.

Maerlant; (2) Platearius wil ons zeggen dat jenever heet en droog is van manieren, haar doen is van rechte naturen ontdoen en verteren kwade humeuren. (3) Van deze boom maakt men ook mede olie van grote mogelijkheden.

4) Bestrijkt men er mee de mensen leden en mee gemengd in spijzen is het ook goed in andere wijze. (5) Tegen het groot euvel zwaar dan moet men er mee zalven daar een mensen rib, hoor ik luiden. (6) En die veel hebben melancholie, dit zullen ze eten, het zal hem blijken.

Herbarius in Dyetsche; (6) Olie van jeneverbes is de allerbeste tegen vierdaagse malariakoorts die van zwaarmoedigheid komt.

Brennwurcz ccxix C

Encensaria latine·

(Die meister spτechen das dises seÿ ein kraute unnd beý nahet als wegbτeitte und wechset auch an den sandigen bergen und bτeitet sich langes die erde sein gerauch ist geleich dem weÿrauch dises kraut ist heiþ und trucken an dem dτitten grad·Von disem kraut beschτeiben uns die meister in dem bůch Pandecta und spτechen das diþs verzere die feüchtunge der bτust von der ensteen môchte ein geschwere genant pleuresis diþs darauff gelegt also grŭn·(Diþ krautes wurczel stercket die lamen gelider und zeühet dann geblŭte [251] die darauff gelegt·(Item dises kraut und wurczel benÿmmet coτizam dz ist auch ein verstopfunge der nasen·dise verstopffunge kommet von einem fluþ des hÿrnes·(Von diser wurczel ist uns auch beschτÿben ein meister Wilhelmus ein wuntarczet gewesen der spτicht das dise wurczel hab tugent an sich zů ziehen bôþ feüchtunge·und darumb hat er die genüczet schweren damit auff zů lôsen und sunderlichen eÿter damit auþ zû ziehen·(Item den safft von diser wurczel gemischt mit harcz und wachs und darauþ gemachet ein salbe zeühet fast·(Item für die bôsen schwarczen blattern ist auch dise wurczel die aller beste·

(1) Brandkruid, 219de kapittel.

Encensaria latine. (Clematis flammula)

De meesters spreken dat dit is een kruid en nabij zoals weegbree en groeit ook aan de zandige bergen en breidt zich uit langs de aarde en zijn geur is gelijk de wierook. Dit kruid is heet en droog aan de derde graad. Van dit kruid beschrijven ons de meesters in het boek Pandecta en spreken dat dit verteert de vochtigheid van de borst waarvan ontstaan mocht een zweer genaamd pleuris, dit daarop gelegd alzo groen. Dit kruid zijn wortel versterkt de lamme leden en trekt dan bloed, [251] die daarop gelegd. Item, dit kruid en wortel beneemt corizam, dat is ook een verstopping van de neus, deze verstopping komt van een vloed van de hersens. (2) Van deze wortel is ons ook beschreven een meester Wilhelmus die een wondarts is geweest en die spreekt dat deze wortel heeft deugd aan zich om kwade vochtigheid tot zich te trekken en daarom heeft hij die gebruikt zweren daarmee op te lossen en vooral etter daarmee uit te trekken. Item, het sap van deze wortel gemengd met hars en was en daaruit gemaakt een zalf trekt erg. Item, voor de kwade zwarte blaren is ook deze wortel de allerbeste.

Zie ook kapittel 184 voor Ranunculus flammula. De afbeelding geeft vier bladeren weer op een knop van een steel met elk een hartje erin. 

Encensaria betekent wierook, is dat naar de geurende bloempjes?

(1) Dodonaeus; ‘De eerste soort heeft onlangs de naam Flammula, dat is brandende of vlammende of hete klim gekregen.

hanbotten ccxx C

Iuiube grece et latine·

(Der meister Avicenna in seÿnem anderen bůch in dem capitel Juiube beschτeibet uns unnd spτicht das die sind kalt an dem eτsten grade und sind auch geleich an der trückne und an der feüchtigkeit getemperieτt·aber Serapio und platearius spτechen das es seý warme und feüchte in dem ersten grade·die groþsen sind die besten·Und spτicht auch das sÿ fast gůtt sind dem heissen geblŭdte·unnd machen auch das geblütte dick·(Item hanbotten geessen sind fast unverdeüwenlich·(Item hanbotten gebeýþt mit hônig und genüczet sind gar gůt d verstopften bτust unnd auch der bôsen lungen und wider den hůsten. (Item hanbotten sind nit gůt dem magen wenn sÿ sind unverdeüwenlich·(Ettlich meÿster spτechen das sÿ fast gůt sind für stein in der blasen und auch in den nÿeren·(q·iij·) [252[

(1) Jujube, 220ste kapittel.

Iuiube Grieks en Latijn. (Zizyphus jujuba)

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel jujube beschrijft ons en spreekt dat die zijn koud aan de eerste graad en zijn ook gelijk aan de droogte en aan de vochtigheid getemperd, maar Serapio en Platearius spreken dat het is warm en vochtig in de eerste graad, die grootste zijn de besten. (2) En spreekt ook dat ze erg goed zijn het hete bloed en maken ook dat bloede dik. Item, jujube gegeten zijn erg onverteerbaar. (3) Item, jujube gebaad met honing en genuttigd zijn erg goed de verstopte borst en ook de kwade longen en tegen het hoesten. (4) Item, jujube zijn niet goed de maag want ze zijn onverteerbaar. Ettelijke meesters spreken dat ze erg goed zijn voor steen in de blaas en ook in de nieren. [252]

Dodonaeus; ‘De eerste en gewoonste soort van deze twee bomen heet in het Grieks Zizyphos en Ziziphos, in het Latijn ook Zizyphus. De vruchten worden in onze taal jujuben genoemd naar de naam Jujubae die in de apotheken algemeen is. In Hoogduitsland Brustbeerlin.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Jujube’s hebben de kracht om de scherpheid van de bloedgang te blussen. (3) Jujube zijn goed voor de borst, de longen, de blaas, de pijn van de nieren en de pijn van de borst die uit hitte komt. (4) Jujube zijn slecht voor de maag, haar voedsel is venijnig, haar verteringen zijn hard en maken slijm volgens Serapio’.

rosz zagel ccxxi C

Iparis vel equisecom grece·arabice dheneb hachil vel dhenephachali latine cauda equina·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel dhenebhachil idest cauda equina spτicht das dises hab lange bleter und knodicht und wechset an ein geleich eÿnes pferdes schwanz·diþ wechset geren beÿ dem wasseτn und ander feücht stette·(Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel cauda equina spτicht dz dises sey kalt an dem ersten grad und trucken an dem andern·(Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel cauda equina spτicht dz diþ fast gůt sey den flüssigen wunden mit blůte auch der nasen·dises zeühet die wunden zůsamen darauff geleget·Auff die hiczige leber gelegt kŭlet die zůhant. (Item auff alle heiþ blattern oder gebτesten gelegt geleich einem pflaster zeühet dÿe hicze darauþ zůhant·(Dises kraut dienet fast wol dissentericis dz ist der rot blůtgang·(Dyses krauts safft vermenget mit sauwe distel safft unnd die zweÿ getruncken stopffet allen wunden jr geblŭte on schaden·(Emoptoicis das sind die blůt speÿen dienet diþs ÿeczgenant saft wol des eingenommen·(Diascoυides dise bleter geleget auff die wunden die frisch sind ziehen die zůsamen das kein narbe cicatrix genant erscheynet.

(Galienus diþs krauts saffte benymmet den fluþ emoτrosagia genant davon dann kommen emoτroide das sind fickblattern. Emoτrosagia heisset ein blůtfluþ·(Wôlicher fast blůtet auþ der nasen der trinck dem safft dises krauttes er stillet es zůhandt·Von disem gewechs lese das bůch Pandecta in dem ccxiiij·capitel do findest du vil hübscher tugent die uns beschreiben die hochgelerten meÿster als dann sind Serapio Plinius Diascoτides Galienus paulus Avicenna·[253]

(1) Paardenstaart, 221ste kapittel.

Iparis vel equisecom Grieks. Arabisch dheneb hachil vel dhenephachali. Latijn cauda equina. (Equisetum palustre)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel dhenebhachil, id est cauda equina, spreekt dat dit heeft lange bladeren en knopig en groeit aaneen gelijk een paardenstaart, dit groeit graag bij het water en andere vochtige plaatsen. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel cauda equina spreekt dat dit is koud aan de eerste graad en droog aan de andere. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel cauda equina spreekt dat dit erg goed is de (2) vloeiende wonden met bloed en ook de neus, dit trekt de wonden tezamen, daarop gelegd. Op de hete lever gelegd verkoeld die gelijk. Item, op alle hete blaren of gebreken gelegd gelijk een pleister trekt de hitte daaruit gelijk. Dit kruid dient erg goed dysenteria, dat is de rode bloedgang. Dit kruid zijn sap vermengt met melkdistel sap en die twee gedronken stoppen alle wonden hun bloed zonder schade. Emoptoicis, dat zijn die bloedspuwen, dient dit net genoemde sap goed, dat ingenomen. Dioscorides, deze bladeren gelegd op de wonden die vers zijn trekken die tezamen zodat geen larf, cicatrix genaamd, verschijnt.

Galenus, dit kruid zijn sap beneemt de vloed emorrosagia genaamd daarvan dan komen hemorroide, dat zijn aambeien. Emorrosagia heet een bloedvloed. Wie erg bloedt uit de neus die drinkt het sap van dit kruid, het stilt het gelijk. Van dit gewas lees dat boek Pandecta in het 214de kapittel, daar vindt u veel leuke deugd die ons beschrijven de zeer geleerde meesters zoals dan zijn Serapio, Plinius, Dioscorides, Galenus, Paulus en Avicenna.[253]

Dodonaeus; ‘Paardenstaart wordt in het Grieks Hippuris genoemd en in het Latijn Equisetum, Equinalis. De Hoogduitsers Scaffthaw, Roseschwantz of Pfertzschwantz.

Dodonaeus; (2) Dioscorides zegt dat door vele soorten van paardenstaart de bloedige wonden geheeld worden als men die daarop legt als ze klein gestampt of gewreven zijn, zelfs al waren de zenuwen geraakt en bijna afgesneden, als Galenus daar noch meer van zegt.

Augstein ccxxii C

(K)Arabe latine et grece·arabice electrum·

(Dÿe meister spτechen dz dises sey ein gummi eines baumes·und das gummi gleichet dem edel gestein·(Der meister paulus in dem capitel Karabe spτicht das dises gummi seÿ von natur heiþ machen und temperiert mitt einer kleÿnen kelte·

(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis beschτeÿbet uns und spτicht dz karabe sind heiþ an dem ersten grade unnd trucken an dem andern·Ir tugent ist stercken daz hercz und machen frôlich·und benemen das zÿttern von dem heτczen·(Serapio in dem capitel karabe beschreibet uns unnd spτicht das es gůt seÿ von augstein getruncken wann sÿ benemen den bauch weethumb und benemen auch die flüþ an dem leibe·und darumb dienen sÿ fast wol dem frauwen die czů vil flüssig sind an jrer zeyt·(Item augstein gestrichen über die blôden augen machen sÿ klare und benemen jn den fluþ·(Item augstein ist gůt gestrichen auff den geschweren die do hiczig sind unnd ziehen die auþ·(Item wôliche augstein beÿ jn tragen dem schadet kein blůdten auþ der nasen·Auch stopffen sÿ das überflüþsig blůten auþ der nasen und behalten das hercz geblŭdte·

(Item etlich meister heissen karabe lapides gagatis des halben das der gagates dem augstein so gar geleich ist an tugenden und auch an gestalt·Von disem stein gagates findest du sein tugent in disem bůch in dem·cciiij·capitel·(Item ein rauch gemachet von augstein ist vertreiben schlangen·(Augstein ist auch gůt wider das bτechen und ist auch vertreiben dem bôsen geyst. (Albertus magnus spτicht dz diþs bulver von augstein mit wasser gesoten und darvon gegeben einez junckfrauwen macht sÿ nit harmen und geben einer frauwen machet sÿ harmen··(q·iiij·) [254]

(1) Barnsteen, 222ste kapittel.

Karabe Latijn en Grieks. Arabisch electrum.

De meesters spreken dat dit is een gom van een boom en die gom lijk op een edelsteen. De meester Paulus in het kapittel Karabe spreekt dat deze gom is van natuur heet maken en tempert met een kleine koudheid.

Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis beschrijft ons en spreekt dat karabe is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. Zijn deugd is versterken dat hart en maken vrolijk en benemen dat sidderen van het hart. (2) Serapio in het kapittel karabe beschrijft ons en spreekt dat het goed is van barnsteen gedronken want het beneemt de buikpijn en beneemt ook de vloed aan het lijf en daarom dient ze erg goed de vrouwen die te (4) veel vloeien in hun tijd. Item, barnsteen gestreken over de blote ogen maakt ze helder en beneemt hen de vloed. Item, barnsteen is goed gestreken op de zweren die je heet zijn en trekken die uit. Item, wie barnsteen bij hem draagt die schaadt geen bloeden uit de neus. Ook stoppen ze dat overvloedig bloeden uit de neus en behouden dat hartbloed.

Item, ettelijke meesters noemen karabe lapides gagatis vanwege dat de gagaat het barnsteen zo erg gelijk is aan deugden en ook aan gestalte. Van deze steen git vindt u zijn deugd in dit boek in het 204de kapittel. (3) Item, een rook gemaakt van barnsteen is verdrijven slangen. Barnsteen is ook goed tegen dat braken en is ook verdrijven de kwade geest. (5) Albertus Magnus spreekt dat dit poeder van barnsteen met water gekookt en daarvan gegeven een jonkvrouw maakt haar niet plassen en geef het een vrouw maakt haar plassen. [254]

(5) Zie kapittel 204 en 46.

(2) Herbarijs; ‘Racabre is gom van bomen en is heet en droog getemperd en men legt ze in medicijnen tegen de bloeddiarree en dysenterie’.

Racebre is een nietszeggend woord, waarschijnlijk een verminking van Carabre. In de Gart komt Carabe voor. De Arabieren noemden amber charaba of cacabe of chachalze, wat letterlijk betekent strorover, om de eigenschap van kleine strootjes aan te trekken.

De Gart spreekt van Augstein, Electrum in Arabisch.

Latijn electrum: barnsteen, Grieks elektor: de zon, het zijn gestolde zonnestralen. De enigste vorm van elektriciteit die de ouden kenden was van barnsteen, electron.

De oudere Hoogduitse benaming is Agstein of Augstein, ( uit Latijn achates, zie git, kapittel 204) midden-Noordduits glar: Angelsaksisch glaer. Dat heeft weer verband met glas wat in Angelsaksisch glaes is wat terugvoert op Germaans glasa. Daarmee komt het in klank overeen het Latijnse glesum van Tacitus, glaesum van Plinius en Glesaria: het barnsteen eiland.

Maerlant: ‘‘Succinus, dat is de ambersteen. Isidorus zegt dat het sap van pijnbomen is en dat het er uit rent en daarbij wordt het een steen. (3) Zijn reuk, dat is bekend, vliedt van naturen elk serpent. (4) Voor vrouwen die in pijnen gaan is die reuk goed, zonder waan. In de zee van sommige plaatsen vindt men ze en in andere wateren mede’.

lattich ccxxiii Ca

(L)Actuca latine grece tragma·arabice hakaþ·

(Der meyster Galienus in seinem·viij·bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel Lactuca beschτeybet uns und spτicht das die tugent des krauts seye feücht machen und kelten und darumb ist es kalt und feücht in dem andern grad·(Platearius spτicht dz es seÿ kalt und feücht in dem temperament·(Die meÿster beschτeiben uns das do seÿ mancherleÿ lattich·die ein ist heÿmisch und wechset in den gårten·die mag man gar wol essen in der speise aber rohe geessen ist sÿ dem magen schedlich·Aber doch ist sÿ gůtt des ersten so sÿ noch nicht gar zû krefften kommen ist·Die gemengt mit kressen und baumôle und salcz und darauþ gemachet ein salat unnd den geessen mit wenig eþsigs·also geessen macht heimisch lattich wol deüwen unnd machet dem menschen gůt natürlich schleffe und weichet den bauche·(Dises lattichs samen gibt dem ammen vil milch wann sÿ des essen unnd machet ein gůt klare gesichte·(Ein pflaster gemachet von lattich·und geleget auff die heissen geschwern unnd auch auff den gebτesten erisipila genannt kŭlet fast wol·(Serapio lactuca gesoten und gemenget mit baumôle ist gůt den geelsüchtigen des geessen·(Lactuca benymmt die gelust des mannes und auch der frawen der uτsachen halben daz sÿ fast kalt machen·(Item lactuca machen dem menschen dz hÿren wusst und ist nit gůt dem kalten magen·(Wez disen lattich eþsen wil der sol jn voτhin beissen in dillsaffte oder in knobelauch saft ein klein weÿle·wenn die kelte diþs krauts ist zů strenge und ist gůt also zů essen·lattich geessen und gebeisset vertreibet groþ hicz des lattichs samen mit wein getruncken macht wol schlaffen·(Die ander lattich dÿe man nennet agrestis die ist beÿnahe als die erste allein daz sÿ ein grôbern stengel hatt und die bleter sind weisser und subtÿler und scherpffer wann die ersten und die tugent ist gleich dem sch [255] warczen magsamen·dise lattich leschent den durst in dem menschen·(Dises lattich gesotten in wasser und die franwen damit gebået unden auff ist gůt d můter die von einem ende an das ander laufft·(Plinius wôlicher grossen lust hat zů unkeüschheÿt es sey man oder frauwe·der selbe neme der wilden lattich die do gedôτret ist an der sunnen und bulverifier mit waun wein und thů das dicke es benymmet dir den lust on schaden des leibes. (Die dτitt lattich die ist auþwendig weiþ unnd jnwendig grün und ist geheissen bτant lattich·(Wer geschweren hat an dem leibe der neme diser lattich und bτeche an dem ende davon und mache das blatt also groþ als das geschwer ist und streich darauff hônig und lege es auff die geschweτ voτhin ee sÿ auff bτechen dτeÿ tage und nåcht·und wann die pflaster trucken werden so soll man aber ander darauff legen die do frisch sind daz geschweτe heilet davon on zweifel·und diþ ist dicker mal pτobiert woτden·(Die vierde lattich die man nennet unkraute die ist unnücz zů essen·Wôlicher sÿ rohe oder gesoten esse der wurd onmechtig davon·wann sÿe machet gar bôþ geblŭdte·und benÿmmet auch das beste der uτsachen halber wenn is ist noch heiþ noch kalt·sunder sÿe geleichet den unnüczen luffte·der die erde dôτret unnd auch das beste marck darauþ nymmet die do frucht bτingen soll·diser lattich wechset auch von dem schleýme der erden·(platearius dises kraut in wasser gesotten und das schüdten in kleÿen und dem esel das zů essen geben dem in den leibe wee wåre und nit scheissen môcht jm würde baþ·(Item lactuken geessen machet auch gar gůt geblŭdte·und ist gesundt wider das fieber tercian rohe geessen oder gesotten mit eþsig mit zucker vermenget ist auff lôsen bestopffung milcz und leber·(Item lactuken samen mit frawen milch und mitt einen eÿes weiþ vermenget und auff den schlaff geschmieret machet gar wol schlaffen·[256]

(1) Sla, 223de kapittel.

Lactuca Latijn. Grieks tragma. Arabisch hakaþ. (Lactuca sativa)

De meester Galenus in zijn achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Lactuca beschrijft ons en spreekt dat de deugd van dit kruid is vochtig maken en verkoelen en daarom is het koud en vochtig in de andere graad. Platearius spreekt dat het is koud en vochtig het temperament. De meesters beschrijven ons dat er zijn vele soorten sla, de ene wordt geteeld en groeit in de tuin en die mag men erg goed eten in de spijs, maar rauw gegeten is het de maag schadelijk. Maar toch is het goed in het eerste zo het noch niet erg tot kracht gekomen is. Die gemengd met kers en olijvenolie en zout en daaruit gemaakt een salade en dan gegeten met weinig azijn en alzo gegeten maakt geteelde sla goed verduwen en maakt de mensen goede natuurlijke slaap en weekt de buik. (4) De sla zijn zaden geeft de voedsters veel melk als ze dit eten en maakt een goed helder gezicht. (5) Een pleister gemaakt van sla en gelegd op de hete zweren en ook op het gebrek erisipila genaamd verkoeld erg goed. Serapio, Lactuca gekookt en gemengd met olijvenolie is goed de geelzieke, dat gegeten. (3) Lactuca beneemt de lust van de mannen en ook van de vrouwen, vanwege de oorzaak dat ze erg koud maakt. Item, Lactuca maakt de mensen de hersens woest en is niet goed de koude maag. Wie deze sla eten wil die zal het voorheen baden in dillensap of in knoflooksap een kleine tijd want de koudheid van dit kruid is te streng en het is goed alzo te eten, sla gegeten en gebaad verdrijft grote hitte, (2) de slazaden met wijn gedronken maakt goed slapen. Die andere sla die men noemt agrestis die is bijna zoals de eerste, alleen dat ze een grovere stengel heeft en de bladeren zijn witter en subtieler en scherper dan de eerste en de deugd is gelijk de [255] zwarte papaverzaden, deze sla lest de dorst in de mensen. Deze sla gekookt in water en de vrouwen daarmee gebaad onderop is goed de baarmoeder die van een eind naar de andere loopt. (3) Plinius, wie grote lust heeft tot onkuisheid, hetzij man of vrouw, diezelfde neemt de wilde sla die gedroogd is aan de zon en verpoederd met warme wijn en doe dat vaak, het beneemt je de lust zonder schade van het lijf. De derde sla die is uitwendig wit en inwendig groen en is geheten brandsla (hoefblad, Tussilago). Wie er zweren heeft aan het lijf die neemt deze sla en breek het aan het eind daarvan en maak dat blad alzo groot als die zweer is en strijk daarop honing en leg het op die zweer voordat die openbreekt drie dagen en nachten en als die pleister droog wordt dan zal men echter andere daarop leggen die vers zijn, de zweer heelt daarvan zonder twijfel en dit is vele malen geprobeerd geworden. De vierde sla die men noemt onkruid die is onnuttig te eten. Wie het rauw of gekookt eet die wordt onmachtig daarvan want ze maakt erg kwaad bloed en beneemt ook dat beste, vanwege de oorzaak dat het is noch heet noch koud en vooral ze lijkt op de onnuttige lucht die de aarde verdroogt en ook dat beste merg daaruit neemt die de vruchten brengen zou, deze sla groeit ook van het slijm van de aarde. Platearius, dit kruid in water gekookt en dat schudden in klei en de ezel dat te eten gegeven die in het lijf pijn had en niet schijten mocht, hem wordt het beter. Item, sla gegeten maakt ook erg goed bloed en is gezond tegen de derdedaagse malariakoorts rauw gegeten of gekookt, met azijn en met suiker vermengd is oplossen verstopping van de milt en lever. (2) Item, slazaden met vrouwenmelk en met eierenwit vermengt en op de slaap gesmeerd maakt erg goed slapen. [256]

Dodonaeus; ‘De gewone soort van dit gewas heet hier te lande lattouwe en salaet, in Hoogduitsland Lattich en in het Latijn heet ze Lactuca sativa, dat is tamme sla. Duits Lattich.

(2) Van Beverwijck: sla verwekt de slaap, verslaat de dorst en neemt de (3) geiligheid weg waarom de Phythagorische wijsgeren haar Eunuchium en de vrouwen Astylida genoemd hebben. Daarom is zij beter voor papen en monniken als voor mannen die jonge vrouwen hebben en derhalve goed huis moeten houden. Sla houdt vleselijke lusten tegen en voorkomt kwade dromen.(4) Zij maakt ook overvloedigheid van zog, te weten in de voedsters en zuigende vrouwen.


suszholcz ccxxiiii C

Liquiricia latine·grece gicoτiza arabice Sliþ·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sliþ id est liquiricia beschτeibet uns unnd spτichet das sŭþholcz hab einem langen stamm beÿnahe zweÿer arm lang und mit namen die ôste davon und hatt bleter die sind dicke und feÿþt also dz sÿ anhangen dem henden wann man sÿ angreiffet und hat ein blůmen die geleichet dem edel gestein jacincto genant an der farbe·und hat bτeiten samen und rôtelicht geferbet·die wurczlen sind lang gleich dem åncian und sind fast sŭþ·(Der meister plinius spτicht dz sŭþholcz wachs in dem felde do dz erdtrich sŭssen geschmack hatt·die wurczel ist an dem gerauch fast sŭþ. Und spricht auch das der safft von der wurczeln zů vil dingen gůt seÿ unnd den bτauchet man in der erczneÿ des gleichen die wurczeln·(Der meister galienus in dem sÿbenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel liquiricia beschτeibet uns dz der saft van dem sůþholcz besseτ sey dann das holcz·Sein tugent ist temperieren die hicz des menschen·(Der meister genant theodoτus pτistianus spτicht dz diþ dz beste sŭþholcz seÿ und auþ zů erwelen das nitt zů grob oder zů vil dünne seÿ·und ist auch dz das beste dz sich leichtlich lasset zů bτechen und nit zehe ist·das grŭn und daz schwårz sŭþholcz soll man hinwerffen·wenn es ist kein nücze in der eτczneÿ.

(Auch spτicht diser meister dz der saft von dem sŭþholcz die meisten tugent und kraft in jm hat den safft soll man also machen·Nÿmm sŭþholcz so es noch grŭn ist und zeτknische das wol und seüde das wol in wasser·darnach trucke das wasser auþ und daz gesoten sŭþholcz truck wol auþ also das der selbige sot stee in der sunnen und doτre·darnach thů daz in ein runtfaþ so ist der saft bereit·(Etlich nemen sŭþholcz und bulverifieren dz und sieden das in wasser und thůn darunder hônig und lassen das doτren an der sunnen·Der meÿster diascoτides spτicht daz sŭþholcz beneme den durst das gekeüwet in dem munde·Sŭþholcz genüczet benymmet das wee der lenden und der blasen·und macht wol harmen·unnd bτinget den frauwen jr feüchtigkeit genant menstruum·(Item sŭþholcz gestossen und auff die geschwulst gelegt benymmet die zůhant·den saft von sŭþholcz in dem mund gehalten und den ein wenig hinein geschlunden machet ein glat kele·(Der saffte benymmet des magen geschwulst·die wurczel von sŭþholcz genüczet benÿmmet der blasen ungemach.

(Galienus spτicht dz sŭþholcz allen hårten schleÿm in dem leibe an wôlichen enden das seÿe erweichet und treibet auþ durch den harn·Des gleichen thůt auch [257] der safft und ist starcker seiner würckunge. (Item theodoτus pτstianus spτicht das sŭþholcz gůt zeÿ zů aller kranckheit der bτust den gesoten in wasser und getruncken·Unnd spτicht auch dz nichtz besser seÿ in der kranckheit genant pleuresis dz ist ein geschwere umb die bτust und des gleichen peripleumonia dz ist ein geschwere der lungen·dises machet manichen menschen groþ hindernuþ an dem leib und kommet auch sunderlichen davon ptisis das ist das abnemen·Zů disen kranckheiten allen ist sŭþholcz fast gůt genüczet und sunderlich der safft·(Auch ist gůt dar für das Electuarium das man macht von sŭþholcz·

(Item dÿses nachgeschτÿben tranck ist gůtt zů nüczen wider apostemen der bτust und lungen·Nÿmm feÿgen neün und sŭþholcz zweÿ lot·klein rosÿn und ånÿþsamen fenchelsamen ÿegkliches ein lott·ÿsop ein halbe handtfoll·dise materien sôllen grob gestossen sein und gesoten in einem vier maþ wassers ein dτitteil eingesoten·unnd durch geschlagen unnd sŭþ gemachet mit zucker so wirt es ein tranck darvon genüczet als obgeschτiben steet alle mal ein halb trinckglaþ fol milch warm·

(1) Zoethout, 224ste kapittel.

Liquiricia Latijn. Grieks gicoriza. Arabisch Sliþ. (Glycyrrhiza glabra)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sliþ, id est liquiricia, beschrijft ons en spreekt dat zoethout heeft een lange stam bijna twee armen lang en met namen de twijgen daarvan en heeft bladeren die zijn dik en vet alzo dat ze aanhangen de handen als men ze aangrijpt en heeft een bloemen die lijkt op de edelsteen hyacint genaamd aan de verf en heeft brede zaden en roodachtig geverfd, de wortels zijn lang gelijk de gentiaan en zijn erg zoet. De meester Plinius spreekt dat zoethout groeit in het veld daar het aardrijk een zoete smaak heeft, de wortel is aan de reuk erg zoet. En spreekt ook dat het sap van de wortels tot veel dingen goed is en die gebruikt men in de artsenij, desgelijks de wortels. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel liquiricia beschrijft ons dat het sap van het zoethout beter is dan dat hout. Zijn deugd is temperen de hitte van de mensen. De meester genaamd Theodorus Pristianus spreekt dat dit het beste zoethout is en uit te zoeken dat niet te grof of te veel dun is en is ook het beste dat zich licht laat breken en niet taai is, dat groene en dat zwarte zoethout zal men heen werpen want het is geen nut in de artsenij.

Ook spreken deze meesters dat het sap van het zoethout de meeste deugd en kracht in zich heeft, het sap zal men alzo maken: Neem zoethout zo het noch groen is en kneus het goed en kook het goed in het water, daarna druk dat water uit en dat gekookte zoethout druk goed uit alzo dat dezelfde kooksel staat in der zon en droogt, daarna doe dat in een rond vat en dan is het sap bereid. Ettelijke nemen zoethout en verpoederen dat en koken dat in water en doen daaronder honing en laten dat drogen aan de zon. De meester Dioscorides spreekt dat zoethout beneemt de dorst, dat gekauwd in de mond. Zoethout genuttigd beneemt de pijn van de lenden en de blaas en maakt goed plassen en brengt de vrouwen hun vochtigheid genaamd menstruatie. Item, zoethout gestoten en op de gezwellen gelegd beneemt die gelijk, het sap van zoethout in de mond gehouden en dan een weinig heen en weer geslikt maakt een gladde keel. Het sap beneemt de maag zijn gezwellen, de wortel van zoethout genuttigd beneemt de blaas zijn ongemak.

(2) Galenus spreekt dat zoethout alle harde slijm in het lijf, aan welke einden dat is, weekt en drijft uit door de urine. Desgelijks doet ook [257] het sap en is sterker in zijn werking. Item, Theodorus Pristianus spreekt dat zoethout goed is tot alle ziektes van de borst, dan gekookt in water en gedronken. (2) En spreekt ook dat niets beter is in de ziekte genaamd pleuris, dat is een zweer om de borst, en desgelijks peripneumonie, dat is een zweer van de longen, dit maakt vele mensen grote hindernis aan het lijf en komt ook vooral daarvan ftisis, dat is dat afnemen. Tot deze ziektes allen is zoethout erg goed genuttigd en vooral het sap. Ook is goed daarvoor de likkepot dat men maakt van zoethout.

Item, deze nageschreven drank is goed te nuttigen tegen gezwellen van de borst en longen: Neem vijgen, negen, en zoethout, twee lood, kleine rozijnen, anijszaden en venkelzaden, van elk een 16, 7gram, hysop, een halve hand vol, deze materiën zullen grof gestoten zijn en gekookt in een vier maat water en dat een derde deel ingekookt en doorgeslagen en zoet gemaakt met suiker en zo wordt het een drank, daarvan genuttigd zoals opgeschreven staat elke maal en half drinkglas vol melk warm.

(1) Dodonaeus; ‘Het blijkt genoeg dat dit ook een soort van zoete wortel of Glycyrrhiza is. Dan de apothekers noemen het met een bedorven naam Liquiritia op het Latijns, in het Hoogduits Suszholtz en Suszwurtzel’.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Als je zoethout kookt in water en dit drinkt is dit goed tegen alle letsels van de borst en vooral die blaren in de borst of zweren in de longen hebben.

liebstückel ccxxv c

Levisticum latine·

(Der meister Diascoτides beschτeibet uns unnd spτicht das liebstückel wachs geren an den wegen und under den dåchern·Liebstückel hat bleter die sind zÿnelicht unnd feÿþt unnd hat ein langen stengel der ist jnwendig hole und hat kurcz este und hat samen der ist bτeit und scheÿbelicht und dümte·die blůmen sind weiþfar·In dem samen ist die meist kraft und tugent·Von dem samen getruncken des moτgens nŭchtern purgieret dem menschen oben auþ und unden auþ gar sterckelich·(Die dz gegicht haben in dem fŭssen ist gůt gebτaucht der same mitt einem clistier·[258] (Liebstückel samen gelegt in wein über nacht und die frauwe den getruncken bτinget jre zeÿt und treibet auþ die todten geburt·(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel talapis idest levisticum spτicht das der same sey fast starck zů bτauchen wenn er zerbτicht die schwern und thůt die auff den darauff gelegt·und treybet auþ stercklichen die todten geburt·und darumb soll die natur des sames gemildert mit fenchelsamen und ånÿþ ÿegklichs geleich vil und dann genüczet so würcket er in dem menschen on schaden·aber auþwendig an dem leibe mag man bτauchen dem samen on zůsacze·(Liebstückel kraut ist gůt in eÿnen wasserbade damit den leib gestrichen wenn es ôffnet die schweiþlôcher und zeühet an sich dem bôsen schweiþ. (In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meÿster und spτechen dz liebstückel seÿ heiþ und trucken an dem andern grade·der samen wirt gebτaucht in der erczneÿ·und nit dz kraut·der samen weτet dτeü jare·(Item liebstückel gesoten in wein oder in wasser und den getruncken benÿmmet die verstopffung der lebern und milcz. (Item liebstückel gestossen und gemischet mit kümmel ist gůtt gebτauchet mit wein und machet ein gůten magen und treÿbet die bôsen winde auþ den dårme·(Item liebstückel und galgen und zÿmmetrôτen in wein gesotten ist gar gůt wider die weetumb des magens und milcze und des gedårmþ·(Item ein dτeseneÿ gemacht von liebstückelsamen und zÿmmetrôτen und reupontica unnd galgen mitt haut zucker vermenget und genüczet in wein ist gůtt für die ÿeczgenant kranckheit·

Maggi plant, 225ste kapittel.

Levisticum Latijn. (Levisticum officinale)

De meester Dioscorides beschrijft ons en spreekt dat maggiplant groeit graag aan de wegen en onder de daken. Maggiplant heeft bladeren die zijn taaiachtig en vet en heeft een lange stengel die is inwendig hol en heeft korte twijgen en heeft zaden die zijn breed en schijfachtig en dun, de bloemen zijn witkleurig. In de zaden is de meeste kracht en deugd. Van de zaden gedronken ‘s morgens nuchter purgeert de mensen bovenuit en onder uit erg sterk. Die de jicht hebben in de voeten is goed gebruikt het zaad met een klysma. [258] Maggiplant zaden gelegd in wijn over nacht en de vrouwen dat gedronken brengt hun tijd en drijft uit de dode geboorte. De meester Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel talapis, id est Levisticum, spreekt dat het zaad is erg sterk te gebruiken want het verbreekt de zweren en doet die open, dan daarop gelegd, en drijft uit sterk de dode geboorte en daarom zal de natuur van het zaad verminderd worden met venkelzaden en anijs, van elk gelijk veel, en dan genuttigd dan werkt het in de mensen zonder schade, maar uitwendig aan het lijf mag men gebruiken de zaden zonder toevoeging. Maggiplant kruid is goed in een waterbad daarmee het lijf gestreken want het opent die zweetgaatjes en trekt aan zich het kwade zweet. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat maggiplant is heet en droog aan de andere graad, het zaad wordt gebruikt in de artsenij en niet dat kruid, de zaden duren drie jaar. (2) Item, maggiplant gekookt in wijn of in water en dan gedronken beneemt de verstopping van de lever en milt. Item, maggiplant gestoten en gemengd met komijn is goed gebruikt met wijn en maakt een goede maag en drijft de kwade winden uit de darmen. (3) Item, maggiplant en galigaan en kaneel in wijn gekookt is erg goed tegen de pijn van de maag en milt en de darmen. Item, een dressing gemaakt van maggiplantzaden en kaneel en rabarber en galigaan met witte suiker vermengt en genuttigd in wijn is goed voor de net genoemd ziekte.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in Brabant lavetse genoemd en in Holland lavass, lavetse of lavetsche, maar ook levistock en lubstickel, in Hoogduitsland Liebstockel, in het Engels lovage.

Herbarius in Dyetsche; (2) Wijn, waar maggi in gekookt is, is goed tegen verstopping van de lever en van de milt die uit koude zaken komt. 

(3) Tegen pijn van de maag, van de milt en van de darmen die uit winden komen: ‘Neem wijn waar maggi en de wortel van galigaan met kaneel in gekookt is’.

grosz klett ccxxvi C

Lappacium sive lappa maioτ latine·

(Diascoτides in dem capitel lappacium beschτeibt uns und spτicht das der sind vierhande und sind gar nahe einer natur als heiþ und auch trucken an dem vierden grade·Etlich meister spτechen auch in dem dτitten grade [259] Des gleichen findet man auch in dem bůch circa instans·Die klett har scharpffe bleter unnd die ist die beste·Die ander hatt rundt bleter die ist nit als gůt als die erste·Die dτit hat bτeite bleter und groþ unnd die ist gůt zů essen·Die vierdt ist genant sauer kletten·die nennen ettlich meÿster acetosa·(Der safft van der scharpffen kletten und nuþôle und terpentin mit einander gesoten yegklichs geleich vil·darnach gesÿhen durch ein tůch und thů darein bulver von weinstein das dτitteil als vil als der ersten stück und darauþ gemacht ein salbe unnd damitt geschmieτet den unreÿnen grÿnt an dem leibe der überzogen ist mit d ausseczigkeit die haut wirt glat unnd schône·(Die wurczel gesoten mitt starckem wein oder eþsig und darnach gestossen und davon gemacht ein pflaster·diþs plfasteτ benymmet die geschwulst des milczes.

(Die wurczel in wein gesoten und den getruncken ist gůt für das keichen·(Wer dise wurczel an dem halse tregt dem wachsen klein dυüse an dem leib·(Der meister Wilhelmus spυicht in seiner cÿroυgi dz der scharpffen kletten gesoten mit schmalz und gelegt auff die hårten geschweren weichet balde unnd zeühet auch zůsamen die bôsen materien und eyter und heilet darnach dester ee. (Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel lappacium beschτeibet uns und spτicht dz die scharpff klette die tugent habe messigklich durchtringen·und auþ zů ziehen bôþ materien darumb dienet sÿ wol für den stein und auch für bôþ blatern den eÿter auþ zů ziehen·(Der same von der scharpffen kletten stopffet die flüþ des menschen·als dan ist dz rote und auch sunderlich die flüþ der frauwen die des zů vil haben·(Item die meister spτechen gemeinklich das die alle gar nahe haben ein natur·Aber doch ist die erste dye beste·darumb mag man die selbigen gebτauchen in der erczneÿ. (Diascoτides lappa maioτ dz ist die grôsser hat alle eÿgenschaft der kleiner·Wôlicher disen samen an seinem halse treget dem mag kein faule fleisch in keÿner wunden wachsen·und faule fleisch darjnne wåre erfrischet diser samen von grundte dem gesoten in wasser und die wunden damit gewåschen·(Hie merck das die figur diþs capitels soll steen in dem·cclv·capitel genant Lappadarium rotundum vel bardana maioτ dz ist die groþ huflattich·Und die figur do selbest soll in dÿsem capitel steen·wenn dise zwo figuren also sind verseczet von ungeschicht. [260]

(1) Grote klis, 226ste kapittel.

Lappacium sive lappa major Latijn. (Arctium lappa)

Dioscorides in het kapittel lappacium beschrijft ons en spreekt dat het is (2) viervormig en ze zijn erg dichtbij een natuur als heet en ook droog aan de vierde graad. Ettelijke meesters spreken ook in de derde graad. [259] Desgelijks vindt men ook in het boek Circa instans. De klis heeft scherpe bladeren en dat is de beste. De andere heeft ronde bladeren en die is niet zo goed als de eerste. De derde heeft brede bladeren en grote en die is goed te eten. De vierde is genaamd klaverzuring en die noemen ettelijke meesters (Rumex) acetosa. Het sap van de scherpe klis en notenolie en terpentijn met elkaar gekookt, van elk gelijk veel, daarna gezeefd door een doek en doe daarin poeder van wijnsteen, dat derde deel zoveel als het eerste stuk, en daaruit gemaakt een zalf en daarmee gesmeerd de onreine schurft aan het lijf dat overtrokken is met de huiduitslag, die huid wordt glad en schoon. De wortel gekookt met sterke wijn of azijn en daarna gestoten en daarvan gemaakt een pleister, deze pleister beneemt die gezwellen van de milt.

De wortel in wijn gekookt en dan gedronken is goed voor dat kuchen. Wie deze wortel aan de hals draagt die groeien geen klieren aan het lijf. De meester Wilhelmus spreekt in zijn chirurgie dat de scherpe klit gekookt met vet en gelegd op de harde zweren weekt gauw en trekt ook tezamen de kwade materiën en etter en heelt daarna des te eerder. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel lappacium beschrijft ons en spreekt dat de scherpe klis de deugd heeft middelmatig door te dringen en uit te trekken kwade materiën en daarom dient ze goed voor de steen en ook voor kwade blaren de etter uit te trekken. Het zaad van de scherpe klis stopt de vloed des mensen zoals dan is de rode en ook vooral die vloed der vrouwen die dat te veel hebben. Item, de meesters spreken algemeen dat die alle erg nabij hebben een natuur. Maar toch is de eerste de beste en daarom mag men diezelfde gebruiken in de artsenij. Dioscorides, lappa major, dat is de grotere, heeft alle eigenschappen van de kleine. Wie deze zaden aan zijn hals draagt die mag geen vuil vlees in geen wond groeien en vuil vlees daarin wordt verfrist, deze zaden van grond dan gekookt in water en de wonden daarmee gewassen. Hier merk dat de figuur in dit kapittel zal staan in het 255ste kapittel genaamd Lappadarium rodeum vel bardana major, dat is het grote hoefblad. En de figuur daar zal in dit kapittel staan, want deze twee figuren alzo zijn verzet van ongeschikte. [260]

Dodonaeus; ‘Groot klissenkruid wordt in het Grieks Arcion, in het Latijn Personatia, Personata en Arcium, van de apothekers Bardana en Lappa major, in het Hoogduits Gross Cletten. 

(2) ‘Dioscorides in het kapittel lappacium beschrijft ons en spreekt dat het is viervormig’. Vele grootbladige kruiden werden Lappacium genoemd, zoals zuring, sla, hoefblad.

klein klett ccxxvii c

Lappa minoτ latine·

(Die meister spτechen das dises kleyne bletter habe gar nahe alle eÿgenschafft der grôsser und sunderlich der samen·(Disen samen an dem hals getragen lasset keÿn dτüsse an dem hals wachsen·(Dise wurczel gesoten in wein und getruncken benymmet den stein der lange zeÿt in der lenden gelegen ist·des geleichen thůt er dem stein in d blasen·Dises krautte ist mancherhande und haben alle gar nahe ein krafft als du dann gehôτet hast in dem capitel voτ disem.

(Item dise wurczel gestossen zů bulver und darunder gemischet reubarbara benÿmmet alle ungesuntheit in dem leib davon entsteen mag die maledeÿ dise genüczet mit wein·

(1) Kleine klis, 227ste kapittel.

Lappa minor Latijn. (Xanthium strumarium)

De meesters spreken dat deze kleine bladeren heeft en bijna alle eigenschappen van de grotere en vooral de zaden. (2) Deze zaden aan de hals gedragen laat geen klieren aan de hals groeien. Deze wortel gekookt in wijn en gedronken beneemt de steen die lange tijd in de lenden gelegen is, desgelijks doet het de steen in de blaas. Dit kruid is veelvormig en ze hebben alle bijna een kracht zoals u dan gehoord hebt in het kapittel voor deze.

Item, deze wortel gestoten tot poeder en daaronder gemengd rabarber beneemt alle ongezondheid in het lijf daarvan ontstaan mag dat vermaledijde, deze genuttigd met wijn.

Zie kapittel 226.

(1) Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit kruid Xanthion en die naam wordt door de Latijnse schrijvers ook gebruikt, in de apotheken noemt men het Lappa minor en Lappa inversa, sommige noemen het Strumaria. In het Hoogduits heet het Bettlerleuss en Spitz Kletten.

lorberbaum

Das ccxxvii Ca

Laurus latine·arabice gara·grece dafne·

(Serapio in dem ůτch aggregatoτis in dem capitel gara vel gar spτichet das zweÿer hande loτberbaum seÿe·der ein hat gar dünne bletter und der ist freülich·d ander hatt bleter die sind bτeiter und dicker unnd der ist menlich·und sind bede heiþ und trucken machen gar stercklich·spτicht auch das der same oder die seÿ stercker in der erczneÿe wann die bleter·Des gleichen beschτeÿbet uns auch der meÿ [261] ster Diascoτides·(Item in dem bůch circa instans beschůeiben uns die meister und spůechen daz loůber sind heisser und truckener natur·die frucht und die bletter ist man bτauchen in der erczneÿe·die bleter sol man trücknen in dem schatten und nit in der sunnen·und die ein jare und nit lenger·die frucht mag man behalten zweÿ jare·(Ein rauch gemacht von den bletern unnd den frauwen unden auff mit gerauchet reiniget die můter und stercket die geburt·(Die bleter gesotten in wein und den getruncken benymmet vomitum das ist dz undeüwen od dz auffstossen des magen oder dz bτechen·(Item der ein kalten fluþ hette des haubtes der siede die bleter und rosen ÿegklichs geleich vil in wasser und halt darüber ein triechter der ein weit roτe hab und bestopffe den neben herumb wol zů und laþ den dampff geen in den hals darnach wåsche die stÿrn und streich auch die schleffe mit dem gesotten wasser es hilffet auch on zweifel·(Rasis spτicht wôlicher ein blôde haubt hette der stoþ loτbern und thů die in ein seglin und lege das des nachtes auf dz haubt er genÿset. (Wôlicher einen bõsen magen hett der soll nemen ôle von loυbern·und das streichen auf dem magen. (Diþs ôle mache also nymm loυbern ein pfundt die do frisch sind und nit alt und stoþ die zů bulver und seüde diþs bulver in baumôle anderhalb pfunt gar wol·darnach seÿhe dz ôle durch ein tůch und das heisset loτber ůle·(Diþs ůle dienet zů vil sachen·und sunderlichen ist es gůt damit geschmieret die dz gegicht haben·und auch den erlemten glider von kelte·(Loůbern gestossen und des bulvers getan ein quintin in wein und den getruncken ee du in dz beth geest es machet wol schwiczen und benÿmmet vil bôser sucht und kranckheit von dem menschen. (Ein schweÿþbad gemachet und dz bulver von loτbern gewoτfen auff die glŭende stein und des bulvers von loτber getruncken ee er in das bade siczet treÿbet hin die wassersucht von dem menschen·(Der meister Galienus spτicht dz loτbern getruncken mit wein gemachet wol harmen und bτichet den stein in der blasen unnd auch in den lenden. (Auch ist ůût der wein genüczet den lebersüchtigen und auch sunderlich den frauwen die erkaltet sind an d můter od sunft einem kalten magen haben bτinget dise frucht ganz widerumm und machet warm alle glider an dem leibe·(Item etlich machen dises ôle also·Nÿmm loτber gestossen in wasser gesoten und durch geschlagen und so es erkaltet ist so nÿmm abe die feÿþtigkeit das heiþt loτber ôle·(Dises ôle ist auch gůt wider weetumb der bτust und für alle weethumb der gelider die von kelte kommet· [262]

(1) Laurier boom.

Dat 228ste kapittel.

Laurus Latijn. Arabisch gara. Grieks dafne. (Laurus nobilis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel gara vel gar spreekt dat er zijn twee soorten laurierboom, de ene heeft erg dunne bladeren en dat is vrouwelijk, de andere heeft bladeren die zijn breder en dikker en die is mannelijk en ze zijn beide heet en droog maken erg sterk, spreekt ook dat het zaad dat die is sterker in de artsenij dan de bladeren. Desgelijks beschrijft ons ook de [261] meester Dioscorides. Item, in het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat laurier is van hete en droge natuur, de vrucht en de bladeren zal men gebruiken in de artsenij, de bladeren zal men drogen in de schaduw en niet in de zon en die een jaar en niet langer, de vrucht mag man behouden twee jaar.(2) Een rook gemaakt van de bladeren en de vrouwen van onder op mee berookt reinigt de baarmoeder en versterkt de geboorte. (3) De bladeren gekookt in wijn en dan gedronken beneemt vomitum, dat is dat uitduwen of dat uitstoten van de maag of dat braken. (4) Item, die een koude vloed heeft van het hoofd die kookt de bladeren en rozen, van elk gelijk veel, in water en hou daarover een trechter die een brede opening heeft en bestop dan naast erom goed toe en laat de damp gaan in de hals, daarna was het voorhoofd en bestrijk ook de slaap met het gekookte water, het helpt ook zonder twijfel. Rasis spreekt wie een bang hoofd heeft die stoot laurier en doe die in een zakje en leg dat ‘s nachts op het hoofd, hij geneest. Wie een kwade maag heeft die zal nemen olie van laurier en dat strijken op de maag. (5) Deze olie maak je alzo; neem laurier, een pond, die er vers zijn en niet oud en stoot die tot poeder en kook dit poeder in olijvenolie, anderhalf pond, erg goed, daarna zeef die olie door een doek en dat heet laurierolie. (6) Deze olie dient tot veel zaken en vooral is het goed daarmee gesmeerd die de jicht hebben en ook de verlamde leden van koudheid. Laurier gestoten en dat poeders gedaan een dracme in wijn en dan gedronken eer u in dat bed gaat het maakt goed zweten en beneemt veel kwade ziekte en ziektes van de mensen. Een zweetbad gemaakt en dat poeder van laurier geworpen op de gloeiende stenen en dat poeder van laurier gedronken eer men in dat bad zit drijft heen de waterziekte van de mensen. De meester Galenus spreekt dat laurier gedronken met wijn maakt goed plassen en breekt de steen in de blaas en ook in de lenden. (2) Ook is het goed de wijn genuttigd de leverzieke en ook vooral de vrouwen die verkouden zijn aan de baarmoeder of anders een koude maag hebben brengt deze vrucht gans wederom en maakt warm alle leden aan het lijf. Item, ettelijke maken deze olie alzo: Neem laurier gestoten en in water gekookt en doorgeslagen en zo het verkoeld is neem dan af die vettigheid en dat heet laurierolie. Deze olie is ook goed tegen pijn van de borst en voor alle pijnen van de leden die van koudheid komen. [262]

Dodonaeus; ‘‘Deze boom heet in Grieks Daphne en in het Latijn Laurus en daarnaar hier te lande Laurus boom, in Frankrijk laurier, in Hoogduitsland Lorbeerbaum.

Maerlant; ‘Platearius zegt het in het zijne die de maag kwalijk verteert of die van een (3) kwade maag spuwt drinkt wijn gekookt met de bladen. (4) En die koude reuma schaden zal men rozen nemen met lauwerbladen in het water koken en zo begieten dat boven dicht is in de mond. (5) En die olie moet men aldus maken, de bladeren van de lauwerboom moet men breken, als ik gok, en lang in olie zieden en dan eruit duwen, zo we het al deden en dit noemt men olie laurine, die goed is tegen menige pijn.

Herbarius in Dyetsche; (6) Tegen jicht duw je in het water, waar laurierbladeren in gekookt zijn, een spons en die leg je warm op die plaatsen, het versterkt en zuivert de (2) baarmoeder en ook verdrijft het de koudheid die de baarmoeder belet om te ontvangen volgens Pandecta en Platearius’.

weisz lilien ccxxix ca

Lilium latine·arabice ansea vel alstoscam·grece licnia vel kÿrion·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in den capitel ansea lilium beschτeibet uns und spτicht das lilium seÿ heiþ und truckeneτ natur in dem temperament·und der ist zweyer hande·einer wilde·die and zåme·(Der meister galienus spricht dz die wilden lilien mancher hande blůmen haben·Die ein sind weiþfar·etlich hymmel blaefar·ettlich purpuren far·(Er spτicht auch das die wilden lilien sind genant ýris·und umb der mancher hande farb heissent sÿ jtis·das ist als vil gespτochen als ein regenbogen der auch manigerleÿ farbe in jm hat·also haben auch die wilden lilien mancher hande farbe an jn·Sÿ sind von natur den menschen hiczigen und subtÿlen·und sunderlich die lÿlien mit den blaen blůmen·Die selbigen blaen lÿlien die haben wurczeln die sind knodicht und riechen fast wol·

(Es sind auch wilde lÿlien die haben auch bleter gleich dem blaen und haben blůmen die sind geleich von farben dem saffran·sind auch lilien also gestalt die haben weiþ blůmen·Diþ lilien haben samen der ist weich·dÿe wurczel ist sŭsse und eins fingers dicke·unnd wachsen geren under den baumen unnd under dem schaden·(Item die meister spτechen das die blaen lilien die man schwertlin heisset gar vil tugeut an jn habent und sunderlich an der wurczel. Dise wurczel sol man auþgraben in dem mittel des merczen und sol die zerschneÿden czů kleinen schÿben·und die auch auff hencken und lassen doτren die sind fast gůt genüczet mit wein den getruncken des abents unnd der moτgens der tranck benymmet das keichen und raumet die bτust·(Dises gebulvert und darauþ gemachet sternutatoτia das ist dar ein die nasen gelassen unnd davon genÿset zeühet vil bôser feüchtigkeit auþ dem haubt·(Item für die wassersucht und für dem geschwollen bauch·Nÿmm ein quintin meÿron und schweτtel [263] würczel ein quintin und weiþe nÿeþwurczel zehen geersten kôτner schwer und feÿeln blůmen ein halb quintin und müsche diþ gestossen zů samen und nÿm dises in einer erweiþ bτŭe es vertreybet die obgescrÿben kranckheÿt und ander vil kranckheit die d mensche lange zeit beÿ jm getragen hat. (Der meÿster galienus in dem sÿbenden bůch genant simplicium farmacarum beschreÿbetti uns und spτichet das die heÿmschen lÿlien gemüster natur sind und sunderlich die blůmen davon. (Das ôle von den heimüschen lilien ist gar gůt sich damit gestrichen auff den bauch·Es erwermet fast die erkalten můter und erweicht die feüchtigkeit die darjn verhårtet ist·(Die wurczelen gesoten und auff die hårtten geschweren geleget machet sÿe zů hant zeÿtigen·(Der meister Serapio spτichet das lÿlienwurczeln gebτatten und darnach gestossen und dar under gemüschet rosen wasser beneme das heÿlig feür also darauff gelegt sterklichen on underlaþ·(Also geleget auff wunden machet wachsen das fleisch darjnne·(Auch also geleget auff dem bauch d frauwen reÿniget sÿe zů jrer geburt. (In dem bůch genant circa instans beschreÿben uns die meÿster und spτechen das die wurczeln von den heimische lÿlienn gesotten und gestossen und darunder gemüschet reinbergen schmalcz oder baumôle und gelegt auff geschweren weicht fast wol·(Ein gůt salbe gemachet vonn lylien also·Nÿme weiþ lÿlien wurczeln und bernklae wurczel und liebstuckel wurczel und ÿbiþ wurczeln ÿegkliches ein vierteil eines pfundes voτ wol geknÿschet und gesoten in einem viermaþ weines und ein halb pfunt ôles biþ es dick wirt und durch geschlagen dar zů gethan wenig wachses so ist es ein salb·Dise salb ist gar gůt damit geschmieret an d lincken seÿten über das verhårtt milcz wen es erweichet die verharten milcz und benÿmet grossen schmerczen davon·(Das bulver van blaen lÿlien gesotten mit rosenwasser und damit gewåschen das antlicz mache es gar hübsche·(Der meister Platearius beschreibet uns und spτichet das lÿlien wurczeln gesotten und gestossen und dar under gemüscht rosenôle ist fast gût für dem bτant an dem leibe ob man die stat damit bestreichet·(Lÿlien wurczelen mitt wein gesotten und darunder gemüschet weiþ nÿeþwurcz als groþ als ein erweiþ und weine getruncken des abents so er schlaffen wil geen creÿbet auþ durch dem stůlgang was ungesundes in dem leibe ist·(r·j) [264]

(1) Witte lelie, 229ste kapittel.

Lilium Latijn. Arabisch ansea vel alstoscam. Grieks licnia vel kÿrion. (Lilium candidum)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel ansea Lilium beschrijft ons en spreekt dat Lilium is van hete en droge natuur in het temperament en die is tweevormig, een wilde en de ander tam. De meester Galenus spreekt dat de wilde lelies vele soorten bloemen hebben. De ene zijn witkleurig, ettelijke hemelblauw, ettelijke purperen verf. En spreekt ook dat de wilde lelies zijn genaamd Iris en vanwege de vele kleuren heten ze Iris, dat is zo veel gesproken als een regenboog die ook vele verf in zich heeft en alzo hebben ook de wilde lelies veel soorten verf aan zich. Ze zijn van natuur de mensen verhitten en subtiele en vooral de lelies met de blauwe bloemen. Diezelfde blauwe lelies die hebben wortels die zijn knopig en ruiken erg goed. (Iris germanica)

Er zijn ook wilde lelies die hebben ook bladeren gelijk de blauwe en hebben bloemen die zijn gelijk van verf de saffraan, er zijn ook lelies alzo gesteld die hebben witte bloemen. Deze lelie heeft zaden die zijn week, de wortel is zoet en een vingerdik en groeit graag onder de bomen en onder de schaduw. Item, de meesters spreken dat de blauwe lelies die men zwaarden noemt erg veel deugd in zich hebben en vooral aan de wortel. Deze wortel zal men uitgraven in het midden van maart en zal die versnijden tot kleine schijven en die ophangen en laten drogen, die zijn erg goed genuttigd met wijn en dan gedronken ‘s avonds en ’s morgens, de drank beneemt dat kuchen en ruimt de borst. Deze gepoederd en daaruit gemaakt sternutatoria, dat is daarin de neus gelaten en daarvan geniest, trekt veel kwade vochtigheid uit het hoofd. Item, voor de waterziekte en voor de gezwollen buik: Neem een drachme majoraan en zwaardwortels, [263] een drachme, en witte nieswortel, tien gerstekorrels zwaar, en violenbloemen, een half drachme, en meng dit gestoten tezamen en neem dit in een erwten brei, het verdrijft de opgeschreven ziekte en ander veel ziektes die de mens lange tijd bij hem gedragen heeft. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum beschrijft ons en spreekt dat de geteelde lelies van gemengde natuur zijn en vooral de bloemen daarvan. De olie van de geteelde lelies is erg goed zich daarmee gestreken op de buik. Het verwarmt erg de verkouden baarmoeder en weekt de vochtigheid die daarin verhard is. De wortels gekookt en op de harde zweren gelegd maakt ze gelijk rijp. De meester Serapio spreekt dat leliewortels gebraden en daarna gestoten en daaronder gemengd rozenwater beneemt dat heilig vuur, alzo daarop gelegd sterk zonder toevoeging. Alzo gelegd op wonden maakt groeien dat vlees daarin. Ook alzo gelegd op de buik van de vrouwen reinigt ze bij een geboorte. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat de wortels van de geteelde lelies gekookt en gestoten en daaronder gemengd Reinbergen vet of olijvenolie en gelegd op zweren weekt erg goed. Een goede zalf gemaakt van lelies alzo: Neem witte leliewortels en berenklauwwortel en maggiwortel en heemstwortels, van elk een vierde deel van een pond, voor goed gekneusd en gekookt in een viermaats wijn en een half pond olie tot het dik wordt en door geslagen en daartoe gedaan weinig was en dan is het een zalf. Deze zalf is erg goed daarmee gesmeerd aan de linkerzijde over de verharde milt want het weekt de verharde milt en beneemt grote smarten daarvan. Dat poeder van blauwe lelies gekookt met rozenwater en daarmee gewassen dat aangezicht maak het erg mooi. De meester Platearius beschrijft ons en spreekt dat leliewortels gekookt en gestoten en daaronder gemengd rozenolie is erg goed voor de brand aan het lijf als men die plaats daarmee bestrijkt. Leliewortels met wijn gekookt en daaronder gemengd witte nieswortel zo groot als een erwt en wijn gedronken ‘s avonds zo je slapen wil gaan drijft uit door de stoelgang wat ongezond in het lijf is.[264]

Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt van de Grieken Crinonia genoemd, dan de bloem zelf heet Crinon en Leirion (welke naam de Narcissen ook gegeven wordt).

Dit artikel gaat over lelies, maar spreekt eigenlijk meer over andere lelies en eigenlijk gaat het verhaal over Iris.

Onduidelijk, blauwe lelies, bij de oude schrijvers hoefde een blauwe bloem niet perse een lelie te zijn. Dat geldt ook voor purper. De blauwe of purperen kan wel Iris germanica zijn die geteeld werd.

De gele kan wel Lilium bulbiferum zijn die in het wild groeit, zelfs Narcissus pseudonarcissus is mogelijk die volgens Dodonaeus ten zuiden van België groeit. De afbeelding laat wel duidelijk een witte lelie zien.

Herbarijs; ‘Lilya is heet en vochtig en is er in 3 soorten. De een is tam en de andere 2 zijn wild. De een draagt een blauwe bloem en de ander gele en de derde witte bloem.

Matthiolus zegt dat er 3 soorten zijn, de ene noemt hij domestica en verder 2 wilde soorten. Hij geeft 3 afbeeldingen, Iris domestica is duidelijk Iris germanica L, Iris sylvestris is de var. florentina en Iris sylvestris altera is Iris foetidissima, de stinkende lis van kapittel 361.

meyblomen ccxxx ca

Lilium convallium latine·

(Die meister spτechen das diþs kraut hab fast wol riechenden blůmen·die bletter geleichen dem wegerich bletern allein die meÿblůmen nit als gar bτeit sind sunder lenger·(Platearius sprechet dz meÿblûmen sind kalt und feüchte an dez andern grade·dise blůmen sind besser an jrer krafft wann das kraut·und die wurczeln besser dan die blůmen·(Item nÿmme diser blůmen ein halb pffuntt und thů darüber gůten lauteren wein und laþ die darjnne beissen vier wochen·darnach seÿhe den wein abe und distillier dem durch ein clembig fünff mala diser weise also distillieret ist besser dann golt·wer disen wein müscht mit sechs pfeffer kõτner und wenig lavendelwasser der darff sich den selbigen monat nit besoτgen voτ dem schlage·(Plinius wôlicher grosse dårme gesucht hatt der trincke des weins allen moτgen ein klein lôffelin vol er genÿset·(Item wein also genüczet iste gůt litargicis das ist ein geschwer hinden in dem hyrne·

(Item diser wein machet garr gůtt vernunfft dem gestrichen hinden an die ancken und voτn ann die styrne·

(1) Lelie der dalen, 230ste kapittel.

Lilium convallium Latijn. (Convallaria majalis)

De meesters spreken dat dit kruid heeft erg goed ruikende bloemen, de bladeren lijken op de weegbree bladeren, alleen die lelie der dalen niet zo erg breed zijn en vooral langer. Platearius spreekt dat lelie der dalen zijn koud en vochtig aan de andere graad, deze bloemen zijn beter aan hun kracht dan dat kruid en de wortels beter dan de bloemen. Item, neem deze bloemen een half pond en doe daarover goede zuivere wijn en laat die daarin baden vier weken, daarna zeef de wijn af en distilleer dan door een distilleervat vijfmaal, deze wijn alzo gedistilleerd is beter dan goud, wie deze wijn mengt met zes peperkorrels en weinig lavendelwater die durft zich dezelfde maand niet te bezorgen voor de slag. Plinius, wie grote darmziekte heeft die drinkt de wijn elke morgen een klein lepeltje vol, hij geneest. Item, wijn alzo genuttigd is goed litargiam, dat is een zweer achter in de hersens.

(2) Item, deze wijn maakt erg goed verstand, die gestreken achter aan de aan het achterhoofd en voor aan het voorhoofd.

Dodonaeus; ‘

Dodonaeus; ‘De eerste van deze twee kruiden is in Hoogduitsland Meyenblumlin en Meyenreisz genoemd en daarvan komt de Nederduitse naam meyen-bloemkens, dan in onze tijden is ze overal bekend met de naam Lilium convallium, dat is lelie van de dalen of lelikens van den dale.

weisz disteln ccxxxi ca

Labτum veneris latine

(Der meÿster plinius spτichett das weiþ disteln haben bletter die sind scharpff und stechen und sind weiþfar und hat blůmen haben purpuren farbe und sind runt. Die wurczel ist geleich den bappeln und ist jnwendig weiþ und ist sŭsse und hat ein stengel d ist eines fingers dicke·(Der meÿster Galienus in dem achtendez bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel cameleonta·id est labτum veneris beschreÿbett uns und spτichet das diþ seÿ trucken an dem dτitten grae und heiþse an dem andern·Und spτichett das die wurczel gůt seÿ genüczet mit wein wen sÿ treibt auþ die runte würme in dem leÿbe·

(Diascoůides spτicht daz labτuz veneris gůt seÿ dem wassersüchtigen die wurczel mit wein gesotten und den getruncken·(Item die wurczel also genüczt ist gůt [265] wer vergifftig beÿ jm hette·also genuczet vertreibet sie die lungensucht und benÿmmet den hůsten. (Die gesotten wurczeln in dem munde gehaalten vertreiben den zane wethůumb·(Der meister Serapio spτichet das sÿ zweÿer hande weiþ disteln·die ein haben schwarcze wurczeln die andern weiþ·und das ist auch d andern meister meÿnung·Die weissen disteln mit den schwarczen wurczeln ist fast gůt genüczet für dÿe reüdigkeit davon dan entsteet die ausseczigkeit·(Item dises ist aller meister meÿnung und spτechen das die schwarcz wurczel genüczet sol werden auþwendige des leibes und die weiþ jnwendig.

Mariadistel, 231ste kapittel.

Labrum veneris Latijn. (Silybum marianum of Dipsacus sylvestris)

De meester Plinius spreekt dat de witte distels hebben bladeren die zijn scherp en steken en zijn witkleurig en heeft bloemen met een purperen kleur en zijn rond. De wortel is gelijk het kaasjeskruid en is inwendig wit en is zoet en heeft een stengel die is een vinger dik. De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel cameleonta, id est labrum veneris, beschrijft ons en spreekt dat dit is droog aan de derde graad en heet aan de andere. (2) En spreekt dat de wortel goed is genuttigd met wijn want ze drijft uit de ronde wormen in het lijf.

Dioscorides spreekt dat labrum veneris goed is de waterzuchtige, die wortel met wijn gekookt en dan gedronken. Item, die wortel alzo genuttigd is goed [265] wie er vergif bij hem heeft, alzo genuttigd verdrijft die de longenziekte en beneemt het hoesten. Die gekookte wortels in de mond gehouden verdrijft de tandpijn. De meester Serapio spreekt dat er twee soorten kaarden zijn, de ene heeft zwarte wortels en de andere witte en dat is ook de andere meesters mening. De distel met de zwarte wortels is erg goed genuttigd voor de ruigheid daarvan dan ontstaat de huiduitslag. Item, dit is alle meesters mening en spreken dat de zwarte wortel genuttigd zal worden uitwendig aan het lijf en de witte inwendig.

Voor kaarden en labrum veneris zie kapittel 414. Er wordt geen afbeelding gegeven.  Naar de tekst is het blad witkleurig en is de purperen bloem rond, dat lijkt op onze plant. Of het is een andere distel.

Dodonaeus; ´Hier te lande wordt dit gewas Onser Vrouwen distel genoemd, in Hoogduitsland Marien distell en Frauwen distell. 

 Weisz Disteln zou ook Onopordum acanthium van de Gart kunnen zijn.

Merlinsen ccxxxii ca

Lenticula aque vel lentigo latine·grece labar vel stratiotis arabice gahalep·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Gahaleb id est lenticula aque spτichet das diþs wachs in dem môτe und farn oben auff dem wasser·(Galienus in dem viij·bůch genant simplicium foτmacarum in dem capitel stratotis spτichet das dises seÿ kalt unnd feucht an dem andern grade·Der meister paulus spτichet das diþ môτ lÿnsen wachsen in dem wasser on wurczel·sein bletter geleichen der hauþwurcz·Môτlýnsen sind von natur stopffen alle flüþ des blŭdtes die von hicz komment·Für die fisteln in dem afftern dienet wol dem safft dar ein gestreüwet·(Diascoτides môτlÿnsen leschet das feüer das sich erhebett an dem menschen die darauff geleget geleich einem pflaster·môτlinseen benemen all hiczige geschwulst die mit dez safft gestrichen·(r·ij·) [266]

(1) Kroos, 232ste kapittel.

Lenticula aque vel lentigo Latijn. Grieks labar vel stratiotis. Arabisch gahalep. (Lemna minor)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel gahaleb, id est lenticula aque, spreekt dat dit groeit in de zee en vaart boven op het water. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel stratotis spreekt dat dit is koud en vochtig aan de andere graad. De meester Paulus spreekt dat dit kroos groeit in het water zonder wortel, zijn bladeren lijken op huislook. Kroos is van natuur stoppen alle vloed van het bloed die van hitte komt. Voor de etterwonden in het achterste dient goed het sap daarin gestrooid. Dioscorides, kroos lest dat vuur dat zich verheft aan de mensen, die daarop gelegd gelijk een pleister, (2) kroos beneemt alle hete gezwellen, die met dit sap gestreken. [266]

Dodonaeus; ‘Wij Nederduitsers noemen dit gewas in onze taal waterlinsen, in het Hoogduits Meer Linsen.

Herbarijs; ‘Lentigines aque, dat is het rode dat op het water drijft. Het is koud en droog. (2) En is goed op hete blaren want het verdrijft hitte’.

vygbone ccxxxiii ca

Lupinus latine arabice tarmus vel tarmos·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitell tarmus id est lupinus beschreÿbet uns und spτicht das der sind zweÿerhande·die ein wilde·dÿe ander zåm·Die wilden vigbone haben weiþ bletter die zåmen haben bletter die sind nitt als gar weiþ·und wan die gesotten werden in wasser so mag mann dÿe wol essen·(Item sÿe mŭssen zwen oder dτeÿ tage sten in dem wasser ee die bitterkeit sich verzeücht in jn·(Platearius vigbone geessen machen grob feüchtigkeit·(Der meister Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel tarmus beschreibet uns unnd spτicht das vigbone gekocht mag man wol essen also das die bitterkeit darauþ gezogen werde etlich tag in dem wasser·Er spτichet auch dz vigbone geessen treibt auþe dÿe spolwürm·Sÿe reÿnigen dye menschen die überzogen sind mitt bôser feüctigkeit und mit bôsez grÿnde damit gewåschen·Vigbone gesotten und dar under gemüschet rauten und langen pfeffer und das getruncken ist gŭtt der verstopfften lebern und auch dem erhaben milcz·(Dar under gemüschet hônig und mirre und als ein pflaster der frauwen geleget für jr scheme machet fliesen jr blůmen und macht auþ treiben die todten geburt·(Dÿe meister spτechen auch gemeÿnklichen das vigbone sind heisser und trnckner natur·(Vigbone gesoten mit nachtschadten und weine den getruncken hilffet wol den keichenden·(Item vigbone geessen oder davon getrnucken stillet d lebern jr sucht·also genüczet vertreibet die hicz und weichet den bauch·(Das kraut mit nachtschadten gesotten und als ein pflaster auff das milcz geleget hilfft fast wol und treÿbet die geschwulst davon·das selbig in die oτen gegossen reÿniget den eÿter·und benÿmmet jn das fliessen·(Wen wee ist in den dårmen und auche ptisicus wår das ist die schwintsucht der mach vigbonen zů mele und müsche darunder fenhelsamen oder ein wenig liebstückell safft und koch das mit einander als ein speise und esse daz warm das hilffet gar wol dem bôsen gedårme und bτinget winde·

(Vygbone gebulvert und auff die vigwarczen geleget vertreÿbet sÿ·Wen die bermůter krümet in dem leibe der lege vigbone in wasser und lasse sÿ kÿnnen und esse die es hilffet on zweifel. (Der meister Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel lupinus beschreÿbet uns und spτichet das vigbone gar bitter sind und sind heiþs an dem ersten grade und trucken an dem andern·

(Item die bede wilde und zåm haben beÿ nahe ein natur·[267]

Lupinen, 233ste kapittel.

Lupinus Latijn. Arabisch tarmus vel tarmos. (Lupinus albus)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel tarmus, id est Lupinus, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, de een wild en de andere tam. De wilde lupinen hebben witte bladeren, de tamme hebben bladeren die zijn niet als erg wit en als die gekookt worden in water dan mag men die goed eten. (2) Item, ze moeten twee of drie dagen staan in het water eer de bitterheid zich verzacht in hen. Platearius, lupinen gegeten maken grove vochtigheid. De meesters (2) Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel tarmus beschrijft ons en spreekt dat lupinen gekookt mag men goed eten alzo dat de bitterheid daaruit gezogen wordt ettelijke dagen in het water. (3) Hij spreekt ook dat lupinen gegeten drijft uit de spoelworm. (4) Ze reinigen de mensen die overtrokken zijn met kwade vochtigheid en met kwade schurft, daarmee gewassen. Lupinen gekookt en daaronder gemengd ruit en lange peper en dat gedronken is goed de verstopte lever en ook de verheven milt. (5) Daaronder gemengd honing en mirre en als een pleister de vrouwen gelegd voor hun schaamte maakt vloeien hun bloemen en maakt uitdrijven de dode geboorte. De meesters spreken ook algemeen dat lupinen zijn hete en droge natuur. Lupinen gekookt met nachtschade en wijn en dan gedronken helpt goed de kuchende. Item, lupinen gegeten of daarvan gedronken stilt de lever zijn ziekte, alzo genuttigd verdrijft het de hitte en weekt de buik. Dat kruid met nachtschade gekookt en als een pleister op de milt gelegd helpt erg goed en drijft de gezwellen daarvan, datzelfde in die oren gegoten reinigt de etter en beneemt hem dat vloeien. Wie pijn heeft in de darmen en ook ptisicus is, dat is de duizeligheid, die maakt lupinen tot meel en mengt daaronder venkelzaden of een weinig maggisap en kook dat met elkaar als een spijs en eet dat warm, dat helpt erg goed de kwade darmen en brengt winden.

Lupinen gepoederd en op de aambeien gelegd verdrijft ze. Als de baarmoeder kromt in het lijf die legt lupinen in water en laat ze kiemen en eten, dat helpt zonder twijfel. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Lupinus beschrijft ons en spreekt dat lupinen erg bitter zijn en zijn heet aan de eerste graad en droog aan de andere.

Item, de beide wilde en tamme hebben bijna een natuur. [267]

Dodonaeus; ‘Dit hauwgewas heet, in het Latijn Lupinus en Lupinus sativus, in Brabant vijgh boonen en lupinen en tot verschil van de wilde soorten tamme lupinen of tamme vijgbonen, in het Hoogduits Feigbonen.

(2) Dodonaeus; ‘Het zaad of de bonen van de Lupinen is tot vele dingen nuttig en gebruikelijk, zegt Galenus in het boek ‘De aliment.fac’. Want die lupinen of vijgbonen eerst gekookt en daarna in zoet water zolang geweekt totdat ze al hun ingeboren of eigen onlieflijkheid en bitterheid in het water afgelegd hebben en zoet geworden zijn mogen dan eerst voor spijs met pekel of zure saus of ook zonder die alleen met wat zout besproeid gegeten worden. 

(4) Hetzelfde water daar de lupinen in gekookt zijn als men het aanzicht en de ganse huid van het lichaam er dikwijls en steeds mee baadt en nat maakt het aanzicht mooi en helder en neemt alle plekken, sproeten, puisten, pukkels, schurft, jeuk, etende en kwade zeren en wild vuur en alle andere diergelijke uitwendige gebreken weg en veegt die eensdeels af en verteert en verdroogt die eensdeels zonder enige scherpte of bijten.

(5) Van lupinen met Myrrha en honig een pessarium gemaakt en vanonder ingezet verwekt de maandstonden en jaagt de dode vruchten uit.

lavendel ccxxxiiii Ca

Lavendula latine·

(Die meister beschreÿben unns und spτechen daz lavendel kraut heisser und truckner natur seÿe·Die blůmen haben wenig saffttes in jm und sind dem menschen nit gůt zů essen·und haben doch eÿenen scharpffen gerauch·Platearius lavendel dick an die nasen gehalten und dar an gerochen stercket das gesicht und sein gerauch lautert dem menschen seÿn augen·(Plinius wôlicher vil leüþ habe der schmeck stetigklich lavendel sÿe sterben davon·(Item wôlicher überlant wandelt und der sicher sein wôlle voτ dem leüsen d siede lavendel in wasser und necze sein haubt in dem wasser unnd laþ es widerumb trucken werden und thů es an alþ lang das das haubet den gerauch hat von dem lavendel wasser kommet kein lauþe darein·(Etlich meister spτechen das ein solich haubt das also geneczet wirt in wasser darin lavendel gesotten ist mache den menschen gar keüsch die weil er es trage·Und darumb hett dÿe můter gottes meer liebe zů disez kraut und blůmen der ursachen halben das es keüscheit bτinget·und darumb sind dise blůmen meer begabet mit sůþem gůtem gerauch so sÿ dürre sind wen and blûmen als negelin und feÿelen·Auch hat sÿ die můter gotes lieber gehabt das sÿe die tugent an jr haben das sÿe die kleider behŭten voτ unfletigen thieren·unnd jn ist auch darumb der name geben woτden lave das ist als vill gespτochen als reÿnigkeit oder wåsche·und also haben es die alten geheissen und darnach ist disem woτt lave zû geben woτden ein zûsacz als dula und also geheissen lavendula umb dez süssen gerauches willen·und darumb latitet es auch dester sŭþer·

(Dÿe wirdigen meÿster spτechen das dise blůmen haben sunderlichen groþ unspτechlich tugentt in jne und sunderlichen ad apoplexiam das ist zů dem schlage·Dÿe blůmen gebeÿsset in weine und den distillieret und in dem munde gehaalten so sich der bτest eÿgent behelt den menschen beÿ (riij) [268] seiner spτache·Unnd auch ander vil tugent die hie nach gelassenn werden·

Lavendel, 234ste kapittel.

Lavendula Latijn. (Lavandula angustifolia)

De meesters beschrijven ons en spreken dat lavendel kruid heet en droge natuur is. De bloemen hebben weinig sap in zich en zijn de mensen niet goed te eten en hebben toch een scherpe reuk. Platearius, lavendel vaak aan de neus gehouden en daaraan geroken versterkt dat gezicht en zijn reuk zuivert de mensen zijn ogen. Plinius, wie veel luizen heeft die proeft steeds lavendel, ze sterven daarvan. Item, wie over land wandelt en die zeker zijn wil voor de luizen die kookt lavendel in water en nat zijn hoofd in dat water en laat het wederom droog worden en doe het zo lang totdat het hoofd de reuk heeft van de lavendelwater, er komt geen luis daarin. Ettelijke meesters spreken dat een zulk hoofd dat alzo genat wordt in water daarin lavendel gekookt is maakt de mensen erg kuis de tijd hij het draagt. En daarom heeft de moeder God meer liefde tot dit kruid en bloemen, vanwege de oorzaak dat het kuisheid brengt en daarom zijn deze bloemen meer begaafd met zoete goede reuk als ze droog zijn dan andere bloemen zoals nagelkruid en violen. Ook heeft de moeder God liever gehad dat ze die deugd aan zich hebben zodat ze de kleren behoeden voor onsierlijke dieren en hen is ook daarom de naam gegeven geworden lave, dat is zo veel gesproken als reinheid of wassen en alzo hebben het de ouden genoemd en daarna is het woord lave gegeven geworden een toevoeging zoals dula en alzo geheten Lavendula vanwege de zoete en daarom geurt het ook des te zoeter.

De eerwaardige meesters spreken dat deze bloemen hebben vooral grote onuitsprekelijk deugd in zich en vooral ad beroerte, dat is tot de slag. De bloemen gebaad in wijn en dan gedistilleerd en in de mond gehouden zo zich de borst hijgt behoudt de mensen bij [268] zijn spraak. En ook andere veel deugden die hier na gelaten worden.

Zie kapittel 366 en 376.

(1) Dan zowel de kleine als de grote worden in de apotheken van Hoogduitsland en Nederduitsland Lavandula en Lavendula genoemd en bij de gewone man lavender, in Duits Lavendel.

Herbarius in Dyetsche lijkt niet op de Gart; ‘Lavendula of lavendre is heet en droog van samengesteldheid. Lavendel versterkt met haar welriekende geur de zenuwen. En met haar warmte verteert ze de ziekte van de jicht

ein krautt also genant ccxxxv Capi

Linaria latine·

(Die meister spτechen das diþ seÿ ein krautt und ist geleich den kraut genant esula an der farbe sunder allein das esula in jr hatt milch und linaria keÿn milche beÿ dÿser underscheit mag man erkennen linariam·Auch beschreÿben und die meister dÿse underscheit mit disem verþe Esula lactescit sine lacte linaria crescit·Diþ kraüt ist von natur dissollüieren das ist von einander teÿlen·und auch ist es von nature penitrieren das ist durchtringen diþ kraut ist grŭn besser wan dürre·diþ kraut ist kalt und feüchte an dem andern grade·Paulus d safft von disem kraüt und d saffte von bibenel under einander gemüschet und auff den hiczigen schden geleget erispila genant benymmet den zů hant·(Diþs also genüczet verzeret cancrum an wôlichen enden der sein mag an dem leÿbe·

(1) Een kruid alzo genaamd, 235ste kapittel.

Linaria Latijn. (Linaria purpurea)

De meesters spreken das dit is een kruid en is gelijk het kruid genaamd esula aan de kleur, uitgezonderd alleen dat esula in zich heeft melk en Linaria geen melk, bij dit onderscheidt mag men herkennen Linaria. Ook beschrijven ons de meesters dit onderscheidt met deze spreuk: Esula lactescit sine lacte linaria crescit. Dit kruid is van natuur dissolveren, dat is van elkaar delen, en ook is het van natuur penetreren, dat is doordringen, dit kruid is groen beter dan droog, dit kruid is koud en vochtig aan de andere graad. Paulus, het sap van dit kruid en het sap van bevernel onder elkaar gemengd en op de hete schaden gelegd, erysipelas genaamd, beneemt dat gelijk. Dit alzo genuttigd verteert kanker aan welke einden dat zijn mag aan het lijf.

Zie kapittel 216. De afbeeldingen verschillen wat, toch lijken ze wat op elkaar, elk met gele bloemen, de laatste meer met een omgebogen kapje zodat die meer lijkt op een Linaria.

Dodonaeus; ‘Beide eerste soorten worden hier te lande wild vlas genoemd, in Hoogduits Leinkraut, Flachskraut, Harnkraut, Unser Frauwen Flachs, Wald Flachs, Krotten Flachs.

Dodonaeus; ‘Dit wild vlas wat nochtans veel beter bastaardvlas of Linaria op het Latijns genoemd behoorde te worden groeit alleszins overvloedig genoeg en is door de gelijkenis die het met tam vlas heeft genoeg bekend, ja komt zo dichtbij de kleine Esula dat de verstandige barbieren, zegt Lobel, bij dit versje noodzakelijk verschil gesteld hebben van deze twee kruiden en zeggen, dat is Esula heeft een melkachtig sap, maar Linaria of wild vlas groeit zonder melk’.

(2) Dodonaeus; ‘‘Het water daar het gewone wilde vlas in gekookt is geweest laat plassen en ontsluit de verstopping van de nieren en van de blaas zoals de kruidbeminnaars van onze tijd dikwijls bevonden en onderzocht hebben.

flachs ccxxxvi ca

Limnum latine·

(Die meÿster spτechen gemeinklichen das der same gebτauchet werde in der erczneÿ unnd nitt das kraut noch dÿe wurczel·

(Der meÿster Galienus in dez sÿbenden bůch genannt simplicium Farmacoτum in demme capittel auche von leÿnensamenn [269] beschreÿbet uns und spτicht das leÿnsamen seÿ heiþ an dem erstenn grade·und feücht und trucken an dem mittel des andern grades·

(Der same ist nit gůt zů essen·wan wer des sames esse der geschwülle über alle sein leib·Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis beschreÿbet uns und spτichet der same seÿ subtÿle machen und mache hårmen und bτinget den frauwen jr blůmen eine pflaster davon gemacht und auff den bauch geleget·(Item mann mag disen samen wol bτauchen zů einem clistir als sieben gezÿte. (Der meÿster paulus spτichett das leynsamen gebτant auff kolen gebe eÿn subtÿlen rauche·den gelassen in die nasen benÿmmett dem schnopffen·also dem rauch gelassen unden auff benÿmmet dz weder můter·(Diascoτides spτichet das leÿnsamen gesoten in wasser und den geleget anff die unzeytigen geschwere verzeret die und macht sÿ zeitig und sunderlichen die geschweren die do sind in den oτen·(Der meister wilhelmns in seiner cÿroτgi beschribet uns und spτichet das die bleter von dem flachs gar nücz sein und sunderlichen in der cÿroτgi dan wann die bletter leget auff ein zeÿtigen schwern so machet es zůhandt ein loch darein also das man das selbige geschwere·nit auff reÿssen noch bτennen darffe·Wen wee ist in der seÿten der siede leÿnensamen in wasser und trucke ein leÿnen tůch in dz wasser als warme und lege es auff die seÿten es vergeet zů handtt·(Wôlicher gebτant wåre von dem feüwer der siede leÿnsamen in wasser fast wol und necze ein tůche darjnne und lege das auff dem bτant es zeühet den bτant ausse senfftigklich·

(1) Vlas, 236ste kapittel.

Linum Latijn. (Linum usitatissimum)

De meesters spreken algemeen dat het zaad gebruikt wordt in de artsenij en niet dat kruid noch de wortel.

De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel ook van lijnzaden [269] beschrijft ons en spreekt dat lijnzaden zijn heet aan de eerste graad en vochtig en droog aan het midden van de andere graad.

(2) Het zaad is niet goed te eten want wie het zaad eet die zwelt op over zijn hele lijf. De meester Serapio in het boek aggregatoris beschrijft ons en spreekt dat het zaad is subtiel maken en maakt plassen en brengt de vrouwen hun bloemen, een pleister daarvan gemaakt en op de buik gelegd. Item, men mag deze zaden goed gebruiken tot een klysma zoals zevengetijden kruid. De meester Paulus spreekt dat lijnzaden gebrand op kolen geven een subtiele rook, dan gelaten in de neus beneemt het snuffen, alzo de rook gelaten onderop beneemt de pijn van de baarmoeder. (3) Dioscorides spreekt dat lijnzaden gekookt in water en dan gelegd op de onrijpe zweren verteert die en maakt ze rijp en vooral die zweren die er zijn in de oren. De meester Wilhelmus in zijn chirurgie beschrijft ons en spreekt dat de bladeren van het vlas erg nuttig zijn en vooral in de chirurgie want de bladeren gelegd op een rijpe zweer zo maakt het gelijk een gat daarin alzo dat men diezelfde zweer niet op heffen noch branden hoeft. Wie pijn heeft in de zijde die kookt lijnzaden in water en druk een linnen doek in dat water als warm en leg het op de zijde, het vergaat gelijk. Wie gebrand was van het vuur die kookt lijnzaden in water erg goed en nat een doek daarin en leg dat op de brand, het trekt de brand uit zachtjes.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt hier te lande flas genoemd of vlas-cruydt, in Hoogduitsland Flachs, de Latijnse en Griekse naam is Linum.

Herbarius in Dyetsche;.(2) Het blaast op en is slecht voor de maag, weinig diuretica, ze voeden iets, het is goed tegen koude hoest en reinigt de borst van slijmachtige overvloedigheden.

lynsen ccxxxvii Ca

Lens latine vel miccula grece faki·arabice zadens·

(Der meister serapio beschreÿbet uns und spτichet das diþ die besten sind die do balde truckenn werden so man sÿ in wasser leget·(Galienus in dem sÿbenden bůche simplicium farmacoτum in dem capitel de lentibus spτicht dz lÿnsen sind von natur heÿsse unnd feücht an dem andern grade unnd (r·iiij) [270] sind von natur stopffen·(Das wasser von gesoten lÿnsen getruncken bτinget stůlgenge und weichet den bauch·(Jpocras in dem sechten bůch epidimiarum genant beschreibet uns und spτicht das lÿnsen heiþ und kalt sind von natur und doch damit getemperieret·(Und spricht auch das das erste wasser darjnne lÿnsen gesotten werden auþ geschüt werden und ein anders darein gethan·(Dÿses and wasser ist auch gar gůt genüczet wan es reÿniget dem bauche und bτinget auch gar gůtte sanffte stůlgenge·(Item diascorides spτichet das lÿnsen nit gůt sind stetigklich zů essen·wen sÿe machen ein tunckel gesichte und sind auch gar bôþlich zů verdeüwen und machen ein bôsen magen·Er spτicht auch das lÿnsenn bτingen bôse dυeüme unnd sind nitt gůt der lungen·(Serapio spτichet das lÿnsen geessen stopffen den menschen unnd machen bôþlich harmen und machen das geblŭdte grob und auch dick in den adern·

(1) Lens, 237ste kapittel.

Lens Latijn vel miccula. Grieks faki. Arabisch zadens. (Lens culinaris)

De meester Serapio beschrijft ons en spreekt dat dit de beste zijn die er gauw droog worden zo men ze in water legt. Galenus in het zevende boek simplicium farmacarum in het kapittel de lentibus spreekt dat lens is van natuur heet en vochtig aan de andere graad en [270] is van natuur (3) stoppen. Dat water van gekookte lens gedronken brengt stoelgang en weekt de buik. Hippocrates in het zesde boek epidimiarum genaamd beschrijft ons en spreekt dat lens heet en koud is van natuur en toch daarmee getemperd. En spreekt ook dat het eerste water daarin lens gekookt worden uitgeschud wordt en een andere daarin gedaan. Dit andere water is ook erg goed genuttigd want het reinigt de buik en brengt ook erg goede zachte stoelgang. (2) Item, Dioscorides spreekt dat lens niet goed zijn steeds te eten want ze maken een donker gezicht en zijn ook erg kwaad te verduwen en maken een kwade maag. En spreekt ook dat lens brengt kwade dromen en zijn niet goed de longen. Serapio spreekt dat lens gegeten verstoppen de mensen en maken kwaad plassen en maken dat bloed grof en ook dik in den aderen.

Dodonaeus; In het Duits heet dit gewas Linsen.

Dodonaeus; (2) Maar de linzen gepelt en van al haar schillen gezuiverd leggen wel al die krachtige tezamen trekking af die de gehele linzen of de schillen zelf hebben en geven daarnaast meer voedsel dan de linzen die nog niet uit de schillen gedaan zijn. (3) Dan om de buiklopen te stoppen zijn de linzen zeer geschikt.

druszwurcz ccxxxviii

Laurea latine et grece·

(Dye meÿster spτechen das dise wurcz seÿ kalter natur·Jr saffte in dÿe oτen gethan vertreibet das schweren darjnne·(Dτŭþwurcze gestossen und darauþ gemachett ein pflaster und geleget hinden an das haubt schwern·(Platearius. Nÿm diser wurczeln unnd müsche darunder salcz und bτott und stoþ das zůsamen benÿmmet das gucken darüber gestrichen·(Der safft von der wurczel vertreibet die schwern hinder dem oτen als ein pflaster darauff geleget·(Das kraut gestossen und geleget auff das heilige feüwer benÿmmet das und under dÿses [271] kraut sol man müschen silber schwamm bleiweiþ und rosenôle und das vermüschen mitt polenta·

Polenta machet man also·Nÿm gersten·xx·pffunt·koriander ein halb pffunt·salcz fünff lot unnd male das zůsamen also des dyse stuck voτhin gedôτret sind das heisset polenta·

‘(1) Klierkruid, 238ste kapittel.

Laurea Latijn en Grieks. (Scrophularia nodosa)

De meesters spreken dat dit kruid is van koude natuur. (3) Het sap in de oren gedaan verdrijft dat zweren daarin. Klierkruid gestoten en daaruit gemaakt een pleister en gelegd achteraan de hoofdzweer. Platearius. Neem deze wortel en meng daaronder zout en brood en stoot dat tezamen, het beneemt dat scheel kijken (hikken), daarover gestreken. Het sap van de wortel verdrijft de (2) zweren achter de oren, als een pleister daarop gelegd. (4) Dat kruid gestoten en gelegd op dat heilig vuur beneemt dat en onder dit [271] kruid zal men mengen zilver, zwam, loodwit en rozenolie en dat vermengen met polenta.

Polenta maakt men alzo: Neem gerst, 20 pond, koriander, een half pond, zout, vijf maal 16,7 gram, en maal dat tezamen alzo dat deze stukken voorheen gedroogd zijn en dat heet polenta.

Daphne mezereum is ook bekend als druswurz en Laurea, naar de laurier, Laurus. Maar die staat al in kapittel 129. Dan zou het de tweede vorm kunnen zijn die we ook bij Herbarius in Dyetsche zien. Laureola is een duidelijke naam. Maar in de afbeelding zien we een plant met tegenoverstaande bladeren en duidelijk knobbels aan de wortels. Dat slaat op Scrophularia nodosa.

(1) Dodonaeus; ‘Dit eerste kruid wordt in het Diets groot speenkruid genoemd en wordt overal in het Latijn Scrophularia genoemd. Het heet in het Hoogduits Braunwurtz, Saurwurtz, Grosz feigwurtzenkraut’. Het is dus een Druswurz of klierkruid. De kleine is Ficaria verna Vandaar dat het goed is tegen de aambeien of hemorroïden, klierkruid, tegen aambeien: het speen, gebruikt, aambeienwortel, Duits Feigwarzenkraut.

(2) Dodonaeus; ‘Groot speenkruid wordt van vele zeer geprezen in de harde zwellen van de klieren of kropzweren.

(3) Het sap van dit kruid met zwavel en salpeter gemengd en in de oren gedaan neemt de pijn van de oren weg. (4) Ook zijn er die ze veel gebruiken tegen inetende zeren, melaatsheid en verouderde pokken.

Ein gummi ccxxxix ca

Laudanum latine

(Die meister spτechen das laudanum seÿ trucken und feucht an dem andern grade·Ettliche spτechen daz diþs seÿe ein gummÿ·Auche spτechen etlich das diþs seÿe ein dauwe und fellet auff die kreütter an dem anfang des summers und wirt dick von der sunnen·(Die in dem lande grecia nemen ein klein rütlÿn und schlagen auff die kreutter so bleÿbett die selbige feüchting an dem selben rütlin hangen und die lassen sÿe trucken werden an der sunnen·

(Item diþ wirt gar dicke und manich male gefelschet·(In dem bůch circa instans in dem capitell laudanum beschreibent unns die meister und spτechen das under zehen pfunde laudanum kaume zweÿ pffunt recht laudanum seÿe·Der ist der beste der do schwere ist und schwarcz und den man zerreuben mag zwischen den fingeren·Laudanum hatt von natur einen gůtten gerauch und darumb nüczet man den zů dem wolriechenden dingen als die pomum ambτe und in die candelas oder truciscos pτo fumigio·(Wer den schopffen hett der neme den rauch in sich in dÿe nasen er genÿset·(Wem die zene weethůn der halt laudanum in dem mnnde·es benÿmmet jm den schmerczen und heilet das bôþ zanfleische·

(Wôlicher frauwen die můter für den leip geet die laþ den rauche vonn dem laudano unden auffe geen sÿ genÿset davon·

(Item wůlicher ein kalten magen hette der neme die pillelenn von laudano des abents so er schlaffen vil geen sÿe erwårmen den magen und machen wol deüwen. (Auch mag mann ein pflaster auff den magen legen es hilffett geleich den pillilen. [272]

(1) Een gom, 239ste kapittel.

Laudanum Latijn. (Cistus ladanifer)

De meesters spreken dat laudanum is droog en vochtig aan de andere graad. Ettelijke spreken dat dit is een gom. (2) Ook spreken ettelijk dat dit is een dauw en valt op de kruiden aan de aanvang van de zomers en wordt dik van de zon. (6) Die in het land Griekenland nemen een kleine twijg en slaan op de kruiden en zo blijft diezelfde vochtigheid aan hetzelfde twijgje hangen en die laten ze droog worden aan de zon.

Item, dit wordt erg vaak en vele malen vervalst. In het boek Circa instans in het kapittel laudanum beschrijven ons de meesters en spreken dat onder tien pond laudanum nauwelijks twee pond echte laudanum is. Dat is de beste die er (3) zwaar is en zwart en die men wrijven mag tussen de vingers. Laudanum heeft van natuur een goede reuk en daarom nuttigt man die tot de goed ruikende dingen zoals de pomum ambre en in de kandelaar of truciscos pro fumigio. Wie de snuf heeft die neemt de rook in zich in de neus, hij geneest. (4) Wie de tanden pijn doen die houdt laudanum in de mond, het beneemt hem de smarten en heelt dat kwaad tandvlees.

(5) Welke vrouw de baarmoeder voor het lijf gaat die laat de rook van de laudanum onder op gaan, ze geneest daarvan.

Item, wie een koude maag heeft die neemt de pillen van laudanum ‘s avonds zo hij slapen wil gaan, ze verwarmen de maag en maken goed verduwen. Ook mag men een pleister op de maag leggen, het helpt gelijk de pillen. [272]

(1) Dodonaeus; ‘Deze soort van Cistus wordt in het Grieks Ledon en Ladon genoemd, welke naam ook in andere spraken gebruikt wordt.

Herbarius in Dyetsche; ‘Laudanum is (2) is dauw dat in sommige kruiden, hagen of bosjes zit. (3) Je zal die laudanum kiezen die zwaar en zwart is. 4) Als je laudanum en mastiek tezamen mengt en rond het tandvlees en de tanden van binnen en van buiten legt maakt het de tanden die los zitten vast. (5) Tegen de opklimming van de baarmoeder die van het middelste opgaat laat de zieke de geur van laudanum van beneden in de baarmoeder ontvangen.

Dodonaeus; (6) De manier of middel om Ladanum te verzamelen is van Petrus Bellonius in het 7de kapittel van zijn 1ste boek beschreven zo hij die in Kreta gezien heeft.

lasurstein ccxl Cap

Lapis lazuli latine·arabice hageralzenard·

(Der meister Johannes mesue in dem capitel lapis lazuli beschreÿbet uns und spτichet das dÿser stein sol haben hymel farb und goltflecken·(Serapio spτichet wôliche kindt disen stein an jm hat hangen dem machet er gůt geblŭdte·Laþuerstein dienet zů d melancolÿ und benymmet dÿe und machet den menschen wol růwen und benÿmmet auch all fantaseÿ·(Lauerstein benÿmmett auch die warczen und heÿlet die das bulver darein gestreüwett·laþuerstein riniget das geblŭdte von grober feüchtunge·

(Item lauerstein eingenommen benÿmmet die melancolÿ und treibet die auþ måchtigklich·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτichet das laþuerstein sterck das hercze und bτinge dem gůt geblŭdte·(In dem bůche circa instans in dem capitel lapis lazuli beschreÿben unns dÿe meister und sprechen das dÿser stein der beste seÿ und auþ zůerwelen der do habe hÿmmel farbe und der jn jm habe goltflecken dÿsen mag man lange behalten unverseret an seiner krafft und hatt die tugent zů reinigen die melancolÿ·(lapis lazuli genüczet mit dem wasser do senith jn gesotten ist oder fenchelsamen purgieret senfftigklich und benÿmmet also genüczet febτem quartanam·

(1) Lazuursteen, 240ste kapittel.

Lapis lazuli Latijn. Arabisch hageralzenard. (Lapis lazuli)

De meester Johannes Mesue in het kapittel lapis lazuli beschrijft ons en spreekt dat deze steen zal hebben (2) hemelkleur en goudvlekken. Serapio spreekt; welk kind deze steen aan hem heeft hangen die maakt het goed bloed. Lazuursteen dient tot de (3) melancholie en beneemt die en maakt de mensen goed rustig en beneemt ook alle fantasie. Lazuursteen beneemt ook de wratten en heelt die, dat poeder daarin gestrooid, lazuursteen reinigt dat bloed van grove vochtigheid.

Item, lazuursteen ingenomen beneemt de melancholie en drijft die uit machtig. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat lazuursteen versterkt dat hart en brengt die goed bloed. In het boek Circa instans in het kapittel lapis lazuli beschrijven ons de meesters en spreken dat deze steen de beste is en uit te zoeken die heeft een hemelkleur en die in hem heeft goudvlekken, deze mag men lang behouden onveranderd aan zijn kracht en heeft de deugd te reinigen de (3) melancholie. Lapis lazuli genuttigd met het water daar senna in gekookt is of venkelzaden purgeert zachtjes en beneemt alzo genuttigd de vierdaagse malariakoortsen.

(1) Perzisch lazward: lazursteen, lazuurverf, geeft Arabisch lazaward. Omdat het azuur als artikel geschat werd kwam in midden-Latijn azura, Italiaans azzuro en Frans azur. Vandaar dringt azuurblauw: hemelsblauw naar ons en Duitsland door. Het lapis lazuli dat via de Arabieren hier kwam.

Herbarius in Dyetsche; Lapis lazuli is een steen waarvan je die kiest die het beste op de (2) hemelse kleur lijkt.

(3) Het poeder van lapis lazuli dat met het poeder van het been dat corde cervi (herten been) genoemd wordt in het sap van bernagie gemengd wordt is goed tegen alle ziekten die uit zwaarmoedigheid komen’.

silbergliet ccxli Ca

Litargirus latine et grece arabice marechet·

(Serapio beschreÿbet uns und spτichet das litargirum seÿ getemperieret an der kelte und an der trückene·Auch spτechen ettliche meister das litagirum seÿ kalte und feücht an dem ersten grade·

Nÿm ôle von nussen und müsch darunder daz bulver litargiri und schmiere die handt oder reüdigkeit damitt die do kommet vonn d bôsen flegma·(Item litargirum gemüschet mitt eþsig und salcze benÿmmet die maledeÿ und die scharff haut do mit gewåschen·

(Wer do hett das rote der nem eþsig unnd müsche darunder des bulvers litariri und wenig boli armeni und rosenwasser und ôle von nussen und mach·daranþe ein clistier und nÿm diþ undem auff in dem leip es stilelt dem auþgange·Wer gelecziget wåre an seynen gemecht der nem diþ bulnerþ und streuwe diþ darauff es verzeret das faul fleisch und heilett zůhant·Wer ein schôn antlicz haben wil der neme genþ schmalcz und zerlaþ das und müsche darunder silbergliett gebulvert·und bleiweiþ und wenig rosenwasser und wåsch damit sein antlicz es wirt gar schôn·Also genüczt benÿmmet es die flecken und dem antlicz·mit disem wasser mügen sich wåschen die frauwen under dem antlicz das benÿmmet jn dÿe flecken nach d gebürt eins kindes [273]

(1) Zilverschuim, 241ste kapittel.

Litargirus Latijn en Grieks.Arabisch marechet.

Serapio beschrijft ons en spreekt dat litargirum is getemperd aan de koudheid en aan de droogte. Ook spreken ettelijke meesters dat litagirum is koud en vochtig aan de eerste graad.

Neem olie van noten en meng daaronder dat poeder litargirum en smeer de huid of ruigheid daarmee die je komt van het kwade flegma. Item, litargirum gemengd met azijn en zout beneemt de boosaardige en de scherpe huid, daarmee gewassen.

Wie er heeft de rode, die neemt azijn en meng daaronder dat poeder litarirgirum weinig bolus armenus en rozenwater en olie van noten en maak daaruit een klysma en neem dit onderop in het lijf, het stilt de uitgang. (2) Wie gelet is aan zijn geslacht die neemt dit poeder en strooit dit daarop, het verteert dat vuile vlees en heelt gelijk. (3) Wie een schoon aangezicht hebben wil die neemt ganzenvet en los dat op en meng daaronder zilverschuim gepoederd en loodwit en weinig rozenwater en was daarmee je aangezicht, het wordt erg schoon. Alzo genuttigd beneemt het de vlekken aan het aangezicht, met dit water mogen zich wassen de vrouwen onder het aangezicht, dat beneemt hen de vlekken na de geboorte van een kind. [273]

(1) Van Beverwijck, ‘Zilverschuim heeft wel de naam van het zilver volgens de Griekse benaming van Lithargyros of Lythargyrion, dat is zilversteen (zo genoemd vanwege zijn steenachtige hardheid en zilveren kleur) dan komt mede van lood en verschilt weinig van het loodschuim.

Herbarius in Dyetsche; ‘Litargirium is goudschuim of zilverschuim. Goudschuim is ook goed tegen zweren van de manlijke roede, het poeder van goudschuim op de (2) zwerende manlijke roede gedaan, als je het eerst met aluinwater zuivert, is zeer goed.

Het is ook goed tegen panum of de blindheid van de ogen, als je met rozenwater daarvan een oogzalf maakt (een colirium is een medicijn die in het midden dikachtig en op beide zijden dun is). (3) Om het aangezicht te zuiveren maak je een zalf van kippenvet met het poeder van goudschuim dat met olie van rozen tezamen gemengd is’.

Ein magnet ccxlii ca

Lapis magnus latine·arabice hager abnantes·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hager abnantes idem lapis magnes beschreibet uns und spτicht das diser stein seÿ über môτe in jndien an eÿnen berge und wann die schiff genahen dem selbigen berge so beleibet kein eÿsen in dem schiffe und fleücht darauþ geleÿche als es fôgel weren zů dem berge·diþ ist der beste magnete der do stercklichen das eÿsen an sich nimmet und sein farbe ist geleiche d hÿmmel farbe·auch ist diþ der best der nitt so schwer ist·(Der meister Albertus in seinem lapidario beschreÿbet uns das magnes habe ein farbe die geleichet dem eÿsen und des findet mann man vil in dem môτe in jndien·Und spτichett auch das der magnet als vil do selbest sind das die schipff soτgklichen do hÿn faren mügen·wen es zeühet aller eÿsern negelin unnd was van eysen darjnne ist an siche und zerbτicht die schyff geleiche als ob der hagel darein schlüge·(Serapio spτichet das dÿser stein an jm habe die tugent dem do hat der adamant und geleicht jm an der krafft·(Magnes getruncken mitt weine in hônige vermenget genant mellicrat laxieret und treibet auþ die groben feüchtunge·(Der meÿster Diascoτides spτichet wer disse steine beÿ jm treget der machet hübsch rede und ist allzeit wol gemůtt·(Für die wassersucht nymme des steines ein halb quintin mit hõnig wasser genant mulsa·(Albertus magnus in seinem lapidario beschreybet uns vil hübscher tugent von disem stein und hatt jn gar werdt gehabt und vil kunste damit getrÿben und hoflichkeit dÿe jch hie underwegen lon·

Een magneet, 242ste kapittel.

Lapis magnus Latijn. Arabisch hager abnantes. (Magnetiet)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hager abnantes, id est lapis magnes, beschrijft ons en spreekt dat deze steen is over de zee in Indië aan een berg en als de schepen naderen diezelfde berg dan blijft er geen ijzer in het schip en vliegt daaruit gelijk alsof het vogels waren tot de berg, dit is de beste magneet die er sterk dat ijzer aan zich neemt en zijn kleur is gelijk de hemelkleur, ook is dit de beste die niet zo zwaar is. De meester Albertus in zijn lapidario beschrijft ons dat magneten hebben een verf die lijkt op het ijzer en dat vindt men veel in de zee van Indië. En spreekt ook dat de magneet zo veel er daar zijn zodat de schepen zorgelijk daarheen varen mogen want het trekt alle ijzeren nagels en wat van ijzer daarin is aan zich en verbreekt dat schip gelijk alsof de hagel daarin sloeg. Serapio spreekt dat deze steen aan zich heeft de deugd die er heeft de diamant en lijkt op hem aan de kracht. Magneet gedronken met wijn in honing vermengt, genaamd mellicratum, laxeert en drijft uit de grove vochtigheid. De meester Dioscorides spreekt wie deze steen bij hem draagt die maakt mooie praatjes en is altijd goed gemutst. Voor de waterziekte; neem van de steen een half van 1,67 gram met honing water genaamd mulsa. Albertus Magnus in zijn lapidario beschrijft ons veel leuke deugd van deze steen en heeft hem erg in waarde gehad en veel kunsten daarmee gedreven en hopelijk dat ik u het onderweg loon.

Maerlant: ‘ Magnes, die is zonder waan, als een ijzermal gedaan. Zijn natuur is zo gemaakt dat hij ijzer naar zich trekt. Is het dat er geen zeilsteen bij is, maar is er de zeilsteen bij dan zegt men dat hij het niet doet. Ter toverijen is hij goed.

Dat is duidelijk de magneet, hoewel bij de Troglodieten worden diamanten gevonden.

Perlin ccxliii capi

Lapis margarithe latine·arabice hagerallulo vel halao·

(Der weister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitell hagerallulo id est lapis margarithe beschreÿben uns und spτichet das perlÿn werden funden in dem môτe·und sind kalt und trucken an dez andern grade·Isaac spτichet das der ein teÿl sind grobe und ein teyl klein und subtÿl und die groben sind besser dann die kleinen und auch die klar sind und aussen glat·Auch sind dÿsen die besten perlin die nit knodichte sind·(Albertus in seÿnem lapidario spτicht das man die findet in dem muschelen die in dem môre ligen und sunderlichen in jndia·Auch findet man vil in bτittania das ÿeczunt heisset engellant·auch findet man die in flandern und spτicht das jr tügent sÿ stercken die lebendigen geÿst die von dem herczen komment·unnd benemen dez herczen zÿttern und das schwindel des haubts·auch were geneiget wåre zů grosser onmacht also das jm davon geschwindet der bτauche perlÿn d [274] …. und die nennet man manus chτisti cum perlis·es hilffet und stercket das hercze·(Wer tunckele augen hett der nücz perlÿn die benemen die weissen flecken in den augen apffeln. Perlÿn reynigen das hercz geblŭdte. (Avicenna spτicht das perÿn stercken das hercz·

(1) Parels, 243ste kapittel.

Lapis margarithe Latijn. Arabisch hagerallulo vel halao.

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittell hagerallulo, id est lapis margarithe, beschrijft ons en spreekt dat parels worden gevonden in de zee en zijn koud en droog aan de andere graad. Isaac spreekt dat er een deel zijn groot en een deel klein en subtiel en die grote zijn beter dan de kleine en ook die helder zijn en van buiten glad. Ook zijn dit de beste parels die niet knopig zijn. Albertus in zijn lapidario spreekt dat men die vindt in de mossels die in de zee liggen en vooral in India. (3) Ook vindt men veel in Brittannië dat nu heet Engeland, ook vindt men die in Vlaanderen en spreekt dat hun deugd is te versterken die levende geest die van het hart komt en beneemt dat hart sidderen en de(2) duizeligheid van het hoofd, ook die geneigd is tot grote onmacht zodat het hem daarvan duizelt, die gebruikt parels [274] …. en die noemt men manus christi cum perlis, het helpt en versterkt dat hart. Wie donkere ogen heeft die nuttigt parels die benemen die witte vlekken in de oogappels. Parels reinigen dat hartbloed. Avicenna spreekt dat parels versterken dat hart.

(1) De ouden vermelden ze onder de Griekse naam margaros, dit woord is waarschijnlijk afkomstig uit het Sanskriet mangara, oorspronkelijk was dit wel een Babylonisch woord, mar gallit, ‘dochter van de zee’, respectievelijk ‘kind van het licht’. Beide in verband met het geloof van de oude Perzen dat oesters ‘s nachts omhoog kwamen om de maan te aanbidden, als ze het wateroppervlakte bereikt hadden openden ze hun schelpen en namen een druppel dauw op die door de stralen van de maan in een parel veranderde.

Maerlant: ‘Men heeft dat niet verstaan dat men nooit in enig land meer dan een tezamen vond, dus noemt men de steen union (=1). Zijn verf is best in dit doen dat hij is wit gelijk aluin. Het is voor zwakke magen goed en degene die bloed spuwt, rust verleent hij en vrede en geeft grote gezondheid mede en maakt de (2) zinnen zacht van gemoed onder haar hoofd zodat ze het niet voelt.


Fogelsznnge ccxliiii c

Lingua aüis latine·arabice lÿenhasafir·grece lienulalafirla·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel lisenhafasir id est lingua avis spτichet das diþ gewechs bleter geleichen dem mandeln bleter und sind spiczig geleiche den fogel zungen·(Avicenna spτichet das dises kraut seÿe warm und feücht machen mitt einer temperierunge und darumbe bτauchett man diþ zů der natur des menschen sperma genant die damit zů meren·(Jsaac spτicht das dises kraut seÿ heiþ und auch feücht an dem ersten grade·Seÿne natur ist anch stercken die gelust des menschen unnd meret auch den samen des menschen sperma genant dises geessen als gesoten kraut zů fleisch·(Item cassius felix spτichet das diþ krautt gesotten mitt wein und auch dem getruncken ist fast gůt melancolicis·(Item diser wein bτingett den selbigen lust und auch begirde und benÿmmet jn die fantasey·(Item Rasis spτichet das lingua avis beneme das herczen zÿttern und mere auch die nature des menschen·Auch ander vil meister der erczneÿ sagen geleiche mit den obgenanten mit geleeichen woτten wie obstat·(Auch magst du lesen das bůch Pandecta das fünffhundert und·xiiiij·capitel das sich anhebet lÿsenhasafir darjnne findest du feÿn tugent wye obensteet·(275)

(1) Vogelstong, 244ste kapittel.

Lingua avis Latijn. Arabisch lÿenhasafir. Grieks lienulalafirla. (Polygala vulgaris).

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel lisenhafasir, id est lingua avis, spreekt dat dit gewas zijn bladeren lijken op de amandelen bladeren en zijn (2) spits gelijk de vogeltongen. Avicenna spreekt dat dit kruid is warm en vochtig maken met een tempering en daarom gebruikt men dit tot de (3) natuur des mensen sperma genaamd die daarmee te vermeerderen, Isaac spreekt dat dit kruid is heet en ook vochtig aan de eerste graad. Zijn natuur is ook versterken de lust des mensen en vermeerdert ook de zaden des mensen sperma genaamd, dit gegeten als gekookt kruid bij vlees. Item, Cassius Felix spreekt dat dit kruid gekookt met wijn en ook dan gedronken is erg goed melancholici. Item, deze wijn brengt dezelfde lust en ook begeerte en beneemt hem de fantasie. Item, Rasis spreekt dat lingua avis beneemt dat hart sidderen en vermeerdert ook de natuur des mensen. Ook andere veel meesters der artsenij zeggen gelijk met de opgenoemde met gelijke woorden zoals boven staat. Ook mag u lezen dat boek Pandecta dat vijfhonderd en 15de kapittel dat zich aanheft lÿsenhasafir daarin vindt u zijn deugd zoals boven staat.

Polygonum aviculare, varkensgras heet soms Lingua avis, maar die wordt meestal als koud beschreven. Ook de zaden van Fraxinus worden vogelstongen of Lingua avis genoemd, de beschrijving hier past niet op die boom. Stellaria holostea L, groot bloemmuur, sommige volksnamen wijzen nog op een Lingua avis zoals bec d’oiseua en langue d’oiseau, maar dat is meer als hoenderbeet of vogelmuur. Naar de tekst lijkt het blad op amandelen en is spits. Dat zou op Fallopia convolvulus kunnen slaan. Maar die is meer windend en woekerend, dat had er wel bij gestaan. Kijken we naar Herbarius; ‘ En het is een klein kruidje en groeit in vele plaatsen. En heeft lange en scherpe blaadjes. En sommige hebben blauwe bloemen en sommige witte bloemen. Dat slaat dan waarschijnlijk wel op Polygala vulgaris. Dat komt ook meer met de tekening overeen.

Maar H. Bock zegt dat lingua avis is Carpinus betulus en geeft ook zijn opwekkende en versterkende natuur aan.

Herbarijs; ‘Lingua anis is heet en vers in de eerste graad. En het is een klein kruidje en groeit in vele plaatsen. En heeft lange en (2) scherpe blaadjes. En sommige hebben blauwe bloemen en sommige witte bloemen. En dit kruid gekookt in vlees met vet of met olie versterkt het spelen bijzonder en (3) vermeerdert wulpsheid en versterkt’.

In de verzamellijst staat Lingua canis, dan gaat het om de hondstong.


huflattich ccxlv ca

Lappacium rotundum sive bardana maioτ latine et grece·

(Die meÿster spτechen das diþ sey ein krautt und wechset von dem schleÿm der erden·und hatt grôsser bτeittere bletter wan keine ander kraut·diþ kraut ist feücht machen·Etlich meister heisse diþ kraut bardana maioτ das ist die grôþer huflatich·(Diþ krauttes safft gestrichen auff die grÿntigen haüt heilet den grÿnt zů hant·(Den safft von disem krautte gemüschet mit eþsiig unnd rauten safft ÿegkliches geleiche vil und diþ getruncken des abentes auff ein lôffel foll machet ser schwiczen und treibet mit dem schweiþ aus die pestilencz·Den andern tag darnach sol darauff genüczet werden pestilencz pillelen ein quintin·(Die figure disses capitels sol steen in dem·ccxxvj·und das kraut do selbest in disem capitel·wen dÿse zwo figuren also versaczet sind von ungeschichte.

(1) Groot hoefblad, 245ste kapittel.

Lappacium rotundum sive bardana major Latijn en Grieks. (Petasites hybridus)

De meesters spreken dat dit is een kruid en groeit van de slijm der aarde en heeft grotere en brede bladeren dan geen ander kruid, dit kruid is vochtig maken. Ettelijke meesters noemen dit kruid bardana major, dat is dat grote hoefblad. Dit kruid zijn sap gestreken op de schurftige huid heelt de schurft gelijk. Het sap van dit kruid gemengd met azijn en ruitsap, van elk gelijk veel, en dit gedronken ‘s avonds op een lepel vol maakt zeer zweten en drijft met de zweet uit de (2) pest. De volgende dag daarna zal daarop genuttigd worden pestpillen, 1, 67gram. De figuur van dit kapittel zal staan in het 226ste en das kruid daar in dit kapittel, want deze twee figuren alzo verzet zijn van ongeschikte.

Zie kapittel 420 voor Tussilago of klein hoefblad.

(2) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt hier te lande docke-bladeren genoemd, in Hoogduitsland Pestilentz-wurtz en daarvan noemen sommige het in onze taal ook pestilentie-wortel. (1) In het Latijn heet het Petasites naar de Griekse naam Petasites die het gekregen heeft naar de grootte van de bladeren die enigszins op een hoed of muts (in het Grieks Petasos genoemd) schijnen te lijken.


Ein saft also genant

Das cclvi capi

Licium latine grece liceos arabice hadadh·

(Serapio libτo aggregatoτis capi·hadadh spτichet das dÿser safft komme von einem baum gienset dem môτ·diser baum ist doτnecht und bτinget frucht die geleichet dem langen pfeffer·diser safft wirt also gemacht die bleter stosset man und pτessen dem safft darauþe·disen safft seüdet man dz er alþ dicke wirt als hônig·darnache (276) trucket man den in der sunnen·dem solt du also pτobieren·zünde den an mitt einem bτinnenden liechte und wan der einen schaum gibet so er verlischet so ist er gerechte·Licium wirt zů zeÿtten gefelschet mitt vermůt safft und ochsen gallen·Circa instans licium ist heiþ an dem ersten und trucken an dem andern·(Diser safft sol gesamelt werden in dem meÿen·der weret fünff jare unverseret ann seiner krafft·(Für die flecken in dem augen·nÿmme dÿses safftes·und müsche den mit rosenwasser und thů das in die augen sÿe werden klare·Diser safft gestrichen an den halþ benymmet eine geschwer dar jnn squinancia genant·(Von disem safft lese pandecta das·cccxix·capitel findest du vil tugent von disem safft·

Een sap alzo genaamd. Boskdoren.

Dat 246ste kapittel.

(1) Licium Latijn. Grieks liceos. Arabisch hadadh. (Rhamnus saxatilis)

Serapio libro aggregatoris kapittel hadadh spreekt dat dit sap komt van een boom grenzend aan de zee, deze boom is doornachtig en brengt vrucht die lijkt op de lange peper, dit sap wordt alzo gemaakt; de bladeren stoot men en perst het sap daaruit, dit sap kookt men zodat het zo dik wordt als honing, daarna droogt men het in de zon, dat zal u alzo proberen, steek het aan met een brandend licht en als het een schuim geeft zo het verlicht dan is het de echte. Lycium wordt in sommige tijden vervalst met alsemsap en ossengal. Circa instans, Lycium is heet aan de eerste en droog aan de andere. Dit sap zal verzameld worden in de mei en dat blijft vijf jaar onveranderd aan zijn kracht. (2) Voor de vlekken in de ogen; neem dit sap en meng dat met rozenwater en doe dat in de ogen, ze worden helder. Dit sap gestreken aan de hals beneemt een zweer daarin, squinancie genaamd. Van dit sap lees Pandecta dat 349ste kapittel vindt u veel deugd van dit sap.

In kapittel 139 zien we dat Lycium bij verschillende schrijvers verwezen wordt naar Lonicera, dat vanwege de toevoeging in Grieks als liceos.

De Gart zegt van kamperfoelie; ‘Dioscorides in het kapittel liceos, id est caprifolium, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid heeft bladeren die zijn doornachtig en brengt groene korrels en als die rijp zijn dan lijken ze op kersen. Herbarijs lijkt te zeggen dat het uit een klimplant komt.

Matthiola noemt het Buxdorn, wat op een Rhamnus slaat. Hij zegt; ‘Dit Lycium, welke aan ettelijke oorden in Italie groeit, willen ettelijke voor dat andere geslacht houden. In ettelijke apotheken vindt men een Lycium adulteratum welke gemaakt wordt uit de besjes van liguster, de kamperfoelie, meidoorn en slee’ .

Is dus Rhamnus saxtatiles.

Herbarijs; En het sap heet Lycium. Het zuivert sproeten in het aanzicht en puisten in de mond en tandvlees en verheldert de ogen. (2) En is goed tegen druppels en volheid en lopende ogen.


ein gummi also genant

ccxlvii Capi

Lacta latine·grece anchusa·arabice Aec·

(Pandecta capitulo secundo steet geschriben das dÿses seÿ eine gummÿ gÿenset dem môτe mitt disez gummÿ ferbet mann das tůche rote·(Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel Aec spτichet das disser båuz wachsen vil in arabien·das gummy darvon ist genant lacca·Dises geleichet an der gestallt dem mirre und auch an dem gerauche. Paulus lacca ist heiþ und truckner natur·

(Avicenna lacca ist fast nücze pleureticis das ist ein geschwere umb die bτust des eingenommen mitt einem sÿroppel von ÿsop gemachet·Des geleichen asmaticis das ist dÿe fast keichen also genüczet·(Lacca thůt auffe alle verstopffunge der lebern unnd des milczes des eingenommen mit eÿern·Auch also genüczt benÿmmet es die wassersucht·[277]

Een gom alzo genaamd.

247ste kapittel.

)1’ Lacta Latijn, lak. Grieks anchusa. Arabisch Aec. (Phytolacca esculenta)

Pandecta capitulo secundo staat geschreven dat dit is een gom grenzend de (3) zee en met deze gom verft men de doeken (2) rood. (Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel aec spreekt dat dezer boom groeit veel in Arabië, de gom daarvan is genaamd lacca. Dit lijkt aan de gestalte de mirre en ook aan de reuk. Paulus, lacca is hete en droge natuur.

Avicenna, lacca is erg nuttig pleuritis, dat is een zweer om de borst, dat ingenomen met een siroop van hysop gemaakt. Desgelijks astmatici, dat is die erg kuchen, alzo genuttigd. Lacca doet open alle verstoppingen van de lever en de milt, dat ingenomen met eieren. Ook alzo genuttigd beneemt het de waterziekte. [277]

De term 'lacca' (en afgeleide woorden zoals 'lak' en 'schellak') komt van de harsachtige afscheiding van de vrouwelijke lakschildluis (Tachardia lacca Ker. of Laccifer lacca)

(1) Dodonaeus;  ‘Lobel noemt deze Lacca in het Latijn Lacea Arabum & officinarum en Cancamon Dioscorides. Hier te lande heet het Lacca en lacke’. De Griekse naam Anchusa slaat ook op een verfstof leverende plant.

(2) Dodonaeus; ‘‘Lacca gekauwd geeft een zeer mooie rode verf van zich en zo plag men de beste Lacca te kiezen.


ein hase ccxlviii Capi

Lepus latine·grece leges·arabice arnaben·

(Der meÿster almansoτ spτichtt das under allen thieren kein fleische alþ vil melancolÿ mache als hasen fleisch·(Das hÿrn vo dem hasen gebτotten und geessen benÿmmet das zÿttern am leib als dan gar dicke geschicht nach eÿner krangckheit·(Itez die gallen der hasen benemen vergiftt dÿe mitt eþsig eingenomen·

(Item mercz hasen also lebendig gebτant zů bulber dÿenet faste wol für den stein das ein genomen mit wein. Mit dem hasen hÿrn der jungen kinde wenglin geschmieret machet leichtliche und on schmerzen zene wachsen·(Item von disem thiere lese Pandecta das·lvj·capitel findest du sein tugent·

(1) Een haas. 248ste kapittel.

Lepus Latijn. Grieks leges. Arabisch arnaben. (Lepus europaeus)

De meester Almansor spreekt dat onder alle dieren geen vlees zo veel (2) melancholie maakt als hazenvlees. De hersens van de haas gebraden en gegeten beneemt dat sidderen aan het lijf zoals dan erg vaak geschiedt na een ziekte. Item, de gal van de haas beneemt vergif, die met azijn ingenomen.

Item, merk hazen alzo levend gebrand tot poeder dient erg goed voor de steen, dat ingenomen met wijn. Met de hazenhersens de jonge kinderen hun wang gesmeerd maakt gemakkelijk en zonder smarten tanden groeien. Item, van dit dier lees Pandecta dat 56ste kapittel vindt u zijn deugd.

De haas heet in midden-Nederlands hase, vergelijk oud-Hoogduits haso, nu Hase.

Maerlant; Lepus is de naam van de haas. Zijn vlees is voor vele lieden geschikt. Zeer blode is het in de vlucht.

(2) De hazen zijn een zinnebeeld van de zotten en lafhartige, ze verschieten van het ritselen van een blad en lopen voor hun eigen schaduw.

wilde klee ccxlix capi

Melilotum latine vel coτona regia·arabice alilelmelike vel alcheli alameth vel achililmelich·

(In dem bůch circa instans beschreÿben uns die meister und spτechen das melilotum seÿ heiþ und trucken an dem ersten grade·

(Item melilotum ist ein kraut und steet einer künigs kron geleich·und ist auch genennet in latein coτona regia·Den samenn sol man behalten in den schalen·des weret dτeü jare unverserett an seiner natur·den samen bτauchet man in der erczneÿ mit dem schalen·wan der same ist kleine also das man jn nitt wol kan nüczen on dÿe schalen·(Der same hatt die tugent dz er fast wol stercket wan er hat ein wol riechenden gerauche an jmme·

(Der same gesoten in wein und den getrüncken treibet auþ denn dårmen die winde·und ist auch gůt den verstopten nÿeren und thůt auff der blasen verstopffung·[278] (Den samen in einer bτŭe oder in der kost machet die wol riechen und machet gůt zene·

(Der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel melilotum beschreÿbet uns und spτicht das disses gůt sey den heissen gesweren und die do verhårtet sinde ein pflaster darüber gelegett·also gemacht·Nymme des sames von der wilden klee unnd sieben gezÿde samen das ist fenu grecum leÿnsamen ÿegkliches geleich vil und müsche darunder eies dottern und mach darauþ ein pflaster·(Diþ pflaster ist auch gůt den gesweren in den oτen aufwendig darauff geleget·(Auch ist es gůt emoτroidibus das ist ein flüþ in dem afftern und auch dem geschwern des gemechtes an wôlichen enden das wåre darauffe geleget·(Der meister wilhelmus in seiner cÿroτgi bτauchett auch wildec klee zů heissen geschweren und auch sunderlichen czů disen obgeschτiben gebτesten die Avicenna uns beschτiben hatt·

(Diascoτides spτichet wôlicher die hende mic dem safft von wilde klee schmieret der mag darjnne tragen ein glŭenden eÿsen on schaden·(Auch spτichet er das dÿsser samen aller beste seÿ zů fisteln und zů dem krebs und zů dem feÿgblatern·(Item wein darjnne gesotten ist wilde klee und eppich mitt zucker süþ gemachet iste gůt wider bestopffung der nÿeren und der blasen·

(1) wilde klaver, 249ste kapittel.

Melilotum Latijn vel corona regia. Arabisch alilelmelike vel alcheli alameth vel achililmelich. (Melilotus officinalis)

In het boek Circa instans beschrijven ons die meesters en spreken dat Melilotus is heet en droog aan de eerste graad.

Item, Melilotus is een kruid en staat een koningskroon gelijk en is ook genoemd in Latijn corona regia. (6) De zaden zal men behouden in de schaal, dat blijft drie jaar onveranderd aan zijn natuur, de zaden gebruikt men in de artsenij met de schalen, want het zaad is klein alzo dat men het niet goed kan nuttigen zonder de schalen. Het zaad heeft de deugd dat het erg goed versterkt want het heeft een goed ruikende reuk aan zich.

(2) Het zaad gekookt in wijn en dan gedronken drijft uit de darmen de winden en is ook goed de verstopte nieren en doet open de blaas verstopping. (6) [278] De zaden in een brei of in de kost maakt die goed ruikend en maakt goede tanden.

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Melilotus beschrijft ons en spreekt dat dit goed is de hete zweren en die er verhard zijn, een pleister daarover gelegd alzo gemaakt: Neem van het zaad van de wilde klaver en zevengetijden zaden, dat is foenum graecum, lijnzaden, van elk gelijk veel, en meng daaronder eierendooiers en maak daaruit een pleister. Deze pleister is ook goed de zweren in de oren uitwendig daarop gelegd. (3) Ook is het goed hemorride, dat is een vloed in het achterste en ook de zweer van het geslacht aan welke einden dat het is, daarop gelegd. (4)De meester Wilhelmus in zijn chirurgie gebruikt ook wilde klaver tegen hete zweren en ook vooral tot deze opgeschreven gebreken die Avicenna ons beschreven heeft.

(5) Dioscorides spreekt; wie de handen met het sap van wilde klaver smeert die mag daarin dragen een gloeiend ijzer zonder schade. Ook spreekt hij dat deze zaden allerbest zijn tot etterwonden en tot de kanker en tot de aambeien. Item, wijn daarin gekookt is honingklaver en selderij met suiker zoet gemaakt is goed tegen verstopping van de nieren en de blaas.

Naar de goede geur zou het gaan om Melilotus. Lobel noemt de hoornklaver Melilotus coronata. De kapittels van alle botanisten  stemmen allen overeen.

Platearius; ‘Herba est cuius semen alio nomine appellatur corona regia, quia formatur ad modum semicirculi’.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste soort van deze kruiden is tegenwoordig in de apotheken met de naam Melilotus het beste bekend en is van andere Trifolium odoratum, dat is welriekende klaver genoemd, dan de Hoogduitsers noemen het in hun taal Grosser Steinklee, dat is in het Nederduits grote steenklaver.

Herbarius in Dyetsche; ‘Mallote, Melilotus of Corona regia is heet en droog in de eerste graad. (4) Daarom verteert het en verandert het de overvloedigheid, verfijnt, versterkt en verzacht de pijn.

Dodonaeus; ‘(6) Dit zaad is zeer welriekend en versterkend van kracht. (2) De wijn daar het in gekookt is gedronken drijft de kwade winden uit de darmen en is goed tot de verstopte nieren en opent ook de verstopping van de blaas. (4) Hetzelfde zaad in een soepje of spijs gedaan maakt die welriekend en maakt de tanden vast en bewaart ze van verrotting.

(3) Een pleister van melilote van buiten op de oren gelegd geneest de zweren die binnen in de oren komen en die is ook goed tot de loop van de aambeien of de vergulde aderen, zoals de veldscheerders die noemen.

(4) Sommige gebruiken de melilote ook in de hete zweren.

(5) Andere durven schrijven dat als ze de handen met het sap van melilote bestreken men er een gloeiend ijzer in mag dragen zonder die te verbranden, wat nochtans eerder belachelijk dan geloofwaardig is’.

muterkraut ccl Ca

Melissa vel citraria latine·grece mellisophilos vel mellisophilüm·arabice bedarunge vel cirumgemill vel marolmabo·

(In dem bůch circa instans beschreÿben uns die meister und spτechen das melissa seÿ heiþ und trucken an dem andern grade·Diþs kraut ist gůt grŭn und auch dürre in d erczneÿ·Man mag es dôτren an d sunnen und darnach hencken in den schadten·diþ krautt weret unverseret sechs jare·

Dises kraut hat tugent zů krefftigen als dan spτichet der meyster avicenna in dem bůch genantt zů latein d viribus coτdis·und sprichet auch dz diþ krautt stercke [279] dz hercze·(Item in dem bůch circa instans beschτeiben uns auch die meister dz dises kraut geleiche an siener krafft d meÿron und dienet zů alle gebτesten darzů man nüczet meyron·sund dises kraut mer krafft in jm hat gesoten wann also machet es widerumb kommen menstruum dz lange zeit auþ beliben ist und reÿniget die můter und bτinget krafft den frawen zů gebeeren. (Melissa gesoten in wein ist fast gůt für groþ onmåchtte·die do kommet von kelte·als dyck und manig male sich begibt mitt den frawen·(Der meister Serapio spτicht·dz die bleter von melissa mit wein getruncken benÿmmt die vergifftigen bÿþs und heÿlet die zůhandt·und ist sunderlichen gůt den die do gebyssen werdent von einem tobenden hunde·(Der meister Jsaac spτicht·wôllcher auch můter kraut ÿsset fastend·dam erwôτmet es den magen d erkaltet ist und machet wol deüwen·(Plinius spτicht·das melissa gůt sej den frawen den jr můter wŭlet und auffstosset an das hercze·davon getruncken·(Weer do nymmet dτeü bleter von melissa und leget die aller ôberst des haubtes·dem ziehend sÿ auþ vil süchte·und machen ein leicht haubte·(Serapio·die bleter mit salcze genüczet und die geessen benemen das keÿchen genant asma·und machet ein reümige bτust·

(Můter kraut machet deüwen grobe kost·

Citroenkruid, 250ste kapittel.

Melissa vel citraria Latijn. Grieks mellisophilos vel mellisophilüm. Arabisch bedarunge vel cirumgemill vel marolmabo. (Melissa officinalis)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Melissa is heet en droog aan de andere graad. (2) Dit kruid is goed groen en ook droog in de artsenij. Men mag het drogen aan de zon en daarna hangen in de schaduw, dit kruidt blijft onveranderd zes jaar.

Dit kruid heeft deugd te versterken zoals dan spreekt de meester Avicenna in het boek genaamd in Latijn de viribus cordis en spreekt ook dat dit kruid (4) versterkt [279] het hart. (3) Item, in het boek Circa instans beschrijven ons ook de meesters dat dit kruid lijkt aan zijn kracht de majoraan en dient tot alle gebreken daartoe man nuttigt majoraan, dan dat dit kruid meer kracht in zich heeft gekookt want alzo maakt het wederom komen menstruatie die lange tijd uitgebleven is en reinigt de baarmoeder en brengt kracht de vrouwen tot baren. Melissa gekookt in wijn is erg goed voor grote (4) onmachtigheid die je komt van koudheid zoals vele malen gebeurt met de vrouwen. (5) De meester Serapio spreekt dat de bladeren van Melissa met wijn gedronken beneemt de vergiftige beten en heelt die gelijk en is uitzonderlijk goed die er gebeten zijn door een dolle hond. De meester Isaac spreekt wie ook citroenkruid eet erg die verwarmt het de maag die verkouden is en maakt goed verduwen. (3) Plinius spreekt dat Melissa goed is de vrouwen die hun baarmoeder woelt en opstoot aan het hart, daarvan gedronken. Wie er neemt drie bladeren van Melissa en legt die op het allerhoogste van het hoofd, die trekt het uit veel ziektes en maakt een licht hoofd. Serapio, de bladeren met zout genuttigd en die gegeten benemen dat (6) kuchen genaamd astma en maakt een ruime borst.

Citroenkruid kruid maakt verduwen grove kost.

(1) Dodonaeus; ‘Melisse wordt dit kruid in meest alle talen genoemd, in het Grieks Melissophyllon.

Frauenkraut en Mutterkraut, zou bij de baarmoeder helpen en is een gebruik dat op Dioscorides terug gaat die het als gynakologisch middel opvoert.

Dodonaeus; ‘Sommige hebben voor melisse een kruid aangezien dat Wantzenkraut in het Hoogduits en ook Mutterkraut genoemd wordt wat op de dove netels meer lijkt dan de echte melisse en daarom zullen we daarvan spreken als we de netels zullen beschrijven’.

Herbarius in Dyetsche; ‘Melisse of Melissa ,(2) groen en droog is het van grote kracht, in de schaduw kan je het een jaar lang goed houden. Het heeft de kracht om te versterken, te verteren, te ontbinden en af te drogen.

(3) Om stonden te laten komen, om de baarmoeder te reinigen en te ontvangen of daartoe voor te bereiden: ‘ (4) Tegen het in onmacht gaan: ‘Neem wijn waar melisse, de schors van citroen en wat kaneel in gekookt zijn’, want het versterkt het hart zeer als Avicenna in het boek ‘de viribus cordis’ zegt, als de onmacht van koude zaken komt.

(5) Hetzelfde is ook goed tegen steken van de schorpioenen en de beten van de honden als je het als een pleister daar op legt.

(6) Tegen astma (dat is moeilijk ademen) : ‘Neem wijn met wat suiker, waar melisse, de wortel van Iris en zoethout in gekookt zijn’.

(4) Avicenna schrijft in zijn boek van de krachten van het hart dat melisse het hart verheugt en de leven behoudende geesten versterkt.

müncz ccli Capitel

Menta latine·grece ediosmoi·arabice Nachama vel Dichanacha·

(In dem bůch genant pandecta in dem capitel menta beschτeiben uns die meister und spτechen·dz manger hand müncz seÿ·die ein ist zåm und wáchþt in den gårtten·dise hat einen gůten gerauch und die ist hÿcziger und stercker von natur·(Ein andere mÿncz und die ist wyld·und wåchþt in den wålden·und die ist zů latein genant mentastrum von d wir hernach in sunderheÿt ettwas schreÿben·Es ist auch ein anndere mÿncz die hat lange spycz bleteτ und heÿsset zů latein menta romana·Es ist auch ein and men (f·j·) [280] ta·die heýsset zů latein menta aquatica·auch heÿssen etlich meister mentam aquaticam simbτium·oder balsamita·Es ist auch ein ander menta die hat keinen gerauch·und ist zů latein genantt calamentum·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel dichanacha idest menta beschτeÿbet uns und spτichet·das die zåm müncz seÿ grŭn summer und wÿnter·Auch ist zewissen das in diser figur dτeü kreütter steen·und alle menta genantt sind·und haben beynahe ein natur·und darumb werden sÿ gebτauchet eins geleÿch dem anderen·(Der meister Paulus spτicht·das menta und sunderlichen die zåm sey heýþ und trucken an dem dτiten grad·etlich spτechen an dem andern grad·Und dises kraut bτauchet man in d erczeneý mer denn die andern·und ist auch gůt grŭn und dürτe·(Der meister Avicenna beschτeibet uns und spricht·das menta seÿ heÿþs und trucken an dem andern grad·des geleychen beschτeÿbend uns die meister in dem bůch genant circa instans·unnd das ist gar ein kleine undeτscheÿd mit dem meister Paulo·d do spτichet an dem dτitten grad·(Item·die meister spτechen gemeÿnigklich·das müncz und sunderlich die zåm·stercke den magen unnd mache wol deüwen·(Item menta genüczet ist fast gůtt für die spollwürm·des bulfers ein genommen mit milch·(Menta gesoten und domitt gebået das geschwollen gemåcht·benymmet die geschwulste behendigklich·(Menta gestossen und auff die hertten bτuste geleget do die milch jnnen verherttet ist·unnd auch das do geschwollen ist·waycht und benymmt die seer darinn. (Menta geessen waÿchet den bauch·(Menta alle tag genüczet der hat schône farbe unnd ist gesundt zů aller zeÿt·(Diascoτides spτicht·das der safft auch gar gůt seÿ getruncken mit eþsig den jhenen die do blůt speyen·(Item die stÿrn gestrÿchen mit dem safft benymmett auch das haubtwee·(Item den safft getruncken mit hônigwasser genannt mulsa·benymmet das sausen in den oτen·(Item müncze gesoten mit wein und den getruncken·benymmet den übel riechenden mund. Auch mag man dar under müschen eþsig und do den mundt mit wåschen·macht gůt zeen·(Also genüczet vertreÿbt die seere an der zungen die do kommet von hÿcze·(Item·Menta und rauten und auch zwybeln ÿegklichs geleÿch vil·und auch darzů gemüschet salcz·und dÿe zůsamen gestossen und darauff geleget wo die nater stÿchet od beÿsset·es hiffet on zweÿfel·

(Item·Menta mit hônige gestossen und auch gemüschet mit eþsig unnd gebunnden auff einen bÿþs eines tobenden hundes·hilffet·(Die frauwen die sich saumen an jrer sucht die sollend eþsen mÿncz·und darvon trÿncken·es bτinget jr feüchtigkeÿt·[281] (Item wer des moτgens nüchtern sein zeen wåschet mit müncze·dem vergeet der zeenschwere. (Item münczensafft mit hônig getemperiert·und an die augen gestrÿchen vertreÿbet die tunckelheÿt·(Menta getemperieret mitt eþsich·benymmet auch die flecken in den augen neben darumb gestrychen·(Item wôllicher do hette emoτroidas·dz ist ein fluþ des afftern·der streÿche des safftes darauff·er heÿlet den gebτesten zůhandt·(Der meister Avicenna in seinem anderen bůch in dem capitel menta beschreÿbet uns und spτicht·das menta stercke den magen·und mach auch jn gar warm·und benÿmmet auch daz ausstossen und dz bτechen·Unnd benÿmmet auch ÿctericiam·das ist die geelsucht·(Item für dises ÿeczund genennet stuck in disem capitel ist auch der sÿropel von müncz an dem besten genüczet·(Platearius. Der sÿopel bτinget auch gelusten den mannen unud auch den frawen.

(1) Munt, 251ste kapittel.

Mentha Latijn. Grieks ediosmoi. Arabisch Nachama vel Dichnacha. (Mentha species)

In het boek genaamd Pandecta in het kapittel Mentha beschrijven ons de meesters en spreken dat er vele soorten zijn, de ene is tam en groeit in de tuin en deze heeft een goede reuk en die is verhitten en versterken van natuur. Een andere munt en die is wild en groeit in de wouden en die is in Latijn genaamd Menthastrum waarvan we hierna apart wat schrijven. Er is ook een andere munt die heeft lange spitse bladeren en heet in Latijn Mentha romana. Er is ook een andere munt [280] die heet in Latijn Mentha aquatica, ook noemen ettelijke meesters die Mentha aquaticam simbrium of balsamita. Er is ook een andere Mentha die heeft geen reuk en is in Latijn genaamd calamentum. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel dichanacha, id est Mentha, beschrijft ons en spreekt dat de tamme munt is groen zomer en winter. Ook is het te weten dat in deze figuur drie kruiden staan en alle Mentha genaamd zijn en hebben bijna een natuur en daarom worden ze gebruikt de ene gelijk de andere. De meester Paulus spreekt dat Mentha en vooral de tamme is heet en droog aan de derde graad, ettelijke spreken aan de andere graad. En dit kruid gebruikt men in de artsenij meer dan de anderen en is ook goed groen en droog. De meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat Mentha is heet en droog aan de andere graad, desgelijks beschrijven ons de meesters in het boek genaamd Circa instans en dat is erg klein onderscheid met de meester Paulus die spreekt aan de derde graad. (2) Item, de meesters spreken gewoonlijk dat munt en vooral de tamme versterkt de maag en maakt goed verduwen. Item. Mentha genuttigd is erg goed voor de spoelworm, dat poeder ingenomen met melk. Mentha gekookt en daarmee gebaad dat gezwollen geslacht beneemt dat gezwel behendig.(30 Mentha gestoten en op de harde borst gelegd daar de melk in verhard is en ook dat er gezwollen is weekt het en beneemt de pijn daarin. Mentha gegeten weekt de buik. Mentha elke dag genuttigd die heeft een mooie kleur en is en is gezond in alle tijd. Dioscorides spreekt dat het sap ook erg goed is gedronken met azijn diegenen die er bloed spuwen. Item, dat voorhoofd gestreken met het sap beneemt ook dat hoofdpijn. Item, het sap gedronken met honingwater genaamd mulsa beneemt dat suizen in de oren. Item, munt gekookt met wijn en dan gedronken beneemt de kwalijk ruikende mond. Ook mag men daaronder mengen azijn en daarmee de mond wassen, maakt goede tanden. Alzo genuttigd verdrijft het de pijn aan de tong die je komt van hitte. Item, Mentha en ruit en ook uien, van elk gelijk veel, en ook daartoe gemengd zout en die tezamen gestoten en daarop gelegd waar de (7) adder steekt of bijt, het helpt zonder twijfel.

Item, Mentha met honing gestoten en ook gemengd met azijn en gebonden op een beet van een dolle hond, het helpt. (4) De vrouwen die zich verzuimen aan hun ziekte die zullen eten munt en daarvan drinken, het brengt hun vochtigheid. (5) [281] Item, wie ‘s morgens nuchter zijn tanden wast met munt die vergaat de tandpijn. Item, muntsap met honing getemperd en aan de ogen gestreken verdrijft de donkerheid. Mentha getemperd met azijn beneemt ook de vlekken in de ogen, daarnaast daarom gestreken. Item, wie er heeft emorroidas, dat is een vloed van het achterste, die strijkt het sap daarop, het heelt dat gebrek gelijk. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Mentha beschrijft ons en spreekt dat Mentha versterkt de maag en maakt ook hem erg warm en beneemt ook (6) dat uitstoten en dat braken. En beneemt ook icter, dat is de geelziekte. Item, voor dit net genoemde stuk in dit kapittel is ook de siroop van munt aan het beste genuttigd. Platearius. De siroop brengt ook lust de mannen en ook de vrouwen.

De Gart; ‘de ene is tam en groeit in de tuin en deze heeft een goede reuk en die is verhitten en versterken van natuur. (d) Een andere munt en die is wild en groeit in de wouden en die is in Latijn genaamd Menthastrum waarvan we hierna apart wat schrijven. (e ) Er is ook een andere munt die heeft lange spitse bladeren en heet in Latijn Mentha romana. (c )Er is ook een andere munt die heet in Latijn Mentha aquatica, ook noemen ettelijke meesters die Mentha aquaticam simbrium of balsamita. (f) Er is ook een andere Mentha die heeft geen reuk. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel dichanacha, id est Mentha, beschrijft ons en spreekt dat de tamme munt is groen zomer en winter’.

(a) De domestica of geteelde zou Mentha aquatica var. crispa zijn, die heet Gartenminze en Hausminze.

(b) Mentha sylvestris; van het bos heet nu Mentha longifolia, vroeger M. sylvestris, heeft vele subspecies.

(c ) Mentha aquatica. Heet nog zo. 

(d) Mentha suaveolens; Dodonaeus; ‘‘De vijfde soort noemt Dioscorides Hedyosmos agrios, dat is wilde munt, in het Latijn Mentha silvestris, anders zo noemt men het Menthastrum naar het zeggen van Plinius, de apothekers noemen het Alba mentha of witte munt, de Hoogduitsers Wilde Muntz.

(e ) Mentha romana. Dodonaeus over Mentha spicata;’ ‘Deze mag in het Nederduits smalle munt genoemd worden, sommige noemen het in het Latijn Mentha Sarracenia, Mentha Romana, Mentha angustifolia, in het Hoogduits Balsam Muntz, Unser Frauwen Muntz, Spitzer Muntz en Spitzer Balsam’.

(f) Mogelijk akkermunt. Mentha arvensis.

(g) Nepeta is wat verwarrend omdat die aan verschillende muntsoorten werd gegeven. Ook Nepeta. Ook Platearius gebruikt de benaming; ‘Calementum est autem herba que alio nomine quibusdam nepita dicitur’. De namen lopen door elkaar. Dan zijn er nog verschillende Calamintha soorten die ook munt heten zoals Clinopodium calamintha.

Bachmyncz cclii Ca

Mentastrum latine·

(Die meister spτechen dz dises seÿ ein kraut und wechþt gern bej den feüchten stetten·und dz kraut hat an jm vil tugent·des geleÿchen die wurczel·Dises krautte ist feüchter natur·und die feüchtung ist getemperiert mit einer wÿrme·(Dises kraut gesotten in wasser·und die haudt die do ist abgegangen von geen od grosser arbeyt heÿlet die zůhandt do mit gewåschen·(Dises krautt und wurzeln gestossen und darauþ den safft gelassen·diser d ist gedôτret als gůt als der feûcht·und weret ein ganczes jar·

(Plinius·Wôlcher zerknüschte gelÿder håtte an wôlchen en (·f·ij·) [282] den des leÿbes das wåre·der neme papplen und siede die mitt wein·mit disen müsche des safftes darund und streÿch das zerknüschet gelyd·es heÿlt on schaden·also das das rot fleÿsch und baÿn alles auþ fellet·(Item warzů menta genüczt wirt in d erczney do mag man mentastrum auch zů nüczen·und dises mercke auþwenig des leybes und nit in den leÿbe·

(1) Watermunt, 252ste kapittel.

Menthastrum Latijn. (Mentha aquatica)

De meesters spreken dat dit is een kruid en groeit graag bij de vochtige plaatsen en dat kruid heeft aan hem veel deugd, desgelijks de wortel. Dit kruid is van vochtige natuur en die vochtigheid is getemperd met een warmte. Dit kruid gekookt in water en de huid die je is afgegaan van gaan of grote arbeid heelt die gelijk, daarmee gewassen. Dit kruid en wortel gestoten en daaruit het sap gelaten en die gedroogd is net zo goed als de vochtige en blijft een gans jaar.

Plinius. Wie gekneusde leden heeft aan welke einden [282] van het lijf dat is, die neemt kaasjeskruid en kook die met wijn en met deze meng je het sap daaronder en strijk dat gekneusde lid, het heelt zonder schade alzo dat het rotte vlees en been alles uitvalt. Item, waartoe Mentha genuttigd wordt in de artsenij daar mag men Menthastrum ook toe nuttigen en deze meer aan de buitenkant van het lijf en niet in het lijf.

Zie kapittel 251.

(1) Dodonaeus; ‘‘De vijfde soort (balsemmunt of Mentha viridis) noemt Dioscorides Hedyosmos agrios, dat is wilde munt, in het Latijn Mentha silvestris, anders zo noemt men het Menthastrum naar het zeggen van Plinius, de Hoogduitsers Wilde Muntz.

Bappeln ccliii capi

Malva latine·

(In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·das bappeln sej kalt und feücht an dem anderen grad·Es sind zweÿer hand bappeln·eine wÿld·die ander zåm·Die zåm wechþt in den gårten·und sunft allenthalb·und die ist mer von natur kelten denn die wilde·und ist feüchter subtilicher·Aber die wÿld die man nennet zů latein malva viscus·dise papelen sind lenger und haben lengere bleter denn die ersten·und die ist nit also seer kelten und feüchtigen als die erste·(Für die heÿþsen und herten geschweere sind gůt die beppeln gestossen und darüber geleget·(Auch sind bappelen gůt zů zeÿtigen also das man die bleter stoþ·und die schweÿsse in reynbårgen speck·und gelegt auff geschweere·und dises sol geschehen so die bletter grŭn sind·(Die wurczel hat mer krafftt denn die bleter grŭn und auch düτre·(Dise wurczeln gesotten in wasser unnd darnach zerstossen unnd darunder gemüschet eÿeþ weÿþs·und gersten meel·unnd geleget auff die heÿssenn geschweere·kŭlet und waÿchet sÿ·

(Der meister Avicenna spτicht das bappelwurczeln und auch d samen sey senfftigklich waÿchen·und von einand teÿlen. (Diascorides spτicht·daz dises kraut mit der wurczeln sol gesoten werden·also das dz wasser gancz einsiede·so beleÿbt dan kleberichte materj in dem geschirτe darmnen es gesoten hat·Die selbig materien ist gůt auff geschweeren gelegt sÿ waychet und teylet von einander balde·(Dz wasser domit papeln gesoten wirt gemüschet mit baumôle und ein wenig wachþ ist auch gar ein gûte salben unb [283] die geschweer gestrÿchen·(Der meister Diascoτides spτicht daz die fryschen bleter gar gůt sind gesoten und auff die frÿschen wunden geleget sÿ heylen auff stund· (Die blůmmen gekochett mit mulsa oder mit wein und darnach die gestossen·heÿlen scrofulen dz sind hertt beülen und auch ander bôse geschweer·(Also genünüczet benymmet es den wee in dem afftern·(Es ist auch fast gůtt der zerknüscheten gelÿdern darauff geleget·(Der meister wilhelmus in seiner cÿroτgi ist fast bτauchen pappeln zů heÿssen geschweren·und auch sunderlichen für geschwulst·(Der same mit wein oder baummôle getemperieret vertreÿbet aller handt flecken under den augen·

(1) Kaasjeskruid, 253ste kapittel.

Malva Latijn. (Althaea officinalis, Malva sylvestris)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat kaasjeskruid is koud en vochtig aan de andere graad. En is tweevormig kaasjeskruid, een wild en de ander tam. De tamme groeit in de tuin en verder overal en die is meer van natuur verkoelend dan de wilde en is vochtig subtiel. Maar de wilde die men noemt in Latijn Malva viscus, dit kaasjeskruid is langer en heeft langere bladeren dan de eerste en die is niet alzo zeer verkoelend en vochtig dan de eerste. (2) Voor de hete en harde zweren zijn goed de kaasjeskruiden gestoten en daarover gelegd. Ook zijn kaasjeskruid goed te rijpen alzo dat men die bladeren stoot en dat zweet in Reinbergen spek en gelegd op zweren en dit zal geschieden zo de bladeren groen zijn. De wortel heeft meer kracht dan de bladeren groen en ook droog. Deze wortel gekookt in water en daarna gestoten en daaronder gemengd eierenwit en gerstemeel en gelegd op de hete zweren verkoelt ze en weekt ze.

De meester Avicenna spreekt dat kaasjeskruidwortels en ook de zaden is zachtjes weken en van elkaar delen. Dioscorides spreekt dat dit kruid met de wortels zal gekookt worden alzo dat het water gans inkookt en zo blijft dan kleverige materie in het vat daarin het gekookt heeft. Dezelfde materie is goed op zweren gelegd, dat weekt en deelt van elkaar gauw. Dat water daarmee kaasjeskruid gekookt wordt gemengd met olijvenolie en een weinig was is ook erg een goede zalf om [283] de zweer gestreken. De meester Dioscorides spreekt dat de verse bladeren erg goed zijn gekookt en op de verse wonden gelegd, ze helen gelijk. De bloemen gekookt met honingwijn of met wijn en daarna die gestoten helen scrofulen, dat zijn harde builen, en ook andere kwade zweren. Alzo genuttigd beneemt het de pijn in het achterste. Het is ook erg goed de gekneusde leden, daarop gelegd. De meesters Wilhelmus in zijn chirurgie is vast gebruiken kaasjeskruid tot hete zweren en ook vooral voor gezwellen. Het zaad met wijn of olijvenolie getemperd verdrijft allerhande vlekken onder de ogen.

De een wild, de ander tam. De tamme zou ook Alcea rosea kunnen zijn, stokroos. De afbeelding geeft echter geen bloemen.

Dodonaeus; ‘De geslachten van maluwe zijn menigvuldig. 

(1) Dodonaeus ; ‘De wilde maluwe is in het Grieks Malache agria genoemd en van sommige Acopos alsof men pijn verzachtend kruid zei en n het Latijn Malva silvestris, in het Brabants maluwe en keeskens-cruydt, in het Hoogduits Pappeln’.

Herbarijs; ‘Maluwe of pappele. (2) En die een zweer heeft zal men de bladeren stampen met vers varkensvet dat verwarmd is op een tichel en het erop leggen.

Herbarius in Dyetsche; ‘ Er zijn twee soorten van malve als domestica die in de hoven groeit en je vrijwel overal vindt. De andere is sylvestris en dat is de wilde malve, Althaea, Malvaruscus of bismalva, dat is de witte heemst.

(2) Als Malva met zijn bladeren in azijn gekookt en bij beginnende blaren er op gelegd wordt is het goed om de blaar te rijpen.

Garbe ccliiii Cap

Millefolium latine·grece Menofilos·

(Der meister diascoτides in dem capitel Menofilos idest millefolium spτicht dz diser seÿ zweyer handt·eines månlich·das ander freülich·Die månlich garb wåchþet hoch mit weýssen haubten. Aber die freülich beleÿbet klein und nÿder·diþs wirt genant schaffgarbe·dise beÿd wachsen fast an den wegen und haben bleter geleych dem fenchel·Dise kreütter sind auch gar dünn zů den seÿten·und haben auch subtile bletter die sind weÿþfarb·und hatt auch darumb den namen millefolium·umb des willen das es vil und mangerleÿ bletter hat. (Item·Platearius und Plinius spτechen·das millefolium gestossen und geleget auff wunden behŭtet die voτ geschwulst·

(Item·Millefolium gebaÿssett mit buttern·und auþwenig geleget auff den backen·benymmet auch gar groþs zeenwee die do kommen von hÿcze·(Item. Wer mit not neczet der trincke garbe mit eþsig·es hilfft gar wol·

(Item·Millefolium ist auch gar gůt calculosis·das sind die den stein haben·darüber getruncken·(Item der meister Galienus in seinem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel millefolium spτichet·daz garbe seÿ fast auþtrucken die wunden von dem blůtte·und zeühet sÿ gar zůsamen. (·f·iij·) [284] (Item der meister Wilhelmus in seiner cÿroτgi beschτeÿbt uns ein recept also·Nÿmme sanickel und heÿddisch wundtkraut und seüde die mit wasser als lange biþ die kreütter zů einem můþs werden·darnach thů die kreüter auch in ein thůch·und trucke sÿ durch und mache auch darauþ einen bτeÿen·also das siben gezeÿte samen meel darunder gemüschet werde·Darnach nymme auch ein bôcken ünþlet und reynbårgen schmalcz·ÿegklichs geleych vil·baummôle halb als vÿl·und lasse daz auch erwallen beÿ dem feüwer·und thů darzů ein wenig wachþ unnd mache auch darauþ ein salben·dise salben ist auch gar gůt den wunden darauff geleget sÿ heýlen on schaden in kürcze·(Auch ist sÿ gůt zů gebτauchen zů alten faulen schåden wie die gesein mügen·Und der ÿeczgenant wilhelmus gar grossen gots lone verdienet hat mit diser salben·

(1) Duizendblad, 254ste kapittel.

Millefolium Latijn. Grieks Menofilos. (Achillea millefolium)

De meester Dioscorides in het kapittel Menofilos, id est millefolium, spreekt dat dit is tweevormig, een mannelijk en de ander vrouwelijk. Dat mannelijke duizendblad groeit hoog met witte hoofden. Maar de vrouwelijke blijft klein en neer en dit wordt genaamd schapenduizendblad, deze beide groeien erg aan de wegen en hebben bladeren gelijk de venkel. Deze kruiden zijn ook erg dun aan de zijden en hebben ook subtiele bladeren en die zijn witkleurig en hebben ook daarom de naam millefolium vanwege dat het veel en verschillende bladeren heeft. (2) Item, Platearius en Plinius spreken dat millefolium gestoten en gelegd op wonden behoedt die voor gezwellen.

Item. Millefolium gebaad met boter en aan de buitenkant gelegd op de kaak beneemt ook erg grote (3) tandpijn die je komt van hitte. Item. (4) Wie met nood plast die drinkt duizendblad met azijn, het helpt erg goed.

Item. Millefolium is ook erg goed calculosis, dat zijn die de steen hebben, daarvan gedronken. (5) [284] Item, de meester Galenus in zijn zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel millefolium spreekt dat duizendblad is erg uitdrogen de wonden van het bloed en trekt ze erg tezamen. Item, de meester Wilhelmus in zijn chirurgie beschrijft ons een recept alzo: Neem sanikel en Solidago en kook die met water zolang tot de kruiden tot een moes worden, daarna doe de kruiden ook in een doek en druk ze door en maak ook daaruit een brei alzo dat zevengetijden zadenmeel daaronder gemengd wordt. Daarna neem ook een bokkenvet en Reinbergen vet, van elk gelijk veel, olijvenolie, half als veel, en laat dat ook wellen bij het vuur en doe daartoe een weinig was en maak ook daaruit een zalf, deze zalf is ook erg goed de wonden daarop gelegd, ze helen zonder schade in kort. Ook is ze goed te gebruiken tot oude vuile schaden waar die zijn mogen. En de net genoemde Wilhelmus erg grote Gods loon verdiend heeft met deze zalf.

(1) Dodonaeus; ‘(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit kruid in deze tijden meest Millefolium op zijn Latijns al of men duizendblad zei, in het Latijn noemen ze dat Achillea.

Herbarius in Dyetsche komt veel overeen met de Gart; (2) Het sap van duizendblad heelt de wonden en beschermt het tegen zorgen.

(3) Tegen tandpijn die uit hete zaken komt: ‘Neem het sap van duizendblad met het kooksel van bertram in azijn’.

(4) Tegen moeilijkheid van het plassen: ‘Neem het sap van duizendblad’. (5) Galenus in het zevende boek van de enkelvoudige medicijnen in het kapittel van millefolium zegt dat het zeer opdroogt en zo de wonden heelt.

Maioτon cclv Capi

Maioτana vel Sansuccus latine·arabice Mercenius·grece eþbτium·

(Der hochgelert meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Maioτana·beschτeibet uns und spτicht·das diþ seÿ heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Platearius·Maioτana ist von einander thûn und auff thůn und subtil machen·(Item Avicenna spτichet·das das ôle von maioτon geachtt ist fast gůt den jnnerlichen gelÿdern·domitt warm zů machen und auch die aussern gelÿder·(Das wasser das gesoten wirdt mit maioτon ist gůtt gethon in die scharpffen hôτner oder sÿ domitt geneczet [285] es behŭtet den menschen dz nach den schτepffen nit bôses darzû schlecht als dan dÿcke geschicht durch unreÿne eÿsen od kôpffe. (Plinius unnd Serapio spτechen·das der safft van maioτana gestrÿchen über gelebert blůt od todt geblŭte·bτinge jme widerumb sein krafft·(Maioτana gesoten in laugen und dz haubt domit gewåschen·benÿmmt groþ haubtwee·besunderlichen denen die mit grosser fantaseÿen umbgeen·als dann sind melancolicj und den selben bekommet es aller baþt·(Maioτana ist fast gůtt den hÿrn·und benÿmmt die stopffung der gelider·und darumb ist dises kraut nücz den jhenen dÿe do beladen sind mit der bôsen sucht epilentia genant·und sundeτlich den die das haubt zů rucken keren·unnd auch die do toτturi werden·das ist die das maul schlemms machen·als dan geschichte apopleticis·das ist d schlag. (Cassius felix ein meister spτichet·daz dz ôle von maioτon gůt seý für all ÿeczgenante gebτesten. (Item maioτana gedôτret und gebulfert und gemüschet mit hônig·und geschmieret über gelebert blůt under den augen·benymmet es·(Maioτanaôle erwôτmet den frawen jr můter·

(Der meister Rasis spτicht dz von dem gůtten gerauchen des meýron und auch der hyczung halben und subtilung des dÿses kraut in jm hat so ist es fast gůt genüczt allen kranckheyten die von kelte kommen·und sterckett domitt daz hÿrn und alle gelÿdeτ des ganczen leybes·(Der meister Plinius in dem capitel maioτana spτichet·das dise groþse krafft habe zů wôτmen die jnnerlichen gelÿder·und domit waÿchet es auch das milcz·und benymmet die geschwulst davon·

(Maioτana gesoten und getruncken benymmet die wassersucht.

(Maioτana machet wol hårmen. (Der safft von maioτana gemüschet mit hônig und gestrichen auff gelebert blůte·benÿmmet das unnd heÿlet die selben flecken·(Item maioτana gebτauchet mit polenta·benymmett die geschwulst des ganczen leybes. (In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister in dem capitel maioτana und spτechen daz die blůmen gar nücz sind gebτauchet in der erczneÿ·und die sol man sameln in dem summer und die behalten über jare·

(Item maioτana geessen in deτ kost und auch davon getruncken erwôτmet den erkaltten magen·und machet wol deüwen·unnd benymmet domit die schwÿntsuchte ptisis genant·(Die blůmen und auch das kraut geton in ein såcklein·und geleget auff dem magen benymmet das wee davon.

(Item maioτana gebulfeτt und auch gelassen in die nasen·seüberet daz haubt und erwôτmet es. Unnd ist auch fast gesundt einen yegklichen also gebτauchet·

(Item maioτana gesoten in wasser·und den tampff gelassen unden auff·reÿniget die můter·(·f·iiij·)[286] Und alle obgeschτibne stuck beschτeibet Avicenna in seinem andern bůch·in dem capitel maiorana·

(1) Majoraan, 255ste kapittel.

Maiorana vel Sansuccus Latijn. Arabisch Mercenius. Grieks esbrium (Origanum majorana)

De zeer geleerde meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel majoraan beschrijft ons en spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad. Platearius. (2) Majoraan is van elkaar doen en opendoen en subtiel maken. Item, (1) Avicenna spreekt dat de olie van majoraan gemaakt is erg goed de innerlijke leden daarmee warm te maken en ook de buitenste leden. Dat water dat gekookt wordt met majoraan is goed gedaan in de scherpe horens of ze daarmee genat, [285] het behoedt de mensen dat na het schrappen niets kwaads daartoe slaat als dan vaak gebeurt door onrein ijzer of koppen. Plinius en Serapio spreken dat het sap van majoraan gestreken over gestold bloed of dood bloed brengt die wederom zijn kracht. (9) Majoraan gekookt in loog en dat hoofd daarmee gewassen beneemt grote hoofdpijn en vooral diegenen die met grote fantasie omgaan zoals dan zijn melancholici en diezelfde bekomt het allerbest. Majoraan is erg goed de hersens en beneemt de verstopping van de leden en daarom is dit kruid nuttig diegenen die er beladen zijn met de kwade ziekte epilepsie genaamd en bijzonder die dat hoofd terug keren en ook die er torturi worden, dat is die in de mond slijm maken zoals dan geschiedt apoplexie, dat is de slag. Cassius Felix, een meester, spreekt dat de olie van majoraan goed is voor alle net genoemde gebreken. (4) Item, majoraan gedroogd en gepoederd en gemengd met honing en gesmeerd over gestold bloed onder de ogen beneemt het. (5) Majoraanolie verwarmt de vrouwen hun baarmoeder.

De meester Rasis spreekt dat van de goede reuk van de majoraan en ook vanwege de hitte en het subtiele dat dit kruid in zich heeft zo is het erg goed genuttigd in alle ziektes die van koudheid komen en versterkt daarmee de hersens en alle leden van het ganse lijf. (10) De meester Plinius in het kapittel majoraan spreekt dat deze grote kracht heeft te verwarmen de innerlijke leden en daarmee weekt het ook de milt en beneemt de gezwellen daarvan.

(3) Majoraan gekookt en gedronken beneemt de waterziekte.

Majoraan maakt goed plassen. Het sap van majoraan gemengd met honing en gestreken op gestold bloed beneemt dat en heelt diezelfde vlekken. Item, majoraan gebruikt met polenta beneemt de gezwellen van het ganse lijf. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters in het kapittel majoraan en spreken dat de bloemen erg nuttig zijn gebruikt in de artsenij en die zal men verzamelen in de zomer en die behouden over jaar.

(7) Item, majoraan gegeten in de kost en ook daarvan gedronken verwarmt de verkouden maag en maakt goed verduwen en beneemt daarmee de duizeligheid ftisis genaamd. (8) De bloemen en ook dat kruid gedaan in een zakje en gelegd op de maag beneemt de pijn daarvan.

(6) Item, majoraan gepoederd en ook gelaten in de neus zuivert dat hoofd en verwarmt het. En is ook erg gezond door iedereen alzo gebruikt.

(5) Item, majoraan gekookt in water en de damp gelaten onderop reinigt de baarmoeder. [286] En alle opgeschreven stukken beschrijft Avicenna in zijn andere boek in het kapittel majoraan.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid noemt men hier te lande marioleyne, in Hoogduitsland Maioran en Meyran.

Herbarius in Dyetsche lijkt hierin veel op de Gart; Mageleyne of maiorana of (sansucus) is heet en droog in de derde graad. (2) Het heeft de kracht om te versterken vanuit haar welriekendheid, te ontbinden, te verteren en te zuiveren vanuit haar kwaliteit. Het verwarmt zeer.

(3) Tegen beginnende waterzucht en tegen aandrang tot waterlozing drink je wijn waar majoraan, schijtkruid en kruidvlier in gekookt zijn.

(4) Tegen gestolde bloed onder de ogen meng je het sap van majoraanbladeren met honing en strijk dit er op.

(5) Om stonden te laten komen maak je een popje van onderen op de wijze van een klysma van het kooksel van majoraan en averone met gestampte knoflook.

(6) Om het hoofd te versterken en te reinigen: ‘Neem poeder van majoraan, gember en bertram, meng het tezamen en blaas het in de neus’.

(7) Wijn waar majoraan in gekookt is en dit gedronken of het poeder er van in het eten genomen versterkt de maag en haar vertering en verwarmt de verkouden maag.

(8) Als je het hele kruid van majoraan met wilde marjolein in een pan verwarmt en dan in een zakje doet en het zo op de pijn van de maag of de darmen legt die van winden komen geneest het.

(10) Tegen pijn van slijmachtige blaren of opwerpingen van de vast zittende spieren of zenuwen.

(9) Om de verstopping van de hersens te openen maak je een caputpurgium

(dat is hoofd ruimend middel van majoraan) want als je dat door de neus op haalt helpt het zeer daar tegen, tegen vallende ziekte, tegen jicht, tegen wrijving van de mond en tegen migraine.

Andτon cclvi ap

Marubium sive Pτassium latine·grece philofloτes·arabice farasÿon vel Marmaco·

In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·daz dises kraut seÿ heÿþ und trucken an dem dτitten grad·etlich spτechen an dem andern grad·Die bleter bτaucht man in der erczney und die rÿnden der wurczelen·Dises krautt sol man dôτrenn·das weret ein jar und nit darüber·Es ist von natur dissolvieren und auff thůn·Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Farasÿon idest pτassium sive marubium·beschτeibet uns und spτichet·das dises kraut hab vil stengel die do geen auþ einer wurczlen·die bletter sind eines daumen lang und rund und rauch·die blůmen und auch der same sind geteÿlet durch die eþte·d ist runde und scherpfflich·Es wechþet gern auff dem felde und auch den heüfern·(Item Diascoτides in dem capitel marubium spτichet·das andτon habe stengel dye sind weÿþs und scharpff unnd viereckat·und die bleter sind bitter·(Der same ist rund unnd scharpff und wechþt an vil enden·(Der meister avicenna beschτeibt uns und spτicht·das dises kraut sey fast bitter·(Oτibasius spτicht·das die hÿcze und die trückne von disem kraut nit fast starck seý·(Diascoτides die bletter oder der safft von den blettern·oder den samen gesoten in wein und den getruncken mit hônig·ist fast gůt ptisis·das ist die das abnemen haben·und auch die do fast hůsten·(Andτon ist gůt zů bτauchen für die pestilencz·die bleter oder den safft mit einem tŭchlein geneczet und darumb geschlagen·(Marubium ist gůt den frawen die bôþlichen gebeeren·und treÿbet auþ die andern geburt secundina genant·(Den safft gedôτret und darnach gemüschet mit hônig und wein und gestrichen an die augen·vertreÿbet den schein der au [287] gen·Andτon mit hônig getemperiert seübert und heÿlet die wunden·(Auch heÿlet das selbig geschweren die umb sich dz fleÿch essen·das selbig getruncken hilfft auch wol der schwerenden seÿten·(Item Andτon safft gemüschet mit baumôle und den in die oτen gethon vertreÿbet jrenn grossen schmerczen·(Der meister Diascoτides spτicht·das andτon nit gůt seÿ den die do lenden siech sind·oder in der blasen gebτechen haben·(Wer den hůsten håte der neme fenchel und dÿlle ÿegklichs geleych vil·unnd thů darzů andτon das dτitteÿl·und seüde auch das mit wein·unnd darnach so seihe es do durch ein thůch·und trincke das·es stillet auch den hůsten gar behende·

(Item·Wem die dårme weethůnd oder gebτochen sind·d siede auch andτon mit wein unnd thů hônig darzů·unnd lasse es auch kalt werden und trinck dz dýck es hilfft gar wol·(Die meister spτechen auch gemeÿniklichen·das der safft von andτon seÿe fast gůt zů maniger hanndt kranckheyten·als uns beschτeÿben Avicenna Diascoτides Platearius und Plinius·und auch ander vil die hie under wegen gelassen werden umb kürcze willen. (Item andτon gesotten mit leckericz·und auch mit fenchel samen und mit wein ein dτitteÿle eingesoten und auch durch geschlagen und sŭþ gemachet mit zucker·ist fast gůt wider dz darme gesüchte genant colica·unnd auch wider die bestopffung des harms genant stranguiria suria dissuria·

Andoren, 256ste kapittel.

(1) Marubium sive Prassium Latijn. Grieks philoflores. Arabisch farasÿon vel Marmaco. (Marrubium vulgare)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad, ettelijke spreken aan de andere graad. De bladeren gebruikt men in de artsenij en de bast van de wortels. Dit kruid zal men drogen dat blijft een jaar en niet daarover. (2) En is van natuur oplossen en opendoen. De meesters Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Farasÿon, id est prassium sive Marrubium, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid heeft veel stengels die er gaan uit een wortel, de bladeren zijn een duim lang en rond en ruw, de bloemen en ook het zaad zijn gedeeld door de takken, die zijn rond en scherp. Het groeit graag op het veld en ook de hooivelden. Item, Dioscorides in het kapittel Marrubium spreekt dat andoren heeft stengels die zijn wit en scherp en vierkantig en de bladeren zijn bitter. Het zaad is rond en scherp en groeit aan veel einden. De meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is erg bitter. Oribasius spreekt dat de hitte en de droogte van dit kruid niet erg sterk is. Dioscorides, de bladeren of het sap van de bladeren of de zaden gekookt in wijn en dan gedronken met honing is erg goed ftisis, dat is die dat afnemen hebben, en ook die er erg (3) hoesten. Andoren is goed te gebruiken voor die pest, de bladeren of het sap met een doekje genat en daarom geslagen. Marrubium is goed de vrouwen die slecht baren en drijft uit de andere geboorte secundina genaamd. Het sap gedroogd en daarna gemengd met honing en wijn en gestreken aan die ogen verdrijft het schijnen der [287] ogen.(4) Andoren met honing getemperd zuivert en heelt de wonden. Ook heelt datzelfde zweren die om zich dat vlees eten, datzelfde gedronken helpt ook goed de zwerende zijde. Item. Andorensap gemengd met olijvenolie en dan in de oren gedaan verdrijft zijn grote pijnen. De meester Dioscorides spreekt dat andoren niet goed is die er lendenziek zijn of in de blaas gebreken hebben. (3) Wie de hoest heeft die neemt venkel en dille, van elk gelijk veel, en doe daartoe andoren dat derde deel kook dat ook met wijn en daarna zo zeef het door een doek en drink dat, het stilt ook de hoest erg behendig.

Item. Wie de darmen pijn doen of gebroken zijn die kookt ook andoren met wijn en doet honing daartoe en laat het ook koud worden en drink dat vaak, het helpt erg goed. De meesters spreken ook algemeen dat het sap van andoren is erg goed tot vele ziektes zoals ons beschrijven Avicenna, Dioscorides, Platearius en Plinius en ook ander veel die hier onderweg gelaten worden vanwege de kortheid. Item, andoren gekookt met zoethout en ook met venkelzaden en met wijn een derde deel ingekookt en ook doorgeslagen en zoet gemaakt met suiker is erg goed tegen de (5) darmenziekte genaamd koliek en ook tegen de (2) verstopping van de urine, genaamd stranguiriam suria dysurie.

(1) Dodonaeus; ‘Men noemt dit gewas in het Nederlands malrove of witte andoren, in het Hoogduits Marobel en Weiss Andorn. In het Grieks noemt men het Prasion, in het Latijn Marrubium.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het heeft de kracht om te ontbinden en te verteren vanwege haar kwaliteit en is diuretica (dat het de urineweg opent) vanwege haar bitterheid. (3) Een drank die van haar gemaakt is is goed tegen de ontsteltenis van de borst en van de longen die van taai slijm komen en daarom is het goed tegen het moeilijk adem halen en tegen hoest .

(4) Tegen oorwormen doe je het sap van dit kruid in de oren.

(5) Tegen verstoppingen van de lever en van de milt: ‘Neem wijn waar malrove in gekookt is, dit zuivert ook door het uitspuwen de borst en de longen en het laat ook de stonden komen’. Serapio.

Alraun man

Das cclvii Capit

Mandτagoτa latine·grece Anthimon·vel Triceon·arabice leboτat·

(Die meister spτechen gemeÿniklich·das zweyer handt seÿ d alraun·eine d man·die ander dÿe fraw·In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·daz mandτago [288] ra seÿ kalt und trucken an dem dτitten grad·Und ist dises auch die meÿnung des meisters avicenne. Die fraw hat spyczigere bleter dem der man·Etlich meister sprechen das die freülich genüczet werde in d erczneýe und nit die månlich·aber wie dem seÿ so bτauchet man die alle beÿd·und haben beÿ nahe ein natur·(Item·die meister beschτeyben uns auch in dem bůch circa instans und spτechen·dz dise wurczeln verkauft werden und gefoτmiert sind geleÿch den menschen·als mannen und frawen·Darzů spτechen die meister·dz ein sollichs kein warheÿt auff jm habe·und nit also gefoτmiert sind·und sollich wurczlen wachþen nit in der erden·sundeτ sÿ werden gemachet von künsten und also gestalt·(Der meister Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel mandτagoτa beschτeÿbet uns und spτicht das die natur d alraun seÿ kalt an dem dτitten grad·und hat ein kleine wÿrme in jr·aber in dem apffel ist feüchtung·(Und spτichet auch daz die hyrten essen die ôpffel auff dem felde·und wenn sÿ die geessen se werdend sÿ fast darauff schlaffen·(Auch spτichet Galienus·das die rÿnden von der wurczeln seÿ fast keltten und domit trucken machen·Aber daz marck in den rynden ist kein nücze in der erczney·(Ettlich cÿroτgici bτauchen ein wurczel die ist auch diser natur als alraun·Davon uns beschτeibet Serapio und heÿsset sÿ marbus·und wåchþet gern an dem schatten. Dise wurczel ist weÿþ und waÿch und ist einer spannen lang und als dýck als ein daumen·Dise wurczel thůn sÿ in wein oder in koste·und lassen davon trincken und esse·die entzünndet sich an den gelÿdern·also das dz heÿlig feüwer sÿ jrτet·die selbigen werden auch also seer darvon schlaffen das sÿ nit faulen das man jenen abschneÿdet ein gelÿd von dem leÿbe·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel leboτat idest mandτagoτa beschτeibet uns und spτicht·das der seÿ zweÿer handt·eine månlich·die ander freülich·Die freülich hat bleter geleÿch den lattichen und die bletter sind feÿþt und haben einen schwåren gerauch·Dÿses kraut hat keinen stammen sunder es wechþt nahent bej d erden·und bτeyttet sich wider auþ zwÿschen den bletern·In der mitte hatt es ein frucht geleÿch den nespelen darinnen sind kôτner geleych als in den beeren·Dise wurczel ist auch gar groþ und die ist auþwenig schwarz und jnnwenig weÿþs·und hat auch ein grobe rÿnden·Das månlich hat bletter die sind bτeÿt und auch lange geleich den kolen und waich und sein frucht die ist zwier als groþ als die erst·unnd geleÿche einem ampffel·und die sind von farben geleÿch dem saffran·und haben einen gůten gerauch. Die hÿrten essen d auf dem felde·und werden auch darnach fast schlaffen·[289] (Der wirdig meisteτ avicenna in seinem andern bůch in dem capitel Jaub spτicht·das dise wurcz wachþe in d erden geleÿch dem menschen an d gestalt od beÿ nahen also foτmieret·(Wôlcher nicht schlaffen müg d neme d rÿnden diser wurczel und stoþ die zů bulfer·und müsche darunder frawen milch und das weÿþ von einen eýe und streych dises umb die schlåff d mensch wirt fast růwe davon·(Für den grÿndt auff dem haubt stosse die bleter von alraun·und lege die also gestossen auff das haubt·sÿ heÿlen den grind zehant. (Platearius·der nitt schlaffen môcht d neme ôle gemachet von alraun·dises ôle mache also·nymme d ôpffel von dem alraun und lege die in baumôle unnd lasse sÿ baÿssen dτey od vier tag·darnach seüde daz ôle und seyhe es durch ein thůche·Dises ôle schmiere an die schlåff·es hilfft und machet schlaffen und růwe fast wol und sunderlichen in grossen kranckheÿten darjnn der mensch nit růwen kan·Diþs ôle benymmet auch gar grosse hÿcze von dem menschen. (Item die rÿnden von alraun ist fast gůt in den erczneyen die do dienen zů den augen. (Platearius diser rÿnden also groþ als dτeÿ haller gewicht na het gehalten für die schame der frawen·bτinget menstruum·und treÿbet auch auþ von jr daz todt kÿndt·(Item dise rÿnden gestossen zů bulfer und do genüczt mit einem clistier·machet schlaffen und auch růwen für alle andere kunst·(Item·dise wurczel gesoten in wein unnd auch auff das gegicht geleget der gelÿder ist den weetumb stÿllen·

(1) Alruin mannetje.

Dat 257ste kapittel.

Mandragora Latijn. Grieks Anthimon vel Triceon. Arabisch leborat. (Mandragora officinarum en Mandragora autumnalis)

De meesters spreken algemeen dat het tweevormig is alruin, een de man en de ander de vrouw. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Mandragora [288] is koud en droog aan de derde graad. En is dit ook de mening van de meester Avicenna. De vrouw heeft spitsere bladeren dan de man. Ettelijke meesters spreken dat de vrouwelijk genuttigd wordt in de artsenij en niet die mannelijke, maar hoe dat is zo gebruikt men die alle beide en hebben bijna een natuur. (6) Item, de meesters beschrijven ons ook in het boek Circa instans en spreken dat deze wortels verkocht worden en gevormd zijn gelijk de mensen, als mannen en vrouwen. Daartoe spreken de meesters dat zoiets geen waarheid in zich heeft en niet alzo gevormd zijn en zulke wortels groeien niet in de aarde, zonder ze worden gemaakt van kunsten en alzo gesteld. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Mandragora beschrijft ons en spreekt dat de natuur van de alruin is koud aan de derde graad en heeft een kleine warmte in zich, maar in de appel is vochtigheid. En spreekt ook dat de herten eten die appel op het veld en als ze die eten dan worden ze erg daarop slapen. Ook spreekt Galenus dat de bast van de wortels is erg verkoelend en daarmee droog maken. Maar het merg in de bast is geen nut in de artsenij, (3) Ettelijke chirurgen gebruiken een wortel en die is ook van deze natuur zoals alruin. Daarvan ons beschrijft Serapio en noemt die marbus en groeit graag in de schaduw. Deze wortel is wit en week en is dertien cm lang en als dik als een duim. Deze wortel doen ze in wijn of in de kost en laten daarvan drinken en eten en die ontsteekt zich aan de leden alzo dat het heilig vuur hen kwelt en diezelfde worden ook alzo zeer (2) daarvan slapen zodat ze niet voelen dat men hen afsnijdt een lid van het lijf. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel leborat, id est Mandragora, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, een mannelijk en de andere vrouwelijk. De vrouwelijke heeft bladeren gelijk de sla en de bladeren zijn vet en hebben een zware reuk. Dit kruid heeft geen stam maar het groeit nabij de aarde en breidt zich wijd uit tussen de bladeren. In het midden heeft het een vrucht gelijk de mispel daarin zijn korrels gelijk als in de bessen. Deze wortel is ook erg groot en die is aan de buitenkant zwart en inwendig wit en heeft ook een grove bast. De mannelijke heeft bladeren die zijn breed en ook lang gelijk de kolen en week en zijn vrucht die is vrijwel zo groot als de eerste en lijkt op een appel en die zijn van verven gelijk de saffraan en hebben een goede reuk. De herten eten dat op het veld en worden ook daarna erg slapen. [289] De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel jaub spreekt dat dit kruid groeit in de aarde en lijkt de mensen aan de gestalte of bijna alzo gevormd. (2) Wie niet slapen mag die neemt de bast van deze wortel en stoot die tot poeder en meng daaronder vrouwenmelk en dat witte van een ei en strijk dit om de slaap, die mens wordt erg rustig daarvan. (4) Voor de schurft op het hoofd stoot de bladeren van alruin en leg die alzo gestoten op dat hoofd, dat heelt de schurft gelijk. Platearius, die niet slapen mag die neemt olie gemaakt van alruin en deze olie maak je alzo; neem de appel van de alruin en leg die in olijvenolie en laat ze baden drie of vier dagen, daarna kook die olie en zeef het door een doek. Deze olie smeer aan de slaap, het helpt en maakt slapen en rusten erg goed en vooral in grote ziektes daarin de mens niet rusten kan. Deze olie beneemt ook erg grote hitte van de mensen. Item, de bast van alruin is erg goed in de artsenijen die je dienen tot de ogen. Platearius, deze bast alzo groot als drie haller gewicht na het gehouden voor de schaamte der vrouwen brengt menstruatie en drijft ook uit van hen dat dode kind. Item, deze bast gestoten tot poeder en dat genuttigd met een klysma maakt slapen en ook rusten voor alle andere kunst.(5) Item, deze wortel gekookt in wijn en ook op de jicht gelegd van de leden is de pijn stillen.

Zie ook kapittel 258.

Dodonaeus; ‘In deze en meer andere landen als ook bij de apothekers is dit kruid met de Griekse naam Mandragora of Mandragoras bekend, in Hoogduitsland heet het Alraun.

(2) De mandraak speelt ook een rol bij de verovering van Carthago. Omdat Hamilcar de liefde van de Libiërs voor wijn kende vergiftigde hij de inhoud van een aantal wijnvaten met mandraak. Die liet hij in bepaalde plaatsen voor de stad liggen alsof ze in haastige spoed vergeten waren. De Libiërs kwamen aan en zagen dat ze zich binnen de stadsmuren teruggetrokken hadden, vermoeid en vooral dorstig van de reis, dronken ze de wijn en vielen al gauw in een diepe slaap. Die slaap was zo diep dat ze zelfs niet wakker werden toen ze daarna verwond en gedood werden. De artsen gebruikten daarna de merkwaardige eigenschap van de mandraak, die ze in de oorlog geleerd hadden, om zware operaties uit te voeren.

(3) De bessen bezitten een aparte geur en zijn slaapverwekkend. De vruchten zouden wellust geven of vruchtbaar maken, reden om ze in de oudheid als liefdesdrank te gebruiken. Ze zouden de liefdesappelen geweest zijn van Genesis30: 14/16, die zoveel waard waren dat Rachel in ruil daarvoor haar man aan haar zuster uitleende. Sommige vertalingen van de Bijbel vertalen het woord dudaim dan ook direct als mandraak. Het woord dudaim zou ontleend zijn van de stam dud, wat ‘liefkozen’ of ‘liefde’ betekent.

(6) De wortel zou de gestalte van een mens hebben. In de mythologie is de mandraak een wijszeggende, demonische geest of een klein halfduivels wezen in mensengestalte die de bezitter rijk zou maken. De meeste schrijvers handelen bij deze plant meer over het bijgeloof door de vorm van de wortels.

Maerlant; ‘ (3) Die in hete zuchten ligt en niet slapen pleegt dan zal men met mandragora bladen met vrouwenmelk stampen en gelijk maken met het wit van een ei, wat men gelooft, een pleister maken voor het voorhoofd en bedek er de slaap mee.

(4) Die van grote hitte zijn hoofd zweert, leg de bladeren gewreven aan zijn slaap, het zal het begeven

Herbarius in Dyetsche; (5) Het sap van de wortel in wijn en savich van gerst (dat is als gerst gebroken en met water bedekt wordt en gekookt tot dat het dik wordt, dan na de zuivering in de grond heb je de savich) of dat wat gekookt is goed om de pijn van de gewrichten of van alle andere pijnen te genezen, volgens Pandecta’.

Alraun frawe

Das cclviii Capit

Mandτagoτa mulier latine.

(Die meister spτechen gemeynigklichen·das dise alraun hab die selbigen tugent mit der ersten und darumb beschτeybe ich nitt mer davon·wann als du auch gehôτett hast in dem capitel voτ disem·[290]

Alruin vrouw.

Dat 258ste kapittel.

Mandragora mulier Latijn. (Mandragora autumnalis)

De meesters spreken algemeen dat deze alruin heeft dezelfde deugd met de eerste en daarom schrijft ik niet meer daarvan want zoals u ook gehoord hebt in het kapittel voor deze. [290]

 

Maulbeer cclix Ca

Moτacelsi latine·grece moτach arabice Hoc·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hoc idest moτacelsi·beschτeibt uns und spτicht·das der maulberen tugent seÿ das sÿ stopffen dem bauch und sunderlich so sÿ dürcτ sind·(Item sÿ sind gůt genüczet dissintericis·das sind die das rot haben·Und sind auch gůt genüczet allen andern überschwencklichen flüssen·(Plinius maulbeeren sollen genüczet werden mit wein·und also eingetruncken·(Item Diascoτides·die rÿnden von maulbeeren ist von natur laxieren und auþtreÿben die wŭrm die etwan lange zeit in dem bauch gelegen sind·(Item Serapio·so die maulbeer nŭchter geessen werden so beleÿben sÿ nitt lange in dem magen·so aber d magen vol ist so beleÿben sÿ darjnn und bτingen dem schaden·Aber so der ein wenig geessen werden schaden sÿ nichcz·(Der meister galienus spτicht·das maulbeer dem menschen kleine speÿsung geben und auch den leÿbe wenig krefftigen·keltte halben die sÿ an jne haben·(Item·Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum·secundum translationem grecam in dem capitel moτare idest moτacelsi spτicht·das die zeitig frucht geessen den bauch verhertte und die unzeytigen machen durchbτechen·darumb sind sÿ gůt genüczet für flüsse des leibes mit wasser unnd auch mitt wein·(Maulbeer bleter gestossen und geleget auff den bτantt·zeühet grosse hycze darauþ·

(Plinius·die bleter gesoten in regenwasser und das in dem munde gehalten·benymmet groþs zeenwee·(Item ein wasser distillieret von den bletern·ist fast gůt getruncken für hycze in dem leÿbe·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel moτum beschreÿbet uns und spτicht·das maulbeeren stopffen flüþ die lange zeit geweret haben in dem leybe.[291]

(1) Moerbei, 259ste kapittel.

Moracelsi Latijn. Grieks morach. Arabisch Hoc. (Morus nigra)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hoc, id est mora celsi, beschrijft ons en spreekt dat de moerbei deugd is dat ze (2) stoppen de buik en vooral als ze droog zijn. Item, (6) ze zijn goed genuttigd dysenteria, dat zijn die de rode hebben. En zijn ook goed genuttigd alle ander over vloeiende vloeden. Plinius, moerbeien zullen genuttigd worden met wijn en alzo ingedronken. Item, (3) Dioscorides, de bast van moerbeien is van natuur laxeren en uitdrijven de wormen die wat lange tijd in de buik gelegen zijn. Item, (6) Serapio, zo de moerbei nuchter gegeten worden zo blijven ze niet lang in de maag, zo echter de maag vol is zo blijven ze daarin en brengen die schade. Maar zo er een weinig gegeten wordt schaden ze niets. De meester Galenus spreekt dat moerbei de mensen kleine spijs geeft en ook het lijf weinig versterken vanwege de koudheid die ze aan zich hebben. Item, Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum secundum translationem Grieks in het kapittel morare, id est mora celsi spreekt, dat de rijpe vrucht gegeten de buik verhard en de onrijpe maken doorbreken, daarom zijn ze goed genuttigd voor vloeden van het lijf met water en ook met wijn. (5) Moerbeibladeren gestoten en gelegd op de brand trekt grote hitte daaruit.

Plinius, de bladeren gekookt in regenwater en dat in de mond gehouden beneemt grote tandpijn. Item, een water gedistilleerd van de bladeren is erg goed gedronken voor hitte in het lijf. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Morus beschrijft ons en spreekt dat moerbeien stoppen vloed die lange tijd geduurd heeft in het lijf. [291]

(1) Dodonaeus; ‘Deze boom heet in het Latijn Morus, in de apotheken Morus Celsi, in onze taal moerbezie-boom, in het Hoogduits Maulbeerbaum’. 

Herbarius in Dyetsche; ‘Moerbesyen, dat is Morus celsi.

Herbarius in Dyetsche; (2) Om naar toilet te gaan en de verstopping die van koude zaken komt te verdrijven: ‘Neem het sap van zoete moerbeien en warm het licht’.

(3) Het sap van de schors van de moerbomen of wijn waar de schors in gekookt is of het poeder van de schors dat met honing gemengd is doodt wormen.

(4) Tegen verbranding van vuur of van warm water maak je een pleister van moerbeienbladeren die met olie gemengd is.

(5) Moerbeien zijn slecht voor de maag want ze bederven daar in. Je moet ze van tevoren eten want op ander eten gegeten bederven ze de rode gal en zijn ze niet kwaad. (6) Iets gedroogde moerbeien stoppen het lichaam en zijn tegen rode loop (dat is difterie, Avicenna in hetzelfde kapittel’.

Byngelkraut cclx ca

Mercurialis latine·arabice alibleb·grece Linostosis vel linozotis·vel parthamon.

(Der meister Averτois in dem bůch genant Colliget in dem capitel mercurialis beschτeibt uns und spτicht·das dises kraut sej heÿþ und trucken an dem ersten grad·(Diascoτides in dem capitel linostosis·id est mercurialis·spτicht·das dises kraut seye geleÿch den basilien·und spτicht auch das zweÿer handt mercurialis seÿ·eins freülich·dz and manlich·dz freülich ist grôsser an dem kraut und auch an dem stengel wann der man und das månlich ist kleiner an den blettern·und dz hat samen der ist klein·die beÿde nüczet man in der erczneye.

(Platearius·bÿngelkraut geessen waÿchet den bauch·(Bingelkraut geessen benýmmet die wåsserigen feüchtung und treybet die auþ stercklich·(Die bleter der freülichen gestossen und daz gemåcht des mannes domit gestrÿchen·machet die frauwen gebeeren und empfahen zůhandt so das eelich wercke volbτachtt wirt ein tochter·also das die frawe dτeÿmal voτhin davon getruncken habe·mit gůtem wein·(Item die bleter des månlichs also gestrÿchen an des mannes gemåcht und die frawe getruncken wie voτ·machet die frawen gebeeren einen sune·(Plinius.Die bτŭ von einem gesoten koppen und darunder bÿngelkraut safft geton·und das genüczet ist gůt dem geschwellenden magen und machet lustig umb die bτuste·und benÿmmet das keÿchen. (Galienus in dem sibenden bůch genant Simplicium farmacarum in dem capitel mercurialis beschτeibet uns und spτichet das dises kraut fast gůt seÿe dem zerschwollen bauch·das zerstossen unnd den domit geschmieret·und bτinget also stůlgång·Und dises ist sunderlichen gůt krancken menschen die weder obnen noch unden mügen erczneÿ bτauchen·(Platearius·bÿngelkraute gesoten unnd als ein pflaster geleget auff den bauche machett stůlgång·(Item bÿngelkraut ist man in ein clistier vermenngen daz zů vil kranckeÿt gůt ist·[292] also gemachet·Nÿmme bÿngelkraut·rômþkôl·feyelkraut papeln ÿegklichs ein handt vol senÿtbleter engelsŭþ ÿeklichs ein lot·dises alles gesotten in dτitthalb pfund wassers·ein dτitteÿl eingesoten und durchgeschlagen·und darzů vermenget zweÿ lott cassia fistel·und ein lot benedicte·laxitive und feÿel ôle und dyllôle·ÿegklichs dτeü lot zůsamen vermenget·ist ein gůt clistier wider das grymmen in dem bauch·unnd wider den stein·

(1) Bingelkruid, 260ste kapittel.

Mercurialis Latijn. Arabisch alibleb. Grieks Linostosis vel linozotis vel parthamon. (Mercurialis annua)

De meester Averrois in het boek genaamd colliget in het kapittel Mercurialis beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de eerste graad. Dioscorides in het kapittel linostosis, id est Mercurialis, spreekt dat dit kruid is gelijk het basielkruid en spreekt ook dat er (2) twee soorten Mercurialis zijn, een vrouwelijke en de ander mannelijk, de vrouwelijk is groter aan het kruid en ook aan de stengel dan de man en de mannelijke is kleiner aan de bladeren en die heeft zaden dat is klein, die beide nuttigt men in de artsenij.

(4) Platearius, bingelkruid gegeten weekt de buik. Bingelkruid gegeten beneemt de waterige vochtigheid en drijft die uit sterk. (3) De bladeren van de vrouwelijke gestoten en dat geslacht van de man daarmee gestreken maakt de vrouwen baren en ontvangen gelijk zo dat eerlijk werk volbracht wordt een dochter alzo dat die vrouw driemaal daarvoor daarvan gedronken heeft met goede wijn. Item, de bladeren van de mannelijke alzo gestreken aan het mannelijke geslacht en de vrouw gedronken zoals voor maakt die vrouw baren een zoon. Plinius. De brei van gekookte hanenkoppen en daaronder bingelkruid sap gedaan en dat genuttigd is goed de gezwollen maag en maakt lustig om de borst en beneemt dat kuchen. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Mercurialis beschrijft ons en spreekt dat dit kruid erg goed is de gezwollen buik, dat gestoten en dan daarmee gesmeerd en brengt alzo (4) stoelgang. En dit is vooral goed zieke mensen die of boven noch onder mogen artsenij gebruiken. Platearius, bingelkruid gekookt en als een pleister gelegd op de buik maakt stoelgang. (5) Item, bingelkruid is men in een klysma vermengen dat tot veel ziektes goed is [292] alzo gemaakt: Neem bingelkruid, Savoie kool, violenkruid en kaasjeskruid, van elk een hand vol, sennabladeren, engelzoet, van elk een lood, deze allen gekookt in een derdehalf pond water en dat een derde deel ingekookt en door geslagen en daartoe vermengt twee lood Cassia fistula en een lood Carduus benedictus, laxatief en violenolie en dille olie, van elk drie lood, tezamen vermengt is een goede klysma tegen dat grommen in de buik en tegen de steen.

(1) Dodonaeus; ‘‘Hier te lande worden deze kruiden tam binghel-cruydt of mercuriael genoemd, in Hoogduitsland Zam Bingelkraut, Kuhwurtz en Mercuriuskraut.

(2) Dodonaeus; ‘Bingelkruid is tweevormig, tam en wild. Het tamme zullen we in dit kapittel beschrijven wat ook wederom tweevormig is, te weten mannetje en wijfje dat alleen of meest in het zaad verschilt’. De plant is tweehuizig en het vrouwtje geeft zaden, dus niet het mannetje wat de ouden geloofden. Theophrastus vertelt dan ook dat de vrouwelijke plant overvloedig zaadjes (stuifmeel) geeft in de aren. (3) Het mannetje zou dan kleine ronde zaden hebben die als steentjes twee aan twee liggen. Daarom heette de nu bekende vrouwelijke plant herba Mercurialis mascula, ‘man’, of testiculata. Dioscorides zegt dat van de mannelijke vorm jongens verwekt worden en van de vrouwelijke meisjes.

Herbarius in Dyetsche; (4) Alle twee bingelkruidsoorten die in het eten gekookt zijn drijven de waterachtige vochtvermenging naar beneden, laten naar toilet gaan en vermurwen het lichaam.

(5) Ook maak je er een klysma van

(6) Als je bingelkruid in een kapoen kookt en het sap hiervan drinkt ruimt het de grove vochtvermenging en zwarte gal.

teüfels abysz cclxi c

Moτsus dÿaboli latine·

(Die meister spτechen·das dises seÿ ein kraut·und hat wurczeln die sind unden stumpff geleych als sÿ abgebÿssen sind·

(Oτibasius ein meister spτicht dz mit diser wurczeln der teüfel als grossen gewalt treÿbe dz die můter gots ein erbårmde darjnn hett·und bename dem teüfel den gewalt das er darnach nitt mer mit schaffen mocht·und von grossem grymmen den er do het dz jm der gewalt entgangen was·do baÿþs er sÿ unden ab·also wåchset sÿ noch heüt des tags·(Diser wurczel krafft ist groþs und das kraut und wurczeln sind geleÿch in einer naturen·(Dise wurczel gestossen und gelegt auf ein entzündete glůtt leschet das zůhandt·(Der meister Oτibasius spτicht·das dises kraut und wurczeln sey heyþ und trucken an dem ersten grade·(Wôlcher dises kraut bey jm tregt od dÿe wurczel·dem mag der teüfel keinen schaden zůgefŭgen·auch mage jm kein zaubereÿ geschaden von den bôsen weÿben·(Dise wurczel sol man samlen in dem herbste die weeret unverseerett zwey jare·(Das kraut davon sol man bτauchen so es noch grŭne ist für alle gebτesten auþwendig des leÿbes·Und man sol dz kraut nit ein nemmen·wann es ist mer hÿczigen jnnwenig den leibe·denn das sÿ die hÿcze darauþ ziehen·(Dise wurczeln ist durchdτingen die dårm·(Auch ist sÿ fast an sich ziehen von natur die hycze an dem leybe·Dise tugent von disem krautte unnd wurczeln ist nit zů volschτeiben [293]

(1) duivelsbeet, 261ste kapittel

Morsus dÿaboli Latijn. (Succisa pratensis)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft wortels die zijn onder stomp gelijk alsof ze afgebeten zijn.

Oribasius, een meester, spreekt dat met deze wortels de duivel alzo groot geweld dreef zodat de moeder God een erbarmen daarin had en benam de duivel het geweld zodat hij het daarna niet meer meedoen kon en van grote boosheid die hij toen had dat hem zijn geweld ontgaan was zo beet hij er het onder af en zo groeit het noch heden des dag. Deze wortel kracht is groot en dat kruid en wortels zijn gelijk in een natuur. Deze wortel gestoten en gelegd op een ontstoken gloed lest dat gelijk. De meester Oribasius spreekt dat dit kruid en wortels is heet en droog aan de eerste graad. Wie dit kruid bij hem draagt of de wortel die mag de duivel geen schade toevoegen, ook mag hem geen toverij beschadigen van de kwade wijven. Deze wortel zal men verzamelen in de herfst en die blijft goed twee jaar. Dat kruid daarvan zal men gebruiken zo het noch groen is voor alle gebreken uitwendig het lijf. En men zal dat kruid niet innemen want het is meer verhitten inwendig het lijf dan dat ze de hitte daaruit trekt. Deze wortels is doordringen de darmen. Ook is het erg aan zich trekken van natuur de hitte aan het lijf. Deze deugd van dit kruid en wortels is niet te beschrijven. [293]

(1) Dodonaeus; ‘‘Men noemt dit kruid gewoonlijk Duyvels-bete in het Nederduits of in Latijn Morsus diaboli, in het Hoogduits Teuffels abbiss. 

Hŭnerderm oder myer

Das cclxii Cap

Moτsus galline latine·

(Die meister spτechen·dz dises kraut sej keltten·und wechþt gern an fayþtem und wol getungtem mÿþt od erden·(Dises kraut ist kalt und feücht an dem dτitten grad. Dises essen die fôgel und die hŭner gern. (Paulus hŭnerdårm also grŭne auff ein entzünndete glůtt geleget·der gewynnet růe und leschung der hÿcze·(Den safft von mÿer gemüschet mitt hauþwurcze safft·barba jovis genant ÿegklichs ein halb pfund·baummôle ein pfund und dises zesamen gesoten biþ das halb teÿl ein geseüdet·darnach darunnder gemüschet buttern vier lot·spangrŭn ein halb lot und also gemachet ein salben·Dise salb dienet zů vil gebτesten auþwendig des leÿbes die do komment von hÿcze·und sunderlichen für die fisteln die darein gelassen und darauff geleget geleych einem pflaster·(Platearius·dises kraut geleget auff die bτuste benymmet das keÿchen·also das es voτhyn gesoten werde mit wein·(Dises kraut ist den leüten gar unachtber·und hat doch fast vil gûter bewårter tugent in jm·und darnmb sol dich nitt wundern das ander vil kreüter die do von gerauch und auch von gestalt gar vil grôsser sind·als dann ist wermût selbe·rauten·meter·vil mer tugent haben die den mennschen zů nüczen·[294]

(1) Hoenerdarm of muur.

Dat 262ste kapittel.

Morsus galline Latijn. (Stellaria media)

De meesters spreken dat dit kruid is verkoelend en groeit graag aan vette en goed gemeste mest of aarde. Dit kruid is koud en vochtig aan de derde graad. Dit eten de vogels en de hoenders graag. Paulus, muur alzo groen op een ontstoken gloed gelegd die wint rust en lessing van de hitte. Het sap van muur gemengd met huislooksap, barba jovis genaamd, van elk een half pond, olijvenolie, een pond, en deze tezamen gekookt totdat het halve deel inkookt, daarna daaronder gemengd boter, vier maal 16, 7gram, Spaans groen, een half van 16, 7 gram, en alzo gemaakt een zalf. Deze zalf dient tot vel gebreken uitwendig het lijf die je komen van hitte en vooral voor de etterwonden, die daarin gelaten en daarop gelegd gelijk een pleister. Platearius, dit kruid gelegd op de borst beneemt dat kuchen alzo dat het voorheen gekookt werd met wijn. Dit kruid is de mensen erg veronachtzaamd en heeft toch erg veel goede bewaarde deugd in hem en daarom zal het je niet verwonderen dat ander vele kruiden die van reuk en ook van gestalte erg veel groter zijn zoals dan is alsem, salie, ruit en mater veel meer deugd hebben die de mensen tot nut. [294]

Dodonaeus; ‘ Het wordt Morsus Gallinae in het Latijn genoemd, bij ons hoenderbeet of klein vogelkruid gemerkt dat deze kruiden heel mals zijn zodat de kippen en vogels die graag eten´. 

De naam mier is waarschijnlijk afkomstig van de Duitse naam Miere, waarvan de stam ma of mei is wat klein betekent. In de 16de eeuw werd het wel Meierom of Meyer en nog eerder Myer genoemd, Meyer bij Bock.

Bτaünbernstrauch

Das cclciii Capit

Moτabacci latine et grece·

(Der meister platearius beschreÿbet uns und spτicht·das dise frucht wachþ an einem strauch der ist doτnig·und hat rauhe bletter und scharpff·(Plinius spricht·das bτaunbeeren sind heiþ an den ersten grad·und geleÿchen auch an der gestalt dem maulbeeren·und wachþen auch in dem hecken allenthalben·(Item·dise beeren sind auch gůt genüczet calculosis·wann sÿ machen wol hårmen·und treÿben domit auþ den stein der do lange zeÿt in deτ blasen gelegen ist·(Item der safft van bτanbeeren gesamlett·und den gemüschet mit dem sÿropel eupatoτij·das ist ein sÿropel gemachet von wylden selbe der ist gar gůt genüczet lepτosis und die sich des jnnerlich besoτgen·die sollen dises sÿropels nüczen alle tag auff ein lot·(Item der meister Cassius felix spτicht·Wôlicher an seinem leÿbe reüdig wåre d nücze bτanbeer safft und schmiere domit den leybe in einem bade·die haudt wirt glatt und schôn·

(1) Bramen.

Dat 263ste kapittel.

Mora bacci Latijn en Grieks. (Rubus fruticosus)

De meester Platearius beschrijft ons en spreekt dat deze vrucht groeit aan een struik en die is doornig en heeft ruwe bladeren en scherp. Plinius spreekt dat bramen zijn heet aan de eerste graad en lijken op ook aan de gestalte de moerbeien en groeien ook in de hagen geheel. Item, deze bessen zijn ook goed genuttigd calculosis want ze maken goed plassen en drijven daarmee uit de steen die er lange tijd in de blaas gelegen is. Item, het sap van bramen verzameld en dan gemengd met de siroop eupatorij, dat is een siroop gemaakt van wilde salie, die is erg goed genuttigd leprosis en die zich des innerlijk bezorgen, die zullen deze siroop nuttigen elke dag op een lood. Item, de meester Cassius Felix spreekt: Wie aan zijn lijf ruig is die nuttigt bramensap en smeer daarmee het lijf in een bad, de huid wordt glad en schoon.

(1) Dodonaeus; ‘De vrucht van de bramen heet in het Grieks Moron tes batou en Moron batinon, in het Latijn Moron Rubi en. In de apotheken noemt men ze Mora bato en, in het Hoogduits Brembeer, in het Hoogduits ook Cratzbeer.

Herbarius in Dyetsche vermeldt de mora celsi, moerbei, samen met de mora baci.’

Heyde cclxiiii Cap

Mirica latine et grece·

(Die meister spτechen·dz dÿses seÿ ein gewåchþ warm und trucken von natur·und wechþt geren auff dem sand·sein stengel wirt eines arms lang·sein blůmen sind bτaun·(Die blůmen gebaÿþset mit hônig und zucker und also genüczet des abents und moτgens benymmet febτes quartanas·und dises sol geschehen in dem monat september·so er zů nymmet achtt tag nach einander·(Dise blůmen sind gt für die erkaltteten unnd gichtigen gelÿder·die mit wein eingenommen·(Paulus. Dise blůmen gestossen zů bulfer darund gemüschet auricula muris·dz ist mauþoτe·und oτiganum·[295] das sind dosten ÿegklichs geleich vil·zucker halb als vil und dises genüczet geleich einer trefenÿ benÿmmt den frawen den unnatürlichen fluþ den man nent dz weÿþs·(Mit disem blůmen mage man heylen allen lenden weetagen·die gesoten in wasser und die lenden und den bauch damit bestrichen nach einem bade·

(1) Heide, 264ste kapittel.

Mirica Latijn en Grieks. (Calluna vulgaris)

De meesters spreken dat dit is een gewas warm en droog van natuur en groeit graag op het zand, zijn stengel wordt een arm lang en zijn bloemen zijn bruin. (2) Die bloemen gebaad met honing en suiker en alzo genuttigd ‘s avonds en ‘s morgens beneemt de vierdaagse malariakoorts en dit zal geschieden in de maand september ze je het neemt acht dagen na elkaar. (3) Deze bloemen zijn goed voor de verkouden en jichtige leden, die met wijn ingenomen. Paulus. Deze bloemen gestoten tot poeder en daaronder gemengd auricula muris, dat is guichelheil, en Origanum, [295] dat is marjolein, van elk gelijk veel, suiker half als veel, en dit genuttigd gelijk een drank beneemt de vrouwen de (4) onnatuurlijke vloed die men noemt de witte. Met deze bloemen mag men helen alle (5) lendenpijn, die gekookt in water en de lenden en de buik daarmee bestreken na een bad.

Dodonaeus; ‘Dit gewas wordt in onze taal heyde genoemd, in het Hoogduits Heyden. ‘In het Grieks Ereice en in het Latijn Erica en is de echte eigen Erica van de ouders die sommige zeer kwalijk Myrica genoemd hebben’.

Pors cclxv Ca

Mirtus latine·grece et arabice Dex vel hess·

(Der meÿster Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Dex·idest Mirtus beschτeibet uns und spτicht·das dises seÿ ein grŭner stamm vermischet mit schwercze·Auch etlich sind veŭmischet mit rôte·Und die ersten sind besseτ in d erczneÿ dann die andern·Diser stammen hat frucht und samen die werden gebτaucht in der erczneÿ·darnach die bleter und die blůmen·und wenn dise zeÿtig werden so sind sÿ zů vil sachen gůt·(Die frucht mag man behalten zweÿ jare·An der sunnen sol man die bletter dôτren·und die weren lengeτ an jerer krafft dann die blůmen unnd so sÿ ÿe frischer sind so sÿ ÿe stercker sind an jrer kraffte·(Der safft von den bletern der geleichet den blůmen und d frucht an seiner natur·(Avicenna in dem andern bůch in dem capitel Mirtus beschτeibt uns und spτicht·das mirtus hab an jme wôrme die ist subtil·und hat auch kelte und trücknet fast von natur·(Diascoτides spτicht dz der safft gůt seÿ der bôsen lungen und bτinget lufft umb die bruste und machet wol harmen·

(Wôlicher gebÿssen wåre von einem vergifftigen thier d trincke von disen blettern·er genÿset·(Die bleter in wein gesotten und auf die wunden gelegt als ein pflaster heilet die do zů handt·(Platearius. Dise bletter gesoten in wasser unnd ein tůch darein geneczet und das geleget über die augen·benÿmmt jnen die geschwulst·(Der hoch gelert meister Avicenna beschreibt uns und spτicht·dz under allen sÿropel seÿ keiner als gůt genüczet und sunderlichen für den schmeτczen der lungen als (t·j·) [296] do ist der sÿropel von mirtus gemachet·(Die frucht von mirtus ist gůt genüczet dem der do blůt speÿet. (Plinius·des safft von diser frucht d machet wol hårmen·und benymmet der blasen ungemach·

(1) Gagel, 265ste kapittel.

Mirtus Latijn. Grieks en Arabisch Dex vel hess. (Myrica gale, Myrtus communis)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel dex, id est Mirtus, beschrijft ons en spreekt dat dit is een groene stam vermengt met zwart. Ook ettelijke zijn vermengd met rood. En de eerste zijn beter in de artsenij dan de andere. Deze stam heeft vrucht en zaden die worden gebruikt in de artsenij, daarna de bladeren en de bloemen en als die rijp worden zo zijn ze tot veel zaken goed. De vrucht mag men behouden twee jaar. Aan de zon zal men de bladeren drogen en die duren langer aan hun kracht dan de bloemen en zo ze verser zijn zo ze sterker zijn aan hun kracht. Het sap van den bladeren die lijkt op de bloemen en de vrucht aan zijn natuur. Avicenna in het andere boek in het kapittel mirtus beschrijft ons en spreekt dat de mirtus heeft aan hem warmte die is subtiel en heeft ook koudheid en droogt erg van natuur. (3) Dioscorides spreekt dat het sap goed is de kwade longen en brengt lucht om de borst en maakt goed plassen.

(4) Wie gebeten is van een vergiftig dier dat drinkt van deze bladeren, hij geneest. (5) De bladeren in wijn gekookt en op de wonden gelegd als een pleister heelt die gelijk. Platearius. (6) Deze bladeren gekookt in water en een doek daarin genat en dat gelegd over de ogen beneemt die dat gezwel. De hoog geleerde meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat onder alle siropen geen zo goed genuttigd en vooral voor de pijnen van de (3) longen als [296] er is de siroop van mirtus gemaakt. (7) De vrucht van mirtus is goed genuttigd die er bloed spuwt. (8) Plinius, het sap van deze vrucht die maakt goed plassen en beneemt de blaas zijn ongemak.

Dodonaeus; ‘In Brabant en Vlaanderen wordt dit gewas gagel genoemd, sommige noemen het op het Latijn Myrtus Brabantica, dat is Brabantse Myrtus en op het Grieks pseudo-Myrsine. Dan het wordt hier te lande ook soms myrten boom genoemd’.

Als vervanger van hop heette het gewas door dit gebruik bij ons pos, post, possem of porse. Dit is nog te zien in Limburgse plaatsnamen Posterholt, Postel, Possel en Porse. Duitse Porst, Post, Beerpost.

Het was vroeger moeilijk wat nu myrtus heette, ja, een geurende plant. Daar leek onze gagel wel wat op.

Maerlant; ‘Myrtus. Platearius die het zegt dat het sap van zijn bladeren pleegt men te koken met zijn bladeren in wijn die ziekte of pijn aan lever of aan (3) longen heeft.

(4) Dit sap van Myrtus bessen gedroogd is goed tegen de steken en beten van de schorpioenen en kwade spinnen.

(5) Groene Myrtus bladeren in wijn gekookt en op de wonden gelegd als een pleister helen die e zeer vloeien.

De bladeren, jonge scheutjes, van Myrtus en zowel van buiten opgelegd als binnen het lijf genomen en daarom zijn ze zeer goed ingegeven diegene die (7) bloed spuwen, braken, overgeven of de plas niet kwijt worden want ze stoppen alle bloedgang en insgelijks ook de onmatige maandstonden.

(8) De droge vruchten en bladeren zijn geschikt om de plas te laten rijzen, maar als ze groen en vers zijn dan is er een overtollige en schadelijke vochtigheid bij.

holczopfel

Das cclxvi Ca

Malamacianana latine·

(Der meister Isidoτus beschreibet uns und spτichet·dz malamaciana also geheissen sind von der stat Maciana oder von dem selbigen lande·Etlich meister spτechen auch das dise ôpfel geheyssen seÿen in teütschen landen holczôpffel·Aber in hyspanien und in vil andern landen sind malamaciana gemein ôpffel·sÿ seÿend wilde oder heimische so werden sÿ geheÿssen malamaciana·(Der meÿsteτ Diascoτides spτicht·das holczôpffel so sÿ nit gar zeÿtig sind so sind sÿ von natur mer stopffen dann so sÿ zeÿttig werden·(Der meister Serapio der nymmet auþ der rede des meÿsters Diascoτidis und spτicht·das sÿ gesamelt sôllen werden in dem meÿen·Und dise meinunge geleichet sich auch dem meister Avicenne·Aber dise red ist zů versteen in dem lande maciana und nit in teütschen landen·wann do selben do blŭen sy kaum in dem meÿen·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis beschreibet uns und spτicht·das malamaciana die stercken dz hercze·(In dem bůch genant circa instans do beschτeyben uns die meister und spτechen·dz malamaciana seind kalt und trucken von natur·(Ir tugent die ist das sÿ sind stopffen jnnerlichen do den menschen die flüþsig wåren·und darumb so sind sÿ fast gût genüczet de jhenen die sich bτechen·und auch denen die einen flüssigen bauch hetten oder aber einen fluþ des geblŭtes wie der genant wåre so mage man die darzů nüczen unnd bτauchen·[297]

(1) Houtappel

Dat 266ste kapittel.

Mala macianana Latijn. (Malus sylvestris)

De meester Isidorus beschrijft ons en spreekt dat mala maciana alzo geheten is van de plaats Maciana of van hetzelfde land. Ettelijke meesters spreken ook dat deze appel genoemd is in Duitse landen houtappel. Maar in Spanje en in veel andere landen zijn mala maciana gewone appels, ze zijn wild of geteeld en zo worden ze genoemd mala maciana. De meester Dioscorides spreekt dat houtappel zo ze niet erg rijp zijn dan zijn ze van natuur meer stoppend dan zo ze rijp worden. De meester Serapio die neemt uit de rede van de meester Dioscorides en spreekt dat ze verzameld zullen worden in de mei. En met deze mening vergelijkt zich ook de meester Avicenna. Maar deze reden is te verstaan in het land Maciana en niet in Duitse landen want dezelfde bloeien nauwelijks in de mei. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis beschrijft ons en spreekt dat mala maciana die versterken dat hart. In het boek genaamd Circa instans daar beschrijven ons de meesters en spreken dat mala maciana is koud en droog van natuur. (2) Zijn deugd die is dat ze zijn stoppend innerlijk de mensen die vloeiend zijn en daarom zo zijn ze erg goed genuttigd diegenen die zich braken en ook diegenen die een vloeiende buik hebben of een vloed van het bloed hoe die genaamd is en zo mag men die daartoe nuttigen en gebruiken. [297]

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze boom heet hier te lande appelboom, in Hoogduitsland Opffelbaum. De Latijnse naam is Malus of Pomus en de Griekse Melea. De vrucht heet in het Nederlands appel, in het Hoogduits Apffel, in het Grieks Melon en in het Latijn Malum of Pomum.

Herbarijs; ‘Mala maciana of houtapplen of apple zijn koud en droog, daarom zijn ze goed tegen (2) walging.

hymeltawe

Das cclxvii capi

Manna latine·arabice men vel masachamaga·

(Der meister Avicenna beschreibet uns und spτicht·das dises seÿ ein tawe und fallet auf die kreüter·Unnd spτicht auch das manna hab mancherleye tugent an jme·wann warauff der tawe fellet die selben krafft nymmet der selbig tawe an sich das der stamm oder kraut jm hat. (In dem bůch genant circa instans in dem capitel manna beschτeiben uns die meister und sprechen·das manna seÿ heiþ und feücht getemperieret·(In dem lande jndia samelt man dÿsen tawe·und des findet man gar wenig auff ein male·unnd darumb so wirt er fast mit künsten gemachet als mit hônig und liquiricien saffte·(Die meÿster spτechen·das nichcz sŭssers seÿ dann manna wenn es an jm selber ist und nit vermischet mitt andern dingen·(Der meÿster Plinius spτicht·daz aller tawe der do fellet auff die kreüter und stein oder auff baum seÿ geheissen manna·und der ist fast sŭþ und wirt von der sunnen dicke geleich dem hônig wenn das do vil zesamen kommet. (Der meister Rasis spτicht·dz der tawe gůt sey der do fellet auf die tannen baum und mer besser dann die andern tawe·(Und diser ist gůt genüczet für das keichen·und für den hůsten·unnd raumet darzů die bτuste·(Manna reÿniget das hÿren·und benymmet den fluþ auþ dem haubt und ist auch sunderlichen gůtt den die den schnopffen haben. (Auþ manna so machet man caput purgia·und das do sind wiechen die stecket man in die nasen unnd die do ziehendt vil feüchtikeÿten auþ dem haubte·unnd benemen das haubtwee das do kommet von flüssen und von feüchten hÿrn·(Item manna benÿmmet dye geschweren die sich do eτhaben håtten von bôser flegma·(Etlich meister spτechen wenn man manna mische in die trencke das dÿe sind ettwa mer schedlichen der uτsachen halben dz manna gar selten funden wirt als es ist an jm selber sunder alle zeÿt vermischet mit anderm dinge· (t·ij·) [298]

(1) Hemeldauw.

Dat 267ste kapittel.

Manna Latijn. Arabisch men vel masachamaga. Manna. (Lecanora esculenta)

De meester Avicenna beschrijft ons en spreekt dat dit is een dauw en valt op de kruiden. En spreekt ook dat manna heeft veel deugd aan hem want waarop de dauw valt diezelfde kracht neemt dezelfde dauw aan zich dat de stam of kruid in hem heeft. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel manna beschrijven ons de meesters en spreken dat manna is (2) heet en vochtig getemperd. In het land India verzamelt men deze dauw en dat vindt men erg weinig in een keer en daarom zo wordt het erg met kunsten gemaakt zoals met honing en zoethoutsap. De meesters spreken dat er niets zoeter is dan manna als het van zichzelf is en niet vermengt met andere dingen. De meester Plinius spreekt dat alle dauw die er valt op de kruiden en stenen of op bomen is genoemd manna en die is erg zoet en wordt van de zon dik gelijk de honing als dat veel tezamen komt. De meester Rasis spreekt dat de dauw goed is die er valt op de dennenbomen en meer beter dan de andere dauw. En deze is goed genuttigd voor dat kuchen en voor het hoesten en ruimt daartoe de borst. Manna reinigt de hersens en beneemt de vloed uit het hoofd en is ook vooral goed die de snuf hebben. Uit manna zo maakt men caput purgia en dat zijn doeken en die steekt men in de neus en die trekken veel vochtigheid uit het hoofd en benemen de hoofdpijn dat je komt van vloeien en van vochtige hersens. Item, manna beneemt de zweren die zich zo verheven hebben van kwaad flegma. Ettelijke meesters spreken als men manna mengt in de drank dat ze zijn wat meer schadelijk, vanwege de oorzaal dat manna erg zelden gevonden wordt zoals het is van zijn eigen en vooral altijd vermengt met andere dingen. [298]

Zie kapittel 403.

(1) Eetbare korstmos, aardbrood, hemelbrood. Duits Krustenflechte. Het eetbare korstmos werd in de Aziatische streken onder de naam aardbrood, hemelbrood gemalen en onder toevoeging van gerstemeel tot brood gebakken. Het ligt los op de grond en bij grote droogte wordt het door de wind naar de dalen gevoerd. De aardbeigrote, ongeveer 2cm lange, op wit koren gelijkende brokstukken werden soms huizenhoog gevonden en zo ontstond de sage van mannaregen. Het zou in die gebieden zo verrassend kunnen optreden dat de Joden verbaasd konden vragen Man‑Hu?


Mastix ein gummia also genant cclviii C

Mastix latine·grece stinus vel Achias vel gigas·arabice Mestehe·

(Die meister spτechen dz dises seÿ ein gummi von einem baum in grecia wacþende·Unnd an dem ende des meÿen so beschneidet man die este oder die rinden und machet die stat beÿ dem baume reÿnlich·und bτeitten tůcher dahin auff dz der gummi nit auff die erden falle und sich darunder vermische·Und dises ist der beste mastix der do klar und weÿþ ist·und der mastix der do mit erden vermischet ist der soll nichtz·(Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capittel mastix beschτeibt uns unnd spτicht·dz der seÿe heýþ unnd trucken an dem andern grad·und ist von natur weichen und von einander verschwenden·und darumb dienet der mastix dem magen d lebern und dem bauch der damitt überflüssiger flegma über zogen ist·(Serapio spτicht·das mastix gůt seÿ den hertten geschweren darauff geleget geleich einem pflasteτ·(Dz ôle von mastix geleichet dem gummi in seÿner krafft·(Mastix ist gůt dem magen und zeücht vil bôser feüchtigkeit an sich·und darumb so machet man dises gummi czů dem pestilencz pillelen·und heyþsend pillule de mastice·(Mastix gesoten mit wasser und darunder gemischet fenchelsamen·und dz getruncken machet wol deüwen·(Wer bôses zanfleisch håtte der neme mastix und bulferifier den und mische darunder weissen weÿrauch unnd lege dz auf den backen do dir dz zanfleich wee thůt·es hilffet·und heilet zůhandt·(Mastix gekeüwet machet weÿþs zene·und reÿniget das hÿrn von bôser feüchtung also genüczet·

(1) Mastiek een gom alzo genoemd. 268ste kapittel.

Mastiek Latijn. Grieks stinus vel Achias vel gigas. Arabisch Mestehe. (Pistacia lentiscus)

De meesters spreken dat dit is een gom van een boom die in Griekenland groeit. En aan het eind van de mei zo snijdt men de takken of de bast en maakt die plaats bij de boom rein en spreidt een doek daarheen zodat de gom niet op de aarde valt en zich daaronder vermengt. En dit is de beste mastiek die er helder en wit is en de mastiek die er met aarde vermengd is die zal niets. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel mastiek beschrijft ons en spreekt dat het is heet en droog aan de andere graad en is van natuur weken en van elkaar verdelen en daarom dient de mastiek de maag, de lever en de buik die daar met overvloedige flegma overtrokken is. Serapio spreekt dat mastiek goed is de harde zweren, daarop gelegd gelijk een pleister. De olie van mastiek lijkt op de gom in zijn kracht. Mastiek is goed de maag en trekt veel kwade vochtigheid aan zich en daarom zo maakt men deze gom tot de pestpillen en heet het pillule de mastice. Mastiek gekookt met water en daaronder gemengd venkelzaden en dat gedronken maakt goed verduwen. (2) Wie kwaad tandvlees heeft die neemt mastiek en verpoeder het dan en meng daaronder witte wierook en leg dat op de kaak daar het tandvlees pijn doet, het helpt en heelt gelijk. (4) Mastiek gekauwd maakt witte tanden en reinigt de (3) hersens van kwade vochtigheid alzo genuttigd.

Dodonaeus; ‘Wij geven dit boompje hier te lande meest de Latijnse naam Lentiscus, in het Grieks Schinos. De hars van dit gewas heet in het Grieks Mastiche,in het Latijn ook Mastiche of Resina lentiscina, in de apotheken Mastix, in het Hoogduits en Nederduits mastic’.

Maerlant; (2) Ze zijn goed gegeven in drank, gescheurde tong, lippen en mond geneest ze in korte stond. In zuchten zal men de bladen zieden in azijn, zo zullen ze dienen en daarvan ontvangt men de rook en spoel daarmee dat gezwel ook’.

Maerlant; Mastiek, men zal het kauwen en in de mond houden daar een lange stond en dat die lucht dan opwaarts slaat (3) zodat het zo naar de hersens gaat’.

Herbarius in Dyetsche; (4) Als je mastiek kauwt en dit in de mond als een kauwgom gebruikt en dik op de tanden duwt laat het de vochtigheid met het speeksel uit het hoofd neer dalen.

Das cclxix Cap

Mummia latine et grece·

(Die wirdigen meÿster spτechen auch·das dÿses funden werde in den grôbern darjnne [299] die todten ligen die do gebalsamet werden·wann es ist voτ allen zeÿten gewesen dz man die todten leichnam mit balsam und mit mirτa bestecket·und das geschicht noch heüt des tags in dem heýdnischen landen beÿ babÿlonien·wann gar vil balsams do selben ist·Die selbigen leüt die füllent der todten hÿren unnd den ruckmeissel mit balsam aloe und mirτa·und von der krafft und hicze des balsams zeühet er an sich dz geblŭte in das hÿrn und darjnn wirt es gekochet·und darnach trucknet es und verdoτret und wirt verwandelt in ein herte materien und das heÿsset denn mummia·(Auch findet man dises in dem ruckmeissel der selbigen todten leichnamen·(Und dises ist der beste mummia deτ schwarze ist und d do klar ist d do hatt einem starcken gerauch·(Der meister rasis spτicht·dz mummia gůt seÿ dem haubtewee dz sich erhebt von kalter feüchtung·und benymmet auch die lemde in dem gelidern·des eingenommen als groþ als ein gersten koτen wÿget mit meÿronwasseτ·Und dienet auch fast wol genüczet toτture oτis epilencie scotomie·Das ist zů dem ersten wenn einem das maule schleÿms wirdt von dem schlage·Zů dem andern für die fallenden sucht·Zů dem dτitten den die do beduncket sÿ haben mucken voτ dem augen fliegen·(Rasis spτicht das er einen gesehen hab also sere blůten auþ der nasen daz er himiach gestoτben was·und kein erczneye mocht jn gehelffen zů stopffen dann nur alleÿn mummia·als balde unnd das man jm dises gabe einen halben sýropel mit wein do stopffeten sich die adern in der nasen·

(Der meister Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis in dem capitel mummia beschreibet uns und spτicht·das der seýe heÿþ an dem ende des dτitten grads und trucken an dem ersten·und stercket das hercze·und benÿmmet auch die onmåchtigkeit davon·

Dat 269ste kapittel.

Mummia Latijn en Grieks.

De eerwaardige meesters spreken ook dat dit gevonden wordt in de graven daarin [299] de doden liggen die er gebalsemd werden want het is voor alle tijden geweest dat men de dode lichamen met balsem en met mirre bestrijkt en dat gebeurt noch heden de dag in de heidense landen bij Babylonië waar erg veel balsem daar is. Diezelfde mensen die vullen de dode zijn hersens en de ruggengraat met balsem, Aloë en mirre en van de kracht en hitte van de balsem trekt het aan zich dat bloed in de hersens en daarin wordt het gekookt en daarna droogt het en verdort en wordt veranderd in een harde materie en dat heet dan mummia. Ook vindt men deze in de ruggengraat van dezelfde dode lichamen. En dit is de beste mummie die zwart is en die er helder is die er heeft een sterke reuk. De meester Rasis spreekt dat mummie goed is de hoofdpijn dat zich verheft van koude vochtigheid en beneemt ook de verlamming in de leden, dat ingenomen alzo groot als een gerstekorrel weegt met majoraanwater. En dient ook erg goed genuttigd torture oris, epilepsie en scotoma. Dat is tot de eerste als een de mond slijmerig wordt van de slag. Tot de andere voor de vallende ziekte. Tot de derde die dan denkt dat hij heeft muggen voor de ogen vliegen. Rasis spreekt dat hij er een gezien heeft alzo zeer bloeden uit de neus dat er bijna van gestorven was en geen artsenij mocht hem helpen te stoppen dan alleen mummie en zo gauw dat men hem dit gaf een halve siroop met wijn toen verstopten zich de aderen in de neus.

De meester Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis in het kapittel mummie beschrijft ons en spreekt dat het is heet aan het eind van de derde graad en droog aan de eerste en versterkt dat hart en beneemt ook de onmacht daarvan.

Bij vele schrijvers vind je mummia in gebruik.

Van 400 tot 1400 na Chr. Was het een algemeen geloof dat een mummie een goede medicijn was met genezende krachten. De mummia werd verkregen door mummies op te graven.

mirra cclxx Capi (t·iij·)[300]

Miτza latine·grece smyrna vel achantus·arabice Hec·

(Die meister spτechen·dz mirτ seÿ ein gummi eines baums der wechþt in jndia·Den selbigen baum behawen die selbigen leüt so fleüsset darauþ ein gummi·und von der hicz der sunnen so wirt es hert und dürτ·Auch so machen die selbigen leüt heüt umb die baume·und lassen dz gummi darauff fallen·so beleibt es unvermischet mit der erden·Unnd dises ist der beste mirτ d ein wennig rot ist·(Mirτ ist heiþs und trucken an dem anderen grade·Und man mag den behalten hundert jar unverseret an seiner tugent·(Diascoτides·pillilen gemachet auþ mirτ unnd stoτace und die genüczet sind gůtt für das keÿchen und benemen und hůsten und reÿnigen dz haubt von dem schnopffen·(Mirτ gesoten mit wein und getruncken machet wol deüwen·und wermet den magen·(Platearius·der rauch von mirτa in den mund gelassen und in die nasen stercket das hÿrn·(Mirτ ist gůt den frauwen die nitt kinder empfahen die sôllend den nüczen mit wein und den rauch unden auff lassen·(Plinius wer mit not zů stůl gienge also das er allzeÿt gelust hett und doch nichcz geschaffen môchte·d nücze mirτ mit kåþbτŭe er genÿset zůhandt·

(1) Mirre, 270ste kapittel. [300]

Mirre Latijn. Grieks smyrna vel achantus. Arabisch Hec. (Commiphora mhyrra)

De meesters spreken dat mirre is een gom van een boom die groeit in (2) India. Dezelfde boom hauwen diezelfde mensen en zo vloeit daaruit een gom en van de hitte van de zon zo wordt het hard en droog, ook zo maken diezelfde mensen hutten om die bomen en laten de gom daarop vallen en zo blijft het onvermengd met de aarde. En dit is de beste mirre die een weinig rood is. Mirre is heet en droog aan de andere graad. En men mag dat behouden honderd jaar onveranderd aan zijn deugd. Dioscorides, pillen gemaakt uit mirre en storax en die genuttigd zijn goed voor (3) dat kuchen en beneemt het hoesten en reinigt dat hoofd van het snuffen. Mirre gekookt met wijn en gedronken maakt goed verduwen en verwarmt de maag. Platearius, de rook van mirre in de mond gelaten en in de neus versterkt de hersens. Mirre is goed de vrouwen die niet kinderen ontvangen, die zullen dat nuttigen met wijn en de rook onderop laten. Plinius, wie met nood te stoel gaat alzo dat hij altijd lust heeft en toch niets doen kan die nuttigt mirre met kaasbrei, hij geneest gelijk.

Vorm van Commiphora myrrha, Engl. en Commiphora kataf, Engl.

(1) Dodonaeus; ‘Deze traan of gom heet in het Latijn Myrrha, hier te lande myrrhe, in Hoogduitsland Myrrh, in het Grieks Smyrna’.

Maerlant; ‘Mirre,
als Isidorus zegt, is een boom die in (2) Arabië pleegt te groeien twee en een halve meter hoog, zoals wij het horen, en heeft menige scherpe dorens.

Herbarius in Dyetsche; ‘Mirre is heet en droog in de tweede graad. Het is een gom van een boom die in (2) Indië groeit . 

Wijn, waar mirre in gekookt is met droge vijgen, is goed tegen (3) korte adem of astma, tegen letsel van de borst en tegen hoest.


Muscaten blůmen

Das cclxxi Capit

Macis latine grece galifer sive talifar vel machil·arabice fistose vel bisbese vel hestobelle·

(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel fistose·idest macis beschτeibet uns unnd spτicht·das macis seÿ ein rÿnden dÿe kommen von muscaten nuþe·unnd dÿse sind die besten muscaten rinden die do bτaun seind·(Die schwarczen sôllent gancz nichcz.

(Der meister Diascoτides in dem capitel machil spτicht·das diþs ist ein rÿnden und kommet auþ dem lande barbaria·und ist rôtlat von farben·(Der meisteτ galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum·[301] in dem capitel macis spτicht dz diþs sey ein rinde und die komme auþ dem lande jndia·unnd die reüchet wol geleich den andern wolriechenden specereÿen auþ dem selbigen lande·(Die eÿnen flüssigen bauch haben die sollent nüczen muscaten blůmen sý helffen und stopffen·Und ist sunderlichen gůt den die do blůt renþen und die do fast bôser feüchtung sind·(Der meister avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτicht·das dises sterck den magen unnd auch das hercze·(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Macis beschτeiben uns die meister unnd spτechen·dz dises seÿ heÿþ und trucken an dem anderen grade·Und etlich spτechen das dises sind blůmen von muscaten·Und dises ist nit d meister meinung sunder sÿ spτechen das diþs sind die rinden von muscaten nussen und die findet man an den muscaten geleicher weyþ als man findet die aussern rinden der haselnuþs·(Muscaten rinden oder blůmen werendt neün jar unverseret an jrer krafft·Und jr tugent ist stercken von einander thůn und veτzeren alle bôse feüchtung·(Wôlcheτ einen bôsen magen håtte von kelten der nûcze muscaten blůmen er genÿset davon getruncken·(Auch so mage man machen ein pflaster auþwenig auff dem magen also·Nÿmm muscaten blůmen und pulferisier des zweÿ lot und müsche darunder mastix ein lot·oleum rosarum ein halb lot·bleÿweiþ dτeü quintin·unnd müsche darunder wachþ das dises werde als ein pflaster und lege dz aussen auf de magen es erwermet den und machet wol deüwen·(Isidoτus für das zÿttrendt hercze soll man nüczen muscaten blůmen·

(1) Muskaat schaal.

Dat 271ste kapittel.

Macis Latijn. Grieks galifer sive talifar vel machil. Arabisch fistose vel bisbese vel hestobelle. (Myristica fragrans)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel fistose, id est macis, beschrijft ons en spreekt dat macis is een bast die komt van muskatennoot en dit zijn de beste muskatenbast die er bruin zijn. De zwarte zullen gans niets.

De meester Dioscorides in het kapittel machil spreekt dat dit is een bast en komt uit het land Barbaria en is roodachtig van verven. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum [301] in het kapittel macis spreekt dat dit is een bast en die komt uit het land India en die ruikt goed gelijk de andere goed ruikende specerijen uit hetzelfde land. Die een vloeiende buik hebben die zullen nuttigen muskatenbloemen, ze helpen en stoppen. En is vooral goed die er het bloed rent en die van erg kwade vochtigheid zijn. De meester Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat dit versterkt de maag en ook dat hart. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel macis beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet en droog aan de andere graad. En ettelijke spreken dat dit zijn bloemen van muskaten. En dit is niet de meesters mening en vooral ze spreken dat dit is de bast van muskatennoten en die vindt men aan de muskaten gelijkerwijze zoals men die vindt aan de buitenste bast van de hazelnoot. Muskatenbast of bloemen blijven negen jaar onveranderd aan hun kracht. En zijn deugd is versterken, van elkaar doen en verteren alle kwade vochtigheid. (2) Wie een kwade maag heeft van koudheid die nuttigt muskatenbloemen, hij geneest daarvan gedronken. Ook zo mag men maken een pleister aan de buitenkant op de maag alzo: Neem muskatenbloemen en verpoeder dat twee maal 16,7 gram en meng daaronder mastiek, 16, 7gram, oleum rosarum, een half van 16, 7 gram, loodwit, drie maal 1, 67gram, en meng daaronder was zodat dit wordt als een pleister en leg dat buiten op de maag, het verwarmt die en maakt goed verduwen.(3) Isidorus, voor dat sidderende hart zal men nuttigen muskatenbloemen.

Zie kapittel 283.

(1) Dodonaeus; ‘Dat netvormig schorsje of velletje dat tussen de buitenste schaal en houten schil gevonden wordt is in het Grieks en Latijn Macer bij sommige genoemd en in de apotheken Macis, hier te lande foelie, in het Hoogduits Muscatbluft of Muscatblumen’.

Gebruik.

Herbarius in Dyetsche; (3) Het poeder van foelie in spijs of drank genomen is goed tegen hartkramp’.

bysum cclxxii Ca

Muscus latine·grece abonafa sive aboanifa·arabice Misch·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel misch beschτeibt uns und spτichet dz etlich thier in dem landen genant tumbase sind·und die sind geheissen gaselle von disen thieren kommet d bÿsum·die thier die sind gestalt geleich dem geiþsen und haben zwen lang zen neben auþ dem munde geen geleich einen eberschwein·Die zen sind fast weÿþs und schlecht·Und die thier in tumbase gaselle geheissen die essen nichcze anders dann spÿca nardum·und darumb so ist der bÿsum auþ dem selbi (t·iiij·) [302] gen lande vil besser und stercker und wolriechender dann der bÿsum auþ senÿþ·auch so ist dises die uτsach wann die leüt in tumbase die sameln dem bÿsum wenn er gezeÿttiget in den thieren·als du hernach hôτen wirdest.

(Item die thier gaselle genennet die do find in dem lande seniþ die essen alle andere kreüter. Und darumb so ist der selbig bÿsum nit als gar starck als d in tumbasen·(Auch ist dises die uτsach dz die selbigen leüt in senÿþ sameln dem bÿsum so er noch nit zeÿtig ist in dem thieren·also. Sÿ fahen die selbigen thieτe gaselle genant und schneiden die·und sehent nit an ob der bÿsum zeÿtig seÿ in dem thiere od nit·und nemen das selbig geblŭt in den thieren und schmieren das an die haut und hencken die do auff und lassen die feüchtunge daran trucken werden an der sunnen·wenn die dann also gedoτret in dem luffte so reücht sÿ do fast starck unnd wirdt heτtte·(Item die leüt in tumbase samlen dem bÿsum also·die thiere do selben gaselle genant die dem bÿsum in jn habend wenn der bey den thieren zeÿtig ist so gewÿnnen sÿ ein geschwere an dem leÿbe·und wenn das geschweτe zů eÿtter gegrÿffen hat und die materien darauþ begeret so reÿbet sich das thiere an die warmen stein die davon der sunnen gar heÿþ woτden sind unnd jucket und reibet sich als lang und als vil daran das die haut do auff bτichett·und so fleüþt die materi auff den stein die ist geleich als blůt und die wirt davon d sunnen hert·und wenn die materi auþ dem thieτ geet so vernÿmmet es also grosse senfftigunge als dann geschicht dem menschen dem sein natur entgeet so man und frawen mit einander zů schaffen habent·aber dises thieres senfftung ist fast grôsser dann des menschen·wann es ist das aller subtÿlest blůt dz das thiere in jm hat gleich als die natur des menschen·und ist aller beste gedeûwet·Diþ blůt auff dem steinen sameln die selbigen leüt und behalten das in wol verdeckten geschirτen zýlberen und zynen·und schicken den do in die land·Und disen bÿsum vermachend auch die selbigen leüt in die haut der thieren gasellen genant die sÿ in sunderheÿt darzů fahen und dem nücze die künig do selbst und schencken den hin für groþ kostlich gaben. (Serapio beschτeibet uns und spτicht·dz bÿsum seÿ heiþ und trucken an dem anderen grad·(Bÿsum stercket dz hercz und alle jnnerliche gelyder·(Bÿsum gemischet under salben do die haudt auþwenig mit geschmieret wirdt verzert die feüchtung und wermet dz hÿren von seinem gůten gerauch·(Galienus·bisum gebulferet und dz gelassen in die naþlôcher dz machet nÿesen·und also steτcket er dz haubt und dz hirn und reÿniget dz fast wol·(Etlich leüt haben als ein krancks haub [303] te und hÿren das sÿ des bÿsums gerauch nit geleÿden mügen und ist jn gancz wider·Die selbigen mügen sich wol nôttigen unnd den gerauch bey jn leÿden·wann er stercket und meret das hÿrn und erwermet dz also das dÿe vernunfft des menschen auch dester stercker wirt·(Bÿsum gemischet mit petroleo unnd die kalten gelider damit geschmieret als dann ist die lemde an wôlichen enden das seÿ an dem leybe·es hilfft fast wol·(Platearius. Wõlicher einen übelriechende mund håtte der keüwe des als ein gersten koτn wÿgt·es hilft·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτicht·daz bÿsum sterck auch daz heτcze unnd mache dem gůtt geblŭte·

(1) Bisam of muskus, 272ste kapittel.

Muscus Latijn. Grieks abonafa sive aboanifa. Arabisch Misch. (Moschus moschiferus)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel misch beschrijft ons en spreekt dat er ettelijk dieren in het land genaamd Tumbase zijn en die zijn geheten gazel en van deze dieren komt de bisam, die dieren die zijn gesteld gelijk de geiten en hebben twee lange tanden naast uit de mond gaan gelijk een everzwijn. Die tanden zijn erg wit en recht. En dit dier in Tumbase gazel geheten die eten niets anders dan spica narda en daarom zo is de bisam uit hetzelfde [302] land veel beter en sterker en meer welriekend dan de bisam uit Senÿþ, ook zo is dit de oorzaak want de mensen in Tumbase die verzamelen de bisam als het rijpt in de dieren zoals u hierna horen zal.

Item, dit dier gazel genoemd die je vindt in het land Seniþ die eten alle andere kruiden. En daarom zo is dezelfde bisam niet als erg sterk zoals die in Tumbase. Ook is dit de oorzaak dat diezelfde mensen in Senÿþ verzamelen de bisam zo het noch niet rijp is in de dieren alzo. Ze vangen diezelfde dieren gazel genaamd en snijden die en zien niet aan of de bisam rijp is in het dier of niet en nemen datzelfde bloed in de dieren en smeren dat aan de huid en hangen die zo op en laten die vochtigheid daaraan droog worden aan de zon en als dat dan alzo gedroogd is in de lucht zo ruikt het erg sterk en wordt hard. Item, die mensen in Tumbase verzamelen de bisam alzo; dat dier daar gazel genaamd die de bisam in zich heeft en als het bij dat dier rijp is dan winnen ze een zweer aan het lijf en als die zweer tot etter gerijpt is en die materie daaruit wil dan wrijft zich dat dier aan een warme steen die daarvan de zon erg heet geworden is en jeukt en wrijft zich alzo lang en alzo veel daaraan dat die huid daar open breekt en zo vloeit die materie op de steen en die is gelijk als bloed en die wordt daar van de zon hard en als die materie uit het dier gaat dan verneemt het alzo grote verzachting zoals dan geschiedt de mens die hem zijn natuur ontgaat zo een man en een vrouwen met elkaar te doen hebben, maar dit dier verzachting is erg groter dan de mensen want het is dat aller subtielste bloed dat dit dier in zich heeft gelijk als de natuur des mensen en is aller beste verduwd. Dit bloed op de stenen verzamelen diezelfde mensen en behouden dat in goed bedekte vaten zilver en zinken en sturen het door in dat land. En deze bisam vermaken ook diezelfde mensen in de huid van de dieren gazellen genaamd die ze vooral daartoe vangen en die nuttigt de koning daar en schenkt het dan heen voor grote kostbare gaven. Serapio beschrijft ons en spreekt dat bisam is heet en droog aan de andere graad. Bisam versterkt dat hart en alle innerlijke leden. Bisam gemengd onder zalf waar de huid aan de buitenkant mee gesmeerd wordt verteert de vochtigheid en verwarmt de hersens van zijn goede reuk. Galenus, bisam gepoederd en dat gelaten in de neusgaten dat maakt niezen en alzo versterkt het dat hoofd en de hersens en reinigt dat erg goed. Ettelijke mensen hebben alzo een ziek hoofd [303] en hersens dat ze de bisam reuk niet lijden mogen en het is hen gans tegen. Diezelfde mogen zich goed nodigen en de reuk bij hen lijden want het versterkt en vermeerdert de hersens en verwarmt die alzo dat hun verstand van die mensen ook des te sterker wordt. Bisam gemengd met petroleum en de koude leden daarmee gesmeerd zoals dan zijn de verlamde, aan welke einden dat het is aan het lijf, het helpt erg goed. Platearius. Wie een kwalijk ruikende mond heeft die kauwt dat in als een gerstekorrel weegt, het helpt. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat bisam versterkt ook dat hart en maak het goed bloed.

Muskus, in Duits heet het Bisam, Latijn bisamum van Hebreeuws besem: geur.

ein frucht cclxxiii C

Mirabolani latine·arabice amleegbelliget·

(Die meister spτechen gemeÿnigklichen dz dises seÿen früchte und die wachþen in jndia und ist ein gewåchþ und haben doch mangerley gestalt und tugent an jn·Diser gestalt is fünfferleÿ nach dem und uns verzeychnet wirt in disen verþen·Mira bolanoτum species sunt quinqz bonoτum·Citrinus kebulus bellericus emblicus indus·die einen sind genant mirabolani citrini·die andern kebuli·die dτitten bellerici·die vierden emblici·die fünfften jndi·(Die ersten als citrini purgieren coleram rubeam und darnach flegma·Die andern als kebuli purgieren flegma und darnach coleram·bellrici und emblici purgieren geleich mit einander coleτam und flegma·Mirabolani jndi dÿe purgierent coleram nigram·daz ist melancoleÿ·(Item dises sind die beste mirabolani citrini die do schwår sind und teÿcht·und wenn man sÿ bτicht das sÿ saft in jn haben·Und dise mag man behalten unverseret an jrer krafft zehen jare·Des geleichen kebuli bellerici emblici und jndi mag man auch lange zeyt behalten·Und etlich meister spτechen dz alle mirabolani purgierend coleram·und etlich purgieren mer ettlich minder. Hie mercke wenn mirabolani citrini genüczet werden in der erczneÿ so soll man nemen die rÿnden davon·[304] aber wenn man davon getranck machen wil so soll man darvon nemen den keren·des geleichen kebuli·(Der meyster serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel ambleg belliget idest mirabolani emblici et bellerici beschτeibet uns und spτicht·dz die sind kalt und trucken an dem ende des dτitten grads·Dise genüczet benemen den durst und bτingen lust zů essen·(Der meister Johannes mesue in dem capitel mirabolani beschτeibet uns und spτicht dz emblici und bellirici sind von den erczneÿen die do stercken den magen das hercz die lebern und alle gelÿder·und stercken die vernunfft und benemen das herczen zÿttern·(Item in dem bůch genant Pandectarum beschτeiben uns die meister von der zweÿer tugent als emblici·und bellerici in dem neün und dτeissigisten capitel dz sich anhebet ambleg·Und von den anderen dτeÿen tugenden als do sind citrini kebuli und jndi·beschτeiben uns die meister in dem voτ genanten bůch in dem·cccxxiij·capitel·(Serapio spτicht·dz mirabolani citrini genüczet treÿbend auþ melancoleÿ und sterckend die augen und benemen dem fluþ der augen und bτingen dem menschen gůt farben. (Mirabolani kebuli die bτauchet man zů dem afftern·als zů dem feüchtblatern unnd sind sunderlichen gůt den ausseczigen·(Mirobalani jndi·die sind zů allen stucken gůtte darzů dann sind die andern vier aber doch nit also starck an jrer krafft·(Der meister johannes mesue spůicht·das mirobalani sind der erczneÿen die den menschen jung geschaffen machent und hübsch farben und machen einen wolriechenden mund und bτingen dem herczen freüde und gůt geblŭte·

Mirobalanen, 273ste kapittel.

Mirabolani Latijn. Arabisch amleegbelliget. (Terminalia catappa, belerica, citrina en chebula, Phyllanthus emblica)

De meesters spreken gewoonlijk dat dit zijn vruchten en die groeien in India en is een gewas en hebben toch vele gestalten en deugd aan hen. Deze gestalte is vijfvormig naar dat dan ons verzekerd wordt in deze spreuk: Mira bolanorum species sunt quinqe bonorum, Citrinus, kebulus, bellericus, emblicus, indus, die ene is genaamd mirabolani citrini, de andere kebuli, de derde bellerici, de vierde emblici en de vijfde indi. De eerste zoals citrini purgeert coleram rubeam en daarna flegma. De andere zoals kebuli purgeert flegma en daarna coleram, bellrici en emblici purgeren gelijk met elkaar coleram en flegma. Mirabolani indi die purgeert zwarte gal, dat is melancholie. Item, dit zijn de beste mirabolani citrini die er zwaar zijn en dicht en als men ze breekt dat ze sap in zich hebben. En deze mag men behouden onveranderd aan zijn kracht tien jaar. Desgelijks kebuli, bellerici, emblici en indi mag men ook lange tijd behouden. En ettelijke meesters spreken dat alle myrobalanen purgeren gal en ettelijke purgeert meer en ettelijke minder. Hier merk als mirabolani citrini genuttigd wordt in de artsenij zo zal men nemen de bast daarvan, [304] maar als men daarvan drank maken wil zo zal men daarvan nemen de kern, desgelijks kebuli. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel ambleg belliget, id est mirabolani emblici en bellerici, beschrijft ons en spreekt dat die zijn koud en droog aan het einde van de derde graad. Deze genuttigd beneemt de dorst en brengen lust tot eten. De meester Johannes Mesue in het kapittel mirabolani beschrijft ons en spreekt dat emblici en bellirici zijn van die artsenijen die je versterken de maag, dat hart, de lever en alle leden en versterken het verstand en benemen dat hart sidderen. Item, in het boek genaamd Pandectarum beschrijven ons de meesters van de twee deugden als emblici en bellerici in het negen en drie en zestigste kapittel dat zich aanheft ambleg. En van de andere drie deugden zoals er zijn citrini, kebuli en indi beschrijven ons de meesters in het voor genoemde boek in het 323ste kapittel. Serapio spreekt dat mirabolani citrini genuttigd drijft uit melancholie en versterkt de ogen en benemen de vloed van de ogen en brengt de mensen goede kleur. Mirabolani kebuli die gebruikt men tot het achterste zoals tot de aambeien en zijn vooral goed voor de huiduitslag. Mirobalani indi die is voor alle stukken goed daartoe dan zijn de andere vier, maar toch niet alzo sterk aan zijn kracht. De meester Johannes Mesue spreekt dat mirobalani zijn van die artsenijen die de mensen jong geschapen maken en mooie kleur en maken een welriekende mond en brengen het hart vreugde en goed bloed.

Zie kapittel 159.

honig cclxxiiii Ca

Mel latine·Arabice hell·

(Seτapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Hell beschτeibet uns unnd spτicht das hônig von natur heÿþ seÿe in dem ersten grade·unnd trucken an dem anderen·(Item. Dises ist das beste hônig daz do in dem meÿen geseczet wirdt von den bÿnen·darnach dz in dem summer fellet·Aber das hônig das do in dem winter fellet das selbig ist nit gůt und hat kein krafft in jm·(In dem land sÿria do ist hônig dz ist fast bitter d uτsachen halben wann die bÿnen in dem selbigen lande die essend nichczen anders dann wermůt und das selbig hônig ist gar zů vil sachen gût anþwendig und jnwendig des leibes·(Item dises ist auch das beste hnig in teütschen landen das do fast sŭþs ist und hat ein rote farben und das nit zů vil feücht ist·

(Die meister spτechen das etlich leüt die bÿnen lassen hônig werffen in holz·und das selbig [305] hônig ist weÿþ·daz sol man in die erczneÿ mischen die do keltten·aber dz rot in die eτczneÿen die do wermen·Das hônig dz mag man behalten hundert jare unverseret an seiner kraffte.

Auch so findet man hônig in dem felden·und dises das hat nit als vil tugent an jme als das heymisch·Das ist ettlicher massen bitter·und das selb das nüczet man aussen an den leýbe·Auch so ist hônig dz man nennet castaneacium·und das selb wirt von den blůmen der castanien·wann die bÿnnen die do den castanien baumen nåhnen sind die selben bÿnen saugent der selbigen blůmen·und das hônig ist nit also sŭþs als ander hônig·und dz ist fast gůt zů vil sachen und gebτesten aussen an dem leÿbe·(Der meister Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capittel de melle beschτeibet uns und spτichet dz gar mangerleÿ hônig seye·Eines heisset mel usuale und dz selbig ist uns gar wol bekant·Ein anders heisset mel arthemiense·und dz selbig das kommet auþ dem land arthemis. (Es ist auch ein anders hônig daz selbig nennet man mel vesperum·und dz findet man under der erden·Auch so ist ein ander hônig genant mel granatum. (Der meister avicenna in der ersten fen des vieτden bůchs in dem capitel genant de hoτa cibationis febτicitantium beschτeibet und spτicht das hônig seÿe genant mel canne und das geleichet dem zucker in der sŭsse·und dz selb ist also fette das es nitt hert wirt·Auch so findet man hônig genennet mel cassia fistolatum·und ist die feüchtunge in den roτen der cassia fisteln.

(In dem bůch genant circa instans do bescheibend unns die meister unnd spτechen·das hônig gůt seÿ den onmåchtigen menschen das do genüczet mitt hônig wasser genant mulsa·und den menschen die do von natur kalt sind den selben sol man dises geben mit warmer bτŭe·und die do von natur warm sind die sollend dises nüczen mit kalter bτŭe·(Platearius. Hônig gemüschet mit campher und daz also gestanden dτeÿ tagen darnach das antlicz damit gewåschen benÿmmet die flecken under dem augen·Auch so mag man hônig müschen mit ochþen gallen und also nüczen zů den flecken·es hilfft·(Hônig raumet die bτust·und weichet die geschweren auþwendig und jnwendig des leybes·[306]

(1) Honing, 274ste kapittel.

Mel Latijn. Arabisch hell.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hell beschrijft ons en spreekt dat honing van natuur heet is in de eerste graad en droog aan de andere. Item. Dit is de beste honing dat er in de mei gezet wordt van de bijen en daarna dat in de zomer valt. Maar de honing dat er in de winter valt, datzelfde is niet goed en heeft geen kracht in hem. In het land Syrië daar is honing dat is erg bitter vanwege de oorzaak dat de bijen in hetzelfde land die eten niets anders dan alsem en diezelfde honing is erg tot veel zaken goud, uitwendig en inwendig het lijf. Item, dit is ook de beste honing in Duitse landen dat er erg zoet is en heeft een rode kleur en dat niet te veel vochtig is.

De meesters spreken dat ettelijke mensen de bijen laten honing werpen in hout en datzelfde [305] honing is wit en dat zal men in de artsenijen mengen die er verkoelen, maar de rode in de artsenijen die je verwarmen. De honing die mag men behouden honderd jaar onveranderd aan zijn kracht.

Ook zo vindt men honing in het veld en deze dat heeft niet zo veel deugd aan hem dan de geteelde. Dat is ettelijke maten bitter en datzelfde dat nuttigt men buiten aan het lijf. Ook zo is er honing dat men noemt castaneacium en diezelfde wordt van de bloemen van de kastanje want de bijen die de kastanjeboom naderen zijn dezelfde bijen die zuigen aan dezelfde bloemen en die honing is niet alzo zoet zoals andere honing en dat is erg goed tot veel zaken en gebreken buiten aan het lijf. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel de melle beschrijft ons en spreekt dat er erg veel soorten honing zijn. Een noemt men mel usuale en diezelfde is ons erg goed bekend. Een anders heet mel arthemiense en diezelfde dat komt uit het land Arthemis. Er is ook een andere honing en diezelfde noemt men mel vesperum en die vindt men onder de aarde. Ook zo is er een andere honing genaamd mel granatum. De meester Avicenna in de eerste fen van het vierde boek in het kapittel genaamd de hora cibationis febricitantium beschrijft en spreekt dat er honing is genaamd mel canne en dat lijkt op suiker in de zoetheid en datzelfde is alzo vet dat het niet hard wordt. Ook zo vindt men honing genoemd mel cassia fistolatum en dat is de vochtigheid in de peulen van Cassia fistula.

In het boek genaamd Circa instans daar beschrijven ons de meesters en spreken dat honing goed is de onmachtige mensen, dat zo genuttigd met honingwater genaamd mulsa en de mensen die er van natuur koud zijn, diezelfde zal men dit geven met warme bouillon en die er van natuur warm zijn die zullen dit nuttigen met koude bouillon. Platearius. Honing gemengd met kamfer en dat alzo gestaan drie dagen en daarna dat aangezicht daarmee gewassen beneemt de vlekken onder de ogen. Ook zo mag men honing mengen met ossengal en alzo nuttigen tot de vlekken, het helpt. Honing ruimt de borst en weekt de zweren uitwendig en inwendig van het lijf. [306]

(1) Zeem of honingzeem, in midden-Nederlands zeem of seem, vergelijk oud-Saksisch Sem en oud-Hoogduits Seim.

Petersylien ausz dem lande Macedonien

Das cclxxv Ca

Macedonia vel sÿnonum latine et grece.

(Die meÿster spτechen das dises heÿssen petersilien auþ dem lande macedonien genant·(Dises kraut wechþt daselben in dem gårten geleich der petersilien in teütschen landen·Dises kraute ist heyþ und truckner naturen. Dise bleter sind schwarczgrŭn und hat oben knôpff die sind schwarcz·Sein wurczeln auch schwarcz·Und spτechen etlich meister dz dise petersilien wachþen auch in alexandτien·(Dises krautes samen und wurczeln ist man nüczen zů erczneyen·

(Mercke wenn man schτeibet in apotecken macedonia von alexandτien so meinet man den samen·Aber die wurczeln nent man an jr selbs und die sol vermenget weτden mit andern kreütern·(Diser same und wurczel gesoten in wein und die frawen den tampff unden aufgelassen benymmet den weetagen der můter·(Diser samen getruncken mit wein benymmet den kalten siechtagen·(Der meister Plinius in dem capitel petrosilium macedonicum spτicht·das dyses wachse in dem lannde sÿria genant·und doselben wirt dises genennet sÿnonum·idest petrosilium macedonicum·und wechþt auff den hohen felsen·Und darumb wirt es geheissen petrosilium a petra das ist als vil als ein felþe·Inde petrosilium·

(Auch wåchþt dises kraut in den gårten·aber dz selb hatt nit also grosse krafft als dz do auf den felþen wechþt. (Von disem petrosilino macedonico do lÿse Pandectam das sechþhundert und achtundvierczigist capitel daz sich anhebet Sÿnonum do findest du der hochgelerten meister Diascoτides und plinius meinungen·[307]

(1) Peterselie uit Macedonië.

Dat 275ste kapittel.

Macedonia vel sÿnonum Latijn en Grieks. (Smyrnium olusatrum)

De meesters spreken dat dit heet peterselie uit het land Macedonië genaamd. Dit kruid groeit dar in de tuin gelijk de peterselie in Duitse landen. Dit kruid is van hete en droge natuur. Deze bladeren zijn zwartgroen en heeft boven knoppen die zijn zwart. Zijn wortels ook zwart. En spreken ettelijke meesters dat deze peterselie groeit ook in Alexandrië. Dit kruid zijn zaden en wortels is het die men nuttigt tot artsenijen.

Merk, als men schrijft in apotheken Macedonië van Alexandrië dan bedoelt men de zaden. Maar de wortels noemt men met zijn eigen naam en die zal vermengd worden met andere kruiden. (2) Dit zaad en wortel gekookt in wijn en de vrouwen de damp onder opgelaten beneemt de pijnen van de baarmoeder. Deze zaden gedronken met wijn beneemt de koude ziektes. De meester Plinius in het kapittel petrosilium macedonicum spreekt dat dit groeit in het land Syrië genaamd en daar wordt dit genoemd synonum, id est petrosilium macedonicum, en groeit op de hoge rotsen. En daarom wordt het geheten petrosilium a petra, dat is zo veel als een rots, en petrosilium.

Ook groeit dit kruid in de tuin, maar die heeft niet alzo grote kracht als die er op de rotsen groeit. Van deze petrosilino macedonico daar lees je Pandecta dat zeshonderd en achtenveertigste kapittel dat zich aanheft Sÿnonum, daar vindt u de zeer geleerde meesters Dioscorides en Plinius meningen. [307]

Dodonaeus; ‘‘De grote eppe, anders peterselie van Macedonië of peterselie van Alexandrië genoemd. Ze heet ook wel in het Latijn Olus atrum en in het Grieks  Silvestre Apium, dat is wilde eppe, van Galenus en sommige anderen is ze ook Smyrnion genoemd.

Herbarijs; ‘Petrocilium macedonicum, dat is peterselie van Macedonië of Alexandrië. En dit peterselie werkt hetzelfde zoals de ander werkt

melonen cclxxvi c

Melon latine·grece sichirnis·arabice Rehera·

(Der meister Galienus in seÿnem achtenden bůch simplicium farmacarum spτicht·dz der same von melonen genüczt werd in der erczneÿ und ist von natur kelten und feücht machen an dem andern grad. (Diser same reÿnigt die haut·den gesoten und damit gewåschen·Etlich meister spτechen·dz melonen vil wachþen in den landen palestenen und sarτacenen·Ettlich heissen dises cucumer·und sunderlch in lombardeyen werden sÿ also geheissen·(Deτ meistde ÿsaac spricht das die melonen von palestenen feüchter kelter und kleyneτ sind dan die auþ dem lande sarτacena·und sind auch bôser zů verdeüwen on allein dz sÿ lenger gůt beleiben·(Wôlcher unnatürlich hicz het in dem magen und darjnn bôþ febτes dem sind sÿ gůt·(Ettlich meister nennen melonen summer melonen·und die sind zweier hant·eine sind rot und heissen pepones·die andern sind lang die heissen melonen od summer melonen·Diþ sind beÿde kalt und feücht in dem ende des andern grads·Diþ melonen haben mangerleÿ handt tugent an jn darumb dz sÿ schwårlich sind zů essen·(Diser same hat kraffte dz eτ machet wol harmen·und reÿniget die lenden und nÿeren·(Der same würcket baþ in dem lenden dann in der blasen wann die nÿeren und die lenden sind fleischicht und d sant ist weich darumb scheiden sÿ bald·aber die blaþ ist aderτichtig·und darumb sind die stein und d sant hert darjnn und scheiden mit grosser beÿn·und darumb můþ man stercker erczneÿe geben wider dem stein in d blasen denn wider dem stein in dem nÿeren od lenden·(Serapio d ein håþlich antlicz het d sol nemen disen samen von melonen und darab thůn sein schelffet·und darzů nemen bonen mel und diþ und ein ander mischen und bulferifieren und darauþ gemachet kůchen gemischet mit rosenwasser und also lassen trucknen an d sunnen und damit dz angesicht gewåschen machet es hübsch und schôn und benÿmmt all bôþ flecken der haut·[308]

(1) Meloenen, 276ste kapittel

Melon Latijn. Grieks sichirnis. Arabisch Rehera. (Cucumis melo en Cucumis sativus)

De meester Galenus in zijn achtste boek simplicium farmacarum spreekt dat het zaad van meloenen genuttigd wordt in de artsenij en is van natuur verkoelend en vochtig maken aan de andere graad. (2) Dit zaad reinigt de huid, die gekookt en daarmee gewassen. Ettelijke meesters spreken dat meloenen veel groeien in de landen Palestina en Saracenen. Ettelijke noemen deze komkommer en vooral in Lombardije worden ze alzo genoemd. De meester Isaac spreekt dat de meloenen van Palestina vochtig, koud en kleiner zijn dan die uit het land Saracenia en zijn ook slechter te verduwen dan alleen dat ze langer goed blijven. Wie onnatuurlijke hitte heeft in de maag en daarin kwade koorts die zijn ze goed. Ettelijke meesters noemen meloenen zomermeloenen en die zijn tweevormig, een is rood en heet pepones, de andere zijn lang en die heten meloenen of zomermeloenen. Die zijn beide koud en vochtig in het eind van de andere graad. (3) Deze meloenen hebben vele tegenstrijdige deugd aan zich en daarom dat ze moeilijk zijn te eten. Dit zaad heeft kracht dat het maakt goed plassen en reinigt de lenden en nieren. Het zaad werkt beter in de lenden dan in de blaas want de nieren en de lenden zijn vleesachtig en het zaad is week en daarom scheiden ze gauw, maar de blaas is aderachtig en daarom zijn de stenen en het zand hard daarin en scheiden met grote pijn en daarom moet men sterkere artsenijen geven tegen de steen in de blaas dan tegen de steen in de nieren of lenden. (2) Serapio, die een hatelijk aangezicht heeft die zal nemen deze zaden van meloenen en daaraf doen zijn schil en daartoe nemen bonenmeel en dit er onder mengen en verpoederen en daaruit gemaakt koeken gemengd met rozenwater en alzo laten drogen aan de zon en daarmee dat aangezicht gewassen maakt het mooi en schoon en beneemt alle kwade vlekken van de huid. [308]

(1) Dodonaeus; ‘‘Hier te lande noemt men dit gewas en zijn vruchten meloenen, in Hoogduitsland en Bohemen Melaun, in het Latijn Melo, dan Melon betekent in het Grieks een appel en daarom zal men dit komkommerachtig gewas in het Grieks beter Melopepon noemen als of men een pepoen zei die de reuk van een appel heeft.

De Gart spreekt over meloen en ‘ettelijke noemen dit komkommer’. Ook de tekst; ‘ Ettelijke meesters noemen meloenen zomermeloenen en die zijn tweevormig, een is rood en heet pepones, de andere zijn lang en die heten meloenen of zomermeloenen’, een lange meloen zou een komkommer of augurk kunnen zijn. Er wordt nergens gesproken van een zoete geur, dat is toch wel opvallend, ook van de zoete smaak. Het kan ook kleine soorten van Cucurbita pepo en Cucurbita maxima omvatten.

Herbarius in Dyetsche; ‘Couworden of Cucurbita, cucumeren of cucumer, citrulle of citrulli, melone of melo. (2) Het zaad van deze vier moet je in medicijnen doen omdat ze alle vier vrijwel dezelfde kracht hebben,

(3) De sappen van deze vier genezen de dorst.

(4) Deze zaden die van de buitenste schors ontdaan, gebroken en in gerstewater gekookt en dan gezuiverd, met suiker gemengd en zo gedronken worden zijn goed tegen verstoppingen van de lever, van de milt, van de nieren, van de blaas en de blaren van de borst.

(5) Tegen scherpe koortsen, vooral de dagelijkse en de derdedaagse of om de andere dag.

raden

(N)Igella latine·grece melanchion vel git melanchium·arabice Carvon vel stamix·

(Der meisteτ paulus beschτeibt uns in seinen heτbario und spτicht·das Nigelle sind heiþ unnd trucken an dem dτitten grad·und den samen nüczet man in der erczneÿ·und der ist genant Nigella·und wechþt geren do es steinet ist·und sunderlichen so wechþt er geren under der frucht·(Disen samen mag man behalten zehen jar unverseret an seiner natur·(Der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel carvon idest nigella spτicht·daz dises kraut hab kleine bleter und hab klein subtil stengel nahent zweÿer spannen lang·An dem gÿpffel hat es heübter geleiche den koτenblůmen darjnnen hat es samen der ist schwarcz unnd scharpff und der hat einen gůten gerauch·(Diascoτides spτicht daz mele von radten gemischet mit wermůt safft und darauþ gemacht ein pflaster tôdtet die würm in dem bauch und sunderlichen den kinden·(Auch ist fast gůt dise obgechτibne stucke dz man es mische mit hônig und jn eingebe dem reüdigen menschen es hilft·(Es benymmet auch die flecken under dem augen·(Dz mele von radten gemischet mit eþsig unnd das gelassen in die oτen tôdtet die würm darjnnen·(Platearius nigella geton in ein glaþ und darüber wein gesoten und den getruncken ist gůtt stranguiriosis·dz ist die damit not neczent·Auch benÿmmt es die lenden sucht also genüczet·(Auch so spechent die meister·das man nit vil radten nemen sol in den leib·sunder ein quintin und nit darüber·(Nigella sol man thůn in ein thŭchlein und sy halten für die nasen benÿmmet den schnopffen unnd den fluþs des haubtes·(Diascoτides. Nymme schwårteln wurczeln und stosse die zů bulfer und mische darunder mele von radten und nÿmm des ein mit eþsig·Dises ist fast gůt den ausseczigen an dem ersten. (Nigella mit eþsig gesoten und den in dem munde gehalten benymmet dem zan weetagen·(Plini [309] us. Radten sind den seügenden frawen nit gůt wann sÿ verschwenden die milch·(Die bôse feüchtung die der mensch in jm hat und die verstopfften die verdeüwen die radten und verzeren sÿ·(Den ein vergifftig thiere gestochen håtte der neme der radten ein quintin und trincke die do ein mit wein·es hilft. (Einen rauch gemachet in dem hauþe von radten·machet fliehen die schlangen unnd andere vergifftige tier darauþ. (Radten ein quintin genommen unnd die gestossen zů melbe und darunder gemüschet eppich samen treÿbet auþ das kalte das sich lange zeyt verhinderet hatt in dem menschen·und sunderlichen quartanam·(Das bulfer von radten genommen ein gůtt teÿle und das gesoten in starckem eþsig also das es fast dicke werde darnach so thů darzů nuþs ôle unnd mache darauþ ein salben. Dise salben ist gůtt für die bôsen rauden darauþ dann werden maledeÿen·und benÿmmet auch die bôsen grÿnden flecken von dem antlicz darüber geschmieτet des abents so er schlaffen will geen·(Radten måssigklich genüczt sind gůt calculosis·dz sind die menschen die den stein haben.

(1) Bolderik, 277ste kapittel.

Nigella Latijn. Grieks melanchion vel git melanchium.Arabisch Carvon vel stamix. (Nigella sativa of Agrostemma githago)

De meester Paulus beschrijft ons in zijn herbaria en spreekt dat Nigella is heet en droog aan de derde graad en de zaden nuttigt men in de artsenij en die is genaamd Nigella en groeit graag daar het steenachtig is en vooral zo groeit het graag onder de vruchten. Deze zaden mag men behouden tien jaar onveranderd aan zijn natuur. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel carvon, id est Nigella, spreekt dat dit kruid heeft kleine bladeren en heeft kleine subtiele stengels bijna vierendertig cm lang. Aan de top heeft het hoofdjes die lijken op de korenbloemen en daarin heeft het zaden die zijn zwart en scherp en dat heeft een goede reuk. (2) Dioscorides spreekt dat meel van bolderik gemengd met alsemsap en daaruit gemaakt een pleister doodt de wormen in de buik en vooral bij kinderen. (3) Ook is het erg goed deze opgeschreven stukken dat men het mengt met honing en ingeeft de ruige mensen, het helpt. Het beneemt ook de vlekken onder de ogen. (4) Dat meel van bolderik gemengd met azijn en dat gelaten in de oren doodt de wormen daarin. (5) Platearius, Nigella gedaan in een glas en daarover wijn gekookt en dan gedronken is goed stranguriam, dat is die daar met nood plast. Ook beneemt het de lendenziekte, alzo genuttigd. Ook zo spreken de meesters dat men niet veel bolderik nemen zal in het lijf vooral een drachme en niet daarover. (9) Nigella zal men doen in een doekje en dat houden voor de neus, beneemt het snuffen en de vloed van het hoofd. Dioscorides. Neem zwaardleliewortels en stoot die tot poeder en meng daaronder meel van bolderik en neem dat in met azijn. (3) Dit is erg goed de huiduitslag in het begin. Nigella met azijn gekookt en dan in de mond gehouden beneemt de tandpijn. [309] Plinius. (6) Bolderik is de zuigende vrouwen niet goed want ze verdwijnt de melk. Die kwade vochtigheid die de mens in hem heeft en die verstopte die verduwt bolderik en verteert ze. (8) Die een vergiftig dier gestoken heeft die neemt de bolderik, een drachme, en drink die in met wijn, het helpt. Een rook gemaakt in het huis van bolderik maakt vlieden de slangen en andere vergiftige dieren daaruit. Bolderik een 1,67 gram genomen en die gestoten tot meel en daaronder gemengd selderijzaden drijft uit de koude dat zich lange tijd gehinderd heeft in de mensen en vooral de vierdaagse malariakoorts. Dat poeder van bolderik genomen een goed deel en dat gekookt in sterke azijn alzo dat het erg dik wordt en daarna zo doe daartoe notenolie en maak daaruit een zalf. Deze zalf is goed voor de kwade ruigten daaruit dan ze worden boosaardige en beneemt ook die kwade schurftige vlekken van het aangezicht, daarover gesmeerd ’s avonds zo je slapen wil gaan. Bolderik massaal genuttigd zijn goed calculosis, dat zijn de mensen die de steen hebben.

Inleiding.

Nigella of narduszaad wordt in vele landen zeer geacht om haar zaad dat in veel gebreken nuttig is en om de olie die daaruit geduwd wordt. Dat komen we hier niet tegen.

Dan is er enige verwarring met Agrostemma githago, de korenroos, de Gart zegt; ‘Aan de top heeft het hoofdjes die lijken op de korenbloemen en daarin heeft het zaden die zijn zwart en scherp en dat heeft een goede reuk’. Dat lijkt op Nigella te slaan. De Gart begint ook met Nigella, alleen de naam Raden slaat op Agrostemma en die groeit onder het koren. Ook de afbeelding laat Agrostemma zien.  De naam is tot rad gevormd omdat de bloemen op een rad lijken en de lange smalle kelkbladeren lijken op spaken.

Herbarijs; ‘Nigella of nigle groeit in het koren. De Gart zegt ook dat het onder de vruchten groeit.

(1) Dodonaeus; ‘Hier te lande zijn deze bloemen koren-roosen en neghel-bloemen genoemd, in Hoogduitsland Raden, Ratten, Kornrose en Kornnagelin.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Tegen wormen van de kinderen leg je op de navel of daar omtrent een pleister die gemaakt is van het meel van dit zaad dat men soms balsemzaad noemt dat je met het sap van alsem mengt.

(3) Tegen schurft kook je veel poeder van balsemzaad met zwavel in sterke azijn totdat het dik is en dan doe je er olie bij.

(4) Olie van bittere amandelen waar het meel van dit zaad in gekookt is doe je in de oren wat de wormen in de oren doodt.

(5) Tegen aandrang tot waterlozing en de dysurie, ook tegen onderbuikspijn: ‘Neem wijn waar balsemzaad, kerszaad en peterseliezaad in gekookt is’.

(9) Als je balsemzaad veel per keer in neemt doodt het volgens Pandecta, maar als je veel per keer in wijn en olie kookt en op je nieren en de blaas onder de navel legt is het goed tegen de voor genoemde letsels.

(6) Wijn die klaar gemaakt is en gedronken waar balsemzaad en bijvoet in gekookt is laat de stonden komen, laat plassen en verdroogt de melk want de vette en taaie vochtvermenging verdroogt het zeer.

(8) Klaar gemaakt poeder van balsemzaad dat met het poeder van Iriswortels gemengd en in de neus geblazen is ruimt het hoofd op en verbiedt dat de vochtvermenging naar de ogen loopt.

(7) De eigen kracht van balsemzaad is tegen slijmachtige en galachtige koorts, ook tegen beten van de serpenten volgens Pandecta’.

kress cclxxviii Ca

Nasturcium latine·grece Cardamus·arabice joτsalbachafe vel madiera·

(Die meister beschτeiben uns und spτechen·das mangerleÿe nasturcium sey·Eins heiþt nasturcium silvestre·daz ist wilde kreþs·Ein anders heiþt aquaticum·und heisset bτunnen kreþs von der wir nichtz in disem capitel beschτeiben·(In dem bůch genant circa instans beschτeibent und die meister und spτechent das nasturcium seÿ heiþ unnd trucken an dem vierden grade·Etlich meister die spτechen beÿ dem dτitten grad·Der same nasturcij wirt gebτaucht in de erczneÿ·und wenn die årczte schτei- [310] ben in jren recepten nasturcium·so meÿnen sÿ den samen und nit das kraut. (Der samen weret fünff jare unverseret an seiner natur·Dz kraut so es do noch grŭn ist so ist es gůt zů manngerleÿ sachen·aber dürτ so ist es kein nücze oder gar wenig·

(Deτ meister Diascoτides in dem capitel cardamus idest nasturcium beschτeibt uns und spτicht daz zweÿer hant nasturcium seÿ·Eine wild·die ander zåm·Die zåm nasturcium ist die beste. Die wilde wechþt gern beÿ den båchen oder beÿ den gewåssere der hat auch vil tugent an jme·und der ist kalt an dem dτitten grad·(Der meister Galienus in dem sÿbenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel nasturcium spτicht·dz der same des zamen hab tugent heiþ zů machen und zů trücknen die überflüsigen feüchtung·Und ist gar nahent geleich dem senff samen·(Den samen genüczet mit wein vertreibt die todten geburte. (Den samen getruncken mit essig benymmet die geschwulst von dem milcze·(Der same geessen mit hônig vertreibt den hůsten und machet lüsstig umb die bτust·(Den same gekeüwet in dem munde unnd den gehalten under der zungen benÿmmet jre die leme und machet widerumb reden·(Auch so sol man wissen dz nasturcium ist nit gůt alleine geessen wann es mindert de krafft des menschen unnd machet bôse feüchtung in dem menschen·wann es wechþt gern von feüchter erden unnd gar selten an der sunnen·(Der meÿster Avicenna spτicht·daz der samen nasturcij bestopffe den fluþ des haubtes oder den schnopffen on schaden·den genüczet mit mulsa. Von dem boτnkråþs findest du in dem capitel Senacion de S·(Item gartenkråþ ist gůt wider dz gegicht·den samen do in wein gesoten und in einen sack geton und warm auf das gegicht gelÿde geleget·(Item der samen gebulfert und eingenommen zů der nasen ist das hÿren reÿnigen·und ist gůt wider die haubt weetageu genant litargia·[311]

(1) Kers, 278ste kapittel.

Nasturcium Latijn. Grieks Cardamus. Arabisch jorsalbachafe vel madiera.(Lepidium sativum)

De meesters beschrijven ons en spreken dat er veel soorten Nasturtium zijn. Een heet Nasturtium silvestre, dat is wilde kers. Een ander heet aquaticum en heet waterkers waarvan we niets in dit kapittel beschrijven. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Nasturtium is heet en droog aan de vierde graad. Ettelijke meesters die spreken bij de derde graad. Het zaad van Nasturtium wordt gebruikt in de artsenij en als de artsen schrijven [310] in hun recepten Nasturtium dan bedoelen ze de zaden en niet dat kruid. De zaden blijven vijf jaar onveranderd aan hun natuur. Dat kruid zo het noch groen is zo is het goed tot vele zaken, maar droog zo is het geen nut of erg weinig.

De meester Dioscorides in het kapittel cardamus, id est Nasturtium, beschrijft ons en spreekt dat er twee soorten Nasturtium zijn. (2) Een wilde en de andere tam. De tamme Nasturtium is de beste. De wilde groeit graag bij de beken of bij het water en die heeft ook veel deugd aan hem en die is koud aan de derde graad. De meester Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Nasturtium spreekt dat het zaad van de tamme heeft deugd heet te maken en te drogen de overvloedige vochtigheid. (2) En is erg dichtbij gelijk de mosterdzaden. (3) De zaden genuttigd met wijn verdrijft de dode geboorte. (4) De zaden gedronken met azijn beneemt de gezwellen van de milt. (5) Het zaad gegeten met honing verdrijft het hoesten en maakt lustig om de borst. (6) Het zaad gekauwd in de mond en dan gehouden onder de tong beneemt zijn verlamming en maakt wederom reden. Ook zo zal men weten dat Nasturtium is niet goed alleen gegeten want het vermindert de kracht van de mensen en maakt kwade vochtigheid in de mensen want het groeit graag van vochtige aarde en erg zelden in de zon. (7) De meester Avicenna spreekt dat de zaden van Nasturtium stoppen de vloed van het hoofd of het snuffen zonder schade, dan genuttigd met mulsa. Van de waterkers vindt u in het kapittel Senacion de S. Item tuinkers is goed tegen de jicht, de zaden dan in wijn gekookt en in een zak gedaan en warm op het (8) jichtige lid gelegd. (7) Item, de zaden gepoederd en ingenomen tot de neus is de hersens reinigen en is goed tegen de hoofdzeer genaamd lethargie. [311]

Zie kapittel 360 voor waterkers.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in het Grieks Cardamon en soms ook Cynocardamon genoemd zoals men onder de bastaardnamen vindt, in het Latijn heet het Nasturtium en tot verschil van de andere wilde soorten Nasturtium hortense, van sommige naar de Duitse naam Cressio want in het Hoogduits heet het Kresz en Garten Kresz.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (8) Tegen pijn van de gewrichten: ‘Neem wijn waar het in gekookt is’.

(5) Om de borst en de longen te zuiveren: ‘Neem wijn waar het met de wortel of het poeder van Iris in is’. Dat doe je ook tegen astma vanwege zijn kracht van besnijden en klein te maken die het heeft.

(4) Om de maag en lever te verwarmen en de grofheid van de milt te verdrijven: ‘Neem wijn waar kers in gekookt is’.

(3) Kers in salade met baucia (dat is peen) en met de wortel van Eryngium (dat is kruisdistel) maakt lust en vermeerdering om te minnen.

(6) Als je het zaad van kersen kauwt is dit goed tegen jicht in de tong. (7) Tegen koude en natte hersens blaas je het poeder van de zaden in de neus’.

Dodonaeus; ‘‘(5) Kerszaad met hoendersap of enige andere diergelijke vochtige spijs ingenomen laat de taaie dikke fluimen die op de borst liggen dun worden, rijpen, rijzen en lossen en wordt nuttig gegeven al diegene die benauwd, dampig en kort van adem zijn.

(8) Men geeft dit zaad van kers zeer nuttig te drinken of te eten diegene die van hoog gevallen of gestoten zijn en enige verstuikte, verwrongen, gekrakte of gekwetste en zowel inwendige als uitwendige leden hebben.

seeblůmen cclxxic C

Nenufar latine arabice silofar grece Nÿmphoa·

(In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·das Nenufar kaltter und feüchter natur seÿ an dem andern grad·Und ist ein krautt dz hat bτeite bleter und wechþt gern an feüchten enden·Und ist zweÿerhandt nenufar·die einen haben blůmen von farben die ist purpuren·und die ist die beste die ander hat blůmen die haben farb geleich dem saffran·und die sind nit als gůt als die ersten·Die blůmen sol man sameln in dem monat genant september·die werent zweÿ jar·Und die blůmen die man findet an kalten enden die sind besser dann die do wachþen an heissen enden·Auþ dem blůmen machet man ein sÿropel und des findet man allzeit in d apotecken·Der sÿropel ist gůt genüczet dem die do febτes haben·und die ein hiczige lebern haben·Den sÿropel mach also·Nÿmm der blůmen und seüde die in wasser und thů denn dz wasser durch ein tůch seihen und darund mische dann zucker als vil du wilt·(Der sÿropel ist gůt genüczt die do haubtwee haben von hicz·(Die sarτzacener tůnd die blůmen in wasser und lassen die steen über nacht und trincke dz des moτgens und streichen mit dem wasser die naþlôcher ee dz sÿ in den lufft geend·(Wôlche dises tůnd die haben den selbigen tag růwe in jrem haubt·und besteet sÿ auch kein zůfållige kranckheit·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel nenufar spτicht dz der sÿropel davon genüczet weÿchet den bauch und seÿ fast gůt dem febτes die sich eÿgnen in dem summer·und leschet stercklichen die hicz in dem menschen·(Item Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτicht dz nenufar steτzcke das hercz·und sunderlichen der sÿropel davon·

(Item ettlich meister spτechen dz dise blůmen schwymmen auf dem seen oder andern wassern die do still steend·Die blůmen sind auch ein teÿl geel unnd ein teÿl weiþs·Die blůmen nüczet man in den erczneÿen unnd nit das kraut·(v·j·)[312]

(1) Waterlelie, 279ste kapittel.

Nenufar Latijn. Arabisch silofar. Grieks Neemphoa. (Nymphae alba, Nuphar lutea)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Nenufar van koude en vochtige natuur is aan de andere graad. En is een kruid dat heeft brede bladeren en groeit graag aan vochtige einden. En is tweevormig nenufar, de ene heeft bloemen van verven die is purper en dat is de beste, de ander heeft bloemen die hebben verf gelijk de saffraan en die zijn niet alzo goed als de eerste. De bloemen zal man verzamelen in de maand genaamd september en die duren twee jaar. En de bloemen die men vindt aan koude einden die zijn beter dan die zo groeien aan hete einden. (3) Uit de bloemen maakt men een siroop en dat vindt men altijd in de apotheken. De siroop is goed genuttigd die er koorts hebben en die een hete lever hebben. De siroop maak je alzo: Neem de bloemen en kook die in water en doe dan dat water door een doek zeven en daaronder mengen dan suiker zo veel als u wil. De siroop is goed genuttigd die er hoofdpijn hebben van hitte.(2) De Saraceners doen die bloemen in water en laten die staan over nacht en drinken het ‘s morgens en bestrijken met het water de neusgaten eer dat ze in de lucht gaan. Die dit doen die hebben dezelfde dag rust in hun hoofd en bestaat hen ook geen toevallige ziekte. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel nenufar spreekt dat de siroop daarvan genuttigd weekt de buik en is erg goed de koortsen die zich eigenen in de zomer en lest sterk de hitte in de mensen. Item, Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat nenufar versterkt dat hart en vooral de siroop daarvan.

Item, ettelijke meesters spreken dat deze bloemen zwemmen op de zee of andere waters die er stil staan. De bloemen zijn ook een deel geel en een deel wit. De bloemen nuttigt men in de artsenij en niet dat kruid. [312]

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is hier te lande eigelijk plompen genoemd, in Hoogduitsland Wassermon, Harwurtz, Harstrang, Seeblumen en Wasser Gilgen en de Griekse en daarnaar de Latijnse naam is Nymphaea omdat het zo graag op de waterachtige plaatsen groeit, als Dioscorides schrijft, in de apotheken heet het Nenufar of Nenuphar.

Herbarius in Dyetsche; (3) Tegen scherpe koortsen en de hitte van de lever: ‘Neem bloemen van waterlelie, etc.

(2) Het verhaal over de Saracenen komt ook voor bij Platearius en in de Gart.

haselnuss cclxxx C

Nux avellana latine·arabice Leuzagileux·

(Der meister Diascoτides spricht·dz haselnuþs genüczet in der kost machet dem gesunden leÿbe feÿþt·(Avellana gestossen und getruncken mit hônig waþser genant mulsa·benymmet den hůsten·(Haselnuþs gestossen und darunder gemischet kleÿne rosÿn und das genüczet ist gůtt der bôsen lebern und auch d bôsen lungen·(Avellana gestoþsen und darund gemischet reÿnbårgen speck und berenschmalcz und darauþ gemachet ein salbe unnd sich geschmieret do eÿner kale wåre·machet fast sere har wachsen·(Der meister johannes mesue in dem capitel de oleis beschτeibt uns und spτicht·dz das ôle von haselnuþs beneme den schmerczen der gelÿder darauf geleget·(Der meisteτ avicenna in dem andern bůch in dem capitel Avellana spτicht·dz haselnuþs fast mer den leib speÿsen dann ander nuþs·der uτsachen halben dz sÿ an jn haben hÿcze und doch sich nit bald lassen deüwen·(Ypocras spτicht dz Avellana gůt sind geessen mit hônig wasser wann also vertreiben sÿ dem hůsten und machen auþ werffen·Und spτicht auch dz sÿ langsam verdeüwen·und machen sich geren oben auþ bτechen·(Item haselnuþs in speÿse genüczet bτingen haubt weetagen und sind den magen auff blasen mit winden·und bτingen dem gesunden menschen fetkeÿt·wann sÿ meτ speÿsen dann die gemeÿnen nuþs·Auch so sind sÿ abnemen den alten hůsten·(Haselnuþs sind warm und trucken darzů zÿ ein zů neÿgung haben·

(1) Hazelnoot, 280ste kapittel.

Nux avellana Latijn. Arabisch Leuzagileux. (Corylus avellana)

(2) De meester Dioscorides spreekt dat hazelnoot genuttigd in de kost maakt de gezonde het lijf vet. Avellana gestoten en gedronken met honingwater genaamd mulsa beneemt dat hoesten. Hazelnoot gestoten en daaronder gemengd kleine rozijnen en dat genuttigd is goed de kwade lever en ook de kwade longen. Avellana gestoten en daaronder gemengd Reinbergen spek en berenvet en daaruit gemaakt een zalf en zich gesmeerd daar iemand kaal is dat maakt erg zeer haar groeien. De meester Johannes Mesue in het kapittel de oleis beschrijft ons en spreekt dat de olie van hazelnoot beneemt de smarten der leden, daarop gelegd. (4) De meester Avicenna in het andere boek in het kapittel Avellana spreekt dat hazelnoot erg meer het lijf spijst dan andere noten, vanwege de oorzaak dat ze aan zich heeft hitte en toch zich niet gauw laat verduwen. Hippocrates spreekt dat Avellana goed is gegeten met honingwater want alzo verdrijft ze het (3) hoesten en maakt uitwerpen. (5) En spreekt ook dat ze langzaam verduwen en maken zich graag boven uit braken. Item, hazelnoot in spijs genuttigd brengt hoofdpijn en zijn de maag opblazen met winden en brengen de gezonde mensen vetheid want ze meer spijzen dan de gewone noten. Ook zo zijn ze afnemen dat oude hoesten. Hazelnoot is warm en droog daartoe ze een toe nijging hebben.

(1) Dodonaeus; ‘Dit boomachtig gewas wordt in het Grieks Carya Pontice genoemd, dat is Nux Pontica, maar in het Latijn meest Corylus, in het Nederduits haselaer en in het Hoogduits Haselstrauch. 

Avellana kreeg het vermoedelijk van de stad Abella (Abellinum) uit het oude Campanië of van de stad Abellare uit Turkije, beide centra van de hazelnotenteelt. De Romeinse schrijver Cato vermeldde al de Pontische of Abellana noot.

Herbarius in Dyetsche; ‘Als je Avellana of haesnoten in het eten gebruikt maken ze hoofdpijnen en geven oprispingen in de maag. (2) Een gezond lichaam maken ze vet en verzachten de vermoeienis van (3) de zeer oude hoest. (4) Hazelnoten voeden beter dan noten zegt Avicenna, want hazelnoten zijn vaster en minder vetachtig en dalen af naar hitte en droogte, zijn weker van vertering en veroorzaken ook (5) walging volgens Pandecta’.

welysch nuss

Das cclxxxi Cap

Nux usualis latine·Arabice lenz alexandτie·grece careabasilica vel karia·

(Diascoτides spτicht·das dise nuþs geessen den menschen tempffend umb die bτust·und machent den hůsten und auch das haubtwee·Aber die gift damit zů verτtreÿben so sind sÿ fast gůt·(Der hochgelert meister Avi [313] cenna in seinem anderen bůch in dem capitel de nuce spτicht·das dise nuþs sind heiþ an dem dτitten grad und trucken an dem anfang des andern grads·Und spricht dz die bleter und die rinden dises baums sind von natur stopffen geblŭte dz do zů sere fleusset·(Das ôle von den nussen ist auch fast tempfen die bτust·und den menschen in zůfelligen siechtagen bτingen·(Der meister Rabbi moÿses spτicht·Wôlcher vil nuþs ÿsset dem vergeet die spτach und mag nit balde wider zů reden kommen von grosser heÿserkeit die sÿ machen.

(Der meister averτois in seinem bůch colliget genant in dem capitel de nuce spτicht·wôlcher vil diser nuþs ÿsset machen paralisum lingue·und bτingen vomitum·(Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum spτicht·dz dise nuþs genüczet mit hônig und feÿgen benemen veτgift·(Für die pestilencz·Nymm nuþs keren und wåchalteren unnd rauten ÿegklichs ein lot und thů darunder gůten eþsig·dises nücz des moτgens so du auþ deinen hauþ geen wilt ein wenig·du bist dem selbigen tag sicher voτ d pestilencz·(Auch so magst du dises beÿ dir tragen in einem tůchlein und daran riechen·(Isidoτus spτicht·daz nux kommen von dem woτt noceo·das heisset schaden·wann der baum und seiner bleter kraffte die schadend den nåchsten baumen gar sere·(Die nuþs die heisset man in dem teütschen baumnuþs oder wålisch nuþs·darumb das man jr ein underscheid wisse für anderleÿ nuþs. (Von disen nussen lÿse dz bůch Pandecta dz fünff hundertt und dτeü und sibenczigist capitel·do findest du vil lere von jn.

(1) Walnoot.

Dat 281ste kapittel.

Nux usualis Latijn. Arabisch lenz alexandrie. Grieks careabasilica vel karia. (Juglans regia)·

(2) Dioscorides spreekt dat deze noot gegeten de mensen dampend om de borst en maken die hoesten en ook de hoofdpijn. (3) Maar het gif daarmee te verdrijven zo zijn ze erg goed. De zeer geleerde meester Avicenna [313] in zijn andere boek in het kapittel de nuce spreekt dat deze noot is heet aan de derde graad en droog aan de aanvang van de andere graad. En spreekt dat de bladeren en de bast van deze boom zijn van natuur stoppen bloed dat er te zeer vloeit. De olie van de noten is ook (2) erg dampen de borst en de mensen in toevallige ziektes brengen. De meester Rabbi Moises spreekt: (4) Wie veel noten eet die vergaat de spraak en mag niet gauw tegen tot reden komen van grote heesheid die ze maken.

De meester Averrois in zijn boek colliget genaamd in het kapittel de nuce spreekt wie veel deze noot eet maakt paralisum lingue en brengt vomitum. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum spreekt dat deze noot genuttigd met honing en vijgen beneemt (3) vergif. Voor de pest: Neem notenkernen en jenever en ruit, van elk een lood, en doe daaronder goede azijn, dit nuttig je ‘s morgens als je uit je huis gaan wil een weinig, u bent dezelfde dag zeker voor de pest. Ook zo mag u dit bij je dragen in een doekje en daaraan ruiken. (5) Isidorus spreekt dat nux komt van het woord noceo, dat heet schade, want de boom en zijn bladerenkracht die beschadigen de naaste bomen erg zeer. De noten die noemt men in Duits boomnoten of Waalse noten, daarom dat men een onderscheidt weet voor andere noten. Van deze noten lees dat boek Pandecta dat vijfhonderdendrie en zeventigste kapittel daar vind u veel leren van hem.

(1) Dodonaeus; ‘Deze boom wordt in het Grieks Carya genoemd, in het Latijn Nux, in het Hoogduits Nuszbaum.

De walnoot draagt het teken van buitenlander in zijn naam. Het oud-Hoogduits Wahl was de oorspronkelijke naam voor de Kelten.. De naam wal, waal, welsch, walsch of waalsch staat zo voor buitenlander. In de 9de eeuw wordt de zin vertaald: "Stulti sunt Romani", "de Romeinen zijn gek", met "Stulti sint Walha". Zie de naam Wales en Wallonië.

Maerlant; ‘ Van de nokernoten, hij zegt, (Platearius) (5) dat die boom schade geeft aan kruiden en bomen mede die groeien te zijner stede. (3) Die zijn van groter macht dat men voor waar acht dat ze zulks venijn verslaan als men in spijzen mag ontvangen. (2) Voor de borst is deze vrucht kwaad zodat het een stem tegengaat want ze laat hun (4) hees wezen.


Nespelbaum

Das cclxxxii Cap

Nespilus latine arabice zaroτ grece trionum vel trigonum·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capittel Zaroτ·idest nespilus spτichet auch·daz dises seÿe ein baume mitt doτnen·und die frücht sind kleÿne als klein ôpffel·Dise frucht ist langsam zů verdeüwen·(Die meister spτechen das diser baum (v·ij·) [314] habe bletter geleich den küdten baum bletern und hat ein scharpffe rinden·(Diser baum wechset nit gar hoch·wenn diser baume gepflanczet wirdt auf einen fremden stamm es seÿ bÿrnbaums stamm ôpffelbaums stamm doτen baums stamm oder eines andern baums so wirt die frucht groþ und hat nit gar als hert keren in jr·aber so dise frucht wechþt auff jrem eÿgnen stammen so hat sÿ stein in jr·wann dise frucht hat dτeÿ oder vier stein in jr die sind fast hert·(Der meister almansoτ tractatu tercio spτicht·daz nespelen sind kalt und truckner natur·(Dise frucht benemen vomitum das ist das bτechen oben auþ·(Diascoτides spτichet das diþs hab einen rotunden samen und klein früchte geleich den holczôpffeln·Und spτicht daz dise frucht habe dτeÿ beÿn darumb werd sÿ geheissen Trigonum in grexum·Von diser frucht lÿse pandecta de Z·dz sibenhundert und· x· capitel zaroτ genant. In disem capitel nennen die meister dise frucht Mespilum·(Isodoτus·Dise frucht sterket den magen·sy benymmet dz ausstoþsen und das undeüwen·Von dises baumes holcz machet man gar gůt knüdtel zů fechten und zů kempffen und bôsen weÿben damit die lenden czů schmieren sind sÿ fast gůt·

(1) Mispel boom.

Dat 282ste kapittel.

Nespilus Latijn. Arabisch zaror. Grieks trionum vel trigonum. (Mespilus germanica)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel zaror, id est Nespilus, spreekt ook dat dit is een boom met dorens en die vruchten zijn klein als kleine appels. Deze vrucht is langzaam te verduwen. De meesters spreken dat deze boom [314] heeft bladeren gelijk de kweeboombladeren en heeft een scherpe bast. Deze boom groeit niet erg hoog want als deze boom geplant wordt op een vreemde stam, hetzij perenboomstam, appelboomstam, meidorenboomstam of een andere boom zo wordt die vrucht groot en heeft niet erg een harde kern in zich, maar zo deze vrucht groeit op zijn eigen stam zo heeft ze stenen in zich want deze vrucht heeft drie of vier stenen in zich en die zijn erg hard. De meester Almansor tractatu tercio spreekt dat mispels zijn koud en droge natuur. (2) Deze vrucht beneemt vomitum, dat is dat braken bovenuit. Dioscorides spreekt dat dit heeft ronde zaden en kleine vruchten gelijk de houtappels. En spreekt dat deze vrucht heeft drie benen, daarom wordt ze geheten Trigonum in Grieks. Van deze vrucht lees Pandecta de Z dat zevenhonderd en 10de kapittel zaror genaamd. In dit kapittel noemen de meesters deze vrucht Mespilum. Isidorus. Deze vrucht versterkt de maag, ze beneemt dat (2) uitstoten en dat opduwen. (3) Van deze boom zijn hout maakt men erg goed knuppels om te vechten en te kampen en kwade wijven daarmee de lenden te smeren zijn ze erg goed.

(1) Dodonaeus; Het eerste en het gewoonste geslacht van deze bomen wordt in onze taal mispelboom genoemd, in het Hoogduits Mispelbaum, in het Latijn Mespilus.

Maerlant; (3) Het hout is uitermate hard, nochtans is het snijden vaardig’.

Herbarijs; ‘Mispelen zijn koud en droog in de andere graad en beletten (2) walging. En zijn beter gegeten na de spijs dan nuchter, want nadat men gegeten heeft zo verbeteren ze’.

Muscaten cclxxxiii c

Nux muscata latine·Arabice jeuzbaue·

(Die meister spτechen dz dises seÿ ein frucht eines baums der wechset in jndia·und wenn die zeÿtig werden so samlet man die. Und weren zwey jar unverseret an jrer natur·Und sind heiþ und trucken an dem andern grad·(Dises sind die besten die ein wenig bτeit sind und schwåre und so man die bτicht dz sÿ sich nit lassen zerτeiben·Ir ander tugent ist stercken von jrem gůtem gerauch dem sÿ an jn haben·(Weτ nit wol deüwen môcht d nücze muscaten mit eÿern od mit bτŭe. (Auch machen muscaten hübsch farbe des moτgens der genüczet. [315] (Diascoτides spτicht dz muscaten mit wein gesoten und den getruncken ist gůt dem lebern und lungen·(Muscaten gesoten mit wein und darunder gemischet mastix ániþ und kümmel und den getruncken des moτgens und des abents stercket dz hÿrn·und machet gůt vernunft·(Item muscaten stopffen die frawen an jrer zeit und bτingen damit grosse kraft·(Item muscaten gestosssen und gemischt mit loτbeer und dises genüczet mit wein machet wol hårmen.

(1) Muskaat, 283ste kapittel.

Nux muscata Latijn. Arabisch jeuzbaue. (Myristica fragrans)

De meesters spreken dat dit is een vrucht van een boom die groeit in India en als die rijp worden zo verzamelt men die. En blijven twee jaar onveranderd aan hun natuur. En zijn heet en droog aan de andere graad. Dit zijn de beste die een weinig breed zijn en zwaar en zo men die breekt dat ze zich niet laten wrijven. Hun andere deugd is versterken van hun goede reuk die ze aan zich hebben. (3) Wie niet goed verduwen kan die nuttigt muskaat met eieren of met bouillon. Ook maken muskaat mooie kleur, ‘s morgens dat genuttigd. [315] Dioscorides spreekt dat muskaat met wijn gekookt en dan gedronken is goed de lever en longen. Muskaat gekookt met wijn en daaronder gemengd mastiek, anijs en komijn en dan gedronken ‘s morgens en ‘s avonds (2) versterkt de hersens en maakt goed verstand. Item, muskaat stoppen de vrouwen aan hun tijd en brengen daarmee grote kracht. Item, muskaat gestoten en gemengd met laurier en dit genuttigd met wijn maakt goed plassen.

Zie kapittel 271.

(1) Dodonaeus; ‘Deze noten heten in het Grieks Caryon myristicon, in het Latijn Nyx myristica, Nux moschata, Nux muscara, Nux odorata, Nux aromatica, en daarnaar in Nederduits note muschaten, en in het Hoogduits Muscat nusz en Moscaten’.

Maerlant;. (2) Muskaat is voor de hersenen goed, (3) de maag die ze zo verwarmen doet en haar spijs verteert, bleke kleur doet ze vernieuwen. (2) Wijn daarmee gekookt ter genezing is de hersens aardig goed als men ons weten doet’.

Das cclxxxiiii Ca

Nux indica latine·arabice neregil·

(Die meister spτechen gemeinklich dz diþ seÿ ein nuþ zweÿer od dτeýer feüst groþ und die wechþt in jndia·und dz jnnwenig darjnn ist bτauchet man in d erczneÿ·Dise nuþ ist heiþ und trucken. Etlich meister spτechen dz dises seÿ heiþ und feücht·dise nuþ weret·x·jar unverseret an jrer natur·Ir ander tugent ist stercken dz hercz und dz geblŭt und stercket coitum·(Dise meister Galienus und Diascoτides spτechent dz dise nuþ gebulfert mit zÿmmetrôτen und genüczt in d kost meret des mannes werck genant coitum fast sere·(Wôlcher verstopffet wår an dem harm d nücze diþ bulfer er genÿset. (Wôlcher dz keichen het von kelte d siede feÿgen in wein darnach misch darund diþ bulfer von den nussen und trinck d benymmt dz und machet lüfftig umb die bτust·und benymmet den alten hůsten·(v·iij·) [316]

Dat 284ste kapittel.

(1) Nux indica Latijn. Arabisch neregil. (Cocos nucifera) Kokosnoot.

De meesters spreken algemeen dat dit is een noot twee of drie vuisten groot en die groeit in India en dat inwendig daarin is gebruikt man in de artsenij. Deze noot is heet en droog. Ettelijke meesters spreken dat dit is heet en vochtig, deze noot duurt 10 jaar onveranderd aan zijn natuur. Zijn andere deugd is versterken dat hart en dat bloed en versterkt coïtus. De meesters Galenus en Dioscorides spreken dat deze noot gepoederd met kaneel en genuttigd in de kost vermeerdert het mannenwerk genaamd coïtus erg zeer. Wie verstopt is aan de urine die nuttigt dit poeder, hij geneest. Wie dat kuchen heeft van koudheid die kookt vijgen in wijn, daarna meng daaronder dit poeder van de noten en drink dat, het beneemt dat en maakt luchtig om de borst en beneemt het oude hoesten. [316]

(1) Dodonaeus; ‘De naam van de tegenwoordige boom of van zijn vrucht is bij sommige Palma Indica, dat is Indiaanse dadelboom, in het Hoogduits Indianisch Nusz, de binnenste schors heet coquo of coco in Portugal.

Dosten cclxxxv C

(O)Riganum latine·(In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und spτechent·das dosten seind heiþs und trucken an dem dτitten grad·und der ist zweÿer handt·Eine wilde die ander zåme·Die wilden dosten haben bτeittere bleter und sind als gůt als die zåmen·Die zåmen wachsen gern in den gåtten und haben kleine bleter die soll man nüczen in der eτczneÿ·Und die sôllen gesamelt weτden so sÿ blůmen tragen·und sôllen gedôτret werden in dem lufft·Die bleter und die blůmen sol man nüczen und den stengel hin werffen die weren ein jar darnach sôllen sÿ erneüwett weτden und die alten hin gewoτffen·Dise dosten haben tugent von einander zů teilen und zů jm zů ziehen und czů verzeτen·(In der wurczeln do ist kein kraft·(Diascoτides nÿmm diser blůmen und auch die bletter und thů sÿ in ein såcklein·dz såcklein sol man wermen in wein und darnach das legen auff das haubt und das haubt zů decken also das er schwicze·Dises benymmet vil kranckheit der bτust und auch des haubtes·und sunderlichen so ist es gůt asmaticis das ist die do fast keichen·

(Wôlicher nit deüwen mag d siede dosten mit wein und trincke den·der ist fast gůt dem magen und den gedårmen·(Dises kraut also gesoten unnd auff den bauche geschlagen machet wol harmen·und benymmet stranguiriam und dissuriam·(Wer den gebτesten hātte Tenasmon genant·daz ist der mit not zů stůl gieng und grossen gelust håtte und doch nichcz geschaffen môchte also dz jm das als wee thåt das jme der affter für den leÿbe herauþ gienge·der neme bulfer von dosten und streüwe es darauff·er begibt sich bald in dem leibe und benÿmmet damit tenasmonem·(Dises kraut gesoten mit wein und darunder gemüschet baumôle und das gemachet auff ein tůch und geleget für die schame der frawen benymmet die hertigkeit d můter und reÿniget sÿ·und bτinget der frawen feüchtigkeit·(Wôlicheτ die roten aüsseczigkeit genant lepτa håtte·der neme dz safft dises krautes·und safft von andτon und ein wenig weins und bÿlsen ôle mer dann der zweÿer safft und thů darzů ein wenig weinstein ôle und menge das zûsamen und bestreiche dich do mitt in einem schweiþsbade so du auf geen wilt·und so du auþ geest so schmirczet es dich gar sere·dann sol man haben bôcken ünþlÿt und dz in einer pfannen zerlassen·und damit dem menschen zů dem andern mal schmieren·darnach so lege er sich auff ein bedte biþ da er getrucknet dann so sol man nemen dosten und die stossen und darund müschen weÿssen klÿen und dz do warm machen in einer pfannen [317] und also warm legen auff die ausseczigkeit genant lepτa und darauff ein tůch bÿnden unnd also ligen lassen biþ dz der mensche davon erwermet wirt·und dises sol man dick thůn so heilet der mensch on zweÿfel·und man sol jm fast geben zů essend das do gůt geblŭt machet und verdeüwlich ist·und alle zeÿt sÿropel von fumo terτe·dz ist erdrauch·unnd in dem wintter sÿropel von cupatoτio·dz ist wilde selbe·unnd man sol jm auch geben ein gůt regiment mit eþsen und mit trincken·

(1) Marjolein, 285ste kapittel.

Origanum Latijn. (Origanum vulgare)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat marjolein is heet en droog aan de derde graad en die is tweevormig. Een wilde en de andere tam. De wilde marjolein heeft bredere bladeren en zijn alzo goed als de tamme. De tamme groeien graag in de tuinen hebben kleine bladeren en die zal men nuttigen in de artsenij. En die zullen verzameld worden zo ze bloemen dragen en zullen gedroogd worden in de lucht. De bladeren en de bloemen zal men nuttigen en de stengel heen werpen, die duren een jaar, daarna zullen ze vernieuwd worden en de ouden heen werpen. (2) Deze marjolein heeft deugd van elkaar te delen en tot hem te trekken en te verteren. In de wortels daar is geen kracht. (3) Dioscorides; neem deze bloemen en ook de bladeren en doe ze in een zakje, dat zakje zal men warmen in wijn en daarna dat leggen op dat hoofd en dat hoofd toedekken alzo dat hij zweet. Dit beneemt veel ziektes van de borst en ook van het hoofd en vooral zo is het goed astmatici, dat is die erg kuchen.

(4) Wie niet verduwen mag die kookt marjolein met wijn en drink dat, het is erg goed de maag en de darmen. (5) Dit kruid alzo gekookt en op de buik geslagen maakt goed plassen en beneemt stranguriam en dysenteria. Wie dat gebrek heeft tenasmone genaamd, dat is die er met nood te stoel gaat en grote lust heeft en toch niets doen kan alzo dat hem dat alzo pijn doet zodat hem het achterste voor het lijf vooruitging, die neemt poeder van marjolein en strooi het daarop, het begeeft zich gauw in het lijf en beneemt daarmee tenasmonem. (6) Dit kruid gekookt met wijn en daaronder gemengd olijvenolie en dat gemaakt op een doek en gelegd voor de schaamte der vrouwen beneemt de hardheid van de baarmoeder en reinigt die en brengt de vrouwen vochtigheid. Wie die rode uitslag, genaamd lepra, heeft die neemt dat sap van dit kruid en sap van andoren en een weinig wijn en bilzekruidolie meer dan van de twee het sap en doe daartoe een weinig wijnsteenolie en meng dat tezamen en bestrijk je daarmee in een zweetbad zo u uit gaan wil en zo u uit gaat zo smeer je erg vaak, dan zal men hebben bokkenvet en dat in een pan oplossen en daarmee de mensen de andere maal smeren, daarna zo legt hij zich op een bed totdat het droogt en dan zo zal men nemen marjolein en die stoten en daaronder mengen witte klei en dat zo warm maken in een pan [317] en alzo warm leggen op die huiduitslag genaamd lepra en daarop een doek binden en alzo liggen laten totdat de mens daarvan verwarmt wordt en dit zal men vaak doen, zo heelt de mens zonder twijfel en men zal hem erg geven te eten dat je goed bloed maakt en verteerbaar is en alle tijd siroop van fumo terre, dat is aardrook, en in de winter siroop van eupatorio, dat is wilde salie, en men zal hem ook geven een goed regiment met eten en met drinken.

Zie kapittel 255 voor majoraan.

(1) Dodonaeus; ‘Het heet in het Latijn Origanum silvestre, dat is wilde orega, in de apotheken is ze alleen Origanum genoemd, in Hoogduitsland Wolghemut en Dosten.

Herbarius in Dyetsche; ‘Mageleyne of maiorana. (2) Het heeft de kracht om te versterken vanuit haar welriekendheid, te ontbinden, te verteren en te zuiveren vanuit haar kwaliteit. Het verwarmt zeer.

(4) Wijn waar majoraan in gekookt is en dit gedronken of het poeder er van in het eten genomen versterkt de maag en haar vertering en verwarmt de verkouden maag.

(3) Als je het hele kruid van majoraan met wilde marjolein in een pan verwarmt en dan in een zakje doet en het zo op de pijn van de maag of de darmen legt die van winden komen geneest het.

(5) Een spons die in het kooksel van majoraan en bijvoet in wijn gedaan en op de baarmoeder gelegd wordt zuivert het en haar overvloedigheid verteert het.

oleander ein baum

Das cclxxxvi Ca

Oleander vel landτum latine·arabice adelpha·grece Nereon vel Neredendτon·

(Diascoτides capitulo Nereon spτicht·dz dises seý ein baume der hatt bletter geleiche den mandelbaum blettern·Dÿser baume bτinget samen der ist als hert geleich einem hoτn das geleichet jnnwenig an der farben dem jacmeten·(Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capittel Oleander spτicht·das dises baumes sey zweÿer hant·Einer wilde·der ander zåme·Der wilde hat bleter geleich dem kraut poτtulaca genant·dz ist bürczel kraut· und hat beÿ den blettern scharpff doτen·(Der zåme hat bleter geleich den mandeln und hat gar einen bittern gerauch·(Dises ist heÿþ an dem dτitten grad unnd trucken an dem andern·(Dises baums krafft ist schedlich und tôdtlich zů nüczen. Und wôlches unvernünfftiges thiere dises kraut oder blůmen åþsse dz müste sterben·(Diþ krant tôdtet die flôhe die darauff kommen oder der blůme riechend·Und zů beschliessen saget avicenna das dise blůmen vergifftig sind dem menschen·und nit allein dem menschen sunder auch den unvernünfftigen thieren (Von disem so lÿse pandecta dz fünff hundert und neün un sechczigist capitel de N·dz sich anhebet nereon·do findest du die warheit·Etlich meister sagen dz seý ein baum und hab bletter geleich den eÿchbaume· (v·iiij·) [318] und der ist fast soτgklich und darumb so sol man keinen menschen davon geben in den leib und darumb so schτeibe ich von seÿneτ krafft nit mer·wann diser samen wurczeln und bleter sein schedlichen zů nüczen allen menschen·

Oleander, een boom.

Dat 286ste kapittel. (Nerium oleander)

Oleander vel landrum Latijn. Arabisch adelpha. Grieks Nereon vel Neredendron.

Dioscorides capitulo nereon spreekt dat dit is een boom die heeft bladeren gelijk de amandelboombladeren. Deze boom brengt zaden en dat is als hard gelijk een horen en dat lijkt inwendig aan de verf de hyacint. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel oleander spreekt dat deze boom tweevormig is. Een wilde en de andere tam. De wilde heeft bladeren gelijk het kruid Portulaca genaamd, dat is postelein kruid, en heeft bij de bladeren scherpe dorens. De tamme heeft bladeren gelijk de amandelen en heeft erg een bittere reuk. Dit is heet aan de derde graad en droog aan de andere. (2) Deze boom zijn kracht is schadelijk en dodelijk te nuttigen. En welk onverstandig dier dit kruid of bloemen eet die moet sterven. (3) Dit kruid doodt de vlooien die daarop komen of van de bloemen ruiken. En tot slot zegt Avicenna dat deze bloemen vergiftig zijn de mensen en niet alleen de mensen maar vooral de onverstandige dieren. Van deze zo lees Pandecta dat vijfhonderd en negen en zestigste kapittel de N dat zich aanheft nereon, daar vind u de waarheid. Ettelijke meesters zeggen dat het is een boom en heeft bladeren gelijk de eikenboom [318] en die is erg zorgelijk en daarom zo zal men geen mensen daarvan geven in het lijf en daarom zo schrijf ik van zijn kracht niet meer want deze zaden, wortels en bladeren zijn schadelijk te nuttigen alle mensen.

(1) Dodonaeus; ‘Hier te lande wordt dit gewas oleanderboom of zo men in de apotheken zegt oleander genoemd.

Dodonaeus; ‘(3) Enige zeggen dat deze boom zo scherp van reuk is en vooral in de hete landen dat als de bladeren in de bedsteden gelegd worden ze de vlooien laten sterven.

Oleander of Nerion, als Galenus betuigt, van buiten gebruikt of opgelegd heeft kracht en eigenschap om alle gezwellen te verteren en die te laten scheiden, maar van binnen het lijf genomen is zeer schadelijk, ja (2) dodelijk en niet alleen de mens, maar ook het vee en veel andere beesten.

wycken cclxxxvii C

Oτobus latine

(Die meister spτechen auch dz dises sey ein frucht auff den felde geleich der anderen gesåeten frucht·(Platearius spτicht dz wÿcken feücht und kalt sind an dem dτitten grad·und jr natur ist durch dτingen und resolvieren·(Diascoτides spτicht·das wÿcken gesoten mit hônig wasser genant mulsa und darnach gestossen unnd den gemüschet mit mele gemacht auþ fenugreceum das ist siben gezeÿde samen und darauþ gemachet ein pflaster und geleget auff ein hyczig geschwere weichet dz und kŭlet auch fast wol·(Wycken geessen machen vil feüchtung·und darumb so sind sÿ gůt dem hyczigen menschen genant colericis wann von natur colerici heiþ und trucken sind·und ist sunderlichen gůt die genüczet mitt hônig wasser genant mulsa.

(Auch so sind wýcken gůt genüczet den magern menschen und haben ein natur geleich den årbeÿssen·(Der meisteτ paulus in dem capitel Oτobus spτicht·dz wÿcken gestossen und gemischet mit eþsig gůt sind erisipilosis dz ist ein hicziger gebτechen an dem leib·und heisset gemeinigklich dz rot lauffen·darauf geleget geleich einem pflaster·(Item wÿcken genüczet machend hårmen·und wer sÿ zů vile nüczet machet blůt hårmen·

(Item wÿcken mele genüczet bτinget stůlgång·(Item wÿcken mele mit hônig wasser vermenget und damitt das antlicz gewåschen ist es reÿnigen·unnd besunderlich die flecken des antliczes ab thůn·[319]

(1) Wikke, 287ste kapittel.

Orobus Latijn. (Lathyrus sativa)

De meesters spreken ook dat dit is een vrucht op het veld gelijk de andere gezaaide vruchten. Platearius spreekt dat wikke vochtig en koud zijn aan de derde graad en zijn natuur is door dringen en oplossen. Dioscorides spreekt dat wikke gekookt met honingwater genaamd mulsa en daarna gestoten en dan gemengd met meel gemaakt uit fenum grecum, dat is zevengetijde zaden, en daaruit gemaakt een pleister en gelegd op een hete zweer weekt die en verkoelt ook erg goed. Wikke gegeten maken veel vochtigheid en daarom zo zijn ze goed de hete mensen genaamd colericis want van natuur zijn galachtige heet en droog en is vooral goed die genuttigd met honingwater genaamd mulsa.

Ook zo zijn wikke goed genuttigd de magere mensen en hebben een natuur gelijk de erwten. De meester Paulus in het kapittel Orobus spreekt dat wikke gestoten en gemengd met azijn goed zijn erisipilosis, dat is een heet gebrek aan het lijf en heet algemeen de rodeloop, daarop gelegd gelijk een pleister. Item, wikke genuttigd maken (2) plassen en wie het te veil nuttigt maakt bloed plassen.

Item, wikkenmeel genuttigd brengt stoelgang. (3) Item, wikkenmeel met honingwater vermengt en daarmee dat aangezicht gewassen is het reinigen en vooral die vlekken des aangezicht af doen. [319]

Het zou ook Vicia orobus kunnen zijn, heidewikke, Duitse Heide-Wicke. De afbeelding is er echter een met duidelijke ranken, dat heeft die niet. Wel Vicia sativa.

Dodonaeus; ‘‘In Brabant noemt men dit gewas vitsen, in Hoogduitsland Wicken.

Herbarius in Dyetsche; ‘Orobus dat zijn vitsen, ze zijn heet in de eerste en droog in de tweede graad. Vitsen hebben de macht om te openen, af te vegen of te reinigen en te snijden. Ze hebben een bittere smaak en laten (2) plassen en die te veel vitzen gebruiken gaan bloed plassen.

(3) De sproeten in het gezicht verdrijft het en geeft een zuivere huid als je het mengt met gerstemeel en zetmeel. Dat zelfde doet het ook bij jeuk op alle leden.

keel cclcccviii Ca

Olus latine·grece sachiliemenie·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sachilinnenie·idest olus beschreibt uns und spτicht·das dÿses seÿ ein kraut und dz ÿþset man in der kost·Sein natur ist kelten und feücht machen an dem andern grad·(Dises kraut weichet den bauch·und dises kraut hat nit vil tugent an jm also dz man es seÿ bτauchen in der erczneÿ·wann es dienet den krancken nit·den gesunden menschen ist es anders nichcz dan ein speÿse jm weder schadet noch nüczet·(Der meister ÿsaac spτicht dz olus gůt sey darauþ gemachet ein pflaster unnd sunderlichen von der wurczeln und das geleget auf die geschweren genant zů latein favi·von disen geschweτen fleüsset feüchtigkeit geleich dem zeτlassen hônig·(Ein meisteτ genant Habix·der spτichet·das kôle den menschen wenig speÿsen·wann es beleibt nit lang in dem magen und sencket sich in den bauch und geet bald senien gang unverdeülichen·(Das safft von den kôlbletern genommen und darunder gemüschet rosenôle und das do gestrichen an dz haubt dz do schmerczen hat von der sunnen den benymmet es·(Dises kraut gekochet und darunder gemüschet mandelnôle·und den safft von granet ôpffeln der sŭssen und dz genüczet benymmet den trucknen hůsten·(Der meister diascoτides spτicht·dz olus seÿ unveτdeülich und blået den bauch und ist flegmaticis mer schedlichen uτsachen halben das es die feüchtigkeit mer meret. (Ypocras spτicht dz olus nit gůt seÿ den frawen die do fast krancke sind an jren flüssen·wann sÿ werden davon gemeret·(Diser saft von kôle genüczet mit wein vertreibet dem vergifftigen biþs·[320]

(1) Witte kool. 288ste kapittel.

Olus Latijn. Grieks sachiliemenie. (Brassica oleracea, capitata.)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sachilinnenie, id est olus, bschrijft ons en spreekt dat dit is een kruid en dat eet men in de kost. Zijn natuur is verkoelen en vochtig maken aan de andere graad. Dit kruid weekt de buik en dit kruid heeft niet veel deugd aan hem alzo zodat men het zou gebruiken in de artsenij want het dient de zieke niet, de gezonde mensen is het anders niets dan een spijs die hen niet schaadt noch nuttig. (4) De meester Isaac spreekt dat olus goed is daaruit gemaakt een pleister en vooral van de wortels en dat gelegd op de zweren genaamd in Latijn favi, van deze zweer vloeit vochtigheid gelijk de opgeloste honing. (2) Een meester genaamd Habix die spreekt dat kool de mensen weinig voedt want het blijft niet lang in de maag en zinkt zich in de buik en gaat gauw zijn gang onverteerbaar. Dat sap van de koolbladeren genomen en daaronder gemengd rozenolie en dat zo gestreken aan het hoofd daar je smarten hebt van de zon die beneemt het. Dit kruid gekookt en daaronder gemengd amandelenolie en het sap van granaatappels, de zoete, en dat genuttigd beneemt de droge hoest. (2) De meester Dioscorides spreekt dat olus is onverteerbaar en blaast de buik op en is flegmatische meer schadelijk vanwege de oorzaak dat het de vochtigheid meer vermeerdert. (3) Hippocrates spreekt dat olus niet goed is de vrouwen die erg ziek zijn aan hun vloeden, want ze worden daarvan vermeerderd. (6) Dit sap van kolen genuttigd met wijn verdrijft de vergiftige beet. [320]

De afbeelding laat een soort koolgewas zien. Men eet het in de kost.

Dodonaeus; ‘‘De Brabanders noemen dit gewas koolen, de Hoogduitsers Kolkraut. Witte kool, Duitse Weisskohl, Weisskraut of gemeiner Kopfkohl.


Gerscen cclxxxix C

Oτdeum latine·arabice habaet sive habaer·grece trachea·

(Galienus in dem sibende bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel oτdeum beschτeibet uns und spτicht das oτdeum seÿ kelten und trucken an dem ersten grad·Gersten wirt zů vil sachen genüczet in der erczneÿ·und sundlich zů dem die kelten·Man machet darauþ polenta also. Nÿmm gersten und zermale die und doch nit zů klein die gersten also gemalen sol man sieden in wasser. Diþ gesotten wasser dienet wol den die dz kalt wee od fieber haben·und dz sol man bτauchen allzeit law od warm und nit kalt·(Item gersten kôτner gesotten in wasser biþ dz wasser ein klein rôlat farbe gewinnet·Diþs ist gar gůt getruncken die groþ hÿcze haben wann wes verzeτet dye unnatürlichen hicze·(Diascoτides spτicht das gersten wasser treÿbe auþ hiczen die do kommet von heisser feüchtung·und ist auch fast gůt der scharpffen zungen und auch dem der do nit wol schlinden kan·(Ein pflaster gemachet von gersten mele und darund gemischet küdten keτen und eþsig und gelegt auff die heÿssen geschweren die do auff schiessent bodagricis daz sind die das gegicht in den fŭssen haben·dem zeühet es vil hÿcze auþ unnd mitt feüchtung·(Dises pflaster geleget auff rauden die do von hicze komen dz heilet sÿ·(Item die meister spτechen gemeynigklich dz gersten mele beneme den schmerczen der heissen geschweren und kŭlen die·darauff gelegt als ein pflaster. (Wer und dem augen het ein scharpff hert rauden die sich bald von dem winde scherpffet·der siede gerste in wasser und seÿhe es durch ein tůch·und wåsch sich senfftigklichen under den augen mit dem wasser also dz es law seÿ·und thů dz dick so gewÿnnet sein haut ein gůte farbe·und wirt senfft und lÿnd·(Item einen bτeÿ von gersten mele gemachet mit wenig zucker und klein rosÿn vermenget·das ist ein gůte speÿse wider das fieber unnd wider die hÿcze der lebern·[321]

(1) Gerst, 289ste kapittel.

Ordeum Latijn. Arabisch habaet sive habaer. Grieks trachea. (Hordeum sativum)

Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel ordeum beschrijft ons en spreekt dat Hordeum is verkoelend en droog aan de eerste graad. Gerst wordt tot veel zaken genuttigd in de artsenij en vooral die verkoelen. (5) Men maakt daaruit polenta alzo: Neem gerst en vermaal die en toch niet te klein, de gerst alzo gemalen zal men koken in water. (2) Dit gekookte water dient goed die de koude pijn of koorts hebben en dat zal men gebruiken altijd lauw of warm en niet koud. Item, gerstekorrels gekookt in water totdat het water een kleine roodachtige kleur krijgt. Dit is erg goed gedronken die grote hitte hebben want het verteert je onnatuurlijke hitte. Dioscorides spreekt dat gerstewater drijft uit hitte die je komt van hete vochtigheid en is ook erg goed de scherpe tong en ook die er niet goed slikken kan. (3) Een pleister gemaakt van gerstemeel en daaronder gemengd kwee zaden en azijn en gelegd op die hete zweren die je opschieten van podagricis, dat zijn die de jicht in de voeten hebben, die trekt het veel hitte uit en met vochtigheid. Deze pleister gelegd op ruigtes die je van hitte komen dat heelt ze. Item, de meesters spreken algemeen dat gerstemeel beneemt de smarten van de hete zweren en koelen die, daarop gelegd als een pleister. Wie onder de ogen heeft een scherpe harde ruigte dat zich gauw van de wind verscherpt, die kookt gerst in water en zeef het door een doek en was zich zachtjes onder de ogen met het water alzo dat het lauw is en doe dat vaak, (4) zo krijgt je huid een goede kleur en wordt zacht en taai. Item, een brei van gerstemeel gemaakt met weinig suiker en kleine rozijnen vermengt dat is een goede spijs tegen de koorts en tegen de hitte van de lever. [321]

Dodonaeus; ‘Dit koren wordt in onze taal gerste genoemd, in het Hoogduits Gersten. De Latijnse naam is Hordeum.

Herbarius in Dyetsche; ‘. (2) Met gerstemeel, water, suiker en rozijnen (die passele heten) gemengd is het een goed eten voor de mensen die koorts hebben.

(3) Van gerstewater, een gekookte drank van gerstemeel en azijn, maak je een pleister tegen beginnende hete blaren om die warm om te slaan. (4) Als je gerstewater met zetmeel mengt zuivert dit het aangezicht’.

Herbarijs; Gerst gekookt in bronwater, dat is (5) tysane. En het is goed gedronken tegen alle koortsen die van bloed en van rode gal komen.

olbaum ccxc Ca

Olivarum arboτ latine·

(Die meister spτechen das dises sÿ ein baum·unnd des ist zweÿer hant·einer zåm·d and wild·d zåme hat bleter geleich d gundelreben·(Die bleter des wilden ôlbaums sind grôber und nit als gar safftig·Diser baum bτinget frucht die bτauchet man zeitig und unzeitig in d erczney. So dise zeÿtig ist so ist sÿ mer warmer natur·aber unzeyttig ist sÿ kelten und alle flüþ gestopfen. (Von disem baum kommet ôle genant baumôle·daz ist gar zů vil dingen gůt sein erster tropff ist gar sŭþ·d ander nit als gar sŭþ·d dτitte bitter und ungeschmach·dz solt du also veτsteen·So dise frucht des ersten auþgedτucket wirt so ist der erste saft der beste und der edlest·Des ôlbaums blŭt sind wunderlichen gestalt·und haben nit vil bletter·(Serapio spτicht dz baumôle fast gesunt seÿ dem menschen jnnwenig des leibs und auþwenig. (Diþ ôle eingetruncken laxiert und reÿniget den bauch·(Alle schwåre gelider des leibes senfftiget baum ôle damit geschmieret. (Merck·wenn baumôle genüczet wirt mit warmen erczneyen so ist es werme·und wenn man dz nüczet mit kalten erczneÿen so kelt es·(Baumôle gestrichen auff die adern die do geschlagen ist senffiget und heilet die bald. (Baumôl senfftiget den bτant von dem neþseln·(Von dem baumôle lÿse Pandecta dz·cxxij·capitel do findest du sein tugent·[322]

(1) Olijvenboom, 290ste kapittel.

Olivarum arbor Latijn. (Olea europaea ‘Sativa’)

De meesters spreken dat dit is een boom en die is tweevormig, (3) een tamme en de ander wild, de tamme heeft bladeren gelijk de hondsdraf. De bladeren van de wilden olijf zijn groter en niet als erg sappig. Deze boom brengt vrucht die gebruikt men rijp en onrijp in de artsenij. Zo die rijp is zo is het meer warme natuur, maar onrijp is het verkoelend en alle vloed stoppen. Van deze boom komt olie genaamd olijvenolie en dat is erg veel dingen goed, (2) zijn eerste druppel is erg zoet, de volgende niet als erg zoet, de derde bitter en zonder smaak, dat zal u alzo verstaan: Zo deze vrucht net uitgedrukt wordt zo is het eerste sap de beste en de edelste. De olijvenboom bloemen zijn wonderlijk en hebben niet veel bladeren. Serapio spreekt dat olijvenolie erg gezond is de mensen inwendig het lijf en aan de buitenkant. Deze olie ingedronken laxeert en reinigt de buik. Alle zware leden van het lijf verzacht olijvenolie, daarmee gesmeerd. Merk, als olijvenolie genuttigd wordt met warme artsenijen dan is het verwarmend en als men dat nuttigt met koude artsenijen dan verkoelt het. Olijvenolie gestreken op de aderen die je geslagen zijn is verzachten en heelt die gauw. Olijvenolie verzacht de brand van de brandnetels. Item, olijvenolie lees Pandecta dat 122ste kapittel daar vindt u zijn deugd. [322]

Dodonaeus; ‘De gewone of tamme olijfboom wordt het Latijn Olea en Olea sativa of Olea urbana, in onze taal olijfboom en tamme olijfboom, in het Hoogduits Oelbaum of Olivenbaum. De vrucht of bes heet in het Latijn Oliva, in het Hoogduits Oelbeer’.

Maerlant; ‘ (2) De olie die men uit doet van tevoren is het beste en zoetste, als wij horen.


weys weyrauch

Das ccxci Ca

Olibanum latine et grece arabice ronder.

(Hie ist zů mercken daz hoc olibanum heisset weyrauch·hec olibanus heiþt der baum daran dises gummi wechþt·(Deτ meÿster Galienus beschτeÿbet uns unnd spτicht·das olibanum seÿ heiþ in dem andern grad und trucken an dem ersten·(Diascorides spτicht·das olibanum seÿ ein gummi von einem baume in dem lande arabien·und das ist schenbar und weÿþs und hatt einiem gůten sŭssen gerauch·Etlich meister die spτechen·dz dises gummi komme auþ alexandτien von einem baum daselbst wachþend·Und dises dz ist dz beste dz do reÿn ist und nit vermischet mit der erden·und wôlches ein tunckele weisse farben hat daz ist nit gůt·(Dises gummi dz mag man behalten zweinczig jar unverseret an seiner natur·(Sein tugent die ist stercken des gůtten gerauches halben den es in jm hat·auch so ist sein tugent consumieren und constringieren·(Serapio und Diascorides die spτechen·daz olibanum gůt seÿe genüczet den wunden·wann es zeühet die do zůsamen also dz man die nit hefften bedarff·Und låþt auch kein faul fleisch wachþen in dem wunden. (Olibanum getruncken mitt wein ist gůt dem die do blůt speien·Unnd ist auch gůtt zů allen flüssen des geblŭtts der man und auch der frawen·(Olibanum gemüschet mit milch und dises geleget auff die geschweren in dem afftern·hilfft fast wol und heÿlet balde·(Olibanum gemüschet mit eþsig und mit ôle und die bôsen grÿndt haut gewåschen davon dann entsteet die ausseczigkeit·die haudt die wirt reÿn und geladt davon·(Olibanum do gemischet mit sŭssem wein und den in die oτen gelassen benÿmmet das sauþen darjnne·(Der rauch olibani ist gůt den augen die do vol geschweren sind·darein gelassen·(Olibanum macht dz fleische wachsen in dem wunden·und benÿmmet auch das faule fleisch darauþ·(Olibanum benÿmmet traurigkeit·und meret die vernunfft·(Avicenna de viribus coτdis spτicht daz olibanum stercket dz hercze·und machet gůt frôlich geblŭte·[323]

(1) Witte wierook.

Dat 291ste kapittel

Olibanum Latijn en Grieks. Arabisch ronder.(Boswellia thurifera, Boswellia carterii)

Hier is te merken dat hoc olibanum heet wierook, hec olibanus heet de boom daaraan deze gom groeit. De meester Galenus beschrijft ons en spreekt dat olibanum is heet in de andere graad en droog aan de eerste. Dioscorides spreekt dat olibanum is een gom van een boom in het land Arabië en dat is doorschijnbaar en wit en heeft een goede zoete reuk. Ettelijke meesters die spreken dat deze gom komt uit Alexandrië van een boom die daar groeit. En deze dat is de beste die er rein is en niet vermengt met de aarde en wie een donker witte verf heeft dat is niet goed. Deze gom die mag men behouden twintig jaar onveranderd aan zijn natuur. Zijn deugd die is versterken vanwege de goede reuk die het in zich heeft, ook zo is zijn deugd consumeren en samenbinden. Serapio en Dioscorides die spreken dat olibanum goed is genuttigd de wonden want het trekt die tezamen alzo dat men die niet heffen hoeft. En laat ook geen vuil vlees groeien in de wonden. Olibanum gedronken met wijn is goed die er bloedspuwen. En is ook goed tot alle vloeden van bloed van de mannen en ook van de vrouwen. Olibanum gemengd met melk en dit gelegd op de zweren in het achterste helpt erg goed en heelt gauw. Olibanum gemengd met azijn en met olie en de kwade schurftige huid gewassen daarvan dan ontstaat de huiduitslag, die huid die wordt rein en glad daarvan. Olibanum dan gemengd met zoete wijn en dat in de oren gelaten beneemt dat suizen daarin. De rook van olibanum is goed de (2) ogen die er vol zweren zijn, daarin gelaten. Olibanum maakt dat vlees groeien in de wonden en neemt ook dat vuile vlees daaruit. Olibanum beneemt treurigheid en vermeerderd dat verstand. Avicenna de viribus cordis spreekt dat olibanum versterkt dat hart en maakt goed vrolijk bloed. [323]

Dodonaeus: ‘Dan al is deze boom zo onbekend, de hars die daarvan komt is zoveel bekender die in onze taal wieroock genoemd wordt, in het Hoogduits Weyhrauch, in het Grieks Libanos en daarnaar in de apotheken Olibanum.


ein beyn daz man findet in dem hecczen des hyrsczen

Das ccxcii Capit

Os de coτde cervi latine·

(Die meyster spτechendt gemeÿnigklich das dise beÿn funden werden an dem herczen des hÿrþen gegen der lincken seytten des herczen·und von der wÿrme des herczen wirt dises hert unnd verwandelt sich in beÿn und haben ein rôtlat farbe·Dise beÿn habend grosse kraffte und tugent an jn·und sunderlichen den leib damit zů stercken und krefftigen·Dise beÿn mag man behalten·xx·jar an jrer kraft·diþ beÿn sind kalt und trucken an jrer complexion·und haben tugent zů reÿnigen das bôþ geblŭtte·und sunderlich die melancoleÿ und dienet auch sunderlich wol zů einem gebτesten genant amoτ hereos·dz ist ein soτgfålligkeit zů dem frawen. (Platearius wer dz zÿttern håtte an dem heτczen und geneÿgt wår zů grossen onmacht also dz jm allzeit geschwinden wolte·der neme ossa de coτde cervi mit dem safft boτaginis und siede die in wein und mische darunder dyamargariton·dz ist ein confect gemacht von perlÿn·und mache dz gewicht nach deinem willen und trinck den wein·er machet krefftig dz geblŭte und bτinget dem leÿbe grosse gesuntheit·(Item wôlcher groþ fantaseÿ in jm håtte und wenig růwen môchte uud bôþ treüme håtte·d nücze specereÿen darein gemischet seÿen ossa de coτde cervi·er gewinnet gůt gedåncken·und benÿmmt die fantaseÿ und stercket die memorien·(Plinius·Wôllicher vil blůtet durch die nasen d nücze diþ beÿn er genÿset·(Item dem menschen die in onmåcht fallen den ist nichcz besser dann ossa de coτde cervi·(Der meister ysaac spτicht·daz dises bulfer von disen beÿnen heÿlet acrocoτdines dz sind auffgewoτffen weiche apostemen von einer feüchtung genant flegma·diþs oben abgeschnitten und dises bulfers darein gestreüwet hilffet wol·[324]

Een been dat men vindt in het hart van een hert.

Dat 292ste kapittel.

(1) Os de corde cervi Latijn. (Cervus elaphus)

De meester spreken gewoonlijk dat dit been gevonden wordt aan het hart van een hert tegen de linkerzijde van het hart en van de warmte van het hart wordt dit hard en verandert zich in been en heeft een roodachtige kleur. Dit been heeft grote kracht en deugd aan hem en vooral het lijf daarmee te versterken en krachtig te maken. Dit been mag men behouden 20 jaar aan zijn kracht, dit been is koud en droog aan zijn samengesteldheid en heeft deugd te reinigen dat kwade bloed en vooral de melancholie en dient ook vooral goed tot een gebrek genaamd (2) amor hereos, dat is een zorgvuldigheid tot de vrouwen. (3) Platearius, wie het sidderen heeft aan het hart en geneigd is tot grote onmacht alzo dat hem altijd duizelen wil, die neemt ossa de corde cervi met het sap Borago en kook die in wijn en meng daaronder dyamargariton, dat is een confectie gemaakt van parels, en maak dat gewicht naar je wil en drink de wijn, het maakt krachtig dat bloed en brengt het lijf grote gezondheid. Item, wie grote fantasie in hem heeft en weinig rusten mag en kwade dromen heeft die nuttigt specerijen daarin gemengd is ossa de corde cervi, hij wint goede gedachtes en beneemt de fantasie en versterkt de memorie. Plinius. Wie veel bloedt door de neus die nuttigt dit been, hij geneest. Item, de mens die in onmacht valt die is niets beter dan ossa de corde cervi. De meester Isaac spreekt dat dit poeder van dit been heelt acrocordines, dat zijn opgeworpen weke gezwellen van een vochtigheid genaamd flegma, dit boven afgesneden en dit poeder daarin gestrooid helpt goed. [324]

(1) Cervus elaphus. Hert, midden-Nederlands hert of hart, oud-Hoogduits Hiruz, Duits Hirsch.

(2) Zie kapittel 193.

(3) Os de corde; been van het hart.

Herbarius in Dyetsche; In haar hart vind je benen die tot veel ziekten en vooral die van het (3) hart goed zijn en men doet ze in zeer bijzondere gekonfijte dingen. Men zegt dat een gelijke steen in het hert gevonden wordt waarvan verteld wordt dat die de vrouwen bijzonder goed helpt bij het baren volgens Bartholomeus Anglicus’.

opopanacum ein saft

Das ccxciii Capt

Opopanacum latine·grece panax eracklia·arabice gensis vel hensir·

(Die meister spτechen dz dises seÿ ein saft eines krauts panacum genant·do her kommt opopanacum ab opos qd ed succus·Dises wirt gesamelet in dem summer so raumet man die erden von der wurczel und sticht darein so fleüþset saft darauþ d wirt hert von d sunnen darnach so schabet man den safft von der wurczeln mitt messern mit den rÿnden wann man findet allzeit opopanacum vermischet mit den rinden und erden. Und dises ist d beste der do hat ein klare gestalt und klare tropffen·und ist von farben rôtlat·Unnd wenn man den τauchen wil in der erczneÿ so sol man dem thůn in ein tŭchlein und dz hencken in ein heiþ wasser·so beleibet die unreÿnigkeit in dem tůch unnd das beste geet herauþs·Disen fafft mag man behalten lange zeÿt unverseret an seiner krafft·(Und etlich meister sprechen das der nymmer verliere zů ewigen tagen sein krafft·

Opopanacum ist heyþe an dem dτitten grad·Und sein tugent ist zů jm ziehen materien und verzeren·(Diascoτides. Opopanacum genüczet mit einen weÿchen eÿe benÿmmet dz keichen·und raumet die bτust·(Pillilen gemachet von disem safft sind gůt für die bôsen lungen und für den alten hůsten·(Den rauch von disem saffte in den halþ gelassen benÿmmet uvulam daz ist das blat dz für die kelen scheüþset·und benymmet auch dz geschwere in dem hals squinantia genant·des rauchs gelassen in den halþ und aussen daran geschmieret ein salbe genant dialtea. (Weτ wassersüchtig wår der lasse disen saft über nacht lÿgen in holler saft und trinck das des moτgens nüchtern·er genyset.

(Für daz darm gesüchte·nÿmm disen saft und lasse den über nacht ligen in fenchelsafft und nücze den des andern tags mit zucker·er genÿset·[325]

(1) Opopanacum, een sap.

Dat 293ste kapittel.

Opopanacum Latijn. Grieks panax eracklia. Arabisch gensis vel hensir. (Opopanax chironium)

De meesters spreken dat dit is een sap van een kruid panacum genaamd die hier komt opopanacum ab opos qd ed succus. Dit wordt verzameld in de zomer dan ruimt men de aarde van de wortel en steekt daarin dan vloeit het sap daaruit en dat wordt hard van de zon, daarna zo schaaft men het sap van der wortels met messen met de bast want men vindt altijd opopanacum vermengt met de bast en aarde. En dit is de beste die er heeft een heldere gestalte en heldere druppels en is van verf roodachtig. En als men dat gebruiken wil in de artsenij zo zal men het doen in een doekje en dat hangen in een heet water en zo blijft de onreinheid in de doek en dat beste gaat eruit. Dit sap mag men behouden lange tijd onveranderd aan zijn kracht. En ettelijke meesters spreken dat het nimmer verliest in eeuwige dagen zijn kracht.

Opopanacum is heet aan de derde graad. En zijn deugd is tot hem trekken materiën en verteren. Dioscorides. Opopanacum genuttigd met een week ei beneemt dat kuchen en ruimt de borst. Pillen gemaakt van dit sap zijn goed voor de kwade longen en voor de oude hoest. De rook van dit sap in de hals gelaten beneemt uvulam, dat is dat blad dat voor de keel schuift, en beneemt ook de zweren in de hals, squinantia genaamd, de rook gelaten in de hals en buiten daaraan gesmeerd een zalf genaamd dialtea. Wie waterzuchtig is die laat dit sap over nacht liggen in vliersap en drink dat ‘s morgens nuchter, hij geneest.

Voor de darmziekte, neem dit sap en laat het over nacht liggen in venkelsap en nuttig het de volgende dag met suiker, hij geneest. [325]

Dodonaeus; Voorts zo wordt het sap dat uit dit kruid vloeit in het Grieks Opopanax genoemd en in het Latijn ook Opopanax.

sant cristofels kraut

Das ccxciiii Ca

Os mundi latine·grece pirgitis pepium vel Epio·

(Die meister spτechent dz dises kraut geleiche den farn und ist auch auff einer seÿtten schoticht·(Diascoτides capitulo pirgitis spτicht·dz dises seÿ ein kraut und hab bleter geleich den kledten allein das dise spicziger und kleiner sind·und sind jnwendig geleich dem můþ usnea genant·Dises wechþt in dem gårtten und hat einen scharpffen gerauch·Dises kraut hat keinen stengel noch keinen samen·Diþ kraut bemÿmmt alle vergiftig bÿþ dz mit wein genüczt·und benÿmmet also genüczet dem blůtgang.

Sint Christoffelskruid.

Dat 294ste kapittel.

Os mundi Latijn. Grieks pirgitis pepium vel Epio. (Osmunda regalis)

De meesters spreken dat dit kruid lijkt op de varen en heeft ook aan een zijde scheuten. Dioscorides capitulo pirgitis spreekt dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de klis, alleen dat deze spitser en kleiner zijn en zijn inwendig gelijk het mos Usnea genaamd. Dit groeit in de tuin en heeft een scherpe reuk. Dit kruid heeft geen stengel noch geen zaden. Dit kruid beneemt alle vergiftige beten, dat met wijn genuttigd en beneemt alzo genuttigd de bloedgang.

De afbeelding is als die van een distel of klis. Ook een varen wordt zo genoemd, Osmunda. Hoewel, van os mundi kan je Osmunda maken. De Gart zegt toch dat het op een varen lijkt. Dat kruid heeft geen stengel nog zaden. Dan moet het wel Osmunda zijn en is de tekening gemaakt naar de tekst van Dioscorides. Dus Osmunda. Van oudsher was het toch Actaea spicata.

Dodonaeus; ‘Hier te lande heet dit gewas groot varen of wild varen, in Hoogduitsland Grosz Farn, in het Latijn heet het hier bij de gewone man Osmunda.

orant also genant

Das ccxcv C

Oτant latine et grece·

(Die meister spτechen das dises sey ein kraut unnd hat vil tugent·(Die ammen haben dises kraut beÿ jn so die frawen in kindes nôten lÿgend die geburd ist jnen dester leichtter·

(Wer dises kraut beÿ jm hatt unnd geweÿhet wirt zů unser lieben frauwen tag assumpcionis·dem mag kein zaubereÿ geschaden·(Ander vil tugent laþse ich underwegen·

(1) Orant alzo genaamd. Leeuwenbek.

Dat 295ste kapittel. (Antirrhinum majus)

Orant Latijn en Grieks.

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft veel deugd. De voedsters hebben dit kruid bij zich zo de vrouwen in kindernood liggen, de geboorte is hen des te lichter.

(2) Wie dit kruid bij hem heeft en gewijd wordt op Onze Lieve Vrouwe dag ten hemel opstijging die mag geen toverij beschadigen. Andere veel deugd laat ik onderweg.

Dodonaeus; 

‘Men plag dit kruid in het Grieks Antirrhinon te noemen en de Latijnen behouden ook dezelfde naam Antirrhinum . Hier te lande is dit kruid daar we nu van handelen Orant genoemd.

(2) Dodonaeus; ‘Galenus zegt dat het zaad van groot Orant in de medicijn nergens toe nuttig is gevonden en dan dat het kruid zelf of de bladeren er van bijna zulke kracht hebben als het sterrenkruid of Bubonium, maar nochtans veel zwakker in het werken zijn dan het sterrenkruid.

fischbeyn die die goltschmid brauchen

Das ccxcvi cap [326]

Os sepie latine·

(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Os sepie·beschτeiben uns die meister und spτechen dz dises beÿn komm von einem fische sepie genant d hat solche beÿn in dem bauch·(Wôlcher gern weÿþ zeen håtte d neme dz bulfer von disem fische in ein tŭchlein und reÿbe do die zeen damit·(Wilt du ein hübsches antlicz haben so nymm dises bulfer und mische das mit der salben genant ungentum citrinum·und bestreiche dz antlicz damit es wirt schôn unnd klare·Für die bôsen flecken an dem leib so nücze dises ÿeczgenant ungent neün tage nach einander sÿ vergeend und die haut wirt schôn·

(1) Visbeen die de goudsmeden gebruiken.

Dat 296ste kapittel. [326]

Os sepie Latijn. (Sepia officinalis)

In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Os sepia beschrijven ons de meesters en spreken dat deze been komt van een vis sepia genaamd en dat heeft zulke been in de buik. Wie graag witte tanden heeft die neemt dat poeder van deze vis in een doekje en wrijf de tanden daarmee. Wil u een mooi aangezicht hebben zo neem dit poeder en meng dat met de zalf genaamd ungentum citrinum en bestrijk uw aangezicht daarmee, het wordt schoon en klaar. Voor de kwade vlekken aan het lijf zo nuttig deze net genoemde zalf negen dagen na elkaar, ze vergaan en de huid wordt schoon.

(1) Os; been, sepia; beenderen. In het Nederlands heet het zeeschuim of sepiabeen. In het Duits heet het der Schulp, ongetwijfeld verwant met het Fries skulp voor schelp en met de uitdrukking ‘in je schulp kruipen’.

Mynwen wurczen

Das ccxcvii Ca

(P)Eonia latine grece penterebon vel pentaboτam·vel peτinia vel glÿkiside·arabice pÿnaser·

(In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·dz dise wurczel seÿ heÿþ unnd trucken an dem andern grad·(Dise wurczeln bτaucht man in der erczney und sÿ sol sein schwarczfarb und nit leicht oder lôcherig·die schwår ist die selb ist die beste·und die mag man behalten zehen jar unverseret·aber die peonia die sich bulferet wenn man die bτichet und die do leicht und lôcherigt ist die ist nit gůt in der erczneÿ. (Der wirdig meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel peonia spτicht·dz do seÿ zweier hant peonia·eine freülich·die and månlich·die menlich hat weiþ wurczen als lang als ein finger·die freülich hat wurczel die sind in vil teil geteilt. (diascoτides spτicht dz dise wurczel hab tugent den leibe zů stercken und frischen·(Item peonia genüczet machet hårmen·Peonia reiniget die lebern und die nieren. (Platearius dise wurczel den kinden an dem hals gehengt behŭtet sÿ voτ d kranckheit epilentia genant fallend sucht·(Dise wurczeln gesoten in wein und den getruncken reÿniget das geblŭtte. (Item die frawen die nit wol gereÿniget werden in jrer geburd·[327] dÿe sollen trincken von diser wurczel so gewynnen sÿ jr natürlich kranckheit und werden wol gereÿniget on schaden von d wurczel sol man nemen als vil und groþ als ein mandel·(Von der wurczel getruncken mit wein benÿmmet das bauchwee·und nÿmmet damit die geelsucht und den schmerczen der blasen und d lenden·(Plinius der spτichet das der rauch von dem stam diser wurczeln zů der nasen eingelassen benýmmet epilemsiam genant fallende sucht·(Avicenna peonia benÿmmet die schwarczen flecken am leib·(Dÿse wurczel ann dem hals gehencket benÿmmet die fallende sucht·und es ist geschehen das man einem kinde an hencket der wurczel und das kindt der kranckheit Epilemsia nÿe vernam als es die wurczel hangen hett an dem leibe und als dick man jm die wurczel abe thet gewan es alle zeÿt wider die fallende sucht. (Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel peonia beschreybet uns und spτicht das dÿse wurczel reÿniget das geblŭt und ist scharff mit einer kleÿnen bitterkeit·(Es spτichett auch das do seÿ zweyerhande peonia die ein heisst der man die hat ein grosse lange wurczel beÿ nahe zweÿer elen lang·die ander ist früwenlich und ist die kleinest und hatt ein kleinere wurczel·die wurczel sind feþÿcht geleÿch dem zwibeln. Die kleinen in wein gesotten seübert die frauwen wol so sÿe kinde gewinnent·Und an andern dingen haben die zwů wurczeln geleich krafft und ein natur·

Pioen.

Dat 297ste kapittel.

Pioen Latijn. Grieks penterebon vel pentaboram vel perinia vel glÿkiside. Arabisch pÿnaser. (Paeonia officinalis)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat deze wortel is heet en droog aan de andere graad. Deze wortels gebruikt men in de artsenij en het zal zijn zwartkleurig en niet licht of met gaten, die zwaar is diezelfde is de beste en die mag men behouden tien jaar onveranderd, maar de pioen die zich poedert als men die breekt en die er licht en met gaten is die is niet goed in de artsenij. De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel pioen spreekt dat er twee soorten pioen zijn, een (3) vrouwelijke en de ander mannelijk, de manlijke heeft witte wortels zo lang als een vinger, de vrouwelijk heeft wortels die zijn in veel delen gedeeld. Dioscorides spreekt dat deze wortel heeft deugd het lijf te versterken en te verversen. (4) Item, pioen genuttigd maakt plassen. Pioen reinigt die lever en die nieren. (2) Platearius, deze wortel de kinderen aan de hals gehangen behoedt ze voor de ziekte epilentia, genaamd vallende ziekte. Deze wortels gekookt in wijn en dan gedronken reinigt dat bloed. (5) Item, de vrouwen die niet goed gereinigd worden bij de geboorte [327] die zullen drinken van deze wortel en zo winnen ze hun natuurlijke ziekte en worden goed gereinigd zonder schade, van de wortel zal men nemen zo veel en groot als een amandel. Van de wortel gedronken met wijn beneemt de buikpijn en beneemt daarmee de geelziekte en de smarten van de blaas en de lenden. (2) Plinius die spreekt dat de rook van de stam van deze wortels bij de neus ingelaten beneemt epilepsia, genaamd vallende ziekte. (7) Avicenna, pioen beneemt de zwarte vlekken aan het lijf. (2) Deze wortel aan de hals gehangen beneemt de vallende ziekte en het is gebeurd dat men het een kind aanhing de wortel en dat kind de ziekte epilepsie niet vernam toen het die wortel hangen had aan het lijf en zo vaak men hem die wortel af deed won het altijd weer de vallende ziekte. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel pioen beschrijft ons en spreekt dat deze wortel reinigt dat bloed en is scherp met een kleine bitterheid. Hij spreekt ook dat er zijn twee (3) soorten pioen en de ene noemt men de man en die heeft een grote lange wortel bijna twee ellen (136 cm) lang, de ander is vrouwelijk en is de kleinste en heeft een kleinere wortel, die wortel zijn vochtig gelijk de uien. (5) De kleine in wijn gekookt zuivert de vrouwen goed zo ze een kind winnen. En in andere dingen hebben de twee wortels gelijke kracht en een natuur.

De afbeelding geeft langvormige bladeren weer die uit een knol komen, wel veel bloemen, verschilt duidelijk veel van het volgende kapittel die een echte pioenroos weergeeft. Zie kapittel 298.

(1) De eerste soort van dit gewas wordt gewoonlijk pioen mannetje in het Nederduits genoemd, in het Latijn Paeonia mas of Paeonia mascula.

2. De tweede soort wordt eerste pioen wijfje, in het Latijn Paeonia femina prior genoemd of enkele pioen wijfje en wanneer de bloem volbladig is dan noemt men het dubbele pioen wijfje, in het Latijn Paeonia femina prior multiplici. Dan de gewone naam van deze soorten van pioenen is bij de Grieken Paeonia bij de Hoogduitsers Peonienblumen, Peonien rosen, Gichtwurtz, Konigblum, Pfingstrosen. Oudhoogduits Manua, Menva, midden Hoogduits Menwenkraut, Minwenkraut.

Het verhaal van Galenus over epilepsie kom je in vrijwel elk boek tegen.

Herbarius in Dyetsche; (2) Tegen vallende ziekte wordt het aan de hals gehangen en beschermt het tegen vallende ziekte.

(5) Om de baarmoeder te zuiveren ontvang je de rook van het kooksel van pioenwortel met bijvoet. Of neem een spons, steek het daar in en duw het dikwijls omtrent de baarmoeder.

(6) Tegen zwarte liktekens in de huid van de mensen was je het likteken met het afkooksel van deze wortel in water dat met bloem van lood gemengd is.

Herbarijs;. 4) En tegen verstopping van urine als men het kookt in wijn en dan drinkt’.


benonien korner

Das ccxcviii Ca

Pionia latine·arabice pinuser·

(Die meister spτechen gemeinklich das der stamme darauff diser same wachs habe groþ blůmen die sind rot und sind gemeinklich genant benedicten rosen·

(Diser stam ist uns wol bekannt der wurczeln tugent ist uns beschreiben in dem capitel pionia·

(Platearius spτichet das dÿse kôτner in manichen wege gůtte sind und sunderlich den frauwen (wj·) [328] in jerer kranckheit die treiben sie gengklich·(Auch treÿben dÿse kôτner auþ die todten geburte·

(Wôliche frauwe leit an jerer geburt schmerczen und wol von stat mag der sol man geben binonien kôτner wit wein sÿ treÿben und helffen fast wol der geburt. (Item bynonien kõτner gestossen und darunnder gemüschet zÿtwan und galgan ÿegkliches geleich vil und zucker·diþ dτesseneÿ ist gůt genüczet des abents und moτgens und treibet auþ vergifte und bτinget sanfft stůlgenge·(Wôliches kindt diser kôτner beÿ im treget dem mag der bôse geÿst kein bôse zů fŭgen·(Itez dise kôτer sind in einem hause dez hause mag der bôþ geÿst nit schden noch kein ungewitter zů fŭgen·Item der kôτner zechne od zwôlffe in roten wein gethan und die frauwen den getruncken benÿmmet jn den überflŭssigen fluþ der můter·(Item die frauwen den jre můter auff fert von einer seitten zů der andern die sôllen nemen der kôτner·xv·und die thůn in mellecratt gemacht von hônig und wein oder in wein und den trincken es hilffet fast woll. (Also genüczet benymmet es den siechtumb genant in cobns das ist ein sucht oder fantaseÿ die dem menschen in dem schlaff ist trucken das der mensch nit reden noch siche bewegen mag·(Item pionia ist warm und trucken in dez andern grade. (Dise wurczel an dem hals getragen ist gůt wid die fallende sucht als Galienus spτichet von einem kinde als lange es dise wurczel an jm hat hencken so was es von der voτgeschriben sucht entladen·und wan die würczel nit an jm hieng so ward daz kindt wider kranck·(Itez das bulver vonn disser wurczel mitt wein genüczet darein gesotten ist pinonien wurczel und beÿfůþ ist gůt für dÿe fallende sucht. (Diþ bulver voτgenant in wein mitt bÿbergeÿl gesotten ist gůt genüczet wider das gegicht genant paralisis·

Pioenkorrels.

Dat 298ste kapittel.

Pionia Latijn. Arabisch pinuser. (Paeonia officinalis)

De meesters spreken algemeen dat de stam daarop dit zaad groeit heeft grote bloemen en die zijn rood en zijn gewoonlijk genaamd benedicten rozen.

Deze stam is ons goed bekend, de wortel zijn deugd is ons beschreven in het kapittel Paeonia.

Platearius spreekt dat deze korrels op vele manieren goed zijn en vooral de vrouwen [328] in hun ziekte die verdrijven ze geheel. Ook drijven deze korrels uit de dode geboorte.

Welke vrouw ligt aan de geboortepijnen en goed van plaats mag die zal man geven pioenkorrels met wijn, ze drijven en helpen erg goed de geboorte. Item, pioenkorrels gestoten en daaronder gemengd zedoaria en galigaan, van elk gelijk veel, en suiker, deze dressing is goed genuttigd ‘s avonds en ‘s morgens en drijft uit vergif en brengt zachte stoelgang. Welk kind deze korrels bij hem draagt die mag de kwade geest geen kwaads toevoegen. (1) Item, deze korrels zijn in een huis, dat huis mag de kwade geest niet schaden noch geen onweer toevoegen. Item, de korrels tien of twaalf in rode wijn gedaan en de vrouwen dan gedronken beneemt hen de overvloedige vloed van de baarmoeder. Item, de vrouwen die hun baarmoeder gaat van de ene zijde naar de andere die zullen nemen de korrels 15 en die doen in mellecratium gemaakt van honing en wijn of in wijn en dan drinken, het helpt erg goed. (1) Alzo genuttigd beneemt het de ziekte genaamd in cobus, dat is een ziekte of fantasie die de mensen in de slaap drukt zodat de mens niet reden noch zich bewegen mag. Item, pioen is warm en droog in de andere graad. Deze wortel aan de hals gedragen is goed tegen de vallende ziekte als Galenus spreekt van een kind zo lang het deze wortel aan hem had hangen zo was het van de voorgeschreven ziekte ontladen en toen die wortel niet aan hem hing zo werd dat kind wederom ziek. Item, dat poeder van deze wortel met wijn genuttigd daarin gekookt is pioenwortel en bijvoet is goed voor de vallende ziekte. Dit poeder voor genoemd in wijn met bevergeil gekookt is goed genuttigd tegen de jicht genaamd paralisis.

Zie kapittel 298.

(1) Bij ziekten die onder invloed van de maan ontstaan zouden de zaden zeer krachtig werken.

magsamen ccxcix ca

Papaver latine·grece animone vel miconium arabice caxchax chachilli vel caschasÿ·(In dem bůch [329] genant circa instans beschreiben uns die meister und spτechen dz do sey zweÿer magsamen·d eine weiþ am samen·ander schwarcz am samen·der weisse ist von natur kalt und feücht·der schwarcze ist kalte und trucken von natur·Den samen sol man sameln im summer so er zeÿtiget und der weret fünff jar unverseret

(Auþ disen beÿden samen sol man machen ein pflaster und darunder müschen frauwen milch und das weiþ von eÿern und das gelegeet an den schlaffe macht růwen und wol schlaffen·(Dye frauwen auþ dem lande salernitane genant bulverifieren dem weissen magsamen und müschen das bulver mit jrer eÿgen milche und geben das jren kinden dÿe schlaffen sere davon unnd deüven auch wol damit·Der schwraczen samen sol man nitt also eingebenn wan er ist von natur tôdten·aber auþwendig des leibes mag man jn nüczen·(Wevda geschwer hete an seinem leibe der neme des sames von dem weissen magsamen·oder das kraut davon·und stoþ das und müsche darunder rosen ôle und lege das auff das geschwere geleich einen pflaster dz zeühet groþ hicz auþ und sunderlichen auff die heissen leber geleget ist es fast nücze·(Platearius nÿmme bulver von dem weissen magsamen und müsche dz mitt feÿelôle und schmiere den ruckenmeÿþel damit diþ benÿmmet die sucht der gelÿder und sterckt die. (Diascoτides spτichet das do sÿ dτeÿerhande·einer wechset mitt weissen blůmen·der ander mitt rosenfarben·der dτitte mit bleichen·under den dτeÿen ist der mitt den weissen blůmen der beste von dem macht man den besten opiat·

Die machen etlich also·so d magsamen noch jung ist und nit gar zeÿtig so findet man die oberste haut abe die milch die da herabe geet und das saffte beheldet man das selbe ist gůt zů mancher hande erczneÿ·(Ettlich stossen dÿe magsamen heübter in jrer selbst milch die von den heübter geent·und das saffte behelt man·dz selbe ist gůt an der sunnen getrucknet und gehalten dienet zů dem erczneÿen die do schlaffen machen. (Der rosen rotblůmen hat ist darnach der beste·dar von machett man ôle das ÿsset wan in d kost. (Wôlicher nit schlaffen mag d stoþ magsamen wôlicher handt er haben mag und werme dem und tringe den safft darauþ und zwage damit das antlicze so gewÿnnet er gůten schlaff·(Itez so diþ weissen magsamen heübter noch geüne sind so sol man die sÿeden in wasser also das dz dτitteil hônig darjn seÿ·dÿþs seüde alþs lange und als vil das es als dicke werde alþ hônig·diþ sol man wol behalten wan es ist gar gůt zů vil dingen·(Das selbe genüczet gibt gůten schlaff und vertreibet dem hůsten und bestopffet den fliessenden bauch·sich damitt (w·ij·) [330] gestrichen.(Isaac wôlicher hette das gegicht in dem fŭssen genant podagra·der neme opiuz von magsamen und thů darzů rosenôle und bestreich deine fŭsse damitt·es vertreibet das podagram zůhant·(Item den kindern mag man auch geben weissen magsamen gebulvert in milch vermenget machet sie schlaffen·(Item weissen magsamen gebulvert vermenget in feÿelnôle damit gestrichen den ruckmeÿssel ist gůtt für das fieber und hicz der leberen·(Item magsamen better in eþsig gesotten und auff das sant anthonien feür geleget ist es vertreÿben·

(1) Papaver, 299ste kapittel.

Papaver Latijn. Grieks animone vel miconium. Arabisch caxchax chachilli vel caschasÿ. (Papaver somniferum)

In het boek genaamd [329] Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat er zijn twee soorten papaver, de ene wit aan de zaden en de ander (8) zwart aan de zaden, de witte is van natuur koud en vochtig, de zwarte is koud en droog van natuur. De zaden zal men verzamelen in de zomer zo het rijpt en die blijven vijf jaar onveranderd.

(2) Uit deze beide zaden zal men maken een pleister en daaronder mengen vrouwenmelk en dat witte van eieren en dat gelegd aan de slaap maakt rusten en (8) goed slapen. De vrouwen uit het land Salernitane genaamd verpoederen de witte papaverzaden en mengen dat poeder met hun eigen melk en geven dat hun kinderen, die (8) slapen zeer daarvan en verduwen ook goed daarmee. (5) De zwarte zaden zal man niet alzo ingeven want het is van natuur doden, maar uitwendig het lijf mag men het nuttigen. (3) Wie er een zweer heeft aan zijn lijf die neemt het zaad van de witte papaver of dat kruid daarvan en stoot dat en meng daaronder rozenolie en leg dat op de zweren gelijk een pleister, dat trekt grote hitte uit en vooral op de (6) hete lever gelegd is het erg nuttig. Platearius, neem poeder van de witte papaverzaden en meng dat met violenolie en smeer de ruggengraat daarmee, dit beneemt die ziekte der leden en versterkt die. Dioscorides spreekt dat ze zijn drievormig, een groeit met witte bloemen, de andere met roze kleur en de derde met bleke, onder die drie is die met de witte bloemen de beste, van die maakt men de beste opiat.

Die maken ettelijke alzo; zo de papaverzaden noch jong zijn en niet erg rijp zijn zo pelt men de bovenste huid af zodat de melk daaruit gaat en dat sap behoudt men, datzelfde is goed tot vele soorten artsenijen. Ettelijke stoten de papaverhoofden in hun eigen melk die van de hoofdjes gaat en dat sap behoudt men, datzelfde is goed aan de zon gedroogd en gehouden en dient tot de artsenijen die je (8) slapen maken. Die rozerode bloemen heeft is daarna de beste, daarvan maakt men olie dat eet men in de kost. (8) Wie niet slapen mag die stoot papaverzaden van welke soort hij hebben mag en warm dat en druk het sap daaruit en dweil daarmee dat aangezicht, zo win je een goede slaap. Item, zo deze witte papaverhoofdjes noch groen zijn zo zal man die koken in water alzo dat het derde deel honing daarin is, dit kook je alzo lang en alzo veel zodat het dik wordt als honing en dit zal man goed behouden want het is erg goed tot veel dingen. Datzelfde genuttigd geeft goede slaap en verdrijft het (7) hoesten en verstopt de vloeiende buik, zich daarmee [330] gestreken. Isaac, wie heeft de jicht in de voeten genaamd podagra die neemt opium van papaverzaden en doe daartoe rozenolie en bestrijk je voeten daarmee, het verdrijft dat podagram gelijk. Item, de kinderen mag men ook geven witte papaverzaden gepoederd en in melk vermengt maakt (8) ze slapen. Item, witte papaverzaden gepoederd vermengt in violenolie en daarmee gestreken de ruggenwervel is goed voor de koorts en (6) hitte van de lever. Item, papaverzaden bladeren in azijn gekookt en op dat Sint Anthonie vuur gelegd is het verdrijven.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze kruiden heten hier te lande heul, huel en mankop, in Hoogduitsland Magsamen en Olmag, in het Grieks Mecon.

Herbarius in Dyetsche lijkt veel op de Gart; ‘ (4) de zwarte moet je niet nemen want die doodt meer. (2) Heulzaad heeft de kracht om te laten (8) slapen als je een pleister maakt van heulzaad, van vrouwenmelk en van het wit van een ei en dat op de slapen van het hoofd legt. Dat geven sommige ook aan kinderen.

(3) Tegen beginnende hete blaren en tegen de vertering van de lever: ‘Meng het zaad of het kruid met olie van rozen en leg het er op’.

(7) Tegen droogte van de borst of de verteerde leden.

Om in scherpe koortsen te laten (8) slapen waar de wakkerheid regeert was je het hoofd met het afkooksel van heulzaad en van zijn wortel.

Boley ccc Capitel

Polegium latine·

(In dem bůch circa instans beschreiben uns die meister und sprechen das boleÿ seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grade·

(Item wan boleÿ blůmen hatt so sol man die sameln die werent zweÿ jare·(Die meister spτechen gemeinklich als Avicenna serapion Diascoτides das calamentum polegium mentastrum und oτiganum haben alle ein tugent darumb schreÿben die arabes eÿns für das ander und darumb wirt in einer gemein erzålt und auþegezogen auþ de arczet bŭcheren die tugent des krautes·und dÿsse nachgeschriben tugent die finde an vil menschen beweret·(Itez zů dem ersten wer sich an dem leib jucket der siede boleÿe mitt wasser und wåsche sich dan mit dem warmen wasser es vergeet jm unnd wirt darnach nit reüdig·

(Itez den bauch damit gewåschen benymmet die geschwulst der berenmůtter. (Boleÿ gesoten mit wein und den getruncken ist fast gůt den frauwen die sich zů lange saumen an jrer sucht·(Boley ist nit gût geessen dem frauwen die kinder tragen·wan jr kinder zů unzeÿten davon geberet werden. (Boley geessen ist gůt den frauwen die versaumet werden durch dÿe ammen also das sÿe secundinam das ist dÿe ander geburt zů lange beÿ jenen behaltenn dar durch auch maniche frauwe versaumet wirt das sÿe des [331] sterben můsse·darumb sôllen die ammen acht haben auff die frauwen nach der ersten geburt nitt das die ander geburt nitt zů lange auþ bleibe und in dez leyb verschwelle·und wo das geschehe·so mŭþt die in dem leÿbe faulen und die frrawen grossen gebτesten davon entpfangen und darumb sol man jn geben boleÿ mit wein od in der kost treÿbet die ander geburt zůhandt auþ·(Boleÿ mitt hõnig und salcz gemüschet hilffet den lamen und den zerbτochen gelÿdern darauff geleget·(boleÿ mit hônig gemenget und das eingenommen benÿmmet das keichen·(Wôlicher das grÿmmen hette in dem leib oder jm bauch der neme zweiteÿl weins und siede den mit boleÿ und nücze den es hilffet·(Oder nÿm boleÿ mitt hônigwasser genant mulsa od mitt eþsig es hilffet on zweÿfell. (boleÿ mitt wein getrunckenn vertreibet die schwarczen colera. (boleÿ auch also genüczet vertreÿbet was die nater gestichet·(Item wer von blŭdte oder sunste onmåchtig würde der neme boleÿ und stosse den und darunder müsche eþsig und lege dz für die nasen er wirt mechtig von dem gerauch·(boleÿ gebulvert und die zene damit gerÿben vertreÿbet alle schmerczen davon·boleÿ frisch gestossen auff die sucht fŭþ weethům geleget genant podagra benÿmmet die sucht·(Sie vertreÿbet auch also genüczette neüwe erhaben geschwulst dÿe gemüschet mit polenta obgenant und also warme darauff gelegt. (Item boleÿ gestossen und gemuschet mit saffran vertreibet bôse geschweren am leibe und sunderlich pannaricium das ist eine geschwer an den nageln der hende und wirt gemeinklich geheissen würm·(Platearius boleÿ gestossen und auff das milcz geleget vertreybt dÿe geschwulst dar abe·(Item beley getruncken mit heissem wein ist fast gůt dem d mit not neczet·den wein in ôle gesoten und auff den bauch gelegett·(Boley wurczel mit starckem wein gestossen und auff die geschwulst geleget vertreÿbt sÿ zů hant·(Item boleÿe in wein genüczet vertreÿbet die vergifft der schlangen·(Und auch also genüczet vertreÿbet der lungen und lebern sucht·(Item boleÿ saffte mitt einem klistiere in dem leip gethan tôdtet die würme·(Boleÿ gesotten in wein ist gůt genüczet wider den schnoppen unnd wider den fluþ des haubtes·und auch gůt die můter zů reÿnigen von jr feüchtigkeit·(Auch hatt boleÿ gesotten in wein machett weethůmb zů vertteÿben des gedårmeþ genannt colica·darauffe warm geleget·

(Plinius boley von einer frauwen dick mal genüczet machett sie fruchtbar·(w·iij·) [332]

(1) Polei, 300ste kapittel.

Polegium Latijn. (Mentha pulegium)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat polei is heet en droog aan de derde graad.

Item, als polei bloemen heeft zo zal men die verzamelen en die duren twee jaar. De meesters spreken algemeen zoals Avicenna, Serapio en Dioscorides dat calamentha, polei, menthastrum en Origanum hebben alle een deugd en daarom schrijven die Arabieren de ene voor de andere en daarom wordt in het algemeen verteld en uitgetrokken uit de artsenij boeken de deugd van dit kruid en deze nageschreven deugd die vindt men bij veel mensen beweert. Item, tot de eerste, wie zich aan het lijf jeukt die kookt polei met water en was zich dan met het warme water, het vergaat hem en wordt daarna niet ruig.

Item, de buik daarmee gewassen beneemt de gezwellen der baarmoeder. (3) Polei gekookt met wijn en dan gedronken is erg goed de vrouwen die zich te lang verzuimen aan hun ziekte. Polei is niet goed gegeten de vrouwen die een kind dragen want hun kind te vroeg daarvan geboren wordt. Polei gegeten is goed de vrouwen die verzuimd zijn door de voedsters alzo dat ze secundinam, dat is de nageboorte, te lang bij hen behouden waardoor ook vele vrouwen verzuimd worden zodat ze dan [331] sterven moeten, daarom zullen die voedsters acht hebben op die vrouwen na de eerste geboorte met dat de andere geboorte niet te lang uitblijft en in het lijf verzwelt en wie dat gebeurd zo moet die in het lijf vervuilen en die vrouwen grote gebreken daarvan ontvangen en daarom zal men hen geven polei met wijn of in de kost dat drijft die andere geboorte gelijk uit. Polei met honing en zout gemengd helpt de lamme en de verbroken leden, daarop gelegd. Polei met honing gemengd en dat ingenomen beneemt dat kuchen. (4) Wie dat grommen heeft in het lijf of in de buik die neemt het tweede deel wijn en kook die met polei en nuttig dat, het helpt. Of neem polei met honingwater genaamd mulsa of met azijn, het helpt zonder twijfel. Polei met wijn gedronken verdrijft de zwarte colera. Polei ook alzo genuttigd verdrijft wat de adder steekt. Item, wie van bloed of iets dergelijks onmachtig wordt die neemt polei en stoot die en daaronder meng azijn en leg dat voor de neus, hij wordt machtig van de reuk. Polei gepoederd en de tanden daarmee gewreven verdrijft alle smarten daarvan. Polei vers gestoten op de zieke voetenpijn gelegd, genaamd podagra, beneemt die ziekte. Ze verdrijft ook alzo genuttigd nieuwe verheven gezwellen, die gemengd met polenta als opgenoemd en alzo warm daarop gelegd. Item, polei gestoten en gemengd met saffraan verdrijft kwade zweren aan het lijf en vooral pannaricium, dat is een zweer aan de nagels van de handen en wordt gewoonlijk geheten worm. Platearius, polei gestoten en op de milt gelegd verdrijft de gezwellen daarvan. Item, polei gedronken met hete wijn is erg goed die er met nood plast, de wijn in olie gekookt en op de buik gelegd. Polei wortel met sterke wijn gestoten en op die gezwellen gelegd verdrijft ze gelijk. Item, polei in wijn genuttigd verdrijft het vergif van de slangen. En ook alzo genuttigd verdrijft het de longen en leverziekte. Item, poleisap met een klysma in het lijf gedaan doodt de wormen. (2) Polei gekookt in wijn is goed genuttigd tegen het snuffen en tegen de vloed van het hoofd en (5) ook goed de baarmoeder te reinigen van haar vochtigheid. Ook heeft polei gekookt in wijn macht pijn te verdrijven van de darmen, genaamd koliek, daarop warm gelegd.

(3) Plinius, polei van een vrouw vele malen genuttigd maakt ze vruchtbaar. [332]

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze twee kruiden voeren hier te lande en in Hoogduitsland de naam Poley of Paleye en namelijk het een polei met ronde bladeren en het ander polei met smalle of lange bladeren, in het Latijn noemt men ze gewoonlijk Pulegium.  Dit werd in het Latijn pulegium,en in oud-Hoogduits werd dit woord ontleend tot Polaia, Boley, Poleige of Pulei.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (3) Het heeft de kracht om te ontbinden, te verteren en te versterken, ook de koude reuma te bedwingen, te verdrogen en ook de baarmoeder te zuiveren en te vernauwen.

(2) Tegen koude reuma van het hoofd: ‘Neem polei zonder vochtigheid en warm het, dan doe je het in een zakje en leg het op het hoofd’. Als je daar nog majoraan met Lavendula stoechas bij mengt is het nog veel krachtiger.

(4) Tegen pijn van de maag en van de darmen die uit koude zaken of van winden komen.

(5) Om de vochtigheid van de baarmoeder te verdrogen en haar mond te vernauwen doe je een spons in het afkooksel van polei en van bijvoet en leg het daar op.

burgel ccci Capi

Poτtulata latine·grece andτagne latine·arabice hasdane·

(Galienus in dem sybenden bůch genant simplicium foτmacoτuz·in dem capitel poτtulaca beschreÿbet uns und spτichet das poτtulaca sey von natur kalt an dem dτitten grade und feücht an dem anderen·(Der meister Plinius spτichet das poτtulaca wachþs geren auff den ackern under den jungen koτn und hat bletter geleychen de bonen bletern·und die bleter ligent auff der erden·(In dem bůch circa instans beschreibenn uns die meister und spτechen dz poτtulaca gůt seÿ so sie noch frÿsche und grüne ist·wan die dürr ist so hat sÿ wenig krafft in jre·die tugent poτtulaca ist senfftigen und feücht machen·(Serapion der spτichet wôlicher einen hiczigen magen hett und zerschwollen wåre sunderlich in des magen munde·der sol essen poτtulacam es hilffet fast wol·(Wôlicher auch grossen schmerczen hette an dem zenen der neme der bτŭ darjnne poτtulaca gesotten ist und haltt die in dem munde sie senfftigett auch dem schmercen der zene=

(Itez wôlicher auþwendig deþ leibes an einem gelýde groþ hicz hette der streiche das safft dÿses krautes darauffe es hilffet faste wol·Auch mag man den safft trincken der da jnnerlich hicz hett er kůlett fast sere·(Item disses kraut geessen in der speise benÿmmet das geschweren der gemechte oder der gescheme·(Itez ein meister genant Rufus spτicht dz poτtulaca gar schedlich seÿ dem gesicht und erkeltet auch fast dem leibe. (Der meister Avicenna in seÿnem andern bůch in dem capitel poτtulaca spτichet das der saffte poτtulace meer nücze seÿ in d arczneÿ wan ettwas anders davon. (Item ein pflaster gemacht von poτtulaca unnd geleget auff dÿe heissen geschweren wo man soτge hatt das die materie auch darjnne faul werde oder das do seÿe herisipila dz ist ein heiþ geschwere und lauffet auch in dem leibe von einem gelÿde zů dem andern·

(Item poτtulaca benÿmmet auche geschweren auff dem haubt die gestossen und gemüschet mit weine und das haubt damit gezwa [333] gen·Plinius. Bürgil ist faste gůt den geschwollen augen darauff geleget·(Item burgil ist gůt geessen in dem summer wan sÿe beuÿmmet die summer hicz·

(Burgil ist gůt genüczet dem die do blůt speyen·(plinius sprichet das burgil und sauer ampfer sind geleich in jr krafft·(Item burgil rohe gessen machet schleime in dem magen·(Burgil dicke genüczet benÿmmet dem menschen unkeüsch gelust und schadett dem gesicht·(Diascoτides poτtulaca ist fast gůt dem die do hiczige febτes haben·wan sÿe benÿmmet die hicz von tag zů tage die genüczet mit eþsig·(Burgil gemüschet mit gersten mele und dz zůsamen gestossen und gewermet beÿ dem feür und darnach geleget auff den magen benÿmet jm die unnatürlich hicze·(Die frauwen die fast flüþig wåren die sôllen bτauchen potulacam das stopffet sÿe zůhandt on schaden·(Item poτtulaca ist gůt wider sant anthonien feûer gestossenn mit eþsig und darauff geleget·

(Item poτtulaca in dem mund gekeüwet ist gůt wider dem blůtgange der nasen·(Item burgil saft gestrichen an die stýrn ist gůtte wider das haubt weetůmb d do kommet von dem fieber·

Postelein, 301ste kapittel.

Portulata Latijn. Grieks andragne Latijn. Arabisch hasdane. (Portulaca oleracea)

Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Portulaca beschrijft ons en spreekt dat Portulaca is van natuur koud aan de derde graad en vochtig aan de andere. De meester Plinius spreekt dat Portulaca groeit graag op de akkers onder het jonge koren en heeft bladeren gelijk de bonenbladeren en die bladeren liggen op de aarde. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Portulaca goed is zo ze noch vers en groen is want die droog is zo heeft ze weinig kracht in zich, (2) de deugd van Portulaca is verzachten en vochtig maken. Serapio die spreekt wie een (3) hete maag heeft en gezwollen is en vooral in de maagmond die zal eten Portulaca, het helpt erg goed. Wie ook grote smarten heeft aan de tanden die neemt de brei daarin Portulaca gekookt is en houdt die in de mond, ze verzacht ook de smarten van de tanden.

Item, wie uitwendig het lijf aan een lid grote hitte heeft die strijkt dat sap van dit kruid daarop, het helpt erg goed. Ook mag men dat sap drinken die er innerlijk hitte heeft, het verkoelt erg zeer. Item, dit kruid gegeten in de spijs beneemt het (4) zweren van het geslacht of schaamte. Item, een meester genaamd Rufus spreekt dat Portulaca erg schadelijk is het gezicht en verkoeld ook erg het lijf. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Portulaca spreekt dat het sap van Portulaca meer nuttig is in de artsenij dan wat anders daarvan. Item, een pleister gemaakt van Portulaca en gelegd op de (4) hete zweren waar men zorgen heeft dat de materie ook daarin vuil wordt of dat het is erysypelas, dat is een hete zweer en loopt ook in het lijf van het ene lid tot de andere.

(4) Item, Portulaca beneemt ook zweren op het hoofd, die gestoten en gemengd met wijn en dat hoofd daarmee [333] gedweild. Plinius. Postelein is erg goed de gezwollen ogen, daarop gelegd. Item postelein is goed gegeten in de zomer want ze beneemt de zomerhitte.

Postelein is goed genuttigd die er bloedspuwen. Plinius spreekt dat postelein en zuring zijn gelijk in hun kracht. Item, postelein rauw gegeten maakt slijm in de maag. (6) Postelein vaak genuttigd beneemt de mensen onkuise lusten en schaadt het gezicht. Dioscorides, Portulaca is erg goed die er (3) hete koortsen hebben want ze beneemt de hitte van dag tot dag, die genuttigd met azijn. Postelein gemengd met gerstemeel en dat tezamen gestoten en gewarmd bij het vuur en daarna gelegd op de maag beneemt hem de (3) onnatuurlijke hitte. (5) De vrouwen die erg vloeiend zijn die zullen gebruiken Portulaca, dat stopt ze gelijk zonder schade. Item, Portulaca is goed tegen Sint Anthonies vuur, (van moederkoren) gestoten met azijn en daarop gelegd.

Item, (7) Portulaca in de mond gekauwd is goed tegen de bloedgang van de neus. Item, posteleinsap gestreken aan de hersens is goed tegen de hoofdpijn die je komt van de koorts.

(1) Dodonaeus; ‘Beide (tam en wild) deze kruiden heten hier te lande porceleyne, in het Grieks Andrachne, in het Latijn Portulaca. De Hoogduitse naam van deze postelein is Burtzel kraut.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het heeft kracht om de kamergang te verzachten of te vermurwen, vochtig te maken en te verkoelen. (3) Het is een goed voedsel tegen koorts van rode gal en zwarte gal.

(4) Tegen beginnende hete blaren: ‘Neem postelein, breek het en meng het met azijn’.

(6) Als je postelein teveel eet verkrampt dit het gezicht, het verkoelt het lichaam. Het voorkomt het overgeven en beneemt onkuisheid.

(7) Als je postelein met wat azijn kauwt voorkomt dit het bloeden van de neus. Ook als je het eet voorkomt het verbranding van de maag vanwege rode gal.

wegdret cccii Capi

Proserpinata grece vel poligonia vel poτemacla vel moltigonia·arabice harsÿarbaÿ vel persoÿdam·latine centumnodia vel coτigiola minoτ vel lingua passerina vel gincolata·

(Der meister Serapio in dem capitel harsÿarbaÿ mit bewerung·Diascoτides beschreibet uns und spτichet das der seÿ zweÿerhande·ein der man·das ander die frauwe·dÿe menlich hat estlin die sind schlecht unnd weiche und haben auch snbtÿle knoden·und bτeytett sich auff der erden geleÿche dem graþe und hatt auch bletter geleich den rauten allein das wegdτitten bletter weicher sind und (w·iiij·) [334] lenger unnd hat beÿ ÿegklichem blat samen und hat zweier leÿe blůmen weiþ und rot·die freüwelich hat klein estlim und das ist eÿnig gleich enier rôτen und knoden und an den knoden hat sie bletter die sind geleich den pineen·Dÿe wurczel dar an ist keine nücz·dise wechset gern bÿ dem wasser·und ettlich meister heiþsen sie cauda vulpis. (Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacoτum in den capitel poligonia idest pτoserpinata beschreibet uns und spτichett·das diþ kraut seÿ feücht an dem andern grade und kaltt an dem anfang des dτitten grats·(Der meister diascoτides spτichet das der safft von wegdτette getruncken ist gůt die do blůt speÿen·und benÿmmet des bauches flüþ·

(Dÿser safft ist fast gůt dem jhennen die sich oben auþ wurgen·

(Item dÿser safft ist auch gůtt stanguiriosis das ist die trôpfflin harmen den getruncken und auff den bauch geschmieret·

(Der meister Isaac spτicht das des safftes getruncken benÿmmet die vergifft biþ also das der dem leibe nitt schaden mag·(Wegdτette gesotten mit wein und hônig heilet dÿe neüwen wunden·darauff geleget·(Der meÿster wilhelmus in seiner ciroτgi machet einen wuntranck also. Nÿmm wegdτetten und sanickel unnd kôle ÿegkliches ein hantfoll und trucke darauþ den safft und müsche den mit holder blüde wasser·Dÿses tranck heilet alle wnnden·sie sind wie sÿ wôllen klein tieff oder groþ·(Platearius der safft von wegdτetten gelassen in die oτen benÿmmet den eÿter dar auþ und das fliessen·(Wegdτeten safft heilet fisteln darein gesprüczet on underlaþ·(Item wegdτetten leschet das heilig feür·(Wegdτette benÿmmet all hårte geschwulst darauff geleget·

(Galienus spτichet daz wegdτeten gern wachs an ungebautten stetten·(Item wer quartanam hette das ist den viertåglichen ritten der trincke des safftes gemüschet mit langen pfeffer dτeÿ moτgen nach einander·(Er spτicht auch das wegdτetten geleich den rauten an den blettren·jr blůmen sind weiþ und rosenfar·(Item wôlichem menschen der frost an kåme also das er jn schüttet der trinck wegdτetten mit wein und nitt met wasser es hilffet und benÿmmet das fieber·(Item wegdτette getruncken mit wein benÿmet den biþ der schlangen·oder von einem anderen gifftigen thiere·(Item wegdτette machett wol harmen und saubert die blaseen·(Item für das bτust schwerende·Nÿme des safftes von wegdτette und rosen ôle ÿegkliches geleich vil und müsche auch darunder buttern unnd temperiere das zů samen und bestreiche auche damit die bτust oder wo einer an dem lÿbe schwerende ist hilffet on zweiffel·(Der meister plinius spτichet das pτoserpinata früsche und grŭn gestossen heilet wunden darauff geleget. [335] (Item der meÿster wilhelmus in seiner cyroτgi bτauchet wegdτetten zů alten schaden und hat manichem menschen wol damit geholffen·

(1) Wegtrede 302 kapittel.

Proserpinata, Grieks vel poligonia vel poremacla vel moltigonia. Arabisch harsÿarbaÿ vel persoÿdam. Latijn centumnodia vel corigiola minor vel lingua passerina vel gincolata. (Polygonum aviculare)

De meester Serapio in het kapittel harsÿarbaÿ met bewering Dioscorides beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, de ene de man en de andere de vrouw, de mannelijke heeft twijgjes die zijn recht en week en hebben ook subtiele knopen en breidt zich uit op de aarde gelijk het gras en heeft ook bladeren gelijk de ruit, alleen dat wegtrede bladeren weker zijn en [334] langer en heeft bij elk blad zaden en heeft twee soorten bloemen, wit en rood, de vrouwelijke heeft kleine twijgjes en dat is eigenlijk een buisje en knopen en aan de knopen heeft ze bladeren die zijn gelijk de dennen (Hippuris). De wortel daaraan is geen nut, deze groeit graag bij het water en ettelijke meesters noemen het cauda vulpis. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel poligonia, id est proserpinata, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is vochtig aan de andere graad en koud aan de aanvang van de derde graad. (2) De meester Dioscorides spreekt dat het sap van varkensgras gedronken is goed die er bloedspuwen en beneemt de buik zijn vloed.

Dit sap is erg goed diegenen die zich boven uit wurgen.

Item, dit sap is ook goed stranguriam, dat is die druppelend plassen, dan gedronken en op de buik gesmeerd.

De meester Isaac spreekt dat het sap gedronken beneemt de vergiftige beet alzo dat die het lijf niet schaden mag. Varkensgras gekookt met wijn en honing heelt de nieuwe wonden, daarop gelegd. (2) De meester Wilhelmus in zijn chirurgie maakt een wonddrank alzo: Neem wegtrede en sanikel en kool, van elk een hand vol en druk daaruit het sap en meng dat met vlierbloemenwater. Deze drank heelt alle wonden, ze zijn waar ze willen en klein, diep of groot. (3) Platearius, het sap van wegtrede gelaten in de oren beneemt de etter daaruit en dat vloeien. Wegtrede sap heelt etterwonden, daarin gesproeid zonder onderbreking. Item, wegtrede lest dat heilig vuur. Wegtrede beneemt alle harde gezwellen, daarop gelegd.

Galenus spreekt dat wegtrede graag groeit op ongebouwde plaatsen. Item, wie er quartanam heeft, dat is vierdaagse malariakoorts, die drinkt het sap gemengd met lange peper drie morgens na elkaar. Hij spreekt ook dat wegtrede lijkt op de ruit aan de bladeren, zijn bloemen zijn wit en roze gekleurd. Item, welk mens de huivering aankomt alzo dat het hem schudt die drinkt wegtrede met wijn en niet met water, het helpt en beneemt de koorts. Item, wegtrede gedronken met wijn beneemt de beet der slangen of van een ander giftig dier. Item, wegtrede maakt goed plassen en zuivert de blaas.(4) Item, voor de borstzweer: Neem het sap van wegtrede en rozenolie, van elk gelijk veel, en meng ook daaronder boter en temper dat tezamen en bestrijk ook daarmee de borst of wat iemand aan het lijf zweert, het helpt zonder twijfel. (2) De meester Plinius spreekt dat proserpinata vers en groen gestoten heelt wonden, daarop gelegd. [335] Item, de meester Wilhelmus in zijn chirurgie gebruikt wegtrede tot oude schaden en heeft vele mensen goed daarmee geholpen.

Zie kapittel 387, daar wordt duidelijk een Polygonum soort afgebeeld. In kapittel 302 geen bloemen en spitse bladeren, wel komt de tekst met de namen overeen, ook dat de bloemen wit en roze zijn. Dan moet het bijna om Polygonum aviculare handelen of een vergelijkbaar kruid wat men later niet meer gezien heeft.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste soort(tweede is Hippuris) wordt in het Grieks Polygonon arrhen genoemd, dat is op het Latijns Polygonum mas, Columnella noemt het Sanguinalis, de apothekers Centumnodia en Corrigiola en ook wel Polygonum. In Duitsland Weggrasz en Wegtritt.

Dodonaeus; ‘(2) Het helpt diegene die bloed spuwen of met bloedig braken gekweld zijn. Hetzelfde geneest alle buiklopen en vooral de ziekte die men Cholera of boort noemt wanneer men met overvloedig galachtig braken gekweld is en tezamen ook met een grote vloed van onder.

(3) De pijn in de oren zal gauw vergaan als men dit sap daarin drupt.

(4) De bladeren van weggras gestampt en met boter gemengd verdrijven zeer goed de pijn en zwellen van de borsten, daarop gelegd en daar op tot de derde dag op houden.

lauch ccciii capi

Poτrum latine·arabice curat·

(Der wirdig meister avicenna in seinem andern bůch in dem capitel poτrum beschreibet uns und spτichet das do seÿ mancherhande lauch·einer heimisch·der ander zåme·Auch heisset eins poτum hispanicum·

(Auch spτichet er das poτrum seÿ heiþ an dem dτitten grade und trucken an dem andern·und diþ ist sunderlich der zåme·und der wilde ist meer heisser und truckner natur wan der zåme·

(Der zåme lauch gest… gemüschet mit salc….bôsen blattern gele…Der wilde lauch…schweren an der… den hin leget…ches ÿsses dem b…btewee und bτ… en gar bôse dτe…gebulvert und…schet rosenôle u…gelassen in dÿe….den schmerczen d…dÿses gůt genüc.weethům·(Pli…lauch ist nit gůt…noch bôser der w…geessen zerblase den…rumb sol man den sieden…en wassern wann man den essen wil und also benymmet man jm sein krafftt·Poτrum bτingt dem frauwen ir zeit menstruuz genant und machet auch fast harmen·

(Die meister spτechen gemeÿnklich das lauch habe unnücz hicz an jm geleich als bôþ holcz spachen das do balde enbτennet und balde verschwindet·(Item macer der saffte von lauch gemüscht mit frauwen milch und das getrüncken benÿmmet den alten hůsten. (Ipocras der safft von lauch ist fast gůt getruncken emoptoicis [336] das ist die blůt speÿen·(Diascorides lauch rohe geessen machet den menschen unlustig zů essenn und ist em vergifft·(Item lauch rohe geessen vertreibet die trunckenheit·(Von lauch gema… ein pflaster und auff die zer. glider geleget benÿmmet. st davon und verzeret… geblüdte·(Wôlich… wåre der trincke…ch mit wein es.ster plinius in…m·xx·capitel be… spτichet das d …vertreibe den al…eneme das wee…nd an der lungen…auch gůt dem was… getruncken·und…et dÿser fast wol… rigen· (plateari…roþ haubwee hett…ÿteeil lauchs safft.dτitteil hônig unnd.das in die nasen und in die oτen es hilffet fast wol·(Item ettlich meister spτechen daz lauch rohe genüczet dem leÿbe auch fast schedlich ist und darumb sol man sich dar voτ hŭten·(Item d meister cassius felix·Nÿme weÿrauche und eichôpffel gebulvert und müsche auch dÿsses mit lauch saffte dÿses getruncken benÿmmet auch daz blůt speyen·Damit mag man auch die blůtendten nasen stillen ob man es darein thůt·

(Item wôlicher frauwenn dÿe heimliche stat verseret wåre dÿe neme des safftes und thů es auche darüber es heilet sere dar von on zweÿfel·(Item der meÿster wilhelmus in seiner cÿroτgi bτauchet lauch saffte sere zů wunden und mit namen die erkaltet sind und erfaulet der zeühet das faul fleisch damitt auþ·(Item lauch safft vermenget mit weiþe lÿllen wurczeln safft und damit gestrichen die lenden benÿmmet daz wee darvon·(Item lauch dicke male genüczet ist den magen beschweren und bτinget durst und ist das geblŭdte verhiczen·

(1) Prei, 303de kapittel.

Porrum Latijn. Arabisch curat. (Allium porrum)

De waardige meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel porrum beschrijft ons en spreekt dat er zijn veel soorten look, een geteelde, de andere tam. Ook heet er een porrum hispanicum.

Ook spreekt hij dat porrum is heet aan de derde graad en droog aan de andere en dit is vooral de tamme en de wilde is meer heter en drogere natuur dan de tamme. De tamme look gest… gemengd met zout….kwade blaren gele…De wilde look…zweren aan de… den heen legt…ches eet die b…hoofdpijn en br… en erg kwade d…gepoederd en…gemengd rozenolie en…gelaten in de….de smarten d…dit is goed gebruikt.pijn. (3) Plinius…look is niet goed…noch kwaad der w…gegeten blazen de…daarom zal men het koken…en water want men dat eten wil en alzo beneemt men hem zijn kracht. (8) Porrum brengt de vrouwen hun tijd menstruatie genaamd en maakt ook erg plassen.

(3) De meesters spreken algemeen dat look heeft onnuttige hitte aan hem gelijk als kwade houtspanen die gauw ontsteken en gauw verdwijnen. Item, Macer, het sap van look gemengd met vrouwenmelk en dat gedronken beneemt de oude hoest. Hippocrates, het sap van look is erg goed gedronken emoptoicis, [336] dat is die bloedspuwen. (3) Dioscorides, look rauw gegeten maakt de mensen onlustig te eten en is die vergif. Item, look rauw gegeten verdrijft die dronkenschap. Van look gemaakt… een pleister en op die gebroken. leden gelegd beneemt. st daarvan en verteert… bloed. Wie… is die drinkt…look met wijn is.ster Plinius in…m 20 kapittel be… spreekt dat d …verdrijft de al…beneemt de pijn…en aan de longen…ook goed de was… gedronken en…et deze erg goed… rigen. Platearius…groot hoofdpijn heeft…de deel looksap.derde deel honing en.dat in de neus en in de oren, het helpt erg goed. Item, ettelijke meesters spreken dat look rauw genuttigd het lijf ook erg schadelijk is en daarom zal men zich daarvoor hoeden. (3) Item, de meester Cassius Felix: Neem wierook en eikenappel gepoederd en meng ook dit met looksap, dit gedronken beneemt ook dat (7) bloedspuwen. (4) Daarmee mag men ook de bloedende neus stillen als men het daarin doet.

Item, welke vrouw de heimelijke plaats bezeerd is die neemt het sap en doe het ook daarover, het heelt zeer daarvan zonder twijfel. Item, de meester Wilhelmus in zijn chirurgie gebruikt looksap zeer tot (5) wonden en met namen die verkouden zijn en vervuild, het trekt dat vuile vlees daarmee uit. (6) Item, looksap vermengt met witte leliewortelsap en daarmee gestreken de lenden beneemt de pijn daarvan. (3) Item, look vele malen genuttigd is de maag bezwaren en brengt dorst en is dat bloed verhitten.

(1) Voor Allium, zie hoofdstuk 4, 30, 103 en 358 voor de (2) wilde look.

Dodonaeus; ‘‘In Brabant wordt dit gewas pareye genoemd, in Hoogduitsland Lauch. De Griekse naam is Prason en de Latijnse Porrum of Porrus, zoals Palladius zegt’.

Herbarius in Dyetsche; (3) Prei is slecht voor de maag, het maakt oprispingen en winden, met zijn scherpheid bijt het zenuwen en laat zwaarmoedige dampen naar het hoofd optrekken, het verblindt het gezicht. (4) Om het bloeden van de neus te stoppen meng je prei met azijn en het sap van weegbree, doe het in de neus.

(5) Als je het sap van prei met wat honing mengt geneest het de wonden.

(6) Tegen pijn van de leden: ‘Neem sap van prei met sap van leliewortels’.

Tegen dronkenheid eet je rouwe prei of porrum met kool. Hetzelfde maakt ook lust om te minnen.

(7) Om het bloeden uit de borst te stoppen: ‘Neem het zaad van prei in oude drank’.

petersilgen ccciiii Ca

Petrosilinum latine et grece.

(In dem bůch circa instans beschreiben [337] uns die meister und spτechen dz petrosilinum seÿ von natur heiþ und trücken an dem andern grade·Und spτichet auch das do seÿ zweierhande petersilien·ein heimisch die ander wild·Die wilde heissenn die meister petrosilinum macedonicum vel sÿnonum·(Der meÿster cassius felix und Plinius in dem capitel petrosilinum macedonicuz beschreibent uns und spτechentt das diþ wechsett in dem felsichtenn bergen und ist fast durchtringen die feüchtigkeit des leibes unnd machet sere schwiczen und harmen·(Die heimüsch petersiligen ist uns wol bekant·den same bτauchet man in der erczneÿ unnd wan man in einem recept findet petrosilinum so meint man den samen. (Den samen sol man sameln so er gezeÿtiget und der weret fünffe jare unverseret·(Die wurczell ist man nüczen zů vil sachen.

(Petersiligen ist von natur durchtringen und darumb machett sÿ wol hårmen·und ist fast gůte genüczet für den steine der same und auch die wurczel·

(Auch sind dise gůt genüczt dem frauwen die sich saumen an jrer zeÿt·(Der same ist durchtringen in seiner würckung und darum bτinget er den frauwen jr sucht volkommenlich·(Petersiligen samen ist gůt geessen dem die nitt wind haben in dem bauch·

(Der meister Galienüs in dem achtenden bůch genant simplicium foτmacoτum beschreibet uns und spτichet das petersiligen samen gestossen und geleget auffe dem bôsen grint seüberet fast wol·und machet ein gladte haudt·

(Der samen geessen benÿmmet des magen geschvulst und ist gůte genüczet den geschwollen menschen wan er trucket und durchtringet die bôse feüchtigkeit und verczeret die·(Auch ist der same gůt genüczet den ausseczigen von weserichter feüchtigkeit·

(petersiligen samen seübert die leber und benÿmmet den lenden und blasen wee·(Der meister Isaac spτichet das petersiligen seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grade·und diþ ist auch die meÿnunge des meisters platearij·(Item diþ ist aller meister meÿnnng und sprechen das diþ kraut von petersiligen der same und auch die wurczel sind gůt genüczet allen menschen deþhalben daz man selten ein findet der nit den stein hat unnd darumb mag man diþs kraut essen und auch die wurczel auff fleische und fischen. Und ist all wegen dÿe wurczel besser geessez gesotten wan rohe·und das kratt besser rohe dan gesoteen·(Item ein salat gemachet von petersiligen und sauer ampffer mit eþsig vermenget ist gůt wider die hicze des fiebers·(Auch ist disser salat gůt wider daz fieber gemachet von petersiligen und von lactucken boτnkreþ und poτriþ mitt baumôle und eþsig vermenget·[338]

(1) Peterselie, 304de kapittel.

Petrosilinum Latijn en Grieks. (Petroselinum segetum)

In het boek circa instans beschrijven [337] ons de meesters en spreken dat Petroselinum is van natuur heet en droog aan de andere graad. En spreken ook dat er zijn twee soorten peterselie, een geteelde en de ander (7) wild. De wilde heten de meesters Petroselinum macedonicum vel sÿnonum. De meesters Cassius Felix en Plinius in het kapittel Petroselinum macedonicum beschrijven ons en spreken dat dit groeit in de rotsachtige bergen en is erg doordringen de vochtigheid van het lijf en maakt zeer zweten en plassen. De geteelde peterselie is ons goed bekend, het zaad gebruikt men in de artsenij en als men in een recept vindt Petroselinum dan bedoelt men de zaden. De zaden zal men verzamelen zo ze rijp zijn en dat duurt vijf jaar onveranderd. De wortel is men nuttigen tot veel zaken.

Peterselie is van natuur doordringen en daarom maakt ze goed (2) plassen en is erg goed genuttigd voor den (4) steen, het zaad en ook de wortel.

(5) Ook zijn deze goed genuttigd de vrouwen die zich verzuimen aan hun tijd. Het zaad is doordringend in zijn werking en daarom brengt het de vrouwen hun ziekte volkomen. (3) Peterseliezaden is goed gegeten die geen wind hebben in de buik.

De meester Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum beschrijft ons en spreekt dat peterseliezaden gestoten en gelegd op de kwade schurft zuivert erg goed en maakt een gladde huid.

(6) De zaden gegeten beneemt de maagzweer en is goed genuttigd de gezwollen mensen want het droogt en doordringt de kwade vochtigheid en verteert die. Ook is het zaad goed genuttigd de uitslag van waterachtige vochtigheid.

Peterseliezaden zuivert de lever en beneemt de lenden en blaaspijn. De meester Isaac spreekt dat peterselie is heet en droog aan de derde graad en dit is ook de mening der meester Platearius. Item, dit is alle meesters mening en spreken dat dit kruid van peterselie, het zaad en ook de wortel, zijn goed genuttigd alle mensen vanwege dat men zelden iemand vindt die niet de steen heeft en daarom mag men dit kruid eten en ook de wortel op vlees en vis. En is altijd de wortel beter gegeten gekookt dan rauw en dat kruid beter rauw dan gekookt. Item, een salade gemaakt van peterselie en zuring met azijn vermengt is goed tegen de hitte van de koorts. Ook is deze salade goed tegen de koorts gemaakt van peterselie en van sla, waterkers en Borago met olijvenolie en azijn vermengt. [338]

(1) Dodonaeus; ‘‘Alle geslachten van kruiden die men in het Latijn Apium noemt, dat is in onze taal eppe, (zie Apium) worden in het Grieks Selinon genoemd, maar het tegenwoordig geslacht heet Selinon cepaeon en op het Latijn Apium hortense. De apothekers en de gewone man noemen het Petroselinum en daarnaar heet het in Nederduitsland peterselie, in Hoogduitsland Petersilgen en Peterlin’.

Herbarius in Dyetsche; (1) Peterselie heeft de kracht die diuretica genoemd wordt. (dat is dat het de urineweg opent). (3) Van venkel, van peterselie, van waterkers, van bernagie en van sla maak je met azijn en met wat olijvenolie en wat zout een salade.

(4) Peterselie-, venkel- en eppezaad dat in eten genomen wordt genomen is goed tegen niersteen of niergruis.

(6) Peterseliewortels zijn moeilijk te verteren, daarom is haar sap beter tegen verstoppingen van de lever of van de milt.

(5) De kracht van het gehele kruid is om te laten plassen en de stonden te laten komen. Ook is het goed tegen oprispingen van de maag en van de darmen.

(7) Zie kapittel 275 voor peterselie uit Macedonië. Er is een tamme en wilde.

Tag und nacht cccv ca

Paritaria vel vitriola·latine grece alsmen aut partemon aut perdicionn aut sÿdericis aut eralia aut qui astri agreste aut libaciam aut poliominon·arabice tugegraria.

(In dem bůch circa instans beschreiben uns die meister und spτechen das diþ kraut seÿ von natur heiþ und trucken an dem dτitten grade·(Diþs kraut genüczet grŭn und frisch ist zů mancher handtt gůt·aber dürτe und trucken ist es nichs nücze·Ettlich meister spτechen das diþ kraut auch heiþ vitriola des halben das es die gleser seübert von der scherpffe die es an jm hat·oder auch darumb dz man glaþ darauþ machet·(In dem bůch pandectarum genantt in dem·xxix·capitel beschreiben uns die meister und spτechen das disses kraut seÿ gůt grŭne gebτacht und nitt dürre·und ist heiþ und trucken an dez dτitten grade·aber d same davon ist von natur kallte und feücht·(Diascoτides spτichett in dem capitel asmen·daz disses krautt wachs an den techern und an den wenden unnd hatt kleine stengel·die bletter sind scharpffe sein same ist auch scharpffe also das er anhanget·und der sam ist feücht machen und kelten·

(Dyser same gestossen mit hauþmasse vermengt mit eþsig leschet das heilig feüer dar auff geleget·und ist sunderlichen gůt auf die gelyder geleget wo man besoτget das es sich entzüdet der neme des samen und stossen den mit eþsig und lege den darauffe zeühet auþ die grossen hicz dz man das glide nit darff abschneÿden·(Der samen also gelegt auf geschwulst benÿmmet die zů hant·(Den safft von dem samen gemüschet mit bleÿweiþ benÿmmet auch dz heilig feür darauff gelegt und auch auff dem gebτesten gelegt herpetes oder herpestiomenus genant daz ist ein geschwere dz daz fleisch an dem leibe verzert und ÿsset und kommet von der gebτantem colera und ist bôser dan der krebs auch nennet man es den wolff·den safft von dem samen darauffe geschmieret und gelegt·(Auch ist diser safft gůtt podagracis·[339] das sind die das gegicht haben an dem fŭssen·mit geÿþschmalcze gemengeet und darauff geleget·

(Der safft von den blettern ist gůt genüczet den die eÿnen alten bôsen hůsten haben des getruncken als vil als ein halb trinck glaþe wol·(Der safft benÿmmett auch die zerschwollen kele dareine gelassen und dem gegargeltt·

(Galienus spτichet das paritaria samen gůt seÿ den heissen bôsen blatern gestossen und darauf gelegt·(Der safft von dem samen ist gůt gelassen in die oτen wan er benÿmmet den schmerzen darauþ und das geschwere·(Der safft von dem blettern ist fast gůt deen verswollen wåre der schlût des magens oder in der kelen dem safft sol man gargeln genant gargarisieren·(Ettlich meister haben dÿsen safft fast gebτaucht und den geben die ein bôsen alten hůsten gehabt haben·unnd damitt manchen menschen geholffen·und den safft sol man verwarn in eÿnen glase und versoτgen des summers voτ der hicze und des winters voτ der kelte·(Item paritaria gesotten mit fleisch die bτŭ ist gůt genüczet wider den kalten seÿch genant stranguiria und ist auch gůt wider weethůmb des gedårmþ genant colica die von windt und von kalter feüchtung kommet·(Auch paritaria gesotten mit wein und auff die wethůmb warm geleget ist die wethům balde stillen·

(1) Glaskruid, 305de kapittel.

Paritaria vel vitriola Latijn. Grieks alsmen aut partemon aut perdicionn aut sÿdericis aut eralia aut qui astri agreste aut libaciam aut poliominon. Arabisch tugegraria. (Parietaria officinalis)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is van natuur heet en droog aan de derde graad. Dit kruid genuttigd groen en vers is tot vele zaken goed, maar dor en droog is het niet nuttig. Ettelijke meesters spreken dat dit kruid ook heet vitriola vanwege dat het de glazen zuivert van de scherpte die het aan zich heeft of ook daarom dat men glas daaruit maakt. In het boek Pandecta genaamd in het 29ste kapittel beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is goed groen gebracht en niet droog en is heet en droog aan de derde graad, maar het zaad daarvan is van natuur koud en vochtig. Dioscorides spreekt in het kapittel asmen dat dit kruid groeit aan dijken en aan de wanden en heeft kleine stengels, de bladeren zijn scherp, zijn zaad is ook scherp alzo dat het aanhangt en het zaad is vochtig maken en verkoelen.

(2) Dit zaad gestoten met huislook en vermengt met azijn lest dat heilig vuur, daarop gelegd, en is vooral goed op die leden gelegd waar men bezorgd is dat ze zich ontsteken, die neemt de zaden en stoot die met azijn en leg het dan daarop, het trekt uit de grote hitte zodat men dat lid niet hoeft af te snijden. (3) De zaden alzo gelegd op gezwellen beneemt die gelijk. (2) Het sap van de zaden gemengd met loodwit beneemt ook dat heilig vuur, daarop gelegd, en ook op de gebreken gelegd herpetes of herpestiomenus genaamd, dat is een zweer dat het vlees aan het lijf verteert en eet en komt van de gebrande gal en is kwader dan de kanker, ook noemt man het de huidsmet, het sap van de zaden daarop gesmeerd en gelegd. (4) Ook is dit sap goed podagracis, [339] dat zijn die de jicht hebben aan de voeten, met geitenvet gemengd en daarop gelegd.

(5) Het sap van de bladeren is goed genuttigd die een oude kwade hoest hebben, dat gedronken zo veel als een half drinkglas vol. (6) Het sap beneemt ook de gezwollen keel, daarin gelaten en dan gorgelen.

Galenus spreekt dat Parietaria zaden goed zijn de hete kwade blaren, gestoten en daarop gelegd. (8) Het sap van de zaden is goed gelaten in de oren want het beneemt de smarten daaruit en dat zweren. Het sap van de bladeren is erg goed die gezwollen is het slot van de maag of in de keel, dat sap zal men gorgelen genaamd gargarisieren. Ettelijke meesters hebben dit sap erg gebruikt en dan gegeven die een kwade oude hoest gehad hebben en daarmee vele mensen geholpen en het sap zal men verwarmen in een glas en verzorgen in de zomer voor de hitte en in de winters voor koudheid. (7) Item, Parietaria gekookt met vlees. Die brei is goed genuttigd tegen de koude ziekte genaamd stranguriam en is ook goed tegen pijnen van de darmen genaamd koliek die van wind en van koude vochtigheid komt. Ook Parietaria gekookt met wijn en op die pijn warm gelegd is de pijn gauw stillen.

(1) ) Dodonaeus; ‘Dit kruid noemt men in het Nederduits glaskruid of parietarie, in het Hoogduits Tag und nacht, Sant Peters kraut en Maurkraut.

Herbarius in Dyetsche;(7) Tegen stranguriam en dysurie etc: ‘Neem glaskruid, zout water en olie, kook het tezamen en doe het onder op de blaas beneden bij de navel’.

(3) Glaskruid dat met azijn en tarwezemelen gemengd is geneest alle gezwellen.

Het sap van haar geneest de puisten. (2) Het sap van glaskruid met bloem van lood en azijn gemengd geneest het heilig vuur en de knagende blaren zoals herpestiomenus als het daar op gestreken wordt. (4) Het sap met wijn en wat azijn gemengd geneest jicht in de voet.

(5) Als je het sap van de bladeren met het sap van zoethout drinkt geneest het de oude hoest.

(8) Het sap dat met olie van rozen gemengd is geneest oorpijn.

(6) Als je het sap gorgelt geneest het zwellen van de kin volgens Pandecta’


funf fingerkraut

Das cccvi Capi

Pentasilon grece·quinqz foliuz latine·

(Diascoυides in dem capitel pentasilon beschreÿbt uns und spυichet das diþ kraut habe ein stengel der ist vol sames unnd hatte bletter die sind in fünff teÿl geteilet und hat vil stengel und an ÿegklichen stengel ein grŭne blůmen und wechset an den feüchten stetten und beÿ den wegen·

(Galienus in dem achtenden bůche genant simplicium foτmacoτum in dem capitel pentasilon beschreibett uns unnd spτichet auch das diþ krautes wurczell seÿ fast sere trucken machen an dem dτitten grade unnd hat an jr kleÿne [340] würme·die würczel ist rott und lang·(Avicenna in seinem anderen bůch spτichet das diþ kraute gesotten mit eþsig und gelegett auff die geschweren oder gebτesten herisipula genant das ist dz rot lauffen·zeühet grosse hicze darauþ·(Pentasilon also genüczet benÿmmet daz wee an dem diechen und in den gewerben·

(Die bleter in wein gethan über nacht und des moτgens getruncken ist gůt für die fallende sucht. (Item die wurczel von pentasilon gebulvert unnd geleget auff die fickblattern heÿlet sie·(Die bletter gesotten in wein und den getruncken vertreibet das fieber genant quartana·(platearius die bletter gethan in hônig und eþsig und das getruncken benÿmmet das quartanam·(Das kraute mit altem schmerr gestossen heilet die wunden am leÿb und an dem glidern wie wundt sie sinde·(Wôlicher ictericiam het dz ist die geelsucht d mach kŭchlin auþ fünfffinger blat und thů dar zů semel mele und wasser unnd esse die neun tage nachein er wirte gesnndt·(Diþ kraut ist gůtt genüczet wider die starcken fieber also·nÿm fünffinger blat und stoþ das wol und thů darzů semel mel und wasser und knÿtte es under einander und thů darcz ein wenige baumôle das es ein teyg werde und mach ein pflaster darauþ und lege es auff den bauch·und wan es ein halben tage oder ein halbe nachte gelegen ist so thô es abe unnd mache es warm und lege es wider auff dem bauch·und thů das dick das vertreÿbet dir das fieber und macht dich auþ speÿen die bôsen humores·das sind die bôsen feüchtigkeit·(plinius wem die augen tunckel sind der nem fünffinger blat und lege sÿ in lautern weine in einem kupffern geschÿrre unnd so thů schlaffen wilt geen so streich des weins umb die augen es hilffet·(Item fünffinger gebulveret und mit hônig vermengett·und mit gestrichen die feülunge des mundes und der züngen es benÿmmet die feüllung und reiniget den mundt auch sol mann darnach den munde wåschen mitt wasser darein rosen hônig vermenget ist· [341]

Vijfvingerkruid.

Dat 306de kapittel.

Pentasilon Grieks. quinqe folium Latijn. (Potentilla reptans)

Dioscorides in het kapittel pentasilon beschrijft ons en spreekt dat dit kruid heeft een stengel die is vol zaad en heeft bladeren die zijn in vijf delen gedeeld en heeft veel stengels en aan elke stengel een groene bloem en groeit aan de vochtige plaatsen en bij de wegen.

Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel pentasilon beschrijft ons en spreekt ook dat dit kruid zijn wortel is erg zeer droog makend aan de derde graad en heeft aan zich kleine [340] warmte, de wortel is rood en lang. (2) Avicenna in zijn andere boek spreekt dat dit kruid gekookt met azijn en gelegd op de zweren of gebreken erysypelas genaamd, dat is de rodeloop, trekt grote hitte daaruit. Pentasilon alzo genuttigd beneemt de pijn aan de dijen en in de wervels.

(3) De bladeren in wijn gedaan over nacht en ‘s morgens gedronken is goed voor de vallende ziekte. (4) Item, die wortel van pentasilon gepoederd en gelegd op de aambeien heelt ze. (5) Die bladeren gekookt in wijn en dan gedronken verdrijft de vierdaagse malariakoorts genaamd quartana. Platearius, de bladeren gedaan in honing en azijn en dat gedronken beneemt de vierdaagse malariakoorts. Dat kruid met oud vet gestoten heelt de wonden aan het lijf hoe gewond die zijn. Wie ictericiam heeft, dat is de geelziekte, die maakt koekjes uit vijfvinger blad en doet daartoe zemelenmeel en water en eet die negen dagen en nachten, hij wordt gezond. Dit kruid is goed genuttigd tegen de sterke koorts alzo; neem vijfvinger blad en stoot dat goed en doe daartoe zemelenmeel en water en kneed het onder elkaar en doe daartoe een weinig olijvenolie zodat het een deeg wordt en maak een pleister daaruit en leg het op de buik en als het een halve dag of een halve nacht gelegen is zo doe het af en maak het warm en leg het wederom op de buik en doe dat vaak, dat verdrijft je de koorts en maakt vaak uitspuwen de kwade humoren, dat is de kwade vochtigheid. Plinius, als de ogen donker zijn die neemt vijfvinger blad en leg ze in zuivere wijn in een koperen vat en zo je slapen wil gaan zo strijk de wijn om de ogen, het helpt. (6) Item, vijfvingerkruid gepoederd en met honing vermengt en mee gestreken die vuilheid van de mond en de tong, het beneemt die vuilheid en reinigt de mond, ook zal men daarna de mond wassen met water daarin rozenhoning vermengd is. [341]

(1) Dodonaeus; ‘Vijfvingerkruid wordt in het Grieks Pentaphyllon genoemd, in het Latijn Quinquefolium. Men noemt het in het Hoogduits Funff-fingerkraut of Funff-blat.

Herbarius in Dyetsche; ‘(6) Tegen tandpijn neem je het kooksel van vijfblad met hondsdraf in de mond. Tegen een stinkende mond gorgel je van het kooksel van vijfblad en bertram waarin wat honing gedaan is.

(2) Het kooksel van vijfblad met weegbree stopt het lichaam en wordt van nieuwe bladeren gemaakt. Tegen bloedige loop, jicht en helpt zeer goed tegen pijn in de zijde of omtrent de heup naar beneden.

(5) Tegen vierdaagse koorts: ‘Neem wijn waar de bladeren van vijfblad, sennebladeren en peper in gekookt zijn en neem dit dertig dagen lang in’.

(3) Het sap van de bladeren helpt diegene die vallende ziekte hebben en de geelzuchtige. Als je het sap in de lopende gaten doet geneest het die volgens Pandecta.

(4) Om de zweren van darmen en aambeien te genezen.

enbelsusz cccvii Ca

Polipodium latine·grece dipteris·arabice biþbeig·

(Serapio in den bůg aggregatoτis in dem capitel biþbeig·id est polipodium beschreibet uns und spτichet das dises seÿ ein kraut·und wechset an dem felsen und an den eÿchen baumen und an dem alten wenden·unnd wechset aller meist beÿ den alten eichbaumen·und ist geleich dem farn krautte an den blettern·die bleter haben jnwendig schwarcz doppelin·Die wurczel ust geleich eÿnen thier genant scolaca oder scolopendτia·und das hat·xij·füþ·also ist auche dise wurczel gestalt und ist eins fingers dick und jnwendig grūne und fast sūþ·(In dem bůch circa instans in dem capitel polipodium beschreiben uns die meÿster und spτechen das die wurczel seÿ heiþ an dem dτitten grade und trucken an dem andern das krautt ist geleich dem farn kraut·und daz do wechset auff den eichbaumen wurczel ist das beste·Die vurczel sol man sameln in dem summer·und ein tag in die sunnen hencken die mag man behalten zweÿ jare·und die bτauchet man in der erczneÿ·und die sind die besten·die jnwendig grŭn sind und sŭþ·(Dise wurczel hat tuget vonn einander zů teylen und reÿnigen·ein kalt feüchtigkeit genant flegma und malancoliam·(Dÿe geschniten menschen mügen wol nüczen polipodium·(Die wurczel behůtet den menschen voτ zůfelliger kranckheit·(Engel sŭþ gesotten mit ånyþ unnd fenchel und kümmel ÿegklichs geleÿch vil in einem pfunt wassers und das getruncken macht den bauch reÿne und treibet damit auþ vil bôser feüchtigkeit·(Item Serapio mit bewerung diascoτides sprichet das polipodium habe tugent zů solvieren die melancolÿ·und die wurczel polipodiuz sol gesotten werden mit hôner bǐ und mit hônig wasser genanntt mulsa·und also genüczet benÿmmet sie die melancolÿ gengklich und des geleichen flegma·

(Polipodium genüczt mit kåþ wasser machet senfft stůlgenge·und ist sunderlich gůt für dz zerschwollen milcze·Der meister Johannes mesue spτichet dz polipodium seÿ gůt genüczt für den gebτesten genant colica passio·das für das dårm gesücht·

(Polipodium getruncken mitt hônig wasser benÿmmet quartanam·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτichett das polipodium sterck fast wol das hercz und mach dem menschen gůt geblŭt·(Item polipodium gebulvert ein lott und fünffinger samen ein quintin und zeÿtloþ wurczel genant hermodactuli ein halb quintin zucker ein halbe lot alles vermenget mit wenig schlüssel blůmen wasser oder selben wasser und das genüczett ist gůt wider daz gegicht und wetůmb der gelider·[342]

(1) Engelzoet, 307de kapittel.

Polipodium Latijn. Grieks dipteris. Arabisch biþbeig. (Polypodium vulgare)

(Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel biþbeig, id est Polypodium, beschrijft ons en spreekt das dit is een kruid en groeit aan de rotsen en aan de (2) eikenbomen en aan de oude wanden en groeit allermeest bij de oude eikenbomen en is gelijk het varenkruid aan de bladeren, die bladeren hebben inwendig zwarte strepen. De wortel is gelijk een dier genaamd scolaca of scolopendria en dat heeft 12 voeten alzo is ook deze wortel gesteld en is een vingerdik en inwendig groen en erg zoet. In het boek Circa instans in het kapittel Polypodium beschrijven ons de meesters en spreken dat de wortel is heet aan de derde graad en droog aan de andere, dat kruid is gelijk het varenkruid en dat zo groeit op de (2) eikenbomenwortels is de beste. De wortel zal men verzamelen in de zomer en een dag in de zon hangen en die mag men behouden twee jaar en die gebruikt men in de artsenij en die zijn de beste die inwendig groen zijn en zoet. (3) Deze wortel heef deugd van elkaar te delen en reinigen een koude vochtigheid genaamd flegma en melancholici. De gesneden mensen mogen goed nuttigen polipodium. De wortel behoedt de mensen voor toevallige ziekte. Engelzoet gekookt met anijs, venkel en komijn, van elk gelijk veel, in een pond water en dat gedronken maakt de buik rein en drijft daarmee uit veel kwade vochtigheid. Item, Serapio met bewering Dioscorides spreekt dat Polypodium heeft deugd op te lossen de melancholie en de wortel Polypodium zal gekookt worden met honingbrij en met honingwater genaamd mulsa en alzo genuttigd beneemt ze de melancholie geheel en desgelijks flegma.

Polypodium genuttigd met kaaswater maakt zachte stoelgang en is uitzonderlijk goed voor de gezwollen milt. De meester Johannes Mesue spreekt dat Polypodium is goed genuttigd voor de gebreken genaamd colica passio, dat is voor de darmziekte.

(4) Polypodium gedronken met honingwater beneemt vierdaagse malariakoorts. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat Polypodium versterkt erg goed dat hart en maakt de mensen goed bloed. Item, Polypodium gepoederd 16,7gram en vijfvingerkruid zaden, een 1,67 gram, en tijdloos wortel genaamd Colchicum, een half van 1,67 gram, suiker, een half van 16, 7 gram, alles vermengt met weinig sleutelbloemenwater of hetzelfde water en dat genuttigd is goed tegen de jicht en pijn van de leden. [342]

(1) ) Dodonaeus; ‘‘Omdat dit gewas meest op de bomen te vinden is daarom noemt men dat in onze taal geschikt en eigenlijk boomvaren, in het Hoogduits Engelsusz, Baumfarn en Dropfwurtz.

Herbarius in Dyetsche; (2) De beste boomvaren groeit op eikenbomen en die moet je nemen. (3) Boomvaren heeft de kracht om te ontbinden en tot zich te trekken, voornamelijk het slijm en daarna de zwarte gal, daarom doe je het meestal in kooksels die de slijm en de gal purgeren.

(4) Tegen dagelijkse koorts en vierdaagse malariakoorts, tegen jicht, tegen koliek en tegen onderbuikspijn maak je een siroop.

wegerich cccviii capi

Plantago vel quinqz nernia vel arietis vel etiam aruo glossa latine·grece aruo glossus·arabice lisen alhamel·

(Die meister bescreiben uns gemeinklichen von disem krautte und spτechen das dÿþ seÿ zweÿerhand·ein heiþt groþ·die ander die klein·Es ist auch ein ander kraut plantago genant die heisset zů latein lanciolata wan sÿe wechset auff mit spiczigen blettern als ein lanczeisen·Die zwů mit namen die groþ und die kleine sind kalter und trucknre natur und darumb so trucken sÿe sere naþ oder fucht wunden·Die groþ heisset darumb die groþ dz sÿe ist von grossen krefften als dan beweren die meister hernach. Und die klein ist von mÿnderen als wir hôτen werden in dem nechsten capitel plantago minoτ·

(Diascoτides wegerich saffte hinden eingelassen mit einen klÿstiere benÿmmet das kalt das lange zeit gewert hat·(Mit disem safft die augen gesalbet treÿbett hin die hicz und geschwulst=

(Item mit dem saffte die zene gewåschen benÿmmet das wee davou und die geschwulst·

(Der safft ist auch gůt dem frauwen den man jr sucht nitt stillen kan·dem mit einen tůch auff jr schemde geleget und als balde das getrucknet soll man es widerumb neczen·(Item der same gestossen mit wein und den getruncken ist auch zů allen dingen gůt dar zů der safft ist·(Item der safft lange in dem munde gehalten heilet die feüle darjnne und die wunden auff der zungen·(Item den saffte in die fisteln gelassen heÿlet sÿe·(Auch den safft gelassen in die oτen heÿlet daz geschwere und trucknet das·(Auch leschet der saffte das heilige feüwer mit hauswurcze vermenget genant semper viva·(Der saffte ist gar gůt emoptoicis dz ist die do blůt rensen·so man dem nüczett mit eþsig·(Er ist auch fast gůtte ptisicis das ist die das abnemen haben·(Platearius die bletter mit hônige gestossen unnd gesoten unnd auff dÿe nasse wunden [343] geleget alþ ein pflaster trucknet sÿe·(Die grossen wegerich bleter gesotten mit eþsig und salcze als ein warm mŭþ das geeesen·verstoffet den banch an der růre diþ hilffet auch fast meer ob lÿnsen da beÿ gesoten wåren·(Es ist zů wissen daz es sind dτeyerlei flüþ des bauches·Der ein ist genant dissinteria und ist ein fluþe da mit blůt geet·der ander ist geheissen dÿarria und ist ein fluþe on blůt·Der dτitte ist genant lÿentria und ist ein fluþ also das die kost hinweck geet geleÿche als sie geessen wirt·(Für dem ersten und den leczsten ist wegeriche gar gůt gesotten mit weine unnd den getruncken·(Item wegerich verstellet das blůt in den wunden den gestossen und darauff geleget mit eÿes weiþ·

(Sÿ heilet auch was der hund gebissen hat unnd vertreibet alle geswulst·dÿe gestossen und darauff geleget·(Und benÿmmett die leÿnzeichen der wunden und brimget sÿe in jr erste farbe·

(Sÿe heilet auch gebτantt gelider die gestossen und darauff geleget mit einen eÿes weisse·(Item das safft ist gůtt wider das fiber quartanam zwů stunde darvoτ genüczet ee das fieber kommet·

(1) Grote weegbree, 308ste kapittel.

Plantago vel quinqum nervia vel arietis vel etiam arno glossa Latijn. Grieks arno glossus. Arabisch lisen alhamel. (Plantago major)·

De meesters beschrijven ons algemeen van dit kruid en spreken dat het is tweevormig, (2) een heet de grote en de ander de kleine. Er is ook een ander kruid Plantago genaamd en die heet in Latijn lanciolata want ze groeit op met spitse bladeren zoals een lans. Die twee met namen de grote en de kleine zijn koude en droge natuur en daarom zo (3) drogen ze zeer natte of vochtige wonden. De grote heet daarom de grote omdat ze is van grote krachten zoals dan beweren de meesters hierna. En de kleine is van mindere zoals we horen zullen in het volgende kapittel Plantago minor.

(4) Dioscorides, weegbreesap achter ingelaten met een klysma beneemt de koude dat lang tijd geduurd heeft. (5) Met dit sap die ogen gezalfd drijft heen de hitte en gezwellen.

(6) Item, met het sap de tanden gewassen beneemt de pijn daarvan en de gezwellen.

(7) Het sap is ook goed de vrouwen die men hun ziekte niet stillen kan, die met een doek op haar schaamte gelegd en zo gauw dat droogt zal men het wederom natten. Item, het zaad gestoten met wijn en dan gedronken is ook tot alle dingen goed daartoe het sap is. Item, het sap lang in de mond gehouden heelt de vuilheid daarin en de wonden op de tong. Item, het sap in de etterwonden gelaten heelt ze. Ook dat sap gelaten in de oren heelt de zweren en droogt die. (8) Ook lest het sap dat heilige vuur met huislook vermengt genaamd semper viva. Het sap is erg goed emoptoicus, dat is die er bloed vloeit, zo men die nuttigt met azijn. En is ook erg goed ftisis of tering, dat is die dat afnemen hebben. 3) Platearius, de bladeren met honing gestoten en gekookt en op de natte wonden [343] gelegd als een pleister droogt ze. (9) De grote weegbree bladeren gekookt met azijn en zout als een warme moes dat gegeten verstopt de buik aan de roer, dit helpt ook erg meer als er linzen daarbij gekookt zijn. En is te weten dat er zijn drie soorten vloeden van de buik. De ene is genaamd dysenterie en is een vloed dat met bloed gaat, de andere is geheten diarree en is een vloed zonder bloed. De derde is genaamd lientiria en is een vloed alzo dat de kost weg gaat gelijk als ze gegeten wordt. Voor de eerste en de laatste is weegbree erg goed gekookt met wijn en dan gedronken. (3) Item, weegbree verstelt dat bloed in de wonden, dan gestoten en daarop gelegd met eierenwit.

Ze heelt ook wat de hond gebeten heeft en verdrijft alle zwellen, die gestoten en daarop gelegd. En beneemt de littekens van de wonden en brengt ze in hun eerste kleur.

(10) Ze heelt ook verbrande leden, die gestoten en daarop gelegd met een eierenwit. (11) Item, dat sap is goed tegen de vierdaagse malariakoorts twee stonden daarvoor genuttigd eer dat de koorts aankomt.

(1) Dodonaeus; ‘Dioscorides beschrijft twee soorten van weegbree, te weten de grote en kleine. Deze kruiden heten in het Latijn Plantago, in het Grieks Arnoglossos, dat is lamstong.

De tweede soort noemt men in het Nederduits hondsribbe, in het Latijn Plantago minor en Quinquenervia, Lanceola of Lanceolata en ook Costa canina, in het Hoogduits Spitziger Wegrich.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Er zijn twee soorten van, de grote en de kleine. (3) Het is goed om wonden te laten opdrogen en om vuiligheid ervan te zuiveren als het sap daarvan met wat gebroken Aloë en levermos wordt gemengd.

(8) Het sap hiervan dat met sap van donderbaard en azijn gemengd is is goed tegen allerhande zeer dat heilig vuur genoemd wordt of wild vuur zoals sommigen zeggen.

(4) Tegen aambeien is het sap van weegbree met poeder van de wortels van kalfsvoet goed.

(10) En oude vleesranden die door het vuur verbrand zijn verkoelt het.

(9) Het is ook goed tegen de loop met dysenterie en andere zwellingen.

(7) Ook tegen vrouwenstonden, tegen bloedspuwen en zweren van de longen (a): ‘Neem het sap van weegbree en het zaad daarvan, bolus armeniacus (of rood bolus) en kort koraalpoeder, meng het en drink het op’.

(6) De wortel van dit kruid dat met bertram in water gekookt is is goed tegen tandpijn als je de tanden daarmee lauw wast volgens Serapio en Pandecta.

(5) Het sap ervan dat met azijn gemengd is is goed om de zwarte plekken in het aangezicht af te drogen. Ook is het goed tegen wonden rond de neus of de ogen.

(11) Het sap dat met wat raapzaad gemengd is en twee uren voor de komst van de koorts gedronken wordt is goed tegen vierde daagse koorts.

klein wegerich

Das cccix Capi

Plantago minoτ latine·

(Die meister spτechen das spicz wegerich hilffet zů allen dingen darzů die groþ hilffet·allein das jr krafft nit als groþ ist·(Ir saffte ist gůt zů den gesweren die beÿ der nasen wachsen·darauffe geleget mit weicher wollen als ein pflaster unnd dises pflaster sol ÿe über neün tagen erneüwert werden·(Item wôlichen eÿn spÿune stichet oder ein anderer gifftiger wurme der salb den stich mit dez safft disses krautes·(Item wôlichen deüchte in seinem leibe das er auch geessenn oder getruncken hett zaubereÿe (x·j·) [344] der sol trincken wegerich saffte und darnach nemen ein purgacien so wirt er auch entlediget·

(Wen das stechen wee thett d lege diþ krautes bletter in wasser und lege sÿ also warm an die statt dar an es jn stichet oder anffe das milcz so wirt im baþ·

(Wôlicher ein bôse dτŭþ het an seinem leibe der neme dise wurczelen und bτeit die be beÿ dem feür und binde sÿ darauff also warme es hilffet·(Wer das gegicht hette der neme grossen wegerich ÿegkliches geleich vil und tring darauþ das safft und temperier den mitt wein oder mit hônig und trinck den daz gegicht schwindet.(Wôlicher geneiget wåre zů dem krampff der stoþ wegerich mitt starckem wein·und lege den dar auff es hilffet·(Item wer das saffte trincket von spiczigen wegerich dem treibet es auþ mancher hande sucht in der blaseen·

(Item von den spicigen wegerich nÿmme dτeü bletter und halt die in dem munde so lecziget dich kein bÿne·(Item wer den viertåglichen ritten hett quartanaz genant der trinck von dÿsem saffte zwů stunde voτ hin ee jn stucket das kommen·oder seüde das kraut auch in wein und trincke den des moτgens nüchteren zů dτei malen ye über den andern tage·ein male es hilffet on zweiffell·(Item wegerich safft getruncken vertreibet auch secundinam daz ist dÿe haudt do das kind jn gelegen ist in můtter leÿbe·

(Item wegerich safft auff geschwulst geleget als ein pflaster benÿmmet dÿe geschwulst·(Itez wegerich gestossen und den saft darauþ getrucket und gelegt anf die geschweren hinder den oτen benÿmmet jr wee und das geschwer·(Item spiczigen wegerich safft getrunckenn vertreibet dÿe spůlwürm·(Item wem es in den bauch grÿmmet der sol seinen bauch mit warmen saffte des krautes reÿben oder mit dem kraute es hilffet·

(1) Spitse weegbree.

Dat 309de kapittel.

Plantago minor Latijn. (Plantago lanceolata)

De meesters spreken dat spitse weegbree helpt tot alle dingen daartoe de grote helpt, alleen dat zijn kracht niet zo groot is. Zijn sap is goed tot de zweren die bij de neus groeien, daarop gelegd met weke wol als een pleister en deze pleister zal over negen dagen vernieuwd worden. Item, wie een spin steekt of een andere giftige worm die zalft die steek met het sap van dit kruid.(2) Item, wie beducht in zijn lijf dat hij ook gegeten of gedronken heeft toverij [344] die zal drinken weegbreesap en daarna nemen een purgatief en zo wordt hij ook geleegd.

Wie dat steken pijn doet die legt dit kruid zijn bladeren in water en leg ze alzo warm aan die plaatst daaraan het hem steekt of op de milt, zo wordt het hem beter.

Wie een kwade klier heeft aan zijn lijf die neemt deze wortel en spreidt die bij het vuur en bindt het daarop alzo warm, het helpt. Wie de jicht heeft die neemt grote weegbree, van elk gelijk veel, en drukt daaruit dat sap en temper het met wijn of met honing en drink dat, de jicht verdwijnt. Wie geneigd is tot de kramp die stoot weegbree met sterke wijn en leg het dan daarop, het helpt. Item, wie dat sap drinkt van spitse weegbree die drijft het uit vele ziektes in de blaas.

Item, van de spitse weegbree neem drie bladeren en hou die in de mond, dan let je geen bij. Item, wie de vierdaagse koorts heeft, quartanam genaamd, die drinkt van dit sap twee stonden voordat hem dat stuk aankomt of kook dat kruid ook in wijn en drink dat ‘s morgens nuchter tot driemaal tot de volgende dag en dan een maal, het helpt zonder twijfel. Item, weegbreesap gedronken verdrijft ook secundina, dat is de huid daar dat kind in gelegen is in moeders lijf. Item, weegbreesap op gezwellen gelegd als een pleister beneemt de gezwellen. Item, weegbree gestoten en het sap daaruit gedrukt en gelegd op de zweren achter de oren beneemt het de pijn en de zweer. Item, spits weegbreesap gedronken verdrijft de spoelworm. Item, wie het in de buik gromt die zal zijn buik met warm sap van het kruid wrijven of met het kruid, het helpt.

Zie kapittel 308.

Dodonaeus; ‘De tweede soort noemt men in het Nederduits hondsribbe, in het Latijn Plantago minor en Quinquenervia, Lanceolata, in het Hoogduits Spitziger Wegrich.

(2) Hildegard van Bingen raadt in het hoofdstuk ‘De Plantagine, Wegerich’, het sap van deze plant wanneer een man of vrouw een toverdrank, ‘zauber’, ingenomen heeft.

Creuczbaum cccx ca

Palma chτisti latine·

(Item der meÿster Oτibasius in seinez bůch in dem capitel palma cchristi [345] beschreibet uns und spτzchet das diþ sey ein baum uvd habe einen stam und ist jnwendig hole und wechset schlecht und hat estlÿnn neben auþgeen·und hat bleter bÿ nahe als weinreben allein dÿe spicziger sind an dem creücz baum sein blůmen die geleichen den hopffen darjnn sind kôτner die werden grafare und rot und lengelicht·und wchset nit lenger wann ein summer nach dem herbst verdirbet der stamme mit der wurczeln·(Wer dise kôτner bey jm treget der ist sicher voτ zaubereÿ und vergifft·(Item palma ccristi gesotten und das getruncken bτinget lustige begirde dem mannen und frauwen·(Die bletter gestossen und auff die geschweren geleget die sich sere erheben mit geschwulst heÿlet sÿ bald darauffe geleget als ein pflaster·und sunderlichen ist es gůt also geleget auff ein schwerende geschwulste genant herisipula und heilet die gar behende·

(1) Wonderboom, 310de kapittel.

Palma christi Latijn. (Ricinus communis)

Item, de meesters Oribasius in zijn boek in het kapittel palma christi [345] beschrijft ons en spreekt dat dit is een boom en heeft een stam en is inwendig hol en groeit recht en heeft twijgen nevens uitgaan en heeft bladeren bijna als druiven, alleen dat ze spitser zijn aan de wonderboom, zijn bloemen die lijken op de hop en daarin zijn korrels die worden grauwkleurig en rood en langachtig en groeit niet langer dan een zomer en na de herfst verderft de stam met de wortels. Wie deze korrels bij hem draagt die is zeker voor toverij en vergif. Item, palma cristi gekookt en dat gedronken brengt lustige begeerte de mannen en vrouwen. (2) De bladeren gestoten en op de zweren gelegd die zich zeer verheffen met gezwellen heelt ze gauw, daarop gelegd als een pleister en vooral is het goed alzo gelegd op een zwerend gezwel genaamd erysipelas of belroos en heelt die erg behendig.

(1) Dodonaeus; ‘‘Hier te lande wordt dit kruid wonderboom genoemd soms heet het ook kruysboom, naar de naam die het in Hoogduitsland voert waar dat niet alleen Wunderbaum, maar ook Creutzbaum plag genoemd te wezen en de vrucht heet aldaar Zeckenkorn. 

Kreuzbaum, Palma Christi, in Duits Christpalme, naar de handlobbige bladeren die als de hand van Christus open en uitgestrekt zijn voor zegening.

rabenfusz cccxi ca

Pes coτvinus latine·grece clynopodium·

(Der meister diascoτides in dem capitel clinopodium beschreÿbet uns und spτichet das dises kraute wachs an dem steinichten bergen und geleicht den blůmen dem andτon·(Galienus in dem sÿbenden bůche simplicium farmacoτum in dem capitel clinopodium id est pes coτvinus schreibet uns und spτichett das diþ kraut sey heiþ und trucken an dem andern grade·(Diascoτides diþ kraut gesotten in weine und das getrucken ist gůt für bÿþ der hund die dobendig sind. (Es ist auch gůt also genüczet stranguiriosis das iste dÿe do (·xij) [346] trôpflingen hårmen und bτinget auch den frauwen jr sucht genant menstruum·Auch dÿses getruucken benÿmmet auch dz todte kindt auþ dem můter leybe·

(Item der meÿster Avicenna in seÿnem anderen bůch in dem capitel Coτvinus spτichet das dyses kraut fast gůt seÿ für das dåárme gesucht und ist auch geleich in d wurckung hermodatuli das sinde zeÿtlosen·(Item der meister Paulus in dem capitel de pede coτvi spτichet das dises kraute auch gar gůt seÿ dem schmerczen d gewerbe oder auch gelider wan es stercket die und lôset auch auffe die bôsen materien darauþ·

(1) Ravenvoet, 311de kapittel.

Pes corvinus Latijn. Grieks clynopodium. (Ranunculus auricomus)

De meester Dioscorides in het kapittel clinopodium beschrijft ons en spreekt dat dit kruid groeit aan de steenachtige bergen en lijkt met de bloemen op andoren. Galenus in het zevende boek simplicium farmacarum in het kapittel clinopodium, id est pes corvinus, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de andere graad. Dioscorides, dit kruid gekookt in wijn en dat gedroogd is goed voor beten van de honden die dol zijn. En is ook goed alzo genuttigd stranguriam, dat is die er [346] druppelend plassen, en brengt ook de vrouwen hun ziekte genaamd menstruatie. Ook deze gedronken beneemt ook dat dode kind uit het moeders lijf.

Item, de meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Corvinus spreekt dat dit kruid erg goed is voor de darmziekte en is ook gelijk in de werking Colchicum, dat is tijdloos. Item, de meester Paulus in het kapittel de pede corvi spreekt dat dit kruid ook erg goed is de smarten van de wervels of van de leden want het versterkt die en lost ook op de kwade materiën daaruit.

De afbeelding en bloemen lijken op een ranonkelachtige. En Clinopodium is een lipbloemige en heeft meer lijnvormige bladeren die helemaal niet op een ravenvoet lijken. Een ranonkelachtige heeft bladeren die meer op een vogelvoet lijken. Het groeit alleen niet aan steenachtige bergen. Het zou ook om Plantago coronopus kunnen handelen.

(1) Dodonaeus; ‘De andere soorten noemen we luypaerts klauwen, in het Latijn Ranunculus silvestris secundus, dat is tweede wilde hanenvoet of Pes Leopardi. Ze is de Ranunculus auricomis of gouden hanenvoet van de ouders en het Chrysanthemum van Democritus. Sommige noemen het (maar kwalijk) Pes corvinus (ravenvoet) en Pes cornicis’.

Daubenfusz cccxii ca

Pes columbinüs latine·

(Die meister spτechen das diþs kraut seÿ dτeÿerleÿ·eÿns heissett armomum zů latein und auch in grechs und arabþ heisset diþ hameme·Ein anders das het bleter die sind runt und heisset auche pes columbinus·das dτit heiþset anagiros·sein bletter sind gestalt wie die ersten allein das sÿ fast stincken·Von dem ersten pede columbino daz die meyster amomum heissen wirt hie geschribenn·(Diascoτides capitulo de amomo spτicht das dises seÿ ein kraute fast wol riechent seine fruchte ist beÿ nahe als een trauben koτn und hat ein stengel der ist fast hårte mitt kleinen blettern·(Plinius in dem capitel amomum spτichet das dÿse darumb heisse amomum wan sein gerauch ist geleich cinamomo daz ist kanel·dÿses wechset vil in sÿria und in armenia diþ kraut ist heiþ und trucken an dem dτitten grade·diþs machett von natur schlaffen·(Avicenna diþ kraut geleget auff ein blater zeÿtiget die zů hant·

(Von dÿsem kraut getruncken benÿmmet das podagram·dz ist das gegicht in den fŭssen·

(Wôlicher diþ krauts vil nüczet der wirt geleich einen der truncken ist und schlodtert mit dem haubet unnd begert czů schlaffen·

(Von disem pede columbino oder amomo lese pandectam (347) jm·xlij·capitel daz an hebet amomum findest du vil tugente dÿe uns da selbest beschreiben Avicenna Plinius Diascoτides und Serapio·

(1) Duivenvoet, 312de kapittel.

Pes columbinüs Latijn. (Amomum subulatum)

De meesters spreken dat dit kruid is drievormig, een heet armomum in Latijn en ook in Grieks en Arabisch heet het hameme. Een andere dat heeft bladeren die zijn rond en heet ook pes columbinus, (Geranium columbinum) de derde heet anagiros, zijn bladeren zijn gesteld zoals de eerste, alleen dat ze erg stinken. Van de eerste pede columbino dat de meesters amomum heten wordt hier geschreven. Dioscorides capitulo de amomo spreekt dat dit is een kruid die erg goed ruikt, zijn vrucht is bijna als een druivenkorrel en heeft een stengel die is erg hard met kleine bladeren. Plinius in het kapittel amomum spreekt dat deze daarom heet amomum want zijn reuk is gelijk cinamomo, dat is kaneel, dit groeit veel in Syrië en in Armenië, dit kruid is heet en droog aan de derde graad, (2) dit maakt van natuur slapen. Avicenna, dit kruid gelegd op een blaar rijpt die gelijk.

Van dit kruid gedronken beneemt het podagra, (3) dat is de jicht in de voeten.

(2) Wie dit kruid veel nuttigt die wordt gelijk een die dronken is en slingert met het hoofd en begeert te slapen.

Van deze pede columbino of amomo lees Pandecta in het 42ste kapittel dat aanheft amomum daar vindt u veel deugd die ons daar zelf beschrijven Avicenna, Plinius, Dioscorides en Serapio.

Dodonaeus is niet geheel zeker welke plant bedoeld wordt want met die naam worden vele kruiden bedoeld, peterselie van Macedonië, zelfs de zwarte bes, Ribes nigrum. Aframomum melegueta en Aframomum granum-paradisi groeien in de peper- of melaguetekust van de kust van Sierra Leone tot aan Kongo wat weer te westelijk is en toen wel niet bekend. Staartpeper en zelfs koffie wordt genoemd.

Amomum is familie van Zingiberaceae, net zoals Cardamon, en wordt zwarte cardamom genoemd. Amomum subulatum (ook bekend als Sikkim cardamom) en Amomum costatum, die worden gebruikt in India en China. Dat lijkt te ver weg van Syrië, hoewel dat nooit zeker is.

Zie kapittel 118 voor Cardamom (Elettaria cardamomum) die het ook zou kunnen zijn, dat omdat bij van Maerlant en waarschijnlijk wel bij meer oudere schrijvers Cardamomum op Amomum volgt. Dodonaeus; Na het Amomum moet het Cardamomum volgen want zoals meest alle oude schrijvers zeggen dat het Cardamomum in het Grieks Cardomomon genoemd wordt en is het Amomum van naam, struik en langwerpig zaad zeer gelijk. Dan tegenwoordig is dat niet bekend’.

Maerlant; ‘ Armonium groeit in Armenië, zoals Plinius en Isidorus vertellen. Een boompje klein, als men gewaagt, het zaad aardig veel draagt. Het ruikt naar kaneel natuur en het laat goed (2) slapen ter genezing.

Dodonaeus’; Het Amomum met Basilicum gemengd geneest die van de schorpioenen gestoken zijn en is goed diegene die van (3) jicht gekweld zijn.

De afbeelding laat een peterselieachtig blad zien met gele drietandige bloemen, vermoedelijk is de tekening wel gemaakt naar de beschrijving.

Dodonaeus; Amomum, zegt Garcias ab Horto, in het Arabisch amama of hamama (dat is duiven of duifkruid, anders Pes columbinus) is een kruid dat in Perzië, Arabië en Azië groeit die de gedaante van een duivenvoet heeft (misschien in zijn ruige harige takjes) dan hij beschrijft dat eigenlijk niet’.

Naar de verdovende werking zou je denken dat het om een Datura gaat als Datura metel die een meter hoog wordt witte geurende bloemen heeft en veel zaden geeft in zijn vrucht en uit Azië stamt. De zwarte zaden van Datura lijken wel wat op die van Cardamon. Datura heeft toch wat gelobde bladeren, aan elke kant een lob wat zou kunnen slaan op een duivenvoet.

Het Arabische Hamema zou een aanknopingspunt kunnen geven. Een Hamem is een badhuis, het is niet duidelijk of het daar gebruikt werd.

popelnbaum cccxiiii c

Populus arboτ latine·grece agiros·

(Die meister spτechen das dÿser baum seÿ feüchter und kalter complexion·(Diþ baumes rinden wurczel und bletter sind zů vill sachen gůt·(Der diser wurczel trinckt dem kommet in achttage darnach kein grÿmmen oder keÿn kalter seÿch·(Von disem baum fleüsset harcz und dises harcz ist jnen taugelich zů erczneÿ wann ander harcz als diascoτides spτichet·(Von den blettern disses baumes ee sÿe recht zû krefftenn sind kommen das ist zů dem ersten so die herauþ komment macht man damit ein unguent·dÿses unguent oder salbe dienet zů vil sachen und wirt geheissen unguentuz populeonis·und wirt gemachet von den augen des popelnn baumes·(Diþ ungnent gestrichen an den schlaffe und an dÿe schlagenden adern machet schlaffen·(Item dise salbe geschmieret auff den nabel machet schwiczen·(Die salbe mach also nÿmme der augen von disem baum das ist so des baums bletter auþgeent ein pfunt magsamen bletter hauþwnrcz bletter lattich bleter knaben kraut bletter und nachtschatde bilsam bletter alraun bletter genant mandτagoτa·ÿegkliches ein lot diþ stoþ und seüde die stuck obgenant mit wein also das er ein siede über daz halb teÿl·darnach streich diþs durche ein tůch geleich ein pfeffer under dises gestrichen müsche reynbergen schmalcz das ungesalczen seÿ als vil du wilt und rüre das under einander beÿ dem feür·diþ ist dan unguentum populeonis·(x·iij·) [348]

(1) Populier, 313de kapittel.

Populus arbor Latijn. Grieks agiros. (Populus nigra)

De meesters spreken dat deze boom is van vochtige en koude samengesteldheid. Deze boom zijn bast, wortel en bladeren zijn tot veel zaken goed. Die deze wortel drinkt die komt in acht dagen daarna geen grommen of geen koude plas. Van deze boom vloeit hars en die hars is je deugdelijk tot artsenij dan andere hars zoals Dioscorides spreekt. Van de bladeren van deze booms eer ze recht tot kracht is gekomen, dat is in het begin, zo die uit komt maakt men daarmee een zalf, deze ungent of zalf dient tot veel zaken en wordt geheten unguentum populeonis en wordt gemaakt van de ogen van de populierboom. (3) Deze zalf gestreken aan de slaap en aan de slaande aders maakt slapen. Item, deze zalf gesmeerd op de navel maakt (4) zweten. (2) Die zalf maak je alzo; neem de ogen van deze boom, dat is zo de boom zijn bladeren uitgaan, een pond, papaverzaden, bladeren huislookbladeren, kruidvlierbladeren, orchideebladeren en nachtschade, bilzekruidbladeren en alruinbladeren genaamd Mandragora, van elk 16,7gram, dit stoot je en kook die stukken opgenoemd met wijn alzo dat het inkookt over dat halve deel, daarna strijk dit door een doek gelijk een peper en onder dit gestreken meng Reinbergen vet dat ongezouten is zoveel als u wil en roer dat onder elkaar bij het vuur, dit is dan unguentum populeonis. [348]

(1) Dodonaeus; ‘De witte populier wordt in het Grieks Leuce genoemd en in het Latijn Populus alba, dat is witte populier. In Hoogduitsland heet deze populierboom Pappelbaum, Weisz Alberbaum en Weisz Popelweyden.

Maerlant; Platearius die zegt het dat men het zo te verzamelen pleegt. Men neemt de knoppen waar ze staan waar het loof uit zal gaan en dat kookt men in botervet waar nooit bij kwam enig zout en de boter moet zijn van de koe en meiboter ook daar toe, dat kookt men dan zo lang totdat het groene zal zijn gemengd, door een kleed zo duwt men dat en ontvangt het in een aarden vat, dit is een goede zalf tezamen en heet popelion bij naam. (3) Dit is tegen de hitte goed en als een hoofdpijn wee doet en hem hete zaken pijn doen dan neem dit popelion en zalf er mee slaap en voorhoofd, hij geneest samen, wat men gelooft, beide, zwellingen en wonden, zo geneest het in korte stonden.


lungenkraut cccxiiii c

Pulmonaria grece et latine·

(Die meister spτechen das diþs kraut hab kleine bletter und weiche und geleichet einer lungen und wchset an feüchten enden·(Plinius spτicht das diþ kraut sÿ von natur feücht und kalt an dem andern grade·unnd sein tugent iste weichen und auff lôsen.(Platearius lungen kraut gesoten mit wein und darunder gemüschett hônig und das durch ein tůche gestrichen das es geleich werde ein bτey und daz lassen doτren an der sunnen das es als hårt werde das man es müge pulverifieren·diþ bulner ist gůt auff heiþe geschweren das gemüschet mit gersten mel·(Paulus spτichet das lungen kraut in wein gelegenn über nacht benÿmmet das keichen·(Item also genüczet ist gůt für dem trucken hůsten und sunderlich für alle gebτesten der lungen und der lebern dienet sÿ auch sunderlichen wol·

(1) Longenmos, 314de kapittel.

Pulmonaria Grieks et Latijn. (Lobaria pulmonarius, heet ook wel Lichen pulmonarius)

De meesters spreken dat dit kruid heeft kleine bladeren en week en lijkt op een long en groeit aan vochtige einden. Plinius spreekt dat dit kruid is van natuur vochtig en koud aan de andere graad en zijn deugd is weken en oplossen. Platearius, longenmos gekookt met wijn en daaronder gemengd honing en dat door een doek gestreken zodat het gelijk wordt een brei en dat laten drogen aan de zon zodat het zo hard wordt dat men het mag verpoederen, dit poeder is goed op (2) hete zweren, dat gemengd met gerstemeel. Paulus spreekt dat longenmos in wijn gelegd over nacht beneemt dat kuchen. Item, alzo genuttigd is goed voor de droge hoest en vooral voor alle gebreken der longen en de lever dient ze ook uitzonderlijk goed.

Dodonaeus; ‘Naar de gedaante van een long is dit gewas in onze taal longhen-cruydt genoemd, in het Hoogduits Lungenkraut.


bibennel cccxv Capi

Pipinella grece et latine·

(Die meister spτechen das diþs kraut geleich der steinbτech saxifraga genant an jerer gestaltte·und versus Pimpinella pilos saxifraga non habet ullos pimpinella ist heiþ und trucken an dem andern grade·(Dises kraut nüczt man in d erczneÿ und ist gůtt für vergifft und benÿmmet alle unreinigkeit auþwendig des leibs. Dise wurczel gesoten mit wein und dem getruncken benÿmmet daz bôse ver [349] gifftig geblŭte von dem herczen davon geren entstat die pestilencze·(Bibeneln gemüschet mit senff samen und die gebulveret und jn getruncken mit eþsig machet schwiczen und zeühet auþe die vergifft bôse feüchtunge·

(Bibeneln mit wein gesotten und getruncken benÿmmet die lendensucht und ist auch sunderlichenn gůt für den bôsen hûsten unnd raumet umb die bτust·(Item diþ kraut gesotten mit wein ist den stein bτechen in den nÿeren und blasen·und ist gůt wider dem kalten seich·(Und also genüczt ist gůt für das krymmen genant colica·(Und ist fast helffen wider bestopffung milcz und leber·

(10 Pimpernel, 315de kapittel.

Pipinella Grieks en Latijn. (Sanguisorba officinalis)

De meesters spreken dat dit kruid lijkt op de steenbreek saxifraga (Pimpinella saxifraga) genaamd aan zijn gestalte en; (2) gedicht Pimpinella pilos saxifraga non habet ullos, pimpernel is heet en droog aan de andere graad. Dit kruid nuttigt men in de artsenij en is goed voor (5) vergif en beneemt alle onreinheid uitwendig van het lijf. Deze wortel gekookt met wijn en die gedronken beneemt dat kwade [349] vergiftige bloed van het hart, daarvan graag ontstaat de pest. Pimpernel gemengd met mosterdzaden en die gepoederd en ingedronken met azijn maakt zweten en trekt uit dat vergif kwade vochtigheid.

Pimpernel met wijn gekookt en gedronken beneemt de lendenziekte en is ook uitzonderlijk goed voor de kwade hoest en ruimt om de borst. (3) Item, dit kruid gekookt met wijn is den steen breken in de nieren en blaas en is goed tegen de koude plas. (4) En alzo genuttigd is goed voor de krampen genaamd koliek. En is erg helpen tegen verstopping van milt en lever.

(1) Herbarius in Dyetsche wordt verbeterd door zijn overzetter; ‘Bevernelle heet het en bij deze meester pinpinella of pipinelle en al is het dat sommige van deze beide namen verschillende kruiden maken, de krachten komen overeen en ik, overzetter van het boek, zal van beiden weinig spreken zoals deze meester zegt. Bevernel is gelijk aan de steenbreek, anders is het omdat de bevernel behaard is. De steenbreek (dat is Pimpinella saxifraga) die heeft geen haartjes’.

(2) Dodonaeus; ‘De nieuwe kruidbeschrijvers hebben beide deze kruiden (andere is Pimpinella saxifraga) de naam van Saxifraga of Saxifragia, dat is steenbreek, gegeven. Baptista Sardus en ook naar hem Leonarthus Fuchsius noemen het Pimpinella en daarom hebben sommige het Pimpinella Saxifraga genoemd en dat tot verschil van de andere pimpernel.

Herbarius in Dyetsche; (3) het breekt de steen in de nieren en in de blaas. Het is goed tegen aandrang tot waterlozing en de dysurie. (4) Het helpt ook zeer tegen koliek en de onderbuikspijn, ook tegen verstoppingen van de lever en van de milt.

(5) In een ander boek vond ik, overzetter, aldus van bevernel een middel tegen vergif: ‘Drink van de wijn waar bevernel in gestampt is.'


wintergrun cccxvi ca

Pirola grece et latine·

(Die meeister spτechen das diþ krant seÿ gar gůtt auþwendige des leibes und ist warm und trucken an dem dτitten grade·

(Diþ kraut und wurczel gestossen und darunder gemüschet sanickel saffte unnd sÿnawe saffte und zů samen gesotten mit baumõle und darauþ gemacht ein salbe·Dise salbe mag man teÿlen czů dτeÿen teÿlen und ÿegklicher geben ein eÿgen farbe·(Item zů d ersten nÿmme spangrŭne unnd osterlocÿ diþ wirt gar grŭn mit dÿser salbe magstu gar vil fleische auþ åczen von dem grunde·

(Item zů der andern solt du nemen bleÿweiþ und krebs augen die gebulvert sind dÿse salb wirt gancz weiþ mit diser magest du alle gebτechen senfftigen und damit heilen·Item zů der dτitten nÿmme bolum armenum und sanguis dτaconis·dÿse salbe wirtte gancz rott·mit diser salb magst du umb die gebτechen streÿchen benÿmmett alle hicz und bewarett auch die wunde voτ hicz also das nit bôses darzû kommen mage·Das erst unguent heisset ein zuch salbe·die ander ein senfftung salbe·die dτitt salbe ist beschirmen genant defensinum·und mit dysen hat der wund arczet bartholomeus manchen alten schaden geheÿlet·(x·iiij·) [350]

(1) Wintergroen, 316de kapittel.

Pirola Grieks et Latijn. (Pyrola rotundifolia)

De meesters spreken dat dit kruid is erg goed uitwendig het lijf en is warm en droog aan de derde graad.

Dit kruid en wortel gestoten en daaronder gemengd sanikelsap en vrouwenmantelsap en tezamen gekookt met olijvenolie en daaruit gemaakt een zalf. Deze zalf mag men verdelen in drie delen en elke geven een eigen kleur. Item, tot de eerste; neem Spaans groen en holwortel, dit wordt erg groen en met deze zalf mag u erg veel vlees uit eten van de grond.

Item, tot de andere zal u nemen loodwit en kreeftogen en die gepoederd zijn, deze zalf wordt gans wit, met deze mag u alle gebreken verzachten en daarmee helen. Item, tot de derde; neem bolus armenus en drakenbloedsap, deze zalf wordt gans rood en met deze zalf mag u om de gebreken strijken, het beneemt alle hitte en bewaart ook die wond voor hitte alzo dat niets kwaads daartoe komen mag. De eerste zalf heet een trekzalf, de ander een verzachtende zalf, de derde zalf is beschermend genaamd defensinum en met deze heeft de wondarts Bartholomeus vele oude schaden geheeld. [350]

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit gewas is tegenwoordig Pyrola en Pirola in het Latijns genoemd, in het Nederduits wintergroen, in het Hoogduits Wintergrunn’.


harstrang cccxvii Ca

Pucedanuz grece·latine cauda poτcinna·arabice herbaturum vel herbaturis·

(Serapio in dem capitel herbaturis schreibet das dÿses wachs an dem tunckel steten und auff dem hohen bergen und auch sunderlich under dem grossen baumen und hat ein stam der geleichet dem fenchel·und hat oben an der wurczell groþ zôpff geleich dem geschlechten haren·Die wurczel ist groþ unnd dick und die ist auþwendig schwarcz far oder grae und jnwendig weiþ und die wurczel hat in jr safft der wirt hårt geleich als chwebel·(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel pucedanuz beschreÿbet uns und spτichet das dÿse wurczel genüczet werde und der safft der darauþ get und der safft ist stercker in seiner kraffte dan die wurczel·(In dem bůch circa instans in dem capitel pencedanüm beschreÿben die meister und spτechen das dise wurczel seÿ heiþe und trucken und die wurczel mag man ein jare oder zweÿe halten und nitt darüber·Serapio dÿser wurczel safft gemüschet mit rosenôle und das haubett damit bestrichen benÿmmet dÿe geschwere in dem haubt·(Dÿsen safft gemüschet mit eþsiig und rosenwasser und den schlaff und das haubte damit gesalbet ist gůte freneticis·das ist die die dobende sucht haben·Auch ist gůt also genüczet epilenticis das iste dÿe die fallende sucht haben·(Mitt dÿser wurczel ein rauche gemachet und den frauwen unden auff gelassen benÿmmet von jr die unfruchtberkeit und macht sÿ frruchtbar·(Dyse wurczel ist gůtte genüczet in die pflaster die da dienen zů den zerknisten gelÿderen·(Diþ kraut gesotten mit wein oder mit wasser ist gůtte wider die bestopffung leber und milcze und ist gůt genuczet wider den kalten seiche·[351]

(1) Varkenskervel, 317de kapittel.

Pucedanus Grieks. Latijn cauda porcinna. Arabisch herbaturum vel herbaturis. (Peucedanum officinale)

Serapio in het kapittel herbaturis schrijft dat dit groeit aan donkere plaatsen en op hoge bergen en ook vooral onder de grote bomen en heeft een stam die lijkt op venkel en heeft boven aan de wortel grote vezels gelijk de gekamde haren. De wortel is groot en dik en die is uitwendig zwart gekleurd en inwendig wit en de wortel heeft in zich sap dat wordt hard gelijk als zwavel. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Peucedanum beschrijft ons en spreekt dat deze wortel genuttigd wordt en het sap dat daaruit gaat en het sap is sterker in zijn kracht dan de wortel. In het boek Circa instans in het kapittel Peucedanum beschrijven de meesters en spreken dat deze wortel is heet en droog en die wortel mag men een jaar of twee houden en niet daarover. (2) Serapio, dezer wortel zijn sap gemengd met rozenolie en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de zweren in het hoofd. Dit sap gemengd met azijn en rozenwater en de slaap en dat hoofd daarmee gezalfd is goed phrenitis, dat is die er verdovende ziekte hebben. Ook is goed alzo genuttigd epileptici, dat is die de vallende ziekte hebben. Met deze wortel een rook gemaakt en de vrouwen onderin gelaten beneemt van hen de onvruchtbaarheid en maakt ze vruchtbaar. Deze wortel is goed genuttigd in de pleister die dan dient tot de gekneusde leden. (3) Dit kruid gekookt met wijn of met water is goed tegen de verstopping van lever en milt en is goed genuttigd tegen de koude plas. [351]

(1) Dodonaeus; ‘De kruidbeminnaars van Brabant noemen dit kruid gewoonlijk verckensvenckel, de Hoogduitsers Sewfenckel en Haarstrang.

Dodonaeus; (2) Deze traan of sap van varkenskervel met azijn en olie van rozen vermengt en van buiten gebruikt of daarmee gestreken is zeer nuttig (naar het schrijven van Dioscorides).

(3) Om de smart en weedom van de nieren en van de blaas te verzoeten wordt dit sap ook zeer nuttig gedronken en het laat ook water maken.

Grensing cccxviii Ca

Protentilla latine·

(Die meister spτechen das diþs seÿ ein kraut und wechset gerne an feichten steten·diþ kraut jst gar nahe geleich dem kraut tanaceto das ist reÿnfarn·Diþs kraute ist warme und feüchter natur·

(Platearius grensÿng mit wermůt kraut genüczet tôdttet dÿe wurme·(Also genüczet vertreibet auch das krÿmmen genant colica passio·(Wôlicher nit zů stůle môcht geen und doch alle zeÿt gelust hett also das es die kranckheit werde tenasmonn·das ist stetigs gelust han und doch nitt zů stůl mügen geen·sôllen disses kraut sieden in wein und das also warme auff den nabel legen es hilffet on zweifell·(Disses krautes safft getruncken mit wein benÿmmet auch das grÿmmen das do kommet von kelte·(Ettlich meÿster spτechen das dÿses kraut nit wurck zů allen zeÿtten in dem menschen mit dÿsem meÿstern ich es halt bewerung halber·und darumbe dienet es auch meer in dem summer wan in dem wintter·das es besser grŭn ist dem menschen zů nüczen wan dürre. (Aber sein safft und sein wasser·das da von distillieret wirt dienet wintter und summer für die obgenanten kranckheitten·

(Isaac diþs kraute dienet fast wol zů wunden auþwendig des leÿbes den safft darüber gestrichen·[352]

(1) Ganzerik, 318de kapittel.

Protentilla Latijn. (Potentilla anserina)

De meesters spreken dat dit is een kruid en groeit graag aan vochtige plaatsen, dit kruid is vrijwel gelijk het kruid Tanacetum, dat is reinvaarn. Dit kruid is warm en vochtige natuur.

Platearius, ganzerik met alsem kruid genuttigd doodt de wormen. Alzo genuttigd verdrijft het ook de kramp genaamd colica passio. Wie niet te stoel mag gaan en toch altijd lust heeft alzo dat het de ziekte wordt (3) tenasmonem, dat is steeds lust heeft en toch niet te stoel mag gaan, zullen dit kruid koken in wijn en dat alzo warm op de navel leggen, het helpt zonder twijfel. (4) Dit kruid zijn sap gedronken met wijn beneemt ook dat grommen dat je komt van koudheid. Ettelijke meesters spreken dat dit kruid niet werkt in alle tijden in de mensen, met deze meesters ik die bewering hou en daarom dient het ook meer in de zomer dan in de winter omdat het beter groen is de mensen te nuttigen dan droog. Maar zijn sap en zijn water dat daarvan gedistilleerd wordt dient winter en zomer voor de opgenoemde ziektes.

(2) Isaac, dit kruid dient erg goed tot wonden uitwendig het lijf, het sap daarover gestreken. [352]

(1) Dodonaeus; ‘‘In Brabant heet dit kruid ganserick, in Hoogduitsland Grensich en Genserich.

Dodonaeus; ‘(2) Ganzerik stelpt het bloed van waar dat het vloeien mag, stopt de maandstonden en is goed diegene die bloedspouwen en de rode loop hebben.

(3) Die niet ter kamer kan gaan en altijd lust daartoe heeft (deze ziekte wordt tenasmos genoemd) die zal dit kruid in wijn koken en die indrinken of het water er van met een klysma ingieten.

(4) Ganzerik in wijn of water gekookt en gedronken geneest koliek of pijn van de darmen en ook van de rug dat men spit noemt.

erbeysz cccix Ca

Pisa latine·

(Dÿe meÿster spτechen das erbÿþ sind kalt und feücht an dem andern grade·(Erbeyþ wechset lengelicht auff umb der grossen feüchtigkeit willen die dise wurczel in ir hat·und gewinnet schoten darjnne die frucht ist·(Platearius nÿmme der schotten und der bletter von erbÿþ ÿegkliches ein gůt handtfoll und stosse daz zů samen und lege es auff ein enzündet gelÿde am leibe wo dz seÿ geleich ein pflaster lescht zůhant den schaden·(Die frucht an ir selbest ist nit gůt zů essen wan sie bτingen vil feüchtung und kelt und macht auch dempffung um die bτust·Aber die bτŭ davon ist fast stercken und krefftigen und die dÿenet sunderlichen einen krancken blôden menschen·wan dÿe erbeÿþ bτŭ ist getemperieret an jrer natur also das sÿ dem menschen auch mit teÿlet die selbe natur. (Item der mensch der hicziger natur wåre der môcht wol essen erbÿþ on schaden·wan sÿe machen den selbigen starcke·Aber die kalter natur sind die sollen erbeÿþ meiden·(Plinius nym erbeÿþ zwů haandtfoll unnd seüde die in wasser·und wåsche mit d ungesalczen bτŭ ein wunden od schaden an dem leibe wie der wåre er heilet von stunde·

(1) Erwt, 319de kapittel.

Pisa Latijn. (Pisum sativum)

De meesters spreken dat erwten zijn koud en vochtig aan de andere graad. Erwten groeien langachtig op vanwege de grote vochtigheid die deze wortel in zich heeft en wint peulen daarin de vrucht is. Platearius, neem de peulen en de bladeren van erwten, van elk een goede hand vol en stoot dat tezamen en leg het op een ontstoken lid aan het lijf, waar dat is, gelijk een pleister, het lest gelijk de schade. De vrucht aan zichzelf is niet goed te eten want ze brengen veel vochtigheid en koude en maakt ook dampen om de borst. (2) Maar de brei daarvan is erg versterken en krachtige en die dient uitzonderlijk een zieke zwakke mens want die erwtenbrij is getemperd aan zijn natuur alzo dat ze de mensen ook meedeelt diezelfde natuur. Item, de mens die van hete natuur is die mag goed eten erwten zonder schade, want ze maken diezelfde sterk. Maar die van koude natuur zijn die zullen erwten mijden. (3) Plinius, neem erwten twee hand vol en kook die in water en was met de ongezouten brei een wond of schade aan het lijf, waar die is, het heelt van stond af aan.

(1) De gewone of kleine erwten beschrijft Dodonaeus apart; ‘In onze taal heten deze vruchten erwten en tot verschil van de grote eigenlijk kleine erwten of gewone erwten, in het Hoogduits heten ze Erbsen.

Dodonaeus; (2) Ze zijn geschikt om in hete tijden en van hete jonge mensen gegeten te worden, men plag stamppot van te maken omdat ze terstond murw worden en omdat ze kleiner, vetter en teerder zijn dan de andere daarom worden ze ook gemakkelijker gekookt, gemakkelijk rijp en verteerd.

(3) Meel van erwten met vitzen gekookt en pleistervormig opgelegd ontdoet alle gezwellen en verzoet alle smarten.

prumen cccxx capi

Pruna grece et latine·arabice guas·

(Meÿster Johannes mesue in dem capitel pτuna beschreibt uns und spτichet das d sind mancherhandt·ettlich die sind weiþ·ettlich rot·etlich haben cÿtrin farbe·und die alle samet sind d nature das sÿ auch weichen den bauche·und veråndern die natur des menschen·(Item es sind pτumen die kommen auþ Damascen unnd armenien unnd dÿe sinde sterker an jrer nature wann die obgezeichten·unnd die feüchten sinde meer würrcken wan die gedôτret sind aber doch sind sÿ dürr besser wan feücht. (Item etlich sind fast [353] sŭþ und die sind von natur heiþ und auch kelten·aber doch sinde sie mer kalt wan warm·die sauren sind von natur feüchte unnd kalt an dem anfang des anderen grades·und jr tugent ist rein mache kelte und lein machen und jr tugent wirt gerechtfertigt mit dem tamarind und mit cassia fistula·(Man macht von dem pτumen damascem ein sÿropel in dem apotecken der dienet fast wol die natur des menschen damit zů stercken und der sÿropel wirt gemacht von dem wasser darjn sie sÿeden·Auch machet man von jrez fleisch ein latwerge die diennett auch zů vil kranckheiten die von hicze kommen·Die armeni machen lôcher in die pτumen baum und thůn darein scamoneam und kleiben die auch wider zů mit leÿmen und lassen die dan also wachsen die selbigen pτumen machen auch stůlgenge und dürchbτechen gar sere den menschen·Auch bereÿtez die selbigen armeni ander vil frücht also·(Item Johannes mesue spτichet das dÿe schwarczen pτaumen auþtreiben coleram·

Die andern pτumen sind auch dem magen gar schedlich und speisen wenig·(Item diascoτides spτichet auch das pτaumen den bauche weichen und sunderliche dye frischen und sind doch unverdeüwenlich der vil geessen und sunderlich die eÿnen kalten magen haben aber so sÿe gedôτret sind so sind die nit als schedlich dem magen. (Item gnmmÿ fleüsset auþ dÿsem baume und das ist auch gar zů vil sachen gůt·(Item dÿses gummÿ getruncken mit wein bτichet auch den stein·(Itez die bleter von dÿsem baum gesotten mit eþsig und auch ein alten schaden am leibe damit gewåschen wÿe der wåre es heÿlet auch davon·on zweifel·(Und hie ist auche zů mercken das die pτumen von damascem das meÿste teyl genüczet werden in der erczneÿ·Des geleichen jr sÿropel und auch ein latwerge davon gemacht·unnd dÿse findet man auch in den apotecken·(Item ettlich pτumen sind weiþ etlich rot·ettlich schwarcz·die schwarczen sind die besten wan sÿe sind stůlgenge bτingen und kŭlen die galle genant colera alþ die meister davon reden Avicenna und Serapio·Item wan die pτumen grŭne sind so laxieren sÿe meer dan wan sÿ dürτe sind·[354]

(1) Pruimen, 320ste kapittel.

Pruna Grieks en Latijn. Arabisch guas. (Prunus domestica insititia)

Meester Johannes Mesue in het kapittel pruna beschrijft ons en spreekt dat er zijn vele soorten, (2) ettelijke die zijn wit, ettelijke rood, ettelijke hebben citroenkleur en die alle samen zijn van de natuur dat ze ook weken de buik en veranderen de natuur des mensen. Item, er zijn pruimen die komen uit (3) Damascus (Prunus domestica) en Armenië en die zijn sterker aan hun natuur dan de opgetekende en die vochtige zijn meer werken dan die gedroogd zijn, maar toch zijn ze droog beter dan vochtig. Item, ettelijke zijn erg [353] zoet en die zijn van natuur heet en ook (4) verkoelend, maar toch zijn ze meer koud dan warm, de zure zijn van natuur vochtig en koud aan de aanvang van de andere graad en hun deugd is rein maken, verkoelen en zacht maken en hun deugd wordt gerechtvaardigd met de tamarinden en met Cassia fistula. Men maakt van de pruimen Damascus een siroop in de apotheken die dient erg goed de natuur van de mensen daarmee te versterken en de siroop wordt gemaakt van het water daarin ze koken. Ook maakt men van hun vlees een likkepot die dient ook tot veel (5) ziektes die van hitte komen. (7) De Armeniërs maken gaten in de pruimboom en doen daarin scammonia en kleven die ook dicht met lijm en laten die dan alzo groeien en diezelfde pruimen maken ook stoelgang en doorbreken erg zeer de mensen. Ook bereiden diezelfde Armeniërs andere veel vruchten alzo. Item, Johannes Mesue spreekt dat de zwarte pruimen uitdrijven de gal.

De andere pruimen zijn ook de maag erg schadelijk en spijzen weinig. Item, Dioscorides spreekt ook dat pruimen de buik weken en vooral die verse en zijn toch onverteerbaar die veel gegeten en vooral die een koude maag hebben, maar zo ze gedroogd zijn dan zijn die niet zo schadelijk de maag. Item, gom vloeit uit deze boom en dat is ook erg tot veel zaken goed. Item, deze gom gedronken met wijn breekt ook de steen. Item, de bladeren van deze boom gekookt met azijn en ook een oude schade aan het lijf daarmee gewassen, waar die is, heelt het ook daarvan zonder twijfel. En hier is ook te merken dat de pruimen van Damascus dat meeste deel genuttigd wordt in de artsenij. Desgelijks hun siroop en ook een likkepot daarvan gemaakt en deze vindt men ook in de apotheken. Item, ettelijke pruimen zijn wit en ettelijke rood, ettelijke zwart, de zwarte zijn de besten want (6) ze zijn stoelgang brengen en verkoelen de gal genaamd colera zoals de meesters daarvan reden, Avicenna en Serapio. Item, als de pruimen groen zijn dan laxeren ze meer dan wanneer ze droog zijn. [354]

De afbeelding laat een plant met bladeren en vruchten als bramen zien.

Dodonaeus; ‘Deze boom heet in onze taal pruym-boom ,in het Hoogduits Praumen. In het Latijn heet het Prunus.

Herbarius in Dyetsche; (2) Pruimen zijn soms zwart en soms rood. (3) Zwarte pruimen die wat hard zijn, vooral de Damascener pruimen, dat zijn de beste. Ze hebben de kracht om te (4) verkoelen in het lichaam of de darmen te verzachten. (5) Ze zijn goed in de scherpe koorts en (6) ontstoppen de hardheid van het lichaam die uit verdroging of uit ruwe gal die verdroogt komt volgens Platearius’.

Klein rosin cccxxi ca

Passule sive uve passule grece et latine.

(Die meister spτechen das diþs sind heiþ und feücht von nature. (Item etlich lassen die trauben dürr werdeen in einem bachoffen. (Die salertani die machen sÿe also·sie nemen die trauben und lassen die trucken werden an der sunnen darnach thůn sÿe die in ein bachoffen·darnache lesen sÿe die beste bere kôτner auþ unnd wåschen die mitt sŭssem weine und thůn sÿ darauþ und bestreüwen die mit zymmet rôτen oder mit andern specereÿen und laþe sÿ darjn doτren und diþ sind die besten die also gemachet werden. (Plinius wein gesoten mit kleynen rosýn und dem getruncken benÿmmet den halten hůsten d sich erhaben hat von kelte·Diþer weine also getruncken ist gůt dem jnnerlich geschweren und sunderlich die auff der lungen sind·

(Item platearius klein rosýnn in der kost genüczet benÿmmett des magen auff stoþen und stopffen flüssigen bauch·(Item wie man die nüczet so bτingen sÿ dem leibe krafft und machen gůt geblŭt. (Item klein rosýn in kost vermenget benÿmmet den bτesten genant vomitum·(Item kleÿne rosÿn die do süþ sind stillent dÿe weethůmb des magens darum sind sÿ dez magen nüczlicher dan diee feÿgen·Und kleine rosÿne sind auch der lebern gesunt alþs Serapion spτichet.[335]

(1) Kleine rozijnen. 321ste kapittel

Passule sive uve passule Grieks en Latijn. (Vitis)

De meesters spreken dat dit is heet en vochtig van natuur. Item, ettelijke laten de druiven droog worden in een bakoven. Die van Salerno die maken ze alzo; ze nemen de druiven en laten die droog worden aan de zon, daarna doen ze die in een bakoven, daarna lezen ze de beste bessenkorrels eruit en wassen die met zoete wijn en doen ze daaruit en bestrooien die met kaneel of met andere specerijen en laten ze daarin drogen en dit zijn de beste die alzo gemaakt worden. Plinius, wijn gekookt met kleine rozijnen en die gedronken beneemt de (2) oude hoest die zich verheven heeft van koudheid. Deze wijn alzo gedronken is goed de innerlijke zweren en vooral die op de longen zijn.

Item, Platearius; kleine rozijnen in de kost genuttigd beneemt de magen uitstoten en stoppen vloeiende buik. Item, hoe men die nuttigt zo brengen ze het lijf kracht en maken goed bloed. Item, kleine rozijnen in de kost vermengt beneemt de gebrek genaamd vomitum. Item, kleine rozijnen die er zoet zijn stillen de pijn van de maag en daarom zijn ze de maag nuttiger dan de vijgen. En kleine rozijnen zijn ook de lever gezond zoals Serapio spreekt. [335]

Zeer kleine kogelronde druiven die oorspronkelijk uit de stad Corinthië komen, Duits Carentken, Corinten, Korinthen of krenten of krinten zijn gedroogde druiven heten naar de stad Corinthië waar de druivensoort zonder pit het eerst geteeld werd.

Herbarijs; ‘(2) En tegen de koude hoest zal men de beste rozijnen nemen en ze in wijn koken en die wijn zal men drinken’.

frucht also genant

Das cccxxii Capi

Pinee latine·

(Die meister spτechen das dÿe pinee gar gůtte genüczet sind in der erczneÿ und ee man die bτauhet so sol man die obersten schelczen ab thůn und hinwerffen·

(In dem bůch circa instans beschreÿben uns die meÿster und sprechen das heiþ und feücht sinde von natur und ir tugent ist weichen und feüchtung bτingen.

(Diascoτides spτichet das man die kern nücz in der erczneÿ und darauþ machet man electuaria·und sÿropel·Pinnee sind gůt und aller beste genüczt den jr naturlich krafft und geist entgangen sind·und sind gůt genüczet den die sich an jerm leibe von kranckheit verzert haben·(Pinnee die meren das geblŭte und benemen das keychen·zů allen dÿsen kranckheiten mag man pinee eingeben oder einnemen mit einen sÿropel oder mit einer electuarien oder mit jm selber·(Wôlicher dissintericus wåre das ist das er fast zů stůlgange also das blůtt mit gienge·der laþ den rauch von dem wasser unden auffgeen darjnn man die pinee gesotten hatt es hilffet·(Pinee gesoteen und die also weich gestossen geleiche den mandeln und darauþ gemachet ein bτeÿ mit zucker und klein rosÿn darunder gemüschet und das genüczet geleich einen seüflin mit hôner bτŭe dienet wol allen kranckheiten und sunderlich asmaticis das sind die da keichenn und ein kurczen atem haben·und den selben dÿe dÿsen gebτechenn haben sol man zů rüren ein bett darauff ist man meer siczen dan ligen·

(1) Een vrucht alzo genaamd.

Dat 322ste kapittel.

Pinee Latijn. (Pinus pinea)

De meesters spreken dat de pingels erg goed genuttigd zijn in de artsenij en eer men die gebruikt zo zal men de bovenste schaal af doen en heen werpen.

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat het heet en vochtig is van natuur en zijn deugd is weken en vochtigheid brengen.

Dioscorides spreekt dat men de kern nuttigt in de artsenij en daaruit maakt men likkepot en siroop. Pingels zijn goed en allerbest genuttigd die hun (2) natuurlijke kracht en geest ontgaan zijn en zijn goed genuttigd die zich aan hun lijf van ziekte verteerd hebben. Pingels die vermeerderen dat bloed en benemen dat kuchen, tot al deze ziekten mag men pingels ingeven of innemen met een siroop of met een likkepot of met zichzelf. Wie dysenteria heeft, dat is dat hij erg te stoel gaat alzo dat bloed mee gaat, die laat de rook van het water onderop ingaan daarin men de pingels gekookt heeft, het helpt. Pingels gekookt en die alzo week gestoten gelijk de amandelen en daaruit gemaakt een brei met suiker en kleine rozijnen daaronder gemengd en dat genuttigd gelijk een soepje met hoenderbouillon dient goed alle ziektes en uitzonderlijk (3) astmatici, dat zijn die er kuchen en een korte adem hebben en diezelfde die deze gebreken hebben zal man ze tot rusten een bed geven daarop is men meer zitten dan liggen.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze boom heet hier te lande pijnboom of pijnappelboom en tamme pijnboom naar de Latijnse naam Pinus en Pinus sativa. De gehele vrucht die we pijnappels noemen en de Hoogduitse Zyrbel.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (3) Ze zijn goed tegen ademgebrek, tegen pijn in longen en tegen vertering. Ze hebben de kracht om te verzachten, te zuiveren en vochtig te maken. (2) Het is het allerbeste eten voor diegene die pijn in de longen of blaren in de borst hebben’.


also genant cccxxiii

Pistacea grece·arabice pistoch sive fustech·latine fistica·

(Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel pistoch id est piscata spτichet das dise sind feücht dÿe wachsen in dem land damasco·

(Rabÿ moÿses in dem capitell de piscactis spτichet daz under allen früchten piscacee die besten sinde sÿ stercken auch dem magen und die leber·(Piscaceen sind heÿþ·und auch trucken getemperiert·[356] (Diascoτides spτichet das dÿse frucht gebτauchet werde in d erczneÿ und wechset über see·

(Isaac die frucht geessen gibet gůt foτderung und stercket sere und ôffnet die bτust und reÿniget die lung·(Galienus spτichet das das ôle von diser fruchte·dem haubt gůt seÿ das damit bestrichen·(Averrois in dem funfften bůch colliget genant spτichet das dÿse fruccht geessen gar gůt seÿ dem magen·und er mag davon nit verstopffet werdeen noch zů sere laxieren·wan sie heltt den magen lustig aber man soll jr nit zů vil essen·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτichet das dise frucht sterckett das hercze und bτinget dem gůtte geblŭdte·(In dem bůch circa instans in dem capitel piscacee beschreÿben uns die meister und spτechen das dÿse frucht zů essen sey geleich den mandeln·(Dise frucht gestossen und darunder gemischet nux indica·ÿegkliches ein halb lot dar zů ein quintin satirionis·und diþ under einander conficieret mit hônig und damtt gestrichen umb das gemecht bτinget coitum und meret die natur sperma genant·

(1) Pistache, 323ste kapittel.

Pistacea Grieks. Arabisch pistoch sive fustech. Latijn fistica. (Pistacia vera)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel pistoch, id est pistache, spreekt dat deze zijn vochtig en die groeien in het land Damascus.

Rabbi Moises in het kapittel de pistache spreekt dat onder alle vruchten pistache de beste zijn, ze versterken ook de maag en de lever. Pistache zijn heet en ook droog getemperd. [356] Dioscorides spreekt dat deze vrucht gebruikt wordt in de artsenij en groeit over zee.

Isaac, die vrucht gegeten geeft goede bevordering en versterkt zeer en opent de borst en reinigt de longen. Galenus spreekt dat de olie van deze vrucht het hoofd goed is, dat daarmee bestreken. Averroë in het vijfde boek colliget genaamd spreekt dat deze vrucht gegeten erg goed is de maag en die mag daarvan niet verstopt worden noch te zeer laxeren want ze houdt de maag lustig, maar men zal die niet te veel eten. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt das deze vrucht versterkt dat hart en brengt die goed bloed. In het boek Circa instans in het kapittel pistache beschrijven ons de meesters en spreken dat deze vrucht te eten is gelijk de amandelen. (2) Deze vrucht gestoten en daaronder gemengd kokosnoten, van elk een half lood, en daartoe een 1,67 gram orchidee en dit elkaar gemengd met honing en daarmee gestreken om dat geslacht brengt coïtus en vermeerdert de natuur sperma genaamd.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze nootjes worden hier te lande gewoonlijk fisticien genoemd, in de apotheken Fistici, in het Grieks Pistacion. Duits Pistazie.

Herbarijs; ‘(2) En ze vermeerderen geslachtsdrift zoals de amandels doen’.

byrn cccxxiiii Capi

Pira latine·grece rümetiran·arabice cumechere·

(Serapio in dem capitel cumechre id est pÿra beschreÿbet uns und spτichet das der sind zweÿerhande die ein zåm die andern wilde·Die zåmen machenn feüchtunge und wan man die ÿsset gebτaten oder gesotten so stercken sÿe den magen und benemen den durste·(Die wilden bÿrn die stopffen·und bτingen des magen auff stossen·(Die grossen zåmen bÿeren sind besser dan die kleinen in der speise·Aber doch dÿe kleÿnen rohe·geessen speisen meer dann dÿ grossen·(Platearius bÿrn dÿe bτingen das dårme gesucht wer [357] der vil ÿsset·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel pÿra beschreÿbet uns und spτichett das dÿe bÿren eÿgenschaft an im haben das sÿ bτingen colicam passionem und darumb ist es gůtt·und nücz nach dem bÿren getruncken starcken wein und auch specereÿen genüczet als dan ist pfeffer und zÿmetrÿnden·(Dÿascorides spτichet das gekochtt bÿren gůt sind wan sie stercken und weichen den bauch·(In dem bůch circa instans in dem capitel pÿra beschreiben und die meÿster unnd spτechen das die wilden bÿrenn kelter sind von natur dan die zåmen·und jr beÿder safft genüczt voτ dem essen stopffent dem bauche·und nach dem essen laxieret der safft den genüczet·unde versus. Ante cibum stipant post cibum coτpoτa laxant·(Bÿrn gesotten in wasser und darnach die gestossen und auff den magen geleget benÿmmet das bτechen das siche erhebet von der colera·(Ipocras spτichet das allezeit nach den bÿren sol getruncken werden gůtter starcker wein umb das grÿmmes willen des bauches·

(1) Peren, 324ste kapittel.

Pira Latijn. Grieks rümetiran. Arabisch cumechere. (Pyrus communis)

Serapio in het kapittel cumechre, id est pÿra, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig, de een (2) tam en het andere wild. De tamme maken vochtigheid en als men die eet gebraden of gekookt zo versterken ze de maag en benemen de dorst. De wilden peren die stoppen en brengen de maag uitstoten. De grote tamme peren zijn beter dan de kleine in de spijs. Maar toch de kleine rauw gegeten spijzen meer dan de grote. Platearius, peren die brengen de darmenziekte wie [357] die veel eet. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel pÿra beschrijft ons en spreekt dat de peren eigenschap aan zich hebben dat ze brengen colicam passionem en daarom is het goed en nuttig na peren te drinken sterke wijn en ook specerijen genuttigd zoals dan is peper en kaneel. Dioscorides spreekt dat gekookte peren goed zijn want ze versterken en weken de buik. In het boek Circa instans in het kapittel pÿra beschrijven ons de meesters en spreken dat de wilde peren kouder zijn van natuur dan de tamme en hun beider sap (3) genuttigd voor het eten verstopt de buik en na (4) het eten laxeert het sap, dan genuttigd en versus: Ante cibum stipant post cibum corpora laxant. Peren gekookt in water en daarna die gestoten en op de maag gelegd beneemt dat braken dat zich verheft van de gal. Hippocrates spreekt dat altijd na de peren zal gedronken worden goede sterke wijn vanwege dat grommen van de buik.

(1) Dodonaeus; ‘De tamme peerboom wordt in het Latijn Pyrus genoemd, in het Hoogduits Byrbaum. De vrucht zelf heet in het Hoogduits Byrn en Byre.

Herbarijs; ‘(3) Tamme peren rouw gegeten of gebraden na ander spijs laten door hun zwaarheid andere spijs zinken en liggen los in dat vat. Maar wilde peren gegeten voor het eten stijven de loop. Echter peren gekookt in regenwater en gestampt en gepleisterd op de krop van de maag is goed tegen (4) walgen en spuwen.

apfel cccxxv Ca

Pomum latine.

(Die wirdigen meÿster spτechen gemeinklich das do sind mancher hand ôpfel·Ein sind genant poma cetonia·ettlich poma citri von der wir in dÿsem capitel sagen·ettlich poma arancie·ettlich poma granata·etlich poma paradisi·ettlich sind auch genannt poma ethiopia etlich poma maciana·(Rabÿ moÿses schreibet das ôpffel und sunderlich die zåmen von jr m gůten gerauch stercken das hercz und das hÿrn und sind gůt ptisicis das ist die das abnemen hand und melancolicis. (Auch spňicht er dz ôpfel rohe geessen ungesund sind wann alle ander obs·wan sÿ bňingen [358] bôse feüchtunge aller glider·

(Galienus in dem sÿbenden bůche genant simplicium farmacoτum in dem capitel millia·id est pomaria et est arboτ pomoτum beschreibet uns und spτichet das ôpffel nit haben ein natur wan ein teile sind sŭþ ein teyl sauer·ein teÿll wessericht ein teil sind scharpff·und jr yegkliche hat ir eÿgen natur darnach sÿe sind·wan sind si sŭþ so sind sÿ warme und trucken von natuur·sind sÿ sauer so sinde sie kalt von natur·(Auch spτichet Galienus das aller safft der ôpffel jr feuchtigkeit nitt behalten mügen on allein malacitonia·dz sind kutten ôpffel·wan man aber jr safft bereit mit hônig und zucker oder ander specereÿen so weret sÿe des lenger·(Item poma citri haben auch mancherleÿ natur an jn wan die rinden aussen daran die ist heiþ und trucken. Die keren jnwendig sind kalt und trucken·das mittelteÿl in dem apffel ist heiþ und feücht·(Die rinden der ôpfel die man nennet granat ôpffel rohe geessen stercken das hercz und benemen das herczen zÿttern·(Die kern in eÿnn wasser geleget und das wasser darnach in dem munde gehalten und senfftigklich eingeschlickett benÿmmet die scherpffunge der kelen·und benÿmmet auch des magen auff stossen·

‘(1) Appel, 325ste kapittel.

Pomum Latijn. (Malus en Citrus aurantium subsp. amara)

De eerwaardige meesters spreken algemeen dat er zijn veel soorten appels. Een is genaamd poma cydonia, ettelijke citroenen waarvan we in dit kapittel zeggen, ettelijke oranjeappels, ettelijke granaatappels, ettelijke paradijsappels, ettelijke zijn ook genaamd poma ethiopia, ettelijke houtappels. Rabbi Moises schrijft dat appels en vooral de tamme vanwege de goede reuk versterken (2) dat hart en de hersens en zijn goed ftisis of tering, dat is die dat afnemen hebben, en melancholici. Ook spreekt hij dat appels rauw gegeten ongezonder zijn dan alle andere ooft want ze brengen [358] kwade vochtigheid alle leden.

Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel millia, id est pomaria et est arbor pomorum, beschrijft ons en spreekt dat appels niet hebben een natuur want een deel is zoet, een deel zuur, een deel waterachtig en een deel is scherp en elke heeft zijn eigen natuur daarnaar ze zijn want zijn ze zoet dan zijn ze warm en droog van natuur, zijn ze zuur zo zijn ze koud van natuur. Ook spreekt Galenus dat alle sap van de appel hun vochtigheid niet behouden mag, dan alleen mala Cydonia, dat zijn kweeappels, als men echter hun sap bereidt met honing en suiker of andere specerijen zo duurt ze des te langer. Item, citroenen hebben ook veel natuur aan zich want de bast buiten daaraan die is heet en droog. Die kern inwendig is koud en droog, dat middelste in de appel is heet en vochtig. De bast van de appels die men noemt granaatappel rauw gegeten versterkt dat hart en beneemt dat hart sidderen. Die kern in een water gelegd en dat water daarna in de mond gehouden en zachtjes ingeslikt beneemt de scherpte van de keel en beneemt ook de maag uitstoten.

Het is meer een verzamellijst van ‘appels’. Volgens de Gart wordt hier van citroenen gesproken. In kapittel 116 hebben we Citrus medica al gehad, in kapittel 327 komen de limoen tegen. In kapittel 266 zien we de appel.

Dodonaeus; ‘De naam Malus of Malum werd bij de oude Latijnse meesters van vele soorten van vruchten begrepen en zo betekent het woord appels tegenwoordig bij ons ook zeer veel van elkaar verschillende vruchten en dat meest naar de gelijkenis die ze alle enigszins hebben met de gewone appels die zo eigenlijk heten. De Latijnse naam Pomum en de Griekse Malum of Melea zijn meest gebruikelijk om alle vruchten aan te duiden die weke schillen hebben, hetzij dat aardvruchten, hetzij boomvruchten zijn. Dan het gebruik van die namen is verschillend want sommige heten Pomum en niet Malum en sommige heten Malum die met de naam Pomum niet bekend zijn’.

Dodonaeus; ‘De bloemen van de oranjeappels gedistilleerd staat in zoetigheid alle andere wateren te boven en is zeer nuttig tegen de pestachtige koortsen daar peperkoren bij is, zes ons tegelijk gedronken en anderhalf ons gedronken geneest de gebreken van de baarmoeder en bevordert het kinderbaren en hetzelfde van buiten met andere dingen vermengt (2) versterkt het hart.

psillienkraut

Das cccxxvi Capi

Psillium latine·grece pipersilium arabice hazarahona vel bestercatan·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hazarachona·id est psillium besccreibet unns und spτichet das diþ seÿ ein kraute und hat zotticht bleter und hat ein langen stengel und dz kraut mit ein ist dick und zotticht und hat oben zwen oder dτeÿ kôpff·in den ist samen d ist schwarcz geleich dem flôhen und dem samen nüczet man in der erczneÿ·(Avicenna in seinem andern bůch beschreibt uns und spτicht das d same seÿ kalt und feücht an dem andern grade·[359] (Johannes mesue in dem capitel psillium spτicht·dz der same seÿ veråndern des menschen natur und bτinget stůlgång dem genüczet·Und spτicht dz dises der beste samen seÿe der do in dem wasser pτobieret wirt·wann diser same der hat zwů natur an jm und die mügen in dem waþser geteilet werden·die ein ist under der schelffen auþwendig des samens·dz ander ist daz marck das in dem samen ist·Und das marck in dem samen ist von natur heÿþs und trucken an dem vierden grad·und ist fast scharpff und in jm ist vergifft·aber die ausser rÿnden des samens die ist kelten von natur und hat kein veτgifft in jr·und darumb spτechen die meister gemeinklichen dz diser same zal zerstossen werden und in dem wasser gewåschen dz die jnnerlich materie herauþ komm so mag man den dann nüczen in der erczneÿ. (Avicenna spτicht dz diser same gemüschet mit rosen ôle benÿmt alle schmerczen des leÿbes von hicze kommend·darauf gelegt als ein pflaster·(Auch d same zerknischet und gemischet mit eþsich·und auff die heÿssen bôsen blatter geleget als ein pflaster zeühet vil hicze darauþ·und sundlich so dienet dises wol herisipilosis und das ist allzeÿt mit hÿcze vermüschet·(Der samen ist vil besser aussen an den leÿbe gemüschet wz do hiczig ist dan jnwendig des leibes·(Item disen samen under die zungen geleget ist bτechend den durst und ist gůt wider die dôτrigkeit der zungen die do von hicze ist kommen·

(1) Vlokruid.

Dat 326ste kapittel

Psillium Latijn. Grieks pipersilium. Arabisch hazarahona vel bestercatan. (Plantago psyllium)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hazarachona, id est psillium, beschrijft ons en spreekt dat dit is een kruid en heeft behaarde bladeren en heeft een lange stengel en dat kruid meteen is dik en behaard en heeft boven twee of drie koppen waarin is het zaad en dat is zwart gelijk de vlooien en die zaden nuttigt men in de artsenij. Avicenna in zijn andere boek beschrijft ons en spreekt dat het zaad is koud en vochtig aan de andere graad. [359] Johannes Mesue in het kapittel psillium spreekt dat het zaad is veranderen de mensen natuur en brengt stoelgang, die genuttigd. En spreekt dat dit is het beste zaad dat in het water geprobeerd wordt want dit zaad dat heeft twee naturen aan hem en die mogen in het water gedeeld worden, de ene is onder de schaal uitwendig van het zaad, de andere is dat merg dat in het zaad is. En dat merg in het zaad is van natuur heet en droog aan de vierde graad en is erg scherp en in hem is vergif, maar de buitenste bast van het zaad dat is verkoelend van natuur en heeft geen vergif in zich en daarom spreken de meesters algemeen dat dit zaad zal gestoten worden en in het water gewassen zodat de innerlijk materie eruit komt dan mag men dat nuttigen in de artsenij. Avicenna spreekt dat dit zaad gemengd met rozenolie beneemt alle (2) smarten van het lijf dat van hitte komt, daarop gelegd als een pleister. Ook dat zaad gekneusd en gemengd met azijn en op de hete kwade blaren gelegd als een pleister trekt veel hitte daaruit en verzacht en dient dit goed erysipelas of belroos en dat is altijd met hitte vermengt. Het zaad is veel beter buiten aan het lijf gemengd wie er heet is dan inwendig het lijf. (3) Item, deze zaden onder de tong gelegd is breken de dorst en is goed tegen de (4) droogheid van de tong die er van hitte is gekomen.

(1) Dodonaeus; ‘Vloy-kruid noemt men dit gewas in Nederland, in Hoogduitsland Psylienkraut en Flohekraut.

Maerlant; ‘Psillium is koud en nat, Platearius zegt dat.(2) In zuchten is het goed, als men heeft begrepen, en men van de ziekte de tong schraapt en bindt in een doekje vlokruid en dat moet genat zijn in koud water en wrijf ze daarmee. Die van de eerste heeft pijnlijkheden, (3) hou het zaad onder zijn tong. (4) Die van droge hoest is gebonden, men zal psillum, dat is geen grap, in water leggen een wijle en uitgieten dat daarna, men neme koud water dan daarna en nuttig dan dat zaad, dat is de zieken toeverlaat’.

Citrin opfel

Das cccxxvii Ca

Poma citrinia latine·

(Die meister spτechen das dises sind ôpffel und haben auch ein underscheÿde mitt den granat ôpffeln als du dann gelesen hast das capitel granatum·Und hie ist zů meτcken als ÿsaac spricht dz diþ citrini ôpffel haben vierleÿ an jn·Daz erste ist die schal·dz ander das fleÿsch·das dτitte dz marcke·das vierde ist der samen und der ÿegklichs hat ein besundere natur an jm·(Die (ÿ·j·) [360] schale ist heiþ und trucken am dem andern grad·Dz fleisch hievon ist kalt und feücht an dem ersten grad·und sein kelte ist mer dann sein feüchtigkeit·Dz marck ist zů vil subtil und hat nit feüchtigkeit·Der same ist seüerlat und von natur kalt und feücht an dem zweÿten grad·Diser same hatt macht den durst zůleschen und ist gůt krancken leüten·Die schale mit wein getruncken vertreibet daz sterblich fenÿn·Das fleisch zeessen ist nit gůt und sunderlich den die do kalt mågen haben dz marck hievon ist wenig nücz dem menschen wann es gar wenig fůret.(Paulus spτicht dz die frawen die do schwanger sind diþs fleisch von disem apffel geessen vertreibt jn die bôsen gelüste.

Limoen.

Dat 327ste kapittel.

Poma citrinia Latijn. (Citrus aurantifolia Swingle (Citrus x limonia. Citrus medica var. limon, L.)

De meesters spreken dat dit zijn appels en hebben ook een onderscheid met de granaatappel zoals u dan gelezen hebt in het kapittel granatum. En hier is te merken zoals Isaac spreekt dat deze limoenappels hebben vier soorten deugd aan zich. De eerste is de schaal, de andere dat vlees, de derde het merg, dat vierde is het zaad en elk van hen heeft een aparte natuur aan zich. De [360] schaal is heet en droog aan de andere graad. Dat vlees hiervan is koud en vochtig aan de eerste graad en zijn koudheid is meer dan zijn vochtigheid. Dat merg is te veel subtiel en heeft niet vochtigheid. Het zaad is zuurachtig en van natuur koud en vochtig aan de tweede graad. Dit zaad heeft macht de dorst te lessen en is goed zieke mensen. De schaal met wijn gedronken verdrijft dat sterflijke venijn. Dat vlees te eten is niet goed en vooral die er een koude maag hebben, dat merg hiervan is weinig nut de mensen want het erg weinig voedt. Paulus spreekt dat de vrouwen die er zwanger zijn dit vlees van deze appel gegeten verdrijft hen de kwade lusten.

Zie kapittel 116 waar de vanouds bekende citroen in voorkwam, kapittel 325 van appels, maar meest van citroen, welke blijft over, de vorm Citrius medica Limonium die nu Citrus aurantifolia heet.

(1) Dodonaeus; ‘Dit tweede geslacht heet in het Latijn Pomum Limonium of Limonium Malum, in de apotheken Limones en in het Nederduits limonen of limoenen, Citrone, Zitrone. Ook Lemonien en Limanien in midden Hoogduits.

Heymisch morchen

Das cccxxviii C

Pastinata domestica latine.

(Die meister spτechen in dem bůch pandecta in dem fünfften unnd zweÿeten capitel·das do seÿe dτeÿer handt moren·Dÿe einen nennet man baucia das sind gemein moτchen·Die andern daucus·das sind die wilden moτchen·und dise werden geteilet in zweÿ teil·Die erst heisset daucus asininus·die ander daucus domesticus·Von diser leczten sagen wir in disem capitel·wann bey dem dauco domestico sôllen wir versteen pastinaca domestica·Von der eτsten hast du gehôτt in dem capitel de baucia·Von der andern die man nennet daucus findest du in dem capitel de daucus genant·(Galienus in dem bůch genant de cibis in dem capitel pastinaca spτicht·das dise wurczel gůt seý zů eþsen·(Dise wurczeln ist warm machen in dem mittel des anderen grads·unnd feücht machen in dem eτsten grad·(Dise wurczeln machen fast wol hårmen und sunderlichen so dienet dise wurczeln melancolicis·(Dise wurczel meτet coitum dz ist begierde des mannes zů frauwen. (Item pastinaca domestica die sind gesunt in speÿse zů nüczen besunder die wurczeln wann sÿ bτingen gůt geblüt·Und die wilde pastinata bτinget bewegung des harms und bewegen frawen feüchtung·(Item die wurczeln [361] pastinate an den halþ gehenckt ist gůt wid die geschwulst des hals·(Auch machet die wurczel getragen beÿ dem menschen·das kein vergifftiges thiere geleczen mag den menschen pandecta·

(1) Pastinaak.

Dat 328ste kapittel.

Pastinata domestica Latijn. (Pastinaca sativa)

De meesters spreken in het boek Pandecta in het vijfde en tweede kapittel dat er drie soorten peen zijn. De ene noemt men baucia en dat is de gewone peen. De andere Daucus en dat is de wilde peen en deze wordt gedeeld in twee delen. De eerste heet Daucus asininus en de ander (2) Daucus domesticus. Van deze laatste zeggen we in dit kapittel want bij de Daucus domesticus zullen we verstaan Pastinaca domestica. Van de eerste heeft u gehoord in het kapittel baucia. Van de andere die men noemt Daucus vindt u in het kapittel Daucus genaamd. Galenus in het boek genaamd de cibis in het kapittel Pastinaca spreekt dat deze wortel goed is te eten. Deze wortel is warm maken in het midden van de andere graad en vochtig maken in de eerste graad. Deze wortels maken erg goed plassen en vooral zo dient deze wortels melancholici. (2) Deze wortel vermeerdert coïtus, dat is begeerte van de mannen tot vrouwen. Item, Pastinaca domestica die zijn gezond in spijs te nuttigen en vooral de wortels want ze brengen (3) goed bloed. En de wilde Pastinaca brengt beweging van de urine en bewegen vrouwen vochtigheid. Item, de wortels [361] Pastinaca aan de hals gehangen is goed tegen de gezwellen van de hals. Ook maakt die wortel gedragen bij de mensen dat geen vergiftig dier letten mag de mensen, Pandecta.

Zie kapittel 147 voor wilde peen en 62 voor gewone peen. De afbeelding geeft bij peen een gele bloem, maar omgekruld zoals die van Daucus. Diezelfde afbeelding wordt ook voor de pastinaak gebruikt. De wilde wordt zonder bloem afgebeeld.

(1) Dodonaeus’; De eerste van deze twee kruiden dat tam is en gezaaid wordt is tegenwoordig met de naam Pastinaca overal bekend en wordt in het Grieks ook Staphylinos genoemd en in Hoogduitsland Moren, Welsz Moren en ook Zam Moren.

Herbarius in Dyetsche; Het heeft de kracht om goed bloed en dik te maken, (2) daarom vermeerdert het onkuisheid. Voor diegene die van ziekte opstaan of de droefgeestige is het goed om dit rouw of gekookt te eten. (2) Van haar maak je een ingemaakte of ingelegde spijs net zoals je het doet van Eringo (dat zijn kruisdistels) om de minne te verwekken. Als je de wortel gebruikt maakt het goed bloed, het vermeerdert sperma en maakt een goede voorbereiding om daar omtrent te verteren. (3) Het maakt goed bloed en vermenigvuldigt sperma.


Pfeffer cccxxix C

Piper grece et latine·arabice falfell·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel falfell·idest piper beschτeibt uns und spτicht dz piper seÿ ein baum d wechset in dem lande jndia·und der hat bleter geleich dem wåchalteren baum und der bτinget einen langen samen und den nennet man macro piper·a macro piper qd est longum·Das ist langer pfeffeτ·un wenn der gar zeÿtig ist so ist er schwarcz und wenn er noch nit gar gezeitiget ist so ist er weiþ·Under disem baume sind allwegen vil schlangen·und in dem selben gewålde do dÿse baume wachþen do ist alle zeÿt streÿt der schlangen·und wenn die schlangen einander geschiessen und gestechen so erholend sÿ sich widerumb an disem baume und sunderlich an dem kraut dz darunder wechþt·und wenn dise frucht zeÿtig ist·so zündend die selbigen leüt die baume an mit feüwer das sÿ bτinnend so fliehend die schlangen von dem feüwer und von den flammen so wirt der lang pfeffer rauhe und knodat und ander pfeffer der ist rund und långelat und wenn man dem bτicht so findet man kôτner darjnn und dz heÿsset ronder pfeffer·(Auch so spτechen etliche meister das diser de do wechþt in jndia so er blŭet·so wirt d blŭe vil beÿ einand und die wachþen dan also mit einen knopffen auff und bτingen samen und kôτner. (Galienus in dem sibenden bůch genaat simplicium farmacoτum beschτeibt uns und spτicht·dz der seÿ heiþ und trucken an dem vierden grad·und spricht auch dz der lange pfeffer und der runde gehalten mügent werden·xl·jar unverseret an jrer krafft·Sein tugent ist auflôsen und verzeren und zů jm ziehen·(Serapio spτicht·das pfeffer mit wein getruncken benýmmt febτes quartanas·(Pfeffer kôτ (ÿ·ij·) [362] ner unnd gebτennen knoblach under einander gemüschet und das ein genommen mit weτmůt safft benÿmmet das grÿmmen in dem leÿb·(platearius spτichet·Wer dick pfeffer ÿþset der wirt unkeüsch·und die frawen die do des nüczen die werdend unfruchtber·(plinius pfeffer gemischet mit steinbτechen samen und die do zůsamen gebulferet und die do in die nasen gelassen dz zeühet vil bôser flegma an sich und machet do das haubt leicht·(Item beÿde pfeffer lang und ronde machen wol deüwen und machen mager der uτsachen halben dz sÿ sind trucken und verzeren feüchtigkeit des menschen·

(10 Peper, 329ste kapittel.

Piper Grieks en Latijn. Arabisch falfell. (Piper nigrum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel falfell, id est Piper, beschrijft ons en spreekt dat peper is een boom die groeit in het land India en die heeft bladeren gelijk de (2) jeneverboom en die brengt lange zaden en die noemt men macro piper a macro piper qd est longum. Dat is lange peper en als die erg rijp is dan is die zwart en als die noch niet eg rijp is dan is het wit. (3) En onder deze bomen zijn altijd veel slangen en in hetzelfde woud daar deze bomen groeien daar is altijd strijd van slangen en als de slangen elkaar beschieten en steken zo verhalen ze zich wederom aan deze boom en vooral aan het kruid dat daaronder groeit en als deze vrucht rijp is dan ontsteken diezelfde mensen de bomen aan met vuur zodat ze branden en dan vlieden de slangen van het vuur en van den vlammen en zo wordt de lange peper rauw en geknoopt en andere peper die is rond en langachtig en als men die breekt dan vindt men korrels daarin en dat heet ronde peper. Ook zo spreken ettelijke meesters dat deze zo groeit in India en zo het bloeit dan worden er bloemen veel bij elkaar en die groeien dan alzo met een knop op en brengen zaden en korrels. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum beschrijft ons en spreekt dat het is heet en droog aan de (4) vierde graad en spreekt ook dat de lange peper en de ronde gehouden mogen worden 40 jaar onveranderd aan hun kracht. Zijn deugd is op te lossen en verteren en tot hem te trekken.Serapio spreekt dat peper met wijn gedronken beneemt vierdaagse malariakoorts. Peper [362] korrels en gebrande knoflook onder elkaar gemengd en dat ingenomen met alsemsap beneemt dat grommen in het lijf. (6) Platearius spreekt: Wie vaak peper eet die wordt onkuis en de vrouwen die dat nuttigen die worden onvruchtbaar. Plinius, peper gemengd met steenbreekzaden en die zo tezamen gepoederd en die in de neus gelaten dat trekt veel kwade flegma aan zich en maakt zo dat hoofd licht. (5) Item, beide peper, lange en ronde, maken goed verduwen en maken mager, vanwege de oorzaak dat ze zijn droog en verteren vochtigheid van de mensen.

Peper was vroeger geheel onbekend, toch heeft de Gart er een afbeelding van. Dodonaeus; ‘Peper wordt in onze taal zo genoemd naar de Griekse naam Peperi, in het Latijn Piper, in het Hoogduits Pfeffer, in het Arabisch fulful, filfil of dar fulful’.

Maerlant; ‘ Plinius zegt en Solinus zeggen dat zijn hout en zijn bladen fijn zijn op de (2) jenever gelijkend. (3) Het woud waar deze bomen staan wachten venijnige dieren en die jaagt men er uit met vuur en aldus wordt bruin dit want zijn natuur die is wit. Lange peper is anders rijp niet wat men onder wel ziet en dat is van de sterkste manier want het is niet gekwetst door het vuur. Dat peper is in de (4) vierde graad droog en heet, dat verstaat.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (5) Als je poeder van peper, vooral van de lange peper, in het eten mengt versterkt het de vertering.

Bertram cccxxx C

Piritrum latine·grece dencanus·Arabice achiraraha sive Acharchara·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel achiraha idest piritrum beschτeibet uns und spτicht·daz dises seÿ ein gewåchþe unnd habe bletter geleich dem fenchel·und sein stammen auch wie der fenchel·und auff dem samen sind kronen geleich dem dÿlle·und sein wurczel ist eines fingers dick oder mÿnder·

(Avicenna in dem andern bůch in dem capitel piritrum beschτeibet uns und spτicht·dz man von disem gewåchþe nichcz anders bτauch in der erczneÿ dann die wurczeln·und dises ist die beste die do scharpff ist in dem mund und auch vil feüchtunge an sich zeühet·(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel Piritrum spτicht·dz die wurczel piritri zeühet vil bôser feüchtung an sich·und benÿmmet schmerczen der zen die wurczeln do in dem mund gehalten·(Der meister paulus spτicht·dz dise wurczel seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grad·In dem wintter so samelt man dise wurczeln·und die weret fünff jar unverseret an jrer natur·Und dises ist die beste wurczel die do dick ist und auch schwår und sich nit bulferifieret wenn man die bτichet·(Und solt wissen dz man die [363] scherpffe der wurczeln nit bald vernÿmmmt in dem munde·sunder wenn die ein weil darjnnen gewesen ist und ein wenig gekeüwet so vernÿmmt man erst jr tugent·(Item jr tugent ist verzeren und czů sich ziehen und von einander ziehen·Piritrum gesoten mit eþsig und feÿgen oder gesoten mit sŭssem wein und den gargarisieret reÿniget do das feüchte hÿren unnd zeühet die bôsen flegma darauþ·(Item piritrum gesoten mit wein und mit baumôle·und die lamen gelÿder damit bestrichen hilffet fast wol. (Also genüczet dienet dises do fast wol bodagricis·dz sind die das gegicht in den fŭssen haben darauff geleget geleich eÿnem pflaster·

(1) Bertram, 330ste kapittel.

Piritrum Latijn Grieks dencanus, Arabisch achiraraha sive Acharchara. (Anacyclus pyrethrum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel achiraha, id est Pyrethrum, beschrijft ons en spreekt dat dit is een gewas en heeft bladeren gelijk de venkel en zijn stam ook als de venkel en op de zaden zijn (2) kronen gelijk de dille en zijn wortel is een vingerdik of minder.

Avicenna in het andere boek in het kapittel Pyrethrum beschrijft ons en spreekt dat men van dit gewas niets anders gebruikt in de artsenij dan de wortel en dit is de beste die er scherp is in de mond en ook veel vochtigheid aan zich trekt. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Pyrethrum spreekt dat de wortel (3) Pyrethrum trekt veel kwade vochtigheid aan zich en beneemt smarten van de tanden, die wortels zo in de mond gehouden. De meester Paulus spreekt dat deze wortel is heet en droog aan de derde graad. (4) In de winter zo verzamelt men deze wortels en die duren vijf jaar onveranderd aan hun natuur. En dit is de beste wortel die er dik is en ook zwaar en zich niet gepoederd als men die breekt. (5) En zal weten dat men die [363] scherpte van de wortels niet gauw verneemt in de mond maar vooral die een tijd daarin geweest is en een weinig gekauwd dan verneemt men eerst zijn deugd. Item, zijn deugd is verteren en tot zich trekken en van elkaar trekken. (6) Pyrethrum gekookt met azijn en vijgen of gekookt met zoete wijn en dat gorgelen reinigt je de vochtige hersens en trekt het kwade flegma daaruit. Item, Pyrethrum gekookt met wijn en met olijvenolie en de lamme leden daarmee bestreken helpt erg goed. (7) Alzo genuttigd dient dit zo erg goed podagricis, dat zijn die de jicht in de voeten hebben, daarop gelegd gelijk een pleister.

(2) De afbeelding laat een asterachtige zien, een plant zoals deze. Het zou ook nog wilde bertram kunnen zijn, Achillea ptarmica.

Dodonaeus; ‘Dit kruid heet in Nederduits bertram en insgelijks in het Hoogduits ook Bertram of bij sommige Seyferwurtz.

Herbarijs; (4) In de winter zal men ze verzamelen en ze blijven 5 jaar goed.

Herbarius in Dyetsche; ‘(5) Pyrethrum is scherp en als je het kauwt dan proef je eerst zijn scherpheid niet. Maar je zal het al kauwende in de mond houden en het zo proberen. (3) Het heeft de kracht om te ontbinden, tot zich te trekken en te verteren.

Een gorgelwater die van azijn en wijn gemaakt is waar de wortel van bertram en gember met droge vijgen in gekookt zijn geneest en (6) zuivert de hersens van haar slijmachtige overvloed en verteert de vochtigheid van de ogen.

De gestampte wortel met Primula veris in wijn en olie gekookt en op (7) de jichtige of fleerfijnachtige plaatsen gepleisterd helpt zeer.

Pfersichkraut

Das cccxxxi Ca

Persicaria latine·

(Die meister spτechen gemeÿnigklichen dz dises seý ein kraute und geleichet an den blettern pfersich baum blettern·Und dise bleter und wurczeln ist gůtt zů erczneÿ des geleichen die blůmen·Es wechþt an feüchten steten die wåsserig sind·(Dÿses safft sol man nemen unnd das thůn in die oτen darjnnen würme sind·sÿ sterben davon·(Dises kraut unnd blůmen dienet für die fisteln und feÿgwårczen. Dises wechþt in zweÿerleÿ gestalt·das ein kraut hatt mitten bτaune flecken·dz ander keÿnen flecken·(Das erst hat die obgeschτibnen tugent·daz and ist ein kraut zů hiczigen und damit auff zů lôsen die schwarczen bôsen blattern·(Die bleter und wurczeln zerknüschet und darauff geleget geleich einem pflasteτ·(Etlich meister nennen dises leczte kraut piper aque das ist wasserpfeffer·und hicziget die haut geleich dem pfeffer in dem munde·(Dise wurczeln und des geleichen die erste dienendt fast wol den feüchtblattern darauff geleget·

(1) Perzikkruid.

Dat 331ste kapittel.

Persicaria Latijn. (Persicaria maculosa)

De meesters spreken gewoonlijk dat dit is een kruid en lijkt aan de bladeren op de perzikboom bladeren. En deze bladeren en wortels zijn goed tot artsenij, desgelijks de bloemen. Het groeit aan vochtige plaatsen die waterachtig zijn. Dit sap zal man nemen en dat doen in de oren daarin wormen zijn, ze sterven daarvan. Dit kruid en bloemen dient voor de etterwonden en aambeien. (2) Deze groeit in twee vormen, dat ene kruid heeft midden bruine vlekken en de ander geen vlekken. De eerst heeft de opgeschreven deugd en de andere is een kruid te verhitten en daarmee op te lossen de zwarte kwade blaren, de bladeren en wortels gekneusd en daarop gelegd gelijk een pleister. Ettelijke meesters noemen dit laatste kruid piper aque, dat is waterpeper, en verhit de huid gelijk de peper in de mond. Deze wortels en desgelijks de eerste dienen erg goed de aambeien, daarop gelegd.

Zie kapittel 428.

Dodonaeus; ‘Wij noemen dit kruid persick cruydt, in het Latijn Persicaria naar de gedaante die de bladeren daarvan met de bladeren van de persenboom hebben, in het Hoogduits heet het Persichkraut en Flochkraut’.

Petroleum ein ole also genant

Das cccxxxii Ca (ÿ·iij·) [364]

Petroleum grece et latine·

(Der meÿster Cassius felix in dem capitel petroleo beschτeibet uns und spτicht·das dÿses sey ôle das kommet auþ den felþen unnd dises findet man an den zweÿfeltigen bergen·unnd schwiczet durch die stein·und daz selbig ôle ist schwarcz·unnd so man es seüdet so wirt es weÿþ. (Avicenna spτicht dz petroleum seÿ heiþ und trucken biþ auff den vierden grad·(In ettlichen baden findet man auch dises ôle und dz ist schwarcz und wenn man dises seüdet so wurt es auch weÿþ·und anff den boden do felt dicke materien geleÿch den hessen die sol man sunderlichen sieden und behalten und dz lauter auch für sich selbs oder ÿegkliches besunder·und dises ist dz beste das do ist weiþ unnd hat ein farbe geleich einem granat apffel·und das auch lautter ist dises wirt gar dicke gefelschet und schwårlichen erkennet·dann diþ ôle hat in jm gar einen starcken gerauch·darumb wirt es gemischet mit anderm ôle·sein tugent ist auflôsen und zû jm ziehen und verzeren. Dises ôle ist gůt den lamen gelidern damit geschmieret und dienet dem fŭssen weetumb genant podagra·und lenden weetumb und wider dÿe kalten sucht und darm gegicht dise süchte die mag man mit disem ôle heilen dise obgeschτiben gebτesten·(Wider den stein ist es die aller beste erczneÿ die lenden und ob dem gemåchte damit geschmieret·(Wer dz keÿchen het von kelte und einen alten hůsten der schmiere die bτust auþwenig damit für die gebτesten d matricen die do komment von kelten dienet diþ ôle fast wol auþsen an geschmieret·(Item wid die auffstossung d můter so sol man petroleum auff kolen den rauch in die nasen empfahen und die můter damit bereüchen unden heτauff mit laudano so seczet sich die můter wider jn jr stat.

(Petroleum geschmieτet auf den verkalteten magen·ist darzů gůt platearius·

Petroleum, een olie alzo genoemd.

Dat 332ste kapittel. [364]

Petroleum Grieks en Latijn.

De meester Cassius Felix in het kapittel petroleum beschrijft ons en spreekt dat dit is een olie en dat komt uit de rotsen en deze vindt men aan de zwavelachtige bergen en zweet door de stenen en dezelfde olie is zwart en zo man het kookt zo wordt het wit. Avicenna spreekt dat petroleum is heet en droog tot op de vierde graad. In ettelijke baden vindt men ook deze olie en die is zwart en als men die kookt dan wordt het ook wit en op de bodem zo valt dikke materie gelijk de hessen en dat zal men apart koken en behouden en dat zuivere ook voor zichzelf of van elk apart en dit is de beste dat er is wit en heeft een kleur gelijk een granaatappel en dat ook zuiver is, deze wordt erg vaak vervalst en is moeilijk te herkennen, dan deze olie heeft in hem erg een sterke reuk en daarom wordt het gemengd met andere olie, zijn deugd is oplossen en tot hem trekken en verteren. Deze olie is goed de lamme leden daarmee gesmeerd en dient de voetenpijn genaamd podagra en lendenpijn en tegen de koude plas en darmjicht, deze ziektes die mag men met deze olie helen deze opgeschreven gebreken. Tegen de steen is het de allerbeste artsenij, de leden of het geslacht daarmee gesmeerd. Wie dat kuchen heeft van koudheid en een oude hoest die besmeert de borst aan de buitenkant daarmee, voor de gebreken van de baarmoeder die komt van koudheid dient deze olie erg goed, buiten aan gesmeerd. Item, tegen de uitstoting van de baarmoeder zo zal men petroleum op kolen en de rook in de neus ontvangen en de baarmoeder daarmee beroken onderop met laudanum, zo zet zich de baarmoeder zich in zijn eigen plaats.

Petroleum gesmeerd op de verkouden magen is daartoe goed, Platearius.

Petroleum. Petros; rots, oleum; olie, Latijn van Grieks ετρέλαιον, literair "rots olie".

Masz lieben

Das cccxxxiii Ca [365]

Premula veris latine·

(Die meister spτechen·das dises seÿ ein kraut das hat bleter die sind långelat und oben auþ rotund·seine blůmen sind weiþ far und neÿgen sich allzeÿt gegen der sunnen·(Dises kraute wechþt gern an feüchten enden und bτeitet sich auff die erden·(Paulus spτicht das die wurczel von disem krautte sey gar nücz für die blatern an der zungen und in dem mund davon getruncken·(Dises kraut unnd wurczel sind feücht unnd kalt machen biþ auff dem andern grad. (Ein meister Wilhelmus genant beschτeibt uns von disem kraut und spτicht dz man dises sol sameln in dem monat september mit seinen blůmen und wurczeln·und dz also dôτren an dem lufft und nit an der sunnen·dz weret ein jar unveτseret an seiner kraft·(Wôlcher dem kramp fast het od darzů geneiget wår der siede dises in gůtem wein und trinck des so er schlaffe wil geen er genÿset zůhant·(Für die flecken am leib seüde dises krautt mit der wurczel in regenwasser und wåsch die flecken damit am leib sÿ heÿlen und verschwinden zůhant·(Den lamen gelÿdern mit disem wasser bestrichen dienet es fast wol. (Dise wurczeln dienet fast wol den geschwollen hoden·die damit gebået unden auff·auch so mag man dise wurczeln zerknüschen und über die geschwulst legen es hilfet on zweÿfel·

(1) Madelief.

Dat 333ste kapittel. [365]

Premula veris Latijn. (Bellis perennis)

De meesters spreken·dat dit is een kruid dat heeft bladeren die zijn langachtig en boven uit rond, zijn bloemen zijn wit kleurig en nijgen zich altijd tegen de zon. Dit kruid groeit graag aan vochtige einden en breidt zich uit op de aarde. (2) Paulus spreekt dat de wortel van dit kruid is erg nuttig voor de blaren aan de tong en in de mond, daarvan gedronken. Dit kruid en wortel zijn vochtig en koud maken tot op de andere graad. Een meesters Wilhelmus genaamd beschrijft ons van dit kruid en spreekt dat men dit zal verzamelen in de maand september met zijn bloemen en wortels en dat alzo drogen aan de lucht en niet aan de zon, dat blijft een jaar onveranderd aan zijn kracht. (3) Wie de kramp erg heeft of daartoe geneigd is die kookt dit in goede wijn en drinkt het zo hij slapen wil gaan, hij geneest gelijk. Voor de vlekken aan het lijf, kook dit kruid met de wortel in regenwater en was de vlekken daarmee aan het lijf, ze helen en verdwijnen gelijk. (3) De lamme leden met dit water bestreken dient ze erg goed. (4) Deze wortels dient erg goed de gezwollen ballen, die daarmee gebaad onderop, ook zo mag men deze wortels kneuzen en over die gezwellen leggen, het helpt zonder twijfel.

Zie kapittel 213 over Primula.

(1) Dodonaeus; ‘De twee eerste soorten (met Leucanthemum vulgare, margriet) van dit gewas heten in onze taal madelieven en margrieten, in het Hoogduits Maszlieben en Massuselen, in het Latijn Bellis.

Dodonaeus; ‘Sommige andere noemen het ook Primula veris, in het Hoogduits Zeidtloszlin omdat ze vroeg bloeien’.

Herbarijs; ‘En het is goed tegen verkouden hoofdpijn en tegen alle ziekte in de (2) zenuwen en in de zijden en in de aderen dat van verkouden ziektes komt.

Dodonaeus. De madelieven zijn in staat om alle (3) smarten en weedom en vooral van jicht van de voeten en andere ledematen te verzoeten en te verdrijven als die van hete en droge oorzaken gekomen zijn, maar dan moet men de bladeren van dit kruid met verse en ongezouten boter stampen en vermengen en zo op de zieke leden binden of leggen en meestal als men er maluwe bladeren bijvoegt, pleister of papvormig.

(4) Hetzelfde gestoten verdrijft de hete gezwellen van de manlijkheid.

Hasenstrauch oder hasenhausz

Das cccxxxiiii C

Palacium lepoτis latine·

(Die meister spτechendt das dises kraut seÿ gar nahent als disteln allein das es lenger bleter hat·Dises krauttes wurczeln ist wie steinbτech und hatt kein blůmen und hat runde samen und meτ rund dann steinbτeche·und wechþt einer ellen hoch in die lüffte und nit fast lenger. Dises kraut heissent ettlich hasenstrauch etlich hasenhauþ dann so der hase darunder ist so fürchtet er sich nit und duncket sich gancz sicher·wann dises kraut hat macht über die melancoleÿ (ÿ·iiij·) [366] Nun ist kein thiere als gar ein melancolicus als der haþe·und darumb so mag ein ÿegklichez melancolicus der sich fürchtett von natur dises kraute beý jm tragen es gibt jm von natur ein unverzåglich hercz. (Diþ kraute wechþt gern an tunckeln enden. (Dises kraut gesoten in wein und den getruncken benÿmmet dz grymmen in dem leÿbe und dz gegicht d dárme·Auch macht es gar wol hårmen·(Item stranguiriosis dz ist die trôpflingen hårmen ist diþ kraut gůt auf dem nabel gebunden·des geleichen dissintericis dz ist die do dz kalte haben also genüczt·(Dises kraut dienet fast wol melancolicis darab getruncken und dz an jre halþ getragen machet sÿ kŭne und benymmet jn die foτcht·

Streepzaad.

Dat 334ste kapittel.

(1) Palacium leporis Latijn. (Crepis tectorum)

De meesters spreken dat dit kruid lijkt veel op de distels, alleen dat het langere bladeren heeft. Dit kruid zijn wortel is zoals steenbreek en heeft geen bloemen en heeft ronde zaden en meer rond dan steenbreek en groeit een zeventig cm hoog in de lucht en niet erg langer. Dit kruid noemen ettelijke hazenstruik en ettelijke hazenhuis, dan zo de haas daaronder is zo is het niet bang en denkt zich gans zeker want dit kruid heeft macht over de melancholie. [366] Nu is er geen dier als erg een melancholicus als de haas en daarom zo mag iedere melancholicus die zich schrikt van natuur dit kruid bij hem dragen, het geeft hem van natuur een onverschrokken hart. Dit kruid groeit graag aan donkere einden. (2) Dit kruid gekookt in wijn en dan gedronken beneemt dat grommen in het lijf en de jicht van de darmen. Ook maakt het erg goed plassen. Item, stranguriam, dat is die druppelend plassen is dit kruid goed op de navel gebonden, desgelijks dysurie, dat is die de koude plas hebben, alzo genuttigd. Dit kruid dient erg goed melancholici, daarvan gedronken en dat aan hun hals gedragen maakt ze koen en beneemt hen de angst.

Zie kapittel 168.

Dodonaeus omvatte dit geslacht als een cichoreiachtige onder de havikskruiden; ‘Ze schijnt te wezen, zegt dezelfde Lobel, de Lagopos en de Lactuca Leporina Tragi & Apuleij’.

Het is de Duitse Hasenkraut, Hasenlattich bij Bock, (hazensla) want als de haas eronder zit, is hij niet bang en weet zich zeker.

Dodonaeus; ‘ (2) Het sap van havikskruid gedronken verzoet de pijn en knaging van de maag en dat een scrupel zwaar met gewaterde azijn gedronken zuivert of purgeert het lichaam.

Hasenfůss

Das cccxxxv Ca

Pes lepoτis latine.

(Die meister spτechen das dises seÿ ein kraut und hat bleter nahent als sawdÿsteln·dise bleter sind scharpff und stechendt.Auch so habe es lange weÿche stengel und darauff bτaune blůmen geleich dem sternen·sein wurczel die ist weýþfarb·Diþ krautes geleichet an seiner natur dem kraut palacio lepoτis obgenant. (Ettlich meister nennent diþ zů latein sana munda·dann es machet alle ausseτliche gelÿder reÿn die do faul unnd unflåtig lange zeit gewesen sind·diþ gesoten in regenwasser und damit gewåschen·(Wôlcher begeret an seinem leib mager zů werden der eþse dises kraut geleich dem salat mit salcz und baumôle in der wochen zweÿ mal so eτ schlaffen wil geen·und dises sol er thůn ein vierteÿl jares er wirt mager an dem leib·Aber ein solicher sol sich hŭten voτ schweÿnem fleisch und voτ genþfleische und voτ schlaffen bey dem tage·(Wôlcher in dem schlaff redet der lege dises kraut under seÿn haubte es benymmet dz reden und alle bôse treüme und fantaseÿ die sich erheben in dem schlaffe·[367]

Hazenpootje.

Dat 335ste kapittel.

Pes leporis Latijn. (Trifolium arvense)

(1) De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft bladeren bijna als melkdistel en deze bladeren zijn scherp en stekend. Ook zo heeft het lange weke stengels en daarop bruine bloemen gelijk de asters, zijn wortel die is witkleurig. Dit kruid lijkt aan zijn natuur het kruid palacio leporis opgenoemd. Ettelijke meesters noemen dit in Latijn (2) sana munda, dan het maakt alle uitslag leden rein die er vuil en niet fraai lange tijd geweest zijn, dit gekookt in regenwater en daarmee gewassen. Wie begeert aan zijn lijf mager te worden die eet dit kruid gelijk de salade met zout en olijvenolie in de week tweemaal zo hij slapen wil gaan en dit zal hij doen een vierde deel van het jaar, hij wordt mager aan het lijf. Maar zo een zal zich hoeden voor varkensvlees en voor ganzenvlees en voor slapen op de dag. Wie in de slaap praat die legt dit kruid onder zijn hoofd, het beneemt dat praten en alle kwade dromen en fantasie die zich verheffen in de slaap. [367]

(1) Zie kapittel 168 en 335. De afbeelding laat meer de voorgaande plant zien als Crepis of een Lapsana. Ook de tekst verwijst naar z’n plant zoals in het voorgaande kapittel. Dan kan het niet Trifolium arvense zijn waarvan Dodonaeus zegt; Deze kruiden zijn hier te lande hasen-pootkens en hasen-voetkens genoemd, in Hoogduitsland Hasenfusz en Katsenklee en in het Latijn Pes leporis en Leporinus pes of ook Lagopus naar het Griekse Lagopus en dat naar de gedaante en kleur die de harige aren van deze kruiden met hun bruine schubjes en ruige wolligheden die op een hazenvoet lijken’.

(2) Sana munda wordt Geum urbanum genoemd. Zo ook bij Dodonaeus. Herbarius in Dyetsche, ‘Nagelkruid of gariofelkruid, of gariofilata, of sanamuda of avancia of lapagus, dat is alle maal hetzelfde’. Lapagus is weer die haas. Tabernaemontanus noemt het dan ook Hasenauge. De Gart spreekt in kapittel 205, Sanguisorba minor, volgens anderen Geum urbanum, ook over dat het in Grieks lapagum, pes leporis of oculis leporis heet. Pes leporis is de hazenvoet en oculis leporis is het hazenoog.

Het zal dus wel een soort Crepis of Trifolium zijn of een nauw verwante plant.

Rauten

Cccxxxvi c

(R)Uta latine et grece·Arabice radeb vel alseleb·

(In dem bůch circa instans in dem capitel ruta beschτeiben uns die meÿster unnd spτechen das do seÿ zweÿer handt rautten·Eine wÿlde·die ander zåme·Die wild raute ist kein nücz als hernach geschτiben steet·Die heýmisch ist von natur heiþ und trucken an dem dτitten grad·(Die bleter und auch der same wirt gebτaucht in der erczneÿ·Wenn man findet geschτiben in einem recept ruta so meÿnet man die bletter und nit den samen·Den samen sol man sameln in dem herbst der weret fünff jare·(Die bletter sol man dôτren und die werend ein jar. (Der

meÿster Serapio in dem bůch aggregató́́τis in dem capitel radel mit bewårung·Diascoridis beschτeibt uns und spτicht dz radeb·idest ruta seÿ zweyer hant·eine wilde·die ander zåm. Die wilde raute ist hicziger und scherpffer dann die heimisch·die heimisch rauten hat einen stammen der hat vil este auþgebτeÿtet und kleine bleter und weiþ blůmen geleich den gamillen allein das sý kleiner sind dann die rauten·Der same der ist rotfarb. (Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel Moli spτicht·dz etlich meister spτechen das moli seÿ ruta silvestris·daz ist die wilde rauten·etlich meister die heissend sÿ auch arinilan·Dýe tugent der wilden rauten die ist subtil und heiþ an dem vierden grad. Und darumb so ist sÿ gůt gebτaucht wider die groben feüchtung wann sÿ ist fast durchdτingen und machet auch wol hårmen·(Auch so spτicht diser meister in seinem achtenden bůche in dem capitel Pigamum·id est ruta silvestris·dz die wÿld rauten genüczet dôτren dem menschen fast und beneme do dÿ bôsen gelüste zů unkeüscheÿt·

(Serapio spτicht·das rauten geeþsen verzere spermam·das ist die nature des menschen und beneme auch den gelust oder begierde der unkeüscheÿt·(Dÿe bleter geessen mit feÿgen unnd [368] wålisch nuþs die nemendt hÿn den gifftigen und tôdtlichen schaden der pestilencze·und ist daz das aller gewÿþsest pτeservative das man gehaben mage.

(Item etlich die machen dises pτeservative also·Sÿ nemmen rautten bleter ein lot·feÿgen ein halb lot·wåchalter anderhalbs lot·wålisch nuþs zweÿ lot·eþsig vier lot·und müsche das do durch einander und nüczen dz do des moτgens ee das sÿ in dem lufft geend·und das ist gar gewÿþ und der mensch auch selten vergifftet wirdet der dises also bτauchet·(Rauten gesoten mit eþsig und den genüczet benÿmmet dz auffstossen·(Und also genüczet benymmet dz wee der hüffte und der bτust·und ist auch gůt den die einen kurczen atem haben und benymmet den hůsten unnd heilet das geschwere genant peripleumonia·dz ist ein geschwere auff der lungen davon dann kommet ptisis·das ist dÿe schwÿndtsucht oder das abnemen·(Rautten gesoten mit baumôle und das do mit eÿnen klistiere in den leib gelassen benÿmmet dz wee der můter·Und benymmet auch also den schmerczen der zerschwollen dårm und seczet die·(Rautten gestossen und mit hônig gemischet und sich damit geschmieret den hals der můter benÿmmet jr den schmerczen und dz wŭlen·(Ein pflaster gemachet von rautten und hônig und daz gelegt auf dem nabel tôdtet die würm in dem bauch·(Auch so sol man die gesoten rauten die do in ôle gesoten ist des moτgens essen und darauff fasten dτeÿ of vier stund. (Rauten gesoten mit wein biþ das do das halb teÿl eingesotten sey und den getruncken benÿmmet die sucht edτopisis genant dz ist die wassersucht·(Rautten geessen allem oder mit salcz machet ein klares gesichte·

(Der safft von rauten gelassen in die naþlôcher benÿmmet daz blůten darauþ·(Platearius·rauten gekeüwet so einer knoblach geessen håtte·so benÿmmet do den gerauch des knoblachs·(Item rauten ist gar gůt genüczet für vergifft dz bewåret der meister Serapio also und spτichet·dz mustela das ist ein wysel wenn sÿ sich mit dem schlangen beÿsset oder krieget so ÿsset der wÿsel rauten·so mage jr der schlangen kein gifft zůgefügen·(Der meister ruffus spτichet·dz rautten gar gůt seýen den jnnerlichen gelÿdern·und machet gar ein gůt klar gesicht·(Die meister spτechen gemeÿnigklich dz rauten von natur heÿþ und trucken seÿ an dem dτitten grad·(Rauten gesotten mit wasser und das mit starckem wein gemenget vertreibet dz kerτen in dem bauch·(Das selbig vertreibet auch die geschwulst under den rippen·(Item rautten ist gůt genüczet dem der do das kalt wee håtte·oder grŭn gesoten in baumôle und den leib damit bestrichen ee jn do das kalt [369] bestee und das selbig mit einem klistiere hinden ein getrÿben.

(Rauten gesoten in ôle unnd das warm in die oτen gelassen vertreÿbet die würm darjnne·(Rauten mit mirτich gesotten und mit wein und dz getruncken vertreibet die wassersucht·

(Rauten safft mit rosenôle gemischet und mit eþsig und daz haubt damit bestrichen benymmet daz wee darauþ·(Rauten gesoten mit dem wasser fumus terre dz ist erdυauch und das getruncken die die rôte haben moτbille genant hilfft on ÿweÿfel·(Moτbilli und variole dz sind die rôte und uτschlechten die sind den kinderen gar gefårde.

Aber mit disen kranckeiten so kommet grosseτ schade dem kinderen und sunderlichen so sÿ variole haben·dz sind uτschlechten·wann die über ziehend die ganczen leibe·und wenn die kinder die augen jucken so werdent sÿ darnach geren blint·Und wilt du dises überhaben sein dz sÿ nit blindt werden so hencke jnen rautten wurczeln und die wurczeln scabiosa an den halþ·so bist du solicher soτgen uberhaben·

(1) Ruit.

336ste kapittel

Ruta Latijn en Grieks. Arabisch radeb vel alseleb. (Ruta graveolens)

In het boek Circa instans in het kapittel Ruta beschrijven ons de meesters en spreken dat er zijn (2) twee soorten ruit. (Peganum harmala) Een wilde, de ander tam. De wilde ruit is geen nut zoals hierna geschreven staat. De geteelde is van natuur heet en droog aan de derde graad. De bladeren en ook het zaad worden gebruikt in de artsenij. Als men vindt geschreven in een recept Ruta, dan bedoelt men de bladeren en niet de zaden. De zaden zal men verzamelen in de herfst en die duren vijf jaar. De bladeren zal men drogen en die duren een jaar. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel radel met bewering van Dioscorides beschrijft ons en spreekt dat radeb, id est Ruta, is tweevormig, (2) een wilde en de andere tam. De wilde ruit is heter en scherper dan de geteelde, de geteelde ruit heeft een stam die heeft veel twijgen uitgespreid en kleine bladeren en witte bloemen gelijk de kamille, alleen dat ze kleiner zijn dan de ruit. Het zaad dat is roodkleurig. (3) Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Molly spreekt dat ettelijke meesters spreken dat molly is Ruta silvestris, dat is de wilde ruit, ettelijke meesters die noemen het ook arinilan. De deugd van de wilde ruit die is subtiel en heet aan de vierde graad. En daarom zo is ze goed gebruikt tegen de grove vochtigheid want ze is erg doordringen en maakt ook goed plassen. Ook zo spreekt deze meester in zijn achtste boek in het kapittel Pegamum, id est Ruta silvestris, dat de wilde ruit genuttigd (4) droogt de mensen erg en beneemt hem de kwade lust tot onkuisheid.

(4) Serapio spreekt dat ruit gegeten verteert sperma, dat is de natuur des mensen, en beneemt ook de lust of begeerte tot onkuisheid. De bladeren gegeten met vijgen en [368] walnoot die nemen heen de giftige en dodelijke schade van de pest en is het dat allerzekerste preservatief dat men hebben mag.

Item, ettelijke die maken deze preservatief alzo: Ze nemen ruitbladeren, een 16, 7gram, vijgen, een half van 16, 7 gram, jeneverboom, anderhalf lood, walnoot, twee lood, azijn, vier lood, en mengen dat door elkaar en nuttigen dat ‘s morgens eer dat ze in de lucht gaan en dat is erg gewis en de mens ook zelden vergiftigd wordt die dit alzo gebruikt. Ruit gekookt met azijn en dan genuttigd beneemt dat uitstoten. (6) En alzo genuttigd beneemt het de pijn van het hoofd en de borst en is ook goed die een korte adem hebben en beneemt het hoesten en heelt de zweer genaamd peripneumonie, dat is een zweer op de longen daarvan dan komt ptisis, dat is de duizeligheid of dat afnemen. (5) Ruit gekookt met olijvenolie en dat zo met een klysma in het lijf gelaten beneemt de pijn van de baarmoeder. En beneemt ook alzo de smarten van de gezwollen darmen en verzacht die. (5) Ruit gestoten en met honing gemengd en zich daarmee gesmeerd de hals van de baarmoeder beneemt die de smarten en dat woelen. Een pleister gemaakt van ruit en honing en dat gelegd op de navel doodt de wormen in de buik. Ook zo zal men die gekookte ruit die zo in olie gekookt is ‘s morgens eten en daarop vasten drie of vier stonden. Ruit gekookt met wijn totdat dat halve deel ingekookt is en dan gedronken beneemt de ziekte hydropsisis genaamd, dat is de waterziekte. Ruit gegeten alleen of met zout maakt een helder gezicht.

Het sap van ruit gelaten in de neusgaten beneemt dat bloeden daaruit. Platearius, ruit gekauwd zo iemand knoflook gegeten heeft dan beneemt het de reuk van de knoflook. (4) Item, ruit is erg goed genuttigd voor vergif, dat beweert de meester Serapio alzo en spreekt dat mustela, dat is een wezel, als ze zich met de slang bijt of vecht dan eet de wezel ruit en zo mag haar de slang geen gif toevoegen. De meester Ruffus spreekt dat ruit erg goed is de innerlijke leden en maakt erg een goed helder gezicht. De meesters spreken algemeen dat ruit van natuur heet en droog is aan de derde graad. Ruit gekookt met water en dat met sterke wijn gemengd verdrijft de kramp in de buik. Datzelfde verdrijft ook de gezwellen onder de ribben. Item, ruit is goed genuttigd die er de koude hebben, of groen gekookt in olijvenolie en het lijf daarmee bestreken eer hen die koude [369] bestaat en datzelfde met een klysma achter in gedreven.

Ruit gekookt in olie en dat warm in de oren gelaten verdrijft de wormen daarin. Ruit met mirre gekookt en met wijn en dat gedronken verdrijft de waterziekte.

(6) Ruitensap met rozenolie gemengd en met azijn en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de pijn daaruit. Ruit gekookt met het water fumus terre, dat is aardrook, en dat gedronken die de rode loop hebben, morbille genaamd, helpt zonder twijfel. Morbilli en variole dat zijn die rode en oerslecht, die zijn de kinderen erg gevaarlijk.

Maar met deze ziektes zo komt grote schade de kinderen en vooral zo ze variole hebben, dat zijn oerslechte, (pokken) want die overtrekken dat ganse lijf en als de kinderen de ogen jeuken dan worden ze daarna gauw blind. En wil u deze over hebben dat ze niet blind worden zo hang hen ruitwortels en de wortels Scabiosa aan de hals, dan bent u zulke zorgen kwijt.

Dodonaeus; ‘Ruit wordt gewoonlijk Ruta in het Latijn genoemd, in het Grieks Peganon of Piganon en dat omdat de ruit krachtig is om het menselijk (3) zaad bijeen te trekken en tezamen te brengen door haar droogheid die met hitte gemengd is. De eerste of hofruit wordt in Nederland eigenlijk ruit en wijnruit genoemd, in Hoogduitsland Rauten en Weynrauten’.

Dodonaeus; ‘‘De andere soort (wilde vorm) wordt Ruta silvestris of Ruta montana genoemd, in het Grieks Peganon oreinon, dat is bergruit en Peganon agrion, dat is wilde ruit. (3) De wortel van de wilde ruit wordt in het Grieks Moly oreinon, dat is in het Diets berg Moly, in het Latijn Moly montanum genoemd, zo Dioscorides betuigt in het Hoogduits Wald-Rauten.

(4) Herbarius in Dyetsche; ‘Is iemand uit met groene ruit omgord dan kan hij volgens Serapio de macht van Rasis er op uit trekken om de basiliek te doden’.

Maerlant;. (6) Wijn met ruit gekookt alleen maakt de mensen hersens rein. Als je er poeder bij doet van pioen er toe is het goed tegen ziekte die men noemt epilepsie. (5) Als vrouwen hun maandstonden ontbreken waar men elke maand van spreekt en om te lozen het dode kind dat vrouwen zeer bindt en om te lossen de zijdepijn die de vrouwen doet grote pijn.

(2) Herbarijs; ‘Ruta is er in 2 soorten, (6) en is goed tegen hoofdpijn en tegen het euvel daar men van afvalt is het dat men het drinkt gekookt in wijn.

Rosen cccxxxvii C

Rosa latine·grece rodon·arabice hard·

(In dem bůch circa instans beschreiben uns die meister und spτechen dz rosa von natur kalt sey an dem ersten grad·und trucken an dem andern·(Wenn die rosen rot sind und sich noch nit geoffnet haben so sol man sÿ abschneiden und sÿ trucken lassen werden an der sunnen·(Galienus in dem viij·bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel rosa spτicht·dz man als bald so dÿe rosen abgebτochen sind sÿ trucken lasse werden wann saumet man das lang so veriehen sÿ balde·(Item rosen hônig machet man also·nÿmm hônig und verscheimm [370] den wol dz er lauter und reyn werd und lasse den durch ein tůch lauffen und nÿmm der bletter d rosen die noch nit offen sind und schneide die bleter oben ab also dz der knod herauþ beleÿbe und thů die in dem hônig und lasse es ein weinig sieden also dz das hônig rotfarb werd.(Dises hônig ist gût genüczt wann es stercket dem menschen sein geblŭte· (Der safft von rosen gesotten mit wein benÿmmt dz haubtwee und ist auch gůt den augen. (Dz zanfleisch damit gewåschen benÿmmet den schmerczen davon·(Die bleter von rosen gestoþsen und auf die heissen geschweren gelegt zeühet die hicze dar auþ·(Platearius der same von rosen gebulfert und die zeen damit gerÿben und das zanfleisch benÿmmt dz wee darauþ·(Die rosen knopff gesoten mit wasser und das getruncken benÿmmt den fluþ des bauchs·(Und benÿmmt auch also genüczet dz blůtspeien. (Die rosen also genüczet sind fast gůt den fliessenden augen·dz wasser darein gestrichen·(Item die do groþ onmåcht hetten die mõchten trincken von rosenwasser dem wåre es gar nücz·(Der rosen gerauch bekommt fast wol colericis·dz ist die hyczig und trucken sind von geblŭt·den selbigen benÿmmt der gerauch das haubtwee dz sÿ haben von der colera. (Der gerauch beweget auch catarτum dz ist d schnopffen den die coleτici haben von hicze. (Rosen gemischet mit hônig und zucker und das genüczet benÿmmt die bôsen feüchtung auþ dem magen·(Der meister Rasis spτicht·das die bletter so sÿ noch frÿsch sind mit zucker gemischet reÿniget den menschen und des geleichen der safft von rosen·(Der meister Johannes mesue in dem capitel rosa beschreibt uns und spτicht·das rosen sind der erczneÿ die man nennet zů latein medicine benedicte·in dem jr tugent ist fast starck machen und verwandlen die bôsen complexion in ein gůte. (Wer wil machen ein gůt sanft laxative d neme des safftes von rosen zwei lot und müsche darunder kåþbτŭe und ein wenig spica·Auch mag man nemen kåþwasser und darein tůn rosenbleter·vj·uncz dz ist·xij·lot·und darunder ein wenig hônig·dises laxieret und senfftiget gar wol·(Der sýropel von rosen ist auch fast senfftigklich laxieren·(Item rosen mit hônig und zucker conficiert steτcket und reÿniget den leib·(Cassius felix spτicht dz rosen geton in eþsig übernacht also gestanden der eþsig ist fast gůt den hiczigen gelidern darüber gestrichen·(Auch auff dem heissen magen aussen gelegt hilffet jn fast wol und zeücht groþ hÿcz darauþ·(Der saft von rosen mitt frischen kτunnen eingetruncken laxieret wol und reÿniget dz geblŭte·und sunderlichen reÿniget er coleram. Er benÿmmet auch also die gelesucht·(Der saffte also genüczet vertreibet auch dem [371] schmerczen den der mensche hat von grosser hicze und kŭlet on schaden·(Auch so bτinget dez safft dem menschen gůt růwe nach dem laxieren·(Avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis spτicht·dz rosen stercke daz hercz und mache ein frôlich geblŭte·(In dem bůch genant circa instans in dem capitel Rosa beschτeiben uns die meister und sprechent·dz rosen hônig stercke von natur und veτdeüwe die materien die do kommet von der melancoleÿ·und auch materie die do kommet von der überflüssigen flegma·und disem sol man geben rosenhônig mit wasser darjnnen fenchelsamen gesoten seÿ und darunder sol man mischen ein wenig salczs so reiniget es dester baþ·(Item man mag melancolicis und flegmaticis geben zů nüczen rosen hônig oder den safft von rosen allezeit jmm jar·Aber colericis dem sol man es allein geben in dem winter und nit in dem summer·Und dises ist die beste kunst eines arcztes dz er wisse einem ÿegklichen menschen zů geben nach seiner natur und die in der rechten zeÿt und stund auff dz so sol ein ÿegklicher arczet auffmerckung haben beÿ seÿner sele heil·(Das ôle von rosen machet man manger hant·Etlich die sieden rosen in baumôle und halten es für rosen ôle. Etlich nemend rosen in ein geschircz und thůnd darüber baumôle und lassen es steen vierczehen tag·Ettlich die nemen rosen so sÿ frisch sind und schneiden die bleter oben ab und sieden die in ôle und lassen dz also steen fünffczig tag in der sunnen in einem glaþ·dises ôle dz ist dz beste·(Diascoτides·diþs ôle gestrichen auff die hiczigen lebern ist gar gůtte·auch so ist gůt gestrichen auff den schlaffe wann es benÿmmet haubtwee und kŭlet dz·(Es ist zů wiþsen das die menschen die do eÿnen hiczigen magen haben und ein hiczige lebern·disen dem mag man geben rosenôle in der koste für baumôle es benÿmmet dye hicze·(Der do alle tugent wil wissen von rosen der lese Avicennam in dem andern bůche in dem capitel rosa·Item in dem bůche Pandecta in dem dτeuhundert und vierczigisten capitel dz sich anhebt harde·Item in dem bůche circa instans beschτeiben uns die meister auch vil tugent von rosen·(Item albertus in seinem bůch der heimlichen kunst spτichet·nÿmme von rosen wenig und wenig senff·und einem fůþ von einem wÿsel·und dz geleget in ein necze ist vil fische daselben vergadern·[372]

(1) Rozen, 337ste kapittel.

Rosa Latijn. rieks rodon. Arabisch hard. (Rosa species)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Rosa van natuur koud is aan de eerste graad en droog aan de andere. (2) Als de rozen rood zijn en zich noch niet geopend hebben zo zal men ze afsnijden en ze droog laten worden aan de zon. Galenus in het 8ste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Rosa spreekt dat men zo gauw zo de rozen afgebroken zijn ze droog laten worden want verzuimt men dat lang dan verliezen ze gauw. (3) Item, rozenhoning maakt man alzo; neem honing en verschuim [370] dat goed zodat het zuiver en rein wordt en laat het dan door een doek lopen en neem de bladeren van de rozen die noch niet open zijn en snij de bladeren boven af alzo dat de knots eruit blijft en doe die in de honig en laat het een weinig koken alzo dat de honing roodkleurig wordt. Deze honing is goed genuttigd want het versterkt de mensen zijn bloed. (5) Het sap van rozen gekookt met wijn beneemt de hoofdpijn en is ook goed de ogen. Dat tandvlees daarmee gewassen beneemt de smarten daarvan. De bladeren van rozen gestoten en op de hete zweren gelegd trekt die hitte daaruit. Platearius, het zaad van rozen gepoederd en de tanden daarmee gewreven en dat tandvlees beneemt de pijn daaruit. (6) De rozenknop gekookt met water en dat gedronken beneemt de vloed van de buik. En beneemt ook alzo genuttigd dat bloedspuwen. De rozen alzo genuttigd zijn erg goed de vloeiende ogen, dat water daarin gestreken. Item, die er grote onmacht heeft die mag drinken van rozenwater, die is het erg nuttig. De rozenreuk bekomt erg goed galachtige, dat is die heet en droog zijn van bloed, diezelfde beneemt de reuk de hoofdpijn die ze hebben van de gal. De reuk beweegt ook verkoudheid, dat is dat snuffen die de galachtige hebben van hitte. (3) Rozen gemengd met honing en suiker en dat genuttigd beneemt de kwade vochtigheid uit de maag. (6) De meester Rasis spreekt dat de bladeren zo ze noch vers zijn met suiker gemengd reinigt de mensen en desgelijks het sap van rozen. De meester Johannes Mesue in het kapittel Rosa beschrijft ons en spreekt dat rozen zijn van die artsenijen die men noemt in Latijn medicine benedicte waarin hun deugd is erg sterk maken en veranderen de kwade samengesteldheid in een goede. (6) Wie er wil maken een goed zacht laxatief die neemt het sap van rozen, twee maal 16,7gram, en meng daaronder kaas brei en een weinig spica. Ook mag men nemen kaaswater en daarin doen rozenbladeren, 6 ons, dat is 12 maal 16,7 gram, en daaronder een weinig honing, dit laxeert en verzacht erg goed. De siroop van rozen is ook erg zachtjes laxeren. Item, rozen met honing en suiker gemengd versterkt en reinigt het lijf. Cassius Felix spreekt dat rozen gedaan in azijn overnacht alzo staan, die azijn is erg goed de hete leden, daarover gestreken. Ook op de hete maag buiten gelegd helpt hen erg goed en trekt grote hitte daaruit. (6) Het sap van rozen met verse kommen ingedronken laxeert goed en reinigt dat bloed en vooral reinigt het de gal. Het beneemt ook alzo de geelziekte. Het sap alzo genuttigd verdrijft ook de [371] smarten die de mens heeft van grote hitte en verkoelt zonder schade. Ook zo brengt dat sap de mensen goed rusten na het laxeren. Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat rozen versterken dat (7) hart en maken een vrolijk bloed. In het boek genaamd Circa instans in het kapittel Rosa beschrijven ons de meesters en spreken dat rozenhoning versterkt van natuur en (6) verduwt de materie die je komt van de melancholie en ook materie die je komt van het overvloedige flegma en deze zal men geven rozenhoning met water daarin venkelzaden gekookt zijn en daaronder zal men mengen een weinig zout, zo reinigt het des te beter. Item, men mag melancholici en flegmatici geven te nuttigen rozenhoning of het sap van rozen altijd in het jaar. Maar galachtige die zal men het alleen geven in de winter en niet in de zomer. En dit is de beste kunst van een arts die hij weet elk mens te geven naar zijn natuur en die in de rechte tijd en stonden en zo zal elke arts opmerking hebben bij zijn zielenheil. (4) De olie van rozen maakt men op vele manieren. Ettelijke die koken rozen in olijvenolie en houden het voor rozenolie. Ettelijke nemen rozen in een schaal en doen daarover olijvenolie en laten het staan veertien dagen. Ettelijke die nemen rozen zo ze vers zijn en snijden de bladeren boven af en koken die in olie en laten dat alzo steen vijftig dagen in de zon in een glas, deze olie dat is de beste. Dioscorides, deze olie gestreken op de hete lever is erg goed, ook zo is het goed gestreken op de slaap want het beneemt hoofdpijn en verkoeld die. Het is te weten dat de mensen die er een hete maag hebben en een hete lever, deze die mag men geven rozenolie in de kost voor olijvenolie, het beneemt de hitte. Die er alle deugd wil weten van rozen die leest Avicenna in het andere boek in het kapittel Rosa. Item, in het boek Pandecta in het driehonderd en veertigste kapittel dat zich aanheft harde. Item, in het boek Circa instans beschrijven ons de meesters ook veel deugd van rozen. Item, Albertus in zijn boek de heimelijke kunst spreekt; neem van rozen weinig en weinig mosterd en een voet van een wezel en dat gelegd in een net is veel vissen daarin verzamelen. [372]

(1) Dodonaeus; ‘De roos wordt in het Grieks Rhodon genoemd, in het Latijn Rosa, in het Hoogduits Rose.

Maerlant;. (2) Men zal de rozen verzamelen rood ontdaan en gegroeid veel de bleke bladeren, weet men wel, die zijn onnut in het spel. Droogt men ze met de zon dan kan men ze drie jaar goed houden aan. (4) Men maakt er van olie van rozen. (3) Suikerrozen maakt men er mede met dusdanige handigheid.. Deze siroop, als ik het beken, helpt het lichaam te beginnen en (6) ontstopt het lichaam dan, het is goed tegen de buikloop en tegen het in onmacht gaan opdat men het dus neemt die verstopt zijn met het lichaam. (5) Rozen ruiken, droog of groen versterken in alle gedaante (7) hersens en hart mede diegene die last hebben van deze ziektes’.

Merrettich

Das cccxxxviii C

Raffanus vel scandix grece latine radix·arabice finel vel fugel vel haffagel.

(In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen das raffanus von natur heÿþ und trucken sey an dem andern grad·Die wurczel so sÿ noch grŭn ist so ist sÿ besseτ in d erczney dann dürτ·(Die rind von dem raffano bτaucht man in der erczneÿ·die rinden sol man dõτren die weret ein jar·Môτråtich hat grosse lange bleter die wachþent nahent beÿ der wurczeln·Die wurczel ist groþ und dick·(Diser wurczeln geessen nach d kost laxieret und machet wol hårmen·(Diascoτides spricht das gar gůt seÿ die wurczel nŭchteren geessen und ein sicherheit des tages für vergifft allein sý blået den magen und machet auffstossen und den menschen sich bτechen nŭchtern geeþsen·(Deτ safft von der wurczel ist gar gůt für ein geschwer in der kelen squinantia genant dem gegurgelt hilfft on zweÿfel·

(Die wurczel gebτennet und gebulferet das bulfer reÿniget faul wunden und åczet das faul fleisch·und sunderlichen trücknet dz bulfer die fliessendem scháden·(Weτ von einem vergifftigen thiere gebÿssen wurde·der eþse môτråtich er benÿmmet jm den bÿþs on schaden·(Das krautt von môτråtich gesoten mit wasser und darzů gethon von einer wurczeln heisset harstrang und dz haubt damit gewåschen oder wo einer kale wåre macht do selben har wachþen. (Item der safft von môτråtiich in die oτen gelassen benÿmmt die oτen geschwezen und trücknet das von dem fliessenden eÿtter on schaden·

(Der same mit hônig gestoþsen ist gůt dem der do schwår åtmet und gibt den ammen auch vil milch·(Item der same das kraut und auch die wurczel ist gůt calculosis daz ist die do den stein haben·und sunderlichen ist dz wasser gůt davon distillieret daz getruncken des abendes und moτgens·(Dises wasser vertreÿbet den lenden stein und [373] auch der in der blasen ist·und dises wasser hat mangen menschen auffgehalten unnd behŭtet voτ schmerczen der lenden unnd der blasen·(Item môτråtich gestoþsen und das gesoten mit hônig vermenget damit den mund gewåschen heilet die feülung des muudes·(Item dz wasser darjnnen môτråtich gesoten ist getruncken ist gůt wider dz geschwollen milcz mit ein wenig eþsigs vermenget·

(1) Mierikswortel.

Dat 338ste kapittel.

Raffanus vel scandix Grieks Latijn radix. Arabisch finel vel fugel vel haffagel. (Armoracia rusticana)

In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat raffanus van natuur heet en droog is aan de ander graad. De wortel zo ze noch groen is zo is ze beter in de artsenij dan droog. De bast van de mierikswortel gebruikt men in de artsenij en die bast zal men drogen en die duren een jaar. Mierikswortel heeft grote lange bladeren die groeien nabij de wortels. De wortel is groot en dik. Dezer wortel gegeten na de kost laxeert en maakt goed plassen. (2) Dioscorides spreekt dat het erg goed is de wortel nuchter gegeten en een zekerheid op de dag voor vergif, alleen ze blaast de maag op en maakt uitstoten en de mensen zich braken, nuchter gegeten. Het sap van de wortel is erg goed voor een zweer in de keel squinancie genaamd, dan gegorgeld helpt zonder twijfel.

De wortel gebrand en gepoederd en dat poeder reinigt vuile wonden en eet dat vuile vlees en vooral droogt dat poeder de vloeiende schade. (2) Wie van een vergiftig dier gebeten wordt die eet mierikswortel, het beneemt hem de beet zonder schade. Dat kruid van mierikswortel gekookt met water en daartoe gedaan van een wortel heet varkenskervel en dat hoofd daarmee gewassen of waar iemand kaal is maakt daar (4) haar groeien. Item, het sap van mierikswortel in de oren gelaten beneemt de oorzweer en droogt dat van de vloeiende etter zonder schaden.

Dat zaad met honing gestoten is goed die er zo zwaar ademt en geeft de voedsters ook veel melk. Item, het zaad, dat kruid en ook de wortel is goed calculosis, dat is die er de steen hebben, en vooral is dat water goed daarvan gedistilleerd, dat gedronken ‘s avonds en ’s morgens. (5) Dit water verdrijft de lendensteen en [373] ook die in de blaas is en dit water heeft vele mensen opgehouden en behoed voor smarten van de lenden en de blaas. Item, mierikswortel gestoten en dat gekookt met honing vermengt en daarmee de mond gewassen heelt het vuil van de mond.(3) Item, dat water daarin mierikswortel gekookte is gedronken is goed tegen de gezwollen milt, met een weinig azijn vermengt.

(1) Dodonaeus; ‘In Brabant is dit gewas meest Raphanus genoemd of meerradijs naar de Hoogduitse naam Merretich.

Herbarius in Dyetsche; (5) De wortel van deze radijs is goed tegen niergruis en vooral het water er van.

(2) Seracenna uit de macht van Rasis zegt dat hij voor waar ondervonden heeft dat als je het water van de tamme radijs op een schorpioen duwt dat de schorpioen dan onbeweeglijk blijft, dat het opzwelt en openbarst in het midden. Serapio’.

(3) Ook als je drinkt van het water waar het zaad in gekookt is vermindert het de milt.

(3) Het gewas van radijs dat met heemst gekookt en op het lichaam gelegd is goed tegen waterzucht en geneest de milt.

Rettich cccxxxix c

Raffanus latine et grece·

(Die meisteτ spτechent gemeinigklichen das diser råtiich heiþ und trucken sey an dem dτitten grad·Råtiich ist geleich an seÿner wurczel den růben und ist uns auch wol bekant·(Råttich geessen nach dem nachtessen deüwet wol die kost und machet dem magen warme·Aber er machet einen bõsen stinckenden atem wenn man balde darauff schlaffen geet·(Råtich distillieret zů wasser·dises wasser ist fast gůt stranguiriosis das ist die do mit not neczen trôpflingen·Auch sunderlichen dienet dises wasser wol calculosis dz ist die do dem stein haben in d blasen und in der lenden·(Item råtich ist dem frawen schad die kinder tragen·wann er benÿmmtt die empfangen geburd und bτinget den frawen menstruum und treÿbet auþ secundinam·das ist dz feel do das kind jnnen gelegen ist in můter leibe·(Der safft von råtich ist gůt gestrichen auff alt schåden od wo fauls fleisch wechþt das verzertt den safft und machet frisch die wunden·Des geleichen thůt auch dz bulfer von råtich·(Item råtich safft mit hônig gesoten mit wenig eþsig vermenget dz durchgeschlagen ist ein gůt getrancke wider dz fieber quartam und wider bestopffung der milcze·[374]

(1) Radijs 339ste kapittel.

Raffanus Latijn et Grieks. (Raphanus sativus)

De meesters spreken algemeen dat dezer radijs heet en droog is aan de derde graad. Radijs is gelijk aan zijn wortel de rapen en is ons ook goed bekend. Radijs gegeten na het nacht eten verduwt goed de kost en maakt de maag warm. Maar het maakt een kwade stinkende adem als men gauw daarop slapen gaat. Radijs gedistilleerd tot water, (3) dit water is erg goed stranguriam, dat is die er met nood plassend druppelend. Ook vooral dient dit water goed niestenen, dat is die de steen hebben in de blaas en in de lenden. Item, radijs is de vrouwen schadelijk die kind dragen want het beneemt de ontvangen geboorte en brengt de vrouwen menstruatie en drijft uit secundina, dat is dat vel daar dat kind in gelegen is in moeders lijf. Het sap van radijs is goed gestreken op oude schade of waar vuil vlees groeit, dat verteert het sap en maakt vers de wonden. (2) Desgelijks doet ook dat poeder van radijs. Item, radijssap met honing gekookt en met weinig azijn vermengt en dat doorgeslagen is een goede drank tegen de vierdaagse malariakoorts en tegen verstopping van de milt. [374]

Zie voorgaande kapittel 338 waar sommige delen van Herbarius in Dyetsche niet in voorkomen en hier wel.

Dodonaeus; ‘Hier te lande is dit gewas en vooral de wortel er van radijs genoemd, in het Latijn Radicula, dat is gewone of tamme radijs en de ander die niet zo’n grove dikke wortel krijgt maar langer en smaller Radicula sativa minus, dat is kleine tamme radijs, in de apotheken heet het Raphanus, in Hoogduitsland Rettich.

Herbarius in Dyetsche; (2) Deze oxymel is goed tegen vierde daagse malariakoorts en de dagelijkse koorts.

(3) Hetzelfde is goed tegen aandrang tot waterlozing en de dysurie, Platearius. Tegen sproeten in het aangezicht en alle verdere besmettingen was je het aangezicht met het sap van radijs of met het water waar radijs in gekookt is en dat met bloem van lood en wat honing van rozen gemengd is.


Růben cccxl Ca

Rapa latine·grece egelida vel bengilida vel noÿda·arabice delion·

(Serapio in dem capitel Delion idest rapa beschτeibt uns und spτicht·dz der sind zweÿer hant. Eine heimisch·die ander wýlde. Die wilde ist zů latein genannt rapella·die hat vil cincken oder ôste an dem stammen·und der ist eins arms lang·sÿ wechþt an den trucknen steten und hat weÿche bletter und grob geleich dem grossen dümien·und der hat einen kleinen samen der ist schwarcze und wenn man den zerbτicht so ist er jnnwenig weiþ·(Diascorides spτicht·das der samen der wilden růben gemüschet werde zů den stucken die do dz antlicz weÿþ machen·Und dises sind die stucke die zůsamen gemischet sôllen werden·Nÿmm bonen mele und mele von kÿcheτn und mele von wÿcken und müsche darunder disen wilden rŭbsamen mele ÿegkliches geleich vil·und müsche die mit bonenblŭ wasser und wåsch dein haut damit sÿ wirt schôn und lauter·(Die heimischen růben sind ons wol bekant die rohe geessen sind unverdeülich·und die gesoten blåend den bauch und meτen die feüchtung in des menschen leÿbe·(Den samen von růben bτauchet man zů dem dτiackel und der ist gůt für vergifft·(Wôlcher einen gifftigen getranck getruncken het d trinck dises samens mit mulsa so mag jm die gift nit geschaden wz mulsa sey findest du in dem capitel consolida maioτ·(Der meister Almansoτ in seinem dτitten underscheÿde in den capitel napo idest rapa beschτeibt uns und spτicht·dz růben mit eþsig conficiert kelten und blåen·aber doch so leschen sý coleram rubeam das ist dz hiczig trucken geblüte dz do dem menschen groþse kranckeÿt bτinget·Und spτichet auch das der same seÿ ein dτiack dem die do vergifftig sind. (Galienus in seinem anderen bůch genant de cibis in dem capitel rapa spτicht·dz in mangerleÿ weise die růben bereitet werden in der kost·und etliche schneÿden die klein und thůnd die in eþsig und tůnd darzů någe [375] lein und and specereÿen·dise weren ein ganczs jar·und ist gesagt von den roten růben·(Diser meister spτichet auch in seinem sechþten bůch genant de simplicibus medicinis in dem capitel gengelida idest rapa·das die růben und d same reÿczen den menschen zů begierde d unkeüscheyt·(Růben rohe geessen beschwåren den menschen seinen magen·darumb so sind sÿ fast besser gesoten. (Ach spτicht Galienus·das růben gar gůt seÿen und gesundt wenn sÿ in zweyen wassern gesoten werden·(Wôlcher schweeren håte an seinem leÿbe oder bôsen ausseczigen grÿndt·der wåsche sich mit dem wasser darinn d samen gesoten wirt·die haudt wirdett gladt und schôn·(Platearius růben machen reümig umb dÿe bτust·die gesoten mit meyen buttern·(Plinius·růben bτŭ getruncken stÿllet den dürτen hůsten.

(Paulus·růben gesoten mit baumôle das machet wol deüen. (Item růben sind warm in dem zweyeten grad·unnd feücht an dem ersten grad·und bτingen vil fŭrung und sind doch hartt zůverdeüen·und bτingen vil wynde·darumb so bτingen sÿ flleÿschliche begerung·wann sÿ meren den samen genant sperma·

(Item·die bτŭe darjnne die růben gesoten sind gestrÿchen auff weetagen der vergichtigen gelÿder als auff dz bodogram·es ist darzů gůt·

(1) Rapen, 340ste kapittel

Rapa Latijn. Grieks egelida vel bengilida vel noÿda. Arabisch delion. (Brassica rapa)

Serapio in het kapittel Delion, id est rapa, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig. Een geteelde en het andere wild. De wilde is in Latijn genaamd rapella en die heeft veel twijgen of takken aan de stam en die is een arm lang, ze groeit aan de droge plaatsen en heeft weke bladeren en groot gelijk de grote alant en die heeft een klein zaad en dat is zwart en als men die breekt dan is het inwendig wit. Dioscorides spreekt dat het zaad van de wilde raap gemengd wordt tot de stukken die dat (6) aangezicht wit maken. En dit zijn die stukken die tezamen gemengd zullen worden. Neem bonenmeel en meel van kekers en meel van wikke en meng daaronder deze wilde raapzadenmeel, van elk gelijk veel, en meng die met bonenbloemenwater en was je huid daarmee, ze wordt schoon en zuiver. (2) De geteelde rapen zijn ons goed bekend, die rauw gegeten zijn onverteerbaar en die gekookt blazen de buik op en vermeerderen de vochtigheid in het mensen lijf. De zaden van rapen gebruikt man tot de (3) triakel en dat is goed voor vergif. Wie een vergiftige drank gedronken heeft die drinkt dit zaad met wijnhoning dan mag hem dat gif niet beschadigen, wat mulsa is vind je in het kapittel consolida major. De meester Almansor in zijn derde onderscheidt in het kapittel napo, id est rapa, beschrijft ons en spreekt dat rapen met azijn gemengd verkoelen en opblazen, maar toch zo lessen ze rode gal, dat is dat hete droge bloed dat zo de mensen grote ziekte brengt. En spreekt ook dat het zaad is een (3) triakel voor die er vergiftigd zijn. (4) Galenus in zijn andere boek genaamd de cibis in het kapittel rapa spreekt dat op vele manieren de rapen bereid worden in de kost en ettelijke snijden die klein en doen die in azijn en doen daartoe [375] kruidnagels en andere specerijen, deze duren een gans jaar en dat is gezegd van de rode rapen. Deze meester spreekt ook in zijn zesde boek genaamd de simplicibus medicinis in het kapittel gengelida, id est rapa, (5) dat de rapen en het zaad rijzen de mensen tot begeerte van onkuisheid. Rapen rauw gegeten bezwaren de mensen zijn maag en daarom zo zijn ze erg beter gekookt. Ook spreekt Galenus dat rapen erg goed zijn en gezond als ze in twee waters gekookt worden. Wie zweren heeft aan zijn lijf of kwade huiduitslag schurft, die wast zich met het water daarin de zaden gekookt worden, de huid wordt glad en schoon. Platearius, rapen maken ruim om de borst, die gekookt met mei boter. Plinius, rapen brei gedronken stilt de droge hoest.

Paulus, rapen gekookt met olijvenolie dat maakt goed verduwen. Item, rapen zijn warm in de tweede graad en vochtig aan de eerste graad en brengen veel voedsel en zijn toch hard te verduwen en brengen veel wind, (5) daarom zo brengen ze vleselijke begeerte want ze vermeerderen de zaden genaamd sperma.

(7) Item, de brei daarin de rapen gekookt zijn gestreken op pijnen van de jichtige leden zoals op het podagra, het is daartoe goed.

(1) Dodonaeus; Dit gewas of de wortel er van heet in het Grieks Gongyle hemeros omdat het algemeen is en zeer veel gezaaid wordt. In het Latijn en in de apotheken heten ze Rapa en Rapum en in onze taal rapen, in het Hoogduits Ruben’.

Herbarius in Dyetsche; (4) Je zal ze met vet vlees koken.

(3) Wijn, waar tamme rapen in gekookt zijn, is goed tegen serpentbeten. Ook als je het daarop strijkt aan de buitenkant helpt het zeer. (5) Rapen blazen op en maken vochtigheid of sperma in de mens.

(5) Als je rapen kookt en eet maakt het winden en verwekt tot onkuisheid, het maakt ook vermeerdering van sperma.

(7) Het kooksel van rapen dat op de kloven van koudheden en op jicht in de voeten gelegd wordt helpt .

(6) In gekonfijte mengsels tegen het venijn doe je driakel, het zaad doe je in medicijnen die het aangezicht zuiveren als je het met meel van lupinen, met meel van bonen en met bloem van lood in water mengt.


Johanns treüblein

Das cccxli Capitel

Ribes grece et latine·

Die meister spτechen·das dises seÿ ein baum dτeyer arme hoch·und hat bleter geleých den bτanbeere·unnd ist doτnig·an dem wåchþt ein frucht die ist rot geleÿch den karellen·dise frucht nüczet man in der ercznei·Dises ist kaltt und trucken an dem dτÿtten grad·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel ribes beschτeÿbet uns und spτicht·das dises habe einen langen stammen·und seine bleter sind rund und kårbelat und bτingen rotte treüblein geleÿch den weintrauben dann das sÿ nichtt also groþ (·z·j·) [376] sind·Diser treüblein geessen benemen den durst·und sunderlichen den durst der do kommet von d hÿcze der coleren·oder gallen und benemen den fluþ des bauches·

(Johanns treüblein bτingen lusten zů essen und zů trincken·

(Der safft davon genüczett ist gůt dem zÿttrenden herczen·und benymmet das bτechen·In dem safft ist sŭssigkeit·(Platearius. Wôlcher grosse hÿcze håt d eþs diser treüblein unnd trincke des safftes sÿ kŭlen beÿde fast wol·(Von disen treüblein do machet man ein electuarien das ist fast gůt den hyczigen menschen d genüczet hilfftt·(Item ein getrancke gemachet von johanns treüblein in endivien wasser ist gůtt wider die rôteln und pôτpeln genant moτbilli varioli·(Item. Dise treüblein gesoten mit sauer ampffer wasser ist gůt wid den durst und wider die pestilencz·(Diser getranncke ist auch gůt wider die trunckenheÿt·und auch wider den fluþ der guldin adren genant fluxus emoτrodiarum.

(1) Aalbes.

Dat. 341ste kapittel.

Ribes Grieks en Latijn. (Ribes rubrum)

De meesters spreken dat dit is een boom drie armen hoog en heeft bladeren gelijk de bramen en is doornig, hieraan groeit een vrucht die is rood gelijk de koralen, deze vrucht nuttigt men in de artsenij. Dit is koud en droog aan de derde graad. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Ribes beschrijft ons en spreekt dat deze hebben een lange stam en zijn bladeren zijn rond en gekerfd en brengen rode trosjes gelijk de wijndruiven, dan dat ze niet alzo [376] groot zijn. Deze trosjes gegeten benemen de dorst en vooral de dorst die je komt van de hitte van de (2) gal of gallen en benemen de vloed van de buik.

(3) Aalbes brengt lusten te eten en te drinken.

Het sap daarvan genuttigd is goed het sidderende hart en beneemt dat braken. In het sap is zoetigheid. Platearius. Wie grote hitte heeft die eet deze trosjes en drinkt dat sap, ze verkoelen beide erg goed. Van deze trosjes zo maakt men een likkepot dat is erg goed de hete mensen, die genuttigd helpt. Item, een drank gemaakt van aalbes in andijviewater is goed tegen het rammelen en popelen genaamd morbilli varioli. Item. (4) Deze trosjes gekookt met zuringwater is goed tegen de dorst en tegen de pest. Deze drank is ook goed tegen de (5) dronkenschap en ook tegen de vloed der gulden aderen genaamd fluxus emorrodiarum.


Ein wurczeln also genant

Cccxlii Capit·

Reubarbarum latine·arabice raved vel raud.

(Der meister Johannes mesue beschτeibet uns und spτicht·das dise wurczel wachþe in jndia.

Auch wechþt die in barbaria do her sÿ auch der namen hat. Und dises ist die beþte die do rott ist·und vermüscht mit einer schwercze·und die auch fast schwår und teÿcht ist und safftig·und wenn man der ein wenig keüwet das die farbe geleÿche dem saffran.

(Diascoτides spτicht·das reubarabar sej ein wurczel eins baumes in jndia·Dise wurczeln ist heÿþ und trucken an dem andern grad·(Dise wurczeln hat in jr [377] grosse krafft und grôsser denn kein andere wurczel. Und dise mügen nüczen jung und alt zů aller zeite·und sunderlichen mügen nüczen kindtbetterin dise wurczlen. (Der wurczlen ein halb quintin geleget in ein halbe maþ gůttes weins·der wein gewÿnnt grosse krafft und behŭtet den menschen voτ zůfålliger kranckeit·(Reübarbara benymmet die melancoleý und machet den mennschen gůt frysch geblüt·(Auch so benymbt reubarbara die schwarczen gallen mit der bôsen flegma·und reÿniget den magen und auch die lebern·und benÿmbte das stossen umb daz hercze·(Ab diser wurczeln getruncken nÿmbt hýn yctericiam·das ist die geelsucht·und das geleýchen die wassersucht·(Reubarbara ist gůt den jnnerlichenn gelÿdern die do zerbτochen sind und auch auþswenig an dem leybe·von was sachen die kommen sind darüber getruncken·(Der meister Johannes mesue spτicht·das reubarbara auþtreÿbe die bôsen melancoleÿ und flegma·(Und sein aller grôþte tugent ist das sÿ reÿniget den magen und die lebern·und reÿniget das geblŭt in dem leybe·unnd benÿmbt alle bestopffung d jnnerlichen gelÿder·davon dÿck entsteet grosse kranckheÿt als dann ist die wassersucht die geelsucht·der viertåglich rÿten des milczen gebτesten·(Item. Wem seine gelÿder zerknüschett sind deτ neme mommie als vil als zwey gersten kôτner wegen·und reubarbara ein halb quintin·und müsche die mit gůtem wein·und lasse den wallen ob den feüwer und schmiere dann die zerknüschung domit·es hilfft fast wol und benÿmbt das geliefert blůt. (Reubarbara ist ein gůte erczneý für des magens auffstossen·(Reubarbara mag man behalten vier jare unverseeret an jrer krafft·(Item·Die wurczel sol man wol vermachen mit wachþ so beleÿbt der safft darinnen·und das wachþ sol vermüschet sein mit terpentin·(Die meÿster sprechen gemeÿnigklich·das diþs seÿ die beþte reubarabara dye do schwåτ ist und teÿcht und sol haben adern die selben geleychen dem saffran an der farbe·und wôlch luck ist und nit adern hat und sich bulferet so mann die ein wenig schütttelt die ist nichcz nücz·

(Item·Endivien wasser darjnn reubarbaraba gewesen ist·davon getrunckenn das ist gůt wider die miþfarben und wider das fieber tercian·und zů reubarbara so sol man wenig spÿca vermengen.

Und ist auch gůt wider bestopffung lebern und milczes·(z·ij·) [378]

(1) Rabarber.

342ste kapittel.

Reubarbarum Latijn. Arabisch raved vel raud. (Rheum rhabarbarum)

De meester Johannes Mesue beschrijft ons en spreekt dat deze wortels groeien in India.

(2) Ook groeit die in Barbaria vandaar ze ook de naam heeft. (3) En dit is de beste die er rood is en vermengd met wat zwart en die ook erg zwaar en dicht is en sappig en als men die wat kauwt dat de kleur gelijk is de saffraan.

Dioscorides spreekt dat reubarabar is een wortel van een boom in India. Deze wortel is heet en droog aan de andere graad. Deze wortel heeft in hem [377] grote kracht en groter dan geen andere wortel. En deze mogen nuttigen jong en oud tot alle ziektes en vooral mogen nuttigen vrouwen die in de kraam liggen deze wortels. De wortel een half van 1,67gram gelegd in een halve maat goede wijn, die wijn wint grote kracht en behoedt de mensen voor toevallige ziektes. Reubarbara beneemt de melancholie en maakt de mensen goed vers bloed. (4) Ook zo beneemt reubarbara de zwarte gal met het kwade flegma en reinigt de maag en ook de lever en beneemt dat stoten om dat hart. Van deze wortel gedronken neemt heen ictericus, dat is de geelziekte, en desgelijks de waterziekte. Reubarbara is goed de innerlijke leden die er gebroken zijn en ook uitwendig aan het lijf van welke zaken die gekomen zijn, daarvan gedronken. (4) De meester Johannes Mesue spreekt dat reubarbara uitdrijft de kwade melancholie en flegma. En zijn allergrootste deugd is dat ze reinigt de maag en de lever en reinigt dat bloed in het lijf en beneemt alle verstopping van de innerlijke leden waarvan vaak ontstaat grote ziekte zoals dan is de waterziekte, (5) de geelziekte, de vierdaagse malariakoorts, de milt gebreken. Item. Wie zijn leden gekneusd zijn die neemt mummie, zo veel als twee gerstekorrels wegen, en reubarbara, een half van 1,67gram, en meng die met goede wijn en laat die wellen op het vuur en smeer dan de kneuzing daarmee, het helpt erg goed en beneemt dat gestolde bloed. (Reubarbara is een goede artsenij voor de maag uitstoten. Reubarbara mag men behouden vier jaar onveranderd aan zijn kracht. Item. De wortel zal men goed vermaken met was en zo blijft het sap daarin en die was zal vermengd zijn met terpentijn. (3) De meesters spreken gewoonlijk dat dit is de beste reubarabara die zo zwaar is en dicht en zal hebben aders die zullen lijken op saffraan aan de verf en welke licht is en geen aders heeft en zich verpoederd zo men die een weinig schudt die is niet nuttig.

Item. (4) Andijviewater daarin reubarbaraba geweest is daarvan gedronken dat is goed tegen die miskleur en tegen de derdedaagse malariakoorts en bij reubarbara zo zal men weinig spica vermengen.

En is ook goed tegen verstopping van lever en milt. [378]

Dodonaeus; ‘‘Dit gewas gewoonlijk aelbesien, te weten de eerste soort met rode vruchten rode aalbessen, in het Latijn Ribesium fructu rubro en de andere soort Ribesium fructu nigro, dat is zwarte aalbessen. Dan in het Hoogduits heet deze rode soort Sant Johans traubel of traublin en Sant Johans beerlin.

Herbarius in Dyetsche Rode Ribes, het sap van de aalbes is goed tegen hartkramp, tegen het overgeven en tegen het naar toilet gaan (2) van rode gal, (3) het laat appetijt (dat is trek krijgen in eten) krijgen vanwege zijn koudheid. (2) Dat is goed tegen dorst die van hitte of van rode gal komt.

(4) Ook is het goed tegen pest. Als je het met suikerwater geeft stilt het de dorst.

(5) Het sap dat met weegbreewater gedronken wordt is goed tegen aambeien en tegen dronkenheid volgens Serapio en Pandecta uit de macht van Rasis.


Ein wurczeln also genant

Cccxliii Capit

Reuponticum latine et grece·

(Die meister spτechen gemeÿnigklich·das dise wurczel geleÿche reubarbara·und hat jnwenig kleine åderlein geleÿch den reubarbara·aber dise wurczel fårbt nit als fast als reubarba thůt und heiþt darumb ponticum·wann sÿ werden funden in d jnþsel ponto genant·(Diascoτides spτicht·daz reponticum wachse in einen lande genant boþfoτo·und auþ dem selben lande wirt sÿ bτacht in grecien·und auþ grecien in teütsch landt·(Dise wurczel ist leicht und hat einen kleinen gerauch in jr·und ist bitter·die in dem mund gehalten·wenn man sÿ keüwet wirdt sÿ waich und gewynnt farb nah als saffran·jr krafft ist fast groþ und dienet sundlich allen krancken menschen jnnerlich des leibs wie die kranckeit sein mügen sÿ sÿe kommen von kelte od von hycz so temperieret sÿ die natur des menschen·

(Dise wurcz in wein gesoten·die zerschwollen gelÿd domit bestrichen sezt die geschwulst. (Dise wurcz bτingt auch vil geblŭt dem menschen d sich verczert hat in einer kranckeit·dise ist die aller beste wurcz und allen wurczlen nach d reubarbarbara die man finden mage·(Paulus in dem capitel reponticum beschτeibt uns und spτicht dz die seÿ heýþ und trucken an dem andern grad·und jr tugent ist stercken und reÿnigen dz geblŭt·und ist durchτingen bôse feüchtigkeÿt auþ dem leÿbe·(Ein pflaster gemachet also·nÿmm ôle rosarum·ij·uncz·dz ist vier lot und bulfer von d wurcze reupontica ein halb lot und müsche darund wachþ dz dises werde als ein pflaster·dises lege auþwenig auff den magen od auff die leber od auff die milcze od an wôlchen enden dich duncket in dem leÿb gelecziget sein·es heÿlet den gebτesten·(Das bulfer genüczet tôdtet die wŭrm in dem bauch·(Wein darjnn gesoten ist repontica mit fenchelsamen und mit zucker sŭþ gemachet ist gůt wid bestopffung lebern und milczes von einer kalten materien·

(Item reupontica gebulfert und vermennget mit wenig hônigs·und davon genüczet ist gôt wider die wŭrm·[379]

(1) Rabarber.

343ste kapittel.

Reuponticum Latijn en Grieks. (Rheum rhaponticum)

De meesters spreken gewoonlijk dat deze wortel lijkt op reubarbara en heeft inwendig kleine adertjes gelijk de reubarbara, maar deze wortel verft niet zo erg als reubarba doet en heet daarom ponticum want het wordt gevonden in het eiland Ponto genaamd. Dioscorides spreekt dat reponticum groeit in een land genaamd Bosporus en uit datzelfde land wordt ze gebracht in Griekenland en uit Griekenland in het Duitse land. Deze wortel is licht en heeft een kleine reuk in zich en is bitter, die in de mond gehouden als men die kauwt wordt het week en krijgt een kleur bijna als saffraan, (2) haar kracht is erg groot en dient vrijwel alle zieke mensen innerlijk het lijf hoe die ziekte zijn mag, ze komen van koudheid of van hitte, zo tempert ze de natuur van de mensen.

Dit kruid in wijn gekookt en de gezwollen leden daarmee bestreken verzacht die gezwellen. Dit kruid brengt ook veel bloed de mensen dat zich verteerd heeft in een ziekte, dit is het allerbeste kruid en alle wortels na de reubarbarbara die men vinden mag. Paulus in het kapittel reponticum beschrijft ons en spreekt dat dit is heet en droog aan de andere graad en zijn deugd is versterken en reinigen dat bloed en is doordringen de kwade vochtigheid in het lijf. (3) Een pleister gemaakt alzo; neem olie rosarum, 2 ons, dat is vier maal 33,4 gram, en poeder van het kruid reupontica, een half van 33,4 gram, en meng daaronder was zodat dit wordt als een pleister, deze leg je aan de buitenkant op de maag of op de lever of op de milt of aan welke einden je denkt dat het lijf gelet is, het heelt de gebreken. Dat poeder genuttigd doodt de wormen in de buik. Wijn daarin gekookt is repontica met venkelzaden en met suiker zoet gemaakt is goed tegen verstopping van lever en milt van een koude materie.

Item, reupontica gepoederd en vermengt met weinig honing en daarvan genuttigd is goed (4) tegen de wormen. [379]

Zie vorige kapittel.

(1) Rhaponticum: Rha Ponticum, de plant van Plinius, de Rhacomawortel, zou gekomen zijn uit de landen rondom de Zwarte Zee en heet daarom Rha ponticum. Daarom werd het bij H. Bock in 1546 Rhapontik genoemd. Duitse Rapontik, Repontik of Reupontick. Dodonaeus’ De ene groeit in Pontus en wordt rhaponticum genoemd. De tweede in Barbarije en dat is de gewone rabarber’.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het heet Reubarbarum want je vindt het bij de Barbaren of in de landen van over zee. (3) Het is een zware wortel die geen gaatjes heeft. (4) Rabarber heeft voornamelijk de kracht om rode gal te purgeren, het is tegen verhitting van de lever of van de milt die uit hete vochtvermenging komt zeer goed en ook tegen de koorts die de derdedaagse koorts. (5) Hetzelfde is ook goed tegen geelzucht als je er andijviewater bij mengt’.

Zie kapittel 342.

Hederich Das

Cccxliiii Capitel

Rapistrum latine et grece·

(Die meister spτechen·dz dises seÿ ein kraut·seine bleter geleÿchen den vehe dýsteln·allein dz diþs kraut spiczigere bleter hat. Dise bleter haben mitten schwaτcze trôpfflein geleÿch dem polipodio·das ist engelsŭþs·Dÿses kraut und wurczelu ist fast gůt in der erczneÿe·(Sein nature ist warm und trucken an dem dτiten grad·(Wôlcher erkaltte gelÿder an seinem leýb hete·also daz er auþschlüge von grÿndt der neme dises kraut und siede dz mit wein·und trincke den des abentz und des moτgens·er wirt gesunt und seine gelÿder werden fast fertig·(Dise wurczel gestossen zů bulfer und eingenommen des moτgens und des abentz·ist fast gůt wider das fieber·(Dises kraut und wurczeln zůsamen gestoþsen und darunder gemüscht wegrich und kleine wegtreten yegklichs ein halbe handt vol und dz also gesoten mit eþsig·unnd den darnach durch ein thůch gelassen und disen genüczet des abendes so man schlaffenn wil geen·machet wol schwÿzen·und treÿbet auþ die bôsen feüchtung mit macht·(Für die pestilencz also genüczet ee das der mensche schlåfft·er wirt schwÿczen gar fast und darnach mag er ein nemen gůten triackers mit eþsig· (·z·iij·) [380]

Hederik. Dat

344ste kapittel.

Rapistrum Latijn en Grieks. (Sinapis arvensis)

De meesters spreken dat dit is een kruid, zijn bladeren lijken op de Mariadistel, alleen dat dit kruid spitsere bladeren heeft. Deze bladeren hebben in het midden zwarte druppels gelijk de Polypodium, dat is engelzoet. Dit kruid en wortels is erg goed in de artsenij. Zijn natuur is warm en droog aan de derde graad. Wie verkouden leden aan zijn lijf heeft alzo dat er uitslag van schurft is, die neemt dit kruid en kook dat met wijn en drink het ‘s avonds en ’s morgens, hij wordt gezond en zijn leden worden erg klaar. Deze wortel gestoten tot poeder en ingenomen ‘s morgens en ’s avonds is erg goed tegen de koorts. Dit kruid en wortels tezamen gestoten en daaronder gemengd weegbree en klein varkensgras, van elk een halve hand vol, en dat alzo gekookt met azijn en dan daarna door een doek gelaten en dit genuttigd ‘s avonds zo men slapen wil gaan maakt goed zweten en drijft uit die kwade vochtigheid met macht. Voor de pest alzo genuttigd eer dat de mens slaapt, hij gaat zweten zeer erg en daarna mag hij innemen goede triakel met azijn. [380]

(1) Dodonaeus; ‘‘‘Dit kruid wordt tegenwoordig Rapistrum in het Latijn en van sommige ook Sinapi silvestre genoemd, in het Hoogduits Hederich'.

Klebkraut cccxlv Ca

Rubea tinctoτis latine·grece eritrodanum·vel entradoτon·arabice save vel eira·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel save idest rubea tinctoτis spτicht·das der seÿ zweÿer handt·die ein wechþt von jr selb·die ander sået man in die gárten·(Paulus in dem capitel rubea tinctoτis spτicht·dz diþ kraut sej heiþ und trucken an dem anderen grad·Mit disem kraut fårbet man rot·(Diascoτides·Dises kraut hat tugent zehårmen dz genüczt mit wein·(Dises krautt gesoten in eþsig und die weyssen flecken domit bestrychen heÿlt und gibt jn gůt farbe. (Die wurczel dises krautes benymmet alle stopffung d lebern und des milczes·(Das bulfer von diser wurczel gemüschet mit ôle·und von dem saffte des knoblachs und ein wenig hônigs und domit bestrÿchen die bôsen rauden·davon entsteen mag die ausseczigkeit. (Der safft von diser wurczel in die oτen gelassen benymmt den schmerczen darauþs. (Item zů allen dingen die hårmen machen mag man dise wurczel und kraut darunder müschen·so wirdet es dester krefftiger in seiner würckung·(Die wurcze in wein gesoten mit fenchelsamen ist gůt auþ zů treÿben frauen feüchtigkeit genant menstruum·und dz tod kind und die burde genant secundina·(Item dise wurcz gesoten in laug domit gewåschen dz har·wirt davon geel·

(1) Meekrap, 345ste kapittel.

Rubea tinctoris Latijn. Grieks eritrodanum vel entradoron. Arabisch save vel eira. (Rubia tinctorum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel save, id est rubea tinctoris, spreekt dat het is tweevormig, de ene groeit van zichzelf en de andere zaait men in de tuin. Paulus in het kapittel rubea tinctoris spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de andere graad. Met dit kruid verft men rood. Dioscorides: (2) Dit kruid heeft deugd te plassen, dat genuttigd met wijn. Dit kruid gekookt in azijn en de witte vlekken daarmee bestreken heelt het en geeft het een goede kleur. De wortel van dit kruid beneemt alle verstopping van de lever en de (3) milt. Dat poeder van deze wortel gemengd met olie en van het sap van knoflook en een weinig honing en daarmee bestreken de (4) kwade ruigte daarvan ontstaan mogen de huiduitslag. Het sap van deze wortel in de oren gelaten beneemt de smarten daaruit. Item, tot alle dingen die plassen maken mag men deze wortel en kruid daaronder mengen, zo wordt het des te krachtiger in zijn werking. Dat kruid in wijn gekookt met venkelzaden is goed uit te drijven vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie en dat dode kind en de geboorte genaamd secundina. Item, dit kruid gekookt in look en daarmee gewassen dat haar, dat wordt daarvan geel.

Vorm.

De plant lijkt op nauw verwante, gelede en door borstels aanhangende of klevende kleefkruid, Duits Klebkrut.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt in het Nederduits mee genoemd en de wortels die gestampt en gebroken of tot poeder gebracht zijn heten mee-krappen, in het Hoogduits Rote, in het Latijn Rubia, bij de apothekers Rubia tinctorum.

Herbarius in Dyetsche; Er zijn twee soorten van mede als tamme of grotere en wilde of kleinere. De grotere is diegene die meer kransblaadjes heeft en is ook van mindere kracht. (2)

Tegen ziekte van de maag en van de (3) lever uit ontbinding of ontspanning: ‘Neem wijn waar mede met mastiek in gekookt is’.

(4) Daarom is het tegen witte morfeem (dat zijn witte plekken) meng daartoe het poeder van deze wortels met het poeder van Aloë, levermos, met het sap van knoflook en wat honing en daar mee zalf je.


Holler cccxlvi Cap

(S)Ambucus vel cameactus latine·grece Sell·arabice Asol·vel Also vel Lulipensimum·

(In dem bůch circa instans in dem capitel sambucus beschτreiben uns die meister und spτechen·dz holler sey von natur heÿþ an dem anderen grad·und trucken an dem ersten. Die rynden des hollers bτaucht man mer in der erczney dann die blůmen·bleter·oder die früchte·(Serapio spτicht·daz dise bletter so sÿ noch grŭn sind gestoþsen und auff die gryndigen hautt geleget·heÿlet seer·(Auch also geleget auff daz geschweere daz sich gern erhebet an den fingern·und heÿsset gemeýnigklichen der [381] wůrm ist fast gůt und heÿlet dz zůhandt·(Die bleter gesoten in wein und den getruncken benymmet alle überflüssigkeit d feüchtung·und sind fast gůt genüczt den wassersüchtigen. (Item die rÿnden gesotten in wasser so sÿ noch grŭn sind·und das getruncken machet fast oben auþ bτechen·(Der gerauch von holler ist fast starck und krencket dz haubt und machet gern blůten die nasen·(Die bleter von holler od dÿe frücht darvon gesoten in einem gesalcznen wasser·benÿmbt dye geschwulst von dem fŭssen·die domit gewåschen heÿlet die geschwulst zůhandt·(Item die bletter auch gesotten in wein·od in ôle·und gelegt auff das verhertet milcz·waÿchet das zůhandt·(Die rÿnden sind gar gůt genüczet flegmaticis·das sind die dy vil kalter feüchtunge habend und domit keltte·und sunderlichen ist holler gůt den alten leüten·(Item holler bletter mit essig und salcze gesoten·und auff die bôsen gestalt des grÿnds geleget ist darzů gůt·und wenn du bist darzů müschen bleÿweÿþ so ist es besser·(Item hollerblŭe gerochen von einem hyczigenn menschen·bτinget haubtweetumb und ståtigs gerochen bτingt die nasen blůten·

(1) Vlier, 346ste kapittel.

Sambucus vel cameactus Latijn. Grieks Sell. Arabisch Asol vel Alzo vel Lulipensimum. (Sambucus nigra)

In het boek Circa instans in het kapittel Sambucus beschrijven ons de meesters en spreken dat vlier is van natuur heet aan de andere graad en droog aan de eerste. De bast van de vlier gebruikt men meer in de artsenij dan de bloemen, bladeren of de vruchten. Serapio spreekt dat deze bladeren zo ze noch groen zijn gestoten en op de (2) schurftige huid gelegd heelt zeer. Ook alzo gelegd op de zweer dat zich graag verheft aan de vingers en heet gewoonlijk de [381] worm is het erg goed en heelt dat gelijk. (3) De bladeren gekookt in wijn en dan gedronken beneemt alle overvloedige vochtigheid en zijn erg goed genuttigd de waterzuchtige. Item, de bast gekookt in water zo ze noch groen zijn en dat gedronken maakt erg bovenuit braken. (4) De reuk van vlier is erg sterk en beschadigt het hoofd en maakt graag bloeden de neus. De bladeren van vlier of de vrucht daarvan gekookt in een zout water beneemt de gezwellen van de voeten, die daarmee gewassen heelt die(5) gezwellen gelijk. Item, de bladeren ook gekookt in wijn of in olie en gelegd op de verharde milt weekt dat gelijk. De bast is erg goed genuttigd flegmaticis, dat zijn die er veel koude vochtigheid hebbenen daarmee koudheid, en vooral is vlier goed de oude mensen. Item, vlierbladeren met azijn en zout gekookt en op de (2) kwade gestalte van de schurft gelegd is daartoe goed en als u daartoe mengt loodwit dan is het beter. (4) Item, vlierbloemen geroken van een hete mens brengt hoofdpijn en steeds geroken brengt de neusbloeding.

Dodonaeus; ‘Dit boomachtig of heesterachtig gewas heet in het Grieks Acte en in het Latijn en in de apotheken Sambucus, in het Hoogduits Holunder en ook Holder, Holler.

Het is een algemeen huismiddel, iedereen had dan ook een vlier bij zijn huis staan. (4) De plakkaten bloemen geven zo'n sterke geur af dat ze verdoven.

Herbarius in Dyetsche; ‘ De gestampte groene bladeren van vlier dat met azijn en zout gemengd is leg je op (2) empetiginen (dat is een kwade soort schurft) en op de donkere huid van het aangezicht.

(3) Tegen catar (dat is vochtigheid van het hoofd dat naar de borst af daalt dat van zoute slijm komt of in oude mensen die koud van samengesteldheid zijn.

Dat sap maakt het haar zwart en heelt (5) holle zweren en lopende gaten.

selbe cccxlvii Capit

Salvia latine·Eliffagus grece arabice Geliffagos·

(In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen·dz salvia von natur ist heÿþ an dem ersten grad und trucken an dem andern·und dises ist auch die meynung des meisters platearij. (Die bleter nüczt man in der erczneÿ·und die weren ein jar·darnach sollen sÿ erneüwet werden·(Es ist zweyer hant selbe·eine wyld die and zam·Und wenn man schτeibt in einem recept salvia·so meÿnet man die zåme·und so man schτeibt eupatoτium so meÿnet man die wylden·(Item hie ist zewissen dz eupatoτium in rechter warlicher gesch (·z·iiij·) [382] rifft aller meister d erczneÿ nitt ist geheýssen wilde selbe sund eupatoτium heýsset alpkraut·und lilifagus heÿsset wilde selbe·warumb aber die årczt nennen dem terminum eupatoτium für wýld selbe·laþ ich hie ansteen·(Serapio·in dem bůch aggregatoτis in dem capitel gellifagos·idest salvia·beschτeibt uns und spτicht·dz dises kraut wachþ auff mit einem busche und wirt nit hoch·Die bleteτ sind geleÿch den kütten blettern allein daz sÿ lenger sind und rauhe als thůch·und sind weyþfarb und haben einen gůtten gerauch·(Plinius in dem capitel eliffagos idest salvia·beschτeibt uns und spτicht·sas selbe stopffe die übeτflüssigen flüsse·(Dises krautte ist gůt dissintericis·dz ist die dem blůtgang haben·die bleter geeþsen in d kost·(Der safftt von dem selben bletern machet dz har wachþen·und den getruncken ist gůt dem d mit not neczet·(Serapio spτicht·das selbe gesoten mitt den stengeln und die also genüczt machet wol hårmen und bτinget den frawen jr zeÿt menstruum genant·und treÿbt auþ dz kÿndt in můter leÿb·und darumb sollen die frawen d selbe nit zů vil nüczen es wår dann an d zeÿt d geburde des kyndes·(Platearius. Wôlcher gebÿssen wår von einem giftigen thier·der trincke von selbe er genÿset·(Selbe gebulfert und das gemüschet mit wasser und gesoten·das har domit gewåschen machet es schwarcz·Und dises ist gůt geleget auff geschweren·wann dis bulfer benÿmmt den geschweren jr flüsse die zů seer fliessen·und reyniget auch domit die geylen wunden und geschweer. (Item selbe gesoten mit dem stengel und darnach durch ein thůch gesÿgen·heylet die gekrecz und daz jucken d gemåcht·d mann und d frawen domit gewåschen. (Diascoτides·nÿmm selbe bleteτ mit den stengeln und odermÿnge·und seüde die mit regenwasser·und trinck des und wåsche auch domitt den fluþs d haudt und die kreczigen grÿnd·es hilfft fast wol·(Der safft von den bletern machet schwarczes har·und den getruncken·machet wol hårmen·(Der meister paulus·selbe in wein gesoten ist gůt den gichtigen gelydern·dem getruncken·und auch den auff dz gichtig gelyd geleget·hilfft fast wol·(Item selbe gelegt in mist iiij·wochen·darauþ wechþt ein fogel der hat einen wedel geleich als ein schlang·und ist weÿþ und geleychett einem fogel zů latein genant merula·dz ist ein dτoschel. Dÿsen fogel sol man bτennen zů åschen und zů bulfer·(Wilt du hübsche abenteür mit em bulfeτ treÿben so nÿmm ein ampel unnd thů darein ôle und dises bulfers und mache darein ein wiechen von einer schlangen haudt und baummôle und wenn dises also bτÿnnet geleÿch einem liecht so bedunckt all die in dem hauþ sind dz hauþ lauffe vol schlangen·Und dises haben un geschτiben magi von dem kraut salvia·(platearius. Selbe gesoten mit wasser ist gar [383] gůt für das gegicht und für die fallenden sucht·und auch sundeτlichen für den gebτesten strangwiria genant·das ist die do trôpflingen hårmen·(Von disem wasser getruncken und mit einem thůch auff den bauch geleget. (Item selbe reÿniget den frauen jr můter·(Item selbe gesotten mit wein mit wulle vermenget genant taxus barbatus und darauff gesessen so es warm ist·machet den arþs darm wider in den leÿb geen·als ettlichen menschen dÿckmale beschicht·(Item das safft von selbe mit hônige vermenget·unnd domit die faulen wunnden gewåschen ist sÿ wol reÿnigen·

(1) Salie, 347ste kapittel.

Salvia Latijn. Eliffagus Grieks. Arabisch Geliffagos. (Salvia officinalis)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat Salvia van natuur is heet aan de eerste graad en droog aan de andere en dit is ook de mening van de meester Platearius. De bladeren nuttigt men in de artsenij en die duren een jaar, daarna zullen ze vernieuwd worden. Er zijn twee soorten salie, een wilde en de ander tam. En als men schrijft in een recept Salvia dan bedoelt men de tamme en zo men schrijft Eupatorium dan bedoelt men de wilde. Item, hier is te weten dat Eupatorium in echte ware geschrift [382] van alle meesters van de artsenij niet is geheten wilde salie, dan Eupatorium heet leverkruid (Eupatorium cannibium) en lilifagus heet wilde salie, waarom echter de artsen noemen die Terminum Eupatorium voor wilde salie laat ik hier staan. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel gellifagos, id est Salvia, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid groeit op met een bosje en wordt niet hoog. De bladeren zijn gelijk de kweebladeren, alleen dat ze langer zijn en rauw als doek en zijn witkleurig en hebben een goede reuk. Plinius in het kapittel eliffagos, id est Salvia, beschrijft ons en spreekt dat salie stopt de overvloedige vloed. Dit kruid is goed (8) dysenteria, dat is die de bloedgang hebben, die bladeren gegeten in de kost. Het sap van de saliebladeren maakt dat haar groeien en dat gedronken is goed (4) die er met nood plast. Serapio spreekt dat salie gekookt met de stengels en die alzo genuttigd maakt goed plassen en brengt de (5) vrouwen hun tijd, menstruatie genaamd, en drijft uit dat kind in moeders lijf en daarom zullen die vrouwen de salie niet te veel nuttigen, tenzij dan aan de tijd van de geboorte van het kind. Platearius: (6) Wie gebeten is van een giftig dier die drinkt van salie, hij geneest. Salie gepoederd en dat gemengd met water en gekookt en dat haar daarmee gewassen maakt het zwart. (7) En dit is goed gelegd op zweren, want dit poeder beneemt de zweren hun vloed die te zeer vloeien en reinigt ook daarmee de geile wonden en zweren. (9) Item, salie gekookt met de stengel en daarna door een doek gezeefd heelt dat krabben en dat jeuken van het geslacht van de mannen en de vrouwen, daarmee gewassen. Dioscorides: neem saliebladeren met de stengels en Agrimonia en kook die met regenwater en drinkt dat en was ook daarmee de vloed van de huid en de krabbende schurft, het helpt erg goed. Het sap van de bladeren maakt zwart haar en dat gedronken maakt (4) goed plassen. (2)De meester Paulus: salie in wijn gekookt is goed de jichtige leden, dat gedronken, en ook dat op de jicht gelegd helpt erg goed. (1) Item, salie gelegd in mest 4 weken, daaruit groeit een vogel die heeft een staart gelijk als een slang en is wit en lijkt op een vogel in Latijn genaamd merula, dat is een merel. Deze vogel zal men branden tot as en tot poeder. Wil u een mooi avontuur met het poeder bedrijven zo neem een fles en doe daarin olie en dit poeder en maak daarin een doek van een slangenhuid en olijvenolie en als dit alzo brandt gelijk een licht zo denken allen die in het huis zijn dat het huis loopt vol slangen. En dit hebben ons geschreven magi van het kruid Salvia. Platearius: Salie gekookt met water is erg [383] goed voor de jicht en voor de (3) vallende ziekte en ook vooral voor het gebrek stranguriam genaamd, dat is die er (4) druppelend plassen, van dit water gedronken en met een doek op de buik gelegd. (5) Item, salie reinigt de vrouwen hun baarmoeder. Item, salie gekookt met wijn en met toorts vermengt, genaamd Verbascum barbatus, en daarop gezeten zo het warm is maakt de aarsdarm wederom in het lijf gaan zoals ettelijke mensen vele malen gebeurt. Item, dat sap van salie met honing vermengt en daarmee de vuile wonden gewassen is ze goed reinigen.

Dodonaeus; Dit gewas is bij de Grieken Elelisphacos genoemd.

Maerlant; ‘Salvia is heet en droog. Haar bladeren zijn te prijzen hoog, want wijn gekookt daar mede is goed tegen (2) jichtigheden en tegen de epilepsie, (3) dat is een zware ziekte’.

Herbarius in Dyetsche; (4) Wijn, waar Salvia en peterselie in gekookt zijn, opent de urineweg.

(5) Het kooksel van bladeren of twijgen of takjes van Salvia die je drinkt met bijvoet laat de stonden en plas komen en drijft de moederkoek uit waarin de vrucht in het lichaam in rust.

(6) Het sap van Salvia is goed tegen venijnige beten als die plaats met het sap bestreken wordt.

(7) Ook is het sap goed tegen blaren en voorkomt het de (8) bloedige loop, het zuivert bedrieglijke zweren.

(9) Tegen jeuk in de schaamstreek bij mannen en vrouwen kook je Salvia in water met wat honing van rozen en daar mee was je die plaats.

(10) De goochelaars zeggen dat uit de Salvia die onder mest verrot een vogel geboren wordt die een witte serpentenstaart heeft en als je daarvan as in een lamp doet schijnt het alsof het huis er vol mee is volgens Pandecta.

gwendel cccxlviii Ca

Serpillum vel Herpillum grece·latine Serapullum·arabice Nunir·vel mestratix·vel misete·

(Platearius beschτeibt uns und spτicht·daz quendel seÿ heÿþ und trucken von natur·und ist zweýer handt·einer wÿld·die and zåme·Die wÿld ist lang und wechset in die hôõhe·Die zåm bτeytet sich auff die erden und wechþet nit in die hôhe·jre blůmen und bletter bτauchet man in der erczney. (Diascoτides in dem capitel seτpillum spτicht·das dises kraut seÿ diemŭtig·wann es neÿgt sich gegen d erden·und hat bletter geleÿch oτigino·das ist d bτaun dosten·allein das sÿ weÿsser sind an den quendeln und haben einen gůten gerauch·und wachsen geren an den steinigen enden und an den bergen·(Plinius·Serpillum ist gůt dem haubt catarrus genant·d kumbt von keltte.(Serpillum ist auch gût dem hûsten·und dem d einen kaltten magen hat·ab disem krautt getruncken·(Diascoτides·Serpillum in wein getruncken·bτinget den frauwen jr feüchtigkeit menstruum genant·unnd machet wol hårmen·und benymmet das wůlen in dem bauch·(Also getruncken ist es auch gůt den geschweeren auff der lebern die do kommen von hycze·(Serpillum genüczet ist fast gůt dem d do gestochen wår von einem vergifftigen thiere·(Serpillum gesotten in eþsig und darunder gemüschet rosen ôle·und das haubt domit bestrychen·benymmett das wee [384] davon·und ist sunderlichen gůt litargicis·das ist die einn geschweere haben hÿnden in dem haubt. (Serpillim mit eþsig eingenommen auff ein lot·benÿmmet das bτechen und treÿbet auþ das gelebert blůt das sich gesamlet hat umb die bτust·(Avicenna wenn die thÿer auff dem felde als kŭe und pfård quendel eþsen·so machet er jn blůt geen auþ dem halse·(Der same mit wein getruncken ist gůt den die mit not neczen·und treÿbet auþ den stein der ettwa lange zeÿt in dem menschen gelegen ist·(Item von disem kraut ståtigklich getruncken benÿmmet den stein in den lenden und in der blasen·(Ein pflaster gemachet von quendel und geleget auff einen stÿch und auff dem byþs d bÿnen·heÿlet den zůhant. (Item wein gesoten in quendel mit leckericz safft vermenget ist gůt wider den hůsten·(Item wein gesotten in quendel mit åniþ ist gůt dem magen d verkŭlet ist und ist auch verczern die wÿnde des magens und des gedårms·und ist gůt genüczet wider den kalten seych genant stranguiria·

(1) Tijm, 348ste kapittel.

Serpillum vel Herpillum Grieks. Latijn Serapullum. Arabisch Nunir vel mestratix vel misete. (Thymus serpyllum)

Platearius beschrijft ons en spreekt dat tijm is heet en droog van natuur en is tweevormig, de een wild (Clinopodium vulgare) en de ander tam. De wilde is lang en groeit in de hoogte. De tamme breidt zich uit op de aarde en groeit niet in de hoogte, zijn bloemen en bladeren gebruikt men in de artsenij. Dioscorides in het kapittel serpillum spreekt dat dit kruid is (3) deemoedig want het nijgt zich tegen de aarde en heeft bladeren gelijk Origanum dat is bruine marjolein, alleen dat ze witter zijn aan de tijm en hebben een goede reuk en groeien graag aan de steenachtige einden en aan de bergen. Plinius, Serpillum is goed het hoofd catarre genaamd dat komt van kou. Serpillum is ook goed die hoesten en die een koude maag heeft, van dit kruid gedronken. Dioscorides, Serpillum in wijn gedronken brengt de vrouwen hun vochtigheid (2) menstruatie genaamd en maakt goed plassen en beneemt dat woelen in de buik. (5) Alzo gedronken is het ook goed de zweer op de lever die je komt van hitte. (6) Serpillum genuttigd is erg goed die er gestoken is van een vergiftig dier. Serpillum gekookt in azijn en daaronder gemengd rozenolie en dat hoofd daarmee bestreken beneemt de pijn [384] daarvan en is vooral goed litargicis, (4) dat is die een zweer hebben achter in het hoofd. Serpillim met azijn ingenomen op een lood beneemt dat braken en drijft uit dat gestolde bloed dat zich verzameld heeft om de borst. Avicenna, als een dier op het veld zoals koeien en paarden tijm eten zo maakt het in hen bloed gaan uit de hals. (7) Het zaad met wijn gedronken is goed die met nood plassen en drijft uit de steen die er wat lange tijd in de mensen gelegen is. Item, van dit kruid steeds gedronken beneemt de steen in de lenden en in de blaas. (6) Een pleister gemaakt van tijm en gelegd op een steek en op de beet van een bij heelt die gelijk. Item wijn gekookt in tijm met zoethoutsap vermengt is goed tegen het hoesten. Item, wijn gekookt in tijm met anijs is goed de maag die verkoeld is en ook verteert het de winden van de maag en de darmen en is goed genuttigd tegen de koude plas genaamd stranguriam.

(1) Dodonaeus; ‘De Hoogduitsers noemen dit gewas Quendel, Rumel en Rienlin, de Nederduitsers quendel, wilde Thymus en onser vrouwen bed-stroo, de apothekers noemen het gewoonlijk Serpyllum’.

Herbarius in Dyetsche; (6) Als je een pleister van onze vrouwen bedstro met azijn maakt is het goed tegen steken van de bijen en opent het de verstoppingen van de plasweg. (5) Als je daarvan drinkt geneest het de verheffing van de lever.

Als je het met azijn en olie van rozen tezamen op het hoofd strijkt is het goed tegen verhitting, tegen dwalende zinnen, (4) tegen lethargie en tegen hete blaren op het deksel van de hersens.

(5) Het zaad is sterker en is goed tegen koude blaren van de lever.

Ook is het goed tegen wormen, het trekt de dode vrucht uit, het laat plassen en de (2) stonden komen. (7) Vooral de wilde onze vrouwen bedstro is goed tegen druipende plas en trekt de steen uit.


nachtschat cccxlix ca

Solatrum latine·vel uva vulpis·grece strigenum·vel cuculus·vel moτella·arabice hameb vel hupue vel phatahalep·

(Avicenna spτichet·das dÿses kraut seÿ kalt an dem ersten grade und trucken an dem anderen·(Dise bleter von nachtschatten bτauchet man in der erczneÿe so sÿ noch grün sind·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel hameb·idest solatrum beschτeÿbet uns unnd spτicht·das dises seÿ ein kraut und hab vÿl stengel·Die bletter sind vermüschet mit einer schwercze·unnd sind nahet gefoτmiert als basilien bletter·allein das sÿ grosser sind unnd auch seind auch bτeÿtter· [385] Dises kraut hat schwarcz beere geleÿch den wåchalter beeren.

(Ein pflaster gemacht von dem beren und gelegt auff die hiczige geschwer·zeüht groþ hÿcz darauf. (Die bleter gestossen fast wol und darund gemüschet salcz und darauþ gemacht ein pflaster und gestrichen od gelegt auff dem bôsen juckenden grÿn heÿlet jn gar balde·(Das geleget auff dem erhabnen magen von geschwulst·seczet jn zůhandt·(Diþ pflaster geleget auff die oτen benÿmmt dem fliessenden eyter darauþ·(Der safft von nachtschat gmüscht mit bleiweiþ und silberglit und darzů rosen hônig·dises an dz haubt gestrÿchen benÿmmt jm die heissen geschweer·(In dem bůch circa instans in dem capitel solatrum beschτeyben uns die meister und spτechen·das nachtschatsafft seÿ gůt getruncken mit gersten wasser für die geschweer an dem magen·an d leber und auch sunft an den gedårmen. (Wôlcher ein hÿczige leber het dem mag man den safft müschen mit baumôle·den under ein gelassen mit einem clistier·es hilfft·

(Dises kraut gestossen und geleget auff den heissen bodagra benymmt die hycz und den schmerczen davon·(Item die knôpffe so sÿ noch grŭn sind·aber doch wåren sÿ besser schwarcz·die zerknüschten und zerschwollen baÿn mit geschmieret·seczet die geschwulste zůhandt·(Dise wurcz von d scabiosa und rautten wurczel an den halþ gehenckt benymmt die urschlechte od rôteln genant variole.

(1) Nachtschade, 349ste kapittel.

Solatrum Latijn vel uva vulpis. Grieks strigenum vel cuculus vel morella. Arabisch hameb vel hupue vel phatahalep. (Solanum nigrum)

Avicenna spreekt dat dit kruid is koud aan de eerste graad en droog aan de andere. Deze bladeren van nachtschade gebruikt men in de artsenij zo ze noch groen zijn. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel hameb, id est solatrum, beschrijft ons en spreekt dat dit is een kruid en heeft veel stengels. (2) De bladeren zijn vermengd met wat zwart en zijn bijna gevormd als basielkruid bladeren, alleen dat ze groter zijn en zijn ook breder. [385] Dit kruid heeft zwart bessen gelijk de jeneverbessen.

(3) Een pleister gemaakt van de bessen en gelegd op de hete zweer trekt grote hitte daaruit. De bladeren gestoten erg goed en daaronder gemengd zout en daaruit gemaakt een pleister en gestreken of gelegd op de kwade jeukende schurft heelt het erg gauw. Dat gelegd op de verheven maag van gezwellen verzacht het gelijk. Deze pleister gelegd op de oren beneemt de vloeiende etter daaruit. Het sap van nachtschade gemengd met loodwit en zilverschuim en daartoe rozenhoning en dit aan dat hoofd gestreken beneemt hem de hete zweer. In het boek Circa instans in het kapittel solatrum beschrijven ons de meesters en spreken dat nachtschadensap is goed gedronken met gerstewater voor de zweer aan de maag, aan de lever en ook verder aan de darmen. Wie een hete lever heeft die mag men het sap mengen met olijvenolie en die onder ingelaten met een klysma, het helpt.·

Dit kruid gestoten en gelegd op de (4) hete podagra beneemt de hitte en de smarten daarvan. Item, de knoppen zo ze noch groen zijn, maar toch zijn ze beter zwart, die gekneusde en gezwollen benen mee gesmeerd verzacht die gezwellen gelijk. Deze en het kruid van Scabiosa en ruitwortel aan de hals gehangen beneemt de oerslechte of rode genaamd variole. (Pokkenvirus?)

(1) Dodonaeus; ‘‘Wij noemen dit gewas hier in Nederland gewoonlijk nascaye of ook wel nachtschade naar de Hoogduitse naam Nachtschade.

Nachtscay, Solanum. Het is een kruid dat niet groot is met vele twijgjes waarvan de (2) bladeren op die van basilicum lijken.

(3) Tegen zwerende schurft en jeuk maak je van nachtschadenbladeren met zuring, azijn en zout een pleister.

(3) Tegen erisypelas of andere vurige of galachtige blaren meng je het sap met bloem van lood, met goudschuim, met olie van rozen en wat azijn


Apostemen kraut

Das cccl Capitel

Scabiosa latine·grece Stibes·vel stibeos·

(Der meister Paulus spτicht·das scabiosa seÿ heÿþ und trucken an dem andern grad·(Diascoτides in dem capittel stibeos idest scabiosa beschτeibt uns und spτichet·dz dises kraut sej fast truckner natur·und darumb ist diþs kraut gar gůt gesoten mit wasser und daz getruncken die do dem roten fluþ haben unnd auch den die flüssige oůen haben darein gelassen mit baumôle·(Auch ist dises wasser seere gůt den gleppergen wunden und die allzeÿt fliessen·als sunderlich alt schåden thůn·die domit gewåschen und [386] geseübert·und darnach des safftes mit einem thůch darüber geleget·(Scabiosa mit schwarczem wein gesoten·d wein trüchnet alle gebτechen des leybes·die wider die natur feücht sind·(Die bleter von scabiosa gestossen·dienen fast wol emoτroidibus·das ist ein fluþ in dem afftern und überflüssigen geblŭt·darauff geleget heÿlet den zůhandt·(Die bleter gestossen und in die augen gelassen die vol geblŭts sind von schlegen oder andern sachen·heÿlet die zůhandt·(Plinius spτicht·das scabiosa gůt seÿ genüczt für alle bôse grÿndt des leÿbes ·und sunderlich für maledeÿ·von disem kraut getruncken·oder dz wasser dz davon distilliert wirt benymmet die geschweer umb dÿ bτust·(Der safft von apostema kraut getruncken tôdtet die wŭrme in dem bauch und benÿmmt alle geschweer jnnwenig des leÿbes und benymmt sunderlichen das geschwere von d lungen davon getruncken·(Item man findet geschτiben das sant Orban auff ein zeÿt bate seiner schwôstern eine·das sÿ jm sagen solt was sÿ von dem krant hielt·wann sÿ het es gar in grossen eren und nüczet es alle zeÿt·do schτeÿþ sÿ dise verþ sant urban von disem kraut also·Urbanus pτo se nescit pτecium scabiose·Nam purgat pectus·qd contemmit egra senectus·Lenit pulmonem·purgat laterum rrgionem·Apostema frangit·silocum bibita tangit·Tribus uncta foτis·antracem liberat hoτis·Dises findest du in dem důch pandecta genant in dem capitel scabiosa·(Item nÿmme apostemen safft und schwebel gebulfert und silberglitt mit loτbeer ôl vermenget in einer salben weÿse·domitt geschmieret die reüdigen haudt ist gůt für den grÿndt·(Item Scabiosa mit wegbτeyte gesoten mit eþsig und mit rosenwasser·und auff die hÿczigen geschwer und apostemen geleget genant antrax·ist sÿ natürlichen kŭlen·(Item scabiosa mit woll genant taxus barbatus gesoten·und darauff gesessen·ist gůt wider dem auffgang des arþdarms·und ist auch wider den fluþ der guldin aderen genant emoτroidarum·[387]

(1) Schurft kruid of beemdkruid.

Dat 350ste kapittel.

Scabiosa Latijn. Grieks Stibes vel stibeos. (Knautia arvensis)

De meester Paulus spreekt dat Scabiosa is heet en droog aan de andere graad. Dioscorides in het kapittel stibeos, id est Scabiosa, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is erg droge natuur en daarom is dit kruid erg goed gekookt met water en dat gedronken die de rode vloed hebben en ook die vloeiende oren hebben, daarin gelaten met olijvenolie. Ook is dit water zeer goed de gapende wonden en die altijd vloeien zoals vooral oude schaden doen, die daarmee gewassen en [386] gezuiverd en daarna dit sap met een doek daarover gelegd. Scabiosa met zwarte wijn gekookt, die wijn droogt alle gebreken van het lijf die tegen de natuur vochtig zijn. (2) De bladeren van Scabiosa gestoten dienen erg goed hemorroide, dat is een vloed in het achterste en overvloedig bloed, daarop gelegd heelt die gelijk. De bladeren gestoten en in de ogen gelaten die vol bloed zijn van slaan of andere zaken heelt die gelijk. (3) Plinius spreekt dat Scabiosa goed is genuttigd voor alle kwade schurft van het lijf en vooral voor boosaardige, van dit kruid gedronken of dat water dat daarvan gedistilleerd wordt beneemt de zweer om de borst. (4) Het sap van beemdkruid gedronken doodt de wormen in de buik en beneemt alle (5) zweren inwendig het lijf en beneemt vooral de zweren van de longen, daarvan gedronken. Item, men vindt geschreven dat Sint Urbanus op een tijd bad zijn zuster dat zij hem zeggen zou wat ze van het kruid vond want ze had het in grote eer en nuttigde het altijd. Toen schreef ze deze spreuk naar Sint Urbanus van dit kruid alzo: Urbanus pro se nescit precium scabiose. Nam purgat pectus, qd contemmit egra senectus. Lenit pulmonem, purgat laterum regionem. Apostema frangit, silocum bibita tangit. Tribus uncta foris, antracem liberat horis’. Dit vindt u in het boek Pandecta genaamd in het kapittel Scabiosa. Item, neem beemdkruidsap en zwavel gepoederd en zilverschuim met laurierolie vermengt in een zalf wijze, daarmee gesmeerd de (4) ruige huid is goed voor de schurft. Item, Scabiosa met weegbree en gekookt met azijn en met rozenwater en op de (5) hete zweren en gezwellen gelegd genaamd antrax is ze natuurlijk verkoelend. Item, Scabiosa met toorts genaamd taxus barbatus (Verbascum) gekookt en daarop gezeten is goed tegen de (2) uitgang van de aarsdarm en is ook tegen de vloed der gulden aderen genaamd emorroidarum. [387]

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid is bij de gewone man op het Latijns Scabiosa genoemd, dat is te zeggen schurftkruid.

Herbarius in Dyetsche; (3) Tegen schurft: ‘Neem sap van hazenoren, zwavel, goudschuim en olie van laurierbes, maak daar van een zalf’. Als je daar poeder van averone bij mengt is het goed tegen het uitvallen van het haar.

Als je het sap van hazenoren met het sap van alsem en met wat honing gemengd te drinken geeft (4) doodt het wormen.

(2) Om de aambeien te stoppen kook je dit kruid in wijn.

(5) Het breekt blaren als het gedronken en daarop gelegd wordt.

Hyrsz zungen

Das cccli Capitel

Scolopendτia latine·grece applenon·vel Aplinium·vel Splemon·vel Scolopendτium·arabice Ceterach·

(Diascoτides in dem capitel aplemon·idest scolopendτia beschreibt uns unnd spτicht·das dise bleter geleychen an der gestalte der schlanngen scolopendτia geheissen·und die schlang hat vierczehen fŭþ·Dises wechþt geren an den felþen oder an den steinen mauren·Der bleter wachþen vil auþ einer wurczel·und sind jnnwenig beflecket geleych als polipodium·das ist engelsŭþ·Dises kraut hat keinen stengel·kein blůmen und keinen samen·(Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel aplinium idest scolopendτia beschτeibt uns und spτicht·das dises kraut hab ein subtile nature od complexion·und dises kraut ist nit zů hÿczig oder auch nit zů kalt·nit zů trucken und nicht zů feücht·(Diascoτides·die bleter gesoten mit eþsig und den getruncken dτeýþsig tag nach einander trücknet die feüchtung des milczes·(Die bleter gesoten in wein unnd als ein pflaster auff das milcz geleget·benÿmbt jme die geschwulst·(Der bleter gestossen und darunder gemüschet ysop·und die gesoten mit wein·und den getruncken·benÿmmt die geelsucht·Und dises ist auch sunderlichen gůt stranguiriosis.(Von disem kraut getruncken bτicht den stein in der blasen und auch in den lenden·(Averτois in seinem fünfften bůch genantt colliget·in dem capitel scolopendτia spτicht·das dises kraut sey getemperiert an der hÿcze unnd auch an der trückne·und ist auch gůt allen menschen genüczet in allen kranckheiten·(Galienus in dem sechþten bůch simplicium farmacarum genant·spτicht·daz hyrþ zungen fast wol dienet dem milcz darüber getruncken unnd auch darüber geleget·(Item. Wein darjnnen gesoten ist hÿrþzungen und tamariscus und davon dÿckermal getruncken benymmet den weetagen des milczes on zweÿfel·(Item hÿrþ zunge ist warm in dem ersten grad unnd trucken in dem andern·(Item wein darjnnen gesoten ist hÿrþzungen und petersilien wurczel ist gůt getruncken wider den kalten siechtumb·(Ettliche meÿster die spτechen·Wenn ein frau dises kraut an jren halþ henckt·so hÿndert es zů der gebeerung·[388]

(1) Tongvaren.

Dat 351ste kapittel.

Scolopendria Latijn. Grieks applenon vel Aplinium vel Splemon vel Scolopendrium. Arabisch Ceterach. (Asplenium scolopendrium)

Dioscorides in het kapittel aplemon, id est scolopendria, beschrijft ons en spreekt dat deze bladeren lijken aan de gestalte op de slang scolopendria geheten en die slang heeft veertien voeten. Deze groeit graag aan de rotsen of aan de stenen muren. De bladeren groeien veel uit een wortel en zijn inwendig bevlekt gelijk zoals Polypodium, dat is engelzoet. Dit kruid heeft geen stengel, geen bloemen en geen zaden. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel aplinium, id est scolopendria, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid heeft een subtiele natuur of samengesteldheid en dit kruid is niet te heet of ook niet te koud, niet te droog en niet te vochtig. Dioscorides, de bladeren gekookt met azijn en dan gedronken dertig dagen na elkaar verdroogt de (2) vochtigheid van de milt. De bladeren gekookt in wijn en als een pleister op de milt gelegd beneemt hem de gezwellen. De bladeren gestoten en daaronder gemengd hysop en die gekookt met wijn en dan gedronken beneemt de geelziekte. En dit is ook uitzonderlijk goed stranguriam. (3) Van dit kruid gedronken breekt de steen in de blaas en ook in de lenden. Averrois in zijn vijfde boek genaamd colliget in het kapittel scolopendria spreekt dat dit kruid is getemperd aan de hitte en ook aan de droogte en is ook goed alle mensen genuttigd in alle ziekte. Galenus in het zesde boek simplicium farmacarum genaamd spreekt dat tongvaren erg goed dient (2) de milt, daarvan gedronken en ook daarover gelegd. Item. Wijn daarin gekookt is hertstongen en tamariscus en daarvan vaak gedronken beneemt de pijn van de milt zonder twijfel. Item, tongvaren is warm in de eerste graad en droog in de andere. Item, wijn daarin gekookt is hertstongen en peterseliewortel is goed gedronken tegen de koude ziekte. Ettelijke meesters die spreken: Als een vrouw dit kruid aan haar hals hangt dan verhindert het de geboorte. [388]

De afbeelding geeft een tongvaren aan en geen steenvaren. De steenvaren komt meer met de namen overeen bij Dodonaeus, het heet alleen geen hyrs zungen of tongvaren.

(1) Dodonaeus; In onze taal noemt men dit gewas hertstonghe, in het Hoogduits Hirtz-zung, in het Spaans lengua cervina, in de apotheken Lingua cervina en kwalijk Scolopendria, want het verschilt veel van het echt Scolopendrium dat we hierna beschrijven zullen’. Zie onder.

Herbarius in Dyetsche; ‘Hertstonge, Scolopendra of Lingua cervina (2) heeft de kracht om in te snijden en de hardheid van de milt te veranderen.

(2) Tegen uitgeputte milt kook je hertstongbladeren in wijn en leg het op de milt.

(3) Tegen de steen van de nieren en van de blaas neem je volgens Pandecta wijn waar hertstong en steenbreek in gekookt zijn.

senffsamen ccclii Ca

Sinapis grece et latine·arabice chardel.

(Avicenna spτicht das diser same seÿe heyþ und trucken an dem vierden grad·(In dem bůch circa instans beschτeiben unns die meister und spτechen·das dÿser samen geleÿchen dem rŭbsamen allein das der rŭbsamen bitter ist und der senffsamen scharpff·

(Serapio·dises ist der beste samen der jnnwenig weÿþ ist und feücht auch so er frisch ist·sein tugent ist hÿczigen und zeÿtigen·

(Senffsamen gestossen mit alant wurcz und geleget auff die zeÿtigen geschweere bτicht sÿ zůhant auff·also das man die nitt auff schneÿden od bτennen darff·(Plinius in seinem·xx·bůch spτicht·dz senffsamen gestossen und darunder gemüschet eþsig·und gestrychen auff den vergifftigen bÿþ heÿlt dem zůhandt·(Dises in den halþ gelassen mit hônigwasser genantt mulsa·und den gegoτgelt benÿmmt die feül in dem mund und die seüre in dem halþ·(Senffsam ist gůt für die zeen den mit hônig von eþsig in dem mund gehalten·(Senffsamen also genüczet dienet für alles wee des magen und d lungen. (Senffsam gestossen und darzů gemüscht feÿgen und kümmel und dz eingenommen benÿmmt die wassersucht·(Daz haubt domit bestrichen benÿmmt dz geschweer hÿnden in dem haubt genant litargia·(Etlich meister spτechen dz dises safftes nŭchten getruncken macht ein gůte gedåchtnuþ. (Der safft ist gar gůt für die feel d augen, (diser safft machet den menschen dürsten und bτinget auch gelust zů unkeüscheÿt. (Platearius wôlcher alle moτgen zweÿ senffkôτner und zweÿ pfeffer kôτner einschlicket nŭchter·d ist den selben tag sicher voτ d kranckeit appoplexia genant·daz ist der schlag·(plinius d sam gesoten in wein und den getruncken benÿmmt dz keÿchen·(Senffsam und bertram und yngwer alle geleych vil mit rosen hônig vermüschet·domit den mund gewåschen und lange zeýt in dem mund gehalten feget dz hýren von bôser feüchtung die do bτinget beschwårnuþ des haubtes. (Und ist auch gůt wid den fal des zapffens und apostem d gurgeln casus uvule et squinantia·[389]

(1) Mosterdzaden, 352ste kapittel.

Sinapis Grieks en Latijn. Arabisch chardel. (Brassica nigra)

Avicenna spreekt dat dit zaad is heet en droog aan de vierde graad. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat deze (2) zaden lijken op de raapzaden, alleen dat de raapzaden bitter zijn en het mosterdzaad scherp.

Serapio, dit is het beste zaad dat inwendig wit is en vochtig, ook zo her vers is, zijn deugd is verhitten en rijpen.

Mosterdzaden gestoten met alantkruid en gelegd op de rijpe zweer breekt ze gelijk open alzo dat men die niet opensnijden of branden hoeft. Plinius in zijn 20ste boek spreekt dat mosterdzaden gestoten en daaronder gemengd azijn en gestreken op de vergiftige beet heelt die gelijk. Dit in den hals gelaten met honingwater genaamd mulsa en den gegorgeld beneemt dat vuil in de mond en het zure in de hals. Mosterdzaden is goed voor de tanden, dat met honing van azijn in de mond gehouden. Mosterdzaden alzo genuttigd dient voor alle pijn van de maag en de longen. Mosterdzaden gestoten en daartoe gemengd vijgen en komijn en dat ingenomen beneemt de waterziekte. (2) Dat hoofd daarmee bestreken beneemt de zweer achter in het hoofd genaamd litargia. Ettelijke meesters spreken dat dit sap nuchter gedronken maakt een goede gedachtenis. Het sap is erg goed voor dat vel van de ogen, dit sap maakt de mensen dorstig en brengt ook lust tot onkuisheid. Platearius, wie elke morgen twee mosterdkorrels en twee peperkorrels inslikt nuchter die is dezelfde dag zeker voor de ziekte apoplexie genaamd, dat is de slag. Plinius, het zaad gekookt in wijn en dan gedronken beneemt dat kuchen. Mosterdzaden en bertram en gember, alle gelijk veel, met rozenhoning vermengt en daarmee de mond gewassen en lange tijd in de mond gehouden veegt de (2) hersens van kwade vochtigheid die er brengt verzwaring van het hoofd. (3) En is ook goed tegen de val van de huig en lopende zweer, dat gorgelen tegen de uvula en keelblaar. [389]

Naam.

(2) Dodonaeus; ‘‘Dit geslacht van kruiden werd hier vroeger heel Griekenland door Sinepi, maar omtrent Athene niet anders dan Napi genoemd, als Atheneus betuigt en in het Latijn is het Sinapi genoemd, in het Hoogduits Senff.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het heeft ook de kracht om de overvloedigheden van de hersens tot zich te trekken als het gekauwd wordt of als er gegorgeld gebruikt. (3) Hetzelfde is ook goed tegen blaren van de mond en tegen het vallen van de huig.

(2) Tegen vallende ziekte en tegen litargie (dat is een blaar achter in de hersens) meng het poeder van mosterd zaad met gember poeder.


sefelbaum Das

cccliii Capitel

Savina latine·grece Bτaceos·arabische abhel·

(Galienus in dem sechþten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel Savina beschτeibet uns und spτicht·das dises kraut sey heyþ und trucken an dem dτitten grad·und ist ein baum d hat bletter nahet als wåchalter·Dÿser baum wechþt mer in die bτeytte denn in die lennge·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel abhel beschτeibet uns und spτicht·daz dises gewåchþe seÿe zweÿer handt·Eins hat bletter nahet als cÿppτessen·denn das sÿ fast scherpffer ist und doτniger sind und hat einen gůten gerauch·und dises ist wåchalter kraut·und dises tugent findest du in dem capitel juniperus·Das ander gewåchþe hat bleter geleÿch dem tamarisse und d gerauch von den geleÿchet dem cypτesse·unnd dÿse heÿsset Savina·(Galienus·sefelbaum ist gůt genüczet den die do haben ein kranckheyt tenasmon genant·das ist ein kranckheÿt wie das einen bedunckt geren zů stůl geen unnd hat grosse arbeyt mit trucken·also dz affter für den leýb geet und mag doch nichcz geschaffen·d sol nemen savinam und den sieden mit eþsich·und wein und den tampff unden auff lassen geen in den afftern es hilfft on zweÿffel·od sol darauff siczen so es warm ist·(Savina ist auch gůt für den schnopffen·d do kumbt von kelte. (Savina gestossen zů bulfer und dz geton in die ungent die do dienen zů dem grÿndt der do seer eytert es hilffet·(Savina gesoten in wein·und den getruncken machet einen gůten magen·und benÿmmt dem schmerczen der dårm·(Diþs ist auch gůt dissurτus das ist d kalte seÿch·(Savina gestossen und als ein pflaster geleget auff dýe lenden benÿmbt die lenden sucht·(Serapio mit bewårung Galieni spτicht·das die tugent des baumes seÿ von einander thůn und auþ eczen das faule fleÿsch auþ den faulen wunden oder altten schåden·wie die wåren·und reÿniget auch do die stinckenden wunden·das bulfer von sefelbaum gemüschet mit hônige und dar [390] auff geleget·(Savina gesoten in wasser ist gůt für dz rot lauffen·od dz freÿþam genant herisipla. (Item die lerer spτechen gemeÿnigklich·dz savina mer an den frauen wurck an jrer kranckheÿt menstruum genant denn kein ander kraut·und sÿ ist also stercklich durchdrτingen in den frawen·dz es machet blůt bτunczen·und tôdtet dz kind in d můter·und treÿbt auþ dz tod kind·und darumb sollen die frawen diþ kraut meÿden·und sunderlich die schwanger sind·also dz sÿ got darumb mügen antwurten an dem jüngsten gericht. (Diascoτides spτicht·dz sefelbaum ecze auff geschweeren·und beneme den schmerczen d selben blatern·(Platearius ein pflaster gemachet von sefelbaume machet die fliessenden haudt trucken und gladt·und benymmet den gestanck von d stinckende haudt die do stinckt von grossem schweÿþ·als dick geschicht·und ist ein grosser gebτesten an einem menschen·(Sefelbaum gebulfert und schwebel und silberglite mit spÿcz weggrich saffte vermenget und wenig schweÿnen schmalcz machet man ein salb wid den grÿndt·hilffet gar seer·(Sefelbaum mit eþsig unnd mit den blawen kolen zůsamen gestossen·und auff wunden geleget die sich weyt bτeyten und umb sich fressen benÿmmt d wunden jr boþheÿt daz sÿ sich nit wid spτeÿden ist·und mit bleÿweÿþ vermenget ist die selbigen wunden zů heÿlen·

(1) Savelboom. Dat

353ste kapittel.

Savina Latijn. Grieks Braceos. Arabisch abhel (Juniperus sabina) .

Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Savina beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad en is een boom en heeft bladeren bijna als jeneverbes. Deze boom groeit meer in de breedte dan in de lengte. Serapio in het kapittel abhel beschrijft ons en spreekt dat dit gewas is tweevormig. Een heeft bladeren bijna als cipres, dan dat die vast scherper is en doorniger en heeft een goede reuk en dit is de jeneverbes en zijn deugd vindt u in het kapittel Juniperus. Dat andere gewas heeft bladeren gelijk de Tamarix en de rook ervan lijkt op de cipres en deze heet Savina. Galenus, savelboom is goed genuttigd die er hebben de (3) ziekte tenasmonem genaamd, dat is een ziekte waar iemand denkt om graag te stoel te gaan en heeft grote arbeid met drukken alzo dat het achterste voor het lijf gaat en mag toch niets doen, die zal nemen savina en dan koken met azijn en wijn en de damp onderop laten gaan in het achterste, het helpt zonder twijfel, of zal daarop zitten zo het warm is. (4) Savina is ook goed voor dat snuffen dat je komt van koude. (5) Savina gestoten tot poeder en dat gedaan in een zalf die je dient tot de schurft die er zeer ettert, het helpt. Savina gekookt in wijn en dan gedronken maakt een goede maag en beneemt de smarten van de darm. (6) Galenus spreekt dat de deugd van deze boom is van elkaar doen en uiteten dat vuile vlees uit de vuile wonden of oude schade, waar die zijn, en reinigt ook de stinkende wonden, dat poeder van savelboom gemengd met honing en [390] daarop gelegd. Savina gekookt in water is goed voor de rodeloop of de freisam genaamd erysipelas of belroos. (2) Item, de leraars spreken algemeen dat savina meer aan de vrouwen werkt aan hun ziekte menstruatie genaamd dan geen ander kruid en ze is alzo sterk doordringend in de vrouwen dat het maakt bloed bruisen en doodt dat kind in moeders lijf en drijft uit dat dode kind en daarom zullen de vrouwen dit kruid mijden en vooral die zwanger zijn alzo dat de God daarom mogen antwoorden aan het jongste gericht. Dioscorides spreekt dat savelboom eet op zweren en beneemt de smarten van dezelfde blaren. Platearius, een pleister gemaakt van savelboom maakt die vloeiende huid droog en glad en beneemt de stank van de stinkende huid die stinkt van groot zweet zoals vaak gebeurt en is een groot gebrek aan een mens. (5) Savelboom gepoederd en zwavel en zilverschuim met spitse weegbreesap vermengd en weinig varkensvet maakt een zalf tegen de schurft, het helpt erg zeer. (6) Savelboom met azijn en met de blauwe kool tezamen gestoten en op wonden gelegd die zich wijdt uitbreiden en om zich vreten beneemt de wonden hun boosheid dat ze zich niet verder verspreiden en met loodwit vermengt is het diezelfde wonden helen.

Dodonaeus; ‘De savelboom heet in het Latijn Sabina, in het Hoogduits Sibelbaum en niet Silbenbaum, anders Sevenbaum.

Herbarius in Dyetsche; (3) Tegen tenasmone (dat is graag naar toilet willen gaan zonder te kunnen dat van koude zaken komt) kook in wijn en azijn savelboom met wolkruid en ga daarop zitten.

(5)Tegen zwerende of etterachtige schurft: ‘Neem het poeder van savelboom, zwavel, goudschuim, het sap van zuring en wat varkensvet, daarvan maak je een zalf’.

(4) Tegen koude reuma of vervorming in het hoofd ontvang via de neus de geur van wijn waar savelboom en betonie in gekookt zijn, Pandecta. (6) De kracht van savelboom is om te ontbinden en te verspreiden het stinkende of verrotte van het kwaad onder knagende zweren.

(2) Teveel gebruikt laat volgens Serapio bloed plassen, doodt de levende vrucht en drijft de dode vrucht uit.

(6) De bladeren van savelboom die gestampt en met azijn gemengd worden voorkomen dat de knagende of bijtende blaren zich verspreiden en geneest het of verzacht het.

steynbrech Das

cccliiii Capitel

Saxifraga grece et latine·

(Der meister Isidoτus spτicht·das dises kraut umb des willen heÿsset saxifraga·wann es den stein bτichet in der blasen unnd den zů sandt machet das er dester baþ reÿset·(Platearius spτichet·das dises kraut seÿ heÿþs und trucken an dem dτitten grade·Dises kraut hat einen schlechten stengel mit weÿssen blůmen. (Die wurczel von steinbτech in wein gesoten·bτauchet man in d erczneÿ·und dienet fast wol den die trôpflingen hårmen·und sundlich für alle andere kreüteτ dienet dises krauts wurcz und sam für dem stein in dem lenden und in d blasen. [391] Diþ kraut gesotten in wein und den getruncken benÿmmet passionem diabeacam das ist den der harme tringet on seinen willen·(Mit der wurzel ein rauch gemachet unden auff ist gůt zů der ÿeczgenant krackheit·(Item man sol die wurczel in wein sieden·und die dan lassen doτren an der sunnen die weret dru jare·(Item wein darein gesotten ist steinbτeche und petersiligen samen unnd fünffinger samen unnd weissen steinbτech samen genant milliuz solis ist gůt wider den stein in dem lenden und blasen·und ist gůtte wider das grÿmmen in dem gedårmcz genant colica·und ist in sunderheit gůt wider den kalten seÿch·(Itez das bulver von steinbτech in eÿnez eÿe geessen jst gůt für die voτgschriben kranckheit·

(1) Steenbreek, dat

354ste kapittel.

Saxifraga Grieks en Latijn. (Pimpinella saxifraga)

(2) De meesters Isidorus spreekt dat dit kruid om de wil heet Saxifraga want het de steen breekt in de blaas en het tot zand maakt zodat het des te beter rijst. Platearius spreekt dat dit kruid is heet en droog aan de derde graad. Dit kruid heeft een rechte stengel met witte bloemen. De wortel van steenbreek in wijn gekookt gebruikt men in de artsenij en dient erg goed die druppelend plassen en zeker voor alle andere kruiden dient dit kruid wortel en zaden voor de steen in de lenden en in de blaas. [391] Dit kruid zijn wortel gekookt in wijn en dan gedronken beneemt passionem diabeacam, dat is die de plas dringt zonder zijn wil. Met de wortel een rook gemaakt onderop is goed tot de net genoemde ziekte. Item, men zal die wortel in wijn koken en die dan laten drogen aan de zon, die blijft drie jaar. Item, wijn daarin gekookt is steenbreek en peterseliezaden en vijfvingerzaden en wit steenzaad zaden genaamd Lithospermum is goed tegen de steen in de lenden en blaas en is goed tegen dat (3) grommen in de darmen genaamd koliek en is vooral goed tegen de (4) koude plas. Item, dat poeder van steenbreek in een ei gegeten is goed voor de voorgeschreven ziekte.

Het zou ook om Saxifraga granulata kunnen handelen, de afbeelding laat geen schermbloem zien, meer een rij bloemen aan een stengel en smalle blaadjes op de grond. Ook de tekst zegt dat het een rechte stengel heeft met witte bloemen. Dat slaat op Saxifraga. Hoewel, de bekende korreltjes onder het kruid waarom het zo’n kracht heeft staan niet vermeldt. De Gart spreekt over steynbrech en bij Herbarius in Dyetsche  in de inleiding staat dat het Saxifraga heet, maar de Herbarijs spreekt van steenbreke, dat is pimpinella. 

(1) Dodonaeus; ‘De nieuwe kruidbeschrijvers hebben beide deze kruiden de naam van Saxifraga, dat is steenbreek, gegeven en sommige andere noemen ze Petraefindula; (vergelijk Sanguisorba officinalis, de grote, gross welsche Bibernellen of Pimpinelle heet) andere Bibenella of Bipennula. 

Saxifraga; steen brekend, Duitse Steinbibernell, Steinbrechwurz.

Herbarijs; ‘Saxifraga of steenbreke, men zal de wortel temperen met wijn en drinken tegen (3) onderbuikspijn.

knabenkraut ccclv ca

Satirionn vel testiculus vulpis vel lepoτina latine·grece oτchis vel afrodisia vel pτiapesmus·arabice chasialkel·

(Platearius beschreibet unns und spτichet das satiron seÿ heiþ und trucken an dem dτitten grade. (Der meister constantinus spτichet das die heiþ und feücht seýe an dem dτitten grade·Ir tugent ist an sich ziehen und ist sunderlich gůt den süchten in den gewerben artetici genant·(Plinius in seýnrm·xxvj·bůch spτichet das diþs kraut bleter habe dick und weich beÿ nahe als hauþwurcz und die wurczel hat hôdlin an jr hangen. (Die wurczel mit wein gesoten und den getrucken bτinget gelust und unkeüsch begirde·(Galienus und diascoτides spτechen dz satirion gůt seÿ zû dem gegichte und das aller beste das man haben mag darzů der saffte getruncken·(Platearius nÿmme knaben krautt wurczel ein quintin·und hasel wurczel anderhalb quintin und müsche die zůsamenn mit langem pfeffer als vil alþ ein dτitteil eins quintin nücze dz des abents wan du schlaffen wilt geen dn wirst die selbige nacht mechtig seÿ zů frauwen begerung. (Diascoτides wan der man von dem grossen hôtgin ÿsset so gebert er einen sun·und von den kleineen hôtgin ÿsset·so bgeberet er eÿne tochter·(A·j) [392]

(1) Orchidee, 355ste kapittel.

Satirion vel testiculus vulpis vel leporina Latijn. Grieks orchis vel afrodisia vel priapesmus. Arabisch chasialkel. (Orchis mascula en Orchis militaris of Anacamptis pyramidalis)

Platearius beschrijft ons en spreekt dat satyrion is heet en droog aan de derde graad. De meester Constantinus spreekt dat die heet en vochtig is aan de derde graad. Zijn deugd is aan zich trekken en is uitzonderlijk goed de ziekte in de (2) wervels artetica genaamd. Plinius in zijn 26ste boek spreekt dat dit kruid bladeren heeft dik en week bijna als huislook en de wortel heeft ballen aan hem hangen. (3) De wortel met wijn gekookt en dan gedroogd brengt lust en onkuise begeerte. Galenus en Dioscorides spreken dat satyrion goed is tot de jicht en dat allerbeste dat men hebben mag, daartoe het sap gedronken. Platearius, neem orchideewortel, 1, 67 gram, en hazelwortel, anderhalf maal 1,67gram, en meng die tezamen met lange peper, zoveel als een derde deel van 1, 67gram, nuttig dat ‘s avonds als u slapen wil gaan, u wordt diezelfde nacht machtig tot vrouwen begeerte. (4) Dioscorides, als de man van de grote bal eet zo baart hij een zoon en van de kleine bal eet zo baart hij een dochter. [392]

De afbeelding geeft een lange rechte stengel met gezaagde bladeren die meestal met drie aan een knoop lijken te staan. Verder 3 of meer dikke wortels of knollen, dus een handekenskruid.

Cynosorchis betekent hondskulletjes (of ballen).

Testiculus leporinus betekent hazenkulletjes. (of ballen)

Testiculus vulpis betekent vossenkulletjes (of ballen).

De naam satyrion is ontleend naar het geloof dat de bloem het voedsel was van de Satyrs en een lokmiddel naar de excessen waar zij berucht om waren.

Herbarijs, ‘Galenus en Dioscorides verordenen met hun woorden dat satiryon goed is voor diegene (2) die de hals verkeerd hebben van de rug. En gedronken met wijn laat wind scheiden’.

ein frucht ccclvi Capi

Sebesten latine·grece mahalomagiata·arabice faulis sebesten.

(Der Isaac spτichet das disses wachs in dem land arabia hoch geleich einer glenen und leget siche auff die erde·Die rinde auþwendig dar an ist von farben grůne·sein bletter sind rotunde und bτinget kôτver oder samenn beÿ nahe dem coτiander an der grosse dÿser same ist gele·Auch hat es frucht geleich den oliven·und dise frucht ist man nüczen in der erczneÿ·dise frucht ist warm und kalt mittel messig·(Item dise frucht sind von natur laxieren und sunderlichen die umbgeben sind mit dem fieber·(Item disse frruchte gesotten in wasser und das getruncken benÿmmet auch den hůsten und raumet die bτust·Auch benÿmmet die frucht den schnoppen dÿser geessen an dem abentt·(Item der same von dÿser frncht ist fast gůt calculosis den gebulvert unnd eingenommen mitt warmem wein·(Disse fruchte ist allen menschen bekommenliche zů nüczen·

Een vrucht, 356ste kapittel.

(1) Sebesten Latijn. Grieks mahalomagiata. Arabisch faulis sebesten. (Cordia myxa)

De Isaac spreekt dat dit groeit in het land Arabië hoog gelijk een Ribes en legt zich op de aarde. De bast uitwendig daaraan is van verf groen, zijn bladeren zijn rond en brengt korrels of zaden bijna de koriander aan de grootte, dit zaad is geel. Ook heeft het een vrucht gelijk de olijven en deze vrucht is het die men nuttigt in de artsenij, deze vrucht is middelmatig warm en koud. Item, (2) deze vruchten zijn van natuur laxerend en vooral die omgeven zijn met de koorts. (3) Item, deze vrucht gekookt in water en dat gedronken beneemt ook het hoesten en ruimt de borst. Ook beneemt die vrucht het snuffen, dit gegeten aan de avond. Item, het zaad van deze vrucht is erg goed tegen niersteen, dan gepoederd en ingenomen met warme wijn. Deze vrucht is alle mensen goed te bekomen te nuttigen.

Dodonaeus; ‘‘Deze vrucht of bes is hier te lande van de apothekers en van de gewone man met de Arabische naam sebesten genoemd.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Het laxeert het lichaam van de lieden die koorts hebben en is goed tegen (3) hete hoest, het verzacht de borst.


Ein weyde ccclvii Ca

Salix vel salamentum latine·grece ytee·arabice kuleff·

(Der meÿster serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel kuleff·beschreibet uns und spτichett auch dz die bleter und die blůmen von weÿden sind faste truckenn [393] machen·und die rÿnden von weÿden sind mer truckner natur denn die bleter und blůmen·und darumb bτauchet man die rÿnden zů den fliessenden und feüchten geschweeren am leÿbe an wôlchen enden das seÿ·Aber die bleter und blůmen bτauchet man zů dem ungenten die do trucken machen.

(Item der meister Paulus spricht·das salix seÿ kalt und trucken an dem ersten grad·(Die rÿnden gebτennet und gebulfert und das mit eþsig gemenget hilffet zů allen wunden die do seind zů trucken·darüber gestrÿchenn und mit einem thŭchlein darauff gelegt. (Item die bleter gestossen und darunder gemenget pfeffer kôτner·hilffet fast wol dem darmgesücht·dises eingenommen mit seinem gebτennten wasser·

(Dises bulfer der weÿden getrancken mit eþsig stopffet dye blůtenden nasen·oder wunden des geleÿchen auch·darumb gestrÿchen·(Item wôlcher groþ hÿcz håte der neme weÿden bleter und streÿüwe die umb sich·sÿ kŭlen fast in der heÿssen zeÿt des summers·(Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel jtee idest salix beschτeibet uns und spricht·das die blůmen fast nücze sind in der erczneÿ·und darauþ gemachet ein pflaster gemenget mit rosenôle·und bτauchen auch das zů mangen sachen die do hyczig unnd feüchtt sind·wann sÿ külen und trücknen fast wol.

(Auch ist die åsche gar gůt zů feüchten schåden·Und dises bτauchet der meister Wilhelmus in seiner ciroτgÿ gar zů vil sachen·(Item weÿden safft mit wegbτeÿte wasser vermenget ist gůt wider den blůtgang·

(1) Een wilg, 357ste kapittel.

Salix vel salamentum Latijn. Grieks ytee. Arabisch kuleff. (Salix alba)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel kuleff beschrijft ons en spreekt ook dat de bladeren en de bloemen van wilg zijn erg droog [393] maken en de bast van wilg is meer droge natuur dan de bladeren en bloemen en daarom gebruikt men de bast tot de vloeiende en vochtige zweren aan het lijf, aan welke einden dat ze zijn. Maar de bladeren en bloemen gebruikt men tot zalven die je droog maken.

Item, de meester Paulus spreekt dat Salix is koud en droog aan de eerste graad. De bast gebrand en gepoederd en dat met azijn gemengd helpt tot alle wonden die je wil drogen, daarover gestreken en met een doekje daarop gelegd. Item, de bladeren gestoten en daaronder gemengd peperkorrels helpt erg goed de darmziekte, dit ingenomen met zijn gebrande water.

Dit poeder van de wilg gedronken met azijn stopt de bloedende neus of wonden desgelijks op ook, daarom gestreken. (3) Item, wie grote hitte heeft die neemt wilgenbladeren en strooit die om zich, ze verkoelen erg in de hete tijd van de zomer. Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel jtee, id est Salix, beschrijft ons en spreekt dat de bloemen erg nuttig zijn in de artsenij en daaruit gemaakt een pleister gemengd met rozenolie en gebruikt het ook tot vele zaken die je heet en vochtig zijn want ze verkoelen en drogen erg goed.

Ook is dat erg goed tot vochtige schaden. En dit gebruikte de meester Wilhelmus in zijn chirurgie tot erg veel zaken. Item, wilgensap met weegbreewater vermengt is goed tegen de bloedgang.

Dodonaeus; ‘‘Deze bomen heten hier te lande wilghen, in Hoogduitsland Weyden, in het Latijn Salix.

Op het eind wordt van rode wilg gesproken, waarschijnlijk Salix purpurea L., bitterwilg, Duits Purperweide.

(4) De wilg werd door de Indianen gebruikt tegen koorts en pijn, ze kauwden daartoe op de bast van een wilg. Een 150 jaar geleden werd uit de bast de stof salicylic geïsoleerd, dat later synthetisch, door ene Bayer, als aspirine werd gemaakt .

Maerlant; ‘Men zegt het dat wie wilgenbloemen in zijn (2) spijs heeft genomen dat zijn wulpsheid over waar en nooit meer geprikkeld wordt daarna. Het sap geduwd uit de bomen en in een drank genomen dat is goed tegen de (4) koorts. (3) Zijn bladeren in water mede worden gestrooid omtrent hem die ligt in hete zuchten en dit gebruikt verkoelt de kwade lucht die daar in is van grote zucht’. (astma)


wylder knoblach

Das ccclviii Capi

Scoτdeon·sive scoτdum grece·arabice thaum·

(Diascoτides spτicht·dz zweyerleÿ knoblach seÿ·der ein zåm·der ander wyld·Von dem zåmen knoblach findest du in dem capitel Alleum·Von dem wÿlden saget uns dises capitel·Auch nennen die greci alleum idest scoτdeon·die arabischen·alleum idest (·A·ij·) [394] thaum·Aber doch beschτeiben sÿ die underscheÿd·das do sey zåmmer scoτdeon und wÿlder scoτdeon·(Der meister rabi moÿses spτicht·das scoτdeon seÿ wÿlder knoblauch·und der ist heÿþ und trucken an dem dτitten grad·die blůmen von disem sind fast gůt in der erczneÿ·(Dise blůmmen gesoten mit wasser und das getruncken raumet die bτust unnd das hyrn von bôsem flegma.

(Galienus spτichet·das dÿses heÿsset alleum agreste idest scoτdeon·und die sind fast scharpff zů nüczen und scherpffer denn alleum domesticum·(Diser wÿldem zwÿbeln geessen moτgens nüchtern·tôdten die wŭrm in dem bauch·(Auch sind sÿ gůt geessen stranguiriosis·das ist die do trôpfflingen hårmen·Und warzů alleum domesticum gůtt ist·sind dise stercker in jrer würckung denn die domestici·(Item wÿld knoblauch gesoten in wein ist gůt wider weetumb des magens und des gedårmeþ·das do kommet von der kelte unnd von wÿnde·(Item wÿlder knoblach und paritaria·genant nacht und tag·in ôle gesoten und auff das gedårme geleget·ist weetummen doselbst vertreÿben die von keltte kommen und von wÿnde.

(1) Wilde knoflook.

Dat 358ste kapittel.

Scordeon sive scordum Grieks. Arabisch thaum. (Allium scorodoprasum)

Dioscorides spreekt dat er twee soorten knoflook zijn, de ene tam en het andere wild. Van de tamme knoflook vindt u in het kapittel Allium. Van de wilde zegt ons dit kapittel. Ook noemen de Grieken Allium, id est scordeon, de Arabieren Allium, id est [394] thaum. Maar toch beschrijven ze dat onderscheidt dat er is een tamme scordium en een wilde scordium. De meester Rabbi Moises spreekt dat scordeon is wilde knoflook en die is heet en droog aan de derde graad, de bloemen van deze zijn erg goed in de artsenij. Deze bloemen gekookt met water en dat gedronken ruimt de borst en de hersens van kwade flegma.

Galenus spreekt dat dit heet Allium agreste, dat is scordium, en die zijn erg scherp te nuttigen en scherper dan Allium domesticum. Deze wilde ui gegeten ‘s morgens nuchter doodt de wormen in de buik. Ook is die goed gegeten stranguriam, dat is die er (2) druppelend plassen. En waartoe Allium domesticum goed is zijn deze sterker in hun werking dan die domestici. Item, wilde knoflook gekookt in wijn is goed tegen pijn van de maag en de darmen dat je komt van de koudheid en van wind. Item, wilde knoflook en Parietaria, genaamd glaskruid, in olie gekookt en op de darmen gelegd is de pijn daar verdrijven die van koude komen en van wind.

De afbeelding laat een uiachtige plant zien met klisters. 

(1) Dodonaeus; ‘‘Beide deze kruiden (met Allium ursinum) worden in het Latijn Allium silvestre genoemd, in het Grieks Scorodon agrion, dat is wilde look.

Maar het eerste geslacht noem ik Allium sylvestre tenuifolium, dat is wilde look met smalle bladeren, in Hoogduitsland Wilder Knoblauch en ook Feld lauch. In het Grieks, zegt Lobel, is het Scorodon genoemd omdat het de mens beweegt tot uitrekken met gapen en geeuwen dat in het Grieks Scorodonismos heet wat het doet omdat het van zich enige sterke reuk en in de mond een onlieflijke scherpte geeft als men dat eet en drijft de onnutte vuile dampen naar de huid’.

Byszmüncz oder lausz kraut ccclix Capit

Stafisagria vel pediculaτia vel granum capitis·vel passula muntula vel rosa regis latine·grece pediculicida·arabice habeτas vel numbasas·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capittel haberas beschτeibet uns und spτicht·das dises hab bleter geleÿch dem weinreben·und hat einen schwarczen stenngel·unnd hat do samen geleych den kÿchern·Der same ist dτÿeckat und ist auþwenig schwarcz·und jnnwendig weÿþs·und hat einen scharpffen gerauch den in dem mund gehalten.

(Der meister Averτois in dem fünfften bůch colliget·in dem ca [395] pitel stafisagria spτichet das der seÿ heiþ und trucken an dem dritten grade·und diþ ist auch die meÿnunge des wirdigen meisters avicenne in seinem zweiten bůch in dem capitel stafisagria·Der meÿster Galienus spτichet das dyser same gehalten in dem mund gar vil flegma auþ dem haubt ziehe und ist gůt genüczet dem menschen d da geschwillet und sunderlich dienet diþ zů der wasser sucht·

(Diascoτides spτichet das diser kôτner·xv·eingenommen mit mulsa oder mellicrato das ist hônig in wein vermenget benÿmmett die flegma mit bτechen oben auþ·die den menschen zů zeitten gar grossen schaden bτinget·(Dÿsen samen gestossen zů bulver und auff das haubt gestreüwet oder sich damit gewåschen tôdtet dýe leüse·(Die electuarien dÿe man machet von stafisagria dienent auch gar wol zů der fallende sucht und benÿmmet moτpheam und bτinget menstruum·Dÿse electuarien machet man also·nÿme stafisagria auch ein halbe pfundt und seüde den gar woll in wasser und darnach zerknÿsche den samen geleich eÿnem bτeÿe·und müsch darunder zucker ein pfundt·und temperiere dise electuarien mit dem wasser darjnne der samen gesotten ist·Und disses electuarien sind sunderlichen gůt die do geneiget sind zů der ausseczigkeit wan gar vil bôse feüchtigkeÿt durch diþs verzeret wirt. (Item wan stafisagria wirt gesotten mit eþsig und damit gewåschen den mundt macht der zene weethůmb vertreiben unnd benÿmmet auch den schleÿme des maules der von dem hÿren fliessen ist·

(1) Staverskruid of luiskruid, 359ste kapittel.

Stafisagria vel pedicularia vel granum capitis vel passula muntula vel rosa regis Latijn. Grieks pediculicida. Arabisch haberas vel numbasas. (Delphinium staphisagria)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel haberas beschrijft ons en spreekt dat deze heeft bladeren gelijk de druif en heeft een zwarte stengel en heeft zaden gelijk de keker. Dat zaad is driekantig en is aan de buitenkant zwart en inwendig wit en heeft een scherpe reuk, die in de mond gehouden.

De meester Averrois in het vijfde boek colliget·in het kapittel [395] staphisagria spreekt dat het is heet en droog aan de derde graad en dit is ook de mening van de eerwaardige meester Avicenna in zijn tweede boek in het kapittel staphisagria. (2) De meester Galenus spreekt dat dit zaad gehouden in de mond erg veel flegma uit het hoofd trekt en is goed genuttigd de mensen die dan zwellen en vooral dient dit tot de waterziekte.

Dioscorides spreekt dat deze korrels 15 ingenomen met mulsa of mellicrato, dat is honing in wijn vermengt, beneemt het flegma met braken boven uit die de mensen in sommige tijden erg grote schade brengt. Deze zaden gestoten tot poeder en op dat hoofd gestrooid of zich daarmee gewassen (3) doodt de luizen. De likkepot die men maakt van staphisagria dient ook erg goed tot de vallende ziekte en beneemt morfeem en brengt menstruatie. Deze likkepot maakt men alzo; neem staphisagria, ook een half pond, en kook die erg goed in water en daarna kneus de zaden gelijk een brei en meng daaronder suiker, een pond, en temper deze likkepot met het water daarin de zaden gekookt zijn. En deze likkepot is uitzonderlijk goed die er geneigd zijn tot de huiduitslag want erg veel kwade vochtigheid door dit verteerd wordt. (4) Item, als staphisagria wordt gekookt met azijn en daarmee gewassen de mond maakt de tandpijn verdrijven en beneemt ook het slijm van de muil dat van de hersens gevloeid is.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit kruid heet in het Grieks Staphis agria, in het Latijn heet het ook Staphis agria of Pedicularis en Peduncularia, zo Marcellus schrijft, in de apotheken Staphisagria, in het Hoogduits Leuszkraut en Speichelkraut.

Maerlant; ‘ (2) Men zegt dat het fluimen verteert met mastiek en wierook gekauwd en maakt daartoe het hoofd klaar. Met azijn gedronken, dat is waar, maakt ze (3) tandpijn beter, kwaad vlees geneest het zo mede. (3) Gepoederd en in een kleed genomen doet ze gelijk tot haar komen alle luizen, klein en groot;’

pruunkresz ccclx Ca

Senacionum vel senacion vel apium aque vel nasturciuz aquaticum vel cardamus agrestis latine grece kamlela vel sonicium vel hyrigütis·arabice herochalchaÿ id est senacion.

beschreibett uns und spτichet dz pτunkråsse beÿ den bechen wachs und hatt auch ein schlchten stengel und hat bletter gleich dem eppich allein dz sie kleÿner sind unnd hatt ein (A·iij·) [396] gůten gerauch wenn man es keüwet·(Item bτunnkreþ ist heiþ an dem ersten grade und trucken an dem andern·als dann spτicht der meister Isaac·des geleÿchen Galienus·(Item Diascoτides in dem capitel senacion·spτichet·daz der same von pτunnenkresse rohe geessen beneme den stein deτ do kommet von hÿcze und machet aüch gar seer hårmen·

(Item pτunnenkresse bτinnget auch den frauwen jr zeÿt·

(Item bτunnenkreþs gesotten mit wein und den getruncken benÿmmet auch die lenden suchtt·(Item diser wein getruncken·dienet auch fast wol für den kalten seÿch·(Der meister Isaac spτicht·das der same stopffe den fluþ des bauches·den getruncken mit kaltem wasser oder mit kütten safft·(Und dises also gesoten stercket die gelÿder des menschen·(Item bτunnenkreþs ist auch gar gůt wider die hÿcze d lebern in dem salat genüczet.

(1) Waterkers, 360ste kapittel.

Senacionum vel senacion vel apium aque vel nasturcium aquaticum vel cardamus agrestis Latijn. Grieks kamlela vel sonicium vel hyrigütis. Arabisch herochalchaÿ id est senacion (Nasturtium officinale)

Beschrijft ons en spreekt dat waterkers bij de beken groeit en heeft ook een rechte stengel en heeft bladeren gelijk de selderij, alleen dat ze kleiner zijn en heeft een [396] goede reuk als men het kauwt. Item, waterkers is heet aan de eerste graad en droog aan de andere zoals dan spreekt de meester Isaac, desgelijks Galenus. Item, Dioscorides in het kapittel senacion spreekt dat het zaad van waterkers rauw gegeten beneemt (2) de steen die je komt van hitte en maakt ook erg zeer plassen.

(3) Item, waterkers brengt ook de vrouwen hun tijd.

(4) Item, waterkers gekookt met wijn en dan gedronken beneemt ook de lendenziekte. (5) Item, deze wijn gedronken dient ook erg goed voor de koude plas. De meester Isaac spreekt dat het zaad stopt de vloed van de buik, dan gedronken met koud water of met kweesap. (4) En dit alzo gekookte versterkt die leden van de mensen. Item, waterkers is ook erg goed tegen de hitte van de lever in de salade genuttigd.

Zie kapittel 278 voor kers.

Dodonaeus; ‘‘Deze kers wordt hier te lande waterkersse genoemd, in Hoogduitsland Brunkresz, en in het Latijn noemt men het tegenwoordig Nasturtium aquaticum.

Herbarius in Dyetsche; (4) De kers versterkt ook de leden. (2) Het zaad van waterkers dat rouw gegeten of met venkelzaad en peterselie in vleessap is genomen is goed tegen steen of niergruis, het laat plassen en de stonden komen.

(5) Tegen aandrang tot waterlozing en de dysurie (dat is alle uren met pijn plassen) kook waterkers met malrove in wijn en leg het zo op de blaas onder de navel.

Wandtlausz kraut

Das ccclxi Capit

Spatula fetida latine·

(Der meister paulus in dem capitel spatula fetida spτichet·das dises seye ein krautte beÿ nahe als ÿreos·genannt schwårtteln. Dises kraut stincket fast übel unnd wåchþet auch gar geren beÿ den zeünen unnd do es tunckel ist·Dises kraut ist nicht zů nüczen auþwendig des leybes·

(Der safft von disem krautt d zeühet auþ der heüdt die bôsen rauden moτfea genant·Der saffte der sol also bereÿtet werden nymme den safft und lasse jn doτren an der sunnen·darnach so stoþs jn zů bulfer·darunder so müsche bulfer von dem safft stafisagrie·[397] das ist bÿþmüncze·des geleichen von dem kraut flammule und hermodactili·auch attrament ÿegkliches geleich vil und müsch dýses mit eþsig und schweinen schmalcze also das auch dÿses werde ein salbe·mit diser salben schmiere die moτfeen und lege dan darüber ein kôl blat oder wegerich bletter du genÿsest on allen zweifel·das schmieren solt du thůnne des tages zů dτeÿ malen·

(Das bulver von disem safftte menge mit wein und lege es auch auff ein zerknÿstes gelÿde es zeühet auch die beym auþ on allen weethůmb·(Item dises kraute veriaget die wantleüþe in die wende und in die bette laden geleget·

(1) Stinkende lis.

Dat 361ste kapittel.

Spatula fetida Latijn. (Iris foetidissima)

De meester Paulus in het kapittel spatula fetida spreekt dat dit is een kruid bijna als Iris, genaamd zwaarden. Dit kruid stinkt erg kwalijk en groeit ook graag bij de tuinen en daar het donker is. Dit kruid is niet te nuttigen uitwendig het lijf.

Het sap van dit kruid dat trekt uit de huid de kwade ruigte morfea genaamd. Het sap dat zal alzo bereid worden; neem het sap en laat het drogen aan de zon, daarna zo stoot het tot poeder en daaronder zo meng poeder van het sap staphisagria, [397] dat is luiskruid, desgelijks van het kruid egelkolen en tijdloos, ook atrament, van elk gelijk veel en meng dit met azijn en varkensvet alzo dat dit ook wordt een zalf en met deze zalf smeer de morfeem en leg dan daarover een koolblad of weegbreebladeren, u geneest zonder alle twijfel, dat smeren zal u doen per dag een drie maal.

(2) Dat poeder van dit sap mengen met wijn en leg het ook op een gekneusd lid, het trekt ook dat been uit zonder alle pijn. Item, dit kruid verjaagt de wandluizen en de wanden, in de bed laden gelegd.

(1) Dodonaeus;‘ ‘In onze taal noemt men dit kruid gewoonlijk wantluys-cruydt of stinckende lisch, de Hoogduitsers noemen het ook Wandtleuszkraut omdat het krachtig gehouden wordt om de wandluizen te doden, in het Latijn is het overal bekend met de naam Spatula foetida.

(2) Dioscorides schrijft dat de wortels van stinkende lis zeer krachtig zijn om de wonden en breuken of andere kwetsingen en blutsingen van het hoofd te genezen, ja dat ze uit de wonden alle splinters, nagels, angels, doornen en andere scherpe dingen halen kunnen die daarin mogen steken.

rockenkorn ccclxii ca

Siligo vel germanum latine·grece tifa vel fÿtus arabice filigehÿ.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel siligo beschreibet uns und spτichet das diþs dem menschen meer speise wann gersten und ha ein gůten gerauche. (Diþ bτott von rucken koτnne speiset auch minder den menschen dan das bτot von weiczen unnd darumb hat rocken koτen ein mitel messig natur zwischen d gersten und dem weiczen in der speisung und auch in der erczneÿ·

(Plinius spτichet daz rocken koτne seÿ warmer natur unnd doch nitt als warm als d weicz aber wårmer dan die gerst·(Das bτot von roccken koτen ist dem gesunden leütten besser dan dem krancken und stercket die·aber dem krancken ist weiczen bτot vil besser und nüczer·(Die kalt magenn haben den ist rucken bτot nit gůt wan jr kranckheit des magen mage das bτot nit über winden czů verdeüwen unnd verdeüwett es gar kaume·(Item ein yegklich mensche sol sich hŭten voτ allen dingen voτ bτot das nitt wol gebachen ist wan grosse sucht und kranckheit manchem menschen davon etsteet·(·A·iiij·) [398]

(1) Rogge, 362ste kapittel.

Siligo vel germanum Latijn. Grieks tifa vel fÿtus. Arabisch filigehÿ. (Secale cereale)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel siligo beschrijft ons en spreekt dat dit de mensen (2) meer spijst dan gerst en heeft een goede reuk. Dit brood van roggekoren spijst ook minder de mensen dan dat brood van tarwe en daarom heeft roggekoren een middelmatige natuur tussen de gerst en de tarwe in de spijs en ook in de artsenij.

Plinius spreekt dat roggekoren is warme natuur en toch niet zo warm als de tarwe, maar warmer dan de gerst. Dat brood van roggekoren is de gezonde mensen beter dan de zieken en versterkt die, maar de zieken is tarwebrood veel beter en nuttiger. Die koude magen hebben die is roggebrood niet goed want hun ziekte van de maag mag dat brood niet overwinnen te verduwen en verduwt het vrij nauwelijks. (3) Item, eenieder mens zal zich hoeden voor alle dingen voor brood dat niet goed gebakken is want grote ziektes en zwaktes bij vele mensen daarvan ontstaat. [398]

(1) Dodonaeus; ´ Dit koren heet in onze taal rogge en diegene die in de herfst gezaaid wordt winterrogge en de andere die men in maart zaait zomerrogge, in het Hoogduits Rocken, in het Frans seigle of segle naar de oude Latijnse naam Secale (hoewel dat men dat graan ook Rogga, naar het Duits plag te noemen omdat niet iedereen het voor Secale houdt).

(2) Dodonaeus; ‘Rogge komt van waarde en edelheid het aller dichtst bij tarwe en zijn medesoorten.

spelcz ccclxiii Capi

Spelta latine·grece benge·vel zegea vel ellica·arabice futa vel fult vel hals vel halca·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel fult·id est spelta beschreibet uns und spτicht dz spelcz habe kôτner geleich der gersten und speiset mÿnder wan gersten und hat ein gůten gerauch·(Item das bτot von spelcz speiset mÿnder wann das bτot von weicze und gersten·(Diascoτides spτichet das spelcz speise gar wenig wan er hat gar vil kleyen in jm und ist unverdeüwenliche und weichet dem bauche·

(Der meister paulus sprichett das spelcz dem magen seÿ nit gůtt wan er ist unverdeüwenliche·

(Isaac spτichet das spelcze seÿe von natur feücht und kalt·

(Galienus in dem ersten bůch genant zů latein de eduleis·in dem capitel zegea id est spelta beschribet uns und spτichet das diser same seÿ mÿnder speisen under dem früchten·und spτichet auch das spelcze habe wurczeln steen faste tieff in der erden unnd habe fast vil stengel und ist allen vogeln dz beste gekoτncz und essen es faste geren·(Itez spelczen bτot ist gar gůt wan es gemüschet wirt mit gersten·(Item spelcz mit anderen früchten gemenget und darauþ gemachet bτeÿ und den geessen bτinget stůlgeng. (Serapio spτichet das spelcz weich des menschen natur und mach den magen fol und stoþ auff des halben das die fast langsam verdeüet wirt·(Spelcz ist gůt der feüchte lungeen un dem herten hůsten unnd weichet die bτust·(Item man machet von spelczen lohoch den genüczet machet harmen und reÿniget die nÿeren unnd die blase des menschen·[399]

(1) Spelt, 363ste kapittel.

Spelta Latijn. Grieks benge vel zegea vel ellica. Arabisch futa vel fult vel hals vel halca. (Triticum spelta)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel fult, id est spelta, beschrijft ons en spreekt dat spelt heeft korrels gelijk de (2) gerst en spijst minder dan gerst en heft een goede reuk. Item, dar brood van spelt spijst minder dan dat brood van tarwe en gerst. Dioscorides spreekt dat spelt spijst erg weinig want het heeft erg veel kleven in zich en is onverteerbaar en weekt de buik.

De meester Paulus spreekt dat spelt de maag is niet goed want het is onverteerbaar.

Isaac spreekt dat spelt is van natuur vochtig en koud.

Galenus in het eerste boek genaamd in Latijn de eduleis in het kapittel zegea, id est spelta, beschrijft ons en spreekt dat dit zaad is minder spijst onder de vruchten en spreekt ook dat spelt heeft wortels staan erg diep in de aarde en heeft erg veel stengels en is alle vogels dat beste koren en eten het erg graag. Item, speltbrood is erg goed als het gemengd wordt met gerst. Item, spelt met andere vruchten gemengd en daaruit gemaakt brei en dan gegeten brengt stoelgang. Serapio spreekt dat spelt weekt de mensen natuur en maakt de maag vol en stoot uit omdat het langzaam verduwd wordt. Spelt is goed de vochtige longen en het harde hoesten en weekt de borst. Item, men maakt van spelt een brei en die genuttigd maakt plassen en reinigt de nieren en de blaas van de mensen. [399]

(1) Dodonaeus; ‘Dit koren is in onze taal spelt genoemd, in het Hoogduits Speltz en Dinckel of Dinckelkorn, in het Latijn Spelta of naar het Griekse Zea.

(2) Dodonaeus; ‘Spelt voedt meer en is krachtiger dan gerst en is goed en aangenaam van smaak, als Dioscorides schrijft of als Galenus betuigt, ze is de maag nuttig en behulpzaam, dan het brood dat er van gemaakt wordt geeft niet zoveel voedsel als het tarwebrood.

benecz ccclxiii Ca

Spinachia latine·grece asperache.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel asperach·id est spinachia spτicht das diþ seÿ kalte und feücht an dem ende des ersten grades·(Diþ kraute ist beÿ uns gemein·diþs gesotten unnd geessen senfftiget den bauch und benÿmmet daz weethůmb d bτust und der lungen·(Die bτŭe von dÿsem kraut getruncken laxieret auþ die bôsen feüchtung und machet ein senfften adem·(Hie ist zů mercken das sôlich gemŭse stetigs unnd alle tage geessen ist nitt nücz wan sie bτingen vil melancolÿ dem menschen alþs uns bewert der meÿster Averrois in dem funftez bůch colliget genannt do er spτichet das alle museer bτingen melancoly on allein die do gemachet werden von lactuca·und boτagine·(Wôlicher groþ wethůmb hette in dem rucken der esse benecz mŭser·Auch wôlicher verhårtet wåre in dem leibe der esse dÿser mŭser und trincke dÿe bτŭe davon es hilffet auch on zweýfel·

(1) Spinazie, 364ste kapittel.

Spinachia Latijn. Grieks asperache. (Spinacia oleracea)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel asperach, id est Spinacia, spreekt dat dit is koud en vochtig aan het eind van de eerste graad. Dit kruid is bij ons algemeen, dit gekookt en gegeten verzacht de buik en beneemt de (2) pijn van de borst en de longen. De brei van dit kruid gedronken laxeert uit de kwade vochtigheid en maakt een zachte adem. Hier is te merken dat zulke moes steeds en alle dagen gegeten is niet nuttig want ze brengen veel melancholie de mensen zoals ons beweert de meester (3) Averrois in het vijfde boek colliget genaamd die er spreekt dat alle moes brengen melancholie, uitgezonderd alleen die er gemaakt worden van sla en bernagie. Wie grote pijn heeft in de rug die eet spinaziemoes. Ook wier er verhard is in het lijf die eet deze moes en drinkt de bouillon daarvan, het helpt ook zonder twijfel.

(1) Dodonaeus; ‘Tegenwoordig wordt dit kruid in Nederduits spinagie genoemd, in het Hoogduits Spinet, de Latijnse naam Spinachia.

Herbarius in Dyetsche; ‘ Als je ze ook eet (2) dan is het goed voor de adem in de borst en de hete longen. (3) Averroys zegt in het vijfde boek zijn van zijn colliget dat warme moes zwaarmoedig maakt, uitgezonderd sla en bernagie, daarom moet je ze niet dikwijls eten.’

(1) Semenzena wordt dit kruid in het Italiaans (om de menigte van zijn zaad) genoemd. Het zaad wordt overal Semen sanctum en Semen contra lumbricos genoemd.

wurmkraut ccclxv

Semen lumbτicoτum latine arabice kanbel·grece albasan·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel kanbel·id est semen lumbτicoτum·beschreibett uns und spτichet auch das diser [400] same seÿ fast klein beÿ nahe als sandt und ist gel geleich dem saffran·(Avicenna in seÿnem anderen bůch in dem capitel kanbel spτichet das diser same seÿ heiþ an dem dτitten grade·und sein same gleiche als sandt und hatt ein rotte hülse über dem samen·(Item dÿses sames eingetruncken mit geiþmilch tôdtet die würm in dem leÿbe·(Diser same wechset in dem lande coτasceni unnd der felt daselbest von hÿmmel mit regen·und die selbigen sameln den wan es geregent hat und findet man des die mennig auff dem weissen ertrich·(Diser same ist selczen in teütschen landen und dar für nÿmmett man wurm kraut der do wechþet in jndia und in cecilia und des kommet die mengegen wenedig·(Dises kraut stosset man mitt still und samen und treibet auch auþ die würme der bitterkeit halben die es an jm hat·also das die würme lebendig uud todte von dem menschen geen·und diþs ist sunderlichen gůtte genüczet dem jungen kindern·und findet man alle zeÿt beÿ den kramern·

(1) Wormkruid 365ste kapittel.

Semen lumbricorum Latijn. Arabisch kanbel. Grieks albasan. (Artemisia maritima, var. cina)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel kanbel, id est semen lumbricorum, beschrijft ons en spreekt ook dat dit [400] zaad is erg klein bijna als zand en is geel gelijk de saffraan. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel kanbel spreekt dat dit zaad is heet aan de derde graad en zijn zaad gelijk als zand en heeft een rode peul over de zaden. (2) Item, dit zaad ingedronken met geitenmelk doodt de wormen in het lijf. Dit zaad groeit in het land Corasceni en dat valt daar van de hemel met regen en diezelfde verzamelen het dan als het geregend heeft en vindt men dat de menigte op het witte aardrijk. Dit zaad is zelden in Duitse landen en daarvoor neemt men wormkruid dat er zo groeit in India en in Cecilia en dat komt de menigte als nodig is. Dit kruid stoot men met steel en zaden en drijft ook uit de wormen vanwege de bitterheid die het aan zich heeft alzo dat de wormen levend en dood van de mensen gaan en dit is uitzonderlijk goed genuttigd de jonge kinderen en vindt men altijd bij de kraam.

(1) Semenzena wordt dit kruid in het Italiaans (om de menigte van zijn zaad) genoemd. Het zaad wordt overal Semen sanctum en Semen contra lumbricos genoemd.

(2) Het is zeer goed en nuttig tegen de wormen van de kinderen en doodt alle wormen die in het ingewand mogen groeien, op welke manier dat men dat gebruikt.

blumen von arabien

also genant ccclxvi c

Scicados latine·grece sahadis·arabice ascukodos·

(Serapio in dem bůch aggeratoτis in dem capitel ascukodos id est scicados arabicum spτichet das dises wachþs in der jnseln die da heisset in grekeþ sahadis·diþ geleichet satureÿe·(Diascoτides in dem capitel sticados spτicht das disses wachs in einer jnseln in dem lande arabien darjnn nennet man sticados von des er den namenn hatt·(Item Avicenna in dem andern bůche in dem capitel sticados spτichet das diþ seÿ heiþ an dem ersten grade unnd trucken [401] an dem anderen·dise blůmen ist man nüczen in der erczneÿ·

(Dise blůmen dienen fast wol dem haubt·ein sack gemachet und darauff gelegt·disen sacculum mache also·nymme diser blůmen und bleter von loτbeerbaumm ÿegkliches ein lot·roþmarin maioτon betonien bleter ÿeklichs ein hant vol·rot rosen ein halbe hant vol gariofili dz sind någelen ein quintin·muscaten blŭe ein halb quintin·dise müsche under einander·und stoþ die ein wenig und mache dises in ein såcklein einer spannen lang unnd bτeÿtt·für die herτen nÿmm rote seÿden·für das gemeÿn volck schlechter·und leg den auff das haubt·es senfftigett allen schmerczen·und wår es sache daz du grosse hÿche hetest in dem haubt solt du disen sack voτhÿn bespτengen mit rosenwasser und darnach auff legen·(Dise blůmen gesotten in wein unnd den getruncken benemen allen schmerczen der gelyder und der gewerbe·(Von disem blůmenn lÿse pandecta das ·lxvij·capitel·findest du vil tugent von sticado arabico·(Item wein darjnn gesoten ist dises kraut ist wôτmen den magen und das gedårm und ist auch gůt wider den kalttenn seÿch·und wider die bestopffung lebern und milczes·

(1) Lavendel alzo genaamd, 366ste kapittel.

Scicados Latijn. Grieks sahadis. Arabisch ascukodos. (Lavandula stoechas)

Serapio in het boek aggeratoris in het kapittel ascukodos, id est scicados arabicum, spreekt dat dit groeit in een eiland en die heet in Grieks sahadis, dit lijkt op Satureja. Dioscorides in het kapittel sticados spreekt dat dit groeit in een eiland in het land Arabië en daarin men het noemt sticados waarvan het de naam heeft. Item, Avicenna in het andere boek in het kapittel sticados spreekt dat dit is heet aan de eerste graad en droog [400] aan de andere, deze bloemen is het die men nuttigt in de artsenij.

(2) Deze bloemen dienen erg goed het hoofd, een zak gemaakt en daarop gelegd, dit zakje maak je alzo; neem deze bloemen en bladeren van laurierboom, van elk een 16, 7gram, rozemarijn, majoraan en betonie bladeren, van elke een hand vol, rode rozen, een halve hand vol, gariofili, dat zijn kruidnagels, een 1, 67 gram, muskaatbloemen, een half van 1,67gram, deze meng onder elkaar en stoot die een weinig en maak dit in een zakje van een dertien cm lang en breed, voor de heren neem rode zijde en voor dat gewone volk slechter en leg dat op dat hoofd, het verzacht alle smarten en is het zo dat u grote hitte heeft in het hoofd zal u deze zak voorheen besprengen met rozenwater en daarna opleggen. Deze bloemen gekookt in wijn en dan gedronken beneemt alle smarten van de leden en de wervels. Van deze bloemen lees Pandecta dat 67ste kapittel vindt u veel deugd van sticado arabico. Item, wijn daarin gekookt is dit kruid is verwarmend de maag en de darmen en is ook goed tegen de (3) koude plas en tegen de verstopping van lever en milt.

Dodonaeus; ‘Dioscorides noemt dit kruid Stichas en andere (waaronder Galenus ook een is) noemen het Stoechas, in het Latijn Stoechas, de Hoogduitsers noemen het Stichas-kraut.

Herbarius in Dyetsche; (2) Vooral is het goed tegen ziekten van het hoofd.

Herbarijs; ‘En het is goed tegen de steen en laat (3) goed urine maken en verdunt de vochtvermenging. En alles dat binnen het lichaam is verbetert en zuivert’.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt in Hoogduitsland omdat het zoveel aan de kant van de Rijn en in de omliggende landen plag te groeien gewoonlijk Rheinblumen genoemd en ook Junglin, Mottenblume en Mottenkraut

reynblûmen oder motenkraut ccclxvii ca

Sticados citrinum latine et grece·arabice sceha·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel sceha·idest sticados citrinum beschτeibet uns und spτicht auch·das dises seÿ ein kraut und geleÿchet dem wôτmůt an den bletern·und hat einen samen geleych dem abτotano·(Item dises kraute das ist bitter geleÿch dem wôτmůtt·unnd doch nicht also gar bitter·(Item dises kraut das ist auch auþ der massen heÿþ und auch gar trucken an dem dτÿtten grade·(Item dises krautes geeþsen das schadet dem magen·[402] (Item die wirdigen meister spchen gemeinklich das dÿses krattue auch tôdtet dÿe wurme jn dem leibe auþwendig oder jnwendig genüczet·und würcket auch fast meer wan wurmkraut·(Item wôlichs sihe dises krautes gar vil ÿsset das wirte balde feÿst·(Item diþ kraut gesotten mit wurm kraut in wasser und das getruncken tôdtet auch dÿe würme in dem bauch und treibet sÿe auþ gar måchtigklichen.

(Platearius dÿses kraut geleichet wurm kraut an der gestaltt und beÿ nahe an der tugent·und fast gůt genüczet aussen an dem leibe und auch jnwendig zů tôdten damit dÿe würm·(Der meister Johannes mesue spτichet das sticados seÿ zweÿerhande·Eines heisset sucados citrinu davon diþ capitel saget·Das ander heisset sticados arabicum·von disem lese pandecta das·lxvj·capitel das sich anhebet Asculodos·

(1) Rijnbloemen of mottenkruid, 367ste kapittel.

Sticados citrinum Latijn en Grieks. Arabisch sceha. (Helichrysum arenarium)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sceha, id est sticados citrinum, beschrijft ons en spreekt ook dat dit is een kruid en lijkt op de (2) alsem aan de bladeren en heeft een zaad gelijk de abrotanum. Item, dit kruid dat is bitter gelijk de alsem en toch niet alzo erg bitter. Item, dit kruid dat is ook uitermate heet en ook erg droog aan de derde graad. Item, dit kruid gegeten dat (3) schaadt de maag. [402] Item, de eerwaardige meesters spreken algemeen dat dit kruid ook (4) doodt de wormen in het lijf uitwendig of inwendig genuttigd, en werkt ook erg meer dan wormkruid. Item, welk vee dit kruid erg veel eet dat wordt gauw vet. Item, dit kruid gekookt met wormkruid in water en dat gedronken doodt ook de wormen in de buik en drijft ze uit erg machtig.

Platearius, dit kruid lijkt op wormkruid aan de gestalte en bijna aan de deugd en erg goed genuttigd buiten aan het lijf en ook inwendig te doden daarmee de wormen. De meester Johannes Mesue spreekt dat sticados is tweevormig. Een heet sucados citrinun daarvan dit kapittel zegt. De andere heet sticados arabicum en van deze lees Pandecta dat·66ste kapittel dat zich aanheft Asculodos.

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit kruid wordt in Hoogduitsland omdat het zoveel aan de kant van de Rijn en in de omliggende landen plag te groeien gewoonlijk Rheinblumen genoemd en ook Junglin, Mottenblume en Mottenkraut.

Herbarius in Dyetsche; Het heeft kleine zaadjes, net als de (2) averone, het is ook vol zaden en bitter als alsem. Het heeft een zware geur en stopt niet zo als de alsem. Zijn kracht is anders dan de kracht van alsem want het is (3) slecht voor de maag. Het doodt de (4) wormen in het lichaam meer dan alsem als het van buiten gelegd of van binnen genomen wordt.

(1) Dodonaeus; ‘de eerste van deze kruiden wordt gewoonlijk in het Latijn Siler montanum genoemd en daarvan is de bedorven naam Sermontaine gekomen die zowel in Frankrijk als in Vlaanderen van de gewone man gebruikt wordt

felckumel ccclxviii C

Sileos arabice vel ascegelios·grece siseli·latine siler montanum. (Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel siseleos beschreibet uns und spτichet·das diþ sey ein kraut und hat bletter geleiche dez fenchel·allein feltkummel ein wenig lenger und grôbere bletter hat wan fenchel·unnd hat ein langen stengel·und oben an der spiczen hatt es ein krone darjn ist samen der ist bτeit·und der hat auch gar eÿnen scharpffen gerauche·

(Item dises kraut ist heiþ und auch gar trucken an dem ende des ersten grades·(Der meister paulus spτichet das diþs krautte ist [403] von einander teylen die groben feüchtung·und sunderlichen die feüchtung die zůsamen gelauffen sind geleÿch dem geleberten blůt treÿbet es auþ måchtigklichen·(Felltkümmel getruncken mit wein ist fast gůt für den gebτesten genant zů latein diabetica passio·daz ist der do fast hårmet wider seinen willen·und ist auch fast gůt also genüczet asmaticis·das sind die do fast keychen·(Item felltkümel getruncken mit wein und darunder gemüschet langen pfeffer·ist gůt epilenticis·daz ist die fallend sucht·(Diascoτides spτicht·wer felltkümel und pfeffer kôτner nüczt mit wein d pfindet kein kelte des wÿnters so er über fellt geet·(Wôlches mensche oder unvernünfftiges thiere yþset felltkümel·und wenn das mensch oder thiere mit seinem gemahel zů schaffen hat es empfåhet bald davon und wirt schwanger·(Item felltkümel gebulferet und mit gebτaten feygen vermüschet ist gůtt wider bestopffung lebern und milczes und der nÿeren und auch der blasen·und wein darein dann gesoten ist diser same·ist gůt wider den kalten seÿch·

(1) Veldkummel, 368ste kapittel.

Sileos Arabisch vel ascegelios. Grieks siseli. Latijn siler montanum. (Laserpitium siler)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel siseleos beschrijft ons en spreekt dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de venkel, alleen veldkummel een weinig langer en grotere bladeren heeft dan venkel en heeft een lange stengel en boven aan de spits heeft het een kroon daarin zijn de zaden en dat is breed en het heeft ook erg een scherpe reuk.

Item, dit kruid is heet en ook erg droog aan het einde van de eerste graad. De meester Paulus spreekt dat dit kruid is [403] van (2) elkaar delen de grove vochtigheid en vooral die vochtigheid die tezamen gelopen is gelijk het gestolde bloed drijft het uit machtig. (3) Veldkummel gedronken met wijn is erg goed voor het gebrek genaamd in Latijn diabetica passio, dat is die er erg plast tegen zijn wil, en is ook erg goed alzo (4) genuttigd astmatici, dat zijn die er erg kuchen. Item veldkummel gedronken met wijn en daaronder gemengd lange peper is goed epilenticis, (5) dat is de vallende ziekte. Dioscorides spreekt wie veldkummel en peperkorrels nuttigt met wijn die ontvangt (6) geen koudheid in de winter als hij over het veld gaat. (7) Welke mens of onverstandig dier eet veldkummel en als die mens of dier met zijn gemaal te doen heeft ontvangt het gauw daarvan en wordt zwanger. Item, veldkummel gepoederd en met gebraden vijgen vermengt is goed tegen verstopping van de lever en milt en de nieren en ook de blaas, wijn daarin dan gekookt is dit zaad is goed tegen de koude plas.

(1) Dodonaeus; ‘de eerste van deze kruiden wordt gewoonlijk in het Latijn Siler montanum genoemd en daarvan is de bedorven naam Sermontaine gekomen die zowel in Frankrijk als in Vlaanderen van de gewone man gebruikt wordt.

Herbarius in Dyetsche; ‘Het heeft de kracht om (2) de slijmachtige taaie en verwoestende vochtvermenging in te snijden en ook te ontbinden, daarom opent het alle verstoppingen en wegen van het lichaam, het laat plassen en de stonden komen.

(3) Tegen aandrang tot waterlozing en dysurie: ‘Neem wijn waar dit zaad in gekookt is’ en ook is dit goed tegen verstopping van de lever, van de milt, van de nieren en van de blaas.

(3) Als je dit kruid in wijn kookt en onder de navel omtrent de schaamstreek pleistert is dat goed tegen aandrang tot waterlozing en dysurie.

(4) Tegen astma (dat is ademgebrek) en tegen (5) vallende ziekte: ‘Neem wijn waar karwij in gekookt is met de wortel van Iris’.

(6) Serapio zegt uit de macht van Dyaf dat de kracht van deze wortel of zaad is dat het verwarmt.

(7) Als een mens of enig ander dier van dit kruid eet, als hij minnen wil of als hij mint, dan helpt het terstond om te ontvangen volgens Pandecta, Serapio en Avicenna.

(1) Dodonaeus; ‘Welriekende bies, meest kemels-hoy, kemels-stroo of kemels-voeder genoemd en gewoonlijk Schoenanthum in het Latijn, in het Hoogduits Candisch heuw


kameln heůwe

Das ccclxix Capi

Squinantum latine·grece squinuna·arabice adcher·

In dem ůûch pandectarum in dem·xvij·capitel daz sich anhebt adecher idest squinantum beschreiben uns die meister und spτechen·das dises kraut seÿ heÿþs und trucken an dem ersten grad. Dises finndet man in dem lande affrica und un apulia·und weret neün jare·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel adech spτicht·das dises kraut habe gar subtil stengel·geleÿch spicanardi·und wechþet auch gar gern in den jnseln und auff den wÿsen·unnd in den landen do dises wåchþt findet man es allenthal [404] ben steend geleÿch dem graþe in teütschen landen·(Dises kraute hat oben dýck büschlen und einen gůten gerauch·sein wurczel ist fast tieff in dem erdtrich·dÿe blůmen bleter und wurcz nüczet man in der erczneÿ·(Diascoτides spτicht·das dise blůmen sind fast gůt genüczet für den stein·und machen wol hårmen·und benymmet die geschwulst·und ist gůt genüczet dem d do blůt speÿet und dienet fast wol den lenden·(Squinantum nüczet man in mangen confecten zů den obgeschτiben kranckeÿten·(Die wurczel von disem kraut gemüschet mit pfeffer ÿegklichs auff ein halb quintin·ist fast gůt ydτopicis·und auch die zerknüschete gelyder an jn haben·(Item das ôl gemachet von squinantum·dienet auch fast wol den reüdigen und der schoτfechtigen haudt domit geschmieret·(Galienus spτicht·das dises kraut gar gůt seÿe dem magen und auch dem flüssigen bauche·genüczet mit hônig wasser·(Item Avicenna spτicht·das dises krauts blůmen sind fast stopffen·und darumb dienet es do wol den flüssen von blûten·

(Dise blůmen purgieren auch das haubt domit gezwagen·

(Item die wirdigen meister sprechen·das squinantum nit genüczet sol werden allein·sunder mit zůsacz als in dem confecte·oder auch mit andern wurczeln·oder specereýen·die do auþs der massen gar wol dienet zů der kranckeÿt darzů man es dann bτauchen wil·und heysset darumbe kameln heüwe·wann in dem landen do es wåchþet do essen es die kåmelthier geleÿch als die pfårde das heüwe essen in teütschen landen·(Item squinantum ist purgieren und auch reÿnigen ein kalte feüchtigkeÿt genant flegma mit polipodio engelsŭþs genant und mit coloquintida vermenget·

(1) Kamelenhooi.

Dat 369ste kapittel.

Squinantum Latijn. Grieks squinuna. Arabisch adcher. (Cymbopogon schoenanthus)

In het boek Pandecta in het 17de kapittel dat zich aanheft adecher, id est squinantum, beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid is heet en droog aan de eerste graad. Deze vindt men in het land Afrika en in Apulië en duurt negen jaar. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel adech spreekt dat dit kruid heeft erg subtiele stengels gelijk spica nardi en groeit ook erg graag in de eilanden en op de weiden en in de landen daar dit groeit vindt men het [404] overal staan gelijk het gras in Duitse landen. Dit kruid heeft boven dikke bosjes en een goede reuk, zijn wortel is erg diep in het aardrijk, de bloemen, bladeren en wortel nuttigt men in de artsenij. Dioscorides spreekt dat deze bloemen zijn erg goed genuttigd voor de (6) steen en maken (5) goed plassen en beneemt de gezwellen en is goed genuttigd die er bloed spuwen en dient erg goed de lenden. Squinantum nuttigt men in vele confecties tot de opgeschreven ziektes. De wortel van dit kruid gemengd met peper, van elk op een half van 1,67gram, (4) is erg goed hydropisis en ook die gekneusde leden aan zich hebben. Item, de olie gemaakt van squinantum dient ook erg goed de (7) ruige en de schurftige huid daarmee gesmeerd. Galenus spreekt dat dit kruid erg goed is de maag en ook de vloeiende buik, genuttigd met honing water. Item, (3) Avicenna spreekt dat dit kruid zijn bloemen zijn erg stoppend en daarom dient het goed tot de vloeden van bloed.

Deze bloem purgeert ook dat hoofd, daarmee gedweild.

Item, de eerwaardige meesters spreken dat squinantum niet genuttigd zal worden alleen, vooral met toevoeging zoals in de confectie of ook met andere wortels of specerijen dat uitermate erg goed dient tot de ziekte daartoe men het dan gebruiken wil en heet daarom kamelenhooi want in het land daar het groeit daar eten het de kamelen gelijk zoals de paarden dat hooi eten in Duitse landen. (2) Item, squinantum is purgeren en ook reinigen een koude vochtigheid genaamd flegma met Polypodium, engelzoet genaamd, en met kolokwint vermengt.

(1) Dodonaeus; ‘Welriekende bies, meest kemels-hoy, kemels-stroo of kemels-voeder genoemd en gewoonlijk Schoenanthum in het Latijn, in het Hoogduits Candisch heuw.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het heeft voornamelijk de kracht om slijm te purgeren, maar dat niet alleen maar met medicijnen die slijm purgeren zoals boomvaren of schijtkruid. Dit kruid is stoppend en daarom is het goed tegen het (3) bloeden van darmen of van nieren.

(4) Tegen waterzucht die uit koude zaken komt drink wijn je waar kameelhooi en boomvaren in gekookt is.

Zie kapittel 140 over diagridium. (2) Bereide scammonia heette diagridium.

also genant ccclxx ca

Scammonea latine·grece Diagridium·arabice scamonea.

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel [405] scamonea beschreibet uns und spricht das diþ seÿ ein baume und habe gar vil este unnd dÿe geen alle auþ einer wurczel·und auff dem esten ist klepfericht materie also das die anhanget geleich dem leyme·und diþs hatt eckicht bletter die geleichen der gundelrebe·allein das die von dez scamonea weicher sind·(Die bletter haben dτeÿ ecken und hatt weiþ blůmen die sind rotunde und hole geleich eÿner pfeiffen und haben ein starken gerauch·Diser bauz hat ein wurczel eins daumen dick unnd die ist weiþ und hatt einen starcken gerauch und die ist jnwendig vol milch·und die milch samelt man also·man beschneidett die rinden über der wurczel·und wundet die mit scharpffen waffen und umb die wurczel macht man grůben und lassen die milche in lôffel lauffen und giesenn die in ein geschirre·Ettlich graben um die wurczeln und streüwen der bletter in die grûbe das die milch darein tropff·und lassen dan die feüchtung trucken werden und diþ heisset man scamonea·Und diþs ist der beste scamonea der lauter unnd linde ist und klepffericht geleich als das man den ochsen heüteen schabett·Auch geleichet dises einem schwamme und dises bτinget man auþ asia·darjnne liget ein landt das heisset musÿe in dem wechþsett auch gar vil·(Item scamonea wirt gar dick gefelschet mit spτingckraut milch unnd diþ ist gar balde tôdten den menschen d disses nüczet·(Item etliche nemen milch von spτingkrautte und müschen darunder gersten mele und machen das geleich dem scamonea·Diseer also gemachtt·ist nitt gůt und sol auch nit genüczet werden in der erczneÿe·

(Item die wirdigen meister sprechen das dÿser Scamonea nit gůt sey der da kommet auþ dem landen Senis und palestinna·wan der ausser den landen kommet der ist gemüschet mit der milche titimalli und auch mit gersten mel.

(Item der meister Galienus spτichet und des geleichen·Paulus das scamonea seÿ heiþe und auch trucken an dem dτittenn grade·(Item hie ist zů wissen·das scamonea voτhin bereit soll werden ee dan man den nüczett in der erczneÿ·wann scamonea an jr selbs ist kein nücz unnd ist auch soτgklichen zů bτauchenn·wan sÿe bτinget dem magen schaden und auch deþ geleichen der lebern und benÿmmet den luste zů essen und bringet auch dem menschen angst und not in dem leibe und darumb soll er voτhin rectificieret werden als hernach geschrÿben steet·

(Item die meÿster spτechen auche das dem scamonea sein boþheit beleibet dreissig oder·xl·jare aber die bereit und auch rectificieret wirt zů der erczneÿ die verleüset jr krafft auch gar balde und darumb wan man die nüczen wil [406] in der erczneÿ so sol die voτhine rectificiert werden und nÿmmer gebτaucht werden an jrer selbest·anders sie bτinget grossen schaden dem leibe als obgeschrÿben steett·und damit kalt schweiþ schwindel und als grossen flusse des leÿbes biþ das der mensch von onmacht stirbet·Und darumb reficiere den voτhin also·nÿmme ein kutten apffel und schneÿde den buczen oben abe und mach darein ein grůbe und thů scamonea dareine und lege abgeschnitten deckel widerumb auff den apffel unnd mache darumb einen teygen und lege den in ein bachoffen der nit zů heiþ seye und laþ die darjnne ligen einen halben tag so bereitet siche scamonea in den kütten und jm wirt sein boþheit genommen also das sie darnach keinen schadeu bτingen mag als dan oben verzeichet steet·Item die meister spechen das voτ zeitten scamonea·seÿ sigillieret woτden in den landen da her er dan bτacht wirt aber in disen zeiten beleibet es nahe·Ob aber diþ die ursach seÿe das man den selbigen zů dÿsenn zeÿten also wol getrawe dz wirte hie nahe gelassen·Item diþ ist der beste scamonea der do hat dise fünff nachgezeichneten eÿgenschafft an jm·(Die erste ist das er ein farb habe die klar seÿ·(Die ander eygentschafft ist dz der sol pτobieret werden mit der speicheln in dem munde·ist es sach das der wirt als milche so ist der gůt·ist des nit so ist er gefelschet·(Die dτitte ist das der leichtliche zerbτech und sich bald laþe bulverifieren·(Die vierd ist das der leicht seÿ am gewichtt·

(Die fünfft ist das die einen gůtten gerauch hab·Und der scamonea der dise eÿgentschafft an jm nit hatt der sol nitt·(Disen mage man behalten zwenczig jar unverseret an seiner tugent·

(Der meister paulus spτicht dz scamonea treibe auþ coleram und zeühet die an sich auþ den anderen·und sein würckung ist starcke und auch gar scharpffe·

(Item scamonea ist den herczen wider und benÿmmet jme auch sein kraftt und wôlicher heisser und truckneer natur ist dez bτinget er gern febτes·

(Auch spτechen die meister das die selbigen die scamomeaz bτanchen sich hŭten sôllen voτ gar heissem wetter unnd auch voτ garr grosser kelte·(Item scamonea genüczet mit kütten latwergen laxieret senfftigklichen und reÿniget auch damit die bôsen feüchtigkeÿt·(Item scamonea sol nÿmmer genüczet werden fŭr sie selbs sunder alle zeÿt mit zůsacz genant mastix so bτinget er auch dester mÿnder dem leibe schaden·

(Item lese auch in dem bůch genant pandecta in dem capitel das sich anhebet scamonea do findest dn die tugent und auch die untugent von der scamonea·

(Item scamonea vermengett mit eþsig vudnnt rosenôle und [407] domit das haubt geschmieret benÿmmet groþ haubtweethumb. (Item·scamonea mit eþsig vermenget und domit geschmierett den verwunndeten grÿndt ist jn bald trücknen·

Alzo genaamd, 370ste kapittel.

(1) Scammonea Latijn. Grieks Diagridium. Arabisch scamonea. (Convolvulus scammonia)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel [405] scammonia beschrijft ons en spreekt dat dit is een boom en heeft erg veel takken en die gaan alle uit een wortel en op de takken is kleverige materie alzo dat die aanhangt gelijk de lijm en dit heeft hoekige bladeren die gelijken op de hondsdraf, alleen dat die van de scammonia weker zijn. De bladeren hebben drie hoeken en heeft witte bloemen die zijn rond en hol gelijk een pijp en hebben een sterke reuk. Deze boom heeft een wortel een duim dik en die is wit en heeft een sterke reuk en die is inwendig vol melk en dat melk verzamelt men alzo; men besnijdt de bast boven de wortel en verwondt die met een scherp wapen en om de wortel maakt men groeven en laat de melk in lepels lopen en gieten die in een vat. Ettelijke graven om de wortels en strooien de bladeren in de groeven zodat de melk daarin druppelt en laten dan die vochtigheid droog worden en dit noemt men scammonia. En dit is de beste scammonia die zuiver en taai is en kleverig gelijk zoals dat men de ossenhuid schaaft. Ook lijkt dit op een zwam en dit brengt men uit Azië, daarin ligt een land dat heet Musie waarin ook erg veel groeit. Item, scammonia wordt erg vaak vervalst met springkruidmelk en dit is erg gauw doden de mens die het nuttigt. Item, ettelijke nemen melk van springkruid en mengen daaronder gerstemeel en maken dat gelijk de scammonia. Deze alzo gemaakt is niet goed en zal ook niet genuttigd worden in de artsenij.·

Item, de eerwaardige meesters spreken dat deze scammonia niet goed is die er komt uit het land Senis en Palestina want dat uit die landen komt dat is gemengd met de melk titimalli en ook met gerstemeel.

Item, de meester Galenus spreekt en desgelijks Paulus dat scammonia is heet en ook droog aan de derde graad. Item, hier is te weten dat scammonia daarvoor bereid zal worden eer dat men dat nuttigt in de artsenij want scammonia aan zichzelf is geen nut en is ook zorgelijk te gebruiken want ze brengt de maag schade en ook desgelijks de lever en beneemt de lust te eten en brengt ook de mensen angst en nood in het lijf en daarom zal het daarvoor verbeterd worden zoals hierna geschreven staat.

Item, de meesters spreken ook dat de scammonia zijn boosheid blijft dertig of 40 jaar, maar die (2) bereid en ook verbeterd wordt tot de artsenij die verliest zijn kracht ook erg gauw en daarom als men die nuttigen wil [406] in de artsenij zo zal die daarvoor verbeterd worden en nimmer gebruikt worden aan zichzelf, anders ze brengt grote schade het lijf als opgeschreven staat en daarmee koud zweet, duizeligheid en alzo grote vloed van het lijf totdat de mens van onmacht sterft. En daarom (2) verbeter het daarvoor alzo; neem een kweeappel en snij die buik boven af en maak daarin een groef en doe scammonia daarin en leg de afgesneden deksel er wederom op de appel en maak daarom een deeg en leg dat in een bakoven die niet te heet is en laat die daarin liggen een halve dag, zo bereidt zich scammonia in de kwee en hem wordt zijn boosheid ontnomen alzo dat ze daarna geen schade brengen mag zoals dan boven getekend staat. Item, de meesters spreken dat vroeger scammonia is verzegeld geworden in de landen daar het vandaan gebracht wordt, maar in deze tijden blijft dat na. Of dit de oorzaak is dat men diezelfde in deze tijden alzo goed vertrouwt dat wordt hier na gelaten. Item, dit is de beste scammonia die er heeft deze vijf na getekende eigenschappen aan zich. De eerste is dat het een verf heeft die helder is. De andere eigenschap is dat er zal geprobeerd worden met speeksel in de mond, is het zo dat het wordt als melk dan is dat goed, is dat niet zo is het vervalst. De derde is dat het gemakkelijk breekt en zich gauw laat verpoederen. De vierde is dat het licht is aan gewicht.

De vijfde is dat die een goede reuk heeft. En de scammonia die deze eigenschappen aan zich niet heeft die zullen niets. Deze mag men behouden twintig jaar onveranderd aan zijn deugd.

De meester Paulus spreekt dat scammonia drijft uit gal en trekt die aan zich uit de andere en zijn werking is sterk en ook erg scherp.

Item, scammonia staat het hart tegen en beneemt hem ook zijn kracht en wie er van hete en droge natuur is die brengt het graag koortsen.

Ook spreken de meesters dat diezelfden die scammonia gebruiken zich hoeden zullen van erg heet weer en ook voor erg grote koudheid. Item, scammonia genuttigd met marmelade laxeert zachtjes en reinigt ook daarmee de kwade vochtigheid. (3) Item, scammonia zal nimmer genuttigd werden voor zichzelf, uitgezonderd alle tijd met toevoeging genaamd mastiek en zo brengt het ook des te minder het lijf schade.

Item, lees ook in het boek genaamd Pandecta in het kapittel dat zich aanheft scammonia, daar vind u de deugd en ook de ondeugd van de scammonia.

Item, scammonia vermengt met azijn en met rozenolie en [407] daarmee dat hoofd gesmeerd beneemt grote hoofdpijn. Item, scammonia met azijn vermengt en daarmee gesmeerd de verwonde schurft is hem gauw drogen.

(1) Dodonaeus; ‘De Grieken noemen dit gewas Scammonia, de Latijnse schrijvers meestal Scammonium, welke naam ze nochtans niet alleen het kruid zelf, maar ook het sap er van wat gedroogd en dik geworden is plegen te geven. Het sap van de wortel dat noch ruw en onbereid is wordt in de apotheken Scammonea genoemd en als het in een (2) kweeappel gekookt is en verbeterd dan noemt men het daar Diagredium of Diagridium.

Herbarius in Dyetsche; (3) Als je scammonia geeft moet je daar altijd wat van een gom die mastiek genoemd wordt bij mengen om de openingen van de aderen te sluiten.

(1) Knekelas, beenas of wit spodium, zijn meestal de verbrande beenderen van dieren of van wit verbrand ivoor of geprepareerde hertenhoorn.

Gebτant helffenbayn

Das ccclxxi Capit

Spodium latine et grece·arabice Abaisir·

Die meister spτechen gemeÿnigklichen·das spodium seÿ gebτennt baÿn von einem elephanten thier·(Hie ist zů wercken dz ein elephant hatt baÿn die seind fast teycht·und die selben baÿne werden nit gebτennet·sunder die baÿn die im jn marck haben·und die heÿssen spodium so sÿ gebτennet sind·Dÿse werden gar dÿck gefelschet als mit hundts baÿn oder auþ mårmelstein gebτenntt·(Dises ist das beste bulfer von den baÿnen das do leÿcht ist und teÿcht und vermüschet mit schwarczem bulfer·(Dises bulfer genüczet mit wegrich saffte ist fast gůt den die do mit not neczen. (Item dises bulfer ist auch gůt für alle über flüssige flüsse vonn blůtten·als der nasen menstrua oder blůtenden wunden wie die sein mügen benÿmmet spodium des genüczet mit wegrich safft·(Platearius Plinius und Cassius felix spτechen·das spodium gût seÿ für alle zerbτochne gelÿder in dem leybe·und sunderlich für den bτuch über dem gemåcht wie die wåren das heÿlet dises gångklichen·darauþ gemachet pflaster und darauff gelegt·des geleÿchen dises ein getrunncken mit wegrÿchsafft·(Item helffenbaÿn gebulfert und das vermenget mit wegbτeÿte·safft·ist gůt wider den blůtgange unden auþ und oben auþ in die nasþlôcher gethon·(·B·j·) [408]

(1) Gebrande olifantenbeen, knekelas.

Dat 371ste kapittel.

Spodium Latijn en Grieks. Arabisch Abaisir.

De meesters spreken gewoonlijk dat spodium is gebrande been van een olifant dier. Hier is op te merken dat een olifant heeft benen die zijn erg dicht en diezelfde benen worden niet gebrand, uitgezonderd die benen die in zich merg hebben en die noemen ze spodium zo het gebrand is. Deze worden erg vaak vervalst zoals met hondenbeen of uit marmersteen gebrand. Dit is dat beste poeder van de benen dat er licht is en dicht en vermengt met zwart poeder. Dit poeder genuttigd met weegbreesap is erg goed die er met nood plassen. (2) Item, dit poeder is ook goed voor alle overvloedige vloeden van bloeden zoals de neus. menstruatie of bloedende wonden, waar die zijn mogen, beneemt spodium, dat genuttigd met weegbreesap. Platearius, Plinius en Cassius Felix spreken dat spodium goed is voor alle gebroken leden in het lijf en vooral voor de breuk over het geslacht, waar die is, dat heelt deze geheel, daaruit gemaakt pleister en daarop gelegd, desgelijks op deze ingedronken met weegbreesap. Item, olifantsbeen gepoederd en dat vermengt met weegbreesap is goed tegen de bloedgang onder uit en boven uit, in die neusgaten gedaan. [408]

(1) Knekelas, beenas of wit spodium, zijn meestal de verbrande beenderen van dieren of van wit verbrand ivoor of geprepareerde hertenhoorn.

Herbarius in Dyetsche; (2) Spodium is goed tegen het rode bloedgang (dat is rode bloedgang) en tegen het bloed spuwen. 

Dodonaeus; (1) Deze gom heet in het Grieks Sagapenon, in het Latijn Sagapenum

Ein gummi also genant

Ccclxxii Cap

Serapinum grece et latine·arabice Sachabengi·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel sachabengi·idest Serapinum beschτeibett uns unnd spτicht·das dises seÿ ein gummi eines baumes·und geleÿchet dem gummi galbano mitt seiner gestalt·und dises ist das beste das do klar ist·und das do auþwenig rot ist und jnnwenig weiþ·sein gerauch ist fast starck beÿ nahe dem asa fetida·(Plinius in seinem capitel Serapinum·spτicht·das dises seÿ heÿþ unnd trucken an dem dτitten grad·und wenn man dises zerlåþt in rauttensafft·und den genüczet bτicht den stein der lange zeÿt in d blasen gelegen ist·und machet wol hårmen·(Serapinum dienett fast wol den flüssigen augen und die tunckel sind·und sunderlich zů den feelen der augen·zů disen mache diþs also. Nÿmm serapinum ein quintin und zerlasse das in dem safft celidonie auf zweÿ lot und müsche darund zucker zwey lot·und frauen milch dτeü quintin·und lege dises über die augen mit einem colloτio·es hilffet on zweÿffel·(Diascoτides spτichet·daz serapinum gůt seÿ dem alten hůsten·unnd raumet die bτust unnd benymmet die groben feüchtung auþ der blasen·und ist sunderlichen gůt epilenticis spasmaticis·dises gummi getruncken mit wein·(Dises gummi gemüschet mit rosen ôle·unnd domitt die lamen gelÿder geschmierett·hilfft fast wol·(Serapinum ist gůt wider weethumb d milcz·und ist gût wider das gegicht davon ein salbe gemachet mit leinôle auff die weethumb des milcz und der gichtigen gelÿder geschmieret·(Dises ist auch gůt wider gebÿþs der vergifftigen thiere·den bÿþs domit geschmieret·(Item serapinum gerochen ist gůt wider auffstossung der můter·genant suffocatio matricis· [409]

Een gom alzo genaamd.

372ste kapittel.

(1) Serapinum Grieks en Latijn. Arabisch Sachabengi. (Ferula persica of Ferula szoritsiana)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sachabengi, id est Serapinum, beschrijft ons en spreekt dat dit is een gom van een boom en lijkt op de gom galbanum met zijn gestalte en dit is de beste dat je helder is en dat er aan de buitenkant rood is en inwendig wit, zijn reuk is erg sterk, bijna de asa foetida. Plinius in zijn kapittel serapinum spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad en als men dit oplost in ruitensap en dan nuttigt breekt het de steen die lange tijd in de blaas gelegen is en maakt goed plassen. (2) Serapinum dient erg goed de vloeiende ogen en die donker zijn en vooral tot het vel der ogen, tot deze maak dit alzo: Neem serapinum, 1,67 gram, en los dat op in het sap van stinkende gouwe, twee maal 16, 7 gram, en meng daaronder suiker, twee maal 16, 7 gram, en vrouwenmelk, drie maal 1,67 gram, en leg dit over de ogen met een oogzalf, het helpt zonder twijfel. (3) Dioscorides spreekt dat serapinum goed is de oude hoest en ruimt de borst en beneemt de grove vochtigheid uit de blaas en is uitzonderlijk goed (4) epileptici spasmatici, deze gom gedronken met wijn. Deze gom gemengd met rozenolie en daarmee de (5) lamme leden gesmeerd helpt erg goed. Serapinum is goed tegen pijn van de (6) milt en is goed tegen de jicht, daarvan een zalf gemaakt met lijnolie en op de pijn van de milt en de jichtige leden gesmeerd. Dit is ook goed tegen (7) beten van de vergiftige dieren, de beet daarmee gesmeerd.(8) Item, serapinum geroken is goed tegen uitstoting van de baarmoeder, genaamd suffocatio matricis. [409]

Dodonaeus; (1) Deze gom heet in het Grieks Sagapenon, in het Latijn Sagapenum. 

Sagapenium een vierendeel lood zwaar ingenomen maakt de buik week en jaagt door de kamergang de taaie slijmachtige vochtigheden en alle rauwe onverteerde fluimen af en ook de gal of dat gele water en is daardoor zeer goed tegen alle koude oude weerspannige ziekten en zuivert de hersens en is zeer goed tegen alle pijn en weedom van het hoofd en tegen de (4) m. s. en vallende ziekte. Deze gom op dezelfde manier is ook zeer goed tegen alle (5) kramp, lamheid, spanning, trekking en weedom van de zenuwen gebruikt.(3) Item tegen de kortheid van adem, langdurende verouderde koude hoest, pijnen en weedom van de zijden en borsten is Sagapenum ook zeer goed want het zuivert de borst van alle taaie koude fluimen. Sagapenum geneest ook de hardheid, verstopping en winden van de(6) milt en niet alleen van binnen ingenomen, maar ook van buiten er op gelegd en gestreken. Sagapenum met honingwater gedronken verwekt de maandstonden en jaagt de dode vruchten af en met wijn ingenomen is het zeer goed tegen alle (7) beten en steken van alle slangen en venijnige gedierten. Deze gom geroken of de rook daarvan ontvangen is zeer goed tegen (8) dat omdraaien en opstijgen van de baarmoeder. Sagapenum in azijn geweekt verteert, verdrijft en laat scheiden alle harde koude oude gezwellen en klieren en alle hardheid omtrent de leden en gewrichten en is zeer goed vermengd in alle zalven en pleisters die vermurwen. (2) Sagapenum maakt ook het gezicht helder en neemt alle beginnende schellen, liktekens en vlekken van de ogen.

(1) Dodonaeus; ‘Deze soort van ui wordt in Brabant zee-aiuyn of ui van over zee genoemd, in Hoogduitsland Meerzwibel. In het Grieks heet het Scilla, maar in de apotheken Squilla.

erczwobel ccclxxiii C

Squilla vel cepe muris latine·grece Salla·arabice Haurifel·vel haulachach·

(Die meister spτechen dz dises seÿ ein kraut und hat bleter geleÿch den blawen lÿlgen·und an der wurczeln ist ein groþ zwÿbel und darauþ machet man eþsig·unnd denn nennet man acetum squilliticum·(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel haurifel beschτeibet uns unnd spτicht·das dises krautes tugent sey heýþs machen stercklichen·und wenn dises zwobel in der erczneye genüczet sol werden so sol man dÿ voτhÿn bτaten oder sieden·unnd darnach bτauchen in der ercznei wann sÿ ist gar stercklich würcken in dem menschen der sÿ bτauchet unbereÿtet oder on zůsacz·Und darumb heÿssen etlich meister die squilla muris·quia interficit mures·(Diascoτides spτichet·das erczzwÿbeln zů vil sachen gůt seÿen wenn die bereÿtt werden als du ÿecz gehôτt hast·und spτicht·wenn man die baten wil so muþ man einen teÿg machen und den darumb kleÿben oder leÿmen·und die also in einen bachofen legenn·oder do in heÿþs åschen trechen·so bτatten sÿ recht·und můþ auch wol gebτaten werden und durch auþs und wo daz nit geschåhe so wåre sÿ mit soτgen zů nüczen·

(Item der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel squilla beschτeÿbet uns und spτicht·das die sey heÿþ und trucken an dem andern grad·(Dise zwobel hat in jr ôle daz ist schwarcz·dises ôle mit hônige gemüschet und auff die kalen haut gestrÿchen·machet har wachsen. (Item acetum squilliticum ist gůt genüczet dem keÿchenden und der einen alten hůsten håte·

(Johannes mesue spτicht·das squille gůt sind dem haubte·die genüczet mit specereÿen und doch also·das sÿ voτhÿu bereÿtt werden wie voτsteet·(Item Platearius spτicht·das dises ôle auch gar gůt seÿe die lamen gelÿder domit geschmieret·(Item d eþsig davon in dem mund gehalten heylet auch das bôþ fleÿsch·(B·ij·) [410] (Serapio spτicht das man dises zwobel so sÿ gebτaten ist nücze gar in vil confecten·und sunderlichen in die wol riechennden specereÿen·(Item wôlcher ein gancze ercz zwobeln henckt über die hauþ thŭre·dem hauþs mag kein vergifftig thiere schaden zů gefŭgen·(Item Squilla ist gůt genüczet ad appolexiam dz ist für den schlag·und auch sunderlichen ad epilentiam·(Diþ zwobel in wein gesoten und den getruncken·benymmet alle kranckheÿt des leÿbes jnnwenig·und sunderlich für die bôsen hÿczigen lebern dienet sÿ fast wol·(Item Squilla bereÿtet als voτ geschriben steet·und mit wôτmůt und mastix in eþsig und wasser gesoten und mit zucker sŭþ gemacht·ist gůt wider bestopffung lebern und milczes·unnd ist auch gůtt wider wassersüchtigkeit·und wider miþfarben genant ÿctericia·Und ist auch seer machen hårnen und bτinget auch den frawen jr feüchtung flüssig·unnd treÿbet auþ das todt kÿndt genant aboτfum·

(1) Zeeajuin, Zeeui, 373ste kapittel.

Squilla vel cepe muris Latijn. Grieks Salla. Arabisch Haurifel vel haulachach (Urginea maritima, vroeger Scilla maritima)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft bladeren gelijk de blauwe lelies en aan de wortels is een grote bol en daaruit maakt men azijn en dat noemt men acetum squilliticum. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel haurifel beschrijft ons en spreekt dat dit kruid zijn deugd is sterk heet te maken en als deze bol in de artsenij genuttigd zal worden dan zal man (2) die voorheen braden of koken en daarna gebruiken in de artsenij want het is erg sterk werken in de mensen die het gebruiken onbereid of zonder toevoeging. En daarom noemen ettelijke meesters die squilla muris quia interficit mures. Dioscorides spreekt dat zeeajuin tot veel zaken goed is als die bereid wordt zoals u dan net gehoord hebt en spreekt als men die braden wil zo moet men een deeg maken en dan daarom kleven of lijmen en die alzo in een bakoven leggen of zo in hete as dragen, zo braden ze goed en moeten ook goed gebraden worden en door en door en als dat niet gebeurt dan is het met zorg te nuttigen.

Item, de meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel squilla beschrijft ons en spreekt dat die is heet en droog aan de andere graad. Deze bol heeft in hem olie dat is zwart en deze olie met honing gemengd en op de kale huid gestreken maakt haar groeien. Item, acetum squilliticum is goed genuttigd de (3) kuchende en die een oude hoest heeft.

Johannes Mesue spreekt dat squille goed zijn het hoofd, die genuttigd met specerijen en toch alzo dat ze voorheen bereid worden zoals voor staat. Item, Platearius spreekt dat deze olie ook erg goed is de lamme leden daarmee gesmeerd. Item, de azijn daarvan in de mond gehouden heelt ook dat kwade vlees. [410] Serapio spreekt dat men deze ui zo ze gebraden is nuttigt erg in veel confecties en vooral in die goed ruikende specerijen. Item, wie een ganse zeeui hangt over de huisdeur, dat huis mag geen vergiftig dier schaden toevoegen. Item, Squilla is goed genuttigd ad beroerte, dat is voor de slag, en ook uitzonderlijk tegen epilepsie. (4) Deze ui in wijn gekookt en dan gedronken beneemt alle ziektes van het lijf inwendig en vooral voor die kwade hete lever dient ze erg goed. Item, Squilla bereidt als voor geschreven staat en met alsem en mastiek in azijn en water gekookt en met suiker zoet gemaakt is goed tegen verstopping van lever en milt en is ook goed tegen waterzucht en tegen miskleur genaamd hydropsisis. En is ook zeer maken urine en brengt ook de vrouwen hun vochtigheid vloed en drijft uit dat dode kind genaamd abortus.

(1) Dodonaeus; ‘Deze soort van ui wordt in Brabant zee-aiuyn of ui van over zee genoemd, in Hoogduitsland Meerzwibel. In het Grieks heet het Scilla, maar in de apotheken Squilla.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Zeeui wordt gerechtvaardigd van kwaadheid als je het breekt en met azijn klaar maakt zodat het de grove aanhangende en diep ingedrongen materie gemakkelijk kan uit drijven.

(3) Gekookte zeeui die met azijn klaar gemaakt is en te drinken gegeven versterkt tracheam arteriam (dat is de weg in de keel die naar de borst of de longen gaat) en verheldert de stem.

(4) Gewoonlijk is het tegen alle ziekten van het lichaam goed en vooral tegen zweren van binnen.

(2) Dodonaeus; ‘Sandelhout is drievormig, rood, wit en bleekgeel


sandelholcz ccclxxiiii

Sandalum grece et latine·arabice sandal·

(Dises ist ein holcz also geheissen·Unnd die wirdigen meister spτechen gemeÿnigklich·das dises bτacht werde auþ dem lande sÿria genant·Und ist dτeyerhende·Eins weýþ·der ander rott·d dτitt zÿtrin farbe·unnd der beþte ist der citrin farbe an jm hat·darnach der rott·darnach der weÿþ. (Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Sandalum beschτeibet unns unnd spτichet·das do der cÿtrine unnd auch der rott sind kalt an dem dτitten grade·unnd trucken an dem anderen·Die weÿþs ist kalt und trucken an dem andern [411] grad·Der cÿctrin farbe hat benymmet die flüsþ die sich fast ziehen in die gelider und sterckt auch dem magen·(Der meister ÿsaac spτicht·das sandel gestossen und gemüschet mit rosenwasser und aussen an geschmieret an das hercz benymmet die hÿcze·(Item darunder gemüschet ein wenig kampffer und domit die schlåffe geschmieret·benymmet das haubtwee das sich erhebt von hÿcze·(Der rot sandel gemüscht mit nachtschaten safft·und das bodogram das ist fŭþweetumm domit geschmieret hilffet fast wol·

(Sandel genüczet benymmet dz siedend geblŭt beÿ dem herczen·das do kommet von zoτn·(Sandalum citrinum ist zů allen dinngen der beþte und mer wolriechenden. (Sandel genüczt mit zucker benymmet den durst·und bestopffet alle flüsse die überschwencklichen sind dem geblŭte·(Sandel gebulfert und gesotten in wasser·und dann darunder gemüschett zucker und den sÿropel genüczt benymmet bôse hÿcze·und macht auch gar gůt natürlich geblŭte. (Der meister avicenna in dem bůch genant de viribus coτdis·spτicht·daz der sandel auch krefftiget das hercz·und machet gůt geblŭt·(Item sandel gebulfert·und vermüschet in endivien wasser·unnd die lebern domit geschmieret ist auch gůt wider die hÿcze der lebern·unnd ist auch die lebern stercken·(Item rot sandel gebulfert und mit kampffer in rosenwasser vermenget·und den schlaff domit geschmieret ist auch gůt wider weethumb des haubtes·

(1) Sandelhout, 374ste kapittel.

Sandalum Grieks en Latijn. Arabisch sandal. (Santalum album)

Dit is een hout alzo geheten. En de eerwaardige meesters spreken gewoonlijk dat deze gebracht wordt uit het land Syrië genaamd. (2) En is drievormig. Een witte, de andere rood en de derde citroenkleurig en de beste is die citroenkleurige verf aan zich heeft, daarna de rode en daarna de witte. De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Sandalum beschrijft ons en spreekt dat de citroen en ook de rode zijn koud aan de derde graad en droog aan de andere. De witte is koud en droog aan de andere [411] graad. Die citroenkleurige verf heeft beneemt de vloed die zich trekken in de leden en versterkt ook de maag. De meester Isaac spreekt dat sandelhout gestoten en gemengd met rozenwater en buiten aan gesmeerd aan dat hart beneemt de hitte. Item, daaronder gemengd een weinig kamfer en daarmee de slaap gesmeerd beneemt de hoofdpijn dat zich verheft van hitte. (5) De rode sandelhout gemengd met nachtschade sap en de podagra, dat is voetenpijn, daarmee gesmeerd helpt erg goed.

Sandelhout genuttigd beneemt dat kokend bloed bij het hart dat je komt van toorn. Sandalum citrinum is tot alle dingen de beste en meer welriekend. Sandelhout genuttigd met suiker beneemt de dorst en verstopt alle vloeden die omdraaien het bloed. Sandelhout gepoederd en gekookt in water en dan daaronder gemengd suiker en de siroop genuttigd beneemt kwade hitte en maakt ook erg goed natuurlijk bloed. De meester Avicenna in het boek genaamd de viribus cordis spreekt dat de sandelhout ook versterkt dat hart en maakt goed bloed. Item sandelhout gepoederd en vermengt in andijviewater en de (3) lever daarmee gesmeerd is ook goed tegen de hitte van de lever en is ook de lever versterkend.(4) Item, rood sandelhout gepoederd en met kamfer in rozenwater vermengt en de slaap daarmee gesmeerd is ook goed tegen pijn van het hoofd.

(2) Dodonaeus; ‘Sandelhout is drievormig, rood, wit en bleekgeel.

Lignum santolinum rubrum, of rood sandaalhout, wordt van Pterocarpus santalinus verkregen.

De gele of citroenkleurige komt ook van Santalum album en van Santalum freycinetianum.

(1) Dodonaeus; ´Deze drie soorten van hout heten in in Arabië sandal, in het Grieks Santalon, in het Latijn Santalum.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (3) Als je ook zo de lever bestrijkt die door de koorts verwarmd is, is het goed.

(4) Als je poeder van rode sandalen met wat kamfer en rozenwater mengt en dit op de slapen van het hoofd strijkt helpt het tegen hoofdpijn die uit koude zaken komt.

(5) Het poeder van rode sandalen dat met nachtschadenwater of posteleinwater of met donderbaardwater gemengd is goed tegen jicht die uit hete zaken komt’.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid is overal en zowel in de apotheken als elders met de naam Sena bekend

also genant ccclxxv c

Sene arabice·grece·et latine·

(In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen auch·das dises seý ein kraut und wechþt in babylonien·und in arabien·und in lombardien·Das ist heyþ und auch gar trucken an dem andern grad·(Item seneth sol für sich selbst nicht genüczet werden über ein quintin·aber mit einem zůsacz als mit wenig ÿngwer mag man des wol nemen·ein lot·(Die meister spτechend gemeynigklichen·das senet fast (·B·iij·) [412] gůt seÿ domit zů benemen die melancoleÿ·unnd für die fallende sucht genant epilentia·und auch sunderlichen für quartanam·

(Galienus spτichet·das seneth genüczet mit hŭner bτŭ ein halb lot laxiert senfftigklich·(Senet gesoten mit kåþ wasser und darunder gemüschet spica und das getruncken nŭchter oder des abendes so einer schlaffen wil geen·machet gůt senfft stůlgång·

(Item senet treÿbet leÿchtlichen auþ die verbτennten coleram·und reyniget das hÿrn und kreffttiget das hercze und die leber·und sunderlichen benymmet seneth die stÿche des milczen·(Senet reÿniget die gelÿder des leÿbes·und sunderlichen die lungen·(Platearius·Wôlcher sich besoτgete voτ der ausseczigkeit od an dem leÿb håte gar einem herten grindt der nücze senet mit dem safft fumus terτe in der wochen dτeÿ od vier mal·(Der meister Johannes mesue spτicht·das die bletter von senet genüczet sollen werde mit den stengeln·(Item·senet bτinget auch frrüde und benÿmmet das bôþ traurig geblŭte von dem herczen·(Item·senet stercket das gesicht und gehôτde·unnd benÿmmet auch die bôsen alten febτes·(Item wein darein gesoten ist senet mit wenig ÿngwer vermennget·ist gůt wider bestopffung leber und milczes·und ist auch gůt wider onmåchtigkeit des herczen.

(Item ein sÿrop gemachet von senet und von hÿrþzungen mit poτriþ vermenget in wasser gesoten·und mit zucker sŭþ gemachet ist auch gůt wider die obgeschτibnen kranckeÿt·

(1) Senna, 375ste kapittel.

Sene Arabisch·Grieks en Latijn. (Senna alexandrina en Senna italica)

In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken ook dat dit is een kruid en groeit in Babylonië en in Arabië en in Lombardije. Dat is heet en ook erg droog aan de andere graad. Item, senna zal van zichzelf niet genuttigd worden over een 1,67 gram, maar met een toevoeging zoals met weinig gember mag men dat goed nemen een 16, 7 gram. De meesters spreken algemeen dat senna erg [412] goed is daarmee te benemen de (2) melancholie en voor de vallende ziekte genaamd (3) epilepsie en ook vooral voor de (4) vierdaagse malariakoorts.

(Galenus spreekt dat senna genuttigd met hoenderbouillon, een half van 16,7 gram, laxeert zachtjes. Senna gekookte met kaaswater en daaronder gemengd spica en dat gedronken ’s ochtend of ‘s avonds zo iemand slapen wil gaan maakt goede zachte stoelgang.

Item, senna drijft lichtjes uit de verbrande gal en reinigt de hersens en versterkt het hart en de lever en vooral beneemt senna de steken van de milt. Senna reinigt de leden van het lijf en vooral de longen. Platearius. Wie zich bezorgt voor de huiduitslag of aan het lijf heeft erg een harde schurft die nuttigt senna met het sap van aardrook in de week drie of vier maal. De meester Johannes Mesue spreekt dat de bladeren van senna genuttigd zullen worden met de stengels. Item, senna brengt ook vreugde en beneemt dat kwade treurige bloed van het hart. Item, senna versterkt dat gezicht en gehoor en beneemt ook de kwade oude koorts. Item, wijn daarin gekookt is senna met weinig gember vermengt is goed tegen verstopping lever en milt en is ook goed tegen onmacht van het hart.

Item, een siroop gemaakt van senna en van hertstongen met bernagie vermengt in water gekookt en met suiker zoet gemaakt is ook goed tegen de opgeschreven ziekte.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid is overal en zowel in de apotheken als elders met de naam Sena bekend.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Sene bladeren zijn goed tegen ziekten die uit zwaarmoedigheid komen, (3) tegen vallende ziekte, tegen het in onmacht gaan en ook tegen verstopping van de lever en van de milt. (4) Sene is ook goed tegen vierde daagse koorts (dat is een koorts die de vierde dag komt) en tegen de loop van de aambeien.

Also genant

Das ccclxxvi Capi

Spicanardi latine et grece·arabice simbel vel solob·

(Item der meister Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel simbel idest spica beschτeibet uns und spτicht·das der seÿ zweýerhandt·Eine ist spicanardi·die ander spica celtica·Das erst wechþt in jndia auff einem berge haneam genant·und dises ist auch der beþt der do frÿsch ist und auch fett und darzů gar rot von farben·und auch wol riechenden beÿ nahe als cÿppτessen.

(Der meÿster Plinius in dem [413] capitel spicanardi spτicht·das d seÿ heÿþ an dem ersten grad·und trucken an dem andern·(Diascorides spτicht·dz spicanardi genüczet machet wol hårmen·davon getruncken stopffet den fluþ des bauchs·(Spicanardi gesotten und darauþ gemachet ein pflaster und der frauwen geleget für jr schame·benymmet menstruum und benymmet auch der matricen jr bôse feüchtung·und reyniget die·(Platearius spicanardi getruncken mit kaltem wasser benymmet onmacht des herczen und also genüczet benymmett das des herczen zÿttern·(Spicanardi geleget in laugen und das hare domit gezwagen macht har wachþen·und ist auch gar gůt also genüczet für das es nit auþfellt·(Spicanardi dienet wol zů dem erczneÿen die do dienend zů den augen·(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum beschτeibt uns und spτicht·daz spicanardi gůt seÿ dem magen und auch der lebern.

(Es ist ein ôle dz heÿsset oleum nardinum·oder oleum de spica·dises ôle reüchet fast wol unnd starck·und ist zů vil sachen gůt·und sunderlich zů den lamen gelÿdern die domit geschmieret.

(Des geleichen ist es gůt bodagrisis arteticis·das sind die dÿe do gichtig sind in den fŭssen und an andern gelydern·

Alzo genoemd.

Dat 376ste kapittel.

(1) Spica nardi Latijn en Grieks. Arabisch simbel vel solob. (Nardostachys jatamansi)

Item, de meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel simbel, id est spica, beschrijft ons en spreekt dat dit is tweevormig. Een is spica nardi en de ander spica celtica (Valeriana saliunca). De eerst groeit in India op een berg Haneam genaamd en dit is ook de beste die er vers is en ook vet en daartoe erg rood van verf en ook goed ruikend, bijna als cipres.

De meester Plinius in het [413] kapittel spica nardi spreekt dat dit is heet aan de eerste graad en droog aan de andere. (2) Dioscorides spreekt dat spica nardi genuttigd maakt goed plassen, daarvan gedronken stopt de vloed van de buik. Spica nardi gekookt en daaruit gemaakt een (3) pleister en de vrouwen gelegd voor hun schaamte beneemt menstruatie en beneemt ook de baarmoeder hun kwade vochtigheid en reinigt die. (4) Platearius, spica nardi gedronken met koud water beneemt onmacht van het hart en alzo genuttigd beneemt het dat hart sidderen.(5) Spica nardi gelegd in loog en dat haar daarmee gedweild maakt haar groeien en is ook erg goed alzo genuttigd voor dat het niet uitvalt. (6) Spica nardi dient goed tot de artsenijen die je dienen tot de ogen. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum beschrijft ons en spreekt dat spica nardi goed is de maag en ook de lever.

Er is een olie dat heet oleum nardinum of oleum de spica, deze olie ruikt erg goed en sterk en is tot veel zaken goed en vooral tot de (7) lamme leden, die daarmee gesmeerd.

Desgelijks is het goed podagra artetica, dat zijn die er jichtig zijn in de voeten en aan andere leden.

Spica celtica komt in het volgende kapittel.

Dodonaeus; ‘De hele en reine Nardus die alom in de medicijnen gebruikt wordt met naam van Nardus Indica en in Arabië sembul, simibel, sumbel, tembul en sembul Indi of zumbul Indi, dat is Spica Nardi of aar van Indien.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Als je nardus in wijn kookt en drinkt laat het plassen, het geneest het bijten van de maag en stopt het lichaam.

(3) Als je van haar een soort klysma of een pil maakt (dat is een poppetje met manen) met olie van rozen en je doet dat in de baarmoeder stopt het de stonden en verdroogt de vochtigheden die naar de mond van de baarmoeder lopen.

(4) Als je nardus met koud water drinkt dan stopt het of voorkomt het in onmacht gaan. Ook is het goed tegen hartkramp, tegen verhitting van de lever, tegen geelzucht en tegen nierziekten.

(5) Deze nardus is goed tegen het uitvallen van het haar en wenkbrauwen en vanwege haar zuurheid laat het ‘t haar groeien.

(6) Poeder van nardus dat met het poeder van thutia in rozenwater gemengd is, is goed om in de oogmedicijnen te doen.

(7) Voor de jichtige en diegene die jicht hebben is olie van nardus de beste medicijn volgens Avicenna en Serapio’.

Romschspyck

Das ccclxxvii Cap

Spica celtica latine·arabice simbel romana·grece celtica·

(Item Plinius in dem captitel spica celtica·beschτeibet uns und spτicht·das die wachþ in jllirico und in dem lande sÿrica und auch in ÿtalia·Dises hat kleine zincklein auff der erden·die sind dÿck·und dises sameln die selben leüt mit der wurczeln·und geleÿchet auch spicanardi·unnd dise werden auch in kleine büschelen gemachtet·und sind von farben weyþ·als uns auch die meister beschτeiben in dem bůch circa instans·(Auch ist ein ander spica die ist auch genant spica mon (·B·iiij·) [414] tuosa·und wechþt in cicilia·und geleÿchet den schwårteln in den bletern unnd hat keinen samen·die bleter sind spiczig und doτnig. Die wurczel sind schwarcz und geleÿchen der goldwurcz·und diser tugent ist geleÿch spica celtice. (Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel nardus celtica spricht·das dises geleÿche an de gestalt spica nardi·und auch an jr tugent·allein das die natur spicenardi seÿ mer hÿczigen·Und ist in aller jrer tugent mÿnder dan spicanardi·on allein in d tugent des harmes·wann spica celtica ist mer von natur vil hårmen zů machen dann spicanardi·

(diascoτides ist auch diser meinung·und spτicht·das spica romana idest celtica geleÿchet an jrer tugent spicanardi·allein dz spica celtica mer der mennschen machet hårmen dann spicanardi·(Auch ist dises dem magen beþser wenn sÿ gekochet wirt mitt wôτmůt und den also genüczet·

(1) Keltische Valeriaan.

Dat 377ste kapittel.

Spica celtica Latijn. Arabisch simbel romana. Grieks celtica. (Valeriana saliunca (vroeger Valeriana celtica)

Item, Plinius in het kapittel spica celtica beschrijft ons en spreekt dat dit groeit in Illiricium en in het land Syrië en ook in Italië. Dit heeft kleine afleggers op de aarde, die zijn dik en dit verzamelen diezelfde mensen met wortels en lijkt ook op spica nardi en dit wordt ook in kleine bosjes gemaakt en zijn van verf wit zoals ons ook de meesters beschrijven in het boek Circa instans. Ook is er een andere spica die is ook genaamd spica [414] montuosa en groeit in Cicilie en lijkt op de zwaardlelies in de bladeren en heeft geen zaden, de bladeren zijn spits en doornig. De wortels zijn zwart en lijken op de affodil en dezer deugd is gelijk spica celtica. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel nardus celtica spreekt dat deze gelijkt aan de gestalte spica nardi en ook aan zijn deugd, alleen dat de natuur van spica nardi is meer verhitten. En is in al zijn deugd minder dan spica nardi, uitgezonderd alleen in de deugd van de urine, want spica celtica is meer van (2) natuur veel plassen te maken dan spica nardi.

Dioscorides is ook deze mening en spreekt dat spica romana, id est celtica, lijkt aan zijn deugd spica nardi, alleen dat spica celtica meer de mensen maakt plassen dan spica nardi. Ook is dit de maag beter als ze gekookt wordt met alsem en dan alzo genuttigd.

(1) Dodonaeus; ‘Nardus celtica, Nardus Galatica of Nardus Gallica groeit op de bergen van Ligurië (dat is bij Genua) die daar saliunca genoemd wordt.

Herbarius in Dyetsche; (2) Dyaf zegt dat haar kracht is om de urineweg te openen en de zwellingen van de lever te genezen.

Ein gummi also genant

Ccclxxviii Ca

Stoτax latine·grece sugia·arabice Melachac·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel melachac idest stoτax·beschτeibt uns und spτicht·das dez seÿ dτeÿer handt·Eine ist genant liquida·die ander sicca·die dτitt calamita·Und spτicht·das stoτax sey ein grosser baum der hat bletter geleÿch den weyssen lilgen·unnd hat groþs frücht als die pτumen·unnd die frucht hat zwů rÿnden. Die ausser ýþset man und die hat an jr bitterkeit·die ÿnner rÿnden ist an dem keren·und die ist feÿþt·darauþ trucket man ôl·Die rÿnden dÿser [415] frucht ist geheyssen stoτax sicca·unnd das gummi das von dÿsem baume fleüsset ist genant stoτax calamita·(Item stoτax liquida das ist die fettung die do kommet von den mirτa·Auch spτechen etlich meister·das stoτax liquida seÿ die heffen stoτacis sicce·

(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacaůum·in dem capitel stoůax spůicht·daz diser aller tugent seÿ heÿþ machen und waých machen und zeÿtig machen·(Auch spůicht Galienus in seinem fünfften bůch genant epidimiarum·das stoτax seÿ auþ den stucken die do tôdten geleÿch dem Jusquiano·(Averrois in seinem fünfften bůch genant Colliget·in dem capitel storax spτichet·das stoτax calamita seý heÿþ in dem andern grad und trucken an dem ersten·(Galienus spτichet·das dise dτeü wÿe man die nüczet gůt sind dem flusþ des haubtes·und davon getruncken bτinget menstruum·und der rauch calamite d geleÿchet dem rauch des weÿssen weÿrachs·

Serapio spτicht·das der rauche stoτacis gůt sey den in die nasen gelassen·wann der benymmet alle flüþ des haubtes·Also genüczet und aussen an dem leÿbe domitt geschmieret·benymmet den bôþen grÿndt·(Item stoτax calamita mit laudano und mit stoτace liquida vermüschet·davon gerochen ist gůt dem fliessenden hÿren oder auff kolen geleget·den rauch gerochen ist besser·(Item wein darein vermüschet ist storax mit ÿngwer und den gegurgelt·ist gůt für den zapffen beÿ d gurgeln d vol feüchtigkeit und dÿck ist·wirt davon klein·

(1) Storax.

378ste kapittel.

Storax Latijn. Grieks sugia. Arabisch Melachac. (Styrax officinalis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel melachac, id est storax, beschrijft ons en spreekt dat dit is drievormig. (2) Een is genaamd liquida, de ander sicca en de derde calamita. En spreekt dat storax is een grote boom die heeft bladeren gelijk de witte lelies en heeft grote vruchten zoals de pruimen en die vrucht heeft twee huiden. De buitenste eet men en die heeft aan zich bitterheid, de binnenste bast is aan de kern en die is vet en daaruit drukt men olie. De bast van deze [415] vrucht is genoemd storax sicca en de gom dat van deze boom vloeit is genaamd storax calamita. Item, storax liquida dat is het vette die je komt van de mirre. Ook spreken ettelijke meesters dat storax liquida is de hessen van storacis sicce.

Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel storax spreekt dat deze aller deugd is heet maken en week maken en rijp maken. Ook spreekt Galenus in zijn vijfde boek genaamd epidimiarum dat storax is uit de stukken die je doden gelijk het bilzekruid. Averrois in zijn vijfde boek genaamd colliget in het kapittel storax spreekt dat storax calamita is heet in de andere graad en droog aan de eerste. Galenus spreekt dat deze drie als men die nuttigt goed zijn de (3) vloed van het hoofd en daarvan gedronken brengt (4) menstruatie en de rook van calamite die lijkt op de rook van de witte wierook.

(2) Serapio spreekt dat de rook van storax goed is dat in de neus gelaten want het beneemt alle vloed van het hoofd. Alzo genuttigd en buiten aan het lijf daarmee gesmeerd beneemt de (5) kwade schurft. Item, storax calamita met laudanum en met storax liquida vermengt en daarvan geroken is goed de (2) vloeiende hersens, of op kolen gelegd en de rook geroken is beter. (6) Item, wijn daarin vermengd is storax met gember en dan gorgelen is goed voor de huig dat bij het gorgelen vol vochtigheid en dik is, het wordt daarvan klein.

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘In het Grieks heet deze traan Styrax omdat het uit de boom traant.

Herbarius in Dyetsche; ‘Storax is soms nat, soms droog en alle beide zijn ze heet in de eerste graad, droog in de tweede waarvan je de (2) rode storax zal kiezen. Het is goed tegen koudheid en krachteloosheid van de hersens.

Met laudanum en storax liquida tezamen gemengd en als een soort reukappel voor de neus gebonden is het zeer (3) goed voor de hersens.

(6) Wijn waar je storax in kookt en gorgelt verdroogt de nattigheid die in de keel zit en heet vinila.

(4) Als je de rook daarvan onder in de mond van de baarmoeder ontvangt is het goed tegen het opklimmen, wat de verwurging van de baarmoeder genoemd wordt, en het is goed tegen draaiingen van de baarmoeder of het verzakken door het via de neus te ruiken.

(5) Storax liquida is zeer goed om in pleisters te doen tegen een soort ziekte van het hoofd die tinea heet (dat is een ziekte in het hoofd en is schurft van het hoofd met schellen en korsten, met uitvallen van het haar en met een asachtige kleur en ijselijke geur).

Schwebel ccclxxix ca

Sulphur latine et grece·arabice chibur vel Albusac·

(Die meister spτechen·das sulphur heÿþ und trucken sej an dem vierden grad·und ist erdtrich·und durch die hÿcze des feüwers so wirt dises gekochet unnd verwandelt in schwebel·(Auch ist schwebel das man do nennet sulphur vivum·das ist genant lebentiger schwebel·und d kommet auþ der erden·und der wirt nitt mit künsten bereÿtet als d erste·sunder er ist an jm selber wie er auþ der erden kommet·und d kommet auþ den landen melosda und lipara genanntt·sein tugent ist subtil machen und an sich ziehen.(Diascoτides spτicht·das lebentiger schwebel gebulfert treÿbet auþ vergifft·des mit einem eÿes todtern eingenommen·Dises ist sunderlichen gůt für die pestilenczen·und hat mangem menschen domit geholffen und wenn man dises genüczet so sol man darnach ettwas bτauchen das do stůlgěng bτinge·als dann ist dÿafenicanis dÿacharchami electuarium de succo rosarum·und man sol auch darnach sich hŭten voτ [416] schweynem fleysch·milche·und wein·als lanng die nature vermercket ein soliche vergifft sich verczogen haben·(Platearius·schwebel gestossen und darunder gemüschet kynds harm und die ausseczigen haudt domit gesalbet hilfft on zweifel·(Item schwebel treÿbet auþ den eÿtter d auff der bτust lange zeÿt gelegen hat und benymmet das keÿchen mit einem weÿchen eÿe eingenommen. (Plinius wôlche frau den rauch låþt unden auffgeen·der treÿbet auþ das todt kynd und reÿniget die můter·(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel sulphur beschτeibet uns und spτicht auch·daz schwebel gebulfert und gemüschet mit essig und die unreÿnen haudt domit geschmieret·reÿniget die von allem unflat·(Item·ein salben gemachet von schwebel und mit wÿþnÿþ wurczel und mit leinôle und mit wachþ ist gůt wider das gegicht genant paralisis·und wider das gegicht in den fŭssen und ander gelyder domit geschmiert.

(1) Zwavel 379ste kapittel.

Sulphur Latijn en Grieks. Arabisch chibur vel Albusac.

De meesters spreken dat Sulphur heet en droog is aan de vierden graad en is aards en door de hitte van het vuur zo wordt dit gekookt en verandert in zwavel. Ook is zwavel dat men zo noemt Sulphur vivum, dat is genaamd levende zwavel en dat komt uit de aarde en dat wordt niet met kunsten bereid zoals de eerste, vooral is het zo van zichzelf zoals het uit de aarde komt en dat komt uit de landen Melosda en Lipara genaamd, zijn deugd is subtiel maken en aan zich trekken. Dioscorides spreekt dat levende zwavel gepoederd drijft uit vergif, dat met een eierdooier ingenomen. Dit is uitzonderlijk goed voor de pest en heeft vele mensen daarmee geholpen en als men dit nuttigt zo zal man daarna wat gebruiken dat de stoelgang brengt zoals dan is diafenicanis, diacharchami, electuarium de succo rosarum, en men zal ook daarna zich hoeden voor [416] varkensvlees, melk en wijn zolang de natuur bemerkt dat een zulke gif zich getogen heeft. Platearius, zwavel gestoten en daaronder gemengd kinderenplas en de huiduitslag huid daarmee gezalfd helpt zonder twijfel. Item, (2) zwavel drijft uit de etter dat op de borst lange tijd gelegen heeft en beneemt dat kuchen, met een week ei ingenomen. Plinius, welke vrouw de rook laat onder opgaan dat drijft uit dat dode kind en reinigt de baarmoeder. Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Sulphur beschrijft ons en spreekt ook dat zwavel gepoederd en gemengd met azijn en de onreine huid daarmee gesmeerd reinigt die van alle niet flatteuze. (3) Item, een zalf gemaakt van zwavel en met witte nieswortel en met lijnolie en met was is goed tegen de jicht genaamd paralisis en tegen de jicht in de voeten en andere leden, daarmee gesmeerd.

(1) Zwavel is een scheikundig element, S, atoomnummer 16, sulfer, brimstone, sulphur, solfer, sulver of solver.

Herbarius in Dyetsche; (3) Een zalf die gemaakt is van zwavelpoeder en van Veratrum alba (dat is wit nieskruid) met olie van lijnzaad en was is zeer goed tegen jicht, tegen het fleerfijn in de leden en voeten en tegen vallende ziekte etcetera.

(2) Een half drachme zwavel in een vers ei gedaan en zo genomen is goed tegen het oude astma, dat is tegen moeilijk adem halen’.

Also genant.

Das Ccclxxx Capitel

Sal armoniacum latine·grece Volsodar·arabice Nusadar·

(Serapio beschτeÿbt uns und spτicht·das sal armoniacum wirt auþ steinen gezogen die sind fast klar und hertte·und domit salczig·und darumb ist er fast beýsend·Auch findet man sal armoniacum der do gezogen ist auþs schwarczem gesalcznen stein·und der låþt sich gern bulferifiern·

(Item diser ist der beþte der do klar ist und weÿþs der sol ach genüczet werden in der erczneÿ·(Sal armonicaum ist heiþ und trucken an dem vierden grad·

(Sal armoniacum benÿmmet die groben feüchtung und reyniget die·und ist sunderlichen gůt uvule·das ist das blat das einen für die kelen scheüþt·des bulfers mitt einem hôlczlein darein gelassen·(Auch ist dises bulfer gůt squinantie·das ist ein geschweere in der kelen·(Platearius·sal armoniacum benÿmmet das weÿþ das übersogen ist auf dem augapffel·dises genüczett mit schellwurcz safft und dz also in die augen gelassen benymmt das feel darjnn·Und heÿþt darumb sal armoniacum·wann es wirt funden in armenia·(Auch machet man sal armoniacum aus gemeÿnem salcz·(Item sal armoniacum zerlassen in roþenwasser mit kampher vermengt und getrücknet in der sunnen·und das bulfer vermenget mit holler ôle·und domit das antlicz geschmieret ist abnemen die ungestaltkeit des antlyczes·als dye ausseczigen beflecket sind· [417]

Zout ammoniak.

380ste kapittel.

Sal ammoniacum Latijn. Grieks Volsodar. Arabisch Nusadar.

Serapio beschrijft ons en spreekt dat sal ammoniacum wordt uit stenen getrokken die zijn erg helder en hard en daarmee zoutig en daarom is het er erg bijtend. Ook vindt men sal ammoniacum dat er getrokken is uit zwarte zoute steen en dat laat zich graag verpoederen.

Item, dit is de beste die er helder is en wit en die zal ook genuttigd worden in de artsenij. Sal ammonicaum is heet en droog aan de vierde graad.

Sal ammoniacum beneemt de grove vochtigheid en reinigt die en is vooral goed uvule, dat is de huig dat iemand voor de keel schuift, dit poeder met een houtje daarin gelaten. Ook is dit poeder goed squinantie, dat is een zweer in de keel. Platearius, sal ammoniacum beneemt dat witte dat overtrokken is op de oogappel, dit genuttigd met stinkende gouwe sap en dat alzo in die ogen gelaten beneemt dat vel daarin. En heet daarom sal ammoniacum want het wordt gevonden in Armenië. Ook maakt men sal ammoniacum uit gewoon zout. Item, sal ammoniacum opgelost in rozenwater met kamfer vermengt en gedroogd in de zon en dat poeder vermengt met vlierolie en daarmee dat aangezicht gesmeerd is afnemen de onaantrekkelijkheid van het aangezicht zoals dat van huiduitslag bevlekt is. [417]

Sal armoniacum wordt door de oude beschreven als een soort zout. De Gart zegt dat men het ook uit gewoon zout kan maken. Er is geen verwijzing naar het maken van salpeter. Het betekent dan ook zout uit Armenië. Het is nu bekend als ammonium chloride.


Trackenblůt Das

Ccclccci Capitel

Sanguis dτaconis latine·grece sindeÿchitegilos·arabice demalachoem·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in den capitel Malchaoem idest Sanguis dτaconis beschτeibet uns und spricht·das dises seÿ ein safft eins baumes also geheÿssen·und diser baum hat lange eþte und kleine bleter geleÿch dem coτiander·und jr farbe ist rot und haben einen starcken gerauch·und in dem spÿczen der eþte sind kronen die sind rund geleÿch dem fennchel·und die haben weyþ blůmen zů dem ersten unnd leczten jres gewåchþes so werdend die blůmen goldtfarb·dises wåchþet an vil frembden steten·(Der meister Constantinus beschτeibet unns und spτicht·das der saffte dÿses baues seye geheÿssen sanguis dτaconis·und diser safft ist rott geleÿch als des menschen blůtt·

(Sanguis dτaconis ist kalt und trucken an dem dτitten grad und dises ist das beþte dz jnnwenig klar ist·(Wer do seer blůtt der thů dises bulfer in die nasen und reÿbe dann die nasen daz der safft darjnn anhange·es stopffet die adern·und benymmet das blůtten on schaden·(Dises bulfer gemüschet mit eÿeþ weÿþ unnd rosenwasser und die schlåffe do mit bestrichen·benymmet das nasen blůten·(Wer do blůt renset der neme dises bulfers und gummi arabicum·und müsche dises mit rosenwasser unnd das also eingetruncken·(Sanguis dτaconis genüczet benymmet dz rott oder durchgang·also das blůtt mit dem stůlgang geet·(Einem zapffen gemachet von disem saffte und darunder gemüschet safft von tåschenkraut·benymmet den frawen menstruum·Dises in das gemåchtte gestecket ein gancz nacht geleÿch einem zapffen· [418]

(1) Drakenbloed. Dat

381ste kapittel.

Sanguis draconis Latijn. Grieks sindeÿchitegilos. Arabisch demalachoem. (Daemonorops draco)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Malchaoem, id est Sanguis draconis, beschrijft ons en spreekt dat dit is een sap van een boom alzo geheten en deze boom heeft lange takken en kleine bladeren gelijk de koriander en zijn verf is rood en heeft een sterke reuk en in de spits van de takken zijn kronen die zijn rond gelijk de venkel en die hebben witte bloemen in het begin en laatste van hun gewas dan worden die bloemen goudkleurig, deze groeit aan veel vreemde plaatsen. De meester Constantinus beschrijft ons en spreekt dat het sap van deze boom is geheten sanguis draconis en dit sap is rood gelijk zoals het mensenbloed.

Sanguis draconis is koud en droog aan de derde graad en dit is de beste dat inwendig helder is. Wie er zeer bloedt die doet dit poeder in de neus en wrijft dan de neus zodat het sap daarin aanhangt, het stopt de aderen en beneemt dat bloeden zonder schade. Dit poeder gemengd met eierenwit en rozenwater en de slaap daarmee gestreken beneemt dat neusbloeden. Wie er bloed vloeit die neemt dit poeder en gom arabicum en meng dit met rozenwater en dat alzo ingedronken. Sanguis draconis genuttigd beneemt de rode of doorgang alzo dat het bloed met de stoelgang gaat. Een pen gemaakt van dit sap en daaronder gemengd sap van tasjeskruid beneemt de vrouwen menstruatie, dit in dat geslacht gestoken een ganse nacht gelijk een klysma. [418]

Dracaena cinnabar, (vermiljoenrood) leverde het drakenbloed dat al bekend was bij Theophrastus, Plinius en Dioscorides als kinabari. Dit was afkomstig uit Socotra en nabij gelegen Afrikaanse en Arabische landen.

Middeleeuws Sanguis draconis of Demathan kwam eerder van Calamus draco of zoals het nu heet; Daemonorops draco.

(1) Astragalus sarcocolla Dymock, een struik die in Iran en Perzië groeit. Daar is echter weinig van bekend.

Dodonaeus; ‘‘Sarcocolla is een gom van een doornachtig gewas dat in Perzië groeit die het beste is als het geelachtig is, bitter van smaak en kleine klontjes of op korrel als wierook lijkt.


Ein gummi also genant

Ccclxxxii Cap

Sarcocolla grece·arabice anzaros·latine Anzaruta·

(Der meister Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Anzaros idest sarcocolla·beschτeibet uns und spτichet·das dises sey ein gummi eines doτnigen baumes·und der wåchþt in dem lande persia·dises gummi geleÿchet den weyssen weÿrauch sein farbe ist rôttelat unnd fast bitter·(Und dises ist das beste das sich bald låþt bτechen·Diþs gummi ist heÿþ und trucken an dem vierden grad·(Sarcocolla genüczet in die pflaster zů den wunden·und sein tugent ist zeytigen und aufflôsen und verczeren·(Der meister Diascoτides spτicht·das sarcocolla ecze auþs das faul fleysch in dem wunden·(Platearius Sarcocolla gemüschet mit ammidum·das ist krafft meel·und weÿssen zucker dises treÿbet auþ die feüchtung und eÿtter auþs den augen für alle andere erczneÿ·(Sarcocolla gemüschet mit hônig und auff die wunden geleget reyniget sÿ. (Item·Sarcocolla ist auþ der massen fast gůt genüczt für das feel in den augen·wann es baysset die auff und reyniget auch die von den unfladt darauþ fliessende·(Item·Sarcocolla sol auch nit genüczet werden in den leÿbe für sich selbert·wann Diascoτides spτicht auch wer sarcocollam ein nemme an jm selbs und thåte jm auch keinen zůsacz dem würden seine har alle auþfallen und jm enstŭnden auch darnach gar groþs kranckheÿten der ursachen halben das es auch durchdτinge mit nagen und rÿschen alle jnnerliche gelyder·und wenn man das auch nüczen wil so sal man das voτhÿn bereÿtten mit ôl de kerfa oder rosarum·(Item der meister Paulus in dem capitel Sarcocolla beschτeybet uns auch und spτichet·wer von disem gummi machett ein pflaster unnd auch darunnder müschet das weýþs von einem eÿe·und das gelegt auff die schlåffe·benÿmmet das [419] überflůssig blůt auþ der nasen·

(Dises gummi gebulfert und gemüschet mit rosenwasser und das gedôτret an der sunnen und darnach aber mit rosenwasser bereÿtet und das in das fleckig aug geton benÿmmet die flecken darauþ·und machet klare augen.

(Item den rauch von sarcocolla unden herauff gelassen ist auch gůt wider die weetummen des arþsdarmþ genant tenasmon.

Een gom alzo genaamd.

382ste kapittel.

(1) Sarcocolla Grieks. Arabisch anzaros. Latijn Anzaruta. (Astragalus sarcocolla of Penea sarcocolla)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Anzaros, id est Sarcococca, beschrijft ons en spreekt dat dit is een gom van een doornige boom en die groeit in het land Perzië, deze gom lijkt op de witte wierook, zijn verf is roodachtig en erg bitter. En dit is de beste dat zich gauw laat breken. Deze gom is heet en droog aan de vierde graad. Sarcococca genuttigd in de pleisters tot de wonden en zijn deugd is rijpen en oplossen en verteren. (2) De meester Dioscorides spreekt dat Sarcococca eet uit dat vuile vlees in de wonden. Platearius, Sarcococca gemengd met amidium, dat is krachtmeel, en witte suiker, dit drijft uit de(3) vochtigheid en etter uit de ogen voor alle andere artsenij.(2) Sarcococca gemengd met honing en op de wonden gelegd reinigt ze. (3) Item, Sarcococca is uitermate erg goed genuttigd voor dat vel in de ogen want het bijt die uit en reinigt ook die van de onfraaiheid die daaruit vloeit. Item, Sarcocolla zal ook niet genuttigd worden in het lijf op zichzelf want Dioscorides spreekt ook wie Sarcococca inneemt op zichzelf en deed er ook geen toevoeging bij die zal al zijn (4) haar uitvallen en hem ontstaan ook daarna erg grote ziektes, vanwege de oorzaak dat het ook doordringt met nijd en rijst alle innerlijke leden en als men dat ook nuttigen wil zo zal men dat voorheen bereiden met olie de kers of rosarum. Item, de meester Paulus in het kapittel Sarcococca beschrijft ons ook en spreekt wie van deze gom maakt een pleister en ook daaronder mengt dat witte van een ei en dat gelegd op de slaap beneemt dat [419] overvloedige bloed uit de neus.

(3) Deze gom gepoederd en gemengd met rozenwater en dat gedroogd aan de zon en daarna echter met rozenwater bereidt en dat in dat vlekkerige oog gedaan beneemt de vlekken daaruit en maakt heldere ogen.

Item, de rook van Sarcococca onder op gelaten is ook goed tegen de pijnen van de aarsdarm genaamd tenasmonem.

(1) Astragalus sarcocolla Dymock, een struik die in Iran en Perzië groeit. Daar is echter weinig van bekend.

Dodonaeus; ‘‘Sarcocolla is een gom van een doornachtig gewas dat in Perzië groeit die het beste is als het geelachtig is, bitter van smaak en kleine klontjes of op korrel als wierook lijkt.

Dodonaeus; ‘‘De naam van deze gom wijst genoeg uit welke krachten ze heeft want ze is zeer geschikt om de (2) wonden toe te helen en te genezen en ook om alle zeren te zuiveren, hoe vuil en verrot ze ook mogen zijn en laten er vers vlees in groeien. Ze is goed tegen de katarren en zinkingen die op de ogen vallen; verdrijft (3) de schellen en geneest de schemering, liktekens en andere gebreken er van als het vier of vijf dagen in ezelinnen melk geweekt is en elke dag het melk vernieuwen en het oude weg gieten (4) Maar die het te veel gebruiken worden kaal.

Wasser edechsz

Das ccclxxxiii Ca

Stincus latine et grece·

(Avicenna in seinem anderen bůch in den capitel stincus spτichet·das dises seý ein thierlein·und das findet man in den båchen in egipten und lombardien.

Dises ist gestalt geleých dem heüschτecken·allein das nit flügel hat.(Dise thierlein sind die beþten die in dem meÿen gefangen werden und so sÿ werffen·unnd die grossen sind besser denn die kleinen. (In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und sprechen·das dises seÿ heÿþ unnd trucken in dem dτitten grad·und spτechen·das dises seÿ ein fischlein·und geleÿchet dem vergifftigen thier lacerta genant·die ÿenhalb dem meere gefangen werden sind die beþten·(Dise fischlein salczet man und darnach so låþt man die dôτren·(Avicenna libτo ut supτa spτicht·das dises gůt seÿ den erkalteten gelÿdern·die von der fettung schmieret·(Das wasser darjnnen die gesalczen sind meret coitum darumb vil mer sein fleÿsch geessen an den schwånczen·(Dise fischlein geessen mit diamargariton odeτ diapenidion meret fast seer coitum·das ist fleÿschliche begerung·(Dises thierlein hat in dem schwånczlein kein vergifft·(In den apotecken findest du die·wann die werden gebτauchet zů vil erczneÿen· [420]

Waterhagedis, skink.

Dat 383ste kapittel.

Stincus Latijn en Grieks. (Stillens marinus) (Lacerta stincus)

Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Scincus spreekt dat dit is een diertje en dat vindt men in de beken in Egypte en Lombardije.

Dit is gesteld gelijk de sprinkhanen, alleen dat het geen vleugels heeft. Deze diertjes zijn de besten die in de mei gevangen worden en zo ze werpen en de grote zijn beter dan de kleine. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat dit is heet en droog in de derde graad en spreken dat dit is een visje en lijkt op het vergiftige dier lacerta genaamd en die aan deze kant van de zee gevangen worden zijn de beste. Dit visje zout men en daarna zo laat men die drogen. Avicenna libro ut supra spreekt dat dit goed is de verkouden leden, die met het vet gesmeerd. Dat water daarin die gezouten zijn vermeerdert coïtus, daarom veel meer zijn vlees gegeten aan de staart. Deze visjes gegeten met diamargariton of diapenidion vermeerdert erg zeer coïtus, dat is vleselijke begeerte. Dit diertje heeft in de staart geen vergif. In de apotheken vindt du die want het wordt gebruikt tot veel artsenijen. [420]

Deze kleine zogenaamde aardkrokodil uit steenachtige gebieden van Arabië, Egypte etc. kwam vroeger dood en gedroogd over Marseille of uit Italië over Venetië als een werkzaam artsenijmiddel naar onze apotheken.

Gartenkole oder sedeney

Ccclxxxiiii Cap

Satureia latine·grece Tÿmbτa arabice Sahanc·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel sahanc idest satureia·spτicht das diþes seÿ ein kraut das wechþt geren an der steinigen erden·Auch so wåchþt dises in den gårten und das ist nicht als gar krefftig an seiner würckung·Dises ist heiþ und auch trucken an dem vierden grad·(Avicenna spτicht auch·das dises kraut gar gůt seÿ der erkalteten bτust·(Item von disem kraut getruncken ist gůt sincopizantibus das ist die in onmåcht fallen·(Item dises genüczet ist auch gar gůt wider dÿe bôsen lebern milcz und magen.

(Item von disem kraut getruncken reÿniget auch den frawen jr matricen·(Auch machet dÿses resch die man zů den frawen. (Item die schwangern frawen sollen sich hŭten voτ disem kτaute und auch voτ seinem gerauch·(Item satureia gesoten in wein und auch die do geleget auff die weetumm der gelyder die gichtig sind·ist auþ der massen gar gůt darzů·(Ettlich meister spτechen auch·wenn man es ist henncken an den halsþ·ist auch gar gůt wider der zeene weethumb Serapio· [421]

Bonenkruid.

384ste kapittel.

Satureia Latijn. Grieks Tÿmbza. Arabisch Sahanc. (Satureja hortensis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel sahanc, id est Satureja, spreekt dat dit is een kruid dat groeit graag aan de stenige aarde. Ook zo groeit dit in de tuin en dat is niet alzo erg krachtig aan zijn werking. Dit is heet en ook droog aan de vierde graad. Avicenna spreekt ook dat dit kruid erg goed is de (2) verkouden borst. Item, van dit kruid gedronken is goed syncope, dat is die in onmacht vallen. Item, dit genuttigd is ook erg goed tegen de kwade lever, milt en (3) maag.

(4) Item, van dit kruid gedronken reinigt ook de vrouwen hun baarmoeder. Ook maakt dit ritsig de mannen tot de vrouwen. (5) Item, de zwangere vrouwen zullen zich hoeden voor dit kruid en ook voor zijn reuk. Item, Satureja gekookt in wijn en ook die gelegd op de pijn van de leden die jichtig zijn is uitermate erg goed daartoe. Ettelijke meesters spreken ook als men dit hangt aan de hals is het ook erg goed tegen de tandpijn, Serapio. [421]

(1) Dodonaeus; ‘‘Met de Thymbra (Satureja montana of Satureja thymbra) die we in het voorgaande kapittel beschreven hebben heeft Satureja of keule zeer grote gelijkenis.

Dodonaeus; ‘‘Dit kruid dat warm gemaakt is en van buiten op de buik gelegd laat de wurgingen, (4) krimpingen en opstijging van de baarmoeder die van winderigheden veroorzaakt zijn in korte tijd ophouden en vergaan. (5) De zwangere vrouwen moeten zich wel wachten om dit kruid in de spijs te gebruiken, ja alleen al om er aan te ruiken.

Het poeder van deze kruiden met wijn gedronken geneest de gebreken (2) van de borst, van de longen en van de blaas en verwekt de maandstonden en laat water maken, (3) versterkt de maag, verwekt de lust om eten en helpt de spijs verteren en bovendien beneemt het de walging

spτebern ccclxxxv ca

Soτbes latine·

(Galienus in dem andern bůch genant de alimentis·spτicht·daz dises seÿ ein frucht vonn natur kalt und auch trucken in dem dτitten grad·(Item dise frucht nüczet man in den herbst so sÿ am zeÿtigisten sind·und sol sÿ auch auff henncken mit jren eþten so werden sÿ zůmal mürb·Ettlich leüt schneÿden sÿ von einander in dem mittel auff das sÿ balde mürb werden·und denn so mag man sÿ ein ganczes jar behalten. Ir tugent ist auch kŭlen und stopffen unnd stercken·dise frucht ist auch gar gůt für das bauchwee·(Soτbe und nåspelein sind gar nahe einer natur·Dise frucht ist fast sŭsser zů essen denn die nåspelein·(Item·Wôlcher den blůtgang håte der nücze auch dise frucht·Aber hie ist zemercken das sÿ den mannen baþ bekommen denn den frawen·

Sorben, 385ste kapittel.

Sorbes Latijn. (Sorbus domestica)

Galenus in het ander boek genaamd de alimentis spreekt dat dit is een vrucht van natuur koud en ook droog in de derde graad. (5) Item, deze vrucht nuttigt men in de herfst zo ze het rijpst zijn en zal ze ook ophangen met zijn eigen takken dan worden ze gelijk murw. Ettelijke mensen snijden ze van elkaar in het midden open zodat ze gauw murw worden en dan zo mag men ze een gans jaar behouden. Zijn deugd is ook (2) verkoelen en stoppen en versterken, deze vrucht is ook erg goed voor de buikpijn.(4) Sorbus en mispels zijn erg nabij een natuur. Deze vrucht is erg zoeter te eten dan de mispels. Item. Wie de (3) bloedgang heeft die nuttigt ook deze vrucht. Maar hier is te merken dat ze de mannen beter bekomt dan de vrouwen.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste soort van deze bomen heet in het Latijn eigenlijk Sorbus, in het Hoogduits Sperwerbaum, Speirbaum, Sporbaum en ook Spierling.

Dodonaeus; ‘‘Sorben (2) ze stoppen die vloed en maken de buik hard. De sorben stoppen alle vloeden van de buik zoals (3) rode loop en diergelijke buiklopen en ze bedwingen ook alle braken, overgeven en opwerpen van de maag.

(4) Ze zijn van krachten en werkingen de mispels vrij gelijk, maar niet zo heel sterk, zegt Galenus. (5) Dan ze worden in vele landen met hele bossen opgehangen en gedroogd of overdwars gesneden in de zon te drogen gelegd

sauwurcz ccclxxxvi c

Scrofularia sive Castrangula sive strangularia latine·

(Der meister Paulus in dem capitel scrofularia·spτicht·dz dises seÿ ein kraut mit einer rotunden wurczel·und spτeÿdet sich langes die erden·dise wechþet auff hertem grunde·und fast gern under den doτnen·Dises findet man gemeynigklich in dem summer·die wurczel ist sŭþ·die seüe wŭlen das erdtrich darnach auff·

(Dise wurczel also gedôτret und gebulfert und also gemüschet mit hônig unnd also davon gemachet ein electuarium·dises electuarium genüczet des abendes und auch des moτgens·also das [422] man zwů od dτei stund darauf faste·treÿben hýn die dτŭþen die den leüten wachþen an dem hålsen·Oder nymme dises bulfers unnd weÿczen meel·und müsche die zůsamen wie klôczer und eþse die·darauff trincke einen gůten trunck fiernÿgþ weins gar bald darnach·so wirt du schwÿczen·diser schweÿþ treÿbt hÿn die dτŭsen·

(1) Helmkruid, 386ste kapittel.

Scrofularia sive Castrangula sive strangularia Latijn. (Scrophularia nodosa)

De meester Paulus in het kapittel Scrophularia spreekt dat dit is een kruid met een ronde wortel en spreidt zich langs de aarde, deze groeit op harde grond en vast erg graag onder de dorens. (2) Deze vindt men algemeen in de zomer, de wortel is zoet en de zwijnen woelen dat aardrijk daarnaar open.

Deze wortel alzo gedroogd en gepoederd en alzo gemengd met honing en alzo daarvan gemaakt een likkepot, deze likkepot genuttigd ‘s avonds en ook ’s morgens alzo dat [422] men twee of drie stonden daarop vast (3) drijft heen de klieren die de mensen groeien aan de hals. Of neem dit poeder en tarwemeel en meng die tezamen als klonten en eet die, daarop drink een goede dronk vurige wijn erg gauw daarna zo wordt u zwetend en deze zweet drijft heen de klieren.

Hier worden geen knobbels aan de plant gezien, dan zal wel Scrophularia auriculata bedoeld zijn. Zie kapittel 238. De namen komen overeen, maar de bladeren op de afbeelding zijn duidelijk gezaagd en het groeit op harde grond en onder dorens, dat klopt niet met de helmkruiden die op vochtige of waterachtige gronden groeien. Dodonaeus over Scrophularia montana; ‘Allergrootste berg speenkruid wordt van Fabius Columna in het Latijn Scrofularia montana maxima genoemd en Bauhinus de naam van Scrofularia flore geeft omdat dat de bloemen in sommige soorten bleekgeel zijn, doch meest paarsachtig’.

(1) Dodonaeus ‘‘Dit eerste kruid wordt in het Diets groot speenkruid genoemd en wordt overal in het Latijn Scrophularia genoemd. Het heet in het Hoogduits Braunwurtz, Saurwurtz, Grosz feigwurtzenkraut’.  Het heet ook Castrangula’.

(3) Dodonaeus; ‘Groot speenkruid wordt zeer geprezen van vele in de harde zwellen van de klieren of kropzweren die in het Latijn Strumae, en daarna gewoonlijk bij de meesters Scrofulae genoemd worden.

Blůtkraut Das

Ccclxxxvii Capitel

Sanguinaria latine·

(Die meister spτechen·dz dises kraut seÿ gar von grossen tugenden. Dises kraut hat underscheÿde mit dem kraut centumnodia genant·wann die meister nenen dz selb auch sanguinaria·diþ kraute hat einen langen stengel gar nahe eines arms lang·und hat rott knôõpff an dem stengel·Dises krautes wurczel ist an dem besten in der erczneÿ·und die ist von natur warm und auch trucken. (Dÿse wurczel gehalten in der hende thůt als vil als ein pτobiereter blůtstein·also das die wurcz gegraben sey zwÿschen den zweyen unser frawen tag·dise wurczeln weret auch ein ganczes jare·

(Wôlcher blůt speÿet der eþse diser wurczel·(Wôlcher fast auþ der nasen blůtet·der halte dise wurczel in der handt sÿ stillet on zweÿfel·(An wôlchen enden dises kraut wechþt darumb ist alles kraut sichter voτ den schlangen als weÿt ein man geschτeÿten mag·(Item dises kraut gesoten mit wegbτeÿte wasser·ist gůt wider den blůtgange der do geet auþ der nasen und auþ dem muude·und wid dem blůtgang des gedårms·(Item blůtkraut ist kalt und feücht bej dem andern grade pandecta·(Du solt wissen dz dises kraut nit ist dz blůtkraut das man nennet pera pastoτis·od centumnodia·und die underscheyd merck bey den figuren·

(1) Bloedkruid. Dat

387ste kapittel.

Sanguinaria Latijn. (=Rumex sanguineus)

De meesters spreken dat dit kruid is er van grote deugden. Dit kruid heeft onderscheid met het kruid centumnodia genaamd want de meesters noemen deze ook sanguinaria, dit kruid heeft een lange stengel bijna een arm lang en heeft rode knoppen aan de stengel. Dit kruid zijn wortel is een van de beste in de artsenij en die is van natuur warm en ook droog. Deze wortel gehouden in de hand doet zoveel als een beproefde bloedsteen alzo dat de wortel gegraven is tussen de twee onzer vrouwen dagen, deze wortel duurt ook een gans jaar.

(2) Wie bloed spuwt die eet deze wortel. Wie erg uit de neus bloedt die houdt deze wortel in de hand, ze stelpt zonder twijfel. Aan welke einden dit kruid groeit daarom is alle kruid zeker voor de slangen zo ver als een man schrijden mag. Item, dit kruid gekookt met weegbreewater is goed tegen de bloedgang die je gaat uit de neus en uit de mond en tegen de bloedgang van de darmen. Item, bloedkruid is koud en vochtig bij de andere graad, Pandecta. U zal weten dat dit kruid niet is dat bloedkruid dat men noemt pera pastoris of centumnodia en dat onderscheidt merk bij de figuren.

(1) Dodonaeus; ‘Dit gewas is in het Grieks Sesamon of Sisamon genoemd.

Dodonaeus; ‘‘ (3) Met olie van rozen gemengd verzoet het de hoofdpijn die uit grote hitte gekomen is.

spargen ccclcccix c

Sparagus latine et grece arabice nalion vel halion·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Nalion idest sparagus spτicht·das dises seÿ ein gewåchþ·des frucht und samen wirt genüczet in d erczneÿ·Der same weret eÿn ganczes jare unverseret an seÿner natur·(Dise frucht gesoten mit fleisch und geessen ist fast gůt für dz verstopffet oder verhertet milcze·des geleichen die bestopffunge der lebern thůt sÿ auff·(Für die gelesucht jctericia genant seüde die wurczel von disem gewåchþe in wein und trincke den es hilfft on zweÿfel·(Von d bτŭe do spargen jnnen gesoten sind die ist gůt dem munde damit gewåschen und benÿmmt alles wee der zeen·(Von disem kraut lÿse pandectam dz fünff hundertt und dτeü und seczigist capitel dz sich auhebet Nalion do findest du die warheit. (Item spargen sind von warmer und feüchter natur·(Item wein darjnn gesoten ist spargen wurczel oder samen ist gůt wider bestopffung lebern milczes und der nÿeren·Und ist auch gůt wider den kalten seich·und wider die geelsucht·und wider das gegicht genant sciatica·und ist auch seer machen hårmen·(C·j·) [424]

Asperge, 389ste kapittel.

Sparagus Latijn en Grieks. Arabisch nalion vel halion. (Asparagus officinalis)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Nalion, id est Asparagus, spreekt dat dit is een gewas diens vruchten en zaden worden genuttigd in de artsenij. (2) Dat zaad blijft een gans jaar onveranderd aan zijn natuur. Deze vrucht gekookt met vlees en gegeten is erg goed voor de (3) verstopte of verharde milt, desgelijks de verstopping van de lever doet ze open. Voor de (4) geelziekte ictericia genaamd kook de wortel van dit gewas in wijn en drink het dan, het helpt zonder twijfel. Van de bouillon daar asperge in gekookt is die is goed de mond daarmee gewassen en (3) beneemt alle pijn van de tanden. Van dit kruid lees Pandecta dat vijf honderd en drie en zestigste kapittel dat zich aanheft Nalion, daar vind u de waarheid. Item, asperges zijn van warme en vochtige natuur. (2) Item, wijn daarin gekookt is asperge wortel of zaad is goed tegen verstopping van lever, milt en de nieren. En is ook goed tegen de koude plas en tegen de geelziekte en tegen de jicht genaamd sciatica en is ook zeer maken plassen. [424]

(1) Dodonaeus; ‘De tamme soort van dit kruid wordt in het Grieks Asparagos, in de apotheken Sparagus en Speragus, in het Hoogduits Spargen.

Herbarius in Dyetsche; ‘Spargus (3) heeft kracht om de verstoppingen van de lever, van de milt en van de nieren te openen.

Tegen aandrang tot waterlozing, (4) de geelzucht en de pijn langs de heup naar beneden.

(3) Tegen tandpijn was je de tanden met de wijn waar deze wortel met bertram in gekookt is.

(2) Daarom ontstoppen ze de nieren en de lever volgens Pandecta en Serapio.

soldanella also genant

cccxc Ca

Soldanella latine·grece Azar arabice chachille·

(Seτapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel chachille spτicht·das dises sey ein kraut beÿ nahe den kressen·(Dÿses kraut das mag man essen geleich andern gesoten můþkreuttern·Dises kraut das wåchþet gern an feüchten enden und ist heÿsser und truckner complexion·(Dises kraut das hat ein blůûmen geleich der haselwurcz·und ein fast lange wurczel·Dise wurczel hatt krafft zů laxieren und zů reÿnigen flegmam und coleram nigram·(Dises kraute unnd wurczel ist zů vil måchtig und würcket mit groþsem gewalt·darumb so soll es nit allein genüczet weτden sunder mit andern kreütern so mag man es wol nüczen·

(Dise wurczeln gebulfert und des eingenommen zweÿ quintin mit zucker bτinget stůlgånge behende·und über zweÿ quintin so soll des nitt eingenommen werden·wann es machet blůte speÿen·[425]

Soldanella alzo genaamd.

390ste kapittel.

Soldanella Latijn. Grieks Azar. Arabisch chachille. (Calystegia soldanella)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel chachille spreekt dat dit is een kruid bijna de kers. Dit kruid dat mag men eten gelijk andere gekookte moeskruiden. Dit kruid dat groeit graag aan vochtige einden en is van hete en droge samengesteldheid. Dit kruid dat heeft een bloem gelijk de mansoor en een erg lange wortel. Deze wortel heeft kracht te laxeren en te reinigen flegma en zwarte gal. Dit kruid en wortel is te veel machtig en werkt met groot geweld en daarom zo zal het niet alleen genuttigd worden, uitgezonderd met andere kruiden zo mag men het goed nuttigen.

Deze wortel gepoederd en dat ingenomen twee maal 1, 67 gram met suiker brengt stoelgang behendig en over twee maal 1, 67gram zo zal dit niet ingenomen worden want het maakt bloed spuwen. [425]

(1) Dodonaeus; ‘De nieuwe kruidbeschrijvers noemen dit kruid Soldanella.

De Hoogduitsers noemen het nu Meer Winde. 

ein same von einem baum also genant

Das cccxci Ca

Sumach latine·grece riþkitin·arabice barso·

(Der meÿster spτechendt·das dises seÿ kalt in dem zweÿtten grad·und trucken an dem dτitten·Dises ist ein kraut und wechþet geren beý den felþen·Dz beste von disem baume daz ist die rÿnden von dem samen als Galienus spτicht·(Dise rinden von dem samen sol man bulferifieren unnd das ein nemen mitt dem saffte sanguinaria sive centum nodia·es stillet zůhandt alles blůten in der nasen oder in den wunden. (Die do blůt speÿend von grosser feüchtung die sý haben umb die bτust die sôllen nüczen pillilen gemachet von Sumach und von gummi arabicum und rosenwasser·und der nüczen ein quintin·(Für daz grymmen in den bauch sol man nemen sumach und gersten mele und dz sieden in regen wasser und dises unden ein nemen geleich einem klistiere es hilffet·

(1) Sumak.

Dat 391ste kapittel.

Sumach Latijn. Grieks riþkitin. Arabisch barso. (Rhus coriaria)

De meesters spreken dat dit is koud in de tweede graad en droog aan de derde. Dit is een kruid en groeit graag bij de (2) rotsen. Dat beste van deze boom dat is de bast van de zaden zoals Galenus spreekt. Deze bast van de zaden zal men verpoederen en dat innemen met het sap sanguinaria sive centum nodia, (2) het stilt gelijk alle bloeden in de neus of in de wonden. Die er bloed spuwen van grote vochtigheid die ze hebben om de borst die zullen nuttigen pillen gemaakt van sumak en van gom arabicum en rozenwater en dat nuttigen een 1, 67 gram. Voor dat grommen in de buik zal men nemen sumak en gerstemeel en dat koken in regenwater en dit onder innemen gelijk een klysma, het helpt.

(1) Sumak wordt in het Grieks Rhous genoemd maar heet ook naar het Griekse Rhus, zegt Plinius.

De werking van de plant is bloedstelpend vanwege het hoog gehalte aan looistof. Ook bij de Gart is dat bekend. (2)

Salcz cccxcii Ca

Sal conmune latine·Arabice malck·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel malck spτicht dz do seÿ mangerleÿ salcz·etliche kommet auþ der erden·etliches auþ dem salcz wasser·Dz môτ ist an eÿnem ende meer salczig dann an dem andern·und sunderlich wo dz môτe still steet·wenn du darein würffest einem lebendgen fisch so stirbt er darjnn umb des willen dz es zů vil ist von salcz·(Die tugent von dem salcze ist den menschen behüten voτ faulung des leibes·und ist auch verzeren unnd auþ eczen das faule fleisch·(Diascoτides spτichet das salcz reýniget unnd auflôset die schwåren feüchtigunge·beneme das faul fleisch auþ den wunden·(Salcz gemüschet mit baumôle benymmet das jucken an der haut·die damit geschmieret·Des geleichen die ausseczigkeit an dem leibe damit geschmieret ist fast gůt für ein geschwere in dem halþe squinancia genant·Nÿmm salcz ein lot eþsig hônig und baumôle ÿegkliches ein lot·dises müsche under einander und schmiere die kelen damit und nÿmm des ein weinig in dem mund und schliche dz es benÿmmt squinanciam gar bald für dz blat d kelen uvula genant so müsche salcz und baumôle und einand und schmiere die kelen damit und streich des in die kelen es hilfft.(Salcz ist warm und trucken an seiner natur·

(1) Zout, 392ste kapittel.

Sal conmune Latijn. Arabisch malck. (Sal)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel malck spreekt dat er is vele soorten zout, ettelijke komt uit de aarde, ettelijke uit het zoute water. De zee is aan een eind meer zoutig dan aan het andere en vooral waar de zee stil staat want als u daarin werpt een levende vis zo sterft die daarin vanwege dat het is te veel van zout. De deugd van het zout is de mensen behoeden voor vervuiling van het lijf en is ook verteren en uiteten dat vuile vlees. Dioscorides spreekt dat zout reinigt en lost op de zware vochtigheid en beneemt dat vuile vlees uit de wonden. Zout gemengd met olijvenolie beneemt dat jeuken aan de huid, die daarmee gesmeerd. Desgelijks de huiduitslag aan het lijf daarmee gesmeerd en is erg goed voor een zweer in de hals squinancia genaamd. Neem zout, 16, 7 gram, azijnhoning en olijvenolie, van elk een lood, deze meng onder elkaar en smeer de keel daarmee en neem dat in weinig in de mond en slik het, het beneemt squinancia erg gauw, voor de huig in de keel uvula genaamd zo meng zout en olijvenolie onder elkaar en smeer de keel daarmee en strijk dat in de keel, het helpt. Zout is warm en droog aan zijn natuur.

Latijn sal, zout, Engels salt, Duits Salz. 

Das cccxciii Ca

Sal gemma latine·

(Die meyster spτechen das dises darumb heÿsse sal gemma wann gemma ist als vil als edel stein·unnd dises kommet auþ der erden und ist ein adern auþ der erden·Dises ist heÿþ und tru (C·ij·) [426] cken an dem dτitten grad. (Sal gemma ist an seiner natur würcken geleich dem sal armonico·und darumb lýse in disem bůch das capitel·ccclxxx·do findest du von dem sale armoniaco·und alle tugent die dz selbig lernet die hat sal gemma auch·on alleÿne zů zåpflein suppositoτia genant·die do dienen zů dem grossen und scharpffen febτes·do ist sal gemma besser dan sal armonea.

Dat 393ste kapittel.

Sal gemma Latijn. (Zout van edelsteen)

De meester spreken dat dit daarom heet sal gemma want het is zo veel als edelsteen en dit komt uit de aarde en is een ader uit de aarde. Dit is heet en droog [426] aan de derde graad. Sal gemma is aan zijn natuur werken gelijk de sal ammoniacum en daarom lees in dit boek dat kapittel 380 daar vind u van de sal ammoniacum en alle deugd die dezelfde geleerd heeft die heeft sal gemma ook, uitgezonderd alleen tot de klysma suppositoria genaamd die je dienen tot de grote en scherpe koortsen dan is sal gemma beter dan sal ammoniacum.

Gemma is een edelsteen. Sal gemma is dan zoveel als rotszout of korrelig zout, Sodium chloride. Duits Bergsalz.

Seyffen cccxciiii C

Sapo latine et grece·

(Die meister der erczneÿ spτechen·das seÿffen gar zů vil sachen gůt seÿ·und sunderlichen damit zů reÿnigen faule wunden. Sapo ist heysser und truckner natur·(Mit seÿffen geschmieret die grýntigen haut benymmet den grÿndt und dôτret den fast·Seÿffen machet die haudt weÿþs die damit gewåschen.

(Suppositoτia dz sind zåpfflein gemachet von seÿffen und darzů gemischet bulfer von d wurczel esula·das ist wolffs wurcz dise suppositoτia würckent gar fast die unden gehalten·(Wõlcher an dem leib ein gelÿd het dz sich entzündet von hicze der leg darauf seÿffen sÿ zeühet die hÿcze darauþ und machet dz gelÿd wid kommen zů natürlicher hicz. Aber man sol die seÿffen nit zů lang lassen auff dem gelÿd sunder bald davon dz sÿ nit zů vil hicze an sich ziehe·(Der meister rasis spτicht·dz seiffen mach reÿn die wunden und ziehe darauþ den eÿtter·(Auch so weÿchet seÿffen auff die hertten geschweren darauff geleget·

(1) Zeep, 394ste kapittel.

Sapo Latijn en Grieks. (Sapo)

De meesters van de artsenij spreken dat zeep erg tot veel zaken goed is en uitzonderlijk daarmee te reinigen vuile wonden. Sapo is hete en droge natuur. (2) Met zeep gesmeerd de schurftige huid beneemt die schurft en droogt die erg. Zeep maakt de huid wit, die daarmee gewassen.

(3) Suppositoria dat zijn pennen gemaakt van zeep en daartoe gemengd poeder van de wortel esula, dat is wolfsmelk, deze suppositoria werken zeer erg, die onder gehouden. Wie aan het lijf een lid heeft dat zich ontsteekt van hitte die legt daarop zeep, ze trekt die hitte daaruit en maakt dat lid wederom komen tot natuurlijke hitte. Maar men zal die zeep niet te lang laten op dat lid en vooral gauw daarvan zodat ze niet te veel hitte aan zich trekt. De meester Rasis spreekt dat zeep maakt rein de wonden en trekt daaruit de etter. Ook zo weekt zeep op de harde zweren, daarop gelegd.

Zepen worden ook gemaakt uit klieren van geslachte dieren. In Homerische tijden was zeep niet bekend en nog lange tijd gebruikte men om te wassen houtas, natuurlijke soda en plantenafkooksels.

(1) Zeep heette in midden-Nederlands zepe en in 1288 sepe, vergelijk het oud-Hoogduits Seifa (nu Seife).

Herbarius in Dyetsche; (2) Zeep is ook goed tegen schurft als je die plaatsen waar de schurft is ermee bestrijkt.

(3) Als je pillen van oude zeep maakt dat met het poeder van de wortels van Euphorbia besproeid is en van onder in het fondament steekt laat het naar toilet gaan’.

springwurcz

Das cccxcv Ca

(T)Itimallus latine et grece·Arabice xencua.

(Der meister serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel xencua·idest titimallus beschτeibet uns und spτicht·daz mangerleÿ kreüter sind die do milch in jne habend geleÿch der spτingwurcz·und auch die selbigen tugent haben als spτingwurczel·und der uτsachen halben·daz spτingwurcz allein hie verzeichnet steet so wôllen wir von jrer tugent ettwas sagen·und da [427] mit der andeτn tugent der geleichen·(Der meÿsteτ Serapio spτicht dz titimallus einem stengel habe eines armes lang oder mer und ist von farben rôtelat·(Diser stengel hat bleter geleich den oliven dann das die lenger sind an der spτingwurcz und dicker·die wurczel ist grob und scharpff und an dem gipffel des krautes do hangend knôff geleich den rautenknôpffen allein dz sÿ grôsser sind an der spτingwurczen·In den kôpffen do ist samen·Die tugent des samens ist dz ez ståtigklichen auþtreÿbet oben und unden·und der ist auch mangem menschen soτgklichen zů gebτauchen·des geleichen auch die milche davon·doch so mag man jr strengigkeÿt wol milttern· wenn die bereitet werden als hernach geschτiben steet·(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capittel titimallus beschτeibet uns und spτicht·dz alle tugent d kreüter die do milich geben sind hiczigen und trucken machen byþ an dem vierden grad·und sunderlichen titimallus mer dann die anderen·und treÿbet auch fast ståtigklichen auþs die überflüssigen flegma·und auch coleram·und bτinget vomitum·(Item in dem bůch genant circa instans in dem capitel titimallus beschτeibett uns die meister und spτechend·das titimallus purgieτe flegmam und coleram· Die milch die sol man sameln in dem mittel des meÿen·und an dem anfang des summers und man sol die bletter oben ab bleczen und die milch sameln in ein glaþ·unnd wann die milch die haut des menschen berŭret·als an den henden oder anders·wo so sol man die bald wåschen mit nachtschadten wasseτ oder mit einem andern wasser dz do kŭlet oder es bτinget schaden an der haut wann sÿ beÿsset do die haut auff unnd enthicziget die do also sere dz einen beduncket sÿ entzünde sich·(Dise milch die weret zwen monat·und die sol nÿmmer nit allein gebτauchet werden in der erczneÿ sunder mit einem zůsacz also·nÿmm die milch von der spτnigwurcz und thů darzů gummi arabicum oder tragantum·und thů dises zůsamen in ein eÿerschalen und secze daz beÿ dem feüweτ in die kolen und lasse dises ein wenig erwallen·darnach so mag man es thůn in erczneÿ auff ein lot. (Platearius der spτicht daz esula und laureola auch geleÿche sind der spτingwurcz in d erczneÿ·(Galienus in seinem achtenden bůch beschτeibet uns und spτicht·dz die wurczel titimallus gůt seÿ den zenen·die do in eþsig gesotten und den do in dem munde gehalten·und heÿlet do auch die blatern in dem munde. (Der saft oder die milch davon die ist sterckeτ und heÿlet auch gar balde die lôcher in dem zenen und ezcet auch do auþ das faule fleisch auþ den wunden·(C·iij·) [428]

(Der saffte gestrichen wo vil hare wechþt und den gemischet mit ôle verzeret es·und machet kale und bloþ·(Der safft mit õle gemenget benÿmmet acrocoτdines dz sind die eτhabnen zåpflein ane den leÿbe geleÿch den wårczen·und die selben kommendt geren von überflüssiger flegma·(Auch so benÿmmt diser saft od milch von spτingwurcze foτmicas dz sind kleine spiczige blatern·und heissent dτŭþs blattern und die stecken in der haut·zů zeÿten so schweτen sÿ·ettwann so verschwinden sÿ·darüber gestrichen·(Dises vertreÿben auch den bôsen grÿndt darüber gestrichen·(Auch so benymmet es ulcera carbunculosa und cancoτosa·das sind dÿe bĐsen schwarczen blatteren·die do dem karfunckelstein geleichend·

(Auch so dienet dises den fisteln und heÿlet die von grunde dises darein gelassen mit eÿner spτüczen·und alle dise obgenante stucke die heÿlend alle kreüter die do milch in jnen haben und sunderlichen dÿe milich davon·Unnd under jn allen so ist titimalli sterker an der krafft und tugent·(Die bletteτ und früchte von spτingwurcz sind nit also krefftig als die milch·und sunderlichen damit zů purgieren.

(Item die bleter und die fruchte davon gewoτffen in einen weÿer do vil fische jnnen seind wôlcheτ fisch dann des krauts oder wurczeln ÿsset d selb wirt also vol davon das er dz weiþ do übersich keτet geleich als ob er tod wåre·und er erholet sich doch widerumbe unnd schadet jm nichcz·dise fische die magst du dann fahen mit den henden. (Item ein getranck gemachet von spτingwurczeln kraut mitt klein wolffsmilch wurczeln genant esula minoτ·und mit klein rosýn veτmenget·mit wasser gesotten dareýn wenig·eþsigs vermenget seye·mit zucker sŭþ gemachet·das ist gůt wider das fieber quotidian und wider die weetagem des gedårmen genant colica·Und ist auch gůt also genüczet wider das gegicht·

Springkruid.

Dat 395ste kapittel.

Titimallus Latijn en Grieks. Arabisch xencua. (Euphorbia characias)

De meester Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel xencua, id est titimallus, beschrijft ons en spreekt dat er vele kruiden zijn die er melk in zich hebben gelijk het springkruid en ook dezelfde deugd hebben als springwortel en dat vanwege de oorzaak dat springwortel alleen hier genoemd staat zo willen we van zijn deugd wat zeggen en [427] dat met de anderen hun deugd vergelijken. De meester Serapio spreekt dat titimallus een stengel heeft een arm lang of meer en is van kleur roodachtig. Deze stengel heeft bladeren gelijk de olijven, dan dat die langer zijn aan het springkruid en dikker, de wortel is groot en scherp en aan de top van het kruid daar hangen knoppen gelijk de ruitenknoppen, alleen dat ze groter zijn aan het springkruid. In de koppen daar zijn de zaden. De deugd van de zaden is dat het steeds uitdrijft boven en onder en die is ook vele mensen zorgelijk te gebruiken, desgelijks ook de melk daarvan, toch zo mag men zijn strengheid goed verminderen als die bereid wordt zoals hierna geschreven staat. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel titimallus beschrijft ons en spreekt dat alle deugd van de kruiden die er melk geven zijn verhitten en droog maken tot aan de vierde graad en vooral titimallus meer dan de anderen en drijft ook erg steeds uit de overvloedige flegma en ook gal en brengt vomitum. Item, in het boek genaamd Circa instans in het kapittel titimallus beschrijven ons de meesters en spreken dat titimallus purgeert flegma en gal. De melk die zal men verzamelen in het midden van de mei en aan de aanvang van de zomer en men zal de bladeren boven af blazen en de melk verzamelen in een glas en als die melk de huid van de mensen beroert zoals aan de handen of ergens anders dan zal men die gauw wassen met nachtschadenwater of met een ander water dat je verkoelt of het brengt schade aan de huid want het bijt je de huid open en verhit die alzo zeer dat iemand denkt dat het ontsteekt. Deze melk die duurt twaalf maanden en die zal nimmer niet alleen gebruikt worden in de artsenij uitgezonderd met een toevoeging alzo; neem de melk van het springkruid en doe daartoe gom arabicum of tragant en doe deze tezamen in een eierschaal en zet dat bij het vuur in de kolen en laat dit een weinig wellen, daarna zo mag men het doen in artsenij op een lood. Platearius die spreekt dat esula en laureola ook gelijk zijn het springkruid in de artsenij. Galenus in zijn achtste boek beschrijft ons en spreekt dat de wortel titimallus goed is de tanden, die dan in azijn gekookt en dan zo in de mond gehouden, en heelt je ook de blaren in de mond. Het sap of de melk daarvan die is sterker en heelt ook erg gauw de gaten in de tanden eet ook uit dat vuile vlees uit de wonden. [428]

Het sap gestreken waar veel haar groeit en dan gemengd met olie verteert het en maakt kaal en bloot. Het sap met olie gemengd beneemt acrocordines, dat zijn de verheven blaartjes aan het lijf gelijk de wratten en diezelfde komen graag van overvloedige flegma. Ook zo beneemt dit sap of melk van springkruid formicas, dat zijn kleine spitse blaren en heten klierblaren en die steken in de huid, sommige tijd zo zweren ze en soms zo verdwijnen ze, daarover gestreken. Dit verdrijft ook de kwade schurft, daarover gestreken. Ook zo beneemt het ulcera carbunculosa en cancorosa, dat zijn de kwade zwarte blaren die op de karbonkelsteen lijken.

Ook zo dient dit de etterwonden en heelt die van grond, dit daarin gelaten met een sproeiertje, en alle deze opgenoemde stukken die helen alle kruiden die er melk in zich hebben en vooral de melk daarvan. En onder hen allen zo is titimalli sterker aan de kracht en deugd. De bladeren en vruchten van springkruid zijn niet alzo krachtig als de melk en vooral daarmee te purgeren.

Item, de bladeren en de vruchten daarvan geworpen in een vijver daar veel vissen in zijn, welke vis dan dit kruid of wortel eet diezelfde wordt alzo vol daarvan dat die het witte omdraait gelijk alsof het dood is en verhaalt zich toch wederom en hem schaadt het niet, deze vis die mag u dan vangen met de handen. Item, een drank gemaakt van springwortel kruid met kleine wolfsmelkwortels, genaamd esula minor, en met klein rozijnen vermengt en met water gekookt daarin weinig azijn vermengd is en met suiker zoet gemaakt dat is goed tegen de vierdaagse malariakoorts en tegen de pijnen van de darmen genaamd koliek. En is ook goed alzo genuttigd tegen de jicht.

Zie kapittel 141 voor springwurz.

(1) Dodonaeus; De Italianen noemen ze tithymalo en tortumaglio met de bedorven naam van Tithymallus.

Dormentill

Das cccxcvi Cap [429]

Toτmentilla vel poτentilla vel cacaphilon grece·arabice buseke·latine bistoτta vel consolida rubea·

(In dem bůch Pandectarum·in dem hundert und dτitten capitel bistoτta genant beschτeiben uns die meister unnd spτechen dz Bistoτta idest Toτmentilla seÿe kalt unnd trucken an dem dτitten grad·(Toτmentilla die geleicheichet dem krautte fünff fingerblat genant·allein das toτmentill hat siben bleter·Darumb so heÿssend es ettlich meister eptaselon quasi septem folia·Dye wurczeln ist rot und knodigt·und geleichet auch dem galgan. Man findet auch ein ander kraut daz geleichet an den blettern der scharpffen lattich bletteren allein die farb von bistoτta die ist auff einer seÿten hymmelblaw und auff der andern seÿtten grün und hat ein blůmen die ist rott und hat ein rote wurczeln·Etlich heissend sÿ bardana minoτ etlich lappa minoτ·unnd dises geleichet toτmentilla in jrer tugent und krafft·(Toτmentilla hat krafft zů stercken die empfahung d frawe so sÿ mit jre gemahel zů schicken gehabt hat die voτhin in wein gesoten und getruncken·(Item nÿmm toτmentill wurczeln und wegrich kraute und nücze daz mit den saffte des wegrichs des abents unnd des moτgens·dises ist fast gůtt dissurijs·daz ist der kalt seich.

(Die wurczel gesoten in regenwasser unnd den tampff unden auff gelassen und darnach des bulfers gemischt mit hônig und darnach als ein pflaster geleget auff dem bauch hilfft den frauwen dz sÿ dester baþ empfahen mügen·(Wer dz rot hette der bulfer die wurczeln und trincke das mit wein es hilffet·(Die wurczeln ist gůt genüczt für alle vergifft die gebulfert und daz getruncken mit wein·(Wlcher den dτittåglichen rÿten hett der trincke von diser wurczeln und von dem kraut es hilffet·(Der saft von toτmentill gemischet von camillen ôle und gestrichen an den menschen wo dz gesüchte an dem menschen wŭtet es hilfft·(Item toτmentillen wasser mit gebulfert thucien vermenget ist gůt wider die fliessenden augen·die thucia soll voτ geleget sein dick mal in rosen wasser·(Item toτmentilla gebulferet mitt sauerampffer wasser genüczet das ist gůtte wider die pestilencz· (C·iiij·) [430]

(1) Tormentil.

Dat 396ste kapittel. [429]

Tormentilla vel potentilla vel cacaphilon Grieks. Arabisch buseke. Latijn bistorta vel consolida rubea. (Potentilla erecta)

In het boek Pandecta in het honderd en derde kapittel bistorta genaamd beschrijven ons de meesters en spreken dat bistorta, id est tormentilla, is koud en droog aan de derde graad. (2) Tormentil die lijkt op het kruid vijf vingerblad genaamd, alleen dat tormentil heeft zeven bladeren. Daarom zo noemen het ettelijke meesters eptaselon quasi septemfolia. De wortel is rood en knopig en lijkt ook op de galigaan. Men vindt ook een ander kruid dat lijkt op de bladeren op de scherpe slabladeren, alleen de kleur van bistorta die is op een zijde hemelblauw en op de andere zijde groen en heeft een bloem die is rood (4) en heeft een rode wortel. Ettelijke noemen het bardana minor, ettelijke lappa minor, en dit lijkt op tormentil in zijn deugd en kracht. (3) Tormentil heeft kracht te versterken de ontvangenis van een vrouw zo ze met haar gemaal te doen gehad heeft, die voorheen in wijn gekookt en gedronken. Item, neem tormentilwortels en weegbreekruid en nuttig dat met het sap van weegbree ‘s avonds en ’s morgens, dit is erg goed (5) dissuris, dat is de koude plas.

(3) De wortel gekookt in regenwater en de damp onderop gelaten en daarna dat poeder gemengd met honing en daarna als een pleister gelegd op de buik helpt de vrouwen dat ze des ter beter ontvangen mogen. Wie de rode loop heeft die verpoederd de wortels en drinkt dat met wijn, het helpt. De wortels is goed genuttigd voor alle vergif, die gepoederd en dat gedronken met wijn. Wie de derdedaagse malariakoorts heeft die drinkt van deze wortels en van het kruid, het helpt. Het sap van tormentil gemengd met kamilleolie en gestreken aan de mensen waar die ziekte aan de mensen woedt, het helpt. (6) Item, tormentilwater met gepoederd thucia vermengt is goed tegen de vloeiende ogen, de thucia zal daarvoor gelegd zijn vele malen in rozenwater. (7) Item, tormentil gepoederd en met zuringwater genuttigd dat is goed tegen de pest. [430]

Dodonaeus; ‘In onze tijden en wat daarvoor heeft dit kruid de naam Tormentilla op het Latijns gekregen. De Hoogduitsers noemen het Birckwurt Blutwurz en Rot heylwurtz.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Pandecta zegt dat het een kruid is dat gelijk is aan Pentaphyllum (dat is vijfblad) anders dan dat tormentil zeven bladeren heeft. (4) Haar bloem is rood. (3) Het heeft de kracht om te helen en het ontvangen van een vrucht te versterken.

(5) Tegen dysurie (dat is alle uren plassen met pijn) en tegen furie (dat is niet kunnen plassen).

(6) Tegen blindheid van de ogen kook je tormentil met tuchia, met gewreven en gezuiverde kalmijn of zinkerts en gebruik het.

(7) Het poeder daarvan is goed tegen kanker en tegen het venijn, hetzij pestachtig of van gedierte, als je het van binnen met zuringwater in neemt volgens Pandecta.


klee cccxcvii Ca

Trifolium latine·grece lotos vel zhτat vel lotus arabice handachuca vel chua vel cuff·

(Serapio in dem capitel handachuca beschτeibet uns und spricht·das do seÿe zweÿerhandt klee·Eine zåme·die ander wilde·Die wilde hat einen stengel zweÿer arm lang·und hat vil cincken·und hat einen samen der geleichet fenugrecum·dz ist siben gezeÿte samen·allein das d an d wilden kle kleiner ist·Die heimischen klee sind uns wol bekant und wachþen gern in den gårten und haben einen dünnen stengel mit bletern der sind dτeü an einem stil·(Diascoτides spτicht·dz auch ein ander gewåchþ seÿ dz klee heisse·und die wachsen auf dem wasser·Diþ kraut hat einen stengel geleich den bonen und hat einen weissen samen·Dises kraut hat von natur dz es sich erczeÿget so die sunn aufgeet und wenn sÿ nÿder geet so tunckt es sich wider under das wasser. (In babilonien machen sÿ bτott auþ disem samen·und dz stercket und temperieret dem menschen sein geblŭt·Trifolium ist heÿþ an dem ersten grade·(Klee gesoten in wasser und dz getruncken ist gůt der einen erkalteten magen håtte·und dises wasser ist auch gůt d do het daz darm gegichte·Dises wasser geleget mit einem tŭchlein do der tarant gebissen het oder ander vergifftige thiere benymmet jm den schmerczen davon·Der samen der wilden klee ist besser und stercker in der krafft dann das krautte·(Der same gestossen und das bulfer gestreüwet auff das verwundet oder zerschτunden gemåcht hilft fast wol. (Platearius diser same gesoten in wein und den getruncken an dem anfang d wassersucht benymmet sÿ zůhant. Der same gesoten und dem tampff unden auff gelassen hilfft d verstopfften matrice und reÿniget sÿ. (Diascoτides spτicht dz des heÿmischen klee samen und seine bletter gesoten in wasser und dz getruncken hilfft den die ein geschwer haben an d bτust·und ist auch gůt wider dem blůtgang und wider sant valentins suchte und wid wassersüchtung·(Der [431] tercianam håtte der trinck von klee samen und von dem kraute mit wein gesoten es hilfft·

(1) Klaver, 397ste kapittel.

Trifolium Latijn. Grieks lotos vel zhrat vel lotus. Arabisch handachuca vel chua vel cuff. (Trifolium pratense)

Serapio in het kapittel handachuca beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig. Een tamme en de andere wild. (Lotus corniculatus). De wilde heeft een stengel van twee armen lang en heeft veel bochten en heeft een zaad dat lijkt op fenugrecum, dat is zevengetijde zaden, (Trigonella foenum-graecum) alleen dat die aan de wilde klaver kleiner is. De geteelde klaver is ons goed bekend en groeit graag in de tuin en heeft een dunne stengel met bladeren die zijn drie aan een steel. (4) Dioscorides spreekt dat ook een ander gewas is dat klaver heet en die groeit op het water. (Nymphaea of Nelumbo) Dit kruid heeft een stengel gelijk de bonen en heeft een wit zaad. Dit kruid heeft van natuur dat het zich vertoont als de zon opgaat en als die neer gaat dan duikt het weer onder dat water. In Babylonië maken ze brood uit deze zaden en dat versterkt en tempert de mensen zijn bloed. Trifolium is heet aan de eerste graad. Klaver gekookt in water en dat gedronken is goed die een verkouden maag heeft en dit water is ook goed die er heeft de darmjicht. Dit water gelegd met een doekje daar de tarantella gebeten heeft of ander vergiftig dier beneemt het de smarten daarvan. De zaden van de wilde klaver is beter en sterker in de kracht dan dat kruid. Het zaad gestoten en dat poeder gestrooid op dat verwonde of ontstoken geslacht helpt erg goed. Platearius, dit zaad gekookt in wijn en dan gedronken aan de aanvang van de waterziekte beneemt ze gelijk. (2) Dat zaad gekookt en de damp onderop gelaten helpt de verstopte baarmoeder en reinigt ze. (3) Dioscorides spreekt dat de geteelde klaverzaden en zijn bladeren gekookt in water en dat gedronken helpt die een zweer hebben aan de borst en is ook goed tegen de bloedgang en tegen Sint Valentijns ziekte (vallende ziekte) en tegen waterzucht. Die [431] de derdedaagse malariakoorts heeft die drinkt van klaverzaden en van het kruid met wijn gekookte, het helpt.

(1) Dit gewas is hier te lande eigenlijk klaveren genoemd, in het Latijn Trifolium pratense, in het Hoogduits Wisenklee Fleyschblumen, Kle, Klee, Klehe, Klewer.

(4) Opvallend dat de Gart hier spreekt van de Egyptische boon, Nymphaea, die wel Lotus genoemd werd, daar zou je een verwarring verwachten.

scharpfkle

Das cccxcviii Ca

Trifolium acutum latine·

(Die meister spτechendt·da diser klee seÿ an den bletern spiczig unnd nit als gar rotunde als die voτ disem capitel·darumb sÿ scharpff klee heÿssend·(Diser scharpffer klee ist von natur warm und trucken an dem ersten grad·(Diascoτides der spτicht·das diser klee zů vil sachen gůt seÿe und sunderlichen der same·(Wôlicher nicht lust håte der essen der siede disen samen… ein und trincke den dτeÿ abent nach einander·darnach nÿmm gestossen ÿngwer ein quintin ein mit eþsig auch dτeý abent·und tåglichen an dem moτgen warm so wirt du schwiczen·und was bôses in dem magen oder auþs dem magen ist dz geet mit dem schweÿþ aller hin·(Wôlcher dz gegicht hette in dem rucken oder den d krampfe zôhe·der neme dise klee ein handt vol·herba paralisis eÿn halbe handt vol·dise zweÿ seüde in wein und schmiere die gelÿder damit·das gegicht und der krampff mag dir nit geschaden und verzeühet sich gar bald und dises schmieren sol geschehen in dem zů nemen des mones·

(1) Scherpe klaver.

Dat 398ste kapittel.

Trifolium acutum Latijn. (Psoralea bituminosa)

De meesters spreken dat deze klaver is aan de bladeren spitser en niet als erg rond zoals die voor dit kapittel en daarom ze scherpe klaver heet. Deze scherpe klaver is van natuur warm en droog aan de eerste graad. Dioscorides die spreekt dat deze klaver tot veel zaken goed is en vooral het zaad. (2) Wie niet lust heeft te eten die kookt deze zaden… in en drinkt dat drie avonden na elkaar, daarna neem gestoten gember een 1, 67gram in met azijn, ook drie avonden en dagelijks aan de morgen warm dan gaat u zweten en wat voor kwaads er is in de maag of uit de maag is dat gaat met het zweet alle heen. (3) Wie de jicht heeft in de rug of die de kramp roert die neemt deze klaver een hand vol, Primula, een halve hand vol, en deze twee kook in wijn en smeer de leden daarmee, de jicht en de kramp mag je niet beschadigen en vertrekt zich er gauw en dit smeren zal geschieden in het toenemen van de maan.

Dodonaeus ‘(1) Deze soort van klaveren heten in het Latijn Trifolium Trifolium bituminosum.

Reynfar cccxcxix C [432]

Tanacetum grece et latine·

(Die meÿster spτechen das dises seÿ ein kraute das hatt gar kleine bleter beÿnahe den fenchel·unnd einen kleinen samen und wechset geren auff den hohen bergen gån mittem tag·und hat ein blůmen die ist sŭþs geleich als das hônig·(Tanacetum ist von natur heÿþs und trucken an dem ersten grad·und dises kraut ist gůt genüczt für den stein·und des geleichen der same·Und ist auch sunderlichen gůt stranguiriosis·dz ist die do mit not neczen·(Wôlicher febτes het wie die wåren der neme dises safftes ein mit wegrich wasser auf zweÿ quintin er genÿset·(Wôlche frawen jre kinder leibhåfftig und frisch behalten wôllen die sollen die kinder über dem rauch halten dises krautes der benymmet jn alle zůfållige sucht und alle bôse gespenþt des teüfels und mag jn nit geschaden·(Dises krautes wurczeln gesoten mit baumôle unn die gichtigen gelÿder damit geschmieret benymmet das gegicht darauþ·(Platearius die wurczeln mit hônig eingenommen ist fast gût allen verlamten gelýderen·(Plinius wôlicher febτes hette der nucze dise wurczel mit rosenôle und schmiere sich damit er genÿset·(Cassius felix reÿnfar ist gůt den frawen dÿe mit kinderen geend·den samen genüczet mit zucker·(Item dises kraut gedôτret und gestossen zů bulfer und das die frauwen eingenommen mit wein auff ein halbe lot reÿniget jne die můter.

(Item reÿnfar mit hônig genüczet ist gůt wider die würm. (Item reÿnfar in wein gesoten ist gût wider den stein in dem lenden und auch in der blasen sundegen·und also genüczet bτinget den frawen jr feüchtigkeit menstruum genant·und ist auch gůt wider das fieber quotidian und quartan·

(1) Reinvaarn, 399ste kapittel. [432]

Tanacetum Grieks en Latijn. (Tanacetum vulgare)

De meesters spreken dat dit is een kruid dat heeft erg kleine bladeren bijna de venkel en kleine zaden en groeit graag op de hoge bergen gaan midden op de dag en heeft een bloem die is zoet gelijk zoals de honing. Tanacetum is van natuur heet en droog aan de eerste graad en dit kruid is goed genuttigd voor de steen en desgelijks het zaad. (2) En is ook uitzonderlijk goed stranguiriosis, dat is die er met nood plassen. (3) Wie koortsen heeft en welke dat zijn die neemt dit sap in met weegbreewater op twee quintin, hij geneest. (4) Welke vrouw haar kinderen levenskrachtig en fris behouden wil die zullen die kinderen over de rook houden, dit kruid dat beneemt hen alle toevallige ziektes en alle kwade gespinst van de duivels en mag je niet beschadigen. Dit kruid zijn wortel gekookt met olijvenolie en de jichtige leden daarmee gesmeerd beneemt de jicht daaruit. Platearius, die wortel met honing ingenomen is erg goed alle verlamde leden. (3) Plinius, wie koorts heeft die nuttigt deze wortel met rozenolie en smeer zich daarmee, hij geneest. Cassius Felix, reinvaarn is goed de vrouwen die met kinderen gaan, de zaden genuttigd met suiker. (5) Item, dit kruid gedroogd en gestoten tot poeder en dat de vrouwen ingenomen met wijn op een half lood reinigt hen de baarmoeder.

(6) Item, reinvaarn met honing genuttigd is goed tegen de wormen. Item, reinvaarn in wijn gekookt is goed tegen de steen in de lenden en ook in de blaas bijzonder en alzo genuttigd brengt het de vrouwen hun vochtigheid menstruatie genaamd en is ook goed tegen de vijf en vierdaagse malariakoorts.

(1) ) Dodonaeus; ‘In onze tijden wordt dit kruid Tanacetum genoemd. De Hoogduitsers noemen het Reinfarn, de Nederlanders reinvaarn.

Herbarius in Dyetsche; ‘(6) Als het sap van reinvaarn met honing gemengd is doodt het de brede wormen in de buik.

(2) Tegen aandrang tot waterlozing of voor degene die met moeite plassen is het bijzonder goed om reinvaarn met venkelzaad, te drinken.

(3) Gekookte reinvaarn met hertstong, sennebladeren, peterseliezaad, venkelzaad, Bruscus, asperge, rozijnen en zoethout dat met suiker gezoet is is goed tegen vierde daagse malariakoorts .

(5) De rook die van onder in de baarmoeder ontvangen wordt van reinvaarnsap dat gekookt is met laudanum zuivert de baarmoeder.

Herbarijs; ‘

(4) Teilinck zegt dat in Neder-Bretanje het volksgeloof bestaat dat wie op Paasmaandag en dinsdag een tas reinvaarntee drinkt, het Boze wezen (koorts) gedurende het hele jaar verdrijft.

Terra sigillata

Das cccc Capi

Terτa sigillata latine·grece lempnia fragidus·arabice teumacen vel humatum vel terimatin·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel teumacen idest tera sigillata·beschτeibet uns und spτicht dz terτa sigillata graben werde beÿ dem môτ do kein baum wechþt noch kein kraute od do auch kein stein ist·(Dise gegrabne erden tůt man in wasser·dises rŭret man fast wol dz das wasser geleich dick wirdt·und darnach so låþt man dises ein weil steen so lang bÿþ das es sich ein wenig senckt zů grunde und schütt dann dises oben ab. Darnach so nÿmm dann die glepserig materien darauþ und würft hin die kÿþligen materien·dise feÿþte oder glepserige materien sol trucken werden daz es wirdt als wachþ·darnach so machet man kleine trociscos darauþ un [433] sigilliert die oben und leget die in die lüffte und nit an die sunnen also lang dz die dürτe und hertt werden·(Platearius in dem capitel terτa sigillata beschτeibet uns unnd spτichet·das diþ seÿ kalt und trucken getemperieret. (Diascoτides spτicht daz terτa sigillata eingenommen mit wein benymmet die vergiffte des menschen·(Item terτa sigillata ist fast gůt gebτauchet für die pestilenz·(Wer von terτa sigillata trüncke und darnach in eÿnem getranck tôdliche gifft neme dem fert sÿ oben auþ und bτinget jm keinen schaden·(Dises ist auch güt genüczet d do gebissen wirt von einem vergifftigen thiere·(Serapio spτicht dz und allen eτczneÿen keine also gůt seÿ domit alle flüsse des bltes zů stopffen als do ist terτa sigillata·

(Terτa sigillata geleget auff die gebτenten haut·machet das kein blasen auflauffen mag und es heÿlet auch bald davon·

(Terτa sigillata eingenommen der do gefallen wåre oder in jm håtte geliebert blůt od het zerknüste gelider er genÿþt zůhant. (Ein salben gemacht von terra sigillata und mit dem weissen eines eÿes und auff den schlaff geschmieτet und auff die stýren ist stillen den fluþ des geblŭttes auþ der nasen·(Ein pflaster gemachet von terτa sigillata und mit rosenôle und eþsig und mitt einem eyes weiþ auff den magen gelegt ist gůt wider dem fluþ der stůlgång·

(1) Terra sigillata. Gezegelde aarde.

Dat 400ste kapittel.

Terra sigillata Latijn. Grieks lempnia fragidus. Arabisch teumacen vel humatum vel terimatin.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel teumacen, id est terra sigillata, beschrijft ons en spreekt dat terra sigillata gegraven wordt bij de zee daar geen boom groeit noch geen kruid en waar ook geen steen is. Deze gegraven aarde doet men in water en dit roert men erg goed zodat dat water gelijk dik wordt en daarna zo laat men dit een tijdje staan zo lang totdat het zich een weinig bezinkt tot de grond en schudt dit dan boven af. Daarna zo neem dan de kleverige materie daaruit en werpt heen de kiezelige materie, deze vette of kleverige materie zal droog worden totdat het wordt als was, daarna zo maakt men kleine koekjes daaruit en [433] verzegelt die boven en legt die in de lucht en niet aan de zon alzo lang totdat die droog en hard worden. Platearius in het kapittel terra sigillata beschrijft ons en spreekt dat dit is koud en droog getemperd. Dioscorides spreekt dat terra sigillata ingenomen met wijn beneemt dat vergift van de mensen. Item, terra sigillata is erg goed gebruikt voor de pest. (2) Wie van terra sigillata drinkt en daarna in een drank dodelijk gif inneemt die vaart ze boven uit en brengt hem geen schade. Dit is ook goed genuttigd die er gebeten wordt van een vergiftig dier. Serapio spreekt dat onder alle artsenijen geen alzo goed is daarmee alle (3) vloeden van het bloed te stoppen zoals dan is terra sigillata.

Terra sigillata gelegd op de gebrande huid maakt dat geen blazen oplopen mogen en het heelt ook gauw daarvan.

Terra sigillata ingenomen die er gevallen is of in hem heeft gestold bloed of gekneusde leden, het geneest het gelijk. Een zalf gemaakt van terra sigillata met het wit van een ei en op de slaap besmeert en op het voorhoofd is stillen de vloed van het bloed uit de neus. Een pleister gemaakt van terra sigillata en met rozenolie en azijn en met een eierenwit op de maag gelegd is goed tegen de vloed van de stoelgang.

(1) Terra; aarde, sigillata; verzegeld. Een rode, zachte, dichte aarde.

Van Beverwijck (2) Geneest de beten van de slangen en ander venijnig gedierte, helpt tegen pestachtige koortsen, (3) stelpt het bloedspuwen, rode loop en zinkingen.

Ein wurczel also genant

Cccci Ca

Tapsia grece et latine·arabice mezaharan·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel tapsia beschτeibt uns und spτicht dz dises sey ein stamm der hat bletter geleich dem fenchel·und oben an den ôsten hat dises kronen geleich als dÿlle und hat ein weisse blůmen und einen breÿten samen der geleichet dem liebstickel·Die wurczel ist weÿþ und dick und hat grobe rinden·und dise wurczel hat einen scharpffen gerauch. (Von disem kraut samelt man die dτenen oder die tropffen also. Man grebt umb dz kraut ein tieffe hüle und schneidet die rin [434] den umd den stammen ab und decket die grůben zů mit bτetern umb des willen dz man do des moτgens die tran oder tropffen reÿn müg finden·und dann den andern tag so ist die feüchtung ein wenig geestanden·die hebet man auff und låþt die do trucken werden·Dises safftes tugent ist groþ·(Diascoτides der spτicht. Wenn man den safft dises krautes und wurczeln sameln wil so sol man dz antlicz nit gån dem windt keren wann der saft zeτschwôllet das antlicz unnd die hende·(Diser rinden und wurczeln safft mit mulsa des moτgens nŭchtern eingenommen purgiert oben unnd onden auþ·(Item diser wurczeln sol man nit nüczen über dτeü halleτ gewichte·oder viere·und des safftes nitt über zweÿ haller gewichte·und wôlcher darüber des einnÿmmet dem bτinget es den todt·(Isaac in dem bůche genant viaticum in dem capitel de moτpfea beschreibet uns gar ein gůts ungent für den gebτesten der ausseczigkeit also·Nÿmm tapsie·elleboτum album et nigrum·senff samen·radten·bertram·ÿegkliches ein quintin·eufoτbij scamonee salis armoniaci sandarace ÿegkliches·xiiij·gersten kôτner schwår costi coloquintide rauten alaun stafisagrie nitri·yegklichs einem halben scrupel·dises gebulferet und getemperieret mit eþsig und wåsche die haut damit es benymmet alle maledeÿ von dem leybe. (Item diþs ist seer hiczen und hat wenig feüchtung in jm·Serapio·(Dises kraut mit schüsselblůme in wein gesoten und auff dz gegicht in dem beÿnen geleget genant sciatica stillet die wetumb·(Tapsien fast gestrichen auff die haut do dz har auþfelt machet wider har wachþen·

(1) Thapsia.

401ste kapittel.

Tapsia Grieks en Latijn. Arabisch mezaharan. (Thapsia garganica)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel tapsia beschrijft ons en spreekt dat dit is een stam en die heeft bladeren gelijk de venkel en boven aan de twijgen heeft deze kronen gelijk als dille en heeft een witte bloem en een brede zaden die lijkt op maggiplant. De wortel is wit en dik en heeft grove bast en deze wortel heeft een scherpe reuk. Van dit kruid verzamelt men de tranen of druppels alzo: Men graaft om dat kruid een diepe geul en snijdt die [434] bast om de stam af en dekt de groeven toe met planken vanwege dat men dat ’s morgens die traan of druppel rein mag vinden en dan de volgende dag zo is die vochtigheid een weinig gestold en die heft men op en laat die zo droog worden. Dit sap zijn deugd is groot. Dioscorides die spreekt: (2) Als men dat sap van dit kruid en wortels verzamelen wil zo zal men dat aangezicht niet aan de wind keren want het sap zwelt op dat aangezicht en de handen. (3) Deze bast en wortelsap met wijn en honing ‘s morgens nuchter ingenomen purgeert boven en onder uit. Item, deze wortels zal men niet nuttigen over drie haller gewicht of vier en het sap niet over twee haller gewicht en wie daarover dat inneemt die brengt het (4) de dood. Isaac in het boek genaamd viaticum in het kapittel de morfea beschrijft ons erg een goede zalf voor de gebreken van de (5) huiduitslag alzo: Neem thapsia, Helleborus album en nigrum, mosterdzaden, zwarte kummel, bertram, van elk 1, 67 gram, Euphorbium, scammonea, zout ammoniacum, sandarak, van elk 14 gerstekorrels zwaar, costus, kolokwint, ruit, aluin, staverzaad, (Delphinium) nitrum, van elk een halve van 0, 065gram, dit gepoederd en getemperd met azijn en was de huid daarmee, het beneemt alle boosaardigheid van het lijf. Item, dit is zeer verhitten en heeft weinig vochtigheid in zich. Serapio. Dit kruid met sleutelbloemen in wijn gekookt en op de jicht in de benen gelegd genaamd sciatica stilt de pijn. Thapsia erg gestreken op de huid daar dat haar uitvalt maakt wederom haar groeien.

Dodonaeus; ‘Deze Thapsia van Dioscorides en Turbith cinericum officinarum genoemd en heet Thapsia in het Grieks naar het eiland Thapsus.

Dodonaeus; ‘Deze schorsen van de wortels van Thapsia ingenomen maken (3) kamergang en jagen daardoor af de taaie koude fluimen en grove humeuren. (5) Deze wortel met olie vermengt geneest de kwade schurftige hoofden wanneer dat haar uitvalt en laat dat haar wederom groeien.

(2) Als men het sap van deze wortel verzamelt of uit het middelste trekt dan komt diegenen die dat doet grote zwellen in het aanzicht aan en de handen worden vol puisten.

frucht also genant

Das ccccii Capi

Tamarindi arabice et latine grece oxifenicia·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel tamarindus beschτeibt uns und spτichet dz diþ vil wachþ in dem lande cesarien·und dise bleter geleichen den weyden bletern·und diþ bτinget man vil auþ jndien·die frucht ist rot und hat auch vil marcks [435] geleich dem cassia fistula·und diþs marck hat ein farb gleich dem saffran·und ist sŭþ geleich dem hônig. (Dise frucht nüczet man in d erczneÿe so dÿe kôτner herauþ kommen und sind frisch besser dann alt. (Der meister paulus in dem capitel de tamarindo spτicht dz die sind kalt und trucken an dem andern grad·(Tamarindi treÿbet auþ coleram und beneme dz bτechen·auch benemen sÿ dz jucken d haut·(Tamarindi gesoten in wasser und dz getruncken benÿmmt den durst·(Avicenna in seinem bůch genant de viribus coτdis spτicht dz tamarindi krefftigen das hercz und machen dem gůt geblŭt. (Für die uτschlechten variole genant die gar gefård sind den kinden·nÿmm tamarinden iubübe datteln ÿegklichs geleich vil und seüde diþ mit linsen bτŭ und gibe dz dem siechen zů trincken es hilfft·

(1) Tamarinde.

Dat 402de kapittel.

Tamarindi Arabisch en Latijn. Grieks oxifenicia. (Tamarindus indica)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel Tamarindus beschrijft ons en spreekt dat dit veel groeit in het land Cesarien en deze bladeren lijken op de wilgenbladeren en dit brengt men veel uit Indië, de vrucht is rood en heeft ook veel merg [435] gelijk de Cassia fistula en dit merg heeft een verf gelijk de saffraan en is zoet gelijk de honing. Deze vrucht nuttigt men in de artsenij zo de korrels eruit komen en zijn verser beter dan oud. De meester Paulus in het kapittel de tamarindo spreekt dat die zijn koud en droog aan de andere graad. (2) Tamarindus drijven uit coleram en benemen dat braken, ook benemen ze dat jeuken van de huid. Tamarindus gekookt in water en dat gedronken beneemt de dorst. Avicenna in zijn boek genaamd de viribus cordis spreekt dat Tamarindus versterken dat hart en maken die goed bloed. Voor de oerslechte variole genaamd die erg gevaarlijk is de kinderen, neem tamarindebast, jujube en dadels, van elk gelijk veel, en kook dit met linzen brei en geef dat de zieken te drinken, het helpt.

(1) Dodonaeus; ‘De naam Tamar-Indi betekent zo veel al of men dadels van Indien zei.

Herbarius in Dyetsche; ‘Tamarindi (2) laxeert gal en bedwingt haar verbranding.

Honigtaw

Das cccciii Ca

Tereniabin grece et latine.

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel tereniabim·idest mel roτis beschτeÿbet uns und spτicht dz dises seÿ ein tawe der do fellet von dem hÿmmel·und geleichet dem koτnichten hônig·und der tawe fellet geren auff die baum·(In dem lande genant coτastem·und gån der sunnen auffgang·Dise baum haben grûne bleter und grŭne doτen·und rote blůmen und die blůmen bτingen kein frucht·Sein tugent ist den bauch weÿchen und der bτust feüchtung zůgeben·und ist sunderlichen gůt genüczet dem die do bôse unnatürlichen hicz in jn haben·und dises ist der beste tereniabin der do weÿþ ist und neüwe·(Plinius beschτeibet uns und spτicht·das tereniabin genüczet mit fenchel saft benymmet die geschwulst jnnwendig des leÿbes·Und benymmet auch sunderlichen die geschwulst die sich erhebet von der heÿssen febτes. Also genüczet benÿmmet auch den durst·(Item hônig tawe genüczet mit klein rosÿn benymmet den durst·und ist auch gůt wider die hÿcze des fiebers mit endivien wasser genüczet·[436]

Honingdauw.

Dat 403de kapittel.

Tereniabin Grieks et Latijn. (Alhagi maurorum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel tereniabim, id est mel roris, beschrijft ons en spreekt dat dit is een dauw die er valt van de hemel en lijkt op de korrelige honing en de dauw valt graag op de bomen. In het land genaamd Corastem en tegen de zonsopgang. Deze boom heeft groene bladeren en groene dorens en rode bloemen en die bloemen brengen geen vrucht. Zijn deugd is de buik weken en de borst zijn vochtigheid te geven en is vooral goed genuttigd die er de kwade onnatuurlijke hitte in zich hebben en dit is de beste tereniabin die er wit is en nieuw. Plinius beschrijft ons en spreekt dat tereniabin genuttigd met venkelsap beneemt de gezwellen inwendig van het lijf. En beneemt ook vooral de gezwellen die zich verheffen van de hete koortsen. Alzo genuttigd beneemt het ook de dorst. Item, honingdauw genuttigd met kleine rozijnen beneemt de dorst en is ook goed tegen de hitte van de koorts met andijviewater genuttigd. [436]

Zie kapittel 267. Dit komt van een doornige boom zoals van Alhagi maurorum.

Het gewas levert, met andere soorten, een soort van manna die Perzische- of alhagimanna genoemd wordt.

ein wurczeln also genant

cccciiii capit

Turbit arabice·grece et latine caricamion·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel turbit beschτeibt uns und spτicht·das dises sey ein wurczel die wechþt beÿ dem môτe und hat bleter geleich der kressen und hatt einen stammen der ist lang·(Ettliche meister spτechen dz dises kraut hab ein blůme die verwandlet sich dτeÿ mal des tags·An dem moτgen ist sÿ weiþ·an dem mittag ist sÿ purpurfarben·und umm vesperzeit ist sÿ rot·(Diþ krautes wurczel nüczet man in d erczneÿ·(Der meister paulus in seinem bůch in dem capitel turbit beschτeibt uns und spτicht dz die seÿ heÿþ und trucken an dem dτitten grad·(Johannes mesue spτicht·dz die wurcz turbit komme von einem kraut dz jn ime hat milch geleÿch dem titimallo od esule·So die turbit ÿe frischer ist so sÿ ÿe mer würckt und wenn die alt ist so wirt sÿ getemperiert in jrer natur·(Hie ist zů wissen dz turbit nit sol genüczet werden in keiner erczney sÿ seÿ dann voτ rectificieret also.(Der wurczeln rinden sol man oben abschaben biþ auf dz weiþ darnach die wurczel conficieren mit lauterm mandelôle·und wenn man die nüczen wil so sol man sÿ nüczen mit jngwer vermenget. Und also genüczet benymmet die groben feüchtung und treibet die leichtlich auþ dem menschen durch dem stůlgang·(Platearius·turbit purgiert dem magen und raumet die bτust·(Wôlcher diser wurczeln in dem monat einest nüczet d wirt nit ausseczig·Und wer diser wurczeln bτauchet d sol meyden fisch und schweinen fleisch·(Item turbit mit wenig zucker und wenig ÿngwer genüczet ist wider weetumb des gedårmen·und weetumb der fŭþs und der hende genant bodagra und cÿrogra·(Item turbit gebulfert mit hônig ist bôþ fauls fleisch in wunden verzeren·

(1) Turbith.

404de kapittel.

Turbit Arabisch. Grieks en Latijn caricamion. (Operculina turpethum, vroeger heette het Ipomoea turpethum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel turbith beschrijft ons en spreekt dat dit is een wortel die groeit (2) bij de zee en heeft bladeren gelijk de kers en heeft een stam die is lang. Ettelijke meesters spreken dat dit kruid heeft een bloem die verandert zich drie maal per dag. Aan de morgen is ze wit, aan de middag is ze purpergekleurd en om vespertijd is ze rood. Dit kruid zijn wortel nuttigt men in de artsenij. De meester Paulus in zijn boek in het kapittel turbith beschrijft ons en spreekt dat dit is heet en droog aan de derde graad. Johannes Mesue spreekt dat de wortel turbith komt van een kruid dat in hem heeft melk gelijk de titimallus of esule. Zo de turbith verser is zo ze meer werkt en als die oud is dan zo wordt ze getemperd in zijn natuur. Hier is te weten dat turbith niet zal genuttigd worden in geen artsenij tenzij het dan daarvoor verbeterd is alzo: De wortel zijn bast zal men boven afschaven tot op het witte, daarna de wortel mengen met zuivere amandelolie en als men die nuttigen wil zo zal men het nuttigen met gember vermengt. En alzo genuttigd beneemt de grove vochtigheid en drijft die licht uit de mensen door de stoelgang. Platearius, turbith purgeert de maag en ruimt de borst. Wie deze wortels in de maand eens nuttigt die krijgt geen huiduitslag. En wie deze wortels gebruikt die zal mijden vis en varkensvlees. Item, turbith met weinig suiker en weinig gember genuttigd is tegen pijn van de darmen en pijn van de voeten en de handen genaamd podagra en cÿrogra. Item, turbith gepoederd met honing is kwaad vuil vlees in wonden verteren.

Vele soorten werden turbith genoemd. Ook vele wolfsmelk planten heten zo.

(1) Dodonaeus; ‘Turbith wordt dit gewas meest overal genoemd, te weten zowel in Arabië, Perzië en Turkije.

(2) Dodonaeus; ‘Turbith groeit omtrent de zeekant, doch niet zo dichtbij zee dat de zeebaren dat raken of besproeien zouden mogen.

terpentin ccccv ca [437]

Terbentina vel arboτ grani viridis latine grece tebintum vel albotin·arabice botin·

(Die meister spτechen gemeÿnigklich das terpentin seÿ heiþ und trucken von natur·unnd kommet von einem baum der wechþt auff den hohen beτgen·unnd der baum bτinget fruchte die ist grŭn·Der beste terpentin ist weiþ und zåhe·und hat ein gestalt an der farbe geleÿch als glaþ·(Dises genüczet gůt den die do haben einen kalten hůsten und dienet sunderlichen wol ptisicis·das ist die dz abnemen haben·Und terpentin also genüczet sol voτhin bereitet werden mit hônig unnd zucker geleich als ein latwerg·und aussen auf die bτust geleget geleich einen pflaster·(Terpentin gemischet mit hônig und auf die bôsen schwarczen blatern gelegt benÿmmt das wee davon und weichet sÿ behend·(Item in allen ungenten die man machet den leib damit zů wårmen oder hÿczigen mag man terpentin darunder mischen das gibt von natur dem selbigen ungenten temperierunge und nüczung dem leýbe dester baþ.

(Terpentin auff glŭende kolen geleget und den tampff genommen unden herauff zů dem arþdarm benymmet die weetagen do selben so man begeret zů stůl zů geen und vermag dz nit zů volbτingen genant tenasmon·auch so ist diser rauch unden herauff gůt den frawen dem jr můter heτ auþgeet·und oben zů riechen dem jr můter aüffsteigen ist·Die erste kranckeÿt nennet sich pτecipitatio matricis·die ander suffocatia matricis·

(1) Terpentijn, 405de kapittel. [437]

Terbentina vel arbor grani viridis Latijn. Grieks tebintum vel albotin. Arabisch botin. (Pistacia terebinthus)

De meesters spreken gewoonlijk dat terpentijn is heet en droog van natuur en komt van een boom die groeit op de hoge bergen en de boom brengt vrucht die is groen. De beste terpentijn is wit en taai en heeft een gestalte aan de verf gelijk als glas. Dit genuttigd goed die er hebben een koude hoest en dient uitzonderlijk goed ptisicis, dat is die dat afnemen hebben. En terpentijn alzo genuttigd zal daarvoor bereid worden met honing en suiker gelijk als een likkepot en buiten op de borst gelegd gelijk een pleister. Terpentijn gemengd met honing en op die kwade (2) zwarte blaren gelegd beneemt de pijn daarvan en weekt ze behendig. Item, in alle zalven die men maakt het lijf daarmee te verwarmen of verhitten mag men terpentijn daaronder mengen, dat geeft van natuur dezelfde zalven tempering en nuttigt het lijf des ter beter.

(3) Terpentijn op gloeiende kolen gelegd en de damp genomen onderop tot de aarsdarm beneemt de pijnen dezelfde zo men begeert te stoel te gaan en mag dat niet volbrengen genaamd tenasmon, ook zo is deze rook onderop goed de vrouwen die hun baarmoeder er uitgaat en boven te ruiken die hun baarmoeder aan het opstijgen is. De eerste ziekte noemt men precipitatio matricis en de ander suffocatia matricis.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze boom wordt hier te lande terbenthijn-boom of termenthijn-boom genoemd, in het Latijn Terebinthus, in het Duits Termentijn.

Maerlant; ‘Platearius die zegt het, dat men zal nemen gerstemeel en hiervan niet te veel en daarvan een pleister maken die (2) zweren hadden die niet braken, hij doet ze scheuren, dat is bekend.

Weynstein

Das ccccvi Capi

Tartarus grece et latin·

(Platearius circa instans in dem capitel tartarus beschτeibt uns und spτicht·das der seÿe heiþ und trucken an dem vierden grad·und dises ist der beste der do von dem lautteren starcken wein kommet·(Weinstein dienet fast wol zů alten gebτesten und wunden und eczet auþ faules fleische·(Item ein gůtt ungent ad moτpheam et adimpetiginem sive serpiginem·Nymme eþsig ein halbe maþs unnd thů darunder des besten weÿnsteins und lasse den über nacht darjnn steen beÿssen·darnach so secze den also zů den feüwer und müsche darunder ôle von nuþsen und lasse das also steen ein kleine weil·Mit disem ungent schmiere die maledeÿeten haute du genÿsest zůhant·(Weτ geren mager wår der neme weinstein und mastix ÿegkliches geleich vil und nücze dz mit dÿapenidion od ander electuarium·Dises nüczen die saτraceni für die fettung des leÿbes·[438]

(1) Wijnsteen.

Dat 406de kapittel.

Tartarus Grieks en Latijn.

Platearius en Circa instans in het kapittel tartarus beschrijven ons en spreken dat het is heet en droog aan de vierde graad en dit is de beste die er van de (2) zuivere sterke wijn komt. Wijnsteen dient erg goed tot oude gebreken en wonden en eet uit vuil vlees. (3) Item, een goede zalf tegen morpheam en adimpetiginem sive serpiginem: Neem azijn, een halve maat en doe daaronder de beste wijnsteen en laat dat over nacht daarin staan baden, daarna zo zet het den alzo bij het vuur en meng daaronder olie van noten en laat dat alzo steen een kleine tijd. Met deze zalf smeer de boosaardige huid, u geneest gelijk. Wie er graag mager is die neemt wijnsteen en mastiek, van elk gelijk veel, en nuttig dat met dÿapenidion of andere likkepot. Dit nuttigen de Saracenen voor de vetheid van het lijf. [438]

(1) Tartarus, van oud Frans tartre, van midden latijns tartarum.

Herbarius in Dyetsche; (2) Wijnsteen die van de puurste wijn is, is de beste. (3) Van wijnsteen, goudschuim, notenolie en wat azijn tezamen gemengd dat bij het vuur op de wijze van zalf gemaakt is maak je een medicijn tegen diverse soorten van kwade schurft.

ein baum also genant

Das ccccviii Ca

Tamariscus latine·grece mirica vel bτuca·arabice cafa·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis capitulo de Cafa idest tamariscus agrestis spτicht·dz der seÿ zweýerhandt baum·eÿner wÿlde·der ander zåme·Der wilde heisset cafa·der zåme heisset zů latein tamariscus domestica·grece nadahar·arabice athel·Von disen beÿden findest du in dem bůch pandecta von ÿegklichen ein besunder capitel·Von dem heimischen tamarisco lÿse dz·lxix·capitel athel genant von dem wÿlden tamarisco lÿse daz cxx·capitel cafa genant·d wild tamariscus wechþt in dem wassern fast hoch und schlecht auff. (Tamariscus ist warme und trucken in seiner natur·(Item wein darjnnen gesoten ist tamariscus ist gůt wid bestopffung lebern und milczes·und ist vil machen hårmen·und ist gůtt wider den kalten seich·Der zåme wechset in dem lande babilonia und in fenis·und der geleichet dem wilden an d gestalt on allein haben dise underscheidlich früchte wann d heimisch hatt frücht die sind rotund gleich dem galôpfeln der wild hat frücht sind nit als gar rotund sunder långelat·

(Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel tamariscus spτicht daz dises von natur seÿ auflôsen die verherttunge des milczes und d lebern·(Plinius in dem capitel tamariscus spτicht dz dise seÿ heÿþ und trucken an dem andern grad·Die rinden von disen beÿden baumen und auch die wurczel sind fast nücz und gůt wider verhertung des milczes·auch hat die frucht alle tugent an jr die do hat die wurczel·(Diascoτides die bleter gestoten in wein und den getruncken benymmet die geschwulst von dem milcz·(Von disen baumen machet man trinckgeschirτ als becher und kôpff darauþ gar gesunt ist zů trincken für die weetagen und süchte die zich erhebet von der melancoley·(Von diser wurczeln getruncken benymmet alle unflåtigkeit des leibes jnwendig und auch auþwendig [439] (Galienus in dem sibenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel tamariscus spτicht das dÿse rinden gesotten in wein und den getruncken benemen die verhårtung des milcz. (Den mundt gewåschen mitt disem wein benymmet das weetumb der zene und des zanfleisch·

(1) Tamarix.

Dat 407de kapittel.

Tamarix Latijn. Grieks mirica vel bruca. Arabisch cafa. (Myricaria, Tamarix cv)

Serapio in het boek aggregatoris capitulo de cafa, id est tamariscus agrestis, spreekt dat er zijn twee soorten bomen, een wilde en de andere tam. De wilde heet cafa, de tamme heet in Latijn tamariscus domestica, Grieks nadahar, Arabisch athel. Van deze beiden vindt u in het boek Pandecta van elk een apart kapittel. Van de geteelde Tamarix lees het 69ste kapittel athel genaamd, van de wilde Tamarix lees dat 120ste kapittel cafa genaamd, (2) de wilde Tamarix groeit in de waters erg hoog en recht op. Tamarix is warm en droog in zijn natuur. (2) Item, wijn daarin gekookt is Tamarix is goed tegen verstopping van lever en milt en is veel maken plassen en is goed tegen de koude plas. De tamme groeit in het land Babylonië en in Phoenicië en die lijkt op de wilde aan de gestalte dan alleen hebben deze verschillende vruchten want de geteelde heeft vruchten die zijn rond gelijk de galappels, de wilde heeft vruchten die zijn niet als erg rond en vooral langwerpig.

(2) Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Tamarix spreekt dat dit van natuur is oplossen de verharding van milt en de lever. Plinius in het kapittel Tamarix spreekt dat dit is heet en droog aan de andere graad. De bast van deze beide bomen en ook de wortels zijn erg nuttig en goed tegen verharding van de milt en ook heeft de vrucht alle deugd aan zich die er heeft de wortel. Dioscorides, de bladeren gestoten in wijn en dan gedronken beneemt de gezwellen van de milt. (3) Van deze bomen maakt men drinkgerei zoals bekers en koppen daaruit erg gezond is te drinken voor de pijnen en ziektes die zich verheft van de melancholie. Van deze wortels gedronken beneemt alle onflatteuze van het lijf inwendig en ook uitwendig. [439] Galenus in het zevende boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Tamarix spreekt dat deze bast gekookt in wijn en dan gedronken beneemt de verharding van de milt. De mond gewassen met deze wijn beneemt de pijn van de tanden en het tandvlees.

(2) Tamarix cultivars groeien aan zee en waterkanten, hoewel het ook op Myricaria germanica kan slaan die vroeger Tamarix germanica heette. Myricaria heeft meer een noot en zal dus de geteelde zijn.

Herbarius in Dyetsche; (2) Wijn waar tamarisk in gekookt is, is goed tegen verstopping van de lever, van de milt en tegen aandrang tot waterlozing en ook tegen pijn in de blaas die veel laat plassen.

mer disteln ccccviii c

Tribuli marini latine·

(Die meister spτechen das dise distelen werden genüczet in dem ungent agrippe genannt·auch zů vil anderen ungenten.

(Dise disteln sind von nature warm und trucken an dem andern grade·(Der safft von disen distelen ist fast gůt ÿdτopicis das sind die wassersüchtigen den bauch damit gestrichen·Auch alle ander geschwulsten dÿe sich erhaben hond von kelte benÿmmet diser safft die damitt gestrichen·(Hie ist zů wiþsen das dise disteln nit gůt sind in den leib zů nüczen·Aber auþwendig des leibes mag man die wol nüczen·

(1) Waternoten, 408ste kapittel.

Tribuli marini Latijn. (Trapa natans)

De meesters spreken dat deze distels worden genuttigd in de (2) zalf agrippe genaamd en ook tot veel andere zalven.

Deze distels zijn van natuur warm en droog aan de andere graad. Het sap van deze distels is erg goed hydropisis, dat zijn de waterzuchtige, de buik daarmee bestreken. Ook alle ander gezwellenen die zich verheffen hebben van koudheid beneemt dit sap, die daarmee bestreken. Hier is te weten dat deze distels niet goed zijn in het lijf te nuttigen. Maar uitwendig het lijf mag men die goed nuttigen.

(1) Dodonaeus; ‘‘In Brabant worden de noten of vruchten van dit watergewas gewoonlijk waternoten genoemd, in Hoogduitsland Wassernusz, Weihernusz, Seenusz, Stachelnusz en Spitsznusz.

Dodonaeus; ‘ (2) Het sap van die waternoten wordt ook nuttig verzameld en bewaart om in de zalven en medicijnen die tot de ogen dienen te vermengen.

ein sceyn also genantDas ccccix Cap

Tucia latine et grece·arabice thucia·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel thucia spτicht das thucia seÿe ein stein unnd kommet auþ der eτden auch kommet thucia auþ dem ofen·(Thucia hat mancherhande farb·der ein ist weiþ·der ander grün·der dτitte citrin farbe·Der weiþ ist der beste unnd der subtilest·sein tugent ist kelten·(Auch spτechen ettlich meister das thucia komme auþ dem metallen als auþ golde silber und auþ bleÿ·Der auþ bley kommet ist der beste nach dem ersten·(Thucia soll genüczet werden zů der erczneÿen der augen·(Ettlich meisteτ sprechen das diþ gemacht werde mit künsten von etlichen kreüttern und blettern·als von den blettern des feÿgen baums·

(Item von dem blettern der maulberen·dise gedôτret in einen offen und darnach gebulveτt·abeτ diþ hat nit als groþ krafft als das von jme selber wechset an dem erdtrich oder an dem metallen (D·j·)[440] (Von thucia lÿse das bůch Pandecta dz vc·lxxxvj·capitel findest du wie dÿþs gemachet wirt oder wo dz her kommet·

Een scuim alzo genoemd.

Tuchia.

Dat 409de kapittel.

Tucia Latijn en Grieks. Arabisch thucia.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel thucia spreekt dat thucia is een steen en komt uit de aarde, ook komt thucia uit de oven. Thucia heeft vele kleuren, de ene is wit, de andere groen, de derde citroenkleurig. De witte is de beste en de subtielste, zijn deugd is verkoelen. Ook spreken ettelijke meesters dat thucia komt uit het metaal zoals uit goud, zilver en uit blei. Dat uit blei komt is de beste na de eerste. Thucia zal genuttigd worden tot de artsenijen van de ogen. Ettelijke meesters spreken dat dit gemaakt wordt met kunsten van ettelijke kruiden en bladeren zoals van de bladeren van de vijgenboom.

Item, van de bladeren van de moerbei, deze gedroogd in een oven en daarna gepoederd, maar dit heeft niet alzo grote kracht zoals dat van zichzelf groeit aan het aardrijk of van de metalen. [440] Van thucia lees dat boek Pandecta dat 586ste kapittel vind u hoe dit gemaakt wordt of waarvan het komt.

Tuchia zou uit de fijnste vonken van de koperovens afkomstig zijn, het is wit en heel licht. Zinkoxide of zinkwit is ook wel bekend als philosophische wol, wit niets en zinkbloem. Het wordt in Duitsland Nichtes genoemd, - vandaar het spreekwoord ’Nichtes ist die augen gut.

(1) Dodonaeus; naar die brandende en bijtende kracht heten ze ook in het Latijn Urtica, in het Hoogduits Nessel.

Neszeln cccx Ca

(U)Rtica latine·grece ÿgnidalis vel acalifex arabice huiure vel varikstatum vel sarich·

(Der meÿsteτ Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel uτtica beschreibet uns und spτicht das uτtica unnd jr same sind heÿþ an dem anfang des eτsten grades·und trucken an dem andern·der same ist nit als gar trucken als daz kraut ist·(Galienus in seinem bůch genant de cibis in dem capitel Uτtica und auch in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel acalifex beschτeibet uns und spτichet das dises krauts bleter und same gebτauchet werde in der erczneÿ und ist von natur tringen die feüchtigkeÿt des menschen und sunderlich mit schwiczen·(Nesseln genüczet bτinget lust und begird und reÿczet dem menschen zů unkeüscheÿt·

(Nesseln samen ist gůt calculosis das ist die stein haben und sunderlichen in den lenden·(Diascoτides spτicht dz nessel gesoten und die haut da mit gewåschen heilet den bõsen grÿndt. (Nesseln gesotten und die gestossen und aussen auff dem bauch gelegt weichet jn·(Nesseln samen gebulfert und den getruncken mit wein vertreibt den stein in den lenden·(Den samen gestossen und gemischt mit hõnig und also genüczet mit wein benÿmmet den alten hůsten unnd raumet die bτust·(Serapio der same von nesseln genüczet mitt hônig bτinget reýczunge zů unkeüscheyt·(Nesseln bletern gestossen unnd davon gemacht ein pflaster und das gelegt auff eins dobenden hundes bÿþe heÿlet den auff stund·

(Item die bleter gestossen und darunder gemengt salcz und das gelegt auff faul alt schaden als ein pflaster reÿniget die unnd eczet dz faul fleisch auþ·(Des gleichen thůt auch der same gebulfert und in faul wunden gestreüwet friþet sÿe zůhandt·

(Die bletter geleget auff der [441] frauwen heimlicheÿt bτinget die můter zů recht·Nesselnsamen mit hônig genüczt benÿmmt daz keichen und treibet hin die geschwer von der bτust·(Neþeln bletern gesoten und die gemischt mit mirτen und das geleget auff dem frauwen bauch bτinget menstruum·(Der meister Rasis spτicht das ôle von nesseln genüczt weichet dem bauche unnd treÿbet hin die grobe feüchtung·(Johannes mesue spτicht dz nesseln samen geessen mit zwÿbeln oder mit dem dottern eins eÿes bτinget lustung den mannen und auch den frauwen·(Der same gebulveret und gestreüwet in den schaden cancer genant benymmet den czů hant·(Item Isaac spτicht das nesseln beneme die grobe feüchtung und macht harmen und benÿmmet daz lenden wee·(Avicenna spτichet das nesseln mitt wein gestoten und den getruncken hilffet den die schwere edumen unnd vertreibet den alten hůsten und ist gůt den erkalten lungen·(Platearius. Nesseln mit wein getruncken hilffet dem man der mit seinem weÿbe nit wol gemein kan sein·noch baþ hilffet der same mitt pfeffer gestossen unnd den mit hônig gemischet und genüczt·(Nesseln mit baumôle gesoten unnd die haut damit gestrichen wirt schwiczen zůhant·(Item nesseln samen gesamelt in der erne der ist zů allen obgeschτiben gebτesten gůtt und fast besser dann zů andern zeÿten·(Platearius nesseln wurczeln mit starckem wein gestossen und dz gelegt auff das milcz gleich eÿnen pflaster benymmet dÿe geschwulst davon·(Dises genüczet zů der sucht podagra genant und die fŭþ damit gestrichen hilffet fast wol·(Item nesseln bleter gestossen mit salcz und darvon gemachet ein pflaster reÿniget die unreinen wunden und ist auch sunderlichen gar gůtte zů dem geschweren·(Item ôle von nesseln gelassen in die oτen benÿmmet auch jne die geschwulst unnd trücknet alle flieþenden geschwere·(Die meyster spτechen auch dz do seÿ ein ander gestalt der nesseln unnd die heisset in grexen archangelica das ist eÿter nesseln unnd die ist meer heÿsser natur·

(Item wer der starcken suchte warten ist oder hat als dann ist apoplexia der siede eytter neþeln mit wein unnd trincken den dick es vergeet jm·(Item der selben nesseln samen mit hônig gesoten unnd getruncken unnd auch über die lenden gesalbet und gepflastert benÿmmet die lenden sucht·(Der selbigen tranck benÿmmet auch den froste von dem menschen und vertreibt do mit den hůsten den also getruncken und gesalbet·(Auch machet er gesundt die lungen und benÿmmet auch des leibes geschwulst·(Galienus eÿter neþseln bleter mit salcz wol gestoþen und über bôse geschwern ge (D·ij·) [442] legt und gebunden heilet davon auch reÿniget diþ eÿter nesseln geschweτn unnd faul wunden·(Eÿter nesseln bleter in ôle gesoten heilent wunden von dem dobenden hund gebissen·(Diascoτides wenn dz hirn feücht ist und allen tag treüffet und fleüþet der trincke uber eÿter nesseln samen mit gůtem wein gesoten und auch die stirn und dz haubt damit bestrichen·(Wôlicher nit gehôτen mag der sol der selbigen nesseln wurczel in wein oder in wasser sieden und daz trincken es hilfft·(Johannes mesue eÿter nesseln gestossen mit salcz und mit eÿer todttern und mit hôner schmalz gemengt und in dem schweiþ bade die haut damit bestrichen zweÿ oder dτeü male nach einander vertreibet dz gucken und raude haut·(Platearius eÿter nesseln fast in die nasen gelassen wirt von stunden an blůten·(Plinius wôlicher nit schwiczen mag der siede eÿtter nesseln mit baumôle und bestreiche damit die haut er wirt schwiczen on zweifel. (Cassus felix nesseln in eþsig und salcz gesoten und dz genüczet reÿniget den schleÿme auþ dem magen und tůdtet auch die würm darjnne die von unzeitigen obs kommen. (Isaac eÿter nesseln mit baumõle gesoten und die geschwollen fŭsse damit bestrichen vertreibt die geschwulst davon·(Item Albertus spτicht wer dise neþeln mit einem kraut genant gerbel tregt in seiner hant ist sicher voτ seÿnen vemden und voτ fantaseÿ·

(1) Brandnetels, 410de kapittel.

Urtica Latijn. Grieks ÿgnidalis vel acalifex. Arabisch huiure vel varikstatum vel sarich. (Urtica dioica)

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel Urtica beschrijft ons en spreekt dat Urtica en zijn zaad is heet aan de aanvang van de eerste graad en droog aan de andere, het zaad is niet als erg droog zoals dat kruid is. Galenus in zijn boek genaamd de cibis in het kapittel Urtica en ook in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel acalifex beschrijft ons en spreekt dat dit kruid zijn bladeren en zaad gebruikt wordt in de artsenij en is van(2) natuur verdringen de vochtigheid van de mensen en uitzonderlijk met zweten. Brandnetels genuttigd brengt lust en begeerte en hitst de mensen op tot onkuisheid.

Brandnetelzaden is goed calculosis, dat is die de steen hebben en vooral in de lenden. Dioscorides spreekt dat brandnetels gekookt en de huid daarmee gewassen heelt de kwade schurft. Brandnetels gekookt en die gestoten en buiten op de buik gelegd weekt die. Brandnetelzaden gepoederd en dan gedronken met wijn verdrijft de steen in de lenden. De zaden gestoten en gemengd met honing en alzo genuttigd met wijn beneemt de oude hoest en ruimt de borst.(3) Serapio, het zaad van brandnetels genuttigd met honing brengt ophitsing tot onkuisheid. Brandnetelbladeren gestoten en daarvan gemaakt een pleister en dat gelegd op een (4) dolle hond beet heelt die op stond.

Item, de bladeren gestoten en daaronder gemengd zout en dat gelegd op vuile oude schade als een pleister reinigt die en eet dat vuile vlees uit. Desgelijks doet ook dat zaad, gepoederd en in vuile wonden gestrooid vreet ze op gelijk.

(5) De bladeren gelegd op de [441] vrouwen heimelijkheid brengt de baarmoeder recht. Brandnetelzaden met honing genuttigd beneemt dat kuchen en drijft heen de zweer van de borst. Brandnetelbladeren gekookt en die gemengd met mirre en dat gelegd op de vrouwenbuik brengt menstruatie. De meester Rasis spreekt dat olie van brandnetels genuttigd weekt de buik en drijft heen de grove vochtigheid. (3) Johannes Mesue spreekt dat brandnetelzaden gegeten met uien of met de dooier van een ei brengt lust de mannen en ook de vrouwen. Dat zaad gepoederd en gestrooid in de schade kanker genaamd beneemt dat gelijk. Item, Isaac spreekt dat brandnetels beneemt de grove vochtigheid en maakt plassen en beneemt de lendenpijn. Avicenna spreekt dat brandnetels met wijn gestoten en dan gedronken helpt die er zwaar ademen en verdrijft de oude hoest en is goed de verkouden longen. Platearius. (3) Brandnetels met wijn gedronken helpt de man die met zijn wijf niet goed algemeen kan zijn, noch beter helpt het zaad met peper gestoten en dat met honing gemengd en genuttigd. Brandnetels met olijvenolie gekookt en de huid daarmee gestreken wordt zweten gelijk. Item, brandnetelzaden verzamelt in de oogst dat is tot alle opgeschreven gebreken goed en erg beter dan in andere tijden. Platearius, brandnetelwortels met sterke wijn gestoten en dat gelegd op de milt gelijk een pleister beneemt de gezwellen daarvan. (6) Dit genuttigd tot de ziekte podagra genaamd en de voeten daarmee gestreken helpt erg goed. Item, brandnetelbladeren gestoten met zout en daarvan gemaakt een pleister reinigt de onreine wonden en is ook uitzonderlijk erg goed tot (7) de zweren. Item, olie van brandnetels gelaten in de oren beneemt ook die de gezwellen en droogt alle vloeiende zweren.

(8) De meesters spreken ook dat er is een andere vorm van brandnetels en die heet in Grieks archangelica, (Urtica pilulifera) dat is etter brandnetels en die is meer hetere natuur.

Item, wie de sterke ziekte wacht is of heeft een beroerte die kookt etter brandnetels met wijn en drinkt die vaak, het vergaat hem. Item, dezelfde brandnetelzaden met honing gekookt en gedronken en ook over de lenden gezalfd en gepleisterd beneemt de lendenziekte. Dezelfde drank beneemt ook de koude van de mensen en verdrijft die met de hoest, die alzo gedronken en gezalfd. Ook maakt het gezond de longen en beneemt ook de lijf zijn gezwellen. Galenus etter brandnetelbladeren met zout goed gestoten en over kwade zweren [442] gelegd en gebonden heelt daarvan, ook reinigt deze etter brandnetels zweren en vuile wonden. Etter brandnetelbladeren in olie gekookt helen wonden van de dolle hond gebeten. Dioscorides, als de hersens vochtig zijn en elke dag druipt en vloeit die drinkt daarvoor etter brandnetelzaden met goede wijn gekookt en ook dat voorhoofd en dat hoofd daarmee bestreken. Wie niet horen mag die zal dezelfde brandnetelwortel in wijn of in water koken en dat drinken, het helpt. Johannes Mesue, etter brandnetels gestoten met zout en met eierendooiers en met hoedervet gemengd en in het zweetbad de huid daarmee bestreken twee of drie maal na elkaar verdrijft de schele en ruige huid. Platearius, etter brandnetels erg in de neus gelaten wordt van stonden af aan bloeden. Plinius, wie niet zweten mag die kookt etter brandnetels met olijvenolie en bestrijk daarmee de huid, hij wordt zweten zonder twijfel. Cassus Felix, brandnetels in azijn en zout gekookt en dat genuttigd reinigt het slijm uit de maag en doodt ook de wormen daarin die van onrijpe ooft komen. Isaac, etter brandnetels met olijvenolie gekookt en de gezwollen voeten daarmee bestreken verdrijft de gezwellen daarvan. Item, Albertus spreekt wie deze brandnetels met een kruid genaamd duizendblad draagt in zijn hand is zeker voor zijn vijanden en voor fantasie.

(1) Dodonaeus; naar die brandende en bijtende kracht heten ze ook in het Latijn Urtica, in het Hoogduits Nessel.

Herbarius in Dyetsche; ‘In haar is de kracht om te openen en (2) sterk af te drogen.

(7) Als je netelen met radijs kookt en dan met meel van lijnzaad mengt breekt het de blaren die bijna rijp zijn.

De as van netelen is goed tegen kanker. (4) Dezelfde as dat met zout gemengd is, is goed tegen zweren die van hondenbeten komen of van andere zweren en tegen kanker.

(3) Als je het zaad in wijn kookt verwekt het tot onkuisheid. Het poeder van het zaad met een vers ei genomen is voor hetzelfde goed (5) Als je het onder in de baarmoeder met mirre doet dan laat het de stonden komen en opent het de baarmoeder. Olie van netelen is tegen hetzelfde goed en ook helpt het als je het op (6) jichtige leden zalft.

(3) De netelen hebben wat winderigheid in zich om onkuisheid te verwekken vooral als het gedronken wordt met zoete wijn volgens Avicenna, Pandecta en Serapio’.

(8) Dodonaeus; ‘‘Het derde geslacht wordt in Brabant hete netels genoemd, in Hoogduitsland Heyter Nesselen omdat het zo heet en brandend in het aanraken is.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden gewoonlijk in het Nederduits dove netels genoemd, in het Hoogduits Tode Nessel en Taube Nessel.

Todt neszeln ccccxi c

Urtica moτtua latine·

(Die meister spτechen das dise nesseln ein andere natur haben mit dem voτgechτiben·wann dise sind nicht als heýþ unnd trucken natur·Mit disen neþeln macht man gar gele har die geleget in laugen und dz haubte damit gewåschen·Dise wurczel gesotten in wein unnd den getruncken benymmet dem stein in lenden·(Für dem stein in d blasen ist d same d eτsten besser·(Tod nessln gedôτret und darnach gebulvert dises bulver diennet gar wol den pferden dem auff dem ruck dz selbst in die wunden gestreüt. [443] (Diþ bulfer hat alle die krafft die dann hat osterlucÿ·(Item den faulen wunden an dem leibe nÿmm diþs bulfer und osterlucÿ ÿegklichs geleich vil spangrŭn das dτitteil·dises mische under einander mit dem safft von dem sanickel unnd baumôle·dyses wirt ein salbe·dise salbe benÿmmet alle alt gebτesten und heÿlet die on schaden·unnd wann du vernymmest daz der schade gancz frisch seý so bτauch dann ein salb genant unguentum album die heilet darnach gar balde dem schaden·(Urtica moτtua gebulfert ein quintin und holwurcz dτeü quintin· diþs under eÿnander gemischet mit salcz wasser tôdtet die fische in dem wasser die das essen·

(1) Dovenetels, 411de kapittel.

Urtica mortua Latijn. (Lamium cv.)

De meesters spreken dat deze netels een andere natuur hebben met de voorgeschreven want deze zijn niet alzo hete en droge natuur. Met deze netels maakt men erg geel haar, die gelegd in loog en dat hoofd daarmee gewassen. Deze wortels gekookt in wijn en dan gedronken beneemt de steen in lenden. Voor de steen in de blaas is het zaad van de eerste beter. Dove netels gedroogd en daarna gepoederd, dit poeder dient erg goed de paarden, die buiten op de rug daarvan in de wonden gestrooid. [443] Dit poeder heeft alle die kracht die dan heeft Aristolochia. Item, de vuile wonden aan het lijf, neem dit poeder en Aristolochia, van elk gelijk veel, Spaans groen dat derde deel, deze meng je onder elkaar met het sap van de sanikel en olijvenolie, dit wordt een zalf en deze zalf beneemt alle oude gebreken en heelt die zonder schade en als u verneemt dat de schade gans vers is zo gebruik dan een zalf genaamd unguentum album die heelt daarna erg gauw de schade. Urtica mortua gepoederd, 3, 67 gram, en van ruit drie maal 1, 67gram, dit onder elkaar gemengd met zout water doodt de vissen in het water die dat eten.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden gewoonlijk in het Nederduits dove netels genoemd, in het Hoogduits Tode Nessel en Taube Nessel.

yszern kraut ccccxii c

Verbena vel berbena vel sacra herba latine·grece gerobotanum vel peristerion·arabice alhea·

(Der meister Diascoτides in dem capitel gerebotanum idest verbena beschτeibet uns und spτicht das der seÿ zweÿerhand·Eins wechþt krumm·dz ander schlechte·Das erste nennet man pitagoτas czů latein centrum galli unnd die wechset krump·Dÿe ander nennet man zů latein gallanacia oder verbena dise beÿde kreütter haben bletter die sind weÿþfare unnd sind gekerffet geleich dem coτiander bletter und haben einen stamm eins arms lang unnd eÿn lange wurczel die ist dünne·(Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacoτum in dem capitel peristerion·idest verbena spτichet das die seÿ truckener nature unnd ist fast gůtte genüczet zů feüchten oder fliessenden wunden oder zů alten schaden·(Diascorides spτichet das dÿe wurczel seÿ gůtte mit wein getruncken für die gelesucht·und hilfft auch also getruncken dem keichenden. (Jssern kraut gestossen unnd als ein pflasteτ gelegt auff die wunden heilet und trücknet sÿ zůhandt·(Jssern krautes saft mit wein getruncken benymmet die vergifft in dem menschen·

(Die bleter und wurczel geleget in wein und den getruncken benÿmmet tercianam·

(Item der bletter eÿn quintin (D·iij·) [444] in wein gethan und den also laþsen steen vier tag und den darnach in dem munde gehalten heilet die geschwere darjnn·(Diþ kraut gesoten in wasser und in einer wirtschatf der gest damit begossen machet sÿ frôlich und wol gemůt·(Wôlicher tercianam het der neme diser bletter dτü und dτeÿ wurczeln und laþ die steen in wein übernacht und trinck den an dem anfang des fiebers es vergeet jme zůhant·und der quartanam het der nem vier bleter und vier wurczel·(Platearius wôlicher diþ kraut beÿ jm tregt und kommet zů einem siechen und fraget jn wie es jm gang antwurt er wol so genÿset er·antwurte er aber übel so stirbet er·Dises findet man auch geschτÿben in dem passionario·(Der meister paulus spτicht·das eÿsen kraute gesotten mitt wasser und dz genüczt reÿnigt den frauwen jr můter und bτinget jn menstruum·(Den samen mit fenchelsafft gemischt und dz gelassen in die augen reÿniget sÿ und machet ein klar gesicht. (Plinius spτicht dz beÿde verbena als die krumm und die schlechten haben alle ein natur auch spτicht er dz verbena zů vil dingen gůt seÿ und sunderlichen gůtt zů der lebern und zů dem erhaben oder zerschwollen milcz und ist auch gar gůt der siechen lungen·(Item eÿsen kraut unnd wurczeln gestossen unnd auch davon getruncken vertreybet den stein und dises ist auch gar an vil menschen beweret woτden·(Item eÿsen kraut auþ der erden gebτochen so die sunne ist jm wider mitt benonien kôτner umbhangen unnd also an den hals gehencket ist auch vertreiben die fallendt sucht Albertus magnus de virtutibus herbarum·(Item Albertus spτichet auch so man das voτgeschτiben kraut ist legen in ein taubhauþ do sind vil tauben sich sameln·

(1) IJzerkruid, 412de kapittel.

Verbena vel berbena vel sacra herba Latijn. Grieks gerobotanum vel peristerion. Arabisch alhea. (Verbena officinalis)

De meester Dioscorides in het kapittel gerebotanum, id est Verbena, beschrijft ons en spreekt dat het is tweevormig. Een groeit krom en de ander recht. De eerste noemt men Pythagoras en in Latijn centrum galli en die groeit krom. De andere noemt men in Latijn gallanacia of Verbena en deze beide kruiden hebben bladeren die zijn witkleurig en zijn gekerfd gelijk de korianderbladeren en hebben een stam van een arm lang en een lange wortel die is dun. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel peristerion, id est Verbena, spreekt dat die zijn van droge natuur en is erg goed genuttigd tot vochtige of vloeiende wonden of tot oude schade. Dioscorides spreekt dat de wortels zijn goed met wijn gedronken voor de geelziekte en helpt ook alzo gedronken de kuchende. (4) IJzerkruid gestoten en als een pleister gelegd op de wonden heelt en droogt ze gelijk. IJzerkruid en zijn sap met wijn gedronken beneemt het vergif in de mensen.

Die bladeren en wortel gelegd in wijn en dan gedronken beneemt derdedaagse malariakoorts.

Item, de bladeren een 1, 67 gram [444] in wijn gedaan en den alzo laten staan vier dagen en dan (3) daarna in de mond gehouden heelt de zweren daarin. Dit kruid gekookt in water en in een gezelschap de gasten daarmee begoten maakt ze vrolijk en welgemoed. (5) Wie de derdedaagse malariakoorts heeft die neemt deze bladeren drie en drie wortels en laat die staan in wijn overnacht en drink dat aan de aanvang van de koorts, het vergaat hem gelijk, en die de vierdaagse malariakoorts heeft die neemt vier bladeren en vier wortels. Platearius, wie dit kruid bij hem draagt en komt bij een zieke en vraagt hem hoe het met hem gaat en antwoordt hij goed, dan geneest hij, antwoordt hij echter moeilijk, dan ze sterft hij. Dit vindt men ook geschreven in de passionario. De meester Paulus spreekt dat ijzerkruid gekookt met water en dat genuttigd reinigt de vrouwen hun baarmoeder en brengt hen menstruatie. De zaden met venkelsap gemengd en dat gelaten in de ogen reinigt het en maakt een helder gezicht. Plinius spreekt dat beide Verbena, zoals de kromme en de rechte, (een Veronica soort) hebben alle een natuur, (2) ook spreekt hij dat Verbena tot veel dingen goed is en uitzonderlijk goed tot de lever en tot de verheven of gezwollen milt en is ook erg goed de zieke longen. Item, ijzerkruid en wortels gestoten en ook daarvan gedronken verdrijft de steen en dit is ook erg aan veel mensen ondervonden geworden. Item, ijzerkruid uit de aarde gebroken zo de zon is hem tegen en met pioenkorrels omhangen en alzo aan de hals gehangen is ook verdrijven de vallende ziekte, Albertus Magnus de virtutibus herbarum. Item, Albertus spreekt ook zo men dat voorgeschreven kruid is leggen in een duiventil daar zullen veel duiven zich verzamelen.

Dodonaeus 1. het Nederduits ijzerkruid of ijzerhard genoemd, in het Hoogduits Eisenkraut, Eisenhart, Eiserich. In het Latijn somtijds Feria, Colunbiaris en Peristereon orthios en Herba sacra.

Ook Hildegard von Bingen laat ‘Ysena’ gebruiken bij (3) verzweringen en bij gezwellen in de hals.

Herbarijs; ‘(2) En ze is goed voor de ziektes van de zijden, van de lever en van de borst en helpt diegene die tering hebben en geelzucht en de zere ogen, als men haar sap met warm water te drinken geeft.

(3) Het sap van ijzerkruid in de mond gehouden geneest dat mondeuvel (spruw) en de wonden van de mond en zuivert die van allerlei verrotting.

(4) En ijzerkruid gestampt en op een verse gelegd wond geneest ze. (5) En het sap gedronken met warm water voor de aankomst van de derdedaagse malariakoorts geneest ze en van de vierdaagse malaria koorts.

feyeln cccciii Ca

Viola latine·grece leucis arabice feneflig vel fenefig·

(Item in dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und sp [445] rechen daz feÿeln sind kalt in dem ersten grad und feücht an dem ende des andern grads·(Feÿeln sôllen gesamelt werden in dem merczen unnd die trücknen an der sunnen·(Deτ sÿropel von feÿeln soll baþ gesotten werden wann sÿropel von andern blůmen·(Diascoτides in dem capitel leucis idest viola beschτeibet uns und spτicht das feÿeln sind uns wol bekant und dise blůmen werden in der erczneÿe genüczt und die werent ein jare·(Dise blůmen benemen geschwulst von dem magen und das wasser von dýsen blůmen ist gar gůtt für das geschwere in dem hals genant squinancia das gargaisieret·(Der safft von feÿeln kraut benymmet alle erhaben geschwulst die do kommet von hicz·(Des sames getruncken zweÿ quintiu mitt wein bτingt den frauwen menstruum·(Die wurczeln gesoten mit wein und die geleget auff das eτhaben milcz benymmet die geschwulst davon und machet das trucken·(Auch ist diþ sunderlichen gůt genüczet podagricis darüber gelegt als ein pflaster·(Platearius der weÿssen feÿeln gesoten und die geleget auff den bauch der frauwen treibet auþ das todt kindt und benymmet d matricen jr geschwulst unnd auch damit gebeet unden auff reÿniget die matricen und bτinget menstruum·(Der meister Johannes mesue spτicht dz feÿeln benemen haubtwee das do kommet von hicz und machen růwen und schlaffen·und senfftigen auch die bτust und benemen uvulam·das ist das blat in der kelen und auch squinanciam und dises thůt sunderlich der sÿropel von feÿeln·(Die meister spτechen gemeinklich dz do seÿ dτeÿerhande feÿeln·Eÿner ist weÿþ·die ander schwarcz·dye dτitte pfeller far·und haben alle ein krafft in der erczneÿ·(Feÿeln sind gůt gestossen und auff daz verhicziget gelid gelegt an dem leibe·(Veÿeln gerochen oder das kraut auff dem haubt getragen vertreibet die trunckenheit. (Veÿeln in wasser gesoten und getruncken benymmet dz schwerenden zanfleisch·(Veÿeln kraut gesoten und dem bauch nÿderhalb dem nabel mit gebeet hilffet der zerschwollen můter·

(Veÿeln wurczeln gestossen mit eþsig und getruncken hilft dem zerschwollen milczen darauf gelegt·(Dises hilfft auch der sucht podagra darauff geleget·(Platearius feÿel kraut und die wurczel gestossen mit wasser und das getruncken hilffet fast wol die kinder an dem hůsten und ob sÿ schwere etemen. (Veÿeln ôle ist czů manchen sachen gůt und sunderlich dz in die oτen gestossen hilft für allerhand wee darjnn·und benymmet das haubtwee das daran gestrichen·(Mit dem ôle den bauch gestrichen vertreÿbet die spulwürme darein vermenget wurmkraut·(Item ein sýrop (D·iiij·) [446] gemachet von veÿeln blůmen also·nymme feyeln blůmen dτeÿ handt foll und gesoten in waþser und durch geschlagen unnd auch sŭþ gemachet mitt zucker ist fast gůtte wider die hicz des fiebers und bτinget auch stûlgang und ist fast gůt wider die verhiczt leber Platearius·

(1) Violen, 413de kapittel.

Viola Latijn. Grieks leucis. Arabisch feneflig vel fenefig. (Viola odorata)

Item, in het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken [445] dat violen zijn koud in de eerste graad en vochtig aan het eind van de andere graad. Violen zullen verzameld worden in de maart en die drogen aan de zon. (2) De siroop van violen zal beter gekookt worden dan siroop van andere bloemen. Dioscorides in het kapittel leucis, id est Viola beschrijft ons en spreekt dat violen zijn ons goed bekend en deze bloemen worden in de artsenijen genuttigd en die duren een jaar. (6) Deze bloemen benemen gezwellen van de maag en dat water van deze bloemen is erg goed voor de zweer in de hals genaamd squinancia, dat gorgelen. Het sap van violen kruid beneemt alle verheven gezwellen die je komen van hitte. Dat zaad gedronken twee quintin met wijn brengt de vrouwen menstruatie. De wortels gekookt met wijn en die gelegd op de verheven milt beneemt de gezwellen daarvan en maakt dat droog. Ook is dit uitzonderlijk goed genuttigd de podagricus, daarover gelegd als een pleister. Platearius, de witte violen gekookt en die gelegd op de buik van de vrouwen drijft uit dat dode kind en beneemt de matrix zijn gezwellen en ook daarmee gebaad onderop reinigt de matrix en brengt menstruatie. (4) De meester Johannes Mesue spreekt dat violen benemen hoofdpijn dat je komt van hitte en maakt rust en slapen en verzacht ook de borst en beneemt uvulam, dat is de huig in de keel, en ook keelontsteking en dat doet vooral de siroop van violen. ‘(7) De meesters spreken algemeen dat er zijn drie soorten violen. Een is wit, de ander zwart, de derde felle kleur en hebben alle een kracht in de artsenij. Violen zijn goed gestoten en op dat verhitte gelid gelegd aan het lijf. Violen geroken of dat kruid op het hoofd gedragen verdrijft de dronkenschap. Violen in water gekookt en gedronken beneemt dat zwerende tandvlees. Violenkruid gekookt en de buik onder de navel meet gebaad helpt de gezwollen baarmoeder.

Violenwortels gestoten met azijn en gedronken helpt de gezwollen milt, daarop gelegd. Dit helpt ook de ziekte podagra, daarop gelegd. Platearius, vioolkruid en de wortel gestoten met water en dat gedronken helpt erg goed de kinderen bij het hoesten en als ze zwaar ademen. (3) Violenolie is tot vele zaken goed en vooral dat in de oren gestoten helpt voor allerhande pijn daarin en beneemt de hoofdpijn, dat daaraan gestreken. Met de olie de buik gestreken verdrijft die spoelwormen daarin, vermengt met wormkruid. (2) Item, een siroop [446] gemaakt van violenbloemen alzo; neem violenbloemen drie hand vol en kook het in water en doorgeslagen en ook zoet gemaakt met suiker is erg goed tegen de hitte van de koorts en brengt ook stoelgang en is erg goed tegen de verhitte (5) lever, Platearius.

Zie kapittel 432. De afbeelding geeft duidelijk een viool weer.

(1) Dodonaeus; ‘De viool wordt in het Grieks Ion en Ion porphyroun geheten, dat is purperkleurige viool of in het Latijn Viola purpurea. (7) Tot in de 16de eeuw en nog later heette het viooltje, het bolgewas Leucojum en de muurbloem, Matthiola annua, in alle kruidboeken viola en werden alleen door bijwoorden onderscheiden.

Herbarius in Dyetsche; ‘. (2) De siroop van violen maak je aldus: ‘Kook violen in water, dan doe je het door een doek en meng er suiker bij, dat is siroop.

(3) Olie van violen maak je al kokende: ‘Doe de bloemen van violen in olijvenolie wat na de zuivering olie van violen genoemd wordt’.

(5) Tegen verhitting van de lever zalf je aan de buitenkant op de lever olie van violen.

(4) Tegen hoofdpijn die van hete zaken komt en om te slapen strijk je olie van violen op de slapen van het hoofd en op het voorhoofd.

(6) Op hete, beginnende blaren stamp je de bloemen of het kruid van violen en leg het er op.




karten die die weber bτauchen zů dem wüllen tůch ccccxiiii C

Virga pastoτis vel cardo fullonum latine grece dipseus·arabice persenda vel dÿpsacos vel harsiarbat·

(Der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capittel virga pastoτis beschτeÿbet uns unnd spτichet das der seÿe zweÿerhand·Eins menlich·dz ander frauwelich·und diþs ist auch aller meÿster meynunge·(Diascoτides spτicht das dipseus idest virga pastoτis·seye der man·Dises hatt ein langen stamme vol doτn und die bletter geleÿchen dem lattich unnd die bleter sind jnwendig scharpff und auch auþwendig·auch sind die bletter zůsamen gezogen·also das sýe alwegen regenwasser in jn haben und auch dem dauwe·und darumb heisset sÿ Diascoτides in grexum dÿpseus·das ist als vil gespτochen zû teütsch als doτsten·An dem gipffel hat es heübter die sind scharpff unnd sind auch lengelicht·(Auch spτechen ettlich meister das in dem stamm wachsen kleine würmlin. (Serapio spτicht das virga pastoτis dÿe frauwelich heiþ zů latein centumnodia oder cauda vulpis dýe hat einen kleinen stengel unnd wechset gleich auff als ein rõτlin·und diser findest du in dem capitel sanguinaria·(Virga pastoτis ist von natur kalt und auch trucken an dem dτitten grade·

(Item dises kraut gebulvert und das genüczet mit erbeiþ bτŭe stopffet die flüþ die sich zů vil eÿgen·als sunderlich die flüþ der frauwen·(Item dises kraut gestossen unnd gelegt auff das haubt benÿmmet frenesim das ist ein geschwere oben auff den hiren·(Item [447] Avicenna spτicht das der saffte von virga pastoτis gelassen in die oτen tôdtet auch die würm in den oτen und benÿmmet den fluþ der oτen·(Platearius ein pflaster gemachet von dem kraute und das geleget auff dem magen benÿmmet auch die geschwulst davon·(Item dises stopfet auch alle flüþ und blůtenden wunden unnd auch sunderlich den fluþ der frauwen menstruum genant·(Item virga pastoτis gesoten mit wein und darnach gestossen und das als ein pflaster geleget hinden an den afftern vertreibet emoτroidas und seissuras das ist ein fluþ des understen darmes davon wachþen feÿgblatern·(Auch vertreibet das die warczen·(Item die würme die do wachsen in d růten der karten die an des menschen hals gehencket vertreÿbet quartanam·(Item karten bleter in eþsig gesotten mitt eÿes weiþ vermenget unnd auff den bauch geleget bestopfet den fluþ der stůlgenge·

(1) Kaarden die de wevers gebruiken tot de wollen doeken, 414de kapittel. Weverskaarde.

(2) Virga pastoris vel cardo fullonum Latijn. Grieks dipseus. Arabisch persenda vel dÿpsacos vel harsiarbat. (Dipsacus fullonum)

De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel virga pastoris beschrijft ons en spreekt dat het is (3) tweevormig. Een mannelijk en de ander vrouwelijk, en dit is ook aller meesters mening. Dioscorides spreekt dat Dipsacus, id est virga pastoris, is de man. Deze heeft een lange stam vol dorens en de bladeren lijken op de sla en de bladeren zijn inwendig scherp en ook uitwendig, ook zijn die bladeren tezamen getrokken alzo dat ze altijd regenwater in zich hebben en ook de dauw en daarom noemt Dioscorides ze in Grieks dÿpseus, dat is zo veel gesproken in Duits als dorstig. Aan de top heeft het hoofdjes die zijn scherp en zijn ook langachtig. Ook spreken ettelijke meesters dat in de stam groeien kleine wormpjes. (3) Serapio spreekt dat virga pastoris de vrouwelijke heet in Latijn centum nodia of cauda vulpis, die heeft een kleine stengel en groeit gelijk op als een pijp en deze vind u in het kapittel sanguinaria. Virga pastoris is van natuur koud en ook droog aan de derde graad.

Item, dit kruid gepoederd en dat genuttigd met erwtenbouillon stopt de vloed (6) die zich te veel tonen zoals vooral de vloed van de vrouwen. Item, dit kruid gestoten en gelegd op dat hoofd beneemt phrenitis, dat is een zweer boven op de hersens. Item, [447] Avicenna spreekt dat het sap van virga pastoris gelaten in de oren doodt ook de wormen in de oren en beneemt de vloed van de oren. (6) Platearius, een pleister gemaakt van het kruid en dat gelegd op de maag beneemt ook de gezwellen daarvan. Item, dit stopt ook alle vloed en (7) bloedende wonden en ook uitzonderlijk de (6) vloed van de vrouwen menstruatie genaamd. (4) Item, virga pastoris gekookt met wijn en daarna gestoten en dat als een pleister gelegd achter aan het achterste verdrijft hemorroïden en seissuras, dat is een vloed van de onderste darmen daarvan groeien aambeien. Ook verdrijft het de wratten. (5) Item, de wormen die er groeien in de stelen van de kaarden die aan de mensen hals gehangen verdrijft de vierdaagse malariakoorts. Item, kaardenbladeren in azijn gekookt met eierenwit vermengt en op de buik gelegd verstopt de vloed van de stoelgang.

(1) Dodonaeus; “De tamme soort van dit gewas noemen we Dipsacus sativus, dat is tamme kaarde. Het heet Labrum Veneris.

(1) De rijpe hoofdjes worden ontdaan van de vruchten en in de textielindustrie gebruikt voor het kaarden of gladstrijken van het geweven laken.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (4) Het sap daarvan, met goudschuim gemengd, geneest de kloven van de aars, lopende gaten en aambeien van binnen.

(5) De wormen die je in het waterbakje van deze planten vindt die in een leer gebonden en aan de hals gehangen worden daarvan zegt men dat het de vierdedaagse koorts geheel geneest.

(6) Als je kaardenbol en weegbree tezamen stampt en op de baarmoeder legt stopt het de overvloedige loop van de stonden.

Hetzelfde is ook goed tegen de (7) oude loop van het bloed, vanwege gal.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden overal in het Latijn Valeriana genoemd, in het Grieks Phu

Baldrian cccxv c

Valeriana latine fu·arabice grece lichinis·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel fu·idest valeτiana spτicht das dises seÿ ein kraute unnd hatt auch gar kleine lengelichte bleter·(Etlich meÿster spτechen das dÿse bleter geleichen den eppich bletern·Diþ kraut hat ein weiþe blůmen·Sein wurczel ist gleich einem zopff mit hare·(Plinius in dem capitel fu spτicht das dÿses seÿe heÿþ in dem dτitten grade unnd trucken an dem anfang des andern·(Paulus spτicht das die wurczel von disem krautte gebτauchet werde [448] in der erczneÿ·(Dise wurczel macht schwiczen von der getruncken· Auch machet sÿ fast wol harmen·(Stranguiriosis und dissurus das sind die mit nott oder trôpflingenn neczen·Auch die den kalten seich haben ist fast gůt über dise wurczel getruncken·Dise wurczel und das kraut haben gar ein starken gerauch. (Die kaczen reÿben sich an dises kraut und werffen dar wider jren samen·und darumb sol diþ verwaret werden voτ den kaczen dz zů erczneÿ gebτauchet sol weτden·(In dem bůch circa instans beschτeiben uns die meister und spτechen dz dise wurczel gedoτret weret dτeü jar unverseret an jrer natur·(Dÿse wurczel sol in dem augst gesammelt werden·(Baldτian und weiþwurcz under einander gemischet mit rücken mele tôdtet die meüþe·(Baldτian mit fenchelsamen unnd eppesamen in wein gesoten ist sere machen harmen·und ist auch gůt wider lenden weethumb und bτingt auch frauwen feüchtung genant menstruum·

(1) Valeriaan, 415de kapittel.

Valeriana Latijn. Fu Arabisch. Grieks lichinis. (Valeriana phu)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel fu, id est Valeriana, spreekt dat dit is een kruid en heeft ook erg kleine langachtige bladeren. Ettelijke meesters spreken dat deze bladeren gelijken de selderijbladeren. Dit kruid heeft een witte bloem. Zijn wortel is gelijk een bos met haren. Plinius in het kapittel fu spreekt dat dit is heet in de derde graad en droog aan de aanvang van de andere. Paulus spreekt dat de wortel van dit kruid gebruikt wordt [448] in de artsenij. Deze wortel maakt zweten, daarvan gedronken. (2) Ook maakt ze erg goed plassen, stranguriam en dissurus, dat zijn die met nood of druppelend plassen. Ook die de koude plas hebben is het erg goed van deze wortel gedronken. Deze wortel en dat kruid hebben erg een sterke reuk. De katten wrijven zich aan dit kruid en werpen daartegen hun zaden en daarom zal dit bewaard worden voor de katten dan tot de artsenij gebruikt zal worden. In het boek Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken dat deze wortel gedroogd duurt drie jaar onveranderd aan zijn natuur. Deze wortel zal in de augustus verzameld worden. Valeriaan en witte nieswortel onder elkaar gemengd met roggemeel doodt de muizen. Valeriaan met venkelzaden en selderijzaden in wijn gekookt is zeer maken (3) plassen en is ook goed tegen lendenpijn en brengt ook vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie.

(1) Dodonaeus; ‘Deze kruiden worden overal in het Latijn Valeriana genoemd, in het Grieks Phu.

Herbarius in Dyetsche; ‘(2) Het heeft macht om de weg van de urine te openen. Het kooksel daarvan (3) verzacht de pijn van de zijde en beroert om stonden te laten komen.

weinreben ccccxvi C

Vitis latine·grece ampleus·arabice harim vel harm·

(Hie ist auch zů wissen das in disem capitel die meyster uns beschτeiben von der weinreben unnd auch deþgeleichen von dem wein·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Harim idest vitis beschτeibet uns und spτichet das der seÿe zweÿer hande·Die ein ist wilde·die ander zåme·Die zåm dz ist die rebe von dem wein und die ist zweÿerhanden·weiþ und schwarcz oder rotte·Die wilde heisset in grexum ampleus die hatt ein langen stamme der ist holczicht und scharpff und hat samen der gleichet den trauben [449] kôτner und wan sÿ zeitig werden so machen sÿ rot farbe·

(In dem bůch pandectarum in dem capitel Fesera genant findet man vil tugent die uns beschτeiben werden durch die meister von dem weissen weinreben. Auch beschτeiben uns die meÿster in disem ÿeczgenanten bůch in dem capitel harim·Auch vil hübscher tugent von den weinreben unn dem wein·(Galienus spτicht das die wurczel von der weinreben gesoten und gemischt mit wücken unnd sÿben gezeÿde samen und damit gewåschen die unsauber und ausseczigen haut reÿniget die·(Die wurczel mit wein gesoten und auff die heissen geschwern geleget weichet sÿ und zeühet den eÿter hezauþ·(Mit reben eschen ein laugen gemacht und damit gewåschen den leib machet ein reÿn glatte haut·und benymmet die geschwern davon unnd behütet den menschen voτ bôsem grÿndt·(Plinius der safft der auþ der reben treüffet benymmet die rotten flecken an dem leÿbe·unnd machet dem antlücz eÿn hübsche farbe das damit gewåschen neün tage nach einander. (Das selbige wasser benymmet die warczen die dick damit gewåschen und darunder gemischet das wasser das sich auff den eÿchbaumen helt und auff den eÿchen bletern·(Die meÿster spτechen das der wein von den weissen reben ist heiþ an dem andern grade·unnd so eτ fast alte wirt so ist eτ heiþ an dem dτitten·(Der most von der weÿþen trauben ist heiþ an dem ersten grade·als dann spτichet Galienus in dem sechsten bůch genant simplicium farmacoτum·(Serapio spτicht das der saft von den blettern der weinreben sey fast gůtt den geschweren in den dårmen des getruncken und auffen an leÿbe damit gestrichen und ist auch fast gůt den die do blůt speyen·(Das wasser das auþ den reben treüffet getruncken mitt wein benÿmmet den stein·(Mitt disem wasser den leibe gewåschen heÿlet dÿe ausseczigkeit und reÿniget die haut·(Platearius die esche von dem weinreben gemischt mit eþsig und auf die feÿgwarczen gelegt heilet die zůhant·(Die esche gemischt mit rosenôle und rauten ôle und eþsig und das gelegt auff die heissen geschwern als dan ist heripula kelt die und sunderlich für das heÿþ milcze auþwendig darauff gelegt wie ein pflaster·(Die meister spτechen dz der saft von dem unzeitigen weinbern gût seÿ zů vil sachen·dem sol man also machen nÿmm unzeitig trauben und lege die in die sunnen dτeÿ tage oder vier unnd laþ sÿ welck weτden und darnach pτesse dem wein darauþ und behalte dem wol zůgedeckt·Die tugent diþ weins ist von natur stopffen und stercken und sunderlich stercket eτ den magen·unnd ist auch gůt den die nit deüwen mügen. Unnd man sol jn fast alt lassen [450] werde so ist er krefftiger wann neüwe·Auch macht er dem menschen lustig zů essen und ist sunderlich dem gůt die dem durchgang haben·(Serapio spτichet das weisser wein der alt sey und subtÿl mache gůt geblŭte und mache den menschen wol harmen allein das eτ das haubt krencket der vil trincket·(Und alle meister spτechen das es dem magen schedlich seÿ überflüssigen wein getruncken·(Item weissen lautern wein zÿmlichen getruncken jungk und alt leüte hat vil tugent an jme·er stercket die natur des menschen unnd stercket auch den ganczen leib·und machet wol deüwen unnd bτinget dem hirm und dem haubt gůt veτnunft·(Item d rote wein ist von natur stopffen und sunderlich der fast schwarcz ist und solicher wein macht grobe feüchtung und ist dem magen meer schedlich des vil getruncken wann des weissen·Und für dz rote od auþgang mag man wol nüczen roten wein auff das das sich der fluþ damit stopff·(Rabÿ moises ein meister der erczneÿ spτicht dz nichcz bessers seÿ die natur zů krefftigen wann gůter natürlicher wein der subtil lauter und alt seÿ und der zů einer gesunden zeÿt gewaschen seÿ·

(1) Druiven, 416de kapittel.

Vitis Latijn. Grieks ampleus. Arabisch harim vel harm. (Vitis vinifera)

Hier is ook te weten dat in dit kapittel de meester ons beschrijven van de druiven en ook desgelijks van de wijn. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel harim, id est Vitis, beschrijft ons en spreekt dat er zijn twee soorten. De een is wild en de andere tam. De tamme dat is de druif van de wijn en die is tweevormig, wit en zwart of rood. De wilde heet in Grieks ampleus en die heeft een lange stam die is houtachtig en scherp en heeft zaden dat lijkt op de [449] druivenkorrels en als ze rijp worden dan maken ze rode verf.

In het boek Pandecta in het kapittel fesera genaamd vindt men veel deugd die ons beschreven worden door de meesters van de witte druiven. Ook beschrijven ons de meesters in dit net genoemde boek in het kapittel harim ook veel leuke deugd van de druiven en de wijn. Galenus spreekt dat de wortel van de druiven gekookt en gemengd met wikke en zevengetijden zaden en daarmee gewassen de onzuivere en huiduitslag huid reinigt die. De wortel met wijn gekookt en op de hete zweren gelegd weekt ze en trekt de etter eruit. Met druivenas een loog gemaakt en daarmee gewassen het lijf maakt een reine gladde huid en beneemt de zweren daarvan en behoedt de mensen voor kwade schurft. Plinius, het sap dat uit de twijgen druppelt beneemt de roden vlekken aan het lijf en maakt het aanzicht een mooie kleur, dat daarmee gewassen negen dagen na elkaar. Datzelfde water beneemt de wratten, die vaak daarmee gewassen en daaronder gemengd dat water dat zich op de eikenbomen houdt en op de eikenbladeren. De meesters spreken dat de wijn van de witte druiven is heet aan de andere graad en zo het erg oud wordt zo is het heet aan de derde. De most van de witte druiven is heet aan de eerste graad, zoals dan spreekt Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum. Serapio spreekt dat het sap van de bladeren van de druiven is erg goed de zweren in de darmen, dat gedronken en buiten aan het lijf daarmee gestreken, en is ook erg goed die er bloed spuwen. Dat water dat uit de twijgen druppelt gedronken met wijn beneemt de steen. Met dit water het lijf gewassen heelt de huiduitslag en reinigt de huid. Platearius, de as van de druiven gemengd met azijn en op de aambeien gelegd heelt die gelijk. De as gemengd met rozenolie en ruitolie en azijn en dit gelegd op de hete zweren zoals dan is herispula verkoelt die en vooral voor de hete milt, uitwendig daarop gelegd als een pleister. De meesters spreken dat het sap van de onrijpe wijnbessen goed is tot veel zaken, die zal men alzo maken; neem onrijpe druiven en leg die in die zon drie dagen of vier en laat ze week worden en daarna pers de wijn daaruit en behoudt dat goed toegedekt. De deugd van deze wijn is van natuur stoppen en versterken en uitzonderlijk versterkt het de maag en is ook goed die niet verduwen mogen. En men zal hen erg oud laten [450] worden dan is het krachtiger dan de nieuwe. Ook maakt het de mensen lustig te eten en is uitzonderlijk die goed die de doorgang hebben. Serapio spreekt dat witte wijn die oud is en subtiel maakt goed bloed en maakt de mensen goed plassen, alleen dat het dat hoofd krenkt die het veel drinkt. (2) En alle meesters spreken dat het de maag schadelijk is overvloedig wijn te drinken. Item, witte zuivere wijn betamelijk gedronken jonge en oude mensen heeft veel deugd aan zich en versterkt de natuur van de mensen en versterkt ook het ganse lijf en maakt goed verduwen en brengt de hersens en het hoofd goed verstand. Item, de rode wijn is van natuur stoppen en vooral die er erg zwart is en zulke wijn maakt grove vochtigheid en is de maag meer schadelijk dat veel gedronken dan de witte. En voor de rode of uitgang mag men goed nuttigen rode wijn zodat ze zich de vloed daarmee stoppen. Rabby Moises, een meester der artsenij, spreekt dat niets beter is de natuur te versterken dan goede natuurlijke wijn die subtiel, zuiver en oud is en in een gezonde tijd gegroeid is.

Zie kapittel 321 over rozijnen.

(1) Dodonaeus; ‘De tamme wijngaart wordt in het Grieks Ampelos oenophoros, in het Latijn Vitis vinifera genoemd.

Herbarius in Dyetsche; Zwarte wijn is grof spreidend of traag te verteren en maakt (2) dronken.

Mauerpffeffer

Das ccccxvii Ca

Vermicularis vel herba crassula latine et grece·

(In dem bůch Pandectarum in dem capitel crassula beschτeiben uns die meister und spτechen das diþ kraut zweÿerhandt seÿ·eins groþ·das ander klein·Das groþ hat bleter zehe und feÿst und umbher sind sÿ rauhe. (Der safft von dem kraut ist nücze czů vil sachen dÿe hÿczig sind·dz ist ein kranckheit d kinder die in geverde ist also dz jn die haut abgeet under dem armen und zwischen dem beinen allenthalben dem sol man dise bleter stossen und darunder mischen rosenôle und reynbergen speck und dz trücken durch ein tůch und den sieden [451] mit gůtem wein der weiþ seÿ unnd darzů mischen mastix und olibanum·yegkliches ein quintin unnd damit die kinder schmieren es hilffet on zweifel·(Die mÿnder vermicularis nennen die meister satirion sůch in dem capitel also genannt findest du sein tugent·(Vermicularis ist kalt in dem dτitten grad und ist wenig trucken·(Vermicularis ist gar gůt wider dz freischem und wider hiczige blattern darauff gelegt·(Diþs kraute veτmenget mit wegtredt und auff das podogram geleget benÿmmet die weethumb·Dises ist auch gůt wider gebτant gelÿder darauff gelegt·

Muurpeper.

Dat 417de kapittel.

Vermicularis vel herba crassula Latijn en Grieks. (Sedum acre)

In het boek Pandecta in het kapittel crassula beschrijven ons de meesters en spreken dat dit kruid tweevormig is, de een groot en de ander klein. De grote heeft bladeren taai en vast en om zich zijn ze ruw. Het sap van het kruid is nuttig tot veel zaken die heet zijn, dat is een ziekte van de kinderen die in gevaar zijn alzo dat hen de huid afgaat onder de armen en tussen de benen geheel, die zal men deze bladeren stoten en daaronder mengen rozenolie en Reinbergen spek en dat drukken door een doek en dan koken [451] met goede wijn die wit is en daartoe mengen mastiek en olibanum, van elk een quintin, en daarmee de kinderen smeren, het helpt zonder twijfel. De kleinere vermicularis noemen de meesters satirion, zoek in het kapittel alzo genaamd vind u zijn deugd. Vermicularis is koud in de derde graad en is weinig droog. Vermicularis is erg goed tegen de stuipen en tegen hete blaren, daarop gelegd. Dit kruid vermengt met varkensgras en op de podagra gelegd beneemt de pijn. Dit is ook goed tegen gebrande leden, daarop gelegd.

Afbeelding lijkt op Sedum telephium.

Dodonaeus; ‘De Hoogduitsers noemen het Maurpfeffer en Katzentraublin.

erde epfel ccccxviii C

Vulgago vel vulsago vel panis poτcinus vel malum teτre·latine grece lentopodion vel ciclaminus arabice buthoτmarien vel alcharinchav vel artanita.

(Plinius in dem capitel ciclamen idest vulgabo beschτeibet unns und spτicht das dises hab bletter geleich der haselwurcz und wirt durch ettlich genant zů teütsch haselwurcz·Die bleter sind gekerbet wie die gundelrebe·und haben mancherley farb·(Die wurczel ist auþwendig swarczelicht und rundt·und in der mitte zůsamen getruckt wie ein kůche·Die blůmen haben purpeln farbe·(Auch spτichet Plinius das ciclamen oder vulfago seÿ heiþ unnd trucken an dem dτitten grade·Die wurczel nüczet man in der erczneÿ·und die sind zů vil sachen gůt·Dise wurczel soll man sameln in dem herbst und die zů schneiden und an enen fadem reÿen unnd auff hencken und die lassen trucken werden gleich dem schwertlin wurczeln·Dise wurczel hat groþ tugent an jr als man dan geschτiben findet in dem pandeckt in dem cxiiij·capittel·das sich anhebet buthoτmarien·(Der meÿster Serapio spτicht dz diser wurczel tugent seÿ reinigen und auf thůn bestopffung·(Diascoτides spτicht daz dise wurczel seÿ auch gůt genüczet mitt wasser unnd die eingetruncken wann sÿe vertreÿbet dÿe geschwulste des bauches·unnd benÿmmet [452] die bôse flegma von einem menschen davon sich erhebt die waþersucht·(Item also getruncken bτinget sÿ den frauwen jr blůme måchtigklichen·(Diascoτides spτicht auch wôliche frauwe schwanger wåre und über dise wurczel gieng die wirt ein todt kindt machen·(Dise wurczel geleget der frauwen an jr hüfft so sÿ gebeeren sol sÿ geberet zůhandt·(Item von disem wurczel getruncken mit wein treibet auþ vergift·(Der saft van dÿsem krautte gelassen in die nasen reyniget das haubte·(Dise wurczel reÿniget auch die můter für alle ander wurczel also genüczet·(Nÿmme die wurczel und schneide die klein würffelicht und thû seÿe in ein tûchlin und die frawe halt dises in jre scheme sÿ zeühet an sich vil unflats unnd reÿniget wol und bτinget frauwen feüchtigkeit genant menstruum·

(Item wein darein gesoten ist ciclamen ist gůt wider bestopfung der milcz·(Item ciclamen gebulveτt und in die wunden der fisteln mit wicken gelegt ist das faule fleisch auþ reÿnigen·(Item diþs bulver in die nasen gethan ist auþ beÿssen das faul fleisch das darjnnen gewachsen ist·die kranckheÿt ist genant polipus·

(1) Varkensbrood, 418de kapittel.

Vulgago vel vulsago vel panis porcinus vel malum terre Latijn. Grieks lentopodion vel ciclaminus. Arabisch buthormarien vel alcharinchav vel artanita. (Cyclamen hederifolium)

Plinius in het kapittel Cyclamen, id est vulgabo, beschrijft ons en spreekt dat deze heeft bladeren gelijk de mansoor en wordt door ettelijke genaamd in Duits haselwurcz. De bladeren zijn gekerfd zoals de hondsdraf en heeft vele kleuren. De wortel is uitwendig zwartachtig en rond en in het midden tezamen gedrukt zoals een koek. De bloemen hebben purperen kleur. Ook spreekt Plinius dat Cyclamen of vulfago is heet en droog aan de derde graad. De wortel nuttigt men in de artsenij en die is tot veel zaken goed. (2) Deze wortel zal men verzamelen in de herfst en die versnijden en aan een draad rijgen en ophangen en die laten droog worden gelijk de gladiolenwortels. Deze wortel heeft grote deugd aan zich zoals men dan geschreven vindt in de Pandecta in het 114de kapittel dat zich aanheft buthormarien. De meester Serapio spreekt dat deze wortel zijn deugd is reinigen en open doen verstopping. Dioscorides spreekt dat deze wortel is ook goed genuttigd met water en die ingedronken want ze verdrijft de gezwellen van de buik en beneemt [452] de kwade flegma van een mens daarvan zich verheft de waterziekte. Item, alzo gedronken brengt ze de vrouwen hun bloemen machtig. Dioscorides spreekt ook welke vrouw zwanger is en over deze wortel gaat die wordt een dood kind maken. Deze wortel gelegd de vrouwen aan hun hoofd zo ze baren zal dan baart ze gelijk. Item, van deze wortel gedronken met wijn drijft uit vergif. Het sap van dit kruid gelaten in de neus reinigt dat hoofd. Deze wortel reinigt ook de baarmoeder voor alle andere wortels, alzo genuttigd: Neem de wortel en snij die klein werpig en doe het in een doekje en die vrouw houdt dit in haar schaamte, het trekt aan zich veel onflatteuze en reinigt goed en brengt vrouwen vochtigheid genaamd menstruatie.

Item, wijn daarin gekookt is Cyclamen is goed tegen verstopping van de milt. Item, Cyclamen gepoederd en in de wonden der etterwonden met doeken gelegd is dat vuile vlees uitreinigen. Item, dit poeder in de neus gedaan is uitbijten dat vuile vlees dat daarin gegroeid is, die ziekte is genaamd polypus.

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid voert hier te lande de naam verckens-broot of seugen-broot, in Hoogduitsland Schweinbrot en Erdtopffel. In de apotheken noemt men het gewoonlijk Cyclamen, Panis porcinus en Arthanita.

Herbarijs; (2) En in de herfst zal men ze verzamelen en in 4 stukken snijden en dan met een draad in de schaduw hangen.

Dolwurcz ccccxix C

Uva versa latine et grece.

(Die meisteτ spτechen das dises seÿ ein kraut und hat knôpf die sind über gestülpet·dz kraute und wurczel sind kalt und feüchte an dem andern grade·Diþ kraut und wurczel nüczt man in der erczneÿ·und ist gůt genüczet für grosse hicz auþwendig und jnwendig des leibs·aber sÿ macht und meτet die melancolÿ und darumb sôllen sich dÿe selbigen dises krauts und wurczel meÿden·(Diascoτides spτicht wôlicher groþ hicze habe der trinck auch von dÿser wurczeln mit gersten oder endivien wasser sÿ kŭlet fast wol·[453] (Item wôliche frauwe dÿses krauts oder wurzel nüczet die fellet geren in eÿn kranckheÿt mania genant das ist hirn wütig und darumb sôllen alle menschen diþs meÿden die von nature kalt und trucken sind und sunderlich die frauwen wann jr hÿren kalt und feücht ist·und dÿses krautte ein solich complex meτet und nit mÿndert·

(1) Dolkruid, 419de kapittel.

Uva versa Latijn en Grieks. (Paris quadrifolia)

De meesters spreken dat dit is een kruid en heeft knoppen die zijn over gestulpt, dat kruid en wortel zijn koud en vochtig aan de andere graad. Dit kruid en wortel nuttigt men in de artsenij en is (2) goed genuttigd voor grote hitte uitwendig en inwendig het lijf, maar ze maakt en vermeerdert de (3) melancholie en daarom zullen zich dezelfden dit kruid en wortel mijden. Dioscorides spreekt wie grote hitte heeft die drinkt ook van deze wortels met gerst of andijviewater, het verkoelt erg goed. [453] Item, welke vrouw dit kruid of wortel nuttigt die valt graag in een ziekte (4) mania genaamd, dat is geestesdol, en daarom zullen alle mensen dit mijden die van natuur koud en droog zijn en uitzonderlijk de vrouwen want hun hersens koud en vochtig zijn en dit kruid een zulke samengesteldheid vermeerdert en niet vermindert.

Dodonaeus; Dit kruid ingenomen doodt de mensen, wolven, zeugen en alle wilde en tamme beesten. Tegenwoordig heet het in Latijn Uva lupina of Uva versa.

bτant lattich ccccxx c

Ungula caballina latine grece et arabice phatanum·

(Die meister spτechen das dises habe bτeÿtte bletter geleÿch den blettern nenufar dz sind seeblůmen bletter·Dyse bletter sind jnwendig grŭne und auþwendig weiþ·Von disem kraute steet geschτiben in dem bůche Plinij der so saget gar groþ tugent von disem kraute·(Bτantlattich ist fast gůt für fliessenden schaden die bleter darauff geleget·Auch ist diþs gůte den kinden die flüssig heübter haben dem zeühet vil schleimþ und feüchtung auþ. (Wôlicher sich gebτant hette mit feüwer od mit bulver der lege dise bletteτ auf den schaden sÿ ziehen alle hÿcz darauþ. (Der safft von disem kraute hat alle tugent wie das kraut·(Diser safft gemischet mit dem safft fumi terτe das ist erdtrich und damit geschmiert auch die flecken die die sunne gebτent hatt an dem leibe die raude veτgeet zůhant und machet die haut lauter und schône·[454]

(1) Hoefblad, 420ste kapittel.

Ungula caballina Latijn Grieks en Arabisch phatanum. (Tussilago farfara)

De meesters spreken dat dit heeft brede bladeren gelijk de bladeren nenufar, dat zijn waterlelie bladeren. Deze bladeren zijn inwendig groen en uitwendig wit. Van dit kruid staat geschreven in het boek Plinius die er van zegt erg grote deugd van dit kruid. (2) Hoefblad is erg goed voor vloeiende schade, de bladeren daarop gelegd. Ook is dit goed de kinderen die vloeiende hoofden hebben, dat trekt veel slijm en vochtigheid uit. (3) Wie zich gebrand heeft met vuur of met poeder die legt de bladeren op de schade, het trekt alle hitte daaruit. Het sap van dit kruid heeft alle deugd als dat kruid. Dit sap gemengd met het sap fumi terre, dat is aardrook, en daarmee gesmeerd ook de vlekken die de zon gebrand heeft aan het lijf, die ruwheid vergaat gelijk en maakt de huid zuiver en schoon. [454]

(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in het Grieks Bechion genoemd, in het Latijn meest Tussilago, in de apotheken Farfara en Ungula caballina. In Hoogduitsland heet het Roszhuf en Brantlattich.

Dodonaeus; ‘(2) Het kruid zelf is goed voor de lopende gaten als de bladeren er op gelegd worden en de kinderen die lopende ogen hebben.

(3) Die zich met vuur of ergens anders mee verbrand heeft zal deze bladeren op de verbranding leggen en zo zullen ze de hitte er uit trekken.

Birck ccccxxi Ca

Uibex latine et grece·

(Platearius beschτeibet unns und spτicht das bircken seÿ heÿþ und trucken an dem dτitten grad. (Bircken laub gesoten in wasser unnd damit gewåschen eÿn fliessenden schaden trücket den on zweifel·(Die rinden von bircken gebτant unnd den rauch gelassen an fliessenden beÿn trücknet die unnd heilet·(Bircken rinden gestossen zů bulveτ und dz gestreüwet in ein faule wunden benÿmmet das faul fleische darauþ·(Wôlicher bôsen feüchten luft vertreiben wil als dann ist so die pestilencz regnieret·der bτenne die rinden von bircken unnd lasse den rauch allenthalben in dem hause rauchen er verzeret vil bôses lufftes darjnne·

(1) Berk, 421ste kapittel.

Vibex Latijn en Grieks. (Betula pendula)

Platearius beschrijft ons en spreekt dat berken zijn heet en droog aan de derde graad. Berkenloof gekookt in water en daarmee gewassen een vloeiende schade droogt die zonder twijfel. De bast van berken gebrand en de rook gelaten aan vloeiende benen droogt die en heelt. Berkenbast gestoten tot poeder en dat gestrooid in een vuile wond beneemt dat vuile vlees daaruit. (2) Wie kwade vochtige lucht verdrijven wil zoals dan is zo de pest regeert die brandt de bast van berken en laat de rook geheel in het huis roken, het verteert veel kwade lucht daarin.

(1) Dodonaeus; ‘‘Deze boom heet hier te lande berckenboom, in Hoogduitsland Birckenbaum.

maisz ccccxxii Ca

Usnea vel muscus arboτum latine·grece bτion vel bτium vel licena·arabice aunech vel alusne·

(Galienus capitulo bτion spricht dz mancherleÿ maiþ seÿ·Ettlich maiþ wechset auch an den wol riechenden baumen als an der granaten·an der eÿchbaumen·an der andern baumen deþgleichen auff den steinen·Under dÿsen allen ist der maÿþ der beste der an den wol riechenden baumen wechset und weÿþfare ist·(Avicenna spτichet das maiþ seÿ von natur wol riechenden und ist warm an dem ersten grade und trucken an dem andern·(Maiþ stercket das hercz·(Maiþ gesoten mit wein und den getruncken machet schlaffen·(Diascoτides spτicht daz maiþ stopff alle blůt flüsse·(Maiþ gemischet mitt hônig und das in dem mundt gelassen benÿmmet die scherpff der zungen und der kele·(Maiþ gesote in wasseτ und die frauwen damit unden auff gebeet benÿmmet alles weethumb der můter·(Maiþ stopffet den frawen den weissen fluþ darauff geseþsen unnd damit gebeet·(Von maiþ lese dz bůch Pandecta dz lxxj·capitel findest du vil tugent die ons beschτeiben die hochgelerten meýster als Avicenna Galienus Serapio Dÿascoτides·(Maiþ und beÿfůþ in wein gesotten darvon genüczet ist gůt wider weethumb der můter·Das selben geleichen ist gůt der dampff darvon zů der můter unden herauff genommen·(Maiþ und schlüssel blůmen gesotten in leinôle darmit geschmieret die [455] vergicht gelider·ist die weetumb stillen·(Wein darein gesoten ist maiþ ist gůt zů stercken das gegicht·

(1) Boommos, 422ste kapittel.

Usnea vel muscus arborum Latijn. Grieks brion vel brium vel licena. Arabisch aunech vel alusne. (Usnea barbata)

Galenus capitulo brion spreekt dat er vele soorten boommos is. Ettelijke boommos groeit ook aan de goed ruikende bomen zoals aan de granaten, aan de eikenbomen en aan de andere bomen, desgelijks op de stenen. Onder deze alle is de boommos de beste die aan de goed ruikende bomen groeit en witkleurig is. Avicenna spreekt dat boommos is van natuur goed ruikend en is warm aan de eerste graad en droog aan de andere. (2) Boommos versterkt dat hart. Boommos gekookt met wijn en dan gedronken maakt slapen. Dioscorides spreekt dat boommos stopt alle bloedvloeden. Boommos gemengd met honing en dat in de mond gelaten beneemt de scherpte van de tong en de keel. (3) Boommos gekookt in water en de vrouwen daarmee onderop gebaad beneemt alle pijn van de baarmoeder. Boommos stopt bij de vrouwen de witte vloed, daarop gezeten en daarmee gebaad. Van boommos lees dat boek Pandecta dat 71ste kapittel vind u veel deugd die ons beschrijven de zeer geleerde meesters zoals Avicenna, Galenus, Serapio en Dioscorides. Boommos en bijvoet in wijn gekookt en daarvan genuttigd is goed tegen pijn van de baarmoeder. Datzelfde gelijk is goed de damp daarvan tot de baarmoeder van onderop genomen. Boommos en sleutelbloemen gekookt in lijnolie en daarmee gesmeerd die [455] jichtige leden is de pijn stillen. Wijn daarin gekookt is boommos is goed te versterken de jicht.

Maisz is een onbekende naam, mogelijk van mos.

Dodonaeus; Dit gewas heet in Hoogduitsland Mosz.

Herbarius in Dyetsche; Pandecta zegt uit de macht van Avicenna in het kapittel van Usnea, waar hij zegt dat Usnea het (2) hart versterkt zoals Avicenna in zijn boek van de krachten van de harten zegt.

(3) Tegen menstruatiepijn: ‘Neem wijn waar boommos met bijvoet in gekookt is en als een vrouw in het kooksel daar van zit dan helpt het zeer tegen menstruatiepijn’.

victril ccccxxiii cap

Victriolum latine·grece Calcitis vel Culcotar·vel Calcadis·arabice Zeg vel cachita·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel Zeg idest victriolum spτicht·das d victril seÿ machen frÿsch fleÿsch in den faulen wunden·Und ist zweÿer handt victril·Einer kumbt auþ babÿlonien·d ander auþ zÿpperen·und d auþ babÿlonien kumbt der ist der beþte·und wenn man den bτauchet so hatt er jnnwenig flecken·Aber der auþ cÿppern kommet der hat ein goldtfarbe·und der låþt sich bald bτechen·und ist fast vergifftt und hat jnnwenig flecken geleÿch den sternen·

(Serapio spτicht·daz er hab gesehen in dem erdtrich dτey lang adern auff einander ligend·und die underst ader ist geheÿssen zeg nigrum·unnd die alchamisten heissen die marcka sÿta·Die ander darnach ist geheÿssen culcotar·Die dτitte ist geheÿssen zeg viride·und das ist victriolum od calcantum·(Der meister Paulus in dem capitel victriolum spτichet·das der seÿ heÿþ und trucken biþ an den vierden grad·

(Diascoτides victriolum gebulfert und das gelassen in die blůtenden nasen stopffet die zůhant·(Item dises bulfer getruncken mit wasser·bτinget vomitum·(Dises bulfer ein genommen ein quintin mit hônigwasser tôdtet die wŭrm und treybet die auþs måchtigklich an dem menschen·(Victril gemüschet mit gestossen glaþ und hônig·darauþ gemachet klôczlein und also geleget do vil raczen lauffen·tôdtet die die des eþsen·(Auch mag man nemen auripigmentum oder arsenicum zwÿschen gebτaten speck·sterben die raczen gar bald·

(1) Vitriool, 423ste kapittel.

Victriolum Latijn. Grieks Calcitis vel Culcotar vel Calcadis. Arabisch Zeg vel cachita.

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel zeg, id est victriolum, spreekt dat de vitriool is maken vers vlees in de vuile wonden. En is tweevormig vitriool. Een komt uit Babylonië en de andere uit Cyprus en die uit Babylonië komt dat is de beste en als men die gebruikt zo heeft het inwendig vlekken. Maar die uit Cyprus komt die heeft een goudkleur en laat zich gauw breken en is erg vergiftig en heeft inwendig vlekken gelijk de sterren.

Serapio spreekt dat hij heeft gezien in het aardrijk drie lange aders op elkaar liggen en de onderste ader is geheten zeg nigrum en de alchemisten noemen die marcka sÿta. De andere daarna is geheten culcotar. De derde noemen ze zeg viride en dat is victriolum of calcantum. De meester Paulus in het kapittel victriolum spreekt dat dit is heet en droog bij aan de vierde graad.

(2) Dioscorides, victriolum gepoederd en dat gelaten in de bloedende neus stopt die gelijk. Item, dit poeder gedronken met water brengt vomitum. (3) Dit poeder ingenomen een 1,67 gram met honingwater doodt de wormen en drijft die uit machtig aan de mensen. Vitriool gemengd met gestoten glas en honing en daaruit gemaakt korrels en alzo gelegd daar veel ratten lopen, doodt die dat eten. Ook mag men nemen auripigmentum of arsenicum tussen gebraden spek, sterven de ratten erg gauw.

Vitriool, middeleeuws Latijnse vitriolum; klein glas, van Latijn vitrum; glas, oude benaming voor geconcentreerd zwavelzuur.

Herbarius in Dyetsche; (2) Het poeder van koperroot in de neus gedaan stopt het bloeden van de neus en zuivert de zweren van de neus.

(3) Het poeder van koperrood doodt de wormen in de oren volgens Pandecta’.


wynde ccccxxiiii ca

Volubilis latine·grece Cussus arabice ÿeblech.

(Meister Johannes mesue in dem capitel volubilis spτicht·dz (·E·j·) [456] mangerleÿ gestalt seÿ der wÿnde·Ettlich sind geheÿssen fumis arboτum·(Diser stamme hatt in jm milch·Sein blůmen ist gancz weÿþ unnd gestalt geleÿch als kleine glôcklein·Auch ist ein andere gestalt der wÿnde die spτeiden sich auff die erden·Dise blůmen sind fast klein und weÿþs farb·Auch ist ein andere wÿnde genant volubilis media·od volubilis lanuginosa·Von diser saget dises capitel·Dise bleter die sind weyþfarb und auff d einen seÿten rauch als ob baummwollen darauff wŭchþe·jr blůmen sind gestalt geleÿch kürbþen.

(Dises krautes saffte vermüschet mit eruca safft·dz ist weÿsser senffkraut und die leÿn zeÿchen domit geschmieret·machet ein haudt geleÿch der andern·

(Wôlcher an seinem leybe geleczet würde von vil geen·d stosþ diser blůmen unnd streÿche des safftes daran·er genÿset do zůhandt·(Von disen kreütern so sol niemant erczneÿen in dem leÿb er wisse dann die zû vermüschen mit andern stucken·wann all die kreüter die do in jne milch haben sind gifftig und soτgklichen zů nüczen·

(21) Winde, 424ste kapittel.

Volubilis Latijn. Grieks Cussus. Arabisch ÿeblech. (Calystegia sepium)

Meester Johannes Mesue in het kapittel volubilis spreekt dat er [456] vele vormen zijn van de winde. Ettelijke zijn geheten fumis arborum. Deze stam heeft in zich melk. Zijn bloem is gans wit en gesteld gelijk als kleine klokjes. Ook is een andere gestalte van de winde die spreiden zich op de aarde. Deze bloemen zijn erg klein en witkleurig. Ook is een andere winde genaamd volubilis media of volubilis lanuginosa. Van deze zegt dit kapittel. Deze bladeren die zijn witkleurig en aan de ene zijde ruw alsof katoen daarop groeide, zijn bloemen zijn gesteld gelijk kouwoerden.

Dit kruid zijn sap vermengt met Eruca sap, dat is wit mosterdkruid, en de littekens daarmee gesmeerd maakt een huid gelijk de andere.

Wie aan zijn lijf gelet wordt van veel gaan die stoot deze bloemen en strijk het sap daaraan, het geneest dat gelijk. Van dit kruid zo zal niemand artsenij in het lijf nemen, hij weet dan die te vermengen met andere stukken want al die kruiden die er in zich melk hebben zijn giftig en zorgelijk te nuttigen.

(1) Dodonaeus; ‘‘In het Hoogduits Gross Windekraut en Grosss weisz Glocken, in het Latijn Volubilis major.


wilder zytwan Das

ccccxxv Capitel

Viticella vel vitis alba latine grece ampeleos·arabice fesera·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel fesera·beschτeibet uns und spτicht·daz dises seÿ ein stamm und hat bletter geleÿch den weinreben·und hatt treüblin die sind mit dem ersten rot·und so sÿ gezeÿtigen·sind sÿ gancz schwarcze·Sein wurczel ist fast groþ und dÿck in dem erdtrich·(Von disem gewåchþ ist geschτiben in disem bůche d·B·in dem acht und sechczigisten capitel das sich anhebet bτionia·und doch sein tugent nit genŭglichen erczelet·und sunderlichen von der wurczeln·(Darumb so merck [457] hie das dise wurczel unzelliche tugent an jr hat·das es war seÿ magst du lesen das bůch pandecta das·cclxvij·capittel das sich anhebet fesera·In disem capitel steet auch geschτiben·dz dise wurczel gebe den leÿbe gar auþ der massen gůte farb·auþwenig mit dem safft den bestrychen·(Item wôlcher dise wurczelen beÿ jme tregt von dem fleüsset alles bôþ davon einer schaden håte·(Item ein pflaster gemachet von diser wurczel zeühet an sich baÿn doren oder nagel·(Item dise wurczel dienet auch fast wol den bôsen blattern·die daz fleÿsch darjnn verczeren fagadenice genant·

(Auch sunderlichen dienet dise wurczel dem bôsen grÿndt an dem leÿbe domit zů heÿlen·als d grinde vermüschet mit wŭrmlein also dann gar dick und auch manig mal geschicht den jungen kýnder das jn der gancz leÿb überzogen ist mit kleinen würmlein die in den schweÿþlôchern stecken·und auch mit jren heübtern herauþs sehen·(Für einen solchen gebτesten nÿmme auch diser wurczel und seüde die in laugen von eÿchemholcz gemachet·und wåsch domit das kÿndt über den ganczen leybe·und darnach nymme ein scharsach und schneyde auch dem wŭrmlein die heübter ab·darnach wåsche aber das kynd mit der genanten laugen·es genyset on zweÿfel·(Item gar vil ander tugent die dise wurczeln an jr hat magst du lesen des obgenanten bůchs capitel fesera genant·

Heggenrank, dat

425ste kapittel.

Viticella vel vitis alba Latijn. Grieks ampeleos. Arabisch fesera. (Bryonia dioica)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel fesera beschrijft ons en spreekt dat dit is een stam en heeft bladeren gelijk de druiven en heeft trosjes die zijn in het begin rood en zo ze rijpen zijn ze gans zwart. Zijn wortel is erg groot en dik in het aardrijk. Van dit gewas is geschreven in dit boek de B in het acht en zestigste kapittel dat zich aanheft Bryonia, en toch zijn deugd niet genoeg verteld en vooral van de wortels. Daarom zo merk [457] hier dat deze wortel ontelbare deugd aan zich heeft en dat het waar is mag u lezen in dat boek Pandecta dat 267ste kapittel dat zich aanheft fesera. In dit kapittel staat ook geschreven dat deze wortel geeft het lijf erg uitermate goede kleur, aan de buitenkant met het sap die bestrijken. (2) Item, wie deze wortel bij hem draagt van hem vloeit alle kwaad daarvan iemand schade heeft. Item, een pleister gemaakt van deze wortel trekt aan zich been, doren of nagel. (3) Item, deze wortel dient ook erg goed de kwade blaren die dat vlees daarin verteren fagadenice genaamd. (4) Ook vooral dient deze wortel de kwade schurft aan het lijf daarmee te helen zoals de schurft vermengd is met wormpjes alzo dat erg vaak en ook menige maal geschiedt de jonge kinderen dat hun het ganse lijf overtrokken is met kleine wormpjes die in de zweetgaatjes steken en ook met hun hoofdjes eruit kijken. Voor een zulk gebrek neem ook deze wortel en kook die in loog van eikenhout gemaakt en was daarmee dat kind over het ganse lijf en daarna neem een schaar en snij ook de wormpjes de hoofden af, daarna was echter dat kind met de genoemde loog, het geneest zonder twijfel. Item, erg veel andere deugd die deze wortel aan zich heeft mag u lezen dat opgenoemde boek kapittel fesera genaamd.

Zie kapittel 68. Dit is een herhaling. Of het gaat hier om Tamus of Dioscorea communis omdat de bladeren geheel anders gevormd zijn.

(1) Vos,

midden-Nederlands vos, in oud-Hoogduits fuhs, nu Fuchs.


Ein fuchsz Das

Ccccxxvi Capitel

Vulpis latine·

(Die meister spτechen·das dises gar ein betrügliches thier sej. Wenn es die hundt jagen so nymmet es den schwancz zwÿschen die baÿn·auff das der schwancz es an dem lauff nit hÿndere·und wenn es vermercket den hunden nit mügen entlauffen so hårmet es auff seinen schwancz und weret sich dann domit der hunnde·und von dem grossen gestancke den der schwancze hatt von dem seÿch·so mügen die hundt nicht beleÿben und lauffen von jm·

(Die fettung und sein marck·ist fast gůt für den krampff spasmus zů latein genant·die gelÿder domit bestrÿchen·(Das blůt von dem fuchþen gedôτret unnd gebulferet dienet fast wol für den stein der lenden unnd der blasen·(Der meister Plinius in seinem acht und zweinczigi (·E·ij·) [458] sten bůch spτicht er·wôlicher die zungen von dem fuchþ beÿ jm habe·der wirt nicht blÿndt oder ist nit leÿden augen weetumb·

(1) Een vos, dat

426ste kapittel.

Vulpis Latijn. (Vulpes vulgaris)

(2) De meesters spreken dat dit erg een bedrieglijk dier is. Want als de honden die opjagen zo neemt het de staart tussen de benen zodat de staart hem in de loop niet hindert en als het merkt dat hij de honden niet kan ontlopen dan plast het op zijn staart en weert zich daarmee de honden en van de grote stank van de staart die het heeft van de urine zo mogen de honden niet blijven en lopen van hem. (3) Het vet en zijn merg is erg goed voor de kramp spasmus in Latijn genaamd, de leden daarmee bestreken. (4) Dat bloed van de vos gedroogd en gepoederd dient erg goed voor de steen van de lenden en de blaas. (5) De meester Plinius in zijn acht en twintigste [458] boek spreekt, wie de tong van de vos bij zich heeft die wordt niet blind of lijdt niet aan ogenpijn.

(1) Vos, midden-Nederlands vos, in oud-Hoogduits fuhs, nu Fuchs.

Herbarius in Dyetsche; (2) ‘Vulpis of een vos is een schalks dier.

(3) Van vossensmeer en vossenmerg zegt men dat ze goed zijn tegen vertering van de zenuwen.

(4) Zijn bloed, zegt men, is diuretica (dat is dat het bevordert het plassen, dus tegen verstopping), daarom meent men dat het zeer goed is tegen steen van de nieren en van de blaas zoals Plinius in het achtentwintigste boek van de natuurlijke historie zegt, (5) daar zegt Plinius ook dat als iemand de tong van een vos in een ring had zou die geen blindheid in zijn ogen krijgen volgens Bartholomeus Anglicus’.

(1) Dodonaeus; ‘De apothekers en de gewone man noemen dit kruid meestal overal Hyssopus in het Latijn, en in het Hoogduits Ispen.

ysop Das

ccccxxvii Capitel

(Y)Sopus latine et grece.

(Die meister spτechen das dises kraut daz seÿ heÿþ unnd trucken an dem andern grad. (Diascoτides spτicht daz ÿsopus seÿ ein kraut und hat bleter bey nahe als boley·und einen langen stenngel·darauff blůmen geleich dem quendel·(In dem bůch genant circa instans beschτeiben uns die meister unnd spτechen auch·das dises krautte genüczet sol werden in der erzneÿ und nit die wurczeln·(In dem summer so diþs kraut blůmen hat so sol man es abschneyden und lassen doτren an dem schadten und nit an der sunnen·und wenn man das nüczen wil in den erczneyen·so sol man die bleter ab streÿffen von dem stengel unnd sol den stengel hÿnwerffen·Die bletter weren ein jare unverseeret an jrer tugent·(Diascoτides spτicht·das dises kraut gesotten mit feÿgen und hônig unnd das do genüczet·vertreÿbet den hůsten·Also genüczet hilffet es dem lungensüchtigen·(Isop gesoten unnd getruncken·vertreýbet die spulwŭrm·zů disen dingen ist sÿ gůt mit hônig gemüschet·(Platearius·Isopen safft getruncken mit oximel·waÿchet den verstopffeten bauch·(Isop safft mit kressen samen genüczet·laxieret senfftigklichen·(Plinius·wôlcher ein schônes antlicz wil haben·der trincke von ÿsop sÿ seÿe grüne oder dürτe·der gewÿnnet ein schôn lautter antlicz·(Isop gesoten mit lautterm schmalcze und mit trucknen feÿgen·und als ein pflaster auff die geschwulst des milczes geleget·vertreÿbett die zůhandt·(Isop mit wein getruncken raumet die bτust·

(Isop in wasser gesoten unnd das schweerend zanfleÿsch darmit gewåschen·benymmet das zů handt·(Paulus spτicht·ÿsop [459] gesoten mit wein und darunder gemüschet fenchel samen·und dem getruncken benymmet das wee in dem magen und in den dårmen·(Wôlcher frawen jr můter unreÿn wåre·die sol sich båen unden auff mit ÿsop·reÿnigt sÿ on schaden·(Ysop und fenchelsamen in wein gesoten·ist gůt wider weethumb des magens platearius·

(1) Hysop. Dat

427ste kapittel.

Ysopus Latijn en Grieks. (Hyssopus officinalis)

De meesters spreken dat dit kruid dat is heet en droog aan de andere graad. Dioscorides spreekt dat hysop is een kruid en heeft bladeren bijna als polei en een lange stengel en daarop bloemen gelijk de tijm. In het boek genaamd Circa instans beschrijven ons de meesters en spreken ook dat dit kruid genuttigd zal worden in de artsenij en niet de wortels. In de zomer zo dit kruid bloemen heeft dan zal man het afsnijden en laten drogen in de schaduw en niet aan de zon en als men dat nuttigen wil in de artsenijen dan zal men die bladeren afwrijven van de stengel en zal de stengel heen werpen. De bladeren duren een jaar onveranderd aan zijn deugd. (2) Dioscorides spreekt dat dit kruid gekookt met vijgen en honing en dat zo genuttigd verdrijft het hoesten. Alzo genuttigd helpt het de longzieken. (5) Hysop gekookt en gedronken verdrijft de spoelwormen, tot deze dingen is het goed met honing gemengd. Platearius. Hysopsap gedronken met honingazijn weekt de verstopte buik. Hysopsap met kerszaden genuttigd laxeert zachtjes. Plinius, wie een schoon aangezicht wil hebben die drinkt van hysop, hetzij groen of droog, die wint een schoon zuiver aangezicht. Hysop gekookt met zuiver vet en met droge vijgen en als een pleister op de gezwellen van de milt gelegd verdrijft die gelijk. (2) Hysop met wijn gedronken ruimt de borst.

Hysop in water gekookt en dat zwerende tandvlees daarmee gewassen beneemt dat gelijk. Paulus spreekt, hysop [459] gekookt met wijn en daaronder gemengd venkelzaden en dan gedronken (3) beneemt de pijn in de maag en in de darmen. (4) Welke vrouw haar baarmoeder onrein is die zal zich baden onderop met hysop, het reinigt haar zonder schade. (2) Hysop en venkelzaden in wijn gekookt is goed tegen pijn van de maag, Platearius.

(1) Dodonaeus; ‘De apothekers en de gewone man noemen dit kruid meestal overal Hyssopus in het Latijn, en in het Hoogduits Ispen.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) Het is goed voor de borst en de longen.

(3) Tegen pijn in de maag of de darmen: ‘Neem wijn waar hysop, venkelzaad en peterseliezaad in gekookt zijn’. (4) Als je daar bijvoet in kookt dan zuivert het de baarmoeder van haar koude overvloedigheid.

Herbarijs; ‘(4) Hysop gekookt in wijn of in bronwater zuivert de baarmoeder is het dat de vrouw daarin baadt tot de navel.

Het sap van verse hysop gedronken met oxymel is goed tegen het persen van de loop want het maakt licht en tegen (5) de wormen, tegen water, etc.

Naam.

(1) Dodonaeus; ‘‘Hier te lande noemt men dit kruid gewoonlijk waterpeper, in het Hoogduits Wasser Pfeffer of Munckenkraut. In het Latijn noemt men het Hydropiper

wasser pfeffer Das

ccccxxviii Capitel

Ydτopiper sive Piper montanum·vel piperastrum latine et grece·

(Die meister spτechen das diþ sey ein kraut geleÿch den mentastro·allein das weÿchere und bτeÿttere bleter hat·Dise bletter und wurczlen haben ein gerauch in dem munde geleych dem pfeffer·aber nit als gar scharpff·

Diser stamm ist knodig in dem ist same geleych als unzeÿtig weintrauben·Dises kraut ist besser genüczet denn die wurczel·(Dises kraut gesoten mit der wurczeln in wasser und also auf die augen geleget·benymmet die bôsen feüchtung der augen lipotomia genant. (Galienus in dem achtenden bůch genant simplicium farmacarum· in dem capitel ÿdτopiper spτicht das ÿdτopiper sey heisser natur geleÿch dem pfeffer·aber nit als gar hýczigen·(Dises kraut und samen sind besser grŭn und frisch in der erczneÿ dan dürτ·(Augen die fast eÿttern den ist diþs kraute gar nücz aussen darauff geleget·also das es voτhÿn zerknüschet sey in einem môτsel steinen·und also feücht mit dem safft daτauff geleget·(Für die flechten an dev leÿbe·nÿmm dises krauts safft·mnd streÿch dem darauff des moτgens und des abents sÿ verzeren sich in dτey tagen·Od nymme den schleim von den zenen und streÿch den darauff·(Für den wůrm an den finger·nÿmm diþs kraut mit dem heüdtlein dz von den gesotten hertten eÿern geet·yegklichs geleÿch vil·und lege das darauff geleÿch einem pflaster·der wurm stÿrbt davon on zweÿfel·(·(E·iij·) [460]

(1) Waterpeper. Dat

428ste kapittel.

Ydropiper sive Piper montanum vel piperastrum Latijn en Grieks. (Persicaria hydropiper)

De meesters spreken dat dit is een kruid gelijk de Menthastrum, alleen dat het wekere en bredere bladeren heeft. Deze bladeren en wortels hebben een reuk in de mond gelijk de peper, maar niet als erg scherp.

Deze stam is knopig en daarin is zaad gelijk als onrijpe wijndruiven. Dit kruid is beter genuttigd dan de wortel. Dit kruid gekookt met de wortels in water en alzo op de ogen gelegd beneemt de kwade vochtigheid van de ogen lipotomia genaamd. Galenus in het achtste boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel ÿdropiper spreekt dat ÿdropiper is van hete natuur gelijk de peper, maar niet alzo erg heet. Dit kruid en zaden zijn beter groen en vers in de artsenij dan droog. Ogen die erg etteren die is dit kruid erg nuttig, buiten daarop gelegd alzo dat het voorheen gekneusd is in een vermorzelsteen en alzo vochtig met het sap daarop gelegd. Voor de vlekken aan het lijf neem dit kruid zijn sap en strijk dat daarop ‘s morgens en ’s avonds, ze verteren zich in drie dagen. Of neem het slijm van de tanden en strijk dat daarop. Voor de wormen aan de vinger neem dit kruid met het hoofdje dat van de gekookte harde eieren gaat, van elk gelijk veel, en leg dat daarop gelijk een pleister, de worm sterft daarvan zonder twijfel. [460]

1) Dodonaeus; ‘‘Hier te lande noemt men dit kruid gewoonlijk waterpeper, in het Hoogduits Wasser Pfeffer of Munckenkraut. In het Latijn noemt men het Hydropiper.

Krausz dystel

Das ccccxxix Cap

Yringus vel centum capita latine·grece bÿoman·arabice astarucion vel secacul·

(Diascoτides in dem capitel ÿringius beschτeybet uns unnd spτicht·das dises kraut seÿe fast doτnig·und die bleter ÿþset man mit salcze so die anheben zů wachþsen und jung sind·(Dÿse bleter sind bτeÿt unnd scharpff und haben einen gůten gerauch und ein gůte rôttlate farbe·Dises kraut hat vil zincken und auf den ist ein runder knnopff der ist auch scharpff und doτnig·Dÿe wurczel ist aufwenig schwarcz und jnnwenig weÿþ·Dise dÿstel wachþen gern an den steinigen bergen·(Die meister spτechen das krauþe dÿsteln sind warm und feücht an dem andern grad. (Item die wurczlen diser dÿstlen zerknüschet und auff heÿþs geschweeren geleget·benemmen auch die hÿcze davon·(Item. Von den blůmen getruncken benÿmmet squinantiam·das ist ein geschweer in der kelen·

(Item der safft van den wurczlen getruncken·machet hårmen·(Item ein pflaster gemachett von diser wurczeln unnd auff die heÿssen geschweeren geleget benÿmmet die hÿcze davon und waÿchet·(Item krauþ dÿstlen wurczeln in hônig gebaÿsset davon dÿckmale genüczet·ist dem manne grosse freüde bτingen und seinen samen meren und zů unkeüscheÿt reÿczen·und ist auch gůt geblŭt machen·Und in diser geleychen krafft sind moτen genant pastinaca·[461]

(1) Kruisdistel.

Dat 429ste kapittel.

Yringus vel centum capita Latijn. Grieks bÿoman. Arabisch astarucion vel secacul. (Eryngium campestre)

Dioscorides in het kapittel ÿringius beschrijft ons en spreekt dat dit kruid is erg doornig en de bladeren eet men met zout zo die beginnen te groeien en jong zijn. Deze bladeren zijn breed en scherp en hebben een goede reuk en een goede roodachtige kleur. Dit kruid heeft veel zijscheuten en op die is een ronde knop en die is ook scherp en doornig. De wortel is aan de buitenkant zwart en inwendig wit. Deze distel groeit graag aan de stenige bergen. De meesters spreken dat de kruisdistel is warm en vochtig aan de andere graad. Item, de wortels van deze distel gekneusd en op hete (3) zweren gelegd beneemt ook de hitte daarvan. Item. Van de bloemen gedronken beneemt (4) squinantiam, dat is een zweer in de keel.

Item, het sap van de wortels gedronken maakt plassen. Item, een pleister gemaakt van deze wortels en op de hete zweer gelegd beneemt de hitte daarvan en weekt. (2) Item, kruisdistel wortels in honing gebaad en daarvan vele malen genuttigd is de mannen grote vreugde brengen en zijn zaden vermeerderen tot onkuisheid rijzen en is ook goed bloed maken. En in deze gelijke kracht zijn penen genaamd pastinaak.[461]

(1) Dodonaeus; ‘Dit geslacht van distels wordt in het Grieks Eryngion genoemd, in het Latijn net zo Eryngium, in de apotheken Iringus.

Herbarius in Dyetsche; ‘ (2) De wortel van dit kruid dat met honing gemengd is vermeerdert het sperma zeer en laat goed minnen, laat de mannelijke roede rijzen en geeft goed voedsel zoals Serapio in dit kapittel en Avicenna er van zeggen.

(2) De kruisdistel is een plant waarvan je de bladeren met warme groente zal mengen en het zal helpen. De wortel van kruisdistel is van dezelfde kracht als de baucia (dat is tamme pastinaak). Sommige zeggen dat de bloem van kruisdistel die van een purperen kleur is in water gekookt en zo gedronken (3) wordt goed is tegen blaren in de (4) keel en tegen vallende ziekte bij jonge kinderen.

sant Johanns kraut

Das ccccxxx capi

Ypericon vel scoba regia latine grece ÿpericum vel Bÿumi vel attricum·arabice infaricon·

(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel infaricon idest ÿpericon beschτeibett uns und spτicht·das dises kraut geleyche an seinen blettern d rautten·und hat einen stengel einer spannen lang·und sein farbe ist weyþ und auch auþ der massen gar subtÿl·Sein same ist långelat als gersten kôτner·unnd ist schwarcz unnd reüchet geleÿch dem harcz·(Paulus in dem capitel ÿpericon spτicht·das dises sey gar heÿþ unnd auch trucken an dem dτitten grad·(Diascoτides spτicht·das dises kraut auch fast gůt sey mit dem samen darüber getruncken es bτingett den frawen jr blůmen·und machet auch gar seer hårmen·(Item zů den bôsen faulen wunnden ist es gar gůt gestossen·und darüber geleget geleych einem pflaster·(Dises kraut gedôτrrt mit dem samen unnd gebulferet unnd das getruncken mit wein dienet fast wol bodagricis das ist auch ein sucht der fŭsse·

(Item·dises samens genüczett die quartanam habend darüber getrunncken mit wein hilffet sÿ fast wol·(Item dises kraut reÿniget die lebern und auch die nÿeren und benymmet den schmerczen der hüffte von dem getruncken mit wein. (Item dises kraut gestossen und geleget auf ein gebτennete glůt·zeühet dem vil hÿcze auþ und mÿnderet auch den schmerczen·[462]

Hertshooi.

Dat 430ste kapittel.

Ypericon vel scoba regia Latijn. Grieks ÿpericum vel Bÿumi vel attricum. Arabisch infaricon. (Hypericum perforatum)

Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel infaricon, id est Hypericum, beschrijft ons en spreekt dat dit kruid gelijkt aan zijn bladeren de ruit en heeft een stengel een zeventien cm lang en zijn kleur is wit en ook uitermate erg subtiel. Zijn zaad is langwerpig zoals gerstekorrels en is zwart en ruikt gelijk de hars. Paulus in het kapittel ÿpericon spreekt dat dit is erg heet en ook droog aan de derde graad. Dioscorides spreekt dat dit kruid ook erg goed is met de zaden daarvan gedronken het brengt de vrouwen hun bloemen en maakt ook erg zeer plassen. Item, tot de kwade vuile wonden is het erg goed gestoten en daarover gelegd gelijk een pleister. Dit kruid gedroogd met de zaden en gepoederd en dat gedronken met wijn dient erg goed podagricis, dat is ook een ziekte der voeten.

Item,·deze zaden genuttigd die de vierdaagse malariakoorts hebben en daarvan gedronken met wijn helpt ze erg goed. Item, dit kruid reinigt de lever en ook de nieren en beneemt de smarten van het hoofd, van die gedronken met wijn. Item, dit kruid gestoten en gelegd op een verbrande gloed trekt die veel hitte uit en vermindert ook de smarten. [462]

Dodonaeus; ‘De Hoogduitsers noemen het Sant Johans kraut.

stern kraut oder krotenkraut

ccccxxxi ca

Ynguirialis sive stellaria latine·grece Asterion vel Aster·arabice bubonum·

(Plinius in dem capitel asterion idest ÿnguirialis spτicht·das dises seÿ ein kraut·und wåchþet zwÿschen den felþen und bey dem hertten erdtrich·(Dises kraut scheinet in der nacht geleÿch den sternen an dem hymmel·und scheinet also liecht dz dÿck d mensch wånet es seÿ ein gespenþt od betrügnuþ des teüfels·(Paulus in dem capitel aster spτichet·das dises seÿ ein kraut und hab långelat bleter·und an den spyczen hat es stern·dises kraut hatt in jm grossen tugent·(Galienus in dem sechþten bůch genant simplicium farmacarum in dem capitel aster beschτeibet uns und spτichet·das dises kraut von etlichen genennet wirt bubonium·das ist krotenkraut·wann bubo heisset ein krot·inde bubonium·Und heÿsset darumb bubonium·wann dises den kroten ein grosse erczneý ist·Und darumb wonen dÿe kroten und andeere vergiffttige thiere in den steinen und felþen·umb des krautes willen·wann die kroten leÿden zů zeÿten von den spÿnnen den tod·also die spÿnn stÿcht die krot·und die krot wirdet sÿgloþ·und wenn die spÿnn die kroten dÿck und manig male gestychet·unnd die krott sich nit gerechen mag so zerblået sich die krot das sÿ zů mittelst von einander fert·Und wenn ein soliche zerblåte krot beÿ dem kraut ist·so keüwet sÿ des und wirdt widerumb heÿl·Ist aber sach das ein solche geleczte krotte zů disem kraut nit kommen mag od nit doselbst wåchþet·so holet sÿ dann doselben ein anderes kraute und gibt es der geleczten kroten·Deþ geleychen andere vergifftige thiere erholen sich an disem kraut und werden davon gesundt·Auch vil ander tugent dÿ dises kraut an jm hat·wirt hÿe nach gelassenn umb der kürcze willen·[463]

(1) Sterrenkruid of paddenkruid.

431ste kapittel.

Ynguirialis sive stellaria Latijn. Grieks Asterion vel Aster. Arabisch bubonum. (Aster amellus)

Plinius in het kapittel asterion, id est ÿnguirialis, spreekt dat dit is een kruid en groeit tussen de rotsen en bij het harde aardrijk. (3) Dit kruid schijnt in de nacht gelijk de sterren aan de hemel en schijnt alzo licht dat vaak de mens waant het is een gespenst of bedrog van de duivel. Paulus in het kapittel Aster spreekt das dit is een kruid en heeft langachtige bladeren en aan de spits heeft het sterren en dit kruid heeft in zich grote deugd. Galenus in het zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Aster beschrijft ons en spreekt dat dit kruid van ettelijke genoemd wordt (2) bubonium, dat is paddenkruid, want bubo heet een pad, en bubonium. En heet daarom bubonium want deze de pad een grote artsenij is. En daarom wonen de padden en andere vergiftige dieren in de stenen en rotsen vanwege dit kruid want de padden lijden soms van de spinnen de dood alzo dat de spin steekt de pad en de pad wordt levenloos en als die spin de pad vaak en menige maal steekt en die pad zich niet oprichten mag zo blaast zich die pad op zodat die van het middelste van elkaar gaat. En als een zulke opgeblazen pad bij het kruid is dan kauwt ze dat en wordt wederom heel. Is het echter zo dat zo’n gekwetste pad tot dit kruid niet komen mag of dat het daar niet groeit dan haalt ze daar een ander kruid en geeft het de gekwetste pad. Desgelijks andere vergiftige dieren verhalen zich aan dit kruid en worden daarvan gezond. Ook veel andere deugd die dit kruid aan hem heeft wordt hier na gelaten vanwege de kortheid. [463]

(1) Dodonaeus; ‘‘Dit kruid hebben we sterre-cruydt in het Nederduits genoemd want de Grieken noemen het Aster Atticos en Boubonion, de Hoogduitsers Megerkraut, Bruchkraut, Scartenkraut en Sternkraut.

Dat hebben de ouden waargenomen en gevonden dat dit kruid de pad onder de tong (padgezwel, ranula) stilde en verdreef.

(3) Dat oplichten in de nacht komt meer voor. Zie  Josephus in zijn Joodse oorlog.n;

freyschem kraut

Das ccccxxxii cap

Yacea vel herba clavellata latine·grece toτqueta·arabice marefolon·

(Die meister spτechen·das dises kraut hab einen stengel geleich dem lafendel kraut mit kleinen spÿczigen bletern und hat blůmen die haben mangerleÿ farbe an jn·und sunderlichen diþ dτeÿ farben·geel·blaw·unnd weÿþs. (Platearius spτicht·das freÿschem krautt zů vil dingen gůtt seÿ·unnd sunderlichen das waþser davon gebτennet oder distillieret·Dises kraut wirt genüczt in der erczney und selten die wurczel·(Dises kraut ist heÿþ und feücht an dem dτitten grad·und ist von natur durchτingen und von einander teÿlen·(Dises kraut gesoten mit wein und den getruncken·treÿbet auþ die bôþen feüchtung·und benýmmet das freyschem in dem leÿbe·und treybet das auþ måchtigklichen·

(Wôlichen kÿndern das freyschem gefårde ist·den sol man dises krautes ein wenig schneÿden in den bτeÿen·oder sol jm ein geben zů trinckend das freÿschem wasser·es genÿset zůhandt.

(Nymme gamillen blůmmen·und sÿnawe und freÿschem kraut ÿegklichs ein gůte handt fol und seüde die in wein und trincke des acht moτgen nŭchter und gee in den acht tagen zwey mal in das bade·Dises tranck daz benÿmmet allen schleim und wåschet hÿnweg der sich lang zeÿt gesamlet hat zwÿschen feel und fleysch·Und dienet sundeτlichen wol den reüdigen menschen von disem krautte geessen unnd des wassers getruncken das darvon distilliert wirt·[464]

(1) Driekleurig viooltje.

Dat 432ste kapittel.

Yacea vel herba clavellata Latijn. Grieks torqueta. Arabisch marefolon. (Viola tricolor)

De meesters spreken dat dit kruid heeft een stengel gelijk het lavendelkruid met kleine spitse bladeren en heeft bloemen die hebben vele kleuren aan zich en vooral deze drie kleuren, geel, blauw en wit. Platearius spreekt dat viooltjeskruid tot veel dingen goed is en vooral dat water daarvan gebrand of gedistilleerd. Dit kruid wordt genuttigd in de artsenij en zelden de wortel. Dit kruid is heet en vochtig aan de derde graad en is van natuur doordringen en van elkaar delen. (2) Dit kruid gekookt met wijn en dan gedronken drijft uit de kwade vochtigheid en beneemt de stuipen in het lijf en drijft dat uit machtig.

Welke kinderen de stuipen gevaarlijk is die zal men dit kruid een weinig snijden in de brei of zal hem ingeven te drinken dat viooltjeswater, hij geneest gelijk.

Neem kamillebloemen en vrouwenmantel en viooltjeskruid, van elk een goede hand vol, en kook die in wijn en drinkt het acht morgens nuchter en ga in de acht dagen twee maal in dat bad. Deze drank dat beneemt alle slijm en wast weg dat zich lang tijd verzameld heeft tussen vel en vlees. (3) En dient bijzonder goed de ruige mensen van dit kruid gegeten en dat water gedronken dat daarvan gedistilleerd wordt. [464]

Zie kapittel 413.

(1) Dodonaeus; ‘De eerste of gewone soort van dit gewas wordt in het Hoogduits Freisschamkraut of ook Treifalticheit blumen genoemd zoals ook de Latijnse naam luidtanderen noemen het Herba clavellata.

Dodonaeus; (2) Dit kruid plag in Hoogduitsland veel geacht en gezocht te wezen om de grote kracht die het geeft tegen de ziekte en Freissem van de jonge kinderen.

In de Gart wordt duidelijk van het driekleurig viooltje gesproken.

Er is nog een andere Yacea of Jacea die we in de Herbarijs zien, Succisa pratensis, de duivelsbeet uit kapittel 261.

Dodonaeus; ‘Bij de geslachten van gember wordt Zedoaria gerekend

zytwan cccxxxiii ca

(Z)Eduaria latine·grece Zerumbet·

(Der meister paulus in dem capitel zeduaria·beschτeibt uns und spτicht·dz diþ seÿ heÿþ an dem dτitten grad und trucken an dem andern·Und spτicht auch das dises sey ein wurczel eines krautes das wechþet über môτe·und dise wurczel weret zehen jar unverseert an jrer natur·Dise wurczel ist gar tugenthafft domit zů hÿczigen dÿe fast kalter natur sind·(Serapio in dem bůche aggregatoτis in dem capitel zerumbet idest zeduaria·beschτeibt uns und spτichet·das dises seÿ ein wurczeln die ist rund und geleÿchet an seinem gerauch den jngwer·Dise wurcz kommet auþ dem lande fenis·(Dise wurczel benymmt den knoblach gerauch·und des geleychen der zwÿbeln gerauch·unnd des weins gerauch·Auch wem der atem fast stinckt·zů disen allen genüczet zÿtenan es hilffet·(Item zÿtwan ist gůt genüczt für vergifft·und sunderlich so die pestilencz regniert so sol man d wurczel auf ein halb quintin in dem mund halten·so einer in die lüfft geet oder beÿ den leüten·ist behŭtten den menschen voτ dem bôsen vergifftigen luftte d pestilencz·(Avicenna in seinem bůch genant de viribus coτdis beschτeibt uns und spτicht·das zÿtwan stercke das hercz und mach dem gůt geblüt und benymmet daz bôþ davon·(Plinius·zÿtwan ist fast gůt genüczet für den bôsen magen·wann er machet wol deüwen und bτinget lust zů essen·und erwôτmet alle jnnerliche gelýder davon getruncken·od des ein geessen mit einem weýchen eÿe·(Item zýtwan und galgan yegklichs geleÿch vil gebulfert·und also geessen benÿmmet den knoblachs gerauch·(Wein darein gesoten ist zytwan ist gůt wider den hůsten der von einer kalten materien kommet·Und ist auch gůt wider weetumb des magens unnd des gedårmen die do kommen von keltte und von wÿnde·(Item en salcz gemachet von zÿtwan und von galgan mit eþsig vermenget·bτinget lusten zů eþsen·[465]

(1) Zedoar. 433ste kapittel.

Zeduaria Latijn. Grieks Zerumbet. (Curcuma zedoaria)

De meester Paulus in het kapittel zeduaria beschrijft ons en spreekt dat dit is heet aan de derde graad en droog aan de andere. En spreekt ook dat dit is een wortel van een kruid dat groeit over zee en deze wortel duurt tien jaar onveranderd aan zijn natuur. Deze wortel is erg deugdzaam daarmee te verhitten die erg koude natuur zijn. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel zerumbet, id est zeduaria, beschrijft ons en spreekt dat dit is een wortels die is rond en gelijkt aan zijn reuk de gember. Dit kruid komt uit het land Phoenicië. Deze wortel beneemt de knoflook reuk en desgelijks de uien reuk en de wijn reuk. Ook wie er de adem erg stinkt, tot deze allen genuttigd zedoar, het helpt. Item, Zedoar is goed genuttigd voor vergif en vooral zo de pest regeert dan zal men de wortel op een half quintin in de mond houden zo iemand in de lucht gaat of bij de mensen is, het behoedt de mensen voor dat kwade vergiftige lucht van de pest. Avicenna in zijn boek genaamd de viribus cordis beschrijft ons en spreekt dat zedoar versterkt dat (2) hart en maakt die goed bloed en beneemt dat kwade daarvan. (3) Plinius, zedoar is erg goed genuttigd voor de kwade maag want het maakt goed verduwen en brengt lust te eten en verwarmt alle innerlijke leden, daarvan gedronken of dat opgegeten met een week ei. Item, zedoar en galigaan, van elk gelijk veel, gepoederd en alzo gegeten beneemt de knoflook reuk. Wijn daarin gekookt is zedoar is goed tegen het hoesten dat van een koude materie komt. (3) En is ook goed tegen pijn van de maag en de darmen die je komen van koud en van winden. (4) Item, een zout gemaakt van zedoar en van galigaan met azijn vermengt brengt lust om te eten. [465]

Dodonaeus; ‘Bij de geslachten van gember wordt Zedoaria gerekend.

Maerlant; ‘ (3) Het bitterste is het beste te alle stonden tegen pijn in de onderbuik en wind en tegen steken die men vindt die soms naar het (2) hart gaan is zedoaria goed te ontvangen. (4) Zijn poeder in spijs gestrooid maakt goede appetijt’.

yngwer ccccxxxiiii c

Zinziber grece et latine·arabice theugibel·

(Die meister beschτeibend uns das er seÿe heÿþ an dem dτÿtten grad und feücht an dem ersten·(Serapio in dem bůch aggregatoτis in dem capitel theugibel idest zinziber beschτeibt uns und spτicht·das dises sey ein gewåchþe und des wirt vil funden in arabia·Unnd die menschen des selben erdtrichs nüczen d bletter des yngwers zů vil dngen·geleÿcherweÿse als die teütschen nüczen die rauten bleter und selbe bleter·und die wurczel deþselben geleÿchen·Dise wurczel nüczet man in der erczneÿ·Und dises ist der beþte jngwer der jnnwenig fast weÿþ ist und nit lôcherig·und wôlcher sich låþt bulferen wenn man jn bτichet der sol nichcz·(Ingwer hat einen gůten gerauch und sol sein scharpff auff der zungen geleych dem pfeffer·

(Der wirdig meister Galienus in seinem sechþten bůch genant simplicium farmacarum·in dem capitel zinziber spτichet das dise wurczel komme auþ jndien·unnd die selbigen darauþs sind die beþten·(Ingwer ist fast hÿczigen den menschen von natur·und hat an jm feüchtung·und darumb weret er nit lang·wenn er nit verwart wirt·also das er nit in gar feüchten enden steet·umb des willen das er dester mÿnder faul werde·(Ingwer weret zweÿ jar unverseret an seiner natur·(Der meister Platearius spτicht·das jngwer seÿ fast nücz dem bôsen magen·und sunderlichen dem magen d erkaltet ist·(Ingwer vermüschet in die kost ist fast gůt sincopizantibus das ist den do geschwÿndet·(Item jngwer ein halb lot genüczet mit eþsig des abents wenn du schlaffen wildt geen·des eingenommen auff einen trunck·benymmet auch die bôsen feüchtunge mit schwÿczen·also das man sich nach mitternacht wol decke und also schwycze.

(Item jngwer ist allen menschen auþ der massen gar gůt genüczet die jnnerlich erkaltet sind·

(Item wein darjnn gesoten ist jngwer und kümel·ist gůt wid die weetumb des magens und des [466] gedårmes die von wÿnde kommen und machet auch gar wol deûwen.

(1) Gember, 434ste kapittel.

Zinziber Grieks en Latijn. Arabisch theugibel. (Zingiber officinale)

De meesters beschrijven ons dat het is heet aan de derde graad en vochtig aan de eerste. Serapio in het boek aggregatoris in het kapittel theugibel, id est Zingiber, beschrijft ons en spreekt dat dit is een gewas en dat wordt veel gevonden in Arabië. En die mensen van hetzelfde aardrijk nuttigen de bladeren van de gember tot veel dingen, gelijkerwijze als de Duitsers nuttigen de ruitbladeren en saliebladeren en de wortel daarvan gelijk. Deze wortel nuttigt men in de artsenij. En dit is de beste gember die inwendig erg wit is en zonder gaatjes en welker zich laat verpoederen als men die breekt die zullen niets. Gember heeft een goede reuk en zal zijn scherp op de tong gelijk de peper.

De waardige meester Galenus in zijn zesde boek genaamd simplicium farmacarum in het kapittel Zingiber spreekt dat deze wortel komt uit (2) India en dezelfde daaruit zijn de beste. Gember is erg verhitten de mensen van natuur en heeft aan hem vochtigheid en daarom duurt het niet lang als het niet verwarmt wordt alzo dat het niet in erg vochtige einden staat, vanwege dat het er des te minder vuil wordt. Gember duurt twee jaar onveranderd aan zijn natuur. De meester Platearius spreekt dat gember is erg nuttig de kwade maag en vooral de maag die verkouden is. Gember vermengt in de kost is erg goed sincopizantibus, (4) dat is die het duizelt. Item, gember een 8, 3 gram genuttigd met azijn ‘s avonds als u slapen wil gaan, dat ingenomen op een drank beneemt ook de kwade vochtigheid met zweten alzo dat men zich na middernacht goed toedekt en alzo zweet.

Item, gember is alle mensen uitermate erg goed genuttigd die innerlijk verkouden zijn.

(3) Item, wijn daarin gekookt is gember en kummel is goed tegen de pijn van de maag en de [466] darmen die van wind komen en maakt ook erg goed verduwen.

Dodonaeus; ‘Deze wortel is hier te lande bekend met de naam gengebeer, gengber, gember en gimber, in de apotheken heet het Zinziber of Gingiber, in het Arabisch zingilel (kwalijk lengibel) in Hoogduitsland Ingber en Ingwer’.

Maerlant; (2) Platearius zegt dat dit kruid komt van Indië hier.

Herbarius in Dyetsche; ‘De wijn waar gember en komijn in gekookt is, is goed tegen pijn van de (3) maag en van de darmen die uit winden komen, ook laat het goed verteren.

Als je het gemberpoeder in de neus blaast is dat goed tegen het (4) trillen, en werkt direct’.

Zucker ccccxxxv Ca

Zucarum grece et latine·

(Der wirdig meister galienus in dem bůch genannt de ingenio sanitatis beschτeibt uns und sprichet·das zucker wol genůczett müg werden in den erczneÿen die do auff thůn verstopffung oder auch domitt zů reÿnigen die jnnerlichen gelÿder·(Der meister paulus in seinem bůch in dem capitel zucarum spτichet·das zucker sey heyþ und feücht an dem ersten grad·sein tugent ist speÿþen waÿchen und laxiern·(Der meister Avicenna in seinem andern bůch in dem capitel zucarum beschτeibt uns und spτicht·daz deτ zucker senfftige und beneme die geschwulst des leÿbes·des genüczet in der kost oder für sich selb. (Item zucker gemüschet mit mandel ôle und das genüczet·benÿmmet colicam passionem·das ist das grymmen oder darm gesücht·(Die meister spτechen gemeÿnigklich·das so seÿ mangerleÿ zucker·ettlichs seÿ gestalt geleÿch als salcz in d herte und auch mit solchen klumpen·und auch in der selbigen grôþe·Ettliches ist weÿþ unnd klein·unnd das nennet man zucker taberzet·daz ist von dem lande also genant·und dises zucker ist weÿþ und reÿn·wann es wirt doselbst wol gesoten·Auch ist zucker das heÿsset zucker alusar·und das ist tauwe·und fellt von den hymmel·als dann geschτiben steet in dem·cccciij·capitel rereniabin·od in dem ·cclxvij·capitel manna·(Item zucker sol nit vil genüczet werden dem mennschen es wåre dann nott kranckeÿt halben·wann die meister spτechen·das zucker zů vil genüczet mache vil schleyms umb die bτust·und machet den gesunden dürsten und hellig·(Item aller gebachen zucker mit specereÿen krefftiget den menschen·

(Item zucker ist gůt dem magen und der bτust·und ist gůt dem gedårme und nyeren und d blasen als Galienus ist bewåren in seinem bůch de ingenio sanitatis.[467]

(1) Suiker, 435ste kapittel.

Zucarum Grieks en Latijn. (Saccharum officinarum)

De waardige meester Galenus in het boek genaamd de ingenio sanitatis beschrijft ons en spreekt dat suiker goed genuttigd mag worden in de artsenijen die je (2) open doen verstoppingen of ook daarmee te reinigen de innerlijke leden. De meester Paulus in zijn boek in het kapittel zucarum spreekt dat suiker is heet en vochtig aan de eerste graad, zijn deugd is spijzen, weken en laxeren. De meester Avicenna in zijn andere boek in het kapittel zucarum beschrijft ons en spreekt dat de suiker verzacht en beneemt de gezwellen van het lijf, dat genuttigd in de kost of voor zichzelf. Item, suiker gemengd met amandelolie en dat genuttigd beneemt colicam passionem, dat is dat grommen of darmziekte. De meesters spreken gewoonlijk dat er zijn vele soorten suiker, ettelijke is gesteld gelijk als zout in de hardheid en ook met zulke klompen en ook in dezelfde grootte. Ettelijke zijn wit en klein en dat noemt men suiker taberzet, dat is van het land alzo genaamd, en deze suiker is wit en rein want het wordt daar goed gekookt. Ook is suiker dat heet suiker alusar en dat is dauw en valt van de hemel zoals dan geschreven staat in het 403de kapittel rereniabin of in het 267ste kapittel manna. Item, suiker zal niet veel genuttigd worden de mensen tenzij dat het is vanwege de ziekte want de meesters spreken dat suiker te veel genuttigd maakt veel slijm om de borst en maakt de gezonde dorstig en hellig. Item, alle gebakken suiker met specerijen versterkt de mensen.

(3) Item, suiker is goed de maag en de borst en is goed de darmen en nieren en de blaas zoals Galenus ons beweerd in zijn boek de ingenio sanitatis. [467]

Dodonaeus; ‘het Latijn Saccharum en Succharum.

Zuchar bij Gessner, Zucura oud-Hoogduits.

Herbarius in Dyetsche; Het heeft ook de kracht om te verzachten, af te drogen en af te wassen want het maakt de (2) darmen vochtig met goede onthouding, (3) het verzacht de borst en is goed voor de maag’.

Register.

[2]

(A) Ron an dem∙xvj∙capitel benedicten wurcz am·clxxix·ca·

Antera dτ geel semelin bonen an dem·clxxx·ca·

in den rosen am∙xxvij∙c∙ bτenkraut am·clxxxiiij·ca·

Abschlag an dem∙xxx∙capitel bürckwurcz am·clxxxvij·ca·

Aloe an dem∙xxxvj∙capi· birsen an dem·ccix·capitel

Aloes ein holcz am∙xxxvif∙caּ bilsensamen am·ccxvij·ca·

Alaun an dem∙xlv∙capitel bτenwurcz am·ccxix·capitel

Altamia ein baum also genant bachmüncz an dem·cclij·cap·

an dem∙xlvij∙capitel bappelen an dem·cclfij·ca·

Alantwurcz am∙cliilj∙ca· bingelkraut am·cclx·cap·

Augentrost am∙clx∙capּ bτaunberen strauch·cclxiij·cap·

Attich an dem∙clxj∙ca∙ bisum an dem·cclxx·capitel

Ackeleÿ an dem∙clxij∙ca∙ benonien kõτner am·ccxcviij·ca

Asch an dem∙clxxvifj∙capi∙ boleÿ an dem·ccc·capitel

Augstein am∙ccxxij∙ca∙ burgel an dem·cccj·capitel

Andτon am∙cclvj∙capitel bibennel an dem·cccxv·capittel

Alraun man am·cclvij·ca· bÿren an dem·cccxxiiij·capitel

Alraun fraw am∙cclviij∙ca∙ bertram an dem·cccxxx·capitel

Apffel am∙cccxxv∙capitel bÿþmüncz oder lauþkraute an

Apostemen kraut am∙cccl∙cap∙ dem·ccclix·capitel

(B)Eÿfůþ an dem·j·capitel benecz an dem·ccclxiiij·capitel

Bauren eppich am·viij·c blůtkraut an dem·ccclxxxvij·cap

Boberellen am·xxiiij·ca baldτian an dem·ccccxv·capitel

Bethonien an dem·liij·ca· bτant lattich am·ccccxx·capitel

Bτuscus ein baum also genant birck an dem·ccccxxj·capitel

an dem·lix·capitel (C)Oτiander am·ciiij·cap

Bernklae an dem·lx·ca· Costen am·cvij· capitel

basilien an dem·lxv·capitel Cippτeþ am·cxj·capitel

balsam kraut am·lxvj·ca· Citrum ein baume also genant

bÿnsaugen am·lxix·capitel an dem·cxvj·capitel

buchþbaum am·lxx·capi· Cardamomum am·cxviij·cap·

behem ein wurcz also genannt Campffer an dem·cxix·capittel

an dem·lxxj·capitel Cassia fistula an dem·cxxvj·ca·

bτaunellen an dem·lxxij·ca· Cantarides würmlin also ge‚

balsam baum am·lxxv·ca· nant an dem·cxxviij·capitel

baumwolle am·lxxviii·ca· coτallen an dem·cxxx·capitel

butter an dem·lxxxij·cap· camedτeen an dem·cxxxviij·ca·

boτnwurcz an dem·xcvij·ca· creüczbaum an dem·cccx·capitel

blůtwurcz am·cix·capitel cÿtrin õpffel am·cccxxvij·capi·

bÿbergeÿlen am·cxxiiij·ca· (D)Ille an dem·xiiij·capitel

bleÿweiþ am·cxxxij·ca· Deüffels treck an dem

blûtstein am·clxxiij·capitel xlj·capitel [3]

Dannen schwam am·lj·capitel Füchtbalttern eppich

Dausent guldin au dem·lxxxiij an dem·ix·capitel

capitel Filczkraut an dem·xcij·c

Distel an dem·cj·capitel Felriþ an dem·clij·capitel

Daub an dem·cxliiij·capitel Fenchel an dem·clxxv·cap·

Dÿptan am·cxlvj·capitel Farnkraut am·clxxxiij·ca·

Dÿagridion ein saffte also ge= Floτamoτ ein kraut also genant

nant an dem·cxlix·cap· an dem·clxxxix·capitel

Dτagantum am·cl·capitel Feÿgen an dem·cxcj·cap·

Datteln an dem·clj·capi· Flachs an dem·ccxxxvj·ca·

Durchwachs an dem·cliij·cap· Fogels zunge am·ccxliiij·capi·

Drüþwurcz an dem·ccxxxviij· Fischbeÿn die die goldt schmid

capitel bτauchen an dem·ccxcvj·cap·

Deüfels abÿþ am·cclxj·ca· fünff finger kraut am·cccv·ca

Dosten an dem·cclxxxv·cap· feltkümmel am·ccclxviij·capi·

Daubenfûþ an dem·cccxij·capi· feÿeln an dem·ccccxiij·cap·

Doτmentil am·cccxcvj·cap· fuchs an dem·cccxxvj·ca·

Dolwurcz an dem·ccccxix·cap· freÿschem kraut am·cccxxxij·c·

(E)Ppich an dem·vj·capit· (G)Oldwurcz am·xx·ca·

Eÿbisch am·xij·capit Geel lilien am·xxj·cap

Enÿþ an dem·xv·cap· Gold am·xxj·cap·

Eÿchbaum an dem·xxxiij·capi· Gummÿ an dem·xliiij·cap·

Elephanten lauþ an dem·xxxiiij Granatzblům am·lxxiij·capi.

capitel gummi, an dem·lxxvij·capitel

Essig an dem·xlix·capitel Gamillen blůmen·lxxxiiij·cap·

Erbsich an dem·lv·capitel Gelb feÿel an dem·cv·ca·

Emblici ein frucht der mirabo/ Grexbech am·cxxxiiij·ca·

lonen an dem·clix·capitel Geÿþblat am·cxxxix·capi·

Epitimum die fasen auff dem kle Geÿþ an dem·cxlij·capitel

en an dem·clxix·capitel Gundelrebe am·clxiiij·cap·

Eufoτbium ein gummi also ge Gens zungen am·clxvij·ca·

nant an dem·clxx·capitel Gebτent ercz am·clxxj·ca·

Elephanten zan am·clxxlj·cap Gewant bonen am·clxxxj·cap·

Edus an dem·clxxiiij·capitel Gamandτe am·cxxvij·ca·

Erdτauch oder kaczen kerbeln Galgan am·cxcvilj·cap·

an dem·cixxvj·capitel Gummi arabicum am·ccj·cap

Erdtbern an dem·cxc·capitel Galbanum ein gummi also ge

Encian an dem·cxcix·capitel nant an dem·ccij·capitel

Enbelsûþ an dem·cccvij·capitel galôpffel an dem·cciij·ca·

Erbeÿþ an dem·cccxix·ca· gagates ein steÿn also genant

Erczwobel an dem·ccclxxiij·ca· an dem·cciiij·capitel

Erde ŏpffel an dem ccccxviij·c· granat ŏpffel am·ccvj·ca· [4]

graþ an dem·ccx·capitel (J)Oden leyme an den·lxxx

groþ klett an dem·ccxxvj·capit capitel

garbe an dem·ccliij·cap· Johannis blůmen an dem

gersten an dem cclxxxix·ca· cxciij·capitel

grensing an dem·cccxviij·capit· Johanns treübelein·cccxlj·cap·

gwendel an dem·cccxlviij·ca· (K)Noblach am·iiij·cap·

gebτante helffenbeÿn an dem·ccc Kuckuþlauch·xviij·ca

lxxj·capitel Kôcksilber am·xl·cap·

garten kole oder fenedeÿ an dem· Krafft mele am·xlij·cap·

ccclxxxiiij·capitel Kerbelen am·lxxxvj·capi·

(H)Olwurcz am·x·capi· Kürbiþ an dem·xcj·cap·

Haselwurcz am·ix·ca· Kichern an dem·xciiij·cap

Hirschwurcz·xxij·cap Küdtenbaum am·c·capitel

Habern an dem·xxix·capitel Kümmel an dem·cxiiij·ca·

Hauþwurcz an dem·lviij·capitel kürþbaum an dem·ccxx·ca·

Hagendoτn am·lxxiiij·ca· kesten baum an·cxxij·cap·

Hanff an dem·xc·capitel kürbiþ oder sehe am·cxxiij·cap·

Hunds zungen am·xcix·ca· kalmuþ an dem·cxxvij·ca·

Hercz gespan an dem·cvj·ca· kelerþhalþ an dem·cxxix·ca·

Hirþschwam am·cviij·ca· kapτen an dem·cxxxv·ca·

Hirtenpfeÿff am·cxciiij·capitel kalck an dem·cxxxvj·capi·

Han oder henne am·ccxj·capi· krebs an dem·cxliij·cap·

Hopffen an dem·ccxv·cap· kese an dem·cxlv·capitel

Harenkraut am·ccxvj·ca· klein schwwertlen oder wilde

Hanbotten am·ccxx·cap· schwertlen am·clxxxv·ca·

Hůflattich am·ccxlv·ca· koτen blůmen am·cxcij·ca·

haþ·an dem·ccxlviii·capitel kleinklett am·ccxxvij·ca·

hůnerdarm oder myer·cclxij·ca kress am·cclxxviij·capitel

heyde an dem·ccliiij·ca· keel an dem·cclxxxviij·cap·

holczõpffel am·cclxvj·ca· klein wegerÿch am·cccix·capi·

hÿmeltawe am·cclxvij·ca· klein rosÿn am·cccxxj·ca·

hŏnig an dem·cclxxiiij·cap· klebkraut am·cccxlv·ca·

haselnuþ am·ccixxx·ca· knabenkraut am·ccclv·ca·

harstrang an dem·cccxvij·ca· kamelnheüwe am·ccclxix·cap·

heÿmisch moτchen·cccxxviij·ca klee am·cccxcvij·capitel

hasenstrauch oder hasenhauþ.an karten die die weber bτauchen

dem·cccxxxiiij·capitel zů den wüllen tůch·ccccxiiij·cap·

hasenfůþ am·cccxxxv·ca· krauþ distell am·ccccxxix·capi·

hederich am·cccxliiij·capi· (L)Eberkraut am·civj·ca

holler an dem·cccxlvj·ca· Lattich am·ccxxiij·ca

hÿrþzungen am·ccclj·ca· Liebstickel·ccxxv·cap

honigtaw an dem·cccciij·capit· Loτberbaum am·ccxxviij·cap [5]

Lavendel am·ccxxxiiij·capittel Mŏτrettich am·cccxxxviij·cap·

Linaria ein kraut also genant Mŏτdisteln an dem·ccccviij·ca

an dem ccxxxv·capitel Maurpfeffer am·ccccxvii·cap·

Lÿnsen an dem·ccxxxvii·capit· Maiþ an dem·ccccxxij·capitel

Laudanum ein gummÿ an dem (N)Aterwurcz am·lxxxix·c·

ccxxxix·capitel Negelin an dem·cc·cap

Lasuerstein am·ccxl·capitel Negelin kraut oder be/

Licium ein saffte also genannt nedicta an dem·ccv·capitel

an dem·ccxlvj·capitel Nespelbaum am·cclxxxiiij·capit·

Lacta ein gummÿ also genant Nuþ an dem·cclxxxiiij·capitel

an dem·ccxlvij·capitel Nachtschad am·cccxlix·ca·

Lauch am·ccciij·capitel Nesseln an dem·ccccx·cap·

Lungenkraut am·cccxiiij·cap· (O)Dermÿnge am·v·cap·

(M)Eÿsterwurrcz an dem· Osterluczÿe am·xj·ca·

xxv·capitel Operment am·xlviij·c·

Mauþoτe am·xxviij·ca· Ochsenzung am·liiij·cap·

Mandelbaum an dem·xxxv·capi· Ochs oder rind am·lxxxj·cap·

Muschel also genannt an dem· Oleander ein baum·cclxxxvj·c·

lvij·capitel Olbaum an dem·cclxxx·ca·

Moτen an dem·lxii·capitel Os de coτde cervi ein beÿn das

Maurτautten am·lxxxviij·cap· man findet in dem herczen des

Mŏτdisteln am·cxxxj·capitel hÿrþen an dem·ccxcij·cap·

Meter an dem·clxxxvj·capitel Opopanatum ein safft an dem

Meÿblůmen am·ccxxx·capittel ccxciij·capitel

Mŏτlÿnsen am·ccxxxij·capitel Oτant also genant·ccxcv·cap·

Magnet·an dem·ccxlij·capitel Oτrich am·lvj·capit·

Můter kraut an dem·ccl·capit· Pfremen oder gÿnst·

Müncz an dem·cclj·capittel an dem·cxcvj·capi·

Maioτon an dem·cclv·capittel Perlin an dem·ccxiiij·cap·

Maulberen an dem·cclix·capit·` Poτþ an dem·cclxv·capitel

Mastix ein gummÿ also genant Petersilien auþ dem lande ma/

an dem·cclviij·capitel cedonie am·cclxxv·cap·

Mummia an dem·cclxix·xapittel Petersilgen am·ccciiij·capi·

Mirτa an dem·cclxx·capitel Popelbaum am·cccxiij·capitel

Muscaten blůmen am·cclxxj·ca Pτumen an dem·cccxx·ca·

Mirabolani ein frcht an dem Pinee also genannt an dem·ccc

cclxxiij·capitel xxij·capitel

Melonen en dem·cclxxvj·capi· Piscacea also genannt an dem

Muscaten an dem·cclxxxiij·capitel cccxxiij·capitel

Mÿnwen wurczen·ccxcvii·ca· Psillien kraut am·cccxxvj·

Magsamen an dem·ccxcix·cap· Pfeffer an dem·xxix·ca·

Maþlieben am·ccccxxxiij·capit· Pfersig kraut am·cccxxix·capi· [6]

petroleum ein ŏle also genant Sanickel am·cxlviij·capitel

an dem·cccxxxij·capitel Schwarcz nÿeþwurcz·clxvj·c·

pτunnkreþ an dem·ccclx.capit· Saw disteln am·clxviij·capi·

(R)Osenmarÿn·xxiij·cap Sÿben gezeÿdte am·clxxvii·ca

Rŏmsch kele an dem· Schluttenkraut oder gelbe sch/

lxiij·capitel werteln an dem·cxcv·cap·

Rŏdtelstein an dem·lxxvj·capit· Scharlach am·ccvij·capitel

Ritterspoτn am·xcvj·cap· Schlüsselblůmen am·ccxiij·ca·

Ringelblůmen am·xcviij·cap· Stoτcken schnabel am·ccxiiij·ca

Rot steinbτeche am·clxxxij·ca· Sŭþholcz an dem·ccxxiiij·capi·

Roþzagel am·ccxxj·capitel Silber glŭt am·ccxlj·capitel

raden an dem·cclxxvij·cap· Seeblůmen am·cclxxix·ca

rabenfůþ an dem·cccxj·capitel Sant cristoffels kraut·ccxciiij·

rautten am·cccxxxvj·cap· Selbe am·cccxlvij·capitel

rosen·am·cccxxxvij·capitel Senff samen an dem·ccclij·ca·

rettich am.cccxxxix.capitel Sefelbaum an dem.cccliij.cap.

růben·an dem·ccxl·capitel Steinbτrech an dem·ccclvj·cap

reubarbarum ein wurczel also Sebesten ein frucht·ccclvj·cap·

genant am·cccxlxij·capitel Salix ein weÿde am·ccclvij·ca

reuponticum ein wurczel also Spelcz an dem·ccclxiij·ca·

genant am·cccxliij·ca· Sticados blůmen von arabien

rocken koτen am.ccclxij.ca. also genant am.ccclxvj.ca

reinblůmen oder mottenkraut Scamonea also genant an dem

an dem·ccclxvij·capitel ccclxx·capitel

romsch spick am·ccclxxvij·cap· Seτapinum ein gummÿ also

reÿnfar an dem·cccxcix·ca· genant an dem·ccclxxii·ca·

(S)Tabwurcz am·ij·cap Sandelholcz am·ccclxxiiij·cap·

Sauerampffeτ an dem Sene also genant·ccclxxv·cap·

xiij·capitel Spica also genant·ccclxxvj·ca·

Schÿþmelde am·xvij·capitel Stoτax ein gummi also genant

Schlehen safft am·xxvj·ca· an dem·ccclxxviij·cap·

Schirling am·xxxj·capitel Schwebel an dem·ccclxxix·cap·

Sÿnauwe amÿxxxij·capitel Salarmoniacum also genant

Silber am·xxxix·capitel an dem·ccclxxx·capitel

Spieþglaþ an dem·xliij·capitel Sarcocolla ein gummi also ge

Schaffmulle an dem·lij·ca· nant an dem·ccclxxxij·capit·

Stilwurcze oder rasewurcz an Spτebern an dem·ccclxxxv·cap

dem lxviij·capitel Sauwurcz am·ccclxxxvj·capi·

Sÿn grŭn am lxxix·capitel Sesamþkraut am·ccclxxxviij·c

Schelwurcz am dem lxxxv·cap. Spargen an dem·ccclxxxix·cap·

Saffran am·cxxj·capitel Soldanella also genant an dem

Spτinckwurcz am·cxlj·capitel cccxc·capitel [7]

Sumach ein same von eÿnem Weÿþenkümmel am·cxv·capi·

also genant am·cccxcj·capitel Wilder saffran am·cxxxiij·cap·

Salcz an dem·cccxcij·capitel Wachs an demecxxxvij.capitel

Salcz an dem.cccxciij.capitel Weÿþs steinbτeche am·cxl·cap

Seÿffen an dem·ccciiij·capittel Wilde moτen am·cxlvij·capitel

Spτingwurcz am·cccxcc·cap· Weÿsser senff an dem·clv·capi·

Scharpff klee am·cccxcviij·ca· Wilde selbe an dem·clvij·capit·

Sant johanns kraut·ccccxxx·c· Wolffs milch am·clviij·capitel

Stern kraut oder krotten krau Weÿsse nÿeþwurcz am·cixx·

te an dem·ccccxxxj·capitel Wundtkraut am·clxxxviij·ca·

(T)Eschenkraut an dem· Wilder scharlach am·ccviij·ca·

lxvij·capitel Wegholer am·ccxviij·capit·

Tag und nacht·cccv·ca Weÿþ lilien an dem·ccxxix·cap·

Trackenblůt am·cccxxxj·capi· Weÿþ disteln am·ccxxxj·capit·

Terτa sigillata am·cccc·capitel Wilde klee am·ccxlix·capitel

Tapsia ein wurczel also genant Welisch nuþ am·cclxxxj·capitel

an dem·ccccj·capitel Wÿcken am·cclxxxvij·ca·

Tamarindi frucht also genant Weÿþs weÿrach am·ccxij·cap

an dem·ccccij·capitel Wegdτett an dem·cccij·capitel·

Turbit ein wurczel also genant Winttergrūn am·cccxvj·capit·

Teτpentin am·ccccv·capi· Wilder knoblach am·ccclxiij·c

Tamariscus ein baum also ge= Wantlauþ kraut am·ccclxj·ca·

nant an dem·ccccvij·capitel Wurmkraut an dem·ccclxv·cap·

Tucia ein stein also genant an Wassereÿdes am·ccclxxxiij·ca·

dem·ccccix·capitel Weÿnstein an dem·ccccxvj·ca·

Todt nesseln am·ccccxj·capitel Weinreben am·ccccxvj·ca·

(V)Igbone an dem·ccxxxiij· Winde an dem·ccccxxiiij·ca·

capittel Wilder zÿtwan am·ccccxxv·ca

Victril an dem·ccccxx= Wasser pfeffer am·ccccxxviij·c·

iij·capitel· (Y)E lenger ÿe lieber·cij·c·

(W)Ermůt am·iij·capite Ysen od ebich·clxiij·c·

Wilden eppich·vij·ca· Yþern kraut·ccccxij·c·

Walroτe am·xlxj·cap Ysop am·ccccxxvij·ca·

Wasser an dem·l·capitel Yngwer an dem·ccccxxiiij·cap·

Wasser wegerich am·lxj·capi· Wibeln am·ciij·ca·

Weÿþ kele an dem·lxj·capi· Zÿmmetrinden·cxiij·c·

Wunczerling am·lxxxvij·cap· Zeÿtloþ am·ccxij·cap

Wegwarten am·xciij·capitel· Zÿtwann an dem·ccccxxxiij·cap·

Walwurcz an dem·xcv·capitel Zucker am·ccccxxxv·capitel

Wulkraut an dem·cx·capitel Ziland

Wilder galgen am·cxij·capittel (Ein ende hat dises register) [8]

Dritteyl.

Dises ist das dτtteyl dises bůchs·und ist ein register zů finden kreüter die do laxieren dz ist stůlgång bτingen·(Item die do krefftigen und domit die wolriechenden·(Item von den gummi·(Item von den früchten·(Item von den samen. (Item von den wurczeln·(Item von den gestein·(Item von den thieren·und domit was von jn entspτinget·

Zů den ersten von dem stucken die do laxiern den mennschen.

Aloe also genant capi·xxxvj·

Agaricus dannenschwamm·ca·lj.

Cassia fistula also genant·c·xxv·

Coloquintida kürbÿþs übersehe capit ·cxxiij·

Cartamus wylder saffran·cap·cxxxiij·

Diptamus dÿptam capit·cxlvj·

Dÿagridion ein safft also genennet capit·cxlix·

Esula wolffs milch·cap·clviij·

Emblici ein frucht der mirabolanen capit·clix·

Eufoτbium ein gummi also genant cap·clxx·

Epithimum die fasen auff den kleen·clxix·

Elleboτus albus·weÿsse nyeþwurcz capit·clxv·

Elleboτus niger·schwarcz nÿþwurcz capit·clxvj·

Hermodactilus zeÿtlosen·c·ccxij·

Lapis lazuli lasur stein·ca·ccxl·

Lacca ein gummi also genannt capit·ccxlvij·

Mirabolani frücht also genant capit·cclxxiij·

Manna hymmeltawe cap·cclxvij·

Reubarbarum ein wurcz also genant·capit·cccxlij·

Sene also genant capi·ccclxxv·

Scamonea also genant·c·ccclxx·

Turbit ein wurczel also genant capit·cccciiij·

Tamarindi frücht also genant·capit·ccccij·

Zuckarum zucker·cap·ccccxxxv·

Von den die do kreftigen und wolriechenden·

Anthos roþmarÿn cap·xxiij·

Buglossa ocþen zung·cap·liiij·

Boτago boτrich cap·lvj·

Basilica basilien capit·lxv·

Balsamita balsamkraut·c·lxvj·

Balsamus balsambaum·c·lxxv·

Cinamomum zymmetrÿnden cap·cxiij·

Calamus aramaticus kalmuþ capit·cxxvij·

Cubebe cubeben·capit·cxvij·

Carvi weÿþ kümmel·cap·cxv·

Cimminum kümmel cap·cxiiij·

Cardamomum cardamomen·cap·cxviij·

Crocus saffran cap·cxxj·

Coτiandτum coτiander capi·ciiij·

Feniculus fenchel cap·clxxv·

Ficus feÿgenbaumm capi·cxcj·

Gariofili någelein·capit·cc·

Galanga galgen·cap·cxcviij·

Genciana enczian·cap·cxcix·

Lilium album weyþ lÿlgen·c·ccxxix·

Lilium convalium meÿen ÿlûmen capit·ccxxx·

Liquiricia sŭþholcz·cap·ccxxiiij·

Lavendula lafendel·ca·ccxxxiiij·(·F·j·) [468]

Maioτana maioτen·ca·cclv·

Macis muscatblům·ca·cclxxj·

Mirτa mirτe·capit·cclxx·

Muscus bÿþem·cap·cclxxij·

Nux muscata muscaten nuþ capit·cclxxxiij·

Os de coτde cervi·baÿn von des hÿrþen hercze cap·ccxcij·

Piper pfeffer capit·cccxxix·

Pinee frücht also genant capit·cccxxij·

Pulegium polay capit·ccc·

Sandali sandelholcz ca·ccclxxiiij·

Salina selbe cap·cccxlvij·

Spicanardi also genant capit·ccclxxvj·

Spica celtica rômisch spick cap·ccclxxvij·

Viola feÿeln cap·ccccxiij·

Ysopus ÿsop cap·ccccxxvij·

Zeduar zÿttwan ca·ccccxxxiij·

Zinziber ÿngwer ca·ccccxxxiiij·

Zuckarum zucker·ca·ccccxxxv·

Von den gummi

Asa fetida teüfels dτeck ca·xlj·

Camphoτa campher ca·cxix·

Bidellium ein gummi also genant capit·lxxvij·

Dτagantum ein gummi also genant capit·cl·

Eufoτbium ein gummÿ also genant capit·lxx·

Gummi arabicum also genant capit·ccj·

Galbanum ein gummi also genant·cap·ccij·

Laudanum ein gummi also genant capit·capit·ccxxxix·

Mastix ein gummi also genant capi·cclxviij·

Opopanax ein safft allso genant capit·ccxciij·

Olibanum weisser weÿrach·c·ccxcj

Serapinum ein gummi also genant capit·ccclxxviij·

Stoτax ein gummi also genant capit·ccclxxviij·

Sanguis dτaconis trackenblůtt capit·ccclxxxj·

Terbentina repentina·ca·ccccx·

Von den früchten

Amigdali mandel capi·xxxv·

Citonia kütten cap·c·

Castanea kesten cap·cxxij·

Cappari cappern cap·cxxxv·

Dactili dacteln ca·clj·

Cerasum kýrþen cap·cxx·

Fabe bonen ca·clxxx·

Juiube hanbonen ca·ccxx·

Lupini figbon ca·ccxxxiiij·

Moτa celsi maulberen ca·cclix·

Mala granata granat õpffel capit·ccvj·

Meloni mÿlaunen ca·cclxxvj·

Moτa bacci bτanbeer ca·cclxiij·

Mala maciana holczôpffel cap·cclxvj·

Mirabolani frücht also genant capit·ccxciij·

Nux avellana haþelnuþs capit·cclxx·

Nespili nespelen ca·cclxxxij·

Oτobi wÿcken cap·cclxxxvij·

Oτdeum geersten ca·cclxxxix·

Olive oliven capit·ccxc·

Pτune pτumen cap·cccxx·

Pÿra pÿren cap·cccxxiiij·

Poma ôpffel capit·cccxxv·

Von den samen

Anisi åniþ samen capit·xv·

Aneti dyll samen cap·xiiij·[469]

Apij eppich samen capit·vj·

Endivie endiviensamen·ca·clxvij·

Feniculi fenchelsamen·ca·clxxv·

Jusquiami bÿlsensamen capit·ccxvij·

Lini leynsamen ca·ccxxxvj·

Levistici liebstückelsamen capi·ccxxv·

Pionie benonien samen ca·ccxcviij·

Petrosilini petersiligen samen·capit·ccciiij·

Plantaginis wegrich samenca cccviij·

Poτtulace bürgelsamen ca·cccj·

Rute rautensamen ca·cccxxxvj·

Sinapis senffkraut samen capit·ccclij·

Urtice nesselsamen ca·cccc·x·

Von den wurczeln.

Aristologie holwurcz· die lang und die rotund·ca·x·und·cj·

Althee eÿbisch wurczeln·ca·xij

Aaron aaran wurrczel ca·xvj·

Castus ein wurczel also genant·capit·cvij·

Diptami dÿptanwurczel cqpit·cxlvj·

Eleubτi weysse nÿeþwurcz und schwarcz nÿeþwurcz capi·clxv·und

clxvj·

Piretri bertramwurczel ca·cccxxx·

Polipodij·ein wurczel also genant cap·cccvij·

Reubarbari ein wurczel also genant. engelsüþ ca·cccxlij·

Repontici also genant ca·cccxliij·

Satirionis knabenkraut wurczeln cap·ccclv·

Turbit ein wurczel also genant capit·cccciiij·

Zeduarie zÿttwan ca·ccccxxxiij·

Zinziberis jnngwer ca·ccccxxxiiij·

Von dem gesteyn

Coτallus koτellen ca·cxxx·

Margarita beerlein ca·ccxliij··

Alumen alaun ca·xlv·

Bolus armenus rôttelstein capit·lxxvj·

Lapis ematicis blůtstein capit clxxiij·

Litargirum silberglitt ca·ccxlj·

Lapis magnes magnet c·ccxlij·

Sulphur schwebel ca·ccclxxix·

Tucia ein stein also genant cap·ccccix·

Terτa sigillata besigelte erde capit·cccc·

Vitriolum vitril ca·ccccxxiij·

Von den thyeren und was von jn entspτingen ist

Bos ein rÿndt ca·lxxxj·

Capτa ein geÿþ ca·clii·

Cancer ein krebþ ca·cxiiiij·

Columba ein taub ca·cxliiij·

Castoτ ein bÿber ca·cxxiiij·

Cervus ein hyrtþ ca·ccxcij·

Edus ein bôcklein ca·clxxij·

Elephant ein thier also genant capit·clxxij·

Lepus ein haþ ca·ccxlviij·

Kaseus kåþ ca·cxlv·

Mel hônig ca·cclxxiiij·

Spodium gebτennt helffenbayn capit·ccclxxj·

Sapo seÿffen ca ·cccxciiij·

Vulpis ein fuchþ ca·ccccxxvj·

Bÿþem thier ca·cclxxij·

Hie mercke das von den den allen in dysem register gesaget ist in einer gemeÿn·wann sÿ werden gemeÿnigklich gebτauchet zů erczneÿ·unnd ander vil (·F·ij·) [470] kreüter·wurczeln·samen·gummi·gestein sind·die ein ÿegklicher mercke in sunderheyt·

Dit is dat derde deel van dit boek en is een register te vinden kruiden die je laxeren, dat is stoelgang brengen. Item, die je versterken en daarmee die welriekende. Item, van de gommen. Item, van de vruchten. Item, van de zaden. Item, van de wortels. Item, van de stenen. Item, van de dieren en daarmee wat van hen ontspringt.

Tot de eerste van de stukken die er laxeren de mensen.

Aloë, alzo genaamd, kapittel, xxxvj.

Agaricus, dennenzwam, kapittel lj.

Cassia fistula, alzo genaamd, kapittel xxv.

Coloquintida kurbis over zee, kapittel cxxiij.

Cartamus, wilde saffraan, cap cxxxiij.

Diptamus, diptam, kapittel cxlvj.

Dÿagridion, een sap alzo genoemd, kapittel cxlix.

Esula, wolfsmelk, kapittel clviij.

Emblici, een vrucht van de myrobalanen, kapittel clix.

Euphorbia, een gom alzo genaamd, kapittel clxx.

Epithimum, die vezels op de klaver, clxix.

Elleborus albus, witte nieswortel, kapittel clxv.

Elleborus niger, zwarte nieswortel, kapittel clxvj.

Hermodactilus, tijdeloos, kapittel ccxij.

Lapis lazuli, lazuursteen, kapittel ccxl.

Lacca, een gom alzo genaamd, kapittel ccxlvij.

Mirabolani, vrucht alzo genaamd, kapittel cclxxiij.

Manna, hemeldauw, kapittel cclxvij.

Reubarbarum, een kruid alzo genaamd, kapittel cccxlij.

Sene alzo genaamd, kapittel ccclxxv.

Scamonea, alzo genaamd, kapittel ccclxx.

Turbit, een wortel alzo genaamd, kapittel cccciiij.

Tamarindi, vrucht alzo genaamd, kapittel ccccij.

Zuckarum, suiker, kapittel ccccxxxv.

Van die je versterken en welriekende.

Anthos, rozemarijn, kapittel xxiij.

Buglossa, ossentong, kapittel liiij.

Borago, bernagie, kapittel lvj.

Basilica, basielkruid, kapittel lxv.

Balsamita balsamkruid·c·lxvj·

Balsamus balsamboom·c·lxxv·

Cinamomum kaneel cap·cxiij·

Calamus aramaticus kalmoes kapittel·cxxvij·

Cubebe cubeben·kapittel·cxvij·

Carvi, witte komijn, kapittel cxv.

Cimminum, komijn, kapittel cxiiij.

Cardamomum, kardemom, kapittel cxviij.

Crocus, saffraan, kapittel cxxj.

Coriandrum, koriander, kapittel ciiij.

Feniculus, venkel, kapittel clxxv.

Ficus, vijgenboom, kapittel cxcj.

Gariofili, kruidnagels, kapittel cc.

Galanga, galigaan, kapittel cxcviij.

Gentiana, gentiaan, kapittel cxcix.

Lilium album, witte lelie, kapittel, ccxxix.

Lilium convalium, lelie der dalen, kapittel ccxxx.

Liquiricia, zoethout, kapittel ccxxiiij.

Lavendula, lavendel, kapittel ccxxxiiij. (·F·j·) [468]

Majoraan, majoraan, kapittel cclv.

Macis, muskaatbloem, kapittel cclxxj.

Mirre, mirre, kapittel cclxx.

Muscus, bizam, kapittel cclxxij.

Nux muscata, muskaatnoot, kapittel cclxxxiij.

Os de corde cervi, been van het hertenhart, kapittel ccxcij.

Piper, peper, kapittel cccxxix.

Pinee, vrucht alzo genaamd, kapittel cccxxij.

Pulegium. Polei, kapittel ccc.

Sandali, sandelhout, kapittel ccclxxiiij.

Salina, salie, kapittel cccxlvij.

Spica nardi, alzo genaamd, kapittel ccclxxvj.

Spica celtica, Roomse spick kapittel ccclxxvij.

Viola, violen, kapittel ccccxiij.

Hysopus, hysop, kapittel ccccxxvij.

Zeduar, zeduar, kapittel ccccxxxiij.

Zinziber, gember, kapittel ccccxxxiiij.

Zuckarum, suiker, kapittel ccccxxxv.

Van de gommen.

Asa foetida, duivelsdrek, kapittel xlj.

Camphora, kamfer, kapittel cxix.

Bidellium, een gom alzo genaamd, kapittel lxxvij.

Dragantum, een gom alzo genaamd, kapittel cl.

Euphorbia, een gom alzo genaamd, kapittel lxx.

Gom arabicum, alzo genaamd, kapittel ccj.

Galbanum, een gom alzo genaamd, kapittel ccij.

Laudanum, een gom alzo genaamd, kapittel ccxxxix.

Mastiek, een gom alzo genaamd, kapittel cclxviij.

Pioen, een sap alzo genaamd, kapittel ccxciij.

Olibanum, witte wierook, kapittel ccxcj.

Serapinum, een gom alzo genaamd, kapittel ccclxxviij.

Storax, een gom alzo genaamd, kapittel ccclxxviij.

Sanguis draconis, drakenbloed, kapittel ccclxxxj.

Terbentina, terpentijn, kapittel ccccx.

Van de vruchten.

Amigdali, amandel, kapittel xxxv.

Citonia, kwee, kapittel c.

Castanea, kastanjes, kapittel cxxij.

Cappari, kappers, kapittel cxxxv.

Dactili, dadels, kapittel clj.

Cerasum, kersen, kapittel cxx.

Fabe, bonen, kapittel clxxx.

Juiube, jujube, kapittel ccxx.

Lupini, vijgbonen, kapittel ccxxxiiij.

Mora celsi, moerbei kapittel cclix.

Mala granata, granaatappel, kapittel ccvj.

Meloni, meloenen, kapittel cclxxvj.

Mora bacci, bramen, kapittel cclxiij.

Mala maciana, houtappel, kapittel cclxvj.

Mirabolani, vrucht alzo genaamd, kapittel ccxciij.

Nux avellana, hazelnoot, kapittel cclxx.

Nespili, mispels, kapittel cclxxxij.

Orobi, wikke, kapittel cclxxxvij.

Ordeum, gerste, kapittel cclxxxix.

Olive, olijven, kapittel ccxc.

Prune, pruimen, kapittel cccxx.

Pÿra, peren, kapittel cccxxiiij.

Poma, appel, kapittel cccxxv.

Van de zaden.

Anisi, anijszaden, kapittel xv.

Aneti, dillezaden, kapittel xiiij. [469]

Apij, selderijzaden, kapittel vj.

Endivie, andijviezaden, kapittel clxvij.

Feniculi, venkelzaden, kapittel clxxv.

Jusquiami, bilzezaden, kapittel ccxvij.

Lini, lijnzaden, kapittel ccxxxvj.

Levistici, maggiplantzaden, kapittel ccxxv.

Pionie, pioenzaden, kapittel ccxcviij.

Petrosilini, peterseliezaden, kapittel ccciiij.

Plantaginis, weegbreezaden, kapittel cccviij.

Poetulace, posteleinzaden, kapittel cccj.

Rute, ruitzaden, kapittel cccxxxvj.

Sinapis. mosterdkruid zaden, kapittel ccclij.

Urtice, brandnetelzaden, kapittel ccccx.

Van de wortels.

Aristologie, holwortel, de lange en de ronde, kapittel x en xj

Althee, heemstwortels, kapittel xij.

Aaron, arumwortel, kapittel xvj.

Castus, een wortel alzo genaamd, kapittel cvij.

Diptami, diptamwortel, kapittel cxlvj.

Eleubri, witte nieswortel en zwarte nieswortel, kapittel clxv en clxvj.

Piretri, bertramwortel, kapittel cccxxx.

Polipodij, een wortel alzo genaamd, kapittel cccvij.

Reubarbari, een wortel alzo genaamd, kapittel cccxlij.

Repontici, alzo genaamd, kapittel cccxliij.

Satirionis, orchideewortels, kapittel ccclv.

Turbit, een wortel alzo genaamd, kapittel cccciiij.

Zeduarie, zedoar, kapittel ccccxxxiij.

Zinziberis, gember, kapittel ccccxxxiiij.

Van de stenen.

Corallus, koralen, kapittel cxxx.

Margarita, parels, kapittel ccxliij.

Aluin, aluin, kapittel xlv.

Bolus armenus, rode steen, kapittel lxxvj.

Lapis ematicis, bloedsteen, kapittel clxxiij.

Litargirum, zilberschuim, kapittel ccxlj.

Lapis magnes, magneet, kapittel ccxlij.

Sulphur, zwavel, kapittel ccclxxix.

Tucia, een steen alzo genaamd, kapittel ccccix.

Terra sigillata, gezegelde aarde, kapittel cccc.

Vitriolum, vitriool, kapittel ccccxxiij.

Van de dieren en wat van hen ontspringt.

Bos, een run, kapittel lxxxj.

Capra, een geit, kapittel clii.

Cancer, een kreeft, kapittel cxiiiij.

Columba, een duif, kapittel cxliiij.

Castor, een bever, kapittel cxxiiij.

Cervus, een hert, kapittel ccxcij.

Edus, een bokje, kapittel clxxij.

Elephant, een dier alzo genaamd, kapittel clxxij.

Lepus, een haas, kapittel ccxlviij.

Kaseus, kaas, kapittel cxlv.

Mel, honing, kapittel cclxxiiij.

Spodium, gebrande olifantsbeen, kapittel ccclxxj.

Sapo, zeep, kapittel cccxciiij.

Vulpis, een vos, kapittel ccccxxvj.

Bÿþem, muskus of bizam, kapittel cclxxij.

Hier merk dat van dat alles in deze register gezegd is in het algemeen want ze werden gewoonlijk gebruikt tot artsenij en andere veel (·F·ij·) [470] kruiden, wortels, zaden, gom, gesteente zijn die iedereen opmerkt apart.

Farben des harns.

Funff teyl, register. Zie index. Ziektes.

hyenach volget das fünfft teÿll und das leczte dyses bůchs·und ist ein register behend zů finden von allen kranckheÿten der menschen·auþwenig und jnwenig des ganczen leÿbes·und auch vil ander bewårter und hoflicher stuck·Und solt mercken dz in dÿsem register verzeychnett sind die paragrophi·Wann in ÿegklichem capitel findest du paragraphos in einem mer in dem andern mynder·nach dem daz capitel vil oder wenig tugent hat·Auch sind verzeÿchnet in disem register die meister die uns sollich erczneÿen geben des verzeychenten capitels·Und wenn du lÿsest pa·oder para·daz ist paragraphus·und denn zele in dem selbigen capitel oder zeÿchen selber die zale auff spacium der capittel·so darfft du dester mÿnd die paragraphos zelen·und die lerer also·Avi·das ist Avicenna·Ga·oder Gali·dz ist Galienus· Pla· Platearius· Pli· Plinius· Dias· Diascoτides·Ser·Serapio·pau.Paulus·et cetera·Und allemal die zale dobeÿ·als·j·ij·iij·iiij·v·vj·et cetera·

Hierna volgt het vijfde deel en dat laatste van dit boek en is een register handig te vinden van alle ziektes van de mensen aan de buitenkant en inwendig het ganse lijf en ook veel ander beweerde en hoopvolle stukken. En zal merken dat in dit register getekend staan de paragrafen. Want in elk kapittel vind u paragrafen en in ene meer en in de andere minder naar dat het kapittel veel of weinig deugd heeft. Ook zijn hier opgetekend in dit register de meesters die ons zulke artsenijen geven in dat opgetekende kapittel. En als u leest pa of para, dat is paragraaf en dan tel in hetzelfde kapittel of teken zelf het getal op spatie van de kapittel zo hoeft u des te minder de paragrafen te tellen en de leraar zoals Avi, dat is Avicenna, Ga of Gali, dat is Galenus, Pla is Platearius, Pli is Plinius, Dias is Dioscorides, Ser is Serapio, Pau is Paulus et cetera. En allemaal dat getal daarbij zoals j, ij, iij, iiij, v, vj, et cetera.

Funff teyl, register. Zie index. Ziektes.

hyenach volget das fünfft teÿll und das leczte dyses bůchs·und ist ein register behend zů finden von allen kranckheÿten der menschen·auþwenig und jnwenig des ganczen leÿbes·und auch vil ander bewårter und hoflicher stuck·Und solt mercken dz in dÿsem register verzeychnett sind die paragrophi·Wann in ÿegklichem capitel findest du paragraphos in einem mer in dem andern mynder·nach dem daz capitel vil oder wenig tugent hat·Auch sind verzeÿchnet in disem register die meister die uns sollich erczneÿen geben des verzeychenten capitels·Und wenn du lÿsest pa·oder para·daz ist paragraphus·und denn zele in dem selbigen capitel oder zeÿchen selber die zale auff spacium der capittel·so darfft du dester mÿnd die paragraphos zelen·und die lerer also·Avi·das ist Avicenna·Ga·oder Gali·dz ist Galienus· Pla· Platearius· Pli· Plinius· Dias· Diascoτides·Ser·Serapio·pau.Paulus·et cetera·Und allemal die zale dobeÿ·als·j·ij·iij·iiij·v·vj·et cetera·

Hierna volgt het vijfde deel en dat laatste van dit boek en is een register handig te vinden van alle ziektes van de mensen aan de buitenkant en inwendig het ganse lijf en ook veel ander beweerde en hoopvolle stukken. En zal merken dat in dit register getekend staan de paragrafen. Want in elk kapittel vind u paragrafen en in ene meer en in de andere minder naar dat het kapittel veel of weinig deugd heeft. Ook zijn hier opgetekend in dit register de meesters die ons zulke artsenijen geven in dat opgetekende kapittel. En als u leest pa of para, dat is paragraaf en dan tel in hetzelfde kapittel of teken zelf het getal op spatie van de kapittel zo hoeft u des te minder de paragrafen te tellen en de leraar zoals Avi, dat is Avicenna, Ga of Gali, dat is Galenus, Pla is Platearius, Pli is Plinius, Dias is Dioscorides, Ser is Serapio, Pau is Paulus et cetera. En allemaal dat getal daarbij zoals j, ij, iij, iiij, v, vj, et cetera.

zů dem ersten für haubte weetumb von hÿcze kommend. Tot de eerste voor hoofdpijn dat van hitte komt.

Am·xiij·ca·Dias·am·viij·pa.

Am·xxxvj·ca·Dias·an dem·xix·und·xx·pa·

Am·xlix·ca·Dias·am·ix·pa·

Am·lv·ca·an dem ende·

Am·lxxij·ca·Isaac an dem·ij·und·x·para·

Am·clvj·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·ccij·ca·Dias·am·iiij·pa·

Am·cclxxix·cap·an dem·iij·v·und·vj·para·

Am·cclxxxviij·ca·am·v·pa·

Am·cccj·ca·an dem ende· [477]

Am·cccxvij·ca·an dem·iij·pa

Am·cccxxxvij·ca·am·vj·pa·

Am·cccxlix·ca·am·viij·pa·

Am·ccclxvj·ca·am·iiij·pa·

Am·ccclxx·ca·beÿ dem ende·

Am·ccclxxiij·ca·Joh·mesue an dem·vij·pa·

Am·ccclxxiiij·ca·Isaac am·iiij·pa·und an dem ende·

Für haubtweetumb von keltte· Voor hoofdpijn van koudheid.·

Am·ij·ca·plate·am·x·pa·

Am·iij·ca·pita·am·xxiij·pa·

Am·xxxv·ca·Galie·am·xiij·pa·

Am·lj·Joh·me·am·ix·pa·

Am·lxxv·ca·Dias·am·xix·pa·

Am·lxxxiij·ca·Avic·am·vj·und·xxj·para·

Am·cxxj·ca·an den·xiiij·pa·

Am·ccxxxviij·ca·am·ix·pa·

Am·ccl·ca·am·viij·pa·

Am·cclj·ca·an·dem·xiij·pa·

Am·cclv·ca·am·vj·pa·

Am·cclxix·ca·Ra·am·iiij·pa·

Am·ccciij·ca·plate·am·xviij·pa·

Am·cccxxiij·ca·Galie·am·vj·pa·

Am·cccxxxvj·ca·am·xxvij·pa·

Das haubt zů reÿnigen. Dat hoofd te reinigen.

Am·xxv·ca·an dem ende·

Am·xxviij·ca·am·vij·pa·

Am·lxv·ca·am·ciiij·pa·

Am·cclv·ca·bey dem ende·

Am·cclxvij·ca·am·viij·pa·

Am·cccix·ca·plin·bey dem ende·

am·ccclxxciij·ca·am·vj·vij·pa·

Am·ccccviij·ca·am·x·pa·

Für den schwindel des haubts· Voor de duizeligheid van het hoofd.

Am·xv·ca·Avicen·am·iiij·pa·

Am·xlvj·Dias·am·xj·pa·

Am·lvj·ca·plate·am·iij·pa·

Am·lxv·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·ciiij·ca·Avicen·am·v·par·

Am·cxviij·ca·am··v·pa·

Am·clxix·ca·am·v·pa·

Am·ccvj·ca·an dem ende·

Für die tobendem sucht voτn in dem haubt·frenesis genant. Voor de verdoofde ziekte voor in het hoofd, frenesis genoemd.

Am·xlix·ca·pau·am·xv·pa·

Am·clxx·ca·beÿ dem ende·

Am·cccxvij·ca·am·iiij·pa·

Am·ccccxiiij·ca·am·vij·pa·

(Für ein geschweere hÿnden in dem haubt litargia genant. Voor een zweer achter in het hoofd, litargia genaand.

Am·lij·ca·Sera·am·xiiij·pa·

Am·clxx·ca·beÿ dem ende·

Am·ccxxx·ca·beÿ dem enden·

Am·cclxxviij·ca·an dem ende·

Am·cccxlviij·Dias·am·viij·pa·

Am·ccclij·ca·an dem·x·pa·

Item für die tobenden sucht mania genant. Item, voor de verdovende ziekte, mania genoemd.

Am·lxx·ca·Dias·am·v·pa.

Am·clxv·ca·am·viij·pa··

Was dem menschen unsÿnnig machet. Wat de mensen onzinnig maakt.

Am·lxx·ca·an dem·vj·pa·

Am·xc·ca·pau·am·iiij·pa·

Am·ccccxix·ca·an dem·ende.

Was haubtweetum bτinget. Wat hoofdpijn brengt.

Am·iiij·ca·beÿ dem ende·

Am·xxxiij·ca·am·xvj·pa·

Am·ciiij·ca·am·xvj·pa·

Am·cxxij·ca·am·vij·pa·

Am·clj·ca·Rab·moy·am·ij·pa.

Am·clv·ca·an dem·iij·pa·

Am·clxxx·ca·an dem ende·

Am·cclxxx·ca·beÿ dem ende·

Am·cclxxxj·ca·Dia·am anfang·

Am·ccciij·am·iiij·pa·

Am·cccxlvj·ca·an dem ende·

Für das geschlagen und zerfallen haubt. Voor dat geslagen en gevallen hoofd.

Am·liij·ca·plate·am·xv·pa·

Item, voor für den erbgrÿndt auff dem haubt·[478] Item, voor de schurft op het hoofd.

Am·xl·ca·pau·an dem·vij·pa·

Am·cclvij·ca·am·x·pa·

Item für die blatern auff dem haubt d jungen kÿnder. Item, voor de blaren op het hoofd van de jonge kinderen.

Am·xcj·ca·am·x·pa·

Item für die leüþ unnd nÿþs auff dem haubt. Item, voor de luizen en neten op het hoofd.

Am·iiij·ca·Avice·am·iiij·pa·

Am·v·ca·Galie··am·x·pa·

Am·xl·ca·Sera·am·v·pa·

Am·xlv·ca·am·xij·pa·

Am·lxiij·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·clv·ca·am·vj·pa·

Am·ccxxxiiij·ca·plini·an dem·iiij·und an dem·v·pa·

Am·ccclix·ca·Dias·am·v·pa·

Für die milben auff dem haubt. Voor de mijt op het hoofd.

Am·lxxxvj·ca·am·x·pa·

Wo von die leüsz wachþen an den kleÿdern. Waarvan de luizen groeien op de klederen.

Am·cxxij·ca·an dem ende·

Am·cxcj·ca·an dem·xj·pa·

Item·waz die schieppen tôdtet auff dem haubt. Item, wat de schilfers doodt op het hoofd.

Am·viij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·lxiiij·ca·beÿ dem·ende·

Item·wem das har auþ fellet alopicia genant. Item, als dat haar uitvalt, alopicia genoemd.

Am·iij·ca·an dem ende·

Am·iiij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·vj·ca·an dem ende·

Am·xx·ca·plin·an dem ende·

Wilt du machen har wachþen. Wil u maken haar groeien.

Am·ij·ca·Avi·am·v·und·vj·pa·

Am·viij·ca·beÿ dem ende·

Am·lxiij·ca·am·vij·pa·

Am·lxxxviij·ca·Jhannes mesue an dem·viij·pa·

Am·ciij·ca·Galie·am·vij·pa·

Am·cxxviij·ca·beÿ dem ende·

Am·clxxij·ca·am·iij·pa·

Am·cclxxx·ca·Dias·am·iiij·par·

Am·cccxxxviij·ca·am·viij·pa·

Am·cccxlvij·ca·am·viij·pa·

Am·ccclxxiij·ca·am·v·pa·

Am·ccclxxvj·ca·am·vj·pa·

Am·ccccj·ca·an dem ende·

Wilt du geel har machen Wil u geel haar maken.

Am·cccxlv·ca·an dem ende·

Am·ccccxj·ca·an dem anfang·

Wilt du machen rot har auff dem haubt. Wil u maken rood haar op het hoofd.

Am·xlvij·ca·Galie·beÿ dem ende·

Wilt du machen schwarczes hare auff dem haubt. Wil u maken zwart haar op het hoofd.

Am·xlvij·ca·an dem ende·

Am·clix·Joh·mes·am·v·pa·

Am·cciij·ca·am·xij·pa·

Am·cccxlvij·ca·am·xj·und·xv·p·

Wiltu haben gůte gedåchnuþ. Wil u hebben goede gedachten.

Am xxxiiij·c·pau·am·v·viij·p·

Am·xxxvij·ca·Isa·xiiij·xviij·pa·

Am·xlvj·ca·Avicen·am·ix·par·

Am·liiij·ca·pla·am·ix·pa·

Am·cxij·ca·Johan·mes·am·vj·pa·und an dem ende·

Am·clix·ca·beÿ dem ende·

Am·ccxj·ca·Aver·am·vj·pa·

Am·ccxxx·ca·an dem ende·

Am·cclxxxiij·ca·am·vj·pa·

Am·ccclij·ca·am·xj·pa·

Zů dem hyren. Tot de hersens.

Am·xiiij·ca·plini·am·xvj·pa·

Am·xxij·ca·platea·am·iiij·pa·

Am·xxxvij·c·dia·am·vij·xiij·p·

Am·xlvj·ca·am·viij·pa·am end·

Am·lxv·ca·am·v·und·xxiij·par·

Amcxxiiij·ca·Sera·am·ix·pa·

Am·cxcviij·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·ccxlv·ca·am·vij·pa·

Am·ccxlv·ca·am·xj·pa·

Am·cclxx·ca·am·iiij·pa·

Am·cclxxij·c·ser·am·vijviij·ix·

Am·cclxxxiij·ca·am·vj·pa·

Am·cccxxx·ca·am·vij·pa·[479]

Am·ccclij·ca·beÿ dem ende·xvj·pa·

Am·ccclxxviij·ca·beÿ dem ende·

Am·ccccx·ca·Dias·am·xxxiiij·p·

Zů den augen. Tot de ogen.

Am·v·ca·an dem ende·

Am·xiij·ca·Sera·am·v·pa·

Am·xliij·ca·an dem ende·

Am·liij·ca·am·xvj·pa·

Am·lviij·ca·am ende·

Am·lxv·ca·am·xviij·pa·

Am·lxxxvij·ca·Sera·am·iiij·p·

Am·xcvj·ca·am·iij·pa·am·ende·

Am·clij·ca·am·v·vj·und·vij·pa·

Am·clx·ca·lyse das capitela auþ·

Am·clxxv·ca·am·ix·und·x·pa·

Am·ccvij·ca·dias·am·iiij·v·pa·

Am·ccxxxiiij·plat·am·ij·pa·

Am·cccl·ca·am·vj·pa·

Daz du nymmer blint werdest. Zodat u nimmer blind wordt.·

Am·ccccxxvj·ca·an dem ende·

Für die hÿcze der augen. Voor de hitte van de ogen.

Am·ij·ca·Dias·am·ccij·pa·

Am·xiiij·ca·plin·am·xiiij·pa·

Am·xxvj·ca·am·xj·pa·

Am·lxxij·ca·am·vj·pa·

Für die tunckeln augen. Voor de donkere ogen.

Am·xxiij·ca·Galie·am·iiij·par·

Am·xxviij·ca·Dia·am·iiij·pa·

Am·lxix·ca·am·ij·pa·

Am·lxxxv·ca·Galie·am·vj·pa·

Am·ciij·ca·pla·am·x·pa·

Am·cviij·ca·am·vj·pa·

Am·clxxv·ca·am ende·

Am·cxcvij·ca·am·v·pa·

Am·cc·ca·Sera·am·vj·pa·

Am·cclj·ca·am·xxj·pa·

Am·cccvj·ca·plin·beÿ dem ende·und am·xij·pa·

Für die bôsen feüchtung d augen lippotamia. Voor de kwade vochtigheid van de ogen, lippotamia.

Am·ccccxxviij·ca·am·ij·

Für die flecken oder feel in den augen. Voor de vlekken of vel in de ogen.

Am·xij·ca·Avi·am·viij·pa·

Am·xix·ca·am·xiiij·pa·

Am·xlv·ca·Sera·am·ix·pa·

Am·lxxxv·ca·Galie·und·Dias·am·v·und·x·pa·

Am·cv·ca·am·viij·pa·

Am·cxliiij·ca·beÿ dem ende·

Am·clij·ca·am·v·pa·

Am·cxcix·ca·an dem ende·

Am·ccxliij·ca·beÿ dem ende·

Am·ccxlvj·ca·am·iij·pa·

Am·cclj·ca·am·xxij·pa·

Am·ccclij·ca·am·xij·pa·

Am·ccclxxij·ca·am·iij·pa·

Am·ccclxxx·ca·plate·am·vj·pa·

Am·ccclxxxij·ca·am·vij·pa·

Für die rôte in den augen. Voor dat rode in de ogen.

Am·xliij··ca·Almans·beÿ dem end·

Am·xcvj·ca·am·ij·pa·

Am·cxiiij·ca·an dem·vj·pa·

Für das jucken der augen. Voor dat jeuken in de ogen.

Am·clxxv·ca·am·vj·pa·

Item dem die augen allezeÿtt trieffen. Item, de ogen die altijd druppelen.

Am·xx·ca·an dem·viij·pa·

Am·xxvj·ca·am·vij·pa·

Am·xxxvj·ca·am·xxix·pa·

Am·xlj·ca·an dem·x·pa·

Am·clij·ca·Diasco·am andern und an dem·viij·pa·

Am·xliij·ca·am·x·pa·

Am·cxxx·ca·Sera·am·v·pa·

Am·cccxxxvij·ca·am·xij·pa·

Am·cccxcvj·ca·beÿ dem ende·

Wôlcher wånete mucken für sein augen fliegen·genant scotomia. Wie meent dat er muggen voor zijn ogen vliegen, genoemd scotomia.

Am·cxxx·ca·Sera·am·vj·pa·

Am·cclxix·ca·Rasis·am·iiij·pa·

Für den eÿtter in den augen. Voor de etter in de ogen.

Am·xlix·ca·Dias·am·viij·[480]

Am·clij·ca·an dem·vj·par·

Am·ccxvij·ca·an dem·vij·pa·

Am·ccclxxxij·ca·Pla·am·v·pa·

Am·ccccxxviij·ca·am·v·pa·

Was die augen klar und schône machet. Wat de ogen helder en mooi maakt.

Am·iij·ca·an dem·xxj·pa·

m·xiij·ca·an dem·xiij·pa·

Am·xxj·ca·Dias·am·v·pa·

Am·xxxv·ca·Sera·am·xxv·pa·

Am·lix·ca·pan·am·v·pa·

Am·lxxxvij·ca·am·iiij·

Am·cxiiij·ca·am·viij·par·

Am·ccxxij·ca·am·v·pa·

Am·cccxxxvj·ca·am·xvj·und an dem·xx·pa·

Am·ccclxxxij·ca·beÿ dem ende·

Am·ccccxij·ca·am·xij·pa·

Was den augen schadet. Wat de ogen beschadigt.

Am·iiij·ca·Avicen·am·viij·pa·

Am·ccxxxvij·ca· beÿ dem ende·

Am·cccj·ca·am·viij·und·xvij·pa·

Für geschwulst der augen. Voor gezwellen van de ogen.

Am·xiij·ca·Sera·am·v·pa·

Am·cclxv·ca·plate·am·vij·pa·

Am·cccj·ca·an dem·xij·pa·

Dem die augen vol geschweeren sind. Die de ogen vol zweren zijn.

Am·ccxcj·ca·am·xj·pa·

Zů den oren. Tot de oren.

Am·iij·ca·Joh·mes·am·xj·par·

Am·xiij·ca·Sera·am·xv·pa·

Am·xiiij·ca·Avi·am·ij·pa·

Am·liij·ca·plate·am·xvij·par·

Am·lxiij·ca·am·vj·pa·

Am·xc·ca·paulus·am·iij·pa·

Am·xcj·cap·an dem·xij·pa·

Am·cxlvj·ca·am·ix·pa·

Am·ccxxxvj·ca·Dias·am·vj·pa·

Am·ccxlix·ca·am·vij·pa·

Am·cclvj·cap·am·xij·pa·

Am·ccciij·ca·an·dem·v·pa·

Am·cccv·ca·Glie·am·xij·pa·

Am·cccviij·ca·am·ix·pa·

Am·cccl·ca·an dem anfange an dem·ij·para·

Am·ccccxiij·ca·am·xx·pa·

Für die taubheÿt der oτen. Voor de doofheid van de oren.

Am·xv·ca·an dem·v·pa·

Am·lviij·ca·an dem ende·

Am·ccviij·ca·plate·am·vij·pa·

Am·ccccx·ca·Diasc·am·xxxv·pa·

Für den eÿtter in den oτen. Voor de etter in de oren.

Am·xx·ca·Avicen·am·vij·par·

Am·lxvij·ca·am·viij·pa·

Am·ciij·ca·plini·an dem ende·

Am·ccxv·ca·an dem·iij·pa·

Am·ccxxxiij·ca·am·x·pa·

Am·ccxxxviij·ca·am·iiij·pa·

Am·cccij·cap·am·ix·pa·

Am·cccxxxviij·ca·am·ix·pa·

Am·cccxlix·ca·am·vij·pa·

Für die wŭrm in den oτen. Voor de wormen in de oren.

Am·iij·ca·Joh·mes·am·xj·pa·

Am·xxviij·ca·Dias·am·vj·pa·

Am·xlix·capi·Dias·am·c·pa·

Am·xcviij·ca·am·viij·ps·

Am·clxxv·ca·am·xiij·pa·

Am·ccxvij·ca·am·iiij·pa·

Am·cclxxvij·ca·am·vij·pa·

Am·cccxxxj·ca·beÿ dem anfang·an dem·ij·pa·

Am·cccxxxvj·ca·am·xxv·pa·

Am·ccccxiiij·ca·Avic·am·viij·p·

Für die beülen hinder den oτen. Voor de builen achter de oren.

Am·j·ca·plate·am·xxvij·pa·

Am·clxxx·ca·am·vij·pa·

Am·ccxxxviij·ca·am·iiij·par·

am·cccix·c·bej·dem ende am·xiiij·p·

Für das sausen in den oτen. Voor dat suizen in de oren.

Am·xxviij·ca·am·vj·pa·

Am·xxxv·ca·Sera·am·xiiij·pa·

Am·lxxv·ca·Dias·am·ccij·par·[481]

Am·lxxxix·ca·jo·mes·am·vij·p·

Am·cxlij·ca an dem ende·

Am·clxv·ca·an·dem·vij·pa·

Am·cclj·ca·an dem·xiiij·pa·

Am·ccxcj·ca·an dem·x·pa·

Für geschweren an der nasen. Voor zweren aan de neus.

Am·cccix·ca·an dem anfang an dem·ij·pa·

Für das fleysch der nasen polipus genant· Voor dat vlees van de neus polipus genoemd.

Am·xlj·ca·Dias·am·xij·pa·

Am·xliij·ca·an dem·ix·pa·

Am·cxj·ca·Avicen·am·vij·pa·

Am·clxxj·ca·an dem ende·

Am·ccccxviij·ca·an dem ende·

Für den krebþ an der nasen. Voor de kanker van de neus.

Am·x·ca·Dias·am·xv·pa·

wôlchen die naþ verstopt wår. Bij wie de neus verstopt is.

Am·lxv·ca·an dem·xxiiij·pa·

Zů dem munde. Tot de mond.

Am·xviij·ca·plin·am·v·pa·

Am·lxxxiiij·ca·pla·am·vij·pa·

Am·xcix·ca·am·iij·pa·

Am·ccv·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·ccccxij·ca·am·vij·pa·

Für die feüle in dem munde. Voor de vuilheid in de mond.

Am·x·ca·Dias·beÿ dem ende·

Am·xlv·ca·beÿ dem ende·

Am·lix·ca·pau·am·iiij·pa·

Am·lxxij·ca·an dem ende·

Am·cccvj·ca·an dem ende·

Am·cccviij·ca·am·vij·pa·

Am·cccxxxviij·ca·beÿ dem·ennde·

Am·ccclij·ca·plin·am·vj·pa·

Für die weÿssen blåtterlein in dem munde alcole genant. Voor de witte blaartjes in de mond alcole genoemd.

Am·xviij·ca·plin·am·iiij·pa·

Am·xlcij·ca·Sera·und·Galein·an dem·viij·par·

Am·xv·ca·beÿ dem ende·

Wôlcher einem hohen lessczen het geleich als wåren wårczen daran. Wie een hoog letsel heeft gelijk alsof er wratten aan waren.

Am·cl·ca·an dem·v·pa·

Zů der zungen gebτesten. Tot de tong gebreken.

Am·xxxvj·ca·am·xxj·pa·

Am·c·ca·an dem·xj·pa·

Am·ccj·ca·an dem vij·pa·

Am·cclj·ca·am·xvj·pa·

Am·cccvj·ca·an·dem ende·

Am·ccccxxij·ca·am·vj·pa·

Zů den zeenen. Tot de tanden.

Am·iiij·ca·beÿ dem ende·

Am·xx·ca·plin·beÿ dem ende·

Am·xxv·iij·c·dia·am·iij·und·ix·p·

Am·xlj·ca·Dias·am·xj·pa·

Am·lxxiij·ca·avi·am·vij·ix·pa·

Am·lxxx·ca·Dias·am·vij·pa·

Am·xcj·ca·am·xij·pa·

Am·cx·ca·an dem·vj·pa·

Am·clxxxix·ca·beÿ dem ende·

Am·ccij·ca·plin·am·ix·pa·

Am·ccxvij·ca·am·vj·pa·

Am·ccxxxix·ca·am·vj·pa·

Am·cclj·ca·an dem·xx·pa·

Am·ccliiij·ca·plate·am·iij·pa·

Am·cclix·ca·plin·am·ix·pa·

Am·cclxxvij·ca·am·xij·pa·

Am·ccc·ca·am·xvj·pa·

Am·cccj·ca·Sera·am·v·pa·

Am·ccciij·ca·am·v·pa·

Am·cccviij·ca·am·iiij·pa·

Am·cccxxx·ca·Galie·am·iij·pa·

Am·cccxxxvij·ca·am·vij·ix·pa·

Am·ccclij·ca·am·vij·pa·

Am·ccclix·ca·an·dem ende·

Am·ccclxxxiiij·ca·an dem ende·

Am·ccclxxxix·ca·am·iiij·pa·

Am·cccxcv·ca·am·viij·und·ix·p·

Am·ccccvij·ca·an dem ende·

Am·ccccxiij·ca·am·xv·pa·

Wilt du dz dir die bôsen zeen [482] auþfallen on weetumb. Wil u dat uw kwade tanden uit vallen zonder pijn.

Am·xliiij·capitel·an dem ennde.

Item·für das faul zanfleÿsch. Item, voor dat vuile tandvlees.

Am·x·ca·Diascoτ·beÿ dem ende.

Am·xij·ca·Serapi·an dem ende.

Am·xxxv·ca·Sera·am·viij·pa.

Am·xxxvj·ca·Dias·am·xxj·par.

Am·clxv·ca·an dem·iij·paragra.

Am·ccclxviij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxxiij·ca·Pla·am·ix·pa·

Am·ccccxxvij·ca·am·xij·parag·

Item was jungen kinden leichtlich machet zeen wachþen. Item, wat jonge kinderen gemakkelijk maakt tanden groeien.

Am·ccxlviij·ca·am ende.

Wie du weÿþ zeen machest in dem munde. Hoe u witte tanden maakt in de mond.

Am·xxiij·ca·Diasco·am·xij·pa·

Am·cclxviij·ca·an dem ende·.

Am·ccxcvj·ca·an dem anfange an dem·ij·para·

Item. Wilt du einen wol rÿechenden mundt haben. Item, wil u een welriekende mond hebben.

Am·iij·ca·johannes mesue am·xvij·para·

Am·vj·capi·Glie·am·xij·para.

Am·xxxvij·ca·Avic·beÿ den ende.

Am·xxxciij·ca·Avicen·am·x·pa.

Am·ciij·ca·Plin·am·xiiij·para.

Am·ciiij·ca·Avicen·am·ix·para.

Am·cxij·ca·Diasco·am·viij·pa·

Am·cxvj·ca·Serap·am·vj·pa·

Amclxxvij·ca·an den·vj·para.

Am·cxcviij·ca·am·x·und·xj·par·

Am·cclj·ca·an dem·xv·para·

Am·cclxxij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxxxiij·ca·an dem·iij·par.

Item·Zů dem antlicz. Item, tot het aangezicht.

Am·xv·ca·Avi·am·iij·para·

Am·xvj·capitel an dem ende·

Am·xxix·capitel an dem ende·

Am·xxxv·ca·Ga·se·am·xij·par.

Am·lxvj·ca bey dem ende.

Am·lxxj·ca·beÿ dem ende·

Am·lxxviij·ca·Sera·am·v·par·

Am·cvij·ca·Pla·am·viij·para.

Am·cxiij·ca·Diasco·am·vj·pa·

Am·cxiiij·ca·an dem·xv·pa.

Am·ccxlj·ca·beÿ dem ende·

Am·cclxxiiiij·ca·Pla·beÿ dem ende.

Am·cclxxvj·ca·an dem ende.

Am·ccxxxvij·ca·am·viij·pa.

Am·ccclxxx·ca·an dem ende.

Am·ccccxvj·ca·plin·am·vij·pa.

Am·ccccxxvij·ca·plin·am·ix·pa.

Für die beülen an dem halþ. Voor de builen aan de hals.

Am·xiij·capitel·am ende·

Am·xliiij·ca·pau·am·vj·par.

Item für ein geschweer in der kelen squinantia genant. Item, voor een zweer in de keel squinantia genoemd.

Am·xij·ca·avicen·am·vij·pa.

Am·xlix·ca·Diasc·am·xiij·

Am·c·capitel an dem·ij·para.

Am·cxxv·ca·plate·am·viij·par.

Am·clxj·ca·am·ix·para.

Am·clxx·ca·beÿ dem ende·

Am·cxx·cap·beÿ dem ende·

Am·ccxlvj·capitel am ende.

Am·ccxciij·ca·Diasco·am·v·pa.

Am·cccxxxviij·ca·am·v·para.

Am·ccclij·ca·an dem ende·

Am·ccclxxx·capitel·am·v·para.

Am·cccxij·ca·Dia·am·iiij·par·

Am·ccccxiij·ca·Dia·am·iiij·pa.

Am·ccccxxix·ca·am·v·par·

Item·Für den zapffen in dem halþe uvula genant. Item, voor de huig in de hals uvula genoemd.

Am·xxiij·capitel beÿ dem ende.

Am·cxlv·ca·Sera·am·x·pa·

Am·xlix·ca·Diasco·am·xiij·pa·

Am·xlvj·capitel am·viij·pa.

Am·clxj·capitel am·ix·para·

Am·ccxciij·capitel am·v·para·[483]

Am·ccclij·ca·an dem ende.

Am·ccclxxviij·ca·an dem ende.

Am·ccclxxx·ca·Dia·am·iiij·pa.

Am·cccxcij·Dia·am·iiij·pa·

Wem die spτache entgienge· Wie de spraak ontgaat.

Am·cxxij·ca·am·vj·pa·

Am·cxxiiij·ca·pla·am·xij·pa·

Am·cclxxviij·ca·Ga·am·ix·pa·

Wõlichem die kele rauch od scharpff wåre. Wie de keel ruw en scherp heeft.

Am·xlij·ca·am·ix·pa·

Am·c·ca·beÿ dem ende·

Am·cccxxv·ca·an dem ende.

Zů der stymme. Tot de stem.

Am·iiij·ca·an·dem·ix·pa·

Am·cx·ca·pau·am·iij·pa·

Am·ccxiiij·ca·Dia·am·xj·pa·

Am·ccxxiiij·ca·dia·am·xij·pa·

Für den schnopffen catarτus genant. Voor het snuffen catarrus genoemd.

Am·lxv·ca·bey dem ende.

Am·lxvj·ca·Dia·am·vij·pa.

Am·lxxx·ca·Dia·am·vj·pa·

Am·cxiij·ca·Dia·am·vij·pa.

Am·cxvij·ca·pau·am·viij·pa·

Am·cxxcj·ca·am·v·pa·

Am·ccxxxvj·ca·am·v·pa·

Am·ccvvvix·ca·am·v·pa·

Am·cclxvij·ca·an·dem·vijj·pa·

Am·cclxx·ca·Dia·an·dem·ij·pa·

Am·cclxxvij·ca·am·x·pa·

Am·ccc·ca·beÿ dem end an·ij·pa.

Am·cccxlviij·ca·pli·am·iij·pa·

Am·cccliij·cap·Ga·am·iiij·pa·

Am·ccclvj·capitel beÿ dem ende an den·lij·pa·

Für daz keychen und schwere ethemen. Voor dat kuchen en zware ademen.

Am·iii·ca·an dem·xix·pa·

Am·iiij·ca·an dem·xxij·pa·

Am·x·ca·Sera·am·iiij·pa.

Am·xj·ca·dia·am·viij·und·x·p.

Am·xvij·ca·Dia·am·xj·pa·

Am·xxxcj·ca·Dia·am·xxij·pa·

Am·xlj·ca·Sera·am·xvij·pa·

Am·xliiij·ca·an dem·vj·pa·

Am·xlviij·ca·Dia·am·vj·pa.

Am·liij·ca·an dem·xviij·pa·

Am·lxxxij·ca·an dem ende·

Am·lxxxiij·ca·Pla·am·v·pa·

Am·lxxxiiiij·ca·Avi·am·xj·pa·

Am·lxxxic·ca·Jo·me·am·vj·pa.

Am·cxxxiiiij·ca·beÿ dem ende.

Am·cliiij·ca·am·vij·pa·

Am·clxxxij·ca·an dem ende.

Am·ccij·ca·Dia·am·iij·pa.

Am·ccxv·ca·beý dem ende.

Am·ccxxxiij·ca·am·viij·pa·

Am·ccl·ca·an dem ende.

Am·cclxij·ca·am·v·pa·

Am·cclxvij·ca·Ra·am·vij·pa·

Am·cclxxxv·ca·Dia·am·ij·pa·

Am·ccc·ca·an dem·x·pa·

Am·cccxiiij·cap··Paulus beÿ dem ende an dem·iiij·pa·

Am·cccxxij·ca·am·v·pa·

Am·ccclij·ca·pli·am·xv·pa·

Am·ccclxxiij·ca·avi·am·vj·pa·

Am·ccclxxix·ca·an dem·v·pa.

Am·ccccx·ca·am·xiiiij·und·xx·pa.

Zů der brust geschwer pleuresis genant. Tot de borstzweer pleuris genoemd.

Am·x·ca·Dia·amm·xiiij·pa·

Am·xiiij·ca·pla·am·xj·pa·

Am·xxj·ca·Dia·am·vj·pa·

Am·xlij·ca·an dem ende.

Am·xliiij·ca·pau·am·x·p·

Am·lxxxij·ca·avi·am·v·pa·

Am·ccxxiiij·c·m·xj·pa·am·end.

Am·ccxlvij·ca·bey dem ende.

Am·ccxciij·ca·Dia·am·iiij·pa.

Am·ccclxxxiiij·ca·beÿ dem anfang (Gj·) [484]

Wo von ein mensch dempffig wirt umb die bτust. Waarvan een mens dampig wordt om de borst.

Am·cxxij·ca·an dem·vij·pa·

Für ein geschwere an der lungen peribleumonia genant. Voor een zweer aan de longen peripleumona genoemd.

Am·iiij·ca·Pla·am·xx·pa.

Am·xxxv·ca·Galie·und Pla·an dem·xviij·pa·

Am·lxxv·ca·am·xxx·pa·

Am·cxliij·ca·am ende.

Am·cxcj·Dia·am·iiij·pa·

Am·cccxxxvj·ca·am·x·pa·

Für dýe schwintsucht ptisis genant. Voor de duizeligheid ptisis genoemd.

Am·liij·ca·pla·an dem·xiij·pa·

Am·lxxvj·ca·Avi·am·v·pa·

Am·ccxxxiij·ca·am·xj·pa·

Am·cclv·ca·an dem·xviij·pa·

Am·cclvj·ca·Dia·am·vj·pa·

Am·cccviij·ca·an dem·xj·pa·

Am·ccccv·ca·an dem·ij·pa·

Zů der lungen. Tot de longen.

Am·ij·ca·beÿ dem ende.

Am·xvj·ca·Ga·am·vij·pa.

Am·liiij·ca·Ga·am·iij·pa·

Am·lxxv·ca·an dem·xxx·pa·

Am·cxcj·ca·Dia·am·iij·pa·

Am·cclxv·ca·Dia·an dem·iiij·und·viij·pa·

Am·cclxx·ca·an dem·iij·pa·

Am·cccxiiij·ca·an dem ende.

Am·cccxxiij·ca·Isaac am·v·pa.

Am·ccclij·ca·an dem·viij·pa.

Am·ccclxiiij·ca·an dem anfang.

Am·ccclxxv·ca·an dem·vij·pa·

Am·ccccx·ca·an dem·xxxj·pa·

Am·ccccxxvij·ca·am·v·pa·

Für den hůscen. Voor het hoesten.

Am·iiij·ca·Avi·am·ix·pa·

Am·xij·ca·Avi·am·viij·pa·

Am·xx·ca·avi·an dem·x·pa.

Am·xlij·ca·Dia·an dem·v·pa·

Am·xliiij·ca·pau·an dem·v·pa·

Am·xlviij·ca·Dia·am·viij·pa·

Am·lxxviij·ca·Dia·am·iiij·pa·

Am·lxxviij·ca·Ser·am·iiij·pa.

Am·cxj·ca·Avi·an dem·ix·pa·

Am·cxiiij·ca·Dia·am·vij·pa.

Am·cxlvj·ca·an dem·v·pa·

Am·cxlvij·ca·pla·am·iij·pa.

Am·cl·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cliiij·ca·Dia·am·iiij·pa·

Am·cx·ca·Dia·am·iij·pa·

Am·cxcv·ca·an dem·v·pa·

Am·ccj·ca·an dem·iiij·pa·

Am·ccxx·ca·pla·am·iij·pa·

Am·cclvj·ca·Dia·am·xiiij·pa·

Am·cclxx·ca·Dia·am·ij·pa·

Am·cclxxviij·ca·am·viij·pa·

Am·cclxxx·ca·beÿ dem anfange und an dem·vij·pa·

Am·cclxxxiiij·ca·an dem ende.

Am·cclxxxviij·ca·am·vj·pa·

Am·ccxciij·ca·Dia·am·iiij·pa.

Am·ccciiij·capi·Macer an dem xvj·und·ix·pa·

Am·cccv·ca·an dem·viij·pa.

Am·cccxlviij·ca·pli·an·dem·iiij·und··xiiij·pa·beÿ dem ende·

Am·ccclxxij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·ccccx·cap·Dia·an dem·viij·und·xx·und·xxx·pa·

Am·ccccxiij·ca·pla·am·xix·pa·

Am·ccccxxvij·ca·an dem·v·pa.

Am·ccccxxxiij·ca·beÿ dem ende.

Für die lebersucht. Voor de leverziekte.

Am·xxxv·ca·Sera·am·xix·pa·

Am·xxxvj·ca·Di·am·xvij·pa

Am·clvj·ca·an dem·iij·pa·

Am·clvij·ca·Dia·an dem·ij·pa·

Am·ccc·ca·an dem·xxiij·pa·

Dem die leber hÿczig wåre. [485] Diegene die de lever heet is.

Am·cxj·ca·Ser·an dem·v·pa.

Am·ccxxvj·cap·Avi·am·iij·pa·

Am·ccxcix·cap·an dem·iiij·pa·

Am·cccxlix·ca·an dem·x·pa·

Am·ccclx·ca·an den ende.

Am·ccclxxiij·capi·beÿ dem ende an dem·xiij·pa·

Am·lxxiiij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxiij·ca an dem ende.

Für verstopffung leber und milcz. Voor de verstopping van lever en milt.

Am·j·ca·an dem·xxviij·pa.

Am·xv·ca·an dem ende.

Am·xxj·ca·an dem·xij·pa·

Am·lxvj·ca·an dem ende.

Am·lxxxiij·capitel circa instans an dem·viij·und·ix·pa·

Am·xcj·ca·Seτ·am·vij·pa·

Am·xciij·capitel an dem ende.

Am·cij·ca·Pli·am ende.

Am·cxlvij·ca·an dem·vij·pa·

Am·clvj·ca·an·dem·iiij·pa·

Am·clxxv·ca·an dem·iiij·pa.

Am·clxxvj·ca·an dem ende.

Am·ccxxv·ca·an dem·vij·pa·

Am·ccxxxiij·ca·an·dem·v·pa.

Am·ccclxxviij·ca·an dem ende.

Am·ccclxxv·ca·beÿ dem ende an dem·xij·pa·

Am·ccclxxxix·ca·an dem·ij·pa·und an dem ende.

Am·ccccvij·ca·an dem·iij·und·vj·un·xj·pa·

Am·ccccxviij·ca·beÿ dem end.

Zů dem herczen. Tot het hart.

Am··xxxvij·ca·Dia·am·vij·pa·

Am·xxxix·ca·an dem ende.

Am·liiij·ca·an dem ende·

Am·cxij·ca·Avi·an dem·xiij·pa·

Am·clxvij·ca·an dem·iij·pa.

Am·ccxliij·ca·am ende.

Für das zÿttern des herczen. Voor dat sidderen van het hart.

Am·xxxviij·capitel en dem·iiij·und·xij·pa·

Am·lvj·c·am·iiij·pa·beÿ dem end.

A·m·cvj·ca·Pla·an dem·v·pa·

Am·cxviij·ca·an dem·vij·pa·

Am·cxvij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cxxx·ca·an dem ende.

Am·clxix·ca·Jo·me·am·viij·p.

Am·cxcviij·ca·dia·am·viij·pa·

Am·ccxliij·ca·alber·am·ij·pa.

Am·cclxxj·ca·an dem ende.

Am·ccxcij·ca·pla·am·iij·pa·

Am·cccxxv·capitel beÿ dem end an dem·vij·pa·

Am·ccclxxvj·ca·pla·am·v·pa·

Für onmechtigkeit sincopis genant. Voor onmachtigheid sincopis genoemd.

Am·xxiij·ca·Diascoτides an dem·xxv·und·xxvij·pa·

Am·xxxviij·ca·an dem·vij·pa·

Am·cxvij·ca·pau·beÿ dem ende.

Am·cxviij·ca·an dem·iij·pa·

Am·cxcviij·capitel an dem·ix·pa·und an ende.

Am·ccl·ca·an dem·vj·pa·

Am·cclxix·ca·an dem ende.

Am·ccxcij·ca·am·ij·und·v·pa·

Am·cccxxxvij·ca·am·xiij·pa·

Am·ccclxxv·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxxv·ca·pla·am·v·pa.

Am·ccclxxxiiij·ca·an dem·iij·pa.

Am·ccccxxxiiij·ca·pla·am·ix·p·

Für das hercz gespanne. Voor ddat gespannen hart.

Am·liiij·ca·pla·am·vj·pa·

Am·cvj·ca·pla·an dem·v·pa.

Wôlicher nach einer kranckheit an seinem leibe oder gelÿder fast zÿttert. Wie na een ziekte aan zijn lijf of leden erg trilt.

Am·ccxlviij·ca·an dem·ij·pa·

Zů dem milcz (G·ij·) [486] Tot de milt.

Am·iij·ca·an dem·xx·pa·

Am·v·ca·Dia·an dem·vij·pa·

Am·xxj·ca·pla·am·ix·und·xj·p·

Am·xxxiij·ca·am ende.

Am·lx·c·dia·am·v·pa·am end.

Am·lxxxiij·ca·circa instans an den·x·pa·

Am·cij·ca·Pli·an dem·vij·pa.

Am·cv·ca·an dem ende.

Am·cxxj·ca·Avi·an dem·ix·pa.

Am·clxxviij·ca·Ga·am·vj·pa.

Am·cxcv·ca·an dem·ix·pa·

Am·ccij·ca·Dia·am·vi·pa·

Am·ccx·ca·Dia·an dem·v·pa.

Am·ccxv·ca·an dem ende.

Am·cclxxviij·ca·Ga·am·vij·p.

Am·ccc·ca·an dem·xix·pa·

Am·cccvij·ca·an dem·viij·pa·

Am·cccxlvj·ca·am·viij·pa·

Am·ccclj·ca·Dias·an dem·iij·und·iiij·und·viij·und·ix·pa·

Am·ccccvij·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccccx·ca·Pli·am·xxiij·pa·

Am·ccccxiij·c·an dem·viij·xvij·pa·

Am·ccccxxvij·ca·an dem·x·pa·

Für das stechen in der seÿten. Voor dat steken in de zijde.

Am·cj·ca·an dem ende.

Am·ccxxxvj·ca·beÿ dem ende.

Am·cccix·ca·an dem·v·pa·

Zů dem erkalten magen. Voor de verkouden maag.

Am·j·ca·pli·an dem·xx·pa·

Am·ij·ca·pla·an dem·xi·pa·

Am·xxxvij·ca·Diascoτ·an·dem·x·und·xvj·pa·

Am·liij·ca·Dia·am·vij·pa·

Am·lv·ca·am·ix·und·xxj·pa·

Am·lxvj·ca·an dem·viij·pa·

Am·lxv·ca·am·xviij·pa·

Am·xcviij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cxiij·ca·Ga·an dem·ix·pa·

Am·cxxvj·ca·an dem ende.

Am·cxxvij·ca·an dem iij·pa·

Am·clxxxij·ca·an dem·vj·pa.

Am·cxcviij·ca·Dia·am·v·pa·

Am·ccxxviij·ca·an dem·bij·pa.

Am·ccxxxix·ca·an dem ende.

Am·ccl·ca·Isaac·am·vj·pa·

Am·cclj·ca·Avi·an dem·vj·pa·

Am·cclv·circa instans an dem vj·und·xij·pa·

Am·cclxxj·ca·circa instans an dem·viij·und·ix·pa·

Am·cccliij·ca·an dem·vj·pa·

Am·ccclviij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxvjca·an dem ende.

Am·cccxcvij··ca·am·iiij·pa·

Am·ccccxxxiij·ca·pli·an dem·vj·und·viij·pa·

Am·ccccxxxiiij·c·pla·am·viij·p·

Für des magens auffstossen. Voor de maag zijn uitstoten.

Am·lxxiij·capitel Seτapio an dem·iiij·pa·

Für einen unreÿnen magen. Voor een onreine maag.

Am·iij·ca·Johannes mesue an dem·vij·und·xviij·pa·

Am·xx·ca·pla·am·xij·pa·

Am·cxlviij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·ccccxxvij·ca·an dem ende.

Für den entzündten magen. Voor de ontstoken maag.

Am·cccj·c·an dem·iiij·pa·

Am·cccxxxvij·ca·an dem·xxiij·pa.

Für den zerschwollen magen. Voor de gezwollen maag.

Am·vj·ca·Dia·an dem·x·p·

Am·xxv·ca·an dem·v·pa·

Am·cclx·ca·pli·am·vij·pa·

Am·cccj·an dem·iiij·pa·

Am·ccciiij·ca·Ga·an dem·x·pa.

Am·cccxlix·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccccxiiij·ca·pla·am·ix·pa·

Für den sot des magens. Voor het koken van de maag.

Am·xv·ca·beÿ dem ende.

Am·cxxij·ca·an dem·v·pa·[487]

Für den wassersucht …ÿdτopisis genant. Voor de waterzucht ydropisis genoemd.

Am·iij·ca·Avi·an dem·vj·pa·

Am·iiij·ca·Dia·am·xxj·pa·

Am·vj·ca·Ga·am·xvj·pa·

Am·xix·ca·an dem·vj·pa·

Am·xxij·ca·am ende.

Am·ciij·ca·Dia·an dem·ij·pa·

Am·cxxxiij·ca·am ende.

Am·cxxxviij·ca·Dia·am·iij·pa.

Am·clxx·Jo·me·am·vj·pa·

Am·clxxv·ca·an dem·xiiij·pa.

Am·clxxvj·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccxxviij·ca·an dem·xj·pa.

Am·cclv·ca·am·xiij·pa·

Am·ccciij·ca·Pli·am·xvij·pa·

Am·ccclij·ca·am·ix·pa·

Am·cccxcvij·ca·am·vj·pa·

Am·ccccviij·ca·am·iij·pa·

Für die wassersucht von bôsen feüchtung. Voor de waterzucht van kwade vochtigheid.

Am·xxxvj·ca·an dem ende.

Am·xlj·ca·pau·beÿ dem ende.

Am·xlv·ca·Dia·am·vij·pa·

Am·lijk·ca·an dem·xvj·pa·

Am·liij·ca·Dia·am·xj·pa·

Am·xc·ca·an dem ende.

Am·cxiij·ca·Dia·am·viij·pa·

Am·cxxiij·an dem·xv·pa·

Am·cxxix·ca·an dem·ij·pa·

Am·clviij·ca am ende.

Am·clxj·ca·an dem·v·pa·

Am·cxcj·ca·am·vij·und·viij·p·

Am·ccxlij·ca·beý dem ende.

Am·ccxlvij·xa am ende.

Am·ccxciij·ca·beÿ dem ende.

Am·cccxxxvj·capitel an dem·xv·und·xxvj·pa·

Am·cccxlvj·ca·Ser·am·iiij·p·

Am·ccclix·ca·Ga·am·iij·pa·

Am·ccccxviij·ca·Dia·am·v·p·

Für dye gelesucht icte. Voor de geelziekte ictericiam.

….

Am·iij·ca·Avi·am·vj·pa.

Am·xvij·ca·Diasco·an·dem·iij·und·xiiij·pa·

Am·xx·ca·pla·an dem·xj·pa.

Am·xxj·ca·pla·an dem·xij·pa·

Am·xxxvj·ca·Jo·mesue an dem·xxx·pa·

Am·lvj·ca·pla·am·viij·pa·

Am·lxxxiij·ca·circa instans beÿ dem·xij·pa·

Am·lxxxv·ca·Ga·am·vij·pa·

Am·xcij·ca·Ser·an dem·iiij·pa·

Am·cij·c·pla·am·v·p·am ende.

Am··cxvij·ca·Seτ·am·vj·pa·

Am·cxxxviij·c·Ser·am·vj·pa·

Am·cx·lvj·ca·an dem·vj·pa·

Am·clvj·ca·an dem ende.

Am·cxcv·ca·an dem ende.

Am·ccxv·ca·an dem ende.

Am·ccxcvij·ca·an dem·ix·pa.

Am·cccvj·ca·an dem·x·pa·

Am·cccxxxvij·ca·am·xxiiij·pa·

Am·cccxlij·ca·an dem·ix·pa.·

Am·ccclxxxix·ca·an dem·iij·pa·und am dem ende.

Am·ccccxij·ca·an dem·iij·pa.

Für den bauch weethumb. Voor de buikpijn.

Am·iiij·ca·an dem·xxij·pa·

Am·v·ca·Dia·an dem·iiij·pa.

Am·viij·ca·an dem ende.

Am·xiiij·ca·Avi·an dem·vj·pa·

Am·xv·ca·Ga·am·x·pa·

Am·xx·capitel plinius an dem·xiij·pa·

Am·xxiij·ca·Dia·am·vij·pa.

Am·lxiij·ca·an dem ende.

Am·lx·ca·an dem·xvj·pa·

Am·lxxxvj·ca·Isa·am·vj·pa.

Am·cxxx·ca·Dia·am·vij·pa·

Am·clxj·ca·Dia·an dem·iij·pa.

Am·ccxxix·ca·am·vij·pa·(G·iij·) [488]

Am·ccxxxvij·ca·Ga·an·dem·iiij·und·vj·pa·

Am·cclx·ca·an dem·j·pa·

Am·ccxcvij·ca·an dem·ix·pa.

Am·cccvij·ca·an dem·vj·pa·

Für die würm in dem bauch. Voor de wormen in de buik.·

Am·iij·ca·Jo·me·an dem·ix·pa·

Am·iiij·ca·Pla·am·xvij·pa·

Am·xiij·ca·Dia·an dem·xj·pa·

Am·xvij·ca·Dia·am·xij·pa.

Am·xxxv·ca·an dem ende.

Am·xxxvj·ca·an dem ende.

Am·xliiij·capitel Pau·an dem xj·und·xij·pa·

Am·lxxxvj·ca·Isa·am·vij·pa·

Am·cij·Pli·beÿ dem ende.

Am·cxv·ca·Ga·an dem·iiij·pa·

Am·clvij·ca·an dem ende.

Am·clxxxiij·ca·an dem·iiij·pa·und am ende.

Am·clxxxvj·ca·an dem·vj·pa·

Am·cxij·ca·an dem ende.

Am·ccvvviij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cclj·ca·an dem·vij·pa·

Am·lix·ca·Dia·am·iiij·p.

Am·cclxxvij·ca·Dia·am·iiij·pa·

Am·ccc·ca·an dem·xxiiij·pa·

Am·cccix·c·am·xv·p·beÿ dem end.

Am·cccxviij·ca·an dem anfang.

Am·cccxxxvj·ca·an dem·xij·pa·

Am·cccxliij·capitel beÿ dem ende und an dem·viij·pa·

Am·cccl·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccclviij·ca·am·v·pa·

Am·ccclxv·ca·das gancz capi·

Am·ccclxvij·ca·an dem·v·und vj·und·viij·pa·

Am·cccxcix·beÿ dem end an·x·p.

Am·cccx·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxiij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxxiij·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccccxxvij·ca·am·vj·pa·

Für die bτiden würme in dem leÿbe. Voor de brede wormen in het lijf.

Am·cvij·ca·Dia·am·vij·pa.

Für das grymmen oder dårme gegicht in dem bauck colica passio genant. Voor dat grommen of darmjicht in de buik colica passio genoemd.

Am·ij·ca·Dia·am·xxiiij·pa·

Am·xxviij·ca·an dem ende.

Am·xxxij·ca·Pli·an dem vj·pa.

Am·lj·ca·Jo·me·am·viij·pa.

Am·lix·ca·an dem ende.

Am·c·capitel an dem ende.

Am·cxxxj·ca·an dem ende.

Am·cxlvij·ca·an dem ende.

Am·cliiij·ca an dem ende.

Am·clxxxvj·ca·am anfang.

Am·cxcviij·va·beÿ dem ende.

Am·ccx·ca·Dia·am·viij·pa.

Am·ccxxx·ca·pli·an dem·iiij·pa.

Am·cclvj·ca·an dem ende.

Am·ccxciij·ca·am dem ende.

Am·cccica·am·xj·pa·am end.

Am·cccv·ca·beÿ dem ende.

Am·cccvij·ca·an dem·ix·pa·

Am·cccix·an dem ende.

Am·cccxj·ca·an dem·v·pa.

Am·cccxiij·ca·beÿ dem anfang.

Am·cccxv·ca·beÿ dem ende.

Am·cccxviij·cap·an dem·v·pa·beÿ dem anfang.

Am cccxxix·ca·an dem·v·pa·

Am·ccclvij·ca·an dem·iiij·pa.

Am·cccxcj·ca·an dem ende.

Am·cccxcv·ca·an dem ende.

Am·ccccxxxv·ca·am·iiij·pa

Den die bermůter grÿmmet. Die de baarmoeder gromt.

Am·ccxxxiij·ca·na·am ende.

Was wol deüwet. Wat goed verduwt.

Am·vj·ca·Isaac am·vij·pa·

Am·xv·ca·an dem·xviij·pa· [489]

Am·lxij·ca·an dem ende.

Am·xciij·capitel Serapio an dem·ij·pa·

Am·cvj·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cxxvij·ca·an dem·v·pa·

Am·cclxviij·ca·an dem·vj·pa·

Für dz bτechen oben auþ vomitum genant. Voor dat braken bovenuit vomitum genoemd.

Am·vj·ca·an dem·x·pa·

Am·xiiij·ca·Avi·und plinius an dem·v·und·xv·pa·

Am·xxvj·ca·am ende.

Am·xlix·ca·pau·am·xvij·pa·

Am·lxxiij·ca·an dem ende.

Am·c·capit·Avicenna an dem·iiij·und·x·pa·

Am·cxviij·ca·an dem·vj·pa·

am·cc·ca·am ende.

am·ccj·ca·an dem·viij·pa·

am·ccxxviij·ca·am·iiij·pa·

am·cclxxxij·capitel almansoτ an dem·v·pa·

am·cccij·ca·an dem·iiij·pa·

am·cccxxiiij·ca·beÿ dem ende.

am·cccxlj·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccccij·ca·an dem·iiij·pa·

wilt du dich machen bτechen oben auþ. Wil u maken braken boven uit.

am·cxvij·ca·Ser·am·xiij·pa·

am·xlix·ca·an dem·xviij·pa·

am·cxij·ca·am·iiij·pa·

am·cccxlvj·ca·Seτ·am·v·pa·

am·ccclix·ca·Diascoτides an dem iiij·pa·

am·ccccxxiij·ca·am·vij·pa·

Für den auþgang oder blůtegang dissenteria genant. Voor de uitgang of bloedgang dissenteria genoemd.

am·xiij·capitel plinius an dem ix·pa·

am·xvij·capitel Diascoτides an dem·vj·und·xvj·pa·

am·xxj·ca·pla·am·x·pa·

am·xxvij·ca·pau·am·iiij·pa·

am·xxxvij·ca·Serapio an dem xvij·pa·

am·xlij·capitel Diascoτides an dem·iiij·und·vj·pa·

am·lxxvj·ca·Ser·an dem·ix·pa.

am·cxv·ca·an dem·ix·par·

am·cxix·ca·Ser·am·vij·pa·

am·cxxxiiij·ca·pli·am·iiij·pa.

am·clxxiiij·ca·an dem·vij·pa·

am·clxxviij·ca·am ende.

am·cxciiij·ca·Dia·an dem·ij·pa·

am·ccix·ca·an dem·iij·pa·

am·ccxxj·ca·an dem·v·pa·

am·xlj·ca·Ser·an dem·iiij·pa·

am·ccxciiij·ca·an dem ende.

am·cccviij·ca·an dem·xiiij·pa.

am·cccxxij·ca·an dem·vj·pa·

am·cccxlvij·ca·an dem·vij·pa·

am·cccxvij·ca·an dem ende.

am·ccclxxj·ca·an dem ende.

am·ccclxxxj·ca·beÿ dem ende.

am·cccxcvj·ca·an dem·v·pa·

am·cccc·ca·an dem ende.

am·ccccxiiij·ca·an dem ende.

Für den auþgang der jungen kinder. Voor de uitgang van de jonge kinderen.

am·lxxviij·ca·Ser·am·iij·pa·

Was stůlgang bτinget. Wat stoelgang brengt.

am·j·ca·an dem·xxv·pa·

am·xvj·ca·pla·an dem·xij·pa·

am·xvij·capittel almansoτ an dem·xv·pa·

am·xxxv·ca·Ser·am·vj·pa·

am·liij·ca·Dia·an dem·xiij·pa.

am·lxiij·ca·am·ij·und·v·pa·

am·lxxxiij·pla·an dem·vj·par·

am·lxxxiiij·ca·andem·v·pa·

am·xciiij·ca·an dem·iij·pa·

am·cij·capitel platearius an dem iiij·pa·[490]

….

Am·cxxv·ca·Jo·mesue an dem iiij·und·v·pa·

Am·cxlix·ca·an dem·ix·pa·

Am·ccxxix·ca·am ende.

Am·cclx·capitel Galie·an dem vij·und·viij·pa·

Am·cclxxxvij·ca·an dem·viij·pa.

Am·ccxc·ca·Ser·am·v pa·

Am·ccxcviij·ca·an dem·v·pa·

Am·cccvij·ca·an dem·viij·pa·

Am·cccxxxvij·ca·am·xix·pa·

Am·ccclxv·capitel an dem·iiij·und·v·pa·

Am·cccxc·ca·am ende.

Wolcher grosz gelust hette zům stůlgaugk und doch nit geschaffen mocht genant tenasmon. Wie grote lust heeft tot stoelgang en het toch niet doen kan.

Am·lxv·ca·Dia·am·xiij·pa·

Am·lxxiijj·ca·Ser·am·v·pa·

Am·clxxxix·ca·dia·an dem·vj·p·

Am·ccj·ca·Ser·an dem·iij·pa·

am·cclxx·ca·an dem ende.

am·cclxxxv·ca·an dem·v·pa·

am·cccxviij·ca·an dem·iiij·pa·

am·cccliij·ca·Ga·am·iij·pa·

am·ccclxxxij·ca·an dem ende.

am·ccccv·ca·an dem·vj·pa·

Für die winde der dårme. Voor de wind in de darmen.

am·xv·ca·Ga·am·xvij·pa·

am·ciij·ca·Pli·an dem·xiij·pa·

am·cxiiij·ca·Dias·und·avi·an dem·vj·und·xiiij·pa·

am·cxv·ca·Ga·an dem·ij·pa.

am·ccvij·ca·an dem·vij·pa·

am·ccxcv·ca·an dem·viij·pa·

Für das lenden weethum. Voor de lendenpijn.

·am·iiij·ca·Pita·am·xxij·pa·

am·xxv·ca·dia·an dem·iiij·pa·

am·xxxvij·ca·an dem ende.

….

am·lxxxxvj·ca·Isa·an dem·v·pa·

am·xcij·ca·Ser·an dem·iij·pa·

am·cxxxj·ca·an dem·v·pa·

am·cliiij·ca·Ser·an dem·v·pa·

am·clxxxij·ca·an dem·iiij·pa·

am·clxxxiiij·ca·an dem·iij·pa.

am·cxcjca·pli·an dem·iiij·pa.

am·ccxij·ca·beÿ dem ende.

am·ccxxiiij·ca·Dia·am·vij·pa·

am·cclxiiij·ca·an dem ende.

am·cclxxij·ca·am·vj·und·vij·p·

am·cclxxvij·ca·an dem·viij·pa·

am·ccciij·ca·an dem·xvij·par·unnd beÿ dem ende.

am·ccciiij·ca·an dem·xij·pa·

am·cccxv·ca·an dem·v·pa·

am·cccliij·ca·an dem·viij·pa·

am·ccclx·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccclxix·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccccx·ca·Isaac an dem·xix·und·xxix·pa·

am·ccccxv·ca·an dem ende.

Für den blasen und lenden stein. Voor de blaas- en lendensteen.

am·j·capitel Dia·an dem·xvij·und·xxj·pa·

am·ij·ca·pla·am·xiij·pa·

am·v·ca·Ga·am·xvj·pa·

am·vj·ca·avi·am·v·und·viij·p.

am·xij·ca·avi·am·xiiiij·pa·

am·xxiiij·capitel Dias·an dem iij·und·viij·pa·

am·lxxij·ca·Ser·am·x·pa·

am·lxxxiiij·ca·avi·an dem·xiiij·pa·und am ende.

am·lxxxvj·ca·beÿ dem ende.

am·xij·ca·Dia·an dem·ix·pa·

am·cxvih·ca·Ser·am·v·pa·

am·cxl·ca·pla·am·vj·pa·

am·cxlij·ca·am·iiij·pa·

am·clxxij·ca·am·vj·pa·

am·clxxxij·ca·an dem·iiij·pa·[491]

Am·cxj·ca·an dem·iij·pa·

Am·ccxiiij·ca·am anfang.

Am·ccxvj·ca·an dem·ij·und·iij·p·

Am·ccxxviij·ca·Ga·am·xij·pa·

Am·ccxlviij·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cclxiij·ca·pli·am·iij·pa·

Am·ccciiij·ca·an dem·v·pa·

am·ccxxxij·ca·am·iiij·pa·

Amcccxxxviij·capitel an dem·xij·und·xj·pa·

Am·cccxxxix·ca·an dem·iij·pa·

Am·cccxlviij·ca·Avi·an dem·xij·und·xiij·pa·

Am·cccliiij·ca·am·iij·und·vij·p·

Am·ccclxxij·ca·pli·am·ij·pa·

Am·cccxcix·ca·an dem ende.

Am·ccccx·c·an·dem·iiij·und·vij·p·

am·ccccxj·ca·an dem·ij·pa.

am·ccccxij·ca·beÿ dem ende.

am·ccccxxvj·ca·beÿ dem ende.

Für den nyeren stein. Voor de niersteen.

am·xxxv·capitel circa instans an dem·xxviij·pa·

am·cij·ca·an dem ende.

am·cxvj·ca·Jo·me·am·v·pa·

am·ccxx·ca·an dem ende.

am·cclxxvj·c·an dem·vj·und·vij·p.

Wer mit not neczet difficultas uτine genant. Wie met nood plast difficultas urine genoemd.

am·j·ca·Dia·am·xvj·pa·

am·ij·ca·pla·an dem·xiiiij·pa.

a·iiij·ca·Avi·am·x·pa·

am·v·ca·Ga·am·xvij·pa·

am·vj·ca·am·v·und·ix·pa·

am·xij·ca·avi·am·xiij·pa·

am·xv·ca·avi·an dem·ix·pa·

am·xx·ca·avi·am anfang·

am·xxiij·ca·Dia·am·ix·pa.

am·xxiij·ca·Dia·am·iij·pa·

am·xxxv·ca·Ga·am·xvij·pa·

am·lj·ca·Jo·me·an dem·x·pa·

am·liij·ca·an dem ende.

am·lxxvij·ca·pla·am·xj·pa·

am·lxxxiiij·ca·an dem·ix·pa·

am·lxxxvvj·ca·Isaac am·iiij·pa·

am·xcvij·ca·Ga·am anfang.

am·c·ca·Ser·an dem·ix·pa·

am·cxij·ca·Dia·an dem·x·pa·

am·cxxj·avi·an dem·xj·pa·

am·cxxij·ca·an dem·vj·pa·

am·clxxv·ca·dia·am·iij·pa.

am·cxc·ca·pli·an dem·iij·pa·

am·ccj·ca·an dem·x·pa·

am·ccx·ca·avi·an dem·iiij·pa·

am·ccliiij·ca·an dem·iiij·pa·

am·cclxxxiij·ca·an dem ende.

am·ccc·ca·an dem·xx·pa·

am·cccij·ca·am·xviij·pa·

am·ccciiij·ca·an dem·v·pa·

am·cccxxxviij·ca·am·iij·pa·

am·cccxlv·ca·Dia·am·iij·pa·

am·ccclx·ca·an dem·ij·pa·

am·ccclxxj·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccclxxvj·ca·am·iij·pa·

am·ccccxv·ca·pau·am·vj·par·und an dem ende.·

am·ccccxxx·ca·an dem·iij·pa.

Wôlicher blůt seichet. Wie bloed plast.

am·cxiiij·ca·an dem ende.

Was blůtseichen machet. Wat bloedplassen maakt.

am·cclxxxvij·c·pau·beÿ dem ende.

Für dem kaltseich dissuria genant. Voor de druppelplas dissuria genoemd.

am·ij·ca·an dem·xiiij·pa·

am·xcij·ca·am ende.

am·cxj·ca·avi·am·v·pa·

am·cxxxviij·ca·na·am ende·

am·ccx·ca·na·am ende·

am·cclxxxv·ca·am·vj·pa·

am·ccclxv·ca·am·iiij··pa·

am·cccliij·ca·am·vij·pa·

am·ccclx·ca·am dem·v·pa·

am·cccxvij·ca·am ende.

am·cccxcvj·ca·am·iij·pa·[492]

Für das trôpflingen harmen stranguiria genant. Voor dat druppelend plassen stranguira genoemd.

Am·xiiij·ca·pau·am·ix·pa·

Am·xxj·ca·Dia·an dem·vj·pa·

Am·lxvj·ca·pla·an dem ·ix·pa·

Am·lxxv·ca·dia·an dem·xvj·pa·

Am·cxj·ca·Avi·na·am ende.

Am·cxiiij·ca·an dem·xiij·pa·

Am·cxl·ca·pli·an dem·v·pa·

Am·clxix·ca·an dem·vij·pa·

Am·cxcv·ca·an dem·viij·pa·

Am·cxvj·ca·an dem ende.

Am·cclxxvij·ca·pla·am·viij·p·

Am·cccij·ca·an dem·v·pa·

Am·cccv·ca·beÿ dem ende.

Am·cccxj·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cccxviij·ca·am ende.

Am·cccxxxiiij·ca·am·iiij·pa·

Am·cccxxxix·ca·am·iiij·pa·

Am·cccxlviij·ca·am ende.

am·ccclviij·ca·am·vj·p·

Am·ccccxv·ca·an dem·vij·pa·

Dem d harm entgeet on seinen willen dÿabetica passio genant. Die de urine ontgaat tegen zijn wil dyabetica passio genoemd.

am·lxvj·ca·pla·an dem·x·pa·

am·cxj·ca·Avi·am·x·pa·

am·ccix·ca am ende·

am·cccliiij·ca·an dem·iiij·unnd v·para·

am·ccclxviij·ca·am·iiij·pa.

zů der blasen geschwulst und ungemach. Tot de blaaszweren en ongemak.

am·iiij·ca·pla·am·xix·pa·

am·xv·ca·an dem·xiij·pa·

am·xlj·ca·an dem·vij·pa·

am·ccxxiij·ca·an dem·ix·pa·

am·ccxlix·ca·an dem·iiij·pa·und an dem ende.

am·cclxv·ca·am ende.

am·cccic·ca·an dem·ix·pa·

So der frawen sucht verstopfet ist genant menstruum. Zo de vrouwenziekte verstopt is menstruatie genoemd.

am·j·capitel an dem·vj·und an dem·vij·pa·

am·ij·ca·Diascoτides an dem·xij·und·xix·pa·

am·iiij·ca·an dem·x·pa·

am·xiiij·ca·pau·an dem·xj·pa·

am·xv·ca·Galie·am·xj·pa·

am·xvj·ca·pla·an dem·xiij·pa·

am·xix·ca·an dem·xv·pa·

am·xx·ca·avi·an·dem·ij·pa·

am·xxxvj·ca·Ser·am ende.

am·xliiij·ca·pau·am·x·pa·

am·lix·ca·an dem·vij·pa·

am·lxxv·ca·Dia·am·xv·pa·

am·cxxiiij·ca·an dem·xv·pa·

am·cxxxviij·ca·pla·am·ij·pa·

am·ccxxxvj·ca·Ser·am·ij·pa·

am·cclj·ca·an dem·xix·pa.

am·ccixxxv·ca·an dem·vj·pa·

am·ccc·ca·an dem·vj·pa·

am·ccciij·ca·pla·am·viij·pa·

am·cccxlviij·ca·dia·an·dem·v·p·

am·ccclxxviij·ca·Ga·am·vj·pa.

am·ccccx·ca·an dem·xv·pa·

am·ccccxij·ca·pau·am·xj·pa.

am·ccccxviij·capi·Diascoτides an dem·vj·und·xij·pa·

So der frawen sucht zů flüþig ist. Zo de vrouwenziekte te zeer vloeit.

am·j·ca·Dia·am·xv·pa·

am·ij·ca·pla·an dem·xij·pa·

am·xiij·ca·Dia·am·x·pa·

am·xxvj·ca·an dem·vj·pa·

am·xxxiij·ca·Ser·und·Dias·an dem·ij·und·vij·pa·

am·lv·ca·Ser·am·iij·pa·

am·lxvij·ca·an dem·ix·pa·

am·xcv·ca·beÿ dem ende.

am·clvj·ca·beÿ dem ende.

am·cxvvj·ca·am ende. [493]

Am·cciij·ca·pla·am·viij·pa·

Am·cclxxxiij·ca·bey dem ende.

Am·ccxcviij·ca·an dem·viij·pa·

Am·cccj·ca·an dem·xix·pa·

Am·cccxiij·ca·an dem·v·pa·

am·ccclxxvj·ca·am·iiij·pa·

am·ccclxxxj·ca·an dem ende.

amccccxiiij·ca·am·vj·und·x·pa.

Für den weissen fluþ der frauwen. Voor de witte vloed van de vrouwen.

am·clxxiij·ca·am ende.

am·cclxiiij·ca·pau·am·iiij·pa·

am·ccccxxij·ca·an dem·viij·pa.

Was frawen nucz oder schade seÿ die mitt kinden geen oder kinder seügen. Wat de vrouw nuttig of schadelijk is die met kind gaat of kind zuigt.

am·vj·cap·Ga·an dem·xj·und xviij·und·xix·und·xx·pa·

am·l·ca·ÿpocras am·iij·pa·

am·c·ca·Ra·moÿ·am·vij·pa.

am·cv·ca·an dem·ix·pa·

am·cviij·capi·an dem·iiij·pa·und·am ende.

am·ccc·ca·an dem·vij·p·

am·cccxxxix·ca·an dem·iiij·pa·

am·cccliij·ca·an dem·xj·pa·

am·ccclxxxiiij·ca·am·vij·pa·

am·cccxcix·ca·an dem·viij·pa·

für krancheyt der můter matrix genant. Voor de ziekte van de baarmoeder matrix genoemd.

am·xiiij·ca·an dem ende.

am·xvij·ca·Dia·am·vij·pa·

am·xxj·ca·an dem ende.

am·xxv·ca·an dem·v·pa·

am·xxvj·ca·pau·am·iiij·pa·

am·xlix·ca·an dem·v·pa·

am·lv·ca·an dem·iij·pa·

am·lxv·ca·an dem·xj·pa·

am·lxvj·ca·an dem·xj·pa·

am·lxxv·ca·am·xvj·pa·

am·cvij·ca·na·am·ende.

am·cxcj·ca·Dia·am·v·pa·

am·ccxxviij·ca·beÿ dem ende.

am·ccxxxvj·ca·an dem·v·pa·

am·ccxxxix·ca·an·dem·vij·pa·

am·cclv·ca·an dem ende.

am·cclxxv·ca·an dem·v·pa·

am·cccxcix·ca·an dem·ix·pa·

am·cccxxxvj·ca·am·xj·und·xij·p.

am·cccxcvij·ca·an dem·v·pa·

am·ccccx·ca·an dem·xiij·pa·

am·ccccxviijk·ca·an dem·xj·pa·

am·ccccxxij·ca·am·vij·und·x·pa.

am·ccccxxvij·ca·bey dem ende.

So den frawen jr můter auff stoþt genant suffocacio matricis. Zo bij de vrouwen hun baarmoeder uitstoot genoemd suffocacio matricis.

am·xxxv·ca·an·dem·xxij·pa·

am·xlvj·ca·an dem·xiij·pa·

am·lvij·ca·avi·an·dem·vi·pa·

am·ccij·ca·Dia·am·v·pa·

am·ccl·ca·pli·an dem·vij·pa·

am·ccxcxviij·ca·an dem·ix·pa·

am·cccxxxij·ca·am ende.

am·ccclxxij·ca·an dem ende.

Was die frauwen fruchtbar machet. Wat de vrouwen vruchtbaar maakt.

am·j·ca·am·xxvj·pa·

am·xxiij·ca·am ende.

am·xxv·ca·Dia·an·dem·v·pa·

am·lxj·c·am·iij·pa·und·am end.

am·clxxxvj·ca·am ende·

am·cclxx·ca·beÿ dem ende.

am·ccc·ca·an dem ende.

am·cccxvij·ca·beÿ dem ende.

am·ccclxviij·ca·beÿ dem ende an dem·v·pa·

am·cccxvj·ca·am·ij·und·iiij·pa·

Was die frauwen unfruchtbar machet. Wat de vrouwen onvruchtbaar maakt.

am·lviij·ca·an dem·iiij·pa·

am·cccxxix·ca·pla·am·v·pa.

Was den frauwen gůt seÿ so sÿ kinder geberen.[494] Wat voor de vrouwen goed is zo ze kinderen baren.

Am·j·ca·Dia·an dem·viij·pa·

Am·x·ca·Ser·am·ix·und·xij·p·

am·lxv·ca·an dem·xij·pa·

am·xciij·ca·an dem·v·pa·

am·cviij·ca·na·am ende.

am·cciiij·ca·an dem·v·pa·

am·ccl·ca·circa instans am·iij·p.

am·ccxcv·ca·an dem anfang.

am·ccxcviij·ca·am·iiij·pa·

Zů der andern geburt secundina genant. Tot de andere geboorte secundina genoemd.

·am·iiij·ca·avi·am·xj·pa·

am·x·ca·Dia·an dem·xj·pa·

am·lxviij·ca·pla·am·vj·pa·

am·cv·ca·an dem·vj·pa·

am·cxiij·ca·Dia·am·iiij·pa.

am·cclvj·ca·an dem·viij·pa·

am·ccc·ca·an dem·viij·pa·

am·cccix·ca·an dem·xij·pa·

zů der todten geburt aboτsus genant. Tot de dode geboorte abortus genoemd.

am·j·ca·dia·am·ix·und·xxv·pa·

am·xj·ca·pli·an dem·ij·pa·

am·lv·ca·Ser·am·vij·pa·

am·lxxxiiij·ca·avi·am·xij·pa·

am·lxxxix·ca·Ga·an dem·x·pa·

am·cv·ca·an dem·vj·pa·

am·cxlvj·ca·am·xij·pa·

am·clxv·ca·an dem·xiij·pa·

am·clxxxiij·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccxxv·an dem·iij·pa·

am·ccxxxiij·ca·an·dem·vj·pa·

am·cclvij·ca·an dem·xiij·pa·

am·cclxxviih·ca·Ga·am·vj·pa·

am·ccxcviij·ca an dem·iiij·pa·

am·cccxlv·v·beÿ dem end am·ix·p.

am·cccxj·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccclxxiij·ca·an dem ende.

am·ccclxxix·ca·pli·an dem·vj·pa.

am·ccccxiij·ca·pla·am·x·pa·

Das ein frawe frôlich kinder gebere unnd gerůgklich zů der geburt komme. Dat de vrouwen vrolijk kinderen baren en rustig tot de geboorte komen.

am·c·ca·Rabÿ moÿ·am·vij·p·

am·ccccxviij·ca·am·viij·pa·

Wo von die frawen zů zeÿten die todten kinder geberen. Waarvan de vrouwen soms de dode kinderen baren.

am·ccccxviij·ca·Diascoτides an dem·vij·pa·

Was den frawen vil milche gibt die kinder seügen. Wat de vrouwen veel melk geeft die kinderen zuigen.

am·xiiij·ca·avi·an dem·iiij·pa·

am·xv·ca·avi·an·dem·vj·pa·

am·lxv·ca·dia·an dem·xvij·pa·

am·clv·ca·an dem·iij·pa·

am·clxxv·ca·Dia·am·ij·pa·

am·cccxxxviij·ca·an dem·x·pa·

Was den frawen die milche verschwindet. Wat bij de vrouwen de melk laat verdwijnen.

am·lxxxvij·ca·an dem·vij·pa·

am·cclxxvij·ca·pli·am·xiij·pa.

Wôliche frawe flecken hette under den augen die eÿnes kindes in gelegen wåre. Welke vrouwen vlekken hebben onder de ogen die in kraambed liggen.

am·ccxli·ca·an dem ende.

So die bτüste der frawen schweren. Zo de borsten van de vrouwen zweren.·

am·vj·ca·Gal·an dem·xiiij·pa·

am·vij·ca·Dia·an dem·viij·pa·

am·xx·ca·pla·an dem·x·pa·

am·xxiij·capitel diascoτides an dem·x·pa·

am·lxvj·ca·an dem ende.

am·cij·vapitel Galienus an dem iij·pa·

am·xcv·ca·an dem·vj·pa·

am·ccxvij·vapitel Platearius an dem·ix·pa·

am·cclj·ca·an dem·ix·pa·

am·ccij·ca·an dem·xix·pa·

Das die bτüst d junkfrauwen nit wachsen. Dat de borsten van jonkvrouwen niet groeien.

am·lxxxvij·ca·an dem·vij·pa·[495]

Wo von ein mensch lustig und fro wirt. Waarvan een mens lustig en vrolijk wordt.

Am·xx·ca·an dem·j·pa·

Am·xxiij·ca·Diasco·am·xj·und·xvij·und·xxiiij·pa·

Am·liiij·ca·Galie·am·iiij·pa.

Am·c·ca·an dem·viij·pa·

Am·cxxj·ca·avi·am·xij·pa·

Accxiiij·ca·am·ende·

Was dem menschen gůt blůt machet. Wat de mensen goed bloed maakt.

Am·xxiij·cap·an dem·xxj·unnd xxiij·pa·

Am·xxxviij·ca·am·xiij·pa·

Am·xxxix·ca·am ende·

Am·vj·ca·pla·am·ij·und·vij·pa.

Am·c·ca·an dem·viij·pa·

Am·cvj·ca·plate·am·v·pa·

Am·cxiij·ca·am ende·

am·cxxj·ca·avi·am·vj·pa·

am·cclxxij·ca·an dem ende·

am·ccxcj·ca·an dem ende.

am·ccxcvij·ca·am·xiij·und·vij·p.

am·ccclxxiiij·ca·am·x·pa·

am·ccccij·ca·beÿ dem ende·

am·ccccxxxiijj·ca·avi·am·v·pa·

Wôlcher blůt speyet genantt emoptoicus. Wie bloed spuwt genoemd emoptoicus.

am·xvij·ca·Dias·am·iiij·pa·

am·xxxiij·ca·Dias·am·vj·pa·

am·xxxv·ca·Sera·am·xx·pa·

am·xxxvj·ca·Dias·am·xviij·pa·

am·xlij·ca·Dias·und Serap·am iij·und·ix·pa·

am·liij·ca·Dias·am·ix·pa·

am·lxvij·ca·plin·am·x·pa·

am·lxx·ca·Dias·am·iij·pa·

am·xcv·ca·plate·am·iij·pa·

am·cxj·ca·avi·am·vj·pa·

am·cxxx·ca·Sera·am·iiij·pa.

am·clxxiij·ca·am·vj·pa·

am·clxxxvij·ca·am·ij·pa·

am·ccj·ca·am·ix·pa·

am·cclj·ca·Diascoτides an dem xij·par·

am·cclxv·ca·an dem ende.

am·xcj·ca·am·vij·pa·

am·cccj·ca·an dem·xiiij·pa·

am·cccij·ca·Dias·am·iij·pa·

am·ccciij·ca·ÿpocras am·xj·und·xx·par·

am·cccviij·ca·an dem·xiij·pa.

am·cccxxxvij·ca·am·xj·pa·

am·cccxlix·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccclxxxj·ca·am·vj·pa·

am·ccclxxxvij·ca·am·iij·pa·

am·cccxcj·ca·beÿ dem ende.

Blůt stellen. Bloed stelpen.

am·ix·ca·an dem·ij·pa·

am·xxvij·ca·pau·am·iij·pa·

am·lxxxviij·ca·am ende.

am·clxxxvij·ca·am·iij·pa·

am·cciij·ca·an dem·xj·pa.

am·cccviij·ca·am·xvj·pa·

am·ccclxxj·ca·am·v·pa·

am·ccclxxxvij·ca·bey dem ende.

am·cccc·capit Serapio an dem ix·pa·

am·ccccxxij·ca·am·v·pa·

am·ccccxxiij·ca·am·vj·pa·

Item für das blůten auþs der nasen. Item, voor dat bloed uit de neus.

am·xxvj·ca·Gal·an dem ende.

am·xxvij·ca·an dem ende.

am·xliij·cap·an dem·xj·pa·und·am ende·

am·xlvij·va·platea·an dem·vj·und·vij·pa·

am·ciiij·ca·an·am ende.

am·cxiiij·ca·avicen·na·am ende·

am·clxxiij·ca·am·iiij·und·v·par·

am·cciij·ca·plateari·an dem·ix·und·xiij·pa·(J·j·) [496]

Am·ccxxj·ca·an dem ende.

Am·cclxix·ca·Rasis am·v·pa·

Am·ccc·ca·an dem·xv·pa·

Am·cccj·ca·beÿ dem einde.

Am·ccciij·ca·Cas·fe·am·xx·pa·

Am·cccxxxvj·ca·am·xvij·pa·

Am·ccclvij·ca·an dem·v·pa.

Am·ccclxxxj·ca·am·iiij·und·v·p.

Am·ccclxxxij·ca·pau·am·ix·pa.

Am·cccxcj·ca·an dem·iij·pa·

Am·cccc·ca·beÿ dem ende.

Wilt du das du blůttest auþ der nasen. Wil u dat u bloedt uit de neus.

Am·ccccx·ca·plat·beÿ dem ende.

Für fickblattern in dem afftern emoτroide genant. Voor de aambeien in het achterste emorroide genoemd.

Am·j·ca·la·am·xxvij·pa·

Am·xiij·ca·pli·an dem·xx·pa·

Am·xiiij·ca·Avi·und plate·an dem·vij·und·xij·pa·

Am·xxiij·ca·Dia·an dem·v·pa.

Am·xxvij·ca·an dem·ij·pa·

Am·xxxvj·ca·am·xxv·pa·

Am·lj·ca·am ende.

Am·ciij·ca·Ga·am·vj·pa·

Am·cx·ca·an dem ende.

Am·cx·ca·am ende.

Am·clxix·ca·an dem·v·pa·

Am·clxxxix·ca·am·v·pa·

Am·cccvj·ca·an dem·vj·pa·

Am·cccxxxj·ca·an dem ende.

Am·cccxlj·ca·an dem ende.

Am·cccl·c·am·v·p·und·am end.

am·ccccxiiijj·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxvj·ca·am·xiiij·pa·

Dem der arszdarme für den afftern geet. Die de aarsdarm voor het achterste gaat.

Am·j·ca·pla·am ende.

Am·xvj·ca·an dem·xiiij·pa·

Am·xxvj·ca·pau·am·iij·pa·

Am·xxviij·ca·Dia·und·Sera·an·v·und·viij·pa·

Am·cxxvij·ca·am ende.

am·cxxxiiij·ca·am ende.

Am·cccxlvij·ca·beÿ dem ende.

Für allerhand geschwer und blatern die do hiczig sind. Voor allerhande zweren en blaren die er heet zijn.

Am·iiij·ca·Avi·am·iij·pa··

Am·xij·ca·avi·an dem·v·par·

Am·xvj·ca·pla·am·viij··pa·

Am·xx·ca·Avicenna·an dem·iiij·und·v·pa·

Am·xxv·ca·Dia·am·viij·par·

Am·xxix·ca·Ga·am·iij·pa.

Am·xxxiij··ca·Serapio an dem·v·und·ix·pa·

Am·lxxxj·ca·pli·am·iiij·pa.

Am·lxxxiiij·ca·avi·am·iij·pa·

Am·xcv·ca·pli·an dem·vj·pa·

Am·cij·ca·an dem·iij·pa·

Am·cxxxvij·ca·an dem ende.

Am·clxvij·ca·an dem·vj·pa·

Am·cxcj·ca·am·vj·und·xiij·par·

Am·cxcij·ca·an dem·iiij·pa.

Am·ccvj·ca·an dem·iij·pa.

Am·ccxix·ca·an dem·iiij·unnd·v·und·vj·pa·

Am·ccxxj·ca·am·iiij·pa·

Am·ccxxiij·ca·am·xiiij·pa·

Am·ccxxvj·ca·Ga·am·vij·par·

Am·ccxlix·ca·Avi·am·vj·par·

Am·ccliij·ca·an dem·j·ij·iiij·j·vij·viij·pa·und am ende.

Am·cclxxxvij·ca·dia·am·iij·pa.

Am·ccxcix·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cccix·ca·am·vj·pa·

Am·cccxiiij·ca·pla·am·iij·par·

Am·ccclix·ca·am·iiij·pa·

Am·ccccv·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cccccx·ca·Ga·am·xxxij·pa·

Am·ccccxvj·ca·am·v·par·

Am·ccccxxix·c·am·iiij·und·vij·p. [497]

Für geschwern erhaben von kalter feüchtung. Voor zweren die verheffen van koude vochtigheid.

Am·ij·ca·Avi·an dem·vij·par·

am·xxiij·ca·Dia·an dem·vj·pa.

am·xxiiij·ca·Dia·an dem·vj·p·

am·lx·ca·Pla·an dem·iiij·par·

am·ccij·ca·pli·an dem·viij·pa·

am·cclxxxviij·ca·Isa·am·iij·p·

Wôlichen sein fŭsse vol bôser blatern wåren. Wie zijn voeten vol kwade blaren zijn.

am·lxviij·ca·an dem·iiij·para·

Wilt du blattern oder geschweren auffåczen. Wil u blaren of zweren uiteten.

am·iiij·ca·Avi·an dem·iij·pa·

Am·cxxviij·capittel an dem·vj·para unnd an dem ende.

Am·cxxxvj·capitel an dem ende·

am·clij·ca·an dem·ix·pa·

Am·clxxvij·capittel an dem·ij·und·iij·unnd·iiij·pa·

am·clxxxiiij·ca·an dem·ij·pa.·

am·clxxxv·ca·an dem ende.

am·ccxxxvj·ca·an dem·vj·par·

am·ccclij·ca·an dem·iiij·pa·

für den wolf an dem leÿbe. Voor de huidsmet aan het lijf.

am·v·ca·Dia·an dem·v·pa·

am·cxj·ca·avi·an dem·vij·par·

am·cxxxvj·ca·an dem·vj·pa·

am·cxxxix·ca·an dem·ij·pa·

am·cccv·cap·an dem·vij·pa·

Für den krebs. Voor de kanker.

am·v·ca·Ga·an dem·ix·pa·

am·viij·ca·an dem·ij·pa·

am·xxiij·ca·Dia·an dem·xvj·pa·

am·xlj·ca·avi·am·xviij·pa·

am·xliij·ca·av·dm·vij·pa·

am·xlv·ca·Dia·an dem·vj·pa

·am·lxxxvj·ca·Isa·am·viij·par·

am·ccxxxv·ca·Pau·am ende.

am·ccccx·ca·Jo·me·am·xviij·p.

für die fisteln. Voor de lopende gaten.

am·x·ca·Sera·an dem·viij·pa·

am·xj·ca·an dem·vj·pa·

am·xxix·capitel Galienus und Serapio am·iiij·und·xj·pa·

am·xliij·ca·an dem·vj·pa·

am·xlv·c·dia·am·vij·und·viij·p.

am·lj·ca·Jo·mes·na·am ende.

am·lxxxviij·ca·Johannes mesue an dem·viij·pa·

am·cxxxviij·ca·an dem·v·pa.

am·clxv·ca·am·ij·pa·am·ende.

am·clxxj·ca·an dem·iiij·pa.

am·clxxxv·capitel an dem·viij·pa·na·an dem ende.

am·clxxxviij·ca·am ende.

am·ccv·ca·Dia·am·vj·pa·

am·ccxij·capitel am·ix·pa·

am·cclix·capitel an dem·xj·p·na·am ende.

am·cclxij·ca·an dem·iiij·pa·

am·cccij·ca·pla·an dem·x·par·

am·cccviij·ca·an dem·viij·par·

am·cccxcv·ca·an dem·xv·pa·

am·ccccxviij·ca·beÿ dem ende.

Für alle alt schaden an dem leÿbe auþwendig. Voor alle oude schaden aan het lijf uitwendig.

am·xj·capitel plate·am·vj·pa·

am·xxij·ca·an dem·iij·pa·

am·lxxiij·ca·an dem·viij·pa.

am·clxxxj·capitel an dem·iiij·pa·na·am ende.

am·cxxvij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccliiij·ca·an dem ende.

am·cccij·ca·an dem ende.

am·cccxxxix·capittel an dem·v·pa·beÿ dem ende.

am·cccl·cap·an dem·iij·pa.

am·ccccxj·ca·am·xj·pa·

am·ccccxj·ca·beÿ dem ende.

am·ccccxij·ca·Ga·am·ij·pa. (H·ij·) [498]

Ein pfeÿl oder ein doτn auþ zů ziehen leichtlich. Een pijl of een doorn uittrekken gemakkelijk.

Am·x·ca·Diasco·am ende.

Am·xj·capitel Dia·am·ix·pa.

Am·xvij·ca·Dia·an dem·ix·pa.

Am·xxviij·ca·Ser·am·viij·pa.

Am·lv·ca·Ser·an dem·iiij·par·

Am·clxxxv·ca·an dem·v·para.

Am·cxcv·capit·an dem·xij·pa·bey dem ende.

Am·ccccxxv·ca·an dem·v·pa.

Item für ein blater genannt carbunculus. Item, voor een blaar genoemd carbunculus.

Am·ciiij·ca·Avi·am·iiij·pa.

Am·cccxcv·ca·am·xiiij·pa.

Item für das freÿschen der jungen kinde. Item voor de freyscham van de jonge kinderen.

Am·ccccxxxij·ca·an dem·v·pa·

Für das rot lauffen oder freischen herisipila genant. Voor de rode loop of freischam herispila genoemd.

Am·xlvij·ca·Galie·am·vij·pa.

Am·lxvij·ca·Dia·am·iiij·pa.

Am·lxix·capitel am ende.

Am·lxxxvij·ca·Ser·am·v·pa·

Am·xcj·c·am·xiij·p·beÿ dem ende.

Am·xciij·ca·an dem·v·pa·

Am·cix·ca·an dem·ij·pa·

Am·lxviij·ca·an dem·iij·pa·

Am·ccxxxv·ca·Pau·am·j·par·

Am·cclxxxvij·ca·pau·am·vj·p·

Am·cccj·ca·an dem·x·pa·

Am·cccvj·ca·Avi·am·iij·pa.

Am·cccx·ca·an dem ende.

Am·cccxxvj·ca·avi·am v·pa.

Am·cccliij·ca·an dem·x·pa·

Am·ccccxvj·ca·an dem·xv·pa·

Am·ccccxvij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxxxij·ca·an dem·iiij·pa.

Für die pestilencz. Voor de pest.

Am·v·ca·Diascoτides an dem j·pa·und·na·am ende.

Am·xiij·ca·Pli·am·xviij·pa.

Am·xvj·ca·Dia·und Platearius an dem·vj·und·ix·pa.

Am·lxviij·capitel am ende.

Am·lxxvj·ca·Avi·an dem·iiij·vj·vij·und·viij·pa.

Am·lxxxix·capittel an dem·xij·pa·na·am ende.

Am·cxvj·ca·avi·am·viij·pa.

am·cxcj·c·am·xvij·pa·am ende.

am·ccxviij·c·am·viij·p·am end.

Am·cclvj·ca·Dia·am·vij·par·

Am·cclxxxj·capitel an dem·vij·und·viij·pa·

Am·cccxv·ca·an dem·iij·pa.

Am·cccxxvj·ca·am vij·pa.

Am·cccxliiij·ca·an dem ende.

Am·cccl·capitel an dem·xj·pa·bey dem ende.

Am·ccclxxix·ca·an dem·iij·par·

Am·cccxcvj·ca·an dem ende.

Am·cccc·ca·Dia·an dem·vj·pa·

Am·ccccxxxiij·ca·an dem·iiij·pa·

Item wer sicher wil sein voτ dτŭsen und geschwern. Item, wie zeker wil zijn voor klieren en zweren.

Am·xxiij·capittel Diascoτides an dem·xv·pa·

Am·ccxxvj·ca·an dem·v·pa·

Am·ccxxvij·ca·an dem·ij·pa.

Am·ccclxxxvj·ca·am ende.

Zů den unreÿnen wunden. Tot de onreine wonden.

Am·vj·ca·Ga·an dem·xvij·pa.

Am·ix·ca·am dem·iiij·pa.

Am·x·ca·an dem·vij·pa.

Am·xj·ca·an dem·iiij·pa.

Am·xx·capitel Plinius an dem xv·pa·

Am·xxxvj·ca·Ga·Joh·me·am·xxiij·xxvij·und·xxviij·pa.

Am·xxxix·capittel Serapio an dem·iij·und·iiij·pa·

Am·xliij·ca·Ga·am·xij·pa.[499]

Am·lix·ca·an dem·viij·pa·

Am·cxxxix·ca am ende.

Am·clxxxj·ca·an dem·iij·pa·

Am·cxcij·c·am·ij·p·am anfang.

Am·ccxij·ca·Jo·me·am·x·pa.

Am·ccliiij·capitel an dem·vij·para·am ende.

Am·cclvj·ca·an dem·x·pa.

Am·cccij·ca·Wilhel·am·viij·p.

Am·cccxlvij·ca·an dem·xij·pa·und an dem ende.

Am·cccliiij·ca·Ser·am·ix·pa.

Am·ccclxxxij·am·vj·pa·

Am·cccxciiij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccx·an dem·xxv·pa·

Am·ccccxxx·ca·an dem·iiij·pa·

Zů feüchten wunden. Tot vochtige wonden.

Am·xxiiij·ca·Dia·am·v·pa·

Am·cccliij·ca·an dem ende.

Am·ccccxxj·ca·an dem anfang.

Zů den frischen wunden. Tot verse wonden.

Am·xxij·c·pla·am·iij·und·iiij·p·

Am·xxviij·ca·Dia·am·ij·pa.

Am·xxxij·ca·pli·am·iij·pa.

Am·xxxiij·ca·Ser·am·iiij·par·

Am·xxxviij·ca·avi·am·ix·pa.

am·lxvij·ca·an dem·xij·pa·

am·lxxv·ca·Ser·am·xxxj·par·

am·cxlviij·ca·an dem·ij·pa.

am·clxxv·ca·an dem·xviij·pa·

am·clxxviij·ca·Dia·am·iij·pa·

am·clxxxviij·ca·avi·am·ij·pa·

am·ccliij·ca·an dem·viij·pa·

am·cclxv·ca·an dem·vj·pa.

am·cccij·ca·Isaac·am·vij·und·xx·pa·am ende.

am·cccvj·ca·Pla·am·ix·pa·

am·ccclvij·ca·an dem·iij·pa·

Wilt du das kein faul fleisch in den wunden wachse. Wil u dat er geen vuil vlees in de wonden groeit.

am·ccxxvj·ca·am·x·pa·am end.

am·ccxcj·an dem·vj·pa.

am·ccclxxxij·ca·an dem·iiij·pa.

Faule fleisch auþ zů åczen. Vuil vlees uit te eten.

am·ix·capitel an dem·iiij·para.

am·x·ca·Ser·an dem·vij·pa·

am·cx·ca·pla·an dem·iiij·par·

am·cxj·ca·avi·an dem·iij·pa.

am·cccciij·ca·beÿ dem ende.

am·ccccxxxviij·ca·an dem·vij·pa·

am·cccclxxxij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccccxcij·ca·am·ij·und·iij·pa.

am·cccciiij·ca·an dem ende.

am·cccc…ca·beÿ dem anfange.

Für das gucken. Voor het hikken.

am·xxxix·ca·Sera·an dem·ij·pa·

am·xlv·capitel an dem ende.

am·cxvj·capitel an dem·xiij·par·na·an dem ende.

am·ccxxxviij·ca·an dem·iij·pa·

am·ccc·capittel an dem·iiij·pa·

am·cccxlvi·ca·am·xij·pa·

am·cccxlix·ca·an dem·v·pa·

am·cccxcij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccccij·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccccx·cap·Johannes mesue an dem·xxxvj·pa·

Wilt du ein wunde zů samen ziehen on alles hefften. Wil u een wond tezamen trekken zonder alles te heffen.

am·clxxviij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccliiij·ca·an dem vj·pa.

am·ccxci·ca·an dem vj·pa·

Wilt du haben fleisch wachþsen in den wunden. Wil u hebben vlees groeien in de wonden.

am·clxxxviij·ca·an dem·j·pa·.

am·ccxcj·capitel an dem·xij·pa·beÿ dem ende.

Für die auszseczigkeit. Voor de huiduitslag.

am·iiij·ca·avi·an dem vij·pa·

am·xi·ca·pla·an dem·vij·pa.

am·xx·ca·Avi·an dem·iij·pa.

am·xxxviij·ca·Se·am·ij·vj·pa (H·iij·) [500]

Am·lxxv·ca·Dia·am·xxxiiij·p·und an dem ende.

Am·lxxxv·ca·Ga·am·ix·pa.

Am·cxvj·capitel an dem ende.

Am·cxxviij·ca·Seτ·an·ij·p·

Am·cxxxvj·ca·an dem·vj·par·

Am·clxv·capitel an dem·ij·pa.

Am·clxv·ca·na an dem ende.

Am·clxxvj·capitel an dem·iiij·und·vj·unnd·vij·pa·

Am·ccxxvj·capitel an dem·ij·pa·

Am·ccxxvij·capittel an dem ende.

Am·cclxiij·ca·an dem·iiij·pa.

Am·cclxxvij·capitel an dem·xj·und·xviij·pa·

Am·cclxxxv·ca·an dem ende.

Am·ccciiij·ca·an dem·xj·pa.

Am·cccxlv·ca·an dem·vj·par·

Am·cccl·ca·Pli·am·vij·pa.

Am·ccclix·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxxv·ca·pla·am·viij·p·

Am·ccclxxix·capittel Plate·an dem·iiij·und·vij·pa·

Am·ccccj·ca·an dem·vj·pa·

Am·cccciiij·ca·pla·am·xj·pa.

Am·ccccvj·ca·an dem·iij·pa.

Am·ccccxvj·ca·Galienus an dem iiij·und·vj·und·xiij·pa.

Für dye bosen rauden moτphea genant. Voor de kwade ruigte morphea genoemd.

am·iiij·ca·avi·an dem·v·pa.

am·ix·capitel an dem·iij·pa.

Am·xij·ca·Avicenna Serapio an dem·iij·und·xv·pa.

am·xiij·ca·Ser·an dem·vj·pa.

am·xxxiiij·capittel Paulus an dem vj·und·vij·pa.

am·ciij··ca·pla·an dem·xij·par·

am·ccclxj·ca·an dem·ij·pa.

Was den menschen ausseczig machet. Wat de mensen huiduitslag geeft.

am·xxxiiij·ca·an dem·iij·pa·

Für die reüdigkeÿt. Voor de ruigheid.

am·viij·capitel an dem ende.

aw·x·ca·Serapio·am·vj·para.

am·ciij·capitel an dem vj·par.·na·an dem ende.

am.cxvij·ca·an dem·ij·pa.

am·cxvij·cap·Serapio an dem ij·und·iij·pa·

am·ccxlv·ca·an dem·ij·pa·

am·cclxiij·ca·am ende.

am·cclxxxix·ca·Dia·am·vj·pa·

am·cccilij·ca·Ga·am·ix·pa·

am·cccxlvj·ca·beÿ dem angang und an dem ende.

am·cccxlvij·ca·Dia·am·ciij·p·

am·cccl·capitel an dem·x·para.beÿ dem ende.

am cccliij·capitel an dem·xiiij·pa·und·beÿ dem ende.

am·ccclxix·ca·an dem·vij·pa.

am·ccclxx·ca·an dem ende.

am·ccclxxviik·ca·am·vj·pa.

am·ccclxxxviij·ca·beý dem ende.

am·cccxciiij·cap·an dem·iij·pa·beÿ dem anfang.

am·cccxcv·ca·an dem·xiij·par·

am·ccccx·ca·Dia·am·v·pa.

am·ccccxxxij·ca·an dem ende.

Zů den warczen. Tot de wratten.

am·v·ca·Dia·an dem·vj·pa.

am·xxxiiij·cap·an dem·x·para·an dem ende.

am·lx·ca·Dia·an dem·xv·pa.

am·ciij·ca·pla·an dem·xj·pa.

am·cxxxvj·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccxl·ca·an dem·iij·pa.

am·ccccxiiij·ca·beÿ dem ende.

am·ccccxvj·ca·am·viij·pa.

Für die warczen acrocoτdines und scrofule genant. [501] Voor de wratten acrocordines en scrofule genoemd.

am·vij·capitel an dem·vj·pa.

am·xliiij·ca·an dem·viij·pa·

am·cxxxij·ca·an dem ende.

am·cxxxv·ca·an dem ende.

am·ccliij·ca·an dem·ix·pa·

am·ccxcij·ca·an dem ende.

am·cccxcv·ca·an dem·xj·pa.

Für aller hande hÿcze. Voor allerhande hitte.

am·xij·ca·Avi·an dem·iij·pa·

am·xiij·ca·Dia·am·ix·pa.

am·xxvj·Dia·am·viij·pa.

am·xxix·capittel Galienus an dem vij·und·viij pa·

am·xlix·ca·Dia·an dem·iij·para.

am·liiij·cap·Pla·am·v·pa·

am·lviij·ca·an dem·iij·pa.

am·lxvij·ca·am·j·und·v·pa·

am·cviij·ca·an dem·iij·pa.

am·clvj·ca·an dem·v·pa·

am·clxvij·ca·na·an dem ende.

Am cclix·ca·beÿ dem ende.

am·cclix·ca·beÿ dem ende.

am·cclxxxix·ca·an dem·iij·pa·

am·cccj·capitel Serapio an dem vj·unnd·xix·para·

am·cccxxvj·ca·avi·am·iiij·pa·

am·cccxxxvij·cap·an dem·xxiij·und·xxv·pa·

am·cccxlj·ca·pla·am·vj·pa·

am·ccclvij·ca·am·vj·und·vij·pa.

am·ccclxxxiiij·capittel an dem·iij·unnd·ix·para·

am·ccccxiij·ca··an dem·xiij·pa·

am·ccccxix·ca·an dem·ij·pa·

Zů dem heÿligen feüwer. Tot het heilig vuur.

·am·xiij·ca·Ser·an dem·iiij·par·

Am·xvij·capittel Diascoτides an dem·iiij·pa·

am·xxvj·ca·Ga·an dem·x·pa·

am·xxxiij·ca·Ser·am·iij·pa·

am·lxiij·ca·Dia·am·iiij·pa·

am·lxvij·ca·an dem·xiik·p·na am ende.

am·lxxij·capitel an dem·ix·pa.

am·ciiij·ca·an dem ende.

am·clij·ca·an dem·iiij·pa·

am·clxiij·ca·an dem ende.

am·ccxxix·ca·Ser·am·xj·pa.

am·ccxxxij·ca·am ende.

am·ccxxxviij·ca·an dem ende.

am·cclxj·ca·am·iiij·pa·

am·cclxij·ca·paulus am·iij·pa.

am·cclxij·ca·paulus am·iij·pa.

am·ccxcix·ca·an dem ende.

am·cccj·ca·beÿ dem ende.

am·cccij·ca·an dem·xi·pa·

am·cccx·ca·Diascoτides an dem v·und·vij·pa·

am·cccviij·ca·an dem·x·pa·

am·cccxix·ca·pla·beÿ dem anfang.

am·cccxciiij·a·an dem·v·pa.

Zů den gebτanten gelidern. Tot de gebrande leden.

am·xij·ca·avi·an dem·ix·pa·

am·xlvij·ca·Ser·am·v·pa.

am·cx·ca·pla·beÿ dem ende.

am·ccxxij·ca·beý dem ende.

am·ccxxxvj·ca·an dem ende.

am·cclix·ca·Ga·am·viij·pa.

am·cccviij·ca·beÿ dem ende.

am·cccc·ca·an dem·ix·pa·

am·ccccxvij·ca·an dem ende.

am·ccccxx·ca·an dem·iij·pa·

am·ccccxxx·ca·an dem ende.’

Item was dem leÿbe natürliche hÿcz bτinget. Item, wat het lijf natuurlijke hitte brengt.

am·viij·capitel an dem·j·pa.

am·xv·ca·an dem·xvj·pa·

Was den durst veτtreÿbet. Wat de dorst verdrijft.

am·xv·ca·avi·an dem·vij·pa.

am·xxiij·ca·Dia·am·xx·pa·

am·lv·capitel Serapio an dem xiij·para·

am·xcj·ca·an dem ende.

am·xcliij·ca·an dem·iij·pa·

am·xcv·ca·an dem ende. [502]

am·c·am·iij·und·x·pa.

am·cxxv·ca·Jo·me·am·vj·pa.

am·cl·capitel an dem·iiij·pa.

am·ccxxiiij·capitel am vij·pa.

am·ccxxiiij·ca·beý dem anfang.

am·cccxxvj·ca·an dem ende.

am·cccxlj·capitel an dem anderen pa·und·beÿ dem ende.

am·ccclxxiiij·ca·an dem·viij·pa.

am·ccccij·ca·an dem·v·pa.

am·cccciij·capittel an dem ende.

Was lusten bτinget zů essen. Wat lust brengt om te eten.

am·iij·capitel an dem viij·pa·

am·xiij·ca·Serapio am·iij·pa.

am·xxiij·capittel an dem xvij·unnd·xxiij·pa·

am·lv·ca·Seτ·an dem·xj·pa.

am·c·capitel an dem vj·pa.

am·cxviij·capitel·beÿ dem ende.·

am·cccxlj·ca·Ser·an dem·iij·pa.

am·cccxcviij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccccxvj·ca·an dem·xvj·pa.

am·ccccxxxiij·ca·an dem end.

Wôlicher sein farb verleüset. Wie zijn kleur verliest.

am·vj·ca·Ga·am·xiij·pa.

am·liij·ca·pli·an dem ende.

am·lxxxviij·Jo·me·am·vj·p.

am·xij·capitel am vij·pa·

am·cxxj·ca·avi·am·v·pa.

am·clxxvij·ca·an dem·vj·pa.

am·cclj·capitel am·xj·pa

am·cclxxiij·capitel an dem·vij·pa·unnd am ende.

am·cclxxxiij·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccccxxv·ca·an dem·iij·pa.

was coitum bτinget. Wat coitus brengt.

am·vj·capitel an dem xj·pa·

am·xv·ca·Ga·an dem xij·pa.

am·xxxv·capitel am vij·pa.

am·lviij·ca·an dem·iiij·pa.

am·lxij·ca·am·ij·und·iiij·pa·

am·lxxj·capitel am iiij·pa.

am·lxxviij·capitel an dem ende.

am·cxij·ca·avi·am·x·pa·

am·cxxj·ca·am·x·und·xiij·pa·

am·cxxiiij·c·am·xviij·p·beÿ end.

am·clv·capitel Ga·am·ij·pa.

am·cc·capittel Serapio an dem viij·pa·beÿ dem ende.

am·ccxvij·ca·Dia·am·iij·pa.

am·ccxliiij·capitel avicenna an dem·ij·und·iij·und·iiij·pa.

am·cclj·capitel an dem ende.

am·cclxxxiiij·ca·an dem anfang.

am·cccx·capitel am·iij·pa.

am·ccxx·ca·Dia·am iiij·pa·

am·cccxxiij·ca·an dem ende.

am·cccxxiij·ca·Ga·am·v··pa·

am·lij·ca·am·xiij·pa·

am·ccclv·ca·am·iiij·und·vj·pa.

am·ccclxxxviij·capitel avicenna an dem vj·und·vij·pa·

am·ccccx·ca·Ga·an dem·iij·und·ix·xvij·und·xxj·pa·

am·ccccxxix·ca·an dem ende.

Wider die unkeüscheit. Tegen de onkuisheid.

am·xiiij·ca·beÿ dem ende.

am·lij·capitel Serapio an dem ix·und·xj·pa·

am·lxx·ca·Pla·am·viij·pa·

am·lxxxvij·ca·Se·am·vj·pa.

am·ciiij·ca·Pli·am·xj·pa·

am·cxix·ca·Ser·an dem·vj·pa

am·ccxxiij·capittel an dem·vij·und·xij·pa·

am·cccj·ca·Pli·am·xvj·pa.

am·cccxxxvj·ca·am·v·und·vj·p.

Für die kranckheÿt gomoτrea genant das ist den jr natur entgeet on jren willen. Voor de ziekte gomorrea genoemd, dat is die hun natuur ontgaat zonder hun wil.

am·lij·ca·Sera·am·xiij·pa.

Was einer meyden sol d mit frauwen wil zů schicken haben. [503] Wat iemand vermijden zal die met vrouwen schik wil hebben.

Am·iiij·ca·Pla·an dem·xij·pa.

Für aller hande gebresten d schemde frawen und man. Voor allerhande gebreken aan de schaamte van vrouwen en mannen.

Am·j·ca·Dia·an dem·xv·pa.

Am·iiij·ca·avi·an dem·x·pa.

Am·xx·ca·pla·an dem·xiij·pa.

Am·xxxvj·ca·Ga·am·xxv·pa·

Am·xxxvij·ca·an dem·xix·pa.

Am·lxxxij·ca·am·vj·pa·

Am·lxxxviij·ca·Johannes mesue beÿ dem ende.

Am·xci·ca·am·xi·beÿ dem ende.

Am·xcvij·ca·am ende.

am·ciiij·ca·pli·am·x·pa·

am·clviij·ca·an dem·iiij·p.

am·clxxv·ca·an dem·xvij·pa.

am·ccxlj·ca·an dem·iiij·pa.

am·ccc·ca·an dem·viij·pa·

am·ccciij·ca·an dem·xxj·pa.

am.cccxcvij·ca·an dem·v·par·

Item wen sein gemecht zerschwollen wåre. Item, als je geslacht gezwollen is.

am·lix·capitel an dem·ix·para·beÿ dem ende.

am·xcvij·ca·beÿ dem enden.

am·cviij·ca·an dem·vij·pa.

am·ccxlix·ca·avi·am·viij·

am·cclj·ca·an dem·viij·pa.

am·cccxxxlij·ca·an dem ende.

Für dÿe teüfels lÿebe amoτreos genant. Voor de duivelse liefde amorreos genoemd.

am·cxciij·ca·das capitel auþ.

am·ccxcij·ca·am anfang.

Für aller hande geschwulst. Voor allerhande zwellen.

am·iiij·capittel avicenna an dem iij·pa·

am·xvij·capitel diascoτides an dem·iij·pa·

am·xxiij·ca·Dia·am·xix·pa·

am·xxix·ca·Sera·am·x·pa.

am·xxxj·ca·an dem·iij·pa·

am·lxxx·ca·Dia·am·iiij·pa·

am·lxxxj·ca·pli·an dem·iij·par·

am·clxv·capitel an dem·xxxj·p· beÿ dem ende.

am·clxviij·ca·an dem ende.

am·lxxcij·ca·an dem·v·pa·

am·clxxxv·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccxvij·ca·Dia·am·v·pa.

am·ccxxliij·ca·Dia·am·viij·pa·

am·xxxij·ca·an dem ende.

am·ccliiij·ca·an dem·ij·pa.

am·ccc·ca·an dem·xx·pa·

am·cccij·ca·am·xij·pa·

am·cccviij·ca·am·iiij·pa·

am·cccix·ca·an dem·xiij·pa·

am·cccxliij·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccccxiij·ca·am·vj·pa·

am·ccccxxxv·ca·an dem·iij·pa.

Item für das podagram an den fŭssen. Item, voor de podogram aan de voeten.

·am·xj·ca·pli·am·iij·pa·

am·xvj·ca·Dia·am·iiij·pa.

am·xvij·ca·Dia·am·ij·pa·

am·xxiij·ca·Dia·am·xiiij·pa.

am·xxiiij·ca·Dia·an·dem·ij·par·

am·xcj·ca·an dem·xj·pa·

am·xciij·ca·Ser·am·iij·pa.

am·xxj·ca·an dem ende.

am·cxxiij·ca·am ende.

am·cxl·ca·pli·am·iiij·pa·

am·clxv·ca·an dem·xix·pa.

am·clxxvj·ca·an dem·ix·pa.

am·clxxx·ca·Ser·am·ix·pa·

amcxcvj·ca·Jo·me·am·vj·pa.

am·ccxij·ca·pla·am·viij·pa.

am·cclxxxix·ca·Diasc·an dem v·para·

am·ccxxix·ca·an dem·xj·pa.

am·ccc·ca·an dem·xvj·pa·

am·cccv·ca·an dem·viij·pa·

am·cccxij·ca·an dem·v·pa.

am·cccxxx·ca·an dem ende. [504]

am·cccxi·an dem ende.

am·cccxlix·ca·an dem·xj·pa.

am·ccclxxiiij·ca·am·v·pa·

am·cccciiij·ca·beÿ dem ende.

am·ccccx·ca·pli·am·xxiiij·par·

Am·ccccxiij·capittel an dem·ix·und·xviij·para·

Am·ccccxvij·ca·an dem ende.

Am·ccccxxx·ca·am·v·par·

Für das gicht paralisis genant. Voor de jicht paralisis genoemd.

Am·ij·ca·Avi·am·viij·und·ix·p.

Am·xxij·ca·an dem·vj·pa·

Am·xlj·ca·Dia·an dem·viij·pa·

Am·xxxiiij·ca·pau·am·viij·pa.

Am·cvij·ca·an dem·vj·pa·

Am·cxxxviij·ca·an dem ende.

Am·cxlj·ca·an dem ende.

Am·ccxij·ca·pla·an dem·vij·pa·

Am·ccxiij·ca·das gancz capit·

Am·ccvviij·ca·an dem·vj·pa·

Am·cclxxviij·capitel an den·xij·para·beÿ dem ende.

Am·ccxcviij·ca·an dem ende.

Am·cccvij·ca·an dem ende.

Am·cccix·capitel am·vij·pa.

Am·cccxlvij·capitel paulus an dem·xix·und·xvj·pa·

Am·cccxlix·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclv·ca·an dem·v·pa·

Am·ccclxvj·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxxij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccclxxvj·ca·an dem ende.

Amccclxxia·ca·an dem ende.

Am·cccxcv·ca·an dem ende.

Am·cccxcix·ca·am·v·pa·

Am·ccccxxij·ca·beÿ dem ende.

Für das wŭtende gegicht in dem leybe. Voor de jicht dat woedt in het lichaam.

Am·xlj·ca·Dia·am·viij·para.

Am·cix·ca·an dem·iiij·pa·

Am·clxxij·ca·an dem·v·pa·

Am·cccxcvj·capitel an den·viij·par·beÿ dem ende.

Für die zerschwollen fŭsse. Voor de gezwollen voeten.

Am·liiij·ca·Pla·am·viij·para.

Am·ccccx·ca·beÿ dem ende.

Für das gegicht in den beÿnen sciatica genant. Voor de jicht in de benen sciatica genoemd.

Am·ccccj·ca·beÿ dem ende.

Item für die lamen glider. Item, voor de lamme leden.

Am·v·ca·Dias·am·viij·pa·

Am·xlvij·ca·Sera·am·v·par·

Am·lxxiiij·ca·an dem·v·pa.

Am·lxxx·ca·Avi·und·pla·am·iiij·und·xv·und·xxij·pa·

Am·cvj·ca·an dem·xj·pa·

Am·cvij·ca·an dem ende.

Am·cxlvj·ca·an dem ende.

Am·cliiij·ca·am·x·pa·

Am·clxxxiiij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccxviij·ca·avi·am·v·par·

Am·ccxxviij·ca·am·xiij·par·

Am·cclxix·ca·Rasis am·iiij·pa.

Am·cclxxij·ca·Ga·am·x·pa·

Am·ccc·ca·an dem·ix·pa·

Am·cccxxx·capitel an dem·viij·para·beÿ dem ende.

Am·ccclxxij·ca·an dem·v·pa.

Am·ccclxxiij·ca·pla·am·viij·p.

Am·cccxcix·ca·pla·am·vj·par·

Item für die zerknisten glider. Item, voor de gekneusde leden.

am·iij·ca·Jo·me·am·xv·pa.

Am·v·ca·Ga·an dem·xij·pa·

Am·xij·ca·Sera·bey dem enden.

Am·xx·ca·Avi·an dem·vj·pa·

Am·liij·ca·Dia·am·iiij·pa·

Am·lxxxix·capitel Joha·mesue an dem·jx·pa·

Am·xcv·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cxxxviij·ca·am·iiij·pa·

Am·clv·ca·beÿ dem ende.

Am·clxxxix·ca·an dem·iiij·pa·[505]

Am·cxcv·ca·an dem·vij·pa·

Am·cxcix·ca·an dem·xij·pa·

Am·cclij·ca·pli·am·iiij·pa·

Am·cccxlij·ca·an dem·xj·pa·

Am·cccxlij·ca·an dem·xj·pa·

Am·ccclxj·ca bey dem ende.

Am·ccclxix·ca·am·vj·pa·

Am·cccc·ca·an dem·xj·pa·

Für gelivert geblŭte. Voor gestold bloed.

Am·xxiiij·ca·am·vij·pa·

Am·xxxij·ca·Dia·an dem ende.

Am·lxxxvj·ca·an dem ende.

Am·cxiiij·ca·Dia·am·ix·pa·

Am·cxlviij·ca·an dem ende.

Am·cclv·ca·pli·am·v·pa·

Am·cccxlviij·ca·Dia·am·ix·p·

Wôlicher in dem leibe zerbτochen wåre. Wie in het lijf gebroken is.

am·xij·ca·an dem·xj·pa·

am·xvij·ca·am·vj·pa·

am·lxv·ca·Dia·am·x·pa·

am·cxj·ca·an dem·viij·pa·

am·cliij·ca·an dem ende.

am·cxcvij·ca·an dem·iij·pa·

am·cccxlij·ca·an dem·viij·pa.

am·ccclxxj·ca·an dem·vj·pa·

Für den bτuch der jungen kinder als zům dicker male geschicht den kneblin. Voor de breuk van de jonge kinderen zoals vaak gschiedt bij jonge knaapjes.

am·cliij·ca·an dem anfang.

Für das kalte. Voor de koude.

am·ij·ca·an dem ende.

am·iij·ca·an dem·x·pa·

am·xv·ca·Ga·am·xiiij·pa·

am·xxj·ca·pla·am·vj·pa·

am·xvij·cap·alman·an dem ende.

am·xxiij·ca·Dia·am·xiij·pa.

am·xxv·ca·Dia·am·viij·pa·

am·liij·ca·Dia·am·x·pa·

am·lv·ca·an dem·xij·pa·

am·lxxxiij·am·iiij·pa·

am·clxxxvj·ca·an dem·v·para·

am·ccvij·ca·pla·am·vj·pa·

am·cclxxix·ca·an dem·ij·pa·

am·cclxxxj·ca·an dem·ij·pa·an dem ende.

am·ccxcix·ca·an dem·xiiij·para·beÿ dem ende.

am·cccj·ca·Dia·an dem·xviij·pa.

am·cccij·ca·Ga·am·xvj·pa·

am·ccciiij·ca·an dem ende.

Am cccvj·ca·an dem·xj·pa·

am·cccviij·ca·Dia·am·ij·pa.

am·cccxxxvj·ca·am·xxiiij·pa.

am·cccxliiij·ca·an dem·iij·pa·

am·ccclxxv·ca·am·xj·pa·

am·cccxcix·an dem·vij·pa·

für febres genant quotidianas. Voor vijfdaagse malariakoortsen.

am·xlj·ca·an dem ende.

am·lj·ca·Jo·me·am·vij·pa·

am·cxlj·ca·am·iiiij·und·v·par·

am·clxj·ca·am·xj·pa·beÿ dem end.

am·cccxcv·ca·an dem ende.

am·cccxcix·ca·am ende.

Für febτes genant tercianas. Voor derdedaagse malariakoortsen.

am·clxvij·ca·am·v·pa·

am·ccxxiij·ca·an dem·xvij·par·beÿ dem ende

am·cccxlij·ca·an dem ende.

am·cccxcvj·ca·an dem·vij·pa·

am·cccxcvij·ca·an dem ende.

am·ccccxij·ca·an dem·vj·pa·

Für febτes quartanas. Voor vierdaagse malariakoorten.

am·vij·ca·Dia·an dem·x·pa·

am·xix·ca·an dem ende.

am·lxxv·ca·dia·am·xxj·pa.

am·cix·ca·an dem·iij·pa·

am·clxv·ca·am·xx·pa·

am·clxix·va·an dem·iiij·pa·

am·clxxxiiij·ca·an dem·iij·par·

am·ccxv·ca·an dem·iiij·pa·

am·ccxl·ca·an dem ende.

am·cclxiiij·ca·an dem·ij·pa·[506]

Am·cclxxvij·ca·am·xvij·pa·

Am·cccij·ca·Galie·am·xiiij·pa·

Am·cccvj·capi·an dem·vij·und·viij·par·

Am·cccvij·ca·an dem·x·pa·

Am·cccviij·ca·an dem ende.

Am·cccix·ca·an dem·xj·pa·

Am·cccxxix·ca·Sera·am·iiij·p·

Am·cccxxxix·ca·an dem ende·

Am·ccclxxv·ca·am·iij·pa·

Am·ccccxij·ca·am·ix·pa·

Am·ccccxiiij·ca·beÿ dem ende.

Am·ccccxxx·ca·bey dem ende

Wôlicher an seinem leÿbe zů tronsen wår von dem fieber. Wie aan zijn lijf te vrezen is voor de koorts.

Am·xciiij·ca·am·ij·pa·

Für den schlag appoplexia genant. Voor de slag appoplexia genoemd.

Am·xxij·ca·plate·am·vj·pa·

Am·xlj·ca·Dias·am·xiij·pa.

Am·cxxiij·ca·am·iiij·pa·

Am·ccxxx·ca·am·iij·pa·

Am·ccxxxiiij·ca·an dem ende·

Am·ccclij··ca·plate·am·xiiij·pa·

Am·ccclxxiij·ca·am·xij·pa·

Am·ccccx·ca·am·xxviij·pa·

Am·ccccxij·ca·an dem ende·

Was die fallenden such vertreÿbt epilentia genant. Wat de vallende ziekte verdrijft, epilentia genoemd.

Am·x·ca·Sera·am·v·pa·

Am·xxiij·ca·am·xxvij·pa·

Am·xxviij·ca·beÿ dem ende·

Am·xxxij·ca·plin·am·iiij·pa·

Am·xxxviij·ca·am·ende·

Am·xlvj·ca·am·xij·pa·

Am·liij·ca·Diasc·am·vj·pa·

Am·lvij·ca·avi·am·v·pa·

Am·lxxv·ca·Sera·am·xxv·pa·

Am·ciiij·ca·avi·am·vj·pa·

Am·cxvij·ca·an dem ende·

Am·cxxiiij·ca·Sera·am·x·pa.

Am·clxxxvij·ca·beÿ dem ende.

Am·cclv·ca·am·vij·pa·

Am·ccxcvij·ca·plate·an dem·vj·und·x·und·xj·pa·

Am·ccxcviih·ca·an dem·xij·und·xiij·pa·

Am·cccvj·ca·avi·am·v·pa·

Am·ccclix·ca·an dem·vj·pa·

Am·ccclxviij·ca·am·v·pa·

Am·ccccxij·ca·beÿ dem ende.

Was die fallenden sucht bτingt. Wat de vallende ziekte brengt.

Am·vj·ca·Galie·am·xix·pa·

Was die melancoley vertreibt. Wat de melancholie verdrijft.

Am·xvj·ca·plate·am·xj·pa·

Am·xxviij·ca·Halÿ·am·viij·p·

Am·xlvj·ca·an dem ende·

Am·lvj·ca·plate·am·v·pa·

Am·lxv·ca·Ser·am·xvij·xix·pa.

Am·ccxl·ca·Se·am·ij·und·iiij·p·

Am·cclxxiij·ca·Sera·am·vij·pa.

Am·cccxxxiiij·ca·an dem·j·pa·und·an dem ende·

Am·cccxlij·ca·am·v·pa·

Was schwåre treümme vertreybet. Wat zware dromen verdrijft.

Am·xxxviij·ca·avi·am·viij·pa·

Am·cxxx·ca·Dias·am·viij·par·

Am·ccxcij·ca·plate·am·iij·par·

Was den schlaff bτinget. Wat de slaap brengt.

Am·xiiij·ca·avi·und·plin·am·ij·und·xviij·pa·

Am·xxxv·ca·plate·am·xvij·pa·

Am·lxxxvj·ca·Isaac·am·iij·pa.

Am·cxix·ca·an dem·viij·pa·

Am·ccxvij·ca·an dem ende·

Am·ccxxiij·ca·Sera·am·ix·par·und an dem ende·

Am·cclvij·ca·avi·am·iij·unnd·vij·pa·beÿ dem ende·

Am·ccxcix·cap·an dem·viij·und·xij·par·

Am·cccxij·cap·am·iij·und·vj·pa·[507]

am·cccxiij·ca·an dem·vj·pa·

am·ccccxiij·ca·Jo·me·am·xj·p.

am·ccccxxij·ca·an dem·iiij·pa·

für vergift. Voor vergif.

am·ij·ca·Pla·an dem·xv·pa.

am·vj·capitel an dem·x·pa.

am·xv·ca·Galie·am·xv·pa.

am·xx·ca·Pli·an dem·xiiij·pa.

am·xxxiij·capittel Diascoτides an dem viij·und·xj·pa·

am·liij·ca·Dia·an dem·v·pa·

am·lxxv·ca·Ser·am·xxiiij·pa·

am·clxxix·ca·an dem·v·pa.

am·cxcv·capitel an dem·xj·pa.

am·cxcix·ca·Ser·am·x·pa·

am·cclxxxj·ca·Ga·am·vj·pa

am·ccc·capitel am·xxij·pa.

am·cccxxxvj·ca·pla·xix·pa.

am·cccxxxviij·ca·am·iiij·pa·

am·cccxl·ca·an dem·v·pa·

am·ccclxxix·ca·am·iij·pa·

am·cccxcvj·cca·an dem·vj·pa.

am·ccccv·ca·am·v·und·vij·pa.

am·ccccxij·ca·am dem·v·pa·

am·ccccxviij·ca·am·ix·pa·

Das dir kein zaubereÿ oder gifft schade. Dat je geen toverij of vergif beschadigt.

am·j·capitel am·x·pa·

am·liij·capitel an dem·v·pa·

Am·lxxiiij·ca·an dem·v·pa·

Am·lxxix·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cxxx·ca·Dia·am·ix·pa.

Am·cclxj·capitel am vj·pa·

Am·ccxcv·ca·an dem ende.

Am·cccix·ca·an dem·iiij·pa·

Am·cccx·ca·an dem·ij·pa·

Für eins gifftigen thieres biþ. Voor een giftig dierenbeet.

·Am·ij·ca·Dia·am·xxj·pa·

Am·iiij·ca·pla·an dem·xv·pa.

Am·v·ca·Dia·am·ij·pa.

Am·x·ca·Dia·an dem·x·pa.

Am·xj·capitel an dem ende.

Am·xiij·ca·an dem·xij·pa·

Am·xxj·ca·Dia·am·vij·pa.

Am·xxiij·ca·Dia·am·viij·pa·

Am·lxxcij·ca·an dem ende.

Am·lxxij·capitel Ypo·an dem·iij·und·viij·pa·

Am·lxxvij·capi·an dem ende.

Am··clv·cap·an dem end.

Am·clxxxvij·ca·an dem·ij·par·

Am·cxcj·ca·an dem·xiiij·pa·

Am·ccli·ca·an dem·xviij·pa.

Am·cclx·v·ca·am v·pa·

Am·cclxxvij·va·Pli·am·xv·pa.

Am·cclxxxviij·ca·am ende.

Am·cccij·capitel an dem vj·und·xvi·para·

Am·cccxxxviij·ca·am·vij·pa.

Am·cccxlvij·ca·an·dem·x·pa.

Am·ccclij·ca·Pli·am v·pa.

Am·ccclxxij·ca·beÿ dem ende.

Am·cccxcvij·ca·an dem·iiij·pa.

Am·cccc·capitel am viij·pa·

Für bisz der dobendigen hunde. Voor de beet van een dolle hond.

Am·iiij·ca·pla·am·cv·pa·

Am·v·ca·Dia·an dem·iij·pa·

Am·xxxv·ca·an dem·xv·pa·

Am·xiij·ca·Ser·beý dem ende.

Am·lxxxvj·ca·an dem·xj·pa·

Am·clxxiiij·ca·an dem·iij·pa.

Am·clxxv·ca·am·viij·par·

Am·cxcix·ca·Ser·am·ix·pa.

Am·ccl·capitel an dem v·pa.

Am·cclj·ca·an dem·xviij·pa.

Am·cccviij·ca·an dem·xvij·pa.

Am·ccccx·ca·Serapio an dem x·und·xxxiij·pa·

Wo eÿn spÿnne oder wespe oder nater gestichet. Wie een spin of wesp of adder steekt.

Am·xiij·ca·Ser·am·xiiij·pa·(J·j·)[508]

Am·xxxj·ca·an dem ende.

Am·cviij·ca·an dem·ij·pa.

Am·ccc·ca·an dem·xiiij·pa·

Am·cccix·ca·am·iij·und·x·pa·

Item wôlicher ein spynnen geessen hette. Item, wie een spin gegeten heeft.

Am·xxxj·capitel am vj·pa.

Do ein bÿnen gestichet. Die een bij steekt.

Am·xij·ca·Avi·an dem·xij·pa.

Am·cccxlviij··ca·an dem·xiij·par·

Das die bÿnen·in dem stock beleÿben. Dat de bijen in de korf blijven.

Am·xxj·ca·Dia·am·viij·pa.

Am·clxxv·ca·an dem·xx·pa·beÿ dem ende.

Das kein gifftiges thiere in deinem hauþ beleibet. Dat geen giftig dier in je huis blijft.

Am·j·ca·Dia·an dem·xx·pa·

Am·ij·ca·Pla·avi·und·Dia·an dem·xvj·und·xviij·und·xx·pa.

Am·iiij·ca·pla·am·xvj·pa.

Am·lxxviij·ca·an dem anfange.

Am·lxxxix·ca·an dem ende·

Am·cxlvj·ca·an dem·x·pa·

Am·clxxiiij·capitel an dem·iiij·para·beÿ dem ende.

Am·clxxix·ca·an dem·vj·pa·

Am·cccix·ca·Ser·am·xj·p.

Am·cclxxvij·ca·am·xvj·pa·

Am·ccclxxviij·ca·an dem·xj·pa·

Das dir der teüfel keinen schaden zů fŭge. Dat de duivel je geen schade toevoegt.

Am·j·ca·Dia·an dem·xj·pa.

Am·lxx·ca·pla·an dem·ix·par·

Am·lxxix·ca·an dem·iij·pa.

Am·clxxix·ca·an dem ende.

am·cciiij··ca·Dia·am·iij·pa·

am·cclxj·ca·an dem·vj·par·

am·ccxcviij·capitel an dem·vj·und·vij·pa·

wolicher seynem leibe schlangen krotten oder ander gifftige thiere hette. Wie in zijn lijf slangen, padden of andere giftige dieren heeft.

Am·lxviij·ca·pla·an dem vij·pa·

Für den krampff spasmus genant. Voor de kramp spasmus genoemd.

am·xxj·ca·Pla·an dem·x·pa.

am·lxxiiij·ca·Galienus an dem vj·pa·beÿ dem ende.

am·lxxv·ca·Ser·am·xxviij·pa·

am·cvj·capitel am x·pa.

am·cxxiiij·ca·Ser·am·xiiij·pa·

am·clxix·ca·avi·an dem·xj·pa·

am·cccix·ca·an dem viij·pa·

am·cccxcviij·ca·an dem ende.

am·ccccxxvj·ca·am·ij·pa·

Das du nicht mŭde werdest von geen. Dat u niet moe wordt van gaan.

am·j·ca·Dia·und·Pli·an dem·xix·und·xxiij·pa·

am·v·ca·Ga·an dem·xiiij·pa.

am·cviij·ca·an dem·v·pa·

Für die dτunkenheýt. Voor de dronkenschap.

am·iij·ca·avi·am·xxj·pa·

am·xiij·ca·plinius am·xxj·pa·bey dem ende.

am·xxxv·cap·circa instans beÿ dem ende am·xxix·pa·

am·c·ca·pla·an dem·vj·pa·

am·ccciij·ca·an dem·xiij·pa·

am·cccxij·ca·an dem ende.

am·ccccxiij·ca·am·xiiij·pa.

Das dir das wasser nit schadet dz du trinckest in der hÿcz. Dat je het water niet schaadt dat je drinkt in de hitte.

am·iiij·ca·an dem ende.

Wo von du fast lachest. Waarvan u vast lacht.

am·vij·capitel an dem xj·pa·

Item wo von der mensch balde grae wirt. Item, waarvan een mens gauw grauw wordt.

am·cxix·ca·beÿ dem ende.

Wôlicher alle zeÿt jonck geschaffen wil sein·[509] Wie altijd jong geschapen wil zijn.

Am·clxxv·capittel an dem·xix·pa·an dem ende.

Am·cclxxiij·ca·an dem ende.

Wiltu ein schone lautere haut machen am leÿbe. Wil u een schone zuivere huid maken aan het lijf.

Am·xlvij·ca·Ga·am·ix·pa·

Am·cxxxij·ca·an dem·iij·pa·

Am·ccccvj·ca·an dem·iij·pa.

Am·cxliij·capitel am·ij·pa.

Am·clxx·ca·an dem v·und·xj·pa·beÿ dem ende.

Am·cccxl·ca·am·ij·und·xj·pa·

Wilt du ein schônes lautter angesicht machen. Wil u een schoon zuiver aanzicht maken.

Am·cxxxiiij·ca·an dem v·para.

Am·cl·capitel an dem end.

Für den harwurm an dem leibe. Voor de haarworm aan het lijf.

Am·v·ca·Galie am·xj·pa.

Am·lxxxvj·ca·an dem·x·pa·

Für den wurm an dem finger. Voor de worm aan de vinger.

Am·clxxxv·ca·an dem·vj·pa.

Am·ccc·ca·an dem·xviij·pa·

Am·cccxlvj·ca·an dem iij·pa.

Am·ccccxxviij·ca·an dem ende.

Item für faulung des geblŭtes der feüchtung in dem leib. Item, voor vervuiling van bloed van de vochtigheid in het lijf.

Am·iij·ca·Jo·mesue am·xiij·p·

Diegene die de gal overloopt.

Am·xiij·ca·Pli·am·xvij·pa·

Item für das schlicken singularis genant. Item, voor dat slikken singularis genoemd.

Am·xiiij·capitel Rabbÿ moÿses an dem·xiij·pa·

Am·lxxiij·capittel Serapio an dem iiij·und·vj·pa·

Wiltu das dir ein nagel auf dem finger oder zehen wachs. Wil u dat een nagel op de vinger of op de tanden groeit.

Am·xvij·capitel Diascoτides an dem·x·pa·

Item wie du ein nagel abeczest von dem finger oder von dem zehen. Item, hoe u een nagel afeet van de vinger of van de tanden.

Am·xlviij·ca an dem ende.

Item wilt du haben eÿn kale haudt an deÿnen leÿbe oder hare auþ áczen. Item, wil u hebben een kale huid aan uw lijf of haar afeten.

Am·xxvj·ca·Ga·am·xij·pa.

Am·xliiij·capittel Diascoτides an dem·ix·pa·

Am·cccxcv·ca·an dem·x·pa·

Den pferden wunden heÿlen auff dem ruck oder anderswo. De de paardenwonden helen op de rug of ergens anders.

Am·xj·ca·Pli·am·v·pa·

Am·ccccxj·ca·an dem·iiij·pa.

Item wilt du machen ein gůtte krefftigung von kÿrsen. Item, wil u maken een goede versterking van kersen.

am·cxx·ca·an dem ende.

Was dem siechen menschen grosse krafft bτinget. Wat de zieke mensen grote kracht brengt.

am·xlix·capitel Paulus an dem xvij para·

Was den krancken leüten gůte seÿ. Wat de zieke mensen goed is.

am·ccxj·capitel avicenna an dem anfang.

Item wilt du machen gar ein gůt kappen wasser. Item, wil u maken erg een goede koppenwater.

·am·ccxj·ca·an dem ende.

Item wôlicheτ erkaltet wåre an seinem leÿbe. Item, wie verkouden is aan zijn lijf.

·am·iiij·ca·Pla·an dem·ix·pa.

am·viij·ca·an dem·j·pa·

am·cvij·ca·avi·an dem·ix·pa·

am·cccxliij·ca·beÿ dem anfang.

am·ccclxxxiij·ca·avi·v·pa·

Wilt du das ein leÿn zeichen der andern haut geleich. Wil u dat likteken op de andere huid lijkt.

am·lxiij·c·m·viij·p·beÿ dem end.

am·lxxv·ca·Dia·am·xx·pa·

am·clv·ca·an dem·v·pa·

am·ccxxj·ca·Dia·am·viij·para.

am·cccviij·ca·am·xviij·pa.(J·ij·) [510] beÿ dem ende.

Am·ccccxxiiij·ca·an dem·ij·pa·

was den zoτen und traurigkeÿt·benýmmet. Wat de toren en treurigheid beneemt.

Am·cliiij·capitel an dem·xj·pa.

Am·ccxcj·capitel an dem·xiij·p.beÿ dem ende.

Am·ccclxxv·ca·an dem·x·pa.

Item was den menschen fast machet schwiczen. Item, wat de mensen vast maakt zweten.

Am·xix·ca·an dem·xj·para·

Am·xxiij·ca·an dem·xxvij·para.

Am·lv·c·Serapio am·vj·pa.

Am·lxviijca·an dem·viij·par·

Am·lxxvij·capitel beý dem ende.

Am·ccxxv·ca·Ga·am·v·pa·

Am·ccxxviij·ca·an dem·x·par·

Am·ccxlv·ca·an dem·iij·pa·

Am·cccxiij·ca·an dem·iij·pa.

Am·ccccxiij·ca·an an dem·vij·para.

Am·cccxv·ca·an dem·iiij·para.

Am·cccxliij·ca·an dem ende.

Am·ccccx·capitel an dem·xxij·p.und beÿ dem ende.

Am·ccccxv·ca·Pau·am·v·pa·

Am·ccccxxxiiij·ca·an dem·x·pa·

Item wôlicheτ fast stincket von schweiþ. Item, wie vast stinkt van zweet.

·Am·lxxv·ca·an dem·xxxij·pa.

Am·clxxvij·ca·am·vj·pa·

Am·cccliij·ca·Pla·am·xiij·pa·

Wilt du einen bôsen gerauche machen von teüfels trecke genant asa fetida. Wil u een kwade reuk maken van duivelsdrek genoemd asa foetida.

Am·xlj·ca·an dem·xvj·pa·

Das du wenest es lauffe alles vol stern. Dat u wenst dat alles loopt vol sterren.

Am·lxxxiij·ca·an dem ende.

Was die meüse tôdtet. Wat de muizen doodt.

Am·xl·ca·Serapio am·v·pa·

Am·clxv·ca·an dem·xvj·pa·

Am·ccccxv·ca·beÿ dem ende.

Wilt du daz dich die leüt hassen. Wil u dat de mensen u haten.

Am cxcvij·ca·an dem ende.

Was die fliegen tôdtet. Wat de vliegen doodt.

Am·clxv·ca·an dem·xvij·pa·

Item wie du deinen wein gůt machest. Item, hoe u ue wijn goed maakt.

Am·lxxv·capittel Dÿascoτdes an dem·xiiij·pa·

Item wilt du daz ein han ein gancze nacht kråe. Item, wil u dat een haan de hele nacht kraait.

Am·xxxvij·capittel Dÿascoτides an dem·xv·pa·

Item wilt du das der hagel nit in dein hauþ schlage. Item, wil u dat de hagel niet in uw huis slaat.

Am·cxxx·ca·an dem·iij·pa.

Item wilt du dauben fahen mit den henden. Item, wil u duiven vangen met de handen.

Am·clxv·ca·an dem·xxv·pa.

Item wie du vil tauben zůsamen bτingest. Item, hoe u veel duiven tezamen brengt.

Am·ccccxij·ca·an dem ende.

Wilt du das dein dauben wider zů hauþe fliegen. Wil u dat uw duiven weer naar huis vliegen.

Am·xxxviij·ca·an dem·v·pa.

Das dich die hund nicht an bellen. Dat uw hond niet blaft.

Am·xcix·capitel an dem·v·pa·beÿ dem ende.

Wilt du eÿnen esel scheÿssen machen. Wil u uw ezel aan het schijten maken.

Am·ccxxiij·capitel Platearius am·xvj·pa·beÿ dem ende.

Wilt di wissen ob eÿn maget jungkfrauwe seÿ oder nitt. Wil u weten of een maagd jonkvrouw is of niet.

Am·cciiij·ca·an dem ende.

Item wôlicher hübsche rede oder woτt wil spτechen. Item, wie mooie praatjes of woorden wil spreken.

Am·ccxlij·ca·an dem·v·pa·

Item wilt du das ein steÿne bτÿnn in dem wasser. Item, wil u dat een steen brandt in het water.

Am·cciiij·ca·Alber·am·iiij·pa·

Wie du ein gancz jare feüer [511] veτwarest in der eschen. Hoe u een gans jaar vuur bewaard in de as.

am·ccxviij·capitel am·ij·para·

Item wilt du in deiner handt glüende eysen tragen das es dich nit bτennet. Item, wil u in uw hand gloeiend ijzer dragen zodat het u niet brandt.

am·ccxlix·capitel Dÿascoτides an dem·x·par·beÿ dem ende.

Das eÿn todter leichnam in dem erdtrich unverzeret bleÿbe. Dat een dood mlichaam in het aardrijk onverterd blijft.

·am·lxxv·cap·an dem·xxij·par·

Das die motten dem tůche oder deinen kleÿdern nicht schaden zůfügen. Dat de motten de doeken of uw klederen geen schade toevoegen.

am·cxvj·ca·Ser·an dem·vij·p·

Wilt du gůt seÿffen machen. Wil u goede zeep maken.

am·cxxxvj·cap·an dem·vij·pa·

Wilt du quecksilber tôdten. Wil u kwikzilver doden.

am·xl·capitel an dem ende.

Item wôlichem quecksilber in den leib káme. Item, wie er kwikzilver in het lijf komt.

Am xl ca·Diascoτi·am·vj·pa·

Item wđlichem kinde der nabel zů ferτ auþgienge. Item, wiens kind de navel te ver uitgaat.

am·cliij·capi·an dem·j·pa·

Wđlicher ein geschwer hette in der wurczel eines nagels an henden oder an fŭssen. Wie een zweer heeft in de wortel van een nagel aan handen of aan voeten.

am·clxxij·capitel an dem·ij·para.

Zû geschwern in den dårmen oder weethum darjnn. Tot de zweren in de darmen of pijn daarin.

am·cxiiij·capitel an dem·v·pa beÿ dem ende.

am·cclvj·ca·an dem·xv·pa·

am·ccccxvj·ca·an dem·xj·pa·

Dem die haut abe geet von vil geen oder arbeÿt. Die de huid afgaat van veel gaan of arbeid.

·am·cclij·capitel an dem·ij·par·

Wôlicher nit wol schlinden mage. Wie niet slikken mag.

am·cclxxxix·capittel Dÿascoτides an dem·iiij·para·

Item wôlicher auff ein ader geschlagen wåre. Item, wie op een ader geslagen is.

am·ccxc·capitel an dem·viij·pa.

Item für den bτant des krautes nesseln. Item, voor de brand van de brandnetels.

am·ccxc·capitel bey dem ende.

Für geschweren in dem afftern. Voor zeren in het achterste.

am·xcj·capitel an dem·viij·pa.

Item für die schwarczen flecken an dem leÿbe. Item, voor de zwarte vlekken aan het lijf.

am·ccxcvij·ca·avi·am·xj·para.

Für ein kranckheÿt incubus genant das ist der in de schlaffe getrucket wirt das er weder reden noch schτeÿen mag. Voor een ziekte incubus genoemd, dat is die in de slaap gedrukt wordt zodat hij niet praten of schreien mag.

am·ccxcviij·ca·an dem·x·pa·

Für hicz des summers. Voor hitte van de zomer.

am·cccj·capitel an dem·x·para.

Für die zerschwollen kele. Voor de gezwollen keel.

am·cccv·capieel an dem·x·und·xiij·para·

Das die meüse oder andere thiere das bappeÿer nicht essen darauff geschτiben ist. Dat de muizen of andere dieren dat papier niet eten daarop geschreven is.

am·iij·capitel Johannes mesu·an dem·xiiij·pa·

Item eÿn gůtte wundt salbe zů machen. Item, een goede wondzalf maken.

Am cccxvj·ca·das gancz capit·

Dem den hals geschwollen wer. Die de hals gezwollen is.

am·cccxxviij·capi·beÿ dem ende.

Item für die flechten am leib. Item, voor de vlekken aan het lijf.

am·cccxxxiij·ca·an dem·vij·pa·

am·ccccxxviij·cap·bey dem ende.

Wôlicher in dem schlaff redet. Wie in de slaap praat.

am·cccxxxv·capit·an dem ende.

Was den knoblauch rauche vertreÿbet auþ dem hals. Wat de knoflook geur verdrijft uit de hals.

am·cccxxxvj·capitel platearius an dem·xviij·para·

am·ccccxxxiij·capitel an dem·iij·und·vij·para·(J·iij·)[512]

Für dÿe uτschlechten variole und moτbelli genant. Voor de oerslechte variole en morbelli genoemd.

Am·cccxxxvj·ca·an dem ende.

Am·cccxlj·ca·an dem·vj·para·

Am·cccxlix·ca·an dem ende.

Am·ccccij·va·an dem ende.

Item was die fisch todtet in dem wasser. Item, wat de vissen doodt in het water.

Am·ccccxj·ca·an dem ende.

Item was dye fisch bτinget in das necz. Item, wat de vissen brengt in het net.

Am·cccxxxvij·ca·an dem ende.

Item wilt du fisch fahen mit den henden. Item, wil u vis vangen met de handen.

Am·ccccxcv·capitel an dem·xvj·para·bey dem ende.

Item was einen stinckenden atem machet. Item, wat een stinkende adem maakt.

Am·cccxxxix·ca·beÿ dem anfang.

Item das die leüte wenen dz hauþ lauffe vol schlangen. Item, dat de mensen wanen dat het huis vol slangen loopt.

Am·xlvij·ca·an dem·xvij·para.

Item was den frauwen dÿe geburt hindert. Item, wat de vrouwen bij de geboorte hindert.

Am·ccclxj·capitel an dem ende·

Was die wantleüse tôdtet. Wat de wandluizen doodt.

Am·ccclxj·capitel an dem ende·

Was dem menschen grosse sucht und kranckheÿt bτinget. Wat de mense grote zucht en ziekte brengt.

Am·ccclxij·ca·an dem ende.

Für weethum in dem rucken. Voor pijn in de rug.

Am·ccclxiiij·ca·an dem ende.

Item was das fÿhe balde feÿst machet. Item wat dat veel gauw vast maakt.

Am·ccclxvij·ca·an dem·vj·pa.

Für die kelte des winters. Voor de koudheid van de winter.

Am·ccclxviij·ca·Dia·am·vj·p.

Für die hicz der sunnen. Voor de hitte van de zon.

Am·ccclxxxviij·ca·an dem ende.

Das den jungen kinden nitt bôses zůfal. Dat de jonge kinderen geen kwaads toevalt.

Am·cccxcix·ca·an dem·iiij·pa·

Item dz du sicher seÿest voτ deinen veinden. Item, dat u zeker bent voor uw vijanden.

Am·ccccx·capitel an dem ende.

Das dir das schτepffe eÿsen oder schτepff kopff nicht schade nach dem schτepffen. Dat u geen sscherpe ijzer of scherpe kop niet beschadigt na het schrappen.

Am·cclv·capitel am·iiij·pa·

Wôlicher man und frauwe begerent einen sun oder tôchter zů machen. Welke man en vrouw begeert een zoon of dochter te maken.

Am·cclx·capitel an dem·v·und·vj·para·

Am·ccclv·capittel an dem ende.

Was mager machet. Wat mager maakt.

Am·xvj·ca·Dia·an dem·v·para.

Am·ccv·cap·beÿ dem ende.

Am·ccix·ca·Serapio·am·ij·pa.

Am·ccxxix·ca·an dem ende.

Am·cccxxxv·ca·an dem·iij·par·

Am·ccccvj·ca·an dem ende.

Was magern leüten gůt seÿ. Wat voor magere mensen goed is.

Am·cclxxxvij·ca·an dem·v·para·

Was feÿst machet. Wat vet maakt.

Am·cclxxx·capittel an dem anfang und beÿ dem ende.

Was die flôhe tôdtet. Wat de vlooien doodt.

Am·cclxxxvj·ca·an dem·vj·pa.

Das du dein gest frolich und wol gemůt machest. Dat u uw gasten vrolijk en welgemoed maakt.

Am·ccccxij·ca·an dem·viij·par·

Wilt du wissen ob ein siecher sterbe oder genese. Wil uw eten of een ziekte sterft of geneest.

Am·ccccxij·ca·Pla·am·x·par·

So dem jungen kinden die haut abgeet under den armen. Zo bij de jonge kinderen de huid afgaat onder de armen.

Am·ccccxvij·ca·an dem·ij·par·

Die flecken zů vertreiben die von der sunnen kommen. De vlekken te verdrijven die van de zon komen.

Am·ccccxx·capitel an dem ende·

Was die raczen tôdtet. Wat de ratten doodt.

Am·ccccxxij·ca·an dem ende. [513]

Die würmlin zů vertreyben die in den schweiþlôchern stecken der jungen kinde. De wormpje te verdrijven die in de zweetgaatjes steken van de jonge kinderen.

Am·ccccxxv·ca·an dem·vij·pa·

Dysz sind die capitel der kreüter nach ordenung des alphabets. Kruiden op naam.

Dit is het kapittel van de kruiden naar ordening van het alfabet. 2de Duitse naam na het kapittelnummer is zo het staat in betreffende kapittel.

(1. Voorrede)

(1. Inleiding)

Arthemisia beÿfůþ an dem·j·cap. 1. Beyfucz. Bijvoet. (Artemisia vulgaris)

Abzotanum stabwurcz am·ij·ca· 2. Stabwurcz. Staafkruid. (Artemisia abrotanum)

Absinthium wermůt am·iij·cap. 3. Wôrmůt, Alsem. (Arthemisia absinthium)

Allium knoblach am·iiij·cap. 4. Knoblach. Knoflook.(Allium sativum)

Agrimonia odermÿnge am·v·c. 5. Odermynge, Agrimonie. (Agrimonia eupatoria)

Appium eppich an dem·vj·ca. 6. Eppich, Selderij. (Apium graveolens)

Appium silvestre wilde eppich an dem·vij·capitel. 7. Wilden eppich. Waterhanenvoet, wilde selderij. (Ranunculus sceleratus)

Appium rusticum bauren eppich an dem·viij·capitel. 8. Bauern eppich. Watermerk. (Sium latifolium)

Appium emoτroidarum fickblatern eppich an dem·ix·ca· 9. Feuchtblatern eppich. Speenkruid. (Ranunculus ficaria)

Astrologia rotunda holwurcz an dem·x·capitel. 10. Holwurcz. Holwortel. (Corydalis cava)

Aristologia longa osterlucÿ an dem·xj·capitel. 11. Osterluczie. Pijpbloem. (Aristolochia longa)

Aliea ÿbisch an dem·xij·capitel. 12. Eybisch. Heemst. (Althaea officinalis)

Acetosa saurampfer am·xiij·ca. 13. Zurig. Sauerampfer. (Rumex acetosella en Rumex acetosa)

Anetum dille am·xiiij·ca· 14. Dille. Dylle. (Anethum graveolens)

Anisum ånÿþ an dem·xv·cap· 15. Enysz. Anijs. (Pimpinella anisum)

Aarona aaron an dem·xvj·capi· 16. Aron. Aronstaf. (Arum maculatum)

Atriplex schÿþmelde am·xvij·ca. 17. Schyszmelde, Schijtmelde. (Chenopodium vulvaria)

Alleluia kuckeþlauch·xviij·ca· 18. Kuckuszlauch. Klaverzuring. (Oxalis acetosella)

Azarum haselwurcz am·xix·capi· 19. Haselwurcz. Mansoor. (Asarum europaeum)

Affodillus goltwurcz am·xx·ca. 20. Goldwurz. Affodillen. (Asphodelus ramosus)

Acorus geel lilien am·xxj·capi· 21. Geelb lylyen. Gele lis. (Calamus aromaticus)

Ambτosia hirczwurcz·xxij·cap. 22. Hyrczwurcz. Wilde averuit. (Artemisia campestris)

Anthos rosmarÿn am·xxiij·ca· 23. Roszmaryn. Rozemarijn. (Rosmarinus officinalis)

Alkekengi boberellen·xxiiij·cap· 24. Boberellen. Krieken over zee. (Physalis alkekengi)

Astrencz meisterwurcz·xxv·ca· 25. Meysterwurcz. Berendille. (Peucedanum ostruthium)

Accacia schleen safft am·xxvj·c· 26. Schlehensafft. Slehensap. (Prunus spinosa)

Antera das geel semlin in dem rosen an dem·xxvij capitel. 27. Das geel semlein in den rosen. Stuifmeel en meeldraden in rozen. (Antera van rozen)

Auricula muris meüþoτe an dem xxviij·capitel. 28. Mauszoτe. Guichelheil. (Anagallis arvensis)

Avena habern an dem·xxix·capi· 29. Habern. Haver. (Avena sativa)

Astromum astlauch am·xxx·cap· 30. Sjalot. Abschlag. (Allium ascalonicum)

Appollonaria schirling·xxxj·ca. 31. Schyrling. Scheerling. (Doronicum pardalianches)

Alchimilla sýnauwe·xxxij·cap· 32. Synaw. Vrouwenmantel. (Alchemilla vulgaris)

Arboτ glandis eÿchbaum an dem xxxiij·capitel. 33. Eychbaum. Eik. (Quercus robur)

Anacardus elephanten lauþ an dem·xxxiiij·capitel. 34. Elephanten lausz. Olifantenluis. (Semecarpus anacardium)

Amigdalis mandelbaum an dem xxxv·capitel. 35. Mandelbaum. Amandelboom. (Prunus dulcis)

Aloe an dem·xxxvj·capitel. 36. Aloe. Aloë. (Aloë perryi)

Aloes lignum ein holcz also genant an dem·xxxvij·ca· 37. Ein holz. Lignum aloe. (Aquilaria agallocha)

Aurum golt an dem·xxxviij·ca· 38. Gold. Goud. (Aurum)

Argentum silber·am·xxxix·cap· 39. Silver. Zilver. (Argentum)

Argentum vinum quecksilber an dem·xl·capitel. 40. Quecksilber. Kwikzilver. (Argentum vivum)

Asa fetida teüfels dzeck·xlj·cap· 41. Deüfels dreck. Duivelsdrek. (Ferula asa foetida)

Amidum krafft mele am·xlij·c· 42. Kraft mele. Krachtmeel. (Amidum)

Antimonium spieþglaþ an dem xliij·capitel. 43. Spies glasz. Spiesglas. (Antimonium)

Armoniacum ein gummy also genant an dem·xliiij·ca· 44. Gummy. Gom ammoniak. (Ammoniacum)

Alumen alaun an dem·xlv·cap. 45. Alumen. Aluin.(Aluin)

Ambτa walrode an dem·xlvj·ca· 46. Walroτe. (Amber)

Alcama eine baume also genant an dem·xlvij·capittel. 47. Alcamia. Henna. (Lawsonia inermis)

Arsenicum operment·xlviij·ca· 48. Operment, (Arsenicum)

Acetum eþsig an dem·xlix·capi· 49. Eszsig. Azijn. (Acetum)

Aqua wasser an dem·l·cap· 50. Wasser. Water. (Aqua)

Agaricus dannen schwamp an dem·lj·capitel· 51. Dannen schwamme. Dennenzwam. (Tricholoma psammopus)

Agnus castus schaff milche an dem·lij·capitel. 52. Schaffmule. Kuisheidsboom. (Vitex agnus castus)

B.

Betonica betonien am·liij·cap·53. Bethonien. Betonie. (Stachys officinalis)

Buglossa ochsenzung·liiij·cap· 54. Ochsenzungen. Ossetong. (Anchusa officinalis)

Berberis erbsich am·lv·capitel. 55. Erbsich. Zuurbes. (Berberis vulgaris)

Boτago poτrich am·lvj·ca· 56. Poτrich. Bernagie. (Borago officinalis)

Blacte bizancia muscheln·lvij·c. (J·iiij·) (514) 57. Muschel. (Mossel)

Barba jovis hauþwurcz·lviij·ca. 58. Hauszwurcz. Huislook. (Sempervivum tectorum)

Bτuscus ein baume also genant an dem·lix·capitel. 59. Bruscus. Stekende palm. (Ruscus aculeatus)

Bτanca uτsina bernklae·lx·cap· 60. Bernklaw. Berenklauw. (Heracleum sphondylium)

Barba silvana wasserwegerich an dem lxj·capitel. 61. Wasser wegrich. Waterweegbree. (Alisma plantago)

Baucia moτen am·lxij·cap· 62. Mozen. Peen. (Daucus carota ssp. sativus)

Bleta romschkôle am·lxiij·cap· 63. Reynisch kôl. Savoye kool. (Beta vulgaris)

Bleta alba weiþ kôle·lxiiij·capi. 64. Weysz kôl. Witte kool. (Brassica oleracea capitata)

Basilicon basilien am·lxv·ca· 65. Basilien. Basiel. (Ocymum basilicum)

Balsamita balsamkraut·lxvj·ca. 66. Balsam kraut. Balsemkruid. (Tanacetum balsamita)

Bursa pastoτis deschenkrautte an dem·lxvij·capitel. 67. Teschenkraut. Tasjeskruid. (Capsella bursa pastoris)

Bzitonia stickwurcz·lxviij·cap· 68. Stickwurcz oder raselwurcz. Heggenrank. (Bryonia dioica)

Barocus bÿnsauge am·lxix·cap. 69. Bynsaugen. Dove netel. (Lamium album)

Buxus buschbaum am·lxx·cap. 70. Buchszbaum. Buksboom. (Buxus sempervirens)

Behem ein wurczel also genant an dem·lxxj·capitel. 71. Behem. Avond en dag koekoekbloem. (Silene vulgaris)

Bτunella bτaunellen·lxxij·capi· 72. Braunellen. Brunel. (Prunella vulgaris)

Balaustia granalis blůme an dem·lxxiij·capitel. 73. Eyn geavats blûm. Granaatbloem. (Punica granatum)

Bedugar hagendoτn·lxxiiij·cap· 74. Hagendorn. Meidoorn. (Rosa canina)

Balsamus balsambaum·lxxv·ca· 75. Balsambaum. Balsemboom. (Commiphora gileadense)

Bolus armenus rõdtelstein an dem·lxxvi·capitel. 76. Rôdeistein. Rode steen. (Bolus armenus)

Bdellinn ein gummi am·lxxvij·ca· 77. Eyn gummy. Bdellium. (Commiphora africana)

Bombax baumwolle·lxxviij·ca· 78. Baumwolle. Katoen. (Gossypium arboreum)

Berwinca sÿngrün am·lxxix·ca. 79. Syngrün. Maagdenpalm. (Vinca minor)

Bitumen judaicum juden leÿme an dem·lxxx·capitel. 80. Iudenleym, jodenlijm. (Bitumen judaicum)

Bos ein ochs oder rindt·lxxxj·ca. 81. Eyn ochs oder riud. Een os of rund. (Bos)

Butirum butter an dem·lcccij·ca· 82. Butter. Boter. (Butirum)

C.

Centaurea tausent gulden an dem lxxxiij·capitel. 83. Dausent glüdeu. Duizend guldenkruid. (Centaurium erythraea)

Camomilla gamillen blůmen an dem·lxxxiiij·capitel. 84. Gamillen blûmen. Kamillenbloemen. (Matricaria chamomilla)

Celidonia schelwurcz·lxxxv·cap. 85. Schelwůrcz. Stinkende gouwe. (Chelidonium majus)

Cerifolium kerbeln am·lxxxvj·ca· 86. Kerbeln. Kervel. (Anthriscus cerefolium)

Cicuta wunczerling·lxxxvij·ca· 87. Wunczerling. Scheerling. (Cicuta virosa)

Capillus veneris mauerτautte an dem·lxxxviij·capitel. 88. Maurrauten. Muurruit. (Adiantum capillus veneris)

Colubτinia naterwurcz·lxxxix·ca. 89. Naterwurcz. Slangewortel. (Polygonum bistorta)

Canapis hanff an dem·xc·cap· 90. Hanf. Hennep. (Cannabis sativa)

Cucurbita kürbiþ am·xcj·ca· 91. Kürbisz. Courgette. (Lagenaria siceraria)

Cuscuta filczkraut oder seÿde an dem·xcij·capitel. 92. Fylczkraut. Warkruid. (Cuscuta europaea)

Cicoτea wegwarten am·xciij·c· 93. Wegwarten. Witlof. (Cichorium intybus)

Citrullus kÿchern am·xciiij·cap. 94. Kychern. Keker. (Cicer arietinum)

Consolida maioτ walwurcz an dem·xcv·capitel. 95. Walwôrcz. Smeerwortel. (Symphytum officinale)

Consolida regalis ritters blůmen an dem·xcvj·capitel. 96. Rittersporn. Ridderspoor. (Consolida regalis)

Cardo benedictus pzunwurcze an dem·xcvij·capitel. 97. Bornwůrcz. Driedistel. (Cnicus benedictus)

Caput monachi ringel blůmen an dem·xcviij·capitel. 98. Ringelblůmen. Goudsbloem. (Calendula officinalis)

Cinoglossa hundes zung·xcix·c. 99. Hundts zungen. Hondstong. (Cynoglossum officinale)

Citonia küttenbaum am·c·cap· 100. Küdten baum. Kwee. (Cydonia oblonga)

Cardo disteln an dem·cj·capitel. 101. Distel. Distel. (Carduus en Sonchus oleraceus)

Camepitheos ýe lenger ÿe lÿeber an dem·cij·capitel. 102. Camepÿtheos. Gamander. (Ajuga chamaepitys)

Cepe zwÿbeln an dem·ciij·cap· 103. Zwibeln. Uien. (Allium cepa)

Coziandτum coτiander am·ciiij·c· 104. Coτiander. Koriander. (Coriandrum sativum)

Cheuri geel feÿeln am·cv·ca· 105. Geel feyel. Muurbloem. (Erysimum cheiri)

Coτdiaca herczgespan·cvj·cap. 106. Herczgespan. Hartgespan. (Leonurus cardiaca)

Costus costen an dem·cvij·cap· 107. Costen. Kostus. (Costus speciosus, Auclandia costus, Saussurea lappa)

Cervibolitus hÿrczschwam an dem·cviij·capitel. 108. Hyrszschwammen. Hertezwam. (Elaphomyces cervinus)

Cripula blůtwurcz am·cix·cap. 109. Blůtwurcz. Zonnewende. (Heliotropium europaeum)

Caudela wulkraut am·cx·ca· 110. Wulkraut. Toorts. (Verbascum phlomodes)

Cipτessus cipτessen am·cxj·capi· 111. Cippτesz. Cipres. (Cupressus sempervirens)

Cyperus wilden galgen an dem cxij·capitel. 112. Wilder galgan. Wilde galigaan. (Cyperus longus)

Cinamomum zÿmmetrinden an dem·cxiij·capitel. 113. Zymetrinden oder kanel. Kaneel. (Cinnamomum zeylandicum)

Ciminum kümmel·cxiiij·ca· 114. Kümel. Kummel of komijn. (Cuminum cyminum)

Carvi weÿsser kümmel an dem cxv·capitel. 115. Weissen kümel. Witte kummel. (Carum carvi)

Cÿtrum ein baum also genannt an dem·cxvj·capitel. 116. Citrum. Citroen. (Citrus medica)

Cubebe cubeben an dem·cxvij·ca· 117. Cubeben. Cubeben. (Piper cubeba)

Cardamonum an dem·cxviij·ca· 118. Cardamom. Kardamon. (Elettaria cardamomum)

Camphoτa campher am·cxix·ca. (515) 119. Campher. Kamfer. (Cinnamomum camphora)

Cerasus kÿrþaum an·cxx·cap. 120. Kyrszbaum. Kersenboom. (Prunus cerasus)

Crocus saffran an dem·cxxj·cap. 121. Saffran. Saffraan. (Crocus sativus)

Castaneus kesten baum an dem cxxij·capitel. 122. Kestenbaum, Kastanje. (Castanes vesca)

Coloquintida kürbÿþ übeτ see an dem·cxxiij·capitel. 123. Kürbisz oder sehe. Kolokwint. (Citrullus colocynthis)

Castoτum bÿbergeÿln·cxxiiij·cap· 124. Bybergeil. Bevergeil. (Castoreum)

Cassiafistula an dem·cxxv·ca· 125. Cassia fistula. (Cassia fistula)

Cassea lignea an dem·cxxvj·cap. 126. Cassia lignea. (Cinnamomum cassia)

Calamus aramaticus kalmuþ an dem·cxxvij·ca· 127. Kalmus. Kalmoes. (Calamus aromaticus)

Cantaribes würmli also genant an dem·cxxviij·capitel. 128. Würmlin. Spaanse vlieg. (Cantharides)

Coconidion kellerþhals an dem cxxix·capitel. 129. Kelershalsz. Peperboompje. (Daphne mezereum)

Coτallus coτallen am·cxxx·cap· 130. Corallen. Koraal. (Corallus)

Cretanus môτedistelen an dem cxxxj·capitel. 131. Merdisteln. Zeevenkel. (Crithmum maritimum)

Cerusa bleÿweiþ am·cxxxij·capi. 132. Bleyweisz. Loodwit. (Cerusa)

Cartamus wilder saffran an dem cxxxiij·capitel. 133. Wilder safran. Saffloer. (Carthamus tinctorius)

Colofonia grex beche an dem·cxxxiiij·capitel. 134. Grex bech. Grieks pek.

Capparus cappeτn·cxxxv·capi· 135. Kapren. Kappertjes. (Capparis spinosa)

Calx calck an dem·cxxxvj·ca· 136. Kalcq. Kalk.

Cera wachs an dem·cxxxvij·cap. 137. Wachs. Was.

Camedτeos camedτen an dem cxxxviij·capitel. 138. Camedreen. Erenprijs. (Veronica chamaedrys)

Carifolium geÿþblatte an dem cxxxix·capitel. 139. Geyszblat. Kamperfoelie. (Lonicera caprifolium)

Cauda poτcina weiþ steinbτech an dem·cxl·capitel. 140. Weisse steinbreche. Witte steenbreek. (Lithospermum officinale)

Catapucia spτingwurcz an dem·cxlj·capitel. 141. Sprinckwurcz. Springkruid. (Euphorbia lathyrus)

Capτa geÿþ an dem·cxlij·ca· 142.Ein geisz. Een geit. (Capra)

Cancer krebs an dem·cxliij·cap· 143. Krebs. Kreeft. (Cancer)

Columba taub am·cxliiij·capit· 144. Daub, Duif. (Columba)

Caseus kese an dem·cxlv·ca· 145. Kese. Kaas, (Caseus)

D.

Diptamum diptan am·cxlvj·ca· 146. Diptan. Vuurwerkplant. (Dictamnus albus)

Daucus wilde moτen an dem cxlvij·capitel. 147. Wilde moren. Wilde peen. (Daucus sativus)

Diapensia sanickel·cxlviij·cap. 148. Sanickel. Sanikel. (Sanicula europaea)

Diagridion ein saft also genant an dem·cxlix·capitel. 149. Ein saft also genant. Diagridion. Diagridium. (Convolvulus scammonia)

Dτagantum an dem·cl·cap· 150. Dragantum. Tragant. (Astragalus tragacantha)

Dactilus dacteln am·clj·ca· 151. Dateln. Dadels. (Phoenix dactilifera)

Dens leonis felrÿþ an dem·clij·capitel. 152. Felrisz. Paardebloem. (Taraxacum officinale)

Durchwachs also genannt an dem·cliij·capitel. 153. Durchwachs. Doorwas. (Bupleurum rotundifolium)

E.

Enula campana alantwurcze an dem·cliiij·capitel. 154. Alantwurcz. Alant. (Inula helenium)

Eruca weisser senff am·clv·ca· 155. Weiss senf. Raket. (Eruca sativa)

Epatica lebber kraut·clvj·cap. 156. Leberkraut. Lieve vrouwe bedstro. (Galium odoratum)

Eupatoτium wilde selbe an dem clvij·capitel. 157. Wilde selbe. Leverkruid. (Eupatorium cannabinum)

Esula wolffes milche an dem clviij·capitel. 158. Wolfs milch. Wolfsmelk. (Euphorbia esula)

Emblici frucht der mirabolanen an dem·clix·capitel. 159. Ein frucht der mirabolanen. Mirabolanen. (Terminalia catappa, belerica, citrina en chebula, Phyllanthus emblica)

Eufragia augentrost·clx·capi· 160. Augentrost. Ogentroost. (Euphrasia officinalis)

Ebulus attich an dem·clxj·cap. 161. Attich. Kruidvlier. (Sambucus ebulus)

Egilops ackeley am·clxij·cap· 162. Ackeley. Akelei. (Aquilegia vulgaris)

Edera arboτea eÿfen oder ebich an dem·clxiij·capitel. 163. Yfen oder ebich. Klimop. (Hedera helix)

Edera terτestris gundelrebe an dem·clxiiij·capitel. 164. Gundelrebe. Hondsdraf. (Glechoma hederaceae)

Elboτus albus weiþ nÿeþwurcze an dem clxv·capitel. 165. Weisse nieszwurcz. Wit nieskruid. (Veratrum album)

Elboτus niger schwarcze nÿeþwurcz an dem·clxvj·ca· 166. Schwarcz niesswurcz. Zwart nieskruid, (Helleborus niger)

Endivia genþzunge·clxvij·ca· 167. Gensz zungen. Andijvie. (Cichorium endivia)

Endivia silvestris saudisteln an dem·clxviij·capitel. 168. Saw dysteln. Melkdistel. (Sonchus oleraceus)

Epithimum die fasen auff dem kleen an dem·clxix·cap· 169. Die fasen auf den kleen. Klein warkruid. (Cuscuta epithymum)

Eufoτbium ein gummi also genant an dem·clxx·cap· 170. Ein gummi als genant. Euphorbia. (Excoecaria agallocha)

Es ustum gebant årcz·clxxj·ca. 171. Gebτent ercz. Gebrand erts.

Ebur elephanten zan·clxxij·ca· 172. Elephanten zan. Olifanten tanden of ivoor.

Ematites bltstein·clxxiij·cap. 173. Blůtstein. Bloedsteen. (Haematiet)

Edus an dem·clxxiiij·capitel. 174. Edus. Geiten bokje.

F.

Feniculus fenchel am·clxxv·ca. 175. Fenchel. Venkel. (Foeniculum vulgare)

Fumus terτe erdtrich·clxxvj·ca. 176. Erdrauch oder kaczen kerbeln. Aardrook. (Fumaria officinalis)

Fenum grecum sÿben gezeÿde an dem·clxxvij·capitel. 177. Sibengezeytde. Zevengetijdenkruid. (Trigonella foenum-graecum)

Fraxinus åsch an dem·clxxviij·ca· 178. Asch, Es. (Fraxinus excelsior)

Filla benedictenwurcz·clxxix·ca· 179. Benedicten wurcz. Benediktenkruid. (Geum urbanum)

Faba bonen an dem·clxxx·ca· 180. Bonen. Bonen. (Vicia faba)

Faba inversa gewant bonen an dem·clxxxj·capitel. 181. Gewandt bonen. Klokbilzekruid. (Scopolia carniolica. Laburnum europaeum)

Filipendula rotsteinbτech an dem clcccij·capitel. 182. Rot steinbreche. Knolspiraea. (Filipendula vulgaris)

Fibex farn kraut am·clxxxiij·cap. 183. Farnkaut. Varen. (Dryopteris filix-mas, Athyrium felix-femina)

Flammula bτenkraut·clxxxiiij·ca· 184. Brenkraut. Egelkolen. (Ranunculus flammula)

Fagasmon klein schwerteln an dem·clxxxv·capitel. 185. Klein schwerteln oder wilde schwerteln. Kleine of wilde gladiool. (Gladiolus italicus)

Febτifuga meter am·clxxxvj·ca. 186. Meter. Mater. (Tanacetum parthenium)

Ferula bÿrckwurcz·clxxxvij·ca· 187. Byrcwurcz. (Ferula nodiflora)

Filago wuntkraut·clxxxciij·ca· 188. Wůndtkraut. Wondkruid. (Filago vulgaris)

Floτamoτ kraut also genant an dem·clxxxix·capitel. 189. Floramor. Amarant. (Amaranthus caudatus)

Frage erdbern am·cxc·capitel. 190. Erdbeeren. Aardbeien. (Fragaria vesca)

Ficus feÿgen an dem·cxcj·ca· 191. Feygen. Vijgen. (Ficus carica)

Floτes frumentoτum koτn blůmen an dem·cxcij··capitel. 193. Koτenblůmen. Korenbloemen. (Centaurea cyanus)

Floůes johannis johans blůmen an dem·cxciij·capittel. 193. Johanns blůmen. Hertshooi. (Arnica montanum)

Fistula pastoτis hirten pfeÿff an dem·cxciiij·capitel. 194. Hyrttenpfeyff. Engelwortel. (Angelica sylvestris)

G.

Gladiolus schlotten kraut oder geel schwerteln am·cxcv·ca· 195. Schluttenkraut oder Geelb schwerteln. Gladiool. (Iris pseudoacorus)

Genesta pfremmen am·cxcvj·ca. 196. Pfremen oder gynst. Brem of genest. (Cytisus scoparius)

Gamandτia gamandτe·cxcvij·c. 197. Gamandre. Gamander. (Teucrium chamaedrys)

Galanga galgen am·cxcviij·c· 198. Galgan. Galigaan. (Alpinia galanga)

Genciana encian am·cxcix·cap. 199. Encian. Gentiaan. (Gentiana lutea)

Gariofilus negelin·am·cc·cap· 200. Negelin. Kruidnagels. (Caryophyllus aromaticus)

Gummi arabicum am·ccjcap· 201. Gummi arabicum. Arabische gom.

Galbanum ein gummi also genant an dem ccij·capi· 202. Ein gummi also genant. Galbanum. (Ferula gummosa)

Galla galôpffel an dem·cciij·cap. 203. Galopfel. Galappel.

Gagates ein stein also genant an dem·cciiij·capitel. 204. Ein stein also genant. Gagates, git of gagaat.

Garioffilata negelin krautte an dem·ccv·capitel. 205. Negelin kraut of benedicta. Nagelkruid. (Sanguisorba minor)

Granatum granat ôpffel·ccvj·c· 206. Granat opfel. Granaatappel. (Punica granatum)

Gallitricum scharlach·ccvij·capi· 207. Scharlach. Scharlei. (Salvia sclarea)

Gallitricum agreste wilder scharlach an dem·ccviij·ca· 208. Wilder scharlach. Hanenkam. (Rhinanthus alectorolophus)

Gegners sive milium hÿrþen an dem·ccix·capitel. 209. Hyrsen. Hirs. (Milium effusum)

Gramen gramen am·ccx·capi· 210. Grasz. Gras.

Gallus sive gallina eýn han od henne an dem·ccxj·capitel. 211. Ein hane oder henne. Haan of hen. (Gallus)

H.

Hermodactilus zeÿtloþ an dem ccxij·capitel. 212. Zeitlosz. Tijdelozen. (Colchicum autumnale)

Herba paralisis schlüssel blůmen an dem·ccxiij·capitel. 213. Schluszelblomen. Sleutelbloemen. (Primula veris)

Herba rubea stoτckes schnabel an dem·ccxiiij·capitel. 214. Storckenschnabel. Reigersbek. (Erodium cicutarium)

Humulus hopffen am·ccxv·ca. 215. Hopfen. Hop. (Humulus lupulus)

Herba uτinalis haren krautte an dem·ccxvj·capitel. 216. Harn kraut. Stalkruid. (Ononis arvensis)

J.

Jusquiamus bilsensamen an dem ccxvij·capitel. 217. Bilsensamen. Bilzekruid. (Hyoscyamus niger)

Juniperus weghollerbaum an dem·ccxviij·capitel. 218. Wegholler. Jeneverbes. (Juniperus communis)

Incensaria bτenwurcz an dem ccxix·capitel. 219. Brennwurcz. Brandkruid. (Clematis flammula)

Juiube hanbotten am·ccxx·cap· 220. Hanbotten. Jujube. (Zizyphus vulgaris)

(Deel 2) Iparis vel cauda equina roþzagel an dem·ccxxj·ca· 221. Rosz zagel. Paardenstaart. (Hippuris vulgaris met Equisetum)

K.

Karabe augstein am·ccxxij·ca· 222. Augstein. Barnsteen.

L.

Lactuca lattich am·ccxxiij·cap· 223. Lattich. Sla. (Lactuca sativa)

Liquiricia sŭþholcze an dem ccxxiiij·capitel. 224. Suszholcz. Zoethout. (Glycyrrhiza glabra)

Levisticum liebstückel an dem ccxxv·capitel. 225. Liebstückel. Maggiplant. (Levisticum officinale)

Lappacium grosse klette an dem ccxxvj·capitel.(517) 226. Grosz klett. Grote klit. (Arctium lappa)

Lappa minoτ klein klet an dem ccxxvij·capitel. 227. Klein klett. Kleine klis. (Xanthium strumarium)

Laurus loτberbaum·ccxxviij·c· 228. Lorberboom. Laurier. (Laurus nobilis)

Lilium album weiþ lilien·ccxxix·ca. 229. Weisz lilien. Witte lelie. (Lilium candidum)

Lilium convallium meÿblůmen·ccxxxc. 230. Meyblomen. Lelie der dalen. (Convallium majalis)

Labτum veneris weÿþ disteln an dem·ccxxxj·capitel. 231. Weisz disteln. Mariadistel. (Silybum marianum)

Lenticula aque môτlÿnsen an dem·ccxxxij·capitel. 232. Merlinsen. Kroos. (Lemna minor)

Lupinus vigbone·ccxxxiij·cap. 233. Vygbone. Lupinen. (Lupinus albus)

Lavendula lavendel·ccxxxiiij·c· 234. Lavendel. Lavendel. (Lavendula angustifolia)

Linaria ein kraute also genant an dem·ccxxxv·capitel. 235. Ein krautt also genant. Vlasleeuwenbek. (Linaria vulgaris)

Linum flachs an dem·ccxxxvj·ca. 236. Flachs. Vlas. (Linum usitatissimum)

Lens lýnþ an dem·ccxxxvij·ca· 237. Lynsen. Lens. (Lens culinaris)

Laurea dτüþwurcz·ccxxxviij·ca. 238. Druszwurcz. (Scrophularia nodosa)

Laudanum ein gummi·ccxxxix·cap. 239. Ein gummi. Laudanum. (Cistus laudanum)

Lapis lasuli lasurstein·ccxl·cap· 240. Lasurstein. Lazuursteen. (Lapis lazuli)

Litargirum silberglid am·ccxlj·ca· 241. Silbergliet. Zilverschuim. (Litargirum)

Lapis magnes ein magnet an dem·ccxlij·capitel. 242. Ein magnet. Een magneet.

Lapis margarite berlin·ccxliij·c. 243. Perlin. Parels.

Lingua avis fogels zunge an dem·ccxliiij·capittel. 244. Fogelszunge. Varkensgras. (Polygala vulgaris)

Lappacium rotundum huff lattich an dem·ccxlv·capitel. 245. Huflattich. Hoefblad. (Petasitus hybridus)

Licium ein safft also genant an dem·ccxlvj·capitel. 246. Ein saft also genant. (Lycium barbarum)

Lacea ein gummi am·ccxlvij·cap. 247. Ein gummi also genant. Lak. (Phytolacca esculenta)

Lepus ein haþ an dem·ccxlviij·ca· 248. Ein hase. Een haas. (Lepus)

M.

Mellilotum wilder klee·ccxlix·ca. 249. Wilde klee. Honingklaver. (Lotus corniculatus)

Melissa můter kraut·ccl·capi· 250. Muterkraut. Citroenkruid. (Melissa officinalis)

Menta müncz an dem·cclj·cap· 251. Müncz. Munt. (Mentha species)

Mentastrum bachmüncz·cclij·ca· 252. Bachmyncz. Watermunt. (Mentha aquatica)

Malva bappeln am·ccliij·cap· 253. Bappeln. Kaasjeskruid. (Malva sylvestris e Alcea rosea)

Millefolium garbe an dem·ccliiij·c. 254. Garbe. Duizendblad. (Achillea millefolium)

Maioτana maioτon·cclv·cap· 255. Maioτon. Majoraan. (Origanum majorana)

Marubium andτon am·cclvj·ca· 256. Andτon. Andoren. (Marrubium vulgare)

Mandτagoτa alraun·cclvij·ca. 257. Alraun man. Alruin mannetje. (Mandragora vernalis)

Mandτagoτa alraun die frauwe an dem·cclviij·capitel. 258. Alraun vrouw. Alruin vrouwtje. (Mandragora autumnalis)

Moτacelsi maulbere·cclix·capi· 259. Moorbeer. Moerbei. (Morus nigra en alba)

Mercurialis bÿngel kraute an dem·cclx·capitel. 260. Byngelkraut. Bingelkruid. (Mercurialis perennis)

Moτsus dÿaboli teüfels abÿþ an dem·cclxj·capitel. 261. Teüfels abysz. (Succisa pratensis)

Moτsus galline hüner darme an dem·cclxij·capitel. 262. Hünerderm oder myer. Muur. (Stellaria media)

Moτabacci bτambernstrauch an dem·cclxiij·capitel. 263. Bzaünbernstrauch. Bramen. (Rubus fruticosus)

Mirica heýde an dem·cclxiiij·cap. 264. Heyde. Heide. (Calluna vulgaris)

Mirtus poτþ an dem·cclxv·capi· 265. Pors. Gagel. (Myrica gale)

Malmaciana holczôpfel an dem cclxvj·capitel. 266. Holczopfel. Houtappel. (Malus sylvestris)

Manna hymmeltawe·cclxvij·ca· 267. Hymeltawe. Hemeldauw of manna.

Mastix ein gummi also genant an dem·cclxviij·capittel. 268. Mastix. Mastiek. (Pistacia lentiscus)

Mummia an dem·cclxix·capit· 269. Mummia. Mummie.

Mirτa mirτe an dem·cclxx·cap· 270. Mirra. Mirre. (Commiphora mhyrra)

Macis muscaten blůmen an dem cclxxj·capitel. 271. Muscaten blûmen. Macis, notenmuskatenschaal. (Myristica fragrans)

Muscus bÿssum am·cclxxij·ca· 272. Bysum. Muscus. (Moschus moschiferus)

Mirabolam frucht also genant an dem·cclxxiij·capitel. 273. Ein frucht. Myrobalanen. (Terminalia catappa, belerica, citrina en chebula, Phyllanthus emblica)

Mel hônig an dem·cclxxiiij·capi· 274. Honig. Honing. (Mel)

Macedonia oder sinonum petersilien auþ dem lande macedonia an dem·cclxxv·capitel. 275. Petersylien ausz dem lande Macedonien. Peterselie uit Macedonie. (Smyrnium olusatrum)

Melon melonen am·cclxxvj·c· 276. Melonen. Meloenen. (Cucumis melo)

N.

Nigella raden am·cclxxvij·cap. 277. Raden. Zwarte kummel. (Agrostemma githago)

Nasturcium kresse·cclxxviij·cap· 278. Kress. Kers. (Lepidium sativum)

Nenufar seeblůmen·cclxxix·ca· 279. Seeblûmen. Waterlelies. (Nymphaea alba en Nuphar lutea)

Nux avellana haselnuþ an dem cclxxx·capitel. 280. Haselnuss. Hazelnoot. (Corylus avellana)

Nux usualis welschnuþ an dem cclxxxj·capitel. 281. Welysch nuss. Walnoot. (Juglans regia)

Nespilus nespelbaum an dem cclxxxij·capitel. 282. Nespelbaum. Mispel. (Mespilus germanica)

Nux muscata muscaten nuþ an dem·cclxxxiij·capitel. 283. Muscaten. Muskaat. (Myristica fragrans)

Nux jndia am·cclxxxiiij·capitel 284. Nux indica. Kokosnoot. (Cocos nucifera)

O. (518)

Oτiganum dosten am·cclxxxv·ca 285. Dosten. Marjolein. (Origanum vulgare)

Oleander ein baum also genant an dem·cclxxxvj·capitel. 286. Oleander. Oleander. (Nerium oleander)

Oτobi wicken am·cclxxxvij·ca. 287. Wycken. Wikke. (Lathyrus linifolius)

Olus kôle am·cclxxxviij·capi· 288. Keel. Witte kool. (Brassica olearcea, capitata)

Oτdeum gerst am·cclxxxix·cap· 289. Gerscen. Gerst. (Hordeum sativum)

Olivarum arboτ ôlbaume an dem·ccxc·capitel. 290. Olbaum. Olijvenboom. (Olea europaea)

Olibanum weysser weÿrauch an dem·ccxcj·capitel. 291. Weys weyrauch. Witte wierook. (Boswellia thurifera)

Os de code cervi ein beÿn das man findet in dem herczen des hirþen an dem·ccxcij·capitel. 292. Ein beyn dat man findet in dem herczen des hyrsczen. Een been dat men vindt in het hart van een hert. Hertenhart.

Oppopanacum ein safft an dem ccxciij·capitel. 293. Opopanacum ein sap. Opopanax. (Opopanax chironium)

Os mundi sant cristoffels kraute an dem·ccxciiij·capitel. 294. Sant cristofels kraut. Koningsvaren. (Osmunda regalis)

Oτant also genant am·ccxcv·ca. 295. Orant also genant. Leeuwenbek. (Antirrhinum majus)

Os sepie fischbeÿn die die goltschmid bτauchen am·ccxcvj·ca· 296. Fischbeyn die die goltschmid brauchen. Visbeen die de goudsmeden gebruiken. (Os sepia)

P.

Pÿonia mÿnwen wurczel an dem·ccxcvij·capitel. 297. Mynwen wurczen. Pioen. (Paeonia officinalis)

Pionia pionienkôτner·ccxcviij·ca· 298. Benonien korner. Pioenzaden. (Paeonia officinalis)

Papaver magsamen·ccxcix·ca· 299. Magzaden. Papaverzaden. (Papaver somniferum)

Polegium boleÿ an dem·ccc·cap· 300. Boley. Polei. (Mentha pulegium)

Poτtulaca burgel am·cccj·cap. 301. Burgel. Postelein. (Portulaca oleracea)

Pτoserpinata wegtrede·cccj·cap. 302. Wegdret. Varkensgras. (Herniaria glabra)

Poτrum lauch an dem·ccciij·ca· 303. Lauch. prei. (Allium porrum)

Petrosilinum petersilien·ccciiij·c· 304. Petersilgen. Peterselie. (Petroselinum segetum)

Paritaria tag und nacht·cccv·c· 305. Tag und nacht. Glaskruid. (Parietaria officinalis)

Pentafilon fünff finger kraute an dem·cccvj·capitel. 306. funf fingerkraut. Vijfvingerkruid. (Potentilla reptans)

Polipodium engelsŭþ·cccvij·ca· 307. Enbelsusz. Engelzoet. (Polypodium vulgare)

Plantago maioτ wegerich an dem·cccviij·capitel. 308. Wegerich. Weegbree. (Plantago major)

Plantago minoτ kleiner wegerich an dem·cccix·capitel. 309. Klein wegerich. Weebree. (Plantago lanceolata)

Palma cristi creüczbaum·cccx·c· 310. Creuczbaum. Wonderboom. (Ricinus communis)

Pes coτvi raben fůþ·cccxj·ca· 311. Rabenfusz. Ravenvoet. (Ranunculus auricomis)

Pes columbinus taubenfůþ·cccxij·c. 312. Daubenfusz. Amomum. (Datura metel?)

Populus arboτ popeln baume an dem·cccxiij·capitel. 313. Popelnbaum. Populier. (Populus nigra)

Pumonaria lungen krautte an dem·cccxiiij·capitel. 314. Lungenkraut. Longenmos. (Lobaria of Lichen pulmonarius)

Pimpinella bibenel am·cccxv·c· 315. Bibennel. Pimpernel. (Sanguisorba officinalis)

Pirola wintergrŭn·cccxvj·cap· 316. Wintergrun. Wintergroen. (Pyrola rotundifolia)

Peucedanum harstrang·cccxvij·ca. 317. Harstrang. Varkenskervel. (Peucedanum officinale)

Pτotentilla grensig cccxviij·cap. 318. Grensing. Ganzerik. (Potentilla anserina)

Pisa erbeÿþ an dem·cccxix·ca· 319. Erbeysz. Erwt. (Pisum sativum)

Pτuna pτumen an dem·cccxx·ca. 320. Prumen. Pruimen. (Prunus insititia en domestica)

Passule klein rosÿn·cccxxj·cap· 321. Klein rosin. Kleine rozijnen. (Vitis vinifera)

Pinee früchten also genannt an dem·cccxxij·capitel. 322. Ein frucht also genamt. Dennezaden of pingels. (Pinus cembra)

Piscacee also genant·cccxxiij·ca· 323. Also genant. Pistache. (Pistacia vera)

Pira bÿrn an dem·cccxxiiij·capi. 324. Byrn. Peren. (Pyrus communis)

Poma ôpffel an dem·cccxxv·ca· 325. Apfel. Appel. (Malus)

Psillium psillien kraut an dem cccxxvj·capitel. 326. Psillienkraut. Vlokruid. (Plantago psyllium)

Poma citrina citrÿn ôpffel an dem·cccxxvij·capitel. 327. Citrin opfel. Limoen. (Citrus medica limonium)

Pastinaca domestica heÿmisch moτen an dem·cccxxviij·ca· 328. Heymisch morchen. Pastinaak. (Pastinaca sativa)

Piper pfeffer an dem·cccxxix·ca. 329. Pfeffer. Peper. (Piper nigrum)

Piritrum bertram am·cccxxx·cap. 330. Bertram. (Anacayclus pyrethrum)

Persicaria pfersig kraut·cccxxxj. 331. Pfersichkraut. Perzikkruid. (Persicaria maculosa)

Petroleum ein ôle also genant an dem·cccxxxij·ca· 332. Petroleum ein ole also genant. (Petroleum)

Pτemula veris maþlilien an dem·cccxxxiij·capitel. 333. Masz lieben. Madelief. (Bellis perennis)

Pallacium lepoτis hasenstrauch an dem·cccxxxiiij·capitel. 334. Hasenstrauch oder hasenhausz. Streepzaad. (Crepis tectorum)

Pes lepozis hasenfŭþ·cccxxxv·c. 335. Hasenfûss. Hazenpootjes, klaver, (Trifolium arvense of beter Lampsana communis)

R.

Ruta rauten an dem·cccxxxvj·ca. 336. Rauten. Ruit. (Ruta graveolens)

Rosa rosen am·cccxxxvij·ca· 337. Rosen. Rozen. (Rosa species)

Raffanus oder radix merτettich an dem·cccxxxviij·cap· 338. Merrettich. Mierikswortel. (Armoracia rusticana)

Raffanus rettich·cccxxxix·cap· 339. Rettich. Radijs. (Raphanus sativus)

Rapa růb an dem·cccxl·ca· 340. Rûben. Rapen. (Brassica rapa)

Ribes johans treüblin·cccxlj·ca· 341. Johanns treüblein. Aalbes. (Ribes rubrum)

Reubarbarum ein wurczel·cccxlij·c. 342. Ein wurczeln also genant. Rhabarber. (Rheum rhabarbarum)

Reuponticum ein wurczel·cccxliij·c. 343. Ein wurczeln also genant. Rabarber. (Rheum rhaponticum)

Rapistrum hederich·cccxliiij·ca· 344. Hederich. Hederik. (Raphanus raphanistrum)

Rubea tinctura klebkraut an dem cccxlv·capitel. 345. Klebkraut. Walstro. (Rubia tinctorum)

S.

Sambucus holder an dem·cccxlvj·capitel. 346. Holler. Vlier. (Sambucus nigra)

Salvia selbe an dem·cccxlvij·c· 347. Selbe. Salie. (Salvia officinalis)

Serpillum quendel an dem·cccxlviij·capitel. 348. Gwendel. Tijm. (Thymus serpyllum)

Solatrum nachtschad an dem cccxlix·capitel. 349. Nachtschat. Nachtschade. (Solanum nigrum)

Scabiosa apostemen krautte an dem cccl·capitel. 350. Apostemen kraut. Beemdkruid. (Knautia arvensis)

Scolopendτia hÿrczzunge an dem·ccclj·capitel. 351. Tongvaren. (Asplenium scolopendrium)

Sinapis senff samen·ccclij·cap. 352. Senffsamen. Mosterdzaden. (Brassica nigra)

Savina sieben baum·cccliij·ca· 353. Sefelbaum. Savelboom. (Juniperis sabina)

Saxifraga steinbτech·cccliiij·c· 354. Steynbrech. Steenbreek. (Pimpinella saxifraga)

Satirion knaben krautt an dem ccclv·capitel. 355. Knabenkraut. Orchidee. (Orchis latifolia, Dactylorhiza maculata)

Sebesten ein frucht also genant an dem·ccclvj·capittel. 356. Ein frucht. Sebesten. (Cordia myxa)

Salix weÿde an dem·ccclvij·ca. 357. Ein weyde. Een wilg. (Salix alba)

Scoτdeon wilder knobelauch an dem·ccclviij·capitel. 358. Wylder knoblach. Wilde knoflook. (Allium scorodoprasum)

Stafisagria bÿþmüncz·ccclix·c. 359. Byszmuncz oder lausz kraut. Staverskruid of luiskruid. (Delphinium staphisagria)

Senacion pτunnkreþ·ccclx·c· 360. Pruunkresz. Waterkers. (Rorippa nasturtium-aquaticum)

Spatula fetida wantlauþ kraute an dem·ccclxj·capitel. 361. Wandtlausz kraut. Stinkende lis. (Iris foetidissima)

Siligo rocken koτn·ccclxij·cap. 362. Rockenkorn. Rogge. (Secale cerale)

Spelta spelcz am·ccclxiij·capi· 363. Spelcz. Spelt. (Triticum spelta)

Spinachia benecz am·ccclxiiij·c. 364. Benecz, Spinazie. (Spinacia oleracea)

Semen lumbτicozum wurm kraute an dem·ccclxv·capitel. 365. Wurmkraut. Wormkruid. (Artemisia maritima, var cina)

Sticados arabicum blůmen von arabien also genant·ccclxvj·ca. 366. Blumen von arabien. Lavendel. (Lavendula stoechas)

Sticados citinum rein blůmen an dem·ccclxvij·ca· 367. Reynblůmen oder motenkraut. Mottenkruid. (Helichrysum arenarium)

Sileos feltkümmel·ccclxviij·c· 368. Felckummel. Veldkummel. (Laserpitium siler)

Squinantum kameln heüwe an dem·ccclxix·capitel. 369. Kameln heüwe. Kamelen hooi. (Cymbopogon schoenanthus)

Scamonea also genant·ccclxx·c. 370. Also genant. Scammonea. (Convolvulus scammonia)

Spodium genant helffen beÿn an dem·ccclxxj·capitel. 371. Gebτant helffenbayn. Gebrande olifantenbeen. Ivoor.

Serapinum gummÿ also genant an dem·ccclxxij·capitel. 372. Ein gummi also genant. Serapinum. (Ferula persica of Ferula szoritsiana)

Squilla erczwobel·ccclxxiij·ca· 373. Erczwobel. Zeeui. (Urginea maritima)

Sandalum sandelholcz·cclxxiiij·c. 374. Sandelholcz. Sandelhout. (Santalum album)

Sene also genant am·ccclxxv·ca. 375. Also genant. Senna.(Senna alexandrina en Senna italica)

Spicanardi also genant·ccclxxvj. 376. Also genant Nardus. (Lavendula latifolia, Nardostachys jatamansi)

Spica celtica rômsch kôle an dem·ccclxxvij·capitel. 377. Romschspyck. Keltische valeriaan. (Valeriana celtica)

Stoτax gummi also genant an dem·ccclxxviij·capitel. 378. Ein gummi also genant. Storax. (Styrax officinalis)

Sulphur schwebel·ccclxxix·ca· 379. Schwebel. Zwavel. (Sulphur)

Salarmoniacum also genant an dem·ccclxxx·capitel. 380. Also genant. Zout ammoniak.

Sanguis dτaconis tracken blůt an dem·ccclxxxj·capitel. 381. Trackenblût. Drakenbloed. (Daemonorops draco)

Sarcocolla ein gummi ccclxxxij·c. 382. Ein gummi also genant. Vleesbes. (Astragalus sarcocalla)

Stinci wassereÿdes·ccclxxxiij·c. 383. Wasser edechsz. Waterhagedis, skink. (Stillens marinus)

Statureia gartenkôle·ccclxxxiiij·c. 384. Gartenkole oder sedeney. Bonenkruid. (Satureja hortensis)

Soτbe spτebern am·ccclxxxv·ca. 385.Spτebern. Lijsterbes. (Sorbus domestica)

Scofularia sauwurcz·ccclxxxvj·c. 386.Sauwurcz. Helmkruid. (Scrophularia nodosa)

Sanguinaria blůt krautte an dem·ccclxxxvij·capitel. 387. Blûtkraut. Bloedkruid. (Polygonum aviculare )

Sisanus sesamkraut·ccclxxxviij·c· 388. Seesamszkraut. Sesam. (Sesamus orientale)

Sparagus spargen·ccclxxxix·ca. 389. Spargen. Asperge. (Asparagus officinalis)

Soldonella also genant·cccxc·ca. 390. Sodanella also genant. Zeewinde. (Calystegia soldanella)

Sumach ein same von einem baum also genant am·cccxcj·ca. 391. Ein same von einem baum also genant. Sumak. (Rhus coriaria)

Sal commune salcz·cccxcij·capi· 392. Salc. Zout. (Sal)

Sal gemma also genant·cccxciij·c· 393. Sal gemma. Zout van rotsen.

Sapo seÿff an dem·cccxciiij·ca· 394. Seyffen. Zeep. (Sapo)

T.

Titinallus spτengwurcz cccxcv·c. 395. Springwurcz, Springkruid. (Euphorbia characias)

Toτmentilla toτmentill·cccxcvj·c· 396. Dormentill. Tormentil. (Potentilla tormentilla)

Trifolium klee am·cccxcvij·ca· 397. Klee. Klaver. (Trifolium pratense)

Trifolium acutum scharpff klee an dem·cccxcviij·capitel. 398. Scharpf kle. Scherpe klaver. (Psoralea bituminosa)

Tanacetum reÿnfare an dem·cccxcix·capitel. 399. Reynfar. Reinvaren. (Tanacetum vulgare)

Terτa sigillata am·cccc·cap· 400. Terra sigillata. Gezegelde aarde.

Tapsia ein wurczel also genant an dem·ccccj·capitel. 401. Ein wurczel also genant. Thapsia. (Thapsia garganica)

Tamarindi frucht also genant an dem·ccccij·capitel. 402. Frucht also genant. Tamarind. (Tamarindus indica)

Teremabin honig dauwe an dem cccciij·capitel. 403. Honigtaw. Honingdauw. (Alhagi maurorum)

Turbit ein wurczel als genant an dem·cccciiij·capitel. 404. Ein wurczeln also genant. Turbith. (Operculina turpethum, vroeger heette het Ipomoea turpethum)

Terbentina terpentin·ccccv·ca· 405. Terpentin. Terpentijn. (Pistacia terebinthus)

Tartarus weinstein·ccccvj·cap· 406. Weynsteen. Wijnsteen.

Tamariscus ein baum also genant an dem·ccccvij·ca· 407.Eein baum also genant. Tamarix. (Tamarix cv., Myricaria germanica)

Tribuli marini môτe disteln an dem·ccccviij·capitel. 408. Mer disteln. Waternoten. (Trapa natans)

Tucia ein stein also genant an dem·ccccix·capitel. 409. Ein sceyn also genant. Thucia.

U. V.

Uτtica nesseln an dem·ccccx·ca. 410. Neszeln. Brandnetels. (Urtica dioica)

Uτtica moτtua todt nesseln an dem·ccccxj·capitel. 411. Todt neszeln. Dove netels. (Lamium cv.)

Verbena eÿsen krautte an dem ccccxij·capitel. 412. Yszern kraut. Ijzerkruid. (Verbena officinalis)

Viola feyeln an dem·ccccxiij·cap. 413. Feyeln. Viloen. (Viola en andere ‘violen’)

Virga pastoτis karten die dÿe weber bτauchen am·ccccxiiij·ca· 414. Karten die die weber bτauchen zů dem wüllen tůch. Weverskaarde. (Dipsacus fullonum)

Valeriana baldτian·ccccxv·ca· 415. Baldrian. Valeriaan. (Valeriana phu)

Vitis weinreben am·ccccxvj·ca. 416. Weinreben. Druiven. (Vitis vinifera)

Vermicularis maueτ pfefer an dem·ccccxvij·capitel. 417. Mauerpffeffer. Muurpeper. (Sedum acre)

Vulgago erde apfel an dem·ccccxviij·capitel. 418. Erde epfel. Varkensbrood. (Cyclamen hederifolium)

Uva versa doτwurcz·ccccxix·ca. 419. Dolwurcz. Dolkruid. (Atropa bella donna)

Ungula caballina bτant latich an dem·ccccxx·capitel· 420. Bτant lattich. Klein hoefblad. (Tussilago farfara)

Uibex berck an dem·ccccxxj·cap· 421. Birck. Berk. (Betula alba)

Usnea maiþ an dem·ccccxxij·ca· 422. Maisz. Boommos. (Usnea)

Vitriolum vitril am·ccccxxiij·ca· 423. Victril. Vitriool.

Volubilis media winde an dem ccccxxiiij·capitel. 424. Wynde. Winde. (Calystegia sepium)

Viticella wilder zÿtwan oder stickwurcz am·ccccxxv·capitel. 425. Wilder zytwan. Heggerank. (Bryonia dioica)

Vulpis fuchs an dem·ccccxxvj·c· 426. Ein fuchsz. Vos. (Vulpis)

Y.

Ysopus ÿsop am·ccccxxvij·ca· 427. Ysop. Hysop. (Hyssopus officinalis)

Ydτopiter wasser pfeffez am ccccxxviij·capitel. 428. Waterpeper. (Persicaria hydropiper)

Ÿringus krauþs distel an dem ccccxxix·capitel. 429. Krausz dystel. Kruisdistel. (Eryngium campestre)

Ÿpericon sant Johans krautte an dem·ccccxxx·capitel. 430. Sant Johanns kruid. (Hypericum perforatum)

Ÿnguirialis steren krautt oder krotten kraut am·ccccxxxj·cap· 431. Stern kraut oder krotenkraut. Aster. (Aster amellus)

Ÿacea freÿschem kraut an dem ccccxxxij·capitel. 432. Freyschem kraut. Viool. (Viola tricolor)

Z.

Zeduaria zÿtwan an dem·ccccxxxiij·capitel. 433. Zzytwan. Zedoar. (Curcuma zedoaria)

Zinziber ÿngwer an dem·ccccxxxiiij·capitel. 434. Ygwer. Gember. (Zingiber officinale)

Zucarum zucker am·ccccxxxv·ca· 435. Zucker. Suiker. (Saccharum officinarum)

436. Register van de Duitse namen alfabetisch.

437. Register van de werking van planten, stenen en dieren.

438. Kleuren van de urine.

439. Register van ziektes en alle gebruiken.

440. Index van namen op alfabet.

(Gedzuckt und volendet diser Herbarius durch Hannsen schônsperger in der Keÿserlichen statt zů Augspurg an der mittwochen nach dem weÿssen suntag·Anno·M·cccc·und·in dem lxxxvij·jare. Gedrukt en voleindigd deze herbarius door Hannsen Schônsperger in de keizerlijke stad te Augsburg aan de midweek na de witte zondag Anno 1400 en in het 82ste jaar.







Zie verder; 

https://Volkoomen.nl